ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

v '■

, . ■■ ■ s - ■ ,

s

ti

A

f '

f

)

■

-

ocr page 4
ocr page 5

ESUS VAN N AZARETH

J /

N.

J

ocr page 6

Aigcmene Provincie Kataloog Minderbroederskiooster Alverna Gld

ocr page 7

JESÏÏS YAÏf NAZARETH

NAAR

TPère ©idori's

JÉSUS-CHRIST

BEWERKT DOOR

A. H. W. KAAG.

X y iiiblidtlieca

■ „vsntus -YorloD

vantus-y c / %

\

UTRECHT. - quot;WED. J. R. VAN ROSSUM. - 1893.

ocr page 8

IMPRIMATUR.

J. G. H. C. ESSINK,

Libr. Cens.

ültrajecti hac XVa die Maji 1893.

IMPRIMATUR.

H. J. H. RUSCHEBLATT,

Libr. Cens.

Amsteiodami hac XVa die Maji 1893.

ocr page 9

„Jésus-Christquot; van père Didon is in Frankrijk met graagte gelezen. In andere landen zijn daarvan vertalingen verschenen, die even gretig worden ter hand genomen.

Na rijp beraad, in overleg met anderen, héb ik voor Nederland geene vertaling, maar eene vrije bewerking van dit beroemde boek gemaakt.

Naar de redenen dezer handelwijze zal men wel niet nieuwsgierig zijn.

Moge dit zaadje van den grooten Zaaier vele rijpe vruchten voortbrengen, ook op onzen nederlandschen grond.

de bewerker.

ocr page 10
ocr page 11

INLEIDING.

Be critiek en de historie hij het verhalen van Christus' leven.

Er is in de historie geen grooter naam dan de naam van Jesus. Hij alleen heeft onder alle volken en geslachten van alle tijden zijne aanbidders gehad.

Van hem is overal verkondigd, dat hij gestorven is aan een kruis en dat de mensch, door hem te beminnen, behoudenis vindt. De onverschilligen van de moderne wereld zelfs willen wel toegeven, dat voor de zwakken en ongelukkigen niemand beter was dan hij.

Geen wonder dus dat allen het leven van dien Christus') in al zijne bijzonderheden willen kennen, en het verhaal ervan reikhalzend verlangen te lezen.

Maar het verhaal van zijn leven moet dan ook aan de eischen der historie beantwoorden.

Eene ongeloovige critiek heeft het leven van Christus beschreven en getracht velen te overtuigen, dat de Christus der overlevering en der Kerk niet de historische Christus is.

Ook wij, die gelooven, hebben dit leven van dienzelfden Christus te boek gesteld, en daarbij aan alle rechtmatige eischen der historische critiek voldaan.

Het boek wat wij U hier aanbieden is de vrucht van onzen arbeid.

') W(] hebben gemeend bijna overal in de plaats van den naam Jesus , dien van Christus te moeten gebruiken.

De bewerker.

ocr page 12

INLEIDING.

Een onderzoek naar de oudheid, de betrouwbaarheid en rechtsgeldigheid der oorkonden, de waarde der getuigen en den aard der feiten, in de oorkonden door de getuigen vermeld, ga hier vooraf. Vooral gedurende de laatste honderd jaren is hierover in Duitschland, Zwitserland, Engeland en Frankrijk zooveel geschreven, dat wij van dat alles slechts een zeer kort overzicht kunnen geven, en ons tot zekere uitgemaakte waarheden moeten bepalen.

De twaalf Apostelen, met wie Christus gedurende twee en een half jaar als met vrienden omging, voor wie hij niets verborgen hield, die al zijne woorden hoorden en al zijne daden aanschouwden, die eindelijk al hunne yooroordeelen lieten varen en hem voor den Zoon van God erkenden, die den moed hadden , eenige dagen na den dood huns meesters, voor hunne overtuiging uit te komen, ofschoon zij met de gevangenis en den dood werden bedreigd, zij zijn de eerste getuigen, en hunne prediking is het eerste Evangelie.

Van dit Evangelie kan niemand ontkennen, dat het oud is, betrouwbaar en rechtsgeldig.

Zeer spoedig kwamen de Apostelen tot de overtuiging, dat het Evangelie, wat zij verkondigden, moest te boek gesteld worden om aan het verlangen der nieuw-bekeerden te voldoen, en aan dezen eene getuigenis te geven die, na hun gesproken woord, kon voortleven.

De algemeene overlevering der Kerk laat het eerste Evangelie ontstaan tusschen de jaren 33 en 40 van onze christelijke tijdrekening '). De schrijver van dit Evangelie is Mattheüs, de tollenaar. Het werd voor de joden van Palestina 2) en Jerusalem in hun spreektaal d i. in het arameesch dialect - een mengsel van chaldeeuwsch en syrisch — dat de taal van Christus was, met hebreeuwsche letters geschreven.

') Eus., Chronic., Trenëus, Adv. haeres. Ill, 1.

l) Hiëron., Adv. Pelag., III, 1; Irenëus, Adv. haeres. III, 1; Euseb. Hisi. Eed. III, 24; Hiëron. De vir. iUustr.-, Fragm. Papias.

IV

ocr page 13

INLEIDING.

Het hoofdpunt van het geloof der Apostelen was; Christus is de Messias van Israel, door de profeten voorspeld. Van die waarheid trachtten zij alle joden te overtuigen.

Deze waarheid is ook de ziel van het eerste Evangelie. Het begint daarom met het geslachtsregister van Christus, waaruit blijken moest, dat hij de zoon was van David, uit wien, gelijk allen wisten, de Messias moest voortkomen. Wat door de profeten van den Messias werd voorspeld, wordt in dit Evangelie aangehaald en als vervuld in Christus aangetoond.

Daar ook de joden die buiten Palestina woonden in het verkondigen van deze waarheid belang stelden en dezen alleen de Grieksche taal verstonden, kwamen er vele vertalingen van Mattheüs' Evangelie in omloop '). Eén van deze vertalingen vooral kwam zoozeer in gebruik, dat zij spoedig den oorspronkelijken tekst verdrong, die na de verwoesting van Jerusalem voor goed verdween.

Eenige jaren later, omtrent het jaar 42, toen Petrus, vluchtend voor Herodes Agrippa, naar Rome trok, was hij van een zekeren Marcus vergezeld. Deze Marcus wordt door Papias 1) de tolk. door den H. Hiëronymus 2) de geheimschrijver van Petrus genoemd.

De prediking van Petrus te Rome was bijzonder gelukkig en de nieuwe broeders wenschten van Petrus eene herinnering in schrift aan zijn gesproken woord. Marcus schreef nu zijn Evangelie, dat, door het gezag van Petrus bekrachtigd, in de geheele Kerk, volgens het getuigenis van den H. Clemens 3), voortaan werd voorgelezen.

Het getuigenis der gansche oudheid is voor dit feit eenparig 4).

V

1

) Euseb. loc. cit.

2

) Epist., CXX, qu. 11.

3

) Hiëron. Ce vir. illustr., VIII.

4

s) Vgl. Papias ap. Euseb. Hist, eccles., III, 39; Clem. v. Alex. ap. Euseb. II, 15; VI, 14; Ireneus, Jd». haeres, III, 1; Epiph., Haeres, LI, N;. 6.

ocr page 14

INLEIDING.

Dit tweede Evangelie is zeer kort. Het joodsche element is uit dit tweede Evangelie verdwenen en men bespeurt, dat het geschreven is voor lezers, die met de gebruiken der joden onbekend zijn ').

Het verhaalt alleen het openbare leven van Christus. Om zijn kortheid wordt de schrijver ervan „de verkorterquot; genoemd, 't Is echter meer dan eene verkorting van het Evangelie van den H. Mattheüs en uitvoerig in alles wat den H. Petrus betreft.

Het heeft geen apologetische strekking gelijk het eerste Evangelie, en de feiten uit Christus' leven worden meer dan Christus' woorden weergegeven. Christus'macht, waaraan alles onderdanig is, treedt hier meer dan zijne lessen op den voorgrond. Het is geschreven in het Grieksch.

De ontluikende Kerk had echter behoefte aan een vollediger verhaal van Christus' leven. Een heiden van Antiochië, volgens anderen, echter minder waarschijnlijk, een jood, maar zeker een bekeerling van den Apostel Paulus, een geneesheer, ondernam het aan deze behoefte der eerste geloovigen te voldoen. De H. Paulus heeft misschien dit derde Evangelie in een zijner brieven op het oog

De H. Lucas vult de andere twee Evangeliën aan. Een derde van zijn Evangelie is hem zoo eigen, dat daarvan in de andere Evangeliën niets is opgeteekend. Vijf wonderen en twaalf parabels verhaalt hij alleen 1). Wat hij verhaalt heeft hij van getuigen. Als leerling en metgezel van den H. Paulus quot;), medearbeider van Barnabas, een der twee-en-zeventig leerlingen, is hij te Jerusalem 2) gekomen en heeft hij de Apostelen Petrus, Jacobus den Mindere, die de broeder

VI

1

Luc. I, II, VII, 11-18, 36-50; S, 1, 23-42; XII-XVI; XVIII, 1-14; XIX, 1-28; XXKI, 6-12; XXIV, 12-53.

2

Act. XX.

ocr page 15

INLEIDING.

des Heeren genoemd werd, en Joannes den beminden leerling ondervraagd. Ook heeft hij de familie en de Moeder van Christus met de bloed- en aanverwanten van Joannes den Dooper gekend. Hij heeft ook de Evangeliën var: Mattheüs en Marcus onder de oogen gehad.

Hij alleen verhaalt Christus' zwerftocht gedurende vier of vijf maanden, nadat deze voor goed Galilea had verlaten en voordat hij Jerusalem in zegepraal binnentrok. Het verhaal van Christus' verrijzenis en hemelvaart wordt ook door hem aangevuld.

Het eigenaardige van Lucas' werk is gelegen in de tijdsorde waarin hij de feiten plaatst, en vooral in den geest die bij hem voorzit bij de keuze der feiten. Noem dien geest Paulus' geest en gij geeft hem den rechten naam.

Toen de H. Lucas zijn Evangelie schreef, ging de prediking der Apostelen een nieuwen weg op. De profetie van Christus ging in vervulling: het Rijk Gods werd aan het uitverkoren volk ontnomen en naar de heidenen overgebracht. De bekeerde joden zagen niet altijd zonder afgunst op de bekeerde heidenen neer, en wilden ook dezen aan de Wet van Mozes onderwerpen. De H. Paulus verdedigde de vrijheid der kinderen Gods die door Christus was voorspeld.

De H. Lucas laat ons den Christus zien als den Verlosser der gansche wereld zooals de H. Paulus dien predikte. Met zorg verzamelt hij eenige feiten, die, vernederend voor de joden maar vol vertrouwen voor de heidenen, in de twee eerste Evangeliën niet waren opgeteekend: aan den tollenaar Zacheüs en den goeden moordenaar wordt de hemel beloofd , aan de openbare zondares en den verloren zoon vergiffenis geschonken, de tollenaar wordt boven den Pharizeeër gesteld, de Samaritaan geprezen, aan vele heidenen lof gegeven, Christus bidt voor zijne beulen, en de hoofdman wordt bekeerd.

