_ __ li vjii^lïötiïii v'j jö«-
quot;IÃ55 o. f.ra.
HET
H. CECILIA C0LLEG1E,
zijnde de
Broederschap van het Mlerjieilijjst Sacrament,
ter eere va.n het
H. SACRAMENT VAN MIEAKEL
van
met den aankleve van dien
door
Bernard J. M. DE BONT.
(kerkelijk goedgekeurd.)
amsterdam,
U. L. VAN LANGENHUYSEN. 1895.
Vak 48
V/^VAK w
HET
H. CECILIA C0LLEG1E,
zijnde de
Broederschap van hel Allerheiliflsl Sacrament,
ter eerf, van het
H. SACRAMENT VAN MIRAKEL
VAN
met den aankleve van dien ..
noou
Bernard J. M. DE BONT.
AMSTERDAM,
C. L. VAN LANGENHUYSEN. 1895.
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2193 9974
i
/i
V O O R li E 1) E.
Verleden jaar kwam bij Martinus Nijhoff eenc zeer degelijke en nuttige Handleidimj lot de Kerkycschicd-vorsching en Kerkfieschiedschrijviny uit, van de hand van Dr. Aajtiuy. De âedeldenkende en waarheidzoe-âkendequot; professor, (zooals Pater Allard den schrijver terecht betitelt in De Studiën XXVIIe jaarg. ül. XLIII blz. Stil), geeft in zijn werk aan beroeps- en dilettant-gesel ried vorschers menigen nuttigen en practi-schen wenk. Pater Allard in zijne recensie der Handleiding] zegt dan ook â Voor eerstbeginnenden is daar âveel uit te leeren, en wat er te verbeteren mocht âzijn, kan volgens de gezonde methode der Handlei-â din ij zelf verbeterd worden. Ook reeds gevorderden âworden op klippen gewezen, waarop zij wellicht meer âdan eens schipbreuk ledenquot;. Op eene andere plaats schrijft de Eerw. recensent âDat zijn wijze en leerdame lessen, in artistieke taalvormen gekleed. Mogen âvelen ze ter harte nemenquot;.
Een dier âwijze en leerzame lessenquot; is: De Vcr-haaltrant. De geleerde professor schrijft als volgt; âTwee menschen zullen hetzelfde verhalen, maar de âeen doet het dor en droog, de ander levendig en âonderhoudend. Bij den een verveelt men zich; bij âden ander geniet men. Dat is het geheim van den âvorm. Meester over den vorm is alleen de artist. âVoor hem neemt alles geest en leven aan. Hij ziet âde dingen, waarover hij spreekt of schrijft. De niet-
n
âartist daarentegen blijft bij gebrek aan voorstellings-âvermogen, altijd min of meer buiten de zaken, die âhij uitbeelden zal. Intusscben â en hierop kan niet âte veel nadruk worden gelegd â schuilt er in de âgeschiedschrijving als kunst een groot gevaar. Zij âlaat zich zoo licht verleiden tot opoffering van de âhistorische waarheid aan de artistieke schoonheidquot;.
Een wijze les, en zeker van toepassing op enkele geschiedschrijvers, die te goeder trouw hunne verbeelding zoo laten werken, dat hetgeen zij verhalen geheel in strijd is met de historische waarheid. In den laatsten tijd is ook bij tijd en wijle aan de geschiedenis van Amsterdam geweld aangedaan en wij lazen nu en dan verhalen, welke wel voortreffelijk gestileerd en boeiend geschreven zijn, doch welke de geschiedschrijvers-kunstenaars verraden, die het met de historische waarheid niet al te nauw opnemen.
Deze kleine uitwijding heb ik mij moeten veroorloven nu ik van het H. Cecilia Collegie ga verhalen, dat in zeer nauw verband staat tot het Heilig Sacrament van Mirakel van Amsterdam; en aangezien ik helaas, nu eenmaal niet behoor tot die bevoorrechte menschen die geschiedschrijvers-kunstenaars zijn, zoo hoop ik dat mijne verbeelding mij geen parten zal spelen en dat zij mij dingen laat zeggen welke den toets der geschiedenis niet kunnen doorstaan. Dor en droog, zal ik wat materiaal leveren voor den verderen opbouw der katholieke geschiedenis van Amsterdam.
Bernard J. M. DE BONT.
Op het Zesdehalve-Eeuwfeest van het Mirakel van Amsterdam.
JCet Jt. 0ecifia (Bo f
.Toen het Gesticht van Liefdadigheid zijn huis in de Kill verstraat over de H. Stede verkocht had, waren enkele katholieken onzer stad niet tevreden over den gehouden verkoop. Zij bejammerden namelijk â zoo als zij zeiden â dat het Mirakelhuis, dat steeds in katholieke handen gebleven was, in die van anderen overging en dat zij thans ook dit aandenken aan het Mirakel van Amsterdam moesten afstaan. Ouders en grootouders hadden, als zij hunne kinderen verhaalden van het wonder dat te Amsterdam in 1345 geschied was, verteld dat het huis, door het Gesticht van Liefdadigheid bewoond, in nauw verband stond met het H. Sacrament van Mirakel; en om nu zoo I een dierbaar pand te verkoopen, dat was toch wer
kelijk wat al te erg !
Deze jammerklacht deed de ronde. De een wist te vertellen dat in dat huis het wonder geschied was; een ander dat de mirakuleuze Hostie na het afbranden der kapel in dat huis zou zijn overgebracht; een derde eindelijk had hooren verhalen dat bij den beeldenstorm in 1560 het H. Sacrament daar in veiligheid
overgebracht was. Kortom iedor kwam met overleveringen aandragen, en men maakte zich boos en warm over het gebeurde.
Lofwaardig waren evenwel dit morren en boos zijn van hen, die vermeenden in hunne zoo dierbare belangen gekrenkt te zijn. Hun protest legde getuigenis af van hunne onverflauwde ijver en liefde voor het H. Sacrament van Mirakel, waaraan wij katholieke Amsterdammers sinds eeuwen en eeuwen zulke groote veneratie en eerbied betoenen.
Toen eindelijk deze praatjes het oor der katholieke historici bereikten, oordeelde men de gemoederen tot kalmte te moeten brengen. Men stak de hoofden bijeen en men verzocht Pastoor van den Akker z. g.. die als schrijver van Be Geschiedenis van het Begijnhof zijn sporen ruimschoots verdiend had, de zaak tot klaarheid te brengen.
Fluks nam hij de pen op, en schreef op den vooravond van liet feest van Mirakel, den 18 maart 18G8, Het Mirakel van Amsterdam. ')
Met de geschiedenis in de hand toonde hij aan, dat het wonder niet geschied is in het toenmalige Gesticht van Liefdadigheid, maar op de plek waar thans de H. Stede zich bevindt en dat men op de plaats waar de haardstede gestaan had, welke door liet aanraken van de H. Hostie geheiligd was, een tabernakel bouwde om er de mirakuleuze Hostie te bewaren. De Eerw. Schrijver wederlegde tevens do meening, welke geschiedkundig niet is aan te nemen, dat in genoemd huis bij de branden van 1421 en 1452 de mirakuleuze Hostie zoude zijn overgebracht. âMet
') Zie het Nomraer van Ue Tijd 18 Maart 1868. (Biblioth. v. h. Museum Amstelkring).
7
âMgr. Pluym, den geleerden oudheidvorscher â zoo âgaat schrijver voort â kunnen wij wel aannemen âdat bij den beeldenstorm het H. Sacrament uit de âH. Stede naar het zooeven vermelde huis is overge-âbragt, maar dat het de mirakuleuze Hostie van 1345 âzou geweest zijn moet betwijfeld worden. Nemen wij ânu aan dat het H. Sacrament, uit voorzorg tegen âeene gevreesde ontheiliging werd overgebragt naar âhet tegenwoordige gesticht, dan zal dit toch de mirakuleuze Hostie zelve niet meer geweest zijn. Van âwaar dan die naam van Mirakelhuis ?
âUit aanteekeningen in een Memorie-boek van de âBoomskerk te Amsterdam blijkt dat in de eerste âhelft van 1600 een der Eerw. paters van die kerk, âop het hoogfeest van Mirakel de H. Mis ging lezen âin het huis of in het collegie van den beer Coeck. âHet is ons ook gebleken dat het gesticht of Mira-âkeihuis in dien tijd aan de deftige familie Coeck âtoebehoorde. Het is ook zeker dat aan de Booms-âkerk nog een Collegie van het H. Sacrament ver-âbonden is. Nu is het zeer waarschijnlijk dat dit âhetzelfde collegie is, dat ruim twee eeuwen geleden, âin bet huis van den heer Coeck gevestigd was, en âhetwelk waarschijnlijk de voortzetting is geweest van âhet H. Sacrament-gilde in de H. Stede. Het kan âzelfs zijn dat dit huis het Gilde-huis geweest is. Wat ânu ook van deze waarschijnlijke veronderstellingen âzijn moge, toch geeft het bovenstaande een vrij goed âantwoord op de vraag: waarom het G-esticht den ânaam van Mirakelhuis draagt. Uit al het bovenstaande âblijkt nu duidelijkquot; : â3° dat het Gesticht zijn naam âvan Mirakelhuis zeer waarschijnlijk aan het H. Sa-âcraments-gilde of Collegie zal ontleend hebben.quot;
8
De âwaarschijnlijke veronderstellingquot; van den Beg-gijnenvader z. g. dat het collegie âde voortzetting is âgeweest van H. Sacraments-gilde in de H. âStedequot; is meer dan waarschijnlijk een ware veronderstelling. Want het H. Cecilia Collegie ter vereering van het H. Sacrament van Mirakel is niet alleen âde oudstequot; maar ook de eenigste âbroederschap, welke, nadat âde H. Stede den katholieken ontnomen wasquot;, niet alleen in âeigen kringquot; maar ook daarbuiten, de herdenking aan Gods wonder, zoo niet onmiddellijk, dan toch na een zeer kort tijdsverloop âheeft voort-âgezet en nog voortzetquot;. Ja wij vermeenen zelfs, als zeker te mogen aannemen dat het H. Cecilia-Gollegie de voortzetting is van het H. Sacraments-Gilde, dat voor eeuwen in de H. Stede opgericht werd ter eere van het H. Sacrament van Mirakel.
Gaarne geven wij evenwel onze meening voor een betere.
Dat het Gilde van het H. Sacrament in de H. Stede bestaan heeft, is eene onbetwistbare waarheid, en dat het uit broeders en zusters bestond, gelijk zulks nog heden het geval is met de Broederschappen van het Allerh. Sacrament des Altaars, is meer dan waarschijnlijk. De bewijzen zijn te over uit fundatiën en testamenten uit dien tijd, dat niet alleen vrouwen, maar ook mannen hunne groote vereering voor het Allerheiligste openlijk betoonden, om zelfs te mogen veronderstellen dat alléén de vrouwen uit de lóe en 16e eeuw zich gevormd hadden tot een Gilde om God in Zijn H. Sacrament te vereeren en te aanbidden.
Ongelukkiger wijze ontbreken ons over genoemd Gilde bijna alle bescheiden uit het grijs verleden. Noch
9
de stichtingsakte, noch de namen der gildebroeders en zusters, in geregelde orde, zijn ons bewaard gebleven. Dit is evenwel zoo te verstaan dat uit het weinige, dat tot den huidigen dag uit de archieven opgedolven is, geen geregeld verslag van bet eens zoo bloeiend gilde kan gemaakt worden.
Een Schepenbrief maakt evenwel hierop eene uitzondering. Hij is gedateerd 1498 en is in extenso te lezen in het tot nog toe niet overtroffen werkje van Mgr. Pluijw: Het H. Sacrament van Mirakel in de H. Stede te Amsterdam.
