■'f
'i fc • f ■
yvi
ETRISCH VERTAALD
DOOR
'éÈwiM •■
ylï-ï; I
^' ■ ,;
■/■■• - .. I ■
# -
l::|iii WnF
r r' gt; '!
HAARLEM.
Dnik en Uitgave van W. KLIPPERS. 1893.
r
n
jV\.ETRISCH VERTAALD
i
DOOR
Minderbroederklooster
Haagweg LEIDEN
HAARLEM.
Druk en Uitgave van W. KÜPPERS. 1893.
7 ' : •
'K w
t
• ■
I. IT.
III.
IV.
..........................................................................................................................................................................................V.
Alle rechten voorbehouden. ^
VIL VIII. IX.
!: gt; XI-
XII.
XIII.
XIV. Aante
j
**_
i
I. Bij den Rootle............j
II. Ei wind en Eandi.........
III. Bedolven en Bcgriivcii.......
IV. Op Eunednl..................2,,
V. Goliath ... , -............... i
VI. Zigeuners........
IX. Over de Bergen..............- ,
X. O}) Byglandshof....................(i-
XI. Naar Hitterdal........
XII. Op eigen grond....................s-
XIII. Magnus..................,! I
XIV. Vrede............ ' . 101
Aanteekeningen......................| ^ -
fffieg, Mag: jLA De ma Schier in Ik En zaten, z Met veel gi Henr halfv( Voor 't vol Daar, in (1( Nabij de p In 't zacht In eik en Van jonge Mijn waaiv Toen wij Wij noenn
1. BT.T DEN ROODE.
y$peni Magnus, weet ge t nog, dien dag — 't was winter;
-^4 De maagre nymfen van de Spree bevroren
Schier in henr vaalgrauw scheemrend ijspaleis,
En zaten, zooals arme juffers plegen,
Met veel gepraats en menig diepen zucht
Heur halfverschoten zoraer-staatsiekleêren
Voor t volgend jaargetij nieuw op te knappen;
Daar, in den winderigen dierentuin
Nabij de poort, de boschnymf, warm gedoken
Ju t zachte sneeuwdons, door den wind gewiegd,
In eik en pijnboom sliep, en droomde, droomde
Van jonge, blonde lente en hare liefde —
Mijn waarde Magnus, weet ge 't nog, dien dag-
Toen wij bij onzen vriend ten eten waren V
Wij noemden onder ons hem nog den Roode,
1
richoon quot;t liclitenrl goud, dat eens zijn hoofd omglansde.
Reecis lang tot bleek .vit zilver was gedaald;
ïe rijker was zijn schandre kop geworden
Aan fijnen geest en heldere gedachten.
Was de oude heer een wandlenil woordenboek,
Een schalk als Ileinaerfc, zonder list en sluwheid.
Weekhartig als een kind, en bovendien
Geen al te grimmig rechter in den krijgsraad;
De vrouw des huizes was steeds deftig, hoog ,
Vol waardigheid. Voor dezen dag verscheen
Ze in zware zij van diep-bourgognerood;
In deze kleeding was ze telkenmale
Meer dan gewoonlijk feestelijk en hoog.
üie goede twee, ach, lang reeds rusten zij,
Door u en mij beweend, in 't markisch zand Ver van het Weserwoud, hun schoon bij-ons. — De dischgenooten V Vier Geheime Kaden Met vrouw en dochters, een chemie-professor, Een smalle, mooie vaandrig, een majoor En gij en ik. —- t Was drukkend in de zaal; Wij zaten stijf en spraken halverstem:
Dat deed de diep-bourgogneroode zijde.
Slechts de chemist, die erg hardhoorig was.
3
Riep zijner buurvrouw, de bleekblonde Dora,
Het zachte vorkeuramm'leu overstemmend,
De voedingskracht van kalfsvleesch, kaas en kool
Tot in en met den vijfden decimaal
Zoo luid en overtuigend toe, dat wij
Verschrokken, en de hooggestrenge dame
Niet zeer lieftallig naar den grijskop keek.
Maar toen zij heimlijk den bediende iets zei —
Een braven, goeden jongen van het land,
Uit de kazerne hem ten dienst gesteld —■
En deze, uit misverstand, in plaats van 't zoete,
Dat was besteld, de keukenlamp haar bracht —
Magnus, gij weet, liet was de keukenlamp.
De lamp was 't uit de keuken, niet liet zoet! —
En de gestrenge, plotsling donkerrood,
Rood als de diep-bourgogneroode zijde,
Den armen zondaar verontwaardigd aanzag,
De wenkbrauw fronste, en riep: «Maar, Frederik!»
Toen sprong het tooverkoord, dat ons nog boeide.
En braken wij in schaatrend lachen uit;
En Frederik lachte in zijn eenvoud mêe;
En zij, de deftge vrouw, ook lachte luid;
Maar 't hardste toch lachte onze vriend, de Roode.
Nu waren, dank den wijn, de tongen los;
4
De woorden glipten vrijer van de lippen.
En toen, terwijl 't gesprek van dit en dat,
Van dozen en van genen, enzoovoorts,
Als vlugge ballen, die men werpt en opvangt.
Van mond tot mond vloog, toen verteldet gij
Al weenend, etend, drinkend, weenend.
Mij uit uw vaderland in 't hooge Noorden
Plet droeve lotsverliaal van Goliath.
Ik hoorde en zweeg, en meende, toen gij spraakt.
Den warmen zomergeur van Noorvveeys dennen
~ O
Met de ijslucht zijner gletsehers te gevoelen. Uw kort verhaal ontroerde mij zoo diep,
Dat ik het langen tijd in 't harte droeg Gelijk een kleinood achter veilig slot.
Herhaal ik nu, wat gij mij hebt verhaald, Het blijft altoos wat gij mij hebt verhaald En zelf doorleefd. — 't Reusachtige der landstreek, Met rots en woud en meer en waterval,
De stille mensahen, ernstig, eerlijk, trouw,
Gelijk aan 't hard graniet van hunne bergen: Gij maaldet me alles af in scherpe trekken Zooals uw kunstnaarshand in rijke kleuren
5
Des Scheppers wondien, rots en wond en zee. Stillevens ook ons toovert op het doek.
Eenieder in zijn vnk! En zoo begint Het droeve lotsverhaal van Goliath.
II. EIWIND EN RANDI.
iep in een kloof van 't Noorweegsch hooggebergte Jt/- Woonde eenzaam, van de wereld verre, een man; Zijn naam was Eiwind; Randi was zijn vrouw,
En Olaf 't eenig kind, een blonde jongen.
Van genen kant des bergs was bij gekomen.
Eerst ganseh alleen, een pakjen aan de hiind En de aks in d'arm. Hooo van gestalte en dor.
Maar breed van vuist, met schouders van graniet, En duistren blik, stil en schier menschenschuw Was hij. Zijn trouwe knechtschap bood hij Knoed, Den rijken boer, aan, die, meer dalwaarts in.
Waar zich de grond tot weide en akker effent, Een [groote, jrijkbebouwde -hoeverbad.
Tevreden knikkend mat de kloeke boer
I
Met kennersoog den forselien stal en leden
Des jongen, stoeren mans; en nam hem aan.
In eene zij-kloof, lioogcr-op, gaf hij
De plaats en 't hout hem voor een woning, en
Meteen een mager stukje grouds tot tuin.
In vrijen tijd, vóór 't ochtendwerk en 's avonds
Na d'arbeid was nu Eiwind ijvrig bezig
Aan zijne hut, diep in de spleet der rots,
Beveiligd tegen Noord- en Oostenwind
Door 't overhangend steengevaarte, — een nest
Zoo vrij en hecht gebouwd als dat des valks.
Die door de lucht streek en niet schrillen schreeuw
Den stillen kluiz'naar als zijn buurman groette.
En toen de lentelucht door 't berkenloof En 't groen der gaarde trilde, toen trok Eiwind In zondagskleeding bergwaarts, en zei lachend Tot Kuoed, die vroeg waarheen: «Ik kom terug.» Hij ging, en kwam terug, maar vergezeld van Een blank, slank meisje, zijne jonge vrouw.
Zij was een zonnestraal in quot;t sombre hutje;
Bij 't huislijk werk, en waar zij ging of stond Zong ze als een lijster, slechts uit zucht tot zingen. De aloude liedren van het zangrig Noorden.
8
Aanvaiiklijk slechts voor zich, maar kwam cle knaap,
Dan voor hem meê. En toen hij grooter werd.
Vertelde zij hem de oude, wondre sagen
Van 't grijs weleer, toen nog de dieren spraken
En elf en dwerg verkeerden met den mensch;
En van de Zwarte Vrouw, een sombre heks,
De schrik des reizenden in 't woest gebergte;
En van den reus Rosmer, die diep in zee
Een huis bewoont van schelpen en koralen
En witgebleekte beenderen van zeelui;
Ook van boer Schloerk, die het vioolspel leerde
Van eene Witte-Vrouw voor één vet schaap,
En sinds dien tijd zoo woedend dag en nacht
De snaren streek, dat alles om hem heen
Als razend danste in een onheimlijk meer;
Ja alles, vrouw en kind, en ros en rund.
En hond en haan, en tafel, stoel en bank.
De spijker uit den wand, 't vuur van den haard.
En kruik en kan en emmer, en op 't laatst
De zwijustrog zelfs, hoe plomp en zwaar dan ook.
Hij vedelde maar door, en zag ze niet
De kleine geesten, die in vsilsche vreugde
Rondom hem waarden, nader drongen, plaagden.
Tot zijne hoeve leêg en de akker braak lag.
En Schloerk, lt;le speler zelf, toen zijn viool
Schril kiijschend barstte, in quot;t donkre meer zijn graf zocht...
De knaap stond als een beeld aan Randi's knie
9
En met starende oogen tot haar lt;)]gt;. Terwijl zij steeds de wakkre handen repte.
Vier jaren oud placlit hij reeds neer te knielen Naast haar voor de avond- en de morgenbede; Aandoenlijk was 't. als hij, de stompe handjes Aandachtig-vroom gevouwen, ieder woord Haar van de lippen keek, en moeite deed Om het in kinderklanken na te staamlen,
Terwijl de vader van terzijde in stilte Gods zegen afhad over vrouw en kind.
Want vroom was Ei wind, innig vroom; zijn werk Deed hij met weêrgalooze trouw en vlijt.
Hij zorgde voor het goed van zijnen hoer Als voor zich-zelf. Droefgeestig was hij niet; En toch, vaak' peinzend in zich-zelf gekeerd.
Scheen 't of een ramp hem dreigde boven 't hoofd; En dikwerf, als men onverwacht hem aansprak. Schrok hij als uit een droom, /no kwam 't gerucht. Dat hij, hetzij in dronkenschap of' woede,
In zijn geboorteplaats een daad gepleegd had — Men praat zooveel in lange zomerdagen.
En meer nog 's winters om den rossen haard ; Men gist en zint; — dat hij iets had gedaan.
10
Wat wel geen misdaad was, maar hem toch drukte, 't Mocht zijn. — Hij repte nooit van Randi's of Zijn eigen afkomst; vroeg men hem, dan zei Hij barsch: «Wij zijn toch goed genoeg voor u!» Beleefd was 't antwoord niet, zoo duidlijk echter, Dat ieder zich er mee betaald kon achten.
Klein was het hutje en karig ook het loon. Dat Eiwind met den dag op Runedal,
De hoeve van boer Knoed, in vlijt verdiende. Want Knoed was gierig; wat hij weggaf, was Het bukken nog niet waard om 't op te rapen. Als hij den armen knecht het zure loon Voor 't kale wambuis, ei of appel nog Beknibbelde, dan kneep bij zijne handen Nog vaster dan zijn dunne lippen saam. En Eiwind zag zoo heel nauw niet; bij iiiim Wat men hem gaf, en ging verstoord naar huis. Maar Randi was verstandig; zag ook zij De loonsvermindring met verdriet, zij zweeg Om niet den wrevel van haar man te voeden. Zij haalde 't mindere in; met spaarzaamheid Wist ze alles in beur woning te overleggen; Uit menig wilde plant trok zij haar voordeel.
11
En met liet tuintje zelfs, hoe schraal dan ook, Wist zij door noeste vlijt en kunst te woekeren. Zoo leefden beiden met hun ecnig kind.
Ver van de wereld; hadden armoe ja.
Maar geen gebrek, en waren stil tevreden.
111. BEDOLVEN EN BEGRAVEN.
7amp;M eer was de winter met zijn ijs en stormen, M, ,w;' Zijn nevelige dagen en zijn lange nachten, Doorschemerd van het noorderlicht, voorbij. De bleeke zon, die als verdrietig, slaaprig. Ternauwernood van 't sneeuwhed op den bergkam Een blik wierp in het eenzaam stille dal, Om aanstonds woêr in 't kille wolkendons Te zinken, en te slapen en te droomen.
Hief nu heur vurig aangezicht en steeg Ten hemel in steeds hooger, wijder boog, Het aadlaarsjong gelijk, dat eiken dag Der vleuglen kracht beproeft, en eiken dag Zich dieper baadt in 't blauwe meir der lucht. De sneeuw smolt op den grauwen Alpengletscher, 't Meer golfde, en schuimende door spleet en kloof
18
Met hort on stoot, van rots tot rots, viel dreunend De waterval; en zwellend bruiste de elf.
De lijster, uit het Zuiden weêrgekeerd,
Begroette boscli en boom; de pijnboom, 'ts winters Zoo blij in 't groen, zag donker — donkerder Naarmate 't groen der berken lichter scheen; En van de zee kwam lauwe Westenwind,
Die met de jonge bhiadren stoeide en koosde; De sleutelbloem stak 't blonde kopje omhoog En ademde, verwonderd maar nog schuchter, In 't oor der buurvrouw, de anemoon, die even Glimlachend om den rand der rotsspleet gluurde: «Tk hoor gezang! Zeg, is de lente in quot;t land?»
De lente was 't! — In 't tuintje vóór de hut Spitte Eiwind rusteloos de zware kluiten — Hij had vandaag geen werk op Runedal —; En Randi strooide middlerwijl het zaad Met vaard'ge hand op 't welbereide teelbed. De knaap zat aan do wilgenhaag en snood Zich fluitjes, ieder van een andreu toon. En floot; en telkens floot hom uit het woud Do spottende ekster na. — Dan sprong hij op. Wierp 't kinderspooltnig op don grond en zeide: «Ik beu nu acht jaar oud! Terwijl gjj werkt.
14
Mas ik niet luieren. Waarom zou 'k niet Met geit en lam den berg op kunnen klauteren? Het maïsolie gras springt uit in elke spleet,
En op de bergwei —» «Wat gij al niet durft!» Viel Randi in. «Gij spreekt al van de bergwei? Nochtans ga maar en baal it geit en lam;
Maar niet te ver van bier, en waag u niet Op sneeuw, die valscblijk soms een rotsspleet dekt Neem beide uw oogen meê, en wees voorziebtig; De beer is op; men zegt van bem, dat by Twaalf man te sterk is en zoo slim als elf:
Gij zijt een kind nog! — Meester Grauwbeen ook Heeft zicb onlangs vertoond in 't bovendal;.... Het beste is nog maar, dat gij bier blijft, denk ik En tocb... en tocb, neen Ola, gij moet gaan.» — Toen stak ze een snede brood bem in de tascb. En sprak: «God zij met u, mijn brave jongen!» De vader leunde op zijne spa, en zag Met langen, droeven blik den jongen aan;
Hij wist niet, waarom bij zoo treurig was. En sprak in 't eind: «Ola, God zegene u!»
