\ ^.1
MIJNE WATERKUUR
SINDS 30 JAREN TOEGEPAST EN GOED BEVONDEN,
GESCHREVEN
TOT GENEZING DER ZIEKTEN
TOT BEHOUD DER GEZONDHEID
SEBASTIAAN KNEIPP
Vierde Duizendtal.
/
's-GRAVENHAGE.
H. DE VOOGD VAN DER STRAATEN Hzn. 1892.
naar ds 23sl' uitgave uit het Dui'sch vertaald. _- ^ ^ ___,
Ga heen en wasoh u zeven malen in den Jordaan en uw vleesch zal gezond en gij zelf rein worden.
2 Kon. V ; 10.
VOORREDE VAN DEN VERTALER.
Om het voortreffelijk werk van Seba.stiaan Kneipp eenigszins te doen kennen, meen ik niet beter te kunnen doen, dan uit de voorrede van den schriiver de hoofdtrekken over te nemen, welke hij aan zijn handboek liet voorafgaan.
De schrijver is een leek op geneeskundig gebied en deelt in dit boek de vruchten zijner veeljarige ondervinding mede. Hij wil niet te velde trekken tegen de hedendaagsche richting in dé geneeskunde, of een aanval doen op den goeden naam van wie ook, maar hij wil de vakmannen er toe aansporen om de water-geneesmethode ernstig te bestudeeren en in toepassing te brengen.
Zijn werk bevat de resultaten van ernstige overweging en onvermoeiden arbeid. Een iedei', die het zonder vooringenomenheid ter hand neemt, ontwaart als bij intuïtie, dat het heldere, oorspronkelijke ideeën bevat en uit volle overtuiging werd geschreven. Geen zucht tot schreven en geen ijdel winstbejag waren de drijfveeren van hem, die ons in den avond van zijn leven de ervaringen eener meer dan 30-jarige geneeskundige praktijk mededeelt. Neen! de Zeer Eerwaarde schrijver koestert edeler gevoelens: hü werd door edeler gedachten geleid. Zijn boek ademt liefde tot den evennaaste. Liefde in verheven â- in echt Christel ijken zin. Met de grootste zelfverloochening strekt hü die liefde uit tot een ieder, die in lijden is.
âDe zieke zoekt genezing daar, waar hij ze vinden kan; het is hem totaal onverschillig of hij door een medicijnflesch, dan wel door een gieter water wordt genezen !quot; Deze woorden des schrijvers zijn maar al te waar. Zij verklaren zonneklaar het feit, dat de menschen in steeds grooter scharen naar Wörishofen stroomen In den zomer van het vorige jaar waren pl. m. 25000 zieken onder behandeling van den pastoor; het arme dorp had geen plaats meer om alle bezoekers te herbergen. Er waren menschen uit Chicago, Chili, Brazilië, Perzië, Afrika en uit bijna alle landen van Europa, tot zelfs uit Finland.
Het meerendeel dier zieken vond genezing en allen kunnen met mij getuigen, dat de pastoor niet vraagt naar geld, naar ge oof, naar rang of stand, maar dat zijn leven is gewijd aan de verzorging en verpleging van de Ujdende menschheid in uitge-strekten zin.
Dat het werk van den Zeer Eerwaarden Heer Kneipp bij uitstek geschikt is om als gids en raadsman in alle huisgezinnen te worden toegelaten, is door bevoegde beoordeelaars binnen- en buitenlands erkend en kan ook eenigermate blijken uit de gunstige opname, die het werk heeft ondervonden, welke binnen weinige jaren verschillende herdrukken noodig heeft gemaakt.
Het is eenvoudig en duidelijk, in den onderhoudenden volkstoon geschreven in de eerste plaats voor hen, die arm en verlaten, en soms ver van alle geneeskundige hulp ten plattelande leven.
voorrede van den vertaler.
De lste uitgave verscheen in 1887 en nu (3 7» jaar later) is reeds de 283te uitgave ter perse. De eerste vijf drukken waren van 6000 en de volgende van 10000 exemplaren. Er zijn meer dan 250000 Duitsche exemplaren over de wereld verspreid.
Welk hygiënisch werk kan zich beroemen op aulk een algemeene verspreiding?
Het is bovendien geen geringe aanbeveling, dat dit handboek reeds in verschillende talen verkrijgbaar is. De Poolsche, Fransche, Hongaarsche en Boheemsche vertaling is reeds verschenen. De Poolsche beleeft al een 2en druk; de Fransche een 6⢠druk. De Croatische, Engelsche en Italiaansche vertalingen zyn in bewerking.
De watergeneesmethode van pastoor kneipp is reeds door pl. m. 120 geneesheeren bestudeerd en overgenomen, terwijl er 50 filialen van Wörishofen bestaan.
Eenige etablissementen, geheel naar de methode des schrijvers ingericht, laat ik hier volgen:
München: Dr. Walther List, prakt. Arzt. Specialarzt für Kneipp'sche Kuren und Naturheilverfahren, Klenzestrasse 73; Neu- Wörishofen, Erste Volksbadeanstalt nach Pfarrer Kneipp, begründet vom Naturheilverein München, A. V.
Rosenheim: Kaiserbad, geleitet von Dr. Bernhuber, (Bahnlinie
MünchenSalzburg).
Schovqau: Johannisbad, geleitet von Dr. Walser.
Mindelheim: Mayenbad des Herrn Ad. Boneberger.
Traumtein; Dr Wolff's Kurbad.
Baden-Baden: Director A. Malten.
Immenstadt: Dr. Uchereck, Kuranstalt.
Biberach a. Pass.: Jordansbad, geleitet von Dr. Stützle.
â â Wasserheilanstalt, geleitet von Dr. Schlichte.
Stuttgart: Sanitatsrath Dr. Bilfinger; praktischer Arzt Dr. Stemmer. Riesenhof bei Linz: Dr. Winternitz.
Hals bei Passau: Dr. Thiermann.
Beitshöchheim bei Würsburg: Dr. Loser.
Walchwyl am Zuger-See: Dr. Hediger.
Grand Hotel et pension Bellevue au lac Zurich: F. A Pohl. Betzdorf a. d. Sieg: Dr. Euteneuer.
Sommerstein bei Saalfeld: Kurbad.
TyeewfiM; Dr. Ludwig König.
Sigmaringen (Hohenzollern): Bad Donauthal, geleitet von Dr. Sie-benrcck.
St. Achatz in Wasserburg a. Inn: Heilanstalt, geleitet von Dr. Glotz.
Mariabrunn bei Dachau: Dr. Thiermann.
Aisterheim: Dr. Otto Ebenhecht, Luftcurort.
Chemnitz: Von Zimmerman'sche Naturheilanstalt, Dr. Disqué.
Freiburg im Breissgau: Dr. Edinger.
Heiligbron bei Horb a. N.; Kuranstalt.
Niederthalheim in Ober-Oesterreich: Luftcurort, Friederich Knöpl,
Arzt, Bahnstation Breitenschützing.
Wörishofen: Dr. Tacke. Verder Türkheim (5 Kilometer van Wörishofen) Berlijn, Krefeld (?) enz.
iv
een woord voor den tweeden druk.
Mocht ik door de vertaling van het boek, dat ik hiermede by den Nederlandschen lezer inleid, iets bijdragen om de gezonde denkbeelden van den pastoor ook in ons vaderland te verspreiden en meer ingang te doen vinden, dan zou ik den tijd aan de voltooiing van dit werk gewijd, zoo wel mogeliik besteed achten. 's-Gravenhage, Jan. 1891.
Een dankbare Kurgast.
EEN WOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Toen ik eenige maanden geleden de Nederlandsche vertaling van âMijne Waterkuurquot; voltooide, had ik niet durven hopen, dat zoo spoedig myne medewerking tot den tweeden druk zou worden gevraagd. Die aanvrage van den uitgever was mij zeer aangenaam, omdat ik daaruit mocht opmaken, dat het werk van pastoor Kneipp ook hier te lande by velen waardeering en btival vond en ook, omdat ik mij verheugen mocht, niet vruchteloos daaraan te hebben gewerkt.
Veel is er bü dezen herdruk niet veranderd; ik heb bü het overlezen hier eu daar enkele onjuistheden verbeterd en ook vele misstellingen doorgehaald.
Dat men het niet aan ongunstige recensiën en afbrekende critiek heeft laten ontbreken, zóó zelfs, dat men de goegemeente vermeende te moeten waarschuwen tegen âden nieuwen waterapostelquot;, âwonderdokterquot;, âkwakzalverquot;, enz., om niet het slachtolTer te worden eener beharidelmg-âpaardekuurquot; genoemd, zal niemand verwonderen.
In de voorrede van een zijner werken zegt pastoor Kneipp het volgende: âTk vrees geen kwaadwillige critiek; ja, ik merk ze zelfs niet op, al ware zij nog zoozeer met den mantel der zoogenaamde wetenschap omhuld. Werpt men mij voor de voeten, dat ik de aangewezen persoon niet ben om de menschen te genezen, dan antwoord ik daarop: de Samaritaan was ook geen dokter van beroep en genas toch hem, die in roovershanden gevallen en door hen half dood geslagen was. Wat gaf hü er om, of zijne landslieden hem laken zouden, wegens zijne barmhartige liefde... De soldaten hebben het kruit ook niet uitgevonden en schieten er toch lustig op losquot;!
Dat iemand, die meent als vertegenwoordiger en redder der wetenschap te moeten optreden, Wörishofcn met den naam van âDuitsch Lourdesquot; betitelt en daardoor eiken niet Katholiek hoopt af te schrikken, laat ik gaarne ter beoordeeling over. Het was echter onnoodig, aangezien er in ons land reeds vele andersge-zinden worden aangetroffen, die zich zeiven overtuigd hebben, dat de godsdienst niets met deze waterkuur te maken heeft.
Men lacht om den leek, die zich op het gebied der geneeskunde durft wagen en als leeraar der gezondheidswetenschap optreedt. Men lacht om den pastoor en zijn gieter, evenals men zich in den loop der tijden over zoo menig groot man heeft vroolyk gemaakt.
v
ken woord voor den tweeden druk.
Men twijfelt, aan de goede bedoelingen van hem, die zich gedurende een lange reeks van jaren in alle stilte en eenvoud aan de behandeling der lijdende menschheid heeft gewijd. Spot en verdachtmaking werken echter niets uit. Het wordt ondoenlijk en ongerijmd om de verklaringen in twyfel te trekken van hen, die door den pastoor behandeld en genezen werden.
Tal van geneesheeren namen te Wörishofen daadzaken waar, en . . â feiten redeneert men niet weg â temeer, daar die feiten hoe langer hoe menigvuldiger worden-
De waarheid breekt zich baan en vervolgt ongestoord haar weg, hetzij de wetenschap haar erkent of niet.
Inmiddels is inDuitschland deBO8'1quot; uitgave van âmijne Waterkuurquot; verschenen, terwyl er eenige honderden geneesheeren zyn, die de methode Kneipp hebben bestudeerd en overgenomen {zie Kneipp-blatter no. 9).
Hen, die belangstellen in deze nieuwe geneeswijze, raad Ik aan de navolgende geschriften in te zien;
a. La santé pour tons, sans frats.
Séb. Kneipp. Son nouveau ' Traitement par l'eau froide et par l'Hygiène naturelle.
Considérations scientiflques sur lesquelles repose ce traitement ou essai de mécanique physiologique en rapport avec le sang, sa circulation el son état dynamique soumis a Taction de l'eau froide et d'applications diverses chaudes et froides par A. Sandoz,
⢠Ingénieur, Paris.
b. De âKneipp-Blatterquot;. Organ des Kneipp-Vereins. Beide verkrijgbaar by den uitgever dezes.
In de âKneipp-Blatterquot; wordt de geneesmethode van pastoor Kneipp door tal van geneesheeren op wetenschappelijke gronden verdedigd.
Behalve de reeds bestaande Kneipp-Anstalten zijn er na Januari 1891 de navolgende bijgekomen:
Dutznang bei Wyl (Schweiz): Dr. Kriihenmann.
Bonstetten zu Albisrieden: Dr. med. Egli.
Bischofssell (Schweiz): Dr. Winterhalter.
Binnenberg (Baselland, Schweiz): Dr. Welti.
Schauburg ( idem ); idem.
Lauterbach ( Württemberg): Dr. Stemmer.
Schlosse Gundelsheim (Württemberg): Dr. Katz.
Schopfheim iind Sackingen (Baden): Dr. Wern, Oberamtsphysikus
und Kgl. Sanltatsrat.
Würzburg: Dr. Strauch.
Rosenheim: Dr. Kastl.
Seligenstadt (Hessen): Dr. Kleeblatt.
llmenau (Thüringen): Dr. Hassensteins Sanatorium. Kaiser-Friedrich-Bad, Bonn, Rosenthal 22: Dr. H. Meyer. Erlenbad, Bahnstation Achern (Baden): Kaiser, pract. Arzt. Weinheim a. d. Bergstr. (Baden) âPfalzer Hofquot;: Dr. Karillon. Marien-bad zu Röhndorf (Rhein), Kuranstalt am Fusse des Drachen-felsens: Dr. med. Schmitz.
vi
VOOHREDE VOOR DliN DERDi.N DRUK.
Nürnberg âOttobad ': Kneipp Vereine.
Henndorf bei Salzburg : Kneipp-Klub.
Pension, Mon séjour, Küssnacht am Vierwaldslüttersee: Dr. med. Aufdermauer.
Mariabrimn (3/i Stunden von Röhrmoos. Bahnlinie, München-Ingolstadt) : Dr. List aus München en Dr. Kuisl von Schönbrunn. Bonaueschingen: Dr. G-utmann.
Kaufbeuren im Allgau: Otnnibns-Verbindung mit Wörishofen. Stahlbad Imnau in Hohenzollern: Dr. Wern, Sanitittsrat. Sackingen a. Rh.: prakt. Arzt. Knoderer.
Baden-Baden: Kneipp'sche Beliandlung von Nerven- und inneren
Krankheiten: Dr. Hirschfeld.
Kneipp-Bad Kochelsee in Kochel: Dr. med. J. Benecke.
Bade-An stalt: Stadt Sedan, München, Augustenstrasse 54. Wasser-Heil-Anstalt Thannhausen a. d. Mindel (Begeren). Bad Bronn, Restenholz (Elzas): Dr. Med. Kleinschrod.
Moge ook voor dezen tweeden druk eene welwillende ontvangst zijn weggelegd, moge men toegeeflijk zijn voor ingeslopen feilen en denken aan tiet Latynsche spreekwoord: Ut desint vires tarnen est laudanda voluntas.
Voorts mijnen dank aan degenen, die mij hunne belangstellende aan- en opmerkingen hebben ten beste gegeven.
's-Gravenhage, 15 Aug. 1891.
Een dankbare Kuegast.
VOORREDE VOOR DEN DERDEN DRUK.
Het is mij een waar genoegen in de voorrede van deze 3c uitgave te kunnen mededeelen, dat er in het begin van het volgende jaar te Kleef een âWasserheilanstaltquot; zal worden opgericht, geheel naar het systeem van pastoor Kneipp.
Dr. Bergmann. baddokter te Wörishofen, nam het initiatief daartoe.
Ongetwijfeld zal deze tping zoowel hier te lande als in België, met vreugde worden begroet. Dr. Bergmann is ruim twee jaren onder pastoor Kneipp werkzaam en volkoir.on berekend voor zfln taak; als een âtüchtiger Kneipparztquot; volgt hy de nieuwe watergeneesmethode in haren geheelen omvang en bovendien is hij voor velen onzer, die te Wörishofen waren, geen vreemdeling meer. Immers van zijne kunde en humaniteit zagen wij meermalen de bewijzen.
Wy twijfelen niet, of deze âHeilanstaltquot; zal velen, voor wie het gaan naar Wörishofen te moeilijk of onmogelijk is, ten goede komen; terwijl het vriendelijke Kleef, bekend om zijn schoone omstreken, tevens een aangenaam verblijf aanbiedt.
Nadat de 2« uitgave van âMijne Waterkuurquot; het licht zag, zijn er nog de navolgende Kur- en Badeanstalten âsysteem Kneippquot; tot stand gekomen:
VII
voorreuü voor hen derden druk.
Agram CKroalien): Dr. J. Lobmayer.
Elberfeld: Dr. Götte.
Mordabaur (Nassau): Dr. Düttmann.
Niederwalluf im Rhewgau: Dr. Loh.
St. Pölten (Nieder-Oesterreich): Dr. Senefelder.
Schönthal, bei Neustadt a d. Hardt: Dr. Hasen.
Straatsburg: Dr. J. Kaiser.
Thurbad, Kant, Thurgau (Schweiz): Winterhalter, prakt. Arzt.
Andelsbuch im Bregrenzer Wald: Dr. König.
Boll im Badischen Schwarzwald.
Braunfels an der Lahn : Badmeister Schunk.
Detroit (Michigan, Hord-Amerika).
Gallspach (Ober-Oesterreich); Zadny. prakt. Arzt.
Graz (Stelermark): Dr. Grossbauer.
Reiligenbronn ( WürHemberg).
Hohenwies (Ober bay erv).
Neuhaus bei Greirberg (Ober Oesterreich): Dr. Winter.
Prag (Böhmen).
J'algarn a. d. Donau.
Schwannenstadt (Ober-Oesterreich): Puchner, prakt. Arzt. Walkenslein im Waldviertel (N.-Oesterreich): Dr. Wetchy. Windhag (Ober-Oesterreich): D. A. Sigm. Lehr, prakt. Arzt. Aistersheim (Ober-Oesterreich): Dir. Arzt Ebenhecht.
Brixcn (Tirol): Dr. O. v. Guggenberg.
Kasseier Kurbadeanslalt (Kassei).
Elspe (Lennethal, Arnsberg): Dr. Parnemann.
Geyer (im Erzgebirge).
Grünsthal (Kobarg).
Lippspringe bei Paderborn : Dr. Dierkes.
Memmingen (Schwaben).
Neustadt- Waiblingen ('bei Stuttgart).
Planegg (Bayern) : Dr. Kugler.
PJlossdorf a. M. bei Lohr: Dr. Loser.
Stein (Kram, Oesterreich): Dr. Kupferschmid.
Stans bei Schwatz (Tirol).
Westheim bei Augsburg.
Wiesbaden: Dr. Lustig.
Bonn (Hohenzollerv): Dr. Wilkes.
Krefeld: Dr. Scbmitz.
Rimnau Südböhinen; Dr. Wieser.
Schachen bei Lindan.
Beyharting bei Aibting (Bayern): Dr. Bordermayer.
Kytlburg (Eifel) : Dr. N eu.
Mergeniheim (Karlsbad). Württemberg: Dr. Herschel.
Neuhaus (Schloss): Dr. Thiermann.
Trier: Dr. D. A. Neu.
Erste Wiener Heilanstalt Brünnebad: Dr. Schmid. Naturheilanstalt Wittelsbach in Deggendorf: Dr. Lüst.
Gleve: Dr. Bergraann.
's-Gravenhage, 5 November 1891.
Een dankbare Kuegasï.
vu i
Wenken voor hen, die naar Wörishofen wensehen te gaan.
Reisroute: 's-Gravenhage, Keulen. Mainz, Stuttgart, ülm, Metr-mingen en Türkheim.
Z\i, die een slaapwagen verlangen, moeten de reis nemen als volgt; 's-Gravenhage. Keulen, Mainz, Würzburg, München, Buchloe en Türklieim. Te Keulen neemt men plaats in den slaapwagen (10 Mark extra).
\ an Türkheim naar Wörishofen (ó Kilometer) neemt men den âPostomnibusquot; (60 Pfg), der âTürkheimer Stel!wagenquot; (1 Mark) of âPrivatfuhrwerkquot; (2 Mark).
Voor den âPostomnibusquot; neemt men een kaartje aan het stations-loket.
Wanneer men laat in den namiddag te Türkheim aankomt, is het beter niet naar Wörishofen te gaan, maar in Türkheim te overnachten in het logement âDie Kronequot;.
Logies: Bij aankomst te Wörishofen wgst âder offlzielle Quartier-macherquot; de huizen aan, waar nog logies te krijgen is. Dit kost niets dan een fooi.
Bij de inwoners betaalt men voor een kamer met 1 bed 1 a 2 Mark; voor een kamer met 2 bedden wordt 2 a 4 Mark betaald. De hotels zyn duurder.
Voor zware zieken en voor zenuwachtige personen is het niet raadzaam om kamers te nemen in de nabijheid van de kerk of van het klooster; het klokkengelui, dat reeds om 4 uur in den morgen aanvangt, kan vaak hinderlijk zijn. In de dorpsstraat heeft men veel last van liet aanhoudend klappen met de zweep.
Spreekuren: Een ieder, die pastoor Kneipp in de spreekuren wil bezoeken, vervoege zich aan het bureau (huisnummer 33), om een toegangsbewijs te halen. De pastoor houdt 2 maal per
WEKKKN.
dag spreekuur âin seinem Neubau, dem sogenannten Cur-hausequot;; 's morgens van 8 â 11 en 's namiddags van 1â3 uur.
Baddokter: Dr. Tacke woont in hnisnommer r/s.
Baden: De baden kosten van 15 tot 25 Pfg. â voor een extra, handdoek betaalt meri 10 Pfg. Aan de âBeekquot; bestaan er verscheidene houten gebouwen voor halt'baden a 5 Pfg.
Apotheek te Türkheim: Voor eenvoudige knüden en medicamenten vervoege men zich in het klooster.
Post- en Telegraafkantoor; Huisnummer 150. Men heeft ook een brievenbus tegenover den ingang der Kloosterkerk
Een telegram naar Nederland kost voor ieder woord 10 pfenning.
Hotels: Sonne, eenvoudig middageten, 60 Pfg.
Rössle, id. id. 75 Pfg.
Adler, id. id. 80 Pfg.
Men kan in deze hotels a la carte eten.
1'estauratie:
De nieuwe Restauratie âPrins Luitpoldquot; is gelegen bij den Mariagang. Een nieuw hotel (Urban) is geopend bi] den ingang van het dorp.
Mee te nemen: 2 beddelakens, 1 of 2 wollen dekens naarmate het seizoen, 1 badcostuum of zwembroek en 1 kleine lantaarn. Dit alles kan men ook in Wörishofen koopen.
Men verzuime vooral niet om 2 beddelakens mee te brengen, want in Wörishofen krijgt men die als dek niet; onplezierig is het en gevaarlijk zich in wollen dekens te wikkelen, waarin, andere gasten geslapen hebben.
2
VOORREDE.
Als priester gaat mij bovenal het welzijn van 's menschen onsterfelijke ziel ter harte. Daarvoor leef ik. daarvoor wil ik sterven. Nochtans heb ik in de laatste veertig jaren ook veel tijd en zorgen aan zijn sterfelijk lichaam gewijd. Gezocht heb ik dezen arbeid niet, integendeel de komst van eiken zieke was mij (natuurlijkerwijze gesproken) een last. Slechts een blik gericht op Hem, die van den Hemel is neergedaald om de ziekten van elk onzer te genezen en de gedachte aan de belofte: âZalig zijn de Barmhartigen. want zij zullen Barmhartigheid verwervenquot;'; âde minste teug water zal niet onbeloond blijvenquot; (Matth. V : 7; Marc. IX : -40) waren iu staat mij weerstand te doen bieden aan de verleidende gedachte om een ieder zonder aanzien des persoons af te wijzen.
Deze bekoring was niet gemakkelijk te overwinnen, want wat was mijn loon? ti-een gewin, maar onberekenbaar tijdverlies; geene eer, maar eerroof en verdachtmaking; geen dank, maar vaak grove ondank, spot en hoon. Dat was voor mij een bewijs, dat ik goed handelde en het heeft mij nooit berouwd.
Dat ik echter na zulke ervaringen te hebben opgedaan, weinig lust tot schrijven gevoelde, begrijpt een ieder, te meer daar ik gebukt ga onder het gewicht der jaren en zoowel het lichaam als de geest naar rust haken.
Slechts het aanhoudend en onstuimig aandringen mijner vrienden, die het een zonde tegen de naastenliefde noemden, wanneer eens de vruchten mijner ondervinding met mijn lichaam zouden ten grave dalen, zoo ook de talrijke verzoekschriften van herstelden en vooral de smeekbeden van arme verlaten zieken ten plattelande, deden mij besluiten om de pen in mijne reeds bevende hand te nemen.
Ik heb ten allen tijde mijne aandacht en zorgen gewijd aan de verpleging dier arme zieken, die eenzaam en verlaten op het platteland leven. Aan hen is in de eerste plaats dit
4
boekje gewijd. Opzettelijk heb ik daarom een taal gebezigd, eenvoudig en duidelijk, overeenkomstig hun begrip; ik vermeed alle geleerde woordenpraal en gebruikte den gewonen spreektrant, omdat ik geen uitgedroogd, dor geraamte wilde voortbrengen. Ter wille van het goede doel en de liefdadige bestemming zal men wel het een of ander langdradig verhaal of de vele herhalingen over het hoofd willen zien.
Niets lag minder in mijne bedoeling, dan te velde te trekken tegen de hedendaagscho richting in de geneeskunde, of een aanval te doen op den goeden naam van wie ook.
Ik weet zeer goed, dat het slechts een vakman past om dergelijke onthullingen te doen; ik ben echter overtuigd, dat de mannen der wetenschap dankbaar zullen zijn, dat nu ook eens een leek de vruchten zijner veeljarige ondervinding meedeelt. Ik kan rede verstaan, zal dankbaar eiken goeden raad aannemen en rekening houden met vriendschappelijke opmerkingen van een oprechten tegenpartij der. Ik wil echter liever voor een âknoeier en kwakzalverquot; doorgaan, dan mij te bekommeren om oppervlakkige kritiek of vitterij, welke overigens voor niemand moeilijk is.
Ik heb zelfs niets vuriger gewenscht, dan dat een man van beroep, een geneesheer, mij dezen zwaren last en druk-kenden arbeid van de schouders nam en het is mijn innigste wensch, dat eindelijk de vakmannen er toe mochten overgaan om de watergeneesmethode ernstig te bestudeeren en in toepassing te brengen.
Mochten zij mijn leekenarbeid als een mijlpaal op den rechten weg beschouwen! Ik wil hun tevens zonder overdrijving de verzekering geven, dat, ondanks mijn ruw en barsch optreden, het grootste gebouw onvoldoende zou geweest zijn om alle zieken en lijdenden op te nemen, die bij duizenden en tienduizenden geteld worden. Ik zoude nu reeds rijk, zeer rijk kunnen zijn, bijaldien ik slechts een klein gedeelte had aangenomen van het honorarium, dat mij voor mijne moeiten werd aangeboden.
Tal van patiënten kwam me zeggen: âIk geef 100, 200 Mark als ge mij gezond maakt!quot; De zieke zoekt genezing, waar hij ze vinden kan en hij betaalt gaarne dengene, die hem geneest â het is hem onverschillig of hij door een medicijnflesch, of door een waterkan genezen wordt.
Beroemde geneesheeren hebben met moed en goed gevolg de watergeneesmethode toegepast; maar hunne wenken en ervaringen gingen met hen ten grave. Mocht eindelijk na het morgenrood een lange, blijde dag gloren!
Ik aanvaard de verantwoordelijkheid voor iederen naam.
welken ik opgeef of aanduid, en zal niet aarzelen om dien op verzoek te openbaren. Vele misschien al te harde uitdrukkingen mag men aan mijne onvriendelijke en strenge inborst toeschrijven. Ik ben oud geworden met die gemoedsgesteldheid en op mijn leeftijd valt het zwaar die te verloochenen of daarvan af te wijken.
Mocht Gods zegen mijn boekje vergezellen op zijn wandeltocht !
En als eens mijne watervrienden vernemen, dat ik naaide eeuwigheid ben heengegaan, mogen zij mij dan den liefdedienst bewijzen van mij het âOnze Vaderquot; 'als afkoelenden straal na te zenden naar het Vagevuur, waar de Groote Geneesheer heelt en zuivert voor het Eeuwig leven.
Worishofen, 1 October 1886.
Sebastiaan Kneipp.
INLEIDING.
Men zal nimmer een absoluut volmaakte gelijkenis vinden tusschen twee bladeren van denzelfden boom en nog veel minder zal men die gelijkenis aantreffen in het leven van twee menschen. Als een ieder zijne lotgevallen kon beschrijven, zouden er zooveel levensbeelden als menschen zijn. Onze paden kruisen en snijden elkaar in alle richtingen â een niet te ontwarren kluwen gelijk, welks draden zonder plan en orde zijn op elkaar gewonden. Zoo schijnt het vaak, maar inderdaad is het zoo niet.
De fakkel des Geloofs werpt een lichtenden straal in het verwarde duister en laat ons zien: dat al deze dooreengeslin-gcrde wegen eenc vaste 'bestemming hebben; dat zij alle voeren tot één doel, door den Alwijzen Schepper te voren bepaald en aangewezen.
Wonderbaar zijn de wegen der Voorzienigheid!
Wanneer ik op mijne afgelegde levensjaren terugblik en mijn slingerend levenspad overschouw, dan ontwaar ik, dat het nu en dan schijnbaar langs den rand van een afgrond leidt, maar ten laatste boven alle verwachting uitloopt op de zonnige hoogte van het H. priesterschap En alle reden heb ik om de liefderijke en wijze Voorzienigheid te loven, te meer wijl datzelfde ' pad, naar menschelijke berekening zoo gevaarlijk en ten afgrond leidend, mij en ontelbare anderen tot eene niemoe levensbron heeft gevoerd.
Ik was ruim 21 jaren oud, toen ik met mijn reispas in den zak mijne geboorteplaats verliet. Hierin stond ik als een wever opgeteekend, maar in mijn hart was sinds mijne kindsche jaren een schoonere naam gegrift. Met nameloos wee en smartelijk verlangen naar verwezenlijking van mijn ideaal, verbeidde ik lange, lange jaren dit uur van vertrek. Priester wilde ik worden. Ik vertrok dan, niet om, zooals men hoopte en wenschte, in het weversscheepje verder te roeien, maar om rond te dwalen van de eene plaatsnaar de andere, zoekend of
-wellicht iemand mij in de studie behulpzaam wilde zijn Eindelijk, daar trok de toenmalige kapelaan van Groenen bach, prelaat Matthias Merkle Zaliger (t 1881) zich mijner aan, gaf mij twee jaren lang privaat onderwijs en bereidde mij met zoo'n onvermoeider! ijver voor, dat ik reeds twee jaren daarna in het gymnasium kon worden opgenomen. Ik verrichtte daar den geestesarbeid met zeer veel moeite en zonder hoop op goeden uitslag. Na vijf jaren van ontbering en inspanning was ik naar geest en lichaam op.
Eens haalde vader mij af uit de stad en nog klinkt mij in de ooren liet woord van den herbergier, bij wienwij aanlegden: âWever, Wever!quot; zeide hij, âhet is de laatste keer, dat gij den student afhaalt.quot; De kastelein was de eenige niet. Velen deelden met hem dezelfde meening. Een destijds beroemd militair arts â oprecht menschenvriend en grootmoedig helper van arme zieken â bezocht mij 90 malen in het voorlaatste jaar van mijn studietijd en in liet laatste jaar meer dan 100 malen. Hij zou mij zoo gaarne geholpen hebben, maar zijne geneeskundige kennis en zijne steeds opofferende naastenliefde vermochten niets tegen mijne kwijnende ziekte.
Ik had zelf al lang de iioop opgegeven en zag met stille onderwerping mijn einde te gemoet.
Om afleiding te hebben, bladerde ik gaarne in boeken.
Het toeval (ik maak gebruik van een woord, dat veel voorkomt, maar niets zegt â want er bestaat geen toeval) speelde mij eene onoogelijke brochure in handen; ik opende die en bemerkte dat zij over de watergeneesmethode handelde. Ik doorliep het boek in alle richtingen; ik vond er ongeloofelijke dingen in. Ten laatste rees bij mij de gedachte op: âZou mijn eigen toestand er niet in staanquot;? ik bladerde verder, en .... jawel, ik vond er mijn eigen toestand tot op een haar weergegeven. Welk een vreugde, welk een troost!
Hoewel afgemat naar lichaam en geest, werd ik met nieuwe hoop bezield.
Dat boekje was aanvankelijk de stroohalm, waaraan ik mij vastklampte en korten tijd daarna werd het de stok, waarop een zieke leunt; thans is het voor mij de reddingsboot, welke eene barmhartige Voorzienigheid mij ter rechter tijd, toen de nood het hoogst gestegen was, toezond.
Het boekje, dat over de heilzame uitwerking van het versche water handelde, was door een geneesheer geschreven; de aanwendingen zelve waren voor het meerendeel ruw en streng. Ik nam er de proef van â 3 maanden, 6 maanden; ik bespeurde geen vooruitgang; maar nadeel ondervond ik er ook niet van. Dit gaf moed. Toen kwam de winter van 1849;
8
ik bevond mij opnieuw te Dillingen, 2 a 3 maal in de week zocht ik een eenzame plek op om eenigc oogenblikken in de Donau te baden. Ik haastte mij om er te komen en spoedde mij nog meer om te huis in de warme kamer terug te zijn. Deze koude baden waren mij niet schadelijk; maar ik.dacht toch ook niet, dat ze nuttig waren. In 1850 trad ik in het Georgianum te München en maakte daar kennis met een armen student, nog zieker dan ik; de geneesheer van het gesticht schreef hem geen lang leven meer toe en op grond van dien weigerde hii eene gezondheidsverklaring af te geven, hetgeen voor zijne wijding noodzakelijk was. Van af dien tijd had ik een collega; ik deelde hem mijn geheim mede en wij wedijverden om het hardst, in 't nemen van baden. Weldra verkreeg mijn vriend het lang begeerde certificaat en.... hij leeft nog. Wat mij betreft, ik voelde mij alle dagen aansterken ; ik werd priester en beoefen reeds 36 jaren deze heilige bediening. Mijne vrienden, die mij ongetwijfeld willen vleien, zeggen, dat zij in mij, op mijn 68stc jaar, nog steeds dezelfde stemkracht en lichaamssterkte bewonderen als vroeger. Het water is steeds een trouw vriend van mij geweest; niemand zal het mij kwalijk nemen, dat ik er wederkeerig vriendschap voor gevoel.
Hij, die zelf in de ellende verkeerd heeft, weet het ongeluk zijns naasten op prijs te stellen.
Alle zieken zijn niet even ongelukkig. Die geld en middelen ter genezing bezitten, zijn in eene ziekte van korteren duur licht tevreden. Zulke zieken wees ik in de eerste jaren bij honderden en duizenden zelf af en liet ze afwijzen. Hij vooral behoeft ons medelijden, die, arm en verlaten, door de dokters is opgegeven en bij geneesmiddelen geen baat meer vindt. Een groot aantal dezer tel ik onder mijne vrienden, want hen heb ik nooit verstoeten. Hard, gewetenloos en ondankbaar zou het mij voorgekomen zijn, om zulke veriatenen de deur te wijzen en de heilbron te sluiten, waaruit ik voorheen zelf heil en redding in den nood heb geput. Het getal der lijdenden en de nog grootere verscheidenheid van hunne kwalen spoorden mij aan mijne ervaring omtrent de geneeskracht van het water te verrijken en de watergeneesmethode te volmaken.
Mijn eerste raadsman â het opgenoemde boekje â ben ik voor zijn elementair onderricht van harte dankbaar; doch reeds spoedig ontwaarde ik, dat vele aanwendingen te ruw voor de menschelijke natuur, te gewelddadig, te afschrikkend waren. âPaardenkuurquot; noemde men gewoonlijk de waterkuur en tegenwoordig nog vinden lieden, die bespotten wat ze niet
9
kennen, er steeds genoegen in, met alles, wat naar waterkuur zweemt, kortweg als zwendelarij en knoeierij te doodverven.
Gaarne geef ik toe, dat aanvankelijk de watergeneesmethode, onontwikkeld als ze was, vele aanwendingen en oefeningen voorschreef, die veeleer voor een sterk gespierd en sterkbeenig ros geschikt waren, dan voor een menschengeraamte met teeder vleesch en zwakke spieren omkleed.
In het leven van den beroemden pater de Ravignan S. J. komt de volgende passage voor: âzijn kwaalâ een keelziekte-werd door inspanning (de pater was een beroemd prediker, die in Parijs, Londen en andere groote steden met aposto-lischen ijver zijne bediening vervulde) verergerd en ging weldra in een chronisch lijden over; de luchtpijp was slechts één wonde, zijn stem was gedempt, zijn orgaan machteloos. Twee volle jaren (1846 â1848) gingen aldus in smartelijk nietsdoen voorbij. Alles wat hij beproefde, kuren op verschillende plaatsen, de zachte zuiderlucht, niets mocht baten. In Juni van het jaar 1848 verbleef pater de Ravignan op het landgoed van dokter K. R.... in het dal te B. Op zekeren morgen kondigde de dokter, op het oogenblik dat alle huisgenooten zich aan het ontbijt vereenigden, met bezorgdheid op het gelaat aan, dat pater de Ravignan zich zieker gevoelde en niet aan het ontbijt zou komen. Hierop verdween hij, spoedde zich naar den kranke en sprak: âSta op en volg mij!quot; â âDoch waar wilt ge mij heenvoerenquot;? â âIk wil u in het water werpenquot;! â âIn 't waterquot;, hernam de pater, âen dat met zulk een koorts, en met zulk een hoesten! Maar komaan, ik ben in uwe handen en moet u gehoorzamen.quot; â Het betrof een zoogenaamd stortbad â een weldadig, maar geweldig middelâgelijk de levensbeschrijver zegt. De uitwerking bleef niet uit; reeds bij het middageten bracht de dokter zijn patiënt, in goeden welstand mee en hij die 's morgens nog stom was, verhaalde 's avonds de geschiedenis zijner genezingquot;____
Dit noem ik ook zoo'n soort paardenkuur, die ik, niettegenstaande het goede gevolg, waarmede zij bekroond werd, noch navolg, noch ter navolging aanbevelen zal.
Hier wil ik als mijne vaste overtuiging meedeelen: dat ik niet alle aanwendingen goedkeur door waterkuurartsen voorgeschreven. en sommige zelfs beslist afkeur. Deze schijnen mij veel te ruw en â men vergeve mij de uitdrukking â veel te eenzijdig. Te veel wordt over één kam geschoren, en naar mijne meening wordt er te weinig rekening gehouden met de verscheidenheid en de meer of mindere hevigheid der ziekten, met de meer of mindere zwakheid der lijders en
2
10
met de meer of mindere verwoesting, welke de ziekte in het lichaam reeds heeft aangericht enz.....Juist in de verscheidenheid der aanwendingen en in de kunst om naar behoefte op elk individu dezelfde aanwending op verschillende wijzen toe te passen, daarin openbaart zich de meester.
Uit verschillende inrichtingen kwamen kranken tot mij, die bitter klagend zeiden: âHet is niet om uit te houden; ik ben totaal uitgeputquot;! Dit moet en mag niet zoo zijn.
Eens kwam een gezond man tot mij, die beweerde, dat hij zijn gestel door het wasschen in den vroegen morgen ondermijnd had. â âHoe hebt ge het dan aangelegdquot;? vroeg ik hem. â âIk hebquot;, zoo luidde het antwoord, âeen kwartier lang mijn hoofd onder een ijskouden straal van een waterpomp gehoudenquot;. Geen wonder als zulk een roekelooze op deze wijze te gronde gaat! Wij spotten en lachen met zulk een dwaze, onverstandige methode en toch, hoe velen, bij wie men veronderstellen moest, dat zij verstandig handelen zouden, hebben even dwaas, ja, nog dwazer gehandeld en daardoor den patiënten voor altijd een onoverwinbaren afkeer van het water ingeboezemd. Met talrijke voorbeelden kan ik mijne bewering staven.
Ik waarschuw voor het te sterk en te menigvuldig aanwenden van water; dit element, overigens zoo heilzaam, zou schadelijk worden en het vertrouwen van den patiënt doen plaats maken voor schrik en angst.
Dertig jaren lang heb ik gezocht en elke aanwending op mij zeiven beproefd. Ik beken het openlijk, dat ik mij 3 malen verplicht gevoelde om van methode te veranderen; telkens moest ik den boog ontspannen en mijne kuur meer en meer matigen. Sedert 15 jaren ga ik nu van den beproefden stelregel uit: dat men de voordeeligste uitwerkingen'en zekerste . resultaten verkrijgt door het water op een eenvoudige, gemakkelijke en onschuldige wijze toe te passen.
In welken vorm ik het water als geneesmiddel aanwend, zegt u het eerste deel van dit boekje, terwijl het derde deel over de ziekten in het bijzonder handelt.
In het tweede deel (men leze de afzonderlijke inleiding daartoe) heb ik, vooral voor de landlieden, eene kleine huisapotheek samengesteld, welker inhoud evenals de wateraanwending eene drieledige uitwerking voor het inwendige des lichaams beoogt: oplossing, afscheiding en versterking.
Wanneer een vreemde mij komt raadplegen, dan doe ik hem eerst eenige vragen, om niet voorbarig of schadelijk te handelen.
Dit boekje beantwoordt in het kort de navolgende vragen:
11
1. Wat is ziekte en uit welke algemeene bron komen alle ziekten voort ?
Het menschelijk lichaam is het meest te bewonderen van al hetgeen uit de hand des Scheppers is voortgekomen. Elk lid grijpt in het andere en is een medefactor van dat één bewonderenswaardig en harmonisch geheel.
Merkwaardiger nog is het innig verband der verschillende organen en hunne onderlinge samenwerking. Zelfs de onge-loovigste geneesheer of natuurvorscher kan aan de weer-galooze schoonheid van het menschelijk lichaam zijne oprechte bewondering niet onthouden ; ook wanneer hij âmet lancet en ontleedmesquot; nog geen ziel daarin gevonden heeft. De geheele mensch, zoowel in als uitwendig, zingt slechts één lied; âAl wat in mij is, prijze den naam des Heeren.quot; Deze harmonie en orde, âgezondheidquot; genoemd, worden gestoord en gaan over in wanklank en wanorde door verschillende storingen, âziektenquot; genaamd.
Inwendige en uitwendige ziekten behooren tot het dagelijksch brood, dat de meeste menschen tegen wil en dank moeten nuttigen.
Al deze ziekten, hoe zij ook genoemd worden, hebben hunne oorzaak, hun levensbeginsel, hun wortel en kiem in het bloed of liever in storingen van het bloed; en wel, omdat het in zijnen gewonen loop is belemmerd, of vreemde en schadelijke bestanddeelen bevat.
Gelijk kanalen het land besproeien en vruchtbaar maken, zoo is ook door geheel het menschelijk lichaam een aderennet geweven, dat met zijne roode levenssappen alles, ieder deel, ieder orgaan op de hem eigenaardige wijze besproeit en voedt. In het juiste midden ligt de ware orde; al wat te veel of te weinig is in het tempo des bloedsomloops, ieder insluipen van vreemde bestanddeelen stoort de vrede en orde, bewerkt tweedracht en vervangt de gezondheid door ziekte.
2. Hoe ivordt de genezing verkregen ?
Aan het spoor herkent de geoefende jager het wild; hij volgt het spoor, wanneer hij jacht maakt op vos, hert of geiinsbok. Zoo weet ook de beproefde geneesheer terstond waar de ziekte schuilt, welke haar bron is en welk verloop zij heeft genomen. De verschijnselen wijzen hem op de ziekte en deze duidt hem de middelen aan. Menigeen zal uitroepen: âWat is dit hoogst eenvoudigquot; ! Somtijds, ja, maar somtijds ook niet. Wanneer iemand met bevroren ooren bij mij komt, dan weet ik, dat
12
de koude daarvan de oorzaak draagt; die bij een molensteen zit en plotseling met verpletterde vingeren weeklagend opvliegt, zal ik niet vragen, wat hem eigenlijk scheelt. Maar lang zoo eenvoudig niet gaat het met heel gewone hoofdpijnen of vooral met maag-, zenuw-, hart- of andere ziekten, die niet alleen uit verschillende oorzaken, maar ook uit de nabij zijnde organen kunnen voortkomen; daarenbovenkunnen deze ziekten nadeelig op maag, hart, nieren enz. werken. Een stroo-halm kan den zwaren slinger van de grootste gangklok stil doen staan. De kleinste kleinigheid is in staat het hart in pijnlijke ongerustheid te brengen. Deze kleinigheid te vinden, daarin bestaat de kunst. Het onderzoek daarnaar kan dikwijls zeer ingewikkeld zijn en geeft aanleiding tot menigvuldige vergissingen. Voorbeelden hiervan zal men in het derde deel van dit boekwerk overvloedig vinden.
Wanneer ik met den voet of met een bijl tegen den stam van een jongen eik schop of sla, dan trilt de stam. Ieder twijgje beeft, ieder blad beweegt zich. Hoe verkeerd zou ik redeneeren, wanneer ik zeide: het blaadje beeft, derhalve moet het bewogen â van een of ander voorwerp aangeraakt zijn. Neen, omdat de stam trilt, trillen ook twijg en blad als deel en deeltje van den stam. De zenuwen zijn twijgen aan den boom van het lichaam. âHij heeft zenuwlijden, de zenuwen zijn overspannenquot; ! Wat beteekent dit ? Neen, het geheele organisme is aangegrepen, is verzwakt en daarom trillen de zenuwen.
Neem een schaar en snijd van het kunstig geweven spin-neweb voorzichtig den draad door, die van het middelpunt naar den omtrek voert. Het geheele web valt in elkaar, de draden, met zoo wonderbare nauwkeurigheid tot regelmatige drie- en vierhoeken gesponnen, vertoonen op eens het beeld van onregelmatigheid en wanorde. Hoe dwaas zou mijn oordeel zijn, wanneer ik uitriep : âDit web is niet goed gesponnen ; de spin heeft bij het vlechten van haai zijden net noodzakelijk een fout begaanquot; ! Neen, span een afgeknipten draad weder aan en oogenblikkelijk vertoont zich voor u het web in zijne wonderschoone orde. Deze enkele nietige draad te zoeken en te vinden, daarin schuilt de kunst. Doch, die in het web onvoorzichtig rondzoekt, zal het geheel vernietigen. De toepassing laat ik hier aan een ieder over en sluit met het eigenlijke antwoord op onze vraag: Hoe eenvoudig, oningewikkeld en gemakkelijk, ik durf zeggen, iedere vergissing en dwaling uitsluitend, is de genezing, wanneer ik weet, dat iedere ziekte voortkomt uit eene verkeerde gesteltenis van het bloed. Ieder geneesheer kan slechts een tweevoudige taak
13
hebben: hij moet óf het niet behoorlijk circuleerende bloed in den normalen loop terugbrengen, óf wel de vreemde en schadelijke bestanddeelen (ziektestoffen) uit het bloed verwijderen.
Behalve de versterking van het verzwakte organisme wordt er niets meer vereischt.
8. Op welke icvjze wordt de genezing door het water bewerkt?
Het water zuiverf de hand spoedig van een inktvlek en reinigt de bloedende wonde. Wanneer gij u des zomers, na ingespannen arbeid, met verseh water het verdroogde zweet van het voorhoofd wascht, dan leeft gij weder op: het verkoelt, versterkt, doet u weldadig aan. Eene moeder ziet op het kopje van haren lieveling roof of vaste korsten; zij neemt warm water, vermengt het zelfs met loog, en lost de onreinheden op.
Oplossen, afscheiden, sterken, â dit zijn de drie eigenschappen des waters, die ons van dienst kunnen zijn, en zonder schroom beweren wij;
Het water, bijzonder volgens onze methode aangewend, geneest in 't algemeen alle heelbare kwalen, want al mijne verschillende wateraanwendingen hebben ten doel de wortels der ziekte uit te roeien nameliik:
a. de ziektestoffen in het bloed op te lossen;
h. de opgeloste stoffen af te scheiden;
c. het aldus gereinigde bloed in zijn normalen loop terug te brengen;
d. het verzwakte organisme te stalen en te sterken.
4. Waarom is het tegemvoordige geslacht zoo zwak en zoo in het oog loopend vatbaar zoor alle mogelijke kwalen, waarvan men er eenige vroeger zelfs niet bij name kende?
Menigeen zou mij het antwoord op deze vraag gaarne schenken. Toch hecht ik er een groote waarde aan en ik aarzel niet te verklaren: dat deze ongemakken voortkomen uit gebrek aan harding. De verwijfdheid onzer tijdgenooten heeft een hoog standpunt bereikt. Zwakte en fijngevoeligheid, bloedarmoede en zenuwlijden, hart- en maagkwaal zijn aan de orde van den dag â kracht en sterkte mogen uitzondering heeten. Men is zeer gevoelig voor de weersverandering; de overgang der jaargetijden gaat steeds met hoesten en catarrhe gepaard; men kan niet ongestraft van de koude in de warme kamer treden enz.
14
50 a 60 jaar geleden placht dat anders te wezen en waar moet het heen, zoo hoor ik vragen, als de wereld zoo hard achteruit gaat en het lichaam al verkwijnt voor het geheel ontwikkeld is? Het wordt hoog tijd, dat men tot inzicht kome.
Om dien stand van zaken, althans een weinig, ter hulp te komen, voeg ik bij mijne wateraanwendingen nog eenige onschuldige middelen, die niet gevaarlijk zijn en zoowel de huid als het geheele lichaam, of enkelejichaamsdeelen in het bijzonder, kunnen harden. Vele personen van rang en stand hebben deze middelen al aangewend. Eerst werd er om gelachen, later verheugde men zich over de heilzame en zichtbare gevolgen. Vivant Sequentes!
Evenals over de harding, zou ik over gewichtige onderwerpen als: voeding, kleeding en luchtverversching kunnen schrijven. Ik zal er later op terugkomen. Ik besef volkomen, dat mijne persoonlijke denkbeelden daarover hevige bestrijders zullen vinden. Ondanks dat alles, zal ik er aan vasthouden, want het zijn vruchten eener lange ondervinding. Het zijn geen paddestoelen, in éénen nacht in mijne hersens opgekomen, maar edele vruchten, voor ingeworteld vooroordeel zuur en wrang â smakelijk voor het gezond verstand.
Wat de voeding aangaat, wil ik hier slechts aanteekenen, dat bij mij de stelregel geldt: Het beste en heilzaamste voedsel voor het menschelijk lichaam bestaat in drogen, eenvou-digen, krachtigen kost, niet door kunst of bijvoeging van specerijen bedorven, en den onvervalschten drank, welken God uit elke bron laat vloeien. (Ik ben geen Puritein en gun iemand gaarne een glas bier of wijn, maar ik hecht er niet die waarde aan, welke er in 't algemeen aan gegeven wordt. Uit een geneeskundig oogpunt beschouwd, kunnen deze dranken, b. v. na ziekten, worden aangewend en nuttig zijn; voor gezonden schrijf ik echter liever vruchten voor.)
In de kleeding volg ik den grondregel mijner voorvaderen: Zelf gewonnen en zelf gesponnen geeft de beste kleederen. Ik heb voornamelijk bezwaar tegen die in het oog loopende ongelijkheid, of nog meer tegen die ongelijkmatige verdeeling der kleeding over het lichaam â vooral in den winter â dat is verderfelijk voor de gezondheid. Het hoofd wordt door een pelsmuts bedekt; de hals wordt omkneld door vaste keelbanden, waarover men een ellen langen cache-nez draagt; de schouders torsen het gewicht eener 3 of 4 voudige bekleeding ; als men uitgaat, komen daar de overjas en pelskraag bij; de voeten alleen â die arme misdeelde voeten â worden, zoowel 's zomers als 's winters, altijd in kousen of sokken,
15
in schoenen of laarzen gestopt. Wat is het gevolg dier onverstandige onpartijdigheid ? De bekleeding van het bovenlijf zuigt, als een pomp, water, bloed, en warmte naar de bovenverdieping ; de andere deelen des lichaams worden arm aan bloed en koud; hoofdpijn, congestie, uitzetting der aderen in het hoofd â honderderlei ongemakken worden daardoor verklaard. Verder ben ik tegen het dragen van wollen kleeding op de huid; ik geef de voorkeur aan droog, stevig, degelijk, onver-valscht linnen of hennep; het laatste vooral verdient aanbeveling, omdat het de huid niet verweekt, maar voortdurend zachtkens wrijft. Het dikke, harige, vette wolweefsel is op het bloote lichaam slechts een sap- en warmteopzuiger en mede oorzaak der schrikbarend voortwoekerende bloedarmoede van ons zwak uitterend geslacht. Zelfs het nieuwste wolrégime in verbeterde uitgave zal ons tegen deze bloedarmoede niet vrijwaren en geen nieuw bloed bijbrengen. Het jongere geslacht zal het beleven en het régime overleven.
Thans bespreken wij de luchtverversching. Gaarne eten wij den visch, die zich in snelvlietend water ophoudt; hoe streelen de bergforellen onzen smaak ! doch visschen uit modderpoelen en moerassén, met hun gronderigen smaak, laten wij gaarne aan anderen over. Zoo is er ook een poel- en moeraslucht. Die ze inademt, voedt zijne longen met pestdampen. De lucht, voor de derde maal ingeademd, werkt vergiftigend. Ja, wanneer de menschen zoo verstandig waren te zorgen, dat hunne woningen, en vooral hunne slaapvertrekken, steeds zooveel mogelijk van reine, frissche, zuurstofrijke lucht gevuld waren, voor hoevele ziekten en onpasselijkheden zou men dan zijn gespaard. Hoofdzakelijk door het ademen wordt de reine lucht bedorven. quot;Wij weten immers, dat één of twee wierook-korreltjes, op het vuur geworpen, een groot vertrek aangenaam en heerlijk doen geuren. Ook weten wij, dat 15 of 20 trekken aan sigaar of tabakspijp, een groote ruimte met tabakswalm kunnen opvullen. Zoo is ook het kleinste en onbeduidendste vaak genoeg, om reine lucht op eene of andere aangename of onaangename wijze te bederven. Is het ademen niet aan zulk een walmen gelijk? Hoe dikwijls ademen wij in ééne minuut, in één uur, zoowel bij dag ais bij nacht! En hoe moet hierdoor de lucht bedorven worden, ook al zien wij den walm niet. En wanneer ik niet lucht, dat wil zeggen, de slechte, door koolzuur (schadelijk gas) bedorven dampkring niet verversch, hoevele bedorven en bederfaanbrengende mias-men moeten dan de longen niet binnenstroomen !
Het kan niet anders of de gevolgen kunnen en moeten noodlottig zijn.
16
Geiyk ademhaling en uitwaseming, zoo werkt ook te groote warmte, vooral te groote kamerwarmte, nadeelig op de reine frischheid der lucht ; zij bederft de lucht, omdat zij het leventelend element der lucht â de zuurstof â verbruikt en doodt, en dus voor de ademhaling nadeelig maakt. Een warmte van 12 tot 14 graden R. is toereikend, 13 graden mag zij niet te boven gaan.
Dagelijks moet men dus, zonder dat het iemand hindert, zorg dragen voor een degelijke luchtverversching in alle woon-en slaapvertrekken; men stelle zich hiervan een regel en wijke daarvan nimmer af. Met groote zorgvuldigheid wake men voor het luchten der bedden.
Ik heb gezegd, wat ik meende op deze plaats te moeten zeggen. Dit moge genoeg zijn, om een beeld van den aanklop-penden vreemdelino te geven en hem, of vriendschappelijk binnen te laten, öf zonder gehoord te zijn de deur te wijzen.
Hoe men mijn boekske ook ontvange, ik ben op beide voorbereid en zal met beide tevreden zijn.
EERSTE DEEL.
DE AANWENDING VAN HET WATER.
âAquae omnes____laurtent nomen Dominiquot;
âAlle wateren looft den naam des Heerenquot; (Ps. CXLVI1I : 4.)
Algemeene opmerkingen.
De door mij gebruikte en in dit eerste deel beschreven aanwendingen worden op de volgende wijze verdeeld: Compressen,
Gewone baden,
Dampbaden,
Begietingen,
Wasschingen,
Omslagen, en Waterdrinken.
Later zal iedere aanwending worden onderverdeeld en vreemde benamingen woordelijk en zakelijk worden verklaard.
Daar eene ziekte haar ontstaan te danken heeft aan stoornis van het bloed, dat wil zeggen: of aan den abnormalen bloedsomloop, of aan schadelijke bestanddeelen, die zich met het bloed hebben vermengd, zoo beoogen de aanwendingen van het water een drievoudig doel:
het oplossen,
het afscheiden der ziektestoffen, en het versterken van het organisme.
In het algemeen kan men zeggen, dat het oplossen door alle dampbaden en de warme kruidbaden geschiedt; het afscheiden door allerlei omslagen en gedeeltelijk door begietingen en compressen; de versterking door alle koude baden, alle begietingen, gedeeltelijk door de wasschingen, en eindelijk door alle hardingsmiddelen.
Om alle misverstand te voorkomen, mag ik hier niet in bijzonderheden treden.
18
Daar iedere ziekte in de bovengenoemde bloedstoornis wortelt, is het duidelijk, dat in ieder ziektegeval verschillende aanwendingen moeten worden toegepast, die meer of minder oplossen, afscheiden en sterken. Ook is het duidelijk, dat niet alleen het kranke lichaamsdeel b. v. hoofd, voet of hand moet behandeld worden, maar tevens het geheele lichaam, waardoor in zulk een geval onzuiver bloed stroomt; doch het zieke lidmaat dient als hoofdlijder met bijzondere opmerkzaamheid, de overige ledematen als medelijders behandeld te worden.
In deze twee gewichtige punten anders willen doen, zou eenzijdig en verkeerd zijn. Menig voorbeeld, in het derde deel aangehaald, zal mijne bewering rechtvaardigen.
Die het water volgens mijne voorschriften gebruikt, moet de aanwendingen niet als doel beschouwen, dat wil zeggen, hij moet nooit eene aanwending toepassen alleen, omdat deze hem bevalt; nooit zal hij zoo dwaas zijn hierin slechts vermaak te vinden, dat hij met vele bedampingen, begietingen en omslagen pochen en pralen kan. Den wijze is iedere aanwending slechts middel tot het doel. Al bereikt hij dat ook door de zachtste aanwending, dan moge hij gelukkig zijn, want zijn eenigste taak is de naar gezondheid en arbeid smachtende natuur tot werkzaamheid te brengen, de ziekteketenen en lijdensboeien te verbreken, opdat zich de natuur vrij en frisch, en vredig kunne bewegen. Is deze taak volbracht, dan trekt zich de helpende hand vanzelve terug.
Deze opmerking is van gewicht; gewichtiger nog is daarop acht te slaan. Niets namelijk brengt het water als geneesmiddel zoozeer in minachting en diskrediet, als wanneer men het maat- en verstandeloos toepast en ruw, streng en onvoorzichtig daarmee te werk gaat. Zij alleen, ik kan het niet genoeg herhalen, die als zoogenaamde vakkundigen, als waterkuurartsen optreden, maar met hunne eeuwige omslagen en het bloed uitzuigende bedampingen de patiënten afschrikken, zij alleen richten de grootste verwoesting aan, die gewoonlijk slechts zelden te herstellen is. Dit noem ik niet het water als geneesmiddel gebruiken ; dit noem ik, men vergeve mij de uitdrukking, door euveldaden het water schande aandoen.
Die goed de werking van het water begrijpt en op allerlei wijzen weet toe te passen, bezit een geneesmiddel, dat door geen ander, hoe ook beroemd, kan overtroffen worden. Geen middel kan op zoovele onderscheidene ziekten worden toegepast. Wat aanschouwen wij in de schepping? Een onzichtbaar luchten dampdeeltje stijgt omhoog, vereenigt zich met andere, verkeert in waterdroppels en vormt ten laatste de groote wereldzee, die de geheele aarde omstroomt. Dit zij voor iederen
hydropaath een vingerwijzing, dat iedere aanwending, hetzij in vloeibaren, of dampvormigen toestand toegepast, in meer of minder hoogen graad kan worden gebruikt; dat in ieder bijzonder geval niet de patiënt zich naar den omslag of de bedampingen, maar iedere aanwending zich altijd naar den patiënt richten moet.
Aan de keuze der noodige toepassingen openbaart zich de meester. De geneesheer moet den patiënt onbemerkt, maar streng onderzoeken. Reeds spoedig zal hi] de bijkomende ziekten leeren kennen, die als giftplanten uit den bodem der lioofdkrankheid opschieten. In den regel kan men dan spoedig besluiten wat de hoofdziekte is. Men vraagt en onderzoekt, hoe diep de ziekte geworteld is en welke verwoestingen zij reeds heeft aangericht. Vervolgens slaat men een blik op den patiënt om te zien: of hij oud of jong, zwak of sterk, mager of corpulent, aan bloedarmoede en zenuwzwakte onderhevig is enz. Al deze punten en nog meer andere doen dan een juist beeld van den patiënt voor den geest rijzen, en eerst dan, wanneer dit scherp en duidelijk is afgeteekend, voert men den lijder naar zijn waterapotheek en maakt aanwendingen naar den grondregel: Hoe meer geleidelijk en zacht, hoe beter en zekerder.
Veroorloof mij met betrekking tot alle aanwendingen nog de navolgende algemeene opmerkingen te maken:
Geene aanwending, hoe ook geheeten, kan eenig nadeel veroorzaken, mits zij volgens de bepaalde voorschriften worde toegepast. Meestal gebruikt men er koud water voor, het moge bron-, wel- of rivierwater zijn. In alle gevallen, waarin niet uitdrukkelijk warm water verordend wordt, geldt de uitdrukking: âwaterquot; slechts voor het koude water. Daarbij volgde ik den regel door de ervaring geleerd : hoe kouder hoe beter. In den winter meng ik het water gewoonlijk nog met sneeuw, wanneer de gezondheid van den patiënt het toelaat. Men make mij het verwijt van ruwheid niet; mijne koud-wateraanwendingen zijn slechts van korten duur. Die het eenmaal gewaagd heeft, heeft ook voor altijd gewonnen ; alle vooroordeelen zijn verdwenen. Onverbiddelijk ben ik echter niet. Zwakken, vooral jeugdigen en hoog bedaagden; zieken, die een afschrik van de koude hebben, die op weinig natuur-warmte kunnen roemen; bloedarmen en zenuwlijders, allen dezen veroorloof ik des winters gaarne, dat de badkamer van lé0 tot 15° R. verwarmd wordt, en dat aanvankelijk lauw water voor de toepassing wordt gebruikt. Vliegen vang ik met honig â niet met zout of azijn.
Voor de warme aanwendingen wordt voor ieder bijzonder
20
geval de warmtegraad, de duur, enz., iu 't bijzonder aangegeven. (R. beteekent Réaumur.)
Wat de behandeling van het koude water betreft (in het 3e deel is hiervan dikwijls en breedvoerig sprake) zijn wij nog eenige korte wenken verschuldigd, omtrent de wijze, waarop men zich vóór, gedurende en na de aanwending gedragen moet.
Niemand zij zoo vermetel, zonder bepaald voorschrift, eene koudwateraanwending toe te passen, wanneer hij koude of koude rillingen gevoelt. Zoo snel mogelijk (maar toch zonder angst of haast) moet iedere aanwending geschieden; bij uiten aankleeden talme men niet, bijvoorbeeld door het langzaam toeknoopen of vastmaken. A.1 deze kleinigheden verzorgc men, wanneer het geheele lichaam geheel is bedekt.
Een koud volbad bijvoorbeeld mag met uitkleeden, baden en aankleeden niet langer dan 4 a 5 minuten duren ; met een weinig oefening gaat dit zonder bezwaar. Zoo dikwijls bij eene aanwending voorgeschreven staat â1 minuut,quot; (1) dan worde daarmede altijd den kortsten duur bedoeld; staat er echter â2 a 3 minuten,quot; dan mag de koude wel ingrijpender, maatniet langer werken.
Na geen enkele koudwateraanwending, hoe ook genaamd, mag het lichaam worden afgedroogd; hierop maken hoofd en handen eene uitzondering, de laatste om de kleeren niet nat te maken. Men bedekt het natte lichaam terstond met het droge hemd ; men moet dit, zooals gezegd, zoo snel mogelijk, om alle natte plaatsen luchtdicht af te sluiten. Deze methode komt velen zonderling voor, wijl zij van meening zijn. dat zij nu den geheelen dag met een vochtig hemd moeten rondloopen. Ik wenschte wel, dat zij het eerst probeerden, vóór zij een oordeel velden ; spoedig zouden zij dan bemerken, waartoe het niet-afdrogen dient en goed is. Het afdrogen is een soort wrijving en wekt, daar het op alle plaatsen onmogelijk op gelijke wijze geschieden kan, eene ongelijkmatige ïiuid- en natuurwarmte, wat bij gezonden weinig, maar bij zieken en zwakken dikwijls zeer veel te beduiden heeft. Het niet-afdrogen draagt bij tot het opwekken der gelijkmatigste en snelste natuurwarmte. Het geschiede gelijkmatig, gelijk men water in het vuur spuit. De inwendige lichaamswarmte benuttigt het aan de huid klevende water om spoedig hoogere
(1) Land lieden, die er geen zakhorloge op nahouden, of daarmee op voet van oorlog staan, zeg ik immer: 1 minuut duurt ongeveer zoo lang als twee âonze Vaders.quot;
21
warmte op te wekken. Zooals gezegd is, komt het er slechts op aan het eens te probeeren.
Daarentegen is het een onzer strengste voorschriften, na iedere aanwending zich flink te bewegen, zoodra men is aangekleed; deze beweging geschiedt öf door arbeid, of door wandeling en moet zoo lang duren, dat alle deelen des lichaams volkomen droog en normaal warm zijn. In het begin dei-beweging kan men wat sneller wandelen; wat langzamer, wanneer men reeds warmte ontwaart. Men voelt zelve het beste, wanneer de normale natuurwarmte hersteld is en dientengevolge de beweging ophouden kan. Patiënten, die spoedig verhit en bezweet geraken, moeten terstond wat langzamer wandelen; zij bewegen zich dan wat langer en zorgen, dat zij niet bezweet of verhit zich nederzetten, zelfs niet in eene warme kamer. Een verkoudheid zou daarvan het onvermijdelijk gevolg zijn.
Voor allen kan als regel gelden, dat de kortste tijd van beweging minstens een kwartier duren zal. Of die tijd van beweging met lezen of handenarbeid wordt doorgebracht, doet niets ter zake.
Sommige aanwendingen, vooral omslagen en compressen, moeten te bed worden genomen; met alle andere bijzonderheden zal dit ter plaatse worden besproken. Die bij zulk eene aanwending inslaapt, late men in vrede slapen en rusten, zelfs wanneer de voorgeschreven tijd overschreden is; gelijk bij groote quot; en kleine behoeften, zal de natuur ook hierin de beste en zorgvuldigste wekker zijn.
Wanneer voor eene aanwending doeken noodig zijn, dan versta ik daar geen fijn linnen onder, maar dik en grof linnen of hennep. Als arme, eenvoudige lieden in plaats daarvan slechts een versleten beddedeken of een grove koffiezak, of nog armer lieden slechts een slappen dweil bij de hand hebben, dan zullen zij er niet slecht bij varen. Om het lichaam af te wasschen, dat dikwijls voorkomt, is tamelijk grof linnen of hennep ook bijzonder goed.
Om redenen, door mij in de inleiding beknopt aangeduid, ben ik tegen wol als kleedingstuk op de bloote huid. Daarentegen ken ik geen betere omhulling van den ijskouden omslag, dan juist wollen stof; spoedig en overvloedig ontwikkelt zij warmte en is in dit opzicht onovertroffen. Om dezelfde redenen kan ik bij zulke aanwendingen het veêren bed, als dek, aanbevelen.
Bij mijne aanwending komt geen massage te pas, hetzij dit door wrijven of borstelen geschiedt; het eene doel daarvan, namelijk verwarming, bereik ik beter en geleidelijker door
22
het niet-afdrogen; het andere doel, de opening der poriën en de verhooging van de werkzaamheid des lichaams enz., wordt door mijn hemd van grof linnen of hennep ook bereikt en heeft daarenboven ook dit voordeel: dat het niet eenige minuten lang, maar dag en nacht zonder verlies van tijd en kracht voortwerkt. Wanneer op sommige plaatsen van een krachtige afwassching sprake is, dan versta ik daaronder alleen een snel afwasschen van het zieke lichaamsdeel. Het nat worden â niet het gewreven worden â is hoofdzaak.
Nog één punt dient hier behandeld. De aanwending des avonds vóór het naar bed gaan is velen onaangenaam; daardoor worden zij zenuwachtig en in hun eersten slaap gestoord. Anderen daarentegen worden door eene zachte aanwending des avonds in slaap gewiegd. In het algemeen beveel ik deze aanwendingen niet, maar raad een ieder aan hierin naar goedvinden te handelen en zijne ondervinding te raadplegen, bedenkend: dat hij zelf de lasten daarvan dragen moet.
Omtrent hetgeen men van iedere aanwending in het bijzonder weten moet, verwijs ik naar het geheele eerste deel; omtrent de toepassing er van voor iederen zieke naar het derde deel van dit boekje. Daar is ook aangegeven, welke aanwendingen op zich zelve kunnen staan en welke slechts in verbinding met andere worden toegepast. Daar vindt men ook opgeteekend, welke aanwendingen (bedampingen) bijzondere voorzorg ver-eischen.
Deze algemeene opmerkingen sluit ik met den wensch, dat de wateraanwendingen vele gezonden versterken en vele kranken genezen mogen.
Thans begin ik met eene korte opsomming der hardingsmiddelen ; vervolgens met de eigenlijke verhandeling van de wateraanwendingen, bij mij in gebruik.
De hardingsmiddelen.
Als middelen om het lichaam te harden, geven wij op:
1. het barrevoets loopen;
2. â â â in het natte gras;
3. â â â op natte steenen;
4. â â â in versch gevallen sneeuw;
5. â â â in koud water;
6. koude baden voor armen en beenen (voeten);
7. de begieting der knieën (met of zonder begieting van het bovenlichaam).
1. Het barrevoets loopen is het natuurlijkste en eenvoudigste hardingsmiddel.
23
Dit kan, naar gelang stand en ouderdom het gedoogen, op menigvuldige wijzen plaats hebben.
Heele kleine kinderen, die nog geheel aan de hulp van anderen zijn overgelaten, die nog in luiers of draagkussens gewikkeld en aan de kamers gebonden zijn, moeten reeds de voeten ontbloot hebben. Konde ik dit toch als regel, als vast-gestelden, onherroepelijken regel aan alle ouders en vooral . aan al te zorgzame moeders inprenten. Die ouders, welke
behept zijn met een vooroordeel tegen een koudwaterkuur, moesten ten minste medelijden hebben met hunne kleinen en hun een schoeisel verschaffen, in staat, om de versche lucht tot op de huid door te laten.
Kinderen, die al staan en loopen kunnen, weten zich zeiven te behelpen. Zonder zich om iemand te bekommeren, werpen zij die lastige, knellende schoenen en kousen ter zijde en voelen zich gelukkig, vooral in de zachte lente, wanneer zij zoo frank en vrij kunnen rondtuimelen. Dikwijls bloedt een teen, maar dat belet niet, dat zij weer opnieuw op bloote voeten gaan. Zij volgen hierin geheel hun natuurlijk instinkt en, op onzen leeftijd, zouden wij dat ook doen, ware het niet, dat verfijnde opvoeding en étiquette, die ons onnatuurlijk doen zijn, in menig s opzicht het gezond verstand beheerschten.
Arme kinderen worden zelden in hun genoegen gedwarsboomd. Voorname en rijke kinderen zijn niet zoo gelukkig op dit punt en toch hebben zij er niet minder behoefte aan dan de minderbedeelden. Eens sloeg ik de jongens van een hoogen, voornamen ambtenaar gade. Zoodra de Argusblik van hunnen strengen vader hen niet meer bereiken kon, vlogen de fijne pantoffels en de nog fijnere bontgekleurde kousen over de haag en... voort galoppeerden zij op bloote voeten in de groene, vette weide. De moeder, die gezond verstand bezat, zag dat niet met kwade oogen aan; maar gebeurde het, dat de vader zijne prinsen, aldus toegetakeld, aantrof, dan volgde eene berisping en een nog langere boetpredikatie over opvoeding en eergevoel met betrekking tot rang en stand. De kinderen waren er zoo van aangedaan, dat zij den volgenden dag nog vroolijker en weer i op bloote voeten, door het gras holden. Nogmaals zeg ik, laat
de kinderen toch pleizier hebben!
Verstandige ouders, die dat alles gaarne aan hunne kinderen zouden toestaan, maar die in de stad wonen en er geen tuin of grasperk op nahouden, kunnen hun lieven kleinen het barrevoets loopen in eene of andere kamer of gang veroorloven, opdat de voeten, evenals het gezicht en de handen, eens flink tot verademing komen, frissche lucht inzuigen en zich in hunnen natuurlijken dampkring kunnen bewegen.
24
Volwassene lieden van armeren stand behoeven geen vermaning, vooral wanneer zij buiten wonen; zij gaan dikwijls barrevoets en benijden den rijken stedeling in het geheel niet om zijne deftige, gelakte of gegespte schoenen, die als ware pijnbanken zijne arme voeten folteren. Dwaze landlieden met steedsche manieren, die zich over huns gelijken schamen, worden voor hun laatdunkendheid genoeg gestraft. De ouder-wetsche behoudsmannen mogen aan de overlevering getrouw zijn. In mijne jeugd ging op het platteland alles barrevoets: kinderen en volwassenen; vader en moeder; broeder en zuster. Uren ver lagen kerk en school; de ouders gaven ons een stuk brood en eenige appels als teerspijze mede, evenals schoenen en kousen tot bekleeding der voeten. Doch deze hingen, totdat wij de school of de kerk binnentraden, over de schouders en dat niet alleen des zomers, maar zelfs in ander jaargetijde. Nauwelijks begon de sneeuw in de vroege lente op mijn hoog-1 iggenden geboortegrond weg te dooien, of onze bloote voeten lieten reeds sporen achter in den verweekten bodem en wij gevoelden ons vroolijk, opgeruimd en gezond daarbij.
Volwassene stedelingen, vooral zij, die tot de hoogere standen behooren, kunnen het barrevoets loopen niet beoefenen, dat is duidelijk. Ik laat ze volkomen vrij in hun vooroordeelen, wanneer zij vreezen zich rheumatiek, verkoudheid, keelziekte of iets dergelijks te berokkenen, zoo dikwijls zij bij het uit-of aankleeden, hunne teedere voeten op den houten vloer van hun slaapsalon en niet op warme, zachte tapijten zetten; maar wanneer er onder worden aangetroffen, die toch iets willen opofferen om zich te harden, wat verhindert hen dan 's avonds vóór het naar bed gaan, of 's morgens bij het opstaan 10, 15 of 30 minuten zulk eene wandeling te maken? Om niet te ruw aan te vangen, konden zij eerst op de kousen wandelen, later op bloote voeten, wederom later vóór de kamerwandeling de voeten tot boven de enkels eenige oogen-blikken in koud water doopen.
Bij een goede indeeling van den dag kan ieder, die met goeden wil is bezield en naar behoud zijner gezondheid streeft, nog tijd genoeg vinden voor deze weldadige oefening, ook al behoort hij tot hoogere standen en zijn beroep geheel zijn kostbaren tijd in beslag neemt.
Een mij wel bekend priester placht ieder jaar eenige dagen lang een trouwen vriend te bezoeken, die zich in 't bezit van een grooten tuin verheugen mocht. De morgenwandeling werd altijd in dezen tuin gemaakt, welks door dauw bevochtigd gras zóólang.de bloote voeten laafde en het lichaam verkwikte, als de priester in het breviergebed verdiept was. Hoe dikwijls
hield -deze geestelijke tegenover mij lofredenen op de uitmuntende werking van het barrevoets loopen. Een reeks van namen van personen uit de hoogere en hoogste standen zou ik kunnen opnoemen, die den welgemeenden raad niet in deu wind sloegen, maar, wanneer het weder daartoe gunstig was, zich op hunne morgenwandelingen in het eenzame woud of de verafgelegene weiden door barrevoets loopen zochten te harden. Dit getal is in verhouding altijd nog zeer klein; maar een hunner verzekerde mij, dat in geheel het jaar zelden een week voorbijging, waarin hij niet een of andere koude had opgedaan, maar dat het eenvoudige barrevoets loopen hem voor altijd van deze vatbaarheid had bevrijd.
Hier laat ik een klein epistel volgen, alleen voor huismoeders geschikt. Het kan beknopt zijn, want bij leven en welzijn hoop ik later nog een boekje te schrijven over opvoeding en over verzorging des lichaams. De moeders zijn in de eerste plaats geroepen om een krachtiger geslacht groot te brengen en een einde te maken aan al die verwijfde gewoonten, die zwakte, bloedarmoede, zenuwlijden en allerhande ziekten doen ontkiemen, het leven verkorten en aan de menschelijke samenleving verderfelijk zijn. Dit doel kunnen zij bereiken door hunne kinderen van de prille jeugd af â op eene verstandige wijze â te harden. Lucht, voedsel, kleeding zijn noodig, zoowel voor het kind, als voor den grijsaard en zij geven den akker aan, waarop de harding moet arbeiden. Hoe frisscher de lucht, welke het kind inademt, hoe beter ook zijn bloed zal zijn. Om het zwakke schepseltje spoedig aan de lucht te doen gewennen, moeten de moeders de kleinen, die 's morgens een warm bad krijgen, daarna 2 a 3 seconden in kouder, of door de zon verwarmd, water dompelen, of hen snel met koud water afwasschen. Het warme water alleen maakt slap en week; het wasschen met koud water daarentegen verhardt en draagt bij tot regelmatige ontwikkeling van het gestel. De neiging tot huilen en schreeuwen, welke men in den beginne bespeurt, zal bij de derde of vierde aanwending vanzelve ophouden. Deze harding staalt de heel kleine kinderen tegen dat aanhoudend kou vatten met den aankleve van dien, en tegelijkertijd behoeven de moeders ze niet meer met kleingeestige zorg in wol en andere zware stof te pakken, waardoor de versche lucht wordt afgesloten en de afkeuring van elk verstandig mensch wordt op den hals gehaald. Hierin wordt vreeselijk gezondigd tegen de gezondheid der kleinen. De teere lijfjes zitten als geschroefd in een oven van wol; zij zuchten onder den last van al die banden en bekleedsels; het hoofdje wordt zoo
3
26
ingebakerd, dat hooren en zien onmogelijk wordt; de hals, die in de eerste plaats gehard moest wezen wordt zóó omwikkeld, dat ze volkomen voor de buitenlucht is afgesloten. Als de kleine op den arm eener kindermeid moet worden rondgedragen. of in een wagentje uit rijden gaat, dan zorgt de teedere moeder, dat alle hoeken en gaatjes potdicht gesloten zijn. Verwondert het u onder deze omstandigheden, nu men elk middel tot harding zorgvuldig mijdt, dat alle jaren keelziekte, kroep, enz. talrijke slachtoffers maken onder de kleinen â niet tegen het minste windje bestand; en dat ei-zwakke kinderen schier in elk gezin worden aangetroffen? Hoevele moeders heffen dagelijks geen klaaglied aan over den ziekelijken toestand hunner kinderen, in 't bijzonder hunner dochters, die aan kramp, tering en vroeger bijna onbekende kwalen lijden? Wie kan de zedelijke gebreken tellen, welke evenals verwelkte bloemen en wormstekige vruchten aan het lichaam kleven, en dat doen kwijnen, vóór regelmatige ontwikkeling en volle wasdom zijn bereikt? Mens sana in corpore sano â de gezonde geest huist slechts in een gezond lichaam. Vroegtijdige harding is hoofdzaak voor ontwikkeling eener duurzame goede gezondheid. Mogen alle moeders van deze hunne zending en verantwoordelijkheid vroegtijdig en diep doordrongen zijn en geene gelegenheid laten voorbijgaan, om bij verstandige menschen goeden raad te zoeken.
2. Eene bijzonder heilzame wijze van barrevoets loopen is het wandelen in het natte gras; het moge door dauw, regen, of kunstmatig bevochtigd wezen. Dit hardingsmiddel komt in het 8e deel zeer dikwijls voor en ik kan het aan jong en oud. aan gezonden en zieken, welke aanwending zij overigens ook toepassen, ten zeerste aanbevelen. Hoe natter het gras is. hoe langer men wandelt, en hoe meer men het doet, zooveel te heilzamer zal de uitwerking daarvan zijn. Het wandelen in het natte gras duurt geregeld van 1 tot 3 kwartier.
Na de oefening wordt alles, wat aan de voeten is blijven zitten, als grasspieren en zand, snel afgewasschen; de voeten echter niet afgedroogd, maar zoo nat als ze zijn, terstond in droog schoeisel gestoken. Vervolgens wandelt men op een drogen zand- of steenweg, aanvankelijk wat sneller, en langzamerhand in het gewone tempo. De duur der wandeling hangt van het droog en warm worden der voeten af; langer dan een kwartier behoeft ze niet te duren.
Ik vermaan dringend, wel acht te geven op de woorden âdroog schoeiselquot; en zich na deze oefening nimmer van natte of vochtige kousen te bedienen. In hoofd en hals zouden de kwade gevolgen daarvan zich spoedig doen gevoelen; het zou
geen opbouw, maar afbreken zijn; daarom oordeel ik het raadzaam, jonge, lichtzinnige lieden tot voorzichtigheid aan te sporen, opdat zij hunne kousen en schoenen niet in het natte gras werpen, maar droog houden, om de natkoude voeten later met warm schoeisel te kunnen bedekken. Men kan loopen, ook wanneer de voeten koud zijn.
3. Van het loopen in het natte gras verschilt het wandelen op natte steenen, dat voor velen gemakkelijker is, in de uitwerking niet veel. Ieder huis of huisje heeft ergens een steenen vloer van meer of minderen omvang en dit is voor het barre-voetsloopen op natte steenen toereikend. In grootere steenen gangen kan met gevleugelden tred worden geloopen; op een plekje van 4 of 5 steenen kan men doen, gelijk de wijngaardenier zijne druiven perst en op sommige plaatsen de bakkers-leerling het deeg kneedt. De hoofdzaak bestaat daarin, dat de steenen nat zijn en men niet stil daarop blijft staan, maar zich tamelijk snel daarop beweegt. Om de steenen nat te maken, kan men niet beter doen, dan met een gieter een tamelijk dikke waterlijn te trekken en deze al voortgaande met de voeten te verbreeden. Zouden de steenen te spoedig opdrogen, dan begiet men opnieuw, tot twee of driemalen toe. Het koudste water bewijst den besten dienst.
Ingeval dit hardingsmiddel ter genezing wordt voorgeschreven, mag het wandelen niet langer dan 3 a 5 minuten duren. Dit hangt af van den toestand des zieken : of hij sterk of zwak is, aan bloedarmoede lijdt enz.; in den regel zullen 3 a 5 minuten toereikend zijn. Enkel als hardingsmiddel voor gezonden kan deze oefening zonder vrees voor nadeelige gevolgen zelfs een half uur of nog langer duren. Ik durf ze aanbevelen aan ieder, die zich op eene dergelijke wijze wil harden. De zwakste en de meest vatbare voor koude late zich niet afschrikken.
Die aan koude voeten lijdt en licht vatbaar is voor keelziekte en catarrhe, wien het bloed naar het hoofd dringt, en dientengevolge aan hoofdpijn onderhevig is, make dikwijls van deze wandeling op de steenen gebruik. Het zal hem wel doen. wanneer hij met het water een weinig azijn mengt. Wat de beweging en kleeding betreft, hiervoor gelden dezelfde regels, als bij de wandeling in het gras. Gelijk in het laatste geval, kan men met koude voeten ook op de steenen wandelen.
4. Nog grootere uitwerking, dan door de twee voorgaande oefeningen, verkrijgt men door bet barrevoets loopen op versch gevallen sneeuw. Wij drukken op versch gevallen sneeuw, omdat zij zich samenpakt en als stof aan de voeten kleeft; er is geen sprake van oude, harde, vastgevroren sneeuw, die te veel afkoelt en tot niets nuttig is. Daarenboven wandelt'
men daarin niet bij een scherp kouden wind, wel echter wanneer de sneeuw in de lentezon smelt. Ik ken er velen, die aldus een half, één, anderhalf uur met goed gevolg rondwandelen. De eerste minuten slechts eischen eenige zelfoverwinning; later bemerkt men van onaangenaam gevoel of sterke koude niets meer; gewoonlijk wandele men maar 3 a 4 minuten. Ik vestig er bijzonder de aandacht op, dat men niet stil mag staan, maar onophoudelijk voortwandele.
Het geschiedt wel eens, dat de al te fljne, aan buitenlucht ontwende teenen die sneeuwkoude niet verdragen kunnen en sneeuwkoorts krijgen; ze worden dan droog en warm, zwellen op en branden geducht. Men hebbe daarover geen zorg; die zaak heeft niets te beteekenen en de teenen zijn spoedig genezen, als men ze maar dikwijls met sneeuwwater wascht, of zachtjes met sneeuw inwrijft.
Het loopen in de sneeuw kan men in den herfst vervangen b. v. door eene wandeling in het berijpte gras. In dat geval is het gevoel van koude sterker, omdat in dit overgangstijdperk het lichaam nog niet aan de zomerwarmte ontwend is.
In den winter kan men, in plaats van op de sneeuw te gaan, eene wandeling maken op vloersteenen, te voren met sneeuwwater overgoten. Wat kleeding en beweging aangaat, leze men vooral, hetgeen daarover bij voorgaande oefeningen is 'voorgeschreven.
Dikwijls hoort men zeggen : het is dwaasheid en krankzinnigenwerk om dergelijke oefeningen in het harden uit te voeren; men loopt er koü, rheumatiek, keelziekte, catarrhe enz. bij op! Maar neem er eens een proef van! Ge zult dra ondervinden, hoe onbillijk uw vooroordeel is, en ge zult zien, dat eene wandeling door de sneeuw u geen nadeel zal berokkenen, maar u steeds heilzaam zal zijn. (1)
Ik heb vele jaren geleden de vrouw van een hooggeplaacst ambtenaar gekend. Deze kloeke vrouw maakte er veel werk van om hare kinderen te harden : van lievelingskostjes bij het eten en drinken was geen sprake, en klachten over het weêr, de warmte, de koude enz., hoorde zij gewoonlijk niet aan. Nauwelijks was de eerste sneeuw gevallen, of zij beloofde haren kinderen een broodje, met boter of honig gesmeerd, als zij een oogenblik op bloote voeten door de sneeuw wilden loopen. Dit hield zij jaren vol ; de kinderen werden sterk en waren haar levenslang dankbaar voor deze minder verwijfde
(1) Ik ken vele geneesheeren, die niets tegen deze oefening hebben, als ze slechts met de noodige voorzichtigheid geschiedt; anderen, die mi.] het verwijt van ruwheid willen maken, herinner ik aan de veel ruwere aanwending van het ijs.
opvoeding. Deze moeder verstond hare taak meesterlijk. Tot nu toe spraken wij slechts van wandelingen voor gezonden; wij zullen nu zien, hoe heilzaam het ook voor vele zieken is, om barrevoets door de sneeuw te loopen.
Iemand leed reeds sedert jaren aan wintervoeten, die open gingen, zworen en veel pijn deden. Ik gaf haar den raad om eene wandeling te maken door de eerste herfstsneeuw; zij deed dit bij herhaling en bleef voortaan van haar kwaal verschoond.
Nog onlangs kwam een 17-jarig meisje mij over tandpijn klagen. Ik zeide haar: als ge 5 minuten lang door versch gevallen sneeuw wilt loopen, zal uw tandpijn spoedig over zijn. Zij volgde aanstonds den raad, spoedde zich naar den tuin en verheugde er zich in, mij 10 minuten later te kunnen vertellen, dat de tandpijn geweken was.
Bij het barrevoets loopen in de sneeuw moet het geheele lichaam warm zijn. Hij, die koude gevoelt, moet eerst door arbeid of beweging zien warm te worden. Zij, die zweetvoeten, open voeten of wintervoeten hebben, mogen, wat licht te begrijpen valt, nimmer zulk eene wandeling doen, vóór die ledematen door voet- of dampbad genezen zijn.
5. Het barrevoets gaan in koud water. Wat is het niet eenvoudig om tot aan de kuiten in koud water te loopen; men bereikt daardoor een a. deze oefening verhardt het lichaam en staalt het gestel;
/gt;. werkt gunstig op nieren en urineafschei-ding en voorkomt daardoor vele ziekten, die in nieren, blaas of onderlijf ontstaan ;
c. werkt zeer goed op de borst, doet gemakkelijk ademhalen en voert gassen uit de maag;
30
d. is uitstekend voor alle soorten van hoofdpijn.
Deze hardingsoefening kan men in een badkuip uitvoeren, als men zich maar tot over de enkels in 't water bewegen kan. Men zal er nog meer baat bij vinden, als men tot aan de kuiten en vooral, als men tot de knieën in het water gaat.
Men kan beginnen met 1 minuut, en later loopt men 5 a 6 minuten. Hoe kouder water, hoe beter. Na eene dergelijke oefening moet men zich zoo lang bewegen, tot de natuurlijke lichaamswarmte weder is ingetreden; dit moet 's winters in een warm vertrek, en 's zomers in de vrije natuur plaats hebben.
Zwakke personen kunnen beginnen met warm water; later nemen ze het water lauw. en eindelijk koud.
6. Een uitmuntend middel om de uiterste ledematen â armen en beenen â te harden, is het volgende; Men gaat tot aan, of over de knieën in het koude water staan, doch niet langer dan 1 minuut. Als men de schoenen weer aan heeft, ontbloot men de armen en houdt ze ook 1 minuut tot aan de schouders in het water. Beter is het, beide oefeningeil gelijktijdig te verrichten; voor iemand die eene groote badkuip bezit is dit gemakkelijk. Maar men kan het ook op de volgende wijze doen: men staat met de voeten in een kuip en baadt tegelijkertijd de handen en armen in een kleinere tobbe, die vóór de kuip op een stoel of bankje is geplaatst.
Ik wend deze oefening gaarne na vele ziekten aan, om den bloedstroom naar armen en beenen te voeren.
Het alleen indompelen der armen is heilzaam voor hen, die aan winterhanden of koude handen lijden.
Het is een voorname zaak, dat het lichaam bij deze oefening eene normale warmte heeft. Maar als de voeten het slechts koud hebben tot aan de enkels (niet tot aan de kuiten), of als dit met de armen het geval is tot aan de ellebogen, dan is dit geen reden om deze oefening achterwege te laten.
7. Als laatste hardingsmiddel gewaag ik van de begietingen der knieën. Bij de begietingen kan men hare wijze van toepassing vinden. Zij is de bijzondere vriend der voeten, en voorziet de ledige aderen van overvloedig bloed. Ik wil hier nog opmerken, dat ik deze oefening aan gezonden in sterker vorm toedien. Bij hen laat ik b. v. den waterstraal hooger vallen en 's winters koel ik A^oor hen het water nog meer af door bijvoeging van sneeuw en ijs.
Men kan deze oefening maar alleen doen, als het lichaam warm is. Ook zal de aanwending niet hinderen, als de voeten het tot aan de enkels toe koud hebben. Ook mag zij, als ze niet in vereeniging met eene andere oefening geschiedt, niet te lang (niet langer dan 3 a 4 dagen) volgehouden worden.
31
Bij langere aanwending wissele men haar af met eene begieting van het bovenlichaam, of met het indompelen der armen (zie no. 5). 's Morgens de eene,'s namiddags de andere oefening.
De opgenoemde hardingsmiddelen mogen volstaan. Zij kunnen in alle jaargetijden aangewend, m zomer en winter worden voortgezet. In den winter moet men de oefening bekorten en daarna iets langer wandelen. Zij, die er niet aan gewoon zijn, moeten deze oefeningen liever niet in den winter, in het koude jaargetijde, beginnen. Dit geldt vooral hen, die lijden aan bloedarmoede of inwendige koude, en verwend, ver-weekelijkt, vatbaar geworden zijn door het dragen van wollen kleeding. Dit zeg ik niet, omdat ik er de kwade gevolgen van ducht, maar uit vrees van iemand van dit uiterst heilzaam middel af te schrikken.
Ziekelijken, zoowel als gezonden, kunnen van al deze middelen gebruik maken, mits zij zich stipt aan de voorgeschreven regels houden. Nadeelige gevolgen, welke mochten voorkomen, moeten niet aan de toepassing zelve, maar aan deze of gene begane onvoorzichtigheid worden toegeschreven.
De oefeningen onder 1, 2, 3 en 6 vermeld, heb ik met succes aangewend bij teringlijders, bij wie de ziekte peeds ver gevorderd was.
Zij, voor wie ik dit boekske schreef, behoeven geene opwekking tot harding. Hun beroep en hun dagelijksch werk brengen vanzelf mee, dat zij iederen dag, of zelfs ieder uur, een der vele besproken of niet besproken hardingsmiddelen toepassen. Mogen zij volharden in vrede en niemand benijden, lt;lie het schijnbaar beter heeft dan zij ! Dit zijn dikwijls slechts groote begoochelingen.
Diegenen mijner geëerde lezers, die niet over deze zaken hebben hooren spreken, noodig ik uit om eerst een kleine proef te nemen, vóór zij een afkeurend vonnis vellen. Als de proef gunstig voor mij is, zal ik niij gelukkig achten; niet ter wille van mij zeiven, maar ter wille van het belang dei-goede zaak. In dit leven verheffen zich vele stormen tegen de gezondheid van den mensch. Gelukkig hij, die door harding zijne gezondheid goede wortels heeft doen schieten en daardoor pal staat.
32
Aanwendingen van het water.
De wateraanwendingen, bij mij in gebruik, worden op de volgende wijze verdeeld;
A. Compressen,
jB. Gewone baden,
C. Dampbaden,
D. Begietingen,
E. Wasschingen,
F. Omslagen.
G. Water drinken.
A. Compressen.
Ieder weet wat een compres is. Het is eene verkoelende plaatselijke aanwending â een stuk linnen, van koud water doortrokken, op het een of ander lichaamsdeel gelegd. Wij onderscheiden verschillende soorten van compressen.
1. Het compres op het vóórlijf.
Een groot stuk grof linnen (stroozakkenlinnen is daartoe bijzonder geschikt) wordt 3, 4, 6, 8, 10 maal over de lengte samengevouwen; het moet zoo breed en zoo lang zijn, dat het, van de keel af, de borst en het geheele onderlijf bedekken, en rechts, en links van het bovenlichaam, kan afhangen.
Het dus samengevouwen linnen wordt in koud water gedompeld (des winters kan men warm water gebruiken), flink uitgewrongen, en dan op bovengenoemde wijze den patiënt, die te bed ligt, op borst en onderlijf gelegd; daarover legt men een wollen deken of een driedubbel gevouwen laken, opdat het natte compres luchtdicht worde afgesloten; dan volgt het veeren bed. Om den hals leg ik gewoonlijk nog een tamelijk groot stuk wol of laken, om de van boven indringende lucht te weren. Met het toedekken ga men voorzichtig te werk, om den patiënt tegen kou vatten te vrijwaren.
Dit compres moet 8 kwartier of een uur blijven liggen. Moet echter, naar het voorschrift der geneesheeren, de aanwending worden voortgezet (wat enkel het geval is, wanneer de patiënt verkoeling noodig heeft), dan moet ook hetintus-schen warm geworden compres worden vernieuwd, d. w. z. opnieuw worden nat gemaakt.
Is de bepaalde tijd verstreken, dan verwijdert men de natte
33
doeken, kleedt zich aan en bewege zich flink, of men blijve nog eenigen tijd te bed liggen.
Het compres op het bovenlichaam heeft in 't bijzonder deze uitwerking, dat het uit maag en onderlijf de opgehoopte gassen verdrijft.
Bij deze en de volgende aanwendingen moet het lichaam warm zijn.
2. Het compres op het achterlijf.
Dit compres is tamelijk wel aan het eerste gelijk en worden zij kort na elkander opgelegd, dan is het altijd het eerst aan de beurt.
Daarbij moet men het volgende bemerken: daar ook het compres op het achterlijf in bed moet genomen worden, zou matras of stroozak nat kunnen worden; om dit te voorkomen worden op het laken een ander laken en daarop, over de breedte, een wollen deken gelegd. Nu wordt het samengevouwen, natgemaakte en uitgewrongen stuk linnen zóó op de wollen deken gespreid, dat het den geheelen wervelzuil en den geheelen rug van den ondersten halswervel af bedekt. Daarop legt zich de patiënt, slaat om alle lucht af te sluiten de wollen deken aan beide zijden over het lichaam en dekt zich met dekens of veeren bed flink toe. Ook dit compres zal niet langer dan 3 kwartier of één uur duren, en ingeval van langeren voorgeschreven duur, opnieuw nat gemaakt worden, want, evenals het eerste compres, werkt het slechts door verkoeling. Na de aanwending handele men evenals bij No. 1 is aangegeven.
Dit compres dient vooral tot sterking der ruggegraat en van het ruggemerg en wordt met goed gevolg bij pijn of spit in den rug aangewend. Ik ken vele gevallen, waarin twee zulke compressen, op éénen dag gebruikt, voldoende waren om het pijnlijke spit in den rug te verdrijven. Ook bij opstoppingen van bloed, bij heete koortsen, werkt het zeer goed. Het hangt van de bijzondere ziekte af, in welke gevallen het moet gebruikt en hoe dikwijls het vernieuwd moet worden.
3. Compressen op vóór- en achtergedeelte van het lichaam te gelijk.
Beide compressen kunnen niet alleen na elkander, maar ook tegelijkertijd genomen worden. Men spreidt het onder-compres op dezelfde wijze uit, als onder No. 2 is gezegd, en legt het boven-compres natgemaakt en uitgewrongen bij het
84
bed klaar. Men kleedt zich uit, strekt zich uit op het onder-compres en legge het boven-compres aan. Vervolgens dekke men zich met wollen dekens of met een veeren bed toe. Is er een verpleger bij de hand, dan kan hij de wollen dekens en het veeren bed goed instoppen, opdat geen frissche lucht kan binnensluipen. Het ware te wenschen, dat bii deze tweevoudige aanwending, de wollen deken, die op het laken of de matras ligt, groot genoeg ware, om beide compressen luchtdicht af te sluiten.
De duur der aanwending mag niet kleiner dan 3 kwartier en niet grooter dan één uur zijn.
Bij verhitting, ophooping van winden, congesties, hypochondrie en andere ziekten bewijzen zij goede diensten.
Velen zullen met deze âongemakkelijkequot; aanwending den draak steken; doch laat u daardoor niet afschrikken. Pas ze rustig toe; ze zal u vele ongemakken besparen.
4. Compres op het onderlijf.
Een patiënt ligt te bed. Een 4 a 6 maal samengevouwen stuk linnen wordt in water gedoopt, flink uitgewrongen, zoodat het niet meer druipt, op het onderlijf (op en onder de maagstreek) gelegd en zorgvuldig met wollen dekens of veeren bed toegedekt. De aanwending kan 8 kwartier a 2 uren duren; in het laatste geval moet het compres na het eerste uur opnieuw worden natgemaakt.
Het bewijst goede diensten bij maagziekten en krampen; zoo ook wanneer men het bloed van borst of hart wil afleiden.
In plaats van water wordt ook dikwijls azijn gebruikt, om het compres nat te maken; ook een aftreksel van hooizaad, schaafstroo, haverstroo enz. (Zie derde deel).
Om azijn te besparen, neem ik een stuk linnen, in tweeën gevouwen, dompel het in half water en half azijn en leg het op het bloote onderlijf. Vervolgens spreid ik daarover een in drieën of vieren gevouwen stuk linnen, enkel van water doortrokken. Het toedekken geschiedt als boven.
Zeer dikwijls is mij gevraagd, hoe ik over ijscompressen en aderlaten denk. Hierover een kort woord.
Die met gerimpeld voorhoofd en gebalde vuist zich met zijn vijand wil verzoenen, zal moeielijker slagen, dan die hem niet een vroolijk gezicht en een blij hart de hand reikt. Dit beeld is, dunkt mij, zeer goed gekozen om het verschil tusschen ijs- en wateraanwending aan te geven. Altijd zijn mij de ijscompressen op de meer edele lichaamsdeelen (hoofd, oogen, ooren, enz.) als de ruwste en gewelddadigste genees-
middelen voorgekomen, welke ooit kunnen worden gebruikt. Zij reiken de natuur niet de behulpzame hand, opdat zij zelve voortschrijde â zij duwen haar voort, en dit kan niet ongestraft geschieden. IJscompressen en ijsblazen, of hoe die dingen ook heeten, zijn voor mij onbekende grootheden en zullen het immer blijven. Van binnen gloeihitte, van buiten een ijsberg, daartusschen het lijdende lichaamsdeel â het edel orgaan van teeder vleesch en bleed â door beide bestookt ! Dat kan geen goede, geen heilzame uitwerking hebben. In vreezen en beven wachtte ik dikwijls de uitwerking daarvan af en helaas, mijn vrees bleek meestal gegrond.
Ik ken een heer, die een geheel jaar lang dag en nacht, ijs op een zijner voeten moest dragen. Voorzeker, het zou een wonder zijn, als zulk een ijsschol niet alle hitte, maar ook de onontbeerlijke natuurwarmte wegnam; de voet genas niet.
Maar, zal iemand mij tegenwerpen, in vele gevallen heeft het toch inderdaad geholpen. Nu, het kan zijn. dat de kwaal geen weerstand aan dit dwangmiddel bieden kan; maar wat waren de gevolgen? Ontelbaren kwamen tot mij die gedeeltelijk het gezichtsvermogen, gedeeltelijk het gehoor verloren hadden; die met allerlei soort van rheumatiek, vooral met rheumatiek in het hoofd, werden geplaagd, en wier hoofd in alle geval buitengewoon teergevoelig was.
quot;Wat was hiervan de oorzaak ? âDe ijsblaas heeft het gedaan,quot; zoo luidde het antwoord, âen dit kwelt mij reeds sedert vele jaren.quot; Voorzeker, en de meesten zullen gekweld worden tot hunnen dood.
Vergun mij het nog eenmaal te zeggen; ik ben volstrekt tegen ieder ijscompres, en beweer daarentegen, dat het water, goed aangewend, ook de hevigste hitte, in welk lichaamsdeel zij ook moge woeden, matigen en wegnemen kan. Als water bij brand niet meer helpt, dan helpen ook geene ijs-schollen. Dit begrijpt iedereen.
Ik zeide zooeven, dat het water, goed aangewend, hulp kan aanbrengen; daaronder versta ik zeker niet, dat men bij eene ontsteking aan of in het hoofd niets dan natte hoofdomslagen en compressen moet aanwenden, gelijk men Ljscom-pressen en ijblazen oplegt.
Honderd schollen ijs en hoofdomslagen zullen niet beletten, dat het bloed naar de plaats der ontsteking stroomt en de gloeihitte doet stijgen. Ik moet zoeken het bloed op eene andere wijze af te leiden en te verdoelen, d. w. z. behalve de aanwendingen op de zieke plaats, zijn er ook voor het geheele lichaam noodig. Den vijand in of aan het hoofd zou
36
ik, om het zoo uit te drukken, bij de voeten van den patiënt aangrijpen en hem door het geheele lichaam vervolgen.
Overigens bewijst het ijs mij indirect uitstekende diensten ; het koelt des zomers het water af, wanneer het begint lauw te worden.
Welke is nu mijn meening over het aderlaten, bloedzuigers, en andere bloedaftappende middelen?
Voor vijftig, veertig, dertig jaren werden er weinige vrouwen gevonden, die niet 2, 3, 4 maal in het jaar werden adergelaten ; de halve feestdagen en natuurlijk de gunstigste sterre-teekens werden in den kalender reeds bij dén aanvang van het jaar met heiligen ernst opgezocht en met rood en blauw krijt onderstreept. De plattelandsheelmeesters en anderen, badmeesters en zelfs barbiers wisten aan het aderlaten geen ander woord te geven dan âslachterijquot;. Ook gestichten en kloosters hadden hunnen tijd van aderlaten, evenals dien van dieet, nauwkeurig bepaald. Vóór en na de bloedige, operatie, wenschte men elkander geluk. De aftapping schijnt dikwijls geene kleinigheid geweest te zijn. Een geestelijke uit die dagen verzekerde, dat hem, 32 jaren lang, 4 maal in 'tjaar 8 ons bloed was afgetapt, te zamen dus 8 X 4 X 32 = 1024 onsen bloed.
Behalve de aderlating, had men nog bloedzuigers en koppen. Voor jong en oud, voor rijk en arm, voor mannen en vrouwen werd zorg gedragen.
Hoe toch de tijden veranderen! Deze âslachterijquot; heeft men jarenlang voor het unum necessarium gehouden â het eenig en volstrekt noodzakelijke voor het bezit en het behoud der gezondheid.
Hoe denkt men er tegenwoordig over? Men spot en lacht met de wetenschappelijke dwaling onzer vaderen, als zou de mensch te veel bloed hebben. Voor ongeveer twee jaren zeide mij een buitenlandsch geneesheer, die zijne nieuwe richting In de geneeskunde met woord en schrift verdedigde, dat hij in zijn leven nog nooit bloedzuigers had gezien. Vele artsen schrijven de bloedarmoede van ons geslacht aan het aderlaten van vroeger toe. Misschien hebben zij gelijk; maar de eenige oorzaak is het niet.
Doch ter zake. Ziehier mijne overtuiging â alle ledematen van het menschelijk lichaam staan, èn tot elkander onderling, èn tot het lichaam in zijn geheel, in zoo schoone, verhevene orde, dat men onwillekeurig uitroept; het denkbeeld kon slechts opkomen in het verstand van een Wijzen Schepper, en slechts door een Almachtigen God worden uitgevoerd ! Diezelfde orde en harmonie bestaan ook tusschen het gebruik en
37
verbruik der stoffen, die tot behoud en onderhoud van het lichaam noodig zijn, mits de verstandige en vrije mensch door een goed gebruik van Gods gaven daartoe medewerkt, en niet door misbruik die orde verbreekt â die harmonie door wanklanken verstoort. Daar dit zoo is, zou ik niet kunnen begrijpen, dat alleen de vorming van het bloed, het voornaamste en gewichtigste in het menschelijk lichaam, daarop eene uitzondering zou maken en zonder orde, regel of maat geschieden zou.
Elk kind, zoo stel ik mij de zaak voor, verkrijgt terstond bij zijne geboorte van zijne moeder niet alleen het leven, maar ook eene zekere hoeveelheid stof, tot bereiding van het. bloed; een zekere kracht, die tot bloedvorming volstrekt noodzakelijk is. Gaat die kracht verloren, dan houdt de bloedvorming op en daarmede ook het leven. Verkwijnen, verwelken noem ik geen leven meer. Nu gaat door ieder bloedverlies, hetzij dit door een hevig vallen, door aderlating, bloedzuigers of koppen plaats heeft, een deeltje of deel van deze bloedvormingsstof of levenskracht verloren. Ieder bloedverlies is gelijk aan een verkorting van het leven, want het leven zit in het bloed.
Men werpt mij tegen: âdat niets zoo snel gaat als bloedvorming; bloed verliezen en herwinnen is bijna een en hetzelfde.quot;
Ongeloofelijk, wonderbaar snel heeft de bloedvorming plaats; dit geef ik volkomen toe. Maar men veroorlove mij een tegenbewijs uit de ondervinding aan te halen. Het is belangwekkend voor mijne lezers uit den boerenstand en ik twijfel niet, of ze zullen er mede instemmen.
Die een stuk vee in korten tijd wil vetmesten, tapt het een zekere hoeveelheid bloed af, en geeft het dan stevig voedsel. In zeer korten tijd zal nieuw, heerlijk bloed door de aderen stroomen ; het beest bevindt er zich uitmuntend bij en neemt in vetheid toe. Na 3 of 4 weken tapt men weder bloed af en voedert het met krachtige spijs en drank. Het vetmesten gaat nu zoo snel mogelijk ; en zelfs een oud stuk vee zal, wanneer het geslacht wordt, evenveel en schoon bloed hebben ais een jong beest. Maar beschouwen we nu even het bloed nauwkeuriger ; het kunstmatig gevormde bloed is waterachtig, dun en zonder levenskracht. Zwak, macht- en krachteloos is het dier, en wordt het niet afgemaakt, dan zal het dra aan waterzucht lijden.
Zou het den mensch anders vergaan? Die meer dan zestig levensjaren telt, en in het menschelijk leven een beetje ondervinding en doorzicht heeft, weet hoe juist het onmatig aderlaten onzer voorouders een ongunstigen invloed op de
38
bekwaamheden, talenten en den levensduur der nakomelingen heeft uitgeoefend. De zooeven genoemde heer, wien zooveel onsen bloed waren afgetapt, stierf in de schoonste jaren van den mannelijken leeftijd aan waterzucht. En als eene vrouw (dit is werkelijk voorgekomen) 3 a 400 malen werd gelaten, en dientengevolge ongehoord zwak en ziek werd, moest dan haar geslacht niet zwak en gebrekkig zijn, niet met krampen en andere pijnen te worstelen hebben ? G-aarne geef ik toe, dat in sommige hoogst zeldzame gevallen, wanneer andere snelwerkende tegenmiddelen worden aangewend, de aderlating geen oogenblikkelijk gevaar oplevert; maar ik vraag ieder verstandig en onpartijdig man: Wat is beter, zich één voor éen de levensdraden af te laten snijden, of door een behoorlijke waterkuur het bloed zóó te verdeelen, dat zelfs de meest volbloedige niet een te groote hoeveelheid bloed bezit ? Hoe en op welke wijze deze verdeeling plaats heeft, wordt later dikwijls geleerd.
Gewoonlijk hoort men, dat bij dreigende aanvallen van beroerten, de aderlating het eenige redmiddel is. Juist herinner ik mij daar een geval, waarin de eene dokter na een beroerte terstond tot aderlating overging, terwijl de tweede kortweg verklaarde, dat de zieke tengevolge dier aderlating sterven moest. Dit geschiedde ook werkelijk zoo. Geen overvloed of rijkdom van bloed, zooals velen verkeerdelijk meenen, maar bloedarmoede geeft in den regel aanleiding tot beroerte. âHij is aan beroerte gestorvenquot; beteekent gewoonlijk niets anders dan: met den laatsten droppel bloed is ook het leven gevloden; de olie heeft opgehouden te vloeien en te voeden; daarom is de vonkende pit uitgedoofd.
Welke nuttige diensten het water juist na aanvallen van beroerten bewijst, zal ik in het derde deel aantoonen. Hier wil ik nog opmerken, dat de pastoor van Wörishofen, mijn onmiddellijke voorganger, driemaal door een beroerte getroffen en na de derde maal door den geneesheer verklaard werd. niet langer te kunnen leven. Nochtans heeft het water hem niet alleen voor het oogenblik gered, maar hem nog lange jaren voor zijne parochianen gespaard. (1)
B. Baden.
I. Voetbaden.
De voetbaden worden koud en warm genomen.
(1) In dien tijd was âvater Kneippquot; rector en biechtvader in het Dominica-nessenklooster aldaar.
1. ILct koude voetbad.
bestaat hierin, dat men 1 a 3 minuten tot aan, of over de kuiten in het koude water staat.
Bij ziekten dient het voornamelijk om het bloed van liet hoofd en de borst af te leiden; het komt echter meestal in vereeniging met andere aanwendingen voor; somtijds ook wanneer de patiënten om verschillende redenen geen heele of halve baden kunnen verdragen. Deze koude voetbaden verkwikken en versterken gezonden, en daarom vooral raad ik ze den bewoners van het platteland aan, wanneer zij niet kunnen inslapen na zeer vermoeienden, inspannenden arbeid. Zij nemen moeheid weg, en brengen rust en goeden slaap aan.
2. Het Warme voetbad.
kan op verschillende wijzen genomen worden.
et). Men werpt een handvol zout en eene dubbele hoeveelheid houtasch in warm water van 25 a 26 graden E. Na voldoende vermenging gebruikt men het voetbad ongeveer 12 a 15 minuten.
Soms geef ik zulk een voetbad met een maximum temperatuur van 30 graden, doch laat er dan steeds een koud voetbad van een half uur op volgen. Dit moet echter altijd uitdrukkelijk worden voorgeschreven.
Sommige menschen, b. v. zwakken, gebrekkigen, of die aan bloedarmoede lijden, kunnen bijna onmogelijk verkoelende middelen gebruiken, omdat het koude water geen reactie verwekt en daarom te weinig warmte ontwikkelt. Aan dezen bewijzen de warme voetbaden uitstekende diensten.
De warme voetbaden zijn goed voor zwakke, aan bloedarmoede lijdende, zenuwachtige, zeer jonge of zeer oude personen, voornamelijk voor vrouwen; en zij hebben eene krachtige uitwerking bij verstoring van bloedsomloop, congesties, hoofdpijn, keelziekten, krampen enz.
Zij leiden het bloed naar de voeten en werken kalmeerend.
Voor menschen met zweetvoeten zijn ze niet aan te raden.
