\1 a 1quot;»»,
3
ï\
Van het fl. Sacrament
van Mirakel
tot Amsterdam
door
pr. fi. J. ya., jvi, jScH AEPM AN,
1%-*'
i quot; â¢quot;.x 0amp;vji?clt;7-
-â-â . â . â
;r c. ^ quot;
!\ . ây
utrecht,
Wed. jJ, van JIossum. 1S95.
' i
Gij, Vaderen, vergeeft mij zoo mijn lied Bij 't eeuwgetij in 't staamlen zelf blijft staamlen. Mijn arme geest zijn laatste kracht moet zaam'len, Waar Gij Uw overvloed vergiet.
/Van
JOOST VAN DEN VONDEL
Waar Gij Hem zingt in koninklijken drang, Wiens liefdemacht Uw grootsche ziel doorgloeide. Wiens schoonheid in Uw wondre liedren bloeide,
Dat openbaring werd Uw zang.
Hoe voert Uw lied het koor der Englen meê, Waar 't brood der Englen tot ons neer komt dalen, Hoe doet Ge in 't licht der Poëzie stralen 't Geheimenis der Heilgo Stee.
Ik zing met U als met zijn vader 't kind,
In de éenheid van de liefde en van 't gelooven, In de éenheid, die de zaligen daarboven
Aan de arme zwervers hier verbindt.
Gij, Vaderen, versmaadt mijn pogen niet, Een Koningswoord klinkt de eenwen door en langer. Der Vorsten spoor volgt steeds een jonger zanger Met de echoos van hun hooger lied.
1 Maart 1895.
I.
AA/aar geleefd wordt en geleden,
Waar geboet wordt en gebeden, Waar gestreefd wordt en gestreden Met den nood en met den dood. Klinkt de menschlijkste aller beden: âGeef ons heden 't Daaglijksch brood!quot;
Uit der menschheid drokke scharen, Suizende als de korenaren. Zwellende als de woeste baren
Uit der oceanen schoot.
Komt de smeekbede opwaarts jagen, Om te vragen
't Daaglijksch brood.
6
Brood, gij koningsvrucht der aarde, Koesterend door haar bewaarde, In uw sterven steeds gespaarde
Tot den schoonen lentedag, Als het levenkweekend koren Uit de voren Kiemen mag.
Kiemende in der hope kleuren , Brengt gij de eerste lentegeuren, Nu de Zephyr op ging beuren
't Winterkleed van hermelijn; Straks in gouddosch doet u weemlen Aller heemlen Zonneschijn.
Voor de kindren, voor de grijzen, Voor de schaamlen, voor de wijzen Zijt gij wat u de eeuwen prijzen,
Aller kracht geheimenis,
Wonder, dat van 't wondre leven Ons gegeven,
't Heerlijkste is.
7
Heerlijk beeld van hooger dagen,
Toen geen dood den mensch kwam jagen,
Neergebogen en geslagen
Door der zonde zware leed,
Toen het brood des levens bloeide,
't Nooit besproeide Lijdenszweet.
Aan de zwervende geslachten Brengt gij dübble levenskrachten. Profetie van wat zij wachten,
Heugenis van 't Paradijs;
Alle schepsel geeft den Heere, U ter eere,
Lof en prijs!
I I 1,1 m I I i/ijMrp.iri I I I I i^i^i I'HjiPquot;*quot;*⢠⢠M ⢠I ,i i â i ri i I r I
I I I I I I I I 11 I I I I j I 11 I I I I I I I I L i I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I i I 11 I i i I i i i i 111 I I I I 11 i'
II.
I3e Dood begint zijn zegetocht,
Hoog waait zijn zwarte vaan.
Hij heeft den koning overmocht, Die in Gods licht zou staan;
Des Doodes zegezang weerklinkt. Alle echoos zwijgen stil,
De heerlijkheid des Heeren zinkt In 't duister, dof en kil.
âVervlogen is de onsterflijkheid. De majesteit voorbij.
De tijd behoort met de eeuwigheid Aan mij, den dood, aan mij!
De glorie, die het Eden bood, Is weggevaagd als schijn;
Nu zal des Heeren levensbrood De spijs ten doode zijn.quot;
Terug, â de stille stilte door
Blaast leven 't woord van God:
âGing Adams heerlijkheid te loor,
Ik ben de Heer van 't lot;
Ik wil, dat in zijn diepen val
De mensch, naar Mijn gericht, Het brood des levens eten zal In 't zweet van 't aangezicht.quot;
O vonnis, dat genade zijt;
O straf, die vrijheid schept;
O woord, waarin een schooner tijd
De gouden vleuglen rept;
O kostlijk zweet, dat de aarde drenkt
En in den harden nood,
Den mensch de blijde boodschap schenkt Van 't levend levensbrood!
