ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

___

■vtr

W ■'

'

..Mr -i.

' - : -• gt; ^

i-i

v..'i

/(

r

c:

ocr page 4
ocr page 5

M/

HANDELS-

AAEDEIJKSKÜNDE

DOOR

J. J. TEN HAVE,

IjEEHAAR IS I)E AAUDRlJKSKUXDE.

MET PLATEN, KAARTEN EN GRAFISCHE VOORSTELLINGEN.

ocr page 6

Gedrukt bij Gr. J. THIEME te Arnhem.

*

ocr page 7

VOORBERICHT.

Zelden is het mij moeilijker gevallen het voorschrift: „maat te houdenquot; op te volgen, dan bij het schrijven van dit werkje. De stof is zóó rijk, dat ik — om den omvang van hot boekje niet te groot te doen worden — herhaaldelijk meer heb moeten weglaten, dan me aangenaam was.

In Duitschlan 1 is een groot aantal werken over Handels-Aardrijkskunde verschenen, en met name heb ik de werken van Carl Zehden, Akuree, Schmitz, Haushofer, Ruge, Gotz, Engelmann, Martin, Rasche, Zweck en Paulitschke herhaaldelijk geraadpleegd, vooral die van eerstgenoemde. Intusschen ben ik in de bewerking der stof mijn eigen weg gegaan. Ik meende, dat bij elk land eene korte geographische schets het eerste hoofdstuk moest vormen, en dat daarop landbouw en veeteelt, industrie, handel en verkeer uitvoeriger moesten besproken worden, dan in de gewone aardrijkskundige leerboeken geschiedt. Dat sommige rijken vrij breed zijn behandeld, andere zeer kort, spreekt wel van zelf. Vooral de laatste hoofdstukken, de „overzichtenquot;, acht ik van veel belang: zij zijn nis 't ware eene samenvatting van al hetgeen in de vorige hoofdstukken is behandeld.

Wat de cijfers betreft, behalve door de bekende statistische werken zijn ze mij door de consulaire verslagen geleverd, die mij ook vele andere gegevens verschaften.

Mocht dit werkje goed ontvangen worden, dan hoop ik later gelegenheid te vinden ook eene Handels-Aardrykskunde van Nederland en Oost- en quot;West-Indië te bewerken.

Welwillende opmerkingen zullen mjj wolkom zijn.

T. H.

ocr page 8
ocr page 9

1. OVERZICHT.

Land en Water.

S* 1. De oppervlakte der Aarde wordt voor liet grootste deel door water ingenomen. Van het ons bekende deel dei-oppervlakte beslaat het water 72 'V,,, het land 28 0/0 ; de ver-houding is dus 2,6 ; 1.

Misschien ligt aan de Zuidpool eene vrij groote landmassa; in 't algemeen kunnen we echter zeggen, dat de groote landmassa's om de Noordpool gelegen zijn. Ze vormen als quot;t ware eene ster, die op korten afstand de Noordpool omgeeft en naar het Zuiden in drie slippen uitloopt (fig. 1). Tusscheu

deze liggen de oceanen: de Groote, de Atlantische en de Indische oceaan.

ocr page 10

6

Al het land is door water omgeven. Enkele eilanden onderscheiden zich door hunne groote oppervlakte, waarbij die der andere eilanden verre achterstaat: het zijn de vastlanden; men onderscheidt gewoonlijk de werelddeeleu Azië, Europa, Afrika, Amerika en Australië

Beter zou de verdeelin^ zijn, nis men Azie en Europa als één werelddeel beschouwde (Eurazië), Amerika als twee werelddeelen.

De oppervlakte der werelddeelen nemen samen 92 0/o der bekende landoppervlakte in.

De oppervlakte der werelddeelen beloopt:

Europa 10.000.000 KM.2

Azië 44.000.000 „ (— X Europa).

Afrika 30.000.000 „ {= 3 X Europa).

Australië 8.000.000 ,,

Amerika 42.000.000 „ (= 4 X Europa).

Nederland is 33.000 KM2. Europa is dus 300 X 200 groot als Nederland.

§ 2. De genoemde oceanen zijn zelfstandige, van een eigen stelsel van zeestroomingcn voorziene zeeën. Zij onderscheiden zich ook door hunne grootte.

Dit blijke uit de volgende tabel :

Middellandsche zee

2,9 millioen KM-.

Araerik. Midd. zee (Carall). zee)

■4,6

Australaziatische zee (zeeën in Oost-Indië)

8,1 „

Arctische zee (N. IJszee)

12,8

Indische oceaan

72,5 „

Atlantische „

79,7

Groote „

161,1 „

De andere zeeën dringen in de groote landmassa's (Middel-landsche zee, Oostzee), of liggen er tegen en zijn dan door eilanden van de oceanen gescheiden (Japansche zee, Beringszee); daarom onderscheidt men binnenzeeën (ook middelzeeën geheeten) en randzeeën.

ocr page 11

De Werelddeelen.

§ 3. Ligging. Vorm. Europa, Azië en Afrika noemt men samen de Oude Wereld, Amerika de Nieuwe Wereld. Europa ligt op het Noordelijk, Australië op het Zuidelijk halfrond; de drie andere worden door den evenaar gesneden, hoewel Azië bijna geheel ten Noorden der linie ligt. Verdoelen wij de Aarde in een land- en zeehalfrond, dan ligt Europa in 't midden van het eerste.

Noord- en Zuid-Amerika hebben den vorm van een' driehoek, zij worden naar 't Zuiden, evenals Afrika, steeds smaller. Denken we ons Tasmania met Nieuw-Holland verbonden, dan hebben Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland ongeveer denzelfden vorm. Ten Zuid-Oosten van Noord-Amerika ligt eene groep eilanden (West-Indië), evenals ten Zuid-Oosten van Azië (Oost-Indië). West-Indië vormt eene brug tusschen Noord- en Zuid-Amerika, Oost-Indië tusschen Azië en Nieuw-Holland.

§ 4. Kustontwikkeling. Van groote beteekenis voor de toegankelijkheid van het land en voor hot verkeer is de kustontwikkeling. Hoe meer schiereilanden en eilanden, hoe meer bochten en inhammen een land bezit. m. a. w. hoe grooter de kustontwikkeling is, des te toegankelijker is het, des te meer zullen handel en scheepvaart er zich ontwikkelen. Europa is in dit opzicht het meest begunstigd, Zuid-Amerika, Afrika en Australië het minst.

§ 5. Vertikale vorm. Strekt zich de Oude Wereld meer in parallelle, de Nieuwe Wereld in de richting der meridianen uit. de richting der voornaamste bergketens beantwoordt hieraan. In Amerika treffen we vooral meridiaan-gebergten aan (Cordillera's, Alleghanies), in de Oude Wereld parallelketens (Alpen, Balkan, Kaukasus, Himalaya, Karakoroem, Kuën-Lün).

ocr page 12

8

In de Nieuwe Wereld liggen de laagvlakten in 't midden, de gebergten aan de randen; in Europa verheffen zich de Alpen in het hart van het continent; ook Azië is in 't midden hoog land, terwijl de laagvlakten om dit hoogland zijn gegroepeerd; Afrika is voor een groot deel hoogland met randgebergten dicht bij de kust. Met deze omstandigheid staat natuurlijk de loop der rivieren in nauw verband. In Europa en Azië ontspringen de rivieren in het centrum en stroomen naar alle zijden, zoodat de vertikale gesteldheid hier de toegankelijkheid zeer begunstigt; de vorm van Afrika maakt de rivieren alleen in den zeer korten loop door de kustvlakte voor de zeeschepen toegankelijk (stroomversnellingen en watervallen op do hoogvlakte en vooral bij het randgebergte); in Amerika kunnen aan de Westzijde geene groote rivieren voorkomen; zij besproeien de laagvlakten en bereiken den Atlantischen oceaan door de breede openingen tusschen de Westelijke berglanden.

De vertikale vorm is natuurlijk van groote beteckcnis voor klimaat en voortbrengselen, en ook voor het verkeer. De hooglanden hebben steeds een ruwer klimaat en zijn daardoor minder rijk in voortbrengselen dan de laaglanden. De hooggebergten zijn ten deele met sneeuw en ijs bedekt en verheffen zich boven de hoogte, waarop het verbouwen van gewassen en het wonen van menschen mogelijk zijn; zij zijn daardoor voor een groot deel onvruchtbaar en onbewoond.

Voor het verkeer vormen de gebergten vaak belangrijke hindernissen. Zij vormen, evenals woestijnen en zeeën, de natuurlijke grenzen van volksstammen, van handel en verkeer. Passen met goede, berijdbare wegen of slechts met smalle paden verbinden de landstreken aan weerszijden van het gebergte: in landen met eene ontwikkelde bevolking vindt men door spoorwegen de scheidende kracht van het gebergte verminderd, — voor het verkeer ten minste.

§ lt;3. Rivieren en meren. Ten allen tijde zijn de rivieren voor handel en verkeer van groote beteekenis geweest. Aan de groote rivieren vestigden zich visschers, en daar de behoefte aan water de dieren naar de oevers dreef, ook jagers. De vette kleilagen lokten landbouwers, die in regenarme streken het water afleidden naar hunne velden. Die rivieren zijn natuurlijke verbindingen: handel- en fabrieksteden, op hare oevers verrezen, zenden door stoombooten hare waren naar verschillende zijden.

ocr page 13

Niettegenstaande liet dichte spoorwegnet in beschaafde landen, blijven vele rivieren hoofdaderen van het verkeer. Hare geschiktheid daarvoor hangt o. a. af van:

4. het ver val, d. i. het verschil in hoogte tusschen twee punten van den waterspiegel. Vaart men stroomaf, dan is een vrij groot verval het meest gewenscht; stroomop natuurlijk het kleinste verval. In 't algemeen kan men zeggen, dat een gering verval het best is. AVatervallen onderbreken het verkeer.

ti. de grootte van het stroomgebied. Ontvangt eene rivier van beide zijden groote, bevaarbare zijrivieren, dan vormt zij den hoofd verkeersweg, en dan vaak van een uitgestrekt gebied.

3. de hoogte der waterscheidingen. Waar het verkeer op de rivier eindigt, begint dat over land, naar de naastbij zijnde bevaarbare rivier. Do vraag, hoe groot deze afstand is en de hoogte der waterscheiding is natuurlijk van belang voor het verkeer.

Stroomgebied : al het land, waarvan do rivier water ontvangt.

Waterscheiding: de grens tusschen twee stroomgebieden.

4. den waterrijkdom. Deze hangt o.a. van de grootte van het stroomgebied, de hoeveelheid neerslag, enz. af. Rivieren, die uit gletschers ontspringen (zoogenaamde gletscherrivier en) zijn in den warmen tijd gewoonlijk voldoende van water voorzien; andere stroomen zijn van den regenval afhankelijk, en behoort nu het stroomgebied tot de streken, die een drogen en een natten tijd hebben, dan zijn de rivieren een deel van het jaar vaak onbevaarbaar.

5. de geographische ligging van den mond en de toegankelijkheid van dezen voor grootere zeeschepen. Zoo zijn de Siberische stroomen, trots hun' waterrijkdom en hun uitgebreid stroomgebied, voor den wereldhandel van gering belang.

De meren zijn gewoonlijk van minder belang, meestal slechts voor het lokaal verkeer, zooals dit met de Zwitsersche meren het geval is; daardoor vindt men er vaak een levendig verkeer en ontwikkelen zich aan de oevers kleine handelsplaatsen.

In de landen met ontwikkelde bevolking, voornamelijk in

ocr page 14

10

Europa en Koord-Amerika, heeft de mensch door kanalen de door de natuur gevormde waterwegen verbonden en tot één groot net gemaakt.

§ 7. Klimaat en Plantengroei. Het warmste gedeelte dei-Aarde ligt tusschen de keerkringen: het is de Tropische zone, die omstreeks 40 0 „ der geheele Aardoppervlakte omvat. De gemiddelde jaartemperatuur ligt tusschen 20 en 28° C.; het warmteverschil tusschen de warmste en koudste maand bedraagt bij den aequator 1 a 5°, bij de keerkringen ongeveer '13°. Enkele streken hebben eene gemiddelde jaartemperatuur van 30°, zelfs iets hooger. — De meeste regen valt in deze zone als de zon het hoogst staat. Daar de plaatsen tusschen de keerkringen tweemalen 's jaars de zon loodrecht boven zich hebben, heer-schen daar twee regentijden; dicht bij de keerkringen vallen deze regentijden zoo spoedig na elkaar, dat men van één' regentjjd kan spreken. Daarom onderscheidt men: een gordel met dubbelen regentijd (tot 15°), gordels met enkelen regent jjd (tot 28').

In Zuid- en Zuid-Oost- Azië heerschen moessons: een halfjaar de natte of kwade, een halfjaar de droge of goede moesson.

Wat de hoeveelheid regen aangaat, nergens valt zooveel regen als in de tropen.

Warmte en vochtigheid roepen hier een grootschen plantengroei te voorschijn: het is de streek der palmen, der boomachtige grassen en varens, en van een groot aantal bekende cultuurprodukten: koffie, suiker, e. d.

Op de tropische zone volgen de streken met het Subtropisch klimaat; het zijn op het Noordelijk halfrond de landen aan de Middellandsche zee, oostelijk tot in Perzië (oostelijker het Moesson-gebied) en Californië, — op het Zuidelijk halfrond het Zuiden en Zuid-Westen van Australië, Afrika ten Zuiden der Kalahari en Midden-Chili. Zij kenmerken zich door winterregens; de zomer is droog. Wat de temperatuur aangaat, deze is minder gelijkmatig dan in de tropische gewesten. Tusschen winter en zomer heerschen vrij aanzienlijke verschillen en tusschen deze twee uitersten kan men twee overgangstijden onder-

ocr page 15

11

scheiden, zoodat hier reeds van vier jaargetijden sprake is. Palmen komen er nog voor, en de altijdgroene gewassen: myrth, laurier e. a.; katoen, rijst en zuidvruchten (sinaasappelen, vjj-gen, olijven) worden verbouwd en gekweekt. Door den drogen zomer is besproeiing der landerijen vaak noodig; daardoor ook is in veel streken de landbouw door den tuinbouw vervangen.

Dan volgen de Gematigde zonen, die men wel in warmen koud-gematigde onderscheidt; de eerste reikt dan tot ongeveer 45°, de laatste tot ongeveer 58° N. en Z. breedte. In de eerste komen nog altijdgroene gewassen voor, zuidvruchten e. d. Kenmerkend zijn weiden, loof- en naaldboomen, wijn, koren, ooft, oliezaden, enz.

De Subarctiselie zone, die tot 06]° JJquot;. en Z. breedte reikt, levert weinig loofboomen (berk, wilg), maar veel naaldhout. In

ocr page 16

De liovenstaaiule zones zijn horizontale gordels. Baar, evenals van den aequater naar de polen, de temparatnur afneemt met de hoogte en dus liij een hooggebergte dezelfde gordels ouderscheiden kunnen worden, noemt men deze vertikale.

Voor groot belang voor den plantengroei is ook de verdeeling van den regen over 't jaar. Waar eene langdurige droogte elk jaar terugkeert, daar zal het land eene steppe worden; alleen aan de rivieren en meren is boomgroei mogelijk. Is de hoeveelheid regen zeer gering, dan wordt het land eene woestijn.

De meeste plantensoorten bewonen een bepaalden aardgordel. De koude maakt haar het overschrijden van de Noordelijke grens van dit gebied onmogelijk, terwijl de warmte haar verhindert de Zuidelijke grens over te trekken. Zij hebben dus eene poolgrens en eene aequatoria 1 e grens. De verdeeling der warmte over 't jaar komt evenzeer in aanmerking. Zoo wil in Zuid-Engeland, trots het milde klimaat, de wijnstok niet tieren, omdat een lange, heete zomer ontbreekt; overal, waar de temperatuur tot het nulpunt daalt, ontbreken de palmen, al is de zomer ook nog zoo lang en zoo heet. Een landklimaat met zijne heete zomers en strenge winters, roept daarom reeds eene geheel andere plantenwereld in 't leven dan een zeeklimaat, met zijne koele zomers en zachte winters.

Vorenstaand kaartje geeft de poolgrenzen van eenige gewassen in Europa aan.

§ 8. Dieren. Hoewel minder dan de planten, zijn toch ook de dieren in hunne verbreiding van het klimaat afhankelijk, — en bovendien van de plantenwereld: waar planten ontbreken, ontbreken ook de dieren. Treffen we in de tropenzone eene grootsche plantenwereld aan, we vinden er ook de grootere dieren: olifant, rhinoceros, nijlpaard. Leeuw, tijger en panter bewonen enkel de warmere gordels.

Kameel, zebra, giraffe, antilope, struis zijn meer voor de subtropische zone karakteristiek. Rund, paard, zwijn, schaap, beer, wolf, vos en hond leven voornamelijk in de gematigde, — rendier en ijsbeer in de koude zones. Dat men het rund, het zwijn, het hoen en andere onzer huisdieren ook in de warmere zones aan-

ocr page 17

13

treft, komt, doordat ze naar deze streken zijn overgebracht.

ilet vele planten is hetzelfde geschied. Tinden planten en dieren in het nieuwe land een voor hen geschikt klimaat en een gunstigen bodem of plantengroei, dan akklimatiseeren ze zich; in het tegenovergestelde geval kwijnen en sterven zo.

Eigenaardig is do dieren- en plantenwereld der eilanden. Zijn deze stukken, van een vastland afgeslagen, dan bezitten ze dezelfde plant- en diersoorten als dat vastland, indien do afscheiding nog niet zeer lang geloden heeft plaats gehad. Eilanden, midden in den oceaan, die nooit tot een vastland behoorden, zijn uit den aard der zaak arm aan plant- en diersoorten: alleen die, welke door de zee aanspoelden of door vogels en de wind werden aangebracht (gevleugelde zaden), komen daar voor. Zoo kreeg St.-Helena door de heerschende zeestroomingen zijne planten uit het Kaapland.

5; 9. Menscheii. Naar schatting bedraagt de bevolking dor Aarde ongeveer 1500 millioen zielen.

Die millioenen menschen vertoonen veel verschil. Op grond van het verschil in lichaamsbouw en in talen onderscheidt men o. a. de volgende „rassenquot; :

i. de Mid de Hand sch e zee-volken, die liet grootste deel van Europa, Zuid-West-Azië en Noord-Afrika bewonen (rondom de Middellandsche zee);

'2. de Mongolen, in Azië en een klein deel van Europa; 3. de Dravida's, in het Zuiden van Voor-Indië; i. de Mal ei er s of Indonesiërs, hoofdzakelijk in den Indi-schen Archipel;

5. de Amerikanen, de oorspronkelijke bevolking van Amerika, ook Indianen geheeten;

6. de Arctische volken, in de Poolstreken, ook wel tot de Mongolen gerekend;

7. de Xieuw-ïïollanders of Australiërs, de oorspronkelijke bevolking van Nieuw-IToliand;

8. de Negers, in Afrika;

9. de Papoea's, op Nieuw-Guinea en de eilandenten Zuid-Oosten er van;

10. de Hot ten tot ten, in Zuid-Afrika.

Niet minder gewichtig is de indeeling der menschen naar hunne ontwikkeling.

ocr page 18
ocr page 19

Natuurvolken noemt men in 't algemeen de volken, die op den laagsten trap van ontwikkeling staan. Zij leven van de planten en dieren, die de natuur hun oplevert; met landbouw of veeteelt houden ze zich niet bezig.

Yisschersvolken hebben zieh aan de zee of aan rivieren en meren neergezel:; hun hoofdmiddel van bestaan is de viseh-vangst.

Jagers volken leven voornamelijk van de jacht; om te kunnen bestaan, hebben ze eene groote ruimte noodig.

De genoemde volken hebben geen blijvend eigendom, wat zij verwerven dient slechts om hunne oogenblikkehjke behoeften te bevredigen. Andere volken daarentegen verwerven zich goederen, niet om die dadelijk te gebruiken, maar om er de opbrengst van te genieten. Zulke bezittingen kunnen van verschillenden aard zijn b.v. kudden vee, landerijen, enz.

Tot deze volken behooren de Nomaden. Zij bezitten kudden, waarmee ze rondtrekken; men moet hen dan ook vooral in de steppen zoeken. Zoo trekken de Lappen met hunne rendieren rond, de Kirgiezen met hunne paarden en kameelen.

Hooger dan de nomaden staan de landbouwende volken. De meeste van deze hebben vaste woonplaatsen. In sommige streken echter, waar de bevolking niet dicht is, wordt nu deze, dan die grond bebouwd; daar gaat met het landbouwbedrijf nog een rondtrekkend leven gepaard. Maar als de bevolking dichter wordt, is liet onmogelijk steeds anderen grond te gebruiken, dan moet men hem beter bearbeiden, dikwijls besproeien.

Aanvankelijk vervaardigt de landbouwer en veehouder zelf zijne werktuigen (nog in een deel van Noorwegen). Spoedig echter begint eene verdeeling van den arbeid, de industrie scheidt zich van den landbouw en de veeteelt. Eerst geschiedt dit in 't klein; weldra echter verzamelen zich de industrieën in daartoe bijzonder geschikte streken: er ontwikkelen zich industriestreken en industrielanden. Daarmee beirint tevens de groothandel.

ocr page 20

TI. EUROPA.

Algemeene Beschouwing.

§ 10. Europa, in 't midden van 't landhalfrond gelegen, zou men als een schiereiland van liet zooveel grootere Azië kunnen beschouwen. In 't Noorden, quot;Westen en Zuiden heeft het natuurlijke grenzen in de Noordelijke IJszee, den At-iantischen oceaan en de Middellandsche zee: in het Oosten scheiden het Oeral-geb., de Oeral-riv., de Kaspische zee en de Ar as het van Azië.

Wij merkten reeds op (zie § 4), dat Europa verreweg do grootste kustontwikkeling bezit. Yooral het diep in 't land dringen der Middellandsche zee en der Oostzee draagt tot dezen gunstigen toestand bij.

§ 11. De Sliddelliindsclie zee speckle in ilo geschiedenis eene srroote rol en is nog heden voor den handel van het hoogste gewicht. Een groot aantal stoombootlijiien verbindt de kusten onderling en met West-Europa; verschillende telegraafkabels loopen door de zee.

Ebbe en vloed zijn zeer zwak en hebben voor het verkeer geene betee-kenis. Van de stroomingen is die de voornaamste, welke door do Straat van Gibraltar binnendringt.

Eene verlenging dezer zee is do Zwarte zee, wier beteekenis vooraa-melijk bepaald wordt door: l3. den uitvoer uit Rusland en de Benoden-Donaulanden, 2°. den handelsweg Midden Europa — Pei-zië (Donau — Zwarte zoe — Poti-ïiilisbaan — karavanen). De Zwarte zee is een deel van dien handelsweg, evenals do Middellandsche zee van dien naar Indië.

De Oostzee is voor den handel van minder gewicht, vooral ook omdat do havens hier 's winters bevriezen. De produkten, welke hoofdzakelijk over de Oostzee vervoerd worden, zijn koren en hout (Rusland, Noord-Duitsch-land. Zweden.) De zee is niet diep, het gehalte aan zout laag.

Ofschoon eene dor gevaarlijkste zeeën wordt de Noordzee zeer druk bevaren; In 't Zuiden staat zij door het nog meer bevaren Kanaal met den Atlantischen oceaan in verbinding. Het Zuidelijk deel is zeer ondiep

ocr page 21

17

(ovonals de Oostzee nog geen 100 vadem; als de zee 100 vadem daalde, zon Groot-Briltanje en Ierland aan het vasteland verbonden en de Oostzee droog zijn').

§ 12. Hoog en laag. In liet hart van Europa verheft zich het hooggeherg-te der Alpen, die aanvankelijk op de grens van Frankrijk en Italië loopen, daarna, zich ombuigende bij den hoeksteen den Mont Blanc, op de grens van Italië en Zwitserland, en zich Oostwaarts voortzetten tot den Donau. De hoogste top, de Mont Blanc, is 4810 ileter. — Yan drie zijden is dit hooggebergte omgeven door middelgebergten : in 't Westen het Fransche bergland, in 't Noorden de Duitselie mülrtelgoherg-tea, in 't Oosten de Karpatlien. Voorts hangen met do Alpen samen: in 't Zuiden de Apennijnen, in Zuid-Oosten de gebergten van hetBalkan-schierei 1 and. Afzonderlijk verheften zich: het Scandinavisch bergland, de Oeral, do Kaukasus, de Pyreneën en de Spaanschc gebergten, liet bergland van Groot-Brittanje en Ierland.

Deze gebergten worden door meer of minder groote laagvlakten gescheiden of wel zij sluiten hoogvlakten in. Hoogvlakten zjjn o.a.; de Spaansche, de Zwitsersche, de Zwa-bisch-Beiersche, de Zevenburgsche, de Boelgaarsche, enz. Bij de Pyreneën begint de groote vlakte, die door Frankrijk, België, Nederland, Duitschland en Rusland zich voortzet en bij den Oeral eindigt. Dit uitgestrekte laagland verdeelt men in drieën: de Fransche- (West- en Xoord-West-Frankrijk), de (ienuaaiisehe- (Noord-België, Nederland en Noord-Duitschland) en de Savmatische laagvlakte (Rusland).

Kleinere vlakten zijn: de Hongaarse lie (driemaal zoo groot als ons land), de Walachijsche (twee en een half maal zoo groot), de Po vlak te (twee maal zoo groot), enz.

Is in het midden van Europa het hooggebergte, van hier stroomen daardoor ook de meeste groote rivieren, naar alle zijden: voor den handel — en in 't algemeen voor de toegankelijkheid — is dit van groot belang.

I)oze rivieren konden voorts, dank zij de gunstige vertikale geleding, door kanalen verbonden worden; het Noorden en Zuiden staat op die wijze met elkaar in verbinding.

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 2

ocr page 22

48

§ 13. Klimaat. West-Europa ondervindt den invloed dei-zee, liet heeft een zeeklimaat: koele zomers, zachte winters; Oost-Europa daarentegen, waar de lucht veel droger is, heeft een landklimaat; heete zomers, strenge winters. Midden-Europa vormt den overgang tusschen beide. Zuid-Europa is door hooge gebergten tegen de koude Noordenwinden beschut. De landen aan de Middellandsche zee behooren èn door die beschutting en door de breedte, waarop ze liggen, tot de warmste van Europa: zij liggen in den Sub tropisch en gordel en hebben daardoor winterregens (§ 7). In 't Noorden behoort een klein gedeelte tot het Sub-arctisch gebied.

AVe onderscheiden in Europa dus de volgende gebieden;

1°. Het Atlantische. Zeeklimaat. Regen in alle jaargetijden, vooral echter in den herfst.

2'1. Het Sarmatische. Landklimaat. Regen in het voorjaar en in den zomer.

3°. Het Sub-arctiscke. In 't Noorden.

4°. Het gebied der Middellaudsclie zee. Winterregens.

§ 14. Planten en dieren. AYe kunnen in Europa vier plantengebieden onderscheiden. Het zjjn:

1°. het Arctisch gebied in 't hooge Noorden, waartoe ook IJsland moet gerekend worden. Dit gebied omvat de streken ten N. van de poolgrens van den boomgroei. AVegens den korten duur van den zomer kan hier geen graan worden verbouwd. De toendra's zijn met bladmossen bedekt.

Hier vindt men pelsdieren; aan de kusten zwemvogels, in de zee robben.

Huisdieren zijn de hond en liet rendier.

2°. het Middellandsche zee-gebied omvat de landen langs de Middellandsche zee, waar men de altijd groene gewassen aantreft. Hier vindt men olijven, amandels, vijgen, citroenen, granaten, sinaasappelen, enz. De wijnstok wordt niet alleen op de heuvels, maar ook in de laagte verbouwd. Op enkele plaatsen kweekt men suikerriet en katoen, ja, in 't uiterste Zuiden vindt men zelfs palmen. Tarwe, maïs en rijst zijn de hoofdprodukten. Het gebrek aan regen in den zomer verhindert hier den groei van boomen als de linde, enz., die wel op hooger breedte voorkomen.

ocr page 23

19

Van tie dieren zijn voor Uit gebied karakteristiek: de jakhals, het stekelvarken, de mouflon (wild schaap op Sardinië), enz. Voorts ezels en muilezels.

3°. liet woudgebied omvat de streken tusschen de beide vorige gebieden gelegen, en dus liet grootste deel van Europa, behalve Zuid-Oost-Rusland. In liet eerste gebied hield de koude, in het tweede de droogte den boomgroei tegen. Hier echter vindt men wouden van altijd-groene naald- en zomer-loofboomen. Yooral in het Westen zijn uitmuntende weiden. In 't Zuidelijk deel tiert de wijnstok en bedekt de heuvels. De landbouw neemt een groot deel van dit gebied in beslag: hier vindt men de korenschuren van Europa, bv. Midden-Rusland.

Do oorspronkelijke ilieren — beer, wolf, losch, vos, hert, 't wilde varken, enz. — sterven uit. Veeteelt is in dit gebied oen der hoofdmiddelen van bestaan. Paarden.

i0. het Kaspisch steppengebieil neemt het Zuid-Oosten van Rusland in. De voorjaarsregens doen een weelderigen plantengroei ontstaan (grassen en bolgewassen); door den heeten zomer verwelken de planten echter spoedig en de talrijke kudden vinden slechts hooi in plaats van malsch gras. ïen Xoorden der Kaspische zee vindt men zoutplanten.

ocr page 24

20

§ 15. Dat de plantengroei afhankelijk is van de hoogte bespraken we reeds (§ 7).

i loe de vertikale gordels afhankelijk zijn o. a. van de breedte, waarop het gebergte zich bevindt, blijkt uit vorenstaande figuur.

§ 10. Bevolking. De bevolking van Europa behoort tot twee ,,rassenquot;: het .Middellandsche ras en de Mongolen: het laatste is slechts door enkele niet talrijke volken vertegenwoordigd.

Van het Middellandsche ras bewonen de Germanen X -W.-Europa, de Romanen Z.-Europa, de Slaven O.-Europa. Bovendien behooren de Kelten en de Grieken tot dit ras.

De Germanen zijn meest Protestantsch, do Romanen Eoomsch-Katholiek, de Slaven Grieksch Katholiek.

Het talrijkst zjjn de Germanen (± 106 millioen); dan volgen de Romanen (± 103 millioen) en eindelijk de Slaven ( 99 millioen).

Bovenstaande verdeeling is gegrond op de taal. De drie groote afdeelingen ontmoeten elkaar in het hart van Europa: vandaar dat Zwitserland en Oostenrijk eene zeer gemengde bevolking hebben. De Slaven verdeelt men in X o o r d- en Zuid-Slaven; de laatsten wonen ten Zuiden van den Donau. Het voornaamste volk der Noord-Slaven zijn de Russen; met de Ruthenen (Oost Galicië) vormen zij J van Europa's bevolking. Tot de Zuid-Slaven behooren o. a. de Boelgaren en de Serviërs.

De Mongolen wonen verspreid tusschen de andere volken.

17. Overzicht van de grootte cn de bevolking der Staten van Europa.

Staten. Grootte in KM- Inwoners.

Rusland (met Finland)......5,740,000 116,000,000

Oostenrijk-Honganje (met Bosnië) . . 677,000 43,000,000

Duitschland......... 540,000 52,250,000

Frankrijk.......... 528,000 38,300,000

Spanje........... 504,000 17,200,000

ocr page 25

21

Staten*.

Grootte in KM-

Inwoners.

Zweden........

. . . 450.000

4,900,000

Noorwegen.......

2,000.000

Groot-Brittan je en Ierland .

39,200,000

Italië.........

. . . 286,000

31,000,000

Turkije (zonder Oost-Roem. en

Bosnië) 170,000

5,700,000

Roemenië.......

. . . 130,000

5,400,000

Boelgarije (met ()ost-Roemolië)

. . . 96,000

3,300,000

Portugal.......

. . . 92,000

5,100,000

2,200,000

Servië........

. . . 48.000

2,300,000

Zwitserland......

. . . 41.000

3,000.000

Denemarken 1).....

. . . 38.000

2,300,000

5,000,000

België........

. . . 29.400

6,300,000

Montenegro......

. . . 9.000

240,000

Luxemburg......

. . . 2.600

225,000

Andorra........

. . . 500

5,800

San Marino.......

. . . 60

8,200

Monaco........

... 21

13.300

1) IJsland is 105.000 KM2 en heeft 72.000 inw.

ocr page 26

Duitschland.

(540.000 KM ; 52,250,000 inw.)

§ 18. Duitschland is eenc vereeniging van 22 monarchale staten, 3 stedenrepublieken en liet njksland Elzas-Lotharingen.

De monarchale staten zijn:

vier koninkrijken: Pruisen, Beieren, Saksen, Wurtem-berg.

zes groothertogdommen: Baden, Hessen, ilecklenburg-Schwerin, Mecklenburg-Strelitz, Saksen-Weimar, Oldenburg.

vijf hertogdommen: Brunswijk, Saksen-Meiningen, Sak-sen-Altenburg, Saksen-Coburg-Gotha, Anhalt.

zeven vorstendommen: Schwarzburg-Rudolstadt, Schwarzburg-Sondershausen, Waldeck, Eeuss oudere linie, Heuss jongere linie, Schaumburg-Lippe, Lippe-Detmold.

De stedenrepublieken zijn Ilamburg, Bremen enLubeck.

Het geheele rijk is 540.000 KM - groot en heeft ruim 52 millioen inwoners,

Aan het hoofd van het verbond staat de koning van Pruisen, als zoodanig den titel voerende van keizer van Duitschland.

Ieder land heeft zijn eigen bestuur: ten aanzien van het krijgswezen, de buitenlandsche zaken en het binnenlandsch verkeer maken alle staten één geheel uit. De Rijkswetten worden vastgesteld door den Bondsraad (voorzitter de rijkskanselier en den Rijksdag; de eerste bestaat uit de afgevaardigden der verschillende staten, de laatste uit de vertegenwoordigers van het volk.

5; 19. Van de Alpen daalt de bodem naar de Oost- en de Noordzee. In het Zuiden vinden we een hooggebergte, en daarvoor plateaus; in het midden een uitgestrekt bergland, het

ocr page 27

2;i

Duitsche middelgebergte; in liet Xoorden eene laagvlakte, afgebroken door heuvelruggen en lage plateaus.

De groote rivieren volgen deze helling : de Rijn, de Wezer, de Elbe, de Oder en de Weichsel stroomen Noordwaarts; alleen do Donau heeft eene richting Oost-West.

§ 20. Natuurkundig kunnen we Duitschland in vijf deelen splitsen:

A. In het Zuiden een driehoek, gevormd door de Alpen, de Jura en het Eohemerwoud, en dien we de Reiersche plateaus zullen noemen.

B. Het bekken van Zuid-West-Duitschland, bestaande uit de Bovenrjjnsche laagvlakte, en twee, aan weerszijden daarvan gelegen hoogvlakten : de Z wabisch-F rankische ten Oosten, en de Lotharinger ten Westen.

C. Met Bergland van Midden-Duitschland, dat we kunnen splitsen in het Lei steen plat eau van den Itijn, het Hes-si sche en Wezer-bergland en het door gebergten ingesloten Thuringer bekken.

D. De Noordelijke grensgebergten van liolieinen.

E. Do Noorddnitselie laagvlakte.

A. Do Beiersclie plateaus.

§21. Zooals we reeds opmerkten worden ze ingesloten dooide Alpen, de Jura en het Bohemerwoud.

De Al ga uer, Beiersclie en SaIz burger Alpen liggen juist op de grens. In de laatste vindt men zout.

De Jura wordt door eene kleine vlakte, de Kies, verdeeld in de Zwabische en de Frankische Jura. Vooral de Zwabische Jura, die langzaam naar den Donau, steil naar het Neckardal helt, is onvruchtbaar.

Het Bohemerwond met zijne dunne bevolking heeft eene richting naar 't Z.-O. en bereikt den Donau beneden Passau. Yooral het middelste deel draagt groote bosschen en is zeer toegankelijk. Evenwijdig aan dit gebergte loopt het Beiersclie woud, dat den Donau van Regensburg tot Passau begeleidt. Door het lengtedal tusschen beide gebergten stroomt de Regen. Ten N. van den Grooten Arber, den hoogsten top (4471 M)»

ocr page 28

24

loopt do weg van Bohemen (Pi 1 sen) naar Beieren (Pas van T a ii s s; spoorweg).

Het land, tusschen de genoemde gebergten gelegen, behoort tot het stroomgebied van den Donau. We kunnen het verdee-len in het Do na u-dal, en twee hoogvlakten: een ten Noorden van den Donau, de Hoogvlakte van- den Opper-Palz. en een ten Zuiden, de Zwabisch-Beiersclie hoogvlakte.

Het Donau-dal is in Duitschland ongeveer 80 uren langen 1 a 2 uren breed.

De Donau ontstaat bij Donaueschingen uit twee beken, die op het Zwartewoud ontspringen. Zij is in Duitschland voor de scheepvaart van geringe beteekenis: haar verval is vrij groot en de zijrivieren voeren groote hoeveelheden zand en gruis in de hoofdrivier. Bij Ulm wordt zij bevaarbaar, tot Eegensburg varen schepen van i M. diepgang, ook stoombooten.

Het meeste water van den Opper-Palz verzamelt de Xaali. die het hoogland in de lengte doorsnijdt.

Midden in den Opper-Palz ligt Am berg (ijzer).

De Zwabisch-Beiersclie hoogvlakte is eene hellende vlakte, aan den voet der Alpen 200 M hooger dan bij den Donau, en hier en daar met heuvels bezet. De rivieren (111er, Lech, Is ar. Inn) hebben dan ook een sterk verval, zelfs de Inn is voor de bergvaart onbruikbaar. Een groot deel der vlakte wordt ingenomen door onvruchtbare zandstreken en door moerassen (in Zwaben ried, in Beieren moos = moeras; zie de kaart). Vruchtbare streken vindt men in 't Noord-Oosten : daar is de streek tusschen Ilegensburg en Straubing eene korenschuur des lands.

B. Het Bekken van Zuid-West-Duitselilaud.

§ 22. De Bovenrynsclie laagvlakte, vijftien uren lang, vijf a zes uren breed, wordt in het Oosten door het Zwartewoud, het Xeckar bergland, het Oden woud en den Spessart begrensd, in het Westen door de Vogezen en het Palzer-gebergte. Al deze gebergten zijn steil naar de zijde van de laagvlakte en loopen aan de andere zijde langzaam naar de hoogvlakten af.

ocr page 29

25

Nadat de Rijn door het nauwe dal tussclien de Zwitsersehe Jura en liet Zwarte woud is gestroomd, bereikt liij bij Bazel do Bovennjnsche vlakte, die hjj in de lengte doorloopt. Tot Straatsburg is de strooming snel, terwijl do rivier zich telkens in tal van armen splitst en de oevers moerassig zijn. Het Rhone-Rynkanaiil, dat van Straatsburg door do Bourgondische poort (tusschen Vogezen en Jura) naar Frankrijk loopt, en een' tak naar den Rijn bij Bazel heefr, helpt de schoepvaart, die hier op den Rijn moeilijk is. Een tweede kanaal, dat naar Frankrijk leidt, is het Marue-Rynkiinaal, aangelegd door den Pas van Zabern in de Vogezen.

De laagvlakte is over 't geheel vruchtbaar en goed bebouwd, maar hier en daar komen ook groote zandstreken voor. In de vlakte worden naast koren suikerbieten, vlas, tabak on hop geteeld, de lagere berghellingen zijn met wijngaarden bedekt; vooral de Vogezen en het Zwarte wond zijn rijk aan bosschen.

De Zuiddiiitsche staten.

§ 23. a. Beieren bestaat uit het eigenlijke Beieren on don Rijn pa Iz. Het is 70.000 KM- groot on heeft 5,800.000 inwoners.

Beieren is een landbouwstaat: akkers en tuinen nemen 4'l0/0 van den bodem in beslag; 20% is grasland.

Tn het Alpengebied wordt voornamelijk veeteelt gedreven, vooral in de Algiiu (het Algauer ras is bekend); in de overige deelen der Alpen wordt de bebouwbare bodem twee jaren als gras-, dan twee jaren als bouwgrond gebruikt. In de vlakte heerscht vrij algemeen het drieslagstelsel, waarbij van de drie jaren het land één jaar braak ligt of met klaver bezaaid wordt.

De beste bodem vindt men tusschen Regensburg en Passau, de Beiersche korenstreek. Nergens verbouwt men meer hop; 27000 HA zijn er mee bezet.

In den Palz wordt tabak verbouwd; wijn in den Palz on in bet Maingebied (omstreken van Würzburg en Bamberg).

Hout bezit Beieren nog zeer veel: üO^/o van don bodem is er

ocr page 30

20

mee bedekt. Veel wordt er uitgevoerd. Ook aan mineralen is Beieren niet arm; jammer dat steenkolen ontbreken. In de Alpenstreek vindt men zout (Berchtesgaden, Keichenball, Rosenheim), bij So In hof en lithographische steen.

Do belangrijkste industriesteden zijn: Miinelicn (de hoofdstad, 407.000 inw.), Neurenberg (1()2.000 inw.), Augsburg (81.000 inw.) en Ludwigshafen (33,000 inw.).

Beroemd zjjn do bierbrouwerijen: G700 brouwerijen produ-ceeren jaarlijks 15 millioen HL bier. München levert metaalwaren en leder, Augsburg bezit katoenspinnerijen, Ludwigshafen is do eerste stad der wereld voor aniline verven. De eerste fabrieksstad is echter Neurenberg. Sedert eeuwen worden de Xeurenberger waren over de geheele wereld verspreid. Naast don „Xeurenberger Tandquot; (kinderspeelgoed, brilieglazen, glas-paarlen, kleine horloges, enz.) levert de stad potlooden (fabriek „Faberquot;), sigaren, glas, leder, papier, machines, muziekinstrumenten, goud- en zilverwerken, enz. Het nabijgelegen Fürth levert dezelfde waren.

Wat de handel betreft, deze is in de eerste plaats transitohandel: Beieren brengt Middel-Rijn en JVIidden-Donau met elkaar in verbinding. Als handelsplaatsen moeten vooral genoemd worden: Augsburg (handel met Italië, wolhandel), Neurenberg (hophandel), Munchen, Lindau; zij zijn tevens belangrijke middelpunten van spoorwegen.

^ 24. b. Wurtcmberg, 49.500 KM2, 2,080.000 inw.

Wurtembérg bestaat uit het Neckargebied, de Zwabische Jura en liet AVeste lijk deel van de Zwabisch-Beiersche hoogvlakte.

31% van de oppervlakte is met woud bezet. Het meeste hout komt in het Schwarzwald voor, vooral de dennen nemen groote streken in. Aan de snelstroomende riviertjes bewerken tal van houtzagerijen het hout. Naar de dalen van Neckar en Donau komen meer loofboomen voor (roode beuken).

Veeteelt wordt in het Neckar-gebied en op de Zwabische hoogvlakte met goed gevolg gedreven; op de onvruchtbare Zwabische Jura is schapenfokkerij een hoofdmiddel van bestaan.

Van do korensoorten worden vooral tarwe, spelt en rogge

ocr page 31

'27

verbouwd; de laatste veel op de hoogvlakten ten O. van den Xeckar. Overal verbouwt men veel aardappelen. Ten behoeve der bierbrouwerijen wordt in de streken bij den Donau gerst verbouwd. In Zwaben verbouwt men veel hop, in de omgeving van Stuttgart suikerbieten. Wijn levert het Neckardal en het Tauber-gebied (Tauber, ecne linker-zijrivier van den Main).

Wurtemberg is buitengewoon rijk aan ooftboomen; vooral in het Neckardal zijn de dorpen door boomgaarden omgeven; men berekent dat hier 16 a 20,000 ooftboomen op den KM- komen. Veel vruchten worden uitgevoerd; nog meer worden er in tal van fabrieken tot wijn verwerkt.

Aan steenkolen en ertsen is Wurtemberg arm; maar talrijk zjjn de steengroeven (zandsteen). De industrie is zeer verbreid. Zij begon zich te ontwikkelen na de Napoleontische oorlogen, doch eerst de in 1845 begonnen spoorwegbouw, die den aanvoer van steenkolen mogelijk maakte, deed handel en industrie eene hooge vlucht nemen.

Tot de belangrijkste handels- en industrieplaatsen behooren: Stuttgart (158.000 inw.), de hoofdstad, het middelpunt van het spoorwegnet, belangrijke plaats voor den Zuidduitschen boekhandel, veelsoortige nijverheid (machine-, linnen-, pianofabrie-ken, enz.).

Heilbronn, de voornaamste handels- en fabrieksstad (papier-, suiker-, zeepfabr., enz.)

Bij L'lm (vesting) begint de scheepvaart op den Donau; houthandel. Toch varen van hier slechts enkele schepen: het aantal houtvlotten is echter groot (in 1892 1900 vlotten, waarvan 1600 den Iller afkwamen).

Esslingen, metaalwaren, tricotstoffen.

Aaien, metaalwaren.

In het Schwarzwald is de huisindustrie zeer verbreid: vlechtwerk uit stroo, basten, e. d., houtsnijwerk, vervaardiging van klokken en muziekinstrumenten (draaiorgels). Oberndorf levert geweren (fabriek Mauser).

§ 25. e. Baden, 15.000 KM-, 1,725.000 inw.

In het Schwarzwald vindt men uitgestrekte bosschen, vooral

ocr page 32

28

dennen, on in de lagere deelon beuken, olmen, essehen, ahornen en eiken. Houtcultuur en houthandel zijn hier belangrijke middelen van bestaan; daarnaast moet de zoogenaamde Schwarzwald-industrie genoemd worden: uurwerken (de vervaardiging houdt meer dan 13.000 personen bezig), snijwerk, muziekinstrumenten, enz. De veeteelt op de bergweiden en in de, meest nauwe, dalen is niet onbelangrijk, aan landbouw kan weinig gedaan worden.

In de Noordelijke lager bergstreken en plateaus wordt landbouw uitgeoefend; in de dalen wordt veel wijn verbouwd, vooral in het Xeckar- en Taubergebied.

De lijjuvlakte is het vruchtbaarste en bestbebouwde deel. Naast koren (vooral maïs, gerst en spelt) worden suikerbieten, tabak, vlas, hennep, cichorei en groenten verbouwd.

Baden bezit, evenals Wurtemberg, eene veelsoortige nijverheid. Met de bovengenoemde produkten staan in verband de suikerfabrieken van Mannheim, de vele cichoreibranderijen eu de talrijke sigaren- en tabaksfabrieken, — de linnenfabrieken van Offenburg, enz. Metaalf'abrieken bezitten Mannheim en Karlsruhe. Pforzheim is door zijne goud- en zilverwerken bekend.

Aan delfstoffen is Baden niet rijk. De minerale bronnen deden badplaatsen ontstaan (Baden-Baden).

De voornaamste handelsplaats voor Zuid-AVest-Duitschland is Maiiulicim (80,000 inw.). waar de Rijn de Neckar opneemt, zijne stroomsnelheid vermindert en waar dientengevolge de geregelde stoombootvaart begint. Mannheim met zijne groote Rijnhaven, waarin jaarlijks duizenden schepen in- en uitloopen, is eene hoofdmarkt voor koren, hout, hop, tabak, petroleum en kolen. In de tweede plaats moeten als belangrijk voor den handel genoemd worden: Constanz (levendig verkeer op het meer) en Karlsruhe (76.000 inw.).

Freiburg ligt in Breisgau, dicht bij de wijnnjke Keizers-stoel, Heidelberg (32.000 inw.) is eene bekende universiteitsstad.

§ 20. (1. Elzas- lotluirijigen, d4.5C0 KM2, 1.640.000 inw.

ocr page 33

igt;!)

We kunnen in liet rijksland drie dealen onderscheiden: 1. tie hoogvlakte, 2. de Vogezen, de Rijnvlakte.

De hoogvlakte is eene heuvelige streek met weiden, moerassen en venen, en doorsneden door diepe dalen. Over 't geheel vindt men op de hoogere doelen een weinig vruchtbaren grond.

De rivierdalen zijn echter vrij breed en vruchtbaar.

De Yogezen zijn rijk aan hout: op de lagere hellingen eiken.

beuken en kastanjes, op de hoogere naald boomen; de hoogste toppen zijn slechts met gras en mos begroeid. In de nauwe diepe dalen vindt men goede weiden.

De Rijnvlakte bestaat onmiddellijk aan den Rjjn en vooral bij de mondingen der zijrivieren uit zand en grint, armelijk begroeid. Het grootste deel bestaat echter uit vruchtbare löss: daar gedijt het koren (ook maïs) voortreffelijk, daar verbouwt men tabak, hop, vlas, ooft (noten), enz. Op de zonnige hellingen der lagere bergen is de wijncultuur van veel beteekenis.

ocr page 34

30

De veeteelt is nergens van groot belang; te Hüningen vindt men kunstmatige visohteelt (zalmen).

In de Yog'ezen vindt men ijzer, in het Saarbeeken steenkolen, in Lotharingen zout.

Van de fabrieken moeten in de eerste plaats de katoen- en metaalfabrieken genoemd worden. De eerste vindt men vooral in den Boven-EIzas, het middelpunt is Miihlliauscn (76.000 inw.). Ook de metaalindustrie heeft hier haren hoofdzetel; vooral machines worden vervaardigd.

Als handelsplaats verdient vooral Straatsburg (106.000 inw.). vermelding, een gewichtig spoorwegmiddelpunt, met markten voor wijn, koren en hop, en vele fabrieken (sigaren, staalwaren, enz.). Van minder belang zijn: Ivo lm ar. Mar kir oh (katoen-, wol- en zijdeïndustrie, zoogenaamde „Markircher warenquot;).

M e t z (60.000 inw.) is eene sterke vesting.

T)e Elzas heeft belangrijke waterwegen in de vroeger reeds genoemde kanalen : het Marne-R ijnkanaal door den Pas van Zabern, dat het Seine-stelsel niet den Rijn verbindt (over den pas loopt ook de spoorweg Straatsburg—Parijs), en het Rh öne-Rij nkanaai door de Bourgondische poort, met een' -tak naar Hüningen bij Bazel. De 111 wordt bevaarbaar bij Kolmar, de Moezel ten N. van Nancy. Wat de rechter-zijrivieren van den Rijn betreft, de Neck ar wordt door stoombooten bevaren tot Heilbronn, door kleine schepen tot Kannstadt. Vlotterij begint echter reeds bij Rottweil, niet ver van den oorsprong. De zijrivieren van den Neckar zijn niet bevaarbaar, maar worden voor het vervoer van hout gebruikt. Dit is ook het geval met de Kinzig. De Rijn stroomt tot Mannheim, maar vooral tot Straatsburg snel: opwaarts varen de schepen dan ook niet verder dan tot Kehl bij Straatsburg, de groote niet verder dan tot Mannheim, gelijk wij reeds opmerkten. De beroemde Schwarzwaldbaan, die door het Kinzigdal loopt, verbindt Straatsburg met Neckar en Donau.

§ 27. e. Hessen. 7700 KM-, 4.040.000 inw.

Hessen bestaat uit twee deelen: een Noordelijk deel, dat den Vogelsberg en de Wetterau omvat, en een Zuidelijk deel, dat zijne Noordgrens vindt in Rijn en Main.

Onmiddellijk aan den Rijn liggen zandige streken, maar ove-gens is de Rijnvlakte met een zandigen leemgrond bedekt, waar veel tarwe verbouwd wordt. Aan den voet van het Odenwoud strekt zich de Bergstrasse uit, beroemd door ooft en wijn.

ocr page 35

31

Links van den Eijn zijn Bin gen en Worms middelpunten van den wijnbouw. In het Oden woud is de veeteelt van belang. Odenwoud en Vogelsberg zijn rijk aan woud; het meest komen loofboomen voor.

De grootste stad, tevens de voornaamste handelsplaats, is Mainz (77.000 inw., sterke vesting), met verschillende fabrieken (leder), handel in koren, wijn, hout, enz.; belangrijk spoorwegmiddelpunt. Darmstadt (64.000 inw.) heeft chemische fabrieken en fabrieken voor machines.

C. Het Bergland van Midden-Duitschland.

ij '28. liet Leisteenplateau van den lïijn wordt in zijne geheele breedte door den Rijn doorbroken, die het in een Oostelijk en Westelijk deel verdeelt. De zijrivieren van den Rijn, Moezel, Lahn en Sieg hebben het door hare diepe dalen iu eenige deelen gesplitst: Hunsrück, ïaunus. Ei fel. Wester woud, Sauerland.

De Hunsrück wordt door het diepe Nahe-dal van het Palzer bergland gescheiden; hij is ruw en onvruchtbaar, maar draagt uitgestrekte wouden.

De ïaunus is met vrij dichte eikenbosschen bezet. De vrij steile Zuidelijke helling is met wijngaarden overdekt; hier wassen beroemde wijnen: J o h a n n e s b e r g e r, Riidesheime r. De Noordelijke helling draagt korenvelden. Aan den voet ligt de badplaats Wiesbaden (65,000 inw.).

Ook Rijn- en Moezeldal leveren veel wijn (zie het kaartje op bl. 29).

De Eifel is eene ruwe, dorre hoogvlakte; bij de Belgische grens ligt het Hohc Venn, een woudloos gebied, met heide en veen bedekt. Alleen de dalen der talrijke riviertjes zijn lieflijk: zoo het Ahrdal met zijne wijnbergen.

Het Westerwoud is ook een vrij ruw bergland; in den Noord-westelijken hoek ligt het kleine, veelbezochte Zevengebergte. Het Sauerland komt over 't geheel met den Eifel overeen. Den Noordrand vormt de Haarstrang; in het Oosten verheft zich het

ocr page 36

32

Ilothaar-gebergte; in het Westen bereikt het den Rijn niet. Twee rivieren loopen er door: Eulir en Wupper.

He gonoomdo rivieren zijn Ijijna allo goed bevaarbaar. De R ij n is van Bingen at' 2 M diep, van Keulen af 3 M. Be Lalin wordt bij liimburg iievaarbaar, do Rnhr bij den Lennemond, de Lippe is bijna geheel bevaarbaar, evenals de Moezel.

Waar de Moezel in den Jiijn valt ligt Coblenz (33.000 inw.), de stapelplaats der Moezelwijnen. Hooger op aan den Moezel: ï r i e r.

Aan den Noordrand van den Eifel; Aken (120.000 inw.; badplaats; lakenfabrieken).

Hut Uulir-gebied met zijne steenkolen en ijzer is de dichtstbevolkte streek van geheel Duitschland. Daar liggen: Rubrort (steenkolen, ook naar Nederland), Duisburg (60.000 inw.). Essen (80.000 inw.; gietstaalfabrieken; kanonnengietenjen van Krupp), Boclium (50.000 inw.), Dortmund (111.000 inw.; ijzer, bier).

Aan of bij de kleine Wapper: de tweelingstad Elberfeld-Harincn, eene huizenmassa van 3 uren lengte (260.000 inw.; zijde-, wol- en katoenfabrieken), Solingen, het „Duitsche Sheffieldquot;, en Rem scheid (ijzerwaren).

I[et Hessische bergland bestaat uit den Rbön en den Vo-gelsberg, beide woudrijk.

Jlet Wezer-bergland is eene aaneenschakeling van bergruggen, berggroepen, heuvellandschappen en hoogvlakten. Naar het Westen wordt bet afgesloten door het boschrijke ïeuto-burgerwoud, naar het Noorden door het Wezer-gebergte.

i)e rivieren van dit bergland zijn de Werra en de Fulda, die zicli bij Münden tot Wezer vereenigen. Deze is slechts bevaarbaar voor schepen, die hoogstens 1 M diepgang hebben.

Het ïliuringcr bekken wordt in 't Z. en Z.-W. begrensd door Fichtelgeb., Frankenwoud en Thuringerwoud, in 't N. door den Ilarz.

Thuringer- en Frankenwoud zijn boschrijk; in het eerste vindt men loof-, in het laatste dennenboomen.

De Ilarz is een vrijwel afzonderljjk staande bergklomp, die

ocr page 37

in den Broeken eene hoogte van 1140 M bereikt. Het Westelijk deel is woest en met dennenbosschen en moerassen bedekt; het lager Oostelijk deel heeft liefelijke dalen en lommerrijke ben-kenbosschen.

Het grootste deel van het water van het Thuringer bekken wordt opgenomen door de Unstrut, die in de Saaie valt.

I Tot Thuringer heuvelland is een der liefelijkste en geze-gendste streken van Duitschland.

D. De Noonlelyke grensgebergten van Bolienien.

§ 29. Op de Noordwestelijke grens van Bohemen verheft zicli het Ertsgebergte tot meer dan 1200 M. Steil daalt liet naar liet Zuiden, naar het Egerdal, langzaam helt het naar liet Noorden. In die Noordelijke helling hebben tal van rivieren diepe dalen uitgeslepen, o. a. do Freiberger en Zwickauer Mulde, die zich tot de Mulde vereenigen. Xaar het Noorden gaat het in het Saksische heuvelland over. In liet Oosten sluit het aan bij liet Elbe-zandsteen-gebergte met zijne zonderling gevormde, afzonderlijk staande tafelbergen. Do Elbe doorbreekt het in een schoon dal. Het Lausitser gebergte vormt de verbinding met de Sudeten, die zich in het Reuzengebergte tot IfiOO (de Schneekoppe) verheffen; in het midden ligt de Gla tzer-bergketeL

Aan de Oostzijde ontspringt de Elbe, aan de Westzijde Neisse en Bober.

E. De Noorddnitsclie laagvlakte.

§ 30. a. De kusten der Oostzee. Voor de kust liggen de eilanden Alsen, Eehmarn, Kugen, Usedom en Wollin.

De Oostzeekust is over 't algemeen vrij vlak, de zee er voor ondiep (zie op de kaart de '20 vademlijn, die ver van do kust loopt). Hier en daar liggen zandbanken voor de kust. De grootere havens vinden we alleen daar, waar bevaarbare rivieren in zee loopen. Zoo bezit de Pommersche kust ten Oosten van Wollin, meer dan vijftig uren lang, slechts een paar kleine havens: eene drievoudige rij zandbanken ligt evenwijdig aan

Tf.n Have, Ilaiiilels-Aanlnjkskmulo. 3

ocr page 38

34

de kustlijn; vooral hot Oostelijk deel, de zoogenaamde Masoe-rische wal, is berucht.

In Sleeswijk-Holstein treden de plateaus onmiddellijk aan de Oostzee; daar is de kust steil, hoewel niet hoog. Talrijke zeearmen dringen diep in het land; aan het einde ervan liggen havenplaatsen; Flensburg, Sleeswijk. Kiel. Van de haven van Kiel (86.000 inw.) loopt een voor groote schepen te bevaren kanaal naar Brunsbüttel aan den mond der Elbe: het Keizer Wilhelmskanaal.

Hot kanaal, dat bij Hol ten au, aan de Kieler haven, begint, is in 1895 geopend; van 1 Juli '95 tot 1 Juli '96 passeerden het 16834: schepen, waaronder 7531 stoombooten. Het is 100 KM lang, G5 M breed en 9 M diep.

Thans graaft men een kanaal dat de Elbe met de Trave (en dus met Lubeck) verbindt.

Kiel is eene oorlogshaven; scheepsbouw.

Het overige deel van de Oostzeekust is meest vlak; slechts hier en daar treden de merenplateaus aan zee. Vier groote bochten kan men onderscheiden: de Mecklenburgsche, Pommersche, Danziger en Koerische. Van de eerste is de Lu beek er bocht het quot;Westelijk deel; hieraan ligt Lu beek (65.000 inw.).

Tegenover Rugen ligt Stralsund.

Dan volgt het Stettiner haff. Een haff is een strandmeer, waarin rivierwater vloeit en dat door een of meer smalle „diepenquot; met de zee in verbinding staat.

Bij het Stettiner haff wordt die verbinding door 3 „diepenquot; tot stand gebracht: Poene, Swine en Dievenow. Het Oostelijke is ondiep.

In het Stettiner haff stroomt Je Oder bij wier mond Stettin ligt, de belangrijke uitvoerplaats van een groot deel van het Oder-gebied. Voorhaven is het versterkte Swinemünde (aan?)

De Pommersche kust met hare vele strandmeren is op vele plaatsen moerassig (ganzenteelt).

Aan de • kust van West- en Oost-Pruisen kan men vier deelen onderscheiden: de Weichseklelta, het Prische haff, Samland, het Koerische haff.

ocr page 39

35

Do quot;NVeichseldelta is een driehoekig stuk laagland, tus-schen de plateaus ingeschoven.

Oorspronkelijk eene moerassige, ongezonde vlakte, werd z'j in do Middeleeuwen met hulp van Hollanders (die er zich in grooten getale vestigden) bedijkt en drooggelegd. In het voorjaar, als het ijs op de bovenrivier reeds smelt, msar bij den mond (die zooveel Noordelijker ligt) nog vast zit, is het gevaar voor overstrooming groot (overstrooming van ISSSl)

De uit- en invoerplaats van liet Weichselgebied is Danzig (120.000 inw.), Pruisen's tweede zeehandelsstad. Voorhaven is Keufahrwasser. Uitvoer van graan en hout, uit liet Weichselgebied aangevoerd. Dan is Xeufahrwasser de stapelplaats en de uit veerhaven van de in de prov. Posen, West- en Oost-Pruisen gefabriceerde beetwortelsuiker.

Het Frische haff wordt door de Xogat, een' arm van de Weichsel en de Pr eg el gevoed. De Frische neb rung is 00 KM lang en met duinen bezet. Aan de Pregel ligt Koningsbergen, nog voor vrij groote zeeschepen te bereiken (160.000 inw.; uitvoer van koren, hout, vlas en hennep; wolmarkt).

Do quot;Westkust van Sam land is de bekende barnsteenkust. Barnsteen wordt vooral uit het zeezand gezocht (duikers, baggermachines).

Het Koerische haff is grooter dan bet Frische en dieper. Het wordt door den Memel (met zijne uitgestrekte, moerassige delta) gevoed. Aan de verbinding met de zee ligt Memel (uitvoer; hout — voor 13 mill. Mark per jaar — vlas, lijnzaad, haver, rogge; invoer: kolen, meststoffen).

.§ 31. 1). De Mercnplateaus. We merkten reeds op, dat ze de kust der Oostzee begeleiden. Behalve in Slees wij k-Holstein is de richting Oost-West. De Weichsel en de Oder doorbreken de rij in vrij smalle, schoone dalen.

Over 't geheel zijn deze plateaus niet vruchtbaar; zandige en steenachtige streken, veeltijds met heide bedekt, wisselen af met bosschen. Zij zijn bezaaid met een groot aantal meertjes, behalve in Sleeswijk. Uit Sleeswjjk-Holstein loopt het plateau onmiddellijk langs de Oostzee: daar is het met eene vruchtbare leem-

ocr page 40

36

laag bedekt, en clan ook zeer goed bebouwd (tarwe, haver; — beukenwouden).

§ 32. c. Het Centrale laagland. Dit is de langgerekte vlakte tusschen de merenplateaus en den binnensten heuvelrug. Dooide verschillende richting van deze hoogten wordt de vlakte naar het Westen smaller.

Door de vlakte stroomen :

het benedendeel der Elbe (van het punt, waar zij opneemt:)

de llavel niet hare linker-zijrivier de Spree.

de Oder met hare zijrivier de War the (met de X e t z e).

de Weichsel.

Do Bcneden-Ellje, gedeelten van Havel en Spreo en de Oder boven Frankfort vormen als 't ware één geheel. Ga dit eens op do kaart na!

Deze wateren zijn onderling door kanalen verbonden, zoodat scheepvaartwegen van het Oosten naar liet Westen gevormd worden : Havel en Oder door het Pi now kanaal, Spree en Oder door het Friedrich Wilhelmskanaal, Ketze en Weichsel door het Bromberger kanaal.

Groote streken zijn moerassen; vele begeleiden den Zuidvoet der merenplateaus : zoo vindt men ze langs de Xetze, do beneden-Wartlie en de Oder. (Net ze-. War the- en Oderbruch; het laatste is grootendeels drooggelegd en in eene vruchtbare streek veranderd; bruch = ons broekland). Ook het middelste deel is moerassig (de Have lm oer as sen, hot Spreewald.)

Vruchtbare en onvruchtbare streken wisselen in de centrale vlakte af. Langs de Elbe liggen vele vruchtbare stroken, en tot ver boven Hamburg zijn de oevers vette klei. Maar vooral ook in Brandenburg liggen onvruchtbare zandstreken.

Het Warthe-gebied is over 't geheel vrij vruchtbaar; het levert tarwe, hop en suikerbieten op. In de zandstreken worden rogge en aardappelen verbouwd.

In het midden der vlakte, waar thans verschillende hoofdwegen samenkomen, ligt de hoofdstad van het keizerrijk en van Pruisen: Bcrlyn. Euim eene eeuw geleden had de stad 100.000 inwoners, thans 1,800.000; zij is een middelpunt van spoorwegen; honderden fabrieken maken haar tot eene der eerste

ocr page 41

fabriekssteden des rijks (machines); hoofdmarkt voor koren en wol. Als 't ware één met Berlijn is Charlottejiburg (132.000 inw.). Aan de Ha vel ligt Potsdam (54.000 inw.)

Aan de Oder: Frankfort (56.000 inw., sterke vesting), Küstrin (sterke vesting).

Aan do Warthe : Posen (70.000 inw., sterke vesting). Bromborg (41.000 inw.), aan liet Bromberger kanaal, handelt in koren en hout.

§ 33. lt;1. De Silezische vlakte is het breede dal van de Oder, aan de Westzijde begrensd door dc Sudeten, aan de Oostzjjde door een' heuvelrug, die in het Zuiden aansluit aan het T a r-nowitzer plateau, een deel van het Silezisch-Poolsch plateau. In het Zuiden staat do Silezische vlakte door de Moravische poort met het Donaugebied in verbinding.

liet Tarnowitzer plateau is rijk aan steenkolen, ijzer, zink on lood, er wordt meer zink gevonden dan op eenige plek der aarde. Vooral in de laatste jaren bloeit deze streek door mijnbouw en fabrieken en is eene der belangrijkste en dichtstbevolkte van Duitschland. Königshütte en Beu then wiesen in korten tijd van kleine dorpjes tot steden met 37.000 inw.; Gleiwitz lt;20.000 inw.).

Door het midden der vlakte stroomt de Oder, links en rechts zijrivieren ontvangende.

De vlakte is over 't geheel vruchtbaar; zij levert beetwortels, vlas, cichorei, koren, enz.; in do onvruchtbare stroken houdt men schapen. In het centrum ligt de hoofdstad der provincie : Itreslau (335.000 inw.), belangrijk als handels- en fabrieksstad (beetwortelsuiker, machines; wolmarkt).

§ 34. e. De Binnenste heuvelrug wordt gevormd door de Luneburger heide en de F1 iiming.

Do eerste is eene aaneenschakeling van zandige hoogten, onvruchtbaar en weinig bewoond. Zo vormt do waterscheiding tusschon de stroomgebieden van quot;Wezer en Elbe.

Door dc heide is do bijenteelt van belangquot; en evenzeer de schapenfokkerij (een zwartbruin, klein schapenras, dc Heidschnucken, is hier en in geheel Noord-West-Duitschland zeer verbreid).

ocr page 42

38

De Flaming is eene lage, breede, onvruchtbare rug.

§ 35. f. Het Bekken van Leipzig.

Midden door het bekken stroomen de Elbe en hare zijrivier de Mulde.

Het bekken is grootendeels goed bebouwd en vruchtbaar. Overal ziet men aardappel- en korenvelden. Ook de schapenfokkerij is van veel beteekenis (doch gaat achteruit); eene voorname wolmarkt is Leipzig (335.000 inw.). Deze stad heeft nog steeds belangrijke missen; eerste markt der wereld voor pelswerk ; middelpunt van den boekhandel.

§ 36. g. Kust der Noordzee. De kust der Noordzee komt met die van onze provinciën Groningen en Friesland overeen. De kuststreken zijn vruchtbare kleigronden (marschen), die zich langs de rivieren tot ver in het binnenland uitstrekken. Langs de zee en de rivieren liggen zware dijken en de ge-heele streek vertoont het karakter van onze k 1 e i p o 1 d e r s. Buiten de dijken liggen de kwelders en slikken en dan volgen de Wadden en de Wadden-eilanden. De laatste onderscheidt men in Oostfriesche en Noordfriesche. Tusschen beide in ligt Helgoland.

Behalve Helgoland, dat een rotsstuk is, zijn deze eilanden laag en meest met duinen bezet: de voortzetting der Xeder-landsche duinenrij.

Op de grens met Nederland ligt de breede Eemsmond, waarin de rivier de Eems uitloopt.

Dan volgen de Jahde-boezem (waaraan de Pruisische vesting Wi 1 h e I m s h a v e n) en de m o n d van den We z e r. Aan den laatsten liggen Brem er haven en Geestemünde, voorhavens van Bremen.

Aan den breeden mond van de Elbe ligt Cuxhaven, de voorhaven van Hamburg.

Tegenover Hamburg ligt Har burg.

§ 37. li. Het Westduitsche laagland, met de bekkens van Munster en van den Neder-Iiijn.

De W e z e r en de Eems zijn de hoofdrivieren dezer vlakte.

ocr page 43

39

Links stroomt de Wezer de Hun te toe, rechts de Aller, die de Ocker en Leine opneemt.

Het Oostpunt der vlakte is Maagdenburg.

Maagdenburg (215.000 inw.) ligt daar, waar de Elbe zich naar het Xoorden wendt en tusschen de Luneburger heide en de Flaming doorloopt. Het is eene sterke vesting; de belangrijkste voorsteden bezitten groote fabrieken, vooral van suiker (in de vruchtbare omstreken worden veel beetwortels verbouwd).

Bijna de geheele vlakte (do kuststreken uitgezonderd) bestaat uit zand- en veenstreken.

Aan de Zuidgrens, voor den Xoordvoet van het bergland van Midden-Duitschland, liggen vruchtbare leemlagen: daar ontstonden Hannover (210.000 inw.; fabrieksstad) en Brunswyk (100.000 inw.; groenten, fabrieken).

Aan de Hunte: Oldenburg (26.000 inw.; paardenmarkten).

Het Bekken van Munster heeft ook uitgestrekte zandvlakten en bovendien groote dennenbosschen.

De Eems (die op de Zuidelijke helling van het Teutoburger-woud ontspringt) en de Lippe stroomen er door.

Het middelpunt van Munsterland is Munster (50.000 inw.).

Het laagland aan den Jtijn is wel vruchtbaarder dan Munsterland, maar bezit toch ook dorre streken. Hoofdmiddelen van bestaan zijn hier de industrie (die zich door de nabijgelegen kolenbekkens tot eene groote hoogte kon verheffen) en do scheepvaart op den Rijn.

Aan den Eijn liggen: Bonn (40.000 inw.), Keulen (322.000 inw.; middelpunt van de scheepvaart op den Eijn en middelpunt van spoorwegen, zijdefabrieken, dom), Dusseldorf (150.000 inw.; zijdefabrieken), We zei, Emmerik.

Links van den Rijn: Krefold (107.000 inw., zijde en fluweel, het „Duitsche Lyonquot;), Gladbacli (21,000 inw., katoen, het „Duitsche Manchesterquot;).

In Kleef (10.000 inw.) verblijven 's zomers vele vreemdelingen.

ocr page 44

40

Pruisen.

§ 38. Het koninkrijk Pruisen omvat bijna do geheele laagvlakte en het leisteenplateau aan den Rijn. Het wordt in twaalf provinciën verdeeld : Oost-Pruisen, West-Pruisen, Brandenburg. Pommeren, Posen, Silezië, Saksen, Sleeswijk-Holstein, Hannover, Westfalen, Hessen-Xassau en de Rijnprovincie.

Daar we de grondsgesteldheid, de produkten en de plaatsen reeds in de vorige § § behandelden, zullen we hier nog slechts enkele opmerkingen maken.

O o s t-P ruisen wordt voor een groot deel door uitgestrekte heidevelden en dennenbosschen ingenomen. Vrij vruchtbaar is de bodem langs de zee en in de rivierbekkens. Landbouw en veeteelt (paardenfokkerij) zijn hoofdbronnen van bestaan: koren en hout worden door de Oostzee-havens uitgevoerd; Trakehnen heeft beroemde paardenstoeterjj. Havens: Koningsbergen en Memel.

W c s t-1' ruisen is weliswaar iets vruchtbaarder, doch buiten het Weichselgebied vindt men ook hier slechts schrale vlakten. Hoofdhaven : Danzig met Xeufahrwasser (veel hout wordt ook uit Galicië en Polen aangevoerd).

Posen is het stroomgebied van de Midden-Warthe en van de Xetze. De provincie is over 't geheel vlak en vrij vruchtbaar; landbouw (tarwe) en veeteelt (schapen) zijn dc hoofdmiddelen van bestaan. De helft der bevolking bestaat uit Polen; in de steden wonen vele Israëlieten, soms maken zij i der bevolking uit en hebben dikwijls den handel in handen. De hoofdstad Posen, waar de sporen samenkomen, is het centrum van den handel.

Silezië. Het Oderdal is vruchtbaar; hier verbouwt men beetwortels, vlas en cichorei. De beetwortels, die vooral in den vierhoek Breslau—Liegnitz—Schweidnitz — Brieg verbouwd worden, gaven het aanzijn aan tal van suikerfabrieken. Middelpunt van handel en verkeer is Breslau, in het centrum des lands gelegen. Langs het gebergte liggen tal van nijvere plaatsen:

ocr page 45

41

Hirscliberg (linnen), Waldenburg (middelpunt van het Beneden-Silezische steenkoolbekken), enz. Ten Oosten van de Oder liggen nog groote wouden, waarop de houthandel van Breslau berust. In het Zuid-Oosten ligt het kolen- en ertsgebied van het Tar-nowitzer plateau. In het Koorden liggen Glogau (suiker), Gör-litz (wol en linnen).

1'om meren is in het Westen vruchtbaarder dan in het Oosten, waar het merenplateau uitgestrekte heiden en bosschen bezit. Langs de kusten liggen tal van plaatsen, die in den zeehandel en de visschenj een bestaan vinden: Stralsund, Greifswald, Kolberg. ()p het plateau vindt men veel schapen; vooral bij ue kust ganzen. Hoofdhaven is Stettin.

Brandenburg is bijna geheel vlak: in 't Koorden behoort nog een deel dor merenplateaus er toe, in 't Zuiden een deel der Flaming. Yele streken zijn zandig, andere moerassig (iia-velland); vooral het Koord-Oosten is echter vruchtbaar (l eker-mark, Oder- en Warthebruch). Brandenburg bezit veel industrie, vooral in de Neder-Lausitz (wol te Kottbus en Guben). De oude Hanzestad Frankfort is nog steeds door zijn' handel van belang. In het midden der provincie ligt Berlijn, met Charlottenburg. In het Oosten en Noorden der stad vindt men do fabrieken (Moabit): vervaardiging van machines, metaal- en blikwaren, meubels, gouden, zilveren en bronzen artikelen, lederwaren, enz. Voor wol is Berlijn een der wereldmarkten; ook voor spiritus en koren is het eene hoofdmarkt. In de nabijheid Spandau, Potsdam (textielindustrie), Brandenburg. Ten X.-O. Xeustadt-Elberswalde, dat ijzer- en staalwaren levert en bekend is door zijne akademie voor houtvesters.

Saksen. Evenals Brandenburg bezit ook Saksen onvruchtbare streken (Eichsfeld) naast vruchtbare (ten O. van den Harz, Goldene Aue). Maagdenburg (met de vette Maagdenburger Börde langs de Elbe) bezit veel suikerfabrieken (in de omgeving verbouw van beetwortels). Stassfurt en Schonebeck hebben hun belang aan de zoutlagen te danken. Dicht bij den Harz liggen Halberstadt, Quedlinburg (groote tuinen: handel in bloemen en zaden) en Nbrdhausen. Halle, aan de Saaie, heeft zich als

ocr page 46

42

„zoutstadquot; beroemd gemaakt; tal van fabrieken, o. a. voor chemicaliën. Erfurt is wereldberoemd om zijn' tuinbouw. Tot Saksen behoort het kleine district ten Zuiden van het Thuringer-woud, met Suhl (wapenfabrieken).

Hannover is voor een groot deel onvruchtbaar: in het X.-(). de Luneburger heide. Langs de kust en langs de Elbe liggen do rijke marschgronden. Aan de Eems liggen Papenburg, Leer en Emden, handelshavens. Osnabrück heeft linnenfabrieken. Ook de hoofdstad Hannover bezit fabrieken; overigens vindt men in deze provincie weinig nijverheid, behalve in den Harz (Klaus-thal, Goslar).

Sleeswijk-Holstein. De kusten zijn vruchtbaar (landbouw en veeteelt), de schralere geestgronden in 't midden dun bevolkt. Het zwaartepunt der provincie ligt in de Ooststreek; daar liggen ook de belangrijkste havens: Flensburg, Sleeswijk, Kiel. In 't Westen liggen de kleinere zeeplaatsen Toning, Husum (uitvoer van vee, enz.). Altona is met Hamburg versmolten (zie aldaar).

West falen. Het grootste deel dezer provincie wordt ingenomen door het Bekken van Munster; het Zuidelijk deel is liet Sauerland.

Munsterland bestaat voor een groot deel uit heidevelden, en bezit in do uitgestrekte mastbosschen een materiaal, dat sedert den aanleg der spoorwegen naar alle zijden vervoerd wordt, ook naar ^Nederland. Hot middelpunt is Munster. Ten X. van het Teutoburgerwoud Bielefeld met linnenfabrieken.

Eene scherpe tegenstelling met het dun bevolkte Munsterland vormt de industriestreek in 't Zuiden. De aanwezigheid van kolen en ijzer deed hier in eenige jaren kleine dorpen van geene beteekenis tot bloeiende steden groeien. De voornaamste plaats is Dortmund, thans door een kanaal met zee verbonden (het Dordmund-Eemskanaal), en verder: Bochum, Hagen en het spoorwegmiddelpunt 1 lamm. In 't Zuiden Siegen.

Rijnprovincie. Deze bevat de grootste industriestreek van Duitschland. ïen Oosten van den Rijn liggen allereerst Essen (Krupp's fabrieken) en Duisburg met ijzerfabrieken; het veel kleinere Ruhrort met zijne ruime havens verscheept steenkolen,

ocr page 47

43

o. a. naar Nederland. In liet Wupperdal zijn Elberfeld on Barmen tot ééne stad versmolten. Zuidelijker liggen Remscheid en Solingen. De beide laatste plaatsen leveren ijzerwaren (scharen, messen, Remscheid schaatsen), in Elberfeld-Barmen bloeit do textiel-industrie. In het Rijndal zelf ligt Dusseldorf, thans ook als fabrieksstad belangrijk (ijzerindustrie).

Aken, met Burtscheid, en Eupen hebben lakenfabrieken, Ivrefeld levert zijden, Cfladbacb katoenen stoffen.

In het Saardal ligt eveneens eene industriestreek met do tweelingstad Saarbrücken-Sint Johann tot middelpunt.

Keulen is door de Rijnscheepvaart vanouds eene gewichtige handelsstad (koren, meel, olie, wijn, ijzerwaren, textielfabrikaten, koloniale waren), thans ook met belangrijke fabrieken van allerlei waren (o.a. eau de cologne). Eene brug verbindt de stad met het tegenoverliggende Deutz.

Koblenz handelt in wijn.

Kessen-Nassau. De bergstreken zijn niet vruchtbaar; alleen de dalen van Lahn, Rijn en Main zijn goed bevolkt. Kassei heeft eene gunstige en schoone ligging; fabr. van machines, linnen., enz., handel in wol en huiden; ook Marburg bezit fabr.; Ems is eene bekende badplaats. Hanau levert ooft en exploiteert de eikenbosschon van den Spessart. liet oude Frankfort handhaaft zijn' roem als handelsstad (koloniale waren, wijn, leder, landbouwprodukten); middelpunt van den geld- en effectenhandel van West- en Zuid-Duitschland; de vroeger belangrijke missen zijn alleen nog voor leder van beteekenis. Wiesbaden, Soden, Homburg, badplaatsen. Hochst, groote ani-linefabriekcn; Rudesheim, Geisenheim, Assmannshausen, wijn; Selters, mineraalwater.

Saksen.

§ 39. Saksen bestaat uit het bergland (Ertsgebergte), het heuvelland en het laagland. Het laatste, het Noordelijk deel, omvat ongeveer l van de oppervlakte.

Het Ertsgebergte heeft een vrij ruw en koud klimaat; hier

ocr page 48

valt in de hoogste deelen dikwijls tot aan liet einde van Mei sneeuw, als in de rivierdalen van Elbe, Mulde en Elster de bonte voorjaarsbloemen de groene weide sieren en de ooftboomen reeds in bloei staan. In het Ertsgebergte gedijt dan ook weinig-anders dan haver en aardappelen, terwijl beneden, in het zonnige, warme dal der Elbe do druif en do abrikoos rijpen.

Saksen is in bijna alle opzichten een rijk gezegend land. In den bodem rusten groote schatten en de oppervlakte draagt rijke vruchten. Uit de Aarde haalt de mijnwerker zilver, tin, ijzer, steen- en bruinkolen, de „Sachsische Schweizquot; levert zandsteen. De landbouw houdt duizenden handen bezig; op de goed bebouwde velden gedijen tarwe, rogge, gerst, haver, boekweit, aardappelen, vlas, enz.; voorts ooft. Het vierde deel des lands is met bosch bedekt; hout is een voornaam uitvoerartikel. De veeteelt is evenzeer van belang. Saksen bezit een grooten veestapel, vooral in de omstreken van Leipzig en in het Vogtland. De Saksische schapen staan boven de Spaansche merino's.

De industrie berust meestal op de aanwezigheid van mineralen. De grootste fabriekssteden liggen in de nabijheid der kolenlagen (Zwickau, Plauensche „Grundquot;, Zittau), vooral ijzerfabrieken, daar ijzer en steenkolen elkaar vaak de hand reiken; bij de groote bosschen vindt men houtindustrie (meubels, enz.) Yoorts is de textielindustrie zeer ontwikkeld: woi en linnen, waarvoor het land zelf voor een belangrijk deel de grondstoffen bezit, en katoen.

Hoofdwaterweg is de Elbe. Stoom-, zeilschepen en houtvlotten verlevendigen de rivier. Stroomafwaarts verscheept men wijn, bier, ooft, bruinkolen, zandsteen uit de „Schweizquot;, en hout. Stroomop: koloniale waren, petroleum, enz. Een dicht spoorwegnet heeft Leipzig, Dresden en Chemnitz tot middelpunten.

§ 40. De hoofdstad Dresden heeft 333.000 inwoners; na Leipzig is zij de voornaamste handelsstad; fabrieken van allerlei waren (naaimachines, piano's, steengoed, enz.). Meissen (18.000 inw.) is bekend door zijn „Saksischquot; porcelein en is het middelpunt van den Saksischen wijnbouw. Freiburg (29.000 inw.).

ocr page 49

45

dicht bij de Mulde, ligt op eene ruwe hoogvlakte, doch vormt het middelpunt van de zilverbergwerken; bergakademie; zilver-smelterijen bij Halsbrücke en de „Muldener Hüttenquot;, ten Zuiden der stad. Chemnitz (1 GO.000 inw.) is de eerste fabriekstad des lands: wol, katoen, ijzer; vooral groote stoommachines worden vervaardigd, katoenen waren worden in de eerste plaats naar Amerika verzonden; tal van nijvere dorpen liggen als een krans om de stad. Zwickau (44.000 inw.) is het middelpunt van den Saksischen kolenbergbouw; in de omstreken der stad telt men 130 schachten; groote ijzer-, glas-, porceleinfabrieken, enz.

Tussehen Zwickau en Glauchau (23.000 inw.) ligt de industrienjke, dichtbevolkte „Mülsengrund'. Plauen (55.000 inw.) bezit evenzeer eene veelsoortige nijverheid (katoen, ijzer, papier, enz.); hoofd handelsplaats van het Vogtland. In muziekinstrumenten beheerscht het Vogtland de wereldmarkt; de grondstoffen worden voor een groot deel uit het buitenland aangevoerd (zoo paardenhaar uit Kushand en Zuid-Amerika, schapedarmen uit Turkije, Zevenburgen, Hongarije, enz.).

Annaberg, in het Ertsgebergte, met kantkloppenj en enkele fabrieken, o.a. voor zijde (15.000 inw.).

Midden in eene rijkbewaterde vlakte, met heerlijk bouwland en vette weiden, waar een tweetal groote wegen (uit liet Zuiden en Westen) samenkwamen, ontstond Leipzig (440.000 inw.). Deze stad is de voornaamste handelsplaats van Midden-Duitsch-land; de 3 missen zijn nog steeds belangrijk: hoofdartikelen zijn: pelswerk (hiervoor is Leipzig de eerste markt der wereld), garens, ruwe zijde, katoenen- en wollen stoffen, enz. Gewoonlijk komen op de missen 25—-27.000 verkoopers, terwijl liet aantal bezoekers per dag op 25.000 wordt geschat. De jaarlijksche omzet op de missen zal 500 a 600 millioen gulden bedragen. Leipzig is het centrum van den Duitschen bockhandel (50 boekdrukkerijen, 30 lettergieterijen, 130 inrichtingen voor steen- en houtdruk, enz.; 350 boekhandelaars, die voor meer dan G000 boekhandels optraden). Tal van steden in de omstreken deelen in de nijverheid der stad.

ocr page 50

46

Ten Oosten der Elbe heeft de Lausitz ecne zeer belangrijke Tiijverhcid. vooral van wollen-, katoenen- en linnen stoffen. Middelpunt der industrie is Zittau (25.000 inw.).

De Tliuring'sche staten.

§ 41. Deze omvatten hot Thuringerwoud, de hellingen van dit gebergte en een deel van het ïhuringsche heuvelland. Op de bergen treft men veel bosch aan, terwijl in de breede, meest vruchtbare dalen, land- en tuinbouw hoofdzaak zijn.

De belangrijkste plaatsen zjjn: Oera (textielindustrie), Wei-mar (wol), Apolda (kousen), Gotha (landkaarten; geogra-phisch instituut van Justus Perthes), Co burg (wol).

De kleine Noordduitsche staten.

§ 42. Mecklenburg (-Sc hw er in en -Strelitz). In het Zuiden wordt het ingenomen door de moerassige heidestreken dor merenplateaus, maar overigens is het land vruchtbaar en levert vooral koren en tabak. De schapen zijn beroemd. Mecklenburg voert koren en vee uit. De voornaamste havens zjjn Rostock (voorhaven Warnemünde, aan de 5 M diepe Warne, verkeer met Denemarken) en Wismar. De sociale toestand is zeer ongunstig; landverhuizing heeft vooral hier plaats. Aan do kust wordt niet onbelangrijke visscherij uitgeoefend.

§ 43. Oldenburg bezit langs de Jahde en den AVezer rijke marschgronden; maar is overigens voor een groot deel met hoogveen bedekt (turfgraverij; —- veenkoloniën). Paarden en schapen zijn er in groot aantal; vooral de paarden zijn bekend: paardenmarkten in de hoofdstad Oldenburg.

Tot Oldenburg behoort Birkenfeld, in het stroomgebied van de JNahe. waarin Oberstein ligt met beroemde agaat-slijperijen (de steenen worden uit Brazilië aangevoerd).

§ 44. Brunswyk is in het Noordelijk, in de vlakte gelegen deel vruchtbaar: daar wordt koren verbouwd, en beetwortels, ■de grondstof voor talrijke suikerfabrieken. Tegen den Harz aan

ocr page 51

■47

veeteelt, en in den Haiz bergbouw (ijzer). J loof'dplaats Hi'uns-wijk (1'15.000 inw.).

§ 45. Aulialt ligt aan weerszijden van de Elbe en bij den Harz. Het is vruchtbaar en levert o. a. veel beetwortels (suikerfabrieken). Van groot belang zijn de zoutmijnen; vooral Leopoldshall levert veel kalizout. Veel bosch is aanwezig. Het Noordelijk deel, dat tot de Flaming behoort, is minder vruchtbaar. Steden : Dessau, Z e r b s t.