In dien Schepenbrief lezen wij dat in 1498 vier vrouwen uit de aanzienlijkste geslachten van Amsterdam voor Schepenen verklaren dat zij in bare hoedanigheid van âoverste overwiven van tsacraments-qïldequot; âbij goeddunken van meer anderequot; fundeeren vijf H. H. Missen per week âtot lof ende eer van âgode van hemelryk dat waerde beylighe Sacra-âment in troest ende hulp van allen gelovigen ker-âsten zielen.quot;
De aangehaalde Schepenbrief bewijst dus dat er een gilde van bet H. Sacrament bestaan beeft, terwijl wij bij Ter Gouw in zijn Vrouweu-oproertje, en bij Jan Wagenaar in zijn Beschrijving van Amsterdam lezen dat in 1531 en in 1573 bet gilde nog in bloei was. Op den 26 Mei 1578 brak evenwel ook te Amsterdam de storm los, welke reeds in andere plaatsen van ons land altaar en haardstede verwoest had, waardoor ook o. a. het Gilde een gevoelige knak kreeg.
De flauwheid der katholieken in de 16e eeuw, bet slechte voorbeeld van enkele priesters, die hun heilig priesterambt verwaarloosden of verloochenden; de
10
strijd tegen het gezag vóór dat Joost Bunck de teugels der regeering in handen had gekregen; de politieke houding van sommige katholieken die strijd voerden niet tegen den katholieken godsdienst zelveu, maartegen de wettige regeering, ziedaar de redenen, welke het hare hebben toebijgedragen tot de âalteratie,quot; tot het schandelijk verraad van lo7S.
Op dien dag werden de trouwgebleven geestelijken met de hoofden der burgerij de stad uitgezet. Een nieuwe Magistratuur, bestaande uit de heftigste poli-tieken en uit de voornaamste kopstukken der hervorming gingen op het âeussen van Joost Buyck en âde anderequot; zitten. Zij herstelden wel is waar spoedig de. orde, welke door omgekocht âvreemd volk en âlustige kwantenquot; was verstoord, doch den katholieken werd verboden hun godsdienst waar te nemen.
Nu zal men vragen was Amsterdam dan in één dag geus geworden?
Volstrekt niet.
Amsterdam dat âals een lelie onder de doornenquot; had gestaan, was en bleef katholiek; slechts een zeer klein gedeelte was de hervorming toegedaan. Maar juist dat kleine gedeelte had den teugel in handen gekregen, en het wist door plakaat als anderszins de katholieke meerderheid in haar heiligste rechten te krenken en te onderdrukken.
Diezelfde wanverhouding zien wij nog dagelijks om ons heen. Wie onzer herinnert zich bijvoorbeeld niet den tijd, toen de overgroote meerderheid van Nederlands bevolking, do katholieken en geloovige protestanten, jarenlang door een kleine meerderheid in haar dierbaarste belangen gekrenkt werd door de ongelukswetten van 1857 en 1878?
11
De regeering van het meer dan 3/,l katholieke Amsterdam ') was dan geus, en kerk en klooster werden vervreemd en verwoest; doch het geloof der vaderen kon men den katholieken niet ontnemen. Getroost door de belofte van den Zaligmaker : Ik h'-n met U al de dagen tot aan de voleinding der wereld (Matth. XXVII: 20), kwam men in âhuiskerkjesquot;, welke men in sommige woningen had opgericht, bij elkander en men vierde daar de II. Geheimen, in de hoop nog eenmaal het gestolene terug te krijgen. Ja die hoop was ouder de katholieken in het begin van 1G00 nog zóó sterk, dat bijvoorbeeld AUert Pieters Boelens den 25 november 1006, dus 28 jaarna de âalteratie,quot; âint particulier duysent carolus gulden testeert omme âop te rechten ende taugmenteren offe te doteren de âvicarie by myne Sal. voirouders gefundeert opt autaer âvan S. Pieter dat plach te staen in de ouwe kerck; âende so nyet dan tot ailmisse 2).quot; Men werd evenwel in die verwachting teleurgesteld; doch na eenige jaren van onderdrukking kwam verademing, en het katholieke Amsterdam begon te herleven. De eerste gedachte zal wel geweest zijn de devotie tot het H. Sacrament van Mirakel, waardoor Amsterdam van God zoo veel gunsten had ontvangen, te herstellen en voort te zetten. Tot dat einde vereenigden zich enkelen uit den aanzienlijken stand en men herstelde een eeuwenoud Gilde ter eere âGodts ende der sielen salieh-âheyt ter eeren van het aiderhoochweerdichste ende
') Hilderdijk in zijn Geschiedenis des Vaderlands D, XIII l)lz. 22 zegt dat zelfs in liet begin van KMX) de Roonischen 2/j uitmaakten van de aanzienlijke geslachten. â '/5 v^n de burgerij en 7/s van het platte land.
i) Archief Heereman v. Zuydwyk, mij welwillend ter inzage verstrekt.
12
âalderheylichste Sacrament des outaers.quot; Het juiste jaartal der stichting, of beter gezegd dat der voortzetting is onbekend, doch door onderstaande akte, welke men ongelukkigerwijze vergat te onderteekenen en te dateeren, kan men het veilig stellen: begin 17e eeuw. De akte ') luidt:
Alsoo voor eenige jaeren herwaerts 2), by ons on-dergeschreven, ter eeren Godts ende der Sielen Sa-lichheit, begonnen ende onderhouden is, seeckere wee-ckelycke byeencompste omme met malcanderen te singen den goddelycken dienst, op Donderdach in de week, ter eeren van liet alderhoochweerdichste endr. alderheylichste Sacrament des outaers, Ende datt wy deselve byeencompste onder sekere ordonnantie, be-staende in verscheyde articulen, hebben gecontinueert, ende noch genegen syn te continueren, doch alsoo wy bevinden, dat deselve articulen in eenige pointen ende om voorgevallen occasion, watt dienen geamplieert ende op nieus mette oude geconfirmeert. Soo ist dat wy te samen geraeden hebben gevonden, deselve by den anderen te vervoegen inder manieren hier naevolgende: Men sail alle jaeren op off omtrent den feestdagh van H. Cecilia by meerderheyt van stemmen kiesen: Den President Den Vice President Den Fiscus Den Secretarius ende Den Magister ceremoniarus.
By welcke vyff persoonen alles sal worden gedaen tgene tott welstant ende dienst van de byeen compste sal strecken.
') Archief H. Cecilia-Collegie.
i) Wij cursiveeren in deze akte.
13
Den president, off'in syn absentie den vice-president, sal in alle voorvallende saecken off questien om iets te besluyten de stemmen colligeren eiule by stuytiuge sal met twee stemmen concluderen.
Sal mede (oft' in absentie als voren) ten overstaen van de andere synne vier confraters, in bediening wesende, vermogen te ordonneeren een Extraordinaris byeen compste en de datt ter plaetse daer de ordinaris byeen compste is.
Den Fiscus sal op de byeen compste 't allen tyde mogen proponeren tgene by ten dienste van de byeen-compste ende ten profyte van dien sal vinden geraden te syn, alsmede te beneerstigen dat alle boeten naer behooren worden betaelt.
Den Secretaris sal gehouden wesen alle de moocli-lijcke absenten aen te teyckenen, off in syn absentie die de voorste in bediening is, ende de boeten daertoe staende ten tijde van de verkiesinge invorderen ende ontfangen, daermede alles wat nodig is te betaelen ende daervan ten tyde voorschreven behoorlijcke re-keninge, bewys en reliqua doende ende gevende.
Den Magister Ceremonarium (sic) sal gehouden wesen alle buyten persoonen by de musicq comende te verwellecoinen ende haer sang te versoucken mett goetduncken van de confraters
Item sal by ten tyde van de jaerlycxse recreatie ende maeltytt de confraters verwelcomen ende voorts op alles letten watt tot reputatie van de byeen compste nodig is.
Volgen de articulen van ürdonnancie van de byeen compste.
1. In den eersten sal de byeen compste wesen het geheels jaer door, eens ter weecks ende datt op
14
donderdach ten huyse van Roeloff Codde off daer men naennaels soude mogen ordonneeren.
2. Men sal gehouden wesen ter voorschrovene plaetse ende dage te verschijnen voor de laetste slach van de clock van thien uyren, voormiddagh, te volgen de naeste bystaende clocke van den huyse alwaer de byeen compste Is.
3. Wie naer de voorschrevene wijze van thienen compt, soo hy in bedieninge is, sal verbeuren vier stuyvers, soo niet twee stuyvers, ende niet comparerende achtt stuyvers off vier stuyvers respectievelyck.
4. Wel verstaende, iemand comende naer 't lesen off singen van het Evangelie sal in de geleicke boeten van absenten vervallen syn, gelyck oock degene die vrouch genouch gecomen, sal scheyden voordat St. Jans Evangelie sal gelesen syn.
5. Boven 't getal dergenen die aireede in de voorschreven byeencompste compareeren ende haer de wetten derzelve onderworpen hebben, sal niemant worde aengenomen tensy met meerder-heyt van stemmen.
6. En die, die als vooren hiernamaels in de byeencompste sal worden geadmitteertt, sal voor syn incompste betaelen aen den Secretaris de somme van thien guldens ende daer en boven voor de boucken vyff gulden ende sal alsdan in alle de boucken van de byeencompste deelachtig wesen.
7. Boven de voorschreven ordinaris byeencompste sal men gehouden wesen noch te compareren op de H. H. Sacramentsdagen endo den feestdach van de H. Cecilia alles op dobbele boeten 't sy oock op watt dach deselve soudeu mogen comen.
15
8. Iemand sieck wordende en absenteerende op den dach van de byeencompste sal verbeuren telckens twee stuyvers ende in bedieninge synde vier stuyvers.
9. Iemand ujter stadt synde sal verbeuren als int voorgaende acbster articul.
10. Iemand comende een kindt te verliesen sal de byeencompste vereeren met de somma van tbien guldes, sal oock de vader gebonden wesen alle de confraters te laten aenspreecken ende ten tyde van de begraffenis baer naemen oplesen op de verbeurte van yder persoon, die nietaengesproocken off gelesen sal worden, de somme van twinticb stuyvers.
11. De confraters in deser manieren aangesproocken synde, sullen gehouden wesen te compareren ende int wederkeeren van de begrueffenis ten buyse van de overleden te comen, op de verbeurte van twinticb stuyvers ende de absenten uyter stadt en siecken tbien stuyvers.
12. Welverstaende dat de twee voorgaende articulen mede sullen onderhouden worden soo wanneer iemant van de confraters selffs off ook syn buys-vrou desen werelt compt te overlyden, des datt alsdan wegen den overleden niets en sal worden gegeven.
13. Ende soo wanneer iemant van de confraters off syn huysvrou deser werelt sal comen te overlijden sal men gehouden wesen, ses weken achter den andere met malkanderen te singen een requiem ende dat ter plaetse dagh ende uyre hierboven geschreven, ende voorts het geheele jaer door naer den dienst lesen Misere(re) ende De profondis.
16
14. Soo bevonden wort by pluraliteyt van stemmen dat men eenige nieuwe boucken sonde mogen aencoopen, deselve sallen by de Secretaris ver-schooten en in rekeninge gebracht synde, by de gemeene confraters betaelt worden.
15. lemant by leven off sterven scheydonde van het collegie, sal syn aenpart in de boucken verliesen sonder eenich deel daeraen te reserveren, wel-verstaende dat die vrywilligh scheydt, boven syn verbeurte boeten sal betaelen aen den Secretaris de somme van vyff guldens, blyvende de voorschreven paerten te profyte van de confraters, het collegie onderhoudende.
16. Wordt collegialiter verstaen ende geampliert dat in plaets in het 2e artykel verhaelt van voor thien ure de confraters te moeten compareeren, sullen gehouden wesen voor negen uere ter voor-seyde plaetse te compareren op de boete verhaelt.
17. Wort noch geampliert op het 11e artyckel dat in cas van quade siekte ofte schrupuleusheyt niet gehouden sullen wesen voor off naer in buys te comen, maar gehouden wesen het lyck van buys wederom aen huys te convoyeren op voorseyde boete.
Ouck het lüe artyckel wordt geexcipieert dat de confraters niet gehouden sullen wesen de thien guldens te betaelen voor tversterven van kinderen.
Wordt naerder verstaen dat in cas van absentie tsy van huys ofte sieck de geldboete aal betaelt worden.
Tot zoover de niet onderteekende en niet gedateerde akte.