De knaap trok zingend bergopwaarts, en dreef De aan zijne boede toevertrouwde kudde Door beidekruid en brem ter Alpenwei,
15
Waar 'tmalsche gras uit ieder spleetje sprong.
Bly scheen de zon, en bij de witte wolken
Hoog bovaii liet verweerde klipgebergte
Dreef wiegleud, krijs;liend naar zijn prooi, de gier
Die gistren pas van zijnen tocht naar 't Zuid
In 't noords die vaderland was weergekeerd.
En Olaf vlijde zich op 't gras, en droomde
Van al de sagen, die de berg omhult:
Van eene vrouw, die eens te niiddernaeht
Ten Kerstdienst ging. en ging, en dwaal le, en dwaalde
Bij het bedrieglijk schemerlicht dor maan
D )or woeste kloven, slechts den wolf bekend.
Tot ze eindlijk meende een vreemd geluid te hooren
En licht te zien. En naderkomend zag ze
Een open poort en hooge zuilengang
Vol menschen, hoofd aan hoofd, die op en neêr
Als neevlen door den wind bewogen, golfden;
Maar allen waren vaal en grauw als aseh,
Holoogig, zonder lippen, en gehuld
In lijkwa van den schedel tot de voeten.
Ontzet en huivrend schrok de vrouw terug:
Bekenden zag ze uit hoeven van de buurt,
— Bij limine lijkbaar had ze als kind gezongen —-
En bloedverwanten, lang begraven, die
Haar nokkend nu en eindloos droevig groetten.
Toen echter eene door den drom zich drong,
Met koude knekelarmen haar omvatte
16
En kermend kreunde: «O Signe, Signelil,
Mijn petekind, heip mij, kom liier. kom meê!»
Toen rees haar 't haar te berg en stokte 't bloei. —• Wat verder was geschied, dat zei ze nooit. Kerkgangers vonden haar in quot;t ochtenduur.
Halfdood, vóór de ingang eener kloof, in 't rotspuin. De handen stram, gevouwen als tot bidden.
Van dien day; af was heur «relaat loodkleurig
or? o
Als dat der dooden, die zij had gezien.
Zij lachte nooit, sprak nooit een vrooljjk woord meer.
En quot;t volgend jaar met Kerstmis was ze dood.
Dat was een akelig tooneel! De knaap
Streek zich door 't haar als om de huivringvvekkende
En sombere gedachten weg te vegen.
o o o
Hij staarde peinzend op en naar den gletscher.
Die, in het zonnelicht, met honderd kleuren Weerlichtte en gloeide — een renzige kristal.
O O
Een ander wondersprookje viel hem in.
Van 'tgulden slot. dat in de wolken staat;
Den groenen draak, die aan de slotpoort reeds
Vele eeuwen trouw de wacht houdt, maar no lit slaapt.
Zelfs nooit de wimpers luikt, zoodat liet mos
Hem lang en grijsgroen uit beide oogen groeide;
Van 't schoone, blonde koningskind, dat in
17
De toovevmacht der heks steeds weent, totdat Een knaap 't verlossen komt. En Olaf zag Den lichten gletscher aan voor 't wolkenslot, En voor den knaap, die 't kind onthekst, zich zelf.
Hoor, plotsling! wat een dreunen, bersten, breken! Het knarst en kraakt en davert, alsof honderd Lawinen dondrend, bruisend nederstortten.
En de afgrond woelend zich naar boven werkte; Een doffe slag dan, die, van berg tot berg Weerkaatst, nog lang weergalmt van kloof tot kloof. En .... stilte, doodsche stilte. Van ontzettinquot;■
' O
Sprong Olaf op, en vloog, door 't vee gevolgd. Den steilen berg af, naar zijn hut in 't dal.
Naar 't dal, zijn dal? Maar de elf verspert den weg Breed als een meer. Hij loopt het meer om. Hoe V Waarheen? Hij weet het niet. Is hij verdwaald? Waar straks de rots nog 'thutjen overwelfde,
Gaapt nu een breede, diepe kloof, omsteigerd Van steile reuzenmuren, woest en kaal. Die brokklend dreigen in elkaar te storten;
En in de diepte een baaierd, woest en wild,
2
18
Van rotssteen, blokken van graniet in stapels.
De pijlers, die van het begin der aarde
Den bergrens torsten, thans geknakt als riet;
En tnsschen alles heide, doornen en een woud
Van hooge, dichtbemoste pijnen, die
Hoog op de rotskruin eeuwen lang de stormen
Trotseerden, thans als nietig struikgewas
Verpletterd en bedolven onder 't puin
Met vaam en korstmos; een gevallen bergreus,
Een vreeselijke, wilde woestenij.
De knaap stond als versteend. Waar is zijn hut?
Zijn tuin? Zijn ouders? Droomt hij? Eene rilling Vaart hem door 'tlijf; onmachtig zinkt hij op De kniênen snikt: »Bedolven en begraven!» Dan springt hij op, en ijlt, zacht jammerend. De handen in vertwijfling boven 't hoofd.
Het dal in, naar de hoeve. Halverweegs Komt reeds de boer met knecht en meid hem tegen, En roept ontsteld: «Wat is 't? Waar is uw vader?» Doch Olaf' schreit: «Bedolven en begraven!»
En allen spoedden naar de plaats des onheils, En stonden stom. Knoed zelf werd marmerbleek.
19
«Barmhartig God! Wat raad? Hier is geen redding Bedolven en begraven! Arme Eiwiud!.. . . Kom, Olaf, kom en blijf bij mij.» Hij vatte Do hand des knaaps, en in den rossen baard Des stuggeu landmans viel een dikke traan.
IV. OP RUNEDAL.
^r oo keerden zij terug uaar Runedal,
jiA De groote hoeve van den rijken Knoed.
Kari, de vrouw des huizes, sprak geen woord; Meewarig zag ze 't bleeke kind aan, dat Daar barvoets stond en sidderde in zijn wambuis; Zij bracht hem in 't vertrek en gaf hem te eten; Hij at niet. Zwijgend zat hij daar en weende. Dan ging hij buiten, liep de schuur langs, naar Den heuvel, waar de groote beuk stond, vlijde Zich tegen d'ouden stam, en keek de zon na, Die langzaam zonk. Hij had zoo koud; hij kromde De koude handen om de koude knieën,
Trok kreunende de schouders saam, en at Het laatste brood, dat hem zijn moeder gaf. Wat was gebeurd? Had hij zoo zwaar gedroomd?
21
o Neen! 'twas volle, vreeselijke waarheid!—
Toen dreigde 't arme, kleine hart te breken,
En op zijn wangen gloeiden bittre tranen.
En lager zonk de zon, en lager ook
Het moede, kranke hoofd, totdat hij insliep.
De maan stond aan den donkerblauwen hemel
Toen Mettelil, de meid, hem vond en wekte.
Aan zijne voeten lagen geit en lam;
Zij waren hem gevolgd. Thuis sprak vrouw Kari
Hem vriendlijk toe, gaf hem zijn maal, en wees hem
Zijn legerstee. Hij vouwde vroom de handen,
Sprak zijn gebed en sliep den slaap der kindren.
Drie dagen later kwam de grijze priester Van Hitterdal naar 't schrikoord der verwoesting. Hij bad, en zegende de plek, die beiden Tot graf en grafzerk tevens was geworden;
Hij lei de hand op Olaf's hoofd, en sprak De kleine schare toe, die hem omringde:
«Die hier begraven zijn, gaf God een graf.
Zooals Hij Mozes, zijnen Knecht, een gaf In 't stille dal van 't land der Moabieten.
Ook hen wekt Hij eens op, wanneer Hij allen Ten jongsten oordeel wekken zal. — U, Knoed, Heeft Hij den wees thans toevertrouwd. Wij weten
22
Van de afkomst zijner ouders eu familie
Niets hoegenaamd. Zij kwamen in ons dal,
Vanwaar? weet niemand. Vlijtig, stil en eerzaam
Verkeerden ze onder ons. — De knaap nochtans
Komt aan uw deur als eene zwaluw, die
Uit verren vreemde om steun en schuilplaats smeekt:
Neen, hem wijst gij niet af, zoomin als gij
Den balk van uwe deel der zwaluw weigert.» —
«Hij blijft bij mij,» gaf Knoed geroerd tot antwoord,
«Zoolang hij eerlijk en rechtschapen blijft.»
En Olaf bleef op Runedal, en sloeg De handen flink aan 't werk, want hij was groot Voor zijne jaren, groot, en krachtig tevens.
Hoog had hij op met Margit, toen hij zich Wat beter thuis gevoelde, en maand op maand Zijn smart allengs verzachtte. — Margit was Het eenig kind des boers, vijf winters jonger Dan Olaf; met blauwe oogen als heur moeder. En ernstig stil als zij. Maar als de knaap Haar eeneu ruiker bracht van wilde bloemen. Of haar een scheepje, een huisje, zelfs een deerlijk Misvormde pop uit denuenschorse sneed, Dan schalde blij haar zilvren kinderlach.
23
De moeder had heur vreugde aan 't argloos spel, Maar Kuoed zag 't niet dan noode en wreevlig aan.
Teliuis liad Olaf reeds de kunst geleerd
— Want Randi kende ze ook — de zware kunst,
Gesclirevene en gedrukte schrift te lezen.
Maar Kari zei: «Wij moeten christlijk doen;
Ons zeiven en den jongen zijn wij 't schuldig,
Dat hij ter school ga.» Knoed gaf haar geen antwoord.
Dat was zijn doen; hij zeide ja noch neen,
Als hij zijn vrouw wel tegenspreken wilde,
Maar billijk haar niet tegenspreken kon.
Want zij was teergevoelig; één hard woord
Van Kuoed kon grievend haar door 't harte vlijmen.
Derhalve zweeg hij. als het hart deu mond
Verbood te spreken. Want hij hield van haar.
En zij was hem het dierbaarst naast zijn hoeve.
Gewillig schikte zij zich naar zijn wil.
Wanneer niet, zooals nu, 't geweten haar
Tot handlen dwong. En Olaf ging ter school
In 't dal, niet kort bij huis, maar ook niet ver,
In 't eerst ging hij alleen; doch na een jaar
Twee, drie, ging kleine Margit met hem mee.
Dan droeg hij haar de lei of 't boek; dat hoorde;
Ook soms haar zelf, wanneer de beek uit was
Oi ijs en sneeuw het gaan haar lastig maakten. Zij was zoo licht voor hem. En als zij dan,
Wanneer hij soms een sprong moest doen of uitgleed, Een lichten gil gaf, bang als meisjes zijn.
En hem de mollige armpjes om den hals sloeg. Terwijl heur weelderige gouden lokken De heete wang hem streelden glanzend koel.
En hij met zeekre hand haar vaster hield, — Dan was 't hem vaak als droeg hij zijn geluk. Dan was hij blij en wist niet eens waarom.
Ook van de koningsdochter in het gouden slot Hoog in de wolken droomde hij nog dikwijls;
En van den groenen draak, die eeuwen lang reeds De wacht houdt vóór de poort; eil van den knaap. Die 't waagstuk onderneemt. Dan was Margit Het blonde koningskind en hij de knaap.
Maar nauwlijks had de maagd haar redder blij Bewonderend gegroet, of 't beeld verdween.
Dan lag hij weer op de Alp en hoorde plotsling 't Gekraak, den doffen slag van berg tot berg. Die lang van kloof tot kloof weêrgulmde.
En sprong hij, gillend van ontzetting, op.
In stilte weenend zat hij soms in 't bed;
Dan dacht hij aan zijn vader, die steeds bezig
En altoos ernstig en droefgeestig was;
En aan zijn moeder, stralend steeds van blijheid;
Aan al de liedren en de wondersprookjes,
Die zij als paarlen aan elkander reeg,
Terwijl hij op de haardbank naar haar luisterde.
En zij het wambuis naaide voor haar Olaf'.
Hoe vaak ging hij, alleen, naar 't onheilsoord. En zette zich in 't woest-en-wild der rotsen Op eenen steen! «Stond hier de hooge berk niet? En daar het huis? o Neen! Waar stond liet toch? Lag hier do tuin niet? Neen! Waar lag hij toch? Verwilderd alles, woest dooreen; een warklomp Van doorn en netel, slangekop en klis Wies welig tusschen, op en over 't rotspuin.
De tijd der jeugd, zijn levensjeugd, zoo kort En toch zoo vol van ijslijkheden, zij Scheen dan hem zeiven toe als eene sage Uit ouden tijd. Aan zijne voeten zwaaide De distel t grauwe hoofd, daar de avondwind De najaarskoelte ruw door 't pijnloof joeg.
Dan dacht hij weêr aan 't warm vertrekje, waar Zijn moeder bij den haard hem 't wambuis naaide; — En droef toog hij ter hoeve — ach, niet naar huis.
26
Daar kwam hem Kan bij de schuurpoort tegen,
En sprak: «Welop, 01a! zie eens, ik heb
Uws vaders aks bij 't veldgerei gevonden.
Ik ken haar weder aan den breeden rug.
Aan hare zwaarte, en aan het diepe merk,
Den stempel L en G in 't harde staal.
Voor menigeen was ze al te zwaar; uw vader
Hanteerde haar alsof het speelgoed was;
Hij was een sterke man; dat wordt gij ook.» —
Met beide handen greep de knaap het werktuig;
Het was hem dierbaar; stijf hield hij 't omklemd;
Hij wiegde 't teeder, streek en wreef zorgvuldig
Schier streelend 't minste vlekje roest eraf.
Dan bleef hij peinzend op de letters staren:
Een naam! Wiens naam? Die van zijn vader niet.
Hij schreef zich Eiwind. Maar wiens zoon was Eiwind?
Wiens dochter, Randi? Ongelukkige Olaf,
Verlatener, rampzaalger thans dan ooit.
Een eenzaam zwervling in de wijde wereld!
Diep treurig ging hij naar zijn slaapvertrek
En hing zijn kleinood naast zijn legersponde;
'tWas de eenige nalatenschap der ouders.
V. GOLIATH.
jaren vlogen om; de schooltijd meê; SLJ/ Eu Olaf groeide sterk, werd hoog en zwaar, Zoo hoog en zwaar, dat hij met de achttien jaren Den grootsten man in 't kerspel over 't hoofd zag En voor den sterksten man niet onderdeed.
Eerst noemde men hem schertsend Goliath,
Maar toen hij mettendag nog won aan kracht, Noemde elke knecht en elke meid hem zoo In vollen ernst. Hij liet het zich gevallen.
Alsof die naam in werklijkheid zijn naam was; Want hij was zacht en schuchter als een meisje. Doch Kan, de boerin, sprak hem altoos Als Olaf aan, en Margit eveneens.
Had Knoed een goede luim, dan noemde ook hij Hem met zijn reuzennaam; doch kortweg Olaf,
28
Wanneer het weder hem niet naar den zin was; Als aan het vee iets scheelde; als bij den aankoop Van heide en bosch, van beemd en akker Of seter, waarop hij eenmaal gesteld was,
Iets haperde of niet vlotte naar zijn wensch.
Want al zijn zorg en streven had ten doel:
Met 't welgetelde en opgeborgen geld,
In 't dal en op den berg, naar alle zijden Het eigendom der hoeve te vergrooten.
Veel eters waren hem dus ongewenscht;
Doch naar zijn gading was de sterke knecht, Die vlug en spelend arbeid deed voor twee.
