«nc^?rr»gt;,Tt,JV wtJ' aa*a*#WW
415
sf
/J
7^
GEüCilSC. DE^IS
t,-AN MKT
BBITSCntl
VA^VCMEE
: ::NI6INSS VEZEN
BOOR
ISDNIEY 1:.BB
j':
Av
nr-Trrtr 'n'quot;- -'â â â quot;â¢rtftr-*T',quot;T|11 iinrtrtutioarvtuux'K
Vak 99
|| iriquot;t-fâ »vi gt;
v V-VMUCIUU U4*
*gt;oo«rv»wMkori»wv«*fMw»'gt;f
'⢠' ' gt;'â ' â ; . â . . ' » ⢠1
!
t' -
t^j
! V ' . ' f â 'r ⢠â¢'''
... 1-.:\
A â .i s
I..-.
'ff1
® '.v k ^ '
.
I
|
-v. ⢠/ â ;
⢠. ' ⢠1 ' -v : '4
]
__A
:t'::
hmmhi
amp;
â â â . ⢠. , â ⢠â â ,
â :
.....
!
â
â ' *'' â ' â
â
.......
â
fiMs' â 'â â â â 'â â â¢' â â â
ilfifilt;iii|i|iiH
â
â
.
I
I
,?f:
I
i 1
I
i
Voor de Arbeiders van Nederland,
als aansporing tot organisatie, heb ik dit boek vertaald. henri polak.
VOORBERICHT
Het is niet onze bedoeling den lezer op te houden met een conventioneele inleiding. Men weet het: de inleiding wordt eerst geschreven als het verhaal geëindigd is; en dit verhaal zal niet eindigen in onzen tijd, noch in den tijd van vele geslachten na ons. Een enkel woord nopens onze wijze van werken en hare resultaten, is alles dat wij behoeven te zeggen, alvorens tot onze hoofdzaak over te gaan.
Hoewel wij de bestudeering van het Vakvereenigings-wezen ondernamen, niet om eene door ons vooropgestelde stelling te bewijzen, doch om te ontdekken welke problemen het ons kon aanbieden, was het onderwerp ons niet zoo vreemd, dat wij niet vooraf eenig begrip hadden van den aard dezer vraagstukken. Wij dachten dat zij bijna zeker van economischen aard moesten zijn en bezittende eene gemeenschappelijke economische moraal; en deze verwachting schijnt ons nog zóó natuurlijk toe, dat wij hare vervulling, indien zij vervuld ware geworden, zonder commentaar zouden aanvaard hebben. Maar het was niet zoo. Onze onderzoekingen waren nauwelijks ter dege begonnen, of wij begonnen in te zien dat de uitwerkingen van het Vakvereenigingswezen op de arbeidstoestanden en op de industriëele organisatie en ontwikkeling, zoodanig beheerscht worden door de eindelooze technische variaties van onze voortbrengingsprocessen, dat zij verschillen van industrie tot industrie en zelfs van vak tot vak; en met hen varieert de economische moraal. Waar wij verwachtten een economischen draad te vinden voor eene verhandeling, vonden wij een spinneweb; en vanaf dat oogenblik zagen wij in, dat wat wij in de eerste plaats te schrijven hadden niet was eene verhandeling, doch eene geschiedenis. En wij zagen dat zelfs eene geschiedenis onmogelijk te volgen zou zijn, tenzij wij de algemeene geschiedenis der geheele beweging scheidden van de bijzondere geschiedenissen van duizenden vak-vereenigingen, waarvan sommige vanaf de vorige eeuw voortdurend bestaan zijn gebleven, terwijl andere verrezen, een korte levensloop leefden en verdwenen. Toen wij aldus onzen arbeid van het onderzoeken der archieven van feitelijk elke belangrijke Vakvereeniging van het eene einde des rijks tot het andere volbracht, en stapels uittreksels, gerangschikt naar de eindelooze bedrijven en onderdeden van bedrijven, verzameld hadden, zagen wij dat wij voor het eerste werk slechts van een klein gedeelte konden gebruik maken â en wel die welke ons het gewichtigst schenen met betrekking tot
9
de ontwikkeling der algemeene beweging. Vele vermaarde werkstakingen en uitsluitingen, vele belangwekkende vakgeschillen, vele sensatie-processen en enkele woeste uitbarstingen van oproer en misdaad, zoowel als vele drooge zaken nopens bizondere bedrijven, moesten óf geheel uit ons verhaal weggelaten, óf slechts op strikt ondergeschikte wijze aangehaald worden in hunne betrekking tot het Vakvereenigingswezen als geheel. Alle ontledingen van de economische uitwerkingen der Vakvereenigingsactie bewaren wij voor een volgend werk over de Problemen van het Vakvereenigingswezen, voor hetwelk wij meer ontleenen aan de annalen der verschillende vereenigingen. En in dat werk zal de meest-eischende vorscher naar economische moraal meer dan tevreden gesteld worden; want er zullen bijna evenveel economische moralen getrokken, als vereenigingen beschreven worden.
Men zal zien, dat de geschiedenis der algemeene beweging, waartoe wij ons hier bepaald hebben, deel uitmaakt van de politieke geschiedenis van Engeland. Ten spijt van alle pleidooien van moderne geschiedkundigen om minder beschrijvingen der handelingen van regeeringen en meer beschrijvingen van de zeden en gewoonten der geregeerden, blijft het waar dat geschiedenis, hoe zij ook afgewisseld en verlevendigd moge worden met beschrijvingen der zeden en gewoonten van het volk, wil zij geschiedenis blijven, den loop der opeenvolgende organisaties moet volgen. De geschiedenis van een volmaakt-democratischen Staat, moet de geschiedenis van eene regeering en een volk tevens zijn. De geschiedenis van het Vakvereenigingswezen is de geschiedenis van een Staat in onzen Staat, en van een zoo nauwgezet-democratischen, dat het wèl kennen dier geschiedenis is; den Engelschen werkman te kennen, als geen lezer van burgerlijke-geschiedenissen hem kennen kan. Vanaf de eerste jaren der achttiende eeuw tot heden toe, hebben Democratie, Vrijheid van Vereeniging, Laisser-faire, Regeling der Uren en Loonen van den Arbeid, Coöperatieve Productie, Vrijhandel, Bescherming en vele andere onderscheiden en dikwijls tegenstrijdige politieke idealen, van tijd tot tijd op de verbeelding der georganiseerde loonarbeiders beslag gelegd en invloed gehad op den loop der Vakbeweging. En, minstens sinds 1867, waar ook de idealen invloed hebben gehad op het Vakvereenigingswezen, heeft het Vakvereenigingswezen invloed gehad op de politiek. Wij zullen in staat zijn aan te toonen, dat sommige omverwerpingen van onze partij-regeeringen, die het meest verbazing wekten in de midden- en hoogere klassen en waarvoor zij en hunne journalisten en geschiedschrijvers na de gebeurtenis de meest ver-gezochte redenen hebben gegeven, hunne verklaring duidelijk vertoonen aan ieder die weet wat de denkwijze der Vakvereenigingsmannen in die dagen was. Dergelijke betoogen zullen echter louter van bijkomenden
10
aard zijn, daar wij aldoor het Vakvereenigingswezen beschreven om het Vakvereenigingswezen-zelf en niet om de ontelbare lichtscham-pen die het werpt op de politiek. 4gt;
In ons laatste hoofdstuk, dat wij eer als een aanhangsel dan als een deel van den eigenlijken opzet van ons werk behoorden aan te bieden, hebben wij getracht een vogelvlucht-gezicht der hedendaagsche Vakvereenigingswereld te geven, met hare ongelijke verdeeling, hare streng-afgedeelde organisatie en gebrekkige politieke inrichting, hare nieuwe regeerende klasse van vak-ambtenaren â boven alles, haren tegenwoordigen overgangstoestand in middelen, doeleinden en taktiek, ten opzichte der menigte van onopgeloste constitutioneele, economische en politieke vraagstukken, die zich aan haar voordoen.
^ Eenige woorden over den arbeid van het verzamelen
der bouwstoffen voor ons werk, kunnen nuttig zijn voor hen die wellicht later wenschen te oogsten op denzelfden akker. Wegens de afwezigheid eener volledige behandeling van eenige periode der Vakvereenigingsgeschiedenis, hebben wij hoofdzakelijk op onze eigen onderzoekingen moeten vertrouwen. Maar ieder die het onderwerp bestudeert, moet de waarde erkennen van Dk. Brentano'S vruchtbare nasporingen in de geschiedenis der Engelsche arbeidersklasse en van Mr. George Howell's door en door practische uiteenzetting van het Vakvereenigingswezen van zijn school en van zijn tijd. Het belangrijkste gepubliceerde materiaal betreffende ons onderwerp, is wellicht het Report on Trade Societies and Strikes (Rapport nopens de Vakvereenigingen en Werkstakingen) in i860 uitgegeven door de Social Science Association (Vereeniging voor de Sociale Wetenschappen), een beknopte schatkamer van nauwkeurig uitgezochte feiten, dat gunstig afsteekt bij de enorme massa schetsmatige en onbewezen mededeelingen verzameld door de vijf historische officiëele enquêtes naar het Vakvereenigingswezen, tusschen 1824 en 1894. Wij hebben bovendien zeer vele en verscheidene feiten omtrent Vakvereenigingen gevonden in tijdschriften en éendags-brochures, in de verschillende openbare bibliotheken over het geheele land. Teneinde het werk van toekomstige geschiedvorschers te vergemakkelijken, voegen wij bij dit werk een complete lijst van die gepubliceerde bouwstoffen welke wij in de gelegenheid waren te ontdekken. ^ Voor de oudere geschiedenis van werklieden-combinaties moesten wij ons verlaten op de openbare archieven, oude couranten en diverse vlugschriften. Aldus zijn onze beide eerste hoofdstukken gebaseerd op de Jour-
4 égt;
amp; ') De hier bedoelde bibliographic komt in deze vertaling niet voor,
daar zij slechts Engelsche of Latijnsche boeken, enz. bevat en dus voor den Nederlandschen lezer weinig nut heeft. (Vert.) lt;$gt;
I I
nalen van het Huis der Gemeenten, de notulen van den Geheimen Raad (Privy Council), de uitgaven van het Bureau der Archieven (Record Office), de ontelbare folio petities aan het Parlement en oude, de nijverheid betreffende brochures, berustende in het Britsch Museum, de bibliotheek der Guildhall, en op de onschatbare verzameling van economische letterkunde, bijeengebracht door professor H. S. Foxwell, St. John's College, Cambridge. Voor het tijdvak vóór 1835 zijn van het meeste gewicht de vele deelen van bemerkingen in manuscript, couranten-uitknipsels, reglementen, verslagen, brochures, enz. nagelaten door francis place, en nu zich bevindende in het Britsch Museum. Deze unieke verzameling, bijeengebracht door den werkzaamsten politicus van zijn tijd, is onmisbaar, niet alleen voor dengene die de beweging der arbeidende klasse bestudeert, maar voor eiken geschiedschrijver van het Engelsche politieke of sociale leven gedurende de eerste veertig jaren dezer eeuw. ^
A Maar het grootste gedeelte onzer bouwstoffen, en in het
bizonder hetgeen betrekking heeft op deze eeuw, is afkomstig van de Vakvereenigingsmannen zeiven. De kantoren der oudere Vereenigingen bevatten belangwekkende archieven, somtijds teruggaande tot de achttiende eeuw â notulen-boeken waarin geslachten van ijverige, zij het ook ongeletterde secretarissen, de ware geschiedschrijvers eener groote beweging, hun best gedaan hebben om de verrichtingen hunner besturen te vereeuwigen, en jaargangen van Vakvereenigingstijdschriften, geïgnoreerd zelfs door het Britsch Museum, waardoor de plannen en het streven van ijverige arbeiderspolitici en bestuurders, maand na maand zijn geleeraard geworden aan de verspreide afdeelingen hunner organisaties. Bij den'aanvang van ons onderzoek verzekerde men ons, dat wij geen' toegang zouden erlangen tot de geheime geschiedenis van sommige der ouderwetsche vereenigingen. Maar wij ondervonden dat deze algemeene indruk betreffende de strikte achterhoudendheid der Vakvereenigingen, ongegrond is. De secretarissen van oude afdeelingen of eerwaardige plaatselijke vereenigingen hebben voor ons hunne aartsvaderlijke kisten met drie sloten, dateerende van de achttiende eeuw, 't onderst boven gehaald. De overlevende leiders van een vervlogen Vakvereenigingswezen plunderden hunne laden, om ten onzen behoeve te vinden de statuten en notulen hunner lang-vergeten vereenigingen. In menig arbeidersgezin in Londen en Liverpool, Newcastle en Dublin â en vooral in Glasgow en
lt;$gt; ') Place's Letter Books, benevens eene onuitgegeven autobiographic,
door zijne familie bewaard, bevinden zich nu onder berusting van Mr. Graham Wallas, die eene kritische biographic van dezen grooten hervormer bewerkt, welke veel nieuw licht zal werpen op al de sociale en politieke gebeurtenissen der Engelsche geschiedenis tusschen 1798 en 184.0. ^
12
Manchester â hebben de afstammelingen van de oude, vaardige ambachtslieden âgrootvaders leercontract,quot; of âvaders oud diploma,quot; of een verfomvaaid reglement-boekje opgedoken, om het onderzoek van een vreemdeling te bevorderen, in wien zij vaag iemand herkenden die poogde de kronieken hunner klasse te vereeuwigen. Alle documenten zich bevindende in de kantoren der groote Nationale en Graafschappelijke Vereenigingen zijn met de meeste welwillendheid ter onzer beschikking gesteld geworden, vanaf de gedrukte verslagen en reglementen tot de geheime kasstaten en bestuursnotulen-boeken. In één geval slechts heeft een Algemeene Secretaris ons inzage der oude boeken zijner vereeniging geweigerd en dan nog op grond dat hij zelf van plan was hare geschiedenis te schrijven en ons dus als zijne mededingers op letterkundig terrein beschouwde, é-Dit edelmoedig vertrouwen heeft zich trouwens niet bepaald tot de muffe annalen van het verleden. Tijdens de lange verblijven in de verschillende nijverheids-centra, door dit onderzoek van plaatselijke archieven noodzakelijk gemaakt, werd ons de bestudeering der tegenwoordige werking van de hedendaagsche Vakbonden uiterst gemakkelijk gemaakt. Wij hebben de zittingen der Beroepsraden (Trades Councils) der meeste groote steden bijgewoond; wij waren tegenwoordig bij talrijke afdeelings- en ledenvergaderingen over het geheele land; en een onzer heeft zelfs het exceptioneele voorrecht gehad tegenwoordig te mogen zijn bij de geheime beraadslagingen der Besturen van verschillende nationale vereenigingen, alsook bij de speciale vergaderingen van afgevaardigden, bijeengeroepen door de groote federatieve Bonden van Katoenspinners, Katoenwevers en Kolenmijnwerkers, ter beslissing van gewichtige kwesties van taktiek, en evenzoo bij de zesweeksche zitting in 1892, waarin zestig gekozen afgevaardigden der Gemengde Vereeniging van Machinebouwers (Amalgamated Society of Engineers), eene totale verandering brachten in de taktiek en het inwendig beheer dezer wereld-organisatie. 4» Wij hebben ons natuurlijk niet bepaald tot de arbei
ders-zijde der zaak. In bijna elk nijverheids-centrum hebben wij vertegenwoordigende werkgevers in de verschillende industriën uitgezocht. Van dezen hebben wij vele nuttige wenken en kritieken ontvangen. Maar, zooals te verwachten was, de groote industriëelen zijn voor het grootste gedeelte verdiept in de commercieele zijde hunner zaken en zelden nauwkeurig bekend met de détails van de vroegere, en zelfs niet van de hedendaagsche organisatie hunner werklieden. Meer hulp bij onze taak ontvingen wij van de secretarissen der verschillende patroons-vereenigingen. Vooral in havenplaatsen met veel scheepsbouw hebben deze heeren ter onzer beschikking gesteld hunne ervaringen bij de onderhandelingen met de verschillende takken van arbeid, benevens de bizondere
13
statistieken, door hunne vcreenigingen verzameld. Maar van de geheele werkgevende klasse vonden wij in de directeuren en meesterknechten, die dikwijls zelf werklieden geweest waren, de best-ingelichte en scherpzinnigste critici van Vakvereenigings-orga-nisatie en -taktiek. Wij hebben het dikwijls betreurd, dat juist deze klasse voor den onderzoeker van industrieele problemen het moeilijkst te bereiken is, wier leden minst gedagvaard worden als getuigen voor Koninklijke Commissies van Enquête.
De moeilijkheid van in verbalenden vorm te gieten de tallooze détails van de duizende onderscheidene organisaties en van het uit hunne onderscheidene kronieken samenstellen van iets dat gelijkt op eene geschiedenis der algemeene beweging, is, het behoeft nauwelijks gezegd te worden, zeer groot geweest. Wij zijn ons bewust van de tekortkomingen van ons werk, zoowel uit een letterkundig als uit een geschiedkundig oogpunt. Wij zijn in onze taak gesterkt geworden door de overtuiging â die met den voortgang van ons onderzoek sterker werd â dat de archieven der Vakbonden materiaal bevatten, van de grootste waarde voor den toekomstigen geschiedschrijver der industrieele en politieke organisatie, en dat deze archieven snel aan het verdwijnen zijn. Vele der oudere archieven zijn in het bezit van onverantwoordelijke werklieden, die niet het minste besef hebben hunner geschiedkundige waarde. In de groote Vereenigingen is het niet ongewoon slechts één volledig stel statuten, verslagen, circulaires, enz. aan te treffen. Een brand, eene verhuizing naar nieuwe lokalen, of de dood van een ouden secretaris heeft dikwijls het verdwijnen van al wat niet van dagelijkscb kantoorgebruik is ten gevolge. De ijverige onderzoeker of verzamelaar zal de mate van ergernis begrijpen, waarmede wij, bij aankomst in een oud Vakvereenigings-centrum, vernamen, dat de âoude rommelquot; van het kantoor een maand of zes geleden âopgeruimdquot; was geworden. De plaatselijke openbare bibliotheken en zelfs het Rritsch Museum bevatten slechts zelden iets van de oude of nieuwe inwendige Vakvereenigings-annalen. Wij hebben daarom niet alleen verzameld elk Vakvereenigings-document dat wij konden krijgen, maar wij hebben ook lange uittreksels gemaakt uit, en overzichten van de stapels notulen-boeken, verslagen, statuten, circulaires, brochures, arbeiders-couranten, enz. die men ons geleend had. 4
4 Het verzamelen dezer bouwstoffen en zelfs de wijde uitge
strektheid van het onderzoek-zelf, zouden onmogelijk zijn geweest, als wij niet het geluk hadden gehad de hulp te verkrijgen van een voor dien arbeid zeer bevoegd collega. In Mr. F. W. Galton hebben wij een ijverigen helper gevonden, aan wiens onvermoeiden arbeid wij de uitgebreidheid onzer bouwstoffen en statistieken verschuldigd zijn. Zelf een bekwaam ambachtsman, en gedurende
14
eenigen tijd secretaris v.m zijn Vakbond, bracht hij voor die taak niet alleen scherp vernuft en onvermoeiden ijver, doch ook eene persoonlijke bekendheid met de bizonderheden van het leven en de organisatie der Vakvereenigingen, die zijne medewerking van onschatbare waarde deed zijn. In ons laatste hoofdstuk hebben wij eene duidelijke schets van het inwendige leven eener Vakvereeniging, afkomstig van zijn pen, opgenomen. ^ Wij hebben bovendien van alle zijden de hartelijkste
medewerking ondervonden. Indien wij met name wilden noemen allen wien wij dank schuldig zijn, zouden wij een lijst moeten publiceeren van bijna alle Vakvereenigings-ambtenaren in het rijk. Individuëele erkentenis is in hun geval te minder noodig, daar velen hunner onze hooggeschatte persoonlijke vrienden zijn. Onmiddelijk daarna komt onze verplichting aan vele der groote industriëelen, vooral aan Mr. Hugh Bell, van Middlesboro', en Kolonel Dyer, van Elswick, en aan de secretarissen van patroons-vereenigingen, wier tijd vrijelijk ter onzer beschikking werd gesteld. Aan Professor H. S. Foxwell, Mr. Frederic Harrison, Professor E. S. Beesly, Mr. Robert Applegarth en Mr. John Burns M. P. zijn wij bizonderlijk verplicht voor het ons ter leen verstrekken van vele zeldzame brochures en arbeidersbladen, terwijl Mr. John Burnett en Mr. Henry Crompton zoo goed zijn geweest de proeven van een of meer onzer hoofdstukken na te zien en ze door talrijke opmerkingen te verbeteren. En er zijn twee beste kameraden en vrienden aan wier herhaalde revisie van eiken regel van ons handschrift, het werk alles wat het aanletter kundige verdienste moge bezitten, dankt.
4gt; De bibliographic is uit onze bouwstoffen samengesteld
door Mr. R. A. Peddie, aan wien wij, zoowel als aan Miss Appleyard onzen dank betuigen voor de zware taak van het verifieeren van bijna alle citaten.
Sidney Webh. Beatrice Webb.
41 Grosvenor Road, Westminster. April 1894.
HOOFDSTUK I.
De oorsprong van het Vakvereenigingswezen.
Eenc Vakvereeniging, zooals wij de uitdrukking opvatten, is een voortdurend verbond van loonarbeiders, ten doel hebbende hunne arbeidsvoorwaarden te handhaven en te verbeteren. Deze vorm van vereeniging heeft, zooals wij zullen zien, in Engeland bijna twee eeuwen bestaan; en men kan niet aannemen, dat die plotseling ten volle ontwikkeld ontstaan is. Maar hoewel wij de instellingen, die somtijds aangeduid zijn geworden als de voor-loopers van het Vakvereenigingswezen, kortelijk zullen bespreken, zal ons eigenlijk verhaal een aanvang nemen bij het begin der achttiende eeuw, vóór welk tijdstip wij het bestaan in de Britsche Eilanden van iets dat juist in onze definitie past, niet hebben kunnen ontdekken. Hoewel bovendien is opgemerkt geworden dat in de middeleeuwen op het Vasteland van Europa waarschijnlijk gelijksoortige genootschappen bestaan hebben, hebben wij geen reden te veronderstellen dat dergelijke instellingen eenigen invloed hadden op de opkomst en de ontwikkeling der Vakvereenigings-beweging in dit land. Wij achten ons daarom gerechtigd en zijn ook trouwens genoodzaakt, onze geschiedenis uitsluitend te bepalen tot de Vakvereenigingen van het Vereenigde Koninkrijk. égt;
amp; Wij hebben, krachtens onze definitie, van onze geschie
denis opzettelijk uitgesloten elke beschrijving der tallooze gelegenheden waarin handwerkslieden één-dags-combinaties tegen hunne maatschappelijk meerderen hebben gevormd. Werkstakingen zijn zoo oud als de geschiedenis zelve. De vernuftige zoeker naar historische parallellen, kan bijvoorbeeld in de muiterij der Hebreeuwsche steenbakkers in Egypte, in 1490 v. C., tegen den eisch hunner meesters om baksteenen te maken zonder stroo, een merkwaardige voorloopster vinden van de werkstaking der katoenspinners te Stalybridge, in 1892, gericht tegen het hen ter verwerking verstrekken van slecht materiaal. Maar wij kunnen de ontelbare opstanden van onderworpen rassen, de slaven-oproeren, en de opstanden der half-slaafsche boeren, waarvan de annalen der geschiedenis vol zijn, niet ernstig beschouwen als op welke wijze ook overeenkomend met de hedendaagsche Vakvereenigingsbeweging. Deze vormen van den âindustriëelen oorlogquot; vallen buiten ons onderwerp, niet alleen 2 - Sidney Weisi). 17
omat in geen enkel geval blijvende organisaties er het gevolg van waren, maar omdat de âwerkstakersquot; niet waren gehuurde loonarbeiders, pogende te verbeteren de bepalingen van een arbeidscontract, dat zij vrijwillig hadden aangegaan. 4 4 Zoodra wij echter van de annalen der slavernij of van de lijfeigenschap overgaan tot die van de in naam vrije burgerschap der middeleeuwsche stad, betreden wij meer voor bespreking vatbaren bodem. Wij maken geen aanspraak op eene grondige kennis van het leven in de Engelsche steden der middeleeuwen. Maar het is duidelijk dat daar ten allen tijde, nevens den onaf-hankelijken meester-handwerksman, een aantal gehuurde daglooners waren, waarvan men weet dat zij zich nu en dan tegen hunne regeerders en patroons vereenigden. Deze vereenigingen hebben, naar gemeld wordt, somtijds maanden en zelfs jaren bestaan. In 1387 bijvoorbeeld, wordt van de knechten der Londensche marokijnwerkers, toen in opstand tegen de âopzichters van het vak,quot; bericht, dat zij er naar streven eene blijvende broederschap te vormen. ') Negen jaar later verzekeren de zadelmakers-knechten, âYomenquot; geheeten, dat zij âsinds onheuchelijken tijdquot; een broederschap hebben, met eigen kleedij en aangestelde bestuurders. De meesters verklaarden echter, dat het genootschap slechts dertien jaren oud was en tot doel had de loonen te doen stijgen. In 1417 wordt den kleedermakers âknechten en dagloonersquot; te Londen verboden buiten de huizen hunner meesters te wonen, daar zij bijeenkomsten houden en een soort van genootschap gevormd hebben. 8) Deze broederschappen bepaalden zich trouwens niet tot Londen. In 1538 bericht de Bisschop van Ely aan CROMWELL, dat een en twintig schoenmakers-daglooners van Wisbech zijn bijeengekomen op een heuvel buiten de stad en drie hunner gezonden hebben, om alle meester-schoenmakers uit te noodigen met hen te beraadslagen, ten einde eene verhooging hunner loonen door te voeren, dreigende dat âniemand binnen twaalf maanden en een dag in de stad zal komen om voor die loonen te dienen, of wij zullen een arm of een been van hem nemen, tenzij zij een eed willen afleggen, zooals wij gedaan hebben.quot; (âThere shall none come into the town to serve for that wages within a twelve month and a day, but we woll have an harme or a legge of hym, except they woll take an othe as we have doon.quot;) ') 4
4 Uit deze voorbeelden, ontleend aan de totnogtoe uitge-
é ' 4
^ ') Riley's Memorials of London and London life in the Thirteenth,
Fourteenth and Fifteenth Centuries, pag. 542â43.
^ 2) Riley's Memorials, (London, 1888), pag. 495.
:l) Riley's Memorials, pag. 609. Clode's F.arly History of the Merchant Taylors Company, deel I, pag. 63. lt;ggt; 4) Calendars of State Papers: Letters and Papers, Foreign and
18
geven zeer fragmentarische bouwstoffen, valt op te maken dat een vollediger onderzoek der niet-gepubliceerde archieven wellicht eene geheele reeks van daglooners-brocderschappen aan den dag zou brengen en ons in staat zou stellen de juiste samenstelling dezer genootschappen vast te stellen. Het is bijvoorbeeld volstrekt niet duidelijk of de aangehaalde voorbeelden werkstakingen waren, gericht tegen de patroons, of muiterijen tegen de autoriteit van het gilde. Onze indruk is, dat het geval der schoenmakers van Wisbech, en wellicht eenige der andere, het nog niet tot rijpheid gekomen stadium eener Vakvereeniging uitmaken. Op dezen grond veronderstellende dat verder onderzoek zou bewijzen, dat zulke kortstondige vereenigingen van gehuurde ambachtslieden tegen hunne patroons, wezenlijk in duurzame genootschappen van gelijken aard overgingen, zouden wij genoodzaakt zijn onze geschiedenis met de veertiende of vijftiende eeuw te doen aanvangen. Maar na nauwkeurige beschouwing van elk bekend geval van een ambachtslieden-broederschap in Engeland, zijn wij ten volle overtuigd dat er totnogtoe geen bewijs is van het bestaan van eenige duurzame en onafhankelijke combinatie van loonarbeiders tegen hunne patroons gedurende de Middeleeuwen. ^
é- Er zijn eenige andere gevallen, waarin genootschappen,
waarvan somtijds aangenomen wordt dat zij uit ambachtslieden *) samengesteld waren, een duurzaam bestaan bezaten. 4»
4» Maar in al deze gevallen vormde de âBachelors' Com
panyquot;, verondersteld eene daglooners-broederschap te zijn, eene
Domestic, Henry VIII, Vol. XIII, part. I, 1538, No. 1454, pag. 537. Vergelijk de vluchtige combinaties aangehaald door Fagniez, Etudes sur l'industrie et la e/asse industrietle a Paris {Parijs, 1877), pag. 76, 82, enz. lt;$gt;
') professör Ashley heeft aangenomen, dat wij in de maatschap der âBachelorsquot; (Jonge gezellen) of â Yeomen Tailorsquot; (kleermakersknechten) samenhangend met het Lonclensche Gilde der Kooplieden-Kleedermakers (Merchant Tailors' Company) tusschen 1446 en 1661 zien âvoor de eerste maal ontsluierd het bestaan en iets van de samenstelling eener vereeniging van daglooners, die er in slaagde zich gedurende eene langdurige periode staande te houdenquot;. Nauwkeuriger onderzoek der bouwstoffen waaruit professor Ashley zijn levendig beeld dezer veronderstelde daglooners-vereeniging getrokken heeft, doet ons neigen tot de meening dat zij volstrekt niet uit daglooners, doch uit meesters samengesteld was. Dit kan in de eerste plaats afgeleid worden uit het feit dat in de gelederen der veronderstelde daglooners te vinden waren vermogende leiders als Richard Hilles, de vriend van Cranmer en bul-linger, die in 1535 een âBachelor in Budge'quot; (Iemand die het recht had bij openbare feestelijkheden, enz., in pelskleederen gehuld, naar den Lord Mayor te gaan. vert.) der âYeomen Companyquot; werd (Clode, Early History of the Merchant Tailors' Company Vol. II, pag. 64) en Sir Leonard Halliday, later Lord Mayor, die van 1572 tot 1594 in de âBachelors' Companyquot; was, toen âhij gekozen werd tot lid van de hoogere hierarchie der Corporatiequot; (Ibid pag. 237) De âBachelors' Companyquot;, verre van samengesteld te zijn uit behoeftige loonarbeiders, betaalde zelfs het grootste deel van de kosten van den praal-optocht bij het aanvaarden van het burgemeesterschap en had de leiding dezer ver-
19
ondergeschikte afdeeling van het meestersgilde, door welks bestuurders zij beheerd werd. Het is duidelijk, dat genootschappen waarvan de werkgevers de kassen beheerden en de bestuurders benoemden, geenerlei overeenkomst kunnen hebben met moderne vakvereenigingen.
tooning in handen. De âBachelors in Foynesquot; (Deze hebben hetzelfde recht als de âBachelors in Budgequot;, doch droegen mantels van een ander soort bont, VERT.) en die âin Budgequot; worden alle genoemd als deelgenomen hebbende aan de processie in âtabbaarden met fluweel omzoomd en hunne wambuizen, lijfrokken en kamisolen van satijn, damast of taffetasquot; (Ibid, pag. 262â266). En toen de âCompanyquot; in 1609 werd aangeslagen in de belasting ten behoeve der nederzettingen in Ulster, droegen de âBachelorsquot; bijna evenveel bij als de kooplieden (155 p. st. 10 s. van tien leden, tegen 187 p. st. 10 s. van negen leden, Ibid, vol. I, pag. 327â9). Of de âBachelors' Companyquot; ooit een naar verhouding groot getal gehuurde ambachtslieden bevatte, schijnt uiterst twijfelachtig te zijn, hoewel haar doel blijkbaar was het organiseeren van het bedrijf. De leden betaalden, blijkens de verordening van 1613, eene contributie van 2 s. 2 d. (f 1.30. Vert.) per drie maanden âvoor de armen der broederschapquot;. Uit kan gesteld worden tegenover de drie-maandelijksche contributie van 8 d. {/â 0.40. Vert.) per jaar, of 2 d. (/quot;o.io. Vert.) per kwartaal, geheven, ingevolge de verordening van Augustus 1578, van eiken knecht of daglooner, in het bezit van burgerschapsrechten. De kassen der beide Companies werden gescheiden gehouden, maar herhaaldelijk schonken zij elkander over en weer giften, en niet, zooals Professor Ashley beweert, alléén de vertakking aan het hoofdgenootschap. (Ibid, vol. 1, pag. 67â9). Dat de âBachelors' Companyquot; volstrekt niet alleen daglooners omvatte, is zeker. Sir leonard Halliday bijvoorbeeld, werd, na zijn leertijd volbracht te hebben, in April 1564 âFreemanquot; (volslagen burger) en begon onmiddelijk voor eigen rekening zaken te doen, waartoe hij een renteloos voorschot wist te verkrijgen. Toch, hoewel zijne zaken bloeiden, âvinden wij hem in 1572 ingeschreven in de âBachelors' Companyquot;, en het was niet vóór 1594 dat hij tot de eigenlijke âCompanyquot; werd toegelaten. (Ibid, vol. ii, pag. 237). En in de ordinantie van 1507 âvoor al die personen, wien het door den Meester en Gilde-oversten veroorloofd zal zijn huis en winkel open te houdenquot;, wordt bepaald, dat de persoon die een winkel wenscht te openen, niet alleen zijn patent, doch ook voor zijne toetreding tot de âBachelors' Companyquot; en om haar broeder te zijnquot; 3 sh. 4 d. (f 2.â) moet betalen (Clode, Memorials of the Merchant Tailors' Company, pag. 209). Evenmin toonen de voorbeelden van haar optreden, door Prof. Ashley aangevoerd, aan, dat zij, zooals hij schijnt te veronderstellen, de belangen der loonarbeiders, als onderscheiden van die der werkgevers, behartigde. Ue vijandigheid tegenover buitenlanders, het verlangen om contracten voor de levering van kleederen aan het gouvernement machtig te worden en het streven naar een beperking van het aantal leerlingen tot twee per meester, zijn alle te rijmen met de theorie, dat de Bachelors' Company, evenals de moeder-vereeniging, bestond uit meesters, die wellicht iets minder welvarend dan de heerschende kliek, en misschien meer kleermakers waren, dan kleeren- of lakenhandelaars. Ue andere voorbeelden, waaruit de vereenzelviging van Bachelors' Companies met werkliedenver-eenigingen zou moeten blijken, zijn niet overtuigender dan dat van de Merchant Tailors. Uat de âknechtenquot;, gezellen of daglooners in verschillende bedrijven een soort van âaalmoezen-busquot;, of weldadigheidsfonds bezaten, is ongetwijfeld waar; doch dat deze werden aangewend in vak-geschillen, of dat zij onafhankelijk waren van het toezicht der meesters, moet op het oogenblik als hoogst onwaarschijnlijk beschouwd worden. Het sterkste geval van onafhankelijkheid is dat der Oxfordsche cordwainers. (Selections from the Records of the City of Oxford, door William H. Turner, Oxford, 1880). lt;ügt;
20
4gt; De verklaring van den langzamen groei van duurzame
vereeniging onder de gehuurde ambachtslieden is, gelooven wij, te vinden in het uitzicht op economischen vooruitgang, dat de bekwame ambachtslieden nog bezaten. Wij willen niet doelen op het bestaan van eenigen Gouden Tijd waarin elke bekwame werkman zijn eigen meester en het loonstelsel onbekend was. De oudste kronieken der Engelsche steden-geschiedenis bevatten aanduidingen nopens gehuurde ambachtslieden, die niet altijd tevreden waren met hunne loonen. Maar de als leerling aangenomen ambachtsman in de bekwaamheid vereischende ambachten, behoorde, tot betrekkelijk laten datum, tot denzelfden maatschappelijken stand als zijn patroon en was zelfs in den regel de zoon van een meester in hetzelfde of in een gelijksoortig bedrijf. Zoolang het bedrijf hoofdzakelijk werd uitgeoefend door kleine meesters, ieder slechts een of twee knechten in dienst hebbende, kan het diensttijdvak als gehuurd loonarbeider voor een doortastend man in den regel niet grooter dan eenige jaren geweest zijn, en de ijverige leerling kon redelijkerwijze hopen, zoo niet altijd zijns meesters dochter te huwen, dan toch eigen zaken te kunnen beginnen. Aldus zou elke jeugdige organisatie hare oudste en bekwaamste leden verliezen en zich noodzakelijkerwijze moeten bepalen, als het Dag-looners-gild van St. George te Coventry, tot ,,de jonge liedenquot; 1), of als de één-dags-broederschap van kleedermakers-gezellen van 1415â17, tot âeen ras van jeugdigen en tevens onbestendigenquot; 2), uit welks ongeoefende gelederen het moeilijk zou zijn de noodige goede vakvereenigings-leiders te trekken. Daarom zijn wij in staat te begrijpen hoe het komt, dat, terwijl industriëele onderdrukking van alle tijden is, wij eerst dan de overgang van vluchtige combinaties tot blijvende vakvereenigingen zien, als de veranderde industriëele toestanden het vooruitzicht van den gezel om eens zelf meester te worden tot een oneindig klein kansje hebben teruggebracht. Deze gevolgtrekking wordt versterkt door een dergelijk geval in het hedendaagsche Lancashire. De âpiecersquot; (aanknoopers), die de âmulesquot; (spinklossen) bedienen, worden aangenomen en betaald door de eigenlijke katoenspinners, onder wien zij werken. De âbig-piecerquot; (grof-aanknooper) is dikwijls een volwassen man, even bekwaam als de spinner zelf, van wien hij echter een zeer gering loon ontvangt. Maar hoewel nu de katoenbewerkers een merkwaardigen aanleg voor het vakvereeni-gingsleven aan den dag leggen, hebben de pogingen tot het vormen eener onafhankelijke organisatie der âpiecersquot; steeds schip-
') Dugdale's Antiqntities of Warwickshire {1656), pag. 125. 4^ ^ 5) Riley's Memorials, pag. 653 | ClüDE, Early History of Merchant
Tailors' Company, deel I, pag. 63.
21
breuk geleden. De energieke en bekwame âpiecerquot; streeft er steeds naar spinner te worden, meer belang hebbend bij het verminderen dan bij het doen stijgen van de loonen der âpiccersquot;. De leiders van elke opkomende beweging onder de âpiecers'\ moesten haar noodzakelijkerwijze verlaten toen zij zeiven werkgevers werden van de klasse waaruit zij waren voortgekomen. Maar hoewel de ,,piecersquot; in Lancashire er nimmer in slaagden eene onafhankelijke vakver-eeniging te vormen, zijn zij toch niet zonder hunne genootschappen, in welker statuten wij nu en dan aanduidingen kunnen vinden van liet verband tusschen het gilde der meesters en de Bachelors' Company, of een ander ondergeschikt genootschap, waarvan de gezellen wellicht deel uitmaakten. De spinners hebben, uit puur eigenbelang, hun helpers ingedeeld in afzonderlijke vereenigingen. Deze genootschappen, waarvan het lidmaatschap verplichtend is, vormen een ondergeschikt deel der spinners-vakvereeniging, welker bestuurders de contributiën vaststellen en innen, de reglementen redigeeren, de uitkeeringen doen plaats hebben en in alle opzichten de zaken besturen, zonder zelfs in de geringste mate de leden zelf te raadplegen. Het is niet moeilijk te begrijpen, dat de meesters-ambachtslieden, die het bestuur van een middeleeuwsch gilde uitmaakten, op dergelijke wijze de gezellen of mindere vakgenooten indeelden in eene ondergeschikte broederschap, welker drie-maandelijksche contributiën zij bepaalden, welker wardens (bestuurders) of plaatsvervangende wardens zij aanstelden, welker kassen zij beheerden en, in het kort, welker zaken zij geheel controleerden, zonder de gezellen stem in deze aangelegenheden toe te kennen. ') 4 Als een verder bewijs noodig ware dat het 't vooruitzicht
op economische vooruitgang was, hetwelk het tot-stand-komen van blijvende combinaties onder de gehuurde ambachtslieden der middeleeuwen in den weg stond, dan konden wij het feit aanvoeren, dat zekere klassen van geoefende handwerkslieden, die geen kans hadden werkgevers te worden, er in geslaagd schijnen te zijn langlevende combinaties te vormen, die wettelijk onderdrukt moesten worden. De metselaars bijvoorbeeld, hadden reeds lang hun âjaar-lijksche congregaties en op de samenkomsten van hun algemeen kapittel gevormde confederatiesquot; gehad, die in 1425 uitdrukkelijk bij de wet verboden werden.2) En den leidekkers van Worcester werd in 1467 door de overheid dier stad verboden âeen parlementquot; onder hen te vormenquot;. 3) Het lijkt inderdaad waarschijnlijk, dat de metselaars, die van karrewei naar karrewei het land door-
4
4 â¢) Vergelijk: Fagniez, Ãtudes sur 1'industrie et la elasse industriellc
d Paris (Paris 1877) pag. 123.
4 a) 3 Henry VI c. i.; zie ook 34 Edward III c. q. â
4 s) Ordinances of Worcesterquot;, aangehaald in Toulmin Smith's English
Gilds, pag. 399. O
22
zwierven, vereenigd waren, niet in een plaatselijk gilde, doch in een ambachts-broederschap van nationalen omvang. Zulk een genootschap zou, indien verdere onderzoekingen meer licht op zijne samenstelling en wijze van werken werpen, niet onwaarschijnlijk vele punten van overeenkomst blijken bezeten te hebben met de huidige Vereeniging van Metselaars, die in 1832 gesticht werd. Maar, ongelijk aan den werkman in de moderne bouwvakken, diende de metselaar der middeleeuwen niet een aannemer of tusschenpersoon, doch den klant-zelf, die de materialen verschafte, het toezicht op het werk hield en de bekwame ambachtslieden, zoowel als hunne helpers en leerlingen, tegen vaste dagloonen aannam. ') In tegenstelling met de handwerkslieden der steden, bleven de metselaars, leidekkers, enz. vanaf het einde van hun leertijd tot het einde van hun werkmans-leven, in een en dezelfde economische positie, een positie die het midden schijnt gehouden te hebben tusschen die van den meester en den gezel in andere bedrijven. Evenals de dorpstimmerman van den tegen-woordigen tijd, waren zij onafhankelijke voortbrengers, die hun vak geheel zelfstandig uitoefenden en rechtstreeks met den klant in betrekking stonden. Maar, ongelijk aan den typischen meester in andere ambachten, verkochten zij niets dan hun arbeid, niets dan hun eigen arbeid, tegen vaste, gebruikelijke prijzen, en hadden dus niets te maken met het behalen van winst, hetzij op den koop of verkoop van materialen, of op het huren van ondergeschikte arbeiders.2) De levensvatbaarheid hunner combinaties werd dientengevolge niet belemmerd door de invloeden, die, zooals wij hebben aangeduid, in Engeland noodlottig bleken te zijn voor de gelijksoortige pogingen der gehuurde gezellen in de ambachten.
Maar als het voorbeeld van de bouwvakken in de middeleeuwen onze gevolgtrekking nopens de oorzaak van den langzamen groei der combinatie onder de gezellen in andere bedrijven ondersteunt â vragen de âjaarlijksche bijeenkomsten en verzamelingen der metselaarsquot; zelf onze aandacht, als gevallen van vroeg trade unionisme. Van de grondslagen, verrichtigen en ontwikkeling dezer middeleeuwsche genootschappen in de bouwvakken, weten wij ongelukkiglijk niets. Het is merkwaardig, dat, voor zoover ons bekend is, later dan de vijftiende eeuw geen spoor van hun bestaan geworden worden. Gedurende de achttiende eeuw is er, zooals wij
lt;$gt; ') Vergelijk de gelijksoortige gevallen, medegedeeld door Fagniez,
Etudes sur [industrie et la c/asse industrielle a Paris (Paris 1877), pag. 203.
3) Dr. Brentano heeft opgemerkt (pag. 81) dat de groote meerderheid der wettelijke loonbepalingeti in de middeleeuwen betrekking hebben (indien niet op den landbouw) op de bouwvakken; en wellicht waren die, evenals de moderne bepalingen nopens den rijtuighuur, meer gericht op de bescherming der belangen van den klant, dan op die van den kapitalist.
zullen zien, geen gebrek aan gegevens nopens de combinaties van werklieden in bijna elk ambacht. De werkgevers schijnen onafgebroken naar het parlement geloopen te hebben, om te klagen over de wandaden hunner werklieden. Maar van combinaties in de bouwvakken hebben wij, tot aan de allerlaatste jaren der eeuw, nagenoeg geen spoor kunnen vinden. Als wij daarom, ons strikt houdende aan de letter onzer definitie, de metselaars-confederatie beschouwden als een vakbeweging, zouden wij genoodzaakt zijn de bouwvakken te beschouwen als het unieke geval eener nijverheid, die in de vijftiende eeuw eene periode van trade unionisme had, dan verscheidene eeuwen lang verkeerde in een toestand waaronder trade unionisme onmogelijk was, om eindelijk opnieuw over te gaan tot een toestand waarin het vakvereenigingswezen bloeit. Onze eigen indruk is echter, dat de âbijeenkomsten en verzamelingenquot; der metselaars meer beschouwd moeten worden als de embryonaire toestand van een gilde van meesters, dan als een vakvereeniging. Het komt ons voor, dat er een fijn onderscheid bestaat tusschen de economische positie van werklieden die zich rechtstreeks verhuren aan den individueelen consument, en die, welke, als de typische, hedendaagsche vakvereenigingsman, een werkgever dienen, die staat tusschen hen en de eigenlijke consumenten en die hun arbeid huurt, ten einde er de winsten uit te halen, die hem zijn âbestuurdersloonquot; verschaffen. Wij gelooven dat, met de architectonische ontwikkeling van den woningbouw, de bekwamere ambachtslieden meer en meer naar het meesterschap neigden en daarmede de organisaties van zulke ambachtslieden onbewust naar het gewone type van een meestersgilde. ') Onder zulk een industrieel stelsel zouden de gezellen dezelfde vooruitzichten op economischen vooruitgang hebben, als die welke den groei van levensvatbare vereenigingen in de gewone ambachten verhinderden; en in deze omstandigheid ligt misschien de verklaring der opvallende afwezigheid van eenig blijk van trade
') Zulk een meesters-vereeniging zien wij in de metselaars Lodge of Atchison's Haven, die op 27 December 1735 de volgende resolutie aannam; âDe Company of Atchison's Haven, in vergadering bijeen, heeft Andrew Kinghorn schuldig bevonden aan een allerafschuwelijkste misdaad tegen het geheele Steenhouwers-Bedrijf, door zich niet te onderwerpen aan de Company en zijn werk zóó goedkoop aan te nemen, dat niemand er zijn brood aan kan verdienen. Daarom heeft hij zich, door zich niet te onderwerpen, uitgesloten van de gezegde Company en daarom beveelt de Company hierdoor, dat na dezen niemand, noch gezel, noch leerling, zal werken onder gezegden Andrew Kinghorn, op straffe van, als hij, uitgeworpen te worden. Insgelijks als iemand het voorbeeld van gezegden Andrew Kinghorn zal volgen door werk te nemen tegen acht Schotsche ponden per roede, de muren zijnde twintig voet hoog, en met een korting van achttien Schotsche stuivers per voet, dat zij zullen uitgeworpen worden op dezelfde wijzequot;. (Sketch of the Incorporation of Masons door James Cruikshank (Glasgow, 1879), pag. 131â32).
24
unionisme in de bouwvakken tot op het einde der achttiende eeuw. 1) Toen echter de kapitalistische bouwer, of aannemer, den meester-metselaar, meester-stucadoor, enz. begon te verdringen en deze klasse van kleine ondernemers opnieuw plaats moest maken voor een hierarchic van gehuurde arbeiders, begonnen, zooals wij zullen zien, vakvereenigingen, in de moderne beteekenis, te verrijzen.2) ^
Wij hebben ons eenigzins langdurig bezig gehouden met deze kortstondige genootschappen van loonarbeiders en met de gezellen-broederschappen der middeleeuwen, omdat zeer plausiebel kan beweerd worden, dat zij in zekeren zin de voorloopers der vakvereeniging waren. Maar, vreemd genoeg, is het niet in deze instellingen dat men den oorsprong van het vakvereenigingswezen gewoonlijk gezocht heeft. Voor den voorlooper der moderne trade union heeft men zich gewend, niet tot de middeleeuwsche genootschappen van de arbeiders, doch tot die van hunne meesters â dat is: tot de ambachts-gilden. 3) De uiterlijke gelijkenis van de vakvereeniging met het ambachts-gilde had lang de aandacht getrokken, zoowel van vrienden als van vijanden van het vakvereenigingswezen; maar het was de verschijning (in 1870) van PROF.
') Thorold Rogers wijst erop, dat de klokketoren van Mer ton College in 1448â50 gebouwd werd door rechtstreeks in dienst genomen loonarbeiders. Het nieuwe kruismidden werd in het begin van de zeventiende eeuw uitbesteed aan een meester-steenhouwer en een meester-timmerman, maar het schoolbestuur leverde nog zelf de bouwmaterialen. {History of Agriculture and Prices, deel I, pag. 258â60; deel III, 720â-37; deel V, pag. 478, 503, 629).
s) In verband hiermede mogen de Londensche Vletterlieden, die altijd rechtstreeks met hun klanten te doen hadden, genoemd worden; onder hen bestaat de overlevering van sinds 1350 onafgebroken georganiseerd te zijn. Machtiging om het vletterlieden-bedrijf te regelen werd in 1555 wettelijk verleend aan de toen erkende Company van Vletterlieden en Schuitenvoerders op de Theems, welker bestuur van den aanvang af schijnt in handen te zijn geweest van de meester-schuitenvoerders. De Vletterlieden, die geen meesters hadden, waren verplicht vergunning te vragen aan deze Company, en hun huidige vakvereeniging, de Algemeene Vereeniging van Vletterlieden en Schuitenvoerders, werd in 1872 opgericht, met het expresselijk doel eenige vertegenwoordiging der werkende schuitenvoerders in het bestuurscollege der Company te erlangen. Genootschappen van Vletterlieden, met vak-doelein-den, schijnen vóór dien bestaan te hebben in 1789 (een Society of Watermen, te Rotherhithe) en in 1799 (Friendly Society of Water men usually plying at the Hermitage Stairs, in the parish of St. John, Wapping); en Mavhew beschrijft, in 1850, plaatselijke âroeiers-vereenigingenquot; en een Vereeniging tot bescherming van Vletterlieden. {London Labour and the London Poor; London 1SS1).
^ 8) Schanz beweert echter in zijn Zur Geschichte der Deutschcn Gesel-
lenverbande (Leipzig 1877) dat de genootschappen van gezellen, die vóór den Dertigjarigen Oorlog in Duitschland zij aan zij met de ambachts-gilden bloeiden, inderdaad vakvereenigingen waren. â Vergelijk SCHMOLLER's Strassburger Tucker and Webereunft (Straatsburg 1S79).
25
Brentano's uitnemende studie over âDe oorsprong der Trade Unionsquot;, die aan de populaire idee vorm gaf. ')
Zonder in het minst te beweren, dat eenig verband kon bespeurd worden tusschen het middeleeuwsche gilde en de moderne vakvereeniging, duidde Dr. Bkentanü aan dat de eene in zooverre de opvolgster was van het andere, dat beide instellingen opgekomen waren ,,bij het te-niet-gaan van een oud systeem en onder menschen lijdende door deze desorganisatie, teneinde onafhankelijkheid en orde te kunnen handhaven.quot; ~) En toen de Heer George Howell vóór zijn geschiedenis van het vakvereenigingswezen een samenvatting van Dr. Brentano's beschrijving der gilden voegde, werd aangenomen dat de vakvereeniging, op de een of andere ongedefinieerde wijze, inderdaad afstamde van het ambachts-gilde 3).
Wij zijn daarom verplicht van ons thema af te wijken, teneinde het verband tusschen het middeleeuwsche gilde en de moderne vakvereeniging te onderzoeken. Indien kon worden aangetoond dat de vakvereenigingen, hoe dan ook, de afstammelingen der oude gilden zijn, dan zou het natuurlijk de oorsprong dier laatsten zijn, welken wij zouden hebben na te sporen. 4gt;
De beweerde afstamming der vakvereeniging van de middeleeuwsche ambachts-gilden steunt, voor zoover wij hebben kunnen nagaan, op hoegenaamd geen gronden. De historische bewijzen duiden een geheel andere richting aan. In Londen bijvoorbeeld heeft meer dan een vakvereeniging sinds de acht-4 4
lt;$gt; ') Dr. Brentano's opstel was oorspronkelijk een voorwoord bij Toul-
min Smith's English Gilds, in 1870 uitgegeven door de Eany English Text Society. Het werd opnieuw afzonderlijk uitgegeven als The History and Development of Gilds, and the Origin of Trades Unions (London 1870) en het is naar deze uitgave dat wij verwijzen. IJr. Brentano's grooter werk. Die Arbeiter-gilden der Gegemuart (Leipzig 1871â72), bevat ook dit opstel, evenals zijn artikel in de A'orth British Review van October 1870, over âDe groei eener Vakvereenigingquot;. Het is niet meer dan billijk, te erkennen, dat in deze, de knapste studie over de geschiedenis der Engelsche Vakvereenigingen, Dr. Brentano geen voedsel geeft aan het populaire denkbeeld van de wezenlijke afstamming der vakvereenigingen van de gilden. De Cvbden Club Essays (Londen 1872) bevatten een goed artikel over de trade unions, van de hand van den heer Joseph Gostick, waarin beweerd wordt dat deze vereenigingen in Engeland vóór de achttiende eeuw onbekend waren en in geenerlei verband stonden met de gilden.
^ ') Pag. 102. ^
â¢S» 3) De eerste honderd pagina's van George Howell's Conflicts of
Capital and Labour, (Londen, eerste druk 1877, tweede druk 1891) zijn een nauwkeurig-gevolgde samenvatting van Dr. Brentano's opstel, die, dikwijls in dezelfde bewoordingen, verschijnen als van Mr. Howell zelf afkomstig. Maar bij nadere overweging knoopt Dr. brentano in zijn Arbeitergilden der Gegen-wart (deel 1, hoofdst. III, pag. 83) de trade unions, evenals'Schanz, nadrukkelijk vast, niet aan de gilden, doch aan de Gezellen-Broederschappen, die, naar hij zegt, wellicht âonder veranderde omstandigheden zijn herrezen tot nieuwe kracht en nieuw leven, en tot een nieuwe taktiek.quot; ^
20
tiende eeuw een onafgebroken bestaan bewaard. De ambachtsgilden bestaan nog in de gedaante der City Companies, en op geen enkel
punt barer geschiedenis vinden wij de geringste aanwijzing dat ||IHr
onafhankelijke gezellen-vereenigingen zich eruit vertakt hebben.
Tegen de achttiende eeuw hadden de Londensche werklieden elk aandeel verloren, dat zij mogelijk eens in de Companies bezeten hadden, welke grootendeels reeds opgehouden hadden eenig verband te houden met de bedrijven waarvan zij de namen droegen '). Het wordt wel eens beweerd dat de Londensche Companies een uitzon-derings-geschiedenis gehad hebben en dat de gilden in steden waar zij een meer normale ontwikkelingsgang doorliepen, wellicht de oorsprong waren der moderne vakvereeniging. Deze bewerin berust op geen betere gronden dan de andere. Noch in Bristol,
noch in Preston, noch in Newcastle, noch in Glasgow zijn wij erin geslaagd het geringste verband tusschen de langzaam stervende gilden en de opkomende trade unions op te sporen. Zich beroepende op een verhaal van den Heer Frank Hill, verklaarde de
Heer J. m. ludlow te Sheffield eens nadrukkelijk -), dat directe ||||gr
affiliatie bewezen kon worden. Ijverige onderzoekingen naar den aard en de geschiedenis der nog bloeiende Messenmakers Com-
« '
{ â j l'
pany, hebben bewezen dat dit uitsluitend uit meesters bestaand genootschap nimmer eenige der talrijke vakvereenigingen, waarvan Sheffield vol is, oprichtte of deed ontstaan. Blijft over het geval te Dublin, waar eenige der oudere unions zelf beweren van de gilden af te stammen. Doch ook hier blijkt uit nauwkeurige
onderzoekingen niet alleen de afwezigheid van eenige affiliatie of ilii
rechtstreeksche afstamming, doch ook de onmogelijkheid van eenig organisch verband tusschen de uitsluitend Protestandsche gilden,
die niet vóór 1842 afgeschaft werden, en de hoofdzakelijk Roomsch-Katholieke vakvereenigingen, die vele jaren vóór 1842 hun grootsten invloed bereikten 3). Wij beweren zelfs, en met eenig vertrouwen,
dat in geen enkel geval een trade union in het Britsche rijk,
direct of indirect uit een ambachts-gilde ontstond. ^
égt; Het wordt vaak als vaststaand aangenomen, dat de vak- Sm
4 4
') Zoolang de Companies eenige jurisdictie over hunne vakken uitoefenden, vinden wij (als in de gevallen van de Londensche Lijstenmakers en de Zijdewevers van Dublin) dat zij ondersteund werden door de daar bestaande gezellen-combinaties. In uitzonderings-gevallen, zooals bij de Londensche Uorstelmakers, Mandenmakers en Vletterlieden, vinden wij dit verbond tot uitsluiting van âonwettige mannenquot; tot in de negentiende eeuw voortgezet, voor zoover het den Vletterlieden betreft zelfs tot den tegenwoor-digen tijd. lt;$gt;
45gt; s) Macmülan's Magazine, Februari 1861, gebaseerd op het Report ilLyE
on Trade Societies and Strikes, van de Vereeniging voor de Sociale Wetenschap.
:i) Zie het aanhangsel âOver het beweerde verband tusschen de vak- ^i. ' '
vereenigingen en de gilden te Dublinquot; 4
27
;! f
il
vereeniging, welke dan ook haar oorsprong moge geweest zijn, dezelfde elementen vertegenwoordigt en dezelfde rol speelt in het industriëele stelsel der negentiende eeuw, als het ambachtsgilde in de middeleeuwen. Een korte ontleding van hetgeen omtrent de gilden bekend is, zal voldoende zijn om aan te toonen dat deze organisaties, zelfs in de dagen harer volmaakste zuiverheid, wezenlijk verschilden, zoowel in samenstelling als verrichtingen, van de moderne vake ree niging. 4gt;
^ Voor het doel dezer vergelijking zal het niet noodig
zijn de verschillende theoriën van geschiedkundigen betreffende den aard en oorsprong der gilden, te bespreken. Wij kunnen het eenerzijds eens zijn met Dr. BrentANO die beweert dat de vrije handwerkslieden zich vereenigden ten einde de achteruitgang van hun toestand en aanslagen op hunne verdiensten tegen te gaan en om zich te beschermen tegen âmachtsmisbruik van de zijde der heeren van de stad, die poogden de vrijen terug te brengen tot de afhankelijkheid der onvrijenquot;. Anderzijds kunnen wij met Dr. Cunningham 3) gelooven, dat de gilden âin het leven werden geroepen, niet uit vijandigheid tegen de bestaande overheden, maar als nieuwe instellingen, aan welke de burgerlijke overheden of de plaatselijke Gilde-Kooplieden bizondere gedeelten hunner eigen plichten overdroegenquot;, dus ongeveer als een soort van âpolitie-stelselquot; waardoor de gemeenschap op de plaatselijke industriëen in het belang van den verbruiker toezicht hield. Of wij kunnen de het midden houdende theorie van Prof. W. j. ashley 3) aanvaarden, dat de gilden, zelf-besturende vereenigingen van handwerkslieden waren, die de regeling hunner vak-aangelegenheden zelf vaststelden, terwijl de magistratuur of de stedelijke raad de wezenlijke, zij het ook eenigzins vage bevoegdheid had, deze verordeningen in het belang der burgerij goed of af te keuren. Elk dezer drie theoriën wordt gesteund door talrijke voorbeelden, en om nu vast te stellen welke theorie de regel en welke de uitzondering weergeeft, is een statistische kennis der gilden noodig, waarvoor de bouwstoffen nog niet verzameld zijn. Het blijkt nu, dat, als Dr. Cunningham's theorie omtrent de gilden de juiste is, er geen wezenlijke overeenkomst kan zijn tusschen deze half-gemeentelijke lichamen en de hedendaagsche vakver-eenigingen. Dr. Brentano levert echter overvloedige bewijzen dat, althans in sommige gevallen, de gilden optraden, niet met het doel de belangen der verbruikers te behartigen, doch, als de vak-
lt;5gt; ') Gilds and Trade Unions (Londen 1870), pag. 54. 4
lt;5quot; !) History of Industry and Commerce, deel I, pag. 310. In zijn
Gild Merchant is Dr. Gross blijkbaar dezelfde meaning toegedaan. â 3) Zie zijn Introduction to Economic History and Theory, deel I
(1891I, deel II (1893).
28
vereenigingen, ter bevordering van de belangen hunner eigen leden â dat is: van ééne klasse van voortbrengers. Laat ons, voor een oogenbük aannemende dat het ambachts-gilde, als de vakvereeni-ging, of het patroons-verbond, behoorde tot het soort der ,,ver-eeniging van voortbrengersquot;, kortelijk nagaan in hoeverre het gilde gelijk was aan de moderne combinaties van loonarbeiders. ^ De centrale figuur nu van de gilde-organisatie, was in
alle gevallen en in alle perioden harer ontwikkeling, de meester-handwerksman, die de productie-middelen bezat en het product verkocht. De meeningen mogen verschillen omtrent de positie van den gezel in het gilde, of nopens den omvang van den invloed van den dienstarbeid erbuiten. Uiteenloopende opinies mogen gehouden worden betreffende de oprechtheid van de bezorgdheid voor de belangen van den verbruiker, welke het uiterlijke doel is van vele gilde-ordinantiën.
^ Maar door de geheele geschiedenis der gilden heen, was
de meester-ambachtsman, die den arbeid en den verkoop der producten van zijn kleine industriëele groep bestuurde, de feitelijke beheerder van het gilde-stelsel, waarin zijn invloed overheerschend was. ') In één woord: de typische gildebroeder was niet geheel, zelfs niet hoofdzakelijk een handwerker. Van den aanvang af leverde hij niet alleen wat er in zijn bedrijf aan kapitaal noodig was, doch ook die kennis van de markten, zoowel van ruwe grondstoffen als van producten, welke de bizondere eigenschap is van den ondernemer. De economische verrichtingen en het politieke gezag der gilden steunden niet op de beweerde omstandigheid dat de groote massa der handwerkslieden, doch op het feit dat de wezenlijke bestuurders der bedrijven van het tijdstip er deel van uitmaakten. Daarentegen vinden wij in de moderne vakvereenigingen niet eene associatie van ondernemers, die zelf de uitoefening hunner bedrijven besturen en de producten ver-koopen, doch eene combinatie van gehuurde loonarbeiders, arbeidende onder leiding van industriëelen, die buiten de organisatie staan. De scheiding in scherp-omlijnde maatschappelijke klassen van den kapitalist en hersen-arbeider eenerzijds en den handarbeider anderzijds â het treden eener horizontale splitsing der maatschappij in de plaats eener verticale â spot met elke behandeling der trade unions als gelijksoortig aan de ambachtsgilden.
^ ') Dr. Brentano zelf maakt dit duidelijk. âWij moeten niet vergeten,
deze gilden niet waren vereenigingen van arbeiders in de tegenwoordige beteekenis van het woord, doch van personen, die, in het bezit van eenig kapitaal, voor eigen rekening hun ambacht uitoefenden. De strijd der gilden was dientengevolge geen strijd ter verkrijging van politieke gelijkheid voor arbeid en eigendom, maar om de erkenning vnn de politieke gelijkheid van industrieel kapitaal en grondbezit in de steden.quot; (Gilds and Trade Unions, pag. u).
29
Anderzijds zou het even verkeerd zijn het typische ambachts-gilde te beschouwen als de voorlooper van de heden-daagsche patroons-vereeniging of van het kapitalistisch syndicaat, als om met den Heer George Howell te gelooven dat het 't âhistorische prototypequot; der trade 'union was. Dr. Brentano zelf wees nadrukkelijk op het feit (waarop sinds dien door Dr. Cunningham meer bizonder de aandacht gevestigd werd), dat het ambachts-gilde beschouwd werd als de vertegenwoordiger der belangen niet van ééne klasse alleen, doch van de drie onderscheiden en eenigzins vijandige klassen der moderne maatschappij: de kapitalistische ondernemer, de arbeider en de verbruiker in het algemeen. Wij behoeven niet het gezonde van het middel-eeuwsche gebrek aan vertrouwen in ongebreidelde concurrentie, als een waarborg voor de onvervalschtheid en goede kwaliteit der waren, te bespreken. Evenmin bekommeren wij ons om hun meening dat de belangen van alle klassen der gemeenschap dezelfde waren. Het scheen den staatsman, en niet minder het publiek van zelf te spreken, dat aan de voornaamste meester-handwerkslieden der stad opgedragen werd de bevoegdheid en de plicht om toe te zien dat noch zij zelf, noch hunne concurrenten zich veroorloofden den standaard der productie te verlagen. âDe voornaamste grond,quot; zegt de petitie van de Company der Timmerlieden in 1681, âvoor het organiseeren van Ambachten en Nijverheden in onderscheiden Covipanus was : dat alle personen, werkend in zulke bedrijven, zouden gebracht worden onder één gelijkvormig bestuur, beheerd en geregeld door bekwame en ter zake kundige bestuurders, onder zekere reglementen en ordonantiën, ten dien einde vastgesteld.quot; ^ De hoofdleiders van het gilde werden feitelijk gemeentelijke ambtenaren, belast met de bescherming van het publiek tegen vervalsching en bedrog. Als wij ons dan ook herinneren, dat het ambachts-gilde, zooals aangenomen wordt, niet alleen alle soorten van voortbrengers in een zekere nijverheid vertegenwoordigde, maar óók de verbruikers van het product en de gemeenschap in het algemeen, dan blijkt ten duidelijkste de onmogelijkheid om in de moderne maatschappij één enkele erfgenaam zijner veelvuldige en uiteenloopende verrichtingen te vinden. De bevoegdheden en plichten der middeleeuwsche gilden zijn verbrokkeld en verspreid geworden. De vereeniging tot ouderlingen bijstand en de vakvereeniging, het kapitalistische syndicaat en de patroons-organisatie, de fabrieks-inspecteur en de armenbezoeker, de inspecteur van het schoolbezoek en de ambtenaren die
waken tegen vervalschingen en die toezicht houden op onze maten amp; amp;
amp; ') Jupp's History oj the Carpenters' Company, pag. 313 (Londen,
tweede druk, 1848).
SO
en gewichten â al deze personen en instellingen kunnen met evenveel recht aangewezen worden als de opvolgers der ambachts-gilden. ') Hoewel er een daadwerkelijk verschil bestaat in de samenstelling der beide organisaties, kan toch de populaire theorie hunner gelijkenis gemakkelijk verklaard worden. Ten eerste zijn daar de door Dr. Bkentano ontdekte eigenaardige overeenkomstigheden: de bepalingen omtrent de toelating, de kist met haar drie sloten, de titels der bestuurders, enz. Maar die vindt men in vereenigingen van allerlei soort in Engeland. De vak-organisaties deelen ze met de lokale vereenigingen tot onderling hulpbetoon, of âziekenpotjesquot;, die sinds twee eeuwen overal in Engeland bestaan. Of deze ken-teekenen nu oorspronkelijk aan de ambachts-gilden ontleend waren, of niet â dat is zeker, dat de eerste trade unions ze in verreweg de meeste gevallen overnamen, niet van de tradities van de een of andere vijftiende-eeuwsche organisatie, doch van de bestaande vereeniginkjes tot onderling hulpbetoon. In sommige gevallen kan de oorsprong dezer gebruiken en plichtplegingen met evenveel recht toegeschreven worden aan de mystieke ceremoniën der Vrijmetselarij, als aan de ordinantiën der ambachts-gilden. De fantastische ceremoniën, eigen aan het trade unionisme van 1829-34, dat wij in een volgend hoofdstuk zullen beschrijven, waren, zooals wij zullen zien, ontleend aan de ceremoniën der Friendly Society of Oddfellows. -) Men heeft ons echter medegedeeld dat deze code sporen vertoonde van de onbeholpen copie te zijn eener magonieke rituaal. In onzen tijd zelfs waren de Free Colliers of Scotland (Vrije Kolenmijnwerkers van Schotland) â een der eerste pogingen in de richting eener nationale mijnwerkers-federatie â georganiseerd in âLogesquot; onder een âGrootmeesterquot;, met veel van de terminologie en eenige der eigenaardige gebruiken der Vrijmetselarij. Toch zou niemand willen beweren dat er eene wezenlijke gelijkenis bestaat tusschen het dorps-ziekenfonds en de vakvereeniging, noch minder tusschen Vrijmetselarij en Trade Unionisme. De eenige trek die allen gemeen hebben, is de geest van aaneensluiting, die zich hult in min of meer op elkander gelijkende pittoreske plichtplegingen. 4gt; 4gt; Maar andere punten van overeenkomst van het gilde en
de vakvereeniging, door Dr. Brentano aan den dag gebracht, 4 '4
«S1 ') âDe hedendaagsche vakvereeniging wordt vaak de atstammeling in
de rechte lijn van de oude ambachts-gilden genoemd. Er bestaat echter geen direct en geen indirect verband tusschen de oude en de moderne vormen van vak-organisatie. Buiten de omstandigheid dat beide ten doel hebben het vaststellen van zekere vak-bepalingen en het voorzien in zekere gelijksoortige uitkeeringen, hadden zij niets met elkander gemeen.quot; (Trade Unions as a Means of Improving the Conditions of Labour, door den Heer john burnett; verschenen in The Claims of Labonr, Edinburgh 1866).
2) Een wijd-vertakte organisatie tot onderling hulpbetoon, die sinds eenige jaren ook hier in Nederland, speciaal te Amsterdam, afdeelingen heeft. Vert.
31
zijn belangrijker. Het streven der vakvereeniging is hoofdzakelijk gericht op de handhaving van den levensstandaard â dat wil zeggen; het georganiseerde verweer tegen eiken maatregel die mogelijk zou kunnen leiden tot verlaging der loonarbeiders als klasse. Dat eenige sociale organisatie tot handhaving van den levensstandaard noodig was, was een hoofdbeginsel van het ambachts-gilde, eigenlijk wel der geheele middeleeuwsche orde. âOnze voorvaderenquot;, schreef KEIZER SlülSMUND in 1434, ,,zijn geen dwazen geweest. De ambachten hebben ten doel, dat door middel hunner beoefening ieder zijn dagelijksch brood zal verdienen en dat niemand zich zal bemoeien met het vak van anderen. Daardoor wordt de wereld verlost van hare ellende en zal een elk een bestaan kunnen vinden.quot; l) Maar in dit opzicht gelijkt de vakvereeniging niet zoozeer op het ambachtsgilde, als wel dat zij ongeschonden bewaart wat eens het erkende beginsel der middeleeuwsche samenleving was, waarvan de gilde-politiek slechts een uiting was. In ons historisch overzicht der vakvereenigings-beweging wenschen wij ons niet te begeven op het terrein van de diepgaande strijdvraag omtrent de politieke waardij, óf van de middeleeuwsche theorie der gedwongen handhaving van den levensstandaard, óf van de gelijkvormige moderne middelen, als het georganiseerd onderhandelen eener- en arbeids-wetgeving anderzijds. Evenmin wenschen wij te beweren, dat de middeleeuwsche theorie te eeniger tijd zoo effectief en te goeder trouw in praktijk werd gebracht, dat eiken arbeider metterdaad een voldoend bestaan verzekerd was. Wij hebben alleen te maken met het historische feit, dat, zooals wij 'zullen zien, de handwerkslieden der achttiende eeuw die wettelijke of gebruikelijke regelingen van hun ambacht trachtten te bestendigen, welke, zooals zij geloofden, hunne belangen beschermden. Toen deze regelingen inonbruik geraakten, sloten de werklieden zich aaneen, om ze weder van kracht te doen worden. Toen wettelijke hulp geweigerd was, namen de arbeiders in vele gevallen zelf de zaak ter hand en poogden door vakvereenigings-bepalingen te handhaven, wat eenmaal door de wet voorgeschreven was. In dat opzicht, en feitelijk in dat opzicht alléén, vinden wij eenig spoor van het gilde in de vakvereeniging. 4gt; Wenden wij ons nu van den veronderstelden oorsprong
van het vakvereenigingswezen, tot de geboekstaafde feiten. Noch in de tallooze vak-geschriften en strooibilletten dier dagen, noch in de verslagen van het Lagerhuis, hebben wij eenig blijk kunnen vinden van het bestaan, vóór 1700, 2) van voortdurende genoot-
4
') Goldasti's Constitutiones Imperiales, deel IV, pag. 189, geciteerd door Dr. Brentano, pag. 60.
') Het is niet meer dan billijk, hier melding te maken van The Case and Proposals of Hie Free Journeymen Printers in and about London j666, (Het Pleidooi en de Voorstellen der Vrije Drukkersgezellen in en om Londen).
32
schappen van loonarbeiders, tot het handhaven of verbeteren hunner arbeidsvoorwaarden. En als wij ons herinneren, dat gedurende de laatste tientallen jaren der zeventiende eeuw, de werkgevers, en in het bizonder de industriëele companies of corporaties, het Lagerhuis met verzoekschriften en mcmoriën omtrent alle denkbare grieven, hun bizonder bedrijf betreffende, overstelpten, dan kan toch wel uit de afwezigheid van klachten over werklieden-genootschappen afgeleid worden, dat zulke genootschappen niet bestonden. ') In de eerste jaren der achttiende eeuw treffen wij eenige op zichzelf staande klachten aan over combinaties, âin den laatsten tijd gevormdquot; door geschoolde werklieden in zekere vakken. In den loop der eeuw nemen wij de geleidelijke toename dezer klachten waar, en daartegenover contra-beschuldigingen, geuit door georga-
waarin zij zich beklagen over de toename van het aantal leerlingen en het veelvuldig voorkomen van halfwassen â grieven die tot op den huidigen dag alle typografen-vereenigingen gekweld hebben. Deze petitie, die in het liritsch Museum bewaard wordt, is afgedrukt in Dr. Brentano'S Gilds and Trade Unions, pag. 97. Maar tot een honderdtal jaren na hare dagteekening is er toch geen blijk van eenige duurzame combinatie van boekdrukkers-gezellen. Benjamin Franklin, die in 1725 in Londen werkte, maakt geen melding van vakvereenigingen. Een geschrift van 1669 bevat iets dat op het eerste gezicht gewag schijnt te maken van trade unionisme: âDe algemeene samenzwering onder handwerkslieden en arbeiders is zoo klaarblijkelijk, dat in de laatste vijf-en-twintig jaren de loonen van schrijnwerkers, metselaars, timmerlieden enz., gestegen zijn â ik bedoel binnen 40 mijlen van Londen (tegen alle rede en goed bestuur) â van achttien en twintig stuivers per dag tot dertig en zes-en-dertig, en die van gewone arbeiders van 10 en 12 stuivers per dag tot 16 en 20, en dat niet alleen sinds den verschrikkelijken brand te Londen, maar reeds eenigen tijd vroeger. Een schoenmakersgezel ontvangt nu in Londen (en in de provincie naar verhouding) 14 stuivers voor het maken van hetzelfde paar schoenen, dat hij in de laatste 12 jaren voor 10 stuivers maakte.... En deze stijging der loonen is bij ons niet veroorzaakt geworden door levendigheid van den handel en gebrek aan werkkrachten (zooals sommigen schijnen te meenen), hetgeen inderdaad billijke redenen zouden zijn, doch door een streven naar afpersing en booze neigingen onder ons volk (als onze sloeproeiers te Gravesend, die door middel van tijdelijke en lage voorwendsels betreffende den jongsten oorlog met Holland, den overzetprijs hebben verhoogd tot het dubbele van hetgeen hij was en, de smaak daarvan beet hebbende, nog op die hoogte houden), opdat zij des te beter boven hun stand kunnen leven en zooveel minder dagen kunnen werken zooveel meer zij aan loon kunnen afpersen.quot; (Usury at Six Per Cent, Examined by Thomas Manley, London 1669). Uit deze eenige en dubbelzinnige passage kunnen wij echter niets meer opmaken dan de mogelijkheid van kortstondige combinaties. Het is veelbeteekenend, dat Defoe, bij zijn omstandige beschrijving der Engelsche nijverheid in 1724, geen gewag maakt van eenige combinatie van werklieden. â $gt;
4 â¢) In een uitmuntend geschrift van het jaar 1681, getiteld The Trade
of England Revived (Engeland's Handel Herleefd), wordt gezegd, dat âwij ons Engelsch laken niet zoo goedkoop kunnen maken als in andere landen geschiedt, wegens de vreemdsoortige luiheid en koppigheid onzer armen,quot; die bovenmatige loonen eischen. Maar de auteur schrijft dezen stand van zaken niet toe aan het bestaan van combinaties, waarvan hij nooit schijnt gehoord te hebben, maar aan de Armenwet en aan den invloed van liefdegiften.
3 - Sidney Weuu. 33
.-vvMrMwwkvrt!#!
niseerde werklieden-groepen. Vanaf het midden der eeuw zijn de journalen van het Lagerhuis vol van petities en contra-petities, waaruit het bestaan van gezellen-vereenigingen in de meeste ambachten blijkt. En ten slotte kunnen wij de uitgebreidheid der beweging afleiden uit de voortdurende toename van de wetten tegen de vereenigingen in bepaalde bedrijven, die haar hoogtepunt bereikten in de alles-omvattende wet van 1799, die alle combinaties, van welken aard ook, verbood.
Als wij de blijken van den opkomst van vereenigingen in bepaalde bedrijven beschouwen, zien wij de Vakvereeniging ontstaan, niet uit eenige bepaalde instelling, doch uit elke gelegenheid tot aaneensluiting der loonarbeiders in eenzelfde vak. Adam SMITH merkte op, dat âlieden in eenzelfde vak zelden bijeen komen, zelfs niet voor genoegen en afleiding, of het gesprek eindigt in een samenzwering tegen het publiek, of in een kunstgreep tot het opdrijven van prijzen.quot; ^ En er zijn zelfs bewijzen van het ontstaan van een der oudste der bestaande vakvereenigingen uit een bijeenkomst van werklieden âom samen een vriendschappelijk potje bier te drinken.quot; 3) Vaker is het een wanordelijke staking, waaruit een blijvende organisatie groeit. Elders komen, zooals wij zullen zien, de werklieden bijeen om een petitie tot het Lagerhuis te richten, en komen dan van tijd tot tijd opnieuw bijeen, om hun agitatie ten gunste van de wettelijke vaststelling van de een of andere nieuwe regeling, of het krachtig toepassen eener bestaande wet, voort te zetten. In andere gevallen zien wij de werklieden in een bepaald bedrijf zekere herbergen bezoeken, waar zij hooren van vacante betrekkingen, en de plaats van bijeenkomst wordt aldus de kern
4}gt; ') Wealth 0/ Nations (Rijkdom der Natiën) boek i, hoofdst. X,
pag. 59 van Mc clilloch's uitgave van 1863. In de beschrijving van een werkman (gedateerd 1809), van de bijeenkomsten der wevers van Paisley, zien wij de Vakvereeniging in de maak. âDe werklieden van Paisley zijn van een vrijmoedige, mededeelzame geaardheid. Zij houden ervan elkander in te lichten omtrent alles wat het vak betreft en ten einde gemeenschappelijke inlichtingen te verkrijgen, zijn zij sinds een reeks van jaren op vriendschappelijke wijze
bijeengekomen in vereenigingen, clubs genaamd..... In deze bijeenkomsten
wordt het eerste uur besteed aan het luide voorlezen der dagbladen.....Om
negen uur verzoekt de voorzitter stilte; dan wordt het verslag van den toestand van het vak uitgebracht. De voorzitter deelt eerst mede wat hij weet, of wat hij gehoord heeft over deze of gene fabrikant of fabrikanten, die werklieden wenschen in dienst te nemen voor dit of dat weefsel, of weefsels; eveneens den prijs, het nummer van het garen, enz. Dan doen allen, op de rei af, hunne mededeelingen; en aldus is binnen het uur niet alleen de toestand van het vak bekend, doch tevens elk geschil dat plaats heeft gegrepen tusschen fabrikanten en werklieden.quot; (An Ansrvcr to Mr. Carlilc's Sketches of Paisley, door William Taylor, Paisley, 1809, pag. 15â17). quot;
'2) Zie dunning's verhaal van het ontstaan der Vereenigde Boek-binders-Societeit, in het Report on Trade Societies van de Vereeniging voor de Sociale Wetenschap, i860, pag. 93. ^
34
|!pMPPPHMii4Ppnnii||p*
yMiS3mi.i»ii«iii«iiHw
â ééééi
ecner organisatie. Of wij bemerken hoe de werklieden in zeker vak verklaren dat âhet in het Koninkrijk van Groot-Brittanie een oud gebruik is geweest, dat verschillende handwerkslieden bijeenkomen en zich vereenigen in vereenigingen tot bevordering van Vriendschap en oprechte Christelijke Weldadigheid,quot; en een zieken- en begrafenis-club stichten, die er steeds toe overgaat de door de werkgevers aangeboden loonen te bespreken en ongemerkt overgaat in een vakvereeniging, waaraan allerlei uitkeeringen verbonden zijn. ^ En als het vak van dien aard is, dat de werklieden vaak reizen om werk te zoeken, bemerken wij de langzame volmaking van systematische maatregelen tot ondersteuning dier reizende gezellen door hunne medewerklieden in elke stad die zij doortrekken, en den onvermijdelijken overgang van dit vèr-strekkende reizigers-genootschap in een nationalen vakbond. -) 4 4
') Articles of Agreement made and conjinned by a Society of Taylors, begun March 2S, 1760 (Overeenkomst gesloten en bekrachtigd door een Ver-eeniging van Kleermakers, opgericht 25 Maart 1760 (Londen 1812). Plaatselijke vereenigingen tot onderling hulpbetoon, die ziekengeld en begrafenis-kosten uitkeerden, waren in den loop der achttiende eeuw over geheel Engeland ontstaan. Tegen haar einde schijnt het aantal dier vereenigingen snel te hebben toegenomen, totdat, zeker in sommige streken, elk dorpsbierhuis een middelpunt van een of meer dezer bescheiden en spontane organisaties werd. De reglementen van meer dan honderd dezer vereenigingen, van de jaren tussehen 1750 en 1820, en alle uit de buurt van Newcastle-on-Tyne, worden in het Uritsch Museum bewaard. In 1794 namen zes en vijftig dier clubs aan den jaarlijkschen ommegang te Nottingham deel (Nottingham Journal, 14 juni 1794). Zoolang zij samengesteld waren uit dooreengemengde lieden van allerlei vakken, is het waarschijnlijk dat geen eigenlijk optreden als vakvereeniging nit hare bijeenkomsten kon voortkomen. Maar in sommige gevallen en om onderscheidene redenen, zooals: hooge contributiën, de gewoonte van plaats tot plaats te trekken, of het gevaarlijke van het beroep, bepaalde de zieken- en begrafenis-club zich tot de lieden uit eenzelfde vak. Deze soort van vereenigingen tot hulpbetoon werden bijna onvermijdelijk vakvereenigingen. Sommige vereenigingen van deze type kunnen hun bestaan bijna anderhalve eeuw aantoonen. Zoo hebben bijvoorbeeld de kuipers te Glasgow, sinds 1752 een plaatselijke vak-hulpbetoon-vereeniging gehad, uitsluitend bestaande uit kuipersgezellen. amp;
De liegrafenis-Vereeniging van Londensche Zeilmakers dagteekent van 1740. De schoenmakers van Newcastle stichtten reeds in 1719 een dergelijke vereeniging (Obsenutlions upon tiie Report from the Select Committee of the House of Commons on the laws respecting Friendly Societies â Beschouwingen over het Rapport der Parlementaire Commissie in zake de wetten op de Vereenigingen tot Onderling Hulpbetoon) door den Eerw. j. quot;1quot;. liKCHER, Domheer van Southwell, 1826 . In geval van geschillen met de werkgevers, werden de kassen dier vereenigingen, zooals deze ooggetuige in een ander geschrift betreurt âook al te vaak aangewend als middelen tot misbruik, door het betalen van wekelijksche bedragen aan werkelooze handwerkslieden, en werden daardoor combinaties van werklieden aangemoedigd, die niet minder nadeelig zijn voor de misleide leden als voor het Openbaar Welzijn.quot; (Observations on the Rise and Progress of Friendly Societies â Beschouwingen over het Ontstaan en den Vooruitgang van Vereenigingen tot Onderling Hulpbetoon â 1824, pag. 55K
2) schanz (Cesellenverbdnde, pag. 25) volgt Bricntano (pag. 94) na,
35
^ Dat zijn echter alle slechts gelegenheden tot het bijeenkomen van gezellen in eenzelfde vak. Zij verklaren niet het stichten van blijvende organisaties van loonarbeiders in de achttiende liever dan in de vijftiende of zeventiende eeuwen. De eigenlijke oorzaak van den groei van duurzame organisaties van loonarbeiders moet liggen in iets dat die eeuw in het bizonder eigen was. Deze hoofdvoorwaarde voor het vakvereenigingswezen ontdekken wij in de economische revolutie, die sommige industriën doorliepen. In alle gevallen waarin vakvereenigingen ontstonden, had de groote massa der werkers opgehouden onafhankelijke voortbrengers te zijn, die zelf het voortbrengings-proces bestuurden en de eigenaars waren der grondstoffen en van het product van hunnen arbeid, en waren overgegaan tot den toestand van levenslange loonarbeiders, die noch de productie-middelen, noch het volmaakte product bezaten. âVanaf het oogenblik dat meer kapitaal noodig is om een gegeven zaak te vestigen dan een handwerksman gemakkelijk in eenige jaren kan verzamelen, wordt het gilde-meesterschap â het meesterschap van het meesterstuk â weinig meer dan een naam......Bekwaamheid alléén, is waardeloos en is spoedig genoodzaakt zich aan het kapitaal te verhuren ...... Nu begint de tegenstelling van belangen tusschen
4
waar hij het tot-stand-komen van gezellen-broederschappen in de Middeleeuwen hoofdzakelijk toeschrijft aan een verlangen tot ondersteuning van reizende handwerkslieden. Het contrast tusschen de afwezigheid van zulke broederschappen in Engeland en hunne algemeenheid in Duitschland is wellicht tot op zekere hoogte toe te schrijven aan de omstandigheid, dat Engelsche gezellen nooit de Duitsche gewoonte van âWanderjahrequot; schijnen te hebben aangenomen, d. w. z. de vaste gewoonte van na hun leertijd eenige jaren het land door te trekken, ten einde hun opleiding te volmaken. Toen de plaatselijke voorrechten der oude gilden eenigzins in verval begonnen te geraken, moeten de beperkende bepalingen der opeenvolgende vestigings-wetten tot op zekere hoogte de verplaatsbaarheid van den arbeid in Engeland beperkt hebben. Maar toch, sinds het begin der achttiende eeuw vinden wij het rondtrekken van werklieden van stad tot stad, om werk te vinden, gebruikelijk worden en uit de beschrijving â later aangehaald â van de organisaties der wolkammers en saaiwevers in 1741, blijkt dat het ondersteunen dezer reizende gezellen een voornaam doel der eerste unions was. De letterzetters hadden in de eerste jaren dezer eeuw reeds het land met een net van plaatselijke clubs bedekt, welker hoofdverrichting het vergemakkelijken van dit reizen om werk te zoeken schijnt te zijn geweest. En de katoendrukkers hadden een stelsel, waarbij aan den reizenden gezel een kaart werd uitgereikt, die hem de bevoegdheid verleende van eiken gezel in een door hem bezocht âprint-fieldquot; [district waarin katoendrukkerijen gelegen zijnj eerst een vrijwillige bijdrage in te zamelen en later een vast bedrag van een halven stuiver per hoofd in Engeland en een stuiver in Schotland. (Minutes of evidence taken before the Committee to whom the petition of the several journeymen Calico printers and others working in the trade, etc., was reffered â Notulen van getuigenissen afgelegd voor de Commissie naar welke het adres van verschillende katoendrukkers-gezellen en anderen in het vak werkzaam, enz., was verwezen â 4 Juli 1804, en het Rapport dier Commissie, 17 Juli 1806).
36
1
werkgevers en werknemers, nu beginnen de laatsten zich aaneen te sluiten, nu wordt de vakvereeniging geboren.quot; 1) Of, om deze Industriëele Revolutie in meer abstracte bewoordingen uit te drukken, kunnen wij in de woorden van Dr. Ingram zeggen, dat âde geheele moderne organisatie van den arbeid berust in zijn meer-gevorderde ontwikkeling op een fundamenteel feit dat zich spontaan en toenemend ontwikkeld heeft, namelijk de besliste scheiding der verrichtingen van den kapitalist en den werkman, of, in andere woorden, van de leiding van industriëele verrichtingen en hunne uitvoering in onderdeden.quot; 2)
égt; Men neemt dikwijls aan, dat de scheiding van den
handwerksman van het bezit der productiemiddelen, het gevolg is van de invoering der machine en het fabrieks-stelsel. Indien dit het geval ware, zouden wij, van onze hypothese uitgaande, niet verwacht hebben vakvereenigingen te vinden op een vroeger tijdstip dan fabrieken, of in industriën waarin machines geen verandering hebben teweeggebracht. Het feit dat de oudste blijvende combinaties van loonarbeiders in Engeland, het fabrieks-stelsel een halve eeuw voorafgaan en dat zij voorkomen in geheel door handenarbeid uitgeoefende bedrijven, herinnert ons er aan, dat de schepping eener klasse van levenslange loonarbeiders op meer dan ééne wijze plaats had. Sommige ambachten bijvoorbeeld, leenden zich meer dan andere tot eene voordeelige arbeidsverdeeling. In het kleermaken voor rijke klanten schijnen in het begin der achttiende eeuw de meesters gerecruteerd te zijn uit het betrekkelijk kleine getal gezellen die het bizondere bekwaamheid vereischende deel van het vak verstonden, namelijk het snijden. âDe kleermakerquot;, zegt een achttiende-eeuwsch handboek voor den jongen handwerksman, âmoet een vluggen blik hebben, om met een oogopslag de snede van een mouw, het patroon van een opslag, of den vorm
van een goed oplegsel te bepalen,..... in het voorbijgaan eener
koets, of in de ruimte tusschen de deur en de koets.quot; Dientengevolge ontstond eene klasse van lieden die niets kenden dan eenvoudig naaien, âwaarvan niet één van de tienquot; wist âhoe een broek te snijden; zij worden slechts gebruikt om de naden te naaien, de knoopsgaten te omboorden en het werk voor den afwerker gereed te maken......In den regel zoo arm als kerkratten, gaat de herberg met hun geheele verdienste strijken en houdt hun voortdurend in schuld en ellende.quot; 3) 4
^ Deze onderscheiding werd bevorderd door de toenemende
4 ') Mr. J. M. Ludlow, in een artikel in Macmillan's Magazine, van
⢠Februari 1861. ^
4gt; a) Work and the Workman (De Arbeid en de Arbeider), door
Dr. J. K. Ingram. (Toespraak tot het Vakvereenigings-Congres te Dublin, 1880). 4 3) The London Tradesman, door Campbell, (Londen 1747), pag. 192.
37
noodzakelijkheid van kapitaal-bezit, noodig om met kans op welslagen een zaak te openen in de betere wijken van Londen. Reeds in 1681 werd de âwinkelhoudende kleermakerquot; betreurd als een nieuw en ongewenscht ding, âwant velen herinneren zich dat in Londen geen nieuwe kleederen werden verkocht (in winkels), zooals thans het geval is. ^ De âgewone kleermakerquot;, of werkend ambachtsman, die het laken van den klant bewerkte, was weinig ingenomen met de âkleermakers, tevens verkoopersquot;, die hooge huren betaalden voor winkels in rijke buurten, lang crediet gaven aan hunne aristocratische klanten en die in hun eigen werkplaatsen dozijnen, ja twintigtallen gezellen aan het werk hadden, welke in drukke tijden uit de herbergen gerecruteerd werden, om weer onbarmhartig aan den dijk gezet te worden als het seizoen voorbij was. En hoewel het onder de regeering van Koningin Anna mogelijk bleef â zooals het nóg mogelijk is onder die van Victoria â om in een achterbuurt een zaak als meester-kleêr-maker te beginnen met niet meer kapitaal of bekwaamheid dan waarover de gemiddelde gezel kan beschikken, toch eischte het vervaardigen der fraaie kleederen, gedragen door het hof en de voorname lieden, toen zoo goed als nu, een kapitaal en een bekwaamheid, die dit wijdvertakte en winstgevende beroep geheel en al stelde buiten het bereik der duizenden gezellen die er in werkzaam waren. Aldus vinden wij, dat de typische kleêrmakers-gezel in het begin der achitiende eeuw in Londen en Westminster een levenslange loonarbeider geworden was. Het is daarom niet verwonderlijk dat een der eerste gevallen van blijvend trade unionisme, dat wij konden ontdekken, in dit vak voorkomt. In 1720 klagen de meester-kleêrmakers bij het Parlement, dat âde kleermakers-gezellen in en om de steden Londen en Westminster, ten getale van zeven duizend en meer, zich onlangs hebben ver-eenigd, ten einde hunne loonen te verhoogen en een uur vroeger dan gewoonlijk met werken te eindigen; en om dit plan beter ten uitvoer te brengen, hebben zij hunne onderscheiden namen geschreven in voor dat doel bestemde boeken, in de verschillende huizen van bijeenkomst (zijnde herbergen in en om Londen en Westminster) waar zij gewoon zijn bijeen te komen; en zij brengen verscheidene belangrijke sommen gelds bijeen, om zich te verdedigen tegen vervolgingen. 2) Het Parlement luisterde naar de
') The Trade of England Revived (Londen 1861), pag. 36. lt;$gt;
3) Journalen van het Lagerhuis, deel XIX, pag. 416, 424, 481; The
Case of the Master Taylors residing within the Cities of London and Westminster, in relation to the great abuses committed by their journeymen; An Abstract of the Master Taylors' Bill before the Honourable House of Commons, with the Joureymen's Observation on each clause of te said Bill; The Case of the Journeymen Taylors residing in the Cities of London and Westminster. â
38
klacht der meesters en nam een wet aan (Act 7 Geo. I st. I c. 13) waarbij zoowel het geven als nemen van loonen boven een vastgesteld maximum beteugeld en alle combinatie verboden werd. Vanaf dien tijd zijn de kleêrmakers-gezellen van Londen en Westminster effectief, hoewel somtijds onregelmatig, vereenigd gebleven ; de organisatie was gevestigd in en om de vijftien of twintig âhuizen van bijeenkomstquot; (herbergen). In 1744 werd de Privy Council (Geheime Raad) te werk gesteld tegen hunne weigering om zich te onderwerpen aan de wet van 1720. ') Ondanks hunne welsprekende protesten, werden in 1767 opnieuw wetten tegen hen verkregen. In 1810 verklaarde een meester voor een Enquête-Commissie, dat hunne combinatie reeds meer dan een eeuw oud was. -) 4 Een even oud geval van voortdurende vak-combinatie levert de wol-industrie van het westen van Engeland. De opkomst eener klasse van levenslange loonarbeiders nam hier een geheel anderen vorm aan dan die van het Londensche kleermakersbedrijf, maar de resultaten der combinaties van de werklieden waren dezelfde. De ârijke lakenfabrikantenquot; van Somerset, Gloucestershire en Devon, die gedurende de zestiende eeuw âmachtig vooruit gingen in roem en rijkdommen en wier huizen bezocht werden als koninklijke hoven,quot; 3) voorzagen in en bezaten den grondstof der industrie, noodig voor de geheele vervaardiging, doch hadden voor elke bewerking een afzonderlijke klasse van werklieden in dienst. In een van de marktplaatsen de wol gekocht hebbende, gaf de kapitalist-lakenkooper die aan een stel handwerkers, om gekaard en gesponnen te worden in de dorpsgezinnen. Dan kwam het garen in handen van een andere ploeg â de handwevers â die er in hunne hutten laken van maakten. Dan werd het laken âgevoldquot; in de molen van den kapitalist zelf (in den regel een watermolen), om opnieuw te worden uitgegeven aan een andere klasse van handwerkers, die er de laatste hand aan legden, waarna het gereed was om in de ^ 4
De Getuigenis der Meester-Kleêrmakers, woonachtig in de steden Londen en Westminster, nopens de groote wandaden, bedreven door hunne gezellen; Een uittreksel uit het wetsontwerp betreffende de Meester-Kleêrmakers, in behandeling bij het Edelachtbare Lagerhuis, met de liemerking der Gezellen bij ieder artikel van gezegd Wetsontwerp; De Getuigenis der Kleermakers-Gezellen, woonachtig in de steden Londen en Westminster (alle 1720). amp;
amp; ') London, door David Hughson (Londen 1821), pag. 392â93,
Journalen van het Lagerhuis, deel XXIV. De Handschriften van Place, 277â99, pag. 4â5. The Case of the Journemen Taylors in and about the Cities of London and Westminster. â De Getuigenis der Kleermakers-Gezellen in en om de steden Londen en Westminster (7 Januari 1745).
') De Handschriften van Place, 27799âIO- ^
'd) A Declaration of the Estate of Clothing now used within this Reahne of England, door John May, Deputy Alnager (London 1613, 51 pag.), in B. M. 712, g. 16, een boekdeel dat vele belangwekkende geschriften over de wol-industrie tusschen 1613 en 1753 bevat. 4gt;gt;
39
⢠pakhuizen verpakt en naar Londen of ftristol verzonden te worden, ter verscheping of ten verkoop. In dit geval, evenals in dat der kleermakers, bezaten de werklieden nog de gereedschappen hunner respectieve bedrijven, maar het was hen volslagen onmogelijk het kapitaal of de handelskennis, noodig voor het succes in een zoo uitnemend georganiseerde nijverheid, te verkrijgen, en dientengevolge vinden wij hen, zooals Dr. Brentano het beschrijft, uitgebreide combinaties vormende vanaf de eerste jaren der achttiende eeuw. In het jaar 1717 bijvoorbeeld, bevatten de journalen van het Lagerhuis blijken van het bestaan van wijd-vertakte combinaties van wol-werkers in Devonshire en Somersetshire. De burgemeester en de stedelijke overheid van Bradninch klagen âdat reeds eenige jaren lang de wolkammers en wevers in deze streken hebben beraadslaagd hoe zich te organiseeren in een club, en dat zij, ten getale van eenige duizenden, op zeer rumoerige en oproerige wijze in dit graafschap van velen schatting hebben geheven.quot; ') Het Lagerhuis dacht blijkbaar dat het kwaad door het koninklijk gezag kon worden beteugeld en verzocht den Koning een proclamatie uit te vaardigen. Dientengevolge werd op 4 Februari een koninklijke proclamatie uitgevaardigd tegen deze âbandelooze clubs en vereenigingen, die zich onwettig vermeten hadden een gemeenschappelijk zegel te gebruiken en te handelen als wettelijk-erkende lichamen, door het maken van, en onwettig samenspannen tot het uitvoeren van zekere reglementen en maatregelen, waarbij zij voorwendden te bepalen wie het recht had tot het vak te worden toegelaten, welke en hoevele leerlingen en gezellen een man tegelijk mag hebben, benevens de prijzen van al hunne fabrikaten en de wijze waarop en de grondstoffen waarvan zij gemaakt moeten worden.quot; 2) Deze koninklijke fulminatie, die van de pui der koninklijke beurs werd afgelezen, miste echter haar doel, want de journalen van het Lagerhuis van 1723 en 1725 bevatten herhaalde klachten over het voortduren dezer combinaties, 3) waarvan gedurende de geheele achttiende eeuw aanhoudend vernomen wordt, en die eerst wegstierven toen in het begin dezer eeuw de mannelijke door de vrouwelijke wever verdrongen werd. 4
â ') Journalen van het Lagerhuis, deel XVIII, pag. 715, 5 Februari 1717. Gelijksoortige petitie uit Tiverton en Exeter.
lt;5gt; J) Hughson's London, pag. 337. De proclamatie was herdrukt in
Notes and Queries, 21 September 1867, naar een exemplaar bewaard door de Sun Brandverzekering Maatschappij.
â 3) Zie de petities van Exeter en Dartmouth, 24 Februari 1723, deel XX, pag. 268â69; en die van Taunton, Tiverton, Exeter en Bristol, 3 en 7 Maart 1725, deel XX, pag. 598, 602, 648. In 1729 vielen de wevers van Bristol, âterwijl de stedelijke overheid ter kerke was,quot; het huis van een weerbarstigen werkgever aan en moesten door de troepen teruggedreven worden. (History of Bristol, pag. 261, door J. Evans, Bristol 1824.) ^
40
«HPMppiPfli
Deze vroegtijdige ontwikkeling van vak-combinaties in westelijk Engeland vormt een treffend contrast met hunne totale afwezigheid in dezelfde industrie, waar die, als in Yorkshire, uitgeoefend werd volgens het zoogenaamde âhuisstelsel.quot; De wever van Yorkshire was een kleine meester-ambachtsman, kooper en eigenaar van het ruwe materiaal en een- of tweemaal per week zijn laken verkoopend op de markten van Leeds of Wakefield, waarheen, zooals DEFOE ons in 1724 vertelt, âweinig lakenwevers meer dan één stuk brengen.quot; âIn bijna elk huis,quot; schrijft hij van de streek om Halifax, âwas een spanhaak en aan bijna elke span-haak een stuk laken, of saai, of lichte wollen stof, .... in elk belangrijk huis was een fabriek;. .. . en dan, waar iedere fabrikant een, misschien twee paarden moet houden, om te halen en te dragen ten behoeve van zijn bedrijf, d. w. z. om zijn wol en provisie van de markt thuis te brengen, om zijn garen naar de spinners te brengen, zijn stoffen naar de volmolen, en na de voltooiing naar de markt om verkocht te worden, en zoo voorts; zoo houdt ook elke fabrikant in den regel een koe of twee, of meer, en daarmede benuttigt hij zijn drie of vier stukken land bij zijn huis, want zij zaaien zelden koren genoeg voor hunne hanen en kippen.quot; ') Niet voordat de lakenhandelaars van Yorkshire ongeveer in 1794 op groote schaal ingerichte fabrieken begonnen op te richten, vinden wij eenige vak-combinatie, en toen worstelden gezellen en kleine meesters tezamen, om den nieuwen vorm van kapitalistische industrie, die begon hen de beschikking over het product van hun arbeid te ontnemen, te weerstaan. é-
4gt; De sajet-industrie schijnt overal meer gedreven te zijn
op de wijze van de wol-nijverheid in westelijk Engeland, dan van dezelfde industrie in Yorkshire. De wolkammer bezat vaak de weinig kostbare handkammen en potten waarmede hij werkte. Maar evenals de wevers van westelijk Engeland, vormden de wolkammers slechts ééne van de vele klassen van werklieden in hetzelfde bedrijf, om welke werk te verschaffen zoowel kapitaal als handelskennis noodig waren. En zoo werd dan ook reeds in 1741 opgemerkt, dat de wolkammers âreeds sinds vele jaren zich hadden georganiseerd in een soort van corporatie (ofschoon zonder handvest); hun eerste voorwendsel was, zorg te dragen voor hunne arme broeders, die ziek of werkeloos zouden worden; en dit geschiedde door een- of tweemaal per week te vergaderen en elk twee of drie stuivers bij te dragen aan een kas tot vorming van
^ ') Defoe's Tour, deel III, pag. 97â101, 116 (London 1724). John
Bright spreekt van het leerlingschap van zijn vader, omstreeks 1789, âbij een zeer waardigen man, die eenige morgen gronds bezat, een zeer kleine hoeve en drie of vier weefgetouwen in zijn huis.quot; Rede, gereporteerd in de Beehive van 2 Februari 1867. lt;Sgt;
41
een fonds, en toen zij een weinig krachtig werden schreven zij hunnen meesters de wet voor, en ook zichzelven â en wel als volgt: Dat niemand wol zal kammen voor minder dan twee shilling per dozijn; dat geen meester een kammer zou in het werk nemen, die niet tot hun club behoorde; als hij het deed, kwamen zij overeen niet voor hem te werken; en als hij twintig in het werk had, dan hielden allen op, en waren dikwerf daarmede niet tevreden, maar beleedigden den braven man die werken wilde, en sloegen hem op oproerige wijze, braken zijn kam-potten en vernielden zijn gereedschappen; verder ondersteunen zij elkander in zooverre, dat zij één vereeniging over het geheele rijk vormen. En opdat zij hun loon hoog kunnen houden om de luiheid aan te moedigen liever dan den arbeid, geven zij ieder lid van hun club, die zonder werk is, een kaart en geld, om werk te zoeken in de naaste stad waar een ondersteuningsclub is, waar hij dan ook gesteund wordt en men hem een zekeren tijd laat verblijven, om dan weer hetzelfde met hem te doen; door welke middelen hij het land rond kan reizen, vertroeteld wordend door iedere club, zonder een cent van zijn eigen geld te verteren, of een enkele slag werk te doen. Dit voorbeeld is gevolgd door de wevers, hoewel niet door het geheele rijk, doch uitsluitend in de plaatsen waar zij werken.quot; 1) De nog levende leden van de Old Amicable Society of Woolstaplers (Vrien-den-Vereeniging van Wolhandelaren) bezitten nog een overlevering van plaatselijke vak-clubs, dagteekenend van de eerste jaren der achttiende eeuw, en van een door hen in 1785 gevormd federatief verbond. Oude leden van de United Journeymen Curriers' Society (Vereenigde Leerlooiers-Gezellen Societeit) hebben circulaires en reiskaarten gezien, waaruit blijkt dat in hun vak vanaf het midden der eeuw een dergelijke reis-federatie bestaan heeft. 2)
In andere gevallen was het de kostbaarheid van de grondstof, of der gereedschappen, die een afzonderlijke klasse hielp scheppen. De zijdewevers van Spitalfields, die wij in 1773 een permanente organisatie zien vormen, konden nooit eigenaars zijn geweest van de kostbare zijde die zij weefden. 3) De goudpletters, wier vakvereeniging minstens van 1777 dateert, waren evenzoo uitgesloten van het bezit van de grondstof.
lt;ügt; ') A Short Essay upon Trade in General, door âA Lover of bis
Countryquot; (London 1741), geciteerd in James' History of the Worsted Manufacture in England, pag. 232. 4gt; '*) Zie tot staving de Leicester Herald van 24 Augustus 1793; Morning Chronicle van 13 October 1824; de Manuscripten van Place, 27801â-246, 247. â 3) De zijde-wevers van Dublin, misschien omdat zij grootendeels Hugenootsche uitwijkelingen waren in een Roomsch-Katholieke stad, blijken vanaf het begin der eeuw vereenigd te zijn geweest ; zie bijv. The Case of the Silk and Worsted Weavers in a Letter to a Member of Parliament (Dublin 1749, 8 pag.)
42
Ken ander merkwaardig geval van combinatie vóór de invoering van mechanische beweegkracht en het fabrieks-stelsel, is dat van de ondergoed-makers, of raam-breiers, beschreven door Dr. Brentano. Vanaf het allereerste gebruik van het kousen-raam, in het eerste gedeelte van de zeventiende eeuw, schijnen knechten aan het werk gezet te zijn op aan kapitalisten toebehoorende ramen, hoewel het vak grootendeels in handen was van lieden, die als onafhankelijke voortbrengers op hun eigen ramen werkten. De mededinging dier embryonaire fabrieken werd door de thuis-raam-breiers sterk gevoeld en toen in 1753 een einde kwam aan de wettelijke beperking der leerlingen, werd zij een ramp. Er ontstond âeen vernietigende praktijk van armbesturen, die aan fabrikanten premiën gaven voor het verschaffen van werk aan hunne armlastigen,quot; en dit overstroomen van de arbeidsmarkt met gesubsisiëerden kinderarbeid, bracht den typischen raam-breier tot volslagen ondergang. Hoewel hij bleef werken in zijn hut, verloor hij toch spoedig het bezit van zijn raam, en een systeem ontstond, waaronder de ramen werden gehuurd, óf van een klein-kapitalis-tischen raam-bezitter, óf van den fabrikant die het werk verschafte, üe werkman werd dus beroofd niet alleen van het bezit van het product, doch ook van zijn arbeidsmiddelen. Daarvandaan was het niet vóór 1780, toen het huren van ramen algemeen was geworden, dat onder de raam-breiers een duurzame vakvereeniging ontstond, hoewel vanaf het begin der achttiende eeuw reeds kortstondige combinaties onder hen bestaan hadden, waarvan meesters en gezellen vaak deel uitmaakten. 1)
De ontwikkeling der vakorganisatie in de messen-industrie levert eveneens een voorbeeld dezer evolutie. Toen in 1624 de Messenmakers Company opgericht werd, was de typische ambachtsman zelf de bezitter van zijn âwielquot; en andere gereedschappen en werd een scherpe beperking der leerlingen strikt gehandhaafd. Tegen 1791, toen de meesters van het parlement een vermindering der gebruikelijke leerlingen-beperking wisten te verkrijgen, vinden wij dit stelsel grootendeels vervangen door iets niet ongelijk aan den tegenwoordigen toestand, waarin de typische Sheffieldsche werkman het materiaal, uitgegeven door den fabrikant, bewerkt
op wielen, gehuurd van dezen, of van een huisheer, die wielen ^
4» ') De toestand van de raam-breiers kan afgeleid worden uit de
doorwrochte Parlementaire Enquête, wier verhandelingen vijftien bladzijden van de journalen van het Lagerhuis vullen, deel XXVI, 19 April 1753. Zie ook deel XXXVI en XXXVII en het rapport der Commissie nopens de petities der Raam-Breiers, 1812. Felkin's History of the Machine-ivronght Hosiery and Ijxcc Manufactures (London 1867) bevat een uitgebreide beschrijving van de nijverheid, gebaseerd op Gravener Henson's History of the Framework Knitters (London i S37), thans een zeldzaam werk, waarvan slechts één deel werd uitgegeven.
43
met drijfkracht verhuurt. Het is geen toevallige overeenstemming, dat de werkgevers van Sheffield zich in 1790 genoodzaakt zagen gemeenschappelijk op te treden tegen de âscharenslijpers en andere werklieden, die zich vereenigd hadden in onwettige combinaties, om den prijs van den arbeid te doen stijgen.quot; l) amp;
amp; Maar het voornaamste voorbeeld van het verband tusschen
het vakvereenigingswezen en de scheiding van den werker van de productie-middelen, wordt gezien in de snelle opkomst van vakcombinaties bij de invoering van het fabrieks-stelsel. Wij hebben reeds opgemerkt dat in Yorkshire de vakvereenigingen opkwamen tegelijk met de oprichting van fabrieken en het aanwenden van mechanische kracht. Toen in 1794 de lakenkoopers van westelijk Yorkshire er niet in slaagden den kooplieden van Leeds te beletten groote fabrieken op te richten, âbedoelende daarin een aanzienlijk getal personen te doen werken, die nu in hun eigen woningen arbeiden,quot; namen de gezellen de zaak zelf ter hand en stichtten The Clothiers' Covimunity of Brief Institution, met het openlijke doel giften en bijdragen in te zamelen tot ondersteuning van zieken, en het voeren eener parlementaire agitatie, ten doel hebbende de fabrieks-eigenaren te belemmeren door een wettelijke beperking der leerlingen. âHet blijkt,quot; zoo rapporteert de Parlementaire Commissie van 1806, âdat reeds sinds eenigen tijd onder de wolwerkers een instelling of vereeniging bestaan heeft, hoofdzakelijk bestaande uit lakenwevers. In elk der voornaamste fabriekssteden blijkt een vereeniging te bestaan, samengesteld uit afgevaardigden der verschillende winkels van werklieden, van elk welker stedelijke ver-eenigingen een of meer afgevaardigden worden gekozen, om te vormen hetgeen genoemd wordt het centraal comité, dat vergadert wanneer het noodig is, in de een of andere plaats die voor alle leden gunstig gelegen is. De macht van het centraal comité schijnt de geheele instelling te beheerschen; en elk besluit of maatregel die het aanneemt, kan gemakkelijk aan de geheele organisatie der werklieden medegedeeld worden. Elk werkman ontvangt, als hij lid wordt der vereeniging, een zekere kaart of diploma, waarop een zinnebeeldige gravure voorkomt â naar aan de Commissie medegedeeld wordt is deze dezelfde in het noorden en westen van Engeland â zoodat hij, door deze kaart te vertoonen, onmiddelijk kan bewijzen tot de vereeniging te behooren. Dezelfde voorschriften en reglementen blijken in het geheele district van kracht te zijn en er is alle reden te gelooven, dat het geen lakenwever zou worden
4» ') Sheffield Iris van 7 Augustus en van 9 September 1790. De
Vereeniging van Schaarsmeden, geciteerd door Dr. Brentano, werd opgericht in April 1791. Andere vakvereenigingen in Sheffield blijken van veel ouder datum te zijn. â
44
toegestaan zijn bedrijf uit te oefenen (tenzij in afzondering), die zou weigeren zich te onderwerpen aan de verplichtingen en reglementen der vereeniging.quot; ^ De verandering der katoenspinnerij in een fabrieksnijverheid, hetgeen omstreeks 1780 plaats had, ging eveneens vergezeld van den groei van het vakvereenigingswezen. De en die van Stockport in 1796, waren de voorloopers van dat net-zoogenaamde uitkeerings-clubs van de spinners van Oldham in 1792, werk van spinners-vereenigingen in alle noordelijke graafschappen van Schotland, die befaamd werden in de groote werkstakingen der volgende dertigjaren. 2) égt;
Het is gemakkelijk te begrijpen, dat het opeenhoopen van regimenten mannen in fabrieken, allen werkzaam in éénzelfde bedrijf, het tot-stand-komen van gezellen-vakvereenigingen vergemakkelijkte en bevorderde. Maar bij de katoenspinners zoowel als bij de kleermakers, moet in laatste instantie de opkomst van blijvende vak-combinaties worden toegeschreven aan de bepaalde scheiding tusschen de verrichtingen van den kapitalistische!! ondernemer en den handwerker, dat wil zeggen: tusschen het leiden van industriëele operatiën en de uitvoering. Inderdaad is het een gemeenplaats in het moderne vakvereenigingswezen geworden, dat alleen in die industriën waarin de arbeider heeft opgehouden belang te hebben bij de winsten van koop en verkoop â het onafscheidelijke kenteeken van het bezit der productiemiddelen â duurzame en krachtige vak-organisaties kunnen worden gesticht. ^
De positieve bewijzen voor deze geschiedkundige afhankelijkheid van het vakvereenigingswezen van de scheiding van den arbeider van de productie-middelen, worden vervolledigd door de afwezigheid van eenige blijvende vak-combinatie in industriëen waar die scheiding niet had plaats gehad. De daling van den levensstandaard van den bekwamen handwerker bij den ondergang van het middeleeuwsche stelsel, had in alle vakken plaats, ongeacht of de arbeider het bezit der productie-middelen behield of niet; maar vakvereenigingen volgden alleen, waar de verandering den vorm aannam eener scheiding tusschen kapitaal en arbeid. Tegen het einde der zeventiende of het begin der achttiende eeuw, vinden wij de Corporatie van Londensche Speldenmakers het Parlement als volgt petitioneeren : ^
âDeze company bestaat voor het grootste gedeelte uit arme en behoeftige lieden, die noch het geld, noch het crcdiet hebben om koperdraad op de billijkste wijze van den handelaar te koopen, maar zijn, uit gebrek daaraan, gedwongen, om slechts kleine partijen te koopen van den tweeden of derden kooper
4
') Report of Committee on the Woollen Manufacture, 1806, pag. 16. â £gt; ^ ') Zie Hoofdstuk 111, lt;$gt;
45
wanneer zij er behoefte aan hebben, en om de spelden die zij hiervan maken van week tot week voor gereed geld te verkoopen zoodra zij gemaakt zijn, om zichzelven en hunne vrouwen en kinderen te voeden, die zij gedwongen zijn eiken Zaterdagavond heen en weer te laten loopen, van winkel tot winkel, om hunne spelden ten verkoop aan te bicden, daar zij anders geen geld hebben om brood te koopen. Kn zij worden dagelijks zóó vermenigvuldigd en vermeerderd door het onbegrensde aantal leerlingen die eenige weinige begeerige leden der company (die aanzienlijke
voorraden hebben) voortdurend employeeren en houden.....De
lieden die de spelden koopen van den maker om weder te verkoopen aan andere in het klein handelende winkeliers, hun voordeel doende met deze behoefte van den armen werkman (die altijd genoodzaakt is voor gereed geld te verkoopen, daar hij anders niet kan bestaan), hebben den prijs der spelden langzamerhand zóó gedrukt, dat de
werkman niet van zijn werk leven kan,.....en zijn gedwongen
kruiers te worden, of herberg-bedienden, of daglooners van anderen
aard,.....en vele hunner kinderen worden dagelijks armlastig.quot; ')
En de handschoenmakers klagen terzelfdertijd dat âzij in den regel zóó arm zijn, dat hun leder op crediet wordt verkocht, en zij niet in staat zijn dat, of de loonen hunner werklieden te betalen, totdat zij de handschoenen verkocht hebben.quot; 2) ^
Welnu, hoewel deze speldenmakers en handschoenmakers en andere vakken in dezelfde omstandigheden, ten volle erkenden de noodzakelijkheid van eenige bescherming van hunnen levensstandaard, vinden wij bij hen geen spoor van vak-organisatie. Verkoopende, zooals zij deden, niet alleen hun arbeid, doch ook zijn product, was wettelijke bescherming van den prijs hunner waren hun eenigste toevlucht. 8) In het kort, in die industrieën waarin de klove tusschen kapitalist en werkman, tusschen den hersenwerker en den handwerker nog niet volmaakt was, nam men, als het eenige middel tot bescherming van den levensstandaard, zijn toevlucht tot de oude gilde-politiek van het handelsmonopolie van den voortbrenger.
Wij beweren niet, dat deze scheiding op zichzelf eene volledige verklaring van den oorsprong der vakvereenigingen geeft. In alle tijdvakken van de geschiedenis der Engelsche nijverheid hebben groote klassen van arbeiders bestaan, die evenveel uit-
4gt;
') In een boekdeel getiteld Tracts relating to Trade, in het liritsch Museum, 816, m. 13. lt;$gt;
lt;5» 2) Reasons against t/ie designed leather impositions on gloves, B. M.
816, m. 13. lt;$gt;
amp; 3) Wij zullen later gelegenheid hebben te verwijzen naar de ont
stentenis van een krachtig vakvereenigingswezen in die bedrijven, welke nog door kleine, zelf werkende patroons gedreven worden. 4
46
gesloten waren van de mogelijkheid bestuurders hunner eigen nijverheid te worden als de achttiende eeuwsche kleermaker of wolkammer, of als de moderne katoenspinner of mijnwerker. Behalve de half-slaafsche veldarbeiders en mijnwerkers, is het zeker, dat zich in de steden een beduidende massa ongeschoolde arbeiders bevond, die, geen leertijd doorloopen hebbende, uitgesloten waren van eenig aandeel in de beschermende reglementen van het gilde. ') Tegen de achttiende eeuw tenminste, moet deze klasse sterk in getal zijn toegenomen door de toegenomen vraag naar gewonen arbeid, veroorzaakt door den groei van den uitvoerhandel, de uitgebreide bouw-ondernemingen, enz. Maar het is niet onder de boeren-arbeiders, mijnwerkers, of ongeschoolde arbeiders, hoe slecht betaald en slecht behandeld zij vaak waren, dat de eerste vakver-eenigingen ontstonden. Wij vernemen zelfs niets van werkstakingen of kortstondige combinaties onder hen. Het vormen van onafhankelijke genootschappen om den wil van werkgevers te wederstaan, vereischt het bezit van een zekeren graad van persoonlijke onafhankelijkheid en gevoel van eigenwaarde. Dus vinden wij de vroegste vakvereenigingen opkomen onder de gezellen, wier bekwaamheid en levensstandaard eeuwen lang waren bevorderd en beschermd door wettelijke of gebruikelijke regelingen van het leerlingwezen en door de beperking van hun aantal, die de hooge leergelden en andere voorwaarden moeten hebben teweeggebracht. Men neemt vaak aan, dat het vakvereenigingswezen opkwam als een protest tegen ondragelijke industriëele verdrukking. Dat was niet zoo. De eerste helft der achttiende eeuw was stellig geen periode van buitengewonen nood. Vijftig jaren lang, vanaf 1710, was er een bijna onafgebroken reeks van goede oogsten, waarbij de graanprijs ongewoon laag bleef. De kleermakers van London en Westminster vereenigden zich in de allereerste jaren der achttiende eeuw, «iet om eenige verlaging hunner gewone verdiensten tegen te gaan, doch om hunnen werkgevers hoogere loonen en korteren werktijd af te dwingen. De weinige overlevenden der hand-wolkammers bewaren nog de traditie der achttiende eeuw, toen zij zich âHeeren Wolkammersquot; noemden, weigerden te drinken met andere werklieden en, zooals wij gezien hebben, sterk genoeg waren om âhunnen meesters de wet voor te schrijven.quot; ~) En de looiers,
lt;ygt;
amp; ') De dikwijls geopperde veronderstelling dat de ambachtsgilden in
hun bloeitijd feitelijk de geheele arbeidende bevolking omvatten, komt ons voor ongegrond te zijn. Nooit heeft het gilde-stelsel zich verder uitgestrekt dan tot de geschoolde ambachtslieden, naast welke immer een groot aantal ongeleerde arbeiders moeten hebben gewerkt, die minder dan de helft van de loonen der ambachtslieden ontvingen. Wij wagen het denkbeeld te opperen, dat het twijfelachtig is, of de ambachtsgilden ooit een grootere proportie der arbeidende bevolking omvatten dan de hedendaagsche vakvereenigingen. ^
s) Vele gevallen van aanmatiging en brutaliteit der wolkammers zijn
47
hoedenmakers, lakenwevers, borstelmakers, mandenmakers en katoendrukkers, die bizonder mooie gevallen van aehttiende-eeuwsch trade unionisme opleveren, verdienden allen betrekkelijk hooge loonen en wisten langen tijd zeer krachtig weerstand te bieden aan de inbreuken hunner werkgevers.
Uit hoofde dezer feiten komt het ons voor, dat het vakvereenigingswezen ook zonder de stoommachine en het fabrieks-stelsel een kenmerk der Engelsche nijverheid zou zijn geweest. Of de associatie van betere werklieden, die in het eerste deel dezer eeuw opkwam, in zulk een geval ooit zich zou hebben ontwikkeld tot een vakvereenigings-beweging, is een andere zaak. De typische âvak-clubquot; van den steedschen werkman dier dagen, was een geïsoleerde ,,ringquot; van hoogst-bekwame ambachtsgezellen, die scherper gescheiden waren van de massa der handwerkers, dan van de kleine klasse van kapitalistische werkgevers. Het gebruikelijke verplichte leerlingstelsel, door de wetten van Koningin Elizabeth voorgeschreven, en de hooge leersommen, die in den regel van ouders gevorderd werden, hielden langen tijd een hecht monopolie der best betaalde ambachten voor een bijna erfelijke kaste van ambachtslieden in stand, in wier rijen de werkgevers-zelf voor het grootste gedeelte hun leerlingschap hadden doorgemaakt. Aldus deze wettelijke of gebruikelijke bescherming genietende, dienden hunne vak-clubs hen hoofdzakelijk tot het verschaffen van onder-lingen bijstand en voor het âbieden en lovenquot; met de patroons over hoogere loonen. Onder zulke vak-clubs vinden wij geen spoor van dat begrip van solidariteit tusschen de handwerkers van verschillende vakken, die later een zoo sprekend kenmerk der vakver-eenigings-beweging werd. Hunne nu en dan plaats gehad hebbende geschillen met hunne meesters, geleken meer op familie-twisten dan op conflicten tusschen onderscheiden maatschappelijke klassen. Zij vertoonen meer neiging om met hunne meesters front te maken tegen de gemeenschap, of hen te steunen tegen concurrenten of onderkruipers, dan om zich aan te sluiten bij hunne mede-arbeiders in andere bedrijven in een aanval op de kapitalistische klasse. In het kort: wij zien de industriëele gemeenschap nog steeds vakgewijs verticaal verdeeld, inplaats van horizontaal, werkgevers tegenover loonarbeiders. Deze laatste klove is het, die het vakvereenigingswezen van kleine groepen bekwame ambachtslieden heeft omgezet in de moderne vakbeweging. *) ^
geboekstaafd; de advertenticn van werkgevers in het Nottingham Journal van 31 Augustus 1795 en in de Leicester Herald van Juni 1792, zijn slechts twee uit vele gelijksoortige verhalen. 4gt;
lt;5gt; ') Dat is in zulk een mate het geval, dat Du. Brentano beweert,
dat âVakvereenigingen ontstonden met het niet-naleven vanquot; de Eiizabeth'sche
48
4 De pioniers der vakbeweging waren niet de vak-clubs
der steedsche werklieden, maar de wijd-vertakte combinaties der West-Engelsche wolwerkers en der raam-breiers van de middengraafschappen. Deze genootschappen waren het, die inluidden wat later het gemeenschappelijke doel van bijna alle achttiende eeuwsche combinaties werd: het beroep op de regeering en op het Lagerhuis, om de loonarbeiders te beschermen tegen de nieuwe taktiek van het koopen van arbeidskracht, als de ruwe grondstoffen, zoo goedkoop mogelijk. De snel veranderende arbeids-methodes en de zich uitbreidende markten der Engelsche nijverheid, schenen het uit den weg ruimen van alle belemmeringen in den toevoer en aanwending van arbeidskrachten te vorderen, welk proces het gelijkelijk neerdrukken van alle klassen van loonarbeiders tot hun ânatuurlijk loonquot; met zich bracht. Deze inbreuk op hunne gewone verdiensten werd het eerst gevoeld door de wolwerkers, in dienst bij de kapitalistische lakenhandelaars der westelijke graafschappen. Met het voortgaan der eeuw vinden wij vak na vak de agitatie tegen de nieuwe toestanden ter hand nemen en lang-gevestigde clubs, als die der hoedenmakers en wolkammers, zich aansluiten bij de algemeene beweging, zoodra hun eigen industrieën bedreigd worden. Bij den bekwamen ambachtsman der steden deed de nieuwe taktiek zich gevoelen door het herroepen der bepalingen die zijn vak beschermden tegen een toevloed van armlastige werkkrachten. Zijn verdediging bestond in het vragen eener ernstige handhaving van de wet op het leerlingschap. 1) Dat zou echter den werkman in de groote textiel-industriën niet geholpen hebben. Voor hem nam de nieuwe orde den vorm aan van voortdurend dalende stukloonen. Wat hij eischte was daarom het vaststellen van de âbehoorlijke loon-verhoudingquot;, die in de bedoeling lag der wetgeving van de periode van Elizabeth. Maar of zij ambachtslieden waren of fabrieksarbeiders, de loonarbeiders wendden zich tot behoud van hunnen levensstandaard tot die wettelijke bescherming waarop men hen geleerd had te vertrouwen. Zoolang elke afzonderlijke groep werklieden geloofde in de bedoeling der regeerende klasse om hun vak te beschermen tegen de gevolgen van ongebreidelde concurrentie, ontstond geen gemeenschappelijkheid van belangen. Het was de verandering van de industriëele politiek der regeering, die alle vakken in slagorde bracht en voor de eerste maal te voorschijn bracht hetgeen met juistheid een Vakvereenigingsbeweging kan worden genoemd. Ten einde nu deze beweging zoo volkomen mogelijk te doen begrijpen, moeten
wet op het leerlingwezen (pag. 104) en dat hun voornaamste doel in alle gevallen was: het handhaven van de wet in kwestie.
49
4 - SlDNKY WElili.
wij nu op onze schreden terugkeeren, om de politieke geschiedenis der industrie in de achttiende eeuw te volgen. ^ De industriëele politiek der zestiende eeuw bedoelde
hoofdzakelijk het scheppen van de een of andere regelende overheid, die aan de nijverheid van die dagen dezelfde diensten moest bewijzen als vroeger door de ambachtsgilden werden bewezen. Toen bijvoorbeeld in het midden dier eeuw de wevers hunne gewone loonen zagen verminderen, slaagden zij er in zich in zooverre aaneen te sluiten, dat zij hun stem te Westminster 1) deden vernemen. In 1555 vinden wij hen klagende âdat de rijke en welhebbende lakenkoopers hen op velerlei wijzen verdrukkenquot; door ongeschoolde mannen te werk te stellen aan der kapitalisten eigen weefgetouwen, door het verhuren van getouwen en âeenigen ook door het geven van veel minder loon en huur voor het weven en vervaardigen van stoffen dan zij deden in vroegere tijden.quot; 2) Het parlement dier dagen achtte het juist en natuurlijk dat de verdrukte loonarbeiders zich wendden tot de wetgeving om bescherming tegen het verminderen hunner verdiensten door concurreerende kapitalisten. De wetten van 1552 en 1555 verbieden het gebruik van den kaardrol, beperken het getal getouwen dat één persoon mag bezitten tot twee in de steden en éen op het platte land en verbieden beslist het verhuren van getouwen. In 1563 belastte het parlement zich zelfs met het verzekeren van een âbehoorlijk bestaanquot; aan alle loonarbeiders. De oude wetten, waarbij een maximum-loon werd vastgesteld, konden, gezien de enorme stijging van prijzen, niet gehandhaafd worden âzonder den armen arbeider en gehuurden man groote smart cn last te veroorzaken.quot; De omstandigheden veranderden te snel voor een vasten regel. Doch door de beroemde âWet op de Leerlingenquot; stelden de staatslieden dier dagen bepalingen vast, die, naar zij hoopten, âden gehuurden persoon, in tijden van schaarste zoowel als van overvloed een behoorlijke toebedeeling van loon zou verzekeren.quot; Jaarlijks moesten de rechters van elke streek bijeenkomen, âom vóór zich te doen verschijnen zulke wijze en ernstige mannen .... als hun goeddunkt, om met dezen beraadslagend over den overvloed of de schaarste van den tijdquot; loonen vast te stellen voor arbeid van allerlei aard, terwijl hunne bepalingen op poene van strenge straffen moesten worden nageleefd. Strenge bepalingen nopens de noodzakelijkheid van een leertijd, den duur
') Westminster is de zetel van het Parlement. (Vert.)
4gt; 2) Inleiding tot een âWet betreffende Weversquot; (2 en 3 Philip en
Marv, C. XI); zie Froude's History of England, deel 1, pag. 57-â9; en W. C. Taylor's Morlen* J-'adory System, pag. 53â5. lt;Sgt;
4gt; :i) Uitgebreid door James 1, c, 6. en 16 Car. 1. c. 4.; zie R. v.
justices of Kent, 14 Kast, 395. lt;$gt;
50
daarvan en het aantal leerlingen door eiken werkgever te nemen, ontvingen de sanctie der wet. De typische ordinantiën van het middeleeuwsche gilde werden feitelijk tot in de minste onderdeelen vastgelegd in een alles-omvattende, algenieene wet, van toepassing op het grootste gedeelte van de nijverheid dier dagen. 4»
Het is niet noodig de zeer betwistbare vraag te bespreken, of die beroemde wet al dan niet het arbeidende volk dier dagen ten voordeel strekte, evenmin als de vraag of en in hoeverre hare bepalingen werkelijk werden doorgevoerd. !) Doch waar zij de grondbeginselen der middeleeuwsche maatschappelijke orde codificeerde en belichaamde, kan het geen verwondering wekken dat hare aanneming door het parlement den werkman sterkte in het eens algemeene geloof in het wezenlijk rechtvaardige en de goede politiek van het door middel van behoorlijke wetgeving verzekeren âvan het winnen van een behoorlijk bestaanquot; aan alle bij de nijverheid betrokkenen. 2) Precies zóó werd er in het begin der achttiende eeuw algemeen over gedacht. Weder zien wij de pas-gestichte genootschappen van werklieden zich wenden tot den koning, of tot het Lagerhuis, of tot het Hooggerechtshof, om bescherming tegen het drukken der loonen door hunne werkgevers. Gedurende de eerste helft der eeuw gingen de regeerende klassen voort te handelen naar de stelling, dat de vlijtige werkman recht had op de gebruikelijke verdiensten van zijn vak. Zoo vereenigen zich in 1726 de wevers van Wilts en Somerset, om zich bij den koning te beklagen over de gestrengheid en het bedrog hunner werkgevers, de lakenkoopers, met het gevolg dat eene commissie uit den Geheimen Raad hunne grieven onderzoekt en tot vereffening der geschillen een âovereenkomstquot; opstelt, :!) waarbij de wevers vermaand worden âin het vervolgquot; niet te pogen zichzelf te helpen door middel van onwettige combinaties, maar altijd âhunne grieven op behoorlijke wijze ter kennis van Zijne Majesteit te brengen, die immer zal worden bereid gevonden hun hulp te verleenen naar gelang van de rechtvaardigheid hunner zaak.quot; ') Vaker nog wendden
lt;3gt; ') Zie over deze punten Dr. Cunningham's History oj English
Industry and Commerce, Mr. Mkwin's English Trade and Einance cAieJIy in the iTth Century en Thorold Rogkrs' History of Agriculture and Prices, deel V, pag. 625â6, enz. Adam Smith merkt op dat in 1776 het vaststellen der loonen âgeheel in onbruik was geraaktquot; (Wealth o/ Aations, boek I, hoofdstuk X, pag. 65).
2) Dit vormt het voortdurende refrein van de talrijke schrifturen of Tracts relating to Trade van 1688â? 750, die bewaard worden in het Britsch Museum, de Guildhall boekerij en in de bibliotheek van Prof. Foxwkli,. lt;ögt; ^ â¢') Notulen van den Geheimen Raad van 1736, pag. 310 (onuitgegeven);
zie ook de journalen van het Lagerhuis, deel XX, pag. 745 {20 Februari 1726). $gt; ') Notulen van den Geheimen Raad, 4 Februari 1726.
51
de werklieden zich tot het Lagerhuis. In 1719 petitioneerden de âwevers van breede en smalle goederenquot; van Stroud en omliggende plaatsen het parlement, om de tyrannieke kapitalistische laken-koopers te beteugelen, door het toepassen van de âWet betreffende de Weversquot; van 1555. 1) In 1728 beriepen de wevers van Gloucestershire zich op de plaatselijke vrederechters en bewogen hen, ondanks de protesten van de meester-wevers en klaarblijkelijk voor de eerste maal, een milde loonschaal voor de wevers dier streek vast te stellen. 2) Twintig jaar later verkregen de wevers van het parlement een bizonder verbod van de gedwongen winkelnering. quot;) Eindelijk bewogen zij in 1756 het Lagerhuis tot het aannemen eener wet, 4) waarbij het vaststellen van de stukwerk-loonen werd opgedragen aan de magistratuur, ten einde aldus de praktijk van verlaging der ' loonen en verkoopen onder den prijs te doen ophouden. âEen Tabel of Schema van Loonstandaardenquot; werd dientengevolge op 6 November 1756 door het Hooggerechtshof vastgesteld, waarmede de werklieden vrij tevreden waren. 6)
De jaren die nu volgden zagen een revolutioimaire verandering in de industriëele politiek der wetgeving, welke den werklieden ten zeerste moet verbijsterd hebben. Binnen ééne generatie verwisselde het Lagerhuis hare politiek van middeleeuwsche bescherming voor eene van âAdministratief Nihilisme.quot; De wet op de Lakenwevers van 1756 was nog geen jaar van kracht geweest, of het parlement werd bestormd met petities en contra-petitities. De werkgevers verklaarden, dat de loonschaal door de rechters vastgesteld, met het oog op de toenemende concurrentie van Yorkshire, volslagen ondoorvoerbaar was. Anderzijds vroegen de werklieden, dat de wet ten hunnen behoeve zou worden verscherpt. De lakenkoopers betoogden de voordeden van vrijheid van contract en ongebreidelde concurrentie. De wevers hadden den steun der grondbezitters en van den middenstand, waar zij de wettelijke handhaving hunner gebruikelijke loonen vroegen. Het verbijsterde Lagerhuis aarzelde tusschen de beide partijen. Aanvankelijk werd last gegeven tot het samenstellen van een wetsontwerp tot verscherping der bestaande wet; maar ten slotte werden de lakenkoopers geacht hun goed recht bewezen te hebben. fi) De wet van 1756
') Journalen van het Lagerhuis, deel XIX, pag. 181 (5 December 1719). ^ s) Petitie van âVerscheidene wevers van wollen laken, ten behoeve
van henzelven en van vele duizenden der Broederschap van wollen-lakenweversquot; (Journalen van het Lagerhuis, deel XXVII, pag'. 503; zie ook pag. 730â2).
3) 22 Geo. II c. 27. lt;Sgt;
4 ') 29 Geo. II c. 33.
^ 5) Report of Committee 011 Petitions of West of England Clothiers,
Journalen van het Lagerhuis, deel XXVII, pag. 730â2.
lt;$â 6) Zie voor al deze verhandelingen de journalen van het Lagerhuis,
deel XXVII, '
52
werd onvoorwaardelijk herroepen; en het parlement zette nu rechtstreeks koers naar het laisser-faire.
^ De strijd over deze wet op de Lakenwevers van 1756
duidt den overgang aan van de oude denkbeelden naar de nieuwe. Toen in 1776 de wevers, spinners, kaarders en andere wolwerkers van Somerset petitioneerden tegen het kwaad dat het bestaan waaraan zij gewend waren berokkend werd door de invoering van den spinmolen in Shepton-Mallet, weigerde het Lagerhuis, dat twee eeuwen te voren de kaardrol absoluut verboden had, zelfs de petitie in ontvangst te nemen. 1)
4^ De verandering van politiek had reeds een ander bedrijf
getroffen. De Londensche Raam-breiers Company, die in 1663 gesticht was met het bepaalde doel het vak te regelen, was gedurende de eerste helft der achttiende eeuw in voortdurend conflict met weerbarstige meesters, die zich om hare reglementen niet bekommerden. Deze langdurige worsteling, waarin de gezellen krachtig partij trokken voor de Company, werd in 1753 door eene grondige parlementaire enquête beëindigd. De reglementen der Company, op welker doorvoering de gezellen al hun hoop hadden gevestigd, werden plechtig verklaard te zijn âschadelijk en hinderlijk voor de fabrikantenquot;, terwijl het gezag der Company werd gezegd te zijn ânadeelig voor het bedrijf.quot; quot;) Het volslagen prijsgeven van elke wettelijke beroepsregeling leidde, na tal van vluchtige oproeren, tot de oprichting in 1778 van âDe Kousenmakers Associatie tot weder-zijdschen Bescherming in de Midden-Graafschappen van Engelandquot;, die ten doel had de beperking der leerlingen en het vaststellen van een vasten loonstandaard. Dr. Brentano heeft de verschillende pogingen, aangewend door de werklieden gedurende de beide volgende jaren, tot verkrijging van de bescherming der wetgeving, opgesomd. 3) Door den invloed hunner vereeniging werd een hen genegen persoon in het district Nottingham tot lid van het Lagerhuis gekozen. Een door eene commissie ingesteld onderzoek, bracht eene mate van âsweatingquot; aan het licht, ter nauwernood geëvenaard door de ergste moderne gevallen. Een ontwerp van wet tot bepaling van den loonstandaard was reeds tweemaal gelezen, toen de werkgevers, al hunne vrienden in het Huis bijeenbrengende, het in de derde lezing deden verwerpen â een terugslag voor de werklieden, die tot ernstige oproeren te Nottingham leidde en den ongeluk-kigen raam-breiers in de wanhopigste armoede terugwierp. 4) ^
') Journalen enz. deel XXXVI, pag. 7 (1 November 1776). 4igt;
^ ') Journalen enz. 13 en 19 April 1753, deel XXVI, pag. 764, 779;
Felkin's History of the. Machine-wrought Hosiery and Lace Manufacture, pag. 80; Cunningham, Growth of English Industry and Commerce, deel II, pag. 347. 45»
3) Gilds and Trade Unions, pag. 115â21.
â 4) Journalen enz. deel XXXVI en XXXVII.
53
4gt; Om dienzelfden tijd begonnen de steedsche ambachtslie
den eveneens bedreigd te worden door de revohitionnairevoorstellcn hunner werkgevers. De hoedenmakers bijvoorbeeld, waren totnogtoe beschermd geworden door de strenge beperking van het aantal leerlingen, voorgeschreven door de wetten van 1566 en 1603, en doorgevoerd door de Viltmakers Company. Deze wettelijke bescherming had de gezellen niet belet omstreeks 1771 een nationale federatie van de vak-clubs der voornaamste steden te vormen, sterk genoeg om in 1775 een loonsverhooging te verkrijgen en om in het algemeen aan te dringen op het alleen in het werk hebben van leden der club. Wij weten weinig van deze vereeniging, behalve dat zij periodieke âcongressenquot; hield, waar de vertegenwoordigers der verschillende districten de ondersteuning der reizende gezellen door het geheele land regelden, reglementen voor het vak maakten en, ten minste in 1777, een vaste contributie van twee stuivers per lid en per week hieven. Uit de klachten der werkgevers leiden wij af, dat de voornaamste bezigheid der federatie bestond in het strikt handhaven der wet waarbij het aantal leerlingen dat elke werkgever mocht nemen, beperkt werd. Dit deed de voornaamste meester-hoedenmakers in 1777 het indienen van een wetsontwerp bevorderen, tot verwijdering dier beperking. De geheele macht der gezellen-organisatie werd tegen hen in het veld gebracht. Petities van Londen, Burton, Bristol, Chester, Liverpool, Hexham, Derby en andere plaatsen stroomden in, waarbij de âkleine meester-hoeden- en viltmakers en opmakersquot; zich in den regel aansloten bij de gezellen tegen den eisch van de kapitalistische werkgevers. De werklieden beweerden, dat, zelfs met de beperking, âbehalve in drukke tijden, vele honderden genoodzaakt zijn het land af te reizen om werk te zoeken.quot; Maar het Huis was onder den indruk der verklaringen en argumenten der groote werkgevers en hun ontwerp werd wet. ') 4
^ De actie van het Lagerhuis was bij dergelijke gelegen
heden nog niet beïnvloed door eenigerlei bewuste theorie van vrijheid van contract. Wat plaats had was het volgende; zoodra een bedrijf op zijn beurt den invloed der nieuwe kapitalistische concurrentie gevoelde, petitioneerden de gezellen, en dikwerf ook de kleine werkgevers, om hulp, in den regel verzoekende het verbieden van nieuwe machines, of het invoeren van een zevenjarigen leertijd, of de handhaving der oude beperking van het aantal jongens dat iederen werkgever in de leer mocht hebben. In den regel benoemde het Huis dan eene commissie om de klacht te onderzoeken, met de oprechte bedoeling aan de ingebrachte grief
iiilPiMNiiNi
S» ') Journalen enz. deel XXXVI, pag. 192, 240, 268, 287, 1777; Wet
17 Geo. III. c. 55, waarbij herroepen werd S Eliz. c. 11 en 1 Jac. 1. ^
54
tegemoet te komen. Maar dan brachten de groote werkgevers zulk een overstelpenden stortvloed van bewijsstukken voor de commissie, ten bewijze dat de toenemende uitvoerhandel zonder de nieuwe machines niet zou kunnen worden voortgezet, dat de nieuwe wijzen van bewerking in weinige maanden konden worden geleerd inplaats van in zeven jaren en dat het beperken van den ouden meester-ambachtsman tot twee of drie leerlingen per hoofd niet opging bij de nieuwe koopers van arbeid op groote schaal. Waar de meesters hun zaak zoo goed wisten te bepleiten, vond zelfs de meest welgezinde commissie het slechts zelden mogelijk de voorstellen der werklieden te ondersteunen. En inderdaad waren die voorstellen onmogelijk. De werklieden hadden een grief â de ergste wellicht die eene klasse hebben kan â het verlagen van hunnen levensstandaard door omstandigheden die de productiviteit van hunnen arbeid ontzaglijk verhoogde. Maar zij vergisten zich in de remedie; en het parlement, hoewel de fout ziende, kon niets beters verzinnen. Het gezond verstand dwong de regeering den gemakkelijken en voor de hand liggenden maatregel te nemen, van de middeleeuwsche voorschriften, waaraan de industrie ontgroeid was, af te schaffen. Maar het probleem der bescherming van den levensstandaard der werklieden onder de nieuwe toestanden was niet gemakkelijk en lag niet voor de hand, en het bleef onopgelost tot de negentiende eeuw het middel der arbeidswetgeving ontdekte. Intusschen moesten de werklieden maar zien hoe zij er kwamen, daar in de eerste jaren de houding van het parlement ten hunnen opzichte eene was van zuivere verlegenheid, geheel vrij van het leerstuk der vrije concurrentie.
Dat het Lagerhuis onschuldig bleef aan elke algemeene theorie tegen wettelijke inmenging, en dat nog lang nadat het begonnen was de middeleeuwsche voorschriften op te ruimen, wordt bewezen door het beroemde geval der zijdewevers van Spitalfields, waarbij tot de oude politiek van reglementeering van het bedrijf werd teruggekeerd. De wevers van Spitalfields beweerden in 1765 dat zij zonder werk waren ten gevolge van het invoeren van buitenlandsche zijde. Zij kwamen in groote troepen bijeen en trokken in optocht, voorafgegaan door muziekkorpsen en banieren, naar Westminster, en eischten het verbod van invoer van het buitenlandsche product. Oproeren hadden plaats, ernstig genoeg om het parlement te bewegen een wet van den gewenschten aard aan te nemen; ') maar deze protectionistische proefneming kon de loonen niet handhaven en in 1769 braken de oproeren opnieuw uit. Sik John Fielding, de welbekende Londensche politie-rechter,
4 4gt;
quot;S» â¢) 5 Geo. iii. c. 4.8; zie Annual Register, 1765, pag. 41; CuniiingJiain,
deel II, pag. 336.
5 5
raadde den Londenschcn zijdewevers eindelijk aan, dat zij moesten trachten hunne loonen wettelijk vastgesteld te krijgen. 1) Onder den drang van een nieuw oproer in 1773, nam het parlement dit voorstel aan en machtigde de rechters den loonstandaard vast te stellen en te handhaven. De uitwerking dezer bepaling op de combinatie der werklieden is van beteekenis. âEen groot manquot;, zoo verhaalt een hunner, had den wevers gezegd, dat de regeerende klasse âwetten maakte en dat wij, het volk, er beenen onder moeten maken.quot; 2) De vluchtige combinatie tot het verkrijgen der wet, werd dientengevolge een permanente vereeniging om haar te handhaven. Van dien tijd af aan hooren wij niets meer van werkstakingen of oproeren onder de wevers van Spitalfields. Inplaats daarvan zien wij een bestendig organisme, aangeduid als de âunionquot; verrijzen, die werkgevers en werklieden voor de rechters vertegenwoordigt en op welker getuigenis de ingewikkelde loonlijsten voor het stukwerk op geregelde tijden worden vastgesteld. Het is duidelijk dat de parlementen die de Spitalfields-wetten van 1765 en 1773 aannamen, geen begrip hadden van de politieke philosofie van Adam Smith, wiens Rijkdom der Natiën, dat later werd aangenomen als het Engelsche evangelie van vrijheid van contract en ânatuurlijke vrijheid,quot; in 1776 verscheen. Niettemin waren dergelijke wetten zoo zeldzaam geworden, dat toen Adam Smith's meesterwerk in handen kwam van de staatslieden dier dagen, het hen moet voorgekomen zijn, niet zoozeer als een nieuwe richting in de industriëele staathuishoudkunde, als wel als de klare generalisatie der practische conclusies, waartoe de ondervinding hen reeds herhaaldelijk gedreven had.
Tegen het einde der eeuw grepen de regeerende klassen, die in de nieuwe industriëele politiek een bron van enorme geld-winst gevonden hadden, de nieuwe economische theorie gretig aan, als een intellectueele en moreele rechtvaardiging dier politiek. Het door de wet aan hun lot overlaten der werklieden, waartoe men voorheen door de omstandigheden genoodzaakt was en, zooals wij bemerken, niet zonder wroeging, geschiedde nu principieel en met onschokbare beslistheid. Toen de handwevers, die weinig meer verdienden dan een derde van hetgeen zij tien jaren tevoren wonnen en niet in staat te begrijpen dat men het fabrieksstelsel met voordacht zou toestaan hen ten onder te brengen, zich in 1808 in het Lagerhuis gehoor wisten te verschaffen, rapporteerde eene Commissie tegen hun voorstel om een minimum-loontarief vast te stellen, op grond dat dit was âin principe volslagen onaannemelijk, niet van dien aard om door welke middelen ook
lt;5gt; ') Wet 13 Geo. 111. c. 68; zie A Short Historical Account oj the
Silk Manufacture in England, door Samuel Sholl (Londen 1811).
2) A Short enz. pag. 4. lt;ttgt;
56
in praktijk te worden gebracht en omdat het, indien al voor invoering vatbaar, de noodlottigste gevolgen zou na zich slepenquot; en âdat het voorstel nopens het beperken van het aantal leerlingen eveneens volslagen onaannemelijk is, en, indien door het Huis aangenomen, de grootste onrechtvaardigheid zoowel tegenover den fabrikant als tegenover den arbeider met zich zou brengen.quot; ') Hier zien wij het laiser-faire in het parlement ten volle erkend als een gezaghebbend industrieel leerstuk der staathuishoudkunde, in staat de groote massa der getuigenissen, afgelegd voor deze Commissie, die beslist ten gunste van het minimum-loon was, te overwinnen. Het ontbrak het Lagerhuis niet aan gelegenheden om zich met betrekking tot dit vraagstuk op de hoogte te stellen. De bizondere ellende, veroorzaakt door slechte oogsten en den langdurigen oorlog tusschen 1793 en 1815 2), bracht een stortvloed van adressen, speciaal van de pas-gestichte genootschappen van katoenbewerkers. In de eerste jaren dezer eeuw kwam petitie na petitie in van Lancashire en Glasgow, waarin werd aangetoond dat de weefloonen voortdurend waren gedaald en de oude eischen: een wettelijk vastgestelde stukloonlijst en de beperking der leerlingen, werden herhaald. In 1795 en weder in 1800 en nogmaals in 1808 werden in het Lagerhuis wetsontwerpen tot het vaststellen van een minimum-loon ingediend, die somtijds vrij gunstig werden ontvangen. Het rapport der Commissie van 1808, die uitgebreide getuigenissen over de zaak verzamelde, is reeds geciteerd. Petities van de katoendrukkers, ten gunste eener wettelijke beperking van het aantal leerlingen, hoewel warm ondersteund door de Bizondere Commissie waarnaar zij verwezen waren, ondergingen hetzelfde lot. SHERIDAN echter was niet overtuigd en diende een wetsontwerp in, waarin, onder meer, werd voorgesteld het aantal leerlingen te beperken. Maar Sir Robert Peel (de oude), wiens eigen fabrieken zwermden van jongens, verzette er zich tegen in naam der industriëele vrijheid en wist het Lagerhuis tot zich over te halen. 3) De wanhopige werklieden, wier pogingen tot het verkrijgen van nieuwe wetten aldus verijdeld werden, wendden zich om hulp tot de bestaande wet. Onherroepen wetsbepalingen stelden de rechters nog in staat in sommige bedrijven het loontarief vast te stellen, in andere het aantal leerlingen te beperken, in weer andere zekere soorten van
lt;5» ') Reports on Petitions of Cotton Weavers, iSoq and iSir. amp;
amp; 2) âDe periode tusschen 1795 en 1815 kenmerkte zich door schaarsten,
die bij verschillende gelegenheden bijna hongersnooden werden.quot; (Thorold Rogers, History enz. deel I, pag. 692).
3) Minutes of Evidence and Report of the Committee on the Petitions of the Journeymen Calico-Printers, 4 Juli 1804 en 17 Juli 1806. Zie ook Sheridan's redevoering, gereporteerd in Hansard's Parliamentary Debates, deel IX, pag. 534â8. ^
5;
machines te verbieden en te beletten dat andere dan geschoolde werklieden het vak uitoefenden. Die wetsbepalingen waren zoo volslagen in onbruik geraakt, dat de werklieden in vele gevallen zelfs met hun bestaan onbekend waren. In 1802 echter, vereenigden de wevers van westelijk Engeland zich met die van Yorkshire, om een rechtsgeleerde aan te nemen, die tegen de meesters vervolgingen instelde, wegens het overtreden der oude wetten. Het gevolg was, dat het parlement, ten einde aan deze vervolgingen een einde te maken, in allerijl een wet aannam, waarbij die oude wetsbepalingen herroepen werden. ') ,,In een druk-bezochte vergadering van schoenmakers der stad New Sarum in 1784,quot; zegt eene oude circulaire die wij gezien hebben, âwerd eenparig besloten .... dat een inschrijving zal worden geopend, ten einde de wet aan te wenden tegen de overtredingen in het vak,quot; doch blijkbaar zonder resultaat. 2) De Edinburgsche letterzetters hadden meer succes; toen hun eene loonsverhooging, in verhouding tot de verhooging der kosten van het levensonderhoud, geweigerd was, boden zij op 28 Februari 1804 het Gerechtshof eene memorie aan en verkregen de beroemde âInterlocutorquot; 8) van 1805, waarbij een stukloonlijst voor het Edinburgsche drukkersbedrijf werd vastgesteld. ') Maaide voornaamste gebeurtenis dezer campagne voor het doorvoeren der oude wetten, begon in Glasgow. Na vier of vijf jaren van parlementaire agitatie ten gunste van meerdere wettelijke regeling, namen de katoenwevers dier stad hun toevlucht tot de wet, die den rechters de macht gaf den loonstandaard vast te stellen. Na een vergeefsche poging tot vaststelling van een standaardloon in overleg met eene commissie van werkgevers, begon het werkliedengenootschap, dat zich nu uitstrekte over alle katoenwevende districten van het Vereenigde Koninkrijk, een proces, dat door het Graafschappelijk Gerechtshof van Lanarkshire behandeld werd. In 1812 betwistten de werkgevers de bevoegdheid der magistratuur en gingen in hooger beroep bij het Hof te Edinburg. Het Hof
égt;
amp; ') 43 Geo. III. c. 136, bleef een reeks van jaren geldig, totdat in
1809 door de wet 49 Geo. Ill c. 109, de meeste wetten, regelende de wol-industrie, definitief herroepen werden; zie Cnnningham, deel II, pag. 455. lt;Cgt; s) Het werd herdrukt in het 121ste Driemaandelijksche Verslag der
Algemeene Schoen- en Laarzenmakers Vereeniging. Het proces werd gevoerd door de Friendly Society of Cordwainers of England, âopgericht 15 November 17S4.quot;
3) In de Schotsche rechtspraak, een tijdelijk vonnis, uitgesproken in zeer dringende, spoedeischende gevallen, in afwachting der beslissende uitspraak. Vert. ^
â ') Prof. Foxwell bezit een unieke collectie geschriften nopens deze
procedures, die hij welwillend tot onze beschikking heeft gesteld; daaronder bevinden zich de Memorials der gezellen en der werkgevers, het Report in the Process door Robert Bell en de Scale of Prices (loonschaal), vastgesteld door het Hof. Een volledig verslag der verhandelingen komt voor in de Scottish Typographical Circular van Juni 1858. lt;$gt;
58
besliste dat de vrederechters bevoegd waren tot het vaststellen der loonen en dientengevolge werd een tabel van stukloonen opgesteld. De werkgevers trokken zich nu zonder verwijl terug; maar de werklieden waren niettemin verplicht te doen getuigen ten behoeve van elk der talrijke voorgestelde tarieven, hetgeen groote onkosten veroorzaakte. Nadat honderd en dertig getuigen waren gehoord, verklaarden de vrederechters eindelijk de tarieven voor billijk, doch vaardigden geen behoorlijk bevel ter hunner doorvoering uit. Behoudens enkele uitzonderingen, weigerden de werkgevers de tabel te aanvaarden, tot welker verkrijging de werklieden 3000 p. st. hadden besteed. Het resultaat was: de grootste werkstaking die ooit in dit vak plaats had. Van Carlisle tot Aberdeen stopten alle weefgetouwen; veertigduizend wevers legden nagenoeg gelijktijdig den arbeid neder. Nadat de staking bijna drie weken geduurd had, waren de werkgevers bereid niet de werklieden te onderhandelen, toen het geheele stakings-comité plotseling door de politie gearresteerd werd en in voor-arrest werd gehouden voor de misdaad van combinatie, waartegen de autoriteiten in die revolutionnaire dagen, op zuiver politieke gronden sterk gekant waren. De vijf leiders werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier tot achttien maanden ; en die slag vernietigde de combinatie, deed de werkstaking verloren gaan en maakte een einde aan de worstelingen der werklieden tegen de voortdurende vermindering hunner loonen. 1) é-4gt; De Londensche werklieden, hoewel niet onderdrukt door
vervolging en gevangenzetting, hadden niet meer succes dan hunne broeders van Glasgow. Tusschen 1810 en 1812 sloten eenige vakvereenigingen zich aaneen om een advocaat te employeeren, die meesters vervolgde wegens het in dienst hebben van âonwettige mannen,quot; dat wil zeggen ; mannen die niet door het volbrengen van een leertijd het recht tot het uitoefenen van het vak hadden verkregen. Het oorspronkelijke dossier dat de leerlooiers-gezellen in 1810 aan het oordeel van een advocaat onderwierpen (tegen een honorarium van twee guineas), met de bedoeling de wet op de leerlingen van kracht te doen worden, is in ons bezit, met de min of meer aarzelende opinie van den rechtsgeleerden raadsman. In eenige weinige gevallen werd zelfs geprocedeerd tegen werkgevers wegens het doen van zaken in een bedrijf, waarin zij zelf geen leertijd hadden doorloopen. In sommige gevallen werden veroordeelingen verkregen; maar de gedaagden werden niet veroordeeld in de kosten, hetgeen wel geschiedde ten opzichte der werklieden, als deze een proces verloren. Lord Ellenborougii
4gt;
') Voor deze aangelegenheid zie cle beide Reports 0/ the Committee on the Petit ions of the Cotton Weavers, 12 April 1808 en 29 Maart 1809, benevens Richmond's verklaringen voor de Cotnmittee on Artisans ami Machinery, 1824, tweede rapport, pag. 59â64. lt;2gt;
59
besliste bovendien in hooger beroep, dat nieuwe bedrijven, zooals die van den machinebouvver en den slotenmaker, niet vielen onder de bepalingen der Elizabethsche wet. In 1811 wendden zekere molenaars-gezellen van Kent zich tot de rechters, met het verzoek, op grond van de wet van Elizabeth, een loonstandaard vast te stellen. Toen de rechters weigerden het verzoek in overweging te nemen, vroegen zij een mandamus. *) Lord EllenborouGH gaf toen bevel dat de petitie gehoord moest worden, maar liet het aan de rechters zeiven over om al of niet een loonschaal vast te stellen. De rechters begrepen den wenk en weigerden eenigerlei loonbepaling te maken. 3) Het bleek spoedig dat procedures onder deze verouderde wetten, gezien het vooroordeel der gerechtshoven, even nutteloos als kostbaar waren. Er zat dus niets anders op dan óf de slaglinie geheel te verlaten, óf het parlement te verzoeken de nog niet herroepen wetten weder van kracht te doen worden. Dit laatste deden zij dan ook, met het onverwachte resultaat dat de âverderfelijkequot; wet, die den rechter machtigde de loonen vast te stellen, in 1813 met beslistheid herroepen werd. 3) ^ De aldus uit den weg geruimde wet was slechts één
paragraaf van de groote Elizabethsche bepalingen, en zijne herroeping liet de overige paragrafen ongemoeid. Eene Speciale Commissie had reeds in 1811 gerapporteerd, dat âgeen bemoeiing der wetgeving met de beroepsvrijheid of met de volmaakte vrijheid van elk individu om over zijn tijd en arbeid te beschikken op de wijze en tegen de voorwaarden die hij het meest in zijn belang acht, plaats kan hebben, zonder verkrachting van algemeene grondbeginselen van het grootste gewicht voor den welvaart en het geluk der gemeenschap, zonder het verderfelijkste precedent te scheppen, of zelfs zonder na een zeer korten tijd den druk der algemeene ellende te verzwaren en hinderpalen opwerpend tegen het ooit uit den weg ruimen dier ellende.quot; Het herroepen van de loon-paragrafen der wet, verhief deze nadrukkelijke verklaring van het nieuwe leerstuk tot wet, voor zoover het 't vaststellen der loonen betrof; maar de paragrafen nopens de leerlingen bleven. Petities, waarin de handhaving dier bepalingen en het uitstrekken daarvan tot de nieuwe bedrijven werd gevraagd, bleven toestroomen. Zij werden ten slotte verwezen naar eene groote en invloedrijke Commissie, die Canning, Huskisson, Sir Robert Peel en Sir James Graham onder hare leden telde. De gehoorde getuigen waren
^ ') Een bevelschrift van een Hooggerechtshof aan een lager rechts
college tot het verrichten van zekere formaliteiten, welke door dit laatste geweigerd waren. Vert. â
â s) Justices of Kent, 14 East, 395; zie F. D. Longe's Inquiry into the Law of Strikes (Londen i860), pag. 10, ji. â
â 3) 53 Geo. HI. c. 40 (1813).
60
11 1 h iiaMff
zeer ten gunste van het behoud der wetsbepalingen, zoodanig geamendeerd dat zij in het kader van den tijd vielen. De voorzitter (de Heer Rose) was door de getuigenissen klaarblijkelijk tot het standpunt der werklieden bekeerd. De Commissie, die ongetwijfeld was benoemd geworden om de volslagen afschaffing der leerlingparagrafen te formuleeren, was niet in staat haar eigenlijk mandaat te vervullen. Uit vrees voor de fabrikanten en economisten het er niet op wagende het Huis aan te bevelen het verzoek der werklieden in te willigen, ontkwam het aan de moeilijkheid door heelemaal niets aan te bevelen. Honderdtallen petities ten gunste der wetten bleven uit alle deelen des lands binnenstroomen; 300.000 handteekeningen waren vóór het behoud der bepalingen, tegen 2000 voor het herroepen; en dikwijls stemden meesters in met de smeekbede der werklieden. Eene openbare vergadering van de âMeesters-Fabrikanten en Kooplieden der Steden Londen en Westminster,quot; gehouden in de Freemasons' Tavern, nam resoluties aan, waarin de amendeering en handhaving der bestaande wet krachtig werd ondersteund. Anderzijds redeneerde eene commissie, waarvan de meester-machinebouwers Maudsley en Galloway op den voorgrond tredende leden waren, krachtig ten gunste van vrijheid en tegen âde gedrochtelijke en angstwekkende, doch misleide associatie.quot; In 1814 diende de advocaat Mr. onslow, die geen deel had uitgemaakt der commissie van de vorige zitting, een wetsontwerp in, tot herroeping der geheele wet op het leerlingschap. De âMeesters en Gezellen van Westminsterquot; werden voor de balie tegen dezen maatregel gehoord, maar het Huis was ten gunste der fabrikanten gestemd en annuleerde door de wet van 54 Geo. Ill c. 96 de oude leerling-paragrafen en daarmede het laatste overblijfsel van die wettelijke bescherming van den levensstandaard, die van de middeleeuwen was overgebleven. â¢) De overwinnende fabrikanten schonken Mr. Onslow ettelijke zilveren voorwerpen, als erkentenis voor zijn optreden ten gunste der handelsvrijheid. 2)
De nieuwe leer had tegen dien tijd zelfs de herinnering
^
^ ') De Spitalfields-wetten, nopens de zijde-wevers, werden echter niet
vóór 1824 herroepen; en de laatste artikelen van 5 Eliz. c. 4, werden eerst in 1875 formeel ingetrokken.
amp; ') White's Digest of all the laws at present in existence respecting
Masters and Workpeople (1824), pag, 59.
â De verhandelingen over deze zaak kunnen het best nagegaan worden
in de journalen van het Lagerhuis van 1813 en 1814, deelen LXV1I1 en LX1X; en in Hansard's Parlementaire Debatten, deelen XXV en XXVII. De zaak der meesters wordt uiteengezet in een geschrift: 1'he Origin, Object, and Operation of the Apprentice Laws {Londen 1814, 26 pag.), bewaard in de Pamphleteer, deel III. De Resolutions of the. Master Manufacturers and Tradesmen of the Cities of London and Westminster on the Statute j Eliz. c. 4 (London 1814, 4 pag.), geeft het tegenovergestelde standpunt aan (13. M. 1882, d. 2). Het argument voor vrijheid van denzelfden tijd wordt uitgesproken in An Estimate of the
61
aan de oude idealen uit den geest der regeerende klasse zoodanig verjaagd, dat het nu de werklieden waren, die als invoerders van nieuwigheden beschouwd werden en wij zijn weinig verbaasd eene andere commissie te vinden, welke plechtig verklaart dat âieders recht om het kapitaal dat hij geërfd of verworven heeft aan te wenden naar eigen goeddunken, zonder verhindering of belemmering, zoolang hij niet de rechten of bezittingen van anderen schaadt, een der privilegiën is, welke de vrije en gelukkige constitutie van ons land elke Brit sinds lang als zijn geboorterecht heeft doen beschouwen.quot; ') Doch het dient gezegd te worden, dat de regeerende klasse alles behalve onpartijdig was in de toepassing harer nieuwe leer. De middeleeuwsche regeling raakte niet alleen de beperking der vrije concurrentie aan de arbeidsmarkt tot het geldelijk nadeel van den werkgever, doch ook de beperking der vrijheid van contract tot nadeel der werklieden, die alleen door gemeenschappelijke in plaats van individueele onderhandelingen de beste belooning voor hunnen arbeid konden bedingen. Bijgevolg zouden de werklieden, als zij den toestand terdege begrepen hadden, even verlangend zijn geweest naar de afschaffing der wetten tegen het vereenigingsrecht, als naar de handhaving der wetten, waarbij de loonen werden bepaald en de leerlingen beperkt; precies als de kapitalisten, die, beter op de hoogte, niet minder beslist waren in het handhaven der anti-combinatie wetten, dan in het herroepen der andere. Wij zullen aanstonds zien, hoe lang het duurde eer de arbeiders dit beseften, ondanks het feit dat de wetten tegen het vereenigingsrecht der werklieden in volle kracht werden gehandhaafd en zelfs nog verscherpt. Werkstakingen, benevens elk georganiseerd weerstaan van de eischen der werkgevers, werden van hoogerhand onderdrukt. De eerste twintig jaren der negentiende eeuw zagen eene wettelijke vervolging der vakvereenigingsmannen als rebellen en revolutionnairen. Deze vervolging, die den gezonden groei der vakveieenigingen dwarsboomde en hare leden tot geweldpleging en oproer dreef, maar die ten slotte leidde tot het herroepen der anti-combinatie-wetten en de geboorte der moderne vakvereeni-gings-beweging, zal het onderwerp van het volgende hoofdstuk zijn.