17
Een der onderteekenaars is zonder twijfel geweest Rocloff Coclclc', want ten zijnen âhuyse werden de by-âeencompstequot; gehouden. Met minder zekerheid is vast te stellen of Nicolacs Hay man Goeck, bij wien, toen Codde in geldel ij ken nood raakte, de byeen compste gehouden wérd, ook tot de oude ondertee-kenaars behoort. De veronderstelling is evenwel zeer aanneemlijk, want beide mannen, van ongeveer gelijken leeftijd, waren niet alleen aan elkander verwant, maar zij konden bogen op nauwe verwantschap mot enkele der âoverste overwivenquot; die in 1498 eene fundatie stichtten ter eere van âdut waerde heylighe âSacrament.quot;
quot;Wat nu den datum der stichting betreft, of zooals boven gezegd dien der voortzetting van het oude gilde, zoo herhalen wij, dat wij zonder gevaar te loopen van de geschiedenis geweld aan te doen, dien stellen kunnen in het begin 17e eeuw, en wel op grond dat de akte, welke lang voor 105(5 gepasseerd moet zijn, zegt, dat de goddelijke dienst voor eenige jaeren herwaarts, gehouden werd. Dit âherwaertsquot; kan nu beteekenen 10. 20, 50 jaar en meer. Hoe gaarne wij den juisten datum zouden willen vaststellen, zoo zijn wij evenwel daartoe tot ons leedwezen niet bij machte.
De medewerking van Rocloff Codde en van Claes Coeck â immers in hun huizen hield men de âby-âeencompstequot; â zijn echter voor ons verhaal van groot nut, want beide mannen vormen den trait-d'union tusschen het oude gild en zijne voortzetting, al geschiedde zulks ook onder een anderen naam. Door hunne verwantschap met, ja door de afstamming in rechte lijn van haar of hem die in de H. Stede vóór 1578 hetzij gildezuster of kerkmeester was, waren zij.
18
en na hen hunne opvolgers, als het ware par droit de naissance, indien men het erg gezochte woord hier gebruiken wil, de Wachters der H. Stade. Het verwondert ons derhalve geenszins dat zij, evenals hunne voorgangers, âmet goetduncken van meer anderequot; het oude gilde weder in eere herstelden, waardoor later in eigen kring en ook daarbuiten â zooals wij straks zullen zien â honderde en honderde katholieken niet alleen des donderdagochtends, maar ook in het bijzonder op den jaarlijkschen gedenkdag en op de Eeuwgetijen van het H. Sacrament van Mirakel, in de gelegenheid gesteld zijn hunne liefde en eerbied voor het Allerheiligste te betuigen.
Wie waren nu Roeloff Godde en Nicolaes Hay men Coeck ?
Eerstgenoemde werd geboren voor 1590 uit het huwelijk van Pie ter en Maria Roent, in het huis genaamd De Twee Kodden, gelegen op don Nieuwenzijds Voorburgwal. Zijn grootmoeder was A/ma, de dochter van Goossens liecalff Bardesius, die, ofschoon met roem den opstand der Wederdoopers onderdrukte, later wat âluijterdequot;. Zijn overgrootvader Pieter huwde in eersten echt Ael Ysbrands Heinendr en hertrouwde Neeltje Hem. Door aanhuwelijking was Roeloff verwant aan de Bickers, Boelens, Holle sloot e. a. Hij had echter tot oom den bekenden Dr. Martin Jansz. Coster, Burgemeester na de âalteratiequot; en tot neef den niet minder bekenden Burgemeester Mr. Willem Bardesius, die den Prins van Oranje aanried, alhoewel te vergeefs âdat men de Ef. Stede t'eenemael soude raseren, ânoch den eenen steen laten lighen op den anderenquot;. De Prins, die, daar waar het gold de politiek, in het huichelen zijn meester niet gevonden heeft, moet
19
daarop geantwoord hebben, terwijl hij het hoofd schudde âzyt ghy sonder sonde, âwerp den eersten steenquot;.
Of nu de godvruchtige Wcnddnioct Claes Heynen en Ndle Bod Jacob Bickers icyff, de bekende overwijven, die tot zijne verwanten behoorden â óf wel Mi. Willem Bardesius, zijn neef, de would-be âraseerderquot; der H. Stede, de oorzaak waren dat Bodoff zich tot de H. Stede in het bijzonder voelde aangetrokken kunnen wij niet beslissen.
Claes Hay mans z Coeck ') geb. 1599 stond nog in nauwer verwantschap dan Rodoff' Codde tot de overwijven en kerkmeesters der H. Stede. De vrouw van zijn overgrootvader was de hiervoor genoemde Wen-ddmoet, zijn grootvader was de kerkmeester der H. Stede en zijn grootmoeder Geer te was het overwijf van liet Gilde, en behoorde tot een der dames van liet âVrouwen oproertjequot; dat de ergernis en lachlust van ter Gouw in zijn Geschiedenis van Amsterdam erg heeft opgewekt en hem deed schrijren âhet was een âvermakelijke historie, veroorzaakt door domme dweepzucht van aanzienlijke dames, die waanden te strij-âden voor de eer van het Sacrament en daardoor âhonderd andere vrouwen van allen stand, tot zelfs âGriet de Schuurster in de war brachten.quot;
Dit âoproertjequot; was namelijk ontstaan door dat de stad op een erf der H. Stede een huis wilde bouwen waartoe de fundamenten reeds gelegd waren. Toen men echter wilde gaan metselen trokken des nachts 300 man niet schoppen gewapend onder aanvoering der overwijven naar het erf en wierpen het geheelc
') Zie over dit geslacht Gescii. v. h. A'. C. Mdatnlenhuin door wijlen T. C. M. II. v. Ryckevorsel, lid van het li. Cecilia Collegie.
20
fundament weder toe. Dit vergeef baar docli misplaatst optreden kostten de dames heel wat tranen en boeten. ')
Keeren wij terug tot Rocloff Goddc, die volgens het Verpondingsboek reeds vóór 1643 het huis bewoonde waarin het Collegie zijn byeencompste hield. Het huis was gelegen Kalverstraat hoek Wijde Kapelsteeg, en was als volgt ingericht âeen voorhuys met sydel-âcamer er naest, de sael met bybehoorend portael, âeen ondersael, het kantoor, en daarboven twee ca-âmersquot;. In âde saelquot;, waarin naar alle waarschijnlijkheid de H. Dienst verricht werd, hing âeen schilde-ârye daer Christus Maria int Hoffie verschynt en een âgroote schilderye van den Paus Gregorius met een âgroen gordyn daarvoorquot;. 2)
Wijlen de collegiant, de Heer v. Ryckevorsel zegt in Geschiedenis van het R. C. Maagdenhuis blz. 82, dat het Collegie zijn vergaderplaats zocht zoo dicht mogelijk in de nabijheid der H. Stede en dat de vensters van het huis van Codde uitzicht gaven âop die heilige âplaats, waar de katholieken zoo innig betreurden âdat zij hunnen Verlosser niet meer in hetH. Sacra-âment konden vereeren.quot;
Of dit nu de redenen waren waarom men bij Codde kerkte, laten wij in het midden. Zeker is het dat men van uit den zijgevel het volle uitzicht heeft op het oudste gedeelte der H. Stede dat met tufsteen gebouwd ia en dat door Jan Wagenaar genoemd wordt den âHeiligen Hoekquot; âalzo â schrijft hij â de haardstede, aan âde oostzijde der Kalverstraat gelegen, en in den omtrek âder kapelle begreepen geweest is. De noordwesterhoek
,) Zie mijn »Een oud-amst. familie Paneelquot;. .laarh. Alb. Thijm 1893 blz. 164.
gt;) Oud Holl. 1884 blz. 43.
21
â(tegenover het huis van Codde) wordt, zelfs nog âtegenwoordig, de heilige hoek genoemd.quot;
Door ongeluk in zaken moest Codde zijn huis ontruimen. De schilderijen verhuisden in 1657 naar het Heerenlogement, en het Cecilia-Collegie was naar zijn overbuurman Nicolaes Hay man Coeck gegaan.
Alvorens ook met onzen geest naar het huis van Coeck te verhuizen, wenschen wij even stil te staan bij den naam, welken het Collegie draagt.
Vanaf de vroegste tijden werd dagelijks in de H. Stede onder de H. Mis gezongen ter eere van het Allerheiligst Sacrament. Ook werden de kerkelijke getijden van het Eerwaardig Sacrament niet alleen op den dag der processie, maar ook op het octaaf van dien dag gezongen met bijzondere vergunning van den Bisschop van Utrecht in dato 1504. Deze vergunning werd in 1555 nog uitgebreid en mochten de getijden ook in de dagen tusschen den feestdag en het octaaf niet alleen gebeden maar ook gezongen worden, âniettegenstaande het ordinarium van Utrechtquot; ') Wij zien uit deze twee bisschoppelijke vergunningen en uit het hierboven gemelde gebruik om dagelijks te zingen, dat de zang een zeer voorname plaats innam in de H. Stede. Geen wonder dan ook dat Codde, Corck en hunne vrienden bijeenkwamen âomme met âmalcanderen te singen den goddelycken dienst ter âeeren van het alderhoochweerdichste Sacrament,quot; en dat zij daarom de H. Cecilia tot patrones verkozen.
Ofschoon de Magister Ceremoniarus gehouden was âalle buyten persoonen haer sang te versouckenquot; was het Cecilia Collegie volstrekt geen zangcollegie, zoo als sommigen meenen. Integendeel uit oude aantee-
') Pluym blz. 71.
22
keningen, bevestigd door een breve van Paus Inno-centius den Xllen was de juiste titel van het Collegie Broederschap van het Allerheiligste Sacrament en werd de H. Mis gecelebreerd âin den sekeren bid-âplaets ofte oratio welcke tot Amsterdam canonike-âlycke is opgerecht.quot;
Dat de broeders en âbuyteu persoonenquot; met hun zang de H. Handelingen opluisterden was dus zeer natuurlijk.
Wekelijks dan ook werd een gezongene H. Mis ten huize van Codde en later in dat van Goeck opgedragen, zooals uit de eerste en latere akten blijkt.
De Hervormers hadden den katholieken hunne kerken met bijbehoorende fondsen en inventarissen ontnomen en op strenge straffen werd de uitoefening van het voorvaderlijk geloof verboden. Onder zulke droeve omstandigheden bleef den katholiek niets anders over dan, voorgegaan door hun priester, zoo bedekt mogelijk, de H. Geheimen te vieren. In dezen benarden toestand kwam een kleine verbetering toen den 9 april 1609 het Twaalfjarig Bestand geteekend, en oogluikend toegestaan werd dat men den godsdienst binnenshuis konde uitoefenen. De âEerwaerde âKerckeraetquot; ofte wel de Bedienaars van het Goddelijk woord namen met deze kleine verleende vrijheid â ofschoon zij zeiven, o wonder, de vrijheid des gewetens predikten, â geen genoegen. In 1656 dienden zij bij Burgemeesteren en Schepenen â evenwel te vergeefs â een lange lijst in van meer dan 60 paep-sche vergaderplaetsen, ten einde deze âafgodische âvergaderinge soo hier en daer in de stadt met alle âernst mogen worden gheweert.quot; 1)
1
) ISteclelijk Archief. H. S. 't Kerckelyk AiiiflerJam.
23
Onder die aan den E. Kerckeraet zoo hinderlijke bedeplaatsen komen voor;
In de Calverstraet op de hoeck van de Wyde Capelsteegli. en Noch over de capel tot Koeck.
In deze aangeduide plaatsen vinden wij terug het huis van Codde en dat van Coeck.
Daar nu Roeloff Codde in 1656 in déconfiture is geraakt, zoo heeft men zijn huis waarschijnlijk toch maar als âverdachtquot; op de lijst gebracht. Men had daar immers al zoo lang gekerkt? Dat Coeck's huis als een paepsche vergaederplaets genoemd wordt, bevestigt onze meening dat in 1656 de byeencompsteu daar reeds gehouden werden.