Onze landlieden kennen zeer goed het gebruik van warme baden en de uitwerking is algemeen bekend.
b). Uitstekend werkt het hooizaad-voetbad. Men werpt 3 a 5 handen vol hooizaad (1) (afval van hooi, als: zaad, bloesem,
(1) In de volkstaal noemt men het: âHooiluizenquot;
40
blaadjes, enz. enz.) in kokend water, dekt de tobbe toe en laat het mengsel tot op 25 a 26 graden R. afkoelen.
Het komt er niet op aan, of het hooizaad in de tobbe blijft, of alleen het aftreksel gebruikt wordt. Omdat het eenvoudiger is, en tijd spaart, laten menschen uit den minderen stand gewoonlijk alles bij elkander.
Deze voetbaden werken oplossend, afscheidend en sterkend, en ziin voortreffelijk voor open voeten, zweetvoeten, open wonden, allerlei kwetsuren, (door stooten, slaan, of vallen, enz. ontstaan; hetzij er bloed gevloeid heeft, hetzij het bloed zich onder de huid heeft opgehoopt), gezwellen, podagra, kraakbeenvorming aan de voeten, inzweren van nagels, ongemakken door knellende schoenen, enz. In het algemeen kan gezegd worden: Deze voetbaden werken uitstekend op alle voeten, wier sappen meer slecht en onrein, dan frisch en gezond zijn.
Een heer leed vreeselijk aan voetjicht; hij schreeuwde het uit van pijn; doch alle smart was geweken, toen hij zulk een voetbad genomen en den voet gewikkeld had in een doek, met hooizaadaftreksel gedrenkt.
c). Hieraan sluit zich het haverstroovoetbad. In een ketel wordt haverstroo een half uur lang gekookt en het aftreksel wordt gebruikt voor een voetbad van 25 a 26 graden R., waarin men 20 a 30 minuten verwijlt.
De ondervinding heeft mij geleerd, dat deze voetbaden onovertroffen zijn, wanneer het de oplossing van alle mogelijke verhardingen aan de voeten geldt. Even heilzaam werken zij bij kraakbeenvorming, knobbels aan de voeten, enz., de gevolgen van jicht, podagra, eksteroogen, ingroeiende nagels en blaren, door het loopen ontstaan; zelfs etterende, open voeten, teenen van het zweeten doorwond, kunnen in deze voetbaden genezing vinden.
Een zeker heer sneed zijn eksteroog. De teen werd ontstoken ; de wonde deed aan bloedvergiftiging denken. Dagelijks drie haverstroovoetbaden, en de voeten tot boven de enkels in haverstroo-omslagen gewikkeld, heelden den voet binnen vierdagen.
Eenen zieke dreigden alle teenen af te zweren; donkerblauwe gezwellen deden wederom bloedbederf vreezen. De voetbaden en voetomslagen hielpen hem in korten tijd weder op de been.
In vele gevallen schrijf ik bij de genoemde voetbaden, evenals bij de warme volbaden, een drievoudige afwisseling voor (vergelijk de verhandeling bij het volbad). Evenals daar, is ook hier de koude aanwending de laatste.
d). Hier wil ik in het voorbijgaan wijzen op een bijzonder soort van voetbaden, die meer vast dan vloeibaar zijn. Die in
41
de mogelijkheid is ze te gebruiken, versmade ze niet. Dikwijls heb ik ze met wonderbaar succes aangewend. Men werpt in een tobbetje het nog warme mout, boort met de voeten er in, en weldra gevoelt men zich in die behagelijke warmte te huis. Het kan IB a 30 minuten duren. Die aan rheumatiek, jicht of dergelijk lijden onderhevig is, zal spoedig de heilzame werking bespeuren.
Ten slotte eene opmerking, die voor alle voetbaden geldt: bij personen, die met krampaderen zijn behept, mogen de voetbaden niet hooger dan tot onder de kuiten reiken en de temperatuur van 25 graden R. niet te boven gaan.
Voetbaden, alleen uit warm water, zonder eenig bijmengsel, bestaande, worden nooit voorgeschreven.
II. Halfbaden.
In het algemeen versta ik onder halfbaden die baden, welke het lichaam hoogstens tot het midden van het onderlijf, ongeveer tot aan de maagstreek bespoelen, maar zeer dikwijls onder dezen hoogsten waterstand blijven. Ik moest een bad zoeken tusschen de volbaden, die mij te sterk, en de voetbaden, die mij te zwak werkten. Hiervoor vond ik de halfbaden.
Ze zijn drieërlei:
1. In het water staan, zoodat het tot boven de kuiten of boven de knieën reikt;
2. In het water knielen, zoodat de dijen geheel worden bespoeld;
3. In het water zitten.
De derde soort slechts verdient met recht den naam van halfbad; het water moet dan tot het midden van het onderlijf, tot aan de navelstreek stijgen.
Deze drie aanwendingen geschieden alleen in koud water en nemen de eerste plaats in onder de hardingsmiddelen. Zij zijn dientengevolge bestemd voor gezonden, die nog sterker ; voor zwakken, die sterk; voor reconvalescenten, die gezond en krachtig willen worden. Ingeval van ziekte moeten zij uitdrukkelijk worden voorgeschreven â beproeven, of ze goed werken, zou onder zekere omstandigheden schadelijk kunnen zijn.
Hoe ze ook worden aangewend, ingeval van gezondheid of ziekte, nooit staan ze op zich zelve, maar komen altijd in vereeniging met andere aanwendingen voor, en de duur er van mag nooit een half a drie minuten te boven gaan.
De eerste en tweede aanwending (in het water staan en knielen)
4
42
heb ik aan verzwakte personen, in den aanvang der waterkuur, steeds met goed gevolg toegepast. De oorzaken dei-verzwakking wil ik niet noemen, doch er slechts op wijzen, dat er velen zijn, die aanvankelijk de volbaden niet kunnen verdragen, zonder de onaangenaamste gevolgen te ondervinden. Hierover met medelijdend schouderophalen te lachen, verraadt niets dan domheid. Gaarne zou ik eenige, neen, honderden overtuigende voorbeelden uit de verschillende klassen en standen der maatschappij aanvoeren. Deze zieken juist hebben mij door hun zwakheid tot deze twee aanwendingen gevoerd; hun toestand eischte deze zachte en voorzichtige behandeling, dikwijls verscheidene weken lang, totdat zij gesterkt waren en meer verdragen konden.
Als tweede hardingsmiddel wordt hiermede gewoonlijk ook het baden der armen tot aan de oksels verbonden; dan staalt het niet alleen de natuur, maar is het ook een uitstekend middel tegen koude voeten.
Men geve bijzonder acht op No. 3, het eigenlijk volbad. Allen gezonden beveel ik het dringend aan. Zwakte en ziekte in het onderlijf (hun aantal is legio en de oorzaak in den grond slechts ééne, namelijk: verweektheid en gemis aan harding) worden daardoor in de kiem verstikt, of, hebben zij wortel geschoten, geheel en al uitgeroeid. Zij sterken het onderlijf, onderhouden en vermeerderen de krachten. Duizenden en duizenden van menschen dragen één, twee, soms meer lijfgordels. Zijn ze zooveel gezonder? Integendeel; dikwijls veel ellendiger nog: juist daardoor binden zij, om het zoo eens uit te drukken, de kwaal in het arme lichaam vast. Men neme eens voorzichtig, maar beslist, een proef met ons halfbad. Spoedig zullen alle klachten verstommen over aambeien, windkoliek, zwaarmoedigheid, hysterie enz., kwalen die thans in het zieke en zwakke onderlijf den schepter voeren en den geest onderdrukken.
Gezonden geef ik den raad des morgens bij het opstaan het bovenlijf te wasschen en des namiddags of des avonds een halfbad te nemen. Hebben zij in het vroege morgenuur geen tijd om zich te wasschen, dan kunnen zij dit tijdens het halfbad doen.
Over het gebruik dezer drie halfbaden ingeval van ziekte zal ik eenige voorbeelden laten spreken.
Een jongman was door typhus zóó verzwakt, dat hij onbekwaam was tot lederen arbeid. Om de twee of drie dagen knielde hij, aanvankelijk gedurende 1, later gedurende 2 a 8 minuten, in het water. Van week tot week voelde hij zicli krachtiger en werd even sterk als vroeger.
43
Iemand lijdt aan hevige congesties, die, zooals meestal, hun oorzaak vinden in het onderlijf. Den eenen dag wascht hij het bovenlijf flink af; den anderen dag knielt hij in het water'; deze kuur zet hij eenigen tijd voort en hij is spoedig gezond.
Maagkwalen, die uit winderigheid ontstaan, worden op dezelfde wijze genezen.
Een heei sterk middel is ons halfbad tot uitdrijving van die gassen, die na de verschillende ziekten tot de lastigste kwalen kunnen behooren.
III. Zitbaden.
De zitbaden kunnen koud en warm worden gebruikt.
1. Het koude zitbad
wordt op de navolgende wijze genomen:
De voor de zitbaden speciaal bestemde zitbadkuip, (fig. 1) of bij gemis daarvan, het wijde, ondiepe vat van hout, blik of zink (fig. 2)
wordt voor Vt of Vs met koud water gevuld.
In deze kuip plaatst men zich,
uitgekleed, als op een stoel, zoodat de helft van het onderlijf tot aan de nierstreek, met de bovenhelft der dijen in het water komt. De onderhelft der dijen komt, evenals de voeten, niet met water in aanraking (zie fig. 3).
Die reeds eenige oefening daarvan heeft, behoeft zich niet geheel uit te kleeden.
Het bad duurt 1;2 a 3 minuten.
Deze koude zitbaden behooren nevens de halfbaden tot de gewichtigste en heilzaamste aanwendingen, in 't bijzonder voor het onderlijf. Zij drijven de gassen uit, bevorderen spijsvertering en stoelgang, regelen en sterken den bloedsomloop en kunnen daarom bij bleekzucht, bloedvloeiing, bij ''
44
onderlijfskwalen en dergelijke ziekten niet genoeg worden aanbevolen. Niemand behoeft deze natkoude aanwending van zoo korten duur te vreezen ; goed en volgens de regels toegepast, schaadt zij nimmer.
Om zich tegen het vatten van koude te vrijwaren, om gesterkt en gestaald te worden tegen de snelle afwisseling van temperatuur, neemt men deze zitbaden, dikwijls vooral des nachts van bed uit. quot;Wanneer men b. v. ontwaakt, gaat men spoedig in het bad zitten en zonder zich af te drogen, kruipt men weer in 't bed. Die zóó twee- of driemaal in den nacht doet, handelt niet onvoorzichtig.
Ik ken een heer, die de badkuip nooit droog naast zijn bed heeft staan; iederen nacht, zoowel in den winter als in den zomer, deze baden gebruikt, en daarbij in een niet verwarmd vertrek slaapt. Een ieder kan ik dit niet aanbevelen; maar in mijn hart prijs ik den geharden man, die, ofschoon hoog in jaren, aan zijne gewoonte getrouw blijft en zich daarbij wel bevindt.
Wanneer men reeds in het begin van den nacht niet gezond en rustig slapen kan; die 's nachts ontwaakt en onmogelijk den slaap hervatten kan; ih 't algemeen, die aan slapeloosheid lijdt, make vlijtig van het koude zitbad gebruik. Een bad van 1 a 2 minuten neemt alle zenuwachtigheid weg en verschaft een aangename rust.
Een patiënt kon geruimen tijd zelden langer dan 1 a 2 uur slapen; hij wendde en keerde zich onrustig op zijn legerstede en werd daardoor hoe langer zoo meer opgewekt. Deze baden brachten hem den zoozeer gewenschten slaap.
Die 's morgens opstaat met een zwaar hoofd en meer vermoeid, dan toen hij ter ruste ging, kan niet beter doen dan een zitbad nemen.
Nogmaals raad ik allen gezonden het zitbad aan.
3. Het warme zitbad.
Hiertoe gebruik ik nimmer warm water alleen; het is;
a. een schaafstroo-zitbad,
b. een haverstroo-zitbad,
c. een hooizaad-zitbad.
De toebereidselen zijn voor ieder bad dezelfde. Men giet kokend water op het kruid en laat het mengsel een tijdlang op het vuur afkoken. Vervolgens zet men den kookketel van het vuur, laat het aftreksel met de kruiden afkoelen tot een temperatuur van 24 a 26 graden R. (zelden 30 gr.) en stort
45
afkooksel en kruiden te gelijk in de gereedstaande zitbadkuip. Zulk een zitbad duurt een kwartier en daar het onnoodig is, het aftreksel nog te laten vloeien, bewaart men het, om het voor nog twee volgende aanwendingen te benuttigen. Do eerste heeft 3 a 4 uur later plaats, de tweede één uur later dan de eerste â beide in het koude afkooksel ieder 1 a 2 minuten lang.
Zulke zitbaden veroorloof ik hoogstens 2 a 3 maal in de week. meestal slechts in afwisseling met koude of ook, waar het de genezing van een diep ingewortelde kwaal betreft, b. v. bij hevige aambeien, bij fistels aan den endelarm, bij ongemak aan den dikken darm enz.
Breuklijders behoeven zich door hun kwaal hiervan niet te laten afschrikken.
a.) Het schaafstroo-zitbad wordt vooral en hoofdzakelijk aangewend bij krampachtige rheumatische aandoeningen van nier en blaas, bij graveel en steen en moeielijkheid bij het urineeren.
b.) Het haverstroo-zitbad is een uitmuntend bad voor jichtlijders.
c.) Het hooizaad-zitbad heeft een meer algemeene bestemming en wordt bij gebrek aan schaafstroo en haverstroo bij alle bovengenoemde onderlijfskwalen aangewend, ofschoon de werking niet zoo krachtig is. Het bewees mij steeds goede diensten ter oplossing van ophoopingen in het onderlijf, van uitwendige gezwellen, verzweringen, (gordeluitslag) bij moeilijken stoelgang, aambeien, krampachtige verschijnselen en wind-koliek.
IV. Volbaden of g e h e e 1 e baden.
Ook deze baden worden onderscheiden in koude en warme volbaden. Elk dezer baden kan zoowel door gezonden als zieken genomen worden.
1. Het koude volbad
kan op twee wijzen worden aangewend. Men staat of ligt met het heele lichaam in het koude water eener badkuip. Of men gaat om den gevoeligen druk op de longen (dat evenwel geen kwaad kan) te vermijden, slechts tot onder de armen in het water, zoodat het bovenste gedeelte der longen vrij blijft, en wascht het bovenlijf met de hand, of met een ruwen linnen handdoek, snel af.
Zulk een koud volbad duurt minstens V» minuut; langer dan 3 minuten mag het nimmer duren. Dit is mijne zienswijze
46
en daar zal ik vaak op terugkomen. Ik wil u hier slechts opmerken, dat ik een 20 jaar geleden van een ander gevoelen was; ik schreef toen langere baden voor en leefde in de overtuiging, dat de koudwaterinrichtingen de beste methode wel zouden volgen.
Deze mijne denkbeelden zijn echter door lange ondervinding en dagelijksche toepassing op mij zeiven en op anderen gewijzigd. Ik ben thans overtuigd, dat de navolgende grondregel de eenige ware en juiste is: Hoe korter in- 't bad, hoe meer uitwerking. Die 1 minuut in 't koude volbad blijft, handelt verstandiger en zekerder dan hij, die er 5 minuten in vertoeft.
Zoowel voor gezonden als zieken ben ik tegen elk bad, dat langer dan 3 minuten duurt.
Deze overtuiging, door tal van daadzaken bij mij opgekomen en bevestigd, verklaart, dat ik de ruwe en gestrenge aanwendingen bij koudwaterinrichtingen in gebruik, en het ondoordacht veelvuldige zwemmen in den zomer afkeur.
Wat het laatste punt betreft, vindt men personen, die eiken dag één- of tweemaal gaan zwemmen en telkens een half uur en langer in het water blijven. Ik wil niet spreken van goede zwemmers, die veel beweging maken en zich na het bad goed voeden. De sterke natuur herstelt spoedig de door het bad geleden schade. Maar landratten, die zich niet in het water kunnen bewegen en zich, evenals een schildpad, een half uur lang door het water sleepen, hebben er niet alleen weinig profijt van (het wasschen der huid hadden zij goed-kooper kunnen hebben) maar een dergelijk bad, dikwijls herhaald, zal hun veel schaden, omdat het ontzenuwt en vermoeit.
In plaats dat het gestel er beter van wordt, wordt het er slechter van; in plaats dat het wordt versterkt en gevoed, teert het uit.
a.) Eet koude volbad voor gezonden.
Van bekende en onbekende zijde werd ik dikwijls aangemaand eens goed te bedenken, dat het aanwenden van koud water eensluidend is met onttrekken aan warmte en dat het verlies van warmte voor personen, die aan bloedarmoede lijden, zeer nadeelig is en de prikkelbaarheid der zenuwen in hooge mate doet stijgen. Elk dezer woorden wil ik gaarne met mijn naam onderteekenen, wanneer het aanwendingen geldt van al te ruwen aard, zooals ik die zooeven beschreven heb; mijne aanwendingen echter, en hier de volbaden, durf ik eerstens aan alle gezonden in winter en zomer aanbevelen en
47
beweer, dat juist deze baden tot behoud en sterking der gezondheid bijdragen. Zij reinigen de huid ; bevorderen de werkzaamheid der huid; verfrisschen, bezielen en sterken het geheele organisme, 's Winters moet het getal baden in de week nimmer twee te boven gaan, zelfs is één bad in 8 en somti]ds in 14 dagen genoeg.
Nog twee punten wil ik hier aanroeren. Het gehard zijn tegen de verschillende invloeden, vooral de afwisseling van weder en jaargetijden, speelt een groote rol in ons leven. Ongelukkig de mensch, die ieder windje, ieder zuchtje, voor zijn longen, keel of hoofd vreesten die, het geheele jaar door op zijn observatiepost moet staan om te zien, waarheen het haantje van den toren zich draait. Den boom in de vrije natuur is het onverschillig of storm of windstilte, hitte of koude den schepter zwaait; hij trotseert weer en wind, hij is gehard. Laat de gezonde ons bad eens gebruiken en hij zal den boom gelijk zijn.
Een bezwaar, dat vele tegen de koudwateraanwendingen met angst en zorg vervult, is hun moeielijk uit het hoofd te praten.
G-aarne zou ik het een âidéé fixequot; noemen over warmteverlies. Koude, zegt men, verzwakt en moet verzwakken, als op de aanwending niet terstond een gevoel van warmte volgt. Voorzeker, ik ben het hiermede volkomen eens, doch ik beweer, dat (afgezien van de beweging, die volgens onze grondbeginselen met iedere koudwateraanwending ten nauwste verbonden is) onze koude baden aan de natuur geenszins hare warmte ontnemen, maar ze integendeel onderhouden en ver-hoogen.
Ik stel slechts ééne vraag. Wanneer een verzwakt, huiszittend, verweekt mensch, die 's winters slechts in den uitersten nood durft wagen naar buiten te gaan; wanneer zulk een mensch door de baden of wasschingen op eens zóó gehard is, dat hij zonder vrees bij weer en wind uitgaat en de snerpendste koude nauwelijks bespeurt, moet de natuur-warmte bij zoo iemand niet zijn verhoogd ? Of zou men dit alles meer schijn dan zijn moeten noemen ?
Een voorbeeld uit vele moge beslissen. Een hooggeplaatst persoon, meer dan 60 jaren oud, was waterschuw in hooge mate. Als hij uitging, bestond zijn grootste zorg daarin, toch geen zijner vele wollen kleedingstukken te vergeten: alle mogelijke en onmogelijke verkoudheden konden immers het gevolg dier onverschoonbare vergetelheid zijn; zijn keel was zoo gevoelig, meer dan zijn romp of andere ledematen, dat hij niet wist hoe die te koesteren of in te bakeren. Dat kwam
48
âde barbaarquot; te hooren. Met een zeker ondeugend genoegen schreef hij koude volbaden voor. De heer gehoorzaamde en wat waren de gevolgen ? Buitengewoon gunstig. Na weinige dagen reeds begon hij een zijner wollen of flanellen hemden af te leggen ; spoedig volgde het tweede denzelfden weg en de wollen cache-nez en halsdoek deelden weldra hetzelfde lot. lederen dag, waarop hij verhinderd was een volbad te nemen, was voor hem een verloren dag; zoozeer staalde het hem tegen klimaat en weersverandering. Niet alleen nam hij de baden in een verwarmde kamer, maar op zijne dagelijksche wandeling (gedurende de maand October) in een rivier, want dat koele water lachte hem meer toe, dan het water in zijn badkuip te huis.
De hoofdvragen door ons te beantwoorden zijn de volgende :
In welken toestand, in welke gesteltenis moet het gezonde lichaam zijn om zulke koude volbaden met goed gevolg te kunnen gebruiken? Vervolgens:
Hoe lang mag een gezond mensch in 't bad blijven ? Ten laatste:
In welk jaargetijde kan met het best met deze hardings-kuur beginnen ?
Een hoofdvereischte voor de goede gesteltenis is, dat het geheele lichaam volkomen warm zij. Die derhalve, door lang in een warme kamer te verblijven, door arbeiden of wandelen door en door warm is, heeft aan de hoofdvoorwaarde voldaan. Doch die koud is, aan koude voeten lijdt, of koude rillingen ontwaart, mag in zulk een toestand nimmer een koud volbad nemen. Eerst moet hij zich door wandelen, enz. behoorlijk verwarmen ; daarentegen, die zweet en verhit is, (bedenk wel, dat ik hier enkel van gezonden spreek) zelfs, die in het zweet baadt, kan gerust ons volbad gebruiken.
Niets wordt, ook door verstandige, op doorzicht bogende mannen, zoozeer gevreesd dan verhit en bezweet zich in koud water te baden, en toch, niets is zoo onschuldig. Zonder schroom spreek ik mijn wel overwogen en op jarenlange ondervinding gegrondveste overtuiging uit; hoe erger liet zweeten is, hoe beter en heilzamer is ook het bad. Bij ontelbaren, die vroeger meenden, dat zij bij zulk een badkuur onvermijdelijk door een beroerte moesten worden getroffen, was na de eerste proef alle vrees, alle angst, alle vooroordeel weggevaagd.
Wie heeft, als hij verhit naar huis kwam en hem het zweet van het aangezicht druppelde, als hem de vingeren aan elkander kleefden, ooit geaarzeld of geschroomd handen en aangezicht â ja, zelfs borst en voeten te wasschen ? Dit doet een ieder; men voelt er zich goed en behagelijk oude]-.
49
Volgt hier niet uit, dat het wasschen op het geheele lichaam diezelfde uitwerking zou hebben? Wat voor enkele deelen een weldaad is, zou dit voor het geheele lichaam een misdaad zijn ?
Ik geloof, dat de vrees voor de schadelijke gevolgen van de koude baden, wanneer het personen betreft, die bezweet of verhit zijn, meestal daaruit voortkomt, omdat de ondervinding leert, dat zulke personen zich dikwijls voor geheel hun leven bederven, als zij plotseling aan koude of frissche lucht^ (vooral tocht) worden blootgesteid. Dit is volkomen waar. Ik wil zelfs toegeven, dat het koude water in zulke personen reeds dikwijls de kiemen heeft gelegd voor eene ernstige ziekte. Maar wie draagt de schuld daarvan ? Het zweet of het koude bad? Geen van beide. Zooals bij alles in het leven, komt het hier in de eerste plaats niet op het âwatquot;, maar op het âhoequot; aan. De vraag is deze: hoe gebruiken verhitte menschen het koude water? Met een eenvoudig zak- of broodmes kan een razende onnoemelijk veel onheil veroorzaken; een onverstandig gebruik kan van het grootste goed het grootste kwaad maken. Toch is het vreemd, dat men steeds het goede en niet de lakenswaardige misbruiken veroordeelt.
Het komt er dus op aan, hoe en op welke wijze gehandeld wordt. Ieder raadplege zich zeiven en drage zelf de gevolgen eener schuldige en lichtzinnige handelwijze.
Hiermede raken wij de tweede vraag: hoe lang mag een gezond mensch in het koude volbad blijven?
Een heer, dien ik wekelijks twee van zulke baden had voorgeschreven, kwam na een dag of veertien bij me en klaagde, dat zijn toestand aanmerkelijk verergerd en hij zelf een ijsklomp gelijk was. Hij zag er lijdend uit en het ging mijn begrip te boven, hoe het water mij op eenmaal zoo booze parten had gespeeld. Op mijne vraag: of hij mijne aanwendingen nauwkeurig volgens de voorschriften gemaakt had, antwoordde hij: âZoo nauwkeurig mogelijk; ik heb zelfs nog meer gedaan, dan gij hadt voorgeschreven; in plaats van 1 minuut, ben ik er 5 in het water gebleven; maar het ongeluk was, ik kon er maar niet warm van worden.quot; De volgende weken paste hij beter op en had spoedig de natuurwarmte en frischheid van vroeger terug.
Dit geval is een beeld van alle andere gevallen, waarin het bad geschaad zou hebben. Niet het water, niet de aanwending draagt de schuld â de onvoorzichtigheid en onnauwkeurigheid der menschen zijn de misdadigers. Helaas! door een kwade gewoonte wordt op het water de schuld der menschen gelegd.
Die een koud volbad neemt, kleede zich snel uit en ga
50
1 minuut in de badkuip liggen; die bezweet is, ga in de kuip zitten, d. w. z. plaatse zich tot aan de maagstreek in het water en wassche snel en krachtig het bovenlichaam af; dan duike hij een oogenblik tot aan den hals onder, stijge zonder talmen uit de badkuip, en kleede zich zonder afdrogen zoo spoedig mogelijk aan. De arbeider of handwerksman kan zich terstond weder aan het werk begeven; anderen moeten zich een kwartier lang zóó bewegen, dat het lichaam de normale droogte en warmte terugbekomen heeft. Het is onverschillig, of dit in de kamer, of in de vrije lucht plaats heeft. Ik geef altijd, zelfs in herfst en winter, aan de vrije lucht de voorkeur.
Wat gij doet, beminde lezer, doe dat verstandig en blijf altijd binnen de palen. Het volbad mag niet meer dan 3 maal in de week genomen worden.
In welk jaargetijde nu kan men het best met deze har-dingskuur beginnen?
Men kan nooit vroeg genoeg beginnen met de zoo gewichtige taak van zijn lichaam te harden, of wat hetzelfde is, het tegen ziekten te vrijwaren en onontvankelijk te maken. Begin nu terstond; maar begin met zachtere (zie âHardingsmiddelenquot;) en niet dadelijk met de zwaarste oefeningen; gij kondt licht den moed verliezen. Met onze koude volbaden zult gij kunnen aanvangen na eene korte voorbereiding, als gij sterker zijt; ingeval van zwakte zal het langeren tijd duren.
Dit is een zeer gewichtig hoofdstuk. Men kan geen ijzer met handen breken. Onmiddellijk, plotseling door strenge middelen willen forceeren en dwingen, zou op zijn zachtst genomen, onverstandig zijn.
Een geneesheer raadde zijn patiënt, die aan zenuwkoorts leed, een kwartier lang in het water te loopen; de zieke deed het, maar huiverde en bibberde zóó van koude, dat hij voorde toekomst van zulk een gezondheidsbad niets meer wilde weten ja, het verwenschte en vervloekte. Toen verklaarden de vakmannen eenvoudig, dat bij dezen zieke met koud water niets meer was aan te vangen, en dat het met hem gedaan was. Met dit doodvonnis kwam men bij mij. Ik gaf den raad, dat de veroordeelde het nogmaals met koud water probeeren zou; de uitwerking zou anders wezen, als hij in plaats van 1 kwartier slechts 10 seconden (er in en er uit) in het water bleef. Zoo gezegd, zoo gedaan. Binnen weinig dagen kwam de zieke weer bij.
Als ik zulke dwalingen bespeur, dan ben ik altijd geneigd te gelooven, dat men met opzet zulke ruwe, onverstandige, hevige aanwendingen voorschrijft om het publiek, in plaats van vertrouwen, schrik en afgrijzen voor dezen natten weerwolf in te boezemen.
Ik ben een zonderling; dit weet ik; maar daarom moet men mij zulke invallen niet te kwallik nemen.
Wien het met de harding des lichaams ernst is, moeten na het gebruik der hardingsmiddelen aanvangen met de was-schingen van het geheele lichaam; als dit geen beletsel tot inslapen is, kunnen zij het 's avonds laat vóór het te rusten gaan, doen, of anders 's morgens vroeg, bij het opstaan, 's Avonds verzuimt men er niets mee en 's morgens is alles in 1 minuut afgeloopen. Die niet terstond aan den arbeid gaat, of flink in beweging komt, moet zich nogmaals, totdat hij droog en warm is, te bed begeven; een kwartier zal gewoonlijk voldoende zijn.
Deze oefening, 2 a 4 maal in de week (wat toereikend is) of dagelijks herhaald, is de beste voorbereiding tot ons koud volbad. Probeer het slechts! Aanvankelijk is het onaangenaam, maar weldra doet het ons innig weldadig aan en wat vroeger geschuwd en geweerd was, zal weldra met smartend verlangen verbeid worden.
Een mijner kennissen nam 18 jaren lang iederen nacht een volbad. Voorgeschreven had ik het hem niet, maar van zijn gewoonte wilde hij geen afstand doen. In al die 18 jaren was hij geen uurtje ziek.
Anderen, die tot 2, 8 maal in den nacht een bezoek aan de badkuip brachten, moest ik terughouden en een streng verbod opleggen. Was hun deze aanwending zoo onuitstaanbaar en heilloos gebleken, gelijk men preekt en uitbazuint, dan hadden zij vanzelf wel opgehouden.
Wie het met zijn harding, met het behoud en de versterking zijner gezondheid ernstig meent, vergete het koude volbad niet (1), maar late het niet alleen bij het goede voornemen blijven.
Krachtige volkeren, geslachten en familiën zijn altijd trouwe vrienden van het koude water, vooral van ons bad geweest; verdient ons tegenwoordig geslacht den naam van verwijfd, dan wordt het hoog tijd terug te keeren tot de gezonde, natuurlijke, niet verweekte en ziekelijke levensregelen onzer vaderen.
Onder de adellijke familiën en mannen van aanzien worden er nog velen gevonden, die onze waterkuur, volgens overlevering, als het beste middel ter gezondheid en als een regel voor de opvoeding hunner kinderen beschouwen en met zorg voor hun geslacht en nakomelingen in eere houden.
Wij behoeven ons dus niet over onze methode te schamen.
(3) Zie eenige meer uitvoerige bijzonderheden in het derde deel bij het woord âZweet.quot;
52
b. Het koude volbad voor zieken.
Bij iedere ziekte wordt nauwkeurig aangegeven, wanneer en hoe dikwijls het moet worden gebruikt. Hier is de plaats voor eenige opmerkingen van meer algemeenen aard.
Een krachtige natuur, een gezond gestel is in staat, de ziektestoffen, welke zich vastzetten willen, zelf af te scheiden ; den zieke en het door ziekte verzwakte lichaam moet men daarin helpen en ondersteunen, opdat zij later dit werk zelf weder kunnen verrichten. Hiertoe wordt dikwijls het volbad gekozen, dat in zulk geval een voortreffelijk sterkingsmiddel is, als kruk of staf uitnemend dienst doet.
Het wordt nochtans hoofdzakelijk gebruikt bij die ziekten, welke voorafgegaan of vergezeld worden van hevige koortsen. Koortsen van 39 a 40 graden en daarboven zijn het meest te vreezen; zij rooven alle kracht en doen het hutje van het menschelijk lichaam langzaam maar zeker afbranden. Menigeen, door de ziekte gespaard, wordt evenwel een slachtoffer van zwakte. Toezien en afwachten, wat de uitkomst van een hevigen brand zijn zal, schijnt mij bedenkelijk, te meer daalde gevolgen er van niet te overzien zijn. Wat baat hier âalle uur een lepelquot;; de dure chinine; wat het goedkoope antipyrine; wat het vergiftige digitalus. welks heillooze gevolgen voor de maag wij allen kennen ? Bij lieete koortsen zijn en blijven medicamenten zwakke hulp-en koortsstillende middelen. Wat baten de kunstmatige bedwelmingsmiddelen, die men den zieke ingeeft of inspuit ? Inderdaad, zij bedwelmen hem, zoodat hij niets meer weet, gevoelt of ontwaart â er van afgezien, of zij van moreel en godsdienstig standpunt te rechtvaardigen zijn. Is het niet hartverscheurend zulk een half ingesluimerden of liever bedwelmenden zieke te aanschouwen, gelijk hij daar ligt met wezenlooze trekken en verglaasde oogen? Zal dit baten? Bij heete koorts helpt slechts blusschen. Vuur en brand dooft men met water; den brand, die het geheele lichaam in lichte laaie zet, bluscht men het best door ons volbad. Als het bij elk nieuw opflikkeren, d. w. z. zoo dikwijls de hitte toeneemt, en bij den aanvang der koorts, ongeveer ieder half uur vernieuwd wordt, dan is het spoedig den brand meester (zie âOntstekingen,quot; âScharlakenkoorts,quot; âTyphusquot; e. a.)
Vroeger heb ik meermalen gehoord, dat in groote ziekenhuizen voor arme kranken, die de dure chinine niet betalen konden, dikwijls de badkuip werd gebruikt; in de laatste tijden vond ik in sommige dagbladen het blijde bericht, dat men, vooral in de groote militaire hospitalen van Oostenrijk,
zulke ziekten, zooals typhus, met water behandelde. Waarom den typhus alleen, mag ik vragen ? Waarom niet verder geredeneerd en op dezelfde wijze alle ziekten behandeld, die als vruchten aan de giftplant van den typhus groeien?
Die A zegt, moet ook B zeggen. Met spanning wachten velen op de B, en daaronder ook vele mannen van het vak.
Eene opmerking, die wellicht beter bij de âWasschingenquot; op haar plaats was, laat ik hier volgen. Niet alle zieken zijn in staat van volbaden gebruik te maken; sommigen zijn reeds zóó verzwakt, dat zij noch zelf uit het bed kunnen komen, noch door anderen daaruit gedragen kunnen worden. Is voor dezen de koudwaterkuur onmogelijk? Volstrekt niet. Onze wateraanwendingen zijn zoo veelvuldig en iedere aanwending heeft zooveel trappen en graden, dat niet alleen voor die gezond, maar ook die zwaar ziek is, een geschikte oefening kan gevonden worden. Het komt er slechts op aan een goede keuze te doen.
Voor koude volbaden, die voor ernstige zieken, wegens hun groote zwakheid, te aangrijpend zijn, treden de wasschingen van het geheele lichaam in de plaats, die zelfs de zwakste bedlegerige zieke kan doen. Hoe zij plaats hebben, zie men bij âWasschingenquot;. Gelijk de volbaden, worden zij zoo dikwijls herhaald, als de koortshitte het vereischt.
Men moet zich vooral wachten bij zulke aan het bed gekluisterde zieken al te ruw in het gebruik van het water te zijn; men zou dan de kwaal verergeren.
Ik zou iemand kunnen noemen, die 11 jaren bedlegerig en even zoo lang onder geneeskundige behandeling was; ook met het water was een proef genomen, maar alles was tevergeefs. Toen deze binnen zes weken genas, kwam den dokter de zaak wonderlijk voor, zooals hij zeide. Hij bezocht mij persoonlijk en vroeg, wat ik toch gedaan had. De geheele zaak kwam hem des te onbegrijpelijker voor, omdat naar zijne meening in den patiënt geen levenskracht meer was, en al zijne pogingen om met water te genezen hadden schipbreuk geleden. Ik verhaalde hem de eenvoudige toedracht dei-zaak en de nog meer eenvoudige wateraanwendingen door mij toegepast. Beiden zagen wij toen in, dat een smeulende spaander niet met de brandspuit moet worden gedoofd; zijn waterkuur was te sterk, de mijne zacht en overeenkomstig de draagbaarheid van het zieke lichaam.
Dikwijls hoor en lees ik met innig medelijden, hoe in sommige gestichten en gasthuizen arme ongelukkigen in 10, 20 en meer jaren hun bed niet konden verlaten; zij zijn wel beklagenswaardig, doch de zaak begrijp ik niet, en heb ik
54
nooit kunnen begrijpen. Er zijn uitzonderingen â ook de H. Schrift heeft zijn 38-jarigen zieke. Het is mijn innige over tuiging, dat velen onder deze bedlegerigen weder op de been konden geholpen worden, indien zij een eenvoudige, maar zorgvuldige en volhardende waterkuur ondergingen.
2. Het warme volbad
dient evenals het koude voor gezonden en z'ieken.
Men kan het op tweeërlei wijze gebruiken.
A. Men gaat eerst in een badkuip (a), waar het water hoog genoeg in staat om het geheele lichaam te bespoelen; want geen enkel lichaamsdeel mag boven water blijven. Men vertoeft er 25 a 30 minuten in. Daarna gaat men snel in een kuip (amp;), met koud water gevuld, en dompelt er tot aan het
hoofd toe in. Heeft men geen tweede kuip, dan wascht men zich snel af. Dit koude bad of die koude wassching moet in 1 minuut zijn afgeloopen. Zonder afdrogen kleedt men zich vlug aan en neemt daarna minstens ^ uur beweging, hetzij in een kamer, hetzij in de vrije natuur. Landlieden kunnen dadelijk weer rustig aan den arbeid gaan. In het eerste bad heeft het water een temperatuur van 26 a 28 graden; voor meer bejaarde personen neme men 28 a 30 graden R. Het verdient aanbeveling om de temperatuur van het water heel voorzichtig en nauwkeurig met een thermometer op te nemen. Het is niet voldoende om de kwikzilverbuis even in het warme water te houden, maar ze moet er een tijdlang in blijven en alsdan kan men uit den rustigen stand van het kwik op-
oo
maken, dat er goed en lang genoeg is opgenomen. Hij, die het bad klaarmaakt, neemt de volle verantwoordelijkheid op zich en moet dat zoo nauwkeurig mogelijk doen. Uit kracht der gewoonte wordt men onverschillig en raakt men aan een sleur gewend ; maar men zij hiervoor gewaarschuwd bij de vervulling van dezen gewichtigen liefdedienst.
Men kan dit bad ook op de volgende wijze nemen;
B. Men vult de badkuip zooals hierboven is gezegd; het water moet nu echter eene verhoogde temperatuur van 30 a 35 graden R. hebben. Bij deze soort van baden mag men echter een temperatuur van 35 graden nooit te boven gaan (tenzij het voor bijzondere gevallen uitdrukkelijk is gezegd) en 28 graden moet men als minimum beschouwen; daarom raad ik gewoonlijk de gemiddelde temperatuur van 31 a 33 graden R. aan,
Bij dit bad gaat men niet* 1 maal, maar 3 maal in het warme water en evenzoo gaat men niet 1 maal, maar 3 maal in het koude water. Dit zoogenaamde warme volbad, driemaal afgewisseld, moet nauwkeurig in 33 minuten plaats hebben; de baden wisselen elkander, wat den tijd betreft, als volgt af: (men hange zijn horloge ergens op en kijke zorgvuldig toe i
10 minuten in het warmwaterbad,
1 minuut in het koudwaterbad,
10 minuten in het warmwaterbad,
.1 minuut in het koudwaterbad,
10 minuten in het warmwaterbad,
1 minuut in het koudwaterbad.
Men moet altijd, zonder uitzondering, eindigen met een koud bad.. Gezonde, sterke menschen zitten in de kuip met koud water en duiken onder tot aan het hoofd. G-evoelige personen duiken niet onder en wasschen borst en rug (1) in zittende houding snel af. Die een afschrik voor de koude badkuip heeft, kan in plaats daarvan het geheele lichaam met koud water afwasschen. Het hoofd wordt nimmer nat gemaakt; mocht het toch nat geworden zijn, dan droge men het af; zoo ook droogt men alleen maar de handen af, als men voor de laatste maal uit het koude bad komt, opdat men bij het aankleeden zijne kleeren niet nat make.
Wat verder bij A over beweging nemen enz. is gezegd, geldt ook hier.
Ik laat hier eenige opmerkingen volgen.
Warme baden alleen, d. w. z. zonder dat ze door koude
(1) Dat is: men werpe zooveel water over de schouders, dat het langs den rug naar beneden loopt en de rug da.xrdoor wordt afgespoeld.
56
baden of koude wasschingen worden gevolgd, schrijf ik nimmer voor. Als de warmte gedurende langen tijd wordt verhoogd, clan verzwakt zij, in plaats van te versterken, en werkt verslappend op het geheele gestel; zij verhardt niet, maar maakt de huid nog gevoeliger voor koude; zij beschut niet, doch maakt weerloos. Warm water opent de poriën, waarin koude lucht binnendringt, en spoedig vertoon en zich de kwade gevolgen er van. Hiertegen waken de koude baden of wasschingen, die op de warme baden volgen. Het koude water sterkt door de verhoogde temperatuur te matigen; het verfrischt door de afkoeling der overvloedige hitte; het beschut, omdat het de poriën sluit en de huid doet krimpen.
Doch ook hier hebben wij te kampen met het vooroordeel der plotselinge koude. Juist omdat er koude baden op volgen, kan en moet ik de warme baden een hoogere temperatuur geven, dan anders oorbaar zou zijn. Het lichaam wordt met zooveel warmte gelijkelijk voorzien en gewapend, dat het den aanval der indringende koude zegevierend kan weerstaan.
Die in den beginne voor het koude water bevreesd is, wassche zich eenvoudig het geheele lichaam af; dan zal hij met moed worden bezield. Alles hangt van een proef af. Die het eenmaal gewaagd heeft, zal nooit meer een warm bad gebruiken, zonder het daarop volgende koude. Velen, wien eerst het angstzweet op het aangezicht stond, maar later aan de weldadige afwisseling gewoon, het koude water hadden lief gekregen, moest ik een streng verbod geven, opdat zij tot hun eigen schade de perken niet zouden overschrijden.
De prikkeling der huid, die men bij het stijgen uit het koude in het warme bad vooral aan de voeten ontwaart, moet niemand angst aanjagen; later gevoelt men zich veel aangenamer.
Bijzondere oefeningen, b. v. om het lichaam in de noodige temperatuur te brengen, zijn niet noodzakelijk.
Gelijk bij alle warme baden gebruik ik ook hier niet, tenzij bij uitzondering, alleen warm water ; altijd meng ik er verschillende kruiden in.
a. Het warme rolbad voor gezonden.
Wanneer ik gezonden maar zwakken personen warme vol-baden voorschrijf, dan is het alleen, omdat zij tot de koude baden niet zijn over te halen ; hierbij beoog ik : hen door het warme bad met daaropvolgende koude wassching langzamerhand tot het koude bad voor te bereiden en geschikt te maken.
Ik handel hierbij naar de volgende grondregelen : gezonden
57
en sterken gestellen, wier frisch en bloeiend voorkomen van levenskracht en levenswarmte spreekt, schrijf ik zelden, bijna nooit warme baden voor; zij verlangen dit ook niet; even als voor den visch is het koude water hun element.
Warme baden kunnen dienstig zijn voor personen, die jong, zwak, bloedarm en zenuwachtig zijn en in het bijzonder voor hen, die aanleg hebben voor krampen, rhemnatisme en dergelijke gebreken. Ik denk hier in de eerste plaats aan huismoeders, die reeds zoo vroeg verzwakt zijn, als gevolg van alle mogelijke lijden. Een warm bad van 28° R., alle maanden gedurende 25 a 30 min. genomen, en door een koude afwassching gevolgd, zal voor hen voldoende zijn.
Bij aanleg tot gewrichtsrheumatisme, jicht en podagra is het beter om twee zulke baden in de maand te nemen in plaats van één.
In het warme seizoen moeten de jonge menschen de koude volbaden beproeven.
Bejaarden, zwakken personenraad ik ten sterkste aan minstens eens in de maand, gedurende 25 minuten, een warm volbad van 28 a 30 graden R. te nemen en daarna het lichaam flink af te wasschen; niet alleen bevordert dit de reinheid der huid, maar ook iederen keer zullen zij, ten gevolge van verhoogde bloedwarmte en snelleren bloedsomloop, als met een nieuw leven worden bezield.
b. Het warme volbad voor zieken.
quot;Wanneer het warme volbad genomen wordt, hangt van do verschillende ziekten af. Op beiderlei wijzen worden zij voorgeschreven en, bij genoegzame voorzichtigheid en nauwkeurigheid heeft men volstrekt niets te vreezen.
Deze baden hebben een dubbel doel. Zij moeten of door toevoer van warmte de temperatuur van het lichaam ver-hoogen, of medewerken tot oplossen en afscheiden van stoften, die door het zwakke lichaam alleen niet meer verwijderd kunnen worden.
De warme volbaden worden toebereid als volgt:
Het bad van hooizaad;
Het bad van haverstroo;
Het bad van dennenaalden;
Gemengde baden.
Over de werking en toebereiding der twee eerste baden werd, wat de hoofdzaak betreft, reeds in de verhandeling van het warme zitbad gesproken; voorzichtigheidshalve wil ik hier eenige punten herhalen.
5
58
au. Het bad van koolzaad.
Een klein zakje, met hooizaad gevuld, hangt men in een ketel heet water en laat het minstens een kwartier lang koken. Het aftreksel wordt in de met warm water gevulde badkuip gestort, en het mengsel tot op de voorgeschreven temperatuur met warm of koud water aangevuld. Geen bad is gemakkelijker toe te bereiden en wordt veelvuldiger voorgeschreven; het is eigenlijk het onschuldigste en meest geschikte bad om de bloedwarmte te verhoogen. Menig bad-liefhebber riekt bij ons te lande naar het hooizaad. Het koffiebruine water opent de poriën en vernietigt de ophooping van bloed in het lichaam.
hh. Het bad van haverstroo.
Dit bad wordt op dezelfde wijze toebereid als het voorgaande; in plaats van een zakje hooizaad neemt men een ordentelijk bosje haverstroo. Dit bad werkt sterker dan het hooizaadbad en is juist uitstekend voor nier- en blaasziekten, voor steen, graveel en jicht.
cc. Het bad van dennenaalden
wordt op de volgende wijze bereid: Men neemt dennenaalden hoe frisscher hoe beter, kleine, harsige, fijn gehakte takjes en in stukken gesneden pijnappels en laat de geheele massa een half uur lang in heet water koken. Met het aftreksel handele men als boven. Ook dit bad oefent een gunstigen invloed uit op nier- en blaasziekten, doch niet zoo sterk als het haver-stroo-bad. Hoofdzakelijk werkt het op de huid door de poriën te openen en de inwendige bloedvaten te versterken. Dit welriekend en sterkend bad van dennenaalden is het ware bad voor ouden van dagen.
dd. Gemengde baden
noem ik die, waarin, bij gebrek aan de noodige hoeveelheid van een der bovengenoemde planten, een aftreksel van twee of drie te zamen wordt gestort. Het meest heb ik het aftreksel van hooizaad en haverstoo gebruikt en liet de planten te zamen koken. Het haverstroo-bad wordt hierdoor geuriger.
De baden zijn uitstekend, werd mij eens voor de voeten geworpen, maar de zaak is te duur en veel te omslachtig.
In geval ik een mijner lezers naar Reichenhall, Karlsbad of andere badplaats stuurde; of hem voorschreef de kleine, zwarte, zorgvuldig verzegelde, dure fleschjes met extract van dennenaalden te koopen, en in ieder bad de helft of het derde
59
van den inhoud over te gieten, dan zou dit verwijt gegrond zijn, maar thans heeft niemand de minste reden tot klachten, tot het maken van verontschuldigingen of opmerkingen. De behoeftigste zelfs kan gemakkelijk al deze baden klaarmaken en in ieder geval verheugt hij zich in het bezit van het zuiverste, echtste en meest onvervalschte extract, zooals geen drogist het hem leveren kan.
Juist voor armen en onbemiddelden heb ik naar zulke baden gezocht, opdat ook zij de weldaad konden genieten van het baden, dat zulk een grooten invloed uitoefent op onze gezondheid.
Daartoe behoeft men geen reizen te maken; een wandeling naar de hooi- of korenschuur of het naburig woud is voldoende. De baden kosten slechts een paar schreden of een goed woord. Hooizaad, of een bosje haverstroo, wordt den arme gaarne door iederen landbouwer geschonken. Geen den weigert hem appelen of twijgen. Een houten kuip heeft een ieder in be2!it, of kan ze van zijn buurman leenen.
Dit is genoeg wat de kosten betreft; wat nu de moeite of omslachtigheid aangaat, wil ik slechts deze vraag stellen: Zal het voor u of de uwen minder omslachtig zijn, als gij weken lang op het ziekbed ligt uitgestrekt; of als het verwaarloosde, uiterst verzwakte, nooit opgofrischte, slecht verzorgde lichaam langzaam wegkwijnt? Neen, van moeite of arbeid mag hier heen spraak zijn. Gemakzucht en luiheid is het, wanneer zulke eischen nog te groot zijn. Inderdaad zulk een bad verdient men niet, als men tegen de moeite opziet.
3. De minerale baden.
Daar mij dikwijls over de minerale baden naar mijne meening is gevraagd, wil ik er hier een woordje over spreken, zonder mijne zienswijze te willen opdringen.
Volgens de hoofdbeginselen mijner waterkuur kan ik er geen voorstander van zijn, omdat ik alle gedwongen of gewelddadige inwerking op het menschelijk gestel afkeur, hetzij deze rechtstreeks of zijdelings is. Mijn gevoelen is en zal het altijd blijven: de zachtste aanwending is de beste, zoowel wat de watergeneesmethode als de medicijnen enz. betreft en, die met ééne aanwending zijn doel bereikt, moet geen tweede toepassen. Wij moeten het zieke of verzwakte gestel bij de hand leiden, niet medesleuren; het somtijds helpen en steunen, niet opjagen en voortdrijven. Wij moeten niet met geweld iets willen bereiken, maar met het lichaam medewerken, opdat het zelf kunne arbeiden, en terstond van deze geleidelijke en zachte medewerking afzien, zoodra het lichaam op eigen beenen kan loopen.
60
Het kan niemand ontgaan zijn, dat bij mij de vanouds bekende schuiers en wrijfdoeken niet te vinden zijn. Vroeger maakte ik er in sommige gevallen gebruik van, maar ondervond, dat het water alleen, juist toegepast, zonder deze meer of minder hevige bewerking de beste diensten doet; door dat borstelen en wrijven worden de spieren overspannen en dan moet het lichaam behalve zijn gewonen arbeid nog de geborstelde en gemasseerde spieren en huid in orde brengen. Het grove hemd van linnen of hennep doet dag en nacht dienst als wrijfmiddel; hiermede beveel ik dit hemd ten zeerste aan.
De naam âmineraalbadquot; wijst reeds op een ruwe werking. Al deze wateren, hoe zij ook heeten, of waar zij ook vloeien, bevatten een zekere hoeveelheid meer of minder bijtende zout-deelen. Zulk zout water uitwendig gebruikt ter genezing van het inwendige, schijnen mij zooveel als de bezem en het korrelig zand, welke ik voor het reinigen van zilver en nog edeler metalen zou willen gebruiken. Zilver en goud zijn fijn en edel, maar moeten hiervoor de inwendige organen onderdoen? Een ademtocht maakt het zilver dof, en grof poets-goed doorkrast het. Wel wordt het blank; bezem en zand nemen stof en vuiligheid goed weg, maar helaas! lang zal het zilverwerk zulk een behandeling of liever mishandeling niet doorstaan. De toepassing behoef ik hier niet te maken en ook niet wijd en breed uit te meten op welk gevoelig, teeder en edel metaal het mineraalwater zijn zuiveringskuur toepast.quot;
En wat leert ons de ondervinding te dien opzichte ?
Op de groote badplaatsen worden de dooden niet overdag, maar des nachts, naar de laatste rustplaats gebracht. Om het gevoel der levenden te sparen, worden zij in groote stilte, zonder gezang, zonder klokkengelui grafwaarts gedragen. Velen ook worden elders in een familiegraf ter ruste gelegd. Velen sterven er ieder jaar op de verschillende badplaatsen. Iemand heeft in dit of dat jaar voor het eerst de badplaats bezocht en heeft zich daar wel bij bevonden, zoo hoort men. De oude kwaal komt echter terug en hij gaat er weer heen; ditmaal heeft het hem minder gebaat, zeiden de familieden. De patiënt wordt nog erger en vertrekt voor de derde maal. Hij komt gezond en sterk terug en schijnt blijkbaar genezen, maar.... hij keert slechts weder om in de armen der zijnen den geest te geven. Aan anderen wordt het zelfs nog niet vergund te huis te sterven; de dood bespaart hun de reiskosten. Ik heb dikwijls een menigte van dergelijke verhalen gehoord.
Die de badplaatsen bezoekt om afleiding en gezellig verkeer te vinden, heeft het bovenverhaalde niet te vreezen; hij heeft
61
slechts rekening te houden met zijn beurs, welke op eene erbarmelijke wijze in een minimum van tijd zal geledigd zijn. (1)
Gewone menschen; zelfs boeren, die het hart niet meer op de rechte plaats dragen, maar met opgerichten hoofde de menschen van studie en stand in alles willen naapen, bezoeken wel is waar geene badplaatsen â daar hebben zij gelukkig geen geld voor â maar zij beginnen allerhande verkeerde zaken te doen.
Eens kwam een boer mij opzoeken en zeide: âNu heb ik een watertje uitgevonden, dat ik dikwijls gebruik en het beste middel is om het lichaam te zuiveren.quot; â Waarin bestaat dat? vroeg ik. â Na eenige aarzeling kwam er uit, dat hij een lepel zout in water oploste en daar op zijn nuchtere maag van innam. Hij hield het voor een purgeermiddel, beter dan het mineraalwater (wat hem, den armen duivel, goed te stade kwam). Ik waarschuwde hem, maar hij liet zich zijn uitgedachte kuur niet uit het hoofd praten. Hij dronk nog eenigen tijd van dat goed, maar begon eindelijk over maag en slechte spijsvertering te klagen, werd arm aan bloed en stierf uitgeput en verzwakt in de beste jaren van den manne-lijken leeftijd.
Blijf daarom altijd bescheiden en verstandig, en misgun nimmer den rijke zijn schijnbaar beter lot. Dit zou weinig^ christelijk, maar dwaas zijn.
Benijd ook hen niet, die voor ziekte of voor aanleg tot tering, een ander klimaat, een andere lucht opzoeken en naar Méran, naar het zuiden van Frankrijk, naar Italië, ja, naar Afrika gaan. Ik heb altijd gedacht: dat de visch in het water, de vogel in Gods heerlijke vrije natuur te huis behoort en dat ik voor mij het gunstigste klimaat moest zoeken daar, waaide hand des Scheppers mij in 't leven riep, waar ook mijn wieg eens stond. Wordt de temperatuur mij te ruw, dan hard ik mij. In geval van ziekte zal ook het water van den vader-landschen bodem mij even goede diensten bewijzen, als het water, dat door vreemde landen stroomt. En is het eens mijn beurt te sterven, welnu, het zij zoo! dan zal ik betelen vrediger rusten in mijn geboortegrond.
Welke bewezen resultaten hebben zij jaarlijks opgeleverd, die badplaatsen in zachter en hoogor lucht gelegen? ?k stel. mij tevreden met twee vragen: Hoevelen zijn er geheel ge-
(1) Hier zou ik menig vroolijk, maar ook menig treurig stukje uit hot leven aan eene badplaats kunnen vertellen; deze verhalen zouden als nuttige wenken in aanmerking komen, maar liet is wellicht beter te zwijgen â misschien k:ui ik mij er later nog van bedienen.
62
nezen van teruggekomen ? Hoevelen zijn er voor altijd gebleven en vonden er hun graf?
Welnu! blijf in uw land, leef matig en waschu eiken dag!
V. Gedeeltelijke baden.
Ik vat onder den naam âgedeeltelijke badenquot; alle volgende te zamen, omdat zij slechts enkele lichaamsdeelen besproeien, maar vooral om geen nieuwe indeelingen te maken.
1. Het hand- en armbad.
De naam zegt reeds genoeg en ter plaatse zal bij de verschillende ziekten worden aangegeven, wanneer en in welke gevallen, of zij met koud of warm water, hoe lang (2 a 3 of 15 minuten), hoe dikwijls herhaald, in welk aftreksel van kruiden of planten, enz. zij gebruikt moeten worden.
Wat de aanwending aangaat slechts ééne opmerking:
Iemand heeft b. v. een zwerenden vinger; ik werk niet op den vinger alleen, maar ook op de hand, den arm, het geheele lichaam. De zieke vinger is slechts een zieke vrucht aan de zieke twijg, aan den zieken tak, aan den zieken stam. Is de stam gezond, dan voorziet hij de takken genoegzaam van goede sappen en de vrucht zal goed worden.
Hand en arm worden, behalve door omslagen, ook door hand- en armbaden geheeld.
2. Het hoofdhad. (1)
Het hoofdbad is van de gedeeltelijke baden het voornaamste; het kan koud of warm en op de volgende wijze het gemakkelijkst worden gebruikt:
Men zet een bak met water op een stoel en doopt het bovenste gedeelte van het hoofd (zie fig. 5) in het koude water, ongeveer 1 minuut lang; in het warme 5 a 7 minuten. Waar het water de haren op het achterhoofd niet raakt, kan men met de hand de droge haren bevochtigen.
Na het bad moet men de haren zorgvuldig afdrogen; dit is het eenigst geval, waarin het afdrogen veroorloofd is en hierin raad ik nauwkeurige voorzichtigheid aan, omdat nalatig-
(1) Bij herhaling heh ik gezegd, dat het hoofd niet nat mag worden. De hoofdreden is. omdat vooral buitenlieden het afdrogen niet ernstig genoeg opnemen en zich zoo een ziekte op den hals halen. Overigens is het hoofd een der meest geharde lichaamsdeelen, omdat het vooral bij mannen aan weer en wind is blootgesteld.
63
heid zware hoofdpijn b. v. hoofdrheu-matiek; zou kunnen veroorzaken. Na het afdrogen blijve men in de kamer,
of zette een muts op, die den geheelen haarbos bedekt, totdat huid en haren van het hoofd volkomen droog zijn.
Velen, vooral jongelieden op het land, volgen een eenvoudiger methode;
zij houden hun hoofd onder de pomp of duiken, even als de eenden in den vijver, met het geheele hoofd in een bak met water. Dit is hun recht aangenaam. Nu, ik heb er vrede mee, Fig. 5.
wanneer zij het slechts niet te bont maken (d. w. z. te lang of te dikwijls) en de regels van het afdrogen niet veronachtzamen.
Voor iemand met korte haren is het koude hoofdbad goed. Bij langharigen (1) dringt het water moeielijk tot op de huid door (wat toch door het bad wordt bedoeld) en het drogen gaat ook zoo spoedig niet. Dezen raad ik het warme hoofdbad aan, omdat het langer duurt.
De hoofdbaden schrijf ik somtijds voor tegen hoofdpijn â in dit geval koude van korten duur â maar meestal aan die personen, wier hoofdhuid vooral een verzamelplaats is voor alle mogelijke zweren en zweertjes, van dauwwormachtigen drogen uitslag, van roof en stof, en van dergelijke vuiligheid meer. Dezen bekomen warme hoofdbaden van langeren duur gevolgd door een koude begieting of wassching.
Ik vestig de aandacht op deze hoofdbaden. Als op het land in kleine huisjes, of in nog kleinere stulpjes, den geheelen winter de toch reeds kleine trek- en luchtgaatjes, vensters genaamd, gesloten blijven, dan zweeft daar ten laatste een lucht, die men zoo waarlijk snijden kan en die eiken binnenkomende met geweld terugdrijft. En als een huiskamer nooit aangeveegd of geschrobd wordt, hoe moet de vloer er dan uit gaan zien ?
Kan het met de arme hoofdhuid anders gaan, als de lange haren, of het hoofdbedeksel met 3 verdiepingen, een half jaarlang geen tochtje of zonnestraaltje doorlaten ?
(1) Korte haren zijn van groot nut voor de gezondheid b. v. bij aanleg tot hoofdpijn; lang haar is een schoone dracht, een heerlijk sieraad door den Schepper geschonken, maar dan moeten zij goed verzorgd en gereinigd worden en geen kam of haarborstel worden gespaard. Iedere huismoeder weet, wat er anders de nadeelige gevolgen van zijn.
64
En hoe ellendig zal het er ten laatste uitzien, wanneer water en zeep niet geducht hunne rechten doen gelden ?
Daar zou zich een moeras van vuilnis vormen, en iedere moeder weet, wat gaarne in vuilnis woont.
Helaas! het is maar al te waar, de verzorging van het hoofd wordt veelal veronachtzaamd. Jaar in jaar uit wascht men iederen morgen zijn aangezicht en daarmede is het gedaan, meent men. Neen! daarmede is het niet gedaan. In het belang der reinheid en der gezondheid van kinderen en volwassenen beveel ik het hoofdbad, vooral den huismoeders, dringend aan.
3. Het oogbad.
Het oogbad kan koud en warm gebruikt wordên. In beide gevallen wordt het op dezelfde wijze genomen. Men doopt het gezicht in koud water; opent de oogen en laat ze een halve minuut baden; dan richt men het hoofd op ; wacht een halve of heele minuut en dompelt de oogen opnieuw in het water. Zoo kan men het vier- of vijfmaal herhalen. Het warme oogbad (24o a 26» R.) wordt steeds door een koud bad of een koude wassching gevolgd. Het water moet weder gemengd zijn met kruiden of planten. Een halve lepel gemalen venkel of aftreksel van oogentroost heeft mij altijd goede diensten bewezen.
a. Het koude oogbad werkt uitstekend bij gezonde, maar zwakke oogen. Het sterkt en verfrischt het geheele gezichtsvermogen zoowel in- als uitwendig.
b. Het lauwwarm oogbad wordt genomen om gezwellen aan de oogleden te weeken, of om dikke etterige vloeistof in het oog op te lossen en af te scheiden.
C. Damphadun.
Gelijk al onze wateraanwendingen worden ook de dampbaden in den zachtsten vorm voorgeschreven en derhalve zijn zij volstrekt onschadelijk. Dit belet niet, dat men met groote voorzichtigheid moet te werk gaan; wat juist aangewend den zieke gezond maakt, kan verkeerd toegepast een gezonde ziek maken. Die zich b. v. na een dampbad zonder voorafgaande afkoeling onmiddellijk in de vrije lucht begeeft, kan ziek â ja doodelijk ziek â worden en daaraan zou het bad evenmin schuldig zijn als een pasgeboren kind. Nu is voorzichtigheid, maar geen vreeze voorgeschreven; bij een goed gebruik is niet het minste gevaar te duchten.
Zijn dampbaden in 't algemeen ter genezing noodig? Als
esn huisvrouw de wasch heeft, dan gebruikt zij warm en koud water; het warme water moet de vuile stoffen oplossen; hst koude de reeds opgeloste stoffen d ;)en wegspoelen. Geen andere methode wordt door de geneeskunde gevolgd. Ook bij ziekte moet veel b. v. bloedophoopingen, bedorven vochten enz. worden opgelost en afgescheiden; dit geschiedt door de warme baden; vervolgens moet het lichaam gesterkt en onontvankelijk gemaakt worden voor kwade invloeden. Dit bewerken de koude baden.
leder lichaam moet een zekere warmtehoeveelheid bezitten o.n zijn arbeid goed te verrichten. Het gezonde lichaam mag zich in eene genoegzame hoeveelheid verheugen, meer warmte behoeft het niet; maar ieder ziekelijk lichaam gevoelt spoedig het gemis der noodige bloedwarmte, en hieraan moet op een of andere wijze worden te gemoet gekomen. Hiertoe zijn bij vele patiënten compressen en omslagen voldoende; anderen vinden meer baat bij dampbaden,
Hoe moet een dampbad worden genomen ?
Het is niet gemakkelijk deze vraag te beantwoorden. Ik deel slechts mede, wat de ondervinding mij geleerd heeft, en verklaar volmondig, dat ik in 3 jaren mijn methode 3 maal gewijzigd heb. Eerst volgde ik de algemeene praktijk, die aan volle dampbaden de voorkeur gaf, en bleef daaraan 13 jaren getrouw. Daar zij echter niet het verlangde succès hadden, veranderde ik, en veranderde ik nogmaals, totdat ik mijn tegenwoordige, zeer zachte methode als de voordeeligste leerde kennen en reeds sincll vele jaren met goed gevolg in praktijk breng. Doch ik moet ietwat breedvoeriger uitweiden. Voor ongeveer 30 jaren kwamen de Russische dampbaden ook bij ons in Zuid-Duitschland in zwang ; daar vele huisgezinnen niet in staat waren deze grootsteedsche gezondheidsbaden te gebruiken, vond men er iets anders op, namelijk de bekende zweet kasten, die voor het transpireeren van het lichaam niet minder gewichtige diensten bewezen.
Ook ik liet mij zulk een zweetkast maken, d. w. z. een kast, die men goed kon sluiten, en met een opening van boven, waardoor men het hoofd steken kon. De damp werd van buiten aangevoerd, terwijl de patiënt in de kast zat of stond en, met stille onderwerping aan het noodlot, den voor hem geplaatsten thermometer naging. Een droge doek was om den hals gewikkeld, opdat de damp niet zou ontsnappen ; natte compressen en omslagen bedekten het hoofd om het koel te houden, terwijl het geheele lichaam reeds na 10 of 15 minuten zich in het zweet baadde. Het dampbad werd door een geheele begieting of een volbad gevolgd. Wanneer er
66
nog geen zweet genoeg uitgebroken was, liet ik het dampbad tweemaal nemen, telkens met een steeds sneller afwassching van het lichaam gedurende een halve minuut. De wijze, waarop deze volbaden genomen werden, scheen mij onovertreffelijk. Maar onbegrijpelijk was het, dat de resultaten niet even voortreffelijk waren. Vooral des winters bracht het groote moeilijkheden met zich mee. Binnen weinige minuten bracht de heete damp, waardoor het lichaam omhuld en van alle zijden als bestookt was, ook het geheele lichaam tot een hoogen warmtegraad, doch maakte het tevens vatbaar voor de koude. Mi) ten minste viel het altijd moeilijk, na zulk een bad de geheele huidoppervlakte tegen de frissche, koude winterlucht zóó te beschutten, dat ik niet ergens een koude opdeed, of voor langeren of korteren tijd hevige smarten verduurde.
Ik beproefde alles om dit te verhelpen en dacht er nog meer over na. Eens nu, dat ik in den winter op weg naar München was en aan een hevige catarrhe leed, speelde het toeval mij een blad in handen, dat op de laatste bladzijde de wonderbare uitwerking der Russische dampbaden in een overdreven lofhymne bezong. Onder andere heette het: men behoeft het slechts te probeeren; een enkel dampbad is voldoende om de hevigste catarrhe te genezen. Dit moet ik toch eens zien, dacht ik. Zoo gezegd, zoo gedaan. Ik zocht naaide inrichting, nam zulk een bad, en inderdaad, na de waarlijk Russische dampkuur bemerkte ik van mijn catarrhe geen spoor meer ; maar wacht even ! nauwelijks waren 5 a 6 uren verloopen of een nieuwe catarrhe, tweemaal zoo erg als de eerste, die in het Russische bad verdronken was, had zich nu van geheel mi]n lichaam meester gemaakt.
Deze wijze van dampbaden te nemen, dacht ik toen bij mij zeiven, kan niet de ware zijn. Ik spreek niet eens van mij zeiven; maar hoe zal iemand, die zwak, die ziek, die zwaar ziek is, van iets kunnen gebruik maken, dat zelfs een krach-tigen, gezonden man sidderen doet. Neen, er moet iets anders op gevonden worden.
Alle verdere onderzoekingen en proeven brachten mij tot de overtuiging, dat dezelfde hoofdregel, die voor alle wateraanwendingen geldt, ook bij de dampbaden niet mag over het hoofd gezien worden. Namelijk: de zachtste aanwendingis steeds de beste. Onder de zachtste aanwending versta ik, die het eenvoudigst is, en het lichaam het minste geweld aandoet. Nooit zal ik b. v. tot vermeerdering der natuurwarmte een dampbad gebruiken, waar een zachter middel b. v. een begieting of halfbad toereikend is. Nooit zal ik het geheele lichaam door een voldampbad uitputten en kwellen, als ik
67
met een dampbad voor enkele lichaamsdeelen kan volstaan. Ne quid nimis, d. w. z. ook wat dampbaden betreft, houd ik den gulden middelweg. Men moet de natuur niet dwingen, maar naast haar wandelend, haar ondersteunen en door zachte middelen als uitnoodigen zelf, alleen, en vrijwillig voort te gaan.
Al mijne dampbaden zijn slechts gedeeltelijke dampbaden, d. w. z. raken onmiddellijk slechts enkele lichaamsdeelen, doch zijdelings werken zi] alle op het geheele lichaam, en daarin schijnt mij het grootste voordeel gelegen. Mijne dampbaden bewerken, of als ge wilt, verzwakken slechts de zieke lichaamsdeelen en laten de gezonde onaangeroerd en onverzwakt. Deze behouden hun volle kracht en rusten, terwijl het zieke, in damp badende deel in volle werking is, intusschen een weinig uit, om later aan het lijdende en afgematte medelid iets van hunne krachten mee te deelen.
Vele mijner dampbaden dienen uitsluitend daartoe, dat zij een voorbereiding zijn tot mijn koudwaterkuur, b. v. zi] vermeerderen de bloedwarmte en maken daardoor de andere baden mogelijk of krachtiger, of sterken het lichaam inwendig (b. v. door zuivering van luchtpijp en longen) om aldus voor de uitwendige wateraanwendingen meer ontvankelijk te worden gemaakt. Hoogst zelden staat een dampbad op zich zelf.
Bij de beschrijving der verschillende dampbaden worden de noodige voorzichtigheidsmaatregelen in afkoeling, aankleeden en beweging in 't bijzonder aangegeven.
Hier moet ik waarschuwen voor begoocheling.
Dikwijls komt het voor dat een of ander dampbad, vooral het hoofd- en .voetdampbad, wonderbaar gunstig werkt. Daar deze veel kwade stoffen oplossen en afscheiden, verlichten zij vele patiënten en maken hen opgeruimd en gelukkig. Nu ligt het voordehand, dat zij het goede zullen misbruiken, het dampbad te dikwijls zullen nemen, en in onbezonnenheid groote schade aan hunne gezondheid zullen toebrengen. Est modus in rebus! Altiid moet men wiiseliik binnen de perken blijven.
Ik wil dit op eenige gevallen toepassen.
Iemand, die van typhus of een andere zware ziekte herstellende is, heeft aan of in hét hoofd, of ergens anders, groote ophoopingen van bloed. Dampbaden konden hier uitstekend dienst doen, doch voorzichtig, zeer weinige slechts, en zwakke dampbaden voor hoofd en voeten, mogen hier worden toegestaan, want de patiënt is nog aan bloedarmoede onderhevig. Om een lucifer uit te blazen, behoef ik geen smidsbalg, een ademtocht is voldoende.
Ditzelfde geldt voor alle personen, die aan bloedarmoede
68
lijden. De verwarmende dampen zijn hun aangenaam, maar te veel dampen zouden hun met het bloed en de warmte ook het leven ontnemen.
Maar sterke, zwaarlijvige personen mogen er dikwijls van gebruik maken, niet waar ? Integendeel, meestal hoogst zelden, om de eenvoudige reden, dat zij geen rijkdom van bloed hebben. Juist voor hen ben ik met dampbaden zeer spaarzaam, en maak met voorliefde van omslagen gebruik om, het transpireeren der huid te bevorderen. Als dit verkregen is, zijn dampbaden niet noodig.
Een patiënt klaagt over pijn aan de voeten. Met alle geweld verlangt hij een dampbad voor zijne magere, dunne beenen. Het zou dwaas zijn aan dit verlangen toe te geven, want wat heeft zulk een arme âspillebeenquot; nog te missen en uit te zweeten? In plaats van dampbaden, schrijve men hem halfbaden en vaak kniebegietingen voor.
De dampbaden, welke ik gewoonlijk voorschrijf, zijn de navolgende:
1. Het Hoofddampbad.
Dit dampbad vereischt eenige kleine voorbereidingen. Er is namelijk voor noodig een kleine houten tobbe met twee ooren om de handen op te laten rusten; deze tobbe (zie flg. 6) moet
minder breed dan diep zijn en door een deksel hermetisch kunnen worden gesloten. Vervolgens zijn er noodig twee stoelen en een groote wollen deken om den patiënt te bedekken. Een der stoelen, de hoogste, dient om er op te zitten; de tweede en lagere om er de houten tobbe op te plaatsen.
â¢Fig e. Als alles behoorlijk is klaargezet,
wordt de houten tobbe voor drie vierden met kokend water gevuld en door middel van het deksel en een vochtigen doek hermetisch afgesloten, om den noodigen damp niet te laten ontsnappen. De patiënt ontbloot het bovenlijf tot aan de heupen, waarom een droge doek wordt geslagen om afdruipende zweetdroppels tegen te houden en de onderkleederen voor nat te vrijwaren. Hij zet zich op den hoogen stoel, steunt met de vlakke hand op de ooren van de tobbe en buigt met het bovenlijf over de tobbe heen (zie fig. 7). Nu worden patiënt en tobbe met de groote deken overdekt, zoodat uit geen enkele opening de damp ontsnappen kan. Nu plaatst zich de medehelper vóór den patiënt, licht van voren de deken op.
69
en neemt zoo snel mogelijk het deksel met den vochtigen doek van de tobbe af. Thans stijgt de damp ongehinderd als een gloeiende stroom naar hoofd,
borst, rug en het ge-heele bovenlijf, en vangt met zijn oplossenden arbeid aan.
De medehelper moet er voorzorgen,
dat zwakke patiënten, die spoedig pijn in de lendenen gevoelen, gemakkelijk zitten, een goeden steun in den rug hebben, enz. Daarentegen behoeft hij niet acht te slaan opk lachten en angstkreten als: ik kan het niet uithouden; ik krijg een beroerte! enz. enz.
In het eerst zal menigeen wegens de ongewoon warme temperatuur verschrikken, maar weldra is hij aan die tropische hitte gewoon en weet er zich in te schikken. Bij het eerste opstijgen der heete wolken, zoeke hij een meer staande houding aan te nemen, het hoofd op te heffen en in verschillende richtingen te draaien enz. Maar weldra keere het bovenlijf tot de voorgeschreven gebukte houding terug. Men heeft volstrekt niets te vreezen. Ik ken niet één geval, waarin het hoofd dampbad, nauwkeurig en juist genomen, de minste schade heeft toegebracht. Aan allerlei personen heb ik het in allerlei ziekten voorgeschreven en altijd met goed gevolg. Niet de baden, maar de roekeloozen zelve, die zonder maat en regel naar eigen goeddunken te werk gaan, hebben nadeel berokkend. Een bad duurt 20 a 24 minuten. De patiënt zorge zijn hoofd goed boven de tobbe te houden en zooveel mogelijk oogen, neus en mond te openen om den damp te laten binnenstroomen; dan wordt de wollen deken verwijderd en het geheele bovenlijf met koud water flink afgewasschen. De patiënt wandele des winters in een kamer en des zomers in de vrije lucht tot de huid droog en normaal warm is.
Ik geef hier nog plaats aan eenige opmerkingen, die van groot gewicht zijn.
De zuivere waterdamp werkt op vele oogen, evenals bij het inademen op de maag, somtijds niet heel gunstig; daaröm
70
ben ik gewoon het heete water met kruiden te vermengen, vooral is venkel aan te bevelen ; een lepel gemalen venkel is voor één bad genoeg. Ook salie, duizendblad, muntkruid. vlier, weegbree, lindebloesem zijn daartoe uitmuntend geschikt. En als ge ook deze niet bij de hand hebt, neemt dan een handvol brandnetels of hooizaad. Deze planten mogen nietig zijn, nuttig zijn zij ook.
Bij gewone menschen werkt het dampbad snel; reeds na de eerste 5 minuten vloeien hem de zweetdroppels van het voorhoofd; na 8 a 10 minuten parelen zij op degeheele huid. Maar er zijn toch patiënten, vooral die aan bloedarmoede lijden, waarop de damp niet zulk een snelle uitwerking heeft; om dit te verhelpen legge men een tegel in het vuur, totdat hij gloeiend is, en legge hem, 10 minuten nadat het dampbad begonnen is, in de tobbe. Het water bruist dan hevig op, en opnieuw rijzen de dampwolken dikker en vlugger omhoog.
Na het hoofddampbad, dat des winter evenals de daarop volgende afkoeling altijd in een warm vertrek moet genomen worden, mag men nimmer onmiddellijk naar buiten gaan, zonder eerst door koel water de geopende poriën te sluiten. Des winters is het raadzaam nog een half uur in het warme vertrek op en neer te wandelen. Zonder deze voorzorgsmaatregelen zou men zich niet alleen een catarrhe, maar, in ongunstige omstandigheden, een zware doodelijke ziekte kunnen berokkenen. De bovengenoemde afkoeling kan op tweeërlei wijze geschieden. De eenvoudigste wijze is, vooral voor zwakke, hulpbehoevende personen, met een handdoek, in frisch water gedoopt, den patiënt vlug af te wasschen. Deze afwassching moet na het eerste en tweede hoofddampbad plaats hebben, als de patiënt aan hoofdgezwellen, hoofduitslag, loopende ooren, en in 't algemeen aan die ziekten lijdt, die aanmerkelijke afscheiding uit het hoofd noodzakelijk maken. Zoo men deze afwassching verzuimt, zou men zoo niet gevaarlijke, dan toch onaangename gevolgen, als suizing in het oor, enz. bespeuren. Na de volgende aanwendingen, als reeds veel uit het hoofd is afgescheiden, kan de tweede wijze van afkoeling worden toegepast. Eén of twee gieters koud water worden over de bedampte lichaamsdeelen, het hoofd (doch niet de haren) en den rug gegoten, en de borst flink afgewasschen. Wat er verder te doen staat, is hetzelfde als na iedere begieting, d. w. z. na gezicht en haren zorgvuldig te hebben afgedroogd, trekke men, zonder het bovenlijf af te drogen, snel zijne kleederen aan, en ga zoolang arbeiden of wandelen, totdat het lichaam weer droog en normaal warm is.
Die na het hoofddampbad in de gelegenheid is onmiddellijk
71
een koud volbad van hoogstens 1 minuut te nemen, make van die gelegenheid gebruik.
De werking van het hoofddampbad is van groot belang: de geheele huidoppervlakte van het bovenlichaam wordt aangetast, de poriën geopend, en op het gestel gewerkt, doordat de damp in neus, luchtpijp, longen enz. oplost en afscheidt. In geval van verkoudheden, bij vochtigheid of snelle temperatuursverandering opgedaan, van hoofdpijn, suizing in het oor, rheumatischeen krampachtige aandoeningen in nek of schouders, van beklemdheid op de borst, van slijmkoorts in haar opkomst, welke ziekten slechts gezellen van verschillende catarrhen zijn, is het hoofddampbad een uitstekend geneesmiddel. Tweemaal in drie dagen tijds aangewend, brengen zij gewoonlijk volkomen genezing. Catarrhen, waar zij ook schuilen, worden gewoonlijk door een enkel bad verdreven, mits zij van zeer jongen datum zijn. Wie een opgezet hoofd, een buiten verhouding dikken hals, opgezwollen keelklieren heeft, neme iedere week 2 a 3 zulke dampbaden. Bij ontsteking aan het oog, door koude of verkoudheid veroorzaakt, en bij leepoogen handele men eveneens. In het laatste geval kan men op de gunstigste uitwerking hopen, als men op den avond van den dag, waarop men een. hoofddampbad genomen heeft, zijne voeten een kwartier lang in warm water met asch en zout gemengd laat baden.
Ik heb dit. dampbad met het beste succes bij congesties, zelfs na aanvallen van beroerte, aangewend. Men vreest in dit wel is waar netelig geval, dat zulk een dampbad al het bloed naar het hoofd zal trekken. Die vrees is ongegrond. Maar het is mijn gewoonte, en ik raad in de twee genoemde gevallen een ieder aan die gewoonte te volgen, de aanwending tot 1-5 a 20 minuten te beperken, en zoo spoedig mogelijk het dampbad voor het hoofd, door een voor de voeten te laten volgen.
Omdat genoemd bad oplossend werkt, en te veel zweeten allicht te veel verzwakken zou, mag dit bad niet te dikwijls worden genomen. Als regel geldt: het getal twee in de week niet te overschrijden. In hoogst zeldzame gevallen, waarin buitengewoon veel kwade stoffen moeten worden opgelost en afgescheiden, kan dit blad een week lang, om den anderen dag, genomen worden, doch niet langer dan 15 a 20 minuten.
2. Het voetdampbad.
Wat het eerstgenoemde bad voor het bovenlijf doet, werkt het voetdampbad uit op het onderlijf en vooral op de voeten. Op de volgende wijze wordt het gebruikt:
72
Een tamelijk breede en dikke wollen deken wordt op den stoel, voor den patiënt bestemd, over de geheele lengte uitgespreid. Hierop plaatst zich de patiënt met bloote voeten en beenen. Vóór hem staat een tobbe, tot over de helft met heet water gevuld; het is dezelfde, die ook voor het hoofddampbad gebruikt wordt. Op den bovenrand liggen twee smalle houten plankjes, waarop de patiënt gemakkelijk zijne voeten kan laten rusten ; men zorge echter, dat deze plankjes goed zijn bevestigd, opdat geen vrees voor het uitglijden en verbranden der voeten den patiënt beangstige. (1)
Als nu alles in orde is, wordt de wollen deken zóó om de voeten en badtobbe geslagen, dat er geen damp kan verloren gaan,maar van onderen naar boven, naar voeten, onderlijf en hooger stijgen kan (2) (zie fig. 10).
Voor de voetdampbaden maak ik in den regel gebruik van een zwak en kokend aftreksel van hooizaad. Gelijk bij het hoofddampbad kan ik het dampen, en de uitwerking der bedamping, verhoogen door iedere 6 of 10 minuten een gloeienden tegel in het heete water voorzichtig en langzaam te laten zinken. Men moet de steenen natuurlijk Fig. io. niet in het water laten vallen,
omdat de voeten met kleine brandwonden zouden worden overdekt. Hoelang het voetbad en hoeveel gloeiende tegels er toe
(1) In plaats van twee houten plankjes kan men er één in het middeix leggen; dit moet dan zóó bewerkt zijn, dat het in de ooren kan rusten, zonder dat het draait en do voeten kunnen uitglijden (zie flg. 9). Eenvoudiger nog is het in de tobbo een klein voetbankje te zetten, dat tot, aan den bovensten rand reikt.
(2) Die lange kleederen draagt, welke tot op den grond reiken, kan daarmede de dampende tobbe omhullen. Op deze wijze kan men gemakkelijker en eenvoudiger het voetdampbad nemen. Men drago slechts zorg later van quot;kleedoren te verwisselen.
78
kunnen gebruikt worden, hangt af van den meer of minder hoogen warmtegraad, die vereischt wordt. Dikwijls behoeven de voeten slechts bewerkt te worden, gelijk bij zweetvoeten; maar vaak moet men voeten, kuiten en dijen, ja, het heele onderlijf, en somtijds het heele lichaam, door een voetdampbad tot zweeten brengen. Ik heb er velen gezien, dien het zweet bij dit hoogst eenvoudig bad van het voorhoofd liep, alsof zij onder 2 of 3 veeren bedden een zweetkuur hadden ondergaan. Bij zwakke baden zullen één gloeienden tegel, en een duur van 15 a 20 minuten, toereikend zijn. Maar om de hoogste uitwerking te verkrijgen is het noodig, alle 5 a 10 minuten de heete massa te vernieuwen en het bad 25 a 80 minuten te laten duren.
Op het dampbad volgt altijd de koude afkoeling, die geheel van het zweeten afhankelijk is. Voeten, die slechts tot aan de knieën transpireeren, behoeven alleen een koude afwassching met een linnen doek. Sterkere gestellen kunnen een kniebe-gieting nemen. Als ook de dijen en het onderlijf medezweeten is een halfbard voldoende. Maar doet het heele lichaam mede, dan moet ook het heele lichaam, of door een volbad met wassching van het bovenlijf, öf door een halfbad, of door een geheele wassching worden afgekoeld. Hoe dit geschiedt leze men in de desbetreffende artikelen; hoe men zich na het voetdampbad gedragen moet, kan men in het hoofdstuk âHoofddampbadquot; vinden ; dezelfde regelen daar voorgeschreven, gelden ook hier.
Het voetdampbad wordt hoofdzakelijk gebruikt bij alle soorten van voetkwalen: zoo bij sterk, kwalijk riekend voetzweet, waar het er op aankomt de kwade sappen op te lossen en af te scheiden; bij gezwollen voeten, die ophoopingen van bloed of sappen verraden; bij koude voeten, waarnaar het bloed den weg niet meer vinden kan. Deze dampbaden bezielen met nieuw en frisch leven, maar zijn ook, gelijk in sommige ziektegevallen is aangegeven, niets anders dan voorbereidende oefeningen, die den weg banen tot andere wateraanwendingen en de heilzame werking daarvan zekerder maken.
Die aan inzwering van nagels lijdt, die b. v. wegens verkeerde behandeling van eksteroogen, het uitrukken der nagelwortels, enz. voor bloedvergiftiging heeft te vreezen, kan niet beter doen, dan zulk een dampbad te nemen.
Sterkere baden, die meer of minder op het geheele lichaam inwerken, worden gebruikt voor krampen in het onderlijf, vooral wanneer ze door een koude ontstaan zijn; bij hoofdpijn, waarvan congestie of hevige bloedaandrang de oorzaak is.
Wanneer personen, die aan bloedarmoede lijden, vóór een
6
74
koudwateraanwending een hoogeren warmtegraad behoeven, heeft mij een zwak voetdampbad zeer dikwijls groote diensten bewezen.
Evenals het hoofddampbad moet men met het gebruik van dit bad spaarzaam zijn. Ãen- of tweemaal in de week komt vaak voor, driemaal zeer zelden en dan in bijzondere gevallen waarin het uitdrukkelijk wordt voorgeschreven.
Ten slotte eene opmerking; Vaak zijn mij klachten ter oore gekomen over de al te groote omslachtigheid der door mij voorgeschreven dampbaden, maar ieder, die welwillend is, durf ik vragen; Wat is eenvoudiger, mijn voetdampbad of een zweetbad na zoo en zooveel koppen warme thee, na zoo en zooveel uren kwelling onder zoo en zooveel veêren bedden; een zweetbad, dat zelden, bijna nooit kan genomen worden zonder de hevigste hoofdpijnen of andere smarten te veroorzaken ?
3. Het dampbad op het stilletje. ..
Dit dampbad bewijst groote diensten vooral aan zieken, omdat het zoo gemakkelijk toe te bereiden en te nemen is, en daarenboven een schuldeloos karakter heeft. Zelfs, die zwaar ziek zijn en wegens hun zwakte niet genoeg kunnen transpireeren, worden op deze wijze gemakkelijk tot zweeten gebracht.
In den aarden of metalen pot van het stilletje wordt het kokend mengsel gestort. De zieke gaat er op zitten en de verpleger zorgt, dat geen wolkje van den weldadigen damp nutteloos vervliegt. Spoedig stijgt de heete damp omhoog, verwekt meer of minder zweet, ja, is somwijlen een echt zweetbad, zoodat het geheele lichaam transpireert. De aanwending duurt 15 a 20 minuten. Is het noodzakelijk dat de zieke nog meer moet zweeten, dan worde hij (omdat hem het langer zitten onmogelijk is en het dampen zou ophouden) te bed gelegd. Zonder hem meer dekens te geven, zal de zweetkuur worden voortgezet. Na het dampbad moet hij een geheele wassching; een halfbad met afwassching van het bovenlijf; of een volbad nemen, naar gelang de toestand van den zieke het vordert. Voor hen, die zwaar ziek zijn, is een geheele wassching het gemakkelijkst en het minst gevaarlijk.
De werking van dit dampbad is, zooals vanzelf spreekt, van oplossenden en afscheidenden aard; dit laatste heeft plaats door middel van het zweeten. Water alleen gebruik ik voor deze dampbaden nooit. Steeds doe ik er planten of kruiden in b. v.
75
het bekende hooizaad, het haverstroo en vooral het schaafstroo.
Voor nierziekte en steen gebruik ik haverstroo, bi] krampachtige rheumatische aandoeningen in het onderlijf, bij zweren in de blaas, en bij waterzucht in wording, geef'ik aan hooizaad de voorkeur.
. Hoe de dampbaden door de koudwateraanwendingen worden afgewisseld, kan men in het derde deel bij de verschillende ziekten naslaan.
De wonderbaarste en merkwaardigste resultaten verkreeg ik met dampbaden van schaafstroo-aftreksel in die hoogst pijnlijke gevallen, waarin het urineeren onmogelijk was en de vreeselijkste, folterendste smarten den armen lijder martelden â tot vertwijfeling en waanzin brachten. Krampachtige aandoeningen in de blaas, die door koude of ontsteking veroorzaakt waren, werden in tamelijk korten tijd verdreven en het orgaan deed evenals vroeger zijn reinigingsdienst.
4. Plaatselijke dampbaden.
De dampbaden kunnen, vereenigd met andere wateraanwendingen, gewichtige diensten bewijzen voor ziekten aan: oogen, ooren, mond, vingers, hand, teenen, voeten, enz. Eenige voorbeelden mogen dit ophelderen.
Ge wordt door een vergiftig insekt in hand of arm gestoken ; het lid zwelt op en doet hevige pijn; de ontsteking dreigt zich uit te breiden, enz. Nu zullen de dampbaden, in ver-eeniging met hand- en armomslagen, op de zeere plek aangewend, spoedig de pijn verzachten en hulp aanbrengen.
Te dien einde houdt men de hand of den arm boven de tobbe met opstijgend, dampend water. Doordat er vergiftige elementen in de wonde aanwezig zijn, loopt men gevaar voor bloedvergiftiging; er is periculum in mora!
Daarom is het raadzaam om snel ter oplossing of afscheiding een hand- of voetdampbad in gereedheid te brengen.
Iemand is door een vermoedelijk dollen hond gebeten. Hij geve voorloopig een dampbad aan de gevaarlijke wond en dat, vóór elke andere hulp, of vóór dat de dokter verschijnt.
Hebt ge hevige krampen op bepaalde plaatsen aan handen of voeten, verzuim dan niet ze een dampbad te geven.
In den regel geef ik voor alle genoemde gevallen een aftreksel van hooizaad.
Voor de oogen neem ik gaarne een aftreksel van gemalen venkel, oogentroost of duizendblad;
Voor de ooren een aftreksel van doove brandnetels, brandnetels of duizendblad;
76
Voor ophoopingen van slijm in de keel een aftreksel van duizendblad, weegbree of brandnetels.
De duur van aanwending mag nimmer 20 minuten overschrijden; de kortste aanwending is van 10 minuten.
Als de damp moet worden ingeademd, naar binnen op oogen en ooren moet werken, dan neme men voorzichtigheidshalve nimmer al te warm water.
D. Begietingen.
Bij mij zijn de volgende begietingen in gebruik: 1. De begieting van de knie.
Men ontbloot de beenen tot boven de knieën, stroopt de broek zoover mogelijk op en legt er een handdoek over, om hem niet nat te maken. Dan gaat men op een stoel zitten met de voeten in een gereedstaande tobbe, (zie flg. 11).
De aanwending geschiedt door middel van een gieter, die gemakkelijk te hanteeren is. Een gieter, zooals in een broeibak gebruikt wordt, is daarvoor zeer geschikt. De eerste gieter, die met krachtige, volle stralen wordt uitgegoten, raakt beide beenen van de tee-nen tot boven de knieën; de volgende gieters bespoelen met eenzachteren straal, die nu eens' hoo-ger dan eens lager valt, de beenen op een bepaalde plaats â vooral de knieschijf (in 't midden, rechts en links) en de kuiten ; men zorge dat het water steeds gelijkmatig langs beenen en voeten wegloope. De laatste gieter wordt niet uitgegoten, maar in 2 of 3 keeren door de groote opening van boven over de beenen uitgestort. Voor een knie-begieting kunnen 2 a 10 gieters water worden gebruikt. Zieken enquot; zwakken kunnen de kniebegietingen in den beginne zeer moeielijk verdragen. Aanvankelijk is zij voor niemand aangenaam. Zelfs mannen, die eerst over dat bagatelletje lachten
en zich dus goed wilden houden, toen zij de electrische schokken der kniebegieting moesten doorstaan, die dapperen! heb ik als een peppelblad zien sidderen en weenen van smart. Dit is het beste bewijs voor de electriseerende, verfrisschende en versterkende kracht dezer begieting.
Herstellende personen, die aan bloedarmoede lijden; allen wier beenen niet stevig gespierd en slechts met een laagje vleesch bedekt zijn, raad ik dringend aan aanvankelijk niet meer dan 3 ;i 4 gieters water te gebruiken. Iedere beginner zij de eerste maal met 2 gieters water tevreden, de volgende dagen kan hij er 4 a 6, en later zelfs 8 a 10 nemen. Na 8 a 10 kniebegietingen is alle gevoel van smart geweken ; met een zeker verlangen, met genoegen verbeidt men den komenden straal, die in zoo korten tijd de verweekte voeten zoo aanmerkelijk versterkt heeft.
De kniebegieting komt geregeld slechts in verbinding met de begieting van het bovenlijf voor; men leze daarom, wat over deze laatste begieting gezegd wordt.
2. Begieting van het bovenlijf.
De patiënt ontkleedt het bovenlijf tot aan de lendenen, en omgordt deze met een grooten breedén doek om het invloeien van het water te beletten.
De tobbe, waarin het water moet vloeien, kan op een bankje in plaats van op den bodem staa n; daardoor kunnen zwaarlijvige personen gemakkelijk voorover bukken, en de bloedsaandrang naar het hoofd is niet zoo sterk, wijl men zich niet zoo diep behoeft te buigen.
Met beide handen rust hij op den bodem der tobbe,
zoodat het bovenlijf een horizontale houding aanneemt, en het water in de tobbe kan afloopen (zie fig.
12.)
De eerste gieter begint aan den rechterarm en schouder, loopt over den heelen rug en komt uit op den linkerschouder en bovenarm (fig. 13, a). Hij dient in de eerste plaats ter bevochtiging van de geheele
oppervlakte, die moet begoten worden. De tweede (b) en de derde (c) gieter bewegen zich voornamelijk over het groote sympatische zenuwnet, aan beide zijden van den 7en halswervel; vervolgens over den rug en de ruggegraat; steeds eindigend op een der beide bovenarmen.
De rug moet 3 a 4maal gelijkmatig begoten worden, zoodat het water langs de borst in de tobbe afvloeit. Het hoofd moet , gespaard blijven, maar de nek daarentegen ) flink worden begoten ; den langharige be-Fig. is. giet ik het hoofd volstrekt niet, maar den
kortharige zachtjes en niet lang. Bij zenuwachtige menschen moet men voorzichtig zijn en zorgen, dat de ruggegraat of een gedeelte daarvan, niet te sterk of te lang begoten wordt. De straal zou wee doen als een dolkmes en niet zijn uit te staan, ofschoon er geen gevaar bij is. Naar behoefte en omstandigheden laat de medehelper den straal vol of verdeeld, hooger of lager, d. w. z sterker of zwakker neervallen. Tegelijk geve hij acht of de patient over bijzondere smarten op een of andere plaats klaagt, en zie nauwkeurig toe of hij misschien uitslag, zweren, bloedophoopingen (blauwe vlekken) bloedige gezwellen enz. gewaar wordt.
Hoe gelijkmatiger het water over den rug heenloopt, des te gemakkelijker is de begieting uit te houden, en des te sneller herkrijgt men overal gelijkmatige warmte.
Er zijn personen (waaronder vooral zwaarlijvigen behooren, of die aanleg tot zwaarlijvigheid hebben) bij wie men lang op reactie wachten kan. Dat ziet men aan de huid, wanneer zij blank, kleurloos blijft, gelijk voor de begieting, en niet gekleurd wordt door het bloed, dat door de aanwending sneller naar de begoten lichaamsdeelen moet vloeien. Dit verhelp ik door na den eersten gieter den natten rug met de hand te wrijven, waardoor de huid tot reactie wordt opgewekt. Bij de 3e of 4e begieting is de gewenschte temperatuursverhoo-ging reeds verkregen.
Bij zwakke personen kan men met één gieter water volstaan.
Eerstbeginnenden onthale men op 1 a 2, meergeoefenden op 2 a 3, gezonden en sterken op 5 a 6 gieters water. Men wachte zich voor overdrijving, ingeval men pleizier in de aanwending heeft.
Na de begieting moet men vlug de borst wassclien; de handen en het gezicht (en niets meer) afdrogen ; de nog vochtige huid met de kleederen bedekken; en gaan wandelen en arbeiden.
79
80
dit primitief âhelp u zeivenquot; zal de goede werking niet falen.
3. Begieting van den rug.
De begieting van den rug is niets anders dan de voortzetting van de bovenlijf begieting, en wordt voorgeschreven als voornamelijk de ruggegraat versterkt moet worden. Van heilzame werking is zij voor den bloedsomloop en overtreft hierin verre de voorgaande begieting. Evenals bij deze, loopt de straal, die hooger en lager, met meer of minder kracht kan neervallen, van het eene schouderblad naar het andere. Vervolgens laat men den straal uit 3 a 6, of zelfs 8 gieters water van den bovensten halswervel tot aan het stuitbeen op de ruggegraat spelen.
Men eindige steeds met het snel afwas-schen van borst en onderlijf, van armen en beenen. De eenvoudigste wijze om een rugbegieting te nemen is, dat de patient in een zwembroek of badhemd op de bad-
Fig is z^- (zie %⢠15.)
Aan de verwisseling van het hemd, het snelle aankleeden, enz. behoeft hier niet te worden herinnerd.
4. Begieting van het onderlijf.
Deze is wederom een voortzetting van de kniebegieting en bestaat daarin, dat niet alleen voeten, kuiten en knieën, maar ook de dijen worden begoten.
De uitwerking is dezelfde als bij de begieting der knie, maar in hoogeren graad ; altijd kan zij voor deze in de plaats treden. Zij moetgeregeld op het voetdampbad volgen, wanneer aan het halfbad of het knielen in de badkuip niet de voorkeur gegeven wordt.
Ieder is in staat zich zelve te begieten (zie flg. 16.) Wordt men geholpen, dan geldt ook hier, wat van de rugbegieting is gezegd.
5. Begieting van het geheele lichaam.
Deze begieting strekt zich, zooals het woord al uitdrukt,
81
tot het geheele lichaam uit, van den hals tot aan den voet, Deze wijze van toepassing is de volgende:
De patiënt zit in een badkuip, of in een grooten bak van hout of zink, op een smal zitplankje met zwembroek of badiiemd aan. Hij wordt uit ongeveer 4 gieters gedeeltelijk op de rugzijde.
gedeeltelijk op de borstzijde begoten (zie fig. 17.)
De eerste gieter maakt het heele lichaam vochtig;
de volgende gieters (3 of meer) worden over het geheele lichaam uitgegoten,
maar vooral over het rug-gemerg en het groote zenuw-net, vervolgens over den nek en aan de beide zijden daarvan, en ten laatste over de maagstreek (maagholte, sympathicus in de maagstreek.)
Gezonden, vooral zwaarlijvigen personen is deze begieting aan te bevelen: zij werkt hardend, bevordert den bloedsomloop, versterkt deze bloedarme en waterschuwe individus en verstompt .hun overgevoeligheid.
Die koude of koude rillingen gevoelt, mag zich deze begieting niet laten geven, of hij moet eerst de normale natuurwarmte verkregen hebben door beweging of door kunstmiddelen, zooals een voet- of hoofddampbad. Overigens kan zij 's zomers en 's winters genomen worden, maar des winters, zooals van zelf duidelijk is, in een warm vertrek.
Voor zieken en zwakken mag, ja, moet de koude van het water getemperd worden; het water moet minstens zooveel graden warmte hebben, als het des zomers in badinrichtingen heeft (15° a 18° R.).
Onze verhandeling over de ziekte leert in welke gevallen en hoe dikwijls het geheele lichaam moet begoten worden. Hieraan geef ik boven het volbad de voorkeur, wanneer ik dooide begieting krachtiger op een ziek lichaamsdeel werken wil. Bij rheumatiek komt dit zeer voor.
Met zieken, bij wie ik bijzonder veel ziektestoffen wil oplossen en afscheiden, handel ik na deze begieting op de volgende wijze: het door 't gieten nat geworden hemd wordt vlug uitgewrongen, zoodat het niet meer afdruipt, en dan als âomslagquot; gebruikt, (zie âOmslagenquot;) waarin de patiënt 1 of l1^ uur, blijft rusten.
82
Zooals te begrijpen is, moet anders dit hemd worden uitgetrokken en door een schoon en droog worden vervangen. De patiënt stelle zich in beweging, totdat hij volkomen warm en droog is.
In 't voorbijgaan merk ik op, dat ik de begietingen, die hoog en derhalve krachtig nedervallen, en de douches, op sommige plaatsen in gebruik, nooit aanwend en zelfs afkeur. Ik zie volstrekt niet in wat zulk een geweldige waterval op gezonden en vooral op zieken zou uitwerken. Om het lichaam te wasschen behoeft men geen brandspuit. quot;Wie zou dit durven beweren? Deze formeele waterhoozen zijn volstrekt onnoodig; of de ziekte is geneeslijk en dan kan men het met minder af, öf zij is ongeneeslijk, en dan zal deze ruwe handelwijze niets baten, maar veeleer schaden.
E. Wasschingen.
Men heeft twee soorten van wasschingen: geheele en gedeeltelijke wasschingen. Wij zullen beide bespreken. In 't algemeen moeten wij opmerken, dat de grondregels over wrijving, niet afdrogen, enz. ook hier gelden. De hoofdzaak van elke wassching is hierin gelegen, dat het geheele lichaam, of het af te wasschen deel daarvan, gelijkmatig nat wordt. Nergens is sprake van wrijving en massage. Als ik somtijds bij ziekten van een krachtige wassching gewaag, dan versta ik daardoor een snelle behandeling, zonder aarzeling of talmen toegepast. In elk geval mag zij nooit langer dan 1, hoogstens 2 minuten duren. Nu kunt gij zelf oordeelen over het groote verschil, dat er bestaat tusschen mijn wijze van handelen en de methode in zekere badinrichting in gebruik; val mij nu verder niet meer lastig met het verwijt, dat ik mijne zieken veel te lang in het koude water laat en hun daardoor rheumatische aandoeningen van allerlei aard bezorg. Waarlijk ik overdrijf niet.
Ik herhaal de opmerking, welke ik reeds bij het koude volbad maakte: als het lichaam koud is, als men rillingen heeft neme men nooit een wassching, vooral geen geheele wassching. De eigen lichaamswarmte, toch reeds zoo gering, zou nog meer verminderen en zou men slechts langzaam en met groote moeite terugkrijgen. Koorts, catarrhe en andere ziekten zouden niet kunnen uitblijven.
1. Wassching van het geheele lichaam.
a) De geheele wassching voor gezonden.
De geheele wassching â de naam duidt het reeds aan â betreft het geheele lichaam (behalve het hoofd), dat in eens van boven naar beneden gewasschen wordt.
83
Dit kan het gemakkelijkst op de volgende wijze geschieden: Men neme een ruwen, groven handdoek, (met de kleine bad-spons gaat het te langzaam) doopt dien in het koude water en begint de borst, den buik en daarna den rug, die minder toegankelijk is, te wasschen. Hoe men den rug moet wasschen is inoeielijk voor te schrijven. Een ieder zal voor zich zeiven wel uitvinden, hoe hij den rug het vlugst en gemakkelijkst in zijn geheelen omvang kan bereiken. Dan komen armen, beenen en voeten aan de beurt. Alles moet in één, op zijn laatst in twee minuten zijn afgeloopen. Elke wassching, die langer duurt, kan schadelijk zijn. Daarenboven zorge men deze wassching niet te doen op eene plaats, waar het lichaam aan vrije lucht is blootgesteld. Dit zou eene al te grove onvoorzichtigheid ziju. Zonder afdrogen kleedt men zich snel aan, en gaat aan den arbeid, of neme beweging, totdat de huid geheel warm en droog is.
Wanneer en hoe dikwijls kunnen gezonde menschen hun geheele lichaam wasschen?
Ieder wascht zich minstens éénmaal ('s morgens) het gezicht en de handen. Het zoude aan te bevelen zijn om ook de geheele wassching 's morgens na het opstaan te doen, want dan heeft men door de bedwarmte een hoogere natuurwarmte verkregen. De wassching zou dan een aangename afkoeling en verfrissching zijn, welke aanstonds alle slaperigheid zou doen verdwijnen en een ieder bij den aanvang van zijn werk met lust en ijver zou bezielen. Van tijdverlies kan geen sprake zijn, daar alles in één minuut is afgeloopen en men dan aanstonds aan den arbeid kan gaan.
Hoe menig stedeling maakt in zomer en lente niet oen morgenwandeling! Hij beproeve eens om vóór dat uitgaan een geheele wassching te doen. Ik weet zeker, dat niemand hem dat voor een tweeden keer zal behoeven te zeggen.
Personen, die na de geheele wassching zich niet kunnen bewegen of niet aan den arbeid kunnen gaan, moeten er zich om die reden niet van onthouden: laat hen gerust de heele wassching doen, daarna kunnen zij een kwartier of een half uur naar bed gaan. Dat is even goed.
Als men er toe kon overgaan â het is zulk een kleine overwinning â om een tijdlang alle dagen, of minstens om de 2 of 8 dagen, zulk een dienst aan het lichaam te bewijzen zou de belooning dezer goede daad niet uitblijven.
Als men in 't vroege morgenuur daarvoor geen tijd kan vinden, kan men het op een ander uur van den dag doen; men zondert zich 2 a 3 minuten in de slaapkamer of in het waschhuis af, en klaar is men met deze weldadige aanwending.
84
Laten wij toch niet te veel op ons gemak gesteld zijn en waterschuw worden.
De smid of slotenmaker sluit zijne werkplaats en wascht zich het roet en de kolenstof van 't gelaat; de landman, die van zindelijkheid houdt, keert van den akker huiswaarts en wascht de handen; in den warmen zomer neemt hij vóór elke andere verfrissching een teug water om mond en verhemelte te spoelen. Wat zouden zij beiden niet beter handelen, als zij na het vermoeiend dagwerk het laatste zweet door een geheele wassching wegnamen ! Ik wenschte dat de verkwikkende en versterkende oefening meer bekend ware.
Een ieder kan 's avonds vóór het naar bed gaan geen koud-wateraanwending nemen, want vele personen worden daardoor zenuwachtig. Hij, die er tegen kan, zal juist op dat uur van den dag den minsten tijd verliezen en zal zich een rustigen vasten slaap verzekeren.
Aan vele personen, die 's nachts niet konden inslapen, heb ik in plaats van volbaden, met goed gevolg de meer gemakkelijke geheele wassching aanbevolen.
In den winter raad ik altijd aan om 10 minuten in bed te gaan liggen en eerst dan de wassching te doen, als het geheele lichaam warm geworden is.
b. De geheele wassching voor zieken.
Bij zieken heb ik altijd ondervonden, niet alleen hoe weinig massage en wrijving quot;baten, maar hoe zij dikwijls veeleer schade veroorzaken door ongelijkmatige verwarming, prikkeling der zenuwen, enz.
Bovenal dring ik er op aan, dat het heele lichaam des zieken, de voetzolen niet uitgezonderd, gewasschen wordt en dat de wassching overal gematigd zij, zoowel met betrekking tot de hoeveelheid water, die alle lichaamsdeelen raakt, als met betrekking tot de wrijving, die aan het wasschen noodzakelijk verbonden is. Zoo zal de natuurwarmte op eene natuurlijke ongedwongen wijze en evenredig verhoogd worden maar bij minder nauwkeurigheid op verschillende plaatsen hooger of lager zijn; ook de werking zal, ofschoon niet juist schadelijk, dan toch minder gunstig wezen.
Zieken worden steeds op de volgende wijze gewasschen : de kranke gaat opzitten in bed, of als hij hierin door zwakte wordt verhinderd, door anderen bij het opzitten ondersteund Men wassche hem vlug den geheelen rug en wervelzuil af; van onder naar boven en omgekeerd. In een halve minuut is alles afgeloopenen de kranke legt zich neder. Nu wascht de verpleger
85
borst en onderlijf; is de zieke sterk genoeg,'dan doet hij het liever zelf. In hoogstens 1 minuut is ook dit geschied. Vervolgens komen de armen aan de beurt en eindelijk de beenen. In 3, hoogstens 4, minuten is alles voorbij en de zieke voelt zich met nieuw leven bezield.
Gelijk ik iedereen, zelfs die zwaar ziek is, dagelijks gezicht en handen kan reinigen, evenzoo gemakkelijk kan ik met een weinig goeden wil en liefderijke zorg het geheele lichaam wasschen. Na de 2e of 3e maal gaat het ons reeds handiger af.
Ingeval de geheele wassching in eens voor een zieke te vermoeiend zou zijn, dan kan men dat in 2 of 3 gedeelten doen. 's Morgens vroeg kan men borst, buik en armen wasschen en 's namiddags rug en voeten; of in het morgenuur wascht men borst en buik, tegen den middag den rug en 's avonds armen en beenen.
Bij een snelle, voorzichtige afwassching dreigt nimmer gevaar, ook al maakt men van het koudste water â wat altijd beter is â gebruik.
Hoe en hoe dikwijls dit afwasschen moet plaats hebben, wordt bij de verschiliende ziekten aangegeven.
Wij merken hier nog op, dat bij hevige koortsen en bij alle ziekten, die van koortsen vergezeld gaan, vooral bij typhus en pokken, de wassching van het geheele lichaam een hoofdrol speelt, en steeds de plaats van koude volbaden vervult, als deze om de een of andere reden niet kunnen genomen worden.
De koortshitte en de onrust daarmede gepaard wijzen vanzelf aan, wanneer de geheele wassching herhaald moet worden; in zekere omstandigheden kan dit ieder half uur plaats hebben. Vele ziekten, gelijk catarrhe, slijmkoorts, pokken, typhus enz. heb ik alleen door deze wasschingen genezen.
Bij zwakke gestellen gebruik ik in plaats van water zeer dikwijls azijn met water verdund. Behalve dat hij de huid beter reinigt en de poriën opent, sterkt en staalt hij ook beter.
Dikwijls hoort men zeggen, dat het wasschen met wijn, spiritus, (voor azijn maak ik een uitzondering) enz. buitengewoon heilzaam zou werken. Ik heb het dikwijls beproefd en onderzocht, maar heb nooit iets bespeurd dan een meer dan middelmatige werking. Dikwerf bleef mijn proef zonder eenig resultaat. Vroeger jaren gold de Fransche brandewijn als het non plus ultra der waschmiddelen; duizenden flesschen werden gekocht en verkocht. Eenige jaren hoorde men er niet meer van, maar in den laatsten tijd zweeft deze âgeestquot; over de geheele wereld.
Deze middelen gaan en komen als de kometen, vaak heb-
86
ben zij een langen staart, maar zijn in eens verdwenen. Het zijn niet de regelmatige gewone sterren, die iederen nacht zichtbaar zijn en rustig, maar ononderbroken, hun stralen werpen; met deze laatste zou ik het water willen vergelijken.
Het werkt en zijne aanwendingen zullen blijven, als al die âbuitengewonequot; stroomen reeds lang zullen opgehouden hebben te vloeien, omdat zij de proef niet konden doorstaan. Mocht het water zich overal baan breken, vooral in die kringen, tlie zooveel vermogen om zijn nuttige zegenrijke werking te verbreiden.
2. Gedeeltelijke ivasschingen.
Deze wassching geldt niet het geheele lichaam, maar een deel daarvan. Men kan het met de hand doen, of met een groven handdoek in koud water gedoopt. Overigens zijn hielde boven aangegeven regels van kracht.
Of de vinger of de teen, de voet of de hand ontstoken is; overal en altijd blussche men, waar en wanneer de brand is uitgebroken.
Nadere bepalingen omtrent de noodzakelijkheid en den duur dezer wasschingen kan men in het 3e deel vinden.
F. Omslagen.
Onder de omslagen wordt in de eerste plaats gesteld: 1. De omslag van het hoofd.
Deze omslag kan op twee manieren plaats hebben.
a. Het geheele hoofd, gezicht en haren worden gewasschen tot ze flink nat zijn. Het water moet doordringen tot op de huid, maar de haren mogen niet druipen. Men moet het goede niet overdrijven. Dan bindt men een drogen doek om het geheele hoofd, zoodat alles luchtdicht is afgesloten en slechts het halve voorhoofd met de oogen zichtbaar zijn. Reeds na een half uur, zelden na een vol uur, zijn de haren droog.
Men kan vervolgens het wasschen en den omslag 1, 2. zelfs 3 maal vernieuwen, men zorge slechts dat de omslag altijd goed droog is. De 2e en 3e aanwending zullen beide een half uur duren, doch men vergete niet, dat voor elke vernieuwing de haren altijd volmaakt droog moeten zijn. Men make het zich tot gewoonte na de laatste aanwending hals en hoofd eventjes met koud water af te wasschen en, gelijk men 's morgens doet, weer af te drogen.
