quot;quot;
501
â : . ;;i IÃ
»
- :-'A-.
â 5
' gt;1 -11
; t
V â
i
'
| |
' rx-TJ,;,-
- s ' :⢠y â - 'gt;-gt;' â¢
i/ak k.
V 'quot;rv i
%â¢
______
.V
â
....
'
â
MIJNE KERKERS.
Sloomdrukkerij â Firma Rohijns amp; Co. â 's-Hertogenbosch.
JT* /
Silvio ⦠Pellico.
f
uil
Mïi
(âLe mie £rigioniquot;);
'i
Opnieuw naar den oorgpronkelijke-Italiaanschen tekst te werkt
DOOR
JOSEPH WITLOX.
,,6rn. Uwe nous est venu d'Italië, oeuvre de haute philosophic, de simple et évangélique poés ie,quot; De Latour.
* I
* tw; *quot;
(Met een portret van den schrijver en vele illustratiën.)
Leiden,
J, W. VAN LEEUWEN,
Antiquarische Boekhandel. â Hoogewoerd.
INLEIDING.
JpPo«fl? ik er een ij del behagen in, deze herinneringen aan mijn tienjarig verblijf in den kerker te boek te stellen, â wilde ik op de eerste plaats van mij-zeiven spreken? Ik hope: neen; het schijnt mij toe, dat edeler bedoeling mij tot schrijven noopte, mijne pen heeft bestierd, 't Was mijn oogmerk, hen, die, zooals ik, onder het juk van 's leven rampspoed gekromd gaan, te sterken, door hen met dankbaar gemoed te wij sen op den heerlijken troost, mij in 't kerkerlijden zoo vaak in ruime, ja overvloeiende mate geschonken; ik heb willen aantoonen, dat ik in het midden mijner kwellingen het menschdom niet zoo slecht heb bevonden, niet zoo arm aan deugdzame, uitverkoren zielen, als men het pleegt voor te stellen. Mijn streven was, rechtschapen harten op te wekken tot belangelooze, trouwe naasteliejde, hen aan te sporen, niemand te haten, slechts afschuw te hebben voor trouweloosheid, huichelarij, voor alle zedelijke ontaarding. Eindelijk wenschte ik getuigenis af te leggen voor een bekende, maar dikwijls vergeten waarheid: godsdienst en wijsbegeerte eischen een krachtigen wil en een bezadigd, kalm oordeel, zonder welke gerechtigheid, noch waardigheid, noch hechtheid van beginselen den viensch kunnen sieren____
-- gt;y if -
I.
⢠rijdag,' i3 October 1820, werd ik ' jTte Milano in hechtenis genomen en naar Santa Margherila geleid. Het was drie uur in den middag. Zonder toeven moest ik een lang en scherp verhoor ondergaan, rakende mijne actie in de nauw ontdekte «samenzwering». Maar het ligt niet in mijne bedoeling, hier-
_____... . over uit te weiden ; ik laat de politiek
geheel ter zijde, en spreek u bij voorkeur over andere dingen.
Te negen uur in den avond van dien nootlottigen Vrijdag werd ik in handen gesteld van den cipier, die mij opsloot in de kamer, voor mij bestemd. Hij noodigde mij beleefd uit,
â 8 â
mijn horloge, mijn geld en alles, wat ik verder bij mij had, af te geven; ik zou 't, verzekerde hij vriendelijk, «te gelegener tijde» terugbekomen. Daarna wenschte hij mij eerbiedig goeden nacht. «Vriend», nam ik alsnog de vrijheid, te zeggen, «mijn diner
is er vandaag bij ingeschoten ; laat mij dus het een of ander brengen.»
â Onmiddelijk ; de cantine is vlak bij, en de signore zal mijn wijntje uitmuntend vinden.»
â Wijn? ik drink geen wijn!»
Dit antwoord verbaasde Angiolino niet weinig ; aanvankelijk scheen hij te gelooven, dat ik cene aardigheid wilde zeggen : de cipiers, die eene cantine beheeren, plegen den niet-wijn-drin-kenden gevangenen geen goed hart toe te dagen.
«Inderdaad, ik gebruik nimmer alcoholische dranken,» luidde opnieuw mijne verzekering.
â 't Spijt mij voor den signore ; want nu zal de eenzaamheid hem dubbel zwaar vallen.»
Doch wijl ik bij mijne verklaring bleef, verwijderde hij zich meesmuilend. Spoedig werd mijn diner opgediend ; ik at een weinig, dronk eene teug water, â en bleef alleen.
De kamer, mij aangewezen, had een venster, waardoor ik uitzicht op de binnenplaats van den reuzenbouw genoot.
9
Kerkers van de eene, kerkers van de andere zijde, kerkers boven, kerkers beneden mij. Ik naderde het venster en luisterde eenigen tijd naar het gedruisch van de voetstappen der gevangenbewaarders en naar den huivering-wekkenden zang van een paar lotgenooten.
Vóór eene eeuw, peinsde ik, was deze gevangenis een klooster. Zouden de heilige en boetvaardige vrouwen, die het bewoonden, wel ooit hebben gedacht, dat hare cellen eenmaal van godslasteringen en grof-onzedelijke liederen zouden weergalmen? dat zij bevolkt zouden worden door moordenaars en dieven en openbaar-ontuchtigen ? En wie zal, na verloop van nogmaals honderd jaren, dit verblijf herbergen? O snelheid des tijds! o eeuwigdurende omzwenking der menschelijke dingen ! Kan hij, die deze waarheden overpeinst, zich bedroeven, wanneer de fortuin hem niet meer toelacht, wanneer het duister eens kerkers hem wreed gaat omhullen? Gisteren was ik gelukkig onder allen; heden is al het zoete van mijn leven als bij tooverslag verzwonden; geene vrijheid, geene vrienden, geene hope meer; neen, 't ware dwaasheid, nog iets van de toekomst te verwachten! Ik zal deez' kerker slechts verlaten, om dien voor een nog schikkelijker plaats te verruilen, â misschien om aan den beul te worden overgeleverd. ...
De gedachte aan de rassche vlucht des tijds versterkte mijne ziel. Dra echter ontwaakte in mij de herinnering aan een vader, eene moeder, twee broeders, twee zusters, eene andere familie, mij even dierbaar als de mijne, â en de troost der wijsbegeerte verloor in mij alle kracht. Mijn gemoed was boordevol, ik schreide als een kind!
1»
II.
rie maanden vóór het begin mijner ongelukken had ik, na jarenlange afwezigheid, Torino bezocht, en daar mijne
hartelijke gelieide ouders, één broeder en mijne beide zusters wedergezien. De leden onzer familie^ waren steeds zoo innig
â II â
aan elkaar gehecht ! En geen zoon was door zijnen vader en zijne moeder meer dan ik met weldaden en bewijzen van teederheid overstelpt. O, hoe diep was ik ontroerd bij het wederzien van die brave ouders, gebukt onder den last van een hoogen leeftijd en onder dien van moreel en phyziek lijden !
Hoe vurig verlangde ik toen, hen niet meer te moeten verlaten, door kinderlijke zorg hun ouderdom te mogen verblijden ! Hoe pijnlijk viel het mij, dat ik gedurende mijn verblijf te Torino zekere plichten had te vervullen, die mij van het ouderlijk huis verwijderden, mij nauwelijks eenigen tijd voor den familiekring overlieten ! Mijne arme moeder sprak met stille droeiheid : «Ach ! Silvio is niet voor ons naar Torino gekomen».
De morgen van mijn vertrek naar Milano was getuige van een hartroerend afscheid ; mijn vader vergezelde mij een eind weegs in het rijtuig, en liet mij toen alleen. Ik keerde mij om en zag hem nog eens in het bleeke, beschreide gelaat ; tranen vloeiden ook mij over hel aangezicht, en ik kuste met benepen hart den ring, dien mijne moeder mij had gegeven. Nooit te voren was ik zoo treurig gestemd als bij dit afscheid.
Ik hecht weinig geloof aan z. g. voorteekenen, maar toch bevreemd het mij, dat ik niet in staat was, mijn smart te overmeesteren. Met zekeren angst vroeg ik mij af: «Vanwaar die buitengewone onrust» ? Het scheen mij toe, dat eenig groot ongeluk mij dra zoude overkomen.
In de gevangenis dacht ik aan dien zieleangst ; mijn geheugen herhaalde mij alles, wat ik drie maanden geleden in den schoot mijner familie had gehoord, en de klachte mijner moeder: «Ach! Silvio is niet voor ons naar Torino gekomen» â woog mij drukkend zwaar op het gemoed. Ik verweet mij, haar niet duizendmaal meer bewijzen mijner liefde en dankbaarheid te hebben gegeven. Ik heb de mijnen zoo lief, en toch had ik hun mijne liefde zoo weinig getoond ! Ik zoude hen niet wederzien, en meer dan ooit smachtte ik naar hunne tegenwoordigheid ! Die sombere gedachten verscheurden mij de ziel.
Ik sloot mijn venster, en wandelde een uur lang mijn vertrekje op en neder. Toen ik later poogde eenige rust te vinden, week de slaap verre van mij, en nauwelijks kwam tegen den ochtend een lichte sluimer mij eenige verkwikking bieden.
lil.
chrikkelijk is het, voor de eerste maal in den kerker te ontwaken. Is het mogelijk ! sprak ik tot mij-zelven, denkende aan de plaats, waar ik mij bevond ; is het mogelijk! ik hier ? ach, 't is geen droom ! . . . . Gisteren ben ik aangehouden, voor de eerste maal in verhoor genomen____ Gisteren-
avond en dezen nacht heb ik, denkende aan mijne ouders, zooveel tranen gestort !
De rust, eene diepe stilte, de korte slaap, die de krach-
ten mijns geestes een weinig had hersteld, schenen in mij het geweld der smart te hebben verdubbeld. Daar niets mij verstrooiing bood, kwam vóór mijn geest een hartverscheurend tooneel van droefheid opdoemen, droefheid, die in den schoot mijner familie zoude heerschen, wanneer de tijding mijner arrestatie tot haar doordrong. Op dit oogenblik genoten mijne ouders een vredigen slaap ; misschien ook spraken zij met tee-dere bezorgdheid over mij, hun lieveling. â In ieder geval kon hun de jobstijding van mijn ongeluk nog niet ter oore zijn gekomen. Maar ach! wie zal hun kracht verleenen, om niet onder zoo vreeselijk eene beproeving te bezwijken ?____
Het scheen mij toe, eene stem in mijn binnenste te hoo-ren, die zeide : Hij, Dien de bedroefden aanroepen, in zich-zelf gevoelen ! Hij, Die zijner Moeder de kracht gaf om haren Zoon naar Golgotha te vergezellen, om aan den voet zijns Kruizes te staan, â Hij, de Vriend der ongelukkigen, de Vriend der menschen !
Dit was het eerste oogenblik, waarop de godsdienst in mijn hart zegepraalde ; mijner kinderliefde was ik die weldaad schuldig.
Voorheen was ik, wel-is-waar, het geloof niet vijandig gezind ; maar ik vervulde lauw en zelden de plichten van mijn godsdienst. De ijle, gezochte bezwaren, die men tegen Geloof en Kerk pleegt in te brengen, schenen mij niet van gewicht ; maar toch waren duizend sophistische twijfelingen oorzaak, dat het licht des Geloofs niet in volle helderheid voor mij kon stralen. Sinds lang echter twijfelde ik niet meer aan het bestaan van God, en ik zag mij verplicht te erkennen, dat, indien God bestaat, hieruit als noodzakelijk gevolg zijner rechtvaardigheid moet voortvloeien, dat er een ander leven is voor hem, wien hier-beneden onrechtvaardig lijden wordt aangedaan. Van daar de groote noodzakelijkheid, onafgebroken den blik op de goederen diens tweeden levens gevestigd te houden ; van daar ook de neiging van 't onbedorven menschenhart, edelmoedige offers te brengen. Sinds lang vervulden soortgelijke gedachten mijn geest ; ik voegde er bij : «Wat is het Christendom anders, tenzij een voortdurend streven naar zieleadel?» En ik stond verbaasd, dat, het wezen des Christendoms zoo rein, zoo lieflijk, zoo philosophisch en onaantastbaar zijnde, de wijsbegeerte
eenmaal heeft durven spreken : Zijne plaats zal voortaan door mij worden ingenomen. â Maar, o laatdunkende philosophic, hoe zoudet gij zijne taak vervullen ? Door de prediking van de ondeugd? â Neen, voorzeker niet. Door het prediken van de deugd ? â Welnu ! «deugd» is ongetwijfeld de liefde tot God en menschen, «deugd» juist datgene, wat het Christendom leeraart....
Hoewel ik reeds verscheidene jaren dat alles zeer wel begreep, toch had ik nimmer tot mij-zei ven de vermaning gericht : Is deze uwe overtuiging, wees dan consequent, wees christen ; erger u niet aan misbruiken, richt niet meer de pijlen eener boosaardige kritiek op eenig duister punt van de leere der Kerk ; want het voornaamste punt, dat zoo recht duidelijk tot uw gemoed spreekt en alle redetwist overbodig maakt, luidt : Bemin God en den naaste !
In den kerker besloot ik eindelijk, die gevolgtrekking te maken. Ik aarzelde eene wijle bij het denkbeeld, dat, indien men te weten kwam, dat ik godsdienstiger was dan voorheen, men dit aan huichelarij of zwakheid zou toeschrijven ; maar ik zag opwaarts tot Dengene, wiens blik «harten en nieren doorschouwt», tot Hem, die mijne oprechtheid kende, â en dra besloot ik, mij niet om het oordeel der wereldlingen te bekreunen, voortaan den naam van God en zijn Christus vóór het aanschijn der wereld te belijden.
amp;
IV.
egen den ochtend was mijn zieleangst geweken ; dit verbaasde mij. En weder dacht ik aan mijne ouders, aan al dezulken, die mij lief waren ; doch nu wanhoopte ik niet aan hunne zielskracht, en smeekte voor hen met betrouwen sterkte van Boven af.
Nauw eenige uren geleden werd ik door hevigen angst gekweld, als ik mij hunne droefheid vóór den geest bracht ; van waar nu dat groote betrouwen in de kracht van hun moed en gelatenheid ? Was die gelukkige verandering een wonder ? was zij het natuurlijke gevolg der vernieuwing van mijn geloof in God ? O zoete vertroosting !
Te middernacht hadden twee vsecondini)) (zoo worden de gevangenbewaarders, afhankelijk van den cipier, genoemd) mij een bezoek gebracht en mij zeer mismoedig aangetroffen. Vroeg in den ochtend kwamen zij weder, en vonden mij geheel veranderd, te eenenmale kalm.
«Dezen nacht», zei Tyrola, «was de «gv/ore meer dan knorrig. Nu is die booze luim geweken, 't geen mij verheugt ; want ik zie hierin een bewijs, dat de signore â de uitdrukking beleedige hem niet â geen schelm is. Schelmen namelijk (ik ben in mijn treurig lot vergrijsd en ken mijne luidjes), schelmen zijn op den dag hunner arrestatie veelal kalm, doch wanneer zij voor de eerste maal in de gevangenis ontwaken letterlijk woedend. Wil de signore een snuifje ?»
â Ik ben niet gewoon, te snuiven, maar zal toch niet afslaan. Wat betreft uwe aanmerking, die is, mijns bedunkens, niet zoo schrander en diep-gezocht, als gij meent. Had ik gisterenavond een zoo knorrig voorkomen, en ziet ge mij thans
â i6 â
weder kalm en opgewekt, â kan die verandering niet als een bewijs van lichtzinnigheid, van dwaas optimisme in zake- den loop van mijn proces worden aangezien ?»
â Hetgeen de sign ore bedoelt ware mogelijk, indien hij wegens andere redenen hierheen was gevoerd ; doch wij allen zijn overtuigd, dat vergrijpen tegen den staat schier einde-looze processen uitlokken. De siguore is veel te verstandig, om te denken, dat hij ons vandaag of morgen weder verlaat. Gij weet.... Wilt gij nog een snuifje ?»
â Met genoegen. Maar hoe kunt gij een zoo blij gelaat vertoonen, terwijl gij steeds door ongelukkigen zijn omringd?»
â Gij meent misschien, dat ik hardvochtig ben en onverschillig voor het lijden van den evenmensch. Ik echter geloof dit niet ; want het smart mij zeer, anderen te zien weenen. Zie ik ben aan mismoedigheid ter prooi, dan veins ik opgeruimdheid, opdat ook de arme gevangenen even zouden glimlachen.quot;
Tirola vroeg mij, wat ik voor ontbijt begeerde. Hij verwijderde zich en bracht mij spoedig den gevraagden koffie. Ik zie
hem met een beteekenisvol glimlachje in het gelaat, en dit glimlachje moet beduiden : Zoudt gij niet een paar regelen aan mijn vriend en lotgenoot, Pietro, willen ter hand stellen ? En hij antwoordt mij door een ander glimlachje, hetwelk duidelijk zegt; Neen, signore ; en richt gij u tot een mijner collega's, die uw verlangen inwilligt, wees dan overtuigd, dat hij u zal veriaden !
Ik ben er niet volkomen zeker van, dat hij mij verstond.
â i-j-
en dat ik-zeli' hem begreep. Dien dag was ik tienmaal op het punt, hem een blaadje papier en een potlood te vragen ; doch iets eigenaardigs in zijne oogen raadde mij nadrukkelijk : Vertrouw niemand, en anderen nog minder dan hem !
v.
ïplad Ti)ola, in weerwil van de goedige uitdrukking op zijn âgelaat, niet de oogen van een schurk gehad, ik ware bezweken voor de bekoring, van zijn dienst gebruik te maken, om aan een vriend een paar regelen te zenden. Mijn briefje hadde wellicht Pietro in staat gesteld, eene door hem begane onvoorzichtigheid ten deele goed te maken.
Dit kon, wel-is-waar, hem, den arme, niet meer baten aangezien hij te zeer was gecompromitteerd ; doch voor mij en anderen zou het bepaald nuttig zijn.
Geduld! het begeerde was op dit oogenblik niet onder mijn bereik.
Men riep mij, om het verhoor te hervatten, dat nu verscheiden dagen achtereen zou voortduren; nauwelijks werd mij eenige tijd voor het middagmaal gelaten.
Gedurende mijn verhoor vervlogen de dagen ras voor mij, en mijn geest beijverde zich onophoudelijk om een antwoord te vinden op de vragen van alle soort, die mij ter instructie werden gesteld. Op de uren der maaltijden en des avonds dacht ik na over alles, wat mij gevraagd werd, wat ik antwoordde en over hetgeen men waarschijnlijk den volgenden dag te berde zou brengen.
Tegen het einde der eerste week leed ik een zwaar verdriet. Mijn vriend Pietro, vurig wenschende, eenig schriftelijk verkeer met mij te onderhouden, zond mij eenige regelen. Om mij dit briefje in handen te spelen, bediende hij zich niet van een
â ig â
maar van een ongelukkig gevangene, die bijwijlen de kamers reinigde. Het was een man van zestig a zeventig jaren, wegens een mij onbekend vergrijp tot ecnige maanden hechtenis veroordeeld.
Ik prikte mij met eene speld, die ik nog in mijn bezit vond, in den vinger, en met behulp van het daaruit druppelende bloed
schreef ik eenige regelen lot antwoord en gaf ze den bode. Ongelukkigerwijze was hij bespied, werd in het bezit van mijn briefje gevonden en, naar ik vreeze, met stokslagen bestraft. Ik hoorde luide smartkreten, vermoedelijk van den armen grijsaard, en sinds dien zag ik hem niet weder.
Rij de hervatting
pondentie bevatte niets, wat mij compromitteerde, en scheen slechts een groet. Men vroeg, waarmede ik mijn bloed had afgetapt, en lachte over het mislukken mijner poging. O, die lach sneed mij scherp als een lancet door de ziel! ik kon het oog mijns geestes niet afgewend houden van het beeld des grijsaards, die ons zoo bereidwillig zijne hulp verleende. Gaarne hadde ik in zijne plaats de straf ondergaan, en toen de kreten, hem door de smart der geeseling ontwrongen, mijn oor bereikten, vloeiden tranen over mijne wang.
Tevergeefs vroeg ik den cipier en zijnen helpers, hoe men den gevangene had gekastijd. Zij schudden het hoofd en zeiden: , ,Hij heeft er zwaar voor geboet en kan nu uitrusten.quot; Verder wilden zij niets uitlaten.
Bedoelden zij, dat de grijsaard nu wreeder dan voorheen
20 â
gevangen en gekluisterd was, of wel, dat hij onder de geeseling den laatsten snik had gegeven ?
Zekeren dag meende ik, hem aan het einde der binnenplaats te zien, gekromd onder den last van een zwaren bundel hout. Mijn hart sidderde in mijne borst, als bij het wederzien van een broeder!
VI.
â CX oen de kwelling dier eindelooze mondelinge instructie had opgehouden en ik niets meer had om mij te verstrooien, voelde ik bitter zwaar den last der eenzaamheid.
Men veroorloofde mij, de H. Schrift en Dantc te lezen. De cipier stelde te mijner beschikking zijne geheele bibliotheek, die uit eenige romans van Scitdcri, van Piazzi en andere, nog minder belangwekkende schrijvers bestond. lederen dag leerde ik één van Dantc s zangen van buiten ; maar die oefening was zoo werktuigelijk, dat ik, al loerende, minder aan mijn verzen, dan wel aan mijne ongelukken dacht. Met uitzondering van de H. Schrift had in die treurige dagen voor mij ieder boek dezelfde waarde.
Echter, de Bijbel, dien ik steeds had liefgehad, zelfs in den tijd mijner ivonld-be ongeloovigheid, werd nu het voorwerp mijner studiën, en met godsdienstigen eerbied doorvorschte ik den ge-wijden tekst. Maar de ongestadigheid van 'smen-schen geest is dermate groot, dat, ten spijt van mijn goeden wil, mijne gedachten spoedig elders rondwaarden en ik niets meer begreep. Nochtans zou ik langzamerhand van
die ongelukkige verstrooidheid genezen, en na verloop van ecnigen tijd kon ik het W oord Gods weder behoorlijk overpeinzen.
Zulk eene lectuur kon mij niet voeren tot die kwalijk begrepen godsdienstigheid, welke den mensch tot kleinmoedige of
dweeper maakt. De Schrift uur spoorde mij op elk harer bladen aan, God en de menschen liei te hebben, de heerschappij der gerechtigheid vuriger te wenschen, de ondeugd te verfoeien, dengenen, die mij ongelijk aandoen, van harte vergiffenis tc schenken. Wel verre van het goede afbreuk te doen, door de wijsbegeerte in mij tot stand gebracht, versterkte het christendom die gevoelens en maakte ze hechter door het aanvoeren van bewijsredenen, oneindig meer verheven en krachtig dan de betoogen der philosofie.
Zekeren dag las ik, dat men altijd behoort te bidden, en dat men, om goed te bidden, niet, gelijk de heidenen, vele woorden moet gebruiken, maar in stede daarvan met eenvoudig hart in woorden en daden God aanbidden, zorgdragende, immer èn in woorden èn in daden met zijn wil in overeenstemming te zijn ; ik las die vermaning en nam mij voor, een «altijddurend gebed» te beginnen, d. w. z. : mij voortaan niet écne gedachte te veroorloven, zonder bezield te zijn met den vurigen wensch, mij onvoorwaardelijk aan de raadsbesluiten der Voorzienigheid te onderwerpen.
Bepaalde formules werden luttel door mij gebruikt, echter geenszins uit minachting ; want ik geloof, dat lange gebeden voor zekere personen meer of minder nuttig zijn om hunne aandacht op de goddelijke dingen te vestigen. Doch wijl ik mij-zelven kende, en wist, dat ik niet in staat was, ge-
23
ruimen tijd mondgebeden te verrichten, zonder aan gevaarlijke verstrooidheden bloot te staan, handelde ik zooals de voorzichtigheid mij gebood.
Gods tegenwoordigheid, die ik besloten had, geen oogen-blik te vergeten, was voor mij geen voorwerp van schrik ; o neen, zij bood mij de zoetste vertroosting, die mijn harte kon begeeren. Wanneer ik overwoog, dat God immer den mensch nabij is, dat Hij in ons woont of, juister gezegd, dat wij in Hem wonen, dan werd voor mij de eenzaamheid dagelijks minder verschrikkelijk. Ben ik niet in voortreffelijk gezelschap ? vroeg ik menigmaal mij-zelven. Die overweging bracht mijner ziele troost en vrede ; ik gevoelde mij kalm en zelfs opgeruimd.
Had niet, sprak ik tot mij-zelven, eene koorts mij kunnen overvallen, die mij in weinige uren grafwaarts sleepte ? Mijne familie, hoe innig bedroefd ook, zou langzamerhand in zich de kracht hebben gevoeld, mijn verlies met gelatenheid te dragen. In stede van een graf verslindt mij nu een kerker. Mag ik niet betrouwen, dat God haar ook nu kracht naar kruis zal schenken ?
Mijn hart vormde voor mijne ouders en al de mijnen vurige wenschen ; bijwijlen stortte ik nog tranen, maar die tranen waren zoet en troostvol. En mijn onwankelbaar betrouwen op God werd niet beschaamd !
H
VII.
et is voorzeker aangenamer, in vrijheid te leven, dan in de verschrikkelijke atmosfeer eens kerkers. Doch wanneer men, in gevangenschap zuchtende, overweegt, dat God ook tusschen die sombere muren in liefde tegenwoordig is, dat vreugde en genot der wereld zoo ras voorbijsnellen, dat het ware geluk in een goed geweten bestaat, dan, o mijn lezer, kan men ook daar «genietenu ! Wat mij betreft, binnen nauwelijks eene maand had ik, wel-is-waar niet zonder moeite, maar toch in nederige onderwerping aan 's Heeren wil, mijn besluit genomen. Ik was overtuigd, dat, aangezien ik niet mij-zelf wilde onteeren, door mij ten koste van eens anders gelul-; en leven straffeloosheid te verzekeren, mij óf het schavot óf eene lange en strenge opsluiting verbeidde. Ik moest mij in het onvermijdelijke schikken. Ik zal ademen, zoolang men goedvind, dat ik leve, sprak ik tot mij-zelven ; en wordt mijn dood geëischt, dan zal ik doen gelijk alle zieken, wanneer hun laatste uur is gekomen, â ik zal sterven !
Ik deed mijn best om met alles te vreden te zijn, en poogde, mijner ziel alle mogelijk genot te verschaffen. Mijn reinste wellust bestond wel hierin, dat ik in mij wakker riep de herinnering aan het goede, mij reeds geschonken: een uimuntend vader, eene voortreffelijke moeder, toegenegen bloedverwanten, zulke en zulke vrienden, eene goede opvoeding, liefde tot wetenschap en letteren. Was ik niet uitermate door het geluk begunstigd? Waarom niet den Heer danken, schoon het geluk mij thans den rug heeft toegekeerd? Dan, .geheel in die overpeinzingen opgaande, voelde ik mij diep bewogen en schreide een oogenblik; maar spoedig keerden moed en vreugde in mijn hart terug.
\
â 25 â
Reeds in het begin van mijn verblijlquot; in den kerker had ik mij een vriend gemaakt. Hij was cipier, noch «secondino», noch een dergenen, die mijne zaak zouden berechten. Toch bedoel ik een menschelijk wezen, ââ een arm, doofstom
kindeken, nauwelijks vijf of zes jaren oud. Zijn vader en zijne moeder waren dieven, en de hand der gerechtigheid had zich boven de hoofden van dit uitvaagsel der samenleving bezwaard. Het arme jongsken werd nu met andere kinderen, die in den-zelfden staat verkeerden, van landswege «opgevoed.» Zij be-
1
â 26 â
woonden ;illcn te saam een vertrek, tegenover mijne kamer gelegen, en op zekere uren van den dag opende men de deur van hun verblijf, opdat zij een oogenblik de vrije lucht konden inademen.
genegenheid voor mij, en die genegenheid was ten deele vrij van belangzucht. Eenige malen wist hij niet, wat te doen met het brood, dat ik hem toewierp, en beduidde mij dan door teekens, dat hij en zijne makkers genoeg hadden gegeten en geen ander voedsel noodig hadden. Zag hij dan een «secondino» mijne kamer binnengaan, dan gaf hij hem het brood mede terug. Hoewel hij oii zulke dagen niets van mij te wachten had, bleef hij vriendelijk glimlachend onder mijn venster spelen, en scheen verheugd wanneer ik hem aanzag. Op zekeren dag veroorloofde een «secondino» het knaapje, mijne kamer binnen te treden. Nauwelijks had hij den drempel overschreden, of hij snelde op mij toe, omvatte mijn knieën, streelde mijn gelaat en stiet onsamenhangende vreugdekreten uil. Ik nam het schepseltje in mijne armen, kuste het op zijn voorhoofd, streek de ravenzwarte lokken uit zijn fraai besneden gelaat en zag het in de groote, sprekende oogen. Zijne liefkozingen schenen eindeloos. Wat al liefde was er in die reine kinderziel ! hoe vurig wenschte ik, hem te kunnen onderwijzen, hem te kunnen opbeuren uit zijn droevigen staat !
Nimmer heb ik zijn naam geweten ; hij-zelf wist niet, dat hij er een bezat. Altijd was hij vroolijk ; nooit zag ik hem weenen, tenzij éénmaal, toen hij, ik weet niet waarom, door den cipier werd geslagen.
Het schijnt een groot ongeluk, eene voortdurende marteling te zijn, op zulke plaatsen te moeten leven. Welnu, ik ben overtuigd, dat mijn knaapje zich even gelukkig gevoelde als een koningszoon van denzelfden leeftijd in 't midden der geneuchten van een paleis. Ik maakte die opmerking, en 't was mij duidelijk, dat de gesteldheid van ons gemoed niet te eenenmale van de plaats, waar wij ons bevinden, alhankelijk is. Houden wij onze verbeelding in toom, en wij zullen ons bijna
overal gelukkig gevoelen. Een dag is ras voorbij ; en kan men zich bij het vallen A an den nacht te ruste leggen, zonder door hevige smart oi' door honger te worden gekweld, is het dan van overwegend belang, of onze legerstede zich bevindt tusschen muren, die een kerker, dan wel tusschen andere, die eene woning of paleis vormen ?
Voortreffelijke redeneering! doch hoe slaagt men er in, zijne verbeelding te beteugelen? Ik beproefde het, en nu en dan scheen het mij naar wensch te gelukken; doch het gebeurde ook vaak, dat haar tvranieke willekeur triomfeerde, en dan, dan schreide ik____ en was beschaamd over mijne zwakheid!
VIII.
ly^ij moogt u nog gelukkig achten, sprak ik tot mij-zelven, dat men u eene kamer gelijkvloers heelt aangewezen, die uitzicht geeft op de binnenplaats, waar uw kleine vriend zich met u kan onderhouden. Onderhouden? Inderdaad, wij voeren lange gesprekken door teekenen en gebaren. Wat al dingen zeggen wij elkaar, door de steeds veranderde uitdrukking van oogen en gelaat! hoe bevallig zijn immer 'sjongskens gebaren, hoe zoet en onschuldig is de glimlach om het altijd bewegelijke mondje! hoezeer doet hij zijn best, om mij aangenaam te zijn! hoe wèl begrijpt hij, dat ik hem liefheb met al de genegenheid mijns harten! Niemand vermoedt zulks, en toch ben ik eenigermate de onderwijzer van het kind. Door onophoudelijk de stomme oefening der teekenen te herhalen, wordt ons de conversatie eiken dag gemakkelijker ; naarmate hij beter inziet, dat ik hem verlicht en zijn verstand ontwikkel, zal hij zich meer aan mij hechten. Ik zal voor hem de genius der rede en der goedheid zijn; hij zal mij zijne smarten, zijne genoegens, zijne wenschen toevertrouwen; en ik, ik zal hem kunnen troosten, zijn karakter adelen, geheel zijn gedrag bestieren. Wie weet, of men niet, door de berechting mijner zaak van maand tot maand uit te stellen, mij hier zal laten verouderen ? Wie weet, of dit kind zich niet onder mijne oogen zal ontwikkelen, niet geschikt zal worden om eene betrekking in dit huis van ellende waar te nemen ? Wat zal er van dit blijkbaar begaafde jongsken geworden? Helaas ! niets, tenzij wellicht een «secondino» of iets dergelijks. Maar toch â verricht ik niet een goed werk, door zijn karakter te vormen, door in zijn hartje het zaad van deugd en minzaamheid te strooi-
3o
en? Die gedachten waren zeer natuurlijk. Ik heb altijd veel van kinderen gehouden, en liet ambt eens onderwijzers scheen mij verheven en liefelijk. Sedert jaren was ik gouverneur bij Giacomo en Giulio Porro, twee veelbelovende jongelieden, die ik liefhad als waren ze mijne kinderen en die ik steeds zal blijven beminnen. God weet, hoe dikwijls ik in mijn kerker aan hen dacht! Welk eene marteling was het voor mij, hunne opvoeding niet te kunnen voltooien! Hoe vurig wenschte ik, dat zij een anderen leeraar en opvoeder mochten vinden, die hen liefhad en kende zooals ik!
Nu en dan maakte ik, droef te moede, eene vergelijking. Welk eene treurige parodie ! in stede van Giacomo en Giulio, de naar geest en lichaam en fortuin rijk begaafde jongelieden, heb ik nu als leerling een arm, doofstom kindeken, bedekt met lompen, den zoon van een dief....., die hoogstens een «secondino»,
een shire kan worden.
Die overpeinzing ontmoedigde mij nu en dan ; maar nauwelijks drong de kreet van mijn beschermeling tot mij door, of
31
mijn bloed stroomde sneller door mijne aderen, gelijk hel bloed van een vader, die de stemme van zijn lieveling hoort, /^ijn kreet en het zien van zijn bleek en schrander gelaat verjoeg uit mijn geest elke gedachte aan zijne afkomst en huidige levenspositie. Was het zijne schuld, dat zijne tong haren dienst weigerde, dat hij uit de heffe des volks sproot ? Eene kinderziel is in de jaren der onschuld steeds beminnelijk, eerbiedwaardig.
En mijne gehechtheid aan het knaapje werd dagelijks inniger ; het scheen mij toe, dat zijn verstand zich ontwikkelde, en meer dan ooit was ik besloten, alles, wat in mijn vermogen stond, voor hem te blijven doen. Werd later misschien, zoo peinsde ik, de dcure des kerkers voor mij geopend, zoude ik dan niet mijn beschermeling op eene school voor doofstommen kunnen plaatsen, en hem een werkkring ontsluiten, eervoller dan de loopbaan van sbire ?
Terwijl mij dit zoete beeld vóór den geest zweefde, kwam een der usecondiniv in mijne kamer, zeggende :
«De signore veranderd van verblijf».
â Wat bedoelt gij» ?
ââ Wij hebben last, den signore naar een ander vertrek te geleiden».
â Waarom» ?
â Men heeft weder een aanzienlijk heerschap gevangen, en daar deze kamer de beste is, begrijpt de sign or O).......
Ik begrijp u ; deze kamer is voor de eerstaangekomenen bestemd.»
Men voerde mij naar een meer verwijderd deel van de binnenplaats ; maar ach ; ik bevond mij daar niet gelijkvloers en moest derhalve den omgang met mijn lieveling derven. Over de binnenplaats gaande zag ik het dierbare kind nedergehurkt, blijkbaar zeer treurig te moede ; hij achtte mij van zich verloren. Een oogenblik daarna stond hij op en snelde op mij toe. De usecon-dinin wilden hem wegjagen ; maar ik nam het jongsleen in mijne armen, omhelsde hem twee-, driemalen met teederheid en aandoening en nam bitter schreiende afscheid van het kleinood mijner liefde, van den engel mijns troostes.
IX.
ijquot; arm hart, gij bemint zoo gemakkelijk en vurig ! en * tot wat al scheidingen heeft men u reeds veroordeeld ! Deze was voorzeker niet de minst smartelijke, de minst wreede; ik voelde zulks te meer, daar ik mijn nieuw verblijf in hooge mate somber en treurig zou bevinden: een duister, onzindelijk vertrek, met een venster, waarin men de glasruiten door papier had vervangen, met grauwe muren, waarop met houtskool dingen waren geschreven, die mijne pen niet durft herhalen. Vele dier regelen gaven slechts den naam en de geboorteplaats van een rampzalige, die vóór mij dit verblijf had bewoond, te kennen; doch in andere werden valsche vrienden, of het ongeluk-zelf, eene vrouw of een rechter gevloekt, de God van Hemel en aarde afschuwelijk gelasterd. Nog andere hielden eene korte biographic van den schrijver in, of behelsden zedespreuken. O. m. las ik op zekere plaats van den muur Pascals ' woorden :
«Dat zij, die den godsdienst bestrijden, tenminste leeren, «dat hij bestaat, vóór dat zij hun strijd aangevangen. Wanneer «de godsdienst voorgaf, den Almachtige helder te zien, Hem «ongesluierd en onverholen te bezitten, dan koude men hem «bestrijden, door te zeggen, dat men ter wereld niets vindt, «waarin Hij zich duidelijk laat aanschouwen. Maar de gods-«dienst verklaart integendeel, dat de menschen in duisternis «leven en verwijderd van God, die zich voor het oog hunner «kennis heeft verborgen en zich-zelf in de Schriftuur Deus
* Pascal was een der meest beroemde christen philozofen der XVIIde eeuw, maar viel ongelukkigerwijze in de dwaling van Jansenimus.
33
vabsconditns noemt; . . . derhalve, wat kan het hun baten, nonwctend als zij zijn en bij hun zoeken naar de waarheid, «telkens uit te schreeuwen, dat zij God niet zien!» {Pensees de (iPascal, 2ème parlie, art. 2.)
Een weinig lager vond ik alsnog hetgeen volgt geschreven:
«Het geldt hier in geenendeele het weinig dierbare belang «van eenige, ons vreemde personen, â hier is sprake van «ons-zelf, van al hetgeen wij zijn en hebben. De onsterfelijk-«heid der ziel is voor ons van zoo hoog belang en betreft ons «van zoo nabij, dat men alle gevoel moet hebben verloren, «wil men onverschillig zijn voor de wetenschap van hetgeen «heur aangaat.» {Pascal, Pensees, 2cine partic, art. 2.)
34
kerkers tot geloof en godsdienst worden teruggevoerd. Ik toonde een «secondino» die verschrikkelijke regelen, en vroeg hem, wie ze had geschreven. «Het verheugt mij», luidde het antwoord, «dit geschrijf te vinden; men ziet overal zooveel van die kladderijen, en ik heb zoo weinig tijd om te zoeken!»
En zonder nog een woord te verliezen greep hij zijn mes en deed de inscriptie van den muur verdwijnen.
«Waarom?» luidde mijne vraag.
â Omdat de arme duivel, die al dit fraais heeft geschreven, wegens opzettelijken doodslag is gehangen. Hij had berouw, en verzocht mij, die leelijke dingen weg te nemen.»
â â God vergeve hem!» riep ik uit; «op wien heelt hij een moord begaan?»
â Daar hij zijn vijand niet kon treffen, nam hij wrake op diens zoon, een lieftallig kind» . . .
Ik sidderde var fgrijzen. Kan de bloeddorst zóó ver gaan ? En zulk een monster sprak in hooge mate laatdunkend, als ware hij boven alle menschclijke zwakheden verheven! Een onschuldige, een kind dooden ! . . .
X.
een
â 36 â
deugd, ook gij hier? . . . (Hij was gelukkiger dan ik, aangezien hij na verloop van eenige weken in vrijheid werd gesteld.)
Het zien van een rechtschapen, edel mensch troost en sterkt mij, doet mij denken en beminnen. O, wat is het zoet, te denken en lief te hebben! Ik hadde mijn leven geofferd, om Gioia uit zijne gevangenis te redden, en toch â zijn aanblik was mij zoo dierbaar ....
Langen tijd bleef ik naar hem zien, poogde te raden, of hij kalm dan wel onrustig en droef te moede was, vormde uit mijns harten grond vurige wenschen voor zijne redding â en was dan tevreden over mij-zeiven. moedig en opgeruimd. Dit bewees mij opnieuw, dat de aanblik van een dierbaar wezen voldoende is, om de smart der eenzaamheid te lenigen. Die weldaad was mij de eerste maal verschaft door een arm, stom knaapje, en nu dankte ik haar aan het zien van een groot en edel en verdienstelijk man.
Misschien had een gevangenbewaarder Gioia mijn verblijf aangeduid. Zekeren morgen opende hij zijn venster en wuifde, als groet, met zijn zakdoek. Ik antwoordde hem op dezelfde wijze, O, welk eene zoetheid overstroomde nu mijne ziel ! Het scheen mij toe, dat de afstand was verdwenen, dat wij bij elkander waren. Mijn hart klopte met hoorbare slagen in mijn boezem. Wij maakten gebaren, zonder elkander te begrijpen en met denzelfden ijver, als hadden wij elkander volkomen begrepen ; of, juister gezegd, wij begrepen elkander wel : die gebaren drukten uit wat er in onze ziel omging, en de een wist, wat de ander gevoelde.
Wat al troost kon zulk een vriendengroet mij voortaan bieden! Maar de toekomst is daar, en de groeten worden niet meer gewisseld . . . Telkens, wanneer ik Melchiore zag, wuifde ik met mijn zakdoek, maar tevergeefs . , . Een «secon-dino» zeide mij, dat men Cfioia streng had verboden, mijne gebaren uit te lokken of te beantwoorden. Echter zag hij mij aan, cn ik zag hem aan en zoo verhaalden wij elkander duizend dingen.
Onder de galerij, waarop mijn venster uitzicht bood, zag ik van den morgen tot den avond lotgenooten, door «secon-dinii) begeleid, voorbijgaan. Zij werden in verhoor genomen en keerden daarna in hun kerker terug. Het meerendeel hunner
37
waren mannen uit de heffe des volks; maar tocli zag ik er eenigen met fatsoenlijk voorkomen. Schoon ik hen, daar zij snel voorbijgingen, niet dan vluchtig kon gadeslaan, trokken zij mijne opmerkzaamheid; door allen werd, in meer of mindere mate, het medelijden mijns harten opgewekt. Dit treurig schouw-spel verzwaarde aanvankelijk mijn lijden; doch langzamerhand werd ik er aan gewoon en vond cr een weinig verstrooiing in.
^.CTVOAV/ V 'V â V,\lt;gt;A^ .^A^vv.vvyy^ vQ-.y^ yC-^O- ^®)
v i n de nabijheid mijner gevangenis bevond zich eene andere, ^ door eenige mannen bewoond; ik hoorde hen bijwijlen spreken. Een hunner scheen gezag over de anderen uit te oele-
nen, niet omdat hij van doorluchtiger geboorte was, maar wegens zijne brutale stoutmoedigheid en zijne altijd vaardige tong. Hij speelde den geleerde, den bet- en al-weter; hij redetwistte gaarne, dwong door hard schreeuwen de anderen tot zwijgen, dreigde
- 39 -
hen zelfs. Wilden zij aanvankelijk zijne meerderheid niet erkennen, ten slotte zegevierde immer zijne klinkende argumentatie, en werd hem gelijk gegeven.
Ongelukkigen! niemand hunner kon het lijden des kerkers verzachten, niemand den anderen spreken over den troost van een godsdienst van reinheid en lieide.
Het hoofd mijner naburen groette mij, en ik beantwoordde zijn groet zoo beleefd mogelijk. Hij vroeg mij, hoe «dit vervloekte leven» mij beviel. Mijn antwoord luidde, dat het leven, hoe treurig ook, voor mij nimmer een «gevloekt» leven kon zijn, en dat ik tot mijn dood zou trachten, mijner ziele het geneucht van denken en beminnen te verschaffen.
«Wat bedoelt de signore?»
Ik verklaarde mij nader, en werd niet begrepen; en toen ik na eene, mijns bedunkens wel gekozen inleiding den moed had, als voorbeeld de tecderheid van den kleinen doofstomme aan te halen, klonk eensklaps uit den mond van het achtbare hoofd der dieven een ruwe schaterlach.
«Wat is er? wat is er?» werd nu van alle zijden gevraagd.
De slechtaard herhaalde mijne woorden op bespottelijke wijze, en al zijne gezellen lachten in cJionis. Ik gevoelde mij niet weinig ontnuchterd en maakte eene weinig benijdenswaardige figuur.
Het gaat in den kerker ais in de wereld: Zij, wier laatdunkende wijsheid in hoogmoed en morren en egoismc bestaat, beelden zich in, dat het dwaasheid is, medelijden te hebben, te beminnen, te troosten.....
XII,
k liet hen vrij lachen en zeide niets meer. Mijne buren richtten nog vier of vijf malen het woord tot mij; maar ik bleef onverbiddelijk doof, en hoorde hen nog zeggen:
«Hij zal niet meer aan het venster zijn; hij is weggegaan. Zeker is hij over ons lachen boos geworden.»
Zoo keuvelden zij eenigen tijd voort. Eindelijk gebood de man des gezags allen, die zich op mijne kosten vroolijk maakten, «hun b.. te houden.»
«Zwijgt, st........,» vervolgde hij, «gij weet niet,
wat gij zegt. Onze buurman is niet zoo gek, als hij er uit ziet. Wat mij betreft, ik lach, maar vervolgens begin ik na te denken. Een weinig meer opgeruimde vriendelijkheid, een beetje meer liefde, een schijntje meer geloof aan de weldaden des Hemels, â toe, zegt mij eens oprecht: wat zou dit alles be-teekenen ?»
â Nu ik nadenk», zei een ander, «komt 't mij voor, dat hij een beetje fatsoenlijker is, dan gij of ik. Dit nu is wel de beteekenis van al het mooie, dat gij opnoemt.»
â Bravo» ! riep de geweldenaar met stentoi-geluid ; «deze maal begin ik een weinig eerbied voor je hersenkast te krijgen.»
Het streelde, wel-is-waar, mijn hoogmoed niet bijzonder, dat ik werd aangezien als «een beetje fatsoenlijker, dan een boef en straatroover» ; maar toch verheugde het mij, dat die ongelukkigen tot juister inzicht waren gekomen en, voor het oogenblik althans, niet geheel ongevoelig voor het betere schenen.
Ik maakte eenig gedruisch bij het venster, als wilde ik de conversatie hervatten. Het dievenhoofd riep mij ; ik antwoordde, in de hoop, dat hij nu zou moraliseeren op de wijze, door mij beoogd. Ik bedroog mij. Soortgelijke menschen
â 41 â
houden niet van ernstige taal. Schittert eene groote waarheid in vollen glans vóór hun blik, dan kunnen zij een oogenblik toejuichen ; maar spoedig schamen zij zich over hunne «zwakheid)) en meenen, dat zij, door die waarheid in twijfel te trekken en ze belachelijk te maken, een bewijs van onafhankelijkheid huns geestes leveren.
Hij vroeg mij daarna, of ik voor schulden gevangen zat.
«Neen.»
â Zijt ge wellicht van oplichting beschuldigd ? valsch, â natuurlijk.»
â Men legt mij iets anders ten laste.)-
â Doodslag ?«
â God-dank, neen.»
â Carbonarisme ?»*
â Geraden !»
â Wat zijn toch die heeren carbonari ?n
â Ik ken de signori zoo weinig, dat ik het u waarlijk niet kan zeggen.» ....
Een «secondino» onderbrak ons hier met edele verontwaardiging, en na mijnen buren grove verwijtingen naar het hoofd te hebben geslingerd, richtte hij zich tot mij en sprak op den toon eens zedemeesters, veeleer dan op dien van een sbire :
«De signore moest zich schamen, met zulke lieden een gesprek aan te knoopen. Weet de signore niet, dat hij met dieven converseert ?»
Ik bloosde ; daarna bloosde ik over mijn blozen, en 't scheen mij toe, door met die ongelukkigen te spreken eene goede daad te hebben verricht, in stede van eene fout begaan.
* Carbonarisme = lid-naatschap van een geheim, staitsgevaarlijk genootschap.
XIII.
en volgenden morgen begaf ik mij naar het venster om Mclchiore Gioia te zien, doch ik waagde liet niet meer, de dieven aan te spreken. Ik beantwoordde hun groet en zeide, dat het mij verboden was, een onderhoud te voeren.
Een weinig later ontving ik bezoek van den rechter, die mijne instructie had geleid ; hij kondigde mij een bezoek aan, «dat mij veel genoegen zou doen», en mij genoegzaam voorbereid achtende voegde hij er bij : «Het is uw vader, volg mij.»
Ik volgde hem naar zijne bureaux ; mijn hart trilde van blijdschap in mijn boezem en teneinde mijnen armen vader gerust te stellen deed ik mijn best om een kalm en opgeruimd voorkomen aan te nemen.
Van mijn arrestatie bericht ontvangende, meende hij, dat eene valsche verdenking op mij rustte, en ik spoedig in vrijheid zou worden gesteld? maar ziende, dat mijne hechtenis bleef voortduren, was hij bij het Oostenrijksche gouvernement mijn voorspreker geweest. Treurige illusie! hij kon niet gelooven, dat ik vermetel genoeg was geweest om mij aan de strengheid dei-wetten bloot te stellen, en de gemaakte opgeruimdheid mijner woorden overtuigde hem te meer, dat geen ongeluk mij bedreigde.
Het korte onderhoud, ons toegestaan, ontroerde mij hevig, â te heviger, daar ik mijn best deed om die ontroering te verbergen. Vooral op het oogenblik des scheidens gelukte het mij nauw, mij-zelven meester te blijven.
In de omstandigheden, waarin Italië destijds verkeerde, achtte ik het ontwijfelbaar, dat Oostenrijk een afschrikkend voorbeeld zou stellen, dat ik óf ter dood óf tot eene lange en
harde gevangenisstraf zou worden veroordeeld. Voor een vader die smartelijke overtuiging ontveinzen, hem cene dwaze, ongegronde hoop doen opvatten; niet in tranen uitbarsten, wanneer ik zijn kus ontving; hem spreken over mijne innig geliefde moeder, over mijne broeders en zusters, die ik op aarde nimmer zou wederzien; hem vriendelijk en kalm uitnoodigen, zoo mogelijk zijn bezoek te herhalen â nooit leed ik zooveel, nooit werd mijne ziel zoo wreed verscheurd, nooit moest ik mij heviger geweld aandoen!