égt; 4
Comparative Straight of Great Britain, door G. Chalmers (Londen 1810); zie Cunningham, dee! II, pag. 578. De Openbare Bibliotheek te Nottingham bezit een uniek exemplaar van de Articles and General regulations of a Society for obtaining Parliamentary Relief, and the encouragentent of mechanics in the ifnprovenient of mechanism, in 1813 te Nottingham gedrukt. Dit blijkt te zijn geweest een federatie van raam-breiers-vereenigingen en wellicht van nog andere, voor parlementaire actie zoowel als voor behartiging van vakbelangen; en hare stichting in 1813 hield wellicht verband met de beweging ten gunste der restauratie van de leerlingwetten. ^
lt;Sgt; '1 Report of the Com it tec on the State of the Woollen Manufacture
in England, 4 Juli 1806, pag. 12.
62
HOOFDSTUK II.
Dl-: STRIJD OM HET ÃF.STAAN (1799â1825).
é- üc traditioneele geschiedenis tier vakvereenigings-bewc-
ging stelt de periode vóór 1824 voor als eene van onafgebroken verdrukking en voortdurende vervolging. Elke vereeniging, die kan bogen op een bestaan van meer dan een halve eeuw, bezit eene romantische legende van hare eerste dagen. De middernachtelijke bijeenkomsten van patriotten in een uithoek van het vrije veld, de begraven archief-kist, de geheime eed, de langdurige gevangenisstraffen der voornaamste bestuurders â dat alles wordt in de sagen der oudere vereenigingen gevonden en vormt het materiaal, waaruit, in een niet door historische kritiek verstoorden tijd, een half-mythische oorsprong gemakkelijk geschapen heeft kunnen worden. Dat de legende niet zonder een grondslag van waarheid is, zullen wij zien als wij de werkelijke uitwerking van het wettelijk verbod der combinaties van loonarbeiders, dat tot 1824 in het geheele Vereenigde Koninkrijk heerschende was, op de vakvereenigings-beweging nagaan. Maar wij zullen vinden dat sommige gezellen-combinaties ten allen tijde door de wet erkend werden, dat vele andere slechts bij buien bemoeilijkt werden en dat de uiterste gestrengheid der combinatie-wetten niet gevoeld werd vóór de ver-strekkende verandering van politiek, aangeduid door de strenge wetten van 1799â1800, die op alle mogelijke industrieën van toepassing waren. Dat zal ons vanzelf brengen tot de geschiedenis van de intrekking der geheele reeks combinatie-wetten in 1824â5, de indrukwekkendste gebeurtenis in de vroege geschiedenis der beweging. 4*
amp; Er is een duidelijk onderscheid â ten minste wat
Engeland aangaat â tusschen de verschillende wetten, die vóór het einde der achttiende eeuw aaneensluiting verboden en de algemeene wet op de combinatie van 1799. In de talrijke vroegere wetten, opgesomd en herroepen in 1824, hield het verbod van combinatie in alle gevallen verband met de reglementeering dei-nijverheid. Men nam aan, dat het regelen der arbeidsvoorwaarden het werk van het parlement en der rechtbanken was; en evenmin als aan personen, kon het aan combinaticn toegestaan worden zich te mengen in geschillen waarvoor rechtsmiddelen waren vastgesteld.
63
*
Het door de wetten beoogde doel was niet het verbieden van combinaties, doch het vaststellen van loonen, het voorkomen van verduistering en nadeel, het handhaven van het dienst-contract, of de behoorlijke regeling van het leerlingschap. En hoewel combinaties tot bemoeiing met die wettelijke doeleinden ongetwijfeld onwettig waren en gewoonlijk uitdrukkelijk verboden werden, was het een bijkomend resultaat, dat combinaties, gevormd tot het bevorderen der bedoelingen van de wet, hoe onwelgevallig zij den werkgevers ook mochten zijn, blijkbaar niet als onwettig beschouwd werden.
De oudste type van combinatie van gezellen â de vereeniging tot handhaving der wet â schijnt dus altijd stilzwijgend als geoorloofd beschouwd te zijn geworden. Hoewel het waarschijnlijk is, dat zulke associaties juridisch vielen onder de definities van combinatie en samenzwering, hetzij onder de burgerlijke wet of onder de oude bizondere wetten, is ons toch geen enkel geval bekend, waarin zij als onwettig vervolgd werden. Wij hebben, bijvoorbeeld, reeds beschreven, hoe in 1726 de wohvevers van Wiltshire en Somersetshire zich openlijk vereenigden om den koning en zijn raad eene petitie aan te bieden, gericht tegen hunne meesters, de lakenkoopers. De Geheime Raad, verre van die daad der wevers onwettig te achten, overwoog en behandelde de klacht. En toen de werkgevers bleven volharden in hunne ongehoorzaamheid aan de wet, hebben wij gezien hoe de Broederschap van Lakenwevers in 1756 het Lagerhuis petitioneerde, om de bevoegdheid der rechters tot het vaststellen van loonen meer effectief te maken en verkregen eene nieuwe wet, overeenkomstig hunne wenschen. De bijna onafgebroken combinaties der raam-breiers tusschen 1710 en 1800, werden nimmer aan gerechterlijke vervolgingen blootgesteld. De combinaties der Londensche zijdewevers ontvingen eene feitelijke sanctie door de Spitalfields-wetten, waaronder de afgevaardigden der werklieden-organisaties geregeld voor de rechters verschenen, die de stukloonen vaststelden en herzagen. Zelfs in 1808, nadat de gestrengheid der wetten tegen de combinaties zeer verscherpt was, was het den katoen-wevers van Glasgow en Lancashire toegestaan zich openlijk te verbinden, met het doel eene wettelijke vaststelling van het loon te verkrijgen, met het reeds beschreven resultaat. En het was niet alléén de combinatie ter verkrijging van een wettelijk vastgestelden loon-standaard, die door de wet ongemoeid werd gelaten. Combinaties, ten doel hebbende de paragrafen der Wet op de Leerlingen (5 Eliz. c. 4) en andere bepalingen tegen âonwettige werkliedenquot; te doen naleven, kwamen tot 1813 bij tusschenpoozen voor. In 1749 stelde een schildersgezellen-club in de Londensche City eene vervolging in tegen een meester schilder, wegens het in dienst
64
mi
m
hebben van een niet-poorter; en deze procedure leidde er toe, dat in 1750 eene conferentie plaats had van dertig gezellen en dertig meesters met de Overheid der City, bij welke gelegenheid de desbetreffende bepalingen werden veranderd. ') Niemand schijnt de wettigheid der alom plotseling opgekomen combinaties van 1811 â13, ter vervolging der meesters die geen leertijd doorloopen hadden, of die werklieden in dienst hadden welke in hetzelfde geval verkeerden, betwist te hebben. Ken der redenen voor de straffeloosheid der combinaties tot handhaving der wet, was ongetwijfeld de omstandigheid dat werkgevers en vrienden van alle standen er deel van uitmaakten. Bijvoorbeeld de combinaties van 1811 â13 tot handhaving der wetsbepalingen op het leerlingwezen, omvatten zoowel meesters als gezellen, die in gelijke mate getroffen werden door de concurrentie van den nieuwen kapitalist en zijne âhuurlingen.quot; De Yorkshire Clothiers Commiinity of Brief Institution, waarvan reeds melding is gemaakt, omvatte in sommige zijner vertakkingen de thuiswerkende kleine fabrikanten, die schouder aan schouder met de gezellen streden tegen het nieuwe fabrieksstelsel.
Anderzijds werden combinaties van gezellen, ten doel hebbende op eigen gelegenheid hunne loonen en arbeidsvoorwaarden te regelen, geheel anders behandeld. Door de bepaling in het burgerlijk wetboek, dat alle handelingen ,,tot belemmering van het bedrijfquot; onwettig zijn, zooals zij later door de rechters werd uitgelegd, werden vanzelf alle combinaties van gezellen, ten doel hebbende de arbeidsvoorwaarden te regelen, als onwettig gedoodverfd. Waar bovendien de loonen en arbeidsvoorwaarden bij de wet waren vastgesteld, droeg elke combinatie tot het weerstaan van de bevelen der rechters in die aangelegenheden het karakter van rebellie en werd dan ook vervolgd als elke indivi-dueele ongehoorzaamheid aan de wet. En ook ontbrak de bizondere wet tegen de combinaties niet. De wet van 13051 genaamd âWie de Samenzweerders zijn en wie de Champertors :i) zijnquot; (33 Kdw.
I, st. 2), werd in 1818 toegepast op eene combinatie tot het
4
4gt; ') Verordening van den Gemeenteraad van 22 November 1750:
Hughson's Lomion, pag. 422. Er zijn bewijzen voor het bestaan van minstens nog een schilders-club in Londen, die van de achttiende eeuw dateert, nl. de Original Society of Painters and Glaziers, die in 1799 bestond en later de St. Martin's Society of Painters and Glaziers werd. (Ikehive, van 24 October 1S63.) lt;S» !!) Deze uitdrukking werd gebezigd om lieden aan te duiden, die
geen wettelijken leertijd doorloopen hadden. Zie Rules and Regulations of the '/ourneynten Weavers, herdrukt in Aanhangsel No. 10 van het Rapport nopens de Wetten op de Combinaties, 1825. ^
^ Champertors zijn, in de Engelsche wet, lieden die bij de overeenkomst de kosten betalen van het proces van een ander, onder verbintenis dat het stuk land, de erfenis, of waarom ook geprocedeerd wordt, bij eventueel winnen van het geding, tusschen de beide contractanten zal worden verdeeld. ^
Vekt.
5 - Sidney Weuü. 65
verkrijgen van loonsverhooging voor de katoenspinners, welker leiders, ingevolge de bepalingen dier wet, tot twee jaren gevangenisstraf werden veroordeeld. De âWet tegen Samenzweringen van Victuallers ') en Ambachtsliedenquot; van 1549 (2 en 3 Edw. VI, c. 15) hoewel oorspronkelijk gericht tegen combinaties tot het hooghouden der aan de verbruikers berekende prijzen, omvat duidelijk in hare verbodsbepalingen alle soorten van combinaties van ambachtsgezellen tot het hoog-houden van loonen of het verminderen van werkuren. 4gt; Het is eenigermate een bewijs voor de nieuwheid der werklieden-combinaties in het eerste gedeelte der achttiende eeuw, dat noch de werkgevers, noch de autoriteiten er aanvankelijk aan dachten ter hunner bestrijding gebruik te maken van de zeer voldoende kracht der bestaande wet. Toen in 1720 de meesterkleermakers een georganiseerde massa van gezellen tegenover zich zagen, die een voor allen geldend loon eischten en dus ernstig ,,het bedrijf belemmerden,quot; wendden zij zich om hulp niet tot de rechtbank, doch tot het parlement en verkregen, zooals wij gezien hebben, de wet ,,tot regeling der kleermakers-gezellen binnen de perken van het aan sterfelijken mogelijkequot; (7 Geo. I st. 1, c. 13, geamendeerd door 8 Geo. Ill, c. 17). ~) En toen het den laken-koopers van westelijk Engeland tusschen 1717 en 1725 werd lastig gemaakt door de ârumoerige en oproerige clubs en vereenigingenquot; van wolkammers en wevers, die reglementen maakten en een standaardloon handhaafden, 3) beriepen zij zich niet op de bestaande wet, doch petitioneerden met succes het parlement, om de wet ,,ter voorkoming van onwettige combinaties van werklieden in de wol-industriequot; (12 Geo. I c. 34). Vóór het tot-stand-komen der algemeene wetten van 1799 en 1800, tegen alle combinaties van werklieden, was het parlement vanaf het begin der achttiende eeuw eigenlijk voortdurend aan het maken van wetten, waarbij combinaties in zekere bedrijven verboden werden, 4^ Zooals wij gezien hebben, was dit verbod van combinatie lt;Sgt; lt;5gt; lt;$gt; 'j Onder Victuallers worden hier verstaan; werklieden in de bedrijven tot bereiding van voedsel. Thans worden slechts fabrikanten en leveranciers van voedingsstoffen van allerlei aard met dit woord aangeduid. Vert. lt;tïgt; lt;amp;gt; 2) De zaak van den Koning tegen de Kleermakersgezellen van Cambridge in 1721 (8 Mod. 10), is onduidelijk te boek gesteld: en het is onzeker onder de bepalingen van welke wet de mannen veroordeeld zijn geworden. Zie Wright's Laiu of Criminal Conspiracies and Agreements, pag. 53. lt;$gt; lt;amp; quot;) Zie de petities der steden van Devonshire, Journalen van het Lagerhuis (1717) deel XVIII, pag. 715, die, met andere in latere jaren, leidden tot eene Speciale Commissie in 1726 (Journalen, deel XX, pag. 648, 31 Maart 1726). lt;amp; Zie bijvoorbeeld de wetten, regelende de wolnijverheid, 12 Geo. I, c. 34 (1725); tegen verduistering en bedrog door schoenmakers, 9 Geo. I, c. 27 (1729); nopens de hoedenmakers, 22 Geo. II, c. 27 (1749); nopens de zijdewevers, 17 Geo. Ill, c. 55 (1777); en nopens de papiermakerij, 36 Geo. Ill, c. 1 u (1795).
66
in de Engelsche wetgeving slechts van ondergeschikte beteekenis en onderworpen aan het hoofddoel der wet. Anders is de zaak ten opzichte der oude lersche wetten, welker bepalingen een veel diepere klove tusschen meesters en gezellen aanduiden, wellicht een gevolg van het verschil van godsdienst en ras. Reeds de eerste wet tegen combinaties die door het lersche parlement aangenomen werd, de wet van 1729 (3 Geo. 11, c. 14), bevatte geene bepalingen tot bescherming der loonarbeiders en verbood combinaties in alle mogelijke bedrijven. De wet van 1743 (17 Geo. II, c. 8), in het leven geroepen wegens het fiasco van het vroegere verbod, bepaalde zich eveneens tot krasse straf-maatregelen, waaronder bet straffen van de houders der herbergen, waarin vergaderingen gehouden werden. Maar in latere jaren schijnt het Engelsche gebruik gevolgd te zijn; want de wetten van 1758 (31 Geo. II, c. 17), 1763 (3 Geo. Ill, 34, sec. 23), 1771 (11 en 12 Geo. Ill, c. 18, sec. 40 en c. 33) en 1779 (19 en 20 Geo. Ill, c. 19, c. 24 en c. 36), voorzien in het vaststellen der loonen en bevatten andere regelingen der nijverheid, waaronder het verbod van combinaties vanzelf voorkomt. 4*
é- In elk geval had men, zoowel in Engeland als in Ierland,
tegen het einde der eeuw het burgerlijk wetboek bij de speciale wetten te hulp geroepen en oordeelden de rechters dat elke samenzwering tot het verrichten eener handeling welke zij in eene combinatie als onwettig beschouwden, zelfs als die handeling door een individu verricht niet misdadig was, een inbreuk op de bepalingen van het burgerlijk wetboek was. De wetgeving volgde spoedig dit voorbeeld. In 1799 stelde de wet 39 Geo. Ill, c. 81 alle combinaties, van welken aard ook, uitdrukkelijk strafbaar.
De beweegredenen die tot dezen krassen maatregel leidden, worden nergens duidelijk medegedeeld, maar hij schijnt verband te hebben met de opmerkelijke toename van het vakvereenigingswezen onder de textiel-arbeiders van Yorkshire en Lancashire. Het wetsontwerp werd met groote snelheid door het parlement gejaagd en ontving de koninklijke goedkeuring reeds vier en twintig dagen nadat het in het Lagerhuis werd gebracht. Er was dientengevolge weinig gelegenheid voor eenig protest tegen zijne bepalingen, maar de Londensche âVereeniging van Katoendrukkersgezellenquot; petitioneerde tegen den maatregel en nam een advocaat om hare bezwaren uiteen te zetten. Zij wezen er op, dat het ontwerp, hoewel voorgevende eenvoudig âonwettige combinaties te voorkomen,quot; schiep ânieuwe misdrijven van zulk een onbepaalden aard, dat niet één werkman of gezel veilig eenig gesprek kan houden met een ander, over zijn vak of werkzaamheden.quot; Maar andere bedrijven traden niet handelend op en het ontwerp werd onveranderd wet.') 4 4 4
^ ') A Full and Accurata Report of the Proceedings of the Petitioners,
67 â¢
amp; De algemecne Wet op de Combinaties van 1799, opnieuw
bevestigd en geamendeerd door die van 1800 (39 en 40 Geo. Ill, c. 60), die er eenige misbakken scheidsrechterlijke bepalingen aan toevoegde, was niet eenvoudig de codificatie van bestaande wetten, noch de uitbreiding hunner rechtskracht van enkele bedrijven over het geheele veld der industrie. Het was de gewichtige stap van het inslaan eener nieuwe richting. Tot-nog-toe had de centrale of plaatselijke autoriteit gefungeerd als een soort van hof van cassatie in alle geschillen, het werk en de loonen van den burger rakende. Indien meester en gezel het niet eens konden worden over hetgeen een behoorlijk dagloon voor een behoorlijk dagwerk uitmaakte, dan werd aan het loven en bieden, waarschijnlijk op gronden van algemeen nut, beslist een einde gemaakt door de autoritaire vaststelling van den loonstandaard. liet werkelijke vaststellen der loonen door de vrederechters, raakte waarschijnlijk spoedig in onbruik, ten minste wat de meerderheid der bedrijven betreft, hoewel diepe sporen van dit gebruik nog lang bestaan bleven in de gebruikelijke standaardloonen. In elk geval werd tegen het einde der vorige eeuw de vrije overeenkomst tusschen den kapitalist en zijne werklieden de eenige wijze van het bepalen der loonen. Toen was het dat de grove onrechtvaardigheid van het verbieden van combinaties van gezellen aan den dag trad. âHet stond één enkelen meester ten allen tijde vrij,quot; zegt LORD JEFFREY, âal zijne werklieden op eens aan den dijk te zetten â 100 of 1000 in getal â als zij de loonen welke hij hen verkoos aan te bieden niet wilden aanvaarden. Maar voor alle werklieden tezamen was het een misdaad, dien meester gezamenlijk te verlaten, indien hij weigerde de loonen te geven welke zij verkozen te vorderen.quot; 1) 4gt;
amp; Het is waar dat de wet combinaties van werkgevers
evenzeer verbood als combinaties van werklieden. Maar zelfs als zij onpartijdig ware uitgevoerd geworden, dan nog zou de ongelijkheid zijn blijven bestaan, voortvloeiende uit het feit dat onder het nieuwe industriëele stelsel één enkele werkgever gelijk stond
4 4
c/t'., door âEen der Adressanten.quot; (Londen, Januari 1800, 19 pag.). Een zeldzame brochure in de bibliotheek van Prof. Foxwell. ,,Het is merkwaardig,quot; zegt de rechter Stephen, âdat in de parlementaire geschiedenis van 1799 en 1800 geen melding wordt gemaakt van eenig debat over deze wetten, en ook wordt er in het Jaarlijksch Register van die jaren geen gewag van gemaakt.quot; (History of the Criminal Law, deel 111, pag. 208). Dat de maatregel in de katoen-districten de belangstelling eenigermate gaande maakte, kan afgeleid worden uit het publiceeren eener brochure te Leeds, getiteld: Abstract of an Act to prevent Unlawful Combinations amontf fonrncynien to raise Wages, etc. (Leeds, 1799), die zich in de Openbare Bibliotheek te Manchester bevindt. 4
amp; ') Combinations of Workmen: Substance of the Speech of Francis
Jeffrey at the Dinner to Joseph Hume, M. P., at Edinburgh, November jS, 1s2j (Edinburgh, 1825). ^
68
met een zeer talrijke combinatie. Maar de hand der gerechtigheid was niet onpartijdig. De âstilzwijgende doch voortdurendequot; combinatie van werkgevers tot het neerdrukken der loonen, waarvan Adam smith melding maakt, kon door de wet niet worden bereikt. En ook waren de magistraten en rechters weinig geneigd de meesters schuldig te verklaren, zelfs niet in gevallen van onbewimpelde en openlijke combinatie. Niemand vervolgde de meester-messenmakers, die in 1814 openlijk de âHandels-en Fabrieks-Unie van Sheffieldquot; stichten, die tot hoofd-reglement had, dat geen koopman of fabrikant hoogere prijzen zou betalen voor eenig artikel van Sheffieldsch maaksel dan die in het voorafgaande jaar gangbaar waren, op straffe eener boete van 100 p.st. voor iedere overtreding dier onwettige overeenkomst. 1) Gedurende het geheele tijdperk van verdrukking, terwijl duizende gezellen boetten voor de misdaad van combinatie, is geen enkel geval vermeld waarin een werkgever voor hetzelfde misdrijf werd gestraft.
égt; Den gewonen politicus schenen eene combinatie van
werkgevers en eene combinatie van werklieden in geen enkel opzicht met elkaar vergeleken te kunnen worden. De eerste was in het ergste geval slechts een industriëele overtreding; de laatste was in alle gevallen een politieke misdaad. Onder de schaduw der Fransche Revolutie beschouwden de Engelsche regeerende klassen alle associaties van het gemeene volk met de meest mogelijke beduchtheid. De vrees dat ongehoorzaamheid zou veranderen in oproerigheid, deed der kapitalisten bezwaar tegen hooge loonen en der staatslieden afkeer van democratische instellingen in deze algemeene verschrikking samensmelten. De wetten tegen de combinaties, zoo vertelt FRANCIS PLACE ons, âwerden beschouwd als beslist noodzakelijk ter voorkoming van verderfelijke afpersingen der werklieden, die, indien niet op deze wijze weerhouden. Handel, Nijverheid en Landbouw der natie in hun geheel zouden vernietigen .... Dit leidde tot de gevolgtrekking, dat de werklieden de nietswaardigste menschenkinderen waren. Vandaar de voortdurende kwaadwilligheid, verdenking en in bijna alle opzichten slechte gedragingen van werklieden en hunne werkgevers ten opzichte van elkander. Dit onjuiste denkbeeld werd zóó algemeen gehuldigd, dat niemand het minste medelijden met de ongelukkige lijders toonde, wanneer ook werklieden vervolgd en veroordeeld werden omdat zij zich aangesloten hadden tot het regelen hunner loonen of der uren van hunnen arbeid, hoe zwaar ook het over hen uitgesproken vonnis was en hoe gestreng het ook werd uitgevoerd. Van rechtvaardigheid was hoegenaamd geen sprake; zelden konden zij een gerechtelijk verhoor erlangen en dan nog had dit ongeduldig 4 4
4» l) Sheffield Iris, 23 Maart 1814. (igt;
69
én onder allerlei beleedigingen plaats; en nimmer konden zij rekenen op iets dat zelfs bij benadering op een redelijke conclusie geleek . . . Indien een nauwkeurig verslag van alle gebeurtenissen kon worden gegeven, van de verhooren door de politie-rechters, procedures voor de rechtbanken en voor bet Hooggerechtshof, dan zouden de grove onrechtvaardigheid, de smerige scheldwoorden en de toegepaste ontzettende straffen, nadat weinige jaren voorbij zouden zijn gegaan, slechts op de allerbeste getuigenissen geloof vinden.quot; 1) ^
^ Men moet echter niet veronderstellen dat elke combinatie
tot het onderwerp van vervolging gemaakt werd, of dat de vakver-eenigingsleider dier dagen zijn geheele leven in de gevangenis doorbracht. Dankzij de uiterst onvoldoende organisatie der Engelsche politie en de afwezigheid van eenig openbaar ministerie, werd eene combinatie in den regel met rust gelaten, totdat de een of andere werkgever, door haar optreden in voldoende mate bemoeilijkt, bereid kon gevonden worden zelf de wet in beweging te brengen. In vele gevallen zien wij de werkgevers blijkbaar de combinaties hunner werklieden aanvaarden of oogluikend toelaten.2) De meester-drukkers van Londen erkenden niet alleen de zeer oude instelling van de âchapelquot; 3), maar vonden het in 1785 en later blijkbaar geschikt, van hunne georganiseerde gezellen voorstellen te ontvangen en te overwegen. In 1804 hooren wij zelfs van eene gemengde commissie, bestaande uit gelijke getallen meesters en gezellen, gemandateerd door hunne respectieve veree-nigingen tot het samenstellen van reglementen voor de belooning 1
van arbeid in de toekomst, waarvan het resultaat was de doorwrochte âloonschaalquot; van 1805, die zoowel door patroons als werklieden onderteekend werd. l) De Londensche kuipers hadden in 1813 eene erkende organisatie, in welk jaar een loonlijst werd vastgesteld door vertegenwoordigers der patroons en der werklieden in gemeenschappelijk overleg. Die lijst werd herzien in 1816 en 1819, zonder dat iemand aan eene vervolging dacht. 6). De Londensche borstelmakers hadden in 1805 âEen Loonlijst, overeengekomen tusschen Meesters en Gezellenquot;, die nog bestaat. De aam-breiers en ook de kleermakers der verschillende dorpen in Nottinghamshire, zoowel patroons als werklieden, waren van 1794 tot 1810 gewoon vrijelijk
lt;ugt; ') De manuscripten van Place, 27798â7. O
lt;$gt; 2) Daarover wordt voortdurend door andere werkgevers geklaagd.
^ 3) Benjamin Franklin maakt in 1725 melding van de âchapelquot; en
hare reglementen. Een exemplaar, gedateerd 1734, van de Rules and orders to be observed by the members of this chapel; by Compositors, by Pressmen, by Both,
bevindt zich in de manuscripten van Place, 27799â^ ^ 4) Inleiding tot den Londenschen Loonstandaard (in een boekdeel,
uitgegeven door de Londensche Letterzetters Vereeniging). lt;ugt;
4gt; 6) Verslag van het Lagerhuis, No. 135, van 1834. lt;3gt;
70
bijeen te komen, âom zaken betrekkelijk het vak te overwegenquot;, welke bijeenkomsten door openlijke aankondigingen bijeengeroepen werden. ') De notulen-boeken der plaatselijke vereeniging van de timmerlieden van Preston over de jaren 1807â1824, boekstaven een blijkbaar onverborgen en ongehinderd bestaan, in verband met andere timmerlieden-vereenigingen door geheel Lancashire. De rekeningen vermelden geene uitgaven voor het verdedigen harer bestuurders tegen vervolgingen, terwijl verschillende betalingen van advertentiën en openbare vergaderingen geboekt zijn, nevens â het dient gezegd - zeer groote uitgaven voor bier. En onder de oudere cliché-drukkers van Glasgow bestaat eene levendige traditie, dat in hun vaders tijd, toen hunne zeer actieve vakvereeniging van eiken nieuwen leerling een entree-geld van zeven guineas vorderde, dit geld altijd zonder verwijl door de werklieden der drukkerij verdronken werd, waarbij de werkgever aan het hoofd van de tafel plaats nam, terwijl door niemand eenigen arbeid werd verricht totdat het geld op was. De organisatie der katoendrukkers schijnt in de eerste jaren der eeuw een dei-sterkste en volmaakste vereenigingen te zijn geweest. In een treffend geschrift, getiteld âOverwegingen gericht aan de Katoendrukkersgezellen door een hunner Meestersquot; (Manchester 1815), doen de werkgevers aldus een beroep op de werklieden: âWij hebben voor en na toegegeven, wat wij allen als mannen hadden behooren te weerstaan, en gij, trotsch op uw succes, zijt gevoerd geworden van den eenen buitensporigen eisch naar den anderen, tot de last te drukkend is geworden om te kunnen worden gedragen. Gij bepaalt het getal onzer leerlingen en dikwijls zelfs het getal onzer gezellen. Gij ontslaat zekere gedeelten onzer werklieden en wilt anderen niet toestaan in hunne plaatsen te komen. Gij doet alle Apprèteer-machines stilstaan en gaat zelfs zoo ver, om de rollen vóór onze oogen te vernietigen. Gij beperkt het gebruik der Cylinder-machine en schrijft zelfs voor, welk soort patronen zij drukken mag. In dringende gevallen weigert gij bij kaarslicht te werken en dwingt zelfs onzen leerlingen insgelijks te handelen. Gij ontslaat onze opzichters als zij u niet bevallen en dwingt ons, ons onaangename werklieden in dienst te nemen. Eindelijk tart gij alle ondergeschiktheid en goede orde en inplaats van uwen werkgevers achting en eerbied te betoonen, behandelt gij hen met minachting en persoonlijk beleedigend.quot; Niettegenstaande dat alles schijnt geene systematische poging tot onderdrukking der katoendrukkers-combinatie gedaan te zijn en slechts een of twee op zichzelf staande vervolgingen kunnen gevonden worden. Ook in Dublin waren de meubelmakers in de eerste jaren dezer eeuw vereenigd in eene sterke organisatie,
â 6) Advertentiën in het Nottingham Journal 1794â1S10. lt;»â¢
de Samaritan Society genaamd, uitsluitend ter behartiging van vakbelangen; âmaar hoewel zij onwettig was, schijnen de werkgevers haar niet met grooten tegenzin beschouwd te hebben; en toen bij eene zekere gelegenheid de commissaris van politie de bezoekers van een barer vergaderingen liet arresteeren, bleven de werkgevers borg voor hunne voorwaardelijke invrijheidsstelling. Zij beweerden dan ook, dat hun doel, hoewel in de eerste plaats zijnde het verdedigen hunner eigen belangen tegenover de meesters, toch ook was het verdedigen van de belangen der meesters tegen nietswaardige gezellen. Vele werkgevers waren gewoon, als zij de rekening van een gezel ontvingen, deze naar het bestuur der vak-vereeniging te zenden om getaxeerd te worden, waarna het woord âCommitteequot; erop gestempeld werd. Een geval werd vermeld, waarin het bestuur der vakvereeniging tusschen twee en drie pond sterling schrapte van eene rekening van ongeveer acht pond.quot; ') En zoowel in Londen als in Edinburg publiceerden de gezellen, openlijk en zonder vrees voor vervolging, doorwrochte gedrukte stukloonlijsten, samengesteld somtijds door het bestuur van de vakvereeniging der werklieden, somtijds door eene gemengde commissie van werkgevers en werklieden. 2) âHet Loonboek van de Londensche Meubelmakers-Vereenigingquot; waarvan in 1811 en 1824 edities het licht zagen, was een kostbaar en doorwrocht werk, uitgegeven âdoor eene Commissie van Meesters en Gezellen .... ter voorkoming van die geschillen welke te vaak in het vak bestaan hebben.quot; Diverse supplementen en inhoudsopgaven bij dit werk behoorende, werden uitgegeven ; en andere soortgelijke lijsten bestaan. Zoo slapjes werd de wet toegepast, dat George White, de energieke secretaris van Hume's Commissie, beweerde dat de wet van 1800 was âin het algemeen een doode letter ten opzichte dier werklieden op wien zij bedoeld was uitwerking te hebben, namelijk de schoenmakers, drukkers, papiermakers, scheepstimmerlieden, kleermakers, enz., die hunne geregelde vereenigingen en plaatsen van bijeenkomst hebben gehad, alsof zulk eene wet niet bestaan had; en het zou inderdaad bijna onmogelijk zijn geweest vele dezer vakken uit te oefenen zonder zulke vereenigingen, die in den regel vereenigingen zijn tot het verkenen van onderstand bij ziekte en aan reizigers; en de wegen en armbesturen zouden
4 4
^ ') Getuigenis, afgelegd voor de Commissie nopens werklieden en
machines, 1S24, zooals zij opgesomd is in het Report on Trade Societies (i860) van het Genootschap voor de Sociale Wetenschap. lt;3gt;
2) The Edinburgh Book of Prices for Manufacturing Cabinet Work (Edinburg 1805, 126 pag.), âzooals gemeenschappelijk is overeengekomen door de Meesters en Gezellen,quot; In 1825 vervaardigden de gezellen een Supplement, dat, nadat de meesters erin hadden toegestemd, door de werklieden uitgegeven werd (Edinburg 1825). Heide bevinden zich in de bibliotheek van Prof. Foxweli,.
72
zeer onveilig zijn gemaakt geworden door die reizende vakken, ware het niet dat deze vereenigingen voorzagen in den nood van hetgeen zij rondtrekkende gezellen noemen.quot; ') amp;
4 Doch hoewel het den gezellen-clubs toegestaan kon
worden, om, als de Londensche boekbinders, ,,een vriendschappelijk potje bier samen te drinken,quot; en zelfs in tijden van industriëele vrede te zorgen voor hunne reizende leden en al de verrichtingen eener vakvereeniging te bedrijven, hadden de werkgevers toch altijd de macht, alle eischen met eene vervolging te beantwoorden. Ztiis die bedrijven, waarin wij blijken van het onbelemmerde bestaan van combinaties hebben ontdekt, leveren voorbeelden van de gestrenge toepassing der wet. In 1819 lezen wij van talrijke vervolgingen van meubelmakers, hoedenmakers, ijzergieters en andere arbeiders, in naam wegens het onafgewerkt laten van hun werk, maar inderdaad wegens de misdaad van combinatie. '-) In 1798 werden vijf drukkersgezellen in de Old Bailey a) vervolgd voor samenzwering. De werkgevers hadden de leiders der werklieden uitgenoodigd tot eene bespreking hunner voorstellen, toen, zoo luidde de aanklacht, âde vijf beklaagden kwamen, als afgevaardigden toegerust, zich voordoende om zoo te zeggen als het hoofd van een Parlement.quot; De werklieden waren inderdaad leden eener vakvereeniging tot onderling hulpbetoon in het drukkersbedrijf, âgevestigd in de herberg The Crown, bij de kerk van St. Dunstan in Fleet Street,quot; welke, zooals de advocaat der aanklagers verklaarde, âoppervlakkig beschouwd geen enkele smet droeg. Zij werd eene vereeniging tot onderling hulpbetoon genoemd, maar door toedoen van eenige snoode mannen onder hare leden, was deze vereeniging gedegenereerd tot een allerafschuwelijkste verzameling met de bedoelingen eener samenzwering; diegenen in het vak, welke niet tot hunne vereeniging toetraden, en zelfs de leerlingen, werden opgeroepen en dezen laatsten werd gezegd, dat zij, tenzij zij zich voegden naar de praktijken dier gezellen, niet zouden worden in dienst genomen als zij hun leertijd volbracht zouden hebben.quot; Niettegenstaande het feit dat de patroons zelf de vereeniging erkend en er mede onderhandeld hadden, werden al de beschuldigden tot twee jaren gevangenisstraf veroordeeld. 4gt;
4 Het was de wreede vervolging der letterzetters, die twaalf
73
jaar later Francis Place deed inzien dat eene verandering der wet noodig was. âDe wreede vervolgingquot;, schrijft hij, âder drukkersgezellen, werkende aan het dagblad The Times, in 1810, werd tot in het bijna ongeloofelijke voortgezet. De rechter die sommigen hunner hoorde en veroordeelde, was de Common Sergeant van Londen, Sir John Sylvester, beter bekend onder den bijnaam van âBloedige Zwarte Jackquot; .... Geen rechter gaf zich meer moeite dan deze ten opzichte der ongelukkige drukkers, om het te doen voorkomen alsof hun misdrijf buitengewoon zwaar was, om de werkelijk fatsoenlijke mannen die in zijne klauwen gevallen waren, terneer te slaan en te beangstigen en schandelijk strenge straften over hen uit te spreken.quot; l) Vervolging was evenwel niet altijd afhankelijk van de nukken van een werkgever. In December 1817 werd de politie van Bolton toevallig gewaar, dat tien afgevaardigden der katoendrukkers uit de verschillende districten des rijks, op Nieuwjaarsdag bijeen zouden komen, en zij nam maatregelen om het geheele tiental gevangen en hunne papieren in beslag te nemen. De tien afgevaardigden kregen drie maanden gevangenisstraf, hoewel geen geschil met hunne werkgevers hangende was.2) Maar het voornaamste gebruik dat de werkgevers van de wet maakten, was tot het beletten van werkstakingen en tot het afweren van eischen van betere arbeidsvoorwaarden. Reeds in 1786 had men de wet op de samenzweringen zoodanig weten aan te wenden, dat vijf Londensche boekbinders, die eene werkstaking leidden tot vermindering der werkuren van twaalf op elf, veroordeeld werden tot twee jaren gevangenisstraf. Toen in 1797 in het Gilde der Meester-Kleermakers van Aberdeen âaan de vakgenooten werd medegedeeld dat hunne gezellen eene onwettige combinatie hadden gevormd, met het doel hunne loonen te doen stijgen, kwamen de meesters éénstemmig overeen, hunne knechten geen loonsverhooging te gevenquot; en ondersteunden dit besluit hunner eigen combinatie, door twaalf gezellen te doen vervolgen en beboeten voor de misdaad van zich vereenigd te hebben. 3) Het succes dat de Londensche schoenmakers in 1799 hadden met het blokkeeren der werkplaatsen van weerspannige werkgevers, leidde tot de vervolging van twee hunner, door middel waarvan men er in slaagde de werklieden te bewegen hunne vereeniging, die toen zeven jaren oud was, te ontbinden en den arbeid onmiddelijk te hervatten. ')
^ ') De manuscripten van Place, 27798-8; The Times van 9 Nov. 1810.
lt;5» J) Verslag in de Manchester Exchange Herald, bewaard in de man.
van Place, 27799-156. '
â 3) Bain's Merchant and Craft Gilds of Aberdeen, pag. 261. Een
oudere combinatie van 1768 wordt ook genoemd.
^ â ') De Koning v. Hammond en Webb, 2 Esp. 719; zie het verslag
in de Morning Chronicle, bewaard in de man. van Place, 27799-29. lt;$gt;
74
Twee andere schoenmakers van York werden in het zelfde jaar veroordeeld voor de misdaad van âzich vereenigd te hebben tot het doen stijgen van den prijs van hunnen arbeid in het maken van schoenen en te weigeren schoenen te maken onder een zekeren prijsquot;, en de advocaat zeide dat âin elke groote stad in het Noorden dergelijke combinaties bestonden.quot; !) Aan de werkstaking der rijtuigmakers van 1819 werd op dergelijke wijze een einde gemaakt en de âVrienden-Vereeniging van Rijtuigmakersquot; vernietigd door de veroordeeling van den algemeenen secretaris en twintig andere leden, die op deze voorwaarde en op hun eigen verantwoordelijkheid werden op vrije voeten gesteld. 2) In 1819 protesteerden eenige katoen-graveurs, in dienst eener Manchestersche firma, tegen de onbehoorlijke vermenigvuldiging der leerlingen door de werkgevers en zetten hun protest kracht bij, door te weigeren te werken. Voor deze âsamenzweringquot; werden zij beboet en met de gevangenis gestraft. 3) En ofschoon het den meester-messenmakers veroorloofd werd bij te dragen aan de Handels- en Fabrieks-Unie van Sheffield, die de loonen vaststelde en dwang uitoefende op weerspannige werkgevers, werden de talrijke vak-clubs der werklieden niet ongemoeid gelaten. In 1816 werden zeven scharenslijpers veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf, omdat zij leden waren van de zoogenaamde âOngeluks-Clubquot;, welke uitkeering bij werkeloosheid verstrekte en de gebruikelijke loonen trachtte te handhaven. 4)
Maar het was in de nieuwe textiel-industrieën, dat de zwaarte der Combinatie-Wetten het meest gevoeld werd. White en henson beschrijven de wet van 1800 als zijnde in deze bedrijven âeen vreeselijke molensteen om den nek van den plaatselijken werkman, die hem ter aarde neergedrukt en verlaagd heeft; elke daad die hij waagde, eiken maatregel dien hij beraamde tot het opvoeren of hooghouden zijner loonen, was, zoo zeide men hem, onwettig; de geheele macht der burgerlijke overheid van zijn district
4 4
lt;5gt; ') De Star van 26 November 1799. ^
!) De Koning v. Connell en anderen, The Times vvc\ 10 Juli 1819. 8) De Koning v. Ferguson en Edge, 2 St. 489.
lt;$⢠â ') De Sheffield Iris van 17 December 1816. De werklieden-clubs
|
bestonden vaak onder den schijn vereenigingen tot hulpbetoon te zijn. In het verslag nopens de zieken-clubs aan het parlement, in 1815 uitgebracht door den inspecteur, werden de volgende vak-ondersteuningsclubs genoemd, waarvan ten minste vele feitelijk vakvereenigingen waren; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
75
werd tegen hem aangewend, omdat hij onwettig handelde; de vrederechters, geloovende te handelen in overeenstemming met de wetgeving als zij zich bezighielden met het drukken der loonen en onderdrukken van combinaties, beschouwden bijna zonder uitzondering elke poging van de zijde van den werkman, tot verbetering van zijn toestand of tot het hooghouden van zijn stand in de maatschappij, als een soort van opstand cn verzet tegen de regeering; elke commissie en ieder actief man onder hen, werd beschouwd als een woelige, gevaarlijke opruier, wien het noodig was in het oog te houden en zoo mogelijk te verpletteren.quot; ^ Om slechts één der gevallen aan te halen: als getuigenis, afgelegd voor Hume's Commissie, werd verklaard, dat in 1818 zekere fabrikanten te Bolton hunnen wevers in overweging gaven, dat zij zich zouden verstaan om niet te werken voor hen die minder dan den gangbaren loonstandaard betaalden. Naar dezen wenk handelende, had eene vergadering van veertig afgevaardigden plaats, waarin besloten werd de verhooging te eischen, waarin de goede werkgevers bewilligd hadden. Veertien dagen later werden de voorzitter en de beide secretarissen gevangen genomen, beschuldigd van samenzwering en onderscheidenlijk veroordeeld tot een en twee jaren gevangenisstraf, ofschoon hunne patroons ten behoeve der gevangenen getuigden, dat zij zelf den werklieden verzocht hadden de vergadering te bezoeken en de genomen besluiten goedkeurden. 2) In het volgende jaar werden vijftien katoenspinners van Manchester, die bijeengekomen waren âom bijdragen te ontvangen voor het begraven hunner dooden,quot; onder een reglement dat in 1795 door het Gerechtshof goedgekeurd was, in de bestuurskamer door de politie gegrepen en wegens samenzwering naar de openbare terechtzitting verwezen, terwijl borgstelling geweigerd werd. Na drie of vier maanden voor-arrest te hebben ondergaan, stonden zij terecht, terwijl alle plaatselijke advocaten â zeven in getal â tegen hen optraden. Te Londen cn elders (tot in de stad Lynn, in Norfolk) werden inzamelingen ten behoeve hunner verdediging gehouden. De inschrijving hunner club als eene vereeniging tot ouderlingen bijstand, baatte weinig. Voor de rechtbank werd er nadrukkelijk op gewezen, dat âalle vereenigingen, hetzij tot hulpbetoon als anderszins, slechts dekmantels waren voor het volk van Engeland, om tegen den Staat saam te spannen,quot; en de meeste der beschuldigden werden tot verschillende gevangenisstraffen veroordeeld. 3)
Maar de werkstaking der Schotsche wevers van 1812, in het vorige hoofdstuk beschreven, is het treffendst van alle. In het
') A Few Remarks enz., pag. 86.
amp; 2) Commissie nopens Werklieden en Machines, 1824, pag. 395.
amp; 3) Zie de Gorgon van Januari en Februari 1819.
76
jaar te voren waren zekere katoenspinners wegens combinatie tot gevangenisstraf veroordeeld, waarbij de rechter opmerkte, dat het rechtsmiddel voor de hand lag, daar de magistratuur ten volle bevoegd en gerechtigd was de loonstandaarden vast te stellen en geschillen te beslechten. In 1812 weigerden vele der werkgevers de loonen, door de rechters als voor het weven billijk verklaard, te erkennen; en al de wevers aan de veertig duizend getouwen tusschen Aberdeen en Carlisle legden den arbeid neder, om de door de rechters bepaalde loonen door te voeren. De werkgevers hadden reeds door middel van den schout van het graafschap onderhandelingen geopend voor eene bevredigende oplossing, toen de regeering de centrale commissie van vijf, die de handelingen leidde, liet gevangen nemen. Deze mannen werden veroordeeld tot gevangenisstraffen van vier tot achttien maanden; de staking mislukte en de vereeniging werd ontbonden. ') Hij die de nieuwsbladen tusschen 1800 en 1824 bestudeert, zal in overvloed verhalen vinden van gerechtelijke barbaarschheden, waarvan de hierboven aangehaalde gevallen als staaltjes kunnen beschouwd worden. Kr bestaan geene statistieken nopens het aantal vervolgingen of de gestrengheid der vonnissen. Maar uit de berichten die voorhanden zijn, valt de sombere wrok waarmede de arbeidersklasse onder die wetten leed, gemakkelijk te begrijpen. De volledige herroeping dier wetten was eene noodzakelijke voorwaarde voor den groei onder de meest verdrukte arbeiders-groepen van eenige werkelijke macht om zichzelf te beschermen, door het optreden der vakvereenigingen, tegen de verlaging van hunnen levensstandaard. ^ Het feit dat de Combinatie-Wetten er niet in slaagden
het ietwat dictatoriale vakvereenigingswezen der bekwame ambachtslieden te onderdrukken en toch uitnemend den groei van blijvende organisaties onder andere arbeidsgroepen wisten te beletten, wordt verklaard door klasse-onderscheidingen, nu verdwenen of aanzienlijk gewijzigd, die in het begin dezer eeuw overwegend waren. Als wij heden spreken van ,,de aristocratie van den arbeidquot;, dan plaatsen wij onder deze rubruk de georganiseerde mijnwerkers en fabrieksarbeiders van het Noorden op hetzelfde superieure plan als den bekwamen ambachtsman. In 1800 stonden zij op aan elkaar tegenovergestelde uitersten van den maatschappelijken balans der loonarbeiders-klasse ; de fabrieksarbeider en de mijnwerker waren toen verder verwijderd van den ambachtsman, dan de dokwerker of veldarbeider heden ten dage van den katoenspinner van Lancashire of den houwer van Northumberland. De geschoolde ambachtsman
vormde, in Londen althans, eene tusschen-klasse tusschen den amp; amp;
lt;8» ') Tweede Rapport der Commissie nopens Werklieden en Machines,
1824, pag. 62.
77
winkelier en de groote massa ongeorganiseerde arbeiders of werklieden in de nieuwe machinale industrieën. De aanzienlijke bedragen die gedurende de achttiende eeuw gevorderd werden als premie voor het leerlingschap bij de ambachten, hadden den leden en hunne oudste zonen een wezenlijk monopolie verzekerd. ') Zelfs nadat de wet, waarbij een formeele leertijd werd geëischt, herroepen was, moest nog eenige tijd verloopen eer het aanbod van deze klasse van handwerkslieden de toenemende vraag ingehaald had. Aldus maken wij uit de overgebleven kronieken op, dat deze vakken in Londen nooit volkomener georganiseerd waren dan tusschen 1810 en 1820. ~) Wij zien de Londensche hoedenmakers, kuipers, looiers, letterzetters en scheepstimmerlieden loonen handhaven, die, volgens hun eigen opgaven, de vergelijkenderwijs groote som van dertig tot vijftig shillings per week beliepen. Terzelfder tijd kon de wever van Lancashire of de breier van Leicester, in volle concurrentie met de stoomkracht en de haar vergezellende vrouwen- en kinder-arbeid, zelfs als hij volop werk had, ternauwernood tien shillings verdienen. Dit verschil in den levensstandaard zien wij zich afspiegelen in het karakter der combinaties, gevormd door de beide klassen.
In de geschoolde ambachten, sinds lang gewoon aan vereenigingsbestuur, vinden wij, zelfs onder de verdrukkings-wetten, geen onwettige eeden, opruiende zinnebeelden, of andere pappe-rassen van geheime vereenigingen. De Londensche Borstelmakers, wier vereeniging blijkbaar dagteekent van het eerste gedeelte der achttiende eeuw, stonden er nadrukkelijk op âdat niemand als lid zal worden toegelaten, die de tegenwoordige Majesteit en de Protestantsche Erfopvolging niet is toegedaan, of niet in goede gezondheid en van fatsoenlijk karakter is.quot; Maar deze gehechtheid
amp; ') Gedurende de geheele eeuw schijnt het in de meeste ambachten
gebruikelijk te zijn geweest, den ambachtsman het privilege toe te staan, één zoon, in den regel de oudste, kosteloos als leerling aan te nemen. Voor andere knapen, in het bizonder voor de zonen van niet tot het vak behoorende lieden, werd door den werkgever een leersom van 5 tot 20 p.st. gevorderd. Ue tegenwoordige secretaris van de O/d Amicablc Society of Wuolslaplcrs verklaart dat, wijl zijn broeder reeds tot het vak toegelaten was, zijn vader voor zijne toelating 100 p.st. te betalen had.
4gt; 'j Nemen wij bijvoorbeeld de meubelmakers en de molenwerk-
makers. Toen Lovetï in 1819 te Londen kwam, bevond hij dat hij geen werk kon vinden zonder tot de Union toe te treden. Het is twijfelachtig of in de laatste vijftig jaren cén vijfde der Londensche timmerlieden of meubelmakers ter eeniger tijd deel uitmaakten van de vakvereenigingen. (Life of IViltiam Loveit, door hemzelf.) In het begin der eeuw waren de molenwerkmakers zóó krachtig georganiseerd, dat Fairbairn (na reeds op Rennie's fabriek te zijn aangenomen) toen hij niet tot het lidmaatschap hunner vereeniging was toegelaten, genoodzaakt was Londen te voet te verlaten, om werk te zoeken in een streek waar geen vereeniging bestond. (Life of Sir Wiliam Fairbairn, door hemzelf. London 1877, pag. 89, 92), lt;Sgt;
78
aan het koninklijke huis was niet onbestaanbaar met hun bijdragen aan de fondsen voor de agitatie ten gunste der kiesrechthervorming van 1831. !) De bekwame ambachtslieden waren dan ook, tot 1848 toe, hoofdzakelijk sterk radicaal;; en hunne leiders namen krachtig deel aan de arbeiders-politiek dier dagen. Uit hunne reien kwamen organisators voort als place, lovett en Gast. 2) Doch waar wij ook in staat waren eenig denkbeeld hunner verrichtingen te krijgen, waren hun vak-clubs vrij van alles dat thans beschouwd zou kunnen worden als politieke opruiing. Het waren deze clubs van handwerkslieden, die de ruggegraat uitmaakten van de verschillende âcentrale comité'squot; die zich gedurende de volgende dertig jaren met de voornaamste vakvereenigings-aangelegenhedea bezig hielden. Zij waren het die de hulp verleenden welke de werkliedenklasse verschafte aan de beweging ten gunste van de herroeping der Combinatie-Wetten. En hun invloed gaf eene zekere waardigheid en vastheid aan de vakvereenigings-beweging, zonder welke zij, bij de vijandige houding der regeeringen, nooit zou opgekomen zijn uit de dolle oproeren van honger-stakingen en machinevernieling.
De voornaamste uitwerking der Combinatie-Wetten op deze goed-georganiseerde ambachten in Londen, Liverpool, Dublin en wellicht ook in andere steden, was, dat de inwendige discipline straffer en de behandeling van niet-aangeslotenen willekeuriger werd. place beschrijft âdat in deze vereenigingen eenige personen
') Articles of the Society of Journeymen Brushmakers, held at the sign of the Craven Head, Drury Lane (Londen 1806); Notulen van 27 April 1831. 4gt; 2) John Gast, een scheepstimmerman te Deptford, was blijkbaar
een der knapste vakvereenigingsmannen van zijn tijd. Voor de eerste maal hooien wij van hem in 1802, als de schrijver van eene treffende brochure, getiteld A Vindication of the. Conduct of the Shipwrights during the late disputes with their Employers (Londen 1802, 38 pag.). In 1818 opperde hij het eerste voorstel waarvan melding wordt gemaakt, tot het stichten eener algemeene werklieden-organisatie, onderscheiden dus van de verschillende vak-clubs; en zijne Articles of the Philantropliic Hercules for the Mutual Support of the J.ebouring Mechanics, die in de Gorgon verschenen, trokken de aandacht van Francis Place, die hem beschrijft (de manuscripren van Place, 27819â23) als zijnde âlangen tijd secretaris geweest van de Scheepstimmerlieden-Club; hij was een sober, fatsoenlijk man. Hij had tal van werklieden-genootschappen opgericht, doch was er niet in geslaagd een ervan staande te houden.quot; Mij werd een van Place's nuttigste helpers in de agitatie ten gunste van de herroeping der Combinatie-Wetten en toen deze in 1825 opnieuw dreigden wet te zullen worden, was zijn âcomité van vak-afgevaardigdenquot; Place's sterkste steun. Gast was de leidende geest bij de oprichting van de Trades Newspaper (Vakblad) in Juli 1825 en werd voorzitter der bestuurs-commissie, zoowel als geregeld medewerker. In hetzelfde jaar nam hij een werkzaam aandeel in den strijd der scheepstimmerlieden voor een Book of Rates of definitieve stukwerkloonlijst, en de energie waarmede hij het plan der Admiraliteit, om Londensche scheepsbouwmeesters te veroorloven werklieden te leenen van de Landswerf te Portsmouth, tegenwerkte, droeg in groote mate bij tot het succes van den strijd. ^
79
zijn, die het vertrouwen hunner kameraden bezitten; en als de een of andere zaak, betrekking hebbende op het vak, besproken is geworden, hetzij in de club of in een afzonderlijk vertrek, in de werkplaats of op een erf, en de zaak is ruchtbaar geworden, dan verwacht men dat deze mannen zullen aanduiden wat gebeuren moet, en zij duiden het aan â eenvoudig door een wenk. Daarnaar handelen de mannen; en allen zonder onderscheid steunen hen, die buiten werk komen of op andere wijze gehinderd worden. Indien de zaken besproken zouden worden, zooals heeren schijnen te veronderstellen dat geschieden moet, zou nooit tot eenig besluit geraakt worden. Met den invloed der bedoelde mannen zou het spoedig gedaan zijn, als de wet herroepen weid. Het is de wet en de wet alléén, die oorzaak is dat de mannen hun vertrouwen schenken aan hun leiders. Zij die besturen zijn bij de massa onbekend en niet één van de twintig mannen misschien kent den persoon van een der bestuurders. Het is bij hen regel, dat niets gevraagd wordt, en een andere regel onder diegenen die het meeste weten, dat op vragen óf geen antwoord gegeven wordt, óf een misleidend antwoord.quot; 1) 4gt;
In de nieuwe machinale industriëen daarentegen hadden de herhaalde loonsverlagingen, de snelle veranderingen in de arbeids-methodes en het komen van vrouwen en kinderen in de plaats van volwassen werklieden, den arbeiders geleidelijk tot een toestand van ellendige armoede gebracht. Vanaf 1800 bevatten de rapporten der parlementaire commissies een akelige kroniek van de voortdurende daling van den levensstandaard in de textiel-industriëen. âHet lijden van de menschen werkende in de katoen-fabricagequot;, schrijft PLACE van deze periode, âwas meer dan ongelooflijk; zij werden tot het vormen van combinaties verlokt, verraden, vervolgd, beschuldigd, veroordeeld, waarna monsterachtig strenge straffen op hen werden toegepast; zij werden gebracht tot en gehouden in den allerellendigsten bestaans-toestand.2) Hunne werkgevers, inplaats van, als in de oudere ambachten, weinig meer dan meester-werklieden te zijn, die den gebruikelijken levensstandaard hunner gezellen erkenden, waren vaak kapitalistische ondernemers, die al hunne energie wijdden aan de handels-zijde van hun bedrijf, het aan hunne directeuren overlatende aan de markt arbeidskracht te koopen tegen den goedkoopst mogelijken prijs. Deze arbeidskrachten werden gerecruteerd van alle streken en uit velerlei beroepen. Zij werden gedrild en beheerd door despotische wetten onder toepassing van talrijke boeten en disciplinaire kortingen. Gevallen van grove tyrannie en hartelooze wreedheid ontbreken niet.
') De manuscripten van Place, 27800â195. De manuscripten van Place, 27798â11.
80
Zonder een gcmeenschappelijken standaard, eene gemeenschappelijke traditie, of wederzijdsch vertrouwen, waren de werklieden in de nieuwe fabrieken tegenover hunne meesters hulpeloos. Hunne kortstondige combinaties en herhaalde werkstakingen waren in den regel slechts verwoede worstelingen tot behoud van een loon waarvan men ternauwernood het leven kon houden. Inplaats van den vasten, georganiseerde!! wederstand tegen inbreuken, volgehouden door de handwerkslieden, nemen wij in de machinale industrieën de afwisseling waar van uitbarstingen van machine-vernieling en wandaden, met tusschenpoozen van jammerlijke onderwerping en roekelooze, onderlinge concurrentie om werk. In het bestuur van wat er aan organisatie was, hadden de onderdrukkings-wetten, bij deze arbeiders evenals bij de Londensche ambachtslieden, het gevolg, dat groote macht gesteld werd in de handen van eenige weinige mannen. Deze leiders werden in tijden van industriëele conflicten zonder voorbehoud gehoorzaamd, maar de herhaalde nederlagen, welke zij niet in staat waren af te weren, belemmerden dien groei van vertrouwen, die voor duurzame organisatie onmisbaar is. 1) Bovendien waren zoowel de leiders als de gewone leden in groote mate betrokken bij politieke woelingen en waren slachtoffers van spionnen en ministeriëele provocateurs van allerlei aard. Al deze omstandigheden leidden er toe, dat ontzettende eeden, mystieke installatie-plechtigheden en andere uitingen van sensationeelen aard, die somtijds kinderachtig en somtijds misdadig waren, zeer dikwijls onder hen werden aangetroffen.
De Kolenmijnwerkers waren er in vele gevallen zelfs nog erger aan toe dan de Katoenbewerkers. In Schotland waren zij eerst kortelings uit feitelijke lijfeigenschap bevrijd; de laatste wet ter hunner vrijmaking was niet vóór 1799 aangenomen. In het noorden van Engeland hielden het âjaarlijksch contract,quot; de gedwongen winkelnering en de willekeurige boeten bij slechte maat, den ondergrondschen arbeiders in volmaakte onderwerping. Het resultaat is merkbaar in het oproerig karakter hunner veelvuldige sticks of werkstakingen, waarbij, ter beteugeling hunner geweldpleging, dikwerf de hulp der troepen moest worden ingeroepen. De groote werkstaking van 1810 werd volvoerd door eene onder eede staande confederatie, bijeengebracht door de praktijk van âverbroederingquot;, âaldus genaamd omdat de leden der vereeniging zich door een plechtigen eed verbonden de bevelen der broederschap te gehoorzamen, op straffe van in het hart gestoken of de ingewanden geopend te worden.quot; s)
') Zie over al deze punten de getuigenis afgelegd voor de Commissie nopens Werklieden en Machines, van 1824; in het bizonder die afkomstig van Richmond. 4
s) Getuigenis van een mijn-ingenieur in het district Newcastle, afgelegd voor de Commissie nopens de Combinatie-Wetten, van 1825; opgesomd 6 - Sidney Weüu. 81
4gt; Niettegenstaande deze verschilpunten tusschen de onder
scheiden werklieden-klassen, treedt het toenemende solidariteitsbesef bij de gansche massa van loonarbeiders gedurende deze periode van tirannie en onderdrukking bizonderlijk op den voorgrond. De bedrijven waarin het de gewoonte was dat de werklieden van de eene plaats naar de andere trokken om werk te zoeken, hadden, zooals wij gezien hebben, reeds lang een soort van losse, federatieve organisatie bezeten, die zich over het geheele land uitstrekte. Ondanks de wet van 1797, waarbij het bestaan van âmet elkander in verband staande vereenigingenquot; verboden was, onderhielden de verschillende federatieve organisaties van Leerlooiers, Hoedenmakers, Katoendrukkers, Wolkammers en andere ambachtslieden voortdurend betrekking met elkander over vak-aangelegenheden en verzamelden geld voor gemeenschappelijke vak-doeleinden. In sommige gevallen bestond eene doorwrochte nationale organisatie, met geografische districten en jaarlijksche vergaderingen van afgevaardigden, als die van de Katoendrukkers, welke in 1818 door de Boltonsche politie-agenten in hechtenis werden genomen. De reglementen der Papiermakers, ') die stellig van 1803 dateeren, verdeelen Engeland in vijf districten, met uitgewerkte bepalingen omtrent vertegenwoordiging en gemeenschappelijk optreden. Deze nationale organisatie trad, ondanks de dwangwetten, nu en dan zeer krachtig op. Wij behoeven slechts één voorbeeld aan te halen, door de Touwslagers van Liverpool geleverd in 1823. Toen eene zekere firma het werk door sjouwerlieden wilde laten verrichten, berichtte de plaatselijke vereeniging van touwslagers, dat dit was âtegen de reglementen van het vakquot; en liet tevens haren leden den arbeid nederleggen. De werkgevers, te Liverpool geen werklieden kunnende bekomen, zonden naar Hull en Newcastle, maar bevonden dat de Touwslagers-Vereeniging de plaatselijke vak-clubs dier steden reeds op de hoogte had gebracht. De firma importeerde toen âonderkruipersquot; uit Glasgow, die bij hun aankomst door de plaatselijke vakvereenigingsmannen werden aangehouden, meegetroond naar een âvak-clubgebouwquot; en daar beurtelings met overreding en bedreiging overgehaald niet aan het werk te gaan. Ten slotte ging het hoofd der firma naar Londen om garen te koopen; maar de Londensche werklieden, bemerkende dat het garen voor een âstakenden winkelquot; was, weigerden de bestelling af te maken. De laatste toevlucht der werkgevers was het indienen van een aanklacht wegens combinatie, doch eene Liverpoolsche
4gt;
in het Report on Trade Societies, i860, uitgegeven door de Vereeniging voor de Sociale Wetenschap. Zie ook The Miners of NorHiiiniherland and Durham, door Richard Fvnes, pag. 12â16 (Blyth 1873). ^
^ ') Zie het aanhangsel van het Rapport der Enquête-Commissie
nopens de Combinaties, 1S25. 4»
83
jury sprak de beschuldigden vrij, ondanks de getuigenissen en de meening van den rechter. ^
4gt; Deze solidariteit bepaalde zich niet tot de beoefenaren
van één enkel vak. De meesters klagen er voortdurend over, dat het eene vak het andere ondersteunt en oude kasboeken van vak-vereenigingen dier dagen zijn vol posten van sommen bijgedragen ten behoeve van geschillen in andere bedrijven, zoowel in éénzelfde stad als elders. Zoo leende of schonk de Goudslagers-Vereeniging te Londen, gedurende de drie jaren 1810â12, beduidende bedragen, in het geheel 200 p. st. beloopende, aan niet minder dan veertien andere vakken. 2) Eene fraaie illustratie van die broederlijke hulp in nood, komt voor in het verslag van de behandeling van het hooger beroep door het gerechtshof te Pontrefact, van zekere Sheffieldsche messenmakers tegen hunne veroordecling wegens combinatie: âDe appellanten waren in de rechtzaal, maar uur op uur verliep en geen advocaat leidde de zaak in. De reden was gelegen in het gebrek aan geld voor dat doel. Eindelijk, terwijl het Hof nog zat, kwam een wissel van honderd pond aan, afkomstig van de clubs te Manchester; en toen werd een advocaat betaald en de zaak, die anders op dat oogenblik zou zijn geschrapt geworden, werd voortgezet, dank zij het komen van geld van deze stad.quot; 3) En hoewel de tijd der beroepsraden (trade councils) nog niet gekomen was, kwam het dikwijls voor, dat de verschillende vak-vereenigingen van deze of gene stad zich aaneensloten om getuigen te zenden naar enquête-commissies, petities aan het Lagerhuis op
4»gt; ') R, v. Yates en anderen, (lerechtshof te Liverpool, 10 Augustus 1823.
Zie het courantenverslag, bewaard in de manuscripten van Place, 27804â154. ègt; 2) De posten in dit oude kasboek zijn van eenig belang;
29 Mei 1810, Bet. aan de Horstelmakers........p. st. 15.0.0
Gel. aan de Borstelmakers................â 10.0.0
Bet. aan de Krullers......................â 20.0.0
26 Juni â Bet. aan de Zilversmeden................â 10.0.0
Onkosten aan de Pijpenmakers..........â 4.0.10
24 Juli â Bet. aan de Kopergieters..................â 10.10.0
Bet. aan de Boekbinders..................â 10.0.0
Bet. aan de Leerlooiers....................â 10.0.0
21 Aug. â Gel. aan de Gebit- en Sporenmakers . â 5.0.0
Gel. aan de Schalenmakers..............â 5.0.0
Bet. aan de Leerpletters..................â 5.0.0
26 Oct. â Bet. aan de Tinpletters....................â 30.0.0
11 Dec. â Gel. aan de Touwslagers..................â 10.0.0
30 Mei 1811, Ontv. van de Balansmakers..............â 5.0.0
25 Juni â Onkosten met de Papiermakers..... â | 0.12.6
20 Juli 1812, Gel. aan de Zadelmakers......... â 10.0.0
12 Oct. â Bet. aan de Molenwerkmakers...... â 50.0.0
7 Dec. â Gel. van de Muziekinstrumentenmakers â 2.0.0
4gt; 3) Zie het verslag in de Manchester Exchange Herald, ongeveer 1818,
bewaard in de manuscripten van Place, 27799â156. 4
83
tc stellen en advocaten te betalen om hunne zaak te steunen, rechtsgeleerden aan te nemen om weerspannige patroons te vervolgen en bijdragen voor stakingen in te zamelen. 1) Deze neiging om gemeenschappelijke commissies van plaatselijke vakken te vormen, werd, zooals wij zullen zien, zeer versterkt in de agitatie tegen de combinatie-wetten van 1823 tot 1825. Door het volslagen prijsgeven van alle wettelijke bescherming van den levensstandaard en de volkomen scheiding van den arbeider van de productie-middelen, werden de loonarbeiders in de verschillende nijverheids-centra zich telkens meer bewust van den overgang der oude, afzonderlijke vak-geschillen in âden klassenstrijdquot; die de huidige eeuw kenmerkt. 4» Men kan zich heden ten dage bezwaarlijk een denkbeeld
vormen van de naieve verwondering waarmede de werkgevers van dien tijd de practische ontwikkeling van de solidariteit der arbeidersklasse aanschouwden. De meesters, getuigenis afleggend voor enquête-commissies, en de rechters, werklieden veroordeelend wegens combinatie, hooren wij aanhoudend gevallen mededeelen van wederzijdsche hulp, ten einde aldus het bestaan eener wijdvertakte âsamenzweringquot; tegen de heerschende klassen te bewijzen. Dat de Londensche Kleermakers geld zonden aan de Wevers van Glasgow, of de Goudslagers aan de Touwslagers, leek de midden-en hoogere klassen weinig minder dan een misdaad. ^
De beweging ten gunste eener herroeping der Combinatie-Wetten begon in eene periode van industriëele ontwrichting en strenge politieke onderdrukking. De economische gevolgen van den langdurigen oorlog, uitloopende op de vergelijkenderwijs lage prijzen na het sluiten van den vrede, leidden in 1816 tot eene bijna algemeene verlaging der loonen door het geheele rijk. In vele gevallen vereenigden de patroons zich met beslistheid, overeenkomende lagere loonen te betalen â aldus de wet openlijk tartende. Deze overeenkomst bepaalde zich niet tot werkgevers in een bepaald vak, die zich bedreigd gezien konden hebben door georganiseerde arbeiders-groepen, doch omvatte in sommige gevallen alle werkgevers in een zekere streek. De grondbezitters en boeren van Tiverton besloten bijvoorbeeld in 1816, in eene âtalrijke en fatsoenlijke vergadering op het stadhuis, dat ten gevolge van den lagen prijs der levensmiddelen, niet meer dan een zeker gespecificeerd loon zou worden gegeven aan smeden, timmerlieden, metselaars,
lt;$gt; ') Zie bijvoorbeeld de getuigen, afgevaardigd door de beroepen van
Glasgow en Manchester naar de Enquête-Commissie nopens de Petities van Werklieden, enz., verslag van 13 Juni 1811; of het gemeenschappelijk optreden van de Wolwerkers van Yorkshire en Westelijk Engeland, in het afleggen van getuigenis voor de Enquête-Commissie van 1806. Deze gevallen typeeren vele andere. ^
84
rietdekkers, of steenhouwersgezellen. ^ De Letterzetters, Kuipers, Schoenmakers, Timmerlieden en vele andere vaken maken melding van belangrijke loonsverlagingen in dat tijdvak. In die gevallen rechtvaardigden de patroons hunne handeling op grond dat tengevolge van de daling der prijzen, de levensstandaard der werklieden niet gedrukt zou worden. Maar in de groote stapel-industriëen volgde eene scherpe concurrentie tusschen de werkgevers, om bestellingen te krijgen bij eene dalende markt; hunne methode bestond in het verkoopen onder den prijs, door de loonen neer te drukken tot beneden bestaans-peil, eene operatie welke vaak geholpen werd door de toen algemcene praktijk om onvoldoende loonen aan te vullen uit de armbelasting. Dit had zulke nootlottige gevolgen, dat plaatselijke protesten weldra vernomen werden. Te Leicester besloot de overheid het standaardloon der werklieden te handhaven, door te bepalen dat zij die geen werk konden bekomen tegen het standaardloon, ten volle ondersteund zouden worden uit een door vrijwillige bijdragen bijeengebracht fonds. Daartegen werd scherp opgekomen door de werkgevers uit de buurt, die er ernstig over dachten den gouverneur, burgemeester, schepenen, geestelijken en andere bijdragers aan dit fonds, te vervolgen wegens crimineele samenzwering tot het hooghouden der loonen. 2) En in 1820 protesteerde eene openbare vergadering van belastingbetalers te Sheffield tegen het âeuvel van bedeeling tot aanvulling van verdiensten,quot; en drong er bij de werkgevers op aan, terug te keeren tot de uniforme loonlijst, welke de werklieden in 1810 verkregen hadden. 8) Ten slotte zien wij de werkgevers zelf openlijk opkomen tegen den noodlottigen omvang dien het drukken der loonen gekregen had. In een manifest, gedateerd 16 Juni 1819, en getee-kend door veertien fabrikanten uit Lancashire, wordt het betreurd dat zij door de handelingen van eenige weinige concurrenten genoodzaakt zijn geworden de loonen te verlagen tot den huidigen standaard en verdere verlagingen sterk gelaakt; terwijl vijf en twintig der aanzienlijkste katoendrukkers-firmas hunne nadrukkelijke goedkeuring aan het protest hechten en verklaren âdat het stelsel
^ ') Gedrukt strooibillet, onderteekend door twee en dertig personen,
uitgegeven in den zomer van 1816, bewaard in de manuscripten van Place, 27799âH1- Place heeft ook het wederwoord der arbeiders bewaard,'dat onge-teekend is, zooals Place opmerkt: uit vrees voor vervolging. ^
^ ') The Stocking Makers' Monitor, Januari 1818; A few Remarks on
the State of the Law, etc., door white en henson, pag. 88; An Appeal to the Public on the Subject of the Framework Knitters Fund, door den Eerw. Robert Hall (Leicester 1819); ComtETT's Weekly Register deel XXXIX; A Reply\to the Principal Objections advanced by Cobbett and Others, door den Eerw. Robert1 Hall (Leicester 1821).
â 3) Proceedings at a public meeting of the inhabitants of the Township
oj Sheffield, held at the Town Hall, March /j, 1S20 (Sheffield 1820,16 pag*.
85
van zulke buitengewoon lage loonen te betalen voor fabrieksarbeid, schadelijk is voor de nijverheid in het algemeen.quot; ^ Te Coventry vereenigden de lint-fabrikanten zich met de Weavers' Provident Union, om het algemeen vasthouden aan de overeengekomen loonlijst te handhaven en schreven in 1819 gezamenlijk voor niet minder dan 16000 p. st. in, tot dekking der kosten, gemaakt ter bereiking van dat doel. Ueze combinatie werd in staat van beschul-diging gesteld en stond terecht voor de rechtbank te Warwick, die aan het genootschap een einde maakte; de nog in kas zijnde gelden werden overgemaakt aan de plaatselijke âStraten-Commissiequot; voor het bestraten der stad. Deze protesten en worstelingen dei-betere werkgevers waren vruchteloos. Loonen werden verminderd en werkstakingen hadden plaats over het geheele land en werden niet begroet met sympathie of tegemoetkoming, doch met eene uitbarsting van vervolgingen en veroordeelingen van meer dan gewone wreedaardigheid. Het burgerlijk wetboek en de oude bizon-dere wetten werden onbarmhartig aangewend om de Combinatie-Wetten aan te vullen, dikwijls door gezochte wetsuitleggingen. De Schotsche rechters in het bizonder, pasten, zooals een eminente Schotsche rechtsgeleerde in 1824 voor de Enquête-Commissie verklaarde, de crimineele procedure van Schotland op gevallen van eenvoudige combinatie van 1813 tot 1819 op zulk eene wijze toe, die hij. Lord Advocate geworden zijnde, weigerde in bescherming te nemen. 2) Toen de arbeiders poogden eenige onbeholpen voorbereidingen tot georganiseerde politieke agitatie te volvoeren, werden zij in 1819 nog meer onderdrukt door de schandelijke âZes Wettenquot;, die met één slag feitelijk alle openbare vergaderingen onmogelijk maakten, de magistratuur in staat stelde huiszoekingen naar wapenen te doen, alle arbeiders-geschriften onderwierp aan de verpletterende zegel-belasting en de wet op den opruienden laster verscherpte. Het geheele systeem van onderdrukking dat de politiek van het Regentschap gekenmerkt had, bereikte in deze periode zijn toppunt in eene tirannie die door geen der monarchen van de âHeilige Alliantiequot; overtroffen werd. De uitwerking dezer tirannie was inderdaad dat de aandacht van de Combinatie-Wetten werd afgeleid, door de energiekste en verlichtste werklieden-leiders af te wenden van het streven naar elke specifieke hervorming, en te doen ijveren voor een volslagen revolutie van het geheele stelsel van parlementaire vertegenwoordiging. Dientengevolge was er hoegenaamd geen volksbeweging ten gunste van de herroeping der Combinatie-Wetten. Indien wij de geschiedenis der Engelsche
lt;»gt; » V The Times van 5 Augustus 1819. lt;$gt;
2) Getuigenis van Sir William Rae Bart voor de Enquête-Commissie nopens werklieden en machines, 1824, pag. 486. ^
86
arbeidersklasse schreven inplaats van die der vakvereenigings-beweging, zouden wij in William CoiiliETT of âOratorquot; Hunt, in Samuel Bamforü of william Lovett een juister vertegenwoordiger der gangbare aspiraties van den Engelschen werkman dier dagen vinden, dan in den man die nu onverwacht ten tooneele verscheen, om de emancipatie der vakvereenigingen van 1824 te ontwerpen en uit te voeren. ^
â 4 francis Place was een meester-kleermaker, die met
succes zaken had gedaan in een winkel in Charing Cross. Vóór hij voor eigen rekening ging werken, had hij als broekenmakers-gezel gewerkt en combinaties georganiseerd zoowel in zijn eigen als in andere vakken. Na 1818 gaf hij de leiding zijner zaak over aan zijn zoon en wijdde zijn scherp, practisch vernuft en buitengewone volharding eerst aan de herroeping der Combinatie-Wetten en daarna aan de beweging voor kiesrechthervorming. In sociale theorie was hij een leerling van Bentham en James Mill, en zijn ideaal kan omschreven worden als: politieke democratie met industriëele vrijheid, of, zooals wij nu zouden zeggen: volmaakt radicaal individualisme. Niemand die zijn leven en werken van nabij bestudeerd heeft, zal het betwijfelen dat hij in de enge sfeer waartoe zijn nimmer falende practische zin hem beperkte, de merkwaardigste politicus van zijn tijd was. Zijn voornaamste verdienste lag in zijn volkomen meesterschap in de kunst van dingen gedaan weten te krijgen. In het agiteeren, doordringen, organiseeren, onderhandelen met kamerleden, redigeeren van resoluties, petities en wetsontwerpen â in het kort van alle kunstgrepen waarmede een volksbeweging eerst geschapen en dan op het parlementaire stelsel van kracht gemaakt wordt â was hij een uitvinder en tacticus van de eerste soort. Boven alles bezat hij in perfectie de zeldzame gave van anderen de eer te doen genieten van zijn werk, waardoor hij voor zijne doeleinden bereidwillige helpers en ondersteuners vond; sommige der parlementaire leiders dier dagen dankten al hunne kennis van zijne aangelegenheden aan de schriftelijke toelichtingen waarvan hij hen voorzag. De door hem nagelaten onschatbare verzameling manuscripten, die zich thans in het Britsch Museum bevindt, bewijst dat bescheidenheid niets te maken had met zijne minachtende bereidwilligheid om de trofëen der overwinning over te laten aan zijne pionnen, mits zijn oogmerk maar bereikt werd. Hij schepte ter dege behagen in het feit dat zijn winkel in Charing Cross bij elke vooruitstrevende beweging het werkelijke machts-middenpunt was zoodra zij de parlementaire phase was ingetreden. Zijn winkel bleef van 1807 tot ongeveer 1834 de erkende plaats van bijeenkomst van alle agitatoren dier dagen. ^ Het was door de aanschouwing van de uitwerking der combinatie-wetten in zijn eigen vak, dat Place er toe gebracht
87
werd te ijveren voor hunne herroeping. De bizondere wetten van 1720 en 1767, waarbij de loonen der kleedermakersgezellen werden vastgesteld, en de algemeene wet van 1800 tegen alle combinaties, hadden ^de loonen niet kunnen regelen, noch werkstakingen kunnen voorkomen, noch kunnen verhinderen dat patroons, die in drukke tijden bekwame werklieden wenschten in dienst te nemen, deze omkochten door hooge stukwerk-loonen, of zelfs door dagloonen boven het wettelijke maximum. Place legde, als meester-kleeder-maker, getuigenis af voor de Parlementaire Enquête-Commissie van 1810; en het waren hoofdzakelijk zijne gewichtige verklaringen ten gunste van vrijheid van contract, die de nieuwe wettelijke beperkingen, welke terzelfdertijd door eene combinatie van werkgevers werden gevorderd, verijdelden.') Dit ervaren van de feitelijke vrijheid der werkgevers om zich te vereenigen, deed Place's besef der onrechtvaardigheid van de ontzegging van hetzelfde recht aan de werklieden, dieper worden, terwijl de in hetzelfde jaar plaats hebbende vervolging der zetters van The Times, hem de gestrengheid der wet leerde inzien. Vier jaren later (1814), zoo luidt zijn eigen verhaal, âbegon hij (ik) ernstig te werken om de herroeping van de wetten tegen de combinaties van werklieden te verkrijgen, maar kwam langen tijd niet merkbaar vooruit.quot; De werkgevers waren vast overtuigd dat combinaties van loonarbeiders zouden slagen in het tot-stand-brengen eener aanzienlijke loonsverhooging, ten nadeele der winsten. De politici waren even zeker dat vak-vereenigings-actie de prijzen zou doen stijgen en aldus den buiten-landschen handel, waarvan de welvaart en de internationale invloed van Engeland afhankelijk waren, zouden ondermijnen. De werklieden zelf verleenden aanvankelijk geen hulp. Degenen die rechterlijke vervolgingen ondergaan hadden, hadden geen hoop op verbetering door een onhervormd parlement en boden geen steun. Eén vak, de zijdewevers van Spitalfields, steunde de regeering, omdat het genoot wat het achtte te zijn het voordeel van wettelijke bescherming tegen verlaging der loonen door concurrentie. ~) Anderen wantrouwden de tusschenkomst van iemand die zelf
^ 4^
4Sgt; ') De manuscripten van Place, 27798â8, 12 enz. The Times van
g November 1810. lt;$gt;
8) Toen Place er in 1824 bij het âComité van Machinale Zijdeweversquot; van Spitalfields op aandrong te petitioneeren voor eene herroeping der combinatie-wetten, besloot de vergadering âdat wij, beschermd als wij sinds jaren zijn onder de heilzame wetten en de wijsheid der wetgevende macht en volslagen onbeducht zijnde voor eenigerlei combinatie onzerzijds, daarom in geen enkel opzicht nota kunnen nemen van de uitnoodiging door Mr. Place tot ons gerichtquot;. Toen deze motie door den voorzitter werd voorgesteld âvolgde eene éénstemmige uitbarsting van applaus, terwijl een menigte stemmen uitriepen: âde wet, houdt vast aan de wet, zij zal ons beschermen!quot; De manuscripten van Place, 27800â52; The Morning Chronicle van 9 Februari 1824.
88
werkgever was en die nog geen reputatie als een vriend der arbeiders gewonnen had. Maar pl.ace liet zich niet afschrikken door vijandigheid en onverschilligheid. Wetende dat tegenover een Engelsch publiek de kracht zijner zaak niet moest worden gezocht in eenigerlei afgetrokken redeneering of beroep op natuurlijke rechten, doch in eene opsomming Van tastbare gevallen van onrechtvaardigheid, maakte hij er zijn werk van, de bizonderheden van elk vakgeschil meester te worden. Mij kwam tusschenbeide, zooals hij zelf vertelt, in elke werkstaking, soms als bemiddelaar, soms als bondgenoot der gezellen. Hij opende eene omvangrijke briefwisseling met alle vakvereenigingen des lands en schreef tallooze stukken in de nieuwsbladen. In 1818 verzekerde hij zich een nuttig middel in de Gorgon, ') een klein arbeiders-politiek blaadje, opgericht door een zekeren Wade, een wolkammer, en gesteund door bentham en door place zelf. Dat verschafte hem twee zijner gewichtigste discipelen, die later de voornaamste werktuigen van zijn arbeid werden: J. R. Mc. culloch en joseph Mume. Mc. Culloch, die later als staathuishoudkundige beroemd zou worden, was in dien tijd redacteur van de Scotsman, het belangrijkste der provinciale bladen. Een krachtig artikel, gebaseerd op de feiten van place, opgenomen in de Edinburgh Review van 1823, maakte veel bekeerlingen; en zijne voortdurende pleitbezorging verschafte aan place's denkbeeld een gewicht en bekendheid, die het tot-nog-toe gemist had. Joseph Hume was een zelfs nog beduidender bondgenoot. Zijne erkende positie in het parlement als een der leiders der groeiende partij van het philosophische radicalisme, won onder de vooruitstrevende parlementsleden een voortdurend toenemenden steun voor de herroepings-beweging. In een zekere afdeeling van het parlement begon men de wensche-lijkheid van vrijheid van combinatie te bespreken; straks werd het uitvoerbaar geacht; en spoedig werd het door velen beschouwd als de onvermijdelijke consequentie van hun politiek geloof. In 1822 achtte place de tijd voor handelend optreden gekomen; en Hume gaf dientengevolge kennis van zijn voornemen om een wetsontwerp tot herroeping van alle wetten tegen de combinaties in te dienen.
amp; De manuscripten en brieven van Place bevatten het
verhaal van de touwtjes-trek.kerijen en manipulaties der beide volgende jaren. In deze beelden van den inwendigen arbeid van het parlement, zien wij Hume met veel beleid de ministers HUSKISSÃN en peel bewegen hem eene enquête-commissie toe te staan, de minder tactvolle voorstellen van een naijverig mede-lid
4^ 4
') De jaargangen i3i8â19 bevinden iich in het Britsch Museum.
89
afweren ^ en eindelijk, in Februari 1824, de ten laatste benoemde enquête-commissie bijeenbrengen. Hume had, met vrijwat overleg, drie onderscheiden punten in zijn motie gelascht: de emigratie van ambachtslieden, de uitvoer van machineriën en de combinatie van werklieden, die alle wettelijk verboden waren. Voor place en Hume was de herroeping der combinatie-wetten hoofddoel; maar iiuskisson en zijne collega's beschouwden de commissie als in de eerste plaats tot taak hebbende het onderzoek naar de mogelijkheid der bevordering van de opkomende vervaardiging van machineriën, welke ernstig belemmerd werd door het verbod van verkoop naar het buitenland. huskisson poogde hume te bewegen om alle vermelding van de combinatie-wetten buiten de uitspraak der commissie te houden, deze wetten blijkbaar beschouwende als een ondergeschikt en onbelangrijk gedeelte der enquête. Maar place en HUME waren nu meesters van den toestand; en gedurende de nu volgende maanden besteedden zij al hun tijd aan de leiding der commissie. Aanvankelijk schijnt niemand er eenig besef van te hebben gehad dat hare werkzaamheden van eenig gewicht waren; en het ministerie had zich ten opzichte harer samenstelling niet moeilijk gemaakt. âHet was met moeite,quot; schrijft place, ,,dat Mr. Hume de namen van een en twintig leden, noodig voor de samenstelling der commissie, kon bijeenkrijgen; maar toen zij drie dagen gezeten had en zoowel populair als vermakelijk bleek te zijn, deden de afgevaardigden hun best er alsnog aan deel te nemen, zoodat zij eindelijk uit acht en veertig leden bestond.quot; 2) Hume, die tot voorzitter benoemd was, blijkt de geheele leiding dei-verhandelingen in handen gehad te hebben. Eene circulaire, waarin de doeleinden der enquête werden uiteengezet, werd naar den burgemeester of anderen magistraat van veertig provinciesteden
4* 4gt;
4tgt; ') In 1823 had George White, een klerk ter griffie van het Lager
huis, een overeenkomst gesloten met Gravener Henson, een nettenbreier van Nottingham, die reeds lang een leider der raambreiers-combinaties was geweest. Tezamen stelden zij een uitgewerkt wetsontwerp samen, waarbij al de combinatie-wetten herroepen werden en daarvoor in de plaats gesteld werden ingewikkelde bepalingen nopens de regeling van het stukwerk en de beëindiging van industriëele geschillen. Eenige dezer voorstellen waren verdienstelijke voor-loopers van latere arbeidswetgeving; maar de tijd was voor zulke maatregelen niet rijp. Dit ontwerp, behoorlijk ingediend door peter Moore, afgevaardigde van Coventry, maakte eenige schuchtere werkgevers beangst en bracht vooral de kopstukken der regeeringspartij in beroering. hume wist niet hoe te handelen; maar Place raadde hem, in een brief die van groote politieke wijsheid blijk gaf, het concurrent-ontwerp te dwarsboomen door den voorsteller voor de Knciuête-Commissie te doen verschijnen, zeggende dat âMoore is een man die niet op zij kan geschoven worden. De eenige weg is hem zijn onzin te laten vertellen voor de Commissie, waar hij zal overstemd en daardoor minder lastig in het Huis zal worden.quot; Zie Place's manuscripten 27798â12. ^
'â 1) Place's manucripten 27798â30. lt;5»
90
gezonden en verscheen in de voornaamste plaatselijke bladen. Ondertusschen verzekerde place, die om dien tijd het volle vertrouwen der voornaamste leiders der arbeidersklasse gewonnen had, zich van de aanwezigheid van werklieden-getuigen uit alle deelen des lands. Gelezen in het licht van Place's particuliere archieven en dagelijksche briefwisseling met Hume, openbaren de verhandelingen dezer âCommissie nopens werklieden en machinesquot; een bijna volmaakt voorbeeld van politieke manipulatie. Hoewel geen vijandigen getuige gehoor geweigerd werd, was het toch blijkbaar zóó geregeld dat de werkgevers die ten gunste der herroeping waren het eerst verhoord werden en dat het overwicht der getuigenis aan hunne zijde moest zijn. En terwijl de belangen, die aan de herroeping vijandig hadden kunnen zijn, noch behoorlijk vertegenwoordigd, noch opzettelijk georganiseerd waren, werd de zaak der werklieden met bewonderenswaardige bekwaamheid door place geleid en door hume's verhooren ten volle vastgesteld. Aldus trad de een op als de parlementaire procureur der vak-vereenigingen en de ander als hun onbetaalde advocaat. ^ 4gt; Place vertelt ons zelf hoe hij te werk ging: ,,De afgevaardigden der werklieden werden naar mij verwezen en ik opende voor hen mijn huis. Aldus had ik al de afgevaardigden van stad en land onder mijne hoede. Ik hoorde het verhaal dat elk dier mannen te vertellen had, ik verhoorde en kruis-verhoorde hen, noteerde de voornaamste bizonderheden van elk geval en rangschikte deze dingen dan tot stukken ten dienste van Mr. Hume; en in den regel werd aan elk der getuigen, bij wijze van handleiding, een afschrift gegeven .... Elk stuk bevatte de voornaamste vragen en antwoorden .... Het voor Mr. Hume bestemde stuk was gewoonlijk voorzien van een aanhangsel van geordende documenten, benevens een kort overzicht van die verhandelingen, welke noodig waren om Mr. Hume op de hoogte der geheele zaak te brengen. Op deze wijze was hij in staat met beduidend gemak voort te gaan en bezwaren te voorkomen of af te weren.quot; 2) 4gt;
De Commissie werkte niet in het openbaar; maar Hume's talrijke brieven aan Place toonen hoe zorgvuldig de laatste van alle verhandelingen op de hoogte werd gehouden : âDaar de handelingen der Commissie dagelijks gedrukt werden ten behoeve dei-leden, zond Mr. Hume mij eiken dag een afdruk, die ik indeelde op in vele kolommen verdeeld papier, elke kolom voorzien van een toepasselijk hoofd of nummer. Ik voorzag ook de gedrukte
4gt;
amp; ') Place bood aan als Hume's âassistentquot; op te treden; maar de
leden der Commissie, wier argwaan gaande was gemaakt, weigerden toe te staan dat hij in de zittingzaal bleef op den dubbelen grond dat hij geen lid van het Huis was en zelfs geen âgentlemanquot;! lt;3»
lt;Sgt; 'J) Place's manuscripten 2779Sâ22. O
91
getuigenissen van kantteekeningen; deze werden dagelijks door den secretaris van Mr. Hume overgeschreven en dan aan mij teruggezonden. Dat vereischte veel tijd, doch stelde Mr. Hume in staat de geheele massa voortdurend onder zijn bereik te hebben; en ik ben zeker dat minder moeite en zorg niet voldoende zou zijn geweest om de zaak erdoor te halen.quot; ') 4
4 Van Westminster Hall 2) worden wij, door deze particu
liere aanteekeningen voor het gebruik van Hume, gevoerd naar de achterkamer van den winkel in Charing Cross, waar de Londensche en provinciale werklieden-getuigen hunne instructies kregen. âDe werklieden,quot; vertelt Place ons, âwaren niet gemakkelijk te behandelen. Het vorderde veel zorg en moeite hunne vooroordeelen niet zoodanig te kwetsen, dat zij voor de Commissie hun plicht niet deden. Zij waren vol valsche begrippen, schreven alle hunne nooden toe aan onjuiste oorzaken, welke ik in dezen stand van zaken niet durfde te weerleggen. Belastingen, machines, wetten tegen combinaties, de macht der meesters, de houding der magistraten â dat waren de hoofdoorzaken hunner smarten en ontberingen.... Ik moest alles zorgvuldig met hen bespreken, alles rangschikken en voorbereiden, en deze dingen namen al mijn tijd zoo totaal in beslag, dat ik in drie maanden ternauwernood eenige rust genoot. 3) % 4gt; Het resultaat der enquête was zooals Hume en Place
beraamd hadden. Blijkbaar zonder tegenstand nam de Commissie eene reeks resoluties aan ten gunste van volslagen vrijheid van combinatie en emigratie. *) lien wetsontwerp tot herroeping van alle combinatie-wetten en tot wettig-verklaring van vakvereenigingen, werd in een oogwenk door beide Huizen aangenomen, zonder debat of hoofdelijke stemming. Place en Hume droegen in stilte zorg de weinige leden die begrepen waar het heenging te bepraten of tot stilzwijgen te bewegen; en de maatregel ging er door, zooals Place opmerkt, âbijna zonder de aandacht getrokken te hebben van de leden binnen, of de pers buiten.quot; Zoo stil werd het ontwerp door het parlement gesmokkeld, dat de rechters eener stad in Lancashire onopzettelijk eenige katoen-wevers tot gevangenisstraf veroordeelden, wegens combinatie, eenige weken nadat de wetten tegen deze misdaad herroepen waren. 6) 4
4 Place en Hume waren echter ietwat te handig geweest.
4 4
4 ') Place's manuscripten 27798â23.
^ s) Westminster Hall heette het gebouw waarin het parlement ver
gaderde en de zittingen der Commissie plaats hadden. vert.
lt;8» 3) Place's manuscripten, 27798â22. ^
O 4) De kwestie van den uitvoer van machines werd tot de volgende
zitting uitgesteld. 4Jgt;
â 6) Ingezonden stuk in de Manchester Gazette, bewaard in de
manuscripten van Place, 27801â^14, lt;jgt;
92
Terwijl dc rcgccrende klassen volslagen onbewust waren dat eenigc belangrijke verandering in wet of politiek had plaats gehad, had het onverwachte succes van Place's agitatie, zooals Nassau senior het beschrijft, âeen groote moreele uitwerkingquot; in alle industriëele centra ten gevolge. âIn de hoofden der werklieden bevestigde het de overtuiging van de rechtvaardigheid hunner zaak, langzaam en aarzelend, doch ten slotte ten volle door de wetgeving erkend. Hetgeen in 1824 moreel recht was, zoo redeneerden zij, moet ook vijftig jaar vroeger recht geweest zijn .... Zij vatten de meening op dat zij van de wetgeving de erkentenis hadden afgedwongen, dat hunne meesters steeds hunne mededingers moeten zijn cn tot-nog-toe hunne verdrukkers waren geweest, en dat combinaties tot het: verhoogen van loonen cn het verkorten van den duur, of het verminderen van den last van den arbeid, niet alleen onschuldig, doch verdienstelijk waren.quot; ') Vakvereenigingen verrezen dan ook allerwegen. Eene periode van bedrijvigheid, gepaard met een snelle stijging van de prijzen der levensmiddelen, begunstigde eene algemeene verhooging van loonen. De couranten der volgende zes maanden zijn vol van werkstakingen en geruchten van werkstakingen. Ernstige beroeringen hadden te Glasgow plaats, waar de katoenbewerkers verscheidene wandaden bedreven en eene algemeene uitsluiting plaats greep. Het scheepvaart-bedrijf der noord-oostkust werd tijdelijk verlamd door eene sterke combinatie van zeelieden der Tyne en Wear, die weigerden scheep te gaan, tenzij met aangesloten zeelieden en dito officieren. De vaklieden van Dublin, toen de best-georganiseerden des lands, zetten onbarmhartig hunne bepalingen nopens de regeling hunner respectieve bedrijven door en vormden een gecombineerd comité, de zoogenaamde Board of Green Cloth (Comité van het Groene Laken), welks bevelen de schrik der werkgevers werden. De werklieden van Sheffield moesten gewaarschuwd worden, dat, als zij volharden bij hun eisch van het dubbele der vroegere loonen voor slechts drie dagen werk per week, de geheele nijverheid der stad zal verloren gaan. ~) De Londensche scheepstimmerlieden volhardden bij hetgeen hunne patroons noemden den ongerijmden eisch van een tarief voor stukwerk. De Londensche kuipers eischten eene herziening hunner loonen, hetgeen tot een langdurig conflict aanleiding gaf. Inderdaad, zooals een provinciaal blad even later opmerkt, âhet is niet langer eene zekere klasse van werklieden, die op een zeker punt tot werkstaking is overgehaald, ter verkrijging eener loonsverhooging.
â ') Rapport in manuscript van Nassau Senior aan Lord Mkt.hourne
nopens Vak-Combinaties (1831, onuitgegeven, bevindt zich in de bibliotheek van het ministerie van justitie). lt;5»
â¢$gt; 2) Sheffield Iris van 2 April 1S25. lt;5gt;
93
doch nagenoeg de geheele massa der werklieden des lands is een in het algemeen besluit om den werkgevers voorwaarden op te leggen.quot; l)
4 De opening der zitting van 1825 vond de werkgevers
over het geheele land in volslagen beroering. Hume en place hadden zonder gevolg matiging aanbevolen en de vakvereenigingen voor het gevaar eener reactie gewaarschuwd. De groote reeders en scheepsbouwmeesters, die gedurende de geheele eeuw hunne reputatie van onverflauwde vijandigheid tegen de vakvereenigingen ongerept bewaard hebben, vonden een bereidwillig gehoor bij HUSKISSON, toen minister van handel en afgevaardigde van Liverpool. In het begin der zitting stelde hij voor, eene commissie te benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het gedrag der werklieden en de uitwerking der jonge wet, die, zoo klaagde hij, door het Huis gesmokkeld was, zonder dat de aandacht er op was gevestigd geworden, dat zij veel verder ging dan het eenvoudig herroepen der bizondere wetten tegen combinaties. 2) Ditmaal werd de samenstelling der commissie niet overgelaten aan het toeval of aan Hume's manipulaties. De leden, zoo klaagt place, werden bijna uitsluitend gekozen uit de ministeriëele afgevaardigden. Hus-kisson, 3) Peel en de Procureur-generaal namen zelf aan hare werkzaamheden deel; Wallace, de directeur van de munt, werd tot voorzitter benoemd en alleen hume vertegenwoordigde de werklieden. huskisson beschouwde de commissie eenvoudig als eene formaliteit, voorafgaande aan het indienen van het wets-ontwerp, samengesteld door de reeders, 4) en waaronder vakvereenigingen en zelfs vereenigingen tot ouderlingen bijstand onmogelijk zouden geworden zijn. Voor de inwendige geschiedenis dezer commissie moeten wij ons verlaten op Place's lijvige aanteekeningen en de aan hem gerichte korte briefjes van Hume. Volgens deze was de oorspronkelijke bedoeling slechts enkele werkgevers tot getuigen
op te roepen, alle verklaringen van de andere zijde buiten te ^ amp;
lt;$gt; ') Sheffield Mercury van 8 October 1825; zie de Manchester Guardian
van Augustus 1824 in denzelfden geest. 4»
lt;5gt; s) Later in hetzelfde jaar gaven Lord Liverpool, de eerste minister,
en Lord Eldon, de kanselier, in het debat te kennen, dat zij volslagen onkundig waren geweest van het aannemen der wet en dat zij er nooit hunne goedkeuring aan zouden hebben gehecht. 4
4» 3) De Annual Register van 1825 geeft een vollediger verslag van
Huskisson's rede dan Hansard's Parliamentary Debates. Verdere bizonderheden komen voor in George White's Abstract of the Act repeating the Laws against Combinations of Workmen (Londen 1824) en in Place's Observations on Mr. Huskisson's Speech on the Laiv relating to Combinations of Workmen door F. P. (Londen 1825, 32 pag.). ^
^ ') Daarin kwam o. a. een artikel voor, waarin verboden werd te
contribueeren aan eene vak- of andtic veieeniging, tenzij een magistraat haar doel goedkeurde en penningmeester werd. ^
94
sluiten, dan zonder meer rapport uit te brengen ten gunste van den reeds klaar-liggen onderdrukkings-maatregel. PLACE, zelf uitermate bedreven in zulke taktiek, troefde hen door Hume dagelijks te voorzien van gedetailleerde inlichtingen, die hem in staat stelden de meesters een kruis-verhoor te doen ondergaan en hunne overdrijvingen aan den dag te brengen. En al is PlACE's voorstelling van de vijandigheid der commissie en van het ministerie ten zijnen opzichte wellicht wat sterk gekleurd, hebben wij niettemin overvloedige bewijzen van het succes waarmede hij de beangst-geworden vakvereenigingen er toe bracht, tot hun eigen verdediging handelend op te treden. Zijn vriend John Gast, secretaris der Londensche scheepstimmerlieden, riep twee vertegenwoordigers van elk vak in de hoofdstad op en vormde een comité, dat een taaie agitatie tegen de weder-invoering der combinatie-wetten levendig hield. Dergelijke comités werden te Manchester en Glasgow gevormd door de katoenbewerkers, te Sheffield door de messenmakers en te Newcastle door de zeelieden en scheepstimmerlieden. Petities, waarvan het ontwerp voorkomt in Place's manuscripten, overstroomden zoowel de enquête-commissie als de beide Huizen. Als wij place mogen gelooven, werden de naar de zittingzaal der commissie leidende corridors zorgvuldig bezet gehouden door massa's werklieden, die er op stonden gehoord te worden ten einde de beschuldigingen der meesters te weerleggen en die individueele leden staande hielden, aan wien zij hunne grieven kenbaar maakten. Al die energie van den kant der vakvereenigingen leverde, zooals PLACE opmerkt, een sterke tegenstelling met hunne laksheid van het vorige jaar. De werklieden waren, hoewel zij niets gedaan hadden om hunne vrijheid van vereeniging te verwerven, vast besloten haar te handhaven. Dohertv, de leider der katoenspinners van Lancashire, verklaarde in een brief aan PLACE, geschreven in de hitte der agitatie, dat elke poging tot wederinvoering der combinatie-wetten, eene omvangrijke revolutionnaire beweging ten gevolge zou hebben. ^ Het resultaat der enquête was over het geheel bevredigend. De enquête-commissie zag zich genoodzaakt een zeker aantal werklieden-getuigen te hooren, die getuigden ten gunste van de goede resultaten der wet van het vorige jaar. Het wetsontwerp der reeders werd ingetrokken en het Lagerhuis aanbevolen een maatregel te nemen waarbij de bepalingen van het burgerlijk wetboek, verbiedende alle combinaties, nominaal opnieuw ingevoerd, doch waarbij uitdrukkelijk buiten elk gevaar van vervolging zouden worden gesteld de genootschappen tot regeling van de loonen of den duur van den arbeid. De scheepsbouwmeesters waren woedend over deze feitelijke nederlaag.
â ') De manuscripten van Place, 27803â299. lt;Sgt;
95
Nog bestaat het strooibillet dat zij aan den ingang van het Lagerhuis deden verspreiden op den dag der tweede lezing van het ontzenuwde ontwerp. ') Zij verklaarden dat de bepalingen van het ontwerp ten eenenmale onvoldoende waren om hunne nijverheid voor ondergang te behoeden. Zij eischten dat ingeval het bestaan van vakvereenigingen toegelaten werd, deze lichamen genoodzaakt zouden worden volledige verantwoording hunner uitgaven af te leggen voor de driemaandelijksche rechtbanken en dat het besteden van voor onderlinge ondersteuning bijeengebrachte gelden, voor andere doeleinden, streng zou worden gestraft. Zij betoogden bovendien dat in elk geval alle gecombineerd of federatief optreden van vak-clubs verboden zou worden. Place en HuME daarentegen waren bevreesd (en uit latere gebeurtenissen zou blijken met hoeveel reden), dat de enge grenzen waarin de vak-combinaties zich onder de nieuwe wet moesten bewegen en meer nog de vage termen âlastig vallenquot; en âbelemmerenquot;, welke zij bevatte, als wapens tegen het vakvereenigingswezen zouden worden gebruikt. De regeering hield zich echter aan het ontwerp der commissie. De scheepsbouwmeesters verkregen niets. HuME bewoog de ministers eenige concessies te doen in de bewoordingen der wet en deed, doch vruchteloos, drie hoofdelijke stemmingen plaats hebben, als protest tegen de nieuwe bepalingen. place zette de agitatie tot in het Hoogerhuis voort en erlangde de concessie van een recht op hooger beroep op het gerechtshof, hetgeen later bleek eenige practische waarde te hebben.
De wet van 1825 (6 Geo. IV, c. 129), hoewel niet zoo ver gaande als de maatregel die Place en Hume het jaar te voren zoo behendig door het parlement geloodst hadden, bracht een wezenlijke emancipatie te weeg. Het recht van collectief de loonen te regelen, met zich medebrengende de macht om door gemeenschappelijk optreden arbeidskracht van de markt te houden, was voor de eerste maal uitdrukkelijk vastgesteld. En hoewel nog vele slagen geleverd moesten worden alvorens de wettelijke vrijheid der vakvereenigingen ten volle verzekerd was, werd sinds dien geene openlijke poging meer gedaan om deze eerste voorwaarde voor vakvereenigings-actie onwettig te doen verklaren. êgt;
Het is een te denken gevend kenmerk, zoowel van deze als van andere groote hervormingen, dat de lieden, aan wier geloof in haar beginsel en wier onwrikbaren ijveren vastberadenheid hare doorvoering te danken was, de eenigen waren die zich in alle opzichten vergisten in hare praktische consequentiën. Als wij de les dezer eeuw met juistheid lezen, had de fabrikant niet geheel en al ongelijk toen hij beweerde dat vrijheid van combinatie den 4 4
') De manuscripten van Place, 27S03â212.
96
hoewel zijn bekrompen vrees omtrent het verjagen van kapitaal en handelstalent, benevens het brengen der natie tot eene doodsche gelijkheid van anarchistisch pauperisme, door den loop der gebeur tenissen gelogenstraft werd. En de arbeider, wien de vrijheid van vereeniging het uitzicht opende op onbegrensden vooruitgang zijner klasse ten koste zijner verdrukkers, keek, zooals wij zien, in de juiste richting, hoewel ook hij zich zeer misrekende in den afstand vóór hem en vele moeilijke gedeelten van den weg over het hoofd zag. Maar wat te zeggen van de voorspellingen van place en de Philosofische Radicalen? âCombinaties,quot; schreef place aan Sir Francis Burdett in 1825, âzullen weldra ophouden te bestaan. De lieden zijn alleen gedurende lange periodes aaneengesloten gebleven door de verdrukking der wetten; waar deze nu herroepen zijn, zullen de combinaties datgene verliezen dat hen tot hechte massa's maakt en zullen zij uiteenvallen. Alles zal zoo ordelijk zijn als zelfs een kwaker het zou kunnen wenschen .... Hij die meent dat de werklieden, wanneer hun de vrijheid gelaten wordt zelf standig op te treden, zonder door den druk der wetten tol blijvende combinatie gedwongen te worden, zullen blijven geld storten voor veraf-liggende en twijfelachtige proefnemingen, voor onzekere en onaanzienlijke ondersteuningen, kent de werklieden niet. Als men zich niet met hen bemoeit, zullen de combinaties â met enkele uitzonderingen nu en dan, voor bizondere doeleinden en onder bizondere omstandigheden â ophouden te bestaan. ') é- Het is aangenaam te gevoelen dat place gelijk had
met de herroeping als heilzaam en zijn ernstigst pogen waardig te beschouwen; maar in elk minder algemeen opzicht hadden hij en zijne bondgenooten het zoo mis als zij het met mogelijkheid konden hebben. De eerste teleurstelling echter ondervonden de werklieden. Telkens en telkens weer hadden zij de werkgevers hunne eischen om hooger loon zien afweren, alléén door hun toevlucht te nemen tot de wet, en nu zagen zij de gelegenheid schoon tot een gcorganiseerden aanval op de winsten hunner meesters. Vakken die zich nog niet in blijvende combinatie hadden verheugd, begonnen zich te organiseeren, in de verwachting hunne loonen te doen stijgen tot het peil van die hunner gelukkiger broederen. De winkelbedienden van Sheffield vereenigden zich, ten einde te petitioneeren om vervroegde winkelsluiting. !!) De katoen-wevers van Lancahsire hielden in Augustus 1824 eene gedelegeerdenvergadering te Manchester, ten doel hebbende het tot-stand-brengen eener permanente organisatie ter voorkoming van dalingen der stukwerk-tarieven en ter verkrijging van een uniform loon; in de
lt;sgt; ') 25 juni 1825. 27798â57. lt;5»
lt;slt; s) Sheffield Iris van 27 september 1825. 4gt;
7 - Sidney Webb. 97
uitnoodigings-circulairc werd o. a. medegedeeld dat de kleermakers, timmerlieden en spinners er door middel van geheime combinaties in geslaagd waren hunne Iconen hoog te houden. ') In dezelfde maand staakten de Manchestersche verwers ten gunste eener loons-verhooging en demonstreerden in de straten, waarin zij hunne voorstellen hadden aangeplakt. ~) De persers te Glasgow staakten om een vastgestelden twaalf-urigen arbeidsdag, en wonnen. Het succes der scheepstimmerlieden der noord-oost-kust bewoog de Londensche scheepstimmerlieden hun Committee for conducting the Business in the North (Comité tot het drijven der zaken in het Noorden) om te zetten in de Shipwrights' Provident Union of the Port of London (Scheepstimmerlieden-Vereeniging van de Haven van Londen) die nog bestaat. 3)
égt; âZoo sterk is de rage naar vakvereenigingen,quot; schrijft de
Sheffield Iris van 25 Juli 1825, ,,dat de zeemans-leerlingen te Sunderland verleden week eiken dag vergaderingen op de heide hebben gehouden en besloten hebben niet aan boord hunner schepen te gaan, tenzij de reeders hen thee en suiker toestaan.quot; Plaatselijke vak-clubs ontwikkelden zich, als bijv. de Manchester Steam-Engine Makers'1 Society (Manchestersche Stoommachine-makers Vereeniging) tot nationale organisaties. In andere gevallen werden verband-houdende clubs federatieve lichamen. Het doel was in al deze gevallen hetzelfde. De inleiding tot de eerste statuten van de Friendly Society of Operative House Carpenters and Joiners of Great Britain (Vereeniging tot onderling hulpbetoon van de huis-timmerlieden en schrijnwerkers van Groot-Brittanië), die in 1827 te London door eene gedelegeerden-vergadering gesticht werd, zegt dat het âtot verbetering der slechte toestanden in ons vak en tot bevordering van de rechten en privilegiën van den arbeidquot; geacht werd te zijn âabsoluut noodzakelijk, dat een hechte overeenkomst van belangen tot stand komt tusschen alle werkende timmerlieden en schrijnwerkers van het Vereenigde Koninkrijk van Groot-Brittanië.quot; ') 4gt;
égt; Ook was het niet alleen in de vermeerdering van het
aantal vakvereenigingen dat de uitbreiding zich vertoonde. Een comité van gedelegeerden der Londensche vakken, zitting houdende in den zomer van 1825, richtte een blad op, getiteld het Trades 4jgt;
lt;amp; ') Strooibillet, bewaard in de man. van Place, 27803â255.
4igt; 2) iManchester Guardiati van 7 Augustus 1824; zie ook On Combination
of Trades (Londen 1830).
4 'â ') Dit wordt uitdrukkelijk verklaard in de inleiding tot de statuten,
aangenomen in de vergadering van 16 Augustus 1824 en opgeteekend in het eerste notulen-boek. 4^
Deze vereeniging ontwikkelde zich later tot de hedendaagsche General Union 0/ Carpenters and Joiners of Great Britain (Algemeene Timmerlieden- en Schrijnvverkersbond van Groot-Brittanic).
98
Newspaper and Mechanics' Weekly Journal (Vak-orgaan cn Week blad voor Werklieden) dat, van zegel voorzien, zeven stuivers kostte en tot motto voerde âZoo hielp ieder zijn naaste en ieder zeide tot zijn broeder: Houd het hoofd omhoog.quot; ^ Eene krachtige poging werd gedaan om de vak-organisatie in alle bedrijven te bevorderen en om de wèl-ingelichte opinie der arbeiders van invloed te doen worden op den politieken toestand van den dag. 2)
De hoog-gespannen hoop, waarvan al deze opgetogen bedrijvigheid het kenmerk was, werd spoedig den bodem ingeslagen. Het jaar 1825 eindigde met een financiëele paniek en eene reeks handelsrampen. De vier jaren die volgden, waren jaren van bekrimping en nood. Duizenden werklieden in alle vakken raakten buiten werk en loonsverminderingen hadden allerwege plaats. In vele industriëele districten werden de arbeiders slechts door openbare inzamelingen voor verhongeren bewaard. 8) Onder die omstandigheden verliepen werkstakingen zonder uitzondering noodlottig. Eene merkwaardige, volgehouden werkstaking der wolkammers en wevers te Bradford in 1825, eindigde met een volslagen nederlaag en de blijvende vernietiging der vereeniging. Drie jaren later werd nagenoeg de geheele nijverheid der stad Kidderminster tot stilstand gebracht door den wederstand, gedurende zes maanden geboden door de tapijtwevers aan eene loonsvermindering van 17% *) â een wederstand waarbij de werklieden de sympathie en den steun ontvingen van velen die niet tot hunne klasse behoorden. De vrije combinaties waren evenmin in staat loonsverminderingen tegen te
gaan als hunne geheime voorgangers het konden en in enkele ^
â¢3» â¢) Twee concurreerende bladen, The JonrncyinaiCs and Ar/isans's
London and Provincial Chronicle en The Machanic's Newspaper and Trade 'Journal werden ook nog gesticht, doch verdwenen spoedig.
^ De Trades Newspaper werd bestuurd door een comité van elf afgevaardigden van verschillende vakken, waarvan John Gast voorzitter was, en werd geredigeerd aanvankelijk door Mr. Baines, zoon van den eigenaar der Leeds Mercury, en later door een zekeren Mr. Anderson. 'The Laws and Regulations of the Trades Newspaper (Londen 1825, 12 pag.) zijn bewaard in de manuscripten van Place, 27803â414. De edities van 17 Juli 1825 tot zijne samensmelting met The Trades Free Press in 182S, bevinden zich in het liritsch Museum.
3; Ãéne enkele commissie bracht tusschen 1826 en 1829 232.000 p. st. bijeen. Zie Report of the Committee appointed at a Public Meeting at the City of London Tavern, 2 May 1826, to relieve the Manufacturers, door W. H. Hyett (Londen 1829).
â ') A Letter to the Carpet Manufacturers of Kidderminster, door den Eerw. H. Price (Londen !828, 16 pag.); A Letter to the Rev. H. Price, upon the 'Tendency of Certain Publications of his, door Oppidanus (Londen 1828); en A Verbatim Report of The Trial of the Rev. humphrey price upon a Criminal Information by the Kidderminster Carpet Manufacturers for Alleged Inflamatory Publications during the Turn-out of the Weavers (London 1829).
99
gevallen vervielen de werklieden weder tot geweldpleging en het vernielen van machines. l) 4»
4 Een oogenblik scheen het alsof de herroeping ten slotte
niets had gedaan dan de nutteloosheid van eenvoudige groeps-combinaties te bewijzen, en de werklieden keerden zich weder af van de vakvereenigings-actie en wendden zich naar de grootere doeleinden en het breedere karakter van de radicale en socialistische agitaties dier dagen, waarin van 1829 tot 1848 de vakveree-nigings-beweging onontwarbaar verstrikt raakte. Dit is de periode die het onderwerp van het volgende hoofdstuk levert.
4 4
4 ') In April 1826 sloegen de wevers te Blackburn tot ernstig oproer
over, dat naar Manchester oversloeg en slechts door de troepen kon gedempt worden, nadat meer dan 1000 weefgetouwen vernield waren [Annual Register, 1826, pag. 63, 70, 111, 128; Walpoi.k's History of England, dl. 11, pag. 141â142).
IOO
1IOOFDSTUK 111.
Het Revolutionnaire Tijdperk.
(1829â1842.)
Tot dusverre hebben wij ons hoofdzakelijk bezig gehouden met in bizondere vakken gevormde vereenigingen, bekend als instellingen, genootschappen, vak-clubs, vakvereenigingen, bonden en federatieve bonden. Wij hebben op deze bij voorbaat den naam âTrade Unionquot; in zijne moderne beteekenis toegepast; maar in geen enkel geval hebben wij ontdekt dat zij zich aldus noemden. In de hoofdartikelen der nieuwsbladen van 1830â34 is het, dat wij voor het eerst stuiten op aanduidingen eener zekere Macht der Duisternis, vaag omschreven als ,,de Trades Unionquot;. Wij vinden bovendien dat er in die dagen reeds een Oud Unionisme was en een Nieuw Unionisme, zooals er sinds dien herhaaldelijk is geweest, en dat de âTrades Unionquot; het Nieuwe Unionisme vertegenwoordigde en de vak-club, of âTrade Unionquot;, zooals wij haar genoemd hebben, het Oude. Het onderscheid tusschen een Trade Union (vak-vereeniging) en een Trades Union (vakkenvereeniging) is precies hetgeen door de benamingen aangeduid wordt. Een Trade Union is eene combinatie van beoefenaren van éénzelfde vak; een Trades Union is eene combinatie van verschillende vakken. âDe Trades Unionquot; de boeman van de Times in 1834, is het ideaal waarnaar de Trades Unionisten streefden : de volmaakte aaneensluiting van alle arbeiders des lands in ééne enkele nationale Trades Union. De bizonde beteekenis van Trades Union, onderscheiden van Trade Union, moet in dit geheele hoofdstuk zorgvuldig in het oog gehouden worden, daar de uitdrukking niet meer gebruikt wordt en nog slechts als eene letterkundige fout voorkomt. Onze tegenwoordige vereenigingen Van arbeiders in verschillende hoewel verwante vakken, worden in den regel âamalgamatiesquot; genoemd; en onze combinaties van verschillende vereenigingen, heeten âfederaties.quot; Maar zoowel amalgamaties als federaties, nadrukkelijk beperkt als zij zijn tot gelijksoortige of verwante en van elkander afhankelijke vakken, zijn in conceptie wezenlijk trade unions. Het onderscheidend kenmerk van de uitdrukking âtrades unionquot; was het ideaal der volmaakte solidariteit van alle loon-arbeiders in
101
ééne enkele, algemeene organisatie. Het is de poging van de leiders der trade unions, om niet alleen nationale vereenigingen van afzonderlijke vakken te vormen, doch ook om alle handwerkslieden te omsluiten in ééne allen-omvattende organisatie, die het Nieuwe Unionisme van 1829â34 uitmaakt. ') ^ De textiel-arbeiders en de werklieden in de bouwvakken
van Lancashire en Yorkshire waren de pioniers der nieuwe beweging. Het jaar 1829, het laatste der langdurige periode van malaise welke in den herfst van 1825, na de herroeping der combinatie-wetten, begon, was getuige van de stichting van belangrijke nationale bonden in beide bedrijven, waarvan die der katoen-spinners den voorrang verdient wegens zijne snellere ontwikkeling. ^
De vak-clubs der katoenspinners van Lancashire dateeren van 1792. In de eerste jaren dezer eeuw hadden de spinners van Glasgow pogingen gedaan om de organisaties van Lancashire en Schotland in een nationalen bond te vereenigen; doch die pogingen hadden niet meer dan tijdelijke verbonden in zekere moeilijke gevallen tot gevolg gehad. De snelle verbetering der spin-machines en de ondernemingsgeest der fabrikanten van Lancashire, veroorzaakten omstreeks den tijd van de herroeping der combinatie-wetten, de verplaatsing van het centrum der industrie van Glasgow naar Manchester; het waren de katoen-spinners van Lancashire die nu de leiding der vak-aangelegenheden in handen namen. Het verliezen eener rampzalige, zes-maandsche werkstaking in 1829, te Hyde, bij Manchester, vestigde de overtuiging dat geen lokale vereeniging met succes eene combinatie van werkgevers kon weerstaan; en dientengevolge werden de spinners-vereenigingen van Engeland, Schotland en Ierland uitgenoodigd, afgevaardigden te zenden naar eene conferentie, te houden in de maand December 1829, te Ramsay, op het eiland Man. égt;
amp; Deze gedelegeerden-vergadering, waarvan een uitstekend
^
') In een onuitgegeven opstel over de verschillende organisatievormen, getiteld Trades Unions condemned, Trade Clubs justified, geeft place ons het onderscheid tusschen die beiden. âEen vakvereenigingquot;, zegt hij, âdat wil zeggen; een club bestaande uit gezellen in het een of ander vak, die geen deel uitmaakt van een bond van verschillende vakken, die geen gedelegeerden benoemt om met andere gedelegeerden te vergaderen, is een geheel ander ding dan een Trades Union, zelfs als die zich eene âvereenigingquot; noemt. Trades Unions zijn die welke in afzonderlijke vakken of gedeelten van afzonderlijke vakken, in hetzelfde hoofdbedrijf of in verschillende bedrijven, aaneengesloten zijn door middel van gedelegeerden.quot; Place verwijst vaak naar dit onderscheid tusschen de vak-clubs, die, naar zijn inzicht, zeer waardevolle instellingen warenquot; en de trades unions, of âassociaties van verschillende of vele vakken in ééne combinatiequot;, die hij beschouwde als âzeer heillooze genootschappen.quot; Ook William Lovett, dezelfde gedaanteverwisseling aanschouwende, maakt, in een brief aan de Poor Man's Guardian van 30 Augustus 1834, precies hetzelfde onderscheid. lt;5»
I02
verslag bestaat, ') duurde bijna een week. De verhandelingen droegen een merkwaardig gematigd karakter, de discussies hoofdzakelijk loopende over de voordeden van één opperbestuur, te vestigen te Manchester, benevens drie nationale hoofdbesturen voor Engeland, Schotland en Ierland. John dohertv, 2) secretaris en leider der Manchestersche katoen-spinners, bepleitte een centraal hoofdbestuur, terwijl THOMAS Foster (een bemiddeld man, die de conferentie voor eigen rekening bijwoonde) zich ten gunste van nationaal zelfbestuur uitsprak. Ten slotte werd een Grand General Union of the United Kingdom (Groote Algemeene Bond van het Vereenigd Koninkrijk) gesticht, met drie nationale besturen en cene jaarlijksche gedelegeerden-vergadering. De Bond zou alle mannelijke spinners en aanknoopers omvatten, terwijl de vrouwen en meisjes zouden worden aangespoord tot het stichten van afzonderlijke organisaties. Zijn inkomen bestond uit eene contributie van een stuiver per lid en per week, die geheven zou worden nevens en boven de contributie aan de lokale vereenigingen. DOHERTY werd secretaris, en FOSTER en een zekere PATRICK McGoWAN werden aangewezen om de spinners van het geheele Vereenigde Koninkrijk te organiseeren. 4
Het blijkt niet of deze katoen-spinners federatie, zooals wij haar zouden noemen, inderdaad de meerderheid van de werklieden der drie koninkrijken omvatte. Eene tweede algemeene gedelegeerden-vergadering werd in December 1830 te Manchester gehouden, welke tusschenbeide kwam in de groote spinners-
4gt;
amp; ') A Report of the Proceedings of the Meeting of Cotton-spitiners at
Ramsay, etc. (Manchester 1829, 56 pag.). ^
'*) John Doherïy, door Place omschreven als een ietwat heethoofdige katholiek, werd in 1799 in Ierland geboren en moest op tienjarigen leeftijd in een katoenfabriek te Larne, graafschap Antrim, gaan werken. In 1816 verhuisde hij naar Manchester, waar hij spoedig een der eerste vakver-eenigingsmannen en secretaris der plaatselijke katoenspinners-vereeniging werd. Wij zien hem bijvoorbeeld een voorname rol spelen in de agitatie tegen de voorgestelde weder-invoering der combinatie-wetten in 1825. In 1829 organiseerde hij de groote werkstaking der spinners te Hyde tegen eene loonsvermindering en werd achtereenvolgens algemeen secretaris van de federatie van spinners-vereenigingen en van de Nationat Association for the Protection of Labour. Uit de artikelen in The Voice of the People en The Poor Man's Advocate, die blijkbaar van zijn pen zijn, blijkt dat hij een man van algemeene kennis, groote natuurlijke schranderheid en diepgaande bedoelingen is geweest. In 1823, tijdens den strijd om kiesrechthervorming, beschrijft place hem als de arbeidende klassen radende de gelegenheid voor eene sociale revolutie aan te grijpen. Latei-trad hij op als secretaris van een genootschap van werklieden en patroons, gesticht met het doel de fabriekswetten te handhaven, en was een der ijverigste ondersteuners van Lord Shaftesbury. In 1838, toen hij zich als drukker en boekhandelaar te Manchester gevestigd had, legde hij getuigenis af voor de Commissie van Enquête naar de combinaties van werklieden, waarbij hij de organisaties en werkstakingen der spinners beschreef. ^
IO3
Staking, die toen juist te Ashton-under-Lyne in gang was. In deze conferentie weiden de grondregelen van 1829, behoudens eenige veranderingen, opnieuw bekrachtigd. De drie nationale hoofdbesturen werden blijkbaar vervangen door een uitvoerenden raad van drie leden, gekozen door de vereeniging te Manchester, die bij elk zijner maandelijksche vergaderingen versterkt werd door twee gedelegeerden, om beurten gekozen door een der naburige districten. Foster werd tot algemeen secretaris benoemd; en er werd besloten tot het samenstellen eener commissie, die een algemeen loontarief moest vaststellen, waartoe in elke fabriek één lid aangewezen werd, die een exemplaar van het loontarief volgens hetwelk hij betaald werd, moest opsturen. Hoewel eene derde gedelegeerden-vergadering van dezen Grand General Union was vastgesteld, om op Pinkstermaandag 1831 te Liverpool plaats te hebben, kan geen verder spoor van zijn bestaan gevonden worden. Het is waarschijnlijk dat de poging om Schotland en Ierland in het verband te betrekken schipbreuk leed en dat de Bond gekrompen was tot een federatie van vereenigingen in Lancashire, die zich hoofdzakelijk bezig hield met het verkrijgen eener wettelijke beperking van den arbeidsduur. 1)
Maar de Nationale Bond van Katoen-spinners baande den weg voor het grootschere plan van de Trades Union. Doherty, die zijne officiëele betrekking bij den katoen-spinners-bond schijnt neergelegd te hebben, ontwierp het plan van een nationaal genootschap, niet van één vak alleen, doch van alle klassen van loon-arbeiders. Reeds in Mei 1829 zien wij hem, als secretaris van de Manchestersche Katoen-spinners, schrijven aan de Liverpoolschc Zeilmakers, om dank te betuigen voor een gift van tien ponden, de hoop uit te spreken âdat onze gemeenschappelijke pogingen ten slotte mogen leiden tot een Grooten Algemeenen Bond van alle vakken in het geheele Vereenigde Koninkrijk.quot; quot;) Op zijn aansporing werd in Februari 1830 te Manchester eene vergadering gehouden van gedelegeerden van twintig georganiseerde vakken, welke vijf maanden later de oprichting van de National Association for the Protection of Labour (Nationaal Genootschap voor de
') Foster stierf in 1831 en McGowan vestigde zich te Glasgow. âBijna elk spin-district,quot; schrijft de Poor Man's Advocate, âtrad tot den bond toe. De kracht van den bond nam natuurlijk toe naarmate het ledental steeg en een aantal der slechtst-betalende werkgevers werden genoodzaakt de loonen
te verhoogen tot iets dat op het standaardloon geleek____ Evenwel is de bond,
die voornamelijk door Mr. McGowan groot geworden was, sinds dien, als gevolg van wantrouwen en verslapping, tot betrekkelijke onbeduidendheid vervallen.quot; â 5) De brief is bewaard in het manuscript âContributie-boekquot; der
Liverpool Sailmakers' Friendly Association (Genootschap der Zeilmakers van Liverpool), opgericht in 1817. â
104
Bescherming van den Arbeid) ten gevolge had. ]) Het uitdrukkelijk doel dezer vereeniging was het tegengaan van loonsverminderingen, doch niet het staken voor verhoogingen. Mare statuten blijken grootendeels overgenomen te zijn van de terzelfdertijd bestaande vereeniging van katoenspinners, met welke zij gemeen had eene combinatie te zijn, niet van rechtstreeks toegetreden individuen, maar van bestaande afzonderlijke vereenigingen, die elk een pond entree-geld betaalden, benevens een shilling voor elk lid en die verder een penny per week en per hoofd contribueerden. DüHERTV was de eerste secretaris en de Association blijkt spoedig ongeveer 150 afzonderlijke vereenigingen omvat te hebben, grootendeels in Lancashire, Cheshire, Derby, Nottingham en Leicester. De vakken die toetraden, waren hoofdzakelijk verwant met de verschillende textiel-industriën, in hoofdzaak katoenspinners, makers van gebreide goederen, katoendrukkers en zijdewevers. De Association omvatte ook talrijke vereenigingen van machinebouwers, vormers, smeden en allerlei diverse vakken. De bouwvakken waren ternauwernood vertegenwoordigd â een feit dat verklaard wordt door het terzelfdertijd bestaan van de Builders' Union (Bond voor de Bouwvakken), waarover later. De staat 2) van ontvangsten van de Association over de eerste negen maanden van zijn bestaan, wijst contributiën aan tot een bedrag van 1866 p. st, een som die duidt op een lidmaatschap tusschen lOOOO en 20000, verspreid over de reeds genoemde vijf graafschappen. Zijne bestuurderen onderhielden eene krachtige propaganda in de noordelijke en midden-graafschappen en slaagden erin een weekblad op te richten, de United Trades Co-operative Journal, waaraan echter spoedig een einde werd gemaakt door de ontvangers der registratie, welke
amp; ') De eerste aanduiding betrekking hebbende op een algemeenen
trades union vonden wij in de Articles of the Philaiitropic Hercules, for the inntiial support of the labouring mechanics. Dat was een voorstel van John Gast, de energieke Londensche scheepstimmerman, die de vriend en bondgenoot van Francis Place werd. De inleiding, waarin voorgesteld werden eene contributie van een stuiver per week, een hoofd-comité van afgevaardigden van elk vak en feitelijke centralisatie van geldmiddelen, komt voor in de Gorgon van 5 Januari 1818. In het nummer van 29 Januari 1819 wordt de organisatie als opgericht vermeld. De Articles, geteekend door John Gast als voorzitter, gedateerd 24 'December 1818, zijn bewaard in de manuscripten van Place, 27899â143. Wij hebben geen verdere vermelding dier organisatie gevonden, die waarschijnlijk doodgeboren was. Een tweede poging, acht jaren later, had niet meer succes. âIn 1826,quot; zooals wij toevallig zagen in de Herald of the Rights of Industry (Manchester, 5 April 1834), âwerd te Manchester een trades union gesticht, die zich eenigermate over de omliggende districten uitstrekte en in elk daarvan verscheidene vakken omvatte; maar hij verdween vóór hij zelfs bekend was bij een groote meerderheid der werklieden in den omtrek.quot; lt;3» J) Is als aanhangsel gevoegd bij de brochure On Combination of
Trades (Londen 1830). Vergelijk Wade's History of the Middle and Working Classes (Londen 1834). pag. 277.
105
eischten dat elk nummer een vier stuivers-zegel zou dragen. ') Niet afgeschrikt door deze ervaring, ondernam het bestuur de ernstiger taak van het oprichten van een zeven-stuivers, gezegeld blad en verzocht Francis Place penningmeester te worden van het bijeengebrachte fonds. âDe inschrijving,quot; schrijft place op 5 December 1830 aan John Cam Hobhouse, âstrekt zich uit van Birmingham tot de Clyde; het bestuur zetelt te Manchester; en het bijeengebrachte geld bedraagt ongeveer 3000 p. st. en zal, zoo zeggen zij mij, spoedig 5000 p. st. zijn, met welk bedrag, zoodra het bijeen is, zij zich voorstellen een weekblad op te richten, dat zal heeten The Voice of the People (De Stem des Volks).quot; Inderdaad verscheen in Januari 1831 het eerste nummer van hetgeen een uitstekend weekblad bleek te wezen en welks doel omschreven werd te zijn âde voortbrengende klassen der gemeenschap te vereenigen in één gemeenschappelijken bond.quot; Behalve volledige wekelijksche verslagen van het hoofdbestuur der National Association te Manchester en Nottingham, wijdde dit blad, uitstekend geredigeerd door DüHERTY, veel aandacht aan de radicale politiek, onder anderen aan het herroepen van de vereeniging met Ierland en den vooruitgang der revolutie op het vasteland. 3)
4 Uit de verslagen, voorkomende in de Voice of the People,
zien wij dat het eerste belangrijke optreden der Association was ter gelegenheid van de groote werkstaking der katoenspinners te te Ashton-under-Lyne in den winter van 1830â31. Door middel van buitengewone contributiën werden belangrijke bedragen tot ondersteuning der stakers bijeengebracht, waarbij vooral de Not-tinghamsche vereenigingen in ruime mate bijdroegen. Maar de Association kreeg spoedig een schok. In Februari 1831 maakte een nieuwe secretaris zich uit de voeten met 100 p. st. Dit gaf eene gedelegeerden-vergadering te Nottingham, in April 1831, aanleiding te besluiten, dat elke vereeniging het geld, door hare leden gecontribueerd, in eigen beheer zou houden. Maar de gewone gebreken van vereenigingen in verschillende vakken kwamen spoedig aan den dag. De weigering der afdeelingen in Lancashire om de groote staking te Nottingham, die onmiddellijk na dat besluit een aanvang nam, te steunen, leidde tot de afscheiding der Nottinghamsche leden. Niettemin won de Association in andere richtingen terrein. Op het einde van April besloot eene gedelegeerden-vergadering te Bolton, vertegenwoordigende negen duizend kolenmijnwerkers van Staffordshire, Yorkshire, Cheshire en Wales, zich aan te sluiten. De vakvereenigingen te Belfast vroegen toegelaten te
â ') Een en dertig nummers, loopende van 6 Maart tot 2 October 1830,
bevinden zich in de openbare bibliotheek te Manchester (620 li). amp;
amp; J) De nummers van Januari tot September 1831 bevinden zich in het
Britsch Museum. Zie Place's brief in de Westminster Reviwv, 1831, pag. 243. 4-
106
worden. Te Leeds werden negen duizend leden ingeschreven, hoofdzakelijk onder de wol-werkers. Afgevaardigden werden gezonden om de pottenbakkers van Staffordshire te organiseeren; en eene Nationale Vereeniging van Pottenbakkers, die zich over het geheele land uitstrekte, werd gesticht en sloot zich aan. Deze bedrijvigheid schenkt eene zekere geloofwaardigheid aan de bewering dat de Association honderd duizend leden telde en dat de Voice of the People, die zeven stuivers per week kostte, de voor dien tijd enorme oplaag van dertig duizend exemplaren had. 4
Hier zien wij dan eindelijk de geduchte idee van den âTrades Unionquot; gesubstantieerd. De couranten deden het spoedig zóó schrikwekkend schijnen, dat het de werkgevers bevreesd maakte, de verbeelding der middenklasse ijselijk prikkelde en de aandacht der regeering begon te vragen. Maar er was geen reden tot beduchtheid. Gebrek aan geld deed de Association weinig meer zijn dan een naam. In de nog bestaande nummers van haar orgaan wordt van daadwerkelijke vakbeweging nagenoeg geen gewag gemaakt. Het optreden van het hoofdbestuur te Manchester schijnt zich bepaald te hebben tot het ondersteunen van het wetsontwerp tot verkorting van den arbeidsdag. Op de algemeene vergadering der Association (toen aangeduid als de Lancashire Trades Unions] gehouden op 23 April 1831, werd besloten petities op te stellen ten gunste van het uitstrekken der in dit ontwerp bepaalde maatregelen over alle vakken en over alle klassen van arbeiders. Intusschen werd ook actieve steun verleend aan Mr. SADLER'S Arbeids-wetsontwerp. Tegen het einde des jaars verliezen wij plotseling elk spoor der Association voor zoover het Manchester betreft. âNadat zij zich ongeveer honderd mijlen om deze stad uitgestrekt had,quot; schrijft een arbeidersblad in 1832, âkwam een noodlot over haar, dat haar bijna dreigde te vernietigen .... Maar hoewel zij in Manchester achteruit ging, bloeide zij en breidde zij zich in andere plaatsen uit; en het verheugt ons te zeggen, dat het koene voorbeeld, gegeven door Yorkshire en andere plaatsen, waarschijnlijk nogmaals de verflauwde energie dier vakvereenigingen zal doen opleven, welke de eer hadden de Association te stichten en te vestigen.quot; ') 4^
4 Wat het ânoodlotquot; was dat de Association in Manchester
deed verloren gaan, wordt niet medegedeeld ; maar DOHERTV, aan wiens organiseerend talent haar aanvankelijk succes te danken was geweest, had blijkbaar twist met het hoofdbestuur en de Voice of the People hield op te verschijnen. In zijn plaats zien wij UOHERTV vanaf Januari 1832 een nieuw blad uitgeven: The Poor Man's
') Union Pilot ami Co-operative Intelligcnccr, 24 Maart 1S32 (openbare bibliotheek te Manchester, 640 e).
107
Advocate (De Advocaat der Armen) genaamd, en ijdele pogingen doen om, in weerwil van een âgeest van naijver en verdeeldheid,quot; uit de Yorkshire'sche afdeelingen der Association eene nationale organisatie te vormen, met haar hoofdkwartier te Londen. Na het midden van 1832 hooren wij niet meer van de Association zelf of van DOHERTV'S meer ambitieuse plannen ten haren opzichte. 1) De plaats der National Associaton werd spoedig ingenomen door andere gelijktijdige algemeene vakvereenigingen, waarvan de eerste en voornaamste was de Builders'' Union of General Trades Union (Algemeene Vakbond) zooals hij wel eens genoemd wordt. Hij bestond uit de afzonderlijke organisaties der ?;even bouwvakken, namelijk timmerlieden, steenhouwers, metselaars, stucadoors, loodgieters, schilders en opperlieden, en is, voor zoover wij weten, het eenige voorbeeld in de geschiedenis dier vakken van een federatieven bond, omvattende alle klassen van bouw-arbeiders en bedoelende zich uit te strekken over het geheele rijk. 2) 4gt; De algemeene statuten van den Builders' Union vormden
een doorwrochte grondwet, waarin getracht werd eene autonomie in plaatselijke en vak-aangelegenheden der afzonderlijke afdeelingen
lt;ögt; ') Ondertusschen hadden de kolenmijnwerkers van Northumberland
en Durham, onder leiding van âTommy Hepburn,quot; een organisator van merkwaardige bekwaamheid, in 1830 hun eerste sterke union gesticht, die gedurende twee jaren de beide graafschappen in een opgewonden toestand hield. Stakingen en oproeren in 1831 en '32 hadden tot gevolg dat de troepen te hulp geroepen werden; mariniers werden van uit Portsmouth gezonden en eskadrons cavallerie liepen het land af. Na een strijd van zes maanden viel de union in elkander en de arbeiders onderwierpen zich. Zie SvKliS' Local Records of Northumberland, etc. deel II, pag. 293, 353; Fvnes' Miners 0/ Northumberland and Durham (Blyth 1873), hoofdst. IV, V, VI; An Earnest Address and Urgent Appeal to the People 0/ England in behalf of the oppressed and suffering pitmen of the Counties of Northumberland and Durham, door W. Scott (Newcastle 1831); History and Description of Fossil Fuel, etc., door John Holland (Londen 1835), pag. 298â304. 4
2) Het is niet duidelijk of dit schema het eerst door de timmerlieden of door de steenhouwers werd toegepast. De timmerlieden en schrijnwerkers onderscheiden zich in de bouwvakken door de oudheid hunner plaatselijke vak-clubs, waarvan bekend is, dat zij reeds in 1799 in Londen bestonden. Eene nationale organisatie, genaamd de Friendly Society of Operative Carpenters and Joiners, werd in Juli 1827 te Londen opgericht en bestaat nog onder den naam van General Union. Uit archiefstukken, berustende op het kantoor van laatstgenoemde organisatie, blijkt dat deze federatie in 1832 reeds 938 leden had, welk aantal steeg tot 3691 in 1833 en 6774 in 1834, een getal dat tot 1865 niet geëvenaard werd. Deze snelle toename kenmerkt de algemeene opkomst dier jaren. Maar het was niet vóór 1833 dat deze vereeniging zich aansloot bij den Builders' Union. Anderzijds heeft de bestaande Steenhouwers-Vereeniging (Operative Stonemasons' Friendly Society), wier afzonderlijk bestaan van 1834 dateert, doch die stellig in den een of anderen vorm sinds 1832 bestaan heeft, in hare archieven wat schijnen te zijn de oorspronkelijke reglementen en inwijdingsritualen van haar voorganger, de Builders' Union. En in die documenten komen de steenhouwers als de allereerste leden voor. Bovendien gelijken deze
108
te vcreenigingen met een centraal bestuur voor verdedigende en aanvallende doeleinden. De statuten leeren ons, dat âhet doel dezer vereeniging zal zijn het opvoeren en op gelijke hoogte brengen van den prijs van den arbeid in eiken tak van het bedrijf dat wij tot deze vereeniging toelaten. Elke afdeeling zal worden beheerscht door haar eigen wachtwoord en teeken, steenhouwers voor zichzelf, en timmerlieden voor zichzelf, en zoo voort;quot; en er wordt voorgeschreven âdat geen afdeeling geopend zal worden door eenige andere afdeeling, die niet behoort tot hetzelfde vak als de openende afdeeling, dat dus steenhouwers steenhouwers openen en timmerlieden timmerlieden openen, en zoo voort;quot; bovendien âzal geen lid eene afdeeling bezoeken die niet tot zijn vak behoort, tenzij daartoe bizonderlijk uitgenoodigd zijnde.quot; Elke vakvereeniging had haar eigen reglementen; maar deze waren onderworpen aan het algemeene reglement, dat in een jaarlijksche gedelegeerden-vergadering werd vastgesteld. Deze jaarlijksche conferentie van de Grand Lodge Delegates, beter bekend als het Builders' Parliament, bestond uit één afgevaardigde 'van elke afdeeling en was het opperste wetgevende lichaam, dat reglementen wijzigde, in algemeene aangelegenheden van taktiek besliste en den voorzitter en andere bestuurders koos. De plaatselijke afdee-lingen, hoewel rechtstreeks vertegenwoordigd op de jaarlijksche vergaderingen, hadden in den daartusschen verloopenden tijd slechts weinig verband met den zetel van het bestuur. De vereeniging was verdeeld in geografische districten; de afdeelingen in elk district zonden gedelegeerden naar de driemaandelijksche districts-vergaderingen, die een grootmeester, vice-grootmeester en secretaris voor het district verkozen en besloten welke de âdistricts-afdeelingquot; of zetel van het districts-bestuur zou zijn. Deze districts-afdeelingen, of provinciale centra, moesten, volgens het reglement, om beurten dienst doen als hoofd-afdeeling of hoofdbestuur voor de geheele vereeniging. Of de leden van het hoofdbestuur gekozen werden door de hoofd-afdeeling, of door de geheele vereeniging, is niet duidelijk; maar zij vormden met den president en den algemeenen secretaris, den nationalen uitvoerenden raad. De onkosten van dit hoofdbestuur en van de geheele gedelegeerden-
reglementen en ceremoniën sprekend op die der terzelfdertijd bestaan hebbende vereenigingen onder de wol-werkers van Yorkshire. En eene onafhankelijke traditie wijst het groote wol-centrum Huddersfield als de plaats aan waar de eerste afdeeling der Steenhouwers-Vereeniging werd opgericht, terwijl de Timmerlieden-vereeniging, die te Londen gesticht was, haar hoofdkwartier te Leicester had. Doch hoe dat ook moge zijn, de statuten en ceremoniën, in deze documenten omschreven, danken hunne beteekenis aan het feit dat zij bijna gelijkluidend zijn met die welke aangenomen worden door vele der groote bonden dier dagen en welke grootendeels werden aangenomen door de Grand National Consolidated Trades Union van 1S34.
109
vergadering werden door de gehcele verceniging gedragen, waartoe elke afdeeling maandelijksche staten van het ledental en eene rekening barer geldmiddelen aan den algemeenen secretaris zond. De voornaamste taak van den nationalen uitvoerenden raad bestond in bet bepalen van de vak-taktiek der genootscbappen en in bet verleenen of weigeren van verlof tot staken. Daar geen melding wordt gemaakt van ondersteuningsfondsen, mogen wij vaststellen dat de Builders' Union, evenals de meeste nationale of algemeene bonden van dien strijdlustigen tijd, zicb uitsluitend bepaalde tot bet verdedigen zijner leden tegen bunne werkgevers. ^ De bouw-arbeiders stelden zicb niet tevreden met eene
doorwrochte grondwet en reglementen. Er waren ook plechtigheden. De Steenbouwers-Vereeniging beeft in haar archief bewaard een exemplaar in manuscript van een Making Parts Book, welks gebruik bij het toelaten van nieuwe leden aan alle afdeelingen van den Buildtrs' Union voorgeschreven was. Tijdens de combinatie-wetten waren ceden van geheimhouding en gehoorzaamheid gebruikelijk in de meer geheime en oproerige vakvereenigingen, vooral in die der kantoenspinners van Glasgow en der mijnwerkers van Northumberland. Het gebruik overleefde de herroeping; en toelating tot den Builders' Union bracht eene langdurige ceremonie met zicb mede, die geleid werd door de bestuurderen der afdeeling â de outside and inside tylers, de warden, de voorzitter, de secretaris en de principal conductor â en waaraan deelgenomen werd door de candidate!! en de leden der afdeeling. Behalve het openingsgebed en de godsdienstige gezangen, die bij tusschenpoozen gezongen werden, bestond deze âinwijdings-plechtigheidquot; uit vragen en antwoorden door de dramatis personae, gesteld in zonderling kreupelrijm, en werden besloten met het afleggen van een plechtigen eed van getrouwheid en geheimhouding door de nieuwe leden. Bestuurderen gekleed in togas, binnen-kamers waarin de candidaten geblinddoekt geleid werden, een geraamte, ontbloot zwaard, strijdbijlen en andere geheimzinnige ârequisietenquot; verhoogden de sen-sationeele plechtigheid dezer fantastische vertooning. ') Ceremoniën
') Een soortgelijk rituaal is afgedrukt in de Character, Objects, and Effects of Trades Unions (Londen 1834), zooals zij door den Wolkammersbond gebruikt werden. Waarschijnlijk nam de linitders' Union zijn rituaal over van de een of andere wol-arbeiders-vereeniging. Het manuscript der steenhouwers bevat, evenals het exemplaar hetwelk in deze brochure is afgedrukt, eene plechtige zinsnede nopens âKoning Eduard du Derde,quot; die als de groote weldoener van den Engelschen wolhandel wordt beschouwd, doch wiens verband met het bouwvak niet voor het grijpen is. In eene latere, gedrukte uitgave der Initiating Parts of the Friendly Society of Operative Masons, gedateerd; Birmingham 1834, is zijn naam weggelaten en dien van Koning salomo er voor in de plaats gesteld, blijkbaar ter herinnering aan den aangenomen oorsprong der vrijmetselarij bij den bouw van den tempel te Jeruzalem. ^
I 10
van (.leze soort waren in alle nationale cn algemcene bonden dier dagen gebruikelijk; zoo vinden wij dan ook posten voor het âwasschen van togasquot; in de kasboeken van verschillende afdee-lingen van vereenigingen uit dien tijd. Hoewel in de meeste gevallen het rituaal ongetwijfeld even onschuldig was als dat der vrijmetselaren cn soortgelijke vereenigingen, is het toch niet onmogelijk dat de opwinding en het sensationeele der plechtigheid, lichtvaardige en fanatieke leden in tijden van industrieele conflicten in het belang der organisatie tot het plegen van gewelddaden dreef. In elk geval schijnen de verhalen zijner kwasi-verschrikkingen in de kapitalistische pers, de regeerende klassen in groote mate beangst te hebben gemaakt. 4gt;
amp; De eerste jaren van den Builders Union waren blijkbaar
aan het organiseeren gewijd. Gedurende 1833 maakte hij groote vorderingen in de steden van Lancashire en der midden-graaf-schappen. En in het begin van het volgende jaar werd een gemeenschappelijken aanval op de werkgevers te Liverpool gedaan. De blijkbare grief der werklieden was de tusschenkomst van den âaannemer,quot; die, den meester-steenhouwer, den meester-timmerman enz. verdringende, de geheele leiding der bouw-onderneming op zich nam. In een aanplakbillet, uitgaande van de Liverpoolsche schilders, wordt aangekondigd dat deze zijn toegetreden tot ,,den algemeenen bond van de werklieden in de bouwvakkenquot; ten einde âdat verderfelijke, onbillijke en hatelijke stelsel van monopoliseeren der zuur-verdiende winsten van eens anders zaak, genaamd âaan-
lt;$gt; De werkelijke oorsprong dezer toelatings-ceremonie is niet met
zekerheid bekend. John Tüster, die in 1825 een leider der Wolkammers van Bradford was geweest, keerde zich later tegen de vakvereenigingen en publiceerde in de Leeds Mercury van Juni en Juli 1s34 een reeks brieven tegen de Leeiis Clothiers' Union (Lakenwevers-Vereeniging van Leeds). Daarin zegt hij dat âde wijze van toelating was dezelfde als jaren te voren gebruikelijk was bij de flanel-wevers van Rochdale, bij wien de zaak, in den vorm dien zij toen
had, het eerst ontstaan was____ Ken groot deel der ceremonie,____ in het
bizonder de dood-scène, was ontleend aan het ceremonieel van een afdeeling
der Odd Fellows,..... die flanel-wevers waren te Rochdale in Lancashire; en
al wat maar eenigszins van de reglementen en gebruiken der eene vereeniging kon worden overgenomen in die eener andere, werd aldus, met eenige geringe woordveranderingen, overgenomen.quot; In een anderen brief zegt hij dat de schrijver van het lecture book een zekere Mark Wade was. Tester kan niet onvoorwaardelijk geloofd worden, maar het is waarschijnlijk dat de insignes, kreupelrijmen en mystieke ritualiën der vereenigingen van dien tijd ontleend waren aan een Oddfellows loge, met eenige herinnering aan de Vrijmetselarij. In zijn Mutual Thrift (Londen 1s91) beschrijft de Eerw. J. Frome wilkinson op pag. 14 de toelatings-plechtigheid van de Patriotic Oddfettows, eene vereeniging die vóór het einde der eeuw samensmolt met de tegenwoordige Grand United Order of OddfclUnvs. De aldus beschreven ceremonie komt in vele karakteristieke onderdeelen overeen met die der trades unions. Al de oudere Orders tot onderling hulpbetoon vorderden eene eeds-aflegging en waren bijgevolg onwettig. amp;
111
nemenquot; tegen te gaan. Uit den aard der zaak waren de kleine bazen het aanneem-systeem niet welgezind; en de meesten hunner waren het eens met den eisch der werklieden, dat zijne invoering zou worden tegengegaan. Aangemoedigd door dien steun, zonden de verschillende takken van het bouw-bedrijf tegelijkertijd gelijkluidende eischen in, nopens een uniform loon voor elke klasse van arbeiders, een beperking der leerlingen, het verbod van machines en stukwerk en andere verlangens voor elk vak naar zijn eigen aard. Deze eischen werden den werkgevers bekend gemaakt in brieven, die in dictatoriale en zelfs beleedigende termen gesteld waren en gingen vergezeld van de vordering dat het loon zou worden uitbetaald voor den tijd die eventueel zou verloren gaan door stakingen ten behoeve der gestelde eischen. âWij overwegen,quot; zegt een dier brieven, ,,dat gij, onze reglementen niet geacht hebbende met zulk een achting als gij hadt behooren te doen, wij u zeer schuldig beschouwen te zijn en te verdienen gestreng getuchtigd te worden.quot; En âverder,quot; zegt een andere brief, âdat elk onzer in zulk eene staking door u zal betaald worden de som van vier shilling per dag voor eiken dag dat gij weigert toe te stemmen.quot; ^ Deze taal deed de werkgevers van alle klassen zich in slagorde scharen. In eene vergadering, gehouden in Juni 1833, besloten zij niet alleen de eischen der werklieden niet in te willigen, doch tevens eene krachtige poging te doen om den Bond te vernietigen. Ten dien einde maakten zij bekend, dat voortaan geen arbeider om werk behoefde te vragen, tenzij hij bereid was eene formeele opzegging van het lidmaatschap van den bond te teekenen. Het persisteeren bij deze formeele opzegging, dat in de annalen der vakbeweging beroemd zou worden als âhet aanbieden van het document,quot; verbitterde den Builders' Union. De Liverpoolsche eischen werden herhaald te Manchester, waar de werkgevers dezelfde taktiek volgden als die van Liverpool. ') ^
In het heetst van den strijd (September 1833) hield de Builders' Union hare jaarlijksche gedelegeerden-vergadering te Manchester. Zij duurde zes dagen, kostte, naar beweerd wordt, meer dan 3000 p. st. en werd bezocht door twee honderd zeventig afgevaardigden, vertegenwoordigende dertig duizend werklieden. Deze zitting van het Builders' Parliament trok de algemeene aandacht. ROBERT Owen hield er een lange redevoering, aan de vergadering zijn âgroot geheimquot; toevertrouwende âdat arbeid is de bron van alle rijkdomquot; en dat die rijkdom voor de voortbrengers 4 4
^ 'J An Impartial Statement of the Proceedings of the Members of the
Trades Union Societies, and of the Steps taken in consequence by the Master Traders of Liverpool (Liverpool 1833); Remarks on the Nature and Probable Termination of the Struggle nnu existing between the Master and Journeymen Builders (Manchester 1833); de Times van 27 Juni 1833.
112
kon behouden blijven door een wereld-verbond van de voortbrengende klassen. Men besloot, wellicht onder zijn invloed, te Birmingham een centraal bureau te bouwen, dat ook als opvoedingsinstituut zou dienst doen. De teekening voor dit Builders' Gild Hall (Bouwers Gildehuis) werd gemaakt door een architect die een leerling van OWEN was. Het bevatte, op papier, een vergaderzaal en verschillende schoollokalen voor de kinderen van leden. De eerste steen werd op 5 December 1833 met groote plechtigheid gelegd, bij welke gelegenheid de vakvereenigingen van Birmingham in optocht naar het terrein trokken en geestdriftige redevoeringen werden gehouden. 4
4 Uit de Pioneer, or Trades Union Magazine (een onge
zegeld stuivers weekblad, aanvankelijk uitgegeven te Birmingham en toen het orgaan van den Builders'' Union] blijkt ons het vurige geloof en de groote aanspraken dezer Nieuwe Unionisten. âEen bond, gegrondvest op eerlijke en rechtvaardige beginselen,quot; schreef de redacteur in het eerste nummer, âis alles dat nu noodig is om de armoede en de vrees ervoor, voor altijd uit de maatschappij te bannen.quot; âDe hoog-geroemde macht van het kapitaal zal nu op de proef worden gesteld ; wij zullen spoedig ontdekken hoe waardeloos het is als het van uwen arbeid verstoken blijft. De arbeid, die den rijkdom baart, kan gemakkelijk geraken tot het koopen van den grond; en binnen zeer korten tijd zullen wij den niets-doenden eigenaar genoodzaakt zien, u te vragen hem te verlossen van zijne waardelooze bezitting.quot; Doorwrochte plannen werden voorgesteld tot het ondernemen van alle bouwwerken in het rijk door een Groot Nationaal Bouwersgilde; elke afdeeling zou een ploegbaas kiezen en de ploegbazen een algemeenen directeur. De vernietiging dier hooggespannen verwachtingen kwam ruw en snel. De Lancashire'sche vereenigingen verzetten zich tegen de centralisatie, waartoe, op aandringen van de vereenigingen der middengraafschappen, door de in September gehouden gedelegeerden vergadering besloten was. Twee groote werkstakingen, te Liverpool en te Manchester, eindigden laat in het jaar met volslagen nederlagen. De Builders'1 Gild Hall werd niet voltooid; 3) en de Pioneer verhuisde naar Londen, waar hij het orgaan werd van een ander lichaam, de Grand Consolidated Trades Union (Groote Vereenigde Vakbond) waartoe tal van vereenigingen in de bouwvakken in de zuidelijke graafschappen en in de hoofdstad besloten hadden toe te treden. Niettegenstaande dat, behield de Builders' Union gedurende de eerste maanden van 1834 zijn invloed in de
â¢) De Pioneer van 7 December 1833; History of Birmingham, door W. Hutton (Birmingham 1835), pag. 87. lt;ögt;
2) Het werd ten slotte door den grondeigenaar voltooid en bestaat nog als een ijzermagazijn in Shadwell Street. lt;£
8 - Sidney Webb. i i 3
noordelijke graafschappen en hield in April te Birmingham nog een âparlementquot;, waarbij Schotsche en lersche afgevaardigden tegenwoordig waren.
amp; De aanvallende bedrijvigheid en de snelle groei van den
Builders' Union gedurende 1832â'33, was slechts een gedeelte geweest van de algemeene opkomst der arbeiders-organisatie. De katoenspinners hadden zich tegen den herfst van 1833 hersteld van den nederlaag te Ashton (1830â31), op welk tijdstip wij Dohertv met zijne gewone energie de agitatie voor den acht-urigen arbeidsdag, die door zijne Society for National Regeneration (Vereeniging voor Nationale Wedergeboorte) begonnen was, zien voortzetten. âHet plan is,quot; schrijft J. fielden aan William cobbett, dat tegen 1 Maart a. s., den dag waarop het genoemde ontwerp (thans wet) den arbeidstijd van kinderen onder den elfjarigen leeftijd beperkt tot acht uren per dag, zij die dien leeftijd te boven zijn, zoowel jongelieden als volwassenen, zullen vorderen dat acht uren werken ook voor hen het maximum zal zijn en dat hun tegenwoordig weekloon voor negen en zestig uren per week, het minimum-loon zal zijn voor acht en veertig uren per week na dien tijd;quot; en hij gaat voort te verklaren, dat de katoenspinners dit denkbeeld van korter arbeidstijd liever door middel van werk-staken dan door de wetgeving te verkrijgen, gevormd hadden naaiden raad van Lord Althori'E, dat zij âop eigen gelegenheid een wet op den verkorten arbeidsdag moesten maken.quot; ') De textiel-vakken van Lancashire volgden het voorbeeld der katoenspinners en bereidden zich voor tot eene âalgemeenequot; werkstaking. Onder-tusschen waren hunne broeders van Yorkshire reeds in een verbitterden stijd tegen hunne werkgevers gewikkeld. De Leeds Clothiers'1 Union (Leeds Lakenwevers-Vereeniging) in 1831 gesticht en blijkbaar een der vereenigingen waaruit de National Association was samengesteld, geleek sprekend op den Builders' Union, niet alleen in ceremonieel en organisatie, doch ook in taktiek en geschiedenis. 2) In het voorjaar van 1833 deed zij een reeks aanvallen op verschilende inrichtingen, met het dubbele doel al de arbeiders te dwingen tot de vereeniging toe te treden en een uniform loontarief te verkrijgen. Deze eischen werden met het gewone wapen bestreden. De werkgevers traden toe tot hetgeen The Manufacturers'' Bond (Fabrikanten-overeenkomst) genoemd 4 ' ^
lt;$gt; ') Brieven in Cobbeï's Weekly Register, herdrukt in de Pioneer
van 21 December 1833.
Voor eene ongunstige beschouwing dier vereeniging zie men het blijkbaar partijdige verhaal in de brochure Character, Objects, and Effects of Trades Unions (London 1834I. De werkgevers schijnen al de eischen der werklieden als even onredelijk beschouwd te hebben, zelfs het verzoek om een loonlijst voor het stukwerk. Zie de Times van 2 October 1833. ^
114
wordt, waarbij zij zich op boete verbonden geen werk te geven aan alle leden der vereeniging. De arbeiders weigerden verontwaar digd de vereeniging te verlaten; en eene uitsluiting volgde, die eenige maanden duurde en aanleiding gaf tot herhaalde hoofdartikelen in de Times. 1)
De Potters' Union (Pottenbakkers-Vereeniging) â eveneens door Dohekty gesticht, in 1830 â telde in het najaar van 1833 acht duizend leden, waarvan zes duizend behoorden tot Staffordshire en de overigen tot de afdeelingen te Newcastle-on-Tyne, Derby, Bristol en Swinton 2) â weder een voorbeeld van den buiten-gewonen groei der vakvereenigingen in die jaren. ^ In hoeverre deze en andere vereenigingen in het een
of ander federatief lichaam verbonden waren, is niet duidelijk. De dol-beangste berichten in de kapitalistische pers nopens âden Trades Unionquot; en de vage aanduiding in de arbeidersbladen van de affiliatie van zekere vereenigingen aan grootere organisaties, doen ons gelooven dat in het jaar 1833 meer dan eéne poging gedaan werd tot het stichten van een âAlgemeenen Bond van alle Vakken.quot; De bladen der Owen'sche richting zijn tegen het einde van 1833 vol van berichten over de stichting van een âAlgemeenen Bond van de Voortbrengende Klassen.quot; Welk soort van associatie Owen zelf op het oog had, kan opgemaakt worden uit zijne redevoering op het congres der Owen'sche Vereenigingen, dat op 6 October te Londen plaats had. âIk zal u nu een korten omtrek laten zien,quot; zeide hij, âvan de groote veranderingen welke ontworpen worden en die zich plotseling op de maatschappij zullen werpen, als een dief in den nacht.... De bedoeling is, dat nationale maatregelen zullen genomen worden om alle werklieden in de groote organisatie te doen plaats nemen en dat elk departement op de hoogte zal worden gesteld van hetgeen in andere departementen geschiedt; dat alle individueele concurrentie zal ophouden; dat alle fabrieken gedreven zullen worden door
nationale maatschappen.....Alle vakken zullen eerst associaties
van vereenigingen vormen, bestaande uit voldoende getallen, om de zaken te drijven.... alle individuen van eenzelfde ambacht zullen leden worden.quot; :i) Onmiddelijk daarna vinden wij een Grand National Consolidated Trades Union (Groote Nationale Vereenigde
^ ') De Times van 28 October 1833.
') De Crisis van 19 October 1833. lt;3gt;
lt;5gt; 3) De Crisis van 12 October 1833. De geschiedenis van de General
Trades Unions kan hoofdzakelijk nagegaan worden uit de jaargangen der Owensche pers, de Crisis en Pioneer en de Herald of the Rights of Industry. De Poor Man's Guardian en de Man bevatten ook nu en dan mededeelingen. De OJjieial Gazette, uitgegeven door den Grand National Consolidated Trades Union zelf, in Juni 1834, is ongelukkiglijk niet bewaard gebleven. Wij zijn ook
115
Vakbond) in leven, in welker oprichting en buitengewonen groei het plan van âde trades unionquot; kan gezegd worden zijn hoogtepunt te hebben bereikt. Deze organisatie schijnt in Januari 1834 feitelijk in werking getreden te zijn. Owen was haar voornaamste werver en propagandist. Gedurende de eerstvolgende maanden was zijn energie onverzwakt; en afdeelingen werden over het geheele land opgericht. Tallooze plaatselijke vak-clubs werden geannexeerd. In het begin van Februari 1834 werd eene bizondere gedelegeerden-vergadering gehouden in Owen's Londensche instelling, in Charlotte Street, Fitzroy Square, waar besloten werd dat het nieuwe lichaam den vorm zou aannemen van eene federatie van afzonderlijke vakver-eenigingen; elke afdeeüng zou als regel samengesteld zijn uit de beoefenaren van cén vak, doch er werd ook gerekend op âgemengde afdeelingenquot; in plaatsen waar het getal arbeiders gering was en zelfs op âvrouwelijke gemengde afdeelingen.quot; Elke afdeeling behield haar eigen gelden; voor stakings-doeleinden werden door de geheele organisatie bizondere bijdragen geheven. De vergadering drong er bij de afdeelingen op aan, zieken-, begrafenis- en invaliditeits-uitkeeringen ten behoeve harer leden in te stellen; en voorstellen werden aangenomen om land te pachten, om daarop âuitgewor-penenquot; aan het werk te zetten, en om coöperatieve werkplaatsen op te richten. De toelatings-ceremoniën en de plechtige eed werden blijkbaar aangenomen.
In de annalen van het vakvereenigingswezen kan niets vergeleken worden met de snelheid van den nu volgenden groei. ') Binnen enkele weken blijken minstens een half millioen leden tot den Union te zijn toegetreden, waaronder tienduizenden boerenarbeiders en vrouwen. Dit moet in groote mate te danken zijn geweest aan het feit dat, voor zoover gebleken is, geen geregelde contributie voor het bestrijden der onkosten van het hoofdbestuur werd gevorderd, het affilieeren of annexeeren van bestaande organisaties zeer gemakkelijk werd. Niettemin was het stichten van nieuwe afdeelingen in totnogtoe ongeorganiseerde vakken en districten, enorm. Talrijke propagandisten, behoorlijk voorzien van alle papperassen, noodig voor de geheimzinnige toelatings-ceremoniën, trokken het land door; en eene wezenlijke vakvereenigings-manie
brak uit. In December 1833 vernemen wij dat âin westelijk ^
niet in staat geweest een exemplaar te ontdekken van de te Glasgow verschijnende Owensche bladen, de Tradesman, Trades Advocate, Liberator, enz., grootendeels geschreven door Owen's leerling Alexander Campbell, de secretaris der plaatselijke timmerlieden-vereeniging.
') Het is merkwaardig hoe sterk deze organisatie, als vakvereeniging beschouwd, gelijkt op de wei-bekende âRidders van den Arbeidquot; in de Ver-eenigde Staten, in 1869 gesticht en nog een der krachtigste arbeiders-organisaties ter wereld. (Historical Sketch of the Knights of Labour, door carroll D. Wright, Quarterly Journal of Economics, Januari 1887).
116
Schotland ternauwernood een tak van bedrijf bestaat, die thans niet georganiseerd is.quot; ') De Times deelt mede dat twee afgevaardigden die Huil bezochten, in één avond duizend man van verschillende vakken als nieuwe leden inschreven. 2) Te Exeter werden de beide gedelegeerden in hechtenis genomen en bleken voorzien te zijn van âtwee houten bijlen, twee groote hartsvangers, twee maskers en twee witte kleeden of togas, een groot beeld van den Dood met pijl en zandlooper, een Bijbel en Testament.quot; 3) Winkelbedienden aan de eene zijde en schoorsteenvegers-gezellen aan de andere werden in den maalstroom medegesleept. De meubelmakers van Belfast stonden er op, zich aan te sluiten bij âden Trades Union of Vereeniging tot Onderling Hulpbetoon, die tot doel hadden eenheid van alle meubelmakers in de drie koninkrijken.quot; â ') Wij hooren van een âPloegersbondquot; in een achterhoek als Pertshire 5) en van een âSchapenscheerdersbondquot; te Dundee. En wij worden op eigenaardige wijze herinnerd aan het toenmalige landelijke karakter der Londensche voorsteden, als wij de aankondiging zien van een bond der âveld- en andere arbeidersquot; van Kensington, Walham Green, Fulham en Hammersmith. quot;) Ook werden de vrouwen niet vergeten. De Grand Lodge of Operative Bonnet Makers (Groot Genootschap van Mutsenmaaksters) wedijvert in bedrijvigheid^ met de gemengde Grand Lodge of the Women of Great Britain and Ireland (Groot Genootschap der Vrouwen van Groot-Brittanië en Ierland); en de Lodge of Female Tailors (Genootschap van Vrouwelijke Kleermakers) vraagt met verontwaardiging of de Tailors' Order (Kleermakers Orde) inderdaad van plan is de vrouwen het maken van vesten te verbieden. Of de Grand National Consolidated Trades Union verantwoordelijk was voor de vereenigingen van Female Gardeners (Vrouwelijke Tuiniers) en Ancient Virgins (Oude Maagden), die zich later onderscheidden in den oproerigen eisch van een acht-urendag te Oldham 7) is niet duidelijk. ^
égt; Hoe de zaken dezer kolossale federatie eigenlijk bestuurd
werden, weten wij niet.8) Een soort van uitvoerend comité, met vier gesalarieerde ambtenaren, zetelde te Londen. De noodzakelijkheid van een doorwrocht beheer was zeker groot. De erkende taktiek der federatie was het bevorderen eener algemeene werk-
4 4
') Glasgow Argus, geciteerd in People's Conservative van 28 Dec. 1833. !) 5 Mei 1834.'
amp; :') De Times van 23 en 30 Januari 1834. ^
*) Kerr's Exposition of Legislative J'yranny and Defence of the
Trades Union (Belfast 1834), deel 1611 van de Haliday Tracts in de Koninklijke lersche Academie, Dublin. lt;3gt;
5) Poor Man's Guardian van 26 Juli 1834. O
6) Thans gewone Londensche stadswijken. Vert. ^ ^ 7) De Times van 19 April 1834.