§ 46. Lippe omvat een groot deel der vruchtbare vlakte tusschen het Wezergebergte en het Teutoburgerwoud. Hoofdplaats: Detmold. Schaumburg-Lippe is de kleinste 1 )uir-sche staat (340 KM-).

Waldeck bestaat uit twee deelen, waarvan het Zuidelijke het grootst is en tusschen het Sauerland en de Fulda ligt. Het vorstendom is dun bevolkt. Pyrmont, beroemd staalbad; Arol-sen, 2700 inw.

De drie vrije steden.

§ 47. Hamburg. Van de drie vrije steden, nog heden wel Hanzesteden genoemd, heeft Hamburg zich het meest ontwikkeld. Dit heeft het aan zijne uitnemende ligging te danken. Groote zeeschepen varen de Elbe tot Hamburg op, en hier heeft de verscheping der goederen plaats, die over de Elbe met hare talrijke zijwateren verder worden vervoerd. De Elbe is een der hoofdwaterwegen van Duitschland, dwars door het rijk loopende, tot in Bohemen toe, welk land in Hamburg eene betere haven vindt dan in Triest. Zoo bezit Hamburg een reusachtig achterland.

Hoewel meer dan 20 uren van de zee gelegen, doen de getijden zich tot Hamburg gevoelen. De rivier is een uitmuntende waterweg; maar aan den mond liggen ondiepten, vandaar dat groote zeeschepen in de voorhaven Cuxhaven blijven. Dit is ook het geval, als de rivier door het ijs gesloten is, gelijk nu en dan geschiedt: in den regel houden ijsbrekers den waterweg open. Cuxhaven is door een' spoor met Hamburg verbonden ; het is station der loodsen en quarantaineplaats.

ocr page 52

48

Na Londen cn Liverpool is Hamburg de voornaamste haven. Het heeft eene eigen reederij van meer dan 700 zeeschepen, waaronder .'350 stoomschepen. Een veertigtal stoomvaartlijnen onderhouden het verkeer met 5-4 Europeesche en 31 buiten-Europeesche havens; tot de belangrijkste behooren de Ameri-kanische Paketfahrt-Actien-Gesellschaft, de Hamburg-Südameri-kanische Darnpfschiffahrt-Gesellschaft, de Kosmos (Hamburg-Pacific-Dampfschifflinie). enz. Onder de staten, waarmede Hamburg over zee in verbinding staat, nemen Engeland, Zuid- en Middel-Amerika en do Vereenigde Staten de eerste plaats in.

Aan weerszijden van de Elbe liggen de groote havens; die van het vrijhaven-gebied voornamelijk aan de linkerzijde (sinds 1888 behoort Hamburg tot liet Zollgebiet).

Meer dan 10000 zeeschepen loepen jaarlijks in, en evenveel uit 1); nog grooter is het aantal rivierschepen. Naast Bremen is Hamburg de belangrijkste Huitsche haven voor landverhuizers.

Voor het verkeer zijn van belang; de beurs, dagelijks door .'3 a 4000 personen bezocht, de banken, de zee-verzekeringen, de groote export-, commissie- en expeditiehuizen, enz.

Do uit- en invoer beloopen samen ongeveer 5000 millioen mark. Ingevoerd worden vooral: koloniale waren (in de eerste plaats koffie, voor welk artikel Hamburg een der belangrijkste havens van Europa is), katoen, steenkolen (uit Engeland),petroleum (vooral uit de Vereenigde Staten), wijn (uit Frankrijk, Spanje en Portugal), metalen, huiden, verfhout, wol, enz.

De uitvoer heeft vooral plaats naar Engeland, Noord-Amerika, Brazilië, China, Indië, Frankrijk, Nederland en Belgie. Hij bestaat of uit waren, die, te Hamburg aangebracht, over do Europeesche havens verdeeld worden (koloniale produkten: koffie, tabak, rijst, caoutsjoek, enz.), óf uit Duitsche produkten: suiker, spiritus, bier, meel, manufacturen, enz.

Do industrie heeft in vergelijking met den handel weinig te

1) In 1S00 liopcn 10-t77 sclioijon (7497 Stoomschepen) binnsn, waaronder 328 uit, Nederland.

ocr page 53

-49

bcteekcntsn: scheepswerven, suikerraffinaderijen, smeltenjen (koper, zilver), enz.

Hamburg telt (580.000 inw. (met de voorsteden). Met de stad vormt Altona (150.000 inw.) een geheel; belangrijke zeehandel en visscherij; ook industrie.

Ooft or. groenten leveren de streken bij Hamburg: A11 e Land en de V i e r 1 a n d e n.

§ 48. Breinen ligt bijna 10 uur van de zee verwijderd. Was de Wezer vroeger slechts bevaarbaar voor schepen met hoogstens 2 M diepgang, sedert de rivier gecorrigeerd is kunnen schepen met 5 M diepgang Bremen bereiken. Grootere zeeschepen moeten echter in Bremerhaven blijven (dat een vrijhavengebied van 1,2 K.M- bezit). Xa den dertigjarigen oorlog was Bremen vervallen; eerst door den aanleg van Bremerhaven in 1830 kwam hot weder tot hoogen bloei en waren de kooplieden in staat den handel tot de hoogte te brengen, waarop hij tegenwoordig staat. Bremerhaven is voor de grootste schepen toe-gankelijk en heeft op Hamburg zelfs voor, dat het in den winter bijna steeds vrij van ijs is. Ook Bremen behoort sedert 1888 tot liet Zollverein.

Bremen heeft eene reederij van meer dan 400 schepen, waaronder 180 stoomschepen. Bovenaan staat de ,.Xoord-el u i tsc 11 e Lloydquot; (opgericht 1858), die met hare 79 stoomschepen 1) een regelmatig verkeer onderhoudt met Xoord-Amerika, Oost-Azië en Australië.

Tot 1819 was de Bremer vloot de grootste van die der Dnitsche lian-delssteden; na dat jaar telde de Hamburgsche de meeste schepen.

Wel is de handel van Bremen veel geringer dan die van Hamburg, maar toch omvat hij ook de vijf werclddeelen. Bremen is de tweede zeehaven van Duitschland. De handel heeft vooral plaats met Xoord-Amerika (New-York, Baltimore), Oost-Azië, Australië, Engeland, Frankrijk, enz. Ingevoerd worden (over

11 De grootste, de „Katser Wilhelm en meet 14000 tonnen (a 2,82 M3).

Ten Havi:, Handels-Aardriilvsknnde.

der Groszequot;, is 1971/2 M Inr.g, 20 M breed

A


ocr page 54

50

zee): tabak (Bremen is de eerste tabaksmarkt van Europa; in 1895 voerde Nederland voor 8,7 millioen mark tabak in), petroleum, rijst, katoen, wol, jute, koffie, suiker, thee, verfhout, enz.

Het vervoer liet land in geschiedt meer door de spoorwegen, dan over den Wezer. De uitvoer bestaat hoofdzakelijk uit Duitsche industrieartikelen.

In 1895 beliep de invoer eene waarde van 8Uü millioen, de uitvoer van 705 millioen mark.

In 1892 beliep de invoer eene waarde van 910 millioen Mark, de uitvoer van 684 millioen.

Jaarlijks worden ingevoerd 5 a 900.000 balen katoen, meer dan 1 millioen barrels petroleum, een millioen centenaars tabak (waarde 50 a 60 millioen mark), 1 millioen centenaars wol (waarde 80 a 90 millioen mark), 250.000 centenaars jute, enz.

Bremen is de belangrijkste haven voor landverhuizers. In den laatsten tijd is de visscherij in de Wezerhavens snel tot bloei gekomen.

Wat de industrie betreft, Bremen bezit scheepstimmerwerven, tabaks- en sigarenfabrieken, rijstpellerijen, suikerraffinaderijen, enz.

Bremen telt met Bremerhaven ongeveer 200,000 inw.

,§ 49. Lubeck aan de Travo was in de Middeleeuwen eene rijke handelsstad, de bakermat en de hoofdzetel der machtige Hanze, wier afgevaardigden hier bijeenkwamen. Toen echter de groote zeehandel zich naar den Atlantischen oceaan verplaatste, vooral ook toen het verkeer met Amerika gewichtig werd, verloor Lubeck zijne beteekenis, en heden wordt het zelfs door Stettin, Danzig en Koningsbergen overvleugeld. Toch is het nog altijd eene belangrijke haven, voornamelijk voor de handel met de Oostzeelanden: Rusland, Zweden, Denemarken. De reederij heeft 37 zeeschepen, waaronder 32 stoomschepen, bijna uitsluitend voor de Oostzee.

Zoo bestaan lijnen naar Petersburg, Riga, — Malmö, Gothenburg-, Stockholm, — Kopenhagen, — Swinemünde, Kiel, Danzig, Koningsbergen.

De voornaamste invoerartikelen zijn: koren (uit Rusland), hout (uit Rusland en Zweden), ijzer (uit Zweden), teer, pelzen.

ocr page 55

51

hennep, petroleum (meest uit Rusland), Engelsche kolen, koloniale waren.

De industrie (scheepsbouw, tabak, leder) gaat in de laatste jaren zeer vooruit.

Lubeck, met 70,ÜÜ0 inw., is voor groote zeeschepen bereikbaar; zeer groote moeten echter te Travemünde blijven. De stad zal door een groot kanaal met de Elbe verbonden worden.

Overzichten.

Landbouw.

§ 50. Als onvruchtbare, ten minste voor den landbouw minder geschikte, streken leerden we o.a. kennen: het l'om-mersche mcrenplateau, Noord-AVest-Pruisen met zijne zanden veengronden (Hannover, Oldenburg), de grootendeels met naaldhout bezette zandvlakten tusschen Elbe en Oder (Brandenburg, Lausitz, Oost-Sileziö), het Sauerland, de Eifel, de hoogere gebergten.

§ 51. Onder de granen staat bovenaan de rogge, die bijna l van het geheele akkerland inneemt. Vooral in Xoord-Duitschland wordt zo gevonden, omdat ze op de schrale gronden best kan worden verbouwd; het moest vindt men den roggebouw in den driehoek Oder-Netze-Russische grens; in Zuid-Duitschland wordt ze zeer weinig verbouwd.

Tarwe en gerst vindt men in de vruchtbaarste streken. De tarwebouw is zeer belangrijk in het gebied van den Xeckar en den Boven-Donau, in Lotharingen, in do Benedennjnsche laagvlakte (Krefeld-Aken-Keulen), tusschen Hannover en Maagdenburg (liet vruchtbare land ten N. van den Harz) en in Silezic (het lössgebied tusschen Sudeten en Oder). Spelt wordt hoofdzakelijk alleen in Wurtemberg aangetroffen. Boekweit vindt men op de dorre zand- en veengronden; haver zoowel op zand- als kleigrond.

ocr page 56

Ju de laatste jaren werd geoogst, gemiddeld :

7,500.000 t rogge (1 t = 1000 KG).

•4,500.000 t haver.

3,000.000 t tarwe en spelt.

2,000.000 t gerst.

17,000.000 t.

In 189 4 resp. 7,5l/4, 21/gt;, IS1 j2 milliocn. Rogge werd verbouwd

op 50.000 KM2, lt;1. i. eene oppervlakte = l2/;'. X Nodorland; tarwe en spelt op 23.000 KM2 = 2/:{ X Nederland.

Rusland verbouwt driemaal zooveel graan als Duitschland; de andere landen van Europa verhouwen minder.

Ondanks deze aanzienlijke productie voert Duitschland nog graan in; in 1lt;S04 ruim 1 millioeu t tarwe (uit Rusland, Argentina, de Vereenigde Staten en Roemenië), ruim 1 milliocn t gerst uit Rusland, Oostenrijk-TIongarije en Roemenië, millioeu t rogge uit Rusland en Roemenië, millioeu t haver uit Rusland, de Vereenigde Staten en Roemenië. Meel wordt dan weder naar Engeland uitgevoerd (1 milliocn t).

Hoezeer de landbouw sedert het begin dezer eeuw vooruitgegaan is, blijkt uit de opbrengst per H.A. Deze bedroeg voor tachtig Jaren 7^—8 HL rogge, tegenwoordig 15 —10 d. i. liet dubbele.

Daar in de minder ontwikkelde landen (Roemeniö, Hongarije, enz.) en in Amerika de verbouw der granen minder kost dan in Duitschland, kunnen •leze die produkton goedkoop op de Duitsche markten brengen. Daardoor waren in de laatste jaren do prijzen der granen in Duitschland zeer gedaald en was een slechte tijd voor de landbouwers aangebroken. Sinds 18i)4 heft dientengevolge do Duitsche regeering van olke 100 K(» koren 3,50 Mark inkomend recht (protectie).

§ 52. Aardappelen worden op ruim 30.000 KM- verbouwd, vooral in Silczië, rechts van den Oder, — in Posen, tusschen Dresden, Leipzig en Maagdenburg, tusschen Berlijn, Frankfort aan de Oder en Stargard en op eene breede strook tusschen Saarbrücken, Worms en Frankfort a/d Main. Weinig aardappelen vindt men op de Zwabisch-Beiersche hoogvlakte, in Sleeswijk en langs do Noordzee. Met den verbouw van aardappels staat de fabricatie van spiritus in verband.

ocr page 57

53

In 1893 leverdo Duitsciilanil o7:i inilliuuti llli aaidajipclon u{), Kuslaml 278, Frankrijk 140, Oustenrijk-Hoiitjarije 110, Engoland 77, tie Vereenigde Staten (15 millioen HL.

Uük suikorbicteu worden in geen land zooveel verbouwd als in Duitschland: het levert bijna ^ van de suikerproductie der gelieele aarde (.'( van de beetwortelsuiker). De oppervlakte, met suikerbieten beteeld, bedraagt 1700 KM-. Vooral komen in aanmerking de breede strook van de Heneden Mulde langs den Noordrand van den Ilarz tot Scliaumburg-Lippe (in deze strook meer dan 200 suikerfabrieken); dan in Silezië een stuk tussehen Oder en Sudeten (Liegnitz), met 50 fabrieken; in Oostelijk Posen en het Weichseldal zijn IKS fabrieken.

Wynbouw moet men hoofdzakelijk in het Zuid-AVesten zoeken. Rijn-, Xeckar- en 3Ioezeldal zijn de hoofdzetels van de wijncultuur. ■— in 't bijzonder moeten genoemd worden: 1. de omgeving van Schlettstadt en Eappoltsweiler in den Elzas, L2. liet Neckardal bij Stuttgart, 3. de Palz, 4. de Rlieingau. Behalve in het Zuid-Westen is de wijnbouw nog van belang bij Dresden en Grimberg. In 1S07 waren 11 li4 KM2 met den wijnstok beplant.

T a b a k wordt het meest in Baden en de Palz verbouwd; in Noord-I Hiitschland moeten Wismar en Schwerin vermeld worden.

Voor hop is Duitschland no. 1 ; het verbouwt 30 % van de gelieele productie der Aarde, ('t Meest levert Beieren; in Pruisen staat Pommeren bovenaan).

Duitschland produceert ook hot meeste bier.

De hopoogst bedroeg in 189(5 :

Beiereu 295.000 cent, a 50 K.G.

Wurtemberg 75.000 „ „

Baden 50.000 „ ,.

Elzas-Loth. 75.000 „ „

Pruisen 84.000 „ „

De productie der gelieele aarde beliep in dat jaar 1,855.000 cent.

Vlas wordt bijna overal verbouwd.

Ooft leveren vooral de Bovennjnsche laagvlakte en het Neckardal. Wurtemberg en Baden leveren dan ook het meeste

ocr page 58

54

ooft. Voorts moeten Thuringen cn het Elbe-dal beneden Dresden genoemd worden, liet Alte Land bjj Hamburg, enz.

Veel ooft, wordt van Kohemcn ingevoerd.

Groenten- en bloemencultuur vindt men vooral bij Erfurt, Quedlinburg, Liegnitz (Silezië), Berlijn, in de Yier-landen en het Alte Land bjj Hamburg en in het bekken van Hamberg in Beieren.

Wouden.

§ 53. Ruim | van den Duitschen bodem is met woud bezet, waarvan £ met loof-, jj met naaldhout.

Rijk aan woud zjjn in de eerste plaats de gebergten. Men roeit de bosschen niet uit, omdat landbouw hier niet gedreven kan worden. Uitgestrekte bosschen vindt men in het Zwarte woud, het Odenwoud, de Spessart, de Taunus, de Hunsrück, het Sauerland en het Thuringer woud; minder dicht bezet zijn, ten gevolge van kapping, het Ertsgebergte en de Unter-Harz.

Groote bosschen bevinden zich voorts op de zandvlakten tusschen Elbe en Oder, dus in het Zuiden van Brandenburg en in 't Noord-Westen van Silezië.

Is in den loop der eeuwen veel boschland veranderd in bouwland, anderzijds is ook veel hout geplant; zoo is men thans bezig de Luneburger heide, de duinen, in 't algemeen de zandvlakten van Noord-Duitschland met bosch te beplanten.

Veeteelt.

§ 54. De Duitsche veestapel beloopt (in ronde getallen): paarden 3,800.000.

runderen 17,560.000.

schapen/ .|;.jfi0O0()0 geiten )

varkens 12,200.000.

Veel runderen en varkens worden ingevoerd (resp. 260,000 en 860.000), veel schapen uitgevoerd (320.000).

Paarden worden ingevoerd (100.000 per jaar, voor ' uit Rusland). Het meest rijk aan paarden zjjn Oost-Pruisen.

ocr page 59

55

Sleeswijk-Holstein en Mecklenburg. De stoeterij te ïrakehnen in Oost-Pruisen is beroemd.

Wat liet rundvee betreft, moeten Beieren en Sleeswjjk-Ilolstein in de eerste plaats genoemd worden.

liet aantal schapen wordt elk jaar geringer. De concurrentie van Australië en Argentinië hebben de wolprijzen zoo zeer doen dalen, dat velen in het houden van schapen geen voordeel meer zien. Men vindt ze nog vooral in de heidestreken, in de eerste plaats in Pommeren.

Vooral in de Lunenburger heide wordt veel aan bijenteelt gedaan.

Visschery.

§ 55. In de binnenwateren is vrij wat visch (zalm, snoek, baars, karpers, enz.), die ook ijverig gevangen wordt. Aan de zeevisscherij noemt Duitschland tegenwoordig ook deel, maar staat nog altijd ver bij zijne buren ten achter. Toch is in de laatste jaren een groote vooruitgang aan te wijzen. Terwijl de zeevisscherij in 1880 werd uitgeoefend door 376 zeilschepen en 1 stoomschip, waren deze getallen 10 jaren later respectievelijk 'm3 en 72. Een gevolg hiervan is, dat Duitschland minder visch invoert: in de genoemde jaren respect. 70 en 30 millioen mark, — in 10 jaren dus 50% verminderd.

Delfstoffen.

§ 56. Duitschland levert veel steen- en bruinkolen; alleen (iroot-Brittanje en de Vereenigde Staten leveren meer. Do gewichtigste steenkoolbekkens zijn:

1. Het Bovensilezische (Königshütte, enz.)

2. Het B e n e d e n s i 1 e z i s c h e (Waldenburg).

3. Het Saksische (Zwickau-Chemnitz).

I. Het Saarbekken (Saarbrücken).

5. Het Ruhrbekken.

6. Het Bekken van Aken.

De jaarhjksche opbrengst bedraagt 74 millioen tonnen.

Aan bruinkolen wordt bovendien 20 millioen tonnen gewonnen. waarvan de omstreken van Halle 15 millioen tonnen leveren.

ocr page 60

56

Nederlaiul betrekt veel kolen uit het Ruhrbekken. Du meeste kolen verzendt Ruhrort : in onmiddellijke verbinding met den Rijn staan de prachtige havens, die eene oeverlengte van 15 KM bezitten en in welke soms duizend schepen liggen.

Uok voor yzer neemt Duitsehland de derde plaats in (de Vereenigde Staten en Engeland leveren weder meer. De voornaamste mijnen liggen:

Fig. (gt;.

1. bij de Rulir.

2. bij de La li n.

3. bij de Si eg.

4. De Luxemburg-Lotliaringselie gebieden.

5. in Boven Silezië.

Het meest levert Lotharingen, dan volgt de Kjjnprovincie. De gemiddelde opbrengst is 4.| millioen t.

ocr page 61

57

Van de andere ertsen moeten vooral genoemd worden : koper, lood, zink en zilver.

Koper levert Duitschland -iO.OOO t. per jaar; het Mansfelder district en de Ober-Harz leveren het meest.

In tic* laatste jaren zijn de koper-bergwerken niet vooruitgegaan. Vooreerst zijn in de laatste kwarteeuw de prijzen van het koper tot op de helft verminderd: in de tweede plaats zijn do groote Mansfelder groeven ton deele onder water geloopeu (bij Eisleben, ten Oosten van don Harz).

üe jaarlijksche opbrengst aan lood is ongeveer 1 ÜU.OÜO t. \ Meest leveren het Schiefergebergte aan den Rijn, vooral de Noordelijke helling van den Eifel tot Aken, en voorts het Bovensilezische plateau, de Ober-Harz en Saksen.

In Europa levert alleen Spanje moor koper on lood.

Aan zink produceert Duitschland ruim | van de geheele opbrengst der Aarde ('18!gt;i: 143.000 t.). J levert het Bovensilezische plateau; dan verdienen nog do zinkgroeven bjj Aken vermelding. Jaarlijks wordt voor ÜO millioen mark aan zink uitgevoerd. De voornaamste zinkmarkten zijn: Breslau, Frankfort a/M, 1 lalberstadt, Hamburg, Keulen, 't Meeste zink wordt naar Engeland uitgevoerd.

Zilver (] van de geheele productie van Europa) wordt gevonden bij Freiberg, in den Ober-Harz (Goslar, Klausthal, Andreasberg), bij Mansfeld.

^ 57. Aan zout is Duitschland zeer rijk: jaarlijksche productie ruim 1 millioen t. De voornaamste zoutstreek ligt bij den Harz: Stassfurt, Schönebeck. Dan volgen de Wurteni-bergsche zoutlagen (middelpunt Hall aan den Kocher), en de salinen van Halle a/S en Luneburg.

Hoogst belangrijk zijn de zoutlagen van Stassfurt. Onder lagen kalizouten, samen 159 M dik, liggen 300 M steenzout. Werdon de kalizouton in vroe-goron tijd als waardeloos weggeworpen, thans vormen zo het voornaamste product dezer zoutmijnen. Vooreerst zijn ze oeno uitmuntende meststof (kainit, enz.), die ook in groote hoeveelheid wordt uitgevoerd (o. a. naar Amerika en Engeland). En ten tweede hehbon zo hot aanzijn gegeven aan .talrijke chemische fabrieken, die uit deze zouten chloorkalium, glauberzout. salpeter, potasch, magnesium, enz. bereiden (Stassfurt, Leopuidshall).

ocr page 62

5H

Vaak viiult men do mineralen eerst in groote Jiepto. Bij Leipzig is cenu mijn 1748 M. diep; vele liezitten eene grootore diepto dan 1000 M (bij Stassfnrt 1293, to Sperenborg ten Z. van Berlijn 1273, enz.).

Kalksteen wordt op tal van plaatsen verkregen, evenals leisteen (in het Schiefergebergte aan den Rjjn, in het Franken-woud. in den Ilarz, enz.). Zandsteen levert vooral Saksisch Zwitserland (het Elbe-zandsteengeb.; in 1894 ruim i 75.000 M ).

Barnsteen in het N.-O. bij Samland.

Industrie.

58. De helft der bevolking van Duitscland bestaat van den landbouw en de boschcultuur, de andere helft van industrie, handel en verkeer.

De voornaamste industriegebieden zjjn :

1. dat van den Rijn en Westphalen (ijzer, katoen, wol, zijde).

'2. het Sak si sch-Thuringsche (katoen, wol, ijzer).

3. dat van Silezië en de Ober-Lausitz (linnen, wol).

4. het Bovensilezische (ijzer).

5. dat van de Xieder-Lausitz en Brandenburg (wol: Kottbus, Guben, enz.).

6. dat van den Elzas (katoen, wol; hoofdzetel; Mühl-hausen).

7. het Wurtembergsche (ijzer, katoen).

8. dat van Lotharingen (ijzer).

9. dat van B ie I e f el d (linnen).

10. dat van Augsburg (katoen).

Daarbij verdienen nog de suikerindustrie en andere vermelding.

Enkele opmerkingen over de industrieën mogen hier volgen.

50. In de eerste plaats moet de ijzer-industrie genoemd worden, die in de laatste jaren met reuzenschreden is vooruitgegaan. In do staalfabrikatie heeft Duitschland alle landen overvleugeld; de fabrieken van Krupp vinden haar gelijke nergens. In 4802 werden 4000 t spoorwegstaven uitgevoerd, thans jaarlijks 120 a 140 duizend. De uitvoer van ijzerdraad is zeer belangrijk. De fabrieken van naaimachines hadden de scherpe concurrentie van het buitenland het hoofd te bieden, wat eerst

ocr page 63

59

in de laatste jaren met goed gevolg geschiedt: zjj leveren thans j millioen stuks per jaar. De messen, enz. van Solingen en Remscheid vinden alleen nog in die van Sheffield een geducht concurrent; Remscheid is de eerste plaats der wereld voor schaatsen.

Ook de vervaardiging van machines is zeer vooruitgegaan.

Dertig jaren geleden moest Duitschland zijne meeste machines uit het buitenland betrekken; thans worden driemaal zooveel machines uit- als ingevoerd.

Van groot belang, maar toch voor de wereldmarkt van minder beteekenis, is de textiel-industrie: zij wordt o.a. door die van

ocr page 64

GO

Engeland en Frankrijk overtroffen en is alleen in staat in de behoeften van het land zelf te voorzien (m. a. \v. uitvoer = invoer). Linnen-industrie vindt men vooral bij de Sudeten in Silezic en bij Bielefeld. Behalve het Duitsche vlas, wordt Russisch vlas verwerkt en linnen garens uit Ierland en België.

Dat Engeland en Frankrijk veel meer leveren, komt o. a. door het groot aantal machines, daar in gebruik, terwijl in de Duitsche fabrieksstreken de handenarbeid nojr te veel overwegend is.

In de laatste jaren is de j ute-industrie zeer vooruitgegaan (vervaardiging van zakken, grove gordijnen, enz.).

In Engeland ontstaan, dat de jute uit zijne Indische bezittingen trok, heeft de industrie zich over andere landen verbreid; in Duitschland bedraagt de jaarlijksche invoer van ruwe Jute thans reeds 100,000 t. (1805).

De wolindustrie (hoofdzetels: i. ïhuringenSaksen, 'j. Brandenburg (Neder-Lausitz), 3. Silezië (tusschen Oder en Sudeten), 4. Kuhrgebied, 5. Aken) verwerkt ook groote hoeveelheden buitenlandsche wol (invoer 150.000 t).

De katoenindustrie wordt in Europa alleen door die van Engeland overtroffen. De meeste ruwe katoen wordt uit Noord-Amerika ingevoerd. Hoofdzetels: i. Saksen-Thuringen, Ü. Euhr-gebied, 3. Xeckargehied, 4. de Elzas (met Mühlhausen).

Het middelpunt der Duitsche zijde-industrie is Krefeld, bovendien moeten genoemd worden: Elberfeld-Barmen, Dussel-dorf, Gladbach, Mühlhausen.

De invoer van ruwe stoffen ten behoeve der textiel-iudustrio beliep in 1896 :

katoen 281.000 tonnen.

wol 170.000 ,.

vlas 51.000 hennep 46.000 ,.

jute 1)9.000 „

zijde 5,200 ,,

§ GO. In de vervaardiging van chemisclie fabrikaten is Duitschland het eerste land der wereld. Vele fabrieken danken haar ontstaan aan de Stassfurter zoutlagen. De verfstoffen-industrie is vooral door zjjne aniline- en ultramarijnverven beroemd (groote anilinefabrieken te Ludwigshafen).

ocr page 65

01

Als belangrijk moeten Ave verder vermelden: de glasindustrie, in de kolengeLieden, in't Bohemerwoud» Fichtelgebergte, enz.;

de papierindustrie, vooral bij Aken (Düren, enz.); de beetwortel-suikerindustrie, zie § 52; de tabaksindustrie, hoofdzetel Bremen.

Handel en Verkeer.

§ 61. Binnen- en kustscheepvaart.

De Duitsche rivieren zjjn vrij gelijkmatig over het land verdeeld. In de laagvlakte zjjn zjj met hare talrijke zijrivieren meest alle bevaarbaar. Zuid-Duitschland heeft behalve den Rijn, die Z.-N. loopt, twee parallelrivieren, die in tegengestelde richting stroomen : Main en Donau.

Een goeden waterweg vormt de RU». Van groot belang is hij vooral voor Zuid-Duitschland, daar hij de eenige rivier is, die dit land met do Noordzee verbindt. Op de andere Duitsche rivieren heeft hij voor, dat hij Alpenrivier is, en dus een meer gehjkmatigen waterstand bezit; ook is hij minder lang door ijs onbevaarbaar. Grootere schepen varen tot Mannheim of Mainz, kleinere tot Straatsburg de rivier op.

Naast den Rjjn moet do Elbe genoemd worden, die dwars door het midden van hot rijk stroomt en ook de rivier is. die Bohemen met den oceaan in verbinding brengt. Groote rivierschepen komen tot Maagdenburg, kleinere tot ver in Bohemen. Elbe en Rjjn zjjn twee hoofdaderen van verkeer. De Wezer is als scheepvaartweg van minder belang: Ie door den kortoren loop, '2e doordat do Wezer door landschappen stroomt, die minder vruchtbaar en minder rijk aan industrieën zjjn (zoo stroomt de Elbe door het nijvere koninkrijk Saksen, do vruchtbare provincie Saksen en de marschen); 3e doordat kanaalverbindingen ontbreken.

De Eoms is kort, maar vrij waterrijk; zij stroomt door een gebied van weinig beteekenis. Door liet Dortmund-Eemskanaal is zij van meer belang geworden (zie beneden).

De Oder heeft togen, dat de waterstand zeer afwisselend en dat zij dos winters vrjj lang mot ijs bedekt is.

ocr page 66

In de laatste jaren is veel verbeterd. Tot 1830 konden slechts schepen met hoogstens 0,6 M diepgang Breslau bereiken, bij lioogen waterstand tot 1,25 M diepgang.

In 185fi voer de eerste stoomboot van Stettin tot Breslau. Na dien tijd zijn tal van verbeteringen aangebracht. Schepen niet 1,45 M diepgang komen nu tot Breslau, en in '97 is ook bovea Breslau (tot Kosel) een scheepvaartweg verkregen. In de nieuwe haven van Kosel worden thans produkten geladen, door den spoorweg uit het Bovensilezische industriegebied aangebracht.

Het Dortmund'Ecmskanaal.

De quot;Weichsel is in Duitschland overal voor grootere schepen bevaarbaar; maar nog meer dan de Oder hinderen jjs en ijsgang

ocr page 67

(i3

do scheepvaart. Van belang is liet, dat de rivier door uitgestrekte Russische wouden stroomt, waardoor zo voor de bout-vlotterjj van groote beteekenis is.

Dc Donau is nog van minder belang dan de Wezer. De zijrivieren, snelstroomend, zijn onbevaarbaar; en de Donau bezit vele ondiepten. Houtvlottenj is van veel belang.

Wat de kanalen betreft wordt Duitschland door andere landen verre overtroffen. De verbindingen der rivieren onderling bespraken we reeds. In J898 is het Dortmund-Eemskanaal geopend (om onafhankelijk van Nederland te zijn), dat de Ruhrstreek niet de Noordzee in verbinding brengt.

Als zeehaven van het dichtbevolkte, imlustrieelc Kuhrgebied is 1 {otterdam te beschouwen. En Rotterdam zal wel de hoofdhaven blijven, daar het bovengenoemde kanaal enkel voor kleinere schepen geschikt is. Thans heeft men hot plan Eems, Wezer en Elbe te verbinden door een kanaal, dat langs den Noordrand van den Harz loopt (het Middelland-kanaal).

Het aantal schepen voor de binnenscheepvaart (daartoe ook de kustscheepvaart gerekend) bedraagt 2iJ.00ü, waaronder 15:50 stoomschepen. Ze zijn als volgt verdeeld:

, , i „ 1 inhoud in tonnen

aantal schepen.

1 (a '2,83 M:!).

E1 b e g e b i e d

10.600

1.000.000

!{jj n gebied

3.000

600.000

Oder gebied

3.100

300.000

Oostzeekusten

1.500

78.000

AVeichselgebied

720

04.000

Wezergebied

410

43.000

Donaugebied

83

10.000

Eemsgebied

250

7.000

Aleer van Constanz

58

5.000

X oordzeekusten

80

2.000

Voor de kustscheepvaart heeft dus de Oostzee veel, de Noordzee weinig te beteekenen; voor het internationaal verkeer (zie beneden) is liet anders.

Behalve R ij n, Elbe en O der moeten als druk bevaren waterwegen vooral genoemd worden:

ocr page 68

1. do waterweg S t c 11 i n-B o r 1 ij n (Finow-kanaal),

2. „ Hamburg-Berlijn (Elbe, Jlavcl, Spree),

3. „ Boven-Silezië-Berljjn (Friedrich Wil-helms-kanaal).

Als belangrijke plaatsen voor den binnenbande 1, tevens centra van sporen, moeten genoemd worden :

B e r 1 jj n, niet enkel voor Duitschland, maar voor gebeel Europa eene belangrijke stad voor den binnenhandel, evenals Leipzig.

Maagd en bur g, aan den Elbe-weg Hamburg-D r e s d e nr welke laatste plaats handel met Bohemen drjjft;

Breslau en Posen, voor den handel in liet Oosten;

Straatsburg, Mannheim en Frankfort voor het Zuid-Westen ;

München, Augsburg en Neurenberg voor Beieren;

Keulen en Dusseldorf voor het Beneden-Iïjjngebiod;

Hannover voor hot Xoord-Westeu.

§ 62. Zeeverkeer. Wat het verkeer over zee betreft, de Duitsclie handelsvloot is in Europa n». 2 (aantal schepen ruim 4300. waaronder 600 stoomschepen; Groot-Brittanje resp. 18500 en 5000). Voor het vervoer van personen staat zij bovenaan (in 1891 vervoerde de Amerikaansche Paketfahrt Actien-Gescll-schaft 527000 personen uit Hamburg, de Norddeutsche Lloyd 739000 personen uit Bremen).

Welke de voornaamste plaatsen voor do zeevaart zijn. blijkt

uit de volgende tabel:

Aantal tonnen der ingekomen en

vertrokken geladen schepen.

1. Hamburg 10.12 4.000.

2. Bremerhaven en Bremen 2.978.000.

3. Stettin 2.356.000.

4. Danzig (Neufahrwasser) 1.333.000.

5. Kiel 1.091.000.

6. Lubcck 918.000.

7. Koningsbergen. 879.000.

8. Xordenham (Wezer, linkeroever) 053.000.

ocr page 69

05

9. Rostock

10. Geesteniünde

11. Swinemünde

12. Memel

en nog vele tusschen 100 en 275.000,

Hieruit volgt, dat de eerste zeven verreweg de belangrijkste havens zijn, maar zoo, dat Hamburg alleen zooveel beteekenis heeft als de andere zes samen.

Voorts dat het overzeesche verkeer van de Noord-zeehavens tweemaal zoo groot is als dat der Oostzeehavens.

§ (53. Spoorwegen. De eerste spoorweg werd in 1835 tusschen Xeurenberg en Fürth gelegd, de eerste grootere lijn in 1839 tusschen Dresden en Leipzig. Thans bezit Duitschland een dicht spoorwegnet (op 100 KM3 gemiddeld 8.2 KM). Vooral in de industriestreken is het net zeer dicht (Ttulirgebied, e. d.).

Tot de hoofdlijnen behooren ;

Amsterdam — Keulen —- Bingen — Straatsburg — Bazel — St.-Gothard—Mi laan—Eom e—Xapels.

Amsterdam—Salzbergen—Hannover—Berljjn—Koningsbergen —St.-Petersburg.

Ha mb urg—Berlij n.

Straalsund—Berlijn—Dresden—Praag—Veen en.

Berlijn—Frankfort—Breslau—Oderberg—Boeda-Pest.

Berljjn—Breslau—Lemberg—Czernowitz—Kostendsje (—stoomboot naar Konstantinopel).

Berlijn—Leipzig—Regensburg—München—Brenner—Italië.

Berlijn—Frankfort—Parijs.

Berlijn—Warschau—Moskou.

Het postwezen is zeer goed ingericht. Beieren en Wur-temburg hebben eigen postzegels en zorgen voor hun eigen postwezen, alle andere Duitsche staten vormen het Rijks-postgebied.

§ 64. üit- en invoer.

Deze beliepen in 1897 in millioenen mark:

Tex Have, Handcls-Aardrijkskunde. 5

541.000. 415.000. 344.000. 329.000

ocr page 70

66

Uitvoer

. Invoer.

koren

• 95

718

drogerijen, specerijen, suikerwerken

435

695

katoen en katoenen stoffen

229

356

ijzer en ijzerwaren

319

66

ertsen, edele metalen, asbest, enz.

219

329

vlas en andere spinstoffen

29

89

instrumenten, machines

172

48

koper en koperwaren

85

87

olie en vetten

29

155

zijde en zijden stoffen

145

155

steenkolen, bruinkolen, cokes

169

125

wol en wollen stoffen

327

402

De totale uit- en invoer beliep in

milli oenen

m ark:

u i t v o e r

invoer

in 1889

3256

4087

in 1893

3245

4134

in 1896

3632

4573

De invoer is dus ongeveer 1000 millioen mark grooter dan de uitvoer.

Muntwezen, enz.

Duitschland rekent niet marken a 100 pfenningen. Er zijn in goud 20, 10 en 5 markstukken, in zilver 5, 2, 1, ó en J markstukken, in nikkel 20, 10 en 5 pfenningen, in koper 2 en 1 pfenningen, Goud wordt gerekend tegen 15,5 Kilo zilver.

ocr page 71

België.

(29.500 KM-, 6,600.000 inw.)

^ (J5. Het koninklijk België bestaat hoofdzakelijk uit de stroomgebieden van de Maas en de Schelde.

Het gebied van de Maas behoort tot het bergland, de Ardennen, die een geheel vormen met de gebergten langs den Rijn (Eifel, Hohe Venn). De Ardennen vormen eene aaneenschakeling van hoogvlakten, in welke de rivieren (Maas, Semois, Sambre, Ourthe met Yesdre) dalen hebben geslepen; de hoogte bedraagt 4 a 60U M. Ten Noorden van Maas en Sambre ligt het heuvelland, naar het Xoordon in hoogte afnemend (zooals de rivieren aanwijzen, die de Schelde toevloeien) en zich uitstrekken tot eene lijn Oost-West over Brussel getrokken.

Dan volgt het laagland, waarbij wij achtereenvolgens kunnen onderscheiden:

a. de kust. De Belgische kust is slechts 07 KM lang en

n o

geheel gesloten. Evenals de Xederlandsche is zij met duinen bezet, en strekken zich voor de kust zandbanken uit (de Vlaamsche banken).

Als badplaatsen zijn vooral Ostende en Blankenberghe bekend (in de eerste in 1890 -47.000 vreemdelingen).

b. het polderland, een twee tot drie uren breede kleistrook, onmiddellijk achter de duinen gelegen en zeer vruchtbaar.

c. de Vlaamsche zandgronden, over 't geheel uitstekend bebouwd. ïen Zuid-Westen van de lijn Ostende-(^denaarden hebben zo een kleiachtigen ondergrond, waardoor het water moeilijk wegzakt. In het Noordelijk deel is ook de ondergrond zand.

lt;1. de Kempen, in de provinciën Antwerpen en Limburg, eene voortzetting onzer Noordbrabantsche heidestreken.

ocr page 72

(38

De rivier van het laagland is de Schel d e. Zij neemt links de L ij s op, rechts de Dender en de R u p e 1, welke laatste ontstaan is uit de vereeniging van S e n n e, D y 1 e, D e m e r en Nethe.

Fig. 9.

^ 66. België wordt in negen provinciën verdeeld.

Provinciën. W est-Vlaanderen Oost-Vlaanderen Antwerpen Brabant Limburg Luik

Hoofdsteden. Brugge.

Gent.

Antwerpen. Brussel. Hasselt.

Luik.


ocr page 73

60

Luxemburg

Nameu

Henegouwen

Arlon.

Namen.

Bergen.

gt;5 67. Sommige deelen van België hebben bijzondere namen ontvangen, die algemeen gebezigd worden.

Wij noemen:

het Veurner Ambacht, het meest Westelijk gedeelte, het Land van Waes, tusschen Gent en Antwerpen, de Kempen,

het Hagel and, tusschen Leuven, Diest en Thienen, de Borinage, in het Zuid-Oosten van Henegouwen, Hesbaye, het land op den rechteroever van de Maas, van Kamen tot Luik,

hef Land van Herve, ten Koorden van de Vesdre, de Condroz, aan den rechteroever van de Maas, van de Lesse tot de Ourthe,

dc Hautes Fagnes in het Zuid-Westen,

het Maasland, langs den linkeroever van de Maas in Limburg.

§ 68. Landbouw en veeteelt.

Do duinstreek is natuurlijk onvruchtbaar, al leveren do duinpannen ook wat aardappels on de laagste wat hooi.

Dc Vlaamsche zandgronden- zijn over 't geheel uitstekend bebouwd; in vele streken is de landbouw tot tuinbouw geworden; men woekert er met elk klein stukje gronds. De voornaamste produkten zijn; rogge, aardappels, tarwe, vlas, hennep, koolzaad, cichorei, enz. Rogge is het belangrijkst, vooral in de omstreken van Gent. Vooral het land van W aes en de oevers der Lijs leveren uitstekend vlas; de meeste hop tuinen vindt men bjj Aalst aan den Dender; hier is ook de meest bekende hopmarkt.

Langs do rivieren ligt rivierklei (grasland, veeteelt). De Kempen zijn nog voor een groot deel heide, hier en daar bezet met dennen, maar ook overgaande in zandstuivingen. Sedert het graven van het Kemp en kanaal (met een kanaal van Turnhout naar Hasselt en van Antwerpen naar

ocr page 74

70

Tui'nliout) is men begonnen de heidevelden te ontginnen; de Belgische regeering heeft deze pogingen krachtig gesteund en thans is reeds menige bloeiende landstreek uit eene dorre woestenij ontstaan. Waar de bodem bebouwd wordt, levert hij rogge (vooral by Herenthals en Aerschot), haver, aardappels, enz. De bevolking is nog niet half zoo dicht als in de Vlaamsche zandgronden.

Fig. lü.

Het polderland vormt eene kleistrook, van 0,3 tot 2 M dik. De vruchtbaarheid is groot; verbouwd worden vooral tarwe, gerst, boonen, aardappels, vlas, koolzaad. In het Veurner Ambacht is veeteelt hoofdzaak.

Het heuvelland is bedekt met de zoogenaamde Hesbay-sche klei, dezelfde als onze Limburgsche (löss). Tusschen de Senne en de Geete (dus in het midden) is de klei met veel zand vermengd. De voornaamste produkten zijn: tarwe en suikerbieten; voorts: rogge, haver, gerst, aardappels, vlas, hop, tabak, enz. In liet Land van Herve is veeteelt hoofdzaak.

De bosschen beslaan hier eene vrij groote oppervlakte.

De geheele oppervlakte der kleistreek is ongeveer 1 millioen HA. Daarvan is weiland 88.000 HA en bosch GO.000 HA.

ocr page 75

71

Bouwland cn Tuinen

Grasland

Woud

Woest!

4,91

26

16,6

8,3 1

Gebruik van tien bodem in België.

In de Condroz-streek bestaat de bodem hoofdzakelijk uit kalkachtige gesteenten, en is hier vruchtbaar, daar minder voor de cultuur geschikt; bijna /.j ligt woest. Hier vindt men de grootste hoeven; toch staat er den landbouw niet op hoogen trap.

Het voornaamste produkt is haver; voorts worden spelt, a a r d a p p e 1 s, r o g g e, enz. verbouwd. De bosschen beslaan eene groote oppervlakte.

Naar het Zuiden tot de Seniois vindt men de leiachtige streek, voor den landbouw voor een groot deel ongeschikt. Haver is ook hier hot hoofdprodukt. De dichtheid van de bevolking is i van die der Vlaamsche zandgronden. Yruchtbaarder is liet uiterste Zuiden, waar ook goede weiden zijn, en uitgestrekte bosschen.

Overzicht. Uit de figuur blijkt reeds, dat de helft van België door bouw- en tuinland wordt ingenomen. Over 't geheel staat de landbouw op hoogen trap ; niettemin moet veel koren worden ingevoerd (zie beneden). De oogst beloopt gemiddeld in de laatste jaren:

tarwe en spelt 7,300.ÜU0 HL.

rogge 7,700.000 „

gerst 4,400.000 „

haver 9,100.000 „

aardappels 47,100.000 „

Uit de suikerbieten werden 1X92 93 160.000 tonnen suiker verkregen. Wijn wordt nog in Luik verbouwd.

De veestapel (vooral het Land van Herve, met zjjne beste melkkoeien en het Land van Veurne zijn bekend) beliep : paarden 280.000 runderen 1,400.000 schapen 860.000 geiten 250.000 varkens 650.000

De bijenteelt is in de Kempen van belang.

ocr page 76

72

§ (39. Yisscherjj wordt voornamelijk door de plaatsen aan de kust uitgeoefend. In de eerste plaats moet Ostende genoemd worden, dat meer visschersschuiten bezit, dan alle andere zeeplaatsen samen ('175). Verder nemen aan de zeovisschenj deel: Blankenberghe, Heyst, La Panne Ad inker ke (bjj de Fransche grens), Antwerpen en J^ieuwpoort.

70. Delfstoffen.

De laagvlakte is aan mineralen niet rijk: zij levert turf (Vlaanderen en de Kempen), plastische klei en ijzererts (o. a. bij de Xethe).

Des te meer vindt men in het heuvel-en bergland delfstoffen. Vooral de dalen van Maas, Sambre en Haine zijn er rijk aan. De aanwezigheid van steenkolen en ijzer gaven hier het aanzijn aan talrijke fabrieken en hoogovens, die duizenden handen bezighouden.

Steenkolen. Dit „brood der industriequot; vindt men voornamelijk in twee bekkens : een Oostelijk (of dat van Luik) en een Westelijk. Eigenlijk ligt een langgestrekt steenkolenbekken in en langs de dalen der bovengenoemde rivieren; bij Namen komt de bodem voor den dag, zoodat hier de kolen der benedenste lagen van het bekken worden gevonden, de magere, kortvlam-mige (houille maigre brülant presque sans flamme). Aan weerszijden daalt de bodem met het bekken, zoodat men de reeds genoemde twee bekkens verkrijgt. Daar liggen de vette, langvlammige kolen (houille grasse a longue flamme), die vooral voor de gasfabrieken van groot belang zijn. De dikte en het aantal der lagen is zeer verschillend; terwijl men er in de Borinage van 130 tot 160 vindt, bezit de provincie Luik er ongeveer 55. De dikte loopt van J tot 1 Meter.

België bezit 170 steenkoolmijnen; de exploitatie houdt 100.000 werklieden bezig. De hoeveelheid, die verkregen wordt, heeft eene gemiddelde waarde van 175 millioen francs per jaar; in 1892 werden 19,4 millioen tonnen verkregen.

De meeste kolen worden in het land zelf gebruikt; wat overblijft wordt vooral naar Frankrijk gezonden.

Metalen. Van de metalen, die de bodem bevat, moeten *

ocr page 77

73

vooral ij z e r, zink en lood genoemd worden. Do exploitatie der lagen geschiedt vooral in de provinciën Luik en Xamen en houdt ongeveer 2400 arbeiders bozig. Aan ijzererts verkrjjgt men voor eene waarde van 1,600.000 francs jaarlijks. De hoeveelheid, die ingevoerd moet worden om aan de behoeften der Belgische industrie te voldoen, is meer dan zevenmaal zoo groot als de productie. | van den invoer komt uit Luxemburg.

Zinkerts vindt men in het onzijdig gebied Vieille-Montagne (Altenberg). Lood leveren de provinciën Luik en Namen.

Luik levert ook zilver.

In 4893 was de opbrengst 502.000 tonnen ruw ijzer (in'1892 753.000), 91.500 tonnen zink, 10.000 tonnen lood. 30.300 KGr zilver.

Steengroeven. Deze moeten niet gering geschat worden. België bezit 1050 steengroeven, die aan 27.000 arbeiders werk verschaffen en ieder jaar voor eene waarde van 40 millioen francs leveren.

Wij noemen hier slechts: die van hardsteen bij S o i g-n i e s en Ecausssines, van kalksteen in vele plaatsen tusschen Doornik en Yisé, van p o r p h i e r bij Quenast ten jST.-W. van Nivelles (de groene Quenast-keien), van leisteen bij Bertrix in de provincie Luxemburg.

§ 71. Imlustric.

Metaalindustrie. Deze is eene der belangrijkste van België. Een groot aantal plaatsen in de streek, waar de steenkolen gevonden worden, houden er zich mode bezig. Men kan vier centrums onderscheiden: Luik, Charleroi, het centrum van Henegouwen en de Berin age.

In het vervaardigen van s poor wegmate rieel 1 leeft de Belgische nijverheid eene groote hoogte bereikt en concurreert met goed gevolg met liet buitenland. De voornaamste fabrieken zijn te S e r a i n g, Luik, Brussel, Gent, enz.

Van belang is de vervaardiging van machines. Luik levert jaarlijks meer dan 1 millioen wapens.

De Glasindustrie bepaalt zich voornamelijk tot de provinciën Henegouwen, Luik en Namen; de meeste fabrieken vindt men echter in de nabijheid van Charleroi. De jaarlijksche productie heeft eene waarde van 45 mill, francs.

ocr page 78

74

Katoenindustrie. Hot middelpunt dezer nijverheid is Geut (121.000 inw.i; men vindt hier ongeveer 600.000 spillen, die jaarlijks gemiddeld 45 mill. KGr ruwe katoen behoeven. Dit wordt hoofdzakelijk ingevoerd nit de Vereenigde Staten van Noord-Amerika en uit Oost-Indië. Daarenboven bezit Gent groote we- •gt;

verjjen. De voornaamste plaatsen, waar men katoennijverheid vindt, zijn verder: Maschroen (11.700 inw.). Kortrijk (28.000 inw.), St.-Nikolaas (26.000 inw.) in bet welvarende Land van Waes. „België's lusthofquot;. Ren ai x (lïonse; 14.700 inw.) en Dendermonde (8.800 inw.).

| der waren wordt in 't land zelf gebruikt, .'j uitgevoerd naar de andere Europeesche landen en Amerika.

Wolimlustrie. Deze omvat de wasscherij, de spinnerij, do ververij en de weverij. Het voornaamste middelpunt is Terviers (53.000 inw.). Tal van plaatsen in de omstreken der stad zijn door dezelfde nijverheid bekend, o.a. Dison (12.000 inw.) en En si val (6000 inw.), aan de Vesdro. Verviers levert aan Belgische consumenten 1.200.000 KG. wollen stoffen, en voor den uitvoer 6 millioen KG., die vooral naar Pruisen en Engeland worden verzonden, liet grootste deel der ruwe wol komt nit Argentina, Uruguay, Australië, do Vereenigde Staten, enz.

Linnenindustrie. Deze neemt onder do grootindustrie eeno der eerste plaatsen in. In België is hot vlas eone der voornaamste planten, zoodat de fabrieken daarom uit het land zelf do grondstof trokken; — evenwel is de vlasoogst op verre na niot groot genoog om aan de behoefte te voldoen; — verschillende naburige rijken zjjn leveranciers aan België, met name verkoopen Frankrijk en Engeland aanzienlijke hoeveelheden aan de Belgische industriëelon.

Do uitvoer beloopt jaarlijks eene waarde van meer dan 62 mill, francs.

Do Vlaamsche linnens, vooral die van Kort rijk, Gent en Brugge zijn beroemd; die van Kortrijk hebben den naam de beste te zjjn.

quot;t

Do voornaamste tak dor linnenindustrie is de spinnerij. Zij

♦

ocr page 79

75

heeft haren hoofdzetel te Gent, dat ongeveer 175.000 spillen hezit. De meeste fabrieken zijn verder te Luik, Doornik, Brussel, Eouselare, Lokeren en Kortrijk. Plet linnen wordt vooral uitgevoerd naar Pruisen, Engeland, Nederland, Frankrijk, Italië en Spanje.

Het weven uit de hand van lijnwaad is nog vooral in Vlaanderen van belang; het houdt een groot aantal werklieden bezig, die eene onbetwistbare bekwaamheid bezitten; de Belgische lijnwaden zijn zeer gunstig op de Europeesche en Ameri-kaausche markten bekend.

De vervaardiging der wereldberoemde kanten geschiedt vooral te Mechelen, te Brussel en te Gent.

Papierindustrie. De fabrikatie van papier is van groot belang. Zgt;J voorziet in de behoeften van het land, terwijl de jaarlijkscbe uitvoer eene waarde van 20 millioen francs bezit. Papierfabrieken zijn talrijk te Brussel en in vele andere plaatsen. Die van Ho ei leveren het meest beroemde papier.

Muziekinstrumenten worden o.a. vervaardigd te Brussel, Antwerpen, Gent en Luik.

^ 72. Haiidel en verkeer.

Letten we allereerst op de scheepvaart. Wat liet binnenland s ch ve r k e e r betreft, België bezit verscheidene bevaarbare rivieren en een groot aantal kanalen, natuurlijk vooral in het laagland.

De voornaamste waterwegen zijn de Schelde en de Maas; dan volgen de Sambre en verschillende kanalen.

De belangrijkste zijn :

1. De Schelde fjaarlijksche scheepvaart 4 millioen tonnen), in verbinding-met het kanaal van Bergen naar Condé (1 mill, t.) en van dit kanaal naar Antoing (1,9 mill. t.).

2. De Maas (21/2 mill, t.) met de kanalen van Lnik naar Maastricht (0,7 mill, t.) en van de Campine (1,2 mill. t.).

3. De Sambre (1,6 mill, t.) met het kanaal van Charleroi naar Brussel (1 mill.) en van Willebroek naar de Rupel bij Boom (1,7 mill. t.).

4. De kanalen van Gent naar Ostende (0,9 mill, t.) en naar Ternenzen (1,2 mill, t.), de Lijs (1,3 mill, t.), de Dender (0,9 mill, t.) en hot kanaal naar Ath (0,5 mill. t.).

t

ocr page 80

76

Voor het buitenlandsch verkeer heeft België slechts twee belangrijke havens; Os ton de on Antwerpen.

Ostende met zijne kunsthaven is vooral van belang voor de verbinding met Engeland: stoombooten op Dover en Londen.

Antwerpen (271,000 inw.) is een der schoonste havens van Europa, een belangrijk middelpunt van industrie en eene handelsplaats van don eersten rang. De Schelde is hier bijna 700 M breed en zóó diep, dat do grootste zeeschepen kunnen binnenloopen (bij vloed 13 M diep). Van 't grootste belang is voor Antwerpen de omstandigheid, dat het de geschiktste haven voor een niet gering deel van Europa is. Antwerpen is als 't ware een groot entrepot: overzeesche waren worden hier aangebracht, gelost en verdeeld over een aantal Europeesche binnensteden. Groote havens en dokken staan door sluizen met de Schelde in verbinding en zijn omgeven door een' krans van magazijnen.

Een dicht net van spoorwegen, dichter dan in alle andere landen, overdekt België. De hoofdlijnen zijn vooral voor het transito van belang; want België, gelegen tusschen de voornaamste handels- en industrielanden, heeft een grooten doorvoer.

Tot de hoofdlijnen moeten gerekend worden:

Ostende—Brussel—Luik—Verviers—Aken—Keulen.

Antwerpen—Luik—Keulen.

Nederland — Antwerpen — Brussel — Namen — Luxemburg — Straatsburg—Bazel—Luzern—(ienua.

Antwerpen—Brussel—Parijs—Dijon—Lyon—Marseille.

De jaarlijksche doorvoer heeft eene waarde van 600 a 700 millioen gulden.

Het meest wordt gehandeld met Frankrijk, Duitschland, Engeland en Nederland.

In- en uitvoer. Do landbouw is niet in staat eene zoo dichte bevolking voldoende van koren te voorzien : daarom moet koren ingevoerd worden. Ook aan hout is gebrek. De geheele invoer beloopt 700 a 000 millioen gulden, en wel voor

ocr page 81

77

koren en meel

■220

wol

36

hout

34

chemicaliën

33

huiden

33

harsen

32

oliezaden

31

voorts : vlas, dieren, koffie, kaas en boter, katoen, enz.

De botcekenis van Antwerpen blijkt uit het volgende.

In 180G werden ingevoerd :

2,3 millioen KG. ruwe cacao.

1,1 ,, ,, caoutchouk uit don Kongo-staat.

844.OOO HL rogge.

16,660.000 ,, tarwe (voor 2/3 uit de Donaustreken).

3,300.090 ,, gerst.

2,460.000 „ haver.

4,360.000 ,, maïs (uit Noord-Amerika en Argentinië).

475.000 M3 hout.

550.000 balen koffie.

830.000 „ rijst.

3,500.000 KG suiker uit Ned. Indiö.

93.000 HL wijn.

236.000 balen wol.

60 millioen francs aan diamanten.

Naast Londen is Antwerpen do voornaamste markt voor het Afrikaansch ivoor (jaarlijksche aanvoer gemiddeld ruim 500.000 K(J).

De uitvoer beloopt voor :

koren en meel 80 millioen gulden.

machines 52 ,, „

kolen 50 „ „

linnen garens 35 ,, „

ijzerwaren 30 „ „

voorts ; glaswaren, ijzer, zink, wollen en katoenen stoffen, enz.

De geheele uitvoer beloopt gemiddeld 000 a 700 millioen gulden.

Muntwezen als in Frankrijk.

Tussehen België en Pruisen ligt het neutrale gebied van Altcnberg (Vieille Montague, Moresnet), met belangrijke ziukgroeven.

ocr page 82

Luxemburg.

('2590 KG2, 225.000 inw.)

73. Luxemburg, tot het stroomgebied van den Moezel bohoorende, is vooral in het Noorden bergachtig en vrij on-vruchtbaar (de Oesling; schapen en zwijnen); het Zuiden is vrij vruchtbaar (Gutland) en levert graan, langs de rivieren zijn ffoede weiden. Het derde deel van het land is met bosch bedekt (eiken, beuken). IJzer en hardsteen zijn de voornaamste mineralen, ' vooral het ijzer, dat in groote hoeveelheden naar België wordt vervoerd, is van belang.

Luxemburg (20.000 inw.), handel in eikenschors, hardsteen ; ijzerfabr.

D i e k i r c h, hardsteen.

Luxemburg behoort tot het Duitsche Zollverein.

ocr page 83

Frankrijk.

(259.000 KM2; 38,500.000 imv.)

§ 7-i. Frankrijk kunnen we in de volgende natuurlijke deeleu splitsen :

a. een hooggebergte in 't Zuid-Oosten: de West-Alpen;

1). een middelgebergte, het F ranse he middelgebergte;

c. de Rhone-Saone-vallei, tusschen a en l) in gelegen;

d. het Fransche laagland, in het Noord-Westen en Westen.

§ 75. Van den Mont-Blanc loopen de West-Aliten tot do Middellandsche zee; over 't lioogste gedeelte loopt de grens tusschen Italië en Frankrijk. Hier ontspringen de Isère en de Durance, linker-zijrivieren van do Rhone. l)oor het dal van de Isère en hare zijrivier de Are loopt de Mont-Cenisbaaii, de spoor, die Lyon en Genève met Turijn verbindt, en door den Mont-Cenistunnel gaat.

In het dal der Isère : Grenoble (handschoenen).

Tot aan de kust van P r o v e n c e zet zich het bergland voort. Beschut tegen de Noorden-, open voor de Zuiden-winden is het klimaat hier zeer zacht (badplaatsen: Nizza, Men tone). In de dalen is de bloemencultuur van veel belang (vervaardiging van welriekende wateren, vooral te Grassc). Toulon, oorlogshaven. Marseille, zie hier achter.

Op de grens ligt hut vorstendom Monaco, 21 KM2 groot, met de beruchte speelbank van M o n t e Carlo.

§ 76. Het Fransche middelgebergte vindt zijne Zuidelijke en Oostelijke grens in eene rjj gebergten, die in 't Zuiden met de Ce ven nes beginnen, en die de waterscheiding vormen tusschen de Middellandsche zee en den Atlantischen oceaan (en

ocr page 84

80

't Kanaal). Naar de Westzijde strekken zich plateaus uit, die naar 't W. steeds lager worden (Bergland van Auvcrgne), over 't geheel onvruchtbaar en weinig bevolkt.

§ 77. Het Rhóne-Saónedal. doorstroomd door de Rhone en de Saone (met de Doubs), staat door de Bourgondische poort (tusschen Vogezen en Fransche Jura) met de Bovenrijn-sclie laagvlakte in verbinding. Hierdoor loopt vanouds de weg van Duitschland naar de Middellandsche zee. Aan het einde van dien weg moest eene belangrijke handelsstad ontstaan: Marseille, tevens de uit- en iuvoerplaats van het geheele Rhone-gebied (442.000 inw.; oliehandel en olieindustrie: zeepfabrieken; uitvoer van wijnen, korenhandel, enz.)

In het Saóne-gebied liggen Dij on en Chalon, en aan de Doubs Be san co ii (uurwerkmakerijen, de concurrent van Zwitserland).

Door het Rhone-Rijnkanaal is de Doubs met den Rijn verbonden, door het Kanaal van B o u r g o n d i ë en het Canal du Centre de Saóne met de Yonue (Seine) en de Loire.

Bij Lyon komt de Saone in de Rhone. Lyon (466.000 inw.) ligt daar, waar de groote weg Noord-Zuid, van Duitschland naar de Middellandsche zee, samenkomt met den weg uit Italië: voor zijde is liet de belangrijkste plaats.

In het Zuiden ligt de Vlakte van Languedoc, die zich aan den voet der middelgebergten langs de Middellandsche zee uitstrekt. Langs de kust liggen strandmeren, aan den Rhone-mond eene moerassige delta.

Naar het Noorden beschut geniet de vlakte een heerlijk klimaat, en kan zuidvruchten en wijnen leveren (Nimes, M o n t p e 11 i e r; uitvoerplaats der wijnen: C e 11 e).

Door de poort tusschen Cevennes en Pyreneën loopt het Canal du Midi, dat deze streken met de Craronne verbindt.

§ 78. Het Fransche laagland kan men in drie groote deelen splitsen:

de Graronne-vlakte,

de Loire-vlakte,

de Seine-vlakte.

ocr page 85

81

§ 79. De Garonue-vlakte ligt als een driehoek tusschen het Middelgebergte, de Pyreneën en de kust.

Aart de kust verheffen zich hooge duinen. Achter deze liggen de Land es, eene moerassige streek met vele meren; verder landwaarts in liggen heidevelden. In de laatste jaren is hier

ocr page 86

82

De Garonne ontspringt in het midden der Pyreneën. Tot Toulouse is hare hoofdrichting naar het Noord-Oosten; dan buigt zij zich om naar het Noord-Westen, welke richting zij tot haren mond behoudt. Rechts ontvangt zij het water van de Tarn en de Lot.

Beneden Bordeaux stort zij zich, evenals de Dordogne, in de Gironde.

De Grironde is eene door zijn woest karakter en overstroomingen gevaarlijke rivier. Toch is zij tot boven Toulouse bevaarbaar en ook Tarn, Lot en Dordogne zijn vrij ver bevaarbaar. Langs de Garonne loopt het Garonne-kanaal, bij Toulouse in het Canal du Midi overgaande.

In het algemeen is het dal der Garonne vruchtbaar, bet levert maïs, tarwe, tabak, enz. Vooral de driehoek tusschen Garonne

ocr page 87

83

en Dordogne is goed besproeid en levert veel op. De heuvels langs de rivier zijn met den wijnstok bedekt; zoo ook de landstreek Medoc, ten westen der Gironde. De haven van het Garonne-gebied, Bordeaux (253.000 inw.), voert dan ook zeer veel wijn en brandewijn uit; de stad is door stoomvaartlijnen met Noord-Europa en Amerika verbonden. Voorhaven is Po uil-la c. Toulouse (150.000 inw.) heeft vele fabrieken.

Naar het Noorden zet zich de Garonne vlakte langs de kust voort: eerst langs de Char en te, dan in de Vendée, de landstreek tusschen de Gatine en de kust. Over 't geheel heeft deze streek vruchtbaren kleigrond; de Vendée levert tarwe, terwijl de veeteelt er van belang is. Bij de kust liggen la Roche lie en Roche fort, eertijds twee belangrijke havens.

La Rochel] e exporteert vooral cognac naar Nederland, en ook sardines en wijn.

§ 80. De Loire-vlakte.

De Loire ontspringt op het hoogland van Vivarais, niet ver van de bronnen van hare voornaamste linker-zijrivier de Allier; bij N e v e r s vereenigen ze zich. Tot Orleans blijft de richting der Loire Noordwestelijk. Hier verbinden het kanaal van Orleans, het kanaal van Briare en het kanaal Loing Loire en Seine.

Aan de linkerzijde ontvangt de Loire nu achtereenvolgens de Cher, de Indre en de Vienne, rechts neemt zij de Maine op, d.i. de vereeniging van Loir, Sar the en May enne.

Beneden Nantes loopt zij met een breeden trechtermond in zee.

Zjjn er groote onvruchtbare streken (als de Sologne, waar schapenfokkerij het hoofdmiddel van bestaan is), in 't algemeen is de Loire vlakte vruchtbaar en heet zij terecht eene korenschuur van Frankrijk. Tarwe is het hoofdprodukt, vooral in het Maine-gebied, waar ook de veeteelt van belang is; voorts gerst, koolzaad, enz.

Aan of bij de Loire liggen ; Orleans (ül .000 inw.; fabrieken). Tours (60.000 inw., fabrieken), Angers (71.000 inw.) en Nantes (127.000 inw.). Nantes is de in- en uitvoerplaats der

ocr page 88

84

Loire-vlakte; handel in koren en wijn; invoer van ruwe suiker uit de Fransche koloniën. Voorhaven is Sint-Nazaire (26.000 inw.; drukke stoombootvaart op Amerika).

Van Santes leidt een kanaal naar Brest.

§ 84. De Seine-vlakte. De hoofdrivier, die het water dor geheele vlakte verzamelt, is de Seine. Deze neemt de Yonne op, bij Parijs de Marne en lager de Oise (rechts), en stroomt bij Havre in zee. Waar ze door het opnemen der Marne beter bevaarbaar wordt, ontstond op een eilandje Parys.

Ook de Seine-vlakte is goed bebouwd (tarwe, haver, gerst, vlas, hennep, koolzaad, enz.), in 't bijzonder het Westelijk deel. In 't Oosten tiert de wijnstok: Champagne; wijnhandel te Reims (120.000 inw.), te E per nay en Chalons.

Parys, in 't midden der vlakte gelegen, hoofdstad van het rijk, heeft meer dan 2| millioen inwoners. Parijs bezit fabrieken van allerlei soort; men berekent, dat jaarlijks voor eene waarde van duizend millioen wordt gefabriceerd!

Bij de stad liggen Versailles (51.000 inw.) en St.-Denis (51.000 inw.). Rouaan (112.000 inw.), dicht bij den mond der Seine, bezit groote katoen- en Elbeuf wolfabrieken. In-voerplaats van de ruwe katoen en wol is Havre (116.000 inw.), als 't ware de voorhaven van Parijs; scheepsbouw, fabrieken.

§ 82. Het Noorden. Onmiddellijk aan liet Seinebekken grenst het bekken van de Som me, die met een breedenmond in zee loopt. Aan de rivier ligt Amiens (84.000 inw.; linnen -en wolfabrieken).

De heuvelen van Artois, die bij Calais aan de kust eindigen, scheiden het Somme-bekken van eene industriestreek. Hier liggen: Lille of Ryssel (201.000 inw.; sterke vesting; wolfabrieken); Roubaix (115.000 inw.; wolfabrieken); Toureoing (65.000 inw.; wolfabrieken). Valenciennes (27.000 inw.; kant, in de nabijheid belangrjjke steenkoolbeddingen).

Aan de kust; Boulogne (42.000 inw., overvaart naar Engeland; badplaats), Calais (53.000 inw.; overvaart naar Dover; kantwerkerij; visscherij). Duinkerken (52.000 inw.; handel^ visscherij), Dieppe.

ocr page 89

85

§ 83. Het Fransche laagland wordt in het Westen afgebroken door twee berglanden; dat van Bretagne en Nor-mandië.

Het eerste ligt op het schiereiland Bretagne, voor een groot deel woeste, onvruchtbare plateaus met bergruggen. In het Westen dringen golven diep het land binnen: hier ligt Brest (7(3.000 inw.; oorlogshaven). Aan de Zuidkust: Lorient (41.000 inw.; oorlogshaven). Ten JNquot;. van Nantes Rennes (65.000 inw.), middelpunt van eene landbouwstreek.

Het Normaudische bergland is ook niet hoog; het eindigt in Kaap la H o g u e. In de dalen wordt veel ooft geteeld (fabricatie van cider); voorts is de veeteelt belangrijk en verbouwt men tarwe. Op Cotentin ligt de oorlogshaven Cherbourg (39.000 inw.).

Tusschen Cotentin en Bretagne ligt de Gfolf van St.-Michel (oestercultuur); de Normaudische eilanden behooren Engeland.

Tot Frankrijk behoort Corsica (8800 KM-groot), een woest bergland met kleine kustvlakten en eene onontwikkelde Itali-aansche bevolking. Voornaamste plaatsen: Ajaccio (10.000 inw.) en Bastia (34.000 inw.); uitvoer van olie en zuidvruchten.

Overzichten.

g 84. Landbouw. Frankrijk is een landbouwstaat; meer dan de helft der bewoners vindt in den landbouw een middel van bestaan. Overal wordt deze zorgvuldig gedreven. In tegenstelling b. v. met Groot-Brittanjè heerscht het kleingrondbezit.

Bijna de helft der personen, die van landbouw leven, zijn grondbezitters. Terwijl in Engeland bij de 62 personen, die van landbouw leven, slechts 1 grondbezitter is, is in Frankrijk de verhouding 2:1.

Ruim de helft van den bodem is akker- en tuinland; 50 0/0 van dit land is met koren bezaaid (bijna 7 millioen HA). Gemiddeld bedraagt de oogst 250 millioen HL koren, waaronder 00 millioen HL tarwe en 80 millioen HL. haver.

4

ocr page 90

86

In 1S96:

tarwe 110,700.000 HL.

haver 92,000.000 „

rogge 24,500.000 .,

gerst 16,200.000 „

boekweit 8,600.000 „

mals 10,700.000 .,

akkers en tuinen

gras

woud

woest

52,4

ï

11,3

18,3

14,3

Gebruik van den bodem in Frankrijk.

Aardappelen worden bijna in alle departementen verbouwd, doch 't meest in 't Noorden (gemidd. oogst 150 mill. HL.), suikerbieten bijna uitsluitend in 't Noorden (opbrengst ^ millioen t suiker), zoo ook vlas en hennep.

Terwijl de meeste der bovengenoemde produkten in Frankrijk zelf verbruikt of verwerkt worden, bezit het van andere produkten zulk eene hoeveelheid, dat de uitvoer er van zeer belangrijk is. Deze produkten zijn: wyn, ooft en zuidvruchten.

Frankrijk is het eerste wijnland van Europa. Ofschoon het in de laatste jaren, wat hoeveelheid betreft, door Italië is overtroffen, is de behandeling der Fransche wijnen zóó goed. dat het nog altijd met zijne merken de wereldmarkt beheerscht. De ontzettende schade, door de druifluis (phylloxera vastatrix) teweeggebracht, komt het langzaam te boven. De beste soorten leveren Champagne, vooral aan de oevers van de Marne (Epernay, Chalons, Rheims), Bourgondië (aan de Cóte d'or; Chambjertin, Volnay), het Garo nne-gebied (zie het kaartje op bl. 82) en de Languedoc (Muscat Lunel). :j der Fransche wijnen zijn rood.

Wjjnproductie van Frankrijk.

Jaar.

H L (gemiddeld per jaar).

1847/56

32,500.000

1857/66

46,000.000

1867/76

51,500.000

1877/86

35,000.000

1887/96

33,500.000

1896

44,000.000

ocr page 91

87

Ook de ooftcultuur staat in geen land op hooger trap. 't Meeste ooft leveren de Noordelijke departementen: peren, appels, kersen; daar wordt veel cider bereid (vooral in Nor-mandië). 1) In het midden en naar het Zuiden toe vindt men vooral perziken, abrikozen, noten, kastanjes, enz. Op het Centraal plateau behooren kastanjes zelfs tot de hoofdvoedings-

Fig. 13.

middelen. Veel ooft wordt geconserveerd. In het Zuiden komen olijven voor, vooral in de Provence (Aix, Grasse), — ook oranjeappels en citroenen. Voorts de moerbeiboom. De bloemencultuur is vooral in de Provence van veel beteekenis; daar worden oliën en essensen uit de bloemen getrokken (Grasse).

Wouden. In vroeger' tijd was Frankrijk zeer rijk aan uitgestrekte wouden, thans behoort het tot de landen van E uic-j a

1) In quot;fc geheele land in 1893 meer ilan 30 millioen HL vruchtenwijn.

ocr page 92

88

die betrekkelijk weinig bosch bezitten, ofschoon men in de laatste jaren overal met goed gevolg getracht heeft door aanplantingen den houtrijkdom te vergrooten. Het meeste woud vindt men in de Alpen, de Pyreneën, de Ardennen en Bourgondië. De Lan-des leveren veel hars.

§ 85. Veeteelt. De veeteelt is goed ontwikkeld. Wat het rundvee betreft, de beste rassen bezitten de Noordelijke en Noordwestelijke departementen en de Alpen. In de landstreek Brie ten O. van Parijs maakt men kaas („Fromage de Briequot;), boter levert vooral Xormandic (wordt over Cherbourg naar Engeland gezonden). Schapen worden om Parijs, in de Sologne (ten Z. van Orleans) en op de centrale plateaus gehouden; de vetste schapen, voor de slachtbank, leveren Auvergne en Nor-mandie. Greiten treft men in de bergstreken aan, vooral aan den Oostrand der centrale plateaus, waar men hare melk met die der schapen vermengt en er kaas van maakt (Roquefort, ten N.-W. van Montpellier). Goede paarden bezit vooral de Noordelijke helft; in 't Zuiden vindt men veel muildieren en ezels. Varkens worden betrekkelijk weinig gehouden.

paarden, runderen

schapen

geiten

varkens

In 1896 waren er:

muildieren en ezels 3,370.000

13,360.000 21,200.00 1,500.000 6,400.000

Zeer gewichtig is de vogelteelt, vooral van hoenders (om het vleesch en om de eieren). Veel eieren worden uitgevoerd (jaarlijks voor 30 millioen francs; hoofdzakelijk naar Engeland), ook veeren.

Zijdecultuur vindt men in 't Zuid-Oosten en op Corsica.

§ 86. Visschery. De zeevisscherij levert jaarlijks voor eene waarde van 120 millioen francs. Aan de Westkust worden sardines gevangen; hoofdzetel van den handel is Nantes, van waar in 1892 ongeveer 60 millioen blikken verzonden werden. Har i n g en s c h e 1 v i s c h leveren de Noordzee, oesters langs de Westkust (hoofdzetels Cancale bij de Golf van St.-Michel,

ocr page 93

89

en Arcachon in de Landes). Dan vangen de Fransche visschers haring bij IJsland en kabeljauw (stokvisch) bij New-Foundland (St.-Malo en Duinkerken).

De zoet watervisscherij levert tengevolge van de kunstmatige vischteelt veel karpers, steuren en zalmen.

§ 87. Delfstoffen. In de eerste plaats moeten steenkolen en ij z e r genoemd worden.

Meer dan veertig bekkens leveren jaarlijks samen 26 mil-lioen tonnen steenkolen (In 1896 26,2 millioen). De belangrijkste zijn :

het b ek k e n v an Valenciennes, dat bijna zooveel levert, als alle andere samen;

het bekken van S t.-E t i e n n e;

de bekkens van L e C r e u z o t en A1 a i s.

Van veel minder belang zijn de bruinkolen (totale productie | millioen t); de meeste levert Provence.

Voor de behoeften is de productie van kolen onvoldoende; vooral Engeland, België en Duitschland voeren kolen naar Frankrijk (10 a 12 mill. t).

De ijzermijnen zjjn talrijk en gewichtig. Jammer, dat de meeste niet in de nabijheid der steenkolen liggen. De jaarhjk-sche productie beloopt ongeveer 2 a 2| millioen tonnen. Waar ijzer en kolen beide gevonden werden, zijne grootsche inrichtingen ontstaan (le Creuzot. Sint-Etienne).

De productie van andere metalen hoeft weinig te beteeke-nen (lood, koper); de grootste hoeveelheden worden ingevoerd. Champagne levert krijt, de Ardennen en de Cevennes leisteen, bouwsteenen (zandsteen) de omstreken van Parijs, enz.

Zout wordt, nadat Lotharingen voor Frankrijk verloren ging, hoofdzakelijk uit zee verkregen (aan de Zuid- en Westkust). Nancy levert nog steenzout. Jaarlijksche opbrengst ongeveer 1 mill. t. (1892: 974.000). Minerale bronnen vindt men vooral in de Pyreneën (Bagnères de Luchon), in de Provence (Aix), op het Centraal plateau (Vichy), enz.

§ 88. Industrie. De industrie staat in Frankrijk op een hoogen trap van ontwikkeling. In smaakvolle bewerking

ocr page 94

90

worden de Fransche artikelen door geen andere overtroffen (vooral de Parijzer artikelen verdienen in dit opzicht vermelding). De rijkdom aan natuurprodukten, de uitnemende middelen van verkeer, de vindingrijkheid der Franschen, zoo ook de krachtige hulp der regeering, en eindelijk de macht van het kapitaal hebben de industrie tot zulk eene hoogte gebracht. Kunst en industrie gaan in Frankrijk, meer dan ergens elders, samen. Instellingen als de „Ecole centrale des arts en des manufacturesquot;, het „Conservatoire des arts et des métiersquot;, de vele industrie- en teekenscholen, tentoonstellingen, enz. leiden en bevorderen den aangeboren zin voor het schoone.

Ruim 8.^ millioen personen vinden in de industrie een bestaan. De meeste fabrieken bezit bet Noorden, ofschoon er ook veel in 't Zuiden voorkomen.

Het middelpunt der industrie vormt Parys met omgeving.

§ 89. De gewichtigste tak is de textielindustrie, die meer dan G00.000 personen bezighoudt en jaarlijks voor 3500 a 4000 millioen francs aan produkten levert.

a. De Fransche zij de-industrie beheerscht de wereldmarkt. De hoofdzetel is in het Zuid-Oosten, waar L y o n het middelpunt der weverijen is en de belangrijkste z ij d e-markt van Europa.

De zijde-inJustrie ?aat in Franknjk minder vooruit ilan in het ovorifje Europa. Dit blijkt uit de volgende tabel :

1894. 1891 —'93. 1886 — 90. 1881 — 85. Frankrijk 43,5 0/o 44,6 46,9 48,5

Overijfe Europa 56,5 0/o 55,4 63,1 51,5

Vooral Milaan en Zurich gingen ten koste van Frankrijk vooruit.

In 1894 gebruikten de fabrieken aan zijde:

in Frankrijk 3,700 000 KG.

,, de Vereenigde Staten 3,450.000 „

„ Duitschland 2,100.000 „

„ Zwitserland 1,350.000 ,,

„ Engeland 760.000 ,,

,, Oost.-Hongarije 630.000 ,,

De voornaamste concurrent is dus de Vereenigde Staten.

ocr page 95

91

In hetzelfde jaar werd in Frankrijk jjeproduceerd vonr eene waarde van :

Lyon 365,350.000 francs.

Roubaix 16,000.000 „

Picardië 23,820.000 „

St.Etienne 71,130.000 „

Oatais, enz. 70.000.000 „

Hieruit blijkt het groote overwicht van Lyon.

b. De wolindustrie, de oudste, staat ook nog bovenaan. Een derde deel der productie kan uitgevoerd worden, voor de helft naar Engeland. De voornaamste spinnerijen zijn te Rijssel, Eoubaix, Tourcoing, Rheims, Amiens en Parijs. Laken-stoffen leveren Sedan (zwart laken) en Elboeuf. Grovere stoffen worden in het Zuiden (Toulouse en Languedoc) vervaardigd; kamgaren stoffen leveren Roubaix, Tourcoing, Lille, Rheims en Rouaan; Parijs stoffen voor dames. In merinos, thibets, moes-seline, alpacca is Frankrijk onovertroffen. Prachtige tapijten leveren vooral Parijs en Bauvais.

Er werden verbruikt (1894) in:

Frankrijk 250,000.000 KG wol.

Engeland 210,000.000 ,, ,,

Vereenigde Staten 170.000.000 ,, ,,

Duitschland 182,000.000 „ „

Rusland 80,000.000 ,, „

c. De katoenindustrie heeft haren hoofdzetel in 't Xoorden, nl. in Rouaan; voorts moeten Lille, Valenciennes (kanten), Roubaix, Sint-Quentin, Calais genoemd worden. Uitnemend tarlatan levert Tarare (ten N.-W. van Lyon).

Jaarlijks wordt 155 millloen KG ruwe katoen in de spinnerijen gebruikt. De weverij gaat over 't geheel vooruit; zij levert voor 400 millioen francs stoffen per jaar. Vooral do uitvoer naar de koloniën is in de laatste jaren toegenomen.

(I. Met de linnenindustrie gaat liet minder goed. Men vindt haar in alle deelen des lands, doch vooral in het Noorden (Normandië, Picardië, Vlaanderen en Bretagne).

De juteindustie komt in de laatste jaren snel op, mot name in Duinkerken. Zeilen en touwwerk worden vooral in Duinkerken, Havre, Angers, Brest, Cherbourg, Toulon en

ocr page 96

92

Marseille vervaardigd, — in de zeehavens dus. In k a n t w e r-k e n kan buiten België geen land met Frankrijk concurreeren (Alengon, Valenciennes).

Het ove rwicht, dat Frankrijk naast Engeland in de textielindustrie bezit, gaat meer en meer verloren, door de opkomst der nijverheid in andere staten, vooral in de Vereenigde Staten, Duitschland en Oostenrijk.

§ 90. Buiten de textielindustrie zijn er nog vele takken van nijverheid, die bloeien.

De papierfabricatie is vooral belangrijk te Limoges, Lille, Grenoble, Parijs, Marseille; vooral het luxepapier wordt geroemd. In cartonnage- en papiermachéwerken wordt Parijs door geen plaats ter wereld geëvenaard.

Ook de lederindustrie is zeer ontwikkeld. In gelakt leder, marokijn en handschoenen beheerscht Frankrijk de wereldmarkt; hoofdzetels dezer industrie zijn : Parijs, Blois, Choisy (marokijn). Pont Audemer (gelakt leder), Grenoble (handschoenen, ook vooral te Parijs).

§ 91. De metaalindustrie staat wel is waar bij die van Engeland en Duitschland ten achter, maar is toch van groot belang.

Grootere ijzer- en metaalwaren leveren Sint-Etienne, le Creu-zot. Parijs, Lyon, Rouaan. enz.

Creuzot is „het Fransche Essenquot;, een der grootste inrichtingen der wereld. De groote stoomhamer weegt 100.000 KG en kostte 4 mil-lioen francs. Vooral door de levering van groote bruggen is Creuzot bekend, 't Getal arbeiders bedraagt 12.000.

Voor goud- en zilverwerken en byouterieën is Parijs de eerste plaats.

De vervaardiging van uurwerken heeft in den laat-sten tijd zulk eene vlucht genomen, dat met Zwitserland geconcurreerd wordt. Hoofdzetel is Besangon, en voorts de Jura, Savoie en Parijs.

§ 92. Door zijn porselein is Sèvres (bij Parijs) wereldberoemd, ook Limoges moet genoemd. Ook glaswaren worden in verscheiden plaatsen vervaardigd. Parfumerieën

ocr page 97

93

enz. in Parijs, Grasse, Cannes en Nizza. Vooral in het Noorden vindt men veel fabrieken van beetwortelsuiker.

De tabaksfabrieatie is staatsmonopolie; zij heeft plaats in 19 groote fabrieken en levert jaarlijks voor 4 a 500 millioen francs.

Wereldberoemd zijn de Fransche brandewijnen en likeuren: cognac, annisette (Bordeaux), absinthe (Pontarlier), chartreuse (Grenoble), enz.

Scheepsbouw vindt men in alle grootere havens, vooral echter in Nantes. Sint-Xazaire, Havre, Marseille, Toulon.

De waarde van alle produkten, die jaarljjks de Fransche in-

Fig. 14.

dustrie levert, wordt op 15.000 millioen francs geschat. Het vierde deel komt op Parijs en omstreken.

Handel en Verkeer.

§ 93. De binnenhandel wordt zeer bevorderd door het groot aantal bevaarbare rivieren en de vele kanalen.

ocr page 98

94

Een groot voordeel was liet, dat de rivieren slechts door lage waterscheidingen van elkaar gescheiden waren, zoodat de aanleg van kanalen gemakkelijk was. Jammer, dat de rivieren herhaaldelijk door lage standen onbevaarbaar zijn. Het minst is dit met de Seine het geval, zeer vaak echter met Loire, Rhone en Garonne. De meeste kanalen, reeds vroeger genoemd, zijn in de achttiende eeuw gegraven en voldoen niet meer aan de eischen van den tegenwoordigen tijd. Het betrekkelijk belang der wateren voor het verkeer wordt door bijstaand kaartje verduidelijkt.

Het middelpunt van de binnenlandsche scheepvaart is het Seinebekken. Van Parijs uit loopen ook de meest belangrijke spoorwegen naar het buitenland en naar de voornaamste havenplaatsen. Tot de belangrijkste behooreu:

ii. de O o s t b a a n : Parijs—Straatsburg (eigenlijk een deel van de Orient-Expres: Parijs—Straatsburg—Stuttgart— Weenen — Boeda-Pest—Belgrado—Sofia —Adrianopel — Konstantinopel).

b. Calais—Boulogne —Parijs—Bazel (en verder Luzern— Milaan—Bologna—Brindisi, — de Indische post).

c, de Zuid-expres: Parijs—Orleans—Tours—Bordeaux — Bayonne (—Valladolid — Madrid—Toledo—Lissabon).

(I. de W e s t b a n e n : naar Havre, Cherbourg en Brest, e. P a r ij s—D ij o n—L y o n — M a r s e i 11 e.

i'. P a r ij s—B r u s s e 1—A msterdam. § 94. De buitenlandsche handel is zeer belangrijk. De ontwikkeling er van wordt vooral bevorderd door:

i. de groote productie van fabrikaten.

'2. de gunstige ligging van Frankrijk, in het midden van Europa tusschen de meest bevaren zeeën.

3. de gemakkelijke verbinding tusschen kust en binnenland. Het belangrijkst is de handel met Engeland, België, Duitsch-land, Vereenigde Staten, Algerië, Italië, Zwitserland, enz.

De Fransche handelsvloot bestond in 1S95 uit 15.500 vaartuigen niet bijna 900.000 t inhoud, en wel :

ocr page 99

95

kloino visscherij grootc „

kustscheepyaart

scheepvaart in Europeesche zeeën ^roote vaart

schepen. 10.700

tonne n.

95.000 37.000 96.000 199.000 407.000

436 1770 503 472

De voornaamste havenplaatsen zijn:

Duiukerken, met eene scheepvaart van 3,2 millioen t, haven voor den handel met de Noord- en Oostzeestreken en belangrijke visschershaven.

Boulogne, Calais en Dieppe zijn vooral voor het verkeer van belang, hoofdzakelijk met Engeland.

In 1896 :

Boulogne 101.000 personen.