O wóórd, dat veertig eeuwen lang
Der menschen ziel vervult, In voorbeeld en in psalmgezang
Zacht stralende gehuld;
O woord, dat door den daagschen dag
De profetie doet gaan.
Van wat geen menschenoog ooit zag, Geen oor ooit heeft verstaan.
10
Der volken hooge vader schouwt In 't vluchtig ver verschiet,
Wat Salems koning hem vertrouwt, Als hij zijn teerspijs biedt;
Als hij met priesterlijke hand Het blanke brood hem breekt.
Van 't ongekende levenspand In zegenspreuken spreekt.
De stoere kring der broeders staat Om Josef, vroom en wijs;
Zij denken niet om 't laf verraad. Zij vragen levensspijs;
Slechts naar het brood voor de aard geteeld Verlangen, vragen zij;
Zoo gaat in 't wonderbare beeld 't Mysterie hun voorbij.
De scharen gaan 't woestijnland door, Als moede slaven gaan;
Het wonder leidt en volgt hun spoor. Zij kunnen 't niet verstaan;
Als van den hemel 't manna dauwt, Is 't oog ter aard gericht,
Alleen voor 't oog van Mozes blauwt Het wonder vergezicht.
11
Maar als de koninklijke hand De gouden harpe slaat,
Dan klinkt het van 't geheim verstand, Dat door de teeknen gaat;
Dan breekt de glorie door de wolk, Dan gaat de mare rond:
Hoe door des Heeren hand het volk Het brood der Englen vond.
O, brood der Englen, kom, o kom. De zwervers wachten bang;
De macht des doodes waart alom Bij spel en feestgezang;
De kring der veertig eeuwen sluit Zijn cirkel, droef en stom;
Zend, Heer, uw grooten Zaaier uit, Kom, brood der Englen, kom!
11 I I I I I I I I I I I I I I I I l'gt;|ll| '1 I I I i I I I I I I I I I I I I I I II I I I I I f li lUll lHll li i ll l I I I I I I I I I I I I I I I i I
i 1 I I I I I I I I I I I I I I i I I I I i I I I i I i I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I 11 I I I I I I I J.JJ, ij; 11 I I I I I I I I I
III.
O Bethlem, uitverkoren,
Zoo needrig en zoo groot, Het Kindeke is geboren.
Gedaald het levensbrood.
O Huis, zoo wel geheeten
Van 't brood, dat komen zal, Naar 't woord van Gods profeten. Naar 't Godswoord bij den val!
De teekenen verdwijnen
Voor d' ongeschapen Zoon, De gouden ster komt schijnen Op 't stalleken, Zijn woon.
Gods Engelen verspreiden
Op goudgewiekte vlucht, Langs heuvelen en weiden Het wonderbaar gerucht:
Hier is van 't eeuwig leven
De spijze hemelzoet, Het brood van God gegeven, Des Heeren vleesch en bloed.
..................................................................
......I ' I I I i I I I I I I I I I I I I I I I I.....uiI I I I I I I I I I I I I I.......I I ii iii m
IV.
Des Vaders Licht is tot den mensch gekomen, De scharen gaan en schouwen niet het Licht; Hun schijnselen, hun spelen en hun droomen,
Vervullen heel hun zin en hun gezicht ;
O God van Licht, den God van Licht ontsproten,
O blindheid, blinder dan de blinde nacht, â Wanneer wordt eens het heiligdom ontsloten.
Waar ons het leven wacht?
De lucht is vol van wonderbare maren:
Do kreuplen gaan, de lammen rijzen op, Des Meesters woord bedwingt de woeste baren,
Zaait zaligheden van der bergen top.
De doove hoort, de stomme zingt gebeden,
Melaatschheid valt, als waar ze een reiskleed, af. De blinden zien en, als herboren, treden De dooden uit het graf.
15
Een tweetal visschen en een vijftal brooden.
In 's Vaders naam gezegend, spijst de schaar, De duizenden, die naar der Wet geboden
Optrekken tot het heilig Bondsaltaar, Zij volgen Hem, die woorden beide en daden
Van koningskracht bezit en majesteit, Zij volgen, en hun blinde blikken raden Geen hooger heerlijkheid.
O blindheid, aan de weemling hier beneden Gebonden en haar goudglans vol en fel, O godlijk Licht, dat over 't meer komt treden.