8) Geen enkel document dezer organisatie is bewaard gebleven. 4
117
staking van alle loonarbeiders des lands. Maar vanaf den aanvang van haar loopbaan was zij onafgebroken in kleine twisten gewikkeld. Het eenvoudige toetreden tot den âTrades Unionquot; werd in vele gevallen door de werkgevers gebruikt als gelegenheid om hen te ontslaan, die het âdocumentquot;, waarbij alle combinatiën werden afgezworen, niet wilden teekenen. Zoo werd de toetreding der Hosiers (vervaardigers van gebreide goederen) te Leicester, in November 1833, de oorzaak van een rampspoedig conflict, waarin meer dan 1300 personen ondersteund moesten worden. Te Glasgow brak eene ernstige werkstaking in de bouwvakken uit, terwijl de katoendrukkers, machinebouwers en meubelmakers reeds tegen hunne werkgevers strijd voerden. Het duurste conflict echter,
waardoor de Grand National in dien winter getroffen werd, was dat hetwelk te Derby woedde, waar vijftien honderd mannen,
vrouwen en kinderen door hunne werkgevers uitgesloten werden,
omdat zij weigerden den bond te verlaten. âDe uitgeslotenen van Derbyquot; werden aanvankelijk, evenals hunne mede-slachtoffers elders, ondersteund door bijdragen, gezonden door de vak-organisaties in verschillende deelen des lands; maar het bleek spoedig dat zij,
zonder systematischen bijstand, weldra genoodzaakt zouden zijn toe te geven. Eene heffing van een shilling per hoofd werd dan ook in Februari 1834 door de Grand National Executive (hoofdbestuur) bevolen. Maatregelen werden genomen tot het verkrijgen van lokaliteiten en werktuigen, om daarmede een klein getal stakers voor eigen rekening aan het werk te zetten. De strijd eindigde na vier maanden met de volslagen overwinning dei-werkgevers en het tot den arbeid terugkeeren der werklieden.
De âuitsluiting te Derbyquot; werd in de pers zeer druk besproken en bracht veel smaad over den Grand National. Maaide beschuldigingen naar âden Trades Unionquot; geslingerd, namen sterk toe, toen een deel van Londen in duisternis gedompeld werd door eene werkstaking der gaswerkers. De werklieden in dienst der verschillende Londensche gas-maatschappijen hadden zich gedurende den winter kalmpjes georganiseerd, met de bedoeling zich allen tegelijkertijd aan den arbeid te onttrekken, als hunne eischen niet zouden worden ingewilligd. Het complot werd ontdekt en de maatschappijen slaagden er in hunne georganiseerde werklieden door andere te vervangen. Maar er verliepen weken eer de nieuwe arbeiders in staat waren het werk volledig te verrichten ')
en in het begin van Maart 1834 was Westminster gedurende eenige dagen in gedeeltelijke duisternis. Te midden van den door deze geschillen veroorzaakten storm van verwijten, kwam de Grand 4gt; 4gt;
lt;3gt; ') Zie de Londensche bladen van Maart 1834; een goed overzicht *
komt voor in de Compatiion to the Newspaper dier maand (png 71). lt;$gt;
Il8
T:';
üKJilnMfR'i
National plotseling in botsing met de wet. De veroordeeling van zes arbeiders te Dorchester, in 1834, tot zeven jaren verbanning naar eene strafkolonie, voor niets anders dan het afnemen van een eed, sloeg als een bliksemstraal in de vakvereenigings-wcreld. 4tgt; Om zulk een barbaarsch vonnis te begrijpen, moeten wij
ons denken in de uitwerking, op de gemoederen der regeering en der bezittende klassen door het dreigende ideaal van âden Trades Unionquot;, meer op den voorgrond tredend door de aanvallende taktiek der vier laatste jaren, teweeg gebracht. Reeds in 1830 had de stichting van nationale en algemeene bonden de aandacht der regeering gaande gemaakt. âToen wij in November j. 1. onze portefeuilles aanvaarden,quot; schrijft Lord melbourne, de liberale minister van justitie, aan Sir Herisert Tavlor, âwerden mij de vakbonden in het noorden van Engeland en in andere deelen des rijks, ten doel hebbende het doen stijgen der loonen, enz., benevens de gelijksoortige General Union, door Sir Robert l'eel (de aftredende conservatieve minister), in een gesprek dat ik met hem voerde nopens den toenmaligen toestand des lands, aangeduid als de meest te duchten moeilijkheid en gevaar waarmede wij te kampen hadden; en het kwam mij en de overigen Zijner Majesteits dienaren precies zóó voor.quot; l)
amp; Ten einde het kabinet in deze moeilijke positie van
advies te dienen, riep Lord Melbourne de hulp van nassau senior, die juist zijn eersten termijn van vijf jaren als professor in de staathuishoudkunde te Oxford vervuld had, in en gelastte hem, met de hulp van een rechtsgeleerd expert, een rapport nopens den toestand en een ontwerp tot wettelijke beteugeling samen te stellen. Dat document werpt licht, zoowel op den gedachtengang als op het practische oordeel van den vertrouwden econoom. De beide commissarissen blijken geen inlichtingen bij werklieden te hebben ingewonnen en blindelings geloof te hebben geslagen aan alle verklaringen, losse praatjes daarbij inbegrepen, afgelegd door werkgevers. De aldus bijeengebrachte getuigenissen leidden natuurlijk tot eene zeer ongunstige conclusie. Zij maakten, zooals de commissaren verhalen, âop ons den indruk, dat als de onschuldige en arbeidzame werkman en zijn gezin gelaten worden zonder bescherming tegen de lafhartige wreedheid waarmede hij thans aangevallen wordt â als de fabrikant zijn kapitaal en de werktuig- of scheikundige zijn vernuft niet kan aanwenden dan onder de dictatuur zijner roofzuchtige en kortzichtige werklieden, of zijner even onwetende en inhalige concurrenten â als het
4
O ') 26 September 1831 : Lord Melbourne's Papers (Londen 1889),
hoofdst. V. p. 130. Zie ook de verklaringen in het debat in het Hoogerhuis, Times van 29 April 1834. amp;
119
eenige weinige agitatoren geoorloofd zal zijn eene werkstaking te gelasten, die eerst het bedrijf verlamt der bizondere klasse van werklieden die zij tyraniseeren en zich dan uitbreidt in een zich verwijdenden kring over de vele duizenden en tienduizenden voor wiens arbeid de hulp dier bizondere klasse van werklieden onmisbaar is â als dat alles ongestraft en bijna bekrachtigd zal blijven door de herroeping der wetten waarbij het vroeger strafbaar was gesteld â dat het dan ijdel is te hopen dat wij lang de nijverheid, de vaardigheid, of het kapitaal zullen behouden, waarvan onze industriëele superioriteit en met die superioriteit onze macht en bijna ons nationaal bestaan afhankelijk zijn.quot; En bijgevolg eindigen zij met eene reeks verbazingwekkende voorstellen tot wetswijziging. De wet van 1825 kon niet gemakkelijk openlijk herroepen worden; maar hare heillooze gevolgen moesten door geweldige middelen tegengewerkt worden. Zij bevelen de aanneming eener wet aan, waarin de in de gewone strafwet voorkomende verbodsbepalingen nopens samenzweringen en belemmering der nijverheid, duidelijk herhaald worden. De wet moest verder onder bedreiging van zware straffen verbieden âalle pogingen, verzoeken, combinaties, inschrijvingen en uitnoodigingen tot combinatiesquot; tot bedreiging van werkgevers, tot het weerhouden van onderkruipers, of zelfs tot het eenvoudig uitnoodigen van werklieden tot de vereeniging toe te treden. l) Het uitzetten van wachtposten, hoe vreedzaam ook in zijn werk gaande, moest uitdrukkelijk verboden en met de meeste gestrengheid gestraft worden. Werkgevers of hunne assistenten zouden gemachtigd worden zelf werklieden te arresteeren, zonder dagvaarding of bevel tot in-hechtenis-neming, en hen voor eiken vrederechter te brengen. Het aanmoedigen van combinaties door werkgevers, zou gestraft worden met zware boeten, die door eiken gewonen aanbrenger geïnd zouden kunnen worden. âDat,quot; zeggen de commissarissen, âis ongeveer wat wij in de eerste plaats zouden wenschen aan te bevelen. Maar indien zou blijken dat het kwaad der combinatie niet tegen minderen prijs te onderdrukken zou zijn, .. . moeten wij de proef met verbeurd-ver klaren aanbevelen,quot; â dat wil zeggen: het verbeurd-verklaren der âgelden, bijeengebracht voor combinatie-doeleinden en gedeponeerd op spaarbanken of elders.quot;3) 4
amp; ') âWij bevelen aan dat het uitnoodigen van eenigerlei persoon tot
aansluiting bij combinaties, of het bijdragen van geld voor dergelijke doeleinden, in kort proces gestraft zullen worden met gevangenzetting gedurende niet al te langen tijd, zeg voor niet langer dan twee maanden.quot; O
â Het rapport werd nooit gepubliceerd en bevindt zich in manuscript
in de boekerij van het ministerie van justitie. Tien jaren later, toen Nassau Senior optrad als commissaris, om rapport uit te brengen over den toestand der handwevers, bracht hij een groot deel van zijn rapport van 1830 weder op het tapijt, doch niet de in den tekst aangehaalde opzienwekkende voorstellen.
120
4 De liberale regeering durfde noch het rapport, noch het
voorstel voorleggen aan een Lagerhuis dat de leerstellingen van het philosofisch radicalisme aanhing. âWij overwogen zelf veel,quot; schrijft Lord Melbourne, ') âen gingen veel niet anderen te rade, of de werking dier vereenigingen, hunne vergaderingen, hun onderling verkeer, of hunne geldmiddelen bereikt of op de een of andere wijze belet zouden kunnen worden door eenigerlei nieuwe wettelijke maatregelen; maar het bleek over het geheel onmogelijk iets doeltreffends te doen, tenzij wij zulke maatregelen hadden voorgesteld, die ernstig inbreuk gemaakt zouden hebben op de grondwettelijke vrijheden des lands en waarvoor het onmogelijk zou zijn geweest de toestemming van het Parlement te krijgen.quot; 4 De koning (Willem IV) echter was zeer ontsteld door
Dit gedeelte komt voor in zijne Historical ami Philosophical Essays (Londen 1865), deel II. '
^ Nadat het bovenstaande geschreven was, werden ons, door de vrien
delijkheid van Mrs. Simpson, dochter van Nassau Senior, de oorspronkelijke antwoorden en brieven ter hand gesteld, waarop het rapport gebaseerd was. Uit die correspondentie blijkt, dat de voornaamste fabrikanten van Manchester het niet eens waren op het stuk der weder-instelling der combinatie-wetten, hoewel zij als ccn man krachtige onderdrukking van het postenstelsel aanbevolen. Ook waren zij niet zeker dat de combinaties over het geheel de invoering van nieuwe machines belet hadden; één werkgever ging zelfs zoover te beweren dat de unions haar indirect bevorderd hadden. Maar de belangwekkendste eigenaardigheid der briefwisseling is gelegen in de groote mate waarin de werkgevers zich beklaagden over de wijze waarop hunne concurrenten werkstakingen tegen pogingen tot loonsverlaging aanstookten en zelfs geldelijk ondersteunden. De fabrikant, wiens verbetering in de voortbrengingswijze hem een voordeel aan de markt verschafte, zag elke daarmede gelijken tred houdende vermindering der stukwerk-loonen bestreden, niet alleen door zijn eigen werklieden, doch door alle andere fabrikanten der streek, die somtijds zoo ver gingen om een gemeenschappelijk manifest uit te vaardigen, waarbij zulk eene vermindering âin hooge mate nutteloosquot; werd verklaard. De getuigenissen rechtvaardigden dan ook, van het standpunt van Nassau Senior, diens eenigszins merkwaardig voorstel, om werkgevers te straffen voor het oogluikend toelaten van combinaties. lt;3gt; ') Lord Melbourne aan Sir Herbert Taylor, 26 September 1831
(Papers, hoofdst. V, pag. 131). Omstreeks dien tijd begonnen de werkliedencombinaties meer ernstigen aandacht van bekwame geleerden te trekken, dan zij tot-nog-toe ontvangen hadden. Twee knappe brochures, van onbekende schrijvers, O/t Combinations of Trades (1830) en Character, Objects, and Effects of Trades Unions (1834), beschreven de samenstelling en wijze van werken der nieuwe bonden en kritiseerden hunne aanmatigingen op eene sinds dien tijd ongeëvenaarde wijze. De laatste was van de hand van Edward Carlton Tufnell, een van de leden der fabrieks-commissie, en blijft misschien de beste uiteenzetting van het anti-unionistische standpunt. Tufnell schreef ook eene brochure, getiteld Trades Unions and Strikes (Londen 1834, 121110) en Harriet Martineau eene On the Tendency of Strikes and Sticks to Produce Low Wages (Durham 1834, i2mo\ die wij geen van beide gezien hebben. Een wel-ingeli'cht doch vijandig artikel verscheen in de Edinburgh Review van Juli 1834. In hetzelfde jaar gaf Charles Knight eene zes-stuivers-brochure uit, genaamd Trades Unions and Strikes (Londen 1834, 99 pag.), op deze bouwstoffen berustend, die den vorm aannam eener bittere bestrijding der geheele beweging.
121
het bijeenkomen van liet Builder's Parliament en drong bij het kabinet op het nemen van krachtige maatregelen aan. ^ Mr. Rotch, afgevaardigde van Knaresborough, gaf in April 1834 kennis van zijn voornemen een wetsontwerp in te dienen, bestemd vak-combinaties onmogelijk te maken â een maatregel die in groote mate den steun der fabrikanten zou erlangd hebben. ~)
4gt; Maar hoewel Lord melbourne's voorzichtige behoed
zaamheid de vakvereenigingen van gewelddadige verbodswetten redde, liet de regeering niettemin geen gelegenheid voorbijgaan om van hare vijandige gezindheid jegens de werklieden-combinaties blijk te geven. Toen de fabrikanten van Yorkshire in Augustus 1833 eene memorie op het stuk van ,,den Trades Unionquot; aanboden, gaf Lord Melbourne last te antwoorden, dat ,,hij het onnoodig acht de gevestigde meeningen van Zijner Majesteits Ministers nopens het misdadig karakter en de schadelijke uitwerking der in de memorie omschreven vereenigingen, te herhalen,quot; er bij voegende ,,dat het aan geen twijfel onderhevig kan zijn, dat combinaties, de opgesomde doeleinden beoogende, onwettige samenzweringen zijn, die als zoodanig strafrechterlijk vervolgd kunnen worden.quot; 8) De werkgevers hadden dien wenk nauwelijks noodig. Hoewel combinaties tot uitsluitend doel hebbende den arbeidsduur en de loonen vast te stellen niet langer onwettig waren, was het mogelijk werklieden onder allerlei voorwendsels te vervolgen. Somtijds, als in het geval van eenige Lancashire'sche mijnwerkers in 1832, werden de vakvereenigingsmannen vervolgd wegens onwettige combinatie, enkel en alleen op grond dat zij hunnen werkgevers geschreven hadden, dat eene werkstaking zou plaats hebben. ') Somtijds werden de âmoleste en belemmering,quot; verboden bij de wet van 1825, zóó uitgelegd, dat de eenvoudige kennisgeving der werklieden, dat zij zouden gaan staken wegens het aannemen van ongeorganiseerden, als zoodanig werd aangemerkt. In een merkwaardig geval te Wolverhampton, in Augustus
1835, werden vier pottenbakkers wegens vrees-aanjaging gevangen ^
4» ') Zie zijn brief van 30 Maart 1834 (in Lord Melbourne's Papers,
hoofdst. V).
tf s) Leeds Mercury van 26 April 1834. Joseph Hume zeide, dat hij
âde grootste moeite had de ministers te oveneden geen wetsontwerp tot beteugeling der Trade Unions in te dienen.quot; {Poor Man's Guardian van 29 Maart 1834.) lt;!Sgt;
O 3) Brief in de Times van 9 September 1833, gedateerd 3 September.
,|) R. v. Bvkerdike, i Moo en Rob 179, gerechtshof van Lancaster, 1832. Een brief werd geschreven aan eenige mijn-eigenaren, âop last van den Raad van Directeuren voor de massa der mijnwerkers,'' waarin werd aangekondigd, dat de mijnwerkers zouden staken, tenzij zekere werklieden ontslagen werden. Dit werd geacht eene onwettige combinatie te zijn. Zie de Leeds Mercury van 24 Mei 1834. ^
122
gezet, alleen op getuigenis der werkgevers dat zij âhunne prijzen hadden verhoogd, als gevolg van het optreden der beklaagden, die als gevolmachtigden der werklieden handelden,quot; zonder, zooals erkend werd, zelfs de minste bedreiging gebruikt te hebben. ') Het uitzetten van posten, zelfs van de vreedzaamste soort, werd uit dien hoofde vaak streng gestraft, zooals vier schoenmakers van Southwark in 1832 tot hun nadeel ondervonden. Meer algemeen werden stakende werklieden vervolgd op grond van de wet op de verhouding tusschen meesters en bedienden, als in het geval van zeventien leerlooiers te Bermondsey, in Februari 1834, die tot gevangenisstraf veroordeeld werden, omdat zij hun werk onvoltooid hadden laten liggen.:i) 4
4 Men begrijpt hoe de in zulk een humenr zijnde over
heden beducht waren voor den groei van den Grand National Consolidated Trades Union. Een nieuw wettelijk wapen werd spoedig ontdekt. Tijdens de muiterij aan de Nore ^), in 1797, werd een wet aangenomen (37 Geo. Ill, c. 123), waarbij het afnemen van een eed door eene onwettige vereeniging streng strafbaar werd gesteld. In 1819, toen politieke opruierij aan de orde van den dag was, had eene bepaling, waarbij onwettige eeden verboden waren, een der beruchte âZes Wettenquot; uitgemaakt. In geen van beide gevallen werd op vak-combinaties gedoeld, hoewel Lord EllenborouGH, in eene op-zichzelf-staande vervolging in 1802,') beslist had dat een eed, afgenomen door eene commissie van schapenscheerders-gezellen in Wiltshire, onder de bepalingen van eerstgenoemde wet viel. Het schijnt niet bij iemand opgekomen te zijn die wet tegen de vakvereenigingen aan te wenden, tot de onder eede staande confederatie van den Grand National Consolidated Trades Union invloed begon te krijgen, tot zelfs in de landelijke dorpen van het zuiden van Engeland.
De geschiedenis van de vervolging en de verbanning der arbeiders van Dorchester, is de meest bekende episode uit de vroege geschiedenis der vakvereenigingen. G) De land-arbeiders O
amp; ') De Times van 22 Augustus 1835. lt;3gt;
2) De Poor Alan's Guardian van 29 September 1832. O
3) De Times van 27 Februari 1834. lt;amp;
â ') Eene muiterij van ontevreden oorlogs-schepelingen die zich van
een aantal kleine oorlogsvaartuigen wisten meester te maken en gedurende geruimen tijd eene aanvallende stelling innamen bij de zandplaat The Nore, in den mond van de Teems. vert. o
O 6) R. v. Marks en anderen, 3 East Rep. 157. 4
6) Lange verhalen verschenen in de bladen van Maart en April 1834. De acte van beschuldiging komt in haar geheel voor in de verslagen van het Lagerhuis, No. 250, van 1 Juni 1835. Het rechterlijk verslag is 6 C. amp; P. 596 (R. v. Loveless en anderen). De Times van 18 Maart 1834 gaf een vrij uitvoerig verslag van de beschouwingen van den rechter en op 20 Maart van de zaak zelf, daarbij mededeelende de reglementen der ontworpen ver-
123
der 7,uidelijke graafschappen, onder den druk van de stilzwijgende combinaties der boeren en van de werking der Graanwetten, en bovendien gedemoraliseerd door de Oude Armenwet, verkeerden sinds lang in een toestand van woeste wanhoop. De buitengewoon harde tijden van 1829 waren uitgeloopen op eene uitbarsting van machine-vernielen, schuren-verbranden en honger-oproeren, die in 1830 onderdrukt was geworden door eene troepenbeweging dooide verontruste districten en het benoemen van eene bizondere rechterlijke commissie, voor welke meer dan 1000 gevangenen terecht stonden. Toen een verbetering van den handel intrad, schijnt eene algemeene beweging voor hooger loon op touw gezet te zijn. In 1832 zien wij den hertog van wellington, als goeverneur van Hampshire, aan lord melbourne rapporteeren, dat meer dan de helft der arbeiders in zijn graafschap een stuiver per week contribueerden aan een netwerk van plaatselijke vereenigingen, die, zoo dacht hij, bij den een of anderen nationalen bond aangesloten waren. âDe arbeiders zeiden dat zij van den Rond bevel hadden ontvangen niet minder dan tien shilling te nemen en dat de Bond hen bij zou staan.quot; ') Deze vereenigingen, welke dan ook hunne samenstelling moge zijn geweest, bewerkten blijkbaar dat de loonen verhoogd werden, niet alleen in Hampshire, doch ook in de omliggende graafschappen. In het dorp Tolpuddle, in Dorsetshire, vertelt george loveless ons, werd tusschen de boeren en de arbeiders, in tegenwoordigheid van den dorpspredikant, overeengekomen, dat de loonen dezelfde zouden zijn als die welke in andere streken betaald werden. Dit bracht eene verhooging tot tien shilling per week teweeg. In het volgende jaar hadden de boeren berouw van hun besluit en verminderden succesievelijk de loonen, shilling voor shillling, totdat zij slechts zeven shilling per week betaalden. In deze moeilijkheid informeerden de arbeiders naar âden Trades Unionquot; en twee gedelegeerden van den Grand National bezochten het dorp. Ingevolge hunne inlichtingen stichtten de gebroeders Loveless de Friendly Society of Agricultural Labourers
eeniging. Een knap artikel in het Luw Magazine, deel XI, pag. 460â72, behandelt de wettelijke zijde der zaak. De beschuldigden gaven later twee verklaringen als volksuitgave uit, nl. Victims of Whiggery, a statement of the persecution experienced by the Dorchester Labourers, door George Loveless (Londen 1837) en A Narrative of the sufferings of James Loveless etc. (Londen 1838), die zich in het Britsch Museum bevinden. Zie ook Mr. Spencer Walpole's History of England, deel 111, hoofdstuk XIII, pag. 229â31, en Hansard's Parliamentary Debates, deelen XXII en XX11I. lt;$gt;
lt;Sgt; ') Lord Melbourne's Papers, pag. 147â150, brieven gedateerd 3 en
7 November 1832. Lord Melbourne schijnt gedacht te hebben dat deze landelijke organisaties in verband stonden met de politieke organisatie, genaamd de National Union of the Working Classes, in 1831 door William Lovett gesticht tot ondersteuning van het wetsontwerp tot uitbreiding van het kiesrecht.
124
(Landarbeiders-Vereeniging), die haar Grand Lodge (afdeeling waaruit het hoofdbestuur gekozen is) te Tolpuddle had. Voor deze dorps-club werden het uitgebreide rituaal en de reglementen van een der bij den Grand National Consolidated Trades Union aangesloten organisaties aangenomen. Geen geheimhouding schijnt in acht genomen te zijn, want John loveless bestelde openlijk bij den dorpsschilder een afbeelding van âden dood, geschilderd, zes voet hoog, voor zijne vereeniging,quot; ') waarmede de toelatings-ccremonie zou worden uitgevoerd. De boeren raakten beangst en wisten de plaatselijke magistratuur te bewegen op 21 Februari 1834 plakkaten uit te vaardigen; waarbij de arbeiders gewaarschuwd werden, dat ieder die tot de vereeniging toetrad, veroordeeld zou worden tot zeven jaren deportatie. Dat was geen ijdel dreigement. Binnen drie dagen na de bekend-making dezer aankondiging werden de gebroeders loveless en vier andere leden gearresteerd en gevangen gezet.
4 Het proces tegen deze ongelukkige arbeiders was eene
schandelijke rechtsverkrachting. De gebroeders Loveless en hunne vrienden schijnen eenvoudige Methodisten geweest te zijn; twee hunner waren straatpredikanten. Er werd geen beschuldiging tegen hen ingebracht en het bezwarendste dat tegen hen getuigd werd, was, dat zij met eeden gespeeld hadden, hetgeen, zooals wij gezien hebben, behoorde tot de toelatings-ceremonie van den Grand National. Zij waren niet alleen onschuldig aan eenigerlei vrees-aanjaging of wandaad, maar zij hadden zelfs niet het werk gestaakt, of ecnig verzoek om loonsverhooging gedaan. Ondanks dat onderhield de rechter, die eerst kortelings was aangesteld geworden, de jury zeer lang over de zaak, alsof de gevangenen moord of verraad hadden gepleegd, en veroordeelde hen na de kortst mogelijke terechtzitting tot de monsterachtige straf van zeven jaren deportatie naar eene strafkolonie. ^
4 Uit de houding der regeering blijkt hoe gretig de minister
van justitie den misslag van een ongeoefenden rechter als deel zijner onderdrukkings-politiek aangreep. Lord Melbourne uitte de meening dat âin dit geval de wet op zeer juiste wijze toegepast was,quot; 2) en het vonnis, verre van kritiek uit te lokken in het liberale kabinet, werd met bizonderen spoed ten uitvoer gelegd. De terechtzitting had plaats op 18 Maart 1834; vóór den dertigsten waren de gevangenen op de galijen; en op den 1 jden der volgende maand was Lord Howick in staat in het Lagerhuis mede te deelen, dat hun schip reeds onder zeil was naar Botany Bay. 3)
lt;$gt; ') De Times van 20 Maart 1834.
lt;$gt; 2) Lord Melbourne's Papers, pag. 158. n!gt;
lt;ügt; :lj De Times van 18, 20 en 31 Maart, 1, 16 en 19 April 1834; de
Leeds Mercury van 26 April 1834.
125
De Grand National Consolidated Trades Union bleek grootcr invloed te hebben dan de rcgecring verwachtte. Het geheele raderwerk der organisatie werd in beweging gezet tot het opstellen van petities en het houden van openbare vergaderingen; en eene opwelling van sympathie deed gedurende eenige weken de afnemende energie der leden herleven. Vriendschappelijke betrekkingen werden aangeknoopt met de vijf groote bonden welke buiten de gelederen waren gebleven, want de noordelijke graafschappen waren hoofdzakelijk georganiseerd door den Builders' UnioH, den Leeds, Huddersfield and Bradford District Union, den Clothiers'' Union, don Cotton-Spinners'' Union en den Potters' Union, die bij deze gelegenheid gedelegeerden naar Londen zonden, om het Hoofdbestuur van den Grand National bij te staan. De agitatie bereikte haar hoogtepunt in een grooten optocht van vakvereenigingsmannen naar het ministerie van justitie, tot aanbieding van eene petitie aan Lord Melbourne â de eerste der groote âdemonstratiesquot; welke sinds dien vast deel uitmaken van het raderwerk der Londensche politiek. Het voorstel tot het houden van dién optocht had, zoowel bij vriend als vijand, de meest mogelijke vrees opgewekt. De Tunes, met de Parijsche gebeurtenissen van 1830 nog versch in het geheugen, schreef hoofdartikel op hoofdartikel tot afkeuring van het plan, en Lord Melbourne liet bekend maken dat hij zou weigeren eene deputatie of petitie uit of van den optocht te ontvangen. I ijdelijke politie-agenten werden aangesteld en troepen naar Londen gedirigeerd, ter voorkoming van een opstand. Eindelijk kwam de groote dag (21 April 1834). 0\ven en zijne vrienden leidden alles niet groote bekwaamheid. Ten einde het tusschen-beide-treden der nieuwe politie te voorkomen, werd het terrein in Copenhagen Fields, waar de betoogers bijeenkwamen, formeel van den eigenaar gehuurd. De verschillende vakken werden opgesteld achter drie en dertig banieren; iedere deelnemer was versierd met een rood lint. Aan het hoofd van den stoet reed, in vol ornaat en gedekt met den rooden hoed van een Doctor in de Godgeleerdheid, de zwaarlijvige âkapelaan der Londensche vakvereenigingen,quot; Dr. Arthur S. Wade. 1) De demonstratie was, wat het aantal deelnemers betreft, ongetwijfeld een succes. Wij vernemen bijvoorbeeld dat de kleermakers alleen met 5 a 7000 man opkwamen, en de bouw-ondernemers klaagden later, dat het werk geheel stil lag door het deelnemen hunner werklieden. Meer dan een kwart millioen handteekeningen waren onder de petitie verkregen en, zelfs de Times erkende het, 30.000 personen namen deel aan den
') Een bekende Owensche agitator dier dagen, predikant van de St. Nicolaaskerk te Warwick, wien, naar gezegd wordt, door zijn bisschop het preeken verboden was,
j26
stoet, vertegenwoordigende ecne proportie der bevolking van het Londen dier dagen, gelijkstaande met 100.000 op het oogenblik.') 4gt; Ondertussehen waren radicalen van allerlei kleur ter
hulpe gesneld. Eene openbare vergadering had plaats in de Croivn and Anchor Tavern, waar roebuck, kolonel perronet, thompson en daniel O'Connell spraken; en in het Lagerhuis had een debat plaats, waarin het wreede vonnis door Joseph Hume krachtig aangevallen werd. -) Maar de regeering, verre van de straf kwijt te schelden, weigerde zelfs te erkennen dat zij bovenmatig was; en de ongelukkige arbeiders werden naar hun verbanningsoord doorgezonden. â¢'') 4gt;
4gt; Het Dorchestersche vonnis had tot gevolg dat de eed uit
drukkelijk uit de vakvereenigings-ceremoniën geschrapt werd hoewel hij in sommige vakken en streken nog eenige jaren in eere bleef. ') 4
lt;Sgt; :) De Times van 22 April; de Companion to the Newspaper van
Mei en Juni 1834. In vakvereenigingsnotulen wordt vermeld dat van 100.000 tot 200.000 personen tegenwoordig waren. Eene breedvoerige beschrijving van den dag komt voor in Som.merviu.k's Autobiography of a Working Man (Londen 1848), dat echter in den regel geen betrouwenswaardig werk is.
s) De Times van 19 April 1834. ^
â¢$gt; :l) De agitatie voor hunne vrijlating werd, zoowel in als buiten het
parlement, levendig gehouden door de Lonr/on Dorchester Committee; in 1836 werd de rest der straf kwijtgescholden. Door officieele domheden verliepen echter nog twee jaren (April 1838) vóór vijf der zes gevangenen terugkwamen. De zesde, zegt eene circulaire van 20 Augustus 1838, was zelfs toen nog niet aangekomen. âGroote en blijvende eer,quot; schrijft een goed-ingelicht tijdgenoot, âaan dit college van werklieden (de Loudon Dorchester Committee), zestien in getal, door welks onverpoosde bemoeiingen, loopende over eene periode van vijf jaren en bijgestaan door Thomas Waki.ev, afgevaardigde van Finsbury. dezelfde regeering die de mannen verbande, genoodzaakt was hen gratie te verleenen en hen kosteloos naar huis te doen terugkeeren. Uit de bijdragen, gedurende die periode door de arbeidersklassen bijeengebracht, ongeveer 1300 p. st. bedragende, was de Commissie in staat, bij de terugkomst der mannen, vijf hunner, met hunne gezinnen, in kleine boerderijen in Essex te plaatsen; de zesde gaf er de voorkeur aan (met zijn deel van het fonds) naar zijn geboorteplaats terug te keeren.quot; (Artikel in den British Statesman van 9 April 1842, bewaard in de manuscripten van Place, 27820â320). Zie ook de verslagen van het Lagerhuis, No. 191, van 12 April 1837; en Hansard's Parliamentary Debates, deel XXXII, pag. 253. lt;0quot;
4) De serie Initiation Parts, of formaliteiten in acht te nemen bij de toelating van nieuwe leden, welke bewaard is gebleven in de archieven der Steenhouwers-Vereeniging, toonen de gedurige neiging tot vereenvoudiging van het ritiuaal aan. Wij hebben in de eerste plaats het reeds beschreven oude kreupelrijm in manuscript, dat waarschijnlijk van 1832 dateert. De eerste uitgave van 1834, hoewel een groot deel van het ceremonieel behoudende, heeft de liturgie in proza overgezet en den eed in eene bijna gelijkluidende âverklaringquot; waarin het âijselijke ongenoegenquot; der vereeniging in geval van verraad wordt ingeroepen. De tweede druk, die geen dagteekening draagt, is veel korter. En de âverklaringquot; wordt eene gewone adhaesie-betuiging. De circulaires der Vereeniging van 1838 deelen de afschaffing, bij stemming der leden, van alle toelatings-ceremonicn mede, naar aanleiding van de toen aanstaande parlemen-
127
De Builders Union schafte, in zijn âparlementquot; van April 1834, den eed formeel af. De Grand National volgde snel het voorbeeld en de bonden van Leeds en elders deden hetzelfde. Maar het rechterlijk vonnis vermocht niet de aanvallende taktiek der bonden tegen te gaan. Onmiddelijk nadat de opwinding der demonstratie bekoeld was, stortte een der belangrijkste afdeelingen van den Grand National zich in een ernstig conflict met hare werkgevers. De Londensche kleermakers, tot-nog-toe onderling verdeeld, stichtten in December 1833 de First Grand Lodge of Operative Tailors en besloten eene verkorting van den arbeidsduur te eischen. De geest der werklieden blijkt sterk uit de taal hunner besliste aankondiging aan de patroons. âTen einde,quot; schrijven zij, âde vernietigende uitwerking, welke een verderfelijke commercieele concurrentie reeds zoo lang op het bedrijf heeft gehad, te keeren, hebben zij besloten zekere nieuwe regelingen van den arbeid in het vak in te voeren, welke regelingen zij van plan zijn aanstaanden Maandag van kracht te doen worden.quot; Eene algemeene werkstaking volgde, waardoor, naar gezegd wordt, 20.000 man buiten werk kwamen, wier ondersteuning geheel en al ten laste der kassen van den Grand National kwam. Eene extra-contributie, ten bedrage van achttien stuivers, werdin Mei 1834 door het geheele land geheven, hetgeen eenige ontevredenheid veroorzaakte; en de opbrengst was onvoldoende om te voorkomen dat de uitkeering aan de stakende kleermakers tot vier shilling per week daalde. Het gevolg was, dat de werklieden geleidelijk weder aan het werk gingen op de voorwaarden der werkgevers. ]) 4 Deze rampen, gevoegd bij de tallooze kleinere stakingen
in verschillende deelen des lands, die alle verloren werden, schokten het crediet van den Grand National. Het Hoofdbestuur poogde tevergeefs den stortvloed van werkstakingen te keeren, door het uitvaardigen eener âDeclaratie der Oogmerken en Doeleinden der Trades Unions,quot; waarin het zich uitsprak tegen vak-geschillen en ten gunste van coöperatieve productie. 2) Het zette deze declaratie kracht bij, door te weigeren hare goedkeuring te verleenen aan den eisch der Londensche schoenmakers om hooger loon, op grond dat een conflict, zoo spoedig na den nederlaag der kleermakers, ontijdig was. Het gevolg was eenvoudig dat eene algemeene vergadering der Londensche schoenmakers met 782 tegen 506
taire encjuóte naar het vakvereenigingswezen. Maar zelfs de vereenvoudigde vorm van 1838 behoudt, in zijne vermelding van de werklieden als âde ware voortbrengers van allen rijkdomquot; een onmiskenbaar spoor van den Owenschen geest van den Builders' Union van 1832. lt;ügt;
â ') De Times van 30 April tot 10 Juni; debat in het Hoogerhuis op
28 April; de Globe van 21 Mei 1834. ^
lt;#gt; s) De Leeds Mercury van 3 Mei 1834. lt;S»
128
stemmen besloot zich van de federatie af te scheiden en op eigen gelegenheid het werk staakte. ')
4gt; Een zelfs nog ernstiger slag was de uitsluiting in de
bouwvakken in Londen, in Juli 1834. Deze vakken hadden er in Londen de voorkeur aan gegeven zich aan te sluiten bij den Grand Consolidated inplaats van bij den Builders'' Union -, en in den zomer van 1834 veroorzaakte eene kleingeestige tyrannieke handeling van eene enkele firma een algemeen conflict. De werklieden in dienst der firma Cubitt hadden besloten geen bier te drinken afkomstig van de brouwers-firma Combe, Delafield amp; Co., bij wijze van represaille tegen het besluit dier firma om geen vakvereenigings-mannen in dienst te nemen. De firma Cubitt weigerde daarop het drinken van ander bier in hare werkplaatsen toe te laten en sloot hare werklieden uit. De werkgevers in geheel Londen, geërgerd door het verzet van den bond tegen het aangenomen- en stukwerk, grepen deze gelegenheid aan om van al hunne werklieden te eischen dat zij het gehate âdocumentquot; zouden teekenen. De chefs der regeerings-departementen, die bouw-arbeiders aan het werk hadden, schaarden zich nevens de particuliere werkgevers en stelden denzelfden eisch. ~) De kamp werd voortgezet tot November 1834, toen het âdocumentquot; stilzwijgend schijnt teruggetrokken te zijn en de werklieden den arbeid hervatten onder aanvaarding van de voorwaarden der werkgevers op alle andere punten. :i) Wij zien uit de briefwisseling der Steenhouwers-Vereeniging dat deze nederlaag â want dat was het feitelijk â de organisatie in de Londensche bouwvakken volslagen vernietigde. Wat er gedurende die maanden met den Builders'1 Union gebeurde, is niet duidelijk. De federatieve organisatie schijnt omstreeks dien tijd uiteengevallen te zijn; en de verschillende vakken vielen terug tot hunne plaatselijke clubs en nationale vereenigingen. ^ é- Terwijl de Londensche bouw-arbeiders aldus bezig waren, hadden soortgelijke worstelingen in de andere voornaamste industrieën plaats. In Leeds bijvoorbeeld legden de werkgevers den werklieden in Mei 1834 weder het âdocumentquot; voor; en de arbeiders waren, na veel 'tegenweer en toornige klachten, genoodzaakt de Lakenwevers-Vereeniging te verlaten. De katoen-spinners, die wij verlieten terwijl zij zich voorbereidden tot uitvoering van Fielden's denkbeeld eener algemeene werkstaking ten gunste van een acht-
lt;8gt; ') Zie de toespraak van den Grand Master tot de Operative
Cordwainers of the Grand National Consolidated Trades Union, de Crisis van 28 Juni en ook de Times van 2 Mei 1834.
^ 2) De Times van 21 Augustus 1834. ^
41gt; â ') Statement of the Master Builders oj the Metropolis in explanation
of the differences between them and the workmen respecting the Trades Union (Londen 1834). Zie ook de Times van 27 Juli tot 29 November 1834. lt;£â¢
9 - Sidney Webb. 129
urigen arbeidsdag met onverminderd loon voor alle katoenbewerkers, besloten de vermindering der werkuren vanaf i Maart 1834, de dag bestemd voor het in-werking-treden van de nieuwe arbeidswet van 1833, waarbij de kinderarbeid tot acht uren per dag beperkt werd, te eischen. De arbeiders van vele fabrieken zonden daarvan den werkgevers bericht, waarvan deze echter eenvoudig geen nota namen. Zij schijnen de onmacht der werklieden in dat opzicht juist geschat te hebben, want de verwachte algemeene werkstaking werd door eene gedelegeerden-vergadering uitgesteld tot 2 Juni. Deze dag vond den werklieden nog steeds niet ten strijde toegerust en de werkstaking werd opnieuw verschoven tot 1 September. Daarna hooren wij er niets meer van. ^
De werklieden van Oldham deden in April 1834 werkelijk een niet-voorbcdachte poging tot het verkrijgen van den acht-urendag. Het gebeurde dat de plaatselijke politie-agenten eene vakvereeni-gings-vergadering uiteenjoegen. Men snelde te hulp, een aanval op eene weerspannige fabriek had plaats, waarbij een der oproerlingen door een Knobstick ') doodgeschoten werd. De kloppartij zette de arbeiders van Oldham tot eene oproerige uitbarsting aan. De werklieden van alle vakken, zoowel mannen als vrouwen, staakten het werk en hielden monster-meetings op de Heide, waar zij toegesproken werden door Doherty en anderen van Manchester, en een acht-urigen werkdag eischten. Binnen een week was de opwinding bekoeld en werd de arbeid hervat. 2)
4 Tegen het einde van den zomer was het onmiskenbaar
dat de grootsche plannen van den Grand National Consolidated en andere âTrades Unionsquot; onveranderlijk op volslagen fiasco uitgeloopen waren. Ondanks de toenemende industriëele welvaart, waren de werkstakingen voor betere arbeidsvoorwaarden gelijkelijk vruchteloos geweest. In Juli 1834 vielen de federatieve organisaties over het geheele land uiteen. Het groote verbond met zijn half millioen leden was volslagen uiteengejaagd door het krachtdadig vasthouden der werkgevers aan het âdocument.quot; Van de feitelijke ontbinding der organisatie hebben wij geene mededeelingen van denzelfden tijd. Maar de indruk die zij op de kalmere vakvereeni-gingsmannen maakte, blijkt uit de volgende beschrijving, die zeven jaren later in een arbeidersblad verscheen. âWij waren tegenwoordig,quot; 4 4
') Scheldnaam voor een onderkruiper, gebruikelijk in de graafschappen Lancashire en Yorkshire. Staat gelijk met liet meer bekende blackleg. ^ . Vert. 'lt;$gt;
') De Times achtte deze gebeurtenissen belangrijk genoeg om er lange beschrijvende verslagen van zijne âparticuliere correspondenten ' van te geven, hetgeen in die dagen zeer ongewoon was; zie de nummers van 17 tot
25 April 1834. Een goed verhaal is ook te vinden in de Leeds Mcrcury van 19 en
26 April 1834; zie ook de History of the Marcro/t J-amily (1889), pag. 103â6.
130
zegt de redacteur van het Trades Journal, âbij vele der vergade ringen van den Grand National Consolidated Trades Union en herinneren ons levendig de opwinding die daar heerschte â de blijkbare vastbeslotenheid tot verwezenlijking zijner beginselen ten spijt van alle bezwaren â de geestdrift van sommige der sprekers â de luidruchtige instemming der vergadering â de luide uitroepen van âhoor, hoor,quot; âbravo,quot; âhoera,quot; âleve de bond,quot; enz. Het was destijds de mecning van velen, dat weinig werkelijk nut door dezen bond zou gesticht worden, daar zijne handelingen geene aanduidingen bevatten van een kalm en hartstochtloos onderzoek naar de oorzaken van bestaande grieven, doch van een bovenmatig opgewonden toestand, die spoedig vervliegen moest en de zaken op dezelfde hoogte laten als voorheen, üe gebeurtenissen bewezen dat die meening niet ongegrond was. Een molshoopje stond hunne voortwaartsche beweging in den weg en in plaats van den arbeid van het uit-den-weg-ruimen van zulk een nietigen hinderpaal te beginnen, verkozen zij terug te keeren, ieder zijn eigen pad kiezend, onverschillig voor de veiligheid of de belangen van zijn naaste. Met was pijnlijk de diepe vernedering te zien van de generaals en leiders van dat snel-gegroeide leger, toen zij verlaten en alleen op het slagveld achterbleven.quot; ')
Eene periode van algemeene verslagenheid in de vakver-eenigingswereld volgde. De London Dorchester Committee ging met onwrikbare volharding voort geld in te zamelen en adressen aan te bieden ten gunste van den terugkeer der zes verbannen arbeiders; maar âde Trades Unionquot; verdween, benevens het ideaal waaruit hij voortgekomen was, met schande. De honderdduizendtallen recruten der nieuwe bedrijven en ongeschoolde vakken, vielen in een toestand van desorganisatie terug. De nationale orders van kleer- en schoenmakers, de uitgebreide organisaties van katoenspinners en wol-werkers, vielen in kleine vereenigingen uiteen. Door het geheele land vielen de georganiseerde deelen van den Grand National tot hunne plaatselijke vak-clubs terug.
Uit de kronieken van de opkomst en val van het âNieuwe Unionismequot; van 1830â34 nemen wij een verbreeden en verdiepen van de denkbeelden der arbeiders waar, zonder eene daarmede gelijken tred houdende verandering hunner taktiek op het slagveld. In de bestuurskamer zijn zij idealisten, droomende van een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, humanitairen, socialisten, moralisten; in den slag zijn zij nog de worstelende, half-bevrijde lijfeigenen van 1825, slechts toegerust met de onbeholpen wapenen van de
'j Trades Journal van 1 Maart 1841, waarschijnlijk geschreven door Alexander Hutchinson, algemeen secretaris van de Friendly United Smit/is of Great Britain and Ireland. lt;0gt;
131
werkstaking en den boycott, soms gehaat en gevreesd door de bezittende klassen, soms eenvoudig veracht, altijd onderdrukt en ellendig arm. Wij zien zelfs dat zij inderdaad minder succes hebben met de oude wapens, nu zij ze kunnen hanteeren met nieuwe en ruimere denkbeelden. Zij worden geslagen bij een stijgende markt, inplaats, als tot dien, uitsluitend bij eene dalende. En wij zullen weldra zien dat zij hun verloren voordeel niet herwonnen, voordat zij hunne pogingen weder richtten op kleinere en meer bereikbare doeleinden. Maar wij hebben vooraf te onderzoeken hoe zij aan de nieuwe ideeën kwamen. ^
^ In de kwade dagen die op den vrede van 1815 gevolgd
waren, hadden de geschriften van CüBBETT een buitengewonen invloed en gezag over de geheele arbeiders-generatie dier dagen verkregen. Zijne snijdende kritiek op de regeerende klassen en zijn onophoudelijken oproep aan de loonarbeiders om hunne rechten op het geheele staatsbestuur te doen gelden, werden ingegeven door de politieke tirannie der anti-Jacobijnsche reactie, de hooge prijzen en zware belastingen en de blijkbare wording door het Funding System (staatsschuld-stelsel) eener komende klasse van niet-voortbrengers, levende van de rente der ontzaglijke schuld welke de natie gedurende den oorlog had aangegaan â kwaden, waarvan de minste voldoende was om een vurig politicus als CoBBETT aan te sporen tot de sterkst mogelijke uiting van zijn ongeëvenaard scheid-talent. Maar de arbeidersklassen leden bovendien onder een ramp, welke geen gewone politicus van dien tijd begreep, onder de gevolgen van de nieuwe machinale en fabriekmatige industrie, die de oude wijzen van werken blindelings verpletterde door het ruwe geweld der concurrentie, inplaats van hen geleidelijk te vervangen onder in-acht-neming der betrokken menschelijke belangen. Het verschijnsel ging het begrip zijner slachtoffers te boven. Elk hunner wist wat er met hem individueel gebeurde; maar slechts één man â een fabrikant â schijnt begrepen te hebben wat met de geheele nijverheid des lands voorviel. Die man was Robert Owen. De politieke democratie, die alles-in-alles was voor cobbett en zijne lezers, nam in zijne oogen beslist de tweede plaats in, na de industriëele democratie of het coöperatieve bezit en beheer der industrie, in overeenstemming met de economische coöperatie in de geheele voortbrengingswijze, die het gevolg was van de machine en de fabrieks-organisatie en de voortbrenging onherroepelijk verwijderd had van de afzonderlijke haardsteden der onafhankelijke individueele producenten. cobbett en zijne volgelingen achtten allereerst de aanneming van eene groote wet tot kiesrecht-uitbreiding noodzakelijk, achter welke in hun geest slechts een vaag begrip van maatschappelijke verandering lag. O wen en zijne meer geestdriftige discipelen daarentegen, waren
132
overtuigd dat eene algemeene vrijwillige samenwerking der arbeiders, met productieve doeleinden en volgens zijne grondbeginselen, de politieke organisatie der maatschappij vergelijkenderwijs van gering belang zou doen worden. ^
De ontnuchtering der pas-bevrijde vak-clubs door de debacle van 1825, had de arbeiders-organisaties voor deze breedere evangeliën ontvankelijk gemaakt. Sociale hervorming zat in de lucht. âLieden van eiken stand,quot; schrijft een tijdgenoot, âzoowel als iedere partij, komen voortdurend bijeen en spreken over de ellende en verwildering van de massa van het Engelsche volk; boeren, armbesturen, geestelijken, magistraten, rechters, afgevaardigden aan beide kanten van het Lagerhuis, de koning in zijne proclamaties aan het volk, moralisten, staatslieden, philosofen en ten slotte de arme schepsels zelf, wier klachten luid en onophoudelijk zijn.quot; ') COBBETT en de hervormers kwamen het eerst aan de beurt. De voornaamste politieke organisatie der arbeidende klassen gedurende de kiesrecht-agitatie, begon als vak-club. In 1831 kwamen eenige timmerlieden bijeen in hun vergaderlokaal in Argyle Street, Oxford Street, ten einde een Metropolitan Trades Union te stichten, die alle vakken zou omvatten en, behalve de verrichtingen als vakvereeniging, een vaag schema van productieve coöperatie en eene politieke agitatie ten gunste van het kiesrecht ondernemen zou. 2) Maar onder den invloed van William LOVETT drong het laatst-genoemde doel alle andere ter zijde. De zuivere vakvereenigings-doeleinden werden in den steek gelaten; de Owensche aspiraties raakten op den achtergrond; en onder den naam van National Union of the Working Classes (Nationale Rond der Arbeidende Klassen) zette de bescheiden timmerlieden-vereeni-ging zich uit tot eene nationale organisatie tot verkrijging van het kiesrecht voor meerderjarige mannen. Als zoodanig neemt zij gedurende de politieke verwarring van 1831â32 in alle opzichten de voornaamste plaats in de geschiedenis der arbeiders-organisatie in en was in groote mate betrokken bij de agitatie en onlusten in verband met het wetsontwerp tot kiesrecht-uitbreiding. 3) ^
Het wetsontwerp kwam en ging, maar geen algemeen kiesrecht voor meerderjarige mannen. De uitwerking dier teleurstelling, veroorzaakt door de vooruitstrevendste politieke partij des lands, wordt aldus beschreven door Francis place, die toen een belangstellende in de vakvereenigings-beweging geworden was. âHet
') England and America: a Comparison of the Social and Political State of both Nations (Londen 1833, 2 dealen).
4^ s) Poor Man's Guardian van 12 Maart 1831; de manuscripten van
Place, 27791â246, 272. ^
3) Zie de jaargangen van den Poor Man's Guardian, bewaard in het Britsch Museum.
133
jaar (1833) liep ten einde en Het den (Nationalen) Bond (der Arbeidende Klassen) in een toestand van diepe neerslachtigheid. De onzinnige leerstellingen, door Robert Owen en anderen verbreid, over gemeenschappen en goederen in gemeenschappelijk bezit; overvloed van alles dat een mensch kan verlangen en dat alles voor vier uren arbeid in de vier en twintig; het recht van ieder mensch op zijn deel van den gemeenschappelijken bodem en zijn recht op alles waaraan zijne handen gearbeid hadden; de macht dei-patroons onder het tegenwoordige stelsel het loon naar believen te bepalen; het recht van den arbeider op een loon dat hem en de zijnen in welvaart kan doen leven in ruil voor acht of tien uren arbeids; het recht op arbeid van ieder die werkeloos is en voor een loon als zooeven aangeduid en andere soortgelijke zaken, werden voortdurend gelecraard door de politieke vereenigingen der werklieden, door kleine groepen personen, door middel van kleine geschriften en strooibilletten, die tegen twaalf voor een stuiver verkocht en op groote schaal verspreid werden â hadden
de politiek op zij geschoven...... onder de arbeiders. Deze
geschriften waren bijna alle van de hand van mannen van talent en aanzien, heeren, fabrikanten, kooplieden en lieden âletterkundigenquot; genaamd. Het gevolg was, dat een zeer groot deel van het werkende volk van Engeland en Schotland ging gelooven, dat zij zich slechts hadden te vereenigen, en men nam aan dat zij dit gemakkelijk konden doen, om niet alleen over de geheele linie eene aanmerkelijke loonsverhooging af te dwingen, maar ook werk voor ieder, man of vrouw, die het noodig had, met korten arbeidsduur. Dat denkbeeld bracht hen ertoe zich in vakvereenigingen te organi-seeren, op een wijze en tot een omvang nooit te voren bekend.1) 4gt;
Deze dooreenmenging van gewone vakvereenigings-doel-einden en communistische aspiraties, beschreven van het vijandige standpunt van een fanatieken Malthusiaan en vast geloover in het âloonfonds,quot; stelt waarschijnlijk juist het karakter der Owensche propaganda voor. Zij maakte een onuitwischbaren indruk op de
^ 4gt;
') De manuscripten van Place, 27797â290gt; zle een dergelijk verhaal in Life of William Lovetf, door hemzelf, pag. 86. JAMES Mill schrijft op 3 September 1832 het volgende aan Loud Brougham: Er kan niets verderfe-lijkers bedacht worden dan de stellingen die men het gemeene volk geleeraard heeft.... De nonsens, waarop uw lordschap doelt, omtrent het recht van den arbeider op den geheelen opbrengst des lands, loon, winst en rente, alles inbegrepen, is de dolle onzin van onzen vriend Hodgkin, dien hij als een
stelsel gepubliceerd heeft en met den ijver van volslagen fanatisme propageert____
De onwettige goedkoope uitgaven, waarin het dogma van het recht van het werkende volk, dat, zeggen zij, de eenige voortbrenger is, op alles dat het
voortbrengt, zeer algemeen verkondigd wordt____ beginnen de Zondagsbladen
en alle andere kanalen, waardoor men betere inlichtingen kon ontvangen, te verdringen.quot; (Bain's Janus MUI, pag. 363, Londen, 1882.) 41gt;
134
leiders van de arbeidersklassen dier dagen en inspireerde den grooten vloed van solidariteit, welke de reusachtige aansluitingen bij den Grand National, met zijne ongekende regimenten landarbeiders en vrouwen, mogelijk maakte. Hare verruiming van de bewustheid der arbeidende klasse was ongetwijfeld op zichzelf eene goede zaak, die door fouten in de praktische taktiek niet geheel kon worden te niet gedaan. Maar 0\VEN stichtte kwaad zoowel als goed; en daar zoowel het goecle als het kwade hem overleven â want nog kan niet gezegd worden dat iets dat OWEN deed met zijn gebeente begraven is â is het noodig zijn vakver-eenigings-dogma in onderdeden te beschouwen. Hij was op zijn best toen hij, als groot-industriëel van ondervinding, met vuur en klem te velde trok tegen het verlagen van den levensstandaard, die het gevolg was van de leer der algemeene concurrentie. Om dat kwaad te bestrijden was het, dat hij arbeidswetgeving voorstond en combinaties âtot het bepalen van een maximum werktijd en een minimum loonquot; aanmoedigde; en het was door aldus den levensstandaard der werkers te verzekeren door middel van de wetgeving en vakvereenigings-actie, dat hij den invloedrijken steun verwierf, niet alleen van philantropen, doch ook van zekere hooggestemde fabrikanten, met wier hulp hij in December 1833 de Society for National Regeneration (Vereeniging voor Nationale Herleving) stichtte. 1) Het duidelijkst omschreven doel dezer vereeniging : de verkorting van de arbeidsuren tot acht per dag, was het dat leidde tot den raad van Fielden, waarnaar de Lancashire'sche katoenbewerkers handelden in hun miswassen algemeene werkstaking voor den acht-urendag. Zij riep ook de lange reeks van Short Time Committees (Commissies voor verkorten arbeidsduur) in de katoen-steden in het leven, welker volhardende agitatie ten slotte het aannemen van den tien-urenwet afdwong, welke wet zelf slechts een afbetaling is op onze groote arbeidswetgeving. De geschiedenis heeft Owen op deze zijde van zijn arbeids-politiek nadrukkelijk in het gelijk gesteld. ^
Doch er was ook eene utopische zijde aan, die bedenkelijker werkte. Onder zijn invloed werd de arbeidersklasse doordrongen van een voorbarig begrip en overgeleverd aan een onuitvoerbaar schema van maatschappelijke organisatie. Hij bewees een bekwaam denker en ziener te zijn, toen hij aantoonde dat de afschuwelijke armoede dier dagen een nieuw economisch verschijnsel was, het
4 é
') Het prospectus dezer vereeniging is in ons bezit, lien copie ervan komt voor in de Morning Chronicle van 7 December 1833. Zij schijnt als orgaan een stuivers-weekblad bezeten te hebben, The Herald of the Rights of Industry geheeten, waarvan zich enkele nummers in het Hritsch Museum bevinden. Prof. Foxwell was zoo vriendelijk onze aandacht te vestigen op nog eene vermelding ervan, en wel in het werk Life of James Deacon Hinne, pag. 55.
onvermijdelijke gevolg van ongebreidelde concurrentie en onverantwoordelijk persoonlijk bezit der voortbrengings-middelen, toen die middelen zóó enorm kostbaar en toch beknopt genoeg waren om honderden werklieden te doen arbeiden onder de bevelen van enkelen, en bovendien zoo buitengemeen doeltreffend, dat zij alle oudere methodes geheel van de markt verdrongen. Maar uit het oogpunt van den practischen politicus moet het worden erkend, dat hij ook min of meer een onnoozele hals toonde te zijn, door te veronderstellen, of minstens aan te nemen, dat de concurrentie kon worden afgeschaft en de eigendom gesocialiseerd door het organiseeren van vrijwillige genootschappen, die zoowel den fabrikanten als den staat moesten verdringen. Hij had in Amerika de proef genomen met zijne befaamde kolonie New Harmony, welker mislukking hem voor een poos zeer afkeerig van koloniën had gemaakt. Zijn afkeer was echter geen ontnuchtering, want het eenige practische gevolg was, dat hij de proefneming op de vakvereenigingen ging herhalen. Onder zijn leiding kwamen de vakvereenigingsmannen er toe te gelooven dat het mogelijk was door middel van een algemeen, niet-politiek verbond der loonarbeiders, de loonen te verhoogen en den arbeidsduur te verkorten âin zulk eene matequot;, zooals Place het uitdrukt, âdat zij op een niet zeer verwijderd tijdstip den geheelen opbrengst van hunnen arbeid zouden erlangen.quot; De functie van den hersen-arbeider als organisator der industrie kwam niet in aanmerking, wellicht omdat zij in de katoen-industrie (waarin Owen fortuin had gemaakt) slechts een onbeteekenende rol speelt in het eigenlijke voortbrengings-proces en hoofdzakelijk betrokken is bij de jacht op goedkoope voor den in- en dure markten voor den verkoop, welke geen deel uitmaakte van het utopische gemeenebest waarnaar âde Trades Unionquot; streefde. De bestaande kapitalisten en directeuren werden daarom als overweldigers beschouwd, die zoo spoedig mogelijk vervangen moesten worden door de gekozen vertegenwoordigers der vrijwillige en vaksgewijze genootschappen van voortbrengers. Het moderne socialistische denkbeeld om gemeente-of staats-ambtenaren in hunne plaats te stellen, was ondenkbaar in een tijd toen alle lokale besturende lichamen in het oog loopend onbenullig en omkoopbaar waren en het parlement feitelijk eene oligarchie was. In het door OwEN voorgestelde systeem zouden de voortbrengings-middelen het eigendom worden, niet van de geheele gemeenschap, doch van de op zichzelf staande arbeidersgroep die ze gebruikte. De vakvereenigingen zouden veranderd worden in ânationale maatschappijenquot; ter uitoefening van alle bedrijven. 1) 4 4
^ ') Zie het verslag van Owens breedvoerige rede in de Crisis van 12
October 1833.
136
De Landbouw-Unie zou bezit nemen van den grond, de Mijnwerkers-Unie van de mijnen, de Textiel-Unies van de fabrieken. Elk vak zou worden uitgeoefend door zijn eigen vakvereeniging, gecentraliseerd in één Grand Lodge. amp; 4gt; Van alle pogingen van Owen om zijn socialisme in praktijk te brengen, was deze zeker de slechtste. Ten opzichte zijner kortstondige kolonies bestond ten minste deze verontschul-diging, dat zij binnen hunne eigen grenzen volmaakt gelijksoortige socialistische staatjes zouden zijn. Er zouden geen afdeelingen met tegenstrijdige belangen zijn; en winstbejag en concurrentie zouden krachtdadig gebannen worden. Maar in âde Trades Unionquot; zooals hij die opvatte, maakte de eenvoudige combinatie van alle werklieden in één vak tot coöperatieve voortbrengers evenmin een einde aan commerciëele concurrentie, als eene combinatie van alle werkgevers in eene naamlooze vennootschap. In werkelijkheid zouden zijne Grand Lodges niets anders geweest zijn dan de hoofdkantoren van vervaarlijke naamlooze vennootschappen, in het bezit van alle voortbrengings-middelen hunner industrie en niet onderworpen aan de controle der gemeenschap als geheel. Zij zouden daarom in staat geweest zijn wanneer het hun inviel hunne rijen te sluiten en nieuwe werklieden-generaties alleen toe te laten als geëmployeerden en tegen concurreerende loonen, inplaats van als aandeelhouders, en aldus met één slag eene nieuwe kapitalistische klasse en een nieuw proletariaat te scheppen. De zorgelooze aandeelhouders zouden bovendien spoedig hunne aandeelen zijn gaan verkoopen, om het kapitaal te kunnen verteeren, en zouden dus met hunne kinderen in het nieuwe proletariaat terugvallen; terwijl de ondernemende en uitgeslapen aandeelhouders eveneens hunne aandeelen zouden verkocht hebben om aandeelen in andere en tijdelijk winstgevender bedrijven te kunnen koopen. Aldus zou er niet alleen eene kapitalistische klasse en een proletariaat, doch ook eene speculatieve effectenhandel geweest zijn. Ten slotte zou een concurrentie-strijd ontstaan zijn tusschen de naamlooze vennootschappen, om elkander te verdringen in de verschillende takken van nijverheid. Zoo zouden bijvoorbeeld de scheepstimmerlieden, die houten schepen maken, geconcurreerd zijn geworden door de ketelmakers, die ijzeren schepen maken, en óf ten onder moeten gaan, óf hun houten-schepen-kapitaal omzetten in ijzeren-schepenkapitaal en met de ketelmakers gaan concurreeren als mededingers in hetzelfde bedrijf. Deze moeilijkheid rees voor Owen op, toen hij zich in de vakvereenigings-beweging begaf; want de vakken waren, toen als nu, in voortdurende verlegenheid ten opzichte van de hen verdeelende grenzen; bijvoorbeeld; uit de notulenboeken der pas-opgerichte timmerlieden-vereeniging te Glasgow (welker secretaris een der voornaamste volgelingen van owen was) blijkt
137
dat hare voornaamste moeilijkheid bestond in de afpaling van haar vak ten opzichte van den meubelmaker en den machine-modelmaker, van wie elk zekere technische operatiën als hem alleen toebehoorend opeischte. In het kort, OWEN werd er door zijn socialisme toe gebracht een practisch schema voor te stellen dat zelfs niet socialistisch was en dat, als het ten uitvoer gelegd had kunnen worden, het kapitaal des lands eenvoudig eigenmachtig her-verdeeld zou hebben, zonder het kapitalistische stelsel ook maar in het minst te hebben veranderd of vervangen. égt;
amp; Dit alles zal hen die ons kapitalistisch systeem begrijpen
zóó duidelijk zijn, dat zij moeite zullen hebben te gelooven dat het een zoo knap man en zoo bedreven en voorspoedig kapitalist als Owen, ontgaan kan zijn. In hoeverre hij gewoon was de oogen te sluiten voor de moeilijkheden die zich voordeden, in de brandende overtuiging dat elke verandering beter was dan zich om de dingen heelemaal niet te bekommeren, kan zelfs niet gegist worden ; maar het is geheel zeker dat hij grootendeels volmaakt te goeder trouw handelde, eenvoudig niet door en door wetende wat hij eigenlijk deed. Hij bezat een grenzeloos geloof in den invloed van opvoeding op karakter-vorming; en als eenig schema slechts op voldoende verademing van armoede en verdierlijking uitzicht bood, om hem en zijne discipelen in staat te stellen één geslacht van de kinderen des lands op te voeden, dan was hij gereed om het behandelen der economische gevolgen over te laten aan ,,de Nieuwe Moreele Wereldquot; welke de schepping zou zijn van de Owensche opleiding dier generatie. Ongetwijfeld dacht hij dat âde Trades Unionquot; hem althans dat beloofde ; en buitendien : hij voorzag de economisch gevolgen niet. Hij was er niet toe in staat, wegens het verwaand half-weten en vooroordeel, dat geheele geslachten van socialisten er toe gebracht heeft van Adam Smith en de âklassiekequot; staathuishoudkundigen de onjuiste theorie over te nemen dat arbeid alleen de waarde-voortbrenger is, zonder verder te gaan en de onwrikbare en moeilijker wet der economische rente meester te worden, die de hoeksteen-zelf der collectivistische economie is. Hij ontleende zijne economische kennis aan zijn vriend William Thompson, l) die, evenals Hodgskin en Hodgskin's beroemde leerling, Karl Marx, in zijne berekeningen de wet der rente over het hoofd zag en leeraarde dat alle ruilwaarden alléén gemeten konden worden in hoeveelheden âarbeidstijdquot;. Een deel van het Owensche optreden dier dagen had werkelijk tot gevolg dat arbeids-bazars werden opgericht, waarin de prijzen in minuten werden vastgesteld. Het feit dat de hoeveelheid arbeid, noodig
lt;3gt; ') Inquiry into the Principles of the Distribution of Wealth most
conducive to Human Happiness, door William Thompson (Louden 1824). lt;3gt;
138
om artikelen van dezelfde soort ter markt te brengen, beduidend afwisselt naarmate van het natuurlijke verschil in vruchtbaarheid van den bodem, af te leggen afstand, nabijheid van goede wegen, waterwegen of havens, van waterkracht of stoom-brandstof, en honderd andere omstandigheden, waaronder het organiseerend talent en de vaardige handeling van den voortbrenger, werd geheel buiten beschouwing gelaten. OwEN nam aan dat de arbeid van den mijnwerker en die van den landarbeider spontaan en eerlijk tegen elkander geruild zouden worden, naar een maatstaf van uren en minuten, als de mijnwerkers het monopolie van de ingewanden des lands bekomen zouden hebben en de landarbeiders dat van zijn huid. Hij voorzag zelfs niet dat de Mijnwerkers-Unie er toe zou kunnen komen hare reien voor overloopers uit de rangen der bóeren-arbeiders te sluiten, of dat de Landbouwers-Unie aan den Bouwersbond terreinen om op te werken zou kunnen weigeren. In het kort, het moeilijke economische vraagstuk van de billijke verdeeling der voordeelen van gunstige situatiën en kansen, kwam zelfs niet op bij de geestdriftige Owensche economen van dien tijd. ^ Eén vraagstuk, en wel dat hetwelk van het meest onmid
dellijke belang was, werd nooit ernstig ter hand genomen: hoe zou de overgang der industriën van de kapitalisten naar de vak-vereenigingen bewerkstelligd moeten worden, ondanks eene vijandige en wei-gewapende regeering? Het antwoord moest geweest zijn, dat het overstelpend aantal leden van âden Trades Unionquot; eene botsing onmogelijk zou maken. In elk geval was Owen, evenals de eerste Christenen, gewoon te spreken alsof de Dag des Oordeels der bestaande maatschappelijke orde nabij was. Volgens zijne inzichten zouden de volgende zes maanden steeds de âNieuwe Moreele Wereldquot; werkelijk gevestigd zien. De verandering van het kapitalistische stelsel in een volmaakte industriëele organisatie, door vrijwillige genootschappen van voortbrengers, zou ,,de maatschappij plotseling overvallen als een dief in den nacht.quot; âEén jaar,quot; legt zijn discipel uit, âkan het geheele weefsel der oude wereld des-organiseeren en door een plotselinge sprong het geheele politieke bestuur des lands van den meester op den dienaar doen overgaan.quot; ') Het is onmogelijk het niet te betreuren dat de eerste kennismaking van den Engelschen vakvereenigingsman met het socialisme plaats moest hebben door middel van een tot ondergang voorbestemd schema, dat elk economisch-collectivistisch principe geweld aandeed en de onontbeerlijke politieke voorbereiding aan het goed geluk overliet. ^
Het was onder den invloed van deze breed-opgezette plannen en hooge verwachtingen dat de vakvereenigingen zich
4igt;
â ') Hoofdartikel in de Crisis van 12 October 1833. ^
139
verstoutten de trotsche houding en de minachtende taal tegenover hunne meesters aan te nemen, die de werkgevers vau Manchester en Liverpool er toe brachten de uittarting van den Builders' Union met âhet documentquot; te beantwoorden. âDe ondragelijke tyranniequot; der vakvereenigingen, waarop door schrijvers dier dagen zooveel gehamerd werd, was grootendeels niets anders dan de min of meer gezwollen uiting van het gevoel der vakvereenigingsmannen, dat zij de rechtmatige leiders der industrie waren, bevoegd tot vaststelling der wijze van werken en tot het verkiezen hunner voorlieden. En het moet in het oog gehouden worden dat dit voorviel in een tijd toen het klassevooroordeel zóó sterk was, dat elke poging tot onderhandeling door de werklieden gedaan, hoe eerbiedig ook, beschouwd werd als aanmatigend en onwelvoegelijk. Uit dien hoofde had de arbeidersklasse altijd maar al te veel reden te gelooven dat de beleefdheid harerzijds weggeworpen zou zijn. Zeker is het, dat tijdens de Owensche opwinding de onuitvoerbare verwachtingen nopens nationale heerschappij van de zijde der loonarbeiders, beantwoord werden door een even onredelijk besluit van de heer-schende klassen om de werklieden niet alleen in een toestand van afhankelijkheid, doch van nederige onderworpenheid te houden. De volgehouden buitensluiting der arbeiders van het kiesrecht maakte wettelijk optreden hunnerzijds onmogelijk. Anderzijds wendden de werkgevers hunne politieke en magistraats-macht zonder schroom tegen de werklieden aan, eene gewillige regeering aanzettende de arbeiders-combinaties aan te vallen door elke mogelijke verkrachting der wet en partijdigheid in hare ten-uitvoer-legging. Absolute controle over de gedragingen hunner werklieden als een sine qua non van industriëeb organisatie oeschouwende, stonden zelfs de echte philantropen onder hen op despotisch gezag in de fabriek of werkplaats. Tegen het misbruiken van dit gezag bestond feitelijk geen waarborg. Anderzijds kan aangetoond worden dat groote groepen loonarbeiders niet alleen matig in hunne eischen waren, doch ook onderworpen in hun gedrag. Het is regel dat waar wij buitengewone strijdlust en gewelddadigheid bij de werklieden vinden, buitengewone tyrannie van den kant der werkgevers ont dekt wordt. Om een paar voorbeelden te geven: de voortdurende wandaden die de annalen van het vakvereenigingswezen van Glasgow van de eerste veertig jaren dezer eeuw ontsieren, worden verklaard door de rapporten der verschillende parlementaire enquêtes, die de fabrikanten van Glasgow aanduiden als buitengewoon autocratisch in hunne opvattingen en tyranniek in gunne gedragingen. Dan weer wordt in de kapitalistische pers in de jaren 1830â40 herhaaldelijk geklaagd over de aanvallende houding van zekere groepen in de bouwvakken. Maar uit de overeenkomsten die de groote aannemers dier dagen vordenden âdat ieder die in hun
140
dienst trad teekenen moestquot; en waarvan nog gedrukte exemplaren bestaan, blijkt dat de eischen der werkgevers onduldbaar eigenmachtig waren. l) Dan heeft men het geval der Britsche mijnwerkers, die wegens oproerige daden tusschen 1837 en 1844 in zeer slechten reuk stonden. De uittarting waaraan zij blootstonden kan beoordeeld worden uit een manifest, door Lord Londonderry uitgevaardigd in zijn dubbele hoedanigheid van mijn-eigenaar en gouverneur van het graafschap Durham, tijdens de groote mijnwerkers-staking van 1844 om billijker huurvoorwaarden. Als goeverneur bestuurt hij niet alleen het op groote schaal uitzetten der stakers uit hunne woningen en hunne vervanging door Ieren, speciaal voor dat doel van zijne lersche landgoederen geïmporteerd, maar hij beveelt bovendien de winkeliers van âzijn stad Seahamquot;, op straffe van verlies van zijne klandisie en bescherming, te weigeren levensmiddelen te leveren aan de werklieden die deelnemen aan hetgeen hij acht te zijn âeen onbillijken en onredelijken oorlog tegen hunne eigenaren en meesters.quot; 3) Dezelfde onverdraagzaamheid kenmerkt de tijdschriften en couranten van de heerschende klasse dier dagen. Het schijnt gewoonlijk als vanzelf sprekend beschouwd te zijn geworden, dat de werkman niet alleen zijn arbeids-contract had na te komen, doch in alle deelen van zijn arbeids-leven onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan den wil zijns meesters schuldig was. Combinaties en werkstakingen van den kant der
lt;3» ') Een exemplaar, gedateerd 1837, wordt bewaard door de Steen-
houwers-Vereeniging, volgens hetwelk een Liverpoolsche aannemer al zijne werklieden verbond voor hem gedurende een zeer lange reeks van jaren tegen een bepaald loon te arbeiden; tijd door ziekte of anderszins verloren, zou niet betaald en bij den diensttijd gevoegd worden; alle âwettige bevelenquot; moesten gehoorzaamd worden; en tot geen bestaande of toekomstige club of andere vereeniging mocht worden toegetreden zonder verlof van den patroon.
2) Zie zijne manifesten, herdrukt in de Northern Star van 6 en 27 Juli 1844. âLord Londonderry waarschuwt nogmaals alle winkeliers en kooplieden in zijne stad Seaham, dat als zij nog langer crediet geven aan de mijnwerkers die weigerachtig zijn te arbeiden en lid der vereeniging blijven, deze door zijne agenten en meesterknechten zullen aangeteekend worden en nooit weer werk in zijne mijnen zullen bekomen; en de winkeliers kunnen verzekerd zijn, dat zij nooit weder klandisie van of handel zullen hebben met de velen waarmede lord Londonderry in connectie staat, in zooverre hij dat zal kunnen verhinderen. Lord Londonderry bericht voorts aan de winkeliers en handelaren, dat hij, door zijne maatregelen het vertier van Seaham in het afgeloopen jaar aanmerkelijk uitgebreid hebbende, vast besloten is alle aan-koopen ten behoeve zijner bedrijven weder te Newcastle te doen plaats hebben, indien zij zullen voortgaan zoo onbehoorlijk en noodlottig crediet te geven aan zijne onredelijke mijnwerkers, en daardoor de schadelijke staking verlengende. Omdat het noch billijk, rechtvaardig of eerlijk is dat de handelaren wonende in zijn eigen stad zich zouden vereenigen en de dwaze arbeiders en mijnwerkers zouden steunen in het verlengen hunner eigen ellende door te volharden in eene onzinnige werkstaking en een onbillijken en onredelijken oorlog tegen hunne eigenaren en meesters.quot;
141
âlagere klassenquot; werden beschouwd als dwaze en bandelooze pogingen tot ontkoming aan hunne natuurlijke positie van maatschappelijke dienstbaarheid. In het kort, de meerderheid der werkgevers schijnt, zelfs in die dagen van ontslaving der negers, onbewust gehandeld te hebben in den geest van het gezegde, later toegeschreven aan Henry Clay, de kampioen der Ameri-kaansche slavernij, dat âde ware oplossing van den altijd-durenden strijd tusschen kapitaal en arbeid, is, dat het kapitaal den arbeider, of hij blank of zwart zij, in eigendom moet hebben.quot;
Het slot-tooneel van Owen's eerste en laatste poging met âden Trades Unionquot; toont aan hoe vluchtig zijne deelname aan het werkelijke leven der vakvereenigingsbeweging geweest was. In Augustus 1834 riep hij een zijner gewone heterogene congressen, bestaande uit afgevaardigden van allerlei Owensche vereenigingen, benevens enkele van de vakvereenigingen, bijeen. Op dit conges werd de Grand National Consolidated Trades Union, die regeering, landheeren en kapitalisten aan zijne voeten zou hebben doen buigen, formeel veranderd in de British and Foreign Consolidated Association of Industry, Hwnanity and Knowledge (Britsch en Buitenlandsch Vereenigd Genootschap voor Nijverheid, Menschelijk-heid en Kennis), ten doel hebbende de stichting eener âNieuwe Moreele Wereldquot; door de verzoening aller klassen. Behalve een of twee kleine en vluchtige proefnemingen in productieve coöperatie, heeft het niet gepoogd Owen's Utopia te verwezenlijken. Al zijne krachten werden, naar het schijnt met zijn eigen goedvinden en aanmoediging, verbruikt in eene reeks aanvallende stakingen. Ondanks dat alles liet Owen's meteorische verschijning in de vak-vereenigingswereld een diepen indruk op de beweging achter. De notulenboeken en andere geschriften der vakvereenigingen van het volgende tiental jaren, vloeien over van Owensche fraseologie, zooals de indeeling der maatschappij in de âniets-doendequot; en dc âvlijtigequot; klasse, met welke laatste blijkbaar uitsluitend bedoeld werd â en zeker begrepen werd te bedoelen â de handwerkslieden. Belangrijker is de volharding in het denkbeeld dat de vakvereenigingen, als genootschappen van voortbrengers, het beheer der productie-middelen moesten veroveren. Vanaf dien tijd werden dan door de eene vakvereeniging, dan door de andere tallooze pogingen aangewend om hunne respectieve leden in productieve coöperatie werkzaam te doen zijn. Een lange reeks van industriëele rampen, eindigende met de groote verliezen van 1874, heeft zelfs nu nog ternauwernood het laatste overblijfsel van dit vennootschappelijk individualisme uit de hoofden van de idealisten der vakvereenigingsbeweging gebannen. Buiten de rijen der georganiseerde!! was, als place opmerkt, zijn invloed op den geest der werklieden-klasse in het algemeen, enorm, zooals wij in ruime mate zouden kunnen
142
bewijzen als wij ons hier zouden bezighouden met de ,,bonds-werk-plaatsenquot;, âarbeidsbeurzenquot; en industriëele kolonies, die beschouwd kunnen worden als het onmiddellijke resultaat der Owensche propaganda, of met de lotgevallen der tallooze coöperatieve genootschappen van voortbrengers, welker afgevaardigden de ruggegraat van de Owensche congressen dier jaren vormden. ') égt; De vakvereenigings-beweging werd niet volslagen voor dood achtergelaten toen OWEN het slagveld verliet. De bekwame werklieden der grafische- en machinebouw-vakken hadden zich, zooals wij aanstonds zullen zien, buiten de algemeene beweging gehouden en hunne vak-clubs werden noch door de Owensche vlucht, noch door de daarop volgende nederstorting beroerd. In enkele vakken leefde de opgeblazenheid van 1830â34 nog eenige jaren voort. De Pottenbakkersbond nam in kracht toe en behaalde in 1835 eene merkwaardige overwinning op de patroons, toen een âgroen loontarievenboekquot; verkregen werd, dat langen tijd in het bedrijf beroemd bleef. Hernieuwde eischen brachten de werkgevers er toe een handelskamer op te richten, ten einde de aanvallen der werklieden te wederstaan. De âjaarlijksche overeenkomstquot; werd gestreng doorgevoerd en eene groote werkstaking volgde, die in 1837 eindigde met de volslagen vernietiging van den bond. In 1836 stichtten de Schotsche letterzetters het General Typographical Associaton of Scotland (Algemeen Schotsch Typografengenoot-schap) dat gedurende enkele jaren het vak daadwerkelijk beheerschte. Hetzelfde jaar zag eene merkwaardige werkstaking der Katoenspinners van Preston, van welke gebeurtenis de algemeene invoering der automatische spinmachine dagteekent. quot;) Maar de duurzaamste uitwerking is waarneembaar in de bouwvakken. De federatieve bonden der loodgieters, metselaars en timmerlieden zijn tot op den huidigen dag onafgebroken bestaan gebleven 3), terwijl de Steen-houwers-Vereeniging gedurende de geheele eeuw een der machtigste Engelsche vakvereenigingen is gebleven. De veertiendaagsche circulaires der Engelsche Steenhouwers geven niet alleen blijk van een
4
^ ') Eenige mededeelingen nopens deze ondernemingen zijn te vinden
in The Co-operative Movement in Great Britain, door Beatrice Potter (Mevr, Sidney Webü). lt;8gt;
4tgt; 2) Zie ashworths voordracht voor het Britsch Genootschap, 1837;
Remarks upon the Importance of an Inquiry into the Amount and Appropriation 0/ Wages by the Working Classes, door W. felkin (Londen 1837, 16 pag.).
3j De Loodgietersbond (in 1848 gereorganiseerd) beheerscht nog steeds zijn tak van nijverheid en behoud de federatieve organisatie van den Builders' Union. De zuster-organisaties van timmerlieden en metselaars (thans genaamd de General Union of Carpenters and Joiners en de United Operative Bricklayers'1 Trade and Accident Society) zijn respectievelijk achterhaald en min of meer in de schaduw gesteld door An Amalgamated Society of Carpenters and Joiners en de Operative Bricklayers* Society. â
143
zeer krachtigen en snellen groei gedurende enkele jaren, doch ook van vele welgeslaagde korte stakingen ter verkrijging van arbeidsvoorwaarden en tot handhaving van het uurloon. Van de Schotsche Steenhouwersvereeniging wordt gezegd, dat zij in het regelen van vak-aangelegenheden nóg actiever en invloedrijker was en nagenoeg alle Schotsche steenhouwers omvatte. Er zijn ook blijken van onofficiëele federatieve samenwerking tusschen de nationale bonden van steenhouwers, timmerlieden en metselaars. Ongelukkiglijk werden de verspreide afdeelings-organisaties door de afwezigheid van modern organisatorisch raderwerk, als beroepsraden, vakvereenigings-congressen en permanente gemengde comité's, belet eene algemeene beweging te vormen. Deze stand van zaken werd in het jaar 1837 verbroken door de geruchtmakende werkstakingen te Glasgow, de langdurige gerechterlijke vervolging en zware bestraffing der leiders en de benoeming eener parlementaire commissie van enquête naar de gevolgen van het herroepen der combinatie-wetten. 4
4 Wij zijn niet van plan bier door te dringen in de détails
van het befaamde proces der vijf Glasgowsche katoenspinners, beschuldigd van samenzwering, gewelddadige vrees-aanjaging en moord op mede-werklieden. Maar het is een der âberoemde processenquot; in de geschiedenis der vakvereenigingen, en uit de gevoels-manifestaties die er door werden uitgelokt, blijkt de geest der werklieden tot in zijne diepste roerselen.1) De voor de rechtbank afgelegde en later voor de enquête-commissie van 1838 herhaalde getuigenissen, laat geen redelijken twijfel datde Katoen-Spinnersbond als zoodanig een schrikbewind had ingesteld en dat enkele der in staat van beschuldiging gestelde leden persoonlijk schuldig waren niet alleen aan opruiing, doch ook aan feitelijk geweld, zoo niet aan moord. Ondanks dat hadden zij de geheele arbeidersklasse aan hunne zijde en hunne veroordeeling tot zeven jaren deportatie werd met evenveel verontwaardiging begroet als die der arbeiders van Dorchester vier jaren te voren. Dat was een der natuurlijke gevolgen van het klasse-despotisme en de nauwelijks-bedekte rebellie, die wij reeds beschreven hebben. Het plegen van geweld door de werklieden hetzij tegen hardnekkige patroons, of tegen verraders in 4^ amp;
amp; ') Behalve dat zij zorgde voor volledige verslagen in de couranten,
gaf de vakvereenigings-commissie tegen lagen prijs een verslag der terechtzitting uit, dat niet bewaard is gebleven. Nog een tweetal uitgebreide verslagen werden uitgegeven en kunnen nog geraadpleegd worden, nl. Report of the trial of Thomas Hunter and other operative cotton-spinners in Glasgow in /SjS, door Archibald Swinton (Edinburgh 1838) en The trial of Thomas Hunter, etc., the Glasgow Cotton-spinners, door james Marshall (Glasgow 1838). Zie ook de Autobiography of Sir Archibald Alison (London 1838); de Northern Star van 1837â38; de Annual Register van 1838, pag. 206â7; en de getuigen-verhooren der commissie van enquête naar de combinaties, 1838. ^
144
hunne eigen rangen, werden op ongeveer dezelfde wijze beschouwd als de politieke misdrijven van een aan vreemde overheersching onderworpen ras. Zulke daden wezen dan ook eigenlijk niet op eenigerlei zedelijke tekortkoming van den kant der bedrijvers. Niemand beschuldigde de vijf Glasgowsche katoenspinnners van slecht karakter of gedrag en minstens vier hunner waren lieden van erkende braafheid en toewijding. â ) Hunne onbillijke behandeling gedurende hun voor-arrest en in nog grooter mate hunne veroordeeling tot deportatie, wekten de sympathie der radicale parlementsleden op en WAKLEY, afgevaardigde van Finsbury, aarzelde niet hun zaak in het Lagerhuis ter sprake te brengen, als een geval van wettelijke verdrukking en onrechtvaardigheid.
Terzelfder tijd hadden de vakvereenigingen van Dublin en Cork aanleiding gegeven tot ernstige klachten, door pogingen tot het stichten, en dat niet zonder geweldpleging, van een daadwerkelijk monopolie in zekere geschoolde ambachten. Hun optreden was door DANIEL O'CoNNELL afgekeurd, wien zij op hun beurt verworpen en aan de kaak gesteld hadden. 0'CONNELL deed Wakley's vriendschappelijke motie ten gunste eener enquête naar het geval der katoenspinners verwerpen door eene ernstige philippica tegen het vakvereenigingswezen. Door eene meesterlijke ontleding van de reglementen der lersche vereenigingen, die, het moet erkend worden, afschuwelijk zelfzuchtig waren, veroordeelde hij in eene buitengewoon krachtige redevoering alle pogingen van den kant der vak-combinaties tot regeling van de arbeidsvoorwaarden. De erkende methodes van het moderne vakvereenigingswezen, zooals het handhaven van een minimum-loon, werden door hem evenzeer veroordeeld als de onsociale en drukkende monopolies, waarvoor de lersche vakvereenigingen sinds lang berucht waren geweest. De regeering beantwoordde zijne redevoering door het toestaan eener commissie die een onderzoek naar de geheele kwestie zou instellen; en nogmaals zag het vakvereenigingswezen zich genoodzaakt zijne positie als blijvend element van sociale organisatie te verdedigen. Het geval der katoenspinners van Glasgow en de benoeming dezer parlementaire commissie, deden voor het oogenblik het solidariteitsgevoel in de vakvereenigingswereld herleven. Een gemeenschappelijk comité uit de vakvereenigingen van Glasgow werd gevormd, ten doel hebbende gelden voor de verdediging der gevangenen in te zamelen, waartoe men zich mede in betrekking stelde met alle bekende vakvereenigingen. Beduidende bedragen werden bijeengebracht, daar de terechtzitting, zeer ten
4!gt; ') De vijf gevangenen ontvingen in 1840 gratie, als gevolg van hun
voorbeeldig gedrag. In het Trades Journal van Augustus 1840 komt een door het vijftal onderteekend schrijven voor, betrekking hebbende op de inzameling ten hunnen behoeve, door het Londensche comité gehouden.
10 - Sidney Weuh. 145
koste der gevangenen, herhaaldelijk uitgesteld werd; en toen zij eindelijk in Januari 1838 terechtstonden en veroordeeld werden, werd eene gemeenschappelijke agitatie tot vermindering hunner straf aangevangen. Terzelfdertijd was bekend geworden, dat over een soort van onderzoek naar het vakvereenigingswezen gedacht werd. De unions maakten onmiddelijk schoon schip. De Steenhouwers-Vereeniging, die het afnemen van ecden reeds afgeschaft had, besloot, om beter gewaarborgd te zijn tegen onwettige praktijken, âdat alle soorten van uiterlijke teekenen, toelatingsceremoniën en wachtwoorden buiten werking gesteld en geheel en al afgeschaft zullen zijnquot;. ') De Stucadoors van Dublin schorsten formeel hun huishoudelijk reglement en stelden de uitgave eener nieuwe editie tot na het onderzoek uit. quot;) Te Glasgow, de hoofdzetel der wanordelijkheden, verbrandden verschillende vereenigingen â waaronder de plaatselijke organisatie der timmerlieden â hunne notulenboeken en archieven van het laatste jaar. De Londensche vereenigingen benoemden een comité. The London Trades Combination Committee (Comité der Londensche Vak-combinatie), om de zaak der vereenigingen in de parlementaire enquête te leiden. LoVETT, toen welbekend als radicaal politicus, werd secretaris en richtte een opwekkende oproep aan de vakvereenigingen des lands, waarin om geld en getuigenissen gevraagd werd. 3) Maar de parlementaire commissie bleek zoowel slordig als onbeduidend te zijn. De regeering, die haar alleen toegestaan had om eenerzijds ontslagen te zijn van den lastigen WAKLEY en anderzijds van O'CüNNELL, was blijkbaar niet van plan handelend op te treden; en de commissie, welker leden altijd schaars aanwezig waren, streefde niet naar een algemeen onderzoek, doch bepaalde zich feitelijk tot Dublin en Glasgow. O'CüNNELL kreeg de door hem gewenschte gelegenheid, om, door middel van uitgezochte getuigen, den gewelddadigen en monopolistischen geest, welke de lersche vereenigingen bezielde, te doen blijken. Ten opzichte van Glasgow was de voornaamste getuige de Schout, later SIR ARCHIBALD, ALISON, wiens krachtdadig optreden de katoenspinners dier stad bedwongen had. De vakvereenigingen behoefden hunnerzijds nauwelijks getuigen te doen verschijnen; maar John DüHERTV, die toen meestcr-boek-drukker en boekverkooper geworden was, werd toegelaten de organisatie der spinners van Manchester en de ongelukkige genootschappen van 1829â31 te beschrijven. De enquête had niets anders tot
lt;ugt; ') Fortnightly Circular der Steenhouwers, van 19 Januari 1S38. 4!gt;
4- ') Getuigenis van W. Darcv, de secretaris, tweede rapport der
commissie van 1838, pag. 130. ^
lt;êgt; :i) Circulaire gedateerd 1 Maart 1838, in het archief der Steen
houwers-Vereeniging; en y/n Addrcs from the London Trades Comviittee appointed to watch the Parliamentary Inquiry into Combinations (Londen 1838).
146
resultaat dan het aanbieden van twee deelen getuigenissen aan het Lagerhuis, waarbij zelfs geen rapport gevoegd was. Het schijnt verwacht te zijn geworden dat de commissie opnieuw benoemd benoemd zou zijn om haar taak te voleindigen; maar toen de volgende zitting kwam, raakte de zaak in den doofpot. 4?
Het tijdelijke vleugje, veroorzaakt door het proces tegen de katoenspinners en de parlementaire enquête, hield het voortdurend verval van het vakvereenigingswezen over het geheele land niet tegen. Handel en industrie, die sinds 1836 achteruitgaande waren, ging het plotseling nóg slechter. Het tiental jaren sloot met drie, zóó mager als ooit te voren gekend waren; er heerschte algemeene ellende. Het ledental der nog bestaande vakvereeni-gingen nam snel af. De Engelsche Steenhouwers, misschien wel de sterkste van de vereenigingen dier dagen, brachten zich in 1841 tot een volslagen bankroet, door hunne noodlottige werkstaking bij den herbouw van het parlementsgebouw, gericht tegen een gehaten opzichter. De Schotsche Steenhouwers-Vereeniging, van gelijke of grootere kracht, viel, om ons onbekende redenen, ongeveer terzelfder tijd ineen. De vakvereenigingen te Glasgow waren door de rampen van 1837 totaal gedesorganiseerd. De katoenbewerkers van Lancashire vertoonden geen teeken van leven, terwijl opkomende vereenigingen, als de IJzergieters, de Stoommachinebouwers-gezellen en Molenwerkmakers, en de Ketelmakers, verlamd werden door de groote uitgaven ten behoeve van werkelooze leden. De geestestoestand der arbeidende klassen was niet gunstiger dan de toestand van handel en nijverheid. Woeste ontevredenheid en sombere gramschap waren de kenmerken dier periode. Haat tegen de nieuwe armenwet, tegen de onbillijke belasting op levensmiddelen, tegen de algemeene onderdrukking der heerschende klassen, vlamt op in de vakvereenigingskronieken van dien tijd. De agitatie ten gunste der âZes Puntenquot;, in het leven geroepen door Lovett en anderen in de Working Mitt's Association (Werklieden-Genootschap) van 1836, werd het middenpunt van het streven der arbeidende klasse. De oplaag van de Northern Star (Noordster), opgericht op het einde van 1837, overvleugelde weldra die van alle andere provinciale couranten. De sprekers van den Anti-Corn Law League (Hond tegen de Graanwetten) deden de openbare ontevredenheid toenemen, zelfs toen hun eigen bizonder heilmiddel geen ingang vond. Ken algemeen wanhopen aan con-stitutioneele hervormingen, leidde tot den toenemenden invloed der voorstanders van geweld onder de Chartisten en tot de oproerige stroomingen van 1839â42.
De politieke gebeurtenissen dier dagen vallen buiten het kader van dit werk. De beweging der Chartisten speelt van 1837 tot 1842 de voornaamste rol in de annalen der arbeidende klasse
147
en verlaat het tooneel niet vóór 1848. Achtenswaardig geworden door de oprechtheid, toewijding en heldhaftigheid zelfs der massa, werd zij te schande gemaakt door den bombast harer sprekers en de politieke en economische kjvakzalverij harer verwaande en onbekwame leiders, wier naijver en intriges haar ten slotte op niets deden uitloopen. In al deze opzichten is zij zoozeer een type der negentiende-eeuwsche revolutionnaire bewegingen, dat hare volledige geschiedenis voor onze jonge democratie van de grootste waarde zou zijn. Hier is het alleen noodig te zeggen, dat er evenmin reden is om te gelooven dat de vakvereenigingen te eeniger tijd een onderdeel uitmaakten van de Chartisten-beweging, als zij het deden van de Owensche agitatie van 1833-â34, hoewel hare leden eenige der vurigste strijders voor het Charter leverden. Enkele bedrijven, als de schoenmakers, schijnen volslagen van het Chartisme doordrongen te zijn geweest en poogden voortdurend andere vakvereenigingen tot de zaak over te halen. De kwaadaardige stakingen van 1842 in Lancashire en de midden-graafschappen, naar het beweren van sommigen aangestookt door den Anti-Corn Law League, werden aangegrepen door de Chartisten en bijna omgezet in politieke opstanden. De vergadering van gedelegeerden der vak-clubs van Lancashire en Yorkshire, die de leiding had eener toen in vollen gang zijnde âalgemeene werkstaking ten gunste der loonen van 1840,quot; besloot in Augustus 1842 aan alle loonarbeiders aan te bevelen ,,het werk te staken totdat het Charter de wet des lands geworden is.quot; 1) Gedurende eenige weken zag het er werkelijk uit, alsof de vakvereenigings-beweging, wat er dan nog van over was, meegesleept zou worden in den politieleen stroom. Maar de klaarblijkelijke dwaasheid van uitgehongerde menschen te bewegen het werk te blijven staken totdat de geheele politieke machinerie des rijks veranderd zou zijn, moet de scherpzinniger vakvereenigings-mannen spoedig duidelijk geworden zijn. Toen in Chartisten-meetings te Sheffield besloten werd tot eene âalgemeene werkstakingquot; ter verwezenlijking van het Charter, maakten de secretarissen van zeven plaatselijke vakvereenigingen in de couranten bekend, dat hunne organisaties niets uitstaande hadden met de meetings of de besluiten. En het mag betwijfeld worden, of in eenig geval eene vakvereeniging zelve, onderscheiden van zekere leden die toevallig gedelegeerden waren, eene formeele adheasie-betuiging aan het Chartisme heeft afgelegd. In de vakvereenigings-notulen dier dagen, welke heden nog bestaan, zooals die der Boekbinders, Letterzetters, IJzergieters, Katoenspinners, Stoommachinemakers en Steenhouwers, is geen spoor te vinden van Chartistische resoluties, hoewel in de
4gt; ') Northern S/ar van 20 Augustus 1842.
â¢0» 2) Sheffield Iris van Augustus 1842.
148
Fortnightly Circular (Veertiendaagsche Circulaire) der Steenhouwers herhaaldelijk uitgevaren wordt tegen de âberuchte verdrukking door de nieuwe armenwet,quot; ') terwijl de Ijzergieters, Letterzetters en Katoenspinners moties aannemen ten gunste van vrijhandel. Eene gedeeltelijke verklaring dezer terughoudendheid ten opzichte van het meer begeesterende Chartisme, is ongetwijfeld te vinden in den algemeen aangenomen regel, waarbij politiek en godsdienst van bespreking in de vakvereeniging werden buitengesloten â een regel waartegen in 1842 werd geprotesteerd door een geestdriftig Chartistisch afgevaardigde der Boekbinders op de conferentie te Manchester. -) Er moet echter in de onwilligheid der vakvereenigingen om gemengd te worden in de Chartistische agitatie, iets meer gelegen hebben dan eenvoudige gehoorzaamheid aan het reglement. Met reglement had de georganiseerde vakken van 1831â32 niet belet deel te nemen aan de kiesrecht-beweging. De banieren der Edinburgsche vak-clubs werden vertoond in de demonstratie ter gelegenheid van de verwerping der kieswet in 1831. Toen het Hoogerhuis toegaf, organiseerden de Birminghamsche vakvereenigingen zelf een triomfale optocht, waarvan de middenklasse zich verre hield. :i) Uit de notulen der Londensche Borstelmakers blijkt, dat zelfs bijdragen uit de vereenigingskas geschonken werden aan kiesrecht-comités. Maar nooit zien wij de vakvereenigingen van [ 839â42 bijdragen aan de fondsen der Chartisten, noch zelfs geld inzamelen ten behoeve van Chartistische slachtoffers. De gevallen van f rost, williams en Jones, de opstandelingen van Newport in 1839, verdienden de sympathie der arbeidersklasse minstens evenzeer als die. dér katoenspinners van Glasgow. Maar de vakvereenigingen toonden geen neiging om ten hunnen behoeve geld bijeen te brengen of adres-bewegingen op touw te zetten. âNooitquot;, schrijft fergus O'Connor in 1846, âwas er misdadiger ongevoeligheid dan die door de vaklieden van Groot-Brittanje werd aan den dag gelegd ten opzichte van het lijden dezer mannen.quot; En hij voegt erbij: âdat als slechts de helft van hetgeen gedaan was geworden voor de arbeiders van Dorchester of de katoenspinners van Glasgow, zou worden verricht ten behoeve van Frost, williams en jones, deze reeds lang in vrijheid zouden zijn gesteld.quot; l) 4-4 Het feit was, dat oproerigheid, hetzij Owensche of
Chartistische, hare aantrekkelijkheid voor de arbeidersklasse verloor. Robert Owens economische stellingen nopens het afschaffen van den winst en de opruiming van den winstmaker, waren in den
') Zie bijv. die van October 1839. ') Northern Star van 20 Augustus 1842.
amp; a) History of Birmingham, door W. Hutton (Birmingham, uitgave
van 1835). pag. 149. quot; ' lt;5gt;
4!gt; 4) Northern Star van 24 Augustus 1846. lt;2»
149
loop dier zelfde jaren overgegaan in de nieuwe coöperatieve beweging, in 1844 ingeleid door de Pioniers van Rochdale. Zij die geloofden in een ânieuw maatschappelijk stelsel,quot; door algemeene overeenstemming te verwezenlijken, waren voortaan meer te vinden in de rijen der met handels-neigingen bezielde coöperators, dan in die der militante vakvereenigingstnannen Onderwijl was het Chartisme gedegenereerd van lovetts hoog ideaal eener volmaakte politieke democratie, tot een onedel grabbelen om het bezit van kleine stukjes land. Het voorbeeld der Fransche revolutie van [848 blies de verdoovende kooltjes gedurende enkele weken opnieuw in vlam; en ettelijke Londensche vakken namen deel aan het ietwat theatrale feest van 10 April 1848, de optocht vergrootende waartegen de I lertog van wellington de Londensche middenklasse in het vuur had geroepen. Maar het gevaar voor revolutie was geweken. Een nieuw werklieden-geslacht groeide op, waaraan het ergste der oude verdrukking onbekend was en dat de economische en politieke philosofie der bourgeois-hervormers had ingezogen. Bentham, Ricardo en Grote werden slechts door weinigen gelezen; maar de activiteit van volks-opvoeders als Lord Brougham en charles Knight bracht ânuttige kennisquot; onder alle leden van de Mechanics' Institutes ') en de lezers van het Penny Magazine (Stuivers Magazijn). De op deze wijze verbreide bourgeois-ideën van âvrije ondernemingquot; en âongehinderde concurrentie,quot; werden krachtig gerugsteund door de buitengewone propaganda van den Anti-Corn Law League en den algemeenen vooruitgang van vrijhandel. fergus O'connor en bronterre O'brien streden zonder resultaat tegen den toenemenden invloed van Coüden en bright als leiders van den gedachtengang der arbeidende klasse. En zoo blijkt ons uit de vakvereenigings-annalen van 1847â4^» dat men krachtigen tegenstand begint te bieden aan elke beweging ten gunste der oude idealen. De Vereeniging van Stoommachinemakers schorste eenige harer afdeelingen, omdat deze hunne gelden gedeponeerd hadden in Fergus O'Connors L.and Bank. Als twee afdeelingen der Steenhouwers-Vereeniging dezelfde geldbelegging voorstellen, protesteeren de overigen verontwaardigd daartegen, als zijnde eene bespottelijke politieke speculatie. En het is van beteekenis dat deze protesten niet kwamen van de voorzichtige ouderen, wier geestdrift vele teleurstellingen had overleefd, doch van hen die het oude geloof nooit gedeeld hadden. Toen in 1848 de Wolwerkers van Yorkshire voorstelden een boerderij aan te schaffen, ten einde daarop de werkeloozen aan den arbeid te zetten, waren het, zooals ons nadrukkelijk verteld
^ 4^
^ ') Mechanics' Institutes zijn instellingen, in de meeste Engelsche
steden bestaande, in den geest van het Amsterdamsche Ons Huis. Vert.
150
wordt, de jongere leden, die krachtig, doch zonder gevolg, deze handeling bestreden, die een voor de vereeniging vernietigend resultaat had. ^
4 Dat alles vormt het einde der ârevolutionnairequot; periode
van de vakvereenigings-beweging. In de volgende kwart-eeuw zullen wij de ontwikkeling der nieuwe denkbeelden en den geleidelijken opbouw der groote âgemengdequot; vereenigingen van geschoolde werklieden waarnemen, met hunne gecentraliseerde administratie, uitkeerings-fondsen en de vervanging, waar mogelijk, van de ruwere methodes van den klassenstrijd door Industriële Diplomatie. 4
'5i
HOOFDSTUK IV.
De nieuwe Geest en de nieuwe Vorm.
4 Wij hebben de prachtige verwachtingen van 1829â42
zien eindigen in bittere ontgoocheling â wij zullen nu de vak-vereenigingsmannen der volgende generatie grootendeels zien slagen in het bereiken hunner beperkter doeleinden. Ter zijde stellende alle plannen van sociale revolutie, legden zij er zich met beslistheid op toe, het hoofd te bieden aan het ergste der wettelijke en industriëele onderdrukking die zij te verduren hadden en bouwden ten dien einde langzaam organisaties op, die onmisbare gedeelten zijn geworden van het gebouw eens modernen industriëelen staats. Dat succes schrijven wij hoofdzakelijk toe aan de toenemende ontwikkeling der massa en aan de practischer overwegingen, die na 1842 de vakvereenigingswereld begonnen te beïnvloeden. Maar wij moeten de uitwerking van economische veranderingen niet over het hoofd zien. De periode tusschen 1825 en 1848 was merkwaardig door de veelvuldigheid en de scherpte harer handels-malaises. Vanaf 1850 was de uitbreiding der industrie gedurende vele jaren zoowel grooter als geduriger dan in welk vroeger tijdperk ook. ') Het is geen toevallige overeenstemming dat die jaren van voorspoed ook zagen dat de vakvereenigingswereld een ânieuwen vormquot; van organisatie invoerde, waarbij het vakvereenigingswezen financiëele kracht kreeg, een geoefende staf van bezoldigde bestuurders en stabiliteit in het ledental als te voren onbekend waren. 4 De toestand dat het Chartisme de bovenhand had op
het vakvereenigingswezen, bleef beperkt tot de slechte tijden van 1837â42. Onder den invloed van de snelle verbetering en de betrekkelijke welvaart die volgden, brokkelde de Chartisten-agitatie weg en een beduidende herleving van het vakvereenigingswezen had 4 4
Qquot; Tusschen 1850 en 1874 fuitgezonderd misschien gedurende den
Amerikaanschen burger-oorlog) was er geen vermindering in onzen uitvoerhandel, die vergeleken kan worden bij de ernstige verminderingen van 1826, 1829, 1838, 1842 en 1846. Wij beweren niet eene verklaring van dit verschil te geven, doch veroorloven ons den lezer te herinneren aan de overeenstemmende vermeerdering der goud-productie, den invloed van vrijhandel en spoorwegen en, zooals de bi-metallisten ons willen doen gelooven, de regelingen van het muntwezen die in 1873 ten einde gebracht werden. lt;2gt;
152
tot gevolg de her-oprichting (omstreeks 1843) van den Potters'' Union (Fottenbakkersbond), van een actief Cottonspinners Association (Katoenspinners Genootschap) en (1844) de samensmelting der Londensche en provinciale vereenigingen van letterzetters in de National Typographical Society (N ati onale Typografische Vereeniging). De machtige United Flint Glass Makers Society (Gecombineerde Vereeniging van Kristalglasmakers) â gereorganiseerd in 1849 als de Flint Glass Makers'quot; Friendly Society of Great Britain and Ireland â dateert van hetzelfde jaar. Gedelegeerden-vergaderingen van andere vakken hadden plaats en nationale vereenigingen van kleermakers en schoenmakers werden opgericht. Ken nationaal congres van leerlooiers stichtte in 1845 een federatieven bond van alle plaatselijke clubs in het vak Maar de belangrijkste der nieuwe lichamen was de Miners' Association of Great Britain and Ireland (Mijnwerkersbond), in 1841 te Wakefield gesticht. ') Tot dat oogen-blik waren de mijnwerkers, die in werkelijke lijfeigenschap gehouden werden door den gedwongen winkelnering en het gebruik der jaarlijksche verhuringen, nooit verder gekomen dan tot vluchtige werkstakings-organisaties. Sterke provinciale bonden groeiden echter nu op in Nothumberland en Durham zoowel als in Lancashire en Yorkshire ; en het nieuwe lichaam was de federatie dier provinciale organisaties. Onder de leiding van Martin Jude ontwikkelde het eene buitengewone propagandistische bedrijvigheid, op één oogenblik niet minder dan drie en vijftig organisateurs bezoldigende, die alle kolenmijnen des land bezochten. De gedelegeerden-vergaderingen van 1844 vertegenwoordigden feitelijk alle mijndistricten van Groot-Brittanje en het ledental steeg, naar men zegt, tot minstens 100.000. 2) é-
4 Een voornaam kenmerk dezer herleving van het vak-
vereenigingswezen was een hardnekkige wederstand tegen wettelijke onderdrukking. Hoewel de meer sensationeele vervolgingen van vakvereenigingsleiders hadden opgehouden met de afschaffing dei-onwettige eeden, werd niettemin in alle deelen des lands eene onafgebroken reeks vervolgingen ingesteld tegen de leden, gevolg van de uitlegging door magistraten gegeven aan de wet regelende de verhouding tusschen meesters en knechten. De mijnwerkers in het bizonder werden gehinderd door lange verhuurtermijnen, gedurende welke zij verplicht waren te dienen wanneer dit gevorderd werd, doch geen zekerheid hadden van te zullen werken.
4 4
') The Colliers' Guide, showing the Necessity of the Colliers Uniting to Protect their Labour from the Iron Hiincl of Oppression, etc., door J. B. Thomson (Bishop Wearmouth 1843); en zie vele verslagen in de Nurihern Star van 1843 tot 1848. ^
') Northern Star van 1843â-44; Fynes' Miners of Northumberland and Durham, hoofdst. VIII. 4
153
Onbedreven in wettelijke spitsvondigheden en nog niet voorzien van eene geoefende klasse van vakvereenigings-secretarissen, werden zij slachtoffers van duizend-en-een uitlegginkjes en formaliteitjes. De Mijnwerkersbond van Northumberland en Durham bestreed de moeilijkheid op practische wijze. Zij stelden W. P. ROBERTS, ') een bekwaam en energiek advocaat, met sterke arbeiders-sympathieën, aan, om elk proces voor de plaatselijke rechtbanken uit te vechten. In 1844 volgde de Miners' Association of Great Britain and Ireland dat uitstekende voorbeeld, door ROBERTS te benoemen tot zijn vasten rechtsgeleerden raadsman, op een salaris van 1000 p. st. per jaar. De âmijnwerkers' procureur-generaalquot; zooals hij genoemd werd, legde bij de verdediging zijner cliënten eene onvermoeide activiteit aan den dag en trad weldra op in alle vakvereenigings-processen. Voor de eerste maal vonden de magistraten in alle deelen des lands een taaie, bekwame rechtsgeleerde tegenover zich, die, veel vernuftiger dan de werkgevers, even weinig gewetensbezwaar maakte als deze, waar het gold zijn voordeel te doen met elke wettelijke spitsvondigheid. 4
4 In een brief, geschreven in 1851 aan de Flint Glass
Makers' Friendly Society, geeft ROBERTS zelf een levendig beeld van de moeilijkheden waarmede de vereenigingen te kampen hadden. Na de wet, zooals hij die opvatte, verklaard te hebben, gaat hij als volgt voort: âMaar het is buitengewoon moeilijk om den lieden der tegenover u staande klasse te bewegen de dingen uit dat oogpunt te bezien. Ik bedoel dat niet sarcastisch, maar als een feit, dat ik door langdurige waarneming en ondervinding heb leeren kennen. Er zijn inderdaad rechters die eerlijk genoeg zijn en die wenschen hun plicht te doen. Maar al hunne neigingen en omstandigheden zijn tegen u. Zij luisteren naar uwe tegenstanders, niet alleen dikwerf, maar met genoegen â zoodat zij beter op de hoogte zijn
4 4
4 ') William Prowïing Roberts, de jongste zoon van den Eenv.
Thomas Roberts, van Chelmsford, werd in 1806 geboren en vestigde zich als rechtsgeleerde te Manchester. Hij was een enthusiastisch Chartist en vriend van Fergus O'Connor, van wiens Land Bank hij rechtsgeleerd adviseur was. Vanaf 1843 komt zijn naam in bijna alle rechterlijke aangelegenheden der vakvereenigingen voor. De catastrofe van 1848 berokkende zijne reputatie eenig nadeel, maar hij trad niettemin nog gedurende vele jaren vaak als rechtsgeleerde op. In 1867 organiseerde hij de verdediging van Allen, Larking en O'Brien, de lersche âMartelaren van Manchester,'' die opgehangen werden wegens de verlossing van gevangen Fenians en den moord van een politie-agent. In latere jaren trok Roberts zich terug in een landhuis in de buurt van O'Connorville, bij Rickmansworth, het tooneel van een van O'Connors koloniën, waar hij op 7 September 1871 overleed. Eene brochure over het wetsontwerp op de vakvereenigingen van 1871 (Londen 1871) is het eenige geschrift van zijn hand dat wij hebben kunnen ontdekken, maar hij schijnt ook een verslag van het proces tegen de machinebouwers uitgegeven te hebben, benevens die van eenige andere processen. O
'54
van hetgeen tegen u wordt ingebracht, dan van hetgeen ten uwen gunste is. Naar u luisteren zij ook â maar in een soort van stemming als âbeklaagde, gij zijt bevoegd elke verklaring af tc leggen die gij noodig oordeelt en de rechtbank is verplicht u aan te hooren; maar denk er om, wat gij ook moogt zeggen, enz.quot; In het eene geval bemerkt gij den hartelijken glimlach van welgezindheid; in het andere de bespottende grijns, schoon somtijds vermengd met wat nare vriendelijkheid. Dan is daar nog de wetenschap van uwe verpletterende macht bij eendrachtig optreden en die veroorzaakt natuurlijk een overeenkomstig verlangen om u tot eiken prijs het hoofd te bieden. En er zijn honderde andere consideraties, die alle dezelfde uitwerking hebben : meetings, politieke overwegingen, huwelijksbanden, hoop op erfenissen, enz. Ik zeg niet dat alle rechters aldus beïnvloed zijn, noch alle in gelijke mate; maar het is stellig, zelfs in het gunstigste geval, een moeilijk werk ten behoeve van een werkman te strijden in eene kwestie die eenigen twijfel ten zijnen nadeele openlaat. Het is mij nooit voorgekomen dat ik een magistraat ontmoette, die eene overeenkomst tusschen patroons om een zekeren âlastigen kerelquot; niet in het werk te nemen, als eene onwettige handeling beschouwde; keer evenwel de zaak om, en het wordt onmiddelijk eene geduchte samenzwering, die door den sterken arm der wet moet onderdrukt
worden, enz.....Toen ik optrad voor de Kolenmijnwerkersbond
in het Noorden, namen wij het op tegen eiken afzonderlijken onderdrukkingsmaatregel, zelfs in gevallen waarin wij zeker waren te zullen verliezen; en het resultaat was, dat er na korten tijd geen onderdrukking meer was die bestreden moest worden. Want het moet in het oog gevat worden, dat verdrukking als waarvan wij hier spreken â die ten slotte slechts een meer nette en laffe manier van stelen is â onmiddelijk wijkt voor eene besliste en krachtige oppositie. In het Noorden zouden wij deze zaak eerst voor het kantongerecht gebracht hebben, dan voor het hof en eindelijk misschien voor het hooggerechtshof.quot; 1) amp;
égt;
amp; ') Flint Glass Makers' Magazine van October 18 51. In de jaren 1847â48
hadden vele buitengewoon wraakgierige vervolgingen tegen vakvereenigings-mannen plaats gehad. Behalve het geval der machinebo invers, waarop wij later zullen terugkomen, werden in 1848 een en twintig Londensche steenhouwers vervolgd wegens samenzwering, maar na herhaald uitstel gaf de beschuldigende werkgever geen verder gevolg aan de zaak. De Sheffieldsche scheermessenslijpers liepen grooter gevaar, John Drl'rv en drie andere leden hunner vereeniging werden vervolgd en veroordeeld tot tien jaren deportatie, op aandrijven van het Genootschap tot bescherming der Sheffieldsche Fabrikanten, en op de onbewezen beschuldiging van twee nietswaardige boeven, dat zij dezen hadden aangezet machines te vernielen. Deze monsterachtige rechtsverdraaiing wekte de grootste verontwaardiging op. Openbare vergaderingen werden gehouden door het Nationale Genootschap der Vereenigde Vakken. Het vonnis werd op
155
Een der resultaten van roberts' succesvol optreden is misschien te zien in het indienen, in de parlementszitting van 1844, van een wetsontwerp âtot uitbreiding van de bevoegdheid der rechters in het beslechten van klachten tusschen meesters, knechten en ambachtslieden.quot; ') Niet alleen zou iedere rechter bevoegd zijn een bevel tot onmiddelijke in-hechtenis-neming uit te vaardigen tegen eiken werkman, tegen wien diens werkgever een klacht had ingebracht, maar âelke misdraging betreffende zulken dienst of betrekkingquot; zou gestraft worden met twee maanden gevangenistraf, ter beoordeeling van eiken individueelen rechter. Het is gemakkelijk te zien welke eene ruime uitlegging menig vrederechter aan deze vage frase zou gegeven hebben. En roberts waarschuwde zijne cliënten onmiddelijk voor het gevaar. Op zijne aansporing gaf de vergadering van gedelegeerden der kolenmijnwerkers te Sheffield den stoot tot eene krachtige agitatie tegen het wetsontwerp, dat reeds zonder stemming het afdeelings-onderzoek en de tweede lezing was gepasseerd. De Pottenbakkersbond vatte de zaak met bizondere voortvarendheid aan en deed adressen door alle middengraafschappen circuleeren. 3) Een goedgezind afgevaardigde, Thomas SlingSBY Duncombe, belemmerde de verdere behandeling van het ontwerp, die hij tot na de Paasch-vacantie deed uitstellen. Ondertusschen regende het petities op het verbaasde Huis â naar beweerd wordt meer dan twee honderd, vertegenwoordigende twee millioen werklieden. Toen het ontwerp weder in behandeling kwam, vond het alle radicalen en de âJong Engelandquot; tories tegenover zich. Sir James Graham betoogde zonder succes dat de regeering niets bedoelde dan eene bijeenvoeging der bestaande wetten en voerde al zijne aanwezig zijnde vrienden, waaronder Mr. Gladstone, in den corridor.3) Maar de combinatie aan de
4gt;
grond van een technische fout vernietigd, maar onmiddelijk werd eene nieuwe vervolging tegen de beklaagden ingesteld. De verontwaardiging was echter in die mate gaande gemaakt, dat zij na een jaar van onzekerheid op hun persoonlijke waarborgstelling in vrijheid werden gesteld (12 Juli 1849). Ken Seffieldsch vakvereenigingsman verklaarde dat âde tyrannic der werkgevers zoo groot was geweestquot; in het verdraaien der plaatselijke rechtspleging, dat de mannen hunne grieven ter kennis der regeering brachten. Sir Gkorge Grey gelastte een onderzoek.... Twintig gevallen van personen die door de magistraten veroordeeld waren, kwamen voor eene Commissie van Onderzoek; daarvan werden zeventien vonnissen vernietigd.quot; {Fortnightly Circular der Steenhouwers van 23 November 1848.) lt;Sgt;
') Wetsontwerp No. 58 van 1844, voorgesteld door William Miles. {Hansard deel 73â74.) 4gt;
gt;3» ') Potters Examiner van 13 April 1844. amp;
3) In het Engelsche parlement hebben de stemmingen plaats op
deze wijze, dat de voorstemmers zich door ééne deur uit de zittingzaal verwijderen en de tegenstemmers door eene andere. In de corridors (lobbies) buiten die deuren worden dan de neuzen geteld. Vert. lt;#gt;
156
overzijde, van Duncombe, Waklev, Hume en Fkkrand, met torics als Lord John Manners en eenige verlichte whigs ^ als C. P. Villiers, maakte een einde aan deze poging van de zijde der werkgevers om het stompe wapen der wet te scherpen tegen de gehate vakvereenigingen.2) ^
4- De mijnwerkers hadden minder succes met hunne werk
stakingen dan in hunne rechts- en politieke zaken. In 1844 besloot hiin Nationaal Congres te Glasgow, vertegenwoordigende 70.000 man, met 28.042 tegen 23.357 stemmen, wegens de vele grieven, tot eene werkstaking en de mijnwerkers van Northumberland en Durham, ten getale van ongeveer 30.000, vingen den langdurigen strijd aan tegen Lord londonderry en hunne andere werkgevers, waarvan wij reeds vroeger melding hebben gemaakt â een strijd voor billijker voorwaarden van verhuur en betaling. 3) Na een verbitterden kamp van vele maanden eindigde de staking noodlottig en de groote Miners Association, welker verrichtingen zulk een groote rubriek vormden van de Northern Star van 1844â45, verdwijnt langzamerhand uit de kolommen van dat blad en heeft in 1848 stellig opgehouden te bestaan. ^
lt;êgt; Maar het hoogtepunt dezer herleving van vakvereenigings-
activiteit was de stichting (Paschen 1845) van den National Association of United Trades for the Protection of Labour (Nationale Pond der Vereenigde Vakken tot Pescherming van den Arbeid), eene organisatie, die sommige der denkbeelden zoowel van 0\ven als DoHERTY oprakelde en bijeenvoegde. Deze Pond was, zooals zijne reglementen ons vertellen, uitdrukkelijk gebaseerd âop twee groote feiten; eerstens, dat de nijvere klassen geen behoorlijk dagloon ontvangen voor een behoorlijk dagwerk; en tvveedens, dat gedurende de laatste jaren hunne pogingen om dit te erlangen, op enkele uitzonderingen na vruchteloos zijn geweest. De hoofdoorzaken van dezen toestand zijn te vinden in het isolement der verschillende arbeidersgroepen en de afwezigheid van eene algemeen erkende autoriteit uit de vakken zelf.quot; Maar, anders dan de Owensche beweging van 1833â34, onderscheidde de National Association of United Trades zich van den aanvang af door de gematigdheid harer doeleinden en het beleid harer administratie, aan welke eigenschappen wij zijn betrekkelijk langdurig bestaan van vijftien jaren mogen toeschrijven. Geen poging werd beproefd om
bestaande organisaties in zekere vakken te overvleugelen door
amp;
') Tories zijn de leden der conservatieve partij, mhigs die der oud-liberalen. Vert.
amp; J) Hansard deel 73â74. Het wetsontwerp werd op 1 Mei 1844
verworpen met 97 tegen 54 stemmen. amp;
(» 3) The Miners' of Northuuibcrland oud Durham, door Richard
Fvnes, hoofdst. IX. â¢Ã¶quot;
157
eene âAlgemeene Vakvereeniging.quot; âDe eigenaardige plaatselijke, inwendige en technische omstandigheden van elk vakquot;, zegt het regelment, âmaken het noodzakelijk dat ten behoeve van doelmatig inwendig beheer, zijne zaken bestuurd worden door lieden die daarvan practische kennis bezitten. Uit dien hoofde ligt het niet in de bedoeling zich te bemoeien met de organisatie van bestaande vakvereenigingen.quot; Bovendien hadden de voorstanders blijkbaar de bedoeling den Association meer een Parlementair Comité dan een federatie met vak-doeleinden te doen zijn. Zijn doel en plicht werden verklaard te zijn âhet beschermen der belangen en het bevorderen van het welzijn der verbonden vakkenquot; door bemiddeling, arbitrage en gerechterlijk optreden en door het bevorderen van âalle maatregelen van politieken, socialen en opvoedenden aard, die dienstig kunnen zijn aan de verbetering van den toestand der arbeidende klassen.quot; ') lt;$gt;
Deze nieuwe poging tot stichting eener nationale federatie, vloeide voort uit een denkbeeld der âVereenigde Vakkenquot; van Sheffield, belichaamd in een knappen, aan Duncombk 2) gerichten brief van hun secretaris john Drurv. Duncomhe was onder de vakvereenigingsmannen algemeen bekend geworden, niet alleen door zijne vriendschap met fergus O'Connor en zijn vierkante ondersteuning van het Chartisme in het Lagerhuis, maar ook door zijne welgeslaagde obstructie tegen en vernietiging van het wetsontwerp tot regeling der verhouding tusschen meesters en knechten, in de vorige zitting. Hij schijnt Drury's voorstellen aan het oordeel der voornaamste mannen der Londensche vakvereenigingen te hebben onderworpen, die erin toestemden eene commissie tc vormen, welke over het plan rapport zou uitbrengen en eene vergadering van gedelegeerden der vakvereenigingen uit alle doelen des lands bijeen zou roepen. Op Paschen 1845 kwamen te Londen 110 gedelegeerden bijeen, die niet alleen de Londensche vakken vertegenwoordigden, doch ook de mijnwerkers en katoenbewerkers
lt;5gt; ') Rules and liegiilations oj the Association of United Trades for
the Protection of Industry (Londen, 2 Augustus 1845). Er bestaat, voor zoover wij weten, slechts cén exemplaar dezer reglementen, maar alle bizonderheden van zijne stichting en werking zijn te vinden in de Northern Star, die een tijd lang het officieel orgaan was. lt;£gt;
â¢S1 2) Thomas Slingsdy Duncombe was de aristocratische demagoog
dier periode. Een begaafd man van de wereld, met de gewoonten van een dandy, wijdde hij zich niettemin met merkwaardigen ijver, niet alleen aan de parlementaire zaken der Chartisten en vakvereenigingsmannen, maar ook aan den drogen bestuursarbeid van den Association, waarvan hij voorzitter werd. Het Life and Correspondence (Leven en Brieven) van Duncomhe, door zijn zoon in 1S68 uitgegeven, beschrijft hem bijna uitsluitend als een modieusen man van de wereld en Lagerhuis-politicus, en wil niets weten van zijn degelijker werk voor de vakvereenigingen gedurende de jaren 1845â4S. lt;amp;
s
158
van Lancashire, de wolwerkers van Yorkshire en de midden-graafschappen, benevens de âVereenigde Vakkenquot; van Manchester, Sheffield, Norwich, Hull, Bristol, Rochdale en Yarmouth. êgt;
é- Het voorloopig rapport, op het congres uitgebracht door
de Londensche Commissie van Vak-Afgevaardigden, is feitelijk de eerste uiting van dien geest van beleidvol doch misschien ietwat bekrompen staatsmanschap, waardoor de vakvereenigingsleiders der volgende dertig jaren zich kenmerkten. ') De Commissie, hoewel de onmiddelijke oprichting aanbevelende eener nationale organisatie ,,tot handhaving der rechten van den arbeid,quot; en âtot bestrijding der tyrannic van eenigerlei wettelijke maatregelen tot onderdrukking der vakvereenigingen, of van die welke het karakter dragen van het wetsontwerp op de' verhouding tusschen meesters en knechten van de laatste zitting, gevoelde ten zeerste het belang van, en den goeden invloed voortvloeiende uit eene goede verstandhouding tusschen den werkgever en den werknemer, wijl zij inziet dat zij gemeenschappelijke belangen hebben en dat de een den ander niet kan benadeelen, zonder dat het bedreven kwaad terugslaat op dengene die het bedrijft. Zij zou daarom wenschen in overweging te geven, dat een van de voornaamste doeleinden van dit Congres zal zijn, het bevorderen eener goede verstandhouding met de werkgevers, ten einde aldus de tegen vakcombinaties bestaande vooroordeelen uit den weg te ruimen, door bij alle gelegenheden te toonen dat zij door aaneensluiting zich als verkoopers van hun arbeidskracht op gelijken voet wenschen te plaatsen met degenen die haar koopen, zich te beveiligen tegen nadeel, doch geenszins het aan anderen te berokkenen. Hoewel de Commissie verlangend is, dat deze gewenschte en belangrijke organisatie zoo volledig mogelijk tot stand komt, voelt zij dat zeer bedachtzaam moet lt;3gt; «fe
4 ') In dit document kunnen wij wellicht de hand herkennen van
t. j. Dunning, een der knapste vakvereenigingsmannen van zijn tijd. In 1799 geboren, werd hij in 1843 secretaris van de Consolidated Society of Bookbinders (lioekbinders-Vereeniging). In 1845 werd hij lid van den National Association, welk lichaam hij na enkele jaren weder verliet. De Bookbinders' Circular, die hij in 1850 oprichtte, werd gedurende de rest van zijn leven grootendeels geheel door hem-zelf geschreven en bevat vele wei-doordachte artikelen over vakvereenigings-aangelegenheden. In 1858 maakte Dunning deel uit van de Commissie van Onderzoek naar de Vakvereenigingen, ingesteld door het Genootschap voor de Sociale Wetenschap, liij leverde eene geschiedenis zijner eigen vereeniging voor het rapport en nam vaak deel aan de volgende jaar-lijksche congressen. Zijn voornaamste letterkundig werk is een opstel, getiteld: Trade Unions and Strikes, their philosophy and intention (Vakvereenigingen en Werkstakingen, hunne wijsbegeerte en bedoeling), (Londen i860, 50 pag.), dat hij schreef voor den prijsvraag door zijn eigen vereeniging uitgschreven voor de beste verdediging det werklieden-organisatie. Dit opstel, dat geen enkele uitgever wilde aannemen, en dat voor rekening zijner vereeniging gedrukt werd, blijft misschien de beste uiteenzetting van het vakvereenigingswezen door een werkman geschreven. Hij stierf in het harnas op 23 December 1S73.
159
worden te werk gegaan bij het samenstellen harer statuten en reglementen, ten einde de fouten die aanwezig waren in en ten slotte leidden tot de vernietiging van den Consolidated Union van 1833, zorgvuldig te vermijden. De Commissie acht het noodzakelijk, de aandacht van die vakken, welke betrekkelijk onvereenigd zijn en welker mannen dientengevolge voor verschillende loonen werken, te vestigen op de groote noodzakelijkheid die er is, dat zij die de hoogste loonen ontvangen, alles moeten doen dat in hun vermogen is, om hunnen mede-arbeiders eene behoorlijke betaling voor hunnen arbeid te doen erlangen en dat door de verschillende vakvereeni-gingen alles moet gedaan worden om de alleen-staande broederen te bewegen zich aan te sluiten, opdat zij beter in staat zullen zijn wanneer zij worden aangevallen gemeene zaak te maken, hetgeen het zekere gevolg zou zijn indien ieder vak zich in aller belang in eene goed-geregelde vereeniging organiseerde. . . . En ten slotte wenscht de Commissie het Congres ernstig in overweging te geven, dat, uitgezonderd datgene waarop reeds gewezen is, ten einde deze belangrijke punten overwogen en hartstochtloos besproken kunnen worden, geen voorstel van politieken aard in discussie te brengen of in overweging te nemen â overtuigd als zij is, dat de eenige manier om deze gewenschte doeleinden naar behooren en met de vereischte consideratie in het belang van alle betrokkenen ten uitvoer te leggen, bestaat in het overwegen en ten uitvoer brengen van niet meer dan één punt tegelijk; en bovendien om vakaangelegenheden en politiek zoo gescheiden en afzonderlijk te houden als de omstandigheden veroorloven.quot; 1)
4- Uit de verhandelingen van dit Congres blijkt, dat de
front-verandering der vakvereenigingsleiders terugwerkte op de houding der leden. De overlevende invloed van het Owenisme is te bespeuren in den herhaalden terugkeer van het denkbeeld van coöperatieve productie, het streven naar het stichten van landbouwkolonies en het voorstel tot wettelijke vermindering van den arbeidsduur. Maar van de aanvallende taktiek en grootsche plannen van 1830â34 is ternauwernood een spoor te vinden. Werkstakingen werden geringschat en het denkbeeld van het algemeen nederleggen van den arbeid geheel verlaten. De ontwerpen tot coöperatieve productie waren op een geheel ander plan dan OwENS groote schemas. De vakvereenigingsmannen van het Nationaal Congres van 1845 hadden blijkbaar geen visioen van een algemeenen overgang der productie-middelen van de kapitalisten naar de vak-vereenigingen; coöperatie werd eenvoudig beschouwd als een ^ 4^
4 ') Rapport van de Londensche Commissie van Vak-Afgevaardigden
aan het Nationaal Congres van Vak-Afgevaardigden, Paschen 1845; bewaard in de archieven der Steenhouwers-Vereeniging.
160
hulpmiddel bij de vakvereenigings-actie, daar de bondswerkplaats een goedkoope vervanging der improductieve stakings-uitkeering vormde. Behalve aldus formeel de taktiek en pretenties van 1834 te verlaten, verklaarde het Congres zich homogeen met een nieuwe vakvereenigings-taktiek â de taktiek van bemiddeling en arbitrage. In den eisch van âplaatselijke vak-radenquot; (boards of trade)âeene blijkbaar aan de zijdewevers ontleende uitdrukking â zien wij het begin van het stelsel van gezaghebbende onderhandeling tusschen de vertegenwoordigers van kapitaal en arbeid, dat in de laatste helft dezer eeuw het onderscheidend kenmerk van het Britsche vakvereenigingswezen is geworden.
4» Maar de schaduw van het fiasco van 1834 hing nog
steeds over de plannen van algemeene vakvereenigingen. Hoewel bijna alle vakken op het eerste congres vertegenwoordigd waren geweest, besloten de meeste groote organisaties bij nadere over-weging zich buiten het nieuwe lichaam te houden. Wij zien bijvoorbeeld de afdeeling Manchester der Steenhouwers-Vereeniging onverwijld protesteeren tegen de houding van den afgevaardigde der Vereeniging en als hare nadrukkelijke meening uitspreken âdat de opgedane ondervinding ons geleerd heeft, dat wij genoeg algemeene bond hebben gehad.quot; Die opvatting werd ook door het Hoofdbestuur gehuldigd, dat, de zaak aan de stemming der leden onderwerpende, opmerkt, dat âer verscheidene vakvereenigingen in Engeland zijn, even volmaakt georganiseerd als wij, schoon hunne inrichting eenigszins verschillend moge zijn; maar wij vernemen niet, dat één dier vereenigingen zich bij deze nationale vereeniging wenscht aan te sluiten .... Voor vakken die in secties gesplitst zijn en geen nationale organisatie bezitten, moge het wellicht zeer goed zijn tot zulk een verband toe te treden â zij hebben niets te verliezen; maar het is een vraag, die ernstig overwogen dient te worden, of een op zichzelf staande bond in elk vak, niet veel doelmatiger zou zijn dan het heterogene verband in kwestie.quot; ') Een dergelijke meening schijnt bij de Kolenmijnwerkers, wier nationale federatie nog bestond, geheerscht te hebben. Eene gedelegeerden-vergadering van den pas-opgerichten Nationalen Typografenbond besloot met groote meerderheid er buiten te blijven. De Katoenspinners van Lancashire zonden een afgevaardigde naar het uitgestelde congres en stelden zelfs voor, reizende propagandisten aan te stellen, om de voordeden der nieuwe organisatie uiteen te zetten, maar besloten nooit tot feitelijke aansluiting. 2) Het uitgestelde congres van 28 Juli 1845 bestond daarom ^ lt;3gt;
') Fortnightly Circular der Steenhouwers, van 14 Mei 1846. 2) Notulen der gedelegeerden-vergaderingen van de Operative Cotton-spinners, Self-acting Minders, Twiners, and -AVwr^gehouden om den anderen Zondag. Zie 20 Juli, 3 Augustus en 14 December 1845.
11 - Sidney Webb. 161
grootendeels uit de afgevaardigden der kleine of minder goed georganiseerde vakvereenigingen. Ongeveer vijftig afgevaardigden namen aan de verhandelingen, die zes dagen in beslag namen, deel. Men besloot eindelijk de vakvereeniging van de coöperatieve doeleinden te scheiden en twee afzonderlijke, doch elkander bijstaande organisaties te stichten. De National Association of United Trades for the Protection of Labour (Nationale Bond der Vereenigde Vakken tot Bescherming van den Arbeid) nam op zich, op te treden in geschillen tusschen patroons en werklieden en in het belang der arbeiders werkzaam te zijn in het Lagerhuis. De National United Trades Association for the Employment of Labour (Nationale Vereenigde Vakbond tot het Verschaffen van Arbeid) stelde zich voor, kapitaal bijeen te brengen, tot het verschaffen van werk aan arbeiders, die het werk staakten onder door zijn tweelingbroeder goedgekeurde omstandigheden. Op het tweede congres, dat in Juni 1846 te Manchester plaats had, en waarop 126 afgevaardigden, vertegenwoordigende, naar beweerd werd, 40.000 leden, aanwezig waren, werd de contributie aan de Trade Assocition bepaald op twee stuivers van elk pond weekverdienste; en er werd besloten dat de stakings-uitkeering zou loopen van negen tot veertien shilling per week, het laatste bedrag zijnde het overeengekomen loon der arbeiders in de bondswerkplaatsen. Tot op dien dag was geen staking ondersteund geworden, daar men het voorbarig optreden, dat, naar beweerd werd, den Grand National Consolidated Union ten val had gebracht, wenschte te vermijden. Een aantal betaalde organisators werden aangesteld. De Bond, die tot dien had bestaan uit de wolwerkers en de werklieden in de ijzer-bedrijven der midden-graafschappen, vertakte zich in verschillende nieuwe richtingen. Het Hoofdbestuur der Friendly Society of Operative Carpenters and Joiners (Timmerlieden- en Schrijnwerkers-Vereeniging) â de vereeniging die zulk een belang rijke rol had gespeeld in de beweging van 1830 â vaardigde een manifest aan zijne leden uit, ten gunste van aansluiting en de algemeene secretaris werd een ijverig lid van het Hoofdbestuur van den National Association. De afdeeling Manchester van de National Cordwainers' Society (Nationale Schoenmakers-Vereeniging) spoorde al hare leden en alle vereenigingen van laarzen- en schoenmakers aan, toe te treden. De Pottenbakkers van Staffordshire, de Schotsche Mijnwerkers, de pas-geboren National Association of Tailors (Nationale Kleermakersbond), zoowel als de Londensche afdeelingen der Ketelmakers- en Steenhouwers-vereenigingen, traden toe. De Association werd inderdaad als een macht in het land beschouwd en haalde zich de beleedigende kritiek van de Times op den hals. ')
') Times van 16 November 1846. â¢Â£gt;
162
Doch ondanks de wijze bedoelingen zijner stichters, begon hij alras te lijden aan de eigenaardige kwalen van algemeene bonden. De malaise, die in 1845 intrad, bracht in de twee volgende jaren loonsverminderingen, gevolgd door stakingen en uitsluitingen, teweeg. De plaatselijke besturen van den National Association, dikwijls bestaande uit bestuursleden der betrokken vakvereenigingen, beloofden den leden ondersteuning uit de algemeene kas, en vatten argwaan op, toen het te Londen gevestigde Hoofdbestuur hunne besluiten vernietigde. Iedere van den Association deel uitmakende vakvereeniging, achtte hare belangen miskend, of hare grieven verwaarloosd. Eene langdurige werkstaking in de bouwvakken te Manchester, in 1846, zonder goedkeuring begonnen, mislukte jammerlijk, waarbij het plaatselijk bestuur van den National Association verklaarde, dat de catastrofe te wijten was aan het gebrek aan financiëelen steun, die in naam van het centrale lichaam toegezegd was. De kool- en ijzer-mijnwerkers te Holytown, in Lanarkshire, begonnen een strijd tegen hunne werkgevers, die de sympathie der vakvereenigingswereld gaande maakte, doch op een fiasco uitliep. Een even ernstig conflict der katoendrukkers te Crayford, in Kent, had niet meer succes. De Schotsche mijnwerkers klaagden dat zij door den Association onvoldoende waren gesteund geworden; en de mijnwerkers van Lancashire gebruikten een soortgelijke klacht tot voorwendsel van voortdurende onthouding. 4quot; Hoewel Duncomhe's Association het werkstaken had tegengegaan en hoofdzakelijk als een bemiddelend lichaam was opgetreden, betoonden de werkgevers over het geheele land zich gelijkelijk vijandig. Het âdocumentquot;, dat in 1833â34 een zoo belangrijke rol had gespeeld, verscheen opnieuw, in eenigszins gewijzigden vorm. De werkgevers gaven kennis dat zij plaatselijke vak-clubs duldden, zoo niet goedkeurden, doch even scherp nationale bonden in afzonderlijke vakken, of algemeene bonden van alle vakken, afkeurden. Een plotselinge bezorgdheid voor de onafhankelijkheid van karakter hunner werklieden voorwendende, beweerden zij dat het bestaan van eenigerlei centraal comité, hoe vertegenwoordigend het ook mocht zijn, den arbeiders belette vrije individuen te zijn en hen blootstelde aan de eigenmachtige bevelen van een onverantwoordelijk lichaam. Waar deze houding aangenomen werd, hadden de pogingen van den National Association tot het tot-stand-brengen van minnelijke schikkingen, slechts matig succes. Het Londenschc Hoofdbestuur, niet in staat aan de aanvragen om steun, die dagelijks uit alle deelen des lands binnenstroomden, te voldoen, vaardigde strenge waarschuwingen tegen niet-goedgekeurde stakingen uit, maar had ten slotte steun te verleenen of te weigeren, zonder voldoende kennis der plaatselijke omstandigheden. duncombe hield zich hoofdzakelijk bezig met het opstellen en aanbieden van adressen
163
ten gunste der wettelijke verkorting van den arbeidsduur, en in deze richting bewees hij belangrijke diensten aan het Short Time Committee (Comité voor Verkorten Arbeidstijd) der katoenspinners van Lancashire, dat de wet op den tien-urigen arbeidsdag van 1847 wist te verkrijgen. Het Hoofdbestuur was gedurende die jaren werkelijk meer een parlementair comité voor de geheele beweging, dan eene federatie van vakvereenigingen. Het plan der coöperatieve werkplaatsen, waarvan zooveel verwacht was geworden, bleek in de langdurige conflicten in de stapel-industriën volslagen beuzelachtig te zijn. Eéne bloeiende laarzenmakerij werd gesticht, en het congres van 1847 vond in het geheel honderd drie en twintig man aan het werk, terwijl de ondernemingen zich bepaalden tot die vakken, welke op kleine schaal en met handen-arbeid werden uitgeoefend. In 1848 werd besloten de beide bonden te doen samensmelten en te pogen 50.000 pond sterling bijeen te brengen, om op grootere schaal te kunnen beginnen. Maar vóórdat pogingen daartoe konden worden aangewend, werd de Association door twee slagen getroffen, die hij nooit te boven kwam. Om gezondheidsredenen was DuNCOMliE in den loop van 1848 genoodzaakt zich uit de actieve deelname aan den arbeid van den Bond te onttrekken. En op het einde van het volgende jaar werd de National Association, door eene werkstaking der tinwerkers te Wolverhampton, in een strijd met de werkgevers en met de wet gewikkeld, die zijne kassen uitputte en zijn crediet vernietigde.1) ^
De latere geschiedenis van den Association ligt in het duister. '2) Hij sleepte gedurende vele jaren op kleine schaal zijn
') üe tinwerkers van Wolverhampton hadden vanaf het oogeiiblik dat zij tot den Association toetraden (1845), gepoogd een uniform stukwerk-loontarief te verkrijgen. Door den invloed van den National Association werd in 1849 een dergelijk tarief door nlle werkgevers op twee na toegestaan. Ken hunner behandelde de werklieden met buitengewone dubbelhartigheid. Zich naar zijne meening voldoende voorbereid hebbende, wierp hij in juli 1S50 het masker af en weigerde pertinent de onderhandelingen voort te zetten. Het woedende industrieele en rechterlijke conflict dat volgde, trok de algemeene aandacht. Vele stakers werden wegens contractbreuk gevangen gezet; en de strijd bereikte zijn toppunt in de vervolging van drie leden van het bestuur van den National Association, benevens van eenige plaatselijke vereenigingsmannen, wegens samenzwering tot molestatie en intimidatie van den werkgever, door de werklieden te bewegen zijn dienst te verlaten. Uit hoofde van rechterlijke spitsvondigheden, eerst opgeworpen door het openbaar ministerie en toen vanwege de beklaagden, werd het proces niet minder dan drie maal behandeld; het eindvonnis werd eerst uitgesproken in November 1851, toen vijf der beklaagden veroordeeld werden tot drie, en een tot cén maand gevangenisstraf. Zie R. v. Rowlands, 5 Cox C. C. p. 436; ook Aanhangsel A van The I.aiv relating to Trade Unions, door Sir WlI.uam erle (Londen 1869). lt;$gt;
2) Duncomhe legde in 1852 het voorzitterschap formeel neder. In 1856 legde de secretaris, THOMAS WINTERS, getuigenis af ten gunste van bemiddeling voor de Enquête-Commissie nopens Patroons en Werklieden
164
bestaan voort, terwijl zijne gesalarieerde bestuurders als adviseurs en vertegenwoordigers van een aantal kleinere vakvereenigingen optraden. In latere jaren was zijn voornaamste werk het bevorderen en steunen van wetsontwerpen tot instelling van verzoeningsraden en zijne volhardende pogingen bereidden stellig den weg voor de Joint Boards (Gemengde Raden) die later ingesteld werden. Maar na 1851 houdt hij op eenigen invloed te hebben over, of een belangrijke rol te spelen in de vakvereenigings-beweging.
4» De National Association of United Trades staat, wat
doel en organisatie betreft, halverwege tusschen de revolutionnaire vrijbuiterij van 1830â34 en de parlementaire actie van 1863â75.
Hij kan eigenlijk beschouwd worden, hetzij als een te laat gekomen âAlgemeene Vakbondquot; van een verbeterd type, of als een ontijdig en onvolmaakt Parlementair Comité der vakvereenigingswereld.
En hoewel de groote nationale bonden dier dagen aan zijne handelingen geen deel namen, was zijne gematigde en niet-aanvallende taktiek niets dan eene uiting van den nieuwen geest, die toen in de raadkamers der vakvereenigingen heerschte. Wij zien in de vereenigingen der goed-betaalde handwerkslieden een krachtig streven naar de kennis der feiten nopens hunnen industriëelen en maatschappelijken toestand geboren worden. Dit nieuwe gevoel voor exacte wetenschap kan tot op zekere hoogte toegeschreven â¦
worden aan de toenemende mate waarin de drukkersbedrijven aan de vakvereenigingsbeweging begonnen deel te nemen. Bij het bestudeeren der verslagen van de groote letterzetters-vereenigingen vanaf het begin der eeuw, wordt men getroffen, niet alleen dooide gematigdheid maar ook door de doorwrochte parlementaire formaliteit â men mag bijna zeggen: statigheid harer verhandelingen. In plaats van retorische ontboezemingen over alle werkgevers als âde niet-voortbrengende klassenquot; en geheel-onthouding van onderzoek der détails van vakgeschillen, zien wij de letterzetters zich slechts bemoeien met concrete gevallen van ernstigen aard en iedere belangrijke kwestie verwijzen naar eene âBizondere Commissiequot; die onderzocht en rapport uitbracht. In 1848 bezigde de London Consolidated Society of Bookbinders (Londensche Roek-binders-Vereeniging) â gesticht in 1786 â een gedeelte harer gelden tot het vormen een boekerij ten behoeve harer leden.
é 4
(Onpartijdige Raden, enz.). Hij deelde mede dat het ledental toen tusschen 5000 en 6000 beliep en dat het hoofdbestuur bestond uit drie bezoldigde leden,
die al hun tijd aan het werk wijdden. Een volgende secretaris (E. Humphries)
verscheen vier jaren later voor eene gelijksoortige commissie en uit zijne getuigenis bleek, dat de Association, schoon nog steeds bestaande, geen deel genomen had aan een der belangrijke arbeidsgeschillen der laatste zeven of acht jaren. Mr. George Howell noemt terloops als datum der ontbinding het jaar i860.
165
Ongeveer 1851 werd een leeszaal, voorzien van dag- en weekbladen, geopend. Vier jaren later werd eene dergelijke biblotheek door de London Society of Compositors (Londensche Letterzetters-Vereeniging) opgericht. In 1842 werd door de jfourneymen Steam-Engine and Machinemakers' Friendly Society (Vereeniging van Stoommachine- en Werktuigmakersgezellen) te Manchester een ontwikkelingscursus opgericht. Zelfs de Steenhouwers, destijds een ruw en ietwat woelig gezelschap, werden aangetast door het nieuwe streven naar zelf-verbetering. De afdeeling Glasgow der Scottish United Operative Masons (Vereenigde Scotsche Steenhouwers) bericht in 1845 met trots, dat zij âeen cursus voor wederzijdsche ontwikkeling.... een genootschap tot moreele, lichamelijke en verstandelijke verbeteringquot; heeft opgericht, die zich ten doel stelde een onderzoek naar de vraag: âIs de tegenwoordige verbeterde toestand der machines heilzaam voor de arbeidende klasse, of is hij schadelijk?quot; ^ Maar de krachtigste uiting van dit streven naar kennis, was het stichten van speciale vakbladen door de vereenigingen. De gezamenlijke afdeelingen van den Pottenbakkersbond stichtten in 1843 de Potters' Examiner, een weekblad dat de vakbelangen en techniek van het bedrijf behandelde. 2) De Journeymen Steam-Engine and Machine Makers'quot; Friendly Society gaf tusschen 1841 en 1847 het Mechanicquot;s Magazine uit. In November 1850 haalde Dunning de London Consolidated Society of Bookbinders over tot het uitgeven van de Bookbinders' Trade Circular, in welker kolommen hij eene vakvereenigings-theorie verkondigde, waartegen zelfs Mc. Cullüch nauwelijks iets zou hebben kunnen inbrengen 3) en welk bescheiden orgaan zijner vereeniging hij verhief tot een maandelijksch magazijn van nuttige kennis nopens alles dat met boeken en hunne vervaardiging in verband. Maar het beste dier vakbladen, en het eenige dat zich tot den huidigen dag in een onafgebroken bestaan heeft verheugd, was het Flint Glass Makersquot; Magazine, een maandschrift van 96 octavo bladzijden, in 1850 door de Flint Glass Makers Friendly Society te Birmingham opgericht, dat voorstond ,,de ontwikkeling
'J Fortnigthly Circular der Engelsche Steenhouwers van 25 December 1845. ^ â Sgt; De Potters* Examiner, gesticht in December 1843, werd in Juli 1848 omgezet in de Potters' Examiner and Emigrants' Advocate, te Liverpool uitgegeven en zich hoofdzakelijk bezig houdende met emigratie. Kort na 1851 hield het op te verschijnen. 4!gt; â 3) Zie in het bizonder de artikelen over âOver Arbeidsloon en Vak-vereenigingen,quot; in het tweede, derde en vierde nummer (December 1850 tot Februari 1851), waarin hij aanneemt dat het algemeene peil der loonen onweerstaanbaar bepaald wordt door vraag en aanbod, maar dat de vakvereeniging, door het verleenen van uitkeering bij werkeloosheid, den individueelen arbeider in staat stelt aan buitengewone tyrannie en afpersing het hoofd te bieden. ^
166
J
van iederen man in ons vak, beginnende bij den oudste en eindigende bij den jongste .... Als gij niet wenscht te blijven wat gij zijt en nog meer onderdrukking verdurenquot;, betoogde het tot zijne lezers, âzeggen wij tot u: verzamelt kennis; en door kennis zult gij macht krijgen. Laten wij u ernstig raden u te ontwikkelen; neemt kennis inplaats van alcohol â het is aangenamer en duurzamer.quot; !) 4» 4- Met de toenemende bekendheid met industriëele toestanden kwam eene reactie tegen de roekelooze aanvallende taktiek, die het kenmerk was der Owensche blaaskakerij. Hier zien wij opnieuw de drukkers-bedrijven de leiding nemen. Reeds in 1835, toen de Londensche letterzetters hunne vereeniging reorganiseerden, achtte het bestuur het noodig tegen de groote algemeene bonden uit te varen. âOngelukkiglijk hebben bijna alle tot-nog-toe gevormde vakbonden,quot; berichten zij hunnen leden, âvoor hun succes vertrouwd
op afgedwongen eeden en fysieke kracht..... De fout en den
ondergang van alle vakbonden is tot-nog-toe geweest, dat zij de ondeugden navolgden, die zij voorgaven te veroordeelen. Toen zij onvereenigd en machteloos waren, hebben zij hunne werkgevers gebrandmerkt als inhalige slavendrijvers; maar zoodra zij (de werklieden) vereenigd en machtig waren, werden zij op hun beurt tyrannen en poogden op onredelijke wijze meer af te dwingen dan de aard van hun bedrijf vorderde, of dan de werkgevers in staat
waren te geven. Vandaar dat hun fiasco onvermijdelijk was.....
Laten de Londensche letterzetters den Engelschen handwerkslieden een schooner en beter voorbeeld geven; en laat ons, met verwerping der hulp van geslepenheid en ruwe kracht, slechts de onweerstaanbare wapenen van waarheid en rede aanwenden, wanneer wij onze tegenstanders bekampen.quot; 2) Door de rampen van 1837â42 deelde die geest zich ook aan andere vakken mede. Vanaf dien tijd zijn de notulen en circulaires der groote bonden vol indrukwekkende waarschuwingen tegen aanvallend optreden. âWerkstakingen zijn vruchtbaar,quot; zeggen de in raadszitting bijeengekomen gedelegeerden
der Vormers; âin zekere gevallen brengen zij nieuwe voort.....
Hoe vaak zijn niet geschillen voorkomen door een paar woordjes 4 4
') Dit blad bevat een massa nuttige niededeelingen omtrent het vak, speciale verslagen der vakvereenigings-congressen en goed geschreven artikelen over industriëele en economische vraagstukken. Het kenmerkt zich over het geheel door gematigdheid van toon en eerlijke argumentatie. Jammer genoeg is het, voor zoover wij weten, niet bewaard in eene openbare bibliotheek, en wij hebben den Heer Haddleton, secretaris van den beroepsraad te Birmingham, die een volledig stel bezit, te danken voor onze kennismaking met den inhoud. Zie daarin de openings-toespraak voor de Glasmakers van Engeland, Ierland en Schotland, No. 1.
lt;3gt; s) Rapport van de Commissie der Londensche Letterzetters over
Samensmelting, 1834. Jaarverslag, 2 Februari 1S35.
167
van pas met de werkgevers! Het is toch zeker geen schande uwen werkgever den aard en omvang uwer grieven bloot te leggen.quot; 1) Het Hoofdbestuur der Steenhouwers waarschuwt zijnen leden
herhaaldelijk âtegen de gevaarlijke stakings-praktijk.....Blijft er
verre van,quot; dringen zij aan, âzooals gij zoudt doen van een wild dier, waarvan gij weet dat het u zou vernietigen .... Herinnert u wat het was, dat ons in 1842 zoo onbeduidend maakte .... Wij smeeken u, broeders, als gij uw eigen bestaan liefhebt, op alle mogelijke manieren deze nuttelooze werkstakingen te vermijden. Laat ons nog een jaar van ernstige en zorgvuldige organisatie hebben; en als wij ons daarin niet volmaken, moeten wij er nóg een hebben; want het is de wetenschap van den toestand van desorganisatie der werklieden in het algemeen, die den tyran en den uitbuiter aanspoort hen te verdrukken.quot; 2) Eenige jaren later verzoekt de afdeeling Liverpool den steun van alle leden voor het voorstel âdat onze vereeniging niet langer werkstakingen erkent, noch als een middel tot verbetering van onzen toestand, noch als een middel van verweer tegen inbreuken,quot; 3) en stelt in plaats daarvan voor, een emigratiefonds te stichten. De afdeeling Portsmouth overtreft dit voorstel, door er op aan te dringen, dat niet alleen geen stakingen meer zullen plaats vinden, doch dat ook het woord âwerkstakingquot; zal worden afgeschaft 1 Het Flint Glass Makers' Magazine is tusschen 1850 en 1855 vol van dergelijke uitlatingen. âWij gelooven,quot; schrijft de redacteur, âdat werkstakingen het verderf der vakvereenigingen zijn geweest.quot; ') In 1854 besloten de Kristalglasmakers bij referendum, op voorstel van het Hoofdbestuur, de stakings-uitkeering af te schaften. Ter vervanging daarvan werd vaak voorgesteld, dat een slechte patroon zou getroffen worden, door stil-aan zijne werklieden een voor een weg te nemen, daar elders wel betrekkingen voor hen gevonden konden worden. âAls man na man heengaat en niemand (komt) om hunne plaats in te nemen, dan is het dat de trotsche en hoogmoedige geest van den onderdrukker geknakt wordt en hij de macht voelt die hij niet kan zien.quot; 6) 4gt;
amp; Het was een deel derzelfde taktiek van beperking van
het gebruik van het wapen der werkstaking, dat in den loop der jaren aan de plaatselijke afdeelingen de bevoegdheid ontnomen werd, den werkgevers den oorlog te verklaren. In de beide groote
4 4
^ ') Adress of Delegate Meeting to the Members of the Friendly Society
of Ironmoulders of England, Ireland and Wales, 26 September 1846. 4
lt;3gt; s) Fortnightly Circular van 25 December 1845.
') Fortnightly Circular van Juni 1849. 4gt;
^ 4) Januari 1855. 4
6) Brief over âDe Kwade Gevolgen van Werkstakingen,quot; in het Flint Glass Makers' Magazine van Juli 1850, 4gt;
168
vereenigingen waarvan wij volledige archieven bezitten âde Vormers en de Steenhouwers â zien wij eene geleidelijke centralisatie in de bevoegdheden van het hoofdbestuur. De gedelegeerden-vergadering der Vormers van 1846, droeg het gezag geheel en al aan het Hoofdbestuur op. âHet stelsel,quot; berichten zij, âvan te veroorloven dat geschillen erkend worden door vergaderingen onzer leden, die in den regel onder den invloed van een of andere opwinding staan, of van de wijs gebracht worden door een moeien brief van het tooneel van den strijd, is beslist verkeerd. Bij deze gelegenheden voelen onze leden niet die verantwoordelijkheid, die zij behoorden te gevoelen. Zij zijn blootgesteld aan misleiding. Een kranige redevoering, vooringenomenheid, eene scheeve voorstelling, of een schoonschijnende brief â alle te zamen, of een dier dingen kunnen een winkel, of eene geheele afdeeling in een geschil wikkelen dat onrechtvaardig is en mogelijk niet de minste kans tot bereiking van het doel aanbiedt.... Onder den indruk van de waarheid dezer meeningen, hebben wij voor het vervolg de bevoegdheid tot het erkennen van geschillen in handen gesteld van het Hoofdbestuur alleen.quot; ') Het Hoofdbestuur der Steenhouwers verbiedt na 1843 den afdeelingen uitdrukkelijk, winkels te doen staken, zelfs als zij niet van plan zijn de uitkeering ten laste der vereenigingskas te brengen. En hoewel in dezen bond de beslissing omtrent staken of niet staken niet, zooals bij de Vormers, berustte bij het Hoofdbestuur, was iedere afdeeling verplicht haren eisch door middel van de Fortnightly Circular te onderwerpen aan de stemming van alle leden door het geheele land â een maatregel die vertraging veroorzaakte en het Hoofdbestuur gelegenheid gaf zijn invloed ten gunste van vrede aan te wenden. 4gt;
amp; Het feit dat de meeste hoofdbesturen zich vanaf 1845
tegen werkstakingen verzetten, bracht echter niet het prijsgeven van een krachtig optreden in vak-aangelegenheden met zich. De leiders der meer ontwikkelde vakken hadden de economische stelling aanvaard, dat de loonen onvermijdelijk afhankelijk moeten zijn van de verhouding van vraag en aanbod in iedere afzonderlijke soort arbeid. Het scheen eene voor de hand liggende gevolgtrekking, dat het eenige binnen hun bereik liggende middel tot behoud en verbetering van hun toestand, gelegen was in het verminderen van het aanbod. âAlle mannen van ondervinding zijn het er over eens,quot; verzekert de gedelegeerden-vergadering der Vormers in 1847, âdat de loonen het best verhoogd kunnen worden door de vraag naar arbeidskracht.quot; Dientengevolge zien wij het uitvaren tegen
werkstakingen vergezeld gaan van een streven naar de beperking ^
') Address of the Delegate Meeting to the Members of the Friendly Society of Ironmoulders, 1846. 4
169
van leerlingen, het afschaffen van overwerk en het instellen van een emigratiefonds. De Kristalglasmakers verklaren dat âhet gebrek aan arbeidskrachten een der grondbeginselen was, vastgesteld door ons congres, dat in 1849 te Manchester gehouden werd.quot; âHet is eenvoudig een kwestie van vraag en aanbod en wij weten allen, dat als wij van een artikel eene grootere hoeveelheid aanbieden dan werkelijk gevraagd wordt, goedkooper worden van dat artikel, onverschillig of het arbeidskracht is of een andere waar, een natuurlijk gevolg is.quot; ') In deze toepassing der leer van vraag en aanbod, voegden zich bij de Kristalglasmakers de Letterzetters, Boekbinders, Vormers, Pottenbakkers en, zooals wij aanstonds zullen zien, de Machinebouwers. 3) Gedurende de volgende tien jaren wordt een emigratiefonds een vaste instelling van vele der groote vereenigingen, die eerst prijs gegeven werd toen men ontdekte dat de weinige duizenden ponden, die voor dat doel bestemd konden worden, geen zichtbare uitwerking hadden in het verminderen van de overtollige arbeidskracht. Bovendien was het 't flinke en energieke lid, dat zijn reisgeld aanvroeg, terwijl de eeuwig-werkelooze, zoo men hem al bewegen kon op reis te gaan, onveranderlijk weder in het vereenigingslokaal verscheen na een kort uitstapje op kosten der vereeniging. 8) 4
4 Het schadelooze doch tevens nuttelooze middel der
'b l) âEmigratie als middel tot een Doel,quot;/7*«^ Glass Makers'' Magazine
van Augustus 1854; rondschrijven van het Hoofdbestuur, September 1857. lt;3» ') âAls gij dus in eene slapte vijftig man zonder werk hebt, zullen
deze 1015 pond per jaar ontvangen en terzelfder tijd door de werkgevers gebruikt worden als zweep om uwe loonen omlaag te brengen; door hen a 20 pond per hoofd naar Australië te zenden, bespaart gij 15 en zendt hen naar overvloed inplaats van thuis te verhongeren; gij houdt uw eigen loonen goed, door eenvoudig de overtollige arbeidskracht van de markt te verwijderen.'' (Afscheids-toespraak van den secretaris, Flint Glass Makers' Magazine van Augestus 1854.) âVerwijder de overtollige arbeidskracht en de verdrukking zelf zal spoedig tot het verleden behooren.quot; (Dito.) '1gt;
O 3) Emigratiefondsen beginnen ongeveer 1843 in de vak-vereenigings-
verslagen te verschijnen (zie de Potters' Examiner). Gedurende dertig jaren bevatten de boeken der groote vereenigingen nu en dan beduidende posten voor het emigreeren van leden. De tabellarische opgave van uitgaven, gepubliceerd in het jaarverslag der Vormers, toont bijv. aan, dat tusschen 1855 en 1874, 4712 pond op deze wijze is uitgegeven geworden. In de Timmerlieden-Vereeniging bleef een emigratie-uitkeering tot in 1866 bestaan, in welk jaar zij voor goed door den Algemeenen Raad werd afgeschaft, daar vooral de leden, woonachtig in de Vereenigde Staten en de Koloniën zeer tegen dit gebruik der gelden gekant waren. Maar het was tusschen 1850 en i860, dat emigratie het meest in aanzien stond als een onmisbaar deel der vakvereenigingstaktiek. De vakver-eenigingen in de Vereenigde Staten en de Australische koloniën richtten krachtige protesten tot de besturen der Engelsche vereenigingen (zie bijvoorbeeld de Fortnightly Circular der Steenhouwers van Juni 1856), een feit dat, met het wegsterven der âgoudkoorts'' en de verandering van opinie in de vakvereenigingen, medewerkte tot het prijsgeven der taktiek. lt;3gt;
170
emigratie, ging samen met het meer dubbelzinnige plan van het vak voor aankomelingen te sluiten. De Kristalglasmakers zijn, evenals de andere branches der glasfabricage, altijd berucht geweest wegens hunne strenge beperking van het aantal leerlingen. Het voortdurende refrein van hun vakblad is: âHandhaaft het reglement en houdt de jongens terug; want dat is de oorsprong van het kwaad, het geheim van onzen vooruitgang, de wijzerplaat waarop onze vereeniging werkt en de hoop van toekomstige geslachten.quot; ') De drukkersbedrijven waren even actief. Bizondere commissies uit de London Society of Compositors waren voortdurend aan het onderzoeken naar de beste manier om jongensarbeid tegen te gaan en het overgaan van leerlingen uit andere vakken te regelen. En de machinebouwvakken, die ongeveer dien tijd in de vakvereeni-gingswereld kwamen, baseerden hunne geheele taktiek op de stelling, dat de ambachtsman die zijn vak op behoorlijke wijze geleerd had, hetzelfde recht had als de docter of de advocaat, om ongediplomeerden buiten zijn beroep te sluiten. 4«
Zoo was de âNieuwe Geestquot;, die tegen 1850 de vak-vereenigingswereld beheerschte. Inmiddels bracht de gestadige groei der nationale bonden, elk met drie tot vijf duizend leden, steeds toenemende uitkeerings-fondsen en eene wekelijksche contributie per lid, die somtijds een shilling te boven ging, een beduidende ontwikkeling van den bouw der vakvereenigingen met zich mede. De kleine clubs en plaatselijke vereenigingen waren grootendeels beheerd geworden door in hunne vakken werkende lieden, die hun taak als secretaris in den avond vervulden. Bij den groei van nationale organisaties, als de Steenhouwers, de Vormers en de Stoommachinemakers, maakte alleen reeds de omvang der zaken het aanstellen van een der leden noodzakelijk, die zijn geheelen tijd aan de correspondentie en administratie moest wijden. Maar de nieuwe ambtenaar, hoe ijverig en wel-meenend ook, vond zich belast met een taak, waarvoor hij noch door opvoeding, noch door aanleg geschikt was. De archieven dezer vereenigingen openbaren het aandoenlijke streven van ongeoefende werklieden, om zich door de moeilijkheden der combinatie van afdeelingsbestuur en gecentraliseerde administratie heen te werken. Het verstrekken van uitkeeringen door afdeelings-verga-deringen, het beheer en het overmaken der fondsen, de rekeningen voor plaatselijke uitgaven, (inclusief âdrank voor het bestuur,quot;) 3)
lt;£gt; 4
lt;5gt; 'l Flint Glass Makers'1 Magazine van September 1857. 4
lt;Sgt; '') Gedurende die jaren voerden de hoofdbesturen der groote ver
eenigingen oorlog over de âtoelage voor drank.quot; In de gewone en financiëele verslagen der vereenigingen van de eerste helft dezer eeuw, was drank een der voornaamste posten van uitgaaf, en in de reglementen werden uitdrukkelijke bepalingen voor het onthaal van bestuurders en leden op alle vergaderingen
171
de geheimen van het boekhouden en de ingewikkeldheden van de rekening en verantwoording, eischten alle een nieuw college van ambtenaren, speciaal uitgezocht en uitsluitend aangenomen voor dat werk. Gedurende die jaren nemen wij een verschuiving van het leiderschap in de vakvereenigingswereld waar, van de toevallige enthousiast en niet-verantwoordelijke agitator naar eene klasse van vaste, bezoldigde ambtenaren, speciaal uit de gelederen der vakvereenigingsmannen gekozen om hunne meerdere zakelijke bekwaamheid. Maar behalve het dagelijksche administratieve werk, bracht de uitbreiding van plaatselijke vereenigingen tot zich over het geheele land uitstrekkende organisaties en het veranderen van onsamenhangende federaties in hecht-vereenigde bonden, het moeilijke proces van het maken van statuten met zich mede. Uit de notulen der Vormers en Steenhouwers blijkt, met hoeveel angstige nauwgezetheid elkander opvolgende gedelegeerden-vergaderingen zochten naar een reglement, dat doelmatig en zonder schokken zou werken. Eéne vereeniging echter, de Journeymen St cam-Engine and Machine Makers' and Millwrights' Friendly Society, behandelde de vraagstukken van inwendige organisatie met bizondere bekwaamheid en bracht ten slotte in de Amalgamated Society of Engineers (Algemeene Machinebouwers-Vereeniging) een
vastgesteld. De reglementen der Londensche Wolwerkers-Vereeniging (1813) zeggen, dat âde Voorzitter voorzien zal worden van de dranken zijner keuze, wijn alleen uitgezonderd.' De Vorniers-Vereeniging (1809J bepaalt dat de tnarshatl 1 commissaris van orde) het bier onpartijdig in de vergadering ver-deelen zal, en dat het den leden verboden is voor hun beurt te drinken, âbehalve de bestuurders aan de tafel, of een lid dat voor de eerste maal in de stad komt.quot; Zelfs nog in 1837 zeggen de reglementen der Stoommachine-makers-Vereeniging dat een derde der wekelijksche contributie besteed zal worden aan ververschingen voor de leden, eene bepaling die bij de herziening van 1846 vervalt. In datzelfde jaar verbood de gedelegeerden-vergadering der Vormers het rooken en drinken gedurende haar eigen zittingen en zette deze zelf-onthoudende ordinantie voor, door de reglementen der vereeniging zoodanig te wijzigen, dat de op vergaderingen toegestane hoeveelheid bier, vervangen wordt door het equivalent in geld. âWij gelooven,quot; luidt het rapport aan de leden, âdat de zaken der vereeniging veel beter gedaan zouden worden, als er geen drank geschonken werd. Onderbrekingen, verwarring en tooneelen van geweld en wanorde zijn vaak de kenteekenen van vergaderingen, waar orde, kalmte en onpartijdigheid moesten heerschen.quot; Tegen i860 hadden de meeste groote vereenigingen alle toelagen voor drank afgeschaft en sommigen hadden zelfs het gebruik van drank gedurende de huishoudelijke vergaderingen verboden. Men moet zich echter herinneren, dat de vakvereenigingen aanvankelijk geen ander vergaderlokaal hadden dan de clubzaal die de kastelein kosteloos ter hunner beschikking stelde, en dat zij de huur eigenlijk door hunne vertering betaalden. Ondertusschen verplaatsten de Letterzetters en de Boekbinders hunne hoofdkwartieren naar eigen kantoorlokalen en de Stoommachinemakers veroorloofde de afdeelingen zalen voor hunne vergaderingen te huren, om de verzoeking te vermijden. In 1850 berichten de Vormers, dat sommige kasteleins weigerden zalen voor vergaderingen af te staan, wegens de toename der afschaffing. 4tgt;
172
âNieuwen Vormquot; van het grootste gewicht voor de geschiedenis der vakvereenigingen tot stand. 4
4 Om de opkomst dezer merkwaardige vereeniging te
begrijpen, moeten wij terugkeeren tot de vroege geschiedenis van combinaties, die tot-nog-toe in ons relaas der algemeene beweging nauwelijks de aandacht hebben gevraagd. De oorsprong van het vakvereenigingswezen in de machinebouwvakken, is duister. Wij vernemen dat de toenmaals heerschende klassen van molenwerk-makers, op het einde der vorige eeuw sterke, exclusieve en zelfs tyrannieke vakvereenigingen bezaten. ') De molenwerkmakers, die oorspronkelijk molenwerk van allerlei soort, zoowel van hout als van ijzer, maakten, werden door de invoering der stoommachine geleidelijk vervangen door speciale werklieden in verschillende branches van hun vak. De invoering van hetgeen âde economie der machinebouwersquot; genoemd werd, dat wil zeggen : de verdeeling van het molenwerkmakersbedrijf onder afzonderlijke klassen van werklieden, en de vervanging van het standaardloon der molenwerkmakers door het âloon naar bekwaamheid,quot; bracht volslagen desorganisatie onder de geschoolde werklieden van het machinevak. Deze toestand werd niet veel verbeterd door het stichten (vanaf 1822) van talrijke concurreerende vakvereenigingen tot onderling hulpbetoon. Alleen de Vormers trokken al hunne krachten samen op de handhaving van ééne nationale vereeniging. De molenwerkmakers, smeden, modelmakers en andere geschoolde Werklieden, betrokken bij het vervaardigen van werktuigen en machines, hadden vereeni-gingen in London, Manchester, Newcastle, Bradford, Derby en andere centra van den machinebouw. Van deze stonden de Stoommachinemakers (opgericht in 1824), de Stoommachine- en Werktuigmakersgezellen en Molenwerkmakers (opgericht in 1826) de Verbonden Broederschap der Ijzersmeden, in de wandeling de âOude Smedenquot; genaamd (opgericht in 1830) en de Ketelmakers (opgericht in 1832) bekend als zich over het geheele land uitstrekkende organisaties, met afdeelingen in alle deelen des rijks en niet alleen concurreerend met elkander, doch ook met de plaatselijke vereenigingen der Molenwerkmakers, Smeden, Modelmakers en Algemeene Machinebouwers in de hoofdstad en elders. Deze anarchistische mededinging belette alle ernstig optreden in vakaangelegenheden en bracht de werkgevers in verzoeking het
4 4
') Zie de getuigenis door Galloway en andere werkgevers afgelegd voor de enquête-commissie van 1824; eveneens terloopsche aanduidingen in T/u Li/c of Sir William luiirbairu (London 1877) en andere werken. Wij konden geene documenten ontdekken van machinemakers-vereenigingen van vóór 1822. Sir William Faikhairn schrijft, in de voorrede tot zijn Mills and MHhvork, het overvleugelen van den molenwerkmaker toe aan de veranderingen die het gevolg waren van de invoering der stoommachine. lt;0
173
werk te geven aan den laagsten inschrijver en de stukvverk-con-currentie benevens het uitbesteden in hunne ergste vormen in te voeren.