Uit oude notitien en uit het Memorieboek van Het Boompje, mij voor eenige jaren welwillend ter inzage gegeven, zien wij dat vooral op de feestdagen van het H. Sacrament van Mirakel niet alleen de H. Mis gezongen werd, maar dat men ook een predikatie hield in Ecclesiae Domo Nicolai Coeck. Pater Mathias Lodewyckx, in Missione Amstelodamensi Anno 1662, Pater Buyselius, Pater Morgatius, alle Vajers van Het Boompje, kwamen in eigen persoon op den herdenkingsdag van het Mirakel den H. Dienst verrichten. Eu aangezien nu in genoemd Memoriaal het huis van Coeck als Ecclesiae Domus wordt aangeduid, zoo ligt het voor de hand dat in dat huiskerkje, niet alleen in eigen kring, maar ook buiten den kring, het jaar- en eeuwgetij van het Amsterdamsch Mirakel, gelijk zulks nog op den huidigen dag in 't Boompje geschiedt, luisterrijk gevierd is geworden en dat vele âbuyten persoonenquot; op die dagen daar ter kerke gingen.
Indien wij uit oude rekeningen zien â toen het
24
Collegie overgebracht was âin de kerk van d'eerwaor-âdighe Paters Minnebroeders genaempt liet Boompiequot; â met hoeveel luister het jaargetij gevierd is, en hoeveel betaald is geworden âaen de musiquanten âvoor inusicqquot; en âaen koeken voor de sangersquot; dan zullen de Eeuw-getijen zeker met niet minder luister bij Codde en Gonck gehouden zijn geworden, te meer daar hunne woningen zoo in de onmiddelijke nabijheid lagen van de H. Stede. Natuurlijk zal men in de andere buiskerkjes ook bet Eeuwgetij wel gedachtig zijn geweest, ofschoon de geschiedenis ons daarvan niets anders beeft nagelaten dan een gedachtenisplaat van beide Jubileën. Ja zelfs in het Beggijnhof, waar de 500'' gedenkdag van bet Mirakel zoo luisterrijk gevierd werd, is van een Eeuwgetij van 1645 en 1745 niets bekend, voor zooverre Pastoor van den Akker ons in zijn belangrijk werk over Het Æ verhaalt.
De Eerw. Schrijver zegt dan ook van 1645 âWij mo-âgen opmaken uit den jubelzang door Vondel opliet âEeuwfeest gedicht, dat bet derde eeuwgetij op het âBegijnhof met bijzondere plechtigheid gevierd zal zijn.quot; En van 1745?
Het is opmerkelijk dat wij in dit jaar geene aan-teekening vinden over het 4e Eeuwfeest.
Om nu uit het overschoen gedicht van Vondel die, zoo als uit de ons bekende polemiek gebleken is, niet door Marius maar door Pater Laurens tot de katholieke kerk teruggebracht is geworden, te moeten besluiten dat het Eeuwgetij op het Beggijnhof âgevierd âis geworden,quot; gelooven wij gerustelijk niet te âmogen âaannemen.quot; Van het feest in 1745 bestaat volgens Pastoor v. d. Akker âgeene aanteekeningquot; niettegenstaande de Beggijntjes van bijna alles aanteekening
25
hielden. In liet bij ons berustend H. S. van bet Beg-gijntje Aeltge Jans van da Poel, die in een lijvigen bundel de Devwrschn Sarmornen van den geleerden Marius overgeschreven beeft, wordt ook van de Jaargetijden geen onkel woord gerept.
Evenmin kunnen wij, met de gescbiedenis in de band, de Beggijnbofskerk berdoopen in H. Stede, want zulks zoude een magistrale zonde zijn tegen de bisto-rie. Zeer zeker is zij, na de schitterende en plechtige wijze waarop zij in 1845 hot 5e Eeuwgetij vierde, de geliefkoosde plek, ja de plaats bij uitnemendheid geworden waar duizende en duizende katholieken bij elkander komen om het jaarfeest te herdenken en waar men ook sints eenige jaren des donderdags, zijn liefde en eerbied tot bet Allerheiligste kan uitstorten'). Hoe gelukkig, ja zielsverheffend dit ook voor de Katholieken van Amsterdam is, de H. Stede is zij echter niet en kan zij nimmer worden, daar bet wonder geschiedde op de plaats waar thans nog de H. Stede staat.
Voor eiken waren Amsterdammer, die de historie van zijn stad liefheeft en eerbiedigt, is en blijft de tegenwoordige Nieuwezijds-Kapel de H. Stede. Mgr. Pluym schrijft dan ook terecht in zijn genoemd werkje âde H. Stede is der verwoesting niet prijs gegeven -). âStatig, als in de dagen van hare glorie, verheft zich âbaar torenspits nog altijd boven de daken; en al is
') Ten einde zoo duidelijk mogelijk te zijn, zoo zij hieropge-teekend dat, evenals in Het Boompje, en waarschijnlijk ook in andere kerken, de jaargetijen ook in het Begijnhof zijn gevierd, zoo als blijkt uit gedrukte «Predikatiën op het Amsterdammer ..wonderquot; van de jaren 1730,1754,1774. 1784, en 1822, welke preeken gehouden zijn op het »Bagijnhof.quot; Van Paus Clemens den X ontving ook »de Bidtplaetsquot; van het Beggijnhof ter gelegenheid van den bouw zijner kerk de vergunning een Broederschap van het Allerh. Sacrament op te richten.
') Wij cursiveeren.
26
âhaar naam met een anderen verwisseld; en al prijkt het âopschrift in gouden letteren niet meer op den voorge-âvel; en al weergalmen niet langer hare gewelven de âzoete lofzangen van den engelachtigen Leeraar, en al âkomt er de pelgrim niet meer neerknielen, om aan de âvoeten van Jezus troost, hulp of genezing te vragen; âhare sprakelooze muren verkondigen toch immer den âoorsprong van haren vroegeren luister, en lang nog,zno âlang da eene steen op dm anderen zal blijven, ') zullen zij âden verren na komeling toeroepen : De Allerhoogste âGod heeft binnen ons teekenen en wonderen verrigtquot;.
Met het oud-mirakelboekske zeggen wij ook ende die plaets, daert (het wonder) is gheschiet noemt men ter heylighm Stede.
Na deze korte doch noodzakelijke afwijking van ons verhaal, bevinden wij ons weder bij Nicola,an Coeck, in wiens huiskerkje de jaarfeesten van het H. Sacrament van Mirakel zoo plechtig door de Paters Franciscanen werden herdacht. Jammer dat de man zelf, die in alle opzichten een hoogst verdienstelijk katholiek was, slechts enkele jaren in zijn eigen huis aan die feestviering kon deelnemen. Op den 4 Augustus 1669 ontsliej) hij in den Heer. Pater Lodewyckx hield den 5 September ter gelegenheid van den maandstond, âin domo mor-âtuariaquot;, 2) de lijkrede. Diep betreurd door zijn vrouw en kinderen, werd het lijk van den man, die tijdens zijn leven de achting van zoo velen genoot, zeker met oprecht leedwezen door al zijn confraters grafwaarts gedragen. Zijn zoon Michiel volgde hem op, terwijl zijne weduwe Maria Broers Meebaal haar buis verder ter beschikking der geloovigen bleef stellen.
') Wij cursieveeren.
Memoriaal van 't Boompje.
27
Daar door verandering van tijden eene herziening van het reglement noodig werd geacht, zoo stelden de col-legianten of beter gezegd de gildebroeders op 25 februari 1672, âsynde S. Matthysdachquot;, het volgend besluit op:
Ir. de Naeiiic des Heere Amen.
Overmits de, articulen die in de voorgaende blaeden van dit boeck geschreven zijn, met onderteekeninge van de oollegianten door v(er)siiyminge niet liecrachticht syn geweest, soo ist dat tot meerder welstant van het eollegie, de tegenwoordige collo-gianten van 't solve collegie, eenpaerlijk voor goet geoordeelt hebben om in toecoinende alle cavillatien voor te coomen liaer selvon aen de hierna volgende ordinantiën ende artioulen te onder-werpen ende de selve met haer eygeu handteeckeningete bevestigen.
Dus hebben wy dan geraede gevonden, deselve by den anderen te vervoegen, indermaniere hierna volgende ') :
De byeeneompste sal wesen donderdagh ten huyse van de Weduwe van onsen gewesenen eonfrater Nicolaes Hay man Coeck oil' daermen namaels soude tinogen coomen te ordeneren.
Art. 2 wordt veranderd »in de laetsts slach van de clock van »neegen uyrenquot;.
Art. 5. Boven tgetal van 47 die aireede in de voors byeeneompste compareren, ende haer de wetten derselve onderworpen hebben, sal niemant werden aengenomen als noch 8, maeckende 20 in getal.
Art. 8, i), 10, M, 12 vervallen. ,
Art. 13 wordt vermeerderd met: üock sullen de confraters gehouden syn o|) de begraellenis, soo der geen besmettelycke siekte regneert, tydelyck inthuys van den overleden te compareren op de verbeurte van twintioh stuwer, sonder dat eenich beletsel plaets sal hebben ; des sullen de confraters moeten aen-gesproocken ende na de bloetvrienden opgelesen worden, ende van de begraellenis weder int sterfhuys comen op boete als boven.
Slotartikel. Op den feestdach van de H. Cecilia ofte corts daerna sal men proponeren oil' men een vrolycke maeltyt sal hebben oll' niet ende by sooverre de meeste stemmen resolveren tot een maeltyt soo sullen de andere confraters hun daerna moeten voegen, ende ingevallen sy op do maeltyt niet en comen
') Kortheidshalve deelen wij alleen de nieuwe en gewijzigde artikelen mede.
28
oIf souckeu te compareren, soo sullen evenwel alle non comparanten moeten contribueren ende betaelen de helft, van tgene by de comparanten op de voors. maeltyt sal coomen verteert te worden.
Dit aldus gearresteert by ons present confraters op de 25 februari, synde S. Matthysdach en met onse onderteeckeninge bevestigt.
Alsoo op 25 februari door eenich verlet de voorgaende articu-len met onderteeckeninge niet bevestigt syn, soo sulx nu op heden den 3 maert -1072 geschiet, present!bus:
|
Corn». Noorman. Cornelis van der Mey. Paulo Cloots. Gisbcrtus van Diemen. Jean van Tongeren. Reinier de Swaen. Pieter van Schoorel. Herman van Diemen. Guill Le Febure. |
Jan Franc. Massis. Claude Louis de Surmont. Claude Antoine Richard. Michel Coeck. Arnout van dei- Meye. Jorjan Boucart. Nicolas And». Tensini. Gisbei to van Susteren. Bertrand de la Naije. |
Het zoude ons te ver voeren indien wij hier in eene biographie traden van de bovenstaande en van de hierna volgende gildebroeders. Wij vermeenen echter niet onopgemerkt te moeten laten dat, even als in het oude H. Sacraments-Gilde, de bovenstaande en enkele liierna genoemde broeders behoorden tot de aanzienlijksten van Amsterdam en dat zij tot elkander in zeer nauwe bloedverwantschap bestonden.
Oningewijden mogen bet Collegia van nepotismus verdenken, doch zij die de geschiedenis kennen, weten dat het Cecilia Collegia in de 17e en 18e eeuw bij benoemingen de traditie van het oude Gilde gevolgd heeft, zoo als ons de beide lijstjes der overwij-ven van 1498 en 1531 duidelijk doen zien.
Van de hier bovenstaande onderteekenaars waren 2 Regent van het Maagdenhuis, 2 van het Oud-Armenkantoor en 2 van het Jongensweeshuis. De meeste
29
waren geboren Amsterdammers en al droegen enkele hunner een Zuid-Ncderlandschen en Italiaanschen naam, zoo waren hunne vrouwen, misschien op eene enkele uitzondering na, gesproten uit de oude Burgerij, aan wie Joost, van den Vondel, ter gelegenheid van het SOOjarig feest van Mirakel, zijn Knuixjetii opdroeg.
Den 25 November 1675 werd door de Gildebroe-ders âmet eenparige toestemminge vastgestelt tot meer-âder welstant vant musicale collegie twelck nu is be-âstaende in een en twintich confraters dat men in âgeenderley manier tzelve getal sal exederen, ende âsoo by aflyvicheyt of exue van een off meer con-â fraters het gebeurde datter nieuwe sollicitanten qua-âmen, in sulcken gevallen soo sal den Heer President âvan yder confrater een briefje afvorderen en sulx âgedaen synde, by aldien bevonden wort datter een âdarde part van de confraters op haer briefje zullen âgestelt liebben een 0 ofte nul, alsdan soo en sal den âsollicitant int collegie niet mogen geadmitteert worden. âTot naercominge deses soo hebben alle de confraters âdese resolutie met haere onderteekeninge bevestigtquot;.