Wat mijn vader betreft, hij keerde vol hoop en moed huiswaarts. Nauw was ik alleen, of ik hoopte, mijn gemoed door tranen te kunnen ontlasten. Die verlichting was mij niet vergund, geene traan ontwelde aan mijn brandend oog. Het ongeluk, niet te kunnen schreien als men nijpende smart gevoelt, is onmetelijk zwaar; ik zou het zoo menigweri ondervinden !
Spoedig werd ik door hevige koorts en ondraaglijke hoofdpijn aangetast. Ik kon den geheelen dag geen lepel soep over mijne lippen krijgen. Wellicht, sprak ik tot mij-zelven, is de ziekte doodelijk en zal mijn lijden spoedig een einde nemen.
Laffe en dwaze wensch! God verhoorde hem niet, en ik dank daarvoor den Hemel, niet slechts omdat ik, na eene kerkerstraf van tien jaren, mijne familie mocht wederzien en mij thans gelukkig gevoel, maar ook omdat het lijden 's menschen waarde verhoogt. En ik durf betrouwen, dat eene jarenlange marteling voor mij niet vruchteloos bleef.
XIV
ijn vader kwam na verloop van twee dagen terug. Ik had dien nacht eenige rust genoten, en voelde geene koorts.
Opnieuw poogde ik, mij opgeruimd te toonen, en niemand vermoedde ook slechts eenigermate, wat ik had geleden en nog leed.
«Ik betrouw,» sprak mijn vader, dat ge binnen weinige dagen naar Torino zult worden teruggezonden. Reeds hebben wij uwe kamer in gereedheid gebracht en wachten u met ongeduld. De plichten van mijn ambt dwingen mij, huiswaarts te keeren. Zorg toch, bid ik u, dat ge spoedig bij ons komt!»
Zijne weemoedige teederheid verscheurde mij de ziel. Veinzen scheen mij een plicht der kinderliefde, en toch gevoelde ik daarover eenige wroeging. Zoude het mijns vaders en mijner niet waardiger zijn, te zeggen: «Waarschijnlijk zien wij elkander in deze wereld niet meer; scheiden wij als mannen van hart en godsdienst, en . . . zegen mij voor de laatste maal, lieve, goede vader!»
Ik zou aan die taal boven alle veinzerij de voorkeur hebben gegeven; maar ik zag dien eerbiedwaardige!! grijsaard in de oogen, ik beschouwde zijne trekken, zijne witte haren, â en de vrees, dat de ongelukkige niet de kracht zou bezitten om zulke dingen te aanhooren, sloot mij de lippen ....
Indien ik hem door mijne onvoorzichtigheid aan wanhoop zag prijsgegeven, indien ik hem wellicht dood in mijne armen hield!
Ik moet hem te iederen prijze de waarheid, zij 't slechts een deel der waarheid, verbergen: mijne geveinsde kalmte bracht
â 45 â
hem, gelukkig, op een dwaalspoor. Wij namen afscheid, zonder eene traan te storten; maar in de gevangenis teruggekeerd, leed ik nog heviger dan de eerste maal. Weder te vergeefs poogde ik, mijn gemoed door schreien te ontlasten.
Mij te onderwerpen aan het lijden eener schier eindelooze gevangenschap, gelaten het schavot te beklimmen â dit was niet boven mijne krachten; doch nimmer zou ik sterk genoeg zijn, om de smart, die mijn vader, mijne moeder, mijne broeders en zusters over mijn ongeluk zouden gevoelen, te aanschouwen.
Ik wierp mij op de knieën, drukte mijn brandend voorhoofd op de koude steenen en bad, vuriger dan ooit eenig gebed over mijne lippen was gevloeid:
«Mijn God, alles neem ik met onderwerping uit de hand uwer liefde aan; doch gewaardig U, voor hen, die mij zoo teeder minnen, de smart over mijn ongeluk te verlichten. Geef, o mijn God, dat door mijne schuld hun leven ook niet met één dag worde verkort!»
O troost van het gebed! verscheidene uren bleef mijne ziel tot God verheven, en mijn betrouwen werd vaster, naarmate ik 's Hecren goedheid beter begreep, naarmate ik langer peinsde over de grootheid der menschelijke ziel wanneer zij, wars van alle zelfzucht, beur best doet, om geen anderen wil te hebben, dan dien der oneindige Wijsheid.
O ja, dit is mogelijk. Dit is de plicht van het redelijk schepsel. De stemme der rede, de stemme Gods gebiedt te alle tijde, voor geen offer terug te deinzen, waar het geldt den onmeteiijken schat der ware deugd; en zal het offer, dat wij aan de deugd moeten brengen, volmaakt zijn, indien wij, door hevig lijden bezocht, morren tegen den wil van Hem, die het beginsel en de bronne is van alle deugd?
Blijkt 's Hoeren wil, dan is het slechts geoorloofd, kracht naar kruis te vragen voor ons-zelf en voor hen, die ons lijden ongelukkig maakt. En zulk een vurig gebed vindt steeds verhooring !
XV.
enige dagen verliepen, en ik bleef in denzelfden toestand, d. w. z. : weemoedig, maar vol vrede en troost. Het scheen mij toe, dat ik over mijne zwakheid zegevierde, en dat voortaan geen doodelijke onrust mijne ziel zou kwellen. Dwaze illusie! 's Menschen plicht is het, naar volkomen standvastigheid te streven.; maar ach! dit verheven doel wordt op aarde niet bereikt. Waardoor werd de ruste van mijn gemoed opnieuw verstoord? Door het zien van een lotgenoot, vaneen warm-toegenegen vriend, door het zien van Pietro, die, terwijl ik aan het venster stond, op eenige schreden afstand voorbijging. Men had hem uit zijne kamer gehaald en voerde hem naar de strafgevangenis.
Pietro en zij, die hem vergezelden, gingen zoo ras voorbij, dat ik nauwelijks tijd had, zijn groet te ontvangen en te beantwoorden.
Arme jonkman! in den bloei der jaren, met eene buitengewone begaafdheid, die veel voor de toekomst beloofde, met een rechtschapen, beminnelijk karakter, werd hij voor politieke misdrijven gekerkerd, en dit in omstandigheden, die ontwijfelbaar de strengste toepassing der wet zouden uitlokken!
Ik gevoelde een zoo hevig medelijden met hem, eene zoo groote bitterheid, hem niette kunnen bevrijden of troosten, dat niets mijn hart zijne weemoedige rust kon terugschenken. Ik wist, hoe vurig hij zijne moeder, zijne zusters, zijn broeder liefhad; hoe oprecht hij verlangde, hen gelukkig te maken, in welke mate zijne genegenheid werd beantwoord. Ik begreep, hoe schrikkelijk zwaar zij door Piclros ongeluk moesten lijden, ik begreep, dat ook zij diep rampzalig waren. Geene woorden
â 47 â
vind ik, om uitdrukking te geven aan de gevoelens van toorn, die mij overmeesterden; en die woede werd heviger, naarmate ik meer tot het besef van mijne machteloosheid kwam, naarmate ik duidelijker inzag, dat mijn vorige wensch niet in vervulling kon gaan.
Maar die wensch-zelf was eene illusie.... O zwaar beproefde zielen, gij die u ter prooi waant aan een schikkelijk, eeuwig, altijd nieuw, altijd heviger lijden, oefent een weinig geduld, en gij zult uwe dwaling inzien ! Een volmaakte vrede, eene volkomen rust duren op aard' slechts korten tijd. Het is noodig, van deze waarheid diep overtuigd te zijn, wil men in de ure des geluks niet hoogmoedig worden, ten tijde der bezoeking niet aan wanhoop ten prooi vallen....
Op dien langen aanval van woede volgden uitputting en dolle gevoelloosheid. Maar ook de gevoelloosheid is niet van langen duur, en ik vreesde, mij voortaan van het eene uiterste in het andere te zien slingeren. Zulk een vooruitzicht joeg mij schrik aan, en nogmaals nam ik mijn toevlucht tot een warm gebed.
Ik smeekte God, mijn vriend Pietro bij te staan zooals mij, en zijne familie zooals de mijne. En weder â ik getuige het innig dankbaar â schonk het gebed mij kalmte en vrede !
XVI.
oen ruste en gelatenheid in mijne ziel waren teruggekeerd, dacht ik na over den storm, die in mij woedde, en blozende over mijne zwakheid poogde ik, een middel daartegen te vinden. Ziehier, hoe ik mijn doel kon bereiken. Nadat ik lederen morgen mijn hart tot de Bronne van allen troost had verheven, was het mijne eerste bezigheid, mij ijverig en moedig alle gebeurtenissen vóór den geest te stellen, die mij in den loop der dagen hevig zouden kunnen ontroeren. Mijne verbeelding hield zich met elk dier gebeurtenissen onledig, en ik trachtte dan, mij daarop voor te bereiden. Zoowel het bezoek mijner dierbaren als de verschijning des beuls waren mogelijk en werden als zoodanig in bijzonderheden door mij overwogen. Die treurige oefening scheen mij bijwijlen ondragelijk, maar ik wilde volharden, en weldra bleek mij liet groote nut dier zelfpijniging.
Den eersten dag van het jaar 1821 ontving Graaf Porro verlof, mij een bezoek te brengen. De teedere vriendschap die ons verbond, de behoefte, elkander zooveel te zeggen, de onaangename tegenwoordigheid van een griffier, de korte oogenblikken, ons toegestaan, de sombere voorgevoelen, die mij kwelden, dc inspanning, die wij beiden ons gaven om kalm te schijnen â alles zou, naar ik duchtte, in mijn hart een geweldigen storm doen losbreken. Edoch â Porro verwijderde zich, en ik, o jubel, bleef ruste genieten, ik was bedroefd, doch kalm en gelaten.
De moeite, die ik mij voortdurend gaf om kalm te blijven, getroostte ik mij niet zoozeer om mijn lijden te verminderen, dan wel omdat overdreven onrust mij verachtelijk, des menschen
onwaardig voorkwam. Een fel bewogen geest redeneert niet meer; heen en weer geslingerd door een stroom van dwaze, overdreven denkbeelden, vormt hij zich eene valsche, toornende logica; hij verkeert in een staat, èn wijsbegeerte èn christendom te eenenmale vijandelijk.
Indien ik tot het predikambt was geroepen, zoude ik vaak met nadruk op de hooge noodzakelijkheid der gemoedsrust wijzen; zonder haar kan men niet deugdzaam zijn. Hoe vreedzaam was Hij voor Zich-zell en voor anderen, Hij, Dien wij moeten navolgen! Geene grootheid van ziel, geene gerechtigheid, zijn onze denkbeelden niet kalm en gematigd, drijft onze geest niet veeleer den spot met de gebeurtenissen van dit kort en vluchtig leven, dan dat hij zich daarover beige. Toorn heeft slechts dan eenige waarde, wanneer hij noodzakelijk is om den slechtaard zijne fout te doen inzien, hem van zijne verkeerdheid te overtuigen.
Misschien bestaat er eene andere soort van woede, minder verwerpelijk en veroordeelenswaardig, en die ik niet ken ; maar de toorn, waaraan ik mij tot dusverre had overgegeven, was geen toorn van zuiver genegenheid; hij mengelde zich met haat, hij deed in mijn hart den wensch ontstaan, de maatschappij en hare leden met zwarte, verfoeilijke kleuren te schilderen. Voorwaar eene overal doorgedrongen ziekte! men waant zich beter
door anderen te verafschuwen____ Het schijnt, dat alle vrienden
elkaar in het oor fluisteren: «Hebben wij elkander lief in een «onder-onsjeD. Door alle menschen als verachtelijk plebs uit te krijten, zullen wij anderen doen gelooven, dat wij hall-goden zijn. »
Hoe zonderling! het schijnt zoo behagelijk, in toorn te leven, men beschouwt dit vaak als heldhaftig. Indien het subject, waartegen ik nu in woede uitvaar, morgen is verdwenen, moet er een ander komen. «Over wien zal ik mij deez' dag
beklagen?____ Tegen wien zal ik nu toornen?____ Wien zal ik
nu haten?____ Wil dan, om mij te kwellen, niemand een monster
zijn?.... ü vreugde! Eureka ! Komt mijne vrienden, laten wij hem verscheuren» !____
Zoo handelt de wereld, en zonder hare reputatie onverdiend te bezwalken, meen ik, te mogen zeggen, dat zij slecht handelt.
XVII.
Afgiet ware voorzeker geene groote fout geweest, mij te be-klagen over het mij aangewezen vertrek. Gelukkigerwijze kwam eenc andere cel vacant, en men was vriendelijk genoeg, mij die te geven.
Daarheen gaande groette ik twee arme dieven, die naar buiten gluurden. Het «hoofd» was er niet; maar door zijne gezellen verwittigd, kwam hij toegeloopen en groette mij op zijne beurt. Daarna begon hij twee versregelen te zingen, welke hij eenige malen van mij had gehoord :
v()ui rende alia vieschina La sua felicita»?
Wilde hij zich te mijnen kosten vroolijk maken ? Stelde ik vijftig personen die vraag, negen-en-veertig zouden mij antwoorden: ja. Doch ten spijt van die verpletterende meerderheid ben ik geneigd, te gelooven, dat de goede dief het oogmerk had, mij eene beleefdheid te bewijzen. Ik beschouwde zijne handeling als zoodanig, was hem dankbaar en knipte hem nog een oogje; en hij zag mij blijkbaar noode heengaan, want hij stak de armen door de traliën, zwaaide met zijne muts en bleef mij groeten, tot ik mij omkeerde om den trap af te dalen.
Op de binnenplaats komende, voelde ik mij eenigerraate getroost: de kleine doofstomme was onder den zuilengang. Hij bemerkte mij, en reeds trippelden zijne beentjes naar mij toe; maar de vrouw des cipiers greep hem bij den kraag en duwde hem binnen. Het speet mij, hem niet te kunnen omhelzen; maar toch was het voor mij een troost, te zien, dat
â 52 â
«Neen», luidde mijn antwoord, «ik ben Italiaan en heet Silvio Pcllico. ii
â De schrijver van Francesco, da Rimini» ?
â Juist i).
En hij complimenteerde mij op kiesche wijze en gaf zijn leedwezen over mijne gevangenschap te kennen.
Daarna vroeg hij, in welk oord van Italië ik het levenslicht aanschouwde.
«In Picmont)), zeide ik; «mijne geboorteplaats is Saluco).
Weder volgde een compliment over het karakter en de geestigheid der Piemonteezen, en eene loftuiting over Salnce's beroemde mannen, in 't bijzonder over Bodini.
De uitdrukkingen van mijn lotgenoot waren zoo keurig en fijn beschaafd, dat zij duidelijk den man van opvoeding en hoogen stand verriedden. Ik vroeg nu op mijne beurt :
«Is het mij geoorloofd, uw naam te weten» ?
â Gij hebt mijne verzen gezongen».
â De beide fraaie strophen op den muur zijn dus van u» ?â¢
â Ja, Mijnheer».
â Gij zijt dus ....»?
â De ongelukkige Hertog van Normandië» !
XVIII.
e cipier ging voorbij cn legde ons het zwijgen op.
De ongelukkige Hertog van Normandie\ herhaalde ik schier werktuigelijk. Werd niet dit praedicaat den zoon van Lodewijk XV/ gegeven? Maar dit arme kind is zeker dood. Ik maakte hieruit de gevolgtrekking, dat mijn buurman een der ongelukkigen was, die Lodeivijk XVII wilden doen herleven.
Reeds verscheidene personen hadden zich daarvoor uitgegeven en waren van bedrog overtuigd; zou ik mijn buurman vertrouwen schenken ?
Hoewel ik mijn best deed om te zijner gunste in twijfel te blijven verkeeren, kreeg allengs het ongeloof in mij de overhand; ik slaagde er niet in, die neiging mijns geestes te overwinnen, rnaar besloot niettemin, de gevoeligheid van ^Lodewijk XVIh) te sparen, welke dwaasheden mij door Z. M. ook werden meegedeeld.
Eenige ougenblikken later begon hij weder te zingen, waarna wij ons gesprek hervatten.
Op mijne vraag nopens de waarheid in zake-zijne afkomst, antwoordde mijn koninklijke buurman, dat hij inderdaad Lodewijk XI'II was, en hij begon hevig uit te varen tegen Lodewijk XVIII, «zijn oom, den overweldiger van zijne rechten.»
«Waarom hebt gij bij de Restauratie uwe aanspraken niet doen gelden» ?
â Ik lag destijds te Bologne gevaarlijk ziek, en kon mij niet op reis begeven. Nauwelijks hersteld, vloog ik naar Parijs-, ik stelde mij den grooten mogendheden voor, doch men wees mij op het voldongen feit der troonsbeklimming. Mijn oom,
â 55 â
«zorg» van den schurk Simon werd toevertrouwd; hoe men hem dwong, een schandelijken laster tegen de zeden der arme koningin, zijne moeder, te bevestigen, enz. enz. Eindelijk, zoo luidde zijn fraai gestyleerd verhaal â te fraai, om den stempel der waarheid te dragen â kwam men zekeren nacht bij zijn bedje, bevrijdde hem en legde een idioot, Matlmrin genaamd, op zijne plaats. Er stond een koets met vier paarden gereed, en één dier paarden was eene houten machine, waarin hij werd verborgen. Zoo bereikte men gelukkig den Rijn, en toen de grenzen achter den rug waren, bleef de generaal, die hem had bevrijd, (ik ben zijn naam vergeten) eenigen tijd bij hem als onderwijzer en vader. Daarna werd hij naar Amerika gezonden of geleid. De jeugdige koning zonder koninrijk had in de Nieuwe Wereld de meest interessante lotgevallen beleefd ; hij leed honger in de prairiën van de Far West, hij werd soldaat, hij leefde gelukkig en hoog in eere aan het hof van den koning van Brazilië ; daarna werd zijn naam met vuigen laster bezwalkt en moest hij tie vlucht nemen. Tegen het einde van Napoleons regeering keerde hij naar Europa terug, en werd te Napels door Joachim Murat in de gevangenis opgesloten. En nauwelijks in vrijheid gesteld en op het punt, den troon van Frankrijk op te eischen, werd hij te Bologne aangetast door eene noodlottige ziekte, gedurende welke Lodeivijk X VIÃI werd erkend en de kroon ontving.
XIX.
en schijn van waarheid ontbrak niet aan zijn omstandig verhaal. Ik geloofde het niet, maar stond verbaasd. Alle feiten der Fransche Omwenteling waren hem bekend, en zulks niet oppervlakkig, maar in de nauwste bijzonderheden ; hij gewaagde er van op welsprekende manier en kruidde zijn verhaal met de zonderlingste anecdoten. Zijne uitdrukking scheen mij en dan een weinig «soldaatachtig» ; maar toch was het duidelijk merkbaar, dat hij zich den toon der fijnste kringen had eigen gemaakt.
«Kunt ge mij veroorloven», zei de ik, «u zonder omslag te behandelen en u geen titel te geven» ?
â⢠Gij raadt mijn verlangen», antwoordde hij, «mijne ongelukken hebben mij tenminste geleerd, met de ijdelheden der wereld te lachen. En, ik verzeker het u, de hoedanigheid van mensch wordt door mij hooger geschat, dan die van koning»-Eiken ochtend en avond voerden wij een lang gesprek ; en hoewel overtuigd, dat al hetgeen ik in hem had kunnen bewonderen niet meer dan guichelspel was, gevoelde ik toch een weinig sympathie voor den genialen bedrieger. Meermalen was ik op het punt, hem te zeggen ; «Gaarne zou ik ge-looven, dat gij Lodewijk XVII zijt; maar ik beken u openhartig, dat mijne overtuiging met uw beweren lijnrecht in tegenspraak is ; toon u verstandig en geef, wat ik u bidden mag, die dwaze fictie prijs» ! En ik peinsde over een klinkend sermoen, met de afschuwelijkheid der logen â ook wanneer die onschadelijk is â en met den lof der waarheid voor themata. Edoch, ik toefde van dag tot dag ; ik wachtte nog im-
mer o[) eenc toename der wederzijdsche intimiteit en miste voortdurend den moed om mijn plan te volvoeren.
Wanneer ik mij bijwijlen die zwakheid verweet, meende ik, ze te mogen verontschuldigen als strikt noodige beleefdheid, als een gevolg mijner vrees, den «pretendent» te beleedigen enz. Maar die gezochte excuses bevredigden mij niet, en ik belijde openhartig, dat ik nu meer voldaan over mij-zelven ware, indien ik het kleine sermoen had uitgesproken. Geloof aan eenig bedrog voorwenden is lafheid.
O zeker, lalheid ! hoe treffelijk en liefdevol men zijne meening ook inkleede, het blijft immer onaangenaam, lot iemand te moeten spreken : «Ik geloof u niet.» Hij zal boos worden, ik verlies bepaald zijne vriendschap en word misschien op den koop toe beleedigd. Maar elk verlies, elke beleediging, ons aangedaan, is eervoller, dan de logen. En wellicht zal hij, die u, naar gij vreest, zou beleedigen, ziende, dat gij zijn bedrog niet gelooft, uwe oprechtheid bewonderen, daardoor tot nadenken komen en zich beteren.
De «secondini» waren geneigd, te gelooven, dat die man inderdaad Lodcivijk XVII was ; en reeds zoo vaak getuigen van de wisselvalligheden der fortuin, wanhoopten zijerniet aan, hem eens den troon van Frankrijk te zien beklimmen. In de hoop, dat hij zich ten dage zijner glorie hunner in mildheid zou herinneren, waren zij voor den «koning» de dienstvaardigheid-zelf; echter bleven zij voortdurend weigeren, zijne ontvluchting te begunstigen.
Aan die onderscheiding, Z. M. betoond, dankte ik het voorrecht, zijn doorluchtigen persoon te mogen aanschouwen.
58
Hij was van middelbare lengte en misschien een weinig meer dan veertig jaren oud. De familietrekken der Bourbons waren duidelijk op zijn gelaat herkenbaar, en evenals de meeste personen van dit geslacht had hij aanleg tot corpulentie. Waarschijnlijk heeft die in 't oog vallende gelijkenis hem er toe gebracht, eene zoo treurige en dwaze rol te spelen.
l|©E0k nog te anderer zake moet ik mij van zwakheid be-schuldigen. Mijn buurman was geen atheist, en bijwijlen sprak hij zelis met eerbied en genegenheid over godsdienstige dingen; maar toch had hij blijkbaar menig vooroordeel tegen het christendom, dat hij minder in zijn wezen, dan in zijne misbruiken beschouwde. De oppervlakkige philosofie, die in Frankrijk de omwenteling voorafging en haar volgde, had hem verblind. Het scheen hem toe, dat men God reiner en oprechter kan aanbidden, dan overeenkomstig den cultus van het Evangelie, Zonder Condillac en Tracy grondig te kennen, achtte hij dezen hoog als diepe denkers, en hij verklaarde, laatstgenoemde aan te zien als de ware leidstar bij alle na-vorschingen der metaphyziek.
Ik, die grondiger studiën in de wijsbegeerte had gemaakt; ik, die de zwakheid der leer van het rationalisme volkomen begreep; ik, die de monsterachtige dwalingen der critiek kende, door middel waarvan de goddelooze eeuw van Voltaire het christendom had willen bezwalken; ik, die Guenée en anderen, wier echte wetenschap der valsche critiek het masker heeft afgerukt, had gelezen; ik, die volkomen was overtuigd, dat men niet tegelijkertijd het bestaan van God kan aannemen en de waarheid des Evangelies loochenen; ik, die het lal en verachtelijk vond, zich door den stroom der anti-christelijke denkbeelden te laten medesleepen, en niet met eigen oog te willen aanschouwen, hoe eenvoudig en verheven het katholicisme in zijn eigenlijk wezen is, â ik was overgegeven aan de zwakheid van het menschelijk opzicht!
â Oo â
De niets-zeggende snoeverijen des «konings» sloten mij den mond, hoewel ik hare dwaasheid inzag. Ik ontveinsde mijn gelool', ik bleef aarzelen, ik overwoog, of het wel raadzaam was, die zotternijen tegen te spreken ; ik maakte mij diets, dat opwerpingen van mijne zijde geen nut konden stichten, en... ik zweeg.
Lafheid! Wat baat u het trotsche gunstbetoon van meeningen, die overal gangbaar zijn, maar eiken grondslag missen ? Ontijdige ijver sticht, wel-is-waar, meer kwaad, dan men zou vermoeden; maar ner en eenvoudig zijn geloof belijden, wanneer de omstandigheid zulks van noode maakt, uitkomen voor hetgeen men als gewichtige waarheid beschouwt, dit zelfs doen, wanneer men vooruit weet, dat men geene instemming maar in stede daarvan zekere minachting zal vinden â dit is een dure, heilige plicht. En die edele verklaring kan worden afgelegd, zonder dat men daardoor den schijn van hoogmoed of dweepzucht op zich laadt.
Het is plicht, te allen lijde eene waarheid, die ons belangrijk voorkomt, te belijden; want al slaagt men er niet in, anderen onmiddelijk te overtuigen, toch kan die waarheid hunne zielen voorbereiden, eene grootere mate van onpartijdigheid in hunne gevoelens te weeg brengen en langs dezen weg tot de zegepraal van het licht voeren.
. :
XXI.
ik bleel eene maand en eenige dagen in het thans bewoonde vertrek. In den nacht van 18 op 19 Februari 1821 ontwaakte ik uit mijn sluimer door het knarsen van sloten.
Mijne eerste gedachte was, dat ik zou worden vermoord. Maar terwijl ik verschrikt opzag, naderde Graaf R . . . mijne legerstede en verzocht mij bele«fd, mij te kleeden en voor het
vertrek gereed te maken.
â 62
Die uitnoodiging verrastte mij, en ik was dwaas genoeg, te hopen, dat ik over de grenzen van Piemont zou worden geleid.. Is het mogelijk, dat zulk een hevig onweder zich aldus verwijdert? Ik zou haar nog bezitten, die zoete vrijheid! Ik zou mijne dierbaren wederzien, hen spoedig aan mijn hart drukken !
Die streelende gedachten hielden mij eene korte wijle bezig. Ik kleedde mij in grooten haast en volgde hen, die mij zouden geleiden, zonder mijn buurman een woord van afscheid te kunnen toevoegen.
«Waar gaan wij heen» ? vroeg ik den graaf, terwijl ik met hem en een officier der gendarmerie het rijtuig besteeg.
â Het is mij niet geoorloofd, die vraag te beantwoorden, vóór dat wij op eene mijl afstand van Milaan zijn.»
Dra bespeurde ik, dat wij niet den weg naar de Porta Vercellina insloegen, en mijne zoete hoop verzwond.
Ik bewaarde het stilzwijgen. De nacht was schoon; de maan overgoot de prachtige stede met heur zilveren licht. Ik zag de straten, die ik zoo menigwerf had doorkruist, de gebouwen, wier drempel ik zoo vaak had overschreden; alles herinnerde mij zoo droevig aan de vervlogen tijden van mijn geluk !
Mijn blik weidde over het park, waarin ik mij ontelbare malen met Foscolo, Monti, met Lodovico da Bréme, met Porro en diens zonen had vermeid, â het nu zoo gepijnigde hart vol leven en betrouwen op de toekomst. Toen wij de poort der stad voorbij waren, trok ik mijn hoed over de oogen en weende in stilte.
Na verloop van eenigen tijd vroeg ik Graaf 15 ... ; «Wij gaan zeker naar Verona»?
â Verder,» antwoordde hij; «wij gaan naar Venetië, waar ik u in handen moet stellen eener bijzondere commissie, ingesteld om de processen van hoogverraad te berechten.»
Wij pleisterden niet één dag en bereikten 20 Februari de heerlijke Lagunen-stad.
In September van het vorige jaar, eene maand vóór mijne arrestatie, had ik een bezoek aan Venetië gebracht en daar in het hotel delta Ltina in vroolijk gezelschap het middagmaal genomen. Toevalligerwijze werd ik nu door den graaf en een gendarm naar hetzelfde hótel geleid!
â 63 â
Een huisknecht, die mij herkende, werd doodsbleek; hij begreep, dat ik mij in handen der justitie bevond, hoewel de gendarm en diens beide satellieten civiel waren gekleed en mijne bedienden schenen. Ik verheugde mij over die ontmoeting, overtuigd, dat de man het gerucht mijner aankomst zou verbreiden.
Wij gebruikten het middagmaal ; Daarna werd ik naar het doge-paleis gevoerd, waar de rechtbanken zetelden. Ik ging onder de mij zoo dierbare zuilengangen dellc Procuratie door en het café Florian voorbij, waar ik verleden herfst zulke heerlijke avonduren had gesleten. Ik zag niet één mijner bekenden.
Men ging het plein over; eu op dit plein had in de maand September een bedelaar mij de zonderlinge woorden toegevoegd; «Ik zie, dat gij hier vreemdeling zijt, signorc; maar ik begrijp niet, waarom alle vreemdelingen, en ook gij, deze plaats bewonderen: voor mij is het eene vervloekte plaats, en ik kom slechts hier, wanneer de noodzakelijkheid mij daai-. toe dwingt.»
â 64
â Is u hier een ongeval overkomen?»
â Een schrikkelijk ongeluk, signore; en niet slechts mij, doch velen anderen .... God behoede u daarvoor, signore! God behoede u» !
En hij verwijderde zich haastig.
Nu ik mij opnieuw te dezer plaatse bevond, kwamen mij de woorden des bedelaars onmiddelijk vóór den geest. En op diezelfde plek zou ik het volgende jaar de treden des scha-vots beklimmen, om het tegen mij uitgesproken doodvonnis te
aanhooren, alsook het besluit des keizers, waarbij de straffe des doods in vijftien jaren harde gevangenis {carcere duro) werd veranderd.
Indien mijn geest tot de profane mystiek was geneigd, zouden de woorden des bedelaars, die mij zoo boud-weg dit plein als een oord der vervloeking had aangeduid, meer dan
gewone waarde voor mij hebben gehad. Nu echter rep ik slechts hiervan als van eene hoogst toevallige omstandigheid.
Wij beklommen de treden van het paleis; Graaf B . . . sprak met de rechters, stelde mij daarna in handen van den cipier en nam diep bewogen afscheid.
XXII.
den cipier. Na eenige corridors en
______________ _____ii te hebben doorgeloopen kwamen wij
aan een trap, die naar i Pioruhi voerde, van de tijden der Venetiaansche republiek af eene bekende en beruchte staatsgevangenis.
Daar schreef de cipier mijn naam in zijne registers en sloot mij daarna op in de voor mij bestemde kamer.
De Piombi vormen de bovenverdiepingen van het voormalig paleis der dogen en ontleenen hun naam aan het geheel met lood bedekte dak.
Mijne kamer had een groot venster met stevige ijzeren traliën ; zij bood uitzicht op het dak der kerk San Marco. Aan gene zijde van dien heerlijken tempel zag ik een gedeelte van het plein en ter zijde een menigte koepels en daken. De reusachtige toren van San Marco was dicht bij mijn venster gelegen, en wanneer zij, die hem beklommen eenigs-zins luid spraken, vernam ik duidelijk hunne stem. Te linkerzijde van de kerk zag men ook een gedeelte, der gevels en een der poorten van het paleis. Op het plein, daarvóór gelegen, bevond zich een put voor openbaar gebruik ; den ge-heelen dag kwam het publiek zich daar van het noodige water voorzien. Doch mijne gevangenis was zoo hoog gelegen, dat een volwassen mensch daar beneden mij niet grooter toescheen dan een kind, en het geluid van stemmen nauwelijks tot mij doordrong. Ik was hier nog eenzamer gekerkerd dan te Milaan.
In de eerste dagen was de kommer van het crimineele
proces, door de commissie ad hoe tegen mij ingespannen, oorzaak, dat ik mij treurig tc moede bevond ; en die treurigheid werd nog vergroot door liet drukkend-eenzame van mijn kerker. Daarenboven was ik te Venctii' nog verder van mijne familie verwijderd en ontving ik geene berichten van haar. De gelaatstrekken van hen, met wie ik in aanraking moest komen, schenen mij niet vijandelijk ; doch hun koude ernst joeg mij telkenmale eene rilling over het lijf. De faam had de com
plotten der Milaneezen tegen het Oostenrijksche bestuur ver overdreven, en ik werd ongelukkigerwijze door mijne bewakers aangezien als een carbonaro van de ergste soort. Het was der cipiersfamilie en den ((secondini» bekend, dat ik mij
â 68 â
eenigen naam in de beoefening der letterkunde had verworven : Wie weet, of in het oog dier brave lieden de auteur van treurspelen niet een soort van toovenaar was ?
Zij bewaarden een diep, wantrouwend stilzwijgen ; toch waren zij begeerig, mij te leercn kennen en toonden zich beleefd.
Na verloop van eenigen lijd lieten zij een deel van hun wantrouwen varen, en ik overtuigde mij van hun goed karakter. De vrouw van den cipier bleef echter tamelijk stug van houding. Zij was misschien veertig jaren oud, mager van lichaam, streng van gelaat en weinig spraakzaam ; het scheen, dat zij voor niemand gevoel had, tenzij voor hare kinderen.
Zij was gewoon, mij 's morgens en na het middagmaal koffie te brengen, alsook te gelegener tijd water, linnen enz. Doorgaans werd zij vergezeld door hare dochter, een meisje â san ruim vijftien jaar, met oogen vol zachtheid en mede-doogen, en door hare beide zonen, de een dertien, de andere
tien jaren oud ; de kinderen spraken aanvankelijk geen woord en vergenoegden zich, mij nieuwsgierig aan te staren. Wat betreft de cipier, hij vertoonde zich slechts dan, als ik mij
naar de zaal moest begeven, waar de commissie, die mijne zaak instrueerde, zitting hield. Ook de «secondini» kwamen niet dikwijls in mijne cel, daar zij eene verdieping lager, waar de gewone misdadigers werden opgesloten, werk te over vonden. Een der «secondini» was een grijsaard van meer dan zeventig jaren, in weerwil van dien hoogen leeftijd krachtig genoeg, om den vermoeienissen van zijn ambt weerstand te bieden. De andere was een jonkman van nauwelijks vijf en twintig jaar, die veel liever zijne galante avonturen verhaalde, dan heen vloog ter plaatse, waar de dienst hem riep.
xxin.
zeker! schrikkelijk is de toestand van hem, die, in een crimineel proces gewikkeld, van hoogverraad wordt beticht. Welk eene vrees, anderen te schaden! Hoe moeilijk is het, den strijd vol te houden tegen zooveel beschuldigingen, zooveel verdachtmaking! Hoezeer terecht vreest men, dat de zaak een nog slechter verloop zal nemen, als het proces niet spoedig wordt ten einde gevoerd, als nieuwe arrestaticn geschieden, als zij, wien men vertrouwen schonk, zich ondoordachte woorden laten ontglippen!
Ik heb mij vast voorgenomen, de staatkunde geheel ter zijde te laten, en daarom zal ik niet gewagen van de bijzonderheden des gedings, tegen mij gevoerd. Late het den lezer genoeg zijn, te weten, dat ik menigwerf, na uren lang aan een pijnlijk verhoor onderworpen te zijn, zoo toornig, ja woedend in mijne cel terugkeerde, dat ik zeker de hand aan mij-zelf hadde geslagen, indien, Gode dank, niet de stemme van mijn geweten en de herinnering aan mijne dierbaren mij van die laffe misdaad hadden teruggehouden.
De kalme gelatenheid, die ik te Milano voor altijd verzekerd waande, begaf mij geheel. Meerdere dagen wanhoopte ik er aan, nog ooit de ruste van mijn gemoed terug te vinden, en die wanhoop deed mij schrikkelijk lijden. Dan twijfelde ik aan 's Heeren rechtvaardigheid; dan vloekte ik de menschen en de aarde, die hen droeg; dan was mijn dolende geest vervuld met alle mogelijke sophismen over de ijdelheid der deugd.
Hij, die in het ongeluk toornt, is vindingrijk in het lasteren van zijns gelijken en van den Schepper-zelf, en gram-
â 71 â
schap is meer onzedelijk, meer schuldig, dan men pleegt te denken, liet is niet mogelijk, hevig woedend te zijn van den morgen tot den avond, gedurende weken achtereen; de meest door gramschap vervoerde ziel vindt nu en dan een poosje van kalmte, en die kalmte geeft een meer of minder juist denkbeeld van den toestand, die er aan voorafging. Dan waant men zich in vrede; maar ach! het is een verkeerde, een god-delooze vrede, een wilde, ruwe lach â zonder liefde, zonder waardigheid, een zwijmel van dronkenschap des geestes, eene tarting van het noodlot.
Helaas! ook dien rampzaligen toestand leerde ik kennen. Uren achtereen zong ik in woeste vreugd, ik schertste met hen, die in mijne cel kwamen, ik deed mijn best om alle dingen te beschouwen met het oog der wijsheid van den cyni-schen «denker».
Die orkaan zou niet lang woeden.
Mijn bijbel was geheel met stof bedekt. Hen der knaapjes van den cipier zeide eens op \leienden toon: «Sinds mijnheer niet meer in dat oude, leelijke boek bladert, is hij niet meer zoo treurig als voorheen.»
«Dunkt u?» luidde mijne vraag.
Ik nam mijn Bijbel ter hand, vaagde het stof met mijn zakdoek weg, en sloeg het lijvige boekdeel open; mijn oog viel op den tekst:
uEt ait ad disci pulos suos: Impossibile est ut non u veniant scandala: vac autcm HU, per qtiein veniunt! Uti-«Uns est illi si lapis molaris imponatur circa colhun ejus, «et projiciatur in mare, quant ut scandalizet unum de ptisillis istis.» (i) (Luc. XVII, i, 2.)
Die woorden ontroerden mij; ik bloosde erover, dat de knaap, het boek met stof bedekt ziende, had opgemerkt, dat ik minder treurig was geworden, doch meer onverschillig jegens God, sinds ik de H. Schrift niet meer las.
«Kleine snaak», zeide ik, hem een tikje op de wang gevende, «dat is geen «oud cn leclijk hoek)) ; sinds ik er niet
(1) rEn Hij sprak tot zijne discipelen: tiet is onmogelijk, dat er niet ergernissen komen; doch wee hem door wien zij komen.
Het ware hem beter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en hij in de zee geworpen ware, dan dat hij een van deze kleinen ergert.quot;
meer ' in lees. ben ik veel ondeugender geworden. Als uwe moeder toelaat, dat ge een oogenblik in mijne kamer blijft, dan geef ik mij alle moeite om mijn booze luim te verjagen; maar, kleine vriend, wist ge eens, hoe pleizierig ik te moede ben, als ik mij alleen bevind en ge mij als een dolleman hoort zingen !»
XXIV.
lljPlct knaapje verwijderde zich; ik was over mij-zelven te-èSs-vfe vreden, daar ik openhartig had bekend, dat ik, niet meer de Schriftuur lezende, veel «ondeugendero was geworden. Het scheen mij toe, dat ik een uitstekend vriend, dien ik gerui-men tijd verwaarloosde, voldoening had gegeven en dat ik nu geheel met hem was verzoend.
«Ik had U verlaten, o mijn God,» riep ik uit, «en was uw vijand geworden; en in den kouden lach van het cynisme zocht ik heul en troost!»
Ik sprak die woorden met onbeschrijfelijke ontroering. Nu legde ik den Bijbel op een stoel, knielde op den grond om den gewijden tekst te lezen, en ik, die zoo moeilijk schrei, smolt nu weg in tranen.
En die tranen waren duizendwerf zoeter, dan de valsche blijdschap, die ik eene wijle had gezocht. Opnieuw voelde ik 's Heeren nabijheid. Ik beminde God! Het berouwde mij, dien goeden Vader te hebben beleedigd, zijn beeld in mij te hebben verlaagd, en ik nam mij vastelijk voor, mij nimmer van Hem te scheiden ; neen nimmer. . . .
O, in welke mate wordt de geest verheven en gesterkt door een oprechten terugkeer tot den godsdienst!
Ik las en schreide meer dan een uur, daarna stond ik op, vol betrouwen, dat God weder met mij was en dat Hij de ongetrouwheid, die ik zoo bitter betreurde, had vergeven. Toen schenen mij de ongelukken, die op mij nederkwamen, de kwellingen van mijn proces, de straf, die mij verbeidde, van weinig beteckenis. Ik verheugde mij, te lijden, daar ik, al
â 74 â
lijdende, mijn plicht kon vervullen, en ik, door de bezoeking met liefde aan te nemen, den wil van God gehoorzaamde.
Den Hemel dank ! weder Icon ik den Bijbel met eerbied en bewondering lezen. De tijd, waarin ik mij onderwond, den heiligen tekst met Voltairiaansche onbeschaamdheid te critiseeren, uitdrukkingen te gispen, die alleen voor onwetende of boosaardige bespottelijk en valsch zijn, die tijd was lang voorbij. ... Ik bevroedde nu gemakkelijk, dat de Schriftuur het wetboek der heiligheid is, en derhalve het wetboek der deugd; dat het des philosophen onwaardig is, zich te belgen over zekere onvolmaaktheden van den stijl, zich te beklagen over den min sierlijken schrijftrant van eenige boeken; dat de bewering: «die verzameling hoogvereerde geschriften mist een authentieken oorsprong», eene dwaasheid is; dat de Bijbel torenhoog verheven staat boven den Coran en boven de godsleer van den Indiër.
Velen hebben Gods Woord misbruikt, velen hebben getracht, van den Bijbel een wetboek der ongerechtigheid te maken, daarin de sanctie van slechte passiën te vinden. Dit is waar; alles kan worden misbruikt; en wanneer zal het misbruik van een goede zaak kunnen gelden als bewijs, dat de zaak in zich beschouwd slecht is?
jesus Christus getuigt het nadrukkelijk: de Wet en de Profeten, die geheele verzameling van heilige boeken kan worden saamgevat in het ééne beginsel: Heb God en de menschen lief. En die goddelijke schriften zouden niet eene waarheid zijn, geschikt voor alle eeuwen, niet het onveranderlijke Woord des H. Geestes?
Al peinzende hierover nam ik het besluit, voortaan alle mijne gedachten over menschelijke dingen, al mijne zienswijzen omtrent de beschaving onzer eeuw, mijne philantropie, de liefde tot mijn vaderland en alle genegenheden mijner ziel met den godsdienst in overeenstemming te brengen, heur waarde nauwgezet daaraan te toetsen.
De weinige dagen, die ik in cynische levensbeschouwing had doorgebracht, hadden mij niet ongerept gelaten. Geruimen tijd voelde ik de treurige nawerking daarvan. Schier telkens, wanneer de mensch bezwijkt voor de bekoring, zijn denkvermogen te verlagen, de werken van God door het helsche prisma
â 75 â
van het sarcasme te beschouwen, tie weldoende oefening des gebeds te onderbreken, is de verwarring, daardoor in zijn geest aangericht, oorzaak van nieuwe struikelingen. Weken lang drongen zich gedachten van ongeloovigheid aan mij op, en nauw slaagde ik er in, die bekoringen te overwinnen.
XXV.
â C^ocn die strijd een einde liad genomen en 't mij voor-kwam, dat mijn wil zich opnieuw geheel en al aan den wil van Boven had onderworpen, smaakte ik eenigen tijd een zoeten vrede. Het verhoor, waaraan de commissie mij twee of drie malen per week onderwierp, bleef, wel-is-waar, een niet minder hevige marteling dan voorheen, maar toch joeg het mij niet meer zooveel schrik aan, als de eerste malen. Werd ik ter instructie opgeroepen, dan poogde ik, mij-zelf zooveel mogelijk te verdedigen zonder mijne vrienden te benadeelen, en zeide vervolgens: Late nu God, op Wien ik betrouw, het overige doen!
En weder trachtte ik, gelijk voorheen te Milano, mij iederen ochtend voor te bereiden op elke gebeurtenis, elke verrassing, welke de dag mij kon brengen ; die oefening verzachtte ook nu het lijden mijns geestes.
Mijne eenzaamheid was schier volslagen; de beide zonen des cipiers, die mij voorheen wel eens gezelschap hielden, bezochten nu de school, en den luttelen tijd, die hun overbleef, brachten zij liever door op het groote plein of de lagune, dan tusschen de sombere muren van mijn kerker.
Moeder en dochter, die voorheen nu en dan een kwartiertje bij mij sleten, vertoonden zich slechts om mij koffie te brengen, en lieten mij daarna alleen. Voor wat de moeder betreft, was die verandering mij tamelijk onverschillig ; want heur steenen gemoed vond geene troostwoorden, om mij, arme, toe te spreken. Maar het oog der dochter scheen mij zoo recht vriendelijk te zeggen : 11: voel wat ge lijdt, â ik heb deernis met u ! â en hare afwezigheid smartte mij bitter.
â 77 â
Wanneer het meisje kwam en zeide : «Ik hel) uw koffie gereed gemaakt», dan vond ik ze steeds uitmuntend. Doch wanneer ik hoorde: «Moedor heeft ze gezet», dan scheen mij de anders zoo geurige drank niet veel beter dan lauw water.
Zoo weinig redelijke schepselen om mij heen ziende, wijdde ik mijne opmerkzaamheid aan eenige mieren, die ik op mijne vensterbank zag. Ik bood haar een stuk witbrood ; zij riepen nu honderden en duizenden barer makkers saam, en dra was de geheele bank met de bedrijvige diertjes overdekt. Ook werd mijne aandacht getrokken door eene mooie spin, die in den hoek mijner cel vlijtig beur webbe spon. Ik voedde haar met vliegjes en muggen ; straks werd zij bijzonder gemeenzaam en kwam zelfs op mijn bed, om uit mijne hand beur voedsel te ontvangen.
Maar ach ! ware ik slechts door mieren en spinnen bezocht ! Het was nog lente, en reeds vertoonden zich geheele zwermen muggen, als zooveel kleine beulen, in mijn vertrek. Dc winter was buitengewoon zacht geweest, en nauw kwam de anders gure maand Maart, of reeds kwelde anderen en mij de hooge temperatuur, 't Is mij niet mogelijk, te zeggen, hoeveel ik leed door dc zware, bedompte atmosfeer in mijne cel; zij was vlak in 't Zuiden gelegen, onder een looden dak der kerk San Marco, waardoor de hitte op schrikkelijke wijze werd teruggekaatst. Nooit had ik mij zulk een ondragelijke temperatuur kunnen voorstellen ; en die marteling werd nog veel heviger door de aanwezigheid van legioenen muskieten, die zich overal op mijn lichaam nederzetten. Tafels, legerstede, stoelen, wanden, zoldering, alles overtogen zij met eene grauwe laag. Hun gonzen was onuitstaanbaar en hunne brandende beten brachten mij schier buiten mij-zelven. Nacht en dag tegen dit heir van beulen te moeten strijden put vreeselijk uit naar lichaam en geest.
Aan die marteling ten prooi, en trots mijn smeeken geene andere cel bekomende, werd ik opnieuw en hevig bekoord, de hand aan mij-zelven te slaan. Maar, den Hemel dank, die opgewondenheid zou niet lang duren, en de godsdienst bood mij ook thans weder heul en liefdevolle bemoediging. Hij schonk mij de overtuiging, dat de mensch moet lijden, en met sterkte lijden ; Hij deed mij in den kommer een zekere wellust smaken, het bewustzijn van moreele kracht, de voldoening eener sterke gelatenheid.
Ik sprak tot mij-zelven ; naarmate het leven nu pijnlijker voor mij is, zal mij het beklimmen van het schavot â indien mij zulk een vonnis wacht â gemakkelijker vallen ; zonder deze voorafgaande en voorbereidende smart zou ik misschien als een lafaard den dood schromen . . . En dan, heb ik deugden, die mij des geluks waardig maken ? Waar zijn die deugden, die verdiensten, die treffelijke hoedanigheden ?
Ik onderzocht mij-zelven met billijke strengheid, en vond in de jaren mijns jeugdigen levens nauw eenige daden, wier karakter mij verdienstelijk voorkwam ; al het overige Avas ijdele passie, hoogmoedige en valsche deugd.
«En daarom», voegde ik mij-zelven toe, «lijd, onwaardige! Indien menschen of muskieten u op onrechtvaardige wijze kwellen of zelfs het leven benemen, beschouw dan uwe beulen als de werktuigen der goddelijke gerechtigheid .... en zwijg» !
XXVI.
het den mcnsch zeer moeilijk, zich oprecht te vernederen, zijne onwaardigheid te belijden? Zijn wij niet verplicht, te erkennen, dat wij, in het algemeen, den kostbaren tijd der jeugd in beuzelingen verspillen, en, in stede van met alle kracht naar voortgang in het goede te streven, onze heerlijkste vermogens op ellendige wijze misbruiken, om ons-zelven te verlagen? Er zijn uitzonderingen op dien treurigen regel ââ uitzonderingen, helaas! waartoe niet ik behoor. . . . Het is voorzeker luttel in mij te prijzen, dat ik die bekentenis zoo openhartig afleg; ziet men, dat eene fakkel meer walm dan licht verbreidt, dan is er weinig oprechtheid van noode, om te getuigen, dat zij niet brandt zooals zij behoort te branden.
Ja, zonder huichelachtige scrupulen, mij-zelf beschouwende met kalmen geest en onbevangen blik, moest ik bekennen, der straffe Gods waardig te zijn. Kene stem in mijn binnenste zeide mij : Die straffen hebt gij sinds lang le dezer oorzake ol wegens die overtreding verdiend; aanvaardt gij ze met onderwerping, dan voeren zij u terug tot Hem, Die de volmaaktheid-zelve is, tot Hem, dien elk naar best vermogen moet navolgen: lEstotc ergo vos perfedi, sicut et pater vester ccelestis perfectus esHn (Math. 5, 48.)
Kon ik, zoo redeneerende, eene zware schuld van ontrouw aan den God mijner jeugd moetende belijden, mij beklagen, wanneer ik streng en onbillijk werd bejegend, wanneer de zonne des geluks voor mij ter kimme neeg, wanneer ik mijn leven voortaan in den kerker moest slijten, misschien zells mijn
â So â
hoofd buigen onder het zwaard der menschelijke gerechtigheid?...