De H. Lucas, die de meest roerende tooneelen uit Christus' leven verhaalt, noemt Christus op het voorbeeld van Paulus „de Heerquot;. Vertoont Marcus ons Christus' macht, Lucas

VII

ocr page 16

INLEIDING.

laat ons zijne barmhartigheid en goedheid zien. Ook daarom wordt aan Marcus de leeuw en aan Lucas de os, het offer dat geslacht wordt, als kenteeken gegeven.

Dit Evangelie werd vóór de Handelingen en vóór het jaar 64 geschreven.

In het midden der eerste eeuw gingen eenigen der ge-loovigen meê met de wijsgeerige begrippen van dien tijd, welke later met den naam van gnosticisme werden aangeduid.

Eenigen zagen in Jesus niet anders dan een menschelijk persoon, met wie zich ééne der krachten, waardoor het heelal was ontstaan, en door hen „aeonenquot; genoemd, voor een oogenblik vereenigd had.

Anderen namen aan, dat Jesus waarlijk de Zoon was van God; maar zij ontkenden, dat deze in den vollen zin van het woord was vleesch geworden ').

Men kan gemakkelijk begrijpen welk groot gevaar uit die opkomende valsche leeringen voor de ontluikende Kerk kon ontstaan. De H. Paulus had reeds in zijn Brief aan Timotheüs voor die dwaalleeraars gewaarschuwd.

Een zekere Cerinthes en een diaken Nicolaus waren de groote verkondigers dezer dwalingen.

Om die dwalingen te bestrijden schreef een der Apostelen het vierde Evangelie 1). Die apostel was Joannes, de meest beminde leerling van Christus. Alle hoofden der kerken van Azië, met den Apostel Andreas aan hun hoofd, hadden hem erom gevraagd 2).

Niemand beter dan hij kon van de waarheid getuigenis afleggen. Joannes is een getuige, en als getuige heeft hij verhaald wat hij gezien heeft en gehoord. Gevolgtrekkingen maakt hij niet. Maar hij getuigt met een doel, en dat doel is: het geloof in Jesus Christus, den eenigen Zoon

VIII

1

*) Ireneüs, Adv. haeres., Ill, I, 1; Clem, van Alex., ap. Euseb. eccies,

VI, 14; Tertull., Contr.-Marcion., IV, 2

2

) Canon de Muratori; Hieron., De vir, ülustr., XIX.

ocr page 17

INLEIDING.

van God, de bron van het eeuwige leven, te grondvesten.

Wat wil het zeggen; de Zoon van God? In welke betrekking staat hij tot God dien hij Zijn Vader noemt? Wat kwam hij op aarde doen ? Waarin bestaat de zaligheid waarvan Christus de bewerker is? In het antwoord op deze vragen bestaat het geheele vierde Evangelie. Het Woord, de Logos, waarmede het vierde Evangelie begint, is er tevens de korte inhoud van. „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.quot; Christus zelf heeft zich zoo nooit genoemd; maar waarschijnlijk heeft hij dit woord gebruikt en verklaard, „toen hij hun het verstand opende om de Schriften te verstaanquot; '). Met dit woord wordt de goddelijke Persoon van Christus zoo klaar mogelijk uitgedrukt.

Op welke wijze heeft het Woord, de eenige Zoon des Vaders, zich in zijn sterfelijk leven geopenbaard? De drie eerste Evangeliën geven antwoord op die vraag door Christus' lessen en daden te verhalen. Hij leerde, zeggen zij, als een onafhankelijk Meester, vergaf zonden gelijk God, en gaf bevelen aan de natuur als een die niemand boven zich heeft. Het vierde Evangelie geeft ons het antwoord door Christus' eigen woorden aan te halen, waarmee hij-zelf zijn goddelijke afkomst openbaart. En om te bewijzen dat die woorden niet op kunstige wijze bijeen zijn gezet, omlijst Joannes die met nauwkeurige beschrijvingen van tijd en plaats.

De vermenigvuldiging der brooden in de woestijn van Bethsaïda en Christus' wandeling op de wateren van het meer zijn de eenige feiten die Joannes met de andere Evangelisten verhaalt. De overige feiten zijn het eigendom van Joannes alleen.

IX

Het vierde Evangelie openbaart ons ook den diepsten grond van Christus' arbeid: Christus kwam om aan allen, die gelooven, den Geest zijns Vaders en zijn eigen Geest

i) Luc. XXIV, 45.

ocr page 18

INLEIDING.

mede te deelen. Deze waarheid is de grondidee van alle parabels, die door Joannes werden opgeteekend.

De drie eerste Evangeliën verhalen wat men in Christus kan zien, het vierde verhaalt wat men in hem niet kan zien.

De drie eerste Evangeliën zijn voor alle menschen; het laatste voor die verlicht zijn van Boven.

De echtheid van dit laatste Evangelie is door de ouden nooit betwist. De zoogenaamde aiogen, ketters der derde eeuw, tellen niet mee. Zij verwierpen het zonder eenige grondige reden, omdat het streed met hunne goddelooze dwalingen.

Ireneüs, leerling van Polycarpus, die zelf een leerling van Joannes was, spreekt reeds van dit Evangelie. ')

Het werd geschreven in het grieksch, volgens sommigen te Patmos, volgens anderen te Ephese, toen Joannes reeds hoog bejaard was.

De betrouwbaarheid en rechtsgeldigheid der vier canonieke Evangeliën is gewaarborgd,

1°. Door het fragment van den canon van Muratori, waaruit blijkt, dat er onder Pius I, in 142, vier Evangeliën waren die door de Kerk in dien tijd voor echt werden gehouden.

2°. Door het feit, dat alle Evangeliën bij gedeelten uit de werken der Vaders van de eerste en derde eeuw kunnen worden bijeenverzameld.

3°. Door het feit, dat niet alleen reeds in 150 eene vertaling der Evangeliën bestond, de Itala, maar er vóór deze reeds twee waren, de eene in Africa, de andere in Italië, de eene in het syrisch, de Peschito, de andere in het grieksch, dat de vertaler van de Itala deze grieksche vertaling, met syrische varianten op den rand, onder de oogen heeft gehad.

X

4°. Door den Codex Sinaïticus van M. C. Tischendorf, die dagteekent uit den tijd toen, volgens Tertulliaan, in de apostolische Kerken nog het eigen handschrift der Evangeliën werd bewaard.

') Ireneüs, Adv. haeres, III, I , 1.

ocr page 19

INLEIDING

Deze oorkonden van Christus' leven hebben eigenaardige kenmerken.

Het eerste kenmerk dezer oorkonden is, dat de schrijvers ervan niet anders dan getuigen zijn. Hun eigen persoon verdwijnt geheel en al. Zij verhalen alleen wat zij hebben gezien en gehoord.

Evenwel, sommige feiten hebben op den een meer indruk gemaakt dan op den andere; ook de omstandigheden, waarin de schrijvers geschreven hebben, zijn verschillend en de personen voor wie zij hun Evangelie te boek stelden zijn niet aan elkaar gelijk: dit alles te zamen verklaart waarom hun verhaal soms zoo verschillend is. Maar 't is toch altijd Christus en hij alleen, dien men ziet en hoort. Zij blijven eenvoudige getuigen die ook zeiven langzamerhand hunne vooroordeelen verliezen.

Ook zoo moesten zij wezen volgens den wil van hun Meester '), en zijn zij door de Kerk altijd beschouwd.

Daar kan dus in de Evangeliën niet een gedeelte het werk der schrijvers en een ander gedeelte het werk van Christus zijn. Neen, in de Evangeliën is alles — daden en leeringen — het eigendom van Christus.

Hierin ook ligt de verklaring van de schoonheid, van den eenvoud, van de heiligheid, van de onsterfelijke levenskracht dezer Evangeliën. De ziel, de geest van Christus huist er in.

De geschiedenis kent twee soorten van oorkonden: de eene is dood. de andere levend. Tot de eerste soort behoo-ren de overblijfsels van voorgaande beschaving en zijn getuigenissen van vroegere uitgestorven volken; die dei-tweede soort blijven het eigendom van een nog altijd levend volk of van een stam en godsdienst die nog niet gestorven zijn.

XI

De egyptische, assyrische en phoenicische oorkonden,

') Matth. XXVIII, 19, 20; Luc. XXIV, 48. Act. 1, 18; Joës. X(V, 16.

ocr page 20

INLEIDING

behooren tot de eerste; de Evangeliën zijn de eerste van de tweede soort.

Wat deze verhalen, maakt nog het leven van millioenen uit. Ze zijn ontstaan in eene godsdienstige maatschappij die nog bestaat en ze als haar eigendom beschouwt. Deze maatschappij is de Kerk, die dan ook alleen het recht heeft ze te verklaren, omdat ze uit haar zijn voortgekomen. Wie kent beter den geest van een boek dan de maker ervan ?

Aan alle schriftverklaarders, die deze eenvoudige waarheid vergeten en, buiten de Kerk om, den zin dezer oorkonden willen achterhalen, zou ik willen vragen: Wat doet gij om een doode oorkonde te verklaren? Gij bouwt in den geest de geheele maatschappij op waarin die oorkonde werd geschreven, en blaast op die wijze in de doode oorkonde weer het leven. Eerst dan waa^t gij het, die oorkonde niet zonder schroom te verklaren; want de historische herleving van een verdwenen beschaving of uitgestorven volk is altijd onvolmaakt. Maar de Evangeliën zijn geen doode oorkonden; ze behooren aan een volk dat leeft en niet ophoudt ze te lezen en te verklaren; de maatschappij waarin zij geschreven zijn bestaat nog, en die maatschappij is de Kerk.

Met welk recht behandelt gij ze dan als een papyrus in het graf van een mummie gevonden, of als een oud perkament in de archieven van een verwoeste stad vergeten?

Indien de Egyptenaren van Ramses' tijd aan de boorden van den Nijl wederkeerden, zouden zij de beste verklaarders van hunne geschriften wezen.

In naam der gezonde critiek alleen vragen wij dus, dat de Kerk als elke andere levende maatschappij behandeld worde, en zij voor de beste verklaarster van hare eigene geschriften worde erkend.

Een enkel voorbeeld: In de Evangeliën komt eene eigenaardige uitdrukking voor, waarvan de verklaring bij allen belangstelling wekt; 't is de uitdrukking: Zoon Gods, waarmee Christus wordt aangeduid

XII

ocr page 21

INLEIDING.

De ongeloovige critici zeggen, dat deze uitdrukking verschillende zinnen heeft en dat zij in hare overdrachtelijke en zedelijke beteekenis op menschen kan worden toegepast, en in dezen zin, zeggen zij, moet zij van Christus worden opgevat.