87
b. Meer aanbevelingswaardig is de 2e wijze, vooral wanneer men vele kwade stoffen wil afscheiden: men wascht het hoofd en wikkelt het in een doek. gelijk boven is aangegeven; daarover wordt vervolgens een tweede dunne wollen doek stevig omgeslagen, zoodat alle indringen van lucht onmogelijk is. Als de hitte aan het hoofd te hevig zou zijn, dan kan behalve de haren ook de eerste doek worden nat gemaakt. Moet de omslag gedurende langen tijd worden gebruikt, dan ver-zuime men niet net hoofd opnieuw nat te maken; dit moet minstens iedere 25 a 30 minuten plaats hebben. Deze aanwending wordt besloten als de eerste.
Hoofdpijnen, vooral van rheumatischen aard, die door koude, snelle temperatuursverandering ontstaan zijn, roof, droge uitslag, kleine zweren op de hoofdhuid worden met succes door den hoofdomslag behandeld.
2. De omslag om den hals.
De eerste wijze van halsomslag is zeer eenvoudig. Men maakt met de hand of met een handdoek den geheelen hals nat en slaat er 3 of 4maal een drogen, groven, linnen doek om. De omslag moet stevig maar niet te vast aanliggen, zoodat niet meer dan de lucht wordt afgesloten.
Een tweede soort van omslag is, dat men een slappen handdoek in het water doopt en om den hals slaat; de natte handdoek wordt met een drogen bedekt en beide door een wollen of flanellen windsel omwonden. Die dit niet bij de hand heeft, neme eenvoudig maar een droge wollen lap, groot genoeg om het indringen van lucht te beletten.
Door de ondervinding geleerd, ben ik in 't algemeen tegen langdurige aanwendingen; zij bewerken maar al te dikwijls het tegendeel van hetgeen zij beoogen: verslechting in plaats van verbetering. Dit is ook de hoofdreden, waarom zij alle krediet en vertrouwen verliezen. Een patiënt, die op deze wijze bedrogen is uitgekomen, is zeer moeilijk te bekeeren. Alle overtuigingsredenen zijn vruchteloos.
Deze algemeene opmerking slaat op alle omslagen, die van den hals niet uitgezonderd.
Alle omslagen hebben ten doel de ongeregelde en buitensporige strooming van het bloed naar een of ander lichaamsdeel te beletten, het bloed af te leiden, en overmatige warmte af te voeren. Zou ik nu al te lang, b. v. gedurende den geheelen nacht, den omslag op een zieke plaats laten, dan zou deze al warmer en warmer worden, en nieuw bloed blijven toestroomen; ten laatste zou de warmte buitengewoon hevig
88
worden en de ontsteking of de kwaal verergeren. Wat hieruit met betrekking tot den halsomslag volgt, ligt voor de hand.
Ik ben volstrekt tegen aanwendingen, die vele uren lang of den geheelen nacht duren. Ik ben met één uur of hoogstens anderhalf uur tevreden, mits na ieder half uur, in zekere omstandigheden na iedere 20 minuten, de omslag vernieuwd d. w. z. opnieuw nat gemaakt en aangelegd wordt. Deze vernieuwing kan dus gedurende iedere aanwending 2 of 4 maal plaats hebben. Bij iederen patiënt verandert die en hangt af van de meer of mindere hitte, die hij gewaar wordt. Een zekere onpleizierigheid of onrust is het zekerste teeken, dat de vernieuwing noodig is.
De halsomslag wordt voorgeschreven: bij keelontstekingen, bij moeilijkheid in 't slikken, en bij verschillende hoofdpijnen. Tegelijkertijd moet men trachten met den halsomslag mede te werken door aanwendingen op andere lichaamsdeelen, b. v. door natte sokken aan de voeten, of op het geheele lichaam.
3. De omslagdoek.
De omslagdoek wordt uitsluitend gebruikt voor de borst en het bovengedeelte van den rug. Iedere vrouw en jonge-dochter kent den omslagdoek, die vooral op het land in gebruik is; het is een groote vierkante wollen doek, die in tweeën tot een driehoek gevouwen zóó over de schouders wordt geslagen,
dat de grootste Fis 1!'-
hoek over den rug en de beide scherpere hoeken over de borst komen te
(zie fig. 18 en 19). De omslagdoek, zooals wij hem gebruiken, is een grof, vierkant stuk linnen, één of ander-halven meter lang en breed. Hij wordt tot een gelijkbeenigen driehoek samengevouwen en op bovengenoemde wijze over den schouder geslagen, zoodat de rechte hoek op den rug tot onder de lendenen hangt en de beide scherpe punten langs de borst vallen en elkander in de maagstreek ontmoeten.
De omslag wordt in koud water gedoopt, uitgewrongen, op het bloote lichaam gelegd, en met droge linnen of wollen doeken luchtdicht afgesloten.
Spoedig gevoelt men, hoe zich eene aangename warmte
hangen
89
ontwikkelt en de omslag warm, ja, langzamerhand heet wordt.
Deze aanwending kan 1»tot VI2, in zeldzame gevallen 2 uur duren. Dit laatste komt dan slechts voor, als een sterke afscheiding gewenscht is. Als het langer duurt, moet men de vernieuwing, d. w. z. het opnieuw nat maken, niet vergeten ; dit heeft plaats na ongeveer 12 tot 3;'4 uur, gewoon-1 ig. 2i\ üJk ^an a^s hitte hevig en de omslag te warm wordt.
Deze geheel onschuldige omslag werkt oplossend en afscheidend bij verhittingen, congesties, nieuwe ontstekingen aan of in het hoofd, bij koortsachtige catarrhen, bij ophoopingen van slijm in de keel, in de luchtpijp of in de borst.
Uitstekend werkt hij op personen van het zwakke geslacht, die aan zwaarmoedigheid of verstandsverbijstering lijden. Ver-eenigd met een andere, even zachte aanwending is de halsomslag voldoende om den bloedaandrang naar het hoofd geheel te doen ophouden.
Deze tweede aanwending bestaat gewoonlijk in natte sokken of voetomslagen, of in een warm voetbad met aschenzout.
4. De omslag van den voet.
De omslag staat nooit op zich zelf, maar is van groot gewicht als hulpmiddel om de werking van andere aanwendingen te steunen.
Wij hebben twee soorten van voetomslagen en wel:
a. De eigenlijke omslag van den voet.
Landlieden, die over minder tijd en middelen beschikken, kunnen dezen omslag op de eenvoudigste wijze nemen, als zij een paar natte sokken en daarover wollen kousen aantrekken, zich dan gedurende de aanwending te bed begeven en zich warm instoppen.
Als u dat niet bevalt, neemt dan een stuk grof linnen of een linnen band, doopt het in half water en half azijn, windt het om de voeten tot over de enkels, doet er een drogen omslag (liefst een wollen of flanellen windsel) om, gaat naar bed en dekt u goed toe.
90
De aanwending duurt 1, 112 a 2 uur en schrijft steeds het naar bed gaan voor.
Als er veel warmte ontwikkeld wordt en het juist om het wegnemen van warmte te doen is, zooals b. v. bij longziekte, pleuris, darmvlies- en onderlijfsontstekingen, dan moet de aanwending herhaald, en de omslag telkens opnieuw nat gemaakt worden als de hitte in hevigheid toeneemt.
In alle gevallen, waar het er op aankomt om kwade ziektestoffen uit de voeten af te scheiden, bij ontstekingen de hitte â te verminderen, het bloed van het bovenste gedeelte des lichaams naar beneden te voeren, enz. bewijst deze omslag uitstekende diensten.
Verwart de voetomslag niet met het voetbad en diens werking. Laatstgenoemde aanwending duurt korter, maar hare werking is beperkter. Het leidt wel de warmte, het bloed naaide voeten ; maar noch warm, noch koud voetbad is in staat om te zuiveren en bedorven vochten uit de voeten weg te nemen.
Op een ander soort voetomslag mag ik niet verzuimen de aandacht te vestigen.
Die de waterkuur 's avonds verdragen kan, trekke bij het naar bed gaan natte sokken aan en daarover natuurlijk een paar droge. Zoo wordt er volstrekt geen tijd verloren ; hij zal slapen als een wolk en behoeft op geen tijd te letten. Maaibij hèt wakker worden, in den nacht of in den morgen, moet hij de natte sokken terstond uitdoen.
Landlieden, die 's avonds erg moe zijn, worden door natte sokken, nog beter dan door het koude voetbad, van alle vermoeidheid bevrijd.
Die last van koude voeten heeft, moet dezen omslag eens oen nacht probeeren. Ook tegen zweetvoeten heb ik ze met het meeste succes aangeraden, maar dan ging eerst een voet-dampbad vooraf.
b. Omslag tot over de knie.
Krachtiger nog werkt de voet-omslag, wanneer hij tot over de knieën reikt. Het natte windsel, dat bij den voetomslag tot over de enkels gewikkeld is, wordt tot over de knieën voortgewonden, en met een drogen (het best is een wollen) doek flink bedekt.
Overigens is alles, zooals voor den eigenlijken voetomslag is voorgeschreven.
Om het bovenlijf van al te groote hitte te bevrijden, om een groote vermoeienis weg te nemen, vooral om lastige winden en lang ingehouden gassen te verdrijven, beveel ik dezen omslag aan.
91
Men moet dezen omslag niet verwarren met het âin het water staan tot boven de knieënquot;, waarover ik bij de half-baden heb gesproken. Deze laatste aanwending werkt niet afscheidend, maar alleen versterkend.
5. De onderomslag.
Deze wordt aldus genoemd, omdat hij hoofdzakelijk tegen kwalen in het onderlijf en aan de beenen wordt aangewend en derhalve in het bijzonder het onderlijf ten goede komt: hij begint onder de armen en reikt tot over de teenen. Schouders en armen blijven vrij en moeten, terwijl de patiënt in den omslag gewikkeld te bed ligt, met een hemd, of wat beter is, met een warmer kleed, worden bedekt, zoodat van boven geen lucht kan binnendringen.
De onderomslag wordt op de volgende wijze quot;kla argemaakt en aangelegd: op het onderlaken wordt een breede wollen deken over geheel haar lengte uitgespreid.
De linnen omslag moet zoo groot zijn, dat hij minstens twee, in vele gevallen 3 a 4 maal om het lichaam kan gewikkeld worden en de voeten geheel kan bedekken. Wij willen eens aannemen dat hij dubbel gevouwen is; dan doopt men hem in koud water, wringt hem uit, zoodat er geen water meer afdruipt, en spreidt hem uit op de wollen deken. Vervolgens legt. de patiënt zich daarop neder en wikkelt zich geheel in het natte linnen, zoodat niets van het onderlijf meer onbedekt is. Daarna wordt de wollen deken om het natte linnen geslagen, zoodat het binnendringen van lucht onmogelijk is, en het geheel met een veeren bed of wollen dekens zorgvuldig toegedekt. Veelal zullen de voeten nog een extra deken noodig hebben, (zie fig. 22.)
De zaak is niet zoo ingewikkeld, als ze bij het lezen schijnt; zij gaat spoedig van de hand, wanneer de patiënt, naar ver-
92
â¢kiezing met een -zwembroek of badhemd aan, zich goed in den natten omslag hult en zóó op de uitgespreide wollen deken gaat liggen. Nu kan hij gemakkelijk door iemand worden geholpen; dan gaat alles vlugger in zijn werk; de verpleger strijkt den natten omslag glad, legt de uiteinden goed over elkander, of laat ze goed aansluiten, en dekt den patient zorgvuldig toe.
De zaak blijft natuurlijk iet of wat omslachtig, doch is, zooals het mij voorkomt, vrij wat eenvoudiger en gemakkelijker dan een lang, smal windsel om het hëele lijf te winden. Deze windsels gebruik ik bij groote omslagen nooit.
Na eenige oefening gaat alles gemakkelijk. Ik ken vele personen, die zonder eenige moeite en in weinig tijd, (en dit is de hoofdzaak) alle groote omslagen alleen weten aan te leggen.
Mochten er zijn, die bij het ,lezen dezer bladzijden âkippe-velquot; gekregen hebben, dan moge hun de volgende opmerking tot geruststelling dienen.
Die den afkeer van het koude water niet genoeg kan overwinnen, die weinig warmte, zwakke zenuwen, enz. heeft, kan gerust den omslag in warm water doopen.
Dit warm water schrijf ik aan zwakke, gebrekkelijke bloed-arme personen, vooral ouden van dagen, wel niet voor, maar verkies het toch boven het koude.
De onderomslag kan 1, l1^, dikwijls 2 uur gebruikt worden. In den beginne ontwaart men een gevoel van koude, maar deze maakt weldra plaats voor een aangename warmte.
Eenvoudige, arme landlieden kunnen het zich veel gemakkelijker maken. Zij zoeken een ouden, tamelijk versleten en daardoor slappen korenzak, doopen hem in 't water, wringen hem goed uit en âschietenquot; dan tot onder de armen in den zak, even alsof zij een broek aantrekken. In dit oudmodisch kostuum gaan zij op de uitgespreide wollen deken in bed liggen, wikkelen zich in en dekken zich met een veêren bed of wollen deken toe.
Honderden hebben deze wijze van âzakloopenquot; beproefd. Schaam er u niet voor. De zak zal u goed doen !
De veelzijdige werking van den onderomslag, die steeds met andere aanwendingen gepaard gaat, is verwarmend, oplossend en afscheidend, en komt, zooals bereids gezegd is, het onderlijf ten goede. Bij voetgezwellen, bij aandoeningen van rheumatiek en jicht, bij nierziekten, krampen, gezwellen, enz____wordt hij geregeld tot medehelper gekozen.
In plaats van enkel koud en warm water, gebruik ik dikwerf een aftreksel van hooizaad, zuur hooi, haverstroo en dennetakken. Het zure hooi kan het hooizaad vervangen; beide
93
worden gebruikt bij moeielijkheid in het urineeren en als medehelper van andere aanwendingen tegen steen en graveel.
Aftreksel van haverstroo is altijd voortreffelijk gebleken tegen jicht, graveel en steen. Aftreksel van dennetakken is goed voor zwakke gestellen om gassen te verdrijven en verschillende krampachtige aandoeningen in het onderlijf te genezen.
6. De korte omslag
wordt het meest genoemd en gebruikt. Hij vormt eene aanwending op zich zelf, d. w. z. hij werkt op het geheele lichaam zonder hulp van andere aanwendingen; hij verhoogt de natuurlijke warmte, en neemt daarentegen te groote hitte weg, naarmate hij langer of korter gebruikt wordt.
Deze omslag is voor alles goed, heeft zeker iemand eens gezegd. AVat het rijpaard' voor den wagen is, dat is hij onder de omslagen.
Dat hij zoo algemeen bemind en verbreid is, komt daar vandaan, dat een ieder hem zonder moeite zelf kan aanleggen. Gelijk de onderomslag begint hij onder de armen en eindigt boven de knie. Een grove linnen doek wordt 4 a 6 maal te zamengevouwen, en moet zoo breed zijn, dat het geheele lichaam op bovengenoemde wijze er in gewikkeld kan worden. De omslag wordt nat gemaakt, uitgewrongen, vast omgeslagen,
en door een wollen deken luchtdicht afge- ^
sloten. Een veêren bed of wollen deken zorgt voor de noodige warmte, (zieflg. 23). Zwakke en bejaarde personen, in één woord zij, wier warmtegraad door bloedarmoede niet hoog boven het vriespunt staat, mogen, ja, moeten voor dezen omslag warm water gebruiken.
Arme en eenvoudige landlieden kunnen wederom, in plaats van een linnen doek,
een versleten slappen korenzak nat maken en over de breedte om het lijf slaan.
De geheele aanwending duurt 1, l'a,
soms 2 uur, naar gelang is voorgeschreven.
Mochten gezonde menschen alle acht of veertien dagen een korten omslag nemen,
dan zouden zij voor menige ziekte voor altijd bewaard zijn. Hij werkt zuiverend op nieren en lever, en op het onderlijf, dat hij van ingehouden winden, knellende gassen, kwade stoffen en overtollig water bevrijdt.
94
Waterzucht, hart- en maagkwalen, (die zeer dikwijls uit de spanning der gassen naar boven voortkomen en met deze gassen verdwijnen) zijn aan de getrouwe vrienden van dezen omslag onbekend. Ik ken een menigte van zulke trouwe vrienden, die vele nachten in zijn armen slapen en tot den morgen heerlijk en zacht rusten.
Bij ophooping van slijm in de maag, bij hart- en longziekte, bij verschillende hoofd- en keelpijnen wordt vaak de korte omslag aangewend. Een reeks van ziekten in het 3e deel treden meer in bijzonderheden.
Wanneer ik een kwaal niet goed ken, of van den zetel der ziekte niet voldoende op de hoogte kan komen, dan is de korte omslag altijd de trouwste en beste raadgever. Hierover uitweiden kan ik niet.
Patiënten, wier onderlijf door een of andere oorzaak is verzwakt, raad ik dringend aan onmiddellijk vóór of na den omslag het onderlijf met varkensreuzel of kamferolie in te wrijven. Ingeval van krampen laat ik ook dikwerf een in azijn gedoopten doek onder den omslag op het bloote lichaam leggen.
7. Het natte hemd.
Deze aanwending heb ik uitgekozen, omdat zij binnen het bereik is van iedereen, ook van de eenvoudigste menschen met weinig begripsvermogen.
Een gewoon linnen hemd wordt in water gedoopt, uitgewrongen, en zooals gewoonlijk aangedaan. Men ga dan op een groote wollen deken in bed liggen, wikkelt zich goed in, of laat zich goed inwikkelen, en met een veêren bed of wollen deken warm toedekken.
Ik heb een heer gekend, wien dit nog te omslachtig was. Hij ging met het hemd aan in een badkuip zitten, liet over het hemd een kan water uitgieten, en zich daarna in een wollen deken wikkelen.
Als hij van deze âvoornaamste en bestequot; van alle aanwendingen de loftrompet stak, dan hoorde men: Wat zoeten slaap zij brachten, hoe zij het humeur opvroolijkten, den geest opwekten en het lichaam verfrischten.
Men blijft 1, 1 hoogstens 2 uur in het natte hemd liggen. Aangaande zijne werking heb ik ondervonden, dat hij de poriën opent en als een zwakke trekpleister kwade stoffen afscheidt; dat het de zenuwen bedaart; congesties en krampachtige aandoeningen wegneemt; de gelijkmatige warmte bevordert en het geheele gestel door zijne heilzame inwerking op de huid
95
beter maakt. Tegen zielsziekten, tegen St. Vitusdans en dergelijke verschijnselen bij kinderen, vooral tegen huidziekten heb ik dit hemd met bijzonder succes laten gebruiken. Mocht in het laatste geval de afscheiding van vele kwade stoffen noodig zijn, of uitslag ontstaan, dan laat ik het hemd doopen in ⢠water met zout of azijn gemengd.
8. De Spaamche mantel.
Deze benaming heb ik niet uitgevonden, maar ik heb ook geen genoegzame reden om den omslag, die onder dezen naam bekend is en burgerrecht heeft verkregen, te herdoopen; al loop ik ook gevaar dat dit vreemde woord voor menigeen te âSpaanschquot; zal klinken. Dit is mij om het even; het komt slechts op de zaak aan.
De Spaansche mantel, ook âgroote omslagquot; genaamd, is evenals het volbad en de korte omslag een op zich zelf staande aanwending, die op het geheele gestel werkt. Dit verhindert niet, dat hij ingeval van zware en gevaarlijke ziekten slechts gebruikt wordt in afwisseling met andere aanwendingen.
Waarin bestaat deze groote omslag?
Uit grof linnen, het bij het volk bekende hennep, wordt een soort mantel gemaakt; hij gelijkt op een wijd hemd met mouwen, dat van voren geheel open is en tot over de knieën reikt, of als men wil een wijd, lang, linnen nachthemd (zie hg. 24.)
Deze mantel wordt in koud water of â
voor zwakke, bloedarme, oude, waterschuwe personen â in heet water gedoopt, uitgewrongen, als een hemd aangetrokken en van voren goed over elkander geslagen. Het bed moet vooraf zóó zijn opgemaakt, dat de wollen dekens klaar liggen om er den patiënt in te wikkelen. Het best is één zeer breede,
groote wollen deken, of twee kleinere, over de breedte op de matras of den stroozak uit te spreiden. Daarop gaat de patiënt neder-* liggen, wordt tegen het indringen dei-lucht gevrijwaard, goed in de wollen dekens gestopt, en door een veêren bed of wollen dekens warm toegedekt, (zie fig. 25.)
Alles moet zoo vlug mogelijk geschieden,
omdat het verkeerd is, als de patiënt slechts een korten tijd aan de frissche lucht is blootgesteld.
Eens kwam iemand tot mij, die aan alle Fig. 2*.
96
zeer. Hij maakte er eene gewoonte van 1 a 2 maal in de week in een Spaanschen mantel te liggen en na eenigen tijd waren alle genoemde kwalen, met nog vele andere, als weggewaaid. Sinds dien tijd maakt hij tot op den huldigen dag-van een Spaanschen mantel gebruik, als een middel tegen alle kwalen, en, wijl hij niet veel tijd te verliezen heeft, trekt hij den mantel bij het naar bed gaan aan, om dien eerst af te leggen, als hij 's nachts of 's morgens vroeg ontwaakt. Van sterke, wollen stof liet hij zich een tweeden Spaanschen mantel maken, die bij hem goed de plaats van een wollen deken vervult en iedere medehulp noodeloos maakt.
De duur der aanwending loopt over 1, l1^, hoogstens 2 uur; dit hangt af van de sterkte, vooral van de zwaarlijvigheid der zieken. Voor een zwakken buitenman zal 1 of 11 -j uur voldoende zijn, maar eenen brouwer kan men gerust 2 uur voorschrijven. Wie weten wil hoe krachtig de werking-van den Spaanschen mantel is, onderzoeke eens het water, waarin de omslag, na het gebruik, altijd zorgvuldig moet uit-gewasscheu worden; hij zal ondervinden dat het heel troebel is, ja, hij zal er verstomd over staan, dat een Spaansche mantel in staat is zooveel vuile stoffen uit het lichaam te trekken.
Ik herinner mij gevallen, waarin de witte omslag volslagen geel werd; met zeep kon dit er niet uitgewasschenwor-ken, het moest op gras uitbleeken.
De Spaansche mantel opent zachtkens, maar geheel, de hoofdporiën over het geheele lichaam en trekt alle vuile stoffen als slijm enz. tot zich. Ik behoef niet te zeggen, hoe weldadig hij ter bevordering van de normale lichaamswarmte en de algemeene gezondheid werkt.
mogelijke kwalen leed: congesties, gezwellen, aambeien maakten hem het leven lastig en een hartvervetting benauwde hem
Vooral wend ik dezen grooten omslag aan bij algemeene â¢catarrhen, (welke meer of minder het gelieele lichaam hebben aangetast) bij slijmkoorts, podagra, gewrichtsziekte, pokken, typhus, enz. zoo ook om aanvallen van beroerte te voorkomen. In het 3e deel komt hij dikwijls voor.
Wordt de mantel in aftreksel van hooizaaid, haverstroo en dennetakken gedoopt, dan werkt hij uitstekend tegen ziekten, {als jicht, steen, graveel, enz.) waartegen deze planten een bijzonder middel zijn.
G. lid water drinken.
Hier kan ik zeer kort zijn. Ik waarschuw voor twee uitersten, dat is voor meeningen, die niet het rechte midden houden. Voor een 20, 30 jaar geleden, was er een algemeene wedstrijd, wie het meeste water kon drinken. Die de meeste liters door het keelgat joeg, was de grootste held. Dagelijks een hoeveelheid van 4, 6, 8, 10 liters water was geen zeldzaamheid ; tegenwoordig nog spookt in menig brein het denkbeeld rond: veel water maakt gezond. Maar dit is toch nog zoo kwaad niet als het andere, dat verhitte hersenen doet meenen: 3, 4, 5 liters bruin gerstewater is niet te veel in evenredigheid met de vaste spijzen, die wij gebruiken.
Anderen volgen een tegenovergestelde richting als de beste; in weken of maanden drinken zij geen water, want het water drinken is geheel nutteloos; het bier schuwen zij, en wijnproeven? dit nooit! Want daarin is gift gemengd.
Hoe toch de menschen alle gezond verstand kunnen verliezen, zich van alle redejjjk oordeel berooven en, om het zoo uit te drukken, alle goede instinkt, dat blindelings dooide dieren wordt gevolgd, den hals kunnen afsnijden! Is dit verstandig ?
Het uurwerk waarschuwt eenige minuten vóór dat het slaan zal. Zou dan de groote Schepper van het heelal maar halfwerk of knoeiwerk gedaan hebben ? Of hebben wellicht de menschen wanorde gebracht in Zijne schepping vol bewonderenswaardige orde ? Dit laatste is het geval. G-od, die oneindig wijs is, laat den honger een teekon geven, dat er gegeten en de dorst, dat er gedronken moet worden. Het menschelijk lichaam, dat levend uurwerk, welks gang en slag zoo wonderbaar juist is, zou voortreffelijk loopen en slaan, als de dwaasheid der menschen geen vuil en zand tusschen de radereu wierp en zóó den geregelden loop stoorde en verbrak.
Zoo vaak tamme en wilde dieren honger gewaar worden, zoeken zij voedsel; bespeuren zij dorst, dan ijlen zij naar de
98
frissche waterbronnen. Zij houden op met eten en drinken, zoodra ze verzadigd zijn. Evenzoo handelt de onbedorven mensch. die geregeld leeft; hetzij hij gezond, hetzij hij ziek is.
Daarom luidt onze eenige en hoogste levensregel, een gouden levensregel, dien ieder mensch moest volgen;
Drink zoo vaak gij dorst hebt en drink nimmer veel!
Ik ken personen, die de heele week wellicht geen droppel water drinken en anderen, die met een gewoon glas bij het ontbijt den geheelen dag tevreden zijn. Dorst hebben zij nooit, en dit laat zich gemakkelijk verklaren, omdat met de spijzen, zooals ze gewoonlijk worden toebereid, altijd eenig water in het lichaam komt. Afgezien van groote zomerhitte of van hevige lichaamswarmte, die gewoonlijk eene ziekte aankondigt, is de eigenlijke dorst voor vele menschen een onbekende gast, en altijd blijft het mij een raadsel, hoe nochtans zoovele menschen zonder eenige noodzakelijkheid de arme maag zóó onder water kunnen zetten. Dit kan niet ongewroken blijven.
Hier voel ik mij genoopt om ook een woord te spreken over het drinken aan tafel, voornamelijk bij het middageten. Bij landlieden komt het in mindere mate voor; ik bedoel dan ook meer de heeren uit de stad of uit hoogere kringen. Het drinken onder het eten is niet goed, zóó zegt men. Ik ken vele geneesheeren, vooral uit de oude school, die het den gezonden afraden en het den zieken streng verbieden. Die wat gezien heeft van de wereld en wat ondervinding heeft opgedaan, weet, dat allen, die veel water, bier of andere dranken aan tafel gebruiken, in één woord dat alle veeldrinkers steeds over gebrek aan spijsvertering klagen.
Dit kan ook niet anders en waarom?
Als men het voedsel in den mond kauwt, wordt het, of moet het met speeksel vermengd en doortrokken worden ; voor dat doel zijn de speekselklieren aanwezig. Het zou onvoorzichtig zijn om een vaste specie in te slikken, d. w. z. in de maag te brengen, vóór dat de voorbereidende arbeid, voor de spijsvertering van zooveel belang, geheel en goed is volbracht. In de maag worden de bereide spijzen van maagsap doorweekt. Hoe zuiverder, beter en natuurlijker dat sap is, zooveel te beter zullen ook de spijsvertering en hare gevolgen zijn, dat is: des te beter zullen de sappen en de voedende bestanddeelen, welke door de spijsvertering bereid en verder door de natuur worden bewerkt, in staat zijn om de verschillende samenstellende deelen des lichaams te voeden en te volmaken.
Wanneer iemand iets eet en die spijs met water, wijn of bier bespeelt, dan zal dit voedsel niet meer van zuiver maagsap
99
worden doortrokken; het zal tenminste gedeeltelijk door de toegevoegde dranken worden doorweekt.
Als ge deze bespoeling 6 of 8 maal onder eenen maaltijd herhaalt, dan zal het maagsap op zulk een wijze verdund worden, dat het geen diensten meer bewijst, en uw maag, opgevuld met een 6 of 8 maal gedrenkte brij, zal u tot last zijn. Wie mag dan treuren, als de arme maag: âach en wee!quot; roept of, zooals de algemeene klacht luidt, de spijzen niet verteren willen. Hoe moet dan het drinken bij het eten geregeld worden ? Drink, als ge dorst hebt, vóór het eten. De sappen hebben er dan blijkbaar behoefte aan. Het maagsap is dik en vraagt verdunning.
Onder tafel zal zooveel mogelijk niet of zeer weinig gedronken worden, opdat het voedsel tot het laatste stukje toe, met zuiver maagsap worde doortrokken.
Als het eten een zekeren tijd is afgeloopen, vraagt het maagsap om iets vloeibaars om haar werking voort te zetten; met andere woorden, hebt ge 1, 2, 3 uren na het eten dorst, dan kunt ge met mate drinken.
Ik heb met verscheidene dokters van naam over dit punt gesproken. Allen deelen mijne meening en schrijven het groot aantal maagkwalen voor het meerendeel aan onmatig drinken toe.
Drink zoo dikwijls ge dorst hebt en drink nimmer veel! Van plasregens houden de boeren niet; zij beweren dat ze onvruchtbaar zijn en meer kwaad dan goed doen. Daarentegen houden zij vol, dat iedere sterke morgendauw, die hun hoed druipnat maakt, hun beste vriend is, omdat hij vruchtbaar is.
Het lichaam, vooral de maag, heeft vloeistof noodig om van tijd tot tijd haar maagsap te verdunnen en te yermeer-deren, en zóó de vaste spijzen te kunnen bewerken. Als de maag behoefte heeft, klopt zij zachtkens aan om water; of stijgt de nood ten top, dan siaat zij hard en schreeuwt het uit van dorst. Dan moet men altijd naar haar luisteren en het doet er niet toe of de stem uit een gezonde of zieke maag opstijgt, maar nimmer moet men haar meer geven dan noodigis. Kleine hoeveelheden met behoorlijke tusschenruimten. Vooral in geval van ziekte of koortshitte is het beter alle 5 of 10 minuten een eetlepel, dan op eens een vol glas te geven. Dit laatste zou den dorst niet stillen, maar bij de ziekte een nieuwe kwaal voegen.
Met een voorbeeld, aan mijne wijze van handelen ontleend, wil ik besluiten. Iemand lijdt aan harden stoelgang; groote
100
hitte kwelt het onderlijf, de maag wordt door hevigen dorst gekweld. Hij zou, zegt hij, wel 3, 4 glazen water achter elkander kunnen uitdrinken; het is of het in een gloeienden oven geworpen wordt. Dit wil ik gaarne gelooven. De watermassa komt in de maag terecht en maakt dan, zonder op het zieke deel te kunnen werken, een vluchtige wandeling door het lichaam, totdat zij, een aanzienlijke hoeveelheid van het onontbeerlijke maagsap als buit medevoerend, onverwerkt wordt afgescheiden. Den zieke moet men. in plaats van vele glazen water door den dag, ieder half uur een eetlepel vol geven, dan zal men geheel wat anders zien: een gunstig resultaat door een verstandige behandeling verkregen.
De kleine hoeveelheid water wordt namelijk spoedig van het maagsap doordrongen en gemakkelijk daarmede vermengd. Wordt zij ieder half uur toegediend, dan verheugt zich de maag in een rijkdom van sappen, die koelend en normaal het lichaam en de ingewanden doorstroomen en, door hunne verweekende en oplossende werking binnen korten tijd aan alle verharding en obstructie een einde maken. Ontelbaren hebben hierin mijn raad gevolgd en vonden spoedig baat.
Probatum est!
In den jongsten tijd werd veel gesproken en geschreven over de werking van het warm water drinken (30 tot 35 gr. R., zooals bij koffie en thee) vooral in geval van chronische ziekten. Ik zelf heb vroeger bij vele patiënten goede resultaten verkregen. Eere, wien eere toekomt! Mocht er iemand zijn, die aan het warme water vóór het koude de voorkeur geeft, wie zal hem oordeelen of veroordeelen? Het is een kwestie van smaak; maar ik heb ondervonden, dat koud en versch (niet gekookt) water dezelfde, zoo niet nog betere diensten bewijst. Ik voor mij, stel het koude boven ieder lauw, warm of heet water. Men kieze naar goedvinden.
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
TWEEDE DEEL..
APOTHEEK.
..Bene.Hcite universa genninmtia in terra Domino 1quot; ..Elk plantje der aarde loof tien Heer !quot;
Dan. III, 76.
Algemeene opmerkingen en indeeling:.
Onder de dingen, die ik haat en verafschuw, neemt de eerste plaats in de geneesmiddelkraraeri], de handel in geneesmiddelen, die het geheim des uitvinders zijn. Dit verwijt zal mij niemand voor de voeten mogen werpen; daarom open ik in dit 2e deel de laden mijner apotheek, en laat er een ieder in zien en onderzoeken tot het laatste kruiddoosje en het kleinste oliefleschje. (1)
In iedere apotheek zit veel geld ; veel bijzonders is er in de mijne niet. Dit geef ik gaarne toe; en het verwijt, dat men mij hierover zou kunnen maken, beschouw ik als een goede noot voor mijne apotheek.
Bijna al mijn theeën en extracten, oliën en poeders komen van spotgoedkoope heilplanten, die vroeger hoog in aanzien, nu in minachting zijn. Heilplanten, die de goede Godin onze tuinen of om het huis, in het open veld of op verafgelegen onbezochte plaatsen groeien laat. Mijn boekje is vooral voor arme zieken gescheven, voor wie ik met 't oog op de Hemel-sche belooning vol opoffering deze zaken drijf, of zoo men wil. mij in de zaken van anderen steek. Juist voor hen zocht ik al deze arme, oude bekende plantjes op, terwijl ik andere, vele andere, in de vergetelheid moest laten. Lange jaren heb ik nagevorscht en onderzocht, gedroogd en ontleed, gekookt en geproefd. Geen kruidje, geen poeder, dat ik zelf niet onder-
(1) Alleen het recept voor zuiveringsolie, die in sommige gevallen voor uit wendig, maar nimmer voor inwendig gebruik wordt aangewend, houdt ik om misbruiken te voorkomen geheim.
102
zocht en goed bevonden heb. Dit alleen is mijn wensch dat, ten minste bij één soort van menschen, die oude bekenden weder in eere geraken.
Lang heb ik er over nagedacht, eer ik besloot deze apotheek of lijst van medicijnen, die als inwendige middelen met het water medewerken, in mijn geneesmethode op te nemen; immers het water alleen is toereikend en voldoende, en velen konden het als een motie van wantrouwen tegen de geneeskrachten van het water opnemen. Doch er zijn zieken, die uit onverwinbare vrees voor het water zich moeielijk tot een vaak noodzakelijke en langdurige waterkuur laten overhalen; dezen wilde ik den last verlichten, met andere woorden de wateraanwendingen vereenvoudigen en bekorten. Dit echter was alleen mogelijk, wanneer ik de uitwendige waterkuur met de inwendige werkende geneesmiddelen hand aan hand liet gaan.
Die de geheele lijst van deze apotheek overziet, bemerkt terstond, dat ze even als de wateraanwendingen een drievoudig doel hebben, n. 1. kwade stoffen van binnen op te lossen, vervolgens af te scheiden, en eindelijk het geheele gestel te versterken. In zoover mag ik met het volste recht beweren, dat beide methoden, de in-en uitwendige, met elkander overeenkomen en eendrachtig samenwerken. Ik waarschuw voor eene dwaling. Die meent, dat de waterkuur streng en geducht moet zijn, vergist zich deerlijk; maar eveneens dwaalt hij, die vele en dikwijls herhaalde inwendige middelen voor noodzakelijk houdt. Altijd en overal blijft de gouden grondregel waarheid: het zachtste middel is het beste, het moge in- of uitwendig zijn. (1)
Planten, wier werking twijfelachtig is, gelijk althaea, heemst-wortel, zoethout, enz.; planten wier werking in zekeren zin ongunstig is, b. v. voor de maag, gelijk senebladeren, hop, enz.; giftplanten (2) komen in de apotheek niet voor.
(1) Vele patiënten koesteren de meening, dat alleen vele drankjes en pillen hen gezond maken zullen. Ik herinner mij goed, hoe een bekwaam geneesheer. die zoo weinig mogelijk voorschreef', dikwijls over de onverstandigheid der menschen klaagde, die, tegen het oordeel van den geneesheer In, altijd om medicijnen riepen. Lieten zulke onuitstaanbare dwazen mij niet met rust, zeide hij eens, dan gaf ik hun broodpillen, vermengd met iets heel,onschuldigs, dat er den apotheekgeur aim gaf. Zij namen ze met gretigheid in en als ik terugkwam, dan hadden hen deze uitmuntende pillen zooals zij ze nog nooit geslikt hadden, gewoonlijk geholpen.
(2) Een enkel woord over suikerwerk en snoepgoed. Ik erger mij als ik van mannen hoor, dat zij zich met deze kinderachtigheid bezighouden ; hoor ik het van kinderen, dan heb ik medelijden met de kleinen en betreur de kortzichtigheid of de zorgeloosheid der ouders. Aan zieken dit goed van twijfelachtig allooi voor te schrijven, zou een overantwoordelijke misdaad
103
Hier roep ik uit den grond mijns harten : hoe goed is God! niet alleen wat tot levensonderhoud voor onze dagelijksche spijziging noodig is, laat hij groeien en bloeien. Hij, die in Zijne oneindige wijsheid alles naar maat, getal en gewicht heeft geschapen, hij laat vol vaderlijke liefde ontelbare plantjes uit de aarde opschieten, die den mensch in bange dagen van ziekte troosten, en aan zijn door smarten gefolterd lichaam leniging en genezing schenken.
Hoe goed is God! mochten wij dit innig gevoelen! Onderzoeken wij nauwkeurig de plantjes, die door de heerlijke geuren, welke de Schepper hun heeft medegedeeld, ons wenken en roepen, en door hunne kleuren ons vriendelijk toelachen; prijzen wij den oneindig liefderijken Vader in den Hemel met kinderlijke dankbaarheid, wanneer wij ons die heilzame planten garen.
Onze huisapotheek bevat vier hoofd- en eenige bijvakken. In de hoofdvakken plaatsen wij:
1. de tincturen,
2. de (grootste) theesoorten,
3. de poeders,
4. de oliën.
In de bijvakken komt alles op orde te staan, wat niet in de 4 hoofdvakken geplaatst is; ook het pluksel voor verbanden, de watten, enz. kunnen één der bijvakken innemen.
Tincturen en oliën moeten bewaard worden in fleschjes, de verschillende theeën en poeders in stevige papieren zakjes of beter nog in doozen. Die nieuwe doozen bestelt, moet ze ovaalrond en gelijkvormig, ofschoon in verschillende grootten, laten maken, zoodat zij als soldaten naast elkander kunnen staan in rij en gelid; dat vindt een ieder aardig en geeft aan de huisapotheek, zooals het trouwens behoort, een goed aanzien. Het geheel moet bewaard worden in een niet te verafgelegen plaats van het huis, op een koele, maar niet vochtige plek, opdat het niet verschimmele.
Op ieder fleschje, op iedere doos of zak moet nauwkeurig, on voor iedereen leesbaar, de inhoud zijn opgeschreven. De verschillende geneesmiddelen in iedere afdeeling alphabetisch plaatsen is het beste. Wat met A begint b. v. âAardbezie''
zijn. Ik ben absoluut en beslist tegen ai deze lekkernijen, welken naam zij ook mogen dragen, hoe de faam er ook den lof' van uitbazuint, en hoe zij ook voor verkoudheid, hoesten, maagkwalen, voor al wat denkbaar of ondenkbaar, mogelijk of onmogelijk is, worden aangeprezen. Hen kan er do maag in don grond mee bederven.
104
komt op de eerste plaats; wat met Z begint b. v. âZuurkoorr besluit de reeks.
In de huisapotheek moet vooral groote orde heerschen Iedere vreemdeling, die haar nog nooit gezien heeft, moet oogenblikkelijk ieder fleschje, iedere thee kunnen vinden; ook zindelijkheid is van groot belang. Geen stofje mag er op een zak liggen! Aan geen üeschje, zelfs niet aan een oliefleschje, mogen olievlekken kleven, waaraan het stof als ongekamde haren hangt. Niets is zoo groote schande voor een huis dan onzindelijkheid en, weet wel, naar twee dingen beoordeelt men hoofdzakelijk met het volste recht het geheele huis; zijn deze in orde, dan besluit men dat alles in orde is; maar heerscht er in dit opzicht wanorde, dan heet het: in dit huis, in deze woning moeten de lui onordelijk zijn. Wilt gij deze twee dingen kennen? Zij heeten: huisapotheek en zekere plaats, In de huisapotheek zal de beste orde heerschen, als de huismoeder, of een verstandige zoon, of de zuidelijkste, orde-lievendste dochter de zorg en verantwoordelijkheid daarvan op zich neemt. Zij zal van de nauwkeurigste zindelijkheid een zaak van eer en geweten maken, en altijd den stofdoek bij de hand hebben. Als zij haar plicht goed betracht, watvoor alle huisgenooten een zegen is, dan mag zij zich met vreugde het woord herinneren van onzen Goddelijken Zaligmaker: âWat gij den geringsten mijner broeders hebt gedaan, dat hebt gij mij gedaan.quot;
Wat alzoo tot eene kleine huisapotheek behoort, heb ik hier achter in het register aangegeven (1). Men houde er buiten, al wat niet noodzakelijk is; doet de gelegenheid zich voor. dan kan men er een of ander geneesmiddel bijvoegen.
Nog een enkel woord over de toebereiding der tincturen, theeën en poeders.
1. Tinctuur of extract.
De innerlijke kracht of de heilsappen kunnen op verschillende wijzen uit een plant worden getrokken; dit geschiedt op de beste wijze door het zoogenaamde extract op de volgende wijze toe te bereiden:
Men zoekt onder de planten, bessen, enz. waarvan men een extract wil maken, de beste uit, d. w. z. die het meest rijp en ongeschonden zijn. Men laat ze op een plank in do vrije lucht drogen, maar nimmer, en bemerk dit wel, in do
(1) Bij ieder geneesmiddel staat nauwkeurig opgegeven in welken von.i (extract, poeder, thee, olio, enz.) het kan gebruikt worden.
105
zon, doch altijd in de schaduw. Bij het drogen komt nog veel te voorschijn, wat als niet deugdelijk moet weggeworpen worden. Zijn de planten, bessen, enz. goed gedroogd, dan worden zij zoo noodig in stukjes gesneden, en in een wijnflesch gedaan. Deze wordt nu met zuiveren korenbrandewijn â waaraan ik boven alles de voorkeur geef â of in gebreke daarvan met zuiveren spiritus of vruchtenbrandewiin gevuld, luchtdicht gesloten en eenigen tijd op een matig warme plaats bewaard (1).
Een jaar en nog langer heb ik zulke flesschen laten rusten en dan eerst het extract afgegoten; in geval van nood kan men het gebruiken, al heeft het ook slechts weinige dagen getrokken.
De tincturen worden met droppels ingenomen. Steeds wordt uitdrukkelijk gezegd of een theelepel (kleine maat), of een eetlepel (groote maat) gebruikt moet worden.
2. Thee.
Als gii bij droog weer van een wandeling over het veld terugkeert of daar heengaat b. v. om te zien hoe het met het gewas staat, maak dan een kleinen omweg en verzamel hier en daar geneesplanten.
Wat op drogen grond groeit, vooral op zonnige berghellingen, verdient de voorkeur en wat gij in den volfen bloeitijd verzamelt, zal u de heerlijkste en in smarten de heilzaamste vruchten voortbrengen. Menig plant of plantje groeit in uw bloem- of moestuin, tegen uw huis of schuur. Onderricht een weinig den IGjarigen knaap of kleine dochter, hoe zij het moeten aanleggen, en gij verliest bij het garen niet den minsten tijd en doet uw kinderen een groot genoegen. De tuin- en veldkruiden moeten ieder jaar vernieuwd, d. w. z. opnieuw verzameld, en de oude weggeworpen worden.
Iedere huismoeder verstaat de kunst van thee zetten. Voor iederen kop neemt zij zooveel gedroogde kruiden als zij met drie vingers pakken kan, (hoe zij gedroogd worden, vindt men bij het woord quot;Tinctuurquot;) doet ze in een trekpot, giet er kokend water over en laat ze eenige minuten afkoken. Dan kan zij inschenken.
De thee op deze wijze gezet smaakt heerlijk en bezit den fijnen geur, die aan ieder plantje eigen is; maar het is niet de sterkste thee; bij mij worden de kruiden langen tijd afge-
(1) Alle planten, bessen enz. waarvan een tinctuur moet gemaakt worden, kunnen ook op wijn gezet worden, gelijk dit ter plaatse gezegd wordt. Deze wijn dient echter terstond gebruikt en kan niet worden bewaard.
8
106
kookt en geheel uitgekookt, zoodat niet het kleinste deeltje der heilzame kracht verloren gaat, maar alles in het water wordt opgenomen. Hoe men de thee gebruiken moet, uit een kop of een lepel, wordt bij iedere ziekte aangegeven.
3. Poeders.
De poeders worden verkregen door de droge wortels, bladeren, zaden of bessen der planten fijn te wrijven, of in een vijzel te stampen. Bij menigen zieke komt men daarmee verder dan met thee. Evenals peper en kaneel strooit men het voorgeschreven poederv op zijne spijzen, of mengt het met een drank, zoodat hij er niets van bespeurt.
De doozen, waarin de verschillende poeders worden bewaard, moeten tegen de stof zorgvuldig worden afgesloten.
4. Oliën.
Hoe zij worden bereid is bij iedere ziekte aangegeven, wanneer zij niet in de apotheken te koop zijn.
Vooral aan de zindelijkheid der oliefleschjes kan men de liefde voor orde en reinheid herkennen.
GENEESMIDDELEN.
Mijne geneesmiddelen laat ik hier in alphabetische orde volgen:
AARDBEZIE. (Fragaria vesca L.)
Wat een vreugde als kinderen het eerste potje aardbeien naar hun ouders, den schoolmeester of den pastoor brengen! Wat een genot als de eerste schotel frissche aardbeziën met of zonder wijn als dessert op tafel wordt gebracht!
Niet alleen de vruchten van dit kleine, zoo vruchtbare plantje zijn welkom, ook zijn bladeren worden, bij hethuiswaarts keeren, geplukt en gedroogd door menige, voor hare zwakke kleinen bezorgde moeder; want ze is er van overtuigd, deze bladeren zijn een goed, gezond en daarbij zoo goedkoop voedsel.
Hoe zet zij thee hiervan? Ze neemt tusschen 3 vingers wat aardbeziënbladeren, gooit er een half glas kokend water
107
over en sluit het met het deksel toe. Na 15 minuten giet zij de thee af en heeft zuivere aardbeziënthee. Dan doet ze er wat warme melk en suiker bij en het drankje is klaar.
Zou de moeder er voor een derde of vierde Onze-lieve-vrouwe-bedstroo (Asperula odorata L.) indoen, dan zou de thee in smaak en gehalte winnen.
Frissche, zuivere aardbeziënbladeren in Mei en Juni op zonnige plaatsen, vooral op hooge berghellingen, gegaard en goed gedroogd, geven uitstekende thee, die met een kleine hoeveelheid Onze-lieve-vrouwe-bedstroo gemengd, een fijn, eigenaardig aroma, heeft. Men moet het maar eens probeeren.
Als geneesmiddel moet men de aardbeziën niet te laag schatten; men geeft ze vooral aan herstellenden, die na een zware ziekte een groote zwakheid en slapheid bespeuren. Men dient ze toe gelijk met ander voedsel.
Die een tijdlang een aardbeziekuur maakt, d. w. z. dagelijks een glas melk met een half glas aardbeziën gemengd (zooals dit veel in Z. Duitschland voorkomt), of dagelijks tweemaal een stuk degelijk roggebrood met een kwart glas aardbeien eet, zal er spoedig de weldadige werking van bespeuren. Het sterkt niet alleen, maar reinigt ook het bloed. Evenals kersen, morellen, enz. ingemaakt, kan men genoemde kuur ook in den winter met goed gevolg ondergaan.
Bij inwendige ontstekingen bewijzen aardbeziën in den zomer uitstekende .diensten. Wat een heerliike verfrissching. wat koelende lafenis zijn zij voor den van dorst versmachtenden zieke.
Die aan graveel of steen lijden, wordt dagelijks een zekere gelijkmatige hoeveelheid aardbeziën voorgeschreven.
Dit is ook het geval bij leverziekte (dagelijks tot 2 glazen vol in kleine porties toegediend) en bij uitslag, die uit bedorven bloed ontstaat ('s morgens 'en 's middags 1 glas).
Het is merkwaardig, dat juist deze vrucht zoo rijk en weelderig groeit. Mochten wij als verstandige menschen steeds dankbaar zijn voor de liefderijke weldadigheid van haren en onzen Schepper!
ALSEM (bittere) (Artemisia absinthium L.)
Alsem behoort onder de maagdranken, die het meest bekend zijn. Hetzij als thee, hetzij als poeder gebruikt, verdrijft hij de gassen uit de maag, verbetert en sterkt de maagsappen, en werkt aldus mede tot grooten eetlust en goede spijsvertering. Niets beter dan alsem om vuilen adem, die uit de maag voortkomt, te zuiveren.
Die aan de lever lijdt, strooie een beetje alsempoeder op
108
den eersten lepel soep,' of als peper over de spijzen. De afnemende geelzucht zal spoedig wijzen op de verbetering der gal en de zieke, wiens ademhaling door onwelriekende gassen en vaak nog onwelriekender speeksel belemmerd werd, kan weldra vrijer ademhalen.
Van alsem kan ook een tinctuur worden getrokken, die zeer lang kan blijven staan zonder te bederven. Gelijk een enkele wierookkorrel in het vuur geworpen een geheele kamer met geur kan vullen, zoo vermag ook één blaadje alsem een geheel fleschje spiritus bitter te maken â wel een bewijs hoe sterk dit extract zijn en werken moet.
Reizigers, die veel last van de maag hebben, moeten nooit vergeten hun fleschje alsemtinctuur mede te nemen.
Alsemthee, als oogwater gebruikt, heeft menig ooglijder goed gedaan.
ALOÃ. (Aloë vulgaris Lam.)
Aloë kan men in iedere apotheek koopen; zij kan uit- en inwendig worden gebruikt. Kookt men op een theelepel honig één of tweemaal zooveel aloëpoeder als op de punt van een mes gaat, dan is dit mengsel een uitstekend middel om zonder eenige moeilijkheid de maag te zuiveren.
Wordt aloë met andere kruiden vermengd, en daarvan thee gezet, dan is de uitwerking nog uitmuntender. Het mengsel wordt op de volgende wijze toebereid: een kleine theelepel vol (1) aloë, vlierbloesem voor 2 koppen thee, een paar kleine theelepels foenum graecum en één theelepel venkel. In twee dagen moeten twee koppen genomen worden.
De uitwerking, die niet in hevig laxeeren, maar in over-vloedigen stoelgang bestaat, bespeurt men eerst na 12 a 30 uren.
Later spreken wij over een mengsel van aloë, St. Janskruid en duizendblad.
Niet alleen bij inwendig, maar ook bij uitwendig gebruik heeft aloë dezelfde zuiverende kracht. Die zieke, roode, loopende oogen heeft, waaruit etter en ander vuil vloeit, kan zich van aloë een uitstekend oogwater bereiden. Een flinke halve theelepel aloë wordt in een medicijnfleschje gedaan, met heet water overgoten, geschud, en .... het oogwater kan terstond worden gebruikt. 3 a 4 maal per dag moet men er de oogen mee uitwrijven. Een lichte jeuk en branderigheid zal men in
(1) Dit is zooveel als op de punt van een mes gaat.
109
den aanvang bespeuren, maar hierover behoeft men zich niet ongerust te maken.
Oude, etterende wonden, rottend vleesch, diepe litteekens, waaruit etter vloeit, worden door dit water uitmuntend gezuiverd en geheeld. Een doekje, in aloëwater gedoopt, behoeft slechts op de zieke plaats te worden gelegd.
Wordt ergens de vorming van nieuw vel door zweren, of liever door de scherpe vloeistof, die daaruit vloeit, verhinderd, dan strooie men zooveel aloëpoeder op genoemde plaats, dat de geheele opening der wonde daarmede bedekt is. Vervolgens wordt alles met een drogen doek bedekt. Zoo doe men eenmaal daags. Het poeder zuigt de kwade vochten op en vormt een harde korst, waaronder de nieuwe huid zich weldra vertoont.
Nieuwe en oude wonden worden door aloë in korten tijd geheeld. Dit zuivere en zuiverende geneesmiddel kan aan het oog of het gewonde lichaamsdeel nimmer nadeel berokkenen.
ALOÃ (Agave L.)
Liefhebbers van bloemen hebben voor hun venster gaarne potten met planten staan, die schoone heerlijke bloemen dragen. Maar in het een of ander huis vindt men somtijds ook een plant, die zeer dikke, tamelijk lange bladeren heeft en aan de bladeren doornen draagt. Bloeien doet zulk een plant slechts hoogst zeldzaam; als men echter de werking dezer bladeren kende, dan zou ook iedere bloemenvriend aan deze plant geen plaats onder zijne bloemen weigeren.
Hare uitwerkselen zijn de volgende: Wanneer men zulk een blad in water kookt en daarvan drinkt, dan worden maag en darmen gezuiverd; wordt het tot poeder gestampt en neemt men er 2 maal daags een kleinen theelepel van, dan geneest het zieke levers en geelzucht.
Kookt men zulk een blad met een theelepel vol honig en een glas water, en neemt men daarvan nu en dan een kleine hoeveelheid, dan wordt men van inwendige branderigheid genezen, vooral wanneer aan het verhemelte branderige puistjes zijn ontstaan, of door de een of andere ontsteking een voortdurend kuchen wordt veroorzaakt. Een klein stukje van zulk een blad, met een halven theelepel honig gekookt, neemt de branderigheid van de oogen weg, als ze daarmede gewasschen worden. Die een wonde of een zweer aan 't lichaam heeft, vindt in dit blad een voortreffelijk geneesmiddel.
Alsem met aloë gekookt verdriift de waterachtige, vuile stoffen, waaruit allicht waterzucht ontstaan kan, en brengt de maag in orde.
110
DLt weinige zij genoeg om iederen liefhebber van bloemen aan te sporen ook de aloë onder zijn bevoorrechte planten een plaatsje te gunnen.
ALTHAEA (HEEMSTWORTEL) (Althaea officinalis L.)
Althaea wordt veel gebruikt bij verkoudheid. Ik ben er niet bijzonder mee ingenomen, daar zij weinig of niet aan mijne verwachtingen heeft voldaan. Reeds bij het koken bekomt men een kleverige massa, die na betrekkelijk korten tijd slijmerig wordt, en aldus (zooals inderdaad dikwijls voorkomt) allen eetlust rooven en bederven moet. Zulke geneesmiddelen kan ik niet aanbevelen. Op zijn zachtst gesproken komen mij althaeakruid en althaeawortel ietwat verdacht voor en daarom kies ik liever kruiden, wier goede werking boven allen twijfel verheven is.
ALUIN.
Aluin werkt samentrekkend en is daarom een bijzonder middel tegen vuile, etterende wonden. Ik heb gezien, hoe zij den kanker, die nog niet diep ingewortel was, belette voort te woekeren.
Inzwerende, ingroeiende nagels moeten steeds met aluin behandeld worden; daartoe strooie men fijn aluinpoeder direct op de wonde, of zij wordt in water opgelost en de oplossing-gebruikt om de wonden uit te wasschen of kleine doeken, kleine compressen daarmede gedrenkt, die dan op de wonden worden gelegd.
Zijn de wonden van etter en rotvleesch gezuiverd, dan werkt aluin samentrekkend, drogend en heelend.
Verdund aluinwater is een probaat middel tegen het bloedig opzwellen van het tandvleesch; als gorgeldrank of mondspoe-ling is aluin sinds lang in gebruik.
AMANDELOLIE.
De zoete amandelolie moet onder de oliën der huisapotheek een eerste plaats innemen. Bij verschillende ziekten en kwalen werkt zij verzachtend, koelend en oplossend, en is voor in-en uitwendig gebruik geschikt.
Zij werkt oplossend ingeval van ophooping van slijm in de luchtpijp of in de maag, en herstelt in het laatste geval den eetlust en de spijsvertering. Zij verkoelt bij ontstekingen, vooral bij de gevreesde longontsteking; zulke zieken moeten 3 of 4 maal daags een theelepel amandelolie innemen.
Ill
Uitwendig gebruikt, werkt deze olie uitstekend bij verschillende oorkwalen. Bij suizingen of krampen in het oor, bi] oorscheuren, bij oorvetverharding is amandelolie, zoover mi] bekend, het beste pijnstillend en oplossend middel. Men laat 6 of 8 droppels in het zieke oor loepen en sluit het met een watje.
Heeft het gehoor geleden door verkoudheid, tocht of rheu-matische aandoening, dan doe men den eenen dag 7 a 8 droppels in het eene oor, en den tweeden dag even zooveel in het andere; men zorge er voor het oor steeds met een watje te sluiten. Na eenige dagen kan men met lauw water het oor van binnen uitwasschen om naar de werking dei-olie onderzoek te doen. Beter nog is het zich tot een oorheelkundige te wenden, en het oor door een daartoe geschikt spuitje te laten reinigen.
Gezwellen, die met ontsteking gepaard gaan, moeten met amandelolie zacht worden ingewreven; zij lenigt de vli]mende smart en koelt de brandende hitte.
De zoogenaamde springende handen, en wonden, die door veel zitten, liggen of rijden ontstaan, worden, door ze met amandelolie zacht in te wrijven, geheeld. Het komt er niet op aan welk lichaamsdeel gewond is. Die niet in 't bezit van amandelolie is, kan van slaolie gebruik maken.
ANIJS (Pimpinella anisum L.)
Anijs is evenals venkel zeer aan te bevelen. Het overtreft deze zelfs, wanneer het om het verdrijven van gassen te doen is. Meestal worden beide middelen met een ander verbonden.
Men doet het best anijs- en venkelolie in een apotheek te koopen; tegen genoemde kwaal zijn 4 a 7 droppels op een klontje suiker, eens of tweemaal genomen, voldoende.
ARNICA OF WOLVERLEI (1) (Arnica montana L.)
De geneeskracht, welke in de arnicaplant zit, is over de geheele wereld bekend. Daarom begri]p ik hen niet, die dit kunnen en moeten weten en er toch tegen te velde trekken.
De tinctuur van arnica is zoo algemeen bekend en voor het uitwasschen van wonden, voor compresson, zoo algemeen in gebruik, dat ik het niet noodig vind om er nog verder over te spreken.
(1) Gewoon âquot;wolverlei of val kruidquot; vindt men hier te lande op hooge veenachtige heidevelden.
112
Deze tinctuur kan men goedkoop verkrijgen, maar een ieder kan ze ook zelf maken.
De bloesem wordt bij het einde van Jnni of bij het begin van Juli verzameld en op brandewijn of spiritus gezet. Reeds na 3 dagen kan men de nieuwe tinctuur gebruiken.
BEENDERENMEEL. (1)
Van verkoolde beenderen maak ik 3 soorten van poeders.
De 1ste soort is het bekende
a. zwarte poeder.
Ik neem gezonde beenderen van een gezond, geslacht stuk vee en stel ze zoolang aan gloeihitte bloot tot ze verkoold zijn. Die zwarte beenderenkool wordt fijngestooten en het zoo eenvoudige en onschadelijke zwarte poeder is gereed.
De 2e soort is het zoogenaamde
b. witte poeder.
Ik verbrand de beenderen even als kalk, dat is zoolang tot ze er uitzien als versche kalk. Ik heb trouwens de kalk voornamelijk op het oog, want zouten en andere vreemde bestand-deelen komen er slechts weinig bij. De verkalkte beenderen worden weder fijngestooten, en daardoor verkrijg ik een zoogenaamd wit poeder, dat er als krijtmeel uitziet.
c. grvjsi poeder.
Men neme een gelijke hoeveelheid wit en zwart poeder en witte wierookkorrels tot poeder fijngemaakt ; de vermenging-geeft een ietwat grijze kleur â vandaar de naam grijs poeder.
Wanneer ge gelezen hebt, hetgeen ik over âKrijtmeelquot; schreef, dan zult ge begrijpen, waarom het beenderenmeel zulk een gewichtige rul in mijn hulsapotheek speelt.
Na zware ziekten en bij patiënten, die zeer verzwakt zijn en veel aan krachten verloren hebben, is de uitwerking-bepaald verrassend. Ik kon dikwijls mijne verwondering niet onderdrukken.
(1) Zie âKrijtmeel.quot;
118
Wellicht is het u niet duidelijk, waarom ik uit dezelfde beenderen 3 soorten van poeders samenstel. Die 3 soorten komen overeen met de verschillende soorten van verzwakkingen, waaraan de zieken lijden.
Men geeft zwart poeder (1 of 2 theelepels per dag in water of in het voedsel gemengd) aan herstellenden, die hun geheel organisme moeten versterken, en ook aan kinderen, die, even als achterlijk gebleven boomen in het woud, een ellendig bestaan lijden, wier krachten niet toenemen in verhouding der jaren (ik bedoel hier de kinderen met de Engelsche ziekte).
Ik schrijf wit poeder voor aan die patiënten, bij wie ik zie, dat de machine slechts langzaam en traag werkt; wanneer het er slecht uitziet met spijsvertering en bloedvorming; als vele lichaamsdeelen slechts karig en onregelmatig bedeeld worden met datgene, wat zij zoo hoog noodig hebben voor groei en bloei; bij wie vooral het beenderenstelsel, evenals bouwvallig muurwerk, waggelt en dreigt ineen te storten. Evenals de moeders pap voeren aan de heel kleinen â een kostelijk * voedsel voor die tandelooze mondjes en kleine maagjes â zoo geef ik om zoo te zeggen beenderenmeel aan die arme hongerige beenderen, opdat zij, elk in 't bijzonder en alle zonder onderscheid, meer levensvatbaarheid en vastheid zouden verkrijgen.
Zooals het bijvoegen van wierook reeds aanduidt, wordt het grijze poeder voornamelijk aan die zieken of herstellenden gegeven, bij wie het vatenstelsel aanzienlijk verzwakt is.
Ziehier, waarde lezer, het geheim recept voor zwart, wit en grijs poeder. Vele, zeer vele patiënten weten er van tequot; vertellen en zeer dikwijls is er naar geraden of over gedisputeerd.
Geloof me, alleen met deze poeders had ik al rijk kunnen zijn! Maar uit principe verafschuw en veroordeel ik alle geheime geneesmiddelen, en deel geheel het gevoelen van hen, die ze als knoeierij en kwakzalverij brandmerken. Mijne middelen behoeven het helderste daglicht niet te schuwen. Een ieder onderzoeke en kieze uit wat hem bevalt!
BITTER- OF KOORTSKLAVER (waterdrieblad) (Menyanthes trifoliata L.)
vindt men gewoonlijk in de nabijheid van stroomend water. Daar waar het water geen uitweg meer kan vinden om verder te stroomen en een meer of minder grooten plas vormt, groeit ook deze plant naast andere zure grassoorten. Zij heeft 3 bladeren en is zeer bitter â vandaar de naam bitterklaver. Zij verschaft een voortreffelijke thee voor de maag, werkt
114
gunstig op de spijsvertering en helpt goede maagsappen bereiden.
Bitterklaver op brandewijn noemt men bittere geestquot; en kan voor hetzelfde doel gebruikt worden.
BOSCHBEZIE (Vaccinium myrtillus L.)
Tegen St. Jacobus (25 Juli) gaan de kinderen zoo gaarne naardebosschen. De boschbessen zijn rijp en datiseenlievelings-spijs voor jeugdige hekkespringers. Ook groote kinderen houden ervan.
In de groote steden ziet men de zwarte bekenden in korven op de vruchtenmarkt staan. Menig student roept zich de vervlogen dagen zijner jeugd voor den geest, toen hij met zijn zusje op de boschbessenjacht ging, en hij koopt bij een fruitvrouw voor eenige centen van die zwarte bessen, die hem aan zijn land herinneren.
Elk huisgezin moest een groote hoeveelheid boschbessen drogen, om ze het heele jaar te kunnen bewaren â zij zijn zoo nuttig!
2 a 3 handenvol boschbessen doet men in een flesch en giet er goeden echten brandewijn op. Hoe langer ze blijven staan, (dat kan jaren lang) zooveel te beter zullen ze aftrekken en zooveel te krachtiger zullen ze als geneesmiddel werken.
Die een weinig diarrhee heeft, kauwt en slikt van tijd tot tijd eenige gedroogde boschbesschen. Dikwijls zal u dit gemakkelijk middeltje helpen. Op de groote badplaatsen heb ik badgasten gezien, die, voor dat ze uitgingen, zich door de voorzichtige en ervarene huisvrouw van deze âdiarrheestillende pillenquot; lieten geven om op de wandeling niet onaangenaam verrast te worden.
Hevige, aanhoudende diarrhee, waar hevige pijn en somtijds een bloedige ontlasting aan verbonden is, kan genezen worden door een lepel extract van boschbessen op 1!s liter warm water. Na 8 a 10 uren kan men een gelijke hoeveelheid nog eens innemen. Eene tweede herhaling zal nauwelijks meer noodig zijn. Zoek eens in een apotheek een middel, dat onschuldiger en krachtiger is!
Bij gevaarlijke dysenterieën ondersteunt dit extract de uitwendige wateraanwendingen (compressen van water en azijn op het onderlijf) door gelijktijdig inwendig op het lichaam te werken.
Onder de tincturen onzer huisapotheek neemt de tinctuur van boschbessen de eerste en onontbeerlijkste plaats in. Zij dient voor alle bovengenoemde gevallen en is een der warmste
115
vrienden van het onderlijf. De kwaal regelt de dosis, welke men moet innemen: de kleinste bedraagt 10 a 12 droppels op een klontje suiker, de sterkere circa 30 droppels, de sterkste en grootste 1 theelepel in warm water of wijn vermengd.
BRANDNETELS (groote) (Urtica dioica L.)
De brandnetel wordt het meest veracht onder de planten. Bij het hooren van den naam alleen voelen vele zenuwachtige menschen zich al branden. Is dit verstandig ? Ik hoor dat een wandelleeraar, naar ik meen uit Bohemen, een geheele brochure geschreven heeft over het nut der brandnetels. Dat mag ik hooren ! Waarlijk, voor een kenner heeft de brandnetel veel waarde.
Versche brandnetels, op de plaats zelve geplukt, gedroogd en bij wijze van thee genomen, lossen het slijm in borst en longen op, en zuiveren de maag van kwade stoffen, die zij hoofdzakelijk door de urine verwijderen.
Die onzuiver bloed heeft, moet in den zomer dikwijls brandnetels eten, als spinazie gekookt. In Italië houdt men er veel van ze als kruiden in de soep te doen; in Zwaben maakt men balletjes van brandnetels en deze zijn niet alleen voedend, maar ook gezond.
Die aan rheumatiek lijdt en geen middel meer kan vinden, moet de pijnlijke plaatsen alle dagen een paar minuten lang met versche brandnetels bestrijken of slaan. De vrees voor die onbekende roede zal dra plaats maken voor de vreugde eener voortreffelijke uitwerking.
DUIZENDGULDENKRUID (gewoon) (Erythraea centaurium L.)
Wat gaven onze voorouders aan menig plantje merkwaardige namen! Zij kenden er dan ook de waarde van; wel moesten zij voor dit plantje hoogachting gehad hebben, wijl zij het zulk een schoonen naam hebben geschonken. De bittere smaak geeft vanzelf al aan, waartoe het gebruikt wordt.
Thee van duizendguldenkruid geeft aan de maaggassen een uitweg, verdrijft ongezonde, .verzuurde spijzen, sterkt en verbetert de maagsappen en werkt heilzaam op nieren en lever-Het is het beste middel tegen zoden in de maag.
Die storingen in het bloed en vooral bloedarmoede heeft, enz. moet raad en daad zoeken bij het duizendguldenkruid. Deze naam schijnt een hoogen prijs aan te geven, maar het leent zijn hulp om niet.
116
EIKENSCHORS.
Kan men zelfs de eikenschors als geneesmiddel gebruiken ? Ja zeker, en het komt e^ niet op aan of zij gedroogd, of versch van den boom gescheurd is.
De schors van een jongen eik, die een half uur lang gekookt heeft, verschaft een aftreksel rijk aan geneeskracht. Men doope er een handdoek in en wikkele dien om den hals. Zulke omslagen werken oplossend en heelend, wanneer de hals is opgezet, en zijn onschuldige middelen tegen gezwollen klieren en tegen kropgezwellen, als deze niet te dik en te stijf zijn. Klieren worden door eikenschors volkomen gezuiverd.
Bij sommige zwakke menschen gaat vaak de endeldarm uit; dezen behoeven niet anders te doen, dan dikwijls een zitbad met aftreksel van eikenschors te nemen en somtijds moeten zij kleine lavementen met een verdunde oplossing aanwenden.
De lastige en dikwijls gevaarlijke fistels aan den endeldarm worden door hetzelfde aftreksel opgelost engeheeld. Op dezelfde wijze handelt men tegen harde gezwellen, die niet ontstoken zijn.
Even als hars werkt thee van eikenschors versterkend op de bloedvaten.
ENGELWORTEL (bosch-angelica) (Angelica silvestris L.)
Op vochtige weiden en in bosschen groeit een zekere plant, die een stengel heeft van een halven of heelen meter lang. De stengels zijn hol en de jongens maken er gaarne fluitjes van. Deze plant wordt engelwortel genoemd; zij is helaas als geneesmiddel te weinig bekend.
Heeft iemand ongezond of halfvergiftigd voedsel genomen, dan is de thee, die van hare wortels, zaden en bladeren wordt gekookt, een uitstekend middel om die spilzen wederom onschadelijk te maken.
Het bloed wordt uit verschillende voedingsmiddelen bereid, maar deze zijn niet alle goed en gezond voor het gestel; deze thee kan de slechte stoffen uit het bloed verwijderen. Hoe dikwijls gebeurt het niet, dat men in de maag een onaangenaam gevoel van koude ontwaart; een kop thee van angelica-wortels getrokken, verschaft de maageen koesterende warmte. Het best is het, zulk een kop thee in drieën te verdeel en en 's morgens, 's middags en 's avonds een deel daarvan te gebruiken.
Als in maag en ingewanden ongezonde stoffen huizen, of ingehouden winden buikpijn veroorzaken, dan is er geen beter middel dan deze thee, vooral wanneer men daartoe half wijn en half water gebruikt.
117
Slijm in longen, borst of luchtpijp, alsmede brand in de maag, kan men het best door deze thee verwijderen.
Terecht mag de engelwortel als een uitstekend huismiddel worden aanbevolen en landlieden doen een goed werk dooier elk jaar een tamelijk groote hoeveelheid op hunne weiden en in hunne bosschen van te verzamelen, in de lucht te drogen en op een niet vochtige plaats te bewaren.
Van deze wortels, zaden en bladeren kan ook poeder gemaakt worden, mits zij goed gedroogd zijn; 2 of 3 halve theelepels daags van dit poeder staan met een kop thee gelijk.
FOENUM GRAECUM (Fenegriek) (Trigonella foenum graecum L.)
Uit het zaad van deze klaver wordt een poeder bereid, overbekend aan allen, die mijne wateraanwendingen nemen. Zij waardeeren het en maken er een vlijtig gebruik van. Men behoeft geen vrees te hebben, het poeder is onschadelijk.
Als thee klaargemaakt, werkt het inwendig afkoelend bij heete koortsen.
Gaan keelziekten met hevige prikkeling (branderigheid) gepaard, dan kan deze thee als gorgeldrank dienst doen. Een theelepel van dit poeder is voldoende voor een tamelijk grooten kop thee, die overdag (alle uren of moer 1 eetlepel vol) gedronken, of om te gorgelen gebruikt wordt.
Voor uitwendig gebruik is foenum graecum een der beste middelen, die ik ken, om uit gezwellen en zweren kwade stoffen op te lossen. Zonder pijn te veroorzaken, werkt zij langzaam, maar volhardend en zeker, zoolang er nog etter in de wonde schuilt. Even als van lijnzaad, kookt men er een bekende olieachtige brij van, welke men op kleme linnen doeken smeert en op de wonden legt.
Zulke compressen nemen bij open voeten de ontsteking weg aan de randen der wonden en voorkomen het ontstaan van wild vleesch of zelfs van bloedvergiftiging. Deze laatste gebruiksaanwijzing beveel ik een ieder aan, die veel leed en zorg verduurt van zulke wonden aan de voeten.
GANZERIK (of Ganzenvingerkruid) (Potentilla anserina L.)
De ganzerik groeit, gelijk haar naam luidt, op plaatsen, waar de ganzen zich het liefst ophouden. Men vindt haar in de nabijheid der huizen, meer nog bij beken en slooten, maar vooral op de velden. Vele menschen noemen haar om hare werking krampkruid. Thee van anserina is een uitstekend
118
middel bij aanvallen van kramp in de maag, het onderlijf of waar ook. Zelfs bij verstijvende kramp doet dit kruidje goede diensten, in zoover daartegen een middel mogelijk is. In het begin van een krampaanval, beter nog bij de voorteekenen van den aanval, geeft men den patiënt 3 maal daags goede warme melk, (zoo warm als hij ze verdragen kan) waarin een weinig anserina (zooveel men met 3 vingers omvatten kan) afgekookt is. Men zal een dubbele werking verkrijgen, wanneer de patiënt niet alleen thee inneemt, maar ook op de krampachtige lichaamsdeelen compressen legt, in een aftreksel van anserina gedoopt.
Geen huismoeder mag verzuimen een grooten voorraad van dit kruid te verzamelen en te drogen; zij weet zoo goed hoe smartelijk deze vaak voorkomende krampaanvallen zijn, en hoe folterend het is voor het moederhart hare huisgenooten te zien lijden zonder hulp te kunnen aanbrengen.
GENTIAAN (gele) (Gentiana lutea L.)
De gentiaan groeit vooral op de bergen; door menschen 'daarmede vertrouwd, kan men zich gemakkelijk en goedkoop van dit prachtig geneeskruid laten zoeken. Ten dringendste raad ik aan tincturen van gentiaan te trekken; daartoe moeten de wortels goed worden gedroogd, fijngesneden en in glazen flesschen op brandewijn of spiritus worden gezet.
Dit extract is een uitmuntend maagelixer. Men doet 20 a 30 druppels in een glas met 6 a 8 eetlepels water en neemt gedurende eenigen tijd dagelijks dit drankje in. De goede spijsvertering zal er evenals de eetlust door bevorderd worden. Bemerkt men, dat een of ander voedsel zwaar in de maag ligt, dan neme men 1 theelepel tinctuur op ^ glas warm water en spoedig zal de maag worden verlicht.
Voor benauwdheden op de maag is gentiaan ook goed. Groote diensten bewijst een klein fleschje gentiaantinctuur op groote reizen, waarop men dagen lang geen goed eten en drinken bekomt, afgemat en dood vermoeid is. De tinctuur op een klontje suiker gedruppeld zal ons verfrisschen.
Bij misselijkheid of aanvallen van flauwte neemt men een theelepel tinctuur met water vermengd. Dit verwarmt, ver-frischt en wekt lichaam en geest weder op.
Hetzelfde kan men met thee van gentiaan bereiken. Men laat de fijngesneden wortels of het gentiaanpoeder koken en drinkt het aftreksel als thee.
119
Gelijk het was van de kaars druipt, zoo druipt het hars ook dikwijls uit de schors van den denneboom. Een ieder, die in den zomer of herfst een wandeling door het woud maakt, kan dit gewaar worden. Als opgedroogde tranen zien deze harsparelen er uit, wit als was, doorzichtig als honig, frisch als bronwater.
Het hars is het bloed van den den, en wordt zulk een boom, die nog vol levenskracht is, tot in het hart gewond, dan vloeit dit bloed met stroomen. Dit hars heeft een eigenaardige geneeskracht; 5 a 6 harstranen, zoo groot als erwten, dagelijks gedurende eenigen tijd gebruikt, sterken de borst en vooral de bloedvaten.
Ik kende een zeer zwakken priester, die dagelijks een groote hoeveelheid harskogeltjes innam; aan deze âkrachtsiroopquot; zeide hij, heb ik de versterking van mijn borst te danken.
Als het dennenwoud geen harspillen oplevert, kunnen zij door witte wierookkorreltjes vervangen worden; wierook is niets anders dan fijne hars. 6 of 8 van zulke korrels, dagelijks gedurende eenigen tijd genomen, is een goede kuur voor de borst. Onze verregaande verbeelding zal ons wellicht voor de onverteerbaarheid dier pillen beangst maken, doch wij hebben niets te vreezen; de maag zal ze verteren evenals ander voedsel.
HAVEE (Avena sativa L.).
De kracht, die in haverkorrels huist, wordt er uit getrokken door ze goed te koken; ook met gerst is dit het geval. Deze drank, die voedend, licht verteerbaar is, en bi] branderigheid in het lichaam koelt en verfrischt, is voor herstellenden (die b. v. door pokken, typhus of dergelijke ziekten in hevige mate verzwakt en verslapt zijn) een uitstekend voedsel â een ware lafenis. Hoe dikwijls betreur ik het, dat men deze armzalige schepsels, die toch vooral nieuw, gezond bloed noodig hebben, met allerlei dranken lastig valt en dezen heil-zamen drank onthoudt. Op eenvoudige wijze wordt hij toebereid. Een kop haver wordt 6 a 8 maal met frisch water gewasschen en dan in 2 liters water zoolang afgekookt, dat het water tot op de helft geslonken is. In het aftreksel doet men 2 lepels honig, roert alles goed door elkander, en laat het nog eenige minuten koken.
HONIG.
Vroeger beweerde men dat jongelieden geen honig moesten
120
eten, omdat hij voor hen veel te versterkend was. Voor ouden daarentegen was het goed om hen op de been te helpen. Bij mij was de honig steeds veel in gebruik en altijd heb ik bevonden, dat zijne werking uitstekend is. Deze is van oplossenden, zuiverenden en versterkenden aard. Een beetje honig in de thee gebruikt men sedert lang tegen catarrhe of slijm. De landlieden -verstaan de kunst tegen uitwendige zweren honig-zalf te bereiden; die de bekwaamheid niet heeft zulke zweren met water te behandelen, raad ik dringend aan dit eenvoudig, onschadelijk en probaat middel boven elk smeerseltje te verkiezen. Op hoogst eenvoudige wijze wordt het toebereid. Men neemt voor de helft honig en voor de helft wit meel, mengt beide door middel van water goed door elkaar, doch zóó dat het tamelijk vast en niet vloeibaar is. Ook inwendig aangewend is de honig tegen verschillende kwalen een goed geneesmiddel.
Kleine verzweringen in de maag rijpt en heelt hij binnen korten tijd; den honig alleen te nemen raad ik niet aan, meng hem liever met een of andere thee, anders werkt hij te sterk â de keel wordt er ruw van. Als om de een of andere reden, verkoudheid vooral, het slikken moeielijk is, laat men 1 theelepel honig in een kwart liter water koken; iedere zanger verkrijgt aldus den heerlijksten en zachtsten gorgeldrank. Als er een droppeltje wordt doorgeslikt, behoeft gij niet bang te zijn de maag te bederven of te vergiftigen.
Het reinigende en versterkende honigoogwater is bekend. Kook een theelepel honig op een kwart liter water gedurende 5 minuten, dan kunt ge er spoedig het ooglapje indoopen.
Eén ding moet mij nog van het hart: Ik ken een heer, die meer dan 80 jaar oud is. Dagelijks bereidt hij zich zelf een tafelwijn; hij giet een eetlepel zuiveren honig in kokend water, laat dit een tijdlang koken en de drank is klaar, is gezond, en smaakt uitstekend. âMijne gezondheid en sterkte iieb ik aan dezen honigwijn te danken,quot; zeide de grijsaard. Niet onmogelijk. Dit weet ik uit eigen ondervinding, (ik heb zeer dikwijls honigwijn gemaakt, zeer dikwijls zien drinken en niet zelden zelf een glas gebruikt) dat deze wijn oplossend werkt, zuiverend, voedend en versterkend is. Niet alleen het zwakke geslacht, maar ook het sterke zou zulk een drank goed doen.
Ik denk hier altijd aan de âHonigmeequot; der oude Duitschers. Aan dit onvervalscht bier schreven zij, zooals Tacitus getuigt, hoofdzakelijk hunne gezondheid en hun hoogen ouderdom toe. Als echte zonen der oude Germanen zullen velen dien heilzamen drank willen kennen; het recept kunnen zij achter in het 2e deel vinden.
121
HOEFBLAD (klein) (Tussilago farfara L.)
De Schepper laat menig kruidje en plantje groeien, dat men zóó minacht, ja zelfs veracht, dat men er plezier in heeft zulk een plantje te vertreden. Dit lot treft ook het hoefblad, omdat het gewoonlijk voor louter onkruid gehouden wordt; maar die het plantje kent, zal het hoogschatten en als een uitstekend huismiddel bewaren. Hoefbladthee is zeer aan te bevelen tot zuivering van borst en longen; benauwdheid op de borst of veel hoesten kan zeer gemakkelijk door dit eene plantje worden verholpen, vooral wanneer de patiënt aanleg tot tering heeft. Deze bladeren kunnen in een doek of onmiddellijk op de borst worden gelegd; zij trekken de over-groote hitte van het lichaam tot zich, voorkomen verzwakking en verwijderen de koortsen. Zij hebben een weldadigen invloed op open verzweringen; zij nemen de ontsteking en de roodheid weg, en nemen de kwade stoffen op.
Vooral bij open voeten werken deze bladeren heilzaam, wanneer de zieke deelen blauw, en zwart, en sterk ontstoken zijn; zij nemen branderigheid en pijn weg, en na herhaalde aanwending blijken zij een heilzaam geneesmiddel te zijn. Dezelfde uitwerkselen bespeurt men bij roosachtige zweren, roos, belroos en dergelijke ziekten.
Deze bladeren kunnen ook in de schaduw gedroogd, gestampt en als poeder ingenomen worden; dagelijks 2 a 3 maal 1 of 2 theelepels vol is voldoende. Dit poeder kan ook over het eten worden gestrooid.
ST. JANSKRUID (Hypericum perforatum L.)
Vroeger werd dit kruid om zijne krachtige werking âhek-senkruidquot; genoemd. In onze dagen wordt dit plantje en zijne diensten geheel vergeten.
Het St. Janskruid oefent een bijzonderen invloed uit op de lever; de thee van dit kruid werkt er zeer heilzaam op. Door bijvoeging van aloëpoeder wordt de uitwerking verhoogd; deze openbaart zich vooral in de urine, welke alsdan dikwijls groote hoeveelheden kwade stoffen inhoudt.
De thee van St. Janskruid geneest de hoofdpijn, die uit waterachtige of slijmerige vochten, of ophooping van gassen in 't hoofd ontstaat; zij heelt benauwdheid op de maag en kleine slijmverstoppingen op borst en longen.
Moeders, wier kleinen in bed wateren en daardoor veel last en moeite veroorzaken, weten de versterkende werking van deze thee op prijs te stellen.
9
122
Bij gebrek aan St. Janskruid neme men in alle genoemde gevallen het duizendblad (Achillea millefolium L.)
JENEVERBESSENquot; (Juniperus communis L.)
Wie kent de jeneverbes niet? Als reukwerk verspreidt zij in kamer en huis een aangenamen geur en zuivert de lucht. Ik ben geen vriend van het zoogenaamde âuitrookenquot; door middel van suiker, azijn, enz., omdat ik niet begrijp, hoe men dan nog van frissche lucht spreken kan. Geldt het echter do een of andere besloten ruimte, waarin dooden of lijders aan besmettelijke ziekten zich ophielden, van alle smetstof te zuiveren of zoogenaamd te desinfecteeren, of ten tijde van epidemieën de lucht door rookvuur te ontsmetten, dan weet ik niets beters dan de jeneverbessen op het vuur te laten geuren, alle miasma en microben, of hoe deze zwevende smetstoffen ook heeten, worden geheel vernietigd.
Een gelijke uitwerking heeft de jeneverbes op het inwendige van het menschelijk lichaam; de bes doorgeurt zoowel den mond als de maag en is een vrijbrief tegen besmetting. Die dag en nacht is blootgesteld aan het gevaar van besmetting, omdat hij als ziekenverpleger lijders aan scharlakenkoorts, pokken, typhus, cholera, enz. moet opheffen, dragen, bedienen en hooren, behoeft niets anders te doen, dan dagelijks 6 a 10 jeneverbessen te kauwen. Zij zijn aangenaam van smaak, bevorderen de spijsvertering en verbranden de schadelijke miasma en uitdampingen, die door neus en mond binnendringen.
Die een zwakke maag hebben, moeten de volgende beproefde ⢠jeneverbessenkuur ondergaan;
den Isten dag beginnen zij met 4 bessen, gaan den 2en dag voort met 5, nemen den 3en dag 6, den
éden dag 7 bessen en vervolgens geregeld opgaande den 12den dag 15 bessen; dan verminderen zij de volgende dagen het aantal bessen op dezelfde wijze als zij opgeklommen zijn, dus iederen dag een bes minder. Ik ken er velen, wier gassenrijke en daardoor verzwakte maag door deze eenvoudige kuur verlicht en versterkt werd.
Ingeval van steen en graveel, van nier- en leverziekte, nam men van oudsher steeds zijn toevlucht tot de jeneverbes; niet anders handele men in gevallen, waarin kwade gassen, vuile vochten en slijmerige stoffen uit het lichaam verwijderd moeten worden.
Bij waterzucht in wording of ter reiniging van het bloed,
123
kan men zoowel van de jonge spruiten als van de bessen thee zetten.
De olie kan men het best in de apotheek koopen; de tinctuur kan men zich zelf bereiden in wijn, brandewijn of spiritus.
Er zijn huisvaders en huismoeders, die het vleesch en de zuurkool zorgvuldig met zout en jeneverbessen inmaken; die angstig nauwkeurig hun huis of woning daarmee uitrooken; maar die het hutje hunner ziel, het lichaam, dikwijls aan kwade stoffen en miasma ter prooi laten. Het is van groot gewicht in dit huis een paar maal 's jaars een rookvuur aan te leggen, opdat het gezuiverd worde en men er frisscher in kunne ademen.
KAMFER.
Kamfer wordt veel gebruikt; zij werkt lenigend, verzachtend en pijnstillend. Men heeft kamferspiritus en kamferolie; de eerste verkrijgt men door een stuk kamfer zoo groot als een hazelnoot in een kwart kan spiritus op te lossen; zij is voor uitwendig gebruik bestemd om kwetsuren, verstuikte of door kramp en rheumatiek gefolterde ledematen daarmee in te wrijven. Velen maken er gebruik van om een of ander lidmaat te sterken en te stalen, en zij hebben gelijk.
Kamfer in boom-, salade- of amandelolie, door middel van wrijving opgelost, wordt âKamferoliequot; genoemd. Zij is uitstekend tegen rheumatiek en pijn in den rug, en lenigt de grootste smarten, die door jichtknobbels, kraakbeenvorming, enz. veroorzaakt worden.
KAMILLEN (Matricaria chamomilla L.)
Kamillenthee, die vooral bij koortsachtige verkoudheid, bij pijnen in 't lijf, krampen, hevige congesties enz. gebruikt wordt; de kamillenkussentjes, die in verschillende omstandigheden tot verwarming dienen, zijn in ieder huis zulke goede bekenden, dat het onnoodig is om er verder over uit te weiden.
KOOLSTOF.
Koolstof wordt uit houtskool verkregen. De fijnste en beste komt van het lindenhout, waaruit zij door vele apothekers bereid wordt; doch bij gebrek aan lindenhout is de kool van iedere andere houtsoort voldoende. Hoe frisscher zij is, hoe beter. Zoo pas uit het vuur, is het best. Men stampt 'de houtskooi fijn en men heeft de genoemde koolstof.
121
Wanneer bij ziekte de spijsverteringsorganen hebben geleden, dan kan de koolstof hunnen arbeid verrichten. Het klinkt zonderling, maar toch is het zoo. Zulke herstellenden kunnen haar in melk met een weinig suiker het gemakkelijkst innemen. Zij mogen daarvan dagelijks een kleinen eetlepel vol in 1 of 2 keeren gebruiken.
Teringlijders mogen gedurende den geheelen dag 2 glazen melk drinken en in ieder glas 1 lepel koolstof doen.
Bij leverziekte werkt zij bijzonder goed; ook hier wordt zij met melk genomen.
Op alle etterende of vochtige zweren, als poeder gestrooid, (dagelijks 1 a 2 maal) zuigt zij de kwade sappen in en bevordert door deze opdroging de nieuwe huidvorming.
KRIJÃMEEL. (1)
Wie heeft niet dikwijls gezien, dat niet alleen de kippen, maar ook andere huisdieren korrels kalk of mortel inslikken? En wie heeft er niet van gehoord, dat men voor kinderen het schoolkrijt moest verbergen, omdat zij het anders met hartstochtelijk genoegen kauwen en opeten?
Zou het krijt in sommige gevallen den mensch werkelijk van nut zijn? Wat wij boven aanvoerden, stemt tot rijp nadenken. In groote hoeveelheden heb ik het krijtmeel zelf gebruikt, en anderen laten gebruiken, en de uitslag was wonderbaar en ongemeen gunstig. Het krijt bevat kalk, zwavel en andere stoffen, of liever bevat bouwmaterialen, die voor het menschelijk lichaam noodzakelijk zijn, vooral voor het beenderenstelsel, dat heerlijk kunstig bouwwerk van den Al machtigen Schepper. Bij zwakke menschen schijnt dit bouwwerk te wankelen of ten minste aan stevigheid te verliezen; daaraan ontbreekt de goede kalk, die al het overige, zand en steenen, te zamen houdt. Aan dezen geef ik, evenals aan zeer zwakke kinderen, het krijtmeel; dagelijks een halven theelepel vol in een weinig water of in het eten. Daar het meel reuken smaakloos is, wordt het zonder moeite ingenomen. Die aan slechte spijsvertering lijdt, in 't algemeen bij goed voedsel en verpleging niet goed groeien en gedijen .wil, moet het met de bovengenoemde hoeveelheid krijtmeel dagelijks eens pro-beeren.
âHier is kalk gestrooid!quot; liet Franklin met het een of ander krijt op een heerlijk bloeiend klaverblad schrijven. âHier is
(1) Zie âBeenderenmeel.quot;
125
krijtmeel gebruikt!quot; kon ik van vele patiënten getuigen, die mij kwamen consulteeren.
i Vooral is deze witte stof voor bleekzuchtigen aan te bevelen, die tweemaal daags, 's morgens en 's avonds, een halven theelepel vo! moeten innemen.
Dit wit zal het wit der patiënten spoedig in een gezond rood vol levensfrischheid veranderen.
Beenderenmeel werkt beter nog dan krijtmeel.
KEUIDNAGELOLIE.
De kruidnagelolie werkt op dezelfde wijze als amandelolie en slaolie, waarmede zij ook dikwijls vermengd wordt.
Zij heeft dikwijls goede diensten bewezen tegen kwade gassen, en tegen bedorven vuile sappen en stoffen in de maag.
Gewoonlijk neemt men kruidnagelolie op suiker; 4 of 6 droppels 1 of 2 maal daags.
LAVENDELOLIE.
Lavendelolie is in iedere apotheek te verkrijgen; zij mag onder de huismiddelen niet ontbreken. 2 maal daags 5 droppels olie op suiker, bevordert de spijsvertering en wekt gragen eetlust. Die last van misselijkheid hebben, aan winden en dientengevolge aan hoofdpijn lijden, moeten lavendelolie innemen, zooals boven is aangegeven.
Met het beste gevolg heb ik ze zeer dikwijls aan gemoedslijders voorgeschreven, en ik beweer, dat de genezing in zeer vele gevallen gepaard ging met de verwijdering der gassen, die allerslechts op de hersenen werken. Naar mijne meening let men bij de behandeling dezer zieken veel te weinig op deze gassen. Die er ooit door geplaagd is geweest, weet te verhalen wat rampzalige rol deze stormende winden in het lichaam spelen.
Bij gebrek aan eetlust, bij congesties, duizeligheid en allerlei hoofdkwalen, houde men zich aan het recept hierboven gegeven.
LAXEERMIDDEL I.
Voor 40, 50 jaren was het mode op een nauwkeurig bepaalden tijd een aderlating te nemen; evenzoo was het gewoonte op een in den almanak zorgvuldig aangeteekenden termijn (een of ander kwartier van de maan) het jaarlijkse!)
126
of halfjaarlijksch laxeermiddel in te nemen. Hoe toch de tijden en zeden met de menschen veranderen!
Tegenwoordig nog laten vele menschen zich niet uit het hoofd praten, dat de maag van tijd tot tijd eens flink moet schoon gewasschen worden. Het zou om te lachen zijn, als men niet veeleer reden tot treuren had. Voorzeker, als men gezond verstand heeft en dan de levenswijze, de spijzen en dranken ziet van sommige menschen, of laat ik liever zeggen van geheele klassen van menschen, dan ja, is bovengenoemde dwaze meening niet ongegrond.
Kon de maag, zoo verschrikkelijk geplaagd en afgemarteld, roepen, dan zou zij om wraak en om hulp roepen tegen hare i. onverstandige, en gewetenlooze beulen. Maar zij moet alles
zwijgend verdragen en daardoor niet alleen bedorven worden, maar ook geheel te gronde gaan.
Ik ben in de eerste plaats voor een verstandige levenswijze, voor een menschelijke behandeling van den werkman, die de fondamenten legt, waarop men voortbouwen kan. Zóó alleen zal en kan de maag, die trouwe vlijtige arbeidster, de noodige gezondheid genieten. Mocht haar, wat ook gebeuren kan, onvoorziens een ongeluk overkomen, dan ben ik volstrekt tegen alle te sterke laxeermiddelen, welken naam zij ook mogen dragen.
Onder laxeermiddelen mag men niets anders verstaan dan, die zonder nadeel voor de gezondheid en sterkte des lichaams, den stoelgang bevorderen. Dit nu kan zonder hevig werkende middelen op zoo eenvoudige, onschuldige wijze geschieden, dat het kruidje daartoe gebruikt, in plaats van de maag vijandelijk aan te grimmen, als trouw vriend met haar arm in arm gaat, haar stut en steunt, en al zijn hulpmiddelen beschikbaar stelt om haar op eigen wieken te doen drijven, door eigen kracht (de maagsappen) te doen werken.
Zeer lang heb ik er ééne onder de verschillende planten gezocht, welke zonder haar eigen taak te veronachtzamen, toch, viribus unitis, vereend met de maag samenwerkte. Door oplossing en afscheiding der kwade stoffen mocht en moest dit plantje de maag verzwakken, maar tegelijk moest het haar zóó versterken, dat zij geen oogenblik den arbeid behoefde op te geven, ja, dien zelfs met vreugde en vrede verrichten kon.
Dit plantje en de wijze, waarop het gebruikt wordt, meen ik gevonden te hebben. Ik wil geen geheim maken van mijne beide dranken. Integendeel, ik hoop dat velen ze zich ten nutte zullen maken en tot leniging van een anders smarten bereiden.
127
Mijne laxeermiddelen hebben vele honderden geholpen en zij zouden veel kunnen verhalen, want zij hebben menige gxoote reis gemaakt, tot zelfs in Zwitserland en Hongarije.
De recepten zijn de volgende:
1. Men neemt twee eetlepels fijngemalen venkel, 2 eetlepels geplette jeneverbessen, 1 eetlepel foenum graecum, 1 eetlepel aloëpoeder. Het geheel wordt goed door elkander geschud en op een door en door droge plaats bewaard. Het werkt eerst na 12 a 13 uren. Men kan hiervan thee zetten, waarvan men 's avonds vóór het naar bed gaan 1 kop drinkt. Voor 1 kop is één theelepel van dit mengsel voldoende; gedurende 1 kwartier moet het koken, vervolgens worden afgegoten; de thee wordt koud of warm, met of zonder suiker gedronken.
Krachtige gestellen kunnen twee dagen na elkander een kop van deze laxeerthee gebruiken; zwakke patiënten doen beter 1 kop over 2 of 3 dagen te verdeelen, zoodat zij iederen avond 4 of 6 eetlepels vol als een drankje innemen. Zonder er eenigen last van te hebben, zal men langzamerhand bespeuren hoe volhardend en zeker het middel werkt. Desniettegenstaande zal menigeen geen resultaten zien. Hoe dit te verklaren? De politie zoekt den dief en kan hem dikwijls niet vinden; ook mijn laxeermiddel zoekt, maar als er niets te vinden of te vangen is, dan laat het alles met rust; hierdoor veroorzaakt het niet die betreurenswaardige zwakheid, die anders het laxeeren op quot;den voet volgt.
Evenals op den stoelgang werkt deze thee op de urine. Zij verwijdert zelfs de slijm, die zich in de borst heeft opgehoopt. Ik heb ondervonden, dat dit eerste laxeermiddel na een langdurige diarrhee, die niet tot bedaren te brengen was, het laatste overschot van onreine stoffen verwijderde en zijne werking met volkomene vrede en rust bekroond zag. Een kopje vol van mijn laxeerthee, in 3 porties genomen, is voldoende.
2. Nu volgt het recept voor
LAXEERMIDDEL II.
2 eetlepels fijngemalen venkel,
3 eetlepels geplette jeneverbessen,
3 eetlepels poeder van wilde vlierwortels,
1 eetlepel foenum graecum,
1 eetlepel aloëpoeder.
Deze thee werkt eveneens gunstig op den stoelgang, maar haar arbeidsveld ligt meer in de nieren en de blaas, dan in de maag of het darmkanaal; langs den urineweg verwijdert zij de kwade stoffen. Die een pijnlijk gevoel in iiet onderlijf
128
(blaasstreek) ontwaart, moeielijk urineert, een ontsteking in blaas en nieren heeft (het begin van waterzucht) kan rustig dit 2e laxeermiddel gebruiken. Wat de wijze van gebruik aangaat, gelden dezelfde regels als bij het eerste laxeermiddel.
LEVEETRAAN.
Een zeer bekwaam militair arts durfde eens in mijne tegenwoordigheid getuigen: âLevertraan is eengroote knoeiwinkel, en slechte levertraan heeft zeer dikwijls rampzalige gevolgen gehad.quot;
Op sommige eilanden werkt zij heilzaam tegen klierziekte. Voor het overige heb ik er slechts minachting voor. Niemand is aan het oordeel gebonden. Ik voor mij gebruik nooit levertraan ; het is voor mij geen geneesmiddel en, omdat ik slechte levertraan als voedsel vrees, geef ik liever de voorkeur aan ander voedsel, dat rijkelijk verschaft, wat levertraan nooit geven zou.
LINDEBLOESEM. Tilia grandifolia (grootbladige) en parvifolia Ehrh. fkleinbladige of winterlinde).
De zoo geliefkoosde lindebloesem wordt tegenwoordig alleen nog door oude lieden uit de oude school verzameld. Zij hebben volkomen gelijk; het is te wenschen, dat zij hierin trouwe behoudsmannen zullen blijven.
De thee van lindebloesem is behalve de vlierthee de meest bekende zweetdrank. Over het zweeten, zooals het in den regel wordt opgewekt, of liever over de wijze, waarop het zweet uit het mishandelde lichaam wordt geperst, heb ik mijne bijzondere, alles behalve gunstige meening. Daarentegen gebruik ik dezen bloesem gaarne voor de dampbaden, die zweet aan het lichaam onttrekken en het zweeten vervangen.
Bij een verouderden hoest, bij ophooping van slijm in longen en luchtpijp, bij lastige aandoeningen in het onderlijf, die uit verstopping in de nieren ontstaan, werkt lindebloesemthee voortreffelijk.
In plaats van lindebloesem maak ik dikwijls gebruik van St. Janskruid, met of zonder bijvoeging van schaafstroo.
LIJNZAAD.
Omslagen of compressen van lijnzaad zijn algemeen bekend en in gebruik; zij hebben evenals het foenum graecum een verzachtende, oplossende en afscheidende werking. Ik geef aan
129
dit laatste de voorkeur, omdat het den vijand krachtiger aangrijpt.
--rYW quot;ï - ' ⢠⢠/V. K ⢠;t
MALUWE OF KAASJESKRUID (Althaea rosea L.) ^/x â
' Onder de bloemen in den tuin mogen de maluwen nietquot; ontbreken. Toen de goede Schepper hun dien verblijdenden kleurenrijkdom gaf, heeft Hij met de kleur op ieder blaadje een droppel heilsap gegoten.
De thee van maluwebloesem, vooral van de zwarte maluwe, geneest keelaandoeningen en lost de slijm op, welke zich in de borst heeft opgehoopt. Gewoonlijk wordt haar bloesem met dien van wolkruid vermengd.
De dampen, die ingeademd moeten worden, of als oordampbad moeten dienen, werken heilzamer, wanneer in het dampbad maluwe wordt gedaan.
MISTELBOOMPJE (Maretakken) (Viscum album L.)
Deze woekerplant, die vooral op oude boomen welig tiert, is een niet te versmaden geneesmiddel; zij werkt vooral op het bloed, en ik kan de moeders niet genoeg op het hart drukken om met deze plant op goeden voet te staan.
Mistelthee stilt bloedvloeiingen. Een reeks van gevallen kon ik opnoemen, waarin een enkele kop thee voldoende was. Ook tegen andere storingen in den bloedsomloop kan deze plant uitstekend dienst doen.
Mistel kan met schaafstroo (voor de helft) en ook met sandel-rood, een zeker rood poeder, gemengd worden. (Zie âSandel-roodquot;.)
OOGENTROOST (Euphrasia officinalis L.)
Tot belooning en uit dankbaarheid voor bewezen diensten hebben onze voorouders aan dit plantje den schoonen naam van âoogentroostquot; gegeven. Als geen ander middel meer baatte, dan vonden zij vaak bij dit plantje den gewenschten troost. Zeer dikwijls heb ik het als heelmiddel aangeraden, en met goed gevolg.
In Augustus, als het etgroen (nagras) half rijp is, kunt ge dit kruidje op bijna iedere weide vinden; somtijds groeit het zoo dicht, dat het het eigenlijke voeder verdringt, tot groot misnoegen van den landbouwer.
Zoowel de gedroogde als de fijngewreven bladeren kunnen voor thee en poeders worden gebruikt. Met de thee wascht men dagelijks de oogen goed uit; of men doopt er kleine
130
lapjes linnen In, die men 's nachts op het oog legt en met een doek bevestigt. Aldus wordt het oog gereinigd, verhelderd en het gezichtsvermogen versterkt.
Ik heb voor gewoonte de patiënten het poeder tegelijk inwendig te laten gebruiken, en wel 1 halven theelepel op 1 lepel soep of water.
Hiermede is de kracht van het plantje niet uitgeput;men zou er ook den naam van maagtroost aan kunnen geven; wegens zijn eigenaardigen, bitteren smaak kan men zijn thee ook maagbitter noemen; het helpt de spijsvertering en verbetert de maagsappen.
Probeer het eens, beminde lezer. Het plantje zal ook voor ii met zijn troost niet karig zijn.
PEPERMUNT EN WATERMUNTKRUID (Mentha piperita L. en M. aquatica L.)
Pepermunt (uit den tuin) en watermunt hebben ongeveer dezelfde uitwerkselen. Aan watermunt geef ik de voorkeur omdat zij sterker werkt.
Muntkruid behoort onder de eerste geneesmiddelen, die de maag versterken en de spijsvertering bevorderen. Reeds de sterke geur geeft aan, dat dit kruid onder de geneesmiddelen een voorname plaats moet innemen.
Die bij hevige hoofdpijn een doek met muntkruid voor het voorhoofd bindt, zal weldra leniging en vermindering van pijn bespeuren.
Muntkruidthee (eiken morgen en avond een kop) bevordert de spijsvertering, en geeft een gezond en frisch uiterlijk. Het muntkruidpoeder bewijst dezelfde diensten, wanneer ik er dagelijks 1 of 2 halve theelepels van bij het eten of drinken neem.
Vooral is deze thee of dit poeder aan te bevelen voor hen, die door ziekte zeer verzwakt zijn, bij iedere beuzeling hartkloppingen krijgen, van misselijkheid en dikwijls braken last hebben.
Hoe onaangenaam is het voor zich zeiven en anderen voortdurend een vuilen adem te hebben; geen beter middel dan dagelijks 1 kop muntthee te drinken, die van half water en half azijn bereid is. Een aftreksel van muntkruid op azijn stilt het bloedbraken, als men van tijd tot tijd 1 a 2 theelepels, daarvan neemt.
Muntkruid, dat in warme melk als thee getrokken heeft, bevrijdt van buikpijn. Mocht iedere huisvrouw dit edel plantje tegelijk met de wijnruit een plaatsje in den hof gunnen. Zij
181
zullen dien liefdedienst niet onbeloond laten, al ware het slechts door hun eigenaardige, verfrisschende geuren, die zij bij iedere aanraking zoo vrijgevig in onze handen overstorten.
ROZEBOTTEL (Hondsroos of Egelantierroos) (Rosa caninaL.)
Van den egelantierstruik fhaagbeziestruik) plukt de huismoeder, die voor hare apotheek zorg draagt, niet alleen de schoonste rozen, maar ook de zoogenaamde rozebottels; hiervan maakt zij gebruik om sausen te bereiden, maar vooral om ze als geneesmiddel aan te wenden. In eigen gaarde en in den hof van anderen zoekt zij vooral dan vlijtig naar de rozebottels, wanneer zij onder hare huisgenooten iemand heeft, die aan graveel, of aan nier- en blaasziekte, de vrees-lijkste smarten lijdt. Zij weet dat thee van rozebottels de pijn lenigt, de nieren en de blaas zuivert.
Ik ken een hoogbejaarden grijsaard, die op jeugdigen leeftijd veel last van graveel en steen had, en dikwijls, maar tevergeefs, om raad en daad-aanklopte. Men ried hem deze thee aan en weldra vond hij er zooveel baat bij, dat hij nooit verzuimt, 's avonds vóór het naar bed gaan, 'zijn gewonen kop thee te nemen. Hij houdt er meer van dan van den duursten wijn. âDat zijn mijne geestrijke dranken,quot; zeide hij, âdat is de olie, die de drooggeloopen machine van het oude lichaam dagelijks aan den gang houdt.quot;
De rozebottel wordt van haar zaad ontdaan, de huls gedroogd en daarvan thee gezet.
ROSMARIJN (Rosmarinus officinalis L.)
Een ruikertje van rosmarijn mag op bruiloftsdagen op de borst van geen enkelen gast en bij plechtige feestelijkheden op die van geen enkelen oprechten deelnemer ontbreken. Maar grooter schande zou het zijn, wanneer de verzamelaar dit geurend kruidje geen plaats gaf in zijn huisapotheek.
Rosmarijn is een voortreffelijk middel tegen allerlei maagkwalen. Als thee gedronken, zuivert hij de maag van slijm en bevordert den eetlust en de spijsvertering.
Die gaarne een medicijnfleschje, als troost in zijn ziekte, op zijn stoel of tafel ziet, moet het met rosmarijnthee vullen, en er 's morgens en 's avonds 2 a 4 lepels van drinken. De maag zal spoedig op haar verhaal komen, d. w. z. niet langer meer last van slijmophooping hebben.
Wijn van rosmarijn, in kleine porties gedronken, is altijd voortreffelijk tegen hartkwalen gebleken. Hij werkt kalmeerend
132
en, als waterzucht ontstaan is door slechte werking van het hart, dan verdrijft hij het water langs den urineweg. In 't algemeen werkt hij op dezelfde wijze bij ieder soort van waterzucht. Daartoe neme men dagelijks, 's morgens en 's avonds, 8 a 4 lepels, of een klein wijnglas, van dezen aangenamen drank, waaraan men zich spoedig zal gewennen.
Om dezen wijn op eenvoudige wijze te bereiden, snijde men een handvol rosmarijn zoo klein mogelijk, doe het in een flesch en giete daarop goéden belegen wijn (witte wijn is de beste). Na een halven dag is de rosmarijnwijn gereed.
Dezelfde blaadjes kunnen voor een tweede flesch gebruikt worden.
SALIE (Salvia officinalis L.)
Wie een hof bij zijn huis heeft en dien opnieuw aanlegt, moet de salie niet vergeten; het is een schoone sierplant; meermalen heb ik gezien, dat voorbijgangers een blad afplukten en daarmede hun zwarte tanden wreven; dit bewijst dat salie een zuiverende kracht bezit.
Oude, etterende wonden worden zeker en spoedig geheeld, wanneer zij met aftreksel van salie worden uitgewasschen en verbonden.
Ophoopingen van slijm aan het verhemelte, in de keel of in de maag worden door saliethee verwijderd.
Salie in water en wijn afgekookt, reinigt lever en nieren; krachtiger werkt zij nog als men salie met alsem (half en half) vermengt, en hiervan thee gezet wordt.
Saliepoeder als peper, suiker of kaneel over het eten gestrooid, werkt op genoemde kwalen even goed als saliethee.
SANDELKOOD (1) (Kleurend bestanddeel van het roode sandelhout.)
Sandelrood is een poeder, dat eigenlijk dient om iets rood te verven; het is in iedere apotheek te verkrijgen. Ik meng dit onschuldig geneesmiddel altijd met mistelthee, waardoor deze krachtiger werkt (1 eetlepel mistelbladeren met 1 theelepel sandelrood.) _
SCHAAFSTROO (2) (Equisetum arvense L.)
De voortreffelijke en veelzijdige werking van dit heilplantje
(1) Zie âMistelboom.quot;
(2) Ook ,, Akkerpaardestaartquot; genoemd, zoeke men op zandgronden in de aardappelvelden (waar het als lastig onkruid tiert) en vooral niet in de nabijheid van het water.
183
kan niet genoeg geprezen worden. Het reinigt niet alleen de keukengereedschappen, waarom het bij de huisvrouw als uitstekend poetsmiddel bekend staat, het reinigt en heelt ook in- en uitwendige gebreken van het menschelijk lichaam.
Het werkt uitstekend op oude, etterende wonden, op allerlei, zelfs kankerachtige verzweringen en beeneter. Het is een zuiverend, oplossend en bijtend middel. Men gebruikt het: of als aftreksel bij wasschingen, omslagen en compressen; of in natte doeken gewikkeld als compressen op de wonden; öf en vooral bij zekere dampbaden. Nadere bijzonderheden vindt men bij de beschrijving der ziekten.
Veelzijdiger nog is zijn uitwerking, wanneer het schaafstroo inwendig gebruikt wordt.
Bij wijze van thee gebruikt, is het altijd onschadelijk; van tijd tot tijd (niet dagelijks) neemt men één kop; het zuivert de maag, lenigt de smarten van graveel en steen, en is vooral een krachtig hulpmiddel voor hen, die moeilijk urineeren. Daar is schaafstroo het eenige onvervangbare en niet genoeg te waardeeren middel. Dampbaden van schaafstroo-aftreksel, die vooral tegen de laatste kwalen in aanmerking komen, moeten uitdrukkelijk worden voorgeschreven. Deze kwalen veroorzaken zoo dikwijls de ondragelijkste smarten. Men geve dus wel acht op dit eenvoudig, zoo gemakkelijk te verkrijgen, pijnstillend middel. Bij eventueele uitwendige aanwending moeten de lijders dagelijks een kop thee van schaafstroo drinken.
Wanneer men bloedt of bloed braakt, kan men niet beter doen dan deze thee te gebruiken. Die bloed braakt, moet de thee terstond drinken. Ik ken gevallen, waarin het bloedbraken na 4 minuten geheel had opgehouden. Bij hevig neusbloeden moet men voortdurend deze thee opsnuiven; zij werkt samentrekkend en verhelpt spoedig. Die last van bloedvloeiingen hebben, kan ik niet beter raden dan 1 of 2 koppen van deze thee te drinken.
In iedere huisapotheek zij schaafstroo in genoegzame hoeveelheid voorhanden, opdat men het in geval van nood terstond bij de hand hebbe.
SLAOLIE.
Men leze wat wij over amandelolie gezegd hebben, want alleen bij gebreke hiervan, komt de slaolie in aanmerking. Is de voorraad amandelolie gering, dan kan zij met slaolie vermengd worden. De hier bedoelde slaolie moet zuivere Provence-olie of ten minste olie van koolzaad zijn.
134
De wijze van gebruik is dezelfde als bij âAmandeloliequot; is aangegeven.
SLEEDOORNBLOESEM (Prunus spinosa L.)