Bertrand de la Naye. Arnout van der Meye.
Pieter van Schoorel. Claude Ant. Richard.
Herman van Diemen. Dirck de Waele.
Guill. Lefebure. Joan Gilles.
Corn. Noorman. Jorjan Boucart.
Joan de Wale. Gysbertus van Diemen,
Jan Pr. Swanen. Gysbertus van Susteren.
Gerbrand Ornia. Jean van Tongeren.
Cornells van der Meye. Nic. And. Tensini.
Carlo Cloota. Claude L. de Surmont.
Michiel Coeck. Jan Franc. Massis,
Charles Barbou. Reynier de Swaen.
30
Tot Collegianten werden verder benoemd in :
1678 Melchior van Susteren.
Guilelmus van Tetz.
Pieter Loo.
Hendrik Barchman Wuytiers.
1682 Ni colaas Geelhand.
Hugo Vis van Groenewegen.
Ant0, van Schoorel.
Andr. Jo. de Wael.
Theodore de Roy.
Mart. van Papenbroek.
1685 Jan Occo.
Joh. Barchman de Walé.
Cornelius Gisbertus van Campen.
Jan Bapt. Barchman Wuytiers.
1686 Albertus Hovius.
1689 Wilhelmus van Campen.
1690 Franciscus Mollo.
1692 Nicolaes de la Naye.
In laatstgenoemd jaar verleende Z. H. de Paus Innocentius XII aan het Collegie, onder den titel van Broederschap van het Allerheiligste Sacrament verscheiden aflaten. Ofschoon de latijnsche breve zich niet in het archief bevindt, zoo bestaat er een â copyc âuyt het latyn vertaeltquot; van den volgenden inhoud
Innocentius den â 12en paus.
Tor eeuwige gedagtonisse van de zaek. Alzoo (gelijk wij ver-staen hebben) tot Amsterdam onder het Bisdom van Haerlem canonikdijk is opgerekt ofte opgeregt staet te woi'den in den sekere bidplaets ofte oratorio daer de misse geselebreerd werd, eene godvrugtige en devoote Broederschap ofte vergadering van Christi geloovigen van beyde do sexen, (nogtans niet voor men-schen van den bijzonder ambacht) onder den titel van hot alder-heyligste sacrament; welcke medebi'oeders en gesusters gewoon
31
zijn zeer veele werken van godvruchtigheyd en liefde te oefenen. Wy (opdat deeze vergadering of Broedcrsdia|i dagelijks meei'der aanwas en vermeerdeling mag krijgen) ons betrouwende cgt;|i de barmhartigheid van den almoogenden God en op de uuthoriteyt van de Heylige Petrus en Paulus, zyne apostelen, verleenen medogentlyck in Christo alle en een yder van beyde lt;le saxen der Christi geloovigen die deze Broederschap ofte vargaderinge voortaan zullen intreeden, den eersten dag van luier intreeding. zo /.w waariyck leatwaezig zijnde, en gabiagt hebbende, het Al-derheyligsta Sacrament des Autaers ontfangen een volkoomen aHaat en kwytschelding van alle hare zonden. En aan dezelve reets daer ingeschraavan ofte die daer nog ingeschraevan zullen worden, zoo gebroeders als gasustars volkome allaat an kwyt-scheldinge van alle luiere zonden, zo zy leetweesig zijnde en gebiegt hebbende en voorsian zynde met da Heylige Communie, ofte zulks niet connande doen, ten minste met leetwaazen den naam Jezus met den mond, zo zy konnan of zo zjr niet en kon-nen dan metter Harten davotelyck zullen hebben aangeroepen : maar dezelve gebroeders an gasustars nu en hier naer in daselve broederschap en vergadering zynde, ook waragtelyck leetweesig gebiegt en met de Heylige Communie voorsian zynde, dewelck de bidplaets ofte oratoria van het voorsayde broederschap of congregatie, door de meedebroeders alleenig eans te verkiasen met approbatie van da ordinaris, van da eerste vespers tot den ondergang dar zonne van dien Feestdag yder jaer godvrugtelyk bezogt en aldaer tot God haere godvruchtige gebeeden uytge-stort sullen hebban, voor de eendragt der christene princen, de uytroeping der ketteryen, en verhefling viln onse moeder de Heylige Kerke, verleenen Wy meede medogentlyk in Christo vollen aflaat au kwytscheldinge van haere zonden, daerenboven aan da voorzijde gebroeders en meedesusters, meede waerlijk laatweezig gaVjiegt en met de Heylige Communie voorsien zyn. deze Bidplaats op andere Vierdagen, tzy heylige weeck, of zondagen van het jaer door de voorsz gebroeders ook maei' eens te verkiezen mat approbatie van den ordinarius (als boven bezoekende en aldaar biddende: op welke van de voorschreeven dagen zij zulks sullen habbe gedaen, zeven jaar en zo veel jnael veertig dagen (gezegd quadrugenas) maar zo dikwyls zy in de misse en andere goddelyke diensten in het voorsz oratorie in die tyd gecelebreerd ende geleasen werdende, tegenwoordig zullen
32
hebben gewees, ofte ook in andere publike ofte particulieren congregatie van tietselve gebroedersclia|) ofte vergadering ter eeniger plaetse te doen. ofte wel den armen zullen hebben in haer liuijsen onttangen, ofte vreede onder vyanden gemaekt ofte hebben doen maken, of bezorgen, ofte ook die de lighamen des overledene, zoo confraters en gezusters, als van andere naer het graf zullen vergeselschapt. ofte eenigerhande processien dooide permissie van den ordinarius te doen, ofte het alderheyligste Sacrament des autaers, zo in de processie als in het brengen by de sieken ofte op wat plaetse het op eenige tyd ook mogte werden gebrogt, zullen hebben vergeselschapt: ofte wel zo zij belet zynde het teeken van de klokke daertoe gegeven zijnde, eens het gebed des Heeren ende Engelsche Groetenisse gezegd, of vyfmael hetzelve gebed en groetenisse voor de ziele van de afgestorvene broeders en gesusters geleesen zullen hebben, ofte ten laetste ijniant tot de weg der zaligheyt gebragt ofte den on-weetende de gebooden Gods. en het geene ter zaligheyd van noode is geleerd, ofte eeniger hande ander werk van godvrug-tigheyd en liefde geoefend zullen hebbe : zoo dikmaals voor elke oell'ening van de voorgeseyde wercken zestig dagen van de opgelegde ofte op eenige manieren schuldige penetentie in de ge-woonlyke forme van de kerk. Willend dat deese zoo voor de tegenwoordige als toecomende en altyddurende tyden zal va(lid)-eeT'en. Wij begeeren nogtans, dat byaldien aen de gezegde inee-debroeders en gesusters (tvoorgemelde doende) eenige andere aflaet voor altyd, ofte voor den tyd (nog niet vervallen) durende, gegeeven waer, dat deese teegenwoordige van geender waerden zullen zyn, en dat zoo wanneer het geseyde Broederschap ofte congregatie aen eenige andere aertsbroederschap mogte weesen ingelyft ofte nog ingelijft mogte werden, ofte op eenige manieren, ofte om eenige reden daermede vereenigt wierd, dat alsdan de voorige Apostolike brieven door dien geenzins zullen werden benadeeld maer deze tegenwoordige dan te niet zullen weesen. Gedaen tot Romen. Apud Stam Mariani Majorem onder de Vis-schers ring den 12⢠(jag van Jannuary 1692, van ons Pausdom het 2e jaar.
J. F, Card8. Albanus.
33
'Uit dit apostolisch schrijven, dat zeker op schriftelijk verzoek van het Colleijie gegeven werd, zien wij duidelijk bevestigd dat
lo. Het .S. Cecilia (lulleyie een Gilde of broederschap was âvan het alderheyligste Sacramentquot; en geen zangcollegie ;
2o. dat het Gilde bestaan kan uit âmeede-broeders âen gesusters.quot;
3u. dat, even gelijk het oude Gild bestond, volgens de ons bekende namen, uit de aanzienlijkste poorters van Amsterdam, het Cecilia Gulleijie samengesteld was uit âChristi geloovigen van beyde de sexen, nogtans âniet voor menschen van den bijzonder ambacht.quot;
En 4o. dat âin den sekere bidplaets ofte oratorioquot; van Goeck âde misse gecelebreerd werd.quot;
Evenwel kort na 1692 werden de H. Diensten niet meer ten huize van de Wed. Goeck gedaan en werd âde misse gecelebreerdquot; in Hel iioompje, zoo als blijkt uit een notitie: de mis sedert 1705 in deti boom tijdens Pater Overbeke.
De redenen waarom de il. Mis niet meer in hel huiskerkje maar in de genoemde bedeplaats gedaan werd, zijn begrijpelijk.
Door de meerdere toegevendheid der stadsregeering konden de katholieken allengskens vrijer ademen, en zij verlieten de bedeplaatsen, welke bij eeuige aanzienlijke katholieken in huis in het geheim waren opgericht, om in grootere kerkgebouwen hunne godsdienstplechtigheden uit te oefenen, alwaar zij te zamen kwamen ten einde hun Schepper met meer luister te kunnen aanbidden en vereeren.
Uit de door ons medegedeelde lijst 1), waarin de
3
1
Bijtlr. Bisd, v. Haarlem Dl. XV hlz. '215.
34
âKerkeraetquot; in den jare 1683 opnieuw klagen over de âpaepsche stouticheytquot;, zien wij, dat toen reeds de meeste huiskerkjes waren opgeruimd en dat de geestelijken, al was het dan oogluikend, in meer gepast verblijf hun herderlijk ambt konden waarnemen.
Doch helaas den katholieken wachtte weldra in eigen boezem een nieuwe strijd, en wel die tegen de Jansenisten. Deze ongelukkige afvalligen, gekleed als wolven in schapenvacht, brachten schrik en ellende in de breede schaar der katholieken. Gesteund door een stadsregeering, die haar katholieke medeburgers niet meer door schout en plakaat konde knevelen, doch die hoopte verdeeldheid in die onoverwinbare phalanx te brengen, trachtten deze diep rampzaligen, hetzij hunne gemeente tot ongehoorzaamheid aan den H. Stoel te brengen, hetzij door zich in hare statiën te nestelen. Groote angst bestond er natuurlijkerwijze onder de katholieken van besmet te worden door enkele priesters, die de bulle Unigenitus niet wilden onderschrijven. Men schuwde sommige bedeplaatsen en men kerkte bij voorkeur bij de Jezuïeten, de waardige bestrijders van het Jansenismus; bij de Minderbroeders, die van 1304 af onafgebroken in Amsterdam werkzaam zijn geweest') en bij enkele seculiere priesters, van wier trouw aan de kerk men ten volle overtuigd was.
Onder de staties, waar men niet voor besmetting bevreesd behoefde te zijn, behoorde ook Het Boompje, dat in lateren tijd door de zoogenaamde âHanneken-maaiers,quot; die als vreemdelingen niet wisten of zij in
') Zie het Centrum van 5-8 Oct. 1891 Het gouden en zilveren JubiU van Pater J. J. Surymeyer dour J. M. de B,
35
eene jansenisten- dan wel in eene katholieke kerk kwamen, âder wahre Gott in 't Beumkenquot; genoemd werd.
Naar dat bedehuis brachten, zooals hiervoor vermeld, de gildebroeders omstreeks 1708 hun collegie. Dit moet evenwel zóo verstaan worden dat aldaar de Gilde-Mis gelezen werd, terwijl in het huis Coeck de Gilde-vergaderingen nog plaats hadden tot het jaar 1760.
Nu zal men de vraag stellen, waarom bracht men de H. Diensten niet over naar het Beggijnhof, waar â zooals onlangs geschreven â na de Hervorming tot aan den huidigen dag liet feest van Mirakel gevierd werd. Het antwoord op deze vraag is gemakkelijk te geven.