Als, 's winters, hij zijns vaders dierbare aks In wijde, flikkerende bogen zwaaide,
Zoodat de reuzenpijnboom dreunend trilde Tot in het merg, en krakend nederstortte; Wanneer zijn forsche hand met ploeg en kar En zeis en koevoet als met speeltuig omging; En als de wilde hengst, de schrik der hoeve, Waarvoor de boer zelf angst had en ontzag. Gehoorzaamde op een woord of wenk van hem, — Dan knikte Knoed hem welgevallig toe. Dat knikje was zijn gansche lof; want karig Was hij met zijne tong als met de beurs.
20
Inwendig lachte hij, nooit met den mond En nooit nit gulle vreugd; de stugge man Was wel ontzien, gevreesd, maar niet bemind.
Doch Olaf was tevreên en werkte graagt;jf;
o rs 7
En als hij 's zomersavonds, schrijlings op
Den wilden hengst gezeten, van het veld kwam,
En de oude, klagend zangerige wijzen,
Die hij van zijne moeder had geleerd,
Of soms oen danswijs, zooals Nils, de speelman,
Ze vedelde op de hoeven, en ook vaak
Het nieuwe bruiloftsliedje van Hardanger
Blies op een berkenblad, dat 't dalwaarts schalde, —
Dan stond Margit niet zelden aan de haas
n O
Te luisteren, of sloop naar 't boonenveld. Om ongemerkt en heimlijk hem te zien.
Want sinds den tijd, dat zij ter schole gingen En hij haar boek en lei, haar zelf ook droeg, — 't Herdenken deed haar goed — had menigmaal De zwaluw in de lente en in den herfst Haar welkoms- en haar afscheidsgroet gekwetterd. Zij was thans eene bloeiend schoone maagd, Bevallig slank, met volle frissche wangen,
En oogen als het bergmeer diep en blauw. Zjj redderde het huis naar eigen dunken
30
Maar met verstand, als trouwe leerling harer Verstand'ge moeder, die nu dagenlang In hare kamer bleef. Doch op een morgen. Toen men elkander op de hoef vertelde, Dat haar een broertje was geboren, toen — Toen jubelde zij 't uit en dankte God Voor die genade; want zij had zoo vaak Getreurd in stilte, dat zij zoo alleen was.
De flinke jongen, dien heur vader naar Zijn vader Erik noemde, was haar lust. Zij hield hem urenlang, en werd niet moe Van roemen op de kuiltjes in zijn wangen. Zijn oor zoo klein, zijn neusjen, en vooral Zijn groote, droomerige, donkere oogen.
Het was een lust te zien, zooals hij groeide. Doch als hij wakker in zijn wiegje lag En onverschillig naar de zoldring tuurde.
O O
Terwijl zij uit haar overvloed van liefde Hem koosde en vleide met de zoetste namen. Dan deed ze wel eens boos en riep verdrietig «o Moeder, hij is dom!» Doch moeder zweeg. De norsche boer, hoewel geen kindervriend.
31
Kwam dikwijls met den kleine spelen, wel Hardhandig, maar op zijn manier toch teeder; Was 't niet zijn erfgenaam? — Doch eenmaal liet Hij plotsling af, sprong op eu riep ontsteld: «Hij hoort niet!» En de moeder zuchtte zachtkens: «Ik weet het lang reeds; hij is doof on stom!»
Toen voer den ruwen man een krampig siddren Door 't lijf: hij wankelde, viel op een stoel.
Sloeg zich de grove handen voor 't gezicht. En stormde weg. — Doch zij, ach de arme moeder. De bleeke vrouw, zij weende, weende in stilte, En door heur vingren persten zich heur tranen En drupten op het ongelukkig kind.
Dat rustig op haar knieën lag te sluimeren.
Na d'arbeid van den heeten dag genoot Het werkvolk rust in suizende avondkoelte,
Toen uit de verte, als uit den grond, dan nader En nader steeds verwarde stemmen klonken Met hondgeblaf en zweepslag en geschreeuw. Voorop een zwerm van kindren, vuil, halfnaakt Maar flink, en zwart van oogen als de holders,
VT. ZIGEUNERS.
33
Die in de spleten van 't gebergte huizen. Dan volgde een wagen.; nog een ; eindlijk mannen En vrouwen, oud en jong, in bonte kleedin v, Barvoets, met veel lawaai eu veel beweging: Zigeuner* waren het, die 't land afstroopen, In ieder dal, op elke hoef' gehaat,
Gevreesd, berucht als dieven, onbeschaamd,
Brutaal en driest; en euvelmoedig eischend.
Zoodra ze in aantal zich de sterksten voelden. Maar walglijk kruipend ook en laf, wanneer Hun driestheid op een forschen weerstand stuitte.
Vraatzuchtig als de kraaien op een zaadveld, Zoo stortte zich het hongerig gebroed Met woesten lach en schreeuw op huis en erf. De maagre paarden werden afgespannen.
En uit den wagen kroop een tanig, oud. Verschrompeld, leehjk wijf, de bestemoer, Gebiedster en beheerscheres der bende.
Deemoedig boog de vuile sloerie, toen De boer haar stug en ernstig tegen kwam. En vroeg om spijs en drank voor hare kindren. De naakte, moede, havelooze zwervers.
«Doch niet voor niets! Wij bieden onzerzijds De aloude wijsheid u van onzen stam,
3
84
Zooals wij haar van schrandre vrouwen erfden:
Geheime macht, om met een wonderspreuk
De wind- en wolkengeesten te bezweren
Tot goed en kwaad, het weêr, den aardgeest en
't Kaboutervolk aan uwen dienst te binden.» —
De mannen prezen hun geneeskunst aan
Voor mensch en vee, hun kunst als vedelaar,
Als kaartenspeler, smid en ketellapper.
De vrouwen knikten tegen de boerin
Met fijnen lach, en grepen naar de hand
Der blanke dochter; Margit trok haar snel
Terug en vluchtte in huis. Pe boer werd boos
En zou 't gespuis do poort gewezen hebben.
Had hij het niet geschuwd, dat in de buurt
Men hem als te arm en gierig zou bespotten.
Barsch keerde hij zich om, en zei tot Kari:
«Vervloekt gespuis, een landplaag als de lemming.
Die uit verrotte wolken nedervalt!
Geef gij hun meel en melk en visch en olie;
Dan zal ik zien, dat ze er wat vleesch bij krijgen.»
Al knorrend ging hij naar den stal, en dreef
Een schaap naar buiten. De zigeuners lachten
En dankten hem met gillend vreugdgeschreeuw.
Dan sprak hij tot de knechten: «Gaat naar binnen
35
En grendelt poort en deur! Gij, Goliath,
Blijft hier, en waakt gedurende den nacht!
En pas wel op, Ola! hou de oogen open,
Want honderd handen zijn gereed tot stelen; Zij eischen meer. Het schaap was oud en krank. Maar veel te goed nog voor zulke onheilsgasten.»
Weldra brandde aan den ingang van het woud
Een lustig vuur. Het zwarte volkje zette
Met ijver zich aan 't koken en aan 't braden
Tot in den nacht. Om 't flakkrend houtvuur liggend
Gebruikten zij hun maal. Een wonder schouwspel,
Die bruine bende met die sarrende gezichten
Bij 't wisslend spel van vonken en van vlammen
Als gloeiend. — Menig oog keek loerend, valsch,
Onafgewend den jongen blonden reus na,
Die schijnbaar argeloos, maar onvermoeid,
De handen op den rug, en op den hiel
Gevolgd door zijnen trouwen, waakschen hond —
Een Fin was 't, als een beer zoo ruig.
Maar zonder staart, een moedig dier, dat hij
In 't woud gevonden had — om hem bleef wandlen,
Tot het gesprek van lieverlede stokte.
Verflauwde, en met het vuur ook langzaam stierf.
De mannen vlijden zich op mos en gras.
36
En de oude vond haar bedstede in den wagen, En vrouw en kind in 't warme stroo der schuur. Maar Olaf hield de wacht — hij stond er voor — Tot schemerend de morgen grauwde, en Kuoed Hem korte rust na 't trouwe waken gunde. —
Nauw was de zon op, of de boer beval:
«Gij, Olaf, gaat met Margit en met de andren Naar 'thooi. Want gistren was de moervos bezig Aan 't berkengroen, en dat voorspelt ons regen. Maakt voort dus! Aan het werk! Pakt aan: heisa! Gelijk de valk de musch pakt! Sukkelt niet Als de uil, die langzaam sluipt van boom tot boom. Nu flink vooruit! Den tweeden stalknecht Rasmus Hou 'k hier bij mij; hij 's ferm en bij-de-hand. Ik stuur hem, Olaf, als 'k u noodig heb;
Gij zijt toch na; geef acht wanneer men roept!»
Het vreemde volk kwam middlerwijl te voorschijn En stookte 't vuur op; en begon opnieuw Met macht en kracht te koken en te braden. Toen kwamen kaart en teerling; en, nadat Zij der boerin met vloeken en verwensching Een kruik jenever hadden afgeperst,
Een woeste zwelgpartij. Nu, niets ontziende Bestormden zij het huis, en eischten drank,
37
Meer drank. —■ Hoor, plotseling! een schreeuw om In
De stalknecht Rasmus was 't, die riep: «Den hengst,
o Heer, zij stelen onzen hengst!» — Met voet
En vuist sloeg Knoed wat om hem stond ter zijde.
En zag met schrik hoe 't zwarte boevenrot
Zijn edel ros voor hunnen wagen spande.
Hij wierp zich tusschen hen en greep naar 't dier,
Maar 't razende kanalje greep naar hem.
En trok en sleurde en sloeg met twintig handen
Tot hij bebloed en machtloos nederzonk.
Reeds juichten ze in hun pret, toen eensklaps, als
Een bliksem uit de lucht, de reus in het gewoel
Sprong en met zijn ontzaggelijke vuist
De dronken kerels uit elkander smakte,
Den eenen met den andren nedersloeg.
Ze als bundels stroo naar alle kanten wierp.
Dat ze als geslagen honden, huilend, jankend
En knarsend uit elkander stoven, en
Met vloek en wraak bedreigend verder trokken.
Trotsch op de zege bracht de brave Rasmus
Den hengst, het fiere dier, weer naar den stal.
En wiesch het heete bloed zich van liet voorhoofd.
Door Margit en zijn bleeke, zwakke vrouw
Gesteund, werd de gewonde boer in huis
Geleid. Met zachte stem sprak zij hem troostend,
Opbeurend, teeder toe als in den tijd
Toen zij nog bruid was, streelde hem de kin
38
En streek hem 'thaar weg van de koude slapen. Hij zag haar dankbaar aan: «Mijn lieve Kan, 'tls over»! En toen sprong hij op, en riep:
«Waar is het kind? Om Godswil, zegt! gaat zien! Waar is het kind?» — Maar niemand wist het; na Het helsch rumoer had niemand het gezien. «Op!» riep de moeder,» op! hen na! haalt ze in. De roovers van mijn arm, onnoozel kind!»
De reus vloog op en weg, greep de aks en klom Den berg op langs het steile rotspad, dat Langs kortren weg ter heirbaan voerde, die 't Gespuis moest volgen. Daar verborg hij zich In 't diep neerhangend groen van eenen den, En wachtte rustig op de komst der bende. Zij naderde; met een sprong stond hij voor haar En riep: «Het kind hier, schurken, hier het kind! Wat! talmt gij nog? Bij God, ik sla u allen De hersens in!» Met zwaaide hij zijn aks.
Verschrikt week alles uit; en de oude kreesch: «Hier is de schreeuwerd! Daar! hij 's idioot!
Hij 's niets voor ons. Ga, scheer u weg! Vervloekt, Vervloekt zij huis en erf, vervloekt voor eeuwig Gij en de hoeve!» De oude grijnsde en spoog Twee-, driemaal; en toen wierp zij uit den wagen Den knecht het schreiend kind toe. Hij ving 't op. En met den kleine in d' arm, die onbeschroomd Zich vlgde aan zijne borst en niet meer weende.
39
Beklom hij 't steile rotspad weder. Halverweegs Kwam Margit bleek van schrik en buiten adem Hem te gemoet. Toen zij de twee ontwaarde, Pen reus en 't kleine wicht in zijnen arm,
Sloeg zij de handen saam als om te danken En riep schier buiten zich: «o Olaf, lieve.
Lieve Olaf!» hield dan plotsling in en kleurde. En brak in tranen uit. Zij nam den knaap En ging voorop. En Olaf zeide: «Margit,
Ik weet niet hoe het komt, maar 't is zoo, Margit, Voor u en uwe dierbren gaf ik gaarne Geheel mijn bloed als water, u ter liefde.»
VII. MARGIT.
e rijke Knoecl van RuneJal — zoo noemde Men hem in heel de streek — werd altoos rijker, Eu gierger naargelang hij rijker werd.
Een speelman, dien hij eensdaags ruw en barseh Tot spijt van 't gansche huis de deur uitjoeg.
Bleef op den drempel staan en riep hem toe:
«Gij, rijke Knoed, verwaande Knoed, gij zijt Zoo onverzadelijk als koning Prodi —
Ds sage is u als ieder kind bekend —
Die door reuzinnen zich geluk en jjoud
lt; i O
Naar wensch liet malen — en toch nooit lt;gt;:enoe£f had. . .
O r5
Hoe ook de moede vrouwen rust behoefden.
Zij moesten malen, malen dag en nacht
Tot ze in beur gramschap nood en dood hem maalden.
En nood en dood krijgt ge ook eens, rijke Knoed,
11
Uw geldzucht, trots en gierigheid ten loon. 0 arme Knoed van Runedal, hoor me aan En denk eens mijner: ik hen Nils, de speelman!»
De boer —• hij lachte. 0! zeker mocht hij lachen! Op zijnen akker golfde de oogst in rijpheid En overvloed; op zijne weiden baadde Het ronde vee zich in het lange gras. En jaarlijks kwamen mannen van den zeekant Om de oude reuzenstammen zijner hosschen Voor blinkend goud en zilver in te ruilen. Aloude kostbaarheden: bekers, drinkhoorns. Armringen, zeldzame echte byzantijnen.
Eens door den viking Thorkil, dien hij trotsch Zijn stamvaér noemde, van een koenen rooftocht Uit 't weelderige Zuiden meêgebracht.
Thans nutloos goed, bewaarde Lij, alleen Om 't hebben, in zijn zwaarbcslagen kisten.
Toch was 't geen zonneschijn op Runedal. Niet zelden zat de boer gansche uren op Den beide-heuvel bij de hoeve, en mat Zijn eigendom met vrengdeloozen blik.
42
De deerniswaarde toestand van zijn Erik
Was hem een bron van altijd borrlend leed.
Hij had gewerkt, gespaard: voor Erik niet!
Wie zal hem beërven? Zijne dochter, Margit?
Wie zal zijn schoonzoon worden? Waar hem zoeken?
Hij weet het niet. Toen Ivar Thorsen kwam
Van Foeroefjeld, een kloek, welhebbend man,
En voor zijn Rolf vroeg, zeide Margit neen.
En Elling Ellingson, in gansch de streek
Bekend als 't rijkste aan weiden en aan bosschen,
Toen hij zijn Björn, met woorden glad als kiezel
In 't water, aanprees, zeide Margit neen.
Een derde kwam, smal als een klokkekoord.
Bent Andersson van Oellenswang, een heertje
En ijdle fat; het meisje zeide neen.
De vierde. Frik van Hedeby, was dom
Met 't bleek, gezwollen kabeljauwsgezicht.
Maar moeders trots en rijker dan de koning
Van 't kleine volk, dat in de bergen woont:
Knoed knikte ja, doch Margit zeide neen.