De vraag is echter op welke wijze Christus wilde, da' zij op hem werd toegepast en in welken zin de Apostelen haar aan Christus gegeven hebben.

Die vraag betreft een feit en het antwoord daarop hangt van een getuigenis af.

De Kerk nu, die de bewaarster is der apostolische overlevering , getuigt dat de uitdrukking, Zoon Gods, door Petrus het eerst gebruikt, van Petrus af tot nu toe niet in een overdrachtelijken en zedelijken zin is opgevat, maar inderdaad een waarachtig zoonschap, waarin de Zoon van een en dezelfde goddelijke natuur is als de Vader, beteekent.

Wat vermag de uitlegKunde tegen zoodanig een getuigenis? 't Is waar, de rede kan het getuigenis der Kerk, van de Apostelen en van Christus verwerpen; maar ik kan niet begrijpen, dat zij tot de schrijvers der oorkonden zeiven of — wat hetzelfde is — tot de getrouwe bewaarders ervan kan zeggen: Gij weet zelf niet wat gij schrijft en leest. In waarheid! wat kan de rede ervan kennen?

De uitdrukking opgevat in den katholieken zin kan voor sommige geesten stootend wezen; maar indien Christus ze in katholieken geest heeft opgevat, kan de historieschrijver niet anders doen dan haar aannemen, en vervalscht hij de historie zoo hij haar verwerpt.

Een ander kenmerk der evangelische oorkonden is haar getal, haar verscheidenheid en onverstoorbare overeenstemming.

Het getal is noodig voor de waarde der getuigenis. Vier getuigen zijn meer waard dan éen, wanneer hun getuigenis, bij al hunne persoonlijke eigenaardigheid, gelijkluidend is.

Deze verscheidenheid, een gevolg van persoonlijke eigen-

XIII

ocr page 22

INLEIDING.

aardigheid, is bij alle overeenstemming noodzakelijk voor de waarde van het aantal der getuigen.

De Evangeliën hebben bij al hunne overeenstemming die verscheidenheid en bij al hunne verscheidenheid deze overeenstemming. Dit geregeld verhaal van Christus' leven, uit de Evangeliën opgemaakt, zal het bewijs leveren, dat hier slechts van schijnstrijdigheden kan sprake zijn. Ik kan daarom niet beter doen dan u verwijzen naar dit werk. Waar sommige bijzonderheden mij op twee teiten wijzen, heb ik ook twee feiten aangenomen. Zoo geneest Christus een blinde bij zijn intocht in Jericho, en geelt Hij aan twee blinden het gezicht terug als hij Jericho verlaat.

Vele dier schijnstrijdigheden verdwijnen ook, wanneer men bedenkt, wie de schrijver en wat zijn doel was, voor wie en onder welke omstandigheden de Evangeliën geschreven zijn.

Van het begin der Christenheid af was men overtuigd van de onverstoorbare overeenstemming der Evangeliën: zij vullen elkander aan en verklaren elkaar. Ook het vierde Evangelie, waarvan de feiten en leeringen zoo geheel anders zijn en in de ware omlijsting van tijd en plaats zijn gezet, is niet in tegenspraak met de drie eerste Evangeliën. Het laatste Evangelie verhaalt wat de andere verzwijgen; de drie eerste laten de waarheid meer in parabels zien, het laatste legt in de vertrouwelijke gesprekken van Christus met zijne Apostelen de geheele waarheid open. Door het Evangelie van Joannes begrijp ik den wonderdoener, den leeraar, den duivelbanner der drie andere Evangeliën. In het Evangelie van Joannes leer ik, wie Christus voor zich-zelven was, welk bewustzijn van zich-zelven hij in zich ronddroeg. Dit te weten is noodzakelijk voor allen die den geheelen Christus willen kennen. Zonder deze wetenschap zal ook Christus' leven altijd een raadsel blijven.

De vier Evangeliën zijn onafscheidelijk verbonden aan elkaar.

De groote fout der moderne critiek is, dat zij de vier

XIV

ocr page 23

INLEIDING.

Evangeliën losrukt uit de samenleving waarin zij eeuwen hebben voortgeleefd, en ze beschouwen en behandelen als een papyrusrol van het oude Egypte. De Tübingsche school vooral, met Baur ') aan het hoofd, heeft ze zoo beschouwd en behandeld. Zij heeft op kunstmatige wijze de samenleving opgebouwd waaruit zij zouden ontstaan zijn en in den eersten christentijd niet anders gezien dan een strijd tusschen judaïseerende christenen onder aanvoering van Petrus, Jacobus en Joannes, en een algemeen christendom in den geest van Paulus.

Heeft men op deze wijze alle overeenstemming gevonden en alle verscheidenheid kunnen verklaren? De tallooze veronderstellingen , die elkander tegenspreken, getuigen dat zij allen onhoudbaar zijn2).

Wanneer de voornaamste woordvoerders der zoogenaamde onafhankelijke critiek met elkander overeenstemmen, eerst dan breekt eigenlijk de tijd aan om eens naar hen te luisteren. Tot dien tijd kan de Kerk met hare eeuwenoude getuigenis die niet samenstemmende klanken der moderne critiek in de lucht laten weergalmen.

Eene andere fout der moderne critiek is, dat zij in de vier Evangeliën iets anders wil zien dan het verhaal van getuigen. Zij beweert, dat de Evangelisten hebben geschreven met een bepaald doel, en aan dat doel hun verhaal hebben ondergeschikt gemaakt. Daarom wil zij in de Evangeliën den vorm van de zaak onderscheiden.

Zoo worden voor haar de eerste hoofdstukken van het derde Evangelie louter dichterlijke inbeeldingen, om Joannes den Dooper en de wieg van Christus in een stralen krans te zetten; zoo wordt het vierde Evangelie een godgeleerd werk, om Christus te maken tot God.

Neen, de Evangelisten zijn en blijven getuigen, gelijk

') Vorlesungen über Neu Test. Theologie.

') Eichorn, Einleitung in das N. T. Schleiermacher, Kritisch Ver such üb. die Schrift des Lukas.

XV

ocr page 24

INLEIDING.

twee van hen uitdrukkelijk verklaren; getuigen, die eerlijk zijn en oprecht.

Vergeten wij nooit, dat zij hun getuigenis hebben bezegeld met hun bloed.

De historische critiek moet niet alleen de geschreven oorkonden en de schrijvers, de getuigenissen en de getuigen ervan onderzoeken, zij moet ook den inhoud der oorkonden, de feiten en leeringen daarin neergeschreven, stellen op juisten prijs.

Welke feiten, welke leeringen worden in de Evangeliën verhaald ?

Alle voorname feiten zijn wonderen en de leer gaat het verstand te boven.

Ik weet wel dat de geest van den tijd wars is van alle wonderen, — de groote vooruitgang der proefondervindelijke wetenschappen heeft daaraan schuld - maar ik aarzel niet alle wonderen en profetieën van Christus' leven te onderwerpen aan de proef en het onderzoek eener onbevooroordeelde critiek.

De gezonde en onbevooroordeelde critiek moet staan boven alle meeningen en stelsels. Zij moet uitgaan van beginselen die waar zijn voor allen.

Nu, alle menschen komen hierin overeen, dat het „jaquot; en „neenquot; van eene zaak, onder hetzelfde opzicht beschouwd, niet te gelijkertijd kan waar zijn, dat een gevolg zonder oorzaak niet kan bestaan.

Deze beginselen worden niet geoordeeld; maar alle meeningen en stelsels worden geoordeeld door haar.

Zouden de feiten, in de Evangeliën verhaald, indruischen tegen deze grondwaarheden door allen erkend, dan zouden deze feiten veroordeeld zijn. Maar zoolang zij slechts niet samenstemmen met de meeningen en stelsels van sommigen, en niet indruischen tegen de waarheden, door allen voor waar aangenomen, kunnen zij in naam dier bijzondere stelsels niet veroordeeld worden.

De moderne, ongeloovige critiek kan alleen zeggen', dat

XVI

ocr page 25

INLEIDING.

de feiten, de wonderen van Christus' leven in haar stelsel niet passen, maar daarmede zijn zij niet veroordeeld. Daar zijn nog andere stelsels, van evenveel waarde, waarin aan haar met bereidwilligheid eene plaats wordt gegeven.

Wanneer de moderne critiek de feiten uit Christus' leven verwerpt omdat ze wonderen zijn, gaat ze staan en oordeelt ze binnen den engen kring van haar eigen stelsel, en kan dus niet anders dan partijdig zijn.

Hoedanig mijn persoonlijk stelsel ook moge zijn, als beoefenaar der historische critiek heb ik slechts te onderzoeken of de feiten, in de Evangeliën verhaald, waar zijn, d. i. of de getuigen, die deze feiten verhalen, beoordeeld gelijk andere getuigen in de historie beoordeeld worden, geloofwaardig zijn. Wanneer dit is uitgemaakt, kan het verstand die feiten gaan verklaren. Doch de ware historieschrijver houdt zich op een afstand van alle lichtgeloovigheid niet alleen, maar ook van alle hoovaardig wantrouwen dat elke getuigenis verwerpt, wanneer deze met zijn stelsel, zijne wetenschap, zijne ontwikkeling in strijd is.

Een bevooroordeeld mensch is een onwaardige historieschrijver.

Terwijl ik u voor Christus' profetieën naar dit werk verwijs, kan ik niet nalaten u het wonderbare feit te herinneren, dat Christus zelf de man der profetieën is. Vóór Christus' geboorte was zijne levensgeschiedenis geschreven.

Het Oude Testament, waarvan de oudheid en de echtheid door geene gezonde critiek wordt in twijfel getrokken, verhaalt reeds, dat hij van Abrahams geslacht en een zoon van Jacob en David zal zijn, dat hij eene maagd tot Moeder zal hebben en te Bethlehem zal geboren worden, dat hij de zoon van God zal zijn en Emmanuel en Verlosser genoemd worden. Zijn vlucht naar Egypte; zijn verblijf te Nazareth; de komst van zijn Voorlooper; zijn roeping van profeet, verkondiger der blijde boodschap en wonderdoener;

2

XVII

ocr page 26

INLEIDING.

zijn verwerping door zijn eigen volk; vele omstandigheden van zijn lijden en dood; zijne opstanding en zijne zegepraal in den loop der tijden: — 't staat alles in het Oude Testament zoo duidelijk mogelijk opgeteekend.

Toen Christus verscheen, wees hij op deze voorspellingen en toonde hij aan hoe ze vervuld werden in hem. Maar de leermeesters des volks wilden hem niet begrijpen, en den geestelijken zin van deze symbolische taal niet aannemen. Zij wilden van geen lijden en vernedering in den Messias weten en begrepen niet, dat de voorspelde grootheid van den Messias voortkwam uit zijne goddelijke natuur. Zij konden niet aannemen, dat hunne Wet onvolmaakt was en door Christus volmaakt moest worden. Ofschoon hunne halsstarrigheid was voorspeld, zagen zij hunne eigene halsstarrigheid en verblindheid niet in.