Daar aan de Beggijntjes, tut schande van Amsterdam, ook haar kerk, welke haar volgens alle recht toebehoorde, ontnomen was geworden, moesten zij jaren en jaren lang in een huiskamertje den H. Dienst bijwonen, want eerst in het laatst der 18e eeuw werd de tegenwoordige algemeene hulpkerk gebouwd. Geheel in eigen kring â /ulleu de Beggijntjes, evenals de andere katholieken in hun hulpkerkjes, het feest van Mirakel herdacht hebben. De gildebroeders hadden dus hoegenaamd igt;-eeii reden om naar het stille verblijf dezer maagden te trekken, die volgens de traditie weleer in een kamer van liet âhouten huisquot; te zamen kwamen en later in 1(372 slee)its in een gedeelte van de tegenwoordige kerk hare godsdienstplichten konden uitoefenen. Doch zulke waren zeker niet de hoofdredenen. De âbegyne-paterquot; was destijds Simon Coe-tenhunj, die in 1700 den waardigen Pastoor v. d. Meije was opgevolgd en die helaas niet door den Nuntius maar door do hoofden der Jansenisten als pastoor
36
van het Beggijnhof was aangesteld. Ofschoon hij in 1701 ') als kanunnik van het gewaande kapittel van Haarlem en als pastoor van Amsterdam het beruchte smeekschrift ten gunste van den gesuspendeerden Codde onderteekende, zoo schijnt hij later in zijne jansenistische gevoelens niet volhard te hebben. 2) Dit is evenwel zeker, dat de Beggijnenvader bij zijn Beggijntjes geen spoor van Jansenismus heeft nagelaten en dat de Gildebroeders, het zekere voor het onzekere nemende, van de Kalverstraat naar de .Boomskerk verhuisden.
Nog dient hier opgemerkt te worden dat de Minderbroeders, die zooals hiervoor gezegd sinds 1304 onafgebroken in Amsterdam werkzaam waren, vóór de Reformatie een eereplaats in de processie van het Mirakel hadden, terwijl de Beggijnen niet genoemd worden.
Tot leden van het Collegie werden verder benoemd, in:
1695 Cornells van Schoorel.
1696 Abraham Swanen.
Carlo T0. Barbou.
Octavio Barbou.
G-uille. de la Naye.
Nic. Andr. Tessini.
S. Emenentie Cardinael Carlo Barbarino.
Jacob Dirven.
Matthias van Bree.
1697 Egidio van de Zande.
1698 Francois van Schoorel.
170-4 Leon Demoracin.
1705 Pieter Blesen.
quot;) Driedubbelde Naemlijst der Pastoren enz.
') H. J. Allard Het Maagdenhuis. Studiën XXUXXX blz. 502.
37
1707 Theodor Schouten.
Balth. Riugeberg.
Wij zijn nu genaderd tot liet jaar 1708, waarin de Jezuieten door âhaat en nijd van de Jansenistische âpriesterenquot; ') uit ons land gebannen zouden worden. Te Amsterdam, waar de Eerw. Paters ook hunne huizen hadden en op tal van bekeeringen met voldoening konden nederzien, verwekte het besluit van de Staten van Holland groote verslagenheid. De Gildebroeders waren echter op post en zij dienden met nog andere voorname katholieken, vier en veertig in getal, een verzoekschrift in ten einde de Staten te bewegen van hun besluit terug te komen. Van de 44 onderteekenaars behoorden er 14 tot het S. Cecilia Collegie, terwijl later nog eidcele in het Collegie opgenomen werdén.
Hierna werden lid, in:
1709 Pedro T®. de Kesschietre van Havre.
1713 A. P. Blesen.
1714 Arno. Cloeting.
1716 Joan Bened. van de Mortel.
1718 Pieter Geelhand.
Henry Geelhand.
1711) Nicolaas de la Naye.
1723 J. F. Voet.
Henrico Coeck.
Louis Michel.
Adriaen Roest.
Godefridus Cromhout.
Egidio Cloots.
1725 (iregorio Dirven.
1726 Joan Schadé.
1728 Charles Barbou.
') Hist, der Utr, Kerke blz. 76.
38
1745 Adriaen Joan Cloeting van Westenappel.
1750 Jacobus de Roode junior.
Pieter Coqueel.
Pieter van Borsele.
Lucas Pompejus Occo.
Jan Francois van Lilaar.
Frederic Burggraaf Roest.
1751 Denis Adrien Roest.
Van 1751 tot 17lt;gt;3 werden geen nieuwe âmeede-â broedersquot; aangenomen.
In 1780 stierf Anna de la Naye, in wier huis hot Collegie zoo veel jaren had vergaderd. Immers haar overgrootvader Nicolaes Coeck, haar grootvader Ber-trand de la Naye, haar vader Nicolaes en eindelijk zij zelve, hadden langer dan een eeuw, en wel na den finantioelen val van Roelof Codde, de gastvrijheid aan het Collegie verleend. Met haar dood kwam het huis in huur en de Collegianten besloten daarom hunne vergaderingen te verleggen naar 't Boompje, zooals onderstaand genotuleerd staat:
Alsoo dooi' liet. ovei'lijrlen van Saelr. Mojnlfrouw Anna Maria De la Naye. laetst. hewoonenfle haar WelEdeles familie liuys over de nauwe Kapelsteeg in de Kal verstraat, ahvaer liet Collegie van het heyligh Sacrament des autaers ') (voor soo verre men aengeteekend vind) sedert het jaer 1(gt;72 tot heden is geweest, het voorschreven hnvs ter huur is gekoomen, en soo wel door andere gesinden als door Roomsche zonde kunnen bewoond worden, syn wy ondergeschreve, ses eenighste teegenwoordige eollegianten van voorgemeld collegie met eenpaerige toestemminge overeengekomen liet selve op lieden in het voornoemde hnvs te cesseren, en te transporteeren in de kerk van de Eerwaarde Paters Minnebroeders genaemt de Boom en voortaen aldaer te continueeren provisioneel voor tien achtervolgende jaeren vast. beginnende op donderdag aenstaende, synde den 30 deser inaend l) Wij cursiveeren.
39
op doselve conditie ;ils voor ileso. alleen met de volgende ver-â¢anderinge te weeten.
1quot;. Dat de boetens soo van de officieren als andere collegian-ten voortaen egael sullen worden betaeld, te weten : drie st. die komt naer dat elf uren geslagen syn in de plaets aengesteld tot de byeenkomst voor liet begin van den dienst, soo lang het eerste evangelie der Misse niet geyndigt is, en ses st. die naer eyndigen van het eerste evangelie aenkomt of geheel absent blijft;
2°. dat het intredegeld van nieuwe collegianten sal worden bewaerd in een bus, tot verderen vervolg en onderhoud van het collegie naer de expiratie des voorschreve tien jaar;
ii0. dat de feestdage van den H. Franciscus, Portuincula en witten donderdagh sullen worden geconsidereert als andere hey-lige daegea op de welke geen missen voor het collegie gelesen word ;
4°. dat op heyligh sacramentsdagh den 4 Juny de hooftmisse sal genomen werden voor de misse van het collegie ten half elf uren, wanneer de boetens op die uur gerekent sullen worden als op andere daegen te elf uren ;
5°. dat de officiante ieeden getrocken, sullen blvven continueren in hunne qualetijd den tvd der voorschreve tien achtervolgend jaeren sonder vei-andering, en by aldien eene derselve komt te overlijden sal de eerstvolgende in syne plaets succedeeren en soo vervolgens de oudste collegianten, den eenen naer den anderen: (i0. dat aen den aenspreeker die het collegie bediend sjaerlyks sal worden betaeld voor syne moeyte en oppassing de somma van elf guldens, ende aen de dienstmeyd van de kerk de somma van twaelf guldens, sullende yder collegiant tot dese en andere onkosten, uytgesondert syne particuliere boetens, in egaele portie moeten contribueeren aen den secretaris van het collegie voor hetgeen aen do boetens te kort raogt komen, waervan desekre-taris sjaerlyks reekening sal doen en aen yder collegiant een notitie voor syne portie geven.
Tot volvoeringe van het voorschrevene hebben wy den d'Eer-waerde Pater Jacobus vander Hoeven, tegenwoordigen opperste van voorgemelde kerk de Boom betaeld do som van (000) eens, synde yder voor syne portie de somma van (100), waer voor gemelde Pater Jacobus v.d. Hoeven sigh heeft verbonden, soo voor syn selve, als voor syne opvolger alli' donderdagen, uytgesondert de Heylige daegen ende 3 voor genotteei'de feestdage,
40
een misse te doen celebreeren ten elf uren precies aen den iiltaer van de Heylige Maget en moedergods Maria, beginnende den 3üen deser maent en eyndigend nam' dquot;i'.\|)iratie der voor-scbrovene eerstvolgende tien Jaercn die Clodt in eensaemhcyd en zegen tot syner Eer en glorie verleenen.
Actum in Amsterdam den 23 October 1quot;()((.
Denis Adr. Roest.
Pieter van Borsele.
L. P. Ucco.
Adriaen .Foan Gloeting van Westenappol.
Jan Kr. van Lilaar van Stoutenburgh.
Pieter Cocqueel.
Het behoeft geen betoog dat de Gildebroeders zeef zeker noode scheidden van dit liun zoo dierbaar geworden pand, dat in de wandeling, door de godsdienstoefeningen welke men er sinds meer dan honderd jaar hield ter eere van het H. Sacrament van Mirakel, het Mirakelhuis genoemd werd.
Evenwel deze verandering, doch vooral die van omstreeks 1708, hadden hare goede zijde.
Het (Jollegie dat door de droevige gebeurtenissen van 1578 in het geheim de H. Mis moest laten doen, zal zeker in enkele benarde dagen zooveel mogelijk in eigen kring, behalve âde buyten persoonenquot;, de herdenking aan het wonder dat God te Amsterdam gewrocht had, gevierd 1 lebben. Het celebreeren derhalve van de H. Mis in hel Boompje was voor de Collegi-anten eene schoone gelegenheid om ook alle hunne geloofsgenoten in staat te stellen den goddelijken Dienst bij te wonen. In het tijdsverloop van bijna twee eeuwen hebben dan ook meer dan duizende en dui-zende katholieken niet alleen op eiken donderdag der week, maar ook in het bijzonder op den feestdag van het Mirakel, hun godvruchtigen eerbied tot het Aller-heiligate betoond. Van een viering of herdenking van
41
het Wonder in eiijen kring is zeker in de laatste twee eeuwen geen sprake meer. Zulks kan men zeggen van congregatiën en wniferentiën, welke alleen voor de leden toegankelijk zijn, doch het H. Cecilia Colleyir te stellen ouder de geestelijke oefeningen in eigen kring is een historische onjuistheid.
Met groote plechtigheid worden vooral de jaargetijden van liet Mirakel gevierd. Dan wordt met uitstelling van het Allerheiligste eene plechtige H. Mis gezongen en eene toepasselijke predikatie gehouden, terwijl np de gewone donderdagen eene stille H. Mis gelezen wordt, waaronder liet Hoogheilig Sacrament ter aanbidding is uitgesteld. Onder de gezongen Mis liet het zangkoor zich eertijds niet onbetuigd. Eene instrumentale en vocale Mis werd uitgevoerd, waarvoor men alsdan âaen de musifjanten voor musieq / 58.âquot; betaalde. In 1769 werd evenwel deze toelage veranderd in âkoeken aen de sangers f 12.12.quot;
De uitstelling van het Allerheiligste geschiedt in een zilver-vergulden monstrans verbeeldende âhet Mi-ârakel van Amsterdam, met een diamante halve âmaentjeen een dito kruysquot;. Deze monstrans, thans het eigendom van liet Collegie, werd vroeger gebruikt in het huis van Cocck en kwam later in eigendom aan de reeds genoemde Juffrouw Anna de la Naye, die er over beschikte, als blijkt uit onderstaande kwijting :
Ik ondergesohreeve bekennc ontüiugen te hehhen uyt linnden van ile erfgenaemen van Jonk vrouwe Anna Maria De la Naye een silver vergulde remonstrantie, verbeelde het Mirakel van Anisterdnni met een diamante halve maentje en dito kruys, welke helove voor niyn en Suscivseurs by vernietinge, verplaet-singhe ofte ressatie, dat (iod verhoeden wil, van het collegie van S. Cecilia (op 30 october 17()0 in de kerk der Eerw. Paters
42
Minderbroeders ^eiiaemt in't Boompje tot meerder eere en gloi'ie (iods getransporteert) te sullen restitueren en overhandigen aen de Heeren van gemelt Collegie, oni door hun Edele aen de Re-ligieuse ürselinnen tot Ant\vei|)en, aen wie deselve hv dierge-lyke gevallen gemaekt is, ter hand Is te doen stellen. Verder is geconditionneert dat hy hrand, diefstal alsandersintsgemelde remonstrantie weg iuogte raeken Ik ondérgesohreeve of Sueces-seuren daervoor niet aenspi-akelyk sullen syn.