Waarom? Hij wist het niet. Zij zong in huis Niet meer als vroeger. Vlijtig deed ze als vroeger Haar werk in huis en zat aan 't bed der moeder, Die ziek lag hu reeds in het tweede jaar:
43
Sinds Eriks komst had zij geen vreugde meer. En Margit las haar daaglijks uit de Schrift,
En nam haar heete hand, die daaglijks slonk, En lispte, fluistrend in den stillen nacht.
Haar zachte woorden toe, als slechts een dochter Uit 't diepst, verborgenst hoekje van heur hart Aan 't teeder moederharte toevertrouwt.
Dan zwegen beiden lang, zeer lang; en dan Een druk der hand. en: «lieve, lieve Margit,
't Is al vergeefsch, al schudt ge ook aan de rots; Zij geeft toch nimmer toe.» — En beiden weenden. — Vrouw Kari droeg een kommer meer in 't hart.
Tweemaal per dag kwam ook de boer eens zien;
Op zijne kousen trad hij in de ziekenkamer
En sprak als in de kerk met halver stem.
En als hij zich dan zuchtend naast haar zette,
De muts op zijne knie, en zorgelijk
Haar in de groote, heldere oogen staarde
En vriendlijk sprak: «Mijn Kari, lieve vrouw!»
Dan zweefde wel een woord op hare lippen.
Een goed woord ook, — maar 't bleef onuitgesproken.
Zij was halfbang voor hem. Zijn stoere nek,
Zijn donkre, borstelige wenkbrauw, die
Van 't voorhoofd als van eenen steilen bergwand
44
Met diepe schaduw nederhing, herinnerde
Haar steeds aan de onbeweegbre rots. — Zij zweeg.
Ook Olaf kwam met Erik aan de hand, Die eiken dag zich meer aan Olaf' hechtte, Wijl niemand zooals hij de taal der teekens Of ook den zin van schrille klanken vatte. De kranke knikte zwijgend tegen Olaf En reikte hem de hand. Den kleine zette Zij vóór zich op het bed, en streek hem zacht De kroeze lokken van het hoogo voorhoofd, Eu lachte teer — terwijl hare oogen traanden. Dan greep de reus het jongskeu haastig op En ijlde weg; hem ook schoot 't harte vol.
Op Runedal was het zoo stil, zóó stil Dat elkeen opzag als de lijster in Den top des deus zijn vroolijk liedje kweelde. Eu stiller nog werd 't op een lentedag.
Toen Margit weende hij de zerk der doode, En Knoed, met Erik op den arm, verslagen, Sinds gistren plotsling oud eu grijs geworden, Gebukt, met grauwe en ingevallen wangen.
45
En de oogen dof en droog op 't lijkkleed staarde. De reus bekeef den jongen in den stal,
Dat hij te luid met zijne paarden praatte.
Dan ging hij weer, de schuur om, naar den heuvel; En aan den voet des ouden beuks gezeten Dacht hij met weemoed aan den droeven dag.
Toen hij op deze plek het plotsling sterven, Den dood beweende zijner eerste moeder.
VIII. AANZOEK.
f Was herfst, eu de oogst in sclmur, dank aan de En de onvermoeide werkkracht van don reus. Sinds Kari's dood zat Knoed meest als verlamd, Verdrietig, knorrig, in den grooten leunstoel nichtbij den haard te droomen en te knikken. En liet zijn huis en erf den wakkren Olaf En Margit, zijne kloeke dochter, over.
Eens op een avond kwam zij uit den tuin Voor bi] de schuurpoort. Op de bank zat Olaf,
Alleen, de handen op de kniên, te mijmeren; Hij staarde naar den grond, «(jij zult wel moê zijn? Sprak zij hem aan: «uw dagwerk was niet licht.» «Ik ben niet moede, Margit, 'k beu nooit moê;
47
Ik arbeid graag voor 't huis, voor u en Erik.» «Daarvoor weet u mijn vader weinig dank.» «Gij des te meer; en Erik is een kind.»
«Gij, Ola, denkt aan ons, nooit aan u zelf.» «Wat 'k doe, ben ik n schuldig, lieve Margit!» «Gij noemt mij ,lieve Margit'; meent gij dat?» «Gij zelf hebt mij ,lieve Olaf' eens genoemd.» «Dat kwam ik weet niet hoe; toen schaamde ik : 't Gezegd te hebben; nu ben ik er blij om,
Dat ik u in dien tijd ,lieve Olaf' noemde. Het kon gansch anders zijn met u en mij;
Mijn moeder had het anders ook gewenscht.» «Ik ben maar knecht, een arme knecht; gij zijt 'tAlom gezochte kind van rijken Kuoed.»
«Maar ieder aanzoek heb ik afo-eslaffen.»
O O
«Eén aanzoek echter slaat uw vader af.»
«Gij hebt mij eens, toen wij nog samen speelden. Een wonder, mooi vertelseltje verhaald Van 't gouden slot, dat in de wolken staat,
En van een koningskind, dat uit de macht Der tooverheks door eenen knaap verlost werd.» «Gij zijt mij meer waard, lieve Margit, dan Een koningskind met zeven gouden sloten!»
En toen hij rechtop voor haar stond, haar hand Greep en omklemde, en op haar nederzag
48
Met zijne diepe, trouwe, zachtblauwe oogen,
Toen steeg het warme bloed haar naar de wangen
Eu was zij dubbel blij, dat zij het woord
«Lieve Olaf» 't eerst tot hem gesproken had.
Het kwam haar voor, alsof eeu kostbaar kleinood.
Voor haar bestemd, haar was ten deel gevallen.
Maar dat, als eeu verborgen schat bewaakt.
Haar door eeu vreemde macht nog werd onthouden.
Zij vond zich rijk en arm, gezond en krank,
In het vooruitzicht blij en moedloos tevens, —
En 't harte zwaar, trad ze aarzelend naar binnen. —
De boer was met Margit des Zondags vroeg Naar Hitterdal ten kerspeldienst gereden; En middlerwijl ging Goliath met Rasmus Den naasten weg door drasland en moraine: Een moeielijke weg, — toch stond hem heden Een nog veel moeielijker af te leggen.
Des middags zat boer Knoed in zijnen stoel Bij 'tvuur te knikkebollen en te droomen. Toen Olaf binnentrad. «Wat is er Olaf?» «Ik meende, heer, met u te moeten spreken
49
Aangaande een zaak—» «En welke zaak dan, Olaf?»
«Aangaande een zaak, die u zoowel als mij
Eu Margit—» «Margit? Wat is er met Margit?»
«Ik wilde ii vragen, heer, om hare hand!»
«Wat? Margit, uwe vrouw? Gij hebt in 't woud
Vast bilzenkruid gegeten, dat gij zoo
Onzinnig praat!» Met strakkeu blik zag zwijgend
De reus den boer aan. I leze lachte hoonend
En met verkropte woede, en voer toen uit:
«Gij zijt zoo driest als dom; een fraaie schoonzoon
Voor Knoed van Runechil, den rijken Knoetl!. . .
Wie zijt gij, Olaf Eiwindson? En wat?
Toevallig kreeg ilc u als gij uw hond.
Wanneer een rendier-lap uit 't hooge Noorden,
Die zeewaarts afdaalt met zijn teut en kudde.
Om mijne dochter Margit aanzoek deed.
Wist hij 011 s meer van zijnen stam en afkomst.
Van zijn geslacht en voorzaat te berichten
Dan gij van u, ellendig niets van gisteren!
Waar ligt uw hoeve? Waar woont uw familie?
Wellicht op Nergensheim bij Hongerloo
In 't Honderd bij het groote nevelmeer! —
Wat hebt ge dan, tenzij uw berenklauw
En uwen hond, dien ik moet onderhouden? —
Wie weet, waarom uw vader was gevlucht.
Waarom hij nimmer sprak van zijn tehuis? — —
Zwijg! 'kzeg niets kwaads van hem; hij was mij trouw;
4
50
Hii werkte in dagloon, best; gij werkt als knecht. — Ik vond u in de haag en nam u op Als iemand, die een slang opnam en koesterde Tot zij hem beet. Ik zag voor goedheid aan Wat dwaasheid was. Toen ik aan deze hand Den kleinen Olaf, die zoo bitter schreide.
Met mij naar huis nam, kon ik niet vermoeden.
Dat uit dien knaap een Goliath zou groeien.
Zoo plomp brutaal, dat hij me op d'ouden dag In 't eigen huis den voet zou willen lichten.» —
«Wilt gij volstrekt een vrouw, zoo ga en zorg.
Dat ge een der zeven 'zusteren bemachtigt —
Gij zijt toch groot genoeg! — die, naar men zegt. Bij Drontheim of wat verderop naar 't Noorden De voeten baden in de koude zee En grijze wolken om de schouders slaan.
Zij zijn wel grof van leest en stijf en steenbard. De jongste ook wel wat oud maar kerngezond.
Recht iets voor u: — een elvenkind zijt ge ook niet! Spreek eens met Nils den speelman; hij verstaat De kunst van koppelen, en kent die juffers.» —
Hij spoog, en lachte om zijne geestigheid.
«Zijt gij wel nuchter, zeg? Of niet? En Margit? — En Margit? — Spreek dan, mensch!» — Met forschen ruk
51
Was de oude uit zijnen leunstoel opgesprongen;
Hij wierp de roede muts op tafel, hijgde
Naar lucht, en steende en knerste, en blies eu siste
Van woede en angst; 'twas liern als heefde eu schudde
Het huis, en stortte nok on gevel in.
Met beide handen greep hij naar 7,iin hoofd,
En werd zoo bleek als kalk.— «En Margit? spreek!»
«Ik weet niet wat gij wilt. Zij denkt als ik.
En onze wensch was ook die harer moeder.»
Toen brulde Knoed als een getergde stier:
«Weg uit mijn huis! Er uit op staanden voet!
Verstaat ge, er uit! — en niet als schui'k toch, hoop ik.»
Gebogen staarde hij op Goliath
Als wilde hij hem met zijn staalgrauwe oogen.
Die scherp als messen uit hun kassen flitsten.
De borst doorboren, en in zijnen angst
En woede iets vreeslijks, dat er lag verborgen,
Te voorschijn halen. — «Olaf, zeg, gij weet, hoe los
Mijn zakmes in de scbeede zit! — Ga heen,
Ga heen terstond, — ik hoop maar, niet te laat».—
In 't eerste zag de reus verwonderd op;
Toen werd hij rood als vuur tot onder 't haar,
Deed dan een stap vooruit, en sprak gelaten:
elk was een wees, ja, hulpeloos en arm;
52
'k Kwam vreemd bij u, gelijk niijn hond bij mij; Gij naamt me in huis, voorzaagt mij liefderijk Van kleederen en brood, en liet mij leeren. Zie, voor dat alles ben k u dankbaar, u En eene, die mij lief was. Zij is dood;
UoJ ioone 't haar daarboven in zijn Hemel!
'k Heb u gediend — gij waart geen goede meester Uit plicht en dankbaarheid, in trouw en eere, Met al mijn kracht, sinds God mij krachten gaf. Dat wilde ik blijven doen; gij wilt het niet.
Niet om uw hoeve, om Margit deed ik aanzoek In eer en deugd; gij wijst mij bitter af Met hoon en spot en grievende verwijten;
Dat is niet goed van u, gij trotsche Knoed; Een simpel neen was mij genoeg geweest.
Nu jaagt ge mij van hier: ik ga terstond,
Maar eerzaam als ik kwam en niet als schurk ! Knoed Erikson, 'k ga niet als schurk vanhier!»
Met ging hij naar de deur. Maar de oude riep: «Ik heb u brood en kleeding, maar sinds jaar En dag geen loon gegeven ; hier is geld!» En rammelend wierp hij een beurs op tafel. «En nu, hoor toe! Dit is mijn laatste woord: Zet nooit na dezen dag zoolang gij leeft Een voet meer in mijn huis of eigendom,
53
In woud of veld, op seter, beemd of weide!
Hier ben ik meester en verbied ik u Wat ik niet dulden wil, voor nu en immer. Al kwaamt ge weder met een karvol gouds. Al kwaamt ge weêr als prins: ik joeg u weg. Dat is mijn laatste woord: ik blijf er bij!» —
En de andere: «Gij raast als een bezetene. Ik ga, Knoed, ver, heel ver van u, zoo ver als De valk vliegt op den langsten zomerdag.
Ik ga al, Knoed, en koer hier nimmer weder! 'k Begeer uw geld niet; houd het voor u zelf; 't Lilt;;t nader u aan 't hart dan 't eilt;ren kind.
O O
Wat u behoort, zou me in de vingers branden! Wees blijde, rijke Knoed; ik neem niets mee. Zelfs niet het eindje van de koord der zweep Of den gekromden spijker zonder waarde,
Dien gij, hoe gierig ook, op de aarde werpt. Als gij opnieuw de paarden laat beslaan.
Niets neem ik mee dan wat 'k heb meegebracht Een stukje brood, een schamel pakje kleêren En de aks van mijnen vader. Nu, vaarwel!
Knoed Erikson, ik ben uw knecht niet meer!» De reus nam wat het zijne was, en ging.
IX. OVER DE BERGEN.
iclit bij de hoeve, naast den weg, waar esch En hagedoorn de waterbron omhuifden, Zat Margit, droef gebukt; zij wachtte op hem. Die zonder dak nu was. En toen hij aankwam Met vluggen stap, trad zij hem spraakloos tegen En reikte hem de hand. Zij weeade niet.
Maar piinliik was de trek om oog en lippen. Zoo stonden zij met neergeslagen blikken, Het jonge hart. zoo vol van bitter wee, Op 't punt van scheiden zonder troost noch hope Op weerzien en geluk in deze wereld.
De reus sprak 't eerst: «Uw vader heeft de macht En ook het recht, te doen wat hij gedaan heeft
55
Zijn wil is 't, dat wij scheiden en voor immer ; Margit, voor immer, ja! — Nu laat mij gaan. Ik donk aan u! Gelijk de Gioote lieer Nooit afwijkt van zijn kringloop om de poolster, Zoo blijtt mijn geest en hart ook steeds bij u!» —
Diep zuchtend zag bet meisje tot hem op; Zij was zoo wit als sneeuw en lispte droef: «Het valt wel hard — en toch, nu moet gij gaan Ik denk aan n!» — «Denk wèl na, lieve Margit, Denk wèl na, wat ge zegt en doet. Vernietig Een beetre toekomst niet om mijnentwille;
Beloof mij niets! Gij zijt de vrije dochter Van Knoed van Runedal, en blijft het. Margit.» De reus ontroerde, in zijn oog sprong een traan ; Haar brak het harte, maar zij weende niet;
«Olaf, ik denk aan u, zoolang mijn oog Een ster daarboven ziet. Vaarwel, vaarwel!»
Een laatste handdruk, en de banneling Schreed haastig over 't wijde stoppelveld. Zoo vaak getuige van zijn trouw en kracht. Thans kleurloos, leeg en eenzaam als zyn leven.
56
Naar het gebergt'. Zij keek hem na, totdat
Haar oog betrok. Toen hij in 't woud verdween,
Ging zij het dal in naar de wildernis,
Waar Ei winds hut eens stond. Haar zat ze lang
Op 't koude rotsblok tusschen doorn en netel,
En weende bitter. Hare lippen beelden
Als hielden zij een nood- en hulpkreet in
Tot haar, die geene smart meer kende en sliep
Daarginds in 't koude graf te Hitterdal. —
Reeds grauwde de avond, toen zij huiswaarts keerde.