Nu de joden Christus hebben verworpen, hebben zij ook den waren zin van hun Boek verloren, 't Is voor hen een onleesbaar boek geworden; want den draad die alle bladen bijeen hield — Christus den Messias — hebben zij gebroken, en de bladeren van het Boek liggen dooreen.

Die aan geen voorspellingen gelooven, mogen wel letten op dit feit, dat eenig in de historie is.

De grootste leeraars der Wet, de chaldeeuwsche schriftverklaarders der eerste en tweede eeuw, de Onkélos', de Jonathans en Akiba's, hebben aanhalingen van het Oude Testament op den Messias laten slaan; en de moderne schriftverklaarders, die getuigen waren van Christus' zegepraal, konden om het geloof in de voorspellingen te doen wankelen niet anders doen, dan de waarheid van het Evangelieverhaal loochenen of door een kleingeestige uitlegging daaraan het karakter van eene vervulde profetie ontnemen. Zij hebben den Bijbel op nieuw onderhanden genomen, maar er voor gezorgd, dat zij met hunne verklaring den mystieken en dikwijls den letterlijken zin lieten verloren gaan. Al die arbeid was echter te vergeefsch. Een onpartijdige studie zal altijd leeren, dat de woorden van Israels

XVIII

ocr page 27

INLEIDING.

zieners alleen ia Christus' levensgeschiedenis hunne vol-volkomen verklaring vinden.

De godsdienst, door Christus verkondigd en belichaamd in hem, is een historieboek in twee deelen. Het eene deel is eene voorspelling van hetgeen moest komen, het andere is het verhaal van hetgeen gekomen is. 't Is niet meer mogelijk, dat beide deelen vervalscht worden. Zoo de christenen aan het eerste deel hun handen sloegen, zouden de joden van de vier hoeken der aarde opstaan om het te verdedigen; indien ketters en moderne heidenen het tweede willen aanvallen, staat de Kerk ter verdediging pal.

Is een wonder mogelijk of niet?

Het is onmogelijk, zeggen velen. Alle wonderen zijn legenden of mythen, die uit de verbeelding, lichtgeloovig-heid en het bedrog van menschen geboren worden. Ziedaar het antwoord van den pantheïst, den materialist en den positivist, dat uit hunne stelsels volgt; maar 't is niet het antwoord van den redelijken mensch. Indien die stelsels, wier waarheid niet bewezen is, eens niet waar zijn, van welke waarde is dan hun antwoord? Wat beteekent hun dogma, dat het wonder onmogelijk is?

Daarenboven alle stelsels, die de verhalers der wonderen voor dommen of bedriegers uitmaken, beleedigen's menschen waardigheid en misdoen tegen den eerbied aan eiken getuige verschuldigd, die op plechtige en ernstige wijze zijne getuigenis aflegt.

De critiek, die deze stelsels tot grondslag heeft, is haar naam niet waardig.

Ik vraag het antwoord op deze vraag aan de critiek der zuivere, onbevooroordeelde rede.

Een wonder is een feit dat de krachten der natuur te boven gaat en dus uit een hoogere kracht voortkomt.

Kan de rede nu bewijzen dat deze kracht niet bestaat, niet redelijk is en niet vrij? En indien deze kracht wel bestaat, kan dan de rede het bewijs leveren, dat die kracht

XIX

ocr page 28

INLEIDING.

onbekwaam is te grijpen in het leven der menschen en de verschijnselen der natuur?

Deze bewijzen zijn nooit door eene school of een stelsel geleverd. Waar anderen dus in naam van een stelsel de wonderen blijven ontkennen, daar gaan wij voort ze in naam der zuivere rede aan te nemen. De stelsels komen op en gaan onder, maar de zuivere rede blijft.

De wetenschappelijke wijsbegeerte zegt, dat de wetten der natuur onveranderlijk zijn; maar zij verwart regelmaat met onveranderlijkheid. Indien ze niet onveranderlijk zijn, zegt zij, wordt alle wetenschap onmogelijk omdat alle wetenschap in die onveranderlijkheid haar steunsel vindt. — Deze redeneering is valsch. De wetenschap steunt op de vaste wetten der stof; maar een voorbijgaande tusschen-komst van een hoogere kracht schaft deze wetten niet at en maakt alles niet los. Deze tusschenkomst is een nieuwe kracht, die met de wetten der stof haar middelpunt vindt in een hooger gelegen kring, die de natuur en den mensch beiden omsluit.

De stelling: dat wonderen onmogelijk zijn, is zoo zwak, dat hare voorstanders terstond voor den dag komen met de verklaring, dat ze niet bestaan omdat men ze nooit heeft gezien.

En het bewijs?

Onze wetenschappelijke ondervinding, zeggen zij, heeft ze nooit ontmoet.

Wat bewijst deze wetenschappelijke ondervinding van eenige wetenschappelijke mannen en van eenige jaren. Al is zij juist, zij bewijst niets tegen de eeuwen die getuigen waren van dingen die men nu niet meer ziet.

Men ziet ook nu niet meer het leven in een levenlooze wereld, en een mensch die denkt en spreekt in eene rede-looze natuur ingaan, — is dat eene reden om te ontkennen dat het redelijk leven ooit begonnen en de eerste mensch ontstaan is?

Uit de ondervinding van éenen dag of éene eeuw te be-

XX

ocr page 29

INLEIDING.

sluiten tot de feiten van alle eeuwen is een aanmatigend of onnoozel besluit.

Men heeft ook getracht Christus' wonderen gelijk te stellen met de legenden, fabelen en mythen , die men in de gewijde boeken der andere godsdiensten kan vinden.

Men moet echter het wonder wel van het wonderlijke onderscheiden.

Het wonder strijdt niet met de rede , omdat daarin geen tegenspraak ligt, omdat van het wonder een voldoende reden is aan te geven, en het een zedelijke strekking heeft. Maar het wonderlijke is dikwijls ongerijmd, de oorzaak ervan ver te zoeken, en het doel blijkt ijdel en onzedelijk.

Laat men de wonderdadige feiten uit Christus' leven éen voor éen onderzoeken en vergelijken met de wonderlijke feiten die van Bouddha en Mahomet worden verhaald, dan zal men onderscheid zien tusschen het wonder, dat de rede kan en moet aannemen, indien het door geloofwaardige getuigen bevestigd is, en het wonderlijke, uit de verbeelding van menschen voortgekomen, al is het door zoogenaamde getuigen voor waar verklaard.

Christus' wonderen dragen altijd het kenmerk van goddelijke kracht, van waarheid, eenvoud en goedheid, en stemmen samen met heel hun omgeving. Daarin is niets vreemds te vinden, niets wat op snoeverij gelijkt of louter verbazing wekt of enkel vrees aanjaagt. Alle laten een zoeten indruk van oneindige barmhartigheid achter. Ze zijn aan Christus gelijk, die over de teekenen zijner macht het kleed eener onverstoorbare zachtmoedigheid uitspreidt.

God, die in Christus verborgen is, werkt deze wonderen uit, en hun doel is het welzijn der menschen. Ze zijn dus geheiligd door de hoogste zedelijkheid en de volmaaktste heiligheid.

De wonderlijke feiten, waarmede de legende de geschiedenis van sommige menschen versierd heeft, zijn met deze menschen niet éen geworden. Men kan ze van dezen

XXI

ocr page 30

INLEIDING.

afnemen en de geschiedenis van hun leven blijft dezelfde. Mahomet met zijn werk, zijn strijd, zijne voorschriften, zijn opgang, zijn invloed op de Arabieren, kan verklaard worden ook zonder zijne wonderlijke daden. Maar Christus is zonder zijne wonderen niet te verklaren. Ze zijn een onmisbaar bestanddeel van heel zijn leven. Door zijn wonderen heeft hij alles gedaan, en zelfs na zijn dood blijft hij in zijn voortbestaan een groot wonder. Zijn werk is het grootste van alle wonderen. Geen wijsbegeerte der historie kan zonder de voortdurende tusschenkomst van den Geest Gods, die onmetelijke, onvergankelijke maatschappij verklaren, die aan allen een gekruisten God predikt en zich verzet tegen alle menschelijke hartstochten en alle ondeugden, tegen alle gewelddadig gezag en alle slavernij, en door het geloot in dien gekruisten God, door nederigheid en versterving, door liefde en opoffering het hoogste geluk verwinnen leert.

De wonderen van Christus zijn ook teekenen zooals ze in het vierde Evangelie genoemd worden, dat wil zeggen, ze zijn ook symbolen van eene onzichtbare werking door Christus tot heil der menschen verricht, en voorspellen tevens wat door die goddelijke macht,, in de zielen der menschen, in den loop der eeuwen, en in het volle licht van Gods Kerk nog zal voltrokken worden ').

Alle critiek, die op grond van een stelsel van eigen vinding de wonderen verwerpt, moet op eene of andere wijze de wonderen uit de evangelische oorkonden lichten.

XXII

Wij moeten nog zien op welke wijze dat geschiedt. Staat men voor een woord dat de toekomst ontsluit, dan zegt men dat zoodanig een woord in lateren tijd er tusschen is gevoegd. Toen het feit was voorgevallen heeft men het, zegt men, zoogenaamd voorspeld. — Kan men den persoon aanwijzen die het er tusschen heeft gevoegd? Neen; maar 't is zeker, zegt men, want eene voorspelling kan niet be-

') Deze gadaohte wordt in don loop van dit werk broeder uitgewerkt.

ocr page 31

INLEIDING.

staan. — Zij is onmogelijk, ja! voor hen die niet in God gelooven; maar hebben dezen de waarheid vau hun ongeloof bewezen ?

Om een wonderdaad van Christus zich van den hals te schuiven gebruikt men verschillende middelen.

De mythen-liefhebbers van voor vijftig jaren zeiden, dat al deze wonderen verzinsels der eerste christenen waren. Volgens hen hadden de eerste christenen in hun eigen hoofd het beeld van een Messias gemaakt en daarna aan een hooger begaafd man, Jesus genaamd, alle eigenschappen van dien uitgedachten Messias gegeven.

Deze soort van schriftverklaarders is gestorven en kunnen wij dus voor dood laten liggen.

De oude rationalistische school in Duitschland heeft met behulp van de letterkunde Christus' wonderen trachten te verklaren. Het gansche leven van Christus, zeggen zij, was aan elk ander gewoon leven gelijk; maar de meest gewone voorvallen hebben een wonderdadig aanzien gekregen door de wijze waarop de verhalers ze vertellen. De evangelisten zijn dichters, die de feiten opsmukken; zij nemen een gezichtsbedrog voor de werkelijkheid aan: de dooden worden slechts slapenden, de bezetenen lijden aan toevallen of zijn maanzieken. Onwetenheid, lichtgeloovig-heid en oostersche verbeelding hebben aan Christus' leven dit legendarisch en bovennatuurlijk aanzien gegeven, dat door de wetenschappelijke critiek daaraan moet ontnomen worden.