Calais 266.000 Dieppe 165.000

Havre, in den tijd van Frans I aangelegd, en alleen bij vloed voor grootere schepen te bereiken, is vooral voor den handel met Noord-Europa en Amerika van belang. Jaarlijks 12.000 schepen met 3 a 4 millioen tonnen. Havre is de haven van Parijs, de in- en uitvoerplaats van de belangrijke industriestreken van Noord-Frankrijk.

Invoer; katoen, koffie, huiden, cacao, tabak, enz»

Uitvoer: katoenen stoffen.

naar Nederland: oliën, porselein.

uit Nederland: tabak en sigaren, rijst, kaas, jenever, kaarsen, enz.

Nautes met St.-Nazairc drijft grooten handel met Afrika. Amerika en Spanje. Export: koren en fabrikaten, import; suiker, koffie, ijzer, kolen, hout, enz. Scheepvaart 1,2 mill. t.

Bordeaux, belangrijke haven voor den handel met andere werelddeelen en de Fransche koloniën; ook met Noord-Europa. Invoer van kolen, hout en koloniale waren, uitvoer van wijnen, brandewijn, gedroogde en ingelegde vruchten. Bordeaux is eene stapelplaats voor Spaansche produkten (wijn, vijgen, kurk). Voorhavens Pouillac en Le Verdon. Jaarlijks 4000 schepen met 3 mill. t.

C e 11 e, eene hoofdhaven voor wijn, zout, Russisch koren,

ocr page 100

96

Amerikaansche wol, hout, vaten (jaarlijks 200.000). Jaarlijks 5800 schepen met 1,6 millioen t.

Marseille, een der oudste havensteden van Europa, sedert de opening van het Suez-kanaal de eerste haven van Frank-r ij k, hoofdhaven voor den handel met de streken aan de Middellandsche zee, met Indië en West-Afrika, — ook voorden transitohandel tusschen Zuid- en Noord-Europa. Tevens is het eene der belangrijkste markten van Europa voor koren, olie, suiker, koffie, gummi en zijde. Jaarlijks 16000 schepen met 8,3 mill. t.

In 1869 werden ingevoerd;

tarwe,

oliezaden (aardnoten van Coromandel en Madras, copra uit Manila;

de beroemde Marseillaansche zeep bestaat uit GO 0/o aardnoten-olie

en 40 0/o copraolie),

katoenpitolie (voor de zeepfabrieken),

suiker (suikerraffinaderijen),

koffie,

tfummi,

wijn,

steenkolen,

zijde.

Uitvoer: meel, veekoeken, olie, zeep, aardewerk.

Er werden ,114 millioen KG zeep gefabriceerd (waarde 51 millioen francs); de meeste zeep blijft in Frankrijk zelf.

Scheepvaart 1886 :

binnengekomen : 7953 schepen (83 Nederlandsche)

uitgegaan 8140 „

Frankrijk heeft 44 overzeesche stoomvaartlijnen. Tot de belangrijkste maatschappijen behoor en :

1. de Compagnie des Messageries maritimes, gevestigd te Parijs, Marseille en Bordeaux. Zij onderhoudt het verkeer van Marseille uit met de havens van de Middellandsche zee (en de Zwarte zee), met China, Japan, Indië, Java via Suez (Marseille—Honkong 31 dagen, Marseille—Batavia 27 dagen, Marseille—Yokohama 40), voorts naar La Réunion, Mauritius, Adelaide, Melbourne en Sydney. Eindelijk gaan van Bordeaux uit hare boten naar Senegambië, Brazilië en de La Plata-Staten.

ocr page 101

97

2. do Compagnie générale tr ansatlantique, die hare routen heeft naar Panama (over Martinique), Guyana; naar Vera Cruz (over Santander en Havana); naar New-York (van Havre over Brest). Zij zetelt te Parijs. Sint-Nazaire en Havre.

3. voor het verkeer met de havens van de Middellandsche zee: de Compagnie Valéry, te Marseille gevestigd, Fraissinet amp; Cie, eveneens te Marseille (verkeer met

Konstantinopel).

Het verkeer in de Fransche havens beliep in 1897 (in- en uitgaande vaartuigen):

Marseille

7,100.000

tonnen.

Havre

3,729.000

,,

Bordeaux

1,787.000

V

Duinkerken

1,609.000

11

Boulogne

1,373.000

,,

Calais

1,246.000

11

Cetto

1,095.000

V

Rouaan

1,022.000

11

Cherbourg

937.000

11

St.-Nazaire

741.000

11

De handel wordt bevorderd door:

groote dokken en entrepots,

de credietinstellingen,

de beurzen, vooral die van Parijs, en voorts van Havre, Marseille, Bordeaux, Nantes, Lyon, Cette, Eheims, enz.

De crodietinstellingen hebben allen haren hoofdzetel te Parijs. Bovenaan staat de Bank van Frankrijk (gesticht 1S03), die het monopolie van de uitgave van banknoten heeft; — dan het credit foncier, het credit a g r i c o 1 e, enz.

Het middelpunt van den geheelen handel, zoowel binnen- als zeehandel, is Parijs.

In- en uitvoer.

§ 94. In de laatste jaren beloopt de geheele invoer gemiddeld 4000 millioen francs, de uitvoer 3500 millioen.

In groepen genomen werd v.in in- »'1 uitgedrukt

in procenten van den geheelenym- en

ïes Have, Haiidels-Aavdrijkskundel . . _ .1/7

WEEilï (L.) }

ocr page 102

98

Toedings- en genotmidilelon levende dieren ruwe stoffen fabrikaten

uitvoer. 23 o/o

3 /o 21 o/0

53 quot;/o

invoer. 26 o/o 2,6 0/o 52,4 o/o 9 o/o

Inge voer d werden (1897):

wol 343.700.000 francs,

wijn 280.300.000

zijde 266,400.000

koren 247,400.000

katoen 205,700.000

kolen 189.500.000

hout 177,400.000

huiden 142,500.000

oliezaden 135,700.000

koffie 105.400.000

ertsen, chemicaliën, vleesch. suiker, vlas, ma-

Uitgevoerd:

zijden stoffen 270,900.000 francs.

wollen „ 265,500.000 „

wijn 232,500.000 „

huiden 179,900.000 „

wol 172,200.000 ,,

Parijzer artikelen 160,300.000 „

suiker 134,000.000 „

katoenen goederen 119,300.000 „

zijde 117,700.000 „

confectie-artikelen 95,400.000 „

metaalwaren, lederwaren, boter, kaas, glaswaren, papier, machines, enz.

Munt wezen. Frankrijk vormt met Italië, België, Griekenland en Zwitserland eene muntunie. De munteenheid is do franc {— f 0,48) a 100 centimes.

Banknoten geeft de Bank van Frankrijk uit (zie hoven).

voorts: dieren, chines, enz.

ocr page 103

Oostenrijk-Hongarije.

(625.000 KM-; 42,500,000 inw.)

§ 95. Oostenrijk-Hongarije bestaat staatkundig uit twee rijkshelften : Cislcitlianië of de Oostejiryksche landen en Trans-Icitlianië of de Hongaarsche landen.

Tot de Oostenrijksclie Lehooren: Oostenrijk, Bohemen, M oravië, Silezië, Galicië, Bukowina, Salzburg, Stiermarken, Tirol, Karinthië, Krain, 't Kustenland en Dalmatië.

Tot de Hongaai'sclie: Hongarije, Zevenbergen, Kro-atië-Slavonië.

Elke rijkshelft heeft zijne eigen vertegenwoordiging; afgevaardigden uit die vertegenwoordigingen behartigen de gemeenschappelijke belangen. Ook heeft elke helft zijne eigen ministers; voor do zaken, die het geheele rijk betreffen, benoemt de keizer-koning een drietal ministers (nl. voor de bni-tenlandsche zaken, de algemeene geldmiddelen en den oorlog).

^ 9(5. Oostenrijk-Hongarije noemt men wel eens den Donau-staat. Meer dan i der gebeele monarchie behoort dan ook tot liet stroomgebied van den Donau.

Deze betreedt bij Passau den O.-H. bodem. Tusschen bergen en door kleine bekkens stroomt hij Oostwaarts. Bij Presburg bereikt hij door de ,,Poort van Presburgquot; of de „Hongaarsche Poortquot; de Kleine Hongaarsche vlakte. Links heeft hij de March, rechts de Enns opgenomen.

In de Kleine Hongaarsche vlakte ontvangt hij links het water van de Waag en de Gr an, rechts van de Raab. Bij Wait-z e n wendt hij zich naar het Zuiden en bereikt de Groote Hongaarsche vlakte.

Rechts neemt hij hier de Dran en de Sau op, links de

ocr page 104

100

Theiss. Door de IJzeren Poort verlaat hij Oostenrijk-Hongarije.

§ !)7. Het geheele rijk kunnen we als volgt verdeelen:

a. Het Alpengebied.

b. Bohemen-Moravië.

c. Het Karpatengebied.

d. De Donau-vlaklen.

e. Galicië.

§ 98. Het Alpengebied.

Dit omvat het gelieele Zuid-Westen van het rijk. De hooge ketens der Centraal-Alpen zetten zich in de middelste Alpenketens voort. Het dal der Inn (En ga din) scheidt de Rhae-tische van de Oetzthaler of Tiroler Alpen met hunne hooge toppen en gletscherwildernissen. Yan Innsbruck loopt een belangrijke weg Zuidwaarts over den Brennerpas (de Bren-nerbaan), die het dal van den Inn met dat van de Etseh of Adige verbindt. ~ir^ ,

In het dal der. Etsch liggen Trient- en IIo veredo.

Op de Oetzthaler Alpen volgen naar het Oosten de Tauern-ketens.

De dalen van Inn, Salzach en Enns scheiden de genoemde hooge ketens van eene tweede rij Alpen-ketens, die er ten Noorden van ligt, en waartoe o.a. behooren de S al/.burger Alpen, het Salzkammergut (beide rijk aan zout) en de Oostenrijksche Alpen. De laatste zijn rijk aan ijzer; vandaar ijzerfabrieken te Steyr.

Aan de Zuidzijde van de Lage ïauern ligt het dal der M u r. Ten Zuiden hiervan verheffen zich de Stiermarkensche Alpen. Ook dit deel der Alpen is rijk aan ijzererts (ijzerfabrieken te Graz, 112.000 inw.).

De Mur is eene linker-zijrivier van de Drau, wier dal weder Zuidelijker ligt. In dit tweede dal liggen Villach (lood, ijzer, zink; 7000 inw.) en Klagenfurt (lood, ijzer; 20,000 inw.).

De helft van Tirol is met woud bedekt; een aanzienlijk gedeelte levert niets op. De Zuidelijke dalen zijn goed bebouwd (wijn, ooft); hier vindt men ook zijdefabrieken (in het dal der Etsch: Trente en Roveredo).

ocr page 105

101

De Oostelijke deelen der Alpen zijn rijk aan mineralen, — zooals we reeds zagen: zout, ijzer, lood. Veeteelt (op de bergweiden), houtcultuur en (in de dalen) landbouw zijn echter ook in dit deel der Alpen hoofdmiddelen van bestaan.

Naar het Zuid-Oosten zetten de Alpen zicii ver naar het Oosten tusschen de Drau en de Sau voort, steeds lager wordende. Zuidwaarts verbinden kalkplateaus van de Kr ai n de Alpen met het Bosnische bergland.

Bij Idria vindt men kwikzilver; Laibacii (29.U0Ü inw.) is de hoofdstad van Krain.

Het Bosnische bergland bestaat uit een aantal kalkketens. Verscheiden rivieren stroomen Noordwaarts naar de Sau. Men vindt hier groote eikenwouden (varkensteelt). Serajewo, hoofdplaats. Het Zuideljjk deel van Bosnië is de Herzeg o-w i n a (hoofdplaats M o s t a r).

In I) a 1 m a t i ë hebben zich de evenwijdige ketens in reeksen van eilanden opgelost. In de dalen van Dalmatië wordt ooft verbouwd. Hoofdplaats is Z a r a (visscherij).

De belangrijkste haven van Oostenrjjk-Hongarije is Triest, aan de Golf van Triest (145.000 inw.). De S e m m e r i n g-b a a n, die door liet Oostelijk deel der Alpen loopt (de Sem-mering-pas) verbindt de stad met Weenen. Talrijke stoomvaartlijnen; scheepsbouw; fabrieken. Handel in hout, vruchten, wijn, suiker.

De haven van de I longaarsche landen is F i u m e (29.000 inw.).

§ 99. Boliemen-Moravië.

Op de Zuidoostelijke grens van Bohemen ligt een plateau van omstreeks 800 M. hoogte, de Boheemseh-Moravische hoogten. In het Zuiden sluit het aan bij het Bohemerwoud. De rivier, die het water van het Oosten en Westen opneemt, is de Moldau. Links ontvangt ze het water van de Beraun, aan welke Pilsen ligt. Het Moldaudal is nauw en diep; belangrijke plaatsen liggen er dan ook niet in, behalve Budweis (graphiet, bruinkolen). Waar de Moldau het vlakke land bereikt ligt Praag (310.000 inw.), middelpunt van wegen en spoorwegen, centrum van geheel Bohemen.

ocr page 106

102

Behalve de Moldau neemt de Elbe in Bohemen de Eg-er op.

Aan den steilen voet van het Ertsgebergte liggen warme en koude minerale bronnen. Vandaar badplaatsen: Karlsbad, T e p 1 i t z.

Bohemen is een vruchtbaar land. Men verbouwt er aardappelen. rogge, haver, gerst, heunop, vlas en iiop. De industrie is van groote beteekenis. Ten deele staat ze met de landbouw-produkten in verband. Zoo vindt men er veel bierbrouwerijen (Pilsen, 50.00U inw.; hop te S a a z) en linnenfabrieken (te Tr au ten au; vlasbouw aan den voet der Sudetetij. De eerste fabrieksstad is Praag (glas-, metaal-, wol-, katoen- en linnen-fabrieken), de tweede Reiehenberg- (3Ü.00U inw., katoen- en wolindustric). De industrie wordt gesteund door de aanwezigheid van steenkolen (ten W. van Praag en bij Pilsen).

De Zuidoostelijke hellingen der Boheemsch-Moravisclie hoogten met het dal der March omvatten Moravië.

Hoofdstad is Briiiin (93.000 inw ; wol- en katoenfabrieken).

De Moravische poort en het dal der March vormen den grooten weg van Duitschland naar het Zuiden. Die weg bereikt bij Weenen den Donau.

Weeneu (1,365.000 inw.) ligt aan den voet van het Weener woud, bij het begin van het Weener bekken. De stad is een hoogst belangrijk spoorwegmiddelpunt. Als handels- en fabrieksstad is Weenen van veel beteekenis; men vindt er fabrieken voor allerlei waren.

§ 100. Het Karpaten-gebied.

De groote boog der Karpaten begint bij Presburg met de Kleine Karpaten, een niet hoog gebergte. Hooger zijn de Bes-kiden, waarop de Weichsel ontspringt.

Even ten Zuiden van den boog verheft zich Tatra.

Tot 1500 M vindt men op den Tatra wouden, dan volgt kreupelhout, nog hooger naakte rots. Alpenweiden ontbreken ; daardoor is de bevolking er gering.

De Woud-Karpaten zijn rijk aan wouden, maar weinig bevolkt. Midden door het gebergte loopt een spoorweg (van Munkats naar Lemberg).

ocr page 107

103

In 't Zuiden staat liet met een Westelijker gebergte in verbinding; samen sluiten ze een lang bekken in, de zoutrijke Mar maros, die het gebied van den Boven-ïheiss omvatten.

Waar de boog zich naar het Westen ombuigt, beginnen de Traiissylvanische Alpen, met toppen tot boven 2000 M. De A1 o e t a d oorbreekt dit gebergte in den R code n Toren-pas; daar ligt in eene kleine vlakte Hermans tad, evenals Kroonstad in 't Oosten bij den Tömös-pas.

De Transsylv. Alpen zetten zich voort in het Ban at er gebergte. dat de verbinding vormt met den boog van den Balkan.

Aan de binnenzijde van den boog liggen : het Hongaarsche Ertsgebergte, Uihar-gebergtc (Zevenburgsche E r t s-gebergte).

Onder het eerste kan men alle gebergten verstaan, die tus-schen Waag en Hern ad gelegen zijn.

Van de talrijke dalen moet vooral het Gran-dal genoemd worden, waar ertsen worden gevonden (Kremnitz, Neusohl).

Het Bihar-gebergte ligt tusschen de dalen van Szamos en Maros. Beide rivieren stroomen door Zevenburgen en hare dalen vormen geschikte wegen tusschen Zevenburgen en Hongarije (spoorweg Klausenburg-Grosswardein).

In het Bihar-gebergte vindt men goudwasscherijen.

Het Hoogland van Zevenburgen is grootendeels met bergen bezet. Het bestaat uit de gebieden van Aloeta. Maros (de hoofdrivier van Zevenburgen; en Szamos.

De bodem bevat veel zout.

Aan de buitenzijde worden de Karpaten begeleid door een breeden heuvelrand, zeer gewichtig, omdat hij groote zoutlagen en petroleum bevat (Wieliczka, zout; Boryslaw, petroleum).

ij 101. De Donauvlakten.

Bij zjjn' loop door Oostenrijk-Hongarije stroomt de Donau door verscheidene bekkens, die naar den mond toe grooter worden.

Het Bekken van Weenen bespraken we reeds. Dan volgt de Kleine Hongaarsche vlakte.

De Donau vormt hier de eilanden Groot en Klein Schütt. Ten X. van den Donau is liet land vruchtbaar en goed be-

ocr page 108

404

bouwd, ten Z. van den Donau liggen moerassige streken (II an-sag-meeras; het Neusiedler meer; — hier veel weide).

De Groote Hongaarsche vlakte is 3.1 maal zoo groot als ons land.

Rechts van den Donau ligt de driehoek tusschen Dran, Donau en Bakony-woud, een laag vruchtbaar plateau, waarboven zich het bergland van Fünfkirchen verheft. (Hier vindt men steenkolen, die per spoor naar Mohats vervoerd worden, waar ze den Donaubooten dienen).

Het Don a u-dal is eene 3—10 uren breede vallei, door den Donau en zijne talrijke armen en oude rivierloopen doorsneden, rijk aan moerassen en eilanden.

Dan volgt het lage plateau tusschen Donau en ïheiss, 60— 150 M hoog, in het midden (van Ketskemet tot Maria-ï h e r e s i o p o 1) een woest zandgebied (heide, zandverstuivingen).

Nu komen we in het ïhois s-gebied. Vooral aan den linkeroever van de ïheiss liggen groote moerassen, die zich langs do zijrivieren tot aan het gebergte uitstrekken. Zeer langzaam daalt de bodem van den voet der gebergten tot de Theiss; juist daardoor komen hier zoo dikwijls

overstroomingen voor. In het Noorden, vooral bij Debreczin. vindt men zandvlakten met heide, duinen en plassen.

De zomers zijn in de Hongaarsche vlakten heet. Van alle zijden door gebergten omgeven, zal in de vlakte weinig regen vallen.

Het gevolg is, dat we in het midden der Groote vlakte weinig-of geen boomgroei vinden: daar liggen de steppen. De onbebouwde gedeelten er van, die woest liggen en nog altijd het

ocr page 109

105

onbetreden gebied der herders mot hunne halfwilde paarden en runderen uitmaken, noemt men poesten.

Aan de randen der vlakten en op de berghellingen staan wouden (eiken). In do vlakten verdwijnt het bosch voor den landbouw, evenals de poesten in omvang afnemen. Koren levert de vlakte veel (tarwe en maïs; haver, gerst, rogge); ook vlas en hennep (oliezaden). De groote eikenwouden maken de varkensteelt gemakkelijk (eikels zjjn een goed voedsel; eikenwouden in Slavoniëj; ook worden veel schapen gehouden.

Uit het bovenstaande volgt, dat in de groote Hongaarsche plaatsen aan de markt komen: koren, oliën, wol, — varkens, vee, paarden. Zulke marktplaatsen zjjn: Boeda-Pest (Hongarije's hoofdstad, 466.000 inw.; het handelsmiddelpunt, hoofdstapelplaats voor koren, vee en wol), M a r i a - ï h e r e s i o p o 1 (64.000 inw.; vee), Szegedin (74.000 inw.), Debreczin (54.000 inw.; varkens).

Do Hongaarsche wijnbouw is van beteekenis. Het belangrijkst zijn de Zuidelijke hellingen van Bakony-woud, Matra en het gebergte bij Tokaj; middelpunten zijn: Stuhlweissen-b u r g, E r 1 a u, T oka j.

Aan de wegen naar Zevenburgen liggen A r a d en Gr r o s s-w a r d e i n.

§ 402. De Gulivische vinkte omvat de lage plateaus ten JSoorden en Noord-Oosten der Karpaten. AVe i c li s e 1, Doeg, D n j e s t r en P r o e t h besproeien haar.

De vlakte is vruchtbaar en geeft goede oogsten (granen, vlas, hennep). Het geheele land, vooral echter het Zuiden (de B u-kowina) is rijk aan hout (beuken). De veestapel is groot, daar het land vele weiden bezit. Hoofdstad is Lemberg (428.000 inw.). Bij de grens ligt Brody (18.000 inw.), in het Westen Krakau (75.000 inw., vesting).

§ 403. In Hongarije wonen de Hongaren (Magyaren); de volken ten Noorden der Karpaten en ten Zuiden der Drau behooren tot de Slaven (in Bohemen C z e c h e n, in Galicië Eu then en), terwijl in 't Westen voornameljjk Duitschers wonen. De Zevenburgers behooren tot de Komanen.

ocr page 110

10(i

De Slaven zijn — wat het aantal betreft — even sterk als Hongaren en Duitschers samen. ïusschen de verschillende volken heerscht zelden eendracht. De Duitschers zijn het meest ontwikkeld ; zij bewonen de fabriekssteden. Slaven en Hongaren drijven landbouw en veeteelt. Versclieiden talen worden gesproken.

Overzichten.

§ 404. Landbouw. Wouden.

Oostenrijk-Hongarije is in 't algemeen een vruchtbaar land: vooral de Kleine Hongaarsche v'akte en de Banaat zijn buitengewoon vruchtbaar. Doch ook Galicië, Bohemen, Moravië, Beneden-Oostenrijk hebben zeer vruchtbare streken. Weinig of niets leveren op de toppen en kammen van liet hooggebergte, liet grootste deel van de Karst, de bergen van Dalmatië en de moerassen van Hongarije.

Landbouw is het hoofdmiddel van bestaan. In Oostenrijk bestaat 60 in Hongarije 80 % der bevolking van den landbouw.

O O

akkers on tuinen 39,7

grasland 23,6

wond 30,2

O «ö O O

Gebruik van den bodem in Oostenrijk-Hongarije.

Alle soorten granen worden verbouwd; de voornaamste gr aan land en zijn Hongarije, Kroatië, Slavonië, Bohemen, Moravië en Galicië.

In do 0 o sten rijks che landen zijn haver en rogge overwegend:

dan volgen gerst, tarwe en maïs. In 18Ü7 :

haver 33,9 millioen PIL.

rogge 23,2 ,, „

gerst 17,5 ,, ,,

tarwe 12,G ,, „

maïs 5,2 ,, ,,

In de Hongaarsche zijn tarwe en maïs hoofdzaak, en voorts haver, gerst en rogge.

tarwe 53,2 millioen HL.

maïs 28,4 „ „

haver 56,6 „ „

gerst 20,8 ,, „

rogge 20,4 ,, ,,

ocr page 111

107

Er wordt meer koren verbouwd, dan de behoeften eischen, vandaar uitvoer naar West-Europa, vooral van de Hongaarsche tarwe en van tarwemeel (zie bij Hongarije).

Aardappelen worden vooral in liet Xoorden (Bohemen, enz.) verbouwd (150 mill. HL, nauwelijks voldoende voor de behoeften). Suikerbieten worden hoofdzakelijk in Bohemen en Moravië geteeld.

In ile geheele monarchie 350.000 HA. Hiervan Bohemen 176.000. Mo-ravië 74,000. Bohemen verbouwt dus zooveel, als alle overige staten samen.

Under de handelsgewassen komen vooral in aanmerking: vlas in Bohemen, Moravic Galicië en Stiermarken, — hennep en raapzaad in Oost-Galiciö en Hongarije, — hop in Bohemen (beroemd is de hop uit de omgeving van Saaz) en tabak vooral in de Hongaarsche landen.

De verwerking en verkoop van tabak zijn staatsmonopolie.

Wijn wordt behalve in Salzburg, Sileziö en Galicië in allo landen verbouwd. Van de 5.180 KM3, die met den wijnstok beplant zijn, komen bijna | op de Hongaarsche landen; van de Oostenrijksche landen moeten vooral Dalmatië (soms 1 mil-lioen HL per jaar), 't Kustenland, Neder-Oostenrijk, Stiermarken en Zuid-ïirol genoemd worden. De gemiddelde oogst bedraagt 9.J millioen HL; de beste soorten leveren de omgeving van Tokay en Erlau. Zuid-Tirol en Dalmatië leveren voornamelijk lichte roode wijnen. Vooral in Neder-Oostenrijk en Hongarije heeft de wijnstok veel van de phylloxera geleden.

Ooft wordt in groote hoeveelheid geteeld, en de ooftbouw met zorg gedreven. In aanmerking komen vooral de omgeving van Görz, het Elbedal van Leitmeritz naar beneden en de omgeving van het Platten-meer. In Syrmië teelt men vooral pruimen (sliwowits = pruimenbrandewijn), in de Alpen appels en peren (vruchtenbrandewijn). Veel ooft gaat in de laatste jaren de Elbe af naar Duitschland, — en ook naar Rusland. Daarbij komen in 't Zuiden olijven en zuidvruchten, namelijk in Dalmatië, doch ook in 't Kustenland en Zuid-Tyrol. In dezelfde streken vindt men ook veel kastanjes.

ocr page 112

108

Wat het wond betreft, Oostenrijk-Honganje behoort tot de woudrijkste landen van Europa: het woud beslaat 188.000 KM2, dat is 30 0/t) van den bodem. De uitgestrektste woudgebieden liggen in de Alpen en de Karpaten en voorts aan de randen van Bohemen en in Slavonië. Dank de snelle ontwikkeling van de middelen van verkeer en de billijke tarieven (zonetarief) zijn er nog slechts weinig streken, waar het woud weinig waarde heeft, en hout vormt tegenwoordig dan ook een der belangrijkste uitvoerartikelen. Hongarije en Slavonië leveren vooral uitnemend eikenhout, de Alpen en Sudeten dennenhout. In de Zuidelijke Alpen en nog meer in de Karst doen zich de nadeelige gevolgen eener al te ruwe ontbossching gevoelen.

In 1897 werden bijna 300.000 waggons hout uitgevoerd (waarde ruim 84 millioen gulden), vooral naar Duitschland en Frankrijk. In Slavonië wordt veel liout verwerkt; Triest en Fiume voeren jaarlijks millioenen eikenhouten duigen uit, vooral naar Frankrijk, ook naar Italië.

In 't algemeen wordt van den rijken bodem van Oostenrijk-Hongarije niet zooveel partij getrokken, als geschieden kon.

Alleen in 't Westen staat de landbouw op hoogen trap, in 't Oosten vindt men een rationeelen bouw met gebruikmaking van machines slechts op enkele groote landgoederen, terwijl de boeren den landbouw nog op zeer verouderde wijze drijven.

Ook de woud- en de wijncultuur zijn nog zeer voor ontwikkeling vatbaar. In de laatste jaren is veel gedaan door de stichting van landbouwscholen, door landbouwvereenigingen (meer dan 2500), door wandelleeraars, de oprichting van modelhoeven, door tentoonstellingen, het uitloven van premiën, enz.

Voegen we bij het bovenstaande nog een kort overzicht van den toestand in de verschillende deelen.

De Alpenlanden. De hoogere gedeelten zijn natuurlijk onvruchtbaar: vandaar b. v. dat in Salzburg 20 0/o van den bodem niets oplevert. Van het overige neemt bijna overal het woud de le, het gras de 2e plaats in. Het woud is meest naaldhout, dan volgt de roode beuk. Overal is waterkracht voor zaagmolens aanwezig. Door het vervaardigen van houtsnijwerk en door kolenbranderij vinden velen een bestaan. Landbouw bekleedt eene ondergeschikte plaats. Rogge is het belangrijkste graan; dan volgen haver, gerst, tarwe, en in de Zuidelijke dalen maïs; vlas overal. De hooge almen

ocr page 113

109

zijn uitstekende zomerweiden. Veeteelt (vooral runderen) is overal van belang-.

Dalmatië^ Kroatisch kustland. Gerst, mais en tarwe worden verbouwd, maar de kuststreek en de eilanden leveren bovenal wijn cn olijven. De voornaamste gebieden der olijvencultuur zijn het eiland Cherso en de omgeving van Ragusa. Door de lage prijzen is de oliehandel zeer achteruitgegaan, zoodat de bevolking zich op den tabaksbouw is gaan toeleggen (met succes b. v. bij Cattaro). In Zuid-Dalmatië: citroenen en oranjeappelen. Veeteelt; schapen en geiten. Over 't geheel is 't land arm; van de eens rijke wouden is weinig meer over.

Hongarije en omgeving. Het Karpathengebied is een samenhangend woudland, de Hongaarsche vlakte is akkerland. In de meeste deelen wordt het woud gekapt en het hout door de wateren vervoerd; zoo gebruikt de houthandel in 't N. den uitmuntenden weg van de Waag. In de vlakte is tarwe hoofdkoren. De uitgebreide en zeer ontwikkelde meelindustrie heeft haren hoofdzetel in Boeda-Pest. Wijn wordt bijna overal verbouwd; het eigenlijke Hongaarsche wijnland is het heuvelland ten Westen van den Donau. De Banaat verbouwt rijst, doch slechts op 100 — 150 HA. Tabak neemt in West-Hongarije alleen ten Zuiden van het Plattenmeer eene groote vlakte in; het eigenlijk gebied is het Alföld. Vroeger was zeer veel land weide. Maar de landbouw neemt meer en meer land in beslag. Toch is veeteelt naast koren- en wijnbouw nog steeds een hoofdmiddel van bestaan.

Galicië en Bukowina. 90 ü/o der bevolking houdt zich met landbouw en woudcultuur bezig, slechts 10 0/o met bergbouw, industrie en handel. Gallicië en de Bukowina behooren eigenlijk reeds tot Oost-Europa: zij zijn landen, die ruwe produkten leveren. Van Galicië is bijna de helft akkerland, van Bukowina bijna de helft boschland. 't Eigenlijk woudgebied vormen de Karpaten; 't bergland is ook het land der veeteelt.

Kroatië-Slavonië. Grootendeels woud- en akkerland, 't Woud is meest loofhout. Maïs neemt 3/4 van het akkerland in beslag. Wijnbouw en veeteelt staan nog op lagen trap.

Bohenion. Men is gewoon Bohemen een industrieland te noemen, maar vergete niet, dat c/io der bevolking van landbouw, 4/io van bergbouw, handel en industrie bestaat. Van den productieven bodem is 30 0/o woud-, 49 0/o akker-, 21 0/o grasland. De woudcultuur staat hier op hoogeren trap. Het meeste bosch vindt men in de randgebergten. Vooral in de, ten deele alluviale, vlakten van Elbe en Eger is het bosch door bouwland verdrongen. Van 't woud is 90 0/o naaldhout; in de lagere streken beuken, eiken, enz. Veel hout wordt uitgevoerd (de Elbe af tot Hamburg toe, — ook wel den Donau afj. Van de landbouwprodukteu moeten vooral genoemd worden: koren, suikerbieten, hop, aardappels, vlas, enz.

ocr page 114

no

§ 105. Veeteelt.

Do uitgestrekte weiden. — de almen der Alpen, de poesten van Hongarije en de steppen gelijkende grasvlakten van Ga-licië — veroorzaken, dat veeteelt een belangrijk middel van bestaan is. Maar op hoogen trap staat zij niet.

De meeste paarden bezitten Galicië en Hongarije; vooral de Hongaarsche rassen zijn beroemd.

De runderteelt, die in 't algemeen hooger staat dan de paarden-teelt, vindt men 't meest in Hongarije en Galicië en de Alpenlanden. In de laatste wordt ze door sennen op de almen gedreven, terwijl Galicië en Hongarije meer mestvee leveren (de langhoornige Podolische rassen). In 't Westen wordt veel boter en kaas bereid.

Schapen zijn in de Oostenrijksche landen in aantal achteruitgegaan, maar in Hongarije is de schapenfokkerij van veel belang. Zij lijdt echter onder de concurrentie van Australië en Zuid-Amerika. Wol moet ingevoerd worden.

Dalmatië heeft de meeste geiten.

Varkens worden vooral in Hongarije (Bakony-woud), Zevenburgen en Slavonië gefokt (mesting door eikels).

Gevogelte heeft vooral Bohemen; de uitvoer van eieren is van veel belang. Hongarije bezit veel ganzen.

Zijderupsen in Zuid-Tyrol en in Hongarije, waar ook veel moerbeiboomen gevonden worden. In de laatste jaren gaat de zijdeteelt vooral in Hongarije zeer vooruit.

Oostenryk-Hongarije bezit:

paarden 3.500.000

runderen 14,600.000 schapen 14,400.000 (3/4 Hongarije).

geiten 1,400.000

varkens 12,300.000 (2/3 Hongarije).

§ 106. Visschery.

Vele rivieren en meren zijn vischrijk (Theiss, Plattenmeer); ook in de plassen van Bohemen, Moravië en Neder-Oostenrijk wordt veel gevischt. De visscherij op de Adriatische zee wordt

ocr page 115

Ill

door 9000 visschers met '2500 booten uitgeoefend. Toch staat zij bij andere landen zeer ten achter.

§ 107. Delfstoffen.

Oostenrijk-Hongarije is zeer njk aan nuttige delfstoffen. De beide voornaamste, steenkolen en ijzer, zjjn in groote hoeveelheid aanwezig, maar komen meestal afgezonderd voor.

Steenkolen vindt men vooral in Bohemen (bij de Sudeten en in de bekkens van Kladno (ten W. van Praag) en Pilsen). in Moravië, Silezic (ten W. van Krakau) en in Xeder-Oostenrjjk. Hongarije bezit bij Fünfkirchen en bij Oravitza (in liet Banater bergland) steenkolen. Bruinkolen zijn in nog grooter hoeveelheid aanwezig, vooral in Bohemen, aan den Zuidelijken voet van liet Ertsgebergte, waar het grootste bekken der geheele monarchie gelegen is. Terwijl bruinkolen worden uitgevoerd (nl. de Elbe af), worden Silezische en Engelsche kolen ingevoerd.

Uzer leveren, wat Oostenrijk betreft, vooral Moravië (30 %) en Bohemen (2 i %), dan volgen de Alpen, waar de ijzerbekkens reeds in den tijd der Romeinen werden geëxploiteerd. De grootste bekkens in Bohemen liggen ten W. van Praag en om Pilsen. dus bij de steenkolen. In de Alpen bevinden zich de rijkste ertslagen in Stiermarken; dan volgenKarinthiëenKrain.-dus in streken, ver van de steenkoolbekkens gelegen. In Hongarije vindt men ijzer in het Hongaarsche Ertsgebergte, — van Hernad tot het Sajodal en van Xeusohl tot Kaschau — en in liet Banatergebergte.

Goud leveren vooral Zevenburgen (Zalatna bij de Maros), Hongarije (Schemnitz, IHTeusohl); jaarlijks 2300 KG; — zilver Bohemen (Joachimsthal), Hongarije (Ertsgebergte), enz.

Kwikzilver bijna uitsluitend bij Idria.

Koper voor ] in Hongarije (Ertsgebergte).

Lood vooral in Karinthië (Bleiberg), dan in Hongarije.

Zout bezit Oostenrijk-Hongarije in groote hoeveelheid, zoowel de Alpen als de Karpathen zijn er rijk aan. De steenzoutlagen in Galicië (mijnen van quot;Wieliczka en Bochniai, in Hongarije (in de Marmaros) en in Zevenburgen (Maros-Ujvar) schijnen onuitputtelijk. Dan moet het Salzkammergut genoemd worden.

ocr page 116

112

Aussee, Ilallstadt, Ischl, Hallein, Hall (Tyrol). Zeezout wordt aan de kusten op verschillende plaatsen gewonnen.

Petroleum en aard was vindt men vooral in Galicië (Boryslaw); dat er niet meer gewonnen wordt, ligt aan de concurrentie van Amerika en Kusland; naar de aanwezige hoeveelheid gerekend is de productie gering (slechts 0700 arbeiders vinden er werk bij).

Minerale bronnen zijn er vele, vooral in Bohemen, Boven-en Neder-Oostenrijk, Salzburg en Hongarije (Karlsbad, Marienbad, Teplitz, Gastein, Ischl, Baden bij Weenen, Ofen (Boeda), Meliadia, enz.)

Jn liet gelieele njk vinden 200.000 personen in den berjrbouw een bestaan, waarvan ongeveer 150.000 in de Oostenrijksche helft.

Bergakademiën bestaan er te Leoben, Prziliram en Schemnitz.

§ 108. Industrie.

De industrie zetelt voornamelijk in het Westen, waar de Duitschers wonen, in de Hongaarsche landen is zij nog pas aan het opkomen. Maar ook in de Oostenrijksche landen is de industrieele ontwikkeling zeer verschillend. In Bohemen, Moravië, Silezië, Boven- en !Neder-Oostenrjjk en Stiermarken, die over rijke kolenbeddingen, constante waterkrachten en een voldoenden arbeidersstand kunnen beschikken, heeft het fabriekswezen eene hoogte bereikt, als in de voornaamste Europeesche industrielanden. Andere staten, als Ivarinthië, Krain, Tyrol, Istrië staan minder hoog, terwijl Dalmatië en de Bukowina wat industrie aangaat al zeer weinig te beteekenen hebben. In Hongarije is tot heden alleen Boeda-Pest als industrieplaats van belang. Het streven der Hongaarsche regeering om, zelfs met groote offers, de grootindustrie tot ontwikkeling te brengen, heeft te weinig gevolg gehad door het gebrek aan geschikte arbeiders en den tegenzin der Hongaren in fabrieksarbeid.

Daardoor zjjn de minder ontwikkelde deelen der monarchie afnemers voor de fabrikaten van het Westen, dat van hen op zijne beurt ruwe stoffen ter verwerking ontvangt.

De textiel-industrie neemt onder de industrieën de eerste plaats in.

ocr page 117

113

De katoenindustrie houdt 100.000 personen bezig. Bo-hemen, vooral de Reichenberger streek, is de hoofdzetel dezer industrie; dan komen Moravië, Neder- en Opper-Oostenrijk en Vorarlberg (Praag, Weenen, Feldkirch, enz.).

Do spinnerijen voorzien niet geheel in de behoeften, de weverijen leveren meer dan noodig is, vandaar uitvoer van katoenen weefsels.

De linnenindustrie wordt in alle Oostenrijksche landen als Imisindustrie aangetroffen, — in Bohemen, Moravië en Silezië als grootindustrie. In Bohemen is Trautenau het middelpunt voor de spinnerij, Georgswalde voor de weverij; de gelieele streek aan den voet der Sudeten is door hare linnenindustrie bekend; in Hongarije vindt men ze vooral als huisindustrie. Hennep wordt tot touw en zeildoek verwerkt in Triest en Fiume.

In do laatste jaren heeft zich ook de jute-industrie zeer ontwikkeld.

De wolindustrie staat gunstig bekend; zij is het belangrijkst in Bohemen, Moravië en Silezië. In Bohemen staat de Reichenberger streek bovenaan, in Moravië Brünn en dan Iglau, vooral voor militaire kleeding, in Silezië Bielitz en Jagerndorf, in Galicië Biala. Kamgarens in N.-Bohemen. Tapjjten leveren Weenen en omgeving, Reichenberg, Brünn.

Voor de zijde-industrie is sinds ouden tijd Weenen de hoofdzetel. Vele Weener firma's hebben in de laatste jaren hunne werkplaatsen naar het platte land verplaatst, vooral naar Keder-Oostenrijk, Bohemen en Moravië.

Gemengde stoffen, uit katoen, wol, zijde, worden in Reichenberg, Eger, Brünn en Weenen vervaardigd, ook voor uitvoer.

De vervaardiging van confectie-artikelen houdt 20.000 arbeiders bezig, vooral in Weenen, Praag en Boeda-Pest.

§ 209. Metaal-industrie. Deze behoort tot de belangrijkste van de monarchie; zij levert zeer verschillende artikelen, maar kan over 't geheel niet aan de behoeften voldoen. Waar de grondstoffen in zoo ruime mate aanwezig zijn, is deze industrie dus nog zeer voor ontwikkeling vatbaar.

Wat ijzerwaren betreft ontwikkelt zich de grootindustrie meer

ïkn Have, Handels-Aordrijkskundc. 8

ocr page 118

414

en meer ten koste van de kleinere inrichtingen. Uzerindu-strie vindt men vooral in de Alpenlanden (Stiermarken, Opperen Neder-Oostennjk, Karinthie, Tyrol), in Bohemen, Moravië en Silezië. Bovenaan staat de vervaardiging van staal; spoorstaven, assen, pantserplaten, draad, machines, enz.; veel Bessemer en Martinstaai.

In Bohemen moeten vooral Praag, Pilsen en Kladno genoemd worden, in Moravië Wittkowitz, een der grootste ijzerwerken van Europa, met 12.000 arbeiders.

In de vervaardiging van zeisen en sikkels wordt Oostenrijk door geen land ter wereld geëvenaard: in 140 fabrieken worden per jaar 9 millioen stuks gemaakt. Middelpunten zijn Steyr, Leoben en Klagenfurth.

Wapenfabriek te Steyr, die dagelijks 2000 geweren leveren kan en voor de meeste staten van Europa de geweren geleverd heeft.

In Hongarije is Boeda-Pest het middelpunt der metaalindustrie; verder het Ertsgebergte (Zips).

Groote machinefabrieken vindt men te AVeenen, Boeda-Pest en Praag, — dan volgen Wiener-Neustadt, Graz, Brünn, Pilsen, Triest.

Goud- en zilver waren: Weenen, Praag, Boeda-Pest.

§ 110. De glasindustrie is van veel beteekenis, in de eerste plaats in Bohemen, dat echter in den laatsten tijd met moeite de concurrentie tegen Duitschland, België en de Vereenigde Staten volhouden kan. In fraaiheid en fijnheid staat het glaswerk, dat de Alpenlanden leveren, ten achter.

Porselein levert vooral het kaolinrijke N.-W. van Bohemen ; de grootste fabrieken liggen in de nabijheid van Karlsbad en Eger.

L e e r 1 o o i e r ij e n zijn er vele, vooral in Weenen en omgeving, Praag, Pilsen, Brünn, Boeda-Pest, enz. Door fijne lederwerken is Weenen bekend; met goed gevolg concurreert het met Londen en Parijs. Handschoenen leveren Praag, Weenen en Tyrol.

Fabrieken van papier, houtstof en cellulose zijn vooral in

ocr page 119

115

Neder-Oostenrijk, N.-Bohemen, Stiermarken, Fiume. Voor kartonwerk, speelkaarten, luxepapier, e.d. is quot;Weenen no. 1.

Meubelen uit gebogen hout vormen een beroemd exportartikel van Oostenrijk-Hongarije.

De fabricatie van tabak en sigaren heeft plaats in 46 staatsfabrieken, met 40.000 arbeiders.

Bierbrouwerijen vindt men vooral te;

Weenen en omgeving;

Giaz in Stiermarken;

Hongarije.

Vooral in Hongarije zijn vele branderijen (brandewijn). Meer dan 200 fabrieken leveren beetwortelsuiker, jaarlijks bijna 1 millioen t. De koloniale suiker is bijna geheel verdrongen, en de productie van beetwortelsuiker is zoo groot, dat heel wat uitgevoerd kan worden. De meeste en grootste fabrieken bezitten Bohemen (Aussig) en Moravië.

Zeer belangrijk is de meel industrie. Groote stoomfabrieken, die meer en meer den handel in meel in handen krijgen, verdringen de kleine meelmolens. Van de 1400 stoomfabrieken bezit H o n g a r ij e er 1000 (de grootste te Boeda-Pest en Temesvar), dan volgt Boliemen (met 2000).

Ook in Kroatië-Slavonië gaat de meelindustrie zéér vooruit.

Scheepsbouw. De bouw van houten schepen gaat, als overal, snel achteruit. IJzeren rivierschepen (stoombooten en sleepers) worden in Linz, Boeda-Pest, Szegedin en Praag gemaakt, zeeschepen (stoombooten en zeilschepen) op de werven van Triest, Fiume en Pola.

§ 111. Handel en verkeer.

Het groot aantal bevaarbare wateren deed den binnenhandel zich uitstekend ontwikkelen. De belangrijkste stroom in dezen is de Donau, die het rijk in de lengte doorsnijdt en er overal voor stoombooten bevaarbaar is; hij vormt tevens den besten en goedkoopsten weg naar het Orient. Tal van zijrivieren maken het mogelijk de produkten van weerszijden naar den hoofdstroom te voeren. Sinds 1830 wordt deze stroom door de Donau-Dampfschiffahrt-Gesellschaft met stoombooten

ocr page 120

116

en sleepbooten bevaren, van Regensburg tot Galatz, en voorts de Theiss, de Save, de Donau en de Zwarte Zee met de stoomvaartlijnen Galatz—Odessa en Galatz—Batoem (in aansluiting met de spoorlijn naar Tiflis en Bakoe; — Perzië).

De maatschappij heeft meer dan 200 stoom- en 700 ijzeren sleepbooten. Naast haar bestaan slechts een tweetal kleinere maatschappijen.

De tweede belangrijke waterweg, vooral voor het buiten-landsch verkeer, is de Moldau—Elbe, die Bohemen door het industrieele Saksen niet Hamburg en de Noordzee verbindt Tot Leitmeritz wordt de Elbe, tot Praag de Moldau door stoom-booten bevaren. De voornaamste maatschappij is de Ü s t e r-reichische Nordwest-Dampfschiffahrt-Gesellschaft.

Van veel minder belang zijn de waterwegen San—Weichsel naar Rusland en de Oostzee, en de Dnjestr naar de Zwarte zee.

Het spoorwegnet (sinds 1831 spoorwegen, vooral sinds 1866 veel aangelegd) is thans zoo dicht, dat alle grootere plaatsen en centra voor landbouwprodukten, enz. door spoorwegen verbonden zijn.

Voor het buitenlandse h verkeer hebben vooral be-teekenis :

W eenen—Straatsburg—Parijs.

Weenen—Praag—Dresden—(Berlijn)—Hamburg.

Weenen—(Breslau)—Warschau—St.-Petersburg.

W eenen—Salzburg—(Arl berg)—Zürich—Bazel—Par ij s.

Kufstein—Innsbruck—Verona (transito-verkeer Duitschland— Italië).

Weenen—Triest en Fiume.

Boeda-Pest—Fiume.

W eenen—Boeda-Pest—Belgrado—(Konstantinopel en Saloniki).

(Weenen—) Krakau — Lamberg—Czernowitz — Odessa.

De kust der Adriatische zee bezit uitstekende havens, maaide Zuidelijke als Cattaro, Zara, enz. bezitten niet alleen een weinig beteekenend achterland, maar zij liggen ook afgelegen en hebben moeilijke verbindingen. Vandaar dat sinds eeuwen het geheele verkeer zich geconcentreerd heeft in Triest, door

ocr page 121

117

de Oostenrijksche regeering door spoorweglij nen en grootsclie havens tot een der belangrijkste havenplaatsen van Europa gemaakt. Yooral is Triest vooruitgegaan na de oprichting der Oostenrijksche Lloyd, die met 75 stoomschepen regelmatige stoomvaartlijnen heeft op de Middellandsche zee-havens, Jndië (Bombay, Calcutta, Singapore), China (Hongkong, Shanghai), Japan (Kobe) en Brazilië.

Xaast Triest bloeit Fiume. Een kwart eeuw geleden nog eene onbeteekenende plaats, is het door de verplaatsing van den Hongaarschen overzeeschen handel naar hier zeer snel opgekomen. Thans heeft het eene groote kunsthaven, spoor- en stoombootverbindingen. De maatschappij A d r i a onderhoudt stoomvaartlijnen naar de belangrijkste havens van Frankrijk, Engeland. Italië, Spanje, Portugal, Algerië en Brazilië. § 112. Uit- en invoer.

In 1807 beliep

de invoer 775 millioen gulden jV.C.

de uitvoer 789 „ „ „

De invoer bestond (1806) uit:

katoen 52 millioen gulden X.C.

wol

42

gt;gt;

11

11

kolen

37

5gt;

11

11

koffie

33

J5

11

11

tabak

28

?gt;

11

11

huiden

24

11

11

wollen garens

24

J?

11

11

machines

22

11

11

zjjde

19

JJ

11

11

boeken en landkaarten

16

11

11

zijdewaren

14

11

11

vee

14

11

11

11

katoenen garens

13

11

11

11

eieren

13

11

11

11

leder

13

11

11

11

koren

12

11

11

11

wijn

12

11

11

11

ocr page 122

118

De uitvoer bestond (1896) uit:

suiker 76 millioen gulden N.C.

hout 74

vee 47 „

koren Ai „

lederwaren 41 „ ,, „

eieren 40 „ „ „

kolen 31 „ ,, „

o'la.s QA

QlClO —,, ,, ,,

wollen stoffen 19 „ ,, „

houtwaren 18 „ ,, „

papier 13 „

ijzerwaren 13 „ ,, „

wol, meel, wijn, bier, ooft, zout, enz.

Van hot koren voor den uitvoer levert Hongarije ongeveer -/3. Door de concurrentie van Amerika, welke concurrentie, den Rijn weg1 gebruikende, tot in Beieren merkbaar is, en voorts van Rusland, welks koren over Marseille en Genua naar West-Europa komt, is de uitvoer achteruitgegaan, — en alleen de voortreffelijke hoedanigheid der tarwe veroorzaakt dat Hongarije nog zooveel uitvoert. I)e vee-uitvoer overtreft den invoer met meer dan 30 millioen gulden. Op de Steinbrucher varkensmarkt (bij Boeda-Pest) worden meer dan 1/2 milloen varkens aangevoerd, grootendeels voor export.

§ 113. Muntwezen.

Door de wet van 2 Aug. 1892 rekent Oostenrijk-Hongarije met kronen. 1 Krone =z 100 Heller (= 1,05 fres. = 0,85 R.M. = ƒ0,51).

(Vroeger: 1 Grulden = 100 Kreuzer =: 1,70 R.M.). Men slaat 20- en 10 kronenstukken in goud, 1 kronen- en 50 hellerstukken in zilver, 20- eu 10 hellerstukken in nikkel. 2- en 1 hellerstukken in brons. Bankbiljetten worden door de Oostenrjjk-Hongaarsche bank uitgegeven, die het monopolie daarvoor bezit; hoofdbanken zijn gevestigd teWeenen en te Pest.'

ocr page 123

De Staten van het Balkan-schiereiland.

Algemeene beschryviug'.

§ 114. Het Balkan-schiereiland wordt begrensd door de Zwarte zee, de Straat van Constantinopel, de Zee van Marmara, de Straat der Dardanellen, de Aegeïsche zee, de Jonisclie zee, de Zee van Otranto, de Adriatische zee.

De Zuidpunt is Kaap Matapan.

In 't Noorden neemt men vaak als grens den Donau en de Transsylvanische xVlpen.

Het schiereiland bevat de volgende staten;

Staten.

Grootte.

Inwoners.

Turkije (sultanaat)

176.000 KM2

5,750.000

Griekenland (koninkrijk)

65.000 „

2,200.000

Servië ( „ )

49.000 „

2,160.000

Roemenië ( „ )

131.000 „

5,000.000

Boelgarije met Oost Roemelië

(vorstendom)

97.000 „

3,300.000

Montenegro (vorstendom)

9.000 „

200.000

§ 115. De Transsylvanische Alpen bespraken we reeds vroeger (§ 100). Naar het Zuiden, tot den Donau, strekt zich de Walachvjsche laagvlakte uit, doorsneden door verscheiden rivieren, die diepe dalen hebben uitgeslepen en daardoor voor de besproeiing van weinig beteekenis zijn. De hoofdrivier van Moldavië is de Sereth. Ten Westen dezer rivier is Moldavië een bergland, ten Oosten, tot de grensrivier de Proeth, een met löss bedekt heuvelland. De Dobroedsja is een met löss bedekt heuvelig plateau, arm aan water, woudloos, maar vrij

ocr page 124

120

goed weideland. In de Walachijsche laagvlakte is landbouw het hoofdmiddel van bestaan, maai' er is ook veel grasland.

De breede Donau in 't Zuiden is 8—4400 M breed en heeft op vele plaatsen eene diepte van 30 M. Door drie lioofdmondcn valt hij in de Zwarte zee.

Het meeste water (bijna 2/») voert de K i 1 i a af, dan voljrt de S t.-Georgre. De middelste, de Soeline, brengt slechts 8 0/o van het water naar zee, maar zij wordt op diepte gehouden en is daardoor de g- r o o t e scheepvaartweg. Hiervoor zorgt de zoogenaamde Donaii-coiuiuissic. Deze werd na den Krimoorlog, in 1855, ingesteld, om do scheepvaart op den Beneden-Donan te bevorderen en hindernissen, als verzandingen e. d., op te doen ruimen. Hoewel sedert dien tijd Roemenië onafhankelijk is geworden, beschikt de commissie toch nog steeds over den Donau beneden Braïla, naar zij verkiest. De commissie bestaat uit gedelegeerden van de groote mogendheden, Roemenië en Turkije.

§ 416. De Balkan is een bergstelsel, dat zich van de IJzeren Poort tot de Zwarte zee uitstrekt. Het middelste deel, de Centraal-Balkan, bereikt eene hoogte van 2300 M en daalt steil naar het Zuiden, naar het dal der ïoendsja. De bekendste pas is de S j i p k a p a s, die van ï i r n o v a naar Kasanlyk voert. De kloof van de Isker leidt naar het kleine Plateau van Sofia.

Het Balkan-stelsel wordt aan de West- en Zuidzijde begrensd door de volgende lijn; het Morawa-dai-Nisj-Sofia- het Maritza-dal. Dit is de groote weg, thans spoorweg van Belgrado naar Konstantinopel (de Orient-expres).

Naar het Noorden daalt de Balkan door een heuvelland tot den Donau: het Boelgaarsche heuvelland. Landbouw en veeteelt zijn hier de hoofdmiddelen van bestaan, evenals in Walachije; de uitvoerplaats dezer produkten is de havenstad Varna (28.000 inw.), het einde van den Boelgaarschen spoorweg.

Aan den Donau liggen Widdin (45.000 inw.; tabak). Lom Palanka, Roestsjoek (28.000 inw.; vesting). Si lis tr ia (42.000 inw.).

De hoofdstad van Boelganje is Sofia (47.000 iuw.; verschillende fabr.), op het reeds genoemde plateau.

ocr page 125

121

§ 117. Het Maritza-gebied.

\an de Rilo-Dagh loopen verschillende ketens naar het Zuiden en Zuid-Oosten, samen Rhodope-Dagh geheeten. Yan den Oost-Balkan loopt het I strands ja-ge berg te langs de kust naar Konstantinopel, terwijl langs de Zee van Marmara zich kleine gebergten uitstrekken, die ook het Schiereiland van Gal-li poli vullen. Tusschen deze bergstreken ligt het Maritza-gebied: het dal der Toendsja (aan den Zuidvoet van den Centraal-Balkan nauw) en dat der Maritza, hetwelk bij Adria-nopel in eene breede vlakte overgaat.

De Balkan is eene strenge scheiding voor het klimaat. De vlakten ten boorden van den Balkan toch hebben een landklimaat, daar verbouwt men tarwe en maïs, terwijl de heete zomer er ook den wijnstok doet tieren. Ten Zuiden heercht meer het klimaat der .Middellandse he zee; hier verbouwt men katoen, rijst en zuidvruchten, hier verkrijgt men vurigen wijn.

De Ylakte van de Maritza heeft uitgestrekte rozenvelden (rozenolie) en levert tabak, zuidvruchten, enz.; ook het dal der Toendsja is uitstekend bebouwd (rozenvelden, tarwe). In 't midden der vlakte, aan de vereeniging van Toendsja en Maritza, ligt Adrianopel (71.000 inw.; handel, en fabrieken van tapijten en zijde). Door het dal der Maritza komt men van hier naar Philippopol (36.000 inw.; handel in rijst, wijn, ooft; rozencultuur).

Eene haven voor het Maritza-gebied is Dede-Agatsj, eindpunt van den spoorweg.

De groote handelsstad in deze streken is echter Konstantinopel (875.000 inw.), de Turksche hoofdstad. Zij ligt aan den waterweg van de Zwarte- naar de Middellandsche zee en aan den landweg naar Azië; als handels- en fabrieksstad is zjj van groot belang. Naast trotsche paleizen staan ellendige hutten. De Franken (de West-Europeanen worden hier Franken genoemd) wonen in de voorsteden P e r a en Gr a 1 a t a, aan de overzijde van den Gronden Hoorn.

Als 't ware eene voorhaven is G a 11 i p o 1 i (30.000 inw.).

ocr page 126

122

§ 118. Het Westeiyk bergland.

Bij de behandeling van Oostenrijk-Hongarije zagen we reeds, hoe in Bosnië vele kalkketens gevonden worden. Hetzelfde bergland vinden we ook in de Westelijke helfc van Servië; de Oostelijke helft wordt ingenomen door het dal van de Morawa. welke rivier door de vereeniging van de Boel gaar sche en de Servische Morawa ontstaat. Het AVestehjk bergland is bedekt met eiken; daardoor is de varkensteelt van groot belang. In Servië tiert ook de wijnstok en vormen de kastanjes kleine boschjes. Hoofdplaats is Belgrado (S-i.OOO inw.; handel).

In alle richtingen loopen de bergketens van Montenegro; het Noord-Oosten van dit landje daarentegen is waterrijk, en bezit schoone wouden en weiden. Hoofdplaats is het kleine Cetinje (1200 inw.), havenstad Dulcigno (2000 inw.).

Tusschen Montenegro en Servië ligt Novibazar (hoofdplaats Novibazar met bezochte missen).

In het midden van het schiereiland strekt zich eene hoogvlakte uit (400 a 500 M), het Lysterveld. Aan den Zuidrand dezer hoogvlakte verheffen zich de Sjar-Dagh (3000 M, het hoogste gebergte van het schiereiland), en de lagere Kara-Da gh. Hit Lijsterveld is een kruispunt van wegen: het dal van de Drin leidt naar de Westkust (hier ligt Skoetari bij het naar deze plaats genoemde meer), door den Pas van Üsküb (tusschen Sjar-Dagh en Kara-Dagh, 500 M) komt men in het dal der Zuidwaarts loopende Vardar, langs de Ibar in het dal der Morawa (Servië).

Ten Zuiden van den Sjar-Dagh loopen evenwijdige ketens in de richting Noord-Zuid; zij zijn door dalen en kleine plateaus gescheiden, waarin en waarop meren liggen.

Het geheele bergland noemt men wel Pindas; in Griekenland eindigt het in eene reeks bergketens en bergklompen (o. a. den Parnassus).

Ten Westen van den Pindus ligt het woeste Al ban er bergland; naar het Oosten loopen twee takken: een Noordelijke, die ten N. van den Olympus eindigt, en een Zuidelijke, het Otrys-gebergte.

ocr page 127

123

^ 119. De Vlakten langs de Aegaeïsche zee.

Ten Westen van liet Rhodope-gebergte liggen de dalen van de Xoord Zuid stroomende rivieren Stroema en Yardar. Beide worden naar het Zuiden toe breeder, en gaan bij de kust in kleine vlakten over. In deze teelt men katoen, tabak en rijst; te midden dev katoenvelden ligt Seres (25.000 inw.; katoen-fabrieken).

Het dal der Vardar is een belangrijke weg naar het Xoorden, een deel van den grooten handelsweg (titans spoor) Helgrado-Saloniki. (Yan Belgrado door het Morawa-dal, dan langs de Boelgaarsche Morawa naar Üsküb, en eindelijk langs de Yardar naar Saloniki). Saloniki is daardoor eene belangrijke havenplaats (150.000 inw.; handel in katoen, zijde, wijn; fabrieken van tapijten, lederwaren en zijden stoffen).

Thessalie vormt een ketelland: eene heuvelige vlakte aan alle zijden door gebergten omgeven.

Het wordt besproeid door de Salambria, die in een nauw, schoon dal (ïempe) de Aegaeïsche zee bereikt. Thessalië is ee^i vruchtbaar land. Olijven en andere zuidvruchten gedijen er, de wijnstok bedekt de heuvels. In 't midden ligt L a r i s s a (14.000 inw.; tabak- en katoenfabrieken).

Ten Zuiden van liet Othrijs-gebergte ligt liet dal der II el-1 a d a, eveneens een vruchtbaar gebied. Z i t o e n i voert er zuidvruchten, tabak en rijst uit.

Zuidelijker ligt in eene kleine vlakte het drooggemaakte Copaïs-meer; men verbouwt nu katoen, waar nog voor weinig jaren het water golfde.

§ 120. Op het Zuidoostelijk schiereiland, waarin de bovengenoemde berggroepen uitloopen, en dat eindigt in kaap Ivo-lonneus, ligt de hoofdstad van Griekenland Athene (met de haven en fabrieksstad Piraeus ruim 100.000 inw.); vele overblijfselen van oud-Grieksche kunst.

De, thans doorgegraven. Landengte van Kor in the verbindt Morea aan het vaste land.

Morea is in 't midden eene hoogvlakte en bezit vele kleine, maar vrij hooge gebergten.

ocr page 128

124

Men verbouwt er graan; maar de opbrengst van krenten (uitvoerplaats Patras, 36.000 inw.), vijgen, olijven, amandelen, katoen en vooral ook van wijn is tevens belangrijk.

,§ 121. De eilanden.

De .Ionische eilanden. (Korfu, Zante) zijn beroemd om hunne krenten en olijfolie.

De Kykladen leveren wijn. Paros bezit marmergroeven. Op Syra ligt de haven Hermupolis, San tor in is vulkanisch.

Kandia of Kreta is zeer bergachtig; de kleine kustvlakten leveren olijven en oranjeappelen, de hellingen wijnen. Hoofdplaats Kandia.

Het eiland Euboea bevat delfstoffen.

§ 122. Bevolking.

De Turken wonen in Konstantinopel en in de meeste steden van Turkije en Boelgarije; zij wonen alzoo verspreid tusschen de andere volken. In Griekenland en Zuid-Turkjje (langs do kusten) wonen Grieken, in Albanië de nog ruwe Albaneezen, in de overige deelen van 't schiereiland Slaven (Serviërs, Boelgaren, enz.).

Wat het aantal aangaat, de Turken zijn slechts 2 millioen sterk. Het geheele schiereiland heeft ongeveer 19 millioen bewoners (Bosnië niet meegerekend) en is dus dun bevolkt.

Bij de Roemenen en Bulgaren is landbouw hoofdzaak, maar ook de veeteelt belangrijk; de Turken verbouwen zuidvruchten, rozen, enz., terwijl de Serviërs, Bosniërs, Montenegrijnen, Albaneezen en een groot deel der Grieken voornamelijk hun bestaan zoeken in de veeteelt (vooral schapen).

De Turken zijn M o h a m e d a n e n, de overigen meest Grieksch-Kath olieken.

Roemenië.

§ 123. Roemenië behoort tot de landen, waar, tengevolge van den lagen trap, waarop de volksontwikkeling staat, landbouw en veeteelt, nijverheid en handel betrekkelijk nog weinig te beteekenen hebben. 75% van het volk zjjn boeren, die tot

ocr page 129

125

18()4 in een' staat van halve lijfeigenschap onwetend en arm bleven; terwijl de Bojaren en de geestelijkheid den grond bezaten en de politieke rechten uitoefenden. Thans zijn de boeren ook grondeigenaars geworden, maar de wet bepaalt (met het oog op hunne verstandelijke onmondigheid), dat zij tot 1916 hunne goederen bezwaren noch verkoopen mogen. In de steden vormt zich door handel en njjverheid langzamerhand een burgerstand.

In de laatste kwarteeuw heeft de regeering veel gedaan om het volk uit den lagen staat op te heffen.

Roemenië is een lamlbouwstaat: ] der bewoners leven van den landbouw. De bodem, wiens oppervlakte met zwarte aarde (tot 1 M dik) is bedekt, is zeer vruchtbaar, maar toch ligt bijna .'j van het land woest! 't Klimaat laat alle cultures van de gematigde zone toe, zelfs de rijstbouw, maar de landbouw wordt op hoogst primitieve wijze gedreven; alleen op de groote landgoederen worden machines gebruikt, en dat, terwijl er zulk een groot gebrek aan arbeiders is, dat 15% van het koren uitvalt door overrijpheid. De verdeeling van den grond is hoogst ongelijkmatig; nauwelijks 20 0 0 behoort sinds 1864 den boeren.

Niettemin is Roemenië eene der korenschuren van Europa. De voornaamste produkten zijn maïs en tarwe; het eerste is hoofd voedingsmiddel. Samen nemen ze eene oppervlakte in, bijna zoo groot als ons land. De oogst bedraagt ongeveer: maïs 21 millioen HL tarwe 15 „ „

gerst 6

haver 3,5 „ „

rogge 2

tabak 3 „ KG wijn 2 „ HL 1).

De wijnbouw vindt men voornamelijk op de heuvels aan deiï voet der Karpaten.

1) De opgaven omtrent de opbrengst Tan den wijnbouw loopen zeer uiteen: zij Viirieeren tusschen 1 en 2'/2 mill. HL.

ocr page 130

126

I Iet aantal huisdieren bedraagt: paarden 600.000 stuks

runderen 'i,500.000 „ (waaronder 50.000 buffels), schapen 5,000.000 „

950.000 „ 200.000 „

zwynen geiten

Bijna 17 0/0 van den bodem is met woud bedekt; de helft behoort den staat. Grootere woudstreken vindt men echter alleen in de Karpaten. Door wetten is thans aan de roekelooze wijze, waarop het woud verbruikt werd, paal en perk gesteld. Teel hout komt in vlotten naar Galatz (o. a. de Sereth af), vooral eikenhout; vandaar wordt liet in schepen uitgevoerd.

De rjjkdom aan mineralen is in de Roemeensche Karpaten zeer groot, maar alleen zout en petroleiini worden in aanzienlijke hoeveelheden verkregen: de ertsen liggen nog steeds onaangeroerd.

De petroleum bronnen liggen overal aan den voet tier Karpaten, van Turn-Severin tot de Bnkowina. De wijze van ontginning staat nog op lagen trap. De korenbonw heeft de energie en het kapitaal der Roemeniërs in beslag genomen, bosehcultuiir en minerale schatten worden verwaarloosd. Slechts 15 0/o van de petrolenm gaat de grenzen over. In den laatsten tijd hebben vreemdelingen concessiën aangevraagd en verkregen. Door de opening van liet kanaal door de IJzeren poort, van de Donaubrng bij Tsjer-nawoda, door de uitdieping van de haven van Köstendsje (Constanze) zullen de buitenlandsche markten gemakkelijker te bereiken zijn en zal zich misschien ook de bergbomv meer ontwikkelen.

De industrie is nog weinig ontwikkeld. Op het platteland vindt men huisindustrie: de boer zorgt voor zijne kleederen en zijne gereedschappen of ze worden in de dorpen in 't klein vervaardigd. Door inkomende rechten heeft de regeering in de laatste jaren getracht het fabriekswezen te ontwikkelen, maar zonder gevolg. Kolen ontbreken, kapitalen evenzeer en de Roe-meniër is een vijand van fabrieksarbeid. Alleen bloeien de meelindustrie, de tabaksfabricatie (staatsmonopolie), de petroleum-raffinaderij, de bierbrouwerij en de houtzagerij.

§ 124. Voor handel en verkeer wordt in de laatste jaren veel gedaan, maar toch zijn spoor- en goede landwegen nog

ocr page 131

127

niet talrijk. De Donau wordt door de booten der „Eerste K. en K. Oostenrijk-Hongaarsche Donau-stoomvaartmaatschappijquot; en door lioemeensche en Russische booten bevaren, de Proetli door de laatste. Ook voor den buitenlandschen handel is de Donaulinie nog de voornaamste, eenevzijds voor den handel met Oostenrijk-Hongarije, anderzijds voor dien over Zwarte (en Middellandsche) zee.

Voor den zeehandel moeten Braïla, (ralatz, Soelinu en Coii-stanza (Köstendsje) genoemd worden. De eerste worden regelmatig bezocht door de booten van de Oostenrijksche Lloyd, do Nederlandsch e stoom bootmaat schappij, de Messageries Maritimes, Fraissinet amp; Cie, quot;Westcotts (Antwerpen), Carnegie-Linie (Londen) en bovendien door Russische en Grieksche stoomers.

Door de werken aan de haven van Constanza en de Donau-brug bij Tsjernawoda wordt de buitenlandsche handel zeer gebaat: daardoor is ook de exporthandel in den winter mogelijk geworden, doordat de haven van Constanza niet bevriest. Eene stoomvaartlijn Rotterdam-Constanza is het vorige jaar geopend.

Door de verbetering van de haven van Constanza is de Roemeensche zeehandel onafhankelijk geworden van den invloed der bovengenoemde Do-nau-commissie.

Als uitvoerhaven aan den Donau moet nog Giurgewo vermeld worden (maïs, koren).

De Roemeensche handelsvloot bestond in 18!)7 uit 263 zeilen 5-4 stoomschepen.

§ 125. De invoer bedroeg in 1897 172 millioen gulden j^O. de uitvoer „ „ 108

In verband met het voorgaande is het duidelijk, dat de invoer voornamelijk uit gesponnen en geweven stoften, metaalwaren, koloniale waren, enz. zal bestaan, — de uitvoer uit ruwe produkten, koren e. d.

ingevoerd werden ( J 896) :

ocr page 132

128

gesponnen en geweven stoffen 192 millioen gulden metalen en metaalwaren 29 „ „

koloniale waren 11 „ „

voorts: leder-, glaswaren, enz.

Uitgevoerd werden (1890):

maïs, tarwe en andere korensoorten 133 millioen gulden vruchten en groenten 7 „ „

slachtvee 5 „ „

De invoer heeft voornamelijk door Duitschland, Oostenrijk-Hongarije en Groot-Brittanje plaats. Het koren gaat in hoofdzaak over zee naar België en Groot-Brittanje.

Muntwezen. 1 Leu(leeuw) = 100 Bani = 1 franc = /0,48 KC.

Onder de credietbanken moet in de eerste plaats de „Roe meensche Nationale bankquot; genoemd worden.

Servië.

§ 126. Zooals we reeds zagen is Servië bijna geheel met bergen bezet, waar des winters het klimaat ruw is. Maar de breede dalen zijn vruchtbaar en 90 % van do bevolking vindt dan ook in landbouw en veeteelt een hoofdmiddel van bestaan. De berghellingen zijn met schoone wouden bedekt, vooral met eiken, zoodat de varkensteelt van veel beteekenis is en eikenhout wordt uitgevoerd; toch is het woud veel minder uitgestrekt dan vroeger.

In Servië zijn weinig grootgrondbezitters. Een adel, zooals in Roemenië, kent men er niet: de bodem behoort den vrijen boeren, die echter zware belastingen moeten opbrengen. Ofschoon de landbouw nog primitief gedreven wordt, produceert Servië toch meer, dan het noodig heeft, en wel vooral koren, hennep, vlas, tabak, ooft, wijn.

De Ijelanjfiijkste korensoorten zijn maïs ou tarwe, dan volgt crerst, en eindelijk rogge en haver. Onder liet ooft nemen de pruimen de eerste plaats in ; zij komen gedroogd en als moes in den handel en worden tot slibowitz

ocr page 133

129

(brandewijn) gebrand. Wijn wordt Toornamelijk in de Donaustreck (Seraen-dria) en in de omgeving van Nisch verbouwd. De tabaksbouw gaat vooruit. Van veel belang is, tot hoog in 't gebergte, de liennepbouw.

In verhouding tot de bevolking is de veestapel aanzienlijk, zoodat vee kan worden uitgevoerd. De vissclienj op den Donau levert goede resultaten; kaviaar wordt uitgevoerd.

Het mijnwezen heeft nog weinig te beteekenen. Wel worden hier en daar steenkolen gedolven, maar ijzer, koper, zink en lood liggen nog onaangeroerd.

De industrie is nog huisindustrie; ondanks hooge invoerrechten wil zij niet bloeien en alle fijne industrieartikelen moeten ingevoerd worden. De huisindustrie levert tapijten (Pirot), touwwerk en wollen artikelen. Goede wegen en bevaarbare rivieren (Donau. Sau, Drina) bevorderen het binnenlandsch verkeer. Buitenlandsche handel wordt vooral met Oostenrijk-Hongarije gedreven, naar welk land Servië open ligt. 80 % van den uitvoer en 60 % van den invoer komen voor rekening van Oostenrijk-Hongarije 1). De invoer over zee geschiedt over Saloniki en Fiume. Daar de Orientbanen (Weenen—Belgrado-— Nisch—Constantinopel en Nisch—Saloniki) door Servië loopen, is de doorvoerhandel (transito) van beteekenis (7 tot 20 millioen gulden).

Ingevoerd worden allerlei industrie-artikelen, koloniale waren, Russische petroleum, enz.

Linnen en wollen artikelen 2,3 millioen gulden N. C.

Koloniale waren 1,7 ,, „

Huiden, leer, caoutchouk 1,2 „ „

Metalen, machines e. d. 2,2 ,, „

De uitvoer bestaat vooral uit koren, gedroogde pruimer, wijn, vee (vooral varkens), enz.

Produkten van land- en tuinbouw 12 millioen gulden.

Vee en veeprodukten 12 ,, „

In 1S96 :

totale invoer 14,8 „ „

„ uitvoer 25,5 „ ,,

1) In 1896 zelfs resp. 91 en 98 0/o. Ten Have, Handels-Aardrijkskunde.

9

ocr page 134

130

Het muntstelsel is het Fransche; de franc wordt dinar genoemd. 1 dinar — 100 para. De in 1889 opgerichte Servische Nationale bank heeft het recht banknoten uit te geven.

Montenegro.

§ 127. Het kleine vorstendom Montenegro is grootendeels een woest bergland. Het Westen is eene rotsig plateau, het Oosten een vrij geleed bergland, bedekt met schoone bosschen van loof- en naaldhout. Vroeger werd aan landbouw zeer weinig gedaan, veeteelt was het hoofdmiddel van bestaan, en zal dit in het binnenland ook wel blijven. Maar de in 1878 door Montenegro verkregen kuststreek is vruchtbaarder: daar groeien koren, tabak, wijn, ja gedijen zelfs zuidvruchten. De uitvoer bestaat hoofdzakelijk uit vee en veeprodukten. Hij beliep in 1897 600.000 gulden; de invoer 720.000 gulden. De handelsvloot bestond uit 3 schepen (412 t) en meer dan 100 kustvaartuigen.

Havensteden zijn Antivari en Dulcigno.

Oostenrijksche, Russische en Turksche munten zijn in gebruik.

Roclgar\je

(met Oost-Roemelië).

§ 128. Dit rijk omvat:

a. het grootste deel van den Balkan.

b. de streek tusschen Balkan en Donau met talrijke kleine rivieren, die naar den Donau stroomen.

c. het plateau van Sofia en omgeving.

il. het bekken van de Boven-Maritza en de Toendsja.

e. Boergas en omgeving.

§ 129. Hoofdmiddel van bestaan is de landbouw. Zelfs in den tijd, toen de Turken het land in bezit hadden, leverde het meer landbouwprodukten dan het verbruikte, zulke vruchtbare streken vindt men er. Toch wordt de landbouw nog op zeer

ocr page 135

431

primitieve wijze gedreven. Bijna | van de in cultuur gebrachte oppervlakte is met koren bezaaid. De hoofdprodukten zijn tarwe, maïs en gerst; ten Oosten van Plevna wordt hoofdzakelijk tarwe, ten Westen maïs verbouwd; voorts rogge, haver, rijst, enz.

Gemiddelde oogst: tarwe 12 millioen HL.

mals 10 ,, „

De tabakscultuur levert 3 millioen K.Gr. per jaar. Ook de verbouw van wijn, ooft (vooral pruimen), noten en kastanjes is aanzienlijk. Wijn vooral in de omstreken van Varna, Tirnova, Lom-Palanka, Roestsjoek en Widdin (gemiddelde opbrengst 3,4 millioen HL.)

Van veel beteekenis is de rozen cultuur, vooral in Oost-Roemelië, waar Kazanlyk het middelpunt dezer cultuur vormt. De oogsttijd is van Mei tot half Juni; 's morgens vroeg worden de rozen geplukt en in koperen toestellen gedestilleerd. Ongeveer '2500 KG. bloemblaadjes geven 1 KG. rozenolie; de prijs loopt van 500 tot 1000 gulden per KG. Oost-Roemelië verzond in 1800 31 (M KG. rozenolie; in 1896 werd voor 1 millioen gulden aan rozenolie uitgevoerd.

Vele gebergten zijn nog met woud bezet, maar in de dichter bevolkte streken zijn de bosschen uitgeroeid.

Yeeteelt wordt deels tegelijk met den landbouw, deels zelfstandig gedreven.

Veestapel:

schapen 7 millioen.

geiten 1,3 „

runderen 1,2 ,,

varkens 0,4 „

paarden 0,15 ,,

Veel levend vee wordt uitgevoerd (in 1896 voor '2 millioen gulden).

M in er al en zijn in don bodem aanwezig: ijzer, koper, goud, zilver, steenkolen, — maar het mijnwezen heeft bijna niets te beteekenen, ondanks de vele pogingen van de Boelgaarsche regeering om het te ontwikkelen.

ocr page 136

432

§ 130. Ook het fabriekswezen staat nog op lagen trap.

De industrie is nog meest huisindustrie (weverij; ververij van wol en zijde); vele Boelgaren oefenen in den zomer den landbouw, in den winter de industrie uit. Toch begint het aantal fabrieken zich uit te breiden, met name in Varna, Philippopel, Boergas, Roestsjoek,. Sofia, Tirnova en Eski-saglira (meel. looierijen, zeep, tapijten).

Gebrek aan kapitaal en aan technische kennis en de concurrentie der West- en Middeneuropeesche landen met hunne fabricaten veroorzaken ook in Boelgarije achteruitgang van de huisindustrie, zonder dat fabrieken in voldoende mate er voor in de plaats treden.

§ 131. Handel en verkeer. De hoofdader voor het verkeer is de Donau. De voornaamste havens (naar hare belangrijkheid gerangschikt: Lom-Palanka, Nicopoli, Roestsjoek, Sjvistov) worden door de Oostenrijksche Donau-stoomboot-vaart-Maatschappij geregeld aangedaan, ook door Russische en andere booten. Vele sporen zijn reeds aangelegd, ook aan de verbetering der gewone wegen wordt veel gedaan. De twee belangrijkste zeehavens (Boergas en Varna, beide door de Oostenrijksche Lloyd bezocht) zijn thans eindpunten van spoorwegen.

Uit- en invoer. 1892 1896

Invoer 37 36,5

(in millioen guldens)

uitvoer 36 52.

De uitvoer is dus in 4 jaren tijds zeer belangrijk gestegen, de invoer dezelfde gebleven.

De uitvoer bestaat vooral uit koren (45 millioen gulden, bijna j90), vee, huiden, kaas, rozenolie, enz., de invoer uit geweven stoffen en garens (14 millioen gulden), koloniale waren (3 millioen), metalen (4,2 millioen), lederwaren (2 millioen), enz.

Ingevoerd werd iu 1896:

uit Oostenrijk-Hongarije voor 12 millioen gulden.

,, Groot-Britt. en Ierland ,, 9 ,, „

„ Duitschlnnd „ 4 „ „

„ Turkije „ 4,7

ocr page 137

133

Uitgevoerd: naar Groot-Britt. „ Turkije „ Duitschland ,, Frankrijk „ België

voor 15,5 millloen gulden.

10,6

9,6 6,6 4

Wat het muntwezen betreft, 1 Lew (meervoud Lewa) = 1 franc = 100 Stotinki. De Boelgaarsche Nationale bank te Sofia heeft het recht banknoten uit te geven. Gouden munten bezit het land niet.

Turkjje,

§ 132. Voor het grootste deel is Turkije een uiterst vruchtbaar gebied; het klimaat is zoo, dat het land een overvloed van alle Middel- en Zuideuropeesche gewassen kan voortbrengen. Zoo kon Turkije een der rijkste landen zijn; in werkelijkheid is het een der armste. De oorzaken van dien ongelukkigen toestand zijn de ongunstige verdeeling van den grond, de drukkende belastingen, die den producenten soms de helft van den oogst ontnemen, het slechte bestuur, het gebrek aan wegen, den lagen trap van beschaving, waarop het volk onder de Turk-sche heerschappij terug gezonken is en eindelijk het gebrek aan kapitaal. Waar in vele deelen van het Turksche rijk de veiligheid alles te wenschen overlaat, daar kan van een bloeiend bedrijf geen sprake zijn.

Eene eigenlijke woudcultuur vindt men niet. Groote woudstreken treft men daar aan, waar het hout wegens volslagen gebrek aan wegen niet vervoerd kon worden. Zoo in Macadonië en in Albanië. Overigens zijn geheele berghellingen kaal en dienen als weide. Het land wordt slecht bewerkt, bemesting dei-velden heeft zeker nergens plaats. Dat het land ondanks dit alles nog meer levert dan het gebruikt, bewijst de groote vruchtbaarheid van den bodem en doet zien, wat er van te maken zou zijn.

§ 133. Landbouw. Van de korensoorten worden vooral tarwe, gerst en mais verbouwd; Macedonië levert vooral in de lage

ocr page 138

134

kustlanden veel rijst. De wijnbouw is in de laatste jaren vooruitgegaan, vooral nadat de vraag naar wijn vermeerderde, doordat in West-Europa de druifluis den oogst vernietigde. Op de eilanden worden veel olijven verbouwd, vooral in Kandia. Het centrum van den tabaksbouw is Macedonië; daar wordt (vooral om Seres) ook veel katoen geteeld, evenals bij Gallipoli. Men verbouwt voorts hennep en vlas, en in Tracië is de rozencultuur van belang, hoofdzakelijk in het Maritza-gebied.

In het midden en Westen is de veeteelt een hoofdmiddel van bestaan. Het kleine, maar sterke Turksche paard wordt als rij- en lastdier gebruikt (het wordt uitgevoerd), de buffel als trekdier. In 't Zuiden vindt men veel ezels en muildieren, in de gebergten worden zeer veel schapen gehouden. Het vleesch van geiten en schapen wordt genuttigd. Wol is een belangrijk uitvoerartikel, vooral in Albanië. Bijen- en zijderupsencultuur zijn van veel beteekenis, de laatste voornamelijk in Macedonië.

Het mijnwezen heeft nog bijna niets te beteekenen, hoewel op vele plaatsen rijke ertslagen voorkomen. Goud en zilver worden in Chalkidike en in den Karadagh gewonnen, bij Sa-loniki en Janina ijzer, bij Gallipoli lood. De steenkolen bij Sa-loniki liggen onaangeroerd.

§ 134. De industrie is nog grootendeels huisindustrie. Hier en daar wordt op uitgebreide schaal gearbeid, maar op geheel verouderde, dure, onpractische wijze. Zelfs de enkele artikelen, waarmede Turkije voorheen op de wereldmarkt verscheen, als saffiaanleder, zijden weefsels, tapijten, enz. kunnen tegenwoordig de concurrentie der Westeuropesche fabrikaten niet meer het hoofd bieden. Alleen in Constantinopel en Saloniki hebben groote fabrieken (voor fez, papier, lucifers en zijden stoffen) stand kunnen houden. Om Monastir (Bitolia) vindt men wolfabrieken, te Saloniki katoenspinnerijen. Adrianopel fabriceert rozenolie. Hieruit volgt dat in Turkije West-Europa een afzetgebied vindt, en het natuurprodukten terug ontvangt.

§ 135. Handel en verkeer. Handelsgeest bezitten de Turken niet. Daardoor is de handel grootendeels in handen van vreemdelingen, van Grieken, Israëlieten, Armeniërs en Franken

ocr page 139

135

(d. z. West-Europeërs), — daardoor doet de Turksche regeering weinig voor handel en industrie, b. v. voor den aanleg van wegen, — daardoor is de handel in de eerste plaats zeehandel.

Voor het binnenlandsch verkeer is zeer slecht gezorgd. Bevaarbare rivieren ontbreken, de wegen zijn niet of bijna niet te berijden, de post is verre van betrouwbaar. Daarbij komen de herhaalde opstanden in vele deelen van het rijk. en de onveiligheid tengevolge der talrijke rooverbenden.

Spoorwegen zijn er nog zeer weinig, vergeleken bij andere Europeesche staten. Hoofdlijnen zijn :

1. Belgrado—Xisch—Sofia—Philippopel—Adrianopel- Kon-stantinopel.

2. Belgrado—Nisch—Usküb — Saloniki.

3. Bitolia—Saloniki—Seres—Dede Agatsj—Adrianopel (— Konstantinopel).

De eerste is een deel van de Orient-expres.

De buitenlandsche handel geschiedt grootendeels over zee; hij concentreert zich in Konstantinopel en Saloniki.

Aan den ^ uur breeden Bosporus, den belangrijken weg van de Zwarte naar de Middellandsche zee, waar Europa zoowel als Azië een schiereiland in zee vooruitsteekt, als wilden ze elkaar de hand reiken, ontstond aan een veiligen inham (de Gouden Hoorn) de visschersplaats Konstantinopel, die wegens hare uitnemende ligging zich weldra tot eene wereldstad uitbreidde en zich, ondanks alle tegenspoeden, als belangrijke havenstad heeft weten te handhaven (875.000 inw.).

Konstantinopel is het kruispunt van een aantal wegen, (iaan we dit kort na.

1. Naar het Westen leidt van Konstantinopel langs de kust de zeeweg naar Saloniki; vandaar over land een weg naar de Adriatische zee en verder naar Italië over de nauwe Straat van Otranto.

2. Naar het Oosten voert de weg langs de Zuidkust der Zwarte zee naar den Zuidwestelijken hoek. Van Trebisonde gaan karavaanwegen naar Perzië en verder. Met den weg in 1 genoemd wordt alzoo ecne straat gevormd, waarvan Konstantinopel een „centraalstationquot; is.

3. Naar het Zuiden gaat de scheepvaart langs Je kust van Klein-

ocr page 140

136

Azië, naar het Oostelijk bekken der Middellandsche zee; de Nijl, maar vooral de Roode zee, wijzen den weg naar het Zuiden.

4. Naar het Noorden gaat de vaart langs de Westkust der Zwarte zee naar Odessa en verder over en langs den Dnjepr naar het hart van Rusland.

3 en 4 vormen ééne straat met Konstantinopel tot middelpunt; rustpunten zijn Smyrna, Varna en de Donaumond. Straat 1 — 2 en straat 3—4 kruisen elkaar in Konstantinopel,

Naar het Noord-Oosten leidt een weg naar de Krim, de Zee van Azov, en het Dongebied, dat reeds in de oudheid van groot gewicht was en tot heden zijn belang heeft behouden. Van den Don loopen wegen naar Midden-Azië.

6. Uit het Noord-Westen komt de weg uit het Donaugebied, de weg Belgrado-Konstantinopel, dien we reeds bespraken.

7. Naar het Zuid-Oosten leidt de weg over Klein-Azië naar de Euphiaat- en Tigrislanden.

In de voorsteden Galata en Pera, aan de Noordzijde van den Gouden Hoorn, wonen de Franken; deze plaatsen zijn op Europeesche wijze gebouwd.

Yroeger concentreerde zich de geheele ïurksche handel in Konstantinopel; later zijn Saloniki, Beiroet, Smyrna mededingers geworden, maar toch is de handelsomzet in de laatste jaren nog vooruitgegaan.

Het scheepvaartverkeer bedroeg:

in 1892 15273 schepen, metende 8,500.000 tonnen. ,, 1893 17876 „ „ 11,600.000

„ 1894 18572 „ „ 13,500.000

Ruim de helft der schepen voerden de Engelsche vlag.