Kond blies de wind de rotskloof in, en dreef
Loodgrijze wolken gierend vóór zich uit.
Zij dacht aan hem, die zonder dak en eenzaam
Als een verstootne in 't woest gebergte zwierf.
En middlerwijl ging Olaf' zijnen weg
Met vluggen tred. In 't hoogc dennenbosch
Vernam hij achter zich een heesch gekerm.
'tWas Erik, die hem groette, schreiend hem
Bij 't wambuis vatte, en hem met smartlijk roerende
Gebaren smeekte om toch terug te keeren.
De reus liefkoosde hem de heete wang.
Bracht aan de hand hem tot de bron terutr,
O 7
En wist met oog en hand hem te beduiden,
Dat hij naar huis moest gaan. En schreiend ging hij.
57
Maar niet zoo makk'lijk viel 't, een andren vriend Terug te houden: zijnen trouwen hond,
Die vleiend om hem kroop, en, weggewezen.
Eerst liggen ging, dan stond en nadersloop En weder stond, met smeekend oog en stom Zijn meester aanziend, tot een vingerknippen Hem riep, en hij met uitgelaten sprongen En vroolijk blaffend vóór hem henen danste. Een schamel paar: de beedlaar en zijn hond!
Waar reuzendennen tusschen heide en woud Het erf van Eunedal en Foeroefjeld Afbakenden, stond tusschen doornestruiken Een bautasteen, verweerd, bemost en brokklend. Met raadselacht'ge, halfvergane runen.
En hellend als van ouderdom en moeheid.
Wist hij van trotsche heerschers te verhalen? Van Olaf Tryggwason, van Sigurd UingV Van Gaffelbaard? Van rooden Rolf, den vikinyr.
o'
Die wild en woest op alle zeeën schuimde.
En hier begraven werd, maar eiken nacht.
Naar men elkander óm den haard vertelde.
Steeds rustloos rondwaart om zijn schat te zoeken?
Daar wierp de reus in 't vochte gras zich néér,
5S
En overwoog zijn deerniswaardig lot,
Den loop der jaren, de ijdellieid der wereld,
De blinde jacht naar goud, genot en macht.
Naar akkervelden, woud en weidegronden.
Toch waardloos trunt, een waterbel gelijk.
Die slechts een poosjen op en neder wiegelt,
En glanst en weêrglanst, en tot niets versparkelt.
«Gelijk na valschen honger etenszatheid,
Zoo volgt na gierigheid als wraak de walging.
Ik zoek slechts brood voor zweet en rust voor arbeid.
Ik ben geen NiLs de speelman, die al lachend
In ij del nietsdoen door de wereld trekt.» —
Met bitterheid dacht hij aan Knoed, en aan Den spot, den hoon, den vuigen argwaan, dien Hij liefd'loos krenkend op zijn vader wierp. En toen hij merkte, dat zijn linkervoet Aan gene zij der grens op Knoeds gebied lag. Trok hij hem schielijk, of een gift'ge slang Hem beet, terug. Hij nam zijn aks en hieuw Een spaander uit den dennestam ten teeken Van vijaudschappe tusschen hem en Knoed.
Toen sneed hij zich op vreemden grond een staf, En stapte voort, door heidekruid en brem.
Vlug, zonder om te zien, den steilen berg op.
59
Ijskoude regen spatte 'em in 't gelaat,
En avond was 't, toen hij den grooten seter Van Foeroefjeld betrad, nu kaal en eenzaam, Nu zonder lioorngeschal en belgeklingel.
Druipnat trad hij in de open hut, vond mos En hooi, en was al blij met zijne schuilplaats. Hij deelde brood en leger met zijn hond, En dacht aan 't haverbrood, dat hem zijn moeder Eens in de taseh stak, hare laatste gave : — Van Runedal at hij de laatste nu.
Toen sliep hij in, den hond aan zijne voeten. En zeide in zijnen droom nog eens vaarwel Aan Margit, die zoo bleek daar bij den put stond En zachtjes tot hem sprak : «Nu moet gij gaan!»
Toen quot;t morgenrood in 't vlammend Oosten gloeide En purpren wolken met de purpren sneeuw Op verre hoogten glanzend samensmolten.
Greep hij zijn staf, liet over berg en dal De blikken gaan, en vroeg zich zelf: «Waarheen? Waar menscheu zijn! Naar boven, naar beneden, Maar nooit terug! Op deze klippen heerscht Tn grijnzende eenzaamheid de starre dood; Het warme leven bruist in ieder dal.»
60
Hij zwaaide zijnen berkenstaf, en schreed Door moer en dras steeds liooger naar de klippen, Die, ruw en naakt, spookachtig wit en bleek. Als grijze heediaars met ontblooten hoofde,
Steeds andre, verdre, naar gelang hij steeg, Opdoken in de lucht uit damp en nevel.
Een neêrgesmakt, ontworteld dennenwoud Versperde hem den weg, een groot ruïnénveld. Waarop de storm, de kampioen van 't Noorden, In wilde vreugd zijn lied van zege zong. Eén enkele oude, de oudste van 't geslacht. Dat om haar heen verging, had hem weerstaan; Zij stond er nog, wel kruin- en takloos, maar De onwrikhre wortels in den steen gekramd; Zij stond er hoog en trotsch op hare rotsklip. Zoo stond misschien weleer een reuzenvrouw Na heeten strijd met Thor, den Dondergod, Op de uitgestrekte lijken harer kinderen.
Grauw en doorkerfd en have- en wapenloos. Den vijand sarrend in 't gezicht, en spottend Met Thor den Donderaar en alle goden.
De zwerver wrong door tronk en stronk zich heen.
61
Daar galmde en schalde 't uit een zijkloof als Geroep, gelach, schelklinkend blij gehinnik En hoorngeschetter. — Zonderling! — Een bruiloft, Een hoogtijfeest der geesten van de bergen V —-De wildijeek was 't, die door de spleten stoeide; De wind, die door de spleten floot en loeide.
Doch voorwaarts, opwaarts ging t door rots en rotspuin
Langs wegen, die sinds duizend jaren, wel
Aan beer en wolf tot bergpas, nooit den meusch
Tot voetpad dienden. Eéne wildernis,
Gansch naakt en dor, waar zelden braam- of dambeer
Den harden grond ontkroop, een kreuple berk
Uit de enge spleet wat karig voedsel zoog.
Of wilg en grasspriet op den wind zich wiegde: —
Zoo leêg was de eenzaamheid, zoo doodsch de stilte,
Dat weedom sloop in 't harte van den zwerver.
Die hier voorbij trok, en de gulle blijde lach
Voor vele dagen van zijn lippen week.
Uit grauwen nevel steigerden als zuilen Vier donkre rotsen in de koude lucht. Gestalten zonder vorm en monsterachtig. Dat was de titan Fill, die eens zijn dochters
62
Op goeden Vrijdag, als de gansche wereld In boete en rouw zich hult om 's Heilands dood, Als.alle vliet en heek zacht zachtjes murmelt En zelfs de ruwe wind zijn vleugion plooit, Tn dollen overmoed ten dans bijeenfloot Zoo wild onstuimig, dat de meisjes juichten. En ieder dal rondom 't gejuich weêrschalde.
Tot 's Heeren wrake de vermeetlen trof En alle vier tot zwarte rotsen doemde.
Toen, zegt men, werd het stil, en bleef 't zoo stil In deze wereld van woestijn tot nu. —
Gelijk de duistre nacht in 't diepst der zee Zijn ook de bergen vol geheime raadselen; Den mensch komt het niet toe, die duisterheden Te ontsluieren; hij buige zich voor Hem, Die land en zee met al hun wondren schiep.
De zon stond in den middag, en .allengs
o7 O
Begon de kracht des sterken mans te slinken.
De laatste kruimel van zijn brood was op,
En rondom hem, zoover zijn oogen droegen.
Geen spoor van leven. Toen verhief de reus
Da leêge handen stom tot Hem, die aan
De starren in de wijde lucht heur baan
En d'armen worm der aarde in 't gras zijn weg wijst;
63
Die de gedrochten in den oceaan Hun voedsel, ook den vogel, liongrig na Zijn reis, in de woestijn in schaauw der bron Den lang ontbeerden korrel graan laat vinden. Vol moed en vol vertrouwen schreed hij verder, Eu vond verkwikking in de reine berglucht.
Wijd vóór hem strekte een eenzaam tafelland
Zich uit, waar nauwlijks eenig rendiermos.
Een vosrood mosgras en akonie groeide:
Vaalgrauwe, door den storm geschuurde rotsen.
Recht vlakten om een reuzeukamp te strijden
Of' om ten rei en dans te gaan zooals
Eens Siwar Snarenswend te Bratingborg,
Die wel te moê in stede van een ruiker,
Een reus des wouds, een zomergroenen eik
Met top en tak aan zijnen gordel droeg.
Daar golfde een meer, — gesmolten gletschertranen
In cene schaal van rotsen opgevangen, —
Maar niet omkranst met 't groen van riet en biezen;
Geen .visschershut aan 't strand, en op de golven
Geen bootje of zwemmer; in do sombre lucht
De hongerkreet des aadlaars slechts, die vruchtloos
Een prooi bespiedde en groote kringen teekende.
De wolken zelfs, die wandelaars der lucht.
64
Zij schenen, 't doel vergetend, stil te staan In deze trage, leveulooze wereld.
Ter linkerhand een steigrend ijsgebergte; Dan sneeuw aan sneeuw; gespleten zigzagrotsen. Die steil en kantig naar de wolken reikten. Dichtbij, daarginds, ver af', zeer ver./ zoo ver Het oog droeg, niets dan ijs en naakte klippen; En, koud en zwaar daarboven als een schild Van lood, do grauwe, stille, sombre hemel.
t T\ erd avond. Op den scherpen rotskam schreed De reus steeds voort. De wind gierde uit het Noorden. Zijn adem werd tot sneeuw; ijskegels knirsten Bij eiken voetstap in zijn baard en haar; Een pantserhemd van ijs omsloot zijn borst.
Maar 't moedig harte klopte warm daaronder.
Nu bad hij 't hoogste punt bereikt. Langs gapende Ruwkant ge steilten liep de helling dalwaarts. Als t bruisen van de zee zoo dreunde en donderde De waterval zijn eeuwig hooglied van De macht des Heeren tot des Heeren glorie.
65
En galmend gaven rots en rotskloof antwoord.
Zoo bruist hij sinds den derden scheppingsdag,
Zoo zal hij bruisen tot van pool tot pool Deze aard tot ijs verstijft, indien zij niet Naar 's Heeren wil in rook en asch versraat.
Aandachtig luistrend stonden in het ronde De grijze reuzen, macht'ge rotsgevaarten,
Der omle moeder-aarde eerstgeborenen.
Als baden zij. Ook Olaf dankte met Ontblooten hoofde God voor zijn bescherming Op dezen tocht, en bad om troost voor haar,
Die zijner thans wellicht gedacht en treurde. —
Dan greep hij moedig weêr zijn staf, en steeg
De bergkloof af. Reeds neeg de zon naar 't Westen.
Diep onder hem een wieglend nevelmeer,
Waar elke rotsklip als een eiland uitstak.
In d'afgrond, door de rotsen ingekneld.
Schoot, schuimend, kokend, wit als melk, een bergstroom;
En hoog daarboven lag van steen van steen
Een smalle den als waggelende vonder.
on
De zwerver zette er onversaagd den voet op En spoedde voort door elze- en berkenhout.
Zijn hond, het trouwe dier, sprong hem al lang Niet meer vooruit, maar volgde, nu en dan Door zijnen meester aangemoedigd, langzaam.
tiö
rustten bij tie lieidebron een poosje.
En toen het kwijnend avondrood verzwond,
Steeg in de verte rook omhoog, en klonk Het bluffen Viin een hond. De lap sloeg aan, Een korte blaf als teeken zijner vreugde.
Sprong schielijk op en spitste luistrend de ooren. Ook Olaf stond, zich zijner kracht bewust;
En vlug ging 't nu uit 't rijk der wildernis Naar het herbergzaam oord, waar mensshen wonen. Een seter eerst, dan woud, dan akkergrond. En — onder eik en olm de spaueudaken:
Een huis met schuur en loods en smidse en stal; 'tWas Byglanshof, waar Goliath den boor Lars Göranson, die hem naar Noorsclie zede. Gastvrij met eenen fermen handdruk groette, Om dak en brood vroeg en ook gaarne kreeg.
naam is Olaf?» vrnei»' den andren morgen Oe grijze Lars aan zijnen nieuwen gast.— Hij was een Stortliingsman, de stramme reus Van Byglandsliof, zoo kaarsrecht en vol kracht Als Noorweegs Leeuw, die in zijn ijzren klauw Een strijdaks voert. — «Gij heet dus Olaf, zegt ge?» «Ja, Olaf is mijn doopnaam; doch men noemde Mij Goliath, omdat 'k zoo sterk en groot ben,
Eerst schertsend; en toen ik er niets om gaf.
Noemde iedereen mij zoo.» «üe naam past u».
Hernam hoer Lars. «En zoekt gij hier nu arbeid?» «En brood voor mijnen arbeid, hier of elders.» «Gij waart als knecht bij Knoed op Runedal?
Ik ken hem niet; maar 't volk, dat langs de deur trekt Eu alle menscheu kent, geeft hoog op van
68
Zijn rijkdom; van zijn inborst of karakter
Heb 'k nooit gehoord. Wij hooren zelden nieuws
Van genen kant. Gebergte en woud verhinderen
Maar stroom eu zee begunst'gen het verkeer, —
Nu vraag ik, om wat reden gingt gij weg?»
«Dat zeg ik niet; doch niet als schelm vertrok ik.
Al gingen wij in ruzie van elkaar.
Boer Knoed en ik. Daarover later meer.
Genoeg voor heden, dat ik eerlijk ben
En zorgen moet voor kost en onderkomen.»
«Wanneer vertrokt ge?» «Eergisteren. De nood
Dreef mij tot spoed.» «In mijne beste jaren
Hadde ik mij niet in staat gevoeld, van hieruit
Den vierden dag op Runedal te komen. —
Maar als gij werk zoekt, waarom dan niet aanstonds
Het fjord af naar de havenstad gegaan,
Waar men toch eiken dag twee reuzenarmen.
Als de uwe ziju, voor goud verkoopen kan?» —■
«Gij vraagt mij wat 'k mij zelf vergeefs gevraagd heb;
Ik weet het niet. Misschien vermeed ik 't dal.
Om geen bekende op mijnen weg te ontmoeten.
Ik wilde niemand zien of spreken. Eenzaam
Was ik voortaan, en eenzaam wilde ik blijven.
Het kwam mij voor als drong me iets naar de bergen.
Gij koestelt argwaan: ik belieg u niet!
En gij vertrouwt mij niet; dat smart mij dubbel,
Want ik ben zonder middlen; al wat 'k heb
C9
Zijn mijne harde vuisten en deze aks.»
«Die aks?» hervatte Lars. «Laat zien die aks!» Hij nam het werktuig en bezag het lang, Den breeden rug en 't diepe stempelmerk De L en G; dan keek hij beurtlings de aks En haar bezitter aan, en zeide in 't eind: «Zij past in uwe vuist! Een zwakke hand Kan zulk een stuk onmogelijk hanteeren.»
«Mijn vader was een sterke man.» «Uw vader V Wie was uw vader?» «Eiwind.» «En wiens zoonV» «Dat weet ik niet; hij werkte op Runedal.» «En uwe moeder?» «Randi. Beiden dood.