Gedragen op der golven slingerspel; De scharen staan en hooren hoog gewagen Van beter spijs dan Mozes' manna bood, Zij hooren en haar duizend stemmen vragen: âGeef, Heer, geef ons Uw brood!quot;
âIk ben het Brood des Levens, door den Vader
Gezonden en gegeven, komt tot Mij,
Geen honger of geen dorst treedt u meer nader Komt en gelooft! De wereld gaat voorbij. Maar die aan Mij de Vader heeft gegeven. Zij sterven, ja, maar ter onsterflijkheid. Ik Avek hen op ten jongsten dag, zij leven Met Mij in eeuwigheid!quot;
16
De boodschap klinkt, de zonnestralen zwijgen,
Vol eerbied houdt de lucht haar trilling in;
âWie is hij?quot; Ruw rumoerge vragen stijgen: âWie is hij? Welke is zijner woorden zin? âHij , van den hemel? Maar wij weten 't allen,
âZijn vader en zijn moeder kennen wij! âHet manna liet Jehovah voor ons vallen,
âHij van don hemel, hij? âquot;
âIk ben het brood des Levens! Wie wil loven
Geniet dit brood als echte levensspijs,
Mijn vleesch en bloed.quot;
De woelge scharen beven In wijsheid blind, in eigenwaan zoo wijs: âDit woord is hard: Uw vleesch en bloed als spijze
âVoorwaar, voorwaar, ik zeg u, wie dit brood Zal eten, zal ter eeuwigheid verrijzen.
Verwinnende den dood.quot;
De scharen gaan, zij vlieden voor de klaarheid
Van 't hooge licht, haar oogen duisternis, De zonnezang der ongeschapen waarheid
Klinkt in haar oor een valsch geheimenis. Zij willen 't brood van de aarde voor deze aarde,
Verdwaasd geslacht, dat uit Egypte vlood. De heugnis van Egypte steeds bewaarde.
Zijn kostlijk slavenbrood.
17
De twaalven staan: âGij, wilt ook gij uw wegen Niet scheiden van den mijnen? quot; klinkt het nu; En vorstlijk klinkt ons 't needrig antwoord tegen: âMet wien, tot wien? Door U zijn wij van U; âGij zijt de Christus Gods, des Vaders Zone, âGeloovend hebben we U, o Heer, erkend; Uw levenswoord is onze kracht en kroone.
Ons leven zonder end!quot;
O Petrus, eerste en grootste in 't fier belijden, Gij, die het eerst het levend brood aanbidt, Hoe draagt uw stem door 't wentelen der tijden
De boodschap, die des levens kern bezit; Hoe zal de Heer u tot zijn koning wijden.
Nu gij 't geloof aan Zijne liefde boodt, U maken voor der menschheid strijden, lijden,
Den gever van Zijn levensbrood!
2
I I i I i I I I I I I i i I I I I I i I I I I I I 11 I'll
11quot;1 ........
.............
V.
Nu zal de bede rijzen Op kinderlijken toon,
Des hemels Vader prijzen,
Naar 't voorbeeld van den Zoon, Nu zal de wereld weemlen
Van lof en dankgebed, Verkondende aan de heemlen Der liefde levenswet.
Nu draagt der menschheid bede
Om 't dagelijksche brood, Een ander bidden mede,
Zoo wonderbaar en groot, Waar 's hemels Englen spelen
Aanbiddende gehoord, Een bidden, een bevelen
Naar 's Heeren wil en woord.
19
Nu daalt Gij van den hoogen.
Verborgen God, ter neer;
Stil, in het stof gebogen,
Aanbidden we U, o Heer! Of ook onze oogen schouwen
Des broods toevalligheid, Gelooven we en vertrouwen Op Uw waarachtigheid.
Uw goddelijken luister
Verborgt Ge aan 't harde kruis Nu schuilt ook in het duister
De zoon uit Davids huis;
Maar mensch en God belijden
We U onder schijn van brood Al zien we ook van Uw lijden Geen wonden purperrood.
O heugnis van uw sterven, O brood, dat leven geeft,
Laat ons door U verwerven.
Te leven waar Gij leeft.
Laat onze zielen smaken In altijd hooger gloed Uw goddelijk genaken. Uw liefdesovervloed.
Het brood der Englenkoren Is nu der zwervers spijs,
Laat aarde en hemel hooren
Der eeuwen lof en prijs;
Door God tot God herboren, Geloof', gij trouwe schaar,
Gods kindren blijft behooren Dit manna wonderbaar.