Wij zijn daarom niet verwonderd te zien, dat de ver-eenigingen der machinebouwers in geringe mate deelnamen aan de groote vlucht van 1830â34. Maar de springvloed van solidariteit, die zich toen over de wereld van den arbeid uitstortte, schijnt zelfs op dat vak, hoewel langzaam, aanzienlijken invloed gehad te hebben. De streken die er het meest door werden aangetast, waren Londen en Lancashire. In 1836 leidde eene Londensche commissie der verschillende op-zich-zelf staande vereenigingen met succes eene werkstaking ten behoeve eener vermindering der werkuren tot zestig per week en van extra loon voor overwerk, die acht maanden duurde. In 1844 verkreeg eene dergelijke commissie eene verdere verkorting van den arbeidsduur. Aangemoedigd door dit succes, begonnen de Londensche vereenigingen en afdeelingen de mogelijkheid eener nationale samensmelting te bespreken. De meest op den voorgrond tredende persoonlijkheid in deze beweging was die van Wiu.iam Newton, ^ een in aanzien staand lid der Journeymen Steam-Engine and Machine Makers and Millwrights'' Friendly Society, de bond die, zooals wij zullen zien, later de vader der amalgamatie werd.
William Newton bezat juist de voor zijn taak noodige eigenschappen. Met eene merkwaardige welsprekendheid begaafd, scherpzinnig en verzoenend in zijn optreden, slaagde hij er evenzeer in de massa met een breed denkbeeld te begeesteren, als de vertegenwoordigers en bestuurders van concurreerende vereenigingen te bewegen zich te vereenigen met de onderdeelen van zijn plan. Zijn invloed werd vergroot door zijne beproefde toe-
4Sgt; ') William Newton was in 1822 te Congleton geboren; zijn vader,
die eens eene hoogere betrekking had bekleed, was toen machinist. De jongen werkte op veertien-jarigen leeftijd in machine-werkplaatsen, kwam in 1840 te Londen (waar hij in dezelfde werkplaats arbeidde als Sm Henry James, die toen leerling-ingenieur was) en bracht het tot meesterknecht. Na zijn ontslag opende hij te Ratcliffe een herberg en wijdde zich grootendeels aan de amalgamatie der machinebouwers-vereenigingen. In 1852 werd hij voor een korte poos secretaris eener kleine assurantie-maatschappij. Bij de algemeene verkiezingen van 1852 was hij candidaat voor het Tower Hamlets-district (in Londen). Hij werd door de beide groote politieke partijen bestreden en niet gekozen, doch behaalde 1095 stemmen. In latere jaren werd hij eigenaar van een bloeiend lokaal blad en werd door het districts-bestuur van Mile End tot zijn vertegenwoordiger in den Londenschen Raad van Openbare Werken gekozen. Van dat lichaam werd hij een der toon-aangevende leden ; hij was lid van 1862 tot 1876, de belangrijke functies van vice-voorzitter der Parlementaire, Brandweer-en andere commissies vervullende. In 1868 stond hij opnieuw als candidaat in de Tower Hamlets tegenover de conservatieven en liberalen en ontving 3890 stemmen; en in 1875 was hij candidaat bij eene tusschentijdsche verkiezing te Ipswich, doch alweder zonder succes. Hij stierf op 9 Maart 1876.
174
wijding aan de zaak der vakvereenigingen. In 1848 werd hij, wegens zijn optreden in vakaangelegenheden, ontslagen uit een prachtige betrekking als meesterknecht in eene groote inrichting, en in de volgende jaren werd zijn bedrijf van kastelein zeer benadeeld door zijne voortdurende afwezigheid voor vereenigings-zaken. Maar hoewel hij van den aanvang af een actief lid zijner vereeniging was geweest, was hij, voor zoover wij weten, nooit hare bezoldigde bestuurder. Hij staat daarom halfweg tusschen den tijdelijken en amateur-bestuurder van het oude vakvereenigings-wezen en de nieuwe klasse van permanente bestuurders, die zich bijna uitsluitend op kantoorwerkzaamheden toelegt en zich eene doorwrochte ondervinding in vakvereenigings-organisatie eigen maakt. êgt; Terwijl Newton de Londensche vereenigingen in slagorde
opstelde, bewogen de machinebouwers van Lancashire zich in dezelfde richting. Reeds in 1839 drong eene âcommissie uit de machinebouwvakkenquot; bij hare kameraden aan op het stichten van âééne geconcentreerde vereeniging;quot; en in het volgende jaar werd door de energie van alexander hutchinson, de secretaris der Friendly United Smiths of Great Britain and Ireland (Smeden-Vereeniging) een United Trades Association (Vereenigde Vakbond) in Lancashire opgericht, die zou omvatten de âVijf Vakken der Mechanica, n.1. Mechanisten, Smeden, Vormers, Machinebouwers en Molenwerkmakers.quot; Het doel van dien bond werd uitstekend vertegenwoordigd en voorgestaan door zijn orgaan, het Trades Journal, opgericht ter verbreiding âen verbetering der vakvereenigingen in het algemeen in Groot-Brittanje en Ierland.quot; 1) De poging bleek evenwel voorbarig te zijn en het was niet vóór het jaar 1844 dat de arbeiders van Bolton er in slaagden eene blijvende Protection Society (Beschermings-Vereeniging) te stichten, samengesteld uit afgevaardigden der vereenigingen van Smeden, Molenwerkmakers, Vormers, Machinebouwers en Ketelmakers. Bemoedigd door het succes der Boltonsche vereeniging in het bestrijden van verschillende aanvallen der werkgevers, werden tusschen 1844 en 1850 in alle voorname centra van Lancashire gemengde commissies van werklieden in het machinevak gevormd, en was de grondslag gelegd voor eene systematische poging tot nationale samensmelting. amp; De hoofdrol in de amalgamatie werd gespeeld door de
vereeniging waartoe Newton behoorde. De Journeymen Steam-Engine and Machine Makers and Millwrights' Friendly Society, die te Manchester haar hoofdkwartier had, overtrof in dien tijd alle andere vakvereenigingen in ledental en rijkdom. In 1826 gesticht
lt;Sgt; ') Dit blad wordt bewaard in de Openbare Uibliotheek te Manchester
(341, P. 37). Het was een goed geschreven blad van 16 octavo paginas, eerst veertiendaags en daarna maandelijks uitgegeven, en kostte twee stuivers. No. 1 is gedateerd 4 Juli 1840. lt;êgt;
175
als de Friendly Union of Mechanics, had zij in 1837 eene van 1822 dateerende sterke vereeniging in Yorkshire geabsorbeerd; omstreeks 1848 telde zij zeven duizend leden, georganiseerd in afdeelingen over het geheele land en bezat een reserve-fonds van 27.000 p. st. De stille groei van dezen bond, de langzame volmaking harer statuten door herhaalde gedelegeerden-vergaderingen, gedurende de voorafgaande twintig jaren met tusschenpoozen gehouden, vormen een sterk contrast met het dramatisch optreden der kortstondige organisaties van 1830â34. Maar die taak van inwendige organisatie, met haar geleidelijk uitwerken van het doorwrochte financieele en administratieve stelsel, dat later beroemd werd in de statuten der âAlgemeene Machinebouwers,quot; schijnt gedurende de eerste vijftien jaren van haar bestaan al de energie harer leden in beslag te hebben genomen. In geen van de arbeiders-bewegingen dier periode speelde de vereeniging een rol, en evenmin vernemen wij dat zij in eenigen belangrijken strijd met de werkgevers harer leden gewikkeld was. Eindelijk, in 1843, drong een gedelegeerdenvergadering bij de leden er op aan, het systematische overwerken tegen te gaan; en in 1844 nam de vereeniging, zooals wij gezien hebben, deel aan de Londensche beweging voor verkorting van den arbeidsduur. Tegen 1845 scheen zij zich sterk genoeg gevoeld te hebben om in vakaangelegenheden aanvallend op te treden; in dat jaar deed eene gedelegeerden-vergadering een aanval op het te werk stellen van ongeschoolde arbeiders aan machines, âhet stukwerkstelselquot; en het systematisch overwerk, door gebiedende resoluties, welker snelle ten-uitvoer-legging aan het te Manchester gevestigde Hoofdbestuur werd opgedragen. 1) Dientengevolge blijkt in den loop van het volgende jaar door vele der afdeelingen eene gelijktijdige poging tot doorvoering dezer voorschriften te zijn gedaan. Dit optreden leidde te Belfast, Rochdale en Newton-le-Willows tot gerechtelijke vervolgingen van de zijde der werkgevers, en de bestuurders der vereeniging namen, met een twintigtal harer leden, op de bank der beschuldigden plaats, aangeklaagd wegens samenzwering en onwettige combinatie. 2) Het geding
lt;3gt; ') Notulen der gedelegeerden-vergadering te Manchester, 12 Mei
1845. Eene bewonderenswaardige beschrijving dezer vereeniging, gebaseerd op niet meer bestaande documenten, wordt door PROF. Brentano gegeven in een artikel in de North British Review van October 1870, getiteld: âDe Groei eener Vakvereeniging.quot;
%gt; ') Circulaire van het Hoofdbestuur van 1846, aangehaald in het
proces R. v. Selsby. Twee volledige verslagen van het proces zagen het licht, nl. Verbatim Report of the Trial for Conspiracy in R. v. Selsby and Others (Liverpool 1847, 66 pag.), uitgegeven âop gezag van het Hoofdbestuur der Steam-Engine Makers' Society,quot; en een Narrative etc. of the Trial, R. v. Selsby (Londen 1847, 68 pag.). Beide zijn bewaard in de Openbare Bibliotheek te Manchester, P. 2198. Het iuridisch verslag komt voor in Cox, Crown Cases,
176
tegen de zes en twintig machinebouwers van Newton-le-Willows, en de veroordeeling van negen hunner, waaronder selsby, de algemeene secretaris der groote mechanisten-vereeniging, maakte sensatie in de vakvereenigingswereld en leidde tot nauwere aaneensluiting der concurreerende vereenigingen in het machinevak. 4-4 De vooruitstrevende vak-taktiek van de Journeymen Steam-
Engine and Machine Makers' Society deed in groote mate den invloed toenemen, die hare superioriteit in ledental en rijkdom haar over de talrijke andere vakvereenigingen in het machinebedrijf verschafte. william ai.lan, een jonge Schot, werd de opvolger van selsby in de bezoldigde betrekking van algemeen secretaris. Boezemvriend en ijverig leerling van wllliam newton zijnde, legde hij in het beheer zijner eigen vereeniging spoedig de bekwaamheid en energie aan den dag, die hem in latere jaren in staat stelden een zoo belangrijke rol te spelen in de algemeene geschiedenis der arbeidersbeweging. De zaak der samensmelting werd goed gediend door de onvermoeide agitatorische werkzaamheden dier beide mannen. De maaltijden waarmede jaarlijks de oprichting der vereenigingen herdacht werd en de gezellige bijeenkomsten der gemengde commissies in de ijzerbedrijven in Lancashire, werden, zooals wij uit geschriften dier dagen weten, gebezigd tot het houden van propagandistische redevoeringen en door deze scherpzinnige organisators ook ongetwijfeld gebruikt om de leiders tot instemming met hunne voorstellen te bepraten. De natuurlijke tegenzin door het groote provinciale middelpunt van het vakver-eenigingswezen gevoeld tegen de bemoeiingen der hoofdstad in zijne aangelegenheden, werd verzacht door allans voorstel, dat de vereenigingen van Lancashire in Maart 1850 te Warrington een gedelegeerden-congres zouden bijeenroepen, alleen om te beraadslagen en te discussieeren. In deze bijeenkomst, die bezocht was door de vertegenwoordigers van drie of vier der groote vereenigingen, slaagden Newton en Allan er in, hun amalgamatie-schema in hoofdtrekken aangenomen te krijgen. Gedurende de volgende zes maanden waren deze voorstellen het onderwerp van breedvoerige besprekingen in de vergaderingen van iedere gemengde commissie en afdeeling. Ondertusschen hadden de leiders te Manchester een weekblad opgericht, speciaal ten doel hebbende de amalgamatie te bevorderen; onder schriftelijk contract hadden zij Dr. John Watts, later een der bekwaamste voorstanders der
deel V, pag. 496, enz. Vakvereenigings-verslagen dier dagen bevatten vele niede-deelingen over het proces. Als een voorbeeld van de vijandige strekking der vervolging, werd opgemerkt dat de acte van bescluildiging 4914 punten van aanklacht bevatte en zeven en vijftig yards lang was. W. 1'. ROBERTS organiseerde de verdediging, die den bond 1800 p. st. kostte. De firma, in welker fabriek het geschil ontstond, ging binnen twee jaar bankroet.
12 - Sidney Webb. 177
coöperatie, tot redacteur benoemd. Dit blad, de Trades Advocate and Herald of Progress (Vak-Advocaat en Heraut van den Vooruitgang), gezegd te zijn âopgericht door de IJzerbedrijven,quot; besprak de voordeden van aaneensluiting en leeraarde terloops de dogmas van Vrijhandel en Productieve Coöperatie.1) 4
4 Toen Lancashire eenmaal bekeerd en bevredigd was, kon
Londen voortgang maken. Onder den invloed van Newton riep de Londensche gemengde commissie in September 1850 te Birmingham eene tweede gedelegeerden-vergadering bijeen, waaraan werd deelgenomen door vertegenwoordigers van zeven vereeni-gingen in het machinevak. Op dit congres werd het amalgamatie-schema definitief aangenomen, en aan het Londensche âCentraal Comitéquot; werd, als âVoorloopig Comitéquot; opgedragen, den overgang der oude organisatie in het nieuwe lichaam in onderdeden te voltooien. Met welk een tact en vaardigheid Newton en Allan hun plan ten uitvoer legden, blijkt duidelijk uit de wijze waarop het feit der samensmelting door alle betrokkenen werd beschouwd. Van de zijde der kleinere vereenigingen is nergens te bespeuren dat zij eenige verdenking koesterden aan iets anders deel te nemen dan aan eene amalgamatie op gelijke voorwaarden. De geheele vakvereenigingswereld, met inbegrip van de Amalgamated Society of Engineers zelf, heeft de traditie bewaard, dat deze groote organisatie het uitvloeisel was eener wezenlijke amalgamatie van vereenigingen van ongeveer gelijken rang. Wat echter inderdaad plaats had, was, dat de door Newton en Allan geleide vereeniging hare concurrenten in zich opnam. *) Het nieuwe lichaam nam in hun geheel over de doorwrochte statuten, de uitkeeringsfondsen, de vak-taktiek en zelfs de ambtenaren-staf van de Journeymen Steam-Engine and Machine Makers and Millwrights' Society, die meer dan drie vierde van het ledental leverde waarmede de amalgamatie begon, en die tot in de kleinste bizonderheden werd voortgezet in de statuten en reglementen van den nieuwen bond. 4 4 De conclusies der Birminghamsche vergadering werden
niet zonder tegenspraak aanvaard. Vele afdedingen in Lancashire en elders hadden bezwaar tegen de door het Londensche Comité verkregen positie en hielden zich buiten de amalgamatie. De Manchestersche Commissie vertoonde teekenen van jaloezie wegens
4
lt;$gt; ') The Trades Advocate and Herald oj Progress was een weekblad
van 8 quarto pagina's, prijs 1 stuiver; het eerste nummer is gedateerd Juni 1850. De halve jaargang van Juni tot December 1850 is bewaard in de Openbare Bibliotheek te Manchester (401 E, 18). Een knap artikel van Mr. John Burnett in de Newcastle Weekly Chronicle van 3 Juli 1875, geeft een levendig beeld van den strijd om amalgamatie. 4»
â¢a» ') Dit werd aangeduid in Prof. brentano's reeds geciteerd artikel
in de North British Review.
1/8
de verplaatsing van den zetel van het bestuur naar de hoofdstad. Maar de belangrijkste afval was stellig die van de leden der Steam-Engine Makers' Society, eene vereeniging die in ledental en rijkdom slechts bij de Journeymen Steam-Engine Makers' and Machine Makers' Society achter stond. Newton en Allan waren er in geslaagd het geheele Hoofdbestuur te bewegen aan de amalgamatie deel te nemen, maar de massa der leden kwam in verzet en de vereeniging is tot op den huidigen dag op zichzelf blijven staan. Zelfs in Newtons eigen vereeniging, in welke de voornaamste principes der amalgamatie met groote meerderheden waren aangenomen geworden, bleef een beduidend aantal der provinciale afdeelingen vijandig gezind. Op 6 Januari 1851, toen het Voorloopig Comité formeel optrad als Hoofdbestuur van den Vereenigden Bond, betaalden nauwelijks 5000 der 10.500 op het Congres te Birmingham vertegenwoordigde leden, contributie aan de kas der amalgamatie. l) Eenige maanden lang scheen het succes van Newtons grootsch plan dan ook zeer twijfelachtig te zijn. Hoewel Londen hem te hulp was gekomen â slechts ééne kleine vereeniging onthield zich â sloten de provinciale afdeelingen zich zeer langzaam aan. Er was drie maanden overreding noodig, om het ledental der amalgamatie gelijk te doen worden aan dat der moeder-vereeniging. Gedelegeerden-vergaderingen der vereenigingen van Stoommachinemakers en Smeden verklaarden zich tegen amalgamatie, ofschoon vele harer afdeelingen zich afscheidden en tot de nieuwe vereeniging toetraden. Maar tegen het einde der maand Mei liep de wind om. De overgebleven afdeelingen der Journeymen Steam-Engine and Machine Makers and Millwrigths' Society hielden eene gedelegeerden-vergadering, waarin besloten werd, zich niet langer tegen amalgamatie te verzetten; en tegen October stonden Newton en Allan aan het hoofd van een vereenigden bond met 11.000 leden, die elk een shilling per week betaalden â de grootste en machtigste vereeniging die ooit in de machinevakken had bestaan, in ledental en meer nog in jaarlijksch inkomen alle overige vakvereenigingen dier dagen ver overtreffend.2) 4
4 ^
lt;3» ') Het orgaan van het Hoofdbestuur was de Operative, een goed
geschreven weekblad, in Januari 1851 door NEWTON opgericht. De prijs was aanvankelijk anderhalve,, later een stuiver per nummer. De uitgaven tot Juli 1852 â waarschijnlijk alle die verschenen â worden bewaard in het Britsch Museum (P.P. 1424, a.m.). Newton trad als redacteur op en schreef bijna alle artikelen nopens de machinebouwers en de vakvereenigingen in het algemeen. lt;6gt; quot;S1 a) De grootste en machtigste der andere vereenigingen in 1851 waren
die der IJzergieters en Steenhouwers, die ieder tusschen vier en vijf duizend leden telden. Men moet zich herinneren, dat de vroegere kortstondige vereenigingen van katoenspinners en mijnwerkers, die vaak een poos lang hunne leden bij tienduizenden telden, uitsluitend stakings-organisaties waren, met contributiën van niet meer dan een of twee stuivers per week. De enorme bonden van
179
.......I 1 'W
4^ Dit welgeslaagd tot-stand-brengen der amalgamatie werd
gevolgd door een conflict met de werkgevers, dat de aandacht der geheele vakvereenigingswereld op het nieuwe lichaam vestigde. De aanvallende vak-taktiek, door Selsby en Allan in Lancashire, en door Newton in Londen ingeleid, was herhaaldelijk door de gedelegeerden-vergaderingen hunner vereeniging goedgekeurd geworden en werd formeel neergelegd in de grondslagen der grootere organisatie. ') De meer energieke afdeelingen aarzelden niet er naar te handelen. In 1851 stelden de werklieden der groote fabriek van de firma HlBBERT en platt, te Oldham, een reeks eischen, niet alleen tot afschaffing van het overwerk, doch ook tot het weren van âongeschoolde arbeiders en andere âonwettigequot; liedenquot; van de machines. De firma HlBBERT en platt en andere werkgevers moesten in deze eischen bewilligen. 4gt;
Uit de geheime notulen van het Londensche Hoofdbestuur blijkt, dat tot deze poging tot verwijdering van ongeschoolde arbeiders van de machines, door het centrale lichaam geen machtiging was verleend; 3) doch daar William Newton â toen lid van het Hoofdbestuur â optrad als vertegenwoordiger der mannen van Oldham en deze eischen aan de heeren hlbbert en platt overbracht, werd daaruit natuurlijk door de werkgevers afgeleid, dat zijn optreden het onmiddelijke gevolg der amalgamatie was en stichtten zij in December 1851 de Central Associaton of Employers of Operative Engineers (Centrale Bond van Werkgevers van Machinebouwers), om den bond der werklieden te bestrijden. lt;£gt; é- Ondertusschen had het Londensche Hoofdbestuur de
leden geraadpleegd nopens het voorstel om het stelselmatig overwerken en het stukwerk af te schaffen en een bijna eenstemmig besluit ten gunste van onmiddelijk optreden verkregen. Een manifest aan de werkgevers werd uitgevaardigd waarin het Hoofdbestuur aankondigde dat het de bedoeling der vereeniging was na 31 December 1851 een einde te maken aan het stukwerk en het stelselmatig overwerken. De werkgevers antwoordden met een trotsche verklaring in de Times, dat eene werkstaking in de een of andere werkplaats zeven dagen later zou gevolgd worden door
ammsmmtÃÃÃrn
1830â34 hadden gewoonlijk heelemaal geen geregelde contributie en waren afhankelijk van ongeregeld betaalde heffingen. Eene vakvereeniging, die, als de Amalgamated Engineers, kon rekenen op een geregeld inkomen van 500 p. st. per week, was zonder voorbeeld.
') Zie de resoluties van de Gedelegeerden-Vergadering der ijzer-bedrijven te Birmingham, 28 September 1850, in de Trades Union Advocate van November 1850. ^
3) Er werd besloten: âDat het Hoofdbestuur bereid is den leden te Oldham zoover het in zijn macht is bij te staan in het afschaffen van het stelselmatig overwerken, maar niet kan toestemmen hen bij te staan in het verwijderen van ongeschoolde arbeiders van automatische machines.quot;
a
180
eene algemeene uitsluiting in het geheele machine-bedrijf. De werklieden boden daarop aan, het geschil aan eene scheidsrech-telijke uitspraak te onderwerpen, welk voorstel door de werkgevers zelfs niet in overweging werd genomen. Op i Januari 1852 weigerden de leden der Algemeene Vereeniging over te werken en op 10 Januari sloten de patroons, zooals zij gedreigd hadden, elke belangrijke machine-werkplaats in Lancashire en in de hoofdstad. 4 De drie maanden lange strijd die nu volgde, wekte
meer belangstelling bij het groote publiek dan eenig vroeger conflict. In alle couranten werden de bizonderheden van den strijd, het optreden der werkgevers en de taktiek der vakvereeni-ging besproken. De werklieden vonden onverwachte vrienden in de kleine groep van âchristen-socialisten,quot; die zich vierkant in den strijd wierpen en uitstekende diensten bewezen, niet alleen door vrijgevige bijdragen,1) maar ook door artikelen in de bladen, openbare voordrachten en andere uiteenzettingen van de houding der arbeiders. De patroons bleven koppig en stonden niet alleen op de onvoorwaardelijke intrekking van de eischen der arbeiders, doch ook op het teekenen van het welbekende âdocument,quot; waarin het lidmaatschap der vakvereeniging werd afgezworen. De kapitalisten namen weder de oude positie van absolute heerschappij in hunne inrichtingen in en ontkenden nadrukkelijk het recht der arbeiders, om op welke wijze ook gemeenschappelijk op te treden.
Ondanks de publieke inschrijving ten behoeve der uit-geslotenen van 4000 pond sterling en 5000 pond van andere vakvereenigingen, begonnen de ter beschikking der vereeniging staande fondsen spoedig te-kort te schieten. Het Hoofdbestuur had op zich genomen, niet alleen zijn 3500 eigen leden en de 1500 mechanisten, die uitgesloten waren, te ondersteunen, doch ook de 10.000 arbeiders die werkeloos waren gemaakt. Begin Februari openden de patroons hunne werkplaatsen. Tegen midden-Maart was de uitslag van den strijd duidelijk en in den loop van April hervatten de werklieden den arbeid op de voorwaarden der werkgevers. Bijna alle patroons stonden er op, dat hunne werklieden het âdocumentquot; inderdaad zouden teekenen, en de meesten hunner onderwierpen er zich, onder den druk van dreigenden nood, met weerzin aan, zonder echter hunne belofte te houden en de vereeniging te verlaten. De rechter HUGHES, omschrijft in i860 deze trouwelooze handeling der arbeiders als âonvergeefelijk,quot; maar er is veel te zeggen voor het standpunt ingenomen door het Hoofdbestuur, dat het zichzelf en âeen ieder die zijn hand
4 4
') Lord Goderich, thans Markies van Ripon, gaf het Hoofdbestuur een chèque voor 500 pond sterling, om in een geval van tijdelijken nood het stakingsgeld te kunnen blijven uitbetalen.
181
onwillig zet onder dat ons opgedrongen verfoeielijke document, in gelijke mate beroofd beschouwde van die vrije wil, door welke iedere overeenkomst behoort te worden voorafgegaan, alsof een pistool tegen zijn hoofd gedrukt was en hij te kiezen had tusschen dood en vernedering.quot; 1)
4 Uit eene onder zulken dwang afgeperste belofte, volgt
weinig wettige en nog minder zedelijke verplichting en wat ook ten nadeele der handelwijze mogt zijn, moet daarvan minstens evenveel worden toegeschreven aan de patroons, die den eisch stelden, als aan de ongelukkige slachtoffers van den industriëelen oorlog, die er onwillig in toestemden.s)
4 Het waren de dramatische gebeurtenissen van 1852, die
de stichting der Amalgamated Society of Engineers een keerpunt deden worden in de geschiedenis der vakvereenigings-beweging. De door de werkgevers behaalde volledige overwinning, vernietigde niet, zooals zij gehoopt hadden, de vereeniging der machinebouwers. De vereeniging was inderdaad niet ernstig beroerd. 1) Integendeel nam zij, doordat zij in het conflict zeer bekend was geworden, eene ongeëvenaard voorname positie in de vakvereenigingswereld in. Van 1852 tot 1889 diende de doonvrochte constitutie der Amalgamated Society of Engineers als model voor alle nieuwe nationale vakvereenigingen, terwijl oude organisaties langzamerhand hare voornaamste bepalingen overnamen. De plaats in 1830â34 bezet door de katoenspinners en arbeiders in de bouwvakken, was nu inderdaad ingenomen door de ijzer-bedrijven. ^ De aldus ingevoerde âNieuwe Vormquot; verschilde, zoowel
â ') Circulaire van het Hoofdbestuur van 26 April 1852, in de Operative van 1 Mei 1852. Een aantal werklieden weigerde te teekenen en vele emigreerden. E. Vansittart Neale gaf den leden ten dien einde een voorschot van 1030 pond sterling, dat in zijn geheel door de leeners werd terugbetaald. lt;ugt;
â ') Van de overvloedige literatuur over dezen grooten strijd mag genoemd worden het Account van Mr. Thomas (nu rechter) Hughes, in het Report on Trade Societies, door het Genootschap voor de Sociale Wetenschap, i860; de voordrachten van Mr. J. M. Ludlow, getiteld The Master Engineers and their Workmen (Londen 1852); een brochure May / not do what T wilt with my own? door E. Vansittart Neale; en de getuigenis afgelegd door Newton (voor de arbeiders) en Sidney Smith (voor de werkgevers) voor de Enquête-commissie nopens Patroons en Werklieden (in 1856). De manifesten der werkgevers zijn te vinden in de Times van December 1851 tot April 1852; de documenten der werklieden en verslagen hunner vergaderingen in de Operative (onder redactie van Newton) en in de A'ortlurn Star, die toen op sterven lag.
4» ') Tegen het einde van 1852 was haar ledental van 11.829 gedaald
tot 9737; maar zelfs toen nog had zij een kas-saldo van 5382 pond sterling; en binnen drie jaren was haar ledental gestegen tot 12.553 en de geaccumuleerde reserve tot het tot dien voorbeeldelooze totaal van 35.695 p. st. En in tegenstelling met alle vroegere vakvereenigingen, is hare geschiedenis sinds 1852 eene van voortdurenden groei en voorspoed, het ledental in 1892, na een bestaan van een en veertig jaren, 71.000 zijnde, met een saldo van 214.000 p.st. â
182
i
ten goede als ten kwade, van het typische vakvereenigingswezen der vorige generatie. De machinebouwers-vereenigingen hadden tot op zekere hoogte de exclusivistische taktiek van de organisaties der bekwame handwerkslieden van het begin der eeuw geërfd. In tegenstelling met de algemeene vakvereenigingen van 1830â34, lieten zij slechts werklieden, die een wettelijken leertijd hadden doorloopen, tot het lidmaatschap toe. Hare annalen vertoonen meer sporen van het oude denkbeeld van wettelijke inlijving van onderscheiden vakken, dan van een algemeenen bond van âde voortbrengende klassen.'quot; Het genereuse doch onpractische âuniversalisme' der Owensche en Chartistische organisaties, werd vervangen door het beginsel van de bescherming der belangen van den ambachtsman in zijn beroep. De inleiding tot de reglementen der moeder-vereeniging drukt dit overheerschend denkbeeld in een krachtige beeldspraak uit:
4 âDe jonge man, die het geluk en de neiging heeft om
zich tot een nuttig lid der maatschappij te bekwamen door de geneeskunde te bestudeeren, en die zijne studie met succes volbrengt en een diploma van de geneeskundige faculteit verkrijgt, verwacht natuurlijk dat hij in zekere mate recht heeft op voorrechten, waarop de bedriegende kwakzalver geen aanspraak kan maken; en indien hij zich in de uitoefening van dat nuttige beroep door zulk een bedrieger benadeeld ziet, heeft hij de macht een rechtsgeding tegen hem in te stellen. Dat zijn de voordeelen verbonden aan de geleerde beroepen. Maar de ambachtsman, die wellicht een bijna even groot vermogen besteedt en een gelijk deel van zijn leven opoffert, om bekend te worden met de verschillende deelen van het nuttige werktuig, heeft geen wet die zijne voorrechten beschermt.quot; ') Hij wordt daarom aangespoord zich aan te sluiten bij de vereeniging, die er naar streeft aan zijn vak dezelfde bescherming tegen beunhazen te verzekeren, als die welke door de geleerde beroepen genoten wordt. ^
4 Deze geest van exclusivisme heeft, zooals wij later zullen
zien, eene dubbele uitwerking gehad, niet alleen op de geschiedenis der vereeniging zelve, doch op die van de vakvereenigings-beweging Maar de vakbewegingen dier dagen zagen niet in, of beseften niet de strekking dezer poging tot behoud of weder-instelling eener aristocratie van geschoolde arbeiders. Wat op de werklieden indruk maakte, was niet de vak-taktiek, die de nederlaag van 1852 veroorzaakt had, maar het bewonderenswaardig bedachte financieele en administratieve stelsel, dat de vereeniging in staat stelde de verrichtingen eener organisatie tot bescherming in vak-aangelegenheden
4 é'
â »gt; ') Inleiding tot de Reglementen van de Journeymen Steam-Engine,
Machine Makers, and Millwrights' Friendly Society, uitgave van 1845.
!
I
4 '
K
I
ill »
'il
â
â
183
te vereenigen met die eener permanente verzekerings-maatschappij, waardoor eene financiëele stabiliteit bereikt werd, waarvan men tot-nog-toe niet had gedroomd. De tijd bewees dat deze constitutie hare eigenaardige gebreken had. Maar gedurende meer dan twintig jaren twijfelde geen vakvereenigingsman aan hare voortreffelijkheid, en de kleingeestige kritiek en booze beleedigingen die zij van de zijde der werkgevers en hunne pleitbezorgers uitlokte, scheen slechts eene getuigenis te meer ten gunste harer doelmatigheid. Wij gelooven daarom, op gevaar af van in vervelende détails te moeten vervallen, dat het de moeite waard is, de hoofdtrekken van dien âNieuwen Vormquot; te beschrijven.
é- In treffend contrast met de vereenigingen van katoen
spinners en arbeiders in de bouwbedrijven van 1830-34, die zich uitsluitend met vak-aangelegenheden bezig hielden, waren de vereenigingen in de machinevakken, evenals de vakorganisaties der handwerkslieden van de vorige eeuw, als plaatselijke vereenigingen tot onderling hulpbetoon ontstaan. Zoo had bijvoorbeeld de your-neymen Steam-Engine Makers'1 Society haren leden van den aanvang af voorzien van uitkeering bij werkeloosheid, reisgeld, uitkeering bij overlijden en een som in eens in geval van invaliditeit als gevolg van een ongeval. In 1846 voegde zij daarbij nog eene uitkeering bij ziekte en spoedig daarna een ouderdoms-pensioen voor invaliede leden. Het beheer dezer uitkeerings-fondsen was van huis uit het hoofddoel der organisatie. Toen de plaatselijke club door het van stad tot stad trekken zijner leden tot eene nationale vereeniging groeide, bleek het, hoe buitengewoon moeilijk het was de plaatselijke autonomie te doen samengaan met een billijk en zuinig beheer der uitgebreide uitkeeringen. Want men moet zich herinneren dat de vereeniging niet was eene federatie van onafhankelijke lichamen, ieder met zijn eigen kas en aan de centrale kas zijn vastgesteld aandeel in de kosten van het hoofdbureau betalend, doch dat het van den aanvang af één enkele bond was, met één gemeenschappelijke beurs, waarin alle contri-butiën werden gestort en waaruit alle uitgaven, tot de door een afdeelings-secretaris gebruikte inkt en pennen toe, werden bestreden. Deze centralisatie der kassen bracht het practische voordeel met zich, dat er eene belangrijke reserve, ter beschikking van het hoofdbestuur, werd gevormd. Maar zoolang zij samenging met plaatselijke autonomie, viel tegen deze regeling het bezwaar te maken, dat eene afdeeling met onbehoorlijke vrijgevigheid uitkeeringen aan haar eigen leden kon verstrekken, en aldus een onbillijk bedrag van de gelden der geheele vereeniging verslinden. Vandaar zien wij dat in 1838 gepoogd werd, de administratie te centra-liseeren, door de plaatselijke bestuurders, van dienaren der afdee-lingen te veranderen in agenten van het centrale gezag. De
184
ingeboren liefde tot zelfbestuur van den Britschen werkman verijdelde dit voornemen, dat onvermijdelijk tot plaatselijke laksheid en wantrouwen, zoo niet tot erger dingen zou geleid hebben. Eene andere methode tot het doen samengaan van plaatselijk zelfbestuur en gecentraliseerd financieel beheer, moest daarom uitgevonden worden. 4» In de constitutie, *) welke de Amalgamated Society over
nam van de Journeymen Steam-Engine and Machine Makers and Millwrights, zien wij dit probleem met beduidende scherpzinnigheid opgelost. De afdeeling kiest en houdt toezicht op haar eigen plaatselijke bestuurders, maar handelt in alle gevallen volgens reglementen, die in elk onderdeel duidelijk voorzien. Elke afdeeling behoudt haar eigen gelden en beheert de uitkeeringen die aan haar eigen leden betaald moeten worden, met inbegrip van hetgeen aan werkeloozen toegekend wordt. Het financiëele zelfbestuur der afdeeling is echter meer schijnbaar dan echt. Geen stuiver mag uitgegeven worden, tenzij in overeenstemming met de nauwkeurige reglementen. De afdeeling behoudt haar eigen gelden, maar deze zijn het eigendom der geheele vereeniging, en op het einde van elk jaar worden de overschotten âvereffendquot; door een gecompliceerd stelsel van betalingen van de eene afdeeling aan de andere, door het Hoofdbestuur zoodanig geregeld, dat iedere afdeeling het jaar begint met eene gelijke som geld per lid. Het lastige systeem van jaarlijksche vereffening is een uitvindsel, ingevoerd om het gevoel van plaatselijk zelfbestuur onder een strikt gecentraliseerd financieel stelsel te handhaven. Van het besluit der afdeeling kan ieder lid in hooger beroep gaan bij het Hoofdbestuur. De uitspraken van het Hoofdbestuur moeten zich echter in alle kwesties nopens uitkeeringen, strikt bepalen tot de uitlegging van de bestaande wetten der vereeniging. Deze reglementen, die tot in onderdeden zoowel de statuten als de financiëele regeling omvatten, kunnen niet veranderd of gewijzigd worden, tenzij door eene speciaal daartoe bijeengeroepen vergadering van gedelegeerden van elk district. Bovendien is zorgvuldig gewaakt tegen haastige
4^ ') Dit systeem van âvereffening'' is, voor zoover wij weten, eene
eigenaardigheid dei vakvereenigingen, hoewel wij in Dr. Baernreither's English Associations of Working Men, pag. 283â284, vernemen, dat eenige afdeelingen der vereenigingen tot onderling hulpbetoon in den laatsten tijd een eenigszins soortgelijk stelsel hebben ingevoerd. Zijn oorsprong is ons onbekend, maar het plan wordt per overlevering toegeschreven aan de your-neymen Steain-Engine and Machine-Makers and Millwrights' Society, opgericht in 1826. Het was ook reeds vroeg in gebruik bij de Steain-Engine Makers' Society, opgericht in 1824. Tot aan de invoering van de wet op de vakvereenigingen van 1871 had het positief nut. Afhankelijk, als de vakvereenigingen noodzakelijkerwijze waren, van de eerlijkheid hunner bestuurders, was er groot voordeel gelegen in de ruime verspreiding der gelden en de plaatselijke verantwoordelijkheid van iedere afdeeling voor het beveiligen van haar aandeel.
185
of onbesuisde wetgeving, zelfs van deze allerhoogste autoriteit. Geen amendement mag zelfs maar overwogen worden, zonder zes weken vóór de gedelegeerden-vergadering aan alle afdeelingen te zijn toegezonden, en daar door de leden besproken en nog eens besproken te zijn geworden in twee achtereenvolgende, speciaal daartoe belegde algemeene vergaderingen. Aldus komt elke gedelegeerde tot de vervulling zijner wetgevende plichten, voorzien van een rechtstreeksch en zelfs gedetailleerd mandaat zijner lastgevers. Bovendien wordt uitdrukkelijk bepaald, dat geen uitkee-ringsfonds zal worden afgeschaft, tenzij het desbetreffende besluit der gedelegeerden-vergadering is goedgekeurd door eene meerderheid van twee derden der stemmen, door de leden bij referendum uitgebracht. Als eene vereeniging tot onderling hulpbetoon bestaat de Bond daarom uit eene aantal autonome afdeelingen, die handelen naar de bepalingen eener tot in bizonderheden regelende wet en voor welker uitlegging zij aan het Hoofdbestuur verantwoordelijk zijn. ^ 4lt; Als vakvereeniging daarentegen, is de Bond van den aanvang af een in hooge mate gecentraliseerd lichaam geweest. Het groote doel der amalgamatie was het verkrijgen van eenheid in vak-taktiek en het bevorderen der gelijkheid van hetgeen de economisten âwerkelijke loonenquot; 1) noemen, over het geheele land. Ten dien einde heeft het Hoofdbestuur altijd de absolute macht tot het verstrekken of weigeren van stakings-uitkeering behouden. Niemand kan van zijne afdeeling stakings-uitkeering bekomen, tenzij op uitdrukkelijk bevel van het Hoofdbestuur. Het is echter duidelijk dat kennis van plaatselijke toestanden noodig is, om in vak-aangelegenheden te kunnen beslissen, en bij het tot-stand-komen der amalgamatie werden âDistricts-commissiesquot; ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van in elkanders nabijheid gelegen afdeelingen. Deze commissies hebben niets uitstaande met het beheer der uitkeeringen tot onderling hulpbetoon, dat, zooals wij gezien hebben, bij iedere afdeeling ressorteert. Hunne taak is: te waken over de plaatselijke vakbelangen, te letten op inbreuken op verkregen rechten en het Hoofdbestuur van advies te dienen bij het toedeelen van stakings-uitkeering. In tegenstelling met de afdeelingen, bezitten zij geen onafhankelijke macht, doch hebben zich strikt te houden aan de bevelen uit het hoofdkwartier, waarheen hunne notulen geregeld ter verificatie worden opgezonden.
4 Niet minder indrukwekkend dan deze doorwrochte con
stitutie, met haar stelsel van controle en tegen-controle, was de omvang van de financiëele transacties der nieuwe vereeniging. De
') Dat wil zeggen, dat plaatselijke verschillen in de kosten van het levensonderhoud altijd in aanmerking werden genomen.
186
411
hooge contributie van een shilling per week, door een voortdurend aangroeiend ledental met voorbeeldelooze regelmatigheid betaald, verschafte een inkomen, dat de stoutste droomen van vroegere vakorganisaties overtrof en de vereeniging in staat stelde zonder ernstige inspanning in elke plaatselijke gebeurtenis te voorzien. Een groot deel van dit inkomen werd in beslag genomen door de dure uitkeerings-fondsen, welke op een schaal waren, in die dagen onbekend bij de vereenigingen in andere vakken. En toen men bemerkte dat de contributie van een shilling per week niet alleen in al deze behoeften voorzag, doch ook een accumuleerend saldo opleverde, dat voor stakings-uitkeering kon worden aangewend, kende de verontwaardiging der werkgevers geen grenzen. Vele jaren lang werd het verbinden van uitkeerings-fondsen met fondsen voor optreden in vak-aangelegenheden â⢠thans beschouwd als de waarborg voor eene vreedzame vakvereenigings-taktiek â uitgemaakt als eene oneerlijke poging om werkstakingen te subsidieeren, ten koste van het onschuldige lid eener onderlinge verzekerings-vereeniging tegen ziekte, ongevallen en ouderdom. ')
In nauwelijks minder scherpe tegenstelling met de gangbare vakvereenigings-traditie, was de publiciteit die de Amalgamated Engineers van den aanvang af zochten. Machtige vereenigingen, als de bestaande Seenhouwersbond, hadden tusschen 1834 en 1850 eene constitutie bewerkt, die even duurzaam is gebleken als die der Amalgamated Engineers, ofschoon van een eenigszins verschillend type. Maar het oude gevoel van geheimhouding beheerschte nog zoowel de leiders als de leden. De Fortnightly Circular der Steenhouwers, die, vanaf 1834 geregeld verschijnend, misschien de meest waardevolle op-zich-zelf-staande geschiedenis der vakbeweging uitmaakt, werd nooit buiten het afdeelings-vergaderlokaal gezien.2) Voor de Enquête-Commissie van 1867â68 klaagden de werkgevers-getuigen er bitter over, dat zij geen exemplaren van dit geschrift en van eene dergelijke periodieke circulaire der Metselaars-veree-niging konden krijgen. 3) Zelfs nog in 1871 zien wij de verplichting
Zulke protesten komen dikwijls voor in de getuigenissen, afgelegd voor de Enquête-commissie van 1867â68 en maken de hoofdzaak uit der tallooze kritieken op het vakvereenigingswezen tusschen 1852 en 1S79. Eene goede rechtvaardiging van de positie der vakvereeniging is vervat in het artikel van prof. Beeslv in de Fortnightly Review, 1867, dat als brochure her-uit-gegeven werd; The Amalgamated Society of Carpenters and Joiners (Londen 1867, 20 pag).
J) De unieke verzameling dezer circulaires, die niet alleen statistische en andere bizonderheden over de vereeniging bevatten, doch ook herhaalde mededeelingen nopens de bouwvakken en de algeineene beweging, is met het oog op dit werk tot onze beschikking gesteld geworden en zij is voor ons van de hoogste waarde geweest.
amp; '') Zie bijvoorbeeld de getuigenis van Mault, vraag 3980 in het
tweede rapport en 4086 in het derde. â
187
IHii IK |l ::i;
â SU $8
i.
nli
tot openbaarheid, door sommige vereenigingen aangevoerd als een argument tegen het zoeken naar wettelijke erkenning.
De leiders der Machinebouwers daarentegen, geloofden in de kracht van publiciteit. Wij hebben reeds melding gemaakt van de beide kortstondige couranten, door Newton en allan in 1850 en 1851â52 uitgegeven, met het bepaalde streven de vereeniging en hare doeleinden bekend te maken. Gedurende vele jaren na de amalgamatie was het een geregeld gebruik alle maan-delijksche, drie-maandelijksche en jaarlijksche verslagen, zoowel als de belangrijkste der aan de leden gezonden circulaires aan de pers te zenden, ter publicatie en recensie. Vertegenwoordigers werden gezonden naar het congres over Kapitaal en Arbeid, door de Society of Arts (Kunst-vereeniging) in 1854 gehouden, en vanaf 1859 naar de congressen van het Genootschap voor de Sociale Wetenschap. 4gt;
newton en Allan schijnen inderdaad elke gelegenheid om artikelen in de bladen te schrijven, voordrachten en lezingen te houden over de door hen gestichte organisatie, gretig te hebben aangegrepen. 4gt;
égt; Het is gemakkelijk den grooten ilivloed te begrijpen,
welke deze âNieuwe Vormquot; gedurende de volgende twintig jaren op de vakvereenigingswereld uitoefende. De belangrijkste navolger was de Amalgamated Society of Carpenters (Algemeene Timmer-lieden-Vereeniging), die, zooals wij zullen zien, uit de groote Londensche werkstaking van 1859â60 voortkwam. De kleermakers sloten zich in 1866 in eene algemeene vereeniging aaneen, welke de geheele wet der machinebouwers bijna ongewijzigd overnam; en in 1869 benoemde de London Society of Compositors eene bizondere commissie, om verslag uit te brengen nopens âde constitutie en werking der algemeene vakvereenigingen,quot; met de bedoeling hun voorbeeld in het drukkersbedrijf te volgen â een voornemen, dat, ondanks het gunstige oordeel van het rapport, niet werd ten uitvoer gelegd. 1) Er bestaat haast geen vakvereeniging, die niet tusschen 1852 en 1875 poogde óf de geheele constitutie der Amalgamated Engineers te copiëeren, óf de eene of andere harer kenmerkende bepalingen over te nemen. 4-
â amp;gt; De vijf of zes jaren volgende op den nederlaag der groote
uitsluiting van 1852, hoewel een tijdperk van rustigen vooruitgang in zekere vereenigingen vormende, zijn voor den geschiedschrijver der algemeene vakvereenigingsbeweging bijna een blad wit papier. De ernstige malaise van 1846â49 werd gevolgd door zeven jaren van voortdurenden vooruitgang van zaken, welke geen aanleiding tot algemeene loonsverlaging gaf. De reactie tegen de grootsche plannen
') Rapport der Bizondere Commissie van 1869. ^
188
buuuutawiiK
van den vakkenbond van 1834 deed zich nog gevoelen in de geringe gezindheid tot gemeenschappelijk optreden van diverse vakken, ') terwijl het volslagen fiasco van den strijd der machinebouwers, in 1853 gevolgd door de noodlottige werkstaking der katoenspinners van Preston voor eene loonsverhooging van tien procent, door een even weinig geslaagden strijd der tapijtwevers van Kidderminster en door een hevig en nutteloos conflict der ijzerwerkers van Dowlais !!) den tegenzin der vakvereenigingen in aanvallende vak-taktiek op groote schaal deden toenemen. De kwade reuk waarin werkstakingen waren komen te staan, nam door de verspreiding der beginselen der industriëele coöperatie onder de meer bedachtzame werklieden toe. Deze nieuwe ontwikkeling van OWENS leer nam twee vormen aan, beide â het behoeft nauwelijks gezegd te worden â in den grond verschillend van het Owenisme van 1834. In Lancashire had het succes der âPioniers van Rochdale,quot; in 1844 gesticht, aanleiding gegeven tot snelle verbreiding der verbruiks-coöperatie, de vereeniging van verbruikers tot voorziening in eigen behoeften. In zekere mate werden de kranige leiders der arbeiders van Lancashire en Yorkshire afgeleid van de organisatie van vak-com-binaties naar het stichten van coöperatieve winkels en maalderijen. Ondertusschen hadden de Londensche âchristen socialistenquot; het denkbeeld van BUCHEZ en de Parijsche plannen van 1848 overgenomen en bepleitten met bijna apostolisch vuur de vorming van genootschappen van voortbrengers, waarin groepen arbeiders hunne eigen werkgevers zouden worden. 3)
4 De groote geestdrift waarmede de âchristen socialistenquot;
aan den strijd der Machinebouwers hadden deelgenomen en hunne blijkbare toewijding aan de belangen der arbeiders, brachten hunne plannen van âzelf-besturende werkplaatsenquot; zeer in zwang. Tallooze kleine ondernemingen werden begonnen door machinebouwers, meubelmakers, kleermakers, laarzenmakers en hoedenmakers in de hoofdstad en andere groote industriëele centra, en gedurende eenige jaren wedijverden de besturen en hoofdbesturen der verschillende vakvereenigingen met elkander, in het aanbevelen der productieve coöperatie bij hunne leden. Maar het bleek spoedig, dat deze nieuwe vorm van coöperatie niet bedoeld was als een hulpmiddel voor, of eene uitbreiding van de vakvereeniging, doch als een
«v»
') De National Association of United Trades bleef, zooals wij reeds gezien hebben, in naam tot i860 bestaan, maar na 1852 daalde het ledental tot een paar duizend en speelde de bond feitelijk geen rol meer in de vakvereenigingswereld.
O quot;') Ti Dies van Jnni tot December 1853. lt;0gt;
â¢$gt; 3) Een uitgebreider relaas dezer ontwikkeling is te vinden in The
Co-operative Movement in Great Britain (Londen 1891 ; tweede druk 1893), door Beatrice Potter (Mevr. Sidney Wkbb). 4-
189
c %
â
â â L ^ó
- v.
-f
slt;
â
â L- c 'J
W - quot; -1- Ocs.- ï 'e 'â
r
â 7-
cj esp-
/cc â â
quot;A : i 'z
Vt c
v-'
V lt;â¢
^ ' - â gt; ...-
V- v
:
lt;r -.- x
-V) -
l A.
v
andere vorm van industriëele organisatie. Want in tegenstelling met de Owenisten van 1834, hadden de christen socialisten geen begrip der vervanging van winst-makende ondernemingen door de geheele massa der loonarbeiders, georganiseerd, hetzij in eene op-zich-zelf staande gemeenschap, of in een volslagen vakkenbond. Zij zochten slechts den individueelen kapitalist te vervangen door zelf-besturende groepen winst-makende werklieden. Een zeker aantal der vurige geesten onder de arbeiders van Londen en van het noorden des lands, werden directeuren en secretarissen dier ondernemingen en hielden op energieke leden hunner respectieve vak-vereenigingen te zijn. âWij hebben tot-nog-toe ondervonden,quot; zegt het Hoofdbestuur der Machinebouwers in zijn jaarverslag over 1855, ,,dat als enkele onzer leden eigen zaken zijn gaan drijven, zij de vereeniging verlaten hebben en de werkplaatsen nog slechter bestuurd hebben dan andere werkgevers.quot; Gelukkig voor de vakver-eenigings-beweging bleek aan alle betrokkenen alras het commer-ciëele fiasco dezer proefnemingen, voor zooverre zij althans hun oorspronkelijk karakter van zelf-bestuurde werkplaats behielden. Het denkbeeld van âproductieve coöperatiequot; komt voortdurend opnieuw te voorschijn in de annalen van de vakvereenigingen dier dagen, maar na den ondergang der coöperatieve inrichtingen van 1848â52 houdt het gedurende bijna twintig jaren op eene kwestie van âpractische taktiekquot; in de vakvereenigingswereld te zijn.
Ondanks deze intellectueele zijsprong werd het werk van de consolidatie der vakvereenigingen geregeld voortgezet. De Amalgamated Engineers verdubbelden hun ledental in de tien op hunne werkstaking volgende jaren en tegen 1861 had hunne vereeniging het ongehoorde saldo van 73.398 pond sterling geaccumuleerd. De Nationale Vereenigingen van IJzergieters en Steenhouwers groeiden in gelijke verhoudingen. Eene herleving van het vakvereenigingswezen had plaats onder de katoenbewerkers. De tegenwoordige bond van katoenspinners in Lancashire begon zijn loopbaan in 18531 terwijl de katoenwevers in hetzelfde jaar veroverden hetgeen zeer terecht hun Magna Charta genoemd werd, namelijk het âBlackburnsche Tarief' van stukloonen. Maar uitgezonderd in de bouwvakken, nam het vakvereenigingswezen in die jaren eene vreedzame houding aan. De leiders voeren niet langer uit tegen âde niets-doende klassen,quot; doch poogden het standpunt der vakvereenigingen met op de burgerlijke economie gebaseerde argumenten te rechtvaardigen. De contributie der Amalgamated Engineers wordt omschreven âals eene algemeene vrijwillige belasting tot steun der armen-belasting.quot; Het Hoofdbestuur twijfelt ^
^ ') Address of the Executive Council of the Amalgamed Society of
Engineers to their Fellow- Workmen (Londen 1855).
190
er niet aan, dat de werkgevers âeene vereeniging als de onze (niet) met wantrouwen (zullen) beschouwen. Zij zullen beginnen te begrijpen, dat zij noch bedoeld, noch geschikt is om hunne belangen te benadeelen, maar meer om die te bevorderen door de verheffing van het karakter hunner werklieden en het in verhouding verminderen hunner eigen verantwoordelijkheid.quot; Het plan om âVerzoeningsradenquot; in de plaats van werkstakingen en uitsluitingen te stellen, werd steeds gunstiger door de vakvereenigins-leiders opgenomen. Honderden adressen ten gunste hunner oprichting, werden door den National Association of United Trades (die toen op zijn laatste beenen liep) opgemaakt. De Parlementaire Commissies van 1856 en i860 vonden de arbeiders in alle vakken bereid, het beginsel van vrijwillige onderwerping aan scheidsrechterlijke uitspraak te ondersteunen. Een korte poos scheen het, alsof voortaan vrede zou heerschen in de industriëele wereld.
De periode van werkstakingen, die met de vermindering van zaken in 1857 een aanvang nam, bewees hoe bedriegelijk die hoop was geweest. De bouwvakken in het bizonder waren minder door de verandering van toon aangedaan geworden dan de machinebouwers of katoenbewerkers. De plaatselijke afdeelingen der Steenhouwers, Metselaars en andere arbeiders in de bouwvakken waren, vaak tegen den wensch hunner Hoofdbesturen, in eene bijna onafgebroken opeenvolging van kleine werkstakingen met op-zich-zelf staande firma's gewikkeld, waarin de werklieden in den regel er in slaagden loonsverhoogingen te verkrijgen. 1) Deze jaren waren bovendien merkwaardig wegens de algemeene erkenning in de provinciale bouwbedrijven van de âarbeids-reglementen,quot; of getee-4gt;
') Zie The Strikes, their Extent, Evils, and Remedy, being a Description of the General Movemeiit of the Mass of the Building Operatives throughout the Ihiited Kingdom, door Vindex (Londen 1853, 56 pag). Een der gevolgen ven deze hernieuwde uitbarsting van werkstakingen was de instelling (in 1858) eener commissie van onderzoek naar vakvereenigingen en geschillen, door het pas-opgerichte National Association for the Promotion of Social Science (Nationaal Genootschap tot Bevordering der Sociale Wetenschap). Dit onderzoek, geleid door bekwame en ijverige navorschers, had in i860 de uitgave van een boekdeel tot resultaat, dat de beste verzameling bouwstoffen over de vakvereenigingen bevat en dat tevens het onpartijdigste relaas is, dat ooit werd uitgegeven. Als een bron van geschiedenis en economische illustratie staat dit Report on Trade Societies and Strikes (Londen i860, 651 pag.) ver boven de parlementaire blauwboeken van 1824, 1825, 1838 en 1867^â68. Tot de medewerkers behoorden Mr. Godfrey Lushington (thans onder-secretaris van Binnenlandsche Zaken), Mr. J. M. ludlow (later Registreur der Vereenigingen tot onderling hulpbetoon), Mr. Thomas (thans rechter) Hughes, Mr. G. Shaw-Lefevre, Mr. F. D. Longe en Mr. Frank Hii.l. De commissie werd gepresideerd door wijlen Sir James Kav-Shuttleworth, en van hare leden mogen genoemd worden W. E. Forster, Henri Fawcett, Mr. R. H. Hutton, de Eerw. F. D. Maurice, Dr. William Fakr en een vakvereenigings-secretaris, T. J. Dunning, van de Londensche Boekbinders.
191
kende contracten tusschen werkgevers en arbeiders (in den regel tusschen de plaatselijke patroons- en vakvereenigingen), waarin tot in de geringste onderdeelen de voorwaarden der gemeenschappelijke overeenkomst werden omschreven. Ongetwijfeld was de invoering dier reglementen een stap vooruit in de richting van industriëelen vrede; maar, evenals met internationale verdragen het geval is, werden zij dikwerf voorafgegaan door wanhopige conflicten, waarin beide partijen hunne krachten uitputten en elkanders macht leerden waardeeren. Met de malaise traden belangrijke geschillen op. Gedurende 1858 ontstonden hevige conflicten tusschen patroons en arbeiders in de kristalglas-industrie en in het steenkolendistrict van Westelijk Yorkshire. De invoering der naaimachines in de schoenen- en laarzen-makende dorpen van Northamptonshire, gaf aanleiding tot een reeks ernstige stakingen. Maar van de groote geschillen van 1858 tot 1861 was de Londensche werkstaking in de bouwvakken in 1859â60, verreweg de gewichtigste in hare uitwerking op de vakvereenigings-beweging. 4gt;
Het geschil van 1859 ontstond door de toenemende beweging voor de verkorting van den arbeidsduur. De eisch van een negenurigen arbeidsdag in de bouwvakken, werd het eerst gesteld in 1846 door de Liverpoolsche Steenhouwers en in 1853 hernieuwd door hunne Londensche vakgenooten. In geen van beide gevallen werd echter bij den eisch volhard. Vier jaren later werd de beweging opnieuw gaande gemaakt door de Londensche Timmerlieden, welker memorie aan de werkgevers, na eene gemeenschappelijke bespreking, met eene besliste weigering beantwoord werd.
Onderwijl trachtten de Steenhouwers den vrijen halven Zaterdag te verkrijgen, hetgeen door de werkgevers evenzeer geweigerd werd. Dit leidde in den herfst van 1858 tot de oprichting eener Gemengde Commissie van Timmerlieden, Steenhouwers en Metselaars, die op 18 November 1858 den werkgevers eene waardige memorie aanbood, waarin werd aangedrongen op de vermindering van den arbeidsduur met één uur per dag, en dat toekomstige bouw-contracten op dien grondslag zouden worden aangenomen. Aanvankelijk door de werkgevers geïgnoreerd, werd dit verzoek ten slotte even beslist geweigerd als in 1853 en 1857 het geval was geweest. De Gemengde Commissie deed daarop eene hernieuwde poging, door aan vier bij stemming aangewezen firma's een adres aan te bieden. Daaronder was de firma TrüLLOPE, die onmiddelijk een der arbeiders, die de memorie hadden aangeboden, ontsloeg. Deze handeling had onmiddelijk eene werkstaking bij de firma Trollope tot gevolg. Binnen veertien dagen had iedere aannemer in Londen, die meer dan vijftig man in dienst had, zijn werkplaats gesloten, en vier en twintig duizend man waren van hun werk beroofd. Uit de polemiek welke gedurende
192
dezen formeelen slag tusschen kapitaal en arbeid in de kolommen van de couranten dier dagen gevoerd werd, blijkt in hooge mate welke geest den Londenschen werkgevers bezielde. Onbeïnvloed door den vooruitgang der publieke opinie, of door den nieuwen toon van respect en gematigdheid, aangeslagen door de leiders der vakvereenigingen, namen de Londensche werkgevers dezelfde houding aan als hunne voorgangers van 1834. Zij weigerden volstrekt den eisch van de vertegenwoordigers der werklieden te erkennen, zelfs om met dezen de arbeidsvoorwaarden te bespreken. Deze houding ging samen met eene besliste poging tot vernietiging van alle combinatie, waartoe het versleten âdocumentquot; als middel moest dienen. De Central Association of Master Builders (Centrale Bond van Bouvv-Ondernemers) besloot in bijna gelijke bewoordingen als zijn voorganger van 1834, dat ,,geen lid van dezen Bond zal in het werk nemen of houden, iemand die contribueert aan den een of anderen vakbond, of vakvereeniging, welke bedoelt zich te bemoeien met de reglementen van eenige werkplaats, den arbeidsduur of de arbeidsvoorwaarden, de contracten of overeenkomsten van werkgevers of werknemers, of de omschrijving van dienstvoor-waarden.quot; ^
Deze oorlogsverklaring aan het vakvereenigingswezen won voor de stakende arbeiders den steun der geheele vakvereeni-gingswereld. Het Hoofdbestuur der groote Steenhouwers-vereeniging, dat tot-nog-toe de Londensche negen-uren-beweging als voorbarig had ontraden, aanvaardde den strijd tegen het âdocumentquot; als een van het hoogste belang. Vergaderingen van gedelegeerden der georganiseerde Londensche vakken werden gehouden, ten einde de krachten van het vakvereenigingswezen ten behoeve der arbeiders in de bouwbedrijven te verzamelen. Uit de bijdragen, die van alle deelen des rijks binnenstroomden, bleek dat de vakvereenigingen groote en tot-nog-toe niet-vermoedde financieele reserven bezaten. De Londensche Piano-makers droegen 300 pond sterling bij. De Kristalglasmakers, die zelf juist een langdurigen strijd achter den rug hadden, zonden een gelijk bedrag. âVak-Commissiesquot; werden in alle industriëele centra gevormd en zonden groote sommen op. Glasgow en Manchester stuurden elk meer dan 800 pond sterling en Liverpool meer dan 500. De pas-opgerichte Yorkshire Miners' Association (Bond der Mijnwerkers van Yorkshire) stuurde 230 p. st. De Ketelmakers, Kuipers- en Rijtuigmakers-vereenigingen waren bizonder vrijgevig in hunne bijdragen. Maar dc sensatie van de lijst der schenkingen was de toelage der Amalgamated Engineers, bestaande in drie wekelijksche giften van 1000 pond elk â eene gebeurtenis, die de nog levende deelnemers aan den strijd zich met aandoening herinneren. In het geheel werd ongeveer 23.000 p. st. bijeengebracht (buiten hetgeen door de rechtstreeks 13 - Sidney Webu. '93
betrokken vereenigingen werd uitbetaald), een bedrag dat den steun aan welke vroegere werkstaking ook verre overtrof. ^ Deze overvloedige steun stelde de arbeiders in staat het
doel der werkgevers te verijdelen, doch niet hun eigen eischen te verwezenlijken. De Central Association of Master Builders hield krampachtig aan het âdocumentquot; vast, doch slaagde er niet in een voldoend aantal werklieden bijeen te brengen, bereid het te onderteekenen. In December 1859 gaf Lord St. Leonards in overweging, het âdocumentquot; in te trekken en in plaats daarvan eene breedvoerige uiteenzetting van de wet op de vak-combinaties in alle werkplaatsen op te hangen. De koppigheid der werkgevers duurde nog twee maanden, doch week ten slotte in Februari i860, toen de platonische raad van Lord St. Leonards werd opgevolgd en het verbitterde geschil een einde nam. ^
Deze onbesliste strijd tusschen de machten van kapitaal en arbeid geldt als een der voornaamste gebeurtenissen in de geschiedenis der vakvereenigingen, niet alleen omdat het gevoel van solidariteit tusschen de verschillende vakken er door herleefde, doch ook wegens het gewicht van twee geconsolideerde organisaties die er uit geboren werden. Uit de werkstaking in de bouwvakken van 1859â60 kwamen te-voorschijn de London Trades Council (Londensche Beroepsraad) â die in een volgend hoofdstuk zal beschreven worden â en de Amalgamated Society of Carpenters, de merkwaardigste overname door een ander vak van den door Newton en Allan ingevoerden âNieuwen Vorm.quot; lt;amp;
Door de werkstaking hadden de Londensche timmerlieden den toestand van volslagen desorganisatie ontdekt, waartoe hun vak was vervallen. Het is waar, zij waren het geweest, die de negen-uren-beweging in de hoofdstad hadden ingeleid, maar de commissie die het adres aan de werkgevers zond, had geen groep georganiseerde werklieden vertegenwoordigd. George Potter, die de leider dezer beweging was, kon slechts een groep gedelegeerden, gekozen door de werklieden van iedere werkplaats, om zich verzamelen. Er waren dan ook in Londen niet meer dan een duizend timmerlieden, die lid waren van de een of andere soort vakver-eeniging, en deze waren verspreid over talrijke kleine ziekenpotjes. De Friendly Society of Operative Carpenters, die, zooals wij gezien hebben, eene militante afdeeling van den Builders'' Union van 1830â34 was, was, als de Stonemasons Society, onafgebroken blijven bestaan. In tegenstelling met deze vereeniging echter, had zij het oude karakter eener losse federatie voor vak-doeleinden alléén behouden en hing financieel van gelegenheids-heffingen af. Daarom had zij misschien haar oppermacht in de provincie verloren en in Londen geen vasten voet gekregen. Zooals een bevoegd beoor-deelaar opmerkt: âTen tijde der werkstakingen van 1859â60
194
waren alleen de steenhouwers in ééne enkele, zich over geheel Engeland uitstrekkende vereeniging georganiseerd, die niet alleen voorzag in vak-aangelegenheden, doch ook in de gewone uitkee-ringen .... De uitgesloten Londensche steenhouwers werden geregeld en stipt door hunne vereeniging ondersteund en hadden den strijd gedurende onbepaalden tijd kunnen voortzetten; doch de andere vakken, verdeeld in talrijke plaatselijke vereenigingen, waren spoedig uitgeput.quot; !) De commissie der Timmerlieden zag met naijver dat de Steenhouwers-vereeniging in staat was haren leden gedurende zeer langen tijd van stakings-uitkeering te voorzien en was zeer onder den indruk der opeenvolgende giften van 1000 pond sterling elk, geschonken door de Amalgamated Engineers. Onmiddelijk na het einde der werkstaking, kwamen de voornaamste leden der kleine clubs bijeen, om het stichten eener nationale organisatie, naar het model van die der machinebouwers, te bespreken. William Allan hielp hen op allerlei wijzen de reglementen zijner eigen vereeniging aanpassen op het timmervak en hield toezicht op de voorloopige verhandelingen. De nieuwe vereeniging begon op 4 Juni i860 met een paar honderd leden. Gedurende de beide eerste jaren ging zij slechts langzaam vooruit; maar in October 1862 had zij het geluk tot algemeen secretaris een man te kiezen, wiens bekwaamheid en voorzichtig beleid haar tot eene invloedrijke positie in de vakvereenigingswereld verhieven. robert AppleGARTH, secretaris eener plaatselijke timmerlieden-vereeniging te Sheffield, had de voordeden van amalgamatie spoedig ingezien en zijne vereeniging met zich mede gebracht. Onder zijn beheer ging de nieuwe vereeniging met reuzenschreden vooruit en nam binnen enkele jaren slechts ten opzichte der Amalgamated Society of Engineers-zzM de tweede plaats in, wat betreft den omvang harer financiëele transacties en geaccumuleerde reserven. Bovendien werd applegarth door zijne bekwaamheden onmiddelijk ingeleid in dien kleinen kring van vakvereenigingsleiders, wier optreden gedurende de volgende tien jaren het middenpunt der vakveree-nigings-historie uitmaakt. 4»
') Prof. e. s. Heesly, Fortnightly Review, 1867.
195
HOOFDSTUK V.
De Junta en hare Bundgenooten.
4 Vele invloeden hadden gedurende de voorafgaande jaren
samengewerkt tot het vormen van hetgeen bijna omschreven mag worden als een ministerie der vakvereenigings-beweging. De stichting van groote vak- en uitkeerings-vereenigingen als de Amalgamated Engineers, had in zekeren zin eene nieuwe school van vakveree-nigings-bestuurders doen ontstaan, die ingewikkelde administratieve en financiëele vraagstukken op te lossen had. Daar de hoofdkwartieren dezer vereenigingen te Londen gevestigd waren, ontstond tusschen hare bezoldigde bestuurders intieme persoonlijke vriendschap. En zoo gebeurde het, dat de kleine kring van secretarissen in die jaren mannen van karakter en groote bekwaamheid omvatte, die zoowel door aanleg als ondervinding uitstekend berekend waren om de beweging door de ernstige crisis, die wij aanstonds zullen beschrijven, te loodsen. 4»
4 De eersten dezer kleine groep â die wij voortaan de
Junta zullen noemen â waren de algemeene secretarissen der beide gemengde vereenigingen van Machinebouwers en Timmerlieden, William Allan en Roüert Applegarth, die door hun welgeslaagd opbouwen dier machtige organisaties, groeten invloed in de raadkamers der vakvereenigingen verworven hadden. Met hen waren zeer intiem bevriend Daniel Guile, de algemeene secretaris der oude en belangrijke nationale vereeniging van IJzergieters, Edwin Cüulson, algemeen secretaris der âLondensche Ordequot; van Metselaars, en George OdGER, een bekend lid eener kleine vereeniging van bizonder bekwame damesschoenmakers en invloedrijk leider der Londensche radicale arbeiders. 4
WjLLIAM Allan was de stichter van het âNieuwe Unionismequot; van zijn tijd.1) Wij hebben reeds beschreven hoe hij,
4 4
') William Allan werd in 1813 uit Schotsche ouders te Carrick-fergus, in de lersche provincie Ulster, geboren. Zijn vader, die directeur eener katoenspinnerij was, verhuisde naar eene fabriek nabij Glasgow, en William werd in 1825 piecer (aanknooperj in eene katoenfabriek te Gateside. Driejaren later verliet hij de fabriek, om leerling te worden bij de firma Holdsworth, groote machinefabrikanten te Anderston, Glasgow. Op negentienjarigen leeftijd, nog-vóór het einde van zijn leertijd, trouwde hij met de nicht van een der firmanten
196
met de hulp van William Newton, de verspreide brokken organisatie in het machine-bedrijf bijeenverzameld en de doorwrochte constitutie, benevens het financiëele stelsel eener oude, gevestigde vereeniging, voor de behoeften eener groote nationale amalgamatie pasklaar gemaakt had. In lange uren van geduldigen kantoor-arbeid had hij een uiterst methodisch, zij het ook ietwat log stelsel van financiëele controle en vak-verslagen opgebouwd, door middel waarvan de juiste toestand van ieder zijner tienduizendtallen leden ten allen tijde in zijne bureau-loketten na te gaan was. De duurzaamheid van zijn stelsel, is de beste getuigenis voor zijne doeltreffendheid. Nog heden ten dage is in het hoofdkantoor der Machinebouwers, in Stamford-street, de invloed van Allans onvermoeiden en methodischen ijver merkbaar. Tot Allans te-kort-komingen behooren overdreven voorzichtigheid, bureaucratische nauwgezetheid en eene bijna vrekkige bezorgdheid voor de vermeerdering van de gelden der vereeniging. Maar in een tijd dat arbeiders-âagitatorsquot; algemeen bekend stonden als slordig in geldzaken en onbekwaam tot inspannenden en geregelden hersen-arbeid, maakten deze te-kort-komingen, hoe tweeslachtig ook ten slotte hunne uitwerking op de taktiek en de ontwikkeling der Amalgamated Society of Engineers moge geweest zijn, een gunstigen indruk naar buiten. Bovendien was Allan, hoewel geen schitterend spreker, of een man van algemeen diep inzicht, een scherpzinnig arbeiders-politicus, op wiens gematigdheid en oordeel altijd vertrouwd kon worden. En hij heeft niet alleen de reputatie van absolute rechtschapenheid en buitengewonen ijver nagelaten, doch ook van buitengewoon vrij van persoonlijke ijdelheid of eerzucht te zijn geweest.
égt; Terwijl Allan er naar streefde den âbetaalden agitatorquot;
in den vertrouwden ambtenaar eener groote financiëele corporatie te veranderen, poogde ROBERT ApplegARTH voor de vakorganisatie eene erkende maatschappelijke en politieke positie te winnen. Scherpzinnig en een geboren advocaat, maakte hij instinctmatig van die argumenten gebruik, welke het meest geschikt waren om de vooroordeelen der tegenstanders uit de burgerklasse te overwinnen en hunne kritiek te ontwapenen. Hij bepaalde er zich evenwel niet toe, de middelen der vakvereenigingsmannen in de oogen der wereld te rechtvaardigen. Met volharding poogde hij den geeste-
4gt;
In 1835 werkte hij als werkman-machinebouwer te Liverpool, vanwaar hij met de spoorweg-werkplaatsen naar Crewe verhuisde, waar hij lid der vereeniging werd. Toen SELSBV in 1847 werd gevangen gezet, werd hij algemeen secretaris, welke functie hij tot 1851 behield, toen de vereeniging zich oploste in de Amalgamated Society of Engineers. Gedurende meer dan twintig jaren werd hij jaarlijks als secretaris dezer omvangrijke organisatie herkozen. Hij stierf nog met zijne functie bekleed.
197
lijken horizon van de leden zijner eigen beweging te verruimen en opende voor degenen, wier gezichtskring zich tot-nog-toe bepaald had tot de werkstaking en de herberg, breede uitzichten van maatschappelijke en politieke vraagstukken, waarbij zij, als arbeiders, in de eerste plaats betrokken waren. Dientengevolge zien wij hem gedurende zijn loopbaan als algemeen secretaris, optreden als een op den voorgrond tredend lid der befaamde âInternationalequot; !) en als krachtig voorstander van den Labour Representation League (Bond voor Arbeidersvertegenwoordiging), den National Education League (Nationale Onderwijsbond) en diverse filantropische en politieke genootschappen. Politieke hervormers streefden er naar, zich
^ ') De beroemde âInternationalequot;, die ongeveer 1869â70 in de
oogen der regeeringen en der regeerende klassen zoo geducht scheen, was ontstaan door het bezoek van twee Fransche afgevaardigden aan Londen in 1863, tot het bewerkstelligen van gemeenschappelijk optreden ten behoeve van Polen. Zij werd formeel gesticht in eene vergadering te Londen op 28 September 1864, waar door Karl Marx een toespraak werd gehouden. Haar hoofddoel was het vereenigen van de arbeiders aller landen tot bevrijding van den arbeid. En in hare beginselen werd verklaard, dat âde onderworpenheid van den man van den arbeid aan den man van het kapitaal, de grondslag uitmaakt van alle knechtschap, alle maatschappelijke ellende en alle politieke afhankelijkheid.quot; Tusschen 1864 en 1870 werden, zoowel in bijna alle Euro-peesche landen als in de Vereenigde Staten, afdeelingen gesticht, terwijl in sommige Europeesche landen de meerderheid der vakvereenigingen zich in massa aansloot. Het centraal bestuur was opgedragen aan een Algemeenen Raad van vijf en vijftig leden, gevestigd te Londen en samengesteld uit te Londen woonachtige lieden van verschillende nationaliteiten, gekozen door de afdeelingen in de landen waartoe zij behoorden. De Algemeene Raad had echter geen wetgevende of andere macht over de afdeelingen en diende in de praktijk eigenlijk meer als middel van gemeenschap tusschen de afdeelingen, terwijl elk land zijn eigen zaken op zijn eigen manier bestuurde. De beginselen en het program der âInternationalequot; ondergingen eene gestadige ontwikkeling in de opeenvolgende internationale congressen, die door afgevaardigden der verschillende afdeelingen bezocht werden. In hoeverre de Engelsche arbeider aan hare voornaamste doeleinden deelnam, is niet duidelijk. In 1870 was Odger president en Applegarth voorzitter van den Algemeenen Raad, waartoe ook Mr. Benjamin lucraft, later lid van het Londensche Schoolbestuur, en andere welbekende arbeiders-politici behoorden. Slechts enkele Engelsche vakvereenigingen (waaronder de Laarzenmakers en de Leerlooiers) sloten zich als zoodanig aan; en toen de Algemeene Raad in October 1866 den Londenschen Trades Council uitnoodigde toe te treden, of, bij gebreke daarvan, toe te staan dat een vertegenwoordiger van de Internationale alle vergaderingen zou bijwonen, ten einde onmiddelijk van alle werkstakingen op het vaste land mededeeling te kunnen doen, blijkt uit de notulen van den Council, dat beide verzoeken werden van de hand gewezen. De Londensche Trades Council weigerde zelfs de Internationale als het geautoriseerde middel van gemeenschap met de buitenlandsche vakvereenigingen te erkennen en besloot zich met deze rechtstreeks in verbinding te stellen. Applegarth woonde als vertegenwoordiger van Engeland verscheidene der internationale congressen bij en zette in een interview, gepubliceerd in de New York World van 21 Mei 1870, in den breede het doel en de beginselen der Internationale uiteen. Na de onderdrukking der Commune werden de Fransche afdeelingen vernietigd; het ledental in Engeland en andere
198
van zijne medewerking voor hunne plannen te verzekeren ; hij werd bijvoorbeeld speciaal uitgenoodigd, als de bizondere vertegenwoordiger der arbeidersklassen, de belangrijke congressen van den National Education League te Birmingham bij te wonen; en het was aan zijne reputatie als maatschappelijk hervormer te danken, dat hij in 1870 gekozen werd om zitting te nemen in de Commissie van Enquête naar de werking der wet op de besmettelijke ziekten, waardoor hij de eerste arbeider was, die door zijn soeverein âOnze Getrouwe en Zeer Geliefdequot; genoemd werd. Openhartig, wakker en verzoenend, was hij een ideale vertegenwoordiger der Engelsche arbeidersbeweging in de politieke wereld. ^
égt; De permanente bestuurders der IJzergieters en der Lon-
densche Metselaars waren mannen van minder oorspronkelijkheid dan Allan of AppleGARTH. Guile was een persoonlijk aantrekkelijk man, met innemende manieren en begaafd met eene zekere forsche welsprekendheid. COULSON wordt door een tegenstander beschreven als âdom en koppigquot; en ook als âzwaar op de hand
^ sj.
landen slonk. Het jaarlijksche congres van 1872 te 's Gravenhage besloot den Algemeenen Raad naar New York te verplaatsen en daarmede hield de Internationale op, een rol te spelen in Engelsche arbeidersbeweging. Hoewel in Amerika de naam der organisatie nog bestaat, heeft zij nimmer eenige wezenlijke internationale verbindingen hervat. Een belangwekkend relaas van haar optreden op vakgebied, verscheen in de Fortnightly Review van November 1870, van de hand van Prof. E. S. Beeslv.
O ') Robert Applegarth, de zoon van een kwartiermeester bij de
koninklijke marine, werd op 23 Januari 1833 te Huil geboren. Elf jaren oud zijnde werd hij loopjongen en kwam eindelijk in de werkplaats van een schrijnwerker en meubelmaker te belanden, waar hij, zonder leerling te zijn, het vak zoo goed mogelijk aanleerde. In 1852 verhuisde hij naar Sheffield; maar in 1855, na den dood zijner ouders, emigreerde hij naar Amerika, doch keerde in het volgende jaar naar Sheffield terug, daar zijne vrouw hem om gezondheidsredenen niet naar het land van belofte kon volgen. Lid geworden zijnde van de plaatselijke Timmerlieden-vereeniging, werd hij spoedig haar meest op den voorgrond tredend lid en bracht haar als zoodanig over, toen de stichting der Amalgamated Society of Carpenters and Joiners in 1861 het uitzicht op doeltreffender vakvereenigings-actie opende. In 1862 tot algemeen secretaris gekozen, bleef hij tot 1871 in functie, in welk jaar hij zich, wegens verschillende persoonlijke geschillen in de vereeniging, vrijwillig terugtrok. Toen in 1870 het Londensche Schoolbestuur werd ingesteld, was hij candidaat in het district Lambeth, doch werd niet gekozen, hoewel hij 7600 stemmen kreeg. In hetzelfde jaar werd hij uitgenoodigd te Maidstone voor het parlement te candideeren, doch hij trok zich ten gunste van Sir John Lubbock terug. In 1871 werd hij benoemd tot lid der Commissie van Enquête nopens de wet op de besmettelijke ziekten. Toen hij als secretaris aftrad, werd hij een poos journalist en trad in Frankrijk als oorlogs-correspondent voor een Amerikaansch blad op. Kort daarna werd hij meesterknecht in een fabriek van duikertoestellen en apparaten voor den machinebouw, om ten slotte eigenaar dezer bloeiende zaak te worden. Mr. Applegarth, die nu (1894) de eenige van de Junta van 1867â71 is die nog leeft, is nog steeds lid van de Amalgamated Society of Carpenters, en toont nog steeds groote belangstelling in het vakvereenigingswezen, waaromtrent hij ons gewichtige documenten en herinneringen gegeven heeft. O
199
maar uit het feit dat de kleine Londensche Metselaars-vereeniging zich onder zijn invloed uitbreidde tot een machtigen nationalen bond, blijkt., dat hij niet geringe administratieve bekwaamheden moet bezeten hebben. Wat alle vier gelijkelijk kenmerkte, was hunne zaakkundigheid, gebleken in de volharding en het succes waarmede zij, ieder in zijn eigen vereeniging, de van newton en Allan afkomstige taktiek van het grondvesten der vakorganisatie op eene zich over het geheele land uitstrekkende verzekeringsmaatschappij, toepasten. George Odger bracht geheel andere eigenschappen in de Junta dan den voorzichtigen ijver van Allan, of de advocaatachtige bekwaamheden van ApplegartH. Van de vijf door ons genoemde mannen, was hij de eenige die in zijn vak werkzaam bleef en die tot het laatste alle kenmerken van een arbeidersleider behield. Als zeer uitstekend spreker beheerschte hij volksvergaderingen naar zijn wil en was hij de afgod van de radicale partij in de hoofdstad. Maar hij was geen loutere demagoog. Onder zijne schitterende welsprekendheid en hartstochtelijk vuur verborg hij eene groote mate van politieke geslepenheid en met zijne collegas deelde hij de gave van gedecideerd gemeenschappelijk handelen en het ondergeschikt maken van zijn persoon aan de zaak. Zijne vadsigheid en zorgelooze wijze van doen, maakten hem ongeschikt tot den opbouw eener groote organisatie. Had hij alleen gestaan, hij zou de kracht van het vakvereenigingswezen slechts weinig versterkt hebben; als de trouwe aanhanger der groote leiders en als hunne populaire woordvoerder tot de arbeiderswereld, zoowel aangeslotenen als ongeorganiseerden, verschafte hij de beweging een breeder grondslag en bracht iedereen tot de arbeidersklasse behoorenden ijverigen hervormer in hare gelederen. l)
') Daniel Guile, de zoon van een schoenmaker, werd op 21 October 1814 te Liverpool geboren. In 1827 werd hij leerling bij een ijzergieter en in 1834 lid der vereeniging. In 1863 werd hij hare correspondent, eene functie die hij tot zijn bedanken op het einde van 1881 behield. Hij stierf op 7 December 1883. lt;(!gt; 4^ George Odger, de zoon van een mijnwerker in Cornwall, werd in
1820 te Rouborough, bij Tavistock, in South Devon, geboren en werd op jeugdigen leeftijd schoenmaker. Zooals destijds gebruikelijk was, trok hij te voet het land door en vestigde zich ten slotte te Londen, waar hij een op den voorgrond tredend lid der Damesschoenmakers-vereeniging werd. Zijn eerste belangrijk publiek optreden was ter gelegenheid der gedelegeerden-vergaderingen der Londensche vakken, in zake de uitsluiting in de bouwvakken in 1859. Toen in i860 de Londensche Trades Council werd gesticht, werd hij een zijner ijverigste leden en trad vanaf 1862 tot zijne reorganisatie in 1872 als zijn secretaris op. Als een der leiders van de Londensche radicale arbeiders poogde hij vijfmaal naar het Parlement afgevaardigd te worden, maar werd iederen keer door den tegenstand der officiëele liberale partij gedwarsboomd. Hij trok zich te Chelsea in 1868, te Stafford in 1869 en te Bristol in 1870 liever terug, dan de stemmen te versnipperen; maar in 1870 handhaafde hij in Southwark zijne canditatuur en bleef slechts 340 stemmen in de minderheid; de officiëele liberaal, Sir Sydney Waterlow, verkreeg 2966 stemmen, tegen 4382 uitgebracht op Odger. Bij de
200
Het is moeilijk op het oogenblik een voldoend denkbeeld te geven van den buitengewonen persoonlijken invloed door deze vijf mannen uitgeoefend, niet alleen op hunne onmiddelijke bond-genooten, doch ook als vertolkers der vakvereenigings-beweging op het publiek en de regeerende klassen. Voor de eerste maal in den loop der eeuw, kwam de arbeidersbeweging onder de leiding, niet van welwillende lieden uit de midden- en hoogste standen, als Place, Owen, Roberts, O'Connor, of Buncombe, maar van echte, voor hunne positie speciaal geoefende arbeiders. Bovendien was het voor het eerst, dat de leiders der arbeiders-politiek bij elkander stonden als een aaneengesloten groep, vereenigd door persoonlijke vriendschap en volslagen vrij van elk spoor van wantrouwen en trouweloosheid, die zoo vaak volksbewegingen bedorven hebben. Het is waar, zij bezaten voor de vervulling hunner taak geen vaste economische theorie, of politieke filosofie. Zij onderschreven met evenveel voldoening het onrijpe collectivisme van de âInternationale,quot; als het dogmatische industriëele individualisme derEngelsche radicalen. In deze afwezigheid van een vaststaanden grondslag bij hun politiek optreden, is, gelooven wij, de reden te vinden van het verschrompelen der vakvereenigings-politiek na hun aftreden. Wij zullen aanstonds gelegenheid hebben op eenige andere âfouten hunner deugdenquot; te wijzen en hoe deze later de verdere ontwikkeling hunner eigen beweging belemmerden. Maar het waren grootendeels juist hunne te-kort-komingen, die hen in deze bizondere crisis zulke uitstekende vertegenwoordigers der vakvereenigings-beweging deden zijn. Zij aanvaardden met volmaakte goede trouw het economisch individualisme hunner bourgeois-tegenstanders en eischten slechts die vrijheid van vereeniging, welke de meer verlichte leden dier klasse bereid waren hen toe te staan. Uit hunne oprechte, hoewel ietwat terug-gehouden geestdrift voor politieke en industriëele vrijheid, putten zij eene volharding en vastberadenheid, die geen tegenslag kon doen verminderen. Hun begrijpen van het bourgeois-standpunt en hun inzicht in de praktische moeilijkheden van den toestand, beletten dat zij louter demagogen werden. Gedurende de volgende tien jaren, toen het van het hoogste belang was, voor de vakvereenigingen wettelijke erkenning te verkrijgen, en den ongelukkigen indruk, door de wandaden te Sheffield te-weeg-gebracht, uit te wisschen, waren hunne eigenschappen juist van pas. égt; amp; algemeene verkiezingen van 1874 was hij opnieuw candidaat, om opnieuw zoowel door liberalen als conservatieven bestreden te worden, met hetzelfde resultaat als te voren. Hij stierf in 1877; zijne begrafenis, die werd bijgewoond door Mr. Herbert Spencer, Prof. Fawcett en Sir Charles Dilke, werd dooide Londensche arbeiders tot eene merkwaardige demonstratie gemaakt. Van de hand van Prof. Beeslv verscheen in de Weekly Dispatch van 11 Maart 1877, eene lofrede op hem, ^
201
Hunne welgemanierdheid, hoewel schijnbaar eene onbeteekenende bijzaak, was niet het minste van hetgeen zij in hun voordeel hadden. Nevens volmaakt zelf-respect en eerlijkheid, bezaten zij de gave van zich correct uit te drukken, hadden beschaafde manieren en waren merkwaardig vrij van alles dat naar de herberg riekte. In Allan en Applegarth, Guile, Coulson en Odger vonden de lasteraars van het vakvereenigingswezen tegenover zich eene combinatie van hoog persoonlijk karakter, buitengewone zaakkundigheid en een groot deel van dat officiëele decorum, dat de Engelsche bourgeoisie zoo indrukwekkend vindt.
Rondom deze het middenpunt uitmakende persoonlijkheden, schaarden zich in Londen een aantal mannen van gelijk temperament en streven. Wij hadden reeds gelegenheid melding te maken van T. J. Dunning, van de Roekbinders, oud geworden in den dienst van het vakvereenigingswezen. De bouwvakken leverden eene jongere generatie, de heeren JüHN Prior, George Howell, Henry BroadhursT en George Siiipton, die allen nog leven. De geheele groep stond in betrekking met zekere provinciale leiders, die de nieuwe begrippen toegedaan waren en in nauwe overeenstemming met de Junta handelde. Tot de beduidenste hunner behooren Alexander Macdonald, die toen bezig was den Miners'' National Union (Nationale Mijnwerkersbond) te orga-niseeren, John Kane, 1) van de Noord-Engelsche IJzerwerkers, William Dronfield, de Sheffieldsche letterzetter en Alexander Campbell, de leidende geest van den Glasgow Trades Council. amp; De taktiek der Junta onderscheidde zich door de com
binatie van de uiterste omzichtigheid in vak-aangelegenheden en energieke agitatie voor politieke hervormingen. Het is inderdaad ietwat twijfelachtig, in hoeverre Allan en Applegarth, Coulson en Guile het algemeene geloof deelden, dat vak-combinaties eene algemeene loonsverhooging konden bewerkstelligen, of bij eene dalende markt eene algemeene loonsvermindering tegengaan. Zij hadden meer vertrouwen in de zedelijke kracht van groote reservefondsen, met welker hulp, in den vorm van ruime uitkeeringen bij werkeloosheid, men een kapitalist, of zelfs eene geheele groep van kapitalisten, met succes zou kunnen beletten arbeiders te
4gt;
') John Kane werd in 1819 te Alnwick, in Northumberland, geboren. Op zevenjarigen leeftijd aan het werk gezonden, arbeidde hij tot aan zijn vijftiende jaar in verschillende vakken. Toen verhuisde hij naar Newcastle-on-Tyne en vond werk in de ijzerfabriek der firma Hawke, te Gateshead. Hier nam hij deel aan de Cbartistische en andere vooruitstrevende bewegingen en poogde in 1842 tevergeefs eene vereeniging in zijn vak te stichten. Niet vóór 1863 kwam eene duurzame vereeniging tot stand en toen in 1868 de Amalgamated Ironworkers' Association (Algemeene IJzerwerkersbond) op nationalen grondslag werd gesticht, werd John Kane algemeen secretaris, eene functie die hij tot aan zijn dood in Maart 1876 vervulde. O
202
krijgen tegen andere dan de erkende voorwaarden. Hunne vak-politiek bepaalde er zich feitelijk toe, aan iederen arbeider die voorwaarden te verschaffen, welke de beste werkgevers bereid waren uit eigen beweging toe te staan. Uit dien hoofde werden zij door de heethoofden, wier begrip eener beleidvolle vakbeweging bestond in eene reeks algemeene werkstakingen voor loonsverhoogingen of tegen loonsverminderingen, voortdurend van laksheid beschuldigd. De Junta zocht de bevrijding van den arbeider inderdaad in eene andere richting. Zij geloofde dat het uit-den-weg-ruimen van alle politieke voorrechten en het mogelijk maken van maatschappelijke en geestelijke ontwikkeling voor alle klassen der gemeenschap, eene groote mate van economische gelijkheid ten gevolge zou hebben. Onder den invloed dier leiders, werden de Londensche vereeni-gingen en op den duur ook de provinciale, in eene geheele reeks van politieke agitaties betrokken, ten gunste van kiesrecht-uitbreiding, verbetering van de wet op de verhouding tusschen meester en dienaar, nieuwe wetten op het mijnwezen, openbaar onderwijs en ten slotte voor de volledige wettelijke erkenning der vakver-eenigingen-zelf.
Praktische moeilijkheden stonden het volledig ten-uitvoer-leggen van de politiek der Junta in den weg. Het aanwenden der vakvereenigings-organisatie voor parlementaire agitatie, waarop Macdonald, ApplegaRTH en OdGER al hun hoop op vooruitgang hadden gevestigd, kwam in de vakvereenigingswereld als een nieuw idee. De massa der vakvereenigingsleden, nog steeds van het kiesrecht uitgesloten, stelde feitelijk geen belang in eenigerlei sociale of politieke hervorming en beschouwden hunne vak-combinaties uitsluitend als middelen tot het afdwingen eener loonsverhooging, of tot het noodzaken hunner mede-arbeiders tot hunne clubs toe te treden. Dat was in het bizonder het geval met de provinciale organisaties, waar de bestuurders gewoonlijk met de nachtuilen-taktiek der leden instemden. De âManchestersche Ordequot; van Metselaars en de General Union of Carpenters (Algemeene Tim-merliedenbond) â met zijn hoofdkwartier te Manchester â hielden, evenals de Steenbakkers der midden-graafschappen en de Messenmakers van Sheffield, nog steeds vast aan de oude denkbeelden van geheimhouding en dwang, terwijl de machtige vereeniging van Steenhouwers, toen te Leeds gevestigd, zich buiten de algemeene beweging hield. Maar deze tegenstand bepaalde zich niet tot de oudere vereenigingen, evenmin als tot die eener bepaalde streek. Alle vakvereenigingen dier dagen, zelfs die der hoofdstad, behielden een sterken, traditioneelen afkeer van politieke actie. In vele gevallen verboden de reglementen uitdrukkelijk het bespreken van politiek in hare vergaderingen. En ofschoon de vereenigingen van tijd tot tijd konden worden overgehaald gemeenschappelijke
203
actie van politieleen aard te ondernemen ter verdediging van het vakvereenigingswezen zelf, was zelfs de groote invloed der Junta op hare eigen organisaties niet voldoende om de leden over te halen hunne organisaties tot het verkrijgen van wettelijke hervormingen aan te wenden. De Junta wendde zich daarop tot de nieuw-opgerichte Trades Councils en maakte daarvan de politieke organen der vakvereenigingswereld. ^
Het stichten van permanente Trades Councils (tusschen 1858 en 1867) in de voornaamste industriëele centra, was een belangrijke stap tot de consolidatie der vakvereenigings-beweging. Plaatselijke gedelegeerden-vergaderingen, bijeengeroepen om bizon-dere aangelegenheden af te doen, waren, althans sinds de allereerste jaren dezer eeuw, een kenmerk der vakvereenigings-organisatie geweest. In vroege tijden had iedere belangrijke werkstaking hare commissie van belangstellenden van andere vakvereenigingen, die gelden bijeenbracht en alle mogelijke persoonlijke hulp verleende. Maar de merkwaardigste dier commissies waren die, welke in alle vakvereenigings-centra verrezen, als de beweging door het een of ander bizonder wettelijk of parlementair gevaar bedreigd werd. Dergelijke gemengde commissies hadden in 1825 veel bijgedragen tot het beletten van het op-nieuw-van-kracht-worden der combinatie-wetten, in 1834 tot het gaande maken der openbare belangstelling in het geval der arbeiders van Dorchester, en in 1838 tot het leiden der vakvereenigings-zaak voor de Enquête-commissie van dat jaar. Maar deze vroegere commissies werden slechts opgericht voor bizondere gevallen en genoten, voor zoover wij weten, geen voortdurend bestaan. Tegen i860 bestonden permanente raden in Glasgow, Sheffield, Liverpool en Edinburg, en hun voorbeeld werd in 1861 door de Londensche vakvereenigingen gevolgd. 1) 4gt;
4Sgt;
amp; ') Het eerste permanente comité van den aard van een Trades
Council, blijkt, volgens door ons verkregen inlichtingen, de Trades Guardian Association (Bond tot Bescherming der Beroepen) te Liverpool te zijn geweest, welke in 1848 gesticht werd, met het doel de vakvereenigingen te beschermen tegen de verdrukking door het gebruik dat de patroons van de strafwet maakten. Uit zijn gedrukt rapport en balans over 1848, benevens uit de berichten in de Fortnightly Circular der Steenhouwers-vereeniging van 23 November 1848, vernemen wij dat hij krachtig optrad tot bescherming der Sheffieldsche scheer-messenslijpers tegen boosaardige vervolging en om de Liverpoolsche steenhouwers, die wegens samenzwering vervolgd werden, te helpen. Wij bezitten geen geschiedenis zijner verrichtingen van 1850 tot 1857, maar in Augustus 1857 droeg hij 400 p. st. bij ten behoeve der Liverpoolsche meubelmakers en steunde in 1861 de werkstaking der Londensche metselaars. In Juli van hetzelfde jaar loste hij zich op in een United Trades Protection Association (Vereenigde Bond tot Bescherming der Vakken^, georganiseerd naar het model van den pasgestichten London Trades Council. In Glasgow schijnt vanaf 1825 eene bijna onafgebroken reeks van gemengde commissies van gedelegeerden voor bizondere doeleinden bestaan te hebben. In 1851 werd eene poging gedaan om deze op meer blijvende leest te schoeien, maar de vakvereenigingen hielden spoedig
204
4^ Evenals vele provinciale organisaties, kwam de London
Trades Council uit een âstakings-comitéquot; voort. Gedurende den winter van 1859â60 hadden wekelijks vergaderingen van gedele-
op gedelegeerden te zenden. Eene hernieuwde poging, in 1858 op initiatiel van Alexander Campbell gedaan, had meer succes; en de toen gevormde Council, hoofdzakelijk uit de bouwvakken samengesteld, verheugde zich in i860 in een bloeiend bestaan. Ook Sheffield had sinds lang kortstondige fede-ties der lokale vakvereenigingen gehad, die dicht bij een voortdurend bestaan kwamen. Een daarvan, de Association of Organised Trades (Bond van Georganiseerde Vakken), in 1857 opgericht met het speciale doel de Sheffieldsche Typografen-vereeniging te helpen in hare verdediging tegen eene vervolging wegens laster, werd de permanente Trades Council. Andere steden, als Dublin en Bristol, hadden bijna voortdurend een soort van Raad der plaatselijke vakvereenigingen. Een oproep van den Trade Defence Association (Bond tot Vakverdediging), te Manchester, geteekend door vertegenwoordigers van negen duizend werklieden, ten behoeve van de werkstaking der verwers, komt voor in de Fortnightly Circular der Steenhouwers, van 1854. Zooals uit George Odgers getuigenis voor de Enquête-Commissie nopens de wet op de verhouding van meester en dienaar in 1867 kan afgeleid worden, waren de vergaderingen der Metropolitan Trades Delegates (Gedelegeerden van de Vakvereenigingen der Hoofdstad) sinds 1848 in Londen bizonder talrijk geweest. In 1852 (zooals wij uit de Bookbinders' Trade Circular van November 1853 gewaar worden), nam eene commissie uit de Londensche vakvereenigingen de zaak der tinwerkers van Wolverhampton uit de handen der ietwat afgeleefde National Association of United Trades en droeg alle kosten van dat dure proces. Nauwelijks was de taak dezer commissie volbracht, of eene andere commissie werd gevormd, tot ondersteuning van de werkstaking der katoenbewerkers van Preston. Het was aan deze commissie, die in de Bell Inn, in de Old Bailey, de historische vergaderplaats van het Londensche vakvereenigingswezen, bijeenkwam, dat Lloyd Jones in Maart 1855 zijne vrees mededeelde, dat een zeker wetsontwerp op de vereenigingen tot onderling hulpbetoon, toen in behandeling bij het Lagerhuis, de wettelijke positie der vakvereenigingen nog dubbel-slachtiger zou maken dan zij het toen was. Een Metropolitan Trades Committee on the Friendly Societies' Bill (Commissie uit de Vakvereenigingen der Hoofdstad in zake het Wetsontwerp op de Vereenigingen tot Onderling Hulpbetoon) werd dientengevolge ingesteld; haar gedrukt rapport wordt door Dunning in zijn Circular van December 1855 gerecenseerd. Daaruit vernemen wij, dat zij gepresideerd werd door William Allan, en dat zoowel diens oude vriend William Newton als de algemeene secretarissen der vereenigingen van Steenhouwers en Metselaars er zitting in hadden, benevens vertegenwoordigers der Letterzetters en Boekbinders. Zij werd gesteund door zeven en tachtig verschillende vakvereenigingen, met acht en veertig duizend leden, die elk een halven stuiver per lid bijdroegen, tot dekking der kosten. Haar parlementair optreden schijnt krachtig en doeltreffend te zijn geweest. Door handige manipulatie werden de artikelen waartegen bezwaar bestond verworpen en met de hulp van Mr. Thomas Hughes en Lord Godekich werd verkregen wat destijds een belangrijke stap in de richting van wetgeving nopens de vakvereenigingen scheen te zijn. Tusschen 1858 en 1867 werden in ongeveer een dozijn der grootste steden Trades Councils gesticht. Door de uitbreiding van het vakvereenigingswezen tusschen 1870â73 werd hun aantal verdubbeld. Maar hunne groote toename was een der gevolgen van den springvloed van vakvereenigings-organisatie, die zich tusschen 1889 en 1891 over het land stortte, toen meer dan zestig nieuwe Councils werden gesticht en de reeds bestaande werden gereorganiseerd en zeer in ledental toenamen. O
205
geerden der Londensche vakvereenigingen plaats gehad, om de arbeiders in de bouwvakken te steunen in hun strijd tegen het âdocument.quot; âToen deze gedenkwaardige strijd geëindigd was,quot; zegt het tweede jaarverslag van den London Trades Council, âgevoelde men dat iets gedaan moest worden tot het stichten van een algemeen vak-comité, ten einde in moeilijke omstandigheden de vakvereenigingen snel bijeen te kunnen roepen, met het doel elkander naar gelang van omstandigheden met raad en daad bij te staan.quot; ') Het met dat doel gevormde voorloopige comité, vaardigde in Maart i860 een manifest aan de vakvereenigingen uit, als resultaat waarvan op 10 Juli i860 de eerste vergadering van den London Trades Council plaats had.
^ Het is belangwekkend, op te merken dat de Council
aanvankelijk grootendeels bestond uit de vertegenwoordigers der kleinere vereenigingen. Het in zijne eerste vergadering gekozen bestuur bevatte geen gedelegeerden der machinebouwers, letterzetters, steenhouwers, metselaars of ijzergieters, die toen, evenals nu, de invloedrijkste Londensche vakvereenigingen waren. De eerste daad van den jongen Council levert een beteekenisvol blijk van het gevoel van isolatie dat tot zijne vorming had geleid. Ten einde de gemeenschap met andere vakvereenigingen des lands te vergemakkelijken, besloot de Council tot het samenstellen van een General Trades Union Directory (Algemeen Adresboek der Vakvereenigingen), bevattende de namen en adressen van alle vak-vereenigings-secretarissen. Deze prijzenswaardige onderneming nam gedurende het eerste jaar al den aandacht van het nieuwe lichaam in beslag en de twee duizend exemplaren van het resultaat van zijn arbeid, stuurden zijne financiën voor geruimen tijd in de war. Want ongelukkiglijk werd de General Trades Union Directory, waarvan de prijs een shilling per exemplaar was, niet gekocht, en het verhuisde, vreezen wij, weldra naar den papiermolen, daar wij, na uitgebreide onderzoekingen, slechts één exemplaar konden ontdekken 2)
amp; Maar de leiding van den Coimcil kwam in bekwamer
handen. In 1861 werd Mr. George Howell secretaris en werd in het volgende jaar door George Odger opgevolgd, die gedurende de tien volgende jaren het meest op den voorgrond tredend lid bleef. De Amalgamated Society of Engineers trad in 1861 toe en de veteraan dunning bewerkstelligde de aansluiting der oude, gevestigde Roekbinders-vereeniging. In elk geval werd de nieuwe 4 4
â ') Tweede Jaarverslag van den London Trades Council, 31 Maart 1862.
^ ') Noch in het Britsch Museum, noch in eene andere ons bekende
boekerij wordt een exemplaar bewaard, en evenmin in de archieven van den Council zelf. Mr. Robert Applegarth was zoo vriendelijk, ons het eenige exemplaar te schenken dat wij ooit gezien hebben.
206
organisatie tegen 1864 geheel door de Junta beheerscht. De beide âalgemeenequot; vereenigingen van Machinebouwers en Timmerlieden, leverden in sommige jaren de helft van zijn inkomen. De groote vak- en uitkeerings-vereeniging van IJzergieters en de wassende âLondensche ordequot; van Metselaars, zonden hunne algemeene secretarissen naar zijne vergaderingen. De Council werd eigenlijk eene gemengde commissie van de bestuurders der groote nationale vereenigingen. In de vergaderingen in de oude Bell Inu (Logement De Klok), onder den schaduw van Newgate, hebben wij het begin van een officieel ministerie der vakvereenigingswereld. amp; Ondertusschen was er weder oorlog uitgebroken tusschen
de patroons in de bouwvakken en hunne werklieden, eensdeels veroorzaakt door eene herniewde agitatie voor den negenurigen arbeidsdag en anderdeels door het verlangen der werkgevers om betaling per uur in de plaats te stellen van de gebruikelijke betaling per dag. ') Voor den geschiedschrijver der algemeene beweging is het geschil hoofdzakelijk belangrijk, omdat het de eerste gelegenheid is, waarin de begaafde groep van jonge advocaten
') Na ontvangst eener memorie van de werklieden, waarin om invoering van den negen-urigen arbeidsdag gevraagd werd, maakten drie der voornaamste Londensche aannemers bekend, dat zij voortaan hunne werklieden per uur en niet per dag zouden aannemen. âDeze regegeling,quot; voegden zij er aan toe, âvan betaling per uur, zal elk der bij ons werkende arbeiders in de gelegenheid stellen, zooveel uren te werken als hem goeddunkt.quot; Dit opvallende voorstel bracht het volslagen verlaten van het principe van gemeenschappelijk vaststellen der arbeidsvoorwaarden met zich mede. Wat de werkgevers voorstelden, was inderdaad het uit den weg ruimen van elk begrip van een normalen arbeidsdag en om, voor zoover het den arbeidsduur betrof, terug te keeren naar afzonderlijke overeenkomsten met iederen individueelen arbeider. De arbeiders beseften, doch slaagden er niet in het duidelijk uiteen te zetten, dat de aangeboden vrijheid denkbeeldig was. In de moderne organisatie der industrie op groote schaal, kan voor den individueelen arbeider niet de vrijheid bestaan zijne gereedschappen neer te leggen wanneer hij het verkiest. Zonder een vastgestelden normalen arbeidsdag, moet elke arbeider onvermijdelijk zijn taak even lang vinden duren als de machines werken of de fabriek open is. De werkelijke kwestie waarom het ging, was: hoe de algemeene arbeidsduur zou worden vastgesteld. De aannemers van 1861 berekenden terecht, dat als ieder vrij was zooveel uren loons per dag te verdienen als zij goedvonden hem aan te bieden, de uren gedurende welke de geheele arbeiders-massa zou werken, in werkelijkheid niet zouden worden beheerscht door het algemeene gemak, doch door het verlangen en het arbeidsvermogen van diegenen welke bereid waren het grootst-mogeiijke aantal uren te werken. Ten dien opzichte â het eigenlijke geschilpunt â handhaafden de arbeiders hun standpunt. De normale arbeidsdag in de Londensche bouwvakken werd stilzwijgend vastgesteld naar het heerschende gebruik en is sinds herhaaldelijk geregeld en verminderd bij officiëele gemeenschappelijke overeenkomst, totdat de gemiddelde arbeidsduur, over het geheele jaar gerekend, niet meer dan 4874 uur per week is. Op het ondergeschikte punt der loon-eenheid werd langzamerhand door de werklieden toegegeven en aan het uur-stelsel, bewaakt door strikte handhaving van den arbeidsdag, wordt thans door beide partijen de voorkeur gegeven.
207
en letterkundigen tusschenbeide kwam, die vanaf dien tijd de vertrouwde rechtsgeleerde experts en politieke raadslieden van de leiders der vakvereenigings-beweging werden. De arbeiders waren er in het geheel niet in geslaagd hunne bezwaren tegen het uur stelsel duidelijk te maken, zelfs niet om op hunne zienswijze de aandacht te vestigen. Hun standpunt werd voor de eerste maal duidelijk uiteengezet in twee schitterende, aan de couranten gerichte brieven van acht positivisten en christen socialisten, die veel bijbrachten tot de stilzwijgende overeenkomst waarmede de strijd eindigde.') 4
Het optreden van den pas-gestichten London Trades Council is voor ons van meer onmiddelijk belang. Tot de werken, die wegens het geschil stil stonden, behoorde ook de aan een grooten aannemer toevertrouwden bouw van de nieuwe kazerne te Chelsea. Het ministerie van oorlog zag er geen kwaad in, dezen te veroorlooven genie-soldaten in dienst te nemen tot vervanging der werkstakers. Eene dergelijke gedragslijn was in de werkstakingen van 1825 en 1834 door de regeering gevolgd geworden. Maar de vakvereenigingen waren nu te machtig om eene dergelijke inmenging in hunnen strijd te dulden. Eene gedelegeerden-vergadering der Londensche vakvereenigingen, omvattende vertegenwoordigers van vijftig industriën en vijftig duizend werklieden, vaardigde eene deputatie naar het ministerie van oorlog af. Sir George Cornwall Lewis gaf aanvankelijk een dubbelzinnig antwoord, maar de nieuwe Trades Council toonde de doelmatigheid van parlementaire agitatie aan, door te bewerken dat de minister in het Lagerhuis geïnterpelleerd en genoeg beweging verwekt werd om hem te noodzaken de soldaten terug te roepen. 4igt; De notulen-boeken van den London Trades Council van
i860 tot 1867 zijn een spiegel van de geschiedenis der vakvereenigingen dier periode. OdüER bezat de zeldzame gave zijne notulen interessant te maken en hij beschrijft in zijn bondig doch teekenachtig Engelsch alle onderscheidene gebeurtenissen in de arbeidersbeweging, zooals zij voor den Council werden gebracht. In 1861â62 bijvoorbeeld, zien wij den Council zonder gevolg pogen het lastige ,,overlapquot;2) tusschen de scheepstimmerlieden en de ijzeren-schepen-bouwers op te lossen; wij bemerken den schaduw, geworpen door den katoen-nood in Lancashire en wij lezen de moties van verontwaardiging, waarin de wandaden te Sheffield in die jaren werden veroordeeld. Maar het bizondere amp; 4
^ â ) De brieven werden, na persoonlijk onderzoek, opgesteld door de
heeren Frederic Harrison en Godfrey Lushington, en werden mede geteekend door de heeren T. Hughes, J. M. Ludlow, é. s. Beesly, R. H. Hutton, R. B. Litchfield en T. R. Bennet. Zij verschenen in Juli 1861.
üe kwestie van de grens tusschen de beide vakken. Vert. é
208
gewicht dezer notulen is gelegen in hun onbewust onthullen van de wijze waarop de Council het werktuig der nieuwe taktiek van deelname aan de algemeene politiek werd. Onder den invloed van OdGER nam de Council krachtig deel aan het organiseeren der openbare begroeting van Garibaldi en hield hij in 1862 eene groote meeting in St. James's Hall tot steun van den strijd der Noordelijke Amerikaansche Staten tegen de neger-slavernij, waarin JOHN Bright de voornaamste spreker was. In 1864 nam de Junta beslist stelling tegen de âOude Unionisten,quot; die tegenstanders waren van elk verband tusschen de regeering en de arbeidersbelangen. Mr. Gladstone, die toen minister van financiën was, had een wetsontwerp ingediend, waarbij de post-administratie in staat werd gesteld goevernements-lijfrenten van geringe grootte te verkoopen. Tegen dit onschuldige ontwerp, riep george potter, de voornaamste tegenstander van de Junta, groote openbare vergaderingen der Londensche vakken bijeen, haalde de Steenhouwers en andere provinciale organisaties tot zijne zienswijze over en voer heftig tegen het wetsontwerp uit, dat hij eene arglistige poging noemde, om de spaarpenningen der arbeiders te onttrekken aan de vak-en uitkeerings-vereenigingen en te storten in eene door de regee-rende klasse beheerde kas. De London Trades Council zond eene invloedrijke deputatie naar Mr. Gladstone, om aldus het optreden van potter in het openbaar te desavoueeren en het regeerings-voorstel te verwelkomen als eene aanwending der staatsmachine ten voordeele der arbeiders. Van meer beteekenis was de wijziging van de taktiek van den Council ten opzichte van politieke hervormingen. De eerste leden hadden zich tegen het inleiden der politiek, in welken vorm ook, verzet en gedurende de jaren 1861â62 poogden Howell en üdger tevergeefs den Council te doen medewerken aan de agitatie voor eene nieuwe kieswet. Maar onder den invloed van Odger en applegarth, Allan en coulson, wierp de Council zich in 1866 geestdriftig in de demonstratie ten gunste van het door de liberale regeering ingediende kieswet-ontwerp en nam krachtig deel aan de agitatie, die het verleenen van het kiesrecht aan de in de steden wonende arbeiders tot resultaat had. l) In hetzelfde jaar stemde de Council er in toe, met de âInternationalequot; samen te werken tot het eischen van democratische hervormingen
van alle Europeesche regeeringen. égt;
amp;
amp; ') Vele der plaatselijke Birminghamsche vakvereenigingen sloten
zich rechtstreeks aan bij den National Reform League (Nationale Bond voor Kiesrechthervorniing). Maar uitgezonderd twee kleine clubs te Wolverhampton en de West End Gibinet Makers (Meubelmakers van West-Londen) blijkt geen enkele andere vakvereeniging zich als zoodanig bij den Bond te hebben aangesloten, hoewel in het Bondsbestuur Au.an, Applegarth, Coulson, Cremer, Odger, Potter en Conollv zitting hadden, lt;!gt;
14 - Sidney Webb. 209
4 Het zeer geruchtmakende openbare optreden van den
London Trades Council wekte beduidende belangstelling in de provinciale centra van het vakvereenigingswezen. Wij zien den Council vaak in briefwisseling met gelijksoortige lichamen in Glasgow, Nottingham, Sheffield en andere provinciesteden, en dikwijls een soort van onofficieel leiderschap van algemeene bewegingen op zich nemen. Maar het zou niet billijk zijn, het geheele initiatief in zake wettelijke hervormingen, aan de Londensche bestuurders toe te schrijven. Onder de schitterende leiding van Alexander Macdonald, wiens werk wij later zullen beschrijven, werd de macht der kolenmijnwerkers voor parlementaire agitatie in het veld gebracht; en MaCDONALDS vriend ALEXANDER Cami1-BELL haalde den Glasgow Trades Council tot de nieuwe taktiek over. En het waren campbell en Macdonald, die, werkende door middel dier organisaties, de belangrijkste vakvereenigings-verrichting der eerstvolgende jaren ten uitvoer brachten: de herziening van de wet op de verhouding tusschen meester en dienaar.
4^ Het is heden ten dage, nu gelijkheid van behandeling
voor de wet een axioma is, moeilijk te begrijpen, hoe de in-het-oog-loopende onrechtvaardigheid van de oude wetten op de verhouding tusschen meester en dienaar zelfs een bourgeois-parlement gerechtvaardigd konden schijnen. Indien een werkgever, zelfs moedwillig en zonder verontschuldiging een dienstcontract verbrak, stond hij slechts bloot aan eene dagvaarding tot schadevergoeding, of, ingeval het loon minder was dan 10 pond sterling, om voor een rechtbank met kort geding gedaagd te worden, die betaling van het verschuldigde bedrag kon gelasten. Anderzijds was de werkman, die zijn dienstcontract moedwillig verbrak, hetzij door van zijn werk weg te blijven, of door zijn werk te verlaten, blootgesteld aan vervolging wegens crimineel misdrijf en veroordeeling tot drie maanden gevangenisstraf. Deze ongelijkheid van behandeling werd bovendien nog door verschillende andere onregelmatigheden verergerd. De algemeene wetsvoorschriften op het afleggen van getuigenis, bepaalden, dat, terwijl een meester, gedagvaard door een dienaar, ten eigen behoeve getuige a décharge kon zijn, de door zijn werkgever vervolgde dienaar geen getuigenis ten gunste van zichzelf kon afleggen; en het gebeurde dikwijls, dat geene andere getuigenis dan die van den werkgever kon worden overgelegd. Het stond in de macht van één enkelen vrederechter, om, na onder eede gedane aangifte, een bevel tot onmiddelijke in-hechtenis-neming van den werkman uit te vaardigen, die zich dus, als een geschil ontstond, plotseling zelfs in zijn bed ') gegrepen
^ 4
^ ') De verplichting tot het uitvaardigen van een bevel tot in-hechtenis-
210
zag en naar de gevangenis gesleept, op bevel van een magistraat, die in vele gevallen zelf werkgever was. 1) 4
4 Het proces werd geleid door één enkelen vrederechter
en mocht in diens particuliere woning plaats vinden. De eenige straf die kon worden opgelegd, was gevangenis, daar de wet geen subsidiaire boete of schadevergoeding toestond. Van de beslissing van den rechter, hoe eigenmachtig ook, bestond geen hooger beroep. Eindelijk moet er nog bijgevoegd worden, dat met de veroordeeling tot gevangenisstraf de schuld niet verviel, zoodat een arbeider er aan blootgesteld was, herhaaldelijk voor dezelfde contractbreuk gestraft te worden. 3) 4gt;
4 4
neming was aanvankelijk algemeen, daar de wet van 1824, 4 Geo. IV. c. 34, den magistraat geen keus liet. Volgens die wet moest de meester op aanklacht van den arbeider gedagvaard, terwijl de arbeider na eene becedigde aanklacht van den meester op een bevel tot in-hechtenis-neming gearresteerd moest worden. Maar in 1848 verleende de wet-Jervis, 11 en 12 Vic. c. 43, den rechters de bevoegdheid, in alle gevallen in eerste instantie eene dagvaarding uit te vaardigen. Dientengevolge werd het in Engeland allengs gebruikelijk den arbeider te dagvaarden; en het uitvaardigen van een bevel tot in-hechtenis-neming bepaalde zich in den regel tot gevallen waarin de arbeider vertrokken, of op de dagvaarding niet verschenen was. De wet-Jervis strekte zich echter niet tot Schotland uit, zoodat onmiddelijke arrestatie van arbeiders op bevel tot in-hechtenis-neming, tot 1867 bleef voortbestaan; en dat was een der voornaamste grieven, door de vertegenwoordigers van Glasgow aangevoerd. Zelfs in Engeland werden nu en clan bevelen tot in-hechtenis-neming door wraakgierige magistraten uitgevaardigd. In 1863 rees een geschil in een kolenmijn in Durham en de patroon stelde, ingevolge de bepalingen der wet op meester en dienaar, eene vervolging tegen de mijnwerkers in. âIn het midden van den volgenden nacht werden twaalf hunner door de politie uit hun bed gelicht en in het huis van bewaring te Durham opgesloten, beschuldigd van hun werk zonder opzegging verlaten te hebben.quot; (Brief van Prof. E. S. liEESLV in den Spectator van 12 December 1863). ^
') De vrederechters en magistraten in Engeland, die over kleine overtredingen hebben recht te spreken en in vele gevallen als rechter van instructie optreden, zijn, uitgezonderd in de groote steden, geen rechtsgeleerden, doch particuliere personen, in den regel notabele inwoners hunner gemeente, en worden door den minister van binnenlandsche zaken (een minister van justitie heeft men in Engeland niet, terwijl hetgeen wij onder âbinnenlandsche zakenquot; verstaan, weder verdeeld is over drie departementen) aangesteld. In de groote steden wordt bovendien nog rechtgesproken door de voor den tijd van een jaar gekozen burgemeesters (mayois) en wethouders (aldermen). Deze vrederechters en magistraten zijn in den regel volslagen afhankelijk van hunne griffiers, die rechtsgeleerden zijn. Eene aardige satire op dezen zonderlingen toestand geeft Dickens in zijn Pickwick-, in de episode van het optreden van den burgemeester van Ipswich in het duel Pickwick-Magnus. VERT. ^
'3gt; 2) Zie vraag 864, Enquête-commissie nopens de wet op meester en
dienaar, 1866; Unvvin 7/. Clarke, I Verslagen van het Hooggerechtshof, pag. 417, en Second Report of Labour Laws Commission, c. 1157 (1875) pag. 7. 4 4gt; De wetsbepalingen waarbij de arbeider werd blootgesteld aan
gevangenisstraf voor het eenvoudig verbreken van een dienstcontract, kunnen geschiedkundig nagegaan worden tot de periode waarin de wet den arbeider het recht ontzegde zijne diensten te weerhouden, of looneischen te stellen. Elk
21 I
4 In het begin van 1863 bracht Alexander campbell l)
de wet op de verhouding tusschen meester en dienaar onder de aandacht van den Glasgow Trades Council. Men voorzag zich van
') Alexander Campbell, die een uitstekend leerling van Robert Owen was geweest en dien wij reeds gezien hebben als secretaris der kleine Timmerlieden-vereeniging te Glasgow van 1834, was in 1863 redacteur van den Glasgow Sentinel (Schildwacht van Glasgow), die het hoofdorgaan van Macdonald en diens Nationalen Mijnvverkersbond werd. Campbell wordt gezegd in 1858 de eigenlijke stichter van den Glasgow Trades Council te zijn geweest. «J-
verwaarloozen of verlaten van den arbeid, was daarom, evenals het eenvoudig weigeren te arbeiden, niet zoozeer een contractbreuk, als wel het verzaken van een uit den toestand voortkomende en wettelijk voorgeschreven plicht. De wetgeving op dat punt dateert oorspronkelijk van de beroemde wet op de arbeiders van 1349 (23 Ed. III), welker hoofddoel was, het verplichten tot arbeiden voor de huurloonen welke vóór den Zwarten Dood bestaan hadden. De tweede paragraaf dier wet bepaalt, dat een arbeider of dienaar, die vóór den overeengekomen tijd zijn werk verlaat, zal worden gevangen gezet. Hetzelfde beginsel werd vastgelegd in de wet op het leerlingwezen van 1563 (5 Eliz. c. 4) waarin de geheele wetgeving nopens alle ambachtslieden en arbeiders werd saamgetrokken, en die het uitdrukkelijk toepaste op stukarbeiders, waartegen gevangenisstraf werd bedreigd, indien zij heengingen vóór het volbrengen hunner taak. Gedurende de achttiende eeuw, die, zooals wij gezien hebben, overvloeit van wettelijke bepalingen nopens bizondere bedrijven, omschreef eene lange reeks wetten de bepalingen in de bedoelde industriën scherper en strenger. De voornaamste Engelsche wetten waren: 7 Geo. I. st. I, c. 13 (kleermakers); 9 Geo. I. c. 27 (schoenmakers); 13 Geo. 11. c. 8 (alle leder-vakken); 20 Geo. II. c. 19; 27 Geo. II. c. 6; 31 Geo. II. c. 11 (verschillende vakken); 6 Geo. III. c. 25 (termijn-overeenkomsten); 17 Geo. III. c. 56 (textiel-ind. enz.); 39 amp; 40 Geo. III. c. 77 (kolen en ijzer); 4 Geo. IV. c. 34 (alle vakken); 10 Geo. IV. c. 52 (algemeen); 6 amp; 7 Vic. c. 40 (textiel-ind.). '
De onduldbare verdrukking welke gewetenlooze werkgevers door deze wetten werden in staat gesteld uit te oefenen, doet in het begin dezer eeuw weinig onder voor die welke door de combinatie-wetten werd teweeggebracht. Dit werd krachtig betoogd door de schrijvers van A few Remarks on^ the State of the Laws at present in existence for regulating Masters and Workpeople (bewaard in de manuscripten van Place, '27804),' door George White, de inblazer van het parlementslid Peter Moore, in 1823 uitgegeven. De stukwerk-paragraaf van de wet op de leerlingen was bizonder drukkend. ,,Deze paragraaf,quot; zegt White, âis veel overtreden geworden, daar zij in vele bedrijven hun werk nooit afmaken, daar de aard van den arbeid zóó is, dat zij genoodzaakt zijn aan het eene te beginnen alvorens het andere voltooid is, zooals wagenmakers, lakkers en een eindeloos aantal vakken; als daarom eenig geschil ontstaat over het bedrag van het loon en eene werkstaking begint, of de arbeiders verlaten na eene woordenwisseling den arbeid, dan vervolgt de patroon hen wegens het onvoltooid laten van hun werk. Onder de combinatie-wetten hebben zeer weinig vervolgingen eenig resultaat gehad, maar honderden zijn geschied onder deze wet en de arbeider of werkman kan nooit vrij zijn, tenzij deze wet gewijzigd wordt. De combinatie-wet is niets; het is de wet betreffende het voltooien van werk, die de meesters aanwenden om hunne werklieden te kwellen en hun loon laag te houden; tenzij dat gewijzigd wordt, is er niets gedaan, en door het intrekken der combinatie-wetten laat gij den werkman in negen en negentig uit de honderd gevallen in denzelfden toestand waarin gij hem gevonden hebt â overgeleverd aan de genade van zijn meesterquot;
212
een parlementair verslag, waaruit bleek dat in één enkel jaar het enorme aantal van 10.339 gevallen van contractbreuk door de rechtbanken behandeld waren geworden. Een comité werd gevormd, om te agiteeren voor de herziening der wet en men stelde zich in verbinding, niet alleen met de Londensche leiders, doch ook met geestverwanten in andere provincie-steden. De Trades Councils van Londen, Bristol, Sheffield, Nottingham, Newcastle en Edinburg werden formeel uitgenoodigd zich in eene gemeenschappelijke beweging te vereenigen. Te Leeds en elders werden plaatselijke Trades Councils gesticht, met het bepaalde doel de agitatie te bevorderen; en 15.000 exemplaren van eene âMemorie van Inlichtingen, bestemd ten gebruike van die werklieden, welke vallen onder de bepalingen der wet 4 Geo. IV. c. 34,quot; ') werden verspreid onder alle op den voorgrond tredende arbeiders des lands. Op voorstel van Campbell en Macdonald riep de Glasgow Trades Council een congres van vakvereenigings-vertegenwoordigers bijeen, om te bespreken hoe het doel der agitatie het best kon bereikt worden. Dit congres, dat in Mei 1864 te Londen plaats had en vier dagen duurde, is het begin van een nieuw tijdvak in de vak-vereenigings-geschiedenis. Voor de eerste maal werd eene nationale vergadering van vakvereenigings-gedelegeerden, uit eigen beweging door eene vakvereenigings-organisatie bijeengeroepen, om eene zuivere arbeiders-aangelegenheid te bespreken, in tegenwoordigheid van uitsluitend arbeiders. Het aantal gedelegeerden ging twintig niet te boven, maar daaronder bevonden zich de voornaamste bestuurders van al de groote nationale en algemeene bonden. 3) amp; 4 4^
(pag. 51). Maar ondanks dit min of meer overdreven protest, belastten noch Place noch hume zich met het wijzigen der wet op het dienst-contract. Hun voornaamste streven was, den werklieden de vrijheid tot het sluiten van overeenkomsten te verzekeren; de despotische straf voor het verbreken daarvan, trok voor het oogenblik weinig aandacht.
lt;ugt; Behalve Whites Manual kan naar de volgende geschriften verwezen
worden voor de geschiedenis der wet en hare wijziging; Report of Conference on the Law of Master and Workman under the Contract of Service (Glasgow 1864); de verslagen der parlementaire enquête van 1866 en van de staatsenquête naar de arbeidswetten van 1875; The Labour Laws, door James Edward Davis (Londen 1875); en Stephens History of the Criminal Law, deel ill.
') De memorie, die eene juiste uiteenzetting der wet, benevens aan-wijzigingen voor hare wijziging bevat, is bewaard in het Flint Glass Makers' Magazine van December 1863.
4quot; ') Tegenwoordig waren o.a. Robert Applegarth, George Odger,
Daniel Guile, T. J. Dunning, Alexander Macdonald, William Dronfield, Alexander Campbell, Edwin Coulson en George Potter. Onder de vertegenwoordigde vereenigingen bevonden zich: de London Trades Council, Glasgow Trades Committee, Sheffield Association of Organised Trades, Liverpool United Trades Protection Society, Nottingham Association of Organised Trades, Northumberland and Durham United Trades and Labourers; de Amalgamated Societies of Engineers and Carpenters, de nationale vereenigingen van Metselaars, Steen-
213
De verhandelingen van het congres waren door en door zakelijk. Drie ministers werden aangezocht deputaties te ontvangen ; met een groot aantal parlementsleden werd onderhandeld over een onmiddelijk herzieningsvoorstel; en eindelijk had in de âtee-zaalquot; van het parlementsgebouw-zelf eene welgeslaagde vergadering van wetgevers plaats, bij welke gelegenheid de gedelegeerden hunné wenschen aan alle welgezinde leden kenbaar maakten. De bepalingen van het wetsontwerp werden vastgesteld; Mr. cobbett nam op zich, het in het Lagerhuis in te dienen en het Vak-Comité te Glasgow werd gemachtigd, het, namens alle vakvereenigingen des rijks, door eene agitatie te ondersteunen.
4gt; Het door Mr. COBETT ingediende ontwerp werd nooit
wet; maar eene krachtige agitatie hield de aandacht van het parlement op de zaak gevestigd en in 1866 werd eene parlementaire commissie benoemd, tot het instellen eener enquête naar het geval. Op grond van haar rapport slaagde Lord Elcho 1) er in 1867 in, een wetsontwerp aangenomen te krijgen, dat de grofste onrechtvaardigheid der wet wegnam. De wet op de verhouding tusschen meester en dienaar van 1867 (30 en 31 Vic. c. 141), het eerste positieve succes der vakvereenigingen op het gebied der wetgeving, bracht er veel toe bij om hun vertrouwen in parlementaire agitatie te doen toenemen.
Maar terwijl de Junta en hare bondgenooten, door de verovering der Trades Councils de vakvereenigings-organisatie voor eene actieve politieke campagne gebruikte, haalden zij zich door het voortdurend tegengaan van aanvallende werkstakingen, den toorn van de âoude unionistenquot; dier dagen op den hals. Een der voornaamste verrichtingen van den London Trades Council was het verkenen van âgeloofsbrievenquot; aan in geschillen gewikkelde vakvereenigingen, waarin zij voor bijstand van arbeiders in andere vakken werden aanbevolen. Daar deze geloofsbrieven niet beperkt waren tot Londensche geschillen, bracht dit gebruik den Council tot de hatelijke noodzakelijkheid van het verleenen of weigeren zijner goedkeuring aan feitelijk elke belangrijke werkstaking over het geheele land â een toestand die den Conncil spoedig met de meer aanvals-gezinde vereenigingen in botsing deed komen. Speciaal in twee gevallen gaf het verschil in taktiek aanleiding tot discussies, die de nieuwe organisatie dreigden te vernietigen. In het begin van 1864 was in de midden-graafschappen eene werkstaking in de bouwvakken uitgebroken en wel op initiatief van de oude Friendly Society of Operative Carpenters. De handelwijze der betrokken
4 4gt;
houwers, IJzergieters, Mijnwerkers en Boekbinders, de London Society of Compositors, de Schotsche Bakkers, Sheffieldsche Zagenmakers, enz. lt;3gt; O ') Thans Graaf van Wemyss. â £»
214
arbeiders werd door AppLEGARTH en het Hoofdbestuur der Amalgamated Society of Carpenters sterk afgekeurd. De Loudon Trades Council koos zonder aarzelen de zijde van AlTLEGARTH en vervreemdde daardoor geheele afdeelingen der bouwvakken van zich, wier plaatselijke vak-clubs en provinciale vereenigingen veel van den geest van den Builders' Union van 1834 behouden hadden. Maar de uit het geschil der timmerlieden voortgekomen inwendige verdeeldheid was veel geringer dan die, welke veroorzaakt werd door de werkstaking der puddlers 1) van Staffordshire. Het is niet noodig de détails dezer vinnige staking tegen eene loonsverlaging van 10 l'/n te behandelen. Het gedrag der arbeiders, die de door den Graaf van Lichfield aangeboden arbitrage weigerden, werd door den London Trades Council afgekeurd. De heethoofden waren zeer vertoornd over de gematigdheid van den Council. GEORGE POTTER in het bizonder onderscheidde zich door in opgewonden vergaderingen der stakende arbeiders te spreken, hen aansporend niet te wijken.
Potter, die eene groote plaats inneemt in de nieuwsbladen dier dagen, poogde inderdaad eene geduchte oppositie tegen de taktiek der Junta te organiseeren. Na de geschillen in de bouwvakken van 1859â60, waarin hij eene voorname rol had gespeeld, had hij de Beehive (Bijenkorf) gesticht, een weekblad voor de vakvereenigingswereld. Zelf lid eener kleine vak-club van Londensche timmerlieden, was hij een bittere tegenstander van applegarth en de Amalgamated Society; en vanaf 1864 vinden wij hem aan het hoofd van elke uitbarsting van misnoegen. Expert in de kunst van agitatie en reclame maken, sloeg Potter nu en dan eene merkwaardige figuur, zoodat de onvoorzichtige lezer, niet alleen van de Beehive, doch ook van de Times, gemakkelijk zou gelooven dat hij de invloedrijkste leider der arbeidersbeweging is geweest. De waarheid is, dat hij nooit of nimmer eene werkelijke vakorganisatie vertegenwoordigde; de Working Men's Association (Werkliedenbond), waarvan hij voorzitter was, was een uit niet-te-beschrijven lieden bestaand lichaam van niet het minste belang. Van 1864â1867 zien wij hem echter herhaalde vergaderingen van gedelegeerden der Londensche vakvereenigingen bijeenroepen, om de Junta en haar instrument, den London Trades Council, aan te vallen. De notulen van laatstgenoemd lichaam bevatten overvloed van bewijzen der bittere gevoelens, door deze aanvallen veroorzaakt en maken het wezenlijke verschil tusschen de eene taktiek en de andere duidelijk. In eene speciale vergadering, bijeengeroepen om potters optreden te veroordeelen, spraken howell, Allan,
â ') Puddlers zijn de werklieden die gietijzer tot smeedijzer omwerken.
VERT. amp; 215
coulson en Applegarth over de kwade gevolgen van niet-verant-woordelijke agitatie in vakgcschillen; en Danter, de rondborstige president der Amalgamated Engineers, verklaarde uitdrukkelijk, dat Potter âde opruier en aanhitser van werkstakingen geworden was. Hij dacht om niets anders; hij beoefende geen ander bedrijf; werkstakingen waren zijn brood-met-kaas; in het kort: hij was een werkstakings-speculant en hij maakte van het blad de Beehive zijn instrument om zijn neus te steken in elk ongelukkig geschil dat zich voordeed.quot; 1)
Het verantwoordelijk en voorzichtig leiden der vakver-eenigings-beweging werd hoe langer hoe noodzakelijker. De groei der groote nationale bonden, zoowel in bezittingen als in ledental, en de wijze waarop zij elkander steunden in den strijd, had de actieve vijandschap der werkgevers gaande gemaakt. Om de hernieuwde kracht der arbeiders tegen te gaan, verzamelden de patroons zich opnieuw in machtige genootschappen en maakten van een nieuw wapen gebruik. Het oude middel, âhet document,quot; was, sinds het er niet in geslaagd was in 1852 de Amalgamated Engineers te vernietigen en in 1859 de bouw-arbeiders tot onderwerping te brengen, min of meer in ongenade geraakt. Het werd nu versterkt door de algemeene lock-out (uitsluiting) van alle arbeiders in eene bepaalde industrie, zelfs van die, welke de voorwaarden dei-werkgevers aanvaard hadden, ten einde de weerbarstige werklieden van slechts een of twee firma's tot onderwerping te brengen. 2) De kolenmijn-eigenaars van Zuidelijk Yorkshire in het bizonder onderscheidden zich gedurende die jaren door hun herhaald gebruik maken van de uitsluiting. In 1866 klaagde een Yorkshire'sche mijnwerker, dat hij âin zes jaren ongeveer vier en twintig maanden uitgeslotenquot; was geworden. 3) Gedurende het jaar 1865 scheen het alsof de uitsluitingen eene kenmerkende eigenschap van alle groote industrieën zouden gaan worden; de merkwaardigste voorbeelden waren die van de ijzerwerkers van Staffordshire, waarvan wij reeds melding hebben gemaakt, en van de scheepsbouw-werklieden aan de Clyde. In deze beide gevallen waren groote gedeelten der werklieden bereid op de voorwaarden der werkgevers te arbeiden, maar stonden bekend als leden van den bond, of werden verdacht de stakers te steunen. Maar hoezeer deze uitsluitings-praktijk ook bij de arbeiders groote opgewondenheid teweegbracht, werd het doel der werkgevers, het vernietigen der vereenigingen, er toch 4^ 4gt;
amp; ') Notulen der vergadering van den London Trades Council, Maart 1864.
s) De uitsluiting was niet bepaald eene nieuwe uitvinding. Place beschrijft het gebruik, dat er op het einde der vorige eeuw door de meester-broekenmakers van werd gemaakt. lt;Sgt;
lt;êgt; 3) Report of the Conference of Trade Delegates at Sheffield, Juni
1866, pag. 22. lt;5'
216
niet door bereikt. Niets dan absolute onderdrukking door de wet bleef hen over, die vak-combinaties beschouwden als âeen giftige plantquot; en een âbuitensporig anachronisme,quot; en te-vergeefs uitzagen naar het zoowel voor meesters als gezellen âgelukkige tijdperk,quot; waarin de vragen âWat is de prijs van een mud tarwe?quot; en âWat is de prijs van een dag arbeidsloon?quot; volgens dezelfde beginselen zullen worden beslecht.quot; ') 4gt;
De werkgevers waren trouwens niet de eenigen, die opnieuw van het onderdrukken der vakvereenigen door de wet begonnen te spreken. De industriëele ontwrichting, door de uitsluitingen veel meer veroorzaakt dan door de werkstakingen, bracht enorme schade en publieke ongelegenheid teweeg. De twisten tusschen werkgever en werknemer werden langzamerhand onbestemd beschouwd als aangelegenheden van meer dan particulieren aard. Ongelukkiglijk werd den vijanden van het vakvereenigingswezen een stok in handen gegeven, door het voortzetten der wandaden, in het belang der vakvereenigingen gepleegd, waarop de pers in groote mate de aandacht begon te vestigen. Op-zich-zelf staande gevallen van geweldpleging en vrees-aanjaging, die zich, zooals wij straks zullen zien, bepaalden tot zekere vakken en plaatsen, werden door de pers-berichten vergroot tot eene stelselmatige poging van den kant der vakvereenigingen in het algemeen, om hun doel te bereiken door middel van opzettelijk lichamelijk geweld. In de algemeene vrees en afkeuring maakte het publiek geen onderscheid tusschen de nietige vak-clubs van Sheffield en groote bonden als die der Machinebouwers en Timmerlieden. De commerciëele afkeer van industriëele geschillen werd verward met het gevoel van afschuw, teweeggebracht door het denkbeeld van groote combinaties van arbeiders, die, ter bereiking van hun doel, noch voor geweld, noch voor moord terugdeinsden. Het âschrikbewind der vakvereenigingenquot; werd eene nachtmerrie. âAan den eenen kant,quot; zegt een schrijver, die de openbare meening dier tijden vertegenwoordigt, ,,is geschaard de groote massa van het talent, de wetenschap, de deugd en den rijkdom des lands, en aan den anderen een aantal gewetenlooze lieden, een half lui leven leidende, zich voedend van de contributiën hunner dupes en van eene belasting, geheven van die intelligente ambachtslieden, welke gedwongen worden in hunne gelederen plaats te nemen, maar die overgelukkig zouden zijn hunne slavernij af te schudden en zich te voegen bij de steunpilaren van wet en recht, indien deze hen slechts voldoende bescherming zouden aanbieden.quot; £!)
lt;0*
lt;Sgt; ') An Ironmaslcr's Vieiv of Strikes, door W. R. HOPPER, Fortnightly
Review van i Augustus 1865.
lt;£gt; a) Measures for Putting an End to the Abuses of Trades Unions,
door Frederic Hill, advocaat; een voordracht gehouden voor het Nationaal
217
^ De vakvereenigingswereld schijnt van den naderenden
storm volslagen onbewust te zijn geweest. In Juni 1866 kwamen te Sheffield 138 gedelegeerden, vertegenwoordigende alle groote bonden, met een totaal-ledental van ongeveer 200.0q0, bijeen, om de eene of andere verdediging tegen het voortdurend gebruik der uitsluiting te verzinnen. Hij, die de verrichtingen van dit congres bestudeert, zal met verwondering tegenover elkander stellen het werkelijke gedrag der vakvereenigings-leiders en de scheldpartijen waaraan deze âweinige gewetenlooze mannenquot; in dien tijd waren blootgesteld. Zelfs van een bourgeois-standpunt kan niets waardiger zijn dan de beraadslagingen dier vertegenwoordigende arbeiders, die even sterk het gereede werkstaken hunner ontstuimige volgelingen, als de eigenmachtige uitsluitingen hunner meesters afkeurden en wier besluiten het verlangen naar het instellen van verzoeningsraden en het algemeen erkennen van arbritage in industriëele geschillen kenbaar maken. 1) Ondertusschen stichtten zij, teneinde de groote werkgevers-federaties te weerstaan, The United Kingdom Alliance oj Organised Trades (Verbond der Georganiseerde Vakken van het Vereenigde Koninkrijk), om de beoefenaren van welk vak ook, die door hunne werkgevers zouden worden uitgesloten, te ondersteunen. 2) Ongelukkiglijk slaagde het congres er ten-eenen-male niet in, te bepalen wat eene âuitsluitingquot; van eene werkstaking onderscheidt; en de Judicial Council (Rechterlijke Raad) van het Verbond, bestaande uit één gedelegeerde van elk der negen districten waarin het land verdeeld werd, zag zich voortdurend in strijd met zijne lastgevers, ten opzichte der te ondersteunen geschillen. Als gevolg van deze oneenigheid, gevoegd bij de toenemende malaise, werd aan de oproepingen
4
Genootschap tot Bevordering der Sociale Wetenschap, 1867â68, verslag pag. 24. Het algemeene bourgeois-gevoelen wordt weergegeven in den roman van charles reade: Put Yourself in his Place (Londen 1871). -v
amp; ') Zie bijvoorbeeld de redevoering van george newton, den secre
taris van de Glasgow Trades Committee: âZeer vele werkstakingen en misschien ook uitsluitingen, zijn ontstaan uit het van beide kanten botweg weigeren om
de kwestie eerlijk en vierkant in de oogen te zien.....Laten wij de hand in
eigen boezem steken en nagaan of er eene kwade gewoonte in ons is, die tot dezen onbevredigenden stand van zaken bijdraagt, en als wij ontdekken dat wij niet onberispelijk zijn, dan behooren wij vóór alles ons eigen huis in orde te
brengen.....Laat ons daarna de overzijde van het kamp beschouwen en zien
hoe het daar gesteld is, en als wij zien dat zij niet alles gedaan hebben wat zij hadden behooren te doen om deze ernstige dingen te voorkomen, laat ons dan onverbloemd en in ronde woorden aantoonen waarin wij achten dat zij gedwaald hebben en door het doen toenemen der publieke meening tegen tyrannic â sommigen noemen het zoo, doch een zachter woord zou misschien beter zijn â tegen de gebezigde onverstandige taktiek, zal veel gedaan worden om het in de toekomst anders te doen worden.quot; (Conference Report, Sheffield 1866). 4Sgt; s) Reglementen, vastgesteld op het congres van Manchester in 1867
(Sheffield 1867, 12 pag.\ 4
218
nrtrrmmTiWïainnÃnrr--quot;'^â¢'-^quot;
tot geldelijke bijdragen zeer onwillig gehoor gegeven; en het te Sheffield zetelende hoofdbestuur had zelden over eenige contanten te beschikken. Het Verbond sleepte zijn bestaan voort tot ongeveer het einde van 1870, toen de afvalligheid van hare laatste voorname vereenigingen er voor goed een einde aan maakte. 1) In 1866 echter was het Verbond jong en hoopvol. Het ontving zijn eersten slag in October van dat jaar, toen het, mèt het vakvereenigings-congres, vergeten werd in de sensatie, teweeggebracht door de ontploffing van een bus kruit in het huis van een arbeider in New Hereford-street, te Sheffield. 4
égt; Deze wandaad was slechts ééne van een soort misdaden,
die Sheffield reeds berucht hadden gemaakt. Maar in den toestand van publieke verbittering tegen het vakvereenigingswezen, die in de laatste jaren van uitsluitingen en werkstakingen was toegenomen, werden de gebeurtenissen door dat bericht verhaast. Van alle kanten werd om een grondig onderzoek naar het vakvereenigingswezen geroepen. De vakvereenigingen-zelf sloten zich daarbij aan. Daar de plaatselijke politie geen spoor van de bedrijvers der laatste misdaad kon ontdekken, vereenigden zich de leiders der Sheffieldsche vak-clubs met den Gemeenteraad en de lokale Patroonsbond, om aan te dringen op een onderzoek van regeerings-wege. De London Trades Council en het Hoofdbestuur der Amalgamated Engineers zonden eene gemeenschappelijke deputatie naar Sheffield, om het geval te onderzoeken. De deputatie ontdekte niet meer nopens de misdadigers dan de plaatselijke politie gedaan
4 4
') Het Verbond werd steeds beheerd door een bestuur, gekozen door de Sheffieldsche vakvereenigingen, welker leiders zich voor zijne tot-stand-koming beijverd hadden. De veteraan-secretaris der Typografische Vereeniging, Mr. William Dronfield, was de eerste algemeene secretaris. Onder de vertegenwoordigde vakvereenigingen waren de Mijnwerkers van South Yorkshire en Nottingham, de Amalganiated Tailors (kleermakers). Ketelmakers, Katoenspinners, de Schotsche Timmerlieden, Flesschenmakers van Yorkshire, Noord-Engelsche IJzerwerkers en de vakvereenigingen van Wolverhampton. Uit de notulen-boeken van 1867 tot 1870 en het gedrukte Monthly Statement (Maand-rapport) blijkt, dat het Verbond aanvankelijk tal van uitsluitingen steunde, vooral onder de kleermakers, mijnwerkers en ijzerwerkers, maar dat er aanhoudend klachten waren over het niet-nakomen der geldelijke verplichtingen. Mr. Dronfield deelde ons mede, dat de Judicial Committee en het Hoofdbestuur groote moeilijkheden ondervonden door de afwezigheid van controle over de vereenigingen waaruit het Verbond bestond en de onmogelijkheid om precies te bepalen wat eene uitsluiting was. Het eerste Congres van het Verbond werd van 1 tot 4 Januari 1867 te Manchester gehouden, toen 53 vakvereenigingen met 59.750 leden ingeschreven waren. De âreglementenquot;, op dit congres aangenomen, bevatten eene belangwekkende toespraak van Dronfield over de beginselen en het doel der federatie. Het volgende congres had in September 1867 te Preston plaats; het ledental was toen gedaald tot 23.580, verdeeld over 47 vakvereenigingen; o.a. hadden de Ketelmakers zich formeel teruggetrokken. (Minutes of Conference at Preston, Sheffield 1867, 16 pag.). lt;3gt;
219
had en rapporteerde daarom naïevelijk dat er geen bewijs was van medeplichtigheid der vakvereenigingen; maar zij deed dit rapport vergezeld gaan van eene strenge veroordeeling van âde afschuwelijke rattenings-praktyk, die degenen welke erbij betrokken zijn demoraliseert en schande brengt over alle vak-combinaties.quot; 1) Over het geheele land werden openbare vergaderingen van vak-vereenigingsmannen gehouden, waarin de leiders hunne verontwaardiging uitspraken, zoowel over de wandaad zelf als over de algemeene bewering dat het een gebruikelijk en noodzakelijk voorval in het vakvereenigingswezen was. Deze vergaderingen eindigden zonder onderscheid met den namens de vakvereenigings-mannen gestelden eisch, in de gelegenheid gesteld te worden de beschuldigingen van de vijanden der beweging te weerleggen. In de troonrede van Februari 1867 werd de instelling eener staatscommissie van enquête officieel aangekondigd. Dat het der regeering ernst was, bleek uit de vlugge indiening van een wetsontwerp, waarbij de commissie gemachtigd werd hare onderzoekingen met buitengewone middelen voort te zetten. Het onderzoek zou zich uitstrekken over alle misdaden der laatste tien jaren, zoowel te Sheffield als elders. Kwijtschelding van straf werd, mits zij getuigenis wilden afleggen, niet alleen beloofd aan de medeplichtigen aan misdadige handelingen, maar hetzelfde voorrecht werd ook toegestaan aan de werkelijke bedrijvers der misdaden. Het onderzoek
amp; ') De stad Sheffield had lang bekend gestaan wegens het rattening-
gebruik, dat wil zeggen; het tijdelijk verwijderen der drijfriemen of gereedschappen van een werkman, die aan zijne vereeniging contributie-schuld had. Dit was het erkende middel geworden, niet alleen om tot betaling der contributie, doch ook tot het naleven der vak-bepalingen der vereeniging te noodzaken. De buitenwettelijke, snelle rechtspleging welke de Sheffieldsche clubs zich op deze wijze aangematigd hadden, ging gemakkelijk over in ernstiger toepassingen van de lynchwet, waar rattening alleen geen gevolg bleek te hebben. Weerbarstige werklieden werden geterroriseerd door ontploffingen van bussen kruit in de bakken hunner slijpmolens of in hunne schoorsteenen; en in sommige gevallen veroorzaakten deze ontploffingen ernstig letsel. De verschillende slijpers-vereeni-gingen fzaag, vijl, sikkel, vork en haardijzer) verheugden zich in eene ongelukkige beruchtheid om wandaden van dien aard, die van tijd tot tijd uitbarstingen van verontwaardiging in de plaatselijke pers hadden verwekt. In 1861 bracht eene poging tot het doen in de lucht vliegen van een klein pakhuis in Acorn-street eene bizondere uitbarsting van publieke afkeuring teweeg En uit de notulen van den London Trades Council blijkt, dat de Council reeds bij die gelegenheid openlijk zijnen afschuw van zulk misdadig geweld uitsprak. Gedurende drie of vier jaren na dien, was er eene vermindering van het aantal gepleegde ernstige gewelddaden. Maar de jaren 1865â-66 zagen eene hernieuwing der kwade praktijken, speciaal in verband met de Zagenslijpers-vereeniging. Tot de ontploffing in New Hereford-street, in October 1866, bleek later door deze vereeniging aangespoord te zijn geweest, ten einde een zekeren Thomas Fernehough, die tweemaal de vereeniging had verlaten en toen werkte bij eene firma, bij wien zoowel de zaaghandvattenmakers als de zagenslijpers gestaakt hadden, vrees aan te jagen. ^
220
bepaalde zich bovendien niet tot de veronderstelde misdadige praktijken van zekere vak-clubs, doch zou het geheele vakveree-nigingswezen en zijne uitwerking omvatten.
4 De vakvereenigingsbeweging zag zich dus voor de derde
maal voor de balie eener parlementaire enquête, op een oogenblik dat zoowel de openbare meening als de vijandschap der werkgevers sterk tegen haar waren gaande gemaakt. Toen deze crisis, die door de geweldpleging van enkele der ouderwetsche vereenigingen was teweeggebracht, haar hoogtepunt had bereikt, ontvingen de nieuwe algemeene vereenigingen-zelf een ernstigen slag, door een uitspraak van het Hooggerechtshof. é-
4 De stichting der Amalgamated Engineers, met hare groote
geaccumuleerde kassen, had opnieuw de bezorgdheid der vakver-eenigings bestuurders gaande gemaakt ten opzichte van de vraag, in hoeverre eene vakvereeniging de bescherming der wet genoot. Hoewel vakvereenigingen, door de wet van 1825, als zoodanig niet langer onwettig waren, was er niets gedaan om hen eenig wettelijk standpunt te verschaffen, of om hen in staat te stellen als rechtspersoon op te treden. Maar in 1855 gelukte het aan een Metropolitan Trades Comittee (Vak-comité der Hoofdstad) in de wet op de vereenigingen tot onderling hulpbetoon van dat jaar een artikel gelascht te krijgen, dat bedoeld was te slaan op de vakvereenigingen. In hoofdstuk 44 dier wet werd bepaald, dat eene vereeniging, niet gesticht met eenig onwettig doel, zich, door hare statuten te deponeeren bij den Registreur der Vereenigingen tot Onderling Hulpbetoon, het voorrecht kon verschaffen, geschillen tusschen hare leden onderling in kort geding door de politie-rechters te doen beslechten. Op grond van deze bepaling hadden verscheidene der grootere vereenigingen hunne statuten gedeponeerd, met instemming van den Registreur geloovende, dat dit hen de macht verleende ieder lid, die in zijne functie van secretaris of penningmeester gelden der vereeniging zou behouden of verduisteren, onmiddelijk te vervolgen. l) De wettigheid hunner positie was in die mate door alle betrokkenen erkend geworden, dat Mr. Gladstone, toen hij in 1861 de rijks-postspaarbank instelde, op verzoek van de vakvereenigings-leiders, aan de vakvereenigingen, evenals aan de vereenigingen tot onderling hulpbetoon, het voorrecht had geschonken van de nieuwe banken gebruik te maken. 4 Dit gevoel van veiligheid werd in 1867 volkomen ver
nietigd. De Ketelmakers-Vereeniging zag zich genoodzaakt den penningmeester harer afdeeling Bradford wegens verduistering van
') Onder andere vereenigingen blijken de Amalgamated Engineers en Carpenters, benevens de nationale bonden van Ketelmakers en IJzergieters hunne statuten gedeponeerd te hebben. lt;0gt;
221
24 pond sterling te vervolgen; maar tot de algemeene verwondering van alle betrokkenen, verklaarde de rechtbank dat de vereeniging niet op grond van de wet op de vereenigingen tot onderling hulpbetoon eene vervolging kon instellen, daar zij, als vakveree-niging, buiten hare bepalingen viel. De zaak werd daarop voor het Hooggerechtshof gebracht, waar vier rechters, onder leiding van den Opperrechter, de uitspraak bevestigden, als bijkomende reden verklarende, dat de doeleinden der vereeniging, zoo al sinds 1825 niet bepaald misdadig, toch in die mate belemmerend waren voor de nijverheid, om de vereeniging een onwettig lichaam te doen zijn. De bestuurders der groote nationale bonden zagen dus hunne organisaties beroofd van het wettelijk standpunt dat zij zich verbeeldden veroverd te hebben en stonden opnieuw zonder eenige wettelijke bescherming hunner bijeengebrachte gelden. 4
4 De motieven dezer uitspraak gingen heel wat verder
dan de uitspraak-zelf. Zooals door Mr. Frederic Harrison werd aangeduid: ,,het vonnis zegt niet eenvoudig dat zekere vereenigingen niet hebben voldaan aan de letter van eene zekere wet, maar dat vakvereenigingen, van welke soort ook, uit den aard der zaak in strijd zijn met de goede zeden en dat hun doel elk verbond en elke handeling waarbij zij betrokken zullen zijn, zal benadeelen .... In één woord, het vakvereenigingswezen wordt (zooal niet, volgens de opmerking van den geleerden rechter, misdadig) in elk geval iets als wedden en dobbelen, openbare overlast en onzedelijk bedrijf â door de wet veroordeelde en onderdrukte dingen.quot; ^
4 Het vakvereenigingswezen, van beide kanten aangegrepen,
was nu in de engte gedreven. Het was gemakkelijk te voorzien, dat de werkgevers en hunne bondgenooten eene vastbesloten poging zouden doen om de staats-enquête en de Sheffieldsche wandaden te gebruiken tot onderdrukking van het vakvereenigingswezen door de strafwet. Anderzijds waren de zuur-verdiende saldo's der groote vereenigingen, die toen tezamen meer dan een kwart millioen pond beliepen, overgeleverd aan de genade van hun geheele leger van afdeelings-secretarissen en penningmeesters, van wie elk de gelden ongestraft kon verduisteren. 4
^ De crisis was te ernstig om door de opgewonden gede
legeerden-vergaderingen van den London Trades Council behandeld te kunnen worden. Gedurende meer dan vier jaren vernemen wij van slechts enkele en zuiver vormelijke vergaderingen van dat lichaam. Onmiddelijk na dc bekendmaking van de uitspraak der rechters in Januari 1867, riep applegarth bijeen wat een âconferentie der algemeene vakvereenigingenquot; genoemd werd, doch
lt;«5gt; ') Beehive van 26 Januari 1867. ^
222
hetgeen in werkelijkheid bestond uit wekelijksche besloten vergaderingen der vijf leiders en eenige andere vrienden. Van 1867 tot 1871 trad deze âconferentiequot; als het daadwerkelijke ministerie der vakvereenigings-beweging op. Hare geheime notulen, door ApplegARTH gehouden, openbaren het geheele politieke leven der vakvereenigingswereld.
De eerste handeling der Junta was het te-hulp-roepen dier bourgeois-bondgenooten, op wier bijstand en raad zij had geleerd te vertrouwen. Wij hebben reeds de verkleefdheid der âchristen socialistenquot; aan de Amalgamated Engineers in 1852 aangestipt, evenals de tusschenkomst der positivisten in de geschillen in de bouwvakken van 1859â61. Mr. Frederic Harrison en Prof. E. S. Beesly bewezen thans bizonder gewichtige diensten als de pleitbezorgers van het vakvereenigingswezen in de pers. âTom Hughesquot; was in het parlement bijna de eenige die uiting gaf aan de volledige wenschen der arbeiders. Mr. henry Crompton wijdde zijn scherp oordeel en zijne omvangrijke ervaring van de feitelijke werking der wet, aan de gevaren die de vakvereenigingen in de gerechtshoven bedreigden. Uit AppleGARTHS notulen blijkt, hoe vaak alle vier bereid waren uren door te brengen in particuliere conferentie in het kantoor der Machinebouwers in Stamford-street, en hoe zij in deze crisis gulweg hunne beroepskennis ter beschikking der vakvereenigingsleiders stelden. Het zou moeilijk zijn den ijver en de geduldige toewijding van deze vrienden van het vakvereenigingswezen, of den dienst die zij de zaak bewezen in het uur harer beproeving, te breed uit te meten. 1) égt; Uit de geheime verhandelingen der conferentie blijkt
duidelijk, dat het hoofddoel der Junta was, aan het vakvereenigingswezen het wettelijk standpunt te verzekeren, dat zoowel voor de beveiliging zijner kassen, als voor de erkenning der vakver-eenigings-organisatie als een samenstellend deel van den staat noodig was. Maar wat het allereerst te doen stond, was, het streven der werkgevers om de staats-enquête te gebruiken als middel om het vakvereenigingswezen door middel van rechtstreeksche strafbepalingen te onderdrukken, te verijdelen. De junta had zich daartoe niet alleen los te maken van de domme oproerigheid der ouderwetsche vereenigingen, maar had ook te bewijzen dat de massa harer eigen leden verlicht en fatsoenlijk was. Het was
') Nevens deze, werden de vakvereenigingen in dien tijd bijgestaan en van advies gediend door Mr. Vernon Lushington, Mr. Godfrey Lushington (thans permanent onder-secretaris aan het ministerie van binnenlandsche zaken1, Mr. J. M. Ludlow (later Registreur der Vereeniging tot Onderling Hulpbetoon), Mr. Neate vroeger hoogleeraar in de staathuishoudkunde en toen afgevaardigde van Oxford, het Parlementslid Sir T. Fowell Buxton en Mr. A. J. Mundelea (later minister). 4.
223
bovendien van het meeste belang het publiek te overtuigen, dat niet de werkstakings-speculanten of de bedrijvers van wandaden, doch de Junta en hare vrienden de geautoriseerde en typische vertegenwoordigers der vakvereenigings-beweging waren. Het was noodig dit alles te doen blijken bij het onderzoek der Enquêtecommissie, vóór welke het vakvereenigingswezen zich weldra zou te verdedigen hebben. De samenstelling der Commissie was daarom voor de Junta een zaak van de grootste zorg. De regeering had besloten geen vertegenwoordigers van beiderlei richtingen te benoemen, doch vermoedelijk onpartijdige personen, met Sir WlLLIAM Ekle, sedert kort afgetreden als opperrechter, als hun voorzitter. Door deze regeling werden vertegenwoordigers der werkgevers buitengesloten; en van het benoemen van werklieden werd niet gedroomd. De Commissie zou hoofdzakelijk worden samengesteld uit de rijen der hooge ambtenaren, met vier leden van beide Huizen en de president eener groote industriëele onderneming. De actieve wijze waarop Mr. Thomas Hughes aan de debatten had deelgenomen, verzekerde hem een zetel in de Commissie, hoewel hij gevoelde dat hij, geheel alleen staande, slechts weinig voor zijne vrienden zou kunnen doen. Alle mogelijke drang werd daarom op de regeering uitgeoefend, ten einde een vakvereeni-gingslid benoemd te krijgen ; maar het denkbeeld van een arbeiderlid eener staatsenquête-commissie, was onbestaanbaar met de officiëele tradities. Het meeste dat verkregen kon worden, was, dat de arbeiders en de werkgevers elk een bizondere vertegenwoordiger tot toevoeging aan de Commissie konden noemen. Voor de arbeiders viel de verstandige en buitengewoon gelukkige keuze op Mr. Fredekic Harrison, terwijl de Junta nog verlof verkreeg, vertegenwoordigende vakvereenigingsmannen bij de ver-hooren der getuigen aanwezig te doen zijn. 1) 4
De werkelijke leiding van de zaak der vakvereenigingen werd ondernomen door de heeren Harrison en HuGIIES, in overleg met Applegarth, wien de Junta afvaardigde ten haren behoeve de zittingen bij te wonen. De grondslag der verdediging werd met beduidende schranderheid gekozen. De taktiek der Junta en 4 é
amp; â¢) De Junta bepaalde echter haren arbeid niet tot het optreden
voor de Commissie. Een der schimpscheuten, den vakvereenigingsleiders door de pers vaak voor de voeten geworpen, was, dat zij zelf niet wisten wat zij wilden. Eensdeels als antwoord daarop, doch ook als manifest tot samentrekking der krachten van het vakvereenigingswezen, werd in den herfst van 1867 door Mr. Henrv Crompton een wetsontwerp opgesteld en door hem aan de Junta voorgelegd, dat, na aanzienlijke discussie, door haar en door eene vergadering van vak-gedelegeerden in de Be// lun aangenomen werd. In het begin der volgende zitting werd het in het Lagerhuis voorgesteld en diende als grondslag van de eischen der vakvereenigingen bij sommige der verkiezingen van 1868, bizonderlijk die te Sheffield, toen Mr. Mundella voor het eerst candidaat was.