Ik deed mijn best, om die zoo heilzame overtuiging diep in mijn hart te doen wortelen; en toen ik in waarheid was gekomen tot het besef mijner straf-schuldigheid, begreep ik te eenenmale, dat ik, consequent willende zijn, verplicht was, de rechtvaardige oordeelen Gods te zegenen, Hem van gan-scher harte lief te hebben, geener gedachte, met zijn wil in strijd, voedsel te schenken.
Het scheen mij toe, dat ik, om mijnen voornemens gemakkelijker trouw te blijven, wél zou doen, voortaan alle mijne gedachten en gevoelens in den breede te ontwikkelen en ze op papier te breugen.
Schrijfbenoodigdhcden waren mij door de rechters toegestaan ; doch zij telden nauwkeurig de bladen papier, verboden mij, ook slechts één blad te vernietigen, en behielden zich het recht voor, het geschrevene te onderzoeken. Om nu in het gebrek aan papier te voorzien, polijstte ik met behulp van een stuk glas de ruw-houten tafel, en schreef daarop lange meditatiën over de plichten van den mensch en over de mijne in 't bijzonder.
Ik overdrijf niet met de bewering, dat de uren, op die wijze doorgebracht, voor mij vol geneucht waren, schoon de ondragelijke atmosfeer in mijn vertrekje en de beten der muskieten mij phyzisch hevig kwelden. Om mij tegen den aanval dier insecten zooveel mogelijk te vrijwaren, wikkelde ik hoofd en beenen nauwsluitend in doeken, schreef met handschoenen aan en bond de mouwen van mijn jas toe, om den muggen het binnendringen te beletten.
Mijne overwegingen droegen zeker biographisch karakter. Ik beschreef uitvoerig al het goede en kwade, dat zich van mijne kindsheid af in mij had gevormd, de herhaaldelijk voorgekomen kenteringen in mijne levensbeschouwing, mijne illusiën, ontgoochelingen, enz.
Wanneer de geheele oppervlakte der tafel met schrift was overdekt, las en herlas ik, dacht na over het geschreven en moest dan, menigwerf tot mijn spijt, met behulp van het stukje glas de opstellen doen verdwijnen, opdat de immer zwellende stroom miiner denkbeelden zich weder konde ontlasten.
â 8i â
Zoo bleef ik mijne geschiedenis vervolgen ; vaak werd zij onderbroken door de een of andere digressie, door bespiegelingen over eenig punt der metaphyziek, der moraal of der staatkunde.
Daar ik wenschte, in de beschrijving mijns levens^ in het blootleggen mijner gevoelens nauwkeurig en oprecht te kunnen zijn, schreef ik steeds, met het oog op het zeer waarschijnlijke van een bezoek des rechters in mijne cel, in eene taal, die alleen door mij werd begrepen ; ik maakte gebruik van zeker geheimschrift, van letterverplaatsingen, verkortingen enz., waarin ik zeer bedreven was. Doch niemand vertoonde zich en niemand was het bekend, hoe aangenaam ik, al schrijvende, mijne uren doorbracht. Hoorde ik den cipier naderen, dan bedekte ik ijlings het tafeltje met een oud kleed, en legde daarop in schilderachtige wanorde hel mij «wettig» verstrekte papier.
6
XXVII.
maakte ilc nu en dan gebruik van het papier, mij door de rechteren toegestaan ; bijwijlen schreef ik zelfs tien en meer uren, zonder mij eenige rust te gunnen. O.m. stelde ik op, «Ester d'Engaddin, vlginia d'Asti» en de zangen uTan-credci)), «Rosilde», uEligi e Valafrido» en uAdello))-, ook ontwierp ik in grondtrekken eenige later door mij in 't licht gegeven treurspelen, alsook een gedicht over de Lega Lombarda en een over Crista for o Colombo, den beroemden Genuees.
Daar mij niet gemakkelijk een nieuw schrijfboek werd toegestaan als het vorige was verbruikt, en daar ik telkens zeer lang op de herhaling van die gunst moest wachten, schreef ik mijne compositiën in klad op de tafel, of op een stuk ruw papier, waarin mij vijgen of andere vruchten werden bezorgd. Nu en dan ook beweerde ik, geen honger te hebben, gaf mijn diner aan een handlanger A an den cipier en ontving dan in ruil eenige mooie witte bladen. Dit gebeurde vooral dan, wanneer de ge-heele oppervlakte mijner tafel was beschreven en ik het niet van mij kon verkrijgen, het stukje glas zijn werk te doen verrichten. Dan leed ik honger ; en schoon de cipier mijn geld in bewaring had, vroeg ik den geheelen dag niet meer te eten, opdat hij niet zou bemerken, dat ik mijn diner had weggegeven en opdat de «secondino'i geen vermoeden zou opvatten, dat ik gelogen had.
's Avonds gebruikte ik dan meerdere tassen zeer sterke koffie, bij voorkeur gereed gemaakt door la si or a Zanze). Dit was de dochter des cipiers. Kon zij het doen buiten weten harer moeder, dan maakte zij mijn koffie zóó sterk, dat de
*) Verkorting of volkswoord voor Angiola.
â 83 â
geurige drank, dien ik lepte, in mijne geheel nuchtere maag eigenaardige convulties zonder pijn te weeg gebracht, die mij den geheelen nacht wakker hielden.
In dien staat van zoete bedwelming voelde ik mijne intel-lectuecle kracht aanmerkelijk toenemen ; ik maakte verzen, phi-losofeerde en bad met wonderlijk genoegen, totdat de zon haar eersten straal door de traliën mijns kerkers zond. Dan werd ik plotseling door een gevoel van lusteloosheid en zwakte bevangen ; ik legde mij neder en sliep, ten spijt van legioenen kleine bloedzuigers, rustig een paar uren.
Zulke nachten schonken mij een zoo diep, zoo innig welbehagen, dat ik mij vaak de kwelling des hongers getroostte, â ook dan, wanneer ik geen papier noodig had, â om 'savonds de zoo vurig gewenschte uitwerking van dien tooverdrank te kunnen smaken. Gelukkig, wanneer ik mijn doel mocht bereiken ! Meermalen gebeurde het, dat mijn koffie niet door Zanze was gereed gemaakt, en dan bevond ik ze te eenenmale krachteloos. Die kleine tegenspoed werkte niet gunstig op mijn humeur ; en in stede van mij opgewekt te voelen, leed ik naar geest en lichaam, werd door maagpijn gekweld,
- 84 -
geeuwde onophoudelijk, begaf mij zonder toeven te bed en kon niet slapen.
Dan beklaagde ik mij den volgenden dag bij Zanze, en het goede meisje bestreed de gegrondheid mijner klachte niet. Zekeren dag echter bekeef ik haar vrij ruw, maakte mij boos en gaf te kennen, dat ze mij bedrogen had; het arme kind begon te schreien en zegde al snikkend: «Sign ore, nooit heb ik iemand bedrogen, en toch word ik door elkeen voor bedriegster gescholden......»
â Door elkeen ? Ik schijn niet de eenige te zijn, die zich over dit flauwe water boos maakt.»
â Ach, signore, dat bedoel ik niet. Indien ge eens wist . . . . ! Konde ik u zeggen, hoeveel ik lijde» !
â Schrei niet zoo. Wat deert u ? Ik vraag u vergiffenis, als ik u ten onrechte heb bekeven ; gaarne geloof ik, dat men geheel buiten uwe schuld mij zulk een slechte koffie voorzet.»
â Ach, signere, daarom schrei ik niet.....»
Mijne eigenliefde voelde zich een weinig hierover gebelgd; ik grimlachte bitter en vroeg ;
«Gij weent dus maar toevallig en niet om mijn knorren» ?
â Inderdaad, signore.»
â Wie heeft u bedrog verweten ? Uwe moeder ?»
â Een vriend, dien ik teeder liefhad.»
En heur gelaat werd met een zacht purper overtogen ; de opgewondenheid maakte het arme kind welsprekend, en in kinderlijk betrouwen verhaalde ze mij eene tragisch-comische) idylle, welke mij diep bewoog.
*) Comico-^erio.
XXVIII.
uur af werd ik meer en meer 's meisjes vertrou-
_______g, en vaak toefde zij lang in mijne cel.
Ik kan niet medespreken over het lijden van anderen; doch ik moet bekennen, dat elke rampspoed, die mij ooit hier op aarde heeft getroffen, welbeschouwd immer eene weldaad voor mij is geweest. De ondragelijke temperatuur en de muskieten, tegen wier bloeddorst ik mij dag en nacht moest verdedigen, maken hierop geene uitzondering. Duizendmaal peinsde ik hierover en begreep dan het nut des lijdens: Zoude ik, zonder die onafgebroken kwelling, in staat zijn geweest, zekere gevoelens, die, ten spijt van mijn goeden wil, nu en dan mijn hart binnenslopen, kloek te bestrijden, de passie, die mij in boeien wilde klinken, verwijderd te houden? Wantrouwde ik reeds nu, in dien staat van lijden, het geweld mijner licht ontvlambare, zuidelijke natuur, â hoe zoude ik dan, vrij van lichaamssmart, in vreugde en genot, mij-zelven waardig zijn gebleven, de woonstee des H. Geestes in mij hebben geëerbiedigd, aan de begoochelingen der passie hebben weerstaan?....
Deze gedachte verzoende mij eenigszins met al hetgeen ik moest verduren; ik vroeg mij-zelven:
Zoudt gij wenschen, van die geeselen bevrijd en naar een luchtig, koel vertrek overgebracht te worden â- en de tegenwoordigheid van dit reine, liefdevolle kind te moeten derven?
Moet ik de waarheid bekennen ? ik was niet sterk genoeg om het antwoord op die vraag te geven.
Dikwijls was een enkel woord van Zanze, eene traan, een bevallig idiotisme van liet Venetiaansche dialect, heur
~ 86 â
inspanning om de muskieten verwijderd te houden voldoende, om in mijn hart eene kinderlijke vergenoegdheid te weeg te brengen, die mij uren lang bijbleef. Het verheugde mij innig.
dat zij in mijne cel voor een oogenblik hare droefheid vergat, dat zij handelde volgens mijne raadgeving, en dat haar gemoed blijkbaar edel en onschuldig was.
Bijwijlen onderbrak zij een gesprek over beuzelingen, sloeg mijne Schriftuur open, wees op eenig vers en vroeg mij, die regelen te vertalen en uit te leggen. Zekeren keer duidde zij met haar vinger op I Thess. 4, 3â5; Haec est enim voluntas Dei, sanctificatio vestra ...... ut sciai uunsquisquc vestrum
- 87 -
Kveis suum possidere in sanctificalione, ct honorc: nou in passiotie «desiderii, sicut et gentes, quae ignorant Den in.» {quot;) â «Zanze,» sprak ik diep bewogen, nhier vermaant dc H. Geest u en mij en alle menschen tot voorzichtig voortschrijden op een i)ad.
in hooge mate glibberig, een pad, waarop wij gemakkelijk struikelen, brekende ons vat van eere en heiligheid, verliezende een kleinood van onmetelijk hooge waardij. â Ga, mijn kind, en God zij niet u ! . . . .»
{*) âDit nu is de wille Gods, uwe heiligmaking: dat gij u onthoudt van de onreinheid; dat een iegelijk uwer wele, zijn lichaam te bezitten in heiligheid en eere; niet in drifi van begeerlijkheid, gelijk ook de heidenen, die niet weten van God.quot;
XXIX.
iets hier op aarde is duurzaam, alles vergankelijk. Zanze werd ziek. In de eerste dagen harer ongesteldheid kwam zij nu en dan tot mij, klaagde over pijn in het hoofd en schreide bitter.
«Morgen kom ik weder,» sprak zij op een avond.
Maar den volgenden dag bracht hare moeder mijn koffie, en vervolgens werd ik door «secondini» bediend; Zanze was gevaarlijk ziek, deelden zij mede.
Toch bleef haar jeugdig leven gespaard. Na verloop van eene maand kon zij hare legerstede verlaten en vertrok, tot spoedig herstel harer verloren krachten, naar een bloedverwant te Como. Ik zou haar niet wederzien. . . .
Onmogelijk, u te zeggen, hoeveel smart die scheiding mij veroorzaakte. Hoeveel schrikkelijker dan ooit was nu voor mij de eenzaamheid! Weemoedig riep ik het beeld van Zanze vóór het oog mijns geestes terug, dacht aan heur lieftallige minzaamheid, aan heur oprecht medelijden, aan heur naïve vertroostingen. En nu, nu was ik alleen, nu had ik geene vriendinne meer, die mij teedcr aanhing met al de genegenheid van heur nog onbedorven, kinderlijk gemoed. . . . Wees gezegend, o Zanze, o goed en hartelijk kind, wees gezegend, voor den troost, den martelaar zoo liefderijk en belangeloos geboden! Nimmer, o nimmer zal ik u vergeten!
Zanze's bezoeken hadden, wel-is-waar, nooit zeer lang geduurd, maar zij verschaften mij eene zeer aangename verstrooiing en afwisseling in het eentonige van mijn kerkerleven. Zij gaf mij nieuwe denkbeelden in, schonk mij gelegenheid tot eene be-
- 89 â
langwekkende karakterstudie en verhoogde in mij het gevoel des levens.
Toen ik haar niet meer zag, werd de gevangenis voor mij een graf, een onpeilbare afgrond van zedelijk lijden. Dagen lang werd ik door mijne droefheid zoo te eenenmale beheerscht, dat ook geen litterarische arbeid vermocht mij op te beuren. Toch was mijne droefheid kalm en rein, toch had zij geene of weinig overeenkomst met mijne woede van voorheen. Werd hierdoor het bewijs geleverd, dat ik mij sinds dien met den rampspoed geheel had verzoend en onvoorwaardelijk aan 's Heeren wil onderworpen ? dat ik nu in den waren zin des woords een philosoof, een christen was geworden? Of had de schromelijke hitte in mijne cel de krachten mijner ziel gebroken? O neen, de ondraaglijke temperatuur maakte mij niet gevoelloos, niet onverschillig voor de martelingen mijns geestes. Ik leed hevig, â heviger misschien omdat ik er in slaagde, uitwendig kalm te zijn.
Voorzeker, eene zoo lange oefening had mij bekwamer gemaakt, om uit 's Heeren vaderhand zonder morren nieuwe beproevingen te ontvangen.
Zóó dikwijls had ik mij-zell voorgehouden; «Het is laf, zich te beklagen,)) dat ik eindelijk bij machte was, iedere klacht op mijne lippen terug te houden, en dat ik er mij dan over schaamde, haar zoover te hebben laten komen.
Het op papier brengen van mijne gedachten en gevoelens droeg er toe bij, om mijner ziel nieuwe kracht te schenken, om mij wars van de ijdelheden te maken, om het meerendeel mijner redeneeringen tot deze conclusie te voeren :
«Er is een God, en daarom eenc onfeilbare gerechtigheid: uit dien hoofde moet alles, wat hier-beneden voorvalt, tot een goed oogmerk zijn beschikt; uit dien hoofde ook moet het lijden van den mensch op aarde tot zijn welzijn strekken.» â Deze logica, de logica van een christen, de logica van een onbevangen gemoed, troostte mij beter dan eenig ander middel.
De omgang met Zanzc was mij in hooge mate nuttig geweest; want heur voorbeeld maakte mij zachtmoedig en vreedzaam. De smart, die zij gevoelde over de snoodheid van den vriend, â dien zij teeder liefhad en die heur min zoo wreed verachtte, was een weemoedig lijden, zonder haat of bitterheid. Haar
â go â-
inborst, haar liefelijk geduld troffen mij zoozeer, dat ik mijne stugheid voor een goed deel liet varen. Zavzc had mij slechts tweemaal in toorn gezien: den eersten keer wegens de slechte koffie, die zij bracht, den tweeden bij volgende gelegenheid :
Alle twee of drie weken bracht de cipier mij een brief van mijne familie. Vóór dat die brieven mij ter hand kwamen, werden zij door een rechter nagezien en bijna immer op vele plaatsen met zeer zwarten inkt beklad. Zekeren dag had men niet, zooals gewoonlijk, slechts eenigc regelen onleesbaar gemaakt, doch over het geheele blad enkel de woorden gespaard: Carissimo Silvio en â aan den voet van het schrijven â T'abbracciamo tutti di cuorc. (quot;)
Dit ziende werd ik zóó toornig, dat ik in Zanzc's tegenwoordigheid van woede huilde ; ik vloekte een ieder en alles. Het goede kind begreep mijne teleurstelling en nam deel in mijne smart; doch met zachte stemme verweet zij mij tevens, dat ik nu den beginselen, haar zoo vaak door mij gepredikt, ontrouw was. Zij had gelijk, de arme; ik bevroedde het, zweeg en kwam ras tot bedaren.
(*) Zeer dierbare Silvio.....wij allen omhelzen U hartelijk.
XXX.
ltfcj|V zekeren dag trad ccn «secondino» mijne kamer binnen, keek voorzichtig rond, of er geen verraad was te duchten, en zeide :
«Toen Zawjc hier kwam. . ., toen zij uw koffie bracht...
en dikwijls met u bleef praten..... vreesde ik, signore, dat
het valsche en listige meisje uwe geheimen zou te weten komen . . . .»
â Zij kent er niet één», viel ik hem toornig in derede; «ik heb geene geheimen, en zoo ik er had, zou ik niet on-noozel genoeg zijn om ze te verraden. Wat verder?»
â Per dom, signore, ik wil niet zeggen, dat ge onvoorzichtig of onnoozel zijt, maar ik wantrouwde Zanzc, en nu de signore niemand meer heeft om een gesprek te voeren. . . , hoop ik....»
â Wat hoopt gij. . . . ? Spreek duidelijk.»
â Zweer vooraf, dat ge mij niet zult verraden.»
â Gaarne, nimmer heb ik iemand door verraad ongelukkig gemaakt.»
â â Zeg dan, dat gij zweert, mij niet te zullen verraden.»
â Ja, ik zweer, u niet te zullen verraden. Maar, dwaze vriend, begrijpt ge niet, dat iemand, in staat om u te verraden, ook in staat is, zijn eed te schenden» ?
Hij haalde nu uit zijn borstzak een brief te voorschijn, gaf mij dien al bevende en smeekte mij, het schrijven spoedig te vernietigen.
»\Vacht een oogenblik», luidde mijn verzoek; «ik zal den brief onder uwe oogen verbranden.»
â Neen, sign ore, gij zult een antwoord moeten schrijven, en ik kan niet daarop wachten. Gij behoeft u niet te overhaasten, als wij slechts een teeken vaststellen. Nader ik uwe cel en hoort ge mij het lied uSognai, mi gera un ga to» neuriën, dan ben ik alleen, en kunt gij alle papieren, die gij wilt, in uw zak hebben ; maar hoort ge dit wijsje niet, wees dan zeker, dat een ander komt of dat ik niet alleen ben. Waag het dan niet, papieren bij u te dragen, want men kon gemakkelijk uw vertrekje doorzoeken. Mocht gij in dit geval compromitteerende papieren hebben, verbrand ze dan met behulp van uw lampje, of scheur ze in kleine stukjes, die gij door het venster werpt.»
â Wees gerust ; ik zie, dat gij voorzichtig zijt. Vrees niet, dat ik mij otquot; u aan eenig gevaar zal blootstellen.»
â En toch heeft de signore mij zooeven «dwaze vriend» genoemd. ...»
â Ge hebt gelijk», hernam ik, «neem het mij niet kwalijk en geef mij de hand. Ik ben u hartelijk dankbaar.»
Hij verwijderde zich, en ik las :
«Ik ben (hier stond zijn naam), een Uwer bewon-«deraars, en ken Uw Francesca da Rimini geheel van bui-«ten. Ik ben aangehouden wegens .... (hier noemde hij «de aanleiding tot zijn arrestatie), en ik verlang vurig «naar uw bijzijn. Hadde ik tenminste eene aan uwe cel «belendende kamer, zoodat wij een gesprek konden voeren! «Sedert ik van Trcmello (zoo noemde zich onze ver-«trouweling) heb vernomen, dat ge zijt aangehouden, en «om welke reden, brand ik van verlangen, U te kun-«nen zeggen, Signore, dat niemand U meer bemint, dan «ik. Ik smeek U, het volgend voorstel aan te nemen: «Laten wij trachten, de smart onzer eenzaamheid te ver-«lichten, door elkander nu en dan te schrijven. Op mijn «eerewoord beloof ik U, dat niemand ter wereld ooit ons «geheim zal kennen, als ge mij ook van uw kant deze ver-«zekering geeft. Veroorloof mij, U een en ander omtrent
«mijn levensloop mede te deelen.....»
flier volgde eene schets van zijn leven.
XXXI
eder lezer met een weinig verbeeldingskracht zal gemakkelijk begrijpen, dat zulk een brief een gevangene als 't ware electriseert, vooral wanneer de goede God dien gevangene een teeder minnend, gevoelig harte schonk. Onmiddellijk had de schrijver van die regelen mijne sympathie verworven ; ik nam mij voor, hem innig en oprecht medelijden met zijn ongeluk te betuigen, hem dankbaar te zijn voor de mij betoonde genegenheid en achting. Ja, riep ik uit, ik neem uw voorstel van harte aan, o vriend, o edelmoedig lotgenoot ! Mogen mijne regelen u niet minder opbeuren en troosten, dan de uwe het mij reeds hebben gedaan !
De zon neeg ter westerkimme, en de ure van mijn gebed was daar. O, hoe warm gevoelde ik nu 's Heeren nabijheid! hoe vurig betuigde ik Hem mijn dank voor den nieuwen troost, de nieuwe opbeuring, mij geschonken, opdat de vermogens mijner ziele en mijns harten niet zouden kwijnen, opdat ze niet hunne edelste hoedanigheden zouden verliezen !
Ik bleef bij mijn venster staan, de armen buiten de traliën, de handen gevouwen ; de kerk Scm Marco verhief zich boven mij, en een zwerm wilde duiven kirden en speelden op het looden dak.
Een zuivere, diep-blauwe hemel welfde zich boven Vcuctir, en van mijne cel uit kon ik een deel dier éénige stad bewonderend aanschouwen ; een verwijderd geluid van menschelijke stemmen kwam zachtkens tot mijn oor. Treurig maar kalm te moede genoot ik die heerlijkheden ; en mijn hart, mijn arm hart verhief zich in diepe ontroering tot Hem, Die boven
â 94 â
wolk en ster aan de fluisterende beê des gevangenen in liefde en barmhartigheid het oor wil leenen. Ik bad voor mijnen vader, voor mijne moeder, voor allen, die mij dierbaar zijn, en 't scheen mij-toe, dat in de diepte mijns harten luide het antwoord weerklonk ; Heb betrouwen in mijne goedheid ! En ik, ik riep vurig dankbaar uit : â Ja, ik stel betrouwen op uwe goedheid ! â
Het gebed schonk mij nieuwe krachten, en ik was bereid, de beten der muskieten, die mij heviger dan ooit aanvielen, zonder morren te verduren.
Eindelijk week die groote mate van opgewektheid, en mijne verbeelding werd kalmer ; de muskieten martelden mij wreeder en wreeder, en ik was gedwongen, gelaat en handen zorgvuldig te bedekken.
Plotseling kwam mij nu een lage en slechte gedachte in den geest ; zij boezemde mij afgrijzen in, ik wilde er mij tegen verzetten, doch het gelukte mij niet.
Tremerello had gepoogd, twijfel aangaande Zanze's oprechtheid en bedoeling bij mij op te wekken; immers, hij liet doorschemeren, dat zij tuk was op de kennis mijner geheimen, dat die eenvoudige kinderziel, te eenenmale vreemd aan de staatkunde, mij arglistig in het verderf wilde storten.
Neen, Tremerello was een lasteraar ! ik twijfelde hieraan geen oogenblik, doch sprak tot mij-zelven : Biedt hij, de zoo dienstvaardige, mij voldoende zekerheid ? Kan die schurk niet het verachtelijk werktuig van een snood complot tegen mij zijn? Indien het schrijven, dat mij zooveel troost heeft geschonken, mij niet van de hand eens vriends gewerd, doch van iemand, die mij tot onvoorzichtigheden wil verlokken ? Zou die «gevangen vriend» werkelijk bestaan? Misschien ook bestaat hij wel, maar is het zijn oogmerk, belangrijke geheimen te ontdekken, om daarvan tot zijn voordcel en mijn. ongeluk gebruik te maken .... En al ware hij een oprecht, goed man, â toch is die Tremerello niet te vertrouwen .... Kan een sbire zoo belangeloos en edel en grootmoedig zijn ?
Schrikkelijk denkbeeld ; doch zeer verklaarbaar bij een ongelukkige, die in den kerker zucht en van alle zijden verraad en snoodheid moet vreezen.
Die twijfel was voor mij eene helsche marteling. Nimmer hadde ik Zanze kunnen wantrouwen ; maar nu Tremerello zich
â g5 â
een enkel woord hierover had laten ontvallen, rees bij mij eenige twijfel, niet ten opzichte van haar-zellquot;, maar te dien van de personen, die haar tot mij lieten komen. Had men haar uit eigen beweging of op hoog bevel de treurige taak opgedragen, mij tot eene laagheid te brengen, mij dooiden gloed der passie te bedwelmen, opdat ze mij in dien staat gemakkelijk konde uithooren ? Was de toedracht der zaak in werkelijkheid deze, hoezeer had men zich dan bedrogen!
Hoe nu handelen met den brief des onbekenden ? Den raad eeher schroomvallige voorzichtigheid in acht nemen? Trcmerello den brief teruggeven, zeggende: Ik wil mij niet aan gevaar blootstellen? Maar indien ik in waarheid geen bedrog heb te vreezen ? indien de onbekende mijner vriendschap waardig is? indien hij recht heeft op mijne vertroostingen? Pampzalige! wellicht staat gij aan den boord van het graf, het doodvonnis kan iederen dag over u worden uitgesproken, en gij zoudt weigeren, eene daad van liefde te verrichtten?. . . . Antwoorden, ja, ik moet antwoorden! Maar indien onze briefwisseling ongelukkigerwijze werd onderschept, zou dan niet de arme Tremcrèllo wreed worden gestraft, zwaar boeten voor de liefderijk betoonde hulp? En is die mogelijkheid niet op zich-zelf voldoende, om mij de verwerping van het voorstel des onbekenden tot een duren plicht te maken?
XXXII.
|ii^l;ien geheelen avond was mijn gemoed fel bewogen, en des nachts week de slaap verre van mij. Ik was te eenenmale besluiteloos.
Reeds vóór de opkomst der zon verliet ik mijne legerstede, ging bij liet venster staan en bad. In moeilijke omstandigheden behoort men God met betrouwen te raadplegen, naar zijne inspraken te luisteren, er aan te gehoorzamen.
Ik deed zulks, en na een langdurig gebed zette ik mij neder.
Mijn besluit was genomen: ik zou Tremerello mijne vrees blootleggen, hem wijzen op de gevaren, aan welke hij zich te onzen genoegen zou blootstellen, en, zoo hij in zijn aanbod volhardde, mijn antwoord schrijven.
Na eenigen tijd te hebben gewacht, begon ik mijne cel op en neder te wandelen ; maar nu hoorde ik spoedig het liedeken «Sogitai, mi gera un gato, E ti me carezzevi.» Het was Tremerello, die mijn koffie bracht.
Ik zeide hem ronduit mijn gevoelen en wees hem nadrukkelijk op de gevaren, waaraan hij, ons dienende, bloot stond. Echter, hij toonde zich in geenendeele bevreesd, bleef bij zijn aanbod en verklaarde opnieuw, dat hij ons zeer, gaarne een dienst zou bewijzen. Zijne woorden waren in tegenspraak met zijn vreesachtig, onbeduidend voorkomen en met den naam lt;( Tremerello)), dien men hem gaf.
«Ik zal u mijne portie wijn geven,» zeide ik; bezorg mij het noodige papier voor deze briefwisseling, en wees er zeker van, dat ik, het gerammel van sleutels hoorende zonder uw liedeken, in een oogwenk alles, wat gevaar konde opleveren, zal vernietigen.»
â 97
â Hier is juist een vel papier ; ik zal den signore zooveel bladen geven als hij maar wil, en betrouw op zijne voorzichtigheid.»
Ik brandde mij het gehemelte van den mond om spoedig mijn koffie te drinken; Tremcrello ging heen, en ik begon te schrijven.
Handelde ik wel ? was het genomen besluit mij door God ingegeven ? Was het niet veeleer een triomf mijner ingeboren stoutmoedigheid, mijner neiging om mijn wil boven pijnlijke offers te stellen ? een mengsel van hoogmoedig welgevallen in de achting, mij door een onbekende betoond, en van schroom, den sehijn van laffe bekrompenheid op mij te laden, indien ik aan een voorzichtig stilzwijgen de voorkeur gaf boven een klein waagstuk ?
Hoe dien twijfel oplossen ? Mijne pen vloog middelerwijl over het papier en ik legde in allen eenvoud den onbekenden lotgenoot en vriend mijne aarzelingen bloot. Evenwel voegde ik er bij, dat, wanneer iemand gelooft, met redenen te handelen en zonder van den kant zijns gewetens eenig verwijt te gevoelen, hij niet behoeft te vreezen, eenige fout te begaan. Ook hem wees ik met allen nadruk op het gevaar, aan de geheime briefwisseling verbonden, en tevens vroeg ik hem in gemoede, of zijn besluit met rijp overleg en voldoende kalmte was genomen. «Vindt Gij,» vermaande ik, «bij rijper nadenken ons plan vermetel en uit dien hoofde afkeurenswaardig, laten wij dan moedig afstand doen van den troost, dien eene geregelde briefverwisseling ons wellicht zoude schenken, en ons tevreden stellen met deze oppervlakkige kennismaking, met de ongeveinsde betuiging van wederzijdsche hoogachting en genegenheid.»
Alsnog beschreef ik de aanleiding tot mijne gevangenschap, sprak met hartelijke liefde en droefheid over mijne verwanten en vrienden en deed mijn best, om mijn karakter en gevoelens door mijn lotgenoot te doen kennen.
Des avonds werd mijn brief den onbekenden vriend ter hand gesteld. Daar ik den vorigen nacht weinig rust had genoten, was ik nu zeer vermoeid. Een verkwikkende slaap herstelde mijne krachten, en laat in den morgen ontwaakte ik, het harte popelend van vreugde bij het denkbeeld, dat ik nu spoedig het antwoord op mijn schrijven zou ontvangen.
XXXIII.
II^Bct antwoord kwam met de koffie. Ik sloot Tremerello in mijne armen en zeide ontroerd; «God loone u voor zooveel goedheid!»
Mijne verdenking tegen hem en den onbekende was verdwenen. De reden hiervan was ongetwijfeld, dat ik nu kalm over het geval had kunnen nadenken en begreep, dat, zoo ik niet dwaselijk over staatkunde schreef, het gevaar niet zoo bijster groot konde zijn. Ik ben onder zeker opzicht een bewonderaar van Tacitus, maar hecht weinig geloof aan de juistheid zijner leer, die een zwartgallig pessimisme in de beschouwing van de meeste zaken aanbeveelt.
Giuliano â dien naam gaf zich mijn correspondent â begon zijn brief met eene hoofdsche inleiding en verklaarde, geene vrees te hebben voor de gevolgen van ons schriftelijk verkeer. Daarna schertste hij op kiesche wijze met mijne aarzeling en hield in welsprekende termen eene lofrede over het schoone der oprechtheid, waarna hij mij â nu begreep ik de strekking van die lofrede â rond-weg ter kennis bracht, dat hij, tot zijn bitter leedwezen, in mij had opgemerkt vzekere scrupulcuse weifelingen, zekere christelijke blooheid van geweten, onvereenigbaar met de ware pjiilosophie. n
«Ik zal u immer hoogachten,» voegde hij er bij, «ook dan, wanneer wij op dit punt van meening zouden verschillen; maar de oprechtheid, die ik hoog-houde, noopt mij, U te zeggen, dat ik godsdienstloos ben, eiken vorm van eeredienst verafschuw en per vwdestia den naam Giuliano (i) heb aangenomen, daar die
(i) Giuliano â Juliaan (de Afvallige).
â 99 â
uitmuntende keizer een doodsvijand van het christendom was -echter niet zoo vol haat en afgrijzen als ik. Juliaan, de keizer, geloofde in God en was niet geheel vrij van bi go ter ie; maar ik, mij-zelven dank, geloof niet in God; ik vinde slechts deugd in liefde tot waarheid en recht en in den haat tegen alles, wat mij op eenige wijze mishaagt.» â-
Zoo ging het van kwaad tot erger; hij gaf zich de moeite niet, een zweem van bewijs voor de juistheid zijner walgelijke «beginselen)) aan te halen; hij voer hevig uit tegen- en schold met de ruwheid van een straatphilosoof op het christendom; de «verhevenheid der godsdienstlooze deugd» werd door hem opgevijzeld en nogmaals hield hij, nu in ernstigen, dan in schertsenden stijl, eene lofrede op Juliaan den Afvallige, en prees hoogelijk diens apostasie en «menschlievende poging» om de laatste sporen des Evangelies van den aardbodem weg te vagen.
Niet zonder schroom, dat die zoo keurige ontwikkeling zijner «beginselen» mij pijnlijk had getroffen, vroeg hij mij verschooning en voer uit tegen het gewone gebrek aan oprechtheid. Opnieuw betuigde hij zijn levendig verlangen, de begonnen brief-verwisseling voort te zetten, waarna hij mij beleefd en vriendelijk groette.
Een postscriptum luidde alsnog; «Ik heb slechts ééne vrees: niet oprecht genoeg te zijn. Daarom acht ik mij verplicht, U rondweg te zeggen, dat ik U van iets verdenk. Is de christelijke taal, die Gij voert, niet eene grap, eene gelegenheids-vein-zerei? Ik hoop het voor U, voor mij-zelf en voor de wetenschap. Is mijne veronderstelling juist, werp dan nu sans gêne het masker af, â ik gaf U bereids een voorbeeld van oprechtheid,» â
Het is mij onmogelijk, de uitwerking van dien brief op mijn geest te beschrijven. Mijn hart klopte met hoorbare slagen en ik voelde mij hevig ontsteld. Die lage en laffe spotternij over de teerheid mijns gewetens trof mij pijnlijk en beleedigde mij diep. Het berouwde mij, dat ik, die het cynisme verafschuw, betrekkingen met zulk een diep gezonken wezen had aangeknoopt, dat ik door mijn eigen schuld en onvoorzichtigheid die gemeene taal des hoogmoeds, die gruwelijke godslasteringen had uitgelokt.
Ik haastte mij, den brief des rampzaligen in stukken te scheuren en wilde deze buiten het venster werpen, opdat geen spoor van zooveel gemeenheid langer mijne gevangenis zou bezoedelen.
XXXIV.
eene wijle na over de wisselvalligheid der menschelijke dingen, over het bedrieglijke van aardsch geluk. Eenige minuten geleden verlangde ik zoo vurig naar dit schrijven, en nu reeds scheurde ik het met verachting en verbolgenheid in stukken ! Eenige minuten geleden zag ik de toekomst een band van teedere vriendschap tusschen mij en mijn lotgenoot strengelen; eenige minuten geleden troostte mij de zoete verwachting, dat wij elkander zouden begrijpen en v aardeeren ; eenige minuten geleden bezat die onbekende mijne warme sympathie â en nu veracht ik hem, nu komt mij, het woord «ellendeling» op de lippen! En ik scheur zijn brief in nog kleinere stukjes.
Met dien arbeid wil ik voortgaan, nu een der stukken mij ontvalt; ik buk mij om het op te rapen, en in den korten tijd, daarvoor noodig, kom ik tot een ander besluit. Ik tracht nu, den brief te herlezen.
Ik zet mij neder, rangschik de stukken als eene «legkaart» op mijn Bijbel en begin te lezen. Daarna wandel ik eene pooze op en neder, lees opnieuw on maak deze opmerkingen:
Als ik hem niet antwoord, zal hij zich verbeelden, dat zijne driestheid mij den mond heeft gesloten, dat ik verlegen sta en mij niet in de tegenwoordigheid van zulk een Hercules duri wagen. La-at ik hem antwoorden, laat ik hem toonen, dat ik eene vergelijking tusschen zijne beginselen en de mijne geenszins ducht. Hij moet inzien, dat men niet kan worden beticht van lafheid of onnoozelheid, als men zijne besluiten rijpelijk overweegt, als men bij eene gevaarlijke onderneming voorzichtig
k wierp nog een blik op de stukken des briefs en dacht
11
- IOI â
en met beleid te werk gaat, vooral dan, wanneer die onderneming voor anderen gevaarlijker is, dan voor den «laffen weifelaarquot;-zelven. Hij wete, de bewonderaar van Juliaan, dat hoogmoed geene waardigheid is, dat men, den spot drijvende met zijn geweten, hierdoor het bewijs van echten moed in geenendeele levert. Ik zal hem aantoonen, in welke mate christendom en rede in de bekoorlijkste harmonie met elkander zijn, hoezeer het der philosolie des atheïsten blijkbaar aan eiken grondslag mangelt. En, is die Giuliano niet mijnen gevoelens toegedaan, blijft hij zich een bijtend sarcasme veroorloven, stelt hij mijne vriendschap zoo weinig op prijs â vind ik daarin niet een waarborg, dat hij geen spion is ?
En belgt zich mijne eigenliefde niet ten onrechte, niet al te spoedig ? O ja, ik ben niet rechtvaardig ; verbolgen over de spotternij, die Giuliano zich te mijnen koste veroorlooft, wil ik mij de overtuiging opdringen, dat hij een schurk, een nietswaardige is. Lage boosaardigheid, die ik in anderen duizendwerf hel) veroordeeld, ga uit, toef niet langer in mijn hart ! Neen, Giuliano is wat hij is, en niet meer. Hij is een onbeschaamde, maar geen spion.
En heb ik het recht, als onbeschaamdheid, te brandmerken datgene, wat hij oprechtheid noemt ?
Ziedaar uw ootmoed, o huichelaar ! het is voor u voldoende, dat iemand met dolenden geest eene valsche meening staande houdt en den spot drijft met uw geloof, om dien ongelukkige te minachten, te honen, te verafschuwen. God weet, of die nederigheid zonder liefde, of die kwaadwillige ijver in het hart van een christen niet schuldiger zijn, dan de vermetele oprechtheid van dien ongeloovige ! Misschien ontbreekt hem slechts één straal van het licht van Boven, om zijne onverschrokken liefde voor de waarheid in een godsdienst, hechter en volmaakter dan de mijne, te doen verkeeren. Is het niet christelijker, voor dien ongelukkige te bidden, dan hem te minachten, dan mij beter te wanen, dan hij is ? Wie weet, of hij niet, terwijl ik toorn en zijn brief verscheur, den mijnen gretig herleest, of hij niet meent, dat ik sterk genoeg ben, om zijne ironische oprechtheid met geduld te verdragen ? Wie zou schuldiger zijn : - hij, die bemint, en zegt: «Ik ben geen christen» â of hij, die, geene liefde kennende, van zich getuigt: «Ik ben
christen» ? Het is nog moeilijk, iemand te kennen, wanneer men langen tijd met hom heeft omgegaan, â en ik zou Giuliano uit een enkelen brief willen beoordeelen ? Is het, wel beschouwd, niet mogelijk, dat hij, zonder het te willen bekennen, niet gerust in zijn atheïsme leeft, dat hij mij tot redekaveling wil uitlokken, in de geheime hoop, tot overtuigingen daarmede tot rust te komen ? O, ware dit de beschikking der Voorzienigheid !
Groote God, Gij, die het hart van ieder en mensch in Uwe handen draagt. Gij, tusschen wiens vingeren de geringste werktuigen vaak grootsche dingen volvoeren, o, vestig voor dit verheven werk op mij Uwe keuze ! Zegen mijne woorden, geef hun kracht en heiligheid, opdat zij, Giuliano overtuigende, hem tot U terugvoeren, hem Uw naam doen lofprijzen, hem nopen, te belijden, dat, verre van U, alle deugd ijdelheid is, bedriegelijke tooi !
XXXV.
I)u schreed ik op het venster toe, scheurde Giuliano's brief quot; in no^ kleinere stukjes, wrong mijne hand door de traliën, gaf haar inhoud den winden prijs en overtuigde mij, dat de stukjes zich in alle richtingen verspreidden. Eenige kwamen niet verder dan het looden dak des tempels van San Marco; andere zweefden geruimen tijd door de lucht en vielen daarna op den grond. Er bleef mij geen twijfel over, dat niemand er in kon slagen, den brief weder tot een geheel te maken en mijn geheim te ontdekken.
Mijn toorn was geheel bedaard. Ik schreef aan Giuliauo en nam de uiterste behoedzaamheid in acht, om niet te verraden, hoezeer de inhoud van zijn brief mij krenkte.
Ik schertste met de vrees, door hem aan den dag gelegd, dat ik de teerheid van geweten zoo ver zou drijven, dat zij met de ware philosofie geheel onvereenigbaar was. Ik noo-digde hem uit, zijn oordeel een weinig op te schorten, prees zijne liefde voor de oprechtheid, betuigde wederkeerig, dat veinzerij en «bigoterie» (in den ongunstigen zin des woords) mij walgden, en voegde er bij, dat ik, om hiervan het bewijs te leveren, de apologie des Christendoms op mij zou nemen. «Ik boude mij overtuigd», schreef ik, «dat ik u steeds bereid zal vinden, mij kalm aan te hooren, evenals ik van mijn kant goedwillig naar al uwe meeningen zal luisteren. »
De apologie, door mij beoogd, zou ik langzaam, duidelijk en met beleid trachten te voeren ; ik begon haar, door het wezen des Christendoms uitvoerig, getrouw en naar best ver-
â I04 â
mogen uiteen te zetten. Godsvereering, zonder eenig bijgeloof, broederlijke liefde tusschen alle menschen, voortdurend streven naar zieleadel, naar deugd, ootmoed zonder laagheid, waardigheid zonder hoogmoed ; type : een mensch-God. Wat konde meer philosohsch, wat grooter zijn !
Daarna toonde ik aan, hoe die oneindige wijsheid zieh allen in meerdere of mindere mate heeft geopenbaard, die met behulp van het licht der rede naar de waarheid hebben gevorscht ; hoe die wijsheid evenwel nimmer het gemeene goed van geheel het menschdom is geworden ; hoe de goddelijke Meester, van de hemelen op aarde neergedaald, als teeken en bewijs van zijne leer dien stroom van waarheid over het menschdom heeft uitgestort door middelen, die ons beperkt verstand klein en zwak en onbetrouwbaar voorkomen.
Wat de grootste wijsgeeren nimmer konden volvoeren, â de vernietiging der afgoderij en de algemeene prediking dei-broederlijke liefde, â werd door eenige ruwe mannen uit het volk, zonder menschelijke wetenschap, zonder eenige begaafdheid, op bewonderenswaardige wijze tot stand gebracht. Toen nam de emancipatie der slaven steeds grooter uitbreiding aan, en vormde zich eindelijk eene beschaving, die geene slavernij kende, een maatschappelijke toestand, door de oude wijsgeeren als onmogelijk beschouwd.
Een beknopt overzicht van de geschiedenis der Kerk, van den dood haars Stichters af tot aan onze dagen, zou Giuliano doen inzien, dat de leer des Christendoms te geenen tijde met eenigen voortgang der beschaving in strijd is geweest, en dat de bewering onzer moderne philosofen, als zou bij de hooge vlucht, door beschaving en wetenschap sinds dien genomen, het Evangelie achterlijk zijn gebleven en derhalve niet meer geschikt zijn voor onzen tijd, dat die bewering valsch, onbillijk is, dat haar elke grondslag mangelt.
Ik schreef zeer klein, doch moest na verloop van twee of drie uren ophouden, daar mijn geringe voorraad papier geheel was verbruikt. Ik las mijne inleiding tol de verdediging des Christendoms aandachtig over, en 't scheen mij toe, dat zij indruk kon maken. Ook kwam er geen zweem van bitterheid over GUiliano's bijtend sarcasme in voor; geheel mijn brief getuigde van achting en welwillende verdraagzaamheid.
â io5 â
Ik zond mijn schrijven weg en verbeidde in spanning liet antwoord.
Dien ochtend daaropvolgende kwam Tremcrello in mijn kamertje en zeide :
«De signore heeft niet kunnen schrijven; maar hij verzoekt u beleefd, met die aardigheid, (i) door te gaan». . . .
â Aardigheid!» riep ik uit; «wis hebt ge den signore verkeerd verstaan.»
Tremerello trok de schouders op en zei de half boos :
«Nu ja, ik zal abuis hebben.»
â Heeft hij werkelijk aardigheid gezegd?»
â Zoo zeker als ik nu de klok van San Marco hoor luiden.» (Zij luidde op dit oogenblik).
Ik dronk mijn koffie en zweeg.
«Maar, zeg mij toch eens : heeft de signore mijn brief ten einde toe gelezen?»
â Ik geloof het wel; want hij lachte als een dwaas, maakte van uw brief een bal en wierp dien omhoog; en toen ik hem verzocht, een beetje voorzichtig te zijn en mij niet in ongelegenheid te brengen, verscheurde hij hem aanstonds.»
â Zeer wel.»
Ik gaf Tremerello den kop terug en vroeg hem, of signora Bettina (de moeder van Zanzé) de koffie had gezet.
«De signore vindt ze dus slecht?» luidde Tremerello''s wedervraag.
«Zeer slecht.»
â Toch heb ik uwe portie gereed gemaakt, en ik verzeker u, dat zij zeer sterk is en met zorg gefiltreerd.»
â Dan is zeker mijn smaak niet zuiver.»
(i) Scherzo.
XXXVI.
eer ontstemd wandelde ik den geheelen ochtend mijne kamer op en neder. Tot welk soort menschen zou die Giuliano behooren? Waarom noemde hij mijn brief «eene aardigheid» ? Waarom maakte hij van de met zooveel zorg en studie beschreven bladen een bal, en waarom wierp hij dien bal in de lucht? Waarom antwoordt hij niet met een enkelen regel ? Och. zoo handelen zij allen, die ongeloovigen! Begrijpen zij de zwakheid hunner «princiepen», de valschheid hunner meeningen, dan lachen zij en willen hierdoor {sic) het bewijs voor eene verstandelijke meerderheid leveren, die geen onderzoek meer van noode heelt. Dwazen ! wanneer bestond er eene wijsbegeerte zonder ernst en taai-geduldig onderzoek? Is het waar, dat Democritus immer lachte, dan was hij geen philosoof, doch een nar, een potsenmaker.
Maar die teleurstelling had ik mij-zelven te wijten. Waarom die briefwisseling ondernomen ? Dat ik mij voor een oogenblik illusiën schiep, dit is natuurlijk en verschoonbaar; maar ziende, dat hij onbeschaamd en onverbeterlijk was, zou ik beter hebben gedaan, «geene parelen voor de zwijnen te werpen.»
Ik nam mij stellig voor, hem niet meer te schrijven. Bij het middagmaal goot Tremerello mijn wijn in eene flesch, stak die bij zich en zeide: «Ik heb papier voor u medegebracht.»
En hij gaf mij eenige bladen.
Toen de knaap zich had verwijderd, bleef mijn oog werktuigelijk op het papier rusten; ik gevoelde meer en meer lust, Giuliano nog éénmaal te schrijven, en hem bij het afbreken onzer relatie van zoo korten duur een duchtig sermoen over zijne laffe en onbeschofte handelwijze te houden.
â 107 â
Eene fraaie bekoring! zeide ik nochtans een oogenblik daarna; minachting voor minachting geven, den man het christendom nog meer doen verfoeien, door hem een christenhart vol ongeduldigheid en hoogmoed te toonen! Neen, dit betaamt mij niet; late ik de briefwisseling reeds nu afbreken.... Maar zal hij, wanneer ik hiertoe besluit, niet eveneens zeggen, dat ongeduldigheid en hoogmoed mij overwonnen ? Ik moet hem nog éénmaal schrijven, maar zonder bitterheid. Zou het inderdaad niet beter zijn, hem niet te doen begrijpen, dat zijn lach en het woord «aardigheid» mij diep krenkten? Ware het niet edeler, eenvoudig met mijne verdediging des Christendoms door te gaan ?
Ik dacht een wijle na, en spoedig was mijn besluit genomen.
Zekeren avond stelde ik Trcmerello weder een brief voor Giuliano ter hand, en den ochtend daaropvolgende gewerden mij eenige regels tot dankbetuiging. Zijne woorden waren ijzig koud, maar niet beleedigend; ook gaf hij niet te kennen, dat eene voortzetting mijner apologie hem aangenaam zoude zijn.
Dit briefje mishaagde mij zeer; maar toch wilde ik volharden .
De stelling, door mij opgeworpen, was niet van dien aard, dat ik haar in korte woorden kon behandelen; hare verdediging besloeg vijf of zes lange brieven, op eiken waarvan ik tot antwoord eene laconische dankbetuiging ontving; nu en dan gaf hij eene beschouwing ten beste, die te eenenmale buiten den kring van het onderwerp lag, of wel hij overlaadde zijne vijanden met demonische vervloekingen. Het was, verklaarde hij, zeer natuurlijk, dat de sterken de zwakken verdrukken, en 't speet hem, niet sterk te zijn.
Eindelijk toch berichtte mij de nobele Giuliano, dat hij zich onledig hield met de samenstelling van een lange repliek. Ik wachtte eene week op de vervulling zijner belofte, en toch schreef hij mij dagelijks over andere dingen, bij voorkeur over eene stof, die ik uit eerbied voor mijne lezers niet zal aanduiden.
Ik verzocht hem, de mij toegezegde repliek niet te vergeten, en noodigde hem tevens uit, bij het samenstellen daarvan
â io8 â
de gronden, door mij aangevoerd, nog een oogenblik-te overpeinzen.
Hij antwoordde vrij bits, noemde zich in overmaat van bescheidenheid een philosoof, een degelijk man, iemand, die zonder nadenken heel goed weet, dat glimwormpjes geen lantaarnen zijn. (i) En weder begon hij vroolijk zijne galante avonturen te verhalen.