De sleedoornbloesem verschaft het onschuldigste laxeermiddel en moet in de huisapotheek, op de voorste rij, op een licht toegankelijke plaats staan. Hoe dikwijls voelt men aan geheel zijn gestel, aan maag en onderlijf, dat een flink purgeermiddel, goed, ja noodzakelijk is. Men zoekt een gemakkelijk middel,
men zoekt en ____ kon het zoo gemakkelijk bij de hand
hebben.
Neem wat bloesem van den sleedoorn, laat dien 1 minuut lang koken, en drink er gedurende 8 a 4 dagen 1 kop dagelijks van. Deze thee werkt bedaard zonder eenige onaangenaamheid of onpasselijkheid te veroorzaken, en toch zoo krachtig mogelijk.
Als zuiverenden en versterkenden maagdrank kan ik deze thee ten zeerste aanbevelen.
SLEUTELBLOEM (Primula officinalis L.)
Alleen de donkergele sleutelbloem is voor de huisapotheek van waarde. Reeds haar geur verraadt, dat in haren kelk een bijzondere geneeskracht schuilen moet. Kauwt men 2 of 3 van deze gele bloemen, dan wordt men hare genezende kracht zeer goed gewaar.
Die aanleg heeft voor gewrichtsrheumatisme en jicht, of daaraan reeds onderhevig is, moet gedurende eenigen tijd dagelijks een kop thee van sleutelbloemen drinken. De hevige smarten zullen weldra verminderen en spoedig geheel verdwijnen.
SUIKERIJ of CICHOREI (Cichorium intybus L.)
De suikerij groeit langs iederen weg, als wacht zij dengene, die haar in zijn huisapotheek een plaatsje geven wil. Dikwijls wordt zij zonnebloem genoemd, daar hare bladeren zich steeds naar de zon keeren. Bekijkt men de suikerij met haar slappen stengel en verwarde blaadjes, dan verschijnt zij als een âhansworstquot; te midden van andere planten. Alleen haar blauw bloempje, ietwat lichter dan de korenbloem, geeft haar een beetje krediet en aanzien.
Schijn bedriegt! dit is ook met de suikerij het geval, want wel bezien is zij goud waard.
Thee van suikerij neemt de slijm weg, die zich in de maag
135
heeft opgehoopt, en verdrijft de overvloedige gal; zij zuivert lever, milt en nieren, en voert de ziektestoffen langs den urineweg af; zij zuivert de maag. die door een of ander voedsel, enz. bedorven is, en bevordert de spijsvertering. Men gebruikt daartoe, gedurende 3 a 4 dagen, dagelijks 2 koppen thee; één vóór 't ontbijt, den anderen 's avonds.
Bij bènauwdheid in de maag, of bij pijnlijke ontstekingen aan het lichaam, legt men op die zieke deelen een doek met blaadjes en bloesem van suikerij, die in heet water gekookt hebben; 2 a 3 maal daags moet men dit compres vernieuwen.
De suikerij wordt zeer dikwijls op spiritus gezet; deze tinctuur is een uitstekend middel tegen vermagering en verval van krachten, als men de verzwakte ledematen ongeveer tweemaal daags daarmede inwrijft.
De wortels van suikerij zijn tegen genoemde kwalen evengoed als de plant en de bloesem. Men kan ze het best met regenachtig weder steken.
VALERIAAN (gewone) (Valeriana officinalis L.)
Dat in valeriaan iets geheimzinnings schuilt, leeren ons de katten, die er zóó door worden aangetrokken, dat zij zich er in rondwentelen.
Wij gebruiken alleen den wortel; men snijdt dien in stukken om er een aftreksel van te maken, of men stampt dien tot poeder. Zoowel deze thee, als dat poeder, moeten in kleine hoeveelheden genomen worden.
De wortel van valeriaan verzacht de hoofdpijn en doet krampachtige aandoeningen verdwijnen, evenals de wijnruit; hij heeft deze heilzame uitwerking op beide kwalen, om reden hij de gassen verwijdert, en daaruit ontstaan hoofdzakelijk deze ziekten.
VENKEL (Foeniculum officinale All.)
Venkelkorrels mogen in geen huisapotheek gemist worden, want de kwaal, waar zij goed voor zijn, komt maar al te dikwijls voor: ik bedoel koliek gepaard met krampen. De huismoeder late snel 1 eetlepel venkel in 1 kop melk koken, (5 a 10 minuten) en geve dat den zieke, zoo warm mogelijk, (niet te warm, dat men zich inwendig brandt.) De werking is meestal zeer goed en vlug. De warmte, die zich spoedig over het lichaam verspreidt, kalmeert de krampen, doet het koliek verdwijnen. Voor uitwendig gebruik â zooals elders wordt aangegeven â legge men compressen, in warm water en azijn
136
gedoopt, op het onderlijf, (men neme evenveel water als azijn.)
Venkelpoeder, bij wijze van specerijen over het eten gestrooid, verdrijft de gassen uit maag- en andere streken.
Men verkrijgt venkelpoeder: als men de korrels eerst roost en daarna in een gewonen koffiemolen maalt. Venkelolie koopt men in de apotheek.
Zij, die aan de oogen lijden, weten dat venkel een goed oogwater verschaft. Men kookt een halven eetlepel venkelpoeder, en met het aftreksel wascht men zich ongeveer 3 maal daags de oogen.
Venkeldampbaden voor de oogen werken nog meer zuiverend en versterkend. Daar ik met ieder hoofddampbad een inwendige oplossing beoog, zoo doe ik er één of minstens een halven lepel venkelpoeder in; daardoor wordt elk hoofddampbad ook een dampbad voor de oogen.
Met anijs en komijn verkrijgt men dezelfde resultaten. Dikwijls worden 2 of 3 dezer kruiden door elkaar gemengd, gemalen en aangewend.
VIOOLTJES. (Viola odorata L.)
Dit lief en welriekend lentebloempje moet ook een aange-namen geur verspreiden in onze huisapotheek. Dikwijls hebben de kinderen in het begin van de lente, tengevolge van menigvuldige afwisseling in temperatuur, een zwaren hoest â kinkhoest. Dan moet de zorgzame moeder een handvol groene of verdorde bladeren dezer planten in een kwart liter kokend water laten aftrekken en, om de 2 a 3 uren, moeten de kinderen 2 a 3 lepels dezer thee drinken. Voor dit doel kan men ook de wortels der plant gebruiken; deze moet men dan vóór het koken in stukjes snijden. Volwassenen worden van een verouderden kinkhoest genezen, als zij 3maal daags 1 kop dezer thee drinken. .
Teringlijders gebruiken ze eveneens om het hoesten te verzachten en slijm op te lossen. Zij kan als medicijn dienst doen en moet ook als zoodanig worden ingenomen, d. w. z. om de 2 of 3 uur van 3 tot 5 eetlepels.
Deze thee dient verder tegen hoofdpijn en groote verhitting in het hoofd. Tegelijkertijd doopt men een linnen lap in thee van viooltjesbladeren en bindt dien om het voorhoofd ; of wel men wascht er het hoofd, en vooral het achterhoofd, mede. Mij zijn gevallen bekend, dat de zieke spoedig rustig werd en insliep.
Deze thee is ook een uitnemende gorgeldrank, wanneer de
137
hals gezwollen is; terzelfder tijd doope men den halsomslag in dit mengsel en niet in gewoon water.
Als de ademhaling beklemd is door ophooping van gassen en kwade stoffen uit maag en ingewanden, dan make men een kleine viooltjeskuur, en drinke een tijdlang alle dagen 2 groote of 3 kleine koppen van deze thee.
Viooltjesbladeren geplet en als omslag gebruikt, verfrisschen en ontbinden verhitte gezwellen. Een aftreksel van deze bladeren in azijn gekookt, en bij wijze van compres aangelegd, dient om podagra te genezen.
Verheul t u over den reuk en het heerlijk blauw van het viooltje! Maar bewaar ook een kleine hoeveelheid van deze heilzame plantjes in uwe huisapotheek, dan zullen de zieken er nog den geur van genieten, als het lentebloempje reeds lang is uitgebloeid.
VLIER (zwarte) (Sambucus nigra L.)
In den goeden ouden tijd stond er naast elk huis een vlierboom; heden ten dage wordt die verdrongen en uitgeroeid. En toch verdient hij de buurman te zijn, of te worden, van iedere woning, want van hem gebruiken wij : bladeren, bloesem, bessen, schors en wortels.
De krachtige natuur zoekt in het voorjaar die kwade stoffen uit het lichaam te verwijderen, die zich des winters daarin hebben opgehoopt. Wie kent niet die ongesteldheden, die voorjaarsziekten, als uitslag, diarrhee, koliek en dergelijke ?
Die in het voorjaar het bloed en de sappen van het lichaam wil zuiveren en kwade stoffen op eene gemakkelijke en natuurlijke wijze wil verwijderen, neme 6 a 8 bladeren van den vlierboom, snijdt ze fijn als tabak, en late er 10 minuten lang thee van trekken. Alle morgens moet ge, één uur voor het ontbijt, een kop van deze thee gebruiken, en dit blijven volhouden zoolang ge de voorjaarskuur doet.
Deze eenvoudige, bloedzuiverende thee maakt de geheele machine van het menschelijk lichaam op eene voortreffelijke , wijze schoon, en vervangt bij arme lieden de pillen en alpenkruiden, die heden ten dage in fijne doozen en doosjes worden aangeboden, en vaak een heel bijzondere uitwerking hebben.
Deze kuur kan niet alleen in het voorjaar, maar in elk jaargetijde ondernomen worden. De gedroogde bladeren verschaffen eveneens een oplossende en zuiverende thee.
Wie onzer heeft geen vierbloesemkoekjes gegeten? Vele personen maken die, wanneer de boom in vollen bloei staat
10
138
en beweren, dat die soort van koekjes een behoedmiddel zijn tegen de koorts.
Ik ken een plaats, waar men veel aan koortsachtige rillingen lijdt. Op elke tafel ziet men daar in 't voorjaar vlierbloesem of koortskoekjes staan. Ik heb dat nooit uit een critisch oogpunt willen beschouwen; laat de menschen in dien waan, want die kost is goed en gezond.
De vlierbloesem is eveneens zuiverend, daar twijfelt niemand aan, en het ware te wenschen, dat in elke huisapotheek een doos gedroogde vlierbloesem stond. De winter is lang, en het kan gebeuren, dat zulk een klein oplossend en zweetverwek-kend middel van grooten dienst kan zijn. Kwaad kan zulk een thee nooit.
Patiënten, die aanleg hebben tot waterzucht, raken door het drinken van vlierwortelthee zooveel water kwijt, dat er geen beter middel te vinden is; de werking is bovendien heel onschuldig.
De vlierbessen, welke vaak in den herfst gekookt en als brij of moes gegeten worden, werden door de Ouden als bloedzuiverend middel in eere gehouden. Mijne moeder zaliger deed alle jaren gedurende 2 a 3 weken een vlierbessenkuur. Om dezelfde reden hebben onze voorvaderen, een 50, 60 jaren geleden, minstens een paar vlierboomen vóór het huis geplant. Evenals de voorname heeren van onzen tijd dikwijls een dure druivenkuur gaan nemen in verre landen, zoo gingen ook onze ouders en voorouders een kuur bij den vlierboom doen. In hun eigen tuin werden zij goedkooper en dikwijls zooveel beter bediend.
Eenige jaren geleden was ik in de Oostenrijksche Alpen, en ik zag met vreugde, dat daar ook de vlierboom werd in eere gehouden. âZekerquot;, zei een oude boer, âwij laten geen enkele bes van dezen boom verloren gaan.quot; Hoe eenvoudig! hoe verstandig! Als de vogels op het punt zijn om de herfst-reis te aanvaarden, dan zoeken zij nog eerst den vlierboom op om het bloed te zuiveren en het lichaam voor deze verre reis te versterken. Is het niet jammer, dat de mensch ook niets gevoelt voor natuurlijke aandrift en de stem der natuur in zich verstomt door quasi wetenschap?
De vlierbessen in suiker, of, wat nog beter is, in honig gekonfijt, dienen 's winters voornamelijk voor personen, die weinig beweging nemen en meer tot een rustig, zittend leven gedoemd zijn. 1 lepel van deze confituur in een glas water geroerd, verschaft den heerlijksten drank voor afkoeling en lafenis, zuivert de maag, en werkt gunstig op urineafscheiding en nieren.
Vele landlieden drogen de bessen. Kookt men ze tot moes,
139
zet men er thee van, of gebruikt men ze rauw, altijd bewijzen ze goede diensten bij lievige diarrhee.
Men herinnert zich de bewezen diensten van een getrouwen en voorheen zoo geachten huisvriend niet meer, daarom heeft men hem op zijde gezet. Moge de oude vriend wederom bij een ieder in aanzien komen.
VLIER (wilde) (Sambucus ebulus L.)
Aan boschranden (voornamelijk aan randen van omgewerkte bosschen) treft men dikwijls struiken van 1 Meter en meer aan, die in de lente van grooten witten bloesem en in den herfst van prachtige, zware en glanzende bessentrosjes voorzien zijn. Dit is de wilde vlier, de boschvlier. De bessen zijn kleiner dan van den gewonen vlier. De wilde vlier groeit meer overvloedig, en is lang zoo niet verwend, als zijn collega in onze tuinen.
De thee, uit de wortels van dezen vlier getrokken, neemt bij waterzucht op een buitengewone wijze het water weg, en zuivert de nieren. Ik ken verscheidene gevallen, waarin zij reeds tamelijk gevorderde waterzucht genas.
Ook bij andere onderlijfskwalen, die uit kwade stoffen voortkomen, voert zij deze langs den urineweg af.
Thee, van wild vlierpoeder gezet, doet denzelfden dienst. Voor 1 kop, die in 2 malen op verschillende uren van den dag genomen wordt, zijn 2 eierlepels poedei noodig.
Bij het einde van den herfst verzamelt men de wortels, laat ze in de lucht drogen, en bewaart ze vervolgens in de huisapotheek, evenals het poeder, dat men verkrijgt door de wortels fijn te stampen.
WEEGBREE (met lancetvormige bladeren) (Plantago lanceolata L.)
Wanneer een landman zich bij het arbeiden verwondt, dan zoekt hij terstond bladeren van weegbree, en houdt niet op met knijpen en kneden, totdat het ietwat weerspannige blad eenige droppels glippen laat; deze laten zij, 5f onmiddellijk op de versche wonde vallen, of zij bevochtigen daarmede een lapje, dat zij op de wonde leggen. Weigert het blad zijn heelsap, en wordt het alleen een beetje vochtig, dan legt hij er de malsche bladeren op. Is hierbij wellicht gevaar van bloedvergiftiging? die kent de weegbree niet. Dit verband is het eerste, maar dikwijls het beste noodverband, want het heelen van zulke wonden volgt spoedig. Als met gouddraad naait het sap der
140
weegbree de open wonde toe, en evenals zich op goud nooit roest zet, zoo vlucht ieder stofje vuil en rot vleesch van de weegbree weg.
Inwendig is de werking dezer plant niet minder voordeelig. Mochten toch honderden menschen in het voorjaar of in den zomer deze heilzame bladeren garen, hunne sappen uitpersen om er een drank van te maken!
Talrijke inwendige kwalen, die uit het bedorven bloed en uit de bedorven sappen als paddestoelen opschiéten, zouden onbekend zijn. Het zijn wel geen bloedende wonden, maar dikwijls gevaarlijker nog.
De verdorde weegbreebladeren zijn uitmuntend om daarvan thee tegen ophoopingen van slijm in het lichaam te bereiden. De dagbladenbevattendikwerflangereclames over de voortreffelijke werking der weegbree, en nog langere reclames over het hier of daar te verkrijgen weegbree-extract. Menigeen koopt het dan voor veel geld â arme sukkel van een boer! Wees je eigen verzamelaar en apotheker. Dan verkoopt men u geen knollen voor citroenen, want ge weet, dat ge goede waar hebt.
Met verdorde weegbreebladeren kan het longkruid (pulmo-naria officinalis L.) gemengd worden (half en half), om er thee van te trekken.
WOLKRUID (Verbascum Schraderi Meyer.)
De bloesem en de bloem van het wolkruid worden dooiden landman vlijtig gegaard; zij weten, dat het een uitmuntende gorgeldrank is in den winter, en dat er goede thee van te bereiden is tegen keelziekten, catarrhen, ophoopingen van slijm in de borst en moeilijkheid in het ademhalen.
Opnieuw beveel ik deze thee dringend aan. Gewoonlijk vermeng ik den wolkruidbloesem met de zwarte maluwe, omdat deze thee dan krachtiger is om de slijm los te maken.
WIJNRUIT (Ruta graveolens L.)
Deze edele, heilzame plant is helaas maar al te weinig bekend, d. w. z. in hare voortreffelijke geneeskracht bekend. De planten spreken tot ons door hare geuren. Hoe duidelijk en luid spreekt de wijnruit, alsof ieder blaadje een tongetje had, van haar goeden wil om ons menschen, voor wie zij geschapen is, te helpen, onze smarten te lenigen. Mochten wij haar taal altijd verstaan !
Hoe de wijnruit ook gebruikt wordt, altijd werkt zij versterkend ; kauw slechts een blaadje en ge zult die kracht ter-
141
stond gewaarworden. Hoe streelt zij mond en verhemelte; zij verkwikt en riekt als wierook, die het geheele huis met zijn geuren vervult.
Voor congesties, d. w. z. bloedsaandrang naar het hoofd, voor duizeligheid en zwaarte in het hoofd is thee van wijnruit altijd voortreffelijk gebleken.
Met moeilijkheid in het ademhalen, hartkloppingen en alle ziekelijke aandoeningen in het onderlijf, (krampen, enz.) die uit de zwaktfe van het geheele lichaam of van enkele organen ontstaan, is dit eveneens het geval.
Ik beveel deze thee vooral aan voor diegenen, welke aan genoemde zwakten, aan krampen, hysterie, enz. onderhevig zijn.
Die wijnruit op spiritus zet, kan tegen genoemde ziekten, in plaats van thee dagelijks, hoogstens tweemaal, 10 a 12 droppels op suiker daarvan innemen.
Olie van wijnruit wordt op dezelfde wijze bereid; men verkrijgt ze als volgt: verdorde wijnruitblaadjes worden gewreven, geplet en in fleschjes gedaan, daarna giet men er fijne slaolie op, en stelt het aan de warmte bloot. Later giet men de olie af en deze wordt op genoemde wijze gebruikt.
ZEMELEN.
Hoe onbegrijpelijk onze handelwijze somtijds is, blijkt vooral daar, waar spraak van zemelen is.
Ieder dienstmeid werpt de zemelen voor de zwijnen; de zemelen, die, durf ik beweren, gezonder en krachtiger voedsel bevatten dan het meel zelf. Iedere huismoeder zou veel verstandiger handelen, wanneer zij de voedzame zemelen zorgvuldig bewaarde, en dit gezonde voedsel aan hare zwakke kinderen gaf.
Zwakken, herstellenden, en kinderen hebben niets liever dan voedsel, dat licht verteerbaar is. Welnu! het zwakste gestel kan aftreksel van zemelen verwerken, en hierin schuilt de volle kracht der vrucht (1) (het koren, enz.)
Men neemt zemelen van weit of koren, en kookt ze 3 kwartier lang in warm water; dan perst men de zemelen uit, doet in het aftreksel een weinig honig en laat het mengsel nogmaals een kwartier koken. Nu is de zemelendrank klaar en de patiënt kan er dagelijks een kwart liter van nemen.
Zemelig brood in dit zoete sap gedoopt zal hem zeer goed smaken.
(1) Dit moet ons niet bevreemden: het is algemeen bekend dat b. v. in de schil van appelen, peren, enz. meer voedsel zit, dan in het vleesch der vrucht. Als men een proef nam met azijn uit de schillen en de vruchten zelve te trekken, dan zou men mijne bewering bevestigd zien.
142
Voor kinderen en oude menschen weet ik geen beteren drank ; met vreugde zullen zij hem als een lafenis begroeten, Mochten wij allen toch naar een eenvoudiger, natuurlijker levenswijze streven! God geve het; veel hangt daarvan af!
ZUURKOOL. (1)
Dit bekend huismiddel heeft ook onder de geneesmiddelen een welverdiende plaats verkregen.
Tegen brand- en andere wonden, tegen ontstekingen, en om kwade stoffen uit oude wonden op te lossen en te verwijderen, zijn compressen van versche (zoo even uit de ton gehaalde) zuurkool een uitstekend middel. Meer uitvoerig wordt hierover gesproken bij de verschillende ziekten. Vooral voor landlieden is dit geneesmiddel van hooge waarde, omdat zij het altijd bij de hand hebben.
AANHANGSEL.
HOE HET ZEMELIG BROOD BEREID WORDT.
Men laat de weit te gelijk met de zemelen malen; de molenaars doen dit niet gaarne uit wel te begrijpen redenen (2), daarom moet men goed toezien, welke waar men terugontvangt.
Naargelang men voor weinig of veel personen te bakken heeft, doet men 1, 2, 3, 4 kilo zemelenmeel in een bak, en maakt er met heet water deeg van, dat gedurende den nacht op een matig warme plaats moet blijven staan. Noch zuur-deesem, noch zout, noch andere specerijen mogen met het deeg worden gekneed; den anderen dag maakt men van het deeg kleine, lange, ronde brooden of weggen, legt ze in den gewonen heeten bakoven en laat ze er 5 a 6 kwartier in. Zoodra
(1) Hier neme men in aanmerking, dat in Beieren de zuurkool niet met zooveel zout en peperkorrels wordt ingemaakt als hier te lande.
(2) Die een groot gebruik van zemelig brood maakt, zou zich een kleinen molen kunnen aanschaften, om niet door molenaars bedrogen te worden. Ik kende in Tyrol een professor, die een hevige maagkwaal had. Daar hij maar weinig spijzen verdragen kon, werd hij al zwakker en zwakker. Toen werd hem het zemelig brood aangeraden en tegelijkertijd zulk een machine. Hij liet haar terstond van Weenen komen en speelde gedurende uren, welke hij gewoon was aan handenarbeid te wijden, zelf den molenaar en het molen-paard. Hij zelf maalde het meel en zijne ' wakkere vrouw bakte hem brood daarvan. Hij en zijn maag werden zóó gezond, dat hij voortaan alle spijzen verdragen kon.
143
men het gebakken brood uit den oven heeft genomen, legt men het 3 a 4 minuten in kokend heet water, zoodat het geheele brood van water doortrokken is; dan legt men het nogmaals eenige oogenblikken in den oven om het uit te laten drogen. Deze laatste wijze van behandeling heeft mij een prior der Trappisten geleerd, die mij mededeelde, hoe hij langen tijd en op allerlei wijzen geprobeerd had dit brood te bakken, en hoe hij eindelijk had ondervonden, dat deze methode de beste is, omdat aldus uit de zemelen alle voedingsstof, vooral de suikerdeelen getrokken worden.
Ik ken vele mannen, die dit brood met voorliefde aten en eten; zij beweren, dat het tegen maagkwalen, aambeien, en bij gebrek aan spijsvertering uitmuntende diensten bewijst. Anderen heb ik gekend, die aanvankelijk het smaak- en geurlooze zemelige brood akelig flauw vonden, maar die er later met hartstochtelijke voorliefde van aten.
Het gebakken brood moet op een koele plaats bewaard worden en, mocht de korst te hard zijn, in een vochtigen doek worden gewikkeld.
IETS OVER âKRACHTSOEPquot; OF âGEZONDHEIDSSOEPquot;.
Het is mijne vaste overtuiging, dat men een groot getal ongelukkige menschen gelukkig maken kon, indien de krachtsoep meer op waarde geschat en gebruikt werd. De krachtsoep is niet alleen wegens haar voedende kracht aan te bevelen, maar ook, omdat zij goedkoop en gemakkelijk toe te bereiden is.
Een voornaam heer, die deze krachtsoep had leeren kennen, kocht bij een boer twee groote zwarte brooden. Zooals bekencl is, wordt het zwarte brood enkel van roggemeel gebakken, en wordt door de landlieden zorgvuldig gemalen, opdat weinig zemelen verloren gaan, en alle voedingsstoffen der rogge worden benut. Deze twee brooden liet hij in dunne sneetjes snijden en op een ijzeren plaat leggen. Deze plaat zette hij op de warme kachel om het brood zooveel mogelijk te laten uitdrogen. Daarna werd liet in den vijzel tot grof poeder gestampt. Verlangde hij nu krachtsoep te eten, dan roerde hij 2 a 3 lepels in heete bouillon, deed er weinig of geen kruiden in, en slechts een beetje zout. In 2 minuten was de soep klaar; ze smaakt voortreffelijk, geeft veel voedsel en veroorzaakt weinig of geen winden.
In plaats van bouillon nam hij dikwijls melk en roerde er broodmeel doorheen, zoodra zij kookte. Ook deze soep was in 2 minuten klaar. Deze melksoep is boven vleeschsoep te verkiezen, omdat melk de meeste voedingsstoffen bezit. Had
144
hij geen bouillon of melk, dan was hij met kokend water tevreden, maar deed er een weinig run der vet en kruiden door. Ook deze soep verdient den naam van gezondheidssoep.
Op zekeren dag â het was in de week van kerkwijding â komt hij in een boerderij, waar de huisvrouw brood uit spelt gebakken had, dat veel op weit gelijkt; ook dit koren wordt zorgvuldig met de zemelen gemalen. Hij kocht twee van deze brooden en deed er mee als met het roggebrood. Het spelt-broodpoeder vermengde hij met het roggebroodmeel, en liet zich van het mengsel krachtsoep koken op dezelfde wijze als vroeger beschreven is. Zoo verkreeg hij zesderlei verschillende soepen, die alle in voedingskracht verschilden. Het is goed, nu en dan eens af te wisselen, opdat de soep niet begint te vervelen.
Deze krachtsoep is uitmuntend voor zeer zwakke kinderen, omdat zij zeer gemakkelijk te verteren is, krachtig voedt, en geen gassen veroorzaakt; ook voor grootere kinderen is zij aan te bevelen om te voorzien in de bloedarmoede, waaronder zoo menig lichaam lijdt. Verder is zij goed voor zieken, omdat zij der verzwakte natuur een krachtig voedsel is. Eindelijk is zij aan te bevelen voor hoogbejaarden; als de tanden zijn uitgevallen en de grijsaard geen vaste spijzen kauwen kan, moet hij zich aan deze soep houden.
Er mag geen huisgezin zijn, waar de krachtsoep niet in eere is; dit zeide ik eens aan een hooggeplaatst ambtenaar, die mij verzekerde: dat hij geen soep kende, die gezonder «n voedzamer is.
HOE DE HONIGWIJN BEREID WOEDT.
(Zeer aanbevelenswaardig voor gezonden en zieken.)
De oude Grermanen maakten geen of weinig gebruik van wijn. Het bruine bier kenden zij niet, omdat het nog niet bestond. Hunne spijzen waren hoogst eenvoudig en toch vormden zij een krachtigen volksstam. Zij bereikten een hoo-gen ouderdom en verheugden zich in eene blakende gezondheid. Dit schreven zij aan den honigwijn toe. Het is jammer, dat deze edele drank zoo weinig bekend is en, in plaats daarvan, het algemeen verbreide bier in zwang is gekomen; vooral nu het bier door de vele vervalschingen geen gezonde drank meer genoemd kan worden. In de groote werken over bijenteelt vindt men gewoonlijk recepten voor het bereiden van honigwijn. Dikwijls echter hoort men klagen, dat men deze recepten volgend, nooit tot een goed resultaat is gekomen.
145
Ik laat hem gewoonlijk op de volgende wijze bereiden: In een zuiveren koperen ketel wordt 60 a 65 liters water gedaan. Is dit tamelijk warm geworden, dari vermengt men het met ongeveer 6 liters honig en laat het mengsel anderhalf uur lang zachtkens koken; van tijd tot tijd moet het vuile schuim van boven worden afgeschept. Is de tijd van koken voorbij, dan wordt het honigwater in metalen of aarden potten overgeschept, waarin het zóó moet afkoelen, dat het iets warmer is dan water, hetwelk aan de zonhitte is blootgesteld. Daarna wordt het in een zorgvuldig gezuiverd vat overgestort, de spon wordt er opgelegd, maar niet vastgeslagen.
Is de kelder tamelijk warm, dan begint liet honigwater na 5 a 10 dagen reeds te gisten. Nadat het 14 dagen gegist heeft, wordt de jonge honigwijn in een ander vat overgetapt, de droesem moet natuurlijk achterblijven. In het tweede vat duurt het gisten ongeveer 10 a 15 dagen, en is de honigwijn tot rust gekomen, zoodat men in het vat niets meer hooren kan, dan wordt het spongat gesloten.
Na 3 a 4 weken wordt hij helder en is hij te drinken. Wordt hij nu in flesschen afgetapt, goed gekurkt en in koud zand gelegd, dan mousseert hij binnen weinige dagen tamelijk sterk. Wanneer zieken noch wijn, noch bier kunnen drinken, dan is honigwijn hun een lafenis, mits hij in kleine hoeveelheden genomen wordt, anders staat hij tegen.
Inhoud van eene kleine huisapotheek.
|
Alsem, Arnica, Boschbessen, Gentiaan, Jeneverbessen, Rosmarijn, Suikerij. II. THEE van: Aardbeienbladeren, Alsem, Althaea, Bitterklaver, I. TINCTUREN van: |
Brandnetels, Duizendblad, Duizendguldenkruid, Eikenschors, Engelwortel, Ganserik, Hoefblad, Jeneverbessen, Kamillen, Laxeermiddelen, Lindebloesem, Longkruid, Maluwe, Mistel, Onze-lieve-vrouwe-bedstroo, Oogentroost, |
146
|
Pepermunt, Rosmarijn, Rozebottels, Salie, Schaafstroo, Sleedoornbloesem, Sleutelbloemen, St. Janskruid, Suikerij, Valeriaan, Viooltjes, Vlier, Weegbree, Wilde vlier, Wijnruit, Wolkruid. III. POEDERS van: Aloë, Alsem, Aluin, Engelwortel, Foenum graecum. |
Hoefblad, Lijnzaad, Oogentroost, Pepermunt, Salie, Sandelrood, Valeriaan, Venkel, Wilde vlier; verder Beenderenmeel, Koolstof, Krijtmeel. IV. OLIÃN van: Anijs, Jeneverbessen, Kamfer, Venkel, Wijnruit; verder Amandelolie, Kr uidnf gelolie. Lavendelolie, Slaolie. |
EINDE VAN HET TWEEDE DEEI.
DERDE DEEL.
ZIEKTEN.
INLEIDING.
De gevallen van ziekten, waarover wij in dit deel zulle» spreken, zijn niet ingebeeld of verdicht; zij zijn uit het leven gegrepen, en ik blijf borg voor den naam van iederen persoon, hierin aangeduid of genoemd. Mijn doel is nietdaarmede reclame te maken of te pochen, ik beoog slechts anderen daardoor te onderrichten.
Ik besef maar al te wel, hoe onvolledig en gebrekkig dit-3e deel is; dat op verre na niet alle ziekten daarin voorkomen. Het is gedeeltelijk aan tijdgebrek te wijten, maar ik heb ook in hoofdzaak niet anders gewild. Ik wilde namelijk niet alle ziekten met hare geneesmiddelen eenvoudig opnoemen â dit zal ik later in een klein handboekje doen â maar met het oog op de ontwikkeling der lezers, waarvoor ik voornamelijk schrijf, de ziektegevallen meer onderhoudend behandelen, doch zóó, dat ieder geval tevens eenige wenken en leeringen geeft omtrent de verschijnselen der ziekten, de goede keus der aanwendingen, enz.
Gelijk de gaardenier, die een bloemruiker strengelt, niet van alle bloemen en niet evenveel van iedere soort plukt, zoo zocht ik ook onder de menigte ziekten alleen diegenen uit, welke het, meest voorkomen en hieruit wederom, welke de meeste stof tot leering gaven.
Of en in hoever ik geslaagd ben? Mijn wil was goed en ik geloof dat iedereen, die met goeden wil en zonder vooringenomenheid leest, tusschen het zand wel een goudkorreltje vinden zal.
Over den vorm heb ik in de voorrede reeds gesproken, alleen wil ik nog opmerken, dat kleine herhalingen over de wijze, waarop de aanwendingen moeten geschieden, duidelijkheidshalve zijn toegelaten. Wat de aanwendingen zelve betreft, hierover raadplege men immer het 1ste deel.
148
Ziekten zijn kruisjes, beminde lezer. Ieder onzer zal vroeg of laat, wellicht tot den dood, zulk een kruisje moeten dragen, maar wij mogen beproeven om het kruisje lichter te maken. Keeds de profeet Eliseus heeft tot Naaman, den melaatschen hoofdman van Syrië gezegd: âga heen en wasch u zeven maal in de Jordaan en uw vleesch zal gezond en gij zelf rein worden.quot;
Mocht mijn heilig doel om menigeen het zware kruis te helpen torsen door den goeden God worden gezegend.
AAMBEIEN (Haemorroides).
Aambeien kunnen van de ouders worden overgeërfd, of uit de wijze van leven voortkomen. Menschen, die een zittend leven leiden, die het grootste gedeelte van den dag op bureau of studeervertrek doorbrengen, lekkerbekken zijn, enz. hebben er veel last van. De landman, die zich jaar in jaar uit met aardappels en eenvoudigen melkkost voedt en alleen op zonen hooge feestdagen vleesch gebruikt; die tevreden is met melk en âApostelwijnquot;, (water) in plaats van bier en zwaren wijn; die alle dagen in en buiten zijne woning zwaren arbeid verricht, kent gewoonlijk de aambeien slechts bij naam.
Deze ziekte is hinderlijk, dikwijls zeer hinderlijk, maar in den beginne en dikwijls jaren, zelfs het geheele leven lang, niet gevaarlijk. Zij jeuken en branden; dit is zeer onaangenaam en dikwerf pijnlijk, maar het gemoed gaat er onder gedrukt en men wordt droefgeestig, wispelturig en prikkelbaar. Er zijn gevallen, dat zij 's menschen leven schrikbarend verbitteren en prikkelbaarheid in waanzin doen overslaan.
Hieruit blijkt, dat men deze ziekte niet gering moet achten of onverschillig moet behandelen. Men zorge, dat de kwaal niet verergert en een boosaardig karakter aanneemt.
Doch ;wat zijn eigenlijk aambeien en hoe ontstaan zij ?
Een ieder heeft wel eens een kalkoenschen haan gezien; van voren aan den hals hangen vliesachtige zakken, die geheel ledig zijn. Wanneer zulk een dier zich kwaad maakt, dan worden die zakken met bloed gevuld en gelijken roode ballen. Aambeien nu zijn dergelijke ballen of zakken met bloed of slijm gevuld; zij vertoonen zich veelal als een bes-of knobbelachtige verwijding der aderen van den endeldarm en zijn in- of uitwendig naarmate zij binnen of buiten de sluitspier gelegen zijn.
149
De aderen zijn veerkrachtige, rekbare buizen. Hoe ongeregelder het bloed naar eene plaats stroomt, des te meer rekken zich daar de aderen uit en dat geschiedt het meest daar, waar het bloed zich ophoopt en een soort van klein meer vormt. Daardoor ontstaan kleine gezwellen, die meer of minder hard zijn, evenals de wratten aan de hand of aan 't gezicht; zij zijn met bloed gevuld.
Van tijd tot tijd springen zij en dan ontlast zich bruin slijm of dikwijls zuiver bloed. De patiënt gevoelt zich dan beter en verlicht; maar blijven ze gevuld en zijn ze vele in getal, dan veroorzaken zij hem veel leed en last. Die uitzetting der slijmvlies-aderen vertoont zich niet alleen binnen of buiten de sluitspier, maar in het ergste geval strekt zij zich vrij ver in den darm, ja, zelfs tot de blaas en het buikvlies, tot de bloedvaten in het inwendige des lichaams uit. Evenals de vrijbuiter zich bij den geregelden troep aansluit, zoo hechten zich deze soort van bloedzuigers aan de aderen en vooral aan de hoofdaderen.
Hoe grooter in aantal en hoe bloediger zij zijn, zooveel te meer benadeelen zij de aangetaste lichaamsdeelen ; daarom gebeurt het dikwijls, dat er op die plaatsen kwaadaardige, ongeneeslijke gezwellen ontstaan als: kanker aan den endeldarm, fistels, zweren, enz.
De pijn kan nog vermeerderen en verdubbeld worden dooide ingewandswormen; dit zijn kleine wormen, die zich in den endeldarm bevinden en zich als teken aan dien darm vasthechten. Als zij talrijk zijn, dan knagen zij den endeldarm door en dientengevolge ontstaan kwaadaardige zweren.
Het is gemakkelijk om aambeien met water te behandelen en in de meeste gevallen vindt men er baat bij. (1) Het getal zieken, dat ik genezen heb, is zeer aanzienlijk, en ik kan zeggen, dat alle gevallen een gunstig verloop hadden.
Laat ons eerst de ingewandswormen aanvallen, als ze er zijn. Meestentijds verraden zij zich door een jeuken, knagen, krabbelen in de aarsstreek (hetgeen echter ook door zwelling der aambeien kan veroorzaakt worden.) Men neme 1, 2 of 3 koude lavementen snel achter elkaar en late het water onmiddellijk weer wegloopen. Als de koude vloeistof in den endeldarm dringt, zullen de wormen den aars als het ware loslaten, evenals de bloedzuiger de bloedende plaats verlaat, wanneer
(1) Er is mij een geval bekend, dat de aambeien bij iemand een duim uit den aars hingen; hij moest ze steeds met w.xter afkoelen om de hitte te verminderen. Daar was waarlijk goede raad duur en mijne aanwendingen kwamen te laat.
150
men hem met zout bestrooit.' Loopt nu het water van het lavement onmiddellijk weg, dan wordt ook de losgemaakte kwelduivel meegevoerd. Als men dit 2 of 3 maal herhaalt, dan raakt men vele en somtijds alle wormen kwijt (men kan â dit 2 of 3 maal in de week doen).
Hebben wij alleen met aambeien te doen, dan neme men het volgende in acht: Als er een te groote bloedaandrang naar sommige plaatsen is, dan moet het bloed worden afgeleid; de aderen, welke te veel zijn uitgerekt en uit elkander liggen, moeten ingekrompen, en onzuivere kwade stoffen afgescheiden worden.
Om dat doel te bereiken handele men als volgt: men ge-bruike de compres van het achterlijf, d. w. z. men neme in dit geval een stuk grof linnen, dat veelvuldig samengevouwen en in het koudste water gedoopt wordt; het linnen moet lang genoeg zijn om den geheel en rug te bedekken en van onder over den aars te kunnen afhangen; het moet zóó breed zijn, dat de rug er door gedekt wordt. Daarop legge de patiënt zich gedurende 3 kwartier, en 3 a 4 maal in de week herhale hij dat. Mocht het linnen binnen de 3 kwartier warm zijn, dan ver-wijdere men het en doope het opnieuw in 't koude water.
Een ander middel tegen aambeien vinden wij in het koude zitbad, dat men 3 of 4 maal in de week en niet te lang moet nemen. Men kan het om de 12 uren, of 2, 3 maal in den nacht herhalen, maar men moet er nimmer langer dan 1 of 2 minuten inblijven. Dit middel werkt, evenals het voorgaande, zoowel op de bestaande aambeien, als op de oorzaken, die haar in het leven riepen.
Die aan deze kwaal lijdt en elk kwartaal, gedurende 1 of 2 weken, een der voorgeschreven aanwendingen neemt, kan er zeker van zijn, dat de ziekte geene ernstige gevolgen zal hebben; mogen de aambeien al niet geheel verdwijnen, ze zullen nimmer te hinderlijk zijn. Ik weet waarlijk geen raad voor hem, die het bovenstaande te inspannend en moeilijk vindt.
Wat de voeding aangaat, wijs ik nog op een punt, dat naar mijne meening te licht wordt geteld. Vele personen, die aan aambeien lijden, zijn begonnen om zemelig brood te eten in plaats van gewoon brood; zij beweren dat zij na dien tijd geen merkbaren last van hun kwaal hebben, hoewel zij er ook niet geheel door genezen. Dit zemelig brood kan ik zeer aanbevelen; ik hoop dat het een toekomst hebben zal. Het is een gezond en krachtig voedsel en daarom moeten niet enkele, maar de meeste menschen (ook nog om andere redenen) er gebruik van maken. Ik moet echter opmerken, dat men het zemelige brood en niet het vervalschte nagemaakte hebben
151
moet. De strafbare zucht om te vervalschen heeft zich ook al van dit artikel meester gemaakt. In een groote stad uit het buitenland vond ik eens zemelig brood, (dat zeer zwaar is, zooals men weet) dat even veel woog als ander. Ik sneed het door en bevond, dat het brood er inwendig uitzag als ander brood, maar de slimme bakker had zemelen over de korst gestrooid, zooals men wel met komijn of anijs doet.
Aan het einde van het 2e deel gaven wij het recept voor zemelig brood.
ADEMHALEN (Moeilijk).
Een priester verhaalt het volgende: âIk ben goedgebouwd, was steeds gezond en sterk, maar geef sedert 9 maanden zooveel slijm op, dat mij het ademhalen soms zwaar valt, en komt daar nog een hoestbui bij, dan meen ik te stikken. Vroeger had ik een voortreffelijke, klankvolle stem en nu kan ik mij nauwelijks verstaanbaar maken ; ook word ik zoo moe, dat ik bijna niet in staat ben om te loopen. Vele genees-heeren heb ik geraadpleegd; zij schrijven het deels aan een catarrhe in de luchtpijp en deels aan een borstcatarrhe toe.quot; Aanwendingen: 4 dagen lang moest hij eiken dag 3, soms 4 maal een begieting van het bovenlijf nemen en dagelijks 2 maal barrevoets tot aan de kuiten in het water loopen. Daarna moest hij, 5 dagen lang, alle dagen 2 begietingen van het bovenlijf, één begieting van den rug en éen half bad aanwenden; bovendien alle dagen barrevoets in het water loopen en 3 maal in de week een omslagdoek gebruiken. Toen deze 5 dagen om waren, kreeg hij alle dagen één halfbad, één begieting van den rug, één begieting van het bovenlijf en een begieting van de knieën. De kuur was in korten tijd afgeloopen. Die heer raakte een ongeloofelijke massa slijm kwijt. Hij ging er alle dagen beter uitzien, haalde gemakkelijker adem, zijn stem werd zuiverder en zijn gemoed veel opgeruimder. Te warme kleeding en gebrek aan beweging hadden vroeger zeer nadeelig op zijn gestel gewerkt.
ASTHMA.
Een heer vertelde: âIk ben 46 jaar oud. Sedert 20 jaar lijd ik aan asthma. Ik wendde mij tot verscheidene dokters;- zij verklaarden mijne ziekte voor ongeneeslijk en schreven mij slechts stillende middelen voor, die geene uitwerking hadden. Er bleef mij niets over, dan mijn kruis te torsen tot God mij door den dood daarvan bevrijden zou. Dit kruis viel vaak zwaar te dragen. Dikwijls kon ik moeilijk ademhalen, vooral
152
des nachts kon dit zoo hevig zijn, dat ik bij de grootste winterkoude soms heele nachten voor het open venster stond om niet te stikken. â Zulk een aanval kon verscheidene dagen lang voortduren. â Alle aangewende middelen bleven zonder gevolg. Bij al dat lijden kwam nog, dat ik weinig eetlust en een groot verval van krachten gevoelde, en inzag, dat het zóó niet langer gaan kon. Eindelijk erbarmde zich de Hemel over mij. Ik kreeg het boek âMijne waterkuurquot; in handen en het verscheen als een helper in den nood. In 8 dagen werd ik genezen. Het is nauwelijks te gelooven, hoe het water in korten tijd een gestel kan veranderen. De aanwendingen waren:
1. Begieting van het bovenlijf, daarna begieting der knieën en barrevoets loopen in koud water;
2. Begieting van den rug. â Begieting van het onderlijf;
3. Zitbad. â Begieting van het bovenlijf. â Half bad;
4. Begieting van het bovenlijf. â Begieting van den rug. â Barrevoets loopen in koud water;
5. Half bad. â Begieting van het bovenlijf. â Zitbad;
6. Volbad. â Begieting van het bovenlijf;
7. Begieting van het onderlijf. â Begieting van het bovenlijf.
Daarenboven nog 1 tot 2 uur per dag barrevoets loopen in 't
gras. Het was in den zomer en mijn toestand werd van uur tot uur beter.quot;
BEDWATEREN.
Deze kwaal komt menigvuldig voor bij jongelieden van beider geslacht; ook volwassenen tot den leeftijd van 21 jaren eh daarboven klagen er over. De dagbladen adverteeren en recommandeeren allerlei soorten van middelen tegen deze ziekte, maar gewoonlijk is dat kwakzalverij. Het is te betreuren, dat men dergelijke vaak schadelijke middelen aanwendt en een lichamelijke straf oplegt aan de ongelukkige kinderen met deze kwaal behept. Deze middelen zullen niet helpen en de kwaal zeker doen verergeren. Ik heb gehoord, dat men in zeker gesticht deze kinderen bestrafte vóór zij naar bed gingen. De arme schapen konden van angst en vrees niet dadelijk inslapen; vielen daarna in een nog vasteren slaap, èn de kwaal behield de overhand. De oorzaak der ongesteldheid moet men in de zwakte van het gestel zoeken; als men dit versterkt, zal de kwaal voor overmacht zwichten.
Aan 6 kinderen, van 8 tot 13 jaar oud, heb ik aangeraden om alle dagen gedurende 2 a 3 minuten tot aan de kuiten in het koude water eener badkuip te loopen ; daarna moesten zij beweging nemen in de kamer of in de vrije natuur
153
opdat zij hunne natuurlijke warmte spoedig zouden terugkrijgen. Na verloop van 5 dagen hadden nog slechts 2 kinderen een klein ongeluk; deze waren echter weinige dagen later ook genezen.
Een tweede aanwending bestond daarin, dat zij na het barrevoets loopen ook de armen 2 minuten in koud water hielden, dat blijkbaar niet alleen van invloed was op de kwaal zelve, maar dat de kinderen ook een gezonde gelaatskleur schonk.
Volwassenen kunnen hetzelfde middel aanwenden. Wanneer door groote zwakte ook de sappen en het bloed in slechten staat verkeeren, dan raad ik aan om 's morgens en 's avonds een halven kop thee van duizendblad te nemen.
Bij het koudste water zal men het meeste baat vinden. Ik heb het warme water wel eens bij kinderen beproefd, maar de uitwerking was veel geringer.
BEENDEREN (uitwas aan de).
Rondom de beenderen ontstaan dikwijls harde uitwassen en liefst onder de kinnebak, aan de enkels, aan de knieën, enz. Men zou haast aannemen, dat het been zelf uitgegroeid was. Deze zaak moet niet gering geacht worden, want meestal veroorzaakt zij koorts en zij laat zich slechts langzaam genezen (dikwijls in 2 tot 3 weken). Inderdaad moeten zulke gezwellen met groote voorzichtigheid behandeld en krachtig worden aangepakt. Wanneer de zaak verwaarloosd wordt, kan men een beeneter krijgen; de hulp wordt dan moeilijk en dikwijls onmogelijk.
De krachtigste en snelstwerkende middelen tegen deze ziekte bestaan in het leggen van compressen op de gezwollen plaats; zij moeten 2, 3 of-4 maal vernieuwd worden. De beste resultaten verkreeg ik steeds met compressen in een aftreksel van hooizaad of haverstroo gedoopt, verder omslagen met afgekookte foenum graecum en met ruiting.
Voor een uitwas aan den enkel zal een onderomslag of korte omslag goede diensten bewijzen en de genezing bespoedigen; voor een uitwas aan de kin neme men een doek om den hals, of omslagdoek, of korten omslag; voor een uitwas aan de knie een geheelen voetomslag. Ãen der genoemde aanwendingen per dag is voldoende.
BEENETER.
Een voornaam heer kreeg een zieken teen; het kwam hem
11
154
voor, dat alleen de nagel beschadigd was, en daarom sloeg hij er verder geen acht op. De teen begon echter te ontsteken en de komst van den dokter werd noodzakelyk. Deze schreef, verscheidene weken lang, verschillende middelen voor. Hij dacht, dat den teen niets mankeerde, ofschoon de ontsteking geweldig toegenomen en de voet zóó opgezwollen was, dat de patiënt er niet op kon gaan of staan. De zieke vermoedde niet, wat er gaande was, totdat er op zekeren dag 2 kleine beentjes uitzworen; nu begon hij de zaak te wantrouwen en met haar allen, die er tot nu toe geen kwaad in zagen. Deze man kende mij en verzocht mij er eens naar te kijken. Hij had een beeneter. Aanstonds liet ik een aftreksel van schaaf-stroo klaar maken, doopte er een doek in en sloeg dien om den voet, zoover als hij gezwollen was. In korten tijd waren gezwel en beeneter verdwenen, de wonde aan den voet ging 'dicht en zijn heer kon er over beschikken als voorheen.
Na verloop van ongeveer een jaar verscheen de kwaal opnieuw, ditmaal aan den grooten teen van den anderen voet. De dokter deed een operatie en wendde scherpe middelen aan om den teen te heelen. Terwijl die genas, ontwaarde de patiënt aan den anderen voet een aanhoudende pijn, evenals hij bij het begin zijner ziekte gevoeld had. Intusschen begon de patiënt te genezen; hij werd eindelijk voor volkomen genezen verklaard, ofschoon de geopereerde en geheelde teen altijd dikker en iets rooder bleef dan de andere. De werkzame man kon gaan en arbeiden, en wat wilde hij meer? Wat mij aangaat, ik werd gemeden, omdat ik de waarheid niet onder tafels en stoelen stop, maar van de daken verkondig â ik werd niet meer geraadpleegd. Ik was daar niet boos om, want mijn antwoord had moeten zijn: âDe ziekte is gedeeltelijk opgeheven, maar niet verwijderd. Vroeg of laat zal de beeneter verdere verwoestingen aanrichten.quot; Zóó geschiedde het. Ik had mij niet bedrogen. Hoe moest deze voet behandeld worden? Natuurlijk moesten beide voeten tegelijkertijd de kuur ondergaan en wel zóó lang, tot er geen enkel rood vlekje meer te zien, geen spoor van smart te bespeuren viel. Zij moesten behandeld worden met voetomslagen in haverstroo gedoopt, de voeten verscheidene malen per dag omwikkeld, en de linnen omslagen moesten nog verder dan de zieke, pijnlijke plaatsen reiken. De ware en volkomen genezing liet niet lang op zich wachten.
Hoe komt het, dat de beeneter zich in ons geval juist in de voeten en zich niet b.v. in de armen of beenen vastzette ? Deze heer was vroeger zwaar en langdurig ziek geweest en uit die ziekte had hij eene groote zwakte, vooral in de voeten,
155
gehouden. Wellicht bleven er kwade ziektestoffen in achter. Zeker is het, dat de voeten van dezen convalescent wegens hunne zware taak (zij alleen dragen het lichaam en dan nog dikwijls welk een lichaam!) niet meer voldoende op verhaal konden komen; het bleven de zwakste deelen des lichaams en bezweken derhalve gemakkelijker bij den aanval der vergiftige stof.
Onze meneer leeft nog. Hij mag wel op zijne hoede zijn, als hij geen beeneter meer wil hebben. Bij den minsten twijfel moet hij mijn welgemeenden raad volgen en niet aarzelen om aanstonds compressen aan te leggen, in schaafstroo of haverstroo gedoopt. Sero venientibus ossa! Meneer kent latijn, hij glimlacht en verstaat mij. Die geen latijn kent, breke er zijn hoofd niet mee en bekommere er zich niet over, dat ik ditmaal tegen mijn gewoonte in, de vreemde woorden onvertaald laat.
Andere gevallen van beeneter ga ik stilzwijgend voorbij, omdat zij meer jeugdige personen betroffen en de genezing al bij den aanvang der kwaal een gemakkelijk en spoedig verloop had.
BELEOOS.
âMijn man krijgt de belroos; het geheele gezicht is opgezwollen en'ziet vuurrood; hij heeft geweldig de koorts; zijn heele gezicht wordt rood; op verschillende plaatsen vormen zich kleine roode blaasjes, en zijn jammerkreten zijn niet aan te hooren.quot; â Dus kwam eens een vrouw klagend bij mij in. Ik beval, dat men aanstonds een in warm water gedoopten omslagdoek zou omdoen; deze moest 3 kwartier blijven liggen, daarna moest de doek afgenomen, in versch water gedoopt, en opnieuw aangelegd worden; dit moest 3 maal worden herhaald. Hier verliepen alzoo 3 uren mee. 3 a 4 uren latei-neemt de patiënt gedurende 8 uren een in vieren gevouwen doek op het onderlijf; deze moet te voren in koud water gedoopt en flink uitgewrongen zijn. 3 uur nadat de omslag verwijderd is, laat men den zieke een uur lang op een nat stuk linnen liggen, dat 2, 3 dubbel gevouwen en goed uitgewrongen is. Deze 3 aanwendingen moeten op de rij af worden herhaald, tot alle hitte en branderigheid verdwenen en de ziektestof afgescheiden is. Het gezicht zelf wordt niet afgewasschen dan van tijd tot tijd met lauw water, wanneer de spanning der huid te sterk mocht worden. Is de zieke erg dorstig, dan is water of suikerwater de beste drank, mits hij in zeer kleine porties wordt toegediend.
156
Een andere wijze om belroos te genezen: De zieke moet 2 maal daags een omslagdoek omdoen, die 3 uur lang moet blijven liggen, maar ieder uur moet worden natgemaakt. Het overige gedeelte van den dag moet hij na iedere 3 kwartier rug, borst en onderlijf, of iiever het geheele lichaam, met water en een weinig azijn wasschen. De wassching mag echter niet langer dan 1 minuut duren. Zoodra de koorts aanmerkelijk is afgenomen, is het voldoende de wassching na 2 a 3 uur te herhalen. Later nog zal eenmaal daags toereikend zijn. Mocht aanvankelijk het water en de azijn warm wezen, dan moet men later koud water gebruiken. De vlekken in het gezicht mag men van tijd tot tiid wasschen, maar alleen met lauw water. â Op deze twee wijzen ziin er velen zonder eenig nadeelig gevolg van de belroos genezen.
Josepha, 22 jaar oud, gezond en krachtig van gestel, wordt plotseling moede en krijgt hevig de koorts. Van buiten is zij heet, binnen rilt zij van koude. Zij heeft ergen dorst en in het geheel geen eetlust. Zij werd aanvankelijk met warm, later zoo dikwijls de hitte hevig was toegenomen, met koud water van onder tot boven gewasschen; zóó 8 dagen lang. De koude rillingen weken, het geheele hoofd was opgezwollen en de belroos openbaarde zich in hevige mate. Het gezicht was vol groote blaren en vooral de mond was dik opgeloopen. â¢4 dagen lang werd nu, 6 a 10 maal daags, het geheele lichaam gewasschen; 2 maal per dag werd haar de omslagdoek aangelegd, de 2 eerste keeren in warm, later in koud water gedoopt. Na 3 dagen begon zij 2 maal 24 uur hevig te zweeten en toen was Josepha genezen. Terwijl zij zoo transpireerde, werd zij 2 maal gewasschen; het zweeten kwam van zelf en werd nog door dit afwasschen versterkt, pe geheele ziekte duurde 8 dagen, en zij had in het geheel niets ingenomen. Ook aan het hoofd werd niets gedaan; alleen werd de laatste 3 dagen het gezicht 2 maal per dag gewasschen.
BELROOS (Ander geval van).
Een geestelijke uit N. . . . schrijft: âWellicht tengevolge eener verkoudheid kreeg ik hevig de belroos; het lichaam was erg warm, het zweette hevig, en het gezicht was dik opgezet. Mij werden dagelijks 4 a 5 maal borst, onderlijf, rug en armen, somtijds ook de beenen, en wel in het volle zweeten, met koud water gewasschen, maar later niet zoo dikwijls.
Deze Wijze van behandeling had den besten uitslag en was mij zeer aangenaam. Na 4 dagen was de koorts geweken en den 9en dag verliet ik mijne kamer weer. Wel transpireerde
157
ik des nachts gedurende eenige dagen, maar dan stond ik op, waschte het zweet over het geheele lichaam af, trok een schoon hemd aan en begaf mij weder te bed. Vroeger was ik door deze ziekte geplaagd geweest en bij de toenmaals gevolgde geneesmethode duurde het 4 weken, eer ik hersteld was. Het water had mij iii 9 dagen gezond gemaakt.
BEROERTE.
Paulus heeft een beroerte gehad. De helft van de rechterzijde is lam, de mond vreeslijk vertrokken, het rechter oog ingevallen, het ooglid verlamd, de spraak gebroken en alle moed verloren. De dokter, in alle haast geroepen, verklaarde dat er voor het oogenblik niets aan te doen was en men moest afwachten, of er niet een tweede beroerte volgen zou; inmiddels kon de zieke alle dagen wat bitterwater drinken.
De patiënt was met dit voorschrift niet tevreden; hij begon terstond een proef met water te doen en in 12 dagen was hij genezen. Dit had 13 jaar geleden plaats en de sterke, maar nu oude heer heeft nog jaren lang onderricht gegeven.
Hoe is hij geheeld ? Wanneer het samenloopend raderwerk van een horloge door de een of andere oorzaak, b. v. ⢠een val, slag of stoot, in zijn regelmatigen loop wordt gestoord, dan staat het stil. Het kan zijn, dat alle raderen, zelfs de kleinste, ongeschonden zijn gebleven; maar wellicht is er iets tusschen gekomen, of spannen en drukken zij elkander onderling zoodanig, dat geen samenwerking meer mogelijk is. Men moet het horloge repareeren, dat is: den rustverstoorder verwijderen, en de discipline in het uurwerk zal hersteld zijn. Het kan even zoo gaan met het levend uurwerk van het menschelijk lichaam. Door een inwendigen rustverstoorder b.v. door één dier verstoppingen, die op hoogen leeftijd, wanneer de raderen (d.i. de organen) bijna van zelf uit het spoor willen gaan, zoo gemakkelijk voorkomen, worden de fijne raadjes zooals mond, oogen, tong, enz. wel is waar niet geschonden of misvormd, maar zij worden van hun plaats gedrongen. Verwijder den rustverstoorder en aanstonds zullen orde en vrede hersteld zijn. Ik zal u helpen.
Voor de bovendeelen des lichaams zal een hoofddampbad gevolgd door een begieting, en in de onderdeelen een voet-dampbad, oplossend werken. Daarna neme de zieke een warm bad, gevolgd door een koud bad of koude wassching; die zullen eveneens oplossen en tegelijkertijd den bloedsaandrang naar de hersenen verminderen. Als de verstoppingen op deze wijze zijn weggenomen en de bloedsloop geregeld is, dan zet
158
men de heele machine in de olie door het eten van een krachtigen, voedzamen kost â nimmer te veel in eens â men vermijde echter zorgvuldig de prikkelende middelen als sterken wijn, spiritualiën, specerijen, enz. enz. Ook moeten alle hevige aandoeningen (door overspanning, ontroèring, enz.) zorgvuldig vermeden worden.
Een pastoor kreeg een beroerte. Eén hand, één voet, één zijde waren totaal verlamd; de spraak en alle bezinning verloren. Verscheidene dagen lang werden medicijnen ingenomen, maar zonder gevolg. Ten laatste verklaarde de dokter, dat de ééne zijde voorgoed verlamd was, dat de andere zijde het door een tweede beroerte ook zou worden en de patiënt het leven daarbij inschieten zou. Toen dacht ik, dat een waterproef in geen geval meer schaden kon. Zoo gedacht, zoo gedaan. De koude voet en de koude arm werden flink met koud water gewasschen. Den 2en dag werden 2 warme voetbaden, gevolgd door het zorgvuldig afwasschen der voeten, en 4 wasschingen van het bovenlijf genomen. Den 3en dag kon men al bemerken, dat er nog gevoel en leven in de beide verlamde ledematen waren. Dit gaf moed. Den 4en dag sloegen wij met moeite een onderomslag om het moeilijk te hanteeren lichaam en wij staken de halfdoode voeten 2 maal in een warm bad met asch en zout. â Zóó verliepen 14 dagen. Toen kon hij zich al wat helpen, want hand en voet waren bruikbaarder en gezonder; met vreugde liet hij ons zien, dat hij de lamme hand weer iets omhoog kon brengen. Van dit oogenblik af kreeg de patiënt 3 weken lang de volgende aanwendingen; eenmaal daags werd het bovenlichaam en het onderlichaam gewasschen, en eenmaal in de week kreeg hij de wassching van het geheele lichaam, gevolgd door hoofd- en voetdampbad. Nieuwe krachten drongen in den gevelden boom en de eetlust nam toe. â De volgende 3 weken werden besteed door 1 warm bad, gevolgd door een koud bad, 1 hoofddampbad, 1 voetdampbad en 8 halfbaden met wassching van het bovenlijf (gedurende 1 minuut) in de week te nemen. Begietingen van het boven- en onderlijf afgewisseld met den Spaanschen mantel besloten de kuur. Ongetwijfeld was het een langdurige, zware en zeer inspannende arbeid, maar de zieke was voldoende genezen om eiken dag de H. Mis te lezen, armen te bezoeken, de hoogmis te zingen en zelf zijn schrijfwerk te doen. Preeken kon hij niet meer, dit was het eenige; de tong had te veel geleden en vele woorden kon hij slechts met moeite uitspreken.
Het bovenstaande had ongeveer tien jaren geleden plaats; de man leeft nog en is frisch en gezond.
159
Een man van 45 jaar werd plotseling door een beroerte getroffen. De rechterhand en de rechtervoet waren geheel verlamd en gevoelloos; de eetlust had geheel opgehouden. Het bovenlijf en de voeten van den zieke werden alle dagen met warm water en azijn (half en half) gewasschen. Driemaal daags nam de patiënt 30 druppels alsem, salie en bitterklaver in. Na verloop van 14 dagen hadden hand en voet de natuurlijke warmte en het ware gevoel terug; de man kon weer in zijn kamer rondwandelen. De eetlust vermeerderde, de verlamde zijde kwam opnieuw op krachten, en na eenige dagen was het lichaam hersteld. Hier moet ik opmerken, dat deze patiënt veel sterken drank gedronken had en dit de oorzaak zijner kwaal was. Om volkomen te genezen moest hij 8 a 10 baden nemen in een aftreksel van haverstroo of dennetakken. De warmte bedroeg 30 a 82 graden R. en hij moest er 20 minuten lang inblijven, daarna volgde een flinke koudwater-afwassching, of een koud halfbad met wassching van het bovenlijf.
Een algemeene opmerking kan wellicht velen van dienst zijn. Als iemand een beroerte krijgt en gedeeltelijk verlamd is, dan wende men aanstonds flinke koude wasschingen aan van rug, borst en onderlijf, en dat 2, 3, 4 maal per dag. Men kan wat zout of azijn in het water mengen. Zoo ook wassche men de armen, beenen en voeten om het bloed naar alle zijden en gelijkmatig te verspreiden en de lichaamswarmte over alle ledematen te verdeelen. Alle wasschingen (ik kan dit niet streng genoeg inprenten) moeten zoo snel mogelijk plaats hebben en niet langer dan 1 minuut duren.
Als de verlamming gering is en de zieke zitten kan, dan moet men beginnen met een hoofddampbad van 20 minuten, gevolgd door een flinke afwassching van het bovenlijf. Na ongeveer 4 a 6 uur geve men een voetdampbad, ook van 20 minuten, gevolgd door afwassching der voeten of begieting van het onderlijf. Op deze aanwendingen kunnen de genoemde volgen.
In den beginne moet men zich onthouden van geheele omslagen; de natuurwarmte is te zwak en kan niet vervangen worden. Mij is een geval bekend, dat een dokter den zieke door omslagen wilde redden en genezen. De eerste omslag deed goed. Na den tweeden echter bleef de patiënt koud en het geheele lichaam werd blauw. Slechts door aanvoer van warmte kon hij weer op streek komen.
Een man heeft een beroerte gekregen. Eene zijde en de tong zijn verlamd en de zieke is buiten kennis. Hij bleef
160
gedurende 10 dagen in dien toestand en een dokter behandelde hem; deze verklaarde, dat er niets aan te doen was en een tweede beroerte dra volgen zou. Op dringend verlangen bezocht ik hem en liet vóór alles een hoofddampbad geven. De zieke lag te bed. Op een voetbankje liet ik vóór het bed een half gevulde tobbe water zetten (daarin waren een paar handen vol hooizaad gedaan); het bovenlijf van den zieke werd bij den rand van het bed gebracht en zoodanig door een wollen deken toegedekt, dat de dampen naar hoofd en bovenlijf konden stijgen. In 10 minuten tijd begon de patiënt te zweeten en dat hield 15 a 20 minuten aan, zoodat de droppels hem van het bovenlijf liepen. Onmiddellijk daarop werd bovenlijf en hoofd met frisch water en azijn gewasschen en de zieke in bed gelegd om uit te rusten. Den zelfden dag werd de wassching zonder dampbad herhaald. Den volgenden dag gaf men den kranke 25 minuten lang een voetdampbad en dat, terwijl hij nog geheel bewusteloos was. Den derden dag kreeg hij een hoofddampbad, den vierden een voetdampbad, en den vijfden dag kwamen er weer leven en bewustzijn in de zijde; de lamme arm en voet konden zich wederom bewegen. De volgende 3 dagen werd het geheele lichaam 2 maal per dag met water en azijn gewasschen. Nu kwam ook gedeeltelijk de spraak terug, maar na 3 weken was hij eerst volkomen genezen. Van dit oogenblik af werden 3 soorten van aanwendingen voorgeschreven:
a. Wasschingen van het geheele lichaam;
b. Gompressen op het bovenlijf; en
c. Gompressen op het onderlijf,
bij afwisseling vóór en na den middag. In weinige dagen had ik den kranke zoover gebracht, dat hem iederen morgen 1 begieting der knieën en iederen namiddag 1 begieting van het bovenlijf kon gegeven worden. Deze aanwendingen werden afgewisseld door wasschingen van het geheele lichaam. Toen de zieke weer in staat was om te loopen, nam hij half baden en begietingen van het bovenlijf met de knieën, om beurten 's morgens en 's avonds.
De genezing viel zoo gelukkig uit, dat de man nog heden ten dage, 12 jaren na dien aanval van beroerte, sterk en gezond is en zijn beroep kan uitoefenen.
BEVALLING.
Een jonge vrouw had 8 doode kinderen gehad; zij was er zeer bedroefd en moedeloos onder, omdat de geneesheer verklaarde, dat zij nimmer een levend kind zou ter wereld brengen. Ik
161
troostte haar en gaf haar goede hoop, als ze slechts een koudwaterkuur wilde ondergaan; hierdoor toch zou haar gestel sterker en gezonder worden; en dan had zij niets meer te vreezen. Dit klonk haar als de blijde boodschap in de ooren.
Zij begon met de zachtste hardingsmiddelen, langzamerhand ging zij tot sterkere over, totdat zij ten laatste bij half- en volbaden staan bleef. Binnen 3 jaren schonk zij den blijden vader 3 gezonde, krachtige kinderen.
Een vrouw leed aan typhus; zij had hoofdpijnen om krankzinnig van te worden, hare bloedverwanten voerden haar de stad uit naar het land, opdat zij daar rustig zou kunnen sterven.
Ik werd geconsulteerd en raadde den korten omslag aan, die terstond werd aangelegd; de hoofdpijn ging over. Zekerheidshalve informeerden de bloedverwanten bij den geneesheer. die de zieke vroeger behandeld had, of een omslag wellicht niet goed zou zijn. Zijn doem vonnis luidde: de eerste omslag zal haar ontijdig doen bevallen. Intusschen waren. Vóór dat het doemvonnis bekend was, reeds 6 omslagen aangelegd : de typhuslijderes genas en werd voorspoedig van een gezond kind verlost.
BLAASZIEKTE.
Een onderwijzer bericht: âMijne ziekte wordt door de geneesheeren een âzenuwachtige overprikkeling van blaas en onderlijf' genoemd. Sedert ongeveer 15 jaren viel mij het urineeren, dan eens meer, dan eens minder moeilijk. In 't voorjaar steeg mijne ziekte tot een hoogen graad! dikwijls moest ik 15 a 20 maal in éénen nacht onder hevigen aandrang loozen. In het water was veel neerslag, waarin zich vele zoutkristallen, later ook slijm bevonden; daarbij leed ik aan een hardnekkige obstructie en winderigheid; dikwijls, vooral des nachts, had ik hevige rillingen, voornamelijk in het onderlijf, gepaard met een gevoel van koude; somtijds ook heb ik last van zenuwachtige stuiptrekkingen in de beenen. Slapeloosheid en volslagen gebrek aan eetlust hebben mij zeer verzwakt.quot;
De aanwendingen waren de volgende:
1. Eiken nacht het geheele lichaam wasschen;
2. Den eenen dag een korte omslag, den anderen een hemd in warm zout water gedoopt;
3. Dagelijks een kop schaafstroo, waarin 20 geplette jeneverbessen waren afgekookt; zoo 3 weken lang.
Binnen korten tijd keerden slaap en eetlust terug, en het eene ziekteverschijnsel verdween na het andere. Alleen gevoelde
162
hij nog pijn en vermoeidheid in de beenen; daartegen schreef ik het volgende voor: «
1. 's morgens een begieting van het bovenlichaam;
2. 's namiddags een begieting van de knieën;
3. dikwerf een halfbad.
De laatste overblijfselen der ziekte waren spoedig verdwenen.
BLAASZ1EKTE (Catarrhe).
Een heer schrijft: âIk ben 30 jaar oud, lijd sinds 3 jaar aan blaascatarrhe en heb mij de ziekte berokkend door overspanning in mijn beroep, en vooral door mijne urine te lang op te houden. In den beginne verrichtte ik nog 2 maanden lang mijn arbeid, maar onder groote smarten, totdat ik op zekeren dag aan tafel zittend, plotseling van zwakte en pijn ineenzonk. Vier maanden lang lag ik ziek te bed en viel zoo af, dat mijn lichaam op een geraamte geleek. Ik woog met meer dan 82 pond. De geneesheer schreef mij warme zitbaden voor en quot;Wildunger water, waarvan ik ongeveer 100 flesschen gedronken heb. Daarbij kreeg ik een hevige maag- en darm-catarrhe. Na 4 maanden was het lente en toen ging het iets beter. Des zomers was de ziekte draaglijk, ofschoon ik altijd nog van tijd tot tijd hevige smart gevoelde en de urine zeer dikwiils, ja bijna dagelijks nog troebel was. De winter echter bracht mij een drom van smarten. Eerst de daaropvolgende lente en vooral de zomer deden mij weder goed; maar in den winter van 1887 verergerden de smarten in de blaas met iederen dag. De urine vloeide immer in kleinere hoeveelheid, werd troebeler, en ik moest drie weken lang het bed houden. Mijne krachten namen steeds af, zoodat men aan tering begon te gelooven; het onderlijf was meestal koud en kon niettegenstaande het warme vertrek, 5 onderbroeken en 3 paar kousen, niet warm worden. Het werd altijd slimmer met mij. De dokter zeide, dat ik mij goed warm moest houden en schreef tegen de blaas-ziekte nu eens quot;Wildunger-, dan eensKronen-bronwater voor, waarvan ik ongeveer 150 flesschen ledigde. Op veler aanraden besloot ik naar Wörishofen te gaan, zoodra het weder het toeliet.quot;
De patiënt zag er zeer vermagerd uit, maar hoestte niet ; ik gaf hem goede hoop op herstel. Reeds den 3deri dag zag hij er beter uit, de smarten namen van dag tot dag af, de urine begon rijkelijker te vloeien, en na 4 weken verklaarde hij; ânu ben ik weder de vroolijke, opgeruimde en gezonde vent van vroeger -- dit heeft het water gedaan!quot;
Het succes was ongehoord gunstig. Een geneesheer, die
163
voor blaas-ziekte een specialiteit was, verklaarde hem voor volkomen hersteld en was verbaasd over de spoedige genezing.
De aanwendingen waren : Eerst eenige malen een dampbad van schaafstrooaftreksel op het stilletje; daarna3 wekenlang, vóór- en namiddags begieting van het bovenlichaam en barrevoets in het water loopen; later afwisselend zitbad en begieting van het bovenlichaam ; daarenboven in den beginne thee van schaafstroo en jeneverbessen.
BLAASZIEKTE (Steen). (1)
Een heer werd ziek in den bloei zijner jaren; hij bekwam hevige pijn in de nieren en kon volstrekt niet urineeren. De geneesheeren verklaarden, dat er een steen in de blaas was, die slechts kon verwijderd worden door operatie; hieraan echter wilde hij zich niet onderwerpen. Op zekeren dag kreeg hij bezoek van een bekende, die naar zijn gezondheid kwam informeeren. Dezen klaagde hij zijn nood en kreeg den raad, 's morgens, 's middags en 's avonds een waim zitbad van schaafstroo te nemen, en vóór ieder zitbad een kop thee van schaafstroo te drinken. Na verloop van 36 uren raakte hij een steen kwijt, zoo groot als een noot. Eensklaps was alle pijn geweken en de man gezond.
BLOEDARMOEDE EN BLEEKZUCHT.
Daar het geheele lichaam door het bloed gevormd wordt en zijn grootte, kracht en bestaan van het bloed afhangt, zoo is het noodig, dat hij, die gezond wil blijven en lang leven wil, ook een voldoende hoeveelheid goed bloed bezit. De natuur bereidt het zoo noodzakelijke bloed uit spijzen en dranken en men kan met recht zeggen: die goed bloed heeft, is gezond en die veel bloed heeft, zal het lang uithouden; waar weinig of slecht bloed gevormd wordt kunnen alle mogelijke ziekten ontstaan.
Voor een goede bloedvorming is vóór alles noodig: goede, gezonde lucht; veel licht; voedsel, dat goed bloed kan geven ; voldoende beweging en bedrijvigheid. Zijn deze noodzakelijke voorwaarden afwezig, dan zal het bloed gaan verminderen, en als de spijzen niet goed zijn, zal er bovendien ook nog slecht bloed gevormd worden.
Men kan ook arm aan bloed worden, wanneer men bloed verloren heeft, door verwondingen, aderlating, enz.
Die aan bloedarmoede lijdt, is ook zwak of ziek.
(1) Zie âGraveelquot; en âSteenquot;.
164
Een beeld der bloedarmoede toont ons de bleekzuchtige. Zijn gezicht is doodsbleek, dikwijls geelachtig, bruinachtig; de lippen en het tandvleesch zijn kleurloos; de oogleden mat. Overal heerschen zwakte, magerheid, gebrek aan warmte, gebukte houding â kenteeken der ziekte. De verdere gevolgen zijn: hartkloppingen, moeilijke ademhaling (vooral bij het trappen klimmen), hoofdpijn, pijn in 't kruis, machteloosheid, krampen, maagkrampen en zwakke spijsvertering. Zulke lieden hebben dikwijls behoefte aan spijzen, die het gestel geen voordeel aanbrengen en ook geen bloed vormen.
Het eenige bekende middel tegen bleekzucht bestaat hierin, dat men zich zooveel mogelijk in de versche lucht beweegt, de kamerlucht schuwt, en de kamers vooral niet te warm stookt; de kleeding mag niet te warm zijn, en nimmer te vast om het lichaam sluiten, opdat de lucht overal toegang hebbe. Muffe lucht, als in kelders, gesloten vertrekken, berookte kamers moeten door deze zieken vermeden worden.
Deze zieken moeten slechts goed, gemakkelijk verteerbaar voedsel gebruiken, b. v. melk, goed brood, broodsoep en meelspijzen. Zij moeten weinig tegelijk eten; het beste is 2 a 4 lepels melk en dat dikwijls herhalen; daar er weinig-maagsappen zijn, zal het voedsel langzaam verteren en daarom niet goed voor de maag zijn. Beweging en arbeid in de vrije lucht (maar nimmer boven zijn krachten werken) zijn goed qm meer bloed te krijgen, en de gezondheid komt dan vanzelf.
De wateraanwendingen zijn de volgende : 3 a 4 maal in de week verlate men 's nachts het bed, wassche zich het geheele lichaam en ga daarna weer in bed; 1 minuut lang tot de kuiten in het water staan en onmiddellijk daarna (2 a 3 maal in de week) de armen in het water houden.
Als de bleekzuchtige zeer zwak is en weinig natuurwarmte heeft, dan neme hij in den beginne warm water, zoowel voor de wasschingen als voor de baden; ook kan er zout of azijn in gedaan worden. Om den eetlust te bevorderen is het goed om 3 maal daags 2 a 3 lepels thee van alsem in te nemen. Een ander uitmuntend middel tegen bleekzucht is om 2 maal per dag 1 hal ven theelepel krijtmeel op 4a 6 lepels water te gebruiken. Als de algemeene toestand door deze aanwendingen verbeterd is, dan kunnen er alle weken, in plaats van wasschingen en voetbaden, 2 a 3 maal halfbaden genomen worden, en dan zullen de begietingen van het bovenlijf en van de knieën goede diensten doen, mits ze niet te dikwerf worden aangewend.
Een arm dienstmeisje zal niet gemakkelijk bleekzucht krijgen.
165
Bloedarmoede bij een kind. Een moeder brengt me een knaap van 5 jaar. De jongen is zwaar genoeg, houdt zich recht en is goed gebouwd, maar ziet zoo bleek, dat hij eerder op een dood, dan op een gezond kind gelijkt. Het kind heeft geen lust en geen leven meer, is zonder eetlust, zonder kracht; kortom het heeft zóó weinig bloed, en het geheele organisme is zóó traag, dat het veel van een grijsaard heeft. Verscheidene geneesheeren hebben het kind behandeld, maar niets heeft geholpen. Twee dokters schreven het drinken van veel wijn voor, doch de toestand bleef onveranderd, en de knaap had een grooten afkeer van wijn en ander voedsel. Wat moest hier gedaan worden ?
⢠1. Het kind iederen dag een hemd aandoen, in warm aftreksel van hooizaad gedoopt.
2. lederen dag het geheele lichaam met water en azijn wasschen.
3. Zoo mogelijk barrevoets in de kamer laten gaan, en in de vrije natuur, de versche lucht laten wandelen. Eon-voudigen burgerkost laten eten, en te drinken geven : water, melk (maar altijd kleine hoeveelheden, b. v. 2 a 3 lepels) â zóó handelde men 14 dagen lang.
Na dien tijd :
1. late men hem dagelijks 3 a 5 minuten tot over de kuiten in het koude water gaan,
2. wassche men hem dagelijks het geheele lichaam met water en azijn, en
3. trekke hem 1 of 2 maal in de week een hemd aan, dat in aftreksel van zont of hooizaad is gedoopt.
Deze aanwendingen moeten ook 14 dagen volgehouden en dan tot op de helft gebracht worden.
BLOEDBEDERF.
Toen ik van een vastenpredikatie huiswaarts keerde bezocht ik een pastoor.
Ik had onderweg toevallig vernomen, dat men zijn spoedig uiteinde verwachtte. Ik trad binnen. De geestelijke zat in een leuningstoel en verhaalde: ,,Ik heb 25 gaten en wonden m het lijf. Hier aan mijn gezicht ziet ge 5 kleine pleisters. Zóó heb ik er 20 aan het lichaam. Er ontstaan spoedig kleine zweren, die een bruinachtig vocht bevatten. Een kleine pleister blijft slechts één dag liggen ; bij het afnemen blijft er gewoonlijk wat dood vleesch aan zitten. Zoo lijd ik reeds sedert maanden en hulp krijg ik niet meer. Nog ondraaglijker dan de zweren aan het lichaam is de afschuwelijke smaak, dien ik in den mond
166
heb; daar zou ik geen beschrijving van kunnen geven. Als gij, waarde collega, voor den arme een goeden raad weet, geef mij dien dan spoedig, want het is hoog tijd.quot;
Ik raadde den ongelukkige om dageliiks alle 2 uren 4 a 6 lepels thee van salie en alsem te nemen, om dien smaak aan zijn verhemelte weg te nemen. Toen verliet ik hem, om hem hiernamaals terug te zien.
5 dagen later kwam er werkelijk een bode, die niet het bericht van overlijden overbracht, maar de blijde boodschap verkondigde, dat de slechte smaak aan het verhemelte verdwenen was en de zieke al lust had in eten. Daar de eerste raad zoo goed geweest was, werd ik om een tweeden gevraagd. Ik schreef hem voor om zich, veertien dagen lang, alle dagen het geheele lichaam met frisch water te wasschen, of te laten wasschen, en dat zoo kort mogelijk te doen. Opnieuw ontving ik de tijding, dat de toestand van den patiënt beter werd en de eetlust vermeerderde. Toen raadde ik hem om eenige weken lang afwisselend den eenen dag den Spaanschen mantel en den anderen dag de wassching van het geheele lichaam aan te wenden. 14 dagen later las de pastoor weelde H. Mis. Na dien tijd nam hij alle weken den eenen dag een bad van hooizaad op een temperatuur van 28° K., onmiddellijk gevolgd door eene koude wassching ; den anderen dag een koud halfbad (met de wassching van het bovenlijf) afgewisseld door de wassching van het geheele lichaam. Mijn collega genas volkomen en leefde nog 24 jaar; tot het einde zijns levens vervulde hij met vreugde de plichten zijner bediening.
Een man kwam mij verhalen: âIk ben 21/2 jaar ongesteld en niemand kan mij helpen. Twee jaren geleden waren mijne beide voeten hevig opgezwollen en tot aan de knieën toe blauw. In eiken voet kreeg ik 2 gaten, waaruit bloed en etter liepen. Toen de voeten wat beter werden, zwol de rechterarm geducht op, hij werd eveneens blauw en er kwamen ook gaten in. De arm is nu weer beter; ik heb echter een verzwering en pijn in den rug, ter hoogte van het kruis. Dikwerf zwelt de buik sterk op en gevoel ik hevige smarten. Mijn gemoedslijden is echter nog grooter dan het lichamelijk lijden, waarover ik u sprak. Ik schijn reeds dikwijls geijld te hebben. Ik zou mij al lang het leven ontnomen hebben, als het maar mocht. Men heeft mij vaak gezegd, dat ik betooverd ben. Hoe het zij, ik kan er niet ellendiger aan toe zijn.quot;
Ik schreef hem voor om een aftreksel van haverstroo te maken, daarin een korenzak te doopen, en dien bij wijze van broek tot aan de schouders aan te trekken. Vervolgens liet ik
167
hem in een wollen deken wikkelen, waar hij 2 uren in vertoeven moest; daarna kon hij, zoo goed en zoo kwaad als het ging, aan zijn werk gaan. Den tweeden dag moest hij een grof hemd aandoen, dat eveneens in zulk warm aftreksel gedoopt en daarna uitgewrongen was, en zich ook in een wollen deken wikkelen. Den derden dag schreef ik hem een korten omslag voor, gedoopt in warm aftreksel van haver-stroo; hij moest daar P/a uur lang in blijven. Zóóverliepen 14 dagen. Na dien tijd zag men geen gezwel meer, één voet was geheeld en de andere had nog slechts een kleine opening. Hij begon eetlust te krijgen. Toen schreef ik hem de 3 genoemde aanwendingen afwisselend voor. Na 3 weken was hij gezond naar lichaam en geest.
BLOEDSPUWING.
Bij een bloedspuwing is het de vraag: of het bloed uit de maag of wel uit de longen komt. Tot het laatste kan men besluiten, wanneer de bloedspuwing met hoesten gepaard gaat en het bloed lichtrood is en schuimt. Daarentegen komt het uit de maag voort, wanneer het van brakingen vergezeld gaat. een donkerbruine koffiekleur heeft, klonterig en geronnen is. Bloedspuwen is altijd iets gevaarlijks en eischt groote voorzichtigheid, omdat er immer meer of minder gevaar bij is. Komt het bloed uit de maag voort, wie weet dan welk adertje gesprongen is, en wanneer het bloedbraken zich herhalen zal. Nalatigheid kan bloedarmoede of een zware ziekte ten gevolge hebben. Het is daarom zaak de wonde spoedig te genezen en dan heeft het bloedbraken geen ernstige gevolgen. Grooter, ja veel grooter gevaar brengt de bloedspuwing uit de longen mee, en daarom moet men op spoedige hulp bedacht zijn.
In beide gevallen is thee van schaafstroo altijd een eerste hoofdmiddel wegens hare samentrekkende kracht. Loopt het bloed uit den neus, dan snuive men die thee zooveel mogelijk op; komt het uit den mond, dan moet men alle 2 of 3 minuten een paar lepels van deze thee innemen. Zij stilt gewoonlijk zeer snel; nadat de bloedspuwing heeft opgehouden, moet de thee nog eenigen tijd worden ingenomen. Mij is geen geval bekend, waarin schaafstroo geen spoedige hulp bracht.
Herhaalt zich de bloedspuwing dikwijls, dan moeten de oorzaken daarvan worden opgespoord; dan is of de long aangestoken en dan hoort de patiënt tot de teringlijders, öf er heeft een sterke bloedsaandrang plaats naar het hoofd, (zie âCongestiesquot;) öf het komt voort van zweren in de maag. De bloedspuwing, die door de verwonding van een slagader veroorzaakt
168
wordt, behandelen wij hier niet. Hier is gewoonlijk alle hulp vruchteloos, meestal volgt plotseling de dood.
Hier een enkel woord over het neusbloeden. Vele menschen hebben hier dikwijls last van, maar maken er zich-niet ongerust over, wijl zij zich daarop meer verlicht gevoelen, en toch is dit een ziekelijke toestand, waaruit vroeg of laat een zware ziekte ontstaan zal.
Van al het andere gezwegen, moet het noodzakelijk bloedarmoede, dun bloed enz. ten gevolge hebben, en daarmede gaan altijd angst, vrees, schrikachtigheid, scrupules gepaard.
Als bloedstillende middelen wordt dikwijls aangeraden den patiënt onverwachts te doen schrikken, water in den hals te gieten, en hem het hoofd op allerlei wijzen te doen bewegen. Ik ben tegen al deze manoeuvres, die dikwijls het tegendeel bewerken van hetgeen beoogd wordt. De eenige ware geneesmethode schijnt mij toe den bloedsomloop te regelen, het overtollige bloed van het hoofd te leiden naar het onderlijf en de voeten, die bij zulke gelegenheid gewoonlijk aan bloedarmoede onderhevig zijn, waaruit later allerhande zwakheden en gebreken voortspruiten.
Om dit bloed af te leiden neme men in den beginne een warm voetbad met asch en zout, gedurende 15 min. en 2 a 3 maal in de week; eveneens iedere, week 2 a 3 maal op natte steenen wandelen en 2 a 8 maal een korten omslag. Is het gestel hierdoor versterkt, dan kunnen de begieting van het boven- en onderlijf, en halfbaden met wassching van het bovenlijf, 's wekelijks éénmaal genomen, uitstekend dienst doen.
Er is een soort van neusbloeding, die niet alleen gevaarlijk is, maar ook licht den dood veroorzaakt. Eén meisje van 15 jaar dat in den ontwikkelingstijd was, bloedde in 2uurtijds dood. Als uit een buis stroomde al haar bloed uit den neus weg, zoodat de dood er op volgde.
Ik was er getuige van, dat een meisje van 16 jaar in ongeveer een half uur 3 waschbakken bloed uit den neus vloeiden. De doodelijke bleekheid, die steeds toenam, en de slaap, die haar overviel, deden het ergste vreezen. Na 2 uur werd ik ijlings geroepen om het arme kind tot den dood voor te bereiden. Alle huismiddelen waren vergeefsch en een geneesheer was niet te vinden. Onverwijld liet ik een halven gieter water over het hoofd storten en de andere helft over den bovenrug. Bijna oogenblikkelijk hield het bloeden op. Gedurende verscheidene uren lag zij nu rustig, maar door hare zwakte meer of minder bewusteloos te bed. Nauwelijks kwam zij een beetje bij, of het neusbloeden begon weer opnieuw; de begieting werd herhaald en met hetzelfde gevolg. Om hare
169
zwakte te verhelpen kreeg de zieke ieder half uur 2 a 3 lepels melk ; van eetlust en dorst was geen sprake. Na 2 dagen kon zij reeds krachtsoep eten, die in zeer kleine porties en in afwisseling met melk gebruikt, langzamerhand het zoo erg verzwakte lichaam deed aansterken. Dagelijks werd haar een begieting van het bovenlijf gegeven, de neusbloedingen bleven weg; daarentegen verheugde zij zich binnenkort in uitmuntenden eetlust. Binnen 4 a 6 weken nam zij zichtbaar in beterschap toe, en binnen een half jaar gevoelde zij zich nog wel inwendig zwak, maar zij zag er even bloeiend uit als vroeger. Toen het neusbloeden haar overviel, was zii in de ontwikkelingsperiode en dit zal wel de oorzaak der bloeding geweest zijn.
BLOEDVERGIFTIGING.
Een huismoeder had zich den vinger opengereten; zij wist niet aan een spijker of aan een splinter; zij telde het gering, gaf er geen acht op, en ging 's avonds naar bed, zonder verder naar de wonde om te zien. 's Nachts ontwaakte zij, ontwaarde in den vinger een pijnlijke kramp, was erg misselijk en gevoelde hevige neiging tot braken. De wonde was aan de linkerhand, maar ook de rechtervoet deed haar pijn, de hand zwol sterk op tot aan den elleboog en werd vuurrood, in 10 uur tijds leed zij onuitstaanbare smarten aan den geheelen arm; de aderen waren tot aan den elleboog dik gezwollen en zwart. Op het dorp was geen geneesheer en blijkbaar bestond er groot gevaar, dat de bloedvergiftiging het^eheele lichaam zou aantasten. Reeds was de bovenarm, boven den elleboog, tot op de helft rood geworden; nu werd kokend water op hooizaad gegoten en de geheele hand in warm hooizaad gewikkeld, zoo warm als zij het maar verdragen kon. De geheele arm werd tegelijk met het verband gedurende 8 uren in het heete hooizaad gelegd. Als door een trekpleister werd nu over den geheelen arm de giftstof uit het bloed getrokken. Wederom een bewijs, hoe ijlings men moet te werk gaan, als de verschijnselen van bloedvergiftiging zich openbaren, want de vrouw was anders binnen 1 of 2 uur een offer des doods geweest. Ik moet nog zeggen, dat zelfs de tong reeds blauwachtig geworden was. Na 36 uur zat de huid van de vlakke hand zoo los op het vleesch, dat zij er zonder moeite afgetrokken kon worden. Toen de vinger vrij van alle krampachtige pijnen was, hield natuurlijk ook alle ongesteldheid op.
ANDER GEVAL.
Joseph slachtte een koe en sneed zich met het bebloede
12
170
mes een diepe wonde in den duim; hij sloeg er geen acht op, totdat hij hevige smarten gevoelde en de hand zóó opzwol, dat hij den vinger niet dan met groote moeite bewegen kon. De ontsteking werd steeds heviger en weldra vertoonden zich geel- en blauwachtige vlekken op vinger en hand. Een genees heer gaf hem het noodige om te wasschen en te verbinden, maar de pijnen, die hij reeds tot aan de ellebogen gevoelde werden immer ondraaglijker, en de arme man ontwaarde met schrik, dat een krampachtige ontsteking evenals een vuur verder om zich heen greep. Ik werd geroepen en ried dampbaden aan voor hand en arm; deze moest hij viermaal daags 7-2 uur lang gebruiken; den overigen tijd moest hij de hand tot boven de ellebogen in gezwollen hooizaad leggen (1). Iedere Vk a 2 uur, d. w. z, zoo dikwijls de pijn merkbaar heviger werd, werd het hooizaad opnieuw in kokend water gelegd en in een doek om den arm geslagen; dit verminderde niet alleen de smarten, maar bracht ook volkomen genezing. Reeds den avond van den eersten dag greep de ontsteking niet verder om zich heen en 4 dagen daarna was er van ontsteking geen spoor meer over.
Een heer sneed zich zonder erg een eksteroog uit, dat ontstoken was. Binnen weinige dagen was de ontsteking zoo erg, dat blijkbaar de kenteekenen en pijnen eener bloedvergiftiging aanwezig waren; menigeen hield zijn dood voor zeker; dagelijks nam hij 2 voetbaden met afgekookt hooizaad, en dagelijks werden de voeten 2 maal gedurende 2 uren in doeken gewikkeld met aftreksel van schaafstroo gedrenkt. Ieder uur moesten zij opnieuw worden natgemaakt. Daar ook het lichaam teeksnen van bloedvergiftiging vertoonde (hij zag er slecht uit en had geen eetlust), moest hij dagelijks éénmaal het bovenlichaam wasschen en gedurende 1 '/a uur een bovenomslag aanleggen. Binnen weinige dagen was hij buiten gevaar en in 10 dagen gezond. Dagelijks dronk hij ook 2 koppen thee van een mengsel alsem en salie.
Ziüke kleine voetwonden eischen groote voorzichtigheid. Als voorbehoedmiddel kan ik niets beters aanraden dan dikwijls barrevoets loopen (al is het maar op de kamer b.v. 15 a 30 min. vóór het naar bed gaan) en dikwijls herhaalde koude, of voor zwakke lieden lauwe, voetbaden te nemen; de voeten dikwijls te wasschen is noodzakelijk om de gezondheid van het lichaam te bewaren.
(1) Hooizaad zwolt in kokend water; het moot goed worden uitgeperst en op een doek worden uitgespreid; daarop legt de patiënt de hand. Ueze moet zóó worden omwonden, dat zij raidden in het vochtige, wanne hooizaa:! komt to liggen.
171
Een zwaarlijvig pastoor wilde zijn dikken hals door jodium-zalf, die de geneesheer hem had voorgeschreven, weder tot de gewone dikte terugbrengen. Doch door zijn vurig verlangen om zoo spoedig mogelijk te genezen, greep hij te diep in het zalfpotje. Binnen korten tijd vermagerde hij zoozeer, dat hij nauwelijks de helft meer woog van vroeger. De arts moest hem opgeven, omdat zijn bloed door jodium vergiftigd was.
In zulke gevallen wasde âwaterpastoorquot; danaltijdgoedgenoeg.
Ik zeg dit zonder eenige gramschap of bitterheid; het is maar scherts. De zieke bekwam warme baden met aftreksel van dennetakken van 28°â30° R. met daarop volgende koude en snelle afwassching; compressen op het voor-en achterlijf; de begieting van het boven- en onderlichaam; den onderomslag in aftreksel van dennetakken gedoopt, en wel iederen dag 2 aanwendingen naar de genoemde volgorde. Daarbij moest hij barrevoets loopen in het bedauwde gras. Inwendig werkte uitstekend : dagelijks een halve theelepel krijtmeel of opgeloste kalk in een glas water, dat in 2 a 4 porties moest worden gedronken; eveneens dagelijks 1 a 2 lepels Provenceolie en daarbij eenvoudige, krachtige burgerkost. Het water heeft ook in dit geval goede diensten gedaan.
BLOEDVLOEIING. '
Een huisvader kwam bij mij en verhaalde het volgende: âMijne vrouw lijdt langen tijd aan bloedvloeiingen en ïs stervende ; als ik te huis kom is zij wellicht al overleden. Geneeskundige hulp is vergeefsch. Zou er dan geen middel te vinden zijn?quot; Ik gaf den man den volgenden raad: zijn vrouw moest aanvankelijk ieder kwartier 2 a 3 eetlepels thee van schaafstroo nemen, later iederen dag 2 eetlepels; op het onderlijf moest zij een doek leggen, die in half water en half azijn was gedoopt; iedere 20 min. opnieuw natmaken en 2 uur laten liggen. Het bloeden hield spoedig op en de vrouw behoefde toen slechts 2 maal, ' gt; uur lang, zulk een compres aan te leggen. Om den bloedrijkdom te bevorderen nam zij met uitmuntend gevolg ieder uur 2 eetlepels melk met het gewone voedsel. Na 4 weken kon zij haar huiselijken arbeid wederom verrichten.
Hier zij opgemerkt, dat zulke aanwendingen slechts ingeval van nood mogen worden toegepast, totdat een geneesheer gekomen is.
BRANDWONDEN.
Een boerenwoning brandde af. Bij zijn pogingen om iets
172
te redden viel de boer in het vuur en verbrandde zich gelaat en handen zóó erg, dat hij niet meer te herkennen was. De dokter legde pleisters op de brandwonden en op den schedel, waar geen haar meer zichtbaar was. In zijn vreeselijke pijnen bad hij vol vertwijfeling om den dood, die hem van alles verlossen zou. De geneesheer verklaarde zijn genezing voor onmogelijk. Het toeval wilde, dat de pastoor der plaats juist op reis was en ik, gedurende 3 dagen, de bediening voor hem waarnam; dit bracht mij bij den ongelukkigen man. Ik kon zijne smartkreten niet aanhooren en zon op een middel om zijn lot te verzachten, of den jongen man minstens zóó ver te helpen, dat hij rustiger sterven kon. Ik liet al de kleine, stijf vastgekleefde pleisters verwijderen, maakte van versch eiwit, lijnolie en zuren room een soort brij en legde deze zalf zoo dik mogelijk op de wonden om het indringen van versche lucht te beletten. Daarop legde ik versleten linnen, derhalve zeer slappe, natte doeken en daarop weder een drogen doek, die goed en stevig werd aangelegd. Na iedere 2 uren werd de droge doek zachtkens afgenomen, de natte doek met een spons voorzichtig maar goed bevochtigd, om het drogen en pijnlijke aankleven van den doek te beletten, 's Morgens en 's avonds moesten ook de vochtige lappen verwijderd worden om nieuwe zalf op de wonden te leggen. Ongelooflijk is het, in hoe korten tijd de ongelukkige hersteld was. De eerste aanwending reeds gaf veel moed en deed van verre de ster der hope stralen. Doch ik hield dit voor me: binnen een kwartier namelijk verminderden de pijnen, en de dreigende kramp, wier komst door de bekende akelige stuiptrekkingen over het geheele lichaam aangekondigd werd, bleef gelukkig uit.
Voor inwendig gebruik liet ik hem dagelijks 2 maal 1 lepel boomolie geven; slaolie was ook goed geweest. Onder de luchtdicht afsluitende doeken vormde zich wonderbaar spoedig een nieuwe huid; hiertoe hielp niet weinig de zorgvuldige zindelijkheid, waarmede na de eerste dagen 1 paar maal per dag de etter met lauw water afgewasschen werd. De dokter zelf verklaarde de genezing voor bijna een wonder; nooit had hij aan de mogelijkheid gedacht om zulke geweldige brandwonden te heelen.
Een dienstbode werd door alcohol zoo vreeselijk aan het bovenlichaam gebrand, dat één arm, de halve borst en het hoofd aan ééne zijde niets anders dan zwarte, gele of roode brandwonden vertoonden en de huid overal kon afgestroopt worden. Het was verschrikkelijk om aan te zien; de ongelukkige leed voortdurende wanhopige smarten. Zij werd op de-
173
zelfde wijze als de boer behandeld en in 4 weken kon zij haar arbeid weder verrichten.
De buitenlucht afsluiten, de compressen nat houden, nieuwe verkoelende zalf op de wonden doen, en groote zindelijkheid zijn de hoofdvoorwaarden voor eene spoedige genezing van brandwonden.
Als huismiddeltje tegen kleinere brandwonden (voor koks en keukenmeiden is dit van groot gewicht) komen in de eerste plaats de zuurkool (1) en het nat uit de ton in aanmerking. De zuurkool wordt zóó uit de ton in een doekje op de brandwonde gelegd; in het nat doopt men 3 a 4 maal daags de compressen en legt ze goed stevig aan. Mocht enkel pekelnat te scherp zijn of te veel bijten, dan kan men het met schoon water verdunnen. Sommigen geven de voorkeur aan geraspte aardappelen; anderen aan lijnolie of andere olie, die op de wonden gesmeerd en met watten wordt bedekt; al deze middelen zijn goed.
Een persoon, die bezig was met koken, had het ongeluk, met kokend water en aan het vuur, zijn hand en arm tot aan den elleboog te branden. Geneeskundige hulp was spoedig verleend, maar niettegenstaande de zorgvuldigste behandeling kon de wonde na 4 weken zelfs niet geheeld worden. Nu nam genoemde persoon mijn middelen te baat, en reeds na eenige dagen verminderden de pijnen en de genezing volgde langzamerhand.
De aanwendingen waren: 1. de geheéle brandwonde werd met eiwit en olie zoo dik mogelijk gezalfd en met een voch-tigen doek bedekt; de eerste dagen werd het verband 2 maal vernieuwd. 2. Alle kwade stoffen en sappen werden door gezwollen hooizaad afgescheiden en verwijderd. In het begin der genezing vertoonden zich hier en daar zweren; om deze te doen verdwijnen werd gekookte foenum graecum gebruikt. Met deze middelen werd de hand, die men verloren waande, volkomen genezen.
BREUKEN.
Een kwaal, die dikwijls voorkomt in den tegenwoordigen tijd, zijn breuken van allerlei soort. Dikwijls vertoonen zij zich plotseling gelijk de paddestoelen des nachts in 't woud. Dikwijls ook openbaren zij zich op smartelijke wijze op zekere plaatsen van het lichaam. Allen, die daaraan lijden, behooren tot de gebrekkigen, d. w. z. tot diegenen, welke niet meer voor allerlei arbeid geschikt zijn, want iedere breuk moet niet
(1) Zie noot (1) bladz. 142.
174
alleen doen vreezen voor hevige smarten, maar bij onvoor-zichtigen ook voor den dood.
De breuk komt hoofdzakelijk bij zwakke gestellen voor; daarom kan onze verweekte eeuw op zooveel gevallen wijzen. Ik ben er vast van overtuigd, dat wanneer men zich van jongs af aan de harding tot gewoonte maakte en slechts voedzame, degelijke, en niet zooveel verfijnde, en daardoor veeltijds bedorven kost gebruikte, breuken slechts hoogst zelden zouden voorkomen, en meestal slechts in die gevallen, waarin b. v. door een hevigen slag of stoot, het lichaam geweld wordt aangedaan.
Voor 50 jaar waren âgebroken menschenquot; op een dorp een zeldzaamheid. In een stad kon men hun aantal op de vingers tellen ; tegenwoordig komen b. v. 20 personen te zamen en 3 of 4 daarvan klagen over een breuk. Gewoonlijk zoeken zi) tot hun ongeluk hun kwaal zooveel mogelijk verborgen te houden. Men hoort niet gaarne, dat men een breuk heeft. Menigeen gevoelt zich in zijn eer getast, en hij wordt rood tot achter de ooren. Niets dan dwaasheid! Zoo ontbeert hij de noodige verpleging en het komt van kwaad tot erger. Men vindt breuken niet alleen bij hen, die dag in dag uit onder zwaren arbeid gebukt gaan, ook in de hoogere standen treft men ze aan. Hoe licht kan ons zoo iets overkomen: A. bekwam zijn breuk op âzekere plaatsquot; ; B. wipte over een kleine greppel en was gebroken; C. had veel last van gassen â een onbeduidendheid â en het buikvlies was gescheurd; D., een priester, predikte zooeven vol begeestering, met een breuk kwam hij van den preekstoel. Het doet mij altijd innig leed, wanneer ik hoor, dat een overigens gezond, krachtig man een breuk heeft gekregen en dientengevolge in de schoonste en krachtigste dagen zijns levens tot de invaliden behoort. Ik moet het zóó noemen, want een groot getal breuklijders moet vóór den tijd, reeds op 40- of 50-jarigen leeftijd, hun beroepsleven vaarwel zeggen en zelden wordt hun een week gegund, waarin de breuk niet de groote balk aan het kruis is, dat zij dagelijks moeten torsen. Die van de ondervinding heeft geleerd, weet dat ik niet overdrijf. Mocht men zich toch meer moeite geven de oorzaken te onderzoeken, waardoor deze kwaal zoo algemeen is geworden: men moet ons verweekt, verzwakt geslacht versterken en harden. Waar moet het anders heen? Ik heb reeds van een verstandig gematigde waterkuur gesproken; de kleine moeite en de. opoffering, die men zich daardoor getroosten moet, zullen wel beloond worden, wanneer daardoor het getal der breuklijders wordt verminderd.
De breuk is, .behoudens eenige uitzonderingen bij kinderen.
175
niet aangeboren, maar een gevolg van overgeërfde of latei-verkregen zwakte. Zeer gemakkelijk had deze zwakte door harding, vooral harding door water, kunnen voorkomen of althans verdreven zijn. Of de zoogenaamde hoogere wereld eindelijk verstandig zal worden ? Daaraan twijfel ik. TJ echter, braven en wakkeren landman, die deze regelen zonder vooringenomenheid leest, u raad ik: neem één of twee half baden of een paar koude zitbaden in de week. Iedere kuip is goed daarvoor. Spoedig zult gij de weldadige werking daarvan bespeuren. Voor die baden is geen bepaalde tijd voorgeschreven. Ieder uur is goed en alles samengenomen, uitkleeden, baden, aankleeden duren niet langer dan 4, hoogstens 6 minuten. Hebt gij gewerkt, dan kunt gij een bad nemen en onmiddellijk daarop aan den arbeid gaan â âmaar ik ben erg bezweet11! â ook dit hindert niet, neem gerust een bad, gij hebt niets te vreezen; hierover heb ik uitvoeriger bij de half baden, en volbaden gesproken. Ik weet dat ik mij moet verantwoorden; ieder woord is rijpelijk overwogen en eerst had ik jarenlang beproefd, wat ik gesproken en geschreven heb. Ga tot de borst in het water en wasch u snel het bovenlijf af. kleed u weder aan en begeef u gerust weer aan den arbeid. Na 3 of 4 zulke baden behoeft gij geen spoorslag en geen vast voornemen meer. het bad en de wassching zullen u een behoefte zijn en met vreugde bewijst gij uw lichaam dien liefdedienst. âHet werk zal zijn meester loven/' gij zult gestaald en gesterkt worden.
Een boer klaagde mij over hevige pijn boven de lies; de geneesheer had verklaard, dat hij een breuk zou krijgen; ik ried hem aan compressen op het vóór- en achterlijf te leggen. Spoedig was de pijn geweken. De boer onthield zich eenigen tijd van zwaren arbeid en bleef aldus van de voorspelde kwaal vrij. Deze waarschuwing had hem wijs gemaakt; hij werd van nu af een ijverige âwaterman.quot;
Ten slotte nog de vraag; kunnen breuken nooit geheeld worden ? Verschillende nieuwe breuken heb ik, zelfs bij volwassenen, genezen door de breuk met kamferolie krachtig in te wrijven en er een pekpleister op te leggen. Vossenvet is en gold ten allen tijde als een der beste middelen om jonge breuken te heelen. Men wrijve alle 2 of 3 dagen de breuk met dit vet in en legge er altijd een pekpleister op. Zóó heelde ik eens een breuk, die reeds 7 weken oud was.
Bij kinderen komen de breuken naar verhouding menigvuldig voor. Meestal ligt de reden daarvan in de omstandigheid, dat zij te veel opgezet zijn door het eten en het buikvlies dan op de een of andere plaats scheurt. Die kinderen moeten, totdat zij volkomen genezen zijn, alle dagen een haverstroo-bad
176
en een compres op het vóór- en achterlijf hebben; deze moeten natuurlijk niet te groot zijn voor die kleine schepseltjes. Men wrijve daarenboven de lijdende plaats zachtkens met kamferolie, of nog beter met vossenvet in. Zulke breuken genezen in korten tijd, als zij niet al te groot zijn, want dan behoeft men niet meer aan genezing te denken. In dergelijke gevallen is men verplicht om volgens aanwijzing van den dokter een breukband te dragen.
De moeders moeten niets verzuimen (ook op dit punt herken ik daaraan de ware moederliefde) om dergelijke gebreken van het eerste oogenblik af te voorkomen. Daar hangt veel en dik wijls de heele toekomst der kinderen van af; zij kunnen gelukkig of ongelukkig zijn en daardoor hunnen ouders vreugde of smart aandoen. Als het Gode behaagt mij te sparen, zal ik voor de moeders eens eenige wenken en praktische raadgevingen opschrijven, om haar te leeren, hoe zij hare kinderen van de geboorte af op eene verstandige wijze moeten verzorgen en harden. Zij mogen niet schrikken voor den kouden ,watermanquot; ; hij draagt der opvoeding en opvoedsters een warm hart toe. Ik zal mij niet wenden tot moeders met zwakke zenuwen, die hare engelen het genot van versche lucht onthouden, door ze op eene dwaze wijze in fluweel, zijde of wol te bakeren. Ik zal slechts spreken tot haar, die genegen zijn om bij te dragen tot de vorming van een sterk geslacht vol levenskracht. De lektuur dezer praktische raadgevingen zal, ook aan groote kinderen niet schaden. Doch zooals gezegd is: komt tijd, komt raad. De G-od van leven en dood haalt mij misschien een streep door de rekening en dan â is het zóó ook goed en ik ben er tevreden mee (1).
Een heer, om en nabij de 40 jaar, klaagde over duizelingen, congesties en hevige hoofdpijn; hij had goeden eetlust, maalais hij dien den teugel vierde, moest hij er voor boeten. Zijne frissche, roode gelaatskleur was het bewijs eener goede gezondheid, maar zijn buik was onnatuurlijk dik, en stak op eene zonderlinge wijze af bij de magere armen en beenen. Op raad van den dokter, droeg hij een breukband, omdat hij op het punt was van 2 breuken,te krijgen. De ware kwaal bestond echter in opzwelling van het onderlijf door gassen.
Toen het water de gassen verwijderd en de organen versterkt had, verdween het gevaar van breuken; congesties en hoofdpijnen hielden op, en in 4 weken was de patiënt volkomen genezen.
(1) De vrome wensch des schrijvers is vervuld in een werk, dat voor vele moeders een vraagbaak is bij de ojjvoeding harer kinderen.
177
De wijze van behandeling was: Isten dag vóór den middag begieting van het bovenlijf en begieting der knieën, en na den middag begieting van het bovenlijf en barrevoets in het water gaan. 2en dag: vóór den middag begieting van het bovenlijf en barrevoets tot aan de knieën in het water gaan; na den middag begieting van het bovenlijf met barrevoets in het water staan. 3en dag: begieting van het bovenlijf met barrevoets tot aan de knieën in het water gaan; na den middag begieting van den rug. 4en dag: begieting van het bovenlijf met barrevoets tot aan de knieën in het water gaan; na den middag begieting van den rug. oen dag: half bad, gevolgd door de begieting van het bovenlijf. 6en dag: vóór den middag begieting van het bovenlijf en 2 uur later een half bad; nadenmiddag een bad tot onder de armen. 7en dag: barrevoets tot over de enkels in het water gaan en 2 uur later een begieting van den rug. Zoo werd voortgegaan tot de zieke in 4 weken genezen was; het was vooral merkwaardig, dat zoowel het opgezwollen gezicht en de buitengewoon groote buik als de breuken geheel verdwenen waren.
BUIKLOOP.
Buikloop is een zuster van cholera. Beide hebben veel overeenkomst met elkander. Deze ziekte begint in den regel met ijselijke krampen in het onderlijf en met hevige diarrhee. Men raakt o. a. veel bloed kwijt.
Buikloop wordt het snelst genezen, wanneer men een dubbel gevouwen doek in zeer warm water met azijn doopt en om het onderlijf bindt. Ook heel verrassend werkt inwendig een glaasje boschbessentinctuur, die men zelf gemakkelijk maken kan en die in geen huisapotheek, hoe klein ook, gemist kan worden. 2 maal per dag kan men 2 eetlepels van deze tinctuur in heet water doen, en deze drank zal zeer goed smaken. Als de toestand den tweeden dag nog niet beter is, zoo vernieuwt men het compres op het achterlijf en neemt nogmaals een hoeveelheid boschbessentinctuur.
Jozef kronkelde zich in bed als een worm. De krampen deden hem ronddraaien als een kogel. Hij schreeuwde het uit van pijn. Er was meer dan een halve liter bloed in het stilletje. 2 lepels van bovengenoemde boschbessentinctuur, 's morgens en 's avonds genomen, hebben hem in korten tijd hersteld.
Anna, een vrouw van meer dan 50 jaar oud, weeklaagde over hevige krampen. Men vreesde voor bloeddiarrhee â het moest cholera zijn in optima forma. Een doek met azijn om
178
het lijf en boschbessentinctuur voor inwendig gebruik hebben de zieke weder in 1 dag geheeld. Bij gebrek aan boschbessen zal ook venkel in melk gekookt goede diensten bewijzen.
GATARRHE (Verkoudheid)!