Vele stoomvaartlijnen loopen over Konstantinopel: de Oosten-rijksche Lloyd, Russische Stoomvaartmaatschappij te Odessa, Messageries maritimes, Fraissinet en Cie (zie bij Marseille), verschillende Engelsche maatschappijen, de Kederlandsche Stoombootmaatschappij, enz. Vele goederen passeeren slechts Konstantinopel; anderzijds komen waren uit Klein-Azië van Konstantinopel uit in den wereldhandel.

Saloniki heeft eene groote, veilige haven, ook door de stoom-booten van de meeste der bovengenoemde maatschappijen bezocht.

ocr page 141

137

Het verkeer bedraagt ongeveer 5000 schepen met 700.000 tonnen inhoud.

In- en uitvoer. Waarschijnlijk beloopt de invoer per jaar ongeveer 270 millioen gulden N.C., de uitvoer ruim-150 millioen.

Ingevoerd worden alle soorten industrieartikelen, meest goed-koope soorten. In de eerste plaats geweven stoffen (linnen, wol on katoen, samen voor 76 millioen gulden), en verder: koren on meel, suiker, koffie, rijst, petroleum, ijzer, hout, boter en kaas, papier, steenkolen, glaswaren, spiegels en meubelen, enz.

De uitvoer bestaat in de eerste plaats uit ruwe zijde en cocons, druiven, koren en meel; dan volgen vijgen, olijfolie, opium, katoen, tapijten, rozenolie, enz.

Van den invoer zijn ruim 54 % fabrikaten, van den uitvoer nauwelijks 4,G quot;Zo-

Het meest wordt gehandeld met Engeland (meer dan !t van den geheelen uit- en invoer). Frankrijk, Oostenrijk-Honganje, Eusland, enz.

Mun twezen. I piaster a 40 para a 3 asper (= /0,11) 100 piasters (1 medschidji, ïurksch pond) = 1 Lira.

Griekenland.

§ 130. Een groot deel van den bodem, meer dan levert zoo goed als niets op. Toch zijn veeteelt en landbouw de hoofdmiddelen van bestaan; zij staan echter niet op hoogen trap.

14

bouwland

i,fl wijn

grasland 37

9,3 woud

woest 35,1

Gebruik van den bodem.

Van den gecultiveerden bodem wordt de helft voor den graanbouw gebruikt, — toch moet koren ingevoerd worden, 't Meest wordt tarwe verbouwd (jaarlijksche opbrengst 2.', millioen HL.); rijst in de lage streken van Elis, en voorts maïs. Voor den uitvoer zijn vooral gewichtig: krenten, wijn, olijven, vijgen, citroenen, tabak, katoen.

De oogst van krenten beloopt jaarlijks 1 a 200.000 ton

ocr page 142

138

(1893: 180.000 ton) en wordt bijna geheel uitgevoerd. Zante verscheepte in 1890 ruim 9 millioen KG. krenten; bijna 4 millioen KG. waren voor Nederland bestemd, ruim 3 millioen voor Engeland.

De wijnoogst beloopt ongeveer 3 millioen HL. Corfoe leverde in 1895 54.000 HL. en voerde 30.000 barils olijfolie uit.

De cultuur van krenten heeft zich ten koste van die der olijven en andere zuidvruchten verbreid; door de daling der prjjzen gaat de totale waarde der uitgevoerde krenten achteruit.

Jaarlijks levert Griekenland 3 millioen KG. tabak. Afnemers zijn Nederland (het meest), Turkije, Engeland, Duitschland en Frankrijk. Vooral wordt om de golf van Korinthe en in Thessalië tabak verbouwd; uitvoerhavens zjjn Nauplia, Yoio, Missolonghi en Syra.

Katoen wordt jaarlijks 11 millioen KG. verbouwd: het drooggelegde Copaïs-meer levert tegenwoordig ook veel.

Het woud is in de laatste jaren zeer gedund. Schapen en geiten schaden het jonge bosch, en woudbranden komen veelvuldig voor.

Ook de veeteelt staat nog op lagen trap. De voornaamste huisdieren zijn schapen en geiten (samen 6 millioen); uit hunne melk wordt boter en kaas gemaakt. Runderen en paarden worden niet gefokt, maar ingevoerd (aantal runderen 100.000, paarden 110.000). Belangrijk is de bijenteelt, terwijl de zjjde-teelt in den laatsten tijd zeer is toegenomen. In zee wordt spons gevischt.

§ 137. Het mynwezen heeft nog zeer weinig te beteekenen. De oude mjjnen in Laurion worden door eene Pransche en eene Grieksche maatschappij geëxploiteerd ; gemiddeld worden jaarlijks 100.000 tonnen lood en zink gewonnen, en ook zilver. Steenkolen ontbreken, bruinkolen zijn op Euboea. Van Paros en den Pentelikon komt fraai marmer. Aan de kusten wint men zeezout.

§ 138. Industrie. Nadat Griekenland onafhankelijk was verklaard, begon de grootindustrie op te komen. Zij heeft echter tot heden geen hooge vlucht genomen, — ten deele zeker ook door het gebrek aan grondstoffen, aan steenkolen en — aan

ocr page 143

-139

kapitalen. Slechts in enkele plaatsen vindt men belangrijke fabrieken, en de verscheidenheid der artikelen is gering; vandaar invoer van industrieartikelen uit Engeland, Oostenrijk-Hongarije en Frankrijk. De belangrijkste takken van industrie zijn: leerlooierij (jaarlijksche productie 12 millioen gulden; vooral op Syra), wolfabr., scheepsbouw (Syra), zjjdeindustrie, katoenspinnerij en -weverjj, kuiperij (vervaardiging van tonnen e. d.), zeepbereiding, meelindustrie.

De huisindustrie is goed ontwikkeld: zij voorziet in de behoeften van de laagste standen aan linnen en kleeding.

De voornaamste industrieplaats is Piraeus met 13 groote meel- en verscheiden katoenfabrieken. Ook Larissa bezit verschillende fabrieken (katoen, zijde, tabak).

§ 139. Handel eu verkeer. De Grieken zijn geboren kooplieden en zeevaarders. Daarbij komt de rijk gelede, havenrijke kust. Zoo komt het, dat zelfs de binnenlandsche handel hoofdzakelijk door de kustscheepvaart gedreven wordt; trouwens in het bergachtige land is voor wegen slecht gezorgd: alleen de voornaamste steden zijn door straatwegen verbonden, liet spoorwegnet is nog niet zeer ontwikkeld; eene belangrijke uitbreiding is, ten gevolge van den ongelukkigen oorlog van 1897, nog niet tot stand gekomen. De grootere eilanden zjjn telegraphisch met Athene verbonden.

In 1893 werd het Kanaal van Kor int he geopend; het is 6,4 KM lang, 22 M breed en 8 M diep; in 189fi passeerden het 2500 schepen.

De buitenlandsche handel is een belangrijke. In alle handelsplaatsen van den Levant spelen de Grieken eene hoofdrol; zij hebben echter ook kantoren in West- en Midden-Europa, zoo in Triest en Weenen.

Grieksche stoomvaartmaatschappijen zorgen voor het onderling verkeer der havens, voor de kustscheepvaart, — vreemde maatschappijen voor het internationaal verkeer. De voornaamste havenplaatsen zjjn: Piraeus, Hermupolis op Syra, Patras, Corfu, Volo. De eerste plaats is de voornaamste, de laatste is de haven van Thessalië, het eindpunt van den spoorweg naar

ocr page 144

140

Larissa en Trikkala (invoer 1896 4 millioen gulden). Vooral de verbindingen met Engeland, Triest en Konstantinopel zijn van belang.

In- en uitvoer.

Ingevoerd worden vooral:

koren 13,5 millioen gulden N. C.

garen en weefsels 10 metalen 4,5

kolen 3,5

hout 2,2

drogerijen, enz 3,3

koloniale waren, glaswerk, papier, enz.

Uitgevoerd:

krenten 10.5 millioen gulden 1).

metalen en ertsen 8,5 „ „

wijn 2,1 „ • „

quot;jgen 1,4

olijfolie 1,5 „ „

tabak, sponzen, honig, was, katoen, zijde, vruchten, zeep, enz.

Totale invoer (1896): 56,4 millioen gulden.

Totale uitvoer( „ ): 85 „ „

Muntwezen. Griekenland behoort tot de Latijnscbe muntunie; 1 drachme (= franc) a 100 Lepte = ƒ0,48.

De in 1841 opgerichte Nationale bank heeft het recht banknoten uit te geven; de J o n i s c h e bank, die in Engelsche handen is, heeft dit recht voor de Jonische eil., de Epiro-Thessalische bank voor Epirus en Thessalië.

1) nl. in 1895; in 1892; 20 millioen.

ocr page 145

Italië.

(287.000 KM2; 31,500.000 inw.)

§ 140. Het Apennijnsche schiereiland strekt zich tusschen de Adriatische en de Tyrrheensche zee uit. Met Sicilië verdeelt het de Middellandsche zee in een Oostelijk en Westelijk bekken.

Naar het Zuiden loopt het in twee schiereilanden uit; dat van Apulië en het Calabrische. Tusschen beide ligt de Golf van Tarente. Andere golven zijn: van Genua, van Graeta, van Napels, van Salerno, van Venetië.

§ 141. Het Bergland.

Van den Zuidhoek der Alpen (den Pas van Savona) doorsnijdt een gebergte geheel Italië, eerst onmiddellijk lang» de Ligurische zee loopende, daarna de Westkust naderende. Het zjjn de voor een groot deel uit kalkgesteente bestaande Apennynen. Zij verheffen zich het hoogst in het midden, in het ruwe bergland der Abruzzen.

Op de Noordoostelijke helling der Apennijnen ligt de kleine republiek San Marino, 59 KM2 groot. De 8000 inwoners leven hoofdzakelijk van landbouw en veeteelt.

Over 't geheel is het bergland onvruchtbaar; ten deele is het met bosch bedekt: houtzagerijen vindt men in 't Noorden. In het kalkgesteente ontstonden vele grotten. Vooral de Abruzzen hebben een woest karakter; dit gedeelte in 't bijzonder was herhaaldelijk de schuilplaats van rooverbenden.

Tusschen het hoofdgebergte en de Westkust liggen de Sul)-Apeiinjjnen, van vulkanischen aard (warme bronnen, enz.)»

ocr page 146

142

Werkende vulkanen treft men er niet meer aan: alleen in 't Zuiden is de Vesuvius nog werkzaam.

Het Noordelijk deel ia het Plateau van ïoskane, aan de Oostzijde begrensd door de C hi an a-va 11 ei (door welke het Chiana-kanaal is aangelegd).

§ 142. De Povlakte.

Deze vlakte is aan drie zijden door gebergten ingesloten, naaide Oostzijde grenst zij aan de Adriatische zee.

Vroeger waren deze Alpen eene groote hindernis voor handel en verkeer, sedert den aanleg van verschillende spoorwegen is die hindernis aanmerkelijk geringer geworden.

Aan den voet der Alpen liggen meren, waarin de troebele Alpen-rivieren zich storten. Helder komen deze uit de meren weder te voorschijn.

TJit het Lago Maggiore vloeit de Ticino, uit het Lago di Como de Adda, uit het Iseo-meer de Oglio, uit het Gard a-m eer de M i n c i o. De Dora R i p a r i a en de Dor a Bal te a stroomen niet door meren. Alle zijn linker-zij rivieren van de Po.

De grootste rechter-zijrivier is de ï a n a r o.

In 't Noord-Oosten, waar de Venetiaansehe laagvlakte eehe voortzetting van de Povlakte is, stroomen de Etsch, de Brenta,

ocr page 147

143

lt;jnz, — Door dijken moeten vele dezer rivieren binnen hare oevers gehouden worden.

De linker-zijrivieren, die van de redenrijke Alpen komen en ook veel water van de gletschers ontvangen, zijn ^rooter en waterrijker dan de rechte r-zij ri vieren.

De meren zijn bewaarplaatsen van water, reservoirs, en voorkomen overstroo m i n g c n.

i

De kust der Adriatische zee is moerassig. Strandmeren (lagunen) worden door zandige landtongen (lidi) van de zee gescheiden. Op sommige meren wordt vischvangst uitgeoefend.

De welbesproeide, van rivieren en kanalen doorsneden, Po-vlakte is uitstékend bebouwd.

De vier grootste plaatsen zijn: Turijn, Milaan, Yenetic en Bologna.

Aan de samenkomst van de vele Alpenwegen (Mont Cenis-spoorweg) ligt Turyii (263.000 inw.), gewichtig voor het verkeer met Frankrijk; dezelfde plaats vervult Milaan (343.000 inw.) ten opzichte van Zwitserland (St.-Gothardbaan); deze stad ligt bovendien in 't midden der vruchtbaarste en best bebouwde streek van Lombardjje. Venetië (142.000 inw.) is vanouds als handelsstad beroemd; het ligt op ongeveer honderd eilandjes, die door meer dan 450 bruggen onderling verbonden zijn; eene spoorbrug verbindt de stad met den vasten wal.

Bologna (128.000 inw.) ligt in 't midden van de Yia Emilia, den belangrijken, door de oude liomeinen aangeleg-den weg, die langs den Noordvoet der Apennijnen loopt, van llimini tot Piacenza.

Aan dezen weg liggen Parma, Keggio, Modena.

Aan de Po liggen: Cremona, F er rara.

ïen Zuiden van de Po: Alessandria, sterke vesting; li a v e n ii a.

Ten Noorden van de Po: Bergamo, Brescia, Mantua, Verona (sterke vestingen), P a d u a.

—-quot;3quot; 143. De Vlakten langs de Westkust.

Langs de kust der Ligurische zee, do Riviera, rijst bijna overal het gebergte onmiddellijk uit zee. Trekt men de Apen-

ocr page 148
ocr page 149

145

nijnen over, dan valt de scherpe tegenstelling met de Povlakte op: de Eiviera met haar zacht klimaat heeft een geheel Zuidelijken plantengroei: zuidvruchten gedijen op de hellingen.

Het middelpunt der Riviera is Genua, Italiës grootste handelsstad (194.000 inw.). Een goede pas (de Bochetta-pas; voert over de Apennijnen, thans spoorweg, zoodat de produkten der Povlakte te Genua worden uitgevoerd.

Het kleine Savona (24.000 inw.) is ook eene belangrijke haven. Spezia is eene oorlogshaven.

Aan de Oostzijde der Apennijnen konden geene groote rivieren ontstaan: het gebergte loopt te dicht langs de kust (de P e s c a r a voert het water uit de Abruzzen). Aan de Westzijde stroomen drie belangrijke rivieren, elk door eene vlakte; de Arno, de Tiber en de V o 11 u r n o. Deze vlakten zijn gescheiden door het lage bergland der Sub-Apennijnen. De moerassen dei-lage kust (Maremmen, Pontijnsche moerassen) zijn ten deele met hoog gras begroeid; in den zomer verlaten, weiden er in het natte jaargetijde duizenden buffels onder de hoede van bereden herders.

Ook de Vlakte van Napels, de Tiber- en de Arnovlakte doen zich geheel anders voor dan de Povlakte; daar toch heerscht het milde klimaat der Middellandsche zee, daar vindt men altijd groene loofboomen en rijpen de citroen en de olijf naast de vijg en de amandel.

§ 144. De Arnovlakte, eene aaneenschakeling van kleine vlakten, waarvan de grootste aan de kust ligt, levert vooral graan en olijven; ook vindt men er rijstbouw. De oevers aan den mond der rivier zijn moerassig; Livorno, de in- en uitvoer-haven, ligt dan ook iets Zuidelijker (99.000 inw.). Prachtvol aan den voet der bergen, als 't ware te midden van een reus-achtigen tuin, ligt in het Arno-dal Florence. (Hier is het einde van de bij Bologna beginnenden weg over de Apennijnen. Grootsche paleizen, wereldberoemde museums voor kunst en wetenschap; 170.000 inw.). Pi sa (54.000 inw.; fabr.) en Lucca (72.000 inw.), liggen in het midden der vlakte.

De Tibervlakte (Campagna di Roma) is met de Arnovlakte

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 10

ocr page 150

146

verbonden door de Chiana-vallei, waardoor een spoorweg loopt en ook het kanaal is aangelegd, dat Arno en Tiber verbindt (C hi an a-ka na al). Yroeger goed bebouwd, ligt do vlakte thans eenzaam en dor tot voor de poorten van Rome. Deze stad had vroeger wel 2 millioen inwoners en heeft er thans 440.000. Ook hier kunstschatten, evenals te Florence. In het Vatikaan woont de Paus. Grootsche overblijfselen van Eomein-sche gebouwen (Kapitool, Colosseum, Forum). De Tiber is slecht bevaarbaar (men wendt thans pogingen aan, hierin verbetering te brengen); als haven van Rome kan Civita-Yecchia (9000 inw.) genoemd worden.

De Vlakte van Napels daarentegen is eene van de schoonste en best bebouwde der wereld. De berghellingen prijken met kastanjeboomen, de heuvels leveren wijn (Falerner) en ooft (amandelen, vijgen); in de vlakte verbouwt men rijst en katoen en groeien cypressen, laurieren en myrten.

Aan eene schoone golf ligt Napels (505.000 inw.) Behalve Napels liggen er nog 15 steden met meer dan 10.000 inwoners in de kleine vlakte. Ten Zuid-Oosten der stad staat de vulkaan Vesuvius (1268 M); hier ligt het ten deele opgegraven Pompej i.

§ 145. Langs de Oostkust ligt eene zeer smalle vlakte; alleen in Apulië bereikt ze eeue vrij groote uitgestrektheid (de Apulische vlakte).

Eene der gewichtigste plaatsen is An con a, oorlogshaven. De Apulische vlakte dient als winterweide voor duizenden schapen, die 's zomers in 't gebergte grazen. De hoofdmarkt voor wol is Foggia. Bari (72.000 inw.). Brhulisi (15.000 inw.) is voor het internationaal verkeer (weg naar Indië) van belang.

Aan de Golf van Tarante liggen T ar an te (25.000 inw.) en Ga Hip o li (8000 inw.). Op de Zuidwestelijke punt van Calabrië: Reggio (44.000 inw.).

^ 140. De eilanden.

Sicilië en Sardinië zijn beide bergachtig; beide leveren katoen en zuidvruchten; Sicilië verbouwt zelfs suikerriet en is door den

ocr page 151

147

verbouw van tarwe eene der korenschuren des lands. Sardinië is echter woudrijk, terwijl Sicilië van zijne bosschen is beroofd; Sardinië levert ertsen, Sicilië zwavel.

Jn 't Oosten van Sicilië ligt de vuurspuwende berg de Btnsi, aan wiens Zuidelijken voet de schoone Vlakte van Catania ligt. Uitvoerplaats dier vlakte is Catania (130.000 inw.).

Palermo is de hoofdstad van Sicilië (250.000 inw.).

Messina (126.000 inw.) ligt aan de druk bevaren straat.

Girgenti (24.000 inw.).

Op Sardinië zijn twee belangrijke vlakten, die zuidvruchten en koren leveren: de Cam pi da no in 't Zuiden (uitvoerplaats Cagliari). de Vlakte van Sassari in 't Noorden.

Ten N. van Sicilië liggen de vulkanische Liparische eilanden (waaronder Stromboli), die zwavel, puimsteen en wijn leveren; ten quot;NV. de A e g a t i s c h e eilanden, die wijn en zuidvruchten voortbrengen.

Capri is bekend door zijne „blauwe grotquot;, Ischia leed veel door aardbevingen, het 4 KM3 groote Procida is zeer vruchtbaar (wijn, ooft).

Elba is rijk aan jjzer; aan de kust zoutpannen; sardijnenvangst.

Ten Z. ligt de Maltagroep, (Malta, Go zo, Co mi no), die aan Engeland behoort. Hoofdplaats: Araletta (90.000 inw.).

$ 147. De Italianen gelijken in voorkomen op de Spanjaarden : doch de trotschheid der laatsten wordt bij de eersten door vroolijkheid vervangen. Maar zij zijn ook zorgeloos — duizenden leven bij den dag — en listig. Vooral in Zuid-Italië is liet met de volksontwikkeling treurig gesteld. Rooverbenden maken vele streken nog altijd onveilig (Abruzzen, Sicilië).

De uitvoerende macht berust bij den koning; de wetgevende deelt deze met den Senaat (waarvan Iiij de leden benoemt) en de Kamer van Volksafgevaardigden.

§ 148. Landbouw. Slechts een klein deel van Italië behoor tot het hooggebergte; ook is geen deel van het land zoo droog, dat het daardoor ongebruikt zou moeten liggen, alleen zijn uitgestrekte landstreken, n.1. in het deltaland aan de Adriatische zee, in Toskane en in de Pontijnsche moerassen zóó waterig.

ocr page 152

148

dat zij zelfs als weideland onbruikbaar zijn; nog grootere stukken zijn door de malaria voor voortdurende bewoning ongeschikt, hoewel niet voor bebouwing. Men rekent, dat 13 % van het land niets oplevert.

akkers en tuinen

wijn

grasland

woud

woest

39,9

6,3

25

15,7

13,1

Gebruik van don bodem.

Zeer aanzienlijke deelen van Italië zjjn vruchtbaar, andere kunnen door bewerking vruchtbaar gemaakt worden. Dit geldt van de geheele Povlakte, ja van alle laagvlakten met hoofdzakelijk leemachtigen of vulkanischen bodem. De tuf bodem der Romeinsche campagna bezit groote natuurlijke vruchtbaarheid, het alluvium in zóó hooge mate, dat haver zonder bemesting na 10 jaren nog zoo hoog wordt, dat een paard er in verdwijnt. Zoo ook de uit vulkanische tuf saamgestelde bodem van Cam-panië, de vulkanische bodem aan den Etna; de vulkanische streek van den Vultur kent men dadelijk door het verschil in vruchtbaarheid met de omgeving. quot;Werkelijk onvruchtbare bodem ontstaat slechts door do zout- en gipshoudende gesteenten, die op het Plateau van Toskane, in Centraal-Sicilië en hier en daar in de Apennijnen voorkomen.

In de bebouwing van den bodem moet dan ook het hoofdmiddel van bestaan voor de Italianen liggen. Maar de landbouw is achterlijk en Italië neemt volstrekt niet de plaats in, die het naar zjjne vruchtbaarheid innemen moest. Van den voor landbouw geschikten bodem liggen 2 mill. HA woest, van welke 1,4 mill. HA alleen door besproeiing vruchtbaar te maken zjjn. De korenbouw is in de laatste kwarteeuw niet vooruitgegaan, ja gaat eer terug; tarwe en rijst worden, vooral door de concurrentie van de Indische rijstsoorten, hoe langer hoe minder verbouwd. Frankrijk verbouwt op dezelfde oppervlakte anderhalf maal zooveel als Italië. De oogst van een met tarwe, rogge, gerst of haver bezaaide HA is aanzienlijk kleiner dan die van een met dezelfde korensoorten bezaaide in Duitschland ofGroot-Brittanje. De hoofdoorzaken zijn de achterlijkheid van

ocr page 153

149

den landbouw en het groot grondbezit. In enkele streken moge de bewerking van den bodem doelmatiger geschieden, mogen machines in gebruik zijn, over 't geheel staat de landbouw op veel lageren trap dan in de Westeuropeesche landen. Overal wordt meer het houweel dan de ploeg gebruikt, en groote onafzienbare, boomlooze vlakten met koren, aardappelen of suikerbieten, zooals men elders aantreft, zoekt men in Italië te vergeefs.

Door de groote kosten, die het aanleggen van besproeiingskanalen vordert, is de bodem grootendeels in handen van enkelen gekomen. Er heerscht groot grondbezit en de eigenaars verblijven niet op hunne landerijen. quot;Waar kleingrondbezit heerscht, vindt men meer tuinbouw en is de boomcultuur overwegend, daar woont eene dichte bevolking.

Het meest komt groot grondbezit met de slechte gevolgen er van voor in de Romeinsche Campagna. Daar bezitten vier groot grondbezitters 75000 HA = -il1, % van de oppervlakte. Achter hen staan de grootpachters, die, evenals de eigenaars, in Eome wonen; de grootpachter heeft de grond weder verhuurd aan kleinpachters, die op hunne beurt soms nog den arbeid aan ondernemers uitbesteden. De arbeiders zelf zijn meest de „voorschotslavenquot; van de ondernemers en ontvangen zeer geringe loonen.

Vooral tengevolge van den drogen zomer is kunstmatige besproeiing noodig. Zoo dienen de kanalen, die Milaan tot een middelpunt van waterwegen maken tevens ter besproeiing. Waar geen besproeiing plaats heeft, liggen des zomers de velden als geelbruine, dorre steppen.

In de Povlakte met haar gematigd klimaat worden vooral koren en rijst verbouwd, voorts kastanjes, moerbeziën, enz.

Onder de korensoorten moeten vooral tarwe en mais genoemd worden, dan volgen rijst en haver, eindelijk gerst en rogge. De oogst van tarwe bedraagt ruim 40 mill. HL, van maïs (polenta) 27 millioen. Van belang is ook de verbouw van peulvruchten (boonen, erwten, linzen, enz.), die in Italië een gewichtig voedingsmiddel voor menschen en dieren vormen. In

ocr page 154

150

den laatsten tijd gaat de verbouw zeer vooruit, zoo ook die van aardappels. In de bergstreken zijn de kastanjes voor de volksvoeding van meer belang dan het graan.

Naar het Zuiden toe, in de vlakten van Midden- en Zuid-Italië en in de Sub-Apennijnen krijgen de planten van de Subtropische zone meer het overwicht. AV eliswaar wordt nog veel graan verbouwd, en met goed gevolg, maar toch staat de cultuur van zuidvruchten op den voorgrond.

De olijfboom neemt eene oppervlakte van 10000 KM3 in; gemiddeld wordt jaarlijks 3,3 millioen HL olie gewonnen. Vooral

ocr page 155

151

West-Ligurië (Porto Maurizio), Lucca, Apulië (Bari) en Sicilië (Palermo) bezitten veel olijfboomen.

Do olijf vindt men in alle lage streken van Italië, behalve in de Po-vlakte. Een tuin met olijfboomen levert per HA f 360 bruto op.

Sinaasappels, citroenen en oranjeappels vindt men bijna overal (behalve in de vlakte), docli vooral op Sicilië (omgeving van Palermo, Messina, de zuidelijke helling van den Etna tot Catania) en Calabric (vooral het kustland van Eeggio). De beste soorten leveren de oevers van de Straat van Messina. De oogst bedraagt gemiddeld bijna 4 milliard stuks, waarvan Sicilië i levert.

Voorts moeten we vijgen, amandelen, mispels, enz. noemen.

Do wijncultuur, die in oude tijden de wereldmarkt be-heerschte, is in de laatste jaren zeer vooruitgegaan. Wijn wordt thans op 34000 KM2 verbouwd; jaarlijks is de productie 30 a 40 millioen HL.

Van belang is de verbouw van groenten. Hennep (vooral bij Bologna) wordt uitgevoerd. In het uiterste Zuiden en op Sicilië wat katoen en suikerriet.

De wouden zijn zeer gedund, maar leveren toch nog bijna genoeg voor de behoeften van het land. Kurk en fijne houtsoorten (olijf) worden uitgevoerd.

§ 149. Veeteelt, enz. De veeteelt is vooral in de Povlakte van gewicht, naar het Zuiden toe neemt ze in belangrijkheid af.

Zoo vindt men in (ie prov. Milaan per KM- 62,3 rundeven en 14,2 varkens, in Girgenti 1,8 runderen en 0,3 varkens.

Over 't geheel is Italië echter betrekkelijk arm aan vee. Buiten de berglanden vindt men weinig weiden, en bovendien eten de Italianen weinig vleesch.

De veestapel beloopt:

runderen

schapen

geiten

5,000.000 (i,900,000 1,800.000 700.000

paarden

muildieren en ezels 1,300.000.

ocr page 156

152

De veeteelt gaat vooruit. Beroemd is de kaas (Parmezaan, Gorgonzola). In de Maremmen houdt men buffels.

Zijde cultuur vindt men overal, vooral echter in Venetië Lombardije, Piemont, Calabrië en Sicilië. De zijdecultuur houdt duizenden en duizenden personen bezig; Italië neemt voor doze cultuur de eerste plaats onder de Europeésche staten in; 40 millioen KG cocons leveren jaarlijks 4 millioen KG ruwe zijdo.

Belangrijk is ook de vogelteelt; veel eieren worden uitgevoerd.

Aan de kusten wordt visscherij uitgeoefend; zij levert sardines, tonijnen, makreelen, ansjovis (Elba, Sardinië); bij Tarente oesters. Yooral sardines worden uitgevoerd. Ingevoerd worden stokvisch en haring.

Bij Sardinië, Corsica en Afrika wordt koraal gevischt.

§ 150. Mineralen. Italië bezit geen steenkolen; alleen levert Toskane bruinkolen (jaarlijks 300.000 tonnen). De voornaamste mineralen zijn zwavel, zout, ijzer en marmer.

Voor zwavel is Italië het eerste land der wereld. De zwavel-groeven van Sicilië houden 30.000 arbeiders bezig; jaarlijks wordt voor 30 millioen lire gedolven. Italië levert 400 millioen KG zwavel, alle andere landen samen 60 millioen (vooral Spanje en Japan).

Zout wordt hoofdzakelijk als zeezout gewonnen, voornamelijk in 't Zuiden, waar de droge zomers de verdamping'van het water in de „zouttuinenquot; bevorderen. IJ z e r levert vooral Elba en ook Sardinië, waar ook mijnen voor zilver, lood en zink gevonden worden (Iglesias in 't Zuid-Westen).

Uitstekend marmer leveren Carrara en Massa.

§ 151. Industrie. Eens in de industrie de leermeester dei-meeste Europeesche staten, is .Italië thans door deze ver overvleugeld. Slechts enkele takken van industrie verheugen zich nog in den roep, die eertijds de meeste Italiaansche waren bezaten. Toch is in den laatsten tijd veel vooruitgang te bespeuren.

De voornaamste hinderpalen zijn gebrek aan kolen en gebrek aan kapitaal; — voordeelen zijn de in vele streken dichte be-

ocr page 157

153

volking, de geschiktheid der Italianen, met hun aangeboren kunstzin, enz.

Tegenwoordig is er bijna geen tak van industrie, die in staat is aan do behoeften van het land zelf te voldoen. Onder de textielindustrie moet in de eerste plaats de zijde-industrie genoemd worden. Voor de productie van ruwe zjjde is Italië nquot;. 1 ; ook veel ingevoerde zijde wordt in Italië gesponnen. In de zijdeweverij zoekt Italië zijn ouden roep te herwinnen; zij wordt overal, behalve op Sardinië, uitgeoefend, maar heeft haren hoofdzetel in 't ^Noorden, in Lombardjje, Yenetië en Piemont. Milaan is naast Lyon de belangrijkste stad van Europa voor zijdeindustrie; zeer gewichtig is ook Como; voor zijdefluweel is Genua sinds ouden tijd beroemd.

De zijdeiiKlusMp houdt 175.000 personen bezig, voor 9/io vrouwen en meisjes.

De katoenindustrie zetelt ook in 't Noorden. Groote katoenfabrieken (ook drukkerijen) vindt men te Milaan, Turijn, No vara, Genua, Pisa, Como, Napels, enz.

De li nnen- en wol industrie zijn niet in staat aan de behoeften te voldoen. liet middelpunt van de linnenfabricatie is Biella, dan volgen Turijn, Novara, Yicenza, Milaan, Salerno, Caserta.

Van veel belang is de touw slager ij, wier producten op de wereldmarkt gewaardeerd worden.

Talrijke leerlooierijen leveren leder, vooral voor handschoenen (jaarlijks worden 2 millioen paar handschoenen uitgevoerd, — 12 paar tegen 15 a 20 lire).

liocilooicrijen vooral in Napels (-11 met quot;1:100 ark), Milaan (oO met 1100 aib.), Turijn (23 met 1900 arb.), Genua en Florence.

Met stroo vlechter ij (stroohoeden) houdt zich vooral de bevolking van het platte land in Toskane bezig.

Voor de ijzer industrie zijn de provinciën lirescia, Como en Milaan van belang; machines leveren Genua, Home, Napels en Florence. De vervaardiging van terracotta-artikelen

ocr page 158

154

staat op lioogen trap; het glaswerk (glasmozaïk, giaspaarlen. enz.) van Venetië en Murano was reeds in ouden tijd beroemd. Vooral in Milaan en omgeving is de meubelfabricatie van belang. Papier fabricatie in Piemont, Lombardije en Campanië.

Ten slotte wijzen we op de vervaardiging van maccaroni, aetherische oliën, likeuren, citroenzuur, waslucifers, muziekinstrumenten (strijkinstrumenten vooral in Padua), enz.

§ 152. Handel en Verkeer. De ligging van Italië maakte liet in de middeleeuwen de bemiddelaar van den handel tussclien Azië en Europa. Na de ontdekking van den weg om de Kaap verplaatste zich de handel naar West-Europa. Italië werd van minder belang tot het in den jongsten tijd door den aanleg van Alpenspoorwegen en het graven van het Suezkanaal zijne oude beteekenis herkreeg.

quot;Wat het biniienlandscli verkeer betreft, alleen in de Po-vlakte vinden we bevaarbare wateren, zoodat het verkeer hoofdzakelijk door de spoorwegen en de kustscheepvaart moet geschieden. Allo belangrijke plaatsen zijn door spoorwegen verbonden. Alle lijnen zijn staatseigendom; zij zijn echter aan drie maatschappijen veïpacht. Tot de hoofdlijnen behooren:

1. St. Gothard—Milaan—Uologna—Ancona—Brindisi (de Indische post), — en verder langs de Zuidkust naar Reggio.

2. Mout Cenis—Turijn—Genua—Livorno—Rome—Xapels.

3. Bologna—-Florence—Rome.

4. Brenner—Verona—Venetië.

5. Weenen—Venetië.

De kustscheepvaart heeft vooral aan de havennjke Westkust beteekenis.

Voor den binnenlandschen handel zijn vooral van belang: Milaan, Turijn, Bologna, Florence, Rome, Napels en Palermo.

Wat de buiteiilaiidsche handel betreft wordt overland ongeveer evenveel vervoerd als over zee. In den zeehandel bepalen zich de Italianen hoofdzakeljjk tot de Middellandsche zee, maar doen in den laatsten tijd pogingen ook eene plaats ouder de groote zeevarende natiën in te nemen.

De voornaamste zeehavens zijn:

ocr page 159

155

Genua, in den laatsten tijd door de St.-Gothardbaan en liet Suez-kanaal snel opgekomen. Genua is voor Zwitserland en Zuid-Duitschland de beste haven. 8cIleupvaartbeweging G mill. t. Onder de reederijen moeten vooral de Xavigazione Generale Italia na met 110 stoomschepen, en de maatschappij La Veloce genoemd worden. Vele schepen van vreemde lijnen doen Genua aan (^Nederland, Fraissinet amp; Cie, Noord-Duitsche Lloyd, de Hongaarsche Adria, enz.).

Invoer (1895):

koloniale waren en tabak 34 millioen lire.

katoen 77 „ „

mineralen, metalen 23 „ „

steen, steenkolen, faïence, glas 39 „ „

gfraan, meel, enz. 70 „ „

dieren en dierl. prod. 23 „ „

Uitvoer:

dranken en oliën 21 „ „

katoen 22 „ „

zijde 33 „ „

Nederland voert vooral naar Genua: aardappelmeel (2 mill. KG), ijzer en

staal (1,6 mill. KG), steenkool (1 mill. KG); uit Ned. Indië: coprah (1,4 mill. KG), peper, enz.

Genua is ook de voornaamste haven voor landverhuizers.

Napels is de tweede havenstad, met eene scheepvaartverkeer van 3,8 millioen t. Ook de meeste booten der bovengenoemde lijnen doen Napels aan. Zijne voornaamste uitvoerartikelen zjjn zuidvruchten, wijn, olie, amandelen, zijde, zwavel; invoer: koren, kolen en ijzerwaren.

Naar Nederland werd in 1896 uitgevoerd o. a. :

5.400 rt. wijn 100.000 KG olijfolie 321.000 KG noten.

Livorno, de derde haven, met een scheepvaartverkeer van 2,4 millioen t; levendige handel met de Levant, Frankrijk, Engeland en Duitschland. Invoer: koren (vooral uit Euslandj, tabak, visschen; uitvoer: koraal, olie, hennep, vruchten, wijn, (de 2 laatste vooral naar Nederland).

ocr page 160

456

Messina, de vierde haven, met een scheepvaartverkeer van 1,8 millioen t. Uitvoer: zijde, zuidvruchten, olie, koren, zwavel, wijn.

Invoer (1896) 13,5 millioen Lire.

Uitvoer 46 „ „

Uitvoer van wijnen, dranken en oliën ;

naar de Vereen. Staten 34.600 HL.

„ Oostenrijk-Hong. 9.100 „

„ Groot-Brittanje 29.000 „

„ Nederland G.600 „

Op deze vier hoofdhavens volgen, gerangschikt naar de belangrijkheid :

Palermo, voor wijn, zuidvruchten, visschen.

Venetië, dat men nadert door de kunsthaven van Mala-mocco aan het Zuideinde van het lido, vanwaar een 8 M diep kanaal, in de lagune gebaggerd, naar de stad voert.

Ancona, de gewichtigste haven van de Oostkust; invoer: koren, koloniale waren; uitvoer: zijde, was, huiden, enz.

Brindisi, voor den Indischen post.

Catania, invoer: hout, metaalwaren, aardewerk, voedingsmiddelen ; uitvoer: dranken, oliën, zuidvruchten, voedingsmiddelen.

Kleinere havens zijn:

Savona, uitvoer van ruwe zijde, zuidvruchten, marmer, enz. Het is echter vooral invoerhaven: steenkolen (435 millioen KG), granen (41 mill.), ijzer (26 mill.), petroleum (31 millioen). Scheepvaartverkeer ruim 400.000 t.

Gallipoli, wijn en olie.

Uit- en invoer.

Deze beliepen:

uitvoer invoer

in 1895 1.038.000.000 Lire 1.187.000.000 Lire. „ 1897 1.092.000.000 „ 1.192.000.000 „

Ingevoerd werden in 1896:

koren 66 millioen gulden N.C.

katoen 54 „ „ „

zijde 44 „ ,. „

steenkolen 41

ocr page 161

157

29 millioen gulden Jf.C.

23 21 17 16 16

138 mill, gulden N.C. / samen | a | van den

16

14 26

^ geheelen uitvoer.

oranjeappels andere vruchten eieren

bewerkt koraal zwavel

Muntwezen. Italië heeft met Frankrijk eene muntunie. Munteenheid is de Lira (= 1 Franc) a 100 Centimes = /0,48, 1 Scudo = 5 L.

wol huiden ijzer

machines vee hout

Uitgevoerd:

zijde

zijden weefsels olijfolie wijn

hout- en strooartikelen 22 hennep 18

citroenen, sinaasappels,

16 21 14

13 13

ocr page 162

Zwitserland.

(41.400 KMgt;; 3.000.000 inw.)

§ 153. In het midden van Europa ligt deze kleine republiek, die bijna overal natuurlijke grenzen heeft. Ze is iets grooter dan Nederland.

Het Zuiden en Oosten des lands wordt ingenomen door de hooge Alpenketens; op de Westgrens verheft zich de Jura: tusschen de Alpen en de Jura ligt eene hoogvlakte. Zoo kunnen we het land verdeelen in drie deelen :

1. De Jura. ^

2. Dc Zwitsersche Alpen.

3. De Zwitser sc he hoogvlakte.

§ 154. De Jura.

De Jura strekt zich uit van de Rhone tot den Rijn.

Zij bestaat grootendeels uit evenwijdige ketens en is oen kalk-gebergte.

In het Noorden sluit de Zwitsersche Jura aan bij de Zwa-bische. Daar breekt de Rijn, het Meer van Constanz bij Stein verlaten hebbende, snelstroomend door hot kalkgebergte en vormt in dc nabijheid van Schaffhausen (bjj Lauffen) den bekenden, 26 M hoogen waterval. Waar de Rijn zich ombuigt naar het Noorden ligt Bazel, de „poort van Zwitserlandquot; (77.000 inw.).

Het grootste deel van het Jura-gebied levert weinig op. Zeer belangrijk is echter de uurwerkmakerij (horloges); hoofdzetels van deze industrie zijn Chaux-de-Fonds (28.000 inw.) en le Locle (11.000 inw.), in 't midden der Jura gelegen.

g 155. De Zwitsersche Alpen.

In het midden der Zwitsersche Alpenwereld staat de Sint-

ocr page 163

159

(jothard. Van hier loopt dc Rijn naar liet Noord-Oosten, de Rhone naar het Zuid-Westen, beide door diepe dalen, die als 't ware één groote kloof quot;vormen en de Alpen in een Noordelijk en Zuidelijk deel splitsen. Ten Noorden liggen:

de Berner Alpen. Vooral in het Oosten liggen hooge toppen, die zich te midden der sneeuw- en ijsvelden verheffen. Hier ontspringt de Aar, wier dal (ten deele gevuld door het Brien-ze r en het Thuner meer, door welke de rivier stroomt) de Berner Alpen scheidt van:

b. de Vierwoudsteden-Alpen.

Tusschen het Brienzor en het Thunermeer ligt Interlaken (21.000 inw.), een klein plaatsje met groote hotels: reizigers bezoeken van hier uit de gletscherwereld der Berner Alpen.

l)e Vierwoudsteden-Alpen vinden naar het Oosten in het sehoone dal der Reuss de grens. De Reuss loopt uit in het Vier woudsteden-meer, aan welks oevers zich de Pi lat us en de Rigi verheffen. Waar de Reuss het meer weder verlaat, ligt Luzern (21.000 inw.; middelpunt van het vreemdelingenverkeer).

Westelijker liggen:

c. de Rijn-Alpen. In het Noorden scheidt eene laagte, waarin het Wall en-meer en het Meer van Zurich gelegen zijn, ze van

d. de Thur-Alpen, die in het Noorden bij het Meer van Constanz eindigen.

ïen Zuiden van het Rhone- en Rijn-dal verheffen zich: u. de Penninische Alpen. Zij beginnen in 't Westen bij den Mont Blanc. Evenals in de Berner Alpen vindt men ook hier uitgestrekte gletschers en sneeuwvelden, waaruit kale toppen zich verheffen, het hoogst de Mont Rosa (4638 M). Dan volgen: h. de Lepontische Alpen, waartoe ook de St.-Gothard behoort. De Tessino stroomt hier Zuidwaarts en stort zich in liet Lago Maggiore.

c. de Rhaetische of Gfraubunder Alpen.

Aan do Westzijde ligt in oen zijdal dor Albida Da vos, horstolliiigsoord voor teringlijders.

ocr page 164
ocr page 165

161

De Rhone ontspringt uit een' gletscher aan de Zuidzijde der Vierwoudsteden-Alpen.

Zij stroomt in het Meer van Genève, dat zij bij Geneve verlaat.

De Voor-Ryn ontspringt op den Sint-Gothard en neemt rechts den Midden- en den Achter-Rijn op.

Bij Chur (9000 inw.) buigt de Rijn zich Noordwaarts.

In het midden van de Zwitsersche Alpen loopt het Reussdal Zuidwaarts tot den Sint-Gothard; aan de Zuidzijde van dezen bergklomp leidt het Ticinodal naar Italië. Door deze dalen loopt de spoor, die Zwitserland en Italië verbindt, en ten behoeve van welke de Sint-Gothard-tunnel is geboord (Sint-Gothardbaan).

In vroeger tijd werden jaarlijks duizenden reizigers met de postwagens over den Sint-Gothard vervoerd. Na de opening van de Sint-Gothardbaan heeft de weg over den berg zijn belang verloren. De tunnelis bijna 15000 M lang. Bijna zeven en een half jaar werkten er 3000 arbeiders aan. Groote machines brachten boren in beweging, die gaten in de rotsen maakten: in die gaten werden dynamietpatronen geplaatst, zoodat men het gesteente kon doen springen.

In een half uur komt men thans van Geschenen naar Airoio!

Het hoofdmiddel van bestaan in de Alpen is veeteelt.

Vele Alpendorpen bestaan door de reizigers, die er in de hotels een onderkomen vinden en in de dorpelingen gidsen.

§ 156. De Zwitsersche hoogvlakte.

Van het Meer van Genève tot dat van Constanz strekt zich de Zwitsersche hoogvlakte uit. Steil daalt de Jura naar deze vlakte, aan zijn' voet stroomt de Aar, die rechts de talrijke rivieren opneemt, die haar van de Alpen toestroomen, o. a. de Reuss en de Li mm at.

Ook van de Meren van Neufchatel en Biel ontvangt de Aar het water.

De hoogvlakte is over 't geheel vrij vruchtbaar.

Aan het schoone Meer van Genève liggen; Genève (97.000 inw.), Lausanne (36.000 inw.).

Aan de Aar: Bern, de hoofdstad (48.000 inw.).

Ten Have, Handels-Aavdvijkskunde. 11

ocr page 166

162

Bij Neufchatel (17.000 inw.) bereikt een belangrijke weg door de Jura de hoogvlakte.

Zurich (aan? — 122.000 inw.).

Winterthur (17.000 inw.).

§ 157. De bevolking van Zwitserland is gemengd: in 't quot;Westen wonen Franschen, in 't Zuiden Italianen, in 't overige —■ grootste — deel Duitschers.

Franschen in de Jura, de omstreken van het meer Tan Geneve en het Westelijk deel van het Rhóne-dal; Italianen in de dalen ten Zuiden van den St.-Gothard.

Fig. 20.

iü Duilsch - ^S^fransch,

L_j Ituhuctn sch 1_I fLRomaansch.

Zwitserland is in kantons verdeeld, die elk hunne eigen wetten en hun eigen bestuur hebben. De belangen van het geheele land worden behartigd door den bondsraad te Bern.

Lichtenstein. Aan den rechter Rijnoever ligt het vorstendom Lichtenstein, 160 KM3 groot, met ruim 9000 inwoners.

§ 158. Landbouw. Doordat hooge bergen een groot deel van het land innemen moet veel land woest blijven liggen, en wel meer dan l der geheele oppervlakte.

CO

O

a

Bouwland

Grasland

Woud

Woest

16,5

35,9

16,6

28,4

Gebruik van den bodem.

Ruim 16% is bouwland, maar de produkten, hier geteeld,

ocr page 167

163

kunnen nog niet in de helft der behoeften voorzien. In de meer vlakke gedeelten van de hoogvlakte verbouwt men koren: 5 millioen HL jaarlijks, waarvan 3 millioen rogge, — en aardappels. Koren wordt uit Rusland, Amerika, Duitschland en Oostenrijk-Hongarije ingevoerd.

De ooftcultuur heeft vooral aan het Meer van Constanz (St.-Gallen, Thurgau) beteekenis en in de kantons Zürich, Schaff-hausen en Aargau. De Zuidelijke, warme kantons leveren ook kastanjes, amandelen, walnoten, — zelfs citroenen (Lugano, enz.)

Wijn wordt vooral aan de oevers der meren verkregen, maar hier en daar, b.v. in Wallis, ook vrij hoog in 't gebergte. De beste wijnen leveren Genève, Neuf'chatel en Wallis. Jaarhjksche productie 1 millioen HL , onvoldoende voor de behoefte, vooral door de vele vreemdelingen.

Voedergewassen worden overal verbouwd.

Hout is niet meer zooveel aanwezig als vroeger: men heeft de bosschen gedund zonder op aanplanting bedacht te zijn. Vele bosschen op de berghellingen worden in stand gehouden om plaatsen tegen lawinen te beschutten.

§ 159. Veeteelt. De veeteelt is van meer belang dan de landbouw; de rijkdom der landbevolking is dan ook het vee. In de dalen van het hooggebergte wordt het gras gehooid voor den winter, terwijl men 's zomers de „vaalbruinequot; runderen naar de almen op de bergen brengt, waar ze onder het toezicht der sennen blijven. In de sennhutten wordt vooral kaas gemaakt, — evenals overal in Zwitserland. Vooral het Emmen-, Maderaner- en Greyenzer dal zijn door kaas beroemd. Boter moet ingevoerd worden.

Geiten worden vooral in de hoogere gedeelten gehouden. Paarden zijn er betrekkelijk weinig; in 't Zuiden muildieren en ezels.

Van belang is de bijenteelt. In Tessino en Graubunderland zijdeteelt.

Veestapel 1896:

paarden 108.500 runderen 1.304.000 varkens 566.000

ocr page 168

164

schapen 271.000

geiten 415.000

bijen 253.000 korven.

§ 160. Bergbouw. Deze is onbeteekenend. Er wordt wat ijzer en steenkolen gevonden, en op enkele plaatsen zout, maar voor de behoeften geheel onvoldoende. Minerale bronnen zijn op verschillende plaatsen.

§ 161. Industrie. Ondanks alle hinderpalen (groote afstand van de zee, bergland, gebrek aan grondstoften) heeft de industrie in Zwitserland eene aanzienlijke hoogte bereikt; zij houdt 1 millioen personen bezig en sommige takken hebben haar eene wereldvermaardheid bezorgd. Bevorderlijk voor de industrie waren de bijna overal aanwezige, constante waterkracht, de ondernemingsgeest, de grondige handelskennis dei-kooplieden, de ontwikkelde arbeidersstand.

De Zwitsersche grootindustrie is weliswaar niet veelzijdig, maar in enkele takken concurreert zij met de bekendste industriestreken. Zij werkt bijna uitsluitend voor export en heeft hare hoofdzetels op de hoogvlakte en in de Jura.

De belangrijkste takken zijn: de zijde-, katoen-, uurwerk-, bijouterie-, machine-, hout- en stroo-industrie, — meest takken dus, waarbij de arbeid de waarde van het produkt bepaalt.

De zydeindustrie heeft haren hoofdzetel in Bazel en Zurich: ook in Aargau; zij bestaat hier zeker reeds vijf eeuwen. In de laatste eeuwen concurreert zij moeilijk tegen Amerika.

De katoenindustrie zetelt vooral in het Oosten, in Zurich, Glarus, St.-Gallen, Appenzell. Hoofdzaak is spinnerij; veel garens worden uitgevoerd; maar ook weverij, ververij en drukkerij zijn van veel belang.

De vervaardiging van horloges is van groot belang, maar heeft door de concurrentie van Amerika en door de onderlinge concurrentie in Zwitserland zelf in de laatste jaren zeer geleden : de prijzen zijn 50 % gedaald, de kwaliteit is minder geworden. De uitvoer beliep in 1894: 83 millioen francs, in 1895: 87, in 1896: 97 millioen.

■ Hoofdzetels zijn de kantons Genève, Neufchatel, Waadt en Bern.

ocr page 169

165

De fabrieken van Genève leveren nauwkeurig loopende uurwerken van hooge waarde en leggen zich ook vooral op versiering toe (email, edele steenen, enz.). Die van Neufchatel leveren jaarlijks 3 millioen stuks (Neut-chfitel, Chaux de Fonds, Le Locle, Les Brenets bij Le Locle, St.-Imier).

Le Locle is beroemd door de voortreffelijke marine-chronometers.

In Waadtland levert Sainte-Croix miniatuurhorloges. De verdeeling van den arbeid is in de Zwitsersche fabrieken zeer ver doorgedreven.

Saast horloges worden in dezelfde streken bijouterien en spoeldoozen vervaardigd.

Beroemde machinefabrieken zijn te Zurich en het nabijgelegen Oerlikon, quot;Winterthur, Bazel, St.-Gallen; zij werken vooral voor export.

Houtsnijwerk levert vooral het Berner Oberland; Meirin-gen, Brienz en Interlaken bezitten groote magazijnen.

Stroovlechtwerk in Aargau, ïessino, Zurich en Freiburg; veel gaat naar Amerika. De concurrentie van Japan en China heeft deze tak veel kwaad gedaan.

Linnen- en wolindustrie zijn zeer achteruitgegaan en hebben weinig meer te beteekenen.

§ 162. Handel en Verkeer. Ook handel en verkeer hadden in Zwitserland mot vele moeilijkheden te kampen. Ondanks de bergachtige natuur is Zwitserland overdekt met een net van uitstekende wegen en verbinden spoorwegen het met de naburige rijken. Van het Noorden uit zijn Bazel en Schaffhausen de groote poorten, vooral Bazel, naar Frankrijk loopen lijnen van Genève, Neufchatel (Val de Travers) en Biel uit, naar Oostenrijk de Arlbergbaan, naar Zwitserland de St.-Gothardbaan, terwijl men bozig is den Simplon ten behoeve van een' spoorweg te doorboren.

De ligging tusschen Duitschland, Italië en Frankrijk deed reeds in den ouden tijd een groot deel van de reizigers en kooplieden over de Zwitsersche passen trekken. Wilden de Zwitsers deze belangrijke transito behouden, dan waren ze wel verplicht goede kunstwegen aan te leggen. Zoo kreeg men goede wegen over Simplon, St.-Gothard, Splügen, enz.; later kwamen de spoorwegen. Door de St.-Gothardspoor werd Genua

ocr page 170

166

de grootste haven van Italië en eene hoofdhaven voor don Zwitserschen handel.

De Zwitsersche handel is wereldhandel. In bijna alle groote handelsplaatsen der Aarde vindt men Zwitsersche huizen, die den Zwitserschen handel en industrie van veel dienst zijn en telkens nieuwe afzetgebieden vinden.

Uit- en invoer.

Uitgevoerd werden (1896):

zijden stoffen 133 millioen francs

katoenen horloges

117

97

kaas

39

ruwe zijde

37

zijden garens

32

machines

30

J? ))

chemicaliën

23

melk

19

katoenen garens 18

dieren

14

stroovlechtwerk

11

oer:

koren en meel

115 millioen francs

zijde

110

dieren

52

gt;gt;

kolen

47

J? 5)

wollen stoffen

47

edele metalen

40

gt;gt;

ijzer

37

wijn

35

chemicaliën

32

katoen

30

machines

25

hout

23

JJ ? J

suiker

21

?gt;

koffie

18

(1897 (1897

125) 104)

ocr page 171

467

In 1897 beliep:

de totale uitvoer: 693 millioen francs „ „ invoer; d.034 „ „

De voornaamste landen, waarmee handel gedreven wordt, zijn Duitschland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk-Hongarije, Groot-Brittanje, de Vereenigde Staten, Rusland en België.

Muntwezen. Zwitserland behoort tot de Latijnsche muntunie (gesloten 23 Dec. 1865 met Frankrijk, Belgie en Italië). Munteenheid is de franc a 100 centimes (Rappen) = ƒ 0,48.

ocr page 172

Het Iberisch schiereiland.

§ 163. Dit schiereiland scheidt de Middellandsche zee van den Atlantischen oceaan; het is het Zuidwestelijkste deel van Europa.

Het heeft een vierhoekigen vorm, en betrekkelijk weinig diepe insnijdingen: de kustontwikkeling is dan ook gering.

In het Zuiden scheidt de druk bevaren Straat van Gibraltar (weg naar de kusten der Midd. zee en naar Indië) het van Afrika. In 't Noorden ligt de Golf van Biskaje, in 't Westen de Spaansche zee.

§ 464. Op de grens van het schiereiland en Frankrijk loo-pen de Pyreneën, ruim 3000 M hoog. Daar de dalen zeer smal zijn, wordt er weinig verbouwd; ook de veeteelt is van weinig belang. Aan de uiteinden loopen de spoorwegen, die Frankrijk en Spanje verbinden.

In de Oostelijke Pyreneën ligt de kleine republiek Andorra, uit eenige hoog gelegen dalen bestaande. De hellingen zijn ten deele weiden en in de dalen kan men nog wat tarwe verbouwen. De republiek is 5000 KM2 groot en telt 6000 inwoners.

§ 165. Het grootste deel van het schiereiland is eene hoogvlakte, door randgebergten omgeven. Den Noordrand vormt het Oiintabrisch-Asturlsch gebergte, den Oostrand het Iberisch gebergte, den Zuidrand het Andalusisch scheidingsgebergte. Aan de Westzijde daalt de hoogvlakte langzaam tot de Kustvlakte van Portugal.

§ 166. De Randgebergten.

Over het Cantabrisch-Asturisch gebergte loopen vele goede passen, en spoorwegen verbinden Bilbao en Santander dan ook met de hoogvlakte.

De Noordelijke helling is regenrijk; hier treffen we uitmun-

ocr page 173

169

tende weiden (en dientengevolge veeteelt) aan. De Noordelijke voet van 't gebergte is rijk aan metalen : ijzer en ook zink en lood. De voornaamste plaatsen zjjn: Bilbao (51.000 inw), Santander (42.000 inw.), Oviedo (43.000 inw.), Gr ij on (35.000 inw.).

In het Westen sluit het Asturisch-Cantabrisch gebergte aan bij het Galicisch bergland, dat o. a. het dal der Minho bevat.

In het bergland ligt Santiago (24.000 inw.). De kust is veelvuldig en diep ingesneden; de inhammen heeten ria's. Hier liggen de belangrijkste plaatsen: de belangrijkste oorlogshaven Ferrol (26.000 inw.), en de uitvoerhavens La Coruna (37.000 inw.), Pontevedra (20.000 inw.; vee) en V i g o (15.000 inw.).

Het Iberisch bergland is eene rij bergketens en berggroepen. Het dal van de Ja Ion scheidt het in een Noorderen Zuiderdeel (door dit dal loopt de spoorweg, die do Ebro-vlakte met de hoogvlakte verbindt).

Het Andalusisch scheidingsgebergte bestaat uit eene vereeniging van kleine gebergten en kleine plateaus; het Westelijkste deel is de Sierra Monchique.

§ 167. De Hoogvlakte.

De hoogvlakte wordt door een rij gebergten, die men samenvat onder den naam van Kastiliaansch scheidingsgebergte, in twee deelen verdeeld : de Hoogvlakte van Oiid-Kastilië en Leon en die van Nieuw-Kustilië; de gemiddelde hoogte der eerste is 850 M, die der laatste 650 M. Deze vlakten zijn eenzaam en dor, bijna boomloos; groote streken zijn step-penland; uren ver vindt men het land bedekt niet distels en bremstruiken. Wolken van zand dwarrelen in den zomer over de vlakte; regen valt er in de lente en in den herfst, 's Zomers is de warmte bijna ondraaglijk; 's winters kan de thermometer vrij ver onder 't vriespunt dalen. De rivieren, die over de hoogvlakten loopen (Douro, Taag en Ouadiana) hebben zich diepe dalen met steile oevers uitgeslepen; zij hebben gebrek aan water en zijn slecht bevaarbaar.

ocr page 174

170

De Hoogvlakte van Leon en Oud-Kastilië is het gebied van de Pouro (rechter-zijrivier: de Pisuerga).

Het middelpunt der vlakte is Valladolid (62.000 inw.)

De Hoogvlakte van Nieuw-Kastiliö behoort tot de stroomgebieden van Taag en Guadiana.

De Taag heeft tot rechter-zijrivier de Jar am a, aan wier rechterbijvloed, de Manzanares, de hoofdstad van Spanje. Madrid, ligt, in 't midden eener eenzame, dorre vlakte (472.000 inw.). Aan den Taag heeft Aranjuez een heerlijk park en is Toledo eene vervallen grootheid.

De Guadiana ontstaat uit een' doolhof van moerassen; de Z an ca ra zou men als hoofdrivier kunnen beschouwen. Zonder belangrijke zijrivieren op te nemen doorstroomt zij de vlakte en breekt door het Andalusisch scheidingsgebergte.

§ 168. Het Zuidelyk bergland.

Dit is eene aaneenschakeling van bergketens en kleine plateaus. Het hoogst verheft zich de Sierra Nevada. Hier ontspringt de Je nil, die langs Granada en door eene kleine, schoone vlakte, de Yega van Granada, stroomt. Granada (73.000 inw.).

In het Zuiden en Oosten is het bergland rijk aan ertsen.

Langs de Zuidkust liggen kleine vlakten, die reeds een Afri-kaansch klimaat hebben. In zulk eene kleine vlakte ligt Malaga (134.000 inw.).

Gibraltar, met eene sterke rotsvesting, is eene bezitting van Engeland.

169. De Laagvlakten.

Behalve in het Noorden zijn de hoogvlakten aan alle zijden door laagvlakten omgeven: in 't Westen de Kustvlakten van Portugal, in 't Zuiden de Vlakte van Andalusië, in 't Oosten de Kustvlakten van Murcia en Valencia, in 't Noord-Oosten de Ebro-vlakte.

§ 170. De Kustvlakten van Portugal.

Deze zijn vochtig en warm.

Te Coïmbra valt jaarlijks 2800 mM regen, te Madrid slechts 360 mM.

ocr page 175

171

Over 't geheel zijn ze goed bebouwd, terwijl de heuvels met wijngaarden bedekt zijn.

Wij zouden vier deelen kunnen onderscheiden:

le de Noordelijke kustvlakte, met Oporto (106.000 inw.) tot middelpunt. Langs de Douro ligt hier een waar wijnland (= Paiz do Vinho).

2e de vlakte, waardoor de M o n d c g o stroomt, met C o ï m-bra tot middelpunt. De Zuidelijke en Oostelijke grens is de Serra da Estrella.

3e de vlakte van de Taag naar het Zuiden. Aan den mond van de Taag ligt Lissabon, de hoofdstad van Portugal. Met de voorstad Bel cm heeft zij '243.000 inw.; zij is het middelpunt van Portugals handel en nijverheid.

4e de kleine kustvlakten ten Zuiden der Sierra Moncbiquc, de vlakte van Algarvië met baar heerlijk klimaat.

Hier ligt Faro (10.000 inw.).

§ 171. De Vlakte van Andalusië.

Deze wordt besproeid door den Guadalquivir, de waterrijkste en best bevaarbare rivier van Spanje, die de vlakte in hare gehcele lengte doorstroomt. Aan de linkerzijde ontvangt hij het water van de Je uil.

Aan zijnen mond liggen uitgestrekte moerassen (m a-r i s m a s).

Andalusië met zijn heerlijk klimaat levert een' overvloed van zuidvruchten en koren.

Belangrijke plaatsen:

Jerez (64.000 inw.); een uit- en invoerhaven van Andalusië is Cadiz (63.000 inw.).

ocr page 176

172

Cordova heeft weinig van zijne vroegere grootheid overgehouden (56.000 inw.; vroeger wel \ millioen). Sevilla (143.000 inw.) is eene zeehandelsstad. Tot hier is de Guadalquivir bevaarbaar voor schepen met hoogstens 5 M diepgang.

§ 4 72. De Vlakte van Valencia, doorstroomd door de Guadalaviar, wordt door een uitgebreid besproeiïngsstelsel van water voorzien. Zij is uitstekend bebouwd.

Valencia is het middelpunt der vlakte (1G1.000 inwoners; haven is het kleine Grao).

Door het Zuidelijk deel der vlakte stroomt de Ju car.

Ook do Vlakte van Murcia is goed bebouwd; maar de berghellingen en ook de kuststreek zijn begroeid met esparto-gras. Het middelpunt der vlakte, de stad Murcia (90.000 inw.), ligt aan de Segura. Alicante (^O.OOO inw.) is de haven van de Middellandsche zee voor Madrid.

173. De Ebrovlaktc. Catalonië.

De Ebrovlakte doet in gewicht verre voor de behandelde onder. Het Kustgebergte van Catalonië scheidt haar van de zee; de Ehro moet dit gebergte doorbreken om de zee te bereiken; hier is de rivier ondiep, heeft stroomversnellingen en is daardoor voor de scheepvaart onbruikbaar. Hoewel zij verschillende zijrivieren heeft, is haar waterrijkdom toch niet groot: het Keizerskanaal verhelpt het gebrek aan een goeden waterweg niet. Grootc streken zjjn onvruchtbaar, en waar nog goede grond gevonden wordt, is deze slecht bebouwd. De vlakte is dan ook dun bevolkt; in het midden ligt Zaragosa (92.000 inw.).

Het Kustgebergte van Catalonië is rijk aan metalen, steenkolen en zout. Barcelona (278.000 inw.) is dan ook de eerste fabrieks- en handelsstad van Spanje geworden. Belangrijke fabriekssteden liggen in de omstreken; Réus (29.000 inw.), Tarragona (27.000 inw.), Manresa (23.000 inw.)r Mataro (18.000 inw.).

De Balearen (en Pithyusen) en do Canarische eilanden vormen elk eene provincie van Spanje. Hoofdstad van Mallorca is Palma (00.000 inw.; uitvoer van boomolie en zuidvruchten).

ocr page 177

173

§ 174. De Spanjaarden zijn trotsch en weinig tot werken gezind; eene uitzondering maken de nijvere Cataloniërs en de Bask en. Bijna overal zijn stierengevechten een geliefd vermaak. De Portugeezen zijn kleiner van gestalte en missen de trotschheid hunner naburen. — Over 't geheel is het schiereiland dan bevolkt (vooral de hoogvlakte). De Roomsch-Katholieke kerk is de heerschende. De volksvertegenwoordiging draagt, in Portugal zoowel als in Spanje, den naam van Cortes.

Spanje.

(407.000 KM2; 17,975.000 inw.)

§ 175. Landbouw. Over 't geheel staat de landbouw niet op hoogen trap. Naast streken, waar de bodem zorgvuldig bewerkt, bemest en kunstmatig besproeid wordt, vindt men groote gebieden, die bij betere bewerking véél meer zouden opbrengen, als nu het geval is; men berekent, dat 14,5% van den vruchtbaren bodem onbebouwd ligt. Meer dan l van het land levert niets op.

wijn

akkers en tuinen

3,7

grasland

woud

woest

35,4

19,7

20,8

20,4

Gebruik van don bodem.

De oorzaak ligt o. a. in het gebrek aan arbeiders, veroorzaakt door de verdrijving der Mooren en de emigratie naar Amerika. — en in het grootgrondbezit.

Het bebouwde land onderscheidt men in Secano of Cam po secano (droog land), van den regen afhankelijk, en Regadio of Campo regadio (besproeid land), dat kunstmatig bewaterd wordt. De Regadios, gewoonlijk 11 u er tas (tuinen), of met een arabisch woord Vegas genoemd, zijn een erfstuk uit den ouden tijd en de Middeleeuwen, vooral uit den tijd van de heerschappij der Mooren; zij hebben eene uitgestrektheid van

ocr page 178

-174

?)000 KM3 en liggen vooral in Valencia en Murcia, maar ook in Andalusië, Aragon en Nieuw-Kastilië. Zij geven minstens twee oogsten per jaar, aan de Middellandsche zee drie, zelfs vier. De kunstmatige besproeiing verhoogt de waarde van den grond zoozeer, dat kostbare kanaal-, tunnel- en terras-werken daartoe kunnen aangelegd worden; dammen stuwen het water van vele rivieren op, en uit de daardoor ontstane meren wordt het water door een net van kleine wateraderen zorgvuldig verdeeld over de landerijen. Daarbij komt dan nog eene zorgvuldige bemesting met guano en allerlei afval. De opbrengst van zulke streken is dan ook verbazingwekkend. Bij Valencia kan men de lucerne 10 tot 42 maal per jaar snijden; in Murcia rekent men dat het besproeide land 37 maal zooveel oplevert als het onbesproeide en één HA land heeft eene waarde van 5000, 7000, ja soms (b.v. land voor sinaasappels) van 15000 gulden! In Catalonië wordt de rotsoppervlakte fijn geslagen, met goede aarde vermengd en in terrassen bebouwd. De huertas leveren vooral: sinaasappels (uitmuntende in Valencia), lemoenen, vijgen, dadels (die in Europa alleen in Murcia — bij Elche — rijp worden), suikerriet (in Andalusië en bij Almeria), granaten, katoen, vlas, hennep, rijst, maïs, tarwe, groente. In de Secanos verbouwt men koren, vooral in Oud-Kastilië, Leon, Nieuw-Kastilië en Estremadura (dus op de Spaansche hoogvlakten) en in Andalusië: maïs, gerst, rogge en haver.

De gemiddelde oogst bedraagt:

tarwe 34 millioen HL.

gerst 16,7 „ „

haver 3,6 „ „

rogge 7,4 „

rijst 2 „

maïs 4,8 „ „

erwten 0,8 „ „

boonen 1,6 „ „

Erwten en boonen zijn voor de volksvoeding van zeer veel gewicht.

ocr page 179

175

De olijvencultuur is van groote beteekenis. In de laatste jaren werd per jaar 2 a 3 millioen HL gewonnen, eene waarde van 200 millioen pesetas vertegenwoordigende. Het meest leveren de provinciën Cordova, Jaen, Sevilla, Lerida en Tarragona.

De grootste vijanden van deze cultuur zijn do warme Zuid-Westen winden, die de olijven te vroeg doen rijpen, waardoor ze een kleiner gehalte aan olie bezitten dan anders, — en de olijfvlieg. Ook het persen der olijven geschiedt in Spanje vaak minder rationeel dan in Italië en Frankrijk.

Met wijn is eene oppervlakte van 17000 KM~ bebouwd. De hoofdzetels voor den wijnbouw zijn Valencia (Benicarlo, Alicante), Catalonië (Tarragona), Aragon en Navarre; voor de zoete wijnen zijn de omstreken van Murcia, Malaga, Jerez („Sherryquot;), Val-depenas, Manzanares, enz. van belang. Almeria verzendt ook veel druiven. Malaga rozijnen.

Tengevolge van Je groote verwoestingen door de phyloxera in de Fran-sche wijngaarden aangericht, en ook omdat bij liet versnijden der Fransche wijnen de kleurige en alcoholrijke Spaansche goede diensten bewezen, was eenige jaren geleden in Frankrijk groote vraag naar Spaansche wijnsoorten. Daar die vraag geruimen tijd aanhield, beijverden zich de Spanjaarden zooveel mogelijk wijnstokken aan te planten. Toen Frankrijk zich echter langzaam van de geleden schade hersteld had, verminderde de uitvoer naar dat land snel (zoo bedroeg hij in 1892 nog 105 millioen pesetas, en in 1893 nog slechts 71 millioen), wat weer eene aanzienlijke daling der prijzen tengevolge had. Daarbij komen de verwoestingen door de druiHuis ook in Spanje. Een en ander heeft tengevolge, dat de productie van roode wijnen zeer achteruitgegaan is.

De meeste wijnsoorten zijn door slechte verzorging en slechte keldering weinig duurzaam en daardoor betrekkelijk goedkoop. In de laatste jaren leggen Engelsche kapitalisten wijngaarden en uitnemend ingerichte kelders aan, met goed gevolg.

Van belang is voorts het esparto, een hard gras, dat in de Mancha en in Murcia en Valencia groote oppervlakten inneemt. Het wordt als vlechtwerk gebruikt; in de laatste jaren wordt echter ook veel uitgevoerd, vooral naar Marseille, waar er papier van vervaardigd wordt.

Voor saffraan (van eene crocussoort). is Spanje het eerste land der wereld.

•i

ocr page 180

17G

De wou cl cultuur staat op lagen trap. De eigenlijke bosschen — mot hooge boomen — nemen eene véél kleinere oppervlakte in, dan de bovengenoemde 20 % van het land (waarbij ook hot struikgewas is gerekend). Indertijd zijn, vooral ten behoeve van den scheepsbouw, geheele bosschen uitgeroeid; tot aanplanting is do Spanjaard niet te bewegen en met name is de Kastiliaan een vijand van het geboomte: „hij ziet in de boomen slechts de woonplaatsen der vogels, die zijn' oogst schadenquot;. Vandaar dat veel hout moet ingevoerd worden. Van belang zijn alleen de kurkeik, die 2550 KM2 beslaat, en de steeneik.

De meeste en beste kurk leveivn de provinciën (ierona (Catalonië) en Huelva. De 10 — 15 cM ilikko kurkbast wordt in breede stukken van den eikenstam genomen: laat de mensch den boom onaangeroerd, dan werpt deze zelf de schors af. Om de 8 jaren kan de boom geschild worden.

De steeneik levert run voor de looierijen, hout en kolen; de eikels dienen voor het mesten der varkens.

§ 176. Veeteelt. Eenmaal beroemd, ten minste in sommige takken, is de veeteelt in deze eeuw van steeds minder betee-kenis geworden, ondanks de pogingen in de laatste jaren aangewend om haar weder tot de vroegere hoogte op te voeren.

Het meest bekend was van oudsher het fijnwollige schaap, de merino, en in vorige eeuwen was Spanje het land, dat de fijnste wol leverde. Maar de merinos werden in andere landen (Saksen, Engeland) ingevoerd, daar beter verzorgd, en men kreeg er wol van beter kwaliteit dan de Spaansche. Toch is het getal schapen nog steeds groot (13 millioen?) De herders trekken met de grooto kudden des zomers naar de hoogvlakten en het gebergte, des winters naar Zuidelijker dalen.

De paardenfokkerij heeft niet veel meer te beteekenen; toch is het Andalusische ras nog altijd gezocht.

Hei aantal muildieren en ezels neemt van 't Noorden naar 't Zuiden toe.

Goede weiden vindt men in de regenrijke streken langs de Noorden Noord-Westkust; daar is dan ook de veeteelt van belang. Uitvoer van vee naar Engeland. Hoornvee 1,5 millioen stuks (?).

ocr page 181

177

Varkens worden vooral in Estremadura gehouden, doordat hier veel eiken voorkomen.

Zijdecultuur wordt vooral in Valencia en Murcia gedreven.

De cochenille, die op de bladeren van een' cactus leeft, levert de roode verf; zij komt vooral in de omgeving van Malaga voor.

De visscherij levert tonijnen, sardines, enz. Veel visch wordt ingevoerd, vooral uit doorwegen. Aan de kusten oestercultuur.

§ 177. Delfstoffen. Geen iand van Europa is rijker aan mineralen dan Spanje. Jammer dat de ongunstige verdeeling der steenkolen en de weinig goede verbindingen de uitsmelting der ertsen bemoeilijken. De meeste ertsen worden dan ook naar het buitenland verzonden; zoo ijzererts naar Engeland, Duitsch-land. Frankrijk en België, ook kopererts; de edele metalen bevattende ertsen worden naar Freiberg in Saksen gezonden. Ook aan steenkolen schijnt Spanje zeer rijk te zijn, maar de jaarlijksche productie is gering: zelfs op de spoorwegen maakt men van Engelsche kolen gebruik.

Kwikzilver levert Almaden, dat de rijkste groeven van Europa bezit (jaarlijks 40—50.000 flesschen a 75 KG).

Uzer vindt men vooral in Andalusië, in de Sierra Morena, Leon en de Baskische provinciën.

Vooral Bilbao (met de haven Portugalete), in welks nabijheid (Somo-rostro) ook Krnpp ijzermijnen heeft, voert ijzererts uit.

In 1894 werd te Bilbao uitgevoerd naar :

Groot-Brittan je 3,072.000 tonnen.

Xetterlaiul

Frankrijk

België

702.000 309.000 S3.000

Naar Nederland ging het meest naar Rotterdam, en was bestemd voor Essen (Krupp). In 1895 werd 4,268.000 ton erts verscheept.

Koper is in groote hoeveelheid aanwezig; de sedert 1873 door Engelschen en Duitschers geëxploiteerde Eio tinto-mijnen behooren tot de meest grootsche bergwerken der Aarde (in Z.Spanje; uitvoerplaats Huelva).

Lood leveren vooral de Apujarras van Granada en de mijnen Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 12

ocr page 182

178

van Linares bij Jaen. Geen Europeesch rijk produceert zooveel lood. üitvoerplaats; Almeria.

Voorts moeten nog genoemd worden: tin, zilver, zink, zwavel, lithographische steen (bij Jativa, ten Z. van Valencia), enz.

Zeezout wint men in de zoutpannen van Cadix, Valencia en up de Balearen, steenzout leveren Catalonië en Nieuw-Kastilië.

§ 178. Industrie. Terwijl Spanje in den tijd der Mooren en zelfs in de 16e eeuw nog tot de meest industrieele landen van Europa behoorde, is het sinds lang tot eene lagen trap gezonken: de oorzaken waren verschillende; de verdrijving dei-Arabieren, sterke emigratie naar de koloniën, later langdurige oorlogen en revoluties, en eindelijk een stelsel van monopolies en privilegies, dat alle perken te buiten ging. Eerst in de laatste jaren gaat de Spaansche industrie, veeltijds ondersteund door Engelsche en Duitsche kapitalen en ondernemers, weder belangrijk vooruit, al zijn er ook slechts enkele takken, die aan de behoeften van het land kunnen voldoen. Daardoor vormt Spanje nog steeds een exportgebied voor de industriestaten van quot;VVest-Europa, die er elkaar om 't zeerst bestrijden.

De zelfstandige industrieën zijn voornamelijk de katoenindustrie, de meelindustrie, de oliepersenj, de lederindustrie.

Het meest industrieel zijn Catalonië en de Baskische provinciën met hunne nijvere bevolking; dan volgen Galicië, Asturië en Valencia, die alle over belangrijke waterkracht beschikken, en enkele steden in het binnenland.

In Catalonië moet in de eerste plaats Barcelona genoemd worden, de voornaamste fabrieksstad van Spanje; daarop volgt Kéus. Hier is de hoofdzetel der textiel-industrie, de kantklopperij, de metaal-, papier- en lederindustrie.

Bovenaan staat in Spanje de katoenindustrie, die langs de geheele Oostkust meer en meer opkomt en reeds aan de nationale behoeften kan voldoen.

Dit laatste is niet het geval met de zijdcindustrie (Valencia, Murcia, Andalusië) en de wolindustrie (Barcelona, Alicante, Boergos).

ocr page 183

179

De provincie Barcelona bezit meer dan 1800 fabrieken voor weefsels (katoen, wol, zijde, satijn, katoen-fluweel, enz.), die 120.000 arbeiders werk verschaffen.

De papierindustrie gaat vooruit, maar kan niet aan de behoeften voldoen (Barcelona, Gerona, Bilbao). Teel sigarettenpapier levert Alcoy.

De metaalindustrie vindt men in 't Noorden, vooral in Barcelona. Machines, ook reeds voor export, leveren Barcelona en Sevilla. Toch moeten, bij de opkomst der Spaansche industrie, machines ingevoerd worden. Yeel levert Duitschland: zelfs de wapenfabriek te Toledo damasceert Solinger klingen. Nagels, buizen, spoorweg-materialen e. d. leveren ook fabrieken te Bilbao, Gerona en St.-Sebastiaan.

De lederindustrie is nog steeds van betcekenis. Dit is ook het geval met de fabricatie van waaiers, die in Spanje ook door het volk algemeen gebruikt worden. Ze zetelt vooral te Valencia (30 fabrieken).

Eenige jaren geleden ging deze industrie kwijnen, tengevolge van den invoer van goedkoope Japansche waaiers. Door protectie-maatregelen is ze thans echter weder bloeiend, ja voert zelfs aanzienlijke hoeveelheden naar Mejico en Zuid-Amerika, ook naar Frankrijk en Engeland.

ïen slotte wijzen we nog op:

de vervaardiging van handschoenen in Sevilla, de tabaksfabrieken (monopolie van het rijk) te Sevilla, Madrid, Santander, Gijon, La Coruha, Valencia en Alicante,

de industrie van goud- en zilverwaren te Toledo, Madrid, Sevilla en Barcelona,

de espartovlechterij in Murcia, — enz.

§ 179. Handel en Verkeer. De plaats, die Groot-Brittanje thans inneemt, nam Spanje in de 16e eeuw in: het was de eerste handelsstaat der wereld, zijne vlag beheerschte alle zeeën. Met den afval der Amerikaansche koloniën begon het verval.

Spanje exporteert thans ruwe produkten, en voert in levensmiddelen, ruwe produkten, fabricaten.

Het binnenlandsch verkeer is moeilijk, doordat slechts kleine

ocr page 184

180

deelen der rivieren bevaarbaar en de provinciën door hooge gebergten van elkaar gescheiden zijn. Met den bouw van spoorwegen werd eerst in 1848 begonnen. Met Pransch geld werden in de laatste jaren echter veel sporen aangelegd, waartoe op vele plaatsen grootsche kunstwerken noodig waren. De administratie der Spaansche lijnen laat echter nog veel te wenschen over.

Tot de belangrijkste lijnen behooren:

1. de Zuid-expres; Parijs—Orleans—Bordeaux—Bayon-ne—Valladolid—Madrid—Abrantes — Lissabon.

2. de Middellandse he zee -baan: Lyon (Marseille)— Montpellier —Perpignan—Grerona-— Barcelona—(Zaragoza—Madrid) of (Valencia—Murcia—Cartagena).

Deze zijn de twee verbindingen met Frankrijk.

3. Madrid—Cordova—Sevilla—Cadiz, met zijlijnen naar Murcia en Valencia, Malaga en Gibraltar.

4. Valladolid—Oporto.

5. Valladolid—La Coruiia.

4 en 5 zijlijnen van de Zuid-expres.

Het ..centraal station van geheel Spanjequot; is Madrid. Een groot deel van den binnehhandel geschiedt door de kustscheepvaart. Spanje bezit 116 havenplaatsen, en alle eenigszins belangrijke zijn door op geregelde tijden varende poststoomschepen verbonden.

De belangrijkste havens voor den internationalen handel (die grootendeels over zee plaats heeft) zijn: Barcelona, Sevilla, Malaga, Santander.

Barcelona is de eerste handelsstad van het rijk, het centrum van den Spaanschen handel op de landen aan de Middellandsche zee. Jaarlijks 7000 schepen met 2,500.000 t. Directe verbinding-met Genua, Marseille, Hamburg, enz. Uitvoer van wijn, olijfolie, zuidvruchten en fabricaten, invoer van grondstoffen voor de fabrieken, koren, visch, enz. Sevilla is de tweede handelsstad, de haven van Andalusië en van Nieuw-Kastilië. Scheepvaartbeweging 2.000.000 t. Door de correctie van de Guadalquivir kunnen groote schepen tot hier varen.

Malaga beheerscht den handel van Zuid-Oost-Spanje en

ocr page 185

d8-I

voert wijn en zuidvruchten uit. Santander is de voornaamste haven van de Noordkust, vooral voor het verkeer met Engeland, Frankrijk en Noord-Amerika (in verband mot de spoorlijn Madrid — Valladolid — Santander).

Voor de verscheping van ertsen hebben beteekenis: Bilbao (ijzer, zie § '177, jaarlijksch verkeer 4300 schepen). Hu el va (koper), Almeria (lood). Andere havens, zooals Valencia) Cadiz, Alicante en Vigo zijn van beteekens als uitvoer-havens van de produkten der naburige landstreken.

In 1896 voerde Cadiz naar Amsterdam uit:

6140 HL wijn,

50 colli vijgen,

647 balen kurk,

1008 kisten sinaasappelen.

25 zakken amandelen, enz.

In- en uitvoer.

Ingevoerd werden (1890):

katoen 33 millioen gulden N. C.

kolen 24 • „

hout 17 „ „ „

tarwe 17

tabak 10 „ „ „

wollen, katoenen en zijden weefsels 16,5 „ ,, „ stokvisch 11,3 „ „ „

dieren 11 „ „ ,,

machines 13 „ „ „

voorts: huiden, chemische prod., suiker, koffie, cacao, petroleum, enz.

Ui tgevoerd:

wijn 70 millioen gulden 1).

ijzer 29

lood 24 „ „

koper 22

kwik 4 „

ocr page 186

182

25 millioen gulden. 19 16 15 11 3

De uitvoer gaat grootendeels naar Frankrijk (1896: 135 millioen gulden) en Groot-Brittanje (112 millioen). 1) Uit-en invoer naar Portugal elk ongeveer 20 millioen gulden. Invoer uit Frankrijk (105 millioen), Groot-Brittanje (77 millioen), de Yer-eenigde staten (35 millioen).

In 1897 beliep de totale invoer 395 millioen gulden.

„ „ uitvoer 410 „ „

katoenen stoffen

oranjeappels

andere vruchten

kurk

olijfolie

espartogras

Muntwezen. Munteenheid is de peseta (=: franc) a 100 centesimos = ƒ0,48. Vroeger 1 peso duro (piaster) a 20 realen de vellon G = /2,48, Z = ƒ2,04.

Portugal.

(92.000 KM-, 5,000.000 inw.)

§ 180. Landbouw. Portugal is voor een groot deel bergland. Langs de kusten en langs de Taag ligt laagland, en dit is zeer vruchtbaar. Toch is bijna de helft van het land woest.

wijn

woud

bouwland

CM'

grasland

CV

woest 45,8

22,4

26,7

(M

Gebruik van den bodem.

De grootste onbebouwde streken liggen ten Zuiden van de Taag, waar het grootgrondbezit nog het meest voorkomt, het

1) In 1897 ging voor 144 millioen gulden naar de Westindische koloniën, wior verlies alzoo door Spanje zeer zal gOTceld worden. Van daar werd ingevoerd voor 07 millioen.

ocr page 187

183

best bebouwd is de bodem in Algarvië en Minho. Van de korensoorten verbouwt men vooral tarwe (3 mill. HL), maïs (5 a 6 mill.), rogge (2 mill.), gerst en haver. Eijstvelden vindt men vooral om bet haff van Aveiro. Ondanks de geringe dichtheid der bevolking is invoer van granen noodig.

Beroemd is de Portugeesche wynbouw. Vooral aan de Douro (Paiz do Vinho), waar de Portwijn verkregen wordt, is liij van veel beteekenis. Bijna 300.000 HA zijn met den wijnstok beplant, de jaarlijksche productie bedraagt ongeveer 5 millioen HL. Voornamelijk door de kwaliteit zijner wijnen is Portugal een wijnland van den eersten rang.

Naast de wijnen moeten de zuidvruchten genoemd worden : olijven en kastanjes, en in 't Zuiden (Algarvië) sinaasappels, vijgen en amandelen.

De boschcultuur staat op lagen trap. Hier en daar, vooral ten Zuiden van de Taag, vindt men kurkeiken.

§ 181. Veeteelt. In 't Noorden worden voornamelijk runderen, in 't Zuiden schapen gehouden en ook varkens.

Visschenj wordt langs de kust uitgeoefend; men vangt sardines, en in 't Zuiden ook tonijnen.

§ 182. Delfstoffen. Het mijnwezen heeft nog weinig te beteekenen, ofschoon de bodem niet arm is aan mineralen. In Alemtejo, ten Oosten van de Gruadiana, wordt koper gevonden, ten Noord-Oosten van Oporto steenkolen en ijzer.

Van belang is de productie van zeezout, dat voor het beste van Europa gerekend wordt, 't Meeste zout wordt bij Setuval gewonnen.

§ 183. Industrie. De industrie is lang niet in staat aan de behoeften van het land te voldoen. Nadeelige handelsverdragen met Engeland hebben de ontwikkeling zeer geschaad. In den laatsten tijd gaat de industrie vooruit, voornamelijk in Oporto en Lissabon. Het belangrijkst is de wolindustrie, dan volgen de katoen- en de zijdeindustrie. Ook de scheepsbouw is in de laatste jaren vooruitgegaan.

§ 184. Handel en Verkeer. Evenals die van Spanje, was de handel van Portugal eeuwen lang een belangrijke handel

ocr page 188

184

met rijke koloniën. Toen deze koloniën voor het moederland verloren gingen, kregen handel en verkeer een zeer gevoeligen knak, dien ze niet te boven zijn gekomen. De buitenlandsche handel is grootendeels in handen der Engelschen; ex- en import gaar naar of komen voor de helft uit Engeland. Daarop volgt de handel met Brazilië. De voornaamste havens zijn Lissabon (300.000 inw.), aan den golfvormig verbreeden mond der Taag, een der schoonste havens van de wereld. — en Oporto (139.000 inw.) aan de Douro. De kustscheepvaart is zeer levendig.

In Lissabon liepen in 1896 1831 stoom- en 380 zeilschepen binnen (uit Nederland 46 stoomschepen).

In- en uitvoer.

Invoer (1897):

koren 13 millioen gulden N. C.

ko]onialewaren(suiker,rijst, koffie, enz.) 7 „ „ „

katoen, wol, zijde, en weefsels daarvan 15 „ „ „

dieren 5,5 „ „ „

ijzer 3,7 „ „ „

kolen 3,3 „ „ „

hout 2,4 „

stokvisch 5 „ „ „

Uitvoer (1897):

wijn 22 millioen gulden.

kurk 8,4 „ „

Voorts: visch, koper, vee, zuidvruchten, zout, enz.

Totale invoer: 88 millioen gulden.