Actum als boven (30 octolier 1760).
Jacobus van der Hoeven.
Pr. int Boompje.
Van 1763 tot 1841 werden de volgende leden benoemd ;
17t)3 O. L. Barbou.
M. van Bommel.
1764 Cornelis Jacob Gilles.
Arnoldus Johannes van Brienen.
1771 Philip Jan Gavellier van Adricliem.
Henrico Staats Gerardszn.
C. G. de Wyckerslootb van Grevenmachern.
1777 W. S. Schaep.
J. F. T. Schaep.
Franc Hovius.
Arnoldus Roest.
J. van Geulen.
W. J. van Brienen.
1782 M. 0. van Beurden.
J783 Joan Schade.
Joannes Baptista van Geulen.
J. H. Baron van Wassenaer van Alckemade.
1784 Jos. Gabr. de Gasas.
1790 Paulus Charlé.
Petrus Paulus Gharlé.
1792 Laurens a Roy.
43
1794 Joannes Paulas a Roy.
Daniel Jos. de Heyder.
1799 Louis Michel Gilles.
1803 Hendricus Theod. de Wyckerslootli van
Groveinnac-liern.
J. L. M. Cavellier van Adricheni.
A. W. van Brienen.
J. E. van Brienen.
1806 T. Roest van Alkemade.
In het laatstgenoemde jaar werd op den 20 Januari door de ('ollegianten de volgende wijzigingen in het reglement gebracht:
J)(! Intreede-gelflen worden gestelt op / 15.15.
Wanneer oen der leden of dosselfs huisvrouw koonit te overlijden doet. de familie in eene gewoone Collegie Mis e(!n uitvaart en ook vervolgens het eeiste jaargetij en zijn de collegianten verplicht daerhy te assisteeren op verbeurte van enkele hoete. De H. Mis woi-d in plaats van li uur uu gestell ten li'/j en is de hoete duhhel op de dagen van het Sacrament van Mirakel. van de H. Geeilia, alsmede op den eerst daaraan volgende donderdag, als wanneer eetr Mis van Re((uiem voor de afgestorven leden van het collegie word gelezen.
Ue oflieianten van 't Go llegie veranderen jaarlijks en worden op de feestdagen van de H. Cecilia met hesloteti briefjes hij het lot getrokken uit diegeenen welke het verloopeu jaar in geen functie geweest zijn, wanneer het getal van dese toereikende is. zo niet geschied de hoeten(?) door alle leden.
P. Gharlé.
Sekretari*.
Verder werden benoemd;
1808 L. Roest van Alkemade.
L. E. Hovius.
1813 Gerrit ten Sande.
1828 F. J. M. T. de Pelichy van Lichtervelde.
A. A. Reael.
44
J. P. van der Lisse.
1833 J. S. Schaep.
1840 L. Graf von Westerholt en Gysenburg.
Van 1840 tot J8öl wi's liet voor het (^ollpqip geen â gunstig tijdperk en ofschoon de H. Diensten in het Boompje geregeld 1 mimen gang gingen, was het Collegie in zich in geen bloeienden toestand. Eenige leden waren gestorven, andere vertrokken naar het buitenland, eu niemand werd in hun plaats gekozen. Deze malaise duurde zoo lang tot dat Baron .1. W. van Hyienen van de Groole Lindt, als eenige Collegiant overbleef. âUitsterven zal liet nietquot;, sprak de edele man, die meer dan 45 jaar gildebroeder was geweest. Hij regelde persoonlijk de geldelijke verlegenheid van de Gilde-kas eu wendde zich daarna tot zijne vrienden
F. Bosch van Drakestcyn.
Jan Brouwer Ancher.
J. W. van Ronmude.
C. M. P. ten Sande.
J. P. F. Koch.
.1. E. Bounike.
G. J. de Martini.
G. M. S. Steins Bisschop.
die alle onmiddellijk tot bet Collegie toetraden.
Daarna werden benoemd in :
1857 P. van Cranenburch.
A. C. Bonman.
1858 J. G. Rynders.
F. J. H. Haerten.
1801 W. J. Hazeman.
J. E. Slaghek.
F. Th. Westerwoudt.
A. J. B. van Wayenburg.
45
1865 C. P. Hoynclc van PfipeiKlrecbt.
I S()() M. J. Giulini.
18t)7 J. P. van Etten.
1868 G. ten Sande.
1869 Jan Brouwer Ancher Jr.
1870 Mr. J. Jager.
1871 C. J A. M. Strater.
P. \V. H. van Sonsbeock.
1872 A. J. L. Gramiccia.
A. H. Hafkenscheid.
1878 Th. van Ryckevorsel.
1879 P. J. Everard.
1883 H. P. van Cranenburcli.
L. M. Bonnike.
1885 J. J. W. van ilea Biesen.
1889 G. M. Alberdingk.
Eduard J. Kuinders.
1890 J. E. A. G. Bonnike.
1891 J. R. M. Steins Bisschop.
1892 A. M. A. Bonnike.
L. C. J. van Ogtrop.
1893 W. J. M. Westerwoudt. 1 W. J. S. van Waterschoot v. d. Gracht. Bernard J. M. de Bont.
Het Collegie bestaat op heden nog uit zeventien ^ildebroeders; waarvan thans âofficiantenquot; zijn C. J. A. M. Strater, President.
Mr. J. J. W. van den Biesen, Vice-President. L. C. J. van Ogtrop, Fiscus.
J. R. M. Steins Bisschop, Secretarius. J. E. A. G. Bonnike, Magister Ceremoniarius. Toen wij de namen der Gildebroeders opschreven, trof het onze aandacht dat bijna al de Regenten van
46
het Miuijidenhuis, leden van liet Collegia zijn geweest. Als wij mi weten dat in het Maagdenhuis zich bevinden twee oude schilderijen, de een van het jaar 1569 voorstellende dertien deftige, getabberde mannen met een priester in adoratie nedergeknield voor het Allerheiligste; de andere met kleine voorstellingen betreffende het Mirakel van Amsterdam, dan komt bij ons de vraag op, zouden misschien deze schilderijen afkomstig zijn van het Oude Gilde in de 11. Stede, en zouden dezelven later door Gudde of Cocck, die met zijn zoon en kleinzoon regenten van genoemd gesticht geweest zijn, aan het Maagdenhuis geschonken zijn?
Het archief van liet H. Cecilia Collegie wordt bewaard in een kist, waarop geschilderd staat :
Archief van het H. Cecilia Collegie,
zijnde de Broederschap van liet H. Sacrament van Mirakel.
Het bevat:
1°. Het door mij op blz. 12 en volg. vermelde Gilde-boekje dat beschreven is op papier met het watermerk : een gevleugelde draak met den poot op het dak van een huis.
Indien wij nu den ouderdom van dit merk wisten, dan zoude allicht hieruit het jaar kunnen opgemaakt worden, waarin de eerste schrijvers, die reeds spraken van âvoor eenige jaeren herwaertsquot;, het Gilde hebben voortgezet of opgericht.
2U. Het oude Mirakel-boekje, beginnende met
t Hier begliint/ die vindinghe van thoochweerdiglie/ ende heylighe Sacrament, in tvyer/ enz. *
en eindigende:
Ende is gheprent lot Aiustelredam/// acn die oude Syde/ in
-17
Sinte Aiiiii'ti// straet/ lgt;y inv Willem .laculisdcni/// wuuneiulc in Kiliglieleu// hurg//. Anno M('C'C'C'C'LN \'III// ilcn XV iImcIi .lunv.
Het is versierd mol! do bekende houtsuede: ren zieke rnan le bed, mei, een anderen iikoi dun hel ooeleneind yezelen.
Dit boekje, waarvan twee uitgaven bestaan, oen in het l itijn voor de priesters en een voor liet volk, behoort tot de zeer zeldzame exemplaren. Het is een geschenk van Mr. G. I. de Martini en afkomstig uit de auctie-Meylink.
3°. Amstelredams eer ende opcomen door L. Marius,-met de latynsche versjes onder de plaatjes. Dit boekje heeft tot inschrift:
Behoort toe aan liet Broederscliap van liet H. Sacrament oi Caecilia Collegie. ter eere van liet Anisterdamseh Mirakel aangekocht 1854 en voor betaald / 'i.UO.
4°. Getyden van het H. ende Hoogh-waerdigh Sacrament des altaers, soo in 't gemeyn als voor do Stadt van Amsterdam. T'Antwerpen by Hendrick Aertssens 1040. Aan het slot de Getyden van de H. Maagd met eene gravure van Schut: Maria Boodschap.
5°. Hetzelfde boekje, zonder de Getyden van Maria.
6°. Enkele losse plaatjes uit Marius met de latynsche en hollandsche versjes. De âBrand der H. Stedequot; met een gedrukt vers van 1. F. Delsing. Deze plaat stelt voor een brand in een ruine, verder een arca-» disch landschap en nog een brand in een bosch, dat volgens den dichter het brandend braambosch moet beteekenen. Waarschijnlijk is de primitieve voorstelling een geheel andere geweest, en heeft men deze gravure later gebruikt voor een âBrand in de 11. Stedequot;.
48
7°. Een aiintiil bidprentjes van overledene Colle-^ianten, als van Occo, v. Alkemade, van Brienen enz.
8n. Mirakelliteratuur betreffende het öe Eeuwgetij, van Broere, v. d. Ploeg, Pluyra, e. a.
9quot;. Verscheidene oude en nieuwe notitiën waaronder sommigen van de hand van Mr. de Martini van 18l)4, van wien het Collegie enkele geschenken voor het archief mocht ontvangen. Genoemde Heer noteerde o. a. als punt voor eene vergadering:
Z:il iiioa verzoeke gerepresenteerd te worden o|i het Begynhof hy gelegenlieid viering van liet Mirakel feest,
Zal er mofeite aangewend worden voor een nieuwen allaats-hrief te verkrijgen ?
Tot de curiosa behooren de rekeningen van het maal, dat in ouden tijd elk gild gezamenlijk hield, doch dat sints een eeuw in liet Collegie achterwege is gebleven.
Wij vonden o. a.
1760. Voor een Avont maeltyt met syn toebebooren voor 12 Heeren en Damens per per soon f 5.5 is /' 63. Voor 9 vlesen rode wyn, Moll (?) zeister water, caerten thee en confeturen etc. /' 17.6 maekt /' 80.6.
1767. Voor een souper met all die aen haer wel-edelens bewuste op- en dependentien, alsmede voor roode, rhynse, Moesel en bourgogne wyn, Moll (?) Suyker, citroenen, thee, cotfy, confituren, caerten enz. f 187.3
In 1780 gebruikte het Gilde slechts âeen simpel âbooltjequot; en in den franschen tijd ontving het de volgende vermakelijke, prachtig geortografeerde rekening :
Messieurs der Collegie Sainte Cecile doivent a la veuve P. A. Oosterwick pour un diné, 1 bouteille
49
dn vin rouge, 2 dito meilleur vin du Rliin, 2 dito Champange, 3 dito Meiweiu, 2 kan Selz waeter, lü sjeux de cartes, thée, caftet, soessen et bougief?.
Tot slot laten wij uit het archief van het Collegie oen memorie volgen van de processie van liet H. Sacrament van Mirakel âuyt de Heyligher Stede tot â Amsteldainquot;. Van deze memorie bestaat het origineel of het afschrift in liet archief-Begynhof. De Memorie werd den l(j decb. 1651 opgesteld door Ãendrick Barendsz. Hartoyhvelt namens syne moeder Afialha Hendrickse Luen, die â91 jaeren gepasseert synde. âhaer verstant ende memorie noch wel hebbende.quot;
De steller van het verhaal zijner moeder was gehuwd net Nelletje Walruueti wier grootmoeder Ael, de dochter was van den ridderlyken Burgemeester Joost Buyclc, den laatsten katliolieken Burgervader van Amsterdam.