Ook deze wijze van verklaren, waarvan de Duitschers Semler en Paulus de groote verkondigers waren, is onder het hoongelach der mythen-liefhebbers gestorven en begraven. In Frankrijk heeft men deze soort van schriftverklaring op fijner en vlugger leest geschoeid. Maar door niets kan de eenheid van Christus' leven worden verbroken.

Men moet de historie van dit leven nemen zooals zij is of haar loochenen geheel en al. Neemt men het wonder uit dit leven weg , dan wordt dit leven een raadsel, zelfs

XXIII

ocr page 32

INLEIDING.

voor hen die het, gelijk zij zeggen, van het bovennatuurlijke willen zuiveren.

Hier volgen in het kort de vragen en klare antwoorden die door de onpartijdige critiek, steunend op de onbevooroordeelde rede, bij de geschiedenis van Christus' leven gesteld en gegeven worden.

Welke zijn de oorkonden, waarin de feiten van dit leven staan opgeteekend?

De vier Evangeliën.

Zijn deze geschriften het werk van hen, die of de onmiddellijke getuigen der feiten waren, of de onmiddellijke getuigen hebben ondervraagd?

Ja.

Is de oudheid en daardoor de betrouwbaarheid en rechtsgeldigheid dezer geschriften zeker, en door de meest overtuigende bewijzen bewezen?

Ja, zelfs de ongeloovige critiek getuigt daarvoor in hare eindelooze onzekerheid, verwarring en tegenspraak.

Zijn de feiten, die in deze boeken verhaald worden, al zijn het wonderen, niet in strijd met de rede, en bevatten zij geen tegenspraak, hetzij ze elk afzonderlijk, hetzij ze allen te zamen in hun geheel worden beschouwd?

Ze zijn niet in strijd met de rede, en hun onderling verband is onverbreekbaar en volkomen; hun grond van bestaan vinden zij in de goddelijke kracht van Christus, en hun doel is, de menschen beter, heiliger en verstandiger te maken, en Gods oneindige goedheid te openbaren.

Kan men de getuigen van al dit verhevene en voortreffelijke voor valsche getuigen verklaren?

Neen, hun heilig leven en hun marteldood pleiten voor hunne oprechtheid; daardoor wordt niet alleen bewezen, dat zij gelooven wat zij verklaren, maar ook dat hetgeen zij gelooven waar is; want zij leggen getuigenis af van tastbare, uitwendig waarneembare en openbare feiten waarover men niet in dwaling kan verkeeren.

XXIV

ocr page 33

INLEIDING.

Wanneer de critiek haar werk heeft volbracht, de bouwstoffen heeft gekeurd en gekozen, kan de historie het hare beginnen en aanvangen met den bouw.

De vier Evangeliën heb ik in deze beschrijving van Christus' leven niet anders beschouwd, dan als historische oorkonden aan welker echtheid niet te twijfelen valt. Ook wanneer mijn geloof het mij niet tot een heiligen plicht maakte ze zonder voorbehoud aan te nemen, zou toch mijne onpartijdige, historische overtuiging mij tot die aanneming dwingen. Ik heb getracht mij los te maken van elk persoonlijk gevoelen en mij te plaatsen op de hoogte der feiten, die ik verhaal; ik-zelf verdwijn voor de oneindige wijsheid, wier lessen ik vertolk. Zoodanig eene gesteltenis van den geest is een waarborg, dat ik eerlijk ben en waar.

Een historieschrijver moet voor alles beschrijven en schilderen. Ik geloof dat in dit punt geen historieschrijvers met de Evangelisten kunnen vergeleken worden. Zonder kennis der regelen van de kunst hebben zij toch, omdat hunne geheu-genis zoo helderen volledig was, een kunststuk van beschrijvende historie achtergelaten. Met eene angstvallige getrouwheid heb ik hun verhaal zoo nauwkeurig mogelijk weergegeven. Door er wat bij te voegen of af te nemen geloofde ik ze te ontheiligen. Het zijn schilderijen van meesters zonder wederga. Aan meesterstukken raakt men niet.

Waarom dan nog na hen het leven van Christus beschreven? De Evangeliën zijn volmaakt en volledig; men kan alleen beproeven ze met elkaar in overeenstemming te brengen en in onze spreek- en schrijftaal over te zetten.

Maar de geschiedenis is niet alleen een verhaal van feiten, zij moet ook de feiten omlijsten en in hunne omgeving plaatsen.

Elke gebeurtenis hangt af van tijd en plaats; en om eene gebeurtenis te begrijpen, moet men beide kennen.

Beschrijft men gebeurtenissen van dezen tijd voor onze

XJIV

ocr page 34

INLEIDING.

tijdgenooten, dan veronderstellen wij, dat zij tijd en plaats van deze kennen en men laat het aan zijne lezers over de gebeurtenissen daarin te plaatsen.

Ook zoo hebben de Evangelisten gedaan, toen zij het leven van hun Meester voor de eerste christenen beschreven. Daarenboven was hun het verhaal der feiten en der feiten alleen voldoende; het bevatte altoos iets eeuwigs, iets dat boven tijd en plaats uitging, en zoo plantten zij, door misschien met opzet de omstandigheden van tijd en plaats te veronachtzamen, den Zoon Gods in de onmetelijkheid der eeuwen boven de aarde uit.

Maar wij, die niet gelijk zij Christus zagen leven, handelen en spreken, wij die hem slechts zien in wat hij onsterfelijks heeft, mogen wij hem niet terugplaatsen in zijne aardsche en menschelijke omgeving, op dien grond van Palestina, die nog den indruk van zijne voetstappen bewaart? Mogen wij hem niet zetten in die joodsche samenleving tusschen zijne landgenooten, onder dat volk dat overal op hem aandrong, en in die Israëlitische maatschappij wier toorn en haat hij beliep en wier halsstarrigheid en verblindheid hij ondervond?

In mijn oog is dat werk geoorloofd niet alleen maar ook noodzakelijk voor het juist begrip van Christus' leven, daden, handelingen, lijden en leeringen.

Daar valt een valsch licht op een feit, wanneer het van zijne omgeving wordt losgemaakt. Een schilderij mag zoo volmaakt mogelijk zijn, het eischt toch zijn eigene omgeving om de gamma zijner kleuren en toonen te bewaren en in al zijn kracht naar voren te komen.

Mot zorg heb ik Christus' leven omlijst en op zijn rechte • plaats het godsdienstig en maatschappelijk leven dar Israëlieten van dien tijd neergezet').

') Twee langdurige reizen door geheel Palestina, een nauwkeurig onderzoek naar overleveringen, het ondervragen van de voornaamste reizigers c-n een aanhoudend medeleven met do Evangeliën op denzelfJen grond hebben Tn\j dit werk mogelijk gemaakt. Père Didon.

XXVI

ocr page 35

INLEIDING.

't Is echter moeielijker de geestelijke en wereldlijke maatschappij, waarin Christus leefde, op te bouwen dan de plaatsen te beschrijven waar hij eenmaal verbleef. En toch — hoe moeilijk en onvolmaakt dit werk ook zij, het is noodzakelijk voor de verklaring van veel

Heeft de historieschrijver de feiten omlijst dan moet hij ze nog naar tijdsorde rangschikken.

De aaneenschakeling der feiten is de historie zelve. Eene der grootste moeielijkheden bij het schrijven van Christus' leven baart het rangschikken der feiten.

Christus' geboorte plaats ik tusschen het jaar 747 en 749 na de stichting van Home; zijn doopsel tusschen het jaar 27 en 28; zijne prediking in Galilea van 28 tot 29; en zijn dood in het jaar 30 van onze tijdrekening.

Wat ook in de tijdsorde van Christus' leven onzeker moge wezen, het is zeker dat hij geboren is vóór dat Herodes de Groote in de lente van 750 of 751 stierf, en dat hij gestorven is vóór dat Pilatus Judea verliet d. i. voor het jaar 36 van onze tijdrekening.

Zijn eenmaal de feiten van een leven beschreven en naar tijdsorde gerangschikt, dan vragen ze slechts eene verklaring; en deze verklaring heb ik vóór alles gezocht in de onsterfelijke verhandeling van den H. Thomas van Aquine over de Menschwording van Gods Zoon 2).

!) Voor de kennis der Israëlitische samenleving in Christus' tyd zgn de volgende werken vooral dienstig. Hot Oude en Nieuwe Testament, de apocryfe boeken van het O. en van het N. T., eenige verhandelingen van Philo, de Talmuddisten, het Boek der Oudheden en de Onaf hankelijkheids Oorlog van Flavius Josephus, de sibyllijnsche boeken, de groote geschiedenis van Rome door Suetonius, Tacitus, Plinius den Jongere, Dion. Cassius, enz,

De werken der Duitschers vooral zjjn op dit gebied belangr^k. Was de exegese in Duitschland onvruchtbaar, omdat zy bijna altyd in dienst van een bepaalde richting stond, de eigenlijke geschiedenis der eerste christentyden is daar met vrucht bearbeid.

2) Summa Theol. 3a pars.

XXVII

ocr page 36

INLEIDING.

Nog een woord tot slot.

Christus, levend en handelend door zijnen Geest in de Kerk, is en blijft het heil der geheele wereld ook voor deze nieuwe tijden; daarvan zijn alle Katholieken diep overtuigd.

Wat goed is, ook in onze moderne beschaving, vindt zijn oorsprong in Christus, die in het verborgen der gewetens zonder ophouden zijn werk voortzet.

Met dit boek willen wij vooral dit stille en verborgen werk van Christus naar onze zwakke krachten ondersteunen en helpen, en zoeken daarom, zonder de wetenschap op zij te zetten, vóór alles in de gewetens onzen steun.

Voor velen is het uitgemaakt, dat de scheiding tusschen geloof en wetenschap onherroepelijk is. Dat vooroordeel zal ik tot mijn laatsten adem bestrijden en niet ophouden mijn geloof met mijne moderne beschaving te laten samenstem-men. Op geen enkel gebied heeft men een bepaald feit of een wet kunnen voor den dag brengen waarmede éen woord van Christus in tegenspraak is.

Men heeft alles gedaan om voor meer beschaafde lieden den Christus van ons geloof onmogelijk te maken. Dit boek zal, hoop ik, ook aan dezen eenige vooroordeelen ontnemen.

Allen wil ik dwingen naar Christus te zien, die in weerwil van alles de zon blijft aan den hemel der Christen volken. Zijne gerechtigheid is de hoogste wet der wereld'gewórden, ook voor hen die niet in Hem gelooven.

Indien ik niet aarzelde, zou ik hier het woord van den grootste der Evangelisten gebruiken: „Deze dingen zijn geschreven opdat gij gelooft, dat Jesus de Christus is, de Zoon van Godquot;. Dat gelooft de Kerk. Ditzelfde geloof belijd ik met mijn volle verstand en vrijen wil.