„ uitvoer: 62,5 „ „

Hieruit volgt, dat de waarde aan wijn meer dan | van die van den geheelen uitvoer bedraagt.

Nederland voert naar Portugal: jenever, kaas, kaarsen, sigaren, — en ontvangt uit Portugal: zout, kurk, amandelen, cacao, enz.

Muntwezen. 1 Milreis a 1000 Reis =/'2,ü7. 1000 Mil-reis = 1 conto.

ocr page 189

Denemarken.

(38.000 KM2, 2,300.000 inw.).

§ 185. Denemarken bestaat uit het schiereiland Jutland en de eilanden, die als eene brug Scandinavië met Midden-Europa verbinden. De oppervlakte van Jutland is bijna tweemaal zoo groot als die der eilanden.

De grootste eilanden zijn Seelaiul en Fiinen: dan volgen: Laaland, Falster, Langeland, Möen, — Arrö, Samsö, Amager; in het Kattegat: Lesö en Anholt; in de Oostzee: Bornholm.

De Sond en de Groote en Kleine Belt voeren naar de Oostzee. De eerste, die het meest in den koers ligt, wordt het meest bevaren.

De Europeesche bezittingen van Denemarken zijn IJsland en de Faröer.

§ 186. Jutland.

Jutland wordt van liet Zuiden naar het Noorden door een breeden, lagen heuvelrug doorsneden, dien we kunnen beschouwen als de voortzetting der Pruisische nierenplateaus.

Aan de O o s t z ij d e van den heuvelrug ligt eene vruchtbare landstreek, waar groene weiden met dichte beukenwouden afwisselen. Talrijke diepe inhammen (fjorden) — aan wier einden steden liggen, naar welke ze genoemd worden — dringen in het land. Veeteelt is hier hoofdzaak; in de steden vindt men enkele fabrieken, o. a. voor handschoenen.

Aan de „fjordenquot; liggen: Aal borg (20.000 inw.), R anders (17.000 inw.), Aarhuus (33.000 inw.), Hors ens (17.000 inw.). Veile. Fredericia is bekend door de overvaart naar Funen.

ocr page 190

186

Ongeveer evenwijdig aan de Westkust loopt een spoorweg, in 't Noorden tot Frederikshavn (nood- en oorlogshaven; van hier zijn geregelde stoombootdiensten op Gothenburg en Christiania) en Ska gen.

Het land ten Westen van den heuvelrug heeft een geheel ander karakter. Grootendeels is de bodem zandgrond. Uren ver strekken zich de bruine heidevelden uit; hier en daar ligt een dorpje in iets vruchtbaarder omgeving als eene oase in de woestijn. Waar lagen ijzeroer (ahl) in den bodem worden gevonden en het wafer dus niet kan wegzakken, ontstonden moerassige veenstreken.

Waar de grond bebouwd wordt, levert hij boekweit, aardappels, haver; schapenfokkerij en turfgraverij leveren mede vele voordeelen op.

Plaatsen van beteekenis liggen hier natuurlijk niet. In het centrum van Jutland ligt Viborg.

De Westkust, van Blaavandshuk tot Kaap Skagen (350 KM.) is met 60 — 90 M hooge duinen bezet. Voor de kust liggen gevaarlijke banken.

Op drie plaatsen is de kustlijn afgebi-oken en leiden smalle kanalen naar de fjorden (Liimfjord.)

De Liimfjord verbindt Kattegat en Oostzee; voor groote schepen is zij niet bevaarbaar.

§ 187. De eilanden.

Over 't geheel zijn de eilanden vruchtbaar; gouden korenvelden, groene weiden, zonnige hoogten, heldere meren en schaduwrijke boschjes wisselen elkaar af. De dorpen zijn klein, doordat de boerenhoeven meest ver verspreid liggen. De bodem heeft men van de vele steenen gezuiverd en deze in wallen om de akkers gelegd.

Landbouw en veeteelt zijn de hoofdmiddelen van bestaan; vee en veeprodukten (boter in de 1° plaats) worden vooral naar Engeland uitgevoerd.

Laaland heet de „Deensche korenschiinrquot;, Falster de „Deensche boomgaardquot;, Funen verbouwt veel boekweit. Amager voorziet de hoofdstad van groente.

ocr page 191

187

Kopenhagen is de eenige groote handels- en fabrieksstad (408.000 inw.). Onmiddellijk bij de stad ligt Prederiksberg (27.000 inw.).

Omtrent de ligging van Kopenhagen merken we op :

1. De Sond is de drukst bevaren waterweg naar de Oostzee. De Groote Belt is wel diep, maar gevaarlijk door banken en klippen, in de Kleine-Belt, die trouwens ook geheel buiten den koers ligt, loopen sterke stroomingen. De Sond is de kortste en zekerste weg.

2. De schepen houden de Doensche kust, omdat de Zweedsche door-klippen onveilig is.

3. Aan die Deensche kust bood de zeearm tusschen Amager en See-land eene veilige ligplaats.

Aan den ingang der Sond ligt Elzeneur (11.000 inw.); scheepsbouw, visschenj; de Sond is hier 4 KM breed.

Op Punen : O den se (30.000 inw.; zeehandel); Strib (overvaart naar Frederica; de Kleine Belt is hier slechts (iOO 51 breed en gelijkt dus op onze groote rivieren), Nyborg (overvaart naar Korsöer op Seeland).

§ 188. Tot Denemarken behooren IJsland en de F ar oer. [.Island is een woest bergland met groote gletschers, werkende vulkanen (o. a. de Hek la) en geisers (heete springbronnen, die op bepaalde tijden haar water tot eene aanzienlijke hoogte opwerpen). Be kusten zijn hier en daar laag en daar vindt men weiden, die de schapenfokkerij mogelijk maken. Naast veeteelt zijn visschenj (haringvangst in de fjorden) en vogelvangst hoofdbronnen van bestaan. De IJslanders zijn vrij goed ontwikkeld: zij behooren tot de Grerrnanen. De voornaamste plaats is Reyk-javik (1200 inw.).

Ook de bewoners der rotsige F ar ü er leven van schapen, vogels en visschen.

§ 189. Landbouw en Veeteelt. Gelijk uit het bovenstaande reeds gebleken is, zijn deze twee de hoofdmiddelen van bestaan. Bijna de helft van den bodem is bouwland, dat hoofdzakelijk koren (haver, gerst, rogge), aardappelen, oliezaden, enz. oplevert. Van het koren, namelijk van gerst en haver, wordt uitgevoerd.

ocr page 192

188

De oogst van 1896 bedroeg;

haver 11,900.000 HL

gerst 7,000.000 „

rogge 0,800.000 „

tarwe 1,300.000 „

aardappelen 7,300.000 „

Aan hout is gebrek; ten deele wordt dit verholpen door de groote venen in Jutland, 't Bosch bestaat voor 70 % uh beuken.

In de veeteelt vooral hebben de Denen het tot eene groote hoogte gebracht. Relatief bezit Denemarken in Europa de meeste runderen; ook het getal paarden is groot.

bouwland 48,1

grasland 28

woud 6

woest 17,9

Gebruik van den bodem.

Vee en veeprodukten vormen dan ook een belangrijk deel van den uitvoer. — Schapen komen vooral op Jutland voor.

Veestapel:

paarden 411,000 runderen 1,700.000 schapen 1,247,000 geiten 25,000

varkens 829.000 In 1896 werden uitgevoerd 17000 paarden en 92000 runderen.

Visscherij wordt aan de Westkust van Jutland uitgeoefend, in N.-O.-Seeland en in de Belten.

§ 190. Industrie, Handel. Minerale schatten van belang bezit Denemarken niet, de industrie heeft dan ook geen hooge vlucht genomen en is niet in staat in de behoeften van het land te voorzien. Van veei belang zijn alleen die takken, die in verband staan met landbouw en veeteelt en met de scheepvaart, — zoo de meelfabrieken, de groote bierbrouwerijen, branderijen, suikerfabrieken, zeil-, tabak- en lederfabrieken, scheepsmakerijen.

ocr page 193

189

De branderijen leverden in 1892 : 338.000 HL brandewijn. In hetzelfde jaar werd 19,5 millioen KG beetwortelsuiker verkregen.

Van de fabrieken werken die voor meel en handschoenen ook voor export.

Het middelpunt van handel en industrie is Kopenhagen, waar ook werven, fabrieken voor machines, porselein, enz. gevonden worden en waar zich meer dan de helft van den ge-heelen Deensclien handel concentreert.

Scheepvaart 2.1 millioen t: eigen vloot: 400 schepen. Alle groote banken, credietinstellingen, verzekeringen, commissie- en expeditiehuizen hebben hier hunnen zetel.

De handel richt zich voornamelijk naar Engeland (vee en veeprodukten), Duitschland, Zweden en Noorwegen.

Wat het verkeer betreft, belangrijk zijn;

1. de Oost- en West-Jutsche spoorlijn, de eerste bij Skagen, do laatste bij Thisted eindigend, — met onderlinge verbindingslijnen.

2. de lijnen (Fredericia—) Strib —Odense —Nyborg— (over den Grooten Belt) Korsör-—-Roeskilde— Kopenhagen.

3. Stoomvaartlijnen:

Kiel—Korsör (de vaart duurt 5 uren),

Rostock—Gjedser Odde (spoorlijn naar Kopenhagen),

L ubeck—Kopenhagen,

Stettin — Kopenhagen (over Swinemünde, 15 uur).

Kopenhagen Malmü (1| uur),

Frederikshaven — Gotenburg (5 uur),

Frederikshaven—Christiania.

In- en uitvoer.

Invoer 1896:

metaalwaren

31,5

millioen

gulden.

koren

30

gt;gt;

J)

boter

21

hout

17

J5

steenkolen

16

gt;gt;

gt;gt;

koffie

13,5

wollen stoffen

12,5

gt;gt;

katoenen en linnen

stoffen 8

11

zaden

7,5

11

ocr page 194

190

Ui tvoer 1896:

boter 69 millioen gulden.

dieren 22,5 „ „

vleesch 34 „ „

eieren 7,5 „ „

Enz.

Totale invoer: 260 millioen gulden. „ uitvoer: 194 „ „

30 % van den invoer waren fabricaten, van den uitvoer slechts 4,8 0,'o.

Muntwezen, enz. 1 Krone = 100 ore =/'0,74. Het recht tot het uitgeven van banknoten heeft uitsluitend de Nationale bank te Kopenhagen.

ocr page 195

Scandinavië.

§ 191. De kusteu.

Scandinavië, 330 uren lang, is het grootste schiereiland van Europa. Het wordt bespoeld door de Noordelijke IJszee, de Noordzee, het Skagerrak, het Kattegat, de 8ond, de Oostzee en de Bottnische golf; in het hooge Noorden vormt de Tornea eene natuurlijke grens. De Noordelijkste punt is de Noordkaap op het eiland Magero, de Zuidpunt van Noorwegen is Kaap Lindesnaes.

De Westkust wordt bespoeld door de warme Golfstroom, zoodat zelfs op de hoogste breedten zich geen ijs aan de kusten zet; zelfs ijsbergen ziet men er niet. De Oostzee echter is eene ondiepe binnenzee (gemiddeld 50 M), die in het Noordelijke deel eiken winter dichtvriest, zoodat scheepvaart soms o a (i maanden van het jaar onmogelijk is. De Westzijde is dus voor de scheepvaart het meest geschikt.

Die kust is eene fjordenkust. Enkele plaatsen uitgezonderd, liggen voor de vaste kust geheele zwermen eilanden (de eilanden heeten skeeren, eene verzameling s keer gaard). Groepen grootere eilanden liggen in 't Noord-Westen (o. a. de Lofoten en Vesteralen, door de Veslfjord van de vaste kust gescheiden).

Bijna de geheele vaste kust is door talrijke, zich veelvuldig vertakkende inhammen (fj orden) ingesneden. Deze inhammen zijn veilige ligplaatsen voor de schepen; zij vormen de wegen tot ver in het anders haast ontoegankelijke binnenland.

De belangrijkste fjorden zijn: de Va ranger-, de Vest-(of West-), de Throndjem-, de Sogne-, de Hardanger-en de Bukke-fjord.

Yischvangst is aan deze kust een hoofdmiddel van bestaan.

ocr page 196

192

Du Noordelijkste stad is Hammerfest, niet ver van de Noordkaap.

De Zuid- en Oostkust van het schiereiland mist het fjordkarakter, al zijn er dan ook bijna overal kleine inhammen. De kusten zijn vlakker en laag; alleen ontbreken ook hier de skeeren niet. Zjjn de Noorweegsche skeeren kaal, de Zweedsche zijn begroeid.

Tot Zweden behooren de eilanden Gotland en 01 a n d.

§ 192. Het grootste gedeelte van het schiereiland is een woest bergland. De grootste verheffingen vindt men aan de oceanische zijde; in het Noorden hebben ze den vorm van breede ruggen, in het Zuiden van rotsige hoogvlakten (fjelde); naar den oceaan dalen ze steil, naar het Oosten langzaam, terrasvormig af. Ongeveer j van Noorwegen ligt boven 650 M; op deze breedte is al dat land daardoor zoo goed als onbewoonbaar. Voor een groot deel is het bergland met sneeuwvelden en gletschers bedekt.

In de nauwe dalen wordt een weinig landbouw uitgeoefend; op enkele berghellingen vindt men goede weiden, waar 's zomers liet vee graast. In de breedere dalen vindt men kleine dorpen, zoo in de dalen van de Logen (Gud br andsdalen) en de Ulommen (O ster dal en). Deze beide vormen de wegen door het gebergte: langs de Glommen loopt de spoorweg, die Christiania (de hoofdstad van Noorwegen, 148.000 inw.) met Throndjem verbindt (over Röraas, kopermijnen).

De houtrijkdom is echter aanzienlijk.

Zweden is lager. Langs de Oostkust ligt eene vlakte, van waar de bodem in terrassen tot het bergland stijgt. Op die hoogvlakten verheffen zich lage ketens en afzonderlijk staande bergen, als de Ertsberg bij Gel li vare.

Tal van rivieren loopen naar het Zuid-Oosten: Tornea-, Lulea-, Pitea-, Umea-, Angermann-, Indals-, Dalelf, enz. De meeste stroomen door meren en bezitten watervallen.

Geheel Noord-Zweden is rijk aan bosch.

Het midden en Zuiden van Zweden is over 't geheel vrij

ocr page 197

193

laag. Het midden bezit honderden meren: Wener-, Wetter-, Malar-, Hjelmar-meer, enz. De Gotha is de afwatering van het Wener meer (de watervallen worden door het Trolhiitta-kanaal omgegaan), dit is door het West-Gotli a-kan aal met het Wetter verbonden, dat door de Motala met de Oostzee in verbinding staat. De merenstreek is rijk aan ertsen.

Ten Zuiden der meren ligt het Zweedsche landbouwgebied; vooral Schonen levert veel op.

§ 193. Zweden en Koren zijn de beide hoofdvolken.

In 't Noorden wonen de Lappen, die zich vooral met rendierteelt en vischvangst bezig houden.

De Koning van Zweden is tevens Koning van Noorwegen. Elk land heeft echter zijne eigen wetten. In Zweden heet de vertegenwoordiging Eijksdag, in Noorwegen Storthing.

Noorwegen.

(322.000 KM2, 2,000.000 inw.).

§ 194. Ruim 70o/0 van den bodem levert niets op, bijna een vierde deel is met woud bezet; akkers en weiden beslaan samen nog geen twintigste deel van de oppervlakte!

ciquot; oo • Cl

woud 24:

woest 71,1

Gebruik van den bodem.

Landbouw en veeteelt hebben dan ook zeer weinig te beteekenen. 't Meest worden haver, gerst en aardappelen verbouwd, maar op verre niet voldoende voor de behoeften.

Gemiddeld bedraagt de oogst:

haver 3,500.000 HL.

gerst 1,500.000 „

rogge 300.000 „

tarwe 100.000 „

boekweit 300.000 „

aardappels 8,400.000 ,,

Ten PIatf., Handels-Aardrijkskunde. 13

ocr page 198

194

Koren wordt dan ook in groote hoeveelheid ingevoerd. Ooft en groenten worden op gunstige plaatsen geteeld (om de Throndjem- en de Christiania-fjord; Vossevangen heet „de tuin van Noorwegenquot;).

De veestapel bestaat uit:

paarden 150.000 runderen 1,000.000 schapen 1,400.000 geiten 272.000 varkens 121.000

De veeteelt wordt als in de Alpen gedreven: in den zomer weidt vee op de tjelden. Over 't geheel kan de veeteelt vrij wel in de behoeften van het land voorzien.

De hoofdmiddelen van bestaan zijn de visschery en de houthandel en houtindustrie.

Visschery. De hoofdzetel der visscherij op kabeljauw is de Yestfjord. In den winter, van Januari tot in Maart liggen hier geheele vloten visschersvaartuigen; zij trotseeren winden, nevels en sneeuwstormen om de kostbare visch machtig te worden. Vaak zijn er 5000 a 6000 schepen, bemand met 20 a 30000 koppen. De gevangen visch wordt op de eilanden te drogen gehangen (stokvisch) of in tonnen gepakt (zou te visch); met de ingewanden bemest men in Noorwegen het land; de vischkoppen moeten er de runderen soms van den hongerdood redden; de kuit wordt in vaatjes verpakt en naar de Middel-landsche zee gezonden, waar ze als aas bij de sardines vangst dienst doet. Is de visscherij afgeloopen, dan zeilen de visschers met de in tonnen gepakte levers naar huis. Daar wordt uit de levers de traan gekregen, die ze in Bergen ter markt brengen (eerste markt, in Mei). Daarna wordt de visch, die inmiddels gedroogd is, opgehaald en in Juli en Augustus in dezelfde stad ter markt gebracht (tweede markt). De voornaamste plaats in liet vischgebied van de Vestfjord is het kleine ïromsö.

Ook haring wordt langs de geheele quot;Westkust gevangen, vooral echter bij de fjorden in 't Zuiden, waar soms 30.000 visschers bezig zijn. Ook deze visch komt te Bergen aan de

ocr page 199
ocr page 200

196

markt. In den laatsten tijd wordt echter ook Throndjem als vischmarkt van beteekenis.

In 1896 werd uit Noorwegen uitgevoerd:

stokvisch 13,800.000 KG klipvisch 38,550.000 ,,

haring 590.000 HL

kuit 55.500 ,,

traan 142.000 „

visch-guano 7,400.000 KG

Meer en meer neemt de vervaardiging van vischkoeken voor liet vee toe.

Bovendien worden zeehonden en walvisschen gevangen. De walvischvangst wordt uitgeoefend door 29 stoomschepen in Fin-marken en door 18 stoomschepen bij IJsland.

Ook de rivieren en meren zijn rijk aan visch (zalm).

Hout. Het Xoorsche hout is, dank den langzamen groei op den harden bodem, buitengewoon fijn van vezel en taai. Noorwegen is tegenwoordig een van de belangrijkste houtlanden der wereld, dat het hout tot naar Australië verzendt, 't Meeste hout wordt als planken uitgevoerd.

In i 896 werd verzonden:

1,736.784 M:! hout, waarvan 1,048 616 M5 naar Engeland,

117.365 M3 naar Nederland.

Het vierde deel verzendt Frederiksstad, dan volgt Drammen met |, en verder: Christiania, Frederikshald, Throndjem, Arendal, Christiaansand, enz.

Noorwegen heeft wel ertsen, maar steenkolen en goede wegen ontbreken, zoodat de bergbouw weinig te beteekenen heeft (Eöraas koper, Kongsberg zilver).

Graniet en syeniet worden in talrijke steengroeven verwerkt.

De industrie staat dan ook bijna uitsluitend met visscherij en houthandel in verband. De bijna overal voorhanden waterkracht —- eenigszins eene vergoeding voor het gebrek aau steenkolen — wordt vooral in de houtindustrie aangewend. Op den houtrijkdom berust ook de belangrijke scheepsbouw,

ocr page 201

197

en daarmede in verband staat de op uitgebreide schaal gedreven vrachtvaart. Yan belang zijn voorts de bereiding van levertraan, de vischguanofabrieken, de brouwerijen, enz.

§ 195. Handel en Verkeer. Aan de zee wonen de meeste Noren; van de 61 steden liggen er 54 aan de kust. Daardoor is het binnenlandsch verkeer dan ook voornamelijk kustscheepvaart, met stoomschepen regelmatig uitgeoefend van Christiania tot de Varangerfjord toe. De spoorwegen spelen eene ondergeschikte rol: zij verbinden Zweden met Christiania en het ijsvrije Throndjem. De gewone wegen zijn uitmuntend.

De ïsoren worden op alle zeeën aangetroffen. Relatief heeft Noorwegen de meeste zeelieden : 60.000 op l2 millioen bewoners. De Noorweegsche vloot neemt, naar de tonnen gerekend, de tweede plaats in.

In- en uitvoer. Invoer, 1897:

textielwaren

27

koren

26

koloniale waren

18

metaalwaren

13

kolen

9

dieren, vleesch e.

d. 9

7 millioen irulden.

olie 8 „

voorts: metalen, huiden, dranken, papier, lederwaren, enz.

Uitvoer, 1897:

dieren, vleesch e. d. 37,5 millioen gulden.

bout 29 „

houtwaren 15 „ ,,

huiden, olie, enz.

Totale invoer: 179 millioen gulden. ,, uitvoer: 107 ,, ,,

De voornaamste havens zijn:

Christiania (151.000 inw.), scheepvaart 600.000 t: 17°',, van den geheelen buitenlandschen handel, met regelmatige stoombootvaarten op Denemarken, Zweden en Duitschland; industrie: bout, katoen, papier.

ocr page 202

198

Bergen (54.000 inw.), de oude belangrijke Hanzestad, de eerste stad voor visch en vischprodukten.

In 1896 werd de haven bezocht door 14200 schepen, waaronder 11500 stoomschepen.

Invoer uit Nederland : koffie, suiker, stroop, meel, aardewerk.

Uitvoer naar „ visch, levertraan, vellen, enz.

Throndjem (29.000 inw.) drijft ook handel in visch en vischprodukten en importeert koloniale waren en industrieartikelen. Door den spoorweg is het een winterhaven voor een deel van Zweden geworden.

Invoer; koffie, suiker, metalen, stroop, spek, kolen, gerst, rogge.

Uitvoer : visch, vischguano, hout en houtprodukten.

Muntwezen, als in Zweden. Banknoten geeft de Bank van ^Noorwegen te Throndjem uit.

Zweden.

(450.000 KM-, 4.800.000 inw.).

§ 196. In Zweden is de woeste grond minder uitgestrekt, maar beslaat toch nog ruim 40 % van de oppervlakte. Bijna de helft van het land is met bosch bezet. Ruim 12 % zijn akkers en weiden: wel meer dan in Noorwegen, maar toch nog slechts een klein deel.

^ras

bouw

land

3,6

woud 47.7

woest 40,2

8,5

Gebruik van den bodem.

Toch produceert Zweden meer graan, dan het noodig heeft, wat natuurlijk ook met de dunne bevolking in verband staat. Vooral in Schonen is landbouw het hoofdmiddel van bestaan.

ocr page 203

199

In 1896 werden geoogst:

haver 19,766.000 HL.

rogge Sj'iO-i.OOO ,,

gerst 5,071.000 ,,

tarwe 1,646.000 ,,

aardappelen 22,412.000 ,,

De verbouw van beetwortels gaat in de laatste jaren sterk vooruit, ook die van vlas. Een der belangrijkste havenplaatsen voor graan is Malmö.

Door de oprichting van landbouwscholen en de aanstelling van wandelleeraren heeft de regeering getracht landbouw en veeteelt te bevorderen. Vooral de methoden voor boter- en kaasbereiding zijn in den laatsten tijd veel verbeterd, zoodat Zweden thans reeds veel boter uitvoert (jaarlijks 24 mill. KG, vooral naar Engeland).

De veestapel beloopt:

paarden 500.000 runderen 2,540.000 schapen 1,313.000 varkens 787.000 De Lappen houden rendieren (200.000?).

Evenals in Noorwegen is de houthandel van groote betee-kenis. Over de talrijke rivieren is het hout betrekkelijk gemakkelijk naar de kust te brengen. Houtexport geschiedt vooral aan de Bottnische golf, in de eerste plaats in de districten Hernösaml en Suiidsvall en voorts in Söderhamm, (refle, Umea, — in 't Zuiden: Gothenburg.

De uitvoer heeft hoofdzakelijk plaats naar Groot-Brittanje (verreweg het meest). Frankrijk, Nederland, Kaapstad, Duitsch-land en Denemarken. Veel hout, naar Nederland gevoerd, gaat verder naar Duitschland: het wordt te Rotterdam in Rijn-schepen overgeladen.

De havens aau de Bottnische golf zijn gewoonlijk van midden Mei tot November ijsvrij, ten minste is dan scheepvaart mogelijk.

Van Hernösaml vertrokken in 1S96 98 schepen naar Nederland, alle met hont geladen.

ocr page 204

'200

Pitea en Lulea voeren betrekkelijk weinig uit, Haparanda weder meer.

De houtrijkdom heeft niet alleen het aanzijn gegeven aan talrijke houtzagerijen, maar ook aan andere industrie; 300 fabrieken vervaardigen houtolie, vele andere terpentijn, houtazijn, teer, enz.

De visscherij heeft heel wat minder te beteekenen dan in Noorwegen: een hoofdmiddel van bestaan is ze in geenen deele. De haringvisscherij wordt uitsluitend tusschen de klippen langs de kusten gedreven; eigenlijke zee visscherij is onbekend. De rivieren en meren zijn over 't geheel rijk aan visch (zalm, forellen).

§ 197. Delfstoffen. Zweden is rijk aan ertsen. In den laatsten tijd echter houdt het, daar het arm aan steenkolen is, met moeite den strijd tegen andere rijken vol. De verwerking der ertsen moet nu hoofdzakelijk met houtskool plaats vinden. Het Zweedsche ijzer, dat bijna geheel vrij van phosphor is, geldt voor het beste der wereld. Enkele bergen, als de Erts-berg bij Gellivare, bestaan uit zuiver magneetijzersteen. IJzer is het hoofdprodukt (Gellivare, Dannemora, de Taberg, Filipstad); koper levert Falun, zilver en lood Sala.

De ijzerproductie beliep:

in 1885 uit -496 groeven 874.000 tonnen (a 1000 KG)

„ 1890 „ 390 „ 9-i0.000

„ 1893 „ 341 „ 1.481.000

„ 1894 „ 326 „ 1.927.000

., 1895 „ 327 „ 1.902.000

In 1895 leverden de groeven van Gellivare 625.000 ton, d. i. van de geheele productie! Die van Grangesberg leverden 476.000 ton.

Meer dan 1 millioen ton werd uitgevoerd (in 1896 : 1,151.000 ton); veel gaat naar Rotterdam. In de ijzermijnen waren in 1896 7644 personen werkzaam, in de ijzerfabrieken 14505.

De eens wereldberoemde kopergroeven van Fahlun leveren tengevolge der drukkende concurrentie elk jaar minder. De sterke achteruitgang blijkt uit het volgend staatje:

ocr page 205

Koperproductie in 189(J (Jl6.500 KG. „ „ 1892 774.600 „

„ 1803 543.900 „ „ -1894 359.900 „ „ „ 1895 '216.300 „

Ook de zilver opbrengst vermindert snel:

zilverproductie in 1890 4554 KG.

„ 1892 5210 „

„ 1893 4964 „ „ ,, 1894 2869 „

„ 1895 1188 „

Aan lood werd gewonnen:

in 1890 352.500 KG.

„ 1893 472.000 „

„ 1894 330.300 „

§ 198. Industrie. Ondanks alles, wat de regeering gedaan geeft tot bevordering der industrie, is liet niet gelukt Zweden van het buitenland onafhankelijk te maken.

Er ontbreken voor do ontwikkeling der grootindustrie kolen, eene dichte bevolking en kapitaal; de buitengewoon groote waterkracht is niet in staat het gebrek aan kolen voldoende te verhelpen. Nauwelijks i ,gt; quot; van de bevolking vindt in het fabriekswezen een middel van bestaan; slechts enkele takken van industrie zijn door meerdere fabrieken vertegenwoordigd, maar deze leveren alleszins voortreffelijke produkten.

Bovenaan staat de yzerindustrie. De beroemdste fabrieken zijn om Eskilstuna, waarmede die van Mo tal a wedijveren (voorts Stockholm, Örebro, enz.). Bekend zijn de Zweedsche ijzeren staven, staalwaren, pantserplaten, ankerkettingen, nagels, enz.

Dan volgt de houtindustrie (waarover we reeds spraken), alle takken omvattend. Gothenburg fabriceert papier uit hout en voert het uit. Wereldberoemd zjjn de Zweedsche lucifers: in de fabriek te Jönköping werken 1500 personen.

Brouwerijen en brander ij en (brande wij n, punch) leveren

ocr page 206

'JO'2

ook voor den uitvoer, evenzoo de fabrieken van handschoenen. In 't Zuiden (Malmö, Landskrona) suikerfabrieken.

De belangrijkste fabriekssteden in 't algemeen zijn: Stock-liolni (10300 fabrieksarbeiders, 13% van het geheele rijk), Gothenburg (7200), Norrköping (7300), ^Jalmö (5600), Jon-küping (3000).

§ 199. Handel en Arerkeer. Over 't geheel zijn ook hielde wegen uitmuntend. De spoorweg naar Gellivare is de Noordelijkste der wereld; waarschijnlijk zal weldra eene spoorlijn de geheele Bottnische golf omspannen. Langs de Zweedsche kust zijn alle plaatsen, zelfs de kleinere, door stoomvaartlijnen verbonden ; — in den winter echter is deze verbinding maanden lang verbroken.

In 1890 beliep :

de totale invoer 243 millioen gulden. „ „ uitvoer 231 „ „

Invoer 1896 :

kolen 22 millioen gulden.

koffie 18 ,, „

rogge en tarwe 16 „ „

machines 11,5 ,, ,,

wollen stoffen 11 ,, ,,

ijzerwaren 9 ,, ,,

huiden 8 „ „

voorts: wollen garens, katoen, petroleum, tabak, enz. Uitvoer (1896):

hout 88 millioen gulden.

boter 30 ,, „

ijzer 28 „ „

hout,stof voor papier 10 „ „

voorts: machines, visch, ijzerwaren, papier, dieren, lucifers, gesteente, enz.

De uitvoer bestond voor 56 0/0 uit ruwe produkten, de invoer voor 33 % uit fabricaten.

De belangrijkste handelsplaatsen zijn :

Stockholm, aan en in het Maler-meer, met 289.000 inw,:

ocr page 207

'203

scheepvaart 1,500.000 t; levendig verkeer met Duitsclilaiid en Rusland; tevens fabrieksstad.

Gothenburg (121.000 imv.), de eerste plaats voor den bui-tenlandschen handel, die in dit opzicht Stockholm heeft kunnen overvleugelen, omdat de haven vele winters open blijft. Hier eindigen de Grotha-scheepvaartweg en de spoorwegen van Chris-tiania en Stockholm. Handel voornamelijk met Engeland en Denemarken, en voorts met Duitschland, Frankrijk en Amerika. Scheepvaart 2,000.000 t.

Uitvoer: metalen (in 1895: 120 millioen KG), vooral ijzer, hout (in 1895: 196.500 M3 planken), boter (13 millioen KG), visch, enz. Invoer: koren, meststoffen, enz.

Malmö (56.000 inw.) is de voornaamste haven voor de Zuidelijke provinciën; verkeer vooral met Kopenhagen en Straal-sund (Straalsund—Malmö in uur).

Uitvoer: boter, hout, vee, lucifers, koren.

Invoer: tarwe, meststoffen, ijzerwaren.

Ook Malmö en Gothenburg zijn belangrijke fabriekssteden.

Van minder belang zijn :

Hernösand, houtuitvoer. (Invoer: olie, meel, koffie, enz.). Haparanda, houtuitvoer.

Gefle, uitvoer van ertsen.

N o r rkö pi n g (38.000 inw.), in do eerste plaats fabrieksstad.

Invoer: katoen (1896: 2,750.000 KG), visch, gezouten (1 mill. KG), meststoffen (5 mill. KG), koffie, siropen, koren. enz.

Uitvoer: papier, ijzer, haver, enz.

Handel meest met Duitschland, Engeland en Denemarken.

Muntwezen. 1 krone a 100 ore = / 0,67.

Banknoten geeft de Rijksbank te Stockholm uit.

ocr page 208

Rusland.

(5,0]3.000 KM2; ll(i,000.000 inw.) 1).

§ 200. Een groot deel der grenzen is natuurlijk: in 't Noorden de Xoordel. IJszee (met de Witte zee), in 't Oosten de Oeral, in 't Zuiden de Kaspische en de Zwarte zee (met de Zee van Azov), in 't Westen de Oostzee (met de Bottnische golf en de golven van Riga en Finland).

In het hart des lands verheffen zich de Waldaïheuvels tot 351 M; dit zijn de hoogste punten van het uitgestrekt gebied, dat tusschen de Baltische zee en den Oeral ligt! Van deze heuvels loopt een breede landrug naar het Zuiden en Zuid-Oosten, naar den oorsprong van den Don: de Duna-Donsche landrug of het Centraal plateau. Ten Oosten der Waldaï-hoogten ligt eene laagte;, waardoor de rivieren en kanalen loopen, die St.-Petersburg met den Wolga verbinden.

Een niet hooge landrug (ongeveer 200 M) vormt de waterscheiding tusschen Dwina en Wolga ( X o o r d r u s s i s c h o 1 a n d r u g).

Yan de Waldaï-heuvels naar het Zuid-Westen vindt men verschillende heuvellanden, die men wel eens gezamenlijk W o s t-russischen landrug heet.

Op de Noordelijke heuvellanden ontspringen de Dwina (ontstaan uit de Wytsjegda en de Soechona), de Onega, do Duna, de JSTjemen, de Dnjepr (zijrivieren: Berezina, Pripet en Desna), de Wolga (zijrivieren: Oka, Kama).

Op den Duna-Donschen landrug: de Don.

Op den Oeral: de Petsjora en de Oeral.

1) liet Finland.

ocr page 209

Ten Zuiden van den Kaukasus stroomen dt; Koer en de Rion. Ten Westen van den Dnjepr loopen de Boeg en de Dnjestr.

De meeste rivieren zijn door kanalen verbonden.

We verdeelen Rusland in drie deelen : het Noorden, het Midden en het Zuiden.

§ 201. Het Noorden.

Het gebied tusschen den Noordelijken Oeral, de Oostzee en den Noord- en Westrussischen landrug bezit overal nog niet hetzelfde karakter. We kunnen hier nog drie deelen onderscheiden, en wel:

a. het stroomgebied van Onega, Dwina en Pe-tsjora. Hier vindt men uitgestrekte mosvlakten (toendra's), in den winter bevroren, in den zomer ware moerassen, en dientengevolge onbegaanbaar. De bewoners (Samojeden) trekken de toendra's in den winter over in sleeën met honden of rendieren bespannen. Jacht op pelsdieren, visch- en robbenvangst zijn hier hoofdmiddelen van bestaan. Bij den landrug zijn groote dennenwouden. De eenige plaats van belang in dit gebied is Archangel.

Het hout wordt over de Dwina . naar Archangel gevoerd.

b. het merenplateau van Finland. Dit is eene rotsachtige hoogvlakte, gemiddeld 150 M hoog, bezaaid met groo-tere en kleinere meren. De bodem is bijna geheel ongeschikt voor landbouw en veeteelt. De kuststreek is lager; hier liggen de meeste plaatsen. Finland levert hout, er is veel bosch (houthavens aan de Oostzee),

Hier liggen Viborg, Helsingfors (58.000 inw.), enz.

c. het Zuidoostelijk gedeelte (Oostzee-provinciën). Aan het einde der Golf van Finland ligt Sint-Petersburg. Ruslands hoofdstad, door Peter den Grrooten te midden van moerassen gesticht; de stad ontwikkelde zich spoedig en telt thans 1,000.000 inwoners. De Neva, die de plaats doorsnijdt en de afwatering van het onstuimige Ladoga-meer is, vormt het begin van de waterwegen, die Sint-Petersburg met den Wolga verbinden.

ocr page 210

206

In de golf, op een eilandje voor de stad, ligt Kroonstad (50.000 inw.; sterke vestingwerken).

Bij de uitwatering van het P e i p u s-m eer ligt N a r w a, Westelijk Rev al (50.000 inw.).

Niet ver van den mond der Duna ligt Riga (175000 inw.;

voorhaven D u n a m ü n d e), belangrijk als uitvoerplaats van waren, door schepen over de Duna en door spoorwegen aangevoerd. Dwinsk (het oude Dunaburg) is een belangrijk middelpunt van spoorwegen.

Ten Zuiden er van ligt Wilna (103.000 inw ), eene belangrijke marktplaats voor landbouwprodukten.

In den laatsten tijd is Libau snel opgekomen; het gaat zeker eene goede toekomst tegemoet; de Russische regeering maakt de stad tot eene oorlogshaven.

ocr page 211
ocr page 212

208

Voor den ingang van de Golf van Riga liggen de eilanden Osei en

C

D a g ö. Ook de Alands-eil. behooren Rusland.

Do Oostzoe-provinciSa zijn ten dooie moerassig, ten deole jrocde bouwgrond. Behalve in en om Sint-Petersburg bestaat de bevolking grootendeels uit Duitse hers en Finnen.

§ 202, liet Midden.

Deze streek noemt men het Land der Zwarte Aarde; het is de grootste korenschuur van Europa. Bovendien wordt er veel vlas en hennep verbouwd.

De Duna-Donsche landrug verdeelt het Midden in twee doelen: het Oostelijk en Westelijk deel; het eerste behoort tot het

stroomgebied van den Welga, het laatste tot dat van den Dnjepr. In beide is landbouw hoofdzaak, en al staat deze ook niet op groote hoogte, de reusachtige uitgebreidheid van dit gebied geeft eene geëvenredigde opbrengst.

ocr page 213

209

De „Streek der Zwarte Aardequot; is eeno der vruchtbaarste en tegelijk eene der uitgebreidste landbouwstreken der Aarde; zij is het Noordelijke deel van het woudlooze gebied, dat het geheele Zuiden van Rusland omvat.

Haren naam dankt zij aan eene zwartachtige. humuslaag van 1/2 tot l1/2 M dikte, die ras uitdroogt, maar ook spoedig vocht opneemt. Van de Oos-tenrijksche grenzen in 't Zuid-Westen strekt zich de zwarte aarde tot voorbij Kazan in 't Noord-Oosten uit; de Noordgrens loopt van de Pripet over Toela naar Kazan. In het Noordelijk deel van dit gebied komen nog eenige wouden voor; naar hot Zuiden vermindert hun getal, totdat zij eindelijk geheel ontbreken. In do grenzenlooze vlakten verschijnen de laatste groepen van eiken, esschen en olmen als kleine, in de onmetelijkheid zich verliezende eilanden. Slechts bouwland strekt zich onafzienbaar uit. Met gebrekkige werktuigen bebouwd, is deze vlakte toch eene der korenschuren der wereld.

a. Het Westelijk deel bevat nog groote moerassen, die vroeger echter veel uitgestrekter waren (Rokituo-moeras-sen). Rijke oogsten geven de omstreken van Kijew (176.000 inw.; marktplaats; kerken en kloosters) en Polen. Het middelpunt van de Poolsche landbouwstreek is Warschau (458.000 inw.; markten, fabrieken). In 't Zuid-Westen van Polen liggen delfstoffen (voortzetting van het gebied van het Tarnowitzer plateau). ïe Lodz (500.000 inw.) vindt men vele fabrieken.

Op de grens van het landbouwgebied ligt Charkov (180,000 inw.), het middelpunt der Oekraine.

1). Het Oostelijk deel wordt door den Wolgadoorsneden, de hoofdader van den Russischen binnenhandel, die op de AValdai-hoogten ontspringt.

Reeds bij ïwer wordt de Wolga voor kleine schepen bevaarbaar ; tot Rybinsk varen grootere schepen hem op: daar beginnen de waterwegen naar Sint-Petersburg. Rechts ontvangt hij het water van de Oka bij Msjnii Novgorod.

Aan de Oka ligt Orel, aan eene zijrivier, de Moskwa, Moskou, de vroegere hoofd- en nog steeds de kroningsstad; groot aantal kerken en kloosters; drukke handel (750.000 inw.).

Kazan (140.000 inw.), is als handelsstad belangrijk; een weinig lager stroomt de Kama in den Wolga. Van hier tot Sarepta is de linkeroever laag (weideoever) en wordt niet zelden onder water gezet, de rechter daarentegen hoog (bergkant; aan deze zijde liggen bijna alle steden). De belang-

Ten Havk, Handels-Aardrijl;sl;unde. 14

ocr page 214

210

rijkste plaatsen zijn Saratov (123.000 inw.) en Samara (75.000 inw.).

De Oostelijke grens van liet Land der Zwarte Aarde is de Middel- en Zuid-Oeral. De laatste is boschrijk (Woudrijke Oeral), de eerste bevat delfstoffen (Ertsrijke Oeral). De belangrijkste middelpunten zijn Jekaterinenburg en Kquot;isj-nii-Tagilsk. Eene belangrijke marktplaats voor Siberische artikelen is Ir bit, nabij de grens.

Orenburg is van belang voor de karavanen naar en uit Azië.

§ 203. Het Zuiden.

Dit is hoofdzakelijk eene grassteppe: hier weiden op de uitgestrekte boomlooze vlakten, onder het toezicht van herders, duizenden paarden, schapen, alsook runderen en enkele kameelen.

In het voorjaar (den regentijd) worden deze steppen bedekt niet planten, die haar het aanzien van eene zee van groene gewassen geven. Tot eene hoogte van 5 a 6 voeten schieten de planten op. Maar reeds in Juli is alles verdord, alles door den zonnegloed verbrand en de hooge grassen strooien hun naakten stengel over den grond en zijn voor de groote kudden een natuurlijk hooi. In den winter verdwijnt alle plantengroei, eene dikke sneeuwlaag bedekt den bodem en de sneeuwstormen huilen over de onafzienbare vlakten.

Het Westelijk deel (Bessarabië) is niettemin eene uitstekende landbouwstreek. Hier ligt Kisjinev met 130.000 inw. Uitvoerplaats voor de produkten is Odessa.

De rivieren hebben vele stroomversnellingen. Met breede monden (limans) vallen ze in zee. Aan die limans liggen de uitvoerplaatsen C h e r s o n (61.000 inw.), X i k o 1 aj e v (oorlogshaven; 60.000 inw.) en Odessa (350.000 inw.).

In de Krim: Sebastopol.

De voornaamste havens bij de Zee van Azov zijn Rostov, Taganrog, Berdsjansk en Mariupol.

Het Oostelijk deel der vlakte (dat deel, 't welk ten Noorden der Kaspische zee ligt) is eene zoutsteppe.

Aan den mond van den Wolga ligt Astrakan als middel-

ocr page 215
ocr page 216

242

punt van eene uitgestrekte, weinig bevolkte streek; hoofdmiddel van bestaan is de zeer belangrijke vischvangst.

In het Zuid-Oosten ligt de Kaukusus, een hoog Alpengebergte.

Ongeveer in 't midden loopt de Darjal-pas. De weg er over voert naar Tiflis (104.000 inw.), in het vruchtbare dal van de Koer, eene belangrijke plaats voor den handel met Perzië, het midden van de spoorlijn, die Poti en Batoem, aan de Zwarte zee, met Bakoe (100.000 inw.) aan de Kaspische zee verbindt.

§ 204. De Russen behooren tot de Slavische volken, evenals de Polen.

In 't Zuiden wonen de Kozaken, in Finland de Finnen, in 't jSToorden de Samojeden, in 't Zuiden Kalmuckcn en Kirgiezen (deze volken behooren tot de Mongolen). Aan de Oostzee wonen vele Duitschers (Grermanen).

De Tsaar, „zelfbeheerscher aller Eussenquot;, die vrijwel onbeperkt regeert en ook het hoofd der Grieksch-Katliolieke kerk is, is tevens grootvorst van Finland.

Tot Rusland behoort het groote eiland Novu-Zonihln. Ton Zuiden van Nova-Zembla voert de Ka rise he Poort naar de K arische zee.

§ 205. Landbouw. Bijna J van den bodem levert niets op: voor zoover dit aan de toendra's en de zoutsteppen te wijten is, zal het wel steeds blijven. Puim | is bouwland. Landbouw is het hoofdmiddel van bestaan. Koren wordt vooral verbouwd in:

?ras 15,9

woud 38,8

woest 19,1

bouwland 26,2

Gebruik van den bodem.

het Land der Zwarte aarde, de Oostzeeprovinciën, West-Rusland, Polen. Ondanks de oplieffing van de lijfeigenschap in 1861 staat de landbouw op nog lagen trap. De Russische boer is zeer onontwikkeld en het gemeenschappelijk bezit, zooals dat

ocr page 217

213

vooral bij de Groot-Russen voorkomt, houdt den vooruitgang tegen. In 't algemeen heeft de hoer geen bijzonder eigendom; de grond is het gemeenschappelijk eigendom van al de mannelijke ingezetenen eener gemeente, de kleinste knapen meegerekend; van tijd tot tjjd wordt die grond onder de mannelijke ingezetenen verdeeld. quot;Weide en woud worden niet verdeeld, maar blijven geheel in gemeenschappelijk bezit. Alleenstaande boerenhoeven zoekt men dan ook te vergeefs; de boeren wonen in groote dorpen.

Daarbij komen nog andere omstandigheden. De lange winter, en korte, heete zomer, die de vruchten snel doet rijpen, dwingen den Ivussischen landman in enkele weken denzelfden arbeid te verrichten, waartoe men in West-Europa maanden tijd heeft, dwingen hem veel meer menschen in dienst te nemen en trekdieren — zij het ook korten tijd. Daardoor zijn de arbeidskrachten betrekkelijk duur. De verdeeling van den grond is zoo, dat ij de Kroon en den adel, .'j den boeren behoort.

De regeering tracht de ontwikkeling van den landbouw te bevorderen door het stichten van landbouwscholen en van modelhoeven. Machines worden slechts op de groote landgoederen gebruikt; ze moeten trouwens meest uit het buitenland betrokken worden, wat ze bij de groote afstanden duur maakt, terwijl werkplaatsen ter herstelling in vele landstreken ontbreken.

Langdurige droogten en voorjaarsvorsten doen niet zelden den oogst mislukken, zoodat, ook tengevolge van de slechte wegen en verkeersmiddelen, hongersnood het gevolg is.

De voornaamste produkten uit het plantenrijk zijn: koren, aardappels, beetwortels, vlas, hennep, tabak en hout.

De korenoogst bedroeg in 1895:

rogge 258,800.000 HL.

haver 213.200.000 „

tarwe 116,800.000 ,,

gerst 68.000.000 ,,

boekweit 15,300.000 gierst 15,000.000

maïs 8,800.000

ocr page 218

214

aardappels (gemiddeld 85.500.000 HL. 1)

De waarde van het uitgevoerde broodkoren beloopt -45 0 '0 van den geheelen uitvoer.

Rusland verbouwt meer hpimep en vlas, dan eenig ander land van Europa, ja de oogst van vlas is ongeveer even groot als die van alle andere Europeesche landen (voor de streken, zie het kaartje). In hennep beheerscht Rusland de wereldmarkt.

De verbouw van suikerbieten neemt vooral in het Zuid-Westen zeer toe (gouvernementen Charkov, Kijew, Podolië. Warschau); niet alleen heeft Rusland voldoende suiker: het voert reeds uit.

Tabak wordt in Bessarabië, Klein- en Zuid-Rusland verbouwd.

1) Dit cijfer is het gemiddelde over de laatste 10 jaren. Er zijn jaren van ruim 150 millioen HL.

ocr page 219

215

Zuid-Rusland levert reeds vrij wat wijn, waarschijnlijk weldra zelfs meer dan Duitschland. De behandeling der wijnen laat echter te wenschen over. In de eerste plaats moet Bessarabië genoemd worden, dan volgt de Krim.

Het woud beslaat nog altijd eene groote oppervlakte, maar is zeer ongelijk over het land verdeeld. Veel hout bezit het Noorden, Polen, Lithauen en het Oosten. In de gouvernementen Archangel, Wologda, Olonez en Perm is zeker 60—70 % van de oppervlakte met bosch bedekt, in het Zuiden slechts ^ 0/o-In het Noorden vindt men vooral dennen en sparren, in het Westen eiken en linden. Terwijl het hout in vele streken van het Noorden weinig waarde heeft en men het gebruikt voor de vervaardiging van potasch, hars en teer, heeft het Zuiden groot gebrek aan hout. Ondanks het groote verbruik (voor het bouwen der — meest houten — huizen en als brandstof) wordt toch hout in groote massa uitgevoerd, in 1896 voor 123 millioen gulden. In Finland, waar 57 % woudland is, voeren Viborg, Björneborg, Uleaborg en Abo het uit; de houtuitvoer der Oekraïne beweegt zich naar de Zwarte zee, die van Lithauen en Polen naar de Oostzee. De voornaamste Lithauensche havens zijn Riga, Memel. Koningsbergen en ook Danzig, de Poolsche is hoofdzakelijk Danzig. In Polen is echter reeds een groot deel van het woud verdwenen.

§ 206. Veeteelt. De veestapel is zeer belangrijk en grooter dan die van elk ander land van Europa.

paarden 20.900.000 runderen 27,900.000 schapen 49.000.000 geiten i.iOO.OOO

varkens 10.700.000.

In 't Noorden worden rendieren (300.000?), in 't Z.-O. ka-meelen gevonden. In betrekking tot de bevolking is echter de veestapel niet zeer groot, behalve het getal paarden. Het meest ontwikkeld is de veeteelt op de wijde steppen van het Zuiden, waar de dieren het geheele jaar buiten blijven — ook in den, soms vrij strengen, winter ■—, terwijl ze in het Noorden 100 a

ocr page 220

216

200 dagen op stal gevoederd moeten worden. Over 't geheel wordt de veeteelt niet rationeel gedreven, 't Meest geschiedt nog voor de veredeling van de paarden- en schapenrassen. (De beste wol komt uit de Krim).

Boter en kaas worden betrekkelijk weinig vervaardigd; naast het vleesch der runderen, zijn alleen de huiden en de talk van belang. Aan de Kaspische zee vindt men vetstaarten (schapen), gefokt om de talk, die in de plaats van boter van het rundvee in geheel Rusland gebruikt wordt. Rusland produceert zeer veel wol: jaarlijks 200 millioen KG, die grootendeels in Russische fabrieken verwerkt worden.

Meer en meer wint het bouwland terrein op de steppe. De groote kudden schapen moeten voor den ploeg steeds verder de wijk nemen naar het Oosten. Daardoor is ook het centrum van den wolliandel verplaatst: in vroeger tijd Odessa, daarna Charkov, nu Rostov. Odessa is als veemarkt van beteekenis gebleven. In het Westen is quot;Warschau nog wolmarkt.

De bijenteelt wordt vooral door de lindebosschen bevorderd.

De jacht op pelsdieren is in het Noorden van belang (sabel, hermelijn, ijsbeer, eidergans, robben).

De vi ss oh er ij is van veel beteekenis, en zeker voor l millioen personen een hoofdmiddel van bestaan. Vooral de monden van den Don en den Wolga zijn zeer vischrijk; daar worden steuren in groote hoeveelheid gevangen; beroemd is de visscherij van Astrakan, door duizenden personen uitgeoefend. Toch voert Rusland nog visch in: het verbruik is zeer groot, vooral door de vasten. Zoo worden alleen vischblazen en kaviaar uitgevoerd, waartegen stokvisch ingevoerd wordt.

§ 207. Delfstoffen. Rusland is rijk aan delfstoffen; hoe meer men den bodem leert kennen, hoe rijker hij aan allerlei mineralen blijkt: telkens ontdekt men nieuwe vindplaatsen. In de laatste jaren is het mijnwezen aanhoudend vooruitgegaan.

In 1880 was de jaarlijksche productie aan steenkolen 200 millioen pud (1 pud = 16,38 KG), in 1895 529 millioen. Daarvan leverde het Donetzbekken 293 millioen pud, d. i. veel meer dan de helft; voor een groot deel worden de kolen uit

ocr page 221
ocr page 222

218

dit bekken per spoorweg naar het industriegebied van Moskou vervoerd. De steenkoollagen in Z.-W.-Polen zijn ook zeer belangrijk; voorts bij Perm en Jekaterinenbuvg.

IJ z e r wordt op vele plaatsen gevonden vooral in den Oeral, bij Moskou, aan den Donets, enz.

In 1893 was de productie 2,2 millioen tonnen erts, waarvan de Oeral 1 millioen leverde. De Oeral levert voorts platina, koper, goud, edele steenen, enz.

Van 1820 tot 1845 had Rusland platinageld. De prijzen van het metaal daalden echter zoo zeer, dat met het aanmnnten moest worden opgebonden. Daarna werd het verwerken van platina, tot dien tijd een monopolie der regeering, vrijgelaten. De belangrijkste inrichtingen zijn die van de familie Demidof te Nisj nii-Tagilsk. De productie aan platina heiiep in 1895 4413 KG, terwijl elders nauwelijks 100 KG wordt gevonden, zoodat Rusland bijna de eenige producent is. Het platina wordt voor chemische doeleinden en voor de vervaardiging van instrumenten gebruikt, en kost thans f 450 per KG, ruw, zooals de bergwerken het leveren. De bearbeiding geschiedt meest in Duitschland.

De edele steenen — smaragd, diamant, topaas, enz. — worden vooral in de groeven van Nis.jnii-Tagilsk gevonden, en de meeste te Jekaterinen-b u r g geslepen.

Ook aan petroleum is Rusland rijk; Bakoe levert 98 %• De bronnen waren reeds in ouden tijd bekend; tot 1872 was de exploitatie een monopolie der kroon. JSTadat dit monopolie niet meer gehandhaafd werd, ontwikkelde de productie zich snel. In 4895 bedroeg ze 390 millioen pud.

De rijkdom aan zout is verbazend groot. In de gouvernementen Orenburg en Astrakan, bevinden zich dikke lagen steen-zout, in het Noorden en midden zijn vele zoutbronnen, in het Zuiden en Zuid-Oosten wordt uit de limans van de Zwarte zee en de zoutmeren veel zout gewonnen. Er zijn ongeveer 3000 zoutmeren: alleen het Baskoentsjak- en het Elton-meer leveren jaarlijks ongeveer 262 millioen KG zout.

§ 208. Industrie. De Russische industrie, die snel opkomt, dankt haar ontstaan en hare ontwikkeling in de eerste plaats aan de sinds 1822 streng doorgevoerde protectie. In het begin dezer eeuw was Rusland industrieel geheel van het buitenland

ocr page 223

219

afhankelijk: zoo v/as b. v. het geheele leger in Eugelsche wollen stoffen gekleed; in 't geheele rijk was slechts eene enkele machinefabriek; — thans levert Rusland uitmuntende wollen stoffen, zorgt geheel voor zijne eigen spoorwegen, in één woord is industrieel in vele takken afhankelijk, ja voert groote massa's naar Azië uit.

Alle Russische regeeringen in deze eeuw hebben getracht het aan natuurschatten zoo rijke Rusland ook industrieel van het buitenland onafhankelijk te maken. De ontwikkeling der industrie wordt tegengehouden door: het groote overwicht der landbouwende en veeteelende bevolking (75 a 80 0/o), de groote afstanden, de ongelijke verdeeling van brandstof, waaraan sommige streken bepaald gebrek lijden. Doch anderzijds wordt die ontwikkeling gesteund door: de bescherming door inkomende rechten, den rijkdom aan ruwe produkten, de groote kapitalen, geschikte arbeidskrachten. De Rus is van nature leerzaam en volgt gemakkelijk na: „zijne handen vervaardigen alles, wat zijne oogen zienquot;; — maar eenzelfde arbeid verveelt hem spoedig, hij beproeft gaarne alles: „de Rus is een geniale knutselaar.quot; Ook is hij minder geschikt aan het hoofd van eene groote inrichting te staan; vele directeuren van fabrieken enz. zijn dan ook buitenlanders.

Do meeste Russische fabrieken vindt men op liet land en niet in de steden. Daardoor zijn in de industriegebieden de toestanden geheel anders dan in West-Europa. De Russische werkman is slechts tijdelijk fabrieksarbeider, hij is; als medelid der g-emeente, tegelijk landbouwer. De grootste fabriekssteden, waar eene bevolking van fabrieksarbeiders woont, zijn Moskon, St.-Petersburg. Warschau en Lodz.

Een aanzienljjk deel van de industrie is, tengevolge van den langen, strengen winter huisindustrie.

Deze huisindustrie, ook te voorschijn geroepen doordat de boer veeltijds van den bodem niet leven kan en bijverdienste moet zoeken, omvat vele takken. Uit het plantenrijk worden vooral verwerkt: hout (wagens, vaten, tonnen, emmers, meubelen, — vlechtwerk: manden, matten, bast-schoenen, — hars, teer, — landbouwwerktuigen), vlas, hennep, katoen (spinnen en weven voor eigen gebruik). Uit het dierenrijk: wol en zijde

ocr page 224

220

(veel wollen pelzen), leer. Uit het delfstolfenrijk: klei (aardewerk), gesteente (molensteenen, grafsteenen), metalen (sloten, wapens, enz.).

De voornaamste industriegebieden zijn:

1. het centrale gebied M o s k o u—N i sj n i i-N o v g o r o d.

'J. St.-Petersburg — Baltische provinciën.

3. Polen.

4. Orel, Toela, lijasan.

liet eerste is verreweg het belangrijkst.

Gaan we thans de voornaamste takken van industrie na.

Textielindustrie.

De katoenindustrie is van groot belang. Rusland heeft de grootste spinnerijen van Europa (Lodz, JSarwa).

Ook de wolindustrie gaat zeer vooruit: ze voorziet bijna in de behoefte.

Linnenindustrie wordt als huisindustrie overal, als grootindustrie in de middelste deelen uitgeoefend.

De zijde-industrie heeft haren hoofdzetel in Moskou.

Voor de katoenindustrie zijn vooral van belang: Lodz, Kaloegra, Jaroslav, Narwa en „het Russische Manchesterquot;: Iwanowo-Wosnessensk.

Voor de wo li n dus trie: Lodz, Narwa, Bjelostok.

Voor de linnenindustrie: Orel, Rjilsan, Pensa, Jaroslav, Kostroma.

De metaalindustrie kan nog niet in elk opzicht aan alle behoeften voldoen : machines worden nog steeds ingevoerd, ofschoon de hoeveelheid elk jaar minder wordt. Belangrijke metaalfabrieken bezitten St.-Petersburg, Warschau, Ejiisan, Toela, Kostroma, Kolomna.

Goud- en zilverwerken levert vooral Moskou.

Glas en porselein leveren vooral de keizerlijke fabrieken te St.-Petersburg; voorts Wologda.

De lederindustrie is beroemd; het juchtleder (dat zijn' reuk van de berkenolie krijgt) komt meest uit het midden en het Xoorden, het saffiaanleder uit het Zuiden en Oosten. Leerfabrieken bezitten o.a. Kasan, Pensa, Tambov, Orel, Sjitomir, Minsk. De beste handschoenen leveren Moskou en Petersburg, fijne pelswerken Moskou, Petersburg, Warschau, enz.

ocr page 225

221

Tabaksfabrieken zijn te Petersburg, Moskou, Warschau, Jekaterinoslav, Kisjinev, enz. Sigaretten worden uitgevoerd. De verwerkt wordende tabak komt meest uit den Kaukasus.

Suikerfabrieken vooral in Polen (Warschau) en Klein-Rusland.

Zeepfabrieken in Samara, Kasan, Kaloega, Pensa, Tambov, Lublin, enz.

Voorts moeten genoemd worden: talksmelterijen (schape-vet), branderijen, bierbrouwerijen, scheepsmakerijen (groote werven te Sint-Petersburg), enz.

§ '209. Handel en verkeer.

Rusland heeft door zijne ligging voor den handel eene eigenaardige beteekenis. Terwijl het voor West-Europa een land-bouwstaat is, waaruit men ruwe produkten trekt en waar fabrikaten afzet vinden, levert het Azië fabrikaten en ontvangt het van daar ruwe produkten.

Door Peter I en Katharina II kreeg Rusland deel aan den zeehandel, en door hen geschiedde ook veel voor den binnen-landschen handel. Yoor den laatste zijn de rivieren en kanalen van groote beteekenis: zij brengen nog altijd veel produkten naar de kusten en omgekeerd buitenlandsche produkten naar het binnenland. Zoo draagt de Dwina het hout uit de Noordelijke wouden naar Archangel; over de Dun a wordt koren, hennep, vlas en hout naar Riga vervoerd; Dnjepr en Don voeren nog steeds millioenen kilo's „Odessa-tarwequot; naar zee, en veel zout naar het binnenland; de Wol ga eindelijk overtreft deze alle aan beteekenis: hij is de hoofdwaterweg van het groote Russische rijk. De winter maakt in het Noorden 6 a 7, in het Zuiden 3 a 4 maanden de scheepvaart onmogelijk.

In 1894 waren er 2185 rivierstoombooten.

Van deze waren er op don Wolga 1197 Nova 339 Dnjepr 250 Don 148

ocr page 226

909

Dwinna 82 Duna 62 Weichsel 28

Daarbij komen tallooze vlotten en ongeveer 20 000 rivierschepen e. d.

Het spoorwegnet wordt elk jaar dichter, hoewel het op verre na niet zoo dicht is als in West-Europa. Belangrijke centra zijn Moskou, Dwinsk (Dunaburg) en Brest Litowski.

De landwegen zijn echter in slechten toestand, vooral in het Zuiden; het best zijn ze in den winter, als het verkeer met sleden kan geschieden.

Yoor den binnenlandschen handel zijn van veel belang: Moskou, Xisjuii-Xowgorod. Kijew, Warschau, Charkov, Rybinsk, Twer, Orel, enz.

De reusachtige afstanden, do moeilijke communicatie en de lage trap van ontwikkeling, waarop het volk staat, veroorzaken dat in Eusland nog eene wijze van handeldrijven plaats vindt, die West-Europa niet meer kent. Zoo wordt hier door marskramers nog levendig handel gedreven, zoo zijn hier nog zeer belangrijke missen.

De belangrijkste is wel (sedert 1816) de mis te Xisjnii-X o wgorod, die van 27 Juli tot 6 September duurt, en door de hoeveelheid en verscheidenheid der waren haar gelijke niet heeft. De mis wordt door 3 tot 500.000 personen bezocht; tot uit China toe komen karavanen. De waarde der aangebrachte waren wordt op 170—200 millioen roebel geschat. ïal van tolken, waarbij er velen zijn, die 10, zelfs 15 talen spreken, doen dienst.

Eene soortgelijke mis, maar van minder omvang, heeft Ir bit. Hier komen van 1 Februari tot 1 Maart ongeveer 60.000 kooplieden. Yooral Siberische artikelen komen van Irbit uit op de wereldmarkt. Omzet: 50 a 60 millioen roebel.

Voor den buitenlandschen handel zijn van belang de volgende zeeplaatsen :

I. Aan de Witte zee:

Archangel. Ofschoon slechts 5 maanden vrij van ijs, is het door den uitvoer van hout, teer, pek, pelswerk en visch van veel belang.

ocr page 227

223

Door den langen winter zijn zelfs groote rivieren als Petsjora en Uwina voor den handel van betrekkelijk weinig beteekenis. In vroeger' tijd was dit anders. Vóór Rusland de kusten van Zwarte en Oostzee bezat en deze zeeën vrij kon bevaren, handelde West-Europa niet Rusland over de Noordelijke rivieren. In het begin der 17e eeuw bezochten Engelsche zeevaarders eiken zomer de Boven-Petsjora en werd daar een levendige handel gedreven met Russische kooplieden, die de ingeruilde waren op sleepwegen (voloks) naar de Kama en van deze op den Wolga brachten naar de verste deelen van het rijk. Die handel heeft opgehouden, al is de Dwina nog altijd van belang.

11. Aan de Oostzee:

de Pinsche houthavens: Viborg', Bjürneborg, ülea-borg, Abo, Helsingfors; het laatste voert ook handel in koren en ijzer.

St.-Petersburg; met Kroonstad. St.-Petersburg is de hooft 1-invoerhaven voor koloniale waren, verfstoffen, wijnen en katoen; voorts kolen en ijzer; uitvoer van talk, vlas, hennep, huiden, koren. Sedert de opening van het 30 KM lange zeekanaal (eene uitdieping van de golf) kunnen groote zeeschepen St.-P. bereiken. Stoomvaartlijnen op Engeland (Londen, Hull, Liverpool), Prankrijk, JNederland, België, de Duitsehe Oostzeesteden (Stettin, Lubeek, Eostock), Stockholm en Kopenhagen.

Reval voert vooral koren uit, eieren en lijnzaad. Invoer: koloniale waren, wijnen, metalen.

Riga, met de voorhaven Dunamünde, is eene hoofdstapelplaats voor Westelijk iviisland; uitvoer van koren, vlas, hennep, lijnzaad, hout. Invoer: kolen, ijzer.

In 1896 werd voor 33 millioen roebels in-, voor 59 millioen uitgevoerd. Aan de IST-i schepen waren 20 Nederlandsche. Nadat men Riga door spoorwegen met het midden en Oosten had verbonden (lijn Riga — Dwinsk—Smolensk — Orel—Zaryzin), dacht men, dat het de belangrijkste korenhaven zou worden. In die verwachting is men teleurgesteld, de koren-uitvoer gaat eer achteruit, vooral door de concurrentie van :

Libau, dat veel koren uitvoert. Op Riga heeft liet voor, dat de haven langer open blijft en in 't voorjaar eer van ijs bevrijd is.

ocr page 228

224

Lilian voerde in 1S9C meer dan 7'/2 millioen pud haver naar Nederland. Voorts voerde liet 57 millioen eieren uit. De geheele uitvoer bedroeg 34 millioen roebel, waarvan naar Nederland 4''2 millioen.

Invoer: 1 millioen roebel copra, 1/2 millioen roebel verfhout, 8/io millioen roebel katoen, dan koloniale waren, enz.

III. Aan de Zwarte zee:

Odessa, de belangrijkste haven, gelegen tusschen de mondingen van Donau, Dnjepr en Dnjestr, de hoofdstapelplaats voor de produkten van Zuid-Rusland, vooral van koren, spiritus, wol en lijnzaad. De haven heeft regelmatige stoombootvaarten op Enropeesch en Aziatisch Turkije, Griekenland, Oostenrijk, Italië — op Marseille, Bordeaux, Londen, Liverpool, Antwerpen, enz. Vooral Engelsche en Oostennjksche schepen bezoeken de haven.

Xic01 ajev voert koren uit, vooral tarwe. Invoer: steenen en dakpannen, ijzer- en staalwaren, hout, enz.

X 0 v 0 r 0 s s i s k, B e r d s j a n s k, 31 ariup01, Taganrog, Rostov, uitvoer van koren.

Poti en Batoem (de beste haven van de twee), de eindpunten van den spoorweg van Bakoe over Tiflis (verzending-van petroleum).

IY. Aan de Kaspische zee:

Astrakan, van belang voor den handel met Kaukasië, Perzië en Midden-Azië, stapelplaats voor de visch van den Beneden-Wolga.

De Kaspische zee wordt uitsluitend door Russische schepen bevaren. Inde laatste jaren wordt Astrakan door de verzanding moeilijk bereikbaar. Vele schepen blijven voor de mondingen liggen en nemen passagiers en goederen daar van de Wolgaschepen over. Thans zal de Beneden-Wolga gecorrigeerd worden.

Bakoe, verzending van petroleum naar Zarizyn aan den Wolga, vanwaar ze over Rusland verdeeld wordt.

Overzicht van den koreimitvoer (1890).

Rusland voerde uit: tarwe '208,5 millioen pud rogge 77 „ „

gerst 78 „ „

haver 64 ,, .,

ocr page 229

22.J

Tarwe. Uitgevoerd werden door:

Odessa

57,2 i

Nicolaj e v

32,0

Rostov

28,7

Novorossisk

15,1

Taganrog

7,7

Riga

2,8

Libau

0,03

Reval

3,4

St.-Petersburg

3,9

Hieruit volgt, dat door de havens aan de Zwarte zee zeer veel, door de Baltische havens weinig tarwe uitgevoerd wordt. Keval en Sint-Petersburg zenden veel tarwe naar Nederland, Riga minder.

Rogge. Uitgevoerd werden door:

Odessa 13,3 millioen pud.

Rostov 11,7 „ „

Nicolajev 12,2 „ ,,

St.-Petersburg 13 „ „

15

Gerst.

Libau

4,3

J5

Reval

3,4

Riga

3,8

J * V

a Sint-Petersburg

zenden ook

veel rogge naar

Uitgevoerd werden door :

Odessa

15 millioen pud.

Nicola jev

7,9

J? ÏJ

Rostov

6,8

?? ??

Taganrog

0,8

?? V

Novorossisk

2,4

5? 7?

Riga

1,5

3 5 5 5

Libau

0,6

55 55

Reval

0,4

5 5 55

St.-Petersburg

0,04

55 55

Gerst wordt dus door de Baltische havens zeer weinig verzonden. Riga zendt naar Nederland.

O

Haver. Uitgevoerd werden door :

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde..

ocr page 230

222

Dwinna 82 Duna 62 Weichsel 28

Daarbij komen tallooze vlotten en ongeveer 20.000 rivierschepen e. d.

Het spoorwegnet wordt elk jaar dichter, hoewel het op verre na niet zoo dicht is als in West-Europa. Belangrijke centra zijn Moskou, Dwinsk (Dunaburg) en JSrest Litowski.

De landwegen zijn echter in slechten toestand, vooral in het Zuiden; het best zijn ze in den winter, als het verkeer met sleden kan geschieden.

Voor den binnenlandschon handel zijn van veel belang; Moskou, JSisjnii-lSowgorod, Kijew, Warschau, Charkov, Rybinsk, Twer, Orel, enz.

De reusachtige afstanden, de moeilijke communicatie en de lage trap van ontwikkeling, waarop het volk staat, veroorzaken dat in Rusland nog eene Avijze van handeldrijven plaats vindt, die West-Europa niet meer kent. Zoo wordt hier door marskramers nog levendig handel gedreven, zoo zijn hier nog zeer belangrijke missen.

De belangrijkste is wel (sedert 1816) de mis te Nisjnii-Nowgorod, die van 27 Juli tot 6 September duurt, en door de hoeveelheid en verscheidenheid der waren haar gelijke niet heeft. De mis wordt door 3 tot 500.000 personen bezocht; tot uit China toe komen karavanen. De waarde der aangebrachte waren wordt op 170—200 millioen roebel geschat. Tal van tolken, waarbij er velen zijn, die 10, zelfs 15 talen spreken, doen dienst.

Eene soortgelijke mis, maar van minder omvang, heeft I r b i t. Hier komen van 1 Februari tot 1 Maart ongeveer 60.000 kooplieden. Vooral Siberische artikelen komen van Irbit uit op de wereldmarkt. Omzet: 50 a 60 millioen roebel.

Voor den buitenlandschen handel zijn van belang de volgende zeeplaatsen;

I. Aan de Witte zee:

Archangel. Ofschoon slechts 5 maanden vrij van ijs, is het door den uitvoer van hout, teer, pek, pelswerk en visch van veel belang.

ocr page 231

223

Door den langen winter zijn zelfs groote rivieren als Petsjora en Uwina voor den handel van betrekkelijk weinig beteekenis. In vroeger' tijd was dit anders. Vóór Rusland de kusten van Zwarte en Oostzee bezat en deze zeeën vrij kon bevaren, handelde West-Europa niet Rusland over de Noordelijke rivieren. In het begin der 17e eeuw bezochten Engelsche zeevaarders eiken zomer de Boven-Petsjora en werd daar een levendige handel gedreven met Russische kooplieden, die de ingeruilde waren op sleepwegen (voloks) naar de Kama en van dezo op den Wolga brachten naar de verste deelen van het rijk. Die handel heeft opgehouden, al is de Dwina nog altijd van belang.

II. Aan de Oostzee:

de Finsclie houthavens: Viborg, Björneborg, Ulea-borg, Abc, Helsingfors; liet laatste voert ook handel in koren en ijzer.

St.-Petersburg met Kroonstad. St.-Petersburg is de hoofdinvoerhaven voor koloniale waren, verfstoffen, wijnen en katoen; voorts kolen en ijzer: uitvoer van talk, vlas, hennep, huiden, koren. Sedert de opening van het 30 KM lange zeekanaal (eene uitdieping van de golf') kunnen groote zeeschepen St.-P. bereiken. Stoomvaartlijnen op Engeland (Londen, Hull, Liverpool), Frankrijk, Nederland, België, de Duitsche Oostzeesteden (Stettin, Lubeck, Eostoek), Stockholm en Kopenhagen.

Reval voert vooral koren uit, eieren en lijnzaad. Invoer: koloniale waren, wijnen, metalen.

Riga, met de voorhaven Dunamünde, is eene hoofdstapelplaats voor Westelijk Rusland; uitvoer van koren, vlas, hennep, lijnzaad, hout. Invoer: kolen, ijzer.

In 1896 werd voor 33 millioen roebels in-, voor 59 millioen uitgevoerd. Van de 1874 schepen waren 20 Nederlandsche. Nadat men Riga door spoorwegen met het midden en Oosten had verbonden (lijn Riga — Dwinsk—Smolensk—Orel—Zaryzin), dacht men, dat het de belangrijkste korenhaven zou worden. In die verwachting is men teleurgesteld, de koren-uitvoer gaat eer achteruit, vooral door de concurrentie van :

Libau, dat veel koren uitvoert. Op Riga heeft het voor, dat de haven langer open blijft en in 't voorjaar eer van ijs bevrijd is.

ocr page 232

004

Libau voerde in 1S9G meer Jan T'/a millioen pud haver naar NederlanJ. A'oorts voerde liet 57 millioen eieren uit. De geheele uitvoer bedroeg 3i millioen roebel, waarvan naar Nederland 41-! millioen.

Invoer: 1 millioen roebel copra, 1/2 millioen roebel verfhout, 8/io millioen roebel liatoen, dan koloniale waren, enz.

III. Aan de Zwarte zee:

Odessa, de belangrijkste haven, gelegen tusschen de mondingen van Donau, Dnjepr en Dnjestr, de hoofdstapelplaats voor de produkten van Zuid-Rusland, vooral van koren, spiritus, wol en lijnzaad. De haven heeft regelmatige stoombootvaarten op Europeesch en Aziatisch Turkije, Griekenland, Oostenrijk, Italië — op Marseille, Bordeaux, Londen, Liverpool, Antwerpen, enz. Yooral Engelsche en Oostennjksche schepen bezoeken de haven.

Nicolajev voert koren uit, vooral tarwe. Invoer: steenen en dakpannen, ijzer- en staalwaren, hout, enz.

Novorossisk, Berd sjans k, Mariupol, Taganrog, Rostov, uitvoer van koren.

Poti en Batoem (de beste haven van de twee), de eindpunten van den spoorweg van Bakoe over Tiflis (verzending-van petroleum).

IV. Aan de Kaspische zee;

Astrakan, van belang voor den handel met Kaukasië, Perzië en Midden Azië, stapelplaats voor de visch van den Beneden-Wolga.

De Kaspische zee wordt uitsluitend door Russische schepen bevaren. In. de laatste jaren wordt Astrakan door de verzanding moeilijk bereikbaar. Vele schepen blijven voor de mondingen liggen en nemen passagiers en goederen daar van de Wolgaschepon over. Thans zal de Beneden-Wolga gecorrigeerd worden.

Bakoe, verzending van petroleum naar Zarizyn aan den Wolga, vanwaar ze over Rusland verdeeld wordt.

Overzicht van den korenuitvoer (1896).

Rusland voerde uit: tarwe '208,5 millioen pud rogge 77 gerst 78 haver 64

5J ?)

ocr page 233

225

Tarwe. Uitgevoerd werden door;

Odessa 57,2 millioen pud

Ificolajev 32,6 „

Rostov 28,7 „

Novorossisk 15,1 ,,

Taganrog 7,7

Riga 2,8 „

Libau 0,03 „

Reval 3,4 „

St.-Petersburg 3,9 „

volgt, dat door de havens aan de Zwarte zee zeer de Baltisclie havens weinig tarwe uitgevoerd wordt. Sint-Petersburg zenden veel tarwe naar Nederland,

Rogge. Uitgevoerd werden door:

Odessa 13,3 millioen pud.

Rostov 11,7 „

Mcolajev 12,2 „

St.-Petersburg 13 „

Libau 4,3 „

Reval 3,4 „

Riga 3,8 ,,

Reval en Sint-Petersburg zenden ook veel rogge naar Nederland. Gerst. Uitgevoerd werden door :

millioen pud.

Odessa

15 i

Nicolaj ev

7,9

Rostov

6,8

Taganrog

6,8

Novorossisk

2,4

Riga

1,5

Libau

0,6

Reval

0,4

St.-Petersburg

0,04

Gerst wordt dus door de Baltische havens zeer weinig verzonden. Riga zendt naar Nederland.

Haver. Uitgevoerd werden door :

Ten Have, Haudels-Aardrijkskunde. lo

Hieruit veel, door Reval en Riga minder.

ocr page 234

226

L i b a u 25,4 millioen pud.

St.-Peter sbur g 21,7 „ „

R e v a 1 7,6 „ „

Riga 4,3 „ „

De havens aan de Zwarte zee verzonden zéér weinig haver.

In 1896 bedroe? de oogst van vlas 1G,8 millioen pud. Uitgevoerd werden 10,0 millioen, en wel door

Reval 4,535.000 pud.

Reval en Baltischport. 1,850.000 „

Lilian 970.000 „

Pernau 911.000 ,,

Van hennep wordt gemiddeld 3 millioen pud uitgevoerd, waarvan door Riga '/a millioen (gaat achteruit).

Nemen we de uitvoeren van do verschillende korensoorten samen, dan blijkt dat uitgevoerd zijn (in millioenen pud) door :

Odessa 86 Novorossisk 18 1)

Nicolajev 54 Taganrog 15 1)

Rostov 47 Reval 15

St.-Petersburg 38 Riga 12 Libau 30

§ 210. In- en Uitvoer.

Uitvoer (in millioenen roebels).

1895. 1896.

Levensmiddelen 385,6 382,9

Ruwe stoffen e. d. 260,0 257,8

Dieren 15,1 15,1

Fabrikaten 30,2 12,9

690,9 668,7

Invoer:

1895. 1896.

Levensmiddelen 67,6 69,8

Ruwe stoffen e. d. 282,4 306,6

Dieren 3,9 2,3

Fabrikaten 136,5 161,5

490,4 440,2

1) In 10 maanden.

ocr page 235

227

Bij de le\ msmiddelen overtreft dus de uitvoer den invoer met meer dan 300 millioen roebel, van fabricaten wordt voor 100—150 millioen roebel meer in- dan uitgevoerd.

Uitvoer 1896: (in millioenen guldens):

koren 627 suiker 57

vlas 122 petroleum 56

hout 91 eieren 42

lijnzaad 68 voorts hennep, dieren, huiden, enz.

Invoer 1896:

katoen 147 thee 81

machines 127 metaalwaren 48

ijzer 86 kolen 32

voorts chemicaliën, visch, wol, vruchten, wijn, enz.

Muntwezen. 1 Roebel a 100 kopeken = /1,28. Banknoten geeft de Rijksbank te St.-Petersburg uit.

ocr page 236

Groot-Brittanje en Ierland.

(315.000 KM2; 40,100.000 inw.)

5; 211. Dit rijk bestaat uit twee groote en een aantal kleinere eilanden.

Ten N. van Schotland liggen de O r kadi s c li e en de Schetlands-eilanden, ten W. de H e b r i d e n.

In de lersche zee: Man, Anglesea en Holyhead.

In 't Zuiden: Wight.

Bij Frankrijk: de Normandische eilanden (waartoe J e r s e y behoort).

Belangrijke inhammen zijn : Kanaal van Bristol, Mersey, Clyde-, Lorn-, Moray-, ïay-, Forthbaai, H u m 1; e r. Wash-b a i, T h e e m s m o n d.

§ 212. A. Groot-Brittanje. Trekken we eene lijn van Newcastle naar Derby, in het midden van Engeland, en vandaar naar Exeter aan de Zuidkust, dan scheidt deze lijn het bergland van het laagland.

Bergland vinden we dus in Schotland en in het Noord-Westen en Westen van Engeland. Door vlakten is dit bergland in eenige groepen verdeeld.

§ 213. Schotland.

Naar de hoogte van den bodem kunnen we drie deelen onderscheiden :

1. de Hooglanden.

2. het Schotsche laagland.

3. het Zuidschotsche bergland.

1. De Hooglanden beslaan het geheele Noorden van Schotland; zij zijn het hoogste gebergte van Groot-Brittanje.

ocr page 237

229

Een diep dal, waardoor het Caledonisch kanaal loopt, scheidt het in twee deelen.

Steil rijst het gebergte in het quot;Westen uit zee. De geheele Westkust van de Clyde-golf tot kaap quot;Wrath is een kaal, verbrokkeld, veelvuldig ingesneden rotsstuk. Naar het Oosten daalt het hoogland tot kleine kustvlakten af.

De Hooglanden zijn een onherbergzaam, woest bergland. Diepe nauwe dalen, waarin langgerekte meren liggen, splitsen het in kale bergketens.

De geheele bergstreek is zeer weinig bevolkt: de eenigszins grootere plaatsen moet men aan de Oostkust zoeken, waar vischvangst kan worden uitgeoefend: Peterhead, Aberdeen (haring; Aberdeen, met 120.000 inw., is tevens eene belangrijke fabrieksstad). Aan het einde van het Caledonisch-kanaal: Inverness.

Aan de ïay-golf ligt Dundee (154.000 inw.; linnen-en jute-fabrieken).

2. Het Schotsche laagland strekt zich van de Forth- tot de Clyde-baai uit. Het is een dicht bevolkt gebied; hoe klein ook, wonen er meer dan de helft der inwoners van Schotland. Dit komt:

a. door de vruchtbaarheid. Er worden vooral haver (het broodkoren) en aardappelen verbouwd.

b. doordat de bodem ijzer en steenkolen bevat.

Dit laatste heeft ten gevolge, dat talrijke fabrieken duizenden

bij duizenden menschen brood verschaffen, vooral aan de oevers van de kleine, maar zeer breede Clyde-rivier. Het middelpunt van de fabrieksstreek is Glasgow (658.000 inw.; metaal-, katoen-,wol-, linnen-, zijde-, glasfabrieken, enz.). Voorhaven is Greenock (63.000 inw.). In beide plaatsen is de scheepsbouw van groot gewicht (ijzeren schepen).

Een kanaal verbindt Clyde en Forth. Aan de laatste ligt Leith, de haven van de hoofdstad Edinburg (270.000 inw.).

3. Het Zuidscliotsclie bergland bestaat grootendeels uit hoogvlakten; in aard en hoogte herinnert het aan het leisteenplateau van den Rijn. Naast schoon eiken- en beuken woud

ocr page 238

230

vindt men er grasrijke weiden, vooral in het C h e v i o t-gebergte op de grens van Schotland. Naar de kusten daalt het: daar liggen kleine vlakten.

§ 214. Engeland.

Het bergland in het Noorden bestaat uit het Penniniscli en het Cumbrisch gebergte.

Het Peak-gebergte is een holenrijk kalkgebergte; dooide laagte aan den Noordvoet is het kanaal gegraven, dat Hum-ber en Mersey in verbinding brengt.

Eene breede laagte, waardoor de Mersey stroomt, scheidt de genoemde gebergten van het Bergland van Wales.

Het Bergland van Cornwallis bestaat meest uit met heuvels bezette lage plateaus. In de dalen teelt men ooft; de bodem levert tin.

§ 215. Het Engelsche laagland wordt door talrijke heuvelruggen doorsneden en biedt daardoor eene rijke afwisseling van fraaie landschappen. Zoo loopt eene rij heuvelruggen van Bristol Noordoostwaarts tot in de York Moors, zoo vinden we ten Zuiden van de Theems de North Downs, en de South Downs.

Tal van rivieren besproeien het laagland: Theems, Severn, Trent, enz.

B. Ierland.

§ 216. Aan de kusten staan berggroepen, zoodat het grootste gedeelte dier kusten hoog is. Vooral de Westkust is op vele plaatsen steil; daar vindt men diep in het land dringende armen, en tallooze eilanden en klippen; zoo in het Zuid-Westen en tusschen de Gralway- en Donegalbaai.

De lersche berglanden bezitten hetzelfde karakter als de Schotsche: zij zijn arm aan bosschen, de bergen zijn kale hellingen of slechts uitgestrekte veenmoerassen.

Naar het binnenland toe worden de gebergten steeds lager en gaan door een heuvelland in de vlakte over. Dat binnenland zou tengevolge van het vochtig klimaat een groot meer zijn, als tusschen de kustgebergten niet kleine vlakten lagen, die de afwatering naar zee mogelijk maken. Toch wordt het laagland

ocr page 239

231

voor een groot deel ingenomen door veenm oerassen (grootste: bog of Allen, ten W. van Dublin) en meren (Neagh, Erne, Eee). De grootste rivier, de Shannon, bijna van den oorsprong af bevaarbaar, loopt door verscheidene meren, en is door twee kanalen, het Konings- en het Groote kanaal, met Dublin verbonden; het laatste staat weder in verband met de Barrow, die bij Waterford in zee loopt.

Een groot deel van het lage land is bedekt met eene dikke laag zandige klei. Toch beslaat in dit vochtige land de weide tweemaal zooveel oppervlakte als de bouwgrond.

Een groot deel des lands behoort den Engelschen adel, die den grond aan de Ieren verpacht.

Uitvoerplaats der landbouwprodukten is Dublin, de hoofdplaats (355.000 inw.; stoombootvaart naar Holyhead, waar het Engelsche spoorwegnet eindigt; voorhaven Kingstown). De grootste fabrieksstad is Belfast (256.000 inw.). In 't Zuiden ligt Cork (75.000 inw.) aan den mond der Shannon Limerick. Londonderry. —■ Bij het eilandje Valentia begint een telegraafkabel, die Europa en Amerika verbindt. Vooral de Ieren verhuizen naar Amerika; sedert 1840 is de bevolking van 8 millioen tot 5 millioen verminderd !

§ 217. In 1800 werd Ierland met Groot-Brittanje vereenigd, zóó, dat het Parlement het geheele rijk vertegenwoordigde. Dit Parlement bestaat uit het Hoogerhuis en het Lagerhuis.

De Anglikaansche kerk is de heerschende in Engeland, in Schotland de Presbyteriaanse he, in Ierland de Roomsch-Katholieke.

§ 218. Landbouw. In Engeland en Wales zijn 78% van den bodem bebouwd, in Schotland met zijne heide- en veen-streken 29%, in Ierland 77%.

In 't algemeen is de bodem niet bijzonder vruchtbaar, maar hij wordt uitstekend bewerkt en verzorgd. In geen land van Europa heeft men de oogst door technische hulpmiddelen meer zoeken te vergrooten dan in Engeland (drooglegging en kunstmatige besproeiing, kunstmeststoffen, draineering, groote machines voor ploegen, zaaien, oogsten, enz.).

ocr page 240

232

De omstandigheid, dat de grond niet sterk verdeeld is, m. a. w. dat de landhoeven groot zijn, bevordert het gebruik van landbouwmachines zeer. In Frankrijk b. v. is de grond versnipperd, en wie een paar HA land bezit, kan zich geen grootere werktuigen aanschaffen.

Zijn echter in Frankrijk de meeste boeren eigenaars, in Groot-Brittanje is dit anders. Hier heerscht het groot grondbezit, d. i. een groot deel van den bodem behoort aan betrekkelijk weinig personen. Ruim 10.000 personen bezitten meer dan 2/3 van den grond; 12 grondbezitters hebben samen eene oppervlakte gronds, grooter dan de helft van ons land, waaronder er een is (de hertog van Sutherland), die eene uitgestrektheid bezit als onze provincie Noord-Brabant. De boeren zijn dus in 't algemeen pachters, maar zooals we reeds opmerkten, de hoeven zijn vrij groot. In Ierland wordt de verdeeling van den bodem zoover doorgedreven, dat de pachters weer aan onderpachters verhuren, wat tengevolge heeft, dat velen niet meer dan een acre (= 0,405 HA) bewerken, wat véél te weinig is om er van te kunnen bestaan.