Het handschrift luidt:
Memorie van de processie van 't H. Sacrament van Mirakel uyt de Heyligher Steede Amsteldam.
Op den 16 decb. anno 1651 heeft Agatha Hendrickse Loen, moeder van Hendrick ende Pieter Barents van hertogvelt dewelcke den 81 october lestleden 91 jaeren haers ouderdoms gepasseert synde, haer verstant en memorie, godt lof noch wel hebbende, soe uyterlyck scheen en bleeck, presente anipR Dno Bartholdo Nihusio prelate en Sr. Albert Canter, willens verhaelt, hoe dat sy in persoen voor de veran-deringhe van dese stadt met haer moeder, suster, broeder sal. alle woensdagen smorgens ten vytf uren barrevoets winter en somer, in hagel, sneeu en reegen gewoon was (gelyck oock veel andere devote en goede persoenen) ten h. Steede haere devotie te houden in de H.H. Sacrificiën der missen te presenteeren, ende
4
50
het H. Sacrament vau Mirakel ter selver plaetse te besoecken: dat mede ten tyde van de processien liet voorsc. H. Sacrament plag devotelyck en solemneel gedragen te werden uyt de H. Stede voornoemt met gevolg van de gilden, ider met haere banieren, ende vele andere devote persoenen, met kaersen, toursen off flambouwen in haere handen, hetselve vergesel-scappende lancx de calverstraet tot aen den Dam, gaende voorts tot aen de suydsyde des selven dams op de middeldam omtrent het huys genoemt de witte fonteyn, alwaer op een tonne was gestelt en opgereght in forme van een cleyn autaer en het H. Sacrament een weynigh neergestelt synde, ider syne devotie met nedergebogene knie gehouden hebbende, van daer weder gedragen omme de tonne lancx de noortsyde van de middeldam over de marckt nevens de waege tussclien de huysen staende aen de westsyde van de waege voorscr., de nieuwendyck op doer de Ramskooy over de nieuwe brughe en doer deselve steegh doelde warmoestraet en d' Nes over de langhe brugh door de taxsteege tot in de calverstraet voornoemt ende so voorts om de H. Stede lancx de suydsyde inne ende door de straet aen de noortseyde weder uyt tot in de capelle aldaer binnen omgedragen synde weder ten behoorlycke plaetse wiert gestelt.
Aldus voor memorie gestelt dato als boven in amsterdam door Hendrick Barentsen Hertogvelt.
En hiermede eindigen wij hetgeen wij weten van het overoude Gilde, genaamd:
Het H. Cecilia Golleyie, zijnde de Broederschap van het Allerh. Sacrament, ter eere van het Mirakel van Anisterdam.
NASCHRIFT.
Nadat dit werkje geschreven was, kwam mij in handen Dr Katholieke Illustnüie, jaargang 1895 uo. 41 en 42, waarin eene studie voorkomt Uit de Geschiedenis der H. Slede le Amsterdam door S.
Deze studie is niet alleen eene kostbare bijdrage voor de Geschiedenis van Oud-Amsterdam, maar zij laat ons ook in plaat voorwerpen zien, welke sints eeuwen geheimzinnig voor Amsterdam zijn weggesloten : âde Mirakelkistquot; en de fragmenten van eene oude schilderij uit de H. Stede.1)
De inhoud van bovengenoemde studie zelve, getuigt van een grondig onderzoek en van belezenheid. Jammer is hot dat âSquot; zijn werk niet in den vorm van
') Over beide voorwerpen is in lt;len laatsten tijd heel wat geschreven en geredetwist. Hier in dit boekje is de plaats niet om over de hangende kwestie in de breedte uit te wijden, noch om mij te verdedigen o. :t. tegen een anoniem schrijven, voorkomende in Het HandelMiid van 17 Maart II. Mijn wensch is dat de â¢/oogenaainde Mirakelkist van den /older van het Burgerweeshuis gerake, waar zij in het geheel niet tehuis behoort en dat zij als Amsterdamsch historiestuk voor het publiek ten toon worde gesteld.
52
een boekje heeft uitgegeven. Als beknopt verhaal, zoude alsdan deze studie gemakkelijker te raadplegen en voor iedereen te verkrijgen zijn.
Twee kleine opmerkingen, welke echter met de degelijkheid der studie van âSquot; niets uit te staan hebben, veroorloof ik mij te maken, naar aanleiding van hetgeen ik hier in mijn boekje geschreven heb.
âSquot; spreekt van een Mirakel â en van een H. Sacramentsgilde. Daar, *00 ik mij niet vergis, van het eerstgenoemd Grilde niets bekend is, zoo zal het voor de geschiedenis zeker belangrijk zijn, indien, bij eene eventueele nieuwe uitgave, enkele bronnen genoemd worden, waar van hot Mirakel-Gilde gesproken wordt.
De tweede opmerking is, dat een H. Cecilia Colle-gie van vóór 1578, in casu 1569, niet bestaan heeft. Het door mij behandelde Collegie dagteekent van de 17e eeuw, en het is onder een anderen naam, waarschijnlijk de voortzetting van bet H. Sacraments-gilde der H. Stede.
Nu wij ook de afbeelding bezitten van de schilderij uit het Maagdenhuis (zie blz. 46) zoo zal men misschien, door vergelijkingen met andere portretten, de namen der afgebeelden kunnen opsporen.
Als kleine bijdrage tot de Mirakel-literatuur laten wij tot besluit van dit Naschrift nog een enkele bijzonderheid volgen over den Aartshertog Mnximiliaan die, uit dankzegging voor zijn herstel, ter H. Stede trok en haar later een gebrand glas ten geschenke gaf.
Mgr. Pluijm zegt in zijn Het E. Sacrament van Mirakel, blz. 50, dat op de glazen door Maximiliaau aan de 'H. Stede geschonken, waarschijnlijk Keizer Ferdinand III staat afgebeeld en dat de glazen in of na 148(5 geschonken zijn.
53
Als wij nu de afbeelding der glazen, zooals ze bij Wagenaar voorkomt en waaronder het jaar 1484 gesteld is, voor ons nemen, dan zien wij ter Gouw in zijn Geschiedenis van Amsterdam, D. III hlz. 228, gelijk heeft als bij zegt dat het jaartal 1484 onjuist is en âdat Wagenaar al zijne naschrijvers in dwaling âheeft geholpen.quot; Ook schrijft ter Gouw dat de glazen voorstellen: links Keizer Maximiliaan met zijn twee vrouwen; rechts Philips met zijn gemalin, twee zoons en vier dochters.
Ofschoon ter Gouir voor deze zijne lezing geen redenen aangeeft, zoo verineenen wij toch dat hij volkomen juist is en wel op de navolgende gronden.
Keizer Ferdinand stond tot de Nederlanden in hoegenaamd geen betrekking, en het had derhalve geen zin dat Maximiliaan zijn vader op het glas liet afbeelden. Bovendien heeft Ferdinand geen twee vrouwen maar ééne vrouw gehad en wel Kleonora van Portugal. De wapens welke de afgebeelde vrouwen dragen, bevestigen dat het glas ter linkerzijde voorstelt; Keizer Maximiliaan als Koomsche Keizer met zijne twee vrouwen : Maria de dochter van Karei den Stoute, en Blanca de dochter van den Hertog van Milaan.
Maria als gesproten uit het Bourgondisch huis draagt op haar rechter schouder de fransche lelie, en als gravin van Holland den hollandschen leeuw. Blanca, als erfgenaam der Sforza's, is gesierd met den staan-den leeuw, in zijn poot den kwee-appel op stengel met blad. Dit heraldisch figuur is op de prent bij Wagenaar zeer slecht weergegeven.
Op het glas ter rechterzijde liggen nedergeknield Maximiliaan's zoon, Filips, met zijne vrouw Johanna van Spanje en hunne kinderen Carel (den Fer-
54
dinand (den len), Eleonora, Isabella, Maria en Catha-rina. Filips, als Koning van Castillien, is gekleed in wapenrok bezaaid met liet Castilliaansche wapen, terwijl hij als graaf van Holland de gravelijke kroon draagt. Johanna, als erfdochter van Spanje, is eveneens gekroond.
Indien wij nu weten dat Carel (de Ve) den 24 Februari 1500 en Catharina den 14 Augustus 1507 (na den dood baars vaders) geboren zijn, en als wij zien dat Carel als jongeling op het glas staat afgebeeld* dan kunnen onmogelijk deze glazen in 1484, zooals Waijennar en zijne ânaschrijversquot; zeggen, aan de H. Stede geschonken zijn. Het jaartal 150IJ door ter Gnuw genoemd, is ook nog veel te vroeg, daar Carel op het glas ouder dan zes jaar is, en Catharina toch waarlijk niet vóór haar geboorte als een jong meisje voorgesteld kan worden.
Moge het jaartal der schenking ook eenmaal tot zijn recht komen. ^
Ofschoon Maximiliaan op ouderen leeftijd zeker geen aanspraak kan maken een voorbeeld van goede zeden geweest te zijn, zoo schijnt het dat hij in jongere jaren, volgens onderstaande legende, een vroom vorst was. Men verhaalt van hein dat hij, toen hij zeer jong was, âniet konnende gheraken âbinnen den tydt van twee dagben ende nachten âvan een klippe van een hooghe ende steyle steen-ârotse in de bergen van Insbruck, daer hij in 't âjaghen van wildt door de krachten zyns yevers âwonderlick opghekomen was ende gheenen middel en âwas om af te komen, met luyder stemme tot syne âHovelingen riep dat inen hem voor syne doodt ten âminste van verre sonde thoonen het hooyhtveerdich
55
âH. SacramenI om daer voor te moghen buygen fie âkiiieii syns herten ende syns licluiems. Encle soo dit âghescliieddo met groot bewegen en met vele tranen âheeft Godt syn engel ghesonden, die hem weder âleverde aan synen vader den Keyser Fredericus.quot; ')
Toen Maximiliaan later in Holland zwaar /.iek lag, trok hij na zijn horstel naar Amsterdam ter H. Stede.
In een handschrift, in mijn bezit, uit het einde der XVe eeuw en beginnende met Hier bi'ijlihil onscr liever vrouwe crans, komt onder meer gebeden voor:
Dese bedinghe plach dagelycx te iesen Maxinriiliiinus diealdei «delste keyser van den Rooinschen Ryck ter saligher gedachten van synder sielen. Ende ons vader die paeus Alexander rlie Vlo heeft, gheconlirmeert ende heeft daertoe gegeven elcken goeden kerste mensche, lesende den almogende God dese voorseyde bedinghe, alsoe menicli M jaer otlaets ende pardoens alsser meninghe lettei' in de voorseyde bedinghe staet.
Het gebed, te lang om hier af te schrijven, begint als volgt:
ü Almogende God ghedanct, ghelooft ende ghebenedyt moet ghy syn van der gracien, die ghy my verleent hebt, dat ick een goet kersten mensche gheworde ben, dat ick mvn vyfl' simien behouden hebbe ende dat ghy tuy ijhesondheyt verleent hebt.') Enz.
Daar Paus Alexander de VI« regeerde van 1492 tot 1503, zoo heeft Maximiliaan bovenstaand gebed kort na zijn bedevaart ter H. Stede gemaakt. Zijn gang naar de H. Stede getuigt van zijn liefde en eerbied tot het H. Sacrament des Altaars, waarvan het Habsburgsche Huis in de 13e eeuw een treffend blijk had gegeven. Men verhaalt dat zijn stamvader Rudolf, Graaf van Habsburg, uitstekend in gods-
') Lees Ferdina nd us.
') Wij cursieveeren,
56
vrucht, reelitvaardigheid en dapperheid, na den dood Viiu Keizer Richard, door Werner, aartsbisschap van Mainz, tot duitsch Keizer werd uitgeroepen als blijk van hooge achting en eerbied voor den Habsburger Graaf die, op zekeren dag, een eeuvoudig priester, die het Allerheiligste naar een zieke bracht, zijn paard liet bestijgen, het dier zelf bij den teugel nam en het op een ongebuanden weg leidde tot aan het huis waar de bediening geschieden moest.
De B.
IMPRIMATUR.
Ymuiden, H. J. BORGHOLS,
Die 22 Maji 1895. Llbr- Cequot;s-