224
hare bondgenooten bestond in het concentreeren van de aandacht der commissieleden op de groote vak- en uitkeerings-vereenigingen, in tegenstelling met de tallooze kleine plaatselijke vak-clubs van het oude type. De getuigenis van applegarth, de getuige die het eerst gehoord werd, bracht er veel toe bij, om de grofste vooroordeelen tegen de vakvereenigingen uit den weg te ruimen. De Algemeene Secretaris der Amalgamated Society of Carpenters was in staat aan te toonen, dat zijne vereeniging, toen de derde in financiëele beteekenis in de vakvereenigingswereld, verre van tot werkstaken aan te stoken, zich hoofdzakelijk bezig hield met den arbeid eener verzekeiings-maatschappij. Hij was in de gelegenheid krachtig nadruk te leggen op de volslagen afwezigheid van geheimhouding of dwang bij hare verrichtingen. Namens zijne leden ontkende hij allen tegenstand nopens machineriën, invoer uit het buitenland, stukwerk, overwerk, of het vrije werken met leerlingen. De grondslag waarop zijne vakvereeniging stelling nam, was: het tot eiken prijs handhaven van het standaardloon en den standaard-arbeidsduur, te verzekeren door het bijeenbrengen eener kas, die ieder lid der vereeniging in staat zou stellen een behoorlijken prijs voor zijn arbeid te bedingen. William Allan, die op den derden dag gehoord werd, volgde het voorbeeld van apple-garth, zij het ook met eenige reserve; en de getuigenis dier beide bestuurders van wat in de eerste plaats nationale uitkeerings-vereenigingen waren, maakte een merkbaren indruk op de Commissie. 4 De werkgevers werden niet zoo goed gediend als de
arbeiders. Het is waar, dat zij er, ondanks de ontkenningen van Applegarth, in slaagden, de Commissie te overtuigen, dat sommige der machtigste bonden zich uit alle macht verzetten tegen stukwerk en onder-besteding in eiken vorm en in sommige gevallen zelfs tegen de machines. In andere gevallen werd bewezen, dat pogingen waren aangewend tot het doorvoeren eener scherpe beperking der leerlingen. Dank zij de energie van den Central Association of Master Builders (Centrale Hond van Bouwondernemers), werd de beperkende taktiek der oudere vereenigingen in de bouwvakken zeer in het licht gesteld; en in dit feit is nog heden ten dage de oorzaak gelegen van den gangbaren indruk van het vakvereenigingswezen op de midden- en hoogste standen. Maar de werkgevers maakten bij hunnen aanval geen onderscheid. Bijna eenstemmig opperden zij bezwaar tegen het geheele principe van het vakvereenigingswezen. Met eene curieuse ondoorgrondelijkheid herhaalden zij het oude argument van de âindividueele overeenkomstquot; en protesteerden tegen iedere soort van industriëele organisatie van de zijde hunner werklieden. Alle pogingen der arbeiders om eenig deel te eischen in het regelen van de arbeidsvoorwaarden, werden uitgekreten als âongeoorloofde aanvallen op 15 - Sidney Webü. 225
hunne rechten als werkgevers.quot; Zij stonden erop, dat het aantal leerlingen, zoowel als het geheele drijven der nijverheid beschouwd moesten worden als particuliere aangelegenheden, welker beslissing âuitsluitend den werkgever-zelf behoort en waarmede niemand anders, laat staan de werklieden, iets te maken hebben.quot; En zij hadden nog meer bezwaar tegen de gecentraliseerde nationale vereeniging met uitgebreide reserve-kassen, dan tegen de op-zich-zelf staande plaatselijke clubs, met welker onbekookte uitbarstingen zij niet behoefden rekening te houden. Maar hoe doeltreffend het verwarren der kleine, plaatselijke lichamen, met hunne bekrompen taktiek van wandaden en geweld, met de algemeene bonden en hunne ver-strekkende macht en geaccumuleerde bezittingen ook moge geweest zijn om het publiek vrees aan te jagen â het bleek voor de werkgevers noodlottig te zijn, toen hunne zaak aan Mr. Frederic Harrisons scherp kruisverhoor onderworpen werd. Door hun aanval hoofdzakelijk terichten op de groote algemeene bonden en de pas-opgerichte plaatselijke Trades Councils, speelden de patroons rechtstreeks in de kaart van de Junta. Het viel Allan en applegarth gemakkelijk, aan te toonen dat de invloed van centrale hoofdbesturen en het vormen eener publieke opinie onder de vakvereenigingen, leidden tot het weerhouden van aanvallend optreden door arbeiders, verbitterd door een plaatselijk geschil. De combinatie van uitkeerings-fondsen met vak-doeleinden was bestemd om twintig jaar later door de vuriger geesten in de vakvereenigings-wereld geducht aangevallen te worden, als leidende tot niets-doen en achteloosheid ten opzichte van loon, arbeidsduur en arbeidsvoorwaarden. De in 1867-â68 bijgebrachte getuigenissen, gelezen in het licht van latere gebeurtenissen, openbaren dat deze neiging reeds begonnen was; en de Commissieleden konden onmogelijk de conclusie van de hand wijzen, dat zij in de algemeene bonden van Machinebouwers en Timmerlieden te doen hadden met veel minder aggressieve types van het vakvereenigingswezen, dan in overblijfsels als de loutere vakvereenigingen der steenbakkers, of der Sheffieldsche industriën. 4
4 Deze poging verijdeld ziende, bedienden de werkgevers
zich van eene beschuldiging der algemeene bonden, als uitkeerings-fondsen beschouwd. De voornaamste deskundigen werden opgeroepen, om te bewijzen dat noch de Amalgamated Engineers, noch de Amalgamated Carpenters met eenige mogelijkheid in staat konden zijn aan hunne steeds aangroeiende verplichtingen te voldoen en dat beide vereenigingen daardoor binnen weinige jaren onvermijdelijk tot een bankroet gebracht zouden worden. Deze geheele getuigenis is een treffend blijk van de onbetrouwbaarheid van experts, gedagvaard te getuigen over buiten hun terrein liggende dingen. Noch Mr. Finlaison, noch Mr. Tucker beseften ooit,
226
dat eene vakvereeniging, in tegenstelling met eene uitkeerings-vereeniging, eene onbegrensde macht bezit en voortdurend uitoefent, om, wanneer het de meerderheid der leden goeddunkt, door middel van speciale heffingen of verhoogde contributiën geld bijeen te brengen. Maar al ware zelfs der deskundigen beschuldiging volkomen gegrond geweest, was het eene taktische fout van de zijde der werkgevers. De Commissieleden zagen zich afgeleid naar eene enquête, niet naar de uitwerking van het vakvereenigings-wezen op het algemeen wélzijn, doch naar de wiskunstige deugdelijkheid van financiëele regelingen, die zekere groepen werklieden onder elkander verkozen te maken.
Ondertusschen was de voornaamste taak der Commissie, het onderzoek naar de Sheffieldsche wandaden, aan speciale âonderzoekersquot; opgedragen geworden, wier plaatselijke enquête veel minder de aandacht trok dan de verrichtingen van het centrale lichaam. Aanvankelijk bracht het onderzoek weinig nieuws aan den dag; maar in Juni 1867 werd het land opgeschrikt door de dramatische bekentenissen van BroADIIEAD en andere leden der slijpers-vakclubs, waardoor eene reeks wreede misdaden, waartoe door hen was aangehitst en die uit de clubkassen betaald waren, werd blootgelegd. Een korte poos scheen het, alsof alle naar het vakvereenigings-wezen in het algemeen geslingerde vage beschuldigingen gerechtvaardigd zouden worden; maar de onderzoekers rapporteerden, dat vier vijfden der vereenigingen, zelfs in de Sheffieldsche vakken, vrij van wandaden waren, dat deze het meest waren voorgekomen in 1859 en sinds verminderd waren. De eenige andere plaats waar de Commissieleden het noodig oordeelden naar wandaden een onderzoek in te stellen, was Manchester, waar de Steenbakkers-vereeniging vele misdaden gepleegd had, doch waar geene medeplichtigheid van den kant der andere vakvereenigingen werd aangetoond. Het werd allen, die zich oprecht met de zaak bezighielden, duidelijk, dat deze misdadige handelingen niet aan het vakvereenigingswezen als geheel konden worden ten laste gelegd. Zij waren inderdaad niet anders dan overblijfsels der ruwe gebruiken van een tijd dat arbeiders buiten de wet gesteld en onder tyran-nieke verdrukking waren, en dan nog in ruwe en op-zich-zelf staande vakken, als de steenbakkers en slijpers. 1) 4gt;
^ Het succes waarmede de zaak der vakvereenigingen voor
lt;3» ') De openbaringen van Broadhead veroorzaakten heel wat beweging,
en Prof. liEESLV, die het gewaagd had er op te wijzen âdat het vermoorden eener vakvereeniging noch beter noch erger was dan welke andere moord ook,quot; werd uitgemaakt voor een goedprater van misdaden en verloor bijna zijn hoog-leeraarschap aan de Londensche Universiteit, wegens zijne krachtige verdediging van het vakvereenigingswezen. Zie zijne brochure The Sheffield Outrages ami the Meeting at Exeter Hall (Londen 1867,16 pag.); 00k die van Mr. Richard Congreve, Mr. Broadhead and t/ie Anonymous Press (Londen 1867, 16 pag.).
227
de Commissie was gebracht geworden, spiegelde zich af in eene veranderde houding van de zijde der regeerende klasse, eene verandering die nadrukkelijk werd toegeschreven aan de âgrootere kennis en ruimere ondervindingquot; van de vakvereenigingen, die men door de enquête verworven had. âEcht staatsmansbeleid,quot; verklaarde de Times, âzal hun invloed trachten te vermeerderen, noch te verminderen, maar zal ze aanvaarden als een feit en vrijelijk gelegenheid tot wettige ontwikkeling geven.quot; ') ^ Het officiëele rapport der CcAnmissie, waarvan de vijanden
van het vakvereenigingswezen zooveel gehoopt hadden, gaf aldus niets in overweging, dat de positie van welke vereeniging ook ongunstiger zou hebben gemaakt dan zij te-voren was. Het was een onbeduidend en ietwat onlogisch document, waarin betoogd werd, dat vak-combinatie den arbeider niet tot werkelijk economisch voordeel kon strekken, maar dat niettemin de wettelijke erkenning der vereenigingen onder zekere voorwaarden aanbeval. Terwijl de wet van 1825 van de algemeene onwettigheid slechts combinaties ten opzichte van loon en arbeidsduur had uitgezonderd, gaven de Commissieleden in overweging, dat voortaan geene combinatie wegens belemmering van bedrijf vervolgbaar zou zijn, uitgezonderd die welke gesticht waren âtot het doen van daden die contractbreuk met zich mede brachten,quot; benevens het weigeren te werken met den een of anderen persoon. Maar het voorrecht van registratie, hetgeen met zich bracht de bevoegdheid tot het verkrijgen van wettelijke bescherming van de kassen der vereeniging, mocht alleen verstrekt worden aan vereenigingen, wier statuten vrij waren van zekere beperkende bepalingen, als bijvoorbeeld de beperking van leerlingen, of van het gebruik van machines en het verbieden van stukwerk en onder-besteding. De invloed der werkgevers op de Commissie bleek verder uit eene bizondere weigering van het voorrecht van registratie aan vereenigingen, welker statuten het steunen van geschillen in andere vakken toelieten. ^ Het resultaat der Commissie was in zooverre zuiver nega
tief. Vijandige wetgeving werd zelfs niet in overweging gegeven. Anderzijds lag het voor de hand, dat geene vakvereeniging met âwettelijke erkenningquot; op de voorgestelde voorwaarden genoegen zou nemen. Maar de Heeren Harrison en Hughes hadden zich niet
') Hoofdartikel in de Times van 8 Juli 1869. Dit was ter gelegenheid van de hoogstbelangrijke redevoering van Mr. (thans Lord) Urassey, waarin deze, sprekende als de zoon van een groeten aannemer, zich aan de zijde der vakvereenigingen schaarde en beweerde dat zij, door het uitoefenen van een heilzamen invloed op het karakter der werklieden, eer strekten tot het verminderen dan tot het verhoogen van den prijs van den arbeid (Hansard's Parliamentary Debates, 7 Juli 1869). De redevoering werd later, voorzien van eenige toevoegingen, opnieuw uitgegeven, onder den titel Trade Unions and te Cost of Labour, door T. Brassev (Londen 1870, 64 pag.).
228
bepaald tot het verwijderen van alle gevaarlijke voorstellen uit het rapport der meerderheid Hun minderheids-rapport, dat mede door den graaf van Lichfield geteekend werd, stelde in sierlijke volzinnen de onbeduidendheid in het licht van hetgeen de meerderheid in overweging gaf en omschreef in groote trekken de beginselen, waarop alle toekomstige wetgeving gebaseerd moest worden. Het beval aan, het verwijderen van alle speciale wettelijke bepalingen nopens arbeids-contracten, in de eerste plaats op grond dat geenerlei handeling van een werkman onwettig behoorde te zijn, tenzij zulk eene handeling even onwettig zou zijn indien zij door een ander bedreven ware; en tweedens, dat geene handeling eener combinatie van werklieden als misdadig behoorde beschouwd te worden, die niet misdadig zou zijn als zij door één persoon bedreven ware. Daaraan was toegevoegd eene gedetailleerde verklaring, door Mr. Frederic Harrison opgesteld, waarin den aard en de doeleinden van het vakvereenigingswezen, zooals deze gebleken waren uit de door de Commissie verzamelde omvangrijke getuigenissen, met zeer veel bekwaamheid werden verklaard en verdedigd. Wat misschien als een nog grootere dienst aan de vakvereenigingswereld beschouwd kan worden, was eene nauwkeurige en gedetailleerde uiteenzetting der verschillende wetswijzigingen, vereischt om de wet in overeenstemming te brengen met de bedoelde beginselen. Wij hebben hier een treffend voorbeeld van het voordeel van deskundig advies voor de arbeidersbeweging. De Junta had de volledige wettelijke erkenning harer vereenigingen gevraagd, op dezelfde wijze als gewone vereenigingen tot onderling hulpbetoon. Zij had echter niet beseft, dat zulk eene legalisatie de Amalgamated Society of Engineers zou hebben blootgesteld aan vervolging door elk harer leden, die wegens onderkruiperij, of andere met het belang der vereeniging strijdige handelingen, uitgeworpen zou zijn. Van een vakvereenigingsstandpunt zou de geheele kracht der combinatie van vak-doeleinden en uitkeeringen vernietigd zijn geworden. De bloote wettelijke erkenning zou de vakvereenigingen onder de alge-meene wet gebracht en aan het aanhoudend lastig ingrijpen der rechtbanken blootgesteld hebben. Zij waren opgegroeid in weerwil van de wet en de mannen der wet, die, wat betreft den geest van de eene en de vooroordeelen der anderen, aan de bedoelingen en het gemeenschappelijk optreden der vakvereenigingen vreemd en vijandig waren en nog zijn. Het gevaar, dat een lid de macht zou hebben eene rechtsvervolging in te stellen, hen door processen te kwellen en door gerechtskosten den nek te breken, of eene vereeniging binnen het bereik der wet op faillissement en insolventie te brengen, trad sterk aan den dag. Toen hare raadgevers den toestand uiteenzetten, besefte de Junta gemakkelijk, dat eenvoudige wettelijke erkenning het geduchtste wapen in handen van gewetenlooze werk-
229
gevers zou zijn. Om deze moeilijkheid te vermijden, stelde Mr. Harrison het vernuftige plan voor, de vakvereenigingen te brengen onder de wet op .de vereenigingen tot onderling hulpbetoon, voor zoover het de bescherming harer gelden tegen diefstal en bedrog betreft, en anderzijds ten volle het buitengewone wettelijke voorrecht te behouden, van niet als lichaam gedagvaard of op andere wijze vervolgd te kunnen worden. Indien een vakvereenigingsbestuurder gekozen ware geworden als de eenige vertegenwoordiger der vereenigingen in de Commissie, zouden zulke gedetailleerde en vernuftige wetswijzigingen niet uitgedacht en in een gezaghebbend officiéél rapport opgenomen zijn geworden. Het volledige handvest van de vrijheid der vakvereenigingen, door Mr. harrison en zijne vrienden bewerkt, werd gedurende zeven jaren het politieke program der vakvereenigingsmannen. En het is een deel van de ironie der Engelsche partij-politiek, dat, terwijl de samenstelling van dit program en de agitatie waarmede het onder de aandacht der elkander opvolgende parlementen gebracht werd, beide geheel en al het werk waren van een groep radicalen, het, zooals wij zullen zien, een conservatief ministerie was, dat het tot wet zou verheffen. ^ lt;$gt;
Het krachtdadige doch onofficiëele leiderschap der beweging, dat de Junta zich gedurende de zittingen der Enquête-Commissie op zich had genomen, was niet geheel en al onaangetast gebleven. Zij die belang stellen in de verwikkelingen van persoonlijke intriges en naijver, die de kracht van volksbewegingen verminderen, kunnen in de kolommen van de Beehive het volle relaas der machinatiën van George Potter lezen. De Beehive riep in Maart 1867 in St. Martin's Hall een vakvereenigings-congres bijeen, dat bijgewoond werd door meer dan honderd gedelegeerden van provinciale vereenigingen. Trades Councils en de kleinere
^ 4gt;
') De Sheffieldsche wandaden en de Staats-Enquéte gaven aanleiding tot het ontstaan van heel wat literatuur, die echter grootendeels van weinig waarde is. De Commissie-zelf bracht niet minder dan elf verslagen uit, voorzien van uitgebreide getuigenissen en aanhangsels. De Onderzoekers, aangewezen tot het onderzoek naar de wandaden te Sheffield en Manchester, brachten afzonderlijke rapporten uit, die aan het parlement werden voorgelegd. De groote hoeveelheid inlichtingen nopens werkstakingen en andere verrichtingen van vakvereenigingen, is de voornaamste bron geweest van alle latere geschriften over het onderwerp. The Trade Unions of Eng/and, door den Graaf van Parijs (Londen 1869, 246 pag.) en The Trade Unions, door Robert Somers Edinburg 1876,232 pag.) bijvoorbeeld, zijn weinig beter dan compilaties, de eerste welgezind, de tweede vijandig, van de voor de Commissie afgelegde getuigenissen. De hoofdstukken betreffende het vakvereenigingswezen in W. T. Thorntons werk On Labour (Londen 1870 , dat zulk een blijvenden indruk maakte op de economische wereld, zijn geheel en al op dezelfde getuigenissen gebaseerd. Onder andere publicaties mogen genoemd worden: Trades Unions Defended, door W. R. Callender (Manchester 1870, 16 pag.) en Measures for Putting an End to the Abuses of Trades Unions, door Frederic Hill (Londen 1868, 16 pag.). lt;9gt;
230
Londensche clubs. 1) De Junta weigerde iets te doen te hebben met eene onder Potters leiding staande vergadering, hetgeen misschien niet zoo heel verstandig was. Maar vele harer provinciale bondgenooten verschenen, zonder vermoeden van het sectaire karakter van het congres en zagen zich geplaatst in de zonderlinge positie van te moeten medewerken aan hetgeen inderdaad eene poging was om de Londensche vakvereenigingen te verleiden hun trouw aan de Junta en den London Trades Council te verzaken. Het congres duurde vier dagen en veroorzaakte, dank zij de energie van potter, niet weinig beweging. Eene commissie werd benoemd om de zaak der vakvereenigingen voor de Enquête-Commissie te leiden en conolly, de voorzitter van de Steenhouwers-vereeniging, werd afgevaardigd om de zittingen bij te wonen. Maar hoewel de Beehive alle verrichtingen dier commissie sterk op den voorgrond schoof, konden wij niet ontdekken waarmede zij zich werkelijk bezighield. Wegens een onbescheiden redevoering werd conolly weldra van het bijwonen der zittingen der Commissie buitengesloten en de leiding van de zaak der vakvereenigingen bleef in handen van applegarth en de Junta. 4»
Afgezien echter van jaloezie en persoonlijke intriges, bestond er eenige wezenlijke oppositie tegen de taktiek van de Junta. De groote massa der vakvereenigingsmannen was nog niet bekeerd tot de noodzakelijkheid van het verkrijgen eener erkende wettelijke positie voor hare vereenigingen. Er waren zelfs vele ervaren bestuurders, vooral in de provinciale organisaties van het oude type, die de door de Londensche leiders gevolgde gedragslijn nadrukkelijk afkeurden, op grond dat zij tegenstanders van wettelijke erkenning waren. ,,Hoe minder arbeiders te doen hebben met de wet, in welken vorm ook, hoe beter,quot; was het voortdurende refrein der oude vakvereenigingsmannen. Deze zienswijze vond in ruime mate uiting op de in 1868 door den Manchester Trades Council en in 1869 door die van Birmingham bijeengeroepen congressen. Maar ondanks de afwezigheid der Junta van het congres te Manchester, slaagde haar vriend john Kane, van de North of England Ironworkers Association er in, de afgevaardigden eene resolutie te doen aannemen, waarin het volle vertrouwen in de taktiek en het optreden van de âconferentie der gemengde vakkenquot; werd uitgesproken. ~) En op het congres van 1869 bewerkten de Heeren Odger en Howell, als vertegenwoordigers der Junta, het aannemen eener reeks resoluties, waarin de voorstellen van
Mr. Frederic Harrison belichaamd waren.3) 4 4
') Report of the Trades Conference (Londen 1867, 32 pag.). lt;êgt; O quot;) Beehive van 13 Juni 1s68.
3) Dito van 28 Augustus 1869. â¢S'
231
Ondertusschen was er eene verandering in den politieleen toestand gekomen. Bij het begin van de crisis had Mr. Frederic Harrison er bij de vakvereenigings-wereld op aangedrongen, zich tot herstel van grieven tot het stembureau te wenden. âNiets,quot; schrijft hij in Januari 1867, âzal de regeerende klassen er toe noodzaken de eischen (der arbeiders) te erkennen en eerlijk te beoordeelen, totdat zij zien dat deze de werkelijke politieke macht trachten te veroveren. Vakvereenigingsmannen, die tot-nog-toe met hunne vereenigingen tevreden zijn geweest, kunnen zien tot welk een toestand hunne onthouding van politieke bewegingen hen gebracht heeft.quot; ') Binnen eenige maanden na dezen raad, had de kieswet van 1867 het kiesrecht gegeven aan de werklieden in de kleinere steden. De vakvereenigingsleiders draalden niet het hun aldus gegeven voordeel aan te wenden. Onder den gemakkelijken dekmantel van de âconferentie der gemengde vakken,quot; verspreidde de Junta in Juli 1868 eene circulaire, waarin den vakvereenigingsmannen krachtig gewezen werd op het gewicht van hunne namen op de kiezerslijsten te doen plaatsen en aan eiken candi-daat de vraag te stellen, waarbij zij in de eerste plaats belang hadden. Dit voorbeeld werd door alle Trades Councils des lands gevolgd; en wij zien de verkiezingstaktiek der Junta zelfs door de vereenigingen die bij overlevering tegen alle politieke actie gekant waren, gevolgd worden. Het Hoofdbestuur der Steenhouwers bijvoorbeeld, drong er bij zijn leden sterk op aan, bij de aanstaande verkiezing alleen te stemmen op candidaten, die bereid waren de eischen der vakvereenigingen te ondersteunen.2) 4
In het begin van 1869 had Mr. Frederic Harrison een omvangrijk wetsontwerp opgesteld, waarin alle wetgevende voorstellen van zijn minderheids-rapport belichaamd waren. Dit werd door de Heeren MuNDELLA en HUGHES ingediend en hoewel zijne bepalingen door de werkgevers met veel misbaar ontvangen werden, 8) vond het eenigen steun onder de nieuw-gekozen leden en werd het buiten het Huis krachtig ondersteund. De toenmalige liberale regeering en bijna alle leden van het Lagerhuis waren de grondbeginselen van het vakvereenigingswezen nog heimelijk vijandig gezind en al het mogelijke werd gedaan om den maatregel te smoren. 4) Maar de Junta was vast-besloten hare nieuwe
^ ') Beehive van 26 Januari 1867. O
4gt; J) Fortnightly Circular van Juni 1868. lt;5gt;
4!gt; 3) Zie bijvoorbeeld Some Opinions on Trade Unions and the Billof iS6q,
door Edmund Potter, M. P. (Londen 1869, 45 pag.); 00k Observations upon the Law Combinations and Trades Unions, and upon the Trades Unions Bill, door een Advocaat (Londen 1869, 64 pag.). 4Jgt;
lt;?!gt; 4) In zijn Letters to the Working Classes (Londen 1870) geeft Prof.
Beeslv een levendig verhaal van het gescharrel der regeering en beveelt politieke actie aan. Uit het verslag over 1871 van den General Union 0/House Painters
232
politieke macht te doen gevoelen. Van alle deelen des lands werd op de parlementsleden drang uitgeoefend. Eene groote arbeidersdemonstratie werd in Exeter Hall gehouden, waarbij de Heeren Mundella en HuGHES uitkwamen voor hunne bedoeling, om het Huis en het ministerie te noodzaken den gehaten maatregel in stemming te brengen. Ontwijken niet langer mogelijk ziende, liet de regeering hare vijandige houding varen en stemde in eene officiëele tweede lezing toe, met dien verstande, dat het kabinet in het volgende jaar zelf een wetsontwerp zou indienen. Een voorloopige maatregel, waarbij tijdelijke bescherming aan de kassen der vakvereenigingen werd verleend, werd daarop, tegen het einde der zitting, door het parlement gejaagd, in afwachting van het indienen van een volledig wetsontwerp. ') De Junta had de eerste overwinning van hare politieke campagne behaald. 4 4
CAIgemeene Huisschildersbondl â de zoogenaamde âManchester Alliancequot; â-blijkt hoe gretig die raad ontvangen werd: âWeg met den kreet van geen politiek in onze vereenigingen; die dwaze neutraliteit heeft ons zonder macht of invloed gelaten.quot; ^
4tgt; 't 32 en 33 Vic. c. 61 (1869.* Deze voorloopige maatregel werd in
het Hoogerhuis door graaf Cairns met verbittering bestreden. Hij betoogde, dat de daarin vervatte algemeene bescherming van de fondsen van alle vereenigingen zonder onderscheid, zonder de vernietiging hunner berispelijke statuten, in lijnrechte tegenspraak was met het meerderheids-rapport der Enquéte-Com-missie. Zulk eene onderwerping aan de vakvereenigingen was zijns inziens onnoodig, daar hunne kassen in het vorige jaar toevalligerwijze beschermd waren geworden door de âwet tot wijziging der bepalingen nopens diefstal en verduisteringquot; (31 en 32 Vic. c. 116), op aandringen van russell Gurney, plaatselijk rechter te Londen, aangenomen. Deze wet sloeg niet op vakvereeningen als zoodanig, maar zij verleende bevoegdheid tot het vervolgen van leden eener co-partnership wegens het stelen of verduisteren der gelden hunner co-partnership. De mogelijkheid harer toepassing op ontrouwe vakvereenigings-bestuurders werd opgemerkt door de heeren Shaen, Roscoe amp; Co., die gedurende twee generaties als rechtsgeleerde raadslieden van verschillende der voornaamste vakvereenigingen zijn opgetreden. Op hun aandringen werd een geval voor den toenmaligen Procureur-Generaal (Sir John Karslake gebracht, die adviseerde dat eene vakvereeniging nu in het karakter van een partnership vervolgingen kon instellen. Eene strafvervolging werd daarop onmiddellijk door de Metselaars-vereeniging aanhangig gemaakt tegen een oneerlijken bestuurder, die het Hoofdbestuur uitgetart had, met het resultaat dat de beschuldigde in December 1868 tot zes maanden tuchthuisstraf veroordeeld werd. Deze welgeslaagde vervolging werd in de vakvereenigingswereld wijd en zijd bekend gemaakt en werd herhaaldelijk aangehaald om aan te toonen dat geen verdere wetgeving noodig was. Maar Mr. Frederic Harrison en andere raadslieden der Junta toonden duidelijk aan, dat de Wet-russell Gurnev, hoewel de vakvereenigingen in staat stellende oneerlijke bestuurders in de gevangenis te krijgen, hen niet de macht gaf de verschillende bedragen in te vorderen, of eenigerlei civiele procedure in te stellen en voorts de onwettigheid van arbeiders-combinaties âtot belemmering der nijverheidquot; niet uit den weg ruimde. Zie Mr. Frederic Harrisons artikel â Tiie Trades Union Bilt' in de Fortnightly Review van 1 Juli 1869 en het vlugschrift over de Wet-russei,l Gurnev, in December 1868 door de Amalgamated Society of Engineers uitgegeven. ^
233
é* In de volgende zitting bleek de regeering afkeerig van
het vervullen harer belofte in deze aangelegenheid. Maar de vak-vereen igingsmannen waren niet gezind de zaak te laten rusten en na lang aandringen bracht Mr. Bruce (nu Lord Aberdare), die toen minister van binnenlandsche zaken was, in 1871 een wetsontwerp tevoorschijn, dat door de vakvereenigingswereld gretig onderzocht werd. De regeering stelde voor, op alle punten, nopens welke de Junta drang op haar had uitgeoefend, toe te geven. Geene vakvereeniging, hoe breed ook hare doeleinden mochten zijn, zou voortaan onwettig zijn, alleen omdat zij âbelemmerend voor de industriequot; was. Elke vereeniging zou het recht hebben zich te doen registreeren, zoolang hare statuten niet nadrukkelijk in strijd waren met de strafwet. En ten slotte was de registratie, die de vereenigingen volledige bescherming harer kassen gaf, zoodanig ingericht, dat hare inwendige organisatie en inrichting onaangeroerd bleef en belette dat zij gedagvaard of voor een rechtbank vervolgd konden worden. 4gt;
De werkgevers vielen de regeering heftig aan wegens hetgeen zij noemden het bewilligen van feitelijk alle eischen der vakvereenigingen. !) Maar van het standpunt der arbeiders had dit âvolledig handvest tot legalisatie der vereenigingenquot; eene ernstige te-kort-koming. Het ontwerp, zoo werd geklaagd, hoewel de com-binatie-wetten herroepende, âstelde er eene andere strafwet tegen arbeidersquot; als zoodanig âvoor in de plaats.quot; Een lang artikel bepaalde dat geweldpleging, bedreiding of moleste met het doel op werkgevers of werknemers dwang uit te oefenen, streng gestraft zou worden. Alle uitdrukkingen der oude combinatie-wetten, âmoleste,quot; âobstructie,quot; âbedreigen,quot; âvrees-aanjagenquot; en dergelijke, werden zonder eenige omschrijving of bepaling gebruikt, en het uitzetten van posten (picketing) werd bovendien uitdrukkelijk gerangschikt onder moleste of obstructie, door middel van een uitvoerig verbod van âonafgebroken volgenquot; van een persoon, of âbewaken en blokkeerenquot; van het gebouw waarin hij zich bevindt, alsook den toegang tot zulk een gebouw. De wet van 1859, die het vreedzaam overhalen tot het toetreden tot wettige combinaties nadrukkelijk gewettigd had, werd herroepen. 2) Het scheen maar
') Zie bijvoorbeeld het verslag der vergadering van den Bouwondernemers-bond te Leeds, om bezwaar te maken tegen het wetsontwerp, in de Beehive van 11 Maart 1871.
2j In 1859 was een korte wet aangenomen genomen geworden (22 Vic. c. 34), waarbij eene eenvoudige overeenkomst tot het verkrijgen eener verandering van loon of arbeidsduur, alsook het vreedzaam overhalen, zonder bedreiging of vrees-aanjaging, om den arbeid neder te leggen of te weigeren ten einde loon of arbeidsduur in kwestie te erlangen, van de definitie van âmolestequot; en âobstructiequot; uitgesloten werd. De wet werd zonder discussie of commentaar aangenomen, waarschijnlijk naar aanleiding van eenige recente rechterlijke uit-
2 34
al te waarschijnlijk, dat het regeeringsvoorstel het tot eene misdadige overreding zou stempelen, als twee vakvereenigingsmannen rustig op straat zouden staan tegenover de fabriek van een werkgever bij wien zij gestaakt hadden, ten einde het doel der werkstaking vreedzaam mede te deelen aan een werkman die er onbekend mede was.
Het blijkt niet dat Mr. Bruges heftig bestreden âartikel 3quot; de bedoeling had eenigerlei verandering in de wet aan te brengen. Het veelomvattend verbod van geweldpleging, bedreiging, vrees-aanjaging, moleste en obstructie, was niets anders dan de opsomming en codificatie der verschillende rechterlijke uitspraken der voorafgaande jaren, waaronder de vakvereenigingsmannen geleden hadden. Maar de wet was tot-nog-toe duister en met zich zelf in tegenspraak geweest; zoowel de wetsbepalingen als de rechterlijke uitspraken waren grootendeels uitgegaan van eene vooringenomenheid tegen het bestaan-zelf van het vakvereenigings-wezen, die nu aan het verdwijnen was; en de arbeiders en hunne raadslieden vreesden niet zonder reden de gevolgen eener duidelijke her-instelling van bepalingen, die feitelijk alle gebruikelijke methodes der vak-combinaties tot misdaad stempelde. Een pas-geveld vonnis had de aandacht der vakvereenigingsleiders en hunne rechtsgeleerde vrienden op het gevaar gevestigd. In Juli 1867 was onder de Londensche kleermakers eene groote werkstaking uitgebroken, bij
spraken, doch hare feitelijke oorsprong is niet duidelijk. De Steenhouwers-vereeniging weigerde er iets mede te doen te hebben en sprak verachtelijk van hare voorstellers als bemoeiallen. Alexander Macdonald sprak er in zijn redevoering van 28 Juni 1875 over het wetsontwerp nopens werkgevers en arbeiders (Hansard, deel 225, pag. 66-67) van, als zijnde op aandringen van hem en anderen tot stand gekomen, ten einde de arbeiders in staat te stellen anderen over te halen tot combinaties toe te treden, en dat zij eene zeer heibame uitwerking had gehad. Een weinig-bekende brochure. Letters to the Trades Unionists and the Working Classes, door Charles Sturgeon, (Londen 1868, 8 pag.), geeft het eenige relaas van het ontstaan der wet, dat wij gezien hebben. âSommige rechters hadden uitgemaakt, dat de vrijheid tot vereenigen alleen bestond gedurende de periode dat hij niet in dienst van eenen meester was (dat is, als hij werk zoekt:. Zulk eene blijkbaar onjuiste uitlegging, waardoor de werklieden in de gevangenis werden geworpen, terwijl hunne meesters zich naar believen combineerden, gaf aanleiding tot tal van petities tot verlichting, die als gewoonlijk op de tafel lagen. Het Hoofdbestuur van den National Association of United Trades vergaderde echter in mijne apartementen in Abingdon-street en wij stelden een klein wetsontwerp op, negen regels lang, om den rechters duidelijk te maken, dat zij er niet in geslaagd waren het standpunt van den wetgever te verklaren .... Ik stelde onze vrienden voor aan wijlen Henry Drummond, Thomas Duncombe en joseph Hume, twee radicalen en een oprechte conservatief, en, vreemd genoeg, werkten zij uitstekend samen in het belang der rechtvaardigheid. Na gedurende vier of vijf jaren hard gevochten te hebben tegen de groote liberale partij, werd een wetje aangenomen 122 Vic. c. 34), tot groote vreugde der arbeidende klassen en verdriet der Manchester radicalen.quot; Maar uit de vonnissen in R. v. Druitt en R. v. Bailey in 1867 bleek, dat het niet voldoende was om posten tegen vervolging te beveiligen.
235
welke gelegenheid de winkels der patroons zorgvuldig âgepostquot; waren geworden. ') Druitt, sllorrocks en andere bestuurders der vereeniging werden daarop in staat van beschuldiging gesteld, niet wegens persoonlijke geweldpleging of feitelijke moleste, maar wegens de vage misdaad van samenzwering. De rechter (Baron, later Lord Bramwell) overwoog, dat posten, indien zij gecombineerd optraden, schuldig waren aan âmolestequot;, als zij slechts aanstoot geven door donker te kijken, of zelfs door hunne aanwezigheid in grooten getale, zonder eenige gewelddadige handeling of gebaar; en dat twee of meer personen, die zich vereenigden om iets onaangenaams of hinderlijks aan een anderen persoon te doen, schuldig waren aan een vergrijp tegen de gewone wet. Over de bezoldigde en onbezoldigde bestuurders der Kleermakers werd, eenvoudig wegens het organiseeren van vreedzame posten, het schuldig uitgesproken en het werd duidelijk, dat, als de rekbare wet op de samenzweringen aldus op vakvereenigings-geschillen van toepassing kon worden gemaakt, feitelijk elk onderdeel van het
^ '⢠Mr. Henrv Crompton geeft het volgende relaas der praktijk van
het posten (picketing): âHet posten wordt gewoonlijk slecht begrepen. Het komt in eene werkstaking voor, als de oorlog is uitgebroken. De strijd bestaat natuurlijk daarin, dat de werkgever nieuwe arbeidskrachten tracht te bekomen, terwijl de stakers trachten dit te beletten. Zij doen natuurlijk hun best om alle anderen over te halen zich bij hen aan te sluiten. Zeer dikwijls wordt door de patroons het land afgeloopen en worden arbeiders van groote afstanden aangebracht, die nooit gekomen zouden zijn als zij geweten hadden dat er eene werkstaking was. Arbeiders wenschen hunne kameraden niet te onderkruipen. Een man wordt daarom op post gezet, om mededeeling te doen van de grieven waarover geklaagd wordt en om er bij de nieuw-aangekomen op aan te dringen, niet de in gang zijnde werkstaking te doen verloren gaan.
âDit is niet alleen te rechtvaardigen, maar het is veel beter dat het wettig is en in den vollen dag wordt uitgeoefend, dan dat het onwettig is en in het geheim geschiedt, want kwade praktijken zullen zeker plaats hebben als het in het geheim gedaan moet worden. Het geschiedt ongetwijfeld met het doel de werkgevers te dwingen, precies als de uitsluiting plaats heeft om de werknemers te dwingen.
^ âHet posten heeft nog andere doeleinden en resultaten. Het stelt
den stakers in staat te weten te komen of de werkgevers arbeiders krijgen, of er mogelijkheid bestaat dat de werkstaking gelukken zal, en om bedriegelijke aanspraken op stakings-uitkeering tegen te gaan. Behalve dat, is de openbaarheid, welke het posten-stelsel met zich brengt, ongetwijfeld van beduidenden invloed op het gedrag der arbeiders. De stakers beschouwen uit den aard der zaak ieder, die tegen de algemeene vakbelangen handelt, met minachting, juist zooals een onvaderlandslievend man veroordeeld wordt door degenen, die van een hooger begrip van nationale plichten doordrongen zijn. Het posten is op deze gronden door de arbeiders gerechtvaardigd, maar alle lichamelijke moleste of vreesaanjaging wordt veroordeeld. De arbeiders hebben er nooit op aangedrongen, dat dergelijke praktijken niet door de srafwet zouden worden tegengegaan.quot; (Zie The Labour Law Commission,, door Henry Crompton, aangenomen en uitgegeven door het Parlementair Comité van het Vakvereeni-gings-Congres.)
236
leiden eener werkstaking een misdaad kon worden. â ) Het geval-Druitï stond trouwens niet alleen. De Junta kon zich den tijd herinneren dat arbeiders gevangen werden gezet wegens het eenvoudige staken van het werk, of zelfs wegens eene overeenkomst tot werkstaken. 2) Ja, het eenvoudige kennis-geven van eene voorgenomen werkstaking, zelfs op de hoffelijkste en vreedzaamste manier, werd vaak aangemerkt als eene vrees-aanjagende handeling, die als eene misdaad strafbaar was.3) In 1851 werd het aanplakken van billetten, waarin eene werkstaking werd aangekondigd, als eene intimidatie der werkgevers aangemerkt. 4) Het regeerings-ontwerp, verre van Mr. Frederic Harrisons voorgestelde herroeping van alle speciaal op werklieden betrekking hebbende strafbepalingen te aanvaarden, liet al deze rechterlijke uitspraken onaangeroerd en dreigde zelfs, door hen opnieuw gecodificeerd in de wet te brengen, hunne werking gelijkvormiger en doeltreffender te maken. 4gt;
égt; Er was dan ook eenige grond voor de bewering der
vakvereenigingsmannen, dat de regeering met de eene hand terugnam wat zij met de andere gaf. Het scheen weinig nut te hebben het bestaan van vakvereenigingen wettig te verklaren, als de strafwet zoodanig werd uitgerekt, dat de gewone vreedzame middelen, waarmede die vereenigingen haar doel bereikten, onder hare bepalingen kwamen te vallen. Boven alles bestreden de vakvereenigingsmannen ten ernstigste het denkbeeld, dat eenigerlei handeling, indien die door hen, of ten behoeve hunner vereenigingen verricht werd, strafbaar zou zijn, terwijl diezelfde handeling, door een ander, of ingevolge de doeleinden eener vereeniging van anderen aard verricht, geen misdaad zou wezen. 4gt; amp; Een storm van verontwaardiging stak op in de vakver-eenigingswereld. De Junta hield bezorgde consulten met hare rechtsgeleerde raadslieden, die allen adviseerden tot den meest mogelijken weerstand tegen deze allergevaarlijkste her-invoering der wet. Eene vergadering van gedelegeerden der Londensche vakvereenigingen werd bijeengeroepen, om te protesteeren tegen de strafbepalingen van Mr. bruges wetsontwerp. Maar het was noodig het Lagerhuis van uit een wijderen cirkel dan de hoofdstad aan te vallen. Ten dien einde besloot de Junta het voorbeeld, in 1868 4
1 Baron BRAMWELLSwetsuitlegging gaf aanleiding tot veel afkeuring, zelfs onder rechtsgeleerden. Zie stephens' History of the Criminal Law, deel iii, pag. 221â-22. R. v. Druitt is gereporteerd in 10 Cox, 600. â
4 Ji R. v. Hewitt, 5 Cox, 162 11851 . Vergelijk ook de beschouwingen
van den rechter Hannen, ten opzichte van het somtijds misdadig zijn der eenvoudige handeling van werkstaken, in Farrer v. Close, 4 L. R. Q. B. 612 (185I1. gt;ügt; s) R. v. Hewitt, 5 Cox C. C. 163 11851). 4gt;
4- 4 Zie Walsby 7'. Anley, 30 L. J. M. C. 121 (1861); Skinner t/. Kitch,
10 Cox, 493 (1867); O'Neil v. Kniger, 4 Best and Smith, 389 (1863); Wood 7/. Bowron, 2 Law Report, Q. B. 21 (18661; R. v. Rowlands, 5 Cox, C. C. 493 (1851). lt;3'
237
en 1869 door de Trades Cotmcils van Manchester en Birmingham gegeven, te volgen, door een nationaal vakvereenigings-congres bijeen te roepen. 1) égt;
Het bijeenkomen van dit congres werd vastgesteld voor Maart 1871, tegen welken tijd men terecht berekende dat het hatelijke wetsontwerp bij het Lagerhuis in behandeling zou zijn. De gedelegeerden besteedden hun tijd grootendeels met uitvaren tegen de strafbepalingen der wet en waren er na aan toe, zich tegen den geheelen maatregel te verzetten. Maar ten slotte werd besloten het legaliseerende deel der wet te aanvaarden, terwijl
4
') ^Terwijl de voortdurende vergaderingen der Junta, het onofficiëele ministerie der beweging, uit de groote algemeene bonden voortkwamen, dankte het Vakvereenigings-Congres, of âParlement van den Arbeid'1 zijn oorsprong aan de Trades Councils. Wij hebben reeds het in 1864 te Londen gehouden speciale congres over de wet nopens meester en dienaar, bijeengeroepen dooiden Glasgow Trades Council, beschreven, evenals zijn opvolger, in 1867 door den Sheffield Trades Council belegd, om verdedigingsmaatregelen tegen den lock-out te beramen. Maar de eer van het denkbeeld van een jaarlijksch congres tot het behandelen van alle voor de vakvereenigingswereld belangrijke onderwerpen geopperd te hebben, komt den Manchester and Salford Trades Council toe, die in April 1868 eene circulaire verzond (gelukkig bewaard gebleven in het Ironworkers' Journal â Orgaan der Ijzerwerkers â van Mei 1868 en achter in dit boek afgedrukt), waarin een congres werd bijeengeroepen, dat in de Pinksterweek van 1868 te Manchester zou plaats hebben. Dit congres werd bijgewoond door vier en dertig gedelegeerden, die 118.000 vakvereeni-gingsmannen heetten te vertegenwoordigen. Birmingham werd aangewezen als de plaats waar het volgende congres zou gehouden worden en de gedelegeerden werden, toen de tijd kwam, door den Birmingham Trades Council bijeengeroepen. Dit tweede congres, dat in Augustus 1869 bijeenkwam, omvatte acht en veertig gedelegeerden van veertig afzonderlijke vereenigingen, hebbende, naar beweerd werd, 250.000 leden. Maar hoewel deze algemeene congressen door sommige der voornaamste provinciale vakvereenigingsmannen werden bijgewoond, werden zij door de Londensche Junta niet gunstig beoordeeld. Onder de vier en dertig gedelegeerden op het Manchestersche congres bevond zich, behalve George Potter, hoogstens een enkele uit de hoofdstad. Een half dozijn vertegenwoordigers van Londensche vereenigingen, waaronder Odger en Mr. George Howell, bezochten het congres te Birmingham, maar toen een Parlementair Comité benoemd werd, weigerde Odger er zitting in te nemen, daar hij het blijkbaar als een onnoodige concurrent van de âConferentie dei-Gemengde Vakkenquot; beschouwde. Het volgende congres zou in 1870 te Londen plaats hebben, maar de Londensche leiders deden geen stappen om het bijeen te roepen, totdat het, zooals wij gezien hebben, noodig werd alle krachten te verzamelen om de voorgenomen wetgeving van 1871 te bestrijden. Het Londensche congres van Maart 1871 was feitelijk het eerste waaraan de werkelijke leiders der beweging deel namen en het daar benoemde Parlementair Comité, dat aanvankelijk met de âConferentiequot; van Applegarth samenwerkte, nam, na derzelver ontbinding, uit den aard der zaak, haar plaats in. Het congres van 1872 te Nottingham, werd bijgewoond door zeven en zeventig gedelegeerden, vertegenwoordigende 375.000 leden. Verslagen der eerste vier congressen moeten gezocht worden in de Beehive en (wat betreft die van Manchester, Birmingham en Nottingham) in de plaatselijke bladen dier dagen. Sinds 1873 heeft het congres een geautoriseerd verslag zijner verhandelingen uitgegeven.
238
alle mogelijke pogingen gedaan zouden worden om artikel 3 verworpen te krijgen. Eene deputatie werd naar den minister van binnenlandsche zaken gezonden. Protest op protest werd aan de wetgevers gericht en het congres verdaagde eiken dag zijne zitting om half vijf, ten einde, zooals uitdrukkelijk verklaard werd, de gedelegeerden in de gelegenheid te stellen âden avond te besteden aan het bezoeken van parlementsleden.quot; Maar noch de regeering, noch het Lagerhuis was genegen iets te doen ten gunste van vakvereenigings-actie tot beperking dier âvrije concurrentiequot; en het individueel vaststellen der arbeidsvoorwaarden, die zoolang de geloofsbelijdenis der werkgevers hadden uitgemaakt. De uiterste concessie die verkregen kon worden, was, dat het wetsontwerp in tweeën verdeeld zou worden, zoodat de wet waarbij het bestaan van vakvereenigingen erkend werd op zich-zelf zou staan, terwijl de strafbepalingen, waardoor hun optreden beperkt werd, belichaamd werden in eene afzonderlijke âwet tot wijziging der strafwet.quot; Deze denkbeeldige concessie was voldoende om velen hunner, die bij de algemeene verkiezingen vriendschap voor de vakvereenigingen hadden voorgewend, uit de oppositie te doen terugtrekken. In het hoofddebat stonden de Heeren Thomas HUGHES en MuNDELLA bijna alleen in het aandringen op inwilliging van alle eischen der vakvereenigingsmannen ; en hoewel enkele andere leden genegen waren tot op zekere hoogte te helpen, werd zonder stemming tot de tweede lezing besloten. De andere formaliteiten werden spoedig en zonder ernstige oppositie doorloopen. In het Hoogerhuis werden de bepalingen tegen het posten nog strenger gemaakt; het âbewaken en blokkeerenquot; door écn enkel persoon werd evenzeer tot misdaad gestempeld als het âbewaken en blokkeerenquot; door eene menigte. In dezen onvoldoenden vorm werden de beide ontwerpen wet. 1) Voor de eerste maal werden vakvereenigingen wettelijk erkende en ten volle beschermde genootschappen; terwijl anderzijds het wettelijke verbod van vakvereenigings-actie opnieuw nadrukkelijk bevestigd en in gestrengheid zelfs verscherpt werd. 4» In de oogen der vakvereenigingen was dit resultaat een
nederlaag; en de houding der regeering bracht de bitterste bestrijding teweeg. ~) De secretarissen der algemeene bonden, in het bizonder Allan en APPLEGARTH, hadden inderdaad het doel bereikt dat hun persoonlijk het meest ter harte ging. De groote organisaties tot onderlinge ondersteuning, die door hun geduldig beleid opgebouwd waren geworden, waren nu voor het eerst verzekerd
van volledige wettelijke bescherming. Een aantal der grootere
^
') 34 en 35 Vic, c. 31. (wet op de vakvereenigingen) en 34 en 35 Vic. c. 32 (wet tot wijziging van de strafwet).
2) Zie bijvoorbeeld het artikel van Mr. Henry Crompton in de Beehive van 2 September 1871. lt;Cgt;
239
vereenigingen bediende zich onmiddelijk van de wet op de vak-vereenigingen, door, ingevolge hare bepalingen, hunne statuten te laten registreeren; ') en de âconferentie der gemengde vakken,quot; âhebbende,quot; zooals hare laatste notulen zeggen, âhet doel bereikt waartoe zij georganiseerd was,quot; werd in September 1871 officieel ontbonden.
^ Het grootere doel waarom nu nog gevochten moest
worden, vorderde eene meer vertegenwoordigende organisatie. In den strijd voor wettelijke erkenning had de Junta, zooals wij gezien hebben, meer de verlichtste der vakvereenigingen dan de geheele beweging vertegenwoordigd. Maar door de wet tot wijziging der strafwet had de regeering een opzettelijken slag toegebracht aan alle vakvereenigingen en voor alle tijden. De toenemende kracht van de organisaties der kolenmijnwerkers en katoenspinners, benevens de snelle uitbreiding van het vakvereenigingswezen, waardoor deze periode van commerciëelen voorspoed gekenmerkt werd, hadden sinds eenigen tijd geleid tot het ontwikkelen der onofficiëele vergaderingen der Junta tot een meer vertegenwoordigende!! raad. De ontbinding van de âconferentie der gemengde vakkenquot; liet het veld vrij; en het leiderschap der vakvereenigingsbeweging werd aanvaard door het Parlementair Comité, dat op het vakvereenigings-congres van Maart te-voren benoemd was geworden en dat al de voornaamste leiders der eerste Londensche en provinciale vereenigingen dier dagen omvatte.
De onmiddelijk begonnen agitatie tot herroeping der wet tot wijziging der strafwet, werd gedurende de vier volgende jaren het voornaamste kenmerk der vakvereenigingswereld. Gedurende al de verschillende worstelingen dier jaren, hielden de vakvereeni-gingsleiders voortdurend het bepaalde doel voor oogen, zich te ontdoen van eene wet, die zij niet alleen beschouwden als eene belemmering hunner pogingen tot verbetering der arbeidsvoorwaarden, doch ook als eene onwaardigheid en eene beleediging voor de honderd-duizenden intelligente ambachtslieden die zij vertegenwoordigden. De geheele geschiedenis dier agitatie bewijst dat de regeerende klassen buiten ieder verband met de pas tot het kiesrecht toegelaten arbeiders stonden. De wetten van 1871 werden door de regeering en het Lagerhuis beschouwd als de volledige en afdoende oplossing van een oud vraagstuk. âDe rechters verklaarden echter,quot; zooals Mr. Henry CroMPTON aantoont, âdat de eenige uitwerking der wetten van 1871 was, dat het doel eener werkstaking niet onwettig was. Eene werkstaking was volmaakt
wettig, maar als de gebezigde middelen er op berekend waren
^
') De Londensche Metselaars-vereeniging, waarvan coulson algemeen secretaris was, staat No. 1 in het register. ^
240
den werkgever te dwingen, dan waren het onwettige middelen, en eene combinatie tot het verrichten eener wettige handeling met onwettige middelen, was eene misdadige samenzwering. Met andere woorden: eene werkstaking was geoorloofd, maar alles dat uit hoofde eener werkstaking gedaan werd, was misdadig. De rechters verscheurden aldus de verbeterende wet en ieder nieuw vonnis ging verder en ontwikkelde nieuwe gevaren.quot; ') Maar tot aan zijn val in 1874 weigerde het ministerie-gladstone pertinent de mogelijkheid van verandering der wet tot wijziging der strafwet zelfs maar in overweging te nemen. Het was nutteloos dat deputatie op deputatie er op wees, dat arbeiders onder die wet tot gevangenisstraf veroordeeld werden, wegens handelingen als het vreedzaam aanspreken van een werkman op straat. In 1871 werden zeven vrouwen in Zuid-Wales gevangen gezet, eenvoudig omdat zij âBah!quot; hadden gezegd tot één onderkruiper. Tallooze veroordeelingen werden uitgesproken wegens het uiten van scheldwoorden. Onder de nieuwe wet had bijna iedere door vakvereenigingsmannen aangewende poging om een werkman te bewegen niet aan het werk te gaan in een werkplaats waar gestaakt werd, gevangenisstraf met dwangarbeid tot gevolg. De onduldbare onrechtvaardigheid van dien stand van zaken werd des te schriller door de den werkgevers gelaten vrijheid om alle mogelijke gebruik te maken van âzwarte lijstenquot; en âgetuigschriftenquot;, waardoor den patroons onaangename werklieden belet werd werk te vinden. Nooit had eene vervolging plaats wegens dien vorm van moleste en obstructie. Geen werkgever werd ooit op de bank der beschuldigden geplaatst wegens overtreding der wet, die toch blijkbaar op beide partijen sloeg. In het kort: het boycotten door de patroons werd vrijelijk toegestaan; boycotten door de arbeiders werd door de politie onderdrukt, é-égt; De door deze kleingeestige vervolgingen opgewekte ver
bittering, ging in December 1872 tot woede over, door de veroordeeling tot twaalf maanden gevangenisstraf, over de Londensche gasstokers uitgesproken. Deze mannen werden schuldig bevonden aan âsamenspanningquot; tot het dwingen of molesteeren hunner werkgevers, door zich tot gemeenschappelijke onthouding van hunnen arbeid voor te bereiden. Het door den rechter Brett gevelde wraakgierige vonnis, werd door de regeerende klassen gebillijkt, op grond van het gevaar waaraan de gemeenschap door eene werkstaking van gasstokers was blootgesteld; en de minister van binnenlandsche zaken weigerde naar een beroep ten gunste
der veroordeelden te luisteren. 2) De vakvereenigingsleiders konden
lt;$gt;
^ ') Digest of the Labour Laws geteekend door de heeren F. Harrison
en H. Crompton, en uitgegeven door de Parlementaire Comités van het Vakvereenigings-Congres. lt;3»
^ s) /ij werden echter na eenige maanden uit de gevangenis ontslagen.
16 - Sidney Weub. 241
niet anders dan inzien dat, zooals de wet toen was, geen wettelijke onderscheiding kon worden gemaakt tusschen een gasstoker en welken anderen arbeider ook. Indien de voorbereiding tot eene werkstaking onder âde rekbare en onverklaarbare wet op de samenzweringenquot; strafbaar was met twaalf maanden gevangenisstraf, was het duidelijk dat het geheele gebouw van het vakvereenigingswezen omvergeworpen kon worden door elke groep werkgevers, die zich van de wet wilde bedienen. De London Trades Council riep uit dien hoofde eene gedelegeerden-vergadering bijeen, âom de kritieke rechtspositie van alle vakvereenigingen en hunne bestuurders, voortvloeiende uit het pas-gevelde vonnis over de Londensche gasstokers, te bespreken.quot; Missive op missive werd aan de regeering en aan de parlementsleden gezonden ; en de beweging voor de herroeping der wet van 1871 tot wijziging der strafwet, breidde zich uit tot eene vast-besloten poging om zich van alle strafwetgeving op het gebied van vakgeschillen te ontdoen. l)
Zelden is eene politieke agitatie onder zulke weinig-belovende omstandigheden begonnen en zoo snel tot een zegevierend einde gebracht. De liberale regeering dier dagen werd, evenals de meerderheid van beide partijen in het Huis, volslagen beheerscht door de vijandigheid waarmede de fabrikanten tegen elk effectief optreden der arbeiders tot gemeenschappelijke vaststelling der arbeidsvoorwaarden gekant waren. De adressen van het Parlementair Comité vonden noch bij Mr. Bruce, noch bij Mr. Lowe, die hem als minister van binnenlandsche zaken opvolgde, eenige sympathie. In 1872 weigerde Mr. gladstone, als minister-president, te erkennen dat er eenige noodzakelijkheid voor verdere wettelijke maatregelen bestond en weigerde ten eenenmale zich met de zaak in te laten; s) en gedurende die zitting was het Parlementair Comité niet in staat één lid te vinden, genegen zich met het indienen van een wetsontwerp tot herroeping van de wet tot wijziging der strafwet te belasten.
De vakvereenigingsleiders verminderden echter hunne pogingen niet. Allan, Guile, Odger, en Howell werden aanmerkelijk versterkt door de vertegenwoordigers der mijnwerkers, katoenspinners en ijzerwerkers. Alexander Macdonald en John Kane, zelf mannen van merkwaardige bekwaamheid, hadden in alle industriëele centra duizenden wakkere politici achter zich. De agitatie werd aangewakkerd door het publiceeren van bizonder-heden der vervolgingen onder de nieuwe wetten. Doelmatige Tracts for Trade Unionists (Vlugschriften voor Vakvereenigings-mannen) werden door Mr Henry Cromvton en Mr. Frederic
') Zie den Brief in de Beehive van 11 Januari 1873. 2) Hansard, deel 212, pag. 1132, 15 Juli 1872.
242
Harrison geschreven. Congressen te Nottingham in 1872, te Leeds in 1873, te Sheffield in 1874 hielden het vuur brandend en velden vonnis over de parlementsleden, die het Parlementair Comité met minachting behandelden. Toen de tijd der algemeene verkiezingen naderde, nam de drang op de beide groote politieke partijen toe. Lijsten van aan candidaten te stellen vragen, waarin de eischen der arbeiders nopens de wetgeving belichaamd waren, werden opgesteld; en het werd in het licht gesteld, dat geen candidaat door de vakvereenigingen zou worden gesteund, tenzij zijne antwoorden naar genoegen waren.
Het zal den geschiedschrijver der Engelsche politiek een vraag zijn, of de onverwachte nederlaag der liberale partij bij de verkiezingen van 1874 niet meer te danken was aan het vijandig optreden der vakvereenigingsmannen, dan aan de mokkende onthouding der Nonconformisten. Het was toen juist springvloed in de vakvereenigingen. In deze jaren van voorspoed was het ledental van elke vereeniging snel toegenomen. In het bizonder hadden de mijnwerkers, de landarbeiders en de textiel-arbeiders zich in groote getale georganiseerd, op eene wijze die aan den stortvloed van 1834 herinnerde. Het vakvereenigings-congres te Sheffield, dat even vóór de algemeene verkiezingen van 1874 plaats had, beweerde meer dan i.ioo.ooo georganiseerde arbeiders te vertegenwoordigen, waaronder een kwart millioen kolenmijnwerkers, evenveel katoenbewerkers, benevens een honderd duizend landarbeiders. Uit de verhandelingen van dit congres blijkt het gevoel van verbittering, opgewekt door de botte ongevoeligheid van de liberale leiders dier dagen voor de eischen der arbeiders. Niet tevreden met alle vertegenwoordigers der werklieden den rug toe te keeren, hadden zij de onhandige domheid begaan, een zekeren Mr. SIDNEY Smith, die sinds 1851 de voornaamste ambtenaar der verschillende patroonsbonden in de machine- en ijzer-industriën was geweest, als secretaris van den Liberal Association of the City of London (Liberale Bond der Stad Londen) aan te stellen. 1) Als zoodanig had hij getoond een bittere en onverzoenlijke vijand van het vakvereeni-gingswezen te zijn. Wij kunnen ons voorstellen wat het gevolg zou zijn, als heden ten dage eenige politieke partij de verkiezings-cam-pagne zou aanvangen met Mr. Laws, de organisateur der Shipping Federation (Reeders-Federatie), als hoofd van haar staf. 2) En terwijl
4
4gt; ') Dit was het onderwerp van bittere critiek in de Beehive van
Januari 1874, even vóór de algemeene verkiezingen. â
^ ') Mr. Laws is de secretaris van den machtigen Reedersbond, die
er door allerlei machination in geslaagd is den Zeelieden- en Stokershond vóór eenige jaren een geweldigen slag toe te brengen, zoowel door het op touw zetten van de schandelijkste vervolgingen tegen de leiders en bestuurders van dien bond, als door het invoeren van de ticket, het kaartje van den Patroons-
243
de liberale partij het nieuwe kiezerscorps met minachting behandelde, leenden de conservatieve candidaten een gewillig oor aan de eischen der werklieden en verbonden zich, de hatelijke wetten te zullen herroepen.
Onder deze omstandigheden kan het geen verbazing wekken, dat het oude denkbeeld van onthouding der vakvereeni-gingen van politiek, plaats maakte voor een vast-besloten poging tot georganiseerde politieke actie. En de vakvereenigingsmannen stelden zich niet tevreden met het bloote aandrang-uitoefenen op de georganiseerde politieke partijen in het Lagerhuis. Het stellen van onafhankelijke arbeiders-candidaten tegenover beide partijen, was een veel-beteekenend blijk der nieuwe richting in de arbeiders-politiek. De Labour Representation League (Bond voor Arbeidersvertegenwoordiging), hoofdzakelijk bestaande uit op den voorgrond tredende vakvereenigingsmannen, had sinds eenige jaren gepoogd de verkiezing van arbeiders tot parlementsleden te bevorderen; en de onafhankelijke candidaturen van George Odgek in 1869 en 1870 hadden heel wat gevoeligheid teweeg gebracht. 1) Bij eene tusschentijdsche verkiezing te Greenwich in 1873, werd met de hulp der arbeiders een derde candidaat tegenover de beide groote partijen gesteld, met het resultaat dat Mr. Boord, een conservatief, den zetel veroverde. In welken geest dit door de arbeiders en hunne vertrouwde raadslieden werd opgevat, blijkt uit het vol-
4 4
bond, dat alleen aan zeelieden en stokers wordt uitgereikt die het niet bij de reeders verbruid hebben en waarzonder niemand op een der schepen van den Reedersbond wordt aangemonsterd. Hij is bovendien een der mede-oprichters en steunpilaren van den l'rec Labour Association (Bond van Vrije Arbeiders) een uit het schuim en uitvaagsel der groote steden en havenplaatsen saamge-raapte organisatie van onderkruipers. Vert. amp;
') De volgende brief, door John Stuart Mill aan Odger gericht, is, in verband met de niet-te-onderdrukken kwestie van de doelmatigheid van âonafhankelijkequot; candidaturen, van belang. Hij komt voor in de Beehive van 13 Februari 1875. lt;$.
Avignon, 19 Februari 1871. lt;!gt; Waarde Heer Odger, Hoewel gij niet geslaagd zijt, wensch ik u
geluk met het resultaat der verkiezing te Southwark, daar het bewijst dat gij de meerderheid der liberale partij aan uwe zijde hebt en dat gij den politieken geest in het district hebt doen opvlammen. Het is duidelijk dat de oud-liberalen van plan zijn de politieke macht zoolang zij kunnen te monopoliseeren, zonder zich in eenig opzicht met de radicalen te verstaan. De arbeiders hebben volkomen gelijk met de verkiezing van conservatieven mogelijk te maken, ten einde daardoor dit exclusivisme der oud-liberalen te vernietigen; en zij kunnen het doen, zonder eenig beginsel prijs te geven. De taktiek der arbeiders is, op eigen vertegenwoordiging aan te dringen en bij gebreke van succes de verkiezing van conservatieven te bevorderen, totdat de meerderheid der oudliberalen ernstig bedreigd wordt, in welk geval deze natuurlijk gelukkig zullen zijn een compromis te sluiten en eenige werklieden-vertegenwoordigers tot het Huis toe te laten. ^
John Stuart Mill.
244
gende hoofdartikel dat prof. E. S. Beesly in de Beehive (toen op het hoogtepunt van zijn invloed) schreef: âHet resultaat der verkiezing te Greenwich is in hooge mate bevredigend.... De arbeider is eindelijk tot de slotsom gekomen, dat het verschil tusschen liberaal en conservatief vrijwel hetzelfde is als dat tusschen den bovensten en den ondersten molensteen. Beider geaardheid is precies dezelfde. Het zijn deelen der rijkdom-bezittende klasse en bij alle parlementaire aangelegenheden waarbij de belangen van den arbeid betrokken zijn, spelen zij elkander zoo systematisch en onverstoorbaar in de kaart, dat men zou veronderstellen dat zij gelooven dat een werkman nooit een krant leest of een redevoering hoort.... De laatste uren der zitting werden gekenmerkt door den val van twee wetsontwerpen, waaromtrent de arbeiders zich oneindig meer bekommerden, dan om alle maatregelen te zamen, waarop de Heer Gladstone zich, sinds hij zijne portefeuille aanvaardde, voor liet staan â ik bedoel Mr. Harcourts wetsontwerp op de samenzweringen en Mr. Mundellas wetsontwerp op den negen-urigen arbeidsdag. Wat Mr. Mundellas wetsontwerp tot herroeping der wet tot wijziging der strafwet betreft, dat had nooit eenige kans. Voor den val van al deze wetsontwerpen moet het ministerie aansprakelijk worden gesteld .... 4 ,,Dat het geval zijnde, is het eenvoudig malligheid van
de liberale bladen de verkiezing te Greenwich te betreuren als een ongelukkige fout.... Er werd te Greenwich volstrekt geen fout gemaakt. Er was een âderde partijquot; in het veld, die uitstekend wist wat zij wilde en zoowel Mr. Boord als Mr. Angerstein gelijkelijk vijandig gezind was. Ik vertrouw dat bij de aanstaande algemeene verkiezingen zulk eene derde partij in elke groote stad in Engeland zal verschijnen, al zou een parlement van zes honderd en vijftig Boords er het gevolg van zijn. Alles moet een begin hebben en de arbeiders hebben zóó lang op rechtvaardigheid gewacht, dat zeven jaren van conservatieve regeering slechts eene geringe toevoeging aan de totaal-som hunner lijdzaamheid zal wezen, indien het de noodzakelijke inleiding van het doorzetten hunner eischen moet zijn.quot; 1) ^
4 De beweging voor rechtstreeks optreden bij de verkie
zingen bleef zonder officieelen steun van vakvereenigingen als zoodanig, totdat Mr. Broadhurst op het congres van 1874 in staat was te berichten, dat de mijnwerkers, ijzerwerkers en eenige andere vereenigingen inderdaad geld voor parlementaire candidate!! hadden toegestaan. Bij de algemeene verkiezingen die volgden, waren niet minder dan dertien âarbeiders-candidatenquot; gesteld. In de meeste gevallen werden zoowel liberale als conservatieve candi-4 4
') Beehive van 9 Augustus 1873; zie 00k d'e van 30 Augustus. amp;
245
daten tegenover hen geplaatst, met het resultaat dat de laatsten de zetels veroverden. 1) Maar te Stafford en Morpeth legden de officiëele liberalen zich neder bij hetgeen zij niet bij machte waren te verhinderen; en de heeren Alexander Macdonald en Thomas Burt, de twee voornaamste bestuurders van den Natio-nalen Mijnwerkersbond, waren de eerste âarbeiders-ledenquot; van het Lagerhuis.
4 Welke houding de conservatieve leiders bij de verkie
zingen hadden aangenomen, blijkt uit het feit dat de vakvereeni-gingsmannen met het optreden der conservatieve regeering de onmiddelijke herroeping van de wet tot wijziging der strafwet schijnen verwacht te hebben. Groot was de teleurstelling toen bekend werd gemaakt, dat eene Staatscommissie van Enquête benoemd zou worden, tot het instellen van een onderzoek naar de werking van alle zoogenaamde âarbeidswetten.quot; Dit werd beschouwd als niets meer dan een middel om zich van de zaak af te maken en de vakvereenigingsleiders weigerden zoowel lid te worden der Commissie als vóór haar getuigenis af te leggen. De nadrukkelijkste verklaringen van den minister van binnenlandsche zaken, dat de regeering inderdaad voornemens was zoo spoedig mogelijk wetsvoorstellen te doen, was noodig om de arbeiders te bewegen iets met de Commissie te doen te hebben. Eindelijk liet het parlementslid Alexander Macdonald zich overhalen van de Commissie deel uit te maken en Mr. George Shipton, de secretaris van den London Trades Council, legde getuigenis af. Het onderzoek der Commissie was slordig en het rapport onbeduidend. Maar de regeering hield tè veel rekening met de pas-verworven politieke macht der vakvereenigingen, om te pogen met de kwestie te spelen. In het begin van 1875 maakte de gevangenzetting van vijf meubelmakers, werkende bij de Heeren Jackson amp; Graham, eene wei-bekende Londensche firma, de publieke opinie in beduidende mate gaande en gaf tot vele interpellaties in het parlement aanleiding. s) In Juni diende de minister van binnenlandsche zaken, in eene waardeerende en verzoenende redevoering, twee wetsont-
') Halliday, de secretaris van den Amalgamated Association of Miners (Algemeene Mijnwerkersbond) stelde zich te Merthyr Tydvill als arbei-ders-candidaat. Veertien dagen vóór de verkiezing werd hij te Burnley, wegens samenzwering in verband met eene plaatselijke mijnwerkers-staking, vervolgd, maar hij handhaafde niettemin zijne candidatuur en verkreeg het groote totaal van 4912 stemmen. (Beehive van 31 Januari 1874). Onder de overige âderde candidatenquot; bevonden zich de Heeren Broadhurst (Wycombe), Howell (Aylesbury), Cremeu (Warwick), Lucraft (Finsbury), potter (Peterborough), Bradlaugh (Northampton1, Kane (Middlesborough), Odger (Southwark), Mottershead (Preston) en Walton 1 Stoke). 4quot;
Zie House of Commons Returns No. 237, van 2, en No. 273, van 23 Juni 1875. ^
246
werpen in, tot wijziging zoowel van de burgerlijke als van de strafwet. Na door toedoen van Mr. Mundella en anderen in de afdeelingen geamendeerd te zijn, werden deze voorstellen wetten, die geheel aan de eischen der vakvereenigingen beantwoordden. De wet van 1871 tot wijziging der strafwet werd officiéél en zonder voorbehoud herroepen. Door de wet op de samenzweringen en de bescherming van den eigendom (38 en 39 Vic. c. 86), werden bepaalde en redelijke grenzen gesteld aan de toepassing op vakgeschillen der wetsbepalingen op de samenzweringen. De wet nopens meester en dienaar van 1867 werd vervangen door een wet op de werkgevers en werklieden (38 en 39 Vic. c. 90), eene naamsverandering die eene fundamenteele revolutie in de wet uitdrukte. Voortaan werden meester en dienaar, als werkgever en werknemer, twee gelijkwaardige partijen van een onder de bepalingen van het burgerlijk wetboek vallende overeenkomst. Gevangen-zetting wegens verbreking van zulk eene overeenkomst werd afgeschaft. De legalisatie der vakvereenigingen werd voltooid door de wettelijke erkenning harer middelen. Vreedzaam âpostenquot; werd uitdrukkelijk toegestaan. De oude woorden âdwangquot; en âmolestequot;, die gebleken waren in de handen van bevooroordeelde magistraten onderdrukkingsmiddelen te zijn, werden in de nieuwe wet niet gebezigd, terwijl geweld-pleging en vrees-aanjaging behandeld werden als vergrijpen tegen de algemeene strafwet. Voortaan was geene handeling van een groep werklieden strafbaar, tenzij dezelfde handeling, door één persoon verricht, zelf een misdadig vergrijp was. Om kort te gaan: gemeenschappelijk vaststellen der arbeidsvoorwaarden was eindelijk, na eene wetgevende worsteling van vijftig jaar, door de landswet erkend. ^
amp;
Het is niet verwonderlijk dat deze volledige parlementaire triomt groote geestdrift in de gelederen der vakvereenigingen teweegbracht. Op het vakvereenigings-congres van October 1875 stemden vurige radicalen, als Odger, Guile en Howell, in met de warmste lofredenen op Mr. (thans burggraaf) cross, wiens sympathieke houding hunne hoogste verwachtingen overtroffen had. âBehoudens een of twee uitzonderingen,quot; zeide Mr. Howell, âhadden de beste vrienden die zij in het parlement hadden, zich nooit vóór de herroeping van de wet tot wijziging der strafwet verklaard. Hij bevond zich met eenige vrienden onder de galerij van het Lagerhuis, toen over de maatregel gedebatteerd werd, en zij konden hunne ooren nauwelijks gelooven toen zij Mr. Cross zich hoorden uitspreken ten gunste van de totale herroeping der wet.quot; En Odger bracht hulde aan de âgrenzelooze oprechtheid,quot; waarmede de minister van binnenlandsche zaken âelk hem gedaan voorstel overwogen hadquot; en hen âde grootste weldaad, ooit den zonen van den arbeid bewezen,quot; geschonken had. Een amendement tot afkeuring dezer âwalgelijke erkentelijkheid voor het optreden der conservatieve partij/' ontving slechts vier stemmen vóór â (Verslag van het Congres te Glasgow, 1875). Eenige ondergeschikte wijzigingen dei-wet nopens het registreeren en de uitkeeringsfondsen der vakvereenigingen, werden belichaamd in de wet van 1876 tot wijziging der wet op de vakvereenigingen (39 en 40 Vic. c. 22). Zie het Handybuok of the Labour Laws, door
247
êgt; De overwegende belangrijkheid van den wettelijken en
parlementairen strijd van 1867 tot 1875, heeft ons genoodzaakt alle vermelding van gelijktijdige treffende gebeurtenissen in de vakvereenigings-geschiedenis, naar het volgend hoofdstuk te verbannen. Naar de volhardende pogingen van dit tiental jaren, te dikwijls door een jonger geslacht van vakvereenigingsmannen over het hoofd gezien, wordt door de overlevenden nu zelfs verwezen als naar de schoonste periode van vakvereenigings-activiteit. Gedurende meer dan acht jaren waren de vakvereenigingen aan deze spanning eener langdurige en acute crisis blootgesteld geweest, waarbij hun bestaan zelfs op het spel had gestaan. Uit deze crisis kwamen zij, zooals wij gezien hebben, zegevierend en met succes te voorschijn, âbevrijd,quot; om Mr. george howells woorden te gebruiken, âvan het laatste spoor der uitsluitend op den arbeid toepasselijke strafwetten.quot; 1) 4gt;
Deze tastbare overwinning was niet het eenige resultaat van den strijd. Ten einde hun onmiddellijk doel te bereiken, hadden de vakvereenigingsleiders de argumenten hunner tegenstanders overgenomen en waren er toe gebracht een standpunt in te nemen, dat, terwijl het van de tradities der vakvereenigingen van het verleden afweek, in de toekomst een ernstig beletsel voor hunnen verderen theoretischen vooruitgang bleek te zijn. Om de intellectueele houding der Junta en hare vrienden te begrijpen, moeten wij eenigs-zins de stelling beschoüwen, welke zij hadden aan te vallen. Vanaf de allereerste jaren der eeuw hadden de werkgevers volhardend hun recht gehandhaafd, om met eiken arbeider op zichzelf welke overeenkomst ook te sluiten, ongeacht de uitwerking daarvan op den levensstandaard. Zij hadden daarom, zoowel tegenover de vakvereenigingsmannen als tegenover de philantropische voorstanders der fabriekswet, het beginsel van volmaakte vrijheid van contract en volslagen concurrentie zoowel tusschen arbeiders als werkgevers, tot het hunne gemaakt. Ten einde absoluut vrije concurrentie tusschen individuen te verzekeren, was het noodig elke poging van den kant der werklieden om door combinatie de voorwaarden der overeenkomst te regelen, strafbaar te stellen. Maar dit bracht in werkelijkheid eene afwijking van het beginsel van wettelijke vrijheid van contract met zich mede. Van één vorm van contract, namelijk die van gemeenschappelijke overeenkomst, werd een misdaad gemaakt, onder de verontschuldiging dat zij, hoe heilzaam het den arbeiders ook mocht toeschijnen, den bijl legde aan den wortel van den nationalen voorspoed. Het is duidelijk dat de werkgevers
Mr. George Howell (Londen 1876, 186 pag.). lt;8gt;
') Redevoering op het vakvereenigings-congres te Glasgow, October 1875. amp;
248
door deze bewering vol te houden, eene onhoudbare positie innamen. In het wezen der zaak woog hun geldelijk belang bij volmaakte concurrentie zwaarder dan hun geloof in vrijheid van contract. 4 Ondertusschen trokken de schrandere arbeiders, die de
beweging leidden, hunne krachten tezamen in de eenige stelling van waaruit zij konden hopen overwinnaars te zullen zijn. Men moet zich herinneren dat zij geene middelen hadden om hun eigen inzicht aan de gemeenschap op te dwingen. Zelfs na 1867 vormden hunne volgelingen slechts eene kleine minderheid van het kiezerscorps, terwijl de geheele politieke machinerie zich in de handen der middenklasse bevond. Niet bij machte de heerschende klassen te dwingen, of zelfs maar vrees aan te jagen, konden zij slechts door overreding winnen. Het was echter hopeloos te droomen van het bekeeren der bourgeoisie tot het wezenlijke beginsel van het vakvereenigingswezen : de gedwongen handhaving van den levensstandaard. liij den toenmaligen stand der staathuishoudkunde, zagen de vakvereenigingsmannen op dit punt de geheele massa der geleerde wereld tegen zich. JOHN BRIGHT bijvoorbeeld, drukte slechts de gangbare meening van de vooruitstrevende partij dier dagen uit, toen hij den werkman plechtig verzekerde, dat âcombinaties op den langen duur hem evenveel nadeel zouden berokkenen, als den werkgever tegen wien hij strijdt.quot; 1) Lord SHAFTESBURY, de levenslange voorstander van arbeids-wetgeving, bad dat âhet arbeidende volk zal bevrijd worden van de drukkendste slavernij, die het ooit verduurd had. Alle op-zichzelf-staande dwingelanden en al de aristocratiën, die er ooit waren of ooit zullen zijn, zijn als zachte windjes, vergeleken bij die orkanen : de vakvereenigingen.quot; 2) De te Sheffield en elders gepleegde wandaden, de geruchten omtrent voortdurende vervolging van niet-aangeslotenen, het aanhoudend verzet der handwerkers tegen de machines, de beperkingen nopens het stukwerk en het leerlingwezen â al deze werkelijke en denkbeeldige misdaden hadden eene massa vooroordeelen in het leven geroepen, tegen welke het den vakvereenigingsmannen nutteloos bleek te strijden.
De vakvereenigingsleiders lieten dit gedeelte van hun zaak wijselijk op den achtergrond. Zij vermeden het bespreken dei-vraag of het vakvereenigingswezen in principe nuttig of schadelijk, recht of onrecht was. Zij stonden uitsluitend op het recht van iederen Engelschman om over den verkoop van zijn arbeid te
') In zijn brief van 3 November i860, aan een fabrikant te Blackburn, Public Letters of John Bright, verzameld en uitgegeven door H. J. Leech (Londen 1885), pag. 80. 45gt;
s) Brief aan kolonel Maude, geciteerd door Prof. Beeslv in diens toespraak tot den London Trades Council, in 1869, gereporteerd in de Bricklayers' Circular (Circulaire der Metselaars) van Maart 1870. lt;Sgt;
249
dingen op de wijze die hij het bevorderlijkst voor zijne belangen acht. Wat zij eischten, was volledige quot;rijheid voor een arbeider om gemeenschappelijke onderhandeling te stellen in de plaats van indivudiëele, indien hij zulk een maatregel in zijn eigen voordeel achtte. Vrijheid van vereeniging in contractueele aangelegenheden werd daarom hun antwoord op den roep der werkgevers om vrije concurrentie. ^
^ Het is duidelijk dat de vereenigingsmannen met hunne
argumenten de baas bleven. De onredelijkheid der werkgevers om op het principe van niet-inmenging van den staat in de nijverheid te blijven staan, wanneer de regeering voortgedrongen werd door de voorstanders van arbeidswetgeving, en terzelfdertijd de hulp der politie in te roepen om vreedzame en vrijwillige combinaties hunner werklieden te onderdrukken, was voor ieder duidelijk. De kapitalisten hadden zich, om kort te gaan, verpand aan het beginsel van laisser faire in elke phase van het industriëele leven, vanaf âvrijhandel in graanquot; tot het onbeperkte gebruik van arbeidskrachten van beiderlei geslacht, op eiken leeftijd en op iedere voorwaarde; en wat de arbeiders eischten, was niets anders dan de toepassing van dit beginsel op het looncontract. âDe vakvereenigings-kwestie,quot; schrijft hun gekozen vertegenwoordiger en krachtigste pleitbezorger in 1869, âis eveneens een, en het laatste voorbeeld van de waarheid, dat de sfeer der wetgeving nauw en zonderling begrensd is. Na eeuwen lang wetten nopens den arbeid te hebben gemaakt, waarbij iedere verandering haar eigen nadeelen teweegbracht, zijn wij langzamerhand gekomen tot het inzicht van de waarheid, dat wij geheel en al moeten ophouden er wetten over te maken. De openbare meening is zich in den laatsten tijd eene ernstige verlegenheid bewust geworden en ziet met verlangen uit naar eene wetgevende oplossing, naar de opstanding van een hemelschen ontdekker, voorzien van een parlementair middel voor alle kwalen. Als gewoonlijk in dergelijke zaken, blijkt nu dat er in het geheel geen wetgevende oplossing is; en dat de eenige voorwaarde tot werkelijke oplossing bestaat in het verwijderen der onheil-stichtende inmenging van het verleden.quot; l) Dit leerstuk âdat alle menschen het recht hebben wettig overeen te komen te werken of niet te werken, te werk te stellen of niet te werk te stellen op welke voorwaarden hun goed dunkt,quot; vormt het refrein van alle redevoeringen en adressen der vakvereenigingsleiders gedurende dezen strijd. âWij zoeken niet,quot; zeggen de officiëele vertegenwoordigers van het vakvereenigings-wezen in hunne memorie aan den minister van binnenlandsche zaken, in April 1875, âin te grijpen in de vrije
4
'v ') Fortnightly Review van l Juli 1869; The Trades Union Bill, doot
Mr. Frederic Harrison.
250
concurrentie van het individu in het uitoefenen van zijn handwerk op zijn eigen wijze; maar wij behouden ons het recht voor, naar gelang van omstandigheden te werken of te weigeren te werken voor een werkgever, juist zooals de patroon het recht heeft een werkman, of werklieden te ontslaan, en wij ontkennen dat het individuëele recht op eenigerlei wijze wordt aangetast, als dit in gemeenschappelijk overleg geschiedt.quot;
De arbeiders hadden feitelijk het wapen hunner tegenstanders opgenomen en dezen zonder middel van verdediging gelaten. Maar door dit te doen, dwaalden de voornaamste vakver-eenigingsmannen af naar eene niet minder onhoudbare stelling dan die der werkgevers. Toen zij beweerden dat de vereeniging even vrij zou zijn arbeids-overeenkomsten vastte stellen als het individu, hadden zij allerminst de bedoeling het individu te veroorloven naar believen over de arbeidsvoorwaarden te onderhandelen, wanneer zij hem dat konden beletten. Hoewei Allan en ApplegarTII op hun geweten aan de Enquête-commissie konden mededeelen dat de leden hunner vereenigingen niet weigerden te werken met niet-leden, moeten zij niettemin wel degelijk geweten hebben, dat dit handige feit alleen waar was in die plaatsen en in die tijden, waarin de leden geen voldoende meerderheid hadden om anders te handelen. De vakken waartoe Mr. Henry Broadhurst en Mr George Howell behoorden, waren berucht om het succes waarmede de vereenigingen hun praktijk van uitsluiting van niet-leden van de karweien hadden volgehouden. De kolenmijnwerkers van Northumberland en Durham waren gewoon te weigeren in gezelschap van een ongeorganiseerde in de mijn af te dalen. ') êgt; 4 4
lt;5» ') WILLIAM Crawford, de vertrouwde leider der mijnwerkers van
Durham en een standvastig tegenstander van den wettelijken achturen-dag, dringt in een wei-bekenden brief van lateren datum (waarvan wij een exemplaar bezitten) krachtig aan op volslagen verbanning van ongeorganiseerden. âGij behoort althans consequent te zijn. In tallooze gevallen weigeit gij met niet-leden af te dalen en op te stijgen. Of dit nu recht of onrecht is, zal ik niet bespreken; maar wat is de feitelijke stand van zaken, zooals die in vele deelen van het graafschap gevonden wordt? Terwijl gij weigert met deze lieden af te dalen of op te stijgen, loopt gij met hen van en naar de schacht, hebt gij omgang met hen â ja, werkt gij somtijds met hen. Gij bevindt u thuis, onder uw glas bier, in hun gezelschap, eveneens in uwe kerkgebouwen, en zij aan zij bidt gij met hen in uwe godsdienstige bijeenkomsten. De tijd is gekomen, dat daarover in ronde woorden moet gesproken worden. Het is nutteloos over dit gedeelte van ons maatschappelijk leven schuilevinkje te spelen. Gaat met deze lieden in de mijn om, zooals gij het overal elders doet, of laat hen te allen tijde en op elke plaats uitgebannen zijn. Beschouwt hen als ongeschikt gezelschap voor u-zelf en uwe zonen en als ongeschikte echtgenooten voor uwe dochters. Laat hen als het ware met het Kains-teeken gemerkt zijn, onwaardig om in gewoon, fatsoenlijk en eerlijk gezelschap te verkeeren. Houdt op te klagen over de mogelijke gevolgen hunner handelwijze, totdat gij u hebt voorgenomen deze bokken onder de menschen volkomen en absoluut uit te bannen.''
251
Wij zullen later gelegenheid hebben aan te toonen, dat deze algemeene neiging van het vakvereenigingswezen â het dwingen tot het lidmaatschap â onzes inziens gelijk staat met het dwingen tot het burgerschap. Maar hoe dit ook moge zijn, het is duidelijk dat het weigeren der Northumberlandsche mijnwerkers om met niet-leden af te dalen, feitelijk evenveel dwang beteekent voor de andersdenkende minderheid, als de wet tot regeling van den arbeid in de mijnen, of een acht-urenwet. In den mond der verknochte vakvereenigingsmannen was het staan op des Engelschmans recht op vrijheid van contract feitelijk niet veel minder dan huichelarij; en wij zien hoe Mr. Frederic Harrison-zelf hen, bij het behandelen van andere wetgeving, waarschuwt, dat het voor de arbeiders met zelfmoord gelijk zou staan, als zij den kreet der werkgevers, ,,geen inmengingquot; (van den staat), tot de hunne zouden maken. l) De ernst dezer waarschuwing moet de Junta, die te veel ondervinding van de werking der moderne industrie had gehad om niet de noodzakelijkheid van gedwongen handhaving van den levensstandaard te beseffen, duidelijk zijn geweest. Geen vakvereenigingsman kan ontkennen, dat werkdadige vak-combinatie onmogelijk is, zonder het een of andere middel om de beslissing der meerderheid door te zetten. lt;!â¢
Uit bovenstaande kritiek van het theoretische standpunt der mannen die de vakvereenigingsbeweging loodsten door hare groote crisis, moet niet worden afgeleid dat zij zich van hunne inconsequentie ten opzichte van staats-bemoeiïng bewust waren, of dat zij er zich opzettelijk toe zetten hunne zaak op valsche stellingen te winnen. Niemand kan de geschiedenis van hun leider-
êgt;
') Zie zijn brief over het wetsontwerp van 1864 op de staats-lijfrenten ; âTen slotte spreekt men ons van staats-gezag en staats-bemoeiïng. Ik kan niet gelooven, dat verstandige lieden dit tweemaal in ernst zullen zeggen .... Laat
het klagen aan de staathuishoudkundigen over____Laten de arbeiders onthouden,
dat, wanneer ook een maatregel in hun belang in het parlement voorgesteld, of in het land opgeworpen wordt â hetzij tot beperking van overmatigen arbeidsduur, tot bescherming van vrouwen en kinderen, tot regeling van ongezonden arbeid, om hen te voorzien van de middelen tot gezondheid, reinheid, of vermaak, om hen te redden van de uitbuiting van gewetenlooze werkgevers â zulk een maatregel algemeen met één argument bestreden wordt: dat van onbelemmerde concurrentie, en tegengegaan op één grond: die van absolute vrijheid van particulier initatief. Wij weten allen â ten minste: wij verklaren allen â hoe zelfzuchtig en oppervlakkig deze kreet is in den mond van gewetenlooze kapitalisten, die zich verzetten tegen wetsontwerpen op de gedwongen winkelnering of den tien-urigen arbeidsdag. Lijkt het niet op zelfmoord, dat de arbeiders een kreet aanheffen, die altijd geweest is en nog zijn zal de groote toevlucht dergenen die er naar streven hun welzijn in den weg te staan? De eerstvolgende maal dat arbeiders zich uitspreken ten gunste van een wet tot verkorting van den .arbeidsdag, zal men hen zeggen zich te houden aan hun principe van niet-bemoeiïng met het particuliere kapitaal.quot; (Beehive van 19 Maart 1864.)
252
schap bestudeeren, zonder onder den indruk te komen van hunne toewijding, schranderheid en hoog persoonlijk karakter. Wij moeten hunne inconsequentie beschouwen als een treffend voorbeeld van het gevaar waardoor eene partij, gevormd zonder duidelijk begrip van den socialen toestand waarnaar zij streeft, bedreigd wordt. In den strijd dier jaren zien wij de Engelsche vakvereenigingsmannen van hunne utopische aspiraties gedreven worden naar een inconsequent opportunisme, vanwaar zij gedurende de volgende generatie afdwaalden naar het onbeholpen âzelf-helpquot; eener âaristocratie van den arbeid.quot; Gedurende dit geheele proces was er geen oogenblik waarin de onbestaanbaarheid hunner individualistische en collecti-vistisch.e inzichten opgemerkt werd. ApplEGARTI 1 en ODÃ1CR bijvoorbeeld, zagen er niets inconsequents in, leidende bestuurders der âInternationalequot; te worden, op een door KARL MARX opgesteld program, en terzelfder tijd den gangbaren eisch der radicalen van algemeen klein-bezit der boeren te ondersteunen. Maar het uitsluitend opperen der individualistische argumenten, waardoor het alleen mogelijk was de overwinning van 1875 te behalen, moest onvermijdelijk het individualistisch ideaal prenten in den geest dergenen die zich om de leiders hadden geschaard. Bovendien bevorderden andere oorzaken het aanvaarden van de economische âshibbolethsquot; der bourgeoisie door de vakvereenigingsmannen. Het fiasco der onrijpe proefnemingen van Owen en 0'CONNOR, het treffende succes der vrijhandel-politiek, het aangroeiend deelnemen der arbeiders aan de liberale politiek dier dagen en bovenal de intieme omgang die velen hunner hadden met bekwame en vruchtbare denkers der middenklasse, dat alles werkte mede aan het scheppen eener nieuwe school van vakvereenigingsmannen. In een volgend hoofdstuk zullen wij de uitwerking dezer intellectueele bekeering op de vakvereenigingsbeweging beschrijven. Vooraf moeten wij echter onze aandacht wijden aan de inwendige ontwikkeling dier jaren, ') die wij, uithoofde onzer beschrijving der parlementaire 4 4
lt;Sgt; ') Van 1861 tot 1877 was de Beehive, gesticht door een groep vak
vereenigingsmannen, die eene vennootschap stichtten, waarin, naar gezegd wordt, een honderdtal vakvereenigingen aandeelen hadden genomen, het voornaamste arbeiders-orgaan. De redacteur en feitelijke eigenaar schijnt gedurende het geheele bestaan van het blad George Potter te zijn geweest, die bijgestaan werd door eene raadgevende commissie, waarin van tijd tot tijd de voornaamste Londensche vakvereenigingsmannen zitting hadden. potter was, zooals wij aanstonds zullen aanduiden, een man van dubbelzinnig karakter en gedrag, die nimmer eenige belangrijke positie in de vakvereenigingswereld innam. Maar onder zijne nominale redactie werd de Beehive het beste arbeidersblad dat tot-nog-toe het licht zag. Dat was te danken aan den voortdurenden steun van de Heeren Frederic Harrison, Henry Crompton, E. S. Beeslv, Lloyd Jones en andere vrienden van het vakvereenigingswezen, die gedurende vijftien jaren tallooze artikelen bijdroegen, terwijl vakvereenigingsleiders als de Heeren Apple-garth, Howell en Shipton vaak in zijne kolommen verschenen. Deze bijdragen
253
worstelingen van 1867â75, genoodzaakt waren tijdelijk links te laten liggen. amp;
4gt;
doen het voor de studie der geschiedenis der vakvereenigingen van de grootste waarde zijn. Ongelukkiglijk begint de volledigste collectie in eene openbare boekerij â die in het Britsch Museum â eerst met 1869. Mr. John Burns bezit een cenig stel, beginnende met 1863, dat hij zoo vriencfelijk was ter onzer beschikking te stellen. In 1877 ging het blad over in de Indusirial Review, die in 1879 ophield te verschijnen.
4 De plaats van de Beehive werd in 1881 tot op zekere hoogte inge
nomen door den Labour Stavdarei, een stuivers-weekblad, gesticht door Mr. George Shipton, den Secretaris van den Loudon Tri des Council. Het verscheen van 7 Mei 1881 tot 29 April 1882 en bevatte artikelen van Mr. Henry Cromp-ton en prof. Beesly, benevens vele wetenswaardigheden nopens de vakvereenigingen. ^
254
HOOFDSTUK VI
Sectaire strüomingen.
(1863â1885.)
Van 1851 tot 1863 waren alle wezenlijke krachten der vakvereenigingsbeweging te Londen samengetrokken. Tusschen 1863 en 1867 begonnen, zooals wij in den loop van het vorige hoofdstuk beschreven hebben, provinciale organisaties als de Trades Councils van Glasgow en Sheffield, en provinciale leiders als Alexander Macdonald en john Kane, eene belangrijke rol in de algemeene beweging te spelen. De dramatische crisis van 1867 en de daarop volgende politieke strijd, noodzaakten ons, onze beschrijving van den groei der beweging af te breken, ten einde de parlementaire actie der Londensche leiders te volgen. Maar terwijl de Junta en hare bondgenooten hunne groote overwinningen te Westminster behaalden, werd het zwaartepunt der vakvereeni-gingswereld onmerkbaar verplaatst naar de industriëele districten ten noorden van den Humber. Dit was voornamelijk te danken aan den snellen groei van twee groote provinciale organisaties, de federaties van kolenmijnwerkers en katoenbewerkers. 4» De mijnwerkers, thans een der krachtigste afdeelingen
van het vakvereenigingsleger, waren tot 1863 zonder eenige doeltreffende organisatie. De Miners' Association of Great Britain (Mijnwerkersbond van Groot-Rritanië) die, zooals wij gezien hebben, in 1843 plotseling krachtig te voorschijn kwam, viel, na de noodlottige werkstaking van 1844, ineen. Eene energieke poging, door Martin jude in 1850 aangewend, om opnieuw een nationalen bond te stichten, slaagde niet. Gedurende de volgende jaren âwerden de fragmenten van vereenigingen die nog bestonden geleidelijk minder en kleiner, totdat op het einde van 1855 gezegd kon worden, dat vereeniging onder de mijnwerkers van het geheele land bijna uitgestorven was.quot; 1) De herleving, die tusschen 1858 en 1863 lt;0gt; lt;$gt; 4 ') Redevoering van Alexander Macdonald op het congres te
Leeds in 1873. Alexander Macdonald, de zoon van een zeeman, die in Lanarkshire mijnwerker werd, werd in 1821 geboren en ging op acht-jarigen leeftijd in de mijn werken. Een brandend verlangen naar ontwikkeling bezittend,
255
plaats had, was grootendeels te danken aan den volhardenden arbeid van den bekwamen man, die gedurende vijftien jaren lang hun vertrouwde leider bleef.
Alexander Macdonald, aan wiens levenslange toewijding de mijnwerkers hunne tegenwoordige positie in de vakvereenigings-wereld danken, staat, evenals William Newton, halfweg tusschen de toevallige en liefhebber-leiders van het oude vakvereenigingswezen en de bezoldigde bestuurders van het nieuwe type. Oorspronkelijk zelf een mijnwnrker en de zoon van een mijnwerker, stelden de opvoeding en de geldelijke middelen die hij verworven had, hem in staat zich vanaf 1857 voortdurend aan de zaak der mijnwerkers te wijden. Een bloemrijke stijl en een ietwat fatterig voorkomen deden hem geen kwaad bij de ruwe en onontwikkelde arbeiders die hij te organiseeren had. De hoofdoorzaak van zijn succes lag evenwel niet in zijne welsprekendheid, noch in zijn organisatorisch talent, doch in zijne juiste beoordeeling der bizondere veranderingen, waardoor aan de grieven der mijnwerkers kon worden tegemoet gekomen, en ook in de taktische vaardigheid waarmede hij deze veranderingen in wettelijken vorm wist te belichamen. Evenals zijne vrienden allan en applegarth, vertrouwde hij bijna uitsluitend op parlementaire agitatie als een middel tot bereiking zijner doeleinden. Maar terwijl de Junta zich met het verkrijgen van
^ 4gt;
bereidde hij zich zoo goed mogelijk voor tot het toelatings-examen der universiteit te Glasgow, waarvoor hij in 1846 slaagde; hij onderhield zich van zijne spaarpenningen en door in den zomer als mijnwerker te arbeiden. Toen hij nog op de hoogeschool was, werd hij reeds door geheel Schotland bekend als een leider der mijnwerkers. In 1850 werd hij onderwijzer, eene bezigheid die hij in 1857 verliet, om zijn geheelen tijd te wijden aan de agitatie ten behoeve dei-mijnwerkers, Toen in i860 de National Union of Miners tot stand kwam, werd hij tot president gekozen â eene positie die hij tot aan zijn dood behield. Ondertusschen verkreeg hij, door eene reeks wei-geslaagde handelsspeculatiën, een matig vermogen, dat hem in staat stelde al zijn kracht te wijden aan het doorzetten van het parlementair program, dat hij den mijnwerkers had doen aannemen. Hij legde voor de Enquête-Commissie van 1865 nopens de wet op meester en dienaar, gewichtige getuigenis af. In 1868 liet hij zich voor de Kilmarnock Burghs candidaat stellen, doch trok zich terug om het verbrokkelen der stemmen te voorkomen. Bij de algemeene verkiezingen van 1874 had hij meer succes; te Stafford gekozen zijnde, werd hij dus (met Mr. Burt) het eerste âarbeider-lid.quot; Kort daarna werd hij tot lid der Staats-enqucte-commissie nopens de arbeidswetten benoemd, in welke capaciteit hij op eigen gelegenheid een minderheids-rapport overlegde. Hij stierf in 1881. Eene geschiedenis der kolenmijnwerkers, die hij ontworpen had, werd blijkbaar nooit geschreven en, met uitzondering van talrijke toespraken als voorzitter en redevoeringen van anderen aard, benevens eene brochure, getiteld Notes and Annotations on the Coal Mines Regulation Act, iSys (Glasgow 1872, 50 pag.), hebben wij niets van zijn pen gevonden. Een waardeerend artikel over zijn leven, van de hand van Lloyd Jones, verscheen in de Newcastle Chronicle van 17 November 1893; het is grootendeels overgedrukt in Dr. Baernreithers English Associations of Working Men, pag. 408.
256
politieke vrijheid voor de vakvereenigingcn tevreden stelde, drong Macdonald van den aanvang af voortdurend op wettelijke regeling der arbeidsvoorwaarden aan. En hoewel hij, evenals zijne Londensche bondgenooten, veel omging met de bourgeois-vrienden van het vakvereenigingswezen en in het Lagerhuis vrijelijk van hunne hulp gebruik maakte, toonde hij zijne meerdere oorspronkelijkheid en geestkracht, door nimmer ook maar een haarbreed af te wijken van het grondbeginsel van het vakvereenigingswezen: de verplichte handhaving van den levensstandaard der arbeiders. «i»
4 âHet was in 1856,quot; zeide macdonald bij eene latere
gelegenheid, âdat ik voor het eerst over de grens ') trok, om eene betere mijnwet, juist wegen, de opvoeding der kinderen, het verbod van werken vóór het twaalfde jaar, de vermindering der werkuren tot acht in de vier en twintig, de opleiding van directeuren, het wekelijks betalen van het loon in gangbare munt, afschaffing der gedwongen winkelnering en vele andere nuttige dingen, te veel om hier op te noemen, te bepleiten. Kort daarna voegde zich botje bij botje, en tegen 1858 waren wij in volle actie voor betere wetten.quot; ~) De mijn-clubs en onofficiëele comités, die deze eischen onder de aandacht van het wetgevend lichaam brachten, werden middenpunten van plaatselijke organisatie, waarmede Mac-donald eene onafgebroken briefwisseling onderhield. Eene willekeurige uitsluiting van ettelijke duizenden arbeiders, door de mijnbezitters van Zuidelijk Yorkshire, in 1858, smeedde de mijnwerkers van dat kolen-gebied in eene aan-een-gesloten districtsorganisatie en stelde in hetzelfde jaar MaCDONAUJ in staat te Ashton-under-Lyne een nationaal congres bijeen te brengen, waarop de gedelegeerden slechts vier duizend georganiseerde arbeiders vertegenwoordigden. Niet vóór het einde van 1863 kan de Miners' National Union werkelijk gevestigd heeten; en de verhandelingen van het congres te Leeds van dat jaar, ademen allen den geest, die macdonald tot aan zijn dood den mijnwerkers aanbeval en waartoe de groote meerderheid hunner, thans, na eene tijdelijke afwijking, opnieuw teruggekeerd is. 4
4 Het mijnwerkers-congres te Leeds was in vele opzichten
eene merkwaardige bijeenkomst. In plaats van het ordelooze over en weer praten, dat het voorafgaande congres gekenmerkt had, bewoog Macdonald de een en vijftig gedelegeerden, die van 9 tot 14 November 1863 in de People s Co-operative Hall (Coöperatief Volksgebouw) vergaderden, hunne bijeenkomst te organiseeren naar het voorbeeld van den National Association for the Promotion
4 4
$gt; ') Tusschen Schotland en Engeland. Vert. 4»
â¢$gt; 5) Redevoering op het nationaal congres der mijnwerkers, te Leeds
in 1873. gt;$gt;
17 - Sidney Wehu. 257
of Social Science (Nationaal Genootschap tot Bevordering der Sociale Wetenschap) en zich in drie secties te splitsen, voor de Wet, de Grieven en de Sociale Organisatie, die elk aan het geheele congres rapport zouden uitbrengen. l) De verhandelingen van iederen dag werden geopend met een gebed, uitgeproken door den âkapelaan van het congres,quot; de Eerw. joseph Ravner stephens, befaamd als voorstander van arbeidswetgeving en Chartisme. In de rapporten der secties en de talrijke resoluties van het congres vinden wij alle punten van Macdonalds program. Het allerhoogste gewicht van het verzekeren van den levensstandaard door middel van wettelijke regeling der arbeidsvoorwaarden, is belichaamd in eene lange reeks voorstellen, die sinds dien bijna alle in de verschillende bepalingen der mijnwetten zijn opgenomen. In lijnrechte tegenstelling met het standpunt dat de loonen van de prijzen afhankelijk wil maken, wordt het principe van het beheerschen der industrie, in dier voege dat aanvallen op des arbeiders levensstandaard voorkomen worden, klaar aangeduid. âOvermatig lange arbeid,quot; zegt het verslag, âbrengt over-productie teweeg; lage prijzen en lage loonen volgen; slechte gewoonten en slechte gezondheid volgen uit den aard der zaak; en dan zijn vermindering van productie en van winst onvermijdelijk. Vermindering van arbeid en de daaruit voortvloeiende lichamelijke gezondheid, doen de productie, in den zin van winst, toenemen, en beperkt haar tevens, waardoor te groote voorraden vermeden worden; betere loonen brengen betere gewoonten teweeg en bezuiniging bij den arbeid volgt.... Het kwade gevolg van over-arbeid en over-productie op de loonen en op den arbeider, geeft daarom aanleiding tot gerechtvaardigde klachten; en in zooverre zij door overeengekomen schikkingen menschelijk zijn, gelooven wij dat zij redelijkerwijze voor behoorlijke regeling vatbaar zijn. Regelingen moeten natuurlijk tweeledig zijn. Gedeeltelijk kunnen zij vastgesteld worden door bindende wetten ; maar het principe fsicj moet het onderwerp van vrijwillige
overeenkomst zijn.quot; 3) Ãp eene beperking van den arbeid in de
^
lt;5gt; ') Het congres benoemde eene sub-commissie tot het samenstellen
en publiceeren van zijne verhandelingen, âiets,quot; zooals het voorbericht verklaart, âvolslagen voorbeeldeloos in de annalen van den arbeid.quot; En inderdaad, het doorwrochte boekdeel, door de uitnemende firma Longmans in 1S64 uitgegeven, getiteld: Transactions and Results of the National Association of Coal, Lime, and Ironstone Miners of Great Britain, held at Leeds, November q, 10, /7, 12, is, and 14, iSój, met zijn 174 bladzijden, zijn titel-plaat, voorstellende de in den mijn werkende vrouwen en zijn motto op de titel-pagina, ontleend aan de geschriften van Mr. Gladstone, vormde een uitstekend en indrukwekkend beroep op het lezend publiek. lt;Sgt; lt;$gt; 2) Transactions and Results of the National Association of Coal, Lime, and Ironstone Miners of Great Britain, held at Leeds, November q, 10, 11, 13, is and 14, iS6s, pag 14. ^
258
mijnen tot acht urea per dag, werd krachtig aangedrongen, maar door het toedoen van Macdonald werd wijselijk besloten, geen wettelijke regeling van den arbeidsduur van volwassen mannen te vragen, maar het parlementaire voorstel te bepalen tot een wetsontwerp betreffende de jongens. En het is interessant reeds in dien tijd de diepe klove tusschen de mijnwerkers van Northumberland en Durham en hunne mede-arbeiders elders, waar te nemen. Het nauwe verband tusschen de wettelijke regeling van den arbeidsduur van jongens en het vaststellen van den arbeidsdag der mannen, wordt door William Crawford, de toekomstige leider der Durhamsche mijnwerkers, in het licht gesteld. Het algemeene gevoelen van het congres was ten gunste van een krachtig wettelijk verbod van het houden van jongens in de mijn gedurende meer dan acht uren, maar crawford verklaarde dat âeen acht-urenwet in zijn district niet kon worden ten uitvoer gelegd. Hij wilde de jongens tien uren per dag laten werken en de mannen zes uren.quot; ^ Hij stelde daarom een wettelijken tien-urendag voor de jongens voor. Het congres weigerde echter van het principe van acht uren af te wijken; en het in dien zin gestelde wetsontwerp werd dan ook zonder tegenspraak aangenomen. égt;
4 Eene andere door macdonald aanbevolen hervorming,
heeft op de organisatie der mijnwerkers eene ver-strekkende, doch onvoorziene uitwerking gehad. Het willekeurig inhouden van het loon der mijnwerkers voor alle tobben of bakken die als onbehoorlijk gevuld beschouwd werden, was reeds lang een bron van buitengewone verbittering geweest. Bij sommige gewetenlooze mijneigenaren was het eene geregelde praktijk geworden, een beduidend deel van de bakken der arbeiders af te keuren en aldus aan betaling voor een deel der gehouwen steenkool te ontkomen. De grief werd verergerd door de absolute afhankelijkheid van den onder den grond werkenden mijnwerker van de eerlijkheid en de accuratesse van den agent van den werkgever boven, die de hoeveelheid van zijn arbeid boekte. De arbeiders eischten uit dien hoofde verlof om hun eigen vertegenwoordigers aan de schacht te hebben, die het te betalen gewicht zouden controleeren. Gedurende het jaar 1859 hadden in Zuidelijk Yorkshire groote worstelingen plaats, waarin de werkgevers in verschillende mijnen, na verbitterden tegenstand, deze gunst toestonden. Eene vastberaden poging werd toen door den Mijnvverkersbond van Zuidelijk Yorkshire, bijgestaan door Macdonald, gedaan, om in het wets-ontwerp op de mijnen een artikel opgenomen te krijgen, waarbij het wegen van den steenkool verplichtend werd gesteld en een vertegenwoordiger der
lt;8gt; ') Transactions, etc., pag. 17. In Northumberland en Durham werken
de volwassen houwers in twee ploegen, terwijl er slechts één jongens-ploeg is.
259
arbeiders tot het controleeren van het gewicht toegelaten zou worden. Een groote parlementaire strijd werd over het amendement der arbeiders gevoerd, met het resultaat dat de wet van i860 den arbeiders van elke mijn de bevoegdheid verleende een controle-weger te benoemen, maar hunne keuze beperkte tot werkelijk in de betrokken mijn arbeidende personen. l) Deze belangrijke overwinning werd langen tijd door de uitvluchten der mijnbezitters waardeloos gemaakt. Te Barnsley bijvoorbeeld, werd NoKMANSELL, tot controle-weger aangesteld, onmiddelijk ontslagen en hem den toegang tot de mijnopening geweigerd. Toen de werkgever wegens deze inbreuk op de wet beboet werd, kwam hij bij het Hooggerechtshof in hooger beroep; en de Bond had eene tweejarige, kostbare procedure te voeren, om het in zijne functie herstellen van den arbeidersagent te bewerkstelligen. a) De volgende twintig jaren zijn vol pogingen van de zijde der mijnbezitters, om het voldoen aan deze wet te vermijden. Waar de arbeiders niet door overreding of vrees-aan-jaging tot het prijsgeven van hun recht tot het aanstellen van een controle-weger konden worden gebracht, werden allerlei praktijken gebezigd om diens taak te bemoeilijken. Somtijds werd hem belet de weegmachine dicht te naderen. In andere mijnen werden de gewichten zoo verdekt gesteld, dat hij ze niet duidelijk kon zien. Zijne berekeningen werden heftig bestreden en zijn ingrijpen bitter bemoeilijkt. De mijnwerkers-vereenigingen streden echter onophoudelijk om volmaakte onafhankelijkheid voor den controle-weger. De mijnwet van 1872 versterkte zijne positie eenigermate. Eindelijk stelde de wet van 1887 duidelijk het recht der arbeiders vast, om,
lt;3gt; 'l Hoofdstuk 29 der mijnwet van i860. 4lt;gt;
^ 2) Normansell 7/. Platt. john Normansull, de agent van den Soi/t/i
Yorkshire Miners' Association, neemt tusschen 1863 en 1875 als leider der mijnwerkers slechts ten opzichte van Macdonald de tweede plaats in. Zoon van een mijnwerker, werd hij in 1830 te Torkington in Cheshire geboren en was röeds op jeugdigen leeftijd ouderloos. Zeven jaar oud zijnde ging hij reeds naar de mijn en toen hij op negentienjarigen leeftijd trouwde, was hij niet in staat zijn naam te schrijven. Naar Zuidelijk Yorkshire verhuisd zijnde, werd hij een leider der agitatie tot het verkrijgen van een contróle-weger, waarin de plaatselijke mijnbezitters in 1859 toestemden. Normansell, in zijn eigen mijn als zoodanig gekozen zijnde, werd spoedig de voornaamste leider in het district. Na de uitsluiting van 1864 werd hij tot secretaris van den Bond gekozen, die toen slechts twee duizend leden telde. Hinnen acht jaren had hij het ledental tot twintig duizend opgevoerd en een doorwrocht stelsel van uitkeerings-fondsen samengesteld. Normansell was het eerste arbeider-gemeenteraadslid; hij werd te Barnsley triomfantelijk gekozen, nadat zijn Bond ten zijne name 1000 pond sterling bij eene bank had gedeponeerd, om hem in staat te stellen te verklaren, dat hij de geldelijke kwalificatie bezat, welke destijds gevorderd werd. Bij zijn dood werd dit bedrag aan zijne weduwe toegekend. Normansell legde in 1867 getuigenis af voor de Parlementaire Enquête-Commissie naar de steenkoolmijnen en voor die naar de wet op meester en dienaar, in 1868 voor de Staatsenquête-commissie naar de vakvereenigingen en in 1873 voor die naar de steenkool-productie.
260
bij besluit v;in de meerderheid der in eene mijn werkenden en op kosten van allen, een controle-weger te benoemen, die ten volle bevoegd is nauwkeurig en onafhankelijk aanteekening te houden van den arbeid van iederen werkman. 4
^ Het zou belangwekkend zijn, na te gaan in hoeverre de
bizondere eigenaardigheden der mijnwerkers-organisaties aan den invloed van deze eéne wettelijke hervorming te danken zijn. Haar erkennen en bevorderen van het gemeenschappelijk optreden der betrokken arbeiders, is eene rechtstreeksche aansporing tot combinatie geweest. De verplichte bijdrage van alle arbeiders eener mijn in de kosten van een agent, tot wiens aanstelling door eene meerderheid, hoe gering ook, kon worden besloten, heeft elke mijn feitelijk een afdeelings-secretaris doen kiezen, die den bond niets kost. Maar de uitwerking op het karakter dier ambtenaren is nóg gewichtiger geweest. De controle-weger moet een man van karakter zijn, ongevoelig voor het afbluffen en het flikflooien van directeuren of werkgevers. Hij moet nauwgezet van levenswandel zijn, accuraat en zaakkundig van aanleg, en vlug rekenaar. De reien der controle-wegers vormen dus een uitstekend werf-dépót, waaruit een feitelijk onuitputtelijke aanvoer van bekwame vakvereenigings-sccretarissen of arbeiders-vertegenwoordigers gerecruteerd kan worden. 4» Het congres te Leeds in 1863 was het eerste eener reeks
jaarlijksche of half-jaarlijksche bijeenkomsten van mijnwerkersgedelegeerden, die veel tot het aan-een-sluiten hunner organisatie bijdroegen. De krachtige steun door Macdonald geleverd aan de beweging van 1867 tegen de wet op meester en dienaar, is reeds beschreven geworden. Maar tusschen 1864611 1869 belette de bijna onafgebroken opeenvolging van werkstakingen en uitsluitingen, dan in dit en dan in dat graafschap, dat de National Association onder de arbeiders der minder georganiseerde districten vasten voet kreeg. In 1869 werd door de arbeiders van sommige mijnen in Lancashire eene concurreerende federatie gesticht, de Amalgamated Association of Miners (Algemeene Mijnwerkersbond) genaamd, ten doel hebbende het meer systematisch steunen van plaatselijke werkstakingen. Deze breuk strekte slechts om het aantal georganiseerde mijnwerkers te doen toenemen, welker aantal in weinige jaren het voorbeelde-looze totaal van twee maal honderd duizend bereikte. 4
4 Het is gemakkelijk te begrijpen hoezeer dit leger van
mijnwerkers, georganiseerd door een bedreven parlementair tacticus, het politieke gewicht der vakvereenigings-leiders verhoogde. Hoewel slechts gedeeltelijk kiesgerechtigd, was hun invloed op de algemeene verkiezingen van 1868 merkbaar; en toen het vakvereeni-gings-congres in 1871 een Parlementair Comité benoemde, werd Macdonald er voorzitter van. In het volgende jaar slaagde hij er in, in de nieuwe mijnwet vele der ondergeschikte amendementen,
261
waarop hij aangedrongen had, belichaamd te krijgen; en in 1874 werden hij en zijn collega, Mr. Thomas BüRT, de eerste werkliedenleden van het Lagerhuis. 4 Niet minder belangrijk dan do ietwat verspreide scharen der kolenmijnwerkers, was het compacte lichaam der katoenbewerkers van Lancashire, die vanaf 1869 als een integreerend deel der vakvereenigingswercld begonnen beschouwd te worden. De textielarbeiders van Lancashire, die in do eerste jaren der eeuw eene zoo voorname rol in de vakvoroenigingsbeweging hadden gespeeld en wier energiek âComité voor Verkorten Arbeidsduurquot; in 1847 de tien-urenwet had weten te verkrijgen, schijnen gedurende de daarop volgende jaren in een toestand van desorganisatie en oneenigheid vervallen te zijn. Het is waar, in 1853 werd de tegenwoordige Amalgamated Association of Cotton-Spinners (Algemoene Katoen-spinnersbond) gesticht; maar deze federatieve bond werd tot 1869 verzwakt door de onthouding of lauwheid dor plaatselijke organisaties in belangrijke districten als Oldham en Bolton. De katoenwevers verkeerden in een ongeveer gelijken toestand. De Blackburn Association, in 1853 gesticht, werd langzamerhand in de schaduw gesteld door den North-East Lancashire Association (Bond van Noord-Oostelijk Lancashire), eene in 1858 gestichte federatie dei-plaatselijke wevers-vereenigingen in de kleinere steden. Deze bond, voortgekomen uit eene afscheiding van de organisatie te Blackburn, had tot speciaal doel het gemeenschappelijk ondersteunen van een geoefend berekenaar der prijzen, in staat do belangen der arbeiders te verdedigen in de voortdurende geschillen die ontstonden uit de ingewikkelde stukwerk-loonlijsten, die het kenmerk zijn der Engelsche katoen-industrie. 1) 4gt; Het is moeilijk den lezer in hot algemeen een behoorlijk denkbeeld te geven van de belangrijke uitwerking, welke dozo doorwrochte âlijstenquot; op do vakvereonigings-beweging in Lancashire hebben gehad. De algemeene tevredenheid met, en zelfs voorkeur voor het stukwerk-stolsel onder de katoenbewerkers van Lancashire, is geheel en al te danken aan het bestaan dezer definitief vast-
4gt;
â ') Het beste en inderdaad het eenige juiste relaas dezer katoen
loonlijsten, is dat hetwelk door eene commissie, bestaande uit Prof. Sedgwick, Prof. Füxwell, Mr. A. H. D. Acland, de Eerw. W. Cunningham en Prof. J. E. C, MüNRO voor de economische afdeeling van het Britsch Genootschap samengesteld werd; het rapport is van de hand van laatstgenoemde. (O/i the Regulation of Wages by means of Lists in the Cotton Industry, Manchester 1887; Heywood; in twee deelen: Spinnen en Weven.) 4
4 De principes waarnaar deze lijsten zijn samengesteld, zijn zóó inge
wikkeld, dat wij, na langdurige studie, bekennen met zekere punten nóg verlegen te zijn; en hoewel Prof. Munro vele moeilijkheden opheldert, zijn wij geneigd te gelooven dat zelfs hij in sommige opzichten niet in alle gevallen de zaak in het juiste licht heeft gesteld. 4
262
gestelde en openbaar gemaakte tarieven. Ken zelfs nog gewichtiger resultaat is geweest: het scheppen van een eigenaardig type van vakvereenigings-bestuurder. Want hoewel de lijsten nauwkeurig in onderdeelen uitgewerkt zijn â de Bolton spin-loonlijst beslaat bijvoorbeeld vijf en tachtig dicht met cijfers gevulde bladzijden ') â zijn de berekeningen zóó ingewikkeld, dat zij niet alleen het begrip van den gewonen werkman of fabrikant te boven gaan, doch zelfs dat van den onderzoekenden wiskundige, die niet in de puntjes de technische détails kent. Toch worden de weekverdiensten van elk der tienduizenden arbeiders door eene juiste en vaak afzonderlijke calculatie met deze lijsten berekend. En wanneer er sprake is van verandering der lijst, kan het standaardloon van een geheel district afhangen van de gevatheid en accuratesse, waarmede de lasthebber der arbeiders de juiste uitwerking van elke ontworpen verandering, in welke van de tallooze factoren der berekening ook, voorziet. Het behoeft geen betoog dat de bekwame organisator, of de âgeboren redenaarquot; voor arbeid van dien aard vaak volslagen ongeschikt was. Er ontstond daarom, zoowel bij de wevers als bij de spinners, een stelsel van kiezen van nieuwe secretarissen door vergelijkende examens, dat geleidelijk volmaakt is geworden, naar mate de examinatoren â dat wil zeggen; de in functie zijnde bestuurders â zelf geoefender werden. De eerste secretaris die deze vuurproef onderging was Mr. Thomas Rirtwistle, 2) die in 1861 zijn dertigjarigen, eervollen en voorspoedigen dienst bij de wevers van Lancashire aanving. Binnen eenige jaren werd hij versterkt door andere bestuurders, om dezelfde eigenaardigheden gekozen. Vanaf 1871 werden de raden der vakvereenigings-beweging versterkt door de intrede der âkatoen-mannen,quot; een groep schrandere, scherpzinnige en gevatte ambtenaren â eene combinatie in de vakvereenigings-wereld van den accountant en den advocaat. 4gt; Onder zulke leiding behaalden de katoenbewerkers van
Lancashire buitengewoon succes. Hunne eerste taak was, in alle districten loonlijsten te verkrijgen en te volmaken. Nadat de standaard en wijze van betaling op deze wijze verzekerd was, wijdden zij hunne energie aan de verbetering hunner overige arbeidsvoorwaarden door middel van daartoe geëigende wetgeving. Vanaf 1830 hebben de katoen-arbeiders van Lancashire, in het bizonder de
4gt;
4 ') Bolton and District Net List of Prices for Spinning Twist, Reeled
Yarn or Bastard Twist, and Weft, on Self-actor Mules (Holton 1887, 85 pag.).
2) Mr. Birtwistle werd in 1892, op gevorderden leeftijd, door den minister van binnenlandsche zaken benoemd tot Fabrieks-inspecteur, voor de bepalingen vervat in bet hoofdstuk âbizonderheden,quot; zijnde hoofdstuk 24 van de wet van 1891 op de fabrieken en werkplaatsen, daar buiten hem nismand gevonden werd, in staat de ingewikkeldheden der wijze van betaling in liet weversbedrijf te begrijpen en uit te leggen. lt;Sgt;
263
spinners, de wettelijke regeling van den arbeidsduur en van andere voorwaarden hunner nijverheid krachtig gesteund. In 1867 had eene gedelegeerden-vergadering der textiel-arbeiders van Lancashire, onder voorzitterschap van den Eerw. J. R. STEPHENS, besloten âte agiteeren voor zulk een maatregel van beperking, die in de fabrieken eene algemeene wet op den arbeidsdag van acht uren, ongerekend de schafttijden, voor volwassenen, vrouwen en jeugdige personen zal verzekeren, en dat zulk eene acht-urenwet het stop zetten der drijfmachine tot grondslag zal hebben.quot; 1) Toen in 1871â72 eene verbetering van zaken en de herleving van de kracht der vak-vereenigingen intrad, werd deze taktiek opnieuw gevolgd. De spinners van Oldham trachtten in 1871 inderdaad door middel eener werkstaking het eindigen van den arbeid op Zaterdag twaalf uur te verkrijgen. Maar toen deze poging mislukt was, kwamen de gedelegeerden der verschillende plaatselijke vercenigingen, zoowel van spinners als van wevers â gemeenlijk de bestuurders der vakvereenigingen â bijeen, en stichtten op 7 Januari 1872 den Factory Acts Reform Association (Bond tot Hervorming der Fabriekswetten), ten doel hebbende eene wetswijziging te verkrijgen, waarbij de arbeidsuren van zestig tot vier en vijftig per week verminderd zouden worden. De parlementaire taktiek dezer gladde tactici is weder een voorbeeld van het practische opportunisme van den Engelschen vakvereenigingsman. De bestuurders der katoenbewerkers zagen er in 1872 tegen op, zich openlijk te verbinden met het Parlementair Comité van het vakvereenigings-congres, dat toen juist zijne heftige agitatie voor de herroeping van de wet tot wijziging der strafwet voerde. âEenige leden van het Comité tot verkorting van den Arbeidsduur,quot; zegt het congres-verslag, zonder afkeuring te doen blijken, âdachten dat zelfs samenwerking met het Congres-Comité eer noodlottig dan nuttig
zou zijn,..... daar Lord Shaftesbury en anderen verklaarden
dat zij zich niet zouden inlaten met een in het belang der vakvereenigingen voorgestelden maatregel.quot; 2) Voor zoover het publiek en het Lagerhuis erbij betrokken waren, was het wetsontwerp bijgevolg, naar ons medegedeeld wordt, âop geheel andere gronden gebaseerd.quot; Zijne bepalingen waren, evenals die van de tien-urenwet, uiterlijk beperkt tot vrouwen en kinderen; en bij den steun van kampioenen der vakvereenigingen als Mr. Thomas Hughes en Mr Mundella, kwam die van philantropen als Lord Shaftesbury en Mr. Samuel Morley. Maar het is nauwelijks noodig te zeggen,
') Beehive van 23 Februari 1867. De circulaire, waarin het besluit werd bekend gemaakt, is geteekend door de voornaamste bestuurders der Katoenweversbonden dier dagen. 4
^ 'i Rapport van het Parlementair Comité, uitgebracht op het vakver-
eenigings-congres van Januari 1873. lt;$gt;
264
dat het niet geheel, noch zelfs uitsluitend ten behoeve der vrouwen en kinderen was, dat de geoefende leiders der katoenbewerkers van Lancashire hunne âbeweging tot verkorting van den arbeidstijdquot; van aanvallende werkstakingen naar parlementaire agitatie hadden geleid. De geheime notulen van den Factory Acts Reform Association bevatten geen woord over de ellende van vrouwen en kinderen, maar geven overal blijk van den eisch der volwassen mannelijke spinners van een korteren arbeidsdag. En in de circulaire âaan de fabrieks-arbeiders,quot; waarmede de constitueerende vergadering van den Association bijeengeroepen werd, zien wij den secretaris der spinners de dwaling bestrijden, dat âwettelijke bemoeiing met den arbeid van volwassen mannen eene economische fout isquot; en âeene wetsbepaling, waarbij de duur van den fabrieks-arbeid sterk bekort wordtquot; eischen, opdat zijne lastgevers, die uitsluitend volwassen mannen waren, âde negen uren per dag, of vier en vijftig uren per week, zoo vrijgevig toegestaan aan andere klassen van werkliedenquot; mogen genieten. ') Het was echter noch noodig, noch doelmatig deze taktiek openlijk te volgen. De ondervinding van eene generatie had den arbeiders van Lancashire geleerd, dat eene doeltreffende beperking van den arbeidsdag voor vrouwen en kinderen, niet nalaten kon eene daarmede gelijkstaande vermindering der werkuren der mannen, welke nevens hen werkten, met zich te brengen. En bij de gezindheid van het Lagerhuis in 1872, en zelfs bij de arbeiders in andere vakken, zou het verkrijgen eener erkende beperking van den arbeidsduur van volwassen mannen even onmogelijk gebleken zijn als in 1847. 4
4 Het wetsontwerp tot verkorting van den arbeidsdag werd
daarom zoodanig opgesteld, dat het uitdrukkelijk en uitsluitend op vrouwen en kinderen sloeg, wier lijden onder den tien-urendag in de vergaderingen en in de pers breed werd uitgemeten. De strijd werd inderdaad, zooals een der voornaamste strijders verklaard heeft, ~) âvan achter de vrouwenrokken gestreden.quot; Maar het was een deel der ironie van den toestand, dat, zooals Mr. Broadhurst later aanduidde, 8) het wetsontwerp âgroote tegenstand van de zijde der vrouwen-organisaties ontmoette;quot; en het was werkelijk met het
') Circulaire 11 December 1871, namens de voorloopige vergadering geteekend door Thomas Mawdslevâ niet te verwarren met James Mawdslev, J. P., de tegenwoordige secretaris.
lt;$gt; 2) Mr. Thomas Ashton, J. P., toen, evenals nu, secretaris der Spinners
van Oldham, heeft dit vaak medegedeeld. Op 26 Mei 1893, verhaalde de Cut tun Factory Times, het geaccrediteerde orgaan der arbeiders, met betrekking tot de acht-urenbeweging, dat âde sluier nu moet worden opgelicht en de agitatie onder hare ware vlag moet worden gevoerd. Vrouwen en kinderen moeten niet langer tot voorwendsel dienen om eene vermindering van arbeidsduur voor de mannen te erlangen.quot;
lt;!!gt; a) Redevoering op het vakvereenigings-congres te Bristol in 1878.
265
oog op het belang der arbeidsters, dat Prof. Fawcett in de parlementszitting van 1873 de verwerping van den maatregel voorstelde. ') Het voorstel, zelfs beperkt als het was tot vrouwen en kinderen, ontmoette een verwoeden tegenstand van de fabrikanten en de kapitalisten in alle industriën. De opinie in het Lagerhuis was tegen elke verdere beperking van de vrijheid der werkgevers gekant. Het ministerie van het oogenblik verleende geen steun. Het wetsontwerp, in 1872 voor de eerste maal en in 1873 opnieuw ingediend, kwam niet verder. Eindelijk, in 1873, stopte de regeering de zaak in den doofpot, door eene Staats-Commissie te benoemen, tot het instellen eener enquête naar de werking der fabriekswetten. Maar eene algemeene verkiezing stond nu voor de deur; en ,,een wetsontwerp tot invoering van een negen-urigen arbeidsdag voor vrouwen en kinderen in de fabriekenquot; werd gevoegd in het parlementair program, dat den candidaten door de geheele vakvereenigingswereld opgedrongen werd. 2)
Wij hebben reeds melding gemaakt van het aandachtig gehoor, dat de conservatieve partij in die dagen aan de eischen der vakvereenigingen verleende. Het wekt daarom geen verwondering, dat, toen Mr. MUNDELLA zijn wetsontwerp in het nieuwe parlement opnieuw voorstelde, de minister van binnenlandsche zaken, Mr. (thans burggraaf) CROSS aankondigde, dat de regeering zelf met een wetsontwerp voor den dag zou komen. Het feit dat het regeeringsontwerp den verzachtenden titel droeg van âwetsontwerp op de fabrieken (gezondheid der vrouwen, enz.),quot; verzoende de tegenstanders van een verkorten arbeidsdag in de fabrieken (die er in voorgeschreven werd) niet; maar de oppositie had, tot groote voldoening der spinners, geen succes; en al was de negen-urige arbeidsdag niet bereikt, de SóY^urige werkweek werd ten minste wet. Deze korte en welgeslaagde parlementaire campagne bracht de katoenbewerkers in nauwere aanraking met de Londensche leiders; en vanaf 1873 hebben de vertegenwoordigers van Lancashire een beduidenden invloed in het vakvereenigings-congres en zijn Parlementair Comité uitgeoefend. Voortaan werden uitgewerkte wijzigingen der fabriekswetten en doelmatiger toepassing harer bepalingen, bijna onveranderd punten op het officiëele program der vakvereenigingen.
4 Een interessant paralel kan getrokken worden tusschen
de katoenbewerkers eener- en de kolenmijnwerkers anderzijds.
4
^ ') âNaar hetgeen ik vernomen heb,quot; schrijft Prof. Beesly in de
Beehive van 16 Mei 1874, âzou ik geneigd zijn te gelooven, dat geen op zichzelf staand feit zooveel heeft bijgebracht tot den nederlaag der liberale partij in Lancashire bij de laatste verkiezingen, dan de redevoering van Mr. Fawcett in het vorige parlement, over liet wetsontwerp op den negen-urigen arbeidsdag.quot; 4 ') Verslag van het vakvereenigings-congres te Sheffield in Januari 1874.
266
Uiterlijk kunnen treen twee bedrijven meer van elkander verschillen. Toch, zonder gemeenschap van belangen, officieele verstandhouding en zonder eenig spoor van imitatie, vertoonen de organisaties in de beide vakken eene sterke gelijkenis in geschiedenis, ontwikkeling van hunne samenstelling en in eigenaardigheden van taktiek, middelen en doeleinden. Vele dezer overeenkomstigheden kunnen hunnen oorsprong vinden in de merkwaardige opeenhooping in zekere districten, die beide industriën gemeen hebben. Uit deze opeenhooping op ééne plaats kunnen wellicht de mogelijkheden van het bestaan eener sterke federatie zonder gecentraliseerde kassen, en van het voortbestaan cener permanente vakvereeniging zonder uitkeerings-fondsen ontstaan. Eene verdere overeenstemming is te bemerken in het scheppen eener speciale klasse van vakvereenigings-bestuurders, veel talrijker in verhouding tot het ledental dan in de machine- of bouwvakken gebruikelijk is. Maar de merkwaardigste en misschien de gewichtigste dezer overeenstemmingen, is de standvastigheid waarmede zoowel de mijnwerkers als de katoenbewerkers trouw zijn gebleven aan de wettelijke bescherming van den levensstandaard, als een hoofdbeginsel van hun vakvereenigingswezen. 4gt; 4' Terwijl deze belangrijke divisies van het vakvereenigings-
leger naar wettelijke bescherming streefden, werden geheele afdee-lingen vakvereenigingsmannen door overwinningen op ander terrein tot eene verschillende conclusie gebracht. De welgeslaagde negenuren-beweging van 1871-â72 â de vermindering, door gemeenschappelijk overleg, van de arbeidsuren in de machine- en bouwvakken â wedijverde met de wetgevende overwinningen der mijnwerkers en katoenbewerkers. é-
4 Sinds de groote werkstakingen van 1859â61 in de
Londensche bouwvakken, was de beweging ten gunste eener vermindering van den arbeidsduur in verschillende deelen des lands sleepende gebleven. De steenhouwers, timmerlieden en andere bouw-arbeiders, hadden in vele steden, en na meer of minder strijd, den zoogenaamden negen-urigen arbeidsdag veroverd. In 1866 ontstond onder de machinebouwers van Tyneside eene agitatie ten gunste eener soortgelijke concessie; maar de plotseling intredende malaise maakte een einde aan het plan. Toen in 1870 het onderwerp in de centrale districts-commissie te Newcastle besproken werd, behield de geest van voorzichtigheid de overhand en werden geene daadwerkelijke stappen gedaan. Plotseling, in het begin van 1871, namen de arbeiders van Sunderland de zaak ter hand en legden op 1 April het werk neder. Na een strijd van vier weken, bijna vóórdat de machinebouwers elders beseften dat er eenige kans op succes was, gaven de plaatselijke werkgevers toe en was de negen-urige arbeidsdag gewonnen. 4
4 Het lag voor de hand dat de Sunderlandsche beweging
267
bestemd was zich over de andere in de buurt gelegen centra van den inachinebouw uit te strekken; en de machinefabrikanten van het geheele noord-oostelijke district kwamen op 8 April vaardig te Newcastle bijeen, om vereenigden wederstand tegen de eischen der werklieden te beramen. De arbeiders moesten nog beginnen hunne organisatie te vormen. Hoewel Newcastle sinds dien een der beste centra van het vakvereenigingswezen is geworden, telde de Amalgamated Society of Engineers er in 1871 slechts vijf of zes honderd leden; de Ketelmakers, Stoommachinemakers en Ijzer-gieters waren ook zwak en waarschijnlijk behoorden twee uit iedere drie man in het machinevak tot geene enkele vereeniging. Een Nine Hours League (Negen-urenbond), zoowel vereenigingsmannen als ongeorganiseerden omvattende, werd daarom speciaal met het oog op de agitatie gesticht; en dit lichaam was zoo gelukkig Mr. John Burnett, ') een bekend lid der plaatselijke afdeeling van de Amalgamated Society, die later als de algemeene secretaris dier groote organisatie wijd en zijd bekend zou worden, tot voorzitter te kiezen. De Nine Hours League werd inderdaad, hoewel niet in naam, eene tijdelijke vakvereeniging, welker bestuur namens de arbeiders alle onderhandelingen voerde, op de vakvereenigings-wereld een beroep deed om gelden ter hunner ondersteuning en het conflict dat volgde in alle deelen leidde. ~) amp; De werkstaking, die vijf maanden duurde en met eene
volslagen overwinning der arbeiders eindigde, was in meer dan één opzicht eene merkwaardige gebeurtenis in de vakvereenigings-annalen. Het succes waarmede ettelijke duizenden ongeorganiseerde werklieden, niet voorzien van bijeengespaarde gelden, werden gedrild en gedisciplineerd, en de bekwaamheid in de geheele leiding van den strijd ten toon gespreid, deden den naam van hunnen leider
^ ') Mr. John Burnett, in 1842 te Alnwick in Northumberland geboren,
werd na de werkstaking voor den negen-urigen arbeidsdag, propagandist voor den National Education League en werd lid der redactie van de Newcastle Chronicle. Na Allans dood in 1875 werd hij tot algemeen secretaris der Amalgamated Society of Engineers gekozen. In 1886 werd hij benoemd in de nieuwe functie van Arbeids-Correspondent van het Handelsministerie, in welke capiciteit hij een reeks rapporten over vakvereenigingen en werkstakingen samenstelde en uitgaf. Toen in 1893 het Arbeidsdepartement werd ingesteld, werd hij onder den Regeerings-Commissaris voor den Arbeid tot Hoofd-Arbeidscorrespondent aangesteld en werd aangewezen om de Vereenigde Staten te bezoeken tot het samenstellen van een rapport nopens de gevolgen van Joodsche immigratie.
2) Een volledig verhaal van dit conflict wordt door Mr. John Burnett gegeven in zijn History of t/ie Engineers' Strike in Newcastle and Gateshead (Newcastle 1872, 77 pag.). Eene beschrijving door het Hoofdbestuur ütx Amalgamated Society of Engineers komt voor in hun Abstract Report tot3t December 1872. De Newcastle Daily Chronicle van April tot October 1871, levert een volledig relaas. De hoofdartikelen en correspondenties in de Times van September 1871 zijn belangrijk.
268
in de arbeiderswereld beroemd worden. De taktische vaardigheid en letterkundige bekwaamheid waarmede de zaak der arbeiders werd voorgestaan, hadden het ongehoorde resultaat, dat de Times ') en de Spectator hunnen steun aan de gestelde eischen verleenden. Geldelijke bijdragen vloeiden aanvankelijk langzaam, doch stroomden na drie maanden van alle kanten in. Mk. jüsei'ii Cowen, van de Newcastle Daily Chronicle, verleende van den aanvang den arbeiders krachtigen steun en hielp op allerlei wijze. De werkgevers in alle deelen des lands werden bevreesd; en eene soort van heffing van één shilling per werkman werd van de machinefabrikanten gevorderd als bijdrage in de hooge kosten der werkgevers te Newcastle. Ondanks de actieve bemoeiingen der âInternationalequot; werden ettelijke honderden buitenlandsche werklieden ingevoerd; maar velen dezer werden later bewogen te deserteeren. S!) Ten slotte stemden de werkgevers in den voornaamsten eisch der arbeiders toe; en vier en vijftig uren werd de ter plaatse erkende duur der arbeidsweek in alle machinebouwvakken.
^ Dit alom bekend gemaakt succes, komende in een tijd
van toenemenden bloei van zaken, bevorderde ten zeerste de beweging voor den negen-urigen arbeidsdag. Van het eene einde des lands tot het andere besprak elke kleine vakvereenigings-afdeeling de wenschelijkheid van den werkgevers mededeeling te doen van het voornemen tot staking van den arbeid. De machinebouwers-vakvereenigingen in Londen, Manchester en andere groote centra, bewogen hunne werkgevers hunne eischen zonder werkstaking in te willigen. Het groote leger van arbeiders, werkzaam op de scheepsbouw-werven aan de Clyde, deden zelfs beter, door eene een en vijftig-urige werkweek te veroveren. De bouw-arbeiders
volgden spoedig het gegeven voorbeeld. Eischen tot eene verkorting
lt;£gt;
O ') Zie het hoofdartikel in de Tunes van n September 1871. Dit
hoofdartikel, waarin âhet gedrag der werkgevers in dit geschil als onvoorzichtig en ontaktischquot; wordt genoemd, lokte een verward betoog van SIK wlli.iam (thans Lord) armstrong, schrijvende namens âde verbonden werkgevers,quot; uit. âWij waren verbaasd,quot; schrijft de groot-industrieel, âons in uw artikel beschreven te zien, als ons bevindende in een hopeloos-moeilijken toestand; en wij voelden werkelijk, dat als de Bond-zelf de macht bezeten had dit artikel te inspireeren, ter nauwernood woorden gebruikt konden zijn, beter berekend zijn doel te bevorderen, dan die waarin het gesteld was. Het gelijktijdig verschijnen van een artikel in den Spectator, waaruit dezelfde vooringenomenheid blijkt, doet onze verwondering toenemen. Wij hebben ons verbeeld, dat eene vastberaden poging om den werkgevers door loutere kracht van combinatie concessies af te dwingen, geen zaak was die genade vond bij de meer beschaafde en intelligente klassen, welker meeningen gewoonlijk in de kolommen van de Times weergegeven worden.quot; (Times van 14 September 1871.) lt;£gt;
lt;Dgt; 2) Hier bewees de âInternationalequot; goede diensten. Op aandringen
van Mr. Burnett, begaf Mr. Cohn, de Deensche secretaris te Londen, zich naar het Vasteland, om deze immigratie tegen te gaan. Zijne onkosten werden door de Amalgamated Society 0/ Engineers betaald.
269
van den arbeidsdag, benevens eene uurloon-verhooging, werden door de plaatselijke bestuurders der Timmerlieden, Steenhouwers, Metselaars, Loodgieters en andere organisaties gesteld. In vele gevallen gaven ongeorganiseerden het voorbeeld in de beweging; maar men bemerkte spoedig dat het onmiddelijke succes der gestelde eischen afhankelijk was van de schatting der werkgevers nopens de finan-ciëele hulpbronnen der arbeiders, en de mogelijkheid van het onthouden van hunnen arbeid gedurende een tijd, lang genoeg om de zaken in de war te sturen. Waar ook de werkgevers van dit laatste feit overtuigd waren, gaven zij gewoonlijk zonder conflict toe. Dit welslagen bracht in de betrokken industriën bijgevolg veel bij tot een voorkeur voor combinatie en georganiseerd optreden, als een middel tot verbetering der arbeidsvoorwaarden. De invloed van het stelselmatig overwerken, dat sinds dien zulk een geduchte vermindering van de voordeden, verkregen door de negen-uren-beweging, is gebleken te zijn, werd óf door hoopvolle bestuurders over het hoofd gezien, óf door den individueelen arbeider stillekens verwelkomd, wegens het aanbieden van gelegenheden om voor een hooger loon te werken. 1) Anderzijds was het een voor de hand liggend feit, dat de werkman, die de machines in eene katoenfabriek bediende, het eenige lid van zijn vak was, die van het genot van de verkorting van den arbeidsduur, waarin zijne vakgenooten zich verheugden, was buitengesloten. Terzelfder tijd dus, dat de textielarbeiders en de kolenmijnwerkers, zooals wij gezien hebben, eene duidelijke neiging aan den dag legden om zich, tot bescherming van den levensstandaard, meer en meer toe te leggen op parlementaire actie, leidden de feiten, zooals zij zich voordeden aan het lid der Amalgamated Engineers of Carpenters, de leden dier vakvereenigingen tot eene volmaakt tegenovergestelde conclusie. ^
4gt; Maar hoewel het vertrouwen in vak-combinaties en geor
ganiseerd optreden door het succes der negen-ufenbeweging versterkt werd, werd het prestige der beide groote Algemeene Vereenigingen door de overwinningen der arbeiders niet verhoogd. De toenemende bekeering van de Junta tot de economische inzichten hunner bour-geois-vrienden, bleek uit het feit dat Allan, Applegarth en GuiLE stil-aan elk leiderschap in vak-aangelegenheden prijs gaven. Reeds in 1865 zien wij het Hoofdbestuur der Amalgamated Engineers verklaren, dat het, hoewel sympathiseerende met vooruitstrevende bewegingen, zich niet bevoegd achtte deze te steunen, hetzij door
4gt;
â ') Met betrekking tot overwerk, deelt Mr. Burnett ons mede, dat
âhet onmogelijk bleek een onvervalschte negen-urigen arbeidsdag ten tijde der werkstaking van 1871 door te voeren; en dat zoo noodig nog zou worden overgewerkt, werd door de werkgevers als eerste voorwaarde der schikking krachtig gehandhaafd. ^
270
geldelijke bijdragen, of door den leden te adviseeren in eene bizon-dere heffing te bewilligen. ') De âachterlijkheid van het Hoofdbestuur der Machinebouwersquot; lokte voortdurend nijdige kritiek uit. BANTER, de voorzitter van het Hoofdbestuur, en de algemeene secretaris, wier inzichten bekrompener waren geworden âdoor den onafgebroken, jaren-langen dienst binnen zekere grenzenquot; werden als de voornaamste hinderpalen voor den vooruitgang genoemd. âSinds de amalgamatie tot stand werd gebracht, heeft de Veree-niging zelfs niet één maatschappelijk probleem opgelost; evenmin heeft zij nu eenig denkbeeld van toekomstigen vooruitgang. Haar geld is onvoordeelig en onoordeelkundig belegd â zooals een gierigaard het zou doen â terwijl hare beraadslagingen gekenmerkt worden door al de kille ongevoeligheid eener versleten missie.quot; 2) Ongeacht de officiëele afkeuring van het besturende lichaam, werd de vakbeweging ondernomen, die de grootste werd welke sinds 1852 had plaats gehad en die tot een welgeslaagd einde werd gebracht zonder dat vanwege het hoofdkwartier voor leiding of beheer werd gezorgd. Hoewel de werkstaking voor den negen-urigen arbeidsdag werkelijk op 1 April te Sunderland begon, werd er door het Londensche Hoofdbestuur niet vóór juli over gerept. Tegen het einde dier maand, toen te Newcastle reeds zeven weken gestaakt werd, werd eene circulaire verzonden, waarin de afdeelingen werden uitgenoodigd vrijwillige bijdragen in te zamelen ten behoeve hunner strijdende broeders. Eindelijk werd in September het conti gent fund (fonds voor onvoorziene uitgaven), waaruit de stakings-uitkeering verleend wordt, door eene stemming in de afdeelingèn opnieuw ingesteld ; en nadat de werkstaking reeds veertien weken geduurd had, werd eene stakings-uitkeering van vijf shilling, boven en behalve de gewone uitkeering bij werkeloosheid, aan de kleine minderheid der stakers, die tot de Vereeniging behoorde, uitgereikt. Op kosten der Vereeniging werd een afgevaardigde naar het Vasteland gezonden, om de pogingen der werkgevers tot het importeeren van buitenlandsche werklieden te verijdelen; maar behoudens deze uitzondering werden alle kosten van den strijd bestreden uit de bijdragen, ingezameld door den Nine Hours League. 3) En als wij ons voor een oogenblik van de Amalgamated Society of Engineers naar de andere groote vak- en uitkeerings-vereenigingen wenden, is het gemakkelijk in de notulen hunner Hoofdbesturen en de ver-
lt;5» ') Vergadering der Londensche modelmakers tot het verkrijgen van
loonsverhooging. Beehive van 21 October 1865. â¢
4gt; s) Ingezonden stuk van âAmalgamatorquot; in de Beehive van 19
Januari 1867. ^
4gt; 3) De massa der leden legde meer sympathie aan den dag dan het
Hoofdbestuur. Het organiseeren der inzamelingen werd grootendeels door de afdeelingen en besturen der Vereeniging bezorgd.
271
handelingen hunner afdeelingen dezelfde neiging werkzaam te zien. Of het de Steenhouwers zijn of de Kleermakers, de IJzergieters of de Timmerlieden â overal zien wij hetzelfde prijsgeven door het Hoofdbestuur van elk toonaangevend beginsel van vak-taktiek, dezelfde afwezigheid van initiatief in vakbewegingen en denzelfden min of meer volhardenden strijd tot het tegengaan van actief optreden der afdeelingen in vak-aangelegenheden. In de Amalgamated Society of Carpenters bijvoorbeeld, zien wij in die jaren geene enkele poging van uit het hoofdkwartier geschieden om de lage loonen in sommige districten tot de hoogte der beter betaalde op te voeren, of tot het ter hand nemen der vraagstukken van het overwerk en den stuk-arbeid. Wij zien integendeel de afdeelingen zich tegenover het Hoofdbestuur verdedigen wegens hunne kleine uitbarstingen van activiteit, en, om van een onwilligen penningmeester de gelden voor stakingsuitkeering los te krijgen, pleiten dat zij door de meer aanvallende taktiek van den General Union (de concurreerende vereeniging van het oude type), of door niet-verantwoordelijke âstakings-comitésquot; van ongeorganiseerden, in de âvooruitstrevende bewegingquot; gesleept zijn geworden. 4*
De tijd en de ontwikkeling brachten inderdaad de gebreken der constitutie, waarmede NEWTON en ALLAN hunne geliefde amal-gamatie begiftigd hadden, en die door andere vakvereenigingen op zoo groote schaal was overgenomen, aan het licht. De moeilijkheden, voortvloeiende uit de poging om de arbeiders, werkende in de talrijke districts-afdeelingen, in ééne organisatie te vereenigen, vorderden voortdurend nadenken en attentie. De snelle veranderingen in de industrie, speciaal in verband met de toenemende aanwending van nieuwe machines, vorderden eene wei-overwogen meegaandheid, voorgeschreven door volledige kennis der feiten en breedheid van opvatting. Het voeren eener wei-beraden en toch vooruitstrevende vak-taktiek in al de honderden afdeelingen, zou op zichzelf de vaardigheid van eenen staf van experts, vrij van alle andere beslommeringen, gevorderd hebben. Al deze plichten rustten echter op één enkelen bezoldigden bestuurder1), die werkte onder toezicht van een uit arbeiders bestaand bestuur, dat 's avonds, na een dag van uitputtenden lichamelijken arbeid, bijeenkwam. égt; Het resultaat had voorzien kunnen worden. De snelle
lt;$gt; ') Een âassistent-secretarisquot; werd weldra aangesteld en later nóg een.
Maar deze assistenten werden, evenals de algemeene secretaris zelf, uit de reien der arbeiders gerecruteerd; en hoeveel ondervinding zij ook in vakaangelegenheden gehad mochten hebben, waren zij uit den aard der zaak minder geschikt voor den van hen gevorderden kantoor-arbeid. De groote vak- en uitkeerings-vereenigingen der Steenhouwers en IJzergieters hebben tot op dezen dag slechts één assistent-secretaris en hoegenaamd geen kantoorpersoneel. ^
272
groei der vereeniging bracht eene geweldige massa kleine aangelegenheden met zich. Het toestaan van elke uitkeering bij ongeval of invaliditeit, moest door het Hoofdbestuur geschieden. Elke week had dat college te beslissen over dozijnen afzonderlijke aanvragen om uitkeering uit het ondersteuningsfonds. Wanneer een der tienduizenden leden van zijne afdeeling niet kreeg wat hij verlangde, kwam hij in hooger beroep bij het Hoofdbestuur. Iedere maand moest een uitvoerig vak-rapport gepubliceerd worden. Elk kwartaal moesten de boeken der afdeelingen worden nagegaan, ontleed en belichaamd in eene doorwrochte opsomming, hetgeen op zich-zelfgeen geringe hoeveelheid arbeid en aandacht vorderde. De honderdtallen . afdeelings-secretarissen en -penningmeesters moesten voortdurend nagegaan, gecontroleerd en onafgebroken berispt worden wegens onwillekeurige of door slordigheid ontstane overtredingen der gecompliceerde reglementen, waarnaar de vereeniging bestuurd werd. Het Hoofdbestuur werd inderdaad volslagen in beslag genomen door louter administratief werk en besteedde een groot gedeelte van zijn tijd met het beschermen van de gelden der vereeniging tegen verkwisting, wanbeheer of verduistering. De hoeveelheid kantoor-arbeid werd spoedig enorm; en de geheele aandacht van den algemeenen secretaris was noodig, om de massa kleinigheden, waardoor hij met eiken post overstroomd werd, te doorworstelen. égt; Deze groote uitkeerings-zaken brachten hunne speciale
vooringenomenheid met zich mede. Allan werd hoe langer hoe meer verkleefd aan de geaccumuleerde kas, die zoowel de waarborg als het symbool van het succes zijner organisatie was. Niets was belangrijk genoeg om een aanval op dit heilige saldo te kunnen gedoogen. Het Hoofdbestuur der Machinebouwers legde inderdaad het wapen der werkstaking ter zijde. ,,Wij gelooven,quot; zeide allan voor de Enquête-Commissie van 1867, âdat alle werkstakingen eene volslagen geldverspilling zijn, niet alleen wat de arbeiders, doch ook wat de werkgevers betreft.quot; ') Met contingent Jund, waaruit alléén stakings-uitkeering kon gegeven worden, werd tusschen i860 en 1872 herhaaldelijk bij referendum afgeschaft, voor een korten tijd weder ingevoerd en dan weder afgeschaft. Vakvereenigings-mannen die zich de oude conflicten herinnerden, sloegen met verwondering en beduchtheid den geest gade, welke over de eens actieve organisatie gekomen was. Zelfs de ondervindingrijke Dunning, wiens gematigdheid, zooals wij hebben aangeduid, het eerste manifest geïnspireerd had, waarin de nieuwe geest doorschemert, werd tot afkeuring van Allans verslapping gebracht. âAls eene vakvereeniging,quot; schrijft hij in 1866, âis de eens zoo mach-
4 ègt; ') Vraag 827 in het rapport der Enquête-Commissie naar de vak-
vereenlgingen (26 Maart 1867). ^
18 - Sidney Webb. 273
tige Amalgamated Society of Engineers nu even weinig in staat eene werkstaking aan te gaan als de Hearts of Oak, de Foresters, of eenige andere uitgebreide uitkeerings-vereeniging.. . . Vroeger vereenigde zij beide functiën, maar nu bezit zij slechts ééne, die eener uitkeerings-vereeniging, waaraan eene uitkeering aan de werkelooze of reizende leden is toegevoegd .... Als vakvereeniging heeft de Amalgamated Engineers opgehouden te bestaan.quot; 1)
Het zou verkeerd zijn, te beweren dat de vadsigheid en laksheid der âgeamalgameerdequot; vereenigingen een noodzakelijk gevolg hunner geaccumuleerde kassen of uitkeerings-fondsen was. Uit de merkwaardige energie en het succes der United Society of Boilermakers and Iron-shipbuilders (Vereeniging van Ketelmakers en IJzeren-scheepsbouwers), die in 1832 gesticht werd en tusschen 1865 en 1875 snel in ledental en bezittingen toenam, blijkt dat uitgebreide uitkeeringsfondsen niet onbestaanbaar zijn met een krachtig-doorgezet optreden in vak-aangelegenheden. Uit zeer buitengewone succes is, gelooven wij, te danken aan het feit dat de Ketelmakers een toereikenden gesalarieerden staf tot het behartigen hunner vak-aangelegenheden aanstelde, üe districts-gedelegeerden, die tusschen 1873 en 1889 in elke belangrijke streek werden benoemd, hebben absoluut niets uitstaande met het beheer der uitkeeringsfondsen en wijdden zich uitsluitend aan de vakbelangen. In tegenstelling met de algemeene secretarissen der Machinebouwers, Timmerlieden, Steenhouwers of IJzergieters, die slechts over één bezoldigden assistent beschikten, heeft Mr. Robert Knight, de bekwame secretaris der Ketelmakers, een geoefend en bezoldigd personeel onder zijne bevelen gehad, en is dientengevolge niet alleen in staat geweest zoowel werkgevers als weerbarstige leden in toom te houden, doch ook de taktiek der vereeniging met succes te passen aan de veranderende toestanden der industrie. Om kort te gaan : het was niet de aanwezigheid van uitkeeringsfondsen, doch de afwezigheid van zulk eene klasse van beroeps-organisators, zooals die in de organisaties der Kolen mijnwerkers. Katoenbewerkers en Ketelmakers bestaat, welke den stilstand in het beheer der groote vak- en uitkeerings-vereenigingen veroorzaakte. 2)
Het rechtstreeksche resultaat dezer verloochening van het leiderschap in vak-aangelegenheden, was een volslagen stilstand van de neiging tot amalgamatie en in sommige gevallen zelfs het terugtrekken van reeds in de organisatie betrokken afdeelingen.
') Bookbinders' Trade Circular van Januari [886. lt;3gt;
'j In 1892 voorzagen de Amalgamated Engineers zich niet alleen van districts-gedelegeerden, als die van de Ketelmakers, doch ook van een bezoldigd hoofdbestuur. De Amalgamated Society of Carpenters heeft sinds dien districts-gedeleerden aangesteld en de overige nationale vereenigingen volgen langzamerhand dit voorbeeld. lt;Jgt;
274
De verschillende onafhankelijke vereenigingen, als bijvoorbeeld de Ketelmakers, Stoommachinemakers en de Coöperatieve Smeden, dachten er niet meer aan zich bij hunne grootere concurrente aan te sluiten. De Modelmakers, die reeds lang ontevreden waren geweest wegens de verwaarloozing hunner bizondere vakbelangen, stichtten in 1872 eene eigen organisatie, welke sinds dien met de Amalgamated geconcurreerd heeft in het tot-zich-trekken dezer buitengewoon bekwame klasse van machinebouwers. Allan was er trouwens volstrekt niet happig naar, zijne organisatie even groot te doen worden als de geheele machinebouw-industrie. Het over-heerschende denkbeeld van de eerste jaren der amalgamatie â de bescherming dergenen, die door geregeld leerlingschap een ârecht op het vakquot; hadden verworven â sloot vele inderdaad in de een of andere tak van het bediijf werkende mannen uit, onderwijl het uitkeeringsfonds-vooroordeel tegen onvoordeelige nieuwelingen er toe medewerkte het lidmaatschap te beperken tot die branches der machinebouw-industrie en tot die arbeiders van iedere branche, die een minimum-uurloon, voor elke plaats vastgesteld door het districts-comité, konden verdienen. 4gt;
égt; Dit exclusivisme leidde noodzakelijkerwijze tot de ont
wikkeling van andere vereenigingen, die de arbeiders, welke voor de grootere organisaties niet geschikt waren, aannamen. De kleine plaatselijke clubs van Machinewerkers en Metaalschavers te Manchester, hadden zich dientengevolge tusschen 1867 en 1872 tot nationale organisaties uitgebreid en begonnen de aandacht van de beter-betaalde machinebouwers, op wier hielen zij traden, te eischen. Nieuwe vereenigingen, als bijvoorbeeld de Seagoing Engineers {Zeevarende Machinebouwers), de National Society of Amalgamated Brassworkers (Nationale Gemengde Vereeniging van Koperwerkers), de Independent Order of Engineers and Maehinists (Onafhankelijke Orde van Machinebouwers en Machinisten) en de Amalgamated Society of Kitchen Range, Stove Grate, Gas Stoves, Hot Water, Art Metal and other Smiths and Eitters (Gemengde Vereeniging van Keukenfornuis-, Kachel-, Gaskachel-, Heet Water-, Kunst-metaal en andere Smeden en Fitters) werden in den loop van 1872 opgericht, als openlijk protest tegen den âaristocratischenquot; regel van het buitensluiten van alle arbeiders, die niet een hoog standaardloon ontvingen. De Associated Blacksmiths of Scotland (Vereenigde Grof-smeden van Schotland), die 111 1857 gesticht werd uit eene klasse van smeden, die destijds door de reglementen der Amalgamated niet erkend werden, begon nu gestadig in ledental toe te nemen. Eindelijk werd gedurende dit tiental jaren aan verschillende plaatselijke vereenigingen het voorrecht van amalgamatie ontzegd, op grond dat zij of branches van het vak omvatten die door dc reglementen niet werden erkend, óf dat dc gemiddelde leeftijd
275
hunner leden zóó hoog was, dat zij onvoordeelige leden moesten zijn van eene vereeniging, die eene hooge uitkeering bij invaliditeit gaf. Bij de neiging tot het scheppen eener âaristocratie van den arbeidquot; kwam dus de kieskeurigheid eener verzekerings-maatschappij.
Vele oorzaken werkten dus samen om het centrum van den vakvereenigings-invloed van Londen naar de provinciën te verplaatsen. De groote vak- en uitkeerings-vereenigingen der Machinebouwers, Timmerlieden en IJzergieters verloren die leiding in vak-aangelegenheden, welke de politieke activiteit der Junta hen bezorgd had. De Junta-zelf was bezig uiteen te vallen. ApplegarTH, in vele opzichten de leider der groep, legde in 1871 zijne secre-taris-functie neder en verliet de vakvereenigings-beweging. OdGER wijdde zich vanaf 1870 meer en meer aan de algemeene politiek. Allan, die lang aan eene ongeneeselijke kwaal geleden had, stierf in 1874. Onderwijl groeide het vakvereenigingswezen in de provincie zeer snel. De Amalgamated Society of Engineers, die zoo lang in getalsterkte bovenaan had gestaan, werd door de federaties van Kolenmijnwerkers en Katoenbewerkers overvleugeld. Zelfs in de Ijzer-bedrijven vond zij concurrenten in de snel-groeiende organisaties der Ketelmakers (IJzeren-scheepsbouwers), welker hoofdkwartier zich te Newcastle bevond, en de te Darlington gevestigde IJzerwer-kers, terwijl kleinere machinebouwers-vereenigingen in de noordelijke graafschappen in alle richtingen te voorschijn kwamen. De neiging om Londen te verlaten bleek verder uit het besluit der Amalga-mated Society of Carpenters in 1871, om haar hoofdbureau naar Manchester te verplaatsen, eene verandering die nog de nevenuitwerking had, Londen te berooven van de adviezen van Mr. J. D. Prior, de opvolger van Aitlegarth en een der bekwaamste leerlingen van de Junta. égt;
é- Maar hoewel Londen zijn vat op de vakvereenigings-
beweging verloor, was er geene andere stad die het leiderschap erfde. Het is waar. Manchester trok de hoofdkwartieren van vele nationale vereenigingen tot zich en bevatte in die jaren misschien de sterkste groep vakvereenigings-bestuurders. ') Maar er was niet zulk eene concentratie van alle werkelijke krachten, die vroeger
é é lt;3gt; ') Hier moet melding gemaakt worden van den Manchester and
District Association of Trade Union Officials (Bond van Vakvereenigings-bestuurders van Manchester en Omgeving), eene organisatie die ontstond uit eene gemengde commissie, gevormd in 1S76, om de stakende mijnwerkers van Zuid-Wales te steunen. De vele half ernstige, half gezellige bijeenkomsten van dit genootschap met zijn wijdschen titel, aan de ingewijden bekend als The Peculiar People iDe Zonderlinge Lui, dienden vele jaren lang als gelegenheden tot â¢belangrijke besprekingen tusschen de leiders der talrijke te Manchester gevestigde vereenigingen, over de vakvereenigings-taktiek. De vereeniging bestaat nog, en de beide schrijvers van dit werk hebben de eer tot hare vice-presidenten te behooren.
276
de Junta hadden gevormd. Hoewel Manchester de kern van een vakvereenigings-ministerie zou hebben kunnen leveren, bevond Alexander Macdonald zich te Glasgow of te Londen, Mr. Robert knight te Liverpool en later te Newcastle, John kane te Darlington, de agenten der mijnwerkers over het geheele land, terwijl Mr. Henry Broadiiurst (die in 1875 Mr. George Howell als secretaris van het Parlementair Comité opvolgde), Mr. John Burnett, de algemeene secretaris der Amalgamated Society oJ ILngineers en Mr. George Shipton, de secretaris van den London Trades Council, natuurlijk in de hoofdstad bleven. Het resultaat der verplaatsing uit Londen was dan ook niet dat elders een nieuw leiders-centrum der vakverecnigings-beweging gevestigd werd, doch het opkomen van een sectairen geest, de bevordering van sectaire belangen en het volgen eener sectaire taktiek van den kant dei-verschillende vakvereenigingen.
Wij hebben gepoogd den inwendigen groei der vakver-eenigingsbeweging tusschen 1867 en 1875 eenigszins uitvoerig te beschrijven, ten einde den lezer in staat te stellen de ontmoedigende in-een-storting, die in [878â79 plaats greep, en de daarop gevolgde verdeeling der vakvereenigingswereld in vijandige kampen, weder als Oude en Nieuwe Unionisten aangeduid, te begrijpen. Maar alle onbevredigende kenmerken van 1871â75 werden in die jaren bedolven onder een springtij van buitengewonen voorspoed in zaken en uitbreiding der vakvereenigingen. De reeks parlementaire overwinningen van 1871â75 brachten, zooals wij gezien hebben, onder de vakvereenigingsleiders een gevoel van triomfantelijke opgetogenheid teweeg. De vooruitgang dier jaren scheen het kleine groepje arbeiders, die den strijd om erkenning en vrijmaking geleid hadden, bijna ongeloofelijk. In 1867 werden de bestuurders der vereenigingen beschouwd als herberg-agitators, als âgewetenlooze lieden, een half-lui leven leidend, zich vetmestend van de contributiën hunner dupesquot; en door geweldpleging en moord een stelsel van terrorisme handhavend, niet alleen vernietigend voor de nijverheid der natie, maar ook voor de welvaart en de onafhankelijkheid van karakter der ongelukkige arbeiders, welke hunne slachtoffers waren. De georganiseerde werkman, die, naar werk zoekende, het land afliep, voorzien van zijn diploma, werd door den politie-agent en den politie-rechter beschouwd als iets dat het midden hield tusschen een misdadigen landlooper en een oproerkraaier. In 1875 zagen de bestuurders der groote vereenigingen zich gekozen in de plaatselijke schoolbesturen en zelfs in het Lagerhuis, door de regeering dringend uitgenoodigd zitting te nemen in enquête-commissies, terwijl in de corridors van het parlementsgebouw met aandacht naar hen geluisterd werd. En deze politieke resultaten waren slechts de teekenen van eene
n
iMf i
277
usflon
buitengewone uitbreiding der vakvereenigings-beweging zelf. âHet jaar dat pas achter ons ligt,quot; zegt het verslag van het Parlementair Comité in Januari 1874, âis, wat den snellen groei en de ontwikkeling van het vakvereenigingswezen aangaat, zonder voorbeeld. Dit schijnt in bijna alle vakken hetzelfde te zijn geweest; maar het is bizonder merkwaardig in die takken der nijverheid, welke tot-nog-toe slecht georganiseerd waren.quot; Juiste gegevens in cijfers zijn nu niet meer beschikbaar; maar het vakvereenigings-congres van 1872 maakte slechts aanspraak 375.000 georganiseerde arbeiders te vertegenwoordigen, terwijl op dat van 1874 gedelegeerden van bijna drie maal zooveel vereenigingen aanwezig waren, vertegenwoordigende een nominaal totaal van 1.191.922 leden.1) Plet is waarschijnlijk dat het getal vakvereenigingsmannen tusschen 1871 7en 185 meer dan verdubbeld werd. ê-
amp; Wij zien dezen vooruitgang weerkaatst in het streven der
werkgevers. Op het einde van 1873 zien wij de pas-gestichte National Federation of Associated Employers of Labour (Nationale Federatie van Vereenigde Werkgevers) verklaren, dat âde vrijwillige en op-zich-zelf staande pogingen van individueele werkgevers,quot; of zelfs van zich tot eéne enkele industrie of streek bepalende patroonsbonden, niets vermogen tegen ,,de buitengewone ontwikkeling, ver-strekkende doch openlijk-erkende bedoelingen en doorwrochte organisatie der vakvereenigingen.quot; âWeinigen beseffen,quot; vervolgt dit manifest, âden omvang, de hechtheid der organisatie, de ruime hulpbronnen en den groeten invloed der vakvereenigingen .... Zij beschikken over enorme kassen, die zij op ruime schaal aanwenden tot het bevorderen hunner doeleinden; en het gedeelte hunner verdiensten, dat de werklieden wijden aan den dienst hunner leiders, is schrikwekkend .... Zij hebben een goed-betaalden en talrijken staf van leiders, waarvan de meesten bedreven in het leiden van werkstakingen en velen bekwame organisators zijn, terwijl zij gezamenlijk eene afzonderlijke klasse vormen, een beroep, met belangen, onderscheiden van, doch niet noodwendig vijandig aan die der werklieden welke zij leiden, doch door hun raison d'ètre-zeXi vijandig aan die der werkgevers en de rest der gemeenschap .... Door de macht van hun geld, het indrukwekkend aanzien hunner organisatie en voor een deel ook door de misplaatste humanitaire neigingen van een zeker aantal literatoren van naam, hebben zij een groot leger van letterkundige krachten, dat hun in alle gevallen van geschil vaardig ten dienste staat. Zij hebben een eigen pers, als terrein voor deze verrichtingen. Hunne schrijvers hebben vrijen toegang tot
4» ') Verslag van het vakvereenigings-congres van 1874, te Sheffield.