De meeste catarrhen ontstaan door temperatuursverandering, wanneer men, somtijds zelfs bezweet, uit de koude of buitenlucht in een tamelijk warm vertrek komt. Ook kan men spoedig een catarrhe krijgen, als men eenigen tijd aan kouden tocht is blootgesteld geweest. Gewoonlijk ontwaart men al dadelijk een benauwdheid op de borst, in de keel of in den neus. Men heeft een gevoel alsof er een zweertje in de keel zit. Veronachtzaamt men haar in het begin, dan hecht de catarrhe zich vast en breidt zich uit. Personen, die te warme kleederen dragen en dientengevolge enkele vertroetelde organen hebben, zijn nog vatbaarder voor deze kwaal. Het is volstrekt niet moeilijk (ik zeg het ronduit) om vrij te blijven van verkoudheid, als men het lichaam maar op eene verstandige wijze wilde harden, zooals dit reeds op verschillende plaatsen is aangetoond.
Wat moet men doen om geen catarrhe te krijgen? Dit zal ik door een voorbeeld ophelderen. Ik heb 1 uur ver geloopen in een tamelijk vlug tempo. Het is knapjes koud buiten, zeggen de boeren, terwijl zij in de handen wrijven. Wij hebben een koude van 12°. Nu kom ik zonder overgang in een kamer van 14:° warmte. Deze plotselinge temperatuursverandering van 26° kan niet ongestraft geschieden en moet gevaar opleveren. Ik zou beter gedaan hebben, als ik de laatste 5 a 20 minuten wat langzamer geloopen en dan nog eenige minuten beweging in de gang genomen had. Op deze wijze zou de warmte, door het harde loopen zoo verhoogd, zijn verminderd en het zweeten hebben opgehouden. De verandering van lucht zou door dezen overgang minder kwaad gedaan hebben en geen gevaar hebben opgeleverd, wanneer ik nog eenigen tijd in de kamer op en neer gewandeld had.
Bijaldien ge de gevolgen uwer onvoorzichtigheid â het onaangename gevoel in de keel â ontwaart, welnu! ga dan opnieuw in de frissche lucht en neem wat beweging! In een half uur zal alles, wat in de keel hindert, opgelost en verwijderd zijn.
Heeschheid is niets anders dan een catarrhe, die zich tot in de spreekorganen heeft uitgebreid. Het beste klokje blijft stom als er de klepel uitgenomen wordt; de prachtigste stem
179
kan ook geen toon voortbrengen als de spreekorganen zijn aangetast.
Men verdrijve de catarrhe, dan zal haar gezel â de heesch-heid â zich aanstonds verwijderen. (1)
De volgende opmerking kan wellicht velen van dienst zijn. Er zijn menschen, die aanleg hebben tot veel hoesten en kuchen. Van iedere kleinigheid, b. v. de prikkeling der frissche lucht, moeten zij blaffen; dit doet hun goed noch kwaad. Zulke personen hoesten jarenlang, zonder dat zij er de minste pijn van hebben. Gewoonlijk is een dergelijke neiging tot hoesten van de ouders overgeërfd en dan moeilijk te verdrijven. Het is echter een onbeduidende kwaal, hetzij de hoest uit de keel. of uit andere, dieper gelegen organen voortkomt. Zulke menschen kunnen zich troosten met het spreekwoord: âDie lang hoest, leeft lang.quot; Er bestaan daarentegen andere erfenissen, die minder onschuldig zijn en allen ernst en omzichtigheid vereischen. Daartoe behoort b. v. de tering, die in zoo menige familie voortwoekert.
In deze gevallen geldt de hoofdregel: Principiis obsta! Bestrijd de ziekte in hare wording, maar ga behoedzaam en voorzichtig te werk. anders zal zij vroeg of- laat slachtoffers maken. Helaas! dikwijls maar al te vroeg. Een kleine verwaarloosde verkoudheid kan in een familie, die aanleg heeft tot tering, een insect worden, dat den sterksten denneboom, het krachtigste lichaam vernielt en ten val brengt. Wees dus voorzichtig! Door een verstandige behandeling kunnen zelfs overgeërfde kwalen zonder verdere kwade gevolgen zeer lang tegengegaan worden.
CHOLERA.
Wat is men bang voor cholera! Weinig jaren geleden was zij. een vreeslijke verschijning voor vele landen en eischte talrijke offers. Omquot;zich voor overstrooming te vrijwaren, legt men dijken aan; men regelt het stroomgebied. Bij een bosch-brand graaft men greppels om de verwoesting van het vernielend element te beteugelen. Zulk een dijk, een greppel tegen de cholera â dien ontzettenden vijand van het mensche-lijke leven â is het water. Het redt uit het gevaar en als een dijk of greppel omringt het hen, die er gebruik van willen maken.
(1) quot;Wat ik over do veronachtzaming van de catarrhe gezegd heb, leze men bij âOogziekte (catarrhe)quot;.
180
Bij cholera geldt de hoofdregel: Die spoedig zweet is gered; die niet spoedig transpireert gaat verloren.
Op zekeren dag werd ik 's avonds om 11 uur bij een arm dienstmeisje geroepen. Zij had reeds meer dan 20 maal overgegeven en meer dan 20 maal stoelgang gehad. De dokter woonde 2 uur ver. Het meisje wenschte zich voor te bereiden om te sterven, want zij gevoelde maar al te wel, dat zij deze schrikkelijke ziekte niet zou overleven. Handen en voeten waren als ijs,, het gezicht doodsbleek, de gelaatstrekken ingevallen en teekenen van ontbinding voorhanden. Aanstonds beproefde ik om de stervende te doen zweeten, want naar mijne meening hingen daar leven en dood van af. De huisvrouw bracht spoedig 2 groote, grove linnen doeken. Ik liet ze in warm water doopen, meermalen vouwen, uitwringen en op borst en buik leggen. Daaronder kwam echter op het bloote lijf een in warmen azijn gedoopte enkele doek te liggen. Dit vochtige en warme compres werd overdekt met een veêren bed, zoo warm en zwaar als de zieke het verdragen kon. Do warmte drong door tot de choleralijderes; in 15 minuten was het heele lichaam door en door warm. 20 minuten later parelden de zweetdroppels op het gezicht. Opnieuw liet ik het compres in warm water doopen en in korten tijd hielden de krampen op; er kwam een einde aan braken en neiging tot braken. Om de uitwendig opgewekte warmte ook inwendig te helpen, moest de zieke een kop melk met venkel (1 lepel vol gemalen venkel laat men 3 minuten in melk trekken) zoo warm mogelijk drinken. (1) De kranke begon voldoende te zweeten en was gered.
In de herstellingsperiode mag men den zieke niet verwaar-loozen, ofschoon hij geen buitengewone zorg vereischt. De herstellende zal dagelijks 1 uur lang een compres op het achterlijf nemen (dit bestaat uit een meermalen gevouwen linnen doek, nat gemaakt en langs den geheelen rug op het lichaam gelegd); daarbij nog alle dagen gedurende 1 uur een compres op het bovenlijf (denzelfden doek op borst en buik) aanwenden en zich bij die aanwendingen goed instoppen. Dat deed ook onze patiënt en in 10 a 12 dagen was zij hersteld. Een tweede geval werd op dezelfde wijze en met hetzelfde succes behandeld.
Ik kan niet nalaten om hier twee opmerkingen temaken. 1. Als de hier besproken ziekteverschijnselen (hevige diarrhee, braking, krampen enz.) zich voordoen, dan moet men niet
(1) Venkel in melk afgetrokken werkt buitengewoon heilzaam bij koliek- cn cholera-aanvallen: zij verwarmt, voert de gassen af en is tevens een voedzaam en versterkend middel.
181
verzuimen om zulke zieken onmiddellijk naar bed te brengen. Landlieden zijn te dien opzichte voor zich zeiven te strengen daardoor onvoorzichtig. Men geve een warmen drank voor inwendig gebruik. Als men voor krampachtige toestanden vreest of de voeten ijskoud worden, zoo legge men den zieke aanstonds (niet langer dan 3 kwartier) een warm compres op het vóórlijf. Tegelijkertijd laat men hem op een warm compres voor het achterlijf rusten. Herhalen zich de krampen, dan moeten de compressen van vóór- en achterlijf vernieuwd worden. Als de warmte en het zweet zich openbaren, dan is het gevaar voorbij.
2. Men zij voorzichtig in eten en drinken, tot alles weer in orde is. Men zoeke uit den gewonen daagschen pot de lichtste spijzen en om te drinken is warme melk het best, zijnde heelend en voedend tegelijkertijd.
Als de cholera ergens heerscht, vertrouw dan op God en geef den moed niet op! Uit voorzichtigheid kunt gij u eiken morgen en iederen avond flink de borst en den buik wasschen; kauw alle dagen 10 a 12 jeneverbessen en hebt ge die niet, koop u dan peperkorrels! Voor weinig geld kunt ge er een groote hoeveelheid van krijgen. 5 zulke korreltjes 2 maal per dag genomen verwarmen de maag, helpen de spijsvertering en verwijderen de gassen.
CHOLERINE.
Bijna op elke plaats doen zich elk jaar cholerine-gevallen voor; ik heb er zelf alle jaren veel behandeld. De cholerine is de cholera in 't klein en is een zeer onwelkome, hoewel minder gevreesde gast. Zij gaat gepaard met hevige diarrhee, aanhoudende brakingen en somtijds met meer of minder sterke krampen.
Mijne behandeling is juist dezelfde als voor de cholera; naarmate de hevigheid der ziekte bepale men met overleg en verstand het aantal en de sterkte der aanwendingen. 40 lijders aan cholerine heb ik op deze wijze tegelijkertijd en met goed gevolg behandeld.
CONGESTIES.
Een ambtenaar klaagt over het volgende: ,,Ik lijd aan moeilijke ademhaling, krampen in de keel en zware hoofdpijn. Dikwijls heb ik zulke congesties en hoofdpijn, dat ik den geheelen nacht niet slapen kan. Sedert jaren heb ik geen stoelgang zonder medicijnen. Bovendien heb ik veel krampen
182
in de borst en als deze zich tot in den buik doen gevoelen, heb ik hevige pijnen. Tegen koude kan ik mij niet meer vrijwaren; handen en voeten zijn gewoonlijk koud. Ik zou een aangenaam leven hebben, als ik maar niet voortdurend te lijden had.
Ik bezocht reeds vele badplaatsen, maar vond geen hulp. Vroeger was ik zwaarlijvig en nu mager. Als het water mij niet meer helpen kan, dan ben ik verloren,quot; zóó klaagde hij weemoedig.
Zijne behandeling was als volgt:
1. Alle dagen 's morgens en 's avonds een zekeren tijd barrevoets in het gras of over voetpaden loopen â hetgeen hem onbeschrijfelijk verkwikte en zijne hoofdpijnen afleidde;
2. 2 korte omslagen in de week nemen;
3. Eenmaal den Spaanschen mantel omdoen.
Om den stoelgang te bevorderen moest hij verscheidene dagen lang ieder half uur een eetlepel water innemen, en als hij hevige pijnen ondervond, moest hij aloë gebruiken. Een stuk aloë- ter grootte van een erwt, werd met een halven lepel suiker in warm water opgelost en elk uur moest hij een eetlepel van dit mengsel innemen.
Een 33 jarige brouwer is sedert 11 jaar ziek, zwaar ziek. In Mei 1877 viel hij op een morgen na het opstaan plotseling half bewusteloos neder en bleef 2 uur lang zoo liggen. Dit was de inleiding van een hevigen typhus, die 6 maanden duurde. Eeeds toen had hij dagelijks last van duizeligheid en toevallen. De duizelingen begonnen met bonzen in de hersenen, en dan viel hij met zooveel geweld op den grond, dat hij van het eene einde der kamer naar het andere gleed. Deze toevallen duurden 5 a 10 minuten en herhaalden zich dagelijks 5 a 10 maal. Na deze 6 maanden kon hij weer arbeiden, maar slechts 2 maanden lang; daarna waren de aanvallen zoo veelvuldig en sterk, dat hij 8 maanden lang te bed moest blijven liggen. Sinds ging er geen jaar voorbij, dat hij niet 6, 7 zelfs 8 maanden bedlegering was. Zijn kwaal werd zóó hevig, dat de aanvallen ook in den tusschentijd alle 2 of 8 dagen wederkeerden, vooral wanneer zijn geest een weinig overspannen was, of hij zich snel bewoog, of het hoofd omdraaide. Steeds werden de aanvallen door kloppen in de hersenen aangekondigd, en kon hij zich dan spoedig genoeg aan een tafel, of buiten aan een boom vastklampen, dan waggelde hij zoolang, dat hij ten laatste op den grond viel. Het bewustzijn verloor hij daarbij niet, maar wel het gezichtsvermogen. Negen jaren
183
lang gingen de aanvallen van brakingen vergezeld, waarvan hij echter het laatste jaar geen last meer had. In dien tijd had hij voortdurend zulk een drukking op de kruin van het hoofd, alsof er een centenaarslast op rustte. Daarbij kwam sinds 5 jaren suizing in de ooren en was hij aan het rechter hardhoorend. Sinds 9 jaren kon hij wegens die drukking in het hoofd nooit vóór 1 of 2 uur in den nacht slapen. Van Mei 1886 tot October 1887 was de arme man bijna zonder tusschenpoozen bedlegerig. Door 14 dokters werd hij in het lange tijdsverloop zijner ziekte behandeld. Door velen was hij ongeneeslijk verklaard en eene groote hoeveelheid medicijnen had hij ingenomen. De meesten waren van meening, dat hem door een vroegere verwonding van het hoofd â eertijds was n.1. een vat op zijn hoofd gevallen â de hersenpan gekloofd was en sinds dien tijd een beensplinter op de hersenen drukte â en zijne smarten veroorzaakte. Eenige geneesheeren hielden het voor een chronische verdikking van het panvlies.
Volgens mijne meening was hier spraak van buitengewoon â sterke congesties naar het hoofd en moesten de volgende aanwendingen worden voorgeschreven. Begieting van het bovenlijf, in het water loopen, rugbegieting, begieting van dijen en knieën, voetdampbad en Spaansche mantel. Na de kuur van o weken (28 Juli â2 Sept.) was het succes buitengewoon. Eeeds den öen dag verklaarde hij geen druk meer op het hoofd te gevoelen.. Den 2en dag volgde nog een aanval, nadat hij â¢een langen brief geschreven en daardoor zich te veel overspannen had. Het was de laatste aanval. Van dag tot dag nam hij tot zijne groote vreugde in beterschap toe en na 4 weken was hij als nieuw mensch geworden, zoo vrij en zoo licht gevoelde hij zich in het hoofd. Ook het zien viel hem gemakkelijker. Na 5 weken sliep hij zonder wakker te worden den geheelen nacht door. De man is overgelukkig. Tehuis behoeft hij de kuur slechts met een der bovengenoemde aanwendingen dagelijks voor te zetten.
DARMZIEKTE.
Een priester van 45 jaar laat zich uit .als volgt: âSedert langer dan 25 jaar lijd ik aanhoudend aan obstructie (verstopping) en sedert eenige jaren ook aan de maag. Ongeveer 8 jaar geleden onderwierp ik mij aan een koudwaterkuur en mijn maag werd beter, maar de verstopping bleef. In 't jaar 1885 kreeg ik er nog een nierziekte bij, en dat ging gepaard met het ontstaan van een groote hoeveelheid urinezuur en graveel in de blaas. De dokter schreef mij voor de laatste kwalen een
184
druivenkuur en daarna, 10 dagen lang, een kuur van Glauberzout voor, waardoor een hevige catarrhe in den dikken darm ontstond. Na mij aan alle mogelijke kuren onderworpen te hebben, werd mij te kennen gegeven, dat mijne ziekte ongeneeslijk was en mijne smarten wel verzacht, maar niet geheel weggenomen konden worden. Ik werd gekweld door: slapeloosheid, gebrek aan eetlust, moeheid, loomheid in de beenen, lusteloosheid in het werken, pijn en drukking in de nierstreek, hevige verstopping met opzetting en spanning in het onderlijf, en had koude voeten, terwijl het hoofd warm was en de overige lichaamsdeelen min of meer transpireerden. In dezen toestand neem ik toch weder mijn toevlucht tot het water, waarvoor-men mij zoo gewaarschuwd heeft.quot;
Ik schreef dien heer het volgende voor: Alle dagen een begieting van het bovenlijf, een begieting van den rug en een zitbad. Als het nog noodig mocht zijn, een halfbad, een begieting der knieën en barrevoets in het koude water loopen.. Maar het meeste baat vond hij bij den Spaanschen mantel, die een goede vriend van hem geworden is. Na een behandeling van 12 weken was de spijsvertering geheel in orde,, zonder buitengewoon dieet; de voeding werkte voortreffelijk en hij was 13 pond zwaarder geworden.
DARMZIEKTE (catarrhe.) (1)
Er zijn personen, die diarrhee krijgen zonder daar aanleiding toe gegeven te hebben. Deze kwaal kan regelmatig b. v. op zekere tijden, 1 a 2 maal in het jaar, of onregelmatig plaats hebben. Vóór en na die aanvallen maken de personen het goed. De regelmatige diarrhee ontstaat daardoor, dat de sterke natuur alle overvloedige stoffen uitwerpt. Hoe gerust werkt men als aan den stoomketel een veiligheidsklep is aangebracht; hoe vreedzaam leeft men als de natuur, evenals deze ketel, al wat te veel en ongezond is, uitwerpt.
Tegen dit soort diarrhee heb ik volstrekt niets voor te schrijven ; ik moet er zelfs voor waarschuwen daartegen iets te doen. Meestal komt deze afscheiding voor in den herfst of in het voorjaar en ik vermeen dat de lucht, de temperatuur, daartoe medewerken. (2)
Meer zorg verdient de diarrhee, die onregelmatig voorkomt, en met of zonder pijn gepaard gaat; het is een bewijs, dat
(1gt; Zie âDiarrhee.quot;
(2) l)io in het voorjaar of in den herfst de dagbladen doorloopt, kan zien welke rol de bloedzuiverende pillen, kruiden, enz. in die .laargetijden spelen. Nooit zou ik zoo iets aanraden.. Er zijn eenmaal lieden, die met alle geweld
185
zich ziektestoften in het lichaam hebben opgehoopt, die dikwijls kwade gevolgen na zich sleepen, wanneer ze niet verwijderd worden. Inderdaad, de ondervinding leert, dat bij zulke zieken het een of ander orgaan is aangetast en dat zij menig maal vroeg sterven of althans niet bijzonder oud worden. Dikwijls is diarrhee een voorbode van zware ziekte. Vooral moet hier op het onderlijf worden gewerkt, maar daarom het geheele lichaam niet vergeten worden. De diarrhee plotseling te stuiten is niet aanbevelenswaardig; de kwade stoffen moeten langzamerhand verwijderd en de inwendige organen zóó gesterkt worden, dat het gestel de ophooping van zulke kwade stoffen voorkomt, of ze ter rechter tijd afscheidt. Voor inwendig gebruik is niets beter dan dagelijks 1 a 2 kopjes thee van alsem met salie, van duizendguldenkruid met salie, of van duizendblad met St.-Janskruid; ook kan men dagelijks 6 a 10 jeneverbessen nemen. Alle opgenoemdemiddelen bevorderen de spijsvertering, sterken de maagsappen en zijn tevens voedzaam.
Mocht de diarrhee hevig zijn en reeds lang hebben geduurd, dan gebruike men 2 maal daags 1 hal ven lepel tinctuur van boschbessen in warm water.
Voor uitwendig gebruik is wekelijks voldoende een korte omslag en, gedurende 1 Va uur, 3 a 4 compressen op het achterlijf. Daartoe wordt een tweedubbel gevouwen doek in water met azijn, of in een aftreksel van dennetakken, gedoopt en op het achterlijf gelegd. Zóó doet men 14 dagen lang. Na dien tijd kan men om het lichaam te versterken wekelijks 1 of 2 haïf-baden nemen met wassching van het bovenlichaam en 1 of 2 wasschingen van het geheele lichaam. Dit laatste geschiedt des nachts van bed uit. Zóó doet men 3 a 4 weken lang. Wanneer men dan geregeld iedere week minstens 1 koud bad met wassching van het bovenlichaam en wassching van het geheele lichaam neemt, dan zal het geheele gestel krachtiger en gezonder worden en de onaangename, abnormale toestand ophouden, of de oorzaak moet dieper liggen.
ANDER GEVAL.
Een heer van 48 jaar vertelt: âVele jaren lang heb ik voortdurend diarrhee rnet bijna geen verpoozing. Ik mag eten, wat ik wil, innemen, wat de dokters mij voorschrijven, en allerlei
iets willen innemen. quot;Welnu! laten zij dan op den een of anderen dag iedere week, 5 a 6 uur lang, ieder half uur een eetlepel frisch gewoon drinkwater gebruiken; dit werkt met ons gestel mede; door iets anders kan het ondermijnd worden.
13
186
huismiddelen gebruiken; ik ben ook in verschillende badplaatsen geweest; maar alles was tevergeefs. Vooral is de diarrhee hevig, als ik drink; het moge water, bier of wijn zijn. Goede droge kost is voor mij het best. Daar alle spijs te spoedig en 'half verteerd uit de maag komt, gevoel ik mij immer zwak, en ofschoon ik niet buitengewoon mager ben, zijn toch mijne spieren slap.quot;
De aanwendingen waren de volgende:
1. dagelijks begieting van het bovenlijf,
2. dagelijks 1 maal in koud water loopen,
3. eenmaal kniebegieting.
In de 2e week den eenen dag begieting van het bovenlijf, en in het water wandelen, den anderen dag halfbad. Toen reeds gevoelde de zieke zich gezonder, frisscher en sterker, maar de diarrhee bleef aanhouden. De 3e week verkreeg hij:
1. dagelijks een viermaal gevouwen doek, die in wateren azijn was gedoopt en gedurende IVa a 2 uur op het achterlijf moest liggen;
2. den eenen dag een begieting van het boven- en een van het onderlijf;
3. den anderen dag halfbad en begieting van het bovenlijf.
De hieropvolgende week:
1. lederen dag een halfbad.
2. Om den anderen dag een compres op het achterlijf, als-voren ; om de sterkte en gezondheid van het lichaam te onderhouden was het voldoende iedere week 2 halfbaden en 1 of 2 maal het bovengenoemde compres op het achterlijf te nemen.
Voor inwendig gebruik werden afwisselend alsemdroppels en jeneverbessen voorgeschreven.
Menigeen zal vragen, waarom juist deze volgorde in de aanwendingen genomen is. Hierop antwoord ik: de aanwendingen der eerste week trachten het lichaam van boven en onder te sterken; de aanwendingen der 2e week sterken zoowel het lichaam in 't algemeen als de inwendige organen in het bijzonder. Die der 3e week werken hoofdzakelijk ter versterking van maag en ingewanden. Op deze wijze wordt het geheele lichaam gezonder. De aanwendingen der 4e week omvatten het geheele organisme met al zijne onderdeelen, en zóó wordt de volkomen genezing van een zieke verkregen. Wat inwendig gebruikt werd, had ten doel de spijsvertering te bevorderen en de inwendige organen sterker te maken.
DARMZIEKTE (ontsteking).
Een opzichter verhaalt: âIk heb jaren lang hevige, somtijds
187
onuitstaanbare pijnen, vooral in buik en ingewanden. Sinds langen tijd kan ik niet meer eten zonder vreeselijke pijnen te verduren en heb daarop geregeld diarrhee; van alles heb ik ingenomen, maar baat gevonden heb ik weinig en niet dan voor korten tijd.quot;
De jonge man zag er zeer ziekelijk uit, mager, bleek en dof van blik.
Wat moest hier worden voorgeschreven?
Hij heeft 1. iedere week 3 zitbaden genomen; 2. iederen morgen en avond borst'en onderlijf met azijn en water flink afgewasschen en 3. iedere week gedurende 1 minuut een half-bad gebruikt.
In 4 weken was hij van zijn maagkwaal bevrijd.
Hij had ook 2 maal daags 12 alsemdroppels in warm water genomen. _
DIARRHEE (1).
Een man van 48 jaar komt mij verhalen; ,,Ik heb aanhoudend diarrhee; thans nu ik op mijne reis ben, heb ik 7 maal stoelgang gehad; te huis ga ik alle dagen 1 a 6 maal. Ik lijd reeds 9 maanden aan deze kwaal.quot;
Deze man zag er zeer goed uit, had een gezonde kleur en was noch mager, noch dik. Hij kreeg:
1. lederen morgen en iederen middag een begieting van het bovenlijf; en moest
2. lederen morgen barrevoets in 't water loopen en iederen middag een begieting der knieën nemen.
Dank zij deze aanwendingen, kreeg de man na 5 dagen den eersten stoelgang. Hij heeft niets ingenomen dan 6 a 8 jeneverbessen per dag. Menige lezer zal vragen, waarom deze patiënt aanwendingen kreeg, zoo geheel anders dan gewoonlijk. Antwoord : Daar hij er gezond en sterk uitzag en zijn oog helder stond, zoo gafquot; mij dat het bewijs, dat hij nog levenskracht genoeg bezat; wordt die nu nog gesteund en ook de warmte door wateraanwendingen verhoogd, dan wordt de inwendige kwaal spoedig door de sterke natuur verdrongen, en zóó wordt hier het Duitsche spreekwoord bewaarheid: Een goed kastelein zet zelf de dronkaards buiten de deur. Verder zou ik aanraden iedere week 2 of 3 maal een halfbad, of even zoo dikwijls een begieting van het bovenlijf en de knieën te nemen.
DIPHTHERITIS.
Die door diphtheritis overvallen wordt, moet zorgen 1. de
(1) Zie âDarmcatarrhequot;.
188
opgehoopte ziektestoffen zoo spoedig mogelijk te verdeelen; 2. op het geheele gestel te werken, opdat de ongelijkmatige omloop van bloed en sappen, waarvan de koorts een teeken is, weer spoedig worde geregeld. Zulk ee:.i zieke moet eerst een hoofddampbad nemen en na elke 20 a 24 minuten het geheele lichaam wasschen. Na 6 a 8 uur, l1^ uur lang, een omslagdoek dragen, die om het half uur opnieuw wordt natgemaakt ; dan neemt de zieke een voetdampbad, gevolgd door een goed koud halfbad met wassching van het bovenlijf (het halfbad en die wassching mogen hoogstens 1 min. duren). Daarop moet de omslagdoek opnieuw worden omgedaan en, zooals boven is aangegeven, P/a uur blijven liggen. Deze aanwendingen moeten van voren af aan worden herhaald, zoodat er iederen halven dag één genomen wordt. Daarenboven moet hij 4 a 5 maal per dag met thee van schaafstroo gorgelen: spoedig zal de leelijke kwaal genezen zijn.
Alle genoemde aanwendingen zijn zóó onschuldig, dat zij nimmer kunnen schaden.
Een algemeene regel is, dat men den zieke niet storen moet, als hij des nachts rustig slaapt, want dit is een bewijs, dat het gestel tot rust is gekomen, en de sterkende slaap zal de aanwendingen des te krachtiger doen werken.
Bij deze gelegenheid wil ik opmerken, dat men den zieke nooit moet wekken, wanneer hij bij de een of andere aanwending te bed in slaap mocht vallen. Hij zal vanzelf ontwaken, zoodra de aanwending heeft uitgewerkt.
Een vader komt bij mij en verhaalt: âMijn kind. 11 jaar oud, kan in het geheel niet meer slikken en reeds 3 volle dagen bijna geen adem meer halen. Het is erg heet en ijlt. Wel heb ik een natten doek om den hals gedaan, maar beteren wil het niet. Wat moet ik doen? ik vrees dat mijn kind stikken zal.quot;
De smart van den zorgvollen vader, vooral de mislukte halsomslag, bewogen mij hem naar het ziekbed te volgen. Daar lag het kind, een beeld van jammer en ellende, naar alle waarschijnlijkheid voor immer verloren, want er waren verschijnselen, die alle mogelijke redding schenen uit te sluiten. Laten wij het in Godsnaam wagen, dacht ik. Ieder half uur werd in den eersten dag zoowel rug en borst als buik met koud water flink gewasschen. Daar de hevige koortshitte niet wijken wilde, werd op den buik niets dan een doek met koud water gelegd. Zóó moest de hitte verminderen. Den volgenden dag kwam de vader weder, zeggend: âhet kind kan weer slikken, maar aan beide zijden van het hoofd beginnen de wangen bij de kaken sterk op te zetten. Wat zij zegt, kan
189
men bijna niet verstaan; maar toch ben ik in mijn schik, dat zij weer praten kan.quot;
Ik schreef hem voor compressen, in water en azijn gedoopt, op de beide gezwollen wangen te leggen en ze ieder half uur opnieuw nat te maken; daarenboven moest hij op bovengenoemde wijze het kind zoo dikwijls borst, rug en buik was-schen, als de koorts weder opstak. Den 3en dag was de kleine buiten alle gevaar; men behoefde slechts de wasschingen nog eenigen tijd te vernieuwen, wanneer de koortshitte heviger werd.
Bijzonder gunstig werkte hier ook het gorgelen met thee van foenum graecum; 1 theelepel hiervan op 1 half glas water geeft een goeden gorgeldrank, waarvan het zieke kind nu en dan een lepel werd toegediend. Thee van maluwe, duizendblad of wolkruid zou dezelfde uitwerking hebben gehad; ook ware het goed geweest dagelijks 3 a 4 theelepels slaolie in te nemen; dit vermindert de koortshitte verrassend snel. Het kind werd gered en verheugt zich tot op heden in de beste gezondheid.
DRONKAARDSWAANZIN.
Een 36 jarig man had veel bier gedronken, weinig gegeten en zich bijna enkel met bier gevoed. Zoolang hij nog bier in het lichaam had, gevoelde hij zich sterk, maar zoodra het verdampt was, klaagde hij over zwakte.
De dronkaards waanzin was bij den armen man reeds zoo sterk ontwikkeld, dat zelfs kinderen over zijn verwarde geestvermogens spraken. Daarenboven klaagde hij veel over jicht, kramp en pijn in het hoofd. Ofschoon dronkaards moeielijk te bekeeren zijn, had deze man toch een goeden wil en zeide, zich alles te willen getroosten om van zijn kwaal bevrijd te worden.
Binnen 3 weken werd hij volkomen genezen door de volgende waterkuur. lederen dag nam hij 2 of 3 aanwendingen en wel in deze volgorde: Isten dag a. begieting van bovenlijf en knieën; b. in het water staan, in water loopen, arm-bad; c. rugbegieting; 2en dag a. halfbad, b. begieting van bovenlijf en knieën; 3en dag a. zitbad; b. begieting van het bovenlijf; 4en dag a. halfbad; h. volbad. Deze kuur werd voortgezet, totdat hij volkomen genezen was; alle ziekelijke aandoeningen verdwenen, hij zag er beter uit, had goeden eetlust en de prikkel tot veel drinken was afgestompt. Het verdient opmerking, dat zich gedurende de waterkuur op vele plaatsen van zijn lichaam uitslag vertoonde, waardoor natuurlijk kwade stoffen uit het lichaam werden verwijderd.
190
DUIZELIGHEID.
Een priester gevoelde in den bloei der jaren zijne krachten, vooral in de beenen, schrikbarend afnemen. Niet dan met de grootste moeite kon hij 1 kwartier ver loopen en had dan een gevoel of zijne beenen zouden breken; daarenboven had hij zeer veel last van duizeligheid, zoodat hij nooit lang staan kon zonder tegen het een of ander vast voorwerp te leunen. Wilde hij zich aan het altaar omkeeren, dan moest hij zich altijd vasthouden. Wanneer de duizeligheid verminderde, gevoelde hij een hevige benauwdheid op de borst en vreesde een aanval van beroerte te krijgen. Hij gebruikte veel mineraalwater en medicijnen, maar zonder gevolg. Iedereen vond, dat hij er uitstekend uitzag; zijn eetlust was goed, maar zijn nachtrust liet veel te wenschen over.
Hij kreeg 8 weken vacantie, ging dagelijks veel barrevoets (in 't gras of op natte steenen en in 't water tot onder de knieën), kreeg dagelijks 2 begietingen van het bovenlijf en 1 van de knieën, later halfbaden en zweetbaden. Toen zijn badkuur ten einde liep, beproefde hij 4 uren ver te wandelen; hij deed het zonder buitengewoon vermoeid te zijn. Hij gevoelde zich geheel hersteld en aanvaardde wederzijn beroepsbezigheden met lust en vreugde.
DUIZELIGHEID (bij een grijsaard).
Een heer van 74 jaren verhaalt: âIk heb dikwijls last van hevige duizelingen en daardoor drukt het hoofd mij zwaar; somtijds zijn mijn voeten heel koud en is het in het hoofd beter, dan is gewoonlijk het onderlijf niet in orde. Stoelgang heb ik nooit zonder laxeermiddelen. Naar aanleiding van uw werk âMijne Waterkuur' kwam ik vragen, of een zoo bejaard man als ik ook nog wateraanwendingen nemen kan; zoo niet, dan zal ik in mijn lot berusten, maar zoo ja, dan spring ik in 't koude water als een jonge man.quot; In 3 weken was de oude man zoo gezond, dat hij er spijt van had zijn zaak aan anderen te hebben overgedaan.
De aanwendingen waren de volgende: Isten dag: 'smorgens het bovenlijf met water en azijn wasschen en daarna een kniebegieting nemen; des avonds gedurende 14 minuten een warm voetbad met asch en zout. 2en dag 's morgens een begieting van het bovenlijf (niet meer dan 1 gieter) en terstond daarop gedurende 5 min. op natte steenen wandelen; 'snamiddags 1 koud zitbad van 1 minuut. 3en dag: 'smorgens 2 min. lang in het koude water gaan en terstond daarop de beide
191
armen geheel in 't water houden; 's namiddags een begieting van het bovenlijf en 's avonds een zitbad. 4en dag;'s morgens 3 min. lang tot aan de knieën in 't water loopen, onmiddellijk daarop 2 min. met de armen in het water; 's namiddags een rugbegieting. 5en dag: 'smorgens eenrugbegieting; quot;s namiddags een half bad van 1 min. Zóó werden de laatste strenge aanwendingen voortgezet â alle duizeligheid verdween, de stoelgang ging geregeld, de kwade gassen werden verdreven, de normale warmte over het geheele lichaam hersteld en zoo was de geheele machine in orde. De grijsaard begon er jeugdig en frisch uit te zien en werd opgeruimd van humeur. Wellicht zal het bevreemding wekken, dat voor dezen hoogbejaarden grijsaard slechts één warme aanwending werd voorgeschreven. De reden hiervan was, dat hij nog tamelijk sterk en volbloedig was, anders had hij, door van bed uit het geheele lichaam of met warm water en zout, öf met azijn en water te wasschen, zich hoogere natuurwarmte moeten verschaffen. Doch indien door deze warme afwassching de oude menschen hun normale warmte hebben teruggekregen en dan met een koude afwassching een proef gewaagd wordt, dan verlangen zij spoedig geen warm water meer en geven de voorkeur aan het koude, omdat de werking daarvan krachtiger en aangenamer is.
Een 78jarige priester werd zóó door duizelingen geplaagd, dat hij in het geheel niet meer naar boven kon zien en alleen op de wandeling niet veilig was. Hij was tamelijk zwaarlijvig. Op het eerste aanzien maakte hij den indruk, dat hij geen genoegzame natuurwarmte bezat, maar niettegenstaande dit alles, waardoor men van een waterkuur geen heil meer zou verwachten, begon hij er opvallend jong uit te zien. Hij was niet duizelig meer, had geen vrees meer om alleen te wandelen. Kortom de grijsaard werd gelijk aan een lamp, die opnieuw olie bekomen heeft.
Als een oud man dit leest, zal hij vragen, wat met hem geschied was. Het recept luidde: lsten dag een onderomslag van 1 Va uur, die in heet water met afgetrokken hooizaad gedoopt is; 's namiddags zich met warm water en azijn wasschen. 2en dag 's morgens een voetdampbad van 20 minuten; terstond daarop de knieën eventjes met koud water begieten; 's namiddags weder het geheele lichaam wasschen, zooals den eersten dag. 3en dag een hoofddampbad van 20 minuten; terstond daarop een begieting van het bovenlijf. 4on dag 's morgens een begieting van het onderlijf met koud water, onmiddellijk daarop de knieën begieten; 's namiddags gedurende P/a uur een nat hemd dragen. 5en dag in de vroegte een warm voetbad met
192
asch en zout; 'snamiddags een begieting van het bovenlijf en van de knieën.
Van dezen tijd af moest het water steeds kouder zijn en de aanwendingen waren: vóór den middag den eenen dag begieting van het onderlijf, den anderen dag van de knieën, 2 uren later in 't water loopen en de armen in 't water houden ; 's namiddags alleen begieting van het bovenlichaam. Zóó moest hij 6 dagen lang volhouden en toen was het genoeg om 1 of 2 maal in de week, van bed uit, het geheele lichaam te wasschen.
Tehuis zette hij de kuur voort en daartoe moest hij 2 maal in de week in het koude water wandelen en een armbad nemen. Nog werd hem 1 zitbad in de week voorgeschreven, waartoe hij ook warm water gebruiken kon âvoor inwendig gebruik was thee van venkel, duizendblad en salie bestemd.
GEELZUCHT.
De galblaas ligt in den lever en van daar uit vloeit de gal door 2 kanalen. In deze kanalen kunnen zich van den lever uit verhardingen vormen, die men galsteenen noemt; daardoor kan stoornis in het voortvloeien der gal ontstaan, maar ook door een val, stoot of sterken druk en dergelijke oorzaken, kan de gal door het bloed loopen â dan openbaart zich de geelzucht. Ook kan zij ontstaan na zware ziekten als typhus, sterke koorts enz.; maar ook de lever kan ziek zijn en tengevolge daarvan het bloed langzamerhand geheel worden vergiftigd. Komt nu de geelzucht uit ziekten of in de galkanalen voort, dan is dit dikwijls van weinig beteekenis; maar ligt de oorzaak in de ziekte van den lever, dan heeft zij vaak den dood ten gevolge. De eerste kenteekenen der geelzucht openbaren zich in het wit der oogen, dan in de huid zelve, in den stoelgang en de urine; de eetlust vermindert gewoonlijk en de smaak wijzigt zich. Is de lever gezond, dan kan deze ziekte gemakkelijk genezen worden. Voor inwendig gebruik is bijzonder aan te bevelen dagelijks 2 a 4 lepels alsemthee, of driemaal een halven lepel alsempoeder op 6 a 10 lepels warm water. Salie met alsemthee werkt uitstekend. Dagelijks 6 peperkorrels in het eten is eveneens een middel tot goede spijsvertering. Matigheid in eten en drinken verdient aanbeveling. De melk als voedingsmiddel is voortreffelijk.
De beste wateraanwendingen zijn 's wekelijks 2 a 3 maal een korte omslag en, van bed uit, het geheele lichaam wasschen; de gele kleur handhaaft zich nog weken lang, maar behoeft voor geen gevaar te doen vreezen. G-elijk men uit
193
een stof niet terstond de kleur verwijderen kan, zoo is het ook met de geelzucht, maar gaat de geheele kleur langzamerhand in bruin of zwart over. neemt de eetlust af en de prikkeling in de huid toe, vermagert daarbij de patiënt, dan kan men met het volste recht vreezen, dat de lever ongeneeslijk is en er verharding of kanker in de lever, of een dergelijke ziekte uit ontstaan zal. Tegen zieke levers en geelzucht verdient biizondere aanbeveling, iederen morgen en avond een kop melk te drinken, waarin 1 lepel koolstof met suiker vermengd is.
GEMOEDSLIJDEN.
âSedert verscheidene jaren lijd ik aan ontstemming van het gemoed, hoofdpijn, krampachtige aangezichtspijnen, veel rheumatiek, veel zweeteh over het geheele lichaam. Vele ge-neesheeren behandelden mij, maar te vergeefs.quot;
In 14 dagen was aan dezen treurigen toestand een einde gemaakt en om het lichaam te sterken en te harden voor de toekomst, was één half bad en één geheele wassching in de week voldoende.
⢠De aanwendingen van de eerste 14 dagen waren: 1) wekelijks 2 maal een hemd aandoen, in zout water gedoopt, om de ziektestoffen te verwijderen. 2) 2 maal in de week 1 half bad om het onderlijf te versterken. 3) 3 maal in de week een geheele wassching om het lichaam op te wekken en levendiger te maken.
âIk kom uwe hulp inroepen voor een persoon, die een zielsziekte heeft. Een vrouw van 38 jaar heeft geen lust om iets te doen en kan dat ook niet. Zij is droefgeestig en bekommert zich niet meer om haar man en het geheele huishouden; zij lijdt een treurig leven. Zoo zij kan, ontvlucht zij een ieder en gaat niet meer uit. Zij is al tamelijk mager geworden en de ingenomen medicijnen bleven zonder uitwerking.quot;
Behandeling: 1) lederen avond moet men de zieke, als zij te bed ligt en warm geworden is, het geheele lichaam met water en azijn wasschen. 2) Alle dagen geve men haar 2 maal een warm bad met asch en zout, en dat gedurende 14 minuten. 3) 2 maal daags 20 alsemdroppels in water gebruiken. Na 3 weken was de ziektetoestand redelijk goed. Zij werd nu verder behandeld als volgt: 1) 2 korte omslagen in de week. 2) 2 maal in de week een geheele wassching. 14 dagen later moest zij slechts 1 maal in de week een geheele wassching doen en 8 tot 5 maal in de week barrevoets in 't water gaan.
194
GRAVEEL EN STEEN. (1)
Het komt vaak voor, dat er in blaas en nieren graveel en steen wordt gevormd. Die dergelijke lijders gezien heeft, of zulk lijden zelf heeft verduurd, kent er de verschrikkelijke smarten van. De genezing is volkomen en niet pijnlijk; zij is gemakkelijk en goed.
Hier bekleeden de haverstroobaden de eerste plaats. Men neme haverstroo (die dit niet kan krijgen, neme schaafstroo of zuur paardehooi), dat ^ uur lang in warm water is afgetrokken en giete het aftreksel in een warm bad van ongeveer 30° R. De zieke blijft 1 uur in het bad en als hij er uitkomt, moet hij zich dadelijk flink met koud water afwasschen om te voorkomen, dat hij al te slap wordt. Deze baden kunnen 3 maal in de week genomen worden. Daarenboven kunnen wekelijks 2 a 3 korte omslagen, of in plaats daarvan natte compressen op de pijnlijke deelen, (een linnen doek in vieren of zessen gevouwen en daarover zooals gewoonlijk een deken om de lucht af te sluiten) goede diensten bewijzen. Deze beide aanwendingen moeten natuurlijk in bed genomen worden. Zij lossen de graveelsteenen in blaas en nieren op en ver: wijderen ze. Doch het is juist bij deze ziekte, dat men de thee niet vergeten moet. Eerst is de haverthee (2) aan de beurt. Men laat de haver Va uur trekken en van dat mengsel drinke men 2 koppen daags. Thee van haverstroo werkt nog beter en wordt op dezelfde wijze klaar gemaakt. Schaaf-stroothee wordt door geen andere overtroffen. Ook noem ik de rozebottels, die ook op warm water gezet een heilzame thee verschaffen; zij moet echter langen tijd gedronken worden. De ondervinding leerde mij, dat deze thee een verdere steenvorming voorkwam.
Bovengenoemde aanwendingen kunnen 2 a 3 maal in de week worden genomen, zooals is aangegeven; de volgende 3 a 4 weken neme men de helft dier aanwendingen.
Een heer, die mijne aanwijzingen gevolgd had, verklaarde dat hij verscheidene duizenden kleine steenen binnen eenige weken was kwijtgeraakt.
Een andere heer leed zoo hevig aan graveel en steen, dat de scherpe zouten tot zelfs in de voeten doordrongen, waar een groote menigte zweertjes ontstonden. Bij tijden gevoelde het geheele lichaam een jeuking, kitteling en steking, die
(]) Zie; âSteenquot; en âDarmziekte (steen).quot;
2) Ik geef 4 soorten aan; een ieder zal over minstens één dezer soorten kunnen beschikken.
195
hoogst onaangenaam was. De patiënt nam 30 baden in het jaar, den Spaanschen mantel 2 maal in de week, en ook bovengenoemde theesoorten â hetgeen zijn smartvol lijden volkomen genas.
Ten slotte nog een woord tot het jonge geslacht, dat het oude zoo gaarne verwerpt, omdat het oud en op vooroordeel, onwetendheid of bijgeloof geschoeid is â zóó denken zij er ten minste over â en dat gretig en haastig naar al wat nieuw is streeft en grijpt.
De Schepper heeft in Zijn goedheid en wijsheid voorzien in alle kwalen â zoo vele in soort en getal, zoo vreeslijk en smartvol tevens â daaronder moet ook dit lijden gerangschikt worden. Op de geheele aarde laat Hij verschillende planten en plantjes groeien, die smarten lenigen, kwalen beteren en genezen kunnen. De menschen zijn wel is waar wetenschappelijk vooruitgegaan (maar is dit wel vooruitgang?) en hebben de namen van vele geneeskracht bezittende plantjes in de phar-macopea (verzameling van voorschriften ter artsenijbereiding) doorgehaald als âonwetenschappelijk en verouderd', maar de Schepper in Zijne oneindige wijsheid laat nog alle jaren elk plantje met zijn eigen naam in het groote boek der natuur voorkomen. Hij heeft er nog geen enkele doorgehaald, geen struik, geen blad daarvan. Zij groeien en bloeien nog steeds om den menschen vreugde en genezing aan te brengen. Wie heeft gelijk? Merkwaardig is het, dat elk dier, vooral het wilde dier, door instinkt gedreven aan de inzichten van den Heer en Meester beantwoordt. Door dat instinkt, door dien inwendigen drang der natuur geleid, weet het voor elke kwaal, voor elke wonde een heilzaam kruid te vinden. Onze voorouders en velen, die dra ten grave zullen dalen en wier denkbeelden uit de mode zijn geraakt deden evenzoo.
Ik juich den vooruitgang op wetenschappelijk gebied toe en verheug mij er in. Maar veel wordt er met de vlag âvooruitgangquot; gedekt, dat waarlijk dien naam niet verdient.
Mijn boekske is in de eerste plaats geschreven voor armen en zieken, die te platten lande wonen en ik zeg hun; Dankt den Schepper voor deze goede, beste gaven en benijdt de anderen, de rijken niet!
Houdt u stil bij uwe onschuldige plantenmiddelen! Zij mogen in- of uitwendig genomen worden, schaden zullen zij u niet, daar kunt ge van op aan (zelfs al hebt ge in enkele gevallen niet de goede keuze gedaan). Laat de rijken hunne minerale wateren en vergiften behouden, zij zullen van schoonklinkende namen en algemeen gebruik niet beter worden!
Het zou mij leed doen, als ook gij Gods gaven versmaden
196
zoudt en de heilzame planten, die de. Heer vóór uw huis, op het veld, op de weide laat groeien, met voeten traadt. Hoe goed of ik het ook met u meen, ik zou u dan niet kunnen en willen helpen.
HARTKWAAL.
In onze zenuwachtige eeuw gaan ontelbare menschen voor zenuw-, maag- en hartlijders door; het hart, de maag en de zenuwen, dat zijn de zondebokken, die voor alle schuld moeten voldoen. Iemand is 20, 30 jaar gezond geweest en nooit heeft hij gevoeld, waar zijn hart klopte; hij begint ziekelijk te worden en nu heet zijn ziekte een hartkwaal, en misschien wel een organische en onheelbare hartkwaal. Goed-koope uitvluchten! Over ontelbare van zulke gevallen ben ik geraadpleegd, maar tot nu toe heeft de ondervinding mij geleerd, dat vele zoogenaamde hartkwalen â het mocht aan de klep, de aderen of aan iets anders liggen â in het geheel geen hartkwalen zijn. Van de honderd, die met een zoogenaamde hartkwaal bij mij kwamen, waren er opvallend weinig, die er werkelijk mee behept waren. Het hart behoorde tot de gezondste organen, maar het is waar, er werkten invloeden op, die het voor het oogenblik deden lijden. De gezondste kat zal schreeuwen, als ze in den staart geknepen wordt; het beste uurwerk zal niet meer loopen, als ik er'de gewichten afneem, en een dwaasheid zou het zijn te zeggen: het uurwerk deugt niet. De schoonste fluit is van geen waarde, wanneer ik de kleppen vastbind of verroesten laat; zoo kan het gezondste hart in zijn werking belemmerd of gestoord worden, als ergens een vijand in het lichaam schuilt, die het om zoo te zeggen de keel toesnoert. Dezen vijand moet men opsporen, men moet de een of andere stoornis in het lichaam wegnemen en geen spoor zal meer te vinden zijn van een hartkwaal. Ik word altijd een weinig toornig, wanneer men van niets anders spreekt dan van hartkwaal, hartkwaal! Men maakt de zieken zonder reden beangst en nog zenuwachtiger, dan ze reeds zijn.
Een man, in de kracht zijns levens, klaagde: âIk heb volgens de geneesheeren een hartkwaal; het zet zich te veel uit.quot; Ik onderzocht naauwkeurig of hij ooit ziek geweest was; dit ontkende hij, maar na eenig nadenken voegde hij eraan toe: âIk heb uitslag aan het eene been onder de knie.quot; Dat was mij genoeg. Het krachtig gestel van den man had zich, om het zoo te noemen, met de wonde een kanaal gegraven, waardoor alle ziektestoffen uit het lichaam werden afgevoerd. Mijn eenigste taak was, de natuur te helpen, opdat zij zoo
197
spoedig mogelijk alle kwade stoffen kon uitwerpen. Op het hart werd niet gewerkt. De zieke zeide nog : âzoo dikwijls de uitslag heviger is, gevoel ik in de hartsteek de drukking niet, maar als de uitslag geheel of voor een groot gedeelte verdwijnt dan heb ik altijd last van hevige hartkloppingen.quot; Dit alles was koren op mijn molen. De man verkreeg wekelijks 2 korte omslagen, 1 onderomslag, 1 Spaanschen mantel en 1 voetdampbad. Werd door den Spaanschen mantel op het geheele lichaam oplossend en afscheidend gewerkt, de korte omslag kreeg vooral het onderlijf voor zijn deel. De onderomslag voltooide het werk van den korten omslag en het voetdampbad trok nog sterker de ziektestof naar beneden (indien zij nog mocht voorhanden zijn). In ongeveer 3 weken scheidde het lichaam veel en naar ik hoop alle ongezonde stoffen af. Van een hartkwaal was geen sprake meer. En als nu voor en na de genezing van het zieke lichaam geen spoor van hartkwaal te vinden was, mag en kan ik dan niet met alle recht beweren, dat de zieke er nooit aan geleden heeft ?
's Avonds om 10 uur werd ik bij een huisvrouw geroepen, die niet meer spreken kon, zóó werd haar ademhaling belemmerd. De hartslag was zóó sterk, dat de beddedeken er van bewoog en op eenigen afstand het kloppen duidelijk gehoord kon worden. Zij had een zoeten smaak in den mond en zelve dacht zij aan een bloedspuwinig te zullen sterven, te meer, omdat ook haar moeder hetzelfde jaar nog daaraan overleden was. De geneesheer, die haar behandelde, verklaarde dat het hier een gecompliceerd geval was, maar een hartkwaal de hoofdrol speelde. Handen en voeten waren erg koud en voortdurend had zij neiging tot hoesten.
Handen koud, voeten koud, buitengewoon sterke hartslag, wat beteekent dit ? Het kan niet anders of het bloed moet van de uiterste deelen naar zijn bron â het hart â zijn teruggevloeid. Het zoekt weer een uitweg ; vandaar dat kloppen en hameren, alsof kleppen en deuren der hartkamer moesten verbrijzeld worden. Gij hebt wel eens gezien hoe het water, wanneer het bij een slagregen naar ééne plaats stroomf, en geen uitweg meer vinden kan, zich met onstuimig geweld baanbreken wil.
De geweldige hartslag der vrouw werd binnen 5 min. belangrijk gematigd, doordat een dubbel gevouwen natte handdoek op den buik gelegd werd. Daarheen stroomde het bloed dat zich als een kind aan de hand laat leiden. Na 10 min. was de hartslag geregeld en rustig, en het hart, waarin het hoofdgebrek der ziekte zetelde, mankeerde niets meer.
Verder nam de kranke den lsten dag: 2 wasschingen van
198
het gelieele lichaam in bed ; den a11011 dag den Spaanschen mantel; den 3en dag een hoofddampbad; den 4en dag een voetdampbad. In deze volgorde werden de aanwendingen een tijdlang voortgezet. Het onderlijf, dat het minst naar reden wilde luisteren, was de hoofdmisdadiger en bij den hevigen aanval op genoemden avond, de belhamel en stokebrand geweest. Maar ook bij haar werd het vuur door middel van het water gekoeld en alles was weder in orde, vooral het hart, dat voor zoover ik weet, later nooit meer iets gemankeerd heeft.
Een voornaam heer was reeds vele jaren ziek en kon slechts met moeite zijne beroepsplichten vervullen. Een buitengewone angstigheid vermeerderde ziin pijnen. Het kleinste onverwachte voorval bezorgde hem hartklopping, zenuwachtigheid en vrees ; zijn omgeving moest zeer voorzichtig zijn in mededeelingen van nieuwstijdingen; lief en leed verstoorden den hartslag, 's Zomers en s' winters moest de kachel aan zijn en het vertrek zorgvuldig op een bepaalden warmtegraad worden gehouden. De beroemdste geneesheeren worden geraadpleegd en in het consult kwamen zij daarin overeen, dat de patiënt behalve een ontsteking van long en lever, en aambeien, een organische hartkwaal had, die wel met een hartberoerte zou eindigen.
De heer stierf inderdaad. Wegens zijn zeldzame ziekte, werd het lichaam geopend en wat vond men ? Dat long, lever en hart tot de gezondste organen behoorden, dat zich om het hart en op de borst een laag vet had gevormd. Hij stierf dus eigenlijk aan bloedarmoede. Zijn bloed werd dun. daar het overging in vet en spieren. Een geneesheer, die daarbij tegenwoordig was, heeft het mij zelf verhaald en hij voegde er bij ; âdit is weer één der gevallen, waarbij de wetenschap bedrogen uitkomt!quot;
Een meisje klaagt; âzoo dikwijls ik hard loop, voor iets schrik of bevreesd ben, of zoo dikwerf een ongeluk verhaald wordt, gevoel ik steeds een hevige benauwdheid in de hartstreek en het hart klopt zoo geweldig, dat ik vrees plotseling te zullen sterven. Daarbij worden handen en voeten koud en het hart hevig warm. Ik heb een hartkwaal, zooals twee geneesheeren mij verzekerden.quot; Natuurlijk een hartkwaal! wat zou het anders zijn ?
Hoe zonneklaar is hier alles; als een kind vóór de huisdeur zit en een grooten houd ziet aankomen, dan schreeuwt het, springt op en vliegt verschrikt naar binnen en roept: moeder moeder ! En als het arme hart voor het een of ander schrikt, dan schudt, en bonst, en klopt het hevig, en het bloed vlucht van de huisdeuren, namelijk de uitterste deelen des lichaams, naar binnen, naar het hart; en dit klopt dan nog geweldiger,
199
zoodat men zijn kreten op verren afstand hooren kan. Is dit zóó te verwonderen ? Waar is hier de hartkwaal ?
Het meisje moet eerst alle noodelooze en schadelijke kleedij afleggen en dan met zachte hardingsmiddelen beginnen. Het teeder schaap zal dan niet meer voor het blaffen van lederen hond en het fluiten van iedere locomotief bang worden. 3 maal daags 1 minuut lang tot boven de kuiten in het koude water staan en even dikwijls de geheele armen in het water houden, zijn uitstekende middelen om haar sterker te maken. Mocht liet haar te koud zijn. dan moet ze er haar adem maar een beetje over laten gaan. Probatum est! Deze oefeningen duren ééne week. Dan kan ze zich 3 maal in de week, 's nachts met koud water, het geheele lichaam wasschen en 1 maal gedurende een halve minuut tot onder de armen in het water loopen, terwijl zij het bovenlijf flink afwascht. Met deze aanwendingen gaat de tweede week voorbij.
In de derde en vierde week moet zij zich dagelijks 2 begietingen van het boven- en onderlijf laten geven en daarop zicli door beweging of arbeid verwarmen. In 6 weken is het meisje gezond en alle vrees voor hartkwaal wegge-wasschen.
Een jonge dame komt bij mij om raad; zij verhaalt: âIk heb no. 1 gehaald op het examen voor onderwijzeres in de muziek en 6 jaar lang heb ik muziekonderricht genoten in een pensionaat van ⢠Eerwaarde Zusters. Thans heb ik veel last van ziékte in 't hoofd, zoodat ik bijna geen muziekinstrument meer hooren kan; geen orgel, piano of viool. Zelfs van de altaarschellen krijg ik steken in het hoofd. De dokters noemen het een zenuwziekte en hartkwaal. Gezond werd ik in het klooster opgenomen; ik ben thans ongeschikt voor eenige betrekking en daardoor broodeloos, en lijd onuitsprekelijke smarten naar lichaam en ziel.quot;
Ik antwoordde haar: âU kan ik niet helpen, ga ergens anders hulp zoekenquot;. Op haar vraag, waarom ik zulk een hard antwoord gaf, antwoordde ik rondweg: âGij zult als een stadsche dame, die de hoogere studie heeft gevolgd en op de hoogte is van talen en muziek, toch niet doen, wat ik voorschrijfquot;. Beslist hernam zij : âOm gezond te worden,, wil ik alles doen, wat ge verlangtquot; en zij heeft woord gehouden. Ik stuurde haar 10 dagen lang â het was in de maand Maart â met een vrouwelijke dienstbode naar de weide; daar moest zij barrevoets loopen. Om haar langzamerhand aan het koude water te gewennen, bèkwam zij dagelijks een warm voetbad en een begieting van het bovenlijf. In plaats van het warme voetbad te gebruiken, knielde zij dagelijks tot aan de maag-
200
streek in het koude water. Zoover hare krachten het veroorloofden, deed zij om zich beter te bewegen aan den veldarbeid mee. Na 10 dagen keerde de dame naar eenen weldoener terug, die haar de studiën mogelijk gemaakt en de waterkuur aangeraden had. Zij zette alle oefeningen en met lust en vreugde den haar lief geworden huis- en veldarbeid voort. In plaats van strijkstok, piano en orgeltoetsen hanteerde zij spade, hark en hooivork. Naarmate het lichaam sterker werd, verdwenen ook zenuwziekte en hartkwaal met al den aankleve van dien. Na 4 maanden was zij volkomen hersteld en had zij de gezondheid harer jeugd teruggekregen.
Een student in de godgeleerdheid kwam mij vragen, wat hij beginnen zou, want hij was in 't geheel niet goed in orde en volgens de geneesheeren had hij o.a. een hartkwaal. Hij zou zoo gaarne priester geworden zijn, maar met zooveel hoofdpijn, hartklopping en daarmee verbonden benauwdheid en angstigheid, gevoelde hij zich niet in staat de studie voort te zetten. Alles wat hij zag en hoorde, kwam hem slechts als schijn voor. Ik ried hem aan, zijn lichaam op verstandige wijze te harden ; dit zou hem geen schade doen, want hij was sterk gebouwd. Later kon hij een betrekking kiezen, die hem het best beviel. Binnen weinige weken kon hij zijn studiën voortzetten, werd na 2 jaar priester en onder zijne klasse-genooten waren er maar weinigen, die hem in kracht en gezondheid overtroffen. lederen morgen ginghij barrevoets in den morgendauw en stond dagelijks tot aan de maagstreek in het water, terwijl hij het bovenlijf waschte. Belette hem de regen zijn geliefkoosde wandeling in het woud te doen, dan zocht hij quot;beweging in lichten arbeid. Om zich te sterken gebruikte hij later ééns, dikwijls 2 maal per dag, een begieting van het bovenlichaam, afgewisseld door halfbaden. Met de toenemende sterkte van zijn gestel, namen hoofdpijn en hartkwaal af.
HEESCHHEID.
Een 11-jarig meisje had al verscheidene maanden lang haar stem verloren ; zij kon zich slechts met groote moeite op een krassende wijze verstaanbaar maken. De kleur was erg bleek, de oogen blauwachtig, en daar kwam een hooge mate van ver magering en verval van krachten bij. De warmte was uit het lichaam als verdwenen en behalve wat bier en wijn, gebruikte zij niets.
Dit meisje was binnen 2 maanden geheel genezen en versterkt, en wel met de volgende aanwendingen; 1) 2 a 4 maal per dag barrevoets in het gras loopen; 2) 3 a 4 maal in de
201
week een omsltigdoek dragen; 3) 4 maal in de week een zitbad ; 4) de laatste 3 weken 3 maal in de week, als het warm was, een bad nemen in water, dat aan de zon is blootgesteld geweest.
Zij mocht uit den gewonen daagschen pot meeëten en vooral melk drinken (alle uren een lepel vóór of na den middag). Naar ik later vernam was het meisje flink en gezond.
Een geestelijke leed aan heeschheid en dat steeds van October tot Mei. Hij beproefde alles, vroeg raad aan verscheidene dokters, maar vond geen genezing daarbij. Zijn kwaal bleef 14 jaren aanhouden. Eindelijk kwam hij bij mij en in een buitengewoon kort tijdsverloop was hij weer gezond.
De patiënt moest alle dagen tot aan de knieën in 't water staan en er gelijktijdig zijne handen in houden. Bovendien moest hij geheele wasschingen nemen, meestal bij het opstaan, of 's nachts als hij wakker werd. In 12 dagen was hij van de kwaal, die jarenlang geduurd had, geheel hersteld en sedert 16 jaren heeft hij er geen hinder meer van. Wel een bewijs, dat het water volkomen genezen kan.
HERSENEN, (ontsteking der)
Waar een ontsteking plaats heeft, daar loopt door alle aderen het bloed heen. Het stroomt de warmte te gemoet en verlaat de lichaamsdeelen, die het verst van de plaats dei-ontsteking verwijderd zijn. Bij een hersenontsteking moet het bloed eerst naar die deelen gevoerd worden; maar op de plaats van ontsteking moet tevens de hitte worden afgeleid. De aanwendingen zijn de volgende: De voeten moeten tot de knieën gewikkeld worden in doeken, in water en azijn gedoopt. Als ze zeer koud zijn, doope men den doek eerst in warm water. Zijn doeken aan de voeten na ongeveer een half of geheel uur goed warm geworden, dan moeten zij opnieuw worden natgemaakt en aangelegd. De handen moeten op dezelfde wijze, minstens tot aan de ellebogen, worden ingewikkeld. Daarna kan een onderomslag genomen worden, die na 8 kwartier weer in koud water moet worden gedoopt. Blijft de hitte aanhouden, dan ga men daarmee voort. Om de warmte in het hooid sterk te doen verminderen, kan men een in tweeën gevouwen stuk grof linnen in het water doopen en op den buik leggen; daardoor zal het bloed meer naar het onderlijf vloeien. Op het voorhoofd legt men een lap, die ieder half uur opnieuw wordt natgemaakt. Beter nog werkt een halsomslag of omslagdoek, maar, zonder dat beide opnieuw worden natgemaakt, mogen zij niet langer dan 3 kwartier blijven liggen. Deze aanwendingen, afwisselend toegepast, zullen de
14
202
ontsteking beletten te verergeren en alles zal spoedig een omkeer hebben. Voor inwendig gebruik is niets beter dan koud water, doch nimmer veel tegelijk, maar hoogstens, en dan dikwijls, 1 a 2 lepels water. In plaats van water -kan men ook een aftreksel van foenum graecum nemen.
HEUPJICHT (Ischias).
Een ambtenaar leed langer dan 3 maanden aan hevige pijnen in het linker dijbeen tot aan de enkels. Hij had er al het mogelijke voor gedaan; ten laatste werden hem âwarmhouden en rustquot; voorgeschreven, als zijnde de eenige middelen om te genezen. De man zocht nu zijne pijnlijke plaatsen te verwarmen door warme doeken en warme kussens, en eindigde nog met warme baden, zoo warm als hij ze verdragen kon. Maar de pijnen namen toe en de krachten zichbaar af; hij verloor 50 pond aan gewicht en kon zelden langer dan 1 uur slapen. Eindelijk besloot hij moedig om het koude water, het zóó gevreesde middel, aan te wenden.
Hij kreeg alle dagen 2 of 3 aanwendingen: 1) vóór den middag een rugbegieting; 2) na den middag een begieting van het bovenlijf. Den tweeden dag 's morgens een begieting van liet bovenlijf en 's middags een rugbegieting. Om de 2 of 3 dagen een halfbad. Tegelijkertijd moest hij ook barrevoets gaan om zich te harden.
Reeds na de eerste begieting kon de patiënt 's nachts 4 uur slapen, waarin hij steeds vooruitging; hij kreeg betere selaatskleur en meer eetlust. Na 4 weken was zijne ziekte onbeduidend en in 6 weken was hij geheel hersteld.
Een professor uit Hongarije leed al 7 jaar aan heupjicht en had reeds verscheidene badplaatsen bezocht, als: Ofen. Teplitz, Heviz en andere, doch zonder gevolg; ook gebruikte hij dampbaden. Hij had al 2 jaar aan slapeloosheid geleden; dé eetlust was goed, de stoelgang gering; hij had echter last van winden en het hoofd drukte hem zwaar, vooral in de vroegte. De zieke was vooral gevoelig voor temperatuursverandering en gevoelde een aanhoudende koude in het geheele lichaam, terwijl hij al drie jaar gewoon was âJaegerwolquot; te dragen. Verder was zijne huid met kwalijk riekend zweet bedekt en had hij altijd natte handen.
Ik schreef hem voor; alle nachten een geheele wassching; vóór den middag een begieting van het bovenlijf; na den middag een begieting van den rug; om den anderen dag 1 halfbad; kniebegietingen en ook zitbaden tegen de obstructie.
In 24 dagen was hij volkomen genezen. Na den vierden
203
dag werd de slaap rustiger, hij sliep den geheelen nacht en bleef dat altijd doen. De langdurige ischiaskwaal is geheel geweken en de huid weer normaal. De man is overgelukkig.
Over zijne tegenwoordige kleeding laat hij zich uit als volgt: âIk draag zulke dunne kleêren (ook bij koele regenachtige â dagen) als iemand in het midden van den zomer aan heeft. Ik ben in 't geheel niet meer vatbaar voor invloeden van het weer, draag linnen hemd en dunne kousen, gevoel mij daarbij zoo warm, dat mij dit alles als een wonder toeschijnt.quot;
HOOFDPIJN (1).
Een heer uit den hoogeren stand had een bijzonder soort van hoofdpijn; die kreeg hij geregeld eiken morgen om 7 uur en duurde tot zonsondergang. Deze kwaal was zóó pijnlijk, dat hij niets kon lezen, zelfs niet wat geen inspanning ver-eischte, en onbekwaam was om zelf zijn schrijfwerk te doen. 's Nachts leed hij niet liet minst, ten ware hij zijn geest overspannen had. De pijnlijke plaats bevond zich voor aan het voorhoofd eu had de grootte van een rijksdaalder. Het hoofd werd niet alleen pijnlijk aangedaan, maar ook het geheele lichaam, zoodat de heer zichtbaar vermagerde, en met zijn gezonde gelaatskleur verdwenen ook zijn krachten.
De beroemdste dokters werden geraadpleegd en een badinrichting bezocht, maar alles zonder merkbaar resultaat. Om het uiterste te beproeven zonden de dokters hem naar Méran en van daar keerde hij, gelukkig geheel hersteld naar het scheen, bij zijne familie terug, die hem met blijdschap en vreugde over zijne genezing begroette. Doch den volgenden morgen, juist om 7 uur, kwam de oude, onwelkome gast terug-en vatte post op dezelfde plaats als vroeger. Een kreet van ach en wee weergalmde door het geheele huis en goede raad was duur. Zijne vrienden herinnerden hem wederom aan het water en ten laatste besloot men het nogmaals te probeeren. Hij zag er echt ziekelijk uit en was buitengewoon mager. Hij schilderde mij zijn lijden en besloot met de opmerking, dat hij zelden zonder catarrhe en bijna nooit warm was. Alles schreef men toe aan een ongeluk, dat hem voor vele jaren overkomen vas. âHoe dit zij,quot; zoo besloot de oude heer, âgij kent nu mijn toestand, wil mij genezen.quot;
Zijn ziekelijk uitzien, de weinige natuurwarmte, de vatbaarheid bij temperatuurverandering, het mager worden â al deze verschijnselen waren mij als zoovele getuigen, die niet
(1) Zie âZeniuvhoofdpijnquot;.
204
de pijnlijke plek aan het hoofd, maar het geheele ziekelijke gestel, het geheel verzwakte lichaam beschuldigden. Daarnaar richtte ik mijn handelwijze. Ik werkte op het geheele gestel en keurde het hoofd geen enkele aanwending waardig. De eenvoudige hardingsmiddelen en eenige wasschingen, zooals ze in het lste deel beschreven zijn, brachten genezing aan, en een gelijkmatig uitzweeten der huid, een normale bloedsomloop, een goede spijsvertering en daarmee de verhooging der natuurlijke warmte, een uitmuntende gelaatskleur en een volkomen gezondheid werden verkregen. Het is altijd de oude geschiedenis en toch kan zij niet genoeg herhaald worden.
Hoe juist mijn oordeel over de hoofdpijnen was, bewees de uitkomst. In ongeveer 6 weken verheugde zich het geheele lichaam in den besten welstand en het klokje van zevenen bracht nooit meer de zoo gevreesde pijnen in het voorhoofd mee. Deze waren door het water genezen tegelijk met het geheele lichaam.
ANDER GEVAL.
âSinds 6 a 7 jaar,quot; sprak een heer, âlijd ik weken lang aan hoofdpijn, die mij de vervulling mijner beroepsplichten moeilijk en dikwijls onmogelijk maakt. Dikwerf heb ik allen moed en levenslust verloren. Het hoofd drukt mij zwaar en het is alsof er iets in een vocht ronddrijft. Elke schrede, die ik doe, baart nieuwe smarten. Als ik onder het wandelen of arbeiden warm word, dan is het alsof ik dronken ben. Reeds 8 maal heb ik nierenpystor gehad; 12 dokters heb ik over mijn pijn in den rug geraadpleegd, maar zij weten niet wat het is, slechts één heeft mij wat lafenis gebracht. Ik krijg pijn in de nieren, wanneer ik iets zuurs gegeten heb, of zich te veel gassen hebben opgehoopt. Wanneer ik op een lange wandeling warm word, lang zit of sta, dan heb ik terstond last van de pijn. Dan is mijn lichaam heet als vuur en terstond daarop zoo koud als ijs^ Des zomers heb ik altijd meer te lijden dan des winters. Vroeger had ik veel last van slaperigheid, maar ik was gezond, krachtig en goed gebouwd. Ik geloof, dat er bijna geen ongelukkiger mensch is, dan ik sedert 20 jaren ben. Ik ben al eens in Koenigstein geweest, daar vond ik wel leniging, maar geen genezing van pijn.quot;
De aanwendingen waren de volgende:
1) Dagelijks 2 maal begieting van het bovenlichaam, 1 maal in het koude water loopen en kniebegieting; 2) wekelijks 3 a 5 maal rugbegieting, dikwijls een zitbad, en vooral op het gras of op de steenen wandelen; 3) van tijd tot tijd 2 maal
805
per dag een kop thee drinken van jeneverbessen, rozebottels en schaafstroo. Binnen 4 weken was hij gezond en nu er een halfjaar verloopen is, kan men getuigen, dat hij ten volle gezond' is en vol levenskracht naar lichaam en geest.
Een man verhaalt: â Ik ben 35 jaar oud, heb voortdurend hoofdpijn en ben dikwijls zóó zwak, dat ik niet gaan of staan kan. In borst en rug gevoel ik meestal pijn, maar het pijnlijkst is de nek, waar ik voortdurend een krampachtig samentrekken der spieren ontwaar. Het is wonderbaar, hoe mij de haren uitvallen; als dat nog een halfjaar zoo doorgaat, dan groeit er geen haar op mijn hoofd. Mijne handen en voeten zijn meestal geheel koud en eetlust ken ik niet.quot;
Behandeling: 1) Een nat hemd aantrekken in zout water gedoopt; 2) 3 maal in de week 's nachts het lichaam was-schen; 3) 3 maal in de week een nat hemd aandoen; 4) dagelijks een hal ven theelepel wit poeder innemen.
Na 2 maanden- keerde hij terug en verklaarde, dat hij volkomen gezond was ; alleen bespeurde hij nog een weinig napijn, waar de smarten het ergst waren geweest. Hij had 10 pond aan gewicht gewonnen.
Twee heeren muzikanten hadden een en dezelfde ziekte : dikwijls hoofdpijn, die somtijds onuitstaanbaar was, korten en onrustigen slaap, congesties en duizelingen. Hunne voeten en handen waren ijskoud; zij waren ongeschikt voor hun beroep. Beiden waren meer dan 50 jaar oud.
Twee dagen lang gebruikten deze lotgenooten het volgende: eiken dag 2 maal begieting van het bovenlijf en de knieën; den eenen dag een halfbad, den anderen dag een rugbegieting; eenmaal in de week een hoofddampbad.
Na verloop van 12 dagen waren beiden hersteld en konden zij hunne beroepsplichten weder vervullen. Om hun gezondheid te onderhouden en in krachten vooruit te gaan is verder niets noodig dan dagelijks één hardingsoefening en 2 maal in de week een halfbad. Volgens later ingewonnen berichten bleef de beterschap aanhouden.
Een heer uit Hongarije komt met de volgende klacht: âMeer dan 1 jaar reeds ben ik ongeschikt voor mijn beroep, omdat ik aan hevige hoofdpijn en sterke duizelingen lijd. Mijn geheele lichaam jeukt en brandt, zoodat ik er vaak niet van slapen kan. Dientengevolge ben ik eenigszins zwaarmoedig en vreesachtig.quot;
Binnen weinige weken was hij volkomen genezen door de volgende waterkuur: 1) Begieting van het bovenlijf; terstond daarop barrevoets in het water loopen; 2) dagelijks 1 halfbad. In de tweede en derde week 3 maal een halfbad, dagelijks
206
begieting van bovenlijf en knieën; 3) voor later volbaden, begieting van het bovenlichaam en in het water loepen.
HYPOCHONDRIE.
Ik heb altijd veel medelijden met zwaarmoedigen en scrupu-lanten. âHij lijdt aan hypochondrie, hij is scrupuleusquot;, hoort men duizendmaal zeggen. Dit is een iaf gezegde zonder zin, waardoor men deze ongelukkigen bespot en op liefdelooze wijze onrecht aandoet. Juist deze zieken wekken medelijden en belangstelling. Ik vraag mij altijd af: Was deze melancholieke man (deze vraag geldt ook den scrupulant) wel ooit normaal? Is er een tijd geweest, dat ook hij verstandig denken en vlijtig werken kon ? Als ik een bevestigend antwoord ontvang, is het onredelijk van mij, te denken, dat hem niets mankeert, dat hij zulke dwaasheden uithaalt en zich zeiven en anderen louter voor eigen genoegen kwelt. Integendeel, ik moet tot de overtuiging geraken, dat die goede man een inwendige verandering heeft ondergaan naar lichaam of naar geest, d. w. z, ik moet uit zulke verschijnselen opmaken, dat hij zeer ziek is. Ik ga verder. Laat ons herstellen, wat er veranderd is en de lijders in den gezonden toestand terugbrengen, dan houdt alle hypochondrie vanzelf op. Het zijn dikwijls de geschiktste menschen, die te hard studeeren en in deze soort van zielsziekte vervallen. Zij krijgen het ineens; van het best gebouwde huis kan wel plotseling iets invallen.
Het is mijne meening, dat de kiem dezer ziekte evenals van alle geestes- en zielsziekten in het lichaam, in het zieke lichaam schuilt. Wanneer men van dit denkbeeld uitgaat, zal de zieke met goed gevolg behandeld worden. Bijgevolg moet men deze patiënten met nieuwe kracht bezielen, hun gestel sterken en alles, wat traag in hen is, tot lust en arbeid opwekken; in één woord, als de bloedsomloop opnieuw geregeld wordt, zal de zieke genezen.
Ik heb een man gekend met uitmuntende talenten. Lange, lange jaren leefde hij zoo gelukkig als iemand maar zijn kan; met lust en gemak werkte hij voor twee. Opeens werd hij melancholiek en zoo erg, dat hij zich niet meer om zijne beroepsbezigheden bekommerde, alles vreesde en schuwde en zich aan alle gezelschap onttrok. In plaats van hem te helpen en deelneming te betoonen, waar hij meer dan elk ander behoefte aan had, hoorde men elk uur van den dag met verachting zeggen: âJij bent hypochondrisch, men kan jou niet helpen!quot; Zou daar elk man niet zwaar onder gedrukt gaan?
Het was opvallend, dat de man reeds twee waterinrichtin-
207
gen bezocht had en zijn toestand daardoor verergerd was (dit vernam ik van hem zelf). De aanwendingen waren te raw, te hevig geweest; zij hadden er toe bijgedragen om dit half-gesloopte gebouw eerder af te breken dan op te bouwen.
Juist bij dit geval had ik weer de gelegenheid om zoo duidelijk mogelijk aan te toonen, hoe het water met de zachtste aanwending de beste en duurzaamste uitwerking heeft. Het is duidelijk, dat zulk een kwaal niet in een paar dagen genezen kan.
Die de gewone regels voor onderhoud van gezondheid en lichaam in acht neemt, (verstandige voeding, kleeding, luchten, ontspanning, zindelijkheid) zal geen last van deze noodlottige ziekte hebben.
De geschikstc wateraanwendingen bestaan in heele en gedeeltelijke wasschingen, baden (half baden), vooral zitbaden, korte omslagen en eindelijk volbaden.
Twee dingen moeten mij nog van het hart. Het is een ongeluk van onzen tegenwoordigen tijd. dat men zooveel sterken drank gebruikt en zelfs jongelieden zoo gemakkelijk het drinken van zwaren wijn aanleeren. Al deze dranken gieten olie op het vuur.
Het bloed en de sappen van ons tegenwoordig week geslacht kunnen dat goed niet verdragen. Laat ons sober en eenvoudig blijven en vele kwalen, die eigenlijk eerst in den âjongstenquot; tijd en door den âvooruitgangquot; op geneeskundig gebied op het tooneel traden, zullen gaandeweg weer achter de coulissen verdwijnen.
Als een andere ramp moet ik het beschouwen, dat zoovele menschen zich bijna uitsluitend met vleesch voeden; dat de voortreffelijke melk- en meelspijzen, welke de beste sappen en het minst scherpe bloed opleveren, zoozeer veracht en geschuwd worden. Dit is onnatuurlijk en kan geene goede gevolgen hebben. De Schepper heeft alleen aan roofdieren maag-en gebit gegeven, geschikt om uitsluitend vleesch te eten. Hij heeft den mensch, voor wien alles is geschapen, op het gebied van voeding niet zulke nauwe grenzen gesteld. Het zijn dwazen, die zóó handelen; zij gaan hun eigen verderf 'tegemoet.
INENTEN. (Kwade gevolgen van het)
Een boer uit Oud-Beieren verhaalt: âIk heb een kind in huis, waarvan het lichaam gezwollen is. De voeten zijn geheel dik. de buik heeft nog den gewonen omvang, hoofd en bovenlijf, alles is opgezwollen. Het kind is al 9 maanden ziek en
208
alle weken wordt het ellendiger. Het krijgt hier en daar kleine zweren', die spoedig opengaan, aanstonds weer genezen en dan door nieuwe op andere plaatsen gevolgd worden. Ik ben geweest, waar ik vermeende hulp te vinden; ik bezocht 8 geneesheeren in München en heb nog andere dokters ondervraagd en geraadpleegd, maar alles was vergeefsch.quot;
Ik gaf den boer den raad: laat ^ uur lang hooizaad koken, doop in het aftreksel een linnen hemd, dat gij goed uitgewrongen uw kind moet aandoen; dan wikkelt gij den kleine in een wollen deken, waarin ge hem l1,2 uur laat liggen. Zóó doet ge dagelijks 2 maal om de 3 dagen. Hot water, waarin ge zooveel mogelijk het hooizaad moet laten liggen, moet zóó warm zijn, dat liet kind er geen afschrik voor heeft en er gaarne 25 a 30 minuten in ligt.
⢠Na 14 dagen was het kind reeds tamelijk wel envroolijk; het begon weer goed te eten. Do verdere aanwendingen waren de volgende: Om de 3 dagen het kind op de genoemde wijze één uur lang inwikkelen en den volgenden dag een warm bad geven, dat door een vluchtigequot; koude afwassching gevolgd werd. 10 a 14 dagen werd deze kuur voortgezet en het kind was gezond.
Een heer vertelt: âIk was altijd gezond in mijn leven; toen voor 10 jaar bij ons de pokkenepidemie heerschte, liet ik mij inenten; de pokken kwamen niet op, doch waar ik op den rechterarm was ingeënt, bleef altijd een roode plek, waar ook later zich een beetje uitslag vertoonde. In de daaropvolgende 8 jaar bemerkte ik alleen, dat de ontsteking zich uitbreidde en nu na 10 jaar heb ik zooveel last van natten uitslag, dat ik geheele nachten wakker lig. Deze uitslag is nu eens erger aan den eenen arm of voet, dan eens aan den anderen. Ik heb er allerlei bijtende en giftige zalf op gesmeerd, vek-medicijnen ingenomen, doch alles zonder resultaat.quot;
Behandeling: Bloed en sappen zijn hier zonder twijfel bedorven en de natte uitslag is niets dan het uitvloeien van bedorven sappen; daarom moet op het geheele lichaam worden gewerkt om alle ziektestoffen op te lossen en af te scheiden.
1) 3 maal in de week het geheele lichaam des nachts van bed uit wasschen en zonder zich af te drogen weder in bed.'
2) Den uitslag dagelijks 2 a 3 maal met een aftreksel van foenum graecum goed uitwasschen. In plaats van gekookte foenum graecum zal één theelepel aloë op 1 liter heet water ook goed werken. 3) 2 maal in de week den Spaanschen mantel (gedurende 2 of 3 weken.) De daaropvolgende aanwendingen waren: iedere 8 of 14 dagen een warm bad, afgewisseld door een koud (zie lstc deel.) Het zou goed zijn
209
gedurende deze kuur dagelijks 2 a 3 lepels alsemthee te drinken.
JICHT (1).
Die in den liefst over het veld gaat, ziet de boeren hier en daar mest over het land spreiden. In den jongsten tijd heeft men hiervoor een methode uitgedacht, die lederen goeden landbouwer de gal doet jeuken en zijn bloed doet koken en bruisen. In plaats van zooals vroeger de voedende stoffen gelijkmatig over den hongerigen bodem te verdeelen, gooien zij, op goed geluk af, het eene gedeelte 2 a 3 porties toe, terwijl zij het andere een heel jaar laten vasten. Het heeft er veel van, of zij de mollen willen nadoen. Wat heeft het ten gevolge ? In de lente niets dan een warboel van te weelderigen plantengroei tengevolge der verkwisting en daarnaast armoedige en magere plantjes, die door onrechtvaardige en stiefmoederlijke behandeling niets in de schuur kunnen brengen.
Dit is een juist beeld van de jicht. Wat voor akker en weide de mest is, dat is voor den mensch het voedsel. Wat ongelijkheid heerscht er niet te dezen opzichte in de verschillende standen en lagen der maatschappij! Den een wordt het ieder dag en uur overvloedig toegeworpen, voor den ander is het jaar in jaar uit groote vasten. Het is geen 40-, maar een 365-daagsche. vasten. Wat is nu het gevolg als iemand zijn lichaam te veel voedsel geeft, zoodat de natuur het niet bergen, de organen het niet verwerken en verduwen kunnen ? De beenderen b.v. hebben zwavel en kalk noodig, en nu wordt in krachtige, sterk voedende spijzen zooveel bouwmateriaal aangevoerd, dat er wel voor 2 of 3 lichamen genoeg is. Wat volgt hieruit ? Dat zich op de eene plaats het dikke bloed ophoopt, op de andere plaats een moeras van slechte sappen ontstaat, en om de beenderen zand, puin, kalk en steen wordt opgestapeld.
De gewrichten worden dik en ontstoken, en het blijft een langdurige ontzettende kwaal, totdat deze kraakbeenachtige knoestige jichtknobbels, öf door de smart verteerd, of op eene andere wijze verwijderd worden, en zoo groot hun smart is, zoo weinig medelijden oogsten deze welgedane jichtlijders. Heel christelijk is het niet, maar het is dikwijls toch zeer verklaarbaar. De menschen zeggen: âhij heeft genoten; nu moet hij de gevolgen daarvan dragen.quot; intusschen kunnen ook arme menschen met jicht worden geplaagd, ja, zelfs de armsten.
(1) Zie âKheumatiek.quot;
210
Eenmaal vervoegde zich een arme en door en door werkzame knecht tot mij; hij had de jicht in den hevigsten graad. De oorzaak was, dat hij uit louter dienstijver de zorg voor zijn lichaam veronachtzaamde. Een gebarsten blaasbalg voert geen lucht naar de orgelpijpen, maar naar de gaten. Zwakke, half zieke organen arbeiden dikwijls aan gezwellen in plaats van aan het vleesch, aan den peesknoop in plaats van aan het been. Verder kan de reden zijn, al te groote overspanning, een koude vochtigheid e. a.
Jicht in den hoogsten graad foltert vele, jicht in minderen graad ontelbare menschen. Zij kwelt den een aan de teenen, den ander in het hoofd, velen aan handen en voeten, sommigen in het lichaam.
Eenvoudige, niet al te zwakke lieden, die gaarne gehoorzamen en niet kleinzeerig zijn, genees ik gaarne en dikwijls zeer gemakkelijk. Over podagralijders van boegen en voornamen stand vorm ik mij nooit illusies. Zij zijn een waar kruis voor mij en meestal met water niet te genezen, want zij zijn niet volgzaam, omdat zij onder het dubbel juk gebukt gaan van verweking en watervrees; overigens zijn zij evengoed te genezen als de andere jichtlijders.
Een aanzienlijk heer leed sedert 4 weken aan hevige pijn aan de voeten. Vrienden en bekenden noemden hem schertsend een nieuw lid van de broederschap der podagralijders. Ditmaal vond hij genezing door een zweetkuur. Doch na een jaar keerden de pijnen terug en hielden hem 12 weken aan het bed gekluisterd. Nu konden warmte en zweeten hem niets meer baten. Hij consulteerde mij en verklaarde alles te zullen doen wat verlangd werd, als hij deze onuitstaanbare ziekte maar niet terugkreeg. In weinige weken was de hoofd-kuur afgeloopen. Gelijk ongebluschte kalk door water verbrokkeld wordt, zoo werden de jichtknobbels onder de verschillende-wateraanwendingen als vermorzeld. Later herhaalde de patiënt van tijd tot tijd de een of andere aanwending en voor zoover ik weet, heeft hij er de laatste jaren niet meer van te lijden gehad. Wat de aanwendingen waren, blijkt uit de volgende gevallen:
Een priester zond iemand met de boodschap, dat zijne voeten heet waren als vuur, en geen raad wist wat te doen. [k ried hem hooizaad, in heet water gezwollen en daarna uitgeperst, op een linnen doek te leggen en den voet. midden in het hooizaad, goed in het linnen te wikkelen. Xa 2 uren moest hij het hooizaad opnieuw in het aftreksel doopen, uitpersen en aan den voet binden.
Of het hooizaad dezen keer lauw of koud was, kwam er
211
niet op aan. Zóó deed hij ook de volgende dagen. Na den eersten halven dag reeds waren de ergste pijnen voorbij, en na 2 of 3 dagen gevoelde hij in 't geheel niets meer.
Bij gebrek aan hooizaad kan men haverstroo nemen, ook dit is tegen deze kwaal een uitstekend middel. Men merke wel op, 'hoe ik tegen deze ziekte bij voorkeur met warme aanwendingen optreed. Ik moet hier waarschuwen voor zekere dwaling. Zoodra de zieke aan de voeten geen pijn meer gevoelt, meent hij natuurlijk reeds geheel genezen te zijn. Het zou een groote fout zijn thans minder zorgzaam te wezen. Op de voetomslagen moeten minstens eenige aanwendingen volgen op het geheele lichaam, om zoo mogelijk alle ziektestof daaruit te verwijderen. Gedurende de eerste 3 weken kan men hiertoe niet beter doen, dan 2 a 3 maal in de week, l1» of 2 uur lang, den Spaanschen mantel te dragen; de volgende maand neme men eenige warme baden van hooizaad of haverstroo met de drievoudige afwisseling (zie lst0 deel).
Een daglooner had hevig van jicht te lijden; hij ging 3 maal in de week in een zak, welke in warm aftreksel van haverstroo gedoopt was; vervolgens nam hij 2 maal in de week een bad van dennetakken op een temperatuur van 33 a 35 graden E. met drievoudige afwisseling; om den anderen nacht waschte hij zich, van bed uit, het geheele lichaam met koud water. Na 3 weken was hij tamelijk wel genezen, maar gebruikte toch gedurende eenigen tijd de eene week 2 maal den zak, de andere week het bovenbeschreven warme bad. Spoedig hervatte hij met vernieuwde kracht zijn arbeid, dien hij tot nu toe zonder stoornis voortzet.
Een putgraver toonde mij de jichtknobbels aan zijne vingers en teenen, die hem somtijds, gelijk hij verzekerde, vreeslijk konden martelen. Deze jicht vond in vochtigheid haar oorzaak. Om den anderen dag het bovengenoemde wanne bad en om de 3 a 4 dagen de warme zak heelden hem binnen korten tijd volkomen. De handen droeg hij des nachts in een doek met gezwollen hooizaad.
Een arme huisvader kreeg hevige prikkeling in zijne gewrichten. Of dit door de jicht of een andere kwaal veroorzaakt werd, wist hij niet te zeggen, maar wel, dat hij ontzettende smarten leed, die hem ongeschikt maakten voor zijn beroep. Het was-juist hooitijd. Ik ried hem aan naar zijn hooiberg te gaan, die juist aan het broeien was, daar in het heete hooi een kuil te maken en zich in het warme hooigraf te leggen en met het warme hooi zich zóó toe te dekken, dat slechts zijn hoofd er boven uitkwam. Hij deed het en zweette binnen een kwartier zóó erg, dat het geheele lichaam dreef. Zesmaal in 10
212
dagen nam hij zulk een hooibad en was volkomen genezen.
Ik zou dezen raad niet aan een ieder geven. Slechts diegene, die het zelf geprobeerd heeft, kent de geweldige kracht van zulk een hooibad. Verouderde, diep ingewortelde kwalen kunnen vaak door zulk een onschadelijk dampbad genezen worden. Volgens mijn bevinden zou hij het meeste baat bi] zulk een bad vinden, die onmiddellijk daarop fluks een koud halfbad nemen zou en tegelijk het bovenlijf zou wasschen. Dit laatste werkt ongemeen versterkend.
Dit alles is niet zoo dom en buitensporig, als menigeen denken zou. Dit beweren o.a. twee hooggeplaatste personen. Deze twee heeren herstelden na ongeveer 15 zulke baden zóó volkomen, dat het hun onbegrijpelijk voorkwam, hoe door zulke eenvoudige middelen, op zulk eene eenvoudige wijze, het geheele gestel als kon herschapen worden.
Ik vrees niet te beweren, dat krampachtige en rheumatische aandoeningen, die in lichten graad gewoonlijk overblijfselen eener zware ziekte zijn, gemakkelijk na 2 of 4 van zulke hooibaden volkomen zullen verdwijnen.
G-ij ziet, goede landbouwer, wat schatten gij in uw huis hebt'. Neem er eens de proef van! Wanneer gij 's zomers in den hooitijd erg vermoeid zijt, werp dan een handvol hooi of hooizaad in kokend water en laat het lauw worden. Neem dan gedurende 15 minuten een voetbad en spoedig zult gij geen vermoeienis meer gevoelen.
En als gij ooit zulk een brandende pijn gewaar wordt, wees dan verstandig. Aan uwe viervoetige huisgenooten gunt gij dagelijks dit heilzaam kruid, laat het ook eens uw eigen lichaam ten goede komen.
ANDERE GEVALLEN.
Een herbergier verhaalt:
âIk heb dikwijls hevige hoofdpijn; vooral bij weersverandering heb ik zulke gevoelige smarten, dat ik niet in staan ben om mijne beroepsbezigheden waar te nemen. Deze pijnen planten zich ook voort in den rug en hoofdzakelijk in het bovenste gedeelte der dijen, en wanneer ook de voeten worden aangedaan, kan ik niet meer loopen. Wanneer ik een glas bier drink, heb ik spoedig pijn in het hoofd. Daar ik er al maanden lang door geplaagd word, zoo is het mij onmogelijk mijn gewonen arbeid te verrichten en datheeft vaakmijnléven verbitterd.quot;
De behandeling was als volgt; 1) wekelijks 2 warme haver-stroobaden van 30 graden R, een half uur lang; daarna zich flink afwasschen of een kort koud bad nemen; 2) eiken dag
213
een begieting van het bovenlijf met kniebegieting; 3) 3 maal in de week (zoo snel mogelijk) bezweet, of 's nachts van bed uit, een geheele wassching doen; 4) alle dagen 's morgens en 's avonds een kop thee gebruiken van 5 a 6 frissche vlierbladeren, die eerst fijngesneden ziin en 5 minuten lang gekookt hebben. In 4 weken was deze herbergier volkomen genezen; zijne kennissen verklaarden, dat hij er veel jeugdiger uitzag. Om te voorkomen, dat hij zijn kwaal weer terugkreeg, ried ik hem aan om alle maanden zulk een bad te nemen en zich 1 a 2 maal in de week, bezweet of 's nachts van bed uit, het geheele lichaam te wasschen.
Een ambachtsman vertelde mij eens: âMijne beide voeten zijn sterk gezwollen en heel stijf; ik ben nooit zonder pijn, kan dikwijls niet langer dan één uur slapen; vooral gevoel ik hevige smarten in de leden; mijne armen zijn ook heel stijf en doen mij geweldig zeer; ik zou wel eetlust hebben, maar zoodra ik eet, gevoel ik mij zóó opgeblazen, dat ik bijna niet meer kan ademhalen; ik kan haast niet meer gaan en ben zóó duizelig, vooral bij het opstaan, dat ik nauwelijks weet, waar ik ben. Ik heb vele geneesheeren geraadpleegd en al zeer veel ingenomen, maar voor zoover ik er over kan oordeelen, is mijn toestand door dat alles verergerd en vaak heb ik naar den dood verlangd.quot;
De patiënt was tamelijk sterk en had meer van een goed gevoeden bierbrouwer, dan van een ambachtsman; hij had zich eenvoudig en matig gevoed en niet bijzonder veel bier gedronken. Hij was bijna 50 jaar oud. Volgens geneeskundige verklaring moest de kiem zijner ziekte aan een vervetting van het hart worden toegeschreven.
In 5 weken was deze zieke van zijne vele kwalen bevrijd en hij verheugde zich weder in het bezit eener goede gezondheid. Waardoor werd hij genezen ? 1) De voeten werden gedurende 2 a 3 uren eerst alle dagen, toen om den anderen dag, en eindelijk om de drie dagen in hooizaad gewikkeld, d. w. z. het hooizaad kwam op de bloote huid te liggen en daarover werd een warme doek gebonden. 2) Hij moest om den anderen dag en later om de vier dagen een hemd aantrekken, in .aftreksel van hooizaad gedoopt. Toen de zwelling aan de voeten grootendeels verdwenen was, kreeg de patiënt eiken dag een begieting van het bovenlijf, een kniebegieting en ook halfbaden. Dit moest hij 5 weken volhouden.
KANKER.
In onze dagen doen zich verschillende soorten van kanker
214
voor. Er is bijna geen lichaamsdeel, of het kan door kanker of kankerachtige gezwellen worden aangetast. Wanneer deze kwaal zich al heeft uitgebreid, dan durf ik het water niet meer aan te wenden â het bloed en de sappen zijn dan al bedorven.
Kanker is overerfelijk, vooral als het bloed en de sappen van een persoon aanleg hebben tot deze kwaal en die aanleg bij de geboorte reeds werd meegebracht.
Ik ken een man en vrouw, die een tante bezochten, die kanker aan de tong had. Zij hadden niet het minste vermoeden, hoe vreeselijk deze ziekte was en verschrokken beiden, toen zij de afschuwelijke verwoestingen aanzagen. Binnen 3 dagen zwol de halve tong van de vrouw op en de man kreeg een ontsteking en verzwering aan de onderlip. âWij hebben dc ziekte overgeërfd,quot; zóó klaagden zij weemoedig. Zij waren doodelijk geschrokken. Ik trachtte hun moed in te spreken en hen tot andere gedachten te brengen. Tegelijkertijd liet ik hen den eersten dag den heelen mond en vooral de ontstoken plaatsen 4 maal met aluinwater wasschen; den tweeden dag liet ik hen ditzelfde met aloëwater verrichten, daarenboven schreef ik hun voor om afwisselend den eenen dag een hoofddampbad en den daarop volgenden een halsomslag te nemen.
De twee personen werden van hun kwaal bevrijd. Ik zou het zelf nooit geloofd hebben, dat men deze vreeselijke ziekte enkel door schrik kon overerven. Later vernam ik, dat een dokter verklaard had, dat deze personen werkelijk den kanker hadden overgeërfd.
Begin van kanker en ook kanker met eenige uitbreiding heb ik veel behandeld en gemakkelijk genezen. Mijne behandeling bestond alleen hierin, dat ik bloed en sappen zuiverde.
KEELONTSTEKING.
Een vader komt bij mij en klaagt, dat zijne 4-jarige dochter «en keelontsteking heeft. âDit kind heeft eene ziekte, waaraan 3 andere kinderen van mij al gestorven zijn. Zij waren spoedig dood en dit kind zal ook wel gauw sterven. Het kan al bijna niet meer ademhalen en hoesten. Hoofd en buik zijn opgezwollen, Wat moet ik doen? Ik heb 4 uur noodig om een dokter te halen en vóór dien tijd is mijn kind dood.quot;
Het antwoord was : âVriend, ga aanstonds naar huis, maak wat warm water en azijn, doop er een handdoek in, wring dien uit en wikkel daar den heelen hals van het kind in. Bind daar een drogen doek overheen en laat den aldus aange-legden omslag 3 kwartier lang omhouden. Doop dan den doek
215
opnieuw in water en azijn en blijf zóó 6 uur lang doorgaan, maar bevochtig den omslag alle 3 kwartier opnieuw. Wanneer de 6 uur verloopen zijn. neem dan den omslag weg en doe iets lichts om den hals. Geef het kind nu een korten omslag met denzelfden doek, opnieuw in water en azijn gedoopt. Wikkel het daarna in een droge deken en dek de zieke zorgvuldig maar niet te zwaar onder. De kleine moet zóó 1 uur lang rustig blijven liggen. Daarna verwijdert men de deken en laat het kind onder het gewone dek in bed liggen. Wanneer do kleine na 6 a 8 uur nog moeilijk ademhalen en hoesten moet. dan kan men den omslag, zooals boven is aangegeven, opnieuw 1 a 2 uren om den hals doen. Bijaldien hij na verloop van 1 uur al te warm, en het kind bevreesd en onrustig wordt, dan kan men den doek opnieuw natmaken. Gij zult er de uitwerking van zien.quot;
De vader deed zooals hem bevolen was en in 30 dagen was het reeds doodgewaande kind gezond en opgeruimd.
Men had hetzelfde resultaat verkregen, als men den doek in zeer koud water met azijn (half en half) gedoopt en alle 3 kwartier vernieuwd had. In geval de warmte niet had willen afnemen, zouden wij ook de voeten tot aan de kuiten hebben ingewikkeld.
KEELZIEKTE.
Andreas begint te verhalen: âIk kan bijna niet meer spreken ; somtijds gaat het in 't geheel niet meer. Ik heb zoo'n erge pijn aan één vinger gehad. Van af dien tijd kon ik voor het eerst niet meer spreken; nu krijg ik het weer terug aan dien vinger. Overigens heb ik goeden eetlust en mankeer ik niets. De dokter heeft gezegd, dat de huig te lang is en dat er iets moet worden afgesneden. Dat laat ik echter niet doen.quot;
De man ziet er eenigszins opgezet uit en aan de linkerzijde van het hoofd heeft hij een kleine zwelling onder het oor. Men bemerkt zeer goed, dat zijn gezicht niet normaal is; hoofd en hals zijn inwendig nog meer gezwollen dan uitwendig, vandaar de keelpijn en die benauwdheid in deze organen. Ongetwijfeldis de zieke vinger de eerste maal niet volkomen genezen en zijn er nog giftstoffen in het lichaam achtergebleven. Wanneer men nu die stoffen geheel verwijdert en het lichaam reinigt, dan zal ook de keel genezen zijn. Om dit doel te bereiken werke men eerst op de zuivering van het geheele gestel en daarna in 't bijzonder op het hoofd. Het eerste heeft plaats door aanwending van zak en omslagdoek. De landman heeft het eerst een zak bij de hand. Hij doope dien in een aftreksel van haverstroo en trekke
216
hem aan. Dit moet hij gedurende 3 dagen 112 uur lang doen. Van af den vierden dag moet hij ééns in de 3 dagen in de huls kruipen, die nu niet vreemd meer voor hem is. Den omslagdoek drage hij alle dagen 1 uur lang. Na 14 dagen kan hij 2 maal in de week een heele wassching doen en eensin de week den Spaanschen mantel dragen. Wanneer hij nog last van de huig heeft, kan hij een paar hoofddampbaden nemen, maar natuurlijk op verschillende dagen. Door deze behandeling zal zijn kwaal volkomen genezen.
Een priester verhaalt: âIn den zomer van 1887 had ik van tijd tot tijd een weinig keelpijn met lichten hoest gepaard. Dan had ik er last van en dan was het over. Wanneer ik lang spreken moest, bij den catechismus, op den preekstoel, of in den biechtstoel, dan werd mijn stem gaandeweg zwakker, verloor aan klank en dreigde mij geheel te zullen begeven. In de maanden September en October werd dat erger; ik kreeg een hevige catarrhe in de keel en de dokter verklaarde, dat ook het bovenste gedeelte van de rechterlong was aangedaan. Een verblijf van 3 maanden te Méran, penseelen, gorgelen, bergbeklimming, niets wilde helpen. Tegen Nieuwjaar wilde een dokter een kleine operatie doen, hetgeen echter niet gebeurde. Den 25sten Januari, toen mijn verlof verstreken was, besloot ik Méran te verlaten en naar Wörishofen te gaan. Ik was in een bedrukte stemming. De wateraanwendingen, 2 maal per dag een begieting van het bovenlijf en barrevoets in liet water loopen, brachten spoedig verlichting aan; de keelpijn verminderde, de stem kreeg meer kracht en klank en
met Lichtmis was ik weer in staat om in D.....een kleine
leerrede te houden en den hoogdienst te doen. De stem was echter nog heesch en ik had later nog een pijnlijk gevoel in de keel, maar dat hield spoedig op. Alle weken nam ik in beterschap toe en na 3 weken was mijne stem helder en sterk als voorheen; ik keerde gezond en wel naar huis terug en kon mij wederom geheel wijden aan de plichten van mijn beroep.quot;
KNIEGEZWEL.
Een meisje van 30 jaar kreeg een hevig gezwel aan het been, van boven den enkel tot boven de knie. Het gezwel was bij oogenblikken zeer pijnlijk, hard en branderig. De zieke was een halfjaar onder geneeskundige behandeling geweest en had 0. a. een gipsverband van 3 maanden en een tweede van 2 maanden gehad. De toestand verergerde zoodanig, dat zij den
217
voet niet meer op den grond kon zetten; vooral deed het kniegewricht haar pijn. Aangezien dit alles niets geholpen had, beproefde men om er gezwollen hooizaad op te leggen en wel van boven den enkel tot aan het midden van de dij. Spoedig hielden de smarten op, de zwelling verminderde, en toen het gezwel voor de helft verdwenen was, werden er om den anderen dag begietingen op den pijnlijken voet aangewend. Na ongeveer 8 weken kon zij den voet gebruiken en eenigen tijd daarna kon het meisje weer aan haar zwaren arbeid gaan.
KOLIEK.
Koliek kan door verschillende oorzaken ontstaan en gaat dikwijls vergezeld van diarrhee of braking. Het openbaart zich vaak plotseling, zonder dat men er de reden of aanleiding van weet. Er kan een verkoudheid of verhitting zijn voorafgegaan, of wel was een spijs of een drank er de oorzaak van. Men moet zulk een zieke terstond naar bed brengen, een warmen doek (of wel een bedwarmer) (1) op den buik leggen en goed onderstoppen, (zonder hem te kwellen) zoodat alle lucht is afgesloten. Om de kwaal te bedaren geve men den zieke een glas melk, waarin venkel of kummel is afgekookt. Dit eenvoudige huismiddel zal voldoende zijn. Zoolang de ziekte duurt gebruike de patiënt eenvoudig voedsel, dat weinig gezouten en gekruid, en gemakkelijk te verteren is. Voor drank geve men hem liefst water en melk, of water en wijn.
KOORTS.
Antoon komt bij mij binnen en verhaalt: âSlechts met moeite kon ik de trap opgaan om bij u te komen. Mijne krachten zijn gebroken; ik ben al tweemaal omgevallen. Ik heb ook vreeslijke hoofdpijn en ben nu eens ijskoud en dan weer erg warm. Somtijds gevoel ik een steking, welke bliksemsnel door het lichaam gaat. Ik heb daar al eenigen tijd hinder van, maar sedert 5 a 6 dagen is dat zóó toegenomen, dat ik niets meer doen kan.quot;
Behandeling: Antoon ga naar huis en leg u aanstonds te bed; als ge warm geworden zijt, wasch u dan het geheele
(1) De arme kan op de volgende wijze een bedwarmer maken : hij ver-warme een tichelsteen en wikkele dien in een wollen deken of in een doek. Een ieder kent de aarden kruiken, waarin het minerale water verzonden wordt - men vuile zulk een kruik met warm water, wikkele er iets om en gebruike ze voor bedwarmer.
15
218
lichaam en ga zonder u af te drogen weer naar bed. Zóó moet ge u alle 2 uren wasschen, en als ge sterk begint te zweeten en dat een half uur heeft geduurd, wasch u dan opnieuw.
Antoon komt den derden dag terug en zegt; âIk ben al tamelijk beter; ik heb eenige malen sterk getranspireerd. De koude en de warmte zipi verdwenen en van hoofdpijn heb ik geen last meer. Ik krijg weer eetlust. Ik gevoel mij wel, maar afgemat.
Antoon waschte zich nog 10 maal in 14 dagen tijds en verheugde zich daarna in eene goede gezondheid. Hij is om en nabij de 40 jaar.
KRAMPEN.
Ik werd bij een zieke geroepen, die over het geheele lichaam beefde en zóó hevig aan krampen leed, dat zij zich naar alle zijden in het bed rondwentelde. Zij kon niet spreken, maar hare moeder verhaalde het volgende:
âMijne dochter heeft aanhoudend vreeslijke hoofdpijn en een hevige benauwdheid op de borst en in de maagstreek; hare handen en voeten zijn steeds koud als ijs en nat van kleverig zweet; mijne dochter is 9 maanden getrouwd; de eerste 10 weken was zij geheel gezond; toen is deze ziekte langzamerhand begonnen en steeds toegenomen. Zij kan niets gebruiken dan hoogstens één lepel bouillon of koffie, alles wat zij van de dokters kreeg om in te nemen, inspuitingen en slaapverwekkende middelen, hebben haar toestand nog verergerd.quot;
Ik gaf het vrouwtje den volgenden raad; 2 maal per dag de voeten tot over de kuiten in het koude water houden en ze daarenboven met een spons of handdoek wasschen, onmiddellijk daarna de handen en armen tot aan de schouders gedurende 1 minuut in het koude water dompelen en aanstonds ook de handen wasschen. Daarna moet zij de handen en de voeten onder de warme beddedeken houden ; iederen morgen en iederen middag gebruike zij ongeveer 12 kamilledroppels (zie âApotheekquot;) in 6 a 8 lepels warm water. Voor voeding-neme zij van tijd tot tijd 3 a 4 lepels melk of malzkofüe; vooral geef ik den raad om melk en malzkoffie afwisselend te nemen.
Na 12 dagen was de persoon zoover hersteld, dat zij weer lust kreeg in het gewone eten; de krampen waren verdwenen en de benauwde pijnen op de borst en in de maagstreek hadden opgehouden; de hoofdpijn was over; handen en voeten waren warm.
Verder nam zij de volgende aanwendingen; om den anderen
219
dag de voeten in het koude water houden, zooals boven is gezegd; 2 maal in de week gedurende 14 minuten een warm voetbad met asch en zout nemen en eenmaal in de week, van bed uit, een geheele wassching doen en onmiddellijk daarna weer gaan slapen. In plaats van kamilledroppels heeft zij alsem- en saliedroppels ingenomen, telkens 10 a 12 droppels in warm water; de zieke was zoover hersteld, dat zij weer naar de kerk kon gaan en huisarbeid kon verrichten. Om volkomen te genezen en zich nog meer te versterken, behoefde zij slechts tweemaal in de week een koude wassching te doen. Half baden zouden nog krachtiger diensten bewijzen.
KRAMPEN (Maag).
Mijnheer N____heeft dikwijls kou gevat en daarvan buikpijn
gekregen; hij moet vaak overgeven, tengevolge van ophooping van gassen. Wanneer hij van vele gassen.was bevrijd en goed had kunnen braken, gevoelde hij zich weer gezond en had meer eetlust. De kwaal nam na verloop van tijd in hevigheid toe en na eiken maaltijd gevoelde hij spoedig zulk een pijn, dat hij het soms moest uitschreeuwen. Handen en voeten waren dan zoo koud als ijs, terwijl het geheele lichaam min of meer rilde.
In zulke gevallen is de maag gewoonlijk geheel onschuldig; de hevige drukking der gassen veroorzaakt neiging tot braken en braking. Dit laatste verlicht de kwaal maar voor een korten tijd. Zij zal eerst dan geheel verdwijnen, als het geheele lichaam een gelijke warmte en gelijke uitwaseming heeft, en ook de bloedsomloop geregeld is. Dit doel wordt bereikt, wanneer de zieke den eersten dag 3 maal met warm water en azijn in bed gewasschen wordt en men hem daarna zonder afdrogen goed toedekt. Den tweeden dag had dit 2 maal plaats en verder eenmaal per dag. Deze behandeling is altijd voldoende, als men kou gevat heeft en daardoor koorts ontstaat met oprispingen en brakingen.
LONGZIEKTE (Bronchitis).
Een huismoeder verhaalt het volgende: âDe geneesheeren zeggen, dat ik een catarrhe heb in keel en longen; mijn long is erg aangedaan en 2 dokters hebben zelfs verklaard, dat ik ongeneeslijk ben. Ik wil nu nog een proef met water nemen; wanneer dat niet helpt, onderwerp ik mij aan den wil van God.quot;
Deze vrouw heeft, 20 dagen lang, alle dagen 2 begietingen
220
van het bovenlijf, onmiddellijk gevolgd door een kniebegieting, genomen; eenmaal in de week heeft zij den korten omslag-aangewend. Verder gebruikte zij alle dagen 2 koppen thee â een aftreksel van venkelzaad, brandnetels en weegbree â in kleine hoeveelheden te gelijk. Toen waren hoest en slijm verdwenen, de gelaatskleur werd normaal, en de krachten kwamen terug.
LONG-ZIEKTE (Ontsteking).
Margaretha ligt te bed. Zij heeft een geweldigen drogen hoest, neiging om te braken, en koorts, die van uur tot uur in hevigheid toeneemt. Zij gevoelt een prikkelende, branderige pijn in de borst en in de zijde. De dokter zegt, dat er een longontsteking in aantocht is. Hoe kan de zieke geholpen worden? ^
Ieder kind weet, dat een spons véél'water kan opzuigen en inhouden. Zou er ook geen middel bestaan om de hitte op te slorpen en te behouden, evenals deifpons met het water doet ? Ja, er zijn zulke middelen en zij zijn onder ons bereik. Bij ons te lande kent iedere boerin de ruiting of dikke melk. Elders geeft men er andere namen aan. (1)
Van zulke ruiting maakt men een zalf door er wat hui bij te doen; men smeert deze zalf ter dikte van een mes op linnen en legt deze pappleister op de branderige plaats, waaier gevaar voor ontsteking bestaat. Mij is geen beter middel bekend om meer warmte af te nemen. De hevigste hitte heb ik op deze wijze zien verminderen en ophouden, wanneer men slechts alle dagen 2 a 3 maal (naarmate van den warmtegraad) zulk een pleister aanlegt. Ik ken er velen, die vooral bi] longontsteking hun leven aan dit eenvoudig huismiddel te danken hebben.
Voor inwendig gebruik zal de zieke iederen halven dag 1 lepel slaolie innemen om te kal meer en.
Bijaldien deze twee middelen niet afdoende zijn, d. i. wanneer de zieke nog te warm blijft, dan kunnen de wateraanwendingen volgen. Men wikkele het heele lichaam van den zieke, onder de armen te beginnen, in een kouden natten doek (onderomslag) en herhale dit 2 maal per dag. (Van de wijze om de zieken toe te dekken, spreek ik niet meer; men leze hierover het eerste Deel). Of wel men kan de voeten tot over de enkels omwinden met doeken in water (een kleine toevoeging van
(1) Afgeroomde melk wordt op den warmen haard gezet. De massa wordt dan vast en vloeibaar; de vaste specie wordt ruiting, de vloeibare hui genoemd.