(i) Che le lucciole non erano lanterve.
eder oefende ik geduld, om mij niet «kwezelaar, veinzaard en onverdraagzame» te hooren schelden, terwijl ik tevens de hoop niet opgaf, dat tenminste ééne serieuze bemerking op dien stroom van erotische potsen zoude volgen. Nochtans gaf ik meermalen onverholen mijn afkeer van die vuile boert te kennen.
Hij gaf voor, niet aan de oprechtheid mijner afkeuring te gelooven.
«Al verwijt Ge mijn, schreef de kiesche Giuliano, aduizendwerf mijne zedeloosheid, toch ben ik overtuigd, dat mijn kortswijl U niet weinig amuseert: Een ieder vermaakt zich even gaai'n als ik; maar niet elkeen is oprecht genoeg, om dit rondborstig te verklaren. Maar ik oefen bereidvaardig geduld met U en zal U zóóveel moois vertellen, dat ik U in verrukking breng en Ge mij in uw hart luide zult toejuichen.))
Weken en weken bleef hij die afschuwelijke taal voeren, en ik, die in eiken brief een kentering ten goede zocht, gaf toe aan de nieuwsgierigheid en las al hetgeen ik van Giuliano ontving ; cn mijne ziel werd, Gode-dank, wel niet bezoedeld, doch steeds onvruchtbaarder in heilige, edele gedachten. Wanneer men geene deugd bezit, hechter dan de mijne, verlaagt de intellectucele omgang met zedelooze lieden gewisselijk hart en karakter.
Ziedaar de straf voor uwe overhaasting, sprak ik tot mij-zelven , dat wint ge er bij, als gij de taak eens apostels op u wilt nemen, zonder de heiligheid, noodig voor het apostolaat, te bezitten.
- I IO â
Zekeren dag besloot ik, Giuliano hetgeen volgt te schrijven ;
«Ik heb getracht, U tot de behandeling van andere stoffen te bewegen, en Gij zendt mij bij voortduring vuile romans, die, zooals ik bereids de eer had, II openhartig te zeggen, mij walgen. Wenscht Gij, over minder onwaardige dingen te correspondeeren, 't is mij wel ; zoo niet, drukken wij dan elkaar de hand en laten wij verder zwijgen.»
Twee dagen bleef ik zonder antwoord, en dit scheen mij aanvankelijk recht aangenaam. O weldoende eenzaamheid, riep ik uit, gij zijt minder pijnlijk, dan de tegenwoordigheid van Giuliano's geest in deze cel ! In stede van mij te kwellen door het lezen van walgelijke onbeschoftheden en wraakroepende godslasteringen, in stede van nog langer mijn tijd nutteloos te verspillen, zal ik God bidden, zal ik mij onderhouden met de Reinheid-zelve, zal ik droomen over mijne dierbaren, over mijne ware vrienden, dikwijls mijn Bijbel ter hand nemen, mijne gedachten op de tafel schrijven en, trachtende, mijn hart beter te maken, de wellust eener onschuldige melancolie genieten, duizendmaal verkieselijk boven aangename, doch onreine en verontreinigende beelden.
Telkens, wanneer Tremerello mijne kamer binnentrad, zeide hij :
«Nog geen antwoord, signore.))
â Goed», verklaarde ik dan.
Den derden dag zeide hij :
«De signore is krank.»
â Wat deert hem» ?
â Hij wil het niet zeggen, maar blijft den geheelen dag te bed en wil eten noch drinken; ook is hij slecht geluimd.»
De gedachte, dat hij, ziek en gevangen, zonder troost of hulp te bedde lag en misschien hevig moest lijden, ontroerde mij.
Onwillekeurig liet ik mij de woorden ontvallen : «Ik zal hem een paar regelen schrijven».
«Dezen avond zal ik ze hem brengen», luidde Tremerelló's verzekering.
Ik stond een weinig verlegen. Was het eene goede daad, de briefwisseling te hervatten ? Een oogenblik geleden prees ik de eenzaamheid als een teruggevonden schat. Hoe wispelturig ! En toch is die ongelukkige ziek en heeft hij geen
trooster. Mag ik hem nu verlaten ? Mijn laatste briefje was hard en streng ; 't heeft wellicht zijn verdriet grooter gemaakt. Misschien zou hij, in weerwil van het verschil tusschen onze meening, nooit onze vriendschap hebben prijsgegeven ; misschien verstond hij den inhoud van mijn brielje te eenenmale verkeerd en beschouwde hij mijne verklaring als eene breuk van mijnentwege, als een blijk van toorn en verachting. , . .
XXXVIII.
k schreef nu het volgende :
«Ik verneem, dat Gij krank zijt, en Uwe legerstede niet verlaat. Hartelijk doet mij zulks leed. Konde ik bij U zijn, U troost en hulp verschaffen ! Ik veronderstel, dat alleen Uwe geschokte gezondheid de reden is van Uw lang stilzwijgen. Mijn laatste briefje heeft U toch niet gekrenkt? Geloof mij, wanneer ik U verklaar, die regelen te hebben geschreven, zonder de bedoeling, U te kwetsen, en alleen met het oogmerk, U tot de behandeling van meer waardige onderwerpen te nopen. Indien Gij kunt schrijven, zonder U te vermoeien, bericht mij dan zoo nauwkeurig mogelijk den aard en het verloop Uwer ziekte. Ik zal U dagelijks schrijven, ten einde U een weinig verstrooiing te verschaffen, en opdat Gij er aan denken moget, dat ik van ganscher harte in Uw lijden deel.»
Nooit hadde ik een antwoord kunnen verwachten, zoo brutaal, zoo uitzinnig als mij nu gewerd. Het begon aldus :
«Ik onttrek U mijne vriendschap! Hecht Ge aan de mijne zoo weinig prijs, â ik aan de Uwe nog minder. Meen niet, dat ik iemand ben, die belecdigingen vergeef, en dat ik vurig verlang, weder door U in genade te worden aangenomen. Gehoord hebbende, dat ik ziek ben, komt Ge huichelachtig tot mij, in de dwaze hoop, dat de krankheid mijn geest zal hebben verzwakt en ik daarom gedweeër naar Uwe flauwe sermoenen zal luisteren. . . .» En zoo vervolgde hij op denzelfden toon, verweet mij lage, verachtelijke dingen, dreef den spot met alles, wat ik hem nopens godsdienst en moraal had geschreven. Ten slotte zwoer hij met afschuwelijken eed, te zullen sterven in de-
â 113 â
zelfde ge^â¢oele!^s, d. w. z. : in haat tegen- en verachting van elke philosophic, die in strijd was met de zijne.
Ik was schier verpletterd.
Welk eene fraaie bekeering heb ik tot stand gebracht! zeide ik, diep en smartelijk bewogen. God kent de zuiverheid mijner bedoeling. Neen, ik heb ze niet verdiend, die beleedi-gingen. . . . Komaan, geduld, â eene ontgoocheling te meer! Laat ik mij niet meer om dien dwaze bekreunen; ik ben niet verplicht, meer te doen, dan ik heb gedaan.
Eenige dagen gingen voorbij, en daarmede ook mijne verbolgenheid. Ik begon er aan te denken, dat die helsche brief in koortsachtige opgewondenheid kon zijn geschreven. Misschien, peinsde ik, heeft Ghiliano thans berouw over hetgeen hij misdeed, maar is hij te hoogmoedig, om zijn ongelijk te bekennen. Zou het niet edelmoedig zijn, hem te schrijven, nu hij den tijd heeft gehad, tot bedaren te komen?
Dit offer viel mijner eigenliefde uitermate zwaar; toch bracht ik het na eene korte aarzeling. Hij, die zich om deugdelijke redenen verootmoedigt, kan niet van laffe kruiperij en van gebrek aan gevoel van eigenwaarde worden beticht, â wat de wereld hiervan ook zegge.
Ten antwoord op mijn schrijven, ontving ik een brief, die, hoewel minder onbeschoft, toch in hooge mate beleedigend was. Met onverzoenlijke ironie zeide Ghiliano, dat mijne evangelische zachtmoedigheid en nederigheid hem vervulden met oprechte bewondering.
«Laten wij dan,i) schreef hij verder, «onze briefwisseling hervatten, maar daarbij openhartig te werk gaan; Wij houden niet van elkaar, doch wij kunnen, ieder voor zich, ons een weinig afleiding verschaffen, door in vrijen gemoede en satts gêne alles op het papier te werpen, wat ons in het brein mocht komen, â Gij, waarde si git ore, Uwe seraphijnsche zottekraam en ascetische droomerijen â waarvoor ik geen rooden duit geef, t zij weder gezegd met de vrijmoedigheid, die mannen van karakter betaamt, â ik mijne godslasteringen; gij uwe hoogdravende beschouwingen over de waardigheid van den mensch, en ik het ongedwongen verhaal mijner â tallooze â profanatiën van die zoo vaak miskende waardigheid. Ik hoop namelijk vast op bekeering van Uwe zijde. Bericht mij, of die schikking
Uwe goedkeuring wegdraagt en of Ge in mijn voorstel kunt treden,»
Ik antwoordde terstond :
«Uw voorstel behelst geene schikking, doch eene ruwe spotternij. Mijne bedoeling te Uwen opzichte was rein en vriendschappelijk; doch nu oordeel ik, mijn plicht jegens U te hebben vervuld, en wensch ik U geluk voor dit leven en voor 't andere.» â
Zoo eindigde mijne brietwisseling met Giuliano den niet-christen, den vurigen bewonderaar en navolger van zijn naamgenoot, den apostaat. Moge de Nazareeër ook mijn Juliaan overwinnen, niet echter, gelijk den imperator, door het geweld zijns toorns, maar door de alvermogende kracht zijner liefde en genade!
XXXIX.
IPT
F-âj n weder genoot ik den vrede der eenzaamheid. Niets bood mij verstrooiing in 't sombere kerkerleven.
Na den zomer, tegen de helft der maand September, werd de hitte minder drukkend, October kwam, en ik verheugde mij reeds in het vooruitzicht op een vrij warm verblijf gedurende den winter. Zekeren ochtend evenwel kwam de cipier mij zeggen, dat ik eene andere kamer zou krijgen,
«Waarheen geleidt ge mij» ?
«Slechts eenige stappen verder, naar eene luchtiger cel,»
â En waarom heeft men hier niet aan gedacht, toen ik van hitte schier bezweek en de muskieten mij zoo hevig kwelden» ?
â Eerst heden is mij die verandering gelast.»
â In 's Heeren naam dan! Laten wij gaan».
In weerwil van het lijden, in deze cel verduurd, verliet ik ze ongaarne, niet alleen omdat zij in den winter een tamelijk warm verblijf zou aanbieden, maar ook om andere redenen. Hier toch had ik eene breede schaar gezellinnen, de mieren, die ik liefhad en met zorg voedde, en wier bedrijvig leven mij steeds een weinig verstrooiing bood. Sedert eenige dagen was mijne vriendinne, de spin, uit mijn kamertje verdwenen ; doch ik sprak tot mij-zelf: Wie weet, of het diertje zich niet mijner zal herinneren en tot mij terugkeeren ? Nu ik heenga is haar zwerftocht misschien ten einde, en vindt ze bij haar terugkeer in mijne cel een ander gevangene, die een walg van spinnen heeft, haar webbe zal verscheuren, wellicht het arme diertje verpletteren !
En dan, werd ik in dit somber verblijf niet vaak een
â 116 â
weinig opgebeurd door Zait7x,s vriendelijk gebabbel ? Bij dit venster had zij zoo menigwerf gestaan, om goedhartig met kruimelen brood mijne mieren te voederen. Hier ging zij bij voorkeur een oogenblik zitten ; hier verhaalde ze mij deze, ginds een andere naïve geschiedenis ; daar legde zij weenende heur hoofdje op mijne tafel......
Mijne nieuwe kamer was eveneens onder de Pionibi gelegen, doch aan de noordzijde ; zij had twee open vensters, die mij zeker eene chronische verkoudheid op den hals zouden jagen en 's winters het verblijf in de cel schier ondragelijk maken.
Ik ging bij het venster staan, dat uitzicht bood op de vorstelijk woon des patriarchs. In de nabijheid mijner cel bevonden zich rechts en links andere kerkers. In het tegenover mij gelegen gebouw, eveneens tot gevangenis ingericht, zag ik vóór een breed venster een net gekleed persoon op en neder te wandelen : het was de heer Cnporali di Ccsana (i). Hij kreeg mij in het oog ; wij groetten elkaar door teekenen.
Daarna wilde ik mij vergewissen van het uitzicht, mij geboden door het tweede venster, dat vrij hoog in den muur was aangebracht. Ik plaatste mijne tafel op mijn bed en een stoel op mijne tafel, beklom den toestel en zag nu in heerlijk perspectief een gedeelte van stad en lagune.
Dit schoone vergezicht boeide mij zeer, en hoewel mijne deur werd geopend roerde ik mij niet. Het was de cipier, die, mijn verheven standpunt ziende, bevreesd was, dat ik, als een toovenaar, door de traliën des kerkers zou heen vliegen. In dwazen schrik sprong hij, in weerwil van zijn verouderd rhumatisme, op mijn bed, greep mijne beenen vast en gilde scherp als een arend.
«Domoor», riep ik hem toe, «ziet gij niet, dat die traliën mij de vlucht beletten ? Begrijpt ge niet, dat ik uit nieuwsgierigheid op dien toestel ben geklommen» ?
â Ja, ja, ik begrijp......, ik zie......, maar kom
naar beneden, signore; kom naar beneden, zeg ik u : dat zijn pogingen om te ontvlnehten
Ik gehoorzaamde en moest hartelijk lachen.
i) Caporali di Cesana, evenals Pellico van hoogverraad belicht. (Vert.)
óór de vensters van de zijwaarts gelegen gevangenissen herken ik zes befaamde personen, evenals ik van politieke misdrijven verdacht.
Zoo bevind ik mij nu, in stede van in de diepste eenzaamheid, in 't midden eener kleine wereld van lotgenooten ! Aanvankelijk was mij die verre omgeving niet aangenaam, hetzij nu, dat de gewoonte van het alleen-zijn mij den smaak in gezelschap had doen verliezen, hetzij dat de treurige afloop mijner betrekkingen tot Giuliano mij wantrouwend had gemaakt.
Toch waren de korte gesprekken, die wij, ten deele mondeling, ten deele door gebaren, nu en dan voerden, voor mij eene weldaad; immers, vermochten zij niet, mij vreugd te schenken, toch boden zij mij eene welkome verstrooiing.
Niemand deelde ik mijne briefwisseling met Giuliano mede, aangezien wij elkander op eerewoord hadden beloofd, nimmer van dit geheim te zullen reppen. In deze bladen gewaag ik er van, zeker overtuigd, dat, wien ook mijn geschrift in handen moge. komen, niemand ooit zal raden, wie onder het groote aantal gevangenen, toenmaals in het oude paleis der dogen gekerkerd, den naam Giuliano had aangenomen.
Behalve de nabijheid mijner lotgenooten werd mij nog een andere, kostbare troost geschonken.
Mijn venster verleende ook uitzicht op eene menigte daken, belvedères, schoorsteenen en koepels, wier rij zich tot aan de blauwe golven der zee in bonte mengeling voortplantte. Het dichtst bij mij gelegen huis â een vleugel van het patriarcato â werd bewoond door eene deugdzame familie, die recht op mijne dank-
â 118 â
baarheid verwierf, door het hartelijke medelijden, mij betoond. Een enkele groet, een woordje van troost en opbeuring is vaak een heerlijke liefdedaad.
Eerst zag ik aan een der vensters een knaapje van acht of negen jaren ; hij stak de handjes omhoog en riep :
«Mamma, mamma, men heeft wedor iemand onder de Piotnbi opgesloten. Arme gevangene, wie zijt gij?»
â Ik ben Silvio Pellico», luidde mijn antwoord.
â Zijt ge Silvio Pellico ?»
â Ja. En gij, lieve kinderen?»
â Ik heet Antonio S'quot;, en mijn broertje Giuseppe.))
Daarna keerde hij zich om zeide:
«Wat moet ik hem nog vragen?»
â ug â
En eenc vrouwe, half achter het gordijn verscholen, legde haren zoontjes vriendschappelijke woorden in den mond. Ik dankte hen diep bewogen.
Die gesprekken waren van luttel beteekenis, en met het oog op de wantrouwende bezorgdheid van den cipier mocht ik zc niet dikwijls voeren ; maar toch koutten wij, tot mijn niet geringen troost, bijna eiken morgen, middag en avond. Werd er licht ontstoken, dan sloot de dame het venster en riepen de kleinen:
«Goeden nacht, Silvio!»
Zij-zelf, nu geheel onzichtbaar geworden, herhaalde met aandoening in de welluidende stem :
«Goeden nacht, Silvio. Moed gehouden!»
Wanneer de kinderen ontbeten of 's namiddags hun boterham aten, riepen zij:
«Wat zouden wij gaarne onze koffie en onze melk met u deelen! Wat zouden wij u gaarne een koek geven! Zoodra ge in vrijheid wordt gesteld, moet ge ons zeker komen bezoeken ; dan krijgt ge warme pannekoeken en duizend kussen op den koop toe 1»
XLI.
:et was nu midden-October ; een treurige verjaardag ! 't Vorige jaar was ik den i5den dezer maand aangehouden, en bovendien bracht October mij nog andere pijnlijke herinneringen. Nu twee jaren geleden was een mijner vrienden, een verdienstelijk, rechtschapen man, in de wateren des Ticino jammerlijk verdronken. Drie jaren geleden, eveneens in October, was een jongeling, Odoardo Bridie genaamd, dien ik liefhad als ware hij mijn zoon, door het springen van zijn geweer een smartelijken dood gestorven.
Ik was niet bijgeloovig , maar toch stemde mij de herinnering aan zooveel rampen diep treurig.
Wanneer ik aan het venster met de knaapjes koutte of door teekenen met mijne lotgenooten sprak, veinsde ik opgeruimdheid ; maar genoot ik die kleine verstrooiing niet, dan was ik norsch te moede, dan drukte mij de last der bezoeking loodzwaar op de ziel.
Bijwijlen greep ik naar de pen, om verzen te schrijven of in ruwe trekken eenig drama te schetsen ; maar telkens werd ik met onweerstaanbare kracht tot eene andere stof gedreven. Dan schreef ik lange brieven aan mijne dierbare ouders, brieven, waarin ik den gevoelens, die mijn hart overstroomden, uiting gaf. Ik schreef ze op de tafel, en deed ze daarna verdwijnen ; ik betuigde mijnen dierbaren op hartstochtelijke wijze mijne genegenheid, sprak diep bewogen over het geluk, aan den familiehaard in de rijkste mate genoten. Dan weder klaagde ik bitter over mijn ongeluk, betreurde in schier wilde smart de afwezigheid van hen, die mij lief waren, en
â 12 1 â
smeekte God, mijnen vader, mijne moeder, mijne broeders en zusters kracht te geven, hen voor mij te behouden. Dit alles schreef ik op de tafel ; en was daarop geene ruimte meer beschikbaar, had ik uren lang geschreven, dan nog welde hoog en breed een stroom van gevoelens uit mijn geprangden boezem.
Door dit alles herhaalde ik in nieuwen vorm mijne biographic, schiep mij vaak dwaze illusiën en zocht sterkte in de herinnering aan betere tijden. Maar, o mijn God, hoe dikwijls gebeurde het, dat ik, na opgewekt eenig voorval uit mijn leven breedvoerig te hebben gemaald, na mijne verbeelding in die mate te hebben opgezweept, dat ik waande, hen, met wie ik in den geest sprak, in mijn kerker en naast mij te zien â plotseling in de naakte werkelijkheid werd teruggevoerd, heviger dan ooit mijn lijden gevoelde ! Die oogen-blikken waren vreeselijk ; nimmer te voren leed ik met zóóveel hartstocht, met zóóveel koortsige opgewondenheid.
Die opgewondenheid, die schrikkelijke benauwdheden schreef ik toe aan den noodlottigen invloed mijner verbeelding, in hooge mate verhit door den nieuwen vorm, dien ik mijn opstellen gaf, door de omstandigheid, dat ik mij rechtstreeks tot mijne dierbaren richtte, dat ik mij willoos der fictie van hunne tegenwoordigheid overgaf.
Ik wil hierin verandering brengen, â en kan hel niet ; tenminste wil ik een anderen vorm aan mijne geschriften geven, â en beproef het tevergeefs ; ik grijp de pen, begin te schrijven â weder een brief vol smart en teederheid.
Heb ik mijn vrijen wil verloren ? vroeg ik mij-zelven af; is die moreele dwang om datgene te doen, wat ik niet begeer te verrichten, wellicht een verschijnsel van beginnende krankzinnigheid ? Die vrees deed mij hevig ontstellen. Een zoo treurige toestand ware verklaarbaar geweest in den aanvang mijns verblijfs in den kerker ; doch thans, nu ik mij aan dit leven heb gewoon gemaakt, thans, nu mijne verbeelding tot rust moest zijn gekomen, thans nu ik mijn geest op verschillende wijze dikwerf een zoo krachtig voedsel heb geboden â thans nog zou ik de slaaf der blinde verlangens van mijn harte zijn? O, ontwaak uit dien sluimer, werp af den druk dier onwaardige hypnose, wees niet klein, niet laf!
12 2
Ik poog nu, te bidden, ik poog, mij-zelf te vergeten in de studie van de Duitsche taal. Te vergeefs! altijd begin ik een brief te schrijven, een brief van smachtend verlangen naar hen, die ik minne, een brief, nu eens vol sombere weemoed, dan verzengd door hoogvlammend passievuur eens onvruchtbaren toorns......
XLII.
ulk een toestand was eene ziekte, eene soort van sovinaiii-â bulisme; liij werd zonder twijfel veroorzaakt door groote afmatting, slapeloosheid, eene voortdurende spanning des geestes.
De ziekte nam toe ; de slaap week onmeedoogend van mij en dikwijls had ik koorts. Te vergeefs beproefde ik, 's avonds geen koffie te drinken; in mijn toestand van hardnekkige slapeloosheid kwam geene verandering.
Het scheen mij toe, dat ik twee menschen in mij had: een, die brieven wilde schrijven, een ander, die het niet wilde. «Welnu,» zeide ik, «laten wij een vergelijk treffen : wél brieven schrijven, maar in liet Duitsch; zoo doende leer ik die taal.»
Sinds dien schreef ik alles in gebrekkig Duitsch, en werd zoo van lieverlede meer vertrouwd met de taal onzer naburen.
Des morgens, na een lange nachtwake, was ik geheel uitgeput en viel dan menigwerf in een staat van eigenaardige ver-dooving; dan zag ik in mijne droomen, beter gezegd in mijn ijlen, mijn vader, mijne moeder en andere personen, in bittere wanhoop over mijn ongeluk de handen wringend; ik hoorde hunne snikken, zag hunne tranen vloeien â en ontwaakte dan zelf, schreiende en hevig ontroerd.
Een andermaal hoorde ik mijne moeder de anderen troosten en zag haar, vergezeld door allen, die mij dierbaar waren, mijne cel binnentreden ; zij richtte heilige woorden over den plicht der gelatenheid tot den lieveling heurs harten. En toen ik mij door het voorbeeld van haar moed een weinig gesterkt gevoelde, smolt zij plotseling in tranen weg, en allen weenden met haar. Geen
pen vermag uitdrukking te geven aan het lijden, door mij in die stonden verduurd.
Om die kwelling te voorkomen besloot ik, niet meer te bed te gaan ; ik had voortdurend licht te mijner beschikking en bleef nu den geheelen nacht lezen en schrijven. Maar ach! bijwijlen las ik, en begreep niet; bijwijlen kon mijn arm hoofd de gedachten, die in mij oprezen, niet bevatten. Dan schreef ik het een of andere stuk uit mijn Bijbel over â en mijn lijden nam toe, in stee van mij te quot;v erlaten; elke houding was mij onver-dragelijk ; legde ik mij neder, dan voeren stuiptrekkingen door mijn lichaam, en moest ik mij haastig weder oprichten.
Mijn gebed was dor, en toch bad ik veel. Ik gebruikte luttel woorden, maar richtte mij telkens met eene korte beè tot Hem, die de menschheid aannam, teneinde als mensch-God menschelijk lijden te verduren.
In die schrikkelijke nachtwaken werd mijne verbeelding dermate verhit, dat ik in mijne gevangenis nu zuchten, dan gesmoord lachen meende te hooien. Nimmer was ik bijgeloovig, zelis^niet als kind, en nu kwelden mij dit gelach en die zuchten op ontzettende wijze, nu persten ze mij het angstzweet uit alle poriën. Ik kon dit niet verklaren en waande een. oogenblik, de speelbal te zijn eener duistere, vijandige macht.
Dikwijls greep ik sidderend mijne kaars en keek onder mijn bed, of niemand zich daaronder hield verscholen. Ook beeldde ik mij in, dat men mij uit de eerste cel had verwijderd en naar deze gevoerd, omdat er eene geheime opening bestond, waardoor sbiren alles, wat ik deed, bespiedden, om zich dan over mijn angst en vertwijfeling vroolijk te maken.
quot;Was ik bij de tafel gezeten, dan scheen het mij toe, dat iemand mijne kleederen aanraakte of een boek ten gronde wierp, of dat een persoon achter mij de kaars wilde uitblazen. Dan stond ik haastig op, zag verschrikt om mij heen, ging wantrouwend mijne cel op en neder en meende, krankzinnig te zijn. Ik kon in 't midden der begoochelingen, die mij omgaven, de werkelijkheid niet meer van de begoocheling onderscheiden, en riep angstig, schier wanhopig uit:
«Deus mens, Deus mcus, ut quid dereliquisti me!)) (i)
(i) âMijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlatenI'
XLIII.
ens begaf ik mij legen het aanbreken van den dag te bed, in de zekere meening, mijn zakdoek onder mijn hoofdkussen te hebben gelegd. Na eenigc minuten onrustig te hebben geslapen, ontwaakte ik plotseling en had een gevoel van wurging. Inderdaad scheen mijn hals met een koord te worden toegedraaid. Vreemd verschijnsel ! het was geen koord, doch mijn zakdoek, met verschillende knoopcn om mijn hals bevestigd ; ik hadde gezworen, die knoopen niet gelegd, mijn zakdoek onder mijn kussen geplaatst en niet aangeraakt te hebben. Ik wilde mij de overtuiging opdringen, dat ik in een benauwden droom zelf den zakdoek om mijn hals had geknoopt ; maar ik slaagde niet in mijne poging, en sinds dien vreesde ik eiken nacht, gewurgd tc zullen worden.
Ik begrijp, dat velen mijn schrik belachelijk zullen vinden ; maar ik, die zoo hevig daardoor leed, sidder nog, wanneer ik er aan denk.
Mijn angst verdween, zoodra het morgenrood door de traliën mijns kerkers gluurde ; en zoolang de zon hoog aan den hemel stond voelde ik mij genezen. Doch wanneer de avond kwam en een treurig duister in mijne cel begon te heerschen, overviel mij een zekere angst, eene drukkende benauwdheid, en de vree-selijke beelden van den vorigen nacht kwamen weder vóór mij opdoemen.
Naarmate mijne zwakheid in het duister van den nacht grooter was, deed ik meer mijn best, om in de gesprekken met de knaapjes van het patriarcato, met mijne lotgenooten en bewakers opgeruimdheid aan tien dag te leggen ; niemand, die mij
â 126 â
hoorde gekscheren, hadde geloofd, in welk een treurigen toestand ik mij bevond. Ik hoopte, dat die inspanning mij sterker zou maken, doch ik bedroog mij. Die akelige beelden en nachtelijke droomen, die ik des daags «kinderachtigheden» noemde, werden voor mij des avonds gruwzame werkelijkheid.
Indien ik had gedurfd, zou ik der commissie een ander verblijf hebben gevraagd ; maar ik deed zulks niet, daar ik den spot der rechters duchtte.
Ziende, dat alle redeneeringen, alle besluiten, alle studiën, alle gebeden vruchteloos waren, rees in mij het schrikkelijk denkbeeld op, dat God mij geheel had verlaten.
De ellendige sophismen tegen de Voorzienigheid, die mij in gezonde dagen zoo bespottelijk voorkwamen, brachten nu mijn arm hoofd in verwarring en schenen mij der aandacht waardig. Eenige dagen streed ik tegen die bekoring, maar toen was mijne sterkte, mijne wilskracht geheel uitgeput.
Ik miskende het vermogen van den godsdienst; naar het voorbeeld van Giuliano en andere godloochenaars, zeide ik : «Godsdienstigheid verzwakt de geeslen». Ik was vermetel en dwaas genoeg, te gelooven, dat mijn geest door God te verloochenen moed en sterkte zou erlangen. O tegenstrijdigheid ! ik loochende God en schonk gereedelijk geloof aan het bestaan dier booze geesten, die mij schenen te omringen en zich te verheugen in mijn ongeluk !
Hoe zal ik dit lijden noemen ? Was het eene ziekte ? of was het, in deze omstandigheid, eene straffe Gods, om mijn hoogmoed te fnuiken, om mij te toonen, dat ik, niet voortdurend bestraald door het licht der genade, een ongeloo-vige kon worden, gelijk Giuliano, en nog dwazer dan hij ?
Dan, Gód bevrijdde mij welhaast in liefdevolle barmhartigheid van dit euvel, en zulks op geheel onverwachte wijze.
Zekeren ochtend, na mijn koffie te hebben gedronken, werd ik hevig ongesteld, begon te braken en leed onuitstaanbare pijnen in 't lichaam. In den beginne waande ik mij vergiftigd. Afgemat door de inspanning van het braken, kon ik mij nauwelijks bewegen ; een koud zweet overdekte mij van het hoofd tot de voeten en schier zonder bewustzijn wierp ik mij te bedde. Tegen den middag werd ik slaperig, sluimerde in en rustte kalm tot laat in den avond.
Ik verbaasde mij over dien langen cn vreedzamen sluimer en verliet haastig mijne legerstede. ^ Ik gevoelde mij nu sterker dan gewoonlijk, om den nachtelijken schrikbeelden te weerstaan.
Maar die schrikbeelden, zij keerden niet terug. Eene rilling voer mij door het lichaam, en vurig dankbaar wierp ik mij op de knieën, aanbad in vervoering van zielsgenot Dengene, wiens barmhartigheid ik eenige dagen had miskend, en bad om vergiffenis. Die uitstorting van blijdschap had mij sterk vermoeid, en nog immer op de knieën vóór een stoel begon ik opnieuw te sluimeren.
Een of twee uren later ontwaakte ik half en had nauwelijks tijd om mij geheel gekleed te bed te leggen, waarna een gezonden slaap mij tot aan het lichten des dageraads de oogleden hield gesloten. Dien ganschen dag bleef ik eenigermate slaapdronken ; 's avonds legde ik mij vroeg ter ruste, en genoot weder den geheelen nacht een heerlijken sluimer, die mij naar geest en lichaam nieuwe krachten schonk.
Welk een crisis, vroeg ik mij af, is hier ingetreden? Het antwoord op die vraag moest ik schuldig blijven; maar. , . . ik was genezen.
XL IV.
Ipict gevoel van walging, dat sinds geruimen tijd mijne maag had gekweld, en mijne hoofdpijn waren verdwenen; ik kreeg een buitengewonen eetlust, mijne spijsverteering was gemakkelijk en iederen dag werd mijne gezondheid kloeker. O wonderbare wegen der Voorzienigheid! Zij had mij krachten ontnomen, om mij te verootmoedigen; Zij schonk mij die krachten weder, omdat het tijdstip, waarop het oordeel tegen mij zou worden geveld, ras nader kwam, en Zij niet wilde, dat ik, mijn vonnis vernemende, zou bezwijken.
Den 24 November werd een mijner lotgenoten, Dr. Foresli, uit de gevangenis der Piombi gehaald en naar eene mij onbekende plaats gevoerd. De cipier, zijne vrouw en zijne handlangers waren blijkbaar zeer treurig te moede; niemand wilde mij het verschrikkelijk geheim ontsluieren.
«Ach, s ignore,» zei Tremcrcllo, «waarom u dingen verhalen, die u toch geene vreugd bereiden ! Ik heb reeds te veel gezegd â
â Komaan, waarom gezwegen? heb ik u niet begrepen?» riep ik uit, en een koude rilling voer mij door de ledematen, «is hij ter dood veroordeeld?»
â Wie? .... hij? .... Dr. Forcsti?» ....
Tremcrcllo aarzelde, maar zijne babbelzucht kreeg toch de overhand.
«De signore zegge niet, dat ik een babbelaar ben, ik spreek liever niet over die dingen. De signore herinnere zich, dat hij mij heeft gedwongen. ...»
â Ja, ja, ik heb u gedwongen; maar komaan, zeg mij alles: wat is er van den armen Forcsti geworden?»
129
â Ach, signore, men heeft hem over de Pontc dei Sospiri i) gezonden. Hij bevindt zich in de crimineelc gevangenis. Tegen hem en twee anderen is het doodvonnis uitgesproken. ...quot;
â En wanneer zal het worden voltrokken ? wanneer ? De rampzaligen ! en wie zijn de anderenquot; ?
â Ik weet niets meer, ik weet niets meer ; de vonnissen zijn nog niet openbaar gemaakt. Men zegt hier, dat velen begenadigd zullen worden. Geve God, dat niet één doodvonnis wordt voltrokken ! Zoo niet allen worden gered â late het tenminste de signore zijn. ... Ik heb den signore zoo lief!quot;...
En schreiend verliet de weekhartige Trenterello mijne kamer.
De lezer stelle zich voor, in welke spanning mij de tijding van het oordeel, tegen den armen Foresti uitgesproken, had gebracht ; die pijnlijke onzekerheid zou eene maand duren. Eindelijk werden eenige vonnissen openbaar gemaakt ; vele personen, tegen wie het geding van landverraad of samenzwering was ingespannen, werden veroordeeld, negen zelfs ter dood. Deze laatsten evenwel zagen die uitspraak veranderd in zware kerkerstraf 2) ; eenigen voor twintig, anderen voor vijftien jaren; dezen moesten hun straftijd in het fort Spielberg, bij de stad Brünn (in Moravi) doorbrengen, terwijl nog anderen, tot slechts tien jaar veroordeeld, naar de citadel van Laybach werden gevoerd.
Was de omstandigheid, dat de veroordeelden van het eerste proces begenadigd werden, mij een waarborg, dat de doodstraf ook in het tweede geding niet zou worden toegepast ? Of zou de gratie des keizers enkel hun ten deel vallen, die kort na de verschijning der edicten tegen de «geheime genootschappen» waren aangehouden, en zouden wij, die nog later het gezag hadden getrotseerd, niet met uiterste gestrengheid worden behandeld ?
De oplossing van dit pijnlijk vraagstuk kan niet lang uitblijven, meende ik. Dank den Hemel, daar ik tijd heb, om den dood te voorzien en mij voor den smartclijken overgang tot een beter leven te bereiden !
1) De âBrug dor Zuchten.quot;
2) âCa ree re duroquot;
amp;mmutuzutu£utw;mmm®ututusumzmuz'mmusmK
XLV.
^ljMjurig wenschte ik, als een christen en zonder zwakheid ^ â quot;-l te sterven ; bijwijlen werd ik bekoord, de hand aan mij-zelven te slaan, maar de stem mijns gewetens hield mij van die gruweldaad terug. Waarom zoude het verdienstelijk zijn, de hand des beuls te ontvlieden, voor zich-zelf een zoo treurig ambt waar te nemen ? Redt men daardoor zijne eer? Is het niet dwaas, te gelooven, dat, wanneer men toch moet sterven, het eervoller is, zich-zelven bloedig te richten, dan zonder zwakheid den beul in het gelaat te zien ? Ware ik geen christen geweest, toch hadde ik den zelfmoord beschouwd als een lafheid, als een gruwel.
Is het eind mijner dagen gekomen, peinsde ik, moet ik mij dan niet gelukkig achten, den noodigen tijd beschikbaar te hebben, om in mij-zelven te gaan, om een oprecht berouw over de misslagen mijner jeugd te verwekken, om mijn geweten, door de aanraking met de wereld zoo vaak bezoedeld, te reinigen ? Menschelijkerwijze gesproken is het diep treurig, door de hand eens beuls te moeten sneven ; maar is het ook niet rampzalig, naar het graf te worden gesleept door eene langdurige, pijnlijke ziekte, welke den geest te eenenmale verzwakt en de ziel belet, zich op de nakende scheiding van het lichaam voor te bereiden, zich te verheffen tot Hem, die haar straks zal oordeelcn, opdat Hij een genadig Rechter moge zijn ?
De juistheid dier redeneering maakte zooveel indruk op mij, dat mijn afgrijzen voor den dood en voor die wijze van sterven, ganschelijk verdween.
Dikwijls mediteerde ik over de Sacramenten, die mij voor de groote reize naar de eeuwigheid moesten sterken ; het scheen mij toe, dat ik genoegzaam was voorbereid, om de heilzame uitwerking daarvan te mogen ondervinden. Maar zoude ik die verheffing des geestes, die liefdevolle vergevingsgezindheid jegens hen, die mijn dood wilden, die kinderlijke overgeving aan de beschikking der Voorzienigheid, zoude ik die uitstekende gevoelens ten einde toe hebben behouden als ik werkelijk de treden des schavots had moeten beklimmen ? Ach ! waant zich den mensch sterk en heilig,
juist dan is hij zwak, en klein en nietig voor den Eeuwige____
God weet, en Hij alleen, of ik den dood van een christen gestorven ware.
Het schijnbaar naderen van mijn laatste uur werkte zoo heftig op mijne verbeelding, dat ik geen oogenblik meer twijfelde aan de voltrekking van een tegen mij uit te spreken doodvonnis. Geene hoop op redding bleef mij over, en wanneer ik het geluid van des cipiers voetstappen of het gerinkel van zijn sleutelbos hoorde, sprak ik tot mij-zelf: Moed 1 wellicht komt men u halen, om u het vonnis mede te deelen. Late ik hel aanhooren met kalmte en waardigheid, en den wil Gods zegenen ....
Ik dacht na over hetgeen ik de laatste maal aan mijn vader, aan mijne moeder en allen, die ik liefhad, zoude schrijven. En terwijl mijn geest uitdrukkingen zocht, die konden weergeven wat ik voor hen gevoelde, werd ik hevig, maar niet bitter ontroerd, schreide uren lang, doch mijne tranen konden geen afbreuk doen aan de kracht mijner gelatenheid.
Is het niet begrijpelijk, dat onder deze omstandigheden mijne slapeloosheid terugkeerde ? Doch hoezeer verschilde zij van de eerste periode van dien toestand ! Ik hoorde deze maal noch zuchten, noch een krijschend lachen in mijne cel; ik droomde niet meer van geesten en verborgen sbiren. De nacht was voor mij zoeter dan dc dag ; want in die stille uren bad ik zonder eenige verstrooidheid, bad ik innig en met wellust. Doorgaans begaf ik mij om vier uur te ruste.
- I32 â
en sliep dan vredig tot laat in den morgenstond ; om de luttele kracht mijns lichaams zooveel mogelijk te sparen, bleef ik na mijn ontwaken nog eenigen tijd te bed en kleedde mij niet vóór elf uur.
Zekeren nacht was ik vroeger dan gewoonlijk te bed gegaan en sliep spoedig in. Na verloop van een kwartier ontwaakte ik uit die lichte sluimering en zag nu op den muur tegenover mijne legerstede een hellen, rossigen lichtschijn. Ik vreesde, dat mijne haliucinatiën waren teruggekeerd, maar het was nu geene zinsbegoocheling. Die roodachtige lichtschijn drong binnen door het venster aan de noordzijde, waaronder mijne legerstede was opgeslagen.
Ik verliet haastig mijn bed, en maakte weder den hoogen toestel, die de ongerustheid van mijn voorzichtigen cipier zoozeer had opgewekt. Nu ontrolde zich vóór mijn blik een schouwspel, in de hoogste mate indrukwekkend, maar niet minder vreeselijk.
Het was een groote brand, die met razende snelheid om zich heen greep en de op korten afstand van de gevangenis gelegen openbare bakkerijen in asch legde.
De nacht was zeer duister ; hooge vuurzuilen teekenden zich af op een zwarten horizon, en door een feilen zeewind aangeblazen woedde schrikkelijk en met toenemende gramschap het rosse element. Vonken verspreidden zich in alle richtingen, stegen hoog in de lucht en daalden als een zengende vuurregen over den geheelen omtrek neder. Eene menigte gondels overdekten de lagune ; ik vormde mij een denkbeeld van den schrik, die den bewoners van de belendende gebouwen om het hart moest slaan. Op eenigen afstand hoorde ik verschillende stemmen, die o. a. de namen Toguina, Momaio, Beppo, Zanze herhaaldelijk uitgalmden. Wederom dus klonk de naam Zanze mij in het oor ; wel is die naam in het Noorden van Italië en bijzonderlijk te Venetië zeer algemeen, maar toch vreesde, ik dat hier sprake was van haar die ik liefhad en betreurde. Misschien wordt de arme ginds een prooi der vlammen ..... Ach, waarom kan ik het goede kind niet ter
hulpe ijlen !
Sidderend over geheel mijn lichaam, door den schrik als «met stomheid geslagen, bleef ik tot den ochtend aan mijn
â i33 â
venster staan. Hevig ontroerd, vreeselijk opgewonden, stelde ik mij de schade, door den brand aangericht, veel grooter voor, dan zij in werkelijkheid was. Tremerello ' zeide mij later, dat enkel de groole bakkerij en de bovenmagazijnen waren vernield, en dat de ramp geen menschenleven had geëischt.
XL VI.
og was mijn zenuwgestel doorquot; het gebeurde zwaar geschokt, toen ik eenigen tijd later des nachts (ik had mij nog niet ter ruste begeven en zat rillend van koude vóór mijne schrijftafel) eensklaps den cipier, zijne vrouw en «se-condini» hoorde uitroepen: u// fogo! II fogo! Oh beata V er-ginc! oh noi perdui!» i)
Mijn gevoel van koude verdween : het angstzweet gutste mij van het voorhoofd.
Ik zag geene vlammen : de brand was uitgebroken in de gevangenis-zelf, in het door den cipier en zijne handlangers bewoonde vleugeldeel van liet oude paleis.
Een der «secondini» riep ; «.Ma, sior paron, cossa faremo de sti siori ingabbiai, se el fogo s'avansa ?» 2)
De cipier antwoordde : «Ik kan het niet over mijn hart krijgen, die sukkels te laten verbranden, en toch mag ik, zonder verlof der commissie, hun niet de deur openen. Kom, moed 1 loop wat gij loopen kunt en vraag verlof! n
â Gaarne, maar ik vrees, dat het antwoord te laat zal komen»...
â Waar bleef zoo plotseling mijne gelatenheid in het aanschijn des doods ? waar mijne zielskracht ? waar de heldenmoed der onderwerping aan 's Heeren wil ? Waarom gaf het denkbeeld, levend eene prooi der vlammen te zullen worden, mij de koorts ? Is het aangenamer, zich de keel te laten toewringen, dan zich
1) âBrand! brand! O heilige Maagd, wij zijn verloren!quot;
2) Meester, wal zullen wij doen met de heeren, die wij in 't kooitje houden, als de brand heviger wordt ?quot;
â i35 â
te voelen verbranden ? Ik dacht hierover na, â en schaamde mij ; ik was op het punt, den cipier toe te roepen, dat hij mij ter liefde Gods de deur zou openen, maar die beè kwam niet over mijne lippen. Toch was ik bevreesd, zeer bevreesd____
Ziedaar nu, sprak ik tot mij-zelven, den moed, dien ik zal toonen, wanneer ik, aan den vuurdood ontsnapt, de treden des schavots moet beklimmen. Ik zal mij inhouden, anderen mijne lafheid verbergen, maar niettemin sidderen. Dan, is het, wèl-beschouwd, ook geen moed, ten tijde, dat wij bevreesd zijn, allen schroom, alle beduchtheid voor hetgeen ons te wachten staat te ontveinzen ? Is het niet edelmoedig, te trachten, gaarne datgene af te staan, waarvan men zich moeilijk kan scheiden ? Met weerzin te gehoorzamen, maar tocll te gehoorzamen ?
De verwarring en ontsteltenis in de woning van den cipier namen sterk toe, hetgeen mij duidelijk de snelle nadering des gevaars te kennen gaf. En de «secondino», die oorlof te onzer vrijlating moest vragen, keerde niet terug ! Eindelijk meende ik, zijne stem te hooren. Ik luisterde opmerkzaam, doch verstond zijne woorden niet. Ik wacht, ik hoop ; te vergeefs, niemand vertoont zich. ... Is het mogelijk, dat men verlof ter onzer redding heeft geweigerd ? En is er geen ander middel, om te ontsnappen ? en wanneer de cipier zich enkel om zijn gezin bekreunde, wanneer hij niet aan ons, arme ingabbiai, dacht ?
Welaan, troostte ik mij-zelven, moed gehouden ! Die zwakheid is noch des philozofen, noch des christenen waardig ; handel ik niet beter, mij tot den vuurdood te bereiden, nu mij, naar ik hoop, nog eenige tijd is toegestaan?
Echter, het gedruisch verminderde allengs ; eenigen tijd daarna verstomde het geheel. Was de brand nu reeds uitgewoed, het gevaar te eenenmale geweken ? of was het gebouw door allen, die konden vluchten, verlaten, en werden wij met schandelijke wreedheid den vlammen geofferd ?
Maar het bleef stil, en hieruit moest wel volgen, dat de brand was geëindigd.
Ik begaf mij te bed en verweet mij den angst, dien ik had doorstaan, als eene lafheid. Nu vreesde ik de vlammen niet meer, nu ware ik bij voorkeur levend verbrand, om niet eenige dagen later door de hand des beuls te moeten sneven.
â i36 â
Den ochtend, daaropvolgende, werd mij door Tremerello een omstandig verhaal van den brand gedaan ; deze was blijkbaar van luttel beteekenis en geringe uitbreiding geweest. Ik lachte met de vrees, die Tremerello, naar hij zeide, had gevoeld ; ik lachte â alsof niet mijne vrees de zijne had ge-evenaard, alsof de mijne wellicht niet grooter dan die der «secondino» was geweest !
XLVII.
en ii Januari 1822, te ongeveer negen uur in den morgen, zochl Tremcrello eene gelegenheid om mij te bezoeken, en sprak, blijkbaar hevig ontsteld :
â Weet de signore, dat op het eiland San Michele di Murano, niet ver van Venetië, zich eene ruime gevangenis bevindt, waarin thans meer dan honderd carbonari zijn opgesloten ?»
â Reeds meermalen hebt ge mij hiervan gesproken ; welnu .... wat is er thans ? . . . . Spreek: zijn er nieuwe vonnissen bekend geworden?»
â Geraden.»
â Tegen wie ?»
â Ik weet het niet . . . .»
â Tegen mijn ongelukkigen vriend Maroncelli wellicht?...»
â Ach, signore, ik weet het niet ; geloof mij : ik weet het niet !»
Tremcrcllo wierp blikken vol medelijden op mij en verwijderde zich haastig en schreiende.
Weinig tijds daarna kwam de cipier in mijne kamer ; hij was vergezeld door iemand, dien ik nu voor de eerste maal zag. De cipier was blijkbaar treurig te moede. De onbekende nam ras het woord :
vSignore», zeide hij, »de commissie beveelt u, mij te volgen.
â Ik zal gehoorzamen. Wie zijt gij ?
â Ik ben cipier in de gevangenis San Michele, naar welke gij wordt overgevoerd.»
De cipier der Piombi stelde zijn ambtgenoot mijn geld ter
_ 138 â
hand. Ik vroeg en kreeg verlol om den «secondini» een geschenk aan te bieden. Ik nam mijne scripta en mijn Bijbel onder den arm en daalde snel de trappen alquot;. Trcmcrdlo drukte mij steelswijze de hand, met eene uitdrukking op het gelaat, die wilde zeggen : Ongelukkige, gij zijt verloren !
Wij verlieten het reusachtig gebouw door eene poort, die op de lagune uitkwam ; daar verbeidde ons een gondel met twee handlangers van den nieuwen cipier.
Ik besteeg het vaartuigje met een gemengd gevoel : ââ leedwezen, daar ik de Piombi moest verlaten, die, wel-is-waar, getuigen van mijn lijden waren geweest, doch binnen welker
â 139 â
muren ook menig zonnestraaltje mijn hart was komen verblijden ; vergenoegdheid, daar ik, na een zoo lange opsluiting, weder de vrije lucht mocht inademen, weder den hemel, de stad, de blauwe wateren aanschouwde, niet meer door de afschuwelijke traliën eens kerkers. Lachende beelden uit gelukkiger tijd rezen op aan den horizon mijns geestes ; ik dacht aan de ranke, sierlijke booten, die mij weleer hadden gewiegd op de groen-blauwe golljes van het éénig schoone meer van Como, op het Lago Maggiore, op Rhone en Saöne.....O heerlijke, voor immer vervlogen tijden ! Wie ter wereld was gelukkiger geweest, dan ik, â rampzalig jonkman, die, wellicht, zijn doodvonnis ging aanhooren?
Uit teedere ouders geboren, in een staat, die het midden houdt tusschen rijkdom en armoede, zag ik den hemel mijner jeugd van geen wolkje zwanger. Innig waren wij, leden van ons gezin, elkander verkleefd, en zoet en lieflijk vloden mijne eerste levensjaren daarheen, als vormden zij eene wonderschoone lente. Als jongeling werd ik toevertrouwd aan de zorg van een te Lyon woonachtig neef mijner moeder, een eerbiedwaardig grijsaard, die een nobel gebruik van zijn aanzienlijk fortuin wist te maken. Te zijnen huize kon ik als 't ware levensvreugd in breede teugen zwelgen; ik gevoelde mij innig gelukkig in de fraaie Khóne-stad, aan de zijde van een dierbaar en hoogvereerd lid mijner familie. Na verloop van ecnige jaren keerde ik naar Italië terug, woonde geruimen tijd bij mijne ouders te Milano, zette mijne studiën voort, kreeg meer en meer smaak in de letteren, werd toegejuicht en zag mij door vrienden omstuwd. Monti en Foscolo, schoon elkander vijandig gezind, betoonden mij dezelfde genegenheid. Ik hechtte mij bijzonder aan laatstgenoemde, en deze van nature zoo prikkelbare man, die zich door de stugheid zijner manieren zooveel vijanden maakte, was voor mij immer zachtmoedig en hartelijk; en ik, van mijn kant, vereerde en minde hem. Vele geletterde personen toonden mij eene wanne sympathie, die ik hun met woeker vergold, die ik uit de volheid mijns harten beantwoordde. Geen nijd, geen laster vervolgde mij, tenzij kritiek van zulke mannen, wier oordeel mij en anderen te eenenmale koud liet.