Eene tabel, afgedrukt in het Aanhangsel van dit werk, geeft eene vergelijkende statistiek van het ledental der vakvereenigingen, voor zoover wij in staat waren die samen te stellen. lt;8»
278
i
H
sommige der voornaamste Londensche bladen. Dikwijls organiseeren zij openbare vergaderingen, waarin betaalde sprekers hunne denkbeelden op de werkende klassen enten en deze aansporen candidaten voor het parlement voorwaarden te stellen. Zij oefenen aldus een drang uit op de leden van het parlement en op degenen die naar deze eer dingen, buiten alle verhouding tot hunne werkelijke macht, en niet te gelooven, behalve door hen die de gelegenheid hadden zijne uitwerking waar te nemen. Zij hebben een permanent parlementair comité en een program; en actieve parlementsleden dienen hen ijverig. Zij hebben het aandachtige oor van het ministerie van den dag; en hunne mededeelingen worden met onmiddelijke en eerbiedige aandacht ontvangen. Zij hebben eene groote vertegenwoordiging hunner eigen lichamen in Londen, telkens als het parlement geacht kan worden de voorstellen, in welker indiening zij de hand hebben gehad, te behandelen. Aldus, onbelemmerd door geldelijke overwegingen en speciaal aangesteld voor dit eigenaardige werk, zonder andere daarmede strijdige bezigheden, gelijken zij op den staf van een goed-georganiseerd, wei-voorzien leger, dat over alles, waarin door schranderheid en doorzicht in een gegeven doel kan worden voorzien, beschikt.quot; ') Het is niet verwonderlijk dat het Parlementair Comité van het Vakvereenigings-Congres, samengesteld als het was uit den bedoelden âstaf van leiders,quot; deze onvrijwillige hulde aan zijne bekwaamheid liet overdrukken en in ruime mate onder de vakvereenigingsleden verspreiden. 4-Het is thans mogelijk den toestand van 1873â75 juister naar waarde te schatten, dan de opgetogen vakvereenigingsmannen of de verontruste werkgevers het konden. In de eerste plaats was de numerieke uitbreiding dier jaren, zooals de lezer der voorafgaande hoofdstukken weet, niet zonder voorbeeld. De uitbarsting van trade unionisme tusschen 1830 en 1834 was, voor zoo ver wij het kunnen schatten, bepaald grooter dan die tusschen 1871 en 1875, terwijl zij zich bovendien veel sneller ontwikkelde. Er zijn in de vakvereenigings-geschiedenis van ons land feitelijk drie hooggetijden geweest; 1833â34, 1873â74 en 1889â90. Bij de
lt;$gt; ') Statement as to the Formation and Objects (Bericht nopens de
Oprichting en Doeleinden) van den National Federation of Associated Employers of Labour, van 11 December 1873, herdrukt door het Parlementair Comité van het Vakvereenigings-Congres. De Federatie telde onder hare leden een groot gedeelte der groote captains oj industry (groot-industriëelen) dier dagen, waaronder scheepsbouwmeesters als Laird en Harland amp; Wolf, textiel-fabrikanten als Crossley, Brinton, Marshall, Titus Salt, Akroyd en Brocklehurst; machinebouwers als Mawdsley, Son amp; Field, Combe, Barbour amp; Combe en Beyer amp; Peacock â ijzerfabrikanten als David Dale en John Menelaus â aannemers als Trollope van Londen en Neill van Manchester, en vertegenwoordigers der groote adelijke industriëelen als Sir James Ramsden, die voor den Hertog van Devonshire optrad, en Mr. Fisher Smith, de agent van den Graaf van Dudley.
279
â 'I
I
i
li iHlti
i
i
i
'iü lil
I
ill : ïÃ
i1 1!
1
: Ij
; »
'iirlf
f'
1
^â 1
ff ' r â
à ï';
li
liiÃ
afwezigheid van volledige en betrouwbare statistieken, is het moeilijk te zeggen, in welke dier tijden de toevloed van leden het grootst was. De vloedgolf van 1889â90 heeft thans, in 1894, haar kracht nog niet verloren en daarom zijn wij niet in staat haar belang voor de beweging te schatten. Maar het is gemakkelijk waar te nemen, dat de uitbreiding van 1873â74 door eigenaardigheden gekenmerkt werd, die eensdeels gelijk, anderdeels ongelijk waren aan die van haar voorgangster.
4 De merkwaardige uitbreiding van het vakvereenigings-
wezen in 1872, bereikte, evenals de uitbarsting van 1833â34» zelfs de landarbeiders. Gedurende de veertig jaren, sinds de deportatie der arbeiders van Dorchester verloopen, waren goede en kwade tijden over hunne hoofden gegaan, zonder eenige gemeenschappelijke poging tot verbetering van hun toestand ten gevolge te hebben. Op 7 Februari 1872 echter, kwamen de arbeiders van zekere parochiën in Warwickshire te Wellesbourne bijeen, om hunne grieven te bespreken. In eene tweede vergadering, die een week later plaats had, hield Mr. Joseph Arch, een arbeider van Barford, eene redevoering, die vrucht droeg. Op 11 Maart besloten twee honderd man het werk te staken, ten einde loonsverhooging te verkrijgen. In tegenstelling met de meeste stakingen, trok deze onverwijld de welwillende aandacht der pers. x) De openbaarheid bracht onmiddelijk geld en sympathie. Op 29 Maart had te Leamington de inwijdings-vergadering van den Warwickshire Agricultural Labourers'1 Union (Bond van Landbouw-arbeiders) plaats, onder voorzitterschap van het parlementslid the Hon. Auberon Herbert, bij welke gelegenheid een rijke vriend een gift van honderd pond sterling zond. Door de welsprekendheid, de opwekkende geestdrift en de onvermoeide energie van Mr. joseph Arch, verspreidde de beweging zich als een loopend vuur onder de landarbeiders der midden- en oostelijke graafschappen. De vereenigings-manie, die zich gedurende de nu volgende maanden aan de landelijke bevolking mededeelde, herinnert inderdaad aan den paddestoelen-groei van den Grand National Consolidated Trades Union van veertig jaren te voren. Binnen twee maanden kwamen gedele-
') De onmiddellijk aan de agitatie gegeven openbaarheid was in de eerste plaats te danken aan de sympathie van Mr. J. E. Matthew Vincent, de redacteur van de Leamington Chronicle, en in de tweede plaats aan het instinct van de Daily News, die zonder verwijl zijn oorlogs-correspondent, Mr. Archibald Forbes, naar Warwickshire zond en de beweging in eene reeks speciale artikelen âin de hoogte stak.quot; Een relaas uit die dagen van de vroegere loopbaan van joseph Arch, wordt door den Eerw. F. S. Attenborough in diens Life of Joseph Arch (Leamington 1872, 37 pag.) gegeven. Zie ook The Revolt of the Field, door A. W. Clavdkm (Londen 1874, 234 pag.); en Zur Geschichtc der Englischen Arbeiterbewegung im Jahre 1872, door Dr. Friederich Kleinwachter (-Jena 1875, 104' pag.). lt;$gt;
280
geerden van zes en twintig graafschappen bijeen, om de plaatselijke vereeniging in een National Agricultural Labourers' Union (Nationale Bond van Landbouw-arbeiders) te veranderen, die zich tegen het einde van het jaar op een ledental van bijna honderd duizend kon beroemen. ^
De georganiseerde vakvereenigingen verzamelden zich vaardig tot ondersteuning der arbeiders en droegen ten hunnen behoeve groote sommen bij. De boeren bestreden de eischen der arbeiders met eene uitgebreide uitsluiting der georganiseerde werklieden, hetgeen Trades Councils en op-zich-zelf staande vereenigingen
uit alle deelen des lands te hulp deed snellen. 2) Mr. George
amp;
amp; ') Andere vereenigingen van landarbeiders werden opgericht, die
weigerden in den National op te gaan; en de London Trades Council riep in Maart 1873 een congres bijeen, 0111 eenheid van optreden te bevorderen. Heel wat achterdocht werd ten opzichte eener centraliseerende taktiek aan den dag gelegd en eindelijk werd een Federal Union of Agricultural and General Labourers (Federatieve Bond van Landbouw- en Algenieene Arbeiders) door een half dozijn der kleinere vereenigingen opgericht met een ledental van 50.000.
Ue Birmingham Trades Council verspreidde bijvoorbeeld het volgende aanplakbiljet; lt;£gt;
GROOTE UITSLUITING VAN LANDBOUW-ARBEIDERS! lt;Ãgt; 4gt; EEN OPROEP. IS DE ARBEIDER ZIJN LOON WAARD? 4
^ Deze vraag wordt gesteld aan alle vrienden van vrijheid en vreedzamen
vooruitgang en het is aan hen, te zeggen of de vonk van leven en hoop, die ontstoken is in de harten onzer zwoegende broeders in de landbouw-districten, door den druk der huidige uitsluiting zal uitgedoofd worden. Het antwoord is NEEN! en de echo weerklinkt van tien duizend lippen. Maar laat ons practisch zijn; een weinig hulp is meer waard dan veel symphatie; wij moeten niet staan te beklagen, doch streven naar het zenden van ondersteuning. De zaak van den landarbeider is de onze; de belangen van den arbeid in al zijne vormen, zijn zeer nauw aan elkander verbonden en de eenvoudige vraag voor ieder onzer is: Hoeveel kan ik helpen en hoe spoedig kan ik het doen ? Als wij te lang blijven overdenken, kan het handelen te laat komen; deze mannen, onze broederen, nu diep in rampspoed, konden slachtoffers geworden zijn, toen onze krachtige pogingen hen gered konden hebben. Waar zulk een aantal tot onvrijwillig nietsdoen is gedoemd, moet de uitputting van de kassen hunner vereeniging aanzienlijk zijn, en dat alleen omdat zij vroegen dat hunne loonen, in deze tijden van duur voedsel, van 13 tot 14 shilling per week verhoogd zouden worden. Ongetwijfeld is er geld noodig, en het is daardoor alleen dat de overwinning kan worden behaald. Laat ons daarom hopen dat Birmingham nogmaals te hulp zal snellen, vast-besloten deze mannen te steunen in een welgeslaagden wederstand tegen de verdrukking, die het doel dezer uitsluiting is. lt;amp;
lt;$gt; âDe groote hoogepriester en bevrijder van dit volk roept thans onze
hulp in. Wij mogen hem niet ijdelijk laten roepen; zijne pogingen in het verleden zijn tè edel geweest, de zaak die hij bepleit is tè vol van rechtvaardigheid en wat op het spel staat tè groot, om in achteloos stilzwijgen voorbij te gaan. Laat ons allen onmiddelijk aan den arbeid tijgen. Wij kunnen allen een kleinigheid geven en ieder kan zijn buurman aanmoedigen zijn voorbeeld te volgen. De strijd kan ernstig worden. Het gaat om de vrijheid vereeniging, zooals wij gedaan hebben. Wij hebben eenige der voordeelen onzer vereeniging geoogst; wij moeten hen bijstaan de hunne te stichten en niet toestaan dat de straal
281
howell, toen secretaris van het Parlementair Comité, Mr. George SllIPTON, de secretaris van den pas-herleefden London Trades Council, en vele andere leiders besteedden hunne dagen en nachten aan het volmaken van de organisaties der landarbeiders. De geschoolde vakken leverden dan ook vele van de bestuurders der nieuwe vereenigingen. Mr. Joseph Arch vond in Henry Taylor, een timmerman, een bekwaam secretaris voor zijn hoofdkwartier, terwijl de landarbeiders van Kent de diensten van een letterzetter genoten. Deze hulp, gevoegd bij de gelden en begunstiging van invloedrijke philantropen, maakten de uitbarsting minder vluchtig dan die van 1833â34. In vele dorpen leidde het eenvoudige oprichten eener afdeeling tot onmiddelijke loonsverhooging. Maar evenals in 1833â34 verwekte de vermetelheid van den veldarbeider in het navolgen der combinaties van den stedelijken arbeider, eene bijna onbeschrijfelijke verbittering bij de landheeren en hun aanhang. De boeren âslachtofferden onbarmhartig,quot; waar zij het durfden doen, iederen man die zich bij de vereeniging aansloot. Onnoodig te zeggen, dat zij den welwillenden steun van de landelijke magistratuur ontvingen. Tot steun eener uitsluiting bij Chipping Norton, veroordeelden twee rechters, die toevallig geestelijken waren, zestien arbeiders-vrouwen, waarvan sommige met kinderen aan de borst, tot tuchthuisstraf, omdat zij zekere ongeorganiseerden âgeintimideerdquot; hadden. Eene poging om de leiders eener meeting te Farringdon te veroordeelen, op grond van âbelemmering van het verkeer,quot; werd slechts verijdeld doordat een beroemde advocaat van Londen werd gehaald, om de plaatselijke rechters te overbluffen. Tallooze uitingen van kleinzielige tyrannic en verdrukking bewezen hoe ver de grondbezitters op het stuk van vrijheid van combinatie bij de kapitalistische werkgevers ten achter waren
der hoop, die nu het pad onzer geduldige maar vastberaden mede-zwoegers beschijnt, verduisterd wordt door de blinde razernij hunner werkgevers, die, in zeker opzicht slaven der boven hen staande machten, als zij het konden, zelfs tot hun eigen nadeel, allen die onder hen staan tot eeuwigdurende knechtschap zouden veroordeelen. Dat mag niet zijn. Wij mogen niet toestaan dat deze mannen van hun recht tot vereeniging beroofd worden, of hun toekomst zal minder hoopvol zijn dan hun verleden. Laat in iedere fabriek en werkplaats iemand geld inzamelen van hen die bereid zijn te geven en aldus helpen de middelen te leveren tot het steunen dier mannen in hun verweer tegen de hen bedreigende machten. Laat ons hunne kwasi-onderdrukkers toonen, dat wij bijna geleerd hebben de noodzakelijkheid en de plicht van schouder aan schouder te staan, totdat al onze rechtvaardige pogingen door de overwinning bekroond zullen zijn.
^ Alle leden van den Birmingham Trades Council zijn gemachtigd te
collecteeren en bijdragen voor het fonds in ontvangst en zullen met genoegen
Namens den Birmingham Trades Council,
W. Gilliver, Secretaris.
hulp van anderen aanvaarden.
4
282
gebleven. De Staatskerk toonde zich al even weinig sympathiek. De eenige geestelijke die ter gelegenheid der groote meeting ten gunste der landarbeiders in Exeter Hall, gepresideerd door het parlementslid Samuel morley, op de tribune verscheen, was de aartsbisschop (later kardinaal) Manning. De geest waarin de plat-telands-geestelijkheid deze maatschappelijke verheffing opvatte, wordt inderdaad vrijwel weergegeven in de publieke uitlating van een geleerden bisschop. Op 2 September 1872 duidde Dr. EllICOTT, bisschop van Gloucester, sprekende op eene vergadering van de Gloucester Agricultural Society (Gloucestersche Landbouw-Vereeni-ging), veelbeteekenend het dorps-paardenwed aan, als eene geschikte bestemming voor de âagitatorsquot; of gedelegeerden, die door de vakvereeniging gezonden werden tot het stichten van nieuwe afdee-lingen. En de boeren, de landheeren cn de kerk werden door het leger gesteud. Toen de landarbeiders in Augustus 1872 ter verkrijging van loonsverhooging het werk staakten, stelden dc officieren in Oxfordshire en Berkshire de soldaten ter beschikking der boeren, met het doel den oogst binnen te krijgen en aldus de vereeniging den nederlaag te bezorgen. lt;2sgt;
De opstand van het dorp en de autocratische geest die er bij dc bezitters van grond en tienden door werd gewekt, hadden, naar het ons voorkomt, een ver-strekkend politiek resultaat. Om hunne uitwerking op de agitatie voor scheiding van kerk en staat en op het groeiende radicalisme der graafschappen, bekommeren wij ons niet. Vanaf deze maanden bespeuren wij echter in het vakvereenigings-program de verschijning der voorstellen nopens de hervorming van de wetten op het grondbezit en de rechterlijke bevoegdheid der magistraten, die op het eerste gezicht in geen verband staan met de grieven der arbeiders in de steden. Maar hoewel de landbouw-arbeider invloed uitoefende op de vakvereeni-gings-beweging, was het vakvereenigingswezen op dat oogenblik niet in staat veel voor hem te doen. Geldelijke en persoonlijke hulp werd hem door zijne broeder-unionisten gereedelijk verleend. Uit de notulen-boeken en balansen der groote vereenigingen en Trades Councils blijkt, hoe hartelijk en edelmoedig het antwoord was, dat de machinebouwers, timmerlieden, mijnwerkers en andere vak-organisaties op zijn oproep gaven. De London Trades Council slaagde er in, aan het leenen van troepen aan de boeren een einde te maken en verkreeg een nieuw reglement, waarin voor het vervolg het verleenen van dergelijke hulp âin gevallen waar werkstakingen of geschillen tusschen boeren en hunne arbeiders bestaanquot; uitdrukkelijk verboden werd. 1) De openbare afkeuring van het vonnis
lt;Ãgt; ') Queen's Regulations far the Army for 1873, artikel 180; de geheele
briefwisseling komt voor in het verslag van den Loudon Trades Council van Juni '73.
283
in de Chipping Norton-zaak, werd door de vakvereenigings-leiders gebruikt als een krachtig argument voor de herroeping van de wet tot wijziging der strafwet. 4
4 Maar dat alles baatte den landbouw-arbeider weinig. Het
koortsachtige geloof in combinatie als een heilmiddel voor alle maatschappelijke kwalen, nam geleidelijk af. Na hunne eerste verrassing, beantwoordden de boeren de eischen en het succes der arbeiders met een taaien wederstand en grepen elke gelegenheid aan om hun verloren terrein te herwinnen. In iederen winter werd de uitsluiting aangewend als een middel om zekere afdeelingen der vereeniging te vernietigen. En in dit vernielingswerk kwam hunne gemeenzame omgang met den arbeider hen te stade. Het was gemakkelijk in den ergdenkenden geest van den onontwik-kelden dorpeling een noodlottig wantrouwen te wekken nopens de ware bestemming der stuivers, welke hij naar de verwijderde centrale kas zond. Ook was de vereeniging niet volmaakt georganiseerd. Bij het vcrleenen van hulp aan bedreigde afdeelingen of geslachtofferde arbeiders, kwamen vaak moeilijkheden en vertraging voor. De donainé, de dokter en de dorps-kastelein waren altijd bij de hand, om argwaan jegens den âbetaalden agitatorquot; aan te moedigen. Binnen zeer weinige jaren hadden de meeste onafhankelijke ver-eenigingen opgehouden te bestaan, terwijl Arch's groote nationale vereeniging tot een paar duizend leden versmolten was, verspreid over de midden-graafschappen, in hetgeen eigenlijk dorps-ziekenen begrafenis-fondsen waren. 4gt; égt; In den plotselingen groei en snellen val van dien âopstand van den akkerquot; zien wij dan ook eene merkwaardige gelijkenis met den meteorischen loopbaan der algemeene vakbonden van 1833â34. Maar de vlucht der vakvereenigings-beweging in 1871â75 had nóg een punt van overeenkomst met vorige periodes van snellen groei. Evenals in 1833â34 en in 1852, worden ook in 1871â75 groote groepen vakvereenigingsmannen bevangen door het plan tot herneming van het bezit der productie-middelen. Weder zien wij vak-organisaties pogen eigen werkplaatsen op te richten. De schemas van productieve coöperatie van 1871â75 geleken meer op die van 1852, dan op het onrijpe communisme van O wen. In het vakvereenigingswezen van 1833â34 werd het grondbeginsel der vak-organisatie: het handhaven van den levensstandaard, door het Owensche denkbeeld van het drijven der geheele nijverheid des lands door nationale genootschappen van voortbrengers, die alle arbeiders zouden omvatten, overvleugeld en opgeslurpt. Maar in de practischer tijden van 1852 en 1871â75 bleef het plan tot âvoor zich-zelf werkenquot; 1) strikt ondergeschikt aan de hoofd-ver-
^ ') Zie Die Strikes, die Co-operation, die Industrial Partnerships, door
284
richtingen der organisatie. Aan welke visioenen op-zich-zelf staande philantropen zich ook mogen hebben vergaapt â de vakvereeni-gings-besturen van beide tijdperken behandelden de coöperatieve werkplaats, óf eenvoudig als een bruikbaar aanhangsel der vereeniging, óf als een middel om aan een zeker aantal der leden een kans op ontkoming aan de voorwaarden van den loonarbeid te bieden. ') Het fiasco van al deze pogingen behoort daarom ook meer tot dc geschiedenis der coöperatie dan tot die van het vak-vereenigingswezen. De latere betrekkingen tusschen deze beide bewegingen der arbeidersklasse, zullen wij in het volgende deel behandelen. Voor ons oogenblikkelijk doel is het voldoende, op te merken, dat het verlies van tienduizenden ponden sterling in deze proefnemingen, de bestuurders der oude, gevestigde vereenigingen eindelijk overtuigde dat het ondoenlijk was de vakvereenigings-
4 é-
Dr. Robert Jannasch (Berlijn 1868, 66 pag,). lt;$gt;
4)gt; ') Te midden der uitbarsting van gunstige gezindheid ten opzichte
van productieve coöperatie, is het moeilijk in alle gevallen onderscheid te maken tusschen het aanwenden van de gelden der vakvereenigingen als zoodanig en de inschrijvingen van leden persoonlijk, onder bescherming en somtijds door middel hunner vakvereeniging. In 1875 besteedde de Soiz/A Yorkshire Miners'' Association 30.000 pond uit zijne kas, voor den aankoop der Shirland-kolenmijn en bracht haar voor rekening der organisatie in exploitatie. Na korten tijd leidde echter het voortdurende verlies op de exploitatie tot den verkoop, waarmede al het in de zaak gestoken geld verloren ging. De mijnwerkers van Northumberland en Uurham stichtten in 1873 eene âCoöperatieve Mijn-maatschappijquot; ten doel hebbende den aankoop van eene kolenmijn, eene onderneming waarin de Bond aandeden nam, doch die spoedig met het verlies van het geheele kapitaal eindigde. Eenige der in 1871 ten gunste van den negen-urigen arbeidsdag stakende machinebouwers te Newcastle, werden door belangstellenden in staat gesteld de Ouseburn Machinefabriek te beginnen, die in 1876 tot een rampspoedig einde kwam. In 1875 begon de Leicester Hosiery Operatives' Union, die 2000 leden telde, voor eigen rekening te werken en kocht eene kleine fabriek. In het volgende jaar stemden de leden tegen zulk eene belegging der gelden en verkocht de vereeniging de zaak aan een groep personen, die haar onder den naam van Leicester Hosiery Society voortzetten. De onderneming werkt nog steeds met succes, hoewel nauwelijks een tiende gedeelte der aandeelhouders in de zaak werkzaam is. Tallooze kleinere proefnemingen werden in die jaren door groepen vakvereenigingsmannen, met meer of minder hulp hunner vereenigingen, op getouw gezet, doch de meesten hadden geen succes en werden spoedig verlaten. In enkele gevallen bestaan de gevestigde zaken nog, maar het verband met het vakvereenigingswezen heeft bij allen sinds lang opgehouden te bestaan. In de laatste jaren hebben enkele vereenigingen opnieuw pogingen gedaan. Verscheidene plaatselijke afdeelingen van den National Union 0/ Boot and Shoe Operatives (Nationale Bond van Laarzen- en Schoenmakers) bijvoorbeeld, hebben aandeelen genomen in de Leicestersche Coöperatieve Vereeniging tot het vervaardigen van laarzen en schoenen. De Londensche Schorsbereiders, de Pottenbakkers van Staffordshire, de Tinwerkers van Birmingham en enkele andere vereenigingen hebben eveneens aandeelen genomen in coöperatieve ondernemingen in hunne respectieve vakken. Volledige bizon-derheden komen voor in het veel-omvattende werk van Mr. Benjamin jüNES over Co-operative Production (London 1894j. lt;5gt;
285
organisatie en de vakvereenigings-gelden tot productieve coöperatie aan te wenden. Het drijven der industrie door genootschappen van voortbrengers, blijft nog het ideaal eener zekere school van coöperators en maakt zich van tijd tot tijd nóg meester van den geest van individueele vakvereenigingsmannen. Maar andere idealen van gemeenschappelijk bezit der productie-middelen hebben de plaats ingenomen van het Owenisme van 1833â34 en het âchristelijk socialismequot; van 1852. Van coöperatieve proefnemingen door vakvereenigingen als zoodanig, wordt thans feitelijk niets meer vernomen. ^ 4»
^ Over het geheel is het contrast tusschen de vlucht der
vakvereenigingen van 1873â74 en die van 1833â34 van meer beteekenis dan eenige overeenstemming die tusschen de beide tijdperken zou kunnen worden ontdekt. De vakvereenigingsmannen van 1833â34 bedoelden niets minder dan den kapitalistischen werkgever af te schaffen; en zij stuitten op diens absolute weigering om hunne organisatie te dulden, of zelfs maar te erkennen.
Het nieuwe kenmerk der uitbreiding van 1873^â74 was de gema-amp; amp;
O ') In één opzicht geleek de vlucht der vakvereenigingen van 1872â74
op die van 1833â34. Heide periodes werden gekenmerkt door eene poging om de vrouwen, loonarbcidsters, in de rijen der vakvereenigingen te trekken. Vluchtige vrouwenvakvereenigingen waren van tijd tot tijd opgericht geworden, om na een kortstondig bestaan weder ineen te storten. Het jaar 1872 zag de oprichting der oudste duurzame vrouwen-vakvereeniging: de F.duiburgh Upholsterers' Sewers' Society (Vereeniging van Stoffeerders-naaisters van Ãdinburg). Twee jaren later begon Mrs. Paterson, de eigenlijke pionier der moderne vrouwen-vakvereenigingen, haren arbeid op dit terrein en in 1875 weiden verscheidene kleine vereenigingen gesticht onder de Londensche Uoekbindsters, Stoffeerdsters, Hemden- en Boordenmaaksters en Costuumnaaisters, om in de volgende jaren door vele van Kleermaaksters, Waschmeisjes, enz. gevolgd te worden. Mrs. Emma Ann Paterson (geb. Smith), de dochter van een Lon-denschen schoolmeester, werd in 1848 geboren, werkte van 1867 tot 1S73 achtereenvolgens als assistent-secretaresse van den Working Men's Club and Institute Union (Bond van Werkliedenclubs en Instellingen) en den Woman's Suffrage Association (Bond voor Vrouwenkiesrecht 1 en trouwde in 1873 met Thomas Paterson, een meubelmaker. Bij een bezoek aan de Vereenigde Staten maakte zij kennis met den Female Umbrella Makers' Union of A'ew Vork (Nieuw Yorksche Parapluiemaaksters-Vereenigingi en streefde er bij haar terugkomst naar, het denkbeeld van vak-organisatie onder de arbeidsters van het zuiden van Engeland te verkondigen. Na eenige artikelen in de bladen geschreven te hebben, stichtte zij den Women's Protection and Provident League (Bond tot Bescherming en Hulp der Vrouw) â thans de Women's Trades Union League (Bond van Vrouwen-Vakvereenigingen' â⢠met het uitdrukkelijke doel het vak-vereenigingswezen te bevorderen. In hetzelfde jaar stichtte zij te Bristol den National Union of Working Women (Nationale Bond van Arbeidende Vrouwen'. Van 1875 tot 1886 woonde zij voortdurend de vakvereenigings-congressen bij en werd herhaaldelijk voor een zetel in het Parlementair Comité candidaat gesteld; op het congres te Huil vereenigde zij van de nietgekozenen de meeste stemmen op zich. Na haar dood in December 1886, verscheen in het Women's Union Journal een waardeerend artikel over haar leven en werken. lt;Sgt;
286
tigheid waarmede de arbeiders slechts eischten een deel te ontvangen van de enorme winsten dier goede tijden. Anderzijds hadden de werkgevers grootendeels hun bezwaar tegen de erkenning der vereenigingen laten varen en gaven zelfs, na herhaalde weigeringen, op het punt van regeling der nijverheid door Joint Boards oj Conciliation (Gemengde Verzoeningsraden), of door onpartijdige, buiten het vak gekozen scheidslieden, toe. Van 1867 tot 1875 werden tallooze Verzoenings- en Scheidsrechterlijke Raden gesticht, waarin vertegenwoordigers der patroons en vertegenwoordigers der vakvereenigingen elkander op gelijke voorwaarden ontmoetten. Het moet den arbeiders dier periode inderdaad moeilijk gevallen hebben, zich de botte koppigheid voor te stellen, waarmede de werkgevers tusschen 1850 en 1870 iedere soort van interventie in hetgeen zij als eene door en door particuliere aangelegenheid beschouwden, weerstaan hadden. Toen de Amalgamated Society of Engineers in 1851 het toen hangende geschil langs scheidsrechterlijken weg beslist wilde zien, namen de machinebouwers-patroons van het voorstel eenvoudig geen nota. De parlementaire enquête-commissies van 1856 en i860 vonden de arbeiders-getuigen sterk ten gunste van arbitrage, maar de werkgevers twijfelend aan hare mogelijkheid. Het instellen in i860 van Mr. Mundellas Hosiery Board (Raad voor de Gebreide-Goederen-Industrie) te Nottingham en van Sik rupert Kettles Gemengde Commissies in de bouwvakken te Wolverhampton in 1864, vermocht niet den werkgevers elders te bekeeren. Maar tot groote voldoening der vakvereenigingsleiders kwam er tusschen 1869 en 1875 eene geleidelijke kentering in de zienswijze der groot-industriëelen. âToen wij vijf en twintig jaar geleden,quot; zegt Alexander Macdonald in 1875, ,,de aanvaarding van het beginsel van arbritage voorstelden, werden wij door de werkgevende machten smadelijk uitgelachen. Maar nooit heeft eene beweging zich zoo snel verspreid, of dieper wortel geschoten, dan die, welke wij toen op getouw zetten. Ziet naar den heerlijken stand van zaken in Engeland en Wales. In Northumberland vergaderen de arbeiders thans met hunne werkgevers om de gemeenschappelijke
tafel..... In Durhamshire is ook een Raad van Verzoening en
Arbitrage gesticht; en 75.000 man berusten met volmaakt vertrouwen in de uitspraken van den Raad. In Yorkshire verkeeren 40.000 man in denzelfden toestand.quot; 1) 4gt;
^ Maar hoewel de in 1869 aangevangen instelling van
P
i
.M li I
pi
li
!r
Ã
gemeenschappelijke raden en gemeenschappelijke commissies een aanmerkelijken vooruitgang voor de vakvereenigingen beteekent en hunne volledige erkenning door de groote werkgevers kenmerkt, leverde zij toch resultaten op, waardoor hare voordeelen
1875. 287
') Keclevoering, aangehaald in Capital and Labour van 16 Juni
1
tiiU?
mawmmÃMs^BÃiiiÃÃÃÃllÃÃÃiM
MEMaaM; 5 mtimm
grootendeels werden geneutraliseerd. ') Evenals het geval was bij de politieke overwinningen, kregen de arbeiders hun zin, ten koste van het overnemen der intellectueele stelling hunner tegenstanders. Toen de vertegenwoordigers der werkgevers en de gedelegeerden der arbeiders met elkander begonnen te vergaderen, ter bespreking van het toekomstige loontarief, zien wij de kranige leiders van vele vakvereenigings-veldslagen geleidelijk en onmerkbaar de stelling der kapitalisten aanvaarden, dat de loonen noodzakelijkerwijze moeten rijzen en dalen met der kapitalisten winst en zelfs met elke verandering der marktprijzen.3) Te Darlington bijvoorbeeld, zien wij de schrandere leider der werkgevers, Mr. David Dale, er in slagen, JülIN KANE en een geheel volgend geslacht van ijzerwerkers geloof te doen slaan aan het beginsel van het regelen der loonen naar den marktprijs van het product. De hooge prijzen van 1870â73 ruimden de laatste bezwaren der werklieden tegen de nieuwe leer uit den weg. In 1874 besloot eene gedelegeerden-
4» ') Het klassieke werk over het geheele onderwerp is Mk. Herny
Cromptons Industrial Conciliation (London 1876). Het wordt in onderdeelen behandeld in de verschillende bijdragen van Mr. L. L. Price, bizonderlijk in zijn Industrial Pcacc (Londen 1887) en in de supelementaire opstellen, getiteld The. Relations between Industrial Conciliation ana Social Reform en The Position and Prospects of Industrial Conciliation, verschenen in het Statistical Society's fournal van Juni en September 1890 (deel LI1I, pag. 290 en 420). Als een Amerikaansch relaas kan dienen Mr. Joseph U. Weeks Report on the Practical Working of Arbitration and Conciliation in the Settlement of Differences between Employers and Employes in England (Harrisburg 1879) en zijn opstel over Labour Differences (New York 1886). De werking der arbritage wordt goed uiteengezet in Strikes and Arbitration, door Sir Rupert Kettle 1 Londen 1886); in Mr. Mundellas getuigenis voor de Commissie van Enquête naar de vak-vereenigingen in 1868; in zijne redevoering Arbitration as a Means of Preventing Strikes (Bradford 1868, 24 pag.); en in de lezing van Dr. R. Spence Watson, getiteld Hoards of Arbritation and Conciliation and Sliding Scales, gereporteerd in de liarnsley Chronicle van 20 Maart 1886. Een oud relaas van de te Nottingham opgedane ondervinding is vervat in het opstel van E. Renals, On Arbitration in the Hosiery Trades of the Midland Counties (Statistical Society's Journal van December 1867, deel XXX, pag. 548). Zie ook het door Dr. Brentano uitgegeven werk Arbeitseinstellungen tend Fortbildung des Ar beit-vertrages (Leipzig 1890) en Zum Socialen Frieden, door Dr. von Schulze Gaevernitz (Leipzig, 2 deelen, 18921. Het geheele onderwerp van het verband tusschen vakvereenigingen en werkgevers, zal in een volgend werk behandeld worden. ^
') Uit den loop der prijzen sinds 1870 blijkt hoe noodlottig de uitwerking van dit principe geweest zou zijn, als het algemeen aanvaard ware geworden. Het Index-nummer, samengesteld door den Economist, voorstellende de gemiddelde hoogte der marktprijzen, ongeacht den toestand van den handel of het bedrag der ondernemers-winst, viel tusschen 1S70 en 1894 van 2996 tot 2082. Elke juiste wisselwerking tusschen de loonen en den prijs van het product, zou de loonarbeiders als zoodanig uitsluiten van elk aandeel in de voordeelen van verbetering in de productie, vermindering der kosten van vervoer en daling van den rentevoet, die anders konden worden aangewend tot het bewerkstelligen van een vooruitgang in den levensstandaard der arbeiders. lt;$â¢
288
vergadering der mijnwerkers van Northumberland de officiëele uitdrükking van het Hoofdbestuur ') âdat de prijzen de loonen behooren te behcerschenquot; te gebruiken â een besluit dat door gedelegeerden-vergaderingen ia 1877 en 1878 uitdrukkelijk herhaald werd. In 1879, toen de prijzen omlaag getuimeld waren, zien wij het Hoofdbestuur nog volhouden dat âwij als vereeniging steeds voorop gesteld hebben, dat de loonen gebaseerd moeten zijn op den verkoopprijs van de steenkool.quot; 2) In een interessanten brief, gedateerd 1 Februari 1878, nemen de Heeren Rukt, Nixon en YOUNG (toen, als nu, de bezoldigde bestuurders der Mijnwerkers van Northumberland) de gelegenheid waar, om, bij het beschrijven der onderhandelingen nopens een sliding scale (met den verkoopprijs van het product rijzend en dalend loontarief, of glijdende loonschaal) aan te stippen, dat zij het met de werkgevers eens waren geweest, dat er geen minimum-loon behoort te zijn. 8) En hoewel de practische moeilijkheden, verbonden aan het instellen van zelf-werkende loonregelingen, de toepassing van âglijdende loonschalenquot; in andere industriën verhinderden, werd het beginsel door geheele afdeelingen vakvereenigingsmannen stilzwijgend aanvaard. De verplichte handhaving van den levensstandaard, zoowel in goede als in slechte tijden, werd aldus geleidelijk vervangen door het geloof in een loontarief, dat, naar gelang der handels-speculatiën van hen die de markt beheerschen, rijst en daalt. 4»
égt; De nieuwe leer werd niet zonder krachtige protesten
der meer nadenkende werklieden-leiders aanvaard. Lloyd JONES, schrijvende in 1874, waarschuwt âde arbeiders voor het gevaar, gelegen in een aangenomen en in toepassing gebracht, en dus waarschijnlijk door de vakvereenigingen goedgekeurd beginsel, dat de loonen geregeld zullen worden door de marktprijzen. Het is te bejammeren, dat deze lichamen het toestaan bij de arbitrage, het aanvaarden in onderhandelingen met hunne werkgevers en dus hunne hoogste sanctie hechten aan eene wijze van doen, die zeer nadeelig is voor de zaak van den arbeid.... Wat daarom het eerst door degenen, die vakvereenigingen besturen, moet worden vastgesteld, is een minimum-loon, dat zij moeten beschouwen als een punt waar beneden zij nooit zullen gaan .... Een minimum dat den werker voldoend voedsel en een zekere mate van persoonlijk
en huiselijk comfort zal verzekeren; niet een ellendig beetje, maar amp; amp;
lt;Sgt; ') Circulaire van het Hoofdbestuur van 12 October 1874. ^
lt;2gt; 2) Dito van 21 October 1879; zie, wat de werkelijk aangenomen
sliding scales betreft. Aanhangsel II. ^
lt;Sgt; s) Miners' Watchman ami Labour Sentinel (Wachter der Mijnwerkers
en Arbeiders-Schildwacht) van 9 Februari 1878 â een kwasi-officieel orgaan der mijnwerkers van het Noorden, dat van Januari tot Mei 1878 te Londen uitgegeven werd.
19 - Sidney Webb. 289
loonen waarvan men leven kan .... Door de op rijzende en dalende markten gebaseerde overeenkomsten, die zij tegenwoordig sluiten, wordt hun lot feitelijk in handen van anderen gesteld. Het is het werpen van het brood hunner kinderen in een concurreerend gegrabbel, waar alles beslist wordt door de blinde en zelfzuchtige worstelingen hunner werkgevers.quot; ') âIk ben het volmaakt eens,quot; schrijft Prof. Beesly, âmet een bewonderenswaardig artikel van Mr. Lloyd jones 2) in een der laatste nummers van de Beehive, waarin hij volhield, dat de mijnwerkers cr naar moeten streven een minimum-prijs voor hun arbeid in te voeren en de werkgevers te dwingen daarmede rekening te houden, als het écnige vaste en onveranderlijke element in al hunne speculatiën. Alle werklieden moeten hunne oogen op dit eind-ideaal gevestigd houden.quot; 3) 4gt; Dit standpunt werd trouwens niet alleen door de welge
zinde bondgenooten der vakvereenigings-beweging ingenomen. Wij zullen gelegenheid hebben op te merken, hoe krachtig zoowel de Katoenbewerkers als de Ketelmakers protesteerden tegen het afhankelijk stellen der loonen van het rijzen en dalen der markt. Alexander Macdonald zelf, hoewel de gemengde commissies goedkeurende, nam instinctmatig eene vijandige houding aan ten opzichte van de nieuwigheid van het principe van de glijdende loonschaal. l) En, zooals wij aanstonds zullen zien, verdeelde ten
4 4gt;
4gt; ') Should Wag es be Regulated hy Market Prices? door Lloyd Jones,
Beehive van 18 Juli 1874; zie ook zijn artikel in het nummer van 14 Maart 1874. mJ» 2) Lloyd Jones, een der bekwaamste en trouwste vrienden van het
vakvereenigingswezen, de zoon van een klein baasje in de bombazijn-fabricage, werd in 1811 te Bandon in Ierland geboren. Zelf oorspronkelijk een bombazijnwerker, werd Lloyd Jones, evenals zijn vader, een kleine patroon, maar verwisselde ten slotte dat beroep voor de journalistiek. Hij werd een geestdriftig voorstander van coöperatie en in 1850 hield hij met Thomas Hughes en E. Vansittart Neale een merkwaardigen propaganda-tocht door Lancashire. Eenige jaren later vinden wij hem in Londen, in nauwe aanraking met de vakvereenigings-leiders, met wien hij zeer intiem bevriend was. Vanaf de oprichting van de Beehive, bleef hij gedurende achttien jaren een gefegeld medewerker aan dat blad; zijne artikelen onderscheidden zich in den regel door literaire vaardigheid, juiste kennis van industriëele feiten en schrandere inzichten. Van 1870 tot aan zijn dood, in 18S6, werd hij door de verschillende vakvereenigingen vaak verkozen, om hunne zaak voor de scheidsgerechten te bepleiten. J5ij de algemeene verkiezingen van 1885 was hij candidaat in het Durhamsche district Chester-le-Street, waar hij zoowel door de officiëelc liberalen als door de conservatieven bestreden en niet gekozen werd. Tezamen met Mr. J. M. Ludlow schreef hij The Progres of the Working Classes (Londen 1867) en gaf daarna uit The Life, Times, and Labours of Robert Owett, waaraan later een gedenkschrift van de hand van zijn zoon, Mr. W. C. Jones, is toegevoegd geworden. 4gt;
3j Beehive van 16 Mei 1874.
') Deze mededeeling danken wij aan persoonlijke vrienden en collegas van Macdonald, de Heeren Thomas Burt, M. P. en Ralph Young, die, zooals wij gezien hebben, op dit punt met hem verschilden, alsook op het stuk der
290
slotte het conflict tusschen Macdonalds zienswijze ten opzichte van loonen zoowel als van den arbeidsduur en het economische standpunt der leiders van Northumberland en Durham, de georganiseerde mijnwerkers in twee vijandige kampen. ^ De vakvereenigings-wereld van 1871â75 was daarom
ingewikkelder en bood meer moeilijke inwendige vraagstukken aan, dan zoowel de opgeschrikte werkgevers als de overwinnende vakver-eenigingsmannen zich verbeeldden. Niets dan de druk van moeilijke tijden was noodig, om den vakvereenigingsmanncn-zelf te doen zien dat zij niet het door den National Federation of Associated Employers beschreven aan-een-gesloten en goed-georganiseerde leger waren, docli een hoop onsamenhangende afdeelingen, die een onderscheidene en somtijds elkander vijandige taktiek volgden.
Aan de uitbreiding van zaken, onder welker invloed het vakvereenigingswezen, zooals wij gezien hebben, in 1873â74 een zijner hooggetijden bereikte, kwam plotseling een einde. De vermindering werd het eerst merkbaar in de steenkool- en ijzer-industriën, waarin de voorspoed misschien het grootst was geweest. *) De eerste val had plaats in Februari 1874, toen de kolenmijnwerkers van Oostelijk Schotland zich neerlegden bij eene loonsvermindering van een shilling per dag. Gedurende de volgende maanden van dat jaar daalden zoowel prijzen als loonen in deze beide stapel-industriën. In Januari 1875 ontstond een woedend conflict in Zuid-Wales, waar vele duizenden kolemijn- en ijzerwerkers weigerden zich neer te leggen bij eene derde loonsvermindering van tien percent. De strijd werd voortgesleept tot einde Mei, toen het werk hervat werd met eene vermindering, niet van tien, doch van twaalf en een half percent, met dien verstande bovendien, dat âveranderingen in den loonstandaard .... afhankelijk zullen zijn van een glijdende loonschaal, te regelen naar den verkoopprijs van de steenkool.quot; 3) In het volgende jaar deelde de malaise zich mede aan de textiel-industriën en deed zich langzamerhand in alle bedrijven door het geheele land gevoelen. De bouwvakken waren echter nog bloeiend en de Manchestersche Timmerlieden-vereeniging koos dat oogenblik voor eene aanvallende voorvvaartsche beweging. De rampspoedige werkstaking, die in den aanvang van 1877 volgde en het geheele
jaar voortduurde, eindigde met het te-niet-gaan van den General amp; amp;
aanverwante kwestie van beperking van de^productie, waarvoor^macdonald gedurende zijne geheele loopbaan onafgebroken ijverde. Zie bijvoorbeeld zijn redevoering op het plaatselijk congres over de industriëele malaise, Bristol Mercury van 13 Februari 1878. ^
4 ') Een nuttig relaas van deze gebeurtenissen komt voor in ÃR.
Kleinwaechters brochure /.ttr Geschichte der Engtischen Arheiterbcwcgung in den Jahren iSjj und 1S74 (Jena iSyy, ijo pag.).
2) Beehive van 5 Juni 1875.
291
Union of Carpenters and Joiners, op dat oogenblik de derde in beteekenis onder de vereenigingen in de bouwvakken, en liet de Manchestersche bouw-arbeiders achter in een toestand van desorganisatie, waarvan zij zich zelfs op dit oogenblik nog niet hersteld hebben. In April 1877 eischten de scheepstimmerlieden aan de Clyde eene loonsverhooging, waarop door de werkgevers geantwoord werd met eene algemeene uitsluiting van alle werklieden op de scheepstimmerwerven, in de verwachting dat de scheepstimmerlieden onder dien druk hunnen eisch zouden intrekken. amp; Meer dan drie maanden lang stond de voornaamste industrie van de Clyde stil; het geschil werd ten slotte in September 1877 beëindigd, door het te onderwerpen aan de scheidsrechterlijke uitspraak van Lord Moncrieff, waarbij de arbeiders volslagen in het ongelijk werden gesteld. In Juli 1877 brak een conflict uit tusschen de steenhouwers en hunne patroons, bij welke gelegenheid de firma Ruil amp; Co., de aannemers van het nieuwe paleis van justitie te Londen, de hevigste verbittering gaande maakte, door Duitsche werklieden als onderkruipers te importeeren. De eisch was oorspronkelijk geweest: loonsverhooging en vermindering van arbeidsduur voor de Londensche werklieden; maar in den loop van den koppigen strijd werd het feitelijk een oorlog tusschen den Steenhouwersbond en de gefedereerde aannemers door het geheele land. Groote extra-contributiën werden geheven en meer dan tweeduizend pond sterling door andere vakvereenigingen bijeengebracht; maar na een strijd van acht maanden, werd in Maart 1878 door de nog overgebleven stakers het werk op de voorwaarden der patroons hervat. Ook de katoen-nijverheid werd het tooneel van een der grootste industriëele conflicten in de geschiedenis. Na verscheidene kleine loonsverminderingen in den loop van 1877, die plaatselijke werkstakingen tot gevolg hadden, werden, zooals de Times bericht, in Maart 1878 âoveral binnen een cirkel van 70 mijlen, waarin 250.000 katoenbewerkers arbeiden, kennisgevingen aangeplakt, waarin eene loonsvermindering van tien percent, in te treden na één maand, werd aangekondigd.quot; Eene kolossale werkstaking volgde, die de tegenover-gestelde theorieën der katoenbewerkers en hunne patroons op den voorgrond deed treden. Door de arbeiders werd toegegeven dat de fabrikanten geld verloren en dat de eene of andere wijziging moest worden aangebracht. Maar daar de werkgevers erkenden dat hunne verliezen voortvloeiden uit den overvoerden toestand van de markt, beweerden de werklieden dat het juiste middel was: het doen eindigen der overproductie; en daarom verklaarden zij zich bereid de vermindering van tien percent te aanvaarden, op voorwaarde dat de fabrieken slechts vier dagen per week zouden werken. Een opgewonden polemiek volgde, maar de fabrikanten volhardden bij hun eisch,
292
dat de arbeiders zich onvoorwaardelijk zouden overgeven en wezen alle voorstellen nopens arbitrage van de hand. üe zaak der arbeiders werd ongelukkiglijk benadeeld door ernstige opstootjes te Blackburn, waarbij het huis van Kolonel Raynsford Jackson, de leider der vereenigde werkgevers, werd geplunderd en verbrand. Na een strijd van tien weken, keerden de arbeiders op de voorwaarden der werkgevers tot den arbeid terug. ^
De groote worstelingen van 1875â78 waren slechts de voorloopers van eene algemeene nederlaag van het vakvereenigings-leger. De toenemende malaise bereikte gedurende 1878â79 haar hoogtepunt in een stilstand, die gerangschikt moet worden onder de allerergste, die de Britsche nijverheid ooit getroffen hebben. Bij de verlamming van handel en industrie kwam nog, speciaal in Schotland, de ontzaglijke ellende, veroorzaakt door het bankroet der Bank van de stad Glasgow. Van het eene deel des rijks tot het 4» 4
lt;5» ') Het standpunt der arbeiders wordt goed uiteengezet in het wevers
manifest van Juni 1878:
4Sgt; âMede-arbeiders, Sinds negen weken zijn wij betrokken geweest, en
zijn het nog, in den merkwaardigsten strijd tusschen Kapitaal en Arbeid in de wereldgeschiedenis. Honderd duizend fabrieksarbeiders voeren oorlog met hunne werkgevers over de best mogelijke manier om de verstopping der reeds overvoerde markt uit den weg te ruimen en tergelijkertijd de moeilijkheden, voortvloeiende uit een onvoldoenden aanvoer van ruwe katoen, te verminderen. Om in dezen stand van zaken verbetering te brengen, stellen de werkgevers eene loonsvermindering van tien percent onder den vóór vijf en twintig jaren overeengekomen loonstandaard voor. Anderzijds hebben wij volgehouden, dat eene verlaging van den loonstandaard het overvoeren der markt niet kan beletten, of ons de moeilijkheid, voortvloeiende uit den beperkten aanvoer van ruwe [grondstof, doen te boven komen. Dit is echter de theorie der werkgevers geweest, en gedurende den strijd hebben wij op verschillende tijdstippen de volgende voorstellen gedaan, als grondslag tot beëindiging van den aller-rampspoedigsten strijd;
â1. Eene loonsverlaging van tien percent, met vier dagen werken; of van vijf percent, met vijf dagen werken, totdat de overvoering der markt en de moeilijkheden, voortvloeiende uit de katoen-schaarste, verwijderd zouden zijn. lt;»gt; â2. De geheele kwestie van verkorten arbeidstijd of loonsverlaging,
of beide, te onderwerpen aan de scheidsrechterlijke uitspraak van een of meer onpartijdige heeren. 4^
lt;£' â3. De geheele kwestie te onderwerpen aan twee Manchestersche
kooplieden of agenten, twee met het Manchestersche bedrijf bekende exporteurs en twee bankiers, van elk één te kiezen door de werkgevers en de andere dooide werklieden, benevens twee patroons en twee arbeiders, met Lord Derby, den Bisschop van Manchester, of welke onafhankelijke heer ook, als voorzitter, zoo noodig met eene beslissende stem. lt;Jgt;
^ â4. Het tusschen ons bestaande verschil te deelen en het werk
onvoorwaardelijk te hervatten met eene loonsverlaging van vijf percent. lt;Jgt; lt;!gt; â5. Door den Burgemeester van Burnley; voor den tijd van drie
maanden het werk te hervatten met eene loonsverlaging van vijf percent, om zich daarna neer te leggen bij eene verlaging, als de zaken op dat oogenblik niet voldoende verbeterd zullen zijn. ' 4-
lt;$gt; â6. En eindelijk eene onvoorwaardelijke loonsverlaging van zeven
en een half percent.quot;
293
andere failleerden groote firma's, mijnen en ijzerfabrieken stonden stil, schepen lagen ledig in de havens en een algemeen gevoel van moedeloosheid en wantrouwen drong als eene epidemie in alle hoeken der industriëele wereld. Ieder bedrijf had massa's werkelooze arbeiders â de boeken der vakvereenigingen vertoonden vaak een werkeloozen-cijfer van vijf en twintig percent van het ledental. Zooals te verwachten was, kozen de kapitalisten dit oogenblik van beproeving, om de overige concessies, die hen in vroegere jaren afgedwongen waren, terug te nemen. ,,Het is den werkgevers voorgekomen,quot; zeide de vertrouwelijke circulaire, in December 1878 verzonden door de Iron Trade Employers' Association (Genootschap van Patroons in het Ijzer-bedrijf), âdat de tijd gekomen is, dat de overtollige loonen, die in improductief verbruik verkwist zijn geworden, ingekrompen, en de ijdele uren, die nutteloos zijn weggeworpen geworden, herwonnen moeten worden ten bate van nijverheid en winst, door opnieuw aangewend te worden tot hervoortbrengenden arbeid.quot; Het resultaat blijkt uit de vakvercenigings-verslagen. âOver het geheele Vereenigde Koninkrijk,quot; zegt het maand-verslag over Januari 1879, van de Amalgamated Carpenters, âkomen van den kant der werkgevers aankondigingen van loonsverminderingen en verlengingen van den arbeidsduur binnenstroomen, met eene snelheid en vermetelheid, die in vreemdsoortige tegenstelling zijn met de lessen van verdraagzaamheid en gematigdheid, welke men in betere tijden den Britschen werkman zoo onafgebroken in de ooren heeft gedreund.quot; âIn geen enkel tijdperk onzer geschiedenis,quot; bericht het Hoofdbestuur van de Amalgamated Society of Engineers, âhebben wij zulk een aantal industriëele woelingen door het geheele land gehad. Malaise heeft geheerscht; en onze werkgevers, thans beter georganiseerd dan ooit te voren, schijnen het er op aangelegd te hebben, zooveel mogelijk punten van geschil met ons op te werpen. In de eene plaats worden de loonen aanmerkelijk verlaagd, of tracht men het te doen, terwijl in andere gepoogd wordt het loon voor overwerk te verminderen, terwijl in vele gevallen de arbeidsduur werd aangevallen â in het Clyde-district met succes, ten gevolge waarvan door geheel Schotland drie uren aan de arbeidsweek zijn toegevoegd geworden.... Een ander merkwaardig kenmerk der malaise bestond in de voortdurende verdrukking der arbeiders door de werkgevers in de onderworpenste districten, waar men zich van verzoenende middelen bediende en waar men zich in geringe mate tegen nieuwe regelingen verzette. Het Clyde-district is een merkwaardig voorbeeld van dit feit geweest; daar liet men zich in de eerste plaats bijna lijdelijk twee loonsverminderingen welgevallen, om bijna onmiddelijk daarna het slachtoffer te worden van onsamenhangende aanvallen op het stuk van den arbeidsduur. Het schijnt bijna, dat de werkgevers aan een
294
stelsel van ongeorganiseerde aanvallen den voorkeur geven boven het ontwikkelen eeuer algemeene beweging hunner organisaties.quot; ') De jaren 1878â80 waren dien-ten-gevolge getuige eener groote toename van het aantal werkstakingen in bijna alle bedrijven, quot;) waarvan de meeste noodlottig voor de werklieden eindigden. In alle industriën hadden geweldige loonsverlagingen plaats. De mijnwerkers van Northumberland, wier normaal dagloon in Maart 1873 negen shilling en anderhalve stuiver geweest was, zagen dit in November 1878 teruggebracht tot op vier shilling en negen stuivers, en in Januari 1880 tot vier shilling en vier stuivers per dag. Schotsche arbeiders werden door eene nóg sterkere vermindering getroffen. Zoo vielen bijvoorbeeld de steenhouwers te Glasgow, die in 1877 negen en tien stuivers per uur verdiend hadden, tegen het einde van 1878 tot zes stuivers per uur terug en hadden zelfs tegen dien prijs moeite werk te vinden. Een nog gevaarlijker aanval had op het stuk van den arbeidsduur plaats. Aan alle zijden trachtten werkgevers den arbeidsdag te verlengen. De arbeiders aan de Clyde verloren de een-en-vijftig-urige arbeidsweek, die zij gewonnen hadden. De Iron Trades Employers' Association, welker circulaire wij aangehaald hebben, besloot een algemeenen aanval op den negen-urendag te doen. âEr is,quot; schrijft de secretaris, âdoor eene groote meerderheid van den Iron Trades Employers' Association besloten, en dit wordt bij algemeene overeenkomst tusschen andere werkgevers ondersteund, dat in hunne werkplaatsen zal worden aangekondigd, dat de werk-uren vermeerderd zullen worden tot het aantal, dat gold vóór het aanvaarden van de negen-uren-grens.quot; s) Het wel-overlegd optreden der verbonden werkgevers werd echter door de energie van Mr. John Burnett verijdeld. De circulaire werd hem voor een paar uur in handen gespeeld en hij liet ze onmiddelijk herdrukken in een uitstekend beredeneerd beroep op zijn eigen leden, dat in groote getale aan de pers gezonden werd. De publiciteit bleek noodlottig te zijn voor de 4gt; ^
') Amalgamated Society of Engineers Sr'c. Verkort verslag der Verhandelingen van het Hoofdbestuur, 1878â79, pag. 18.
lt;5gt; '') Zie The Strikes of the. Past Ten Years, door G. PHILLIPS Bevan
(Maart 1880, Stat. Soc. Journal, deel XLI1I, pag. 35â54). Wij hebben vastgesteld, dat de werkstakingen, genoemd in de Times tusschen 1876 en 1889, de volgende afwijkineen vertoonen:
| |||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4!gt; 3) Geheime circulaire van den Londenschen secretaris (Sidney Smith) Iron Trades Employers' Association. December 1878, overgedrukt in de circulaire der Amalgamated Society of Engineers van 3 Januari 1879 en in het rapport van het Hoofdbestuur over 1878â-79, pag. 31. |
295
plannen der werkgevers en er werd niet in gemeen overleg ot planmatig opgetreden. Evenwel werden door de meester-machine-bouwers in alle richtingen op zich-zelf staande pogingen aangewend om terug te keeren tot zeven of negen en vijftig uren per week; en slechts door zeer krachtig op te treden bleef de normale arbeidsweek van vier en vijftig uren behouden in de society shops. ') Andere vakvereenigingen slaagden er niet zoo in, om zelfs maar hun nominalen arbeidsduur te handhaven. In vele steden zagen de timmerlieden hunne arbeidsweek met twee of drie uren verlengd. a) Ernstiger was het feit, dat in talrijke ondergeschikte bedrijven het begrip zelfs van een definitief vastgestelden normalen arbeidsdag werkelijk verloren ging. Zelfs in goed-georganiseerde vakken als de machinebouwers, timmerlieden en steenhouwers, werd de normale arbeidsdag door de praktijk van stelselmatig overwerk, gevoegd bij het algemeen ingevoerde stukwerk, tot nul teruggebracht. 3) In de overvloedige vakvereenigings-verslagen dier jaren, nemen wij den voortgang en de gevolgen dier economische rampen waar. Het getal arbeiders dat uitkeering bij werkeloosheid geniet, stijgt gestadig, totdat de vereenigingen van IJzergieters en Ketelmakers, die in 1872â73 nauwelijks één percent werkeloozen telden, in 1879 meer dan twintig percent ten laste hunner kassen hadden. Gedurende de drie jaren 1878â80 besteedde de Amal-gaviatcd Society of Engineers alléén voor die uitkeering een bedrag van niet minder dan 287.596 pond sterling. In de twee jaren 1880â82 moest de Loodgieters-vereeniging bijna een derde zijner leden wegens wanbetaling royeeren. De IJzergieters-vereeniging, die in 1876 een kas had bijeengebracht van bijna 5 pond per lid, had op het einde van 1879 tot den laatsten stuiver uitgegeven en werd slechts voor werkelijk te-niet-gaan behoed, door de talrijke leeningen, haar door de meer welhebbende leden verstrekt. De Steenhouwers-vereeniging putte zich evenzoo uit en nam haar toe-
') Werkplaatsen waar uitsluitend georganiseerden werken of worden toegelaten; âbondsfabrieken.quot; Vert. lt;ugt;
lt;Sgt; s) Te Manchester, Bolton, Ramsbottom, Wrexham, Falmouth, Alders-
hot, enz. werd de arbeidsduur aldus verlengd.
3) Ten behoeve van den gewonen lezer kan het wenschelijk zijn te verklaren, dat de vereenigingen er in de meeste bedrijven in geslaagd zijn het principe van betaling van hooger loon voor overwerk door te voeren. In de meeste gevallen is dit echter beperkt tot arbeiders die op daggeld werken; geen extra-loon wordt gegeven aan den man die op stuk werkt. â Het is duidelijk, dat een werkman, die schijnbaar een negen-urigen arbeidsdag geniet, van. wien als regel gevorderd wordt over te werken en die dan voor dien arbeid slechts betaald wordt naar den normalen stukwerk-loonstandaard, hoegenaamd geen voordeel heeft van de nominale bepaling van zijn arbeidsduur. In 1878 en volgende jaren beteekende de nominale handhaving van den negen-urigen arbeidsdag voor duizenden mannen in de machine- en de bouwvakken niets meer dan dat. 4-
2 gó
vlucht tot hetzelfde middel, om niet in gebreke te blijven. De Schotsche vereenigingen hadden de crisis in nog ernstiger vorm te doorstaan. De volslagen krach die op het bankroet van de Bank der Stad Glasgow volgde, ruïneerde alle Schotsche vakver-eenigingen, op een half dozijn na â een slag, waarvan het vak-vereenigingswezen in Schotland zich zelfs nu nog niet hersteld heeft. 4 Met jaar 1879 was inderdaad even stellig een eb van de
vakvereenigingsbeweging, als 1873â74 een springvloed van voorspoed was geweest. De economische beproevingen, welke het vak-vereenigingswezen in 1879 doorleefde, kunnen slechts vergeleken worden met die, welke het in 1839â42 had doorgemaakt. Maaide krachtige groei, dien wij beschreven hebben, voorkwam eene zoo totale ineenstorting als die welke vroegere periodes gekenmerkt had. Het is waar, de malaise van 1879 deed vele honderden vakvereenigingen in het niet zinken. De vereenigingen van Landarbeiders, die met zulk eene paddestoelen-snelheid gewassen waren, stortten geheel en al ineen, of krompen tot onbeteekenende zieken-fondsjes. In alle deelen des lands gingen de honderdtallen kleine vereenigingen in diverse bedrijven, die gedurende de goede jaren gebloeid hadden, in den stroom van den tegenspoed verloren. Uitgebreide nationale organisaties krompen ineen tot vereenigingen van niet meer dan plaatselijken invloed, saamgetrokken in de centra hunner industriën. De groote National Uniogt;L of Miners, die, zooals wij gezien hebben, in 1862â63 gesticht werd, bleef na 1879 slechts in Northumberland, Durham en Yorkshire bestaan. Zijn jongere concurrent, de Amalgamated Association of Miners, die tot 1875 Zuid-Wales en de midden-graafschappen beheerscht had, viel uit elkander en verdween. De National Amalgamated Association of Ironworkers (Nationale Gemengde IJzerwerkersbond), eveneens in 1862 opgericht, die in 1873 circa 35.000 leden telde, verspreid over alle deelen des lands, was in 1879 teruggegaan tot 1400 leden, beperkt tot enkele centra in noordelijk Engeland. ') In sommige districten, als bijvoorbeeld Zuid-Wales, hield het vak-vereenigingswezen metterdaad op te bestaan.2) Het totaal-ledental
. I
lil
â ' 1 1 ::
41
5?
lt;)gt; ') Het laagste punt dat in de statistieken der jaarlijksche Vakver-
eenigings-Congressen bereikt werd, was in 1881, toen de gedelegeerden aanspraak maakten weinig meer dan een derde van het aantal van 1874 te vertegenwoordigen. Deze statistieken nopens het ledental zijn echter in vele opzichten misleidend. Het Congres van 1879 werd door een veel kleiner aantal gedelegeerden bijgewoond dan eenig Congres sinds 1872 en het aantal vertegemvoordigde vereenigingen was ook het kleinste sinds dat jaar.
amp; S1 âVier jaren geleden,quot; schrijft dc voorzitter der Bristolsche Kuipers-
vereeniging in 1887, âwaren meer dan 40.000 werklieden in deze valleien (Zuid-Wales) georganiseerd, en heden bestaat er in het geheele district geene enkele vereeniging meer.quot; (Voordracht op het Plaatselijk Congres nopens de Malaise, Bristol Mercury van 13 Februari 1878.) â
'm.'
297
der vakverecnigingsbeweging daalde waarschijnlijk tot het peil van 1871. Maar ondanks al deze inkrimpingen bleef de ruggegraat der beweging onaangetast. In de machine- en de bouwvakken behielden de groote vereeniging hun ledental, ofschoon zij van hunne reservefondsen ontbloot werden. Het waren trouwens niet alleen de vak-en uitkeerings-vereenigingen die den storm doorstonden. De uitsluitend vak-organisaties der katoenbewerkers en der mijnwerkers van Northumberland en Durham handhaafden hunne positie, met niet dan eene tijdelijke vermindering van ledental. De politieke organisatie der beweging bleef bovendien onaangetast. De plaatselijke Trades Councils gingen ongehinderd voort. Het jaarlijksche Vakvereenigings-Congres kwam geregeld bijeen en benoemde zijn permanent Parlementair Comité. Om kort te gaan: hoewel vele op zich zelf staande vereenigingen verdwenen en vele andere hunne saldo's verslonden en hun ledental verminderd zagen, bewezen de beproevingen van 1879, dat de vakvereenigings-beweging eindelijk alle gevaar van vernietiging of ineenstorting te boven en dat de vakvereenigings-organisatie een blijvend element in ons maatschappelijk samenstelsel geworden was. lt;£gt; Wij zien daarom dat de arbeid, door Allan en ArPLEGARTH
ten behoeve van de aaneensluiting der vakvereenigings-beweging verricht, niet vruchteloos was geweest. Maar met de toenemende consolidatie en klaarheid van doeleinden, was een toenemend verschil in taktiek en belangen gekomen. Elke vakvereeniging hield zich op haar eigen wijze met haar eigen industriëele vraagstukken bezig. Terwijl bijvoorbeeld de mijnwerkers en de katoenbewerkers hunne eigen ontwerpen van wettelijke regeling der arbeidsvoorwaarden bewerkten, volgden de machine- en de bouwvakken het wetgevend laisser faire hunner leiders. Onder den invloed der bekwame woordvoerders der noordelijke graafschappen aanvaardden de Kolen-mijn- en de IJzerwerkers het beginsel, dat de loonen naar de verkoopprijzen geregeld moeten worden ; terwijl de katoenbewerkers en tot op zekere hoogte de ketelmakers ^ op merkwaardige wijze het tegenover-gestelde standpunt innamen, dat het standaardloon een der eerste kosten der industrie behoorde te zijn. En terwijl de mijnwerkers en katoenbewerkers hunne organisaties in de eerste plaats als vereenigingen voor vak-doeleinden beschouwden, schoot bij de opvolgers van de Junta in de ijzer- en de bouwvakken het gevestigde geloof wortel, dat het werkelijk âwetenschappelijke vak.
^ lt;Sgt;
â ') Zie de bevelen van den Algemeenen Secretaris, maandverslag over
Maart 1862; jaarverslag over 1882 en 1888. Mr. Robert Knight was voortdurend gekant tegen âheftige loonschommelingen, op het eene oogenblik een hongerloon, op het andere buitensporig hoogen wij vernamen dat op het oogenblik (1894) onderhandelingen gevoerd worden over een bepaald normaal loon, met nauwe afwijkings-grenzen aan beide kanten. lt;3-
298
vereenigingswezenquot; bestond in uitgebreide uitkeerings-kassen en oordeelkundig belegde pensioen-fondsen. Zoo lang de nijverheid in bloei toenam en iedere taktiek met succes gevolgd werd, ontstond er geen vijandschap tusschen de verschillende groepen. De katoenbewerkers keurden van ganscher harte de negen-uren-bewe-ging der machinebouwers goed, terwijl deze op hun beurt de door de spinners van Lancashire gewenschte fabriekswet ondersteunden. De mijnwerkers juichten den dapperen strijd toe, door de katoenbewerkers gestreden tegen de loonverlagingen van 1877â79, terwijl de katoenbewerkers geen bezwaar hadden tegen het toestemmen der mijnwerkers in de afhankelijkheid der Iconen van de verkoopprijzen. En hoewel alle vakvereenigingen met respect de hooge contributies en geaccumuleerde kassen der Amalgamated Engineers beschouwden, hadden zij evenveel eerbied voor het succes waarmede de kolenmijnwerkers van Northumberland, gedurende eene halve generatie, in goede tijden en in kwade, eene sterke veree-niging met uitsluitend vak-doeleinden hadden staande gehouden. De uiteenloopende taktiek, die bestemd was om vanaf 1885 het slagveld te worden tusschen hetgeen het âoudequot; unionisme en het ânieuwequot; werd genoemd, stond dus aanvankelijk niet in den weg van hartelijke samenwerking in de gemeenschappelijke doeleinden der vakvereenigings-beweging. Het was in de donkere dagen na 1878â79, toen elke vereeniging tegenslagen ondervond, dat de inwendige ontevredenheid met de vakvereenigings-taktiek acuut werd en een nieuwe kritische geest ontstond. Niet vóór dat de zuivere vereeniging eenerzijds gebleken was onvast te zijn en anderzijds de vak-uitkeerings-vereeniging op het stuk van laksheid in vak-aangelegenheden veroordeeld was geworden ; niet vóór dat de kolenmijnwerkers van Lancashire en Yorkshire genoodzaakt waren geworden te protesteeren tegen de voortdurende, door de glijdende loonschalen veroorzaakte loonsverlagingen, en eenige leiders der katoenbewerkers van Lancashire aarzelden in hun bepleiten van den wettelijk geregelden arbeidsdag; ten slotte: niet vóór dat een sterke groep mijnwerkers zich verzette tegen elke verdere uitbreiding der wetten tot regeling van den arbeid in de mijnen en een deel der machinebouwers en bouw-arbeiders de wettelijke vaststelling van hun eigen arbeidsdag begonnen voor te staan â niet vóór dat alles zien wij de verklaring dat ,,de twee stelsels niet nevens elkander kunnen bestaan; zij zijn met elkander in tegenspraak en in tegenstelling.quot; 1) 4ïgt;
égt; In meer dan ééne richting deed de malaise daarom uiteen
loopende meenings-verschillen nopens vakvereenigings-taktiek op
^ 4
') Trade Unionism, New and Old, door Mr. George Howell, M. P. (Londen 1S91), png. 235. (sgt;
299
den voorgrond treden. Maar dc ongunstige iudustriëele omstandigheden brachten in zekere bedrijven een hatelijker kloof aan het licht. Als de iudustriëele processen zich ontwikkelen en veranderen met den vooruitgang der uitvindingen en het verwisselen van het eene materiaal voor het andere â bijvoorbeeld ijzer in plaats van hout bij den scheepsbouw â zien de bekwame beoefenaren van het eene vak zich ten opzichte van zeker werk verdrongen door die van een ander. Een modern Atlantisch stoomschip, feitelijk een weelderig ingericht, electrisch verlicht, drijvend hotel, gebouwd van gewalsde stalen platen, zal blijkbaar niet vallen binnen het arbeidsgebied van een scheepstimmerman als Peter de Groote. Maar de ouderwetsche scheepstimmerman weigerde natuurlijk zijn recht op het bouwen van schepen van allerlei aard zonder strijd prijs te geven. De malaise van 1879 werd in de scheepsbouw- en machine-bedrijven geducht gevoeld; ieder hunner had een groot deel zijner beoefenaren zonder werk. De vereenigingen vonden, zooals wij gezien hebben, de uitkeering bij werkeloosheid een ernstig gevaar voor hunne kassen en waren geneigd nauwkeuriger acht te slaan op gevallen van âinbreuk-makenquot; op den arbeid, die ieder voor zich beschouwde als het wettig terrein harer eigen leden. Geschillen tusschen vereeniging en vereeniging nopens de grens tusschen het vak van den een en dat van den ander, en over de verdeeling van het werk, komen in die jaren vaak voor; en bij het blijvende conflict met de werkgevers kwam de verbitterde onderlinge oorlog tusschen de arbeiders in ééne branche van het vak en die eener andere. De machinebouwers klaagden over het monopolie, dat de ketelmakers handhaafden ten opzichte van al het met hoek-ijzer in verband staande werk. De modelmakers protesteerden krachtig als de timmerlieden het waagden machinemodellen te maken. Te Glasgow maakten de kopergieters er bezwaar tegen, dat de ijzervormers voortgingen de groote koperen giet-stukken te vervaardigen, welke de koperwerkers aanvankelijk niet hadden kunnen uitvoeren. In den ijzeren-scheepsbouw was de grenslijn tusschen den arbeid van een scheepstimmerman en dien van een ketelmaker een bron van voortdurenden aanstoot. Het veronachtzamen der gewone vak-indeeling door de autoriteiten der rijks-werven, veroorzaakte groote ontevredenheid onder de machinebouwers, die scheepstimmerlieden monteurswerk zagen doen; en Mr. Broadhurst bracht de zaak in 1882 in het Lagerhuis ter sprake. 1) De geschillen bepaalden zich bovendien niet tot dc
4gt;
lt;ügt; ') House of Commons Journals, motie van 14 Maart 1882: âDat het
naar het oordeel van dit Huis schadelijk is voor den openbaren dienst, noodlottig voor de doeltreffendheid onzer oorlogschepen en onrechtvaardig ten opzichte der monteurs van Harer Majesteits werven, dat opzichters geplaatst worden boven werklieden, van wier vakken zij geene practische kennis bezitten, of dat
300
verbijsterende kwestie der grenslijn en tusschen zekere vakken. In 1877 beklaagde de pas-gestichte vereeniging van Platers' Helpers (Ketelmakers-assistentcn) zich op het Vakvereenigings-Congres bitter, dat de geheele macht der Ketelmakers-Vereeniging was aangewend geworden om hunne organisatie te vernietigen. Het dient toegelicht te worden, dat de Flaters' Helpers eene groote groep arbeiders op de scheepsbouw-werven vormen, die gewoonlijk niet in dienst zijn van en betaald door de eigenaren der werven, doch van en door leden der Ketelmakers-Vereeniging. In de bouwvakken kwamen tal van gevallen van wrijving voor tusschen metselaars en steenhouwers eener- en de opperlieden anderzijds. De invoering van het terra cotta leidde tot eene geheele reeks geschillen tusschen de metselaars en de stucadoors, over de kwestie tot welk vak het nieuwe werk eigenlijk behoorde. Geschillen van dien aard waren natuurlijk niet nieuw. Wat de zaak hare nieuwe belangrijkheid gaf, was de overheersching der groote vak-uitkeerings-vereenigingen in de geschoolde bedrijven. Het buiten werk geraken van op zich zelf staande leden werd in slechte tijden een ernstig financieel verlies voor de vereenigingen die uitkeering bij werkeloosheid gaven. In plaats van het geharrewar van op zich zelf staande arbeiders, hebben wij de botsingen tusschen machtige vereenigingen, die elk voor zich den eisch harer eigen leden, om het betwiste werk te verrichten, ondersteunen. âZoolang arbeiders niet in eene vakvereeniging georganiseerd zijn,quot; zegt de algemeene secretaris eener groote vereeniging, âwordt van die kleine dingen niet veel nota genomen, maar op het oogenblik dat de beide vakken goed georganiseerd zijn, behartigt elke vereeniging de belangen harer eigen leden .. . .quot; ^ £igt;
amp; In een volgend werk zullen wij trachten de geschiedenis,
het karakter en den omvang dezer geschillen tusschen concur-reerende branches van hetzelfde vak te ontleden. Hier behoeven wij niet meer te doen dan als hun resultaat te boekstaven de verzwakking van den band tusschen machtige deelen der vakver-eenigingswereld. De plaatselijke Trades Councils, die eene invloedrijke politieke stelling hadden kunnen innemen, werden voortdurend versnipperd door de geschillen tusschen concurreerende vakken. Zoo werd bijvoorbeeeld de machtige Shipping Trades Council te Liverpool, die eene belangrijke rol speelde in Mr. plimsolls agitatie ten gunste eener nieuwe wet op de koopvaardij, in 1880, door den twist over het scheepswerk tusschen de onderscheiden vereenigingen van Scheepstimmerlieden, Scheepsbeschieters en Huis-
werklieden werk te verrichten krijgen, waarvoor zij, hetzij door opleiding of ervaring, ongeschikt zijn.quot; lt;Sgt;
^ ') Getuigenis van Mr. Chandler, algemeen secretaris der Amalga
mated Society of Carpenters and Joiners. (Arbeids-Commissie, 1882, deel II, vraag 22.014. ^
301
timmerlieden, vernietigd. De notulen van iedere Trades Council, speciaal van die in havenplaatsen, verhalen van ontelbare goedbedoelde pogingen tot bijlegging van dergelijke geschillen, die bijna onveranderd eindigen met de afscheiding van de eene of andere der twistende vereenigingen. Deze geschillen beletten bovendien het tot-stand-komen eener doeltreffende algemeene federatie. In 1875 poogden de bestuurders der Machinebouwers-, Ketelmakers-, IJzergieters- en Stoommachinemakers-vereenigingen eene federatie te stichten, tot gemeenschappelijk verweer tegen aanvallen op het ncgen-uren-stelsel. Na weinige maanden leidden de geschillen tusschen de Machinebouwers en Ketelmakers eener- en tusschen de Machinebouwers en Stoommachinemakers anderzijds, tot het opgeven der poging.1) Eene soortgelijke beweging, in 1881 dooide Ketelmakers ingeleid, kreeg evenmin vasten voet. 3) amp; Breedere federaties hadden even weinig succes als die
welke zich tot de machine- en scheepsbouvvvakken bepaalden. Het Vakvereenigings-Congres sprak zich herhaaldelijk uit ten gunste van algemeene broederschap tusschen de verschillende vereeni-gingsmannen en het vormen van een federatief verband tusschen cle verschillende vereenigingen. Maar de ingeschapen verschillen tusschen vak en vak, de talrijke onderscheiden types waarin de vereenigingen verdeeld waren, het wijd-uiteenloopen der vakvereeni-gings-taktiek dat wij beschreven hebben en bovenal de concurrentie over leden en werk tusschen de verschillende vereenigingen in dezelfde industrie, maakten elke algemeene federatie onmogelijk. Na het Congres van Sheffield in 1874, zetten vertegenwoordigers der voornaamste vereenigingen in de ijzer- en de bouwbedrijven eene Federation of Organised Trade Societies (Federatie van Georganiseerde Vakvereenigingen) op getouw, waartoe alle vereenigingen werden uitgenoodigd, zich, tot onderlinge verdediging, aan te sluiten. Maar de Katoenspinners, met hunne voorkeur voor wettelijke regeling, weigerden iets te doen te hebben met eene federatie, die niets dan stakings-uitkeeringen beoogde. Het geheele schema was inderdaad meer een plan van zekere vakvereenigings-bestuurders, dan eene uiting van eenig algemeen gevoelen ten gunste van gemeenschappelijk optreden. Elk vak volgde, zooals wij gezegd
hebben, zijn eigen taktiek en hield zich bijna uitsluitend met zijn ^ amp;
amp; ') Verkort verslag der Amalgamated Engineers, 30 Juni 1876.
lt;sgt; ') In 1890 echter, slaagde Mr. Robert Knight, die aldoor het
krachtigst voor federatie gewerkt had, erin, eene Federation of the Eng ineering and Shipbuilding Trades of the United Kingdom (Federatie der Machine- en Scheepsbouw-bedrijven van het Vereenigde Koninkrijk) te stichten, waarvan de Anuilgainated Society of Engineers verre gebleven is. Men deelt ons mede, dat een groot deel van den arbeid van het Hoofdbestuur der Federatie bestaat in het beslissen van geschillen tusschen vereeniging en vereeniging, met betrekking tot de grenslijnen tusschen het werk der verschillende branches.
302
eigen belangen bezig. Onder zulke omstandigheden moest elke poging tot doeltreffende federatie noodwendig dood-geboren zijn geweest. Niettemin beval het Congres te Edinburg van 1879 eene hernieuwde poging; en het Parlementair Comité zond aan elke vereeniging in het koninkrijk zijn concept-reglement voor eene nieuwe Federation of Organised Trade Societies. Op deze uitnoodi-ging werden geen half dozijn antwoorden ontvangen. ') Op het Congres van 1882 werd de resolutie ten gunste eener algemeene federatie opnieuw voorgesteld, doch bekwam slechts weinig steun. De vertegenwoordigers der plaatselijke Trades Councils beweerden dat deze lichamen alles dat op het gebied van federatie practisch was, leverden. Mr. thomas ashton, de rondborstige vertegenwoordiger der katoenspinners, sprak nadrukkelijker. âSinds jaren,quot; zeide hij, âhebben het Parlementair Comité en anderen getracht eene organisatie, als die welke in de resolutie wordt genoemd, in het leven te roepen, doch men heeft het volslagen onmogelijk gevonden .... liet was onzin, zulk eene resolutie aan te nemen. Het was den vakvereenigingen des lands onmogelijk zich aaneen te sluiten; hunne belangen waren te uiteenloopend en zij waren te ijverzuchtig met betrekking tot hunne onderlinge geschillen.quot; 3) 4« Het voorafgaande onderzoek der inwendige betrekkingen van de vakvereenigingswereld tusschen 1875 en 1879, hoe onvolledig ook, toont aan in hoeverre de beweging gedurende deze jaren door een ietwat bekrompen âparticularismequot; beheerscht werd. Van 1880 tot 1885 waren de verschillende vereenigingen verdiept in den weder-opbouw van hun ledental en hunne kassen, die gedurende de aanhoudende malaise zoo ernstig geleden hadden. Het jaarlijksche Vakvereenigings-Congres, het Parlementair Comité en de politieke verrichtingen dier jaren, vormen feitelijk het eenige gemeenschappelijke verband tusschen de op zichzelf staande en vaak elkander vijandige groepen. In alle industriëele zaken was de vakvereenigings-wereld verdeeld in worstelende groepen, ontbloot van eenig gemeenschappelijk doel, elk hoofdzakelijk beziggehouden door hare afzonderlijke aangelegenheden en dikwijls in botsing komend met de taktiek of doeleinden van de overigen. De kloven van belang en opinie tusschen de arbeiders, bleken dieper en talrijker te zijn dan iemand vermoedde. In het volgende hoofdstuk zullen wij zien hoe eene onvolkomen waardeering van elkanders positie leidde tot het conflict tusschen de âOude Unionistenquot; en de âNieuwe,quot; dat gedurende eenige jaren dreigde de geheele arbeidersbeweging te doen uiteen spatten. ^
lt;3gt; ') Toen in 1890 bet plan van algemeene federatie weder herleefde,
werden de concept-reglementen van 1879 eenvoudig herdrukt. 4'
gt;3gt; Verslag van het Congres te Manchester, 1S82. ^
303
HOOFDSTUK Vil.
Hut oude Unionisme en het nieuwe
(1875â1889.)
^ Sinds 1875 heeft het Vakvereenigings-Congres het groote
publiek met steeds toenemende indrukwekkendheid voor oogen gestaan ais het vertegenwoordigende parlement der vakvereenigings-wereld. Aan den anderen kant is het voor den historicus gedurende de laatste twintig jaren gestadig in beteekenis afgenomen, als een leiddraad tot de ware factoren der vakverecnigings-beweging. Tusschen 1871 en 1875, de periode van den strijd voor volledige wettelijke erkenning, trok het Congres de krachten der verschillende groepen samen op het gemeenschappelijke doel, dat allen aanging. Nadat dit doel bereikt was, werd het tien jaren lang weinig meer dan eene jaarlijksche bijeenkomst van vakvereenigings-bestuurders, waarin deze met kalme eenstemmigheid hunne meeningen over arbeiders-wetgeving en arbeiders-politiek ten beste gaven. Vanaf 1885 zullen wij het Congres zijne plechtige kalmte zien verliezen en langzamerhand het slagveld zien worden van tegenstrijdige beginselen en wedijverende leiders. Maar gedurende zijne geheele loopbaan is het, om precies te zijn, minder de uiting geweest der ontwikkeling van het vakvereenigingswezen als zoodanig, dan wel van het sociale en politieke streven zijner leden. 4gt;
Zoo zal bijvoorbeeld de lezer van de verslagen der sinds 1875 gehouden congressen, er niet in slagen onze beschrijving van de eigenaardigheden der beweging dier jaren te herkennen. De meest kenmerkende eigenschap van de vakvereenigings-wereld tusschen 1875 en 1885 was, zooals wij gezien hebben, een buitengewoon en ingewikkeld sectairisme. Het zou daarom te verwachten zijn geweest, dat de jaarlijksche vergadering van afgevaardigden van verschillende vakvereenigingen, het tournooiveld zou worden voor al de geschilpunten en twistvragen van het vakvereenigingswezen, om niet te zeggen het slagveld van tegenstrijdige belangen. Maar hoewel het vakvereenigingscongres, als alle volksvergaderingen, zijne stormachtige tooneelen en heftige discussies had, deden deze
304
episoden zich van 1875 tot 1885 alleen voor bij persoonlijke geschillen, zooals het gedrag van individueele comité-leden, of de goede trouw van zekere gedelegeerden. Over alle kwestiën van taktiek of beginsel op de agenda's van het Congres, waren de afgevaardigden in den regel eenstemmig. Dit werd veroorzaakt doordat het Parlementair Comité alle vakvereenigings-problemen beslist van den door dat college samengestelden beschrijvingsbrief weerde. De betrekkelijke voordeelen van vakvereenigings-actie en wettelijke regeling, werden gedurende die jaren zelfs niet besproken. De afwisselende typen van uitkeerings-club en van vakvereeniging werden niet met elkander vergeleken. Van de moeilijkheden der grenslijn tusschen de verschillende branches in één vak, werd zelfs niet gerept. Geen melding werd gemaakt van glijdende loonschalen, loonraden, stukwerk-loonlijsten, of andere middelen tot voorkoming van geschillen. Het stukwerk-zelf werd, toen het in 1876 door een gedelegeerde ter sprake werd gebracht, als een gevaarlijk onderwerp ter zijde gelegd. De geschillen tusschen vereeniging en vereeniging werden door het Comité beschouwd als staande buiten den eigenlijken werkkring van het Congres. 1) Om kort te gaan, de lastige problemen der vakvereenigings-organisatie, de uiteenloopende inzichten nopens de vakvereenigings-taktiek, de invloed van verschillende loonstelsels op het vakvereenigingswezen â al de kritieke punten van den industriëelen strijd werden uitdrukkelijk van de agenda van het congres geweerd.
Er bestond eene historische reden voor de nauwe grenzen waarin de verrichtingen van het congres beperkt werden. In het leven geroepen tusschen 1868 en 1871, toen het alles-beheerschende onderwerp was: de betrekking van het vakvereenigingswezen tot de wet, was het karakter, dat er toen aan gegeven werd, nl. dat van een uitsluitend politiek lichaam, behouden gebleven. Vele jaren lang werd het congres hoofdzakelijk gebezigd om gewicht te geven aan de parlementaire actie van het permanente comité, welks invloed op de parlementsleden in rechtstreeksche verhouding stond tot de getallen die het heette te vertegenwoordigen. Openbaarheid en reclame, de hoofd-vereischten voor een wei-geslaagd congres, waren erger dan nutteloos zonder eenheid van opinie. Onder zulke omstandigheden was de besliste weigering der vakvereenigingsleiders, om inwendige vraagstukken in het openbare congres te behandelen, niet verwonderlijk. In hunne positie zou bijna iedereen geaarzeld hebben de wereld te laten zien dat de schijnbare solidariteit van
het vakvereenigingswezen nijdige twisten over technische kwesties ^
lt;ttgt; ') In 1878 bijvoorbeeld besloot het Parlementair Comité dat het
Congres niet behoorde tusschen beide te komen in het geschil der Engelsche en Schotsche Kleermakers-Vereenigingen, of tusschen de Ketelmakers en hunne assistenten.
20 - Sidney Webb. 30S
en diepgaande taktische verschilpunten bedekte. Zij maakten zichzelf gemakkelijk wijs, dat eene jaarlijksche bijeenkomst van elkander afwisselende gedelegeerden evenmin geschikt was tot het bespreken van technische kwesties, als om dienst te doen als een hof van appèl. Maar men had deze bezwaren te boven kunnen komen. De vijf-jaarlijksche gedelegeerden-vergadering van de Amalgamated Society of Engineers verzekert absoluut vrije discussies, door verslaggevers niet toe te laten; en de herhaalde nationale mijnwerkerscongressen bereiken hetzelfde doel, door zelf een overzicht der verhandelingen aan de pers te verstrekken. Het Mijnwerkers-Congres van 1863, dat wij reeds beschreven hebben, had bovendien doen blijken, met hoeveel succes een groot werklieden-congres zich tot het behandelen van bizondere aangelegenheden kan splitsen in kleine commissies van deskundigen, welker rapporten aan het geheele congres, in zijne openbare zittingen, worden voorgelegd. En de Londen Society 0/ Compositors, die feitelijk door groote vergaderingen geregeerd wordt, had het gedurende meer dan eene halve eeuw verstaan, nauwkeurig onderzoek van ingewikkelde kwesties te vereenigen met democratische beslissingen over taktische beginselen, door' het benoemen van speciale commissies, die op de eerstvolgende leden-vergadering rapport moesten uitbrengen. Uit het feit dat zulke middelen niet overwogen worden, blijkt, dat in die jaren de afkeer der meeste arbeiders van bemoeiingen van buiten en hunne geringe belangstelling in aangelegenheden, die geen verband hielden met hunne onmiddelijke vakbelangen, hunne leiders onwillig maakten hen werkelijke gelegenheden tot inderdaad democratische discussie toe te vertrouwen.
^ Wij zullen daarom niet pogen de vakvereenigings-beweging
weer te geven uit de verhandelingen barer jaarlijksche congressen. Met de volgende korte ontleding hunner programs en van hetgeen het Parlementair Comité tot stand bracht, wordt niet bedoeld de feiten nopens de vakvereenigings-organisatie over het geheele land, die wij reeds behandeld hebben, te doen blijken, maar de politieke en sociale idealen, die den geest der meer nadenkende en beter onderlegde arbeiders vervulden, benevens de snelle verandering dier idealen in den loop van het laatste tiental jaren. ^ amp; De mantel der Junta van 1867â71 was tegen 1875
lt;$⢠') Sinds 1871 heeft het Congres jaarlijks een Parlementair Comité
gekozen, bestaande uit tien leden en een secretaris. De leden van het Comité zijn altijd gekozen geworden uit de bestuurders der belangrijkste bonden, met eene sterke neiging om jaar op jaar dezelfden te herkiezen. Behalve door den dood, of door de benoeming van leden tot landsbetrekkingen, werd in de samenstelling van het Comité tusschen 1875 en 1889 feitelijk geene verandering gebracht. Mr. Henry Hroadhurst werd veertien jaren lang zonder tegen-candidaat als secretaris herkozen en stond den post in 18S6, toen liij onder-minister van binnenlandsche zaken geworden was, aan Mr. Shipïon af.
306
gevallen op eene groep knappe organisators, die gedurende vele jaren de eerste plaats in de vakvereenigings-wereld innamen. Tus-schen 1872 en 1875 werden Au.AN en applegarth vervangen door de Heeren Henry Broadiiurst, John Burnett, J. D. Prior en george ShiptON, die :illen nog leven. 1) Deze leiders hadden hunne wijze van optreden en taktiek ingericht naar die der bekwame mannen, welke hen waren voorgegaan. Zij waren het inderdaad, die, geholpen door Alexander Macdonald en Mr. Thomas Burt, het eind-resultaat van 1875 hadden weten te bereiken. Evenals allan, applegarth en Guile, behoorden zij tot de ijzer- of de bouwbedrijven en waren zij permanente bestuurders van vakver-eenigings-organisaties. Uit eene vergelijking der geheime notulen van het Parlementair Comité tusschen 1875 en 1885, met die van het Congres der Gemengde Vakken van 1867â71, blijkt hoe nauwkeurig de nieuwe âvoorste bankquot;3) de tradities der Junta voortzette. Wij zien dezelfde schrandere voorzichtigheid, hetzelfde practische opportunisme. Wij bemerken hetzelfde vlijtige bewerken der parlementsleden en dezelfde herhaalde deputaties naar ontwijkende ministers. Gedurende de eerste jaren ten minste, zien wij het Comité herhaaldelijk beraadslagen met dezelfde verknochte rechtsgeleerden en parlementaire vrienden. 3) Door de bekwame leiding
J) Odger stierf in 1877, Guile in 1883 en CüULSON (die vele jaren te voren afgetreden was) in 1893. 4
') De âvoorste bankquot; (frotit botch) is de zitplaats der ministers in het Lagerhuis, waar zich geen afzonderlijke tafel voor de ministers bevindt als in onze Tweede Kamer. Met de âvoorste bankquot; worden dus hier de leiders, de voornaamste bestuurders bedoeld. Vert. lt;Sgt;
3) Bij de raadgevingen van de Heeren Frederic Harrison, E. S. Beeslv, H. Crompton en A. J. Mundella, kwamen vanaf 1873 vaak die van Mr. (thans rechter) R. S. Wright, die onschatbare diensten bewees bij het opstellen van wetsontwerpen, enz. Mr. Crompton heeft ons het volgende verhaal gegeven van de latere scheiding tusschen de Positivisten en de vakvereenigingsleiders: 4Ãgt; âIn het jaar 1881 werd het verband tusschen het Parlementair Comité
en de Positivisten gewijzigd. Er bestond niet dezelfde behoefte aan hunne diensten als er geweest was. Na 1883, in welk jaar Mr. F. Harrison en Mr. H. Crompton op uitnoodiging het Congres bijwoonden, hield het verband geheel op te bestaan, hoewel er geen breuk in de vriendschappelijke betrekkingen was. Tot 1881 was tusschen hen volkomen overeenstemming geweest, zoowel wat taktiek als wat wijze van optreden betreft. De taktiek der Positivisten had bestaan in bet verkrijgen van volmaakte wettelijke onafhankelijkheid voor arbeiders en hunne wettige combinaties; hen meer geacht en meer bewust van hun eigen arbeid te maken; hen op te heffen tot een hooger zedelijk peil, opdat zij burgers zouden worden, gereed en verlangend alle burgerplichten te vervullen. Het aangewende middel bestond in het consolideeren en organiseeren van de macht der vakvereenigingen door de instellingen van het jaarlijksch Congres en zijn Parlementair Comité en die macht, naar gelang van omstandigheden, te gebruiken voor het algemeen welzijn zoowel als voor vakbelangen. Dat verder de maatregelen, aangenomen of voorgesteld door het Congres, in de afdeelingen ernstig behandeld en de gedelegeerden goed onderlegd nopens de hoofdkwestiën zouden worden. Om het kortelijk uit te drukken; organisatie van collectieven arbeid en
307
1
en onvermoeide activiteit van Mr. Broadhurst werd de politieke machinerie der vakvereenigings-bevveging in stand gehouden en hare doelmatigheid zelfs verbeterd. Indien de mannen van de âvoorste bankquot; er gedurende die jaren niet in slaagden de arbeiders-beweging even krachtig te leiden als hunne voorgangers gedaan hadden, lag de schuld niet aan de personen of in de machinerie, doch meer in het program dat zij op zich genomen hadden uit te voeren.
Dit program, dat bij de algemeene verkiezingen van 1874 aan alle candidaten voor het Lagerhuis werd voorgelegd, was, zooals Mr. Prior later verklaarde, gebaseerd op het beginsel âdat alle uitzonderingswetten nopens werklieden zouden afgeschaft worden en dat de arbeiders geplaatst zouden worden op precies denzelfden rechtsgrond als de overige klassen der gemeenschap.quot; ^ De voornaamste punten waren : herroeping der gehate wet van 1871 tot wijziging der strafwet, benevens de verdere wettelijke erkenning van het vakvereenigingswezen. De overweldigende triomfen van 1875 en het aanvaarden van de voorstellen der Junta door de conservatieve regeering, beroofden het program gedurende de volgende jaren van zijne gewichtigste punten. In deze afdeeling bleven nog eenige kleinere wijzigingen van wetten en rechtspleging over, die gedurende de eerstvolgende jaren de aandacht van het Comité bezig hielden en door zijne bemoeiingen geleidelijk ten uitvoer werden gelegd. 2)
politieke opvoeding van individueele arbeiders. â De voorwaarde voor deze doeltreffende kracht was, dat zij, aangewend wordende tot bevordering van politiek optreden, geheel vrij en onafhankelijk van politieke partijen zou worden gehouden. De scheiding kwam met het optreden van het ministerie-gladstone. De liberale regeering begon in Ierland eene dwangtaktiek. Combinaties moesten onderdrukt worden door precies hetzelfde mechanisme, dat men uitgevonden had tot onderdrukking van arbeiders-combinatie: door de wet op de samenzweringen. Het door liaron Bram well gevelde vonnis in de werkstaking dei-kleermakers, werd gebezigd om een wet in elkaar te smeden, tot veroordeeling van Mr. Parnell en zijne medestanders. Het gevolg was, dat de lersche rechters een rechtspraak nopens politieke combinaties in het leven riepen, die in Engeland bindend is en nog bestreden en afgeschaft moet worden. De Positivisten deden alles wat in hun vermogen was, om de arbeidende klassen tot begrip van het gevaarlijke dezer verrichtingen op te wekken en onverzettelijke!! wederstand te bieden aan de schorsing van de Habeus Corpus Act. iDe wet van 1679, bepalende dat niemand zonder voorafgaand gerechtelijk onderzoek in hechtenis mag genomen worden. Vert.) Het Parlementair Comité wilde er niet van weten. Ongetwijfeld geloofden zij dat de belangen hunner klanten het best gediend konden worden door een bekrompener politiek, door de hulp en de gunst der eminente regeerende staatslieden te zoeken. Inplaats van eene geconcentreerde, sterke macht, het midden tusschen de partijen en de sleutel van den toestand houdende en in staat voorwaarden te stellen, verkoos het 't staartstuk eener partij te worden. Ten slotte kreeg het niet veel, maar het Congres werd met succes door het ministerie-gladstone ingepalmd en gemuilband.quot;
') Verslag van het Vakvereenigings-Congres te Dublin, 18S0, png. 15. â¢O» De werking der wet op de vakvereenigingen van 1075 legde eenige
308
Maar écne groote ongelijkheid in rechtstoestand drukte nog op de werklieden als zoodanig. Volgens het Engelsche burgerlijk wetboek is men aansprakelijk voor de gevolgen, niet alleen van zijn eigen nalatigheid, doch ook van die van zijn dienstknecht, indien deze handelt binnen de perken van zijn werkkring. De eenige uitzondering hierop is, dat de patroon, hoewel ten opzichte van een vreemde aansprakelijk zijnde voor de nalatigheid van in zijn dienst staande personen, ten opzichte van zijn dienstknecht niet aansprakelijk is voor de nalatigheid van een mede-dienstknecht in denzelfden dienst. ]) Door deze juridische muggenzifterij, die slechts van 1837 dateert en die door herhaalde rechterlijke uitspraken op het burgerlijk wetboek geënt is, werd een arbeider, die letsel bekwam door de nalatigheid van een anderen persoon in denzelfden dienst, belet de schadevergoeding te vorderen, die een vreemde, wien hetzelfde ongeval getroffen had, kon eischen en erlangen. 2) Indien een spoortrein door de vergissing van een baanwachter verongelukte, konden alle gekwetste passagiers schadevergoeding erlangen van de spoorweg-maatschappij ; maar de machinist en de conducteur waren uitdrukkelijk uitgesloten van eenig verhaal op de maatschappij. Wat de arbeiders eischten, was: de afschaffing van het leerstuk van âgemeenschappelijken dienstquot; en het plaatsen van den werkman op precies hetzelfde standpunt ten opzichte van schadevergoeding als ieder ander. é-
amp; Onder den invloed van den Miners National Union cn de
Amalgamated Society of Railway Servants (Algemeene Vereeniging van Spoorweg-beambten) â gesticht in 1872 â werd deze zaak van den aanvang af op den voorgrond van het vakvereenigings-program geplaatst. Jaar op jaar werden door de vertegenwoordigers der vakvereenigingen in het Lagerhuis wetsontwerpen op de aansprakelijkheid van werkgevers (Employers' Liability Bills) ingediend, om slechts hardnekkigen tegenstand der kapitalisten van beide partijen te ontmoeten. Door de volharding van Mr. BroadiiursT
werd in 1880 van het ministerie-Gladstone eene gedeeltelijke her-
^
technische gebreken der wet bloot, die in 1876 door eene wijzigings-wet (39 en 40 Vic. c. 22) in het reine werden gebracht. Reglementen voor de ten-uit-voer-legging der wet op werkgevers en werklieden, werden in hetzelfde jaar door den Lord Kanselier vastgesteld. â
4 '1 Sinds de invoering der Employers' Liability Act van 1897 is aan
dien toestand een einde gekomen. Vert.
^ ') Deze verdediging van âgemeenschappelijken dienst,quot; die de arbei
ders in groote ondernemingen feitelijk beroofde van elke schadevergoeding in geval van ongevallen, veroorzaakt door nalatigheid in de fabriek, werd het eerst erkend in de zaak-Priestley v. Fowler, in 1837 (3 Meeson en Welby). Niet vóór 1868 werd de maatregel door het Hoogerhuis, als het laatste Hof van Appel, ook in Schotland toegepast. De groei van kolossale industricele ondernemingen, waarin, technisch gesproken, duizendtallen arbeiders âin gemeenschappelijken dienstquot; zijn, maakte de onbiüijk'ieid der wet nu en dan nog hatelijker.
309
vorming verkregen, ^ ondanks de woedende oppositie der groote werkgevers aan de rechter- en linkerzijde van het Huis. Voor de eerste maal werd de aansprakelijkheid van den werkgever tot verzekering zijner werklieden tegen de gevaren van zijn beroep, duidelijk door het Parlement erkend. In het jaarverslag van het Parlementair Comité over 1880 werd het voorgesteld alsof de voornaamste slag over deze aangelegenheid geleverd was en dat âde voltooiing van dit werk slechts aan tijd en gelegenheid overgelaten moesten worden.quot; Sinds dien is het bevorderen van eischen tot schadevergoeding wegens ongelukken eene der voornaamste bezigheden der vakvereenigingen geweest; en vele dier organisaties, als bijvoorbeeld de Metselaars en de Ketelmakers, hebben duizenden ponden sterling ten behoeve van gekwetste leden of hunne betrekkingen verkregen. quot;) Maar het leerstuk van âgemeenschappelijken dienst,quot; door deze wet gewijzigd, was geenszins afgeschaft. Bovendien was het den werkgevers geoorloofd, hunnen werklieden over te halen to contract out (zich te verbinden buiten) de bepalingen der wet. 3) Eene wet op de aansprakelijkheid der werkgevers, het
4 ^
') Wet 43 en 44 Vic. c. 52 (1880).
lt;$gt; quot;) Uit de jaarlijksche parlementaire verslagen blijkt, dat elk jaar
tusschen de drie en vier honderd gevallen voor den rechter komen, terwijl het werkelijk toegewezen bedrag tusschen 7000 en 8000 pond sterling beloopt. Maar een groot aantal gevallen wordt door schikking beëindigd, of wordt zonder prodecure afgedaan. Ondertusschen is het betrekkelijke aantal ongevallen verminderd. Terwijl in 1877 van elke 95 spoorweg-beambten 1 door een meer of minder ernstig ongeval getroffen werd, was in 1889 de verhouding slechts 1 op de 195. Terwijl tusschen 1873 en 1880 op elke 446 kolenmijnwerkers 1 per jaar het leven verloor, was de verhouding tusschen 1881 en 1S90 slechts 1 op de 519. lt;$gt; 3) Onder contracting out wordt verstaan eene overeenkomst tusschen
werkgever en werknemers, waarbij de laatsten de rechten, hen door de wet geschonken, prijsgeven, evenals hunne rechten onder het burgerlijk wetboek. De wet zwijgt op dit punt; maar tot de groote verwondering en ontzetting der vakvereenigingsleiders beslisten de rechters dat contracting out geoorloofd was (zie Griffiths v. Earl of Dudley, 9, Queen's Bench Division, 35). De gewone vorm van contracting out was het stichten van een arbeiders-verzekeringsfonds, waarvan de werklieden gedwongen waren lid te zijn en waaraan ook de werkgever bijdroeg. Onder de kolenmijnwerkers waren het die van Lancashire, Somerset en eenige mijnen in Wales, die in den regel in contracting out bewilligden. De geëmployeerden van de London amp; North Western, en de London amp; Brighton spoorweg-maatschappijen deden hetzelfde. In een of twee groote ondernemingen in andere industriën werd een zelfde weg gevolgd. Maar in verreweg de meeste gevallen namen de werkgevers niet hun toevlucht tot dit middel. Bizonderheden worden gegeven in Report and Evidence of the Select Committee on Employers' Liability, 1866; de uitgaven van de Staats-Commissie van Enquête naar den Arbeid, 1891â94; en Miners' Thrift and Employers' Liability, door G. L. Campbell (Wigan 1891). lt;0
lt;!gt; In 1893â94 werd opnieuw eene wetswijziging door het Lagerhuis
aangenomen, waarbij het leerstuk van âgemeenschappelijken dienstquot; werd prijsgegeven en dat den arbeider op het stuk van schadevergoeding op denzelfden rechtsgrond plaatste als ieder ander. Een artikel, dat elke overeenkomst, waarbij
310
laatste overblijfsel van de eischen der Junta, is daarom sinds 1872 voortdurend een punt op het vakvereenigings-program gebleven. 4
Uitgezonderd dit eene punt, was het parlementaire program der vakvereenigings-wereld het werk van de nieuwe âvoorste bank.quot; Merkwaardig ontbloot van belang en frischheid, is het van betee-kenis voor den historicus, omdat er uit blijkt, in hoeverre de nadenkende en supérieure arbeiders in dien tijd de kenmerkende denkbeelden der bourgeois-hervormers tot de hunne hadden gemaakt.
Het program van het Parlementair Comité tusschen 1875 en 1885, is in drie hoofd-rubrieken te verdeden. Eerst hebben wij eene groep maatregelen, waarvan het doel was: het democratiseeren der verkiezings-, administratieve en rechterlijke staats-machine. Een tweede stel hervormingen had tot doel, den buitengewoon spaar-zamen en buitengewoon vlijtigen werkman in staat te stellen, zich uit de klasse van loon-arbeiders omhoog te werken. Een derde groep voorstellen streefde naar de wettelijke regeling der arbeidsvoorwaarden in zekere industriën.
Volslagen politieke democratie was langer dan eene eeuw de geloofsbelijdenis van den supérieuren arbeider geweest. Het was daarom niet meer dan natuurlijk, dat zij op het Vakvereenigings-Congres op den voorgrond zou treden. Wat echter zonderling schijnt, is de vorm welke dit oude geloof in de handen der âvoorste bank aannam. De vakvereenigings-leiders van 1842 hadden de âzes puntenquot; van het Charter geestdriftig aanvaard. Zelfs de nuchtere Junta van 1867â71 had met Karl Marx zitting gehad in het comité der âInternationale,quot; in welker program algemeen kiesrecht slechts een voorloopig bagatel was. Aan de âvoorste bankquot; van 1875â85 verscheen de democratie hoofdzakelijk in den vorm van codificatie der strafwet, hervorming van het jury-stelsel, instelling van een hof van appèl voor strafzaken en regeling van de rechtspraak in kort geding door de politie-rechters â eene curieuse groep wettelijke hervormingen, die gemakkelijk teruggebracht kunnen worden tot het kleine troepje rechtsgeleerden, die de vakvereeni-gingen in het uur hunner beproeving hadden bijgestaan. ') Wij
een arbeider zijn recht prijs gaf, of contracted out, ongeldig verklaarde, werd door het Hoogerhuis verworpen, waarop het ontwerp prijsgegeven werd. lt;3gt; ^ 'J De rechtsgeleerde raadslieden der Junta begrepen dat de over
winning van 1875, hoewel zij eene uitdrukkelijke versterking van de positie der vakvereenigingen tot resultaat had, hoofdzakelijk eene moreele zegepraal was. Hoewel vakvereenigingen wettig verklaard werden, werd de wet op de samenzweringen slechts gedeeltelijk herzien, terwijl die op de politieke combinaties, onwettige bijeenkomsten, opruiing, enz. onaangeroerd bleef en onaangeroerd gebleven is. Bekwame rechtsgeleerden wisten op hoevele manieren vooringenomen rechtbanken op elk oogenblik de wet verdrukkend konden maken. De rechtsgeleerde vrienden van het vakvereenigingswezen wenschten daarom het tijdperk van politieke rust te benutten tot het vereenvoudigen der strafwet en tot het
311
wenschen de waarde dezer voorstellen, opgesteld in het belang van alle klassen der gemeenschap, niet te onderschatten; maar zij waren in geen enkel opzicht, en waren waarschijnlijk ook nooit als zoodanig bedoeld, eene democratiseering van ons rechtsstelsel. 1) Toen het Congres de kiesrecht-hervorming behandelde, kwam het niet verder dan de gelijkmaking van het kiesrecht voor de graafschappen en de steden â toen reeds een gemeenplaats van het klein-burger-lijk liberalisme. Degene die de arbeiders-beweging van het vaste land bestudeert, zal moeielijk kunnen gelooven, dat in het vertegenwoordigende Congres der Engelsche ambachtslieden, amendementen ten gunste van kiesrecht voor volwassen mannen, nog in 1882 en 1883 door groote meerderheden verworpen werden. 2) Zelfs bracht het Parlementair Comité het kiesrecht in de graafschappen niet op haar eigen program, vóór het bij de algemeene verkiezingen van 1880 de oorlogskreet der liberale partij was geworden. De vermeerdering van het aantal uren dat de stem-bureaux geopend zijn, vormt vanaf 1878 een onderwerp van bespreking, maar betaling der verkiezings-kosten door den staat8) komt niet vóór 1883 op de agenda, en bezoldiging der parlementsleden niet vóór 1884. ^ lt;amp; Weinig minder beteekenisvol waren de in die jaren bepleite maatregelen van sociale hervorming. De op den voorgrond tredende vakvereenigingsmannen waren, zooals wij reeds gelegenheid hadden aan te duiden, bekeerd geworden tot het economische individualisme, dat in dien tijd de liberale partij beheerschte. Een veelbeteekenend bewijs dezer onbewuste bekeering is te vinden in de eenstemmigheid waarmede een Vakvereenigings-Congres herhaaldelijk kon aandringen op âhervormingenquot; als: klein grondbezit, de aankoop van arbeiderswoningen door de bewoners, het stichten van zelf-regeerende lt;3. lt;$gt; verwijderen van zooveel verouderde zaken mogelijk. En hoewel staats-processen in Ierland in 1881 opnieuw begonnen, was de tusschenpoos wei-besteed geworden met het opruimen van de grofste euvelen. ^ amp; ') In de voorgestelde hervorming der jury-wetten bijvoorbeeld, waagde het Parlementair Comité het verscheidene jaren niet, uitdrukkelijk die bezoldiging van jury-leden te eischen, welke werklieden in staat zou stellen zitting te nemen, doch bepaalde zich ertoe, eene verlaging der bevoegdheid tot jury-lid voor te stellen. In 1876 bestreed Mr. John Burnett, een op den voorgrond tredend lid van het Comité, sterk de bezoldiging van jury-leden, op grond dat aldus eene klasse van beroeps-jury-leden geschapen zou kunnen worden. (Verslag van het Vakvereenigings-Congres, 1876, pag. 14). lt;amp;⢠amp; s) Zie bijvoorbeeld het verslag van het Congres van 1876, pag. 30; dat van het Congres van 1882, pag. 37; en dat van het Congres van 1883, pag. 41.
3) In Engeland moeten nog heden ten dage de candidaten de kosten der verkiezing betalen, d, w. z. de kosten van stembriefjes, stembureaux, kiezerslijsten, enz. Daar dit in den regel lederen candidaat op meer dan f 3000.â (vaak zeer veel meer) te staan komt, begrijpt men hoe moeilijk het vakver-eenigingen, onafhankelijke arbeiders-partijen, enz. valt, candidaten te stellen. O Vert. O
312
werkplaatsen, het ophoopen van patenten in handen van indivi-dueele arbeiders en andere veranderingen, die den wortel van het vakvereenigingswezen en van alle gemeenschappelijk bezit der productie-middelen aantastten. Want welk voordeel er ook gelegen moge zijn, van den landarbeider een miniatuur-grondbezitter te maken â het ligt voor de hand, dat onder zulk een stelsel geen landarbeidersbond kon bestaan. Hoe nuttig het ook moge zijn, den steedschen ambachtsman onafhankelijk van den huis-eigenaar te maken â het is afdoende bewezen, dat loonarbeiders-huiseigenaren die volmaakte verplaatsbaarheid verliezen, die hen in staat stelt door middel hunner vakvereeniging den slechten werkgever te boycotten, of streken, waar de loonstandaard laag is, te verlaten. En wij kunnen ons de verslagenheid voorstellen, waarmede de leiders der negen-uren-beweging ontdekt zouden hebben, dat een aanzienlijk deel van den machine-bouw van Newcastle verricht werd in werkplaatsen, het eigendom van ambachtslieden, wier belangen, als kapitalisten en houders van patenten, in botsing kwamen niet de gemeenschappelijke belangen van alle arbeiders. 4
In geen enkel opzicht treedt echter de bekeering der vakvereenigingsleiders tot het kleinburgerlijke standpunt helderder aan den dag, dan in hunne houding ten opzichte van het roepen der arbeiders in zekere bedrijven om wettelijke bescherming van hunnen levensstandaard. Sinds onheuchelijke tijden was de wensche-lijkheid der handhaving van den minimum-levensstandaard der arbeiders door de wet, een der voornaamste grondstellingen van het vakvereenigingswezen geweest, en het werd nog door twee belangrijke groepen der vakvereenigings-wereld, de Katoenbewerkers en de Kolenmijnwerkers, standvastig hoog gehouden. Maar zoowel het Parlementair Comité van 1875â85, als de liberale wetgevers, beschouwden eiken eisch tot vaststelling der arbeidsvoorwaarden door de wet, als eene hatelijke uitzondering, die slechts gerechtvaardigd kon worden door de bizondere hulpeloosheid of onmacht der aanvragers. Niettemin slaagden vele vakken er in, het Congres te bewegen de bizondere, door hen gewenschte sectaire wetgeving te ondersteunen. De Kleermakers eischten eenerzijds dat de fabrieks-wetten ook tot de thuiswerkers zouden uitgestrekt worden, en anderzijds schadeloosstelling uit de staatskas indien de inspecteur van den gezondheidsdienst zich met hen bemoeide. De Bakkers klaagden even volhardend over het gebrek aan openbare inspectie der bakkerijen, als over het ongemak door de bepalingen van de wetten tot tegengaan van overlast door rook teweeggebracht. De Londensche Koetsiers zochten den bijstand van het Congres, niet tegen hunne werkgevers, de rijtuig-verhuurders, maar tegen het publiek. De met het toezicht op machines en stoomketels belaste lieden, eischten dat het niemand geoorloofd zou zijn dat vak uit
313
mmmm
mm
-
te oefenen, zonder van de regeering een certificaat van bekwaamheid verkregen te hebben. Bij de afwezigheid van eenig bepaald of consequent denkbeeld van het gemeenschappelijk belang der klasse van loonarbeiders, of van vakvereenigingsmannen als zoodanig, werd ieder voorstel, dat elke groep voor zich-zelf vorderde, door het Congres met gelatenheid aangenomen en ter uitvoering gesteld in handen van het Parlementair Comité, hoe onbestaanbaar het ook geweest mocht zijn met de algemeene beginselen, die de geesten beheerschten. 1)
Het is niet moeilijk te begrijpen waarom de vakvereeni-gings-wereld er tusschen 1876 en 1885 met zulk een program niet in slaagde eenigen daadwerkelijken invloed op het Lagerhuis uit te oefenen. Enkele concessies aan de loonarbeiders werden wel-is-waar van de regeering verkregen. De wet op de aansprakelijkheid der werkgevers van 1880, waarvan wij reeds melding hebben gemaakt, vertegenwoordigde, ondanks al hare te-kort-komingen, eene nieuwe richting van beduidende belangrijkheid. Nuttige artikeltjes, waardoor de belangen der loonarbeiders beschermd werden, kwamen door de volharding van Mr. Broadiiurst in Mr. Chamberlains fail-lisement-wet en in diens wet op de naamlooze vennootschappen. a) Maar het bleef bewaard voor charles BradlauGH, die nooit een vakvereenigingsman geweest was, om de nuttige wet, waarbij het uitbetalen van het arbeidsloon in drankhuizen verboden werd, in te dienen, aan welke het Parlementair Comité (overwegende dat de wet ten behoeve der georganiseerde vakken onnoodig was) een matigen steun verleende. Ook was het bradlaugh, die m 1887 eene wijziging van de wet tegen de gedwongen winkelnering wist aangenomen te krijgen â een onderwerp dat het Parlementair Comité in 1877 van zijn program had afgevoerd, op grond dat het niet in staat
4gt; ') In verband hiermede mag genoemd worden de uitgebreide agitatie,
door Mr. Samuel Plimsoll op getouw gezet, ten gunste van verdere wetgeving ter voorkoming van verlies van levens op zee. Op het Vakvereenigings-Congres van 1873 deelde Mr. Plimsoll exemplaren van zijn boek Our Merchant Seamen uit, en verwierf gedurende de volgende drie jaren zoo goed als de geheele politieke macht der vakvereenigingen tot ondersteuning zijner Merchant Shipping Acts Amoidincnt Bill (ontwerp van wet tot wijziging der wetten op de koopvaardij). Het Plimsoll and Seamen's Fund Committee (Comité voor het Plimsoll- en Zeelieden-fonds), waarvan Mr. George Howell secretaris werd, ontving groote financiëele hulp van de vakvereenigingen; o. a. besloot de South Yorkshire Miners' Association tot eene extra-contributie van een shilling per lid en droeg meer dan 1000 pond sterling bij. Het Parlementair Comité gaf Mr. Plimsolls wetsontwerp een plaats op zijn program voor de algemeene verkiezingen van 1874, en deze steun der vakvereenigingen droeg veel bij tot Mr. Plimsolls succes in het aangenomen krijgen eener tijdelijke wet in 1875 en permanente wetgeving in 1876, in weerwil der gemeenschappelijke pogingen eener sterke conservatieve regeering en de reeders aan beide zijden van het Huis. ^ ') Congres-verslagen, 1882 en 1883.
314
was in de vakken waarvan het kennis droeg voldoende getuigenis ten gunste zijner noodwendigheid te vinden. ') Maar het niet-slagen van het Parlementair Comité om de regeering dier dagen te bewegen wetten te maken ten behoeve der loonarbeiders als zoodanig, was natuurlijk het meest blijkbaar in die groep hervormingen, waarin de wettelijke regeling der arbeidsvoorwaarden behandeld werd. Op de groote consolideerende fabriekswet van 1878, had het slechts vier kleine amendementen voor te stellen, waarvan slechts één aangenomen werd.2) Tiet âzweetstelselquot; (sweating system) van huisarbeid, waartegen de Kleermakers en Laarzenmakers krachtige maar, wij veroorlooven ons te meenen, kwalijk-overwogen wetgeving eischten, liet men toe zich uit te breiden, vrij van alle regeling. Ook stond men toe dat de bakkerijen feitelijk buiten inspectie kwamen te staan. Deputatie na deputatie maakte zijne opwachting bij den minister van binnenlandsche zaken, ten einde aan te dringen op eene vermeerdering van het aantal fabrieks-inspecteurs, om niet dan het schijnbaar onweerlegbare argument te vernemen dat het geld zou kosten, hetgeen de arme belasting-betalers slecht konden missen, totdat de schrandere en practische leiders der Katoenbewerkers van Lancashire, de eentonige regelmatigheid waarmede hunne resoluties ten gunste van uitgebreider fabrieks-inspectie en krachtiger regeling der arbeidsvoorwaarden van hun bedrijf door het Congres werden aangenomen en den geringen steun die deze goedkeuring hen verschafte, moede werden. In 1886 werd een Northern Counties Factory Act Reform Association (Bond van de Noordelijke Graafschappen tot Hervorming der Fabriekswet) gesticht, om het werk te doen dat het Vakvereenigings-Congres en zijn Parlementair Comité niet slaagden te verrichten. In deze groep van sociale hervormingen hebben wij feitelijk slechts ééne belang rijke verrichting van het Parlementair Comité te boekstaven. Jaren lang had het Congres krachtige resoluties ten gunste van het aanstellen van practische arbeiders als fabrieks-inspecteurs aangenomen. Groot was het gejuich, toen Mr. J. D. Prior, algemeen secretaris van de Amalgamated Society of Carpenters en lid van het Parlementair Comité, in 1882 tot den post van inspecteur benoemd werd. 8)
In zaken van meer algemeen belang hadden de vakver-eenigingsleiders niet meer succes, hoewel de poging tot hervorming der wet en hare toepassing enkele geringe verbeteringen ten gevolge had. Het eerste resultaat van de plannen tot wetsverandering, den
4*
amp; ') Verslag van het Parlementair Comité, 17 September 1877. â¢$gt;
'j Dat waarin de bepalingen nopens inspectie, enz. der wet op de maten en gewichten werden uitgebreid tot schalen en maten op fabrieken in gebruik. 4gt;
^ 3) De post werd eerst aan Mr. BroadhuRST aangeboden, die echter
verkoos zijn werkkring als secretaris van het Parlementair Comité te behouden.
315
Congressen van 1876â80 zoo dierbaar, was de wet op de griffie van 1877, die de politie-rechters de bevoegdheid gaf de gerechtskosten kwijt te schelden. Het aannemen van de wet op de rechtspleging in kort geding van 1879, die beklaagden het recht gaf te eischen voor eene jury terecht te staan, wanneer de straf drie maanden gevangenis te boven ging, werd, zegt Mr. Howell, âdoor de actie van het Congres wezenlijk bevorderd.quot; Maar het is niet noodig den lezer mede te deelen, dat de strafwet nooit gecodificeerd en het hof van appèl in strafzaken nooit ingesteld werd. Tot den hui-digen dag worden de juries nog steeds samengesteld uit de hoogste en midden-klassen. De lange agitatie voor de afschaffing der onbezoldigde magistraten, eindigde in een anti-climax. De liberale regeering van 1884 liet het stelsel onveranderd, doch plaatste in zekere steden in Lancashire vier vakvereenigings-leiders op de bank der magistratuur â een voorbeeld dat sinds dien door verschillende Lord Kanseliers gevolgd is geworden.
In ééne richting zag het Parlementair Comité zijne hoop ten volle vervuld. Het overnemen van de bizondere plannen van kiesrechthervorming, voorgestaan door de liberale partij, stelde het in staat doeltreffende hulp te verleenen bij het aannemen der wetten van 1885, die het graafschappelijke en stedelijke kiesrecht deden samensmelten, eene her-indeeling der districten bewerkstelligde en de vermeerdering van het aantal uren dat de stembureaux open zijn algemeen maakte. Maar het verlangen van achtereenvolgende Congressen naar doeltreffende arbeids-vertegenwoordiging wordt nog heden belemmerd door van de candidaten hooge ver-kiezingskosten te vorderen en door te weigeren voor diensten in het parlement en andere openbare lichamen bezoldiging toe te staan. Ten opzichte van het brandende grondvraagstuk, steunde het Parlementair Comité met gemoedelijk vuur Mr. Gladstones lersche politiek van het scheppen van klein-grondeigendom en onderschreef het geestdriftig de voorstellen van Mr. Chamberlain tot het bewerken van soortgelijke wetgeving voor Groot Brittanje. Dezelfde geest drong ongetwijfeld door in zijn steun der bepalingen van Mr. Chamberlains patentwet, bestemd om het arme uitvinders gemakkelijk te maken patenten te bekomen. Om den toestand te resumeeren, mogen wij zeggen, dat de resoluties van het Vakver-eenigings-Congres tusschen 1880 en 1884 nopens aangelegenheden van algemeene politiek, slechts in zooverre met succes onder de aandacht der wetgevende macht werden gebracht, als zij toevallig met de voorstellen der liberale partij overeenstemden. Behoudens de écne groote uitzondering der wet op de aansprakelijkheid van werkgevers, schijnt niets de volle energie der leiders werkelijk gaande te hebben gemaakt. De manifesten en gepubliceerde memorandums van het Parlementair Comité gedurende die jaren, verschillen in
316
toon noch in inhoud van de redevoeringen en artikelen, waarin Mr. Chamberlain en andere radicale kapitalisten een program van individualistisch radicalisme uiteen zetten. Het concept ,,Manifest aan de Arbeiders van het Vereenigde Koninkrijk,quot; dat het Parlementair Comitó, in afwachting der algemeene verkiezingen, onderwierp aan het oordeel van het Congres van 1885, ging zelfs lang niet zoo ver als Mr. Chamberlains âOngeautoriseerd Program.quot; Het voor de hand liggende antwoord op Sir William Harcourts financieel bezwaar tegen uitbreiding der fabrieks-inspectie, kwam noch bij het Parlementair Comité, noch bij het Congres op. Er is bij de vak-vereenigings-leiders geen spoor te ontdekken van eenige bewustheid van het bestaan eener zeer omvangrijke schatting, jaarlijks van de industriëele wereld geheven, onder de namen van pacht en rente. En zelfs Mr. Chamberlains bescheiden en als proef bedoelde voorstellen dier jaren, met betrekking tot het betalen van de eene of andere bijdrage bij wijze van âlosgeld,quot; door de ontvangers dezer schatting, vond geen weerklank in het ofticiëele program der vakvereenigings-wereld. Hoewel het Congres in 1883 zich verklaard had vóór het dragen der verkiezingskosten door den staat en in 1884 vóór bezoldiging der parlementsleden, plaatste ten slotte het Parlementair Comité deze punten niet op zijn concept en kon er, even als Mr. Gladstone, zelfs niet toe komen kosteloos onderwijs te vragen. Het Congres voegde de drie laatstgenoemde punten bij het concept. égt;
De vermenging van het politieke geloof der vakveree-nigingsleiders met dat der officiëele liberale partij, was volmaakt oprecht. In het vorige hoofdstuk hebben wij reeds beschreven, hoe de Junta onbewust was begonnen bekeerd te worden van het traditioneele standpunt van het vakvereenigingswezen tot het toen in den middenstand heerschende principe van administratief nihilisme. Het is voor ons onnoodig te beredeneeren, of dit begrip der functiën van wet en regeering al dan niet van een juisten blik op de maatschappelijke ontwikkeling getuigt. De bekwame en nauwgezette mannen, die de âvoorste bankquot; van het Vakveree-nigings-Congres van 1876â85 uitmaakten, waren zonder eenigerlei tegenover-gestelde politieke theorie opgegroeid en hadden bijgevolg het bezwaar tegen inmenging der wetgeving of bestuur van regee-ringswege tot een absoluut dogma verheven. 1) êgt;
4ègt;
amp; ') Het mag vermeld worden, dat het Vakvereenigings-Congres, dat
zich aanvankelijk gaarne door de vrienden van het vakvereenigingswezen uit de hoogere en middenstanden toegesproken zag, tusschen 1S81 en 1883 geleidelijk tot de vakvereenigingsmannen beperkt werd. Op het Congres te Nottingham van 1883 verzocht Mr. Frederic Harrison deel te mogen nemen aan de discussies over het grond-vraagstuk, doch dit werd niet toegestaan; en aan dien regel heeft men zich sinds dien streng gehouden.
317
4» Het laisser faire was dus het politieke en sociale geloof
der vakvereenigings-leiders van dien tijd. Tot 1885 vertegenwoordigden zij ongetwijfeld de gangbare meeningen van de massa der leden. Tien jaren geleden waren alle waarnemers het eens, dat de Britsche vakvereenigingen een ondoordringbaren muur tegen socialistische plannen zouden vormen. Heden zien wij de geheele vakvereenigings-wereld doortrokken van collectivistische denkbeelden en, zooals de Times boekstaaft, de socialistische partij den boventoon voeren in het Vakvereenigings-Congres. }) Deze revolutie der denkbeelden is de voornaamste gebeurtenis van het jongste tijdvak der vakvereenigings-geschiedenis; en wij stellen ons voor, eenigszins uitvoerig de omstandigheden te ontleden, welke onzes inziens hebben saamgewerkt om .haar te bewerkstelligen. Wij zullen het begin eener nieuwe intellectueele gisting in de vakvereenigings-wereld nagaan. Wij zullen waarnemen hoe dit bewerken der geesten door eene industriëele malaise van eene buitengewone soort verwekt werd. Wij zullen het tot gevolg zien hebben, het blootleggen van afschuwelijke bizonderheden van armoede en degeneratie, waarvoor toenemend maatschappelijk meegevoel gebiedend verbetering eischte. Wij zullen de herleving beschrijven van een revolutionnair utopisme, als het Owenisme van 1833â34. Wij zullen nagaan het geleidelijk ontwikkelen der onpractische elementen tot een ontnuchterd en ietwat bureaucratisch collectivisme; en eindelijk zullen wij de snelle verspreiding van dit nieuwe geloof door de geheele vakvereenigings-wereld waarnemen. 3) 4»
Indien wij den stoot tot den nieuwen gedachtengang aan de eene of andere gebeurtenis moesten toeschrijven, dan zouden
^ ') Hoofdartikel in de Times van 11 September 1893, over het Congres
te Belfast, waarin betreurd wordt de merkwaardige âonderdanigheid aan Mr. John Burns en zijne vrienden,quot; door het Congres aan den dag gelegd â eene onderdanigheid die zich kenmerkt door de verkiezing van Mr. Burns tot lid van het Parlementair Comité met het grootste aantal stemmen van alle candi-daten en door het aannemen van een program, dat o. a. de nationalisatie van den grond en andere middelen van voortbrenging en verdeeling bevatte. 4 lt;Sgt; 2) De volgende beschrijving der opkomst van het ânieuwe unionismequot;
is gebaseerd op de notulen en verslagen van vakvereenigings-organisaties, de leggers van Justice, de Labour Elector, de Trade Unionist, de Cotton Factory Times, de Workman's Times en andere arbeidersbladen. De papieren documenten zijn verduidelijkt en aangevuld geworden door de herinneringen van de meeste hoofdpersonen in de beweging en door de persoonlijke herinneringen van de schrijvers van dit werk, waarvan een, als lid der Fabian Society, de verandering van den socialistischen kant gadesloeg, terwijl de andere, als eene leerlinge van Mr. Herbert Spencer en collega van Mr. Charles Booth, de veranderingen van onzen tijd van een individualistisch standpunt onderzocht. De deelname der auteurs-zelf in de verandering die zij beschrijven, moge hen eenerzijds in staat gesteld hebben een nieuw licht op de zaak te doen vallen, anderzijds kan het wellicht hun verhaal berooven van de kritische onpartijdigheid, die zij in dit geheele historische werk hebben getracht te behouden.
318
wij de groote verspreiding in Groot Brittanje van Mr. Henry Georges Progress and Poverty (Vooruitgang en Armoede) gedurende de jaren 1880â82 noemen. De optimistische en opwekkende toon van het boek, in sterk contrast met de rustige rust waarin de Engelsche arbeidersbeweging verzonken was, en de kracht der populaire uiteenzetting van de theorie der grondrente, vormen den boventoon, zoowel van het ânieuwe unionismequot; als van de heden-daagsche Engelsche socialistische beweging. Met is waar, Mr.George bemoeide zich niet met de vraagstukken der industrieele organisatie; evenmin had hij, buiten de land-nationalisatie, de bedoeling eene algemeene collectivistische beweging te bevorderen. Maar hij slaagde, waar vroegere schrijvers gefaald hadden, er in, onder alle klassen een helder inzicht in den aard en de gevolgen van het inpalmen der grondrente te verspreiden. Met is naar ons oordeel de verspreiding van dit beprip van grondrente onder de ambachtslieden in de steden, dat de economische inzichten der vakvereenigings-wereld zoo sterk veranderd heeft en dat bezig is de taktiek der politieke partijen te wijzigen. Het grondvraagstuk in het bizonder is volslagen gerevolutioneerd geworden. Inplaats van den kreet der Chartisten : âTerug naar het land!quot; nóg aangeheven door veldarbeiders en achterlijke politici, denkt de steedsche ambachtsman aan de onverdiende toename der waarde van den grond in de steden, die hij nu ziet vallen in de brandkasten der groote grond-eigenaars.
Maar als Mr. Henry George den stoot gaf, was het de socialistische propaganda die de nieuwe beweging op gang bracht. De socialistische partij, die, na eene generatie van feitelijke rust, tusschen 1881 en 1883 te Londen georganiseerd werd, deed het denkbeeld van land-nationalisatie verzinken in het breedere begrip eener georganiseerde democratische gemeenschap, waarin de gemeenschappelijke krachten en het gemeenschappelijk inkomen met bewustheid zouden worden aangewend tot het gemeenschappelijk welzijn van allen. 1) Terwijl Mr. George, bijna in weerwil van zichzelf, klein-grondbezit en afschaffing der erfpachten uit het politieke veld dreef, vertolkte de indrukwekkende beschrijving, die KARL Marx van de uitwerking der industrieele revolutie gegeven had, de alledaagsche gebeurtenissen van het industrieele leven aan den nadenken arbeider. Er was geen socialist noodig om den arbeider in eene der groote industriën te overtuigen, dat zijn kans om een welhebbend werkgever te worden dagelijks geringer werd. Er was geen agitator noodig, om aan te duiden, dat te midden eener enorme vermeerdering van rijkdom, het loon van den gemiddelden werkman nauwelijks voldoende bleef om zijn gezin te onderhouden, terwijl geheele groepen zijner ongeschoolde mede-arbeiders minder
') Zie Mr. H. M. Hyndmans England for All (Londen 1881). amp;
319
ontvingen dan tot het eenvoudig in het leven houden van het gezin noodig was. Zelfs de geschoolde ambachtsman zag zich blootgesteld aan panieken, handels-crisissen en heftige industriëele beroeringen, waarop hij noch zijne vakvereeniging eenigen invloed hadden en door welke hij en zijne kinderen vaak tot den bedelstaf gebracht werden. Maar het waren de socialisten, die den arbeider eene aannemelijke verklaring dezer stugge feiten gaven. Door de onafgebroken propaganda van Mr. Hyndman en andere leerlingen van Karl Marx, werd den arbeiders geleerd, dat de onmogelijkheid van een eenigzins groot deel der arbeidende klasse om zelf werkgevers te worden, te wijten was, niet aan gebrek aan zelf-beheersching, bekwaamheid of spaarzaamheid, maar aan de industriëele revolutie, met hare verbetering van arbeids-methodes, hare opeenhooping van kapitaal en de daaruit voortvloeiende vernietiging van den kleinen ondernemer door de groote industriëele instellingen. In dit licht gezien, bleek de scheiding der handwerkers van het bezit der productie-middelen geene voorbijgaande phase te zijn, doch eene economische ontwikkeling, die onder welk stelsel van particulier beheer der nijverheid ook, steeds volmaakter moest worden. En men redeneerde, dat de verschrikkelijke veranderingen van overproductie en stilstand van den handel, het zonderlinge geval dat een overvloed van waren eene aanleiding tot gebrek was, het rechtstreeksche gevolg waren van het aanwenden der industrie met het oog op particuliere winst, in plaats van tot bevrediging der behoeften van allen.
De economische omstandigheden dier dagen, voorzagen de socialistische sprekers van dramatische illustraties hunner theo-riën. De acute malaise van 1878â79 was gedurende 1881â83 door eene slechts korte en gedeeltelijke verbetering gevolgd geworden. Een tijdperk van langdurige, hoewel niet buitengewone verslechtering volgde, gedurende welke zekere stapel-industriën de onverwachtste en buitensporigste rijzingen en dalingen ondergingen. In de groote scheepsbouw-industrie werden bijvoorbeeld de slechte tijden van 1879 opgevolgd door eene periode, gedurende welke de drukte met groote sprongen toenam, zoodat in 1883 tweemaal meer tonnen-inhoud werd gebouwd dan in 1879. In het onmid-delijk volgende jaar nam deze enorme productie plotseling een einde; vele werven werden gesloten en geheele steden aan de noord-oostkust zagen voor het oogenblik hun middel van bestaan vernietigd. De totaal tonnen-inhoud welke gebouwd werd, viel van 1.250.000 in 1883 tot 750.000 in 1884, 540.000 in 1885 en tot het nóg lagere cijfer van 473.000 in 1886. Duizenden der bekwaamste en best-georganiseerde ambachtslieden, die het jaar te voren naar Jarrow en Sunderland gebracht waren geworden, zagen zich aan absoluut gebrek prijs gegeven, niet wegens het ondergaan hunner
320
Industrie, doch eenvoudig omdat de omstandigheden der concur-reerende winstmakerij geleid hadden tot het in één jaar concen-trecren der normale productie van twee. âIn elk centrum van den scheepsbouw,quot; zegt Mr. Robert Knight in het jaarverslag der Ketelmakers over 1886, âkan men duizenden werkelooze mannen zien, die vergeefs naar een dag eerlijken arbeid zoeken. De ontbering, die zij en hunne vrouwen en kinderen geleden hebben, is verschrikkelijk om aan te zien. Ziekte is sterk heerschende geweest, terwijl honderde ingevallen en hongerige gezichten een verhaal van lijden en gebrek doen, dat geen optimisme kon verminderen of verbergen. Laten wij het verbergen en bedekken zooveel wij willen â er is eene diepte van smart en van jammer, welker volledige openbaring, naar wij gelcoven, niet onbepaald kan worden uitgesteld. De arbeider moge dom zijn op het stuk van wetenschap en kunst, en de som zijner exacte kennis moge slechts datgene zijn, hetwelk hij in zijn scherp-omlijnde dagtaak opgedaan heeft â maar hij is niet blind en zijne denkbeelden nemen niet den vorm aan van dagelijksche en herhaalde dankzegging, dat zijn toestand niet nóg erger is dan hij is. Hij volgt niet het voorbeeld van den vromen herder der vlakte van Salisbury, die bovenmatige tevredenheid ontleende aan het feit dat eene vriendelijke Voorzienigheid hem zout had gegeven om bij zijne aardappelen te eten. Hij ziet het kwistige weelde-vertoon, waaraan hij geen deel heeft. Hij ziet eene groote en groeiende klasse, die geërfden overvloed geniet. Hij ziet mijlen van kostbare verblijven, waarvan elk bewoond wordt door minder menschen, dan opeengehoopt zijn in ééne kamer der huur-kazerne waarin hij woont. Hij moet komen tot het besef, dat er iets verkeerds is in een stelsel, dat zulk eene ongelijke verdeeling van den door arbeid voortgebrachten rijkdom bewerkstelligt.quot; 4 Andere geschoolde vakken hadden tusschen 1883 en 1887 eene soortgelijke, doch minder dramatische ondervinding. Op het Internationaal Vakvercenigings-Congres van 1886 beschreef Mr. James Mawdsley, de voorzichtige leider der katoenspinners van Lancashire, als lid van het Parlementair Comité sprekend namens de Engelsche delegatie, den stand van zaken in Engeland in de volgende bewoordingen : âLoonen waren gedaald en er was een groot aantal werkeloozen .... lederen dag werden vlasfabrieken gesloten .... Alle bouwvakken verkeerden in een slechten toestand; . . . . ijzergieterijen bevonden zich in moeilijkheden en een derde der scheepstimmerlieden was zonder werk .... Stoommachinemakers hadden het ook slap, behalve die fabrikanten welke naar Frankrijk, Duitschland en Oostenrijk exporteerden. Behoudens eenige zeldzame uitzonderingen, werd de malaise, waardoor de groote, voorname industriën getroffen werden, in duizend en een bedrijven gevoeld. Overwegende dat er een veel grooter aantal werkeloozen 21 - Sidney Webb. 321
â
was, rees natuurlijk de vraag, of er eenige kans op verbetering bestond. Hij geloofde dat er geen kans op verbetering bestond, zoolang de tegenwoordige toestand der maatschappij bleef bestaan... Hij begreep hun socialisme niet; hij had het niet bestudeerd zooals hij het misschien had behooren te doen. De arbeiders van Engeland waren niet zoo geavanceerd als de arbeiders van het Vasteland. Niettemin bezaten zij ten minste één klaar besef â zij begrepen dat de werkelijke voortbrengers hun deel in den door hen geschapen rijkdom niet ontvingen.quot; l) Wij zien dezen geest dringen tot zelfs in de meest conservatieve en exclusieve vakken. âNaar het ons voorkomt,quot; schrijft de algemeene secretaris van den machtigen Kristalglasmakers-Bond, ,,is het zeer verkeerd van de werkgevers, te pogen de arbeiders stelsels op te dringen, waarin zij geen eerlijk bestaan kunnen verdienen. Deze onbillijke pogingen om de werklieden omlaag te sleuren, zullen niet veel langer geduld worden, want revolutionnaire veranderingen beginnen zich te vertoonen en gewichtige zaken, de nijvere klasse rakend, zullen spoedig te voorschijn treden. Waarom moet bijvoorbeeld Lord Dudley kolenmijnen en land erven, die 1000 pond sterling per dag opleveren, terwijl zijne mijnwerkers de geheele week moeten zwoegen en hun brood niet kunnen verdienen ?quot; ~) 4-
De ontevredenheid werd aangewakkerd door welmeenende, zij het ook ietwat sentimenteele philantropen, die hunne ervaringen in de âzweetquot;-industriën en de achterbuurten der groote steden openbaar maakten. De Bitter Cry of Outcast London (Bittere Noodkreet der Londensche Verschoppelingen) en andere gruwelijke verhalen, openbaarden niet alleen voor de bourgeoisie, doch ook aan de âaristocratie van den arbeidquot; een wijd gebied van een industrieel leven, dat noch het vakvereenigingswezen, noch de coöperatie ooit konden hopen te bereiken. Bij de bourgeoisie had het aldus opgewekte medelijden uitgebreide onderzoekingen tot gevolg, die op niets-zeggende rapporten uitliepen. Eene Staatscommissie van Enquête naar het woning-vraagstuk, bracht niets daadwerkelijks voort, dan eene kleine uitbreiding der bestaande bevoegdheden van districts-besturen en gemeenteraden. Eene andere enquête naar de malaise, leverde absoluut niets op. Eene bizondere Commissie uit het Hoogerhuis, tot het houden eener enquête naar de armenwet, slaagde er zelfs niet in, de op te lossen vraagstukken te ontdekken. Eene dergelijke enquête naar het zweetstelsel, eindigde, na jaren-lange vertraging, in eene nauwkeurige diagnose van het kwaad, benevens de bekentenis van onmacht om er iets tegen te doen. In 1885 verstrekte een Edinburgsche philantroop lt;5gt; O
lt;£gt; ') Verslag van het Internationaal Vakvereenigings-Congres te Parijs,
1886, door Adolphe Smith (Londen 1886). 4
lt;$gt; 2) Flint Glass Makers' Magazine, November 1884. lt;3gt;
322
duizend pond sterling ten behoeve van een openbaar congres, om te onderzoeken of niet een rechtvaardiger systeem van industriëele belooning kon gevonden worden â een congres dat slechts diende om philantropische schemas, als het verleenen van aandeel in de winst en de âzelf-besturende werkplaatsquot; in twijfel te doen trekken, terwijl het de socialistische plannen op den voorgrond bracht. 1) En wat belangrijker is dan dat alles: Mr. Charles Booth, een groote koopman en reeder, begon in 1886, voor eigen rekening, een systematisch statistisch onderzoek naar den werkelijken socialen toestand der geheele Londensche bevolking, waarvan de indrukwekkende resultaten sinds dien van het eene einde des rijks tot het andere weerklonken hebben. 2)
Met gevolg der aldus op getouw gezette onderzoekingen, was eene onberekenbare aansporing tot sociale hervorming. Zij waren grootendeels ondernomen geworden in de verwachting, dat een nuchter en wetenschappelijk onderzoek het uitzonderings-karakter zou bewijzen van de pijnlijke voorvallen, door de philantropen aan het licht gebracht en niet karig aangehaald door de nieuwe agitators. Maar tot de wezenlijke verbazing, zoowel van staathuishoudkundigen als van vakvereenigingsleiders, werden de akelige mededeelingen der sensationalisten en socialisten over het geheel door de statistieken bevestigd. De verhalen van onverdiende ellende bleken niet toevallige uitzonderingen op een algemeenen toestand van matigen welstand te zijn, doch typische staaltjes der gemiddelde bestaansvoorwaarden van groote massas der bevolking. De sweater bleek niet te zijn een buitengewoon wreede kapitalist, doch zelf het hulpelooze product eener omvangrijke degeneratie, die zich over geheele industriën uitstrekte. Na een buitengewoon grondig onderzoek, werd Mr. charles booth gedreven tot de conclusie, dat in de rijkste en meest productieve stad der wereld één en een kwart millioen personen geregeld onder zijn âarmoede-grensquot; vallen. Men vond dat twee en dertig percent der geheele Londensche bevolking (in sommige groote districten meer dan zestig percent) in een toestand van voortdurende armoede leefde, die niet alleen de allereerste voorwaarden van beschaving en burgerschap uitsloot, doch ook onbestaanbaar was met lichamelijke gezondheid of indu-striëel arbeidsvermogen. Bovendien weerlegden de cijfers van Mr. Charles Booth, evenals het rapport der Commissie van Enquête uit het Hoogerhuis naar het zweetstelsel, eens en voor al, de gemakkelijke onderstelling, dat alle ellende het gevolg was van dronkenschap
4gt;
') Report of the Industrial Remuneration Conference (Londen 1S85). ^ 2) Eenige van c!e resultaten van den zeven-jarigen geduldigen arbeid
van Mr. Booth en zijne helpers, zijn belichaamd in het prachtige werk Labour and Life of the People (Londen, eerste druk., 2 deelen, 18S9â91 ; tweede druk, 4 deelen, 1893) en in Pauperism and the Endowment of Old Age (Londen 1K93).
323
en ondeugd. Het was, om het wei-bekende woord van Burke te gebruiken, onmogelijk, eene acte van beschuldiging op te stellen tegen een derde van het volk van Londen, of tegen twee derden van het oostelijk deel dier stad. 4gt;
4 De dagelijksche ondervinding van geheele groepen loon
arbeiders gedurende deze jaren van depressie en de statistische onderzoekingen van den middenstand bleken daarom de socialistische beschuldiging tegen het kapitalistische stelsel te rechtvaardigen. Wat misschien nog meer uitwerkte, was het feit dat alleen de socialisten door geloof in eene radicale verandering der maatschappij bezield waren en dat zij alléén eene oplossing boden, die nog niet gewogen en te licht bevonden was. Vóór 1867 was het mogelijk geweest den ongunstigen toestand der loonarbeiders toe te schrijven aan den kwaadaardigen invloed van klasse-regeering en politieke uitsluiting. Cobden en Bright hadden welsprekend het door onbelaste producten te bereiken duizendjarig rijk beschreven. Gedurende eene geheele generatie hadden de leiders van een aaneengesloten vakvereenigingswezen de voordeelige voorwaarden aangetoond, die de ambachtsman, door middel van gemeenschappelijk optreden en eene reserve-kas, van zijne werkgevers kon afdwingen. Maar bij de langdurige werkeloosheid bleken uitgebreid kiesrecht, vrijhandel en goed-bestuurde vakvereenigingen even weinig te helpen. Ondanks hij twintig jaar het kiesrecht bezeten had, was de steedsche ambachtsman nog steeds overgeleverd aan de genade van commerciëele dobbelaars en blootgesteld aan de afpersingen van den huisjesmelker. Een liberaal ministerie was aan het bewind, beschikte over eene enorme meerderheid, doch legde geen ernstig verlangen tot het verhelpen der resultaten van economische ongelijkheid aan den dag. Er werd zelfs geen poging gedaan om aan de erkende grieven van den behoeftigen belasting-betaler tegemoet te komen. De accijns op de thee bleef onaangeroerd; de grondbelasting bleef onhervormd; terwijl de grootere kwestie van het aanwenden van den rijkdom der natie tot het verschaffen van redelijke bestaansvoorwaarden aan de groote massa des volks, zelfs niet besproken werd. Verdere uitbreiding van het kiesrecht, vrijhandel en volksonderwijs, waren nog steeds de eenige sociale en economische heilmiddelen, die de liberale partij aan te bieden had. Maar goedkoope waren hadden geen nut voor den buiten werk geraakten arbeider; en de uitbreiding van het onderwijs strekte slechts om zijne ontevredenheid met bestaande maatschappelijke toestanden en zijne bekwaamheid tot het begrijpen der theoretische uiteenzettingen en practische voorstellen der nieuwe school van hervormers, te doen toenemen. é- De arbeider vond niet meer solaas in het vakvereeni
gingswezen dan in partij-politiek. De steenhouwer, timmerman of ijzergieter zag bijvoorbeeld zijne oude en machtige vakvereeniging
324
teruggebracht tot weinig meer dan een zieken- en begrafenis-club, die allen steun aan stakingen, zelfs die tegen loonsvermindering en verlenging van arbeidsduur, weigerde en de uitkeering bij werkeloosheid slechts kon in stand houden, door zich bij hare meer welhebbende leden zwaar in schulden te steken. ') Als de magere jaren elkander opvolgden, zag hij de uitkeeringen verminderen, de contributiën verhoogen en zeer vele degelijke vakvereenigingsmannen hoog en droog achtergelaten als leden âzonder recht op uitkeering.quot; De vak-uitkeerings-vereeniging â het âwetenschappelijke vakver-eenigingswezenquot; van de âeerste bankquot; â geraakte inderdaad snel in discrediet. De Heeren John Hurns en Tom Mann, jonge en energieke leden der Amalgamated Society of Engineers, voeren tusschen 1884 en 1889 door het geheele land heftig uit tegen de laksheid hunner groote gemengde vereeniging. âMoe lang, hoe lang,quot; roept Tom Mann in 1886 den vakvereenigingsmannen toe 2) âzult gij tevreden zijn met de tegenwoordige lafhartige taktiek uwer vereenigingen ? Ik geef gaarne toe dat de vereenigingen in het verleden goed werk gedaan hebben; maar welk goed doel dienen zij in 's Hemels naam nu ? Alle hebben zij groote getallen zonder werk, zelfs als het druk is in hunne respectieve vakken. Geen der belangrijke vereenigingen houdt er eenige taktiek op na, behalve die van te pogen tegen loonsverlaging te waken. De ware aanvallende vakvereenigings-taktiek schijnt geheel uit het oog verloren te zijn; de gemiddelde hedendaagsche vakvereenigingsman is inderdaad een man met versteende hersenen, en óf hopeloos ongevoelig, óf bezig eene taktiek te steunen, die rechtstreeks den kapitalistischen uitbuiter in de hand werkt.... Ik neem deel aan den arbeid der vakvereeniging waartoe ik behoor; maar ik beken ronduit, dat ik, tenzij door haar op het oogenblik (Juni 1886) meer energie wordt aan den dag gelegd, genoodzaakt zal zijn â tegen mijn wil â het standpunt in te nemen, dat voort te gaan tijd te besteden aan de gewone ruzie-onderzoekende, doe-niemendal taktiek, eene onverantwoordelijke krachtsverspilling is. Ik ben er zeker van, dat duizenden anderen er evenzoo over denken.quot; 3)
4
') De kassen der Steenhouwers waren door de groote werkstaking van 1878 geheel uitgeput. In Januari 1879 besloot de Vereeniging, op voorstel van hel Hoofdbestuur, alle hangende geschillen te doen eindigen (daaronder begrepen eene algenieene werkstaking te Sheffield, tegen eene onaangekondigde sterke loonsverlaging); en tusschen dien datum en Maart 1885 werd uit de kassen der Vereeniging geene enkele staking gesteund, hoewel vele der afdeelingen manmoedig en in sommige gevallen met succes streden tegen herhaalde loonsverlagingen, verlenging van arbeidsduur, of overtreding der plaatselijke verordeningen. Het geval der Steenhouwers is een beeld der overige groote vak-uitkeerings-vereenigingen. lt;$gt;
J) What a Compulsory Eight I fours Working Day means to the Workers, door Tom Mann (Londen 1886, 16 pag.). lt;3gt;
3) Mr. Tom Mann, een der aantrekkelijkste figuren in de beweging
325
4 âZooals het nu samengesteld is,quot; schrijft John Burns
in September 1887, ^ âdraagt het vakvereenigingswezen de kiem zijner eigen ontbinding in zich .... Hun (op aandrang der bourgeoisie) roekeloos op zich nemen van plichten en verantwoordelijkheden, in den vorm van uitkeeringen bij ziekte en invaliditeit, die slechts door den staat of de geheele gemeenschap vervuld kunnen worden, is bezig de groote vereenigingen te verpletteren, door het belasten der leden tot het onduldbare toe. Dit verlamt hen zoodanig, dat zij, uit vrees van niet in staat te zijn aan hunne uitkeerings-verplichtingen te kunnen voldoen, zich vaak zonder protest inbreuken der patroons laten welgevallen. Het gevolg daarvan is, dat zij alle hebben opgehouden vereenigingen tot handhaving der rechten van den arbeid te wezen en gedegenereerd zijn tot
4 4
van het ânieuwe unionisme,quot; werd in 1856 te Foleshill, in Warwickshire, geboren en in eene machine-werkplaats te Birmingham in de leer gedaan, vanwaar hij zich in 1878 naar Londen begaf en tot de Amalgamated Society of Engineers, toetrad. Zijne zelf-ontwikkeling vlijtig voortzettende, kwam hij eerst in aanraking met de coöperatieve beweging en daarna met de geschriften van Mr. Henry George. In 1884 bezocht hij de Vereenigde Staten, waar hij zes maanden werkte. Bij zijn terugkomst werd hij lid van de Afdeeling Battersea van den Social Democratic Federation en werd spoedig een van hare voornaamste sprekers. Zijne ondervinding van de euvelen van het overwerken, deden den acht-urigen arbeidsdag een bizonder kenmerk zijner redevoeringen worden en in 1886 maakte hij zijne denkbeelden bekend in de brochure What a Compulsory Eight Honrs Working Day means to the Workers fLonden 1886, 16 pag.), die verscheidene drukken heeft beleefd. In hetzelfde jaar verliet hij zijn vak, ten einde zich geheel te wijden aan de provinciale propaganda der Social Democratic Federation en trad gedurende twee jaren onafgebroken als spreker op, eerst in de buurt van de Tyne en daarna in Lancashire. In 1889 te Londen teruggekeerd zijnde, werkte hij mede tot de oprichting van den Gaswerkersbond en aan het organiseeren van de groote dokwerkersstaking, na welker einde hij gekozen werd tot voorzitter van den Dokwerkersbond Gedurende drie jaren wijdde hij zich aan den opbouw dezer organisatie en besloot in 1892, toen hij candidaat gesteld werd voor den post van algemeen secretaris der Amalgamated Society of Engineers, af te treden. Na een opgewonden strijd, gedurende welken hij in ledenvergaderingen in alie groote centra van den machinebouw als spreker optrad, verloor hij met eene minderheid van slechts 951 stemmen op een stemmen-aantal van 35.992. Onder-tusschen was hij in 1891 benoemd tot lid der Staats-Commissie van Enquête naar den Arbeid, waarin hij een treffend plan tot het consolideeren van het geheele dok-bedrijf der haven van Londen, door het maken van eene nieuwe bedding voor de Theems door het Isle of Dogs, voorstelde. Toen in 1893 de London Rejorm Union (Bond voor Londensche Hervormingen) werd gesticht, werd hij tot secretaris benoemd, eene functie die hij in 1894 neerlegde, toen hij gekozen werd tot secretaris der Independent Labour Party (Onafhankelijke Arbeiders-Partij). â (Sinds dien heeft Mann ook deze laatste functie neergelegd, doch is intusschen voorzitter geworden van den internationalen bond van zeelieden, dokwerkers, enz. Hij was herhaaldelijk candidaat voor het Lagerhuis en bleef o. a. in 1895 te Aberdeen met een klein verschil in de minderheid. Op dit oogenblik is hij, met Mr. Ben Tillet, redacteur van het onlangs opgerichte blad The British Socialist News. Vert.) 4-
lt;3gt; ') Artikel in 'Justice van 3 September 1887.
326
erewone burererliikc en klein-burgerlijkc belasting-verminderende instellingen.quot; l) égt;
Hier zien wij het begin dier agitatie tegen de combinatie van uitkeerings-fondseh met vak-doeleinden, die later, gedurende korten tijd, een der kenmerken van het ânieuwe unionismequot; werd. Maar zoo al de vak-uitkeerings-vereeniging in deze jaren tot eene eenvoudige ziekenclub verschrompelde â de zuivere vakvereeniging legde geen grootere levenskracht aan den dag. De groote malaise van 1878â79 had honderdtallen kleine, plaatselijke vereenigingen, die den samenhang, gegeven door de uitkeerings-fondsen, misten, weggevaagd. De mijnwerkers-organisaties van Lancashire en de midden-graafschappen, die geene uitkeeringen gaven, waren óf geheel en al te niet gegaan, óf opgelost in op zich-zelf staande mijn-clubs,
O ') Mr. John Burns, in vele opzichten de treffendste persoonlijkheid
in de hedendaagsche arbeidersbeweging, werd in 1859 te Battersea (in Londen) geboren en werd leerling bij eene plaatselijke machinebouwers-firma. Gedurende zijn leertijd verhief hij reeds zijn stem in het openbaar, werd in 1877 gearresteerd wegens voortdurend spreken op Clapham Common (een plein in het zuidelijk deel van Londen, Vert.) en tartte in 1878 een âJingoquot;-bende ter gelegenheid eener demonstratie in Hyde Park. Zoodra hij zijn leertijd achter den rug had (1879) werd hij lid van de Amalgamated Society of Engineers en werd een voorstander van verkorten arbeidsduur. Eene betrekking aan de Niger, West-Afrika, van 1880 tot 1881, gaf hem gelegenheid tot lezen, die hij benutte met Adam Smith en J. S. Mill te bestudeeren. Te Londen teruggekeerd, werkte hij naast Victor Delahave, een oude Communard, die later een der Fransche afgevaardigden naar de Arbeids-Conferentie te Berlijn in 1891 was en met wien hij vele gesprekken over de bevordering der belangen van den arbeid had. In 1883 werd hij lid der Social Dêmocratic Federation en werd onmiddellijk een harer meest op den voorgrond tredende arbeiders-leden, en stond bijvoorbeeld hare zaak voor in eene indrukwekkende redevoering op het Congres nopens Industriëele Belooning (Industrial Remuneration Conference) in 1885. In hetzelfde jaar werd hij door zijn eigen district der Amalgamated Society of Engineers gekozen tot zijn vertegenwoordiger in de vijf-jaarlijksche gedelegeerden-vergadering dier Vereeniging, waarvan hij bleek het jongste lid te zijn. Bij de algemeene verkiezingen van 1885 stond hij als socialistisch candidaat te West-Nottingham en bekwam 598 stemmen. Gedurende de beide volgende jaren werd hij bekend als de leider der Londensche âwerkeloozenquot;-agitatie. Zijne vervolging wegens opruiing in 1886 (met drie andere bekende leden der Social Democratic Federation) wekte veel belangstelling en na zijn vrijspraak werd zijne verdedegings-rede, The Man with the Red Flag (De Man met de Roode Vlag) in aanzienlijke hoeveelheden in brochure-vorm verkocht (Londen 1886, 16 pag.). Bij de verboden demonstratie in Trafalgar Square op Bloody Sunday (Bloedige Zondag) â 13 November 1887 â-brak hij, met Mr. Cunninghame Graham, M. P. door het politie-cordon, waarvoor zij beiden tot zes weken gevangenisstraf veroordeeld werden. In Januari 1889 werd hij door het district Battersea afgevaardigd naar den nieuwen Londen-schen Graafschapsraad, waarvan hij sinds dien een der nuttigste en invloedrijkste leden is geweest. Zijn prachtig werken in de dokwerkersstaking en in het organiseeren der ongeschoolde arbeiders, wordt in den tekst beschreven. Bij de algemeene verkiezingen van 1892 werd hij met groote meerderheid gekozen tot lid van het Parlement voor het district Battersea en op het Vakvereenigings-Congres van 1893 bekwam hij het grootste aantal stemmen voor het Parlementair Comité, waarvan hij bijgevolg voorzitter werd. ^
327
ongeschikt tot gecombineerd optreden. De Katoenspinners van Lancashire, de Mijnwerkers van Northumberland en Durham en eenige andere zuivere vakvereenigingen werden slechts bijeen gehouden door den werkgevers de eene concessie na de andere te doen. Waar de kapitalisten elk oogenblik gereed stonden een niet-winst-gevend bedrijf te schorsen, bleek gemeenschappelijk optreden even machteloos tot het tegengaan van loonsverlagingen als de indivi-dueele overeenkomst. In de langdurige malaise, gekenmerkt door herhaalde schommelingen in zekere industriën, waren, naar het zich liet aanzien, beide vakvereenigings-types gewogen en te licht bevonden. égt;
^ Dat waren de omstandigheden, waaronder de ontnuch
terde arbeider-politicus of vakvereenigingsman bereikt werd door de redevoeringen en geschriften der socialisten, die hem niet alleen eene sympathieke verklaring gaven van de euvelen die zijn lijden veroorzaakten, doch tevens een veel-omvattend schema van sociale hervorming, dat zich uitstrekte van een acht-urenwet tot de nationalisatie der productie-middelen. In een zuiver geschiedkundig geschrift is het voor ons niet noodig de juistheid van het optimistische vertrouwen te bespreken, waarmede de socialisten dier jaren verklaarden, dat de arbeiders onder een stelsel van gemeenschappelijk bezit niet alleen te allen tijde van een behoorlijk bestaan verzekerd zouden zijn, doch tevens zouden beschikken over het beheer van hetgeen daarna overschoot van den rijkdom der natie. Maar bij het nagaan der oorzaken van het nieuwe unionisme van 1889â90 en van de transformatie der vakvereenigings-beweging van een individualistischen tot een collectivistischen invloed in de politieke wereld, wagen wij het, een groot deel toe te schrijven aan de meerdere aantrekkelijkheid van dit luchthartige geloof boven hetgeen aangeboden werd door het bijna cynische fatalisme der oude school.
De socialistische agitatie profiteerde tusschen 1886 en 1889 van eene reeks onopzettelijke reclames. In Februari 1886 leidden vergaderingen van âde werkeloozenquot; tot onverwachte oproeren, die in geheel Londen een paniek deden ontstaan en aanleiding gaven tot eene vervolging van regeeringswege wegens opruiing. De Heeren Hyndman, Burns, Champion en Williams stonden, als de leiders der Social Democratic Federation, in den Old Bailey 1) terecht, en het proces, dat met hunne vrijspraak eindigde, vestigde amp; 4gt;
4 ') OM Bailey is de naam van het oude gebouw te Londen, waarin
het crimineel gerechtshof gevestigd is, waarin tevens de beschuldigden in voorarrest worden gehouden en de ter dood veroordeelden hunne executie afwachten; de terechtstellingen hebben op het binnenplein van het gebouw plaats, dat op de hoek van Newgate Street, een van de drukke straten, welke de city (handelsbuurt met het westen der stad verbinden, gelegen is. (Vert.1
328
de aandacht van het gebeele land op hunne leer. De bijeenkomsten der âwerkeloozenquot; werden met steeds toenemend kabaal voortgezet tot November 1887, toen de hoofdcommissaris van politie eene proclamatie uitvaardigde, waarin vergaderingen in Trafalgar Square, dat gedurende eene geheele generatie den Londenschen agitator tot forum had gediend, verboden werden. Deze âaanval op het vrije woordquot; door eene conservatieve regeering, komende na verscheidene kleinere pogingen tot het onderdrukken van vergaderingen in de open lucht door hare liberale voorgangster, dreef de troepen van het Londensche werklieden-radicalisme naar die van de socialisten. Ten spijt der politie werd op Zondag 13 November 1887 eene reusachtige demonstratie gehouden, die echter van Trafalgar Square terug gedreven werd door het ruime gebruik van den politie-stok en het requireeren zoowel van infanterie als cavalerie. De Heeren JOHN Burns en cunningiiame Graham, M. P. werden, wegens hun aandeel in deze gebeurtenis, gevangen gezet. Eene soortgelijke agitatie op kleinere schaal had in de provincie plaats. Aan de Tyne en in de midden-graafschappen preekten tal van zendelingen der Social Democratic Federation en van den Socialist League het verzet tegen de hulpelooze laksheid waarin de vak-vereenigingen verzonken waren. In ieder groot industrieel centrum bracht de onvermoeide propaganda der afdeelingen van socialistische organisaties eene vage doch daadwerkelijke onrust te weeg â overal, behalve in den officiëelen kring der vakvereenigings-wereld. lt;$gt; 4^ De nieuwe kruistocht kwam tot het groote leger van onge
schoolde, of slechts gedeeltelijk geschoolde arbeiders, te Londen en in andere groote steden opeen gehoopt, als een evangelie van verlossing. De ongeschoolde arbeider werd het moede, steeds verwezen te worden naar het door de âvoorste bankquot; alleen erkende âwetenschappelijk vakvereenigingswezen,quot; als het eenige middel tot verbetering van zijn toestand. Vakvereenigingen, die slechts werklieden aannamen welke een hoog standaardloon verdienden, die eene contributie eischten van niet minder dan een shilling en die vaak allen welke geen behoorlijken leertijd doorloopen hadden buitensloten, werden door den opperman, den gasstoker, of den dokwerker beschouwd als aristocratische corporaties, waarmede hij even weinig gemeen had als met het Hoogerhuis. âVan de groote massa onzer arbeiders,quot; schrijft john burns, âwordt door de geschoolde ambachtslieden geen nota genomen. Met is dit zelfzuchtig, ploertig in-den-steek laten der lagere rangen door de hoogere, dat in zoo vele geschillen succes onmogelijk maakt. Door hunne makkers uitgebannen, is het een geest van weerwraak die de arbeiders vaak aandrijft tot het weerstreven van, of onverschilligheid voor het vakvereenigingswezen, terwijl, als de vereenigingen wijzer en kameraadschappelijker waren geweest, steun zou verleend
329
zijn geworden, waar nu afgunst en ontevredenheid heerschen.quot; ') Zelfs onder de geschoolde werkers, de jongere ambachtslieden, heerschte, zoo zij al tot hunne vereenigingen waren toegetreden, ontevredenheid met de exclusieve en lauwe taktiek der oudere leden. Dus zien wij in âaristocratischequot; vereenigingen als de Amalgamated Society of Engineers en de London Society of Compositors eene ânieuw-unionistischequot; partij van jonge mannen opkomen, die zich krachtig verzetten tegen het verlagen eener vakvereeniging tot eene onderlinge verzekering-maatschappij, die protesteerden tegen het sluiten der slecht-betaalde branches buiten de organisatie van het vak en die het aanwenden van den politieken invloed der ver-eeniging in het belang der sociaal-democratie bepleitten. Tegen 1888 hadden de socialisten zich niet alleen verzekerd van het bondgenootschap der ongeschoolde arbeiders in Londen en enkele andere steden, doch hadden zij ook een beduidend recruten-corps in de groote âgemengdequot; vereenigingen aangeworven. ^
't» Toen het zóó ver gekomen was, kon de nieuwe geest
door niets minder dan verworging buiten het Vakvereenigings-Congres gehouden worden. Het is interessant te bemerken, dat het eerste teeken onder de gedelegeerden, aan den onmiddelijken invloed van Karl Marx toe te schrijven is. Op het Congres te Bristol in 1878 zien wij Adam weiler, een oud-lid der âInternationalequot; en een persoonlijken vriend van den grooten socialist, een voordracht houden, waarin hij wettelijke beperking van den arbeidsduur aanbeval. s) Op het volgende congres verzette Weiler zich tegen de resolutie ten gunste van klein-grondbezit, voorgesteld namens het Parlementair Comité. Maar in dat jaar werd zijn amendement ten gunste van land-nationalisatie zelfs niet ondersteund. Drie jaren later wordt de uitwerking der propaganda van Mr. George zichtbaar. Toen in 1882 het grondvraagstuk weder op het tapijt kwam, stonden de beide idealen scherp tegenover elkander en werd, ondanks protesten tegen âcommunistische beginselen,quot; eene 4b
â ') Address to Trade Unionists, in Justice, van 24 Januari 1885. lt;Igt;
lt;3gt; 2) Weiler was gedelegeerde van de Alliance Cabinetmakers'' Society
(Meubelmakers-vereeniging) en kwam van Londen. Het Congres-verslag geeft het volgende relaas van zijn voordracht: âNa den toestand der arbeidersklasse onder het huidige stelsel nagegaan en vergeleken te hebben met dien van tachtig jaren geleden, beweerde hij dat de beste manier om haren toestand te verbeteren, bestond in vermindering van den arbeidsduur. Het resultaat daarvan zou eerstens zijn, dat iedere arbeider een betere kans op werk zou krijgen en dus die soort concurrentie, welke door honger en gebrek ontstaat, minder zou worden; tevens zou het hen tijd en gelegenheid geven voor rust en ontspanning, en voor die ontwikkeling van hunnen geest, welke hen in staat zou stellen zich voor te bereiden tot den tijd waarin het tegenwoordige stelsel zou ineen storten; en de tijd dier ineenstorting was niet zoo verwijderd als sommigen meenden.'' De voordracht werd met veel applaus begroet en Mr. Weiler ontving den dank van het Congres. Geen resolutie werd aangenomen.