De waarde der landerijen vermindert in de laatste jaren steeds, daar tengevolge van den invoer van voedingsmiddelen (ook vleesch) de prijzen der landbouw- en veeteeltprodukten dalen. Daardoor neemt in Groot-Brittanje het bouwland voortdurend minder oppervlakte in, — het wordt in weiland omgezet. Sedert 1870 zou dit met 2 millioen HA het geval zijn. De pachten zijn lager geworden, maar niettemin is de toestand van de pachters (farmer) alles behalve rooskleurig.

Letten we eerst op den korenbouw. Het vochtig klimaat van het quot;Westen is voor het koren niet best; het meeste wordt dan ook in het Z.-O. van Engeland verbouwd: voornamelijk tarwe, gerst (voor de brouwerijen, die er zeer veel zijn), in Schotland vooral haver (het broodkoren).

De oogst bedroeg in 1897:

in Groot-Brittanje:

tarwe 19,930.000 HL gerst 24,250.000 „

haver 42,400.000 „

in Ierland:

tarwe 440.000 „

gerst 2,540.000 „

haver 17,710.000 „

ocr page 241

233

In Ierland worden vooral aardappelen geteeld.

Uit het bovenstaande is reeds af te leiden, dat groote hoeveelheden koren moeten worden ingevoerd (vooral tarwe).

Yoorts verbouwt men hop in 't Z.-O., veel groenten, vlas vooral in Ierland (om Belfast) en veevoeder. Ooft wordt vooral in 't Z. en Z.-W. (Cornwallis) verkregen. Tabak mag niet verbouwd worden (waardoor de regeering verzekerd is, dat de jaarlijksche opbrengst der inkomende rechten op de tabak groot zal zijn).

Woud wordt betrekkelijk weinig meer gevonden; grootere bosschen vindt men alleen nog in Schotland; echter tellen de parken om de kasteelen der edelen duizenden beuken en eiken.

§ 219. Veeteelt. De veeteelt wordt uitmuntend gedreven. Engeland bezit op zijne beste, goed verzorgde weiden uitstekende rassen. Van Engeland uit gaan jaarlijks duizenden fok-dieren, tot naar ver verwijderde landen.

In de eerste plaats moet het Engelsche paard genoemd worden; men onderscheidt volbloed-, halfbloed- en karrepaarden. De eerste zijn rijpaarden van Arabische afkomst; hun stamregister wordt nauwkeurig bijgehouden; de laatste behooren tot de grootste en sterkste paarden der Aarde.

Het Engelsche rundvee onderscheidt zich door melkrijkheid en groote geschiktheid om gemest te worden. Vooral het vee van Noord-En geland (Durham) is zwaar. Boter en kaas worden vooral om Chester gefabriceerd.

De schapen zijn door hunne uitmuntende wol bekend; geen land van Europa bezit zulke goede rassen als Engeland. Geiten worden vooral in Schotland en Ierland gehouden.

Varkens bezit vooral Ierland.

V eestapel:

paarden.....2,100.000

runderen.....H ,200.000

schapen en geiten . . 33,800.000 varkens..... 3,300.000

De veestapel is volstrekt niet voor de behoeften voldoende; groote hoeveelheden vleesch (en vee) worden ingevoerd. Terwijl deze vroeger allee»

ocr page 242

234

uit Europa betrokken werden, worden thans ook veel levend vee, vleesch in bevroren toestand, pekelvleesch en vet uit Amerika en Australië ingevoerd.

De zeevisscherij is van veel beteekenis. Van 't meeste belang is de haringvisschenj (Yarmouth in Engeland, AVick, Peterhead en Aberdeen in Schotland). Kabeljauw wordt op de Doggersbank en bij New-Foundland gevangen. Oesters teelt men in den Theemsmond (Whitstable). Walvisohvangst wordt van uit Dundee gedreven.

§ 220. Delfstoffen. Groot-Brittanje is buitengewoon rijk aan

delfstoffen; de waarde der productie is grooter dan van eenig land der wereld, —- de Vereenigde Staten uitgezonderd.

Steenkolen. Op de steenkolen berust de kolossale industrie,

ocr page 243

235

zij vormen tevens een der voornaamste vrachtgoederen voor den Engelschen uitvoer en den grondslag voor de metaalindustrie. De Engelsche kolen behooren tot de beste der Aarde.

In 't geheel zijn er meer dan 4000 groeven. De grootste en rijkste lagen liggen bij het Penninisch (en Peak-)gebergte. De meeste kolen leveren de bekkens van New-Castle, Glasgow, Leeds, Birmingham, Manchester, Zuid-Wales (Cardiff) en Cumberland. Ongeveer 700.000 personen verdienden in 1894 in de groeven of door den kolenhandel hun brood. Noord-Schotland en Ierland zijn arm aan steenkolen ; 90 % der kolen worden in 't land zelf verbruikt.

Metalen. Bovenaan staat het ijzer. De ligging is zoo gunstig mogelijk: onmiddellijk bij de steenkolen. De voornaamste bergwerken liggen in Zuid-Wales, in Zuid-Schotland, om Birmingham, Stafford, York. De lagen bezitten hier en daar eene dikte van 50 M.

Behalve dat Groot-Brittanje het gevonden erts verwerkt, wordt nog veel erts ingevoerd uit Spanje en Zweden. In de laatste jaren gaat de ijzerindustrie achteruit, tengevolge van de concurrentie van Xoord-Amerika (vroeger een belangrijke afnemer) en van het Europeesche continent.

De productie van tin (Cornwallis) gaat snel achteruit.

Lood leveren Man en Wales.

De beroemde graphietgroeven van Borrowdale in Cumberland leveren niet veel meer.

Zout wordt als steenzout en als bronzout gewonnen.

§ 221. Industrie. Groot-Brittanje is de eerste industriestaat der Aarde. Bijna alle takken van industrie zijn er hoog ontwikkeld. Als oorzaken zijn te beschouwen: de groote rijkdom aan nuttige delfstoffen, de uitnemende inrichting der fabrieken (bijna in alle takken hebben Engelschen belangrijke uitvindingen gedaan), de ondernemingsgeest, de voor fabrieksarbeid uitnemend geschikte arbeidskrachten, de uitstekende verbindingen te water en te land, de groote kapitalen, de uitgestrekte koloniën.

Xatuurlijk vindt men de grootindustrie vooral in de nabijheid der kolenbekkens, dus in Engeland en Zuid-Schotland.

ocr page 244

236

De gouden tijd is voor de Engelsche fabrikanten voorbij. Zoowel op het continent als in Noord-Amerika ontwikkelt zich de grootindustrie snel, en in vele takken heeft zij de Engelsche reeds overvleugeld.

De eerste rang komt toe aan de

Textielindustrie. Zij houdt 1,500.000 arbeiders bezig.

a. Katoenindustrie. In garens staat Engeland nog altijd bovenaan. De voornaamste gebieden zijn:

1. Manchester en omstreken. Op de wereld is geen tweede gebied aan te wijzen, waar zóóveel katoen verwerkt wordt. Kleine dorpen zijn hier ras tot groote steden gewassen. De grootste spinnerijen en weverijen bezitten Manchester (571.000 inw.), Blackburn (122.000 inw.), Oldham (143.000 inw.), Salford (200.000 inw.), en Preston.

In de tweede plaats moeten Derby, Nottingham, en vele andere genoemd worden.

2. Glasgow en omstreken. Glasgow zelf levert de helft der katoenen stoffen, die Schotland produceert. In Ierland vindt men weinig katoenfabrieken; 't meest nog in Portland en Belfast.

Hoofdhaven voor ruwe katoen in Liverpool.

b. Wolindustrie. Ongeveer 300.000 arbeiders vinden in deze industrie een middel van bestaan. De voornaamste centra zijn:

1. de graafschappen York en Lancaster in Engeland,

2. Lanark in Schotland (het Clyde-gebied).

Fabriekssteden in 1: Leeds, H udders field, Halifax,

Bradford, York. Londen levert vooral sjaals en tapijten.

In 2: Glasgow, Paisley. Yoorts in Aberdeen en Dumfr i es.

c. Linnenindustrie. Door de concurrentie gaat deze industrie niet vooruit. Centra zijn: Belfast, Leeds, Dundee, Glasgow, Dumferline (damast).

De hoofdzetels der juteindustrie zijn Dundee en Glasgow; groote fabrieken zijn echter ook in Belfast en Londen.

De industrie ontstond ten tijde van den Krimoorlog, toen Engeland geen vlas en hennep uitvoerde.

ocr page 245

237

d. Zydeindustrie, vooral in Londen en Manchester.

Metaalindustrie. In belangrijkheid doet deze weinig voor de textielindustrie onder. In de eerste plaats moet de yzer- en staalindustrie genoemd worden, die aan ongeveer 1 millioen arbeiders werk verschaft. Ze omvat alles, wat op dit gebied kan geleverd worden, van den kleinsten naainaald tot de grootste machines.

Het middelpunt is Birmingham (500.000 inw.), waar ook de messing-, brons- en koperindustrie gevonden wordt. Lokomotieven en machines worden vooral vervaardigd te Manchester, Leeds, Londen, Birmingham, Scheffield, New-Castle en Glasgow.

Draad leveren Birmingham, Manchester en Sheffield, wapens, geschut, pantserplaten Birmingham. Sheffield en Woolwich, pennen Birmingham.

In Zuid-Wales worden kop er ertsen uit Amerika en Australië uitgesmolten; daar vindt men groote kopergieterijen.

Uurwerken, optische, natuurkundige en chirurgische instrumenten leveren vooral Londen, Liverpool, Sheffield en Birmingham.

Van veel belang zijn voorts de volgende industrieën; aardewerk en porselein, voornamelijk in de zoogenaamde Pote-ries, met Stoke als middelpunt; vooral Worcester en Londen vervaardigen fijn porselein.

Glas wordt vooral in fijne soorten vervaardigd; de grootste fabrieken zijn te Birmingham, Londen, Newcastle, Glasgow, Sunderland.

De chemische fabrieken zijn grootsch ingericht (er zijn er bij met schoorsteenen van 162 en 1-42 M. hoogte!) en leveren groote hoeveelheden produkten; soda (voor soda is Engeland no. 1, — New-Castle, Liverpool, Glasgow, Bristol), zwavelzuur (Swansea en New-Castle), phosphor, jodium, kunstmest (120 fabrieken), verfstoffen (Londen), enz.

Bierbrouwerijen (porter van Londen, ale van Edinburgh, stout van Dublin).

Suikerraffinaderijen (Londen, Liverpool, Bristol, Dublin, Edinburg).

ocr page 246

238

De lederindustrie houdt 400.000 personen bezig. De huiden worden meest uit Z.-Amerika, Britsch-Indië en Rusland ingevoerd: Londen is hiervoor de eerste markt.

Papierfabrieken vooral te Londen, Manchester, Bath.

Voor papierfabricatie is Engeland no. 1.

Op reusachtige schaal wordt scheepsbouw uitgeoefend.

Jaarlijks worden 1100 schepen, waaronder 700 stoombooten, gebouwd. De belangrijkste werven vindt men aan de Clyde (Glasgow, Greenock), aan de Tyne (Shields, jSTew-Castle), aan de Mersey (Liverpool), te Londen, Portsmouth, Chatham, Bristol en Belfast.

§ 222. Handel en Verkeer. Groot-Brittanje is de eerste handelsstaat der wereld. Zijn handel is wereldhandel in den vollen zin van het woord, en omvat het vijfde deel van den ge-heelen handel der wereld, het derde deel van den Europeeschen handel.

Voor een groot deel heeft Groot-Brittanje, behalve aan zijne ertsen en steenkolen, de ontwikkeling van zijn' handel te danken aan zijne ligging. Omtrent die ligging merken we op:

door zijn zeeklimaat (de veelvuldige nevels zijn berucht!) vriezen de havens er nooit dicht; -— de rivieren zijn voor een groot deel bevaarbaar; — het ligt tegenover het belangrijkste deel van Europa, waar groote, bevaarbare rivieren de zee bereiken; — het ligt zeer geschikt om den handel tusschen Noorden en Zuiden (Oostzee en Middellandsche zee) te beheerschen; —

het is een „voorpostquot; van Europa in den Atlantischen oceaan, aangewezen om het verkeer met Amerika te onderhouden.

Geen land ter wereld bezit dan ook zulk eene groote handelsvloot.

Is de binnenlandsche handel hoogst belangrijk, waarlijk grootsch is de buitenlandsche. Hij omvat alle denkbare handelsstreken en alle handelswaren. In 't algemeen kan men den buitenland-schen handel als volgt karakteriseeren: ruwe stoffen en produkten, vooral der heete zone, worden naar Groot-Brittanje gezonden, dat zijne fabrikaten er voor in de plaats zendt.

Als voornaamste havens, als 't ware de „poorten voor den

ocr page 247

239

reusachtigen buitenlandschen handel,quot; moeten in de eerste plaats Londen en Liverpool genoemd worden. Londen heeft 36 % van den geheelen in-, en 26 % van den uitvoer; voor Liverpool is dit respectievelijk 25 % en 36 %.

Londen (4,400.000 inw.) is de eerste handelsstad der Aarde, een middelpunt van den wereldhandel; de produkten van vele landen komen in duizenden schepen hier aan, om weder over de Aarde verdeeld te worden. Londen heeft het grootste scheepvaartverkeer; 15 mill, t (de kustschepen niet meegerekend).

In thee, wol, huiden, koffie, cacao, zjjde, petroleum heheerscht Londen de wereldmarkt.

Liverpool (750.000 inw.) is de tweede handelsstad; de kaden hebben eene lengte van 30 KM. Voor den handel met Amerika is het van groot belang. Het is de haven voor de dichtbevolkte katoendistricten (een kanaal, dat 57 KM lang, 7,9 M diep en beneden 52 M breed is, verbindt de stad met Manchester, voert daarom katoen in, katoenen stoffen uit.) Het is eene hoofdmarkt voor katoen, rijst, hout, palmolie en koren. Scheepvaart 12 mil-lioen t. Tegenover de stad ligt Birkenhead (114.000 inw.r scheepsbouw; tunnel onder den Mersey naar Liverpool).

Dan moeten genoemd worden:

Hull (met Grimsby) voor den handel met de Noord- en Oostzeelanden.

Glasgow, met de voorhaven Greenock,

Newport, aan de Severn,

Southampton, voor het verkeer met Indië,

Sunderland,

Leith, de haven van Edinburgh,

Dover, Folkestone, voor het verkeer met Frankrijk,

Cardiff en Shields, voor den uitvoer van kolen.

Ook enkele steden in het binnenland zijn internationale handelsplaatsen van den eersten rang. Zoo is Manchester de eerste markt der wereld voor katoenen stoffen, Sheffield en Birmingham voor metaalwaren, Belfast voor linnen. Leeds en Bradford voor wol.

ocr page 248

240

§ 223. In- en Uityoer.

Invoer (1897):

koren 636 millioen gulden.

katoen 394 „ „

vleesch 343 „ „

wol 320 „ „

hout 316 „ „

boter en kaas 297 „ „

voorts: zijde, suiker, levende dieren, thee, vruchten, huiden, wijn, koper, zink, enz.

Van den invoer waren 50 % voedings- en genotmiddelen, 35 % ruwe stoffen.

Totale invoer: 5390 millioen gulden.

Uitvoer (1897):

katoenen stoffen 655 millioen gulden.

ijzerwaren 235 „ „

kolen 204 „ „

machines 200 „ „

wollen stoffen 194 „ „

verder garens, ijzer, chemicaliën, linnen stoffen, enz.

Van den uitvoer waren ruim 78 % fabrikaten.

Totale uitvoer: 3590 millioen gulden.

Muntwezen. 1 pond Sterling (= Sovereign) a 20 shilling = /12,10. 1 Shilling = 12 pence.

Guinea = 21 shilling; crown = 5 sh.; florin = 2 sh.

ocr page 249

III. AFRIKA.

§ 224. Tussclien den Atlantischen en den Indischen oceaan ligt Afrika.

Ongeveer midden door liet werelddeel loopt de evenaar. Het grootste deel ligt dan ook in de heete luchtstreek, alleen de Noordelijkste en Zuidelijkste deelen niet.

De uiterste punten zijn: kaap Blanco (Noordpunt van Tunis), Naaldkaap (de Zuidpunt van Afrika), kaap Guardafui (de Oost-), kaap Yerd (de Westpunt).

De grootste bocht is de Golf van Guinea, kleinere zijn: de Golf van Gabes en die van Sydra in 't Noorden; de Bocht van Zanzibar, van Sofala en de Delagoa-baai in 't Zuid-Oosten.

Het eiland Madagaskar (grooter dan Duitschland) wordt door het Kanaal van Mocambique van de vaste kust gescheiden. Door de Golf van Aden en de Straat van Bab-el-M and eb komt men van den Indischen oceaan in do li o ode zee, die door liet Kanaal van Suez met de Middellandsche zee verbonden is. (Aan de uiteinden liggen Port-Saïd en Sue z).

Het Suez-kanaal, gegraven van 1859 — 18G9, is 160 KM lang, 60—100 M breed en 8 M diep. Jaarlijks passeeren het 4000 schepen, waarvan bijna 3000 do Britsche vlag voeren.

§ 225. Overzicht

Het geheele Midden en Zuiden is eene hoogvlakte, of eene aaneenschakeling van hoogvlakten, die met terrassen of steil naar de kust dalen, zoodat de rivieren om den oceaan te bereiken, watervallen moeten maken.

Het hoogst is het Zuiden, het gebied van Zambesi, Lim-

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 16

ocr page 250

242

popo en Oranje-rivier. Naar het Noord-Oosten sluit zich hierbij aan het Oostafrikaansch merenplateau, met aanzienlijke meren en hooge verheffingen, zelfs Alpengebergten als dat van Abessynië, en de bronnen van groote rivieren: Nijl en Kongo. Ten Westen hiervan ligt het Kon go-bekken. Het geheele midden wordt ingenomen door den Soedan (Noordwaarts tot ongeveer do0 N.-B.); de kust van Grui-nea vormt een afzonderlijk gebied, waartoe de breede mond van de Kongo en de uitgestrekte delta van den Niger behoo-ren. Noordelijk ligt een laag plateau, dat ook aanzienlijke laagvlakten bevat, en van alle genoemde deelen de grootste oppervlakte inneemt: het Noordafrikaansch woestijngebied. Dan volgt nog in het Noord-Westen het Atlasgebied.

We kunnen Afrika dus als volgt verdoelen:

a. Zuid-Afrika.

b. Het Oostafrikaansch merenplateau.

c. Het Kongo-bekken.

d. Soedan.

e. De kust van Guinea.

f. Het Noordafrikaansch woest ij ngebied.

g. Het Atlasgebied.

§ 226. Het midden van Afrika heeft onder de loodrechte stralen der zon een warm klimaat. Ook de vochtigheid is niet gering. Vandaar, dat men hier groote wouden aantreft, bosschen van palmen, terwijl rijst, suikerriet, koffie en katoen cr tieren. In de wouden verzamelt men gom, harsen en was, — Opper-Guinea levert vooral palmolie (negerkaravanen brengen deze artikelen naar de kust, waar zij door de Europeanen worden opgekocht). De dierenwereld is vertegenwoordigd door leeuwen, olifanten, rivierpaarden, krokodillen en apen (gorilla, chimpansé). In het Zuiden: rundvee, schapen, paarden, struisvogels; de lastige tetse vlieg doet vele runderen sterven.

In het Midden en Zuiden van Afrika wonen de Negers, in het Zuiden de Hottentotten en Boschjosmannen.

De eersten zijn zwart, de laatsten geel: vooral tusschen de talen dezer beide rassen bestaat een groot verschil.

ocr page 251

243

Men onderscheidt de Negers in Soedan- en Bantoe-ne-gers. Tot de laatsten behooren de krijgshaftige Kaffers in 't Zuid-Oosten.

De godsdienst, het Fetisjisme, kent eene groote macht toe aan toovermiddelen; toovenaars, wonderdokters en regenmakers staan in hoog aanzien. De slavenhandel, zooveel mogelijk tegengegaan, heeft nog op verre na niet opgehouden; vooral in 't binnenland zijn slaven het voornaamste handelsartikel (de handelaars in slaven zijn hoofdzakelijk Arabieren).

In het Noorden wonen Hamieten en Semieten, die tot het Middellandsche ras behooren.

Vooral in 't Zuiden hebben zich Gcrmaiicii gevestigd.

§ 227. Zuid-Afrika.

Gelijk we zagen is geheel Zuid-Afrika eene hoogvlakte. Noordwaarts reikt zij tot de waterscheiding tusschen Kongo en Zambesi. Naar het Oosten en AVesten dalen de randgebergten door terrassen tot de kust. In het Zuid-Oosten doen dit de Draken-bergen, van hier naar het Noorden verwijdert zich de rand van het plateau steeds verder van de kust, zoodat eene breede, heete kustvlakte ontstaat, berucht door hare koortsen; in die kustvlakte ligt Sofa la. Naar het Zuiden daalt het hoogland in drie terrassen, waarvan het hoogstede Groote Karroo heet. Naar het Westen daalt het in twee of meer terrassen. Terwijl over de Oostelijke terrassen tal van riviertjes naar zee ijlen, zijn de Westelijke arm aan water. Het eigenlijke hoogland omvat:

a. de streken van de Oranje-rivier en de Limpopo, met tamelijk goeden bodem, ten minste in het Oosten. De Oranje-rivier ontvangt het water van de Vaal. Evenals de Limpopo is zij door stroomversnellingen en het vaak voorkomend gebrek aan water onbevaarbaar.

b. de Kalahari-woestijn, ten deele eene grassteppe.

c. het gebied van het Ngami-meer, eene zoutsteppe

Op de waterscheiding ontspringt de Zambesi, in grootte den

Donau nabij komende. Zij vormt de beroemde, grootsche Vic-t or ia-vallen. In haren middelloop is zij bevaarbaar; in het kustgebied ontvangt zjj de afwatering van het Njassa.

ocr page 252

24-i

De bevolking van deze streek bestaat uit:

Hottentotten en Boschjesmannen, van de Oranjerivier tot de Ivunene:

legers in het Xoorden, Midden en Oosten (Matabele, Beetsjoeanen, Kaffers; alle drie volken zijn thans aan de Engelschen onderworpen);

Germanen in 't Zuiden (Engelschen, Hollanders). Het gedeelte ten Zuiden van de Oranje-rivier is het Kaapland. Daar de Nederlandsche bewoners ontevreden waren met het Engelsch bestuur, trokken zij naar het Woorden, het binnenland, en stichtten er republieken, eerst de Oranje-Yrystaat, later de Zuidafrikaansche republiek (Transvaal). § 228. Het Oostafrikaajiseh merenplateau.

Dit plateau strekt zich van de Zambesi tot de Roode zee uit. In het Westen grenst het aan het Kongo-bekken en den lagen Soedan, in het Oosten daalt het in breede terrassen naar den Indischen oceaan.

Talrijk zijn de meren, die op dit plateau voorkomen. Het Njassa watert af naar de Zambesi; uit het Bangweolo-meer ontspringt een der bronrivieren van de Kongo, met welke laatste ook het Tanga-iijika in verbinding staat. Het grootste waterbekken is het Victoria-ineer, waaruit de Nijl ontspringt, een grootschen waterval maakt, door het A1 b e r t-m eer stroomt, dit als Witten Nyl verlaat en dan in den lagen Soedan komt.

Het Tanga-njika is grooter dan ons land, het Victoriameer is 21/2 X 200 STOOt..

Op de Westzijde van het plateau verheffen zich hooge gebergten: onder den aequator het vulkanische bergland van den Kilima Ndsjaro en de Kenia (resp. 6000 en 5000 M). Noordelijker het Alpenland van Abessynië, het „Afrikaansche Zwitserlandquot;. Het laatste is eene aaneenschakeling van hooge bergketens en plateaus; steil daalt de hooge Oostrand naar de dorre kust der Eoode Zee (het Italiaansche Erytrea); uitliet T san a-meer ontspringt de Blauwe Nyl, die zich bij Khartoem met den Witten Nijl vereenigt.

Van het merenplateau strekken zich twee, terrasvormig naar

ocr page 253
ocr page 254

246

den oceaan dalende, hoogvlakten uit: in 't Zuiden een steppenland (Duitsch Oost-Afrika), in 't Noorden de slecht bekende onvruchtbare Gal la- en Somali land en (S om a li-s ch iereiland). De kustvlakte is over 't geheel smal. Op een eilandje ligt de belangrijke handelsstad Zanzibar (onder Engelschen invloed).

Zanzibar levert veel ivoor. Uit Nederland ontvangt het o. a. tabak en aardewerk.

Ten N. van Zanzibar ligt het eilandje Pemba, geheel bezet met krnid-nagelboomen en kokospalmen.

Het grootste deel van het behandelde gebied bestaat uit steppen; waar landbouw mogelijk is levert het rijst en mais in de lagere, tarwe en mais in de hoogere streken. Katoen, tabak, koffie wordt in kleine hoeveelheden verkregen. Veeteelt en jacht (op olifanten, leeuwen en nijlpaarden) zijn hoofdmiddelen van bestaan. Katoenen stoffen worden door dragers-karavanen van de kust naar het binnenland gebracht.

Het Westelijk gedeelte van het gebied behoort tot den Kongo-staat. Abessynië, welker bewoners tot de Christenen behooren, is een onafhankelijke staat; de heerscher heeft den titel n e-gus; hoofdstad is Debra-Tabor.

quot; § 229. Het Kongo-bekken.

Het Kongo-bekken is eene groote, door den Kongo met zijne zjjrivieren doorstroomde vlakte. De grenzen zijn: in 't Zuiden de waterscheiding met het Zambesi-gebied; in 't Oosten het Oostafrikaansche merenplateau, in 't Noorden de Noord-aequatoriale waterscheiding, op ongeveer 5quot; N.-B., in 't Westen de steil naar de kust dalende bergrand. De Noordelijke helft van dit groote gebied is bedekt met oerwouden, de Zuidelijke helft is voor een groot deel grassteppe.

De Kongo is de afwatering van het geheele bekken.

Zij maakt verscheidene watervallen (Stanley-vallen), verbreedt zich tot een klein meer (Stanley-pool) en bereikt dan door een 300 KM lang dal (in den plateaurand) met vele watervallen de kustvlakte.

Het geheele bekken is dicht bevolkt. Vooral de in 't Zuiden

ocr page 255

247

wonende volken behooren tot de meer ontwikkelde negerstammen : zij oefenen landbouw en veeteelt uit en stichtten groote staten. Geheel anders is het met de volken ten N. van den Kongo gesteld. De Njam-njam zijn als woest berucht; in de oerwouden leven dwergvolken van de jacht.

Hoofdprodukten zijn olie (van den oliepalm, uit wiens sap palmwijn wordt verkregen), woudprodukten als gom, en caout-chouk, ivoor, enz.

De Franschen hebben in hun gebied met goed gevolg den cacaoboom ingevoerd.

Aan den mond ligt Banana (Nederlandsche factorie).

Do Kongo is, afgezien yan de watervallen, overal bevaarbaar. Men heeft oen' spoorweg van de kust tot op de hoogvlakte aangelegd en zoo een' weg tot in het hart van het „donkere werelddeelquot; verkregen.

Het grootste deel van het bekken behoort tot den Kongo-staat, onder bestuur van België.

§ 230. Soedan.

Onder Soedan verstaat men de Zuidelijke helft van den Afri-kaanschen vierhoek, van den Atlantischen oceaan tot Abessynië. Over het geheel is het een heuvelig plateau. Door het bekken van het T s a d - m e e r en het ten Zuiden daarvan gelegen bergland wordt het in twee deelen verdeeld:

West-Soedan, vruchtbaar, met tropische wouden, weide en bouwland.

Oost-Soedan, grootendeels eene grassteppe, hier en daar met bosch bezet.

In West-Soedan loopt een plateau naar 't Zuiden op en daalt steil naar de kust van Guinea: de rand is vanouds als „Kongquot; (= gebergte) bekend. De Westhoek is het bron-gebied van Senegal, Gambia en Niger.

Do Senegal is langer dan de Rijn, de Gambia is zoo lang als do Wezer, do Niger is langer dan de Wolga.

In den Niger stroomt de bevaarbare B i n o e ë uit.

Aan den mond vormt de Niger eene groote, moerassige delta.

O o s t-S p gil a n. beyat in '-t Westen het gebied van de Shari,

ocr page 256

248

in 't Oosten het dal van den Witten Nyl. De oevers van deze zijn moerassig; in den regentijd breidt zich de watervlakte zelfs tot eene breedte vari 20 uren uit. De Nijl zelf is vol riet en papyrus, terwijl drijvende planten soms groote, voor de scheepvaart zeer hinderlijke, dammen vormen. Bij Khartoem veree-nigt hij zich met den Blauwen JSTijl.

Landbouw en veeteelt (geiten, runderen) zijn de hoofdmiddelen van bestaan in den geheelen Soedan. In het Westen wonen de Fellata's en Foelbes, in liet Oosten Negers, Semieten en Ham ie ten.

Senegambië behoort grootendeels aan de Franschen. die een groot deel van West-Soedan in bezit hebben; haven is Saint-Louis. Bathurst is Engelsch.

Groote negersteden zijn:

Timboektoe, handel in slaven, ivoor, struisveeren, gom. (Fransch).

Sokoto, ijzer, leer en katoen.

Kano, markten, groote handel.

Koe ka, weg van hier naar de Middellandsche zee.

Vooral tusschen ijenegal en Niger is groot gebrek aan zout. In sommige streken betaalt men voor 1 KG 8,5 franc. Het wordt van uit de Sahara en ook Tan de kust uit aangevoerd.

Khartoem in 't Oosten handelt in ivoor en struisveeren.

§ 231. De Kust van Guinea.

Dit is de lage kuststrook langs de Golf van Guinea, vruchtbaar, maar op de meeste plaatsen ongezond door moerassen. Plantagebouw is er hoofdzaak: katoen, suikerriet, tabak, rijst, oliepalmen, enz.

In 't Zuiden, van de Kunene tot den Kongo, liggen Portu-geesche bezittingen (Angola met de goede haven Loanda, 14.000 inw.). Naar 't Noorden volgen dan Pransche, daarna Duitsche bezittingen (Kameroen).

In Opper-Guinea hebben de Engelschen en Duitschers bezittingen (men onderscheidt: de Peperkust, de Ivoorkust, de Goudkust, de Oliekust; de naam is aan de produkten

ocr page 257

249

ontleend). Hier liggen ook de beruchte negerrijken Asjanti en Da home. Liberia, de negerrepubliek, oorspronkelijk bestemd de vrij verklaarde Amerikaansche negers op te nemen en gesticht door eene philantropische v.ereeniging, verheugt zich

Sierra Leone is eene Engelsche kolonie (stad Freetown). § 232. Het Noordafrikaausch woestijngebied.

Dit omvat het geheele Xoorden van Afrika, van den Atlan-tischen oceaan tot de Eoode zee, met uitzondering van het bergland van den Atlas: de bekende Sahara.

Vooral in het Westelijk deel der Sahara vindt men zand; het

niet in hoogen bloei.

ocr page 258

250

midden en het Oosten (de Lybische woestijn) bezitten steenachtige hoogvlakten (hammada's, b.v. in Tripoli), terwijl het midden ook talrijke gebergten en berglanden bevat, soms tot 2500 M hoogte. De voorstelling, dat de Sahara eene ware „zandzeequot; is, is dus onjuist.

jSTatuurlijk ia de temperatuur hier zeer hoog; daar de hemel echter onbewolkt is, koelt het land 's nachts sterk af, zoodat de dauw eenige verfrissching aanbrengt. De enkele keeren dat het regent, komen er stortbuien; maar het water is spoedig in het mulle zand verdwenen; talrijke droge beddingen (wadi's) voeren het water dan van de hoogere deelen af. — De warme wind (samoem), die niet zelden waait, is een der grootste vjjanden van de karavanen.

Waar bronnen gevonden worden, vindt men ook plantengroei en wonen menschen: daar heeft men de oasen der woestijn. De voornaamste plant is er de dadelpalm.

Hot belang van dozen boom voor den woestijnbowoner kan niet te hoog geschat worden. Zijne vrucht, de dadel, wordt versch en gedroogd gegeten. Uit de gedroogde dadels bereidt men eene soort honig: het overblijvende levert, met gerstemeel vermengd een brood, dat lang' goed blijft; de palmwijn, dien men verkrijgt, is zeer goed; het bovenste deel van den boom, de „koolquot;, wordt gegeten; van de kleine bladen maakt men mandjes, hoeden, waaiers, enz., van den stam planken en balkon, van de vezels touw. Letterlijk niets gaat verloren.

ïal van oasen liggen over de Sahara verspreid; zij maken het trekken door de woestijn mogelijk. De karavanen begeven zich met beladen kamee-len van oase tot oase. Een kameel legt, belast met 225 KG, per dag gemiddeld 42 KM af.

De voornaamste karavaanweg loopt midden door de Sahara; de route Koeka-Bilma-Moerzoek -Tripoli.

Tripoli is als 't ware de haven voor de staten om het Tsad-meer. In het Westelijk deel van de Sahara leiden wegen van Marokko naar Senegal en Timboektoe (met de haven Kabara aan den Niger).

In het geheele Nigergebied en 't Westen van de Sahara wordt de kaoerischelp als pasmunt gebruikt; 4 a 5000 schelpen hebben de waarde van een' rijksdaalder. In het Oosten en

ocr page 259

254

midden van de Sahara gebruikt men als betalingsmiddel den Maria Theresiathaler (soms, om pasmunt te krijgen, in stukken geslagen!).

Aan de Noordkust ligt Tripoli (30.000 inw.) in de smalle kustvlakte, die zuidvruchten en katoen oplevert. Zij voert ivoor, esparto, struisveeren, enz. uit, door karavanen uit het Zuiden aangebracht.

Uitvoer 1893; espartogras 2,750.000 frcs. (vooral naar Engeland), struisveeren 2,500.000 „ ( „ „ Frankrijk), sponsen 1,400.000 „ ( „ „ Griekenland,

Frankrijk, Italië).

Er kwamen 283 stoom- en 723 zeilschepen.

ocr page 260

252

In het Oosten doorsnijdt de Njjl het woestijngebied in een smal dal. Steil valt de woestijnvlakte naar het dal. De Jfjjl vormt enkele watervallen. De benedenloop stroomt door het regenlooze Egypte, dat elk jaar bij hoogen stand van den Njjl voor een belangrijk deel onder water komt. De delta begint bij Kaïro; zij is evengroot als de delta van den Niger. De hoofdmonden liggen bij Rosette en Damiette.

Door de overstroomingen wordt het land met eene laag slib bedekt, waaruit het koren welig opschiet; ook de katoenteelt is van belang.

De _ hoofdstad is Kaïro (570.000 inw.), de haven Alexandrië (320.000 inw.), door eene spoor met Suez verbonden. In de delta: Tanta (groote missen).

Uitvoer 1896 ;

katoen 4,648.000 cantor (= 44,49 KCi),

katoenzaad 6,127.000 HL,

suiker 1,472.000 cantors,

voorts : wol.

De suikerfabrioatie komt meer en meer tot bloei.

Te Alexandrië was liet scheepvaartverkeer ;

aangekomen; 1302 stoom-, 830 zeilschepen.

vertrokken: 1286 „ 819 „

§ 233. Het Atlasgebied.

Dit wordt grootendeels ingenomen door het Atlasgebergte, dat Marokko, Algiers en Tunis doorsnijdt. In het midden ligt •eene 1000 M hooge vlakte, bedekt met Halfagras en groote zoutmeren (sjotts). De Noordkust is over't algemeen rotsig.— Yan de kust uit heeft men achtereenvolgens: het Rif, rotsig, slechts hier en daar bebouwd; het ïell, de waterijke, goed bebouwde deelen van den N. Atlas; het plateau der sjotts; het niet breede Tell van den Z. Atlas. — Ten Zuiden van den Atlas ligt eene kleine vlakte lager dan de zeespiegel, ook met sjotts bedekt (de „lage sjottsquot;). Naar het Zuiden gaat verder de Atlas in steenachtige plateaus over, waartusschen belangrijke deelen der zandwoestenijen van de Sahara liggen.

Haifa is hetzelfde als esparto.

ocr page 261

253

Klimaat eu plantengroei komen veel met die van Zuid-Italië overeen (Middellandsche-zeeklimaat). Het land wordt grooten-deels door Arabieren bewoond, fanatieke Mohamedanen.

Onafhankelijk is Marokko. Marokko en Fez zijn er de belangrijkste plaatsen. Fez is de voornaamste stad voor den binnenlandschen handel. Havenplaatsen zijn Tang er, waarde Europeesche consuls wonen, en Mo gad or.

Algerië en Tunis behooren tot Frankrijk. Men verbouwt er wijn, tabak en zuidvruchten, en kweekt er kurkeiken. Voornaamste plaatsen: Algiers (92.000 inw.), O ran (81.000 inw.);. Tunis (170.000 inw.), uitvoer van olijven; spons- en koraalvis-scherij aan de kusten.

Algiers Toert uit: kurk, wijn (jaarlijksche jiroiluctie 4 millioeu HL) halfa, olijfolie, groenten en vruchten, wol. Do kurk wordt vooral naar Rusland, Noorwegen en Zweden verzonden, halfa (esparto) meest naar Engeland, waar men er papier van maakt, wijn en olijfolie gaan meest naar Frankrijk, Parijs ontvangt de groenten en vruchten, die er 3 dagen na de verzending aankomen. De woluitvoer gaat achteruit,

§ 234. De eilanden. Het grootste is Madagaskar, bewoond door de vrij goed ontwikkelde Hova's, thans door Frankrijk overmeesterd. Dichtbij liggen Eéunion (Fransch) en Mauritius (Engelsch; levert veel suiker op; hoofdplaats Port Louis met 63.000 inw,). In den Atlantischen oceaan liggen: Madeira (veel bezocht door teringlijders, stad Funcha 1), de Kaapverdische eilanden, de Acores, St.-Thomas, Prinsen-eiland (allen Portugeesch); de Canarische eilanden, Fernando Po, Anno Bon (Spaansch), Ascension en St.-Helena (Engelsch).

Zuid-Afrika.

§ 235. Een belangrijk deel van Zuid-Afrika is in handen der Engelschen: allereerst het Kaapland (tot de Oranje-rivier), AVest-Griqualand, Basoetoland, Natal, enz.; voorts Britsch Beetsjoeanaland, en Zambesia of Njassaland, Noordwaarts reikende tot het Tanganjika, Oostwaarts tot JSjassa en Sjirwa.

ocr page 262

254

In het Zuid-Westen bezitten de Duitschers een uitgestrekt gebied, in het Oosten ligt Portugeesch Zuid-Mozambique (Lou-rengo Marquez). Tusschen het Engelsch en Portugeesch gebied liggen de vrije republieken: de Oranje-Yrijstaat en de Zuidat-rikaansche republiek.

§ 23(3. Duitsch Zuid-West-Afrika. Het omvat de breede strook tusschen de Kunene en den Oranjemond, Oostwaarts tot 20° O.-L., in hot Noorden met een smal gedeelte tot de Zambesi reikend. De kustlengte bedraagt 300 uren. Het Zuiden is Groot-j^ama, het Noorden Damaraland. Engelsch is de omgeving der Walvischbaai (vrijhaven).

De oppervlakte =; 25 X ons land, het aantal inwoners van dit uitgestrekt gebied 200.000! Bij de waterloopen (wadi's) is grasland en wordt veeteelt uitgeoefend. Hoofdplaats: Wind-hoe k.

§ 237. Engelsche bezittingen.

Zooals bekend is stichtten de Nederlanders Kaapland. Sedert den Napo-leontischen tijd is dit Engelsch. Aanvankelijk bestond de Engelsche bevolkin? bijna uitsluitend uit Nederlanders. Om het Engelsche element er te versterken, werden er in 1820 een groot aantal Schotten naar het Kaapland gezonden : zij vestigden zich om de Algoa-baai en stichtten daar Port-EIi-zabeth. De Hollandsche boeren, die met tegenzin hun land in Engelsche handen hadden zien overgaan, trokken naar Natal, vereenigden zich daar met de weinige Engelschen, die zich daar gevestigd hadden, stichtten Pieter Maritsburg en verklaarden Natal tot een onafhankelijken staat (1839). Anderen trokken over de Oranje-rivier en stichtten 1842 den tusschen deze en de Vaal-rivier gelegen Oranje-vrijstaat. De Engelschen bezetten echter in '48 den Vrijstaat, maar verklaarden in '54 het land weer voor onafhankelijk. Intusschen had hot Engelsch bestuur tengevolge gehad, dat vele boeren de Vaal overgetrokken waren en de Transvaal hadden gesticht. In '77 werd deze door do Engelschen geannexeerd, maar na een' opstand in '80 moesten zij het land onafhankelijk verklaren : het nam toen den naam Zuidafrikaansche republiek aan. Intusschen hadden de Engelschen Natal genomen, in 1898 Basootoe-land (de streek aan den bovenloop der Oranjerivier), in 1871 West-Griqualand, in 1877 Zoeloeland.

Britsch Beetsjoeanaland werd in 1885 geannexeerd, en van hier drong men steeds Noordelijker door (het grootste deel van het Noordelijk gebied 1889).

In het Kaapland wordt landbouw vooral langs de kusten

ocr page 263

255

uitgeoefend en op die gedeelten van terrassen, waar bevloeiing mogelijk is (er zijn streken, waar soms in 2 a 3 jaar geen regen valt); daar wordt tarwe, rogge, maïs, haver, aardappelen verbouwd. De veestapel bestaat uit paarden, runderen en schapen; vooral uit de laatste, die uitmuntende wol leveren. quot;VVij wijzen nog op den sterk vooruitgaanden wijnbouw (het Kaapland levert jaarlijks reeds meer dan 200.000 HL. 1)), op de struisenteelt (er zijn reeds meer dan 250.000 struisen; de uitvoer van struisvederen is van veel beteekenis).

West-Griqualand is het land der diamanten; de hoofdplaats Kim b er ley heeft 30.000 inwoners.

De eerste havenstad van het Kaapland is Kaapstad (met voorsteden 84.000 inw.), de tweede Port Elizabeth (26.000 inw.), de derde East-London (7000 inw.).

Wat de struisTeeren betreft lieeft Zuid-Afrika het Noorden geheel overvleugeld. Tripoli, dat van do Noordafrikaansche landen verreweg bet meeste uitvoert, voerde van 188i — 91 voor 14,6 millioen francs uit, het Kaapland van 1879 tot 1888 voor ruim 18 millioen francs.

De wolproductie en daarmee de woluitvoer gaat achteruit. Drie groote spoorwegen doorsnijden het gebied : de Westelijke van Kaapstad uit, de middelste van Port Elizabeth, de Oostelijke van East-Londen uit. In het binnenland moet nog veel van ossekarren gebruik gemaakt worden.

Natal is een echt bergland: het bestaat uit de Oostelijke terrassen van den hoogen plateau- en bergrand. Het levert suiker, koffie, thee, zuidvruchten en Europeesche granen en groenten, en kan deze verschillende produkten leveren, omdat het zich van de heete kustvlakte tot in do koele gebergten uitstrekt. Veel schapen.

Do handel concentreert zich in de haven: Durban of Port Natal (39.000 inw.). Hoofdplaats: Pieter Maritsburg (20.000 inw.).

Port-Natal gaat zeer vooruit, sedert in 1896 de spoorwegverbinding met Johannesburg en Pretoria is tot stand gekomen. Zeil- en stoomschepen van vrij grooten diepgang kunnen binnenkomen. Do ontginning der Natal-

1) In 1897 258.000 HL.

ocr page 264

256

sche steenkoolmijnen gaat vooruit, zoodat veel schepen in Port Natal bin-nenloopen om hun' kolen voorraad aan te vullen.

Uitvoer: wol, huiden, suiker, maïs, thee, steenkolen.

Beetsjoerualand is hoofdzakelijk alleen voor veeteelt te gebruiken: het wordt ingenomen door do woestijnachtige steppen van den Kalahari.

Zamb esia of Njassa-land is het gebied van de Matabelen. de Masjona. de Maroetse, enz. Vooral Masjonaland is rijk aan mineralen (goud); vele groote compagniën ontginnen er reeds den bodem.

Het deel, dat tusschen de meren gelegen is (tusschen iSTjassa, Tanganjika, Moero en Bangweolo) wordt wel Britsch Centraal-Afrika genoemd. Het is goed bewaterd en heeft misschien eene bevolking van 4 a 5 millioen negers.

De Oranje-Vrystaat is ongeveer 4 X ons land. Het Zuidoostelijk einde van het groote plateau vormende, is het vooral voor veeteelt geschikt. Toch vindt men hier en daar ook bouwland (tarwe, maïs). Zeer groot is het getal schapen, terwijl eveneens veel struisen gehouden worden. Handel wordt er dan ook gedreven in wol, struisveeren, vee, huiden, diamanten (uitvoer diamanten 1896; 5,500.000 gulden). Hoofdplaats Bloemfontein (5800 inw.).

Sedert 1889 vormt de Oranje-Vrijstaat met de Zuid-Afr. republiek een tolgebied, waartoe in 1898 ook Natal toetrad.

Invoer 1897 : 15 millioen guklen.

U i t T o e r 1897 ; 21 „ „

't Meest ging over de Kaapsche en Natalsche havens.

§ 239. De Zuidafrlkaansclie republiek is ongeveer 10 X ons land en heeft 850 a 900.000 inwoners. De hoofdstad Pretoria werd in 1853 gesticht. In 1890 annexeerde de republiek een gedeelte van Zoeloeland (thans Vrijheid geheeten), in 1894 Swa-siland, waarover het tot dien tijd het protectoraat had bezeten.

Van de bewoners zullen ongeveer 020.000 tot de Kaffers en Negers behooren. Het getal blanken beloopt 240 a 250.000. Het land is niet onvruchtbaar, als het besproeid wordt. Land-

ocr page 265

257

bouw en veeteelt zijn er de hoofdmiddelen van bestaan, hoofdzakelijk voor de stichters der republiek en hunne nakomelingen. De ontdekking der minerale schatten heeft later duizenden vreemdelingen doen immigreeren. en de bevolking in de laatste jaren snel doen toenemen. De landbouw levert mais, koren, meloenen, doerrah, enz., ook suiker, tabak, katoen. De veeboer houdt runderen, schapen, geiten, struisen.

Yan de minerale schatten moeten kolen, ijzer, koper, goud, diamanten, enz. genoemd worden. Vooral het goud deed velen Ten Have, Handels-Aai-drijkskunde. 1 gt;

ocr page 266

258

in liet land komen. In de laatste jaren zijn rijke beddingen gevonden in den Witwatersrand, waar Joliannesburg reeds meer dan 100.000 inwoners telt (de grootste stad van geheel Zuid-Afrika). Ook bij Lijdenburg en Bar bert on wordt goud gevonden. De kolenmijnen leverden in 1896 reeds bijna 1', mill, ton (waarde ruim 7 millioen gulden).

De hoofdstad Pretoria heeft 12.000 inwoners.

Natuurlijk was het voor de Zuidafrikaansehe republiek van groot belang door een' spoorweg met eene goede haven aan den oceaan verbonden te zijn, het was eene levenskwestie voor de zich ontwikkelende republiek. De aanleg van zulk een' spoorweg door de hooge randgebergten leverde velerlei moeilijkheden op en was een kostbaar werk. Daarbij wenschte de republiek onafhankelijk te blijven van de Engelsche bezittingen. Thans is Pretoria door een' spoorweg verbonden met Lourengo Mar-quez aan de Delagoa baai. Slechts voor een klein deel loopt de weg over Portugeesch gebied.

De invoer is steeds stijgende :

Invoer 188G : 494.000 pond sterling, „ 1890 : 3,099.000 „

1894: 0,440.000 „ „

1890: 14,088.000 „

Meer en meer worden de waren verzonden over Lorenijo Marqnez en Port Natal, ten koste van de Kaapsche havens.

Uitvoer goud ruim 8 millioen pond sterling, waarvan de groeven aan den Witwatersrand alleen meer dan 7 millioen leverden.

In 189G werkten 9400 blanken en 64000 kleurlingen in de goudmijnen.

Steenkolen vindt men vooral in de districten Boksburg, Heidelberg, Middelburg en Lijdenburg.

§ 240. Portugeesch Oost-Afrika is van weinig beteekenis, al heeft het ook eene oppervlakte = 23 X ons land. De Zambesi scheidt het in twee deelen : Mogambique en Lourengo Mar que z. De bevolking bestaat uit Bantoe-negers en ingekomen Arabieren en Indiërs.

De lage kuststreek is heet en moerassig; malaria heerscht bijna overal; vele plaatsjes liggen dan ook op eilandjes bij de kust. De terrassen hebben wat koeler klimaat. Rijst, maïs,

ocr page 267

259

koffie en katoen wordt er verbouwd, ivoor en gommen uitgevoerd. Wegen zijn er bijna niet, en die er zijn, bevinden zich in zeer slechten toestand, een gevolg van liet door en door slecht beheer. Door de tsetsevlieg is het onmogelijk lastvee te honden: de goederen moeten door dragers van de kust naar het binnenland en omgekeerd vervoerd worden. Dat is moeilijk en kostbaar.

De plaatsen zijn klein: Mozambique (op een koraaleiland) heeft 7000 inw., Beïro (uitgangspunt spoorweg) 4000, So fa la J300. Lour en co Marques 7700.

ocr page 268

IV. A Z I Ë.

§ '241. Azië wordt in liet Noorden door do Noordelijke IJszee, in het Oosten door den Grooten, in liet Zuiden dooiden Indischen oceaan begrensd. In het Westen grenst het aan de Eoode en de Middellandsclie zee, en aan Europa.

Onderdeden dezer zeeën zijn: de Perzische zee en de Perzische golf, de Golf van Bengalen, de Golf van Siani, de Chineesche Zuidzee, de Chineesche Oostzee, de Gele zee, de Japansche zee, de Zee van Ochotsk en de Boringszee. De Beringsstraat scheidt Azië van Amerika.

In 't Zuiden vinden we drie groote schiereilanden: Arabië, Toor-Indië en Acliter-Inilië. Een deel van Achter-Indië is het schiereiland Malaka. In 't Zuid-Oosten: de Oostindische eilanden, de Philippynen, Hainan; in 'tOosten: Formosa, de Lioe-Kioe eilanden, de Japansche eilanden — Kioesioe, Sikok, Nippon en Jesso —, Sachalin, de Koerilen, de Aleoeten.

De voornaamste kapen zjjn: k. Co mor in, de Oostkaap, k. Taymir of Tscheljuskin.

§ '242. Overzicht van het vastland.

Het Noord-Westen van Azië is eene laagvlakte, die zich van Iran tot de Noordelijke IJszee uitstrekt.

Ten Oosten der Jenissei begint het Siberische bergland, loo-pende tot den Grooten oceaan.

Het geheele midden bestaat uit hoogland, omgeven door hooge gebergten: Himalaja, ïiansjan, Altaiquot;, Jablonoi, Chingan en het Chineesche Alpenland. Aan de Oostzijde sluiten hiertegen aan: Mantsjoerije, het Chineesche laagland en het Chineesche berg-

ocr page 269

261

land; in het Zuiden Achter-Indië en Voor-Indië. Dan volgen het Plateau van Iran en de Plateaus van Klein-Azië. Het eerste is door liet laagland van Tigris en Euphraat (Mesopo-tamië) van het Syrisch-Arabisch hoogland gescheiden.

We kunnen het vastland dus verdeden als volgt:

a. HetWestaziatisch 1 a a g 1 a n d.

b. Het Siberisch bergland.

c. Het Centrale h o o g 1 a n d.

il. M a n t s j o e rij e.

e. Het Chineesche 1 a a g 1 a n d.

f. Het Chineesche bergland.

gquot;. Achter-Indië.

h. Voor-Indië.

i. Het Plateau van Iran.

j. Klein-Azië.

k. M e s o p o t a m i ë.

1. Het Syrisch-Arabisch hoogland.

§ 243. Het Westaziatisch laagland.

Het quot;Westaziatisch laagland ligt ten Oosten van liet Oeral-gebergte en de Kaspische zee. We kunnen liet verdeden in het Siberische laagland, de Kirgiezen-steppen en liet Laagland van ï o e r a n.

Het Siberische laagland is hoofdzakelijk het gebied van de Ob. In 't Noorden strekt liet zich ook langs do kust uit. De Ob ontspringt op den Altaï, neemt links de Irtisj op, die bij Tobolsk het water van den T o b o 1 ontvangt.

Hoofdzakelijk nog door laagland stroomt ook de Jenissei, die rechts de B o v e n-, Midden- en B e n e d e n-T oengoeska opneemt.

Nadeden zijn:

a. de rivieren z ij n vele maanden in 't j aar onbevaarbaar;

b. z jj 1 o o p e n in de N o o r d e 1. IJ s z e e uit.

De gordels, die we in Rusland onderscheidden, vinden we ook in Siberië. In 't Noorden t o e n d r a's. dan volgt een w o u d-gebied, daarop bouwland en eindelijk .grassteppe.

ocr page 270

262

Het land ten Noorden van den Poolcirkel is ^rootendeels toendra; daar houdt de boomgroei op en is de wijde vlakte, met eindelooze moerassen bedekt, het grootste deel des jaars bevroren.

Ten Zuiden van deze toendra's ligt een geheel ander gebied: dat der Siberische wouden, die nog groote uitgestrektheden beslaan.

Rijk zijn de bosschen aan pelsdieren; vandaar, dat ze in alle richtingen door pelsjagers doorkruist worden. En dat deze hier goede zaken maken, blijkt hieruit, dat in één enkel jaar in de bosschen aan de Middel-Ob gevangen werden: 1600 sabeldieren, 3500 vossen, 32.000 steen-vossen, 29.000 hermelijnen, 60.000 eekhoorns en 50.000 gestreepte eekhoorns.

Behalve pelsdieren levert deze streek ouk veel visch, vooral in het voorjaar, als het ijs naar zee gedreven is en de visschen de rivieren op-zwemmen om kuit te schieten: dan worden groote hoeveelheden gevangen, dan trekken de visschers ook vorder naar quot;t Noorden, naar de toendra's, de vischscholen tegemoet.

De bewoners dezer streken zijn dan ook jagers en visscliers, en hebben hunne woonplaatsen meest aan de rivieren opgeslagen; tusschen de rivieren in is het land vrijwel onbewoond. We moeten ons Siberië voorstellen als een zeer groot gebied, waar slechts hier en daar, langs de rivieren, menschen wonen.

In den winter zijn het de hond en het rendier, die de sleden, beladen met mammouthstanden, pelswerk of Europeesche goederen, vliegensvlug over de toendra's trékken; in den zomer gebruikt men wel paarden. Dikwijls houdt in het voorjaar, als do rivieren buiten hare oevers getreden zijn, alle verkeer op.

De groote stapelplaats voor pelswerk is Tobolsk, (19.000 inw.). Z.-Westelijk hiervan Tjoemen (18.000 inw.).

Vooral in het Zuiden hebben de Russen zich neergezet. En geen wonder: ten Zuiden van de bosschen ligt het Land dei-Zwarte Aarde, wel niet zoo vruchtbaar als in Eusland, maar toch zeer goed voor landbouw geschikt. Het belangrijkste gebied voor den landbouw is dat van de Irtisj. Hier ligt Omsk (39.000 inw.; vesting), Westelijker Petrapawlawsk, Ooste-Ijjker Tomsk (52.000 inwoners).

Daar de Altaiquot; rijk aan metalen, (zilver, goud, lood) en aan steenkolen is, liggen aan den voet „nujnstedenquot;: Barnaul (17.000 inw.) en het reeds genoemde Tomsk.

jNaar het Zuiden volgen nu de Kirgiezen-steppen. Hier

ocr page 271

263

is veeteelt het hoofdmiddel van bestaan. De nomadiseerende Kirgiezen houden schapen, paarden, runderen en geiten.

Het laagland van Toeran omvat hoofdzakelijk het gebied van het Aral-meer. Hierin stroomen Syr- en Amoe-Darja. De eerste ontspringt op den ïiansjan, de laatste op het Plateau van Pamir. Tusschen beide rivieren en ten Zuiden van de Amoe liggen zandwoestijnen. Langs de rivieren liggen meer vruchtbare streken. Plaatsen: Chiwa, Boekhara (70.000 inw.), Samarkand (55.000 inw.), Tasjkend (156.000 inw.), Merw, Askabad, Oesoen Ada (in Transkaspië).

Door den Triinskaspischeu spoorweg (van Oesoon Ada aan de Kaspische zee over Askabad, Merw, Boekhara naar Samarkand) is deze streek zeer vooruitgegaan. De Oest-Oert is waterloos en ook de woestijnen Kizil-en Kara-Koem zijn onbewoonbaar. Maar de Russen hebben het water dei-rivieren in kanaaltjes geleid, vele streken in cultuur gebracht en deze door het planten van boomen tegen stuifzand beschut. Thans wordt bij Merw tarwe en gerst verbouwd, de cultuur van katoen en zuidvruchten is buitengewoon gelukt, zoodat reeds veel katoen wordt uitgevoerd, en ook de bodem bevat schatten : petroleum en zout bij de Kaspische zee en steenkolen. Te Askabad, dat een stapelplaats voor den handel van Perzië en Ciiina is geworden, komen jaarlijks 300 a 400 karavanen aan.

5; 244. Het Siberische bergland.

Het Siberische bergland ligt ten Oosten van de Jenissei; het verheft zich gemiddeld van 600 tot 1500 M; alleen in Kam-tsjatka zijn tal van vulkanen meer dan 4000 M. hoog. Overigens vinden we de hoogere bergstreken in 't Zuiden en Zuiil-Oosten: Sajanisch-, Jablonoi-, Stanowoi-geb.

De afwatering geschiedt door de Jenissei, waarvan de Poven-Toengoeska uit liet Baikalmecr komt, de Lena, die bij dat meer ontspringt en aan den mond eene groote delta vormt, en de Amoer.

De bij liet laagland besproken gordels zotten zich naar het Oosten voort, maar in de plaats van het bouwland treden gebergten. Deze leveren ertsen in de omgeving van het Baikal-meer en in het Amoer-gebied (Nertsjinsk). Hier en daar wordt een weinig landbouw gedreven. Do handel is voornamelijk doorvoerhandel (China — Rusland, vooral thee). Pelswerk en

ocr page 272

'264

Europeesche waren verschijnen op de inlandsche markten, b. v. te Jakoetsk (6000 inw., de eenige grootere plaats in liet geheele Oosten).

Het middelpunt der Siberische bergstreken is I r k o e t s k (51.000 inw.), het „Siberische Parijs.quot;

De Siberische mijnen leverden in een jaar (1893): ^oud 1990 pud

zilver 420 ,,

koper 1-1100 ,,

lood 20200 „

ijzer 430.000 „

steenkolen 1,870.000

In do goudmijnen werkten 45.500 arbeiders.

De bevolking van Siberië behoort tot verschillende Mongoolsche stammen; Samojeden, Jakoeten, enz. De Jakoeten houden zich nog met eenigen landbouw bezig. Behalve de oorspronkelijke stammen zijn er thans vele Russen; deze zijn zelfs talrijker dan gene. Ook zocht de Russische regeering Siberië voor hare bannelingen uit.

,§ 245. Mautsjoerye, enz.

ïusschen het Chingan- en het Sichota-gebergte ligt het laagland van Mandsjoerij e, in 't Zuiden eene steppe, in 't Hoorden heuvelig, goed besproeid en vruchtbaar. Door eene smalle vlakte vlakte staat het met het Chineesche laagland in verbinding. Een diep dal leidt door het gebergte naar de kust: daar ligt de Russische oorlogshaven Wladiwostok.

Het geheel behoort tot het stroomgebied van den Amoer. Tot Rusland behoort de Amocr-prov. en het Kustgebied.

Do Amoerprovincio is zóér woudrijk: er is nog voel oerwoud. De minerale schatten — steenkolen, ijzer, goud — worden wegens gebrek aan kapitaal, arbeidskrachten en wogen nog weinig of niet geëxploiteerd; alleen wordt in 45 wasseherijen ongCToer 426 pud goud per jaar gevonden. Na de opening der spoorwegen zal deze streek spoedig van beteekeuis worden: dan zullen de Amoer on do zijrivieren moer en meer met stoombooten worden bevaren: reods nu is Blagowjesjtsjensk eene levendige handelsplaats, vooral door den handel met llantsjoerije en y.-O.-China.

Wladiwostok heeft reeds 20.000 inw.; er zijn dokken aangelegd, ijs-

ocr page 273

205

brekers doen dienst, enz. Van begin December tot begin April is het door ijs gesloten. In 1S94- liepen er binnen 56 Duitsche, 53 Russische, 19 .Ta-pansche en 12 Engelsche schepen.

Do zoogenaamde Siberische tract is de handelsweg, die de volgende plaatsen verbindt: Tjoemen—Isjim —Omsk—Tomsk —Krasnojarsk—Irkoetsk — Kjachta—Maimatsj in—Oerga-Peking.

In 1891 is men begonnen met het aanleggen van een' spoorweg, de Siberische Pacilicbaan, die Rusland, dwars door Siberië (over eene lengte van 7000 KM!) met den Grooten oceaan zal verbinden. Kleine gedeelten er van. ook in het Oosten, zijn reeds gereed. De richting is: Moskou —Samara—Oefa—Omsk— Krasnojarsk—Irkoetsk— (om de Zuidpunt van het Baikalmeer) Tsjita—Nertsjinsk— (langs den Amoer) quot;Wladiwostok.

Is de spoorweg gereed, dan is Europa rechtstreeks met den Groeten oceaan Terbonden (b.v. Lissabon—Madrid—Bayonne — Parijs—Keulen—Berlijn—Warschau—Moskou—Irkoetsk—Wladiwostok). Toch zal deze baan voor Rusland weinig meer dan eene militaire beteekenis hebben. Immers het vervoer der Siberische produkten als hout en koren, zou te kostbaar zijn; mogelijk echter, dat het mijnwezen er belang bij heeft.

De Russen zullen eene zijlijn aanleggen tot aan de Gtle zee.

Eene voortzetting zan het bergland vormt dat van K o r e a. Aan de Zuid-Westkust van dit schiereiland liggen vruchtbare vlakten. Hoofdstad van het koninkrijk Korea is Hanjang.

Van het beschouwde gedeelte is Russisch gebied:

W e s t - T o e r a n,

Siberië,

het A m o e r-g e b i e d, met de kuststreek Zuidwaarts tot Wladiwostok.

Het geheele gebied, meer dan 1 \ maal zoo groot als Europa, heeft ruim 11 millioen inwoners, waarvan op het uitgestrekte Siberië slechts 4,8 millioen komen.

Mantsjoerije behoort grootendeels tot het Chineesche rijk.

§ 246. Het Chineesche laagland.

Dit laagland strekt zich langs de Gele zee uit. Het bevat den benedenloop van twee groote rivieren: de Hwangho en de Jang-tse-Kiang (Kiang = rivier).

ocr page 274

266

In zijne geheele lengte wordt het door het Keizer kanaal doorsneden.

De Jang-tse wordt druk bevaren. Minder de Hwangho, die door zware dijken binnen zijn bed gehouden moet worden; herhaaldelijk braken de dijken door en overstroomde het land wijd en zijJ; meermalen veranderde de rivier van loop.

Peking, de hoofdstad van China (1 millioen inw. ?); Tientsin (i mill, inw.?) belangrijke handelsstad, evenals Hang-tsjou (500.00U inw), Sjanghai (380.000 inw.) en Nanking (550.000 inw.).

§ 247. Het Cliiueesche bergland.

In het verlengde van den Kuen-lün loopt het P e 1 i n g in eene richting Oost-West. ïen Noorden van dit gebergte ligt het gebied van den Hwangho, een kaal bergland, maar bedekt met löss.

Ten Zuiden ligt een bergland, uit ketens met zeer verschillende richting en met de vruchtbare bekkens van den Jang-tse- en den Si-kiang.

Bij de kust liggen: Kanton (1,600.000 inw.?) en Amoy (300.000 inw. ?)

Vóór Canton ligt liet eilandje Hongkong met de stad V i c-toria (125.000 inw.), Engelsch gebied.

Het gebied van den Jang-te is uiterst dicht bevolkt; er liggen meerdere steden met ^ millioen inwoners.

§ 248. Het Centrale hoogland.

De grensgebergten noemden we reeds.

De Kuen-lün verdeelt dit hoogland in 2 deelen:

a. het Hoogland van Tibet, 4 a 5000 M hoog gelegen, en een ten Noorden hiervan gelegen, minder hoog gebied:

h. het Bekken van Oost-ïoerkestan en de woestijn Gobi.

Op het Westelijk deel van het Hoogland van Tibet loopt de Karakoroem (8600 M), die door het dal van den Boven-Indus van den Himalaja gescheiden wordt.

De voornaamste plaats van het dun bevolkte Tibet is L h a s a.

Het Bekken van Oost-ïoerkestan is liet gebied van de Tarim.

ocr page 275

267

In de woestijn Gobi zijn alleen de oasenrijke gedeelten bewoond; men teelt daar katoen, granaatappels, druiven, enz.

Naar het Westen loopen lange dalen tusschen evenwijdige bergketens. Door een dezer loopt de 11 i, die het B a 1 k a s j-m e e r voedt.

De Himalaja is het hoogste gebergte der Aarde; de M. Everest bereikt eene hoogte van 8840 M.

't Geheele Centrale hoogland, het Chineesche berg- en 't Chineesche laagland vormen met Mantsjoerije liet Chineesche rijk.

§ 249. Achter-Indië.

Tan uit het Chineesche Alpenland loopen verscheiden ketens Zuidwaarts, waartusschen lange lengtedalen liggen; die van de Mekong, Me na in, Sal u en en Irawadi. In 't X.-O. stroomt de Song k a.

In de breede delta-vlakte van de Mekong ligt S a i g o e n (70.000 inw.), aan den mond van den M e n a m Bangkok (350.000 inw.), van den S a 1 u e n M a u 1 m e e n, van den Irawadi E, a n g o e n; aan de Songka H a n o i. De kustvlakten zijn zeer vruchtbaar en leveren een' oogst van rijst zóó groot, dat de genoemde plaatsen alle belangrijke havens voor den njstuitvoer zijn (de rysthavens); Maulmeen voert ook tek-hout uit.

Aan de Zuidpunt van Malaka ligt op een klein eilandje de hoofdstad Singapore met 140.000 inw.; ten W. van Malaka P. Pin a n g (Engelsch).

Handelsartikelen te Singapore: getah-pertja, copra, opium, rijst, rotting:, gambir, goenizakken, katoenen stoffen, koffie, peper, tin, suiker, steenkolen, petroleum.

P. Pinang voert peper, betelnoten (150.000 picols) en rijst uit.

De bevolking van Achter-Indië behoort tot de Mongolen. Het Boeddhisme is de heerschende godsdienst. Op Zuid-Malaka wonen Mohamedaansehe Maleiers.

De Fransehen bezitten het O. en Z.-O. deel: T o n g k i n g, A n n a m, C o c h i n c h i n a, K a m b o d j a, enz., de Engel-schen het Westen (Birma). Si am is nog onafhankelijk.

ocr page 276

208

ïongking voert uit; rijst, zijde, Tisch, katoen.

Anna m levert kaneel, cordamom.

C och inch in a en Kambodja voerden in 1893 voor 73 mill, francs rijst en voor 3,4 mill, francs gedroogde en gezouten visch uit.

Ingevoerd werden vooral wollen stoffen, alkoholische dranken, metaalwaren, machines, — voornamelijk uit Frankrijk.

Men schat den rijstoogst in Tongking op 44 millioen pikol, in Cochin-china en Kambodja op 20 millioen pikol.

§ 250. Voor-Indië bestaat uit twee deelen;

a. een hoogland.

b. twee laagvlakten.

a. Het Hoogland bestaat uit meerdere plateaus; men vat ze als Hoogland van De kan samen. Don Westrand vormen de West-Grhats, den veel lageren Oost-rand de O ost-Gliats. Op het plateau wordt katoen verbouwd en vindt men edelgesteenten; voorts tek- en sandelhout.

Langs de kusten (Malabar, Kor o mand el) liggen smalle vlakten, het breedst in quot;t Oosten. Daar liggen Bombay (822.000 inw.) en Madras (453.000 inw.).

Bombay is de belangrijkste haven voor opium en de op het plateau geteelde katoen, die hier echter ook ten deelo verwerkt wordt in de fabrieken. Madras is ook eene belangrijke handelsstad (uitvoer katoen), maar de haven is slecht; de geheele Oostkust is veel minder toegankelijk dan de Westkust. S u r a t, aan de Golf van C a m b a y, zijde-industrie, uitvoer van tabak (103.000 inw). In het binnenland: Heiderabad (415.000 inw.), edelgesteenten ; in de nabijheid de rotsvesting G o 1 k o n d a.

Aan de Oostkust bezit Frankrijk, aan de Westkust Portugal enkele kustplaatsen, dio echter van geen groot belang zijn. (Ponditshorry, Go a).

b. De vlakte van den ludus is grootendeels woestijn (Woestijn ï h a r r). Landbouw is alleen langs de rivieren mogelijk. Het meest verbouwt P a n d s j a b, het Noorden; daar vindt men ook fabrieken (A m r i t s a r. Labor e). Voor het Indüg-gebied is het snel opgekomen Karatsji uitvoerplaats (eindpunt van den spoorweg van Pandsjab, uitvoer van katoen, granen, opium, thee, enz.; meer dan i00.000 inw.)

De Gauges-vlakte wordt door de Ganges en de Brahmapoetra doorsneden.

ocr page 277

269

Do dichtbevolkte, uitstekend bebouwde laagvlakte levert katoen, maïs, rijst, indigo, opium, enz.; thee leveren de heuvelen langs de Brahmapoetra (Assam); in de bosschen leven olifanten, tijgers, panters en slangen.

De voornaamste plaatsen der vlakte zijn: Calcutta (900.000 imv., de belangrijkste haven voor het Gangesgebied, waar meer dan 100 millioen menschen wonen). Benares (223.000 inw.: industrie), Allahabad, D e h 1 i, Agra (een der hoofdmarkten voor de katoen), P a t n a (hoofdmarkt voor opium), L u c k n o w, B a r e i 11 y (snel opkomende industriestad bij den Himalaja).

Overzicht van oenijo produkten.

In do eerste plaats meet de rijstbouw genoemd worden, vooral in Hin-dostan uitgeoefend, maar ook in Assam en om Madras. Gewoonlijk heeft men twee oogsten per jaar. Soms mislukt door droogte liet gewas, en daar rijst het hoofdvoedsel is, volgt op het misgewas hongersnood. Is de oogst goed, dan kunnen groote hoeveelheden worden uitgevoerd, hoofdzakelijk naar China. Om minder van den regenval afhankelijk te zijn, heeft men besproeiingskanalen in do Gangesvlakte gegraven, in mindere mate ook elders.

Naast de rijst moet de t a r w e vermeld worden. Zij wordt vooral in Pandsjab, de Üo ven-(janges vlak te en in het centrum verbouwd; hoofdvoedsel is daar dan ook tarwebrood en niet rijst. Do voornaamste uitvoerhavens voor tarwe zijn Bombay en Karatsji.

In het Zuiden is gierst het hoofdvoedsel.

Voor den uitvoer zijn van het meeste belang katoen en opinm: dan volgen r ij s t, j li t e en k o r e n.

Do katoen bouw werd vooral van belang, toen de Vereen'gde Staten van Amerika tengevolge van den burgeroorlog geon katoen konden leveren.

De voornaamste katoenstreken zijn Bombay en de centrale provinciën. Opium, in Indië zelf weinig gebruikt, maar hoofdzakelijk naar China uitgevoerd, wordt slechts verbouwd in de streken, die daartoe van de regeering het privilegie ontvangen hebben, en wel in Bengalen, Malva, Pandsjab, Patna en nog een paar andere.

Jute wordt vooial in Bengalen gekweekt: zij is eene éénjarige plant. De rolronde en vrij stijve stengel is 3 tot 10 voet hoog en bevat de vezels, die, evenals bij het vlas, door roten, enz. afgezonderd worden.

De jutevezels dienen tot de vervaardiging van grof linnen en papier en van zakken, waarin verschillende koloniale produkten worden verpakt.

In de laagvlakte wonen Hindoes (Brahmanen), op het plateau de zwarte Dravida's.

ocr page 278

270

Yoor-Indië is voor het grootste deel eene bezitting der En-gclschen. Het aantal inwoners beloopt 260 millioen.

In den Himalaja liggen de onafhankelijke staatjes Nepal en Boetan.

§ 251. Het Plateau van Iran.

Westelijk van Voor-Indië ligt het Plateau van Iran, voor het grootste doel onvruchtbaar (woestijnen). In 't Oosten is het Soliman-gebergte de rand, in 't Westen het Koerdistan-geb., in 't Noord-Westen het Elboers-geb., in 't Noord-Oosten is de Hi ndoe-K oe s j eene voortzetting van den Karakoroem. Tusschen Hindoe-Koesj en Soliman loopt langs de Kaboel de beroemde K h a i b a r-p a s.

De hoogvlakte wordt ingenomen door drie rijken: Perzië, Afghanistan en Beloedsjistan. De hoofdplaats van Perzië is Teheran (210.000 inw.), belangrijk zijn verder: Isfahan, Sjiras, Aboesjir (zeehaven; uit- en invoer). In 't Noorden ligt de belangrijke handelsstad Tebris (200—300.000 inw.). Tusschen het Elboers-gebergte en de Kaspische zee ligt eene smalle, doch heerlijke vlakte (hierin Hes jt; olijven, suiker, rijst, druiven).

De hoofdstad van Afghanistan is Kaboel, van Beloedsjistan Kei at.

De Perzen behooren, evenals de Hindoes, tot het Middel-landsche ras.

§ 252. Klein-Azië.

Door het Armenische bergland van Iran gescheiden (waarop Euphraat en Tigris ontspringen en waar de Ararat zich tot 5200 M verheft), ligt in het Westen het Hoogland van Klein-A^ië. De Noordrand is het Pontisch gebergte, de Zuidrand de Taurus. Naar het Westen loopt het in verschillende ketens uit, waartusschen de zee in het land dringt: de kust is hier zeer verbrokkeld. Tusschen de ketens liggen breede, vruchtbare dalen, waar zuidvruchten geteeld worden. Daar ligt de voornaamste handelshaven: Smyrna (136.000 inw., uitvoer van tapijten, wijn, olijven, vijgen, enz.; invoer van Europeesche fabrikaten).

ocr page 279

271

De hoogvlakte is over 't geheel onvruchtbaar; de streek ten Westen van de hoofdrivier, de Kizil-Irmak, is eene zoutsteppe. Men houdt er veel schapen.

De kustgebergten zijn met wouden bedekt.

In 't JSf.-W. vindt men meerschuimgroeven. Hot meeste meerschuim gaat naar quot;VVeenen. vanwaar het over de verschillende landen verdeeld wordt.

Tegenover Konstantinopel ligt Skoetari (100.000 inw.). aan de Noordkust ïrebisonde.

§ 253. De vlakte van Euphraat en Tigris.

Beide rivieren vereenigen zich tot de Sjat-el-Arab, die in de Perzische golf uitloopt.

Zij stroomen door eene vlakte, tusschen het Hoogland van Iran en het Syrisch-Arabisch hoogland gelegen, de vlakte van Mesopotamië (het Zuidelijk deel heet Irak Arabi.)

Het Jsoordelijk deel is eene heuvelige, dorre steppe; het Zuiden was in de oudheid uitnemend bebouwd en vruchtbaar, toen tallooze kanalen de velden besproeiden. Maar Turken en Arabieren hebben het land verwaarloosd, dat nu uit dorre landstreken en moerassen bestaat, waar herders schapen en kameelen weiden. Hier en daar wordt eenige landbouw uitgeoefend (rijst, koren, dadels). Uitvoer van wol.

Aan den Sjat el Arab ligt het snel vooruitgaande Basra. Het heeft een vrij druk verkeer met Bagdad.

§ 254. Syrisch-Arabisch hoogland.

Dit is eene zeer groote hoogvlakte, naar liet Noorden smaller wordende, en daar aansluitende aan het Kleinaziatische hoogland. Tegen de Middellandsche zee vormt de Libanon het randgebergte, Zuidelijker staat de berggroep van den Sinaï. Hedsjas en Jemen omvatten de randen naar de zijde van de Roode zee. In 't Oosten daalt het naar Mesopotamië en de vlakte langs de Perzische golf El Hasa langzaam, maar verheft zich in Oman tot een gebergte.

Het Noordelijk deel is Syrië, het overige het schiereiland Arabic.

Syrië is over 't geheel een dor, steenachtig hoogland. In

ocr page 280

't Westen liggen in een diep dal de Doode zee, liet Meer van Grenezareth, en de Jordaan, die ze verbindt. Op een der vele kleine, dorre plateaus ligt Jeruzalem (28.000 imv.j. Langs de kust ligt eene smalle vlakte. Havenplaatsen zijn; Jaffa (Haven van Jeruzalem), Beiroet (85.000 inw.). De laatste is de haven van Damaskus (150.000 inw.), de grootste handels- en fabrieksstad van Syrië, aan de samenkomst der hoofdwegen. Ten X. er van Aleppo. Het Jor daan-ge bied omvat in hoofdzaak Palestina.

Het schiereiland Arabië bestaat uit de ouvruchtbare plateaus in het binnenland, en de kusten. Voor een groot deel is het binnenland woestijn; het hoogland van Xedsjed. 1000 tot 1200 M hoog, bevat de meeste oasen, hoewel de hier wonende Wachabieten toch nomaden zijn. Geheel anders zijn de kusten. Het randgebergte schenkt het aanzijn aan eenige riviertjes, wier water zorgvuldig in kanalen verdeeld en tot besproeiing aangewend wordt. Yandaar dat de kuststreken (Jemen—■ „Gre-kig Arabiëquot; —, Oman; — minder Hedsjas) goed bebouwd zijn; koffietuinen en palmboschjes bedekken de heuvels. De Arabische paarden zijn beroemd.

In Hedsjas liggen de Mohamedaansclie bedevaartsplaatsen Mekka (45.000 inw.), en Medina (18.000 inw.). Een groot deel der pelgrims landt in de haven van Mekka, n.1. Dsjidda (25.000 inw.).

Yoor de koffie is H o d e i d a van belang. Aden (35.000 inw) in 't Zuiden is eene belangrijke bezitting der Engelschen (kolenstation).

De hoofdplaats van Oman is M a s k a t e.

Ho de id a is eene levendige haven, die geregelde stoombootvaart bezit op Aden en Suez; vooral Engelsche en ïurksche stooraers leggen er aan. In 1895 voerde het voor 7,5 millioen gulden koffie uit.

In Arabië treden Bedouinen als leiders der karavanen op. Op Turksch grondgebied staan de karavanen bij herhaling bloot aan rooveraanvallen. In de vruchtbare, waterrijke deelen van hun gebied zijn de Arabieren sobere, nijvere landbouwers met zeer weinig behoeften, in het bezit van kudden kameelen, paarden, ezels, muildieren, runderen, schapen. Op industrieel gebied staat de bewoner van Arabië nog laag. Van het toegezonden ijzer en staal

ocr page 281

273

maakt hij slechts wapenen en landbouwgereedschap. Tan hetgeen zijne kudde hem oplevert trekt hij partij door de bereiding van boter en kaas en ter vervaardiging van tenten, tapijten, ruwe kleedingstukken e. d.

Van de hoofdhavens loopen wegen naar het binnenland, t. w. van Jambo naar Medina, van Dsjidda naar Mekka, van Hodeida naar Sana, resp. per kameel af te leggen in 5, 2 en 7 dagen. De genoemde in 't binnenland gelegeu steden zijn centra van verkeer voor de wijd in den omtrek wonende bevolking, wier nederzettingen er mee zijn verbonden. Alle groote wegen komen te Mekka samen; het einddoel van eiken pelgrimstocht.

In 1896 kwamen te Dsjidda 60.400 pelgrims aan, te Jambo 2300. Met Nederlandsohe schepen kwamen 7100 pelgrims (Rott. Lloyd, Nederland en Oceaan te Amsterdam).

De Turksche bezittingen in Azië omvatten:

Klein-Azie, Armenië grootendeels, Syrië, Meso-potamië, EI Hasa, de quot;Westkust van Arabië (Hedsjas,-Jemen).

§ 255. De eilanden.

De Japansche eilanden zijn: Nippon (Hondo), Sikok, Kioe-sioe, Jeso. De Koerilen, de Lioe-Kioe-eil. en Fo rmosa behooren aan Japan. De Philippynen behooren aan de \ ereenigde Staten; de voornaamste er van zijn Luzon en Mindanao. Luzon is door zijne tabaksplantages het belangrijkst: de voornaamste plaats is Manila (180.000 imv.), dat de produkten uitvoert.

De Oostindische eilanden behooren voor het grootste deel aan Nederland.

Engeland bezit nog Noord- en N.-W.-Borneo, Poeloe Pinang (in de Straat van Malaka), de Andamanen en de Nicobaren, en Ceilon.

Ceilon is door de Palksstraat van Yoor-Indië gescheiden. Het is bergachtig, maar bezit heerlijke kustvlakten. Het levert thee, kaneel, rijst, koren, cacao, kokosnoten, enz. De belangrijkste plaats is Colombo (127.000 imv.), aanlegplaats voor stoomschepen naar en van Oost-Azië.

Van het Indische vastland werd, ongeveer eene halve eeuw geleden, de tliee naar Ceilon overgebracht, waar de cultuur in de laatste 20 jaren zich zoozeer ontwikkelde, dat in 189-t reeds meer dan 84 mill. KG kon worden uitgevoerd.

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 18

ocr page 282

274

Ceilon dankt zijne bloeiende theecultuur aan den ondergang van de koffie-teelt, die tot 1869 eene hoofdbron van bestaan vormde, Eene bladziekte van den koffieboom, die zich sedert 1869 snel over de geheele koffiezone verspreidde, en een groot deel der koffieboomen verwoestte, dwong de planters de koffie- met de theecultuur te verwisselen, voor welke laatste het eiland zeer geschikt bleek. De toekomst van Ceilon is meer van de thee afhankelijk, dan van eenig ander exportartikel.

§ 256. Overzicht der bevolking-.

Het grootste deel der bewoners van Azië behoort tot het Mongoolsche ras (Chineezen, Japaneezen, bewoners van Achter-Indië, die der centrale hoogvlakte, die van Siberië, enz.). Do bewoners van Zuid-West-Azië (behalve de Turken in Klein-Azië) behooren tot de Middellandsche zeevolken. (Hindoes, Perzen, Armeniërs, Arabieren, enz.). Op het Plateau van Dekan wonen de Dravida's, terwijl de Oostindische eilanden bevolkt zijn door Maleiers.

China.

(Eigenlijk China, 5,400.000 KM2, 34(gt; millioen inwoners).

§ 257. De laagvlakte en het Zuidelijk bergland zijn dicht bevolkt. Vooral in de kuststreken en in het gebied van de Jang-tse woont eene ongekend dichte bevolking. Waar ons land, naar de dichtheid van bevolking het tweede van Europa, per KM3 150 inwoners telt, daar schat men in de Chineesche lage streken er 330 per KM2! Treffen we nergens over zulk eene uitgestrektheid zulk eene menschenmassa aan, — ook in geen land der wereld is de armoede zoo groot als in China. Zoodra ten gevolge van overstrooming, droogte of misgewas in 't bijzonder de rijstoogst mislukt, zijn terstond twee derden der bewoners deu hongersnood prijsgegeven. Dan trekken scharen bedelaars, mannen, vrouwen en kinderen, het land door. Uitputting en vermoeienis doen velen op den weg neervallen en sterven. De lijken blijven liggen, — men ziet er niet naar om — en worden zoodoende de bronnen van de meest gevreesde ziekten.

ocr page 283

De overbevolking heeft vooral in de laatste eeuw de Chinee-zen er toe gebracht buiten hun land fortuin te gaan zoeken. Indië, Australië en Amerika zien met leede oogen den jaarlijk-schen stroom der staartdragers, wien alle arbeid even goed is,

Verbreiding der Chineezen.

mits zij door onverdroten ijver en volharding maar kans zien zooveel over te winnen, dat zij als gegoeden naar „het Hemelsche rijkquot; kunnen wederkeeren, om daar te rusten en te genieten van de in den vreemde met zooveel inspanning verworven schatten.

§ 258. Over 't geheel is de bodem vruchtbaar en levert alle produkten, die het rijk behoeft, -— waaruit de mogelijkheid dei-afzondering van andere volken verklaard wordt.

De Chineesche boer heeft zijn land van de Kroon in leen en houdt dit, zoolang hij het bebouwt en de daarop rustende belasting in natura of geld betaalt (per HA '2 a 8 gulden). Zijn land gaat over op den oudsten zoon. Gewoonlijk is zulk een land klein, en daar de veeteelt onbeteekenend is, weiden ontbreken.

ocr page 284

270

melk en boter onbekend zijn, zoo wordt het zeer zorgvuldig, als tuinland, bebouwd. Behalve de alluviale streken, wordt de löss-bodem tot op eene hoogte van 2000 M bebouwd.

Door de talrijke bevolking nemen in den landbouw de voe-

dingsgewassen de eerste plaats in. R ij s t, tarwe, gerst, gierst, maïs worden veel verbouwd. Rijst kan in 't Noorden door de te lage temperatuur niet verbouwd worden; er moet dan ook ingevoerd worden uit Formosa en Achter-Indië. In geen provincie ontbreekt de katoen; toch is de productie onvoldoende voor de behoeften; daarbij komen hennep en

rameh. De witte moerbei wordt voor de zijdeteelt gekweekt, de papiermoerbei voor do vervaardiging van bast-papier. Verfplanten en oliehoudende gewassen (raapzaad, sesam, aardnoten) treft men veel aan. Suikerriet wordt vooral in Kwantong en Fokien verbouwd; suiker moet echter ingevoerd worden.

Als handelsplant is de thee beroemd. De theestruik wordt op een gebied van 1,100.000 KM2 geteeld (= 33 X Nederland), van den keerkring tot 35° N.-B.. — niet in de Noordelijkste provinciën en op de hoogere gebergten. Vooral op de heuvels en op de benedenste deelen der langzaam hellende bergzijden wordt de theestruik gevonden. Naar Europa komen vooral de zwarte soorten: Pecco, Souchong en^Congo; groene thee wordt meest naar Amerika gezonden.

quot;Dit Jen afval en Je ouJe blaJeren perst men Je zoogenaamJe tegel-of baksteenthee samen, die haren naam aan den vorm te danken heeft. Zij wordt naar Centraal-Azië en Siberië gezonden, waar ze gekookt en met boter en zout gemengd, eene daar geliefkoosde soep oplevert. In Noordelijk Azië geldt ze ook als munt.

ocr page 285
ocr page 286

278

De opiumcultuur gaat in de laatste jaren sterk vooruit, vooral in de provincie Setsjuan (het „Roode bekkenquot;). Voor den uitvoer zijn ook de rhabarber (vooral van het Koekoe-noor) en de galappels van belang.

De veeteelt heeft weinig te beteekenen, omdat de meeste Chineezen geen rundervleesch eten. Yarkens en vogels worden veel gehouden. Transportdieren zijn voor Mongolië en Man-dsjoerjje het kameel, voor Tibet de yack.

Bijzondere vermelding verdienen de zijderups en de was-schildluis. De eerste wordt vooral in Setsjuan en om Hang-tsjou gekweekt; de omtrek der laatste plaats is met moerbei-boomen beplant en in alle omgelegen plaatsen houdt men zijderupsen. De wasscliildluis leeft op eene soort esch en levert een vast, wit vet, dat als bijenvet kan gebruikt worden.

China schijnt rijk aan nuttige delfstoffen te zijn, maar aan de exploitatie wordt zeer weinig gedaan: op een paar plaatsen slechts worden steenkolen gedolven. Van de metalen schijnen ijzer, koper, tin, lood, zilver, voor te komen; vooral de ertsrijkheid van Junnan wordt geroemd. De productie heeft echter nog weinig te beteekenen, zoodat China veel metalen invoert. Van veel belang is de porseleinaarde (kaolin).