AI waart ook steeds de ellende
Door 't arme menschenlot, Tot aan der wereld ende
Blijft ons het brood van God, Tot we eenmaal, vol vertrouwen
Door Zijn gena gericht, Des Levens brood aanschouwen In 'sHeeren aangezicht.
â 111111111111111111111111111111111111111111 a 111111111111111111111111111 gt;l I ill I I I I I I I I I I I I I I I I I I I M I I I I i I I I I : I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I i I I I I I I I I I I
VI.
Fier Amsterdam, gekroond met's keizers krone, Zoo zingt, zoo juicht, zoo jubileert ook gij. Zoo brengt gij eere en liefde en lof den Zone
Bij 't keeren van Uw wonder feestgetij; Zoo roept gij Aveer Uw oude burgerijen,
Door drang en druk in trouwe vast geheid, Om op te gaan met psalmen en schalmeien Tot God in Zijn verborgenheid.
Zoo rijst Gij in een keur van pronkgewaden
Door Oost en West gevoerd tot Uw tresoor, Uw stemme zingt Gods heilige genaden.
Uw stemme klinkt de lage landen door, Langs heel de Zee, 't rijk van uw admiralen.
En meldt hoe God u zijn geheim ontsloot. Vol voor uw oog in vlammengloed deed stralen Het wonder van Zijn levensbrood.
mmmmrn*
22
Uw burger ligt door ziekte neergeslagen,
Hij hoort den tred, den sluiptred van den dood, Hij ziet het uur der laatste reize dagen,
Hij vraagt van God de teerspijze in den nood, Onz' Heere komt, in priesterlijke handen Gedragen onder schijnselen van brood: Gij, christenziel, vertrek van deze stranden. Gesterkt door Jezus' levensbrood.
De valsche krankte ontziet geen brood des Heeren,
Des Levens Brood volgt aardscher spijze wet; O liefde, die zoo stil U kunt verneêren,
Die zoo den blik met duisternis bezet;
Verborgen God, die toch komt triomfeeren,
Als straks het vuur de schijnselen beroert, En 't wonder ons op koningsaad'laarsveeren Aan de aardsche duisternis ontvoert.
Zie, 's levens brood wordt aan het vuur gegeven, De vlam waait op, wijkt, weifelt en verbleekt; De schijn van brood blijft in de vlammen zweven,
Mirakel dat van 't hoog mysterie spreekt; De levenskracht verneêrt zich voor het Leven,
Het vuur vereert den Schepper van het Licht, De omstanders zien en bidden aan en beven, Als toonde God Zijn aangezicht.
Ja, hier is God, dien de eemvigheden prijzen.
Die schande en smaad getorscht heeft en den dood, Maar die uit graf en duister kwam verrijzen!
Hier rijst Hij, onder schijnselen van brood, Op uit den smaad der krankheid, kind der zonde,
En zegepraalt in goddelijken gloed,
Opdat de faam aan iedere eeuw verkonde, Hoe Hij, de Heer, Zijn wondren doet.
Zijn wonderen, die Hij wil openbaren
In heerlijkheid èn majesteit èn kracht. Aan enklen niet, maar aan de breede scharen,
Wier kloppend hart Hem afsmeekt en verwacht. Dien grootschen dag zal niemand meer vergeten, Toen door het vuur des Hoeren luister scheen. En toonde, als op een vlammentroon gezeten, Den Christus der verborgenheên.
Als de aadlaar, die zijn nest van adelaren
Verzamelt tot een koninklijke vlucht,
In breeden zwaai met hen ter zon gaat varen,
Met juichgeschreeuw vervullende de lucht. Zoo roept des Heeren heilig liefdewonder
De wondren op, die zingen 't hooge lied,
Gaat menig lied in 't spel der eeuwen onder, Die hemelliedren zwijgen niet.
24
Zij klinken door, of'woeste stormen komen, Of plaag op plaag valt op 't gemeenebest, Of 't oud geloof de krone worde ontnomen,
Een nieuwe leer gelde in Sint Niklaas vest. Steeds klinkt het lied, het lied der Heiige Stede
En 't vroom gebed in allen zwaren nood: Verborgen God en Koning van den vrede Geef Amsterdam Uw levensbrood.
Steeds klinkt het lied , al wordt het soms gefluisterd .
Wanneer de schaar verborgen, maar gerust. Den Heilgen Weg, als de avondure duistert,
Volgt met een hart vol goddelijken lust.
Als 't oud geloof met de oude trouw te samen
In 't één gebed zoo roerend samenvloot;
Geef, Heer, der Stad, die ze Uwe waarheid namen, Geef Amsterdam Uw levensbrood.