330
â
clausule ten gunste van nationalisatie aangenomen met 71 tegen 31 stemmen. Het Parlementair Comité veranderde zijn standpunt ten opzichte van deze kwestie niet en beweerde dat de stemming had plaats gehad terwijl vele gedelegeerden afwezig waren en dus niet de meening van het Congres als geheel weergaf. Deze bewering
werd tot op zekere hoogte gestaafd door de stemmingen op de |ï|
vijf volgende congressen, waar amendementen ten gunste dei-beginselen van nationalisatie verworpen werden, hoewel met verminderende meerderheden. In 1887 eindelijk, op het Congres te Swansea, liep de wind om en werd een vaag amendement ten gunste van land-nationalisatie aangenomen. Op het Congres te Bradford in 1888 was het denkbeeld - zelfs van klein-grondbezit verdwenen. De vertegenwoordigers der landarbeiders vroegen toen slechts persoonlijk gebruik van stukken grond die openbaar bezit waren. Ten slotte verklaarde het congres zich met 66 tegen 5 stemmen uitdrukkelijk ten gunste van land-nationalisatie, waaraan verbonden werd de opdracht aan het Parlementair Comité, om het voorstel in het Lagerhuis te brengen. 4
4 Ondertusschen had WEILER eene tweede en welgeslaagder
poging gedaan om de hulp van het Congres voor de wettelijke
regeling van den arbeidsduur te verwerven. Op het Congres van '}|Ij
1883 stelde hij eene resolutie voor, waarin het Parlementair Comité werd opgedragen de wettelijke beperking van den arbeidsdag tot acht uren te verkrijgen, voor alle arbeiders in dienst der overheden of van door het parlement geautoriseerde maatschappijen. Dit voorstel werd ondersteund door Mr. Edward Harford, de algemeene secretaris van de Amalgamated Society of Railway Se wants en in eene slecht-bezochte zitting aangenomen met 33 tegen 8 stemmen.
Het Parlementair Comité nam echter even weinig nota van dit besluit als van dat nopens de land-nationalisatie. In 1885 had de beweging zoozeer aan invloed gewonnen, dat het Parlementair Comité het noodig achtte zich naar de omstandigheden te voegen,
door een onderzoek in te stellen naar den omvang van het overwerken in de rijks-werkplaatsen, hetgeen tot resultaat had, dat duidelijk bleek hoe volslagen de praktijk van stelselmatig overwerk de overwinning van den negen-urigen arbeidsdag geneutraliseerd had. 1) Op het Congres van 1887 te Swansea werd het Parlementair Comité opgedragen de vakvereenigingswereld over de geheele kwestie te laten stemmen â eene stemming, die het onverwachte feit aan het licht bracht, dat Applegarths eigen vereeniging, de Amalgamated Society of Carpenters and Joiners, tot den wettelijken
lt;ugt;
4 ') Uit de door Mr. George Howell uitgelokte mededeeling betref
fende de werkplaatsen te Woolwich en Enfield, bleek dat in 1884 en 1885 meer dan de helft der arbeiders had overgewerkt; het gemiddelde per man en per week varieerde van 9,4 uren in sommige afdeelingen, tot 17,8 in andere. ö
I
li
' i
iH
Ij;
:
; j!(iquot;
I
11' i
33'
acht-urigen arbeidsdag bekeerd was gaworden. l) Bij een tweede referendum, dat op last van het volgende Congres plaats had, bleek dat oude vereenigingen als de Letterzetters, de IJzergieters en de Spoorweg-beambten, meer en meer dezelfde meening toegedaan werden. 2) ^
Ondertusschen had het toenemende verschil in taktiek onder de Kolenmijnwerkers, waarop wij in het voorafgaande hoofdstuk doelden, een sterk contingent georganiseerde arbeiders tot steun der nieuwe partij gebracht. Wij hebben reeds de bekeering van de leiders der mijnwerkers van Northumberland en Durham tot het principe van de glijdende loonschaal beschreven, hetgeen de afhankelijkheid van des arbeiders levensstandaard van den marktprijs van zijn arbeidsproduct met zich mede bracht. Op nog een ander punt hadden de beide noordelijke graafschappen zich onttrokken aan de traditioneele politiek der mijnwerkers-organisaties. Reeds in 1863 hebben wij opgemerkt dat CRAWFORD, een der bekwaamste hunner leiders, op het Congres te Leeds krachtig opkwam tegen een wettelijken acht-urigen arbeidsdag voor jongens, op grond dat zulk een maatregel in Northumberland en Durham, waar de houwers in twee ploegen werken, het gemak der arbeiders in den weg zou staan. Deze tegenstand aan eene bizondere bemoeiing met de buitengewone omstandigheden oer plaatselijke nijverheid, nam langzamerhand het karakter aan van een alge-meenen weerzin in de wettelijke regeling van den arbeidsduur van volwassen mannen. Vanaf 1875 zien wij dan ook de mijnwerkers van Northumberland en Durham zich meer en meer scharen aan de zijde van de leiders der ijzer- en bouw-bedrijven, die, zooals wij gezien hebben, grootendeels waren bekeerd geworden tot de toen onder de bourgeoisie gangbare economische begrippen. Het feit dat van bijna alle mijnwerkers-vereenigingen alléén die van Northumber land en Durham de slechte tijden van 1877â79 met succes hadden doorstaan, gevoegd bij de omstandigheid dat steeds de een of ander hunner leiders zitting had in het Parlementair Comité, was oorzaak dat deze zienswijze werd beschouwd als die der geheele industrie.
Maar de mijnwerkers van andere streken bleven niet lang tevreden met de nieuwe taktiek van Durham en Northumberland. égt; amp; â Sgt; ') 11.966 harer leden stemden vóór een acht-urendag; en daarvan
verklaarden zich 9209 ten gunste van de handhaving der beperking van den arbeidsdag tot acht uren door de wet. In het geheel waren 17.267 stemmen voor en 3819 tegen den wettelijken acht-urigen arbeidsdag uitgebracht. lt;igt; 2) Ten gunste van den acht-urigen arbeidsdag waren 39.656 stemmen;
er tegen 67.390, waarvan 56.541 namens de Katoenspinners en Wevers waren uitgebracht. Ten gunste van den wettelijken acht-urendag 28.511, er tegen 12.283. De stemmen der verschillende vakvereenigingen, benevens een overzicht van de verhandelingen van het Congres over dit onderwerp, komen voor in T/w Eight Hours Day, door Sidney Webb en Harold Cox (Londen 1891). â S»
332
fr7
In December 1881 maakten de gemengde Mijnwerkersbonden van Zuid- en West-Yorkshire formeel een einde aan de toen bestaande glijdende loonschaal en namen eene resolutie aan ten gunste van de taktiek tot beperking der productie. Gedurende de volgende jaren poogden de werkgevers in Yorkshire verscheidene malen opnieuw een loonschaal in te voeren, maar de arbeiders stonden er op, dat dit zou vergezeld gaan van eene overeenkomst betreffende een minimum, waaronder de loonen in geen geval zouden mogen dalen â eene voorwaarde, waarin de mijnbezitters eenparig weigerden toe te stemmen. Het door de mijnwerkers van Yorkshire gegeven voorbeeld werd spoedig door andere districten gevolgd, in het bizonder door Lancashire. Zooals wij gezien hebben, was het vakvereenigingswezen onder de mijnwerkers van dit graafschap gedurende de slechte jaren in stukken gevallen. In 1881 kwam reorganisatie in plaatselijke vereenigingen; en in het volgende jaar werd een Lancashire Miners Federation met succes gesticht. De gedelegeerden der mijnwerkers van Lancashire besloten op hun congres van 1883, âdat de tijd gekomen is, waarop de arbeidende mijnwerkers de steenkool-productie zullen regelen ; dat geen mijnwerker of arbeider onder den grond meer zal werken dan vijf dagen of ploegen per week; en dat de arbeidsduur, van neerdalen tot opstijgen, acht uren per ploeg zal zijn.quot; Ziende dat het onmogelijk was hun doel door werkstakingen te bereiken, wendden de arbeiders van Lancashire zich tot die taktiek van wettelijke regeling, welke de verhandelingen van het Congres van 1863 gekenmerkt had.
Met de opleving van handel en nijverheid, welke in 1885 intrad, namen de organisaties van Lancashire en Yorkshire snel in ledental en invloed toe en overal in de midden-graafschappen verrezen nieuwe federaties. Ook de Schotsche mijnwerkers hadden in 1886â87, toen eene nationale federatie met 23.000 leden werd gesticht, eene kortstondige uitbarsting van organisatie. Al deze bonden volgden de taktiek van beperking der productie en de Schotsche mijnwerkers in het bizonder voerden in 1887 eene krachtige agitatie ten gunste van een artikel, waarin de arbeidsdag tot acht uren werd beperkt, hetwelk twee Schotsche parlementsleden poogden gevoegd te krijgen in de mijnwet van 1887. ') Maar het Hoofdbestuur van den Nationalen Bond was, sinds de dood van Macdonald in 1881, geheel in handen der leiders van Northumberland en Durham gevallen. Onder hun invloed bleef die organisatie het principe van de glijdende loonschaal toegedaan en vijandig 4
â v» Het artikel werd voorgesteld door Mr. S.Williamson, liberaal afgvaar-
digde van Kilmarnock, en ondersteund door Mr. J. H. C. Hozier, corvservatief afgevaardigde van South Lanarkshire. Het werd niet gesteund door de âarbeidersledenquot; en met [59 tegen 104 stemmen verworpen. Zie The Eight Hours Day, door Webb en Cox (Londen 1891), pag. 23. lt;$â¢
333
aan een acht-urenwet, waardoor zij niet alleen de nieuwe federaties, doch ook den gevestigden en machtigen Bond van Yorkshire van zich vervreemdde. Van 1885 tot 1888 woedde de strijd tusschen de beide tegenover-gestelde leerstukken op elk mijnwerkers-congres. ') In het laatst-genoemde jaar trokken de strijdenden zich in afzonderlijke kampen terug. In September 1888 werd te Manchester een congres van vertegenwoordigers van anti-glijdende loonschaal districten bijeen geroepen, waar maatregelen werden genomen tot het stichten eener nieuwe federatie, waarin geen door een glijdende loonschaal beheerscht district zou worden toegelaten. Vanaf dien tijd werden de oude National Union eener- en de nieuwe Miners' Federation anderzijds concurrenten in het tot zich trekken der verschillende districts-organisaties, en tevens ietwat onsympathieke critici van elkanders taktiek en optreden. De uitslag bleef niet lang twijfelachtig. De National Union kromp langzamerhand ineen tot Northumberland en Durham, terwijl de Miners' Federation, met hare aanvallende taktiek en half-socialistische beginselen, snel groeide. Zij steeg van 36.000 leden in 1888 tot 96.000 in 1889, 147.000 in 1891 en meer dan 200.OOO in 1893, alle bestaande vakvereenigings-organisaties in ontwikkeling overtreffende. De socialistische voorstanders der wettelijke beperking van den arbeidsduur verheugden zich dan ook vanaf 1888, zoowel op het Vakvereenigings-Congres als bij de stembus, in den steun van een snel-aangroeiend contingent van georganiseerde mijnwerkers, wier ongeschokte standvastigheid meer dan iets anders gedaan heeft tot bevordering der algemeene beweging ten gunste eener acht-urenwet. égt;
Het is op dezen afstand gemakkelijk in den veranderden toon van de massa der Congres-gedelegeerden eene afspiegeling der breedere meenings-veranderingen daar buiten waar te nemen. Maar de âvoorste bankquot; der vakvereenigingen kon, evenmin als de meeste politici dier dagen, gelooven, dat de nieuwe denkbeelden onder de geschoolde ambachtslieden werkelijk wortel konden schieten. Het Parlementair Comité beschouwde de nieuwigheden met vrijwel hetzelfde gevoel als dat waarmede het de voorstellen ontvangen had van een klein troepje dat in 1882 tevergeefs gepoogd had het principe van beschermende rechten aan het Congres op
4
^ ') De ânationale congressenquot; der mijnwerkers zijn eene eigenaardigheid
dezer industrie. Behalve de periodieke bijeenkomsten der afzonderlijke federaties, hebben de mijnwerkers sinds 1863 herhaaldelijk congressen van afgevaardigden van alle georganiseerde districten des rijks gehad. Tot 1889 werden deze congressen gehouden onder de auspiciën van den National Union; tegenwoordig worden zij door de Miners' Federation bijeen geroepen. De vergaderingen, welke thans niet toegankelijk zijn voor de pers, dragen slechts een beraadslagend karakter en hunne besluiten verbinden de afzonderlijke organisaties tot niets. Zie Die Ordnung des Arheitsverhattnisse in den Kohlengruben von Northumberland und Dnrliain, door Dr. Emil Auerbach (Leipzig 1890, 268 pag.'.
334
te dringen. ') Toen het Congres er op stond eene resolutie aan te nemen waarmede het Parlementair Comité niet kon instemmen, werd deze meenings-uiting stilzwijgend geïgnoreerd, als zijnde niets meer dan een stokpaardje van zekere gedelegeerden. Het baatte niet dat het Congres van 1888, na er gedurende tien jaren lang over beraadslaagd te hebben, zich beslist uitsprak ten gunste van de beginselen der land-nationalisatie, in plaats van voor klein-grondbezit. Met Parlementair Comité nam geen nota van het besluit. De kwestie van den acht-urendag kon echter niet evenzoo uit de hoogte behandeld worden. Rechtstreeksche resoluties ten gunste van parlementair optreden werden daarom afgeweerd met het voorstellen van enquêtes. Toen tot een referendum der geheele vak-vereenigingswereld besloten werd, was het Parlementair Comité, in verband met vele algemeene secretarissen, in staat, het onderzoek feitelijk te verijdelen. Het stembriefje werd overladen met waarschuwingen en argumenten tegen parlementaire actie. Geen poging werd gedaan om eene /.uivere stemming der leden te verzekeren. In sommige gevallen stond men de hoofdbesturen toe, de verantwoordelijkheid op zich te nemen van op eigen gelegenheid de meeningen der leden hunner vereenigingen te vertolken, welker totaal leden-aantal dan bij de stemming meegerekend werd. In andere gevallen veroorloofde men de hoofdbesturen de kwestie eenvoudig te smoren, zonder op het verkeerde daarvan te wijzen. Feitelijk werd dan ook geene eerlijke poging gedaan om de herhaalde opdrachten van het Congres uit te voeren; en het onderzoek had
4gt;
lt;$gt; ') De fair /rart^'-aanval was op de volgende wijze ontstaan. Op het
Congres te Bristol in 1878 poogden zekere gedelegeerden, welke sterk verdacht werden betaalde agenten te zijn van de organisatie die toen agiteerde voor de afschaffing der suikerpremiën in het buitenland, de kwestie met geweld in het Congres ter sprake te brengen en veroorzaakten eene ernstige opschudding. Deze gedelegeerden werden later de betaalde vertegenwoordigers van den Fair Traiic League, een openlijk uit grondbezitters en kapitalisten bestaand genootschap, ten doel hebbende de wederinstelling van invoerrechten. De âvoorste bankquot; weigerde standvastig het Congres te laten gebruiken tot bevordering van dit oogmerk, en werd daardoor het mikpunt van hetgeen het Congres in 1S82 verklaarde
te zijn âeen lafhartige, valsche en lasterlijke aanval____eene poging tot moreele
sluipmoord.quot; Inplaats van de kwestie âvrijhandel of protectiequot; uit te vechten, ontwikkelden de lasthebbers van den Fair Trade League een doorwrocht systeem van persoonlijken eerroof, gericht tegen de Heeren Broadhurst, Howell, Shipton en andere leiders. Zoo werd bijvoorbeeld Mr. Broadhursts beheer van het fonds van 1872 ten behoeve der gasstokers, tot voorwendsel gemaakt van vage insinuaties over misbruik van vertrouwen, die wijd en zijd door de vakvereenigingswereld werden verspreid. Op het Congres van 1S81 werden de Fair 7'n^/V-gedelegeerden uitgeworpen, nadat gebleken was dat hunne kosten niet betaald werden door de vakvereenigings-organisaties, die zij heetten te vertegenwoordigen. Op het Congres van 1882 eindigde een hernieuwde aanval met de triomfantelijke overwinning van het Parlementair Comité, de volslagen rehabilitatie van Mr. Broadhurst en zijne collegas, en de beslissende nederlaag der Fair /h^/t'-gedelegeerden. -v
335
dan ook geen betrouwbare census van de opinie der vakvereeni-gingswereld tot resultaat. 4gt;
amp; In verband met het toenemende gevoelen van het Con
gres ten gunste van deelname der Engelsche vakvereenigingen aan internationale congressen, werd van een soortgelijk gebrek aan sympathie blijk gegeven. Op uitdrukkelijk bevel van het Congres zond het Parlementair Comité gedelegeerden naar de internationale bijeenkomsten van 1883 en 1886. Maar hoewel deze instructies werden uitgevoerd, deed het Parlementair Comité in zijne jaarverslagen blijken, dat het, verre van internationale actie te begunstigen, âvan de stelling uitging, dat zij (de Engelsche arbeiders) zoo goed georganiseerd en de buitenlandsche arbeiders zoo ver vooruit waren, dat weinig gedaan kon worden, totdat deze meer gelijk waren,quot; met de geschoolde werkers van Engeland. ') Het Congres van 1886 drojg niettemin het Parlementair Comité op, in het volgende jaar te Londen een internationaal congres bijeen te roepen. In plaats van gevolg te geven aan deze opdracht, publiceerde het Comité in Mei 1887 eene langwijlige brochure, waarin werd uiteengezet dat het, gezien dat de buitenlandsche arbeiders ongenegen waren zich eenige geldelijke opofferingen voor hunne vakvereenigingen te getroosten en het daaruit voortvloeiende gebrek aan degelijke arbeiders-organisaties, besloten had, de geheele kwestie opnieuw aan het aanstaande Vakvereenigings-Congres te onderwerpen. Toen het Congres in September 1887 te Swansea bijeenkwam, bleek weldra dat het Parlementair Comité, op dit stuk als op andere, geheel buiten verband met zijne kiezers stond. Ondanks den invloed van dc âvoorste bank,quot; werd eene resolutie ten gunste van een internationaal congres aangenomen; en het Comité slaagde er slechts in het congres te overreden beperkende maatregelen vast te stellen, die ten doel hadden de gedelegeerden der Duitsche Sociaal-Democratische Partij buiten te sluiten. Plet Internationaal Congres had in November 1888 te Londen plaats. Ondanks alle voorzorgen, bleek eene meerderheid der afgevaardigden op socialistisch standpunt te staan; Mevr. Besant, de Heeren John Burns, Tom Mann en Keir Hardie behoorden tot de P'ngelsche gedelegeerden. De stugge en onsympathieke houding van het Parlementair Comité, gaf aanleiding tot opgewonden en soms onverkwikkelijke debatten; en de genomen besluiten werden door het Comité behandeld als van hoegenaamd geene beteekenis.
4» Het netto resultaat van al deze dingen was, dat het
Parlementair Comité de intellectueele leiding der vakvereenigings-wereld geheel verloor. Het slaagde er niet in de nieuwe denkbeelden
lt;5gt; ') Verslag, uitgebracht op het Congres van 1884. Dit is weder een
voorbeeld van het prijsgeven der breedere opvattingen van Applegarth en Odger.
336
tegen te houden, noch ze in practische richting te leiden. Het officieele vakvereenigings-program wordt van 1885 tot 1889 voortdurend kleurloozer, in treffende tegenstelling met den snellen politieleen voortgang in het land, die de liberale partij jaar op jaar meer voorwaarts duwde, tot zij in 1891 het zoogenaamde âProgram van Newcastlequot; aannam. Dit program formuleerde de nationale zijde der half-collectivistische politiek, die onder den naam van Progressivismc in den Londenschen Graafschapsraad het Liberalisme vervangen had. Het Parlementair Comité deed niets dan stuk voor stuk de democratisatie der civiele en rechterlijke administratie, die de âvoorste bankquot; zoozeer ter harte ging, prijs geven, zonder deze te vervangen door de gezondere resoluties, die het Congres jaar op jaar aannam. Het grond-vraagstuk, waaromtrent vroeger krachtig werd aangedrongen op het scheppen van kleine grondbezitters, kromp ineen tot een onbeteekenenden eisch tot ongedefinieerde hervorming der landwetten, en verdween ten slotte geheel en al, toen het Congres zich principieel voor land-nationalisatie had verklaard. Het handhaven van den negen-urigen arbeidsdag en het verder verkorten van den arbeidsduur (een punt dat van 1875 tot 1879 vaak op de officieele agendas voorkwam) viel langzamerhand geheel en al uit, naar mate de nieuwe eisch tot wettelijke regeling-in kracht toenam. Om kort te gaan : het Comité moest noodzakelijkerwijze die punten van zijn program, welke in tegenstelling waren met de nieuwe denkbeelden van het Congres, prijs geven, terwijl het zich stilzwijgend onthield van de nieuwe resoluties, waarmede het persoonlijk niet instemde, er op te brengen. 4^ Het zou echter oneerlijk zijn, te beweren dat de officieele
leiders van het vakvereenigingswezen gedurende deze jaren absoluut niets nieuws tot stand brachten. Aan Mr. C. J. Drummond l) toen secretaris van de London Society of Compositors en lid van het Parlementair Comité, komt de eer toe de eerste stap gedaan te hebben tot de erkenning van regeeringswege van een standaard minimum-loon. Bij de herziening van het contract voor het rijksdrukwerk in 1884, verkreeg Mr. Drummond den steun van het Parlementair Comité voor eene poging om de regeering te bewegen het standaard-loon der Londensche zetters aan te nemen als grondslag voor het contract. Deze poging had voor een groot deel succes; maar het nieuwe contract werd niettemin gegund aan eene âgeslotenquot; firma, bij welke geen lid der vereeniging kon werken. De zetters lieten de zaak niet rusten. Toen de minister voor binnenlandsch bestuur (Mr. J. CllAMliERLAlN) in Januari 1886 eene
lt;3gt; ') Mr. Drummond, die in 1892 zijne functie van secretaris neerlegde,
werd in het volgend jaar benoemd in eene betrekking bij het Arbeids-departement van het Ministerie van Mandel.
337
22 - Sidney Wkuü.
circulaire verzond nopens de uitwerking der handels-malaise, antwoordde Mr. Drummond door uitdrukkelijk van de regeering de erkenning van het standaardloon in al hare handels-transactiën te eischen. Het denkbeeld verspreidde zich snel. Algemeen begon men te eischen, dat de overheden als werkgevers een goed voorbeeld zouden geven, door zelf vakvereenigingsloonen te betalen en van hunne contractanten hetzelfde te vorderen. Bij de algemeene verkiezingen van 1886 zagen de candidaten voor het parlement zich, op initiatief van de London Society of Compositors, ') voor het eerst ondervraagd of zij bereid waren voor âbillijke loonenquot; te ijveren; en het begon den verkiezings-agenten langzamerhand duidelijk te worden, dat vooringenomenheid kon worden gaande gemaakt, als hun verkiezings-literatuur het drukkersmerk van rat houses (onderkruipers-werkplaatsen) droeg. In October 1886 werd de handelwijze van het Londensche Schoolbestuur, dat met eene onderkruipers-firma voor zijn drukwerk gecontracteerd had, door de Londensche zetters bitter gelaakt, terwijl zij bovendien den London Trades Council bewogen er eene (nuttelooze) protest-deputatie op uit te sturen. Toen in November 1888 de verkiezingen voor het Londensche Schoolbestuur plaats hadden, werd Mr. A. G. Cook, een lid van de London Society of Compositors, in het district Finsbury uitdrukkelijk als een kampioen voor vakvereenigingsloonen gekozen; en twee leden der Fabian Society, Mevr. Annie Besant en de Eerw. Stewart Headlam, wonnen zetels als socialisten. Door hunne welsprekendheid en taktische bekwaamheid wisten deze leden in het begin van 1889 het Bestuur over te halen te verklaren, dat het voortaan van al zijne contractanten betaling van âbillijke loonenquot; zou eischen, een voorbeeld dat onmiddelijk gevolgd werd door den pas-gestichten Londenschen Graafschapsraad. 2) Het inslaan van deze nieuwe richting door de twee voornaamste besturende lichamen der hoofdstad, bracht veel bij tot het scheppen eener verstandhouding tusschen de ofifïciëele vakvereenigingsmannen en de nieuwe beweging. Het is onnoodig hier te beschrijven, hoe sinds dien het principe van âbillijke loonenquot; zich ontwikkeld heeft. Op dit oogenblik (1894) hebben ongeveer honderd en vijftig plaatselijke overheden de eene of andere resolutie nopens âbillijke loonenquot; aangenomen. In 1890, en nog uitdrukkelijker in 1893, hebben
lt;$gt; ') Zie hare circulaire van Juni 1886. lt;amp;
â 5» 2) Enkele op zich-zelf staande protesten tegen het in dienst nemen
van ongeorganiseerden komen reeds vroeger voor. Zoo blijkt uit de notulen van den lUrmingham Trades Council, dat den 3 Juli 1880, op voorstel van een gedelegeerde der schilders, eene motie werd aangenomen, waarin geprotesteerd werd tegen het in dienst nemen van âongeorganiseerde en onbekwame liedenquot; door het plaatselijke ziekenhuis. En in dezelfde maand had de Wolver/uuupton Trades Council met succes geprotesteerd tegen het te werk stellen van ongeorganiseerde drukkers aan eene nieuw-opgerichte liberale courant. O
33«
elkander opvolgende regeeringen het noodig gevonden, het oude beginsel van te koopen op de goedkoopste markt te verwerpen, ten gunste van het thans algemeen verspreide denkbeeld, dat besturende lichamen, als groote werkgevers, in plaats van zich niet te bemoeien met den toestand hunner geëmployeerden, hun invloed behooren aan te wenden tot het handhaven van het standaardloon en den standaard-arbeidsduur, door de betrokken vakvereenigingen erkend en werkelijk doorgevoerd. égt;
amp; Hoewel de âeerste bankquot; als geheel gedurende die jaren
hare taktiek van minachtende werkeloosheid handhaafde, was het, zooals wij gezien hebben, te bespeuren, dat de nieuwe denkbeelden begonnen door te dringen. Het was onder deze omstandigheden een ernstig ongeluk, dat de onvermijdelijke kritiek op het Parlementair Comité werd ingezet met een lagen aanval op het persoonlijke karakter en gedrag zijner leiders. ') l)c trouwe aanhankelijkheid van de meerderheid van liet Parlementair Comité aan de liberale partij, gaf gedurende de jaren 1887â89 aanleiding tot grove beschuldigingen van persoonlijke omkoopbaarheid. De algemeenc secretarissen der groote bonden, mannen die hun leven lang hunnen lastgevers trouw hadden gediend, zagen hun invloed ondermijnd, hun karakter aangevallen en hunne personen verdacht gemaakt, doordat over het geheele land laffe beschuldigingen van verraad aan de arbeidersklassen werden verspreid. Deze beschuldigingen werden maar al te gretig aangegrepen en herhaald door de jonge en ongeduldige recruten der nieuwe beweging, die niets wisten van de geschiedenis der mannen die zij aanvielen en van de door dezen bewezen diensten. In het jaar 1889 bereikte de strijd zijn hoogtepunt. Gedurende den zomer werden de aanvallen op het persoonlijk karakter van de âvoorste bankquot; verdubbeld. Toen de datum van het Vakvereenigings-Congres naderde, werd bekend dat door de socialistische gedelegeerden eene vastberaden poging gedaan zou worden om het Parlementair Comité van zijne functie te ontzetten. Het Congres kwam te Dundee bijeen en wierp zich onmiddelijk in een heftigen strijd, waarbij de socialisten totaal verslagen werden. De vaste bezoekers van het Congres waren, zooals wij gezien hebben, langzamerhand van de nieuwe denkbeelden doortrokken geworden en niet geheel en al tevreden met de wijze waarop het Parlementair Comité hunne resoluties veronachtzaamd had. Maar alle ontevredenheid of kritiek werd op den achtergrond gedrongen door de boosheid, door het karakter van den aanval opgewekt. Eene groote
4gt; ') Het voornaamste middel tot den aanval was de Labeur Elector,
een stuivers-weekblad, van September 1888 tot 1890 uitgegeven door Mr. H. H. Champion, een ex-oflicier der koninklijke artillerie, die een voornaam lid was geweest van de Social Democratic Federation, waaruit hij, wegens een verschil van taktiek, verbannen werd.
339
meerderheid der gedelegeerden kwam met het uitdrukkelijk mandaat Mr. Broadhurst en zijne collegas te steunen, en toen de stemming plaats had, stemden slechts n uit eene vergadering van 188 gedelegeerden tegen hem. De Katoenbewerkers, die voortdurend vóór arbeidswetgeving waren geweest; de Mijnwerkers, die een acht-urenwet eischten; de Londenaars, die van het middenpunt der socialistische agitatie kwamen â allen sloten zich aaneen ter verdediging van het Parlementair Comité. Het kleine troepje aanvallers werd volslagen in discrediet gebracht; en de zegepraal van de âoude bendequot; was volkomen.
4 De overwinning van het Parlementair Comité werd door
allen, die den vooruitgang der nieuwe denkbeelden vreesden, met voldoening begroet. Het zag er een oogenblik uit, alsof de georganiseerde vakvereenigingen van geschoolde ambachtslieden zich voor goed hadden afgescheiden van de nieuwe arbeiders-beweging die om hen heen opkwam. Zulk eene scheiding zou, onzes inziens, een bijna onherstelbare ramp zijn geweest. Het Vakvereenigings-Congres kon niet geacht worden meer dan tien percent van de loonarbeiders des lands te vertegenwoordigen. Vele der oude ver-eenigingen begonnen reeds ineen te krimpen tot onbeteekenende minderheden van superieure werklieden, en legden zich hoofdzakelijk toe op het verzekeren van uitkeeringen bij ziekte en invaliditeit. Een beslist buitensluiten van breedere idealen, zou de geheele vakvereenigings-organisatie gemakkelijk tot niets meer dan eene ietwat achterlijke afdeeling der uitkeerings-vereenigingen-beweging hebben doen worden. Dit gevaar werd afgewend door eene reeks dramatische gebeurtenissen, die de nieuwe beweging opnieuw binnen de gelederen der vakvereenigingen brachten. Op het oogenblik dat Mr. Broadhurst te Dundee over zijne vijanden zegevierde, waren de Londensche dokwerkers bezig de schitterende overwinning op hunne werkgevers te bevechten, die het geheele wezen der vakver-eenigingswereld veranderde. De groote dokwerkers-staking van 1889, was het hoogtepunt eener poging tot organisatie der ongeschoolde arbeiders, waarmede twee of drie jaren te voren te Londen was aangevangen. De ellende, door de werkelooze arbeiders tijdens de jaren van malaise geleden, en de door de socialistische propaganda opgewekte nieuwe hoopvolle geest, hadden aanleiding gegeven tot krachtige pogingen om de ontzaglijke horden ongeschoolde arbeiders der hoofdstad tot eene soort van organisatie te brengen. Aanvankelijk maakte deze beweging slechts weinig voortgang. In Juli 1888 echter wekte de hardvochtige behandeling die de lucifersmaaksters ondervonden, de brandende verontwaardiging op van Mevr. BESANT, die toen The Link (De Schakel) redigeerde â een weekblaadje, dat aan den strijd om Trafalgar Square zijn ontstaan te danken had. Een vurig hoofd-artikel had het onverwachte gevolg de lucifers-
340
meisjes tot verzet te brengen; en 672 harer staakten den arbeid. Zonder kas en zonder organisatie, scheen de strijd hopeloos. Maar door de onvermoeide energie van Mevr. besant en Mr. herbert Burrows werd de publieke opinie gaande gemaakt, op eene wijze als nooit te voren werd aanschouwd. Vier honderd pond sterling werd door honderden sympathiseerenden van alle standen bijeengebracht. En na twee weken koppig te zijn geweest, werden de werkgevers, louter door de pressie der openbare meening, gedwongen hunne werksters eenige concessies toe te staan. lt;«⺠De overwinning der lucifers-meisjes opende eene nieuwe
bladzijde in de vakvereenigings-annalen. Tot-nog-toe was het behaalde succes bijna altijd evenredig geweest aan de macht der arbeiders. Het was iets nieuws, te ervaren dat de zwakken juist door hunne zwakte overwonnen, door middel van het tusschenbeide-komen van het publiek. De les ging voor andere groepen arbeiders niet verloren. De Londensche gasstokers werden georganiseerd door de Heeren Burns, Mann en Tillet, bijgestaan door Mr. William Tiiorne, zelf een gasstoker en een uiterst eerlijk en bekwaam man. De Gas-workers and General Labourers'' Union (Bond van Gaswer-kers en Algemeene Arbeiders) gesticht in Mei 1889, telde spoedig vele duizenden leden, die in de eerste dagen van Augustus gelijktijdig eene verkorting van hunnen arbeidsdag van twaalf tot acht uren eischten. Na eene korte poos van acute spanning, gedurende welke de directeuren der drie groote Londensche gasfabrieken hunne kracht toetsten, kregen vredelievende raadgevingen de overhand en de acht-urige arbeidsdag werd, tot de algemeene verbazing der arbeiders zoowel als van het publiek, zonder strijd toegestaan en ging zelfs vergezeld van eene kleine verhooging der weekloonen. ') 4gt; Het succes van ongeorganiseerde en ongeschoolde arbei
ders als de Lucifersmaaksters en de Gasstokers, gaf aanleiding tot hernieuwde pogingen om het groote leger der dokwerkers in de gelederen van het vakvereenigingswezen te brengen. Gedurende de beide voorafgaande jaren waren de voornaamste Londensche socialisten gewend in de vroege morgenuren naar de poorten der dokken te reizen, om het georganiseerde verzet te prediken aan de massa losse arbeiders, die daar om werk vochten. Ondertusschen besteedde Mr. Benjamin Tillett, die toen als arbeider in de
') De arbeiders in dienst van twee der Londensche gas-maatschappijen en van de meeste provinciale gemeentelijke gasfabrieken, hebben dit voorrecht behouden. Maar in December 1889 stond de South Metropolitan Gas Company (de grootste der drie Londensche gas-maatschappijen, Vert.) er, na eene ernstige werkstaking op, dat de ploegen van twaalf uren weder zouden worden ingevoerd. Een schema van aandeel in de winst werd gebezigd om de organisatie der arbeiders te vernietigen en hen te bewegen individueele overeenkomsten, onbestaanbaar met het vaststellen der arbeidsvoorwaarden door de organisatie, aan te gaan.
341
theepakhuizen werkte, zijne krachten aan de schijnbaar hopelooze taak van een Teaworkers and General Labourers' Union (Kond van Theewerkers en Algemeene Arbeiders) te grondvesten. Het ledental dier vereeniging schommelde tusschen 300 en 2500; zij had feitelijk geene kas; en haar bestaan scheen onzeker. Plotseling kreeg de organisatie een nieuwen stoot. Op 12 Augustus 1889 gaf een onbeteekenend geschil over de hoeveelheid plus (of oververdienste boven en behalve de vijf stuivers per uur) op eene zekere scheepslading, aanleiding tot eene spontane werkstaking van de arbeiders in het South- West India Doek. De arbeiders eischten zes stuivers per uur, afschaffing van onderbesteding en stukwerk, extra-loon voor overwerk en het in dienst nemen voor minstens vier uren. Mr. TiLLET riep zijne vrienden Tom Mann en John burns te hulp en wekte de geheele massa der dokwerkers op, deel te nemen aan den strijd. De werkstaking breidde zich snel uit tot alle dokken benoorden den Theems. Binnen drie dagen hadden tien duizend werklieden als één man den arbeid neergelegd â den schaarsen en slecht-betaalden arbeid, dien zij slechts konden krijgen door er morgen op morgen aan de poorten der dokken om te vechten. De twee sterke vereenigingen van stuwadoors (de beter-betaalde, geschoolde arbeiders, die de schepen laden voor den uitvoer) kozen de partij der dokwerkers en in den loop der volgende week had ongeveer alles dat aan de rivier arbeidt zich bij de staking aangesloten. Onder den begeesterenden invloed en de uitnemende leiding van Mr. john Burns â eigenschappen die hem in de beide halfronden als leider der arbeiders beroemd hebben gemaakt â was het verkeer van de grootste haven der wereld meer dan vier weken lang volslagen verlamd. Een electrische vonk van sympathie met de arme dokwerkers wekte de geestdrift van alle klassen dei-gemeenschap op. De algemeene afkeuring belette de dok-maatschappijen voldoende onderkruipers aan te werven om zelfs maar de plaatsen der stakende ongeschoolde arbeiders in te nemen. Eene openbare inschrijving van 48.736 pond sterling stelde Mr, Burns in staat een goed-geregeld stelsel van stakings-uitkeering te orga-niseeren, waardoor niet alleen de eerlijke dokwerker gesteund, doch ook iederen straatslijper van Oost-Londen omgekocht werd zijne diensten niet aan te bieden. En eindelijk stelde de geconcentreerde pressie van redacteuren, geestelijken, aandeelhouders, reeders en kooplieden Kardinaal Manning en Mr. Sydney Buxton, M. P., als zelf-aangestelde bemiddelaars, in staat, de dok-directeuren te bewegen ongeveer alle eischen der arbeiders in te willigen; eene tijdruimte van zes weken werd toegestaan, om daarbinnen de regelingen te treffen. Evenals in het geval der lucifers-meisjes in het vorige jaar, was het merkwaardigste kenmerk der dokwerkers-staking de bijna algemeene sympathie met de eischen der arbeiders.
342
Eene praktische uiting dier sympathie werd door de Australische arbeiders gegeven. De Australische couranten publiceerden telegrafische mededeelingen over het conflict, benevens beschrijvingen van de grieven der dokwerkers, hetgeen een ongekend en onverwacht gevolg had. Openbare inschrijvingen ten behoeve der Lon-densche dokwerkers werden in de voornaamste steden van het Australische vasteland geopend en geld stroomde van alle kanten toe. Meer dan 30.000 pond sterling werd telegrafisch naar Londen overgemaakt â- eene absoluut eenige bijdrage voor het stakingsfonds, die veel bijbracht tot het behalen der ten slotte bereikte overwinning. ') ^
4gt; Het onmiddelijk gevolg van het succes der dokwerkers
bestond in de stichting van een groot aantal vakvereenigingen onder de ongeschoolde arbeiders. Afdeelingen van den Dock, Wharf, and Riverside Labourers' Union (Bond van Dok-, Werf- en Rivierarbeiders), waarin Mr. Tilletts kleine vereeniging nu was omgezet geworden, werden in de voornaamste havens gevestigd. Eene con-curreerende vereeniging van dokwerkers, te Liverpool gevestigd, kreeg te Glasgow en Hel fast duizenden leden. De ongeschoolde arbeiders van Newcastle sloten zich aan bij den Tyneside and National Labour Union, die zich spoedig uitbreidde tot alle naburige steden. Tot den Gaswerkersbond traden tienduizendtallen arbeiders van allerlei soort in de provincie-steden toe. The General Railway Workers Union (Algemeene Spoorwegwerkersbond), oorspronkelijk opgericht (in 1889) als een concurrent van den Amalgamated Society of Railway Servants, nam groote aantallen algemeene arbeiders in zich op. De National Amalgamated Sailors and Firemen s Union (Nationale Gemengde Bond van Zeelieden en Stokers, 3) gesticht
4 4
') Deze werkstaking had het geluk onmiddelijk geschiedschrijvers te vinden, die zeifin alle phasen van den strijd betrokken waren. The Story of the Dockers* Strike door de Heeren H. Llewellyn Smith en Vaughan Nash (Londen 1890, 190 pag.^, geeft niet alleen eene breedvoerige kroniek der hoogst dramatische gebeurtenissen, doch ook eene nuttige beschrijving van de organisatie der Lon-densche dokken. lt;$gt;
^ 3) Kortstondige en onstuimige organisaties van zeelieden hebben
gedurende de laatste honderd jaren, bizonderlijk tusschen 1810 en 1825 aan de noord-oostkust bestaan, waar ook vele zeelieden-uitkeeringsclubs gevestigd waren. Dan wordt beweerd dat in 185 [ eene wijd-vertakte nationale organisatie van zeelieden bestaan heeft, die tusschen Peterhead en Londen 25 afdeelingen had en 30.000 leden telde. Dit blijkt eene losse federatie van feitelijk autonome haven-vereenigingen te zijn geweest, die gedurende enkele jaren eene krachtige agitatie onderhield tegen hatelijke artikelen in de koopvaardij-wetten van 1851â54 en voor de grieven der zeelieden in rechten opkwam. In 1879 werd de nog bestaande North of England's Sailors and Seagoing Firemen's Friendly Association (Zeelieden- en Zeevarende Stokers-Uitkeerings-vereeniging van Noord-Engeland) gesticht, doch slaagde er niet in, zich buiten Sunderland staande te houden. In 1887 stichtte haar energiekste lid, Mr. J. Havelock Wilson, overtuigd dat slechts eene landelijke organisatie doeltreffend kon zijn. denIWxtional Amalgainatcd
343
in 1887, bereikte in 1889 een ledental van 65.000. Binnen een jaar na de overwinning der dokwerkers werden misschien 200.000 arbeiders in de gelederen der vakvereenigingen ingelijfd, gerecni-teerd uit groepen der arbeiderswereld, die vroeger als ongeschikt tot organisatie veronachtzaamd werden. Al deze vereenigingen werden gekenmerkt door lage contributiën en alles-omvattend lidmaatschap. Zij wijdden zich aanvankelijk in de eerste plaats, zoo niet uitsluitend, aan behartiging van vakbelangen en hadden in groote mate politieke bedoelingen. De hen kenmerkende geest wordt snedig uitgedrukt door de resolutie van het Congres van den General Railway Workers' Union van 19 November 1890: âDat de Bond eene strijdbare organisatie zal blijven en niet bezwaard zal worden met eenig fonds tot uitkeering bij ziekte of ongeval.quot; âWij hebben op het oogenblik,quot; rapporteert de algemeene secretaris van den National Union of Gas-workers and General Labourers in November 1889, âeen van de sterkste bonden in Engeland. Het is waar: wij bezitten slechts één uitkeeringsfouds, en dat is de weerstandskas. Ik geef niets om zieken-uitkeering, werkeloozen-uitkeering en een aantal andere uitkeeringen .... Het streven en het doel van, dezen Bond bestaat uitsluitend in de vermindering van de werkuren en van den Zondagsarbeid.quot; l)
Een vloedgolf van vakvereenigingswezen, in omvang te vergelijken met die van 1833â34 en 1873â74, drong nu in alle hoeken der Britsche nijverheid door. Reeds in 1888 had de herleving van handel en nijverheid tot eene aanmerkelijke toename van het ledental der vakvereenigingen geleid. Deze normale groei ontving nu door de sensationeele gebeurtenissen van de dokwerkersstaking een krachtigen stoot. Zelfs de oudste en meest aristocratische vereenigingen werden door het levenwekkende vuur der nieuwe leiders beroerd. De elf voornaamste vereenigingen in de scheepsbouw* en metaal-bedrijven, die sinds 1885 achteruit-gaande waren, namen van 115.000 op het einde van 1888 tot 130.000 in 1889, 145.000 in 1890 en I55-000 'n 1891 toe. De tien grootste vereenigingen in de bouwvakken, die tusschen 1885 en 1888 eveneens in getalsterkte waren achteruitgegaan, stegen van 57.000 in 1888 tot 63.000 in 1889, 80.000 in 1890 en 94.000 in 1891. In zekere op-zichzelf-staande vereenigingen was de uitbreiding van het ledental gedurende die jaren zonder voorbeeld in hunne geschiedenis. Wij
Sailors and Firemen's Union, die hij door zijn handig en volhardend bewerken van parlementsleden tot eene effectieve parlementaire macht heeft gemaakt. (Wilson, hier welbekend door zijn optreden in de Rotterdamsche bootwerkersstaking van 1896, is sinds 1895 zelf lid van het parlement voor het district Middlesborough. Vert.). lt;agt;
') Toespraak tot de leden in het eerste half-jaarlijksche verslag (Londen 1889). 4
344
hebben reeds melding gemaakt van de snelle opkomst tusschen 1888 en 1891 van dien modernen kolos onder de vak-organisaties, de Miners' Federation. De in 1848 gestichte Operative Society of Bricklayers (Metselaars-Vereeniging) groeide van eene vrij station-naire 7000 in 1888 tot meer dan 17.000 in 1891. De National Society of Boot and Shoe Operatives (Nationale Vereeniging van Laarzen- en Schoenmakers) in 1874 gesticht, ging vooruit van 11.000 in 1888 tot 30.000 in 1891. En, om ons tot eene geheel andere nijverheid te wenden, de Amalgamated Society of Railway Servants, eene vak-uitkeerings-verceniging van het oude type, in 1872 opgericht, steeg van 12.000 in 1888 tot 30.000 in 1891. 1) De uitbreiding bleef trouwens niet beperkt tot eene eenvoudige stijging van het ledental. In alle richtingen verrezen nieuwe Trades Councils, terwijl tot de reeds bestaande de vereenigingen, die er vroeger deel van hadden uitgemaakt, weder toetraden. Federaties van vereenigingen in aan elkander verwante vakken werden op getouw gezet en concurreerende vereenigingen in een-zelfde vak zetten hunnen wedijver op zijde en vormden plaatselijke gemengde commissies. ^
4igt; De overwinning der Londensche dokwerkers en den stoot
dien zij het vakvereenigingswezen door het geheele land gaf, openden eindelijk de oogen der vakvereenigingswereld voor de beteekenis der nieuwe beweging. Het was het Parlementair Comité niet langer mogelijk de socialisten voor een stel intriganten uit te krijten, waar de Heeren Burns en Mann, die nu de vertegenwoordigende socialisten geworden waren, aan het hoofd stonden eener massa van 200.000 tot-nog-toe ongeorganiseerde werklieden. De algemeene secretarissen der oudere vereenigingen, die achter de âvoorste bankquot; eene aaneen-gesloten officiëele partij vormden, keerden zich meer en meer tot de vooruitstrevende partij. Hunne lastgevers werden van het socialisme doortrokken. In vele gevallen steunden de oude leden nu het nieuwe geloof. In andere gevallen zagen zij zich overstelpt door den nieuwen toevloed tot hun ledental, dat, zooals wij gezien hebben, het gevolg der algemeene uitbreiding was. Het bekeerings-proces werd vergemakkelijkt door de oprechte bewondering, die de geheele vakvereenigingswereld voelde voor de groote organiseerende en leiders-talenten, aan den dag gelegd door de leiders der nieuwe beweging, en door het eindigen van het persoonlijke beleedigen en over en weer beschuldigen, dat tot-nog-toe de polemiek ontsierd had. Op het Congres te Dundee in 1889 hadden, zooals wij gezien hebben, Mr. Broadhurst en zijne collegas van het Parlementair Comité over de geheele
') Het ledental dier drie vereenigingen is thans als volgt: Metselaars 23.000, Laarzenmakers 34.000, Spoorwegvverkers 60.000. (Vert.) ^
345
linie gezegevierd. Binnen een jaar was de toestand volslagen veranderd. De Steenhouwers, Mr. Broadhursts eigen vereeniging, had zich bij referendum ten gunste eener acht-urenwet uitgesproken en onder deze omstandigheden moest Mr. BrüADHURST noodzakelijkerwijze weigeren als hun vertegenwoordiger op te treden. Het Hoofdbestuur van den Amalgamated Society of Engineers koos de Ileeren Burns en Mann als twee zijner vijf gedelegeerden en gaf allen het bindend mandaat, vóór wettelijke beperking van den arbeidsduur te stemmen. De beide oude, gevestigde Timmerlieden-vereenigingen gaven een gelijksoortig mandaat. De Miners' Federation leidde ditmaal den aanval tegen de âvoorste bankquot; en de resolutie ten gunste van eene algemeene acht-urenwet werd, na een heftig debat, aangenomen met 193 tegen 155 stemmen. Mr. BkOADllURST legde wegens gezondheidsredenen zijne functie als secretaris van het Parlementair Comité neder. ') Mr. George ShipïON, de secretaris van den London Trades Council, verklaarde in het openbaar dat hij tot de wettelijke regeling van den arbeidsduur bekeerd was. Het Congres te Liverpool was eene even beslissende overwinning voor de socialisten, als dat te Dundee geweest was voor het Parlementair Comité. De gedelegeerden namen zestig resoluties aan. âVan deze zestig resoluties,quot; zeide JOHN BURNS, âwaren vijf en veertig niets minder dan rechtstreeksche beroepen op den staat en de gemeente-besturen des lands, om voor den arbeider datgene te doen, waartoe het vakvereenigingswezen, het âoudequot; en het,,nieuwe,quot; gebleken is niet in staat te zijn. Vijf en veertig van de zestig resoluties vroegen bemoeiing van staat of gemeente ten behoeve der zwakken tegen de sterken. âOudequot; vakvereenigingsmannen van Lancashire, Northumberland en Birmingham kwamen op voor evenveel van die resoluties als de gedelegeerden van Londen; maar het is een merkwaardig en veel-beteekenend feit, dat 19 van de 20 gedelegeerden waren ten gunste van de ânieuwequot; vakvereenigings-begrippen van staats-bemoeiïng in alle aangelegenheden behalve vermindering van arbeidsduur, en zelfs op dat stuk verkregen wij eene meerderheid, die ons, socialisten, zeker het recht geeft te juichen over ons succes.quot; amp;
Maar terwijl het nieuwe geloof aanvaard werd door de massa der vakvereenigingsmannen, had het karakter der socialis-
lt;ugt; ^
lt;Sgt; ') Gelukkig is de vakvereenigingswereld niet blijvend van Mr. Broad
hursts diensten beroofd gebleven. Hij is op zijne houding ten opzichte der wettelijke beperking van den arbeidsduur terug gekomen en is nu (1894) een der vooruitstrevendste leden van het Parlementair Comité, waarin hij op het Congres te Belfast in 1893 gekozen werJ, met een stemmental dat slechts bij dat van Mr. John Burns achterstond. (Hroadhurst is sinds eenige jaren lid van het parlement. Vert.). lt;5»
') Speech delivered bij John Burns on the Liverpool Congress, Sept. 21, 1890 (Londen 1890, 32 pag.). 4
346
tische propaganda ecne gelijksoortige verandering ondergaan. Met collectivistisch standpunt was tot-nog-toe in hoofdzaak door de Social-Democratic Federation, waarvan de Heeren Burns en Mann actieve leden waren, vertegenwoordigd gevonden. Onder den over-heerschenden invloed van Mk. H. M. Hvndman aanvaardde dit genootschap den economischen grondslag en de politieke organisatie van het staats-socialisme. Ondanks dat zien wij, nevens dit moderne standpunt, eene duidelijke herleving der karakteristieke plannen van het revolutionnaire Owenisme van 1833â34. Bij het bestu-deeren der jaargangen van Justice tusschen 1884 en 1889 wordt men getroffen door de onbewuste gelijkenis van vele der denkbeelden en veel van de fraseologie der medewerkers, met die van den Poor Mail s Guardian en den Pioneer van 1834. Wij doelen hier niet op de herleving, in 1885, van den ouden eisch van een acht-urenwet, een maatregel die bij beide gelegenheden als een âeenvoudig tijdelijk middelquot; werd beschouwd. Evenmin behoeven wij de voortdurende bewering, zoowel van Robert Owen als van de sociaal-democratische sprekers, aan te duiden, dat het aanvaarden van de theorie der arbeidswaarde gelegenheid zou geven tot het oplossen van het ,,werkeloozenquot;-probleem, door het organiseeren van den wederzijdschen ruil hunner onverkoopbare producten. Maar zoowel in Justice als in de Pioneer zien wij hetzelfde ongeloof in afzonderlijk optreden van zekere vakvereenigingen, in tegenstelling met eene organisatie, omvattende âalle vakken, geschoold en ongeschoold, van alle nationaliteiten onder de zon.quot; ') âDe werkelijke bevrijding van den arbeid,quot; zegt het officiëele manifest van de Social-Democratic Federation aan de vakvereenigingen van Groot-Brittanje, in September 1884, âkan slechts geschieden door het plechtige bondgenootschap van millioenen menschelijke wezens, in eene federatie, zoo breed als de beschaafde wereld.quot; 2) âDe tijd voor het optreden van op-zichzelf-staande vakken,quot; lezen wij in 1887, âis voorbij .... Niets kan voor de arbeiders als klasse gewonnen worden, zonder de volmaakte organisatie van arbeiders van alle rangen, geschoold en ongeschoold.... Wij doen daarom een ernstig beroep op de bekwame ambachtslieden van alle vakken, zoowel georganiseerde als ongeorganiseerde, om gemeene zaak te maken met hunne ongeschoolde broederen en met ons, sociaal-democraten, opdat de werkers zelf de productie-middelen in bezit kunnen nemen en eene samenwerkende gemeenschap voor zich en voor hunne kinderen organiseeren.quot; 3) En zoo al de âwetenschappelijke socialistenquot; van 1885 logisch het stelsel van beheer der industrie door O £â gt;
lt;$gt; ') Justice van 7 November 1885. «C1
2) Afgedrukt in Justice van 6 September 1884. ^
â quot;I The Decay of Trade Unions, door H. M. Hvndman, in Justice
van 18 Juni 1887. amp;
347
beambten der geheele gemeenschap toegedaan moesten zijn, zien wij niettemin voortdurend, in het bizonder onder de arbeiders-leden, Owens vierkant tegenovergesteld voorstel opduiken, dat de werkers moeten âhun eigen fabrieken bezitten en bij stemming uitmaken wie hunne directeuren en leiders zullen zijn.quot; ') Boven alles zien wij hetzelfde geloof in de nabij-zijnde en onvermijdelijke komst eener plotselinge revolutie, wanneer âslechts eene aaneengesloten minderheid zal noodig zijn om van een of ander gelegen-komend voorval, dat zeker komen zal, gebruik te maken tot omverwerping van het huidige stelsel en om eens en vooral de zwoegers op te heffen uit hunne tegenwoordige sociale degeneratie.quot; 2) âDe edele Robert Owen,quot; zegt Mr. Hyndman in 1885, âbespeurde zeventig jaar geleden âde volslagen onmogelijkheid van den toestand onzer bevolking door halve maatregelen blijvend te verbeteren.quot; Wij zien dezelfde waarheid, zoo mogelijk nog duidelijker, ook nu. Maar de revolutie, die in zijn tijd onvoorbereid was, is thans rijp en
gereed____Niets minder dan eene revolutie, die de voortbrengers
van den rijkdom in het bezit van hun eigen land zal stellen, kan met mogelijkheid de zaken ten goede doen veranderen .... Zal zij vreedzaam zijnf Wij hopen van wèl. Met hangt niet van ons af. Maar vreedzaam of gewelddadig, de groote sociale revolutie der negentiende eeuw is nabij, en als vechten noodig mocht zijn, kunnen de arbeiders ten minste denken aan de diepe historische waarheid dat âgeweld de vroedmeester van den vooruitgang is, die de oude maatschappij, zwanger van de nieuwe, verlost,quot; en overwegen dat zij strijden voor de eindelijke omverwerping eener tyrannie, vernederender dan de ergste slavernij der oude tijden.quot; 8) âLaat het onze taak zijn,quot; schrijft hij in 1887, âte helpen de arbeiders der geheele wereld te vereenigen voor den grooten klassenstrijd tegen hunne uitbuiters. Geen beter tijdstip kon voor het grondvesten van zulk een internationaal optreden op een degelijken grondslag gekozen worden dan het jaar 1889, dat de bezitters met beven, de bezitloozen met hoop zien naderen. Ik beveel geen overhaaste uitbarsting aan, geen onrijpe en gewelddadige poging van den kant des volks tot verwezenlijking van het volledige sociaal-democratische program. Maar ik zeg wèl, dat wij, als de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij van Groot-Brittanje, vanaf dit oogenblik alles in het werk moeten stellen om ons deel bij te
lt;$â ') The Trade Union Congress, door John Burns, in Justice van 12
September 1885. 4!gt;
O J) Justice van 11 Juli 1885. 4quot;
â 3) Justice van 18 Juli 1885. De overeenstemming tusschen doel en
middelen der beide bewegingen wordt elders werkelijk bevestigd; zie Socialism in 'j4, in Justice van 19 April 1884 en de uittreksels uit de Ãwensche bladen in het nummer van 25 Juli 1885. 4-
348
dragen aan de viering van den Eersten Honderdsten Verjaardag der groote Fransche Revolutie door het intern.'itionale proletariaat en ons aldus voorbereiden tot eene volslagen Internationale Sociale Revolutie vóór het einde der eeuw. 1) 4
Het jaar 1889, inplaats van eene âvolslagen Internationale Sociale Revolutiequot; door een wereld-verbond der arbeiders in te leiden, leidde den stroom der socialistische propaganda van revolutionnaire naar constitutioneele beddingen. Het optreden der politieke democratie had het plan van âeen gemeenschappelijken aanval, door de arbeiders van alle vakken en rangen, op het moorddadige monopolie der minderheidquot; 2) tot onbepaalden tijd verschoven. Eén enkel oogenblik, op het meest kritieke moment van den strijd der dokwerkers, flikkert het denkbeeld eener âalgemeene werkstakingquot; op â om weldra als onuitvoerbaar verlaten te worden. Toen de administratieve vraagstukken door de nieuwe leiders daadwerkelijk moesten worden onder de oogen gezien, werden de speciaal Owensche eigenschappen der socialistische propaganda kalm achterwege gelaten. In 1889 werd Mr. John Burns tot lid van den Londenschen Graafschapsraad gekozen en zag zich weldra bezig het begin van een bureaucratisch gemeentelijk collectivisme te organiseeren, even ver verwijderd van Owens ânationale vennootschappenquot; als van de begrippen der Manchester-school. Mr. Tom Mann kon, als voorzitter van den Dokwerkersbond, niet anders dan inzien hoe ondoenlijk het was zijne werkelooze, slechts aan sjouwerswerk gewende leden, het brood en de kleederen, waaraan zij behoefte hadden, voor onderlingen ruil te laten vervaardigen. En hetzij arbeidend in gemeentelijke commissiën, of in het hoofdbureau van een grooten bond, moesten zoowel Mr. Burns als Mr. Mann noodzakelijkerwijze ervaren, dat het onmogelijk was eene plotselinge en gelijktijdige verandering in de sociale of industriëele organisatie der geheele gemeenschap, of zelfs van ééne stad of één vak, teweeg te brengen. 4»
Onder deze omstandigheden is het misschien niet verwonderlijk, dat de Heeren Burns en Mann de Social-Democratic Federation verlieten en zich door hunne oude kameraden heftig aangevallen zagen. 8) Met den afval der nieuwe unionisten hield het revolutionnaire socialisme op te groeien; en de propaganda van constitutioneel optreden werd de kenmerkende eigenschap der Engelsche socialistische beweging. Verre van het vakvereenigings-wezen of de coöperatie aan te vallen of gering te schatten, betoogden
lt;5gt; ') Justice van 6 Augustus 1887. O
t» ') Justice van 25 Juli 1885. lt;3gt;
3) Vanaf 1889 zijn de kolommen van Justice vol van verwijten en
beleedigingen aan het adres der leiders van het nieuwe unionisme. 4gt;
349
de constitutioiieele collectivisten dat het een eerste plicht van iederen arbeider-socialist was lid te worden zijner vakvereeniging, toe te treden tot de plaatselijke coöperatieve vereeniging en in het algemeen zoo actief mogelijk deel te nemen aan alle organisaties. Inplaats van gedeeltelijke hervormingen uit te maken voor boosaardige pogingen om ,,de sociale revolutiequot; te dwarsboomen, drongen de leiders der nieuwe unionisten er bij hunne volgelingen op aan, hunne eigen vertegenwoordigers te brengen in districts- en gemeenteraden, en in het algemeen hunnen invloed als kiezers aan te wenden tot het op geregelde en constitutioiieele wijze teweegbrengen van die veranderingen waarbij zij het meest belang hadden. Inplaats van lasteringen tegen het persoonlijk karakter der vakvereenigings-leiders te verspreiden, overstroomden zij de vakvereenigingswereld met socialistische literatuur, niet zoozeer bestaande in rhetorische opwekkingen of utopische aspiraties, als wel in economische uiteenzettingen der actueele grieven van het industriëele leven. De vage resoluties der Vakvereenigings-Congressen werden in practische onclerdeelen uitgewerkt, of zelfs belichaamd in wetsontwerpen, tot welker indiening het plaatselijke parlementslid uitgenoodigd, of tot steun waarvan hij gedreven kon worden.
4gt; De nieuwe taktiek, die gevolgd werd door op den voor
grond tredende socialisten als de Heeren Burns, Mann en Tillett, en Mevr. Eesant, bleek vanaf 1889 door haar toenemend succes gerechtvaardigd te worden. De collectivistische overwinningen in het Londensche Schoolbestuur en den Graafschapsraad, de gestadige vooruitgang van gemeentelijke activiteit en de toenemende invloed, uitgeoefend door arbeiders-leden van vertegenwoordigende lichamen, brachten er veel toe bij om zoowel socialisten als vakvereenigings-mannen te overtuigen, dat de eenige uitvoerbare manier om het bezit en beheer der productie-middelen in handen der gemeenschap te brengen, bestond in het steeds verder uitbreiden der landelijke en gemeentelijke organisatie van openbare diensten, in welker richting het parlement en de gemeenteraden reeds de eerste stappen hadden gedaan. In die industriën, waarin landelijk of gemeentelijk beheer nog niet mogelijk was, eischten de socialisten zulk eene regeling der arbeidsvoorwaarden, dat iederen arbeider een minimumlevensstandaard verzekerd zou zijn. De uitbreiding der fabriekswetten en de scherpere toepassing der gezondheidswet, ontvingen dientengevolge een nieuwen stoot. In eene andere richting werd de sterke belasting van pacht en interest, waarop zoowel land-nationalisators als socialisten aandrongen, daardoor gerechtvaardigd, dat zij ten slotte zou moeten voeren tot het absorbeeren van alle onverdiende inkomens. In het kort: vanaf 1889 zijn de voornaamste pogingen der Kngelsche socialistische beweging gericht geweest, niet op het teweegbrengen eener revolutie, doch op het bevruchten van alle
350
bestaande krachten der maatschappij met collectivistische idealen en collectivistische beginselen. 1)
4gt; Met het optreden van het ânieuwe unionismequot; van
1889â90 sluiten wij het historische gedeelte van ons werk. Het is natuurlijk onmogelijk nu reeds uit te maken in welk eene mate en in hoeverre de vakvereenigings-beweging blijvend door de nieuwe beweging is beïnvloed geworden. Evenmin is het gemakkelijk op dit oogenblik den juisten aard der nieuwe beweging-zelf te benaderen. Wij kunnen den navorscher in deze richting niets aanbieden dan een kort relaas van hetgeen ons nu, in 1894, in de eerste plaats de voorbijgaande kenmerken, in de tweede plaats de duurzame resultaten van eene vlucht, welker kracht nog niet geheel verbruikt is, schijnen te zijn. 4»
4tgt; Indien wij enkele der geestdriftigste apostelen van het
ânieuwe unionismequot; geloofden, zouden wij ons verbeelden dat eene militante vakvereeniging van ongeschoolde arbeiders, onbelast met uitkeerings-fondsen, eene voorbeeldelooze gebeurtenis in de geschiedenis der arbeiders-organisatie was. Zij die tot dusver onze geschiedenis gevolgd hebben, weten beter en zullen eene dergelijke illusie, die zélf eene oude eigenaardigheid van de oplevings-periodes van het vakvereenigingswezen is, niet koesteren. De zuivere vrt/tvereeniging is zoo oud als het vakvereenigingswezen zelf. In den geheelen loop van de geschiedenis der beweging vinden wij de beide vereenigings-types nevens elkander bestaan. Bij bizondere keerpunten in de annalen van het vakvereenigingswezen, zien wij de eene of andere dier types de leiding nemen en het ânieuwe unionismequot; dier periode worden. Zoowel de vak-vereeniging als de uitkeerings-vereeniging met vak-doeleinden waren in de achttiende eeuw algemeen. Wettelijke onderdrukking van
O ') In deze ontwikkeling moet eenig deel worden toegeschreven aan
de Fabian Society, die, in 1883 gesticht, in 1887 een toenemende invloed op de opinie der arbeiders begon uit te oefenen. De uitgave (in 1889) van de Fabian Essays in Socialism, het verspreiden tusschen 1887 en 1893 van drie kwart miliioen exemplaren van hare serie Fabian Tracts, en het houden van ettelijke duizenden voordrachten per jaar in Londen en andere industriëele centra, hebben iets gedaan om eene practische en constitutioneele politiek van collectivistische hervormingen in de plaats der vroegere revolutionnaire propaganda te stellen. Tom Mann, Ben Tillett en andere vakvereenigings-leiders hebben sinds 1889 behoord tot de leden der moeder-/'V/'M« Socic/y, terwijl de negentig onafhankelijke plaatselijke Fabian Societies in de provinciale centra gewoonlijk vele der gedelegeerden naar de lokale Trades Councils onder hunne leden tellen. Een en ander omtrent de vereeniging en haar werk is te vinden in /.um Socialen Frieden van Dk. von Schulzeâ-Gaevernitz (Leipzig 1891, 2 deelen). Waar wij zelf leden der Vereeniging zijn, voelen wij ons zelf niet in staat de hoegrootheid te schatten van den invloed, die zij op de in den tekst beschreven verandering heeft uitgeoefend. Een oppervlakkig overzicht der meenings-ontwikkeling komt voor in Socialism in England, door sidney Weisu (Londen, eerste druk 1889, tweede druk 1S93.. lt;3gt;
351
vak-combinatie bracht de zich als uitkeeringsclub voordoende vak-vereeniging op den voorgrond; en het was hoofdzakelijk voor organisaties van dat type, dat Place en Hume de vrijmaking van 1824â25 wonnen. In 1833â34 zien wij Place den groei der nieuwe vakvereenigingen zonder uitkeerings-fondsen als eene onheilspellende nieuwigheid betreuren. Twintig jaren later zien wij de eerste plaats weder innemen door den ânieuwen vormquot; eener doorwrochte vak-uitkeerings-vereeniging, die gedurende eene geheele generatie door de werkgevers heftig, als een aan den spaarzamen werkman gepleegd bedrog, werd uitgekreten. Het ânieuwe unionismequot; van 1852, door een vriendschappelijk criticus als Prof. Beesly als iets geheel nieuws beschreven, is op zijn beurt het âoude unionismequot; van 1889 geworden, nu de meer vooruitstrevende geesten zich er weder op beroemen, hunne splinternieuwe organisaties bevrijd te hebben van de verlammende invloeden van uitkeerings-fondsen. amp; 4 Uit eene nauwkeuriger beschouwing der feiten blijkt, dat
deze bijna rhytmische afwisseling van type slechts schijnbaar is geweest. De onpartijdige beoordeelaar zal opmerken, dat, terwijl zekere belangrijke industriën, als de Kolenmijnwerkers en de Katoenspinners, zich voortdurend aan de zuivere w^vereeniging gehouden hebben, andere bedrijven, als de Machinebouwers en de IJzergieters, even trouw zijn gebleven aan de vak-uitkeerings-vereeniging, terwijl weder andere, als de Letterzetters en Timmerlieden, vooruit en achteruit zijn gegaan, van den eenen vorm tot den anderen. Maar behalve dit aanpassen van het type aan de omstandigheden der respectieve industriën, zien wij ook een voorkeur voor de zuivere wgt;i'vereeniging om geen hoogere reden dan haar goedkoopheid. De hooge contributiën en extra-bijdragen, welke door de Katoenspinners aan hunne zuivere W/tvereeniging betaald worden, zijn evenzeer boven de macht van den Landarbeider of den Dokwerker, als de week-premiën voor invaliditeits-, ziekte- en andere uitkeerin-gen, welke de Machinebouwer te voldoen heeft. Wanneer, als in 1833â34, 1872 en 1889, eene opbruisching van geestdrift de ongeschoolde arbeiders in de gelederen der vakvereenigingen jaagt, is het klaarblijkelijk noodig, althans aanvankelijk organisaties te stichten, die geene zwaardere belasting op hunne ellendige verdiensten leggen, dan een of twee stuivers per week. Het schijnbaar rhyt-misch afwisselen tusschen de beide organisatie-types, is daarom niet het gevolg van het algemeen verlaten van het eene voor het andere, doch van het toevalligerwijze op den voorgrond treden der vereenigingen, behoorende tot zekere vakken of klassen van loonarbeiders, op zekere keerpunten der vakvereenigings-geschie-denis. Toen bijvoorbeeld de katoenspinners, de bouw-arbeiders en de ongeschoolde werklieden van 1834 in de oogen van Francis Place eene beduidende revolutionnaire macht schenen, leek hem
352
de zuivere ^«/^organisatie de bron van al wat kwaad was in het vakvereenigingswezen. Toen de ijzer-bedrijven in 1848â52 tegen stukarbeid en overwerk samenspanden, was het hoofdzakelijk de ongeoorloofde combinatie van vak- en uitkeerings-vereeniging, die de aandacht van het publiek trok en de woedende uitvallen der kapitalistische klasse verwekte. En toen de dokwerkers in 1889 den Londenschen handel verlamden, en de kolenmijnwerkers en katoenspinners hunne eischen nopens wettelijke regeling onder den aandacht van beide politieke partijen drongen, zien wij Mr. George Howell uiting geven aan de oppositie tegen uitsluitend mi'veree-nigingen, als zijnde gevaarlijke militante lichamen. ')
Is de zuivere zw^vereeniging geen nieuwe zaak -â⢠nog minder is de uitstrekking van het vakvereenigingswezen tot den ongeschoolden arbeider eene nieuwigheid. De geestdrift die in 1872 in enkele maanden een honderdduizendtal landarbeiders tot organisatie bracht, riep eveneens tal van kleine vereenigingen van steedsche arbeiders in het leven, waarvan enkele nóg bestaan. De London and Counties Labour League (Londensche en Graafschappe-lijke Arbeidersbond), die in 1872 werd opgericht, is tot den huidigen dag bestaan gebleven. De opleving van 1852 leidde te Glasgow tot de stichting van een Labourers' Society (Arbeiders-vereeniging), waarvan verteld wordt dat zij duizenden leden telde. Maar het is met het enthousiasme van 1833â34, dat de beweging van 1889â90 in dit opzicht de meeste overeenkomst vertoont. De bijna onmiddelijk na de dokwerkers-staking intredende bekeering van tienduizenden ongeschoolde arbeiders der steden tot het vakvereenigingswezen, herinnert inderdaad aan niets zoozeer als aan het snelle aanwerven van recruten onder de armste loonarbeiders door de zendelingen van den Grand National Consolidated Trades Union. amp; Maar hoe sterk ook de uiterlijke kenteekenen van den
vloedgolf van 1889â90 den geschiedvorscher herinneren aan die van 1833â34, geven de eigenschappen der nieuwe beweging veel-beteekenend aan, in hoeverre de loonarbeiders gedurende de twee tusschen-liggende generatiën, zoowel in sociale theorie als in sociale praktijk zijn vooruit gegaan. Tijd en ondervinding alleen zullen kunnen aantoonen, in hoeverre aan het bewuste socialisme van den hedendaagschen vakvereenigingsman, met zijn alles-aangrijpend opportunisme, zijn voorkeur voor gemeentelijk collectivisme, zijn aanpassen aan den bestaanden socialen bouw, veilig de practische superioriteit boven het revolutionnaire en algemeene communisme van Robert Owen kan geschonken worden. Het radicale verschil tusschen 1833â34 en 1889â90 is inderdaad niet eene kwestie van de bizondere sociale theoriën die de uitbarstingen inspireerden. Op
lt;8gt; ') Zie zijn Trade Unionism Old and New (Londen 1891).
33 - Sidney Weuu. 353
beide tijdstippen waren de theoriën der leiders voor de groote meerderheid der vakvereenigingsmannen slechts de belichaming van een vaag streven naar eene meer rechtvaardige sociale orde. Het practische verschil â het verschil dat weerkaatst wordt in het karakter en den aard der mannen die tot de beide bewegingen werden getrokken, en van de houding van het publiek ten hunnen opzichte â is het verschil van taktiek en onmiddelijk optreden. Zooals wij gezien hebben, verachtte en verwierp Robert Owen de politieke actie en streefde hij naar het vormen eener nieuwe vrijwillige organisatie, die bijna onmiddelijk en op eene niet-omschreven wijze de plaats van het geheele industriëele, sociale en politieke beheer des lands zou innemen. In deze minachting voor alle bestaande organisaties en het plotselinge der complete âsociale revolutiequot; die beoogd wordt, vond het Owenisme van 1833â34, zooals wij gezien hebben, een echo in veel van de socialistische propaganda van 1884â89. De leiders der nieuwe unionisten daarentegen, poogden binnen de gelederen van bestaande organisaties â de vakvereeniging, de gemeente, of den staat â groote massas ongeorganiseerde arbeiders te brengen, die tot-nog-toe óf ten eenen male buiten hun sfeer hadden gestaan, óf daarbinnen onbewegelijke elementen waren geweest. Zij beoogden niet de bestaande sociale organisaties door andere te vervangen, doch ze alle in het belang der loonarbeiders te veroveren. Bovenal poogden zij de groote massas ongedisciplineerde arbeiders te leeren, hoe zij hunne pas-verkregen politieke macht moesten aanwenden, om op volmaakt constitutioneele wijze de door hen gewenschte veranderingen in wetgeving en wets-uitvoering te verkrijgen. 4^ Het verschil in taktiek tusschen het ânieuwe unionismequot;
van 1833â34 en dat van 1889â90, kan, gelooven wij, hoofdzakelijk worden toegeschreven aan het verschil tusschen de omstandigheden, waaronder de bewegingen ontstonden. Aan Robert Owen, wiens pad in de politieke richting versperd was, doordat vijf van elke zes volwassen mannen het kiesrecht misten, door openbare stemming, die gelegenheid tot intimidatie bood, door corrupte en ondoordringbare gemeentebesturen en door eene liberale oligarchie in de hoofdstad, moet het denkbeeld van aanwending van het constitutioneele middel van de stembus niet minder hersenschimmig geleken hebben, dan ons heden ten dage zijn program voorkomt. De nieuwe unionisten van 1889-â90 vonden daarentegen, ten hunnen gebruike gereed, eene uitgebreide en alles-omvattende democratische organisatie, die onmogelijk kon worden vernietigd en die het dwaasheid zou zijn geweest te pogen links te laten liggen. De inspanning van twee geslachten van radicale individualisten en âoudequot; vakveree-nigingsmannen, hadden de wetgevende macht en het burgerlijk beheer des lands in handen eener hierarchie van door het volk
354
gekozen vertegenwoordigende lichamen gesteld. Zoo was bijvoorbeeld het groote middel der belasting nu onder het bereik der loonarbeiders-kiezers, inplaats van onder dat der klasse van grondbezitters. De minister van binnenlandsche zaken en de fabrieks-inspecteurs, de armvoogd cn de stads-1 andmeter konden nu worden te werk gesteld tot uitvoering van de bevelen der arbeiders, inplaats van die der kapitalisten. En zoo kwam het, dat de taktiek, voorgestaan door de nieuwe unionisten van 1889â94, niet gelijkt op die der Owenisten van 1833-â34, doch veel meer op de practische kunst van politieke strategie, die door de Junta van 1867â75 niet zooveel succes beoefend werd. 4*
Wij zullen de verandering zien, welke in de Engelsche arbeiders-beweging in den loop van zestig jaren heeft plaats gegrepen, als wij de leiders der beide bewegingen, welke wij tegenover elkander hebben gesteld, met elkander vergelijken. Wat Owen-zelf betreft â wij erkennen zijne genialiteit, die hem niet belette een verbazend slecht aanvoerder eener arbeiders-beweging te zijn. Maaide onwetendheid zijner voornaamste discipelen omtrent industriëele toestanden, hunne minachtende onverschilligheid voor feiten en cijfers en hunne onbekwaamheid om tot zelfs in de kleinste handelingen het verband tusschen middelen en doel af te meten, vormen eene even scherpe tegenstelling met het nuchtere oordeel van mannen als John Burns, als met de voorzichtige schranderheid van Allan en Applegarth. Het zou inderdaad gemakkelijk zijn veel gelijkheid van persoonlijke trekken te vinden tusschen Burns en Mann eener- en Allan en Applegarth anderzijds. Alle vier worden gelijkelijk gekenmerkt door hoog persoonlijk karakter, nauwgezette eerlijkheid, waardigheid of aangename manieren, en deze gelijkenis van karakter wordt verhoogd door eene merkwaardige gelijkenis van den aard hunner verrichtingen. Het dagwerk van Mr. Tom Mann in het hoofdkantoor van den Dockers' Union van 1889 tot 1892, en dat van Mr. John Burns in den Londenschen Graafscliaps-raad en het Lagerhuis, zijn nauwkeurige reproducties van Allans bemoeiingen op het hoofdbureau zijner Machinebouwers en Apple-garths naarstig bijwonen van parlementaire en staats-enquêtes. In het kort: de wegen en middelen der leiders van het ânieuwe unionismequot; herinneren den geschiedvorscher, niet aan de mystieke ritualen en spookachtige vertooningen der Owensche beweging, doch meer aan de rustelooze energie en politieke vindingrijkheid van de Junta, of van het Parlementair Comité van het Vakveree-nigings-Congres, in de oude dagen, toen de vakv ereenigingsmannen voor wettelijke hervormingen streden, met een geloof, dat even wijs was als vurig 011 oprecht.
amp; In hoeverre het nieuwe unionisme van 1889â90 de vakver-
eenigings-beweging blijvend zal beïnvloeden, is natuurlijk onmogelijk
355
vast te stellen. Op een afstand van vier jaren van de oorspronkelijke uitbarsting, wordt het eiken dag gemakkelijker de onstabiele van de meer blijvende elementen te onderscheiden. De tegenzin in het combineeren van uitkeerings-fondsen met vakvereenigings-doeleinden is grootendeels verdwenen, hoewel de moeilijkheid van hooge con-tributiën te heffen van slecht-betaalde arbeiders, het in alle opzichten volgen der tegenover-gestelde taktiek belet heeft. ^ De bloei van handel en nijverheid, die in 1889 begon, bleek slechts van korten duur te zijn; en met de terugkeerende malaise van 1892 gingen vele der door de loonarbeiders behaalde voordeelen weder verloren. Onder den invloed van dien terugslag hebben de ongeschoolde arbeiders zich opnieuw terug getrokken uit de gelederen der vak-vereenigingen en het is op dit oogenblik onzeker of de meerderheid der nog bestaande vereenigingen dier klasse in staat zullen zijn eene blijvende plaats in de vakvereenigingswereld te behouden. ~) Naar hunne positie te oordeelen, schijnt het echter hoogst waarschijnlijk, dat, evenals 1873â74 eene veel hechtere organisatie achterliet dan 1833â34, 1889â90 blijken zal daartoe zelfs nóg meer te hebben bijgebracht dan 1873â74. De oudere vereenigingen dragen vele kenmerken van althans een groot deel van de tweemaal honderd duizend leden, welke tusschen 1887 en 1891 in hunne gelederen traden, behouden te hebben. Maar deze getals-vermeer-dering is misschien van minder belang dan hetgeen, zonder overdrijving, de geestelijke wedergeboorte genoemd mag worden van organisaties die teekenen van afgeleefdheid begonnen te vertoonen. De zelfzuchtige geest van exclusivisme, die vaak den betrekkelijk goed-betaalden machinebouwer, timmerman of ketelmaker van 1880â85 kenmerkte, heeft plaats gemaakt voor eene breedere opvatting van de noodzakelijke solidariteit der klasse van loonarbeiders. Bijvoorbeeld: de statuten der Amalgamated Society of Engineers amp; ^
') Zoo geeft bijvoorbeeld de Dock, Wharf, and Riverside Labourers' Union nu uitkeering bij overlijden â in den regel het eerste uitkeerings-fonds dat opgericht wordt â terwijl vele der afdeelingen op eigen gelegenheid ziekenfondsen hebben gevormd. Sommige afdeelingen van den National Union oj Gas-wor/cers and General Labourers hebben plaatselijke uitkeerings-fondsen en het instellen eener uitkeering bij ongevallen voor de geheele vereeniging wordt besproken. (Zij is sinds dien aangenomen en sinds eenige jaren in volle werking.
Vert.) lt;Igt;
') De belangrijkste der hierbedoelde vereenigingen zijn blij ven bestaan, al was hun ledental vaak aan heftige schommelingen onderhevig. Zoo telde de National Union of Gasworkers and General Labourers in 1897 ongeveer 30.000 leden, de Dock, Wharf, and Riverside Union 12.000, dito of Great Britain and Lreland 12.000 en de Navvies' Union (Grondwerkers-vereeniging) 10.000 leden. Alle vereenigingen van dokwerkers, enz. benevens die der zeelieden en stokers hebben in 1897 eene federatie gesticht met eenige soortgelijke vereenigingen in België, Frankrijk en Zweden, genaamd The Luternational Federation of Transport-workers, waarvan Tom Mann de voorzitter en leidende geest is. Vert. 4ïgt;
356
werden in 1892 in hun geheel gewijzigd, met het uitdrukkelijke doel de gelederen dier meest aristocratische der vakvereenigingen voor feitelijk alle werklieden in de tallooze branches van het machinevak te openen. Bovendien wordt het lidmaatschap van deze en de andere groote vereenigingen gemakkelijk gemaakt aan ouden van dagen en aan ambachtslieden wier loonen te gering zijn om de dure uitkeeringen te betalen. Dat is trouwens niet alles. De loodgieter wedijvert nu met den machinebouwer, de timmerman met den scheepstimmerman, in het helpen oprichten van vereenigingen onder de arbeiders die met of onder hen werken. En de worstelende vereenigingen van arbeidsters, die aanvankelijk moeite hadden tot Trades Councils en tot het Vakvereenigings-Congres toegang te erlangen, erkennen nu dankbaar eene volslagen verandering in de houding hunner mannelijke mede-arbeiders. Niet alleen wordt nu alle mogelijke hulp geboden bij het vormen van speciale vereenigingen onder de arbeidsters, maar vrouwen worden in sommige gevallen zelfs als leden verwelkomd door vereenigingen van geschoolde ambachtslieden. 1) Eene gelijksoortige verruiming van sympathiën en versterking der banden van kameraadschappelijkheid, blijkt in het zeer algemeen tot stand komen van gemengde commissies van concurreerende vereenigingen in een-zelfde vak, evenals van grootere federaties. Het herhaalde mislukken van het plan van Mr. Robert Knight tot het vormen van een federatieven raad, vertegenwoordigende de verschillende bij den scheepsbouw betrokken vereenigingen, werd in 1891 goedgemaakt door zijn welgeslaagd tot stand brengen der Federation of the Engineers and Shipbuilding Trades (Federatie der Machine- en Scheepsbouwbedrijven), die, naar het zich laat aanzien, een blijvend bestaan zal handhaven. En hoewel de Amalgamated Society of Engineers nog steeds buiten deze federatie staat, kunnen de Trades Councils in de meeste steden thans de plaatselijke afdeelingen dier Vereeniging tot hunne kiezers rekenen. Het toegenomen begrip van solidariteit onder alle groepen van loonarbeiders, heeft bovendien eene aanmerkelijk toegenomen hartelijkheid in internationale betrekkingen tot gevolg gehad. De Kolenmijnwerkers, de Flesschenmakers en de Textiel-arbeiders hebben min of meer formeele federaties met hunne mede-aibeiders van het vaste land van Europa tot stand gebracht. En op de herhaalde internationale congressen dier vakken, zoowel als op het socialistisch congres van de arbeiders aller landen, hebben de vertegenwoordigers der Engelsche vakvereenigingen dien insulairen trots afgelegd, die het Parlementair Comité van 1884 er toe bracht te verklaren, dat de Engelsche vakvereenigingsman
lt;3- ') Eéne vrouw is zelfs toegelaten als lid der London Society of Com
positors, nadat gebleken was, dat zij voor het standaard-tarief werkte.
357
uit hoofde zijner superioriteit geen belang had bij internationale betrekkingen. Dat alles wijst op een breeder wordenden gezichtskring, op eene waarachtige verheffing der vakvereenigings-beweging. Wij zullen dit in een volgend werk dieper ontleden. Hier rest ons slechts in een laatste hoofdstuk eenig denkbeeld te geven van den omvang en de samenstellende elementen der hedendaagsche vakvereenigingswereld. 4-
35«
HOOFDSTUK VIII.
De Vakvereenigingswereld.
(1892â1894.)
4 In den loop van ons onderzoek hebben wij gepoogd eene
volledige becijfering van het vakvereenigingswezen van het eene einde des rijks tot het andere te verkrijgen, en hoewel een zeker aantal kleine plaatselijke vereenigingen aan onze aandacht ontsnapt moge zijn, zijn wij overtuigd dat onze statistiek elke bestaande vereeni-ging van 1000 leden omvat, evenals bijna alle die beneden dat getal vallen. Uit hoofde dezer onderzoekingen schatten wij dat het totaal der leden van de vakvereenigingen in het Vereenigde Koninkrijk op het einde van 1892 stellig 1.500.000 te boven ging en waarschijnlijk 1.600.000 niet bereikte. ^ De vakvereenigingsmannen vormen daarom ongeveer 4 percent der geheele bevolking. 4gt;
') Er bestaat geen juiste telling van vakvereenigingsleden. Tot aan de benoeming van Mr. John Burnett in 1886 tot Arbeids-Correspondent van het Handels-ministerie, werd geen poging gedaan om eenigerlei statistiek nopens het vakvereenigingswezen samen te stellen. De vijf door Mr. Burnett sinds dien in het licht gegeven deelen, bevatten een schat van bizonderheden nopens vakvereenigings-statistieken en de rapporten worden elk Jaar vollediger. Het laatste rapport (dat over 1891) gaf bizonderheden omtrent 431 vereenigingen met 1.109.014 leden, terwijl dat over 1892, naar verondersteld wordt, over een nog grooter aantal zal loopen. Maar daar hij zich moest bepalen tot vereenigingen die hunne mededeelingen in den Juisten, vereischten vorm deden, heeft Mu. burnett tot-nog-toe het ledental van vele bestaande veieenigingen niet opgenomen, terwijl een beduidend aantal van zijn totaal moet worden afgetrokken, wegens leden die zoowel in districts-organisaties als in federaties geteld zijn. De Chef der Registratie van Uitkeerings-Vereenigingen geeft in zijn rapport over 1892 {House of Commons Paper, 146-II van 28 Maart 1893) bizonderheden omtrent 1.063.000 leden alleen in 442 geregistreerde vakvereenigingen, na aftrek van organisaties die geen vakvereenigingen zijn en vele die dubbel geboekt stonden. Een groot aantal vereenigingen, als bijvoorbeeld de Northern Counties Amalgamated Weavers' Association, vele der mijnwerkers-vereenigingen, de Engelsche en Schotsche Typographical Associations, de United Kingdom Society of Coachmakers, de Flint Glass Makers, de Yorkshire Glass Bottle Makers en andere zijn niet geregistreerd. Het is moeilijk met juistheid het getal afzonderlijke organisaties, begrepen in onze eigen statistiek, te bepalen, daar dit moet afhangen van de wijze waarop federatieve lichamen beschouwd worden. Deze vertoonen eene bijna eindelooze afwisseling van aard, vanaf het eenvoudige âmiddenpunt van gemeenschap,quot; onderhouden door de twee en dertig volslagen onafhanke-
359
4 Maar om de sterkte der vakvereenigingswereld af te meten,
moeten wij het aantal vakvereenigingsmannen niet vergelijken met de geheele bevolking, doch met dat gedeelte er van, dat geacht kan worden in hare organisatie thuis te behooren. Om te beginnen, moeten wij dus ter zijde stellen de bezittende klassen, de vrije beroepen, de werkgevers en hersen-werkers van allerlei aard, en onze aandacht uitsluitend wijden aan de handenarbeid-verrichtende loonarbeiders. Zelfs van de aldus gedefinieerde arbeidersklasse moeten wij nog uitsluiten de kinderen en de jongelieden beneden de een en twintig jaar, die in den regel niet voor het lidmaatschap der vakvereenigingen in aanmerking komen. De vrouwen leveren den statisticus eene grootere moeilijkheid op. De handenarbeid-verrichtende loonarbeidsters worden geschat op een aantal van twee a drie millioen, waarvan zich slechts 100.000, en dan nog maar nominaal, in de gelederen der vakvereenigingen bevinden. In hoeverre het vakvereenigingswezen verzwakt wordt door het verre-blijven der vrouwen, is twijfelachtig. Van het industriëele standpunt bezien, hangt het antwoord af van gecompliceerde economische overwegingen, zooals: in hoeverre vrouwen in zekere industrieën met de mannen concurreeren, of vrouwen-vakken met die waarin mannen werken. Daar de vrouwen van het kiesrecht voor het parlement uitgesloten zijn, wordt de politieke macht der vakvereenigingswereld door de afwezigheid der vrouwen weinig geschaad. Wij stellen ons voor, in een volgend werk het verband der arbeidsters met de vakvereenigings-organisatie in den breede te behandelen. Ondertusschen zullen wij de vrouwen zoowel als de jeugdige personen beneden de een en twintig jaar bij onze beschouwing der plaats, door het vakvereenigingswezen ingenomen in het leven der arbeidersklasse, ter zijde stellen. 4
4gt; Er zijn ons geen juiste statistieken nopens het totaal-getal
der handwerkers-klasse bekend. De cijfers verzameld door Leone Levi en die van Mr. Giffen, benevens de gevolgtrekkingen, te maken uit de volkstelling en de werken van Mr. Charles Booth, brengen ons tot de conclusie â die echter hoogstens hypothetisch is â dat van de negen millioen mannen boven den een en twintig jarigen leeftijd, ongeveer zeven millioen tot de klasse van handarbeiders behooren. Wij kunnen ruw-weg schatten, dat van ieder honderdtal der bevolking, in dien zin ongeveer achttien volwassen arbeiders zijn. Voor het oogenblik deze hypothetische schatting aanvaardende, komen wij tot de slotsom, dat de vakvereenigings-4 4
lijke plaatselijke vereenigingen van Kuipers, tot de strenge eenheid der veertig districts-organisaties, die de Amalgamated Association of Operative Cotton-spinners vormen. Het aantal onafhankelijke vereenigingen kan gesteld worden op 930, of op elk cijfer tot 1750 toe, naar gelang der zienswijze omtrent federatieve bonden en federaties. lt;8gt;
360
mannen ongeveer 20 percent der volwassen mannelijke klasse van handarbeiders uitmaken, of ruw-weg, één op vijf. amp;
4gt; Maar deze herziene percentage is zelf weder misleidend.
Indien de anderhalf millioen vakvereenigingsmannen gelijkelijk verdeeld waren over alle bedrijven en alle districten, zou eene beweging, die slechts 20 percent der arbeiders omvatte, van gering economisch of industrieel belang, en van geen groot gewicht in de politieke wereld zijn. Wat de vakvereenigings-beweging hare beteekenis geeft en deze anderhalf millioen eenheden in eene zelfstandige wereld verandert, is de opeenhooping van vakvereenigingsmannen in zekere industriën en districten, op zulk eene wijze, dat zij eene machtige meerderheid der arbeiderswereld vormen.
Op de kaart aan het einde van dit hoofdstuk hebben wij gepoogd eene voorstelling in beeld te geven dezer ongelijke verdeeling, althans wat de graafschappen van Engeland en Wales aangaat. De lezer zal met een oogopslag zien, hoe dicht de vakvereenigingsmannen opeengehoopt zijn in de bloeiende industriëele districten van het noorden van Engeland. De zeven graafschappen benoorden de Humber en de Dee bevatten minstens 726.000 leden van vakvereenigingen, of bijna de helft van het totaal van het Vereenigde Koninkrijk. Op een beduidenden afstand van deze volgen de industriëele midden-graafschappen, waar de zeven graafschappen Leicester, Derby, Notts, Warwick, Gloucester, Northampton en Stafford minstens 210.000 leden van vakvereenigingen bevatten, terwijl Zuid-Wales, met inbegrip van Monmouthshire, circa 89.000 vakvereenigingsmannen telt. De uitgestrekte agglomeratie van het Londensche district, waartoe wij zoowel het graafschap Middlesex en de voorsteden West Ham, Croydon, Richmond en Kingston, als Bromley in Kent moeten rekenen, levert niet meer dan 194.000 vakvereenigingsleden op. ^
Deze vier districten, bijna 21.000.000 inwoners, of iets meer dan twee derde der bevolking van Engeland en Wales bevattende, bezitten twaalf dertienden van de vakvereenigingsmannen des rijks. Het totaal-ledental der vakvereenigingen in het overige deel des lands, met zijn 8.000.000 inwoners, gaat 105.000, grooten-deels ongeschoolde arbeiders, niet te boven. Het eenige graafschap in Engeland, waarin wij geen spoor van vakvereenigings-organisatie hebben gevonden, is Rutland, dat geene enkele afdeeling van eenigerlei vereeniging bevat. Maar Huntingdonshire, Herefordshire en Dorsetshire, tezamen met 350000 inwoners, omvatten, volgens onze schatting, met elkander slechts 710 vakvereenigingsmannen. Schotland, met 4.000.000 inwoners, heeft 147.000 vakvereenigingsmannen, die bijna alle opeengehoopt zijn in den smallen industriëelen gordel tusschen de Clyde en de Forth; twee derden van het totaal behooren te Glasgow en de nahurige industriëele centra thuis.
361
Ierland, met drie kwart millioen inwoners meer, telt slechts 40.000, waarvan negen tienden te Dublin, Belfast, Cork en Limmerick thuis behooren. amp;
4gt; Als wij de kaart nauwkeuriger beschouwen, zien wij dat
van de graafschappen op zich-zelf, Northumberland en Durham de leiding nemen, onmiddelijk gevolgd door Lancashire. Bijgaande tabel verschaft bizonderheden nopens de graafschappen van Engeland en Wales, waar het vakvereenigingswezen het sterkst is. 4»
Tabel, aangevende de totale bevolking van zekere graafschappen in Engeland en van Zuid- Wales in iSqr, /iet vastgestelde aantal vakver een igings lieden in iSgs en de percentage op de bevolking in elk geval. lt;Sgt;
|
Bevolking in |
Vastgesteld aantal |
Percentage van | |
|
Graafschap. |
leden van |
vakvereenigings- | |
|
1891. |
vakvereenigingen |
leden op de | |
|
in 1892. |
bevolking. | ||
|
Northumberland |
506.030 |
56.815 |
11.23 |
|
Durham .... |
1.024.369 |
114.810 |
11.21 |
|
Lancashire |
3.957.906 |
331-535 ') |
8.63 |
|
Yorkshire, E. Riding |
318.570 |
23.630 |
7.42 |
|
Leicestershire . |
379.286 |
27.845 |
7-34 |
|
Derbyshire |
432.414 |
29.510 |
6.82 |
|
South Wales and | |||
|
Monmouthshire |
I'32S'3IS |
88.810 |
6.70 |
|
Nottinghamshire |
5o5-3ii |
31.050 |
6.14 |
|
Yorkshire, W. Riding |
2.464.415 |
141.140 |
5-73 |
|
Gloucestershire |
548.886 |
26.030 |
4-74 |
|
Cheshire .... |
707.978 |
32.000 |
4.52 |
|
Staffordshire |
r.103.452 |
49-545 |
4-49 |
|
Suffolk .... |
35375« |
14.885 |
4.21 |
|
Warwickshire . |
801.738 |
33.600 |
4.19 |
|
Northampton . |
308.072 |
12.210 |
3-96 |
|
Cumberland |
266.549 |
10.280 |
3-86 |
|
Londensch District (met | |||
|
inbegrip van Middlesex, | |||
|
Croydon,West Ham, Rich | |||
|
mond, Kingston en | |||
|
Bromley! .... |
5-5I7-583 |
194.083 |
3-52 |
|
Yorkshire, N. Riding, met | |||
|
de stad York . |
435'897 |
15.215 |
3-49 |
|
Totalen |
20'957'529 |
I.232.993 |
5.89 |
Geen enkel ander graafschap heeft 15.000 vakvereenigingsmannen,
evenmin als 3 percent der bevolking in vakvereenigingen. 4
^
') Hiervan zijn ongeveer 80.000 vrouwen. Volle vier vijfden van alle georganiseerde arbeidsters maakt deel uit van de textiel-vakvereenigingen van Lancashire.
362
4» Uit dit oppervlakkig onderzoek blijkt onmiddelijk, dat
het vakvereenigingswezcn over het algemeen samenhangt met de dichtheid der bevolking. De schaars-bevolkte vlakten van Dorsetshire, de Hooglanden van Schotland, het westen van Ierland, de heuvels van Cumberland en Westmoreland, zijn feitelijk van vak-organisatie ontbloot; de valleien van de Tyne en de Tees, Lancashire en Londen, benevens de levendige industriëele dorpen der middengraafschappen, vertoonen eene betrekkelijk hooge percentage. Maar de verhouding van het vakvereenigingswezcn tot de dichtheid van bevolking is in geenen deele een onveranderlijk verschijnsel. Oldham bijvoorbeeld, met eene bevolking van 201.153 menschen, heeft 25.OOO mannelijke vakvereenigingsleden *) of 12.43 percent, terwijl Birmingham (met inbegrip der buitenwijken Aston, Handworth en Solihull) met 621.253 inwoners, 26.000 vakvereenigingsmannen of 4.19 percent heeft. Newcastle (met Gateshead) met 328.066 inwoners, heeft 26.500 vakvereenigingsleden, of 8.08 percent, terwijl Leeds (met inbegrip van Wortley, Hunslet en Burley) slechts 16.000 heeft op eene bevolking van 415.243, of 3.85 percent. En de treffendste uitzondering van alle is, dat onder de opgepakte vijf en een half millioen van het district der hoofdstad, slechts 194.000 vakvereenigingsmannen zijn, of niet meer dan 3.52 percent der bevolking, terwijl Lancashire, zelfs met inbegrip zijner noordelijke heidestreken en uitgestrekte landbouw-districten, 332.000 heeft op minder dan vier millioen inwoners, of 8.63 percent der bevolking. Rekenende dat 18 van elke 100 der bevolking volwassen mannelijke arbeiders zijn, telt het vakvereenigingswezen in sommige graafschappen dus meer dan 50 percent van het geheele getal werklieden tot zijne aanhangers.
é- Maar zelfs deze percentage geeft geen voldoend denk
beeld van de mate waarin het vakvereenigingswezen de industriëele streken waarin het 't sterkst is, beheerscht. Binnen de concentratie naar de streek, is er eene verdere concentratie naar het bedrijf â een feit dat grootendeels de aardrijkskundige verdeeling verklaart. De volgende tabel doet blijken in welke verhoudingen de voornaamste industriën tot het totaal der vakvereenigings-troepen bijdragen. !!)
égt; De kaart en de vorenstaande tabel, aangevende de indu
striëele verdeeling van het vakvereenigingswezen, voltooien voor den gewonen lezer ons statistisch overzicht van de vakvereenigings-wereld. Voor dengene die de vakvereenigings-statistieken nader wil bestudeeren, kan eene meer in bizonderheden afdalende opsomming nuttig zijn. Alvorens te pogen een beeld van het vakvereenigings-
4 ') Er zijn in het geheel 4.5.000 leden van vakvereenigingen te Oldham,
maar ongeveer 20.000 daarvan zijn vrouwen.
') Zie bladzijde 364. (VKRT.J lt;5gt;
363
leven te geven, zullen wij daarom een dozijn bladzijden (die de gewone lezer met een gerust geweten kan overslaan) wijden aan de dorre feiten der organisatie in elk der acht groote afdeelingen, waarin wij het ledental der vakvereenigingen hebben gerangschikt.
Tabel, aangevende het bij benadering naar de industrie vastgestelde aantal leden van vakvereenigingen in zSqs, in de verschillende deelen van het Vereenigde Koninkrijk. 4tgt;
|
Vak. |
Engeland en Wales. ') |
Schotland. |
Ierland. |
T otaal. |
|
Machinebouw- en Metaalvakken .... Bouwvakken Mijnbouw.... Textiel-industrie Kleeder- en Leer-bedrij ven Drukkersbedrijven . Verschillende ambachten Losse arbeiders en Transport werkers |
233450 114.500 325750 184.270 78.650 37.950 46.550 302.880 |
45.300 24.950 21.250 12.330 8.400 5.650 7.450 21.670 |
8.250 8.550 3.400 2.950 2.400 4.000 10.450 |
287.000 148.000 347.000 200.000 90.000 46.000 58.000 335.000 |
|
Totalen |
1.324.000 |
147.000 |
40.000 |
1.511.000 |
4 De eerste afdeeling, omvattende alle tallooze vertakkingen
der machinebouw-, metaal-bewerking en scheepsbouw-bedrijven, wordt gekenmerkt door oud-gevestigde en in hooge mate ontwikkelde nationale bonden, met groote aantallen leden, gecentraliseerd beheer en uitgebreide uitkeerings-fondsen. De 287.000 vakvereeni-gingsmannen in deze afdeeling zijn verdeeld over meer dan 260 afzonderlijke vereenigingen; maar bijna de helft behoort tot de eene of andere van vier groote nationale organisaties: de Amalgamated Society of Engineers (gesticht in 1851), de United Society of Boilermakers and Iron Shipbuilders (gesticht in 1832) 3) de
4 ^
4 ') Met inbegrip der Kanaal-Eilanden en het eiland Man, die tezamen
ongeveer 1285 vakvereenigingsleden bevatten.
2) In dit totaal zijn begrepen 99.650 vrouwen in 52 vereenigingen,
onder de groepen verdeeld als volgt:
Machinebouw- en Metaalvakken . . . 2.850 Bouw- en Meubelvakken .... 300
Mijnbouw.......â
Textiel-industrie ...... 80.900
Kleeder- en Ledervakken .... 8.650
Drukkersbedrijven......400
Verschillende ambachten .... 3.450 Losse arbeiders en Transport werkers . . 3.100
99.650 lt;8gt;
amp; a) De Ketelmakers beweren niet vroeger dan 1834 te zijn opgericht,
364
Friendly Society of Ironfoundcrs of England, Ireland and Wales (gesticht in 1809) en de Associated Society of Shipwrights, eene achterna-gekomen amalgamatie, in 1882 door de vele oude plaatselijke vereenigingen van bouwers van houten schepen gevormd. Van deze groote bonden is die der Ketelmakers, met 39.000 leden, verreweg de sterkste; zij is ongeëvenaard wat de aanhankelijkheid der vakgenooten betreft en omvat nagenoeg de geheele massa van geschoolde ambachtslieden, betrokken bij het bouwen van ijzeren schepen en het ketelmaken, van het eene einde van het Vereenigde Koninkrijk tot het andere. De groote bonden der Ijzer-gieters en Scheepstimmerlieden, met respectievelijk 15.000 en 14.000 leden, zijn niet zoo algemeen als die der Ketelmakers. De Associated Society of Ironmoulders (Ironfounders) of Scotland (gesticht in 1831), met 6000 leden, benevens eenige minder beduidende vereenigingen van niet zoo bekwame ijzergieters, zijn als afzonderlijke organisaties bestaan gebleven, terwijl de Shipwrights' Provident Union of the Port of London (gesticht in 1824, 1400 leden), de Liverpool Trade and Friendly Association of Shipwrights (gesticht in 1800, 1400 leden) en enkele andere ouderwetsche haven-veree-nigingen, nog steeds buiten de scheepstimmerlieden-amalgamatie zijn gebleven. ') De Amalgamated Society of Engineers, de grootste gecentraliseerde vakvereeniging des rijks, met 66.000 leden binnen-en 5000 buitenslands, steekt boven al hare concurrenten uit, maar heeft te kampen met aaneen-gesloten sectaire of plaatselijke vereenigingen, die een of meer der talrijke klassen van arbeiders in den machinebouw toelaten. 3) Van de eigenlijke voortbrengers van ijzer en staal, strekt de British Steel Smelteis' Associnton (gesticht in 1886), met 2400 leden, oorspronkelijk eene Schotsche vereeni-ging, zich over het geheele rijk uit, terwijl de Associated Society of Iron and Steel Workers (gesticht in 1862), met 7800 leden, uithoofde van haar lang en voortdurend trouw blijven aan de glijdende
loonschaal, eene eenige plaats in de vakvereenigingswereld inneemt. ^
maar er zijn bewijzen van het bestaan der vereeniging in 1832. In enkele andere gevallen, speciaal in die der Steenhouwers, Loodgieters en Metselaars, zijn wij in staat geweest de geschiedenis der organisatie verder terug te voeren dan tot-nog-toe vermoed werd.
4 ') De even verouderde haven-vereenigingen der Zeilmakers, evenals
die der Scheepstimmerlieden dagteekenende uit de vorige eeuw, zijn aaneengesloten in de Federation of Saihnakers of Great Britain and Ireland (gesticht in 1890) met 1250 leden. 4Ãgt;
2) Van deze zijn de belangrijkste de Steam-Engine Makers' Society (opgericht in 1824, 6000 leden), de Associated Dlacksmiths Society (eene Schotsche organisatie, in 1857 gesticht, 2300 leden), de United Kingdom Pattern Makers' Association (gesticht in 1872, 2500 leden), de National Society of Amalgamated Brassworkers (opgericht in 1872, 6500 leden), de United Journeymen Brass-founders' Association of Great Britain and Ireland (gesticht in 1866, 2500 leden) en de United Machine Workers' Association (opgericht in 1844, 2500 leden). ^
365
De tin- en blikwerkers, ') de splijters en hoorders, de messenmakers van Sheffield en de amhachtslieden in edele metalen, zijn verdeeld in tallooze plaatselijke vereenigingen, niet weinig federatief verband. 4» Het is belangwekkend de verhouding gade te slaan, waarin
deze verdeeling der vakvereenigingsmannen in Schotland staat tot het totaal-cijfer van dat land. Terwijl zij in Engeland slechts een zesde deel van het totaal-cijfer uitmaakt, neemt zij in Schotland bijna een derde in beslag en is nagenoeg geheel in en om Glasgow gecentraliseerd.
|
Tabel, aangevende het bij benadering vastgestelde aantal vakvereeni-gingsleden in iedere groef) der Machine- en Scheepsbouwvakkcn. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
De organisatie der bouw-arbeiders en meubelmakers gelijkt in vele opzichten op die der machinebouwers en scheepstimmerlieden. De 148.000 vakvereenigingsmannen in deze afdeeling, zijn gesorteerd in 120 afzonderlijke vereenigingen ; maar weder zien wij, dat de helft hunner behoort tot de eene of andere der drie gecentraliseerde vak-uitkeerings-vereenigingen van nationalen omvang. Van deze is de Friendly Society of Operative Stonemasons (gesticht in 1832, 16.000 leden) de machtigste, daar zij feitelijk geen concurrent in Engeland of Ierland heeft en vriendschappelijke betrekkingen onderhoudt met de gelijksoortige United Operative Masons' Association of Scotland (gesticht in 1831, 5500 leden). Maar de grootste en rijkste vereeniging in deze afdeeling is de Amalgamated Society of Carpenters and Joiners (gesticht in i860, 34.000 leden binnen-en 4000 buitenslands). Hoewel deze vereeniging een naar verhouding klein deel van de timmerlieden des rijks tot hare leden telt, omvat
') De blikmakers hebben eene vereeniging in Zuid-Wales (in 1871 opgericht en in 1887 gereorganiseerd), die beweert 10.000 leden te hebben. De
National Amalgamated Tinplate Workers' Association of Great Britain (1876* heeft 3000 leden, en de General Union of Sheet Metal Workers (1861) heeft 1250 leden.
366
zij drie vierden van degenen die georganiseerd zijn, terwijl het laatste vierde gedeelte verdeeld is tusschen de Associated Carpenters and Joiners of Scotland (gesticht in 1861, 6000 leden), de oude General Union 0/ Carpenters and Joiners of England (gesticht in 1827, 4000 leden) en eenige nietige vak-clubs in de hoofdstad, die geweigerd hebben zich in eene der nationale organisaties op te lossen. De metselaars verkeeren vrijwel in denzelfden toestand als de timmerlieden. De Operative Bricklayers'' Society (gesticht in 1848, 22.000 leden), omvat drie vierden der vakvereenigingsleden, terwijl de rest gevonden wordt, hetzij in de United Operative Bricklayers'' Trade, Accident, and Burial Society (gesticht in 1823, 2500 leden), of in enkele op zichzelf staande plaatselijke vak-clubs in Schotland en Ierland. Van de overige vereenigingen in de bouwvakken is de United Operative Plumbers' Association oj Great Britain and Ireland (gesticht in 1832, gereorganiseerd in 1865, 6500 leden) verreweg de beste en meest solide, en is in het bizonder van belang, omdat zij feitelijk de federatieve constitutie van den Builders' Union van 1830â34 behouden heeft. Uitgezonderd de United Operative Plumbers' Association of Scotland (gesticht in 1872, 700 leden), eene kleine, uit eene afscheiding voortgekomen vereeniging, bestaat er geene concurreerende organisatie. Anderzijds zijn de Schilders, Leidekkers, Pakkistenmakers, Behangers en Politoerders in tallooze kleine vereenigingen verdeeld, terwijl de meubelmakers en de stucadoors ieder eene beduidende organisatie 1) en verscheidene kleinere vereenigingen hebben, die echter slechts een klein gedeelte der vakgenooten omvatten. 4
|
Tabel, aangevende het bij benadering vastgestelde aantal vakvereenigingsleden in de verschillende branches der Bouw- en Meubel-vakken. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
') De Alliance Cabinetmakers' Association (opgericht in 1865, 5500 leden) en de National Association of Operative Plasterers (1862, 7000 leden). lt;£gt; |
367
^ De mijnwerkers en arbeiders in de steengroeven, omvat
tende ongeveer vijf en zestig vereenigingen, behooren op het oogenblik tot de best-georganiseerde der acht groote afdeelingen, waarin wij de vakvereenigings-troepen gerangschikt hebben. Onder de kolenmijnwerkers is de âgraafschaps-quot; of districts-vereeniging, zonder uitkeerings-fondsen, het overheerschende type. Bijna twee derden der geheele 347.000 vakvereenigingsmannen in deze afdee-ling, zijn verzameld in de Miners' Federation of Great Britain (gesticht in 1888), een federatieve bond, omvattende ongeveer twintig onafhankelijke organisaties, waarvan enkele, als de Yorkshire Miners' Association (gesticht in 1858, 55.000 leden), sterk gecentraliseerd zijn, terwijl andere, als de Lancashire Miners' Federation (gesticht in 1881, 43.000 leden), zelf federatieve lichamen zijn. De Miners' Federation hoewel zich niet bemoeiende met de financiëele autonomie of het inwendig beheer barer samenstellende lichamen, centraliseert daadwerkelijk het industriëele en politieke optreden van het geheele leger harer leden, van Fife tot Somerset. Buiten de Federation staan de machtige en hechte Northumberland Miners' Mutual Confident Association (gesticht in 1863, 17.000 leden) en de Durham Miners' Association (gesticht in 1869, 50.000 leden), met de solide, kleine Mid and West Lothian Miners' Association (gesticht in 1885, 3600 leden) en de onsamenhangende organisaties van aanhangers der glijdende loonschaal, die in Zuid-Wales voor vak-vereenigingen doorgaan. ^ De kolen- en ijzermijnwerkers van westelijk Schotland zijn nauwelijks het stadium van de kortstondige mijnclub en de toevallige stakings-vereeniging gepasseerd. Onder de tin-, lood- en koper-mijnwerkers, is, voor zoover wij kunnen nagaan, het vakvereenigingswezen volslagen onbekend. ^
|
Tabel, aangevende het bij benadering vastgestelde aantal vakvereeni-gingsleden onder dc lieden werkzaam in of bij Mijnen en Groeven. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
amp; ') De mijnwerkers van Zuid-Wales verkeeren in een overgangs stadium. De Miners' Federation heeft zich een beduidenden aanhang gevormd in Monmouthshire en Glamorgan, maar de massa der arbeiders houdt nog steeds vast aan de glijdende loonschaal-machinerie, beweert 36.000 leden te hebben, |
368
Wat bij het vakvereenigiugswezen onder de textiel-arbei-ders in het oog springt, is, dat doeltreffende organisatie nagenoeg beperkt is tot de katoenbewerkers, die minstens twee derden der 200.000 georganiseerden in deze afdeeling leveren. Evenals de mijnwerkers leggen de katuenbewerkers eene sterke voorkeur voor federatieve bonden met niets dan vak-doeleinden aan den dag. De machtige Amalgamated Associaton of Operative Cotton-spinners (gesticht in 1853), een federatieve bond van 19.500 leden, omvattende veertig afzonderlijke districtsvereenigingen, vormt met zijne zuster-organisaties, de Northern Counties Amalgamated Association of Weavers (gesticht in 1884, 71.000 leden) en de Amalgamated Association of Card and Blowing Room Operatives (31.000 leden, gesticht in 1886), de United Textile Factory Workers' Association (gesticht in 1886). Deze Associatie, uitsluitend voor parlementaire doeleinden gesticht, vormt het brandpunt van den zeer aanzienlijken politicken invloed van 125.OOO georganiseerde katoenbewerkers in Lancashire, Cheshire en Yorkshire en is, na de Miners' Association, waarmede zij eene sterke gelijkenis vertoond, verreweg de machtigste vakvereenigings-organisatie des lands. ') 4-
|
Tabel, aangevende /iet hij benadering vastgestelde aantal vakvereeni-gingsteden in de verschillende branches der Textiel-industrie. 4gt; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
tot welker onderhoud eene veertiendaagsche contributie, gewoonlijk door de werkgevers, van de verdiensten der mijnwerkers wordt afgehouden. De Forest of Dean Miners' Association (4000 leden) scheidde zich in 1893 van de Federation af. Eene kleine Mijnwerkers-Vereeniging (2250 leden) te West Bromwich blijft er ook nog buiten staan. amp; ') De Katoenspinners-vereeniging bestaat uitsluitend uit volwassen 24 - Sidney Webü. 3^9 |
amp; De hoog ontwikkelde organisatie der katoenbewerkers
vormt eene tegenstelling met de desorganisatie der wolwerkers. In de overige branches der textiel-industrie heeft de buitengewone localisatie der verschillende bedrijven aanleiding gegeven tot geïsoleerde graafschaps- of districts-organisaties van kant-, gebreide goederen-, zijde-, vlas-, of tapijt-werkers, die in den regel tot kleine oppervlakten beperkt zijn en betrekkelijk weinig invloed in de vakvereenigingswereld uitoefenen. Verreweg de sterkste van deze is de Amalgamated Society of Operative Lace makers (3500 leden), die nagenoeg alle mannelijke arbeiders in de Nottinghamsche machinale kant-industrie omvat. Als wij de samenstellende organisaties der United Textile Factory Wor kei s' Association uitzonderen, is 115 het getal der afzonderlijke vereenigingen in de verschillende branches der textiel-industrie.
|
Tabel, aangevende het bij benadering vastgestelde aantal vakneree-nigingsleden in de Kleed er- en Leder-üidustriën. amp; | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
amp; De groote afdeeling van werklieden betrokken bij het
vervaardigen van kleederen en lederwaren, is misschien de slechtst-georganiseerde der geschoolde vakken. Slechts ééne vereeniging, de National Union of Boot and Shoe Operatives (gesticht in 1874) telt bijna 43.000 leden en oefent eene zeer daadwerkelijke controle over de machinale schoenen-industrie uit. En hoewel de handwerk-industrie in dit geval snel afneemt, handhaaft en vermeerdert zelfs de Amalgamated Association of Boot and Shoemakers (gesticht in 1862) de verdiensten van dit lichaam van 4700 bekwame handwerkslieden. Anderzijds zijn de kleermakers er niet in geslaagd de nieuwe machinale industrie te beheerschen en evenmin het standaardloon der handwerkers hoog te houden. De Amalgamated Society of Tailors (gesticht in 1866, 17.000 leden) heeft met de Scottish National Operative Tailors' Society (gesticht in 1866, 4500 leden) alle plaatse-
mannen; de jongens, âaanknoopersquot;, worden in ondergeschikte organisaties ingedeeld. In de vereenigingen van Katoenwevers en Kaarders, vormen vrouwen de groote meerderheid der leden. lt;Sgt;
370
lijke vereenigingen tot zich getrokken, maar zij omvatten slechts een klein deel dergenen die in het vak werkzaam zijn. De Feit Hatters and Trimmers' Union (gesticht in 1872) heeft 4300 leden, benevens eene vrouwen-afdeeling (in 1886 opgericht), die bijna evenveel leden telt. In andere branches dezer afdeeling bestaan enkele sterke organisaties in kleine industriën, maar de arbeiders vormen grootendeels slechts zwakke, plaatselijke clubs, of zijn anders volslagen ongeorganiseerd. Er zijn in het geheel meer dan zestig afzonderlijke vereenigingen in deze afdeeling. ^ De 46.000 vakvereenigingsleden in de papier- en drukkers-
bedrijven zijn verdeeld tusschen vier belangrijke bonden met 27.000 leden en vijf en veertig kleine vereenigingen, die tezamen niet meer dan 19.000 tellen. De letterzetters gaan voor, met drie uitgebreide organisaties: de London Society of Compositors (gesticht in 1848, 9800 leden), de Typographical Association (gesticht in 1849, 11.500 leden), waarin op vier na alle lersche en vier der Kngelsche plaatselijke vereenigingen buiten de hoofdstad zich hebben opgelost, en de Scottish Typographical Association (gesticht in 1852, 3000 leden). De Bookbinders and Machine Rulers' Consolidated Union (gesticht in I835, 3000 leden), grootendeels uit provinciale arbeiders bestaande, overtreft verre de London Consolidated Bookbinders Society, de grootste van een half dozijn vereenigingen in dit vak in de hoofdstad.
|
Tabel, aangevende het bij benadering vastgestelde aantal vakvereenigingsleden in de verschillende branches der Papier- en Drukkerij- industriën. Q | ||||||||||||||||||||||||||||||
|
é' Er blijven een aantal vakken over, die moeilijk geclas
sificeerd kunnen worden. Deze diverse ambachten leveren meer dan 130 vereenigingen en 58.000 leden op. Enkele, als de Kuipers, Sigarenmakers, Borstelmakers, Mandenmakers en Glaswerkers, zijn in den regel goed georganiseerd; andere, als de Rijtuigmakers, Pottenbakkers en Touwslagers, omvatten slechts eene geringe percentage der vakgenooten. 1) 4gt;
amp;
amp; ') De United Kingdom Society of Coachmakers (1834) heeft 5500 leden.
De Mutual Association of Coopers (1878) is eene losse federatie van ouderwetsche plaatselijke vereenigingen, met ongeveer 6000 leden. â¢fi'
371
|
Tabel, aangevende het bij benadering vastgestelde aantal vakveree-nigingsleden in de diverse vakken. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
^ Het groote leger van ongeschoolde arbeiders, zeelieden
en transportwerkers van allerlei aard, hebben wij in ééne enkele afdeeling bijeengevoegd. Van de 120 tot deze groep behoorende organisaties, vertoont de Amalgamated Society of Railway Servants (gesticht in 1872), met haar blijvend ledental van 31.000, hooge contributiën, uitgebreide uitkeerings-fondsen en groote reserve-kassen, overeenkomst met de groote nationale vereenigingen in de machine- en bouwvakken. Enkele andere vereenigingen dezer groep, als bijvoorbeeld de Associated Society of Locomotive Engineers and Firemen (in 1880 opgericht, 7000 leden), de London and Counties LMbom League (gesticht in 1872, 13.000 leden) en de National Agricultural Labourers' Union (opgericht in 1872, 15.000 leden) zijn niets dan uitkeerings-vereenigingen geworden. Maar, zooals te verwachten was, is het overheerschende type in deze afdeeling: de ânieuwe union,quot; met lage contributiën, schommelend ledental en militant optreden in vakaangelegenheden. De sterkste en op het oog de meest stabiele dezer, is de National Union of Gaswor-kers and General Labourers (gesticht in 1889), met 36.000 leden in zijne boeken. Naar het ledental volgen dan de Dock, Wharf, and Riverside Labourers Union (gesticht in 1889), de Tyneside and National Labour Union (gesticht in 1889) en de National Amalgamated Sailors and Firemen's Union (gesticht in 1887), welker ledental zich tusschen 20.000 en 40.000 beweegt. Andere beduidende vereenigingen in deze afdeeling zijn de General Railway Workers Union (in 1889 opgericht),, de Notional Union of Dock Labourers (1889), de National Amalgamated Coalporters Union en de Navvies', Bricklayers' Labourers' and General Labourers' Union (1890). De opperlieden en de sleepers zijn in tal van plaatselijke vereenigingen georganiseerd, die in sommige gevallen, als bijvoorbeeld de Mersey Quay and Railway Carters' Union (1887) en de Leeds Amalgamated Association of Builders' Labourers (1889) daadwerkelijke vakveree-
372
nigingen zijn. De voornaamste apostel van het nieuwe unionisme onder de landarbeiders, is de Eastern Counties Labour Federation (1890), die in Suffolk en de naburige graafschappen 17.000 leden tot zich getrokken heeft. Maar elke statistische schatting van het moeilijk te bepalen en voortdurend schommelende ledental der vereenigingen in deze afdeeling, moet noodzakelijkerwijze van minder waarde zijn dan in de hechter georganiseerde vakken. 1)
Tabel, aangevende hd bij benadering vastgestelde aantal vakvereeni-gingsleden onder de Losse Arbeiders en Transportwerkers van allerlei soort.
il 11
:n
i
i r
# i
li (iir
f'i
. 1'{ 1
|
Vak. |
Engeland. |
Schotland. |
Ierland. |
Totaal. |
|
Zeelieden, Visschers, | ||||
|
Schuitenvoerders, enz. |
33-85O |
3.9°° |
1.500 |
39.250 |
|
Spoorwegwerkers |
43.500 |
1.500 |
3.000 |
48.000 |
|
Machinisten (behalve die | ||||
|
bij mijnen of spoorwegen) |
6.300 |
370 |
100 |
6.770 |
|
Sleepers .... |
19.000 |
3.500 |
1.000 |
23.500 |
|
Diverse arbeiders |
200.230 |
12.400 |
4.850 |
217.480 |
|
T otalen |
302.880 |
21.670 |
10.450 |
335'000 |
Het zou onze statistiek interessanter hebben gemaakt, als wij bij deze tabellen eene kolom, aangevende de verhouding waarin de georganiseerden in elk vak staan tot alle daarin werkende arbeiders, hadden kunnen voegen. Ongelukkiglijk is de classificatie van de volkstelling 3) niet nauwkeurig genoeg om dit mogelijk te
maken. Wij moeten ons daarom tevreden stellen met die bizonder-amp; ^
') Wij hebben in de bovenstaande statistieken niet opgenomen de vereenigingen, gevormd onder klassen, die in den regel niet worden gerangschikt onder de handwerkslieden. De National Union of Teachers (Nationale Onderwijzersbond), opgericht in 1870, is eene machtige organisatie met 23.000 leden. De Telegraaf klerken, Levensverzekering-agenten en Winkelbedienden hebben ook vereenigingen, met 1000 a 5000 leden, en er zijn twee organisaties van Brievenbestellers. De Nationale Vereenigingen van Kantoorbedienden en van Dienstboden zijn minder bepaald gevestigd. Er zijn ook kleine vereenigingen onder de Londensche Dok-ploegbazen en -Klerken en de Scheepsklerken van Poplar. â Wij hebben evenmin opgenomen uitsluitende uitkeerings-vereenigingen, als bijvoorbeeld de Marine Engineers' Union (Zeemachinisten-Vereeniging) met 9500 leden en de United Kingdom Pilots' Association (Loodsen-Vereeniging), die grootendeels samengesteld zijn uit werklieden, die voor vak-doeleinden tot de daartoe geëigende vakvereenigingen behooren. lt;8gt;
De cijfers van de volkstelling voegen in ieder vak âwerklieden, helpers, leerlingen en losse arbeidersquot; bijeen. Zij maken bijvoorbeeld geen onderscheid tusschen metselaars en opperlieden, die tot zeer verschillende vakvereenigingen behooren. Onder gebreide goederen- en hoedenmakers zijn zoowel winkeliers en hunne bedienden, als de vervaardigende arbeiders begrepen. lt;Sgt;
â
;|||'
373
heden nopens dit punt, welke wij uit andere bronnen kunnen machtig worden. Wij weten bijvoorbeeld, dat de Amalgamated Association of Cotton-spinners in Lancashire nagenoeg alle valiede arbeiders in het vak omvat. Hetzelfde kan gezegd worden van de Ketelmakers-Vereeniging in alle havenplaatsen waar ijzeren schepen worden gebouwd, doch niet in enkele districten der midden-graaf-schappen. En om ons tot eene nog grootere industrie te wenden: 80 percent der kolenmijnwerkers zijn tegenwoordig vereenigd, terwijl in sommige districten, als bijvoorbeeld Northumberland en gedeelten van westelijk Yorkshire, nagenoeg alle houwers tot de vereeniging behooren. En in andere industriën en steden, is de vereeniging even veel-omvattend. Onder de Kuipers van Dublin, de Kristalglasmakers der midden-graafschappen, de Kantwevers van Nottingham en de Flesschenmakers van Yorkshire is het niet-aangesloten-zijn vrijwel onbekend. Wij zien daarom, dat de vakvereenigingswereld, in plaats van slechts 4 percent der geheele bevolking te omvatten, in sommige districten en in zekere industriën feitelijk even sterk is als de handwerkers-klasse zelf. Anderzijds zijn er vele bedrijven, waarin vakorganistatie niet bestaat. Geheele groepen handwerkers zijn vrijwel van de rijen der vakvereenigingen uitgesloten, door de omstandigheid dat zij niet voor loon gehuurde arbeiders zijn. In de hoekjes en gaatjes van ons industrieel stelsel worden tallooze handwerkers gevonden, die een schamel bestaan winnen in den onmiddelijken dienst van den verbruiker. Iedere stad en dorp heeft eene hoeveelheid marskramers, straatkooplieden, venters en andere handelaren op kleine schaal, schoenlappers, ketellappers, scharenslijpers, glazenmakers, stoelen matters, loodgieters en andere karreweitjes-doende ambachtslieden, rijtuighalers, commissionnairs, lieden âdie over de brugleuningen hangen,quot; en de overige tallooze parasieten van het leven eener groote stad. Als wij ons van deze âonafhankelijke voortbrengersquot; wenden tot de vakken waarin de kleine baas is blijven bestaan, of waarin de huis-industrie over-heerschend is, vinden wij weder een bijna geheel van vakvereeni-gingswezen ontbloot terrein. De kleermakers en meubelmakers bijvoorbeeld, hoewel vaak hoogst-bekwame ambachtslieden zijnde, hebben slechts eene kleine minderheid die georganiseerd is, terwijl de ketting- en spijkermakers bijna geheel en al ongeorganiseerd zijn. De uitwerking die een achterlijk type van industriëele organisatie op het vakvereenigingswezen heeft, is duidelijk waarneembaar in de schoenen- en laarzen-fabricage. In Leicestershire en Stafford, waar het werk in groote fabrieken verricht wordt, is nagenoeg iedere arbeider aangesloten. In de dorpen der midden-graafschappen, waar dat bedrijf als huis-industrie wordt uitgeoefend, en in oostelijk Londen, waar het pas bezig is deze phase te verlaten, telt de National Society of Boot and Shoe Operatives slechts een klein
374
aantal leden. En in die districten waar de kleine baas nog de baas is, doet de huis-industrie haar invloed ten kwade zelfs in andere vakken gevoelen. Zoo zijn Birmingham en oostelijk Londen slechte centra van het vakvereenigingswezen, niet alleen wat de door het zweet-stelsel getroffen bedrijven aangaat, maar ook die welke in groote inrichtingen worden uitgeoefend. Maar de grootste toestand van desorganisatie wordt op ander terrein aangetroffen. Het groote leger van zoogenaamde âarbeiders,quot; onderscheiden van ambachtslieden, mijnwerkers of fabrieks-arbeiders, zijn in normale omstandigheden even ongeorganiseerd als de arbeidsters. Met uitzondering van zekere graafschappen, als bijvoorbeeld Kent, Suffolk, Norfolk, Oxfordshire, Wiltshire en de veenstreken, kan het vakvereenigingswezen onder de landarbeiders nauwelijks gezegd worden te bestaan. Van de drie-kwart millioen landarbeiders in het Vereenigde Koninkrijk, zijn op het oogenblik niet meer dan 40.000 georganiseerd. Met de andere groepen van âarbeidersquot; is het trouwens niet beter gesteld. De tweemaal honderd duizend arbeiders, betrokken bij het spoorweg-verkeer, leveren slechts 80.000 vakvereenigings-mannen op, hoofdzakelijk nog uit de hoogere rangen, als conducteurs en machinisten. De groote groep tram- en omnibus-werkers zijn, na eene kortstondige opstanding, tot een toestand van desorganisatie teruggekeerd. Het groote leger van pakhuisknechten, kruiers en andere soorten arbeiders in de groote steden, telt over het geheele land slechts een paar honderd vakvereenigingsleden. 4^ De vakvereenigingswereld is dan ook hoofdzakelijk samen
gesteld uit bekwame ambachtslieden, die in de dicht-bevolkte streken, waar de industrie op groote schaal wordt uitgeoefend, werken. Ongeveer 750.000 harer leden â de helft van het totaal â behooren tot de drie stapel-industricn: kolenmijn-bedrijf, katoen-bewerking en machinebouw, terwijl de âarbeidersquot; en de vrouwen over het geheel ongeorganiseerd blijven.
4gt; Maar de invloed van het vakvereenigingswezen op het
leven der arbeidersklasse kan niet worden afgemeten naar het aantal personen, die op een gegeven oogenblik daadwerkelijk con-tribueerende leden zijn. Onder de niet-aangeslotenen in de geschoolde bedrijven bevinden zich zeer velen, die op het eene of andere oogenblik aangesloten zijn geweest. Hoewel zij om deze of gene reden hebben opgehouden lid te zijn, volgen zij niettemin de leiding der vereeniging en zijn in den regel, bij den minsten aandrang harer leden, of bij verbetering van hun toestand, bereid zich weder aan te sluiten bij de organisatie, waartoe zij geestelijk zijn blijven behooren. In de arbeiders-vereenigingen doen de geringe vastheid van werk en het voortdurend veranderen van woonplaats, de organisatie op eene zeef gelijken, door welke een onafgebroken stroom van leden vloeit, terwijl slechts een klein gedeelte gedurende een
375
eenigszins langen tijd aangesloten blijft. Deze uitgevallen leden vormen in zeker opzicht de schutterij van het vakvereenigings-wezen, bereid om aan de zijde der oude kameraden in den strijd te gaan, mits middelen tot hunne ondersteuning gevonden kunnen worden. Bovendien behooren de vakvereenigingsmannen niet alleen tot de meest-geschoolde en best-betaalde industriën, doch omvatten in den regel de allerbekwaamste werklieden van elk vak. De moreele en intellectueele invloed, dien zij op hunne klassegenooten uitoefenen, is daarom buiten elke verhouding tot hun aantal. In hunne rijen worden, in bijna ieder industrieel centrum, de op den voorgrond tredende leiders van de inzichten der arbeidersklasse gevonden. Zij leveren de directeuren der verbruiks-coöperaties, de beheerders van clubs en uitkeerings-vereenigingen en de arbeidersvertegenwoordigers in schoolbesturen en gemeenteraden. Ten slotte mogen wij aanstippen, dat de kleine maar snel groeiende klasse van arbeiders-politici zonder uitzondering bestaat uit mannen, die lid eener vakvereeniging zijn. Wij mogen veilig beweren dat niemand dan een trouw vakvereenigingsman eenige kans zou hebben als arbeider-lid van het Lagerhuis, of van het een of ander lichaam van plaatselijk bestuur gekozen te worden. 4*
4» Het is daarom onmogelijk door middel van een statistisch
overzicht een behoorlijk denkbeeld van de vakvereenigingswereld te geven. Wij mogen al kennis nemen van het feit dat de duizend afzonderlijke vereenigingen of afdeelingen tusschen Blyth en Mid-dlesborough ongeveer 200.000 leden tellen; wij mogen ons al overtuigen dat in een cirkel van vijftien mijlen, met de beurs te Manchester tot middenpunt, ten minste evenveel vakvereenigings-leden wonen en werkenâmaar cijfers kunnen geen juisten indruk geven van de plaats die de vakvereeniging in het dagelijksch leven der geschoolde ambachtslieden van het Vereenigde Koninkrijk inneemt. Wij achten ons daarom gelukkig, in staat te zijn onze statistieken aan te vullen met eene schilderachtige beschrijving van het leven in eene vakvereeniging, ons verschaft door een bekwaam ambachtsman, die na het voleindigen van zijn leertijd tot zijne vereeniging toetrad en gedurende eenigen tijd verschillende bestuurs-functiën vervulde. 4*
Den leerling is het vakvereenigingswezen weinig meer dan een woord. Hij kan nu en dan de werklieden op zijn winkel de vereeniging en hare verrichtingen hooren bespreken; en hij weet dat na een âclub-avondquot; een aantal verhalen van de gebeurtenissen der vergadering zullen worden gedaan; terwijl hij, als er vele georganiseerden op zijne werkplaats zijn, zelfs warme debatten over de in de vergadering gedane voorstellen kan te hooren krijgen. Maar het voornaamste onderwerp zal altijd het persoonlijke
376
zijn â wie op de vergadering was en welke oude kameraden werden aangetroffen; want de âclubquot; is in den regel de plaats van samenkomst voor de veteranen in het vak. Indien hij ergens werkt waar ook een der vakvereenigings-bestuurders arbeidt, zal hij nu en dan een woord van raad of aansporing, âdat hij er om moet denken zich aan te sluiten als hij een man zal zijn geworden,quot; vernemen. Over het geheel zal echter zijne kennis van en belangstelling in de vereeniging zeer gering zijn. Maar mocht er, terwijl hij nog een jongen is, in zijne werkplaats eene werkstaking uitbreken, dan zullen het bestaan en de macht der vakvereeniging hem zeer duidelijk worden. En als hij alleen, of met de andere jongmaatjes, in de overigens verlaten werkplaats arbeidt, zal hij zelfstandig aan het denken geraken. Hij zal natuurlijk een hevigen afkeer hebben van de in de werkplaats gebrachte onderkruipers, want het kameraadschappelijk gevoel is bij jongens sterk ontwikkeld. En hij zal met aanmerkelijk genoegen waarnemen, dat het in den regel minderwaardige werklieden zijn. Maar als de werkgever âgeen kwade kerelquot; is en hem goed en vriendelijk behandelt, zal hij toch in den regel denken dat de mannen ongelijk hadden te staken. Want de jongen beschouwt den werkgever als iemand âdie de mannen werk verschaftquot; en beschouwt daarom eene werkstaking als eene ondankbaarheid ; en verder heeft hij ook een vaag idee, dat de werklieden in de positie verkeeren van velen tegen één, waarom hij zich onverwijld aan de zijde van de zwakste partij schaart. égt; Als de jonge man het einde van zijn leertijd nadert, ziet
hij zich vaak toegesproken door vakvereenigingsleden, die er bij hem op opdringen, zich bij de vereeniging aan te sluiten. Hij merkt ook op, dat er meer aandacht aan hem wordt gewijd en dat hem vaak naar zijne meening over vak-aangelegenheden wordt gevraagd. Ten slotte wordt hij uitgenoodigd tot een bezoek aan het koffiehuis waar de club-vergaderingen worden gehouden en maakt kennis met de vereenigings-bestuurders en met een aantal zijner vakgenooten. De voordeelcn, door de vereeniging aangeboden, worden breed uitgemeten, waarbij groote nadruk wordt gelegd op de fondsen tot uitkeering bij ziekte, invaliditeit, overlijden en vooral bij werkeloosheid. Want de vakvereeniging is de eenige instelling, die uitkeering bij werkeloosheid verstrekt. Tegen ziekte en overlijden kan hij reeds verzekerd zijn bij de eene of andere der tallooze uitkeerings-vereenigingen; maar de uitkeering bij werkeloosheid wordt nergens verstrekt dan door eene vakvereeniging, omdat het alleen daar mogelijk is te weten, of iemand, die op de uitkeering aanspraak maakt, werkeloos is door slapte, of slecht gedrag, of onbekwaamheid, en zelfs of hij inderdaad wel werkeloos is. En als hij op de voordeelen van deze voorzorg gewezen wordt, herinnert hij zich den tijd toen zijn vader, een sobere, fatsoenlijke atnbachts-
377
man, door slapte zonder werk kwam; en de herinnering aan die bittere ondervinding blijft hem zeer levendig bij. Misschien is hij ook wel verliefd. De gedachte van âhaarquot; ellendig en de kinderen hongerig te zien, terwijl hij-zelf niet in staat is te helpen, moet voor een jongen ambachtsman, die van een gelukkig tehuis in de naaste toekomst droomt, altijd een der pijnigendste dingen zijn. Er is echter nog eene andere beschouwing van de club, die eene bijna even sterke uitwerking heeft op onzen jongen ambachtsman, die pas zijn leertijd achter den rug heeft en zich in het bezit ziet van een inkomen, bijna dubbel zoo groot dan dat waaraan hij gewend was. Het vergaderlokaal der vakvereeniging is de erkende club der vaklieden en biedt uit dien hoofde velerlei aantrekkelijkheden aan. Vriendschap wordt met velen gesloten en talrijke gezellige bijeenkomsten en uitvoeringen worden georganiseerd; en de scherts en het vriendschappelijke glas, de prettige toon en de vroolijkheid zijn den jongen werkman groote aantrekkelijkheden.
De club is ook de plaats waar de laatste vak-nieuwtjes worden opgedaan. Hier komen de werkeloozen uit andere steden; hier worden mededeelingen gehoord over loonsverhoogingen of -verminderingen, verlenging of verkorting van den arbeidsduur, verhalen van tyrannic, of de eerste geruchten van den boeman der arbeiders: de uitvinding van nieuwe machines, met het waarschijnlijk overbodig-worden van hunnen arbeid â of, erger nog, het te werk stellen van vrouwen en jongens tegen lagere loonen. Er is ook nu en dan een bezoek van een gewichtigen bestuurder van het hoofdbureau te verwachten en het overwegen zijner woorden als hij weder vertrokken is. Al deze aantrekkelijkheden brengen den jongen man er toe, zich als lid te doen inschrijven; maar het zijn hoofdzakelijk persoonlijke overwegingen, die hem ten slotte doen besluiten den stap te doen. Zijn de goede mannen in zijn vak â degenen waarvan hij houdt, die hem goed behandeld, uit zijne moeilijkheden geholpen en een paar centen gegeven hebben toen hij een jongen was; de mannen van aanzien, de meesterknecht en zij wier woorden bij de kameraden gewicht in de schaal leggen â zijn die mannen leden der vereeniging? Als zij het zijn, en als hij, hetgeen in eene werkplaats vol georganiseerden waarschijnlijk het geval is, vriendschap heeft gesloten met andere jonge mannen, die reeds leden zijn, dan duurt het niet lang vóór hij toestemt en zich behoorlijk als candidaat voor het lidmaatschap laat voorstellen. 4
4 De eerstvolgende vergadering-avond ziet hem aan de deur
van het vergaderlokaal in spanning en wellicht vreesachtig wachten, terwijl daarbinnen de formaliteiten vervuld worden. In den regel wordt de gewone agenda afgehandeld, alvorens de toelating van nieuwe leden plaats heeft. Zoodra de voorzitter mededeelt, dat een
378
candidaat wacht om toegelaten te worden, gaat de dorpelwachter (die tot-nog-toe aan de binnenzijde van de deur geposteerd was, om te waken dat niemand tersluiks in of uit gaat en dat geen der âwaarde broedersquot; in een ongeschikten toestand verkeert om de zaal te betreden) snel naar buiten en weigert, de deur stevig vast houdende, ieder den toegang, zoolang de ceremonie duurt. Dan staat de voorzitter op, verzoekt stilte, leest den naam van den candidaat, benevens die van den voorsteller en ondersteuner af, welke laatsten hij uitnoodigt de vergadering mede te deelen wat zij van den candidaat weten. Dan staat de voorsteller op, richt zich tot âmijnheer de voorzitter en waarde broedersquot; en deelt mede dat hij weet: dat de candidaat een jong man is, die op zijn winkel leerling was en zijn leertijd behoorlijk doorloopen heeft, een goed werkman en een fatsoenlijke jongen, verlangend toe te treden en die stellig de vereeniging tot eer zal strekken. Hij eindigt onder applaus, en de ondersteuner staat op en herhaalt dezelfde lofspraak. Dan wordt de candidaat binnen geroepen en door den dorpelwachter met eenige plechtigheid toegelaten. Hij komt binnen met vreezen en beven; want de toelatings-formaliteit, hoewel ontdaan van hare voormalige geheimzinnige ritualen, heeft nog steeds met voldoenden ernst plaats, om haar als iets min of meer verschrikkelijks te doen schijnen. Hij bemerkt onmiddelijk dat hij het voorwerp van de vriendschappelijke nieuwsgierigheid der leden en de oorzaak van applaus is, hetgeen zijne zenuwachtigheid en angst niet weinig doet toenemen. Maar hij is aangenaam verrast door de soberheid der ceremoniën. De voorzitter staat op, verzoekt allen leden hetzelfde te doen, en als allen staan, leest hij eene inwijnings-toespraak, benevens een gedeelte van de statuten der vereeniging voor. Dan verbindt de candidaat zich, door middel eener eenvoudige belofte, zich aan de statuten te zullen onderwerpen, de belangen der vereeniging te bevorderen en niets te doen, of, als hij het kan verhinderen, te laten doen, dat daarmede in strijd is. Hij moet dan deze belofte plechtig onderteekenen. Als dat geschied is, wordt zijn naam in het leden-register ingeschreven en ontvangt hij, na zijn entreegeld betaald te hebben, een diploma en een reglementboekje der vereeniging. 4
Hij is nu een gewoon lid der vereeniging en deze pas-verworVen waardigheid wordt hem in den loop van een week of wat duidelijk, als hij zijne eerste oproeping tot het bijwonen eener huishoudelijke vergadering ontvangt. Hij begeeft zich naar het kleine koffiehuisje in de smerige dwarsstraat waar de vergaderingen plaats hebben en even vóór achten (het uur waarop de vergadering aanvangt) binnen komende, vindt hij een aantal vakgenooten in de gelagkamer bijeen, die de agenda van den avond en vak-aangelegenheden in het algemeen bespreken. De leden komen in
379
groepjes van twee en drie binnen en hij merkt op, dat, op enkele uitzonderingen na, allen netjes en helder zijn, daar zij in het tijdsverloop tusschen het eindigen van den arbeid en het uur der vergadering thuis een hapje gegeten en zich gewasschen hadden.') De afdeelings-bestuurders komen binnen en worden door alle aanwezigen gegroet als zij naar boven gaan om de zaal voor de gebeurtenissen van den avond in gereedheid te brengen. Kort na het vastgestelde uur neemt de voorzitter zijn plaats in en terwijl de leden langzamerhand de zaal vullen, staat hij op en verklaart de vergadering voor geopend. De vergaderzaal is een lang vertrek, laag van verdieping, dat de eerste étage van het koffiehuis vormt. In het midden der zaal bevindt zich eene lange tafel op schragen, met banken er omheen, waarop de leden plaats nemen. Aan het boven-einde is eene kortere tafel dwars geplaatst, de letter T vormend, waaraan het bestuur zit. De zaal is versierd met de ingelijste âemblemenquot; van verschillende vakvereenigingen, afgewisseld door spiegels in vergulde lijsten en reclame-kalenders. Aan een dei-wanden bevindt zich een troon met hemel, waaruit blijkt dat de zaal ook gebruikt wordt door de eene of andere der uitkeerings-vereenigingen, die nog steeds de zonderlinge oude ritualen hunner orden handhaven. In een hoek staat een klein-model pianino, waaruit kan worden opgemaakt dat de zaal ook gebruikt wordt voor concerten, uitvoeringen en gezellige bijeenkomsten. ^
Het eerste punt van de agenda is het betalen van contributiën. De secretaris, bijgestaan door den controleur, den schatbewaarder en den penningmeester, ontvangt de bijdragen van de leden als zij één voor één binnenkomen, noteert de betalingen in het boek en teekent de diplomas af. In vele gevallen komen vrouwen en kinderen de contributiën van hunne mannen of vaders betalen; en hij zal zich eenigszins schamen bij de gedachte, dat zij door de herberg moeten passeeren om hun boodschap te doen. Als alle contributiën ontvangen zijn, komen de werkelooze leden, benevens de vrouwen en verwanten van degenen die ziek zijn, hunne diverse uitkeeringen in ontvangst nemen. Men informeert in algemeenen zin naar den gezondheidstoestand en spreekt de hoop op spoedige genezing der zieken uit, waarna de verschuldigde bedragen door de bestuurders met vrij wat plechtigheid worden uitgereikt. Gedurende deze verrichtingen is er een onafgebroken
geroesemoes van gesprekken in de zaal geweest, terwijl leden van
amp;
â ') Oude leden herinneren zich vaak de dagen toen de mannen recht
streeks van hun werk en âin hun vuil' naar de vergadering kwamen. Zij schrijven dikwerf het tegenwoordige ordelijke gedrag op de vergaderingen, vergeleken bij de rumoerigheid van het verleden, grootendeels toe aan de verandering van gewoonte, die zelf een rechtstreeksch gevolg van de verkorting van den arbeidsduur is.
380
i
en naar de koffiekamer liepen. Aan dat alles wordt nu een einde gemaakt. De voorzitter staat op en verzoekt stilte. Vreemden en niet-leden worden uit de zaal verwijderd. De dorpelwachter betrekt zijn post aan de deur, om te letten op degenen die in en uit gaan ; en de drink-stewards (leden aangewezen tot het uitdeden van bier, enz.) maken zich gereed om in de behoeften der leden te voorzien en treden als bedienden op, ten einde geen vreemden in de zaal noodig te hebben en overbodige drukte en verwarring te voorkomen. ') De dagorde wordt geopend met het lezen van de notulen der vorige vergadering. Vragen nopens het uitvoeren van het een of andere besluit, of het resultaat van de eene of andere aan het bestuur gegeven opdracht, worden gesteld en beantwoord, waarna de notulen met handen-opsteken goedgekeurd en door den voorzitter geteekend worden. Dan worden de ontvangen brieven en de copiën van die welke sinds de voorafgaande vergadering door den secretaris verzonden zijn, voorgelezen. Daaronder zijn brieven van het hoofdbestuur, waarin dit of dat artikel van het reglement nopens betaling van uitkeeringen wordt toegelicht, van het districts-comitc, waarin kennis wordt gegeven van eene regeling van vakaangelegenheden, en van andere afdeelings-secretarissen, waarin inlichtingen omtrent karakter en bekwaamheid van den een of anderen candidaat voor het lidmaatschap worden gevraagd. Dan volgt de attractie van den avond; het rapport der gedelegeerden, benoemd tot het bezoeken van een werkgever, nopens de eene of andere grief. Zij deelen mede hoe zij den Heer Die-en-Die hebben opgezocht, die eerst weigerde hen te ontvangen en hen de deur wees; hoe hij daarna van gedachten veranderde en hunne klachten aanhoorde; hoe hij het bestaan van het euvel, waarover geklaagd werd, ontkende en de namen wilde weten van de mannen die geklaagd hadden, welke de deputatie natuurlijk weigerde op te geven; en hoe liij ten slotte, na veel over en weer praten, bijdraaide en te verstaan had gegeven dat de grief zou worden weggenomen. Dan wordt den aanwezigen leden, op den betrokken winkel werkende, gevraagd, of er verbetering is gekomen, en zoo ja welke, in de zaken waarover zij geklaagd hebben. Als hunne mededeelingen naar genoegen zijn, wordt het geval als afgedaan beschouwd. Indien dat niet het geval is, ontstaat er een heftig debat. Onze vriend, die met de jongere mannen aan het einde der zaal zit, eischt eene werkstaking. De bestuurders doen hun best om de vergadering in bedwang te houden. Zij stellen voor, in de eerste plaats met het
districts-comité 2) in overleg te treden; of, wanneer de grief eene
amp; amp;
â¢0gt; ') Vele vereenigingen verbieden het drinken gedurende de huis
houdelijke vergadering geheel en al. lt;3'
2) In de groote gemengde vereenigingen worden in de belangrijke industrieele centra districts-comitc's gevormd, samengesteld uit vertegenwoordi-
38I
⢠.r 11»*
'ï Er
{⢠\
l
A,
jir
i 1
-JMK!
â EHi
f
I.-
I
li-M: é
V
vPl
ir
?â t .
ul.
1:1
if,»!
idtdl
zoodanige is, dat de statuten of het districts-reglement den mannen veroorloven zonder toestemming van hoogerhand het werk te staken, dringen zij op verdere onderhandelingen met den patroon aan. De discussie eindigt ten slotte met de opdracht aan den secretaris om met het districts-comité overleg te plegen, of met eene opdracht aan de deputatie om den zondigenden werkgever nogmaals te bezoeken, en den winkel te doen staken als hij hen opnieuw voor het lapje houdt.
Als deze opwinding voorbij is, verflauwt de belangstelling der vergadering en de leden gaan voor en na heen. Misschien is er een appèl van een lid, wien het bestuur de eene of andere uitkeering, waarop hij recht meent te hebben, heeft geweigerd. Tegen deze beslissing komt hij in beroep op de vergadering zijner medeleden, wijst op zijn langdurig lidmaatschap, zijne vrouw en kinderen en zijn werk voor de vereeuiging, als redenen om hem lankmoedig te behandelen. Persoonlijke vrienden houden welsprekende redevoeringen ten zijnen behoeve. Maar het bestuur en de beambten verklaren dat zij hebben gehandeld volgens het reglement en herinneren de vergadering er aan, dat als hun gelast wordt eene ongewettige uitkeering te doen, het hoofdbestuur dat niet zal goedkeuren en de leden zal bevelen het bedrag aan de kas der vereeniging terug te betalen. Als het bestuur krachtig is, zal de stemming ten nadeele van den man uitvallen; is het zwak, en vooral als de man een joviale en prettige kameraad is, dan komen zijne vrienden in voldoend aantal op om het beroep in te willigen. Het is intusschen tien uur geworden en alle andere punten â als bijvoorbeeld door gewone leden ingediende voorstellen â worden aangehouden tot de volgende vergadering, waarna de voorzitter de bijeenkomst voor gesloten verklaart. De secretaris spoedt zich naar huis, om tot na middernacht zijne boeken in orde te maken, de notulen te schrijven, rapporten aan het hoofdbestuur of het districts-comité op te stellen en de door de vergadering gelaste brieven te schrijven.
^ De afdeelings-vergadering speelt weldra eene belangrijke
rol in het leven van onzen actieven ambachtsman. Hij gevoelt dat hij deel heeft aan het daadwerkelijk besturen eener nationale instelling. Speciale vergaderingen hebben plaats voor de bespreking van en het steunen over door het hoofdbestuur aan de geheele leden-massa voorgelegde vraagstukken, als bijvoorbeeld het wijzigen van een reglement, het verkiezen van een hoofdbestuurder, of het verkenen van steun aan eene andere vakvereeniging. Maar vóór
digers der plaatselijke afdeelingen, welke colleges beslissen over het optreden in vakaanelegenheden hunner samenstellende afdeelingen. Deze beslissingen moeten door het hoofdbestuur worden goedgekeurd. lt;3gt;
382
alles is de afdeeling zijn hof van appèl tegen alle industrieele tyrannic, een hof waarin hij zeker is gereedelijk een sympathiek gehoor te vinden. Daar komt hij met klachten over boeten en ingehouden gelden, over eigenmachtige meesterknechten, over lage stukwerk-loonen â in het kort: over alles dat zijn belang of zijn welstand als loonarbeider betreft. ^
Deze alom-tegenwoordige macht en daadwerkelijkheid der afdeeling brengt er toe bij om het lid de breedere functiën en verantwoordelijkheid van het hoofdbestuur over het hoofd te doen zien. Dat college is voor hem iets dat ver weg is in de groote wereld daarbuiten en zijne macht is iets zeer vaags en nevelachtigs. Hij wordt er evenwel door sommige gebeurtenissen in zijn vakvereenigings- en arbeidsleven aan herinnerd. Daar is bijvoorbeeld het âembleemquot; zijner vereeniging, eene groote en in den regel hoog-gekleurde voorstelling van de verschillende branches van zijn vak, dikwijls zeer fraai geteekend en uitgevoerd. Dit stuk, spoedig na zijn toetreden tot de vereeniging, of, nog waarschijnlijker, bij zijn huwelijk, voor een paar shilling gekocht, wordt, fraai omlijst, in zijne voorkamer opgehangen. Het vermeldt zijn naam, leeftijd en datum van toetreding tot de vereeniging, en draagt de hand-teekeningen en wellicht de portretten der leden van het hoofdbestuur. Het is hem een lichtelijk-verbindende schakel met de andere mannen in zijn vak en vereeniging. Voor zijne vrouw is het de belichaming hunner rechten in geval van ziekte, werkeloosheid of overlijden. Als zoodanig is het een voorwerp waarop het gezin fier is en dat aan vrienden en bezoekers met trots vertoond wordt. ^
Maar belangrijker is het maandblad, dat thans in de meeste groote vereenigingen eene erkende instelling is. Hier voelt het lid zich in onmiddelijke aanraking gebracht met de buitenwereld van zijn vak. Is hij ziek of werkeloos geweest en heeft hij deswege uitkeering bekomen, dan wordt zijn naam en het genoten bedrag daarin geboekstaafd. Indien hij-zelf niet zoo ongelukkig is geweest, verneemt hij hier de namen van hen die het wèl waren en hoort misschien op deze wijze voor het eerst dat zulk een ramp den een of anderen vriend, in eene andere, verre stad, overkomen is. Hier zijn ook rapporten nopens den toestand van het vak en het aantal werkeloozen in iedere plaats waar eene afdeeling der vereeniging bestaat, alsook betreffende veranderingen in arbeidsduur en loonen, gedurende de maand door vriendschappelijke onderhandelingen, of door eene werkstaking of uitsluiting bewerkstelligd. Ten slotte zijn er brieven van afdeelingen of leden over allerlei onderwerpen, waaronder gepeperde aanvallen op het hoofdbestuur, met scherpe antwoorden van den algemeenen secretaris. Als zijne belangstelling in de vereeniging toeneemt, schrijft onze ambachtsman zelf stukken in het maandblad, waarin de eene of
383
andere grief uiteengezet, een middel tegen eene reeds medegedeelde grief aan de hand gedaan, of kritiek op de houding en taktiek van zijn districts-comité of zijne afdeeling beantwoordt wordt. ^
Nevens het maandblad is daar nog het jaarverslag. Dat is een groot boekdeel, bevattende, in beknopten vorm, het relaas van den vooruitgang en de verrichtingen der vereeniging over het geheele jaar, benevens het totaal van inkomsten en uitgaven en het saldo in kas, de betrekkelijke kosten van de verschillende uit-keeringen, een staat der rekening van iedere afdeeling en vele andere belangrijke en interessante cijfers. Hij gevoelt een gloed van trots bij dit relaas van den groei zijner vereeniging in leden en bezittingen, en misschien ook een verlangen om ook zijn naam vermeld te zien als een der bestuurders van eene der afdeelingen en aldus, zij het ook van verre, betrokken te zijn bij het succes der vereeniging.
Maar na een jaar of twee de betrekkelijke vrijheid van het werkmansleven genoten te hebben, begint hij een sterk verlangen naar afwisseling en avonturen te gevoelen. De vijf- of zevenjarige leertijd, dien hij pas heeft doorgemaakt, heeft hem aan ééne plaats geketend en nu begint eene periode van onrust. Bovendien heeft hij als eene gemeenplaats onder zijne medearbeiders gehoord, dat niemand zijn eigen bekwaamheid kent, of weet wat hij waard is, vóórdat hij in meer steden of fabrieken dan ééne gewerkt heeft. Zij hebben hem ook veel verteld van de genoegens van het rondtrekken en ten slotte besluit hij gebruik te maken van het lidmaatschap der vereeniging om bij de eerste gelegenheid de beste op reis te gaan. Het is hem daarom niet geheel en al onaangenaam, als zijn patroon hem, wegens tijdelijke slapte in het vak, gedaan en hem daarmede het recht geeft zijn reiskaart aan te vragen. 1) Op het einde van zijn eerste dagmarsch, zoekt hij, moede en uitgeput, het koffiehuis op waar de plaatselijke afdeeling gevestigd is en gaat er, na eenige ververschingen gebruikt te hebben, op uit om den secretaris te vinden. Hij geeft dezen zijne reiskaart. Als dan blijkt dat de datums op de kaart in orde zijn en de afgelegde afstand voldoende is om den reiziger recht te geven op de volle uitkeering van zes stuivers en een nachtverblijf, schrijft de secretaris een bon voor den logementhouder om een en ander te verschaffen. Datum en plaats worden dan duidelijk op de reiskaart aangeteekend en de secretaris behoudt de gelijkluidende helft van
lt;$gt; égt; â ') De reiskaart, vroeger 6/a/i/i genaamd, is nu in de meeste gevallen
een klein quitanlie-boekje. Hierin worden aangeteekend de bizonderheden van zijn lidmaatschap en de datum waarop hij voor het laatst contributie heeft betaald. Daarbij ontvangt hij eene volledige lijst der koffiehuizen die als afdeelings-lokalen dienst doen, benevens eene lijst van de namen en adressen der afdeelings-secretarissen. amp;
384
..
de quitantie, om te dienen als zijn eigen bewijsstuk voor de uitgaaf. Ingeval hem eene geschikte vacante plaats in de stad bekend is, zegt hij den reiziger zich den volgenden morgen daar aan te melden. Indien dit echter niet het geval is, moet de zwerveling den volgenden morgen weer verder trekken, om vóór den avond de naaste stad waar eene afdeeling gevestigd is te bereiken, omdat hij alleen daar opnieuw ondersteuning kan ontvangen. 4-
amp; Indien onze vriend in den zomer de reis aanvaardt en
binnen enkele weken eene betrekking vindt, heeft hij niets ergers gehad dan een aangenaam vacantie-uitstapje. Maar als zijne omzwerving in den winter plaats heeft, of als hij maanden-lang reizend moet blijven, dan bevindt hij zich in een ellendig parket. Zoolang hij zich ophoudt in de dicht-bevolkte industriëele districten, waar âondersteunings-stedenquot; in zijn vak vaak voorkomen, vindt hij zijn avondmaal en zijn bed op het einde van iedere vijftien of twintig mijlen. Maar als hij die steden stuk voor stuk achter den rug heeft, zal hij (daar de statuten verbieden dat dezelfde afdeeling aan denzelfden persoon meer dan één maal per drie maanden ondersteuning geeft) genoodzaakt zijn zich verder het land in te begeven. Hij vindt dan weldra de afdeelingen zóó ver van elkander verwijderd, dat het onmogelijk is in één dag van de eene naar de andere te loepen. De verleende onderstand wordt onvoldoende voor zijn onderhoud en vele zijn de kunstgrepen die hij moet aanwenden om voedsel en onderdak te bekomen. Eindelijk, na een vastgesteld tijdperk, in den regel drie maanden, is zijn kaart âafgeloopenhij is box-fast (buiten uitkeering) geworden en kan van de vereeniging niets meer trekken vóór hij werk heeft en opnieuw zijne contributie betaalt. 4
^ Maar onze vriend, die een krachtige, jonge ambachtsman
is, heeft werk gevonden. In eene nieuwe stad gevestigd, is zijn trekken voor het oogenblik geëindigd en hij-zelf bekomen van de zedelijke en lichamelijke euvelen, welke dat korte tijdperk hem bezorgd heeft, herleeft zijne belangstelling in de vereeniging. Hij woont de vergaderingen zijner nieuwe afdeeling geregeld bij, aanvankelijk omdat het de eenige plaats in de stad is waar hij vrienden ontmoet. Weldra komt zijn oud verlangen om als bestuurder der vereeniging te fungeeren weder terug. Hij tracht met de bestuurders der afdeeling bevriend te worden, gaat veel met de leden om en grijpt elke gelegenheid aan om over gewichtige aangelegenheden het woord te voeren. Bij de volgende verkiezing wordt hij in eene ondergeschikte functie, bijvoorbeeld tot lid der controle-commissie of tot commissaris, benoemd. Hij maakt zich nuttig en populair en in den loop van het jaar is hij lid van het afdeelings-bestuur geworden.
Van afdeelings-bestuurder rijst hij tot de positie van 25 - Sidney Webb. 385
afdeelings-secretaris, het hoogste waartoe hij door zijne vakgenooten in zijn eigen stad kan worden gekozen. Op den avond zijner verkiezing is hij eenigszins verbaasd te zien dat er niet zeer sterk naar de functie gedongen wordt. Het salaris van een afdeelings-secretaris is pover genoeg: van tien tot vijftig shilling per kwartaal. De meeste zijner avonden en een deel zijner Zondagen worden door verantwoordelijk administratief werk in beslag genomen. Buiten het bijwonen der veertiendaagsche of wekelijksche bestuursvergadering, die van acht tot elf of twaalf uur 's avonds duurt, heeft hij de agenda voor de buitengewone en algemeene ledenvergaderingen gereed te maken, de geheele correspondentie der afdeeling te voeren, rapporten voor districts-comité en hoofdbestuur op te stellen, de administratie te voeren en doorwrochte balansen voor het hoofdbureau te vervaardigen. Zelfs in zijn werk is hij niet vrij van bestuurs-verrichtingen. Hij kan ieder oogenblik uit zijne werkplaats geroepen worden om de kaart van een reizend lid af te teekenen, of hij kan zich in het etensuur moeten reppen om leden te beletten het werk te staken zonder goedvinden der afdeeling. Wanneer eene deputatie benoemd wordt om met een werkgever te onderhandelen, moet hij een dag vrij-af vragen en als voornaamste woordvoerder voor de mannen optreden. Dat alles brengt voortdurend gevaar voor verlies van betrekking, of zelfs van door de patroons als een âagitatorquot; geboycott te worden, met zich mede. En ook oogst hij niet altijd dank voor zijne moeite. Vóór hij tot secretaris gekozen werd, was hij waarschijnlijk bij al de andere leden zeer populair. Nu heeft hij voortdurend de wen-schen en belangen van allerlei leden te dwarsboomen. Hij moet altijd het bestuur adviseeren uitkeering te weigeren aan leden, wier aanspraken volgens het reglement der vereeniging niet in aanmerking komen en huishoudelijke vergaderingen steeds raden toestemming tot werkstaken te weigeren. Dientengevolge ziet hij weldra onder de ontevredenen kleine klieken ontstaan, die hem bitter bestrijden. Hij wordt beschuldigd van onrechtvaardigheid, lafhartigheid, verraad en ten slotte van âmet de patroons te heulen.quot; Maar als hij standvastig zijn koers vervolgt en zich strikt houdt aan de reglementen der vereeniging, ziet hij zich weldra gesteund door het hoofdbestuur en wint hij het vertrouwen van de schrandere en verstandige arbeiders, die de massa der leden uitmaken en die altijd kunnen worden opgeroepen om het bestuur in de huishoudelijke vergaderingen ter zijde te staan.