Dit boek onderwerp ik aan het onfeilbaar oordeel der Kerk, terwijl ik aanneem wat zij aanneemt, verwerp wat zij verwerpt en mij Christus' woorden herinner: „Die u hoort, hoort mij, die u veracht , veracht mijquot;.

XXVIII

ocr page 37

EERSTE BOEK.

christus' verborgen leven.

ocr page 38
ocr page 39

EERSTE HOOFDSTUK

De wereld van dien tijd.

Het leven van Christus is niet alleen het laatste tooneel van een schouwspel in den loop van bijna twintig eeuwen — van Abraham tot de uiteendrijving van het joodsche volk — afgespeeld door een enkel volk, maar het hart der wereldhistorie, haar middelpunt en hoogste top.

Christus is en blijft het begin en einde van alles. Na tweeduizend jaren leeft hij, van allen die ooit geleefd hebben, nog altijd het meest.

Alvorens het verhaal van zijn leven te geven , moeten wij den toestand nagaan waarin het menschdom was, toen Hij geboren werd, die zich-zelven zoo gaarne „den Zoon des menschenquot; ') noemde.

Elke eeuw is kenbaar aan een zeker aantal feiten die haar karakter geven en stempelen. Wij kunnen onze tijden niet beoordeelen, zonder rekening te houden op maatschappelijk gebied met democratie en socialisme; op politiek gebied met militarisme en parlementarisme; op wetenschappelijk gebied met de wetenschap der ervaring; op godsdienstig gebied met Christendom en ongeloof; ook zoo moet men

') Matth. VIII, 20; IX, 6; XI, 19; XII, 8, 32, 40; XIII, 37, 41; XVI, 27, 28 enz. Marc. II, 10, 28; VIII, 31;.XIII, 26; XIV, 21, 62. Luc. V, 24; VI, 5, 22; IX, iS2, 26, 44, 56, 58, enz. Joës. I, 51; VII, 13, 14: VI. 27. 34. 53, enz.

ocr page 40

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

noodzakelijk in de eeuw van Christus' geboorte vier groote feiten in rekening brengen: de romeinsche politiek, het heidendom, de grieksche wijsbegeerte en het jodendom. Hoe ook dooreengemengd werken zij toch op elkander in, beheerschen alles, brengen de volken in beroering en de geheele menschheid op geheimzinnige wijze tot haar einddoel.

Wat is het romeinsche rijk? De vereeniging van bijna alle volkeren van Europa, Azië en Afrika onder éénen schepter; om te overwinnen en staten te ordenen, de grootste kracht die de wereld ooit heeft gezien.

Augustus regeert. Alle macht en alle kracht is in zijne handen. Hij is tribuun en proconsul, prefect der zeden en hoogepriester tevens; hij is de „Imperatorquot;. Onder hem is de geheele wereld in rust.

In deze stilte zal Christus geboren worden.

Na zeven eeuwen van strijd heeft Rome, voortgedreven door de zucht naar eenheid , aan elk levend wezen eigen, alle volkeren één gemaakt, om de hoogere eenheid van het Godsrijk mogelijk te maken.

De heirbanen van Rome worden de wegen der Apostelen, veroveraars zonder zwaard , tot wie Christus zeggen zal: „Gaat en onderwijst alle volkerenquot;.

Zoo werkt de mensch, zonder 't zelf te weten, altijd mede aan het werk van God.

Boven het politieke staat het godsdienstige feit. Alle volken der aarde, een enkel volk uitgezonderd, zijn onder de macht van het heidendom, met zeker zwak bewustzijn van de éénheid van God , de onsterfelijkheid, het toekomstige leven en de noodzakelijkheid eener voldoening door bloed; maar in verschillende vormen overal dezelfde dwalingen die de godsdienstige waarheid misvormen.

Het heidendom verwart God met de natuur en maakt beiden van éene zelfstandigheid; het brengt de ziel niet tot God, maar kromt haar onder het juk der natuur; het ver-

32

ocr page 41

CHRISTUS' VERBORGEK LEVEN.

nietigt den omgang der ziel mei God en doet daardoor reeds de eenige bron opdroogen waaruit de mensch zonder ophouden waarheid en gerechtigheid, kracht en hoop, troost en leven kan putten.

De eeredienst van dit heidendom is geen ateunsel voor de deugd. Welke naam ook wordt aangeroepen, 't is altijd de zich onbewuste natuur die te voorschijn komt. Boetedoeningen , vastendagen gingen soms vóór de heidensche feesten uit, die eindigden in bacchanalen en zinnelijke betooveringen, waarvan men zeide, dat ze scheppingskracht mededeelden, maar die -- men ziet het heden nog bij de muzelmannen en boeddhisten — de opgewektheid van een ziekelijk zenuwstelsel verwarden met de hemelsche extase.

Meer dan dertig eeuwen heeft het heidendom over bijna alle menschen den staf gevoerd; èn onder Keizer Augustus te Rome, èn onder de Pharao's in Egypte, èn onder de koningen van Assyrie is het hetzelfde heidendom, 't Is eene ziekte, een kwaal, die aan de jeugd van het menschdom vastzit en alle volkeren heeft dood gemaakt. De geheele heidensche wereld onder Keizer Augustus is eene zieke die ter dood is veroordeeld. Die haar genezen zal, door haar, met het begrip van één G-od, het beheer over de natuur en over zich-zelve terug te geven , hij alleen zal waarlijk haar redder wezen.

Christus heeft haar vrijgemaakt en daardoor verreweg de hoogste plaats onder de grootste mannen ingenomen.

Wie hieraan twijfelt moet twee eeuwen later zien, hoe de afgoden verbrijzeld worden, de tempels in puin storten en het geloof in de goden verdwijnt.

Na de feiten op staatkundig en godsdienstig gebied vordert de wijsbegeerte dier dagen onze oplettendheid.

De staatkunde tracht de menschen vooruit te brengen op stoffelijk gebied door hunne stoffelijke belangen te behartigen, de godsdienst wil den mensch brengen tot God; de wijsbegeerte is niet anders dan het pogen van een redelijk en

3

33

ocr page 42

CHEISTUS' VERBORGEK LEVEN.

vrij wezen om het beginsel der dingen te verklaren en aan het leven richting te geven.

Toen Rome meesteresse van de wereld was en het heldendom de godsdienst van alle menschen, zat de grieksche wijsbegeerte ten troon.

Gedurende zes of zeven eeuwen heeft de wijsbegeerte van Griekenland alle stelsels van menschelijke wijsheid door-loopen, en wel zoo, dat alle andere stelsels, door de rede in latere eeuwen uitgedacht, slechts eene herhaling zijn van het oudere grieksche werk. Ook Cicero, Lucretius, Varro, Horatius en Virgilius herhalen slechts wat de Grieken vóór hen hebben geleerd; maar meer dan hunne voorgangers, omdat zij practische Romeinen waren, hechtten zij zich vast aan de vraag: Waarin bestaat het hoogste goed en geluk? Langs welken weg wordt het bereikt?

In den tijd van Keizer Augustus zocht de wijsbegeerte hare dienaren te vermenigvuldigen en aan zekere wetten en regels te binden. Griekenland heeft de wijsbegeerte uitgedacht, Rome brengt haar in toepassing op het leven. Vanwaar in deze eeuw deze nieuwe eigenschap der wijsbegeerte? Het diepe verval van den heidenschen godsdienst en de onmacht van zijn priesters om de zeden te hervormen, verklaren deze verandering. De wijzen nemen de plaats der priesters in en de wijsbegeerte neemt de taak van den godsdienst over.

Welke leer verkondigen zij?

In twee hoofdscholen zijn zij verdeeld: de school van Epicurus en van Zeno. Beide zoeken naar het geluk; de eene gelooft het in het genot, de andere in de deugd te vinden: de eene in „het voelenquot;, de andere in „het willenquot;.

Indien voorschriften den mensch konden beter maken, de Epicuristen en Stoïcynen hadden hem beter gemaakt. Maar iets anders is het, wat goed is te zeggen, iets anders is het, wat goed.is te doen. De wijsbegeerte heeft dikwerf uitgemunt in het eene, maar is altijd in het andere tekort geschoten.

Te langen leste eindigen beide scholen in den dienst van

34

ocr page 43

CHRISTUS' VERBOROEN LEVEN.

het „ikquot;; maar het „ikquot; is hier op aarde aan het lijden ten prooi. Hoe dat lijden te boven te komen? Beide antwoorden: door het indifferentisme. Daar vinden beide, de eene door „inspanningquot;, tovos, de andere door „uitspanningquot;, ccviaii, troost.

Hun God dien zij „Natuurquot; noemen, is het „Fatumquot;, het Noodlot, dat onverbiddelijk, blind is en stom.

En toch hieruit heeft men het Christendom willen laten voortkomen. Alsof de godsdienst uit de wijsbegeerte kon geboren worden, de evangelische zaligheid uit die van Epicurus en Zeno, de wet van het offer uit die van de zelfzucht, de God-Vader uit het Fatum, de kracht uit de onmacht, de eeuwige en goddelijke hoop uit onverschilligheid en wanhoop. Alsof Christus die deze weldaden, deze stralende waarheden en deze regels voor het leven bracht, slechts een wijsgeer ware, een nakomeling van eene romein-sche secte. Neen, in weerwil van de wijsbegeerte en hare parelen, was de wereld vóór Hem slechts een grond van slijk; en Hij, de groote Zaaier, heeft daarin zijn woord geworpen, dat alles moest hervormen en nog altijd kampt tegen het standhoudend heidendom van het arme men-schengeslacht.

Uit welk volk moest Christus geboren worden?

Uit het joodsche volk. Het is een klein en arm volk, maar het heeft Christus voortgebracht; en met dien titel staat het, in weerwil zijner geringheid, boven den romeinschen staat, boven de heidensche godsdiensten , boven de grieksche beschaving, boven de grootste machten der historie uit. De overige volken schijnen overgelaten aan de kracht van hun genie, aan den stroom hunner ondeugden; maar Israel groeit op onder de hooge bescherming van God. Van alle volken afgezonderd en door Hem bewaakt, komt het op de golven van het menschelijk geslacht te voorschijn als de ark, waarin het behoud en de toekomst is weggeborgen.