221
azijn zal goed zijn) gedoopt; deze doeken moet men telkens opnieuw nat maken, als ze te warm worden. In plaats van doeken kan men ook natte sokken aantrekken en daarover een paar droge aandoen. Wanneer Margaretha bij het begin barer ziekte 3 a 5 dagen de pleister aanlegt, dan kan zij in 6 a 7 dagen, hoogstens in 6 a 10 dagen, weer gezond zijn.
Evenals de longen kunnen ook andere edele lichaamsdeelen ontstoken worden. Wij bedoelen ribbevel-, middelrif-, buikvlies-en andere ontstekingen. Voor al deze ziekten gelden dezelfde aangevoerde, algemeene grondregels en wateraanwendingen: Verdeeling, dat is afleiding van het bloed; afkoeling van de ontstoken plaats, dat is wegneming van warmte door aanwending van koude.
Ik werd eens in het middernachtelijk uur bij een zieke geroepen. Hij kon niet meer ademhalen. Hij leed erg aan neiging tot hoesten en braken. Aan ééne zijde der borst had hij een gevoel, alsof hij door messen gestoken werd. Het heele lichaam was gloeiend. Ik wilde den zieke niet bedienen en voor den dood voorbereiden, zooals de familie mij verzocht. Maar ik liet hem, van onder de armen te beginnen, in een natten doek wikkelen (onderomslag) en een mitingpleister op de pijnlijke plaats leggen. Hij kreeg een lepel slaolie om in te nemen. Dat werkte goed. Men hield dat 6 dagen vol en de patiënt was buiten gevaar.
Als iemand aan een long- of andere ontsteking sterft, wat heeft er dan inwendig plaats gehad? Hoe moeten wij ons dat voorstellen?
Het uitwendige weerkaatst het inwendige. Gij hebt zeker bij anderen wel eens hier en daar kleine zweren gezien â men noemt ze steenpuisten. Wellicht hebt ge ze zelf wel op arm, hand, voet, rug, borst, maag enz. gehad? Hoe ontwikkelen zich deze? Wanneer zulk een zweer zich ergens ontwikkelt, ontstaat er eerst een roode plek en men gevoelt daar een inwendig gloeien. De zwelling neemt toe en na eenigen tijd bemerkt men een kegelvormige verhevenheid van zekere grootte en daarop komt een wit puntje. Nu zegt men: de zweer is rijp; er wordt in gesneden of aan gedrukt. Er komt etter en bedorven bloed uit. Des te beter.
Zulk een klein âbloedzweertjequot; zooals de landlieden het noemen, veroorzaakt meestal veel pijn; niet alleen op de plaats van ontwikkeling aan hand, voet, enz., maar aan alle ledematen â men heeft overal pijn. Dit is het duidelijkste bewijs, dat het heele lichaam deelt in het lijden (hoe gering ook) van elk orgaan en daar volgt uit: het geheele gestel zal er zich goed bij bevinden, wanneer zulke zweren volkomen
222
genezen en zal er onder lijden, als zij veronachtzaamd worden.
Als een dergelijke groote zweer zich niet ontwikkelen, niet te voorschijn komen wil, dan begint de zieke plaats er blauw en roodbruin uit te zien. Het bloed bederft en het bedorven bloed gaat vergiftigen. Een beet van de gevreesde ratelslang, één droppel slangengift in het bloed is voldoende, om in weinige minuten den dood te veroorzaken. Zulk bloed is vergift. Vermengt het zich met gezond bloed, dan wordt ook dit aangestoken en er ontstaat bloedvergiftiging. Wanneer men dit niet kan tegengaan, sterft de patiënt. Het inwendig proces behoeven wij ons niet anders voor te stellen. Het vergift grijpt de edele organen nog sneller aan en veroorzaakt dan ongeneeslijke en schrikbarende verwoestingen. âDe zieke stierf aan bloedvergiftiging,quot; zegt men in onze taal; de oude en geringe menschen zeggen: âhij stierf aan brandquot; ; dit zijn twee uitdrukkingen voor dezelfde zaak.
Martijn, een sterke, flinke man heeft geducht de koorts gekregen. Eerst heeft hij vreeslijke koude rillingen en dan wordt hij gloeiend warm. Het hoofd is zoo verhit, dat de dokter een hersenontsteking constateert. Inwendig staat hij in lichte laaie, de heete adem uit den mond getuigt van inwendige warmte; evenals het vuur den houtstapel verbrandt, evenzoo worden de inwendige organen door gloeihitte verteerd en verkalkt. Hoofdpijn, uitgeputheid van krachten, vermoeienis en rilling waren de voorboden der kwaal. De zieke gevoelde nergens een bijzondere pijn, alleen koorts. 10 dagen latei-stierf de man. Bij de ontleedkundige lijkschcuwing bleek, dat de hersens niet waren aangedaan, maar de patiënt aan longontsteking overleden was.
Hoe hebt ge dezen zieke behandeld? vroeg men mij. Voor eerst een opmerking. Dit geval bewijst zonneklaar, hoe de diagnose, de kunst om de ziekte uit de verschijnselen te vinden, ons gemakkelijk bedriegen kan. Bij longontsteking constateert men bijna altijd een steking, een brandende hitte in de longstreek, hoesten, neiging tot braken, enz. Onze zieke gevoelde niets van dat alles. Hoe ruw gaat de allopaath bij zulke gevallen te werk! Misschien heb ik later de gelegenheid om daar meer van te zeggen. Vergeet het niet, de tijd dringt, de ontsteking heeft al groote verhouding en afmeting aangenomen.
De straal van de brandspuit moet het vuur raken, anders is het te laat. Hier kunnen geen droppels en volle lepels helpen; zij worden oogenblikkelijk door het vuur verteerd. In deze wanhopige gevallen volg ik den eenvoudigen regel (niemand zal mijquot; daarover aanvallen): quot;Wanneer er brand is, gaat men
blusschen; begin te blusschen, waar de brand het hevigst is, staat het geheele lichaam in brand, blusch dan ook het geheele lichaam! Wellicht wordt ge den brand geheel meester; in alle gevallen zal hij verminderen en ge zult rust en verademing kriigen om verder te overleggen.
Ik zou den zieke, gedurende 3 a 4 uren, alle halve uren rug, borst en onderlijf laten wasschen. De gloeihitte zou dan veel verminderd zijn. Verder zou ik gebluscht hebben met compressen op het vóór- en achterlijf â de compressen goed dik, meermalen omgevouwen â en met natte sokken of doeken, tot over de enkels aangelegd en alle uren opnieuw in water gedoopt. Wanneer de patiënt gezonde longen heeft gehad â en dat komt mij zoo voor, daar hij zelfs geen smart gevoelde bij het laatste stadium van longontsteking â zou hij, menschelijkerwijze gesproken, gered zijn, ware het niet dat God het in Zijne oneindige raadsbesluiten anders had beschikt.
LONGZIEKTE (emphyseem).
Het komt zeer dikwijls voor, dat menschen, die nog in den bloei der jaren zijn, al moeilijkheid ondervinden met het ademhalen; zij verkeeren vaak in den pijnlijksten toestand en in de vrees van te zullen stikken.
Gewoonlijk zijn zulke lieden tamelijk zwaarlijvig en hunne levenswijze is nog een bijkomend middel om den toestand te verergeren. De voornaamste oorzaak ligt gewoonlijk in de alge-meene verzwakking van het organisme, dat kwijnt, verslapt, aan bloedarmoede lijdt en, als gevolg van traagheid, de vermeerdering van bloed niet zóó doet plaats vinden, als dit voor het lichaam noodzakelijk is. Zulke personen kan ik bij een werktuig vergelijken, waarin de raderen in volkomen harmonie passen, maar dat te zwak is om het werk te leveren, dat gevorderd wordt. Een tweede oorzaak moet gezocht worden in de gassen, die zich in het onderlijf ophoopen en drukking uitoefenen op de organen van het bovenlijf. Daardoor wordt van deze organen meer vereischt dan in de bedoeling ligt; zij lijden onder dien druk en er ontstaat een soort van algemeene beklemdheid. Men kan het kwaad herstellen door eerst de gassen uit het lichaam te drijven en daarna het geheele gestel te harden en door eenvoudigen, goeden, voedzamen kost te sterken. Mijn 30-jarige ondervinding leert mij, dat juist bij dit lijden de ziekte van Bright zoo licht de overhand verkrijgt, d. w. z. het lichaam, reeds zóó verzwakt, zal door deze ziekte ontbonden en gesloopt worden.
224
Een heer, tamelijk corpulent en nog geen 40 jaar oud, kreeg van tijd tot tijd zulke aanvallen van benauwdheid, dat hij overtuigd was (zijn geneesheer deelde dat gevoelen) van zulk een tweeden aanval niet te zullen doorstaan. Hij haalde zóó moeilijk adem, dat men hem in de onderste verdieping kon hooren. Volgens zijne verklaring zou hij tegen den muur geloopen zijn van pijn en benauwdheid.
Deze pijnlijke geschiedenis duurde tamelijk lang bij eiken aanval; het lichaam werd er door uitgeput en na afloop gevoelde hij zich altijd ziek. Was hij er weer bovenop gekomen, dan gevoelde hij zich frisch en gezond. De aanvallen bleven dikwijls eenige dagen uit, maar namen dan toe in hevigheid.
Genoemde heer was waterschuw in hooge mate en besloot eerst tot de kuur, toen hij geen andere middelen meer kon vinden. 6 weken lang gebruikte hij verschillende aanwendingen. Zijne genezing was zóó volkomen, dat de aanvallen nooit terugkwamen en mijnheer steeds (dit is nu al 16 jaar) de beste gezondheid geniet.
De patiënt dronk verscheidene dagen lang een thee, die den stoelgang op een zachte en overvloedige wijze bevorderde; vervolgens gebruikte hij den korten omslag en de compressen van vóór- en achterlijf, en ten laatste nam hij half- en volbaden van 1 minuut. De Spaansche mantel deed ook goede diensten De aanwendingen werden genomen als volgt:
Eerst de korte omslag â hij begint de gassen te verdrijven en de gasvorming weg te nemen; dan de compressen van het vóór- en achterlijf, dit is de voortzetting van de eerste aanwending en beoogt tevens de versterking des lichaams; verder de Spaansche mantel, die alle kwade stoffen uit de huid verwijdert ; eindelijk halfbaden, die het geheele lichaam versterken.
Een ander heer leed zoodanig aan benauwdheid in hetademen, dat de dokters verklaarden, dat hij waterzucht aan het hart had. Deze heer was wel is waar goed gevoed, maar niet bijzonder dik; toch kon hij slechts met moeite de trap opkomen. Hij had in het geheel geen eetlust, sliep onrustig en was nooit zonder angst en vrees. Vroeger liet zijne betrekking hem het nemen van veel beweging toe, later kwam hij op een bureau en dat zittende, weinig bedrijvige leven bracht hem langzamerhand in den bovenvermelden, pijnlijken toestand. Weinige en zwakke wateraanwendingen waren voldoende om hem te genezen. Deze helpen hem nog, als de kwaal zich opnieuw doet gevoelen ; dit had de laatste 12 jaren dikwijls plaats, maar telkens werd zij afgeslagen. Behalve de wateraanwendingen gebruikte die heer ook thee, wier voortreffelijke eigenschappen hij op
225
prijs stelde. Deze thee veroorzaakt slechts een geregel den stoelgang, verwijdert de gassen uit de maag, bespaart tevens menigvuldige en sterke wateraanwendingen, die de patiënt vreest en waar dikwijls geen tijd voor is. Die thee is het zachte laxeermiddel (zie 2e deel) en de aanwendingen zijnde volgende; 1. Bij een lichten graad van deze kwaal is het voldoende om 3 maal in de week een compres op het onderlijf te nemen en iederen morgen hij het opstaan rug, borst en buik te was-schen. 2. Is de kwaal heviger, dan moet de patiënt den korten omslag of ook wel een halfbad nemen. Gelijktijdig met deze oefeningen hadden er ook wasschingen bij nacht plaats en deze bewezen goede diensten.
Het is vreemd, dikwijls verwonder ik er mij over, dat bij zulke gevallen de sterkste middelen worden aangewend; deze kunnen nooit goede gevolgen hebben voor de gezondheid. (1) Zelfs onthaalt men de arme zieken maar al te dikwijls op vergiften. Dit laatste vooral is en blijft mij steeds een onoplosbaar raadsel. Ik moet mij met geweld bedwingen om daar kalm onder te blijven.
ANDER GEVAL.
Een pastoor kreeg longontsteking in hevigen graad en deze werd gevolgd door emphyseem der long (uitzetting der long, opzwelling der long). Hij kwam hij me en hoestte zoo erg, dat het niet om aan te hooren was. Hij zag er ziekelijk uit. had weinig eetlust en voelde zijne krachten afnemen. De dokters verklaarden, dat de long nog te genezen was.
De aanwendingen, die hij in 14 dagen nam, waren de volgende : 1) alle dagen 2 begietingen van het bovenlijf; 2) iederen dag 2 maal gedurende 3 a 5 minuten in het water gaan; 3) 3 maal in de week een omslagdoek; 4) om den anderen dag een zitbad van 1 minuut.
Voor inwendig gebruik kreeg de zieke een aftreksel van foenum graecum met honig gekookt, zoo mogelijk ieder uur een lepel.
De uitwerking was deze: De begietingen versterkten het lichaam. Het hoesten werd in den beginne erger, maar er werd veel slijm geloosd. Na 3 dagen verminderden de hoest en het opgeven, en in 12 dagen bleef er nog slechts een kleine hoeveelheid slijm over. Die werd opgeruimd door verdere aanwendingen: begietingen van het bovenlijf, kniebegieting
(1) Ik heb een brief vóór mij liggen, waarin de patiënt klaagt en de vergiften opsomt, die hij al bij verschillende ziekten had ingenomen. Ik stel de opsomming er van uit tot een volgenden keer.
226
en thee van brandnetels en weegbree. 3 weken later was de patiënt volkomen genezen.
MAAGZIEKTE.
Arme maag, gij draagt de schuld van alles! Na het hart en de zenuwen zijt gij wel de grootste zondebok! Vraag aan honderden menschen of zij geen maaglijders zijn! Zeer weinigen zullen een ontkennend antwoord geven. En toch is de maag in de meeste gevallen zoo onschuldig als een pasgeboren kind en zoo gezond als een levenslustige, vroolijk spelende knaap. Dit zal ik door voorbeelden ophelderen.
Amalia heeft een heel jaar lang het meeste voedsel, dat zi] gebruikte, moeten overgeven. Zij kon niets inhouden dan 3 a 4 lepels warme melk per dag. Zij sprak er met verscheidene, beroemde geneesheeren over. Ten laatste verklaarde de apotheker, dat hij in zijn heele apotheek geen enkel middel meer had, dat niet was beproefd en aangewend. Zonder vragen voerde men de zieke per rijtuig bij me.
De ongelukkige vertoonde een beeld van jammer en ellende; zij was zeer vermagerd, had ingevallen trekken en een gebroken stem. Zij hoestte echter niet (dat was van veel belang), zij leed alleen maar vreeselijk aan de maag. Men verzocht mij om iets voor de maag te geven. Ik raadde aanstonds aan om kalm te blijven en zich niet aldus over de maag uit te laten; dit orgaan was volkomen gezond, de kwaal moest elders gezocht worden. Sommigen ergerden zich, anderen lachten. De zieke zelve vroeg zich af, of ik wel goed bij het hoofd was. Zij zal wel gedacht hebben: Ik ben van zoover gekomen, lijd zulke smarten en moet nu nog zulke harde en onbarmhartige woorden van een geestelijke hooren! Dit was mij onverschillig.
Waarom heb ik het geval zoo beoordeeld? De persoon hoestte niet, maar de lucht en de gassen kwamen haar uit den mond. De maag en het onderlijf waren in hooge mate met gassen overvuld. Onder zulke omstandigheden kan niemand leven, zelfs de voorheen zoo geduldige maag niet, zij moet den gere-gelden arbeid geheel of gedeeltelijk staken. De kwaal nam nog in hevigheid toe, daar de huid geheel droog en alle uitwaseming belemmerd was.
De volgorde der aanwendingen was deze: lauwwarme onderomslagen, wassching van het bovenlijf, korte omslag, geheele wassching, kniebegieting van Va min., nogmaals de onderomslag, kniebegieting, Va min. tot aan de maagstreek in het water knielen, geheele wassching, compressen op het vóór-en achterlijf. De zieke moest iederen halven dag één dezer
aanwendingen op de rij af nemen en daarenboven alle dagen een paar maal op natte steenen gaan.
Door lauwe onderomslagen zocht ik de huid eerst warmer, vochtiger en weeker te maken, daarna werkte ik voornamelijk op het onderlijf door aanwending vim geheele wasschingen en alle andere oefeningen. Het gelukte; de lucht en de gassen verdwenen langs den natuurlijken weg; de uitwaseming, de normale werking der huid begon opnieuw. Er kwam weer eetlust in de lucht- en gastvrije maag; bloed en sappen vermeerderden en in den korten tijd van 5 weken was de patiënt hersteld.
Roosje lijdt al lange jaren aan maagpijn; sedert eenige maanden heeft zij hevige maagkrampen. Zij moet dikwijls te bed blijven en als zij kan opstaan, kost het haar de grootste moeite en inspanning om het dagelijksch werk te doen. Verschillende geneesheeren hebben verklaard, dat haar niets scheelde dan een slechte maag. De arme zieke heeft vele medicijnen ingenomen, in vloeibaren of vasten vorm. inpoe-ders en pillen, enz.; somtijds werden haar zelfs sterke middelen gegeven.
Het lijden sprak uit haar gezicht; de gelaatstrekken waren ingevallen, de kleur was bleek en het lichaam vertoonde meer vel dan botten; om het beeld van deze zieke te voltooien voeg ik er bij, dat de buik was opgezet en de kleederen haar zelfs pijn veroorzaakten. Zij heeft dikwijls brakingen gehad, terwijl hare handen en voeten zoo koud waren als ijs.
Mijn diagnose was dezelfde als bij het voorgaande geval. Het meisje had het onderlijf in den grond bedorven door dikwijls plotseling van de warmte in de koude, van'den warmen haard naar den ijskelder te loopen, zonder te weten, hoe zij haar lichaam tegen deze schadelijk werkende invloeden beschermen kon. Zij had niemand in vertrouwen willen nemen en droeg deze kleine ongesteldheid, zoolang zij maar kon, tot eindelijk het onderlijf zóó hevig begon te drukken, dat de maag benauwd en bekneld werd en alle spijzen overgaf.
Bij de algemeene aanwendingen, bestemd tot opwekking van het geheele lichaam, moesten er nog bijzondere aanwendingen voor het onderlijf (niet voor de maag) gevoegd worden met het oog op de afvoering en verwijdering van opgehoopte stoffen en vooral van gassen. Eiken dag kreeg zij één dei-navolgende aanwendingen: den Spaanschen mantel (algemeene aanwending); omslagen met gezwollen hooizaad op het onderlijf, eiken dag gedurende 2 uren; den korten omslag (om op te lossen en' af te leiden); compressen op het vóór- en achterlijf ; eiken nacht 2 koude wasschingen van het geheele lichaam van bed uit, dan opnieuw den Spaanschen mantel.
228
Als hulpaanwendingen schreef ik voor, het gaan op natte steenen of in het natte gras, en daar somtijds de begieting der knieën bij. Na 4 weken was het voldoende om den anderen dag afwisselend den Spaanschen mantel of den korten omslag te nemen. Bovendien moest de zieke dikwijls barrevoets gaan, zooals hierboven is gezegd. Roosje werd gezond en is het heden nog. Toen ik haar laatst ontmoette, zeide zij; âIk ben nooit zoo wel geweest als tegenwoordig!quot;
Frederik gaf eerst veel maagzuur over, later braakte hij al zijn eten en drinken uit. Geen middel'baatte en de dokter verklaarde, dat hij een verharding aan de maag had en tevens een verstopping van de onderste opening der maag.
De patiënt zag er in het geheel niet slecht uit, maar de trekken wareü wel iets verouderd en de gelaatskleur was geel. Hij zeide; âer ontsnapt mij veel lucht uit de maag, het onderlijf is dikwijls zóó opgezet door gassen, dat het op een trom gelijkt en dan heb ik ook geregeld zware hoofdpijn.quot;
Hier hebben wij wederom een geval van weinig leven en werking in het onderlijf, van slapheid der ingewanden. Vandaar ongeregelde stoelgang, ophooping van gassen en drukking op maag en hoofd. De zieke moest 10 dagen lang, alle dagen gedurende 2 uren een doek in water en azijn gedoopt op het onderlijf leggen, dagelijks een warm voetbad met asch en zout nemen en zich alle nachten 2 maal den rug met koud water laten wasschen. Na 6 dagen was de algemeene toestand al verbeterd. Van af den lOquot; dag nam de patiënt wekelijks 2 maal den korten omslag, 1 maal den Spaanschen mantel en om den anderen dag een voetbad met asch en zout. Bij mijn derde bezoek schreef ik hem voor de laatste 14 dagen wekelijks 3 begietingen van het bovenlijf, 3 begietingen van het onderlijf en 2 half baden (tot aan de maagstreek) voor.
De patiënt was in 6 weken volkomen genezen.
Het zou mij niet moeilijk vallen om dergelijke gevallen nog in menigte te bespreken; het bovenstaande moge volstaan. Ik moet en wil echter nog gaarne het volgende constateeren en toegeven: Wanneer de kwaal niet verdwijnt, als de drukking en de daarmede gepaard gaande ontsteking van de maag niet worden opgeheven, dan zullen er langzamerhand kwaadaardige en gevaarlijke zweren in de maag ontstaan en deze ontaarden veelal in kanker.
In dit geval kan men echter nog misleid worden en dwalen. Dit wil ik door een voorbeeld ophelderen.
Men kwam mij eens het volgende verhalen: âEen van onze familieleden lijdt volgens verklaring van vakmannen aan maagkanker; men laat u alleen maar vragen, welke voorzorgs-
229
maatregelen er in huis genomen moeten worden, om anderen niet met deze verschrikkelijke kwaal te besmetten.quot; Ik schreef maatregelen en ook geneesmiddelen voor, die den zieke in 4 weken genazen en den kanker verdreven. Deze middelen bestonden in eenvoudige thee van duizendblad, alsem en salie en in korte omslagen en voetbaden, afwisselend genomen.
Hoe moet het volgende geval behandeld worden?
Congesties na het eten en brakingen, vooral 2 uur na den maaltijd en verder gedurende den heelen namiddag, kwamen bij iemand alle 4 a 5 minuten voor; bovendien leed die persoon aan tragen stoelgang, volkomen slapheid van ingewanden, hevig onwelriekend zweeten der voeten â deze toestand duurde al 5 a6 dagen. Verscheidene middelen waren beproefd, maar tevergeefs. De patiënt zag er zeer ziek uit en had een kleur als porselein, de oogranden waren heel grijs en blauw; hij had weinig bloed, weinig natuurlijke warmte en slechte spijsvertering; bloed en gestel waren slechts ziekelijk gevoed.
De behandeling moet zijn als volgt; 1) men moet de ziektestoffen oplossen; 2) de natuurlijke warmte vermeerderen; 3) de organen versterken om een betere spijsvertering te verkrijgen, bloed en sappen verbeteren, de geheele machine opnieuw regelen. Dit organisme is aan een machine gelijk, dat wel flink gesmeerd is, maar waaraan inwendige gebreken kleven, en daarom moet de machine geheel gezuiverd worden.
Aanwendingen: 1) 3 a 5 maal warme voetbaden om de ziektestoffen uit de voeten te verwijderen, zoolang tot het zweeten ophoudt; 2) geheele wasschingen, die eene uitwaseming over het geheele lichaam bewerken en tegelijkertijd de natuurlijke warmte verhoogen; 3) begieting van het bovenlijf en begieting van het onderlijf. Men moet eiken dag 2 van deze aanwendingen nemen en dit 10 dagen volhouden.
Als 2e kuur geef ik voor de volgende tien dagen: geheele wassching, compressen op het vóór- en achterlijf, in het water knielen en rugbegieting.
Voor de 3e kuur laat ik halfbaden en geheele wasschingen volgen. Zulk een gestel kan in 8 a 4 weken genezen zijn. Om de kwaal niet terug te krijgen en de genezing blijvend te doen zijn is het noodzakelijk om wekelijks nog een paar aanwendingen te nemen; een geheele wassching of een begieting van het boven- en onderlijf is voldoende.
Een vrouw van 64 jaar heeft een hevige prikkeling in de maag: zij moet oprispen en braken, en daar komt dikwerf koude koorts en somtijds ook een sterk zweeten bij. In weerwil van alle aangewende middelen, neemt de kwaal alle weken in hevigheid toe.
230
Men zal haar het best behandelen als volgt; 2 maal per dag telkens 20 alsemdroppels in een kleinen kop warm water; daarbij alle dagen gedurende 1 uur een warm compres op het achterlijf; verder om den anderen dag 1 uur lang een in warm water gedoopten, dubbelgevouwen doek op het onderlijf binden ; om den anderen dag gedurende 14 minuten een warm voetbad met asch en zout.
Een persoon van 40 jaar klaagde over aanhoudende pijn in de maag, pijn in 't onderlijf, gebrek aan eetlust, zure oprispingen en zwakheid. Vooral had zij altijd koude handen en voeten.
De behandeling was als volgt: 1) lederen morgen en iederen avond de borst en het onderlijf wrijven met water en azijn (half en half); 2) alle dagen 6 a 8 jeneverbessen eten; 3) 3 maal in de week, van bed uit, een geheele wassclting doen en, zonder af te drogen, weer te rusten gaan.
De zieke was in 14 dagen hersteld en om gezond te blijven, moest zij gedurende langen tijd nog eenmaal in de week een geheele wassching doen.
âIk lijd al sedert lang aan de maag. Zij is erg opgezet en dikwijls moet ik alles onder groote smarten overgeven. Meestal heb ik pijn en krampachtige trekkingen in de voeten. Mijne lippen zien er altijd wit uit en het geheele lichaam vermagert. Ik heb verscheidene geneesheeren geraadpleegd, maar zij gaven mij slechts laxeermiddelen en daar ben ik door ondermijnd en verzwakt.quot;
Behandeling; 1) 3 maal in de week 1 uur lang gezwollen hooizaad op het onderlijf leggen; 2) om den anderen nacht, van bed uit, een geheele wassching en zonder afdrogen, weer naar bed; 3) iederen morgen 25 alsemdroppels in water en iederen namiddag 25 droppels van rozebottels innemen.
Een huisvrouw klaagt; âIk heb altijd buikpijn, het lijf is vaak gezwollen; wanneer dat niet erg is, gevoel ik éen drukking op de maag en moet ik veel zuur en ook dikwijls voedsel braken. Ik ben zwaar in het hoofd en lijd soms aan duizelingen. Bij tijden moet ik alle halve uren urineeren en soms heb ik dagen, dat ik daar maar hoogstens éénmaal behoefte aan heb. Drie dokters constateerden een maagcatarrhe.quot;
Deze zieke werd binnen 4 weken op de volgende wijze genezen: de eerste week kreeg zij dagelijks 2 begietingen van het bovenlijf, 2 kniebegietingen, en 1 kop thee van jeneverbessen en schaafstroo. De tweede week alle dagen 1 begieting van bovenlijf en knieën, en 2 maal een omslag tot onder de armen. In de derde week: 1 maal den Spaanschen mantel, 3 maal een zitbad, en 1 maal een half bad. In de vierde week
231
halfbaden, 3 maal den Spaansclien mantel, en 1 maal daags in 't water gaan.
MAAGZIEKTE (zuur).
Crescentia verhaalt: âIk ben 45 jaar oud en lijd bijna alle dagen aan hevige maagpijn; van tijd tot tijd houdt het op, maar altijd voor korten tijd; zeer dikwijls heb ik zure en bittere oprispingen, en ik weet mij vaak niet te verwarmen; hoe zuurder en bitterder dat opgeven is, des te meer koude gevoel ik.quot;
Deze persoon zag er lijdend uit, zij was zeer mager, hare gelaatstrekken waren ingevallen en de koude scheen alle warmte verdreven te hebben. Zonder twijfel heeft hier de slechte spijsvertering een groote bloedarmoede doen ontstaan.
Behandeling: Schenk kokend water op hooizaad en doe dit zoo warm mogelijk in een doek. of beter nog in een kleinen zak, leg dezen, zoo warm als de zieke het verdragen kan, op de maagstreek en het onderlijf. Wikkel daarna het geheel in een doek, zoodat de zak vast op het lichaam gebonden is, en laat hem 112 uur liggen; zóó handele men 3 dagen. Neem eiken avond een warm voetbad met asch en zout (14 minuten), doe dit eerst 3 dagen en dan om den derden of vierden dag. Wasch u wekelijks 3 a 4 maal, in den nacht van bed uit, het geheele lichaam en ga dan aanstonds weer naar bed. Neem 2 maal daags 4 a 6 lepels alsemthee en ga daar 14 dagen mee door. Hierna zal wekelijks een voetbad en was-sching in den nacht, of ook een halfbad, voldoende zijn.
MAAGZIEKTE (zweren).
Vele brakingen, prikkeling in de maag, enz. zijn nog geen bepaalde kenteekens voor maagzweren. Dat zij echter menigmaal voorkomen, is, helaas! maar al te waar.
Zulke zieken moeten niets innemen,dat zuur is, en weinig zout, peper en specerijen gebruiken. Heel eenvoudig eten en nog eenvoudiger drinken (vooral de melkkuur) hebben zich als de beste geneesmiddelen doen kennen voor ontstane kleine zweren.
Voor het overige geeft ons de behandeling van kleine uitwendige zweren een vingerwijzing voor de genezing van inwendige zweren. Een zweer aan den vinger heel ik gemakkelijk door een klein lapje in het water te doopen, en er dat nat om heen te winden ; het zuivert en geneest. Waarom zouden de inwendige zweren ook niet heelen, wanneer men gedurende langen tijd ieder half uur 1 lepel water inneemt.
232
of wanneer men thee laat zetten van bekende geneeskruiden en men, in plaats van een kop in eens te drinken, zich elk uur of elk half uur met 1 lepel vergenoegt ? Neem eens een proef met alsemthee, saliethee, of met thee van deze beide kruiden te zamen (half en half.) Of men neme een kleinen theelepel aloëpoeder, losse dien in 1li liter water op, en gebruike daar alle uren 1 eetlepel van. Hier zij opgemerkt, dat laatstgenoemde medicijn maar Va dag mag ingenomen worden, en men dan 2 a 3 dagen moet overslaan.
Een voortreffelijk huismiddel, dat zelfs de armsten kunnen nemen, is het koolwater (in eiken groentewinkel te bekomen). Het zuurkoolwater geneest de oudste wonden. Voor dit doel vermenge men 1 lepel koolwater met 6 a 8 lepels gewoon drinkwater en neme er ieder uur een lepel van. Volgens mijne ondervinding heeft deze tinctuur in den regel heilzaam gewerkt en, mocht men er al geen voordeel van ondervinden, kwaad kan dit huismiddeltje niet. Zulke medicijn is altijd raadzamer en doeltreffender, dan het een of ander giftpreparaat.
Thee van weegbree zou ook niet te versmaden zijn. Voor uitwendig gebruik laat ik zulke zieken om den anderen dag, P/a a 2 uur lang, een in tweeën of vieren gevouwen linnen compres op het onderlijf dragen. In plaats van in enkel water te doopen, is het voordeeliger om een aftreksel van hooizaad, schaafstroo en dennetakken te gebruiken.
Zijn er eenmaal groote, boosaardige zweren in de maag â aan vraatzuchtige roof- en knaagdieren gelijk â dan valt er niet meer aan genezing te denken. Het vernielingswerk breidt zich uit en eindigt steeds met de instorting van het geheel â met den dood.
MAAGZIEKTE (catarrhe).
Een vrouw van 40 jaar klaagt over het navolgend lijden; âIk heb altijd meer of min pijn aan de linkerzijde onder de ribben ; ik kan het dikwijls niet meer uithouden. Evenzoo heb ik moeite met het urineeren ; dikwijls raak ik niets kwijt, en gaat het ook al wat beter, pijn heb ik altijd. Vaak wordt mijn lijden zóó hevig, dat ik al menigmaal naar den dood gewenscht heb. Verder ben ik ook zóó opgezet, vaak zóó dik en opgezwollen, dat ik bijna niet kan spreken. Ik heb al vele medicijnen van dokters en leeken ingenomen; menigmaal werd de pijn verzacht, maar spoedig was het de oude geschiedenis.quot;
In 4 weken werd deze vrouw op de volgende wijze van haar kwaal verlost:
1. wekelijks 4 maal een doek met warm, gezwollen hooi-
233
zaad op onderlijf en maag leggen en 112 uur laten liggen ;
2. 3 maal in de week, dss nachts van bed uit, het geheele lichaam 1 minuut lang met water en een weinig azijn was-schen, en terstond, zonder afdrogen, weer naar bed.
8. 12 dagen lang eiken dag een kop thee drinken van 20 geplette jeneverbessen en wat schaafstroo, 10 minuten getrokken en in 3 verschillende keeren overdag te gebruiken.
Na 12 dagen schreef ik haar de volgende aanwendingen voor ;
1. 1 maal in de week hooizaad opleggen ;
2. 3 maal in de week een geheele wassching bij nacht;
3. 2 maal in de week een half bad van 1/o minuut;
4. door blijven gaan met theedrinken.
Dit alles 3 weken volhouden.
Om het lichaam gezond te doen blijven, is het voldoende om 2 halfbaden in de week te nemen.
MIGRAINE.
De migraine, ook schele hoofdpijn genoemd, is voornamelijk een vrouwenziekte ; buitengewoon begaafde mannen en vooral zij, die veel van hun verstand vergen, kunnen er echter ook aan lijden. Dikwijls zegt de dokter troostend ; âWees bedaard, een domoor heeft geen migraine!quot; Deze kwaal kan gemakkelijk uit een gestoorden bloedsomloop voortkomen ; maar nog menigvuldiger ontstaat zij uit storende invloeden van maag en onderlijf. (Volkomen gebrek aan eetlust en tegenzin in eten). Wanneer het geheele onderlijf meer of min verzwakt is, wanneer de gassen zich ophoopen, en de stoelgang ongeregeld is, dan zijn deze omstandigheden van terugwerkende kracht op het hoofd en zijn oorzaak, dat er smarten op sommige plaatsen ontstaan. Of wel kan het gebeuren, dat het bloed in zijn ongeregelden loop hoofdzakelijk naar een bepaalde plaats stroomt. Deze ellendige kwaal verschijnt onder de gedaante van een nevel, die de oogen met een floers overdekt. Bij velen openbaart zij zich in de hoeken van de oogen, bij anderen wordt zelfs het licht in de oogen gestoord, en zij meenen allerlei figuren voor de oogen te zien dansen.
Migraine volgt gaarne op ongesteldheden, wanneer het lichaam nog niet volkomen genezen is, en de werking dei-organen nog te wenschen overlaat. Migraine kan ook zijn overgeërfd. Menschen, die dikwerf aan deze kwaal lijden, verhalen, dat hun vader of moeder er ook aan geleden heeft.
Deze pijnlijke kwaal is gemakkelijk te genezen. Komt de migraine uit gassen voort (hierin ligt naar mijne meening hoofdzakelijk de voornaamste oorzaak), dan zal het voldoende
16
234
zijn, 2 a 8 maal daags, het onderlijf flink te wasschen met zeer kond water. Niet alleen worden de gassen daardoor geheel verwijderd, maar ook wordt een geregelde stoelgang verkregen en alles in orde gebracht. De uitwerking zal nog krachtiger zijn, wanneer men wat azijn of zout in het waschwater mengt.
Mochten deze aanwendingen niet voldoende zijn, dan kunnen 2 a 3 halfbaden in de week genomen worden. Deze zullen volstaan. Hierbij mag de patiënt thee gebruiken om de gassen te verdrijven. Thee van kummel of venkel zal uitmuntend werken. Ook zijn kleine huismiddelen niet te versmaden. 5 droppels lavendelolie op een klontje suiker, 's morgens en 's avonds genomen, 6 a 8 jeneverbessen, in den loop van den dag gebruikt, hebben al menigeen geholpen.
Velen zien in bruispoeder een radicaal geneesmiddel voor de migraine. Hierdoor worden gassen afgevoerd, dat geef ik toe ; maar ik waarschuw voor overdrijving. Het is geen radicaal middel. Zulke lieden roepen mij met hun reclame een aardige geschiedenis voor den geest, waarin iemand met een vuurpijl een haas doodschiet. De migrainestift is het non plus ultra in onze dagen; zij is een fijn bewerkt houten staafje, dat een wondereikel bevat, welke sterk naar kamfer ruikt. Geen man van de wereld, geen voorname dame loopt er zonder dit kleine vademecum. De kiem van het kwaad (van migraine) steekt, zooals wij zagen, meestal en hoofdzakelijk in het onderlijf. Met de stift behoeft men, geloof ik, maar een zeker aantal malen over het voorhoofd te strijken en.... klaar is Kees! Geloove die het wil! Ik zal er niet verder over spreken; maar ik zou lachen, als aan een patiënt een lavement was voorgeschreven en hij, in plaats daarvan, zijn oor inspuiten liet.
NIERZIEKTE.
Een boer verhaalt: âZoo sterk en dik, als ik er uitzie, zoo ellendig gevoel ik mij ook. Ik kan niet meer werken, ben gedurig opgezet, en kan dikwijls zóó moeilijk ademhalen, dat ik meen te stikken : 's nachts wentel ik mij in bed om, zonder te kunnen slapen- Mijne urine is meestal erg dik en met bloed vermengd. Ik heb dikwijls een hevige prikkeling in de blaas. Verscheidene dokters heb ik geraadpleegd; de een zegt, dat ik aan de lever lijd en galsteenen heb ; een ander beweert, dat ik iets aan de nieren heb en daar een verzwering aan krijgen zal; een derde gelooft, dat ik slechte spijsvertering en dientengevolge een ophooping van slijm heb, daar mijn mond altijd slijmerig is.quot;
Aan dezen wanhopende gaf ik den volgenden raad: 1) Wekelijks
235
2 warme baden, in aftreksel van haverstroo op een temperatuur van 30 a 32 graden R. met 3 afwisselingen (10 minuten in het warme bad en 1 minuut in het koude); 2) wekelijks 2 korte omslagen, eveneens in haverstroo water gedoopt en 11j2 uur lang aangewend; 3) alle dagen 2 koppen thee drinken van schaafstroo en jeneverbessen, 10 minuten lang getrokken. De man was in 6 weken volkomen genezen. Zijn lichaam was weer normaal, de dikke buik verdwenen, de gelaatskleur niet bruingeel meer; en, evenals zijn kleur frisch en gezond geworden is, zoo zijn ook zijne krachten hersteld.
Een werkman schrijft: âIk kreeg een nierziekte in November 1887, maar bleef daarmee doorwerken tot half Januari 1888. Ik was echter zóó uitgeput, dat ik 11 weken lang het bed moest houden. De dokter, die mij behandelde, verklaarde: dat mijne ziekte voortsproot uit gevatte koude en uit zweet, dat naar binnen geslagen was; mijne ziekte zou van langen duur zijn. In de urine was altijd een groote hoeveelheid roodachtig bruin bezinksel. Deze urine werd scheikundig onderzocht in een apotheek en het resultaat was, dat zij niets dan bloed inhield. Door dit altijddurend bloedverlies werd ik zóó verzwakt, dat de dokter bang was voor waterzucht. Hij onderzocht daarom alle dagen de voeten en het hart, maar nergens werden sporen van waterzucht gevonden. Daar ik mij eenigen tijd later wat beter gevoelde, zoo toog ik weder aan den arbeid; maar 20 weken daarna kreeg ik de kwaal terug, en moest er het werken weer aan geven. Wijl ik al zoo lang gedokterd en van alles ingenomen had, zonder er baat bij te vinden, zoo besloot ik op raad van eenige kennissen naar Wörishofen te gaan. Ik begon de koudwaterkuur, die mij veel goed deed.quot;
De man genas in 8 weken, en werd gedurende dien tijd behandeld als volgt:
1. den eenen dag vóór den middag begieting van het bovenlijf en begieting der knieën, en na den middag een halfbad van 12 minuut;
2. den anderen dag in de vroegte een geheele wassching van bed uit; wat later in het water gaan; en na den middag begieting van het bovenlijf en kniebegieting;
3. vóór den middag begieting van het bovenlijf; wat later begieting van het onderlijf; na den middag rugbegieting, en in 't water loopen. Verder
4. alle dagen een kop thee van 10 geplette jeneverbessen, en een weinig schaafstroo, 's morgens en 's avonds in 2 porties te drinken.
Een heer komt mij verhalen: âIk heb aanhoudend erge
286
pijn in de nierstreek; het is somtijds niet uit te houden. De geneesheeren (ik heb er verscheidenen geconsulteerd) verklaren, dat ik een nierziekte, en verstoppingen in het onderlijf heb. Ik gevoel ook steeds meer of minder hevige oprispingen, heb veel neiging tot braken, erge hoofdpijn, veel duizelingen, en last van zuur in de maag. Ik urineer weinig, ben nooit zonder pijn in voeten en beenen, en kan me maar een korten tijd op de been houden. Ik zweet veel, en ben altijd erg vermoeid; ik zie er steeds bleek en verlept uit. Ik ben bijna 40 jaar oud.quot;
De goede heer had waarlijk allen moed verloren en, daar hij geen baat vond bij de medicijnen, zocht hij hulp bij het water.
Behandeling: 1) Alle dagen 2 begietingen van het bovenlijf en begietingen der knieën; 2) alle dagen 1 rugbegieting, 2 a 3 maal daags in het water gaan, en ook dikwijls 1 a 2 uur lang in 't natte gras loopen. Het was in het midden van den zomer, daarom konden de aanwendingen verdubbeld worden. Hij raakte een buitengewoon groote hoeveelheid urine kwijt; de neiging tot braken hield den 2en dag al op; zijn kleur veranderde; hij werd met nieuwen moed, met nieuw leven bezield. In 14 dagen was hij volkomen hersteld. Als de zomer niet in het land geweest was, zou de kuur minstens 14 dagen langer geduurd hebben.
ONTSTEKING.
Een knaap, die nauwelijks alleen kan gaan, ziet hoe zijne moeder het licht aansteekt. Hij geeft zich alle moeiten om een lucifer meester te worden; hij wil óók vuur maken. Het gelukt den kleinen misdadiger; hij steekt met een lucifertje den boel in brand. Huis en inboedel worden in de asch gelegd.
Hoe vele duizenden menschen liggen op den doodenakker! In hunne lichamen had ook een kleine vonk de aiektestofl'en aangestoken en die^ vonk was veranderd in een vlam. Yan alle zijden drong het bloed naar de ontstoken plaats en het gaf nieuwe brandstof. Het goot olie in de vlam en de vlam werd een groot vuur. Men had wellicht geen goede maatregelen getroffen om den brand meester te worden, en de armzalige hut der menschelijke ziel brandde akelig af. Duizenden dieren sterven alle jaren op deze wijze, maar ook duizenden menschen ondergaan hetzelfde lot. Wat is het vaak spoedig afgeloopen! Uw keel heeft ergens vuur gevat en is ontstoken. Een ruw windje doet toevallig dienst als blaasbalg; het blaast het vuurtje aan; de aderen verschaffen nieuwe brandstof, en in weinige uren staat de keel in brand. Gaat het zoo niet? Wat te doen?
237
Wat wordt er ingeval van brand gedaan? Men roept: brand! brand! en zoekt eerst te redden, wat te redden valt; wanneer men tijd heeft, wordt alles, wat het vuur kan voeden, in alle haast van de plaats des onheils verwijderd, en dan spuit men er op los, tot het gevaar van brand door overstrooming wordt gevolgd. Laat ons dit begrijpen en er ons voordeel mee doen.
Wanneer er ergens een ontsteking ontstaat, zoek dan zoo spoedig mogelijk het naar die plaats stroomende bloed terug te leiden. Men redde het bloed, dat nog niet aangestoken is. Evenzoo werke men gelijktijdig op de ontstoken plaats om het aangestroomde bloed te verdeelen en af te leiden.
Onlangs ging 's nachts, toen ik juist inslapen wilde, het hout in mijn kachel aan. Hoe vervelend, dacht ik; daar gaat de halve nachtrust mee heen, eer al dat hout is opgebrand en uitgeknetterd. Mijn buurman was slimmer. âIk wil geen geknetter, maar rust hebben' prevelde hij. En wat ging hij doen? Hij haalde het hout stuk voor stuk uit de kachel en... 'het vuur was uit. Dat is duidelijk!
Keeren wij nu terug tot de keelontsteking. Voel eerst aan de voeten, of ze niet ijskoud zijn. Dit is vaak het geval. Waalmeer warmte is, ontstaat, of als gij wilt, stroomt meer bloed heen. Het bloed heeft de voeten verlaten en is naar den brand in de keel gestroomd. Wikkel de voeten in linnen lappen, in wat water en azijn gedoopt! Al spoedig zal men een groote warmte bespeuren. De voetomslag trekt het bloed naar beneden en daardoor is al wat brandstof van het vuur gehaald. Zoek het bloed verder in het onderlijf te brengen! Dit heeft plaats door een grooteren linnen doek, op dezelfde wijze bevochtigd, op den buik te leggen. Mocht de doek heel warm worden, dan doope men hem opnieuw in het koude water en herhale dit, zoo dikwijls als noodig blijkt. Door deze tweede aanwending wordt er nog meer brandstof van de brandende keel genomen, dan met de eerste aanwending het geval was. Nu kunt ge de keel â de eigenlijke vuurhaard â onderhanden nemen. Doop een doek in het koudste water en sla dien om den hals; laat den doek echter niet te warm worden (1), dompel hem telkens opnieuw in het koude water, wanneer hij te warm wordt.
Laat ge hem te warm worden, dan wordt er meer warmte
(1) Mijne 30-jarige ondervinding geeft mij het recht om dit te zeggen. Hij, die het compres den heelen nacht omhoudt, kan den volgenden dag consta-teeren, dat de kwaal erger in plaats van beter geworden is. Men wil dan zijn toevlucht nemen tot ijdele verontschuldiging, dat het compres slecht is aangelegd. Neen, meestal heeft dat een andere réden, en deze moet dieper gezocht worden. Men leze hierover het hoofdstuk: Halsomslagen.quot;
238
om en in de keel ontwikkeld en het bloed, dat al verwijderd is, of nog verwijderd moet worden, zal opnieuw naar de keel stroomen en het vuur aanwakkeren. Wanneer gij mijne zienswijze omtrent dit punt, waarover reeds zooveel gestreden werd, deelt, dan zult ge na een korte praktijk spoedig uw eigen en beste geneesheer zijn. Gij gevoelt beter dan een ander, waar de warmte verdreven is, en wanneer compres of omslag moet vernieuwd worden. Naar uw eigen gevoel kunt gij de wateraanwendingen toepassen, regelen en herhalen. De warmtegraad zal uw geleider zijn. Wijst de thermometer op nul, d. w. z. is het vuur gedoofd, dan kunt ge rust nemen; gaat hij naar boven, d. w. z. neemt de hitte toe, dan moet gi) u haasten om met den waterstraal opnieuw te blusschen.
OOGZIEKTE (catarrhe).
Een beroemd militair geneesheer zeide mij voor ongeveer 30 jaar: âDe catarrhe is een kwaal, waaruit alle mogelijke ziekten kunnen geboren worden als: slijmkoorts, zenuwkoorts, ⢠typhus, dysenterie, uitputting, tering, enz.quot; â Daarom moet men het lichaam goed harden om de talrijke gelegenheden, waarbij men een catarrhe zou kunnen oploopen, te kunnen braveeren. Heeft men een catarrhe, dan moet men niet rusten voor zij geheel genezen is.
Volslagen blindheid beduidt ellende; de verschillende oogziekten voeren tot dien toestand. De oogen zijn kostbare parelen in den schedel; maar wij hebben er slechts twee. Het is een onherstelbaar verlies, wanneer er één verloren gaat. Laat ons daarom voorzichtig zijn en over beide waken! Oogziekten treft men dikwijls bij kleine kinderen aan, die slechts weinige weken tellen, en nog menigvuldiger bij schoolkinderen. Wij durven beweren, dat er ooglijders genoeg worden aangetroffen van iederen leeftijd en van elk geslacht.
Meestal ligt de kiem der ziekte in het lichaam. Bij gezonde menschen worden alle overvloedige vochten uit het lichaam verwijderd door uitwaseming, ademhaling, enz. Bewonderenswaardig is de werking van dit meest bewonderenswaardige werktuig. Wanneer de mensch ziek is, gaat het anders toe. De vochten, die het zwakke lichaam niet meer kan afscheiden, hoopen zich op in lijf, hoofd, enz. Wat in het hoofd verzameld wordt, kiest zoo gaarne een uitweg door de oogen. De vochten, die uitgedreven moeten worden, zijn bijtend en scherp, terwijl het oog en zijn weefsel uiterst teeder zijn. Hieruit verklaart men het hevige branden, door uitvloeiing van vochten veroorzaakt. Het branden is tegelijkertijd een teeken, dat het
IJL
239
oog en zijne samenstellende deelen door een scherp vocht worden aangevallen. Wanneer de uitvloeiing dier vochten belemmerd wordt, worden de oogen ontstoken; zij worden dikwijls bloedrood, en het pijnlijke en verzwakte oog kan geen schijn, geen licht meer verdragen.
Er is slechts genezing mogelijk, wanneer die vochten zoo spoedig mogelijk verwijderd worden. Het oog en zijne samenstellende deelen zijn gezond, maar het etterachtig, bijtend vocht maakt ziek.
Sommige ooglijders zien al bijna niets meer, of zien slechts door een sluier of nevel; anderen meenen muggen en vliegen voor de oogen te zien dansen; ook zijn er, die vuurbundels of nog andere zaken voor de oogen ontwaren. Al deze kwalen ontstaan uit dezelfde vergiftigde bron, zijn bloesem aan dezelfde giftplant, komen uit dezelfde giftstof voort. Verwijder deze stof, versterk het gewonde oog, en de genezing zal volgen. Een voorbeeld tot opheldering.
De kleine Antonia, die 5 jaar oud is, ziet er zeer bleek uit. Het gezicht is opgezet; zij ziet er over het geheel lijdend uit. De oogen van het kind zijn ontstoken; zij kan geen schijn van licht meer verdragen. Ook de eetlust laat te wenschen over; zij slaapt 's nachts niet en weent veel. Wat te doen? Het kind moet alle dagen in een handdoek gewikkeld worden tot onder de armen. Den doek doope men eerst in een lauw aftreksel van haverstroo. Er moet een droge doek over den natten gebonden worden. Wanneer dat inwikkelen plaats heeft op een oogenblik, dat het kind gewoon is te slapen, dan zal het spoedig inslapen. Slaapt de kleine in, laat haar dan rustig in dien natten omslag doorslapen, tot zij wakker wordt. Wanneer de kleine niet inslaapt of spoedig wakker wordt, moet zij 1 uur lang ingewikkeld blijven. Deze behandeling duurt eene week.
In de tweede week geve men het kind een warm bad met aftreksel van haverstroo (24 a 26 graden); het moet daar 15 a 20 minuten inblijven. De laatste minuut begiete men de kleine met een gietertje, gewoon, niet al te koud water en kleede haar daarna spoedig aan. Zulk een frissche begieting, na het warme bad, is ook bij kinderen van groot belang. De ziektestoffen worden door het warme bad opgelost en afgevoerd ; door de koude begieting worden de poriën gesloten en wordt het lichaam versterkt. Het kind zal de eerste maal klagen en huilen, zooals kinderen doen; maar heeft de kleine het eenige malen ondervonden, dan zal het met weinig moeite in de badkuip gaan, als de moeder het maar aanmoedigt. Om den tweeden of derden dag moet dit bad herhaald worden.
240
De kleine zal zich spoedig frisscher, sterker en gezonder gevoelen en het oog zal ook zuiverder worden. Wil de zorgzame moeder nog een extra middel voor het oog, dan neme zij een stukje aluin, zoo groot als 4 graankorrels; late dat in een half glas water oplossen, en wassche er 3 a 4 maal daags de oogen van het kind mee. Ook als de zieke genezen is, ver-zuime de moeder niet, om de eene week de kleine minstens éénmaal op de beschreven wijze te wasschen en haar de andere week een bad te geven.
Wanneer de patiënt geen 5 jaar, maar eerst 5 weken oud is, dan moet de bezorgde moeder er niet van schrikken, wanneer ik voor deze kleine hetzelfde bad en denzelfden omslag voorschrijf'.
De kleine Antoon, 4 jaar oud, is onderhevig aan klieren; hij heeft uitslag aan het hoofd en in de haren; hij heeft dat ook een weinig om den mond en de oogen zijn ontstoken. De moeder heeft altijd gedacht, dat het kind zou sterven; intus-schen lijdt het wel, maar sterven doet het niet.
De moeder moet den kleine alle dagen vóór het naar bed gaan een hemdje aandoen, in water en een weinig zout gedoopt. Daarna moet het kind gaan slapen, en goed in een deken worden gestopt. Wanneer de moeder dit de 1ste week alle dagen; de 2° week om den anderen dag; de 3e week om den derden dag; de 4e week om .den vierden dag doet, en zij den kleinen Antoon nog 1 kleinen theelepel krijtmeel in het eten of in het drinken doet, dan zal de knaap gezond worden en demoederzalzich verheugen in zijn volkomen herstel.
Bertha gaat naar school; zij ziet er echter zeer ziekelijk uit en heeft bijna iedere week, of tenminste heel dikwijls, âkwade oogen,quot; zoodat zij niet kan lezen. De oogen zijn geheel rood en branden hevig.
De moeder moet het in tien dagen tijd 6 maal een nat hemd aandoen, en, blijkt dit middel onvoldoende, dan moet zij de kleine baden geven van ongeveer 24° (daarin behoort een aftreksel van dennetakken); elk bad moet steeds met een koude begieting eindigen. Tegelijkertijd kan aloëwater (1 kleine theelepel aloë wordt in een medicijnglas gedaan en daar warm water opgegoten) als oogwater gebruikt worden; daarmee moeten de oogen 3 maal daags gewasschen worden. Dit laatste middel geneest het ontstoken oog en versterkt het.
Willem, een knaap van 9 jaar, leed aan de oogen. Hij kon niet meer lezen en met moeite de menschen onderscheiden; hij was meer dan half blind. De ouders hadden al meer dan 240 gulden voor zijn oogen uitgeven. Niemand kon helpen, geen dokter, geen apotheker. Even kwijnend als de oogen waren, was ook het geheele kind; handen en voeten waren
2-41
altijd koud; de maag zonder eetlust; het lichaam vermagerd; de heele persoon treurig en gedrukt. Niet alleen waren de oogen in een ellendigen toestand, maar de heele knaap was er ellendig aan toe. De blauwe bril en de geleider getuigden het.
In 4 maanden waren de oogen en het heele gestel van quot;Willem volkomen genezen. De kleine moest 2 warme baden in de week nemen. 4 maal in de week liet ik hem een hemd aandoen, in koud water met een weinig zout gedoopt; hij hield dat 1 ;i 11 -uur lang aan. Bovendien liet ik hem heel dikwijls barrevoets in het natte gras of in den regen loopen. Toen de eerste 4 weken verloopen waren, gebruikte Willem geregeld 3 a 4 baden van 15 graden in de week, en na elk bad nam hij beweging. Dit hield hij ook eenige weken vol. Daarenboven liet ik zijne oogen 2 maal daags met aluinwater wasschen. [1 theelepel aluin op ^ glas water). Toen het lichaam gezond werd en herleefde, ontwaakten de oogen. Zij eindigden met geheel open te gaan; zij schitterden en straalden in het gezonde en frissche gelaat van den knaap, alsof zij nooit ziek geweest waren.
Christina, 24 jaar oud, ziet er uit als het eeuwige leven, maar sukkelt altijd met de oogen. Zij heeft te veel bloed in het hoofd, te weinig in de voeten, en lijdt daarom ook altijd aan koude voeten. â¢
Christina neemt om den anderen dag een lauw voetbad, met asch en-zout vermengd. Daardoor wordt het bloed naar beneden geleid, 3 maal in de week gaat zij, gedurende een halve minuut, tot onder de armen in het koude water (halfbad). Zij doet dikwijls haar werk op bloote voeten. De bloedsaandrang naar het hoofd neemt af, houdt langzamerhand geheel op, en haar oogziekte verdwijnt.
Agatha komt bij mij klagen: âIk heb al 3 jaar last van hevige hoofdpijn, zoodat ik dikwijls heele nachten wakker lig. Mijne voeten zijn gedurig koud ; vermindert de hoofdpijn, dan heb ik zulk een pijn in den rug, dat ik er soms heel stijf van ben. De dokters, die uren ver in den omtrek wonen, heb ik geconsulteerd â niemand kon mij helpen. Sedert een half jaar wordt mijn gezicht zóó zwak, dat ik met moeite de huizen zien kan en als dat zóó nog eenigen tijd voortgaat, word ik stekeblind.quot;
Agatha moest 2 weken lang:
1. 2 maal in de week een hemd aantrekken, in zout water gedoopt en daarna 112 uur lang in een deken gewikkeld blijven;
2. 2 maal in de week, l1» uur lang, een warmen, korten omslag nemen, in een aftreksel van hooizaad gedoopt ;
242
3. Alle dagen 1 minuut lang water op de knieën gieten en daarna beweging nemen.
In de derde en vierde week moest zij (alle dagen) 's morgens een begieting van het bovenlijf en van de knieën, en 's namiddags een halfbad nemen; bovendien 3 minuten per dag in het water gaan. Na 4 weken was de hevige bloedsaandrang naar het hoofd verdwenen; de oogen waren genezen, nu de oorzaak(de bloedsaandrang) weggenomen was; de voeten waren warm, en de zieke was hersteld.
Na hare genezing moest Agatha nog 3 halfbaden in de week nemen om het heele lichaam te versterken.
OOGZIEKTE (Staar).
Een ambtenaar bracht mij een knaap van 9 jaar, die aan de oogen leed. De beide oogappels gaven zoo weinig licht, dat de arme kleine slechts met moeite alleen kon gaan. âHoe komt ge zoo bij mij ?quot; â âMijn kind is langen tijd in een cliniek voor de oogen geweest,quot; hernam de vader, ,,het werd weggezonden met de verklaring, dat hi] een ongeneeslijke âgrijze staarquot; heeft. Het is verschrikkelijk â 9 jaar oud en dan al blind te zijn.quot;
Een der oogen scheen al zoo troebel,-dat men den oogappel niet, dan zeer scherp ziende, kon onderscheiden. Voor dat oog van den kleine was het stikdonkere nacht. Over het andere oog lag een wolk. Evenals de uiterste rand der zon nog eenig licht verspreidt, vóór deze achter de wolken verdwijnt, zoo straalde er ook nog een laatste vonkje uit dat oog, eens zoo vol licht en nu op het punt van op een treurige wijze voor altijd te worden uitgedoofd.
Op het eerste gezicht zag ik, dat de arme jongen niet uitsluitend aan de oogen leed. Het kleine lichaam leed in zijn geheel en was zóó ellendig aan het kwijnen, dat iedereen moest denken, dat het kind door en door ziek was en oogen-schijnlijk uitteerde; zonder eetlust; zonder leven ; vermagerd, en een droge huid, die stof maakte, wanneer men er snel overheen streek. Bijgevolg zijn het niet alleen de oogen, die ongesteld zijn, het heele lichaam is ziek, zeer ziek. Laten wij trachten om dit eerst te genezen, dan zullen de oogen misschien ook weer open gaan.
Wij gingen aan het werk, maar verwijderden eerst den bril, dien het kind droeg. De knaap moest zooveel mogelijk alle dagen barrevoets gaan in het natte gras of op natte steenen, en in den beginne werden ziin rug, borst en onderlijf flink gewasschen (1 a 2 maal per dag). Na verloop van eenigen
243
tijd werden de wasschingen door halfbaden en eindelijk door volbaden vervangen, doch deze duurden nooit langer dan 1 minuut. Bovendien nam hij afwisselend den omslag, of het natte hemd, in zout water gedoopt (l1^ uur lang.)
Het doel van al deze aanwendingen was om nieuwe werking, nieuw leven in het lichaam te brengen, met andere woorden, om het lichaam te genezen en te versterken.
Ik gebruikte verscheidene waters voor de oogen, d. i. om te zuiveren en te versterken. Vooreerst het aloëwater (men neemt 1 theelepel aloëpoeder en kookt dat een paar minuten in 14 liter water), alle dagen moesten de oogen, vooral van binnen, daar goed mee worden uitgewasschen. Aloë lost op, zuivert en heelt. Later gebruikte ik aluinwater (2 theelepeltjes aluin worden in V* liter water gemengd) en daarmee waschte men flink de oogen 3 a 4 maal per dag. Aluin heeft inbijtende kracht en zuivert. Nog later nam ik oogwater van honig (Va lepel honig wordt gedurende 5 minuten in 1/i liter water gekookt) om de oogen, vooral van binnen, 8 a 5 maal daags te wasschen. Door deze behandeling kwam de jongen z ichtbaar bij; alle weken won hij aan krachten; zijn uiterlijk werd 'risscher, gezonder en bloeiender; lichaam en geest beterden en kwamen langzamerhand weder in den normalen toestand. De oogen openden zich opnieuw, toen het geheele gestel herleefde; zij verspreidden een levendigen, helderen glans tot genoegen der ouders. De knaap kan even goed zien, als zijne schoolmakkers. Niemand zou gelooven, dat het kind ooit zóó ellendiggeweest was.
Ik ben er van overtuigd, dat de zieke oogen slechts een beeld, een gevolg waren van het nog ziekere lichaam. Wanneer de stam van een boom verdroogt, zullen bloesem en bladeren verdorren en afvallen; evenzoo moeten er in een ziek lichaam ook zieke oogen zijn. Herleeft de stam opnieuw, dan zullen bloesem en bladeren weer tot groei en wasdom komen.
OOR. (Suizing in het)
Iemand heeft veel last van oorsuizing, is zwak van zenuwen, beeft vaak aan handen en voeten, ziet er bleek uit, en heeft ingevallen oogen. Deze persoon heeft verscheidene geneesheeren geraadpleegd. De een zegt, dat de oorsuizing aan zenuwen moet worden toegeschreven; een tweede meent, dat een naar binnen geslagen verkoudheid er de oorzaak van is; een derde beweert, dat het trommelvlies een weinig ingekrompen is, enz. enz.
Behandeling: 1) 2 a 4 minuten per dag in het water gaan, en daarna beweging nemen in een warm vertrek; of buiten, als het niet te koud is; 2) om den anderen nacht een geheele
244
wassching doen (met water en azijn) van bed uit; 3) 2 maal in de week, gedurende 1 uur, een omslagdoek aandoen. Dit alles moet 2 a 3 weken worden volgehouden. Wanneer de kwaal dan nog niet over is, moet men nog om den anderen dag in het water gaan, en eenmaal in de week een geheele wassching doen.
OORZIEKTE (Doofheid).
Wie zou de talrijke oorzaken van ziekten kunnen opgeven; wie zou kunnen verklaren, hoe de ziekten van invloed zijn op sommige organen, die ongesteld blijven, wanneer de ziekte al geweken is ? Hoe edeler het orgaan, hoe nadeeliger de invloed van ziekte, en hoe moeilijker de genezing. Het oor is een dei-edelste lichaamsdeelen, en het gehoor kan dikwijls verloren gaan als gevolg van ziekte of ongelukkige levenswijze.
Een moeder verhaalt: âMijne dochter heeft roodvonk gehad, waar zij van genezen is. Sedert dien tijd is zij niet heel wel meer. Nu eens klaagt zij over het een, dan weer over het ander; maar het ergst van alles is, dat zij haast geen gehoor meer heeft. Niets heeft geholpen, van al hetgeen zij er voor deed.quot;
Dit meisje is zeker niet volkomen genezen en klaagt zij nog over het een of ander lichaamsdeel, dan zal daar nog een spoor van ziekte zijn achtergebleven. Is het meisje eenmaal genezen van alle gevolgen van het roodvonk, dan zal zij het gehoor wel weer terugkrijgen. Men werke dus op het heele lichaam en in 't bijzonder op het oor.
De navolgende aanwendingen zullen de meeste uitwerking hebben: 1)1 Va uur lang een nat hemd aantrekken. 2) Gedurende 11;2 uur een omslagdoek aandoen en dien na 3 kwartier opnieuw bevochtigen. Tegelijkertijd en ook l'/z uur lang een voetomslag nemen (elke voet wordt van den enkel tot boven de kuiten gewikkeld in een handdoek, in warm water gedoopt). â 3) Het geheele lichaam van bed uit wasschen, en zonder afdrogen weer naar bed. Het achterhoofd en de ooren moeten vooral goed gewasschen worden. 4) 2 uur lang een in warm water gedoopten doek om de ooren en de aangrenzende deelen daarvan binden. Deze doek moet alle halve uren opnieuw worden natgemaakt. 5) Een hoofd omslag nemen (zie âOmslagen.quot;)
Deze vijf aanwendingen moeten langen tijd worden volgehouden ; de zieke neme er minstens één per dag. Bovendien raad ik nog aan om alle weken een warm haverstroobad (28 a 30 graden R.) van 25 minuten te nemen en zich onmiddellijk
245
daarop met koud water af te wasschen, om het gestel niet te vatbaar te maken door het warme water. Deze aanwendingen zullen het lichaam in den besten toestand terugbrengen; de warme omslagen om de ooren moet men echter nog lang volhouden.
POKKEN.
Wat het roodvonk is in 't klein, dat zijn de pokken in het groot. Roodvonk is besmettelijk; pokken zijn nog besmettelijker, het mogen gewone of zwarte pokken zijn. De behandeling blijft voor beide gevallen dezelfde. Men zegt gewoonlijk, dat de zieke sterven zal, wanneer de pokken niet te voorschijn komen. Daarom moet men beginnen om de pokstof zoo spoedig mogelijk op de huidoppervlakte te brengen, ten einde een inwendige vergiftiging te voorkomen en een snelle verdrijving te bewerkstelligen.
Zes personen, die aan witte pokken leden, werden genezen door koude wasschingen, telkens herhaald, wanneer de patiënten het te warm kregen, of zich te angstig maakten. In den beginne was dit elk uur noodzakelijk, later alle 2 uren, en nog later slechts 2 a 3 maal daags. Den zevenden dag waren de ö zieken volkomen hersteld. Zij hebben om zoo te zeggen niets gegeten, maar tamelijk veel gedronken, en dit kan geen kwaad, wanneer men slechts met kleine hoeveelheden tegelijk drinkt. Wilden alle patiënten dit toch begrijpen! De dorst wordt niet geheel gelescht, wanneer men te veel ineens drinkt, en de angst neemt toe.
Ik was er zelf dikwijls verbaasd over, dat deze eenvoudige wasschingen altijd de pokken op de oppervlakte der huid te voorschijn brengen. Zij doen zich voor als kleine puntige verhevenheden, die zich op de huid vertoonen bij wijze van kikvorschen, die den kop uit het water steken. Men wassche zonder den minsten schroom! Hoe spoediger en zakelijker dat plaats heeft, des te vlugger ontwikkelen zich de blaasjes, en des te sneller zal de aanstekingsstof worden uitgedreven. Zij zal geen zweren doen ontstaan, omdat zi] om zoo te zeggen wordt weggewasschen.
Nog eene opmerking. Geef den zieke toch de versche lucht, die men hem vroeger misgunde, waar men vroeger bang voor was. Houd toch iets open, waar de lucht door binnenstroomen kan.
Het wasschen moet zoo snel in zijn werk gaan, dat het hoogstens in 1 minuut is afgeloopen. Bij volwassenen kunnen de pokken even goed genezen worden, als het roodvonk bij
246
kinderen. Bedenk, dat de zachtste aanwendingen de beste zijn.
Vier personen leden aan een zelfde soort van pokken. Zij werden genezen door 2 a 3 maal daags een nat hemd aan te trekken, in plaats van zich te wasschen. De Spaansche mantel zoo ook goede diensten bewezen hebben. Na verloop van 1 urn-werd het hemd uitgetrokken en bij groote warmte en angst weer aangedaan. De laatste dagen had dit hoogstens 1 a 2 maal plaats. De heele kuur was in 8 dagen afgeloopen en geen spoor zag men van litteekens, waardoor zoo menig gezicht voor het geheele leven geschonden wordt.
Frits kan niet loopen; hij is doodmoe in alle ledematen. Hij ziet er uit om van te schrikken. Hij lijdt aan erge hoofdpijn, heeft neiging tot braken, en benauwdheid op de borst. Men roept den dokter. Deze verklaart, dat er zekere kenteekens van pokken aanwezig zijn, maar er nog 3 dagen kunnen ver-loopen vóór deze zich zullen ontwikkelen. Een laxeermiddel zou niet schaden, maar overigens zou men er niets aan doen. Frits was daar niet mee tevreden en, daar hij van wateraanwendingen gehoord had, liet hij een kuip met water naast zijn bed zetten. Ieder uur nam hij een bad, en met een ruwen handdoek waschte hij zich flink af; hij was daar telkens spoedig mee klaar, want er is nauwelijks i minuut voor noodig. In 18 uren tijds had hij zich 18 maal ge wasschen. Vóór de dokter terugkwam was Frits geheel van de pokken hersteld. Hij had in dien tijd niets gebruikt dan water.
Zooeven vernam ik, dat een mijner vrienden mijn raad gevolgd,- en 4 a 5 personen op deze wijze in weinige dagen genezen heeft; zij hadden plotseling de koorts gekregen en waren met recht bevreesd voor pokken.
Wanneer ergens een epidemie heerscht van - pokken, roodvonk, uitslag, enz. en de ziekteverschijnselen zich voordoen, dan moet men zoo spoedig mogelijk met de aanwending beginnen. De methode om af te wachten âwat het wel worden zalquot; is steeds gevaarlijk. Het vuur grijpt om zich heen en verteert snel alle krachten. Wie spoedig bluscht, zal het gemakkelijkst blusschen. Wanneer men eenige dagen wacht, kan het al te laat zijn.
Zoodra een kind, of een volwassen persoon, over hoofdpijn, benauwdheid, moeilijk ademhalen en hoesten klaagt en zegt: dat alle moed er uit en alle kracht gebroken is, dan zijn dat zoovele vingerwijzingen om aan te geven, dat de tijd voor aanwendingen gekomen is. Zelfs ingeval men zich bedriegt, kunnen die aanwendingen geen kwaad.
In het algemeen herhaal ik hier ter plaatse de volgende regels:
247
De wasschingen moeten zoo kort mogelijk duren en zich over het geheele lichaam uitstrekken.
Het toedekken (afsluiten van buitenlucht) na de aanwending moet met zorg en zonder overdrijving geschieden. Men moet goed luchten, maar voorkomen, dat de zieke den luchtstroom in het gezicht krijgt.
De wasschingen moeten telkens nauwkeurig herhaald worden, wanneer warmte en onrust toenemen.
Men moet een zieke, en vooral een zwaren zieke, nimmer dwingen om te eten. De maag zal wel door een gevoel van honger aangeven, wanneer zij haar arbeid hervatten wil. Ongevraagde spijzen laat zij onaangeroerd. Deze bemoeilijken en verhinderen dikwerf de genezing en veroorzaken soms nog een instorting.
Welke dwaasheden worden te dezen opzichte niet dikwijls uit onwetendheid gedaan, vooral op het platteland! Een ieder komt aan het ziekbed en met de beste bedoelingen, maar met misplaatsten ijver, spoort men den zieke tot eten en drinken aan. Men brengt hem o. a. allerlei zoetigheid en dat werkt onder deze omstandigheden als vergift. Men doet ongeloofelijke dwaasheden en begaat, zonder het te weten, misdaden tegen de gezondheid.
Wanneer de eetlust zich aanmeldt, wanneer de zieke om vasten of vloeibaren kost vraagt, geef hem dan zeer weinig voedsel â eenvoudige (weinig gezouten en weinig gekruide) zachte spijzen, die licht te verteren zijnâen nimmer zooveel, dat hij geheel verzadigd is. Als toegift beveel ik goed gekookte vruchten aan. Water, of water met wat wijn, of melk, is het beste tot lafenis. Laat banket- of suikerbakker niet voor het eten zorgen.
Op verscheidene plaatsen is men er al toe overgegaan om het water te gebruiken als geneesmiddel voor pokkenepidemie, maar in vele gevallen is men helaas! te ruw en te afschrikkend te werk gegaan. Het ware te wenschen, dat het gebruik van water nog veel algemeener en de toepassing daarvan zachter en gemakkelijker werd, dan zou men nog talrijke menschenlevens (1) kunnen redden. Volgens de ondervinding, tot nu toe opgedaan, durf ik beweren: dat geen enkele zieke aan pokken sterven zal (weinige gevallen uitgezonderd) tenzij hij er een andere zware ziekte bij heeft. Wanneer ik dikwijls lees hoevele honderden en duizenden er in één jaar aan deze
(1) Do kracht van den wüdsten stier wordt gebroken, wanneer men een kleinen ring door zijn neusgaten doet. Dan kan men hem leiden, waar men wil. De zachtste wateraanwending vergelijk ik bij den ring, dien ik de gevaarlijkste ziekten om zoo te zeggen door de neusgaten steek.
248
ziekte, of liever aan de koortsen, die haar vergezellen of voorafgaan, sterven, dan wordt het mij treurig te moede. Het bluschmiddel is voorhanden, maar dikwijls gebruikt men geen druppel om de hitte te verminderen, het vuur uit te dooven. Wie kan dit begrijpen ? Moge de heilzame werking van het water toch eindelijk erkend worden!
De genezing van pokken door middel van water heeft nog het bijzondere voordeel, dat het vergift nooit diep indringt; daarom zal bij deze behandeling het gezicht ook nimmer levenslang door litteekens geschonden zijn.
De wasschingen, welke wij in de bovenstaande gevallen voorschreven, kunnen vervangen worden door den Spaanschen mantel, dien men 2 maal daags (bij hevige koortsen 3 maal), 1 a 11:2 uur lang omdoet. Men moet nimmer vergeten om den mantel na iedere aanwending zorgvuldig te laten wasschen, omdat hij telkens een hoeveelheid vergiftige stof bevat.
Een andere aanwending bestaat hierin,, dat men den zieke te bed brengt, een dubbel gevouwen, groven, linnen doek in water doopt, en dien, bij wijze van compres op het vóórlijf, (zie: âGompressenquot;) op borst en onderlijf legt en dan op dezelfde wijze een compres op het achterlijf laat volgen. Ingeval van groote hitte kan deze aanwending 2 a 3 maal in een halven dag herhaald worden.
RHEUMATIEK (1).
Een man van 46 jaar verhaalt: âIk heb altijd ergens pijn, of aan de rechterzijde, öf boven op den schouder ; zij doet zich echter nooit lang op dezelfde plaats gevoelen; slaat ze in 't hoofd, dan heb ik last van duizelingen en dan traant het rechteroog; gevoel ik de pijn in den voet, dan wordt deze heel stijf; komt de borst aan de beurt, dan kan ik met moeite ademhalen. Zóó lijd ik al jarenlang; ik heb wel voor een korten ti]d verlichting, maar nooit genezing gevonden.quot;
Deze zieke werd door de volgende aanwendingen in 5 weken genezen.
1. 3 maal in de week een korten omslag gedurende P/a uur;
2. 4 maal in de week een geheele wassching, van bed uit;
3. 2 maal de begieting van het bovenlijf.
Dit hield hij 14 dagen vol; daarna
1. 1 maal den korten omslag;
2. 2 maal de geheele wassching;
3. eiken dag een begieting van het bovenlijf en een begieting der knieën.
1
Zie âJicht.quot;
240
Toen de patiënt genezen was, bleef hij nog eenigen tijd de kuur voortzetten om zijne gezondheid te behouden. Hij nam een halfbad, en 2 begietingen van het bovenlijf en van de knieën in de week.
RHEUMATIEK IN DE GEWRICHTEN.
Een heer komt bij me. Hij ziet er ziekelijk uit. Verschillende lt; n onbekende smarten hebben een weemoedige uitdrukking aan zijne trekken gegeven. Bij den eersten aanblik dacht ik onwillekeurig: âde man lijdt veel, of heeft veel geleden; de ongezonde gelaatskleur is vreemdsoortig geel; liet hoofd heeft nog maar weinig haren (niet het twintigste deel van vroeger).quot; De man telt nog geen 40 jaar; hij vertoont een beeld van ernst en kalmte, maar ook, zooals ik heb gezegd â een lijdensbeeld. Zijn eigen verhaal luidt als volgt: âVroeger had ik dikwijls pijn in het onderlijf met hevige aanvallen van koliek en diarrhee. Later kreeg ik een nierziekte, zooals de dokters het noemden. Wanneer mij die onuitsprekelijke smarten overvielen, draaide ik als een spil, als een drijftol rond. Na verloop van jaren verdween deze kwaal, maar ik kreeg er gewrichtsrheumatisme voor in de plaats. Ik heb een gevoel, alsof alle vroeger doorgestane smarten zich nu vereenigd in mijne ledematen bevinden, en elk lid op eene bizondere wijze gepijnigd wordt. Ik heb vele geneesmiddelen gebruikt. Het einde van de geschiedenis was altijd, dat ik niet de gewenschte genezing, maar steeds de oude kwaal terugkreeg. Met veel inspanning van krachten en met groote offers kon ik mijne beroepsbezigheden tot nu toe waarnemen; ik heb bij niemand geklaagd, omdat niemand mij begreep, zelfs geen dokter. Hij, die den lijder een kroon beloofd heeft, weet alleen, wat ik geleden heb. Ik heb er misschien nog een woord bij te voegen. Mijne voeten waren klam bezweet; de middelen op raad van anderen genomen, verhielpen dit ongemak, maar ik bevond er mij niet goed bij. Op verlangen des dokters heb ik ook minerale baden gebruikt, maar zij verergerden de kwaal. Nog pijnlijker dan al dat lijden was de inwendige kwelling, dat anderen meenden, dat mijn kwaal zoo erg niet was en overdreven gevoeligheid bij mij de hoofdrol speelde; zij dachten: men moet zich zelf overwinnen en zich over zulke zaken heen-zetten. Ongedeelde smart is dubbele smart!quot;
Dit verhaal heeft lang geduurd, waarde lezer, maar hot is en blijft leerrijk. Laat ons nimmer hard en onrechtvaardig zijn jegens zieken! Een man van ijzer en staal weeklaagt niet ineens en zonder reden als een bloodaard.
17
250
Wie kan ons den wortel van al deze kwalen aanwijzen; wie kan ons een blik doen slaan in het inwendige van dit zieke lichaam? Het geheim is niet moeilijk te raden. De eerste stellingen heeft de zieke ons zelf in zijn verhaal gegeven; wij behoeven er slechts een gevolgtrekking uit te maken. De gele kleur, de menigvuldige koliekaanvallen, het ingehouden zweet der voeten wijzen ons op eene vergiftige stof, die op de loer ligt in het binnenste des lichaams, gelijk een slang dat in haar schuilhoek doet, die met de tong speelt en sist, maar zich nu bij den laatsten aanval op haar prooi werpt, d.w.z. alle ledematen aangrijpt en haar venijn tot in de gewrichten, tot in het merg der botten dringt. Het geschiedt niet zonder reden, dat de haren ontvallen aan een hoofd, zoo dik en zwaar begroeid; een inwendige storm rukt ze uit, gelijk de herfstwind de verdorde bladeren van de boom en schudt; of wel moeten de haarwortels door een vergiftigen worm, dat is een vergiftige stof, worden afgeknaagd.
Een volkomen genezing zal alleen maar mogelijk zijn, wanneer deze vergiftige stof, die in alles is doorgedrongen, opgelost en verwijderd wordt en men het lichaam zoodanig versterkt, dat dergelijke noodlottige vochten niet meer den baas kunnen spelen. Ratten doodt men met rattenkruit. Bij welken drogist verkoopt men het tegengift voor de vergiftige stof, hier boven bedoeld? Velen zouden het met goud betalen. Voor kunstmiddelen geeft men goed geld uit, vooral wanneer ze nieuw en onbekend zijn, maar voor de natuurlijke en beste middelen weet men den Schepper aller gaven nauwelijks âDeo gratias,quot; âGode zij dank!quot; te zeggen.
In bronnen, beken en rivieren stroomt het veelvermogend heilzaam middel, dat wij bedoelen. Hoe moet het water genezen? Luister! Wanneer een huismoeder haar linnengoed bleeken wil, d.i. wanneer zij aan het linnen een heldere witte kleur wil geven, dan spoelt zij het zelve in water, begiet het herhaalde malen en laat er de lieve zon op schijnen. Door die herhaalde begietingen worden de zoogenaamde ruwe stoffen losgeweekt en de zon trekt ze er alle uit. Wanneer het linnen aau de eene zijde gebleekt is, bewerkt men het op dezelfde wijze aan den anderen kant.
Om het linnen zoo nauwkeurig mogelijk te bleeken, moet het ook door en door van water en zonnestralen doortrokken zijn, dan zal de heldere witte kleur â de trots van elke huisvrouw â door geen vlekje verontreinigdworden. Dit is duidelijk. Laten wij het in toepassing brengen! Het lichaam van onzen zieke met zijn gele opperhuid gelijkt waarlijk zulk een ongebleekt stuk linnen. Een gedeelte der wateraanwendingen moet
251
bij kleine hoeveelheden in het inwendige des lichaams dringen om daar de ruwe stoffen, dat zijn de vergiftige stoffen, op te lossen, en een ander gedeelte moet warmte ontwikkelen, die evenals de zonnewarmte het opgeloste tot zich trekt. Nog iets anders. De huisvrouw gebruikt somtijds loogwater, dat nog beter en sneller werkt. Wij kunnen ook een loogwater bereiden, dat voor sterker oplossend middel dienst kan doen. Wij koken verscheidene kruiden en planten in water; daardoor verkrijgen wij een uitmuntend loog om het lichaam te bleeken.
Keeren wij naar ons geval terug. De zieke moest onmiddellijk den Spaanschen mantel aandoen. Daarna kreeg hij een hoofddampbad met krachtige afwassching, en eindelijk een voetdampbad. Beide dampbaden vervingen het beste loog (men kan mij gelooven), maar moesten met geregelde tusschenpoozen na elkander genomen worden. Hoe meer het lichaam namelijk ontzien wordt, des te beter kan het gestel het uithouden; het kan zelfs medewerken om de ziektestoffen te verdrijven. Vervolgens nam de patiënt alle dagen om beurten een korten omslag, een begieting van het bovenlijf, of een begieting van het onderlijf (de beide laatste om het lichaam te versterken); bovendien alle nachten een geheele wassching van bed uit. Dit werd 3 weken volgehouden. De vierde en vijfde week kreeg hij afwisselend 2 halfbaden, 1 hoofd- en voetdampbad en 1 Spaanschen mantel, de zesde week eindelijk 2 warme baden afgewisseld door koude, 1 halfbad en een begieting van het boven- en onderlijf. Voor de toekomst raadde ik den patiënt aan: een paar geheele wasschingen en een begieting van het boven- en onderlijf in de week, en één warm bad, zonder afwisseling, in de maand te nemen.
Het water zal het vertrouwen ook in dit zorgelijk geval niet beschamen. De erge kwaal, die ongetwijfeld tot een vroegtijdi-gen dood zou hebben geleid, verdween. De patiënt zag er weer frisch en gezond uit, de verloren krachten herstelden, en inplaats dat zijn moed verloren ging, gevoelde hij zich als met een nieuw leven bezield; hij kon met lust en ijver zijne beroepsbezigheden hervatten. De stem was klankvol als te voren en herhaalde mij dikwerf: âGod loone het u!quot; Voor Hem, van wien alle genezing en welslagen komt, zong zij een dankbaar vreugdelied: âGloria, Eere zij God!quot;
Een man van om en bijna de 40 jaar had zulke hevige rheumatische pijnen in het rechterbeen, dat hij zelfs met behulp van een stok niet ver meer loopen kon. Nu en dan had hij ook pijn in armen en schouders. Hij had al verscheidene middelen aangewend, maar zonder gevolg. Hij nam zijn toe-
vlucht tot water, en in 6 dagen gevoelde hij al beterschap; hij zette de aanwendingen voort en genas volkomen.
Deze aanwendingen waren:
1) 6 dagen lang alle dagen '2 begietingen van het bovenlijf en 2 begietingen van liet onderlijf nemen, en eenmaal in cte week een omslag onder de armen. Alle dagen, gedurende 1 a 3 minuten, 2 maal tot over de kuiten in het water gaan. Eiken dag een rugbegieting en barrevoets in het gras loopen.
2) Na deze 6 dagen een begieting van het bovenlijf met kniebegieting, in afwisseling, van een halfbad van 1 minuut.
Een jongeling van 28 jaar verhaalt; âSedert 2 jaren ben ik geen dag zonder pijn. Zij begon in den rug, waar ik.een hevige prikkeling en steking gevoelde, welke nu eens erger, dan weer dragelijker werd; langzamerhand zakte de pijn tot in de rechterdij en in het rechterbeen; het is mij onmogelijk om 's nachts geregeld 2 uur te slapen; ik word of door warmte gekweld, of door koude bevangen. In den beginne heb ik verscheidene geneesheeren geraadpleegd, maar zonder gevolg. Ik ben ook somtijds ingespoten; daardoor werd de pijn verzacht, om gewoonlijk korten tijd daarna met meer hevigheid terug-te keeren. Daar de dokters mij niet helpen konden, wendde ik mij tot kwakzalvers, die mij inwreven en met spiritualiën waschten; maar alles was vruchteloos. Nu wil ik het eens met water probeeren.quot;
Hij werd den eersten dag behandeld als volgt :
1. 's morgens om 8 uur een begieting van het bovenlijf met 2 a 4 gieters koud water;
2. om 10 uur een onderhjfbegieting;
3. om 2 uur in den namiddag een begieting van het onder-lijf; en
4. 's avonds in 't water gaan.
Den tweeden dag: 'smorgens in het water gaan; om 10 uur onderlijfbegieting;' snamiddags ten 2 ure rugbegieting; 's avonds om 5 uur een zitbad.
Den derden dag: 's morgens een halfbad; om 10 uur eeu begieting van het bovenlijf; 's namiddags om 2 uur een begieting van het onderlijf; om 5 uur in het water gaan.
Den vierden dag: 's morgens een begieting van het onderlijf; om 10 uur een halfbad; 's namiddags rugbegieting;'s avonds in het water gaan.
Dit werd 12 dagen volgehouden en toen was de zieke gezond.
Het lichaam, dat door pijn aan kracht verloren had, moest versterkt worden; daartoe moest de patiënt wekelijks nog langen tijd 1 of 2 halfbaden nemen en 1 a 2 maal in het water gaan.
253
De graaf N____ leed sedert 35 jaar aan rheunmtisme. In
't jaar 1854 nam In] de baden te Aken en vond daar destijds baat bij. In den veldtocht van 1S70â71 kreeg hij, tengevolge van het vele bivouakeeren, veer de hevigste rheumatisehe pijnen in het geheele lichaam, ook ditmaal hielp hem een badkuur te Aken. Doch daarna kreeg hij de kwaal telkens terug. Hij zocht dokters van naam op, maar zonder gevolg; deed een badkuur te Aibling; later te Aken, doch dezen keer gevoelde hij zich ellendig; het lichaam was erg verzwakt door al die warme langdurige baden. Nadat alles vruchteloos beproefd en aangewend was, besloot hij ten laatste een koudwaterkuur te doen.
De zieke kwam den 20quot; Juni 1887 bij mij; hij had de laatste 2 maanden te bed gelegen en had rheumatiek in het geheele lichaam ; in de voet- en knie-, in de hand- en schoudergewrichten. De rechterarm was dik gezwollen van de vingers tot over de ellebogen; de gewrichten konden niet meer bewogen en de knie, die ook gezwollen was, niet meer gebruikt worden.
De goedgebouwde, statige man was erg uitgeput door die langdurige en pijnlijke smarten.
De behandeling was als volgt:
1. 2 maal in de week werd het lichaam, l1,2 uur lang. van en met de voeten tot onder de armen gewikkeld in een doek, die in een warm aftreksel van hooizaad, haverstroo en denne-naalden gedoöpt was;
2. Eiken morgen en eiken avond moest de gezwollen arm, gedurende 1 a 2 uur, in een dergelijk aftreksel gewikkeld worden;
3. Wekelijks 2 volbaden van kruiden, driemaal afgewisseld;
4. 3 maal in de week, 1 uur lang, een omslagdoek aandoen.
Na verloop van 14 dagen was er al werkelijke beterschap
te bespeuren.
Verder gebruikte de patiënt aan huis:
1. Armomslagen als boven;
2. wekelijks 1 volbad van kruiden, met afwisseling;
3. 3 maal in de week een koud halfbad van 12 a 1 minuut;
4. 3 a 5 maal in de week een zitbad van 2 minuten.
Door het gebruik dezer aanwendingen verdween de zwelling
aan arm en knie, en kon de patiënt zich weer opnieuw bewegen.
Om verder geheel te genezen werden in September 1887 aangewend:
1. een warm handbad â de hand in gezwollen hooizaad gewikkeld en onmiddellijk daarop koud afgewasschen ;
2. 3 a 4 half baden in de week;
3. wekelijks 1 volbad van kruiden, 3 maal afgewisseld;
254
4. 4 begietingen van het bovenlijf in de week.
Het resultaat van deze kuur was zeer gunstig. De gewrichten waren niet pijnlijk en gezwollen meer en konden zich goed bewegen. Sedert dien tijd zijn de algemeene gezondheidstoestand en levenslust van den graaf uitmuntend. Hij gevoelt zich zoo wel, dat hij uren lang kan gaan, zonder zich te vermoeien; hartstochtelijk jager als hij is, kon hij tot een ieders verwondering de schade inhalen en dezen herfst deelnemen aan een jacht van 9 dagen.
Om gezond te blijven moet hij alle dagen een der volgende aanwendingen nemen: 1 half bad, 1 volbad, of in 't water loopen.
RHEUMATISCHE AANDOENINGEN.
Wie zal het beproeven om alle verschillende rheumatische toestanden op te noemen, waarover men hoort klagen. De een wordt door rheumatiek in het hoofd, de ander in de teenen gekweld; deze voelt haar in de armen, gene in de beenen; zij heeft haar in den rug, hij op de borst, enz. Het rheumatisme is waarlijk de wandelende jood onder de kwalen.
De werkzame landman, de houthakker, al diegenen, die zwaren arbeid verrichten, weten weinig en op sommige plaatsen niets van deze kwaal en dit moet mijns inziens daaraan worden toegeschreven, dat deze lieden in het ééne uur rheumatiek krijgen en haar in het andere weer kwijt raken. In het vroege morgenuur gevoelen zij er wellicht een begin van; in den namiddag hebben zij haar er weer uitgewerkt.
Deze laatste beschouwing geeft ons duidelijk aan, op welke wijze het rheumatisme kan en moet genezen worden.
Een veearts kwam eens bij mij klagen, dat hij ongeschikt was om zijn beroepsplichten waar te nemen; een afschuwelijke rheumatische ziekte was evenals een kat op zijn rechterschouder geslopen. Hij was bezweet geweest en had zich toen op een onverstandige wijze aan de koude blootgesteld ; hij wist zeer goed, dat hij weer 3 weken met die kwaal â die lastige kat â was opgescheept.
âWanneer gij wilt, meneer de veearts, dan zijt gij er in 24 uur van af, zeide ik hem. Ik zal mijn hond op uwe kat aanhitsen.quot; Hij lachte en ging een kleine weddenschap aan. Bij handslag en op zijn woord beloofde hij echter om alles nauwkeurig te zullen doen, wat de gestrenge heer beval. Hij ging naar huis en liet door zijn vrouw aanstonds den rug flink droog afwrijven, daarna nam hij een koude begieting van het bovenlijf. Ongeveer 8 uur later kreeg hij een hoofddampbad, gevolgd
255
door een koude begieting. De 24 uren waren nog lang niet verstreken, of de kat had al het hazepad gekozen; de kwaal was genezen en de weddenschap gewonnen. Ditmaal heb ik over droge wrijving gesproken, wat ik anders nooit doe.
Ja, en wel om de volgende reden: Wanneer het rheuma-tisme een gevolg is van snelle temperatuursverandering, dan komen de pijnen, die nu eens in de oppervlakte der huid, dan weder dieper in het inwendige des lichaams nestelen, of zelfs, zooals men gelooven zou, in het merg der beenderen schuilen, meestal voort uit storing van den bloedsomloop, hetzij doordat het bloed langzamer of vlugger stroomt, hetzij er ophooping van bloed, kleine ontstekingen enz. op een bepaalde plaats ontstaan. De daardoor ontstane wrijvingen, drukkingen, enz. veroorzaken de piin en moeten door oplossing, afscheiding en versterking der lijdende lichaamsdeelen verwijderd worden. Wanneer de dirigeerstok alleen niet meer in staat is om de zangers in het juiste tempo te houden, dan gebruikt de directeur ook het hoofd en de linkerhand om de maat aan te geven en allen bij elkaar te houden. Wanneer de gans of eend zich onder een troep jonge kippen mengt en het; âmaak dat je weg komtquot; van de melkmeid niet helpen wil, dan werpt zij met een steen naar de domme gans of eend. Wanneer het rheumatisme diep zit, lang aanhoudt, veel pijn veroorzaakt, en van grooten omvang is, dan gebruik ik het water, maar ook de wrijving daarbij. Zij ontwikkelt sneller warmte, verdeelt spoediger het bloed, enz. Bijaldien het zieke lichaamsdeel het min of meer koud had en een begieting ontving, zonder dat men er eerst warmte in had opgewekt, dan zou het rheumatisme, inplaats van uit het lichaam te gaan, er dieper indringen.
Een landman kreeg zulke hevige rheumatische aandoeningen in beide voeten, dat hi] niet meer gaan kon; de dijen deden hem het meest pijn. De man wist niet hoe hij daaraan gekomen was.
De landman wikkelde zich 2 maal daags tot onder de armen in een doek, in hooizaad gedoopt, en ging daarna 2 uur, goed ondergedekt, in bed liggen. Tien zulke aanwendingen genazen hem volkomen.
Een andere boer had zulke rheumatische pijnen in de heupen, dat hij zelfs niet kon worden ingewikkeld. Hii kreeg 2 maal daags gedurende 25 minuten, een haverstroobad van 33° a 35° R. met drie afwisselingen. In 3 dagen was hij hersteld.
Ik zou talrijke gevallen van rheumatisme in het hoofd kunnen aangeven. Zij worden het gemakkelijkst genezen door het hoofd zelf zoo weinig mogelijk te behandelen, maar door warme baden en dampbaden aan de voeten te geven. Wanneer men
het hoofd verkoelt, verergert de kwaal; verwarmt men het hoofd, dan zal er nog meer bloed heenstroomen. De beste aanwendingen zijn in volgorde:
Het warme voetbad (met asch en zout);
Het omdoen van den omslagdoek;
Het voetdampbad;
Hot hoofddampbad, gevolgd door koude begieting, en weder
De omslagdoek.
Deze aanwendingen (men neme er één per dag) genezen de hevigste rheumatiek in het hoofd, die gewoonlijk doortocht, verkoudheid, dikwijls door te snelle afwisseling van koude en warmte, ontstaat.
Green rheumatisme mag verwaarloosd worden. Er zouden vele en ernstige ziekten, als: ziekten aan longen, oogen. ooren, enz. of ontstekingen, bloedvergiftiging, zweren enz. door kunnen ontstaan.
Een student, die tamelijk veel gedronken had en zich in dién toestand aan de koude lucht had blootgesteld, kreeg plotseling rheumatiek in het hoofd. Hij verbeeldde zich, dat zulk een kleinigheid zijn jeugd en dapperheid niet zoude schaden en vanzelve wel verdwijnen zou. Doch ouders en verdere familieleden begonnen ongerust te worden, te meer daar er een droge hoest bijkwam, die snel een boosaardig karakter aannam. Twee maanden later maakte de dood een einde aan het bloeiende leven en de schoone toekomst van den jongen man. Wanneer do student slechts4 a 5 maal daags de borst en het onderlijf üink met koud water gewasschen had, dan zou de pijn op de borst geweken en de ongelukkige buiten alle gevaar geweest zijn.
Anna-Maria, die veel en zwaar werken moest, kreeg een gezwel om de knie. Verscheidene weken lang sloeg zij er geen acht op. en later, toen zij hevige smart gevoelde, was zij zoo dom om er een koud compres op te doen. De knie werd niet beter, maar slechter; zij ging naar den dokter. Deze gaf haar een zalf om te wrijven, maar dat hielp niet. Tot overmaat van smart begon het scheenbeen onder de knie naar binnen te buigen. Om het stijf worden te voorkomen, beval de dokter, dat het been, veertien dagen lang, alle dagen met varkensvet ingewreven en later met carbool zou gewasschen worden; maar de knie verminderde. Eindelijk deed hij er een gipsverband om en beloofde de zieke, dat zij zeker zou kunnen loopen, als hij het er afnam. Dit had 9 maanden later plaats, maar de arme meid kon niet gaan of staan op het been. Deze ellendige toestand duurde voort lot voor weinige weken.
Deze verhardingen aan en om de beenderen kunnen slechts opgelost worden, wanneer men er gedurende langen tijd heele
warme compressen met gezwollen hooizaad oplegt. Zijn ze â opgelost, dan zal het bloed weer naar die deelen vloeien om ze te voeden en er nieuwe krachten te brengen.
Een voornaam heer komt mij verhalen:
âVan het hoofd tot de voeten zit ik vol rheumatiek en krampen; ik heb altijd een catarrhe, die nu eens heviger en dan weer zwakker is, onverschillig of ik in de kamer of in de vrije natuur ben; ik kan het niet uithouden. Meestal heli ik geen eetlust; wanneer ik niet genees, zal ik verplicht zijn om mijne beroepsbezigheden vaarwel te zeggen. Ik draag al langen tijd een hemd en onderbroek van Jaegerwol. Over dit hemd heb ik een tweede hemd van bombazijn, de beste stof, die ik krijgen kou. Zoo draag ik ook nog een tweede wollen onderbroek van solide kwaliteit; een lakensch vest met dikke wol gevoerd; een broek van buksking; een jas en een overjas. Mijn geheele lichaam is in den regel koud en bedekt met een kwaadriekend zweet, dat aan de lucht van teer doet denken. Er kan geen ongelukkiger wezen bestaan dan ik.quot;
Hoe is deze heer door water te genezen?
Voor alles moest zijne onreine huid gezuiverd worden door een begieting van het bovenlijf, en om dezelfde reden kreeg hij een kniebegieting met wassching daarbij. Dit werd 3 dagen volgehouden; 2 maal per dag kreeg hij deze aanwendingen. Den derden dag werden het hemd en de onderbroek van Jaegerwol afgelegd en aanstonds 1. half bad, en 1 uur later, een bovenlijfbegieting genomen. Den vijfden dag werd de tweede onderbroek voor een linnen dito vervangen. Den zeven den dag volgde het bombazijnen hemd â hij kreeg er een vau linnen in de plaats; zóó werd ook het vest met mouwen verwijderd en alle dagen 2 begietingen van het boven- en onderlijf, en halfbaden, afwisselend voorgeschreven. Na verloop van 14 dagen waren kramp en rheumatiek uit het lichaam gebannen; de huid transpireerde als bij een gezond mensch; er begon slaap en eetlust te komen; de goede heer kon met vreugde en levenslust zijne beroepsbezigheden hervatten. Hij liet zich uit aldus:
âBijaldien ik mijn geringe kwaal door eigen schuld verergerd had, zou ik dit mij zeiven wijten; doch ik heb niets gedaan dan op raad van de beroemdste geneesheeren.quot;
Een ander zegt: âMijn heele bovenlijf zit vol rheumatiek; de rechterzijde is nooit zonder hevige pijn en, komt er verademing, dan slaat de rheumatiek op een of beide schouders over; ik word dan zóó stijf, dat ik ze niet meer verroeren kan; gaat de pijn op de maag over, dan heb ik een gevoel, alsof alles zich omdraait en van eten is geen sprake. De smart
258
doet zich het ergst aan het achterhoofd gevoelen, vooral aan de linkerzijde. Mijn voeten kunnen niet meer warm worden. Zóó is het geen leven; ik kan de plichten van mijn beroep niet waarnemen. Ik heb al een groote som geld aan geneesmiddelen enz. besteed, doch ik heb er geen baat bij gevonden. Op aanraden van den dokter draag ik wollen hemden, al langer dan een jaar, daardoor ben ik nog veel vatbaarder geworden.quot;
Behandeling voor de eerste 14 dagen: 1) 3 maal in de week, gedurende l1/^ uur, een grof hemd aandoen, in aftreksel van hooizaad gedoopt. 2) 2 maal in de week het lichaam tot onder de armen wikkelen in een omslag, in hetzelfde aftreksel gedoopt. 3) 2 maal 's nachts, van bed uit, een geheele koude wassching doen, en zonder afdrogen weer naar bed.
Verdere aanwendingen: 1) alle dagen 1 begieting- van het bovenlijf en 1 kniebegieting; 2) alle dagen 2 a 4 minuten in het water loopen en daarna beweging nemen; 3) 2 maal in de week een geheele wassching.
Na 4 weken was de patiënt hersteld en nu neemt hij nog 2 half baden in de week.
De directeur van een opvoedingsgesticht verhaalt: âIklijd onuitsprekelijke pijnen in armen, schouders en voeten; nu eens wordt het geheele lichaam door rheumatiek aangevallen, dan weer bepaalt zich de aanval tot een bepaalde plaats. Ik haal haast altijd met moeite adem; soms vrees ik te zullen stikken. Bovendien lijd ik aan congesties ; ik beleef zelden een vroolijk uurtje. Ik werd gerpagnetiseerd, geëlectriseerd, en gebruikte daarenboven nog vele andere middelen, maar zonder gevolg. De waterkuur heeft mij in 10 dagen van alle pijn verlost en mijne kwaal heeft slechts onbeduidende sporen achtergelaten. Ik ben overtuigd, dat ik geheel genezen zal, wanneer ik nog blijf doorgaan met het nemen van eenige zachte aanwendingen.quot;
De aanwendingen waren: alle dagen één begieting van het bovenlijf en 2 begietingen van het onderlijf; den 2lt;len dag den Spaanschen mantel; van af den vierden dag alle dagen een half bad, inplaats van bovenlijfbegieting, en 1 maal in de week een hoofddampbad.
ROOS.
is een vergiftige ziektestof, die zich tusschen vel en vleesch ophoudt en ergens een uitweg zoekt. Zij kan zich vertoonen op het been, den arm, het hoofd, of op elk ander lichaams-
deel. Waar zij zich openbaart, heeft er een spanning plaats, alsof de huid te nauw ware en uit elkander springen zon. Somtijds duurt het lang, eer zij zich op de uitwendige huid vertoont en dan veroorzaakt zij vele smarten. Wanneer zij doorbreekt, openbaren zich eerst enkele blaasjes, met bruinachtig vochü gevuld, langzamerhand nemen die in aantal toe en zij zijn zoo venijnig, dat geheele gedeelten der huid worden weggevreten. De roos kan gevaarlijk en licht doodelijk zijn, wanneer zij zich niet uitwendig vertoonen kan, maar eene inwendige bloedvergiftiging aanricht, die zich snel verspreidt, daar er veel bloed naar de plaats van ontsteking vloeit. Het komt nog vaak voor, dat zij zich op de uitwendige huid vertoont, maar zich tevens van haar oorspronkelijke plaats verwijdert en inwendig een andere plaats bezet. Zulke gevallen zijn meestal doodelijk.
Ik heb een knecht gekend, die roos op den arm kreeg. Hij wilde er geen notitie van nemen en dacht, dat het een âvrouwenziektequot; was. De roos verdween, maar na korten tijd nam zij plaats in de hersens; spoedig stierf de man.
Zoo heb ik ook een priester gekend, die roos had aan het been. Ik weet niet, hoe hij het verzorgd had. De roos verdween en de patiënt meende er van af te zijn, maar spoedig vertoonde zich de onwelkome gast opnieuw, nu op den bovenarm. Zij verdween voor de 2de maal om eindelijk naar het hoofd te trekken. Vier dagen later was hij dood.
Een ieder, die deze ziekte oplettend gadegeslagen heeft, zal een menigte gevallen met doodelijken afloop hebben bijgewoond, als gevolg van verwaarloozing.
Bij de behandeling moet er vooral op gelet worden, dat de roos niet op reis gaat. Op de plaats, waar zij te voorschijn komt, moet zij zoo spoedig mogelijk aangevallen en verzwakt worden ; de vergiftige stof moet men er zien uit te halen. Ook dient de toestrooming van bloed zooveel mogelijk te worden belet of verminderd.
Die roos aan het been of aan den voet heeft, moet een korten omslag nemen; daardoor wordt alle toevoer naar de ontstoken plaats als afgesneden. Na den korten omslag kan het been tot boven de roos omwonden worden (voetomslag). Men kan ook direct op de roos werken. Dit doet men door een zachten, versleten, linnen doek in warm quot;water te doopen en op de plaats van ontsteking te leggen; het geheel wordt in een drogen doek of in een stuk wol gewikkeld. Deze omslag verdeelt en verdrijft.
Krijgt iemand roos aan den arm, dan kan hij de strooming van het bloed weer eerst door den korten omslag naar beneden
2(50
leiden. Daarna moet hij den omslagdoek aandoen en dien dikwerf vernieuwen, naarmate de warmte der ontsteking. Wil men rechtstreeks op de zieke plaats gaan werken, (zooals bij het vorige geval is gezegd) dan kan niemand dat afkeuren.
Vertoont de roos zich aan het hoofd, dan zal een com pres op het vóórüjf flink naar beneden afvoeren en een halsomslag de roos doen verminderen. Wanneer deze aanwendingen een paar maal zijn voorafgegaan, dan kan men direct op de roos gaan werken ; in den beginne met warm water en, zoodra er een groote hoeveelheid ziektestoffen verwijderd zijn (wat de zwelling en de minder roode kleur aangeven), dan wordt ook koud water gebruikt. De aanwendingen zullen steeds in den vorm van linnen compressen of omslagen (hoofdomslag) genomen worden.
EUGGEGRAAT.
Een hooggeplaatst officier had door een ongeluk bij het rijden een wervel van de ruggegraat ingedrukt; volgens verklaring der geneesheeren, was het ruggemerg zoodanig beleedigd, dat hij de verschrikkelijkste pijn te verduren had en zijn toestand slechts bij tijden dragelijk was. Het lijden werkte nog meer op het gemoed, dan het smarten veroorzaakte.
Geen dokter kon helpen, niettegenstaande hij de eerste en beroemdste dokters uit de hoofdstad geraadpleegd had. Toen de beste geneesheeren uit den omtrek verklaarden, dat hij ongeneeslijk was, en er na verloop van tijd wel tering bij zou komen, zocht die officier zijn toevlucht bij het water. In 6 weken was hij hersteld en heden ten dage verheugt hij zich nog in eene goede gezondheid, hoewel zijne genezing al langer dan 20 jaar geleden is. Ook het gemoedslijden verdween met dat van het lichaam.
Ik weet niet nauwkeurig meer te zeggen, welke wateraanwendingen bij dit geval genomen zijn. Maar wanneer gij. waarde lezer, ooit deze kwaal mocht krijgen, zou ik u het volgende raden: Laat u 3 maal in de week den Spaanschen mantel omdoen ; neem 3 maal in de week een halfbad, met wassching van het bovenlijf, en 2 maal een begieting van het boven-en onderlijf. Deze aanwendingen moet gij verscheidene weken lang nauwgezet blijven voortzetten. Het geheele organisme zal herstellen en sterker worden en de kwalen, die van de gekwetste en zieke deelen zijn uitgegaan, zullen achtereenvolgens verdwijnen; de ingedrukte wervel zal rustig blijven en in been veranderen, op dezelfde wijze als bij een beenbreuk
261
het gewonde deel met een litteeken geneest. Ik herhaal nogmaals : Wanneer een lichaamsdeel zwaar ziek is, lijdt het geheele gestel er door; het geheele organisme deelt als het ware in het lijden van elk lid of lidmaatje. Werp een steen in hot water en gij zult de heele oppervlakte van de beek of van den vijver in beweging brengen en zien kringen maken. De steen is de ingedrukte wervel. De smartelijke kringen loepen door het heele lichaam.
Dit zijn uitmuntende wenken bij de behandeling van zieken. Dientengevolge moet men altijd op het heele lichaam werken om het sterker te maken en de gezonde lichaamsdeelen als het ware in de gelegenheid te stellen om de zieke en zwakke deelen te ondersteunen, te bedienen en te verzorgen. De organen staan immers in innig verband met elkaar? Het zijn de naaste leden van hetzelfde gezin, dat slechts gelukkig leeft, wanneer alle krachten zich vereenigen, en er naar eendracht en vrede wordt gestreefd.
RUCtGECtKAAT. (verkromming van de)
Een'16-jarige knaap leed aan verkromming van de rugge-graat. Door verscheidene geneesheeren werd hij als lijder aan ruggemergtering behandeld, doch zonder gevolg. Ten laatste zonden ze hem in een ziekeninrichting, waar hij een korset dragen moest. Het gevolg daarvan was, dat hij, die met groote moeite naar het ziekenhuis geloopen had, het verlaten moest met 2 krukken en het verpletterend advies, dat hij ongeneeslijk was. Een edele menschenvriend gaf zijn vader âMijne Waterkuurquot;; de knaap nam wasschingen met water en azijn, en dit bracht hem zoover, dat hij met een stok tamelijk goed loopen kon. Toen bracht men hem bij mij, in de overtuiging, dat hij hier volkomen genezen zou. In 17 dagen was de kuur afgeloopen. De zieke kon zonder pijn en zonder stok loopen gelijk ieder van zijn leeftijd, ofschoon niet zoo vlug en vast.
De behandeling was als volgt: Hij trok een vest van grof linnen aan, in aftreksel van haverstroo gedoopt. Hierover deed hij een droog vest en dekte zich flink met een wollen deken toe. Zoo deed hij om den anderen avond, later om den derden, en bleef den geheelen nacht liggen. Over dag kreeg hij een kniebegieting en twee begietingen van het bovenlijf, of moest een half bad nemen en in het water loopen. De verdere aanwendingen waren; iedere week 2 maal half bad, 2 maal begieting van het bovenlijf, en het vest dragen.
262
SCHARLAKENKOORTS (1).
De scharlakenkoorts komt meestal 1 of 2 maal in het jaar voor en vraagt dikwijls talrijke offers. Gewoonlijk valt zij de kinderen aan, maar volwassenen worden ook niet gespaard. De verschijnselen zijn: hoofdpijn, benauwdheid op de maag en op de borst, loomheid, afwisseling van warmte en koude. Hoewel er vele kinderen aan deze ziekte sterven, moet ik toch verklaren, dat het zoo gemakkelijk is om ze met water te genezen. In 2 dagen zijn ze al buiten gevaar; bij volwassenen gaat het iets langzamer. De scharlakenkoorts kan op tweeërlei wijze behandeld worden. Ontwaart men de verschijnselen dezer ziekte bij kinderen, onverschillig of zij op den arm gedragen, of reeds schoolgaande zijn, dan moet men een hemd in warm water (waarin een weinig zout) doopen, het uitwringen tot het niet meer afdruppelt, en dit het kind in bed aandoen. Daarna wikkele men het goed in een deken tot alle luchttoegang is afgesloten en late het 1 uur aldus ingewikkeld liggen. Vervolgens trekke men het hemd uit en het heele lichaam van den kleine zal met scharlakenuitslag overdekt zijn. Wanneer de warmte te groot wordt, moet het geheele kind vlug gewasschen en dan weer in bed gelegd worden. In moeilijke gevallen, waarin de warmte toeneemten de zieke onrustig wordt, kan het hemd 2 of 3 maal, soms zelfs 4 maal, in éénen dag-aangedaan worden. Het hangt alleen maar af van de warmte en hevigheid der koorts. Nemen warmte en koorts af, dan kan men langer wachten met het opnieuw indoopen van het hemd. Hier moet ik opmerken, dat men bij deze latere aanwendingen altijd zeer koud water en azijn gebruikt en dat de zieken met zorg, maar zonder overdrijving, moeten worden toegedekt. Wanneer het natte hemd is uitgedaan, moet het zieke kind een schoon hemd aan krijgen.
Door deze behandeling zal men de scharlakenkoorts in 4. hoogstens 6 dagen geheel genezen.