Bij den val van het koninkrijk Italië had mijn vader zich metterwoon in de stad Torino gevestigd; mijne moeder en
140
mijne broeders en zusters waren hem gevolgd, maar ik kon niet besluiten, Milano te verlaten, waar ik zooveel vrienden had, waar het geluk mij zoo liefelijk koosde.
Onder mijne talrijke Milaneesche vrienden werd niemand door mij teerder bemind dan Pietro Ãorosieri, Monsignore Lodovico di Brciiie en Graaf Lnigi Porro Lambertenghi; op hen volgde in de schatting mijner genegenheid Graaf Federico Con-falonieri. Ik had mij belast met de opvoeding van Porro's beide zonen; voor hen was ik een vader, voor hun vader een broeder, 's Graven woon was niet slechts het rendez-vous der geletterde en wetenschappelijke Milaneezen, maar ook van de beroemde reizigers, die het Noorden van Italië bezochten.
Daar loerde ik Madame de Staël, Schlegel, Davis, Lord Byron Hobhouse, Brougham en vele andere beroemdheden uit geheel Europa kennen. Hoe nuttig en heerlijk is het, voeling te houden met waarlijk edele, waarlijk groote geesten! Velen hunner, die ik bij Porro ontmoette, mochten zoo worden genoemd. Ja, gelukkig, boven allen gelukkig was ik, en met
geen vorst, met geen Cresus hadde ik geruild...... Maar
ach! de zonne van mijn geluk neeg spoedig ter westerkimme; zij spilde niet langer heure lonkjes aan mij, arme .... en nu, nu ben ik diep rampzalig, nu komt vóór mijn geest, die gedurende zooveel jaren louter zoete beelden aanschouwde, een gruwzaam tooneel, een bloedig schavot huiveringwekkend opdoemen ! . . . .
XLVII1.
nmiddels bereikten wij San Michelc ; zonder toeven werd ik naar eene cel gevoerd, wier eenig venster uitzicht verleende op de binnenplaats, de lagune en het niet natuurschoon zoo rijk bedeelde eiland Murano.
Ik bad den cipier, zijne vrouw en vier «secondini» mij nopens het lot van Maroncelli in te lichten. Tevergeefs : ik zag hen nauwelijks een enkele maal per dag, en steeds waren zij te mijnen opzichte wantrouwend en wilden zij niets uitlaten.
Doch ter plaatse, waar vijf of zes personen aanwezig zijn, kan het niet moeilijk vallen, tenminste één gevoelig, mededeelzaam karakter aan te treffen. Het gelukte mij inderdaad, zoo iemand te vinden. Ziehier, wat ik vernam:
Maroncelli was geruimen tijd alleen opgesloten, doch later bij Graaf Camillo Laderchi. Deze werd eenigen tijd daarna onschuldig verklaard en in vrijheid gesteld, zoodat Maroncelli zich nu weder alleen bevond. Nog twee anderen had men de vrijheid teruggeschonken : Professor Gian-Dominico Romagnost en Graaf Giovanni Arrivabene. Kapitein Rezia en de heer Ca-nova bevonden zich bij elkaar terwijl Professor Ressi ernstig ziek was en zijn laatste uur in eene cel naast de hunne verbeidde.
«Zij, die niet in vrijheid werden gesteld, zijn dus veroordeeldquot; ? vroeg ik daarna; «en waarom toeft men zoolang, hun het vonnis mee te deelen? Ik veronderstel, dat men op den dood van den ongelukkigen Ressi wacht».....
â Ik geloof het wel.»
lederen dag vroeg ik naar den toestand des armen zieken.
â 142 â
Nu eens luidde het antwoord : Hij heeft de spraak verloren ; dan weder ; hij heeft de spraak teruggekregen, of : hij ijlt, hij geeft weinig teekenen van leven, hij braakt veel bloed, hij ligt geheel buiten kennis, zijn toestand is zeer gevaarlijk, nu is hij wat beter, hij is in doodstrijd. . . . Die antwoorden wisselden elkander geruimen tijd af. Eindelijk gewerd mij zekeren morgen de tijding : Hij is dood.
Ik was ontroerd, schreide heete tranen en wenschte hem geluk, dat hij vóór de uitspraak van het vonnis tot een beter leven was overgegaan.
Den 21 Februari 1S22 kwam de cipier mij te ongeveer drie uren halen. Hij geleidde mij naar de kamer, waar de commissie ad hoe zitting hield, en ging daarna heen. De rechters waren gezeten ; zij, de president, de inquisitore en twee anderen, stonden op.
Oprecht medelij trilde in de stem des voorzitters ; hij zeide, dat het uur der afkondiging van het tegen mij gevelde oordeel was gekomen; dat dit oordeel verschrikkelijk was geweest, maar dat de goedheid van Z. M. den keizer te mijner gunste was tusschenbeide getreden.
Het vonnis werd voorgelezen; «Ter dood. veroordeeldu ; daarna het keizerlijk rescript: «De straffe des doods veranderd in vijftien jaren car cere duro,Xq ondergaan in het fort Spielberg.»
Ik antwoordde:
«Gods heilige wil geschiede !» Inderdaad was het mijn voornemen, dien schrikkelijken slag met de gelatenheid van den christen en zonder haat, tegen wien ook, te ontvangen.
De voorzitter prees mijne kalmte, ried mij aan, die steeds te bewaren, opdat ik, na verloop van twee of drie jaren, eener nog grootere genade zou waardig zijn.
Ook de andere leden der commissie richtten woorden van troost en bemoediging tot mij. Doch een hunner, die mij gedurende het proces vijandig gezind was voorgekomen, zeide ook een vriendelijk woord, waarvan ik de oprechtheid niet kon aannemen ; ik zoude hebben gezworen, dat in zijn oog een grimlach van bitteren spot flikkerde.
Thans zoude ik wellicht niet meer een dusdanig oordeel over dien rechter vellen ; maar op dat oogenblik kookte mij
â 143 â
het bloed in de aderen en moest ik al mijne zelfbeheersching aanwenden, om niet toornig uit te varen. Ik bleef voor het uitwendige kalm; en terwijl de rechters mijn christelijk geduld prezen, kampte ik inwendig een heeten strijd.
«Het doet ons leed», hernam de inquisitore, «morgen uw vonnis in het openbaar te moeten afkondigen; maar het is eene formaliteit, die wij moeten, vervullen.»
â Het zij zoo,» luidde mijn antwoord op die mededeeling.
«Van nu af,» sprak de voorzitter, «moogt ge bij uw vriend zijn.«
De cipier werd geroepen, ik boog mij vóór de vierschaar en werd naar de kamer van mijn dierbaren Pictro gevoerd.
XLIX.
ll^oe /oct was v001quot; mijn vriend en voor mij het oogenblik, eSs^V) waarop wij, na gedurende een jaar zoo vreeselijk geleden te hebben, elkander mochten wederzien ! De wellust der vriendschap deed ons voor eene wijle onze veroordeeling vergeten.
Eindelijk rukte ik mij uit zijne armen los en zette mij neder, om een brie!quot; aan mijne ouders te schrijven. Vurig wenschte ik, dat de tijding van mijn treurig lot hen niet door anderen zou bereiken : ik-zelf wilde hun op voorzichtige wijze alles mededeelen, en tegelijkertijd door woorden van troost en bemoediging de smart verzachten, die ongetwijfeld hunne ziel moest verscheuren. De rechters beloofden mij, den brief on-middelijk te verzenden.
Daarna verhaalde mij Pietro den loop van zijn geding, en verzocht mij, hem wederkeerig mijn gevangenisleven te beschrijven. Vóór het venster staande hadden wij gelegenheid, drie onzer bekenden te groeten. Canova en Rezia bevonden zich in ééne cel; de eerste was tot zes, de tweede tot driejaren carcere duro veroordeeld. De andere was Dr. Ccsare Aviari, vóór eenige maanden mijn buurman onder de Piombi.
Het was voor mij den geheelen dag en avond eene welkome verstrooiing, met hen te kunnen spreken. Doch lag ik te bed, was het vertrekje in duisternis gehuld en heerschte overal eene diepe stilte, dan week de slaap verre van mij. Mijn hoofd brandde, en 't hart bloedde mij, wanneer ik dacht aan hen, die mij zoo lief waren. Zullen mijne dierbare ouders dien slag verdragen ? zullen mijne broeders en zusters hen kun-
â 145 â
nen troosten over het verlies van hun Silvio, over het ongeluk van het kind huns harten ? Helaas !
En hadde ik alleen aan mijne ouders of aan andere, mij dierbare personen gedacht, dan zou die overpeinzing mij enkel hebben bedroefd, mij weemoedig hebben gestemd; maar ik dacht ook aan dien honenden grimlach des rechters, aan mijn geding, aan de reden mijner veroordeeling, aan staatkundige illusiën, aan het lot van zulk een groot aantal mijner vrienden.. . . Nu oordeelde ik ruw en hard en onbillijk. God stelde mij op eene zware proef. Het was mijn plicht, die proef met den moed der gelatenheid zegevierend te doorstaan. Ik kon het niet, ik wilde het niet! Het scheen mij aangenamer, te haten dan vergiffenis te schenken ; ik leed verschrikkelijk.
Des morgens bad ik niet. Het heelal werd door mij beschouwd als het werk eener aan het goede vijandelijke macht. Vóór eenige maanden, ik verhaalde het reeds met bittere spijt, lasterde ik in mijne woede Hem, wiens vaderhand mij kastijdde. Edoch, nooit hadde ik na mijn ommekeer geloofd, in dien staat te kunnen terugvallen â en dit nu in zoo korte spanne tijds ! Ach, Giuliano kon niet goddeloozer zijn dan ik.... Hij, die gevoelens van haat koestert, dan vooral, wanneer hij wordt bezocht door het ongeluk, dat hem goede gedachten moest ingeven, is schuldig. â ook dan, wanneer hij, naar mensche-lijke beschouwing, onverdiend lijden verduurt. Ook in den be-weerd-rechtvaardige is de haat een mateloozc trots, eene vergoding van het «ik». En gij, o nietige, kleine mensch, vervuld met ellende, zwakheid, fouten, â wie zijt gij, om te haten degenen, die u met gestrengheid oordeelen ? om te beweren, dat niemand met zuiver inzicht u eenig leed kan aandoen, in de mcening, hierdoor een daad van gerechtigheid te verrichten ? om te wanhopen, om u bitter en toornig te beklagen, wanneer God in zijne barmhartige liefde gedoogt, dat gij hier lijdt, in stede van hiernamaals 1 ... .
Ik gevoelde mij ongelukkig, niet te kunnen bidden ; doch ter plaatse, waar de hoogmoed ten troon zetelt, is geene ruimte voor God beschikbaar.
Ik hadde mijne dierbaren willen aanbevelen in de liefde des eeuwigen Troosters, â en ik geloofde niet meer in Hem.....
11
L.
gondel naar de stad gevoerd. Wij bereikten het voormalig paleis der dogen en bevonden ons weder in de oude gevangenis. Men geleidde ons naar de kamer, die korten tijd geleden Caporali huisvestte ; 't is mij onbekend, waar die lotgenoot zich toen bevond.
Negen of tien sbiren moesten ons bewaken, en wij, wij zagen met schrik het oogenblik tegemoet, waarop wij ons naar het plein moesten begeven.
Lang bleven wij in die smartelijke spanning. Eerst tegen het middaguur verscheen de inquisitore en gebood ons, hem te volgen. Ook de geneesheer kwam ; hij ried ons aan, een glas pepermuntwater te drinken, hetgeen wij dankbaar aannamen, zij het slechts om den goeden grijsaard, die ons oprecht medelijden betuigde, genoegen te doen. Daarna werden ons door het hoofd der sbiren de handboeien aangelegd. Nu begaven wij ons naar het plein, voorafgegaan en gevolgd door een menigte gerechtsdienaren.
,6 negen uur des morgens werden Maroncclli en ik- in eene
Wij daalden de prachtige Scala de' Giganti i) af, de plaats^ die eenmaal het hoofd van den doge Marino Faliero, een offer van de zucht tot onbeperkt heerschen^ zag vallen ; daarna schreden wij voort onder de groote portiek, die van het pa-lazzo af naar het plein voerde. In het midden daarvan was het schavot opgericht, dat wij moesten beklimmen. Van den Trap der Reuzen af tot aan het schavot was eene dubbele rij
i) Trap der Reuzen.
â 147 â
schrik cn ontzetting ten prooi. In de verte zagen wij overal gewapende mannen, en later zeide men ons, dat aan verschillende zijden kanonniers met brandende lont waren opgesteld.
Op dit zeilde plein had in September 1820, eene maand vóór mijne arrestatie, een bedelaar tot mij gezegd : u Sign ore, gij bevindt u hier op eene gevloekte plaats» !
Ik herinnerde mij dien bedelaar, cn dacht : Misschien bevindt hij zich onder de menigte en heeft hij mij reeds herkend ....
De Oostenrijksche kapitein beval ons, het aangezicht naar het palazso te keeren en omhoog te zien. Wij gehoorzaamden en bemerkten nu op het terras een ambtenaar der justitie, met een blad papier in de hand. Het vonnis werd met luider stemme voorgelezen.
Er heerschte aanvankelijk eene diepe stilte ; maar toen de woorden «ter dood veroordeeld)) waren uitgesproken, hoorde men een schier dreigend gemompel. Daarna zweeg men en luisterde opnieuw. Wederom gal' zich het toornig medelijden des
â 148 â
volks kond, toen de voorlezer de woorden uitsprak; «worden, veroordeeld tot car eer c duro, Maroncelli voor twintig, Pellico voor vijftien jaar.»
Nu beval ons de kapitein, de treden des schavots af te dalen. Voor het laatst wierpen wij een blik om ons heen en gehoorzaamden ijlings. Eenige minuten later bevonden wij ons in de kamer, die wij vóór nauwelijks een kwartier hadden verlaten. Men nam ons de boeien af en geleidde ons weldra terug naar de gevangenis San Miehele.
LI.
J^Tii, die vóór ons waren veroordeeld, bevonden zich reeds
Wigt;kJ
~- op weg naar Laybach of Spielberg. Zij werden begeleid door een commissaris van jiolilic, op wiens terugkeer wij moesten wachten, aangezien hij ook ons daarheen moest voeren. Eerst na verloop van eene maand keerde hij terug van die eerste reize.
Ik zocht nu verstrooiing in aanhoudende gesprekken. Bijwijlen las Pietro mij zijne litterarische opstellen voor, of deed ik hem de mijne kennen. Een ander maal las ik bij het venster voor Canova, Resia en Annari mijne «Ester d'Engaddi», of het veelbesproken treurspel «Iginia d'Arti».
Maar was het duister in ons kamertje, dan sidderde mijn hart in mijn boezem, dan smolt ik weg in tranen ; ik sliep weinig, dikwijls in het geheel niet.
Ik verlangde en vreesde tevens, te vernemen, hoe mijne ouders de tijding van mijn ongeluk hadden ontvangen.
Eindelijk gewerd mij een brief van mijn vader. Moe bitter was ik teleurgesteld, ziende, dat mijn laatste brief niet onmid-delijk was verzonden, zooals de inc/itisitorc mij had beloofd ! Mijn ongelukkige vader, die nog altijd op vrijspraak hoopte, las in de Gazetla di Milano mijn vonnis. Hij zelf verhaalde mij op roerende wijze die omstandigheid, en uit elk zijner regelen sprak luide en luider de smart, die zijne arme ziel verscheurde.
O, hoezeer kwam mijne kinderliefde in opstand tegen de handelwijze van den inquisitore ! Ik rilde van gramschap en machtelooze woede. Thans ben ik geneigd, aan te nemen, dat hier geen opzet, maar alleen achteloosheid in het spel
â i5o â
is geweest ; maar toen, toen vooronderstelde ik eene duivel-sche boosheid in den man, die mij had teleurgesteld en door wiens schuld mijn oude vader zoo bitter had geleden. Ik zoude in staat zijn geweest, mij over die marteling bloedig te wreken.
Woedend als ik was, voer mij toch eene rilling door de leden, toen ik vernam, dat mijne makkers in het ongeluk vóór hun vertrek aan hun Paaschplicht wilden voldoen : helaas ! ik kon niet in hun geluk deelen, aangezien mij de wil tot vergeven en vergeten ontbrak. Ach, moest ik zooveel ergernis geven !
LIL
indelijk was de commissaris teruggekeerd, en werd ons aangezegd, dat wij binnen twee dagen zouden vertrekken.
«Ik heb het genoegen», sprak de commissaris, «u eenigen troost te mogen bieden. Op mijne terugreis van Spielberg had ik een gehoor bij Z. M. den Keizer, die mij heeft gezegd, dat voor hen, die wegens politieke misdrijven zijn veroordeeld, de dagen slechts twaalf in stede van vier-en-twintig uren zullen tellen.»
Dit nu wilde duidelijk zeggen, dat onze straf met de helft zou worden verlicht.
Die vermindering werd ons later nooit officieel medegedeeld ; doch het was zeker, dat de ambtenaar ons niet wilde beliegen, zulks te meer, daar hij ons niet in het geheim, maar bij weten der commissie 's Keizers woorden had overgebracht.
Toch vond ik in die mededeeling weinig troost. In mijne schatting was eene kerkerstraf van jaar niet minder vreese-lijk, dan een van i5 jaar. Het scheen mij onmogelijk, zoo lang te leven.
Mijne gezondheid was middelerwijl zwaar geschokt. Ik leed hevige borstpijn en hoestte voortdurend. Ik meende, door longtering te zijn aangetast, at weinig en kon schier geene spijze verdragen.
Ons vertrek zou plaats hebben in den nacht van 25 op 26 Maart.
Men veroorloofde ons, Dr. Cesare Amari, onzen vriend, te omhelzen. Een sbire ketende ons de rechterhand aan den linkervoet, opdat wij niet konden vluchten. Nu bestegen wij eene gondel, en onze bewakers roeiden naar Fusina.
â I52 â
Hier stonden twee rijtuigen gereed. Rczia en Caiiova plaatsten zich in het eene, Maroncelli en ik in het andere. In het eerste rijtuig bevond zich de commissaris met twee gevangenen, in het tweede de ondercommissaris met de beide anderen. Zes oiquot; zeven politiewachten, met geweer en sabel
gewapend, begeleidden den stoet ; eenigen hunner namen in de rijtuigen plaats, de overigen op den bok, bij de koetsiers.
Onder elke omstandigheid is het beklagenswaardig, tegen zijn wil het vaderland, den geboortegrond te moeten verlaten; doch worden wij in ketenen geklonken ter ballingschap uitgedreven ; weten wij, dat, verre van de plek, waar onze wiege stond, waar onze moeder den schat heurer lielde aan ons heeft
gespild, een sombere kerker ons deel zal worden, .......
o, dan zijn wij dermate rampzalig, dat geen stift ons lijden maalt, dat geene pen het beschrijft, dat geen mond het vermag uit te spreken !
Vóór wij de Alpen overtrokken, werd in mij de liefde tot mijn vaderland vuriger en vuriger. O, hoe lief had ik Italië,
â 153 â
mijn zonnig geboorteland, zijn diep-blauwen hemel, zijne gebruinde kinderen, zijne éénig-schoone meeren, zijne fiere bergreuzen, zijne vredige dalen !
In elke stad, in alle dorpen, die \vij moesten doortrekken, kende men onze veroordceling en verbeidde men ons met belangstellend medelijden. Op sommige plaatsen kostte het den commissarissen en den wachten veel moeite, zich een weg door het saamgedrongen volk te banen. Wij stonden verbaasd over de genegenheid, ten onzen opzichte aan den dag gelegd.
Te Udine werd mij eene zeer aangename verrassing bereid. Toen wij op het plein vóór de uitspanning waren aangekomen, liet de commissaris de poort sluiten en de menigte verwijderen. Hij gaf ons eene kamer en beval den knechten, ons een avondmaal te bereiden en beddegoed te bezorgen. Een oogenblik later zien wij drie mannen' binnentreden, met een matras op den schouder. Hoe groot was niet onze verbazing, toen wij dra zekerheid erlangden, dat slechts één hunner zich in dienst van den herbergier bevond en dat de beide anderen Milaneesche vrienden waren !
Wij namen den schijn aan, hun bij den arbeid in ons vertrek behulpzaam te zijn, en steelswijze drukten wij hun de vriendenhand. Tranen kwamen ons cn ook hun in de oogen. Welk eon marteling was het, die edele mannen niet te kunnen omhelzen, niet aan hunne borst te mogen uitweenen !
De commissarissen hadden niets van die ontmoeting bespeurd ; maar ik ben overtuigd, dat een der wachten ons geheim had geraden, op liet oogenblik dat de goede Dario mij de hand drukte. Die wacht was een Venetiaan. Hij zag Dario en mij strak in de oogen en scheen te aarzelen, of hij al dan niet zoude spreken. Hij werd bleek, dan rood, was blijkbaar in tweestrijd met zich-zelven, doch zweeg, wende het gelaat af en veinsde, niets te hebben gezien.
If
LIII.
es ochtends vertrokken wij bij het lichten des dageraads van Udine. De goede Dario bevond zich reeds op de straat ; hij was in een wijden mantel gehuld, groette ons en volgde geruimen tijd den stoet. Wij zagen ook op een afstand van twee of drie mijlen eene koets, uit welker raampje
iemand met een zakdoek wuifde. Wie kon het zijn ?____
O, dat God de edelmoedigen zegene, die er niet over blozen, dat zij hen, wien de fortuin niet meer toelacht, liefhebben ! Ik schat ze hoog, die edele karakters, die ware vrienden, â hooger, wijl ik in zoovele jaren van rampspoed lafaards leerde kennen, die mij verloochenden, die zich verdienstelijk wilden maken, door mij, wiens vriendschap zij in de dagen des geluks om strijd hadden gezocht, met laster en minachting te beladen.
Ik had voorondersteld, dat, zoodra wij het Italiaansche grondgebied achter den rug hadden, niemand meer ons genegenheid en deernis zou betoonen. Ik dwaalde: de deugdzame is onder elke omstandigheid de landgenoot des on gelukkigen. Toen wij een einds weegs op het grondgebied van Illyriï- waren gekomen, betuigde men ons niet minder deelneming, dan in het vaderland. Ons ziende, sprak een ieder met een zucht van medelij; «Arme Herren!))
Op sommige plaatsen moesten wij stilhouden, zonder vooraf te weten, waar wij den nacht zouden doorbrengen. Dan omstuwde ons de menigte en hoorden wij uit veler mond woorden van hartelijke deelneming in ons ongeluk. De goedhartigheid van dit volk trof mij nog meer, dan het medelijden van land-genooten. Hoe dankbaar was ik dien goede lieden !
i55 â
De troost, dien ik op deze en andere wijze mocht smaken, verzwakte allengs den haat, dien ik «mijnen vijanden» toedroeg.
Wie weet, peinsde ik, of, wanneer ik van nabij hun gelaat aanschouwde, en zij het mijne zagen ; wanneer ik in hunne ziel kon lezen, en zij in de mijne â of ik dan niet zou moeten bekennen, dat zij geene schurken zijn, en of zij dan niet gaarne zouden belijden, dat ik geen ellendeling ben ? Of wij dan niet elkaar zouden hoogachten en beminnen ?
Haaf; en afschuw spruiten zoo menigwerf hieruit voort, dat men wederzijds elkander niet genoegzaam kent. Bood zich de gelegenheid aan om in elkanders ziel te lezen, wis verkeerde in menig geval de haat in genegenheid, de afschuw in hoogachting.
Wij pleisterden één dag te Lay back, waar Cauova en Rezia ons moesten verlaten en naar het kasteel werden gevoerd ; men bevroedt gemakkelijk, dat die scheiding ons bloedend hart een nieuwe wonde sloeg.
In den avond van den dag, waarop wij te Laybach aan kwamen, en ook den volgenden morgen, kwam een heer, als ik mij niet bedrieg secretaris der gemeente, ons gezelschap houden. Hij was een edel, menschlievend karakter en sprak over den godsdienst met zalving en waardigheid. Ik kwam op het denkbeeld, dat hij priester kon zijn ; want in Duitsch-land zijn de priesters gewoon, zich als leeken te kleeden. i) De heer, door mij bedoeld, had een uiterlijk, dat in hooge mate achting en vertrouwen inboezemde. Het speet mij, hem zoo ras te moeten verlaten.
Hoe zoet ware het mij, uw naam te mogen kennen, o goed en edel meisje, dat ons in een vlek van Styrië herhaaldelijk en met beide handen uw lieflijken groet toewuifde ! Gij weendet, o mijne onbekende vriendinne, gij weendet, en ook de blonde Duitscher, op wiens arm gij steun zocht, had tranen in de blauwe oogen. Hebt dank, en weest beiden gezegend !
Hoe streelcnd ware bet mij, van elk uwer den naam te kennen, o eerbiedwaardige huisvaders en huismoeders, gij die ons met zooveel belangstelling vraagdet, of onze goede ouders nog in leven waren, en die, op ons bevestigend antwoord, schreiende uitriept : O ! dat God u spoedig in hunne armen terugvoere !
i) ? ? Hier is blijkbaar eene vergissing, of tenminste overdrijving in het spel. (Vekt.)
LIV.
en io April bereikten wij het oord onzer bestemming.
Brünn is de hoofdstad Moravië en de residentie van een stadhouder. Het is fraai gelegen, blijkbaar welvarend en zeer nijver, en telt ruim 3o.ooo inwoners.
Een eind weegs van de stad verheft zich een heuvel, waarop in somberen ernst het kasteel Spielberg, voorheen de koninklijke residentie der Heeren van Moravië, en thans eene strafgevangenis der Oostenrijksche monarchie. Weleer was het eene sterke citadel ; de Franschen bombardeerden en namen deze sterkte na den beroemden slag bij A listerlitz , (het dorpje van dien naam bevindt zich in de nabuurschap). Tijdens mijn verblijf op Spielberg waren te dier plaatse meer dan driehonderd veroordeelden opgesloten, voor het meerendeel dieven en moordenaars; sommigen waren veroordeeld tot carcere duro, (i) anderen tot carcere durissimo. (2)
Ondergaat men de straf van carcere duro, dan is men dwangarbeider, draagt een keten aan de voeten, slaapt op planken, llt;rijgt een ellendig voedsel. De term carcere durissimo beduidt, dat men nog zwaarder wordt geboeid, een ijzeren band om het middel draagt, en dat de keten in den muur is bevestigd, zoodat men nauwelijks eenige schreden kan doen. De voeding voor beide klassen is dezelfde, schoon de wet voor hen, die. carcere durissimo ondergaan, eigenlijk «brood en water1) voorschrijft.
Wij, staatsgevangenen, waren tot carcere duro veroordeeld.
1) Carcere duro â harde (strenge) gevangenschap.
2) Carcere durissimo â zeer harde (zeer strenge) gevangenschap.
â 157 -
|
Den heuvel, â wierpen wij een waarop Spielberg zich verhief, beklimmende, laatsten blik op de heerlijke natuur, die ons |
omgaf, als wilden wij der wereld vaarwel toeroepen, als zou een afgrond ons levend gaan verzwelgen.
Voor het uitwendige bleef ik kalm, maar inwendig leed ik
â 158 â
vreeselijk. Vruchteloos nam ik mijn toevlucht tot de wijsbegeerte : zij bood mij geenerlei troost, zij vermocht niet, mij kalmer te stemmen.
AVas reeds bij het vertrek van Venetui mijn gezondheid zwaar geschokt, de vermoeinissen van dien langen tocht hadden mij nu geheel uitgeput. Ik leed zware hoofdpijn, mijne ledematen weigerden schier hun dienst en eene brandende koorts verteerde mij. Het lichamelijk lijden verergerde meer en meer mijne grammoedige stemming, en deze, op hare beurt, werkte zeer nadeelig op den staat mijner gezondheid.
Wij werden uitgeleverd aan den bestuurder van Spielberg, die onze namen inschreef bij die van moordenaars en dieven. De keizerlijke commissaris drukte ons bij het heengaan met ontroering de hand. «Draagt wel zorg, mijneheeren,» zei de waardige man, «nimmer eenig verzet te wagen ; de geringste inbreuk op de tucht van dit huis kan door den bestuurder zwaar worden gestraft.»
Na het vertrek van den commissaris werden Maroncelli en ik naar een onderaardschen gang geleid, waar men twee duistere, ver van elkander gelegen cellen voor ons opende.
LV.
martelijk boven alle beschrijving was het oogenblik, waarop wij elkander ten afscheid aan de borst drukten. Onze tranen vloeiden saam, wij trachtten, nog een enkel woord te spreken, maar â «voorwaarts», klonk het ruw uit den mond des intendanten ; nauwelijks hadden wij tijd, nog éénmaal den heiligen kus der broederliefde te wisselen.
Pietro zag mij zwaar ziek, en hij, de teedere vriend, schreide hierover : hij was overtuigd, mij nimmer te zullen wederzien. En ik, ik betreurde en beweende in hem eene bloeme in de volle kracht harer schoonheid, thans wellicht voor immer van de koestering en het licht der zonne beroofd. En die bloeme, inderdaad, hoe ras ging zij welken! Eenmaal zoude zij het licht weder aanschouwen, doch, helaas! in welken staat!
Toen ik mij alleen zag in dit afgrijselijke hol, toen ik de grendels der deur hoorde knarsen, toen ik, bij het zwakke licht van een klein venstertje, hetwelk bij de zoldering was aangebracht, de naakte brits en de zware, in den muur bevestigde keten aanschouwde, toen voer mij eene koude rilling door het lichaam ; ik zette mij neder, woog de keten op mijne hand, meette hare lengte en waande haar voor mij bestemd.
Een half uur later hoorde ik het gerammel van sleutelen ; de eerste cipier bracht mij een kruik water.
«Hier hebt ge wat te drinken,» zeide hij met ruwe stem, «morgen krijgt ge brood.»
â Dank u, goede man.»
â Ik ben niet goed,» verklaarde hij stug.
â Zooveel te erger voor u,» antwoordde ik verontwaar-
â I Go â
digd. «En die keten,» voegde ik er bij, «is die wellicht voor mij bestemd» ?
â Ja, mijnheer, voor het geval, dat gij u niet behoorlijk gedraagt, u niet rustig houdt en u onbeschoftheden veroorlooft. Maar blijft ge, zooals ik u durf aanraden, kalm en ordelijk, dan zullen wij u slechts een keten aan de voeten leggen ; de smid maakt haar gereed.»
Langzaam wandelde hij mijne cel op en neder en deed zijn sleutelbos geweldig rammelen; ik, voor mij, zag half toornig, half niet bewondering naar de kloeke, majestueuze figuur des grijsaards. In weerwil van zekere trekken op zijn gelaat, die ik mij niet kon verklaren, scheen hij mij uitermate ruw en ongevoelig.
O, hoe onrechtvaardig beoordeelt men vaak den even-
mensch, wanneer men zich geene moeite geeft, om een dieperen blik in den afgrond zijner ziel te slaan, wanneer men het zoo wraakbare getuigenis van den schijn klakkeloos aanneemt I De man, van wien ik de meening had opgevat, dat hij zich in mijn
â i6i â
ongeluk verheugde, dat hij mij wilde bespotten, die naar het uitwendige zoo ruwe, zelfs wreede man was een edel, gevoelig karakter. Dan, hij wilde niet zwak schijnen, uit vrees, dat ik zijner belangstelling onwaardig zoude zijn.
Zijne tegenwoordigheid en meer nog zijn ruw voorkomen, zijne harde gelaatstrekken moede, wilde ik hem vernederen, en zei, alsof ik tot een dienaar sprak: «Laat mij drinken.»
Hij zag mij aan, en zijne oogen wilden zeggen :
«Onbeschaamde ! vermeet gij u, hier te bevelen?»
Hij antwoordde niet, boog zich, nam de kruik en gaf ze mij in de hand. Ik merkte op, dat hij beefde ; maar ik schreef zulks toe aan den last der jaren, dien zijne schouderen torschten. Zeker gevoel van eerbied temperde mijn hoogmoed.
«Hoe oud zijt gij?» vroeg ik beleefd en minzaam.
â Vier-en-zeventig jaar, mijnheer. Ik heb veel rampspoed aanschouwd, zoo wat betreft mij-zelf als anderen.».....
Opnieuw beefde hij, en de waterkruik ontviel bijna aan zijne hand; ik begreep nu eenigermate, waarom.
De gevoelens van aikeer, die zijn optreden mij had ingeboezemd, waren verdreven.
«Welk is uw naam?» vroeg ik met klimmende belangstelling.
â Een gril van het toeval, mijnheer, gaf mij den naam van een beroemd man : Ik heet Schiller.»
Nu beschreef hij mij in 't kort zijn veelbewogen leven. Hij was een geboren Zwitser, de zoon van nederige landbouwers, had, ten tijde van Maria-Theresia en van Joseph II, deelgenomen aan den oorlog tegen de Turken, en streed later tot aan den val van Napoleon onder Oostenrijksche vlag tegen Frankrijk.
13
LVI.
anneer wij van iemand, dien wij aanvankelijk min-gunstig hebben beoordeeld, later eene betere meening opvatten, zijn wij veelal geneigd, in zijn voorkomen, in zijne stem, in zijne manieren teekenen van rechtschapenheid, van een edel karakter te zien. Berust die waardeering op goeden grondslag ? Is zij niet veeleer eene illusie ? Het komt mij voor, dat de laatste vraag bevestigd moet worden beantwoord : Dezelfde stem, dezelfde manieren, hetzelfde gelaat waren voor ons nog korten tijd geleden duidelijke symptomen van een slecht karakter, van zedelijke bedorvenheid ; maar ons oordeel over de moreele hoedanigheden diens persoons hield geen stand, werd te eenen-male gewijzigd, en de conclusiën onzer physiognomonische wetenschap zwenkten evenzeer. Wat al gelaatstrekken bewonderen wij, wetende, dat zij verdienstelijken mannen loebehooren, terwijl eenzelfde gelaat ons in andere^ onbekende personen geenszins konde behagen ! Ik heb me eens vroolijk gemaakt over eene dame, die, een portret van Catilina met het con-tre-feitsel van Collatino verwarrende, in de trekken van Catilina de verheven smart van Collatino bij den dood van Lucrezia meende te zien. En toch, soortgelijke illusiën komen niet zelden voor.
't Ligt niet in mijne bedoeling, aan te toonen, dat er, wèl beschouwd, geene gelaatstrekken worden aangetroffen, die den heiligen stempel der ware goedheid dragen, en dat er geene andere bestaan, waarin 'smenschen immoreel karakter zich scherp afteekent ; ik beweer slechts, dat er vele twijfelachtige gelaatsuitdrukkingen zijn.
â 163 â
Toen ik het eerste gevoel van afkeer ten opzichte van Schiller had overwonnen, zag ik hem nog eens opmerkzaam in het gelaat ; en waarlijk, nu ergerden mij zijne trekken niet meer. Ik mag er bij voegen, dat zijne taal iets eigenaardigs had, eene zekere nuance, die mij voor hem innam en die een edel karakter deed vooronderstellen.
«Ik heb de strepen gedragen,» verhaalde Schiller, «en als pensioen werd mij dit treurige baantje geschonken. God weet, of ik thans niet meer zedelijk lijden verduur, dan op het slagveld !»
Het speet mij, hem zoo trotsch en minachtend een dronk water te hebben gevraagd.
«Waarde Schiller,)) zeide ik, en bood hem de hand als blijk van waardeering ; «waarde Schiller, gij poogt vruchteloos, het te loochenen : ik ben overtuigd, dat gij wèl goed zijt. En daar ik zoo diep ongelukkig ben geworden, dank ik den Hemel, dat gij mijn bewaker zijt .»
Hij luisterde aandachtig, maar schudde weemoedig den fraai gesneden kop.
«Ik ben boos, zeer boos, mijnheer,» sprak hij op zonderlingen toon ; »ik heb een eed moeten zweren, dien ik nimmer zal schenden. Ik ben verplicht, alle gevangenen, zonder aanzien des persoons, op dezelfde wijze te behandelen, ook hen, die voor misdrijven op staatkundig gebied zijn veroordeeld. De Keizer weet, wat hij doet, â ik moet gehoorzamen.»
â Gij zijt een braaf mensch, en onvoorwaardelijk zal ik in it datgene, wat gij als uwen plicht beschouwt, eerbiedigen. Hij, die overtuigd is, goed te handelen, kan dwalen ; maar immer is hij rein voor God.»
â Arme heer, wees geduldig en beklaag mij. In de uitoefening mijner plichten zal ik onverbiddelijk zijn ; maar het hart ! . . . mijn hart is vol bitterheid, omdat ik die menigte on-gelukkigen niet kan bijstaan, hun lijden niet verzachten. Dit wilde ik u zeggen» . . .
Beiden waren wij ontroerd ; hij smeekte mij, kalm te blijven, mij niet tot razernij te laten vervoeren, gelijk zoo menig veroordeelde, tegen wien hij daardoor tot streng optreden was verplicht.
Als vreesde hij opnieuw, zwak te zullen schijnen, zijne ge-
â 164 â
voelens nog meer bloot te leggen, zeide hij op ruwen toon : «Nu ga ik heen.»
Daarna vroeg hij, sinds wanneer ik zoo pijnlijk hoestte, en wierp toen den geneesheer der gevangenis eene quasi-verwen-sching naar het hoofd, omdat de man der wetenschap mij niet dienzellden avond kwam bezoeken.
«Mijnheer heeft de koorts als een paard,» voegde hij er bij ; «ik zie het duidelijk. Gij hebt zeker een stroozak van noode; maar aangezien de geneesheer die verlichting niet heeft bevolen, kan ik u nog niet helpen.»
Hij ging heen en sloot de deur al brommende. Ik strekte mij uit op de harde brits ; eene geweldige koorts putte mij uit, mijne borstpijn werd heviger â en toch was ik nu een weinig bedaard: Ik haatte mijne «vijanden» niet meer zoo onverbiddelijk, ik gevoelde mij niet meer zoo verre verwijderd van Hem, uit wiens hand den armen gevangene milde troost kon toevloeien.
LVII.
|lfemes avonds kwam de intendant, vergezeld door Schillcr, een korporaal en twee soldaten, mijne cel doorzoeken.
Zulk een onderzoek moest driemaal per dag, 's morgens, 's middags en 's avonds plaats hebben. Men doorzocht alle hoeken mijns kerkers met angstvallige nauwkeurigheid ; de ondergeschikten verwijderden zich, waarna de intendant schier altijd eene wijle bleef kouten.
De eerste maal, dat dit kleine leger mijne ccl binnentrad, voer mij eene zonderlinge gedachte door den geest. Ik was nog geheel onbekend met die lastige voorschriften, en vree-selijk opgewonden door de koorts, beeldde ik mij in, dat zij mij kwamen vermoorden. Ik vloog op, greep de zware keten en was gereed, den eerste, die zou durven naderen, den schedel te verbrijzelen.
«Wat doet gij, mijnheer?» vroeg de intendant; «wij zullen u geen kwaad doen. Dit onderzoek van uwe cel is slechts eene formaliteit, die wij moeten vervullen.»
Nog bleef ik aarzelen ; maar toen Schillcr op mij toeschreed en vriendelijk mijne hand drukte, liet ik mijn wantrouwen A-aren ; innig dankbaar zag ik hem in het schoone gelaat, en wist nu, dat mij geen leed zou wedervaren.
«O ! welk eene koorts heeft mijnheer», sprak Schillcr tot den intendant ; «mocht ik hem een stroozak geven !»
De intendant voelde mij den pols en betuigde mij zijne deelneming. Hij was een beschaafd, wellicht ook goedhartig mensch, doch uitermate schroomvallig in de waarneming van zijn ambt.
â i66 â
«In alles wordt hier streng en naar de voorschriften gehandeld,» verklaarde hij ; «voer ik niet letterlijk mijne consignes uit, dan loop ik-zelf gevaar, mijn ambt te verliezen.»
Schiller bewoog zenuwachtig de lippen ; 't was mij duidelijk, dat hij wilde zeggen: «Heer intendant, in uwe plaats zoude ik de schroomvalligheid niet zoo ver drijven. Ik geloof niet, dat het staatsgevaarlijk ware, dien armen sukkel een stroozak te geven, en men zou, naar ik overtuigd ben, u die liefdedaad niet euvel duiden.»
Toen ik mij weder alleen bevond, werd mijn hart, sinds geruimen tijd voor elk gevoel van godsdienst en liefde ongenaakbaar, een weinig verteederd. Eene merkbare verandering greep in mij plaats, en ik kon weder bidden. Mijn eerste gebed was eene zegenbede voor Schiller. O mijn God, smeekte ik verder, laat mij ook in de anderen, met wie ik in aanraking moet komen, goede hoedanigheden ontdekken, die mij genegenheid voor hen inboezemen. Ik aanvaard met onderwerping het lijden mijner kerkerstraf; maar, o mijn God, Gij, Dien ik in liefde aanbid, o, vergun, dat ik hen, met wie ik moet omgaan, beminne ; verwijder uit mijn hart elk gevoel van haat en afkeer!
Te middernacht hoorde ik het dreunend geluid van naderende voetstappen. De deur mijner cel werd geopend en weder zag ik een korporaal met twee soldaten binnentreden.
«Waar is mijn oude Schiller?)) riep ik, half verlangend, half toornig.
«Hier ben ik,» antwoordde hij van den gang uit.
Nu trad ook hij binnen, schreed op mijne ellendige rustplaats toe, boog zich over mij heen, voelde mij den pols en sprak mij bijna teeder aan, gelijk een vader zijn kranken zoon.
«Ach ja, 't is morgen eerst Donderdag!» mompelde hij toen.
â Wat wilt gij hiermede zeggen?»
â Dat de geneesheer gewoon is, in den ochtend van Maandag, Woensdag en Vrijdag te komen ; morgen komt hij zeker niet.»
â Maak u daarover niet ongerust.»
â Ik zou mij niet ongerust maken! De geheele stad spreekt over uwe aankomst, en de geneesheer zou niets daarvan weten? Wat, duivel! waarom kan hij zich niet de moeite getroosten, wat spoediger te komen?»
â 167 â
â Wie weet, of hij niet morgen komt, hoewel het Donderdag is?»
De goede grijsaard zeide geen woord meer; hij drukte mij zoo krachtig de hand, dat ik mij onwillekeurig een zwakken gil van pijn liet ontsnappen. En toch, hoe dankbaar was ik hem!
LVIII.
n den ochtend van Donderdag, nog immer uitgestrekt op de harde planken, met ondragelijke pijn over het geheele lichaam, begon mij een overvloedig zweet uit alle poriën te gutsen. Het oogenblik der visitatie was gekomen. De intendant vertoonde zich niet ; daar hem dit vroege uur niet gelegen kwam, bracht hij een weinig later het gewone bezoek.
Ik sprak tot Schiller : «Voelt gij, hoezeer ik zweet ? Mijn lichaam wordt zoo kil ! ik zou gaarne van hemd verwisselen.».
((Onmogelijk» ! riep hij met barsche stem.
Doch hij gaf mij een teeken met hand en oogen. Korporaal en minderen waren heengegaan ; nogmaals ga.{Schiller een teeken.
Eenige minuten later keerde hij terug ; hij bracht mij een zijner groote hemden, bijna tweemaal zoolang als mijn lichaam.
«Voor u, mijnheer», zeide hij, «is het wel een beetje lang maar op dit oogenblik kan ik u geen ander bezorgen.»
â Dank u, goede vriend ; doch wijl ik een ganschen koffer lijflinnen heb medegebracht, zal men toch, hoop ik, mij het gebruik daarvan niet ontzeggen. Wees derhalve zoo goed, den intendant mijn verzoek over te brengen».
â Mijnheer, hier moogt gij uw lijnwaad niet meer gebruiken. lederen Zaterdag zal men u een hemd van het huis brengen, evenals den anderen gevangenen.»
â Edele grijsaard», hernam ik diep ontroerd, «gij ziet, in welken staat ik mij bevinde ; 't is niet waarschijnlijk, dat ik levend mijn kerker zal verlaten . . . Hoe dus zal ik u beloonen»
â Gij dwaalt, goede heer, en gij wilt iemand beloonen,? die u van geenerlei dienst kan zijn, iemand, die u nauwelijks
â iGg â
in 't geheim een zijner hemden kan leenen, om uw krank lichaam tegen verkilling te vrijwaren» !
En bijna ruw wierp hij mij het groote hemd op den schouder, ging brommende heen en wierp met vervaarlijk ge-druisch de deur in het slot.
Twee uren later bracht hij mij een stuk zwart brood.
«Ziedaar,i) sprak hij, «uwe portie voor twee dagen.» En weder begon hij, blijkbaar grammoedig, mijne cel op en neder te wandelen.
«Wat nu» ? vroeg ik hem, «gij zijt boos tegen mij, en toch heb ik gaarne uw hemd aangenomen» . . .
â Ik ben niet boos tegen u, maar tegen den geneesheer, die, hoewel het pas Donderdag is, zich wel kon verwaardigen, u een bezoek te brengen.»
â Geduld» ! hernam ik.
Ik zeide : «geduld» ; maar het was mij onmogelijk, zonder hoofdkussen langer op de brits te blijven ; mijne ledematen waren als verbrijzeld.
Tegen elf uur bracht een veroordeelde in Schillers gezelschap mijn diner. Twee kleine ijzeren potten bevatten het meer dan sobere nwal : eene slechte soep en walgelijke groente, waarvan de reuk alleen mij onpasselijk maakte.
Ik beproefde, een weinig soep te eten, doch 't was mij onmogelijk.
Schiller zeide mij toen en later dikwijls : «Moed gehouden ! maak u aan die voeding gewoon ; doet gij zulks niet, dan sterft gij, zooals menig lotgenoot, aan langzaam verval van krachten.»
In den ochtend van Vrijdag kwam eindelijk de geneesheer, Dr. Bayer ; hij constateerde hevige koorts, beval, mij een stroozak te geven en drong er op aan, dat ik uit dit onderaardsche hol verwijderd en naar eene gelijkvloers gelegen cel overgebracht zou worden.
Onmogelijk ; er was geene plaats beschikbaar. Nu werd de stadhouder van Moraviö en Silezie, Graaf Mitrowski, nopens mijn toestand ingelicht. Zijne Excellentie antwoordde, dat men in aanmerking genomen het ernstige mijner ziekte, nauwkeurig alle voorschriften des geneesheer zou opvolgen.
De mij thans aangewezen kamer was beter verlicht ;
14
â i7o â
klemde ik mij vast aan de traliën des vensters, dan zag ik de vallei beneden Spielberg, een gedeelte der stad Brünn, eene voorstad met vele tuinen, het kerkhof en een heuvelenrij, die ons van de beroemde velden van Austerlitz scheidde.
Dit heerlijke vergezicht bracht mij in verrukking. O, hoe gaarne zoude ik deze kamer met Pictro hebben gedeeld !
auzuzuzuz^uzuuumuzuzw/uviïut'm'muuuuïutusum
LIX.
iddelerwijl maakte men onze «boevenklecding» gereed. Na verloop van weinige dagen werd de mijne gebracht; eene broek van zeer grof linnen, de rechterpijp bruin van kleur, de linker grijs, een nauwsluitend buis, de rechterpanden grijs, de
linker bruin ; kousen van grove wol; een van hennipstof ruw geweven hemd, -â een waar boetekleed; een stropdas van hetzelfde weefsel; ruwlederen schoenen met veters en een witten hoed.
Die uitrusting werd voltooid door de z.g. voetketen, die het eene been aan den enkel met het andere verbond, en waarvan de eindschakels door een smid sterk aan elkander werden gehecht.
â 172 â
De werkman, die mij de keten moest aanleggen, meende, dat ik geen Duitsch verstond en zei tot zijn helper:
«De arme kerel is dood-ziek; men hadde hem gerust die aardigheid kunnen besparen. Vóór wij twee maanden verder zijn, ligt hij op het kerkhof.»
â Möchte cs sein!» fluisterde ik den man in 't oor, en tikte hem zachtkens op den schouder.
De arme smid was uitermate verlegen. «Ik hoop,» voegde hij er bij, «dat niet de engel des doods maar een geheel andere u spoedig zal bevrijden.»
â Dunkt u niet,» vroeg ik hem, «dat ook de engel des doods mij welkom moet zijn?»
Hij neeg tot droeve instemming het hoofd, beklaagde mij oprecht en verwijderde zich.
Gaarne zoude ik gestorven zijn; maar toch gevoelde ik geene bekoring tot zelfmoord. Echter hoopte ik, dat mijne vooronderstelde borsttering mij spoedig van mijn lijden zou verlossen. Maar God wilde zulks niet; de vermoeienis der reis had mij te eenenmale uitgeput, maar de rust schonk mij een deel der verloren krachten weder.
Eenige minuten later hoorde ik opnieuw den hamer in het souterrain weerklinken. Schiller was nog in mijne cel.
«Hoort gij die slagen» ? vroeg ik hem ; «thans ketenen zij mijn ongelukkigen Maroncelli /»
Die woorden uitsprekende was ik zoo hevig en smartelijk ontroerd, dat ik schier het bewustzijn verloor en gevallen ware, indien Schiller mij niet ijlings had ondersteund.
Meer dan een half uur bleef die verdooving aanhouden. Eene bezwijming was het niet ; maar ik kon geen woord spreken, mijn polsslag was nauw voelbaar en een koud zweet overdekte mij van het hoofd tot de voeten. Toch hoorde ik alles, wat Schiller tot mij sprak, herinnerde mij al het gebeurde en en had eene duidelijke voorstelling van het tegenwoordige.