De geschiedenis van geen volk is zoo wondervol als die

35

ocr page 44

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

van dezen kleinen, semitischen stam. Op bevel van God verlaat het de vlakten van Chaldea met zijn geloof in één God, met zijn vast vertrouwen, dat het zal vermenigvuldigd worden als de sterren aan den hemel, en dat in zijn stamvader, Abraham, „alle geslachten der aarde zullen gezegend wordenquot; '); het woont in Chanaan onder tenten en bouwt altaren ter eere van Jehovah; het verhuist naar Egypte, naar het land van Goschen om er te werken en zich te vermenigvuldigen. De herbergzaamheid der Egyptenaren brengt hen spoedig tot eene harde slavernij ; • onder aanvoering van Mozes werpt het volk 't dwangjuk af, bergt zich weg in de woestijn en zwerft er jaren rond. Van alle beschaving verwijderd, ontvangt het op den Sinaï de wet, die het afzondert van de heidensche wereld. Door geduld, moed en vertrouwen verovert het den grond dien God voor eeuwen had beloofd, vormt zich tot een klein, onafhankelijk koninkrijk, en blijft bij alle wisselingen zoo tot den dag waarop het onder de volken zal worden verstrooid als stof.

In den tijd dien wij hier met groote trekken teekenen nadert Israel den laatsten tijd van zijn volksbestaan en gaat het voor immer zijne staatkundige onafhankelijkheid verliezen.

Nadat het aan de meest doodelijke inwendige verdeeldheden , aan ballingschap en vreemde overheersching van Persen en Grieken heeft weerstand geboden, nadat het met een handvol dapperen, na vier eeuwen van dienstbaarheid, zijn vorige onafhankelijkheid had teruggewonnen, wordt Judea nu bestuurd door Herodes, een Idumeër, een gunsteling van Caesar en den Senaat. Het is een vasal-staat van het romeinsche rijk dat aanstonds ook aan dien toestand een einde zal maken.

36

Behalve de Sadduceön, de kortzichtige vleiers van het door het volk niet gewilde, vreemde gezag, de vrienden voor alles van rust en vrede, begrijpen alle leeraars, schrift-

') Gen. XII, 3.

ocr page 45

CHRISTUS* VEKBORGEN LEVEN.

geleerden en priesters dat het volk eene crisis doorleeft. Zij zien zich den afgrond nabij, maar gelooven het niet.

Dit geslacht wilde zoo ernstig blijven voortbestaan en een groot volk worden, dat geen onheilen noch rampspoeden, zelfs na eeuwen, zijn hoop en verwachting hebben weggenomen.

Is het niet het uitverkoren volk? Heeft het niet de beloften van zijn God? Is de troon van David niet onwrikbaar? Is het bloed der Machabeën verdroogd? Hoe donkerder de horizont wordt, zooveel te meer licht valt er op het beeld van den Verlosser, gelijk die door het volk wordt verwacht. Bij het naderen van den afgrond, waarin het verdwijnen zal, wordt zijn vertrouwen grooter in de zegen-praal. Zijn leeraars hebben zonder ophouden door eene valsche verklaring der schriften en door verschillende openbaringen vau de laatste tijden, vooral door die van Henoch, aan de rampzaligste dwaalbegrippen omirent de toekomst en Israels staatkundige grootheid voedsel gegeven. Zij verklaren de voorspellingen, die op het rijk van den Messias en op den Voorlooper betrekking hebben, in wereldschen zin; zij willen in dit voorspelde rijk niet anders dan hun hersteld koninkrijk zien; zij droomen van een herstel, dat hun het bestuur over de wereld zal geven en denken zich den Messias aan een goddelijken Caesar gelijk, wiens bestuur over de gansche wereld dat van Salomon zal overtreffen.

Voor een volk is het een groote ramp, wanneer het zich in zijn bestemming vergist. Het joodsche volk met zijn godsdienst had een andere roeping dan de joodsche staat, en iets anders dan de joodsche staat is het jodendom. Het eene is een volk, een godsdienst; het andere een staatkundige vorm, van volk en godsdienst onderscheiden. Het jodendom bestaat nog na vijf duizend jaren; de joodsche staat heeft slechts vijf eeuwen bestaan, van Saül tot de Babylonische gevangenschap, van 't jaar 1000 tot 588. Na zeventig jaren van ballingschap, na twee eeuwen in dienst der Persische koningen, herovert het de vrijheid onder

37

ocr page 46

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

aanvoering der Machabeëu. Maar slechts een enkele eeuw duurt deze herleving. In 't jaar 63 maakt Pompejus zich van Jerusalem meester. Omdat Eome altijd voorzichtig handelde, geeft het aan Judea eerst een Idumeër tot koning, om later van Judea een romeinsche provincie te maken. De joodsche staat diende slechts om aan het volk meer kracht en aan zijn godsdienst meer verband te geven. Wanneer dat doel is bereikt, kan Israël verdwijnen als staat om voort te leven als geslacht en godsdienstige maatschappij.

Staat en godsdienst zijn bij de andere volken der oudheid bijeen gebonden; ze groeien en bloeien en sterven te zamen. Bij het vallen van den staat verdwijnen de goden. Maar hier bij het joodsche volk is het geheel anders; de staat kan verdwijnen maar het volk en de godsdienst blijven; en deze ondergang van den staat is zelfs dienstig voor de bestemming, die de voorzienigheid aan dat volk gegeven heeft.

God heeft het jodendom in 't midden der heidenen neergezet om Zijn getuige, de apostel van Zijn eenheid, de de heraut van Zijne gerechtigheid en barmhartigheid, de beschermer van Zijn tien geboden, de bewaarder der mes-siaansche beloften te wezen. Door de geheele wereld zal de Israëliet het Boek met zich dragen, dat zijn hemelsche schatten omsluit en voor dat Boek zijn synagogen bouwen.

Toen de joodsche staat ten tijde van Christus' komst, zijn ondergang naderde, was reeds het joodsche volk door verschillende beroeringen over de gansche wereld verspreid. In het zuiden van Azië en Arabië, op alle kusten van Klein-Azië, in Egypte, in Europa, in Griekenland en Italië zijn koloniën van joden.

„Het zou moeilijk zijnquot;, zegt Strabo, „een plaats ter wereld te vinden die geen joden had opgenomen en waar dezen zich niet met kracht hadden neergezetquot;. Zij zijn op alle kusten van de Middellandsche zee, bij de monding van alle groote rivieren. Zij zijn de hooger gelegen landen van Azië doorgetrokken en hebben China bereikt. Waar zij

38

ocr page 47

Christus' veebobgen leven.

zich hebben neergezet, daar blijven zij en werken zich erin met kracht.

Onder de vreemde volken leeft de jood in afzondering met de vrije uitoefening van zijn godsdienst; hij betaalt zijn belasting, maar is van den krijgsdienst vrij; hij heeft zijn eigen rechters en overheden. Sommigen zitten in den raad der steden, 'oekleeden rangen in het leger van den staat; maar dezen zijn weinigen; liever houden de joden zich bezig met handel en nijverheid. In afgesloten wijken der steden wonend, bouwen zij hunne synagogen en bedehuizen bij de poorten der steden, bij het water, iwaar voor hunne wasschingen gelegenheid is. De romeinen bemoeie-lijken de joden in hunne afzondering niet: Augustus geeft zelfs bevel aan de stadhouders van Azië. dat zij de gestrenge wetten van het keizerrijk ten opzichte van ver-eenigingen en gemeenschappen op de joden niet zullen toepassen. Zij mogen hunne tempelbelasting invorderen en opzenden naar Jerusalem. Hunne geschillen mogen zij voor een joodsche rechtbank vereffenen. Ofschoon zij onder Tiberias eenmaal voor den krijgsdienst werden opgeroepen, valt die oproeping voortaan in het westen niet meer voor.

Door deze verdraagzaamheid is dat volk waaraan prac-tische kennis, standvastigheid, buigzaamheid, soberheid en, volgens het getuigenis van Tacitus, lust tot voortteling en doodsverachting ') niet te ontzeggen valt, zeer toegenomen in getal. Geen volk heeft beter de kunst verstaan van rijk te worden; want geen volk had scherper practischen zin, grooter soberheid, meer lust tot den arbeid en meer volhardenden wil.

De zorgen voor gewin, die bij andere volken alle hoogere gedachten onderdrukken, zijn bij dat volk niet in staat den godsdienst te ondermijnen.

39

Deze handelaars en kooplieden, van den laagsten venter tot bankiers en groothandelaars, zijn leden der gemeenschap,

l) Huic generandi amor et moriendi oontemptus. Tacitus, Hist. I, V.

ocr page 48

•iO Christus' verborgen leven.

waarvan het middelpunt te Jerusalem is; zij zijn zich bewust zonen van Abraham te zijn en dragen dezen eeretitel in de wereld der „goymquot; met een aristocratische trots, gelijk de muzelmannen onder de christenen, de ongeloo-vigen, de „giaourquot; met trots hun naam dragen. Zij eten niet met de inwoners van het land en houden hunnen eigen rustdag, hun sabbath, op hunne eigene wijze. Zij huwen onder elkander en hebben de gewoonte elk jaar, vooral met de groote feesten van Paschen, Loofhutten en Tempelwijding, Palestina en de heilige stad te bezoeken; allen moeten, ten minste eenmaal in hun leven, persoonlijk een offer brengen aan Jehovah op de eenige plaats die Hem aangenaam is en naar Jerusalem eene schatting opzenden, die zij „eerstelingenquot; noemen, om den tempelschat aan te vullen, en te voorzien in de behoeften hunner behoeftige broeders.

Andere geslachten gaan onder de volkeren teloor; de jood alleen kent slechts een vaderland, het heilige Sion, Jerusalem. Elke andere grond is hem vreemd, en indien hij den titel van romeinsch burger aanneemt of koopt, hij doet het om vrijer als jood te zijn.

De Tempel is zijn heiligdom, waarheen hij zich wendt bij het gebed, gelijk de Muselman zich naar Mecca en de Kaaba keert.

Zoo blijft het jodendom door zijn Boek en zijne synagogen, zijn eeredienst en gebruiken, zijn afzondering en gehechtheid aan Sion, zijn trouw aan de overleveringen dei-vaderen, zijn onderlinge broederband, door verachting en vervolging, een godsdienstige vereeniging, eene kerk; het trotseert het heidendom, veracht de goden, biedt weerstand aan grieksche beschaving en romeinsche zeden; en onwankelbaar in zijn vertrouwen, gelooft het aan zijn uitverkiezing om eenmaal de wereld te overheerschen, wanneer zijn Messias verschijnen zal.

Ofschoon het de heidensche wereld veracht, zoekt het jodendom toch proselieten te maken, en gebruikt het zijn

ocr page 49

CHRISTUS VERBOEGEN LEVEN.

gaven en gebreken voor dat doel '). „Onze wettenquot;, zegt Philo, niet zonder eenige grootspraak, „trekken heel de wereld; barbaren, vreemdelingen, grieken, bewoners van het vasteland en eilanders, in het Oosten en het Westen en in Europaquot;.

Eenigen omhelsden het jodendom uit eigenbelang; anderen waren verzadigd van het heidendom, en zochten in de leer eener hoogere orde de rust die zij in het heidendom niet vinden konden.