Nog eene opmerking. Het kind heeft zelden honger, dwing het iiiet om te eten! (De uitslag vertoont zich uitwendig, maar bestaat ook inwendig). De zieke heeft gewoonlijk veel dorst, lesch dien liefst met water. Men kan er wat suiker, of een weinig rooden of witten wijn, in doen. Ten plattelande drinken de kinderen het liefst melk. Voor grondregel geldt: drink
(1) Dit is een uitslagziekte, die het midden houdt tusschen roodvonk en mazelen. Zij is dikwijls de voorloopster van roodvonk en kan waarschijnlijk als de zachtste vorm van deze beschouwd worden.
263
weinig, maar dikwijls. Ik geloof niet, dat één kind sterft, wanneer het zóó behandeld wordt.
Lodewijk, een knaap van 10 jaar, kan niet meer spreken, zoo erg heeft hij de koorts. Hij ziet er rood uit en klaagt, dat alles hem pijn doet. Lodewijk wordt gedurende 2 dagen, elk uur gewasschen, omdat hij het warm heeft en onrustig is. Den derden dag begint hij al iets te eten. Het wasschen heeft nu nog 2 maal plaats per dag. Den vijfden dag gevoelt Lodewijk zich beter; den zesden wandelt hij door de kamer; weldra speelt hij weer buiten met andere kinderen.
Maria, een 20-jarig meisje, kan niet meer loopen, lijdt aan hevige hoofdpijn, gevoelt zich loom in alle ledematen; daarbij heeft zij altijd een drogen hoest en erge benauwdheid op de borst. Zij weet van onrust niet, wat zij doen zal en kan geen oogenblik het bed verlaten. Zij heeft een tegenzin in alle spijzen, maar zij kan niet genoeg drinken. Maria zal de scharlakenkoorts krijgen in hevigen graad. Wat te doen ? Alle uren moet haar rug, borst en buik flink met koud water (waarin een weinig zout) gewasschen worden. Wanneer zij op deze wijze zoo vlug mogelijk gewasschen is, dan moet men haar behoorlijk, maar niet te zwaar toedekken.
De zieke werd 2 dagen op deze wijze gewasschen. Zij heeft in het geheel niet gegeten, maar des te meer gedronken. De keel was altijd branderig. De scharlakenkoorts verdween en liet schilfers en korsten achter. De dorst verminderde. Gedurende 2 a é dagen moest de zieke nog 2 maal daags gewasschen worden en als de warmte bleef aanhouden 3 maal per dag. 3 dagen later had Maria geen scharlakenkoorts meer.
Jan, een jongen van 13 jaar, heeft sedert eenige dagen geen schik in zijn leven en geen lust in zijn werk meer; zijne vroolijkheid van vroeger is verdwenen. Eensklaps begint zijn heele lichaam te zwellen, hoofd en voeten worden dik en de buik is op eene onrustbarende wijze opgezet. Het kind zal waterzucht krijgen. Waarom ? Jan heeft 6 weken geleden de scharlakenkoorts gehad en die had zich niet goed ontwikkeld.
In 8 dagen tijd heeft de zieke 6 maal een hemd aangedaan, in warm water met zout gedoopt, en zich telkens daarna goed in een wollen deken laten wikkelen. In 10 dagen was hij weer vroolijk, frisch en gezond. Bij deze gelegenheid vestig ik de aandacht op het volgende: Wanneer de scharlakenkoorts niet geheel genezen is en er ziektestoffen in het lichaam achterblijven, dan ontstaat daar gaarne waterzucht uit. Zij Iaat zich echter op de voorgeschreven wijze behandelen en verdrijven.
Crescentia, een vrouw van 65 jaar, ligt al 2 dagen te bed.
264
Zij klaagt over een geweldige steking in den rug; overprikkeling en steking op de borst. âDaar ik zoo koud was als ijs,quot; zeide zij, âben ik maar naar bed gegaan en nu gevoel ik mij heel warm.quot; Zij kan niets eten en lijdt veel dorst. Ik schreef de volgende behandeling voor: Den lsten dag moet de rug van de zieke alle uren met koud water gewasschen worden; de borst en den buik kan zij zelveieder uur wasschen. Dei^^'dag-behoeft zij dit nog maar 4 maal te doen, den 3en dag kunnen 2 wasschingen volstaan. De zieke deed, wat ik haar voorgeschreven had. Den 4on dag was de vrouw aanmerkelijk betelen toen zij de 8 volgende dagen nog een paar maal de kuur had voortgezet, was zij weer gezond als vroeger. Zij heeft zeer weinig gegeten en slechts water en geronnen melk gedronken.
Een meisje, ongeveer 24 jaar oud, tot nu toe zeer gezond, frisch en redelijk sterk, kreeg een uitslagziekte â de scharlakenkoorts. In een tijdsverloop van 8 dagen nam de uitslag zóó toe, dat men weinig zulke gevallen aantreft. De zieke vroeg dadelijk om door water genezen te worden ; daar stelde zij alle vertrouwen in, vooral omdat het water ook haar zuster van een ernstige ziekte genezen had. Ik raadde haar aan om elk uur den rug, de borst en den buik en daarna de armen en de beenen te wasschen, of dit door een ander te laten doen. Om het uur vond zij te weinig. De koorts werd zóó hevig, dat zij 5 dagen lang om het halve uur moest gewasschen worden. Het meisje heeft bijna niets gegeten en maar weinig, en in kleine hoeveelheden gedronken. Hoewel de wateraanwendingen zoo nauwkeurig mogelijk genomen werden, duurde het nog 10 dagen eer de koorts afnam; de uitslag verminderde op verscheidene plaatsen, maar deed er nog 14 dagen over om geheel te verdwijnen. Het meisje genas volkomen.
Ik vraag mij zeiven af; hoe zou het met het arme meisje gegaan zijn, wanneer zij voor inwendig gebruik slechts alle uren een lepel van het een of ander verkoelend vocht had ingenomen, terwijl het lichaam door gloeihitte, door inwendig vuur werd verteerd?
Moge een ieder voor zich zeiven antwoorden en overwegen, dat het inwendig gestel bij zulke koortsen geheel werkeloos is. Wanneer de scharlakenkoorts in zoo hevigen graad te genezen is, clan kan men er toe besluiten, dat deze ziekte in minderen graad ook wel te verdrijven zal zijn. Een nauwkeurig gebruik van water zal zeker en gemakkelijk werken.
SCHURFT.
Deze verafschuwde kwaal kan het lichaam zoowel uit- als
265
inwendig schaden. Het is vooral te betreuren, dat men dit diertje verdrijven wil met middelen, die, inplaats van te genezen, veel nadeel berokkenen en het mishandelde lichaam in de grootste ellende brengen. Wie kent al die zalfjes, die klaar gemaakt worden met zwavel, brandewijn en ik weet al niet waarmee ? Die walgelijke smeerseltjes sluiten alle poriën der huid; zij stoppen door hunne vette bestanddeelen alle lucht- en waterkanalen dicht, terwijl een goede uitwaseming zoo absoluut noodzakelijk is voor het welzijn des lichaams; zij jagen alle zweet en uitdamping naar binnen; vergiftigen bloed en vochten en geven aanleiding tot ernstige ziekten, ja, somtijds tot den dood. Dit is niet overdreven; het is zee r bedroevend, wanneer men weet hoe vlug, gemakkelijk en zonder gevaar de schurft te genezen is.
Een goed gebouwd mensch van 28 jaar kwam mij eens om hulp vragen. Zijn uiterlijk deed mij aan een wormstekige plank denken. Nergens had hij raad gevonden; men wist eigenlijk niet, wat hem scheelde. Ik vroeg hem: âhebt ge in uwe jeugd misschien ook schurft gehad ?quot; Hij antwoordde bevestigend op mijne wijsneuzige vraag en liet er op volgen: âMaar zij werd in 3 dagen genezen.quot; Zóó wil ik niet genezen. God beware mij!
Juist bij zulke walgelijke ziekten, die meer nog dan alle andere de gevolgtrekking wettigen, dat er vergift in 't spel is, moet men van den volgenden grondregel uitgaan: Wat er te veel in het lichaam is, moet er uit verwijderd worden. Wil men het tegendeel in praktijk brengen, dan gaat het er mee, alsof men ongedierte in kleederen en haren, slakken in de mestbedden, muizen op den akker wil kweeken. De aanwendingen regelen zich naar den grondregel: zij moeten alles, wat ongezond en vergiftig is, uit het lichaam lokken en verdrij ven, en tegelijkertijd moeten zij het gestel versterken, om er een krachtigen medehelper van te maken.
Onze zieke nam eerst op drie achtereenvolgende dagen een warm bad (33° R.), waarin dennetakken (1) waren afgekookt en wel met 3 afwisselingen.
Het gebruik van zeep bewees hem voortreffelijke diensten om alle poriën te openen en alle vuiligheid te verwijderen. Men moet de dingen bij hun naam noemen â ik kan het niet helpen â zelfs als sommige zenuwen er onaangenaam door worden aangedaan. Na de baden werden nog versterkende aan-
(1) Extract van dennenaaklen zou ook goed zijn. Ik ben, evenals iedere landman en als de arme lieden, met dennetakken tevreden, omdat ik die eerder bij de hand heb.
18
266
wendingen voorgeschreven; die waren in de eerste week geheeld wasschingen, bij nacht van bed uit. en het warme bad met koude afwassching; in de tweede week een warm bad met koude afwassching en een koud halfbad met wassching van hét bovenlijf; in de derde week een koud volbad; voor het vervolg een paar warme baden in de maand. Mocht de genezing lang uitblijven, dan zou met de 2 laatste aanwendingen worden doorgegaan. Zelfs 1 warm bad in de week zou niet anders dan goede resultaten hebben.
Onze armzalige patiënt was in 6 weken genezen en kon eindelijk een beroep kiezen. Heden ten dage geniet hij nog een goede gezondheid; van zijne vroegere lastige kwaal heeft hij nooit meer het geringste bespeurd. Zóó behandelt men de schurft, die naar binnen gedreven is.
Heeft iemand uitwendige schurft, dan neme hij ook een warm bad van 33° a 34° R. en wrijve zich flink in meteen scherpe soort van zeep, liefst groene zeep, die men in elke apotheek verkrijgen kan. Na een bad van 15 minuten wascht de patiënt zich af met zuiver water (koud of warm) en andere gewone zeep. Wanneer de zieke dadelijk zulk een tweede bad van schoon warm water kon nemen (en daarna ook eindigde met een koude of warme afwassching) zou hij een voortreffelijke uitwerking ondervinden.
Aangezien deze ziekte in zeer vele gevallen door kleeding-stukken, beddegoed, enz. wordt overgenomen of geërfd, is het zaak om lijfgoed, kleederen en beddelakens na elk bad te vernieuwen. Anders zouden de aanwendingen niet helpen.
Op deze wijze kan de schurft in 3 a 4 dagen genezen worden.
SLAPELOOSHEID.
Een pastoor leed al sedert 9 weken aan slapeloosheid. Zijne krachten namen bij den dag af en zijn denkvermogen werd gaandeweg minder.
Zijn vroegere lust en ijver in het vervullen der beroepsplichten maakten plaats voor gedruktheid, loomheid en moedeloosheid.
Groote inspanning van geest, verdriet en tegenspoed hadden een hevige overspanning in het leven geroepen en zijne ziel met bitterheid vervuld. Zóó iets wreekt zich altijd. De ongelukkige bevond zich altijd als in een hevige koorts. Het verontruste bloed wilde vluchten als een vervolgd hert. Het werd tot kalmte gebracht door het hoofddampbad, den Spaanschen mantel, de begieting van het bovenlijf met de kniebegieting, het voetdampbad, den korten omslag en de compressen op
267
het vóór- en achterlijf. Alle dagen werden er 2 a 3 van deze aanwendingen genomen en dit werd 12 dagen volgehouden. Den derden dag sliep de pastoor al 3 uren. Hij leeft nog onder ons als een van de gezondsten.
De slapeloosheid, waarmede vele personen worden lastig gevallen, kan talrijke oorzaken hebben b.v. in storingen van den bloedsomloop, in onderdrukte of gebrekkige uitwaseming, in gassen, die maag en buik kwellen, enz.
Bij voorkeur worden er zulke personen mee lastig gevallen, die den heelen dag bezig zijn met geestesinspanning en zich overwerken.
De eerstgenoemde oorzaken zijn op andere plaatsen al voldoende behandeld.
Zou er ook een kruidje groeien, of een watertje bestaan, dat als slaapdrank kan dienen voor hen, die altijd arbeiden met den geest ?
Ik ken een voornaam heer, die weinig lichamelijk werk verrichtte, maar meer deed met den geest. Hij zou liefst geen maag, geen lijf, geen voeten gehad hebben. Het is niet gemakkelijk om zulke heeren rede te doen verstaan. In ons geval ging het echter vrij wel. De man gunde het kwijnende lichaam, de levensgezel der ziel, ten minste eenige broodkruimels. Hij nam de gewoonte aan een paar maal in de week den Spaanschen mantel om te doen. De slapeloosheid verliet hem spoedig en met haar verdwenen ook al die kleine ongesteldheden, die wanorde en tweedracht zaaiden in het lichaam.
Een ander heer liet eiken avond een kuip frisch water in zijn slaapkamer brengen. Dit werd op een stoel naast het bed gezet. Kon hij in een half uur of in een uur niet inslapen, dan waschte hij zijn geheele lichaam en ging daarna zonder afdrogen weer naar bed. Dit hielp, en hij sliep in. Werd hij een uur later weer wakker, dan waschte hij zich opnieuw; hij deed dit zelfs 3 maal, wanneer hij te vroeg ontwaakte. Ik hoorde dien heer later nooit meer over slapeloosheid klagen.
Kinderen kunnen dikwijls met moeite in slaap gemaakt worden en spoedig worden zij weer wakker. Men heeft ze te veel voedsel gegeven; het kleine lichaam lijdt onder den last. en de opgeblazenheid is oorzaak dat het lichaam en ook het hoofdje niet in rust kunnen komen. Men neme een kleinen handdoek en gebruike dien nat en bij wijze van korten omslag. De kleine zal spoedig insluimeren.
Men hoort de landlieden dikwijls zeggen: Een warm voetbad sluit de oogen, wanneer men van zwaren arbeid en moeheid niet kan slapen. Maar dit zal niet afdoende zijn bij geestelijken arbeid. In dit geval raad ik koude zitbaden aan.
268
1 a 2 minuten te nemen. Deze baden zijn ook aan te wenden voor aambeien, ingehouden gassen en andere ondeiiijfskwa-len, die slapeloosheid veroorzaken.
Een laatste oorzaak van slapeloosheid kan gelegen zijn in de ongelijkmatige verwarming des lichaams, hoe ook ontstaan. In het hoofd en op de borst heeft men te veel bloed en daarom te veel warmte, terwijl men in de buitenste ledematen minder bloed ontwaart, vandaar bloedarmoede en koude handen en voeten. Op verscheidene plaatsen heb ik gezegd, hoe men dien . stand van zaken verhelpen kan.
Ik raad niemand aan om kunstmatige, verdoovende slaapmiddelen te nemen. Zij komen mij, om zoo te zeggen, als onnatuurlijk voor en wat onnatuurlijk is, kan niet gunstig voor het gestel zijn.
SLIJMKOORTS.
quot;Wanneer ik de catarrhe bij een klein kind mocht vergelijken, dan zou de slijmkoorts een volwassene zijn. Slijmkoorts komt regelmatig uit catarrhen voort, en uit beide kan alles geboren worden, zooals ik reeds elders zeide. De behandeling en dus ook de aanwendingen zijn bij beide kwalen dezelfde. Die een catarrhe snel en gemakkelijk genezen wil, moet zich te bed begeven en zich alle uren de borst en het onderlijf wasschen; de rug kan flink door een ander gewasschen worden. 3 a 4 zulke wasschingen in éénen nacht zullen een nog niet verouderde catarrhe genezen. Wanneer de catarrhe zich uitbreidt, d. w. z. wanneer andere lichaamsdeelen, als keel, hoofd en borst ontstoken worden, dan hebben wij met slijmkoorts te doen; dit is echter niets anders, dan een catarrhe die het geheele lichaam raakt. De plaatsen, waar de catarrhe begonnen is, (b. v. de keel, de mond en de luchtwegen) blijven altijd het gevoeligst tot de patiënt geheel genezen is.
SPIT IN DEN RUG.
Agatha komt mij vertellen : âIk weet niet, hoe het kwam, maar mijn man heeft heden nacht verschrikkelijke pijn in den rug tusschen de schouderbladen gekregen. De pijn gaat tot aan den rechterschouder. Hij weent dikwijls van smart, wanneer hij zich bewegen wil. Hij kan onmogelijk opzitten. Hij heeft al dikwerf het spit in den rug gehad, maar nooit zóó erg. Wat moet hij doen?quot; Antwoord: Wanneer de geheele rug alle uren met warm water en azijn gewasschen en daarna behoorlijk toegedekt wordt, zal de pijn gauw over zijn. Men
269
kan ook warme compressen aanleggen en die ieder uur vernieuwen. Gewoonlijk is de hoofdoorzaak dezer kwaal in 3 a 4 uur weggenomen. Men kan den rug nog 2 maal met water en azijn wasschen.
Het spit komt nog inenigvuldiger voor in het zoogenaamde kruis en veroorzaakt hevige pijn. Ook hier is men spoedig afgeholpen: men legt zich neer op een warmen doek, in warm water en azijn gedoopt. Het zal in den regel voldoende zijn om den doek 2 a 3 maal in 't uur opnieuw in te doopen.
STEEN (1).
Mijnheer K. uit D. schrijft: âIk ben al sedert .een half jaar ernstig ongesteld en werd behandeld voor steen en nierziekte; ik hel? ook veel last van aambeien. Ik heb 3 dokters gehad, maar ze konden mij niet helpen. Daar ik volstrekt geen dienst meer doen kan, heb ik voor een halfjaar een plaatsbekleeder genomen. Ik heb indirect vernomen, dat een der dokters mij voor ongeneeslijk verklaard heeft; een ander gaf mij den raad om mij in Heidelberg te laten opereeren van den steen; maar ik wilde liever in huis sterven, dan in een vreemde stad. Ik deed er dus niets voor; mijn lijden werd met den dag erger en ik verzeker U-Z.Eerwaarde, dat ik inplaats van water, minstens 4 liters bloed geürineerd heb. Ik zag getroost mijn einde naderen, en had mij in mijn lot geschikt. Ik liet H. Missen lezen ter eere van de Moeder Gods en wanneer ik 's nachts niet slapen kon van pijn, dan dacht ik: Ach, wanneer zal dat lijden ophouden? Na eerst voor 67 gulden en 98 centen medicijnen en minerale wateren gedronken te hebben, heeft de goede God mij eindelijk verhoord. Aan mijn ziekbed hoorde ik van uw boek spreken; ik liet een exemplaar komen en begon dadelijk aan de waterkuur. Na 8 dagen bespeurde ik geen pijn meer; mijne urine werd even helder als bronwater (vroeger was ze zoo troebel als bedorven bier) en niettegenstaande ik 60 jaar oud ben, gevoel ik mij nu, na 4 weken, zoo gezond en opgeruimd als een jongen van 18 jaar; wanneer ik mij niet schaamde, zou ik zelfs dansen met de kermis. Hoewel de dokter niet meer aan mijne genezing wilde gelooven, ben ik nu volkomen gezond. Wanneer uw boek mij niet in handen gekomen ware, zou ik reeds ten grave zijn gedaald.quot;
STEM. (verlies van de)
De stem is voor ons menschen van zooveel belang, dat wij haar uitvoeriger durven behandelen.
il) Zie âGraveelquot; en âSteen in de blaas.quot;
270
Het komt dikwijls voor, dat de stem geheel of gedeeltelijk is verloren gegaan. Dikwijls weet men er de oorzaak niet van. Sommigen kunnen zich nog, heesch sprekende, verstaanbaar maken, anderen moeten zich uiten met pen en potlood op 't papier.
Twaalf jaren geleden kwam er eens een priester bij mij; hij, had al lange jaren potlood en papier bij zich gehad om op te schrijven, wat hij aan anderen vertellen wou. Hij was volstrekt niet in staat, om zijn bediening als priester waar te nemen. Hij was overal geweest, waar men hem geraden had, om hulp te zoeken. Hij kreeg gorgeldrankjes, werd gemagnetiseerd, geëlectriseerd, liet zich koppen zetten en 14 maal met helschen steen in de keel branden; een dokter verklaarde, dat hij de spraak nooit zou terugkrijgen, omdat die steen zulke verwoestingen, litteekens, enz. had aangericht. Toen niets hem meer baatte en geen dokter hem helpen kon, nam de priester zijn toevlucht tot het water en daaraan heeft hij naast God zijne genezing te danken. Deze geestelijke scheen heel gezond te zijn. De gelaatskleur was echter niet frisch, maar betrokken en ziekelijk. Hij gevoelde nergens bijzondere pijn en dacht dat hem niets scheelde, dan een gebrek aan de stem. Hoe kan een spreekorgaan onbruikbaar raken, wanneer het geen letsel heeft en niet ziekelijk is? Wanneer ik iemand een doek voor den mond bind, dan lijden daardoor zijn spreekorganen niet; toch kan hij geen geluid meer voortbrengen. Het zou een dwaasheid zijn om de oorzaak der kwaal in de keel te zoeken. Ik moet den doek wegnemen; dan spreekt hij weer. De spreekorganen kunnen heel gezond zijn, maar verschillende invloeden kunnen het spreken beletten, evenals die band vóór den mond het deed.
Welke zijn die invloeden?
Wanneer een beekje door een vallei stroomt en de jongens er steenen in werpen, of het met modder en aarde opstoppen, dan kan het water zijn geregelden loop niet meer voortzetten; het moet naar de rechter- of linkerzijde uitwijken om een uitweg te zoeken en zal dan verder stroomen of zich in lager terrein verzamelen. Zóó gaat het ook dikwijls in het mensche-lijk organisme. Wanneer men een kijkje kon nemen in dit aderrijk stroomgebied, dan zou men zien, dat ook de bloedsomloop dikwerf met zulke hindernissen te kampen heeft. Ophoopingen van bloed en slijmachtige zwellingen der huid zijn er de gevolgen van. Wie heeft nooit een zoogenaamd overheen (beenachtig gezwel) aan de hand of aan den voet gezien? Stel u zulk een soort van gezwel voor, dat een inwendige drukking veroorzaakt. Zal het gedrukte orgaan dan niet
271
in zijn werking worden belemmerd en gestoord? Hang een knapzak aan de klok, waar de mooiste toon van de wereld in zit, en dadelijk is het geluid er uit. Daar is niets aan te doen. Keeren wij echter tot onzen stomme terug. Reeds bij de eerste begieting van het bovenlijf herkende ik de geweldige ophoo-pingen, bijna tot gezwellen aangegroeid. Dit waren de misdadigers, die de spreekorganen â de stembanden â ingeke-tend hielden en er de werking van belemmerden. Verbreekt men die ketenen dan zijn zij verlost. De ophoopingen werden verwijderd door wateraanwendingen, die oplosten en verdreven. Als oplossend middel bekleedt het hoofddampbad de eerste plaats. Dit bad bevordert het transpireeren van het heele bovenlijf. Laat men er aanstonds eene koude wassching op volgen, dan zullen de opgeloste stoffen weggespoeld en het gestel versterkt worden. Daar de patiënt tamelijk zwaarlijvig was en er bij zulke personen altijd een bloedsaandrang naar boven bestaat, moet het bloed naar beneden worden geleid door middel van het voetdampbad, door koude wassching gevolgd. Deze 2 aanwendingen (die in dit geval bij elkaar behooren) kunnen eenmaal en, als de zwaarlijvigheid nog al groot is, tweemaal in de week genomen worden.
Een tweede aanwending, die op gelijke wijze oplossend in het geheele gestel werkt, is de Spaansche mantel. Daarbij voegt men: koude baden (1' of 2 in de week en hoogstens gedurende 1 minuut) en halfbaden (tot onder de armen) met flinke wassching van het bovenlijf. Inplaats van het bad kan men ook de begietingen van het boven- en onderlijf nemen; deze zullen dezelfde diensten bewijzen.
Deze aanwendingen, zoo nauwkeurig mogelijk genomen en gepaard aan een geregelde levenswijze â niet te lang zitten, wandelingen in de buitenlucht, geringen handenarbeid â werken uitstekend. Het geheele werktuig was goed gerepareerd en het stemorgaan werkte weer even voortreffelijk mede als vroeger, zonder dat er van penseelen, branden of electrisee-ren sprake was. Niemand zou het geloofd hebben, dat deze priester ooit zijne stem bad teruggekregen. Hij was in 6 weken volkomen hersteld en zijne stem heeft op dit oogenblik, 12 jaar later, nog zulk een aangenaam geluid en zulk een kracht, dat een ieder er plezier in heeft om hem te hooren.
Een ander priester had zijn stem zoo verloren, dat hij 50 jaar lang een hulppriester moest nemen om zijne parochie te bedienen. In dien tijd raadpleegde hij de beroemdste genees-heeren. Hij inhaleerde veel, liet zijn amandelen uitsnijden â alles te vergeefs. De oorzaak zijner kwaal werd natuurlijk in het hoofd der luchtpijp gezocht, totdat de laatste dokter, die
272
hem onderzocht, verklaarde, dat hij volstrekt geen ongemak in de keel had; hij wist echter ook niet, waarom de patiënt niet spreken kon. Na deze verklaring nam de geestelijke eerst zijn toevlucht tot de altijd geschuwde en gevreesde waterkuur. Vóór het half jaar om was, kreeg hij zijne stem terug en deze was krachtiger dan te voren; hij zeide, dat hij met de helft zijner nieuwe stem zou hebben kunnen volstaan.
Ook deze heer had niet het minste gebrek aan zijne spreekorganen. Daarentegen had zijn hals iets meer dan normale afmetingen en zijn bovenlijf was tamelijk mager in verhouding van handen en voeten. Zooals hij verklaarde, had hij vroeger dikwijls last van koliek gehad, maar dit was altijd van korten duur geweest. Op deze wijze had de natuur zich zelve willen helpen, maar zij kon niet alle ziektestoffen verwijderen. De koliekaanvallen hielden later op en de zieke had, nu en dan, alleen nog maar benauwdheid op de borst en dit was van weinig beteekenis. Het ging hiermee, als het in menig huishouden toegaat. Wanneer een huurder van de onderste verdieping bij een familie intrekt, die een verdieping hooger woont, dan moet men zich inkrimpen en behelpen; de beide huisheeren kunnen het niet lang meer met elkaar vinden. Hier kan geen inhaleeren, geen uitsnijden van amandelen, geen lichten van de huig helpen - er moet verhuisd worden. Zoodra het geheele organisme in orde geüi'acht is, zal de stem vanzelf terugkomen.
Het lichaam van dezen patiënt moest eenmaal in de week overvloedig zweeten (hoofd- en voetdampbad) en flink begoten worden (begieting van boven- en onderlijf). Om de zwelling, die er op sommige plaatsen was ontstaan, te doen ophouden, moest hij 4 maal in de week zoo kort mogelijk (niet langer dan 1 minuut) tot onder de armen in het koude water gaan. Daar kwam ten laatste nog een Spaansche mantel bij. Na 4 weken waren de helft der aanwendingen voldoende; daarna kreeg hij wekelijks een begieting van het boven- en onderlijf, en 1 halfbad met wassching van het bovenlijf. Later moest hij voorzichtig zijn en niet in eens met alles eindigen; hij bleef nog langen tijd daarna de een of andere aanwending nemen en dat in de volgorde,' zooals ze hem aanvankelijk waren voorgeschreven. Het was onnoodig om er hem toe aan te zetten.
Met het gevoel van beterschap wordt het verlangen naar de wateraanwendingen grooter en stelt men er meer vertrouwen in. Men verwondert zich alleen nog maar over die waterschuwe en gevoelige menschen, die wel het gezicht en de handen wasschen, maar een noodkreet slaken, wanneer zij over water hooren spreken. Habeant Sibi! Zij mogen er zelf voor boeten.
273
Onze heer kreeg een betere stem terug, dan hij ooit gehad had. De oude kwaal keerde niet weer. Zijne genezing is langer dan 11 jaar geleden.
Een rector kon, hoewel in den bloei der jaren, al sedert 9 maanden geen les meer geven: hij had geen stem meer. Hij raadpleegde eerst de gewone dokters en bezocht toen de specialiteiten van naam. Nadat hij weken geïnhaleerd en zich aan electriciteit had onderworpen, werd hem verklaard, dat de stembanden alle veerkracht verloren hadden. Daar elke behandeling zonder resultaat geweest was, zoo kon men voor-loopig niets doen dan een afwachtende houding aannemen, om te zien welke wending de zaak zou nemen; hij moest minstens 1 jaar buiten betrekking zijn en zijne spreekorganen rust gunnen. Dit was al te erg en de rector besloot een waterkuur te doen. Zes dagen later kon hij weer spreken en 6 weken daarna was zijne stem even welluidend en sterk als voorheen. Dit heeft 4 Va jaar geleden plaats gehad en meneer behoeft niet ongerust te zijn â hij zal zijne stem houden. Ik wil het antwoord niet schuldig blijven op de vraag: Wat scheelde hem ? De patiënt zag er wel wat slap, maar in 't geheel niet ziekelijk uit. Het moest echter een ieder opvallen, dat hij, hoewel goed gebouwd, het hoofd een weinig voorover gebogen hield. Hij had den besten eetlust en gevoelde zich krachtig en sterk. Zou moeder natuur nu alleen de stembanden zóó stiefmoederlijk behandeld hebben, dat zij op eene ellendige wijze in verval geraakten en alle veerkracht verloren ? Dit is niet denkbaar. Toen ik beweerde, dat de ziekte niet in de spreekorganen school, gevoelde hij zich wel wat beleedigd en toen ik hem. ingevolge mijne ervaring, geen enkele maal in de keel zag (waar hij veronderstelde dat de kwaal stak), geraakte hij buiten zich zelf en ontzei mij alle vertrouwen. Ik wilde dien heer daarentegen bewijzen, dat hem niets aan keel of luchtpijp scheelde ; daar viel niets aan te genezen en daar werd ook factisch niets aan gedaan. Waar moest de ziektekiem gezocht worden? Boven op de schouderbladen, dwars over het bovengedeelte van den rug, aan beide zijden van den 7equot; halswervel, had de patiënt verhevenheden als kleine kussentjes. Zonder zoeken zou men ze niet gevonden hebben. Zij drongen iets naar binnen en drukten zóó op de spreekorganen. De nog jonge man werd flink begoten; hij kreeg den omslagdoek, halfbaden en den Spaanschen mantel. Later waren de half-baden met wassching van het bovenlijf voldoende. De watervrees veranderde spoedig in een behoefte aan water, welke hem geheel eigen werd. Er verliep geen week meer, zonder dat de een of andere aanwending werd genomen en hij bleef
274
gezond en frisch. Hoe dikwijls bevestigt hij dit door te zeggen : âNu gevoel ik zelf dat de aanwendingen mij goed doen; ik zal ze nimmer in mijn leven meer opgeven.quot;
Een jeugdige gravin van 15 jaar verhaalt; âTwee jaar geleden had ik diphtheritis in den hoogsten graad, zooals de dokter zeide. Na deze ziekte kreeg ik hoofdpijn om waanzinnig van te worden. Eenige weken later verloor ik na een warm bad mijn stem; ik kon geen geluid meer geven en moest mij door schrift verstaanbaar maken. Mijne ouders gingen te rade bij de eerste geneesheeren. Ik moest maanden lang inhaleeren en verschillende minerale stoffen gebruiken ; gedurende verscheidene weken werd ik dagelijks geëlectriseerd; ik kreeg bloedzuigers aan den hals, daar viel ik vaak flauw van. Mijne keel werd vreeslijk onderhanden genomen. Met afschuw herdenk ik al die bijzonderheden. Ik zal geen beschrijving geven van alles, wat ik ingenomen heb. Zóó gingen 2 jaar voorbij en eindelijk verklaarden eenige geneesheeren, dat ik aan tering sterven zou. Allen waren het daarover eens, dat ik mijne stem nooit en nimmer zou terugkrijgen. Wat ik doorgestaan en geleden heb? In een heel jaar is er geen uur, dat mijne voeten warm zijn; mijne handen zijn ijskoud evenals mijn hoofd. Sedert maanden weet ik geen middel meer om mij te warmen, noch in een warm vertrek, noch in warme kleederen. Ik mag en kan niet eten. Alles wat ik gebruik, bekomt mij slecht; het is vaak om wanhopend van te worden. Ik ben maar 15 jaar oud, doch ik ken geen ongelukkiger schepsel dan mij zelve.quot;
Dat dit kind bang was voor het koude water, laat zich begrijpen. Ook de ouders wilden van geen water hooren om hun kouwelijk kind opnieuw te kwellen. Een enkele ziel stelde belang in het beklagenswaardige schepseltje en zocht hulp bij het water. Onder voorwaarde van zich aan een matig en zeer nauwkeurig gebruik van water te zullen onderwerpen, opende ik haar het vooruitzicht op genezing, en gelijktijdig verzekerde ik haar, dat er niets aan de spreekorganen mankeerde. Hier was het zaak om het lichaam, dat zoo uitermate verzwakt was en slechts op eene ruïne geleek, opnieuw te bezielen, te versterken. Zoodra de normale krachten eenmaal waren teruggekeerd, zou ook de stem niet lang meer op zich laten wachten.
Het meisje was bloedarm in hooge mate, dit bewees de koude temperatuur des lichaams; alleen op de borst bespeurde men nog een zekere warmte. Zij moest worden Ingewikkeld om de bloedvorming en den juisten bloedsomloop te bevorderen. De zieke moest eenvoudig voedsel nemen en 2 of 3 maal daags de handen en armen tot aan de ellebogen, de voeten tot over
275
de enkels, in liet water houden; of, wat nog beter is, barrevoets in het natte gras of over nat gemaakte steenen loopen. Hoe ongerijmd het velen moge toeschijnen, zijn dit de beste middelen om opnieuw warmte te brengen in het koude, halfdoode lichaam en vooral in de bloedarme uiterste ledematen â handen en voeten. Zóó brengt men juist de warmte in het gestel en daardoor wordt het organisme tot nieuwen arbeid aangezet. De zieke moest rug, borst en buik flink met koud water wasschen, 1 of 2 maal per dag. In het begin kostte dat moeite, maar door het opwekken van warmte ontstond er nieuwe moed; het was alsof een voorjaarswindje nieuw leven voorspelde aan het ellendige gestel. De zieke ging nog een stap verder; zij stak de voeten dieper in het water en hield de armen langer in het natte element. Van Va minuut kwam 1 minuut. Deze oefeningen duurden 8 a 10 dagen. Daarop volgden zachte knie-en bovenlijfbegietingen, om den anderen dag, of om de 4 dagen, één vóór, en één na den middag te nemen. Deze aanwendingen werden 14 dagen volgehouden. Toen werd haar voorgeschreven om alle dagen 1 half bad (tot aan de maagstreek) van 1 minuut en 1 begieting van het bovenlijf te nemen. Het deed niets ter zake, welke aanwending vóór en welke na den middag werd genomen. Wat de voeding betrof, moest men voedzame spijzen kiezen, die gemakkelijk verteerden en de vorming van bloed en sappen bevorderden: eenvoudig, onver-valscht en ongekruid, dagelijksch eten. De beste drank bestond uit melk, weihig bier, niets, warms. Het meisje kreeg stem en krachten terug. Om dien beteren toestand te bestendigen, moest zij de voorgeschreven aanwendingen nog langen tijd blijven volhouden. Zij kon er langzamerhand mee ophouden, naarmate zij in krachten toenam.
Een 16-jarig meisje verloor zonder aanleiding haar stem en was zóó heesch, dat zij zich slechts met de grootste moeite kon verstaanbaar maken. Zij ging bij geneesheeren om raad; deze schreven middelen voor, maar alles bleef zonder uitwerking. Zij had eetlust en zag er goed uit; het hoofd was rond en vol; de hals, hoewel te kort, was redelijk gevuld, bijna te gevuld. Men merkte, dat zij moeilijk ademhaalde. Zij had altijd koude voeten. Dit meisje was in 6 weken geheel genezen. Op welke wijze? De bloeiende kleur, het volle en warme hoofd, die koude voeten toonden duidelijk aan, dat er te veel aandrang van bloed was naar boven. Vandaar de meerdere ontwikkeling der bovenste lichaamsdeelen, wellicht ook ophoopingen van bloed. Bij de behandeling moest in de eerste plaats gezorgd worden, dat het heele lichaam gelijkmatig verwarmd werd en niet, dat er meer warmte was in het hoofd dan in
276
de voeten. Het meisje nam 2 of 3 maal per dag een koud voetbad van hoogstens 1 minuut en liet daar een wandeling in de buitenlucht op volgen. Daarenboven liep zij veel barrevoets in het gras (nat van dauw of regen), of op natgemaakte steenen. Deze aanwendingen voeren het bloed, en daarmede de warmte, naar de onderste ledematen, terwijl andere water-middelen moesten worden aangewend om alles op te lossen en te verwijderen, wat opgehoopt en gezwollen was in hoofd, hals en bovenlijf. De eerste week moest de Spaansche mantel dit alle dagen doen; in de tweede en derde week werd hij om den 2en of 3en dag, en later eens in de week, aangedaan. Na 14 dagen werd wekelijks 1 halfbad, van hoogstens 1 minuut, met wassching van het bovenlijf genomen om het lichaam te stalen en te sterken. In plaats van halfbad met wassching kan men evengoed een begieting van het boven- en onderlijf nemen. De eerste behandeling bestond alzoo in het opwekken van warmte: de tweede in het oplossen en verwijderen van al hetgeen te overvloedig was; de derde in het versterken des lichaams. Het gestel nam toe in sterkte en kracht; de stem werd zuiverder en welluidender, dan zij vroeger was, en dit kwam ten goede aan den zang, waarop het meisje zich in het bijzonder toelegde.
TERING.
Gelijk de slang in het gras of tusschen.puinhoopen verborgen, haar prooi beloert, zoo schuilt vaak sinds langen tijd de tering in het menschelijk lichaam, alvorens zij te voorschijn treedt. Aanvankelijk is zij slechts een zweertje of puistje, knobbeltje dat op een of andere plaats opkomt, maar langzamerhand door verettering grooter wordt en een der organen aantast. Het kan opkomen in de borst, longen en ribbevlies; in het onderlijf: ingewanden en nieren; in de keel: luchtpijp, larynx enz.; in de edelste en meest onontbeerlijke organen. Overal waar zulk een tuberkel ontstaat wordt spoedig de bloedsomlo'op belemmerd, of bederven bloed en sappen. Met den mensch, dien zulk een ongeval treft, gaat het als met den boom, wiens bladeren vroeg geel worden en afvallen; de boom wordt niet meer op behoorlijke wijze gevoed, vandaar dat verwelken en verkwijnen, geen zon en frissche lucht kunnen den dood voorkomen. Ditzelfde kunnen wij ook van den teringlijder zeggen; het bloed, de levensdrank, vermindert, de lijder âvalt afquot; zooals de volksuitdrukking luidt, en gaat ten laatste uit als een lamp, die niet door olie wordt gevoed..
Is de tering diep ingekankerd, en lieeft zij reeds het een
277
of ander orgaan vernietigd, dan is de zieke verloren. Doch heeft zij alleen ergens in het lichaam post gevat, dan is zij gemakkelijk door middel van het water te verdrijven.'t Is te betreuren, dat de eerste verschijnselen van tering schijnbaar zoo onbeduidend zijn. De zieke hoest slechts een weinig en pijn doet het hem niet. Hij geeft weinig of niets op. Wordt nu en dan het hoesten heviger, dan troost hij zich met de gedachte : het is een lichte verkoudheid, waarvan ik meer last heb gehad; zij zal wel overgaan. Ook als het lichaam zwakker wordt, zoodat de teringlijder zijn krachten voelt afnemen, dan weet hij zich altijd nog te begoochelen. Dan heet het, dat de verkoudheid wat langer aanhoudt dan gewoonlijk, maar hem toch niet in zijn beroepsbezigheden hinderlijk is. Is het eenmaal zoover gekomen, dan is zijn lichaam reeds meer ondermijnd, dan hij vermoedt; de bloedvorming is zwak, de sappen verminderen en de ontsteking heeft schrikbarend om zich heen-gegrepen. Eindelijk zoekt hij hulp, maar te laat; al wat hij doet kan slechts zijn leven verkorten. Dit alles ter waarschuwing, opdat men de zoogenaamde âkoudequot; of verkoudheid niet verwaarlooze. Ingeval de tering tot een hoogen graad gestegen is, neem ik geen proef meer met het water (1), want het gestel moet in den strijd met het koude element bezwijken. Dit zou even dwaas zijn, als wanneer een zwakke, ziekelijke dwerg den strijd tegen een gespierden sterken reus wilde wagen. Welke nu zijn de verschijnselen der vergevorderde tering? Dat de lijder dikwijls moet hoesten en veel daarbij opgeeft: dat hij moeielijk ademhaalt; dat hij geen eetlust heeft, enz'. Doch alle hoop is niet verloren, zoolang de fluimen nog bovendrijven. Maar zinken zij in het water, dan nadert de dood met vaste schreden en alle hoop en hulp zijn ijdel. Dan moet de lijder in Gods wil berusten en zich tevreden op het stervensuur voorbereiden.
Daarentegen beweer ik â een reeks van voorbeelden konden mijn bewering staven â dat er in den aanvang der tering-geen beter en zekerder middel is dan het water. Het verfrischt, verlevendigt en bezielt het kwijnende lichaam; het werkt als olie, die men in het droge raderwerk eener machine stort; het bevordert en versnelt den bloedsomloop en stort nieuw leven in het verzwakte, matte organisme. Dan scheidt het, gelijk een zeef het maankopzaad, de kwade sappen van de goede en werpt ze uit. Men merke wel op, dat nimmer oplossende of afscheidende middelen mogen gebruikt worden, die hevig
(1) Talrijke proeven hadden dezelfde resultaten: leniging kan men brengen, geen genezing. Hier blijft de dood altijd overwinnaar.
278
en geweldig werken. Men moet eerst het geheele lichaam krachtiger en sterker maken, opdat het versterkte gestel zelf de ziektestoffen kunne afscheiden. Men handele voorzichtig, opdat de natuurwarmte niet vermindere of wellicht geheel verloren ga. Dan zou men niet den zieke, maar de ziekte helpen. Slechts aanwendingen van korten duur zijn toegestaan; zij moeten opwekkend werken, versterkend en bezielend. Nooit zou ik verscheidene volkomen aanwendingen durven voorschrijven, wanneer de verschijnselen op een vooruitgang der tering wijzen.
Als de tuberkels in het bovenlijf zetelen, dan is de begieting van het bovenlichaam in verbinding met een kniebegieting van hoogstens 1/2 minuut zeer aan te bevelen. Bij gunstig weer zal niets zoo heilzamen invloed uitoefenen als het barre-voetsloopen in het natte gras. Dit versterkt het lichaam in hooge mate, en nooit behoeft men voor nadeelige gevolgen bevreesd te zijn. Ook het loopen op natte steenen is goed. Het leidt ons bloed naar beneden, bevordert den snellen bloedsom loop en bijgevolg ook de bloedvorming.
Nog een enkel woord over het voedsel van teringlijders, die meer dan andere zieken tot vervelens toe moeten hooren: âGoed eten en drinken!quot; De eenvoudigste kost is de beste; geen heete, sterk gekruide of zure spijzen, maar spijzen, die een kind verdragen kan, waarbij het tevens groeit en bloeit. Wat de ondervinding mij hieromtrent geleerd heeft is te merkwaardig, dan dat ik het verzwijgen zou. Het zekerste teeken, dat de zieke aan tering leed, was voor mij altijd, wanneer hij gaarne sterk gezouten spijzen at, zout op'het brood strooide, het vleesch in zout doopte, of naar zure gekruide spijs verlangde. Een uitstekend voedsel, dat ik hiermee dringend aanbeveel, is melk : maar hiertoe moet men zich niet alleen bepalen, dan zou zij den zieke spoedig walgen. Ook de âkrachtsoepquot; verdient aanbeveling, doch in afwisseling-met anderen, eenvoudigen meelkost, zonder eenige bijmenging-toebereid. De natuurlijkste drank, die tegelijk het minst tegenstaat, is het water, misschien meteen weinig wijn gemengd. Ook melk, gestremde melk is goed, maar voor bier en wijn houd ik geen pleidooi.
Ten slotte nog eene opmerking. Is de tering ten toppunt gestegen, dan gaat zij vaak van hevige koortsen vergezeld, die nu eens den patiënt het zweet uit het lichaam persen en terstond daarop een koude rilling over het lijf jagen. Dan kan men den zieke het lijden verzachten, door hem onmiddellijk na het transpireeren, rug, borst en buik met frisch water flink af te wasschen.
279
Eene bekwame onderwijzeres was sinds langen tijd onder behandeling van een beroemd geneesheer, maar zonder goed gevolg. Daar zij haar betrekking niet meer kon waarnemen, werd zij voorloopig 9 maanden op non-activiteit gesteld, doch ook na dien tijd was haar toestand niet beter; de dokter verklaarde haar voor ongeneeslijk, dus ook ongeschikt voor haar beroep. Vrienden en bekenden raadden haar een waterkuur aan en zij ging eenigen tijd op een plaats in de nabijheid mijner parochie logeeren. Aanvankelijk kon zij geen half uur ver wandelen, zoo zwak en krachteloos was zij. Zij gebruikte de voorgeschreven wateraanwendingen en binnen 4 of 5 weken was zij hersteld. Toen vroeg zij wederom te worden aangesteld en zonder moeite werd hierop gunstig beschikt. Men wilde niet gelooven, dat zij genezen was. Persoonlijk stelde zij zich den minister voor, die over haar krachtige gezondheid verwonderd stond en nog meer over het getuigschrift van den dokter, dat haar als âongeneeslijkquot; vonnisde. Reeds zijn zes jaren verloopen en steeds verheugt zij zich in de beste gezondheid en kan zij zonder moeite hare plichten nakomen. Welke' ziekte de artsen in haar ontdekten, tering of verval van krachten, weet ik niet; maar alle verschijnselen spraken er voor, dat zij teringachtig was. Haar broeder was aan tering gestorven en dezelfde ziekten, waaraan zij leed, gingen zijn dood vooraf. Het was nog tijd, maar hoog tijd, om de ziekte in haar vaart te stuiten; en het water heeft ze gestuit. De voorschriften luidden: dikwijls in de open lucht en barrevoets loopen in het bedauwde gras, koude baden van de zwakste opklimmend tot de sterkste. Daarbij kwam thee van kruiden, en eenvoudige, maar krachtige boerenkost.
Een aanzienlijk heer verhaalt: âSterk was ik nooit, en nimmer mocht ik mij verheugen in die volle gezondheid, welke sommigen geheel hun leven lang genieten. Nochtans volbracht ik gelukkig mijne studiën en vervulde steeds mijne beroepsplichten. Sedert een paar jaren is het anders geworden. Waar ik ook kom, daar ziet men mij bedenkelijk aan en dikwijls reeds ving ik op, wat in mijn tegenwoordigheid gefluisterd werd; â âDie leeft ook niet lang meer!quot; quot; De gedachte aan den dood wijkt nimmer van mij, want blind zou ik moeten zijn, indien ik hem niet naderen zag. Met mijn frissche gelaatskleur zijn ook mijne krachten verdwenen. De eetlust, die uitnemende uurwijzer, toont dat de veerkracht uit mijn lichaam wijkt. Mijn ademhaling is zwaar; ik hoest zóó hevig, dat anderen het niet kunnen aanhooren; dit zijn mijlpalen op mijn reis naar de eeuwigheid. De dokters verklaren dan ook, dat ik de tering heb. Zij hebben mij opgegeven en aangeraden in Méran
280
een zachter en zoeler klimaat te zoeken. Op mijn reis naar Meran hoorde ik van de waterkuur en informeerde of daarin ook voor mij wellicht genezing te vinden was. Probeer het eens, luidde het antwoord. In den beginne viel de waterkuur mij zwaar; want ofschoon ik tamelijk dik gekleed was, gevoelde ik immer een onaangename koude. Toen heette het op eens: Het wollen hemd op het bloote lijf en de dubbele wollen halsdoek moet gij langzamerhand afleggen. Daar bekroop mij de angstige gedachte; â âHoe zal het met mij gaan als ik nog koudere kleederen draag.quot; quot; Daarbij leed ik een beetje aan âwatervreesquot;. Evenwel, ik begon met de kuur. Voorzichtig en zacht waren de eerste koudwateraanwendingen, geheel anders dan men denkt of hoort. Reeds na 2 dagen kon ik, zonder nadeelige gevolgen te bespeuren, een wollen kleed afleggen; na vijf dagen het tweede; 6 a 7 dagen later ging mijn wollen halsdoek den zelfden weg. Door het koude water verkreeg mijn lichaam een aangename warmte, die van dag tot dag toenam. Mijn ademhaling werd lichter en het hoesten hield op. Met mijn gezondheid keerde ook mijn opgeruimd humeur weder. Hoorde ik vroeger; â âDie leeft niet lang meer!quot; quot; thans vernam ik; â ânu, die ziet er ook goed uit!quot; quot; De kuur duurde zes weken. Tegen alle verwachting in en tot verwondering van ieder, die mij gekend had, was ik van het pad der eeuwigheid teruggekeerd en zocht ik met nieuw leven bezield mijn oud beroep weder op. Ik dankte God voor mijne redding niet alleen, maar ook dat hij in het water zulk een sterk en gemakkelijk heilmiddel geschonken heeft. Allen menschen zou ik willen toeroepen; â âLeert het water en zijne heilzame werking kennen en hoogschatten. Veel lijden zult ge op uw doornig levenspad besparen; met meer geluk en tevredenheid zult gij uwe plichten vervullen; en, omdat gij dientengevolge op aarde overvloediger zult gezaaid hebben, zult gij ook rijker oogst maaien voor den Hemel!quot; quot;
Gij zult wel nieuwsgierig zijn, beminde lezer, welke wateraanwendingen mij genazen. Evenals een herdersknaap door regenvlaag op regenvlaag begoten wordt, en daardoor gehard, zoo bekwam ook ik dagelijks 2 begietingen van het bovenlichaam. Aanvankelijk speelde de waterstraal slechts Va minuut op mijn rug, later evenwel gedurende eene geheele minuut. Dagelijks moest ik in het natte gras of op natte steenen wandelen. Mijn vooroordeelen maakten mij voor allerlei kwalen bevreesd, maar spoedig had ik er pleizier in en gaarne had ik immer barrevoets geloopen. In het laatste van den herfst begon het te sneeuwen en ik liep 1 minuut lang in de pasgevallen sneeuw. Dit klinkt verschrikkelijk. Ook mij ging een rilling
281
o'ver het lijf, toen ik schoorvoetend kousen en schoenen uittrok. Maar â âmoed!quot; quot; sprak ik tot mij zei ven, en ik ondervond de waarheid van het spreekwoord â âflink gewaagd is half gewonnen.quot; quot; Ik was spoedig overtuigd van de weldadige werking ervan. Op mijn verzoek mocht ik de oefening dikwerf herhalen en allen waterschuwen menschen kan ik verzekeren, dat ik nooit zoo flink en pleizierig warm was dan na deze wandelingen in de sneeuw. Hoogstens 2 of 3 minuten worden de voeten als door een brandende koude geplaagd, maar weldra ontwikkelt zich een aangename warmte, die hen voor de koude sneeuw ongevoelig maakt. Binnen weinige dagen bracht ik het zoover, dat ik niet 1 maar 10 a 15 minuten de wandeling in de sneeuw kon voortzetten. Juist het loopen in de sneeuw versterkte mijne krachten en verlichtte mij het ademhalen. Van verkoudheid geen zweem zelfs. Had men mij vroeger zoo iets verhaald, ik zou het voor dwaasheid, voor waanzin, voor een zelfmoord gehouden hebben. â Zoo deed ik 14 dagen lang. Toen hield het barrevoets loopen op en kreeg ik nog slechts 1 of 2 maal daags een sterke begieting van het bovenlijf en van de dijen. Na ongeveer drie weken was het gestel in orde. Ik bleef even zoo lang nog om mij te versterken en in plaats van naar Méran te gaan om er te sterven, keerde ik naar mijne dierbare woonplaats terug, om daar mijn beroepsbezigheden te hervatten.quot;
Een man komt bij mij en verhaalt: âIk heb een keel- en borstkwaal. In den beginne had ik een zware koude, verloor daarop mijn stem en had weken lang een hevige prikkeling in keel en borst, dikwijls van hevige koortsen vergezeld. Verscheidene geneesheeren heb ik geraadpleegd, die mij allerlei dampen ter inademing gaven. Ik voelde wel leniging, maar geene verbetering. Thans zie ik er mager uit en sinds lang is mij iedere arbeid te zwaar. Het beste voor mij is wandelen. Mijn voeten zijn altijd koud, mijn eetlust beter dan vroeger.quot;
Behandeling; 1) Dagelijks tweemaal een kniebegieting of in koud water loopen. 2) Dagelijks 's morgens en 's middags een begieting van het bovenlijf. 3) lederen dag 2 kopjes thee van foenum graecum. 4) Om den anderen dag een koud zitbad van 1 minuut. Zoo drie weken lang.
TYPHUS.
Evenals bij de pokziekte de pokken ziclT op de huid zetten, zoo vormen zich bij typhus zweren van binnen. Naargelang deze ziekte in het hoofd of in het onderlijf zetelt, spreekt men van typhus in het hoofd of in den buik. Somtijds vormen
19
282
zich zweren, die niet tot ontwikkeling komen, evenals sommige bloedzweren, die voor een tijd opkomen om, zonder rijp te worden, weder te verdwijnen. Deze soort typhus heeft een eigen benaming, maar omdat zij voor landlieden van weinig-belang is, ga ik haar stilzwijgend voorbij.
Wat de behandeling betreft, moet men wel opmerken;
1° dat men de koortshitte niet te hoog moet laten stijgen; anders zou zij alle krachten en sappen van het zieke lichaam verteren;
2° dat de zweren zoo goed mogelijk verdreven, of zoo zij zich nog niet gevormd hebben, moeten voorkomen worden, m. a. w. dat de ziektestof, welke de zweren vult, moet worden opgelost;
3° dat deze giftstof zoo snel mogelijk uit het lichaam moet afgescheiden worden.
Om dit drievoudig doel te bereiken is er geen deugdelijker en zekerder middel dan het water, dat afkoelend, oplossend en afscheidend werkt.
Johan bezocht het lijk van zijn broeder, die aan typhus gestorven was. Hij was onvoorzichtig genoeg om een klee-dingstuk des overledenen aan te trekken en binnen weinige dagen had de besmettelijke ziekte ook hem aangetast. Hevig was de koorts, heviger nog zijn zuchten en stenen. Naast zijn bed liet hij een tobbe met water zetten en zoodra de koortshitte steeg, stapte hij in de tobbe, bleef er een minuut lang tot aan de maagstreek inzitten, terwijl hij intusschen het bovenlijf met een groven handdoek afwaschte, trok daarna zonder zich af te drogen een frisch hemd aan en legde zieh weder in hel warme bed. Dan voelde hij zich als met een nieuw leven bezield. Zoo deed hij drie dagen lang, 3, 5 of 6 maal daags. Een uurwerk behoefde hij daartoe niet. De koortshitte was zijn teeken. Den eersten dag moest hij zesmaal, den tweeden dag driemaal, en ten laatste eenmaal in de badkuip zitten. In vijf dagen was alle gevaar geweken. Nu greep de typhus ook zijn echtgenoote aan. Zij gebruikte dezelfde tobbe, en binnen korten tijd was ook zij genezen. Hun beider drank was water of geronnen melk. Vaste spijzen gebruikten zij niet, totdat hun eetlust hen daartoe prikkelde, en dan aten zij brood of melksoep; ook een paar aardappelen schaadden hun niet. Na weinige dagen konden zij hun gewoon voedsel weder nuttigen.
Max, een halve» reus, bezocht zijn zwager Johan, die den typhus had; hij meende dat deze ziekte hem niet zou kiezen tot haar prooi. Evenwel voelde hij na acht dagen zijn reuzenkracht verlamd en de held begon te jammeren en te weeklagen:
283
âIk kan niet meer gaan of staan, alles doet mij pijn.quot; Hij had den typhus opgedaan. Een badkuip bezat hij niet, doch wel een groot houten vat; daarin knielde hij gedurende 1 minuut, zoo vaak de koorts heviger werd, en waschte met een groven doek het heele lichaam af. Deze kuur zette hi] acht dagen voort. Na 6 dagen had hij reeds trek in soep; na 10 dagen stond hij op en had binnen korten tijd de verloren krachten herwonnen. Later was hij voor menig typhuslijder een bekwaam leermeester.
Op zekeren tijd, dat binnen vijf weken twintig typhuslijders op bovengenoemde wijze genezen waren, werd ook een tweejarig kind door de ziekte overvallen. Niemand geloofde, dat het teedere schepseltje den dood ontkomen zou. Zoodra het steende en weende, dompelde de moeder het in water, welks koude door warm water getemperd was, en waschte het dan vlug af. Of zij wikkelde het in een doek, die in lauw water gedoopt was. Na 12 dagen was de kleine weer frisch en gezond.
Alleen om aan hun vrees voor koud water tegemoet te komen, veroorloof ik aan sommige zieken, eenigszins warm water voor de baden te gebruiken. Altijd blijft het koude wel-, put- of rivierwater het beste.
Een meisje komt thuis van het instituut. Het klaagt over sterke hoofdpijn, tamelijk hevige diarrhee en dat zij nu heet, dan koud is; het is haar onmogelijk te loopen, of wat ook te doen. Den eersten dag werd haar driemaal rug, borst en buik gewasschen en 2 maal gedurende een vol uur op den buik een natte handdoek gelegd. Den tweeden dag nam zij een halfbad, met afwassching van het bovenlijf, zoo vaak de stijgende koorts dit vorderde. Den derden dag waren twee half baden, den vierden slechts één voldoende. Het kind was buiten gevaar en spoedig weder gezond.
Meer dan een dozijn gevallen zou ik kunnen aanhalen, waarin zieken, op allopathische of andere wijze behandeld, zoo ellendig, zoo arm aan bloed en sappen werden en zoodanig uitteerden, dat zij er nooit meer van bovenop kwamen. Die noodlottige verdoovingsmiddelen, die dure Chinine enz., hadden de maag vooral in den rampzaligsten toestand gebracht.
Typhus verzwakt aanmerkelijk, daarom geef ik aan herstellenden van typhus den raad 3 of 4 maal .daags een kopje Alsemthee te drinken, opdat zij spoedig rijker en beter maagsap verkrijgen; ook moeten zij dagelijks 3 of 4 maal rug, borst en buik flink met water en azijn wasschen.
Voorwaar, er wordt veel zelfbeheersching gevorderd, vooral wanneer de patiënt tot de zoogenaamde hoogere standen behoort, om het zoo gevreesde water aan te wenden. Aan die
284
teergevoeligen, welke duchten van zulk een âpaardenkuurquot; flauw te zullen vallen, raad ik een spons te nemen, in het koude water te doopen en er dan, evenals 's morgens gezicht en handen, ook borst en buik mee te wasschen. Laten zij het maar één dag volhouden, door de weldadige werking er van zullen zij met moed en hoop worden bezield en weldra geheel het lichaam aan het water toevertrouwen. â Mocht iemand evenwel bevreesd blijven en tegen de omslachtigheid opzien, hij doe wat hij wil, maar moet dan ook de gevolgen zijner lafheid dragen.
Groote angst overvalt den bestuurder van een gesticht, als daarin eene of andere besmettelijke ziekte uitbreekt. Zonder overdrijving beweer ik, dat wanneer in een slaapzaal tien kinderen liggen, waarvan er één aan typhus lijdend, wordt behandeld met water, geen tweede kind zal aangestoken worden. De besmetting immers geschiedt meestal door de ongezonde uitwasemingen van het lichaam. Volgens onze methode echter zuigen de natte doeken alle smetstof op en verstikken die in de kiem. Bij goede luchtverversching is de adem des lijders niet te duchten. Dat de excrementen van zoodanige zieken steeds zoo spoedig mogelijk verwijderd en zooveel doenlijk, op een bijzondere plaats moeten uitgestort worden, is vanzelf duidelijk. _
TYPHUS EN ZIJNE GEVOLGEN.
Een voornaam Franschman schrijft letterlijk: âSedert vele jaren leed ik aan rheumatiek en aan een hevige catarrhe in neus en keel, die de Eustachiaansche buis aangreep en het gehoorvermogen belemmerde.
In 1877 en 1878 nam ik te Aix-les-Bains gedurende 2 maanden douches van zwavelhoudend water, maar zonder eenig resultaat. In het jaar 1879 kreeg ik den raad den âlevenswekker van Baunscheidtquot; te probeeren ; deze was mij gedurende zes weken een waar foltertuig, want iedere week werd hij op rug, nek en achter de ooren gezet. Dit had ten gevolge, dat mijn zenuwlijden en catarrhe minstens voor de helft verslimmerden.
In Juli 1879 vervoegde ik mij bij den besten oorheelkundige van Straatsburg, maar ook hij zag geen kans mijn neus- en keelziekte te genezen. Daar ik hardhoorend werd en de catarrhe meer en meer in de Eustachiaansche buis voortwoekerde, zocht ik overal om hulp. Door een bijzondere gelegenheid kwam ik te Aken, waarDr. Schw., een keelspecialiteit, mij werd aanbevolen. Hij beproefde mij binnen 8 of 4 weken door lapis infernalis te genezen. De derde week kreeg ik typhus, naar mijne
285
meening tengevolge der overspanning van zenuwen, die ik aan het branden met helschen steen had te danken. Het was de gevreesde vlektyphus, en zoo hevig was hij, dat ik 41,2 graden koorts had. Toen hierbij bloedloozing kwam, wanhoopte men aan mijne genezing. Hoe dikwijls mij giftstoffen werden ingespoten, daarvan zal ik maar zwijgen.
Na zes maanden leefde ik weder op, maar volkomen genezen werd ik niet. Sedert dien typhus was ik altijd ziekelijk; maag en onderlijf vooral moesten het misgelden. De lichtst verteerbare spijzen pijnigden mij en zonder lavement was mij stoelgang onmogelijk. Ik was zoo prikkelbaar, dat ik, bij de minste opwekking der zenuwen, geen raad wist. Nooit kon ik vóór 12 uur in slaap komen. Door den typhus namen ook mijn catarrhe en oorziekte toe. Bijna was ik doof geworden.
In 1880 raadpleegde ik den beroemden oor-arts Dr. D. te Parijs â zonder gevolg. Van Parijs trok ik naar Lyon en bezocht Dr. J., ook een specialiteitvoor oor-ziekten met hetzelfde resultaat. Geen inademen of branden, waarmede ik weder zes weken lang een proef nam, wilden baten. In het jaar 1881 verbleef ik 5 maanden in het hospitaal te Straatsburg. De geneesheer wilde vooral mijn maag en onderlijf in orde brengen. Doch men wist mij ten langen laatste niets beter voor te schrijven dan een melkkuur, waarmede ik 4 ellendige jaren doorbracht.quot;
Tot zoover de zieke, die bij zijn bezoek aan mij op een wan delenden doode geleek. Kan het water in zulke hopelooze en verouderde gevallen nog hulp of ten minste leniging brengen ?
Volmondig antwoorden wij: âJa!quot; De eerste aanwendingen moeten natuurlijk oplossend en vooral op het hoofd en de voeten werken; de oplossende werking naar binnen mag echter niet worden verzuimd. Zij kunnen nu en dan door versterkende aanwendingen worden onderbroken. De voorschriften luidden ongeveer als volgt: Een hoofddampbad van 24 minuten, met daaropvolgende begieting van boven- en onderlijf; voetdampbad; begieting van boven- en onderlijf; korte omslag; hoofd-dampbad; compres op het voor- en achterlijf; korte omslag, warm bad in afwisseling met een koud hoofddampbad; compres op het voor- en achterlijf. lederen dag gebruikte hij één of twee dezer aanwendingen, al naar gelang hij zich sterk gevoelde. Hiermee gingen 3 a 4 weken voorbij. Daarop volgden wekelijks: 2 maal wassching van het geheele lichaam, (het best is 's nachts van bed uit); een half bad van 1 of 2 minuten. Voor inwendig gebruik werden hem afwisselend 2 of 3 soorten van thee voorgeschreven. De thee werd getrokken van duizendblad, salie en Sint-Janskruid of van jeneverbessen
286
en weegbree. Iedere week moest hij er 3 of 4 maal een kop van drinken.
Hier moet ik nog twee opmerkingen maken. In dit geval moest ik het transpireeren bevorderen, omdat vele der kwalen waaraan de patiënt onderhevig was, zooals zijn misvormde gelaatstrekken en de sponsachtige gezwellen, mij overtuigden, dat hier verstoppingen en verhardingen in het spel waren, waarvan vele inwendig verscholen, maar sommige ook voor het oog zichtbaar waren. â Onder de verschillende aanwendingen ontmoet gij slechts eenmaal het dampbad voor de voeten, terwijl het hoofddampbad dikwijls voorkomt. Waarom dit? Omdat zijn hoofd dik was opgezwollen, terwijl zijn beenen zoo dun waren als hanepooten. Op het hoofd kon dus de damp zonder vrees voor schade werken en herhaaldelijk werken; daar viel iets te verrichten. Maar de beenen waren reeds mager genoeg, en de warmte, die zij ontbeerden, moest hun op andere wijze worden geschonken. In dusdanige gevallen, die voorzichtigheid vereischen, moet niet lichtvaardig met dampbaden worden omgesprongen. Zulke verzwakte lijders kunnen zeer licht de tering krijgen.
De Franschman vertrok met dankbaarheid in het hart en op de lippen, terwijl hij zichtbaar in beterschap had gewonnen.
UITSLAG, DAUWWORM, HAARWORM.
Onder uitslag verstaan wij al die onnoembare en ontelbare onzuiverheden op de huid (puisten, etterblaasjes, roode vlekken, enz.), welke dikwijls in 1 dag of in 1 nacht opkomen en verdwijnen. Men slaat er weinig of geen acht op. Men kan er echter hinder genoeg van hebben en dan worden borst, rug, armen, beenen of andere lichaamsdeelen geplaagd. Jarenlang kan die last gedragen worden, zonder dat men er ziek van wordt en zonder dat men merkbaar in zijne bezigheden wordt gestoord. Toch ken ik personen, die telkens aan verstandsverbijstering leden als de uitslag verdween. Mij zijn zelfs 2 gevallen van waanzin bekend van personen, bij wie de uitslag plotseling ophield. De aanwendingen bij dauwworm en zweren aangegeven, deden den uitslag opnieuw naar buiten slaan en dan waren de waanzinnigen genezen. Deze bagatellen zijn dus niet zoo gering te achten; bij verwaaiioozing, vooral wanneer zij niet schoon gehouden worden, kunnen zij groote en ernstige gevolgen hebben.
Behalve geestverstoringen kunnen er verval van krachten, tering-, lever- en nierziekten enz. uit geboren worden. Waar het knaagdier met zijn giftstof zich nestelt, daar richt het be-
287
derf en verwoesting aan. Iemand, die aldus gekweld wordt, geef ik den raad om tijdig, vóór hij dergelijke gevolgen bespeurt, alle weken (b. v. eens in de 3 dagen) een paar zachte wateraanwendingen te nemen. Zij kunnen in deze volgorde genomen worden: geheele koude wasschingen, den Spaanschen mantel en den korten omslag. Men zi] onbevreesd, als de uitslag na deze of gene aanwending wat meer zichtbaar wordt. Dat is een goed bewijs voor de heilzame uitwerking. Wacht er u voor om dan de aanwendingen te staken; zet ze integendeel moedig voort.
Die dezen raad volgt zal ondervinden, dat door de waterkuur ook alle uitslag verdwijnen zal. Een ieder oordeele onpartijdig of het niet beter is om zuiver, kristalhelder water te gebruiken, dan al die onaangename en afschuwelijke zalfjes, als schoonheidsmelk, wonderbalsem, enz. Wie weet waarvan die hooggeprezen en in de dagbladen geannonceerde zalven gemaakt worden! Velen zouden blozen van schaamte als hunne collega's, bloedverwanten en kennissen wisten, dat zij ook de kwakzalverij in de handwerkten. Maar ik weet wel, dat het toch niets helpt. De wereld heeft gezalfd en de wereld zalft. Mun-dus vult decipi â de wereld zal blijven smeren en zalven. Habeat Sibi!
Een landbouwer verhaalt; âReeds langer dan 2 jaar heb ik uitslag in het gezicht en op het heele lijf. Dikwijls ziet men er weinig van, maar soms breekt hij hevig uit op deze of gene plaats. Ik maak het overigens goed, maar als die uitslag zich nog meer mocht uitbreiden, waar het allen schijn van heeft, dan weet ik niet, wat er voor mij is weggelegd. Ik heb er al vele en verschillende medicijnen voor gebruikt, maar alles zonder gevolg.quot;
Ik schreef hem voor: 1) wekelijks 2 warme haverstroobaden van 15 minuten, elk gevolgd door een koud bad van 1 minuut of een flinke geheele wassching; 2) 3 maal in de week een geheele koude wassching, 's nachts van bed uit of bij het opstaan te nemen ; 3) alle dagen een halven theelepel wit poeder, zooals in de apotheek beschreven wordt. Aldus zou hij 3a4 weken blijven doorgaan; dan moest hij wekelijks 1 of 2 maal het heele lichaam wasschen of in plaats daarvan eenhalf bad nemen.
Een boerendochter vertelde: âIk heb al ongeveer 2 jaar meer of min uitslag op het hoofd en op het geheele gezicht; onder de haren ontstaan vele groote en kleine zweren, waaruit warme vloeistof loopt. Ik gevoel dikwijls een hevige jeuking over het heele lichaam en inwendig ben ik altijd warm. Ik heb al veel medicijnen, vooral laxeermiddelen gebruikt, maar vond geen baat daarbij.
288
De waterkuur heeft mij in 6 weken genezen. Ik moest de volgende aanwendingen nemen; 1) 3 maal in de week moest ik 's nachts het bed verlaten, mij geheel wasschen en mij aanstonds weder ter ruste begeven ; 2) 2 maal in de week moest ik een nat hemd aandoen in zout water gedoopt; 3) eens in de week nam ik een hoofddampbad om mij geheel te genezen en te versterken; 4) 1 maal in de week een nat hemd aantrekken en 1 of 2 maal in de week mij geheel wasschen. Voor inwendig gebruik werd mij voorgeschreven om 2 maal per dag 20 droppels bremextract in een glas water te gebruiken.quot;
Duizenden menschen worden door uitslag gekweld, of zij het willen toegeven of niet. Deze lastige -woekerplant of vampier verblijft gaarne onder de haren, op den 'rug, de borst, enz. Hij schuwt ook het daglicht niet en hangt als een bloedzuiger aan armen en voeten, maar vooral tusschen de vingeren. Deze uitslag kan overgeërfd worden, maar kan ook het gevolg zijn van slechte spijs en drank en vooral van een losbandig leven.
Het is zeer gevaarlijk dezen onvoegzamen gast met scherpe middelen te verwijderen. Hiermede bedoel ik: wasch- of wrijf-middelen, als groene zeep en inwendige middelen als kwikzilver, rattenkruit enz.
De uitslag kan zeer goed verdreven worden, maar uitslag, die alleen naar binnen gedreven is, moet veel gevaarlijker worden geacht, om niet te spreken van de verwoesting, die scherpe, bijtende middelen in de huid aanrichten.
Mijne geneesmethode is de volgende: Uitwendig mag niets aangewend worden dan lauw water om de onreinheid weg te wasschen, alle andere aanwendingen zijn verkeerd. De spijzen en dranken voor dezen zieke moeten licht verteerbaar zijn, eenvoudig, niet te kieskeurig toebereid, maar zóó dat zij goede sappen aan het lichaam mededeelen en de oude sappen verbeteren. Al wat zuur, sterk gezouten en gekruid is, alle geestrijke dranken moeten zooveel mogelijk worden vermeden â in het bloed zijn waarlijk scherpe sappen genoeg. De eigenlijke behandeling met het water geschiedt op de volgende wijze; den lsten dag late men den zieke 1 hoofddampbad nemen en den Spaanschen mantel aantrekken; den 2cn dag 1 voetdampbad en 1 onderomslag aanwenden; den 3⢠dag vóór den middag opnieuw den Spaanschen mantel aandoen en na den middag den korten omslag; den 4:cn dag is het rustdag; den 5⢠dag blijve hij te bed liggen en moet hij om de 2 uur het geheele lichaam met koud water vlug afwasschen. Mocht hij hierin verhinderd zijn, dan moet hij zich 's morgens, 's middags en
289
's avonds het geheele lichaam wasschen en terstond daarop gaan wandelen of arbeiden. De aanwijzingen dalen in graad en aantal, naargelang de uitslag of het uitzweeten en uitvloeien van onreine sappen ophoudt en de vorming van de nieuwe huid voortgang maakt. Het verschil tusschen natten en drogen uitslag heeft geen invloed op onze wijze van behandeling. In mijn oog zijn het slechts twee verschillende woorden voor een en dezelfde ziekte. De droge uitslag heeft weinig kwade sappen, zoodat de vloeistof op de oppervlakte der huid terstond als korst verdroogt. De natte uitslag heeft meer vloeistof en is daardoor lastiger, gevaarlijker en moeilijker te genezen.
Den uitslag alleen naar binnen en niet uit het lichaam te drijven, heeft onberekenbare gevolgen. Zware ziekten komen er uit voort, die den armen lijder uitputten en ten grave voeren, of-wat nog erger is, hem geheel waanzinnig maken.
Een theologant had een zuiver ronde plek op de linkerwang; het was een korst, die. als een deksel het ruwe vleesch bedekte en ieder uur dikwijls werd opgelicht om 2 of 3 droppels etter Aveg te laten vloeien. De patiënt had een vol gezicht, aan het hoofd kon men vele kleine puistjes waarnemen; hij had vele geneesheeren geraadpleegd en allerlei geneesmiddelen aangewend, maar zonder resultaat. Op mijne vraag, of hij zich ergens verwond had, antwoordde hij ontkennend en zeide: het is vanzelf opgekomen. Thans scheen alles duidelijk te zijn. De bleeke, ziekelijke gelaatskleur, vooral de massa kwade stof, die uit de wonde vloeide, namen allen twijfel weg: de ziekte kwam uit het lichaam voort.
Voor 15 a 20 jaar nog maakten zich vele menschen kunstmatig zoogenaamde fontanellen, d. w. z. zij groeven zich in arm of voet een put (een open plek, die zij niet lieten toeheelen) â een waar vuilnishol, waarin het lichaam alle kwade stoffen en sappen afvoerde; vandaar dat de wonde altijd etterde. In het geval van dien theologant had het sterke gestel zich zelf zulk een put gegraven en van een passend deksel voorzien.
De zieke moest 14 dagen lang om den anderen dag een hoofddampbad en even zoo dikwijls een voetdampbad nemen; daarna kwamen de korte omslag en de Spaansche mantel aan de beurt, zoodat hij vaak 3 aanwendingen in 2 dagen kreeg. Om een spoediger resultaat te hebben, liet ik thee van salie, alsem en muntkruid inwendig medewerken. Al spoedig vormde zich onder de korst een zacht en nieuw vel, een zeker bewijs van genezing, d. i. van volkomen oplossing en afscheiding van alle kwade ziektestoffen. Na 3 weken kon men nauwelijks meer onderscheiden op welke wang de korst gezeten had.
290
Een meisje van 25 jaar verhaalt: âIk heb een ergen uitslagaan het heele hoofd, vele kleine zweren onder de haren, mijne ooren zijn gevuld met groote schilfers en als die er van tijd tot tijd afvallen, dan heb ik geen vel meer op de ooren. Nu en dan heb ik hevige hoofdpijn, dikwijls ook in 't geheel niet. Mijne oogen branden als vuur en meestal loopt er een vuil vocht uit. Door den neus kan ik reeds lang niet meer ademhalen. Mijn geheele lichaam jeukt en brandt zoo erg, dat ik er 's nachts van wakker word.quot;
Behandeling; 1) wekelijks 2 warme baden van 30 graden in aftreksel van haverstroo, afgewisseld als volgt: eerst 15 minuten in het warme bad, dan 1 minuut in een koud bad of een geheele koude wassching; 2) 2 hoofddampbaden, van 20 tot 15 minuten, in de week; 3) 2 maal in de week een geheele wassching; éj 2 maal per dag 25 alsem droppels in 8 a 10 lepels water innemen.
Na verloop van 4 weken waren de uitslag en alle ziektestoffen nagenoeg geheel uit het lichaam verdwenen, maar om de afscheiding te voltooien en het gestel te versterken, gebruikte de patiënt nog 14 dagen lang de helft van de voorgeschreven aanwendingen (zie hieronder).
Een tamelijk zwaarlijvig koopman, ongeveer 40 jaar oud, verhaalt: âSedert 2 jaar heb ik hevigen uitslag aan armen, handen (vingers uitgezonderd) en beenen; ook heb ik vlekken op rug en borst en dat is de reden, dat ik dikwijls maar 1 a 2 uur van den nacht slapen kan. Overigens ben ik sterk en heb goeden eetlust.quot;
Ik behandelde hem als volgt: 1) eiken nacht een geheele wassching; 2) elke week 2 warme baden van 28 graden E. in haverstrooaftreksel; hij moest er een half uur in blijven en alle 14 minuten, en bij het einde van het bad, een geheele wassching doen; 3) iederen dag een begieting van het bovenlijf, aanstonds gevolgd door een kniebegieting. Daarbij moest hij alle dagen 2 halve theelepels wit poeder gebruiken.
Na 4 weken kwam de man volkomen gezond terug, maar om te voorkomen, dat hij het terugkreeg, moest hij 2 maal in de week des nachts een geheele wassching doen en iedere maand het bovengenoemde bad nemen. Daarop antwoordde hij mij: âal mogen deze aanwendingen ook onnoodig zijn, dan zal ik ze toch nemen om mijne kracht en frischheid te behouden.quot;
UEINEEREN. (Moeilijk)
Eens werd ik ijlings bij een zeventigjarigen timmerman geroepen om hem zoo spoedig mogelijk op reis naar de eeuwig-
291
heid voor te bereiden. Hij leed, zeide men, ondragelijke smarten; hij kon niet meer urineeren. Weldra was ik bi] hem. Als priester kon ik niets doen, want als een razende liep hij door zijn kamer, weeklagend van pijn; geen oogenblik had hij rust. Met hem klaagde en jammerde zijn vrouw, die radeloos was. De geneesheer, die op 2 uur afstand woonde, zou hem niet meer levend hebben aangetroffen. Ik liethaar terstond wat water koken en een stilletje brengen, en in den pot een handvol schaafstroo doen. Weldra werd het kokend water op het schaafstroo gegoten. De man ging op het stilletje zitten, zoodat de warme schaafstroodampen opstegen naar de pijnlijke plaatsen. Zoo moest hij 20 -30 minuten blijven zitten en dan naar bed gaan. Binnen een uur, hernam ik, zal ik weder-keeren, om u voor te bereiden op den dood. Toen ik op den bepaalden tijd terugkwam, vond ik den man zoo rustig mogelijk, maar badend in zweet. Met vreugde vertelde hij, dat hij 2 maten water geloosd had, en niet de minste pijn meer gevoelde. Van âbedienenquot; was geen sprake meer. Daags daarna nam hij nogmaals zulk een dampbad gedurende 20 minuten; den derden dag rustte hij uit en begaf zich den vierden dag weer aan den arbeid. Aan een koude had hij zijn ziekte te wijten. Het is ongelooflijk, hoe zulk eenvoudig kruid, spoedig en goed aangewend, in het uur van smarten hulp kan aanbrengen.
Een boer leed aan dezelfde ziekte. Onder hevigen aandrang en namelooze smarten werd hem door den geneesheer door middel van. een katheter het water afgetapt. De katheter brak, en aan de vroegere smarten paarden zich nieuwe, die nog vreeselijker waren. Het was een marteling, totdat het afgebroken stuk gelukkig verwijderd was. Nu echter openbaarde zich een hevige ontsteking, zoodat aan een katheter niet meer te denken viel. De geneesheer beproefde met een werktuig toegang te vinden tot de blaas. Doch dit gelukte na, een herhaalde poging niet. Daarom zeide de dokter, dat hij zich terstond op den dood zou voorbereiden, omdat genezing onmogelijk was. De priester kwam spoedig. Toevallig had hij vernomen, door welk middel ik in het eerste geval genezing had gebracht. Spoedig werd het aangewend en de werking bleef niet uit. De blaas werd geledigd, alle ontsteking verdween en de zieke werd volkomen gezond. Dagelijks nam hij twee zulke dampbaden.
Behalve deze uitwendige behandeling verdient ook voor inwendig gebruik aanbeveling, van schaafstroo thee te zetten en daarvan dagelijks een kop in twee of drie porties te drinken.
Een arme daglooner leed gedurende vele weken aan dezelfde kwaal, en iederen dag werd het erger. Hij gebruikte damp-
292
baden van schaafstroo. Maar de dampen alleen waren te zwak en moesten dus door een ander middel versterkt worden. Daarom werd schaafstroo afgekookt, een tweedubbel gevouwen doek in het aftreksel gedoopt, daarna uitgewrongen en zoo op het onderlijf gelegd. Met dagelijks een schaafstroobad en zulk een com pres gedurende 2 uren te gebruiken was hij in weinige dagen van zijn kwaal bevrijd. Ook hier was een koude, gelijk in het eerste geval, van alles de hoofdoorzaak; ook andere omstandigheden werkten mede. De urine was een duidelijk bewijs, dat veel ziektestoffen in het lichaam waren opgelost. In een dergelijk geval heb ik eens in plaats van schaafstroo-afkooksel, water en azijn gebruikt en met hetzelfde gunstige gevolg.
Eene huismoeder was reeds 19 weken onder behandeling van den dokter, die haar ziekte kanker in de blaas noemde. Zij lag te bed. Hare smarten waren zóó hevig, dat de buren haar kermen konden hooren. Dat zij er nog boven op zou komen, daaraan werd zelfs niet meer gedacht. Ik ried haar schaafstroo te koken, een doek in het aftreksel te doopen, in den uitgewrongen doek het afgekookte schaafstroo te doen en dien vervolgens te leggen op de pijnlijke lichaamsdeelen. Na de eerste aanwending bespeurde zij reeds vermindering van pijn. Zoo deed zij vijf dagen lang, 3 of 4 maal daags, ieder keer 2 uren. Ook nam zij driemaal per dag thee van schaafstroo in. Den vijfden dag loosde zij onder hevige pijnen een steen, waaraan men duidelijk zien kon, dat zich kleine stukjes daarvan hadden losgelaten. De vrouw was volkomen hersteld en met den steen ook de fatale kanker verdreven.
Een vier-en-zestig-jarig man kon niet urineeren, ofschoon hij overigens krachtig en gezond was. Hij liet den dokter halen. Deze maakte van den katheter gebruik en verklaarde, dat voor deze kwaal geen kruid groeide. Iedere 24 uren moest hij zich aan de onaangename operatie onderwerpen. Na vier dagen kreeg hij hevig de koorts, maar mocht niets drinken. Zoo werd hij door verdubbelde smarten gefolterd. De geneesheer had geen of weinig hoop meer. Toen werd ik geraadpleegd en gaf den raad een 2 of 3 dubbel gevouwen linnen doek in warm water te doopen, en nadat hij was uitgewrongen, er gedurende 8 kwartier den zieke op te laten liggen; dan moest men den doek opnieuw indoopen en gedurende een vol uur op den buik leggen. (Zie compres op het voor- en achterlijf). Reeds na de eerste aanwending raakte hij anderhalven liter water kwijt. Zóó deed hij in den eersten tijd tweemaal, later eenmaal per dag. Voor inwendig gebruik nam hij dagelijks in drie porties een kop thee van schaafstroo, jeneverbessen of wortels van wilde
293
vlier (gedurende 5 minuten in het water gekookt). Rosmarijn op wijn gezet, slechts enkele jeneverbessen in water gekookt en als thee gedronken, zouden eveneens goed dienst hebben gedaan. De pijnlijke kwaal deed zich niet meer gevoelen en ook de koortsen verdwenen. De man gevoelde zich na de kuur gezonder dan te voren.
Een landbouwer van ongeveer 42 jaren verhaalt: âSedert 4 jaren ben ik ziek en van maand tot maand wordt het erger met mij. Mijn urineeren gaat met groote moeilijkheden gepaard. Het langer dan een half uur ophouden kan ik niet, en duurt het langer, dan wordt de pijn aan hevige kramp gelijk en eerst, als deze bedaart, kan ik een weinig water loozen. Vele geneesheeren raadpleegde ik, maar geholpen heeft het mij niets; op aanbeveling van een dokter uit München dronk ik tachtig flesschen mineraalwater; dit hielp een beetje, maar van de kwaal werd ik niet verlost. Ieder half uur van den nacht moet ik opstaan om te urineeren en gelukt mij dit niet, dan worden mijne pijnen nog onuitstaanbaarder. Overigens ben ik goed gezond, zie er goed uit, drink zelden bier, want daarop verergert de pijn, ener aan verslaafd was iknooit. Watmoet ik doen ?quot;
Behandeling. 1) Iedere week 2 warme baden (30° â32°) van afgekookt haverstroo; 10 minuten in het warme, dan Vs minuut in het koude, en zoo tot driemaal toe. 2) De overige dagen iederen dag gedurende een vol uur een korten omslag (in aftreksel van haverstroo gedoopt) van onder de armen tot aan de knieën; zoo 12 a 14 dagen lang. 3) Dagelijks drie kopjes thee drinken van schaafstroo en jeneverbessen, die gedurende 10 minuten moeten koken.
Een knecht kon niet dan met groote moeite urineeren. Hij loosde slechts langzaam en weinig, en onder hevige smarten. De geneesheer kende geen ander middel, dan hem het water met een katheter af te tappen. Deze operatie werd om den anderen dag gedaan. Intusschen verergerde de kwaal en namen de smarten in hevigheid toe. â Toen nam hij tweemaal per dag op een wijnglas vol water 25 â 30 droppels tinctuur van jeneverbessen en rozebottels. Binnen een halven dag gevoelde hij leniging, na tien dagen was hij tamelijk wel van zijn kwaal genezen. Vervolgens nam hij den eenen dag alsemdroppels en den anderen dag bovengenoemde tinctuur en zoo herstelde hij volkomen.
In bovengenoemde gevallen van blaasziekte en vooral graveel, verdient het aanbeveling een aftreksel te drinken van bladeren, die van den zwarten Sint-Janbessenstruik zijn geplukt. Deze thee heeft zelfs in hoogstbedenkelijke gevallen zich niet onbetuigd gelaten.
294
VALLENDE ZIEKTE (Epilepsie).
Die aan vallende ziekte lijden, laat ik nooit een verslag van hun toestand geven. Ik vraag slechts, hoe lang zij aan deze ziekte lijden, of zij een nieuwen aanval vooraf gewaar worden, hoe oud zij zijn en of hun geestvermogens zwakker zijn dan vroeger.
Ik ben er van overtuigd, dat ook de oorzaak van deze ziekte in het bloed schuilt, hetzij dat de bloedsomloop niet geregeld of het bloed zelf bedorven is. Dit wordt hierdoor bevestigd, dat zoodanige zieken duurzaam en zeker genezen, wanneer men huiduitslag bij hen opwekt, of wel het zweeten bi] hen bevordert; dat verder zoogenoemde ongeneeslijke lijders aan hun blauwe kleur en zekere opgeblazenheid zijn te herkennen, pleit ook voor mijne meening, wijl die kenteekenen niets anders zijn dan ophoopingen van bedorven bloed.
Luidt het antwoord op bovengenoemde vragen gunstig â wat bij jongelieden van 8â20 jaren gewoonlijk het geval is, â dan beschouw ik de vallende ziekte als een krampachtige aandoening, verwant met den Sint-Vitusdans en als geneeslijk. Zeer velen heb ik van hun kwaal verlost, zelfs wanneer zij die van hun ouders hadden overgeërfd.
Maar luidde het antwoord, vooral op de vraag naar het voelen aankomen van een nieuwen aanval, ongunstig, is de kwaal van ouderen datum, of zijn de geestvermogens reeds verzwakt, dan heeft de deerniswaardige zieke, die gelukkig-zijn ellende niet overziet, van mij niets te hopen.
Naar deze grondregels behandelde ik de lijders aan epilepsie, zoodat ik altijd op verbetering van bloed en bloedsomloop werkte. Vooral zocht ik hen te harden en tot barrevoets loopen over te halen. Des zomers liet ik hen een koud bad van niet langer dan een minuut nemen, des winters een eenigszins verwarmd bad van 1 a 2 minuten duur. Ook moesten zij iedere week een nat hemd aantrekken, dat in zout water was gedoopt.
De uitslag, die van deze laatste aanwending vaak het gevolg is, moet behandeld worden, zooals iedere andere uitslag (zie âUitslagquot;). Jongelieden vermaan ik steeds zich op eenvoudige, verstandige, niet verweekelijkende wijze te kleeden, en de jongedochters spoor ik aan de onnatuurlijke, ziekelijke en ziekten veroorzakende nauwe corsetten af te leggen. Het dagelijksche brood, het eten moet eenvoudig zijn. Het werk moet geen kunstenaarswerk of te veel inspannend zijn, maar overeenkomstig de talenten en sterkte van een ieder.
295
VERSTANDSVERBIJSTERING.
Verschrikkelijk moet het zijn, wanneer verstandsverbijstering gelijk een duistere nacht een mensch overvalt; hij is geen mensch meer, doch aan het redelooze dier gelijk! Voor 50. 40, 30 jaren was waanzin een zeldzaamheid; maar tegenwoordig neemt het aantal slachtoffers dier ziekte schrikbarend toe. Hierover hebben allen maar één gevoelen. De krankzinnigengestichten, hoe talrijk ook, zijn overvuld en kunnen aan de menigvuldige aanvragen om opname niet voldoen. Op vele plaatsen bouwt men krankzinnigengestichten, die op zich zelf een stadswijk vormen.â Aandoenlijk is het zulk een huis van levende dooden door te wandelen. âDat is dus de mensch, de koning der schepping!quot; â âG-od beware ons voor zulk een rampspoed !quot; dit zijn de ernstige gedachten, die ons voor den geest rijzen op dien treurigen wandeltocht.
Wij spraken nog slechts van volslagen krankzinnigen. Maar hoeveel honderden, ja duizenden loopen er rond, wier verstand slechts gedeeltelijk is verbijsterd en die zonder hulp en troost de pijnlijkste smarten ondergaan! Een groot aantal dezer ongelukkigen hebben bij mij leniging en genezing gezocht, en met bijzondere liefde en zorg gevoelde ik mij steeds tot deze arme hulpeloozen getrokken. Voor een krankzinnigengesticht waren zij niet gek genoeg, maar toch waren zij tot niets in staat. Onuitsprekelijk, niet te beschrijven, talloos en velerlei zijn de smarten dezer waanzinnigen. Gelijk des zomers de steekvliegen ons het meest in de heete middagzon plagen, zoo spelen ook in het verhitte brein dier ellendigen de dolste gedachten hun heilloos spel. De een heeft een afkeer van zijn beroep, waarin hij vroeger vreugde vond; de ander wil niet meer bidden; de een is menschenschuw en menschenhater geworden, de ander haat zich zeiven; zij willen zich het leven benemen enz. Tusschen hun verstandsverbijstering is zooveel verscheidenheid als tusschen de personen zelve.
Bij alle zieken, die mij in de laatste 30 jaren bezocht hebben, mocht ik immer de oorzaak hunner waanzinnigheid ontdekken. Of het was een overgeërfde kwaal en dus van hun geboorte af in de kiem voorhanden geweest, öf het gevolg van een of ander lichaamsgebrek, (1) öf het werk eener verkeerde levenswijze.
Eén punt mag men niet over het hoofd zien, omdat men
(1) âMens sana in corpore sano,quot; zeiden de Ouden. ,.Een gezonde geest kan slechts wonen in een gezond lichaam.quot; Denk eens. welk een invloed het land. het paleis of de vochtige hut op de bewoners uitoefenen. Zou niet hetzelfde gezegd moeten worden van 's menschel» ziel en lichaam, die zoo innig met elkander verbonden zijn en te zamen slechts één geheel uitmaken ?
296
zich anders zoo spoedig bedriegt. De waanzin moet met gezond verstand en zonder vooroordeelen worden beschouwd. Ik kan niet genoeg waarschuwen tegen die dwaze voortvarendheid, welke terstond oordeelt, dat bovennatuurlijke, vooral duivelsche invloeden in 't spel zijn. In gevallen zelfs, waarin iedereen meenen zou, dat de duivel zelf in den krankzinnige was gevaren, heeft de nietige waterstraal hem uitgedreven. Uit geheel mijn langdurige praktijk is mij geen enkel geval bekend, waarin natuurlijke middelen, mits goed gebruikt, geen doel troffen. Ik klamp mij aan het geloof en dat bovennatuurlijke vast als aan een reddingsboot, en nooit zal ik een streep afwijken van het pad der Openbaring. Doch nimmer wil ik den vijanden van onzen godsdienst een middel aan de hand doen, om ons geloof aan te tasten en te bespotten.
Zij op wie ik hier het oog heb, zullen mij begrijpen. Een enkel voorbeeld: Een broeder komt bij mij met zijne zuster. Zij beweert ,,Ik heb den dui vel in. Ik weet veel vanhem, en hij weet alles, wat mij aangaat, zelfs mijn geheimste gedachten ; hij regeert, bestuurt en beheerscht mij. Mijn broeder is een dommerik; nog dommer is de pastoor en de domste van allen, is de dokter, want zij willen maar, dat ik alles uit mijn hoofd zette en hun gehoorzame. Maar als de duivel eenmaal er in zit, dan is het hoofd op hol en weet niet hoe te handelen.quot; Het is onbegrijpelijk, hoe heftig, gramstorig en woedend de krankzinnige tegen de 3 genoemde personen was. Hadden zij rustig gezwegen â zij wisten toch, wie zij voor zich hadden â dan hadden zij haar niet nog waanzinniger gemaakt en mijn taak aanmerkelijk verlicht.
Bij zulke zieken komt alles op de wijze van behandeling aan. Ik sprak haar niet tegen en zeide alleen; âJa zeker, het is daarbinnen bij u niet pluis.quot; Daarmee was zij tevreden, en met mij ingenomen; zij vertrouwde mij, zooals bleek uit hetgeen zij zeide: âDie niet gelooven wil, dat ik den duivel in heb, kan dien ook niet uitdrijven!quot; Wanneer ik van zulke zieken het vertrouwen gewonnen heb, dan zijn zij voor de helft reeds genezen, en mijn taak is voor de helft volbracht. De zieke nam in, wat ik haar gaf, en gebruikte de wateraanwendingen volgens mijne voorschriften. In zes weken was zij volkomen genezen. Voorzeker stelt menigeen er belang in te weten, wat haar scheelde. Zij zag er verwilderd uit, haar aangezicht was ingevallen, hare handen waren koud, nog kouder hare voeten, zij was benauwd op de borst, en kon geen enkele spijs verdragen. Al haar bloed had zich oogen-schijnlijk in de borst teruggetrokken.
Mijn eerste taak was den bloedsomloop te regelen en daar-
297
door gelijkmatige natuurwarmte en verbetering van het gestel te verkrijgen. Daartoe moest zij dagelijks tweemaal gedurende 2 minuten tot over de kuiten in koud water staan, daarna flink wandelen om de beenen zoo spoedig mogelijk te verwarmen. Ook moest zij tweemaal per dag rug, borst en buik flink met water en azijn wasschen. Deze tamelijk zachte kuur werd veertien dagen lang voortgezet. Ofschoon de duivel nog altijd in haar verward brein spoken bleef, was zij toch niet zoo opgewonden meer, en zij begon er beter uit te zien. Toen begon ik met sterkere aanwendingen. Ik schreef haar den onderomslag voor in afwisseling met een half bad van 30 seconden en den Spaanschen mantel; na de beide eerste aanwendingen moest altijd het bovenlijf worden gewasschen. Hiermede verstreken drie weken. Daarna moest zij iedere week het geheele lichaam wasschen en gedurende een uur in den korten omslag worden gewikkeld. Op deze wijze werd de vermeende duivel uitgedreven en de opgewondenheid maakte plaats voor kalme rust en ongestoorden vrede.
Een knaap van tien jaren werd door zijne arme ouders bij mij gebracht en zij verhaalden het volgende: âZoodra hij de kerkklok hoort luiden, begint hij te tieren en te razen en woedend stoot hij de afgrijselijkste vloeken en verwenschingen uit, zooals wij nog nooit in ons leven gehoord hebben. Hij vloekt zoolang als hij den laatsten man ter kerke ziet gaan. Dan houdt hij op. Maar nauwelijks ontwaart hij na de godsdienstoefening, dat iemand de kerkdeur uitkomt, of hij begint opnieuw te vloeken en te verwenschen, totdat hij niemand meer gewaar wordt. Bidden wij, dan vloekt hij; houden wij op, hij houdt ook op. 't Is verschrikkelijk. Eerwaarde. Wat wij er ook tegen doen, niets helpt, het maakt hem nog woedender. Eens greep hij zijne moeder met beide hadden zóó vast, alsof het klauwen van een roofdier waren en hij schudde haar zóó hevig, dat men er verbaasd over staat, hoe een knaap zooveel kracht ontwikkelen kan. Vele dokters hebben wij geraadpleegd, maar zonder gevolg. Ook werd hij eens gezegend; maar toen vloekte hij het hevigst, enz.quot;
De knaap zag er zonderling uit: een verwelkte gelaatskleur, en erg verwilderde trekken; de haren stonden hem, evenals de stekels bij een egel, steilrecht op het hoofd. Ik waagde het hem bij de hand te grijpen; terstond wilde hij op mij aanvliegen. Twee priesters, die van dien verschrikkelijken toestand getuige waren, riepen,uit: âDie gelooft, dat iemand kan bezeten zijn van den duivel, moet zeggen, dat het hier werkelijk zoo is.quot;
Ik beschouwde van den beginne af zijn kwaal als heel
20
298
natuurlijk en vond mij ook- ditmaal niet bedrogen: binnen zes weken was de arme knaap volkomen genezen. Dagelijks liet ik hem gedurende 1â1 Va uur een hemd dragen, dat in water met een weinig zout gedoopt was; ook. werd hem lederen dag het geheele lichaam met water en azijn gewasschen. Toen hiermede veertien dagen verstreken waren, schreef ik hem voor de derde en vierde week dagelijks bovengenoemd hemd voor; _ hij moest daarenboven lederen dag beurtelings of een warm bad nemen van 28 graden E. gedurende een half uur, of een koud half bad van 30 seconden, öf het geheele lichaam wasschen. De vijfde week was een nat hemd voldoende en de zesde en laatste week een warm bad, gevolgd door een vlugge afwassching van het geheele lichaam met koud water.
Spoedig ontwaarde men verandering en verbetering. Hij verkreeg de normale natuurwarmte weer; zijn eetlust werd geprikkeld en hij liet zich den eenvoudigen melk- en meelkost, dien de arme ouders hem met vreugde reikten, zeer goed smaken. â De duivel was uitgedreven.
Wellicht zal één mijner lezers vragen: Waarom schrijft Pastoor Kneipp aan zulke zieken geen begietingen voor, daar toch in de krankzinnigengestichten vooral aan waanzinnigen, die woedend zijn, gewoonlijk douches gegeven worden? Ik wil mijne meening niet opdringen, maar mij dunkt, dat een jager, die een vos uit zijn hol lokken wil, niet in het hol zijn geweer moet afschieten. Beter is het, loos Reintje met eenlokspijs, b. v. een hoen of een speenvarken, welwillend uit te noodigen. Welnu, beminde lezer, waar ziekte is, daar is ook ziektestof. Deze oplossen en afscheiden is zooveel als den vos lokken en vangen. Maar een douche is hiertoe niet in staat. Doch is men zoover, dat de ziektestof is afgescheiden, dan heb ik vrede met een douche, mits die niet te geweldig is.
Voor vier jaren bezocht mij een meisje en zeide: âMijn broeder is sinds een jaar in het gekkenhuis. Hij werd ongeneeslijk verklaard. Nu openbaren zich bij mij dezelfde verschijnselen, die zijn ziekte voorafgingen. Tot nu toe was ik in een dienst, maar moest dien opzeggen, omdat ik tot arbeiden niet In staat ben. Wordt mijn kwaal niet verholpen, dan zal ik mijn broeder spoedig moeten volgen.quot;
Ik richtte verschillende vragen tot haar en wist spoedig, dat haar eetlust ongestadig was, nu eens goed, dan weer slecht; dat zij dikwijls stuiptrekkingen door het geheele lichaam had, en hevige pijnen moest verduren in de borst, zoodra de stuipen ophielden; dat haar vroeger dikke en lange haren voor de helft waren uitgevallen. Hieruit besloot ik, dat bedorven sappen hier een hoofdrol speelden, 'en dat een hernieuwde haargroei
299
het zekerste bewijs zoude zijn, dat genoemde sappen waren verwijderd.
De zieke werd op de volgende wijze behandeld. De eerste drie weken: Dagelijks het natte hemd, gedoopt in water met zout of azijn, en een lauw halfbad van hoogstens 1 minuut, gevolgd door een koude afwassching-van het bovenlijf; daarenboven veel barrevoets loopen in het bedauwde gras (het was in den zomer en zij deed het met gunstig gevolg). Daarna warme baden, afgewisseld door koude, vervolgens de onder-omslag, in aftreksel van hooizaad gedoopt. De geheele kuur duurde 3 maanden. De zieke herstelde geheel en al, waarvan de dichte en welige haardos een uitmuntend bewijs was. Later is zij getrouwd en bleef gezond tot op den dag van heden.
Een pastoor, in zijne parochie bemind en vereerd, kwam uit het buitenland geheel ontmoedigd bij mij. Hij kon, zoo verbeeldde hij zich, zijne plichten niet meer nakomen. Hij was treurig, mismoedig en tot studeeren onbekwaam. Vroeger had hij er ook last van gehad en was toen in een gesticht ter verpleging opgenomen. Daar bleef hij verscheidene weken en keerde kalmer, maar niet genezen in zijne pastorie terug. Hij wist niet wat te beginnen en vroeg mij of hij zijn ontslag-moest nemen. Hij zag er gezond, frisch en krachtig uit, wat bij zoodanige zieken meer het geval is en tot vele harde, onrechtvaardige en liefdelooze oordeelvellingen aanleiding geeft. (1) Die echter nauwkeuriger toezag, bemerkte dat zijn oog dof, zijn kleur eenigszins bleek en zijn hoofdhaar als gestorven was.
De aanwendingen waren drieërlei: Het dampbad voor het hoofd en de voeten; koude begietingen van bovenlijf en dijen: dikwijls barrevoets loopen op natte steenen, of gedurende 3â4 minuten in het koude water staan. Na eenige dagen volgden warme baden in afwisseling met koude begietingen van bovenlijf en dijen. Den zesden dag der kuur vertoonde zich op den geheelen rug een blauwachtige uitslag. Hoe meer deze toenam, hoe beter de zieke zich gevoelde. Toen de ziektestof geheel verwijderd was, was de pastoor gezond. De geheele kuur duurde 14 dagen. Met nieuwen moed bezield, keerde de ijverige priester naar zijne parochianen terug.
VERSTOPPING.
Worden er velen gevonden, die aan diarrhee lijden, meer
(1) Zoo dwaas het is uit zwaarlijvigheid tot veel eten en drinken te besluiten, (zooals bekend is zijn de zwaarlijvigen vaak niet weinig tevreden), even dwaas is het uit het enkele feit. dat een krankzinnige er goed uitziet, te willen besluiten, dat zijn verstand niet verbijsterd is en zijne ziekte ingebeeld.
300
nog zijn er, die last hebben van hardlijvigheid en daarom hun toevlucht moeten nemen tot middelen, die wel is waar den stoelgang bevorderen, maar die op den duur aller-verderfelijkst zijn. Zonder overdrijving durf ik beweren: dat hoe langer men zulke middelen gebruikt, hoe meer het geheele gestel er onder lijdt. Wie kan alle zoogenaamde laxeermiddelen opnoemen? Ik heb een Badener gekend, die wijd en zijd als purgeerdokter bekend stond. En wat was zijn wondermiddel? Hij nam ganzendr.., kookte dien af, en met het aftreksel bediende hij zijne geëerde clientèle. Nog meer zulke staaltjes kon ik aanvoeren. âMundis vult decipi! De wereld wil bedrogen zijn!quot; Doch dit was een middel voor de âdomme boeren.quot; De groote wereld wordt netter bediend. Plesschen met allerlei mineraalwater worden dagelijks leeggedronken en inderdaad werkt dit uitstekend op den stoelgang. Eens bracht mij een zieke een groote hoeveelheid kwikzilver, dat hij in het stilletje gevonden had. Dit was hem voorgeschreven tegen de hardlijvigheid. Hoeveel pillen van Morison werden indertijd geslikt, en hoevelen werden te vroeg grafwaarts gedragen! Tegen geen ziekte wordt zooveel en met zooveel nadeel ingenomen, als juist tegen de hardlijvigheid. En met welk gevolg? Dat de kwaal steeds erger wordt, hoe meer men inneemt en ten laatste de stoelgang zonder laxeermiddel onmogeliik is. Zoo klaagde gisteravond een man, die aan verstoppingen leed en door de genees-heeren was opgegeven, dat er geen dag voorbijging, waarop hij niet een lavement of een hevig werkend middel moest gebruiken om aan zijne behoefte te voldoen. Zoover hadden de zoogenaamde wondermiddelen hem gebracht en hij telde nog geen veertig jaren!
Dat de geneeskunde tegenwoordig al deze gewelddadige middelen veroordeelt, is zeer toe te juichen en vele dokters, â het zij tot hun eer gezegd â hebben honderden dier zoogenaamde heilmiddelen chemisch ontleed en allen verstandigen het bedrog blootgelegd. Toch richt het spook der geheime middelen nog in duizenden huisgezinnen onberekenbare schade aan. (1)
Die aan hardlijvigheid lijdt, moet dit niet de maag alleen of eenig ander lichaamsdeel wijten: meestal is zijn geheele gestel niet in orde; en door vele dergelijke ziektegevallen ben
(1) Vele almanakken, kranten en tijdschriften bevatten in de laatste jaren waarschuwingen tegen die middelen. Vele honderden werden als kwjikzalvers-middelen gebrandmerkt, die den bedrogen koopers niet alleen geld maar ook gezondheid kosten.
301
ik er vast van overtuigd, dat het water ook hier het zekerste en onschadelijkste geneesmiddel is. Het werkt gunstig, zoowel wanneer het in- als uitwendig wordt gebruikt.
Een der eerste vragen, die een geneesheer den kranke stelt is: âHoe gaat het met den stoelgang ?quot; G-aat het hiermede geregeld, dan is het een der zekerste teekenen van gezondheid, doch in het tegenovergestelde geval moet men tot het bestaan eener ziekte besluiten en is de onregelmatige stoelgang niet te verhelpen, dan zal daar vroeg of laat een zware ziekte, misschien een vroegtijdige dood het gevolg van zijn.
Wanneer het 's zomers sinds lang niet meer geregend heeft, dan wordt de grond droog en hard; zoo droogt ook het lichaam uit, wanneer het gestel de noodige sappen niet meer verwerkt en een of ander lichaamsdeel ontstoken is.
Voor vele jaren nam men in dergelijke ziekten zijn toevlucht tot waterdrinken, tot de waterkuur. Ik heb er gekend, die dagelijks 3, 4â6 liter water dronken. quot;Was dit raadzaam? Geenszins; men kan van het goede te veel genieten en menigeen dier snoevende âWaterheldenquot; heeft er meer na- dan voordeel bij opgedaan : het lichaam was tegen deze watermassa niet bestand. Mijn grondregel is: âHoe zachter, hoe beter.quot;
Die aan hardlijvigheid onderhevig is, moet 's morgens van na het ontbijt tot den middag ieder half uur een lepel water innemen. Met deze kleine hoeveelheid zal hij beter resultaat verkrijgen, dan wanneer hij op eens een geheel glas vol water uitdrinkt, 's Namiddags kan hij eveneens om het half uur een lepel water gebruiken; deze voortdurende, maar spaarzame beproeving werkt verkoelend en vermeerdert de sappen. Daarenboven mag de patiënt water drinken, zoo vaak hij dorst heeft.
In plaats van water, kan men ook thee drinken, die uit verschillende soorten van kruiden wordt bereid. Deze kruiden zijn niet moeilijk te verkrijgen. Wie kent de sleedoornbloesem niet? Thee, daarvan getrokken, is uitstekend. Thee van vlierbloesem werkt koelend, oplossend en verwijdert inwendige ontstekingen; als daarin 3 of 4 korreltjes aloë gedaan worden, verkrijgt men een zuiverenden, koelenden, oplossenden laxeer-drank. Van gelijke werking is thee van vlierbladeren, die in de lente of den zomer geplukt zijn. 's Morgens en 's avonds moet men een halven kop thee innemen. In geen huisapotheek mogen deze schadelooze heilkruiden ontbreken: God, de opperste geneesheer, laat ze niet tevergeefs groeien.
Het water moet niet alleen in- maar ook uitwendig gebruikt worden. Als de patiënt 's morgens opstaat of zich 's avonds te bed begeeft, wassche hij den buik met een handvol water flink af; dit hoogsteenvoudige middel werkt uitmuntend en is
302
voor zwakke gestellen voldoende. Wanneer dit niet krachtig-genoeg werken mocht, dan neme men van tijd tot tijd een kniebegieting van 1â3 minuten. Is ook dit niet voldoende en is het lichaam buitengewoon branderig, dan neme de patiënt een paar malen in de week een compres op het achterlijf; ook een compres op het voorlijf verdient aanbeveling. Van gelijke werking is een koud zitbad, dat 's wekelijks 2 of 3 maal genomen wordt. Een koud volbad is niet te versmaden: mits het van korten duur zij.
Alle opgenoemde aanwendingen zullen het trage, zwakke gestel sterken, verlevendigen, opwekken en tot werkzaamheid brengen, en de gewenschte stoelgang zal niet uitblijven: als men de raderen olie geeft, loopt de geheele machine beter. Niets gaat boven de onschadelijke en zekere waterkuur, en wat is zoo gemakkelijk, als water te drinken en zich met water te wasschen ?
Hier nog een kort woord over de braakmiddelen. Schijnen mij geweldige laxeermiddelen, b. v. mineraalwater en allerlei gift als poeders of pillen ingenomen, ten zeerste met de natuur in strijd, nog onnatuurlijker vind ik de zoogenaamde braakmiddelen, die helaas gewoonlijk ook tot de giftige kruiden behooren. Het is hartverscheurend te zien, hoe de menschen daardoor mishandeld en gemarteld worden. Men zal opgemerkt hebben, dat in het tweede deel de zoo algemeen bekende laxeermiddelen, als Rhabarber, Senebladeren, Engelsch zout, Glauberzout, enz. niet voorkomen. Waarom? Wijl deze op zich zelf onschadelijke middelen mij nog te sterk zijn ; op zachtere wijze kan de kwaal verholpen worden. Niemand zal op muggen of vlooien met zijn geweer op jacht gaan. Daarom keur ik beslist die doemenswaardige braakmiddelen af, of zij den naam braakdrank. braakwijn of een anderen dragen. Wil de maag zich naar boven ontlasten (zulke gevallen doen zich voor), doe dan zooals zekere boer, die eenvoudig zijn vinger in de keel stak, wanneer hij neiging tot braken ontwaarde en aldus aan die neiging voldoening gaf. Ook bij de hevigste neiging tot braken moet men niet dan op geregelden stoelgang werken. Mijn geliefkoosde middelen daartoe zijn steeds mijne laxeerdranken (zie 2e deel). Deze thee bezit de eigenaardigheid. dat zij niet alleen den stoelgang bevordert, maar ook diarrhee stuit. Probeer het slechts met een halven kop. Zij maakt de kwade stoffen, die zich hebben vastgezet, los en drijft ze uit het lichaam. Zijn deze stoffen niet meer voorhanden, dan is haar taak volbracht en zij houdt vanzelf op te werken. Vandaar hare dubbele werking. â âKwakzalverij!quot; zal wellicht iemand met medelijdend schouderophalen uitroepen.
303
Nu; dit is mij om't even: de werkelijkheid wordt daarmede niet weggepraat. Juist daarom verzwakken sterke laxeermiddelen zoo en zijn zij zoo schadelijk, omdat zij met de kwade stoffen ook goede sappen uitdrijven. De drijfjacht begint en eindigt met het verlies der edelste sappen, die voor het behoud en de vermeerdering der krachten noodzakelijk zijn. Wie weet dit niet bij eigen ondervinding. Vandaar die groote zwakte, dat snel en hevig verlies van krachten, wanneer men zulk een laxeerkuur heeft ondergaan. Hoe dwaas, hoe onverantwoordelijk! Sapienti sat! Men leert, of moet althans leeren door schade en schande.