Ik was een kleine jongen, toen zij stierven.»
Verzonken in gedachten staarde de oude Den vreemdling aan, als mat hij eiken trek Van aangezicht en voorhoofd, oog en mond. Do kracht der schouders en de breede handen. «Vertel mij eens wat van uwe ouders, Olaf!» — «Ik weet niet veel. 'k Kon acht jaar oud zijn, toen Zij stierven. Wat ik weet, heb ik gehoord Op Runedal, wanneer men van hen sprak En van liet onheil, dat hen had getroffen.» —
En hij begon, eerst spaarzaam in zijn woorden,
70
Allengskens meer uitvoerig, te vertellen Vim 't hutjen in de rotskloof, 't kleine tuintje. Van Randi's vroolijkheid en overleg.
En Eiwinds vlijt en in-zieh-zelf-gekeerdlieid.
Maar toon hij kwam aan den rampzaalgen dag. Die zijn geluk begroef, toen hield hij stil En wendde 't oog, want heet en pijnlijk brandt De niet geweende, lang weerhouden traan. — Na eene korte wijle ging hij voort,
En zei veel goeds van Kari en van Knoed, Van Erik ook; van Margit sprak hij niet.
Stil hoorde de oude boer hem aan, en knikte. En mompelde iets van tijd tot tijd. Hij hield Met beide handen de aks op zijne knieën. En zonder op te zien begon hij zachtjes:
«'k Heb eens een man gekend, die Esbjörn heette. Een halven broer van mij cn tien jaar jonger. Opvliegend, lichtgeraakt, maar braaf en trouw. Onze ouders waren dood. Ik mocht hem graag; Mijn vrouw Inga beschouwde hem als broeder. — Zij rust in vrede al menig droeven dag. — Wij werkten stil en hadden steeds ons brood. En leefden met elkander zonder zorg.
Destijds nu diende op Urebö een meisje,
Randi genaamd, een onderwijzersdochter,
Een weeskind, frisch van kleur, verstandig, naarstig.
En altijd vroolijk als een leeuwerik.
Wij merkten wei, dat Esbjörn haar graag zag.
En dat de kroeskop hem genegen scheen;
Wij hadden 't graag, want beiden waren goed.
Mijn plan was, hem een deel der hoef' te geven.
En beiden dan een prettig huis te bouwen. —
Zoo bleef het, tot de dochter van den boer
Op Urebö ging trouwen met een loods.
Hij kwam het fjord op, en met hem verschenen
Drie, vier matrozen, wakkre bootsgezellen.
Esbjörn was ook van de partij; ik meê.
Daar werd gedronken en gedanst naar lust.
De blauwjaks bluften sterk en sneden op met
Horloges, pijpen, geld en zijden doeken;
Een hunner, Jens, een sluwerd, zoon eens knechts
Uit het benedendal, een stoute knaap,
Eénoogig en berucht als vechtersbaas.
Was steeds bij Randi, en naar zeemanswijs
Zóó vrij, dat het Esbjörn begon te koken.
Toch zweeg hij nog. Maar de andre lachte en streek
Zijn rooden baard. Toen volgden bittre woorden.
72
Den bittren woorden bittre tegenwoorclen,
En toen — ik kende Esbjörn's opvliegendheid, En sprong hem bij om onheil te voorkomen: Te laat! Zij waren handgemeen en vochten Gelijk in kracht en woede als dolle beren,
Die op hun rooftocht in het wilde woud Elkander wurgen om een ree, och arm. Dat argeloos door gras en bremstruik dwaalt. Zij bonsden beiden daavrend op den grond. En wentelden, elkaar omklemmend of ze Met ijzren banden waren saümgesmeed,
Tot plots de zeeman de armen slap liet vallen. Een dikke bloedstroom gulpte uit neus en mond; 't Gelaat werd bleek en vaal, zijn oog zag star En mat als glas; hij stuiptrok, rochelde.
En gaf geen teeken meer. Men droeg hem weg En zei: «Die is geweest!» —Des andren daags Bracht hem de boot des loodsen naar de stad In 't ziekenhuis, en later kwam 't bericht, Dat hij na lange ziekte or was gestorven.
En Esbjörn? Hij was weg. Geen ziel had hem Sindsdien bespeurd. Wel zeide een man, die werkte In 't woud, dat in do morgenschemering Hem iemand met een aks, in haast en stom,
73
Voorbijgeloopen was, de bergen in:
Men meende, dat het Esbjörn was geweest.
Doch wat ik vorschte en vroeg, liet hielp mij niets.
Een jaar daarna, 't was in een lentenacht.
Hoorde ik beweging vóór mijn legerstede;
Ik richtte me overeind: o God! daar stond
In 't schemerlicht der maan de langvermiste
Opeens vóór mij. —,Esbjörn!' ,Tk ben het, stil!
Hoe is 't gegaan met Jens?' ,l)ood, naar men zegt.'
Toen slaakte hij een zucht zoo diep en zwaar
Alsof het hart hem in den boezem berstte.
Een wijle dacht hij na. ,Lars, geef mij geld!
Wij zien elkaar nooit weder!' .Esbjörn, spreek.
Waarheen? Gij zijt mijn broeder, Esbjörn, spreek!
Waarheen?' Hij schudde 't hoofd en zei de niets. —
Ik gaf hem al het geld, dat ik bezat;
Veel was het niet; graag had 'k hom meer gegeven.
Hij drukte mij de hand: «Vaarwel dan, Lars!» —
Dat was zijn afscheidswoord; ik kon niet spreken.
Zoo neep de wrange smart de keel mij toe. —
Ginds bij dien olm, waar quot;t pad zich kromt, zag 'k hem
Verdwijnen in don valen morgennevel. —
Ook Eandi was verdwenen na dien dag;
Men meende vast, dat Esbjörn haar gehaald had. —
74
Die man, mijn arme broeder Esbjörn, was Uw vader, Olaf! Hoe vanouds bekend,
Hoe eigen schenen me op den eersten blik Uw oog en stal en gang en aangezicht!
Gij zijt het sprekend evenbeeld nws vaders. Met haar en oogen, blond en blauw, van Raudi. Zij was zoo knap als kloek, en veel te fier Om onder vreemden naam zich te verbergen. Wat Esbjörn deed uit vrees zich te verraden. Hij hoefde 't niet te doen, want korten tijd Na zijn kortstondig nachtbezoek bezocht De roode ons hier, en vroeg naar hem en Randi. Hij was een beetje bleek maar anders wel. Nu zwalkt hij lustig op de blauwe zee. En Esbjörn ligt verpletterd en begraven!
Hier, Olaf, neem uwe aks! Ik ken haar wel.
Want 'kheb haar zelf gesmeed; hier is mijn teeken. Deze L en G, Lars Göranson! — Zij is Van deugdlijk staal, te zwaar voor meenge hand. Maar juist geschikt voor hem, wien ik ze gaf, En veel te licht voor u, gij sterke reus!
Welnu, hanteer haar, zoo ge wilt, bij ons;
Zoo niet, dan elders; 'k laat u vrije keuze. Uw vader heeft zijn erf'nis nog te vordren
75
Voor 't grootste deel; nu is 't uw eigendom.
Wilt gij uw geld in munt, en verder gaan:
Wilt gij bij ons en op de hoeve blijven;
Wilt ge op ons erf, aan 't woud of aan den elf,
In 't veld of aan den berg — maar niet te na
Bij d'overhang der rots! — een huis u bouwen :
Het staat u vrij; neem uw besluit! Ik spreek
Met Osmund, mijnen zoon, wien ik sinds jaren
Den arbeid overliet. Wat tusschen u
En Kuoed, den trotschaard, zit, vertelt gij me eens
Als gij mij beter kent. Ik ken u al,
Gij zijt toch van mijn bloed. —Mij dunkt, gij blijft
Osmund is goed en wijs. Wij reeglen alles
Voor u en dezen hier, den ruigen beer;
Ik vond hem mooier niet een eindje staart.»
Maan op 3 oo D.m, Maan onder 6.ot v.m.
3 Januari V. M,
Besnijdenis des Heeren en Nieuwjaarsdag.
Te vieren als Zondag. In het Bisdom van Roermond dag van devotie. W eek-agenda.
Dinsdag, feest van den Zoeten Naam Jezus.
Vrijdag, eerste Vrijdag der maand. Zaterdag, feest van de Verschijning des Heeren.
Hebt gij reeds voor uw ouden dag gezorgd?
Bij den aanvang van het. Nieuwe jaar brengt de Redactie van den Sint Antonius Scheurkalender h ar beste Gelukwenschen aan alle huisgezinnen. Vrede in Christus moge daar heerschen. Eensgezindheid en liefde moge kracht geven om de zorgen en moeiten, die ook het nieuwe jaar zal brengen, met Gods hulp te dragen. Een zalig Nieuwjaar!
Gedeelde smart.
Hans; „Heb je 't nog al goed bij je baas?quot;
Frans: „Dat gaat nog al; maar ik krijg nog al eens een tik.quot;
Hans: „Zoo, hoe komt dat?quot;
Frans: „Och, hij krijgt er zelf zooveel van zijn vrouw, dat hij ze alleen niet aan kan.quot;
Dat was een nare Zonda^-aclitermicldag
O o
Op Runedal, toen Olaf was vertrokken.
Knoed raasde en schold in linis en schuur, en riep
Om Margit. Was zij weg? Waar bleef toch ErikV
Vol angst ging knecht en meid hem uit den weg.
En knikten heimelijk elkander toe.
Het was als hadde een ramp den hof getroffen.
Des andren morgens stond de dochter, doodsbleek Maar koud en droog van blik, vóór haren vader. «Gij weet, waarom 'k u hier heb laten roepen,» Begon hij. «De erfgename van mijn goed Neemt geenen knecht tot man. Gewoonte is wet!
77
Het is mijn wil en mijn bevel, verstaat pjo,
Dat Olaf Eiwindson na dezen dag
Geen voet meer in mijn huis of erf ooit zet,
Op veld, in bosch, op seter, beemd of weide.
En lag ik zelfs in 't graf te Hitterdal,
Roep hem nooit weêr, en neem hem nooit tot man!
Dat is mijn woord, mijn wil; ik blijf er bij. —-
Gij beeldt tx in uw dwaze wijsheid in,
Dat 's menschen zin wel lichtelijk verandert,
Gelijk de-wind, die heden scherp en koud,
Eu morgen warm en zoel naar binnen waait.
Mijn wil is staal; en wat niet buigt, dat breekt.» —
De dochter sprak: «Gij blijft dezelfde altoos; En Margit i.s uw kind. Uw wil geschiede.
'k Neem Olaf niet, want gij verbiedt het mij;
Maar nimmer, nimmer ook neem ik een andre. Dat is mijn zin!» — En de oude grimmig scherp; «Wat! vrouwenpraat! Wat zand en zaagsel, spel Van storm en grillen!» Maar het meisje sprak: «Dat is mijn zin! Gij kondt hem laten gaan. Gij kondt hem neen ten antwoord geven op Zijn aanzoek om mijn hand, hom, dien mijn moeder Vóór alle de andren zich tot schoonzoon wenschte Om uwentwille en om den kleinen Erik.
78
Gij hebt hem koud gehoond, beschimpt, bespot Op uw manier: het loon voor zijne trouw,
Omdat hij n esns redde uit moordnaarshanden,
En uwen zoon uit roovershand bevrijdde!
Gij scholdt hem in uw drift als vreemden hond;
En als een vreemden hond joogt gij hem weg Van uwe hoeve; — 'twas een trouwe hond!
O! had mijn moeder u gezegd wat zij U eiken dag, elke ure wilde zeggen!
Zij zweeg uit vrees voor uw opvliegendheid;
Zij had u lief en sidderde voor u.
Vaak weende zij; ik zag 't; haar stomme smart Ontroerde u niet; gij kent slechts uwe hoeve.» —
Toen schreeuwde de oude: «Wat! verwijten nogV
Gjj durft nog al en spuwt vergiftig schuim.
Als een wolvin, wier wolf wordt afgemaakt!
Maar, och, 'tis ook maar schuim.» — Het meisje zei:
«Verschoon me, ik sprak in drift! Hard klinkt het woord,
Wanneer de ziel van leed en kommer vol is.
Ik heb het u beloofd, ik doe uw wil;
Hier zijt gij meester en kunt gij gebieden
Wat gij niet wilt gedoogen, voor altijd.
Ik weet ook, wat mij 's Heeren woord gebiedt.
En wat mijn moeder me in haar goedheid aanried,
En eer uw woord. Misschien berouwt 'tu eens.» —-
79
Maar . de oude schudde 't grijze hoofd, wreef zich
De koude handen, eu zonk afgemat
Terug in zijnen leunstoel bij den haard. —
Scheen lang op liunodal de zon niet meer,
Sinds dezen droeven dag verzonk de hoeve
In zulk een duisternis on treurigheid.
Dat iedereen er lied en lach verleerde,
Dut Rasmus met den hengst slechts Huistrend sprak
Eu zelfs de lieve zomerhoo, de zwaluw.
Den balk vermead, waarop ze al vele lentes
Na blijden welkomsgroet haar nest gebouwd had. -
De boer zat dagenlang te knikken en
Te droomen in zijn leunstoel bij den haard.
Zijn haar was zilverwit, zijn oog zag dof;
Hij strompte sukklend, op zijn stok geleund,
Van zijnen stoel naar 'tbed, en weer terug.
Ook sprak hij in 't geniep de flesch soms aan,
Misschien om spijt en hartzeer te vergeten.
Do dochter merkte quot;t wel, maar zweeg en weende.
De simpele Erik kreeg een slag van quot;t paard. Don wilden hengst; mon vond hom in den stal, Dood, in een bloedplas. Knoed vergoot geen traan.
80
Hij vroeg niet meer als eertijds, of niet hier Een l)os :h of ginds een setor was te koopen:
Voor wien ? — Vaak draaide hij gejaagd zijn muts In zijne knokerige hand, en zuchtte.
Vaak riep hij in den nacht: «o Kari, Kari!» Aan Erik dacht hij ook. De dochter weende. — Vaak stampte hij met zijnen stok; dat was Om Margit. Spottend snauwde hij haar aan: «Beeldt gij u misschien in, dat u de koning Van Stockholm met zijn zoon en zijne jonkers Zal komen vragen, wien gjj hebben wiltV» — Een andermaal als hij te treuren zat:
«Wat weet ge. Margit, van den langen Ola? Het was een sterke kerel, die lange Ola;
Hij deed meer werk dan drie. Hij hoefde ook niet Zoo driftig weg te loopen, die lange Ola.» — «Gij hebt hem weggejaagd; hij zou en moest weg. De vreemde hond; hij moest en zou weg!» — «Hij hoefde niet zoo spoedig heen te gaan.» — «Mag hij dan wederkomenV Meent gij dat?» «Gij zijt zoo valsch als water! Weet gij dat! Wat ben'k voor u? Een steen op uwen weg. Een steen op zijnen weg naar Runedal.
Ik heb gezegd, dat hij, zoolang hij leeft.
Nooit meer, een voet zette in mijn huis of erf, In veld of bo.sch, op seter, beemd of weide.» — «Dat woord, in drift gesproken, is verwaaid als
81
Rook in den wind; geen engel schreef liet op.» — «Het was mijn woord! Gij zijt een dwaze meid.»
Zoo zat de moede man, en droomde en knikte
In zijnen grooten leunstoel bij den haard;
En droomde jaar en dag, en dronk en droomde,
En strompte heen en weer, van stoel naar hed.