De waakzaamheid der schildwachten had tot dusverre in alle cellen, die zich nabij mijne kamer bevonden, een diep stilzwijgen doen bewaren. Drie- of viermaal hoorde ik een Ita-liaansch liedeken aanheffen ; maar onmiddelijk had eene donderende stem den zanger het stilzwijgen opgelegd. Meerdere schildwachten waren dag en nacht op de binnenplaats tegen-
â 173 â
over de vensters der cellen geposteerd, terwijl een soldaat in den gang-zelf de wacht hield ; deze nu mocht geenerlei ge-druisch, geen zang, geene gesprekken dulden.
Zekeren dag, tegen den avond, waren, door een gelukkig toeval, de schildwachten minder waakzaam, en hoorde ik weder, in de cel naast de mijne, een met fraaie, heldere stem in mijne moedertaal gezongen liedeken.
Welke eene vreugd overstroomde mijn hart ! hoe aangenaam voelde ik mij ontroerd !
Ik sprong van mijn stroozak, luisterde aandachtig, was buiten mij-zelf van aandoening en schreide overvloedig.
«Wie zijt gij, ongelukkige» ? riep ik ; «ik ben Silvio Pellico. i)
â Silvio,» antwoordde luid mijn buurman,- «nooit aanschouwde ik uw gelaat; en toch, Silvio, ik heb u zoo lief! Laten wij naar ons venster gaan, en trots de waakzaamheid der schildwachten eenige woorden wisselen.;)
Ik klemde mij vast aan de traliën mijns kerkers ; mijn lotgenoot deed mij zijn naam kennen, en wij boden elkaar den heerlijken troost der vriendschap.
Mijn buurman was Graaf Antonio Orohoni, geboren te Fratta bij Rovigo, een jonkman van negen-en-twintig jaren.
Helaas ! de schildwacht van buiten onderbrak ons met dreigende stem, en die, welke zich in den gang bevond, beukte met de kolf van zijn geweer nu eens mijne deur, dan die mijns buurmans. Wij wilden, wij konden niet gehoorzamen ; maar de schildwachten vloekten zoo afschuwelijk, dat wij eindelijk besloten, ons gesprek voorloopig te slaken, om het zoo spoedig mogelijk te Hervatten.
ij hoopten, en die hoop trad in vervulling, dat wij, minder luid sprekende, nu en dan een vriendelijk schilwacht zouden aantreffen, die kon veinzen, ons gesprek niet te hooren. Door ons geregeld te oefenen mochten wij er eindelijk in slagen, zóó te spreken, dat wij door elkander, niet echter door de schildwachten werden verstaan. Bijwijlen echter spraken wij te luid, of werd de wacht betrokken door een soldaat, die op een al te fijn gehoor mocht roemen. Dan weerklonk schel en dreigend zijne stem, dan bereikten vloeken en verwen-schingen ons oor, dan bonste herhaaldelijk de geweerkolf op onze deur, dan, en dit was erger dan het voorgaande, maakten wij den armen Schiller en den indendant niet weinig verbolgen.
Allengs verfijnden wij meer en meer onze kleine listen ; wij spraken bij voorkeur op zekere uren, of wanneer de wacht door soldaten, die wij als toegeeflijk kenden, betrokken werd. Niettemin spraken wij voortdurend met Uiterste zachtheid. Maar hetzij, dat wij in die onschuldige boosheid werden geraffineerd, hetzij, dat de schildwachten opzettelijk niet wilden hooren, dagelijks konden wij geruimen tijd met elkander spreken, zonder dat wij hierover door een der wachters werden berispt.
Onze vriendschap werd dagelijks inniger. Oroboui verhaalde mij zijn leven, en ik was blijde, hem wederkeerig het mijne te kunnen schilderen. De smarten en vertroostingen van den eenen werden de smarten en vertroostingen van den anderen. Hoe onmisbaar werden wij van lieverlede voor elkander ! Wanneer wij, na een pijnlijken, slapeloozen nacht, bij het eerste gloren des dageraads elkander woorden van troost
â 175 â
en bemoediging toespraken, o, dan bemerkten wij, hoe lief wij elkander kregen, dan genoten wij in overvloeiende mate den zoeten, levenwekkenden geestesdrank der ware vriendschap.
Aanvankelijk had de herinnering aan Giuliano mij eenig wantrouwen ten opzichte mijns vriends ingeboezemd. Ik sprak tot mij-zelven ; Tot nu toe waren wij één van hart en geest ; maar den een of anderen dag kan ik hem te eeniger zake mishagen en zal hij mij voor altijd tien rug toekeeren.
Dit wantrouwen verdween spoedig. Onze geestesrichting bood geen aanmerkelijk verschil. Bij waren zielenadel en treffende edelmoedigheid voegde hij een warm, kinderlijk geloof â een geloof, oprechter, vaster, inniger dan het mijne.
Opperde ik bijwijlen twijfel in zake, â het geloof, dan weerlegde hij dien met juistheid en liefde ; ik was dan overtuigd, dat Oroboni gelijk had, ik stemde zulks gereedelijk toe, en toch keerde nu en dan mijne twijfelingen weder. Dit gebeurt allen, die niet in waarheid den schat des Evangelies in het hart dragen, allen, die gevoelens van alkeer en haat in zich aankweeken, allen, die hoogmoedig, verwaten zijn. De geest aanschouwt eene wijle het licht der waarheid ; maar die verheven klaarte is hem pijnlijk, onaangenaam, â hij wendt de oogen af, hij wil niet zien.
Oroboni verklaarde mij helder en treffend de beweegredenen, die een ieder vergevingsgezind jegens den naaste moeten stemmen. Wanneer ik hem sprak over iemand, tegen wien ik haat voedde, wist hij telkenmale behendig diens verdediging op zich te nemen, niet slechts door woorden, maar vooral ook door voorbeelden aan te halen. Ook hem was onder vele opzichten onrecht aangedaan. Hij zuchtte hierover, doch zijn edelmoedig hart schonk allen vergiffenis, en hij-zelf verdedigde, waar hij kon, zijne vijanden.
De grammoedigheid, die ik sinds mijne veroordeeling niet had kunnen overmeesteren en die mij van den godsdienst alkee-rig maakte, verdween nu allengs : De reine, edelmoedige deugd van Oroboni had over mij gezegevierd. Ik poogde, hem na te volgen. Toen ik weder uit den grond mijns harten kon bidden, toen haat en afkeer uit mijne ziel waren gevloden, toen verdween ook mijn twijfel in zaken des geloofs. Ubi charitas et amor, Deus ibi est!
^s » ftftfeeftg)»-ft#ni aft ceftc «eft « nafeggoftg «â¬)%», «;giftftc 9 fte.cgefrBeee.cceag 15 geaaaee esj® efl® ^ e ««»«.«
I.XI.
H^lm de waarheid geheel te zeggen, â hoe wreed en schier quot;^^quot;ondragelijk de marteling, die wij ondergingen, mocht worden genoemd, toch werd ons lijden verzacht door de omstandigheid, dat wij slechts goedhartige, rechtschapen lieden om ons zagen.
Zij troostten ons door menig hartelijk woord, door aangename, welwillende manieren; meer konden zij niet voor ons doen, die trouwhartige, edele karakters. De oude Schiller kon, wel-is-waar, eenigszins ruw in woord en daad zijn ; maar woog niet zijn gouden hart volkomen op tegen dit kleine gebrek zijner forsche natuur? Zelfs de ongelukkige Kemba (dit was de veroordeelde, die ons driemaal per dag water en spijze bracht) wilde ons zijn medelijden betoonen. Tweemaal per week reinigde hij mijne cel. Zekeren ochtend hiermede bezig, nam hij het oogen-blik, waarop Schiller zich had verwijderd, te baat, om mij een stuk witbrcod in de hand te duwen. Ik wilde het niet aannemen, doch betuigde hartelijk mijn dank voor zijne goedheid. Kemba was ontroerd. «Mijnheer,» sprak hij in gebroken Duitsch (hij was een Pool), «men geeft u hier zoo weinig voedsel, dat gij honger moet lijden.»
Ik verzekerde hem het tegendeel; maar hij geloofde mij niet: hij sprak bij ondervinding, de arme !
Ziende, dat niemand onzer de spijzen, die ons aanvankelijk werden voorgezet, kon nuttigen, schreef ons de geneesheer het diëet der zieken voor. Dit bestond uit, driemaal daags, een bord dunne soep, een zeer klein stukje schapenvleesch en, te naastenbij, drie oneen witbrood.
Daar mijne gezondheid dagelijks beter werd, kreeg ik meer
i
â 177 â
en meer eetlust, en die geringe hoeveelheid spijze verzadigde mij niet. Tevergeefs beproefde ik, tot de gewone voeding terug te keeren; mijne walging was sterker dan mijn wil. Gedurende meer dan een jaar leed ik de kwelling des hongers, en die kwelling moest ongetwijfeld voor mijne lotgenooten, wier sterk lichaam
meer voedsel noodig had dan het mijne, nog erger zijn. Eenigen hunner zeiden mij later, dat zij van Schiller, de schildwachten en zelfs van den goeden Kemha brood hadden aangenomen.
«Men zegt in de stad, dat men u zeer weinig voedsel
15
- 178 -
geeft, igt; zei eens de barbier, een jeugdig leerling van den chirurgijn.
«Dat is volkomen waar,» luidde oprecht mijn antwoord.
Den volgenden Zaterdag â hij kwam steeds op dien dag â wilde hij mij steelswijze een groot stuk witbrood geven. Schiller veinsde, het niet te zien. Wat mij betreft, hadde ik naar de eischen mijner maag willen luisteren, ik zou het vriendelijk aanbod niet van de hand hebben gewezen ; maar ik bleef volhardend weigeren, teneinde den goeden jongeling niet in verzoeking te brengen, zijne liefdadigheid menigwerf te herhalen, 't geen hem in zijne armoe niet gelegen kwam.
Om dezelfde reden weigerde ik Schillcr's liefdegaven ; dik-wijls bracht hij mij een stuk gekookt vleesch, verzocht mij dringend, die krachtige spijs te nuttigen. «Dit vleeschquot;, zeide hij, om mij te overreden, «behoef ik niet te betalen ; ik weet niet, wat er mee te doen, en wilt gij het niet, dan geef ik het aan een ander.»
Ik hadde mij op het vleesch kunnen werpen, om het te verslinden ; maar indien ik zijne gift had aangenomen, zou Schiller, de arme, goede Schiller, mij dan niet dagelijks het een of ander hebben voorgezet ?
Slechts tweemaal zwichtte ik voor de bekoring ; eens, toen hij mij een bord kersen voorhield, en de andere maal toen hij sappige peren medebracht. Het uitzicht dier heerlijke vruchten, voor den koortslijder eene ware lafenis, bekoorde mij al zeer !
LXII.
|
n den beginne werd per week eene wandeling Later moesten, wij vastgesteld gestaan |
dat ieder onzer tweemaal van een uur zou worden toedriemaal per week, nog later |
dagelijks, met uitzondering van de feestdagen^ die wandeling maken.
Was het gewone uur aangebroken, dan liepen wij, doch streng alleen, een tijd lang op en neder tusschen twee gewapende schildwachten. Ik, die aan het einde van de gang was opgesloten, moest de deur van bijna elk mijner Italiaansche lolgenooten voorbijgaan, niet echter die van Maroncclli ; dezen had men een somber hol des souterrains tot verblijf aangewezen.
«Aangename wandeling», fluisterden zij door het traliewerk der deur wanneer ik voorbijging ; doch'het was mij niet geoorloofd, een oogenblik stil te staan, om' mijne makkers in het ongejuk te groeten.
Men daalde een hoogen trap af, ging eene ruime binnenplaats over, bevond zich dan buiten de muren der sterkte en genoot een heerlijk overzicht op Brünn en zijne omstreken.
Op de binnenplaats, waarvan ik zooeven repte, bevonden zich een aantal gewone veroordeelden aan het werk. Onder dezen zag ik Italiaansche roovers, die mij eerbiedig groetten, tot elkander zeggende :
«Hij is geen dief, gelijk wij, â en toch is zijne gevangenschap harder dan de onze».
Inderdaad : zij genooten meer vrijheid, dan ik.
Ik hoorde deze woorden en vele anderen, die van eerbiedig medelijden getuigden, en dankbaar beantwoordde ik telkens hun groet.
â i8o â
Zekeren dag sprak een hunner : «Uw groet, signore, is mij zoo aangenaam. Men kan duidelijk aan het gelaat van den signore zien, dat hij geen schurk is. Eene rampzalige passie deed mij eene zware misdaad begaan ; maar de signore, neen, de signore is geen misdadiger» !
En de ongelukkige smolt weg in tranen van berouw en van heimwee naar het zonnig geboorteland. Ik bood hem de hand ; maar hij kon ze niet grijpen. Niet uit boosaardigheid, maar wegens hun streng consigne verjoegen hem de
schildwachten ; ik mocht met niemand, wie ook in aanraking komen.
Wilden de veroordeelden mij iets zeggen, dan veinsden zij, met elkander een gesprek te voeren ; maar ook deze list had nauw eenigen tijd de verlangde uitwerking.
Ik zag op de binnenplaats nu en dan ook lieden, welke niet op Spielberg tehuis behoorden, maar den intendant, den aalmoezenier, den sergeant of een ander kwamen bezoeken. «Een Italiaan! een Italiaan!» fluisterden zij nauw hoorbaar. Belang-
â iSI â
stellend zagen die personen mij aan, groetten beleefd en zeiden tot elkaar, in de meening, dat ik hunne taal niet verstond; «Die arme heer zal spoedig uit zijn kerker zijn verlost; hij draagt reeds den dood op het aangezicht.
Inderdaad, â hoewel de koorts mij had verlaten, kwijnde ik toch door gebrek aan voedsel en werd schrikkelijk mager. Het kostte mij veel inspanning, mijn keten een paar minuten voort te slepen. Zelden wandelde ik, doch wierp mij gewoonlijk op het gras en bleef rusten tot de ure der «wandeling» voorbij
was. De wachten plaatsten zich naast mij, en wij koutten voortdurend. Een hunner, Dral genaamd, Bohemer van geboorte, was een landbouwerszoon, maar had niettemin goede scholen bezocht. Zijn geest was helder, zijn verlangen naar wetenschap zeer sterk. Hij las ieder boek, waarvan hij zich kon meester maken, en kende vrij wel de pennevruchten van Klopstock, Wic-land, Goethe, Schiller en andere beroemde Duitsche schrijvers.
â 182
Vele passages kende hij van buiten en gaf ze met talent en smaak ten beste. De andere schildwacht was een Pool, met name Kubibzki; hij bezat geenerlei wetenschappelijke ontwikkeling, was zelfs eenigermate dom, maar hartelijk en eerbiedig. Het gezelschap dier beide mannen was mij zeer aangenaam.
LXIII.
e rechterzijde van de binnenplaats bevond zich de huizing des intendanten ; ter linker woonde een korporaal met vrouw en kind. Wanneer ik iemand die huizen zag verlaten, stond ik op, schreed toe op dien persoon of die personen en werd beleefd en met deelneming gegroet.
De vrouw des intendanten was ziekelijk en scheen meer en meer te verzwakken. Nu en dan werd zij op een sopha buiten gedragen, opdat de vrije lucht haar zoude sterken. Het is mij onmogelijk, het medelijden te schilderen, waaraan zij te mijnen opzichte en te dien mijner lotgenooten uitdrukking gaf. Heur blik was ongemeen zacht en liefelijk, geheel haar voorkomen boezemde genegenheid en vertrouwen in.
Eens zeide ik met een glimlach : «Weet gij wel, Mevrouw, dat gij sprekend gelijkt op iemand, die mij lief was» ?
Een bleek rood overtoog hare ingevallen wangen, en zij antwoordde met beminnelijke eenvoudigheid : «Dan, mijn vriend, moogt ge mij nimmer vergeten, wanneer ik ginds in den kouden grond ruste voor mijn arm lichaam heb gevonden ; bid voor mijne ziel en voor mijne kindertjes, die ik moet achterlaten.»
Van toen af kon zij heur bed niet meer verlaten ; ik mocht haar niet meer wederzien. Zij kwijnde nog eenige maanden en stierf. . . .
Zij liet vier jeugdige kinderen achter ; een hunner was nauwelijks eenige maanden oud. «Wie weet», had de ongelukkige moeder dikwijls tot mij gezegd, «wie mijne plaats bij den schat mijner liefde zal innemen .... O, dat zij in ieder geval het hart eener moeder met zich omdrage !»
â 184 â
En de arme vrouw weende bitter.
Duizendmaal herinnerde ik mij haar gebed en hare tranen.
Toen zij tot een beter leven was overgegaan, omhelsde ik nu en dan hare kindertjes. Dan wijlde mijne herinnering bij hunne moeder, dan wenschste ik vurig hun geluk, dan riep ik snikkende uit : «O, zij is gelukkiger, de moeder, die
hare kinderen moet verlaten, wanneer zij in de eerste lentedagen haars levens zijn, dan de arme, die haar zoon moet derven, nadat zij hem in de sterkte harer liefde heeft opgevoed en hem in jeugdige schoonheid zag bloeien !»
Twee bejaarde vrouwen vergezelden doorgaans de kinderen ; de eene was des intendanten moeder, de andere zijne tante, zij wenschten, geheel mijne geschiedenis te kennen ;
â i83
ik waardeerde hare belangstelling en gaf in beknopter; vorm eene schets van mijn leven.
«Hoe innig spijt het ons», verklaarden zij, «uw lijden niet te mogen verzachten ! Doch wij bidden hartelijk voor u ; en de dag, waarop u het keizerlijke rescript uwer begenadiging wordt vertoond, zal voor geheel ons gezin een dag van blijdschap en dankbaarheid zijn.»
De eerste der beide dames, zij, die ik het dikwijlstontmoette, was eene schrandere, zachtaardige vrouw, wier zoete welsprekendheid mij vaak bijzonder troostte. Ik luisterde opmerkzaam en met kinderlijke dankbaarheid naar houre woorden en bewaarde ze in mijn hart.
Schoon zij over vele dingen sprak, die ik beter wist dan zij, toch scheen mij dit alles nieuw en meer dan ooit treffend, wanneer ik het hoorde uit den mond dier beminnelijke en eerbiedwaardige matrone. Zij verzekerde mij op haar gemoedelijke wijze, dat de rampspoed niemand verlaagt, wanneer hij met sterkte en waardigheid den last des ongeluks weet te dragen ; dat, indien wij in de oordeelen Gods vermochten door te dringen, wij dikwijls de overtuiging zouden erlangen, dat de overwinnaar dieper te beklagen is, dan hij, die het onderspit moest delven ; dat rijke menschen vaak zeer arm zijn ; dat de vriendschap, door den God-mensch bij voorkeur den ongelukkigen betuigd, voor ons eene verheven en troostende les bevat; dat wij onze glorie in het kruis moeten stellen, sinds het door de schouderen van een God werd gedragen ....
Ach ! die goede dames, wier vertroostingen mij zoo dierbaar waren, moesten dra wegens familieomstandigheden van Spielberg vertrekken. Ook de kindertjes kwamen niet meer, en dit vergrootte niet weing mijne droefheid.
iG
LXIV.
e voetketen hinderde mij zoozeer, dat ze mij aanhoudende slapeloosheid berokkende en mijner gezondheid in hooge mate nadeelig was. Schiller spoorde mij aan, den intendant die geringe verzachting van mijn lijden te verzoeken ; naar zijne meening was de geneesheer verplicht, mij de keten te doen afnemen.
Aanvankelijk weigerde ik, zijn raad te volgen, maar eindelijk werd mij de smart te hevig. Uit dien hoofde verzocht ik den geneesheer, mij tenminste voor eenige dagen van de keten te verlossen, opdat ik in den slaap nieuwe kracht om te lijden zou vinden.
De man der wetenschap antwoordde echter, dat mijn toestand, die sedert mijne aankomst was verbeterd, dien uitzonderingsmaatregel niet billijkte. Hij ried mij eenvoudig, «mij aan het dragen van de keten te gewennen».
Dit ruwe antwoord, maakte mij toornig, en het speet mij, die vraag te hebben gedaan.
«Ziedaar nu, wat ik bij de opvolging van uw raad heb gewonnen» ! snauwde ik den goeden Schiller toe.
De brave man werd nu op zijne beurt, met recht en niet weinig boos.
«Het bevalt Mijnheer niet,» riep hij luide, «eene weigering te ontvangen ; en mij bevalt het niet, altijd door Mijnheer op hoogmoedige en krenkende wijze te worden bejegend!»
En hij begon een lang sermoen : «De hoogmoedigen passen wel op, zich niet aan weigeringen bloot te stellen ; zij aanvaarden van niemand een liefdedienst en schamen zich over duizend
â 187 -
bagatellen. Domheden ! ijdele grootheid ! miskenning van de echte zielswaarde ! Een groot, een waarlijk edel karakter schaamt zich alleen over eigen slechte daden.....»
Hij sprak, â en ging. Deze maal geen warme groet, geen troostende scherts â maar een schrikkelijk rammelen met den sleutelbos.
Ik had berouw over mijne ruwheid, en billijkte Schillers verontwaardiging. Ook had de grijsaard onverbloemd waarheden gezegd, die ik te eenenmale begreep, die ik niet vermocht te loochenen.
Op het middaguur liet Schiller Kemha alleen mijne cel binnentreden, om mij het sobere diner te brengen ; hij-zelf bleelquot; op den drempel staan. Ik verzocht hem binnen te komen. «Dank u», zeide hij droogjes, «ik heb geen tijd.»
Nu stond ik op, ging naar hem toe en zeide :
«Vriend Schiller, wilt ge, dat ik mijn stukje vleesch opeet, kijk dan niet zoo knorrig.»
â Hoe wenscht gij dan, dat ik kijke ?»
â Als een vroolijk man, als een vriend.»
â Leve de vroolijkheid !» riep hij nu. «Als ik hierdoor uw eetlust kan aanwakkeren en uwe spijsvertering bevorderen, dan wil ik dansen als eene kreupele hinde.»
En zijne magere, lange beenen bewogen zich op eene zoo kluchtige manier, dat ik tranen lachte. Ik lachte â en was ontroerd, en waardeerde hooger dan ooit den edelen grijsaard,
»5*
LXV.
p zekeren avond koutten Oroboni en ik eene wijle en klaagden over honger. Wij spraken een weinig te luid, en de wacht hebbende soldaat legde ons met nadruk het stilzwijgen op. Ongelukkigerwijze bevond zich de intendant in de nabijheid onzer cellen ; hij deed Schiller roepen en verweet hem scherp zijn «gebrek aan waakzaamheid.»
Schiller boog voor zijn meerdere deemoedig het grijze hoofd ; maar nauw was de boetpredikatie geëindigd, of hij spoedde zich naar mijne cel en beklaagde zich bitter over mijne roekeloosheid. Hij verbood mij streng elk onderhoud met Oroboni, en eischte, dat ik hem zou beloven, mijn buurman niet meer aan te spreken.
«Neen», antwoordde ik; «die belofte wil ik niet doen.»
â Wat, duivel» ! schreeuwde hij, «tot mij durft gij zeggen : Ik wil niet, â tot mij, die pas te uwer liefde eene zware berisping heb ontvangen ?»
â Het doet mij oprecht leed^ goede Schiller, dat men u om mijnentwille heeft lastig gevallen ; maar ik wil geene belofte doen, waaraan ik onmogelijk getrouw kan blijven.»
â En waarom niet, als ik u vragen mag?»
â Omdat ik het niet zou kunnen; omdat de voortdurende eenzaamheid voor mij eene zoo bittere kwelling is, dat ik niet zou kunnen weerstaan aan den lust, mijn buurman toe te spreken ; en zoo hij, sterker dan ik, niet wilde antwoorden, zou ik tot de traliën mijns vensters, tot de heuvelen, ginds vóór mij, tot de vogelen des hemels het woord richten !»
â En dus, gij weigert mij de belofte van stilzwijgen?»
â¢â Ja ! ja !» antwoordde ik.
iSg
Hij wierp zijn sleutelbos ten gronde, liet zich eene traan ontvallen en drukte mij aan zijne borst.
«Hebben die vervloekte sleutels mij dan alle menschelijk gevoel uit de ziel geroofd?» barst hij uit. «Gij zijt een rechtschapen mensch, en hebt groot gelijk, mij niets te willen beloven, wat gij niet zoudt kunnen nakomen. Ik zoude eveneens handelen.»
â Die sleutels,» hernam ik, en gaf ze in de hand, «zijn niet zoo «vervloekt», als gij wel meent. Immers, zij waren niet bij machte, van een goed korporaal een onbarmhartig sbire te maken.»
â En wist ik,» voegde hij er bij, «dat ze mij daarheen konden voeren, dan bracht ik zè mijn overste terug en zoude hem zeggen: Als gij beulswerk van mij begeert, dan ga ik liever bedelen.
Met den rug zijner hand droogde hij zijne tranen ; zwijgend bleef hij eene wijle staan en scheen te bidden. De brave, edele grijsaard !
Weg gaande fluisterde hij mij in 't oor : «Wanneer gij met Graalquot; Oroboni spreekt, doe het dan zoo zachtkens mogelijk. Daarmee verricht gij twee goede dingen : eerstens bespaart ge mij onaangenaamheden ; tweedens stelt gij u niet bloot aan het gevaar, dat men zekere woorden, die het bestuur der gevangenis ongaarne hoort, zou rapporteeren.»
Ik beloofde Schiller, de uiterste voorzichtigheid in acht te nemen.
Trouwens, voorzichtigheid in onze uitdrukkingen behoefde ons niet te worden aangeraden : twee gevangenen, die met elkander gesprekken willen voeren, slagen er gemakkelijk in, eene soort van dieventaal saam te stellen, die voor ongeroepen ooren onverstaanbaar is.
LX VI.
ekeren ochtend keerde ik van mijne wandeling naar de cel terug; het was 7 Augustus. De deur der gevangenis van Oroboni stond open, en Schillcr, die zich bij den graat' bevond, hoorde mij niet komen. De soldaten wilden schielijk de deur sluiten, doch ik was hun vóór en wierp mij in de armen van mijn lotgenoot.
Schiller was diep bewogen; hij raasde geweldig, hief dreigend den vinger op; maar zijne oogen vulden zich met tranen en snikkend riep hij uit: «O God, erbarm U over deze jongelieden! Kom allen ter hulp, die ongelukkig zijn. Gij, die op deze aarde zooveel hebt geleden!»
De beide soldaten schreiden eveneens, en de schildwacht in den gang, wiens opmerkzaamheid door dat ongewone too-neel was getrokken, kon evenmin zijne tranen weerhouden.
«O Silvio,» sprak Oroboni, «o Silvio, deze dag is de gelukkigste van mijn leven!» En ik, ik wist niet, wat ik zeide; ik was geheel buiten mij-zelven, dronken van zielsgeluk.
Wij moesten scheiden ; Oroboni stortte een vloed van tranen, drukte mij nog éénmaal aan zijne borst en zeide: «Op aard', dierbare Silvio, zien wij elkander niet weder.»
Hij had gelijk, de arme: eenige maanden later was zijn vertrekje ledig, en rustte Oroboni op het kerkhof vóór Spielberg.
Sedert ik hem een oogenblik had gezien, was de vriendschap, die wij reeds voor elkander hadden opgevat, nog inniger geworden.
Oroboni had een beschaafd en aangenaam voorkomen; maar de staat zijner gezondheid liet veel te wenschen over,
â igi â
en zijn ongemeen sympathiek gelaat was immer vaal-bleek. Mijne genegenheid voor hem was nog aanmerlijk toegenomen door het medelij, dat 's jonkmans lijdend voorkomen mij had ingeboexemd.
Hij nu had voor mij dezelfde gevoelens opgevat. Beiden begrepen wij, dat een onzer het treurige lot was beschoren, zijn vriend te moeten overleven.
Weinig tijds daarna verslimmerde zijn toestand aanmerkelijk. Groot was mijne droefheid, en vurig bad ik voor zijn herstel. Die beè scheen te worden verhoord; want eerlang kon Orohoni zijn bed weder verlaten. Niet weinig troost gewerd mij door de omstandigheid, dat wij nu onze gesprekken konden hervatten; de stemme van Orohoni klonk mij als stree-lende muziek in het oor.
Maar ach! «Misleid u-zelven niet, dierbare,» bad hij mij onder een vloed van tranen; «die beterschap houdt geen stand, zij duurt slechts eene wijle. Bereid u voor op mijn verlies, en wil, o Silvio, mijn moed door den uwen sterken!»
Te dien tijde ongeveer wilde men de muren onzer gevangenis opnieuw met witkalk bestrijken, en bracht men ons over naar het souterrain. Schiller zeide mij, dat Orohoni zich vrijwel bevond, maar ik kon het niet gelooven en was overtuigd, dat een langdurig verblijf in die zoo vochtige en duistere holen zijn toestand veel zou verergeren.
Ware mij nu de troost geschonken de nabuur van Pictro Maroncelli te zijn! Ik hoorde zijne stem, en ten spijt van der wachten streng verbod groetten wij elkander.
Dienzelfden dag ontvingen wij bezoek van den eersten geneeskundige der stad Brünn; wellicht was hij, op des intendanten rapport nopens den treurigen toestand, waarin wij door gebrek aan voedsel waren geraakt, van hooger hand gezonden. Misschien ook kwam hij slechts, daar eene ziekte, «scheurbuik» (i) genaamd, epidemisch op Spielberg hcerschte.
De aanleiding tot dit bezoek niet kennende, beeldde ik mij in, dat Orohoni opnieuw en hevig ongesteld moest zijn. De vrees, hem te zullen verliezen, maakte mij smartelijk ongerust en bracht mijn denkvermogen in verwarring. Toen
i) Scorbuto.
â 192 â
werd ik aangetast door eene sombere melancolie en wilde sterven. Weder besloop mij de verzoeking tot zelfmoord. Ik weerstond, maar gevoelde mij als een vermoeid pelgrim, die tot zich-zelven spreekt: «Het was mijn plicht, tot het doel mijner reize voort te schrijden,» en die niet meer kan weerstaan aan de eischen van zijn afgebeuld lichaam, dat hem beveelt, neer te zitten en rust te nemen.
Men verhaalde mij het treurig einde van een oud Bohemer, die, het kerkerleven moede, onlangs in een dezer afschuwelijke gevangenissen zijn hoofd tegen den muur had verbrijzeld. Telkens werd ik nu bekoord, dit vreeselijke voorbeeld te volgen. Ik weet niet, waartoe ik gekomen ware, zoo niet weinig tijds na mijne overvoering in de onderaardsche cel eene geweldige bloedspuwing mij had doen gelooven, dat de ure van mijn dood ras zoude naken. Ik dankte God, die mij, naar het scheen, uit mijn lijden ging verlossen, en ik verfoeide eene daad van wanhoop, waartoe de bekoorder mij zoo dikwijls had aangespoord.
Maar God wilde mij in het leven behouden; die bloedspuwing verlichtte mij. Spoedig werd ik naar mijn vorig verblijf teruggevoerd, en de invloed van licht en lucht en in de nabijheid van mijn dierbaren Oroboni verzoende mij weder met het leven.
LXVII.
k sprak mijn vriend over de pijnlijke vreeze en diepe neerslachtigheid, die mij na onze scheiding zoo wreed hadden gekweld. Hij bekende mij openhartig, dat ook bij hem de gedachte afin zelfmoord was opgerezen.
«Laten wij, goede Silvio, u sprak hij met aandoening, «gebruik maken van de korte spanne tijds, waarover wij nog kunnen beschikken, om elkander met behulp van den godsdienst moed en vertrouwen op 's Heeren barmhartigheid en liefde in te spreken. Dragen wij zorg, zijner liefde in ons geen weerstand te bieden ; herinneren wij ons, dat Hij de rechtvaardigheid-, de wijsheid-, de goedheid-, de schoonheid-zelve is. Ik zegge u, dierbare Silvio, in waarheid, dat de ure van mijn dood niet verre is. Ik zal u in der eeuwigheid dankbaar zijn, indien gij er in slaagt, mij van stonde af zoo godsdienstig te maken, als ik het mijn leven lang had moeten zijn.»
De gewone stof voor onze gesprekken werd geleverd door de christelijke philozofie; wij vergeleken hare schoonheid en kracht met de nietigheid der sensualistische leeringen. Met geneucht zagen wij het christendom zoo heerlijk in overeenstemming met de rede ; en de onderlinge vergelijking van de christelijke genootschappen overtuigde ons meer en meer, dat alleen het katholicisme waarborg, ruimte en grondslag voor eene gezonde kritiek oplevert, en dat zijne leer alleen waarlijk heilige dogma's omsluit en de reinste moraal, gelouterd van ellendige phantasiën der menschelijkc onwetendheid.
«En indien wij, hetgeen zeer onwaarschijnlijk is, in de maat-
17
â 194 â
schappij zouden terugkeeren», vroeg Oroboni, «zouden wij dan kleinhartig genoeg zijn, om het Evangelie te loochenen, laf genoeg, om te zwichten voor den spot van hen, die beweerden, dat de kerkerstraf onzen geest verzwakte, en dat wij daarom christenen in woord en daad zijn geworden ?»
â Waarde Graaf», antwoordde ik, «uwe vrage legt mij een antwoord op, en ik denk erover zooals gij. Het toppunt van laagheid en lafheid bestaat, mijns erachtens, hierin : dat men zich tot den slaaf van eens anders gevoelen maakt, wanneer men tot de overtuiging is gekomen, dat dit gevoelen dwaas en valsch in hooge mate is. Ik geloof niet, dat wij een van beiden zoo diep kunnen zinken.»
Mijn hart voor Oroboni uitstortende, liet ik mij eene fout ter schulde komen. Ik had namelijk Guiliano beloofd, nimmer van onze briefwisseling te reppen ; nochtans verhaalde ik ze den graaf, en voegde er bij : «In 't midden der wereld zouden mij deze woorden niet over de lippen komen ; doch thans bevinden wij ons in een graf, en mochten wij het ooit ve raten, dan nog reken ik vast op uwe stilzwijgendheid.»
De goede Oroboni antwoordde niet.
«Waarom,» luidde mijne vraag, «antwoordt gij niet, Oroboni mio ?»
Eindelijk verweet hij mij gestreng de schending van Guiliano's . geheim. Zijne berisping was verdiend : geene vriendschap, hoe warm ook, kon mij het recht geven, zóó te handelen.
Doch wijl de fout nu eenmaal was begaan, wist Oroboni daaruit voordeel te trekken : Hij had voorheen Guiliano gekend, verhaaldej mij eenige trekken van rechtschapenheid diens per-soons en voegde er bij ;
«Die man heeft zoo dikwijls goede, ja verheven daden verricht, dat hij niet ten einde toe in zijn anti-godsdienstigen waanzin kan volharden. Hopen wij dus, hopen wij, dat God hem barmhartig weze. En gij, Silvio mio, vergeef hem van ganscher harte zijne ruwe bejegening en bid voor hem.»
Die woorden waren heilig voor mij.
LXVIII.
gesprekken met Oroboui, Schiller of anderen vulden
.âjchts eene kleine tijdruimte van den dag, en dikwerf
vond ik niet eens de gelegenheid, met den graaf te kouten.
Hoe sleet ik dan mijn tijd in de eenzaamheid deskerkers?
Ongeveer op deze wijze: nauw kwam het eerste morgenrood de nachtelijke duisternis uit mijne cel verdrijven, of ik rees op van mijn stroozak, klemde mij aan de traliën des kleinen vensters en begon mijn gebed te verrichten. Spoedig kwam dan Oroboni aan zijn venster, en groetten wij elkander; na verloop van eenigen tijd zwegen wij eene pooze en baden weder in stilte. Naarmate onze kerkers afgrijselijker waren, verrukte ons meer het schouwspel der natuur. Het firmament, de lachende vallei en de groenende wouden aan Spielberg's breeden voet, de menschelijke wezens, die wij in de verte zagen, hun vroolijke lach en de liederen, die zij opgewekt en luide zongen â verdreven de bitterste melancolie, gaven ons een dieper gevoel van de tegenwoordigheid Desgenen, die in milde goedheid op den lijdenden pelgrim der aarde nederziet, en wiens steun wij zoozeer behoeven.
Een weinig later werd de ochtend visitatie verricht; de soldaten onderzochten nauwkeurig het gansche vertrekje en zelfs iederen schakel van mijn keten; zij deden zulks om zekerheid te erlangen, dat niets bij toeval of moedwillig was gebroken, of juister gezegd, daar het onmogelijk was, de zware keten te breken, om nauwkeurig aan hun consigne te gehoorzamen. Op de gewone dagen van des dokters bezoek kwam Schiller ons vragen, of wij verlangden, hem te spreken. Luidde ons antwoord
â ig6 â
bevestigend, dan schreef hij onze namen op het daarvoor bestemde register.
Waren alle cellen gevisiteerd, dan keerde Schiller terug, vergezeld door Kemba, die onze vertrekjes rein moest houden.
Spoedig kwam nu het z. g. «ontbijt» : een halve maat roodachtige bouillon, met drie dunne sneedjes brood; ik nuttigde het brood en roerde niet aan de bouillon.
Daarna begon ik te studeeren. Maroncelli had eenige boeken medegebracht en schier al onze makkers in het ongeluk bezaten er vele; alle te zaam vormden zij eene kleine, doch niet onbelangrijke bibliotheek. Wij hadden Z. M. den Keizer een smeekschrift gezonden, opdat ons het gebruik der aanwezige en de aankoop van andere boeken werde toegestaan; een antwoord hierop was nog niet aangekomen, doch voorloopig had de gouverneur van Briïnn beschikt, dat wij in onze kamertjes twee boeken tegelijk mochten hebben, en dat wij die naar goedvinden konden verwisselen.
Te negen uur kwam de intendant, bijwijlen vergezeld door den geneesheer der gevangenis.
Waren deze bezoekers heengegaan, dan wijdde ik opnieuw een paar uurtjes aan de studie, en hield mij daarmede onledig totdat mijn sober middagmaal werd binnengebracht.
Des avonds kwamen Schiller en Kemha frisch water brengen
O /
en een weinig later vertoonde zich ten slotte nogmaals het kleine leger, om, na mijne cel te hebben doorsnuffeld, de schakels mijner zware keten ijverig en nauwkeurig te onderzoeken.
Het uur mijner wandeling was niet immer hetzelfde; nu eens vóór, dan weder na het middagmaal werd ik door soldaten afgehaald.
Zoodra de avond visitatie was gebeurd, begon ik steeds met Oroboni een langdurig gesprek te voeren.
Dikwijls had de schildwacht medelijden genoeg om ons alleen te waarschuwen: «Niet zoo luid, mijneheeren, anders beloopt gij straf!»
Anderen veinsden gemeenlijk, ons niet te hooren; zagen zij in de verte hun sergeant aankomen, dan verzochten zij ons, te zwijgen, totdat de gevreesde bullebak was voorbijgegaan. Dan spraken zij vriendelijk; «Signori padroni, praat nu gerust, maar heel zachtkens.»
â 197 â
Somtijds troffen wij een soldaat, die met ons durfde spreken ; hij beantwoordde onze vragen zoo goed hij kon en gaf ons menig nieuwsbericht uit Italië.
Vertrouwden wij bij sommigen die ongewone mededeelzaamheid niet, dan verzochten wij hen eenvoudig, te zwijgen. Eenige twijfel in zake â de rechtzinnigheid hunner meening was, naar't mij voorkomt, zeer verklaarbaar en vergeeflijk.
ekeren avond, toen wij zeer vriendelijke schildwachten hadden, gaven wij, Oroboni en ik, ons de moeite niet, met de gewone zachtheid te spreken. Maroncelli, in het souterrain, bevond zich aan het venster van zijn kamertje en hoorde mijne stem. Hij kon zich niet weerhouden, mij hartelijk te groeten, teneinde niet het wantrouwen der wachters op te wekken, op zingenden toon. Hij vroeg naar den staat mijner gezondheid en gaf zijn bitter leedwezen er over te kennen, dat wij niet bij elkander waren opgesloten.
Vóór lang reeds had ik den overheden om die gunst verzocht ; maar noch de intendant van Spielberg, noch de gouverneur van Brünn kon mijn verzoek inwilligen. Ons beider vurig verlangen was Z. M. ter kennis gebracht, en nog was de beslissing niet gekomen.
Vóórdat ik deze maal Maroncelli's groet kon opvangen en beantwoorden, had ik hem reeds menigmaal in het souterrain hooren zingen ; echter begreep ik toen zijne woorden niet, en werd hem telkens onmiddellijk door den wachter het zwijgen opgelegd.
Thans evenwel zong hij luide, werd niet spoedig onderbroken en vertolkte zijne gevoelens zoo duidelijk, dat ik hem volkomen begreep. Onmogelijk, u te beschrijven, welk eene zoete en hevige aandoening zich van mij had meestergemaakt.
Ik antwoordde, en wij onderhielden ons ruim een kwartier al zingende met elkander. Eindelijk werd de schildwacht door een minder toegeeflijk kameraad afgelost. Wij beproefden,
â igg â
door te zingen, maar eene verwensching uit den ruwen mond des Duitschers legde ons dra het zwijgen op.
Ik stelde mij Pictro voor, in een kerker, afgrijselijker dan de mijne ; ik begreep gemakkelijk, welk eene bittere droefheid zijn edel hart moest overstelpen, en hoe nadeelig het verblijf in zulk een onderaardsch hol op den staat zijner gezondheid moest werken. Een smartelijke weemoed, een schrikkelijke angst overviel mij.
Eindelijk kon ik tranen storten, maar dit schonk mij geene verlichting. Eene geweldige hoofdpijn benam mij schier geheel het denkvermogen, en hevige koortsen verzwakten mij uitermate. Het was mij niet langer mogelijk, op de been te blijven ; uitgeput naar lichaam en ziel wierp ik mij op den harden stroozak ; mijne borstpijn nam ras in hevigheid toe, en dien nacht leed ik zóóveel, dat ik mijn laatste uur gekomen waande.
Den volgenden morgen was de koorts verdwenen ; ook de borst deed mij niet meer zoo hevig pijn. Doch het scheen mij toe, dat een vuur in mijn schedel brandde, en iedere beweging van het hoofd veroorzaakte mij hevig lijden.
Ik gaf Orohoni kennis van mijn toestand ; ook hij was meer ongesteld, dan gewoonlijk.
«Silvio vtion sprak de graaf, «de dag, waarop een onzer niet meer aan het venster zal komen, is niet verre meer. Telkens, wanneer wij elkander groeten, kan het de laatste maal zijn .... Houden wij ons derhalve bereid en spreken wij elkander moed in.»
Eene diepe aandoening trilde in 's graven stem , ik kon hem niet antwoorden. Een oogenblik bewaarden wij het stilzwijgen; toen hervatte Oroboni ;
«Ik wensch u geluk, Silvio, dat gij de Duitsche taal machtig zijt. Ik heb meermalen gevraagd, mij een priester te zenden, die onze moedertaal spreekt ; doch zulk een is hier, naar men zegt, niet te vinden. Maar God kent de verlangens van mijn hart ; en ik geloof niet, sedert mijne laatste biecht â te Ve-netié' â zwaar te hebben misdreven.»
â Ook ik heb te Venetië mijne biecht gesproken, â helaas echter met zooveel wrok en vijandschap in naijn gemoed, dat ik niet kon worden ontslagen. Doch wanneer ik thans kan biechten, zal ik het doen in alle oprechtheid des harten, ver-
â 20O â
geving schenkende hun, die mij in het ongeluk hebben gestort. Dit beloof ik u, o vriend, o goede Orobonh) !
uil Cielo bi benedica, Silvio miot ! riep hij uit. «Gij verschaft mij een zoeten troost. Ja, laten wij ons best doen, om vereenigd te worden, ginds, boven wolk en ster, gelijk wij nauw vereenigd zijn op deez' ongelukkige aarde.»
Den ochtend daaropvolgende kwam hij niet bij het venster staan. Schiller zeide mij, dat Orohoni gevaarlijk ziek was geworden.
Acht of tien dagen later gevoelde hij zich een weinig beter en groette mij op de gewone plaats. Ik-zelf was nu meer ongesteld, dan hij ; maar nog kon ik mij staande houden, en maanden lang was mijn toestand en die van Orohoni nu eens erger, dan voor een pooze beter.
LXX.
k kon mijn ziek lichaam voortslepen tot n Mei 1823. Dien morgen verliet ik mijn stroozak met lichte hoofdpijn en sterke neiging tot bewusteloosheid. Mijne beenen weigerden schier, mij te dragen, en ik ademde moeilijk.
Ook de graaf was zieker dan gewoonlijk en had sedert drie dagen zijn bed niet verlaten.
Men bracht mij de ochtendsoep ; ik nuttigde een lepel en viel in onmacht. Eenigen tijd later keek toevallig de schildwacht door het luikje mijner deur en zag mij ten gronde liggen, met den ledigen soeppot naast mij. Hij meende, dat ik dood was, en riep onmiddellijk Schiller.
Ook de intendant kwam toegeloopen, terwijl men ijlings den
18
geneesheer ontbood. Men legde mij te bed, en na verloop van een kwartier week mijne bewusteloosheid.
De geneesheer oordeelde mijn toestand gevaarlijk, en beval, mij de keten af te nemen. Hij schreef mij ook een drankje voor, doch mijne maag weigerde alles; en heviger en heviger werd mijne sedert lang ondragelijke hoofdpijn.
Men rapporteerde nopens mijn toestand aan den gouverneur van Brünn, die een ijlbode naar Weenen zond, om instructiën te vragen. Men antwoordde, dat ik niet zou worden overgebracht naar de infirmerie, maar dat ik op Spielberg moest worden behandeld, als bevond ik mij in het hospitaal. Daarenboven werd de intendant gemachtigd, voor den geheelen duur mijner ziekte voedsel uit zijne keuken, in stede van uit die der gevangenis te verschaffen.
Die laatste voorzorg was aanvankelijk nutteloos: mijne maag weigerde geruimen tijd èn vloeibare èn vaste spijzen. Eene week lang werd mijn toestand voortdurend erger; ik ijlde dag en nacht.
Dral en Kuhibriki werden mij tot verplegers aangewezen; beiden dienden mij ijverig en met liefde.
Telkens, wanneer ik een oogenblik het bewustzijn had teruggekregen, zeide Dral:
«Heb vertrouwen in God, God alléén is goed!»
â Bidt voor
mij,» hernam ik dan, «niet, opdat ik geneze, maar opdat ik in volle overgeving aan den wil van Boven moge
lijden en sterven.»
Dral spoorde mij aan, de H. Sacramenten te ontvangen.
«Volgaarne,»
luidde mijn antwoord, «de zwakheid van mijn hoofd is oorzaak,
dat ik niet eerder mijn verlangen naar den bijstand van een priester heb uitgedrukt.»
Spoedig daarna kwam de aalmoezenier van Spielberg.
Ik biechtte, ontving de H. Teerspijs en het H. Oliesel. Ik was zeer voldaan over den priester, Sturvi genaamd. Hij sprak op treffende wijze over de rechtvaardigheid Gods en de onrechtvaardigheid der menschen, over de christelijke vergevingsgezindheid, over het nietige van de dingen der aarde; uit zijne woorden bleek mij te over, dat hij een bekwaam en godvree-zend priester, een voorzichtig leidsman der zielen was.
LXXI.
ijne inspanning om de Sacramenten behoorlijk te ontvangen scheen mijne kracht geheel te hebben uitgeput. In waarheid echter, had die inspanning mij goed gedaan ; ten zeerste vermoeid, genoot ik eenigen tijd eene verkwikkende rust.
Ik ontwaakte een weinig verlicht, en Schiller en Dral bij mij ziende, greep ik hunne handen en betuigde mijn dank voor hunne liefderijke zorg.
Schiller zeide : «Ik heb in mijn leven het verloop van zeer vele ziekten gadegeslagen, en ik durf wedden, dat Mijnheer van deze niet zal sterven.»
â Dunkt u niet,» luidde mijne vraag, «dat ge mij eene kwade voorspelling doet ?»
â Neen,» hervatte hij; «wel is de rampspoed van's men-schen leven groot, maar hij, die de beproeving sterk en ootmoedig weet te dragen, wint immer iets bij het leven.»
Dan voegde hij er bij : «Indien gij niet sterft. Mijnheer, wacht u, naar ik hoop, eene zoete vertroosting. Hebt gij niet verzocht, den heer Maroncelli te mogen spreken ?»
-â Meermalen, doch altijd vruchteloos ; ik durf niet meer te hopen».
â Hoop, Mijnheer, hoop, â en herhaal uw verzoek.»
Ik volgde zijn raad. De intendant sloeg deze maal mijne
bee niet af; hij beloofde alles in ?t werk te zullen stellen, opdat Pietro mij niet slechts eene wijle mocht spreken, maar opdat hij eerst mijn verpleger konde zijn en later bij voortduring mijn gezel.
â 2O5 â
Met het oog op de treurige omstandigheid, dat schier allen, die op Spielberg de straf voor politieke misdrijven ondergingen, meer of minder lijdend waren, had de gouverneur te W een en verlof gevraagd om ieder tweetal hunner éénc cel aan te wijzen, opdat zij elkander behulpzaam konden zijn.
Tevens had ik verzocht om de gunst, nog éénmaal aan mijne familie te mogen schrijven.
Een paar weken later openbaarde zich eene hevige crisis en bevond ik mij, naar het oordeel des geneesheers, buiten gevaar.
Reeds kon ik nu en dan mijne legerstede verlaten, toen zekeren ochtend mijne deur openging en ik den geneesheer, den intendant en Schiller zag binnentreden. De intendant liep het eerst op mij toe en zeide :
«Wij hebben verlof bekomen om Maroncelli bij u te plaatsen en tevens om u een brief aan uwe ouders te laten schrijven.»
De overmaat van blijdschap belemmerde mij de ademhaling, en de intendant, die, niet weinig verheugd, mij zulk eene tijding te mogen brengen, aan de voorzichtigheid was te kort geschoten, waande mij verloren. Toen ik weder bij zinnen kwam en mij de blijde boodschap herinnerde, smeekte ik, mij zonder toeven Maroncelli's bijzijn toe te staan. De geneesheer maakte geen bezwaar, en weinige oogenblikken later mocht ik Pietro aan mijne borst drukken.