4 Een der plichten, of voorrechten, den secretaris opgelegd,
bestaat in het vertegenwoordigen zijner vereeniging in den plaatselijken trades council. Het is hem niet geheel en al welkom dat de afdeeling tot zijne mede-afgevaardigden eenige der meest praatgrage en minder vernuftige harer leden heeft gekozen. Oudere en onder-
386
vindingrijker lieden weigeren zich te laten benoemen, op grond dat zij geen tijd hebben en âgenoeg van die dingen hebben gehad.quot; Niettemin vat onze secretaris zijne functie aanvankelijk zeer ernstig op. Voor den jongen vakvereenigingsman vertegenwoordigt de trades council de grootere wereld van arbeiders-politiek en hij heeft visioenen van te werken voor de verkiezing van werklieden in de plaatselijke bestuurs-lichamen en van zelf candidaat van den trades coiDicil te zijn voor het schoolbestuur, of den gemeenteraad, of misschien zelfs voor het parlement. Als de maandelijksche vergadering van den council komt, draagt hij daarom zorg precies om acht uur in de raadkamer aanwezig te zijn. Hij bevindt zich in de groote en pronkerig versierde vergaderzaal, op de bovenverdieping van een van de voornaamste koffiehuizen der stad. Eene lage tribune is aan het eene einde opgericht, waarop zich stoelen en eene kleine tafel voor voorzitter en secretaris bevinden. Vóór het podium is eene lange tafel geplaatst, waaraan de verslaggevers der plaatselijke nieuwsbladen gezeten zijn, en de rest der zaal is met stoelen en geïmproviseerde banken voor de leden gevuld. Hier ontmoet hij de dertig of zestig gedelegeerden van andere vereeni-gingen. Met leedwezen bemerkt hij, dat de bezoldigde bestuurders der vereenigingen, die hun hoofdkwartier in de stad hebben, en de districts-gedelegeerden der groote nationale bonden, die in den omtrek gelegen zijn â de mannen die hij eigenlijk hoopte te ontmoeten in dit plaatselijke âparlement van den arbeidquot; -â schitteren door hunne afwezigheid. De massa der gedelegeerden zijn óf afdeelings-bestuurders, als hij-zelf, óf vertegenwoordigers van de gewone leden, als zijne collegas. De vergadering begint kalmpjes met veel gelees van notulen en correspondentie door den secretaris. Dan komen de vak-rapporten ; afgevaardigde na afgevaardigde staat op, om te protesteeren tegen de onbillijke handeling van een werkgever, of om verslag te doen van onderhandelingen over het tegemoet komen aan eene grief. Eenige vragen kunnen dan wellicht gesteld worden door de overige gedelegeerden, maar in den regel wordt niet gepoogd diep op de zaak in te gaan en de council stelt zich in den regel tevreden met het verkenen van een sympathiek gehoor en het toejuichen van elk algemeen protest tegen industriëele tyrannic. Indien eene staking uitgebroken is, vragen de gedelegeerden der betrokken vereeniging om âgeloofsbrievenquot; (een brief van den secretaris van den council, waarin de stakers voor den steun van andere vakvereenigingen worden aanbevolen) en vragen zelfs geldelijke hulp van den council-yamp;\{. Dit veroorzaakt verschil van meening. De geheele council heeft de staking toegejuicht, maar als het komt tot het heffen eener extra-contributie, staan de vertegenwoordigers van oud-gevestigde vereenigingen, als de Letterzetters, Machinebouwers, Steenhouwers en Metselaars, op en verklaren dat
387
de statuten hunner vereenigingen niet toestaan zich daartoe te verbinden. Anderzijds zeggen de geestdriftige gedelegeerden eener pas-gestichte vereeniging van losse arbeiders gereedelijk den steun hunner organisatie toe en beschuldigen den council in sterke termen van laksheid. Dan volgt een nog ernstiger geval: eene klacht van eene der talrijke vereenigingen in de machine- of bouwvakken, dat de leden eener concurreerende vereeniging kortelings in een geschil als onderkruipers zijn opgetreden. De gedelegeerden der beleedigde vereeniging verklaren heftig dat hunne leden bij eene zekere firma, die geweigerd had het standaard-loon te betalen, gestaakt hadden en dat de leden der andere vereeniging onmiddelijk daarna de voorwaarden van den werkgever aanvaard en het werk gekregen hadden. De gedelegeerden der beschuldigde vereeniging beweren met evenveel warmte, dat het werk in kwestie eigenlijk tot hunne branche van het vak behoorde â dat de leden der vereeniging niet eens het recht hadden het te verrichten â en dat, waar de werkgevers het volgens hunne tarieven geldende loon aanboden, zij gerechtigd waren het werk aan te nemen. Een nijdig debat volgt onverwijld, waarin persoonlijke beschuldigingen en technische termen over en weer gewisseld worden, tot volslagen verwarring der overige leden. De voorzitter tracht tusschenbeide te komen en poogt, zonder gevolg, de orde te herstellen. Het gekrakeel moede, schuift de council zich ten slotte de kwestie van den hals, door haar naar eene commissie te verwijzen; en een oud lid van den council fluistert onzen vriend toe, dat hij vurig hoopt dat de commissie haar taak niet zal volvoeren en nooit bijeen zal komen, daar haar rapport geen van beide partijen zou voldoen en waarschijnlijk tot gevolg zou hebben dat een, zoo niet beide vereenigingen zich uit den council terugtrekken. l) 4gt;
^ Het volgende punt herstelt de harmonie in den council.
De gedelegeerden, op de laatste vergadering benoemd om er bij den gemeenteraad of het schoolbestuur op aan te dringen eene bepaling omtrent minimum-loon aan te nemen, brengen nu hun verslag uit. Zij beschrijven hoe de wethouder Jones, een plaatselijk politicus van de oude school, over brooddronken verkwisting en het leed van den armen belastingbetaler sprak: en de council barst in lachen uit over hun antwoord: âEn hoe staat het dan met de pas-toegestane verhooging van het salaris van uwen vriend de stads-secretaris ? Zij herhalen met genoegen de argumenten die zij als deputatie bezigden, en hun laatste schot, eene stoute verklaring 4 4
') Een dergelijk geschil tusschen de Amalgamated Society of Engineers en de Co-operaiivc Blacksmiths, werd dit jaar (1899) door het Parlementair Comité ten nadeele van eerstgenoemde vereeniging beslist; deze weigerde zich bij die uitspraak neder te leggen, hetgeen tot gevolg had dat de voornaamste Engelsche vakorganisatie van het Vakvereenigings-Congres uitgesloten werd. Vert. ^
388
van het aantal vakvereenigingsleden op de kiezerslijst, wordt met algemeen applaus ontvangen. Maar ondanks dat alles rapporteeren zij dat wethouder Jones de baas is gebleven en dat de gemeenteraad het voorstel verworpen heeft. Ons nieuw lid merkt met voldoening op, dat de council niet een zoo ondoelmatig lichaam was als hij vreesde. Na heel wat opgewonden besprekingen, wordt den secretaris opgedragen artikelen te zenden naar de plaatselijke bladen, waarin de toestand uiteengezet en de aandacht op het door andere voorname gemeentebesturen gegeven voorbeeld gevestigd wordt. De leden, zoowel oude als jonge, nemen op zich, het den aftredenden gemeenteraadsleden, die tegen de belangen der arbeiders gestemd hebben, lastig te maken; en de besten uit den council, onverschillig tot welke politieke partij zij behooren, stemmen gezamenlijk vóór het benoemen eener commissie, om vakvereenigings-candidaten tegenover hunne hardnekkigste tegenstanders te stellen.
Het aannemen, verwerpen of aanhouden van voorstellen, die op eene vorige vergadering ingediend zijn, neemt de rest van den avond in beslag. Eerst komen voorstellen, ingediend namens het bestuur, samengesteld uit vijf of zeven der voornaamste leden van den council. De secretaris deelt mede, dat een invloedrijk lid van het Parlementair Comité van het Vakvereenigings-Congres heeft te kennen gegeven, dat, wanneer men een zekeren maatregel wenscht te zien wet worden, eene zekere resolutie moet worden aangenomen, welke daarop aan de vergadering wordt voorgelezen. Zij wordt kortelijk besproken, met algemeene stemmen aangenomen en daarna in handen der verslaggevers gesteld, terwijl den secretaris gelast wordt afschrift te zenden aan de plaatselijke parlementsleden en misschien ook aan den betrokken minister. Voorstellen van andere leden komen er niet zoo gemakkelijk af. De gedelegeerde der kleermakers, een fanatiek aanhanger der vredes-vereeniging, stelt eene krachtige veroordeeling van toenemende bewapening, eindigende in een pleidooi ten gunste van internationale arbitrage, voor. Maar de machinebouwer en de scheepstimmerman bestrijden de resolutie heftig als onpractisch, en een hunner stelt een amendement voor, waarin de regeering wordt uitgenoodigd, de hard-werkende ambachtslieden in slechte tijden werk te verschaffen, door den bouw van. nieuwe pantserschepen. De socialistische secretaris van een arbeidersbond stelt eene motie voor, waarin de gemeenteraad wordt aangespoord tot het oprichten van gemeentelijke werkplaatsen voor de werkeloozen â een plan dat door een conservatieven typograaf (die ook als verslaggever optreedt) bespottelijk wordt gemaakt. Gedurende het debat houden de voorzitter, de secretaris en het bestuur zich stil en laten de discussie van de orde afwijken. Het debat verflauwt en als eene stemming over een populair doch onpractisch punt dreigend wordt,
389
stelt de een of andere âoude rotquot; aanhouding tot eene meer voltallige vergadering voor. Gedurende de paar eerste avonden vindt onze vriend dat alles leerzaam en belangwekkend genoeg. Vóór het jaar om is, is hij tot de overtuiging gekomen, dat, behalve ten opzichte van eenvoudige kwesties, als eene bepaling omtrent minimumloon en het betalen van vakvereenigings-tarieven door de plaatselijke overheden, de overvolle vergadering van vermoeide arbeiders, niet gewoon aan het afdoen van officiëele zaken en welker kennis en belang strikt beperkt is tot ééne enkele industrie, nutteloos is als een hof van appèl en ondoeltreffend zelfs als eene gemengde commissie der plaatselijke vakvereenigingen. Op zijn best wordt de council het instrument, of, om zoo te zeggen, het klankbord der ondervindingrijke leden, die in verbinding staan met de parlementaire leiders der vakvereenigingen en die (tegen vergoeding van niet meer dan een paar shilling per drie maanden) de geheele briefwisseling voeren en al de zaken afdoen, welke de vakvereenigingen der stad inderdaad met elkander gemeen hebben. amp; Maar de carrière van onzen vriend wordt plotseling onder
broken. Op een goeden betaaldag wordt hem door zijn patroon gezegd, dat hij de volgende week niet behoeft terug te komen. Het kan zijn dat hij met den meesterknecht eene woordenwisseling heeft gehad over eenig bedorven werk, of dat hij ten behoeve der vakvereeniging te veel op den voorgrond getreden is, of eenvoudig dat het slap is in de zaak van zijn patroon. Maar wat ook de reden moge zijn: hij is ontslagen en moet elders werk zoeken. Hij maakt onmiddelijk aanspraak op zijne uitkeering, geeft den voorzitter en den penningmeester kennis van zijn toestand en teekent dagelijks het werkeloozen-boek in het vereenigingslokaal, als ieder ander werkeloos lid. Gedurende de volgende twee of drie weken loopt hij van werkplaats tot werkplaats in zijn district om werk te zoeken en snuffelt verlangend in de dagbladen, hopende eene advertentie te vinden waarin eene betrekking wordt aangeboden. Dan ontvangt hij van een vriend bericht, dat in eene verwijderde stad werk te krijgen is. Hij legt zijne functie als afdeelings-secretaris neder, neemt het tegoed van zijne werkeloozen-uitkeering in ontvangst en vertrekt met leedwezen uit de stad waar hij zoo vele vrienden gemaakt heeft, om zijne nieuwe betrekking te aanvaarden.
In zijne nieuwe plaats gekomen, ervaart hij met verwondering, dat er geene afdeeling zijner vereeniging in de stad is. Er zijn enkele verspreide leden, maar niet genoeg om eene afdeeling te vormen; zij zenden hunne contributie naar de naastbij-gelegen stad waar zich eene afdeeling bevindt. Zoodra hij gevestigd is, doet hij stappen om daarin verandering te brengen. Op zijn winkel redeneert en argumenteert hij, tot de mannen in het vakvereeni-gingswezen beginnen vertrouwen te stellen. Des avonds bezoekt
390
hij hunne plaatsen van bijeenkomst en door middel van discussies, beloften en andere propaganda slaagt hij er ten slotte in, een voldoend aantal te bewegen toe te treden tot eene afdeeling, om het de moeite waard te doen zijn er eene in de stad te stichten. Hij stelt zich onmiddelijk in verbinding met het hoofdbestuur, dat, zijn vroeger werken kennende, hem tot tijdelijk secretaris benoemt. Dan worden door middel van op de werkplaatsen verspreide en in de door de arbeiders meest-bezochte herbergen aangeplakte strooibilletten, alle vakgenooten ter vergadering opgeroepen. Op den gewichtigen avond komt de algemeene secretaris, en misschien nog een ander lid van het hoofdbestuur, over. Zij brengen eene afdeelings-cassette met zich mede, bevattende eene hoeveelheid reglementboekjes en diplomas, een volledig stel kas- en andere boeken, een aantal briefhoofden en zelfs een flesch inkt â kortom alles dat noodig is om de zaken eener afdeeling te doen. De zaal is stampvol vakgenooten, die verlangen te vernemen wat de ver-eeniging is en wat zij wil doen. Redevoeringen worden gehouden, de loonsverhoogingen en verminderingen van arbeidsduur, door de vereeniging bewerkstelligd, worden opgesomd, de uitkeeringen worden uiteengezet en voorbeelden gegeven van werklieden die door een ongeval niet langer in staat waren hun vak uit te oefenen en ioo pond ongevallen-uitkeering van de vereeniging ontvingen, waarmede zij een zaakje begonnen. Dan verklaart de algemeene secretaris de afdeeling geconstitueerd en wordt door een groot deel der aanwezigen entreegeld en contributie betaald, waarna de openbare vergadering overgaat in eene huishoudelijke. Bestuurders worden gekozen, onze vriend ziet zich weder benoemd tot secretaris, een welgezinde meesterknecht aanvaardt de functie van penningmeester, terwijl de overige tegenwoordig zijnde oude leden in de resteerende functiën worden gekozen. De afdeeling wordt met toespraken der hoofdbestuurders ingewijd en de vergadering gaat zeer laat, met een hoera voor de vereeniging en den algemeenen secretaris, uiteen.
In de volgende drie maanden bemerkt de afdeelings-secretaris dat niet alles dat blinkt goud is. Ten minste de helft dergenen die zich aanvankelijk aansloten hebben, bedankt en somtijds ziet het eruit alsof de geheele afdeeling in elkander zal vallen. Maar door middel van veel en hard werken, overreding en wellicht het vormen van vriendschaps-betrekkingen, wordt zij bijeengehouden totdat een tijd van bloei in het vak komt. Dat is de gelegenheid voor den secretaris om zijne afdeeling er op of er onder te werken; en daar hij een verstandig man is, grijpt hij haar aan. Hij brengt op de agenda der eerstvolgende afdeelings-vergadering een voorstel tot verhooging van loon, of vermindering van arbeidsduur, of beide. De volgende vergadering neemt het met algemeene stemmen aan
391
eu onmiddelijk wordt het in het geheele vak druk besproken. Arbeiders komen zich in massa aansluiten, om te helpen en deel te nemen aan de voorgenomen verbeteringen. Dan verzoekt de secretaris het hoofdbestuur verlof om de verhooging aan te vragen. Dat college overweegt de zaak ernstig en wenscht te weten welk gedeelte der arbeiders in de stad georganiseerd is en hoe lang zij dat zijn, wat de niet-georganiseerden over de voorgenomen beweging denken en of er eene plaatselijke kas is tot ondersteuning van ongeorganiseerden, die zullen staken en tot het afkoopen van reizende arbeiders en vreemden, die tijdens de mogelijke werkstaking in de stad zullen komen. Als deze vragen min of meer voldoende beantwoord zijn, wordt ten slotte verlof tot het streven naar de verbetering gegeven en nu zal de secretaris voor het eerst als officieel functionaris buskruit ruiken. 4»
4gt; Gedurende de agitatie is het ledental der afdeeling gestadig
toegenomen, totdat het een groot deel van de vakgenooten der stad omsluit. Met de ongeorganiseerden is bovendien in overleg getreden nopens hunne bereidwilligheid om aan de beweging deel te nemen en de massa hunner stemt er gereedelijk in toe met de vereenigden het werk te staken, als deze op zich nemen hen te onderhouden. Eene speciale commissie wordt ingesteld om de loonbeweging te leiden, waartoe ook gedelegeerden van tot staken bereid zijnde niet-aangeslotenen behooren. Eene plaatselijke extracontributie wordt van de afdeelingsleden geheven, tot vorming eener kas, waaruit die stakings-onkosten zullen worden betaald, welke den bond niet in rekening kunnen worden gebracht. Eindelijk is alles gereed en wordt onzen secretaris gelast zich schriftelijk te wenden tot alle werkgevers der stad en de door de arbeiders geëischte loonsverhooging of vermindering van arbeidsduur aan te vragen. ^
Ondertusschen hebben de werkgevers niet stil gezeten. Zij hebben geruchten van den naderenden storm vernomen en zijn bijeengekomen om te overleggen wat gedaan moet worden, en hebben een min of meer tijdelijk verbond gesloten om den aanval te weerstaan. Zoodra de brieven van den secretaris der arbeiders ingekomen zijn, noodigen zij eene deputatie der werklieden uit hen te bezoeken om de zaak te bespreken. Daarin stemmen de arbeiders natuurlijk toe en op den bestemden avond verschijnen de secretaris en het âlooncomitéquot; op de gemengde vergadering. De voornaamste werkgever wordt tot voorzitter benoemd en verzoekt de werklieden hunne redenen voor eene verhooging van loon of vermindering van arbeidsduur uiteen te zetten. Dat doen zij, nadruk leggende op de feiten dat hier de loonen lager zijn en de arbeidsduur langer is dan in hetzelfde vak in naburige steden, dat de kosten van levensonderhoud stijgen en dat eenige arbeiders voort-
392
durend zonder werk zijn, die bij de voorgestelde verandering arbeid zouden kunnen vinden. De werkgevers antwoorden door te wijzen op hunne geringe winsten en de moeilijkheid van bestellingen te krijgen in concurrentie met andere steden, waar de loonen zelfs nog lager zijn dan hier het geval is en ook door te verklaren dat de bestaanskosten eer minder worden dan stijgen â eene bewering die zij ondersteunen door tabellen van de prijzen van verschillende artikelen op verschillende tijdstippen, vergeleken bij die van het oogenblik. De secretaris heeft de meest-mogelijke moeite om zijn mannen rustig te houden. De nieuwe leden â de ânieuwe bezemsquot; van het comité â hopen bijna dat de patroons niet zullen toegeven, want eene werkstaking beteekent voor hen niet anders dan eenvoudig een paar weken vacantie op kosten der vereeniging. En de gewone arbeider is zóó weinig gewend aan discussie met zijne tegenstanders, dat elke verklaring van de overzijde zijn toorn kan gaande maken. En ook de werkgevers, niet gewend te onderhandelen met hunne arbeiders en er nog iets vernederends in vindend, zijn niet genegen er doekjes om te winden, of moeilijkheden plat te maken. Dientengevolge wordt de vergadering rumoerig; de discussie verandert in het over-en-weer slingeren van verwijten; en de conferentie gaat in verwarring uiteen.
Ondertusschen heeft het hoofdbestuur met zorg het naderen van een conflict gadegeslagen, dat den bond groote sommen zal kosten en mogelijk met een nederlaag zal eindigen. De algemeene secretaris, vergezeld van een lid van het hoofdbestuur, verschijnt op het tooneel en poogt het geschil bij te leggen. Doch daar organisatie tot-nog-toe in de stad vrij onbekend is geweest, weigeren de werkgevers anderen dan hun eigen werklieden te ontvangen en verliezen dus de kans op eene zeer gematigde schikking, die de algemeene secretaris bijna zeker zou hebben aangeboden. Deze minachting van hunnen bestuurder verbittert natuurlijk de plaatselijke vereenigingsmannen en als den volgenden Zaterdag de door hen gestelde termijn verstreken is, nemen zij hunne gereedschappen mede als zij de werkplaatsen verlaten en de staking is begonnen. 4^
Nu volgt een tijdperk van geweldige opwinding en zwaar werken voor de bestuurders. De werkgevers adverteeren in alle richtingen om werklieden tegen âgoed loonquot; en âvoor vast werk,quot; en tegen-advertentiën worden geplaatst, waarin bericht van de staking wordt gedaan. In alle straten worden posten gesteld, die door de arbeiders in groepjes van twee en drie vóór de fabrieken en werkplaatsen betrokken worden en elkander om de zooveel uren afwisselen. Ook worden posten gezonden naar alle aankomende treinen en werklieden, die, verlokt door de advertentiën der werkgevers, overgekomen zijn, worden door middel van beloften, sommen gelds en beroepen op hunne âmanlijkheid en broederschapquot; over-
393
gehaald weder te vertrekken. Eenige onderkruipers ontsnappen misschien aan hunne waakzaamheid en belanden in de eene of andere werkplaats. Telkens als zij naar buiten komen, worden zij gevolgd en aangespoord hun smerig werk na te laten en zich te voegen bij hunne makkers vóór de goede zaak. Eenigen bezwijken en onmiddelijk worden de kosten hunner reis naar de plaats vanwaar zij kwamen, betaald. Inteekenlijsten en collecte-bussen worden uitgezonden, om de gelden voor de extra-uitgaven, die niet uit de kas der vereeniging mogen worden betaald, bijeen te brengen. Als de staking vele weken voortduurt, trekken gedelegeerden van stad tot stad, beleggen vergaderingen of houden toespraken voor vakvereenigingen en trades councils, om hunne hulp in te roepen, en slagen er gewoonlijk in vrij wat meer dan hunne reis- en verblijfkosten bijeen te brengen, welk overschot naar de strijdende afdeeling gezonden wordt. Daar zijn de niet-aangeslotenen die gestaakt hebben en gesteund, onderkruipers die omgekocht en heengezonden, drukwerk en bezorging van circulaires en aanplak-billetten die betaald, benevens vele andere bijkomende onkosten die alle uit de plaatselijke kas bestreden moeten worden. 4gt;
Maar zelfs aan de langdurigste werkstaking komt een einde. Als de handel bloeit en de arbeiders goed georganiseerd zijn, gelukt het den werkgevers niet goede werklieden, of zelfs slechte in voldoend aantal te krijgen om hun bedrijf voort te zetten, zoodat hunne inrichting zoowel als hunne reputatie door onbekwaam werkmanschap lijden. Zij geven dan successievelijk toe en aanvaarden de voorwaarden der werklieden, totdat ten slotte weder allen aan den arbeid zijn. Als het daarentegen slap met de zaken gaat, kan de staking op andere wijze eindigen. Voor en na bekomen de patroons genoeg arbeiders van allerlei slag, om de onder handen zijnde bestellingen uit te voeren. Als de eene week na de andere verloopt, verliezen de stakers den moed, totdat ten slotte de zwakkeren plotseling weder op de oude voorwaarden het werk hervatten. De bestuurders, comité-leden en enkele taaie strijders blijven dan wellicht nog standhouden, hopeloos hopende dat iets zal gebeuren hetgeen den werkgevers zal nopen toe te geven. Maar het hoofdbestuur zal waarschijnlijk bezwaar maken tegen de verdere uitbetaling van stakings-uitkeering en weldra de staking geëindigd verklaren. Dat zal eenigen tegenstand bij de plaatselijke kranige leden verwekken, doch waar de uitkeering heeft opgehouden, moeten degenen die nog werkeloos zijn zich naar eene andere stad begeven, om werk te zoeken.
Indien de staking aldus met een fiasco eindigt, verdwijnt de afdeeling spoedig en de vakgenooten blijven ongeorganiseerd, tot de komst van een anderen bekwamen en energieken leider. Maar als zij met eene overwinning eindigde, is de voorspoed der
394
afdeeling verzekerd. De arbeiders in het vak stroomen toe tot ondersteuning eener instelling, die zulke tastbaar-goede resultaten heeft getoond. Onderwijl begint de secretaris, wien de lof grooten-deels toekomt, in het geheele vak bekend te worden en men spreekt van hem als van den man welke die-en-die plaats van eene ongeorganiseerde tot eene georganiseerde stad heeft gemaakt. Korte lofspraken over zijn loopbaan verschijnen in het maandblad en aldus is de weg voor zijne toekomstige bevordering gebaand.
Als hij er op deze wijze in geslaagd is zijn eigen vak te organiseeren, bevredigt hij zijne energie door hetzelfde voor andere bedrijven in zijne stad te doen. Misschien zijn er andere branches zijner industrie die ongeorganiseerd zijn â en als dat zoo is, begint hij onder hen precies hetzelfde werk als hij onder zijn eigen leden verricht heeft. Als de tijd rijp is, belegt hij eene vergadering, eene afdeeling der vereeniging, waarin de betrokken vaklieden thuis behooren, wordt gesticht en hij aanvaardt de functie van voorzitter, om haar voort te helpen totdat de leden eenige ondervinding hebben opgedaan. Dan begint hij weder met andere vakken en doet dezelfde dingen, en slaagt er aldus in den loop der tijden in, eene slechte vakvereenigings-stad in eene goede te veranderen. Als dat bereikt is, besluit hij een trades council te organiseeren. Hij woont vegaderingen van alle vereenigingen en afdeelingen der stad bij, verklaart het doel, wijst op het groote gewicht van zulk een lichaam. Hij schrijft stukken in de plaatselijke pers en agiteert onder zijne persoonlijke volgelingen, totdat zijne bedoeling voldoende bekend is. Ten slotte wordt eene vergadering van gedelegeerden van de meerderheid der plaatselijke vereenigingen en afdeelingen bijeengebracht. De statuten van een naburigen trades council worden besproken en aangenomen en eindelijk wordt een trades council definitief gesticht, al is het ook slechts door de twee of drie afdeelingen die hij zelf georganiseerd heeft. Hij wordt natuurlijk tot secretaris benoemd en geleidelijk, door hard werken, en misschien door het met succes agiteeren voor eene concessie aan de arbeiders door den gemeenteraad of het plaatselijk schoolbestuur, verwerft hij de goedkeuring van alle vereenigingen en wordt de council een werkelijk vertegenwoordigend lichaam. Als secretaris van een pas-opgerichten trades council wordt hij spoedig alom bekend. Hij wordt voortdurend uitgenoodigd zoowel in zijn eigen stad als in naburige plaatsen als spreker op te treden; en hij wordt naar het Vakvereenigings-Congres afgevaardigd, met het mandaat de eene of andere resolutie, door hemzelf ontworpen, voor te stellen. Doch daar het werk geleidelijk toeneemt, bemerkt onze vriend, die al dien tijd met zijn vak zijn brood heeft moeten verdienen, dat hij moet kiezen tusschen den trades council en zijn eigen afdeeling. Door den trades council kan hij een invloedrijk
395
plaatselijk politicus en den een of anderen dag de zegevierende âarbeider-candidaatquot; voor het schoolbestuur of den gemeenteraad worden. Maar zijn optreden ten behoeve der arbeiders in het algemeen onttrekt hem voortdurend meer aan de plichtmatige werkzaamheden van afdeelings-secretaris eener nationale vereeni-ging, waarmede sommige leden zijner eigen vereeniging geen genoegen zullen kunnen nemen. Hij zal er daarom wellicht de voorkeur aan geven het secretariaat van den trades council neer te leggen, zich minder bezig te houden met de politiek en al zijn vrijen tijd te wijden aan het werk zijner eigen vereeniging, met de lofwaardige ambitie van eens een harer bezoldigde ambtenaren te worden. In dat geval doet hij niet alleen geregeld de zaken der afdeeling af, doch maakt ook deel uit van het districts-comité. Daar hij het meest methodische zijner leden is, wordt hij weldra tot secretaris gekozen en daardoor in nauwe aanraking gebracht met het hoofdbestuur en met andere afdeelingen en districten.
Dat alles vormt met elkander wat wij den onderofficiers-dienst in de vakvereeniginswereld mogen noemen â een dienst die uitgeoefend wordt in den vrijen tijd en betaald wordt per uur, onttrokken aan den werkelijken arbeid aan de bank of in de smidse. Maar de roem van onzen secretaris en zijn onafgebroken werken voor de vereeniging is nu in het district algemeen geworden en wanneer besloten wordt een districts-gedelegeerde te benoemen, op eene bezoldiging van 25 a 30 gulden per week, wordt hem door verscheidene afdeelingen verzocht naar de betrekking te dingen. Zijne persoonlijke vrienden en aanhangers brengen onder elkande:-quot; een verkiezingsfonds bijeen en eenige weken lang doorreist hij zijn district en woont alle afdeelings-vergaderingen bij, om zijne candi-datuur bij de leden aan te bevelen. Eindelijk hebben de stemmingen in de afdeelingen plaats, de briefjes worden opgezonden naar het hoofdbureau om geteld te worden, en dan blijkt het dat hij gekozen is. Opnieuw verlegt hij zijne woonplaats, ditmaal naar eene centraal-gelegen stad, opdat hij alle deelen van zijn district snel en gemakkelijk bereiken kan. Zijn district strekt zich over drie of vier graafschappen uit en omvat vele groote industriëele centra, zoodat hij het zeer druk heeft. Laat ons zien hoe hij zijne dagen besteedt en waarin het werk bestaat, dat hij voor zijne vereenigiging te doen heeft. 4gt; lederen morgen ontvangt hij een heel pak brieven over
vereenigings-zaken. De algemeene secretaris draagt hem op, onmid-delijk eene der afdeelingen in zijn district te bezoeken en de boeken te contróleeren, daar aan het hoofdkantoor bericht eener onregelmatigheid is ingekomen. Een afdeelings-secretaris telegrafeert hem onmiddelijk over te komen om een uitgebroken geschil met eene belangrijke firma te beslechten. Een ander noodigt hem uit een monster-meeting van vakgenooten in het district uit te schrijven,
396
ten einde eene stemming over eene algemeene werkstaking wegens eene werkelijke of ingebeelde grief te doen plaats hebben. De secretaris der patroons-vereeniging in eene andere stad bepaalt een uur om de stukwerk-loonen van een nieuw soort werk met hem te bespreken. Eindelijk gelast de secretaris van zijn districts-comité hem, eene gecombineerde vergadering bij te wonen, die het in overleg met het districts-comité van een anderen bond bijeengeroepen heeft, om eene lastige kwestie van verdeeling van werk tusschen de leden der beide vereenigingen uit te maken. 4 Onze vriend besteedt het eerste half uur aan zijne brief
wisseling, bepaalt een dag voor de speciale controleering van de boeken der verdachte afdeeling, richt haastig een paar woorden aan den algemeenen secretaris om dezen te doen weten waar hij zich gedurende de eerstvolgende dagen zal bevinden, en schrijft aan den afdeelings-secretaris dat hij sterk tegen de voorgestelde stemming op een monster-meeting is, op grond dat eene zeer groote vergadering geen wei-overwogen besluiten kan nemen en stelt in plaats daarvan een dag voor eene kleine conferentie van vertegenwoordigers der verschillende afdeelingen vast. Dan rept hij zich naar het spoorweg-station om onverwijld het tooneel van het hem pas-medegedeelde geschil te bereiken. Daar bemerkt hij, dat een aantal zijner leden eigenmachtig den arbeid hebben gestaakt en bij den ingang der fabriek rond-drentelen. Half overredend en half bevelend brengt hij hen ertoe het werk te hervatten, waarop hij zich naar het kantoor begeeft om den patroon te spreken. Als het een âgeorganiseerde winkelquot; in een goed vakvereenigings-district is, wordt hij hartelijk verwelkomd en is de zaak in enkele minuten in orde. De eerstvolgende trein brengt hem naar de naburige stad, waar hij twee of drie uren doorbrengt bij den secretaris der patroons-vereeniging en zijn uiterste best doet om de nieuwe loonen zoodanig te regelen, dat de verdiensten zijner leden gehandhaafd, zoo niet verhoogd worden. Des avonds moet hij in het centrum van zijn district terug zijn, om in de lange en heftige discussie eener gecombineerde vergadering de lastige kwestie op te lossen, tot wiens branche het door de beide vereenigingen betwiste werk eigenlijk behoort en wat nu eigenlijk eene bruikbare grenslijn tusschen de beide vakken is. Zóó vliegt hij dag op dag heen en weder, om 's nachts te eindigen met het schrijven van rapporten over den toestand van het vak, de organisatie en andere aangelegenheden, voor het hoofdbestuur, dat in het hoofdkwartier van den bond zetelt. 4
4 Hij is nu vele jaren lang de verknochte dienaar zijner
mede-arbeiders geweest en op het einde van elke periode als districts-gedelegeerde herkozen. Als door bedanken of overlijden de post van algemeenen secretaris vacant wordt, dringt men er
397
van alle kanten bij hem op aan, zich candidaat te stellen. De leden van het districts-comité en alle secretarissen der plaatselijke afdeelingen wijzen hem op zijne geschiktheid en op de voordeelen die het district door zijne verkiezing tot algemeen secretaris zal erlangen. Weder verzamelt eene commissie uit zijne vrienden en aanhangers de noodige gelden, om hem in staat te stellen het geheele land te bereizen en alle afdeelingen der vereeniging te bezoeken en toe te spreken. Ondertusschen bereidt het hoofdbestuur de verkiezing van den nieuwen algemeenen secretaris voor. Bij het uittreden van den heengaanden functionaris, komen zij onverwijld bijeen om een der hunnen op te dragen de taak tijdelijk op zich te nemen en uitnoodigingen te verzenden tot het stellen van candidaten (hetgeen zich in den regel bepaalt tot leden, die een zeker aantal jaren van de vereeniging deel hebben uitgemaakt en in hunne contributiën niet achterstallig zijn). Gedrukte candidaten-lijsten worden zoo spoedig mogelijk aan de afdeelingen gezonden, in voldoende hoeveelheden om aan alle leden te kunnen worden uitgereikt. Eene stembus wordt in het vereenigings-lokaal geplaatst en blijft daar ten minste twee vergadering-avonden staan, ten einde ieder lid in staat te stellen zijne stem uit te brengen. De bussen worden dan door de afdeelingen naar het hoofdbureau gezonden, waar de leden van het hoofdbestuur de billetten tellen en den uitslag bekend maken.
Onze districts-gedelegeerde, die in de functie van algemeen secretaris gekozen is verklaard, is weder genoodzaakt te verhuizen. Ditmaal is het naar eene der groote steden â Londen, Manchester of Newcastle â het hoofdkwartier zijner vereeniging. Hij ontvangt nu eene bezoldiging van 200 a 300 pond sterling per jaar en heeft de hoogste functie bereikt, waarin zijne vakgenooten de macht hebben hem te verkiezen. Daar zullen wij hem laten, om de waardigheid en den invloed zijner positie te genieten, om het zware werk van het hoofdbestuur te doorworstelen en om de nieuwe moeilijkheden en verzoekingen, die in het leven van een hoofdbestuurder eener groote vakorganisatie voorkomen, te ontdekken. amp;
4gt; Het vorenstaande verhaal geeft ons een tot in onderdeelen
nauwkeurig beeld van het inwendige leven der vakvereenigings-organisatie. Maar het ligt voor de hand, dat deze schildering de loopbaan van een officier en niet van een gemeen soldaat in het vakvereenigings-leger voorstelt. En men verbeelde zich voorts niet, dat de overgroote meerderheid van de anderhalf millioen vakver-eenigingsmannen zelfs maar als minderen eenigen actieven dienst in de vakvereenigins-troepen verrichten. Alléén in de crisis van een hevig conflict zien wij de afdeelings-vergaderingen stampvol en het aantal stemmen in eenigszins redelijke verhouding tot het ledental.
398
Op andere tijden is de vakvereeniging voor de massa der leden hetzij eene politieke organisatie, welker bevelen zij bij parlementaire en andere verkiezingen gereed zijn op te volgen, of eene eenvoudige uitkeerings-vereeniging, aan welker bestuur zij geen deel wenschen te nemen. In de lange vredestijdperken, gedurende welke de constitutie der vereeniging langzaam volmaakt, de financiëele grondslag versterkt, de politieke en vak-taktiek bepaald wordt, neemt minder dan de helft, of misschien zelfs een derde der leden daadwerkelijk deel aan administratieven en wetgevenden arbeid. Nagenoeg deze geheele minderheid maakt op den een of anderen tijd deel uit van districts-comités, of vervult ondergeschikte functies, als commissaris, vertrouwensman, controleur of ziekenbezoeker. Dat zijn de leden die de vaste kern der afdeeling vormen, op wien voor de handhaving van het gezag des bestuurs steeds kan worden vertrouwd. Uit hunne rangen komen de beide voornaamste afdeelings-bestuurders, de voorzitter en de secretaris, op wie de lasten van het beheer grootendeels vallen, voort. Ofschoon nooit voor langer dan één jaar gekozen, blijven deze bestuurders vaak verscheidene jaren achtereen in functie; en hunne opgevallen plaatsen worden in elk geval steeds aangevuld uit een kleinen kring der bekwaamste en meest ervaren leden. 4
Behalve de actieve soldaten in de gelederen der vakver-eenigingen, die bij honderdduizenden geteld kunnen worden, hebben wij daarom eene kleinere klasse van onder-officieren, bestaande uit de secretarissen en presidenten van plaatselijke vereenigingen, afdeelingen en district-comités van nationale vereenigingen en van trades councils. Wij schatten dat daarvan op een gegeven oogenblik meer dan 20.000 in functie zijn. Deze mannen vormen de rugge-graat der vakvereenigingswereld en vormen het levende element in de arbeiders-politiek. Voor hun bestaan afhankelijk van handenarbeid, behouden zij ten volle des arbeiders gevoel van onzekerheid, ontbering en gedwarsboomd streven. De hun eigen eerlijkheid van bedoelingen, de toewijding waarmede zij hunne kameraden dienen in moeilijke functiën, die slechts nominaal bezoldigd worden, en hun vernuftig geloof in de onbepaalde verbetering van het menschelijk karakter door opvoeding en betere levens-omstandigheden, werken samen om hun geestdrift voor elke soort van sociale hervorming levendig te houden. Daarom hebben zij steeds een open oog voor nieuwe denkbeelden, mits deze in practischen vorm worden geopperd, door lieden, wier karakter en bekwaamheid zij hoogachten. Het is hoofdzakelijk deze klasse van onder-officieren, die gebleken is het vooruitstrevende element in de vakvereenigingswereld te zijn en zij is het die inderdaad de richting van de meeningen der arbeiders bepaalt. Niettemin zijn deze lieden niet de werkelijke bestuurders van vakvereenigings-aangelegenheden, behalve in de kleine, plaat-
399
selijke organisaties, door hun vak uitoefenende mannen in stand gehouden, welke echter snel bezig zijn te verdwijnen. In de groote nationale en gewestelijke bonden, hebben de afdeelingsbestuurders zich strikt te houden aan vastgestelde reglementen en wordt hen nagenoeg geene gelegenheid gelaten om op eigen initiatief te handelen. De werkelijke regeering der vakvereenigingswereld berust uitsluitend in handen eener afzonderlijke klasse: de bezoldigde hoofdbestuurders der groote vereenigingen. 4
4 De ambtenaren-klasse der vakvereenigingswereld, die in
1850 niet bestond, telt op het oogenblik tusschen de zes en zeven honderd leden. ') Zoowel in de moderne organisatie der industrie, als in de machinerie der democratische politiek, neemt zij met den dag eene positie van grooteren invloed en gewicht in. En toch, als wij mogen oordeelen naar het feit dat wij geene enkele beschrijving dezer regeerende klasse ontmoet hebben, zijn de aard van haren invloed en haar bestaan zelfs, tot-nog-toe bijna onopgemerkt gebleven. Om de rol te begrijpen, die door deze ambtenaren-klasse gespeeld wordt, zoowel in de vakvereenigings-beweging als in den modernen industriëelen staat, moet de lezer zich eene juiste voorstelling maken van de eigenschappen welke voor de functie vereischt worden, de verzoekingen waaraan de functionarissen blootstaan en de plichten tot welker vervulling zij geroepen zijn. égt; De bezoldigde bestuurder eener groote vakvereeniging
neemt eene éénige plaats in. Hij behoort noch tot den middenstand, noch tot de arbeidersklasse. De belangen die hij vertegenwoordigt, zijn uitsluitend die van de handwerkers-klasse, waaruit hij voortgekomen is, en zijne plichten brengen hem in voortdurende vijandschap met de hersenarbeid-verrichtende, bezittende klasse. Anderzijds is zijne dagelijksche bezigheid die van een hersen-arbeider en is hij bijgevolg scherp onderscheiden van den typischen proletariër, die voor zijn bestaan afhankelijk is van lichamelijken arbeid. 4 De bevordering van een werkman tot de positie van een
bezoldigden hersen-arbeider, brengt eene volledige en plotselinge
lt;Sgt; ') Wij hebben in dit getal niet opgenomen een groote groep mannen,
die zijdelings betaalde ambtenaren van vakvereenigingen zijn, als bijvoorbeeld de contróle-wegers onder de kolenmijnwerkers en de collectors (boden) onder de katoenwevers, kaarders, enz. Zooals wij hebben medegedeeld (pag. 260) wordt de contróle-weger gekozen en gesalariöerd, niet door de leden der vakvereeniging, doch door alle mijnwerkers van iedere kolenmijn op zich-zelf. Maar waar de vakorganisatie en de verkiezing van een contróle-weger nagenoeg hetzelfde zijn, doet hij vaak dienst als afdeelings-secretaris, enz. De boden, door zekere vakvereenigingen aangesteld om van huis tot huis te gaan en de contributiën der leden op te halen, worden betaald met eene percentage van hunne ontvangsten. Hoewel niet juist bezoldigde bestuurders zijnde, dienen zij tot wervers voor de vakvereeniging, zoowel als tot tusschenpersonen, tusschen de leden en het hoofdbestuur, voor klachten, beroepen en het doen circuleeren van mededeelingen. 4»
400
verandering in zijne levenswijze teweeg. Inplaats van eiken dag aan een gegeven taak te arbeiden, ziet hij zich plotseling meester van zijn tijd, met plichten, die, hoewel moeilijk genoeg, onbepaald, ongeregeld en gemakkelijk te verwaarloozen zijn. Het eerste vereischte voor zijn nieuwen post is daarom persoonlijke zelfbeheersching. Geen grooter ongeluk kan een energieken en geestdriftigen vakvereeni-gingsman, die nu en dan een glas te veel drinkt, overkomen, dan een bezoldigd bestuurder zijner vereeniging te worden. Zoolang hij genoodzaakt is ten minste negen dagen van de veertien op vastgestelde uren zwaren handen-arbeid te verrichten, zal zijne neiging tot drinken hem niet beletten een bedreven ambachtsman en een goed burger te zijn. Zulk een man, tot algemeen secretaris of districts-gedelegeerde gekozen, is bijna onvermijdelijk gedoemd een gewoonte-drinker te worden. Inplaats van aan de fabriek of de mijn gebonden te zijn, is hij nu vrij naar believen te komen en te gaan en daarom kan hij zich te allen tijde drank verschaffen. Zijn werk brengt voortdurend reizen en herhaaldelijk wachten in vreemde steden, met zich mede, zoodat hij zich bijna niet anders dan in koffiehuizen kan ophouden. De geregelde periodes van eentonigen lichamelijken arbeid worden afgewisseld door ongewone intellectueele inspanning, ongeregelde uren en tijden van bezorgdheid en opwinding, gedurende welke hij door bijna iedereen dien hij ontmoet geplaagd en tot drinken uitgenoodigd wordt. En bovendien leidt deze verslaafdheid aan den drank, hoewel zij veler minachting opwekt, zelden tot ontzetting uit zijne functie. Geene ontdekking verbaast den burgelijken onderzoeker meer, dan de goedhartige verdraagzaamheid waarmede eene vakvereeniging jaar op jaar bestuurders herkiest, die alom als hopelooze dronkaards bekend staan. De ingewortelde hekel die arbeiders er aan hebben om âeen man uit zijn brood te stootenquot; wordt ten opzichte van een vakvereenigings-bestuurder versterkt door eene edelmoedige erkenning van het feit, dat hij, door zijne kameraden te dienen, niet meer geschikt is om tot het verrichten van handenarbeid terug te keeren. Bovendien ziet het gewone lid eener vakvereeniging het allerhoogste gewicht van bekwaam en doelmatig beheer over het hoofd. Hij verbeeldt zich, dat de dronkenschap en de daaruit voortvloeiende onbekwaamheid van zijnen algemeenen secretaris, niets meer beteekenen dan eenige vertraging in den dagelijkschen kantoor-arbeid, of in het ergste geval, de eene of andere kleine onregelmatigheid ten opzichte van de kassen der vereeniging. Zoo lang het geld in orde is en de verslagen met geregelde tusschen-poozen verschijnen, schijnt het nooit bij hem op te komen, dat zijne vereeniging door gebrekkige leiding in alle richtingen terrein verliest en in ééne week meer kwijt raakt, dan een oneerlijke secretaris in een jaar zou kunnen stelen. 4
26 - Sidney Webb. 401
4gt; Gelukkig leidt het bijna onveranderlijke gebruik van de
bezoldigde bestuurders uit de rijen der onder-officieren te verkiezen er toe, dat arbeiders, die in persoonlijke zelfbeheersching tekort schieten, niet in aanmerking komen. De avonden en vrije dagen, besteed aan administratieven arbeid voor de afdeeling, trekken de loszinnigen niet aan, terwijl de lange leertijd in ondergeschikte functiën, zijnen mede-arbeiders ruimschoots gelegenheid geeft zijne levenswijze te leeren keiaien. Zoo zien wij dan, dat de bezoldigde bestuurders der oud-gevestigde vereenigingen in den regel welvoe-gelijk en zelfs waardig in hunne persoonlijke gewoonten zijn. Ken toenemend aantal hunner zijn strikte geheel-onthouders, terwijl vele anderen, zelfs op gevaar van persoonlijke impopulariteit, nlle vriendschappelijke gelagen met hunne leden beslist weigeren. ^ égt; Maar een ander gevaar â een waaraan de bourgeois-
onderzoeker niet onmiddelijk zou hebben gedacht â bedreigt den werkman, ciie een bezoldigd bestuurder zijner'vereeniging wordt. Het volgende uittreksel, genomen uit het schilderachtige verhaal dïit wij vroeger reeds hebben aangehaald, duidt aan in welk licht het een nadenkenden ambachtsman verschijnt:
En nu treedt eene verandering in, die misschien zijn geheele vakvereenigingsloopbaan kan doen schipbreuk lijden. Als afdeelings-secretaris, terwijl hij nog werkte in zijn vak, bleef onze vriend, hoewel in energie en bekwaamheid boven de massa zijner leden staande, in nauwe aanraking met hunne wenschen en gevoelens. Zijne bevordering tot eene bezoldigde functie brengt hem meerdere kennis en breedere denkbeelden. Den gewonen vakver-eenigingsman is de voornaamste eisch van den arbeider: rechtvaardigheid. Hij gelooft, en vat dit bijna als een principe op, tlat in elk geschil de kapitalist ongelijk en de werkman gelijk heeft. Maar wanneer het als districts-gedelegeerde zijn taak wordt voortdurend de juiste omstandigheden van de geschillen der arbeiders te onderzoeken, met de werkgevers te onderhandelen en vergelijken te treffen, begint hij meer en meer te erkennen dat er ook voor de andere zijde iets te zeggen valt. Kr is voorts eene onbewuste vooringenomenheid aanwezig. Terwijl de geschilpunten niet langer zijn eigen verdiensten of arbeidsvoorwaarden raken, vermeerderen geschillen tusschen zijne leden en hunne werkgevers zijn arbeid en zijne zorgen. Het vroegere levendige besef der ontberingen en onderworpenheid van het leven der arbeiders gaat langzamerhand verbleeken, en hij begint hoe langer hoe meer alle klachten als verkeerd en onredelijk te beschouwen. 4gt;
4tgt; De intellectueele verandering gaat soms gepaard met eene
meer hatelijke transformatie. Heden ten dage wordt de bezoldigde bestuurder eener groote vereeniging door de bourgeoisie op allerlei
402
wijzen gevleid. Hij wordt door hen te eten gevraagd en bewondert dan hunne wei-ingerichte huizen, hunne fraaie tapijten, het gemak en de weelde van hun leven. Mogelijk begint ook zijne vrouw ontevreden te worden. Zij wijst er op, hoe Die-en-Die, die op denzelfden winkel leerling was, nu goed-af is en langzamerhand fortuin maakt; en zij herinnert er haren man aan, dat hij, als hij zoo hard gewerkt had voor zich-zelf als hij het voor anderen gedaan heeft, nu eveneens rijk had kunnen zijn en een aangenaam leven leiden, zonder vrees voor den dag van morgen. Hij ziet zelf de waarheid daarvan in. Hij kent velen, die, met minder bekwaamheid en energie dan hij, door steeds op hun eigen belangen bedacht te zijn, meesterknechten, directeuren, of zelfs kleine werkgevers zijn geworden, terwijl hij 2 of 4 pond per week. ontvangt, zonder eenige hoop op verhooging. En aldus beginnen de opmerkingen van zijne vrouw en hare familieleden, zijn eigen gedachtengang, zijne toenemende jaren, een wassend verlangen om voor het leven verzekerd te zijn en zijn eigen toekomst en die zijner kinderen helder vóór zich te zien, en misschien ook een weinigje afgunst op zijne bourgeois-vrienden, met elkander arglistig, stil-aan, zonder hij het zelf weet, eene verandering in zijne levensbeschouwing teweeg te brengen. Hij gaat in een klein villatje, gelegen in eene nette buitenbuurt, wonen. De verhuizing doet hem zijne arbeiders-vrienden verliezen en zijne vrouw maakt nieuwe kennissen. Met de gewoonten zijner nieuwe buren neemt hij onwillekeurig meer en meer hunne denkbeelden over. Langzamerhand komt hij in strijd met zijne leden, die met zijne voorstellen niet zoo gereedelijk instemmen als voorheen. Dat alles heeft geleidelijk plaats en geen van beide partijen begrijpt de oorzaak. Hij schrijft de breuk toe aan den invloed van een kliek ontevredenen, of wellicht aan de door de jongere generatie gehuldigde wilde ideëen. Zij houden hem voor trotsch en verwaand, overvoorzichtig en zelfs laks in vakaangelegenheden. Zijn doen tegenover de leden, en vooral tegenover de werkeloozen die hunne uitkeering komen halen, ondergaat eene verandering. Hij begint op hen allen als op âgewone arbeidersquot; neder te zien; maar de werkeloozen veracht hij als lieden die hun leven hebben doen mislukken; en zijne verachting is misschien onverbloemd. Dat wekt haat op. Als hij zich naar zijn kantoo'' begeeft, met een hoogen hoed op, mooie overjas aan en voorzien van eene nette parapluie, wordt hij door de rondslenterende, werkzoekende leden niet luid maar diep verwenscht; en als deze in andere steden werk krijgen, verspreiden zij verhalen van zijne aanmatiging en hoogmoedigheid. Zoo verliest hij langzamerhand de sympathie en den steun dergenen van wie zijne positie afhankelijk is. Ten slotte komt de crisis. Kene groote werkstaking dreigt de vereeniging in een wanhopigen oorlog te wikkelen. Onbewust
403
vooringenomen door tegenzin in den zwaren en ondankbaren arbeid, die eene werkstaking met zich brengt, gevoelt hij weinig sympathie voor de eischen der werklieden en brengt eindelijk eene schikking tot stand, op voorwaarden waarin een groot gedeelte zijner leden weinig zin heeft. Nu breekt de dreigende onweersbui los. Bij zijne eerstvolgende verschijning in eene algemeene vergadering worden kreten van âverraadquot; en âomkoopingquot; aangeheven. Helaas, het is geen omkooping. Niet zijne moraliteit, maar zijn intellect is corrupt. Veilig in het besef van vrij te zijn van elke uitwendige smet, biedt hij de vergadering stoutmoedig het hoofd, slingert haar de beschuldiging in het aangezicht terug en blijft voor het oogenblik overwinnaar. Maar zijne positie wordt nu spoedig ondragelijk. Aan alle kanten ziet hij wantrouwen overgaan in haat. Het is waar, de leden herkiezen hem in zijne functie; maarzij verkiezen tegelijkertijd een hoofdbestuur, dat zich verbonden heeft hem op alle manieren tegen te werken. 1) Al dien tijd slaagt hij er niet in te beseffen waar het hapert en waarschijnlijk schrijft hij alles toe aan de intriges van ijverzuchtige tegenstanders, die naar zijne plaats hunkeren. Aan alle kanten bemoeilijkt, gewantrouwd en gedwarsboomd door zijn hoofdbestuur, verliest hij ten slotte den moed. Hij ziet uit naar eene gelegenheid om te ontsnappen, aanvaardt ten laatste een klein betrekkinkje, legt zijn secretariaat met hartgrondige verlichting neder en verdwijnt voor altijd uit de vakvereenigingswereld. ^
De vakvereenigings-bestuurder die te âfatsoenlijkquot; voor zijne functie wordt, is, evenals de gewoonte-drinker, eene uitzondering. De gemiddelde secretaris of districts-gedelegeerde is te verstandig om voor goed buiten aanraking met zijne kiezers te blijven. Niettemin moet de arbeider, die een bezoldigd bestuurder wordt, met groote zorgvuldigheid zijn weg kiezen tusschen de gevaren, verbonden aan de rol van jovialen kameraad en die welke onafscheidelijk zijn van het meer eervolle doch meer gehate karakter van den superieuren persoon. Nevens persoonlijke zelfbeheersching moet hij bezitten: een krachtig en onafhankelijk karakter, eene oprechte toewijding aan de klasse waaruit hij voortgekomen is en eene stevige minachting voor de weelde en het âfatsoenquot; van degenen waarmede hij in aanraking wordt gebracht. égt;
^ Zóó is het persoonlijk karakter van den typischen amb
tenaar der vakvereenigings-beweging. Maar alle vakvereenigings-
') Hier hebben wij weder een voorbeeld van den diep-gewortelden tegenzin der werklieden, om hunne bestuurders âeen zak te geven.quot; Eene vereeni-ging zal het leven van een impopulairen bestuurder ondragelijk maken en zal hem in alle richtingen dwarsboomen; maar zoolang als hij wil blijven, heeft hij een vaste betrekking. lt;igt;
404
bestuurders verrichten niet hetzelfde werk en wij zien het verschil in functie eigenaardige variëteiten van type ten gevolge hebben. 4b Wij hebben in de eerste plaats de bezoldigde bestuurders
der geschoolde vakken, tezamen ongeveer vier honderd in getal. Zij onderscheiden zich hoofdzakelijk van de bestuurders der arbeiders-bonden door het feit dat zij onveranderlijk mannen zijn, die gewerkt hebben in het vak dat zij vertegenwoordigen en in den regel hunne vereenigingen als afdeelings-secretarissen hebben gediend. Wij kunnen onder hen twee hoofd-types onderscheiden: de administrateur van uitkeerings-fondsen en de vak-bestuurder. Tot het eerste â de school van William Allan â behooren de meeste algemeene en assistent-secretarissen der groote vak-uitkeerings-ver-eenigingen â organisaties waarin de hoeveelheid administratieve arbeid voor de uitkeeringen zóó enorm is, dat slechts de bekwaamste bestuurders er zich boven kunnen verheffen. Van het andere type, de vak-bestuurder, zijn de bestuurders der Katoenspinners en der Kolenmijnwerkers, wier intrede in de vakvereenigingswereld ongeveer 1872 wij in een vorig hoofdstuk beschreven hebben, de uitste-kendste vertegenwoordigers. Eelie andere groep vak-bestuurders bestaat uit de districts-gedelegeerden van vereenigingen als de Ketelmakers, Scheepstimmerlieden en (sinds 1892) de Amalgamated Engineers en de Amalgamated Carpenters, benevens de Investigators (Onderzoekers) van den National Union of Boot and Shoe Operatives. Het aantal uitsluitend ^«^-bestuurders van allerlei aard is op het oogenblik waarschijnlijk gelijk aan dat der secretarissen. 4gt; De algemeene secretaris, die in het wezen der zaak een administrateur van uitkeeringsfondsen is, oefent geen belangrijken invloed op de vakvereenigingswereld uit. Strikt gebonden aan zijn kantoor, wordt hij in de meeste gevallen een ijverige klerk en rijst op zijn best tot het peil van een schranderen directeur eener verzeke-rings-maatschappij. Hij brengt zijn leven door niet het onderzoeken van de aanspraken zijner leden op de verschillende uitkeeringen, en met het hooghouden, op gevaar van impopulariteit, van een gaaf financieel stelsel van toereikende contributiën en matige uitkeeringen. Kwestiën van vak-optreden boezemen hem slechts in zooverre belang in, als zij er toe bijdragen het aantal zijner uitkeering-genie-tende leden te vermeerderen of te verminderen. Hij is daarom meer geneigd er naar te streven werkelooze leden van de registers afgevoerd te krijgen, dan het standaardloon te doen rijzen of den duur van den normalen arbeidsdag te doen verminderen. Om dezelfde reden blijkt hij de taaiste kampioen van de rechten zijner leden te zijn, in alle geschillen over de grens van het werk der verschillende branches; en het kan gebeuren dat hij zich vaker in strijd ziet met concurreerende vereenigingen dan met werkgevers. Hij vertegenwoordigt het meest conservatieve element in het vak-
405
vereenigingsleven. R|] alle gelegenheden houdt hij vast en stemt stevig voor hetgeen hij de officiëele of gematigde partij acht te zijn.
De gesalarieerde bestuurder van het andere type is veel invloedrijker in de vakvereenigings-politiek. De vak-bestuurder â zooals wij hem genoemd hebben â is grootendeels het gevolg der in zekere industriën heerschende ingewikkelde stelsels van stukwerk-loonen. Wij hebben reeds beschreven hoe de loontarieven in de katoen-industrie eener- en de wettelijke bepalingen op het contróle-wegen anderzijds eene speciaal-geoefende klasse in het leven hebben geroepen, welke sinds dien grooter is geworden door het toepassen van stukwerk-loontarieven in andere industriën. De bestuurders van dat type zijn zeer ervaren in de kunst van collectief onderhandelen over alle arbeidsvoorwaarden (collective bargaining). Zij brengen hun leven door met ingewikkelde berekeningen over technische onderdeelen en met het voeren van voorzichtige onderhandelingen met de werkgevers of hunne geaccrediteerde agenten. Het doet er weinig toe, of zij algemeene secretarissen zijn van uitsluitend 7'tf/l'vereenigingen, als bijvoorbeeld de federatieve bonden van Katoenspinners en Katoenwevers, of de uitsluitend met optreden in vakaangelegenheden belaste gedelegeerden van vereenigingen mèt uitkeeringsfondsen, als bijvoorbeeld de Ketelmakers en de Machinebouwers. In beide gevallen is hunne aandacht geheel gewijd aan de verdiensten hunner leden. Bij de pinken en recht-door-zee, letten zij nauwkeurig op marktprijzen, ondernemerswinsten, den loop van den buitenlandschen handel en alles dat op de productie-massa hunner industrie van invloed kan zijn. Zij zijn strenge critici van onbekwaamheid, zoowel bij werkgevers als bij werknemers. Warme voorstanders van verbeterde arbeidsmethodes, nieuwe machi-neriën en bespoedigde productie, zien zij liever eene verouderde fabriek sluiten of een onbekwaam lid ontslaan, dan het standaard-loon dalen. Zij bepalen zich trouwens niet uitsluitend tot het geldloon hunner cliënten. Onder hen worden de beste voorstanders van wettelijke regeling der arbeidsvoorwaarden gevonden ; en de snelle verbetering en volmaking der arbeidswetten gedurende de laatste twintig jaren, is hoofdzakelijk aan hunne minitueuse kennis en onvermoeide volharding te danken.
4^ De vak-bestuurder heeft echter de van zijne eigenschappen
onafscheidelijke gebreken. De energieke arbeider, die op ongeveer dertig-jarigen leeftijd de fabriek, de smidse of de mijn verlaat, om zijne dagen door te brengen met zijne hersenen in het strijdperk te brengen tegen die van uitgeslapen werkgevers of scherpzinnige advocaten, moet noodzakelijkerwijze al zijne krachten samentrekken op het beperkte veld van zijn nieuwen arbeid. Als afdeelings-secretaris heeft hij wellicht veel belang gesteld in de grieven en eischen van andere vakvereenigingen dan de zijne. Weldra ziet hij,
406
dat zijn taak onbestaanbaar is met zulk een wijden gezichtskring. Het gevoel van klasse-solidariteit, zoo levendig in den loonarbeider, wordt langzamerhand verdrongen door een eng vakbelang. De districts-gedelegeerde der Ketelmakers heeft zijne handen vol met het beheerschen der tallooze en voortdurend veranderende détails van elke soort ijzeren-scheepsbouw, ketelmakerij en bruggenbouw op elke werf en zelfs in elke havenplaats. De âonderzoekerquot; van den National Union of Boot and Shoe Operatives heeft het vaak hard te verantwoorden met het nauwkeurig schatten van den arbeid, besteed aan elk der duizendtallen afwisselende modellen van laarzen en tegelijkertijd op de hoogte te blijven van de steeds toenemende ingewikkeldheid zoowel van machinerie als arbeidsverdeeling. De katoen-bestuurder, met zijne verbijsterende tarieven, heeft al zijne zinnen noodig om te worstelen met de eindeloos wisselende berekeningen, voortvloeiende uit nieuwe patronen, vermeerderde snelheid en elke verandering van telling en trek en schering en inslag. Als zulk een vak-bestuurder op het eind van zijne zware dagtaak nog tijd en lust over heeft, peinst hij over breedere vraagstukken, die weder zijn eigen vak raken. De secretaris eener katoenbewerkers-vereeniging vindt het noodig zijn hoofd te breken over de bewering der werkgevers, dat bimetallisme, of eene nieuwe Indische fabriekswet den steun der werklieden verdient, of om de eene of andere manier uit te denken, tot voorkoming van overtredingen der wet tegen het te sterk stoomen of van het wets-hoofdstuk âdiversen.quot; De geheele staf der Ketelmakers is soms verdiept in overwegingen nopens de uitwerking der verschillende leerlingstelsels op de werven, of omtrent de juiste methode om de hoogst nadeelige, hevige schommelingen in den scheepsbouw te keer te gaan. En de moderne Ridder van St. Crispyn breekt zijn hoofd om geen enkele dezer dingen, doch is uiterst bekommerd over het euvel van de huis-industrie en over de vraag of het inspecteeren van kleine werkplaatsen met meer gestrengheid zou plaats hebben onder toezicht van het ministerie van binnenlandsche zaken, of onder dat van den gemeenteraad. Het is daarom niet te verwonderen, dat de vak-bestuurders door een intens en ietwat bekrompen sectairisme gekenmerkt worden. De hen eigen kennis van en hun opgaan in de technische onderdeelen van één speciaal vak, dat hen zulke hoogst-bedreven specialiteiten doet zijn, belet hun de hoogere eigenschappen, noodig voor het politieke leiderschap der vakvereenigingswereld, te ontwikkelen. 4) Om ons overzicht der ambtenaarswereld van het vakver-
eenigingswezen te completeeren, moeten wij bij de permanente staven der geschoolde ambachten de organisators en secretarissen der arbeiders-bonden voegen â eene minder stabiele groep, die in 1892 ongeveer twee honderd leden telde. In tegenstelling met de gewoonte der oud-gevestigde vereenigingen, worden deze bestuur-
407
ders niet altijd gekozen uit de rangen der werkers, welker zaken zij beheeren. ^ In kritieke tijden trekt de zaak der ongeschoolde arbeiders mannen van treffende bekwaamheid uit de reien der onder-officieren van andere industriën tot zich â mannen die in politiek beleid en breede inzichten ver boven de typische vakbestuurders staan. Maar deze mannen beschouwen zich, en worden beschouwd, meer als apostels voor de onbekeerden, dan als beroepsbestuurders. Zelfs als zij al hun tijd aan het werk besteden en voor hun onderhoud een salaris aanvaarden, zijn zij bereid en zelfs verlangend hunne functiën prijs te geven, zoodra bevoegde opvolgers onder hunne kiezers gevonden kunnen worden. Geen arbeiders-bond kan voor altijd rekenen op de diensten van mannen van het slag van Mr. Tom Mann of Mr. John Burns. In hoofdzaak moeten de ongeschoolde arbeiders hunne bestuurders in hun eigen gelederen zoeken. In niet weinige gevallen heeft een stevige sjouwerman bewezen een uitstekend administrateur eener groote nationale ver-eeniging te kunnen zijn. Maar het is een speciaal gebrek van de arbeiders-bonden, dat de âschipbreukelingenquot;, die uit andere bedrijven naar de rijen der ongeschoolde arbeiders afzakken, uit hoofde hunner betere opvoeding vaak in betrekkingen gekozen worden, waarin persoonlijke zelfbeheersching en volhardende ijver van het hoogste belang zijn. Bovendien is de taak niet eene zoodanige, dat orde en regel, of kennis van zaken-doen er door worden bevorderd. Door de afwezigheid van eenig uitgebreid stelsel van uitkeerings-fondsen, worden de administratieve verrichtingen en de kantoor-arbeid van het hoofdbureau tot een minimum teruggebracht. De leden, die zich grootendeels met eenvoudig lichaamskracht ver-eischenden arbeid bezighouden en per dag of per uur betaald worden, hebben geene behoefte aan doorwrochte stukwerk-loon-lijsten, aangenomen zelfs dat hunne vereeniging die volledige erkenning door de patroons gewonnen had, waaruit dergelijke regelingen voortvloeien. Anderzijds zijn de afdeelingen van een arbeiders-bond, om welke reden dan ook, immer aan het weg-brokkelen; en het totaal-aantal leden wordt slechts gehandhaafd door onafgebroken nieuw terrein te bewerken. Dientengevolge wordt het grootste gedeelte van den tijd van den organisator in beslag genomen door het levendig-houden van de geestdrift zijner leden en het aanwerven van nieuwe bekeerlingen. Dat brengt voortdurend reizen en de roes van opwinding, voortvloeiende uit een eeuwig-
^ ') Bijvoorbeeld: Henry Taylor, de helper van Mr. Joseph Arch bij
het organiseeren der landarbeiders in 1872, was een timmerman; Mr. Tom Mann, gedurende twee jaren bezoldigd voorzitter der Dock, Wharf, and Riverside Labourers, is lid van de Amalgamated Society of Engineers, terwijl Mr. Mc Hugh, die eenigen tijd algemeen secretaris van den National Union of Doek Labourers was, letterzetter is.
408
durenden kringloop van zendingen in ongeorganiseerde districten met zich mede. De typische organisator van een arbeiders-bond komt daarom het bourgeois-begrip van een vakvereenigings-bestuurder meer nabij dan eenige andere figuur in de vakvereenigingswereld. Hij is inderdaad een beroeps-agitator. Hij moge een heilige zijn of een avonturier â een man van zaken is hij zelden. ^ 4gt;
Uit deze zwakke schets van het ambtenaren-corps der vakvereenigingswereld blijkt, dat het van de drie types, welke wij hebben onderscheiden, de vak-bestuurders der oud-gevestigde ver-eenigingen zijn, die de meest efiectieve macht op het industriëele en politieke terrein uitmaken. De algemeene secretarissen der vak-uitkeerings-vereenigingen zijn geneigd zich weinig te bekommeren om industriëele onderhandelingen of wetswijzigingen, tenzij in die mate als de groei of de stabiliteit hunner organisatie er bij betrokken zijn. De organisators der vereenigingen van ongeschoolde arbeiders, hoewel vaak ijverige hervormers van vooruitstrevende richting, hebben in den regel noch de intieme kennis van het dagelijksch
égt; 4gt;
lt;$gt; ') De warme energie van den typischen bestuurder van den arbeiders
bond, wordt goed beschreven in de volgende schets van Mevr. Bruce Glasier (Katherine Conway), een lid van de Onafhankelijke Arbeiderspartij: â âHij heeft een kantoor, doch schittert daar in den regel door zijne afwezigheid. Walter Cranes Triomf van den Arbeid hangt aan den wand en exemplaren van The Fabian Essays, benevens de meeste brochures, uitgegeven door den Manchester of Glasgow Labour Presses liggen in het vertrek verspreid. In Engeland zijn Byron en Shelley, in Schotland Byron en Burns de meest gewilde dichters. Carlyle en een of twee geleende Ruskins zijn ook aanwezig, benevens een groot-formaat exemplaar van Thorold Rogers Work and Wages. John Stuart Mils Political Economy naast een Student's Mar.x leveren het bewijs van een lofwaardig voornemen om in het wezen der zaak door te dringen en alle argumenten op nauwkeurige en zorgvuldige studie te baseeren. Maar de oproep tot het gevecht eindigt nimmer en het reizen in den trein, zoo al bevorderlijk voor het enorme succes der nieuwe journalistiek, geeft weinig gelegenheid voor ernstig lezen. De dagbladen zijn voortdurend gevuld met leugens, ,,die men moet weten aan de kaak te stellenquot; en de toestand over de geheele wereld âkan elk oogenblik tot ontknooping komen.'' ââ Niettemin is hij, in tegenstelling met den ouden vakvereenigings-leider, steeds klaar voor den interviewer of den vriendschappelijken onderzoeker, van welke klasse of sexe ook. Met veel opgewektheid beschrijft hij dan den snellen groei der beweging sinds de groote dokwerkersstaking van 1889 en toont de noodzakelijkheid aan van zich bezig te houden met de gemengde menschenmassas, die heden ten dage de gelederen van den ongeschoolden arbeid vullen, van voortdurend te smeden als het ijzer heet is en van het stellen eener taktiek van staatsgrepen inplaats der wei-overwogen voorbereidingen der oudere vereenigingen. âHier verliezen, ginds winnenquot; is onze eenige spreuk, zegt hij, vastbesloten een nederlaag te beschouwen van het standpunt van een bevelvoerenden generaal en niet van dat van een met het bevel eener speciale divisie belasten officier. Op het oogenblik der overgave is hij misschien doodsbleek geweest, maar de volgende dag vindt hem opgewekt en onversaagd in een ander deel des lands, waar hij zijne campagne voortzet en honderden recruten aanwerft, louter door de kracht zijner vertrouwen-wekkende welsprekendheid.'' (Weekly Sun van 18 Januari 1894.) ^
409
leven hunner leden, noch de lange officieele opleiding, noch zelfs de verzekerde positie, noodig om hen effectieve bevorderaars van industriëele en wettelijke hervormingen te doen zijn. En hoewel het aantal bestuurders van het type der uitkeerings-vereenigingen vrij stationnair blijft en de organisators van de bonden van ongeschoolde arbeiders van jaar tot jaar komen en gaan, breidt de groep van bepaaldelijk ^«/.'-bestuurders der beter-betaalde bedrijven zich gestadig en zelfs snel uit.
De vakvereenigingswereld bezit dus vele der elementen van een volslagen democratischen staat: eene uitgebreide bevolking, algemeen kiesrecht, eene groote proportie van actieve burgers en eene klasse van bezoldigde ambtenaren, die onder toezicht van vertegenwoordigende comités of raden werken. Maar zij mist ééne noodwendige eigenschap eener doeltreffende sociale organisatie en, meer nog, eener militante macht. Zij bezit geen hoofdstad of centraal hoofdkwartier. Hare ambtenaren zijn over het geheele land verspreid. De algemeene secretarissen der groote vak-uitkeerings-vereenigingen en van de arbeiders-bonden zijn verdeeld over Londen, Manchester, Newcastle, Glasgow, Liverpool en Leicester. De bestuurders der Katoenbewerkers zijn gevestigd in een half dozijn steden in Lancashire, en die der Mijnwerkers in ieder kolengebied. De districts-gedelegeerden der Machine- en Scheepsbouwvakken, benevens de organisators der Dokwerkers en der Zeelieden zijn in alle voorname havenplaatsen gestationeerd. In het geval van bizondere vakken, of groepen van verbonden vakken, wordt in doorwrochte en kostbare maatregelen de remedie tegen deze verspreide leiding gevonden. De Miners' Federation roept de agenten der afzonderlijke mijnwerkers-vereenigingen vaak tot vergaderingen in verschillende steden bijeen. De algemeene secretaris der Ketelmakers noodigt zijne negen districts-gedelegeerden uit tot eene conferentie te Londen, Newcastle of Manchester, zoo dikwijls hun raad voor eene belangrijke onderhandeling benoodigd is. De bezoldigde bestuurders der Katoenspinners, Katoenwevers en Kaarders consulteeren zeer vaak in het hoofdkantoor van den United Textile Workers' Association. De algemeene secretarissen der Machinebouwers- en Scheepstimmer-lieden-vereenigingen beraadslagen gemeenschappelijk te Manchester, Newcastle of Glasgow, in de vergaderingen van het hoofdbestuur der Federation of Engineering and Shipbuilding Trades. En in de meeste industriëele centra zijn de afzonderlijke organisaties in de Bouw- en Machinebouwvakken voor plaatselijke doeleinden in gemengde commissies of federatieve lichamen vereenigd, waarvan de London Building Trades Federation (opgericht in 1891, 45.000 leden) het voornaamste voorbeeld is.
Maar deze geheele federatieve machinerie bepaalt zich tot verschillende vereenigingen in dezelfde industrie, of in verwante
410
vakken; en de verrichtingen zijn beperkt tot aangelegenheden die de vakbelangen der betrokken vereenigingen onmiddelijk raken. Het vakvereenigingswezen als geheel heeft op het oogenblik geen plaats van bijeenkomst, met uitzondering der plaatselijke trades councils en de jaarlijksche samenkomst, bekend als het Vakvereeni-gings-Congres. ^
4gt; De plaatselijke trades councils, waarvan er thans ongeveer
120 bestaan, die ongeveer een derde van het ledental der vakver-eenigingen des rijks omvatten, slagen er in zekere mate in, de krachten der vakvereenigingen van deze of gene stad te vereenigen, voor zoover het gemeentelijke politiek betreft. Zij zijn bijvoorbeeld de voornaamste macht geweest tot het verkrijgen der algemeene invoering van bepalingen omtrent minimum-loon en tot het bevorderen der verkiezing van arbeiders-candidaten voor plaatselijke besturende lichamen. Maar zij bezitten geen erkend gezag in de vakvereenigings-wereld; zij zijn streng uitgesloten van alle deelname in de regeering of de vak-taktiek der vereenigingen; en hun invloed op politieke aangelegenheden van nationalen omvang is tot-nog-toe uiterst gering geweest. Bestaande â zooals in den regel het geval is â uit gedelegeerden, gekozen door afdeelingen van nationale vereenigingen, wordt hunne activiteit belemmerd door de nauwe grenzen waarbinnen het zelfbestuur der afdeelingen beperkt is. Want in vakaangelegenheden kan de afdeeling in den council geen macht brengen die zij zelf niet bezit, terwijl zij ten behoeve van eenigerlei optreden van den council, dat uitgaven veroorzaakt, slechts de vrijwillige extra-contributiën harer leden kan bijdragen. De middelen der councils reiken dientengevolge zelden verder dan de huur eener vergaderzaal,1) de noodzakelijke schrijfbehoeften en porto's en de betaling van een pond of wat per jaar voor âtijdverzuimquot; hunner voornaamste bestuurders. In geen enkel geval, behalve te Londen, beschikt een trades council over al den tijd van zelfs één enkelen bezoldigden bestuurder.
De councils genieten trouwens evenmin den moreelen steun der groote bonden. De hoofdbesturen der nationale vereenigingen beschouwen het bestaan van besturende lichamen, waarin zij niet rechtstreeks vertegenwoordigd zijn, met wantrouwen en afgunst. Indien het al niet reeds feitelijk verboden wordt, worden de plaatselijke afdeelingen niet aangemoedigd tot deelname aan hetgeen begrijpelijkerwijze eene concurreerende autoriteit zou kunnen worden. De sterke gewestelijke bonden blijven vaak verre, tenzij hun eene overstelpende vertegenwoordiging toegestaan wordt. Bovenal
zijn de councils er tot-nog-toe niet in geslaagd de knapste koppen ^
4 ') Te Nottingham, Leicester, Brighton, Hanley, Manchester, Worcester
en enkele andere steden, is den trades council het gebruik van een vertrek in het raadhuis of een ander gemeentelijk gebouw toegestaan. lt;$gt;
41 1
der vakvereenigings-bcweging tot zich te trekken. Dc bezoldigde bestuurders der oud-gevestigde vereenigingen nemen zelden aan hunne verrichtingen deel. Zoo kan bijvoorbeeld de London Trades Council, de klassieke vergaderplaats der Junta, niet langer de alge-meene secretarissen der Machinebouwers, IJzergieters, Metselaars of van eene andere der groote vak-uitkeerings-vereenigingen, welke thans te Londen gevestigd zijn, onder hare gedelegeerden rekenen. De machtige coterie van bestuurders der Katoenbewerkers maakt geen deel uit van den Manchester Trades Council. Van de Ketelmakers wordt noch de algemeene secretaris, noch een der negen districts-gedelegeerden in een trades council gevonden. De agenten der Mijnwerkers zijn om hunne onthouding van de councils in hunne streken berucht. Behoudens enkele uitzonderingen, hebben de bezoldigde ambtenaren der vakvereenigings-beweging óf weinig lust, óf te veel werk om deel te nemen in de discussies van uit afwisselende gedelegeerden bestaande lichamen, over aangelegenheden die buiten de grenzen hunner officiëele plichten vallen. Het resultaat is, dat de constitutie en de verrichtingen der trades councils, in scherpe tegenstelling met de verschillende types van vakvereenigingen, na een dertigjarig bestaan geen teeken van groei of ontwikkeling ver-toonen. En het is van beteekenis, dat trades councils het doeltreffendst zijn in die steden, als bijvoorbeeld Sheffield, Nottingham en, in mindere mate, Oldham en Bolton, waarin zij niet zoozeer raden van alle vakken zijn, als wel federaties van plaatselijke vereenigingen in verschillende branches der zelfde industrie. In het kort: de trades councils, hoewel als eene nuttige plaats van bijeenkomst voor plaatselijke vakvereenigingsmannen dienende, dragen op het oogen-blik weinig bij tot de solidariteit of de politieke doelmatigheid der vakvereenigings-beweging als geheel. ^
Het Vakvereenigings-Congres, dat jaarlijks in het een of ander industrieel centrum bijeenkomt, werkt in vele opzichten nuttig. Het is, om te beginnen, een uiterlijk en zichtbaar teeken van het onverminderde solidariteits-gevoel, dat de arbeidersklasse de geheele eeuw door gekenmerkt heeft. Samengesteld uit gedelegeerden van alle groote nationale en gewestelijke bonden, de voornaamste trades councils en een groot aantal plaatselijke vereenigingen, en grooten-deels bijgewoond door de bezoldigde bestuurders, is het Congres, in tegenstelling met de trades councils, de vertegenwoordiging van alle elementen der vakvereenigingswereld. Dientengevolge worden zoowel de ambtenaren-klasse der vakvereenigingen als de partijpolitici uit zijne discussiën de meenings-veranderingen van alle groepen vakvereenigingsmannen en door hen van de groote massa der loonarbeiders gewaar. Bovendien biedt de zeven dagen durende bijeenkomst eene uitnemende gelegenheid aan tot vriendschappelijk verkeer tusschen de vertegenwoordigers der verschillende vakken,
412
hetgeen vaak tot gemeenschappelijk optreden of breedere federaties leidt. Niettemin blijft het Congres, zooals wij het in zijne eerste jaren beschreven hebben, meer eene parade van het vakvereenigings-leger, dan een werkelijk parlement van den arbeid. l) 4gt;
4» Alle bijkomende omstandigheden werken mede om het
parade-karakter van het Congres, ten koste harer wetgevende hoedanigheid, te doen uitkomen. Burgemeester en wethouders der stad waarin het plaats heeft, ontvangen de gedelegeerden officiéél en houden in den regel eene prachtige receptie ter hunner eere. De voor vreemden bestemde galerij is vol belangstellende toeschouwers. Voorname buitenlanders, vertegenwoordigers van regeerings-departementen, deputaties van den coöperatieven bond en andere vèr-reikende organisaties, nieuwsgierige politici en populariteit bejagende geestelijken wonen de dagelijksche verhandelingen bij. De perstafel is dicht-bezet met verslaggevers van al de voornaamste bladen des lands, terwijl de plaatselijke organen met elkander wedijveren in het uitgeven van speciale edities, stenografische verslagen der debatten van iederen dag bevattende. Doch wat het Congres meer dan iets anders eene vacantie-demonstratie inplaats van eene verantwoordelijke, beraadslagende vergadering doet zijn, is zijn volslagen gebrek aan wetgevende bevoegdheid. De gedelegeerden weten zeer goed, dat de besluiten van het Congres voor hunne organisaties geene bindende kracht hebben en nemen daarom niet de moeite deze in practischen vorm te gieten, of zelfs maar met elkander bestaanbaar te doen zijn. Van den aanvang af zijn de verrichtingen onzakelijk. De eerste dag wordt met reine formaliteiten doorgebracht, waarvan het grootste gedeelte zeer wel âals gelezen beschouwdquot; kan worden. Een aanzienlijk deel van den tweeden
dag wordt in beslag genomen door eene langdurige openingsrede
^
lt;!gt; ') In de eerste periode zijner geschiedenis hielden de bourgeois-vrienden
van het vakvereenigings-wezen voordrachten en namen deel aan de debatten. Maar sinds eenige jaren is het niemand veroorloofd geworden, in welke hoedanigheid ook aan zijne verhandelingen deel te nemen, behalve in den vorm gekozen gedelegeerden, die in het door hen vertegenwoordigde vak gewerkt hebben. In 1892 en 1893 werd de deelname verdei beperkt tot die vereenigingen, welke een vastgesteld bedrag per duizend leden aan de kas van het Congres bijdroegen. Het Parlementair Comité bestaat uit tien leden en een secretaris, die op den vijfden dag van het congres bij geheime stemming gekozen worden. De winnende candidaten zijn gewoonlijk de bezoldigde bestuurders van de groote vereenigingen ; het congres-reglement schrijft nadrukkelijk voor, dat geen vak meer dan één vertegenwoordiger mag hebben. De secretaris ontvangt slecht 200 pond sterling per jaar, waarvan hij een klerk moet bekostigen; de functie wordt nu vervuld door een bestuurder, die ook emolumenten voor andere plichten geniet. Gedurende de laatste veertien jaren is de functionaris een parlementslid geweest, met vroegere verplichtingen tegenover zijne kiezers, die niet altijd bestaanbaar zijn met de wenschen zijner mede-vakvereenigingsmannen. (De schrijvers doelen hier op de heeren Fenwick en Broadhurst, die echter sinds 1894 de functie niet meer vervullen. Vert.) O
413
van den voorzitter â een plaatselijk vakvereenigingsman, zelden met eene nationale reputatie. Voor het overige bestaat de agenda uit resoluties, voorgesteld door de verschillende vereenigingen en trades councils en door-elkander voorgelegd aan het Congres, in eene door de kansen van het lot bepaalde volgorde. Deze voorstellen, hoofdzakelijk afkomstig hetzij van de onder-officieren der beweging, of van de meer politiek-gezinde arbeiders-bonden, worden aan geene keuze of revisie onderworpen en zijn in den regel academisch, of zelfs onaannemelijk in hunne bewoordingen. De gedelegeerden hebben ongeveer vijf en twintig uren tot hunne beschikking, om daarin alle mogelijke onderwerpen, vanaf de nationalisatie der productiemiddelen tot het verbod van twee karren door één sleeper te doen besturen, te bespreken. Om zelfs maar eene minderheid der aanwezigen in staat te stellen vóór of tegen de voorstellen te spreken, worden eiken spreker vijf, of misschien drie minuten toegestaan â een regel, die op allen met gelijke strengheid toegepast wordt. Maar ondanks deze krachtige maatregelen tot beperking der debatten, is de voorzitter, niet gewend aan zulk eene groote en opgewonden vergadering, volstrekt niet in staat de zaken af te doen en heeft vaak zijne handen vol met het handhaven der orde. De mandaten-commissie wordt geheel en al in beslag genomen door het onderzoek naar de goede trouw van zekere gedelegeerden en dergelijke bezigheden, en kan geen hulp verleenen. En het Congres bekomt ook niet veel leiding van ervaren bestuurders van oud-gevestigde vereenigingen. Hetzij uit goedhartig verlangen om de onbekende leden gelegenheid te geven in de couranten te verschijnen, of uit een ietwat cynische opvatting van de vruchteloosheid der Congres-debatten, houden zij zich achteraf en spreken zelden, tenzij om zich tegen aanvallen te verdedigen. Bovendien zijn zij, zoowel tijdens als buiten den zittingstijd van het Congres, druk bezig maatregelen te nemen om zich-zelf of hunne vrienden tot lid van het Parlementair Comité gekozen te krijgen. Als het vierdaagsche gepraat ten einde loopt, is nog de helft der resoluties op de agenda onafgedaan. Op den Zaterdagmorgen, als de meeste gedelegeerden naar huis vertrokken zijn, doorloopt eene slecht-bezettc vergadering de rest der voorstellen ; redevoeringen worden bekort tot zestig seconden elk en het Congres neemt in een paar uren een twintigtal gewichtige resoluties aan. Van begin tot einde is er geen teeken van een âvoorste bankquot; van verantwoordelijke leiders. Wat het zakelijke gedeelte betreft, bestaat de geheele verrichting van het Congres in de verkiezing van het Parlementair Comité, waaraan de politieke vertegenwoordiging der vakvereenigingswereld voor het volgende jaar wordt toevertrouwd.
De plichten van het Parlementair Comité zijn door het Congres nooit uitdrukkelijk omschreven geworden en men zal
414
licht begrijpen, dat resoluties, van den aard door ons beschreven, slechts weinig aanleiding tot practischen arbeid aanbieden. Er bestaat echter een algemeen begrip, dat het Comité moet waken voor de politieke belangen zijner kiezers, op ongeveer dezelfde wijze als het parlementair comité van een gemeenteraad of eene spoorweg-maatschappij. Het ligt voor de hand dat zulk een mandaat, waar het de vakvereenigingswereld betreft, een breed gebied omvat. Het recht van vrije vereeniging, door Allan, Applegarth, Odger en hunne bondgenooten veroverd, is nu geen strijdvraag meer; maar het belang der vakorganisatie bij de wetgeving heeft zich, met den vooruitgang der democratie, tot breeder en ingewikkelder vraagstukken uitgestrekt. De volslagen democratiseering der politieke machinerie, de plicht van het goevernement om een model-werkgever te zijn, de verdere regeling van particuliere ondernemingen door volmaakte arbeidswetgeving, het overgaan van monopolies in openbaar beheer, zijn alle aangelegenheden waarin de heden-daagsche vakvereenigingswereld zich als buitengewoon belangstellend beschouwt. Bij deze den arbeid van nabij rakende dingen, moeten gevoegd worden belangen der niet-bezittende klasse, als bijvoorbeeld de regeling van het belastingstelsel, het voorzien in onderwijs en ontspanning door de openbare machten en het onderhoud der zieken en ouden van dagen. Wij hebben hier eene hoeveelheid parlementaire zaken, welke verre te boven gaat die van het parlementair comité van een gewonen gemeenteraad of spoorweg-maatschappij. Het onderzoeken van alle bij het parlement ingediende wetsontwerpen, zoowel van de regeering als van particulieren, ') die mogelijk een der vorenstaande vakvereenigings-belangen kunnen raken; het voortdurend acht geven op het beheer van takken van openbaren dienst; het nagaan der staatsbegrooting, de onderwijs-wetten en de bevelen van het ministerie van binnenlandsch bestuur; het invloed-uitoefenen op het ministerie van den dag, om de troonrede te kneden tot een arbeiders-program; het bevorderen der indiening van onafhankelijke wetsontwerpen nopens alle onderwerpen, waaromtrent de regeering weigert wetsvoorstellen te doen ; en eindelijk het organiseeren van onafgebroken lobbying'1) van ministers
^ 4
') In Engeland kunnen niet alleen ministers en parlementsleden, doch ook wettelijk erkende corporaticn wetsontwerpen indienen, In vele gevallen zijn deze laatste zelfs genoodzaakt dit te doen, daar bijv. eene gemeente geen tak van openlsaren dienst kan exploiteeren, of geen groot werk kan doen uitvoeren, zonder door een daartoe zelf in te dienen bizondere wet gemachtigd te zijn, hetgeen in den regel ontzettende kosten, tot dertig of veertig duizend pond sterling toe, met zich brengt. Daarom hebben de gemeentebesturen, spoorweg- en andere groote maatschappijen âparlementaire comité's,quot; die voor de behartiging van de belangen hunner lastgevers bij parlement en regeering hebben zorg te dragen.
Vert. lt;3gt;
*) Lobbies zijn de groote corridors in het parlementsgebouw. Onder
415
en parlementsleden, waardoor een volks-eisch ten slotte beklonken wordt â dat alles vormt een taak, die de energie van een half dozijn uiterst-geoefende parlementaire agenten, die al hun tijd aan hunne cliënten wijden, zou vorderen. Dat is het werk, hetwelk het Vakvereenigings-Congres opdraagt aan een comité van met arbeid overladen bestuurders, die allen opgaan in de veelvuldige werkzaamheden hunner eigen vereenigingen en slechts gediend wordt door een secretaris, die voor een klein deel van zijn tijd betaald wordt en die bijgevolg de functie met andere betrekkingen combineert. 1) De geheele organisatie is zoo belachelijk onvoldoende voor de taak, dat men het comité er nauwelijks een verwijt van kan maken, dat het zelfs niet poogt het werk bij te houden. De leden verlaten vijftien of twintig maal per jaar hunne provinciale hoofdkwartieren, om eenige uren door te brengen in het kleine kantoor in No. 19, Buckingham Street (eene zijstraat van de Strand te Londen) met beraadslagingen over de punten, die hen door hun secretaris worden voorgelegd. Beziggehouden door de zaken hunner vereenigingen en niet doorkneed in de algemeene politiek, bepalen zij hun aandacht op de belangen hunner respectieve vakken, of vatten het veertiendaagsche reisje naar Londen op als eene aangename afwisseling der moeielijke ambtsplichten. In de tusschenpoozen tusschen de bijeenkomsten, doorworstelt de secretaris de zaken zoo goed als hij kan, met zulke administratieve hulp als hij uit zijne schrale bezoldiging betalen kan. Opgaande in zijn eigen parlementaire plichten, voor welker vervulling zijne kiezers hem een ^ amp;
lobbying wordt verstaan het onderhandelen en discussieeren met parlementsleden, dat in deze corridors moet plaats hebben, daar niet-leden geen toegang hebben tot de vertrekken in het gebouw, allerminst tot de zittingzaal van het Lagerhuis, waaruit zelfs de leden van het Hoogerhuis worden geweerd. Vert. ^
') De toestand wordt nog gecompliceerder door het feit dat Mr. C. Fenwick, M. P., die in 1890 Mr. Henry Broadhurst opvolgde, een der parlementaire vertegenwoordigers is van de Durhamsche mijnwerkers, welker meerderheid het niet eens is met de beslissing van het Congres ten opzichte der gewichtige kwestie eener wettelijke instelling van den achturigen arbeidsdag. Het baat niets dat Mr. Fenwick op alle achtereenvolgende congressen met de meest lofwaardige openhartigheid verklaart, dat cle belofte aan zijne kiezers, evenals zijn eigen opinie hem zullen noodzaken met kracht op te komen tegen elke regeling van den arbeidsduur van volwassen mannen. Ondanks dat herkiest het Congres hem als secretaris van het Parlementair Comité en beschermt zich door het Comité vol te stoppen met mannen van tegenovergestelde inzichten. Dat is niets anders dan een nieuw voorbeeld van de buitengewone standvastigheid (reeds op pag. 404 aangeduid) waarmede een arbeiders-organisatie verkleefd blijft aan een eenmaal tot bestuurder gekozen man â eene standvastigheid, die, gelooven wij, eensdeels moet worden toegeschreven aan een edelmoedig bezwaar om âeen man uit zijn brood te stooten ' en anderdeels aan een diep-geworteld geloof, dat ieder gegeven stuk werk zoo goed door den een als door den ander kan worden verricht. (Sinds 1894 is Mr. Fenwick geen secretaris van het Parlementair Comité meer; in zijne plaats werd toen Mr. Sam Woods, M. P gekozen, die de inzichten van Mr. Fenwick niet deelt en de post op dit oogenblik nog bekleedt. Vert.) lt;$gt;
416
salaris betalen, kan hij aan de algemecne belangen der vakvereeni-gingswereld slechts het restant van zijn tijd en aandacht wijden. Het kan daarom niet verwonderen te ervaren, dat de aan het Parlementair Comité voorgelegde agenda, inplaats van het uitgestrekte, door de Congresbesluiten aangewezen terrein te beheerschen, als regel tot het minst-mogelijke minimum teruggebracht wordt. De arbeid in elk van de laatste paar jaren door het Comité verricht, heeft zich feitelijk bepaald tot eenige deputaties naar de regeering, twee of drie circulaires aan de vereenigingen, een klein consult met bevriende politici en het opstellen van een uitvoering rapport aan het Congres, waarin niet zijn eigen verrichtingen, doch de wetgevende en andere parlementaire handelingen der zittingsperiode worden beschreven. Het gevolg is, dat de hoofdbesturen van den United Textile Factory Workers' Association en de Miners Federation een veel krachtiger invloed op het parlement hebben dan het Comité dat de geheele vakvereenigingswereld vertegenwoordigt; terwijl bedreven manipulators, als Mr. John Burns, Mr. Havelock Wilson, of Mr. George Howell, op meer hervorming, in ééne enkele dttings-periode bewerkstelligd, kunnen wijzen, dan het Parlementair Comité in den laatsten tijd gedurende een geheel parlement heeft tot stand gebracht.
Het is daarom niet verwonderlijk, dat in de vakvereenigingswereld een toenemend gevoel van wrevel tegen het Parlementair Comité bestaat. Op alle achtereenvolgende Congressen moet het Comité, inplaats van de leiding in handen te hebben, op zijne verdediging bedacht zijn. Maar het ligt voor de hand, dat het Congres-zelf de schuld draagt. De leden van het Comité, met den secretaris incluis, zijn mannen van even degelijk karakter en bekwaamheid als een raad van spoorweg-directeuren of eene commissie van gemeenteraadsleden. Maar terwijl een spoorweg-maatschappij of een gemeenteraad de geheele werkkracht van een bizonder geoefenden gemeente-secretaris of advocaat ter beschikking van haar of zijn parlementair comité stelt en dezen bovendien veroorlooft zoovele deskundige adviseurs te hulp te roepen als hij noodig oordeelt, verwacht het Vakvereenigings-Congres dat de parlementaire zaken van anderhalf millioen leden afgedaan kunnen worden door een staf, welke beneden dien eener derde-rangs vakvereeniging staat. Het is waar, er was een tijd dat de leiders der geheele vakvereenigingswereld met succes een langdurigen en moeilijken parlementairen veldtocht leidden. Wij hebben in een vorig hoofdstuk de gewichtige omwenteling in de wetgeving nopens het standpunt van het vakvereenigingswezen beschreven, die tusschen 1867 en 1875 bewerkstelligd werd. Maar de Conferentie der Gemengde Vakken en haar opvolger: het Parlementair Comité, hadden in die jaren te beschikken over de bereidwillig verleende diensten van eene schitterende combinatie 27 - Sidney Webb. 4'7
van juridische en parlementaire talenten als Mr. Frederic Harrison, Prof. K. S. Beesly, Mr. Henry Crompton, Mr. Thomas (thans rechter) Hughes, Mr. Godfrey en Mr. Vernon Lushingthon en Mr. (thans rechter) R. S. Wright. Het bezwaar dat de huidige generatie van vakvereenigingsmannen heeft tegen het hebben van verplichting aan vrienden uit de bourgeoisie, is niet van zekeren grond ontbloot. Maar als het Vakvereenigings-Congres zijne parlementaire zaken wenscht afgedaan te hebben, moet het in elk geval eene zoodanige bezoldiging toestaan, dat de volledige diensten van den bekwaamsten man in de beweging kunnen worden verzekerd en zijn kantoor kan voorzien worden met een toereikend aantal klerken; en dan moet het 't Parlementair Comité volmacht geven, om den deskundigen raad in te winnen, die van tijd tot tijd noodig mocht zijn. 4gt;
4gt; In de vorenstaande korte schets hebben wij slechts getracht
ons verhaal te completeeren, door den lezer in vogelvlucht een blik te doen slaan in de vakvereenigingswereld, zooals zij er heden ten dage uitziet. Zoowel in deze schets als in de voorafgaande geschiedenis hebben wij gepoogd ons te bepalen tot eene boekstaving van feiten, in zooverre in détails afdalend, als voor een begrip der vakvereenigings-beweging noodig is. Wij hebben opzettelijk nagelaten deze feiten, hetzij in den loop van het verhaal of in een slot-hoofdstuk, te recapituleeren Het geheele werk door hebben wij vermeden te bespreken, of de talrijke conflicten en tijdelijke successen van verschillende lichamen van georganiseerde werklieden al dan niet een blijvende en toenemende verheffing van den levensstandaard, hetzij van zekere afdeelingen of van de geheele klasse van loonarbeiders, tot gevolg hebben gehad. Evenmin hebben wij geprobeerd de ingewikkelde vraagstukken, aangeboden door het bestaan eener sectaire vaksgewijze organisatie te midden eener gemeenschap van ongeorganiseerden, te behandelen. Over deze punten hebben wij, in den loop onzer onderzoekingen, besliste meeningen gevormd. Onze bizondere inzichten mede te doelen en te verdedigen, zou eene gedetailleerde ontleding der daadwerkelijke verrichtingen van vak-combinaties noodzakelijk maken, die in eene algemeene historie der beweging onmogelijk is. Om bijvoorbeeld de economische uitwerkingen van het vakvereenigingswezen op te sommen, zouden wij tot in bizonderheden moeten nagaan, niet alleen de geboekstaafde feiten nopens loon- en arbeidsduur-bewegingen, doch ook de fijne uitwerkingen op de industriëele organisatie, het opeenhoopen van kapitaal en de hoeveelheid en hoedanigheid van handelstalent; wij zouden genoodzaakt zijn de resultaten op te sporen der eindelooze afwisseling van vakvereenigings-regelen, vanaf het algemeen vasthouden aan een standaardloon, tot de zuiverste technische eischen; eindelijk zouden wij moeten berekenen en tegenover elkander stellen
418
de tegenstrijdige cischen van verschillende groepen arbeiders ten opzichte van jongensarbeid, stukwerk en nieuwe arbeids-methodes, bijvoorbeeld het vasthouden der katoenspinners aan betaling volgens tarief, het te-werk-stellen van een onbeperkt aantal leerlingen en de meest-mogelijke verbetering van den automatischen spinmolen, te stellen tegenover de voorkeur der machinebouwers voor uurloon, de beperking der leerlingen door de letterzetters en het verbod van machines der parelmoer-knoopenmakers. Gekomen tot bepaalde conclusies nopens de economische uitwerking van het vakvereeni-gingswezen op den bloei van zekere industriën, zouden wij nog een onderzoek hebben in te stellen naar de eeuwige kwestie der houding van den vakvereenigingsman ten op7ichte van ongeorganiseerde werklieden, vrouwen- en kinderarbeid â bovenal naar de betrekking der vakvereeniging tot andere vormen van democratische organisatie, als bijvoorbeeld de coöperatieve verbruiks-vereeniging, het gemeentebestuur en de regeering des lands. ^
Behalve deze meer voor de hand liggende problemen, zal de lezer weten dat de vakvereenigingswereld, in hare inwendige verhoudingen, een vruchtbaar veld voor economische en politieke onderzoekingen oplevert. De massa feiten, in de vakvereenigings-annalen vervat, ten opzichte der concurrentie tusschen organisaties, de grens tusschen vereeniging en vereeniging en de verdeeling van het werk tusschen vak en vak, toonen aan hoe bezwaarlijk het is, aan vrijwillige en groepsgewijze organisaties eenig deel in het gemeenschappelijk bezit of eenig volledig collectief beheer over te dragen. Maar de historie der vakvereenigingen doet meer dan nieuwe problemen en nieuwe verwikkelingen voor ons bloot te leggen â in vele richtingen geeft zij practische voorlichting. Wie de democratie bestudeert, bejammert altijd den engen kring van waarneming en proefneming, door de korte geschiedenissen der weinige moderne republiekeinsche staten aangeboden. Hem biedt de vakvereenigingswereld eene één-eeuw-lange ondervinding van een duizendtal zelf-besturende arbeiders-gemeenschappen aan, met onbeperkt vermogen tot aanpassen en veranderen. De tallooze afwisselingen in den bouw dezer vrije democratiën, het samenstel en het uiteenloopen hunner constituties, doorwrochte kunstmiddelen voor het behoud van een behoorlijk machts-evenwicht tusschen het hoofdbestuur en de leden, de betrekking hunner centrale tot hunne plaatselijke besturen, hunne financiëele controles en contra-controles, hun gebruik van de monster-meeting, den raad van gedelegeerden, de verkiezing, het initiatief en het referendum, zoowel bij de benoeming van bestuurders en uitvoerend bewind als bij het beslissen omtrent taktiek en het vaststellen van wetten â in het kort: hunne langdurige proefneming met de best-bekende machinerie van vertegenwoordigende regeering en hun uitdenken van nieuwe vormen en kunstmiddelen tot het
419
beter besturen hunner kleine republieken â dat alles levert ongeëvenaard materiaal voor generalisaties, vol beteekenis voor den philosoof en den staatsman.
4gt; Eindelijk hebben wij de minder philosofische, doch drin
gender kwestie der positie, door de vakvereenigingswereld in te nemen in den partijstrijd van heden en de politiek van morgen. In ons hoofdstuk over âHet Oude Vakvereenigingswezen en het Nieuwequot; beschreven wij de snelle bekeering van den superieuren werkman tot de algemeene beginselen van het collectivisme. Deze verandering van opinie der massa, werd gevolgd door eene merkwaardige frontverandering van den kant der bezoldigde bestuurders en door een algemeen wantrouwen der aristocratische en bourgeois-vertegenwoordigers der beide groote politieke partijen. Den arbeiderpoliticus van 1894 komt het onbegrijpelijk voor, dat landheeren of kapitalisten hen zullen helpen den grond en de mijnen te nationaliseeren, onverdiende inkomens door belasting te absorbeeren, of particuliere ondernemingen in het belang van den loonarbeider te besturen. Aldus nemen wij in de geheele vakvereenigingswereld een bijna eenstemmig verlangen waar, om de arbeiders-organisaties op de eene of andere wijze voor politieke doeleinden geschikt te maken. Dat is trouwens niets nieuws. Het solidariteitsgevoel heeft, zooals wij gezien hebben, nooit ontbroken bij die actieve soldaten en onder-officieren, welke het meest levenwekkende element in het vak-vereenigingsleger uitmaken. De edelmoedige steun van vak aan vak, de aandoenlijke pogingen tot het vormen van algemeene bonden, het gestadig streven naar algemeene federatie, dat alles legt getuigenis af voor de oprechtheid en de kracht dezer instinctmatige solidariteit. Het collectivistische geloof van het ânieuwe unionismequot; is niets anders dan eene nieuwe uiting van hetzelfde diep-gewortelde geloof in de ware broederschap van den arbeid. Maar de grondslag van de organisatie dezer anderhalf millioen loonarbeiders is, zooals wij gezien hebben, vóór alles sectair van aard. Zij komen bijeen en dragen hunne stuivers bij, voor de bescherming hunner belangen als ketelmakers, mijnwerkers, katoenspinners â doch niet rechtstreeks voor den vooruitgang der geheele arbeidende klasse. Onder de bezoldigde bestuurders der vereenigingen is het, zooals wij gezegd hebben, de vak-bestuurder, gekozen en betaald voor het uitdrukkelijke doel de belangen van zijn eigen bizonder vak te handhaven, die de werkelijke kracht is. De uitwerking was, dat het sectairisme, waartoe een op het vak gebaseerde organisatie noodwendig moet overhellen, dieper wordt. Het vage, algemeene collectivisme der onder-officieren, is tot-nog-toe slechts in zooverre in practische voorstellen omgezet geworden, als het uitgedrukt kan worden in plannen ten voordeele van een bizonder vak. Sommige georganiseerde vakken hebben geweten hoe eene omvangrijke
420
arbeidswetgeving, welker bepalingen buitengewoon goed geschikt zijn tot bescherming der betrokken arbeiders, opgesteld en van het parlement afgedwongen moeten worden. Het hoofdstuk âbizonder-hedenquot; !) en de wet tegen het âte sterk stoomenquot; in de weefzalen bijvoorbeeld, zijn triomfen van collectief beheer, die, behalve door de schrandere vak-bestuurders der Katoenbewerkers, nauwelijks door wie ook uitgedacht hadden kunnen worden. Maar er is geen poging om de eene of andere kwestie als geheel te behandelen. De vak-vereenigingsmannen zijn bijvoorbeeld eenstemmig vóór strenge wetgeving tot tegengaan van het âzweetstelselquot; in vakken van allerlei aard. Maar geen bezoldigd bestuurder van de vakvereeni-gingswereld zou het zijne taak achten, de arbeidswetgeving op dat punt voor eenig vak behalve het zijne te verbeteren. Terwijl dus de arbeidswetten doeltreffend uitgewerkt zijn geworden, om te voorzien in de speciale omstandigheden van enkele vakken, blijven zij voor de overige in den vorm van eenvoudige, algemeene verbodsbepalingen, die het feitelijk onmogelijk is toe te passen. In hoeverre het mogelijk is, door de ontwikkeling der trades councils, de hervorming van het Vakvereenigings-Congres, de toegenomen doelmatigheid van het Parlementair Comité, den aanwas van vak-vereenigings-vertegenwoordiging in het Lagerhuis, of, ten slotte, door het scheppen eener nieuwe federatieve machinerie, tot tegenwerking van het fundamenteele sectairisme der vakvereenigings-organisatie, de speciale vak-bestuurders aan te vullen met even speciale arbeiders-politici en dus de vakvereenigingswereld, met haar anderhalf millioen kiezers en haar leiderschap van den arbeid, eene doeltreffende politieke macht in den staat te doen worden, is, over het geheel, de gewichtigste kwestie der hedendaagsche politiek. ^ De oplossing dezer moeilijke economische, constitutioneele
en politieke vraagstukken, vereischt, zooals wij gezegd hebben, eene tot in onderdeelen afdalende ontleding der feitelijke werking van het vakvereenigingswezen in bizondere industriën. Deze ontleding, benevens de feiten waarop zij berust, stellen wij ons voor in een afzonderlijk werk, over de Problemen van het Vakvereenigingswezen, neder te leggen.
4
â¢S» ') Hoofdstuk 24 der f.ibriekswet van 1891 bepaalt omtrent de textiel
industrie, dat de werkgever lederen arbeider zekere bizonderheden nopens de hoeveelheid werk en den desbetreffende loonstandaard moet verstrekken, lt;Sgt;
42 I
AANHANGSEL
I. Over het beweerde verhand tusschen de vakvereenigingen en de gilden te Dublin.
De afstamming der vakvereeniging van de gilden te Dublin is belichaamd in de gedrukte documenten der vereenigingen-zelf en gewoonlijk wordt aangenomen dat dit bevestigd wordt door hun bezit der gilden-handvesten. De vakvereenigings-banieren dragen niet alleen in vele gevallen dezelfde blazoenen als de oude gilden, maar dikwijls ook den datum hunner vestiging. Aldus beweert de de oude vereeniging van âgeregeldequot; timmerlieden (thans eene afdeeling van de Amalgamated Society) uit het jaar 1490 te dateeren; de Regular Operative House-painters Trade Union (Geregelde Huis-schilders-Vereeniging) verbindt zich met het St. Lucas-gilde van 1670 ; en de plaatselijke vereenigingen van metselaars en stucadoors nemen den datum der grondvesting van de Metselaars- en Stucadoors-Companies door Karei II (1670) aan. De kist der Dublinsche Metselaars-Vereeniging bevat zelfs een perkament, dat het oorspronkelijke handvest der laatstgenoemde Company moet heeten. Hoe dit document, gegeven aan het uitsluitend Protestantsche genootschap van patroons, dat door de wet van 1840 werd afgeschaft, in het bezit kwam van hetgeen altijd een hoofdzakelijk uit Katholieken bestaand lichaam van loonarbeiders, dat zeker dateert van 1830, is geweest, is niet duidelijk. Het perkament dat van zijn zegel beroofd is en op de achterzijde, in het handschrift van een advocaten-klerk, de woorden Bricklayers, 28^' June, 184.3 draagt, is na de ontbinding der Company waarschijnlijk als waardeloos weggeworpen. amp;
Een onderzoek in de brochures dier dagen, bracht een belangwekkend tijdperk in de geschiedenis der Dublinsche bouwvakken aan den dag. Het blijkt dat Benjamin Pemberton, die meester en blijkbaar een energiek en bekwaam man was, na de ontbinding der Company poogde een verbond tot stand te brengen tusschen de toen machtige vereenigingen van metselaars- en stucadoorsgezellen en -meesters ten einde den gemeenschappelijken vijand, den âvreem-
422
den aannemerquot;, te weerstaan. Dat was langen tijd een gelieikoosd plan van Pemberton geweest. Reeds in 1812 had hij er bij de snel-vervallende Company op aangedrongen, het opkomen der bouwondernemers tegen te gaan en Katholieke ambachtslieden toe te laten. Maar de Company, die toen ternauwernood een dozijn werkelijke meester-metselaars of -stucadoors bevatte, deed niets. In 1832 wendde Pemberton zich tot de arbeiders en stelde den Trades Political Union (Politieke Bond der Vakvereenigingen), een soort van trades council, vergeefs voor, gemeenschappelijk tegen âhet contract-stelselquot; op te komen. Eindelijk schijnt hij er in 1846, zes jaren na de opheffing der Company, in geslaagd te zijn, een soort van verbond te vormen. De metselaars- en stucadoors-gezellen werden overgehaald uit zijne handen en die zijner medestanders formeele certificaten van bekwaamheid te aanvaarden. Verscheidene dezer certificaten, door Pemberton en andere werkgevers geteekend, zijn in het bezit van de oudere werklieden, maar niemand kon ons hun gebruik verklaren. Het verbond berustte waarschijnlijk op eenigerlei belofte of voorkeur voor werk eener- en het weigeren te werken voor een aannemer anderzijds. Dit nauwe verband tusschen een voornaam lid der Company en de vakvereenigingsmannen, verklaart misschien hoe het oude handvest, scheurpapier geworden zijnde, in de kist der vakvereeniging te belanden kwam.
Bizonderheden omtrent Pembertons optreden is te vinden in de brochure, getiteld An Address of the Bricklayers and Plasterers to the tradesmen of te City of Dublin on the necessity of their co-operating for the attainment of their corporate rights andpriveleges, door Benjamin Pemberton (Dublin 1833, 36 pag.), bewaard in deel 1567 der Haliday Tracts, in de Koninklijke lersche Academie. In geen enkel ander geval, hetzij te Dublin of elders, hebben wij eene vakvereeniging in het bezit gevonden van gilde-documenten of reliquiën.
^ De absolute onmogelijkheid van den overgang der
Dublinsche Companies in de plaatselijke vakvereenigingen, zal blijken als wij ons herinneren dat de massa van de loonarbeidersbevolking der stad steeds Katholiek was en nóg is. De Dublinsche Companies waren tot het laatste toe strikt beperkt tot Episcopaalsche Protestanten. Zelfs nadat door de emancipatie der Katholieken in 1829 de scheidsmuren in naam waren weggeruimd, weigerden de Companies, toen verschrompeld tot coterietjes van kleinburgerlijke kapitalisten, weinig of geen verband houdende met de vakken, standvastig Katholieken tot het lidmaatschap toe te laten. Tusschen 1829 en 1838 drongen eenige rijke Katholieken, door middel van een gerechtelijk bevelschrift, naar binnen. Maar toen in 1838 door de commissieleden, benoemd ingevolge de wet op de gemeentebesturen, een onderzoek werd ingesteld, behoorden slechts een half
423
dozijn Katholieken tot de leden en vond men dat de Companies hoofdzakelijk bestonden uit kapitalisten en niet-industriëelen. Er is geen blijk dat zelfs maar één loonarbeider tot de leden behoorde. Lang vóór dien tijd hadden de Dublinsche vakvereenigingen eene weinig-benijdenswaardige beruchtheid verworven. Reeds in 1824 constateerde de Chief Constable (commissaris van politie) van Dublin, dat er eene complete organisatie van werklieden in onwettige genootschappen bestond. In 1838 deed O'Connell er zijn beroemden aanval in het Lagerhuis op, die tot het instellen eener enquête aanleiding gaf. Om kort te gaan: terwijl de Dublinsche Companies, tot aan hunne opheffing door de wet van 1840, in ongeveer denzelfden toestand verkeerden als de Londensche, met het bijkomende feit van hun godsdienstig exclusivisme, waren de Dublinsche vakvereenigingen lang vóór dien tijd op het hoogtepunt hunner macht. égt; Het aannemen der blazoenen, mottos, heiligen en datums
van oorsprong der oude Dublinsche gilden door de Dublinsche vakvereenigingen, is belangwekkender als een lersche karaktertrek dan als een bewijs van historische ontwikkeling. Zoo stellen zich de metselaars, in hunne reglementen van 1833, tevreden met het overnemen der oorspronkelijke voorrede, die de in het begin dezer eeuw gestichte vakvereenigingen met elkander gemeen hadden, en waarin gezegd werd dat âde metselaars-gezellen der stad Dublin het navolgende lofwaardige plan tot vorming van een fonds tot uitkeerings-doeleinden op zich genomen hebben.quot; Een diploma, het jaartal 1830 dragende, maakt geen melding van het gilde of de company van metselaars en stucadoors, waarvan men thans beweert af te stammen. De reglementen van 1883 zijn geheeten die van het âincorporatedquot; (van handvest voorziene) genootschap van bak- en natuursteen-metselaars,quot; en in de uitgave van 1888 heeft dit zich ontwikkeld tot het Ancient Guild of Saint Bartholomeiv (Oude St. Bartholomeusgilde). Ten slotte prijkt het wapenschild der oude company, benevens de datum harer vestiging (,,A. D. 1670quot;) op de nieuwe banier der vereeniging. De oude plaatselijke ver-eeniging van âgeregelde timmerlieden,quot; die in 1824 alom als vakvereeniging bekend was en in 1833 (zeven jaren vóór de opheffing der Company of Carpenters, Millers, Masons, and Tylers, or Gild of the fraternity of the Blessed Virgin Mary, of the House of St. Thomas the Martyr â Genootschap van Timmerlieden, Molenaars, Metselaars en Leidekkers, of Gilde van de broederschap der Gezegende Maagd Maria, van het huis van St. Thomas de Martelaar â in 1532 door Hendrik VIII gesticht) in eene werkstaking betrokken was, nam eerst in 1881 in hare reglementen het wapen en het motto van het gilde over, doch behield haar eigen naam: âDe Vereenigde Broeders van St. Jozef.quot; Het in 1887 gedrukte diploma vermeldt stoutmoedig 1458 als het stichtingsjaar, terwijl andere
424
drukwerken 1490 noemen. De Dublinsche schilders zetten thans 1670 op hunne banier, maar de oudste traditiën der leden reiken niet verder dan 1820. In het kort: de lersche vakvereenigingsman, met zijne oprechte liefde voor het schilderachtige en zijne vereering voor historische herinneringen, heeft langzamerhand oudheid âgeannexeerdquot; en elke gelegenheid aangegrepen om den oorsprong zijner vereeniging eenige geslachten terug te schuiven. 4
II. Glijdende loonschalen.
4 De glijdende loonschaal, eene regeling waarbij vooruit is
overeengekomen, dat loonen zullen afwisselen in eene vastgestelde verhouding tot veranderingen in den marktprijs van het product, blijken in het ijzerbedrijf reeds sinds eenige generatiën bekend te zijn. âOngeveer vijftig jaren geleden stelde Mr. G. R. Thorneycroft, van Wolverhampton, chef eener welbekende firma van ijzerfabrikanten, aan zekere andere firma's voor, dat de loonen zouden rijzen en dalen met den prijs van marked bars â welke woorden eene kwaliteit ijzer aanduidden, die toen zeer gunstig bekend stond. Het voorstel werd in zooverre aangenomen, dat, wanneer door de werklieden loonsverhooging werd geëischt, de verhooging welke werd toegestaan in verhouding stond tot den prijs van marked bars. De puddlers ontvingen in den regel één shilling voor ieder pond van den verkoopprijs; maar bij buitengewone gelegenheden werd eene bizondere, tijdelijke verhooging of premie toegekend. De bepalingen dezer regeling schijnen niet op schrift te zijn gesteld geworden, hoewel zij gedurende vele jaren van kracht bleven en alom bekend stonden als de âThorneycroft-schaal.quot; 1) 4
4 Ten tijde der groote werkstaking der puddlers van
Staffordshire in 1865, schijnt eene plaatselijke overeenkomst van dergelijken aard bestaan te hebben. De gemengde commissie van ijzerfabrikanten en puddlers, die in 1869, onder den naam van North of England Manufactured Iron Board, te Darlington werd gesticht, had spoedig eene glijdende loonschaal opgesteld, die haar tot richtsnoer diende. Deze schaal, evenals die welke door de Midland Iron Trade Board aangenomen werd, is herhaaldelijk herzien, afgeschaft, en nieuw ingesteld geworden, maar hare werking heeft over het geheel den vertegenwoordigers der ijzerwerkers vrijwel voldaan en heeft, wat het principe aangaat, onder hen geene belangrijke oneenigheid veroorzaakt. âWij gelooven,quot; zegt Mr. Trow, de secretaris der arbeiders, aan de Commissie van Enquête naar
4gt; ') Mededeeling aan Prof. Munro door Mr. Daniel Jones, van den
Midland Iron and Sled Wages Board, aangehaald in Sliding Scales in the Coal and Iron Industries, pag. 141.
4^5
den Arbeid in 1892, ,,dat het 't beste zou zijn, als dit principe
algemeen werd aanvaard..... In al onze ondervinding van het
verleden, hebben wij minder moeite gehad in de tijdperken waarin glijdende loonschalen van kracht waren.quot; De oorzaak dezer buitengewone tevredenheid der ijzerwerkers met hunne loon-raden en glijdende loonschalen is duister, maar het kan den navorscher belang inboezemen op te merken, dat de leden van den Ironworkers Association (IJzerwerkersbond) grootendeels onder-aannemers zijn, die zelf arbeiders in het werk hebben, welke in den regel buiten de vereeniging staan en in den loon-raad niet rechtstreeks vertegenwoordigd zijn. 4» ^ Zeer verschillend is het resultaat van de glijdende loonschaal onder de kolenmijnwerkers geweest. Hare invoering in dat bedrijf dateert van 1874, hoewel het niet vóór 1879 was, dat zij algemeen aanvaard werd. Sinds dien heeft men haar in nagenoeg alle districten weder prijsgegeven en zij wordt door de Miners' Federation krachtig bestreden. De volgende tabel omvat alle ons bekende glijdende loonschalen in de steenkool-industrie. Tusschen 1879 en 1886 waren in zekere kolenmijnen een aantal onofficiëele glijdende loonschalen van kracht, die grootendeels voor de meer algemeene schalen moesten wijken, of op andere wijze aan hun einde kwamen. Op het oogenblik (1894) gelooven wij dat erkende glijdende loonschalen slechts bestaan in Zuid-Wales, het Forest of Dean en een deel van Staffordshire. 4-
|
South Staffordshire 1 South Wales 1 Somerset Cannoch Chase 1 Durham 1 South Staffordshire 2 Cannoch Chase 2 Durham 2 Cumberland I Ferndale (S. Wales) 1 Bedvvorth (Warwick) 1 Northumberland i Ocean (S. Wales) 1 South Wales 2 West Yorkshire North Wales Bedworth 2 Ashton en Oldham r Ferndale 2 South Staffordshire 3 Durham 3 South Wales 3 Cannoch Chase, enz. 3 Ashton en Oldham 2 S. Wales (Anthraclet) Cumberland 2 |
Herzien Geöindigd Herzien Geëindigd Herzien Geëindigd Herzien ? Geëindigd Herzien Geëindigd ? Herzien 1884 1877 1880 1889 1879 1879 1882 1882 1887 1881 1881 1880 1883 1882 1882 p 1881 ? 1882 1884 1884 1889 1883 1883 |
426
|
9 Maart |
1883 |
Northumberland 2 |
Geëindigd |
1886 |
|
12 Juni |
1884 |
Durham 4 |
1889 | |
|
28 November |
1884 |
Cumberland 3 |
Herzien |
1886 |
|
12 Maart |
1886 |
Forest of Dean |
Geëindigd |
1888? |
|
14 April |
1886 |
Altham (Northd) |
? | |
|
25 Februari |
1887 |
Cumberland 4 |
1888? | |
|
24 Mei |
1887 |
Northumberland 3 |
)gt; |
1887 |
|
Juni |
1887 |
Lanarkshire |
1889 | |
|
October |
1888 |
South Staffordshire 4 | ||
|
18 Januari |
1890 |
South Wales 4 | ||
|
September |
'893 |
Forest of Dean |
amp; De beste uiteenzetting van de samenstelling en werking
der glijdende loonschalen is vervat in Industrial Peace, door L. L. Price. Bizonderheden van talrijke schalen komen voor in het rapport, uitgebracht door eene commissie in het Rritsch Genootschap, getiteld Sliding Scales in the Coal Industry, samengesteld door Prof. J. E. C. Munro (Manchester 1885) en in Particulars of Sliding Scales, Past, Present, and Proposed, door de Lancashire Miners' Federation in 1886 uitgegeven (Openshaw 1886, 20 pag.). Aanvullende inlichtingen komen voor in Prof. Munros voordrachten voor de Statistische Vereeniging van Manchester, getiteld Sliding Scales in the Iron Industry (Manchester 1885) en Sliding Scales in the Coal and Iron Industries from 18S5 to i88g (Manchester 1889). 4
De verhandelingen der tallooze scheidsgerechten in de steenkool- en ijzer-industriën van het Noorden van Engeland, evenals verscheidene andere, die gedrukt zijn, leveren overvloedige inlichtingen betreffende hunne werking. De volledigste tabel der loon-schommelingen onder de glijdende loonschalen, is die welke door Prof. J. E. C. Munro is samengesteld voor de Staats-commissie van Enquête naar de Mijnindustrie, gepubliceerd als Aanhangsel V van het Eerste Rapport 1890 (C. 6195). 4gt;
III. De oproep tot het eerste Vakvereenigings-Congres.
Noch in de archieven van het Congres, noch in die van den Manchester Trades Council, noch in die van eenige andere ons bekende organisatie, is een exemplaar van de uitnoodiging tot het eerste Vakvereenigings-Congres bewaard gebleven. Gelukkig werd het opgenomen in het Ironworkers' Journal van Mei 1868. Maar van dat blad bestaat nog slechts één compleet stel jaargangen, en daar de oproep van eenig geschiedkundig belang is, drukken wij het stuk hier gemakshalve af. -è
Manchester, 16 April 1868.
Mijnheer, IJ wordt uitgenoodigd het volgende onder de aandacht uwer vereeniging te brengen. De zeer groote belangen die er bij betrokken zijn, zullen, naar geoordeeld wordt, de bestuur-
427
ders rechtvaardigen, als zij voor de behandeling daarvan eene speciale vergadering bijeenroepen.
4gt; âDe Manchester amp; Sal ford Trades Council onlangs den
huidigen aanblik der vakvereenigingen ernstig hebbende overwogen, benevens de diepe onkunde die de openbare meening ten opzichte hunner verrichtingen en beginselen beheerscht, alsook de waarschijnlijkheid dat de Wetgevende Macht in de tegenwoordige zitting van het Parlement eene poging zal doen tot invoering van een maatregel, die nadeelig kon blijken te zijn voor de belangen van deze vereenigingen, tenzij op de eene of andere wijze onverwijld en krachtdadig door de arbeidende klasse-zelf wordt opgetreden, heeft de eer met de meeste achting kennis te geven, dat besloten is te Manchester, als zijnde het voornaaamste industriëele centrum in de provincie, een Congres te houden van vertegenwoordigers van Vak-raden, Vak-federaties en Vakvereenigingen in het algemeen. ^ ,,Het Congres zal het karakter aannemen van de Jaar
vergaderingen van het Genootschap voor de Sociale Wetenschap, van de verhandelingen welker Vereeniging de klasse van ambachtslieden bijna geheel uitgesloten is; en lezingen, tevoren zorgvuldig gereed gemaakt door die Vereenigingen welke het moge believen, zullen in het Congres gehouden worden over de verschillende onderwerpen, die in den tegenwoordigen tijd de Vakvereenigingen raken, waarna iedere voordracht gevolgd zal worden door discussie over de behandelde punten, met de bedoeling dat het voor en tegen van elke kwestie door middel der publieke pers in alle opzichten bekend zal worden gemaakt. Wijders is besloten dat de te behandelen onderwerpen de volgende zullen zijn : 4
4 I. Vakvereenigingen eene besliste noodzakelijkheid.
2. Vakvereenigingen en Staathuishoudkunde.
3. De uitwerking van Vakvereenigingen op buitenland-sche concurrentie.
4. Regeling van den arbeidsduur.
5. Beperking van leerlingen.
6. Ambachts-onderwijs.
7. Arbitrage- en Verzoeningsraden.
8. Coöperatie.
9. De tegenwoordige ongelijkheid der wet ten opzichte van samenspanning, intimidatie, het uitzetten van posten, dwang, enz.
10. Wetsontwerp van 1867 tot uitbreiding der Fabrieks-wetten: de noodzakelijkheid van verplichte inspectie en hare toepassing op alle plaatsen waar vrouwen en kinderen arbeiden.
11. De tegenwoordige Staats-commissie van Enquête naar de Vakvereenigingen â in hoeverre zij het vertrouwen der Vak-vereenigings-belangen waardig is.
12. Wettelijke erkenning van Vakvereenigingen.
428
13- De noodzakelijkheid van een Jaarlijksch Congres van Vak-vertegenwoordigers uit de verschillende industriëele centra. ^ âAlle Vak-raden, Vak-federaties en Vakvereenigingen in het algemeen worden eerbiediglijk uitgenoodigd hunne instemming met dit plan vóór of op 12 Mei a.s. mede te deelen, benevens eene aankondiging van het onderwerp der voordracht, die elk lichaam op zich neemt samen te stellen en het aantal afgevaardigden waardoor zij respectievelijk vertegenwoordigd zullen worden, na welken datum alle bizonderheden omtrent de plaats der bijeenkomst, enz. zullen worden verstrekt.
^ âHet is niet gebiedend noodzakelijk dat alle Vereeni-
gingen voordrachten samenstellen, daar verwacht wordt dat de onderwerpen behandeld zullen worden door diegenen, welke het best in staat zijn de beginselen, die men wenscht te doen uitkomen, te verdedigen. Verscheidenen hebben reeds met het plan ingestemd en hun voornemen te kennen gegeven de onderwerpen I, 4, 6 en 7 te behandelen. 4
^ âHet Congres zal plaats hebben op Pinkster-Dinsdag, den
2 Juni a.s., zijn duur vijf dagen niet te boven gaan; en alle uitgaven in verband daarmede, die zeer klein en zoo zuinig mogelijk zullen zijn, zullen gelijkelijk gedragen worden door die vereenigingen welke gedelegeerden zenden en zullen zich niet verder uitstrekken dan over den tijd dat zij aan de zittingen deelnemen. 4
Mededeelingen moeten gericht worden tot Mr.W. H.Wood, Typografisch Instituut, 29 Water Street, Manchester. 4
4 Namens den Manchester amp; Salford Trades Council,
S. C. Nicholson, Voorzitter. W. H. Wood, Secretaris.
IV. Verdeeling van vakvereenigingsleden over heï Vereenigde Koninkrijk.
4 Wij hebben gepoogd het ledental van alle vakvereenigingen
waaromtrent wij bizonderheden kunnen verkrijgen, op zoodanige wijze te analyseeren, dat het aantal en de percentage der bevolking in elk deel van het Vereenigde Koninkrijk duidelijk blijkt. De in dit werk voorkomende kaart is gebaseerd op de volgende tabel, die de plaatselijke verdeeling van 1.507.026 vakvereenigingsleden aangeeft. De verdeeling heeft in den regel door afdeelingen plaats gehad, terwijl in enkele gevallen de hoofdbestuurders der betrokken vereenigingen speciale schattingen voor ons hebben samengesteld. Ten opzichte van enkele vereenigingen, tezamen ongeveer 4000 leden hebbende, kon geen plaatselijke verdeeling worden vastgesteld.
429
Tabel, aangevende de verdeeling van het ledental der vakvereeni-gingen in ieder deel van het Vereenigdc Koninkrijk, benevens
|
in elk geval de percentage der bevolking. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
430
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
V. ÃE VOORUITGANG IN LEDENTAL VAN ZEKERE VAKVEREENIG1NGEN. |
êgt; Het is, jammer genoeg, onmogelijk volledige statistieken
van het ledental der vakvereenigingen op verschillende tijdstippen samen te stellen. Tot aan de benoeming van Mr. John Burnett tot Arbeids-Corrcspondent van het Handelsministerie in 1886, werd geen poging gedaan om eene statistiek der geheele beweging te verzamelen; en de oude vereenigingen bezitten zelden een volledig stel hunner eigen archieven. Het is waar, de IJzergieters hebben juiste cijfers vanaf hunne oprichting in 1809, en enkele andere vereenigingen hebben statistisch materiaal van ouden datum. Er kan echter geen totaal berekend worden, dat vergeleken zou kunnen worden met het tegenwoordige ledental der geheele beweging. De volgende tabel geeft die vergelijkende statistieken, welke wij in staat waren samen te stellen. Men zal zien dat vijftien vereenigingen, waarvan de statistieken van 1850 tot 1890 kunnen worden medegedeeld, zich in dat tijdperk van 24.737 tot 184.948 leden hebben uitgebreid. De acht en twintig vereenigingen, waarvan wij vanaf 1870 cijfers hebben, zijn gestegen van 142.530 tot 343.890. De vier en dertig vereenigingen, bijna een derde van de geheele massa der vakvereenigingsleden bevattende, waarvan statistieken kunnen worden gegeven, loopende van 1875 tot 1890, toonen eene toename in twintig jaren aan, van 297,615 tot 456.373. égt;
431
|
Tabd, a an gevende het ledental Tan zekere va kvereen igingen | ||||||||
|
Vereeniging van IJzergieters Stoommachinemakers-Vereeniging Vereenigde Schotsche Vormers.
Ketelmakers- en IJzerenschepenbouwers-Vereeniging
Steenhouwers-Vereeniging.....
Metselaars-Vereeniging.....
Alg. Timmerlieden- en Schrijnwerkersbond
Typografenbond.......
Londensche Letterzetters-Vereeniging Boekbinders- en Linieerdersbond
Rijtuigmakers-Vereeniging.....
Kristalglasmakers-Vereeniging .... Vriendsch. en Broederlijke Ver. van Machine-druk
kers (Calico en Katoen).....
Werktuig-, Machine- en IJzerslijpers-Vereeniging
1857
1860
1861
1862
1863 1866 1832
1865 1832
1866 '853 i860 1869
Smeden-Vereeniging......
Gem. Tiimmerlieden- en Schrijnw. Vereeniging Ver. Timmerl. en Schrijnw. Nat. Stucadoorsbond .
Northumb. Mijnwerkersbond Kopergietersbond Loodgietersbond .... Meubelmakersbond .
Metselaars-Vereeniging Gein. Kleermakers-Vereeniging. Gem. Katoenspinnersbond.
1809 1824
1831
1832 1832 1848 1827 1S49
1848 1835 1834
1849
1841 1844
Yorks. Flesschenmakers-Vereeniging Durham Mijnwerkersbond .
1872 1872 1874 1872 1858 1844
Gem. Koperwerkers-Vereeniging Modelmakersbond Laarzen- en Schoenmakersbond Gem. Ver. van Spoorwegwerkers Yorks. Mijnwerkersbond . Machinewerkersbond .
â $gt; ') Gesticht op 10 Januari 1851. Het ledental voor iSjo t waan
ringa fjaartijksche tijdstippen van i8jo tot en wet iSgo.
|
185 |
jiSSS |
i860 |
1865 |
1870 |
LO CO |
1880 |
00 OO *-n |
1890 |
|
50a |
-553 |
20.935 |
30.984 |
34711 |
44.032 |
44.692 |
51.689 |
67.928 |
|
407 |
1.685 |
7-973 |
10.604 |
8.994 |
12.336 |
11.580 |
12.376 |
14.821 |
|
206 |
.662 |
2.050 |
2.521 |
2.819 |
3.871 |
4.134 |
5.062 |
5.822 |
|
81 |
1.381 |
2.084 |
3.046 |
2.766 |
4.346 |
4.664 |
5.611 |
6.198 |
|
177 |
|.500 |
4.146 |
8.621 |
7.261 |
16.191 |
17.688 |
28.212 |
32.926 |
|
467 |
I.093 |
9.125 |
15483 |
13.965 |
24.543 |
12.610 |
11.285 |
12.538 |
|
34 |
924 |
I.64I |
4.320 |
1441 |
4.832 |
5.700 |
6.412 |
12.740 |
|
53 |
.180 |
2.228 |
6.986 |
8.008 |
10.885 |
4.420 |
1-734 |
2.485 |
|
60 |
.288 |
1.473 |
1.992 |
2.430 |
3.600 |
5.350 |
6.551 |
9.016 |
|
18a |
1.300 |
2.650 |
2.800 |
3.350 |
4.200 |
5.100 |
6-435 |
8.910 |
|
421 |
34° |
500 |
748 |
915 |
1.670 |
1.501 |
1.788 |
2.910 |
|
156 |
I.040 |
4.O86 |
4.599 |
5.801 |
7.251 |
4.989 |
4.560 |
5-367 |
|
5« |
897 |
1-355 |
1.606 |
1.776 |
2.005 |
1.963 |
1-985 |
2.123 |
|
37 |
452 |
508 |
530 |
570 |
650 |
690 |
740 |
860 |
|
2» |
I IO |
330 |
449 |
280 |
390 |
258 |
277 |
304 |
|
24.73 |
).405 |
61.084 |
95.289 |
95.087 |
140.802 |
125-339 |
144.717 |
184.948 |
|
- |
- |
856 |
1.815 |
1.590 |
2.1 13 |
2.002 |
2-335 |
2.300 |
|
â |
- |
618 |
5.670 |
10.178 |
14.917 |
17.764 |
25.781 |
31-495 |
|
â |
- |
â |
4453 |
3.585 |
6.642 |
4.673 |
4-535 |
4.742 |
|
â |
- |
â |
4441 |
2.461 |
3.742 |
3-211 |
2.110 |
4.236 |
|
- |
- |
â |
4.250 |
5.328 |
17.561 |
10.707 |
13.128 |
16.961 |
|
â |
â |
â |
â |
1457 |
1.821 |
1.890 |
2-344 |
2.162 |
|
; |
p |
p |
p |
1-537 |
1.679 |
2.232 |
2.666 |
5-35o |
|
7 |
- |
â |
p |
242 |
1.965 |
1.346 |
1.246 |
4.298 |
|
p |
p |
3.850 |
7.350 |
3.282 |
1-975 |
1.725 | ||
|
- |
â |
â |
â |
4.006 |
14.352 |
12.583 |
13,969 |
16.629 |
|
â |
p |
p |
p |
10.518 |
14.257 |
11.834 |
16.579 |
18.145 |
|
- |
-- |
p |
p |
792 |
1. 120 |
1.061 |
1,522 |
1.899 |
|
--- |
â |
â |
1.899 |
38.000 |
30.000 |
35,000 |
49.000 | |
|
142.530 |
266.321 |
227.924 |
267.907 |
343-890 | ||||
|
- |
- |
_ |
â |
- |
5.271 |
4-633 |
3.582 |
7.958 |
|
- |
-- |
â |
â |
- |
418 |
824 |
1.241 |
2.205 |
|
- |
--- |
â |
â |
- |
4.311 |
6.404 |
10,464 |
23459 |
|
â |
-- |
â |
â |
- |
13.018 |
8.589 |
9.052 |
26.360 |
|
â |
p |
p |
P |
8.000 |
2.800 |
8.000 |
50.000 | |
|
P |
p |
p |
p |
276 |
279 |
455 |
2.5OI | |
|
297.615 |
251453 |
300,701 |
456-373 |
r iSjo t waarmede de amalgamatie begon.
NASCHRIFT
^ Toen Adam Smith opmerkte dat âlieden van hetzelfde
vak zelden meer samenkomen, zelfs voor vermaak en ontspanning, of het gesprek eindigt in eene samenzwering tegen het publiek, of in eenig plan om de prijzen op te drijven,quot; moet den bekwamen inleider van het stelsel der vrije beweging wel niet geheel duidelijk zijn geweest van welken strijd hij daar den aanvang zag. Immers de arbeidersbeweging kon op drie vierden der vorige eeuw, toen Smith schreef, nog maar zwak en lokaal zijn, evenredig als zij is en blijft aan de ontwikkeling der industrie, die haar in het leven riep. En toen in de allerlaatste jaren van die eeuw de nieuwe leer van de vrijheid van contract gretig werd aangegrepen als de verstandelijke en zedelijke rechtvaardiging van de schatten die het nieuwe fabrieksstelsel den patroons-spinners en -wevers toevoerde, kon Smith zijn ânatuurlijke vrijheidquot; niet meer toetsen aan de feiten; want hij was dood. Hij kon niet meer waarnemen dat de wevers, die als van ouds thuis aan den weefstoel werkten, in de eerste jaren der negentiende eeuw maar een derde van het vroegere loon verdienden, zoodat zij klaagden en, zoo waar, zich ook al vereenigden om aan het Parlement een minimum-loon te vragen. Waarop zij in 1808 ten antwoord kregen, in nagenoeg gelijke termen als dezer dagen B. en W. van Rotterdam gebruikten: dat een dergelijke regeling was âvolkomen verwerpelijk in beginsel, onvatbaar om door eenig uit te denken middel in praktijk te worden gebracht, en, zoo ze al mogelijk bleek, zeker de meest noodlottige gevolgen zou hebben.quot; ^
In toestanden, door Smith niet te voorzien, bleef het vrije looncontract de regel, en hierdoor was de noodzakelijkheid bepaald van de aaneensluiting der vakarbeiders in nieuwe vormen, aan het eveneens nieuwe industrialisme zich aanpassende, of liever: pogende dit te doen, zoover de staatsmacht in den dienst van de groot-industrieelen het haar niet belette. 4-
amp; Van den aanvang af gaat de strijd, dien de Heer en
Mevrouw Webb ons in dit boek vertellen, zoowel tegen de patroons, de bezitters der arbeidsmiddelen, als tegen de politieke macht van het staatsbestuur die hun werktuig was. Dit honderdjarige opdringen der arbeiders tegen de beide sterke machten wordt in het boek meesterlijk beschreven. Het beperkt zich volkomen consequen tot zijn taak: de geschiedenis der vakvereeniging, maar verzuimt niet die taak zoo breed op te vatten, dat de omstandigheden
434
zichtbaar zijn die de keuze der taktiek, het al of niet slagen der pogingen bepaalden; dat de beelden als duidelijke figuren er geweven staan in den ondergrond der ontwikkeling van het industrieel arbeidsleven, waardoor de vakvereeniging wordt gedragen. ^ De ânatuurlijke vrijheidquot; was nogal beperkt voor den arbeider, en het fabrieksstelsel dat hem en zijn vrouw en zijn kinderen uitputte, zoo het hen niet vermoordde, was reeds tot tamelijke ontwikkeling gekomen, toen hij nog het recht miste om gezamenlijk met mede-arbeiders omtrent loon en werktijd aan den patroon voorstellen te doen, en zulk optreden, evenals in sterkere mate de werkstaking, strafbaar was als een misdrijf tegen 's lands welvaart. In 1800 had de aanvankelijke vlucht der industrie en de toeneming van buitenlandsche leverantie, die Engeland rijk ging maken, de noodzakelijkheid doen blijken om dat gezamenlijk optreden en die werkstakingen met strenge straffen te bedreigen. Vijfentwintig jaren lang streden de nog jonge vakvereenigingen tegen deze wet, tot zij in 1825 werd ingetrokken. Nu het de ânatuurlijke vrijheidquot; was onder welker zon de rijkdom derEngelsche burgerij groeide en bloeide, waren de argumenten tegen zulken wetsdwang niet moeilijk te vinden, en feitelijk optreden hier en daar zette er kracht bij. ^
4^ Maar de wet beheerscht de gewoonte niet, ais deze voor
het belang der machthebbenden noodzakelijk is. Na dat jaar 1825 heeft het nog 50 jaren geduurd, eer alle speciale bepalingen tegen âarbeidersquot; als zoodanig waren verdwenen en niet meer werd gesproken over âmeesters en knechten,quot; maar van âemployers and workmenquot; als gelijkgerechtigde partijen in het arbeidscontract. 4gt; Vijftig jaren van strijd, afwisselend van taktiek, enkele
jaren zelfs zeer hevig revolutionnair, afwisselend ook in succes. De vijand vond allerlei vormen om den strijd vol te houden, waarvan ik er maar twee wil noemen. Jaren lang hebben de patroons gepoogd om de arbeiders die zij aannamen, een verklaring te doen teekenen, dat zij niets met de vakvereeniging wilden te maken hebben. Tegen dat âdocument,quot; die afgeperste belofte, waaraan men zich terecht niet gebonden achtte, is door de vereenigde arbeiders een felle strijd gevoerd, die gewonnen is. Het is in anderen vorm diezelfde vrijheid van contract, die den werkgever toelaat een arbeider weg te zenden, omdat hij lid van een vakvereeniging is en waarover dezer dagen in de Tweede Kamer door den Heer Troelstra werd gesproken. Dit was een particulier middel van den werkgever; maar ook de rechterlijke macht had nog een wapen tegen de vakvereeniging in de Meesters- en Knechtenwet, die met vrucht voor zeer willekeurige vonnissen was te gebruiken-Er was nog meer; men zal het met belangstelling lezen; doch hoe fel de strijd der arbeiders was, zoolang volgens het
435
kiesrecht van 1832 de middenklasse het parlement koos, was er niets aan te doen. In 1867 echter kwamen de meeste arbeiders die in de steden woonden, dus de industrie-arbeiders, aan het kiezen. Onmiddellijk begon toen de actie tegen de wetgeving die voor arbeiders een ander recht stelde dan voor patroons, en na acht jaren vol beweging, was in 1875 het doel bereikt, en was elke strafbedreiging, speciaal tegen arbeiders gericht, uit de wet verdwenen.
4 Toen eerst was de vakvereeniging wettelijk volkomen vrij
in haar economischen strijd. Enkele rechters hebben ook later het optreden bij werkstakingen tegen onderkruipers wel eens partijdig gestraft, maar dat zijn op zich zelf staande gevallen. Zelfs is in de wet van 1875 uitdrukkelijk het vroeger strafbare uitzetten van posten om de werkplaatsen, mits het vreedzaam geschiede, als geoorloofd erkend. Juist hiertegen waren de werkgevers zeer gekant; zij meenden dat bij al deze vrijheden de op vrijheid van contract gegronde nijverheid van Groot-Hrittannië zou verloren gaan. amp; ^ De politieke strijd van 1867 tot 1875 is wel het tijdperk
van de grootste krachtsinspanning geweest, die dra, na nog een paar verkiezingen, zal geëvenaard worden door een nieuw treffen tusschen arbeiders en burgerij op het politiek terrein. 4gt;
4 Het socialisme heeft voornamelijk na 1884 een nieuwe
gisting in het publieke arbeidersleven gebracht. De vakvereeniging bestond nog enkel in de vakken waarvoor eenige bijzondere oefening en bekwaamheid noodig was. Zij was bezig een stand te vormen die in temperament en neiging niet zoo ver van de kleine burgerij stond, en vooral na de zege van 1875 was de zelfgenoegzaamheid groot. Het ging toen zeer voorspoedig met de zaken, en in de vakken waar de arbeiders vereenigd waren, was tevredenheid. De in den strijd geoefende en geharde vereenigingsmannen bekommerden zich niet veel om de ruim vier vijfden in de vakken van grover oefening en die weinig of geen bekwaamheid naast de lichaamskracht vereischen. Deze groepeering is zeer algemeen genomen; voor een preciese beschouwing van de redenen die tot vereeniging en krachtsontwikkeling leidden, zou van elk vak afzonderlijk de historie te schrijven zijn. ^ 4gt; Maar hier is het genoeg deze lijn te trekken, nu alleen moet uitkomen dat het socialisme, als het eens zijn intrede doet in de arbeiderswereld, zulke onderscheiding op den duur niet gedoogt; wat duidelijk bleek, omdat dadelijk twee vraagstukken werden ter hand genomen die niet den beperkten kring der ver-eenigden, maar de gansche arbeiderswereld raken: de werkeloosheid ook van niet-leden, en de wettelijk voorgeschreven acht-uren-dag. Later kwam als derde de staatspensioneering. Onder deze invloe-, den en dank zij de voortreffelijke krachtsinspanning van eenige
436
leiders bij de werkstaking der dokarbeiders in 1889, ontstonden vereenigingen onder de lagere klassen van arbeiders die, wakkere aanvoerders vindende, zich spoedig op de algemeene congressen in socialistischen geest deden gelden. Dit is een nieuwe uitbreiding, die op den duur een nieuw principe beteekent: dat der socialistische vakvereeniging. Zij vindt hare politieke uiting in de Onafhankelijke Arbeiderspartij, wier scheiding van de Soc. Democratische Federatie men niet heeft te beschouwen als een duurzame tweespalt in het Engelsche socialisme. Beiden gaan tot de massa voor wie de coöperatie en de oude vakvereeniging geen hulp heeft. Beide staan voor de arbeiders als klasse, niet voor enkele groepen der meer ontwikkelde vakken. Beide gebruiken de politieke machtsmiddelen om tot de collectivistische ordening te geraken. ^ 4 Het werk dat thans geschiedt is de massa der arbeiders tot
gelding te brengen in de vakvereeniging, de gemeente, de schoolbesturen en den staat. Dit is een nieuwe en zware arbeid, waarin reeds werkkrachten van groote beteekenis zich gaan ontwikkelen.
Tot even over de grens van dit nieuwe tijdvak brengt het boek van de Webb's ons. Met zijn fraaie en trouwe vertaling heeft Henri Polak aan onze Nederlandsche arbeidersbeweging een grooten dienst bewezen. Het is een mooi boek, een boek van hoop en vertrouwen. 4
Aangenaam vertellende geven de voortreffelijke werkers ons in betrekkelijk geringen omvang een grooten rijkdom van stof. Op elke bladzijde wekt het boek gedachten, herinneringen en uitzichten. Tegen de groeiende overmacht van het kapitaal, tegen mishandeling en willekeur door patroon, wet en rechter, groeien talent en volharding in de vakvereeniging. Na harden strijd, waarin vele offers vallen, in 75 jaren, met de hulp van de kleine, krachtige en in Engeland deze gansche eeuw bestendige groep van radicale denkers, van wie Frederic Harrison nu nog het vaandel houdt, bereikt de beweging de gelijkheid voor de wet en voor een deel der arbeiders den in werktijd, loon en wettelijke bescherming uitgedrukten levensstandaard. De moeilijkheden schenen nu en dan onoverkomelijk. Maar taaie vasthoudendheid heeft ze overwonnen.
En nu komt het tweede bedrijf: de uitbreiding van den levensstandaard tot de nog uitgesloten arbeiders. Dezen te organi-seeren en tegelijkertijd vasten voet te krijgen in regeeringslichamen, krachtige arbeidswetgeving te bevorderen en in de gemeente den aanvang van een beter samenleven door de bekende middelen voor te bereiden, is nu het program. De bezwaren schijnen al kleiner dan zij vroeger waren. Het uitgebreid kiesrecht wordt nu voor de gemeentebesturen in de steden al deugdelijk gebruikt; voor het parlement zijn de verkiezingskosten en het niet schadeloosstellen der leden nog hinderpalen, maar ook deze zullen verwijderd worden.
437
4» Daarvoor staat de geschiedenis in dit boek verteld, ons
borg. Zeker de helft der Engelsche arbeiders is niet minder slecht gesteld als de nu vereenigden jaren geleden. Gelijke oorzaken zullen dezen in gelijke richting tot vereenigen dringen. Nu echter onder eene andere, onder de socialistische vaan.
Onder tegenstanders vleit men zich wel eens met de troostende gedachte dat het socialisme in de Engelsche arbeiderswereld geen wortel schiet. De uitbreiding der coöperatie wordt veelal als een der redenen aangevoerd. Maar men vergeet dat de verbruikscoöperatie zich zeer goed verdraagt met het socialisme, en dat de productieve coöperatie slechts kleine groepen arbeiders aan den loon-arbeid vermocht te onttrekken, die in menig geval weer loonarbeiders in dienst nemen en dus allerminst consequent aan de oplossing der groote vraag werken. Trouwens de feiten spreken. Er komen nog reusachtige conflicten voor, als dat der arbeiders in de leigroeven en der mijnwerkers in Wales, dat der machinebouwers; er zijn anderhalf millioen leden van vakvereeni-gingen en ettelijke millioenen niet-vereenigde loonarbeiders, waarvan velen onder het stelsel van sweating. Het lijkt er niet naar dat de coöperatie in Engeland op den strijd der massa, op den levensstandaard een invloed heeft, waardoor de noodzakelijkheid van eene socialistische ontwikkeling der beweging zou te bezweren zijn.
De Engelsche arbeider bijt niet hard in het socialisme, als dit met al te zware formules zich aanmeldt. Daarbij komt dat er veel kerkschheid is in Engeland, een kerkschheid met Zondagsfatsoen, die de menschen in een plooi houdt, waardoor vrije ontwikkeling van het denken der massa wordt belemmerd. De Christen-socialisten zijn er dikwerf op hun manier radicaal genoeg, maar zij raken maar bij uitzondering het hart der quaestie. Dan zijn er de oude Unies met leiders die nog aan de oude tactiek vasthouden. Er zijn belemmerende omstandigheden van allerlei aard, die eene snelle ontwikkeling van het socialisme tegenhouden. Maar de nieuwe richting is nog in haar begin, en vooral uit het boek der Webb's kan men leeren geduld te oefenen.
De teekenen van verandering zijn echter duidelijk. Men vindt in dit boek verteld dat James Mawdsley, de bekwame leider van de spinners in Lancashire, op het internationaal congres van 1886 zeide: âdat hij het socialisme niet kende; hij had het niet bestudeerd; misschien had hij het moeten doen. De werklieden in Engeland zijn niet zoo ver als die op het vasteland. Maar toch hebben zij ten minste één klaar begrip: zij zijn tot de ervaring gekomen dat de wezenlijke voortbrengers niet hun deel erlangen van den rijkdom dien zij scheppen.quot; En de secretaris der flintglas-makers, ook een der oude â de heer Cort van der Linden zou zeggen aristocratische â Unies, schreef een paar jaren vroeger:
438
âNaar onze mcening is het zeer hard van werkgevers dat zij de arbeiders dwingen in stelsels waarin geen behoorlijk levensonderhoud is te verdienen. Deze oneerlijke pogingen om de arbeiders te verbrijzelen zullen niet langer worden geduld, want revolutionnaire veranderingen beginnen zich te vertoonen, en belangrijke zaken die de industrieele klasse aangaan, zullen spoedig op den voorgrond komen. Waarom, bij voorbeeld, zou lord Dudley kolenmijnen erven en land dat hem 1000 p. st. daags opbrengt, terwijl zijn mijnwerkers de heele week lang zich afsloven en geen levensonderhoud kunnen verdienen ?quot; 4
4 Beide sprekers zijn mannen van de oude Unies, voor
mannen en bestuurders. Is dit een andere geest dan die spreekt uit het vliegend blaadje van Tom Mann in 1886: âHoe lang zult gij tevreden zijn met de halfslachtige politiek van uwe Unies? Ik geef gaarne toe dat in 't verleden nuttig werk door de Unies is verricht; maar in 's hemelsnaam voor welk goed doel zijn zij nu nog dienstig? Geen der belangrijke vereenigingen heeft een ander doel dan te verhinderen dat het loon daalt. De ware vakvereenigings-politiek van aanval schijnt volkomen uit het oog verloren 1quot;.... 4 4 Wie meent dat Engeland geen vruchtbare bodem voor
socialisme zou zijn, bedriegt zich. Het land heeft een overrijke school van socialistische schrijvers en sprekers gekend in de eerste helft van deze eeuw. Kort na de eerste zege die de arbeiders behaalden op de ânatuurlijke vrijheidquot; van beweging, kort na de tien-uren-wet van 1847, zijn zij verstomd. Er begon toen een tijd van ongekenden bloei voor nijverheid en handel. Maar in 1889 bij de groote crisis zag men het socialisme herleven in de nieuwe vormen die het wetenschappelijk onderzoek van Marx en Engels hadden beschikbaar gesteld. Ook gedeeltelijk sloot het zich aan bij Henry George, wiens reis door Engeland in 1882 er zijn boek had bekend gemaakt. Nieuwe vormen voor oude, maar de geest was dezelfde. En toen de staking der dokwerkers de aanleiding werd voor vakvereenigingen met een nieuwe tactiek, werden deze wel niet geheel socialistische vereenigingen, maar ze pasten zich aan tot samenleving met het socialisme en in haar midden verrees de Onafhankelijke Arbeiderspartij om in vriendschap en samenwerking met de nieuwe Unies meer bijzonder het politieke deel der taak op zich te nemen en in staat en gemeente het groote doel der vrijmaking te bevorderen. 4
4 De nieuwe vakvereeniging begreep dat zij, waar de arbeider
zooveel van staat en gemeente te eischen heeft, een handeling zou doen tegen alle rede en begrip in, als zij de politiek bande uit haren kring; maar haar leiders zagen in dat voor het eigenlijke politieke werk, in engeren zin genomen, een centraal orgaan noodig was en riepen de Onafhankelijke Arbeiderspartij in het leven. 4
439
4 Zoover brengt het boek van de Webb's ons en zijn we
ook nu, vijf jaren nadat het verscheen. Het socialisme staat er klaar voor groote uitbreiding zoodra de gelegenheid komt. De eerste crisis die de Engelsche industrie ondergaat, zal die gelegenheid bieden. Aan de sterk dreigende industrieën van Duitschland en de Vereenigde Staten biedt Engeland weerstand door de uitbrei-dingspolitiek die nu tot het uiterste wordt gedreven in Zuid-Afrika. Er is reden voor bezorgdheid. De statistiek wijst vreemde cijfers aan, vooral ten opzichte van Duitschland. Ik noem er maar een enkel: Invoer uit Engeland Uitvoer uit Duitschland in Duitschland. in Engeland.
1889 33.261.850 p. st. 32.336.850 p. St.
1896 27.565.650 â 35.639.800 â
4 Onder den invloed van zulke cijfers zoekt Engeland
koortsig naar nieuwe markten, breidt zijn vloot uit, zelfs zoo dat bij de laatste begrooting de haast tot een geloofsartikel van Engelsche financiers geworden jaarlijksche aflossing van staatsschuld aanmerkelijk werd verminderd. 4 4 Dit alles wijst op hoog spel, op de mogelijke nadering van eene crisis. De staatspolitiek is zoo vereenzelvigd met de kapitalistische speculatie, dat zij even avontuurlijk wordt als deze uit haren aard is. 4 4 Komt de crisis, waartoe een duurzaam tegenvallen van den veldtocht in Zuid-Afrika door het verstoren van groote speculatieve berekeningen den stoot kan geven, dan zal het Engelsche socialisme zich sterk verheffen en verbreeden omdat het den tekst zijner predicatiën over het kapitalisme voor zich zal hebben in de groote gebeurtenissen van eiken dag, en gretige hoorders in hen die er onder lijden. 4 4 Komen er zware tijden van sterke spanning in het kapitalistisch proces, dan zal het in en buiten Engeland aankomen op het altijd zoo moeielijke werk om van de groote gebeurtenissen die men beleeft de volle draagkracht te begrijpen. Wat de arbeidersbeweging aangaat, die dan in de hooge temperatuur van het gansche maatschappelijk gestel zal deelen, kan ons een sterke hulp in het begrijpen zijn de kennis van het nuttige boek dat ons hier zoo aantrekkelijk wordt aangeboden. 4
P. L. TAK.
Amsterdam, 11 December 1899.
440
NAAMREGISTER
|
Aberdare, Lord, 234, 235, 237, 242. Allan, William, 177-180, 188, 194-197, 202, 205, 209, 215, 225, 226, 239, 242, 273, 275, 276, 298, 405, 415. Althorpe, Lord, 114. Applegarth, Robert, 195-199, 202, 209, 213, 215, 216, 222-226, 231, 238, 239, 253, 276, 298, 415. Arch, Joseph, 280, 282. Ashley, Prof. W. J., 19, 28. Ashton, Thomas, 265, 303. Bamford, Samuel, 87. Beesly, Prof. E. S., 187, 208, 211, 223, 227, 232, 266, 290, 418. Bennett, T. R., 208. Bentham, J., 89. Besant, Annie, 336, 338, 340, 341. Birtwistle, Thomas, 263. Booth, Charles, 323. Bradlaugh, Charles, 246, 314. Brassey, T., 228. Brentano, Dr. Lujo, 23, 26, 28-33, 35gt; 40, 43, 44, 48, 53, 176, 178. Bright, John, 41, 150, 209, 249. Broadhead, W. 227. Broadhurst, Henry, 202, 245, 246, 265, 306-308, 314, 315, 345, 346, 416. Brougham, Lord, 150. Bruce (zie Lord Aberdare). Bruce Glasier, Mevr., 409. Buchez, 189. Burnett, John, 31, 178, 268, 295, 307, 312, 359, 43'â Bums, John, 325-329, 336, 341, 342, 345. 346, 349, 408, 417-Burrows, Herbert, 341. Burt, Thomas, 246, 262, 307. Buxton, Sydney, 342. Campbell, Alexander, 116, 202, 205, 210, 212, 213. Canning, 60. Chamberlain, Joseph, 314, 316, 347. Champion, H. H. 328, 339. Cobbett, William, 87, 114, 132, 133, 214. Cobden, Richard, 150. Conolly, T. 209, 231. Cook, A. G. 338. |
Coulson, Edwin, 196, 199, 202, 209, 213, 216, 240. Crawford, William, 251, 259, 332. Crompton, Henry, 223, 224, 236, 240- 262, 418. Cross, Burggraaf, 247, 266. Cunningham, Dr., 28, 51, 53. Cunninghame Graham, R., 329. Dale, David, 288. Danter, 216, 271. Defoe, Daniel, 41. Doherty,John,95,103-107,115, 130, 146. Dronfield, William,' 202, 213. Drummond, C. J. 337. Drury, John, 155, 158. Duncombe, T. S. 156-158, 163. Dunning, T. J. 159, 166, 191, 202, 206, 213. Elcho, Lord, 214. Ellenborough, Lord, 59, 60, 123. Erie, Sir William, 224. Fairbairn, Sir W. 78, 173. Farr, Dr. William, 191. Fawcett, Henry, 191, 266. Fen wick, C. 416. Fielden, J. 114. Fielding, Sir John, 55. Foster, Thomas. 103, 104. Forster, W. E. 191. Foxwell, Prof. H. S. 51, 58, 68, 72, 73, '35- Franklin, Benjamin, 33. Garibaldi, G. 209. Gast, John, 79, 95, 105. George, Henry, 319. Gladstone, W. E. 156, 209, 221, 241, 242, 317. Goderich, Lord, 181, 205. Graham, Sir James, 60, 156. Guile, Daniel, 196, 199, 200, 202, 213, 242. Harford, Edward, 331. Harrison, Frederic, 208, 222-226, 228-233, 237, 241, 242, 252, 317, 418. 441 |
|
Headlam, Eerw. S. D. Stewart, 338. Henson, Gravener, 43, 73, 75, 90. Hepburn, Tommy, 108. Herbert, Auberon, 280. Hill, Frank, 27, 191. Hodgskin, T., 138. Howell, George, 26, 30, 165, 202, 206, 209, 215, 231, 238, 242, 246, 247, 282, 314, 316, 331, 353, 4,7-Howick, Lord, 125. Hughes, Thomas, 181, 182, 191, 205, 208, 223, 224, 228, 232, 233, 264,418. Hume, Joseph, 89-92, 94-96, 122, 127, '57. 213. Huskisson, 60, 90, 94. Hutchinson, Alexander, 131, 175. Hutton, R. H., 191, 208. Ingram, Dr. J, K., 37. Jeffrey, Lord, 68. Jones, Lloyd, 205, 289, 290. Jude, Martin, 153. Kane, John, 202, 231, 242, 246, 288. Kay-Shuttleworth, Sir J., 191. Keir Hardie, J., 336. Knight, Charles, 150. Knight, Robert, 274, 298, 302, 321, 357. Litchfield, R. B., 208. Liverpool, Lord, 94. Londonderry, Lord, 141, 157. Long, F. D., 191. Loveless, George en John, 124, 125. Lovett, William, 78, 79, 87, 102, 133, 147. Lowe, Robert, 242. Lucraft, Benjamin, 198, 246. Ludlow, J. M., 27, 37, 182, 191, 208, 223. Lushington, Godfrey, 191, 208, 223, 418. Lushington, Vernon, 223, 418. Macdonald, Alexander, 202, 210, 213, 235, 242, 246, 255, 257, 259, 261, 287, 290, 291, 307. Mann, Tom, 325, 326, 336, 341, 342, 345, 349, 356, 408-Manners, Lord John, 157. Manning, Kardinaal, 283, 342. Martineau, Harriet, 121. Marx, Karl, 138, 198, 253, 311, 319, 330. Maurice, Eerw. T. D., 191. Mawdsley, James, 321. Mawdsley, Thomas, 265. Mc Culloch, J. R,, 34, 89. |
Mc Gowan, Patrick, 103, 104. Mc. Hugh, J. 408. Melbourne, Lord, 119, 121, 122, 125, 126. Mill, James, 134. Mill, John Stuart, 244. Moncrieff, Lord, 292. Moore, Peter, 90. Morley, Samuel, 264, 283. Mundella, A. J., 223, 224, 232, 233, 264, 266. Neale, E. Vansittart, 182. Newton, George, 219. Newton, William, 174-179, 188, 194, 197, 205 Normansell, John, 260. O'Brien, Bronterre, 150. O'Connel, Daniel, 127, 145, 146, 423. O Connor, Fergus, 149, 150, 158, 253. Odger, George, 196, 198, 200, 202, 205-209, 213, 231, 238, 242, 244, 246, 253, 4I5- Owen, Robert, 112, 113, 126, 132-143, '89, 253, 354- Paterson, Emma Ann, 286. Peel, Sir Robert (de oude), 57, 60. Peel, Sir Robert (de jonge) 89, 94, 119. Pemberton, Benjamin, 422, 423. Place, Francis, 42, 69, 79, 80, 85-97, 102, 105, 106, 133, 136, 213. Plimsoll, Samuel, 301, 314. Potter, George, 194, 209, 213, 215, 230, 231, 238, 246, 253. Prior, J. D., 202, 276, 307, 315. Rae, Sir W. 86. Ricardo, David, 150. Roberts, W. P., 154, 156. Roebuck, J. A., 127. Rogers, Prof. J. E. Thorold, 25, 51, 57. Selsby, 180. Senior, Nassau, 93, 119-121. Shaftesbury, Lord, 249, 264. Shaw-Lefevre, G., 191. Sheridan, R. B., 57. Shipton, George, 202, 246, 282, 306, 307, 346. Smith, Adam, 34, 51, 56, 69, 138. Smith, Sidney, 182, 242. Stephens, Eerw. J. R., 258, 264. St. Leonards, Lord, 194. |
442
|
Taylor, Henry, 382, 408. Tester, John, III. Thompson, William, 138. Thorne, William, 341. Thorneycroft, G. B., 425. Tillett, Benjamin, 326, 341-343. Trow, J., 425. Tufnell, E. C, 121. Villiers, C. P., 157. Vincent, J. E. Matthew, 280. Wade, 89. |
Wade, Dr. Arthur S., 126. Wakley, Thomas, 127, 145, 146, 157. Wallace, 94. Watts, Dr. John, 177. Weiler, Adam, 330, 331. Wellington, Hertog van, 124, 150. White, George, 73, 75, 90, 212. Wilkinson, J. F., III. Williams, J., 328. Wilson, J. Havelock, 343, 427. Winters, Thomas, 164. Woods, Sam., 416. Wright, R. S., 307, 418. |
443
I
â â¢- .. ..
a
''â nnrNHH
mP-
â quot; â ' . -
ma
-
5^
â â ................â ,â,, ...... «SWI-
quot;::z
. .
â
â â - quot;quot;â quot;' ,
Wi»
.y v-'v wS' sate^i'^- .....
, ......... B9!
, , ..
- tWI'
Ml â -.-». quot;quot;quot;wuMB *â '-« sra5. â ⢠. ⢠aHSNi11*
' ' ' ' , ...â¢â¢â¢â â â â â¢â â â
|
...... -.......- - B - â ,â -â ....... '.â T « SS â || #! fHrv f|| ij-Jiil ⢠I , -1' # | ..... - .............â â ,. .. , .. .. .. â â . |
. â - - â â â â â â â â â â â â â . . .â gt;\ ''''*'' ;.... â 1 s; |
INHOUD
Voorbericht...........Pag. 9â 15.
Hoofdstuk I. De Oorsprong van het Vakvereenigingswezen . « 17â 62.
« II. De Strijd om het Bestaan (1799â1825) . . « 63â100.
« III. Het Revolutionnaire Tijdperk (1829â1842) . « 101 â151.
« IV. De nieuwe Geest en de nieuwe Vorm (1843â1860) « 152â195.
« V. De junta en hare Bondgenooten (i860â^875) . « 196â254.
« VI. Sectaire stroomingen (1863â1885) . . . « 255â303.
« VII. Het oude Unionisme en het Nieuwe (1875â1889) « 304â^358.
« VIII. De Vakvereenigingswereld (1892â1894) . . « 359â421.
Aanhangsel...........« 422.
Naschrift ........... « 434-
Naamregister..........« 44'â¢
Kaart van het Vakvereenigingswezen......
446
ERRATA
Pag. 18; I5cle regel van boven; staat «marokijnwerkersquot;; moet zijn «schoenmakersquot; » 25; 8ste » » » » «eenigzinsquot;; » » «eenigszinsquot;.
» 29! 25ste » « » » «economischequot;; » » «economischequot;. « 48; de noot ') behoort bij pag. 49.
» 53; 25ste regel van boven; staat »wederzijdschenquot;; moet zijn «wederzijdschequot; » 64; 28ste « » » » »gerechterlijkequot;; » » «gerechtelijkequot;. » 268; 3ste » » » » »ten allen tijdequot;; » » «te allen tijdequot;. » 256; 9de » » » « »mijnwnrkerquot;; « « «mijnwerkerquot;.
447
, â¢Â»
'
.
â
1 -
â .
.
,
â â â â â â¢â¢ ..... â â â
ivH:.' â¢.
... ... ....
â â ⢠...... , . ,
â
â ⢠â¢â¢ â .
, .. .
l.-jjy.
-
;
:: ;. l0$
... . ..... ..
⢠..
Ps â - .â¢
......... â â â â â¢
-
..,'.. . ⢠.: pïa,,!. , ..V^v-;..f,rfr,y..,V;
â¢Â»v»v M' ⢠nr'. Wfff
-
.
. .
!»« 'Mé-- ........
â mk
ââ . ^. .....
;lt;/!-.-â â -
..........
. ⢠' ⢠â ⢠.
â¢
. - ........ ...... ..
«gt;quot;â * â .........*m
V-A' 1.''
Mm -
,,,.
â
ii .
â¢â â ⢠! â ^quot; â â 1 ....... . ..........
...
â
' â â V.sït
' quot;â¢
1 . . . . â
1 ^ ⢠.......-rW.......â â¢â¢.,â¢. - â¢
WwW^^quot; ü m .....
«6l .....
' . . ........ . .. . .
Wf. «p ,':W. ,
'
'
..........!i'- : â / Hquot;-' .⢠V.'..., . ... , . ...
...... ' ' â â quot;. '
'
^ 1 *' ^ ' â¢â¢ ' â¢- â â¢quot; ' quot; ' ' gt; , 1 r gt; â ⢠«ttKUWftt
lt;â â -â . . . ⢠...^ .....
' ' ......... . . . ...........
â
â M 1 MMt â -'irfi'
... . ...
â
.....
â
. 1