§ 259. Toen de Europeanen met China bekend werden, bestond daar reeds eeuwen eene hoogontwikkelde industrie. Later trachtten ze er Europeesche waren ingang te doen vinden; eerst langzaam gelukte hun dit; tegenwoordig is er naar enkele Europeesche artikelen reeds vrij wat vraag. Dit heeft de Chineezen er toe gebracht die artikelen na te maken, Europeesche machines er voor in te voeren, en zoo treffen we b.v. te Shanghai reeds jaren katoenspinnerijen aan, die geheel op Europeesche leest geschoeid zijn.

Industrieartikelen, in welker vervaardiging de Chineezen nog veeltijds de Europeanen overtreffen, zijn o.a.:

zijden stoffen, zeer fijn gestikt en van prachtige kleuren. Ze worden vooral in Nanking, Soetsjou en Hangtsjou vervaardigd. (In de zijdewerkplaatsen te Hangtsjou werken 28000 wevers.)

ocr page 287

279

porselein; de grootste fabriek is de keizerlijke te Kung-tsjeu;

papier uit bamboe, moerbeibast, hennepvezels, rotan, stroo, enz. Veel wordt naar Europa en Amerika gezonden;

snijwerk in hout en ivoor (galanteriewaren, waaierse.d.), lakwerk, enz.

§ 260. Handel en Verkeer. De binnenlandsche handel is van veel belang en wordt bevorderd door vele natuurlijke en kunstmatige waterwegen. De hoofdader voor het binnen-landsch verkeer is de Yang-tse, aan wier oevers 100 millioen menschen leven. De landwegen zijn bijna overal in slechten toestand, — maar overal heerscht er een levendig verkeer. Lasten worden even vaak door menschen, als door dieren vervoerd. Langen tijd verzet'ten zich regeering en volk tegen den aanleg van spoorwegen, die „de rust der dooden zouden storenquot;. Maar de regeering was ten slotte wel verplicht concessies te geven. Thans zijn Peking en Tientsin door een' spoorweg verbonden, terwijl een gedeelte van den spoorweg van Peking naar het Zuiden gereed is en eveneens van Tientsin naar het Noord-Oosten (langs de golf). De telegraaf verbindt thans Peking met bijna alle groote steden van het rijk en met Europa door aansluiting aan de Russische linie aan den Amocr. Sedert 1883 is de „Groote Xoordsche Telegraaf-vereenigingquot; te Kopenhagen met den aanleg der lijnen bezig: slechts in twee provinciën was die aanleg wegens de vijandige houding der bevolking onmogelijk.

Met het binnenland komen de Europeesche handelaars nog weinig in aanraking. Met het grootste deel der producenten en consumenten onderhandelen ze door Chineesche tusschen-handelaars.

De buitenlandsche handel is voornamelijk zeehandel. Door verschillende verdragen, te beginnen met den vrede van Nanking, het einde van den Opium-oorlog met Engeland (1840— ■42), zijn den zeevarenden mogendheden thans 22 havens (zoogenaamde Verdrag- of Tractaathavens) geopend, benevens een paar plaatsen in 't binnenland, op de grens van Tongking.

ocr page 288

280

Bij den vrede van Nanking moest China Hongkong afstaan en 5 havens openstellen voor den Europeeschen handel : Kanton, Amoy, Foutsjou, Kingpo en Shanghai. Na den vrede van Tientsjin, die een einde maakte aan den oorlog met Engeland en Frankrijk (1857 — 60) kwamen daarbij nog een twaalftal havens.

Sterk is de handel met China toegenomen. In 1883 waren in China 35-4 vreemde firma's (met 5297 personen), tien jaren later 580 (met 9891 personen). De Engelschen hebben het grootste deel van den zeehandel in handen. Men onderschatte echter het aandeel der Chineezen zelf niet: vele Chineesche kooplieden drijven groote zaken en doen voor de Europeanen niet onder.

ocr page 289

281

Het belang der tractaathavens blijkt uit het volgende staatje.

Tractaathavens.

Inwoners.

Invoer ').

Uitvoer

a. Noordelijke.

Nmtsjwang

(iO.ÜOO

3,282.000

11,096.000

Tientsin

950.000

18,338.000

20,384.000

Tsifoe

35.000

7,370.000

2,778.000

b. Middelste.

Sutsjou

500.000

2,140.000

794.000

Shanghai

-400.000

264,438.000

156,790.000

Hangtsjou

700.000

3,002.000

12,338.000

Ningpo

250.000

1,412.000

12,130.000

Wontsjou

80.000

—

—

c. Zuidelijke.

Putsjou

050.000

8,684.000

8.610.000

A m o y

96.000

22,672.000

3,424.000

Swatou

32.000

18,882.000

6,644.000

Kanton

2,000.000

27,460.000

39,860.000

Kiungtsjou

40.000

2,930.000

3,558.000

Pakhoi

20.000

5,314.000

3,004.000

d. Bij den Jang-tse.

Tsjungking

110.000

16,888.000

13.502.000

Itsjang

34.000

—

—

Shasji

75.000

272.000

364.000

H a n k o u

830.000

44,120.000

77,588.000

Kiukiang

55.000

2,578.000

13,534.000

W uhu

78.000

4.000

18.000

Nangking

155.000

—

—

Tsjingkiang

1-40.000

—

—

e. Aan den Sikiang.

Samsjoeï

4000

—

—

1) In guldens N. C.

ocr page 290

28'i

Hieruit blijkt, dat voor den zeehandel Shanghai verreweg van het meeste belang is. De stad ligt aan den mond van den Jang-tse, en heeft zich snel tot de eerste zeehaven van het rijk ontwikkeld. Vooral is zij voor den uitvoer van thee en zijde van belang, en voor den invoer van opium, petroleum en geweven stoffen. Scheepvaart 4 millioen t.

Tientsin, met eene slechte haven, is vooral voor den Eus-sisch-Chineeschen handel van gewicht.

Hankou staat door stoombooten, die den Jang-tse bevaren, met Shanghai in verbinding.

Kanton is nog steeds eene eerste fabrieksplaats, maar is als zeehandelsstad door vele andere plaatsen overvleugeld, — ook

naar naar

vooral door Hongkong.

De Chineesche havens worden regelmatig aangedaan door stoomschepen van verscheiden maatschappijen, o. a. de P. amp; O. (Peninsular and Oriental) van Southampton uit, de M e s-sageries Ma ri times van Marseille uit, de Noordduitsche Lloyd van Bremen uit.

Onder de landwegen, voor den buitenlandschen handel van belang, moeten genoemd worden: die over Maimatsjin Siberië 1), van Junnan naar Achter-Indië, door Tibet Voor-Indië, door Mongolië en Toerkestan naar Iran.

Invoer (1897):

katoenen stoffen

156

opium

55

petroleum

26

metalen, metaalwaren.

machines

21

suiker

21

wollen stoffen

9

visschen. tripang, enz.

8

steenkolen

7

hout, sandelhout, sapanhout

5

1) Deze voor enkele jaren nog zeer belangrijke weg, neemt in gewicht steeds af en zal binnen kort zeker niets meer te beteekenen hebben.

ocr page 291

283

lucifers

eetbare vogelnestjes, paddestoelen, enz.

Enz.

Uitvoer (1897):

z ij d e, ruw en verwerkt thee b o o n e n

stroovlechtwerk katoen

tabak, galappels, enz.

huiden

matten

vetten, oliën en plantenvet porselein, waaiers, bambooartikelen kleederen voor de Chineezen in het buitenland

papier Enz.

In- en uitvoer hebben in de laatste jaren groote veran-ringen ondergaan. De uitvoer van thee vermindert snel. vooral tengevolge van de concurrentie der Indische theesoorten. Nog in 188G was de thee verreweg het belangrijkste uitvoerartikel. In de tweede plaats vermindert de invoer van opium, en hot is te verwachten, dat ook de invoer van katoenen stoffen achteruit zal gaan, nu in China zelf meer en meer katoenfabrieken opgericht worden.

Op het Eng-elsche eiland Hongkong ligt de stad Victoria (200.000 inw.). Invoer van opium: in 189G 34200 kisten, die weer worden uitgevoerd naar Chineesche havens.

Aantal schepen : Britsche GGOO, vreemde 2500; Chineesche vaartuigen in binnenlandsche vaart 53000. Uit Victoria vertrokken C700 Chineesche emigranten.

JI a c a o (70.000 inw.) behoort den Portngoezen (koelies).

In de laatste jaren hebben de Europeesche mogendheden getracht in China vasten voet te krijgen, vooral ook met hot oog

4 millioen gulden.

110 millioen guldon. 58 14 13 11 9 G 5 5 4

4 4

ocr page 292

284

op handelsbelangen. Duitschland heeft Kiaoetsjau „gepachtquot; voor 99 jaren, Engeland heeft Wei-hai-wei „gepachtquot;, Rusland

Port Arthur en Talienwan, terwijl het tevens het recht bezit spoorwegen door Mantsjoenje aan te leggen tot die plaatsen. Ook heeft Engeland een gebied om Hongkong „in pachtquot;. Op dit oogenblik stelt Italië eischen aan China.

Muntwezen. Tot 1890 had China geen nationaal geld, behalve de Tsien, eene kleine, ronde, koperen munt met eene opening in 't midden, en waarvan ruim 400 één gulden waard zijn. In de havenplaatsen wordt veel de Mejicaan-sche dollar gebruikt, van Mejico en San Francisco ingevoerd; voor het binnenlandsch verkeer wordt hij meest tot klompen gesmolten. In 1890 werd op keizerlijk bevel in Kanton eene munt opgericht,

,, „ . die dollars slaat, welke in waarde

De Europeanen in China.

E = Engeisch, R = Russisch, D = aan den Amerikaanschen gelijk

Duitsch, P = Portugeescli.

Zij 11.

Japan.

(417.000 KM2; 45 millioen inw.).

§ 261. In 't begin dezer eeuw heerschten in Japan toestanden als bij ons in de Middeleeuwen: naast den Mikado stonden talrijke onafhankelijke leenvorsten (daimios). Kaar buiten heerschte het systeem der afgeslotenheid, evenals in China. Toen in 1854, vooral door toedoen der Noord-Amerikanen, enkele havens geopend werden, verzetten zich de daimios; zij werden met de

ocr page 293

285

wapenen bedwongen (1868), de Mikado nam de teugels van het bewind krachtig in handen en van toen af begon voor Japan een nieuwe tijd. Do regeering nam de Westeuropeesche staten ten voorbeeld en thans gelijkt Japan in de meeste opzichten meer een Europeesche dan een Aziatische staat. Leger en vloot zijn op Europeesche voet ingericht, eveneens het onderwijs. Het bankwezen is bijna geheel als in Europa, de handelsusantiën worden met den dag meer Europeesch, de openbare inrichtingen hebben een geheel quot;Westorsch karakter, het regeeringsstelsel is tot in détails do Europeesche nagevolgd, — enz.

§ 262. Landbouw en veeteelt. Evenals in China wordt ook in Japan de bodem uiterst zorgvuldig bebouwd. In naam behoort de bodem den mikado; voor het gebruik moet de landbouwer vrij wat betalen (voor rijstvelden b. v. 38 0/0 van den gemiddelden oogst!) Het hoofdprodukt van den landbouw is de rijst, die meest op natte velden wordt verbouwd. Voorts worden verbouwd: tarwe, gerst (vooral in 't N.-O.), rogge (in 't Z.-O ), erwten, sojaboonen, boekweit, katoen, tabak, enz.

Eene belangrijke handelsplant is de thee.

Bijzondere vermelding verdient voorts do lakboom en de talkboom. Beide boomen leveren in hunne vruchten de zoogenaamde Japansche was, terwijl de lakboom in zijn sap het materiaal levert voor de beroemde lakwerken. Ook de aanplantingen van den moerbeiboom voor de zijdeteelt en van den papier-moerbeiboom zijn uitgestrekt. Op Kioe-sioe vooral wordt de kamferboom aangetroffen. Hout is in overvloed voorhanden: de helft van liet rijk is boschland.

De veeteelt heeft weinig te beteekenen. Rundvee wordt meer om te ploegen en lasten te vervoeren gebruikt, dan om het vleesch gehouden; melk, boter en kaas worden hoegenaamd niet gewonnen of vervaardigd.

Paarden zijn er ongeveer 1 ^ millioen.

De belangrijkste dieren zijn de zijderupsen, die vooral op Hondo geteeld worden. Het belangrijkste gebied ligt ongeveer in het midden.

Zeer belangrijk is ook de visscherij. Alle soorten

ocr page 294

'286

visschen,' schelpdieren, tripang worden gevangen, en in het land zelf gebruikt, of naar China uitgevoerd. Visch is volks-voedsel.

§ 263. Delfstoffen. Eenige jaren geledon gold Japan voor een land, buitengewoon rijk aan steenkolen en ertsen. Inderdaad worden er aanzienlijke kolenlagen gevonden, voornamelijk op Kioesioe en Jeso (productie 1897 ruim 2 millioen tonnen; waarde 13,5 millioen gulden) en worden er reeds veel kolen over Nagasaki naar Shanghai gezonden. Ook voert Japan koper uit (productie 1897 voor 7,5 millioen gulden; meest naar China en Engeland) en antimonium. Maar aan goud en zilver is het minder rijk dan men dacht; het kan in zijne eigen behoeften niet voorzien.

Er is een overvloed voor uitnemende kaolin voor de aardewerk* en porseleinfabricatie.

Voorts moeten zwavel, petroleum, ijzer, enz. genoemd worden.

§ 264. Industrie. De Europeanen vonden ook in Japan eene hoog ontwikkelde en eigenaardige industrie. De Chineezen zijn de leermeesters der Japaneezen geweest, maar de leerlingen hebben ten slotte de meesters overtroffen. In koperwerk, wapenen, papier uit verschillende vezelstoffen, zijden weefsels, vlechtwerk, porselein, enz. leveren de Japaneezen beter werk dan de Chineezen. De meeste dezer artikelen zijn degelijk en worden zoo goedkoop aan de markt gebracht, dat alle naar Japansche modellen vervaardigde Europeesche waren geen aftrek vinden. Daarentegen vinden veel Japansche artikelen, vooral porselein en papier, steeds meer aftrek in Europa.

Niettemin had de aanraking met de Europeanen eene geheele omkeering in de industrie tengevolge. De industrie der Japaneezen was — en is nog grootendeels — huisindustrie. Het volk is vlijtig en imiteert gemakkelijk. Zoodra een nieuw Europeesch artikel werd ingevoerd en aftrek vond, waren de Japaneezen er op uit het ook zelf te vervaardigen. Jongelieden werden naar Europa gezonden om het fabriekswezen te bestu-deeren. En zoo heeft Japan niet alleen uit Europa en Amerika vele machines ingevoerd, maar ten slotte zelf machine-, glas-,

ocr page 295

287

cement-, wol-, katoen- en zijdefabrieken opgericht, ja het exporteert zelfs reeds „Boheemsche glaswarenquot; naar Europa!

Sommige industrieën zijn er nog slecht vertegenwoordigd. Zoo zjjn er nog slechts twee staalfabrieken.

Japans eerste fabrieksstad is Osaka (500.000 inw.), om zijne vele kanalen en bruggen „Japansch Venetiëquot; geheeten, om zijne katoenfabrieken „Japansch Manchesterquot;. Hier heeft ook de (nog jonge) Japansche tapijtindustrie haren hoofdzetel (in werden reeds 500.000 stuks tapijten naar Amerika uitgevoerd); voorts koper- en lakwerk.

Voor den Ijinnenhandel is Osaka no. 1, maar de haven is niet diep, zoodat de groote buitenlandsche booten naar Kobe stoomen.

Andere fabriekssteden zijn: Kioto (340.000 inw.; zijdeweverijen en -stikkenjen, metaalwaren, porselein), Tokio, Na goj a (215.000 inw.; porselein; velerlei industrie).

§ 265. Handel en verkeer. Do binnenlandsche handel is zeer levendig, deels wordt hij over zee (kustscheepvaart tusschen de eilanden), deels over land gedreven. Er zijn uitmuntende wegen, belangrijke markten en missen.

Terwijl vroeger alleen de Nederlanders in Japan mochten handeldrijven, hebben nu bijna alle Europeesche rijken in Amerika met Japan handelsverdragen gesloten, en staan 8 trac-taathavens voor lien open. In de eerste plaats moet Jokoliaina genoemd worden. Veertig jaar geleden was het een klein vis-schersdorp, thans heeft het 190.000 inw. De nabijheid dei-hoofdstad Tokio (1,390.000 inw.), waarmee het door een'spoorweg verbonden en wier haven liet is, de nabijheid der belangrijke zijde- en theeprovincies, de groote ruimte en diepte van de haven hebben de plaats tot de belangrijkste havenstad gemaakt.

De tweede is Kobe (161.000 inw.), de haven van Kioto en Osaka. Invoer van katoenen en wollen stoffen, suiker; uitvoer van rijst, thee, kamfer, koper en antimonium.

Nagasaki (72.000 inw.) is reeds van minder, Hakodate (74.000) van veel minder beteekenis. De eerste is vooral door het verkeer met Korea, Wladiwostok, China en Manila van belang

ocr page 296

288

(uitvoer: steenkolen, gedroogde visch, rijst, kamfer), de laatste is een beschutte en diepe haven, maar uit den koers gelegen. Minder goed is de haven van Niigat a, aan de Westkust van Nippon. De belangrijkheid dezer havens blijke uit het volgende.

Invoer. Uitvoer. Totaal.

Jokohama 108,000.000 110,000.000 228,000.000 gulden. Kobe 1.43,000.000 64,000.000 207,000.000

Nagasaki 16,000.000 6,000.000 22,000.000 Hakodate 500.000 1,500.000 2,000.000

In- en uitvoer alleen in buitenlandsch verkeer gerekend. De voornaamste artikelen van in- en uitvoer geeft de volgende tabel.

Uitvoer 1897:

ruwe zijde en cocons 102 millioen gulden.

zijden weefsels

16

thee

9

??

rijst

6

J) 59

steenkolen

13

JJ

koper

7

lucifers

7

katoenen garens

en stoffen

20

matten

4

gedroogde visch

e. d.

3

kamfer

1,5

lakwerk

1

tapijten

1,5

stroovlechtwerk

3

er 1897:

katoen

54 millioen gulden.

katoenen garens

en stoffen

24

JJ J?

wollen garens en stoffen

15

Jgt;

metalen

23

9?

machines

36

JJ 99

suiker

24

99 99

petroleum

9

99 99

rijst

26

99 99

ocr page 297

289

Muntwezen. 1 gouden yen = /'2,36 = 100 sen = 4000 rin. Er zijn kopermunten van 1 en 5 rin, 1 en 2 sen. 1 nikkel-munt van 5 sen, zilvermunten van 5, 40, 20, 50 sen en 4 yen, goudmunten van 4, 2, 5, 40 en 20 yen.

De handel der Europeesche mogendheden en Amerika met O o s t-A z i ë (d.i. China, Japan en Korea) bedroeg in 1S97;

Invoer.

Engeland 5 millioen p. sterl. Duitschland 53 „ mark. Amerika 62 „ doll. Frankrijk 142 „ francs. Rusland 74,4 „ Roebel.

Uitvoer. 15 millioen p. sterl.

81

33,1 24,4 80,6

mark. doll, francs. Roebel.


Perzië.

(4,645.000 KM2, ± 9,000.000 inw.).

§ 26C. Het grootste deel van het land bestaat uit woestijn, steppe en kaal gebergte; woud en vruchtbaar akkerland nemen slechts een klein deel der oppervlakte in beslag. Waar water is, vindt men een vrij weelderigen plantengroei; waar het ontbreekt is woestijn. quot;Woud (beuken en eiken) vindt men nog aan de grenzen; in de kuststreek langs de Kaspische zee, en in de bergstreken van Aderbeidsjan en Koerdistan. Land- en tuinbouw zijn in de meeste streken slechts mogelijk bij kunstmatige besproeiing. Veelvuldig geschiedt dit door reeds in oude tijden aangelegde ondergrondsche leidingen (minder verdamping, — 't water blijft als drinkwater koel).

De kuststreek in 't N. (Masenderan, Gilan) verbouwt suikerriet, rijst, ooft (hier worden de Perzische sinaasappels geteeld, die over Astrakan naar Rusland uitgevoerd worden). Overigens worden verbouwd: rijst, tarwe, gerst, maïs, opium, tabak, katoen, ricinus, sesam en ooft (opium in Jesd, Ispahan, Korassan en Kirman). Beroemd zijn de rozenvelden van Ispahan en Sjiras, maar het onderhoud laat alles te wenschen over.

AVat de veeteelt betreft, in de eerste plaats moeten schapen

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 49

ocr page 298

290

en geiten genoemd worden, die met kameelen den rijkdom der nomadiseerende stammen in de steppengebieden vormen. Het schaap wordt om het vleesch geslacht, de geit om de melk gehouden, het kameel draagt lasten. Het paard, door kruising met het Arabisch ras veredeld, is zeer goed; het wordt hoofdzakelijk als rijdier gebruikt, daar wegen en wagens ontbreken. Ook ezels en muildieren worden gehouden. Door de groote kudden schapen levert Perzië veel wol; in Korassan en Kirman is de productie 10 millioen KG per jaar. Nauwelijks ^ wordt uitgevoerd; wordt in 't land zelf' verwerkt (tapijten).

Van belang is de zijdecultuur vooral in Gilan. Uitvoer van zijde naar Rusland.

In de Perzische golf wordt parelvisschenj uitgeoefend.

Perzië heeft waarschijnlijk vrij wat nuttige delfstoffen, maar aan de exploitatie wordt hoegenaamd niets gedaan. Van gewicht zijn alleen de groeven van turkoois, waarvan Perzië het meeste levert: zij liggen bij ilaadan, 80 KM ten W. van Mesjhed (in 't N.-O.).

De industrie is vooral huisindustrie. In vroeger' tijd waren de Perzische artikelen beroemd; die goede tijden zijn voorbij: de industrie is achteruitgegaan, komt in de laatste jaren wel weer op, maar kan tegen de Europeesche moeilijk concurreeren. Zoo begint de tapijtweverij weer te bloeien, maaide bewerking is niet zoo zorgvuldig als voorheen; Bassorah voert reeds jaarlijks voor ƒ 350.000 tapijten uit. Uit geitenhaar worden sjaals vervaardigd, die over Bombay op de Engelsche markt komen. De beste tapijten leveren Koerdistan en Mesjhed, de beste sjaals vervaardigt Kirman. Voorts moeten genoemd worden de zijdeweverij en -stikkerij (met goud en zilver), de vervaardiging van rozenolie.

§ 267. Handel en Verkeer. Over 't algemeen zijn de wegen slecht. Het binnenlandsch verkeer beweegt zich over karavaanwegen, die alle in de hoofdstad Teheran samenkomen.

Daardoor is Teheran de belangrijkste handelsstad.

De Toornaamste wegen zijn:

ocr page 299

291

1. Teheran-Perzische golf (naar Ispahan en van hier óf naar Aboesjher of over Sjoester naar Bassorah).

2. Ïeheran-Europa (Teheran-ïahris en van hier naar Trebisonde of naar Tiflis).

3. Teheran-Kaspische zee (Teheran-Eesjt-Enseli en Teheran-Balfroesj).

4. Teheran-Centraal-Azië (Mesjhed).

De Perzen zijn goede kooplieden, maar de buitenlandsche handel is toch grootendeels in handen van vreemden, vooral van Engelschen en Russen. Uit den loop der bovengenoemde wegen volgt reeds, dat voor dien handel van belang zijn:

voor den zeehandel: Bo esj her (Aboesjher) en Bassorah,

Enseli en Balfroesj;

voor den land ban del: Tab ris, Mesjhed. De belangrijkste Perzische haven is Boesjher. Engelsche stoombooten uit Indië doen de plaats aan. De haven is slechts 3 M diep; groote schepen moeten op 3 a 4 KM afstand op open reede ankeren. Uitvoer: granen, wol, opium (voor China vooral), katoen.

Ondanks de moeilijke verbinding over het hooggebergte (over Sjiras) is Boesjher van meer belang dan Bender Abbas en Lingueh (Lingah).

Waarde van den in- en uitvoer:

Boesjher 14,0 millioen gulden.

Lingueh 11 „ „

Bender Abbas 6,5 „ „

Over Tabris gaat voor 14,5 millioen, over de Kaspische zee voor 18 millioen.

Heel wat produkten (wol, tapijten, zijde, turkoois) wordt over Askabad per Transkaspisehe spoor vervoerd.

Rusland tracht aansluiting van Perzië te krijgen aan de Transkaspisehe spoor. Het schijnt, dat dit eindelijk gelukken zal, en de spoor zelfs tot den Indischen oceaan zal doorgetrokken worden.

Totale invoer, naar schatting, 49 millioen gulden. „ uitvoer „ „ 25 „ „

ocr page 300

292

Invoer: katoenen stoffen (uit Engeland, Zwitserland)

wollen „ (Rusland)

metalen en metaalwaren (Rusland, Duitschland) glas- en aardewerk (Engeland)

koffie (Arabië),

suiker, petroleum, uurwerken, enz.

Uitvoer: opium (7,5 millioen gulden), paarlen (over Lingueh, 3,5 millioen gulden), tabak, katoen, huiden, koren, zijde (over Enseli en Tabris), tapijten, turkoois, wol, gedroogde vruchten, sjaals.

Muntwezen. Munteenheid is de zilveren kran, thans / 0,29 waard; i toman =: 10 kran = 100 sennar — 1000 bisti.

ocr page 301

Y. AUSTRALIË.

§ 268. Het werelddeel Australië bestaat uit het vastland Australië of Nieuw-Hollaiul, en een groot aantal eilanden. (Oceanië).

A. Het Vastland Australië.

.§ 209. Het vastland Australië ligt tusschen den Indischen en den Grooten oceaan, heeft eene oppervlakte van 7.628.000 Kil3 en eene bevolking van 3,660.000 inw. De Torresstraat scheidt het van Nieuw-Guinea, de Bass-straat van ïasmanië.

Uithoeken zijn de volgende kapen: York, N.-W.-Kaap, Leeuwin, Wilson.

De grootste inham ligt in 't Noorden: de Car pen tar ia-golf, aan de Oostzijde afgesloten door het schiereiland York. In het Zuiden de flauw gebogen Australische golf en enkele kleinere: de Spencer-golf, de Golf van Sint-Vin-c e n t. Por t-P h i 1 i p.

Het bergland moeten we in het Oosten zoeken, langs de kust van den Grooten oceaan. Slechts eene smalle kustvlakte overlatende, stijgen de bergen vrij steil. Het hoogst zijn de Australische Alpen in 't Zuiden (2200 M); daaraan sluiten de Blauwe bergen. Noordwaarts strekt het gebergte zich uit tot in het schiereiland York.

De bergstreek is het best besproeide gedeelte van het geheele vastland: daar laten de zeewinden hun water vallen. Overigens valt bijna overal weinig regen.

Aan de Westzijde daalt het bergland naar het Zuid-Westen en Westen, waar uitgestrekte laagten liggen, besproeid door de Murray met de zijrivieren (Darling enz.). Door eene

ocr page 302

294

bergreeks van dit gescheiden liggen in eene Westelijker laagte verscheiden zoutmeren (Eyre, Torrens, Gairdner).

Het geheele midden en Westen van Nieuw-Holland is een 2—400 M hoog plateau, dor en onvruchtbaar. Hier en daar loopen kleine, niet hooge bergreeksen; aan de kusten liggen enkele vlakten. Bijna overal heerscht gebrek aan regen. Grroote streken worden ingenomen door eene stekelige, harde grassoort (spinifex) en laag, dooreengestrengeld kreupelhout (s c r u b).

§ 270, Planten. JSieuw-Holland bezit uitgestrekte grasvlakten, echter treft men alleen in de berglanden een even dicht grastapijt aan als bij ons, zoodat de veehouder over 't algemeen grootere ruimte behoeft; hier en daar is de bodem met zout-planten bedekt, vooral voor schapen geschikt, terwijl de rivieren begeleid worden door acacia's en eucalypten.

De eucalypten bereiken vaak eene hoogte van 120 M: bet zijn de blauwe gomboomen der kolonisten. De roode gomboom levert het beste en duurzaamste timmerhout. De grasboomen met him dichten bundel lange, draadvormige bladeren, uit welke een 2 a 3 M hooge bloemsteel opschiet, zweeten uit den stam (bij den wortel) klompen gummi uit als een vuist; deze stof geeft bij verbranding eene aangename reuk en komt dan ook. in vrij groote hoeveelheden in den handel.

Wouden zijn zeer spaarzaam voorhanden en dan nog staan de boomen op grooter' afstand dan bij ons, zoodat het landschap een parkachtig aanzien verkrijgt; bovendien zijn de bladeren hard en plaatsen zij zich evenwijdig aan de richting der zonnestralen, zoodat zij bijna geene schaduw geven. — Noord-Australië herinnert door zijne palmen en pandanen aan de vormen der heete zone.

§ 271. Dieren. Evenals de planten- is ook de dierenwereld van het Australische continent eene zeer eigenaardige. Rekenen we de dieren, door de Europeanen ingevoerd, niet mede, dan bezit Australië geen groote dieren en is vooral het getal zoogdieren zeer gering. Buideldieren, ratten, muizen, vleermuizen en een verwilderde hond — ziedaar alles. Dan moeten we nog

ocr page 303

295

het vogelbekdier noemen. Geen van deze zijn voor de menschen van bijzondere beteekenis geworden. Schaap, rund en paard voerden de Europeanen in, — maar ook het konijn, dat door zijne talrijkheid tot eene ware plaag voor den landman is geworden en blijft, ondanks alle middelen ter uitroeiing.

quot;Wat de vogels betreft, talrijk zijn de papagaaien; dan de atlasvogel, de emoe, de liervogel, de zwarte zwaan, duiven, eenden en ganzen. In het Koorden zijn de rivieren met alligators bevolkt; daar oefent men visscherij op parelmossels en tripang uit.

De hoofdgebieden der parelvisscherij liggen in de Torresstraat en bij de N.-Westkust der kolonie West-Australië. Het eiland Thursday met Port Kennedy is het belangrijkst voor de visscherij in de Torresstraat, gewoonlijk door 1500 personen uitgeoefend.

§ 272. Landbouw en veeteelt. Landbouw en ooftcultuur worden alleen in de kuststreken uitgeoefend, in Kieuw-Zuid-Wales langs de geheele kust en voorts vooral in de omstreken van Melbourne, Adelaide, Perth en Brisbane. Zuidvruchten en de wijnstok, door de Europeanen ingevoerd, gedijen er zeer goed; de uitvoer van Australische wijnen naar Engeland is niet onbelangrijk meer.

Wijn leveren vooral Victoria en Zuid-Australië. In 1893 waren 22.200 HA met den wijnstok beplant, ze leverden 184.000 HL wijn, in 1897 24400 HA en 303.000 HL.

Aran veel meer beteekenis echter is de landbouw. Tarwe wordt in groote hoeveelheid verbouwd in Zuid-Australië, Victoria en Kieuw-Zuid-Wales, maïs in N.-Z.-Wales eu Queensland, aardappels overal. De katoencultuur gaat niet vooruit en heeft thans niet veel meer te beteekenen; daarentegen wordt de suikercultuur steeds belangrijker, vooral in Queensland.

In 1 896 waren in de Noordelijke kustdistrikteu van Queensland 33.200 HA met suikerriet beplant, die ruim 100.000 tonnen suiker en bijna 100.000 HL siroop leverden. De waarde der suiker werd op 11 millioen gulden berekend; in de 81 fabrieken werkten 13.400 personen.

ocr page 304

296

In 1896/97 waren bebouwd met:

tarwe.

mais.

gerst.

haver.

N.-Z.-Wales

3-46.000

85.000

2.600

16.000

Victoria

632.000

4.000

25.000

168.000

Queensland

14.000

46.000

750

750

Zuid-Australië

677.000

—

16.000

16.000

West-Australië

600

12

760

700

Tasmanië

30.000

(iO

1.600

18.000

Belangrijker nog dan do landbouw is de veeteelt. Toen men bemerkte, hoezeer het land voor de veeteelt geschikt was, voerde men de beste Engelsche rassen in.

Thans (31 Juni 1898) beloopt de veestapel.

ocr page 305

297

paarden.

runderen.

schapen.

N.-Z.-Wales

500.000

2,085.000

43,953.000

Victoria

432.000

1,834.000

13,180.000

Queensland

479.000

6,507.000

17,798.000

Zuid-Australië

200.000

540.000

5,092.000

West-Australië

62.000

225.000

2,211.000

Tasmanië

30,000

157.000

1,589.000

1,701.000

11,369.000

83,823.000

Op 4 inwoner heeft Queensland 42 schapen, N.-Z.-Wales 37.

Enkele jaren geleden was de veestapel grooter; de droogten dor laatste jaren hebben veel vee doen sterven. In 1894 was het aantal schapen b. v. meer dan 100 millioen.

Vele veefokkers bezitten tienduizenden schapen, ja, er zijn er, die meer dan 100.000 schapen bezitten.

Hoe snel de veestapel zich uitgebreid heeft, blijkt hieruit, dat in 't jaar 1800 aanwezig waren: 600 schapen, 1000 runderen en 200 paarden.

Huiden en wol werden reeds vroeg uitgevoerd, maar voor het vleesch kon men geen markt vinden. In 1880 werden geslachte schapen in bevroren toestand naar Engeland gebracht; het vleesch kwam in uitmuntenden staat aan en thans is de uitvoer van bevroren vleesch zeer aanzienlijk (in 189G 2,380.000 schapen).

Het voornaamste uitvoerprodukt is wol. Ondanks de lage prijzen, werd in 1897 voor 240 millioen gulden uitgevoerd (waarvan door N.-Z.-Wales 43 0/0).

De weiden van den veehouder (squatter) liggen meest op de berghellingen en aan en tusschen de groote rivieren in ?t Oosten. Landbouw kan hier, wegens het droge klimaat, niet uitgeoefend worden. Gebrek aan water maakt hier zelfs de veeteelt vaak moeilijk. Met opoffering van groote sommen laat do squatter putten boren, — dikwijls te vergeefs, en legt hij — dammen in de riviertjes om het water op te houden en zoo mogelijk in vijvers te Liten vloeien (drinkwater voor hot vee). Diepe boringen hebben hier en daar uitstekend water te voorschijn doen komen; menige woestenij is daardoor in best weiland veranderd.

§ 273. Delfstoffen. Australië is zeer rijk aan delfstoffen, vooral aan goud, zilver, koper, tin, steenkolen.

ocr page 306

298

Grootere goudlagen werden eerst in 4851 ontdekt, bij Bathurst (ten W. van Sydney) en spoedig daarop in het Port Philip-district, het tegenwoordige Victoria, dat toen nog met Kieuw-Zuid-Wales vereenigd was. De goudkoorts tastte niet alleen de bevolking der omgelegen landstreken aan, maar uit alle deelen der wereld kwamen duizenden bij duizenden om hun geluk te beproeven. In het le jaar na de ontdekking immigreerden alleen naar Victoria bijna 100.000 personen! Een geheel nieuwe toestand brak voor de kolonie aan. Sneller dan ooit wies de bevolking, nieuwe plaatsen ontstonden.

Hoewel tegenwoordig do goudproductie aanmerkelijk minder is dan vroeger, is zij toch nog steeds van beteekenis.

Zilver vindt men overal, vooral echter in Nicuw-Zukl-Wales en wel in het Stanley-gebergte (op de grens van Zuid-Australië). waar eene bloeiende stad ontstond (Broken Hill, thans reeds 26.000 inw.).

Koper wordt het meest gevonden in de landstreek ten Oosten van de Spencer-golf (ten N. en N.-W. van Adelaïde). Tin leveren vooral Nieuw-Zuid-Wales en Queensland.

Steenkolen, en ook bruinkolen en anthraciet, komen in de Oostelijke helft van het continent veelvuldig voor. De uit-gestrektste en rijkste lagen vindt men in Nieuw-Zuid-Wales. Uitvoerplaats: Kew-Castle.

Tot het einde van 1896 bedroeg do waarde der gevonden metalen en kolen (in millioen guldens):

Goud. zilver en lood. tin. koper, kolen. Victoria 2927 0,06 8,5 3 2

K.-Z.-Wales 520 271 125 79 380

Queensland 469 14,5 52 24 23

West-Australië 43 4,4 0,8 2 —

Zuid-Australië 20 2 0,06 252 —

g 274. Industrie. Deze heeft nog weinig te beteekenen, maar het is te voorzien, dat ze weldra belangrijk zal worden.

In Nieuw-Zuid-Wales en Victoria begint ze reeds op te komen. Van belang zijn reeds de brouwerijen, meelfabrieken, suikerfabrieken, fabrieken voor kleeding, vleeschconserven, enz.

ocr page 307

299

§ 275. Handel. Als handelsgebieden zijn de verschillende koloniën volkomen zelfstandig. Toltarieven gelden niet alleen voor het buitenland, ook voor de koloniën onderling.

De handel onderling is zeer levendig. Wat de buitenlandsche handel betreft, in 1897 werd in- en uitgevoerd:

Invoer.

Uitvoer.

N.-Z.-Wales

260 millioen

284 millioen g

ulden.

Victoria

185

200 „

11

Queensland

64

68 „

11

Zuid-Australië

85

86 „

11

West-Australië

76

46 „

11

Tasmanië

16

JJ

20 „

11

De belangrijkste

uitvoerartikelen

zijn: wol, huiden.

vleesch.

boter en kaas, goud, zilver en andere metalen, tarwemeel, enz. Invoer: allerlei fabricaten, thee, suiker, koffie, tabak en sigaren, machines, enz.

§ 276. Bevolking. Toen de Europeanen in Nieuw-Holland kwamen, was dit bewoond door de N i e u w - II o 11 a n d e r s, een donker, geestelijk slecht ontwikkeld menschenras. Ze drongen hen terug naar het binnenland, waar deze geen voedsel vinden en uitsterven.

Het hoofdbestanddeel der bevolking vormen de Engclschen, Ieren en Schotten, samen 90 %•

Xa de Britsche kolonisten moeten de Duitsche genoemd worden. Zij houden zich vooral met wijn- en landbouw bezig. Dan volgen de Chineezen, die overal gevonden worden, waar goudvelden zijn. Yoorheen was de toevloed van Chineesche immigranten zeer groot; sedert 1880, toen de meeste koloniën van eiken inkomenden Chinees een hoofdgeld vorderden, heeft de immigratie niet veel meer te beteekenen. Thans zijn er 36.000 Chineezen.

De koloniën zijn :

I. Queensland. Grootte 50 X ons land; bevolking ^ mil-lioen; sedert 1859 zelfstandig. Hoofdhaven Brisbane, 101.000 invv. Townsville (11.000 inw.), Rockhampton (15.000 inw.) en Ipswich (13.000 inw.), gouduitvoer.

ocr page 308

;iOO

II. Nieuw-Zuid-Wales. Grootte 800.000 KM2; bevolking 1,324.000 zielen. Sydney (410.000 inw.), aan Port Jackson, hoofdhaven, groote dokken; fabrieken voor machines, leder- en ■wollen waren.

New-Castlo (25.000 inw). belangrijkste kolenhaven.

Bathurst (9.000 inw.), zilver en goud. Broken Hill (26.000 inw.), zilver.

TTT Victoria. Grootte 230.000 KM2; bevolking 1,118.000 zielen. Melbourne (448.000 inw.), hoofdhaven bij den uitersten hoek van de Port Philip, groote handelsvloot, groote dokken, allerlei fabrieken. Geelong (13.000 inw.), tweede haven. Bal-larat (39.000 inw.), goud.

IV. Zuid-Australië. Grootte (met Noord-Australië) 2,342,000 KM2; bevolking 3(33.000 zielen. Adelaïde 140.000 inw., industrie, handel, haven: Port Adelaïde. Port Augusta, uitvoer vee en koren. Palmers ton aan Port-Dar win, haven (begin van de telegraaf dwars door Nieuw-Holland; een spoor wordt er langs gelegd).

V. West-Australie. Grootte 2,527.000 KM2; bevolking 162.000 zielen. Hoofdplaats Perth (25.000 inw.). Havens: Fremantle, hoofdhaven, aan den mond der Swan rivier (9000 inw.), Albany (3000 inw.) aan den King George-sond.

VI. Tasmania. Grootte 65.000 KM2; bevolking 172.000 zielen. Hob art (38.000 inw.), goede haven, handel. Laun-ceston (20.000 inw.), handel.

B. Oceanië.

§ 277. Met uitzondering van Nieuw-Zeeland liggen de eilanden tusschen de tropen; zij zijn geheel aan den invloed der zee onderworpen. Ten Noorden van den aequator liggen ze meer in rijen. Zuidelijker in groepen. Het Oostelijk deel van den Grooten oceaan is armer aan eilanden. Voor een groot deel zijn het koraalvormingen, vooral atollen. Vele eilanden zijn omgeven door barrière-riffen.

Het klimaat is zeer gelijkmatig; de temperatuur wisselt tusschen 20 en 26°. De plantenwereld draagt een Indisch karakter.

ocr page 309

301

Op de hoogc eilanden vindt men een weelderigen plantengroei. In het Westen is de sagopalm van beteekenis, maar voor de lage eilanden is de kokospalm de voornaamste plant; op alle

atollen vormen de noten het hoofdvoedsel. Broodvruchtboomen komen veelvuldig voor. Op enkele eilanden verbouwt men suikerriet, katoen en zuidvruchten.

Het witte, eetbare gedeelte van de kokosnoot, copra, wordt of uitgevoerd of geperst om olie te krijgen; kokosolie is een der belangrijkste handel-produkten. De broodvruchtboom heeft vruchten zoo groot als een meloen, in 't midden eenigszins vezelig, maar overigens zacht eu melig: men kan er op verschillende wijzen goede spijzen van bereiden.

Ook de dierenwereld is in 't Westen rijker dan in 't Oosten. Vooral aan zoogdieren zijn de eilanden buitengewoon arm. Buideldieren heeft N. Guinea; in 't Oosten vindt men alleen ratten inheemsch, en dan varkens, honden en hoenders. Paradijsvogels moeten we in 't Westen zoeken. Europeanen hebben hier en daar paarden en runderen ingevoerd; do proeven, om ook het schaap er te acclimatiseeren, mislukten.

§ 278. I. Ten Noord-Oosten en Oosten van Isieuw-ïïolland ligt eene rij eilanden (waarvan de uitersten het grootst zijn): Nieuw-Guinea, N i e u w - B r i 11 a n j e, N i e u w - I e r 1 a n d, S a 1 o m o n s e i 1., Nieuwe H e b r i d e n, N i e u w - C a 1 e-d o n i ë, Nieuw-Zeelaud. Behalve Xieuw-Zecland heet deze groep Melanesië. De bewoners zijn de donkerkleurige, kroesharige Papoea's.

ocr page 310

302

Nieuw-Guinea is het grootste eiland der Aarde; de opperïlakte beloopt 785.000 KM2 = 24 X die van Nederland. De Westelijke helft behoort Nederland: van de Oostelijke helft is het Noorden Duitsch, het Zuiden Britsch.

II. Ten Noorden van Nieuw-Guinea liggen een groot aantal kleine eilanden, die men samenvat onder den naam van Micronesië de Karolinen, de Marianen of Ladronen (Duitsch).

III. Ten Oosten en Noord-Oosten der genoemde rij liggen verscheidene groepen (Polynesië), waarvan we slechts noemen: de Viti-eil., de Samoa-eil., de Grezelschaps-, de Lage eil., de Sandwich-eil.

Hoewel op de meeste eilanden de bevolking ruw en onont-

ocr page 311

303

wikkeld is, zijn de bewoners overal uitstekende zeelieden, wier booten bewondering verdienen (booten mot vleugels). Sommige eilanden voeren olie en katoen uit. Hier vooral vindt men kokospalmen. Vele eilanden zijn koraaleilanden.

De Sandwicli-eilanden (Amerikaansch) zijn eene belangrijke aanlegplaats voor de schepen, die den Grooten oceaan doorvaren. Het grootste eiland is Hawaiiquot; (vulkaan van meer dan 4000 M hoogte), de voornaamste haven, tevens de hoofdplaats, H o-n o 1 o e 1 o e.

De Viti-cil. bezitten talrijke plantages; zij leveren suikerriet, katoen, koffie, thee, enz.

De Samo a-groep met zijne boschrijke bergen voert voornamelijk copra, katoen en koffie uit; middelpunt voor den handel is het stadje Apia.

De S a n d w i c h-e i 1. verbouwen suiker (vooral Hawaii), rijst, bananen, enz.

IV. Nieuw-Zeeland is bijna zoo groot als Groot-Brittanje en Ierland, aan welk rijk het behoort. Het bestaat uit twee eilanden, door de Cook's*straat gescheiden, — woeste berglanden met gletschers (Zuid-eiland), vulkanen (Noord-eiland: Mt Egmond), enz. (bergen van meer dan 4000 M. hoogte).

De oorspronkelijke bevolking zijn de krachtige Maori's.

De geheele bevolking bedraagt 770.000 zielen, waaronder 4000 Chineezen.

Geen Australische kolonie levert rijker oogsten van tarwe en haver dan Nieuw-Zeeland. Het Nieuwzeelandsch vlas wordt in tal van fabrieken verwerkt en ook in groote hoeveelheden uitgevoerd.

Dit Tlas gelijkt volstrekt niet op het onze. Een' stengel heeft do plant hoegenaamd niet; in voorkomen is zij het best hij onze gele lisch te vergelijken. De hladeren, die eone lengte van 2 M hebben, bevatten de sterke vezels, die zoowel voor de vervaardiging van kabeltouwen als voor die van fijn linnen gebruikt worden.

Hoogst belangrijk is de veeteelt, vooral de schapenfokkerij. Uitvoer: wol, bevroren vleesch (jaarlijks a 2 millioen schapen!) huiden, (waaronder voor meer dan 1 millioen

ocr page 312

304

konijnevellen). Vooral in de omstreken van Dunedin zijn rijke goudvelden; voorts steenkolen.

Hoofdstad der kolonie is quot;Wellington (42.000 inw.); in 't N. Auckland (58.000 inw.); op het Zuid-eiland moeten we de plaatsen aan de Oostzijde zoeken: Christchurch (51.000 inw.) en Dunedin (47.000 inw.).

In 1897 waren in N.-Zeeland :

paarden 254.000

runderen 1,182.000 schapen 19,688,000

wol

«

In hetzelfde jaar werd voor 11,5 millioen gulden goud gewonnen. Aan steenkolen werd in 1898 voor eene waarde 3 millioen gulden uitgevoerd. Uitvoer 1896:

53 millioen gulden.

bevroren schapen 19

boter talk kaas koren

4,5

3

1,8

n

4

ocr page 313

VL AMERIKA.

§ 279. Atlantische en Groote oceaan worden door een langgerekt continent, Amerika, gescheiden.

De Noordpunt van liet vastland is Kaap Barrow, de Zuidpunt Kaap F r o w a r d (van Vuurland Kaap Hoor n). Andere kapen zijn: San R o q u e (de Oost-), Prins v. W a 1 e s (de Westpunt).

Amerika bestaat uit twee groote deelen: Noord-Amerika en Zuid-Amerika. Deze deelen, die beide eenigszins den vorm van een' driehoek hebben (den top naar 't Zuiden), worden door eene betrekkelijk smalle landengte verbonden (landengte van Panama; hierover loopt reeds de spoorweg C o 1 o n-P a n a m a, die den Atlantischen oceaan met den Grooten oceaan verbindt: met de doorgraving is thans opgehouden, terwijl het plan voor een kanaal door Nicaragua verwezenlijkt schijnt te zullen worden); de inham wordt gevormd door de Golf van Mejico en de Caraï-bische zee (de Straat van Yucatan, tusschen Cuba en het schiereiland Yucatan, verbindt beide zeeën; de Straat van Florida leidt naar den Atlantischen oceaan).

Ten Noorden van Noord-Amerika ligt een Archipel, die uit een groot aantal onbewoonde eilanden bestaat; daar ligt ook Groenland. (Zie hoofdstuk VII).

ïen Noorden van Zuid-Amerika, als 't ware eene brug naar Noord-Amerika vormende, liggen de Westindische eilanden.

De grootste zijn: Cuba, Portorico (tabak en suiker; Havana-sigaren), Jamaïca (suiker, koffie; Engelsch) en Haiti (de Groote Antillen). Deze eilanden zijn bergachtig; Cuba heeft bergen van 2000 M.

Van de kleinere eilanden, die gedeeltelijk laag, gedeeltelijk vulkanisch en hoog zijn, behooren :

Ten Have. HanJels-Aardrijkskuncle. 20

ocr page 314

306

aan Frankrijk; Guadeloupe en Martinique (suiker); aan Engeland: Berbados, Ta,bago;

aan Denemarken: St.-Thomas (stapelplaats voor W.-Indië en de N. kust van Z.-Amerika);

aan Nederland: Aruba, Curasao, Bonaire, St.-Eusta-tius, Saba en (ten deele) St.-Martin.

Cuba en Portorico behooren thans aan de A'ereenijde Staten. Cuba, „de parel dor Antillenquot;, is 119.000 KM- groot en hoeft 1,630.000 imv. Slechts 10°jo is in cultuur gebracht. Sniker in de Vnelta Arriba aan de Noordzijde. Tabaksplantages vindt men vooral in 't Westen; de Vuelta Abajo, 5 uur breed en 20 lang, levert de beste tabak der wereld (Pinar del Rio). Uitvoer 1895: 13,7 miilioen KG. tabak, 1SG millioen sigaren en 48 miilioen pakjes sigaretten. In 1890 bestonden ruim 1100 suikerplantages, bijna 8500 tabaksplantages en bijna 200 koffieplantages. Door de oorlogen hoeft liet eiland schrikkelijk geleden: tal van plantages zijn verwoest. Delfstoffoii: ijzer, koper, mangaan, asphalt. De industrie gaat sterk vooruit, vooral in Havana (suiker, tabak, alcohol, zeep).

De voornaamste• haven is de hoofdstad Havana (200.000 imv.); de haven is 10 M diep. Uitvoer: tabak, sigaren, rum, suiker, honig; invoer: gedroogd vleesch, stokvisch, meel, rijst, wijn, spek, kolen. Matanzas (56.000 inw.), cn Cardenas (25.000 inw.) voeren suiker uit. Santiago (60.000 imv.), fabrieken, uit- en invoer.

rortorico Is 9300 KM2 groot en heeft 800.000 inw. Het verbouwt koffie (uitvoer 1896: 16 mill, gulden;, suiker (5), tabak (0,5), rijst, mals, bananen, katoen, enz.

De wegen zijn er slecht, de havens slecht onderhouden.

Handelssteden : SauJuandePortorico (haven 8 — 14 M. diep), P o n c e (uitvoer : suiker, koffie, tabak).

Jamaica is Engelsch; grootte 10.900 KM'2, bevolking 700.000 zielen. 25 o/o is in cultuur, waarvan 15 0/o grasland (veeteelt), 10 0/o bouwland (suiker, koffie, cacao, bananen). Uitvoer 1896: suiker 1,8 miilioen gulden, rum 1,5, koffie 2,5, — verder cacao, arrowroot, enz. Invoer: katoenen stoffen, stokvisch, meel, rijst. Hoofdstad Kingston (47.000 inw.), handel.

Haïti is 77.000 KM- groot, heeft 1,628.000 inw. en bestaat uit de republiek Haïti en de Dominikaansche republiek. Uitvoer : koffie, cacao, blauwhout, katoen, tabak, suiker, mahoniehout, geite-vellen. Plaatsen: Port au Prince (61.000 inw.), handel, uitvoer; Santo Domingo (14.000 inw.), uitvoer.

ocr page 315
ocr page 316

308

A. Noord- en Middel-Amerika.

§ 280. Het geheele Noorden van Noord-Amerika, behalve Alaska, behoort aan Engeland (Britsch Noord-Aiiierika).

Het Westelijk deel van dit uitgestrekte gebied is bergland: het Rotsgebergte, dat zich tot in Alaska voortzet, De Sint-Eliasberg bereikt eene hoogte van 5500 M. Langs de kust ligt het Kaskaden-gebergte.

Die kust is verbrokkeld en heeft diepe insnijdingen; vele eilanden: Sitka, Vancouver; zij gelijkt op de Xoorweegsclie.

Het geheele bergland is met woud (naaldboomen) bedekt.

De streek ten Westen van het Rotsgebergte is Britsch Columbia, waterrijk, met vele snelstroomende rivieren en watervallen.

Alaska behoort met een Zuidelijker kuststreek aan de Vereenigde Staten. Midden door Alaska stroomt de bevaarbare Joekou, die des zomers een' scheepvaartweg vormt naar het nieuw ontdekte goudland Klondyke. In 't Zuiden de haven Sitka. Jacht op walvisschen en robben.

Ten Oosten van het Rotsgebergte daalt het land naar het Noorden en naar de diep in het land dringende Hiulsonsbaai. De Mackenzie ontvangt het water van het Groote Slaven-en het Grroote Berenmeer, de Saskatchawan loopt door het Wi nip eg-me er. De streek om de Hudsonsbaai tot aan de groote Canadasche meren is rijk aan naaldhout; onmiddellijk ten Oosten van het Rotsgebergte liggen grassteppen.

De geheele streek, vroeger het jachtgebied der trappers, is weinig of niet bevolkt.

Geheel anders is het met het uiterste Oosten, Canada, gesteld, het gebied van den Sint-Laurens.

De St-.Laurens, uitstroomende in de golf van dien naam, komt uit een stelsel van groote meren: Boven-, Michigan-, Huron-, Erie- en O n t a r i o-m eer (de Canadasche meren ; samen = 7.^ X Nederland). De Niagara verbindt de twee laatste en maakt den beroemden waterval.

Vóór de Golf van St.-Laurens ligt New-Foundland, er in liggen Anticosti en Pr. Edward-eil.

ocr page 317

309

Miquelon en St.-Pierre zijn Fransch.

Waar de St.-Laurens beter bevaarbaar wordt en de Ottawa •opneemt, ligt op een eiland Montreal (217.000 inw.; van hier loopt een waterweg naar de Hudson en dus naar X e w-\ o r k). Quebec (63,000 inw.) ligt aan den mond. Toronto (181.000 inw.) ligt aan het Ütario-meer. Op Nieuw-Found-lanrt S t.-J o h n s aan de Pundy-baai, op Nieuw-Schotland ligt Halifax.

§ 281. De yereenigde staten.

De Zuidgrens, de kust aan de golf van Mejico, ligt op ± 30° Z.-B.; verder naar het Zuiden steekt het schiereiland Florida; de Noordgrens ligt in 't Oosten op ongeveer 45, in 't Westen ■op 48».

De oppervlakte der Yereenigde staten (Alaska meegerekend) is iets kleiner dan die van Europa; de bevolking beloopt 72 millioen zielen.

De meridiaan, die op 100° W.-L. loopt, scheidt de V. S. in twee zeer verschillende deelen: wat ten Westen van die lijn ligt, is bijna geheel hoogland, wat er ten Oosten van ligt voor een belangrijk deel laagland.

Dit laagland wordt door een bergland in twee deelen verdeeld : eene kustvlakte en eene centrale vlakte. Als afzonderlijk deel moet dan in 't Westen het kustgebied nog aangemerkt worden.

Zoo komen we tot de volgende indeeling :

a. De Atlantische kustvlakte.

b. Het Oostelijk bergland.

c. Het Centrale laagland.

d. Het Hoogland.

e. Het kustgebied van den Grooten oceaan.

§ 282. De Atlantische kustvlakte.

De Atlantische kustvlakte strekt zich langs de geheele kust van den Atlantischen oceaan uit, naar het Zuiden toe breeder wordende. Talrijke rivieren komen van het bergland en stroomen door de vlakte naar den oceaan (o. a. Hudson, Delaware, Susquehanna, Potomac). De zee dringt op tal

ocr page 318

310

van plaatsen diep in het land, vooral ten Noorden van kaap H a 11 e r a s.

In het Noordelijk gedeelte liggen de grootste steden der V. S.:

New-York (1,850.000 inw.), door eene brug verbonden met Brooklyn (970.000 inw.) op Long Island. (Sedert '98 is New-York met de aanliggende plaatsen tot Groot New-York vereenigd, dat 3,350.000 inw. telt.)

Philadelphia (1,250.000 inw.).

Baltimore (625.000 inw.).

Washington (280.000 inw.), de hoofdstad der Unie.

Boston (550.000 inw.).

Lowell (90.000 inw.).

Charleston en Savannah zijn havens in 't Zuiden.

Het schiereiland Florida is zeer moerassig.

§ 283. Het Oostelyk bergland.

Dit bestaat uit het Alleghany-gebergte en het Bergland van Nieuw-Engeland. Voor een belangrijk deel is dit een kalkgebergte.

Naar de Westzijde watert het bergland af door de Ohio, waaraan Cincinnati (400.000 inw.), Pittsburg (290.000 inw.) en andere plaatsen liggen. Aan de meren: Buffalo en Cleveland (elk 390.000 inw.).

§ 284. Het Centrale laagland.

Tusschen het Westelijke hoogland en de Alleghanies ligt de groote Centrale vlakte, besproeid door den Mississippi met zijne talrijke zijrivieren: Missouri, Nebraska, Kansas, Arkansas, Ohio.

De Mississippi wordt reoils bij S t. - ? a u 1 bevaarbaar; Je Missouri is voor 2/3 door grootere schepen te bevaren. Ohio wordt van Pittsburg af met stoombooten bevaren; ook hare zijrivier de Tennessee is voor de scheepvaart geschikt.

We kunnen het Centrale laagland in een Noordelijk en Zuidelijk gebied verdeelen.

Het eerste is eene groote korenschuur. Voor eene halve eeuw spaarzaam bewoond, zijn deze vlakten thans goed bevolkt; in korten tijd ontstonden hier groote steden: Chicago (1,800.000

ocr page 319

3il

inw.), Detroit (320.000 inw.), Milwaukee (275.000 inw.), Sint-Paul (160.000 inw.), Minneapolis (210.000 inwoners).

Aan den Mississippi, dicht bij de plaats, waar deze zich met den Missouri vereenigt, ligt de handelsplaats St.-Louis (650.000 inw.).

Voor het Zuidelijk deel van het Centrale laagland is de hoofdhaven Xew-Orleans (300.000 inw.); bovendien liggen aan de Golfkust nog: Mobile, Galveston.

Xaar het Westen loopt het land langzaam op tot het Rotsgebergte. Hier hebben we de streek der Prairieën.

Aan den voet van het Eotsgebergte ligt Denver (125.000 inw.)

§ 285. Het Hoogland.

Tot het Hoogland rekenen we de streek tusschen het Rotsgebergte in 't Oosten, het Cascaden-gebergte en de Sierra-Nevada in 't AVesten.

Het Rotsgebergte verheft zich in den M. Havard tot bijna 4400 M. De passen liggen hoog, vele op 3000 M (de Evans-pas, waardoor een der Pacific-banen gaat, is ruim 2500 M hoog). — Ook de Sierra Nevada is meer dan 4000 M hoog.

Het tusschengelegen hoogland is dor en onvruchtbaar. In het Zuiden ligt het Colorado-plateau, waarin de Color ado diepe dalen . met loodrechte wanden gevormd heeft, zoogenaamde canons; hier en daar zijn ze meer dan 1800 M diep! Het plateau, dat eene oppervlakte van 390,000 KM- beslaat (— 12 X Nederland) is door diepe spleten zoo verdeeld, dat aan een' tocht dwars er over niet gedacht kan worden.

ïegen hot hooggebergte aan gaat het plateau in eenö steppe over, waa groote kudden weiden. De dieren zijn gemerkt; ieder eigenaar heeft zijn eigen merk, door de wet beschermd. De spoortreinen dooden veel dieren, al zijn voor aan de locomotieyen „koevangersquot; om de dieren op zijde te werpen: de spoorwegmaatschappij betaalt soms f 10.000 schadevergoeding per maand.

In het midden ligt het Groot bekken, dat geen afwatering-bezit. Hier liggen vele meren, o. a. het Groote Zoutmeer (6000 KM3; het water bevat 22 % zout).

Bij het meer ligt de Groote Zoutmeerstad (45.000 inw.).

Het Noordelijk deel watert af door de Slangen-rivier, zijrivier van de Columbia.

ocr page 320

312

§ 286. Het kustgebied van den Grooten oceaan.

Hiertoe rekenen we :

a. de Kustgebergten, die dicht langs den oceaan loopen;

b. de dalen tusschen die Kustgebergten aan de eene en het Cascaden-gebergte en de Sierra-Nevada aan de andere zjjde.

In het midden is eene opening in de Kustgebergten, op de plaats, waar de zee een kleinen inham maakt. Daar is de verbinding van de dalen met de kust, daar ontstond de belanrijkste havenstad van de geheele Westkust van Amerika, San Francisco.

De dalen vormen het centrum van Caliornië. Dit dankt zijne opkomst aan de goudvelden. San Francisco telde in 1848 slechts weinige honderden inwoners, toen zich de mare verbreidde, dat in Californië rijke goudvelden waren ontdekt. Duizenden stroomden nu naar het land om te trachten in korten rijk te worden. Zeer enkelen gelukte dit, maar de meesten werden zeer teleurgesteld. Daar het land vruchtbaar bleek, bleven zij echter. In de plaats van het gouddelven (dat nog steeds geschiedt), kwamen land-, tuinbouw en veeteelt. Deze zjjn thans dan ook de hoofdmiddelen van bestaan. Het land levert koren, wijn, ooft (in de dalen). Vooral in 't Zuiden (Los Angelos, 50.000 inw.) worden veel schapen gehouden.

De groote uit- en invoerhaven is San Francisco (350.000 inw.) aan eene schoone bocht, die men door „de Gouden Poortquot; binnenvaart.

De Vereenigde Staten worden verdeeld in staten en gebieden; de laatste zenden wel volksvertegenwoordigers naar het Congres (de wetgevende macht); maar deze bezitten geen stemrecht. De uitvoerende macht berust bij den president. Elke staat heeft een eigen bestuur aan welks hoofd de g o u-v e r n e u r staat.

§ 287. Mejiko. Mejico loopt naar het Zuiden smaller uit; de geringste breedte bezit het in de Landengte van ïehu-antepec (tusschen de C a m p èch e-b a a i en de Golf van Tehuantepec, thans door een' spoorweg verbonden).

Tot Mejico behoort het lage schiereiland Yucatan, dooide straat van dien naam van Cuba gescheiden.

ocr page 321

313

De hooglanden, die we in de Yereenigde staten leerden kennen, zetten zich naar het Zuiden in het Hoogland van Mejiko voort. De Westelijke rand er van is de Sierra Mad re. In het Zuiden eindigt het bij de kleine plateaus van Mejiko en Pu eb la, door hooge bergen afgesloten (Piek van Orizaba, 5583 M).

De hoogvlakte is voor een groot deel dor en vertoont hetzelfde karakter als het hoogland der Unie. Toch zijn groote streken bebouwd met maïs en tarwe. In de lage, heete kuststreken, moerassig en ongezond langs de Golf van Mejico, worden cacao, suiker, katoen, enz. geteeld.

Op het hoogland vindt men zilvermijnen (Guanajuato); zilver is het hoofdartikel van uitvoer. De hoofdplaats Mejico (330.000) is door een' spoorweg verbonden met de hoofdhaven des lands, Vera Cruz (24.000 inw.).

Mejico is eene republiek.

Naast mijnbouw is landbouw hoofdzaak. De productie bedroci? in 1896 :

maïs

25,8

mill.

HL (waarde 92

mill.

tarwe

600

„

KG (33 mill, i

rid.)

gerst

l,i

„

HL ( 4 „

, )

suiker

71,4

„

KG (15 „

. )

cacao

1,3

, ( 0,7 „

„ )

koffie

13,25

„ ( 9 „

„ )

tabal-

15,87

, ( 6 „

„ )

katoen

29,2

„

, ( 9 „

„ )

Lït de agave bereidt men brandewijn en pulque (rosp. 0,3 en 1,4 mill. HL), maar ook vezels, henequen of sisallionnep, 1896: 531 mill. KG ter waarde van 26 mill, gulden; Yucatan levert veel; bijna quot;/io wordt uitgevoerd naar de Vereenigde Staten.

Er zijn 1300 mijnen met ruim 100.000 arbeiders De rijkste zilvermijnen bezitten Zacatecas en Guanajuato. In 1896 werd gevonden; aan zilver voor 64 millioen gulden.

gt;, goud „ 5 „

voorts ; ijzer (Durango), koper, tin, kolen. Suikerfabrieken, katoenfabrleken.

Ver a-C r uz is de hoofdhaven, ongezond (koortsen). In 1895 kwamen er 261 stoom- en 40 zeilschepen aan.

Uitvoer vooral naar Frankrijk, Engeland, de Vereenigde staten en Spanje. Uitvoer : koffie, zilver, goud, suiker, tabak, vanille.

Ook Tampico (12.000 inw.) heeft belangrijken uit- en invoer. Uit-

ocr page 322

314

voer: zilver, goud, henequen, huiden, verfhout; invoer: geweven stoffen, glas-, ijzerwaren.

Haven voor Yucatan is Progreso, havens aan den Grooten oceaan zijn: Guaymas, San Bias, A ca pul co (kolenstation), Salina Cruz,

§ 288. Midden-Amerika.

De Landengte van Tehuantepee verbindt Mejico met Midden-Amerika, maar scheidt de berglanden (hier is eene inzinking van nauwelijks 200 M hoogte). Midden-Amerika met zijne vulkanenrij wordt ingenomen door een vijftal republieken: Guatemala, Honduras, Salvador, Nicaragua en Costarica. Het hooge binnenland is gezond; maar de lage Oostkust met hare moerassen en weelderigen plantengroei niet. Gewichtige plaatsen zijn er niet. De grootste is Guatemala (70.000 inw.). Aan de Engelschen behoort Britsch-H onduras (Belize).

Hoewel vele (ook edele) motalen er voorkomen, heeft Je bergbouw weinig te beteekenen. IloofJprodukten zijn indigo, koffie, tabak en cacao. Het woud levert mahonie- en verfhout. Mals is het voornaamste voedingsmiddel.

De koffiecultuur is in G u a t c rn al a van vrij groot belang, het produkt goed (1893: 34 millioen KGJ.

De cacao behoort tot de beste der wereld. Jn 1897 werd voor 22 millioen gulden koffie uitgevoerd, voor 3/4 naar Duitsehland. Havens zijn Livingston en San José.

Vooral Belize levert veel mahonie-, ceder- en campëchehout.

ocr page 323

315

In Salvador gaat de koffiecultuur zéér vooruit; er zijn reeds 3500 plantages (Uitvoer koffie 1897; 9 millioen gulden.). De indigo is wereldberoemd. Havens; Liberia d, La Union.

Op de grens van N icaragua ligt het Meer van Nicaragua; de afwatering is de San J u a n. Waarschijnlijk zal door deze wateren het Nicaragna-kanaal tot stand komen, dat Atlantischeu en Grooten oceaan verbinden moet.

Costarica verbouwt koffie tusschen 1000 en 1500 M hoogte (Jaarlijks 15 mill. KG). Havens : P u n t a s Arenas en L i m o n.

B. Zuid-Amerika.

§ 289. Langs de geheele Westkust loopt een groot bergstelsel: de Cordilleras de los Andes. In het Noord-Oosten verheft zich het Bergland van Guyana, in het Oosten het Bergland van Brazilië. Tusschen deze berglanden liggen laagvlakten, doorstroomd door Orinoco, Amazone en Parana.

Zoo kunnen we het land verdeelen in de volgende onderdeelen:

a. De Cordilleras de los Andes.

b. Het Bergland van Guyana.

c. Het Bergland van Brazilië.

(I. De O r in o c o-v lakte.

e. De Amazon e-v lakte.

f. De vlakte van de Parana.

§ '290. De Cordilleras de los Andes.

In het Zuiden, op de grens van Patagonië, zijn de Cordilleras nog eene lage keten, maar reeds spoedig bereiken ze eene aanzienlijke hoogte. De Cordilleras van Chili bereiken in den Aconcagua eene hoogte van bijna 7000 M.

Verder Noordwaarts ligt de Hoogvlakte van Bolivia, begrensd door hooge toppen.

Noordelijker hebben we verschillende evenwijdige ketens, met kleine plateaus er tusschen. Hier liggen de bronnen van den Amazone. Het Plateau van Quito ligt onder den evenaar; de Chimborazo is 6300 M.

Dan verdeelen de Cordilleras zich in drie deelen; de Oostelijke keten zet zich tot ver in Venezuela voort, splitst zich en omvat de diep in het land dringende Golf van Maracaïbo.

ocr page 324

316

§ 291. De Andes-staten, allen republieken, zijn: Chili, Bolivia, Peru, Ecuador, Columbia.

Chili omvat de kuststrook en de Cordilleras in 't Zuiden.

In 't uiterste Zuiden lijjt de Chileenschc Archipel. Ook liet Westelijk deel Tan Vuurland behoort Chili.

Het Zuiden is boschrijk, het midden vruchtbaar (tarwebouw); hier ligt de hoofdstad Santiago (256.000 inw.) en de havenstad Talparaïso (122.000 inw.).

Het Noordelijk deel is eene woestijn (Atacama); men vindt er echter verschillende mineralen (salpeter, zilver) en daardoor eenige uitvoerplaatsen (Antofagasta).

Chili is gevoeglijk in vier zones te verdoelen:

1. Zone der mineralen, 18 — 27° Z.-B., armelijke plantengroei; aan de kust guano, in 't midden salpeter, borax, jodium, naar 't Zuiden koper, goud, zilver.

2. Zone der mineralen en beginnenden landbouw, tot 33° Z.-B.; als vorige, maar bezit reeds enkele vruchtbare dalen.

3. Landbouwzone, tot 43° 30' Z.-B., van Valparaiso tot Chiloë, rijk land tusschen liet woudrijk kustgebergte en de Andes; hoe verder naar 't Zuiden, hoe regenrijker. Alle soorten koren, ooft en groenten; ook wijn, steenkolen.

4. Zone der wouden en der Tisscherij, het Zuidelijkste gedeelte. Op de eilanden vlakke vruchtbare streken, maar nog niet in cultuur.

De landbouw in de 3e zone wordt steeds belangrijker. Er werd uitgevoerd; in 1890 29 mill. KG tarwe en 6 mill. KG gerst. , 1892 145,8 „ „ „ „ 13,1 „ „ „ „ 1896 137.5 „ S 51,17 „

Wijn levert vooral Conception.

De salpetermijnen in 't Noorden zijn bijna uitsluitend in handen van Engelsche maatschappijen en kapitalisten. In 1896 voerde Chili 1,117.000 t salpeter uit, eene waarde van 78 millioen gulden vertegenwoordigende. Hamburg is er de voornaamste markt voor. De industrie ontwikkelt zich, ondanks den steun der regeering, zeer langzaam.

Over 't geheel gaat Chili zeer vooruit. Nog in 1892 was de invoer grooter dan de uitvoer; maar sedert 1893 is elk jaar de uitvoer grooter dan de invoer.

De handel is voor een groot deel in handen van Engelsche en Duitsche firma's. Hoofdartikelen van uitvoer zijn salpeter, tarwe, zilver, koper.

De hoofdhaven is Valparaiso, dat 90 0/o van den invoer, 35 0/o van

ocr page 325

317

den uitvoer heeft. In 't Zuiden is Conception eene levendige handelsstad. In het Noorden zijn verschillende havens voor uitvoer der delfstoffen.

De drie centra voor den salpeteruitvoer zijn I q u i q u e (33.000 inw.)r Pisagua (3.600 inw.) en Antofagasta (13.000 imv,); ze zijn door spoorwegen met de mijngebieden verbonden. Caldera en La Serena voeren koper uit.

A r 1 c a is ook uitvoerplaats voor Bolivia.

Bolivia omvat de hoogvlakte en de boschnjke Oostelijke hellingen en dalen.

't Land is rijk aan metalen (zilver). Voornaamste plaats La Paz (40.000 inw.). P o t o s i, eens beroemd door zijne goudmijnen, heeft weinig meer te boteekenen.

Peru is grootendeels bergland: het bevat den bovenloop van den Amazone en van rechterzijrivieren van deze. De hoogvlakten liggen meer dan 3500 il boven den zeespiegel en zijn koel en gezond.

De Oostelijke hellingen der Cordilleras zjjn —

gelijk overal — met ondoordringbare wouden bedekt, waarin de kinaboom in 't wild voorkomt. De heete, regen-looze kustvlakte levert suiker; hier ligt de hoofdstad Lima (105.000 inw.) met de haven Callao (36.000 inw.).

Een spoorweg leidt naaide hoogvlakte, waar de rijke zilvermijnen van P a s c o gelegen zijn.

Lama's en alpaca's leveren wol, de Chinch a-eilanden guano. Ecuador heeft Quito tot hoofdstad en Guayaquil

ocr page 326

318

{aan eene kleine golf) tot haven; hoofdprodukt is cacao, die in de bosschen in 't wild voorkomt.

In de laatste jaren zijn in N.-P e r n bij de kust petroleumbronnen ontdekt, die door Enjjelschen geëxploiteerd worden. Men hoopt de Zuidameri-kaansche markten China en Japan Tan hier nit ïan petroleum te kunnen voorzien. Ook asphalt wordt in groote hoeveellieid gevonden.

Peru voerde in 1891 uit:

suiker 4,5 millioen gulden.

zilver 1,7 „ „

katoen 1,5 „ „

voorts cocaïne, cocahladen, enz.

Ook in Peru en Ecuador is de handel vooral in handen van Engelschen, Duitschers en Franschen.

Guajaquil is eene uitmuntende haven; uitvoer van cacao en van de bekende „Panamahoedenquot;.

Tot de republiek Columbia behoort de landengte van Panama. De kuststreken van dezen staat zijn zoo goed als onbewoond, daar zij door de moerassige gesteldheid ongezond zijn. De dalen der rivieren (Boven-Magdalena) zijn nevens de hoogvlakten beter bevolkt. Hoofdstad is Bogota (40.000 inw. ?), eene der fraaiste plaatsen van Zuid-Amerika. Eene belangrijke haven is Cartagena (12.000 inw.?, uitvoer, koffie, tabak, kinabast, dividivi, caoutsjouk, sarsaparilla, geelhout, enz.).

Het Zuid-Oosten behoort tot liet Orinoco-gebied. In het Noorden stroomt de Magdalena door een breed, moerassig dal.

Aan de uiteinden van den Panama-spoorweg liggen Colon (A s p i n w a 11) en Panama.

Overzicht der staten aan den Grooten oceaan.

Grootte in KM3 Inwoners.

3,320.000 1,400.000 3,300.000 2,000.000 3,000.000

1,203.000 307.000 1,137.000 1,334.000 776.000

Columbia.

Ecuador

Peru

Bolivia

Chili

ocr page 327

319

§ 292. Het bergland van Guyana.

Dit woudrijke bergland is nog slecht bekend.

quot;Waarschijnlijk stijgt het niet hooger dan 2500 M. Naar het Noorden gaat het langzaam over in eene lage, heete kustvlakte.

Die kustvlakte en het Oostelijk deel van het bergland be-hooren aan Engeland, Nederland en Frankrijk. In de kustvlakten vindt men plantages (suiker, koffie, cacao), in het heuvelland wordt goud gewasschen.

De hoofdplaats van B r i t s c h Guyana is Georgetown (56.000 inw.), van Nederlandseh Guyana (Suri-name) Paramaribo (29.000 inw.), van Fransch Guyana Cayenne (12.000 inw.).

§ 293. De Oriiioco-vlakte strekt zich langs den Orinoco uit, die op het Bergland van Guyana ontspringt en met eene breede delta in zee valt.

De vlakte is voor een groot deel steppenland; bijna boomlooze, met zacht gras bedekte vlakten (de Llanos).

§ 294. De republiek Tenezuela (1,050.000 KM3 groot, 2,500.000 inw.) omvat:

1. het Orinoco-gebied, met de Llanos, waar 8 millioen runderen voedsel vinden.

2. het gebied van M a r a c a i b o.

3. het bergland.

In de lagere streken en op de lage berghellingen vindt men palmen en bananen; daar kweekt men suikerriet, cacao en koffie. Boven 2000 M worden de zoogenaamde Andes-aardappelen en Europeesche graansoorten verbouwd. De beste tabak leveren Y a r i n a s en Angostur a, maar de cultuur is zéér achteruitgegaan; koffie vooral bij Merida en bij Caracas; suikerriet bij P. Cabello en ten O. van Caracas. Van de mineralen moeten goud en koper genoemd worden.

In de hoofdstad Caracas (72.000 inw.) heeft zich de groothandel gevestigd. Een spoorweg verbindt de stad met de hoofdhaven La Guayra (12.000 inw.), slechts 12 KM van Caracas gelegen. Tweede haven is Porto Cabello, door een'

ocr page 328

320

spoorweg met Valencia (39.000 inw.) verbonden, eene stapelplaats voor koffie en cacao.

Ondanks de vele moeilijkheden heeft men deze spoorwegen aangelegd en daardoor het aan produkten rijke binnenland met de havens verbonden. De spoor Caracas—La Guayra dagteekent van 18'53, de lijn Porto-Cabello— Valencia van 1838. In 1894 heeft men ook Valencia en Caracas verbonden; de lijn gaat door 86 tunnels en over 182 viaducten!

§ 295. De Amazone-vlakte.

Op de Andes ontspringt de Amazone, wendt zich eerst naar het Noorden, dan naar het Oosten en valt met een breeden mond ongeveer onder den aequator in zee.

De voornaamste zijrivieren zijn de Madeira, de Tapajos en de Rio-Negro. Bij den mond ligt Marajo (geen deltaeiland), door de Para van liet vaste land gescheiden (in de Para stroomt de ïo can tins).

De Amazone is de reusachtigste rivier der wereld. Ze is zoo breed, dat men op vele plaatsen de oevers niet kan zien, als men zich op het midden van den stroom bevindt: men verbeeldt zich, op zee te zijn. En deze hoofdstroom bezit zijrivieren als de Madeira, de Rio Negro en andere, die op zich zelve grooter zijn dan de grootste Europeesche rivieren.

De oevers van al deze rivieren zijn met dicht woud bezet. Bij den mond ziet men het sappige groen der wortelboomen, die men aan vele slijkerige kusten aantreft. Verder de rivier op worden loof boomen menigvuldiger, daar tieren boomachtige grassen en rietsoorten, gemengd met palmen. De geheele boschstreek noemt men de Selvas.

§ 296. Het Bergland van Brazilië.

Het Bergland van Brazilië bestaat uit één groot plateau, waarop zich lage bergketens verheffen; nergens echter bereiken deze eene hoogte van 3000 M. Naar het Westen en Noorden neemt het in hoogte af; de grootste hoogte bereikt het in het Zuid-Oosten: daar valt de hooge rand steil naar de smalle kustvlakte.

In het Oostelijk deel ligt het breede dal van de San Fran-

ocr page 329

321

cisko, die in den Atlantischen oceaan uitloopt, en de lengte van den Donau heeft. Hij is grootendeels bevaarbaar.

Op do hoogste gedeelten ontspringt de Parana, in het Westen de P a r a g u a y.

Voor een groot deel is het plateau met bosch bezet, afgebroken door grasrijke cam pos. De vruchtbare bodem levert maïs, rijst, tarwe, enz. en in de kustlandschappen koffie, suiker, cacao, tabak en katoen; van belang zijn voorts de cassave-wortel (tapioca) en het arrowroot. Vooral de streek om Rio de Janeiro levert veel koffie (;l van alle koffie, die in den handel komt). Het bergland levert steenkolen, goud en edelgesteenten: de bosschen leveren verf-, cederhout, caoutchouk, enz. (vooral aan den ]?oven-Amazone en de Madeira, waar vele kleine plaatsjes ontstaan zijn, welker bewoners zich met de inzameling bezig houden).

De republiek Brazilië, 8,361.000 KM3 groot met slechts 14,700.000 inwoners, omvat:

a. De Amazone-vlakte, het groote woudgebied, met slechts eene enkele grootere plaats (Manaos, 30,000 inw., uit voer van caoutchouc en cacao).

Uit- en invoerplaats van het groote gebied is B e 1 e m (Para» met 65.000 inw. (uitvoer 1891 voor 60 millioen gulden caoutchouk).

b. Het bergland, eveneens.

c. De smalle Kustvlakte met de aangrenzende bergstreken, het meest bevolkte gebied. Hier liggen:

Rio de Janeiro (523.000 inw.), uitvoer van Rio-koffie;

Santos (35.000 inw.), uitvoer van Santos-koffie;

Bahia (200.000 inw.), uitvoer van tabak;

Permunlmco (190.000 inw.), verfhout, suiker, katoen.

Porto-Alegro (55.000 inw.), hoofdhaven voor 't Zuidelijk deel des land, waar veel Duitschers en Italianen wonen (in 1896 kwamen in Brazilië 158.000 immigranten, waaronder 96.000 Italianen).

Sao Paulo (131.000 inw.), fabrieksstad.

De koffiezone ligt tusschen 21 en 24° Z.-B. en strekt zich

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 21

ocr page 330

322

voornamelijk over de prov. Rio de Janeiro, Minas-Geraes. S.-l'aulo en Espirito Santo uit. Men onderscheidt de R i o en de Sa n-tos-streek. De eerste omvat de districten Espirito Santo en Rio en de tot liet Parahyba-dal behoorende deelen van Minas-Geraes en S.-Paulo en heeft een koel zee klimaat (vochtige Zuid-Westenwinden). Men onderscheidt hier drie gordels: de terra a b a i z o. beneden 200 M hoogte; de terra m e d i o, van 200 tot 550 M, en de terra f r i o, boven 550 M. De koffiecultuur is hoofdzakelijk tot den middelsten gordel beperkt; in den benedensten gordel wordt eene minder goede qualiteit gekweekt, de zoogenaamde capitania-koffie. — De Santos- streek is een hoogland met meer continentaal klimaat, blootgesteld aan de warme pampaswinden, terwijl de winter van Mei tot October duurt. De Rio-streek levert jaarlijks gemiddeld 252,000.000 KG, de Santos-streek 81,000.000 KG.

§ 297. De vlakten langs de Parana.

De Parana ontspringt op de kustgebergten van Brazilië. De voornaamste zijrivieren zijn de Paraguay en de U r u g u a y.

In 't Noorden worden de Argentijnsche vlakten (de Pampas) begrensd door den Gran-Chaco, eene wijde vlakte, uit moerassige streken, dorre zandvlakten en zoutsteppen bestaande, maar toch hier en daar ook met dichte bosschen bedekt, besproeid door Pilcomajo en Vermejo, beide smal en zonder zijrivieren, nog grootendeels in bezit van vrije, bereden Indianen.

De wijde vlakten der Pampas worden nog heden doorkruist door struisen en wilde honden; jaguars schuilen in het riet, hagedissen van vier voet lengte glijden tusschen het hooge gras. De Europeanen voerden paarden, runderen en schapen in, die zich sterk vermenigvuldigden. Veeteelt is het hoofdmiddel van bestaan van den Pampabewoner. Voor die veeteelt is het gebied der Pampas in weidedistricten verdeeld, die estancias genoemd worden. Zulk eene estancia strekt zich vaak 20 a 30 KM in het rond uit, en bevat dan duizenden dieren, vooral runderen en schapen. In het midden woont in een groot, door een' tuin omgeven huis de eigenaar. Op korten afstand staan de hutten der herders, G a u c li o s, uit leem op-

ocr page 331

:523

getrokken en met lang gras bedekt. Ongeveer honderd schreden van de hut van den Gaucho ligt de c o r r a 1, eene cirkelvormige, door palen omgeven ruimte, waarin het vee wordt opgesloten. Üp de palen zitten bijna steeds gieren en haviken; de afval der geslachte dieren bezorgt hun rijken buit.

Hoewel in veel streken van Argentina de landbouw de veeteelt verdringt, do weiden vervangen worden door akkers, is toch in de Pampas de veeteelt nog bijna het eenig middel van bestaan. Vooral het aantal schapen is in de laatste jaren verbazend vermeerderd, en ook het getal runderen wordt nog steeds grooter. Wol is het hoofdprodukt der Argentijnsche veehouders. Jaarlijks wordt meer dan 100 millioeu kilo wol uitgevoerd.

Van de runderen hadden vroeger alleen de huiden waarde. Groote troepen muildieren en lange rijen zwaarbeladen karren voerden de produkten der Pampas naar de grootere plaatsen. Het grootste deel van het vleesch werd als waardeloos weggeworpen. Thans is dit anders geworden, vooral nadat talrijke slachthuizen zijn verrezen. De meeste liggen in do nabijheid der Parana of der La Plata, opdat de produkten gemakkelijk en goedkoop vervoerd kunnen worden.

In den zomer en in den herfst, als de runderen het best doorvoed zijn, worden hier honderden geslacht. Gewoonlijk slacht elke inrichting er 400 a 000 per dag; Liebigs onderneming te Fray Hen tos kan er zelfs 1200 per dag slachten. Het spreekt van zelf, dat dergelijke inrichtingen een zeer groot aantal arbeiders werk verschaffen.

Reeds sinds 1878 beproeft men vleesch in bevroren toestand naar Europa te brengen. De kosten zijn echter hoog. Toch neemt de uitvoer toe en zoo zal misschien mettertijd het vleesch-export mede eene bron van welvaart voor Argentinië worden.

§ 298. De republiek Argentinië (2,885.000 KM2; 4,000.000 inw.) omvat:

a. Patagonië met het Oostelijk deel van Vuurland, nog van weinig beteekenis;

b. het Oostelijk deel der Cordilleras van Chili, vrij vruchtbare landschappen.

ocr page 332

324

«. het Pampas-gebied.

De rijkdom van Argentinië bestaat, gelijk boven reeds bleek, uit de veeprodukten.

De veestapel bedroeg (Mei

runderen 21,700.000

paarden 4,4-40,000

schapen 74,370.000 ezels en muildieren 480.000

varkens 650.000

geiten 2,740.000.

Vooral in de laatste 10 jaren is de landbouw zeer vooruitgegaan, in 't bijzonder in de streken van de Parana, waar zich duizenden Europeanen hebben gevestigd. Do meeste landbouwers vestigden zich in de provincie Santa Fé; in 1892 waren hier 249 koloniën; in 1888 waren reeds bijna 000.000 HA in cultuur, die eene opbrengst van 478 millioen KG tarwe gaven. Ook in de provinciën Cordova, Entre Rios en Buenos Aires heeft de kolonisatie sinds 1890 verbazende vorderingen gemaakt. De in cultuur gebrachte bodem van 't geheele rijk besloeg eene oppervlakte

in 1883 van 929.000 HA „ 1892 „ 3,902.000 „

Daarvan waren 1,322.000 HA met tarwe bezaaid; de rest leverde maïs, lucerne, wijn, suiker, gerst, vlas, enz. In 1898 waren minstens 5 mill. HA bebouwd.

De productie van suiker werd in 1893 op 35000 t, die van wijn op G00.000 HL geschat. Onder de ooftboomen moet vooral de perzik genoemd worden.

Ook aan mineralen is Argentinië rijk: goud, koper, zilver, kolen, zout. Er wordt aan bergbouw echter nog weinig gedaan.

De totale uitvoer beliep in 1891 ruim 240 millioen gulden. Hiervan waren:

produkten der veeteelt 152 millioen gulden

„ van den landbouw 62 ,, „

„ der industrie 10 „ „

ocr page 333

u25

Het meest wordt gehandeld met Engeland, Duitschland, Frankrijk en de Vereenigde Staten.

Voor den buitenlandschen handel zijn vooral Buenos Aires (745.000 inw.) en Rosario (94.000 inw.) van gewicht. Het eerste heeft ongeveer 5 van den geheelen buitenlandschen handel. Eene nog pas enkele jaren geleden aangelegde haven is L a Plat a (60.000 inw.).

Voor den binnenlandschen handel zijn van belang:

8 a 111 a Pó (25.000 inw.), Cordova (48.000 inw.), M en-do za (handel met Chili; 29.000 inw.), Tucuman (34.000 inw.).