Welk een oogenblik! O troost en blijdschap, zoet boven alle beschrijving ! . . . . O mijn vriend! mijn broeder! welk een onverwacht geluk wordt ons toebedeeld !
Maar onze vreugde mengelt zich dra met een gevoel van innig medelijden. Mijn uitgemergeld lichaam ziende moet Pietro minder getroffen zijn dan ik, nu het bleeke, ingevallen gelaat des dierbaren jongelings mijne smartelijke verbazing komt wekken: Mijne zware ziekte is Maroncelli bekend; maar ach ! konde ik vermoeden, dat nu reeds zijne bloeiende gezondheid voor immer is geknakt? De verandering door de martelingen des kerkers in hem te weeg gebracht, was vreesdij k. P ie tra's bloeiende teint was onder den invloed van smart, honger en bedorven lucht geheel te loor gegaan, en een vaal-bleek overdekte nu zijne holle kaken.
Maar toch, â wij konden nu elkander zien, elkander hoeren;
â 2o6 â
nimmer zouden wij elkanders bijzijn derven ! Wij putten nieuwe kracht uit die zoo troostvolle, zoo heerlijke gedachte, en waren innig dankbaar jegens den goeden God, die ons aan elkander had teruggeschonken.
Wat al dingen hadden wij elkaar te zeggen! wat al uitingen van broederlijke genegenheid! welk eene overeenstemming van gedachten en gevoelens ! met hoeveel waardeering spraken wij over de vertroostingen, die wij in ons bitter liiden bij God hadden gezocht en gevonden!
LXXII.
|^^^]pdat ik een brief aan mijne ouders konde schrijven, bracht men mij papier, inkt en pen.
Wijl het verlof hiertoe alleen was geschonken met 't oog op den gevaarlijken toestand, waarin ik mij bevond, vreesde ik, dat, zoo mijn brief niet in dien geest werd geschreven, hij niet zou worden verstuurd. Ik bepaalde er mij toe, mijne ouders, broeders en zusters in woorden vol liefde en dankbaarheid te smeeken, mijn dood als eene beproeving uit de hand Gods met onderwerping te aanvaarden ; tevens verzekerde ik hun, dat ik-zelf met gelatenheid, ja met blijdschap mijn laatste uur zag naderen.
Toen ik na verloop van lange, smartelijke jaren uit den kerker werd bevrijd en het ouderlijke dak mocht wederzien, vernam ik, dat mijn brief zijne bestemming had bereikt. Dit schrijven nu was het éénige, dat mijne ouders uit Spielberg van mij hadden ontvangen.
Geen der brieven, door mijne familie aan mij gericht, kwam mij ter hand. Alle werden zij in de hoofdstad achtergehouden. Ook mijnen lotgenooten was elke briefwisseling met hunne familiën streng verboden.
Duizendmaal vroegen wij verlof om papier en inkt voor het verrichten van letterkundigen arbeid aan te schaffen, alsmede sommige boeken, die ons van groot nut konden zijn. Men bleef hardnekkig weigeren.
De gouverneur van Brïtnn stond ons evenwel toe, de boeken, die wij hadden medegebracht, te lezen.
Zijner goedheid dankten wij ook eene wijle verbete-
ring in het ons verstrekte voedsel ; maar ach ! dit zoude niet lang duren. Hij had toegestaan, dat wij ons voedsel uit de keuken des intendanten van Spielberg, en niet van den tr at tore der gevangenis zouden bekomen. Eenig geld was voor dit doel aangewezen ; maar die verandering van regime werd niet bevestigd. Zoolang mij beter voedsel werd aangeboden, voelde ik mij een weinig sterker. Ook Maroncelli bespeurde eenige beterschap, doch voor den armen Orohoni was het te laat.
Oroboni had men eerst den advocaat Sodera en later een geestelijke, Fortini genaamd, tot gezel gegeven.
Toen men ons twee aan twee m de cellen had opgesloten, verbood men ons strenger dan ooit, met degenen, die naast ons waren gekerkerd, eenig onderhoud te voeren. Men dreigde, hem, die zich onderwond, deze bepaling te overtreden, weder alleen te zullen opsluiten. Om de waarheid te zeggen, â nu en dan waren wij hierin niet gehoorzaam ; doch nimmer waagden wij het, lange gesprekken te voeren.
Maroncelli's karakter en het mijne harmonieerden voortreffelijk ; de moed van den eenen sterkte voortdurend den moed van den anderen. Was een onzer treurig te moede of bitter en treurig gestemd, dan wist de ander hem door een schertswoord op te beuren of sprak troostend over eene zekere toekomst in dit leven of in het andere.
Zoolang wij boeken hadden, â boeken, wel-is-waar, die wij schier van buiten kenden, â vonden wij daarin voor onzen geest een aangenaam voedsel, daar zich telkens gelegenheid bood tot nieuwe vergelijkingen, nieuwe beoordeelingen, nieuwe opvattingen. Het grootste deel van onzen dag werd in stilzwijgen doorgebracht; wij lazen of mediteerden. Onder het middagmaal, op de wandeling en des avonds koutten wij daarentegen schier voortdurend.
Maroncelli had in zijn onderaardschen kerker meerdere gedichten van treffende schoonheid gemaakt; hij reciteerde mij deze van tijd tot tijd en stelde nieuwe op. Ik volgde zijn voorbeeld, dichtte eveneens en reciteerde op mijne beurt. Ons geheugen werd door aanhoudende oefening zoo sterk, dat wij al die verzen zonder moeite onthielden. Na verloop van tijd slaagden wij er in, geheel uit het hoofd drama's saam te stellen, en deze
â 209 â
op te voeren tot dien graad van zuiverheid in stijl en rhytmus, dien wij met behulp van pen en papier bereikt zouden hebben. Maroncclli stelde zoo duizenden lyrische en epische verzen op en onthield ze alle. Ik voor mij schreef o. a. het treurspel
uLconiero da Dcrtonci)) en vele andere dingen.
19
LXXIII.
gedurende winter en lente reeds zwak en ziek,
werd in den loop des zomers nog heviger ongesteld ; liij spuwde bloed en begon aan waterzucht te lijden.
De lezer make zich eene voorstelling van de droefheid, die wij gevoelden, van Oroboni, slechts door een muur van
ons gescheiden, niet te kunnen troosten en opbeuren, hem niet alle zorgen eener warme vriendschap te mogen wijden.
Schiller deelde ons vaak zijn toestand mede. Arme jonkman ! hij leed verschrikkelijk , maar zijne ziel bleef groot en
roboni.
â 211
sterk. De laatste H. Sacramenten werden hem toegediend door een kapelaan, die toevallig een weinig Fransch verstond.
Oroboni stierf op zijn naamdag, i3 Juni 1823. Eenige uren vóór zijn laatsten snik sprak hij op hartroerende wijze over zijn tachtigjarigen vader en schreide eene poos. Maar spoedig droogde hij zijne tranen, zeggende : «Ik mag niet schreien over zijne afwezigheid van mijn sterfbed ; want spoedig zal ook hij het moede hoofd ter ruste leggen, om mij in het verblijf van den eeuwigen vrede aan zijn hart te komen drukken.»
Zijne laatste woorden luidden : «Ik schenk van harte al mijnen vijanden vergiffenis.»
De eerwaarde heer Fortini sloot hem de oogen, Fortini, de vriend zijner kindsheid, een man, geheel godsdienst en liefde.
Arme Oroboni! hoe bitter smartte ons de tijding van zijn
heengaan ! Innig hadden wij hem lief, den edelen, vromen jonkman.
Spoedig daarna hoorden wij stemmen en voetstappen dergenen, die het lijk uit de cel moesten verwijderen, en zagen
â 212 â
wij door het venster den wagen, die het stoffelijk overschot van onzen vriend en lotgenoot naar het kerkhof zou voeren. De wagen werd door twee gewone veroordeelden getrokken, en begeleid door vier soldaten. Met het oog volgden wij dien treurigen stoet zoolang wij konden ; hij bereikte het kerkhof
en richtte zich naar een hoek van hetzelve: daar was de kuil.
Eenige minuten later zagen wij kar, gevangenen en soldaten terugkeeren. Onder de laatsten bevond zich Knbitski.
â 2l3 â
Mij ziende sprak hij, de eenvoudige, edele man : «Ik heb met zorg nagegaan, waar de kuil is gedolven, opdat, wanneer zijne bloedverwanten of vrienden verlof mochten krijgen, zijn gebeente naar het vaderland over te voeren, men wete waar hij rust.»
Hoe dikwijls had Oroboni, bij het venster staande, mij gezegd ; «Ik doe mijn best om mij aan het denkbeeld gewoon te maken, dat ik spoedig ginds zal worden neergelegd. Openhartig beken ik u, dat deze gedachte mij verre van aangenaam is ; het komt mij voor, dat men hier niet zoo vredig sluimert als in den grond van ons dierbaar Italië.»
Daarna begon hij te lachen en zeide :
«Dwaasheid! Is een kleedingstuk versleten, dan moet het worden afgelegd : is het niet geheel zonder belang, waar men het zal bergen ?»
Een ander maal verzekerde hij :
«Ik bereid mij voor ten doode, maar zou dien uit de hand der Voorzienigheid geduldiger aannemen, als ik voor een oogenblikje onder het ouderlijk dak mocht terugkeeren, de knieën mijns vaders omhelzen, uit zijn mond woorden van zegen en vergiflenis hooren â en dan sterven !»
Hij zuchtte en voegde er bij : «Wilt Gij niet, o Vader, dat die lijdenskelk voorbijga, â geschiede dan Uw wil en niet de mijne!»
Op den laatsten dag van zijn leven zeide hij nog, toen Dra! hem de beeltenis van den Gekruisigde voorhield ; «O mijn Zaligmaker, Gij waart God, en toch vreesdet Gij den dood, toch spraakt Gij : Indien het mogelijk is, dat die kelk voorbij ga! Vergeef mij, dat ik diezelfde woorden spreek, en wees mij barmhartig !»
%
lxxiv;
a den dood van Oroboni werd ik opnieuw en hevig ziek. Ik meende, spoedig bij mijn vriend te zullen komen, en dit was ook mijn vurig verlangen. Maar hadde ik zonder leedwezen Pictro kunnen verlaten ?
Dikwijls, wanneer hij, op zijn stroozak liggende, verzen maakte olquot; eenig boek las, of, schijnbaar in studie verdiept, over de grootheid onzer ongelukken peinsde, zag ik hem met betraand oog in het gelaat en zeide : «Hoe treurig, Pietro mio, zal uw leven zijn, wanneer ik niet meer bij u toeve, wanneer gij, den blik over het kerkhof weidende, zult spreken : Ook Silvio rust daar ! . . .» Dan was ik diep-treurig te moede over het lot des ongelukkigen vriends, die mij overleefde ; dan smeekte ik God, Pietro na mijn dood een gezel te schenken, die hem liefhad en waardeerde zooals ik, of bad een andermaal den Heer mijn rampspoedig leven te verlengen. en mij den zoeten en kostbaren troost te gunnen, de smarten mijns vriends te lenigen, door ze van ganscher harte met hem te deelen.
Gedurende langen tijd was mijn toestand nu eens beter, dan erger. Ik moest hevig lijden; doch Maroncelli verpleegde mij zoo liefderijk, als bestond hij mij nauw in den bloede. Begreep hij, dat spreken mij zou vermoeien, dan zweeg hij ; scheen ik naar eenig gesprek te verlangen, immer vond hij eene stof, die mij aangenaam was en op dat oogenblik het meeste belang kon inboezemen. Verhevener geest, edeler gevoelens, dan de zijne, heb ik nimmer gekend ; en zelden was ik gelukkig genoeg, karakters te ontmoeten, zoo voor-treffelijk als dat van Pietro. Hij minde hartstochtelijk waar-
â 2l5 â
heid en gerechtigheid, was zeer verdraagzaam, had een groot betrouwen in menschelijke deugd, bijgestaan door de Voorzienigheid, een levendig gevoel voor het schoone in alle kunsten, eene dichterlijke verbeelding. Kortom, alle uitmuntende hoedanigheden van geest en hart vereenigden zich in Pietro en wonnen hem aller sympathie.
Oroboni bleef mij in dierbare herinnering; schier dagelijks weende ik over zijn dood. Mijn hart echter vond den zoet-sten troost in de gedachte, dat mijn vriend, van zijne ketenen bevrijd en verheerlijkt in den schoot van God, voor mij den Allerhoogste bad om sterkte en gelatenheid.
De stem mijns harten scheen mij te verzekeren, dat Oroboni zich niet meer bevond in de plaatse der uitboeting. Vaak meende ik, den graaf voor mij te zien bidden ; ik schepte er behagen in, mij te overtuigen, dat die droomen geen spel des toevals waren, geene begoochelingen mijner opgezweepte phantasie, maar openbaringen, welke God in zijne liefde en barmhartigheid mij ten trooste toeliet.
Buiten kijf zoude ik mij aan veler spot blootstellen, wanneer ik poogde, de levendigheid dier droomen te beschrijven, het zoete genot, mij daardoor vele dagen geschonken, uit te drukken.
De troost van den godsdienst en mijne vriendschap voor Maroncelli verlichtten voor mij op uitnemende wijze den last des lijdens.
Ecne gedachte boezemde mij schrik in, deze namelijk : dat mijn goede Pielro, wiens gezondheid blijkbaar zwaar was geschokt, doch niet zoozeer als de mijne, mij in het graf zoude vóórgaan. Schouwde ik hem in 't bleeke gelaat, dan voer mij eene siddering door de ledematen; en iedere dag, waarop hij zich beter gevoelde, was voor mij een dag van blijdschap en dankbaarheid.
De vreeze, een dierbaar vriend te zullen verliezen, versterkte nog de genegenheid, die ik hem toedroeg, terwijl in zijn edel hart die vrees te mijnen opzichte dezelfde gevoelens te weeg bracht.
O, hoe smartelijk is het, maanden en jaren te dobberen tusschen vrees en hoop, wanneer het geldt den éénige, die ons van zooveel dierbaren overbleef ! Doch beter dan ooit konden wij in 't lijden des kerkers de zoetheid eener ware,, heilige vriendschap smaken en waardeeren.
LXXV.
Ijijne vurige begeerte was, dat de priester, die mij gedurende mijne eerste ziekte had bijgestaan en zooveel eerbied en sympathie ingeboezemd, ons tot biechtvader zou worden aangeduid en meermalen, ook dan, wanneer wij niet ernstig ziek waren, een bezoek zou mogen brengen. Maaide gouverneur belastte een ander geestelijke, een pater Augustijn, Petrus Baptistns genaamd, met de bediening van aalmoezenier ; deze benoeming, vernamen wij, droeg slechts een voorloopig karakter : óf de hooge regeering zou de gedane keuze bevestigen, of zij moest een ander benoemen.
Ik vreesde, bij die verandering te zullen verliezen ; maar ik bedroog mij, de pater was een engel van liefde ; blijkbaar van aanzienlijken huize, was hij fijn beschaafd, keurig ter tale, diep-geleerd.
Wij smeekten hem, ons zoo dikwijls mogelijk een bezoek te brengen. Hij kwam iedere maand en, wanneer hij kon, vaker. Ook bracht hij ons, met verlof van den stadhouder, eenige boeken, en hij voegde er bij â uit naam zijner oversten â, dat de geheele kloosterbibliotheek te onzer beschikking stond. Het ware een onschatbaar voorrecht voor ons geweest, die voorloopig toegestane vergunning door de regeering te zien bestendigen. Eenige maanden slechts genoten wij dit voorrecht en daarna was men harder dan ooit voor ons, gevangenen van Spielberg.
Na de biecht bleef de waardige kloosterling uren lang met ons spreken ; zijn woord getuigde immer van zielegroot-
Ruim een jaar genoten wij het
heid, van ware priesterdeugd.
voorrecht zijner liefde en trouwe hulp ; immer bleef hij zich-zelven gelijk ; nooit liet hij zich eene lettergreep ontvallen, die betrekking had op de staatkunde en niet op zijne heilige bediening.
In den beginne voelde ik, om de waarheid te spreken, eenig wantrouwen tegen hem ; ik vreesde, dat hij zijne buitengewone schranderheid van geest zou aanwenden om geheimen te weten te komen, waarop hij geen recht had. In een gevangenis voor staatsdelict is zulk wantrouwen zeer verklaarbaar .... Doch hoe blijde en dankbaar is men te moede, wanneer zulk een smartelijke twijfel spoedig en geheel verdwijnt, wanneer men in den plaatsbekleeder van God enkel verheven naasteliefde en blakenden ijver voor de eere des Allerhoogsten ontdekt !
Pater Baptist bezat de gave des troostes bij uitnemendheid. Wanneer ik mij van gebrek aan onderwerping en van bitterheid beschuldigde, vermaande hij uitermate zachtmoedig en liefdevol en betoogde op treffende en overtuigende wijze, hoe noodzakelijk het voor een ieder is, geduldig en onderworpen alle kastijding uit 's Heeren vaderhand met liefde aan te nemen, allen, die ons leed hebben aangedaan, uit den grond des harten vergiffenis te schenken. Dan s'ing hij over tot de behandeling van ditzelfde onderwerp in meer algemee-nen zin, en schilderde ons in levendige en welgekozen trekken de zware, verborgen ellende, die men in eiken staat en toestand des levens aantreft. Hij, de pater, had in steden en dorpen gearbeid, rijken en armen, grooten en kleinen van zeer nabij gekend ; hij sprak over menschelijke onrechtvaardigheid, over de hartstochten, die in de verschillende sfeeren der maatschappij voornamelijk den scepter zwaaien, over de ontaarding der zeden, een gevolg van de algemeene slaafsche onderwerping aan de tyrannic van het passiënheir. Allerwege toonde hij ons zwakken en sterken, overwinnaars en overwonnen, allerwege de noodzakelijkheid, of den evenmensch te haten, óf hem te beminnen met edelmoedig geduld en medelijden. De voorbeelden, door hem aangehaald, om ons te overtuigen, dat ieders schouder gaarne of niet den balk des Kruizes heeft te dragen, en dat men uit de beproeving te allen tijde nut kan trekken, die voorbeelden waren niet zonderling, niet buiten-
20
â 2l8 â
gewoon; maar hij duidde ze aan met zóóveel juistheid, met zulk eene mate van overredingskracht, dat zij immer een diepen, weldadigen indruk op ons maakten.
O ja, telkens wanneer ik die edele verwijtingen, den religieus door vurige liefde tot God en den evenmensch op de lippen gebracht, aanhoorde, werd ik beter, haatte ik niemand meer ; gaarne hadde ik voor den minsten mijner broederen mijn leven geofferd,
Hoe ongelukkig de mensch, die de verhevenheid der Biecht niet kent, niet begrijpt, niet waardeert ! Hoe diep is hij te beklagen, die, een apostel der (.geestesvrijheid», in den treurigen waan verkeert, die goddelijke instelling te moeten verachten ! Schoon wij allen weten, dat wij deugdzaam moeten zijn, is het geenszins onnoodig, dien plicht te hooren prediken. Ons eigen nadenken, noch de lezing van welk boek het zijn moge is hier genoegzaam overtuigend. Neen, het levende woord des menschen heeft eene macht, door geene lezing, geene overpeinzing uitgeoefend. De ziel wordt daardoor sterker bewogen, de indrukken, die het achterlaat, zijn duurzaam in hooge mate. In het woord onzes broeders vindt men een leven, eene kracht, die men vruchteloos zoekt in overpeinzing of lectuur.
sÃwfei
vu$muzmutmm.wtmum$mw£®uzuzuzmmmm-umwMz
LXXVI.
n het begin van 1824 werden de kamers der kanselarij, alsook eenige belendende vertrekken, in kerkers veranderd. Helaas! blijkbaar wachtte men nieuwe veroordeelden wegens politiek misdrijf, derhalve lot- en landgenooten.
Inderdaad: spoedig kwamen de veroordeelden van een derde proces, tegen de carbonari ingespannen; het waren vrienden, kennissen. Hoe groot was mijne smart, toen ik hun namen hoorde! Borsieri was een vriend mijner kindsheid ; Gonfaloniero kende ik niet zoolang, maar toch had hij reeds mijne warme genegenheid gewonnen. Indien ik, door zelf het car cere durissimo of elke andere marteling te doorstaan, hunne boeien had kunnen slaken, â God weet, of ik niet blijde en dankbaar zulk offer hadde gebracht!
Ik had toenmaals groote behoefte aan de vertroostingen van Pater Baptist, den wijzen en vromen Augustijn; doch men veroorloofde hem niet meer, ons te bezoeken.
Opnieuw werd den bestuurder van Spielberg uit Wecrien gelast, de tucht in alle strengheid te handhaven. Do open plaats, waarop wij dagelijks de voorgeschreven wandeling deden, werd met hooge palissaden afgeheind; niemand kon de wandelaars meer zien, zelis niet op verren afstand met behulp van een verrekijker. Zoo werden wij beroofd van het heerlijke uitzicht op de heuvelrijen van Moravi'é cn op de stad Briïnn, aan den voet des kerkers. Nog scheen die maatregel niet voldoende. Om hooger bedoelde open plaats te bereiken moesten wij het plein, vóór Spielberg gelegen, overgaan; hier konden wij door
WjÃM.
â 220 â
vele personen, die eenige boodschap hadden te verrichten, worden bespeurd. Ten einde ons voor den blik dier menschen te verbergen, ontnam men ons weldra de oude wandelplaats; de nieuwe was zeer bekrompen, koud en slecht gelegen.
f Deze verandering trol' ons zeer pijnlijk. Nog heb ik niet medegedeeld, wat al troost wij op dit plekje gronds mochten smaken: het zien der kinderen, te vroeg van de zorg hunner
â 221 â
lieve en trouwe moeder â de vrouw des intendanten, â beroofd ; hun gekoos en gedartel op de plaats-zelf, waar wij hunne moeder hadden gesproken; ons gekout met den smid, die hier zijn arbeid verrichtte; de vroolijke zangen eens korporaals, die niet zonder talent op zijn guitaar tokkelde.
LXXVI1
ieuwe strengheden maakten ons leven nog harder, nog eentoniger ; en zoo verliepen voor ons, treuriger dan ik vermag uit te drukken, de jaren 1824, 1825, 1826, 1827. Men verbood ons het gebruik van onze boeken, waarin wij, op verlof ad interim van den gouverneur, eenigen tijd verstrooiing hadden gezocht.
De gevangenis werd nu voor ons een waar graf; overgelukkig waren wij geweest, indien men ons ook de rust0 van het graf hadde vergund. Doch iedere maand zagen wij plotseling den directeur van politie, vergezeld door zijn luitenant en eenige soldaten, onze cel binnentreden, om dit ellendig verblijf te doorzoeken.
Zij berooiden ons dan van alle kleederen, onderzochten zelfs met grooten ijver de naden, om zich te vergewissen of daarin niet eenige brief was verborgen ; ook werden telkenmale onze stroozakken geopend en naar alle zijden doonvoeld.
Hoewel in mijn kamertje nimmer clandestiene zaken werden ontdekt, toch droeg voor mij dit pijnlijke, altijd terug-keerende bezoek een zoo hatelijk, vijandig karakter, dat de gedachte er aan mij vreesdijk opwond en mij de koorts op hel: lijf joeg.
De vervlogen jaren hadden mij zoo smartelijk, zoo diep-ellendig toegeschenen, en ach ! nu betreurde ik die jaren als een tijdperk van weelde en geluk. . , . Waar zijn ze, peinsde ik, de dagen, waarop ik mij in de studie van de H. Schrift of van Homerus verdiepte ! Daar ik dezen klassieken schrijver bijna dagelijks had gelezen en grondig bestudeerd, was
â 223 â
mijne voorheen oppervlakkige kennis der Grieksche taal zeer uitgebreid ; ik kon nu de schoonheid dier éénige taal ten volle waardeeren en smaken.
Hoe diep betreurde ik het, mijne studiën vaarwel te zeggen ! Wat al vrienden waren mij ontnomen ! Van de boeken, waarvan men ons het gebruik zoo streng verbood, zal ik slechts Bourdaloue, Pascal, de â¢â â Navolging» en «Philotea» noemen. Wil men op deze en soortgelijke werken eene bekrompen, boosaardige kritiek uitoefenen ; verheugt men zich in die heerlijke bladen nu en dan bij oplettende lezing eenig gebrek aan smaak, eenige zwakke plaats te ontmoeten, dan werpt men die boeken ter zijde, om ze niet weder open te slaan. Doch wanneer men ze leest met een onbevangen gemoed, met edele bedoeling en zonder zich over eenige zwakke plaatsen te ergeren, dan ontdekt men gewoonlijk daarin een schat van echte, hooge wijsheid, een degelijk voedsel voor geest en hart.
Eenige dier ascetische werken zijn ons later door Z.M. den Keizer ten geschenke gezonden, evenwel met uitdrukkelijk verbod, ons andere boeken, geschikt voor letterkundige studiën, aan te schaffen.
Dit geschenk van ascetische werken verkreeg voor ons een Dalmatisch biechtvader, de eerw. Heer Stephanus Paulowich, door de regeering tot aalmoezenier op Spielberg aangesteld. Twee jaren later werd hij benoemd tot bisschop van Caltaro. Hem dankten wij het geluk, eenigen tijd de H. Mis te mogen bijwonen ; dit voorrecht was tot dusverre een ieder geweigerd, onder voorwendsel, dat men ons niet naar de kapel kon geleiden, daar het moeilijk was, te dier plaatse het strenge voorschrift der afzondering naar eisch te handhaven.
Nu echter werden wij in drie groepen naar de kapel geleid ; eene groep vond hare plaats op het oxaal, de tweede daaronder, de derde in een vertrek, hetwelk door eene getraliede opening met de kapel in gemeenschap stond.
Maroncelli en ik hadden tot makkers zes veroordeelden, een weinig ouder dan wij. Streng was het ons verboden, het woord tot hen te richten. Twee hunner waren mijne buren onder de Piombi te Venetië geweest. Eenige soldaten voerden ons naaide plaats, die men voor ons had bestemd, en na de H. Mis keerden wij onder hetzelfde geleide celwaarts. De Mis werd
opgedragen door een goedhartig pater Capucijn. De waardige priester hief steeds na de H. Offerande een «Oremus» voor de bevrijding der gevangenen aan, en verrichtte hij die uit den grond zijns harten opwellende bêe, dan trilde hoorbaar eene diepe ontroering in de volle en zangrijke stem des religieusen. Verliet de pater het altaar, dan wierp hij een blik vol medelijden op de Italiaansche gevangenen, en heengaande boog hij weemoedig het geschoren hoofd en bad, bad vurig voor de armen, die, verre van hun geboortegrond, cn van allen die hun dierbaar waren, in ellende en smart kwijnden en zuchtten en stierven.
LXXVIII.
1826 oordeelde men, dat Schiller
vâ ...w zwak, om langer zijne toenmalige
betrekking waar te nemen ; uit dien hoofde werd hij belast met het toezicht op andere gevangenen, die, naar het scheen, minder zorg en waakzaamheid vereischten, dan wij. Hoe pijnlijk viel mij en Pielro die verandering, en hoe innig bedroefd was de edele grijsaard, toen hij ons vaarwel kwam zeggen !
Kr al werd zijne erste opvolger, hij was niet minder goedhartig dan Schiller. Doch spoedig werd hem eene andere betrekking aangewezen en kwam in zijne plaats een persoon, die, hoewel niet boosaardig, ons nimmer eenig blijk van genegenheid toonde.
Die veranderingen smartten mij zeer. Schillèr, Kr al en Knbitzki, maar bijzonder de twee eersten, hadden ons, toen wij ziek en- bijna stervend op ons strooleger lagen uitgestrekt, immer verpleegd met de liefdevolle bezorgdheid van een vader of een broeder. Onwrikbaar, wanneer het gold dc vervulling hunner plichten, wisten zij niettemin zonder hardheid hun treurig ambt waar te nemen. Waren zij een enkele maal eenigszins ruw in woord of manieren, nimmer waren zij dit opzettelijk, en spoedig daarna deden zij door nieuwe blijken van genegenheid en achting het gebeurde vergeten. Nu en dan was ik gramstorig tegen die goede menschen; doch hoe gaarne schonken zij mij vergiffenis! Hoezeer deden zij hun best, om mij en Pielro van hunne welwillende bedoeling te overtuigen! Welk een prijs stelden zij op onzen goeden dunk te hunnen opzichte!
Nadat Schiller ons had moeten verlaten, werd hij slepend ziek. Met warme belangstelling vroegen wij herhaaldelijk naar
21
â 226 â
zijn toestand. Gevoelde hij zich sterk genoeg om de buitenlucht te verdragen, dan kwam hij op de binnenplaats vóór onze getraliede vensters op en neder wandelen. Wij hoestten luide.
om zijne aandacht op ons te vestigen ; en niet zoodra had hij ons bemerkt, of hij zag ons aan met een weemoedig lachje en zeide hoorbaar tot den schildwacht; «Da si mi vieine Söhne /«
Arme griisaard! hoe gaarne zoude ik uw lichaam, met zooveel moeite den last der jaren torschende, hebben ondersteund ! Waarom is het mij niet vergund, u mijne dankbare genegenheid te toonen!
Nu en dan vleide hij zich neder in het gras en begon voor een poosje te lezen. Het waren de boeken, welke de grijsaard mij vroeger had geleend. Om mij hieraan te herinneren las hij dikwijls luide-op den titel of eenig deel van den weinig belang-â wekkenden inhoud. Voor het meerendeel bestond zijne kleine verzameling uit «zedekundigei) verhalen, zonder litterarische schoonheid of andere goede hoedanigheden. Arme Schiller, hoe kostbaar voor mij, het geringste blijk uwer vaderlijke genegenheid !
Na verscheidene aanvallen van beroerte liet hij zich naar het militair hospitaal overbrengen. Zijn toestand werd dra hopeloos. Hij bezat ongeveer honderd gulden, de vrucht van jarenlange spaarzaamheid; een groot deel van het sommetje had hij zijnen wapenbroeders geleend. Toen Schiller zijn laatste uur zag naderen, riep hij zijne vrienden tot zich, en sprak nauw hoorbaar: «Ik heb geen bloedverwanten meer; een ieder van u kan dus behouden wat hij ter leen ontving. Slechts ééne voorwaarde hecht ik aan deze schenking : dat gij voor de rust mijner ziel ijverig zult bidden.»
Een zijner vrienden had eene dochter van achttien jaren, het petekind van Schiller. Eenige oogenblikken vóór zijn dood liet de goede grijsaard zijn lieveling ontbieden. Hij kon niet meer spreken, doch maakte eerbiedig het Kruistceken op haar voorhoofd, trok een zilveren ring â zijn iaatsten rijkdom â van den vinger en gaf haar dit kleine sieraad; daarna omhelsde hij haar, en weende. Het meisje, dat Schiller liefhad als heur tweeden vader, schreide bitter; doch hij-zelf nam een zakdoek en droogde heur tranen. Daarna zag hij het kind weder aan met een langen liefdevollen blik, greep toen heure handen en legde zich die op de oogen. . . . Die oogen, â zij waren voor immer gesloten !
de andere, en dieper en dieper gingen wij onder den
j/'e menschelijke vertroostingen verlieten ons de een na
last van het lijden gebukt. Ik onderwierp mij aan den wil der Voorzienigheid, maar deed hel al zuchtende ; en mijn arm hart, in stede van ongevoelig te worden voor altijd nieuwe kwelling, leed heviger dan ooit.
Zekeren dag werd mij ter sluiks een nummer van de «Augsburger Zcitmig» ter hand gesteld, waarin ik met groote verbazing het volgende las :
cDe signora Maria Angiolina Pcllico, dochter,» enz., 'iheeft, naar wij uit goede bron vernemen, in het klooster «der Visitatie te Turijn den sluier aangenomen. De signora «is eene zuster van Silvio Pcllico, den bekenden schrijver «van het drama «Francesco, da Rimini. De auteur, zooals «men weet op Spielberg gevangen, is dezer dagen, bege-«nadigd door Z. M. den Keizer, in vrijheid gesteld. Deze «begenadiging is een nieuw blijk van de goedhartigheid «onzes Keizers ; en geheel Italië verheugt zich over de «bevrijding van den jeugdigen litterator, die» . . . enz. â Waarom die fabel mijner bevrijding uitgedacht? Te vergeefs poogde ik, zulks te raden. Het kwam mij niet waarschijnlijk voor, dat hier alleen de phantasie van een dagbladschrijver in het spel konde zijn. Wellicht had men hier met eene kunstgreep van Oostenrijksche politici te doen. Wie weet? maar de namen Maria Angiolina waren juist die van mijne jongste zuster. Ongetwijfeld waren zij van een Turijnsch blad naar de «Augsburger Zciiumj)) overgedwaald. Zou het
â 229 â
vrome kind werkelijk den sluier hebben aangenomen ? Ach ! misschien omhelsde zij den religieusen staat, omdat zij onze dierbare ouders heeft verloren ! Arm kind ! Misschien ook heeft zij vrijwillig van liare vrijheid afstand gedaan, om de mijne van God te verwerven. Dat de Heer mijne lie\e zuster,
mijne goede Angiolina zegene, dat Hij haar sterke, haar gelukkig make ! Hoe dikwijls zal die engel in de eenzaamheid harer cel aan mij denken !
Hevig was mijne zielepijn .... Mijn ongeluk had dus.
â 23O â
gelijk ik vreesde, het leven mijner ouders verkort ! Bitter zelfverwijt brandde als een vuur in mijn binnenste, voerde mij schier tot wanhoop. Allengs nam de vooronderstelling, dat Marietha onder den indruk van den dood harer ouders den sluier had aangenomen, voor mij het karakter van een noodlottige zekerheid aan.
Maroncelli nam hartelijk deel in mijne droefheid ; eenige dagen later dichtte hij een treurlied : d Dc Zuster van den Ge
vangene.)) Zijne verzen ademden eene zoete melancolie, een diep medelijden. Pietro droeg mij, bleek van aandoening, zijn treurlied voor. Hoe dankbaar was ik hem voor dien troost der ^[vriendschap ! Welk eene mate van treffende schoonheid in die weinige strophen ! welke eene samensmelting van roerende en vrome gedachten !
Sedert dien liet ik geen dag voorbijgaan, zonder met den blik mijns geestes in de woonsteè der vrome zusteren door
â 23I â
te dringen. Op een harer richtte zich mijn oog met warme liefde en teeder medelijden ; en vurig bad ik den Hemel, haar troost te schenken, haar te bemoedigen, de sombere beelden mijns Kerkers verre, ja verre van haar, mijne lieve, goede Marietha, verwijderd te houden.
LXXX.
â I '9 cn vooronderstelle niet, dat ik, schoon mij ter sluiks een nummer van de uAugsbnrger Zeitung» in handen werd gespeeld, vaak iets uit de wereld buiten S/Zc/Zwgquot; vernam. Neen; zij, die mij omringden, waren goedhartige menschen ; maar de vrees weerhield hen van elke daad, die mij troost en verlichting had kunnen bieden. Die vreeze mocht hun niet euvel worden geduid ; de geringste inbreuk op de tuchtregelen van Spielberg hadde hun de betrekking, die zij bekleedden, misschien zelfs de vrijheid gekost. En hoe licht zoude men, bij de vele gewone en buitengewone visitation, de contrabande hebben ontdekt !
Met uitzondering van het kleine bericht, waarvan hierboven sprake, gewerd mij in den loop der jaren, te Spielberg doorgebracht, geen enkel noemenswaardig nieuws omtrent mijne bloedverwanten .
Zekeren dag werd mij door den heer Directeur van politic medegedeeld, dat mijne geheele familie zich in welstand bevond. Maar de wijze, waarop hij die heugelijke boodschap te mijner kennis bracht, was niet geschikt om mijne vrees weg te nemen.
«Z. M. de Keizer», luidde zijne mededeeling, «heeft mij gelast u te zeggen, dat men uit Torino goede tijding van uwe familie heeft ontvangen».
Dit nu was de eerste maal, dat mij op zulke wijze eenig bericht omtrent mijne familie ter oore kwam. Ik vroeg den ambtenaar bijzonderheden.
«Ik heb te Torino mijne ouders, mijne broeders en zusters achtergelaten ; leven zij allen ? Als gij een brief hebt ontvangen.
â 233 â
heel Directeur, deel mij dan den ganschen inhoud mede, ik smeek het u» !
â Ik kan u wijders niet op de hoogte brengen. Mijnheer ; gij moet u tevreden stellen met hetgeen ik u heb gezegd. Mij dunkt, gij behoort deze gunst van den Keizer hoog te waar-
deeren. Nimmer nog heeft Z. M. mij gelast, een gevangene zulke troostrijke woorden over te brengen».
â Ik ben den Keizer innig dankbaar voor zijne goed-
heid ; maar gij begrijpt, heer Directeur, dat zulk eene vage mededeeling mij weinig troost kan schenken. Welke mijner bloedverwanten zijn welvarend ? Heb ik er niet één verloren ?
â Het spijt mij oprecht, u niet meer te kunnen zeggen, dan mij is bevolen.))
En de ambtenaar verwijderde zich na een groet.
Voorzeker had men de bedoeling, mij eenigcn troost te verschaffen ; het was, naar ik meende, zeker, dat de Keizer zwichtende voor den aandrang van eenig lid mijner familie, den directeur van politie had bevolen, mij die luttele woorden te zeggen ; doch even zeker was het, meende ik, dat men opzettelijk den dood van iemand, die mij dierbaar was, voor mij verborgen hield.
Eenige maanden later ontving ik dezelfde mededeeling ; geen brief, geene enkele bijzonderheid.
Men zag duidelijk, dat zulk eene vage mededeeling mijne droefheid vergrootte, instede van mij troost te bieden; daarom werd mij sedert dien niets meer van Torino gezegd.
Ik beeldde mij in, dat mijne ouders dood waren, misschien gevolgd door mijne broeders en door Giusseppina, mijne andere welbeminde zuster ; dat mijne dierbare Marrietha, uitgeput door de strenge levenswijze van het klooster, spoedig ten Hemel zou gaan en mij alleen achterlaten. En het leven walgde mij !
Mijne oude kwalen openbaarden zich met nieuwe hevigheid, en daarbij voegden zich o. m. vreesnlijke buikpijnen met alle verschijnselen van cholera-morbus. En vurig hoopte ik, te zullen sterven ; ja, de uitdrukking is juist : ik hoopte.....
Maar, o tegenstrijdigheid in 's menschen geest ! een blik op mijn dierbaren Pietro werpende, werd ik hevig ontroerd bij het zien van zijne gebogen gestalte, van zijn bleek en mager gelaat, en ik smoorde in mijne ziel het verlangen naar de komst van den engel, die mijne ketenen zou slaken ; ik wenschte dan weder, te leven voor hem, voor Vidro, mij zoo innig, innig dierbaar !
LXXXI.
rie aanzienlijke mannen kwamen uit de hoofdstad, om Spielberg te visiteeren en na te gaan, of geene verzwakking der tucht was binnengeslopen. De eerste, die kwam, was Baron Von Munck. Deze maakte aanmerking op het weinige licht, dat wij genoten, en beval, dat men des avonds gedurende eeni-gen tijd een lantaarn vóór de opening in onze deur zoude plaatsen. Hij bezocht Spielberg in 1825 ; in den loop van 1826 werd zijne vriendelijke beschikking uitgevoerd, en zoo konden wij nu 's avonds bij het zwakke licht van die graflamp de muren onzes kerkers zien, â meer niet.
Het tweede bezoek werd ons gebracht door Baron \ on Vogel. Hij vond mij in cllendigen staat ; en van den geneesheer der gevangenis gehoord hebbende, dat koffie, matig gebruikt, weldadig op mij zoude werken, stemde hij er in toe, dat mij dagelijks die opwekkende drank zou worden voorgezet.
De derde maal kwam een ander hoog personnage van het hof, welks naam mij in den loop der jaren is ontgaan. Het was een vrij bedaagd man, edel van taal en houding en vol medelijden met ons.
Zijn wil te onzen opzichte was goed ; maar hij kon niets voor ons doen. Toch waren zijne treffende woorden vol troost en bemoediging, toch had hij alle recht op onze dankbaarheid en hoogachting.
Het christendom, zoo rijk aan menschenliefde, telt onder de lichamelijke werken van barmhartigheid het bezoek aan de gevangenen. Het zien van menschen, die in uw lijden oprecht deelnemen, is der ziel een genot, troost haar, ook dan, wan-
â 236 â
neer zij in werkelijkheid niets kunnen doen om u te verlichten.
De volstrekte eenzaamheid kan bijdragen tot verbetering van sommige naturen ; maar ik geloof, dat zij over het algemeen nuttiger is, wanneer men niet geheel en al van aanraking met andere menschen is uitgesloten. Wat mij betreft, volstrekte eenzaamheid gedurende zooveel jaren zou verderfelijk in hooge mate op mijn karakter hebben gewerkt.
Duizendmaal gevoelde ik in mijn hart eene warme genegenheid voor eenige menschen, en haat en verachting voor de anderen ; die gewaarwording deed mij hevig ontstellen. Dan schreed ik op het venster toe en zocht een menschelijk gelaat ; dan was ik verheugd, als de schildwacht zich ver genoeg van den muur bevond, om mij in de gelegenheid te stellen, hem eene poos met den blik te volgen ; dan kwam ruste en vreè in mijn gemoed, wanneer de soldaat, luisterende naar mijn pijnlijk hoesten, medelijdend opzag naar het getraliede venster van mijne cel. Die onbekende krijgsman werd dan voor mij een vriend, een makker, die voelde, wat ik leed. Verwijderde hij zich, dan staarde ik hem verlangend na en verbeidde met ongeduld zijn terugkeer ; en wierp hij een blik op mij, dan was die blik eene weldaad voor mijn arm hart. Bevond zich de schildwacht op eene plaats, waar ik hem niet kon zien, dan gevoelde ik mij teleurgesteld als iemand, die warm en trouw bemint en zich door een ondankbare ziet vergeten.
LXXXII.
n de cel naast de onze, vroeger bewoond door Graaf Orohoni, verbleven thans Don Marco Fortini en Antonio Villa. Laatstgenoemde, een sterk gebouwd man, een waar Hercules, bad in den loop van het eerste jaar veel door den honger geleden ; en toen hij meer voedsel bekwam, weigerde zijne maag schier elke spijze. Hij kwijnde langen tijd ; eindelijk, den dood nabij, vroeg en verkreeg hij een meer luchtig verblijf. De uiterst domperige atmosfeer van den kerker was buiten kijf voor hem, evenals voor ieder ander, in hooge mate schadelijk ; maar het geneesmiddel, door hem gevraagd, kon niet meer baten. In de nieuwe kamer, hem afgestaan, een ruim en gezond vertrek, leefde hij nog eenige maanden; daarna begon hij bloed te spuwen en gaf bij een dier aanvallen den laatstcn snik.
Hij werd bijgestaan door zijn lotgenoot, Don Fortini, en door den eerw. Heer Panloivich, die bericht omtrent den hope-loozen toestand des armen Villa had ontvangen en zonder toeven de reis van Weenen naar Spielberg ondernomen.
Schoon ik voor Antonio Villa niet zulk eene warme genegenheid gevoelde als voor Graaf Orohoni, toch stemde mij zijn heengaan diep treurig. Ik wist, dat zijne gade en zijne ouders hem innig liefhadden. Voor Antonio zelf was de dood eene goede engel, die zijne ketenen brak ; doch voor hen, die aan gene zij der Alpen in zuchten en tranen zijn terugkeer verbeidden, was het verlies van een teeder echtgenoot, van een braaf zoon eene zware beproeving.
Hij was mijn buurman onder de Piombi geweest; Tremercllo
â 238 â
had mij nu en dan eenige zijner verzen gebracht, en ik zond hem de mijne. Zijne poësie was edel en fijn gevoelig.
Toen hij tot een beter leven was overgegaan, scheen het mij toe, dat ik hem nog inniger liefhad, dan vóór zijn verscheiden ; dit gevoel werd nog sterker, toen ik vernam, dat hij veel, zeer veel had geleden. De overgang tot de eeuwigheid was hem uitermate pijnlijk geweest ; maar toch hield hij niet op, den Heer te danken en te zegenen, en riep herhaaldelijk al schreiende uit : «Ik kan mijn wil niet aan den uwen onderwerpen, o mijn God ! verander mijn hart door uwe genade !»
Hij was niet zoo moedig als Oroboni ; maar hij volgde hem na, door luid te verklaren, dat hij al zijnen vijanden vergiffenis schonk.
Tegen het einde van dat jaar (1826), hoorden wij zekeren avond in den gang een verward gedruisch van heen en weder loopende personen. Ons gehoor was door jarenlange oefening uitermate scherp geworden. Eene deur werd geopend. â het was die van den rechtsgeleerde Solera ; eene tweede knarste op hare duimen, â het was die van Don Fortini. Tusschen vele andere stemmen onderscheidden wij het sonore geluid van den directeur van politie. Wat kan dit zijn ? eene visitatie op dit uur ? en waarom ?
Weder loopt men haastig door den gang, en nu hoor ik duidelijk de stem van den goeden Fortini : uOh poveretto mi! la scusi, sdla: Jio desmenicga nn tonic del breviaria !»1)
Snel liep hij terug, om het vergeten boek te halen, en voegde zich weder bij de anderen. De deur van den trap werd geopend en nog eenigen tijd onderscheidden wij het geluid hunner voetstappen.
Wij begrepen, dat die beide gelukkigen gratie hadden gekregen, en schoon wij niet deelachtig waren aan dit kostbare voorrecht, toch verheugden wij ons van ganscher harte met hen.
1) âOch, domoor, die ik ben! neemt mij niet kwalijk, en gaat door: ik heb een tóme van mijn brevier vergeten Iquot;
LXXXIII.
â op ons lot blijven ? Waarom hadden zij gratie ontvangen, zij, die, evenals Maroncelli en ik, de een tot twintig, de ander tot vijftien jaar gevangenis waren veroordeeld ? Zou die gratie niet ook ons en anderen worden verleend ?
Zij, die thans nog in ketenen zuchten, staan derhalve bij de regeering in minder gunstig licht ? Zou het niet de zwijgende bedoeling zijn, ons allen gratie te schenken, doch met kleine tusschenpoozen, en telkens aan twee ?
Geruimen tijd martelde ons die twijfel, maar drie maanden kropen voorbij, zonder dat het gerucht van eenige bevrijding ons ter oore kwam. Tegen het einde van 1827 vatten wij het denkbeeld op, dat December, de maand, waarin Solera en Fortini gratie hadden ontvangen, ook dit jaar van nieuwe cle-mentiën getuige moest zijn. Maar December vloog deze maal ras voorbij, en onze verwachting werd bitter teleurgesteld.
Niettemin bleven wij hopen tot in den zomer van 1828; toen was ik, wanneer mijne voorloopige hechtenis in mindering werd gebracht, zeven en een halfjaar van mijne vrijheid beroofd; en die tijdruimte zou, naar luid van het woord des keizers, met vijftien jaren gelijk staan. Wilde men echter den tijd, dien mijn proces duurde, niet in rekening brengen (en die vooronderstelling was zeer waarschijnlijk) en werd aangenomen, dat mijne straf eerst na de openbaarmaking van mijn vonnis fer se was ingegaan, dan eindigde mijne zeven en een half jaar eerst in 1829,
Maar alle mogelijke data gingen voorbij, en de vrijheid
aOu de bevrijding van Don Fortini en Solera zonder invloed
kwam niet. Reeds voor de begenadiging van Solera en Fortini had mijn dierbare Pietro een gezwel aan de knie. In den beginne was de pijn dragelijk, schoon Maroncelli niet meer recht kon gaan. Een weinig later kon hij slechts met veel inspanning de voetketen medeslepen, zoodat hij verplicht was, de kleine wandelingen te staken. Zekeren morgen nochtans wilde hij mij vergezellen, ten einde een poos de vrije lucht te genieten. Reeds dokte een weinig sneeuw den geheelen omtrek en ook de kleine ruimte, voor onze wandeling bestemd. Helaas! door een noodlottig toeval liet ik Pietro een oogenblik zonder steun; hij struikelde en viel. De zware schok deed de pijn aan de knie aanmerkelijk toenemen. Wij namen ijlings Pietro op en legden hem neder op zijn stroozak. Sinds dien kon hij zich niet meer staande houden.
Toen de geneesheer hem zag, beval hij, dat men den armen lijder thans voor goed den zwaren keten zoude afnemen. Doch het gezwel werd dagelijks grooter en pijnlijker. Mijn-ongelukkige Pietro leed zoo hevig, dat hij noch in zijn bed, noch daarbuiten rust kon vinden.
Fistels, latingen, «helsche steen,» droge en natte pleisters, alles werd door den geneesheer beproefd. Niets kon baten; de arme Pietro leed meer en meer. Na de aanwending van «helschen steen» openbaarde zich eene verettering, en dra zag men nu op de knie eene zwerende wonde.
Maroncelli was duizendmaal ongelukkiger, dan ik ; eh toch, hoezeer leed ik met hem ! Ik verpleegde Pietro met grooter liefde, naarmate zijn lijden toenam. Maar hoe onuitsprekelijk treurig was het, mijn vriend aan zulk een lievige smart ter prooi te zien, zonder hem te kunnen redden! Men wanhoopte aan de genezing van het zieke been, en Pietro begon vuriger dan ooit te verlangen, dat de engel des doods hem ten beter leven kwame oproepen. Toch dwong mij de moed zijner gelatenheid bewondering af.....
auzfamp;^usutuzmmMwmvuzm^umzumzm-umzFM*
LXXXIV.
n dien treurigen toestand maakte hij nog verzen, zong en sprak opgewekt ; alles deed hij, om mij troost te bieden, om de smart, die langzaam aan zijn levenswortel knaagde, voor mijn oog te verbergen. Zijne spijsverteering was zeer slecht en ruste vond hij zelden. Dikwijls verloor hij van zwakte het bewustzijn. Maar niet zoodra was die eigenaardig-lethargische verdooving voorbij, of weder deed hij wat in zijn vermogen stond om mij op te beuren.
Gedurende ruim negen maanden werd zijn lijden immer heviger.