ïot men hem uit zijn stoel naar Hitterdal
In 't bed droeg, waar hij sliep en niet meer droomde.
En Margit treurde om hem. Zij was alleen!
De zomers en de winters kropen heen.
Maar duurzaam was heur smart; zij rouwde om dooden.
En leed in stilte om hem, dien, diep en trouw.
Ze in 't harte droeg, als onder 't kleed van sneeuw
Het bleekje klokje heimlijk leeft en ademt.
Zij sprak zijn naam nooit uit; het dienstvolk ook
Eerbiedigde heur stomme smart en zweeg.
He kleine Rasmus van den paardenstal
Was knecht geworden en had vrouw en kind.
Zoo goed hij kon bestuurde hij de hoeve;
quot;t Bestuur van 't huis nam de gebiedster waar
Met overleg en onvermoeide hand,
Doch zonder vreugd. Zij zorgde wel en werkte.
Maar vroeg zich af als vroeger Knoed: «voor wien?»
6
82
ZÜ was een schoone vrouw, de alleen-bezitster
Der schoonste hoeve in 't dal. Geen wonder, dat
Weer aanzoek kwam op aanzoek: trotsche boeren
Van heinde en ver, en menig flinke borst.
Ja zelfs een knappe koopman van de haven,
Die met de mooie bruid de mooie dennen
En reuzenpijnen meende te veroveren.
Zóó druk liep 't in en uit en heen en weêr
Op Runedal, dat knechts en meiden lachten.
Als de eene ging en aanstonds de andre kwam.
Een gast, die nooit ontbrak, was Nils de speelman.
Gelijk de jager, die zijn herten kent
En 't aantal reeën in zijn jachtgebied.
Zoo wist hij op de vingers uit te tellen
Wat huwbaar was, wat graag gehuwd zou wezen
In zeven dalen op en af in 't land.
Het was een slimme vos! Hij had een schat
Van weldoordachte, honigzoete woorden
Om de eigenschappen z ij n e r lui te roemen:
De schoonheid van den oen, de kracht des andren.
Den geest en 't geld eens derden, vierden, vijfden.
Het meisje hoorde zwijgend toe, en dankte.
Dat was het kort bescheid voor hem en allen.
Ook kwam er een, die vroeger zelden kwam.
83
Haars vaders broeder, Sören Erikson,
Die in 't gebergte een needrig goed bezat Maar eenen schat van bloeiend scboone kindren. Knoed mocht hem niet, den zaehten, bleeken man; Hem was hij veel te zacht en veel te bleek.
Hij zei hem menig scherp en grievend woord.
Doch Margit mocht hem graag; verheugd gaf zij De hand hem, als hij kwam; en als hij ging. Belastte zij hem rijklijk met geschenken Voor al de kindren cn zijn kleine vrouw.
Dikwerf ook praatten ze urenlang te zamen Van vroeger tijd, van Kari en van Knoed,
En van 't noodlottig einde van het kind;
Maar nooit van Olaf, nooit van Margit's toekomst. Hij was een man van doorzicht, eerlijk trouw. En gaf haar u'oedon raad in vele zaken.
O O
Toch liep 't nog soms verkeerd en schuin en scheef Met bosch en akker; haar benijders lachten,
Vooral de koeltjes afgewezen vrijers.
Een hunner. Prick van Hedeby, zoo dom Als ploerterig, zette in den nacht vóór Pinksteren Een reuzigen, vervaarlijken strooman Vóór Margit's venster. Zij, ojli! liet hem staan Tot Rasmus en zijn zoon de pop vernielden.
Zoo leefde zij in stille zielesmart,
84
Knoeds erfgenaam, zoo rijk en toch zoo arm.
Haar bleeke wang trok zich in zachte plooien Om neus en mond; grijswitte draden spikten Heur weeldrig haar, maar 't oog behield zijn glans. En helder, rimpelloos bleef ook haar voorhoofd. Zij deed haar plicht, trouw, zedig, ingetogen.
Naar 't voorschrift van de wet, door God den Heer Met eigen hand op Sinaï geschreven.
XIL OP EIGEN GROND.
noordsche landman is geen zondagskind. MJf* Hij blikt niet vroolijk in het blijde leven.
Zijn oog is zacht en klaar, bewolkt zijn voorhoofd, Zijn aard weemoedig evenals zijn liedren.
Die, zelfs bij feesten, steeds als klagend ruischen. Zwaar als de wolkenvracht op zijne bergen En somber als de lange nacht des winters Drukt ook op hem des levens zware last.
Want kampen moet hij om zijn nooddruft, strijden. Aanhoudend, tegen weerstand en gevaar.
Op zee en fjord de storm, die van de rotsen Met arendslust zich stort op zijne prooi;
De valsche gletschcrs, kloven en ravijnen; De helling, waar hij ijlings over glijdt; De zwellende ell, die schuimend dalwaarts bruist
86
En plotsling woud en akkerveld verwoest;
Zijn akker zelf, zoo trouwloos en ondankbaar Dat hij zijn zweet met doorn en distel loont; De wakkre beer; de wolf, die grauwe gluiperd; Ook nijd en plagerij, die onheilsgeesten. Die ginds in 't meer, hier in 't gebergte wonen: Zij allen htaan vijandig tegen hem,
Om dag en nacht hem rustloos te bestrijden. Doch als vrij man, een koning op zijn grond. Van kindsbeen af gestaald voor 't hardste werk. Gespeend met stormen, koen, gezond en sterk, Niet woordenrijk, maar tuk op kloeke daden. Een kind in eenvoud en een man in vroomheid, En braaf en goed, doch zonder het te weten: Heft hij vol moed en troost èn hoofd èn hand; En komt de nood, dan vindt hij zijnen man.
Hij, Olaf, was eon echte zoon van 't Noorden.
Het ging hem niet, op 't goed van zijnen oom
In loome ledigheid bij 't vuur te droomen.
Geen geld ook wilde hij, om diep in 't dal
Bedwelming zich te koopen voor zijn leed.
Wel dacht hij vaak aan Runedal; thans kon
Hij vrank terug naar Runedal en zeggen:
«Hoor, trotsche Knoed! ik ben 't; het bloed, dat door
87
Mijne aadren stroomt, is vrij en rein als 't uwe! En wilt gij goud, ik breng een erfgoed mee!» — En tocli onmooglijk. 't Ijsblok wordt niet warm, Hoe zoel en heet de lieve zon ook schijne. De balling was voor eeuwig weggejaagd;
Nog sneed hem 't hoonend afscheidswoord in 't oor: «En kwaamt gij weder met een karvol gouds, En kwaamt ge weêr als prins: ik joeg u weg!» — Daar lag de steen! Voor zijne melen leidde Nooit meer een weg terug naar Runedal Doch steeds op Runedal was zijne zifJ.
Zoo bleef hij in de hem zoo eigen bergen.
En wilde op eigen grond zich 't onderhoud Verdienen. Van zijn erfdeel nam hij slechts Eén morgen lands, en bouwde er zich een huis Van dennenstammen, groot genoeg voor één.
Voor twee man ook, maar niet voor vrouw en kind. Zoo dicht nabij de rots, dat zij hem schutte.
Doch ver genoeg ook van de wankle klippen Om niet eens plotseling verplet te worden.
Daarna omheinde hij zijn tuintje, en spitte Met moeite en zweet een klein stukje akker om. Dat voedsel voor den zomer hem moest geven En voorraad voor den langen, strengen winter.
88
'tWas hem een lust, met net en angel langs Den vischrijke' elf of 't heldre fjord te jagen Op reuzenzalmen, machtige forellen,
Als slechts het Noorden ze in het kiezelbed En 't stroomkristal van zijne waatren herbergt: 'tWas zeer gezochte waar altoos, maar slecht Betaald met kleingeld, als hij ze elke week, In versch gras en in loover wel verpakt, Te koop bracht naar de verre pastorie.
Des winters zotte hij met kuil en strop En jachtgeweer het vuige roofdier na.
Dat door de bergen zwiert, en dag en nacht Om hut en hoeve sluipt en loert en aast. Grauwbeen, de grimme woudhond; meester vos, Hoe slim hij was; en de otter, die hem haast De hand te splinter beet, toon hij het waagde Wat al te driest den deugniet vast te grijpen; Ook de edelmarter met den zijden pels. En veelvraat, bever, hermelijn en bunzing: Hij nam hun allen 't warme winterkleed.
Dat hij met zorg en kundig wist te weeken En tot zacht lenig bontwerk te bereiden: Ook zeer gezocht en graag gekocht door kooplui. Die ieder voorjaar ieder dal bezochten. —
89
Hij fctookte ook teer uit bruine dennenwortels, Welriekende olie, goud van kleur, alom Geroemd en veel gevraagd door boer en schipper. Zijn vreugd had hij eraan, den plompen bak.
Dien hij zich zelf van eik en den gemaakt had. Met forsche slagen door het meer te roeien Om menschen naar de kerk, soms een verdwaalde In 't afgelegen dal vooruit te helpen.
Toeristen ook van 't kolen-eiland namen Bij hem hun intrek in den schoonen zomer En in den heldren herfst; gebaarde mannen Met visscherstuig, met houden en geweren. Met alpenstokken, zon- en regenschermen. Met pak en zak. Zij deelden weken lang Zijn kleine hut, zijn sober maal met hem. Om heden 't steilste rotspunt op te klauteren En morgen visch en vogel buit te maken.
Zoo leefde hij nu maanden, jaren lang; Zoo wisselden de zomers en de winters; De reus bezorgde woning, kleed en kost Met arbeid en gebed, een vrome kluiz'naar. — Zijn hartgoede oom, de grijze Lars, was dood;
90
Eu Osmund sukkelde, grijs vóór den tijd Eu zwak van borst eu kreupel sinds een val Op eene berenjacht in 't hooggebergte.
Zijn vrouw Sigune, vroeger knap en vroolijk, Pokdalig sinds haar ziekte, en kinderloos, Was geemlijk en verdrietig, en zag zelden Den ougewenscliten kluiz'naar vriendlijk aan. De neven hielden van elkaar; toch kreeg De hut niet ui te druk 't bezoek der hoeve. —
Daar kwam op eeneu avond laat - 't was herfst — Rasmus, de knecht van Runedal, en bracht — Hoe, God, is 't mogelijk?! —een groet van Margit. Geruchten gaan op vleuglen door de wereld. En niemand weet, vanwaar ze komen, noch Waarheen ze gaan, als 't vreemde zaad, hetwelk De wind soms opneemt in een verre streek En hier op 't rotsbed, daar op 't dorre zand.
Ginds op eeu warme, gunstige aarde strooit. Zoo kwam door praten en door overprateu De sage als wonder nieuws naar Runedal,
Dat ver aan gene zij van het gebergte Eeu reus zich ophield in een rotsspelonk.
Met nog een wezen, eeuen beer of' berggeest,
Doch anders eenzaam en geheel verlaten.
91
Margit vermoedde, wie die kluiz'naar was,
En zond haar knecht, die hem ten langen leste
Eu na lang zoeken vond, en hem vertelde
Van 'tleed der meesteres, van Erik'.s dood
En van het droevig sterven van henr vader.
Hij praatte druk van 't werk der boerderij.
Van veld en hosch; van d' elf, die op een morgen
In Juni plotsling zoo onstuimig zwol.
Dat quot;t woeste water drong in huis en schuur.
En Margit slechts met moeite — zij bleef kalm —
Oom Sören's kindren Jens en Sidselil,
Die' zij tot troost bij zich genomen had,
In de verwarring en 't gewoel kon redden. —
Ook wadmaal bracht hij meê, een gansche rol,
Grijswollen kleederstof naar landsgebruik
Door Margit zelf gesponnen en geweven.
Terwijl zij bij het haardvuur tegenover
Elkander zaten in den matten schijn
Eens dennenspaanders, ernstig sprekend over
Het good en 't kwaad van vroeger en van thans.
Beschouwde Rasmus met verholen smart
Het hooge, kale voorhoofd, 't dunne haar
Van den reusacht'gen, thans gebogen man,
En merkte een bittren trek om zijnen mond.
Des andren morgens, toen de knecht vertrok.
92
Schonk liem de kluizenaar een berenmuts, Een warm paar handschoenen, en bovendien Voor Thora, zijne vrouw, twee bonten kragen. Toen gaf hij hem, na lange keus, voor Margit, Niet voor de zijne, maar voor zijne Margit, Een grooten bundel uitgezochte pelzen.
Sinds jaren al bewaard, en rijk genoeg Als wintermantel eener koningin.
Hij keek den bode peinzend na, eu dacht: «Margit! trouw hield ze de beloofde trouwe Zooals ik trouw beloofde trouwe hield.
Toen voor het eerst zij mij ,lieve Olaf' noemde En ik voor 't eerste ,lieve Margit' zei.
Toen waren wij gebonden, zij en ik. — Men zegt van eenen berg in 't hoogste Noorden, Dat hij elk vaartuig, dat hom argloos naakt, Door wonderbare kracht en bout èn spijker Uit boord en planken rukt, eu 'ttot zich trekt. Zoodat het uit zijn voegen, los en lek Paarheneu drijft tot spot en spel der golven. Een sage? Mogelijk! Mij toch verklaarbaar. Ik liet mijn beste kracht op Runedal. Op Runedal bleef mijne gansche ziel.
Die kunt gij met uw machtwoord uiet verbauneu
93
Uit uwe hoeve en huis, Knoed Erikson!
De Dovreklippen zijn zoo steenig niet
En hard als gij! Zij dragen niet hun kruin
Zoo hoog en trotsch als gij den starren nek!
Ik hood u mannenkracht en kinderliefde;
Gij eischtet hoerenhloed. 'k Was niets voor u,
Een waardloos ding, een groote, vormlooze aardkluit.
Dien gij verachtlijk van uw drempel schooft.
Gij hunkerde naar goud! — Rampzalig goud,
Dat u ten onheil werd, gelijk het rotshol
(Naar men vertelt) den draak, die 't goud bewaakte,
Ten onheil werd, ten onheil ook den held.
Die hem versloeg, en meê het grimmig wijf
En haren ganschen aanhang ten verderve
Door brand en moord, tot 't in den vloed verzonk.
Indien het menschdom naar gorechtigheid
O O
En naar Gods zegen stond, gelijk 't nu rustloos Naar macht en schatten jaagt, het hadde al lang Het schoone Paradijs teruggewonnen.»
XTII. MAGNUS.
weder kwam met 't licliteiid wolkensehip l)o langquot; verbeide gast, de lente, aan land; En strooide, vroolijk lachend, bloem en blad In elke kloof; en aêmde zacbt en warm De gletschers langs, de in ijs gestolde firnen; Ea stoeide met den waterval naar 't dal;
En speelde met de blauwe golf van 't meer En met den gulden lok der herderin.
Als blij beur hoorn der lente 't welkom blies Van berg tot berg, en, wijd in 't rond, haar znstren Van berg tot berg haar vroolijk antwoord gaven.
Behaagljik rnischend wiegde zich de den Op 't heuvelvlak; zij boog en zeide tot Den appelboom, die stond aan haren voet:
95
«Wat was de winter akelig en streng!
Ik droeg wel maanden lang de ruwe pij Van rijm en ijzel, en verdroomde sluimrend De nare dagen en de schemer nachten,
En zuchtte als de oude reus, de wilde storm, Mij in zijn armen drukte en plomp en ruw.
Naar berenaard, me om wederliefde vroeg.