Fier Amsterdam, voor Neerland en de wereld Zijt Gij de stad, de broodstad aan het IJ,
Geen keizerkroon, omlauwerd en ompereld,
Merkt Uwe plaats in aller steden rij; Gij, schuiloord van wat visschers, opgerezen Uit slibbe en wier, bij storm en noodgetij, De stad der kracht, die overal ging lezen Het daaglijksch brood, die stad zijt Gij!
X'ü
Gij hebt het lot met al zijn wisselingen
Gedragen en al dragende getard;
Of land of zee uw veste komt bespringen,
Daar waar Gij stondt, hebt staande Gij volhard, En rijzend steeds in wagen en in slagen
Hebt Gij Uzelv' uw eigen grond bereid, De palen, die uw trotsche grachten schragen. Verkonden uw almogendheid.
Het brood der kracht hebt Gij üw volk gegeven.
Der wereld ook, het brood der fiere kracht, Ontzachlijk in het worstelende streven,
Dat nooit op eere of blijden voorspoed wacht. Der fiere kracht, die over do Oceanen
Heenstrevend steeds naar nieuwen arbeid zoekt. En waar ze zich een nieuwen weg kan banen Steeds nieuwe zegepralen boekt.
Was U die kracht, die langs de wijde baren
Uw vaandel en uw eere verder droeg.
Die 't wereldrond verbaasd U aan deed staren.
Fier Amsterdam, was IJ die kracht genoeg? Op hooger peinst Ge en hoogei komt Gij toonen,
Bij 't spoeden van der eeuwen snellen vloed, Het brood van vrijheid geeft Gij aan uw zonen Van burgerdeugd en burgermoed.
26
Van vrijheid, die de vrijheid ook kan eeren,
Waar zij het hoofd niet buigen wil voor macht, Die bij den storm der wisselende leeren
Al dolende ook naar rechte wegen tracht; Van burgerdeugd, die heel de goê gemeente,
Die hoog en laag met ééne trouwe stut. Van burgermoed, die, meer dan 't hard gesteente Van 't blokhuis, 't oude recht beschut.
Geen enkle glans zou aan uw kroon ontbreken:
Aan landzaat en aan vreemde geeft ge 't brood Der schoonheid, die het breed paneel doet spreken,
En in het lied tot hooger dingen noodt; Wat maakte 't ü of sombre tijden zonken. Gij hebt de vrucht van 't glorieuse zweet, Der schoonheid brood in overvloed geschonken Door Rembrandt en door Vondel U gekneed.
Zoo staat Gij groot, met keizerlijke handen
Verdeelt ge 't brood der wereld en der stee. Gij zijt de Kroon van deze lage landen
In uwen naam leeft hunne glorie meo, En wonderbaar klinkt door het stormend jagen
Der tijden Uw onkreukbre naam alom; Is 't wonder, zoo der menschheid scharen vragen: Waarom die grootsche faam, waarom?
27
Mysterie is de ziele der historie,
iSoms straalt zij uit en toont haar majesteit, En dooft den glans der weidsche wereldglorie Door 't zonnegoud van haar verborgenheid;
Fier Amsterdam, gekroond met meer dan kronen.
Vereer het brood, dat dus u leven dee.
Aanbid den God, die zich aan u kwam toonen In 't wonder van Zijn Heiige Stee.
VIL
Zingt gij, volkeren en talen ,
Al wat adem heeft en leeft,
Zingt der Liefde zegepralen,
't Levend Brood, dat leven geeft; Zingt, geen lied kan achterhalen 't Wonder van der Liefde God, Die van 's hemels troon kwam dalen Tot ons lot.
Zingt en looft den Heer van 't leven.
Die het vlekloos leven gaf.
Door Zijn dood ons heeft geheven,
Tot den hemel uit het graf; Die ons wonderbaar komt spijzen
Met Zijn godlijk levensbrood, Dat ons juichend doet verrijzen Uit den dood.
29
Zingt en looft en bidt den Heere
T' alle tijden, overal,
Gieeft Zijn liefde lof en eere,
Zwervers door dit tranendal;
Hij is voor ons neergekomen,
Toonende Zijn aangezicht. Brengende in onze aardsche droomen 't Hemelsch licht.
Clod en Heer, voor ons verborgen
In het heden, hoor ons aan,
Laat der volle glorie morgen
Eenmaal voor ons opengaan;
Voer de storm der dankgebeden
Ons tot Uwe heerlijkheid Tn der jubelende eeuwigheden Eeuwigheid.
'
â
â
Iquot; â â 1 1 â â .
: ba . .
â
'
L
'
j