Eindelijk werd een consult van den geneesheer der gevangenis met een bekwaam cn vermaard collega toegestaan. De man der wetenschap kwam Pietro bezoeken, keurde alles goed, wat de gewone geneesheer had voorgeschreven, en verliet ons kamertje, zonder zich verder uit te laten.
Een weinig later trad de intendant van Spielberg onze cel binnen.
«Mijnheer,» sprak hij tot Maroncelli, «de consulteerende geneesheer heeft u niet de volle waarheid durven zeggen. Hij vreest, dat gij niet sterk genoeg zijt, om datgene te vernemen, wat hij raadzaam oordeelt. Maar ik, Mijnheer, ik weet, dat gij moedig en sterk zijt.....»
â Ik geloof het,» luidde Pietro's antwoord, «aangezien ik reeds zoo langen tijd de vreeselijkste pijnen heb geleden, zonder mij te beklagen. De geneesheer zou mij dus willen voorstellen , . . .»
â Ja, Mijnheer, de amputatie van het been. Nochtans
23
â 242 â
blijft deze uitnemende specialiteit aarzelen, met het oog op de algeheele verzwakking van uw lichaam. Zoudt gij, in weerwil van die zwakte, de amputatie aandurven ? Wilt gij de verantwoordelijkheid dragen ?. ...»
â Gaarne ! wordt mij het zieke been niet algezet, dan ben ik toch veroordeeld.»
â Is het zóó gelegen, Mijnheer Maroncelli, dan gaan wij zonder toeven de instructie van den minister vragen ; en zoodra wij verlof tot de amputatie hebben bekomen ...»
â Is daartoe verlof noodig ? !»
â Ja, Mijnheer.»
Acht dagen later was de vergunning toegestaan.
De zieke werd nu overgebracht naar een ruim en luchtig vertrek ; hij vroeg, dat ik hem mocht vergezellen.
«Geef ik onder de operatie den laatsten snik, dan zij het tenminste in de armen van een vriend,» sprak hij, eene traan wegpinkende.
Zijn verzoek werd ingewilligd.
De eerwaarde Heer Wirba, aalmoezenier, opvolger van Panlowitch, hoorde Pictro de biecht. Na dien wachtten wij schier ongeduldig op de geneesheeren.
Eindelijk kwamen zij. Een hunner, de gewone chirurgijn van Spielberg, d.w.z. : onze barbier, had het recht, alle voorkomende operatiën te verrichten ; hij weigerde hardnekkig, dit recht een ander af staan.
De ander was een jong chirurgijn, gepromoveerd aan de Weener universiteit, en reeds vermaard door zijne kunde. Door den gouverneur van Br Hun gezonden, om bij de operatie tegenwoordig te zijn en haar te leiden, zou hij-zeli die heelkundige bewerking gaarne hebben verricht. Maar de barbier wilde hiervan niet hooren.
De patient werd nu op den rand van een sopha neergelegd ; ik hield Pictro in mijne armen. Boven de knie werd ter plaatse, waar de dij gezond bleek, een verband gelegd, om het instrument zijn loop aan te wijzen.
De oude chirurgijn maakte rondom eene insnede, ongeveer de lengte van een vinger diep ; daarna lichtte hij de huid op en sneed de blootgelegde spieren door. Hevig stroomde het 'bloed uit de groote aderen ; men sloot ze haastig af
â 243 â
met een zijden draad. Eindelijk werd het been doorgezaagd.
Maroncelli slaakte geen kreet. Toen men het afgezette been wegbracht, wierp hij nog een blik op het lidmaat en glimlachte weemoedig. Tot den operateur zeide hij :
«Gij hebt mij van een geweldig vijand verlost ; en ik heb geen middel om u daarvoor te loonen.n
In een glas op de vensterbank zag hij eene roos.
«Wees zoo goed, Silvio, mij die bloem te geven,» fluisterde hij.
Ik gaf ze hem, en hij bood ze den ouden chirurgijn, zeggende :
«Slechts hierdoor kan ik u mijne dankbaardheid toonen!»
De geneesheer nam de bloem en schreide.
je operateurs hadden gemeend, dat op Spielberg in het hospitaal met uitzondering van de instrumenten alles zou aanwezig zijn, wat gedurende en na de amputatie van noode kon blijken. Daarom hadden zij geene verbandstoffen
enz. medegebracht. Maar toen de operatie was geëindigd, misten zij het strikt noodzakelijke.
De ongelukkige verminkte moest twee uren wachten, vóór
dat men ijs, verbandstoffen enz. uit Briinn had aangebracht.
â 245 â
Eindelijk werd de bloederige wond met veel zorg en naar de eischen der wetenschap verbonden.
Eenige dagen gaf men den zieke voor alle voedsel eene tas bouillon met ei. Toen de wondkoorts niet meer te vreezen was, verstrekte men Pietro allengs meer en beter voedsel, teneinde zooveel mogelijk de krachten van zijn uitgeput en afgebeuld lichaam te herstellen. De Keizer-zelf had bevolen, dat men hem alles zoude geven, wat noodig of nuttig was, totdat hij, geheel hersteld, de infirmerie zou kunnen verlaten.
Na verloop van veertig dagen was Pietro genezen. Toen geleidde men ons naar het vertrek, dat wij vroeger bewoonden, en nu aanmerkelijk was vergroot, door dat men den binnenmuur, die ons van Orohovi en later van Antonio Villa scheidde, had weggebroken,
Maroncelli's geduldig lijden, zijne onvolprezen gelatenheid sterkten mijne ziel, schonken haar nieuwen moed. De Heer, die mij gedurende Maroncelli's krankheid in voldoende mate had gesterkt, opdat ik mijn vriend de noodige zorg konde wijden, ontnam mij de gezondheid, zoodra Pietro zich met behulp zijner krukken kon staande houden.
Gezwellen van klierachtigen oorsprong veroorzaakten mij hevig lijden. Zij verdwenen vrij spoedig. Daarna openbaarde zich opnieuw mijne borstkwaal, en leed ik aan duizelingen en chronischen buikloop.
Mijne beurt is gekomen, zeide ik tot mij-zelf in die treurige dagen; zal ik minder geduldig zijn, dan mijn vriend en lotgenoot?
Ik trachtte, zijn moed en zijne deugd naar best vermogen na te volgen.
't Is buiten kijf, dat iedere toestand, voorkomende in 's menschen leven, bijzondere plichten oplegt. Een plicht der zieken is het, geduldig, moedig, opgebeurd te zijn, om niet hunner omgeving het leven te verbitteren.
Maroncelli bewoog zich uiterst moeielijk; dit speet hem zeer, daar hij vreesde, mij niet zoo goed als weleer te kunnen verzorgen. Ook vreesde hij, dat ik, ten einde hem vermoeienis te besparen, niet zoo dikwijls zijne hulp zoude inroepen, als ik die hulp van noode had.
â 246 â
Dit gebeurde inderdaad zeer dikwijls; maar immer deed ik mijn best, opdat Pietro het niet zoude bemerken.
Mar'onelli was bijna geheel hersteld ; maar toch leed hij â¢nog immer zware pijnen. Gelijk doorgaans de geamputeerden, gevoelde hij in het verminkte lichaamsdeel smartelijke zenuwtrekkingen. En daar het been slecht was doorgezaagd, drong het vaak in het nieuw aangroeiende vleesch en veroorzaakte herhaaldelijk wonden. Eerst na verloop van een jaar was de stomp voldoende gehard.
LXXXVI.
ieuwe smarten verbeidden, helaas! mijn goeden Pietro; de eene beproeving kwam na de andere op hem neder. Eerst leed hij aan jicht; deze pijnlijke ziekte begon met de handgewrichten en breidde zich later uit over geheel het lichaam. Daarna vertoonde zich de scheurbuik op schrikkelijke wijze.
Ik zocht troost in deze overpeinzing; Daar God wil, dat wij in gevangenschap sterven, zend hij een onzer deze besmettelijke ziekte â de scheurbuik â over, die ons, zoo al niet gelijktijdig, dan toch spoedig, de een na den ander ten grave zal slepen.
Wij bereidden ons gezamenlijk voor tot den dood en bleven kalm en gelaten. Negen jaren harde gevangenis en bijna voortdurende krankheid hadden ons te eenenmale vertrouwd gemaakt met het denkbeeld der sloping van twee lichamen, zoo afgebeuld en begeerig naar ruste en vreè als de onze. Onze ziel vertrouwde op God. Wij hoopten, spoedig te zullen komen op die plaats, waar de vijandschap der menschen ons niet meer kon genaken, waar wij in den schoot van God het loon voor onze onderwerping aan den wil zijner Voorzienigheid zouden vinden.
Reeds in het vorige jaar had de scheurbuik groote verwoesting op Spielberg aangericht. Toen de gouverneur vernam, dat ook Maroncelli door de ziekte was aangetast, vreesde hij, dat de epedemie opnieuw zoude uitbreken, en stemde toe in het verzoek van den geneesheer, die voorschreef, zoo weinig mogelijk in de cellen te vertoeven en bijna den geheelen dag de vrije lucht in te ademen.
248
Als kamergenoot van Maroncelli en lijder aan bedorven sappen, mocht ik hetzelfde voorrecht genieten.
Wij brachten nu schier den geheelen dag in de vrije en versterkende buitenlucht door. Men gaf ons een ander gezel, met zwaar geschokte gezondheid en bijna zeventig jaren oud. Men hoopte, dat ook hij buiten de atmosfeer der nauwe cel een deel der verloren lichaamskrachten zou terugvinden. Het was de heer Constantino Murani, een eerbiedwaardig grijsaard, bekend litterator en wijsgeer ; zijn gezelschap was Pietro en mij zeer aangenaam.
Werd de duur mijner gevangenschap gerekend van mijne veroordeeling af en niet van het oogenblik mijner arrestatie, dan eindigden mijne zeven en een half jaar in het begin van Juli, of zeker niet later dan 22 Augustus 1829.
Maar ook die tijd ging voorbij, en alle hoop verdween nu uit mijn harte.
Tot dan toe hadden Maroncelli, Murani en ik ons getroost met de gedachte, dat wij nog ooit onze bloedverwanten en ons dierbaar vaderland zouden wederzien. Dit ook was iederen dag het onderwerp van onze gesprekken.
Maar Augustus kroop voorbij, en September, en het geheele jaar â en onze hope verzwond, en wij rekenden nog slechts op de hulp van God, om door een christelijken dood uit het lijden des kerkers te worden verlost.
Liefde Gods en ware vriendschap zijn twee oneindig kostbare goederen ; zij troosten den gevangene, in wiens gemoed geen straaltje van menschelijke hoop doordringt. God is waarlijk met de ongelukkigen, wier harte zich niet voor de liefde sluit, en die slechts bij Hem, in den schoot zijner barmhartigheid, heil en troost zoeken !
LXXXVIT.
a den dood \an Villa, toen de eerwaarde Heer Pfl?f-lowitch benoemd werd tot bisschop van Caltaro, kregen wij tot biechtvader abbé Wirba, een Moraviër, professor in de H. Schriftuur te Bninn en vermaard leerling van het «Verheven Instituut)), te Weenen. Alle leden dezer congregatie, gesticht door den beroemden Fresi, te dien tijde hofkapelaan, waren priester en laureaat in de H. Godgeleerdheid. Zij leefden gemeenschappelijk onder strenge tucht, zetten hunne studiën voort en streefden naar het bezit van de hoogste wetenschap, bereikbaar voor 's menschen geest. Het oogmerk van den stichter â de hoog-wetenschappelijke ontwikkeling van den Oostenrijkschen clerus â verdiende allen lof en werd ten deele bereikt.
Aangezien abbé Wirba te Brünn woonde, kon hij ons meer tijd wijden, dan zijn voorganger Pauloivi/ch. Hij werd ons even dierbaar als voorheen de Augustijner monnik, P. Baptist. Echter kon hij niet, gelijk deze, ons boeken verschaffen. Dikwijls bracht hij ons een bezoek en sprak dan uren lang over godsdienst en zedekunde. Wij allen trokken uit de conferenliën met abbé Wirba groot nut, en zij verschaften ons immer troost en opbeuring.
In het jaar 1829 werd hij ziek ; na zijne genezing riep de bisschop den waardigen priester tot eene ander functie, en nu kon hij niet meer op Spielberg komen. Wij betreurden zijn heengaan oprecht , maar de Voorzienigheid zond ons een ander verdienstelijk en beminnenswaardig priester, abbé Ziak, kapelaan te Brünn.
24
25o
Onder alle Oostenrijksche geestelijken, die men ons tot biechtvader zond, hebben wij er niet één aangetroffen, die zich tot een verachtelijk werktuig in de hand der staatkunde wilde leenen, niet één, die geene hooge ontwikkeling aan een vurig geloof en teedere naasteliefde paarde.
Het kleine aantal priesters, die wij in onze gevangenschap leerden kennen, gaf ons een hoogen dunk van de katholieke geestelijkheid in Oostenrijk.
Ook de eerwaarde Heer Ziak bracht ons menig bezoek en knoopte lange gesprekken met ons aan. Hij was een voorbeeld van geduld en onderwerping aan 's Heeren wil , want schoon hij ziekelijk was en meermalen ondragelijke pijnen leed, zweefde immer een glimlachje om zijne kleurlooze lippen.
Middelerwijl genas Maroncelli van de scheurbuik, en ook Murani en ik voelden ons gesterkt door den weldadigen invloed der zuivere berglucht van Neder-Oostenrijk.
LXXXVI11.
|j||p)e eerste dag der maand Augustus i83o was aangebroken.
Nu was ik tien jaren beroofd van de vrijheid en onderging sedert acht en een half jaar de zware straf, car cere duro genaamd.
Het was Zondag ; wij gingen, zooals gewoonlijk, ter wandeling. Onze blikken dwaalden over het dal, dat zich aan den voet
van Spielberg uitstrekte, en over het kerkhof, waar mijne vrienden Oroboni en Villa ruste in God hadden gevonden. Wij namen plaats op eene bank, in afwachting dat de mis voor de vrouwelijke veroordeelden zou eindigen en die voor ons beginnen. De kapel van Spielberg bevond zich in de onmiddellijke nabijheid der plaats, bestemd voor de wandeling.
â 252 â
In Duitschland en Oostenrijk is het gebruik in zwang, dat de geloovigen onder de H. Mis in de taal van het land vrome liederen zingen. quot;Wijl de gevangenen op Spielberg ten deele Slavisch, ten deele Duitsch spraken, zong men deze liederen beurtelings in deze en gene taal. Ook werd op iederen feestdag eene Duitsche en eene Slavische predikatie gehouden. Zeer gaarne hoorden wij die gezangen, immer begeleid door de reine tonen van een goed orgel.
In het koor der vrouwen onderscheidden wij klankvolle, heerlijke stemmen. Arme schepselen ! eenigen barer waren nog zoo jong ; hartstocht, ijverzucht, slechte voorbeelden waren oorzaak van haar ongeluk, hadden heur zoo diep ten val gebracht. Nog hoor ik in mijn hart de majestueuze hymne van het Sanctus weerklinken: «Heilig! Heilig! Heilig!» Tot tranen toe bewoog mij telkens die heerlijke zang.
Te ongeveer tien uur keerden de vrouwen celwaarts en
â 253 â
konden wij de mis bijwonen, Ik zag in het voorbijgaan mijne lotgenooten, die naar het oxaal werden geleid ; zij allen waren bleek, mager, uitgeput, en met groote moeite sleepten zij hunne ketenen voort.
Na de heilige Mis keerden wij terug in onze kamer ; een kwartier later werd ons middagmaal gebracht, en maakten wij ons couvert gereed. Deze arbeid bestond hierin, dat wij eene plank op een der beide stroozakken legden en den houten lepel reinigden.
Nauwelijks waren wij hiermede gereed, toen de heer Wegrath, onder-intendant van Spielberg, onze kamer binnentrad en zeide :
«Het spijt mij, Signori, uw diner te moeten onderbreken : de directeur van politie is hier en wacht u.»
Aangezien deze ambtenaar gemeenlijk niet kwam voor aangename dingen, volgden wij, niet bijster wèl geluimd, den intendant naar de bestuurskamer.
Daar vonden wij den directeur van politie en den opper-intendant ; de eerste groette ons minzamer, dan gewoonlijk.
Hij nam een beschreven en gezegeld papier ter hand en begon met eene door aandoening trillende stem te spreken.
«Mijnheeren,» zeide hij, «.....ik heb het genoegen . . .,
ik heb de eer ..... u mede te deelen, ..... dat Z. M.
de Keizer u nog eene.....gunst heeft willen toestaan.».....
â Maar, begrijpt ge mij niet» ? vervolgde hij.
â Neen, Mijnheer ; heb de goedheid, ons te zeggen, welke gunst.»
â De vrijheid voor u beiden en voor een derde, dien gij spoedig zult omhelzen».
Men zou geneigd zijn, te vooronderstellen, dat wij bij het hooren van die tijding van blijdschap waren opgesprongen. Maar onze gedachte richtte zich op hen, die wij in het vaderland achterlieten, en meer dan ooit werd nu ons harte beklemd door de vrees, dat onze dierbaren niet meer zouden leven.
«Zwijgt gij»? vroeg de directeur. «Ik verwachtte, u dronken van blijdschap te zien.»
â â Heb de goedheid», luidde mijn antwoord, «Z. M. onzen eerbiedigen dank te willen overbrengen ; maar indien wij
geen bericht van onze familie ontvangen, blijft ons alleen de smartelijke vooronderstelling, dat zij, die wij liefhebben, ons werden ontrukt».
Toen stelde hij Maroncelli een brief van diens broeder ter hand ; Pietro werd daardoor in niet geringe mate vertroost. Van mijne familie echter had men geenerlei bericht ontvangen, en dit versterkte niet weinig mijn .somber voorgevoel.
«Gaat nu terug naar uwe kamer», sprak de directeur; «spoedig zend ik u den derde, die gratie heeft ontvangen.»
Met spanning verbeidden wij dien persoon. Wij hadden gewild, dat allen, zonder uitzondering, gratie hadden bekomen; doch slechts één hunner was dit voorrecht ten deel gevallen. Zou het de arme grijsaard Mnrani zijn? of deze? of gene? Voor allen wenschten wij vurig hunne bevrijding.
Eindelijk werd de deur van onze kamer geopend en trad onze gezel, de heer A ndrea Tonnelli, van Brescia, binnen. Wij drukten hem aan onze borst; geen onzer kon een bete nuttigen.
Tot den avond bleven wij aanhoudend spreken; diep betreurden wij het lot van hen, die, verre van hun dierbaar Italië, in de kerkers van Spielberg achterbleven .
/ /.'W/ Bij het onder
gaan der zon kwam
de directeur van politie en noodigde ons uit, hem te volgen. Schreiend gingen wij de cel van zoo menig vriend voorbij, misschien veroordeeld om in smart en eenzaamheid een langza-men dood te sterven.
Ieder onzer wierp men een soldatenmantel om de schouders, en men gaf ons eene wollen muts op het hoofd; zoo daalden wij, nog als boeven gekleed, den heuvel af en werden naar de gevangenis van Briinn gevoerd.
De maan scheen helder. Straten, huizen, menschen, die wij zagen, â alles scheen ons, na zooveel jaren van eenzaamheid, zoo wonderbaar en schoon!
Mjfmoesten, immer nog als gevangenen, de aankomst van den Weener Commissaris afwachten, die ons naar de grenzen van Italië zou geleiden. Met het oog op de omstandigheid, dat onze koffers en kleederen door het bestuur van Spielberg te onzen bate waren verkocht, haastten wij ons, het noodige aan te schaffen; thans konden wij, gelukkig, de boeven-kleeding afleggen.
Vijf lange dagen wachtten wij op den commissaris. De directeur van politie stelde ons in handen van dien ambtenaar, en gaf hem tevens de gelden, die ons eigendom waren, en die wij later terugontvingen.
Wij reisden op kosten van Z. M., en niets werd gespaard.
De commissaris, Baron von Noe', was een fijn beschaafd en zeer welwillend man; hij bekleedde eene hooge betrekking bij het ministerie van justitie. Hij betoonde zich te onzen opzichte zeer beleefd en voorkomend en droeg ons blijkbaar genegenheid toe.
Ik verliet Brüun met hevige borstpijn, en het schokken van ons rijtuig benauwde mij zoozeer, dat ik ieder oogenblik meende, te stikken. Daarenboven had ik den geheelen nacht eene brandende koorts, en den ochtend, daaropvolgende, gaf de commissaris zijn twijfel te kennen, of ik wel in staat was, de reis naar Weenen voort te zetten. Nochtans slaagde ik er in, hem te overreden, zulks wel te doen. De ziekte was nu ten toppunt van hevigheid ; ik kon eten, drinken noch spreken.
Bij aankomst te Weenen was ik half-dood.
Men verschafte ons in een gebouw, tot het departement van justitie behoorende, een goed onderkomen. Ik begaf mij
â 257 â
te bed, en nu ontbood men zonder toeven een bekwaam geneesheer; hij schreef eene lating voor, en die kleine operatic verlichtte mij. Streng diëet en veel digitalis, â ziedaar mijne kuur in geheel haar omvang. Ik werd beter. De geneesheer, Dr. Singer, wijdde mij de vriendelijkste zorgen.
Ik verbeidde met klimmend ongeduld den dag van ons vertrek, zulks te meer, aangezien de tijding van de gebeurtenissen te Parijs in de hoofdstad van Oostenrijk groot opzien baarde en ook ons ter oore kwam.
De keizer had zijn besluit, waarbij aan Pietro, Tonnelli en mij gratie werd verleend, den dag vóór het uitbreken der
revolutie onderteekend. Wel-is-waar kon hij thans dit besluit niet herroepen ; doch 't was niet onwaarschijnlijk, dat men, in ons vaderland eenigen weerklank van den donder der omwenteling vernemende, ons voor het eerst niet de grenzen van Oostenrijk zou laten overschrijden. Overtuigd als wij waren, dat men ons in geen geval naar Spielberg zou terugzenden, vreesden wij nochtans, dat een al te voorzichtig raadsman
25
â 258 â
den keizer zou overreden, ons in eenige stad, verre van ons dierbaar schiereiland, nog geruimen tijd te interneeren.
Ik wendde een volslagen herstel voor, en drong immer sterker aan op de voorzetting van onze reis. Toch wenschte ik vurig, een bezoek te mogen brengen aan Zijne Excellentie
Graaf Praloniw, gezant van het Turijnsche hof bij dat van Oostenrijk ; ik wist, hoeveel weldaden ik hem, den edelen edelman, dankte. Ook had hij edelmoedig en met taaie volharding zijn invloed te mijner gunste aangewend, en zonder
â 25g â
twijfel was ik hem voor een deel mijne bevrijding verschuldigd. Tot mijn diep leedwezen werd mij verlof tot dit bezoek en tot elk ander beleefd geweigerd.
Zoodra ik hersteld scheen, was men vriendelijk genoeg, ons
een rijtuig aan te bieden, waarmede wij kleine ritten dooide stad konden maken. De commissaris begeleidde ons overal en mocht niet dulden, dat wij met iemand in gesprek kwamen. Wij namen de beroemde Stephanus-kerk, de schoone parken
â 200 â
der stad, het kasteel Lichtenstein en later nog het keizerlijke slot Schönbrunn in oogenschouw.
Terwijl wij de prachtige dreven van die heerlijke residentie bezichtigden, kwam Z. M. ; de commissaris van politie verzocht ons beleefd, een eind weegs terug te gaan, daar 's keizers oog de ellende onzer uitgeputte lichamen niet mocht aanschouwen.
xc.
indelijk verlieten wij de hoofdstad, en kon ik de reis tot Brück voorzetten ; daar werd mijne aamborstigheid slimmer dan ooit. Men riep een geneesheer, Dr. Juddmav, die weder eene lating en het gebruik van digitalis voorschreef, Eenige dagen later was ik in staat, onzen tocht te hervatten.
Wij reisden door de landstreek I lyric en bereikten zonder ongeval Karinthic ; maar ach! in het dorpje Feldkirchen, niet ver van Klagenfurth, wachtte ons een tegen-bevel. Tot nader order moesten wij daar onze tenten opslaan.
De lezer begrijpt, hoezeer wij hierdoor waren teleurgesteld. Wij pleisterden vijf dagen in het dorpje, en de commissaris deed wat in zijn vermogen stond om ons verstrooiing te verschaften. Er bevond zich te dier plaatse een schouwburg ; hij bracht ons er heen ; de pastoor van het dorp was een vriendelijk en ontwikkeld man ; hij ontving ons herhaaldelijk en toonde zich uitermate gastvrij.
Eindelijk kwam een koerier van Weenen en bracht den commissaris bevel, ons verder te geleiden. Groot was mijne blijdschap en die mijner gezellen ; maar toch vreesde ik meer en meer, den dag eener noodlottige ontdekking te zien aanbreken. Had ik mijn vader, mijne moeder, had ik andere dierbaren verloren ?
En mijne treurigheid werd grooter, naar mate wij de grenzen van Italië meer nabij kwamen.
De somberheid van het landschap â de streek die wij doortrokken, is eentonig en onvruchtbaar cn geeft den reizi-
ger geen flauw denkbeeld van de natuurschoonheden, die men hoogerop aantreft, â stemde mij nog weemoediger. De zuidelijke gelaatstrekken, die mij thans weder omgaven, de lieflijke moedertaal, die ik van ieders lippen hoorde, â alles ontroerde mij zoo diep, dat ik schier voortdurend tranen stortte. Hoe menigwerf leunde ik tegen den wand van het rijtuig, bedekte mij het aangezicht met de handen, wendde voor, te slapen, â en schreide ! Hoe menigwerf sleet ik den gehee-len nacht in pijnlijk waken ! De koorts verteerde mij, verhitte op smartelijke wijze mijne verbeelding tot den hoogsten graad. Nu eens dankte ik blijde en vurig den Algoede voor het geluk, den blauwen hemel van mijn dierbaar Italië weder te mogen aanschouwen ; dan leed ik onbeschrijfelijk onder de vrees, mijne ouders niet te zullen wederzien, of zag met schrik en diepe droefheid de stonde naderen, waarop ik, misschien voor immer, mijn zielsgoeden Pielro, mijn trouwen vriend, die mij in den loop zooveler ongelukkige jaren de liefde eens broeders had betoond, zou verlaten.
O ! de ellende mijner gevangenschap had de kracht mijner gevoelens niet kunnen breken ; mijne natuur was, gelijk voorheen, in hooge mate voor indrukken vatbaar, doch zij uitte hare gevoeligheid meer in de smart dan in de vreugde.
Gaarne zouden wij, Pietro en ik, Udine hebben wedergezien en de herberg, waar edelmoedige vrienden, vermomd als knechts van den waard, ons heimelijk de hand kwamen drukken, in 't voorbijgaan hebben bezocht.
Maar wij lieten de stad ter linkerzijde liggen, groetten haar van verre en ijlden zuidwaarts.
iOwOQiwOQQiOQQwiOgiOQQQ'QO'QQ'QOQOQQO'Q'O'Q'OXSOlQ'OQ'OO'Q'Q'Q.Q'OQQ^V
^S *' ogg^^yferweftgfteftg^eeweeegefteg.gtreegefteégft««»««gt; «igft^rn»»«â¢Â»â¢Â«*'«* g*g»»g'»*g|gelt;gt;*)»'i» egg»1 ér » » | [w ^/iBaai#d5v4é»i*a*(#a»e(#ee6»i*e»ei»eee»»ae'eeeee*»weêêa^eao» j33r5re«e(»*eei*eve»*ea6»ee»#eaew»'*»4 wi4«'(» v^quot; 1 W
£feM£X2M2amp;fcM°feX2l2X2MS5
â¢'â¢~,--r:eeeeeee56eieeelt;i*ee'»eeeee»eee6l»dS6eee^------ ----------
ööoaö'ö.öaös.ösös.öiööiööBööoöaöö.ös.ö
XCI.
f .1
Jardemone, Conegliano, Ospcdaletto, Vicenza, Vcrotta, Man-~ tua, â aan ellc dier steden knoopten zieh voor mij dierbare of smartelijke herinneringen. Een mijner vrienden, een verdienstelijk jonkman, geboortig van Pardcmone, sneu-
\elde bij den veldtocht naar Rusland. Conegliano was de plaats^ waarheen Zanzc, mijne vriendinne van de Piombi, was vertrokken. Te Ospedalctto overleed een warm vriend mijner kinds-
â 264 â
heid. 't Scheen mij toe, dat ik Mantua's aloude stede gisteren nog met Ludovico en later met Porro had bezocht.
Dezelfde straten, dezelfde pleinen, dezelfde vorstelijke woonsteden ! en wat al vrienden, mij in den loop der jaren ontrukt ! wat al ongelukkigen, kwijnende in ballingschap ! Een geheel geslacht van jongelieden, die ik voor het eerst als kin-derkens had gezien, was nu opgestaan ; en ik kon niet van deze naar gene woning ijlen, met dezen en genen vriend aan mijne borst drukken !
En tot overmaat van smart was Mantua de plaats, waar ik van Pietro moest afscheid nemen. Beiden waakten wij diep treurig een eindeloozen nacht. Ik gevoelde mij als een ongelukkige, die spoedig een vonnis, door harde rechteren geveld, zal aanhooren.
Des ochtends wiesch ik mij zorgvuldig het gelaat, en zag in den spiegel, of geene sporen van tranen achterbleven. Ik bad eene wijle, doch niet zonder verstrooiing ; en het gedruisch, veroorzaakt door Maroncelli's krukken hoorendo, ijlde ik hem tegemoet en poogde, te glimlachen. Ach ! beiden schenen wij moedig en sterk ; wij spraken met heldere, schoon een weinig trillende stem. De ambtenaar, die Maroncclli naar de grens der Romagiia moest geleiden, was aangekomen ; wij moesten afscheid nemen. Zonder een woord te kunnen spreken omhelsden wij elkaar; Pietro kuste mij nog eenmaal op het voorhoofd ; ik beantwoordde met strak gelaat dien broederkus. Een blik vol smartelijk medelijden op mij werpende, steeg Pietro haastig in het rijtuig ; â ik zag hem niet meer, kreeg een waas vóór de oogen, wankelde een oogenblik en viel toen bewusteloos op den grond.
Ik werd opgenomen en zorgvuldig verpleegd ; na verloop van weinige minuten keerde ik tot bewustzijn weder. Schreien kon ik niet meer ; doch heviger dan te voren was mijne smart over Pietro's heengaan.
In een loop mijns ganschen levens heb ik geen karakter aangetroffen, zoo edel, zoo gelukkig en beminnelijk, als dat van Maroncelli. Aan hooge wetenschappelijke ontwikkeling paarde hij een verheven dichterlijk gevoel, eene fijne beschaving, weergaloos aantrekkelijke manieren. O arme, dierbare Pietro, dat God u zegene ! dat Hij u vrienden schenke, die mij in genegenheid evenaren en mij in deugd en edelmoedigheid overtreffen !
XCII.
en uur later vertrokken wij naar Brescia ; daar werd mijn lotgenoot in de gevangenschap, Andrea Tonelli, in al-geheele vrijheid gesteld. De ongelukkige vernam dra den dood zijner moeder ; zijne smart Avas diep, zijn gemoed voor geen troost genaakbaar, zijne tranen deden opnieuw de mijne vloeien.
Foch werd ik dien dag een weinig opgebeurd door een klein avontuur, dat ik wensch, u te verhalen.
Op een der wanden van de herberg las ik, in bonte kleuren gedrukt, eene schouwburg-aankondiging : «Francesca da Riminin, opera met.....enz.
«Wie heeft die opera gemaakt ?» vroeg ik een bediende.
â Wie haar in verzen heeft gebracht en wie haar op muziek zette, is mij onbekend ; maar in hoofdzaak is en blijft zij toch de «Francesca da Rimini)), welke een ieder heeft gehoord of gelezen.»
â Een ieder ? gij bedriegt u. Wat kunnen mij, die van Oostenrijk kom, al uwe Francesca s schelen ?»
De bediende, een jongeling met fraai en trotsch gelaat, een waar kind van Brescia, wierp een blik op mij, waaruit onverholen minachting sprak.
â Wat u die kunnen schelen, signore ? Er is hier geen sprake van meerdere Francesco's, doch van Francesca da Rimini. Ik bedoel het treurspel van Silvio Pellico.»
â O! Silvio Pellico! Het komt mij voor, dien naam wel eens te hebben gehoord. Bedoelt gij niet dien lompen samenzweerder, die eerst ter dood en later tot carccre duro werd veroordeeld ?»
â 266 â
Die scherts viel niet in goede aarde. De knaap wierp een blik om zich heen, zag mij aan als een getergde leeuw, grijnsde met zijne twee-en-dertig mooie tanden en wilde op mij toespringen, toen juist iemand binnentrad.
Nu verwijderde hij zich, al grommende ; «Een lompe samenzweerder !»
Doch vóór mijn vertrek kende hij mijn naam. Zijne verbazing was zoo groot, dat hij vragen kon, noch antwoorden, dienen, noch zich bewegen. Hij keerde zijn blik niet van mij af, wreef zich de handen en antwoordde een ieder op elke
vraag: «Si bene, signorc, si.....»
Den ochtend, daaropvolgende, bereikte ik met den commissaris Milano. Bij het naderen van die stad, bij het op
doemen van den koepel des wereldberoemden marmeren tempels, op den rit door de dreef van Loretto, bij het terugzien van zoovele mij dierbare plaatsen, werd ik aangenaam en toch pijnlijk getroffen. Vurig wenschte ik, eenige dagen te Milano door te brengen, om mijne vrienden, aldaar woonachtig, te gaan omhelzen. De prachtige stede had mij in gelukkiger dagen warme sympathie op de baan der letteren betuigd, en hiervoor was ik nog immer den Milanezen erkentelijk.
â 267 â
Wij namen onzen intrek in een hotel, waar ik voorheen menigwerf in 't gezelschap mijner vrienden luidruchtige feestmalen had bijgewoond. Aanzienlijke vreemdelingen, die Milano bezochten, waren bij voorkeur te gast in die heinde en ver gunstig bekende inrichting. Daar ook had, korten tijd vóór mijne arrestatie, eene eerbiedwaardige matrone mij uitgenoodigd, haar te volgen naar Toscana ; zij voorspelde mij, dat ik, mijn verblijf te Milano verlengende, mijn ongeluk tegemoet zoude loo-pen. O dagen van zooveel geneugt en smarte, dagen van zoete en bittere herinnering, hoe ras zijt gij vervlogen !
De bedienden van het hotel ontdekten spoedig mijn naam. Het gerucht mijner aankomst verbreidde zich door de stad, en des avonds bemerkten wij vele personen, die naar de vensters zagen, om mij te herkennen. Een hunner was dit blijkbaar gelukt ; want hij groette mij herhaaldelijk door gebaren.
Ach ! waar toeven Porro's zónen, mijue zonen ? waarom zie ik hen niet ?.....
XCIII.
e commissaris geleidde mij naar het bureau van politie en stelde mij voor aan den directeur. Welke gewaarwordingen bestormden mij, toen ik dit huis, mijn eersten kerker, terugzag! Wat al lijden sinds dien! O, dierbaar is mij de herinnering aan uwe grootheid van ziel, o Melchiorre Gioia! Nog zie ik u in de nauwe cel, gezeten vóór de kleine tafel, waarop gij, kalm en waardig, uwe verdediging in schrift bracht; nog zie ik u met den zakdoek wuiven om mij te groeten ; nog zie ik u treurig te moede, daar men ons verbood, elkander dit kleine bewijs van achting en sympathie te geven. En ik staar op uwe tombe, ik denk aan uw heengaan, ik bewonder den vlekkeloozen adel uwer groote ziele, â ik groet u in de ruste van het Paradijs, o Melchiorre, o mijn vriend, o edele, goede en groote man! . . . .
En ik dacht aan het doofstomme kindeken, aan de dieven, mijne buren, aan den zich noemenden Lodewijk XVII, aan den armen grijsaard, die, vermetel en goedhartig genoeg, mij een brieije van Maroncelli te bezorgen, die «misdaad» zoo vreeselijk boette.
Deze en andere herinneringen uit de eerste dagen mijner gevangenschap voeren als een droom van smarte en wrevel mijn geest voorbij; op de eerste plaats echter dacht ik aan de bezoeken mijns ouden vaders in die plaatse der ellende. Welke illusion omtrent mijne spoedige bevrijding! Heeft hij de gedachte: (iSilvio, mijn Silvio in gevangenschap)) â en, groote God, welk eene gevangenschap! â kunnen verdragen ? En mijne moeder, die lieve, goede vrouw, heeft God beur op mijn gebed
â 269 â
de kracht der gelatenheid geschonken? Zal ik allen, die mij dierbaar zijn, wederzien? En zoo neen, â welke niet?
O smartelijke twijfel! ik bevind mij, als 't ware, op den drempel van het ouderlijk huis, -â en ik weet niet, oi mijne ouders leven!
De directeur van politie ontving mij hoffelijk en minzaam en gaf mij vergunning, met den commissaris naar het hótel terug te keeren, instede van mij in 't sombere gebouw een onderkomen te verschaffen. Hij verbood mij echter nadrukkelijk, met iemand, buiten den commissaris, te spreken, en nauwelijks duldde hij, dat ik den consul van Piemoiite, die mij eenig bericht omtrent mijne familie icon verschaffen, een bezoek zoude brengen. Ik hadde mij naar de woning des consuls begeven; doch ik voelde mij zwak en ziek, moest te bed gaan en liet hem verzoeken, tot mij te komen.
Hij kwam, en spoedig; â hoe dankbaar was ik hem!
De consul gaf mij gunstige berichten omtrent mijn vader en mijn oudsten broeder; doch omtrent mijne moeder, mijn anderen broeder en mijne twee zusters bleef ik in smartelijke onzekerheid.
Geruimen tijd poogde ik, het onderhoud met den consul voort te zetten, immer nog in de hoop, meer te zullen vernemen. Eindelijk moest de heer B. mij verlaten.
loen ik alleen was achtergebleven, wilde zich mijn overkropt gemoed door tranen ontlasten; maar die troost, die verlichting werd mij ontzegd, en hierdoor steeg de koorts, die mij verteerde, tot een zeer hoogen graad. Ik leed onuitstaanbare hoofdpijn.
Door onleschbaren dorst gekweld, vroeg ik te drinken aan Stnndberger. Die brave man, sergeant bij de Venetiaansche politie, vervulde toenmaals de bediening van lijlknecht bij den commissaris. Met bevende hand gaf hij mij te drinken. Die siddering riep mij den goeden Schiller te binnen, toen ik, pas op Spielberg aangekomen, hem vroeg op harden, bevelenden toon, mij de waterkruik over te reiken, waaraan door Schiller zachtmoedig werd voldaan.
O wonder! deze herinnering, te saam met zooveel andere, had op mij een weldadigen invloed en vergunde mij, tranen te storten. Hierdoor gevoelde ik mij in hooge mate verlicht, en dra kon ik de reis hervatten.
den ochtend van io September omhelsde ik den uit-^ muntenden commissaris, en vertrok. Ik kende hem niet langer dan eene maand, en toch scheen hij mij een vriend van beproefde genegenheid. Zijne ziel, in hooge mate gevoelig voor al hét zedelijk-schoone en goede, kende geen arglist ; wèl had hij zich in de uitoefening van zijn ambt een grooten naam als detective en scherpzinnig instructor verworven; doch hij was te edel van gemoed, om zich in deze lunctiën tot lage practijken te leenen.
Op eene pleisterplaats had men gedurende onzen tocht mij in het oor gefluisterd : «Neem u in acht tegen dien engel-bewaarder ; was hij niet geslepen en voor zijne taak berekend, hij zoude u niet als reismakker zijn toegevoegd.»
â Gij vergist u,» hernam ik; «diep ben ik overtuigd, dat gij u bedriegt.»
â De sluwste personen zijn vaak die, welke het meest oprecht en eenvoudig schijnen.»
â Is het zoo gelegen, laat dan vrij uw geloof aan de deugd van wie het zijn moge varen !»
â Luister, signore : huldig, wanneer 't u goeddunkt, eene andere opvatting ; maar 't is en blijft mijne overtuiging, dat in sommige maatschappelijke positiën een zeker decorum, vrucht en gevolg eener fijn beschaafde opvoeding, wordt aangetroffen. Maar de deugd. â neen, signore, geene deugd, geene eigenwaarde, geene edelmoedigheid!»
Ik antwoordde, niet weinig geërgerd :
«Gij overdrijft schromelijk, signore, geloof mij!»
â 271 â
â Ik ben consequent : ziedaar in casn den grondslag mijner zienswijze.»
Doch nu trad een derde persoon de kamer binnen ; ik zweeg, en dacht aan het cave a consequentariis van Leibnitz.
Ongelukkigerwijze redeneert een groot deel der menschheid met die valsche en wreede logica : «Ik volg de standaard A, buiten kijf de standaard der gerechtigheid ; gene volgt de standaard B, de standaard der ongerechtigheid : derhalve, â die man is slecht.»
O neen, gij drogredenaars, gij laatdunkende sophistae, onder welke standaard gij u moget bevinden, redeneert niet zoo onmenschelijk ' Hoe licht kondet gij, bevooroordeelde, hartstochtelijke, onmeedoogende rechteren, van «consequentie» tot «consequentie» afdalende, eindelijk tot deze gevolgtrekking komen : «Alle menschen, wij slechts uitgezonderd, verdienen, levend te worden verbrand.» En wordt gij nog strenger in uw oordeel, blijft gij consequent, dan luidt dra de rechtspraak van ieder uwer ; «Alle menschen, ik alleen uitgezonderd, zijn schurken ; ter dood mét hen allen, â ik alleen verdien, te leven !»
Dit zoo algemeen verbreide rigorisme staat der echte, gezonde philosofie geheel vijandelijk tegenover ; een gematigd wantrouwen kan wijsheid zijn ; een mateloos wantrouwen is het nimmer.
Na de waarschuwing tegen mijn «engelbewaarder,* trachtte ik, meer nog dan vroeger, zijn gemoed te doorgronden ; maar dagelijks werd inniger en vaster mijne overtuiging, dat zijn karakter edel was, oprecht en grootmoedig.
Iedere maatschappelijke betrekking, niet door de openbare meening als onteerend beschouwd, niet in strijd met de beginselen van het natuurrecht, heeft aanspraak op waardeering, kan door edele karakters worden vervuld, kan bijdragen tot behoud en geluk der maatschappij.
Kens las ik van een quaker, die geene soldaten mocht lijden. Doch zekeren dag was hij toevallig getuige van de heldendaad eens jeugdigen korporaals, die in de Theems sprong, om zijn kameraad te redden.
«Ik ben quaker en zal quaker blijven,» zei de man; «maar de soldaten zijn ook goede jongens.»
xcv.
3tundberger geleidde mij naar het rijtuig, waarin ik plaats ^ nam met den brigadier der gendarmerie, te mijner «bewaking» aangewezen. Het was zeer koud, en de regen viel
plassend neder.
«Wikkel u met zorg in uw mantel», zeide Stundberger ; «dek u beter het hoofd en pas wèl op, niet krank aan te komen. Gij wordt zoo licht verkouden ! Het spijt mij zeer, dat ik u niet verder kan begeleiden en verzorgen».
Hij sprak deze woorden hartelijk en diep bewogen.
«Voortaan zal Mijnheer geen Duitscher bij zich hebben», voegde hij er bij ; «misschien hoort il signorc, zooals men hier zegt, niet spoedig weer Duitsch spreken, de schoone en forsche taal, die gij, Italianen, zoo onhebbelijk en luw vindt. Maar dit zal waarschijnlijk Mijnheer niet veel kunnen schelen. In 't midden van Duitsch-sprekende personen heeft hij zooveel geleden, dat hij met weinig genoegen zich onzer moet herinneren. En toch zal ik, wiens naam gij spoedig zult vergeten, altijd den goeden God voor u bidden !»
_ En ik voor u, goede Stundberger», luidde oprecht mijne
verzekering. Voor de laatste maal drukte ik hem innig dankbaar de vriendenhand.
De brave Oostenrijker riep mij nog luide na : uGntcn Morgen ! gute Reise ! leben Sie ivohl /» Deze woorden klonken mij even zoet en liefelijk in het oor, als vormden zij klanken
mijner moedertaal.
Ik bemin hartstochtelijk mijn vaderland, mijn éénig Italië ; doch ik haat geen ander volk. Beschaving, rijkdom, glorie
â 273 â
zijn tusschen de verschillende natiën zeer ongelijk verdeeld ; maar ieder volk kan op edele zielen bogen, die 's menschen roep kennen, begrijpen, volvoeren.
De brigadier, mijn geleider, verhaalde mij, dat hij indertijd mijn vriend Gonfalonieri had aangehouden. De ongelukkige had vruchteloos gepoogd, te ontsnappen. De politie, vervolgde mijn bewaker, was te scherpzinnig, te vlug, om met die ontsnapping vreè te nemen : Gonfalonieri was spoedig weder achter slot en grendel, en had sinds dien met waardigheid zijn ongeluk gedragen.
Die treurige historie was zeer weinig geschikt om mij op te vroolijken ; een ijzeren band scheen mij het hart te omknellen.
De verhaler, een goed, eenvoudig man, begreep niet, welke smart hij mij veroorzaakte, met hoeveel afschuw ik zijne handeu bekeek, die zich onmeedoogend op den schouder van mijn vriend hadden gelegd.
Te Buffcilorci werd ontbeten ; de brigadier at gretig en veel, maar ik kon geen stukje broods nuttigen.
Vóór lange jaren had ik, met de zonen van Porro de cam-pagna van Arleno bezoekende, nu en dan te Bufjalora peinzend den loop des blauwen Ticino gevolgd.
Met genoegen zag ik, dat de schoone brug over dien stroom
27
in den loop der iaren was voltooid. Aan de overzijde betraden wij het grondgebied van Piemonte. Eene siddering van blijdschap voer mij door de ledematen: God weet, hoezeer ik Italië liefheb ; Hij weet ook, dat in gansch Italië gcene streek mij dierbaarder is dan Piemonte, de bakermat van mijn geslacht, het land mijner vaderen !
XCVI.
egenover Buffalora ligt San Mar lino. Op deze plaats verzocht de Lombardijsche brigadier een onderhoud met den kapitein der Piemonteesche carabiniers. Daarna groette hij en keerde naar Buffalora weder.
Ik spoorde mijn koetsier aan, een weinig haast te maken.
«Heb de goedheid, een oogenblik te wachten,» zei een carabinier.
Ik begreep, dat ik nog niet vrij was, en dit bedroefde mij, daar ik nieuwe beletselen vreesde.
Na verloop van een kwartier verscheen iemand, als heer gekleed, die mij verzocht, tot Novdra de reis in mijn gezelschap te mogen maken. Hij had eene andere gelegenheid gemist, en nu zoude hij zeer vereerd en dankbaar zijn, indien ik hem wilde toestaan, enz. enz.
Die vermomde carabinier was een gezellig prater. Te Novdra aangekomen, wendde hij voor, mij naar een goed hotel te geleiden ; maar hij-zelf greep de teugels en voerde mij naar de kazerne der carabiniers. Daar werd mij spoedig medegedeeld, dat in de kamer van een brigadier een bed te mijner beschikking stond, alsook, dat ik hier bevelen van hooger hand moest afwachten.
Ik hoopte, 's morgens te kunnen vertrekken. Na een weinig te hebben gegeten, koutte ik eene poos met mijn gastheer, den brigadier, begaf mij daarna ter ruste, sluimerde in en genoot een verkwikkenden slaap.
Des morgens schenen mij de uren dubbel lang. Ik ontbeet vrij smakelijk, koutte een weinig en wandelde mijn vertrek en
276
het terras op en neder. Eindelijk werd mij een bezoek aangekondigd.
Een officier trad binnen, groette beleefd, en zeide mij, dat te Novdra een brief was aangekomen, en dat mij dit schrijven spoedig zou worden ter hand gesteld. Ik betuigde den officier mijn dank voor zijne goedheid.
Nog eenige uren kropen voorbij, en de brief verscheen.
Welk eene vreugd overstroomde mijne ziel, toen ik de hand mijns vaders herkende ! Mijne moeder, mijne lieve moeder leefde nog, evenals mijne twee broeders en Giuseppina, mijne oudste zuster. Helaas! Marietta, de religieuse, was niet meer. Rust zacht, gij engel! Voor Silvio bracht gij uw leven ten offer .... God zegene allen, die voor mij hebben gebeden en geleden I
Wederom gingen dagen voorbij, en nog werd mij verlof om Novdra te verlaten geweigerd. Eindelijk, den 16 September, kwam de vurig gewenschte vergunning, en hield alle be
waking door de militairen op. O ! sinds hoeveel jaren was ik niet meer vrij geweest, te gaan waarheen ik wilde !
Ik ontving eene kleine som geld, en te drie uren in den middag verliet ik Novdra, Ik had tot reisgezellen een koopman, eene dame, een beeldhouwer en twee jeugdige schilders. Deze
â 277 â
laatsten kwamen van Rome, en tot mijn onuitsprekelijk genoegen vernam ik, dat zij de familie van Pietro Maroncelli kenden. Het is zoo troostvol, te spreken over hen, die men lief heeft !
Dien nacht bleven wij te Vcrcdli. Eindelijk was de gelukkige dag, 17 September, aangebroken. Wij vervolgden onze reis. Welk een langzame rit ! Eerst tegen den avond bereikten wij Torino.
Wie zal mijne blijdschap, wie de vreugd mijner dierbaren
schilderen, wie uitdrukken, wat zij en ik gevoelden !......
Mijne zuster Guiseppina bevond zich niet bij mijne ouders ; zij ⢠was gedurende mijne afwezigheid eene gelukkige gade en moeder geworden, en woonde nu te Chicri. Maar nauwelijks gewerd haar bericht van mijn terugkeer, of zij haastte zich naar Torino en sleet hier eenige dagen van geluk en geneugt. Teruggeschonken aan de teederheid van die vijf dierbare wezens, ben ik nu een bevoorrecht sterveling, die zijn geluk begrijpt en waardeert .....
Geloofd en gedankt en aanbeden en gezegend de Voorzienigheid, die menschen en dingen met of zonder hun wil gebruikt als werktuigen ter bereiking van de oogmerken harer liefde !
EINDE.
I