VERVAL VAN KRACHTEN.
Er zijn menschen, die soms buitengewoon snel in gewicht toenemen; over 't algemeen is men hiervoor bevreesd, omdat de niet ongegronde meening heerscht, dat zulke menschen meestal niet oud worden. Daarentegen zijn er ook mannen, vrouwen en kinderen, wier krachten opvallend snel afnemen. Zij gelijken het gras in de weide, dat heden groen is en morgen verdort, en het merkwaardigst er van is, dat zij zeer dikwijls niet buitengewoon ziek zijn. Meestal klagen zij over matheid, slecht humeur en weinig of geen eetlust. Daagt hier niet spoedig hulp op, dan kwijnen deze halfverdorde bloemetjes langzamerhand weg; zij gaan uit als een nachtpitje; en komt er plotseling een of andere ziekte bij, dan is het levenslicht spoedig uitgeblazen. Dusdanige zieken gelijken, om een beeld uit het dagelijksch leven te gebruiken, veel op een huis, dat met slechte kalk en mortel is opgetrokken; het wordt bouwvallig en alles hangt spoedig buiten het lood. âHij is aan de ziekte van Bright gestorven,quot; hoort men vaak zeggen; âHet zwak, bouwvallig huis is ingestort.quot; Alle verschillende benamingen voor één en dezelfde ziekte. G-oed eten en drinken kunnen hier niets baten; ieder verstandig man zal u uitlachen, wanneer gij een bouwvallig huis hier en daar wat kalk en tras tusschen de voegen zoudt smeren.
Verval van krachten verschilt in zooverre van tering, dat bij tering de ziekte in een of ander orgaan, long, borst of keel, enz. haar oorsprong neemt, en van daar uit zich nieuwe wegen baant, terwijl bij verval van krachten meer het geheele lichaam ondermijnd wordt. Wel heeft men den zetel dezer ziekte in de nieren of in het onderlijf gezocht; maar dien vóór de lijkoperatie nauwkeurig aan te wijzen is meestal onmogelijk, wijl de schijnbaar duidelijkste teekenen nog bedriegelijk zijn.
Een tamelijk zwaarlijvig heer verheugde zich steeds in de
301
bloeiendste gezondheid. Hij leidde een geregeld leven. Plotseling gevoelde hij zijne krachten verminderen. Hij werd duizelig en waagde het niet eens meer op te staan zonder zich vast te houden. Het was voor hem een ware foltering niet meer te kunnen loopen, geen voet te kunnen verzetten: zijne beenen weigerden hem allen dienst. Binnen zes weken verloor hij 72 pond aan gewicht. De flinke, sterke man van vroeger knie-knikte en waggelde als een geknakt riet; als een verdorde boom in het wond, was er geen leven meer in hem. Alle geneeskundige middelen bleven zonder uitwerking; met weemoedigen blik zag hij een vroegen, gewissen dood te gemoet.
In deze stemming en toestand kwam hij tot mij; ik herkende hem niet meer, ofschoon hij een dierbare vriend van mij was. Ik zelf twijfelde er aan, of hij wel genezen zou, doch raadde hem met water een laatste poging te wagen.
Hier moest de natuur versterkt worden, die zich zelf wilde vernietigen, een zelfmoord wilde begaan. Hij liep dagelijks 2â3 maal in het natte gras of op natte steenen. Daarna nam hij dagelijks een compres op het voor- en achterlijf, en eenmaal in de week den Spaanschen mantel. Hierop volgde: iedere week 2 halfbaden, een korte omslag en een compres op het voor- en achterlijf. Vervolgens eenmaal in de week een half bad, een koud volbad van 1 minuut, een warm volbad met tweevoudige afwisseling, een wassching van het geheele lichaam. Om geheel te doen genezen en voor een vernieuwden aanval der ziekte te behoeden, schreef ik hem iedere week een koud volbad, een begieting van bovenlichaam en knieën, en nu en dan den Spaanschen mantel voor. Het bier werd van 5 op 2 glazen teruggebracht; de kost moest eenvoudig en voedzaam zijn.
Op het einde der eerste 8 dagen reeds kwam er beterschap hij sterkte aan en het verval van krachten hield op. Na acht dagen kon hij weer zijn beroepsbezigheden hervatten, hij nam toe in krachten, en werd dik, en is thans nog een gezonde, forsch gebouwde, sterke man.
Eene moeder, bloeiend als het leven zelf, verloor in weinige weken hare krachten en daarmede haar gezonde gelaatskleur. Naar algemeen gevoelen was haar doodvonnis geteekend, vooral omdat alle geneeskundige hulp ijdel bleek. In den uitersten nood nam zij haar toevlucht tot de waterkuur. Tweemaal in de week trok zij een nat hemd aan en wikkelde zich daarop in een wollen deken, waarin zij een vol uur liggen bleef. Dan nam zij iedere week 2 halfbaden, en hield beide wateraanwendingen 14 dagen vol. Toen verwisselde zij hemd en half bad met iedere week een korten omslag en wassching van het geheele lichaam. Aan de moeder werd volkomen
305
gezondheid en aan de juichende kinderen de gezonde moeder weergegeven.
Men bemerke wel, dat zoodanige lijders vaak te veel voedsel gebruiken, zoodat het verzwakte gestel het niet geregeld in sappen, bloed, beenderen, enz. kan omzetten. Hieruit spruiten de nadeeligste gevolgen voort: als abnormale spiervorming, ophoopingen van bloed en sappen, enz. Doch een goede waterkuur scheidt alle kwade stoffen weder af, regelt den bloedsomloop en versterkt het gestel.
Nog een ander geval doet zich voor ; goed voedsel wordt genuttigd, maar zonder verteerd te zijn, wordt het weer uit het lichaam verwijderd; de organen zijn zwak, werkeloos, onge schikt tot den arbeid. Ook dit heeft nadeelige gevolgen voor het lichaam: de gezondheid moet worden ondermijnd. Als gij welke plant ook de zuigwortelen afsnijdt, dan moet zij sterven. Nu, de organen zijn gelijk aan de zuigwortelen. Zij worden verfrischt en versterkt door het water. Gij kent het groote scheprad van den watermolen. Als daarop het water neervalt, begint het te draaien ; alle raderen draaien mede, de geheele machine is in beweging en werking. Zoo wekt het water, dat naar de ware voorschriften op het werkelooze lichaam valt, alle organen uit hun gedwongen rust; zij werken weder en nieuw leven stroomt door het opnieuw bezielde lichaam.
Hoe vele jongelieden sleepen als levende dooden, hun veeg en zwak lichaam voort. Van ganscher harte wensch ik hun toe, dat zij spoedig zullen ijlen tot de bron van genezing en gezondheid.
VERZWAKKING.
Een zes-en-veertigjarige smidsbaas komt klagend bij mij : Sedert 2 jaren worden mijn handen zoo krachteloos, dat ik den hamer niet meer hanteeren kan; vroeger had ik er wel driemaal zooveel kracht in; ook zijn zij maar half zoo dik meer. Sedert 6 maanden bespeur ik, dat ook mijne voeten in sterkte afnemen en des avonds vooral pijn doen. Mijn eetlust is tamelijk goed, maar niet zooals voorheen. Op mijn rug boven de lenden gevoel ik dikwijls een drukkende spanning.quot;
Op zijn magere handen kon ik kwalijk de aderen zien: de armen ontvingen geen voedsel genoeg, vandaar die zwakte, stijfheid en koude. Bloedophoopingen in of bij den nek moesten wel de reden zijn, waarom het bloed niet naar alle richtingen vloeide.
Hij hield gedurende veertien dagen eenmaal per dag de armen gedurende een half uur in een bad van hooizaad en
f
306
op een anderen tijd van den dag gedurende 2 minuten in koud water ; daarenboven droeg hij driemaal in de week den omslagdoek. Reeds toen zag men de armen dikker worden, de aderen zwellen en de bloedophoopingen verdwijnen. Na 14 dagen kreeg hij iederen dag een begieting van bovenlijf en dijen, wekelijks 2 maal een armbad in aftreksel van hooizaad en 2 maal in koud water. Aldus zette hij de kuur voort en was spoedig voor zijn beroep weder geschikt. Ook nam hij gedurende de kuur dagelijks 20 alsemdroppels in warm water.
SINT-VITUSDANS.
Een vader verhaalt: âIk heb eene dochter, die thans 10 jaren oud is en die van haar prilste jeugd niet gezond was. Het tanden krijgen ging bij haar met zooveel moeilijkheden gepaard, dat iedereen meende : het kind zal er aan sterven. Daarenboven was de eene voet dunner dan de andere. Nu heeft zij den Vitusdans; zij kan niet eten, niet slapen en als de krampen haar overvallen is het schrikkelijk om aan te zien. Bij vele geneesheeren zocht ik hulp, maar het werd altijd slimmer met haar.quot;
âGoede man,quot; antwoordde ik hem, âlaat gedurende een half uur etgroen in water koken ; neem er een groote hoeveelheid van, zoodat het water dik wordt, en doe er een beetje zout bij; dan doopt gij een grof hemd in dat mengsel, wringt het uit en trekt het uw dochtertje aan; wikkel haar dan in een wollen deken en laat er haar 11/2 â 2 uur in rusten; slaapt zi], wanneer de tijd verstreken is, dan behoeft ge haar niet wakker te maken. Doe zoo tweemaal per dag en kom dan na acht dagen terug.quot;
Op den bepaalden tijd kwam de man en verhaalde: âHet kind heeft een vreeselijken uitslag op het geheele lichaam, vooral op rug en borst; maar het begint op te vroolijken, het heeft geen pijn meer, alle kramp is verdwenen, het kan goed slapen en heeftgoeden eetlust. Watmoetiknu verder doen.quot;
Ik antwoordde: Laat het kind om de drie dagen het hemd dragen en na 14 dagen zal het gezond zijn. Geef het ook iederen dag met een weinig water 20 droppels uit dit fleschje. In het fleschje was alsem, waarover in het tweede deel gesproken is.
VOETEN EN BEENEN. (Open)
Een ambtenaar klaagt over een open been, dat hem sinds lang in zijn beroep hinderlijk is. âDe wonde onder aan de kuit,quot; zoo verhaalt hij, âis buitengewoon groot en iederen dag
307
loopt er veel vuile stof uit; doch de wonden en de ontsteking maken mij niet zoo' beangst, als de kleur van het been; deze is overal zwartblauw. Vele geneesheeren heb ik geraadpleegd, zij gaven mij o.a. veel mineraalwater te drinken, doch alles was vergeefsch.quot;
De 45-jarige man ziet er krachtig uit en heeft schijnbaar. aanleg om dik te worden. Zijn gelaatskleur bewijst, dat hij gaarne bier drinkt. De hoeken zijner oogen zijn dof, de oogen zelve geelachtig, de ooren hoogrood. Op de vraag, of hij zich overigens gezond voelde antwoordde hij: âMij mankeert niets, ik heb goeden eetlust; een drinker ben ik niet, maar laat mij dagelijks 2 a 3 glazen bier goed smaken. Mijn kwaal is plaatselijk: ik heb enkel een open been.quot;
Alle zoodanige 'zieken (een uitzondering daarop is een witte raaf) klagen alleen over de pijnlijke, etterende wonde, en meenen, dat zij gezond zullen zijn, als deze gesloten is. Doch de tegenovergestelde wijze van behandeling is de ware. Eerst moet men het lichaam genezen, eerst alle ziektestoffen daaruit verwijderen en dan zal zich de monding van het riool, de beenwonde, vanzelf sluiten. Naar mijne meening is het eene gevaarlijke domheid, een schadelijke dwaasheid een wonde of open been te willen heelen en zoo de poort te sluiten, waardoor alleen het lichaam zich nog redden kan. In bergachtige streken verzamelt zich het water in een diepte, het borrelt op en er vloeit een kristalheldere bron; zoo stroomen ook de kwade stoffen naar een bepaalde plaats van het lichaam, en dringen en werken zoo lang, totdat zij ergens doorbreken. Hiermede geeft het lichaam de wijze aan, waarop het te genezen is. Waarom het dan, om zoo te zeggen, handen en voeten binden, of den weg ter redding door zalf en pluksel versperren ? Geen wonder, dat zulk een handelwijze den ondergang des lichaams en van het geheele gestel ten gevolge heeft!
Ik raadde den ambtenaar, gedurende twee weken iederen dag anderhalf uur lang een onderomslag te dragen en tweemaal daags het bovenlichaam krachtig te wasschen; daarbij moest hij iedere week een hoofddampbad van 20 minuten nemen. Hiermede beoogde ik het lichaam te zuiveren en tot uitdrijving der ziektestoffen te sterken. Na 14 dagen kwam hij weer en zijn eerste woorden waren: âLaatst zeide ik, dat ik niet ziek was, maar nu weet ik beter. Ik kon slechts met moeite trappen klimmen, want mijn adem was beklemd, en altijd was ik erg opgezet. Maar nu gevoel ik mij heel anders, als met nieuw leven bezield. Ik gevoel mij zoo frisch en kan zoo gemakkelijk ademhalen. Vroeger was ik altijd treurig gestemd, nu ben ik vroolijk en opgeruimd en het eten en drinken smaakt
308
mij beter dan voorheen. Dat men het mij niet eerder gezegd heeft! In deze 14 dagen,quot; zoo besloot hij, âurineerde ik veel; over het geheele lichaam, doch vooral in het onderlijf gevoel ik mij beter; reeds wordt de pijn in het been minder en de kuit begint te heelen. Wat moet ik nu verder doen, opdat met het lichaam ook de voet volkomen geheeld worde ?quot;
Hij nam wekelijks 2 onderomslagen gedurende een half uur en iederen dag een flinke begieting van het bovenlijf. Op het been legde hij 3 of 4 maal daags een linnen lapje, dat met lauw water bevochtigd was. Overigens mocht hij niets aan het been doen. Als de bron niet meer gevoed wordt, houdt zij vanzelf op te vloeien en droogt ten laatste uit. Toen ook deze 2 weken verloopen waren, kwam de ambtenaar vol vreugde bij mij: aan het gezonde lichaam had hij ook een gezond been. Sinds dien prijst hij zonder ophouden de werking van het water. Het is voor zulk een herstelde van groot belang nog geruimen tijd de waterkuur met een der genoemde en probaat bevonden aanwendingen voort te zetten, opdat zich niet opnieuw ziektestoffen in het lichaam ophoopen. Hij ver-kieze die aanwendingen, welke op hem het best werken.
Agatha leed sedert jaren aan een ziek been, dat van tijd tot tijd openging en vanzelf zich weer sloot. Over de onvermijdelijke zalven spreek ik geen woord meer; het zou mij toornig maken. Een geneesheer verzekerde haar te zullen genezen, indien zij beloofde alles te doen, wat hij voorschreef. Zij moest zóó te bed liggen, dat haar been hooger lag dan het onderlijf. Bijna oogenblikkelijk hield de pijn op. Men smeerde ik weet niet wat op de wonde en bond ze goed dicht. De zieke voeler goed bij; pijn in het been had zij niet meer en de heeling ging met reuzenschreden vooruit. Eindelijk was de wonde dicht. Doch daar werd zij plotseling zwaar en duizelig in het hoofd; aanvankelijk zag zij er geen kwaad in. Des nachts echter overviel haar zulk een zwakte en slapheid, dat de ontboden geneesheer zeide: âZij heeft de vliegende tering en zal weldra sterven.quot; Om 12 uur 's nachts moest zij bediend worden. Vijf dagen lang bewoog zij zich niet; haar ademhaling wat-zwaar, haar geest als verdoofd. Den ö'10quot; dag kwam zij weder bij en sprak met moeite eenige woorden. Vanzelf wikkelde zij het lijf en het zieke been in een natten omslag. Den volgenden dag begon de voet hevig op te zwellen en pijn te doen, maar in het hoofd gevoelde zij zich beter. Moedig wikkelde zij been en onderlijf weder in, het been werd hevig over de helft ontstoken en na vijf dagen vertoonde zich eene wonde. â Nu was de genezing op bovengenoemde wijze gemakkelijk. Agatha verkreeg haar vroegere gezondheid terug.
309
Maar wat veroorzaakte toch die hevige ziekte? Tering was het zeker niet. â Als een jongen op zijn hoofd gaat staan, vloeit het bloed daarheen. Zoo vloeiden ook uit dit hooger liggende been de kwade sappen naar Agatha's borst en hoofd en bewerkten die hevige ziekte. De omslagen voerden ze weer naar de voeten terug, het water opende de wonde, en de kwade stoffen, die hun vroegere kanalen en wegen niet meer verstopt en versperd vonden, lieten de borst vrij ademhalen en het hoofd geregeld denken.
Mocht ieder, die aan open voeten lijdt, dit wel ter harte nemen. Ik weet goed, dat zeer veel artsen der nieuwere school er anders over denken. Doch met vele andere artsen geef ik aan de oude geneeswijze de voorkeur. Iedere wonde, dooide natuur zelf geslagen, om daaruit de ziektestoffen te ontlasten, noem ik een gezondheid â en levensverzekering. Wie weet niet, dat vele lieden ten grave daalden, juist toen hun open voeten en beenen waren dichtgeheeld! En wie weet niet dat de dood niet ver meer is, wanneer bij hoogbejaarden die wonde zich sluit.
Vóór mij ligt een brief, waarin woordelijk te lezen staat: .,Mijn voetvel is weder aan 't spoken en daarmede houden ook de rheumatische pijnen in hoofd en tanden op, waarvan ik voor 14 dagen meende razend te worden. Altijd is het met een of ander mijner lichaamsdeelen niet, zooals het behoort. Ik heb öf pijn in het hoofd, vooral in de tanden, öf als deze ophoudt, hevige pijn in de beenen, zoodat ik niet zeggen kan, wat erger is. En houdt ook hier de pijn op, dan is geheel mijn lichaam ziek.quot; Tot zoover de brief.
Gelijk het kwik in den barometer stijgt of daalt, zoo zijn er ziekten, die van het eene lichaamsdeel naar het andere ijlen. Jicht en roos zijn zulke klanten. De âDritter im Bundequot; is de bovenbeschreven ziekte, met dit onderscheid evenwel, dat zij niet, gelijk jicht en roos, zich uitwendig vertoont, doch haar wandeltochten op verborgen wegen, binnen in het lichaam, voortzet.
Tegen deze âwandelaarsquot; gaat men met drieërlei aanwendingen te werk.
De korte omslag moet alle kwade stoffen opruimen, die de ziekte op hare wandeling van het hoofd tot de voeten heeft achtergelaten. Dikwijls aangewend zal hij haar allen lust tot rondwandelen benemen. Zijdelings werkt hij tevens op het pijnlijke lichaamsdeel, door te beletten, dat ziektestoffen, die van daaruit door het lichaam zijn gevloeid, weder den terugtocht aanvaarden.
Het voetdampbad en de daaropvolgende dijbegieting moeten de ziektestoffen uit het aangetaste been verwijderen.
310
De koude wasschingen, of in plaats daarvan deSpaansche mantel, moesten het geheele lichaam sterken, opdat het tot verwijdering der giftstoffen en zoo tot algeheele genezing kunne medewerken.
De aanwendingen werden in deze volgorde gebruikt: Korte omslag, 2 maal 's nachts het geheele lichaam wasschen, korte omslag, voetdampbad en Spaansche mantel.
Voor inwendig gebruik werd thee van salie, duizendgulden-kruid en muntkruid voorgeschreven. De beide eerste kruiden werkten zuiverend, de bittere munt versterkte de maagsappen. Hier wil ik nog twee wijzen aangeven om open voeten en beenen te genezen. De eerste is goed voor boeren en arme lieden, die er geen badkamers op kunnen nahouden. Op de tweede zullen de deftigste heeren niets tegen hebben.
Een boertje, dat er tamelijk welgedaan uitzag, kwam met moed en glans in de oogen bij mij en zeide: âEerwaarde, ik heb een open voet, hebt ge niet een of ander watertje voor mij ?quot; â âO, ja wel, beste vriend. Hoor wat ik zeg. Ge gaat naar huis, spreidt op je bed een oud tapijt of een grove wollen deken. Dan zoekt ge onder je zakken een ouden versleten uit, die niet stijf is, doopt hem flink in het koude water, wringt hem uit en gaat er in Adamskostuum in, of als dit je beter aanstaat, ge trekt hem aan als een nieuw-modischen broek. Dan één, twee, drie in bed, je flink in het tapijt of de deken gerold en je warmpjes toegedekt met een wollen deken of veeren bed.quot; De glinsterende oogjes begonnen dof te worden en zoo groot als het rad van een ploeg; dat was hem te erg. âEn,quot; zoo luidde het verder, âhierin blijft ge 2 urn-stil liggen en om het te probeeren, behoeft ge het maar één maal daags gedurende eene week te doen.quot; Het boertje gutste het zweet op het voorhoofd, zoo beangst was hij. Doch hij deed wat voorgeschreven was. In 50 dagen maakte hij 25 maal van dezen eigenaardigen slaaprok gebruik. Hij was vol vreugde, niet alleen omdat zijn been geheeld, maar ook omdat hij door dien zak zoo'n opgeruimd humeur gekregen had. Ik raadde hem aan de oefening van tijd tot tijd te hervatten. Dit behoefde ik hem geen tweemaal te zeggen. Vol dankbare vreugde riep hij mij toe: âEen geheel jaar lang zal ik die oefening voortzetten!quot; En hij hield woord.
Zoo boersch bovenbeschreven wijze klinkt, zoo voornaam luidt de andere: lt;
Men neme iedere week : a) een halfbad met drievoudige afwisseling â het best is een bad van haverstroo; b] 2 maal een onderomslag van anderhalf uur, of in plaats daarvan even lang den Ãpaanschen mantel.
811
Ter waarschuwing deel ik het volgende geval mede;
Een tameliik zwaarlijvig, maar zeer gezond heer, die zijns gelijke niet kende, kreeg een open been, waarvan hij veel last had. Hij nam zijn toevlucht tot de waterkuur en zette ze twaalf dagen voort. Hij kon er niet over uitgeroepen komen, hoe pleizierig en frisch hij zich gevoelde. âDoch dat ellendige open been!quot; riep hij uit, âheel het toch dicht.quot; â âDie de wonde toeheelt, verkort uw leven; ik zal het nooit of nimmer doen,quot; antwoordde ik beslist. Dit verdroot hem en hij vertrok. Het was in den herfst. Zooals ik later hoorde, bezocht hij in het daaropvolgend voorjaar een badplaats, en gebruikte na zijn terugkeer daarvan, allerlei middeltjes om de wonde te heelen. Hierin slaagde hij; na 6â8 weken juichte hij over zijn gezond been. Doch daar vormde zich midden in de lendenen een groote verzwering. De geneesheeren hielden het voor een anthrax en sneden er kruislings in. Maar er vloeide geen etter uit, het was een groote, harde plaat. In 12 dagen had bloedvergiftiging een einde aan zijn krachtig leven gemaakt. Dergelijke voorbeelden kon ik in groot aantal mededeelen.
Eens trad ik een woning binnen. Juist had de heer des huizes op voorschrift van den dokter zijn been tot boven de knie in warm water gestoken. Het water moest zóó heet zijn, als hij verdragen kon. De hevige pijn werd hierdoor als verdubbeld. Het been was van den enkel tot aan de kuit dubbel zoo dik als gewoonlijk en boven den enkel was het zóó ontstoken en hooggekleurd, dat er zonder twijfel spoedig een wonde moest ontstaan. Ik begrijp niet wat warm water zal vermogen op een ziek been, hetwelk zoo hevig ontstokenis, dat de hitte u er van tegenwaait; een gezond mensch reeds zou de hitte niet kunnen uitstaan en dan wordt het zulk een armen zieke niet eens en voor een wijle, maar dikwijls en voor langen tijd voorgeschreven! De jonge man riep opgewonden uit: âik kan het niet langer uithouden, onder mijn oogen uit met het water!quot; Rustig liet ik zijn bevel uitvoeren en raadde hem aan, in plaats van heet water, pekelnat uit de zuurkoolton te late nhalen, daarin een lapje te doopen en op het zieke been te leggen; daarop moest hij een grooteren natten doek om het been binden, zoodat het van den enkel tot de knie bedekt was, en alles met een drogen wollen doek stevig omwikkelen. Beide compressen moest hij vernieuwen, zoodra de pijn en branderigheid toenamen. Hij volgde mijn raad; na 2 dagen kon hij weer loopen. Eindelijk vertoonde zich een wonde. Om spoediger de kwade stoffen op te lossen en af te scheiden legde hij op de wond een linnen zakje met gezwollen hooizaad. In 8â10 dagen was het been genezen en
312
diende zijn heer met vernieuwde kracht als een trouw onderdaan.
Een aanzienlijk heer verhaalt: âIeder jaar lijd ik gedurende 2 a 3 weken aan de beenen, doch het overige gedeelte van het jaar ben ik gezond. Gevoelig zijn mijn beenen altijd, doch vóór dat de ziekte komt, zijn zij altijd gloeiend warm en voel ik er nu en dan steken in. Daarna beginnen zij tot aan de knieën erg op te zwellen, terwijl de pijn vermindert. Tot iederen arbeid, welken ook, ben ik dan onbekwaam. Weetu hiertegen geen middel?quot; â Ja, mits gij het volgende doet: 1) iedere week 1 of 2 maal kousen dragen, die in niet te warm aftreksel van haverstroo zijn gedoopt. Over de natte kousen moet gij een drogen doek binden en er 2 uur in blijven. (Dit kunt gij 's avonds doen); 2) iedere week gedurende 1 Va uur in den korten omslag liggen. Als gij deze kuur 5 a 6 weken lang voortzet, dan zult gij geen last meer hebben van ziekte in de beenen.
Een landbouwer komt bij mij en laat zijne gezwollen beenen zien, die van onderen tot aan de knieën dik opgezwollen en met groote zwartblauwe vlekken bedekt zijn. Zij deden hem hevige pijn lijden, zoodat hij vaak geheele nachten niet slapen kon; dientengevolge was hij ook zoo zwaarmoedig en melan-koliek, dat hij zich reeds dikwijls den dood had toegewenscht. Zijn eetlust was slecht, zijne gelaatstrekken ziekelijk.
Behandeling: 1) iedere week een (de eerst week 2 maal) voetdampbad; 2 maal gedurende l1^ uur een hemd dragen, dat in aftreksel van haverstroo is gedoopt; 2 maal gedurende 1 Va uur in den onderomslag. 2) lederen nacht het been tot aan de knie in een doek wikkelen, nadat deze gedoopt is in water, waarin 2 lepels foenum graecum is afgekookt. Vooral deze omslag droeg bij om de pijnen te stillen en de wonde te verzachten. 8) Dagelijks in 3â4 porties een kop thee drinken, die van een theelepel foenum graecum is getrokken.
Eene vrouw had jarenlang een ziekte in de beenen. Nu en dan vertoonde zich een wonde aan een der beenen, waaruit veel etter en vuile stoffen vloeiden; na eenige weken sloot zich de wonde. Zooals ieder ander, zocht ook deze vrouw genezing van haar ziekte, waardoor zij zeer in hare bezigheden werd belemmerd en deed het volgende: 1) 3 maal in de week stond zij 's nachts op, waschte zich vlug het geheele lichaam en ging dan weer te bed liggen ; 2) eens In de week droeg zij den Spaanschen mantel; 3) hare beenen werden van 's morgens tot 's middags of 's avonds met een doek omwonden, die in aftreksel van hooizaad was gedoopt; hierom werd een dikke wollen doek geslagen; 4) op de wonde, die ongeveer 3 vingers lang en breed was, legde zij een lapje met foenum graecum, wat
313
de kwade stoffen tot zich trekt, de branderigheid en de pijn vermindert, eindelijk de wonde heelt, wanneer alle etter-stof is afgescheiden; 5) om de twee of drie dagen werd onmiddellijk op het zieke been warm, maar niet al te droog hooizaad gelegd; het moest 2 uur blijven liggen; 6) dagelijks gebruikte zij een halven eierlepel grijs beenderenmeel en een kop thee van 4 of 5 versche vlierbladeren.
Een arme daglooner leed sinds vele maanden aan een open been, dat een wonde had van 1 vinger lang en 3 vingers breed. Deze man, nog in den bloei der jaren, leed voortdurend hevige pijn en kon moeilijk langer dan een paar uur slapen. Hij was moedeloos en zag er echt ziekelijk uit. Ik gaf hem den raad een doekje met gekookte foenum graecum als een pleister op de wonde te leggen, dan het geheele been tot over de kuiten te bedekken met versche hoefbladeren en daarover de kousen aan te trekken. lederen morgen en avond moest hij pleister en bladeren vernieuwen en daarenboven om de twee uur 2 lepels thee van foenum graecum innemen ; daarbij kon hij zijne gewone werkzaamheden verrichten. Veertien dagen daarna was de wond voor 2!t reeds gesloten. Hij begon er gezond en frisch uit te zien, voelde geen pijn meer en kon goed âslapen. Drie weken later was het been volkomen geheeld.
Thee van foenum graecum wordt verkregen door er een kleinen lepel van op een glas water gedurende 1 minuut te laten koken; dan wordt zij afgegoten en, zooals gezegd is, lepelsgewijze gebruikt. Zij koelt inwendig de branderigheid en werkt van binnen genezend.
quot;WATERZUCHT.
Als de. regen lang aanhoudt en de zon zelden schijnt, dan kan het water niet in den grond dringen of door de zon verdampen. Dientengevolge ontstaan kleine waterpoelen, die vuil en zuur worden en ongunstig op de planten in hunne nabijheid werken. Zoo ongeveer is het met 'smenschen lichaam gesteld, wanneer het lijdt aan waterzucht. Deze ontstaat als het bloed en de sappen te dun, te waterig zijn. Op het bloed teren alle organen en deelen van het lichaam; het bloed is de bron van kracht en leven, waaruit ieder lid het zijne put; uit ziekelijk bloed kan dus evenmin als uit een moeras kracht en leven vloeien, vandaar dat weeke vleesch, die zwakke bloedvaten, die ophoopingen van kwade sappen en bedorven bloed, welke de voorboden zijn van waterzucht.
Die aan waterzucht lijden zijn gemakkelijk te herkennen; jonge menschen worden eensklaps oud: âhij is spoedig oud
21
314
geworden,quot; hoort men zeggen; de gelaatskleur verflenst, de spieren en zenuwen hangen aan de beenderen als gebroken snaren van een speeltuig; op vele plaatsen, vooral om de oogen, vormen zich waterzakken. Deze behoeft ge slechts aan te raken en de waterkogeltjes glijden u onder de vingeren weg. Spoedig draagt het geheele lichaam zulke zakjes, alsof het bedelde om bloed; doch helaas het ontvangt niets dan water.
Er zijn vele soorten van waterzucht. Hoopt het water zich op tusschen huid en vleesch, dan wordt zij onderhuidsche waterzucht genoemd; wordt het onderlijf als een zee, dan heet zij buikwaterzucht; grijpt het water het hart aan, dan heeft men met hartwaterzucht te doen enz. De waterzucht ontstaat dikwijls na verschillende ernstige ziekten en gewoonlijk is het dan met den zieke gedaan. Voor velen was zij de voorbode des doods of de laatste golf, die het wrakke scheepje in den grond boorde. Na roodvonk vertoont zij zich dikwijls, als de ziekte niet geheel is verdreven, of nog ziektestof aanwezig is en het verzwakte lichaam de kracht niet heeft om ze uitte werpen. Dan begint het geheele lichaam op te zwellen.
Is de waterzucht van ernstigen aard, dan is voor den bloedarmen zieke gemeenlijk alle hoop verloren ; doch yi den aanvang kan zij vaak spoedig verholpen worden, wanneer men door uit- en inwendige middelen het vuile water wegpompt. Eenige voorbeelden zullen dit duidelijk maken.
Van een 48-jarige boerin begon het lichaam zoo op te zwellen, dat zij niet meer loopen kon. De zwakte was groot, haar ademhaling zwaar. Ik ried haar terstond rosmarijn op wijn te zetten en er dagelijks 2 glazen of ongeveer ^ liter van te drinken.
Door den wijn gevoelde de zieke zich zeer gesterkt; er werd veel water verdreven. Gedurende vier weken nam zij .dagelijks gedurende P/a uur den korten omslag, 2 halfbaden van 1 minuut en wassching van het geheele lichaam. De boerin werd gezond en kon zonder moeite hare bezigheden hervatten.
Een twaalfjarige knaap had roodvonk en werd volgens aller gevoelen gezond. Na 6 weken kreeg hij de waterzucht; zijn geheele lichaam zwol op. Een hemd in zout water gedoopt en gedurende P/a uur iederen dag gedragen genas den knaap volkomen.
Een vrouw van 54 jaren kreeg water in het onderlijf. De voeten en de buik, werd mij gezegd, waren ontzettend dik opgezwollen.
Zij moest hare dochter dagelijks een eierlepel poeder van wilde vlierwortels op een glas water 3 minuten lang laten koken en dezen drank in drieën of vieren drinken. Daaren-
315
boven nam zij gedurende de eerste acht dagen een onderomslag van 1 uur, de 10 volgende dagen denzelfden omslag om den anderen dag, de daaropvolgende 2 weken om de drie dagen. Eeeds na drie weken was zij volkomen gezond. â Later vernam ik, dat het water langs den urineweg geloosd was.
Wortelen van wilde vlier zijn tegen waterzucht in den buik (1) â een uitmuntend middel, evenals rosmarijn tegen waterzucht in de borst. Tegen hartvlieswaterzucht doet een compres op het vóór- en achterlijf uitstekend dienst; daarbij moet men lederen dag 2 glazen rosmarijnwijn drinken.
George, een man van 36 jaren, wordt binnen 8 dagen over het geheele lichaam verbazend dik. Aan hoofd, hals, handen en voeten ziet men gezwellen en onder de huid een groote hoeveelheid water. Gedurende de eerste week trok hij tweemaal per dag den Spaanschen mantel aan, de daaropvolgende 9 dagen eenmaal daags en de laatste 10 dagen om den derden dag. âIk ben een heele Spanjaard geworden,quot; schertste de man, âen ofschoon het klimaat niet bijzonder Spaansch is, heeft het mij toch goed gedaan. Ik ben weder volkomen gezond.quot;
Eéne opmerking moet ik hier inlasschen, omdat vele eerst-beginnenden bijzonder in deze ziekte zich omtrent de wateraanwendingen vergissen. Tegen waterzucht mag nooit warm water, hetzij gewone of dampbaden worden gebruikt. Daardoor zou de kwaal verergeren, wijl warm water verslapt en verweekt, en bij waterzuchtigen juist het gemis aan veerkracht in de organen het ergst is. Hier zijn de koudste aanwendingen de beste; maar zij moeten van korten duur zijn en uitdrukkelijk worden voorgeschreven: Waar het bloed zwak is, daar Is de lichamelijke warmte gering.
Een kastelein verhaalt: âMijn geheele lichaam is gezwollen. De dokter beweert dat ik het water zal krijgen. Reeds heb ik veel ingenomen, maar van dag tot dag wordt het erger. Mijn linkerbeen, vooral de bovendij, is bijzonder dik, en het rechterbeen begint ook al. Ik heb veel last van dorst: van bier wordt hij brandender en door water kan hij niet worden gelescht. Moet ik sterven of is er nog hulp voor mij ?quot; â Ik antwoordde: âNeem 1) lederen dag een begieting van bovenlijf en knieën; 2) iedere week 3 maal een korten omslag gedurende 113 uur â de doek moet 2 of 3 dubbel gevouwen zijn; S) eiken nacht moet gij opstaan, vlug het geheele lichaam wasschen en dan terstond weder te bed gaan. Doe zoo drie
1
Als huismiddel verdient ook thee van jeneverbessen aanbeveling; zij werkt goed, maar niet sterk genoeg. Wortelen van wilde vlier werken krachtiger en duurzamer.
316
weken lang en zend dan tijding.' â Deze luidden buitengewoon gunstig. Daarop schreef ik de volgende aanwendingen voor: 1) iedere week 3 halfbaden van 1 minuut, 3 maal een rugbegieting en 2 maal gedurende l1^ uur den Spaanschen mantel dragen; 2) dagelijks in 3 porties, een kop thee drinken van gestampte jeneverbessen en wat schaafstroo; deze thee moet tien minuten koken. Na 6 weken was hij volkomen hersteld. Hij kon weer slapen, met smaak eten en gevoelde zich sterk als vroeger. Dit verklaarde hij zelf drie maanden na de kuur. De man was 50 jaar oud.
WOEMEN.
Van het ongedierte, dat in 's menschen lichaam leeft en tiert, en het soms zwak en ziek maakt, zijn vooral bekend de spoelwormen en allerlei andere wormen. Kinderen vooral hebben er last van en wanneer een moeder er niet zorgvuldig tegen waakt, zouden zij het teere gestel der kleinen kunnen ondermijnen. Zij ontwikkelen zich in de darmen, vooral wanneer zware meelkost en meer nog roggebrood den hoofdschotel uitmaken. Een buitensporige eetlust en een onpleizierig, pijnlijk gevoel in de maagstreek verraden hun tegenwoordigheid; dit is het geval wanneer de kinderen onophoudelijk in den neus peuteren. De kinderen zien er ziekelijk uit, omdat de wormen het lichaam alle voedsel ontrooven.
Behandeling: 1) Men snijdt een ui fijn, legt de stukjes in \ een glas water en laat ze er 's nachts in staan; des morgens moet de ui goed worden uitgedrukt en het water nuchter worden gedronken. Wanneer men dit 3 of 4 dagen doet, dan ' raakt men alle wormen kwijt. 2) Men drinkt een glas water, dat met een lepel honig is vermengd; dit is voor de wormen een lekkernij, waarvan zij gretig smullen; drinkt men nu een kop thee van bitteren alsem, wat de wormen vergiftigt, dan sterven zij alle en gaan met de uitwerpselen mede. 3) Het sterkste middel is het zaad eener plant, die om hare heilzame werking wormkrüid genoemd wordt. Op zekeren dag braakte iemand 3 dikke, lange wormen uit. Reeds lang gebruikte zij geneesmiddelen, omdat zij ziek was. Nu nam ze twee dagen lang iederen dag 2 lepels zaad van wormkruid, waarna zij gedurende 2 uur niets gebruikte; binnen drie dagen raakte zij niet minder dan 78 lange wormen kwijt. Wormzaad is niet duinen in iedere apotheek te koop.
Van alle wormen is de lintworm de gevaarlijkste. Tegenwoordig heeft men daartegen een zeker middel, dat volgens recept in iedere apotheek verkrijgbaar is.
317
ZENUWHOOFDPIJN.
Twee studenten moesten het instituut verlaten, vóór het schooljaar ten einde was. Zij hadden zoo dikwijls hoofdpijn en â¢congesties, dat zij niet meer studeeren, ja zelfs geen 2 minuten meer lezen konden. Alle middelen waren tevergeefs beproefd. Ik raadde de arme studenten in het bedauwde gras en zooveel mogelijk den geheelen dag barrevoets te loopen; ieder uur gedurende eenige minuten in een beekje te staan en zich dagelijks 2 maal, bij warm weder 3 maal het bovenlijf te laten begieten.
Zij volgden mijn raad, ja deden nog meer dan ik verlangde. Dat zij zichtbaar in beterschap toenamen, prikkelde hun ijver «n op het einde der vacantie kwamen zij gezond en sterk in de school terug.
Mocht' toch in pensionaten en colleges, waar zooveel geturnd wordt, ook liefhebberij worden aangekweekt voor die oefeningen, welke het lichaam niet verhitten en inspannen, maar rust en gezondheid schenken! Het is ongelooflijk welken invloed het barrevoets loopen in de vochtige weide of in den dauw uitoefent.
Een 4:5-jarig man komt klagend bij mij en verhaalt: âDe dokters beweren, dat ik zenuwziekte in het hoofd heb. Ik ben nooit zonder hoofddoek; aan het achterhoofd gevoel ik nu links, dan rechts een onuitstaanbare drukking. Gevoel ik die pijn, ook op den rug, dan heb ik vele uren lang de hevigste hartkloppingen. Eetlust heb ik dikwijls in het geheel niet. Ik ben zoo duizelig, dat ik niet meer alleen kan loopen en mijn vrouw daarom gedwongen was met mij te reizen. Doch dit alles is niets bij mijn zielesmart. Ik ben zoo zwaarmoedig en troosteloos, dat ik mij vaak den dood heb toegewenscht.quot; De man was tamelijk zwaarlijvig, geelachtig en ziekelijk van gelaatskleur, en onnatuurlijk dik opgezet.
Binnen 13 dagen was hij weer geheel in orde. Wel had hij aan gewicht verloren, maar zijn hoofdpijn en duizeligheid waren verdreven, en zijn eetlust, goede slaap en opgeruimdheid teruggekeerd.
De aanwendingen waren de volgende: den eenen dag des voormiddags begieting van bovenlijf en knieën, des namiddags rugbegieting en in het water loopen; den anderen dag'smorgens rugbegieting en in 't water loopen, 's middags begieting van den rug, later van de knieën; den derden dag 's morgens begieting van bovenlijf en knieën, 's namiddags begieting van het geheele lichaam en halfbad.
Twee studenten kwamen tijdens de Paaschvacantie bij mij en zeiden: Wij lijden aan een ziekte in het hoofd, congesties.
318
slapeloosheid, vermoeienis, slechten eetlust en hierdoor zijn wij niet in staat te studeeren. Gaarne zouden wij de vacantie ten nutte maken om door de waterkuur weer gezond te worden.
Het was in de lente, de grond was nog vochtig, de temperatuur laag; ik raadde hun daarom gedurende de vacantie-dagen zooveel mogelijk in de bosschen, in de weide of op het veld barrevoets te wandelen en zich flink te bewegen wanneer zij koud werden; ook moesten zi] nu en dan gedurende 2â3 minuten in een met water gevulden greppel heen en weder loopen. 2 of 3 maal daags namen zij een armbad.
Deze oefeningen vielen zeer in hun smaak; zij werden er moedig en vroolijk onder. Met nieuw leven bezield hervatten zij hun studiën, konden die zonder stoornis voortzetten, en zagen met vreugde de herfstvacantie tegemoet om hun lichaam opnieuw te harden en te sterken.
Het verdient opmerking, dat na het loopen op een natkoude weide en na het staan in water telkens zooveel beweging gemaakt moet worden, dat men spoedig weder warm wordt; aan jongelui, die flink loopen kunnen, valt dit niet moeielijk.
Een theologant kwam met de volgende klacht bij mij: âIk ben zoo gedrukt in het hoofd, dat ik soms niet weet, waar ik sta of wat ik doe; ook word ik geplaagd door duizelingen. Tot allen geestesarbeid ben ik ongeschikt, 3 maanden voor het einde mijner studiën moest ik het college verlaten.quot;
Daar het in Augustus was, bracht hij den geheelen dag door in den tuin of in het bosch, barrevoets wandelend van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Daarenboven bekwam hij dagelijks 2â4 begietingen van het bovenlichaam. Binnen 12 dagen was er van bovengenoemde ziekteverschijnselen geen spoor meer over. Hij gevoelde zich opgeruimd en sterk en behoefde slechts gedurende de overige vacantiedagen de waterkuur voort te zetten om zich nog meer te versterken en te harden.
- ZENUWZIEKTE.
Een priester verhaalt: âTen gevolge van hevige ontroering, schrik en angst, overviel mij tegen het einde van Juli 1884 een ziekte, die zich aanvankelijk door herhaalde, angstige hartkloppingen, door zware ademhaling en algemeene lichaamszwakte kenmerkte. De hartkloppingen hielden na eenige maanden weer op. Doch toen kwelden mij andere kwalen, o. a. hevige, benauwde aanvallen van asthma en dikwijls pijn en spanning in het onderlijf. De drukkende spanning ontwaarde ik vooral in de geheele ribbestreek en later ook in de ruggegraat. Vaak was ik vermoeid, mat in alle ledematen, en gevoelde ik pijn
319
in de gewrichten. Daarbij had ik last van obstructies en was het onderlijf opgezet. De stem was zwak, zoodat het spreken alleen bij mij dikwijls pijn, benauwdheid en asthma opwekte; lang of luid te spreken was mij onmogelijk. Daarbij is mijn hoofd altijd duizelig en zwaar, en dikwijls heb ik hevige hoofdpijn, zoodat ik niet in staat ben geregeld te denken of met geestesarbeid bezig te zijn. Iedere kleinigheid maakt mij opgewonden en verergert mijn lijden in hoofd en borst. Daarbij ben ik zoo zwaarmoedig, dat ik dikwijls geen raad weet. De dokters zeggen, dat ik aan een zenuwziekte lijd. Twee genees-heeren, een allopaath en homoeopaath schreven mij douches, dieet, Bromkali, zincum oxydat., Natr. posph. e. a. voor, doch alle middelen waren vruchteloos of verergerden soms nog mijn kwaal. Het best scheen op mij te werken, wat een derde arts mij aanried, nl. koude volbaden en veel beweging in de open lucht; dit duurde een halfjaar, totdat ik mijn toevlucht nam tot het water.quot;
Tot zoover de zieke; beschouwen we hem nauwkeurig. Zijn gelaatskleur is buitengewoon rood, de randen zijner oogen ietwat geel, zijn ooren en lippen hoogrood en blauw. Den nauwelijks dertig jaren tellenden priester zijn bijna alle haren uitgevallen. Waarop wijzen deze verschijnselen? Ongetwijfeld op al te hevigen bloedaandrang naar hoofd en borst. De drukkende pijn in het voorhoofd komt van dien bloedaandrang, waardoor de aderen zwellen. Is hier genezing mogelijk? Zoo ja, op welke wijze? Hoofd en borst, die het meest te lijden hebben, moet men niet uit het oog verliezen; beide lijden zij onder overmaat van bloed. Dit moet dus naar de voeten en handen worden afgeleid. Dan kan ik, al wat abnormaal is, als ophoopingen van bloed, verwijding der aderen enz., verwijderen en ten laatste op het heele gestel werken.
Men kan den zieke geen betere aanwendingen voorschrijven dan deze en wel in de gegeven volgorde: Voetdampbad, hoofddampbad, korten omslag, Spaanschen mantel, barrevoetsloopen. Dit laatste kan men des winters niet beter doen, dan op versch gevallen sneeuw.
Binnen drie weken was zijn toestand aanmerkelijk verbeterd. Doch om zich geheel te herstellen van zulk een diepgewortelde hevige kwaal moest hij nog maanden lang de kuur voortzetten.
Naar de meer of minder goede uitwerking van iedere aanwending kan de patiënt zelf het best oordeelen, welke voor hem de heilzaamste is en derhalve vaak moet worden herhaald. Doch men geve niet toe aan de verleiding om zich tot deze aanwending alleen te bepalen. Altijd moeten de gedeeltelijke
320
aanwendingen verbonden worden met de geheele, die op het geheele gestel werken, anders zou de harmonie in de ware, algeheele beterschap worden gestoord.
Een Boheemsche priester schrijft: âVoor acht maanden kreeg ik, tengevolge van overspanning, hevige hartkloppingen; ik kon moeilijk slapen, had last van oprispingen; mijn buik was opgezwollen, mijn ademhaling zwaar. Somtijds had ik een vreemd gevoel in mijn ledematen, pijn en ongerustheid in handen en voeten; later ook werden zij beverig en waren steeds moe en afgemat in den ergsten graad. Eindelijk verloor ik allen eetlust en had geen stoelgang.quot;
Toen hij mij bezocht, scheen hij zeer verzwakt en zijn gelaatskleur was bleekgeel. Na een badkuur van zeven weken was hij weer frisch, gezond en opgeruimd. Langzamerhand begon hij ook beter te slapen.
Hij was op de volgende wijze behandeld: Gedurende de eerste drie weken : 1) lederen nacht van bed uit een half bad; 2) 's voormiddags begieting van het bovenlijf en in het water loopen; 3) 's namiddags rugbegieting en halfbad; 4) dagelijks veel in het gras wandelen. Later nam hij begieting van bovenlijf en knieën, halfbad en 2 maal voetdampbad. Voor inwendig gebruik schreef ik hem 8 â 10 jeneverbessen voor en thee van bitteren alsem en salie.
ZENUWZWAKTE.
' Een pastoor verhaalde, dat hij somtijds hevige hoofdpijn had en, wanneer deze ophield, zóó door keelaandoeningen geplaagd werd, dat hij van smart en vermoeidheid niet spreken kon. Ditzelfde pijnlijke gevoel ontwaarde hij soms in zijn rug. Naar het getuigschrift van den geneesheer leed hij aan algeheele verzwakking der zenuwen en zou het niet lang meer duren, dat ook de hersenen enrugwaren aangestoken. Daarenboven was hij erg prikkelbaar en angstig.
Behandeling: Dagelijks vóór en na den middag een zachte begieting van het bovenlijf, dagelijks in het vochtige gras wandelen en gedurende 4 minuten op natte steenen loopen. Zoo gedurende 5 dagen. Daarna lederen dag een sterkere begieting van het bovenlijf, een kniebegieting en 2 maal in het water loopen. Nu en dan een zitbad. Na vijf dagen nam hij eiken dag een rugbegieting, een halfbad, een begieting van het bovenlijf en liep hij eenigen tijd in het koude water. Deze aanwendingen verdreven alle pijn en lijden. Gezond en vroolijk keerde de priester naar zijne pastorie terug.
Een aanzienlijk heer had door overmatigen arbeid geest en
321
lichaam zoo overspannen, dat moeielijk te beslissen viel, welke van beide meer geleden had. Zijn geest was zóó verzwakt, dat men algemeen voor de treurigste gevolgen beducht was. Maanden lang genoot hij slaap noch rust, de hevigste pijnen beulden zijn lichaam af en geneesmiddelen baatten niet. Hier kon alleen het water nog redding brengen en werkelijk mocht hij na 3 maanden, frisch en gezond, zijn betrekking weder waarnemen.
Zulken zieken mogen slechts zachtere aanwendingen worden voorgeschreven: den lslcn dag moet hij vóór en na den middag het bovenlijf wasschen met water en azijn en daarop een knie-begieting van 1 minuut nemen; den 2llen dag 's morgens en 's middags het bovenlijf met 3 a 4 liter water begieten, terstond daarna op natte steenen loopen en een gieter water over de knieën gieten; den 8lt;len dag het bovenlijf wasschen en begieten (1 gieter vol), 's namiddags begieting van liet bovenlijf (1 gieter) en gedurende 3 minuten in het water staan; dit laatste deed hem zoo pijnlijk aan, dat hem de tranen in de oogen kwamen. Zoo werd de eerste week doorgebracht. De volgende week kreeg hij een begieting van het bovenlijf en beurtelings een kniebegieting of in het water staan, zoover de teergevoelige beenen dit toelieten. In deze week werden de begietingen van het bovenlijf langzamerhand sterker, de gieters water klommen van 1â3; ook moest hij toen reeds tot aan de knieën in het water staan, maar niet langer dan 2 a 3 minuten. In de derde week werden bovengenoemde aanwendingen steeds sterker en moest de patiënt om den anderen dag een zitbad nemen. In de vierde week, 's morgens begieting van het bovenlijf, en in het water staan, 's middags halfbad. Do 5de week 's voormidags, een begieting van den rug met kniebegieting of in 't water staan, 's namiddags een begieting van het bovenlijf. Totdat hij volkomen hersteld was, moest hij lederen halven dag een aanwending nemen, namelijk een begieting van bovenlijf en knieën, een halfbad of een rug-begieting.
Voor inwendig gebruik was hem afwisselend voorgeschreven, dagelijks een halven eierlepel wit poeder, of 6â8 jeneverbessen, of thee van bitteren alsem en salie.
Een 84-jarig candidaat in de theologie schrijft: âVoor 11 jaar kreeg ik last van hoofdpijn, congesties en duizelingen en wel, omdat ik mij allerlei muizenissen in het hoofd haalde, mij te veel verstierf en jarenlang door gewetensangsten gekweld was Daar ik desniettegenstaande zoowel geestelijk als lichamelijk voor 2 man bleef werken, werden mijne zenuwen en hoofd zoo verzwakt, dat ik voor iederen geestesarbeid ongeschikt werd; een gelieelen rozenkrans b. v. kon ik niet bidden. In Wörishofen
322
bleef liet in weerwil van dij-, bovenlijf- en rugbegieting en barrevoets loopen gedurende 8 dagen bij het oude. Toen werd mij Malefizöl voorgeschreven en moest ik genoemde aanwendingen nog 3 dagen voortzetten; maar de kwaal verergerde. Daarna moest ik 3 a 4 dagen rusten; de Maleüzül werkte, het hoofd werd plotseling frisch, helder en sterk en zoo is het tot nu toe gebleven.quot;
Bij dit schrijven moet ik de opmerking maken, dat genoemde heer, vóór hij mij bezocht, mijn boek had geraadpleegd en zoowel door een gelukkige keuze der voor hem geschikte wateraanwendingen, als door getrouw de hem voorgeschreven waterkuur te ondergaan, de baan geëffend had voor de Malefizöl. Toen hij aankwam, bevond hij zich in een jammerlijken, troosteloozen toestand, die des te jammerlijker was, omdat de patiënt oogenschijnlijk de beste gezondheid genoot en dus een goed kenner slechts zijn lijden kon doorgronden. God zij gedankt, dat hij thans met vreugde en moed zijn hoogere studiën kan voorzetten.
ZWAARMOEDIGHEID.
Door zich in zijne beroepsbezigheden te overspannen, had zich zekere heer een hevige ziekte op den hals gehaald; hij klaagde over suizingen in het oor, over gedrukt zijn in het hoofd, over verzwakking van het denkvermogen en van het geheugen, zoodat hij voor zijn beroep totaal ongeschikt was. Daarenboven was hij bijzonder treurig gestemd en vaak door allerlei angsten gekweld. Slapen kon hij meestal niet. De krachten van den overigens sterken man namen af en hij verloor veel aan gewicht. De zwaarmoedige onderging de volgende kuur: begieting van bovenlijf en rug, in het water loopen, iedere week 2 omslagen, een Spaanschen mantel en voor inwending gebruik onvermengde bittere alsem, of alsem met arnica en duizendguldenkruid vereenigd. De werking dezer droppels prees hij zeer. Na 8 weken voelde hij zich volkomen gezond en tot arbeiden geschikt; hij werd en bleef tot nu toe opgeruimd en vroolijk van gemoed. Hij werd 22 pond zwaarder.
ZWERENDE VINGERS.
Het menschelijk lichaam kan niet alleen van binnen, maar ook van buiten aan de huid ontstoken zijn. De ontsteking is gewoonlijk de onafscheidbare gezellin van allerlei zweren. Als er brand is, loopen de buren te hoop; en is het lichaam ergens branderig, dan zijn de naburige lichaamsdeelen geen onver-
323
schillige toeschouwers. De eene bloeddroppel verhaalt het den anderen en de al te voortvarende kunnen zich deerlijk de vingers branden. Ontstaat er een zweertje b. v. aan den teen, dan doet niet enkel de teen pijn, maar somtijds ook hetge-heele been, al is het zweertje niet grooter dan een erwt; niet zelden steekt de pijn tot in het onderlijf. Het is even alsof men 's nachts een lucifer aansteekt; het nietige ding werpt zijn licht ver naar buiten in den hof.
Anna had hevige pijn aan den duim. Veel bijzonders kon men er niet aan bespeuren, hij was een beetje opgeloopen en wat dikker dan zijn tweelingbroeder. Ook de schouder deed haar pijn. âPas op,quot; zeide haar vader, âdaar steekt wat achter, binnenkort zal uw geheele lichaam ziek zijn.quot; â Inderdaad,hier moest wat in en achter steken. Anna bond haar vinger natuurlijk in een flinken doek (1) en wachtte 3 â 6 dagen, wat er van komen zou. De duim werd dikker, de hand zwol op, de verzwering werd grooter en zij had zulke krampachtige pijnen in vinger, arm en lijf, alsof een goochelaar er met dolkmessen vangballetje in speelde. Het duurde vrij lang eer het etteren had opgehouden en de zwerende duim genezen was.
Aan welke kuur had zij haar vinger moeten onderwerpen ? Doet de vinger pijn, zonder een wonde te vertoonen, dan moet zij doen als de huismoeder, die, een beetje vuur in den haard willende dooven, daartoe een weinig water gebruikt. â Wanneer men niet alleen aan den vinger, maar ook aan de hand pijn lijdt, dan is het vuur grooter en heeft ook de hand aangetast. Mag zij nu de hand onder de pomp houden om zoo den brand te blusschen? Volstrekt niet! Want het kwaad schuilt niet alleen in de branderigheid, doch veeleer in de giftige sappen, die mede moeten verwijderd worden. Zij moet haar hand in een kouden natten doek wikkelen en dien zoo dikwijls opnieuw bevochtigen, als hij warm is. De vinger moet wel is waar een zwerende vinger worden, d. w. z. doorbreken, doch alles wat de natte omslag er uittrekt, behoeft niet te veretteren en een groot onderscheid is het, of de zweer zoo groot is als een erwt, of zoo groot en nog grooter dan een ei. Mocht de pijn zich tot het geheele lichaam uitstrekken, dan schrijven wij een tijdlang den Spaanschen mantel voor. De algemeene gezondheid zal dan spoedig beter zijn.
Een bijzonder soort zweer is bij de landlieden als âworm in den vingerquot; (fijt) bekend. De behandeling of liever mishan-
(1) Dit inbinden verhoogt de hitte nog meer. Hierdoor vloeit het bloed meer naar de plaats van ontsteking en het duurt lang, eer dat het in de wonde ontstoken bloed veretterd is.
324
deling van zulk een zwerenden vinger bewijst opnieuw, hoe blind en dwaas de menschen zijn. Het is, ais hadden zij voor lang hun verstand verloren, zoo zinneloos gaan zij te werk. Met zulk een worm aan of in den vinger â het ware interessant, te weten, hoe men zich dien worm voorstelt â begaat men allerlei domme streken. Ieder heeft zijn eigen zalfje en is dit .opgesmeerd, dan heelt de vinger vanzelf. Echt bijge loovige menschen zoeken een levenden mol machtig te worden; als zij dien tusschen duim en vinger laten sterven, dan sterft de âwormquot; ook. En als er genoeg gezalfd, gesmeerd, gepapt en gezeept is, en de vinger na vele weken rijp is geworden en doorbreekt, en de etter dik en in groote 'hoeveelheid er uit vloeit, dan heet het: âZie, de worm is dood, hij komt er uit!quot; Verder kan men het in dwaasheid en zelfverblinding-niet brengen.
Wat is nu eigenlijk zoo'n worm of fijt in den vinger ? Niets anders, dan een wat grootere zweer, die op bovengenoemde wijze moet worden behandeld. Meestal zijn zij er mee aangehaald, die veel kwade stoffen in liet lichaan hebben. Derhalve moet niet alleen op den vinger en de hand, maar op het geheele lichaam worden gewerkt. Op de beide eerste werkt men door de hand- en armomslagen. Om den vinger windt men 2â4 maal een doekje, dat in aftreksel van schaafstroo is gedoopt, om te beletten, dat de ontsteking tot het been doordringt. Hand en arm worden in een dubbelen doek met water of aftreksel van hooizaad gewikkeld. De doeken moeten opnieuw worden nat gemaakt, als de hitte of pijn toeneemt. Op het geheele lichaam werkt men door een of twee korte omslagen of door den Spaanschen mantel; in beide moet men dagelijks 1 uur liggen. Na de eerste week gebruikt men de omslagen slechts om de 2 of 3 dagen. Met begietingen van boven en onderlijf moet men hier voorzichtig zijn en neme ze eerst later ter versterking des lichaams, nadat de kwade stoffen genoegzaam zijn verwijderd. Zoodra de zieke vinger ârijpquot; is, d. w. z. een blauwachtige kleur krijgt en aan ééne zijde zacht wordt, dan moet men er onverwijld een opening-in maken, er op drukken en zich niet angstig maken, als er behalve etter ook bloed uit komt. Want dit bloed moest toch ook nog veretteren en op bovengenoemde wijze wordt den vinger deze moeite bespaard en zijn taak gemakkelijker gemaakt. Vrees voor het te spoedig doorbreken des vingers bestaat wel bij allerlei zalven, maar niet bij zuivere wateraanwendingen.
Nog op een andere wijze en spoediger kan fijt in den vinger genezen worden. 2 of 3 maal per dag steekt men vingeren
325
voorarm in warm (niet al te heet) aftreksel van hooizaad. De omslagen van vinger, arm en lijf blijven, zooals boven is aangegeven.
Andreas, een tuinman, had een vreeselijk zwerenden duim. Hevig opgezwollen, was hij niets meer dan een ruwe vleesch-massa, niet met een huid, doch met etter als overtrokken. Op verschillende plaatsen kon men tot op het been zien. De heelmeester had reeds verklaard, dat de hand moest worden afgezet, anders zou hij sterven. Ik bekeek de hand goed en dacht: âGod, kon ik den armen man zijn hand doen behouden!quot; Mij kwam de zaak aldus voor; âHet been ziet er nog frischuit, is dus niet aangestoken; de vreeselijk opgezwollen, zwerende duim is als een riool, waarin het zieke lichaam zijn kwade stoffen ontlast. Deze stoffen verergeren de verzwering, verteren het vleesch en vergiftigen alles, wat zij aanraken. Daarom moet ik op den half verganen duim werken, doch vooral op het lichaam, opdat het zijn eigen lidmaat niet vermoorde.quot; Hiernaar handelde ik.
De duim en de geheele hand werden gewikkeld in een doek, die in aftreksel van hooizaad en schaafstroo was gedoopt; 4 of 5 maal daags werd de omslag verfrischt. Het zieke lichaam kreeg dagelijks een korten omslag en driemaal per week den Spaanschen mantel. Op den doorwonden vinger liet ik driemaal daags goed verdund aluinwater gieten om vuile stoffen weg te wasschen. Geen vier weken verliepen, of vinger en hand waren behouden. Om het niet aangestoken been vormde zich nieuw vleesch en behalve de nagel zag de duim er evengoed uit als vroeger. De man kon zijn beroep als tuinman voortzetten en leefde nog vele jaren.
ZWEETEN.
âDat is een kruis, die zweetvoeten,quot; zoo klaagt menigeen âvanwaar komt dit toch? Nu zijn zij door en door koud, dan zijn zij branderig heet; en dan â die reuk!quot;
Dit is volkomen waar; nog zwaarder kruis zijn de treurige gevolgen van het zoogenaamd genezen der zweetvoeten, ik ken een heer, die den raad ontving, een paar maal daags de voeten te wasschen, dan zouden zij niet meer zweeten: Inderdaad, het zweeten hield op. Doch wat waren er de gevolgen van ? Het laatste was erger dan het eerste. Het in het lichaam teruggedrongen voetzweet wreekte zich door een gevaarlijke ziekte. Aan ieder verstandig mensch durf ik vragen: âKon dit wel anders?quot; Die den vos uit zijn hol jagen wil, moet den uitgang niet dichtstoppen, de vogels zouden zulk een
326
jager uitfluiten en de hazen hem spottend een neus zetten.
Het voetzweet is niets dan kwade vuile stof. die zich in de vaten en cellen der voeten ophoopt. Deze is de oorzaak van dien ondragelijken reuk, welke menschen, ja, dieren zelfs uit het huis drijft en den lijder aan zweetvoeten tot een onwelkomen gast maakt.
Wat is hiertegen te doen? Een doek, welke in teer is gevallen, zal niemand trachten te reinigen door hem nu en dan met een spons af te wasschen. De waschvrouw zal scherp zeepsop bereiden, daarin den doek laten koken en zoo het harsige teer verwijderen. Zóó moet men ook de zweetvoeten wasschen; alle kwade vuile stoffen, waar zij ook schuilen, moeten worden losgewasschen en uitgespoeld. Daarenboven moeten huid en vaten, in zoover zij door de vuile stof geleden hebben, worden geheeld en gesterkt.
Het beste is beide voeten te wikkelen in doeken, welke in aftreksel van hooizaad of dennetakken zijn gedoopt. Deze omslagen zuigen de vuile stoffen op en genoemde planten hebben een heelende en sterkende kracht. Binnen 10 dagen gebruike men 5 of 6 zulke omslagen, vervolgens bade men 14 dagen lang dagelijks de voeten tot aan de kuiten in een warm bad met drievoudige afwisseling (10 minuten in warm, 1 minuut in koud water, en zóó driemaal). Ten laatste zal 1 voetbad en 1 voetomslag in de week toereikend zijn. Heeft hetzweeten der voeten opgehouden, dan is het goed somtijds een kwartier lang blootsvoets in het natte gras te wandelen. Die hiertoe geene gelegenheid heeft, wandele voor het naar bed gaan gedurende eenige minuten barrevoets in zijn slaapvertrek op en neer. Men kan niet gelooven, hoe voordeelig, verfrisschend, sterkend en hardend de versche lucht voor de voeten is, wanneer zij, van den dwang der wollen kousen bevrijd, zich in de gulden vrijheid mogen verheugen. Probatum est! Oefening-kweekt sterkte.
Met alleen de voeten, maar het geheele lichaam heeft soms last van zweeten. Een aanzienlijk heer zweette iederen nacht zóó, dat 's morgens de geheele matras nat was èn dek en hoofdkussen dreven. Het was voor hem een bijna ondragelijk kruis, dat hem bij het slapen gaan met angst vervulde. Daarbij kwam, dat hij niettegenstaande de dikste kleeding 's winters nooit vrij was van verkoudheid. En dan, dat gestadige trans-pireeren: reeds van verre kon men zijn kleedingstukken ruiken. Voorwaar een lastige kwaal. Welk middel is hier tegen?
Hier kan geen spraak zijn van spoedige genezing, maar wel van de langzame versterking des lichaams, dat door het zweeten zoozeer is verzwakt en van de verdere verwijdering
327
der ziektestoffen. Ongeduldig mag zulk een patiënt niet worden. G-enoemde heer bewees wat bij nauwkeurigheid en volharding het water vermag. De volle genezing was het loon zijner getrouwheid. âHet kan wel zijn,quot; zal menige lezer uitroepen, âdoch wat staat mij in zulk een geval te doen?quot; Trek driemaal in de week den Spaanschen mantel aan. Laten uwe bezigheden het over dag niet toe, doe het dan 's avonds voor het naar bed gaan en blijf er 112 â 2 uur in liggen. Wasch u 2 of 3 maal in de week het geheele lichaam en wel des nachts van bed uit, wanneer gij evenals onze patiënt aan slapeloosheid lijdt. Mocht gij dan juist bezweet zijn, wasch u -dan flinker nog, maar vlug, ga dan zonder u af te drogen weder naar bed en dek u goed toe. Het is wenschelijk dat het slaapvertrek zoo mogelijk niet al te koel is. Merk wel op, dat ge met den Spaanschen mantel de kuur moet beginnen. En als gij ondervonden hebt, hoe weldadig hij op uw lichaam werkt, dan zult gij vol dankbaarheid in uw eigen voordeel wel niet verzuimen, er minstens eenmaal in de week gedurende 113 â 3 uur gebruik van te maken. Iedere week één wassching van hot geheele lichaam zal uw lust in wateraanwendingen niet bederven. Ik zou een groot aantal personen kunnen noemen, die met het vooroordeel, dat zulk een waterkuur gevaarlijk is, alle vrees voor het water hebben afgelegd en eerste vrienden van dit element geworden zijn. Hoe bang is het schoothondje, hoe beeft en siddert het, wanneer het water ziet! Hoe velen van zulke helden heb ik gekend! Doch die vroeger in het water spartelden, zijn langzamerhand flinke, volleerde zwemmers geworden.
Er zijn gestellen, die zeer spoedig en veel transpireeren, die bij iedere, zelfs de minste inspanning als in zweet baden en dientengevolge, afgezien van de onvermijdelijke matheid en vermoeienis, licht vatbaar zijn voor verkoudheid, ontsteking enz.
Eens bezocht mij een ambtenaar en klaagde, dat hij niet goed in orde was, veel last had van kortademigheid en volgens de geneesheeren een lever-en nierkwaal had. Zijn grootste ongeluk bestond hierin, meende hij, dat het innemen van medicijnen hem onmogelijk was; iederen lepel vol braakte hij weer uit. âMijn grootste gelukiquot; moest gij zeggen, zoo viel ik den spreker in de rede, wiens kwaal zich door een scherpe zweet-lucht openbaarde ; en tot zijn verbazing ging ik als een waarzegger voort: âBij 't loepen en 's morgens bij het opstaan zweet gij veel.quot; â âJa, dit is zoo. Hoe weet gij dit?quot; In plaats van antwoord gaf ik hem den raad, een badkuip met koud water te vullen. Wanneer hij nu door en door bezweet thuis kwam, moest hij zich vlug uitkleeden, tot aan de maagstreek in
328
het water gaan zitten en het bovenlijf vlug en krachtig afwas-schen; alles moest in 1 minuut afgeloopen zijn. Zonder zich af te drogen moest hij zich terstond weer aankleeden en zich een kwartier lang in zijn kamer wat bewegen.
âHoe,quot; riep de ambtenaar uit, âU Eerw. drijft den spot met mij ! God bewaar me. Ik zou er een beroerte van krijgen. Hoe dikwijls ben ik tegen koude en nat gewaarschuwd en dan zoudt gij mij een koud bad laten nemen!quot; Ik bleef kalm, maar moest al mijne welsprekendheid aanwenden, om hem van het onschadelijke dezer kuur te overtuigen. O. a. vraagde ik hem: âAls gij thuis? komt, en zoo bezweet zijt, dat u het zoutige vocht van voorhoofd en wangen vloeit en de vingers aan elkander kleven, zijt gij dan bang aangezicht en handen te wasschen?quot; â âNeen, dat doe ik altijd.quot; â âHebt gij er ooit het minste nadeel van ondervonden?quot; De man aarzelde te antwoorden, want hij voorzag mijn gevolgtrekking, maar stootte eindelijk een krachtig âNeenquot; uit. âWelnu, bewijs die weldaad aan geheel uw lichaam, beloof mij, het minstens, eenmaal te beproeven.quot; Hij zweeg een oogenblik en beloofde het. Na 14 dagen ontmoette ik hem weder en zeide: âNu, leeft gij nog? Hoe is het gegaan?quot; â0 pastoor, hoe dankbaar moet ik u zijn! Alle vrees is verdwenen. Mag ik het nog meermalen doen? Het doet mij zoo goed!quot; Waarlijk, hij overdreef niet, alle ongesteldheid en ziekte verdwenen langzamerhand. De man leeft nog èn zal wel 80 jaren tellen. Als allen mijn welgemeenden raad hadden gevolgd, dan hadden zij zich vele bittere uren van smart en lijden bespaard, zij zouden niet zoo vroeg ten grave zijn gedaald en wellicht nu nog leven. Doch spot en hoongelach was vaak mijn loon.
Een gebouw te onderhouden is niet moeielijk, wanneer men ieder jaar dak- en muurwerk laat onderzoeken en zoo noodig herstellen. Nu, iederen dag ismen ontstemd, mistroostig; dit zijn schadelijke breuken in het muurwerk van ons vaak ellendig bestaan, en hoevele honderde malen worden wij daardoor iederen dag gekweld, hoevele duizende malen iedere maand en ieder jaar! Deze distels en doornen, of hoe men deze mistroostigheden ook noeme, wortelen meestal in eene ongesteldheid van het lichaam. Zij zijn als dakmos of muurschimmel op de schamele hut onzer ziel; gevaarlijk zijn zij doorgaans niet, maar lastig, omdat zij ons de vroolijkheid benemen en de tevredenheid. Somtijds worden zij gevaarlijk voor lichaam en ziel, omdat zij ons het leven kunnen verbitteren. Welnu, de eenvoudige aanwending, den ambtenaar voorgeschreven, is dikwijls toereikend om ons in betere, opgeruimder stemming te brengen. Velen glimlachen wellicht om deze bewering. Dit
329
is mij om het even. Een spotlach maakt een waarheid niet tot lengen.
Ten slotte nog eene opmerking. Mets is, zelfs door verstandige menschen, zoozeer gevreesd dan een bad of koude afwassching te nemen, wanneer men bezweet is. Deze vrees zal wel gegrond zijn op het feit, dat zweetenden, die plotseling aan koude of tocht werden blootgesteld, of nat werden, voor geheel hun leven waren verloren. Dit wil ik gaarne toegeven. Doch gelijk in andere omstandigheden des levens, is ook hier het voornaamste, niet dat, maar hoe men de wateraanwendingen toepast. Hieromtrent huldig ik de volgende hoofdbeginselen:
a) Die nat is door zweet, regen enz., mag zich niet blootstellen aan koude of tocht, dit is gevaarlijk ;
h) die koud is, neme geen wateraanwending ;
c) die nat is door regen enz., moet terstond droge kleederen aantrekken;
d) die bezweet is, tengevolge van ziekte, loopen of arbeiden, mag heel kort een koud bad nemen of het geheele lichaam met koud water wasschen; maar zonder zich af te drogen moet hij droge kleeren aantrekken en zoo lang door wandeling of arbeid zich bewegen, dat hij droog en warm is. Dit laatste moest den heetbloedigste geruststellen en bevredigen.
EINDE VAN HET DERDE DEEL.
INHOUDSTAFEL.
Bladz.
Wenken voor hen die naar Wörishofen wenschen te gaan I
Voorrede van den vertaler..............UI
Een woord voor den Tweeden Druk........IV
Voorrede van den schrijver..........................3
Inleiding............................................6
EERSTE DEEL.
Algemeene bemerkingen..................17
Hardingsmiddelen..................22
Het barrevoets loopen................22
Het barrevoets loopen in het natte gras.......26
Het barrevoets loopen op natte steenen........27
Het barrevoets loopen in versch gevallen sneeuw ... 27
Het barrevoets loopen in koud water.........29
Koude baden voor armen en beenen (voeten).....30
De Begieting der knieën {met of zonder begieting van het bovenlichaam) ................30
A. Compressen.
1. Het compres op het vóórlijf............32
2. Het compres op het achterlijf...........33
3. Compressen op het vóór- en achtergedeelte van het lichaam tegelijk..................33
4. Compres op het onderlijf.............34
B. Gewone baden.
I. Voetbaden..............38
1. Het koude voetbad................39
2. Het warme voetbad...............39
II. H a 1 f b a d e n.............41
Hl. Zitbaden..............43
INHOUDSTAFEL. II
Bladz.
1. Het koude zitbad.................43
2. Het warme zitbad.................44
IV. Vol baden of geheele baden.
1. Het koude volbad................45
a. Het koude volbad voor gezonden.........46
b. Het koude volbad voor zieken ..........52
2. Het warme volbad..........!.....54
a. Het warme volbad voor gezonden........56
b. Het warme volbad voor zieken.........57
aa. Het bad van hooizaad.............58
bb. Het bad van haverstroo............58
cc. Het bad van dennenaalden...........58
dd. Gemengde baden................58
3. De minerale baden................59
V. G e d e e 11 e 1 ij k e baden.
1. Het hand- en armbad...............62
2. Het hoofdbad...................62
3. Het oogbad....................64
C. Dampbaden.
1. Het hoofddampbad.................68
2. Het voetdampbad................7^
3. Het dampbad op het stilletje............74.
4. Plaatselijke dampbaden..............75
I). Begietingen.
1. De begieting van de knie.............76
2. De begieting van het bovenlijf...........77
3. De begieting van den rug.............80
4. De begieting van het onderlijf...........80
5. De begieting van het geheele lichaam........80
E. WasscMngen.
1. Wassching van het geheele lichaam........82
a. De geheele wassching voor gezonden......82
b. De geheele wassching voor zieken ......... 84
2. Gedeeltelijke wasschingen.............86
F. Omslagen.
1. De omslag van het hoofd.............86
2. De omslag om den hals..............87
3. De omslagdoek..................88
INHOUDSTAFEL.
Bladz.
4. De omslag van den voet............! 89
a. De eigenlijke omslag van den voet........89
b. Omslag tot over de knie............90
5. De onderomslag..................91
(j. De korte omslag.................93
7. Het natte hemd..................94
8. De Spaansche mantel. . ...........95
G. Het water drinken..............97
TWEEDE DEEL.
Algemeene opmerkingen en indeeling.........101
1. Tinctuur of extract...............104
2. Thee.......................105
3. Poeders......................106
4. Oliën.......................106
Geneesmiddelen.
Aardbezie.....................106
Alsem (bittere)................. .107
Aloë (Aloë vulgaris L.) . . . ............108
Aloë (Agave L.)...................109
Althaea.................... .110
Aluin........................110
Amandelolie.....................110
Anijs........................111
Arnica of Wolverlei.................111
Beenderenmeel...................112
Bitter- of Koortsklaver................113
Boschbezie.....................114
Brandnetels (groote).................115
Duizendguldenkruid (gewoon).............115
Eikenschors.....................116
Engelwortel (bosch-angelica)..............116
Foenum graecum...................117
Ganzerik (zilverschoon) of Ganzenvingerkruid......117
Gentiaan (gele)....................118
Hars .........................119
Haver........................119 -
Honig........................119
Hoefblad (klein)...................121
8t. Janskruid....................121
Jeneverbessen....................122
Kamfer.......................123
UI
INHOUDSTAFEL. IV
BI adz.
Kamillen......................123
Koolstof..... ................123
Krijtmeel.....................124
Kruidnagelolie...................125
Lavendelolie......................................125
Laxeermiddel I...................125
Laxeermiddel II..................127
Levertraan.....................128
Lindebloesem....................128
Lijnzaad....................128
Maluwe of Kaasjeskruid (Althaea rosea)......129
Mistelboompje...................129
Oogentroost....................129
Pepermunt- en watermuntkruid..........130
Rozebottels.....................131
Rosmarijn.....................131
Salie........................132
Ãandelrood....................132
Schaafstroo...... .............132
Slaolie......................133
Sleedoornbloesem................134
Sleutelbloem....................134
Suikerij (wilde)..................134
Valeriaan (gewone).................135
Venkel.......................135
Viooltjes......................136
Vlier (zwarte)...................137
Vlier (wilde)....................139
Weegbree (met lancetvormige bladeren).......139
Wolkruid . ...................140
Wijnruit......................140
Zemelen......................141
Zuurkool.....................142
AANHANGSEL.
Hoe het zemelig brood bereid wordt.........142
Iets over âKrachtsoepquot; of âGezondheidssoepquot;.....143
Hoe de honigwijn bereid wordt...........144
Inhoud van een kleine huisapotheek.........145
DERDE DEEL.
Inleiding......................147
Aambeien (Haemorroides)..............148
Ademhalen (Moeielijk)................151
INHOUDSTAFEL.
Bladz.
Asthma......................151
Bedwateren....................152
Beenderen (Uitwas aan de).............153
Beeneter.....................153
Belroos.......................155
Beroerte . . . . â¢.................157
Bevalling......................160
Blaasziekte.....................161
Blaasziekte (Catarrhe) ...............162
Blaasziekte (Steen)................163
Bleekzucht . . . . ,................163
Bloedarmoede (zie âBleekzuchtquot;)...........163
Bloedbcderf...................165
Bloedspuwing...................167
Bloedvergiftiging..................169
Bloedvloeiing...................171
Brandwonden.........'..........171
Breuken......................173
Buikloop.....................177
Catarrhe (verkoudheid)...............178
Cholera......................179
Cholerine.....................181
Congesties.....................181
Darmziekte.....................183
Darmziekte (Catarrhe)................184
Darmziekte (ontsteking)...............186
Dauwworm (zie âUitslagquot;)..............18(5
Diarrhee......................187
Diphtheritis.....................187
Dronkaardswaanzin..................189
Duizeligheid....................190
Duizeligheid (bij een grijsaard)............190
Geelzucht.....................192
Gemoedslijden...................193
Graveel en steen..................194
Haarworm (zie âUitslagquot;)..............196
Hartkwaal.....................196
Heeschheid.....................200
Hersenen (ontsteking der)..............201
Heupjicht (Ischias).................202
Hoofdpijn.....................203
Hypochondrie.......................206
Inenten (Kwade gevolgen van het)..........207
Jicht........................209
V
INHOUDSTAFEL. VI
Bladz.
Kanker......................213
Keelontsteking...................214
Keelziekte.....................215
Kniegezwel...................316
Koliek.......................217
Koorts ......................217
Krampen.....................218
Krampen (Maag)..................219
Longziekte (Bronchitis)...............219
Longziekte (Ontsteking)...............220
Longziekte (Emphyseem)..............223
Maagziekte.....................226
Maagziekte (Zuur).................231
Maagziekte (Zweren)................231
Maagziekte (Catarrhe)................232
Migraine......................233
Nierziekte.....................234
Ontsteking.....................236
Oogziekte (Catarrhe)..............238
Oogziekte (Staar).................242
Oor (Suizing in het)................243
Oorziekte (doofheid) ................244
Pokken.....................245
Rheumatiek....................248
Eheumatiek in de gewrichten............249
Rheumatische aandoeningen.............254
Roos........................258
Ruggegraat....................260
Ruggegraat (Verkromming van de)..........261
Scharlakenkoorts..................262
Schurft......................264
Slapeloosheid...................266
Slijmkoorts ....................268
Spit in den rug..................268
Steen.......................269
Stem (verlies van de)................269
Tering.......................276
Typhus......................281
Typhus en zijne gevolgen..............284
Uitslag......................286
Urineeren (moeielijk)...............290
Vallende ziekte (Epilepsie) .............294
Verstandsverbijstering ...............295
Verstoppingen...................299
INHOUDSTAFEL.
Bladz.
Verval van krachten.............303
Verzwakking.............. ! ! 305
St. Vitusdans...............] 306
Voeten en beenen (open)............306
Waterzucht...............] [ 3^3
Wormen................ ! ! 316
Zenuwhoofdpijn............ . ! . 317
Zenuwziekte...................318
Zenuwzwakte..............................320
Zwaarmoedigheid..................322
Zwerende vingers.................322
Zweeten...............' ' ' 395
VII
ALPHABETISCH REGISTER.
|
A. Aandoeningen (rheumatische en krampachtige) 71, 75,94, 135, 212. Aambeien 42. 45, 96, 143,148. Aardappels 173. Aardbeienthee 107. Aardbezie 106. Aardbeziekuur 107. Achillea mille folium 122. Adem (vuile) 107, 130. Ademhalen 108,137,140, ]51, 164, 181, 197, 224, 234, 246. Aderlaten 36. Afkeer van het koude water 92. Agave 109. Aloe 108, 182, 208, 243, 301. Aloëpoeder 108, 121,127, 232, 243. Aloëwater 109, 214, 240, 243. Alsem (bittere) 107. Alsempoeder 107, 192. Alsemthee 107, 132, 164,166, 170, 185, 192,209,229,231, 232, 283, 289, 316, 320, 321. Alsemtinctuur 108, 159, 187, 193, 219, 230, 290, 293, 306. Althaea officinalis 110. Althaea rosea 129. Althaeakruid 110. Althaeawortel 110. |
Aluin 110, 240, 243. Aluinpoeder 110. Aluinwater 110,214,241.243. 325. Amandelolie 110, 133. Angelica Silvestris 116. Anserina 117. Anijs 111, 136. Anijsolie 111. Apotheek 101. Armbad 62. Armomslag 75. Arnica 111. Arnica montana 111. Arnicatinctuur 111. Artemisia absinthium 107. Asch 168, 191, 193. 219,228, 231, 241, 256. Asperula odorata 107. Asthma 151, 318, 319. Avena sativa 119. Azijn 34, 85, 89, 94, 95, 114, 130, 135, 136, 137,159,160, 164, 165, 171. 177. 180,185. 189. 191, 193,201,219,221, 230, 233. 234, 262, 268. 269 292, 299, 321. B. Bad van dennenaalden 58. Bad van haverstroo 58. |
ALPHABETISCH BEGISTER.
IX
|
Bad van hooizaad 58. Baden (gedeeltelijke) 62. Baden (gemengde) 58. Baden (minerale) 59. Baden 38. Baden (voor armen en beenen) 30. Barrevoets loopen in het berijpte gras 28. Barrevoets loopen in het natte gras 25. Barrevoets loopen op natte steenen 27. Barrevoets loopen in versch gevallen sneeuw 27. Bedwarmer 2'l'7. Bedwateren 121, 152. Beenderen (uitwas aan de) 153. Beenderenmeel 112, 125. Beenderenstelsel 113. Beenen (kwalen aan de) 91. Beeneter 135, 153. Bedrijvigheid 163. Been (open) 306. Beet (dolle hond) 75. Begieting van het bovenlijf 77. , â â geh. lich. 81. â â de knie 76. â â den rug 80. â â het onderlijf 80. Begieting der knieën 30. Bejaarden 93. Beklemdheid op de borst 71, 121, 224, 246, 262, 263. Belroos 155, 156. Bemerkingen (Algemeene) 17. Beroerte 157. Besmetting 122, 284. Bevalling 160. Beweging 163, 164. Beweging na de aanwending 21. Bier 144, 148. Bittere geest 114. Bitterklaver 113, 159. Blaas 45, 128, 131, 194. |
Blaas (krampachtige rheuma- tische aandoeningen) 45. Blaas (zweren in de) 75. Blaasziekte 127,131,161, 293. Blaasziekte (catarrlie) 162. Blaasziekte (steen) 58, 163, 194, 292. Blaren door het loopen ontstaan 40. Bleekzucht 43, 125, 163, 164. Bloed (onzuiver) 115.140, 208. Bloedaandrang 73, 89, 141, 167, 271. Bloedaftappende middelen 86. Bloedarmoede 39. 74,93,115, 144, 163. Bloedbederf 40, 165. Bloedbraken 130, 133, 167. Bloeden 133. Bloeddiarrhee 178. Bloedsomloop 43, 129, 206. Bloedspuwing 167. Bloedstillende middelen 168. Bloedstoring 115. Bloedvaten 116, 119. Bloedvergiftiging 40, 73, 117, 139, 169. Bloedvloeiing 43, 129, 133, 171. Bloedvorming 37, 113, 163. Bloedzuigers 36. Bloedzuivering 107, 115, 122, 137, 138. Bloedzuiveringsthee 116, 137. Boomolie 72. Borst 34, 119, 121. Borst (waterzuchtigheid) 315. Borst (slijm) 89,115,117,121, 127, 129, 140. Bosch-angelica 116. Boschbessentinctuur 114,177, 185. Boschbezie 114. Boschvlier 139. Bovenlijfbegieting 77. |
ALPHABETISCH REGISTER.
X
|
Bouillon 143. Braakmiddelen 302. Braken 130,180, 217,219, 229, 230, 231, 236, 246. Branderigheid (inwendige) 109, 119. Brandewijn 112, 114, 118. Brandewijn (Fransche 85. Brandewijn (koren) 105. Brandewijn (vruchten) 105. Brandnetels 70, 75, 76, 115, 220, 226. Brandnetels (doove) 75. Brandwonden, 142, 171. Bremextract 288. Breukband 176. Breuken 173. Breuklijders 45, 173. Bronchitis 219. Broodmeel 143. Broodsoep 164. Bruispoeder 234. Buikloop 177. Buikpijn 116, 130, 187, 230. Buikvliesontsteking 221. Burgerkqst 165, 171. C. Catarrhe 27, 71, 85, 89, 120, 140, 151, 178,219,238,157, 268, 284. Cholera 179, 180. Cholerine 181. Cichorium intybus 134. Compressen 111. Compres op het achterlijf 33. â â » onderlijf 34. â â vóórlijf 32. Compressen op het vóór- en achtergedeelte deslichaams tegelijk 33. Congesties 34, 39, 43, 71. 73, 89, 94, 96,123, 125,167,176, 181, 183, 205, 229, 317, 321. |
Corsetten 294. D. Dampbaden 64. Dampbaden (Plaatselijke) 75. Dampbaden (Russische) 65. Darmen (middel voor zuivering van) 109. Darmvliesontsteking 90. Darmziekte 183. Darmziekte (Catarrhe) 184. Darmziekte (Ontsteking) 186. Dauwworm 286. Dennenaalden 58. Dennetakken 92, 93,159, 171, 185, 211, 282,240.253.265, 326. Desinfecteeren 122. Diarrhee 114,137,139.177,178, 180, 184, 187, 217. Diphtheritis 187. Doofheid 244. Douches 82. Drinken (water) 97. Drinken aan tafel 98. Dronkaardswaanzin 189. Duizeligheid 125,141,176,182, 190, 205, 213,230,286.317, 818, 821. Duizendblad 70, 75, 76, 108, 122, 158, 185, 189,192, 229, 285. Duizendguldenkruid 115, 185, 810. Duizeligheid (bij een grijsaard) 190. Dysenterie 114. E. Eetlust 107,110,125,181,164. Egelantierstruik 131. Eikenschors 116. Eiwit 172, 173. |
ALPHABETISCH REGISTER.
XI
|
Eksteroogen (de gevolgen van) 40, 73, 170. Emphyseem 223, 225. Endeldarm 116, 148. Engelwortel 116. Engelsche ziekte 113. Enkel (uitwas aan den) 153. Epilepsie 294. Equisetum arvense 132. Erythraea centaurium 115. Etgroen 306. Euphrasia officinalis 129. Extract 104. P. Fistels aan den endeldarm 45, 115. Fijt 323. Flauwte 118. Foeniculum officinale 135. Foenum graecum 108,117,127. 153, 173, 189,208,225,281', 312, 313. Fontanellen 289. Fragaria vesca 106. Cr. Gal 108, 135, 192. Ganzerik 117. Gassen 43, 90, 93, 108, 111, 115, 122, 125, 135,136,137, 176, 180, 219, 226, 228, 233. Gebrekkigen 39. Geelzucht 108, 109, 192. Geheime middelen 101. Gehoor 111. Gemoedslijden 125, 193. Geneesmiddelen 106. Genezing 11. Gentiaan (gele) 118. Gentiaanpoeder 118. Gentiaantinctuur 118. Gentiana lutea 118. |
Gerst 119. Gezonden 93, 144. Gezondheidssoep 143, 144. Gewrichtsrheumatisme 134. Gezwellen 40, 45, 92,96,111. 115, 117, 137, 256, 315. Gordeluitslag 45. Gorgeldrank 110,117.120,136. 140. Graveel en steen 45. 58, 93. 107, 122, 131,133, 194, 293. H. Haarworm 286. Haemorroides 148. Halfbaden 41. Hals 116. Hals (dikke) 71, 116. Halsomslag 87, 137. Handbad 62. Handen (koude) 30. Handen (springende) 111. Handomslag 75. Hardingsmiddelen 22. Hars 119. Harskorrels 119. Harspillen 119. Hart 196. Hartklopping 130, 163, 197, 198, 200, 319. Hartkwaal 94, 131, 196. Hartvervetting 96, 213. Hartziekte 94. Haver 119. Haverkorrels 119. Haverstroo 34, 75, 92,153,155. 194, 211, 216. ' Haverstroo-aftreksel 75.92,93. 153, 159, 166, 235, 239, 253. 261, 290, 293, 312. Haverstroobad 58, 175, 194. 212, 244, 255, 287, 310. Haverstroo-omslagen 40. Haverstroo-voetbad 39. |
ALPHABETISCH REGISTER.
XII
|
Haverstroo-zitbad 45. Haverthee 119, 194. Heemstwortel (Althaea) 110. Heeschheid 178, 200. Heksenkruid 121. Hemd (nat) 94. Hersenen (ontsteking der) 201. Heupjicht 202. Hitte (groote) 75. 87, 89, 90, 93, 99, 111, 121, 136, 201, 220, 248. Hoefblad (klein) 121, 313. Hoefbladpoeder 121. Hoefbladthee 121. Hoesten 121,128,136,179,225. Honig 108, 109, 119.138, 141, 225, 316. Honigmee 120. Honig-oogwater 120, 243. Honig-wijn 120, 144. Honigzalf 120. Hoofd (opgezet) 71, 137. Hoofd (ontsteking) 89. Hoofd (verzorging van het) 64. Hoofd (zwaarte in het) 141. Hoofdbad. 62. Hoofddampbad 68. Hoofdhuid (kleine zweren) 87. Hoofdomslag 86. Hoofdpijn 27, 30,39, 71, 78, 87, 88, 94, 121, 125, 130, 135. 136. 164, 176. 181, 199, 200, 203, 204, 205, 212, 217, 228, 233, 236, 241, 246, 262, 263, 317, 319, 320, 321. Hoogbejaarden 57, 93,120,144. Hooi (zuur) 92, 194. Hooibad 211, 212. Hooizaad 39, 70, 75,160,165, 169, 170, 173,191,208,210, 213, 217, 230, 231,232, 233, 241, 255, 305, 306,311,312, 313, 324, 325. Hooizaad-aftreksel 75,153,253, 257, 258, 326. |
Hooizaad-bad 58. Hooizaad-voetbad 39. Hooizaad-zitbad 45. Hop 102. Houtskool 123. Hui 220. Huid (reiniging van de) 85, 95. Huid vorming 124. Huidziekten 95. Huisapotheek 101, 145. Hypericum perforatum 121. Hypochondrie 34, 42, 206. Hysterie 42, 141. I. Inenten (kwade gevolgen van het) 207. Ingewanden (pijn in de) 187. Ingewandswormen 149. Inleiding lsto deel 6. Indeeling 2^ deel 101. Inleiding 3,1e deel 147. Insect (steek van een) 75. J. St. Janskruid 108, 121, 128, 185, 285. St. Jansbessenstruik 293. Jeneverbessen 122, 127, 161, 163, 181, 185,187,205,230, 233, 234. 235, 285. 292, 293. 315, 316, 320, 321. Jeneverbessenkuur 122. Jicht 40, 41, 45, 58, 92, 93, 123, 134, 209. Jichtknobbels 123, 209, 212. Juniperus communis 122. K. Kamers (berookte) 164. Kamfer 123. Kamferolie 94, 123, 175, 176. |
ALPHABETISCH REGISTER.
XIII
|
Kamferspiritus 123. Kamillen 123, 218. Kamillenkussentjes 123. Kamlllenthee 123. Kanker 110, 213, 228, 292. Keelaandoening 129. Keelontsteking 88, 214, 237. Keelpijn 94. Keelziekte 27,39,117,140,215. Keelklieren, 71, 116. Kin (uitwas aan de) 153. Kinderen 113, 124, 141, 142, 144, 267, 316. Kinkhoest 136. Kleeding 14, 164, 203. Klieren 116, 240. Knie (uitwas aan de) 153. Kniebegieting 30, 76. Kniegezwel 216, 256. Knieomslag 90. Knobbels aan de voeten 40. Koliek 135, 137, 180, 217. Komijn 136. Koolwater 232. Koolstof 123, 193. Koolzaadolie 133. Koorts 33, 85, 117, 121, 217, 220, 222, 263. Koortsklaver 113. Koppen 36. Koren 141. Korenzak 92, 93, 166. Korte omslag 93. Kraakbeenvorming 40, 123. Krachtsoep 143, 169, 278. Krampaanvallen 181. Krampachtige verschijnselen 45. Krampaderen 41. Krampen 34, 39,45, 75, 92, 93, 94, 118, 123, 135, 141,164, 177, 180, 181, 218. Krampen (handen) 75. Krampen (maag) 164, 219,227. Krampen (voeten) 75. |
Krampkruid 117. Kropgezwel 116. Krijtmeel 112, 124, 164, 171, 240. Kruiden 144. Kruidnagelolie 125. Kruis (pijn in 't) 164, 166. Kuchen 109, 179. Kuchhoest 179. Kummel 217, 284. Kwetsuren 40, 123. L. Lavementen 115, 149. Lavendelolie 125, 234. Laxeerdranken 302. Laxeeren 125, 134. Laxeermiddel I. 125. Laxeermiddel II. 127. Leepoogen 71. Lever 93, 107, 109, 115, 121. 122, 132, 135, 192. Levertraan 128. Leverziekten 107,109,122,124. Licht 163. Lijfgordels 42. Lijnolie 72, 173. Lijnzaad 128. Lindebloesem 70, 128. Lindebloesemthee 128. Lindenhout 123. Lintworm 316. Litteekens 109. Longen 115, 117, 121, 128. Longkruid 140. Longziekte 90, 94. Longziekte (Bronchitis) 219. Longziekte (emphyseem) 223. 225. Longziekte (ontsteking) 110, 220. Lucht 163, 164, 245. Luchtpijp 89, 110, 117, 128. Lucht verversching 15.164,245, 247. |
ALPHAEETISCH REGISTER.
XIV
|
M. Maag 113, 116, 117, 122. 130, 138, 135. Maag (krampen) 118, 164. Maag (gassen) 115, i37. Maag (middel voor de) 108,109, 115, 135, 138. Maag (drukking op de) 121, 135, 262. Maagbitter 130. Maagdrank 134. Maagelixer 118. Maagkwalen 181, 143. Maagkwalen (uit winderigheid ontstaan) 43, 94. Maagsap 114, 115, 130, 185. Maagslijm 131, 134. Maagtroost 130. Maagziekte 34, 226. Maagziekte (zuur) 231, 228. Maagziekte (zweren) 120.167, 231. Maagziekte (catarrhe) 232. Machteloosheid 164. Maleflzöl 822. Maluwe 129. Malzkoffle 218. Mantel (Spaansche) 95. Maretakken 129. Massage 60. Matricaria chamomilla 128. Meelspijzen 164. Melancholie 322. Melk 143, 164, 165, 169, 171, 180, 181, 201,217.231,247, 262, 264, 278. Melksoep 143, 282. Mentha piperita et aquatica 130. Menyanthes trifoliata 118. Middelrifontsteking 221. Migraine 283. Migrainestift 234. Milt 135. |
Mineraalbad 59, 60. Misselijkheid 118, 125, 130. Mistelboompje 129. Mistelthee 129, 182. Moeders 25, 118, 129,181,141, 176. Moeheid 89, 90. Mondspoeling 110. Morgenwandeling 88. Mout 41. Muntkruid 70, 130, 810. Muntkruidpoeder 130. Muntkruidthee 180, 289. N. Nagels (ingroeiing) 40, 110. Nagels (inzwering) 40, 78,110. Nagelwortels (uitrukkenv.)78. Neusbloeden 183, 167, 168. Nieren 45, 93, 115, 127, 128, 131, 182, 135, 139, 194. Nierenpystor 204. Nierziekte 58, 92,122,131.234. O. Oliën 108, 106. Omslagdoek 88. Omslagen 86. Onderlijf (krampen) 73. Onderlijfskwalen 42, 44.45.91, 93, 115, 118, 128', 139. Onderlijfsontsteking 90. Onderlijfszwakte 42, 94. Onderomslag 91. Ongemakken (dikke darm) 45. Ongemakken (door knellende schoenen) 40. Ontsmetten 122. Ontsteking(vergiftig insect)75. Ontstekingen 107, 110, 135, 142, 201, 236. Ontwikkelingstij d 168, 169. Onze - lieve - vrouwe - bedstroo 107. |
ALPHABETISCH REGISTER.
XV
|
Oog (ontsteking) 71. Oogbad 64. Oogen 75. Oogen (gezonde) 64. Oogen (zwakke) 64. Oogentroost 129. Oogleden (gezwellen a. d.) 64. Ooglijders 108, 129, 136, 239. Oogwater 108, 136, 240, 243. Oogziekte (catarrhe) 238. Oogziekte (staar) 242. Oor (suizing i. h.) 71,111, 243. Oorziekte (doofheid) 244, 284. Oordampbad 129. Ooren 75. Oorkwalen 111. Oorscheuren 111. Oorvetver harding 111. Oorzaak van ziekte 11. Ophooping (bloed) 67, 73,305. Ophooping (winden) 34. Orde 104. Overbeen 270. P. Pekelnat 173, 311. Pekpleister 175. Peperkorrels 181, 192. Pepermuntkruid 130. Pimpinella anisnra 111. Plantago lanceolata 139. Pleuris 90. Pluksel 103. Podagra 40, 137, 210. Poeder (grijs) 112, 313. Poeder (wit) 112, 205, 287, 290, 321. Poeder (zwart) 112. Poeders 106. Poetsmiddel 133. Poriën 85, 94, 96. Pokken 85, 245. Potentilla anserina 117. |
Primula officinalis 134. Provenceolie 133. Prunus spinosa 134. Pulmonaria officinalis 140. Purgeermiddel 134. R. Reconvalescenten 41, 67,107. 112, 113, 119, 124,141, 283. Reizigers 108, 118. Reuk (uit den mond) 107,130. Rheumatiek 41, 115, 123, 248, 254. Rheumat. aandoeningen 92. Rheumathiek in de gewrichten 249. Roggebroodmeel 144. Roodvonk 262. Roof (op het hoofd) 63. 87. Room (zure) 172. Roos 258. Rosa canina 131. Rosmarinus officinalis 131. Rosmarijn 181, 293, 314, 315. Rosmarijnthee 131. Rozebottels 131,194, 205, 230, 293. Rug (pijn in den) 123. Ruggegraat 33, 260. Ruggegraat (verkromming) 261. Ruggemerg 33, 260. Ruiting 153, 220, 221. Rundervet i44. Ruta graveolens 140. S. Salie 70, 132, 159, 192, 219, 229, 310, 320, 321. Saliepoeder 132. Saliethee 132, 166, 170, 185, 192, 229, 232, 285, 289. Salvia officinalis 132. Sambucus ebulus 139. |
ALPHABETISCH REGISTER.
XVt
|
Ãambucus nigra 137. Sandelrood 129, 132. Sappen (bedorven) 122, 125, 137, 140. Sausen 131. Schaafstroo 75, 128, 129, 132, 155, 161, 163, 167, 171, 188, 194, 205, 230, 232, 233, 235, 291, 292, 293, 316, 325. Schaafstroozitbad 45. Scharlakenkoorts 262. Schuiers 60. Schurft 264. Scrupulanten 206. Saliebladeren 102. Slagader 167. Slaolie 111, 133,172,189,220, 221. Slapeloosheid 39, 44, 84, 266, 818. Sleedoornbloesem 134, 301. Sleutelbloem 134. Slikken (moeilijk) 88. Slijm 89, 115, 117, 120. 127, 128, 136, 140. Slijmkoorts 71, 85, 268. Slijmophooping 76, 89, 94,110. 132. Smaak (afschuwelijke) 165. Snoepgoed 102. Sokken (natte) 88, 89, 90, 221. Speeksel (onwelriekend) 108. Spelt 144. Speltbroodpoeder 144. Spijsvertering 43, 107, 110, 113, 114, 122, 125,130,135, 143, 164, 185. Spijsverteringsorganen 124. Spiritus 85, 105,112,118,135, 141. Spit in den rug 33, 268. Steen 45, 107, 131, 133, 163, 269. Stem (verlies van de) 269. Sterke drank 207. |
Stilletje (dampbad op het) 74. Stoelgang 43, 45, 99,108,127, 182, 229, 234. Stoffen (kwade) 122,125,127. Stof (op het hoofd) 63. Suikerij (wilde) 134. Suikerijthee 134. Suikerwerk 102. T. Tanden 132. Tandpijn 29. Tandvleesch 110. Teen 153. Tegel 70, 72. Tering 124, 136, 167, 276. Thee 105. Tilia grandifolia et parvifolia 128. Tincturen 103, 104. Trigonella foenum graecum 117. Tussilago farfara 121. Typhus 85, 161, 281. Typhus en zijne gevolgen 284. U. Ui 816. Uitslag 87, 107, 137, 196, 208. 246, 262, 286, 294. Uitslag (op het hoofd) 63. Uitwassen 153. Urine 127, 188, 161,162,192. Urineeren (moeilijk) 45, 75, 93, 128, 282, 290. Urtica dioica 115. V. Vaccinium myrtillus 114. Valeriaan (gewone) 135. Valeriaan wortel 135. Valeriana officinalis 135. Valkruid 111. |
23
ALPHABETISCH REGISTER.
xvn
|
Vallende ziekten 294. Varkensreuzel 94. Vatenstelsel 113. Vel (vorming van nieuw) 109. Venkel 70, 75, 108, 111, 127, 135, 178, 180, 192, 217, 220, 234. Venkeldampbaden 136. Venkelolie 111, 136. Venkelpoeder 136. Verbascum Schaderi Meijer 140 Verhardingen (voeten) 40, 256. Verhemelte (puistjes aan het) 109. Verhitting 34. Verkoudheid 71, 120, 123,178. Verlammingen 159. Vermagering 135, 200. Vermoeienis 90. V erstands verbij storing 89,295. Verstoppingen 182, 183, 202, 299. Verstoring bloedsomloop 39. Verstuikte ledematen 123. Verval van krachten 112, 135, 200, 303. Verweektheid 42. Verzwakking 41,112,113,121, 130, 303. Verzweringen 45, 121, 133. Viola odorata 136. Viooltjes 136. Viooltjeskuur 127. Viscum album 129. Vitusdans St. 95, 306. Vleesch (eten van te veel) 207. Vleesch (rottend) 109, 140. Vleesch (wild) 117, 140. Vlier 70, 108, 213. Vlier (wilde) 139, 293, 314, 315. Vlier (zwarte) 137. Vlierbessen 138. Vlierbessenconfituur 138. Vlierbessenkuur 138. Vlierbessenmoes 138. |
Vlierbloesem 187, 138, 301. Vlierbloesemkoekjes 187. Vlierthee 128, 313. Vlierwortels 127. Vlierwortelthee 138, 315. Vloeistof (etterige in het oog) 64. Voeding 14, 141,144, 209, 267. Voedsel (ongezond) 116. Voetbaden 38. Voetdampbad 71. Voeten (gezwollen) 73. Voeten (open) 40, 117, 306. Voeten (koude) 27, 42, 73,90. Vöetgezwellcn 92. Voetjicht 40. Voetkwalen 78. Voetomslag 89. Voetzweet 73. Volbaden 45. Voorjaarskuur 137. Voorjaarsziekten 187. Voorrede (schrijver) 8. Voorrede (vertaler) T Vossenvet 175, 176. W. Watermuntkruid 180. Waterzucht 224, 263, 318. Weegbree 189, 220, 226, 232. Weegbreebladerentheel40,286 Weegbree-extract 140. Weit 141, 142. Wijn (van rosmarijn) 181. 815. Wijnruit 130, 135, 140. Wijnruitolie 141. Wijnruitthee 141. Wolkruid 129, 140, 189. Wolkruidbloesem 140. Wolverlei 111. Wonde 306. Worm (in den vinger) 323. Wormen 316. Wormkruid 316. |
ALPHABETISCH REGISTER.
XVIII
|
IJ. IJs blaas 35. IJscompressen 34. Z. Zanger 120. Zeep 265, 266. Zemelen 141. Zemelendrank 141. Zemelenmeel 142. Zemelig brood 141, 142, 150. Zenuwachtigen 39. Zenuwachtigheid 44. Zenuwen 94. Zenuwen (zwakke) 92. Zenuwhoofdpijn 317. Zenuwziekte 199, 318. Zenuwzwakte 320. Zieken 144. Ziekte 11. Zielsziekten 95. Zilverschoon 117. Zindelijkheid 104, 172, 173. Zitbaden 43. |
Zittend leven 138. Zoden (in de maag) 115. Zoethout 102. Zoetigheid 247. Zout 95, 159, 164, 165, 168, 192, 193, 205,219,228,230, 231, 234, 240,241,243,256, 262, 263, 299, 314. Zuurkool 142, 173. Zuurkoolwater 232. Zwaarlij vigen 81. Zwaarmoedigheid 42, 89, 206, 312 322 Zwakken 39,93, 107,124,141, 144, 164, 230. Zweetdrank 128. Zweeten 128, 211, 229, 325. Zweetkasten 65. Zweetvoeten 40, 73, 90, 229, 326. Zwemmen 46. Zweren 109,117,124,165,173, 221, 231, 282, 322. Zweren op de hoofdhuid 63. Zwerende vingers 322. |
Normaal Linnen Oniierldeeding,
Systeem Pastoor KNEIPP.
VAN DE
Mechanische Leinenspinnerei.
Voor \EI)ERLAVD uitsluitend verkrijgbaar hij
A. SCHRODER amp; C0.
's-GRAVENHAGE, 5 Groenmarkt. ROTTERDAM, II Westnieuwland.
Heerenhemd
â Naolithemd â Onderbroek â Borstrok â Toeristenhemd Dameshemd
, Nachthemd Pantalon Onderomslag Korte omslag Omslagdoek Spaansche Mantel Bedlaken Handdoeken
Keper
Æ3.25, /-S.SS, Æ3.45 . 3.30, , 3.40, . 3.50 â 2.50, , 2.60, . 2.70 . . . . , 2.15, . 2.30 , 3.65, . 3.75, . 3.85 . 2.60, . 2.70, . 2.80 . . . . , 3.95, , 4.10
.....2.10, . 2.20
130X225 cM. , . . . , 2.85 84X250 , . . . . , 2.-130X130 â .... â1.70 180 cM. lang , . . . , 4.60
166X250 cM.....,3.30
per Dozijn . . . . , 6.60
gbaar*
Het linnen vlecht weefsel is ook per Meter verkrij tegen tie volgenrle ï )ri.i xei i;
Kwaliteit O 84 cM. breed a Æ 0.75 per Meter. â 130 , , , , 1.15 , â 160 â , , , 1.45 .
Keper O 84 , , â , 0.75 , ,
-A.. ós Co.
's-GRAVENHAGB. Pastoor SEB. KNEIPP's
Linnen Tpicotgoederen
VOOR
HEEREN EN DAMES
VAN DE
AUGSBURGER
Mocliaiiischc Tricotwareiifabriek v«orh. A. KOBLENZER.
3?ferseeâAugsbu.rg'.
GROENMARKT 5.
KNEIPP'SCEE WATERINRICHTIM
te KLEEF
VAN
Dr. BERGMANN, Arts,
vroeger le Baddokter te Wörishofen bjj den Zeer Eerwaarden Heer pastoor KNEIPP.
De behandeling geschiedt uitsluitend volgens de methode van Kneipp; voor badmeesters zijn personen aangenomen, die te Wörishofen met de begieting waren belast, zoodat men de meest mogelijke waarborgen heeft, dat do begietingen nauwkeurig worden uitgevoerd.
De inrichting staat in verbinding met het hotel âPrinzen-hofquot;, waar men goede kamers, groote zalen en een schoon aangelegd park vindt. Voeding volgens de kuur en gelegenheid om ongehinderd barrevoets te loopen.
Verder vindt men in en buiten Kleef nog andere hotels en pensions, waar eveneens gelegenheid bestaat als Kurgast te verblijven.
Do stad Kleef met hare schoone romantische ligging, bosch-rijke omgeving en heerlijke gezonde lucht is al sedert jaren een aangename en gezochte badplaats geweest; door hare landelijke en kalme omgeving is zij bijzonder geschikt voor zenuwlijders en voor hen, die behoefte hebben aan rust.
Do inrichting is het geheele jaar geopend.
PROSPECTUSSEN en nadere INFORMATIÃN
worden gratis verstrekt door Dr. BERGMANN, die den Isten Maart 1892 zijn waterinrichting opent
Dr. med. J. LUSTIG,
Prakt. Arts.
KNEIPP'SCHE KUREN.
WIESBADEN, Taunusstraat 4.
Ondergeteekende verklaart, dat Dr. JOSEPH LUSTIG, prakt. Arts, mijne watergeneesmethode grondig bij mij heeft bestudeerd en mij persoonlyik do bewijzen heeft gegeven er volkomen mee bekend te zijn, zoodat ik hem aan alle lijdenden met het volste vertrouwen kan aanbevelen.
Wöbishofen, den 18llon September 1890.
Apotheker te Leiden
ex
J. B. M. COEBIKGH.
Apotheker te Schiedam,
hebben steeds voorhanden, in Prima qualiteit, allo
Kruiden, Tincturen, Oliën, Malzkoffie, KRACHTSOEPPOBDER, enz. enz.,
vermeld en aanbevolen in Pastoor SEB. KNEIPP'S âMijne Waterkuurquot;.
fejrf*' ^ 1- , âi*-!
cL^'^r
BADEN-BADEN.
âJe recommande mon élève, M. HIRSCHPELD, doctëur-médecin ;i Baden-Baden, comme un excellent practicien de ma méthode.quot;
Wörishofen. gt;Seb. KNEIPP.
Les soins sont donnés ou dans un établissement dirigé par des Soeurs de Charité, ou dans une villa splend idem ent située.
Les applications d'eau froide seront faites par le médecin lui-même, ou sous sa surveillance.
Prix de la 'pension complete dep n is 8 f rancs par jour.
N.B. On est prié d'écrire, autant que possible, huit jours d'avance.
KAISER FRIEDRICH-BAD.
Belxandeling' volg-ens de metliode K N E 11? ]P.
Dr. med. HUGO MEIJER,
IPraltt. A-rts.
Vroeger werkzaam onder Pastoor KNEIPP. Rosenthal 22. BON N. Rosenthal 22.
Spreekuren in BONN: allo werkdagen van 8â11 uur.
â â KEULEN: Hohonstanfenring 13, tusschen de Zülpicher- en Barbarossaplatz (Südbahnhof) Zondags van 9Va â1 uur. Op de werkdagen van 21/2â6 uur.