Geen vogel zong, geen alpenklokje klonk! Bijwijlen slechts het schreeuwen van den specht, Bijwijlen 't korte fluiten van den langen Woudmensch daarginds, als hij met zijnen hond Diep in de sneeuw het spoor van wild vervolgde. En nu, hoe zonnig, vol genot is de aarde! De duif kwam wêer; de zwaluw is terug En bracht do groeten mee van mijn verwanten. Het adellijk geslacht des Libanoas!
De beken hupplen zingend naar het dal. En beemd en weide bloeit: en ook uw bloesems. Mijn waarde buurman, zwellen rood en wit. En eiken dag steeds rooder en steeds witter.» Zoo lispelde de den in hare vreugde.
En schudde blij beur donkergroen gewaad, Zoodat een wolk van zoete balsemgeuren Welriekend als een mantel haar omhulde.
En de appelboom hernam: «Gelukk'ge buur!
96
Ik moet maar bloeien, bloeien, haastig bloeien;
Want evenals de wind door mijne takken,
Gelijk de merel pijlsnel in haar vlucht.
Zoo jaagt en vliegt de zomer ras voorbij;
Dan komt de winter in één nacht, en strooit
Onaangenamen geur me op 't groene loof.
Dus moet- ik bloeien, bloeien, haastig bloeien;
Zoo niet, dan heeft met Kerstmis de boerin
Sigune geenen appel aan heur boom;
Zij moet hem hebben, zij 't ook slechts voor 't oog.
Of tot verdriet, dat zij de gouden vrucht
Aan afgebeden kleinen niet kan schenken. —
Doch zie, de dag gaat om, hoe schoon hij was;
De koude mist, mijn vijand, trekt omhoog.
Ik maak mij bang. Nu, buurvrouw, goeden nacht!»
Nu was 't weer stil. De stralende avondzon Zond nog een laatsten groet naar 't diepe dal. Waar Olafs kluis reeds in de scheemring stond. Zij kleurde purperrood den kam der rotsen. En doopte in glimmend goud den dennentop. Waarop de lijster 't wiegeliedje zong.
Op eene steenen bank vóór zijne deur Zat Olaf, en verstelde een scheur in 't net.
Door een onstuim'gen zalm vaneen gereten.
Daar sloeg zijn waakhond aan! — de trouwe lap
97
Was lang reeds dood en in zijn waclitersambt
Tot driemaal opgevolgd. — Een vreemdeling?
Den rotswand af kwam moê en loom van tred,
Den ransel op den rug, den breeden hoed
Met groenen looftak luchtig in de hand,
Een jonkman, groot en zwaar, met lange lokken.
Waarmee de koele berglucht lustig speelde.
Hij trad nabij en groette: «Heb ik 't wel,
Dan zijt gij Goliath?» — Zoo noemt men mij.» —
«Goddank, dan ben 'k terecht! —- Mijn naam is Maguu
'k Ben schilder en om u hierheen gekomen.
Men kent u ver in 't Zuiden van ons land,
En menig reiziger spreekt graag van u.
Ik kom uw meren en uw bergen sshildran.
Zoo 'k kost en onderkomen bij u vind.»
«Die staan ten dienst, zoolang het u belieft
En gij met wat ik heb tevreden zijb.
Kom binnen, rust wat uit; gij zijt vermoeid.
Pan zorg ik middlerwijl voor spijs eu bed.» —
Na een'ge dagen waren beide mannen.
De kluiz'naar en zijn gast, reeds dikke vrienden.
Die goede Magnus! Nauwlijks 't jongensbuis Ontgroeid, wrong hij zich in 't matrozenpak,
7
98
Dat toch, hoe wijd het was, zijn borst beknelde. Wat was hij graag heel de aarde rondgezworven,
Naar Noord en Zuid, in stormen en gevaar.
Was niet do dienst aan boord, de eentonigheid Van gistren en vandtiajj vandaag en morgen
O O7 O o
Den jongen dweper steeds tot last geweest.
Viuik stond hij stom naar 't woeste golfgebruis,
Naar 't kleurenspel van wolken en van water,
De wondre wisseling van licht te turen;
Vaak hing hij hoog in 't want, of zat hij in
De ben, wanneer het schip voor anker lag.
En teekende met vlugge stift den gletscher,
Die steil naar zee daalt, of de visschershut
In 't houtgewas aan 't strand, of 't rotskasteel,
Den rookenden vulkaan, de hooge koepels
En slanke minarets der Turkenstad,
Of op een oosterseh eiland onder palmen
Een kudde en herder by een tempelrume. —
Dan zeide de oude stuurman: «Beste Magnus!
Hoe flink ge ook zijt, daar steekt in u geen zeeman;
'tls jammer voor uw knuisten, beste Magnus!»
En zeeman werd hij niet! Vier jaren lang
Voer hij met weerzin op de onzeekre golven;
Toen keerde hij den rok ten derden maal
En stak met vreugd zich in den ssliilderskiel.
En vader Rijn zag aan zijn groene boorden
Hem toovren met penseelen en palet
99
Op meen'gen zomerdag! — De grijze meester,
Die zelden prees en nooit tevreden was,
Had vaak een knikje voor den wakkren leerling,
Die steeds vooruit streefde en vooruit ook kwam.
Toen trok hij friscli den stroom op, en doorkruiste
Het heerlijke Alpenland, en las, en las
Met peinzende aandacht, soms met vochten blik
In 't wonderbare, grootsche prentenboek.
Dat God daar voor den mensch heeft opgeslagen.
En altoos vaster werd zijn oog en hand,
En altoos rijker werden zijne schetsen,
En altoos hooger steeg zijn jeugd'ge moed.
Doch evenals in de eerste lentedagen
De lijster in het Zidd de borst beklemd
Zich voelt door zeker vreezen en verlangen,
Zoodat hij 't lied vergeet en treurend kwijnt
In 't schoone, rijke vaderland der zonne,
Tot hij de vleuglen klept en met gezang
De zee van lucht doorklieft naar 't arme Noorden:
Zoo ook bekroop den nimmermoeden dweper
Eeu heimwee naar het oude Rijk van Ring,
Zijn hoogten, diepten, fjorden, watervallen.
Naar 't week geluid van zijn norrilna-taal,
Eu naar de forsche meuschen, die haar spreken.
En rustloos vloog hij over zand en zee.
Sterk in zijn hope, ook sterk in kunst en kracht.
Naar de oude stad en 't dierbaar vaderhuis. —
100
Zijn rust was kort. Hem tlr.;ef de zucht, om 't grootsclie
Van 's Heeren wondren in zyn eigen land,
In 't hooge Noord, te aanschouwen en te malen.
En spoedig greep hij weêr den wandelstaf,
En kwam na meen'gen stoot op ruwe paden.
Na meen'gen schoone» tocbt door weide en woud,
Bij Goliath, het doel der verre reize.
Mis dronken zwierf nu Magnus op en at is dronken zwierf nu Magnus op en at ; Door 't hooggebergte in jonge lentepracht. Een molmen stam of grauwbemosten steen Tot yitbank onder 't donker loof der pijnen, Zat hij te staren in die grootsche wereld, Die maagdlijk, als in 't blanke kleed der onschuld, Nog onbesmet door 't schuim en slib der jaren In hunne woeste strooming, vóór hem lag. Hij luisterde, als de wind in 't hoog geboomte De aloude liedren zong van uit den tijd.
Toen pas de tijd begon, eu zegen spreidend Des Scheppers adem op de waatren zweefde. Zoo luistert in den dom te Nidaros Een knaap naar 't orgelspel, en voelt het na-zijn Van 't wonder Heil'ge, dat hij niet begrijpt Maar dat hem zijns ondanks door 't harte trilt.
102
Dam- bracht hij met zijn vaard'ge kunstnaarshand Den reuzenvorm van berg en dal in beeld,
Nu eens bij stormgeloei en golfgebruis Dan weer gedoopt in streelend zonnelicht, In blauwen neveldamp of in den schemer Der zachte maan bij stillen Juni-naeht.
En ieder doek was in zijn kleurenrijkheid Een lofgezang op 's Heereu macht en goedheid. Zoo bleef hij welgemoed de gansche lente Aan 'twerk, zoover de zorg voor 't eigen ik De beide mannen niet door hout en woud,
Langs 't blauwe meer, den bergstroom op en af Met hengelroede en net en buks deed zwerven.
Lang was het smachtend lokken van den woerhaan.
Der leutelijster heldre slag verstomd;
De leeuwerik zong in de reine lucht.
En uit liet gerstveld schalde blij eu dankbaar
Des kwartelkonings roep tot Frei, tot Prei
Den goeden god, die 't gouden koren geeft.
Eens tegen d'avond kwam de jonge kunstnaar, Tevreden met zijn dagwerk, moê naar huis;
Maar stond verbaasd van verre om wat hij zag. Vlak bij de hut in 't lommer van de dennen
103
Een vreemdeling, die blister vroolijk scheen
En met den jacbtliond van zijn gastheer speelde.
En op de rotsbank Olaf, hand in hand
Met eene vrouw, vertrouwlijk met haar pratend.
Zij glimlachte; maar 't was een droeve glimlach,
Als zonneschijn op 't hardgevroren veld.
Toen Magnus na kwam, stonden beiden op.
«Zie, Margit,» zei de reus, «dat is nu Magnus,
Mijn huisgenoot, van wien 'k u heb verteld ;-gt;
En aarzlend: «üit is Margit, waarde Magnus;
Vandaag ot morgen spreek 'k u wel van haar.» —
De schilder boog en groette sprakeloos.
Maar wierp terloops een vluggen kunstnaarsblik
Op 't statig uiterlijk der bleeke vrouw,
Heur vroeg vergrijsde liaar, naar landsgebruik
Half met een donkerzijden doek bedekt;
Haar schoone, blauwe, doch omsluierde oogon, —
Men zag 't ben aan, zij hadden veel geweend, —
De smalle hanepootjes aan heur slapen.
Die scherper werden toen zij zachtjes sprak:
«De zon is reeds aan 't dalen; vrouw Sigune
Wacht zeker mij al lang op Byglandsliof.
Kom, Rasmus, neem den korf!» Toen reikte zij
De hand aan Goliath, en keek een wijle
Hem zwijgend aan: «Nu, Olaf, moet ik gaan!»
«Dank, lieve Margit! Ja, nu moet gij gaan!»
Zoo scheidden zij, wie weet, misschien voor eeuwig.
104
Als droomend, de armen op de borst gekruist, Voorover starende in de leêge ruimte Stond Olaf daar; dan streek hij langzaam met De barde hand langs voorhoofd en langs oogen... Of soms een traan aan zgne wimpers paarlde, Sinds menig jaar een ongewone gastV
Laat, toen de maan in 't donkre luchtruim htond Eu trillend door de dennentwijgen scheen, Die heimlijk fluisterden iu de avondkoelte, Zat Olaf, 't hoofd gesteund op hand en knie, Weer naast den schilder vóór de deur, en sprak: ««Nu, Magnus, ga 'k van Margit u vertellen.»
En bij begon van zijne kinderjaren,
Van Eiwind en van Kandi op te halen,
Van 't eenzaam hutje en 't storten van de rots. Van Runedal, van Knoed den boer, van Kan, Van Eriks roof, en eindlijk ook van Margit; Van 't aanzoek, dat hij deed, en Knoeds bescheid, Van zijnen bergtocht en den goeden Lars,
En hoe bij hier, zoo thuis in 't eenzaam dal. Ver van de menscben zich een woning bouwde. Toen ging hij voort: «Sinds Margit Rasmus zond En wist waar ik verbleef, bezocht zij mij
105
Langs grooten omweg om het hooggebergte
Geregeld op een zomerdag elk jaar.
We eerbiedigen Knoeds woord; hij was haar vader!
Deed hij verkeerd? Wat baat daarover 't twisten!
Zijn dwaling is vergeven; als hij dwaalde,
Dan was 't in 't goede, want hij meende 't goed. —
In Hitterdal preekte eens de wijze priester;
Het erfdeel aller menschen is de smart. —
Zooals alle andren erfde ook ik mijn deel
En nam 't gewillig aan! En Margit erfde
Een deel, dat zwaarder was, en nam het aan. —
De priester zeide nog, dat elke wolk,
Hoe zwart ze ook dreigt, ten hemel is gekeerd
En hare lichte zonnezijde heeft.
De zonnezij van onze wolk — zij heet
Berusting, die men leert na menig jaar.
Hoovaardigheid begeert, trotseert, verheft zich;
Berusting zwijgt, en buigt zich en verzaakt.
De mensch is zonder rust, zoolang hij wenscht;
Maar zelfbedwang geeft rust en maakt hem sterk.» —
«En nu zijn we oud; mijn haar is grauw als mos; Ze is heeu — en komt ze weer, dan is 't misschien De laatste maal, om mij in 't graf te leggen. Dan mag ze een kus me op 't kille voorhoofd drukken
lOG
Haar mond heeft nooit mijn lippen aangeraakt. Magnus, gij weent ? — Stil: God regeert het al Kom, laat ons binnengaan. De wind is scherp En drijft van d'elf den valen mist omhoog. De maan is ouder in de sneeuw en 't ijs Des klippenkams, en 't is na middernacht.» —
Zoo eindigt, zij 't met tranen, toch in vrede Het droevig lotsverhaal van Goliath.
Dc op do voorgaande bladzijden verhaalde geschiedenis berust in hoot'dnaak op eene ware gebeurtenis, zooals de dichter vóór vele jaren haar vernam uit den mond van den Noorweegschen landschapsschilder Magnus von Bagge.
Waümaal is een dikke wollen stof, dc gewone kleederdracht des landvolks.
Seter ot' siiTEii is een afgelegen bergweide, ongeveer gelijk dc senne en matte in Zwitserland, met volledige melkinrichting.
Holders zijn elven, den mensch genegen, dikwijls ook boosaardige wezens.
])e Lemming, mus norvegicus, is eene van tijd tot tijd — om de 20 jaren tweemaal — uit het gebergte dalwaarts afkomende veld- en trekrot, die op haar tocht in talrijke scharen alles vernielt wat haar in den weg komt en vaak grootc verwoestingen aanricht.
De zetex Zustren zijn zeven ontzaglijke, 4UÜÜ voet hooge rotsklippen in den Atlantischen Oceaan aan de Noorweegsche kust bij den poolcirkel.
Eautasteenen of dolmen zijn heuvelen, tot gedachtenis der afgestorvenen opgericht uit ruwe rotsblokken, dikwijls ook gehouwen en met runenteekens voorzien; zij hebben overeenkomst niet de hunebedden in ons land.
Van Siwar S parens wend wordt gewag gemaakt in een oud-deenseh heldenlied, als zou hij met zijn gordelriem aan een eik gebonden, dien met den wortel uitgerukt, en met hem als bloemruiker aan den gordel gedanst hebben.
Ring is een oud-noorsche koning.
Noeeüna-taal is de oud-noorsche taal.
Nidakos is Drontheim.
. V.quot;|';
: :•,. V ' C ■ gt;
-
|
: ~ -■;gt; ■■ , . .. J -.,. r |
■■ *•* jRfV.r.J • HtSB ■ ■ ■'■S ïV; üss l ??;:% -i;: . .;v:.v Ï-. quot; V :v- ...-v'..- ri- -'j •'! V •quot;■ , • •lt;■ r 0'/ '• ' f - -• •.quot; h , * ■i;.; ■■ l ' . ■■ '■quot;■# ,1 f s •■.■■. ; ■■:- v' - '•'. --V . ' ■ - ■ ■; / :'-V- quot;ft |
ei tSïi
.