§ 299. Uruguay (179.000 KM3, 820.000 inw.) omvat het Zuidelijk deel van het Braziliaansch plateau en eene kustvlakte. De bevolking leeft voornamelijk van de veeteelt.

Veestapel:

runderen 5,880.000

paarden en ezels 401.000 schapen 1(5.400.000

in 1895 werden in de groote slachthuizen (saladeros) 827.000 stuks vee geslacht, en voor den uitvoer verwerkt, in 1896: 700,000.

Echter beginnen landbouw en industrie zich te ontwikkelen. In 1893 waren reeds 3650 KM3 bebouwd; voornamelijk met tarwe en mais, en in Montevideo waren verscheiden fabrieken voor meel, maccaroni en vermicelli. Uitgevoerd wordt koren naar Brazilië. Vele door Europeanen aangelegde landbouwkoloniën bloeien. Ook de wijnbouw gaat snel vooruit.

Haven-, handels- en fabrieksstad is Montevideo (261.000 inw.), aan de La Plata, met eene goede haven; bijna de helft der inwoners zijn vreemdelingen. Druk verkeer met Engeland. Argentinië, Duitschland, Frankrijk, enz. Maldonado, haven. Fray Ben tos, slachthuizen, vleeschextract.

§ 300. Paraguay (253.000 KM-; 480.000 inw.) ligt tusschen Parana en Pilcomayo. Het bezit vruchtbare deelen, maar het wordt slecht bebouwd (maïs, tabak, suiker). Het voornaamste handelsartikel is de Paraguay-thee (yerba mate): in 1896 werd voor 1,5 millioen gulden uitgevoerd, meest naar de omliggende

ocr page 334

326

landen. De veestapel was door de burgertwisten bijna geheel te niet gegaan; voor millioenen guldens heeft men thans fok-dieren uit Corrientes ingevoerd.

De veestapel werd geschat (1896) op:

rundvee 2,400.000 paarden 215.000 schapen 4 30.000

Hoofdplaats: Asuncion (-45.000 inw.).

§ 301. Bevolking van Amerika.

De oorspronkelijke bewoners zjjn de Roodhuiden of Indianen, die voornamelijk van do jacht leefden. Sterke dranken („vuurwaterquot;) hebben veel tot de ontaarding dezer natuurmen-schen bijgedragen. Daarbij komt, dat de jachtgebieden meer en meer beperkt worden, de „bleekgezichtenquot; trekken steeds verder, eischen steeds meer land en de landbouwende blanke is de natuurlijke vijand van den jagenden Indiaan. -— In de meeste streken van Zuid-Amerika en in Mejico heerschen de nakomelingen van Spanjaarden en Portugeezert (Creolen); zoo bestaat b. v. slechts /g van Braziliës bevolking uit Indianen. In de Vereenigde staten wonen vooral nakomelingen van Engelschen (yankees), Franschen, Ieren, Duitschers, Nederlanders, enz. Negers hebben zich niet vrijwillig naar het nieuwe werelddeel begeven, maar werden door slavenhandelaars daartoe gedwongen. Chineezen in Californië (door het goud).

De oude Peruanen en Mejicanen waren beschaafde volken, zooals talrijke overblijfselen getuigen; thans is van de beschaving der bewoners weinig meer te bespeuren.

Britsch Noord-Ainerika.

§ 302. Bijna alle provinciën zijn boschnjk en leveren hout, vooral Ontario, Quebec en Britsch Columbia. In de Westelijke gebergten vindt men vooral dennen en sparren; vooral Columbia bezit ware houtschatten. Het geheele houtland van Britsch N.Amerika wordt op 2,000.000 KM2 geschat, d. i. 60 X Nederland ! Ofschoon in het Oosten het bosch meer en meer voor den

ocr page 335

327

ploeg moot wijken, zoo bezit het Westen nog zulk een' rijkdom, dat Canada zeker nog lang groote massa's hout kan leveren. In 1897 werd voor 75 millioen gulden woudprodukten uitgevoerd.

Ook aan pelsdieren is het land rijk; eland, rendier, bever, otter, vos en beer vindt men er.

De Hudsonsbaai-compagnie heeft tal van „forten'', waaide pelsen worden aangebracht. In 1892 werden o. a. aangebracht: -1800 beren, 16000 bevers, 1500 hermelijnen, 2300 vossen, 3000 losschen, 15.500 sabels, 81.000 bisamratten, 2400 otters, enz. De meeste pelsen worden te Londen verkocht.

De eerste pionniers (Franschen), die zich verder naar 't N. in de wouden waagden, ondernamen den tocht in 165i eu kwamen twee jaren later rijk-beladen terug. In verloop van tijd werd de peishandel op eene geregelde wijze gedreven. Groote en kleine kapitalisten vereenigden zich en namen koene jagers in dienst, zoogen. Woud- of Boschloopers. Coureurs dos Bois, meest kiachtige lieden, die uit Normandië of Bretagne kwamen en met ludiaanscbe vrouwen huwden. De kleurlingen, uit deze huwelijken geboren, werden Bois brules genoemd. Deze Canadasclie woudloopers, van Franschen oorsprong, zijn nog heden een geslacht, aan gevaren, onthe-ringnn en harden arbeid gewend. Zij hebben ook tot de kennis der woudstreken het hunne bijgedragen. Hoofdstapelplaatsen werden Detroit en St.-Marie. De Hudsonsbaai-compagnie vond eene concurrentie in de Noord-West-compagnie, in 1784 te Montreal opgericht. Deze zond hare woudloopers naar alle streken, waar de Hudsonsbaai-compagnie geen monopolie bezat. De Misson ri-pelscompagnie, die forten aan den Boven-Lewis stichtte (1808), moest het opgeven, en ook van de plannen, die de P ac i fic-F u r-co mp agn i e, met Ast or aan 't hoofd, had (welke compagnie o. a. het fort Astoria a/d Columbia stichtte), kwam niets. De twee groote compagnieën hadden den handel in handen, doch benadeelden elkander meer en meer; eindelijk ontstond tusschen beide een formeele oorlog, waarin de Engelsche regeering bleef toezien. Eerst toen de X.-W.-compagnie in een bloedigen slag overwinnaar werd, bemoeide de regeering zich met de zaak en lijfde de jonge compagnie bij de oude in. Zoo behield de Hudsonsbaai-compagnie haar monopolie. Thans is dit opgeheven.

In den peishandel is eene groote verandering gekomen. Canada is sinds langen tijd geen pelsland meer in den eigenlijken zin van 't woord, vooral sedert de nederzettingen zich steeds verder naar 't Westen en Noorden uitbreidden. Alleen in de eenzaam geblevene prairieën en wouden is het bedrijf blijven bestaan. Kr vertoont zich intnsschen overal hetzelfde ver-

ocr page 336

328

schijnsel als in Siberië : het pelswild is tengevolge van veeljarige vervolging verminderd en reeds de Compagnie zag zich genoodzaakt „rustjarenquot; uit te schrijven. Vooral in 't Zuiden en Zuid-Oosten is het wild uitgeroeid, daar hier de meeste Trappers, d. w. z. vallenzetters, werden gevonden.

De vlssclierü levert groote voordeelen; zij wordt door 30.000 personen uitgeoefend, 't meest in Nieuw-Schotland. In 1896 leverde de geheele visscherij ruim 50 millioen gulden op (waarvan Nieuw-Schotland 15, X.-Brunswijk 12, Britsch-Columbia 11 en Quebec 5 mill.). Er werd gevangen :

aan kabeljauw voor 9 millioen gulden,

„ zalm „ 10 „ „

„ haring „ 7 „ „

„ kreeften „ 5,5 „ ,,

„ makreelen „ 1,8 „ „

In Britsch Columbia worden zalmen, vooral in de Fraser-rivier, gevangen. Op zeehonden wordt er door 1700 personen gejaagd. De visscherij op de 5 groote meren is de grootste zoet-watervisscherij der wereld, (zalm, forel, steur, baars, snoek).

§ 303. Landbouw en veeteelt. De houthakker wordt gevolgd door den squatter, den landman, die met houweel en spade het land voor cultuur geschikt maakt. Van de regeering verkrijgt hij het land tegen billijken prijs. Zoo is vooral Opper-Canada reeds eene rijke landbouwstreek geworden. Op den strengen winter volgt een heete zomer en het koren rijpt dan ook snel. Tarwe, gerst, haver, maïs, erwten worden verbouwd; voorts liop. vlas (uitmuntend in Manitoba), aardappels. tabak, wijn en ooft (in 1892 werden 618.000 vaten appels naar Europa gezonden).

De veestapel beliep (1891):

paarden 1,470.000 runderen 4,100.000 schapen 2,560.000 varkens 1,700.000

Aan kaas werd in 1897 voor 37 millioen gulden en voor 5 millioen boter uitgevoerd.

ocr page 337

329

§ 30-4. Delfstoffen. Canada is rjjk aan nuttige delfstoffen, maai- do meeste worden nog niet gedolven.

Goud wordt in Nieuw-Seliotland en Britsch-Columbia gevonden. In den laatsten tijd zjjn rijke goudstreken ontdekt in Westelijk Ontario en in het W. van het district Joekon, in de omgeving der K1 o n d y k e-rivier, waar ü a w s o n-c i t y het middelpunt der bergwerken is. Uzer levert o.a. Nieuw-Schotland, kolen Manitoba.

De industrie is vooral in 't O. van belang, voornamelijk iu Ontario. Ontario, Toronto en Montreal bezitten vele fabrieken. Genoemd moeten worden; meelfabrieken, houtzagerijen, schoenfabrieken, looierijen, gieterijen, suikerraffinaderijen, meubelfabrieken, kaasfabrieken, fabr. voor landbouwwerktuigen.

Invoer 1897: 30ü millioen gulden.

Uitvoer 1897; 345 „ „

Van den invoer waren 60 0 '0 fabrikaten, — van den uitvoer -52 0 o vopdings- en genotmiddelen, 12% levende dieren, 33% ruwe stoffen.

Uitgevoerd werden o.a.:

hout 75 millioen gulden

kaas en boter 42 „ ,,

koren 31 „ ,.

dieren '25 ,, ,,

visch 25 „ ,.

vruchten 7.5 ,, ,,

huiden 8 ,, ,,

goud 7

zilvererts 6,5 „ ,,

Het Westen en Oosten zijn verbonden door de Ciinadian Paciftc-baan, die te Halifax begint, misschien do beste haven van de geheele Atlantische kust van Amerika.

Westelijk uiteinde van do 7200 KM lange baan is Vancouver, bij den mond der Fraser-rivier; duur der reis 7 dagen; kortste verbinding van Liverpool met Japan en China.

Belangrijkste havens:

Halifax (39.000 inw.), handel in hout en visschenj-

ocr page 338

330

produkten. Scheepvaart 4,400.000 t, waarvan 1,100.000 t Engelsch.

St. John (39.000 inw.), houtuitvoer. Scheepvaart 1,100.000 t.

Quebec (63.000 inw.), uitvoer van hout, pelswerk, koren en visch. De haven is door het ijs slechts van April tot November open. Scheepvaart 1,000.000 t. (860.000 t Engelsch).

Montreal (217.000 inw.), hoofdhandelsplaats, vele fabrieken. Scheepvaart 1,900.000 t.

Toronto (181.000 inw.), handelt in koren en hout.

Ottawa (4-4.000 inw.), grootste houthandel.

Manitoba bezit heel wat woud en levert veel tarwe. Hier ligt Winnipeg (37.000 inw.), in 1870 nog een dorp met 250 zielen; handel in koren.

in Britsch Columbia:

Victoria (25.000 inw.), handel in zalm, hout en kolen; scheepvaart 1,778.000 t.

Vancouver (20.000 inw.), scheepvaart 671.000 t, eindpunt der Canadian-Pacific.

Vereenigde Staten.

§ 305. Do Vereenigde Staten bezitten (met Alaska) eene oppervlakte van 9,213.000 KM- = 280 X Nederland. De bevolking bedraagt ongeveer 75 millioen zielen. Men onderscheidt 45 staten (waarvan een tweetal elk meer inwoners dan ons land hebben), 1 bondsdistrict en 5 territoriën, en wel:

Staten van Nieuw-Engeland: Maine, New Hamsphire, Vermouth, Massachusetts, Connecticut, Rhode Island.

Middelste Atlant. staten: New-York, Pensylvanië, New-Jersey, Delaware, Maryland, district Columbia.

Noordoostel. Centraals ta ten: Michigan, Wisconsin, Illinois, Ohio, West-Virginië, Kentucky.

Noodwestel. Centraalstaten: Minnesota, Noord-Dakota, Zuid-Dakota, Nebraska, Kansas, Jowa, Missouri.

Zuidatlantische staten: Virginië, Noord- en Zuid-Carolina, Georgia, Florida.

ocr page 339

Zuidoost elijke C e n t r a a 1 s t a t e n : Tennessee, Alabama, Mississippi.

Zuidwestelijke Centraalstaten: Arkansas, Louisiana, Tejas, territorium Oklahoma, Indianen-territorium.

Staten van het Rotsgebergte: Montana, Wyoming, Colorado, territ. Nieuw-Mejico.

Plateau-staten: Idaho, Utah, Nevada, territ. Arizona.

Staten van den Grooten oceaan: Washington, Oregon, Californië.

Terr. Alaska.

§ 30fi. In het Oosten der Vereenigde Staten is de winter streng, de zomer koel.

De Hudson is geniitldeUl 92 «lagen in 't jnar met ijs bedekt, de St.-Laurens bij Quebeck 141 dagen.

De regen valt er bijna overal in voldoende mate. De kust van de Golf van Mejico, tot de subtropische streken behoorende, heeft winterregens; langs de Oostkust valt het meest des zomer» regen, als er zeewinden heerschen.

Geheel anders wordt het in de streek ten Westen van den meridiaan van 100° W.-L., de streek der plateaus. Weliswaar valt in de gebergten tameljjk wat regen, maar het geheele gebied is toch arm aan regen. De lucht is er droog, het klimaat een landklimaat (gemiddelde temperatuur aan het Groote Zoutmeer in Juli 25° C., in Januari — 5°).

Ilekenen we de kuststreek langs den Grooten oceaan niet mede, waar een milder klimaat heerscht, dan is de winter overal ten Westen van den bovengenoemden meridiaan streng, soms zeer streng. Herhaaldelijk lijdt de oogst door de droogte. Geen winter gaat voorbij zonder een aantal slachtoffers te eischen. In Minnesota zijn jaren voorgekomen, dat honderden menschen het leven in de sneeuw verloren. En de slachting, die koude en honger (het weinige hooi is spoedig op!) in de kudden aanbrengen, is vreeselijk: er zjjn jaren geweest, dat in de Westelijke gebergten de sneeuwstormen 70% der schapen doodden.

Men zou de Vereenigde Staten dus in twee deelen kunnen

ocr page 340

33'2

verdeelen: een vochtig en een droog gebied. Ten Oosten van den meridiaan van 100° W.-L. is de landbouw overal mogelijk, waar een rotsige of moerassige bodem dezen niet verhindert; ten Westen van die lijn daarentegen kan bijna nergens de landbouw gedreven worden, dan alleen daar, waar kunstmatige bewatering de onvoldoende vochtigheid vergoedt. In de Oostelijke helft vindt men door de natuur woud en weide, in de Westelijke steppe en woestijn.

In de kuststreek van den Grooten oceaan zijn Westenwinden de heerschende. Het klimaat is dus oceanisch: het verschil tusschen zomer- en winter-temperatuur is betrekkelijk gering. De gemiddelde jaar-temperatuur is op geljjke breedte aan de Westkust hooger dan aan de Oostkust. Het Zuidelijk deel van de kuststreek ligt reeds in het sub-tropisch gebied: er heerschen winterregens, terwijl de zomers er bijna regenloos zijn. Doch ook Noordelijker blijft het winterhalfjaar het rcgenrijkst.

In de dalen van Sacramento en Joaquin, tusschen liooge bergen ingesloten, kan in den zomer eene zeer hooge temperatuur heerschen, terwijl onmiddellijk langs de kust (waarlangs eene koude zeestrooming loopt) koele zeewinden waaien. Vandaar dat de ooftcultuur in Californië in de genoemde dalen goede resultaten oplevert, maar aan de zeezijde van het Kustgcbergte geheel mislukken moest.

§ 307. Landbouw. Minder dan het derde deel van den bodem is productief. Gemiddeld zijn de farmen 55 HA groot. Niet alle worden door of voor rekening van de eigenaars bewerkt. Vooral in 't Zuiden is het gebruikelijk, dat de vroegere slavenhouders, die hun land niet zelf laten bewerken, het in per-«eelen aan de kleurlingen verpachten, maar ook in 't Noorden vindt men veel pachters. Nagenoeg de helft der farmen zijn grooter dan 40 HA en minder dan 200 HA. De grootste farmen liggen in de waterarme streken en worden grooten-deels voor de veeteelt gebezigd. Bijna overal worden groote machines gebruikt.

We hebben gezien, dat de Westelijke helft der Vereenigdc Staten groot gebrek aan regen heeft: het geheele hoogland is

ocr page 341

333

dor; alleen de kuststreek van den Grooten oceaan maakt eene gunstige uitzondering.

We zullen dus de bebouwde en bevolkte streken in de Oostelijke helft moeten zoeken. Nu verschilt de Noordgrens der Unie ongeveer 20° in breedte met de Zuidgrens; de laatste ligt op dezelfde breedte als Noord-Afrika (Kaïro, 30° N.-B.), de eerste als Noord-Frankrijk en Zuid-Duitschland (Parijs, 48° N.-B.), Daaruit volgt, dat het verschil in voortbrengselen van deii bodem tusschen het Noorden en Zuiden aanzienlijk zal zijn. In het warme Zuiden vinden we het katoengebied, Noordwaarts langa den Mississippi tot niet ver van de samenvloeiing van deze met de Ohio, langs de Oostkust tot de Chesapeake-baai.

Tig. 44.

In 1890 waren ruim 93.000 KM2 met katoen beplant, do oogst bedroeg 8,5 millioen balen Ca i98 KG netto: dus 1083 millioen KG).

Het meest leverden Tejas, Georgia en Mississippi. Katoenhavens (in volgorde der belangrijkheid) : Nieuw-Orleansv Savannah, Galveston, Charleston.

ocr page 342

334

Dan volgt naai1 het Noordon hot maïsgebied, zich Noordwaarts uitstrekkende tot bij de Groote meren. Tusschen deze in, cn ten Westen der meren ligt het tarwegcbicd, terwijl in de koelere streken van Nieuw-Engeland (het uiterste Noord-Oosten der Unie) haver het hoof'dprodukt van den landbouw is.

Van deze is maïs de voornaamste broodvrucht. De voornaamste maïs-staten zijn Jowa, Kansas, Missouri en Nebraska, dan volgen Kentucky, Ohio en Tennessee. In 1890 werd op 3'i4.Ü00 KM- (= 10 X Nederland) maïs verbouwd; dc oogst bedroeg 1200 millioen HL.

Tarwe gedijt vooral in 't Noorden en in 't Westen (Californic). In 1890 waren 138.000 KM2 met tarwe bezaaid; oogst 1500 millioen HL.

In tegenstelling met do stijgende taiweproductie in Kushind, Argentinië en Hongarije, gaat die in Amerika niet vooruit.

De oogst van haver bedroeg '247,0 millioen HL. Voorts: gerst 24,4 millioen HL.

rogge 8,5 „ „

boekweit 4,9 „ „

aardappelen 88,3 „ „ (vooral in 't N.-O.)

In het Zuiden, in Louisiana, Tejas en Florida, verbouwt men ook suiker, hoewel deze niet steeds tot volkomen rijpheid komt.. In 1897 verkreeg men 205 millioen KG suiker. In het Noorden, onmiddellijk ten Zuiden der Groote meren, vindt men een surrogaat in ahornsuiker. Uit den ahorn laat men het sap vloeien, verdampt dit en verkrijgt daardoor stroop en bruine suiker, die bij de bevolking van het platteland de plaats der gewone suiker moet vervullen (in 1890: 3 millioen KG).

In Californië begint men beetwortels te verbouwen; in 1896 kreeg men er reeds 23,6 millioen KG suiker.

Voorts levert het Zuiden rijst, voornamelijk Zuid-Carolina, Georgia en Louisiana. In de Mississippi-laagten maakt men van de hooge waterstanden van de rivier gebruik om de rijstvelden ■onder water te zetten. Eindelijk willen we als produkten van

ocr page 343

335

het Zuiden oranjeappels en citroenen noemen, en in Florida ananassen.

In vroeger' tjjd vond men de tabak voornamelijk ten Oosten van het Alleghany-gebergte, in Virgina en Maryland. Thans echter wordt de meeste tabak ten Westen van het gebergte geteeld. Verreweg het meest levert Kentucky (ongeveer de helft). Dan volgen Virginia, Ohio, Tennessee, X.-Carolina. Penn-sylvanie, Florida, Maryland. De oogst bedroeg in 1896: 181.3 millioen KG (op 2380 KM-).

Hop verbouwt vooral New-York.

Ooft levert, behalve de Zuidelijke staten, vooral Californië (appels, abrikozen, perziken; totale oogst appels 59 millioen vaten).

De w ij n b o u w verbreidt zich meer en meer, in de eerste plaats in Californië. Productie: 919.000 HL en 12,4 millioen KG rozijnen.

§ 308. Veeteelt.

In het Westen, in de streek der prairiën, berust de groote veestapel (runderen, schapen) op den rijkdom aan gras, in het midden (de staten ten Zuiden der Groote meren) berust de runder- en varkensteelt op den overvloed aan maïs. Op de gras-toppen van het Westen vindt men de helft der schapen, het derde deel der runderen, — in de Centrale staten de helft dei-runderen en l der varkens van het geheele land.

Er tegenover staat de katoenstreek, waar weinig grasland wordt gevonden en waar dientengevolge weinig schapen en runderen worden gehouden; — doch wel varkens (,■'„ van het geheel).

Aan de grenzen der bergstreken wordt op vele plaatsen het water der riviertjes afgetapt om tot het besproeien van gras-en klavervelden te dienen. Daar wordt nog veeteelt uitgeoefend, — maar het voedsel voor het vee moet kunstmatig verkregen worden.

Ook vindt men hier en daar eene wijze van doen als in Europa in de Alpen: des zomers nl. trekt de herder met de kudde de bergen op, maar des winters vertoeft het vee in de dalen.

ocr page 344

336

Het jonge vee der steppen wordt veelvuldig naar het Midden en Oosten uitgevoerd. In het Midden, in het maïsgebied, wordt het gemest, om als slachtvee voor de groote slachterijen van Chicago. Cincinnati en vele andere steden te dienen; in het Oosten, waar door de groote steden en de dichte bevolking veel melk noodig is (en waar het vochtig koel klimaat den grasgroei bevordert), wordt het als melkvee gebruikt.

Zeer veel schapen worden gehouden op de droge streken tusschen den Ohio en de hoofdketens van het Alleghany-gebergte. en in Californië (omgeving van Los Angelos).

Jowa is het rijkst aan vee, dan volgen Illinois, Missouri, Kansas, New-York, Ohio en Tejas. De belangrijkste wolstaten zijn Tejas, Californië, Oregon, Montana, Nieuw-Mejico, Colorado, Michigan (wolproductie 1896: 123 millioen KG).

Veestapel:

paarden.

muildieren.

runderen.

schapen.

varkens.

1870

8,2

1,2

25,5

40,8

26,7 millioen.

1890

14,2

2,3

52,8

44,3

51,6 „

1897

14,4

2,2

46,4

36,8

40,6

Over 't geheel dus achteruitgang.

§ 309. Woud, visschery. De oppervlakte met woud bedekt is door de zich steeds uitbreidende landbouw en veeteelt aanzienlijk ingekrompen. In 't Noord-Oosten heeft het eens woudrijke land reeds gebrek aan hout. De regeering besloot dan ook in 1891 nationale woudreservations aan te leggen, en wel bij Los Angelos eene oppervlakte van 4000 KM2, in de Bernar-dinobergen van 3200 KM2, in de Sierra Nevada van 1000 KM2, — enz. In 1897 werd voor bijna 100 millioen gulden aan hout uitgevoerd. Het rijkst aan hout zijn thans Michigan, Wisconsin en Minnesota. De jacht heeft, sedert de pelsdieren uitgeroeid zijn, veel minder te beteekenen. 't Meeste pelswerk 1 evert Alaska.

Bijna 200.000 personen vinden in de v i s s c h e r ij een middel van bestaan; de vangst (de walvischvangst meegerekend) heeft eene waarde van ±120 millioen gulden. Op de walvischvangst gaan 150 a 200 schepen. In 't Westen werd voor 15 millioen gulden zalm gevangen (aan zalm voor bussen alleen 9 millioen).

ocr page 345

337

Op do Canadasche meren waren 200 schepen met ruim 10,000 koppen ter visscherij; waarde der gevangen viscli 5,5 millioen gulden.

§ 310. Delfstoffen. Aan delfstoffen zijn de V. S. verbazend rijk. Geen land ter wereld levert zooveel ijzer; in de kolen-productie is het n«. 2.

Steenkolen vindt men meest in de üosteljjke en middelste staten. Zij breiden zich over meer dan j millioen KM2 uit, en wel:

1. Antracietgebied van Nieuw-Engeland (Rhode KM2 Island ■ i .295

2. Idem van Pennsylvanië 1.217

8. Appalachen-kolenveld (Pennsylvanië, Maryland,

West-Virginia, Ohio, Kentucky Tennessee, Alabama) 160.783

4. Michiganbekken 18.310

5. Centraal gebied (Illinois, Indiana, Kentucky) 124.320

0. Missourigebied (Jowa, Missouri, Zuidwaarts tot

Tejas) 255.630

567.555

In 1896 werden 185,6 millioen tonnen kolen gedolven, waarvan in Pennsylvanië bijna de helft (nl. 46 %). Waarde bijna 500 millioen gulden. Men heeft berekend, dat de nu bekende lagen 684,000.000.000 tonnen (a 1000 KGr) kolen bevatten.

Aan ijzer werd in 1896: 8,6 millioen t gewonnen, ter waarde van 225 millioen gulden. Pensylvanië leverde bijna de helft (nl. 48 0/o)-

Het geheele Noord-Oosten bezit veel ijzer; zoo ook de omgeving der Tennessee.

Het meeste koper leverden vroeger de streken in Michigan aan het Boven-meer, nl. |; thans echter leveren ook Arizona en Montana veel, en wel zóó, dat Montana 47 %, de streken aan het Boven-meer 34 % en Arizona 13 % der totale productie levert.

De rijkste mijn der wereld — toebehoorende aan de Calumet en Hecla-Company — ligt aan het Boven-meer op het schiereiland Keweenaw,

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 22

ocr page 346

338

In 1896 werd voor 121 millioen gulden gevonden.

Lood leveren Colorado (middelpunt Leadville, bij de bronnen van de Arkansas) en Utah, in 4890 voor 26 millioen gulden, zink (16 mill, gulden) vooral in Illinois (La Salle, ten Koorden van St.-Louis), kwikzilver (2,5 millioen gulden) Californië.

Voorts :

aluminium voor 1,2 millioen gulden.

bouwsteenen „78 „ „

cement „16 „ „

Petroleum wordt hoofdzakelijk geleverd door Pennsylvanië en New-York. In 1896 bedroeg de productie 97 millioen HL (waarde 144 millioen gulden).

De edele metalen worden hoofdzakelijk in 't Westen gevonden. Goud levert in de eerste plaats Californië, waar het in 1848 ontdekt werd; in de 2e plaats komen Colorado (dat bijna evenveel levert), Zuid-Dacota, Montana, Arizona, Nevada.

Zilver wordt vooral in Colorado gevonden, en wel 3 der geheele productie; | levert Montana, i Utah.

In 't geheel bedroeg de productie aan goud en zilver in 1890 320 millioen gulden. Er werd geleverd in millioenen guldens door:

goud.

zilver.

Colorado

37

72

Montana

10,5

53,5

Californië

37,8

1,8

Utah

4,5

29

Idaho

5,3

16

Zuid-Dacota

12

0,7

Arizona

6,5

6,2

Nevada

6,2

3,3

§ 311. Industrie. De rijkdom aan mineralen en de aanwezigheid van grondstoffen moest eene grootsche industrie in het leven roepen. Snel is deze vooruitgegaan: in 1880 vonden 2,732.000 personen in de nijverheid een bestaan, in 1890 reeds 4,712.000. Het industrie-gebied ligt hoofdzakelijk in het Noord-Oosten tusschen den Atlantischen oceaan en den Mississippi; kleinere gebieden liggen aan den Missouri en in het

ocr page 347

339

Westen. De belangrijkheid der industrieën blijkt eenigszins uit het volgende.

In 1890 waren werkzaam in;

zagerijen '286.000 personen,

gieterijen en machinefabr. 248.000 „ katoenfabrieken '222.000 „

staal- en ijzerfabrieken 153.000 „

fabrieken voor heerenkleeding 156.000 „ schoenfabrieken 139.000 „

steen- en aardewerkfabrieken 109.000 „ steengroeven e. d. 106.000 „

Hoofdzetel der ijzerindustrie in Pennsylvanië, van de textielindustrie de staten van Nie uw - En-geland.

De meeste fabrieken voor de verwerking der metalen en voor machines bezitten : Pittsburg, Chicago, Cleveland, Buffalo. Cincinnati, enz.; fabrieken voor landbouwwerktuigen te Chicago. Louisville, Columbus, Springfield, Ohio, enz.; fabrieken voor locomotieven in Philadelphia.

Wat de textielindustrie betreft vindt men :

katoenfabr. te Manchester, Lawrence, Baltimore, Charleston. Augusta;

wolfabrieken te Lawrence, Lowell. Providence;

fabr. voor tapijten te Philadelphia en Lowell;

zijdefabr. te Paterson.

Meel leveren Minneapolis en St.-Louis; vleeschindustrie vindt men te Chicago, Kansas-city, Omaha, Milwaukee, Cincinnati. St.-Paul, Cleveland; suikerfabr. te Brooklyn en Philadelphia: spoonvegwaggons leveren Pullman (bjj Chicago), Buffalo, Philadelphia. Scheepsbouw te Philadelphia, Chester, San Francisco, enz.

§ 312- Handel en Verkeer. Tot 1846 heerschte het vrijhandelstelsel. Toen begon men invoerrechten te heffen, voornamelijk ter wille der nationale industrie; de Mc Kinley-bill van 1890 breidde die beschermende rechten nog aanmerkelijk uit.

De totale invoer bedroeg in 1897 2183 millioen gulden, de uitvoer 2810 millioen. Voor 1898 waren deze cijfers res-

ocr page 348

340

zijden stoffen ruwe zijde hout

caoutchouc ijzerwaren thee

leder en lederwaren vlas, hennep en jute tabak Uitvoer (1896/97): katoen koren vleesch petroleum dieren koper hout tabak machines ijzerwaren katoenen stoffen leder kolen vruchten

pectieveljjk 4527 en 3050, — zoodat de uitvoer tweemaal zooveel bedroeg als de invoer.

Invoer (1896/97):

suiker koffie wol

wollen stoffen chemicaliën katoenen stoffen linnen-, hennep- en jutewaren huiden

250 millioen gulden. 203 132 121 111 85 80 77 63 46 43 42 40 36 33 80 28

575 millioen gulden.

295 ,,

300 „

155 „

105 „

80 „

76 „

73 „

72 „

71 „

52 „

40 „

27 „

19 „ „ enz.

enz.


Van de produkten ging bijna 46 % naar Groot-Brittanje, dan

ocr page 349

341

volgen Duitschland, Canada, Frankrijk, Nederland, België en West-Indië.

De invoer van Groot-Brittanje bedroeg bijna 22 % van den totalen invoer, dan volgen Duitschland, Brazilië, Frankrijk, West-Indië en Canada. Uit Nederland werd ingevoerd voor ruim 13 millioen gulden, uit Ned. Oost-Indië voor bijna 15 millioen gulden.

Voor de ontwikkeling van het verkeer, en de opkomst der

staten in 't algemeen, zijn de spoorwegen van groote beteekenis. In -1883 werd de eerste spoorweg in New-Jersey gelegd; in 1850 hadden de spoorwegen reeds eene lengte van 3G.000 KM (begin 4897: 294.000 KM). Van veel belang zijn de Pacific-ban en: de lijnen, die naar den Grooten oceaan loopen (zie de figuur).

De handelsvloot bestond in 1897 uit 6599 stoombooten.

ocr page 350

342

nietende 2,358.558 t en quot;16034 zeilschepen, metende 2.410.462 t, —- verdeeld als volgt:

schepen. tonnen. Atlantische en Golfkust 16.592 2,647.796

Kust van den Grooten oceaan 4.581 439.012

Groote meren 3.230 1,410.103

Mississippi, enz. 1.230 272.109

Hieruit blijkt het drukke verkeer op de Groote meren.

.§ 313. De belangrijkste havenplaatsen zijn:

Boston, scheepvaart (zonder kustverkeer) 3,000.000 t. Invoer: wol (75 mill, gulden), suiker (19 millioen), huiden, chemicaliën, katoen. Uitvoer: spek (40 millioen gulden), vee (26 millioen), versch vleesch, tarwe, leder, katoen, ham, tarwemeel.

New-York, de tweede handelsplaats der wereld. Van den geheelen buitenlandschen handel der V. S. gaat 60 % over New-York. Scheepvaart 14,100.000 t (1897). j der immigranten landen hier.

Philadelpliia, scheepvaart bjjna 2,000.000 t. Uitvoer: petroleum (45 millioen gulden), koren en meel (40 millieen), levensmiddelen, vee, spek, ham. Invoer: wol (88 millioen), beetwortelsuiker (vooral uit Duitschland), rietsuiker, enz.

Baltimore, scheepvaart 2,650.000 t. Zeer belangrijke plaats voor koren (jaarlijks 17,5 millioen HL), hoofdzetel der conser-venindustrie. Invoer: koffie, suiker, zout. Uitvoer: conserven, koren, tabak, katoen, petroleum, spek.

Charleston, scheepvaart 350.000 t. Uitvoer: katoen, rijst, machines, tabak, maïs, spek, enz.

Savannah, scheepvaart 625,000 t. Uitvoer: katoen (als katoenhaven n0. 2), hout, rijst, huiden, enz. Invoer: koffie.

Mobile, scheepvaart 700.000 t. Uitvoer: katoen (jaarlijks 110 millioen KG), hout, kolen, scheepsvictualiën.

Nieuw-Orleans, scheepvaart, 2,7 millioen t. De voornaamste katoen haven, na Liverpool de grootste katoenmarkt der wereld; jaarlijks 9 a 10 millioen balen. Uitvoer: katoen, koren, suiker, rijst, varkensvleesch, wol, huiden, tabak.

Galveston, scheepvaart 1,100.000. Uitvoer; katoen (als

ocr page 351

343

katoenhaven n0. 3, jaarlijks 308 milKoen KG), wol, huiden, meel, koren, ooft.

San-Francisco, jaarlijks 2,440.000 t. De helft van den uitvoer ter zee gaat naar Groot-Brittanje. Uitvoer: edele metalen, meel, tarwe, wol, wijn, ooft, zalm. Invoer: suiker, koffie, thee, rijst, bier.

Van de havens aan de Groote meren moeten vooral genoemd worden :

Detroit, handel in koren, wol, varkensvleesch, koper.

Milwaukee, koren, meel, hout.

Chicago. Do veeslachterijen hebben eene oppervlakte van 160 HA en een jaarlijkschen aanvoer van 3 a 4 millioen runderen, 8 —9 millioen varkens, '2—3 milloen schapen en 100.000 paarden, samen eene waarde van 575 millioen gulden vertegenwoordigende. De handel van Chicago wordt alleen door dien van New-York overtroffen; het aantal in- en uitgaande schepen is grooter dan te New-York. De 5 M diepe havens hebben eene oppervlakte van 180 HA. Hoofdartikelen: koren, hout, vee en vleesch.

Cleveland, petroleum, varkens.

Buffalo, hout, koren, kolen, vee.

Muntwezen. 1 Dollar a 100 cents = ƒ'2,40. Gouden munten zijn er van 1-, 2;J, 5, 10 en 20 dollars, zilveren van 1, | en j'ö dollar, nikkelen en koperen van 5, 2 en 1 cents.

ocr page 352

Vir. VERKEER TE LAND EN TEll ZEE.

A. Overzicht.

§ 314. De wijze, waarop het vervoer van personen en goederen plaats heeft, is van groot belang. Voor den reiziger is het een vraag van beteekenis, of hij zijn' weg in een gemak-keljjken spoorwaggon, in eene postkoets, te paard of te voet af te leggen heeft. De koopman moet, al naar de middelen van vervoer, zijne waren pakken en transportkosten in rekening brengen; zijne verdiensten zijn dikwijls van de wijze van transport afhankelijk. Een bewoner van een land met de moderne middelen van verkeer verplaatst zich gemakkelijk, hij staat met de bewoners van de omliggende landen in betrekking, hij kan voor de wereldmarkt produeeeren en leert andere landen kennen. Hoe geheel anders is het met den bewoner eener landstreek, die de nieuwere vervoermiddelen nog niet bezit: hij verlaat zelden zijn vaderland, doet weinig ervaring op, wat zijn bodem levert of wat hij zelf produceert wordt meestal slechts in de onmiddellijke omgeving verkocht.

Gaan we eerst de voornaamste transportmiddelen te land na. Aan den Noordrand van de oude wereld, op de fjelden van Scandinavië en in de wijde vlakten van Noord-liusland en Siberië gebruiken Lappen, Samojeden, Toengoezen, enz. het rendier en den hond als transportdier, meest door ze voor de slede te spannen, het rendier in West-Siberië echter ook als rij- en lastdier.

Zuideljjker beheerschen in de Europeesche staten spoorweg en wagen (vrachtwagen, omnibus) het verkeer. Het spoorwegnet is het dichtst in de Engelsche, Belgische en Duitsche fabrieksstreken; dan volgen het overig Duitschland. Oostenrijk,

ocr page 353

345

Italië, Frankrijk, Groot-Brittanje en Ierland, Nederland, Denemarken, en Zuid-Scandinavië; — op het Iberisch schiereiland en in West-Rusland is het, evenals in de N oord a fri k a a n sch o kuststreken, reeds heel wat minder dicht; — in Oost-Rusland, Noord-Scandinavië en op het Balkan schiereiland zijn nog slechts enkele lijnen, en Siberië krijgt nu zijn eersten spoorweg.

Grooter is het onderscheid als we op de gewone wegen en het verkeer met wagens letten. Frankrijk, Engeland, Duifscli-land, Nederland, België hebben voortreffelijke kunstwegen, die het geheele jaar door in goeden toestand zijn. Jn de landen aan de Middellandsche zee is het aantal dezer ■wegen reeds geringer, en in Oost-Europa ontbreken ze geheel en al: de wegen zjjn daar in slechten toestand, bij nat weder vaak onberijdbaar. In do Germaansche streken ziet men 't meest groote vrachtwagens met 4 raderen, in Frankrijk en de landen aan de Middellandsche zee is de kar (op 2 raderen) veel meer in gebruik. Als trekdier doet vooral het paard dienst, ook het muildier, en hier en daar de os. In X.-O.-Duitschland, in Scandinavië en Rusland, waar in den winter geruimen tijd sneeuw ligt, moet naast den wagen ook de slede genoemd worden. In vele Noord- en Middeleuropeesche gebergten, maar vooral in de gebergten der Zuideuropeesche schiereilanden en in het A.tlasgebied zjjn alleen de hoofdwegen berijdbaar, d. w. z. voor wagens geschikt; de meeste wegen zijn paden voor lastdieren (voornamelijk muildieren). Ook in het bergachtige Oost-Siberië vindt men geen goede wegen; bet geringe verkeer wordt door beladen paarden onderhouden.

In al de genoemde stroken is de scheepvaart op rivieren en kanalen van meer of minder gewicht. In de bergachtige streken aan de Middellandsche zee, waar de zomer droog is, heeft de scheepvaart in 't algemeen weinig te beteekenen, maar in Engeland, Frankrijk, België, Nederland, Duitschland. Scandinavië heeft zjj een aanzienlijk deel der goederen te vervoeren, — en nog veel grooter is hare beteekenis op de groote rivieren van Rusland en Siberië, al zijn deze dan ook een geruimen tijd 's jaars bevroren.

ocr page 354

346

Ten Zuiden van de genoemde zone, waar het verkeer per spoor en per wagen van zooveel beteekenis is, strekt zich, ■eveneens van den Atlantischen tot ongeveer aan den Grooten oceaan, een gebied uit, waar het verkeer door kameelen plaats heeft: het is het gebied der Afrikaansche en Aziatische woestijnen en steppen.

Het kameel wordt er als lastdier gebruikt; alleen in Zuid-Rusland is het ook trekdier. In de Gobi gebruikt men ook ossen en muildieren, voor het trekken van karren, en in de gebergten van Klein-Azië en Iran ook het paard. De scheepvaart heeft in deze zone al heel weinig te beteekenen.

Verder naar het Zuiden is de wijze, waarop het vervoer van goederen plaats heeft, zeer verschillend. In tropisch Afrika is het vervoer door dragers hoofdzaak, al worden in West-■Soedan en Senegambië ook ezels, in Abessinië muildieren gebruikt, en al worden Niger en Binoeë, Kongo en Zambesi en vele groote meren ook met booten en stoombooten bevaren.

In Zuid-Afrika vindt men nog steeds veelvuldig den ossen-wagen als transportmiddel, al breidt zich het spoorwegnet hier ook snel uit.

In Zuid-West-Azië tot in het gebied van den Indus geschiedt het vervoer voornamelijk door kameelen en paarden, gelijk we zagen. In Bengalen en Dekan is naast de spoorwegen de ossenkar van belang, in Bengalen en Ceilon wordt ook de olifant gebruikt, terwijl vooral in het Gangesgebied het verkeer te water van groot belang is. In de hooggelegen dalen van Indus en Brahmapoetra ziet men groote kudden beladen schapen en geiten; in het overige Tibet, vooral voor het verkeer met China, gebruikt men den yack. China zelf kan men in tweeën splitsen. In Koord-China en Mandsjoenje spant men muildieren voor de karren, en gebruikt men muildieren, paarden, ezels en kameelen als lastdieren; de scheepvaart is er van belang.

In Zuid-Cliina daarentegen vindt men geen wegen, slechts paden voor muildieren en paarden, terwijl het verkeer ook vooral door dragers geschiedt; de scheepvaart is van groote be-

ocr page 355

347

teekenis. Korea en Japan sluiten zich het meest bjj Zuid-Chiaa aan. al wordt in Japan ook het spoorwegnet reeds vrij dicht.

In Achter-Indië en Oost-Indië wordt nog veel van dragers gebruik gemaakt, benevens van buffels, ossen en, zooals in Siam en Anam, van olifanten.

Op enkele rivieren, bv. de Irawadi, is de scheepvaart belangrijk. Op Java en Soematra zjjn spoorwegen en op de drie grootste tSoenda-eilanden is ook het verkeer op de rivieren niet gering.

In Australië is alleen het Oosten een gebied, waar spoorwegen en gewone wegen van beteekenis zijn. Overigens is het verkeer nog van weinig belang.

In Amerika geschiedt in het hooge Noorden — de Barren grounds — hei verkeer te water of met sleden, door honden getrokken. In het aangrenzend woudgebied gebruiken Indianen en Europeanen booten, die zo bij waterscheidingen of stroomversnellingen over land dragen. Transportdieren en wagens worden zelden gebruikt; deze vindt men eerst in Zuidelijk Canada en de Vereenigde Staten, waar de bevolking dichter, de beschaving hooger is. Het geheele Oosten bezit een dicht net van spoorwegen; voor plaatseljjk verkeer zijn ook wagens in gebruik, ofschoon de wegen niet te best zijn: de rivieren, meren en kanalen worden zeer druk bevaren. ïen W. van den meridiaan van 100 ' W.-L., in het gebied der steppen en bergen, waar de bevolking minder dicht is, treffen we buiten de Pacific hjnen nog wel spoorwegen aan, maar groote afstanden moeten toch per wagen of op muildieren worden afgelegd. Alleen in Californië is het verkeer weder als in het Oosten.

Het hoogland van Mejico bezit verscheiden spoorwegen, aansluitende aan het net der Unie, maar in de gebergten heeft het verkeer met muildieren over paden plaats, evenals bijna overal in Middel-Amerika.

In de Andes geschiedt het vervoer meest met muildieren, ook met paarden, in vele streken met ezels, in Peru en Bolivia komt vooral de lama in aanmerking. Op enkele plaatsen zijn sporen aangelegd, scheepvaart heeft slechts hier

ocr page 356

:148

en daar plaats. In de Llanos is deze echter van meer belang. In Guyana en Brazilië geschiedt het verkeer bijna geheel over de rivieren, behalve in de Oostelijke, bergachtige kuststreken van Brazilië, waar sporen aangelegd zijn en het verkeer met transportdieren van belang is. In Uruguay, in de Pampas en in Midden-Chili vindt men reeds verscheiden sporen, terwijl de vlakke bodem tot het vervoer in ossenkarren geleid heeft.

§ 315. Reeds in de zeventiende en achttiende eeuw beproefde men do sioom ten dienste van de scheepvaart aan te wenden. In 1807 bouwde een Amerikaan eene stoomboot, waarmede hij met goed gevolg van New-York naar Albany aan den Hudson voer, en van toen af werden de proeven talrijker en was men gelukkiger. In 1811 voer eene Schotsche stoomboot om Engeland; aan den Mississippi liep in 1811 de eerste stoomboot van etapel. Reeds in 1812 begon men in Europa op verscheiden plaatsen stoombooten te bouwen, en in 1818 werd het eerste ijzeren schip gebouwd.

In 1818 maakte voor het eerst een stoomschip een trans-oceanische reis: de „Savannahquot; voer van New-York naar Liverpool in 20 dagen, in 1825 maakte een Engelsch stoomschip de reis naar Indië in 113 dagen. Steeds had men echter nog zeilen gebruikt: de stoom diende slechts tot hulp. In 1838 voeren twee schepen, uitsluitend door stoom gedreven, van Bristol naar New-York, en daarmede brak een nieuw tijdperk aan. Meer en meer richtte men stoomvaartlijnen voor het postverkeer op. De Engelsche regeering sloot met Cunard in Halifax eene overeenkomst, waarbij Cunard zich verplichtte tweemaal per maand een stoomschip te zenden van Liverpool naar Halifax. New-York, Quebec, Boston en terug: het begin van de beroemde Cunard-lijn.

Nu de mogelijkheid, groote vaarten te doen met schepen uitsluitend door stoom gedreven, bewezen was, werden overal lijnen in het leven geroepen, vooral ook voor het postverkeer, zelfs naar verafgelegen havens, b.v. naar de Europeesche koloniën.

Naast Engeland moet o. a. Oostenrijk genoemd worden, dat door de „Oostenrjjk-Hongaarsche Lloydquot; reeds in 1837 een

ocr page 357

;j4'J

levendig verkeer op de Adriatische zee en met de Levant onderhield. In 1850 werden in Duitschland, in 48üO in Frank-rjjk groote maatschappijen opgericht.

Meer en meer werden de oceanen met een dicht net van stoomvaartlijnen overtroffen. Vooral de Atlantische oceaan, tus-schen de meest ontwikkelde landen der wereld gelegen, bezit een dicht net; sedert de opening van het Suez-kanaal bezitten ook de Middellandsche zee en de Indische oceaan grootsche lijnen, en op den Grooten oceaan wordt het stoombootverkeer voortdurend drukker.

Sedert 1850 neemt bij de zeevarende volken het verkeer per stoomschip voortdurend toe, terwijl dat per zeilschip achteruit gaat. De bloei van het verkeer per zeilschip vormt een reeds afgesloten tjjdperk van de geschiedenis der scheepvaart. Niettemin zijn ook tegenwoordig nog vele en groote zeilschepen vooral voor het goederenvervoer in gebruik. Het grootste deel der handelswaren (thee en katoen), tusschen Azië, Australië en Amerika verhandeld, wordt op zeilschepen overgebracht, en ook over den Atlantischen en Indischen oceaan, over Oost- en Middellandsche zee worden groote hoeveelheden per zeilschip vervoerd. Voor het vervoer van personen en het postverkeer leggen de zeilschepen het natuurlijk af; voor het grootsche wereldverkeer, waarvoor snelheid en vervoer in bepaalden tijd van overwegend belang zijn, heeft het zeilschip tegenwoordig nog slechts weinig beteekenis.

B. Overzicht der voornaamste handelswegen.

§ 310. Zoodra het verkeer ter zee eene groote vlucht nam en stoomvaartlijnen aansloten bij de voornaamste wegen te land, kregen do handelswegen eene groote lengte en eene groote beteekenis. Zij verbonden de werelddeelen, en hunne begin- en eindpunten zijn niet enkel belangrijke steden, maar geheele landen.

Die wegen, waarover de wereldhandel zich beweegt, kan men onderscheiden in :

ocr page 358

350

1. intercontinentale (te water en te land),

2. interoceanische (die, door een werelddeel loopend, belannjke zeeën verbinden),

3. uitsluitend oceanische.

I. Tot de intercontinentale handelswegen behooren de Europeesch-Aziatische. De voornaamste zijn:

a. die van Middel- en Xoord-Europa (Engeland, Nederland, België, Duischland, Frankrijk) door Rusland (over Moskou) naar Noord-Azië. Eerst spoorwegen, later karavaanwegen.

b. Van Noord-Europa door Duitschland en Oostenrijk-Hon-garije den Donan af over de Zwarte zee of Konstantinopel naar Voor- en Centraal Azië. Eerst spoorwegen en rivierstoombooten, dan over zee, daarna nogmaals spoorweg (Batoem of Poti-Tiflis-Bakoe, Transkaspische spoor) naar Toerkestan en verder karavaanwegen. Een tak gaat over Saloniki of Konstantinopel naar Smyrna en zoo naar do Kleinaziatische karavaanwegen.

c. Van Noord-Europa door Duitschland en Oosten rij k-1 Ion-ga rij e (Triest en Fiume) over de Middellandsche zee naar Alexandrië en Suez.

d. Van Noord-West- en Midden-Europa door Frankrijk over Marseille, of door Duitschland en Italië (over Genua, Venetië, of Brindisi) naar de Levant (Konstantinopel, Smyrna, Beiroet, Alexandrië).

e. de weg van Suez door de Roode zee over Aden naar Zuid- en Oost-Azië, Australië en Oost-Afrika.

II. Tot de interoceanische handelswegen behooren:

a. de korte spoorweg Alexandrië—Suez, of de weg door het Kanaal van Suez.

b. de wegen van de Middellandsche en de Zwarte zee naar de Perzische golf, en wel van Trebisonde, Skoetari en Smyrna, of van Beiroet en Damaskus naar Bagdad. Eerst karavaanwegen, dan rivierscheepvaart.

c. de groote Chineesch-Russische landweg, van Tientsin naar Rusland, de grootste landweg der Aarde.

d. de weg van Calcutta over Dehli en Lahore eenerzijds. van Bombay en den Indusmond anderzijds naar Kaboel, Samar-

ocr page 359

351

kand, naar de Kaspische zee en door Europa tot aan de Noorden Oostzee.

e. de Pacific-ljjnen in Amerika.

III. Tot de oceanische li andels wegen behooren:

a. de talrijke stoomvaartlijnen die de voornaamste Europee-sche havens met die der Amerikaansche Oostkust verbinden.

b. de ijjnen van Amerika over den Grooten oceaan naar Oost-Azië en Australië.

c. de Ijjnen van Europa naar Zuid- en Oost-Azië en Australië.

De, wat ontwikkeling en «lichtheid der bevolking betreft, belangrijkstö-deelen der Aarde, de Vereenigde Staten, Europa, Indië en China, liggen bijna geheel op het Noordelijk halfrond in W.-O. richting van elkaar: daardoor ligt de hoofdader van het wereldverkeer in dezelfde richting, alleen veroorzaakt het uitspringen van Azië naar het Zuiden eene ombuiging naaiden aeqnator. Over 't geheel valt die hoofdader vrijwel samen met de kortste reis om de wereld, die met sneltreinen en stoombooten in G4, in gunstige omstandigheden in GO dagen te doen is, terwijl de eerste schepen, er 3 jaren voor noodig hadden.

Londen—Liverpool—Halifax

G

dagen.

H. — Canadasche pacific —Vancouver

G

V.—Jokohama

11

„

J.—Hongkong

8

H. — Colombo

13

C.—Bombay

4

n

B.—Suez

10

S.—Brindisi

4

n

B.—Mont-Cenis—Londen

2

G4

dagen.

C. Belangrykste Stoomvaartiyneii.

§ 317. Yau Europa naar Amerika.

De Nederlandsch-Am erikaansclie stoomvaartmaatschappij (N. A. S. M.; Holland-Amerika-lijn), van Rotterdam (Amsterdam) naar New-York.

T)eze maatschappij onderhoudt sinds 1872 eene geregelde stoombootver-binding tusschen Nederland en Amerika, en wel een wekelijkschen dienst tusschen Rotterdam en New-York via Boulogne, en een veert.iendaagschen

ocr page 360

35'2

dienst tusscheu Amsterdam en New-York. De vloot der maatschappij bestaat uit de stoomschepen Statendam (10.500 ton), Rotterdam (8300), Spaarn-dam (1600), Maasdam (-1000), Amsterdam (3700), Werkendam (3700), Edam (3400). terwijl in aanbouw zijn de dubbele schroefs.s. Rijndam (12.500), Noor dam (12.500) en Potsdam (12.500). Goederen worden aangenomen in daarvracht van en naar bijna alle plaatsen in de Vereenigde Staten. De passageprijs bedraagt ƒ 78—/225, (3e, 2e en le kl.). Passagekantoren zijn te Rotterdam, Amsterdam, Boulogne, Parijs, Berlijn, Leipzig, Weenen, New-York en Chicago. De reis duurt ongeveer 2 weken.

De Koninklijke West-Indische maildienst, van Amsterdam naar Paramaribo en verder o.a. naar Demerara, Trinidad, Cumana, La Guayra, Puerto Cabello, Curagao, Port au Prince en New-York.

De Red Star-linie van Antwerpen naar New-York en Philadelphia.

De lijn Antwerpen—Buenos Aïres (31 dagen).

De Noordduitsche Lloyd te Bremen, o.a. met de lijnen: Bremerhaven—Southampton—New-York (8 dagen). Bremerhaven — Baltimore (13 dagen), Genua—New-York (H dagen).

De Hamburg-Amerikanische Paketfahrt-Actien-Ge sell sch a ft, o.a. met de lijnen: Hamburg—Southampton— New-York (8 dagen), H.—West-Indië—Mejico—New-Orleans (± 30 dagen).

De Kosmos: Hamburg—Antwerpen—Montevideo—Callao, met kustvaart bij Zuid-Amerika (64 dagen).

De stoombooten, die van de Britsche eilanden afgaan, doen de reizen 1 a '2 dagen korter; de meeste maatschappijen hebben hunnen zetel in Londen en Liverpool. Tot de belangrijkste lijnen behooren:

de Cunard- en White Star-Line, beide te Liverpool.—

de West-Indian and Pacific Steamship Company, van Liverpool naar West-Indie, enz.

De grootste Fransche reederijen zijn:

de Compagnie Générale Transatlantique, met lijnen van Havre, Brest en Sint-Nazaire naar New-York, Middel- en Zuid-Amerika:

de Messageries maritimes, o.a. met de lijnen: Bordeaux—

ocr page 361

353

i

Buenos Aires en Marseille—Buenos Aires (26 a '22 dagen).

De Oostenrijksche Lloyd te Triest onderhoudt regelmatig verkeer met Brazilië (langs de kust tot Santos).

De Navigazione generale italiana exploiteert de lijn Genua—Buenos Aïres.

De Noordelijkste lijn is de route Christiania—Bergen —New-York van de Norsk Amerikansk Dampskibselskab.

In de Vereenigde Staten hebben de belangrijkste reederijen haren zetel in New-York (Inman-linie, met de grootste passagiersbooten der wereld).

De Middellandsche zee.

In do Oostelijke deelen vindt men vooral lijnen van de Oostenrijksche Lloyd te Triest, terwijl verschillende maatschappijen te Marseille, o.a. de Messageries maritimes, een druk verkeer tusschen tal van havens onderhouden, o. a.: Marseille— Algiers (4 maatschappijen; in 3-4 uren), Marseille—Tunis.

Marseille—Napels—Alexandrië (Messag. mar.),

Marseille—Palermo—Messina—Smyrna—Beiroet—Port Saïd— Alexandrië (M. m.).

Marseille—Konstantinopel (M. m.),

Marseille—Port Saïd (Praissinet amp; Cie),

Havre—Bordeaux—Marseille—Madagaskar, enz.

De Koninklijke Nederlandsche stoombootmaatschap p ij bezit 28 schepen, die ook geregeld op de voornaamste havens der Middell. zee varen.

De meeste lijnen in de Middellandsche en de Oostzee bespraken we reeds bij de behandeling: der staten van Europa.

Yan Europa naar Azië, Australië en Afrika.

Van Nederland naar Indië varen de schepen der Rotter-damsche Lloyd en der Stoomvaartmaatschappij Nederland.

Yoor het verkeer tusschen Groot-Brittanje en Indië is vooral van beteekenis de Peninsular and Oriental Steam-Navigation Company (de P amp; O), gevestigd te Londen: zij zendt hare schepen ook naar Australië en Oost-Afrika.

Ten Have, Handels-A.irdrijksknnde. 23

ocr page 362

354

De schepen der N e w-Z e a l a n d Company maken de reis rondom de wereld (van Londen over Kaapstad naar Nieuw-Zeeland en door de Magelhaen-straat over Rio naar Londen terug).

Van de Duitsche lijnen dienen genoemd;

Bremerhaven — Southampton — Genua — Suez —Singapoera— Hongkong—Shanghai (47 dagen);

Bremerhaven—Colombo—Adelaide—Melbourne—Sydney (53 dagen); beide van de JV. L. (Noordd. Lloyd);

Hamburg—West-Afrika, de vroegere Woermann-linie, van de Afr. Da mp fs c h i ffa h r t s-Ac tie n-G ese 11 sc h aft.

Franknjks Oostaziatische lijnen gaan van Marseille uit (Mes-sa g. ma rit.).

Oostenrijk bezit de lijn Triest—Hongkong (Oost. Lloyd).

Engelsche lijnen gaan van Londen (Colonial Mail-Line of Steamers) naar Kaapstad, Port Elizabeth en Port Natal, en evenzeer van Liverpool uit (African Steamship C. enz.).

Van Amerika Westwaarts

loopen verschillende lijnen. Van bijzondere beteekenis zijn die van San-Francisco en Vancouver uit, aansluitende bij de Paci-fic-sporen.

Van San-Francisco gaan de schepen der Pacific Mail and Occidental and Oriental Steamship Co naar Jokohama (19) en Hongkong (26 dagen), en over Honoloeloe (Sandwich-eil.), en Sydney. Van Vancouver gaat evenzeer eene lijn naar Jokohama (11) en Hongkong (19 dagen) en ook over de Fidzji-eilanden naar Sydney (25 dagen).

ocr page 363

VUL DE BELANGRIJKSTE HANDELSPRODUKTEN.

g 318. Koren.

In de gematigde zone verbouwt men tarwe (tot (iü 0 JSVB.), rogge (tot 70 0 N.-B.), gerst (tot 70 0 K-B.) en haver (tot 67 0 X.-B.). in de tropische en warm-gematigde zone maïs (tot 51 0 N.-B.).

Het meest verbreid en 't meest gezocht is de tarwe; zij wordt hoofdzakelijk als broodkoren gebruikt.

Rogge is ook broodkoren, vooral in de Germaansche landen en Rusland.

Gerst wordt elk jaar van meer beteekenis, vooral in Engeland, Duitschland en Oostenrijk, voor de bierbrouwerijen.

Haver wordt slechts ten deele als veevoeder gebruikt; in vele streken is het broodkoren (vooral b.v. in Schotland).

Maïs is naast haver en tarwe een der gewichtigste korensoorten ; zij wordt als broodkoren en als veevoeder gebruikt (o. a. voor het vetmesten).

De geheele oogst wordt berekend als volgt (1896 en '97 waren ongunstige jaren, '98 was een goed jaar):

1896

1897 1898

millioenen Hectoliters.

tarwe

854,0

771,3 930,7

rogge

522,4

450,1 477,8

gerst

342,0

304,2 332,8

haver

955,9

884,8 917,3

maïs

1070,4

925,4 879,6

voornaamste productielanden zijn : van

tarwe : de Vereenigde staten. Rusland, Frankrijk. Britsch Indië, Oostenrijk-Hongarije.

ocr page 364

356

rogge: Eusland, Duitschland, Oostenrijk-Hongarije.

gerst: Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Duitschland.

haver: Vereenigde staten, Rusland, Duitschland, Oostenrijk-Hongarije, Canada.

maïs: Vereenigde staten, Oostenrijk-Hongarije.

Productie van tarwe, 1898, in millioenen HL.

Vereenigde staten

210,5

Rusland

132,0

Frankrijk

123,5

Britsch-lndië

85,6

Oostenr j j k-Hongar jj e

00,5

Italië

41,0

Duitschland

39,4

Spanje

34,2

Groot-Britt. en Ierland

22,5

Turkije en Boelganje

27,2

Overige Europeesche staten

47,5

Canada, Australië, Egypte e. a.

106,8

Totaal

930,7

Productie van rogge, 1898, in millioenen HL.

Rusland

258,6

Duitschland

98,0

Oostenrijk-Hongarije

40,5

Frankrijk

18,3

Groot-Brittanje

0,7

Overige landen

61,7

Totaal

477,6

3 van gerst, 1898, in

millio

Rusland

90.9

()ostenrijk-Hongari je

43,0

Duitschland

36,5

Groot-Brittanje

24,5

Frankrijk

10,5

Overige landen

127,4

Totaal

332,8

ocr page 365

357

Productie van haver, 1898, in millioenen HL.

Rusland 251,2

Vereenigde staten 235,5

Duitschland 113,0 Oostenrijk-Honganje 70,5 Canada 61,6 Groot-Britt. en Ierland 57,5 Frankrijk 43,5 Zweden 21,0 Denemarken 10,5 Andere landen 53,0

Totaal 917,3

Productie van maïs, 1898, in millioenen HL.

Vereenigde staten 642,5 Oostenrijk-Hongarije 41,5 Roemenië 32,0 Italië 25,5

Andere landen 135,5

Totaal 876,5

De voornaamste uitvoerlanden zijn: Rusland, de Vereenigde Staten, Britsch-Indië, Roemenië, Boelgarije, Hongarije, Zuid-Australië, Canada, Argentinië, Algerië. Het meest werd ingevoerd door Groot-Brittanje, Frankrijk, Nederland, België en Duitschland.

Boekweit, dat in veel minder hoeveelheid verbouwd wordt, is in vergelijking met bovengenoemde korensoorten voor den wereldhandel van geringe beteekenis,

§ 319. Aardappelen.

Het meest verbouwen Duitschland, Rusland, Oostenrijk-Honganje, Frankrijk en Groot-Brittanje en Ierland. Van de buiteneuropeesche landen moeten vooral de Vereenigde Staten genoemd worden. In de Zuideuropeesche staten is de verbouw van aardappelen betrekkelijk gering.

ocr page 366

358

Oogst in 1897, in milliocnen KG.

Duitschland

29.801

Rusland

21.923

Oost.-Hong. (met Bosnië)

11.815

Frankrijk

11.318

Vereenigde Staten

5.780

Groot-Brittanje

2.650

Ierland

1.522

België

2.904

Nederland (1896)

2.048

Zweden

1.404

Overige Europeesche Staten

4.970

Canada, Australië, Kaapland (1896)

1.144

Kaukasië en Az. Rusland

702

97.981.

§ 320. Ryst.

Van Oost-Azië uit is deze plant over de Aarde verbreid. In Europa wordt zij tot ongeveer 45 0 Jf.-B. verbouwd. Het meest levert nog altijd Achter-Indië: Birma voert gemiddeld uit 900 a 1000 millioen KG, het overige Britsch-Indië 460 millioen KG; Bangkok voert 050 millioen, Saigoen 670 millioen KG uit.

De vier belangrijkste rijsthavens van Achter-Indië, die veel naar Europa uitvoeren, zijn Rangoen (verreweg het belangrijkst, meer dan 1000 millioen KG), Akyab, Bassein en Maulmein; van Voor-Indië is Calcutta rijsthayen. Voorts leveren Japan, de Philippijnen, Oos-t-Indië, Egypte en Italië rijst; andere staten verbouwen alleen voor eigen behoeften, doch voeren niet uit. De geheele rijstproductie wordt op 120.000 millioen KG geschat.

§ 321. Wya.

De wijnoogst is zeer verschillend. In de laatste jaren heeft de wijnstok veel door de phylloxera geleden, zoodat Frankrijk, dat verreweg den meesten wijn produceerde, voor Italië en Spanje moest onderdoen. De wijnproductie wordt berekend (in mi 11 ioenen HL):

ocr page 367
ocr page 368

360

Europa. Buiten Europa. Totaal.

4890 419,15 6,52 125,67

1891 120,79 7,98 128,77

1895 93,87 9,27 103,14

1896 132,39 10,07 142,46

1897 97,92 11,14 109,06 In 1897 beliep de productie (in duizenden HL):

Italië 25.959

Spanje 18.900

Frankrijk 31.943

Oostennjk-Hongarije 3.883

Portugal 2.500

Rusland 2.500

Duitschland 1.776

Boelgarije 1.090

Griekenland 1.200

Turkije 1.800

Roemenië 3.250

Zwitserland 1.250

Servië 920

België 1

Europa 07^ 92'2

Algerië 4.368

Argentinië 1.440

Vereenigde staten 1.147

Chili 2.800

Kaapland 258

Australië 215

Peru 100

Tunis 90

Brazilië 390 Azoren, Canarisclie eil. en Madeira 250

Mejico 60

Perzië 25

Andere werelddeelen 11.143 Totaal 109.065

ocr page 369

361

§ 322. Koffie.

Koffie verlangt eene gemiddelde jaartemperatuur van minstens 20 a 21°. Het bost groeit ze op de berghellingen der tropische zone. Het oorspronkelijk vaderland der koffie is tropisch Oost-Afrika, vanwaar ze naar Arable werd overgebracht. In het laatst der zeventiende eeuw plantten de Nederlanders ze op Java, in 1718 in Suriname. De Franschen brachten ze in 1720 naar Martinique en Haïti, vanwaar ze zich over Amerika verbreidde.

Arabische („Mokkaquot;) koffie wordt door Hodeida en Aden uitgevoerd, hoofdmarkt is Aden. De verzending van Afrri-kaansche Mokka geschiedt meest uit Zeila.

Indische koffie. In den Indischen Archipel zijn het vooral Java (Pasoeroean, Preanger), Selebes (Minahasa, — Menado) en Soematra (Padangsche bovenlanden, — Padang), die koffie leveren. De „Manilla-koffiequot; heeft voor den wereldhandel weinig beteekenis. Vroeger bezat Ceylon zeer uitgestrekte aanplantingen; in 1875 voerde het 100 millioen KG uit. Tengevolge van eene bladziekte werden de plantages vernield. In 1893 beliep de uitvoer nog 2,8 millioen KG.

Madras is de hoofd ui tvoerhaven voor de koffie, in 't Z. van Voor-Indië geteeld.

Afrikaansche koffie is voor de wereldmarkt nog niet van bijzonder gewicht. Nubië en Abessynië leveren nog al koffie, die vroeger als „Mokkaquot; in den handel werd gebracht, en de echte „Mokkaquot; veel schade deed. Toorts leveren Mauritius, Reunion (waar de door de bladziekte grootendeels verwoeste plantages weder beginnen te bloeien), Madagaskar, Natal, enz. koffie.

Liberia-koffie wordt 't meest uit Monrovia verzonden. In de laatste jaren heeft men ze veel aangewend ter vernieuwing van de door de bladziekte in Azië en Amerika verwoeste struiken.

Braziliaansche koffie komt het meest in den wereldhandel; Brazilië heeft verreweg de grootste productie. Klimaat en bodem zijn er voor de koffie zeer gunstig en tal van sporen-

ocr page 370
ocr page 371

303

leiden van de plantages naar de kust, naai' de uitvoer-havens: Rio de Janeiro, Santos, en verder: Campinas, Bahia, Para, Maranhao. De Rio-koffie gaat voor 't grootste deel naar Noord-Amerika, de Santos-koftie naar Europa.

De meeste Zuid- en Middelamerikaansche staten verbouwen wat koffie, maar gewoonlijk voor den uitvoer weinig. In de eerste plaats moet Venezuela genoemd worden, waar de koffie naast de cacao de belangrijkste cultuurplant is. En dan Guatemala, waar de koffie zich verbazend snel verbreid beeft. Yoornaamste uitvoerhavens zijn: voor Venezuela P. Cabello en La Guayra, voor Guatemala Cbamperico.

Ook de Westindiscbe eilanden leveren weinig meer dan de behoeften van de streken zelf vorderen. Portorico, Haïti, Jamaica voeren uit ('t laatste naar Londen); ook enkele kleinere eil. (Martinique). Zuidzee-koffie heeft op de wereldmarkt nog weinig beteekenis, al voeren Hawaii, Tahiti, Samoa, enz. ook wat uit. Toch schijnt de koffie in Oceanië eene goede toekomst te hebben.

Koffieproductie. in millioenen KG.

Brazilië

uitvoer

1890

44,9

Xederl. Oost-lndië

oogst

1890

53,7!)

Venezuela

uitvoer

1890

± 50

Haïti

?gt;

1890

34,94

Guatemala

ÏJ

1890

31,04

Portorico

1890

20,20

Columbia

1895

21,50

Costarica

1890

10,09

ilejico

1890-

-97

14,82

Britsch-Indië

oogst

1890—

-97

11,80

San Salvador

uitvoer

1890

11,02

Nicaragua

1890

± 11,00

Aden (uit Arabië en Afrika;

??

1890—

-97

8,70

Jamaica

JJ

1890—

-97

3,38

Ecuador

?)

1890

± 2,00

West-Afrika en Liberia

1890

1,50-

ocr page 372

364

Honduras

uitvoer

1890

1,50

Ceylon

1896

1,13

Fransche koloniën

1896

1,10

Peru

1896

1,00

Dominikaansche republiek

5?

1895

0,86

Kongostaat

1896

0,20

Philippijnen

1896

0,49

Duitsch-Afrika

1896

0,16

Cuba

JJ

1896

0,15

Natal

oogst

1893-

-94

0,01

Andere landen

uitvoer

1893-

—94

0,10

Totaal

754,40

§ 323. Thee.

De theestruik gedijt het best in heuvelstreken en op berghellingen met eene gemiddelde jaarlijksche temperatuur van 20—25° C. Van het 3e tot het 7e jaar levert de struik goede bladeren.

Door de Nederlanders werd de thee in Europa tegen het einde der 17e eeuw vrij algemeen bekend.

Reeds in oude tijden werd in China thee geplant en hoewel de thee sedert 1830 op Java, sedert 1840 aan den Himalaja in Assam, sedert 1865 op Ceylon geteeld werd, bleef China tot 1870 de hoofdleverancier voor de geheele wereld. Thans heeft het in verschillende landen ernstige concurrenten.

Chineesche thee. Hoofdhavens zijn Hankau (meest zwarte thee; vooral naar Londen, Odessa, enz.), Tientsin, Kiu-kiang, Shanghai, Ningpo, Foetsjau, Amoy. Over land thee naar Rusland; veel tegelthee.

Japansche thee, hoofdzakelijk groene, op Nippon en Sikok. Voornaamste uitvoerhaven : Jokohama.

Indische thee, hoofdzakeljjk zwarte, belangrijke concurrentie voor de Chineesche in Europa. Voornaamste uitvoerhavens: Calcutta, Madras en Bombay. De meeste thee levert Assam; de theetuinen beslaan er ruim tweemaal zoo groote oppervlakte als in alle andere Indische theedistricten samen.

Ceylon-thee, slechts zwarte. Uitvoerplaatsen: Colombo, Point de Galle.

ocr page 373

365

J a v a -1 li e e, zwart.

De Fidzji-eilanden leveren nog betrekkelijk weinig thee, maar de cultuur gaat snel vooruit.

Uitvoer van thee in millioenen kilogrammen.

1880.

1890.

1896.

1897.

China

133,3

104,2

108,86

96,97

Britsch-Indië

20,9

48,0

68,29

69,12

Japan

17,5

26,1

31,96

± 32,00

Ceylon

0,1

20,8

49,98

50,00

Java

2,5

3,2

3,26

3,98

174,3

202,8

262,35

252,07

§ 324. Suiker.

De productie van be et wortel suiker is in de laatste jaren zoo toegenomen, dat de hoeveelheid beetwortelsuiker, die in den handel komt grooter is dan die van rietsuiker. Die toeneming blijke uit het volgende staatje:

Jaar. Productie.

1859—60

452

millioen KG.

1869—70

846

JJ

1875—76

1530

?gt; ?J

1880-81

1815

5)

1885—86

2179

JJ J?

1890—91

3696

?gt;

1892—93

3287

95

1893—94

3666

?gt; Jgt;

1894—95

4695

JJ ?gt;

1895—96

4300

gt;gt;

1896—97

4788

gt;9 9?

De meeste beetwortelsuiker

levert Duitschland;

1880 is de productie snel toegenomen. Dan volgt Oostenrijk-Ho n ga rij e, daarna Frankrijk. In het laatste land nam de productie eerst snel toe, bereikte in 1889—90 haar hoogtepunt met 700 millioen KG, maar is sedert achteruitgaande.

u s 1 a n d zou 1892—93 455 millioen KG opgeleverd hebben, in 1890—97 750 millioen KG. Xu volgen: België, -

ocr page 374

366

Kederland, Denemarken, Zweden, — en eenige andere landen, wier productie echter nog gering is.

De hoeveelheid rietsuiker, die jaarlijks geproduceerd wordt, is minder gemakkelijk na te gaan. Men schat haar als volgt:

Jaar.

Pro

due tie.

1853

1260 millioen KG.

1869—70

1905

J?

1879—80

2334

l? J?

1889—90

2678

5J

1892 -93

3051

5? gt;7

1893—94

3428

5? 5?

1894—95

3766

ï)

1895—96

3164

1896—97

2988

?? J;

Van eene snelle vermeerdering der productie, zooals bjj de beetwortelsuiker, is hierbij geen sprake.

De meeste suiker leverde tot voor korten tijd Cuba; in I S9i—!)5 zou het zelfs 1004 millioen KGr geleverd hebben. Maar de oorlogen der laatste jaren heeft de productie zeer doen dalen (1896—97 212 millioen KG?).

Ook de productie van Portorico gaat achteruit (189-i 97, 1896 54 millioen KG).

Britsch West-Indië leverde in 1896 150, F ranse h-West-Indië 80 millioen KG.

De Dominikaansche republiek ongeveer 40 millioen KG per jaar, de Deense he Antillen 7—8.

In de Vereenigde Staten moet vooral Louisiana als producent genoemd worden.

Mejico zou ±13 millioen KG produceeren, maar de uitvoer is gering. Brazilië, waar de productie achteruit gaat, leverde in 1897 210 millioen KG. Argentinië levert steeds meelsuiker. Het leverde

in 1855 0,4 millioen KG

„ 1872 1,4 „

„ 1881 9

ocr page 375

307

in i lt;891 46,3 millioen KGr

„ 1895 125

„ 1896 127

Britscli Guyana en Nederlandsch Guyana leveren ook vrij wat (Suriname 1890 10,-i mill. KG). Ook Venezuela en Columbia produceeren suiker, maar de uitvoer is onbeduidend.

Naast Amerika levert Azië veel suiker.

Java leverde:

1880 284,7 millioen KG

1885 387,2

1890 416,6

1891 429,3

1892 431

1893 501,6

1894 498,6

1895 569,7

1896 521,9

De Phi lippijnen leverden in 1895—96 445, in 1896—97 210 millioen KG.

China voert ook uit, in 1897 31,6 millioen KG; de productie wordt op 2 a 300 millioen KG geschat.

Japan levert veel minder.

Britseh-Indië produceerde reeds in overouden tijd suiker, men schat de jaarlijksche opbrengst op 2000 millioen KG, echter van minder kwaliteit. Uitgevoerd wordt er weinig, gewoonlijk overtreft de invoer den uitvoer.

Ook Achter-Indië, Si am, Perzië, enz. leveren suiker.

Van Afrika moeten genoemd worden:

Mauritius 1896

R é u n i o n 1896

Mayotta en Nossibé 1891 Egypte 1896

Natal 1892

(uitvoer 1896

millioen KG

153,5 40 5,6 95 9,88 4,8

millioen KG).

Snel ontwikkelt zich de suikerindustrie in Queensland.

ocr page 376
ocr page 377

nr.9

Nieu\v-Zuid-Wales, op de Fidzji- en Hawaiï-eilanden. Queensland produceerde in 1890—97 9:1 millioon KG, N.-Z -Wales 1895 — 96 22,0 mill.

De Fidzji-eilanden leverden in 1890 27,8 millioen KG suiker, de Hawaiï-eil. 1895 — 90 201,0 millioen.

§ 325. Katoeu.

Het meeste katoen leveren de Vereenigde Staten, Egypte en Britsch-Indië. Do Egyptische katoen wordt bijna geheel uitgevoerd. Dit geschiedde vroeger ook met de Indische, mpar tegenwoordig worden in Britsch-Indië, vooral in en om Madras, reeds veel katoenfabrieken aangetroffen.

Katoenproductie (in millioenen KG).

1890-94

1895

(gemiddeld)

Vereenigde Staten

1771,1

2280,8

Britsch-Indië

381,6

475,0

Centraal- en Oost-Azië

320.0

320.0

Egypte

178,0

210,9

Mejico

40,0

53,0

Turkije en Perzië

22,0

24,0

Brazilië (uitvoer)

25,0

30,0

West-Indië, overige landen van

Zuid-

Amerika en andere landen

20,2

12,5

2703,9

3412,2

§ 326. Wol.

Vooral in Amerika, Zuid-Afrika en Australië is, tengevolge van den reusachtigen vooruitgang van het verkeer, de wol-productie in de laatste halve eeuw zeer vooruitgegaan. In Europa daartegen neemt ze af. De productie schat men:

I. Europa.

Jaar. Millioenen KG.

Rusland 1893 139,05

Groot-Brittan je en Ierland 1896 61,74

Frankrijk 1897 41,02

Ten Have, Handels-Aardrijkskunde. 24

ocr page 378
ocr page 379

371

Jaar.

Millioenen

KG.

Spanje

1880

30,00

Duitschland

1897

19,02

Hongarije

1895

14,21

Italië

1895

9,78

Roemenië

1895

8,70

Portugal

1882

4,25

Oostenrijk-Hongarije

1895

4,00

Zwitserland

1896

0,48

Overige Europeesche Staten

—

30,00

362,25

II. Buiteneuropeesche

landen.

J a a r.

Millioenen

KG.

Australië (uitvoer)

1896

281,24

Argentinië (uitvoer)

1897

205,57

Vereenigde Staten

1897

117,65

Kaapland en Natal (uitvoer) 1897

37,23

Uruguay (

n

) 1897

51,68

Turkije (

) 1897

11,70

Britsch-Indië (

??

) 1896

- 97 14,04

Algeric, Tunis en Marokko (

J?

) 1897

8,61

Britsch Noord-Amerika (

gt;gt;

) 1897

6,23

Egypte (

) 1897

1,21

Andere landen (

jj

) -

± 35,00

770.16

1132,41

§ 327. Petroleum.

De hoofdproducenten zijn dc Vereenigde Staten en Rusland, waarbij in de laatste jaren u. a. Soematra gekomen is.

In de Vereenigde Staten ligt het hoofdgebied in dc staten Pennsylvanic en Ohio, middelpunt Pittsburg, vanwaar do petroleum door pipe lines (ijzeren buizen) of in ketelwaggons naaide havenplaatsen gebracht wordt; van deze wordt ze in tankschepen naar de landen van verbruik vervoerd. Productie in

ocr page 380
ocr page 381

373

Pennsylvanië gemiddeld 40 a 50, in Ohio ruim igt;0 millioen HL, in de overige staten 1,5 millioen.

Invoerhavens o. a. Bremerhaven, Antwerpen, Hamburg.

In Rusland is het hoofdgebied de omgeving van Bakoe; verzending per spoor naar Batoem en vandaar in tankschepen; voorts in tankschepen naar Zarizijn, vanwaar ze over Rusland verbreid wordt. Productie 6000 millioen KG.

§ 328. Uzer.

LTzerproductie in millioenen KG, 1897.

I. Euro p a.

Groot-Brittanje 8937

Duitschland en Luxemburg 0880

Frankrijk 2472

België 1035

Rusland (met Finland) 1850

Oostenrijk 888

Zweden 538

Hongarije 425

Spanje 147

Italië 12

Turkije, Zwitserl., Noor weg., Portugal, enz. 30

23214

H. Buiten Europa.

Vereenigde Staten van N.-A. 9644

Canada 50

Andere landen 410

10104

33318

§ 329. Steenkoleu.

Kolenp rod notie in millioenen KG., ! 897. I. Europa.

Groot-Brittanje 205364

Duitschland en Luxemburg 120431

Frankrijk 30735

Oostenrijk 30951

ocr page 382

374

België

21535

Rusland

9255

Hongarije

5100

Spanje

2065

Italië

276

Zweden

224

Nederland

150

Portugal, Zwitserland, Griekenland

40

426126

uiten Europa.

Yereenigde Staten van N.-A.

197595

China

3800

K-Z.-Wales

4519

Canada

3516

Britsch-Indië.

4128

Japan

4900

Kieuw-Zeeland en Zuid-Australië

845

Chili

1000

Queensland en Yictoria

604

Zuidafr. republiek

1600

Kaapland (en Katal)

364

Tasmanië

43

Andere streken.

435

223349

649475

§ 329. Edele metalen.

De grootste productie hebben Zuid-Afrika, de Yereenigde staten. Australië, Mejico. Canada, Columbia, Guyana, Britsch Indië, in Europa Rusland, Duitsehland en Oostenrijk-Hongarjje.

Yereenigde Staten.

Kilogrammen.

goud zilver

1891 49.917 1.814.642

1895 70.132 1.733.6G2

1897 86.312 1.675.582

II.

ocr page 383

375

M e j i c o.

Kilogrammen.

goud zilver

1891 1,505 1.084.100

^895 9.028 1.461.008

1897 14.198 1.676.925

Australië.

Kilogrammen.

goud zilver

1891 47.245 311.100

1895 67 406 389.102

1897 83.786 496.252

Z u i d-A frik a.

1891 15.432 KGr goud.

1895 67.301 „

1897 87.732 „

R u s 1 a n d.

Kilogrammen.

goud zilver

1891 36.356 13.864

1895 43.476 12.495

1897 34.977 8.856

Totale productie.

Kilogrammen.

goud. zilver.

1891 196.586 4.267.380

1895 299.072 5.210.942

1897 357.364 5.696.110

ocr page 384

BELLEN.

I. Lengte der spoorwegen (1890).

Europa 257,^03 KM

Azië 45,883 „

Afrika 14,798 „

Amerika 374,742 „

Australië 22,372 „

Totaal 714,998 KM.

T A

11. Lengte der spoorwegen in Europa (1896).

Op 100 KM2 Op 10,000 inw.

KM

KM

KM

Duitschland

47,348

8,7

9,0

Oostennjk-Hongarij e

32,180

4,7

7,1

Groot-Brittanje en Ierland 34,221

10,8

8,4

Frankrijk

41,173

7,6

10,6

Rusland (met Finland)

38,642

0,7

3,6

Italië

15,447

5,3

4,9

België

5,777

19,5

8,9

Nederland

3,129

8,7

6,0

Zwitserland

3,563

8,6

11,7

Spanje

12,282

2,3

6,7

Portugal

2,358

2,5

4,6

Denemarken

2,309

5,8

10,0

Noorwegen

1,938

0,5

9,1

Zweden

9,895

2,1

19,9

ocr page 385

377

Servië 570

1,1

2,4

Roemenië 2,879

1,7

4,7

Griekenland 952

1,4

3,8

Turkije en Boelgarije 3.430

0,8

2,5

Malta, Jersey, Man 110

10.0

3,4

Europa 257,203

2,6

6,7

III. Telegraafl

ijnen (1897).

KM Telegrammen.

België

6,365

9,601,964

Boelgarije en Oost-Roemeliö

5,230

1,348,626

Denemarken

4,811

1,919,041

Duitscliland

141,068

39,760,092

Frankrijk

125,713

43,925,124

Griekenland (1890)

8,191

1,395,591

Groot-Brittanje en Ierland (1 S!)6)

6(J, 140

82,116,679

Italië (1896)

43,376

11,382,116

Luxemburg.

61 '2

135,944

Montenegro (1898)

650

—

Nederland

5,790

4,714,490

Noorwegen

8,807

2,034,614

Oostenrijk

33,893

13,771,084

Hongarije

21,489

7,283,046

Bosnië en Herzegowina

2,840

573,527

Portugal

7,381

1,744,977

Roemenië

6,903

2,336,380

Rusland (met Finland)

135,406

16,318,059

Zweden

8,694

2,275,717

Zwitserland

7,102

3,882,337

Servië

3,950

683,665

Spanje

32,083

5,433,362

Turkije

35,103

3,026,085

Europa

711,597 2

55,662,520

ocr page 386

378

IV. Handelsvloten (1897/98).

Waarvan:

schepen.

stoom-

tonnen.

tonnen.

b oo ten.

Groot-Brittanje en I.

20.228

8.925.000

8.559

0.358.000

doorwegen

7.192

1.566.558

962

351.799

Duitschlaud

3.Ü93

1.555.371

1.171

909.800

Fraiikrijk

15.536

894.071

1.235

503.677

Italië

0.353

765.281

351

237.727

Spanje

1.581

506.455

436

341.951

Zweden

2.769

476.819

750

205.964

Denemarken

3.051

345.583

439

164.075

Griekenland

1.270

326.041

118

87.845

Rusland

2.140

322.022

391

166.593

Turkije

1. i30

299.445

87

46.498

Nederland

612

295.915

171

200.774

Finland

2.008

283.912

218

35.103

Oostcnrijk-Hongarij e

12.447

270.250

233

170.746

België

61

85.427

50

84.510

Portugal

280

77.835

47

35.383

Roemenië

317

73.260

54

7.099

ocr page 387

I N H O U D.

Bladz.

I. Overzicht..............5

L a n d o n w a t e r..........5

DeWerelddeelen.........7

11. Europa...............-1(3

A1g o m o c n c beschouwing......16

Duitschland............igt;2

B e 1 g ' «..............67

Luxemburg............7g

F r a n k r ij k.............79

O o s t e n r jj k - TI 0 n g a r ij e.......09

De Staten van het Balkan-schiereiland -119

Roemenië.............i 24

Servië...............128

Montenegro.............-J30

Boelgarije.............j 30

Turkije............. 133

Griekenland.............^37

Italië...............-14|

Zwitserland............-15g

Het Iberisch schiereiland.....168

Spanje................ 73

Portugal..............-ISS

Denemarken............. flt;i5

Scandinavië................

Noorwegen.............193

Zweden..............-198

Rusland..............204

Grroot-Brittauj e en Ierland . . . .228

ocr page 388

INHOUD.

Afrika .

Z u i cl-A fr i k a.

Azië . .

China.

J a pan.

P e v z i ë Australië Amerika

A. Noord- on Middol-An

B. Zuid-Amerika . •

Britsch Noord-Amerika De Vereonigde staten Verkeer te land en ter zee

A. Overzicht . . .

B. Overzicht dor voornaamste

C. Belangrijkste stoom va artlijnen VIII. De belangrykste haiulelsprodukten.

Tabellen..........

i a n d e 1 s-

Bladz.

. 241 . 253 . 200 . 274 . 284 . 280 . 293 . 305 . 308 . 315 . 320 . 330 . 344 . 344

m.

IV.

v.

Yl.

ika

e

-A.

v a n

VII.

349

354

355 376

ocr page 389
ocr page 390
ocr page 391

I w ■ •'•i

-' -

is'fi

ocr page 392