De bekeerlingen werden in twee klassen onderscheiden: bekeerlingen „van de poortquot; en „der gerechtigheidquot;. De eersten, die tusschen de heidenen en de joden stonden, en wel onrein waren, maar door wier omgang de ware zoon van Abraham niet besmet werd, — moesten den waren God erkennen en aanbidden en de zeven geboden van Noach onderhouden 2). De tweeden werden ware joden door de besnijdenis, in lateren tijd ook door het doopsel bij indompeling en het opdragen van een offer. Onderworpen aan alle gebruiken en voorschriften van het goddelijk verbond, waren zij op plechtige wijze in den dienst van den waren God opgenomen en werden „volmaaktenquot; genoemd.

In weerwil van zijn ijver kon de jood de heidensche wereld niet overwinnen. Heidendom en jodendom bleven twee machten die aan elkander vijandig waren.

De godvruchtige en onverdraagzame pharizeör heeft een afkeur van den heiden en de heiden veracht den jood. Cicero zag in het jodendom „een volk voor de slavernij geborenquot; en Seneca „een ellendig en misdadig volkquot;. Scherper nog veroordeelt Tacitus „zijn eeredienst als dwaas en verachtelijkquot; en noemt het volk „de droesem der slavernijquot;. Gedurende tien eeuwen waarin het onder de volken was verspreid, heeft het geen enkel volk aan zijn godsdienst verbonden; aan twee naburige stammen slechts, onder

gt;) Matth, XXIII, 15.

J) Exod. XII, 19. Levit. XVII, 12; XXIV, 16; Ezech. XIV, 16.

41

ocr page 50

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

Joannes Hyrcanus aan de Idumeörs en onder Aristobulus aan de Itureërs, heeft het zich opgedrongen. De God van Israël schrikt meer af dan Hij aantrekt, en zijn wet is meer een juk dan een steun.

Dit godsdienstig volk is beter tot tegenweer dan tot aanvallen toegerust; het ontwikkelt eene groote kracht maar wekt geen sympathie; het is even onmachtig om veroveringen te maken als onvergankelijk in zijn bestaan.

Geen volk laat, door zijne afzondering in het midden der volken , duidelijker den vinger Gods in de historie zien.

Het biedt weerstand aan alles: aan het heidendom, aan de wijsbegeerte, aan de grieksche beschaving, aan de vervolging, aan den tijd die alles verwoest, en zelfs aan zijn eigen Messias. Indien het niets heeft veranderd het heeft toch alles behouden.

Dat was de taak door de Voorzienigheid aan het volk opgelegd.

Terwijl de geheele oude wereld met een walg van alles aan uitputting wegkwijnde, heeft dat volk altijd aan de redding en de verlossing van het menschdom geloofd. Terwijl alle volken de gouden eeuw in het verleden plaatsten, zagen zij haar in de toekomst naderen. Aan het jodendom danken wij het, dat het Godsbegrip door al de afdwalingen van 's menschen geest heen is bewaard gebleven.

Maar de misslagen des menschen, zijn kleingeestigheid en ijdele waan laten altijd haar indruksel achter op het groote werk van God.

Als volk hebben de joden hunne bestemming verloochend. Zij maken van den waren God een God alleen voor zich, van hunne gebruiken en ceremoniën eene algemeene en noodzakelijke wet ter zaligheid, en van hunnen Messias den verlosser hunner aardsche afhankelijkheid.

Deze vooroordeelen hadden zoozeer de oogen van het volk verblind, dat het jodendom, door de Voorzienigheid bestemd om den weg voor den Messias te bereiden, het grootste struikelblok werd voor het werk van denzelfden

42

ocr page 51

CHRISTUS' VEEBOEGEN LEVEN.

Messias. Maar gelijk in het heidendom enkelen aan de al-gemeene besmetting ontkomen, ook zoo heeft het iodendom zijn uitverkorenen, die in stilte de beloften van God bewaren.

De Evangeliën laten een helder licht vallen op deze kleine kudde van „ware Israëlieten zonder bedrogquot; '), onder welke Grod zijne medehelpers kiest. Meerderen, uit verschillende groepen genomen, zijn met een enkele trek maar scherp geteekend. De oude priester Zacharias, de herders van Bethlehem, de grijze Simeon, de profetes Anna laten ons zien, dat niet allen door de Schriftgeleerden en Pha-rizeën bedorven waren, en dat in de hoogste en laagste klasse van het volk ware godsvrucht den waren Messias afbad van God.

Zoo was de toestand der wereld in de achtste eeuw na Rome's stichting, in het midden der 192stlt;J Olympiade, en, volgens de joden, 4000 jaren na de schepping der wereld.

„De volheid der tijdenquot;, naar het eerste woord van Christus2), was daar. Het romeinsche rijk, het heidendom, de wijsbegeerte, het jodendom hebben hun taak volbracht. In banden geslagen door de staatkunde van Rome, verlaagd en tot wanhoop gebracht door valsche godsdiensten, kwijnt de wereld weg, die te vergeefs aan de wijsbegeerte de oplossing van 's levens raadselen en 't geheim van de deugd heeft gevraagd. In ontrouw aan zijne bestemming, ligt ook het jodendom te sterven.

Nooit was er hachelijker tijd. Maar God waakt, en in gebed en hope zijn de eenvoudigen van Zijn volk.

43

Ook onder de heidenen is niet alle hoop op redding verloren: dichters, historieschrijvers en de sibyllijnsche boeken geven daarvan getuigenis, 't Is dat voorgevoel, dat voor de groote feiten der historie uitgaat. Jesus zal geboren worden.

') Joës. I, 47. J) Marc. I, 15.

ocr page 52

CHRISTUS* VERBORGEN LEVEN.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Christus' Ontvangenis.

De geboorte van Christus is niet aan de onze gelijk.

Hij werd ontvangen van den H. Geest en geboren uit eene maagd.

Gelijk de Geest Gods over den chaos zweefde om in de stof het leven, in het leven het instinct, in het instinct het verstand te brengen, zoo komt Hij hier tusschenbeide in het wezen met verstand begaafd, den mensch, opdat „de aarde haren vrucht voortbrengequot; ') en de menschheid „het Heilige, de Zoon Gods, zie geboren wordenquot; 3).

Onder welken zichtbaren en historischen vorm openbaart de handeling van den H. Geest zich bij de geboorte van Christus? Vraagt het aan de historische getuigen, de Evangeliën. Ze zijn de eenige getuigen der oudheid, die ons nauwkeurig inlichten over de bijzonderheden van deze verborgen gebeurtenis, die toch het aanschijn der aarde moet veranderen.

De eerste gebeurtenis grijpt plaats in een verborgen stad van Galilea met name Nazareth, dat „bloemquot; en „spruitquot; beteekent.

Daar woonde de jeugdige maagd, die ontvangen zal de hoogste openbaring van God.

Zij draagt den naam van Maria en is nog geen zestien jaren oud.

De overlevering geeft haar Joachim tot vader en Anna tot moeder. Men gelooft, dat zij reeds in haar eerste jeugd haren vader verloor. Zij is van een koninklijk geslacht en van Davids bloed. Zij is in den Tempel groot gebracht. Zij

') Ps. LXVI.

') Luc. 1, 35,

44

ocr page 53

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

heeft op hemelsche ingeving zich met hare maagdelijkheid den Heer gewijd. Een zeldzame daad bij een volk waarvan alle vrouwen begeerden de moeder van den Messias te worden en bij wie de onvruchtbaarheid eene schande was. Volgens de wet en de gebruiken der joden is zij, de eenige erfgename, toch uitgehuwelijkt aan eenen man, wiens naam was Joseph, van haar eigen stam en geslacht, haar naasten bloedverwant, die haar erfdeel moest erven. De plechtigheid, die bij haar intreden van het huis haars bruidegoms was voorgeschreven, heeft nog niet plaats gehad. Zij leeft nog met hare moeder en werkt aan haar uitzet, gelijk alle jonge verloofden uit haar land ').

Op zekeren dag zag zij in menschelijke gedaante Gabriel, een Engel des Heeren, verschijnen, en haar huis binnen komen.

De Engel sprak tot haar: „Wees gegroet, gij vol van genade 1 De Heer is met u! Gezegend zijt gij boven de vrouwen!quot;

De verloofde maagden der joden leefden in afzondering van de mannen.

Bij het zien van dien Engel en het hooren van dat woord was Maria ontsteld en peinsde zij wat dit voor een groet mocht zijn.

„Vrees niet Maria! sprak de Engel, want gij hebt genade gevonden bij God! Zie, gij zult in uwen schoot ontvangen en eenen Zoon baren, en zijnen naam Jesus noemen. Hij zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genoemd worden ; en de Heere God zal hem den troon van zijnen vader David geven; en hij zal over het huis van Jacob heerschen in eeuwigheid; aan zijn rijk zal geen einde zijnquot; 1).

Toen begreep de maagd, dat hij sprak van den verwachten Verlosser, die voor altijd den omvergeworpen troon van

45

1

Luc. I, 29-33.

ocr page 54

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEtf.

David zou herstellen, die de glorie van Israël, de verwachte der volken, de trots zijner moeder zou zijn. Hoe kon zij, die besloten was door geen man ooit moeder te worden, voor dat verheven werk worden uitgekozen?

Vol verwondering vraagt zij dus: „Hoe zal dat geschieden, dewijl ik geenen man bekenquot; ').

De Engel antwoordde;

„De H. Geest zal over u komen, en de kracht des Aller-hoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat uit u zal geboren worden, Gods Zoon genoemd wordenquot;.

En de Engel gaf haar een teeken tot bewijs. „Elisabeth, uwe bloedverwante, ook zij heeft eenen zoon ontvangen in haren ouderdom, en deze maand is voor haar, die onvruchtbaar heette, de zesdequot;.

„Niets is onmogelijk bij Godquot;.

Toen sprak Maria: „Zie hier de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woordquot;.

En de Engel verdween ').

Zoo was de ontvangenis van Christus. Door zijne moeder alleen is hij met de menschheid verbonden.

Zoo werd een der geheimvolste woorden van den grootsten der Zieners in Israöl vervuld: „Eene maagd zal ontvangen en een zoon baren, en zijn naam zal genoemd worden Emmanuëlquot;, d. i. God met ons 1).

Een eeuw later zal een grijsaard, een Apostel, die het meest in de geheimen zijns Meesters is doorgedrongen, de H. Joannes, deze gebeurtenis verklaren; hij zal de taal van Plato spreken en op eene bladzijde, die meer verhevene geheimen van God openbaart dan de grieksche wijsbegeerte ooit gesproken heeft, leeren, dat in Christus: „het Woord is vleesch geworden en heeft gewoond onder onsquot; 2).

46

1

) Isaïas VII, 14.

2

) Joës. I, 14.

ocr page 55

cheistus' verborgen levën.

Meer dan de mensch verwachten kon is in Christus geschied. God is mensch geworden, en in Christus werd de menschelijke natuur, een der twee naturen van God den Zoon. Wie wil opklimmen tot God, zal vereenigd moeten zijn met Hem. Hij is de steen '), die in het midden der tijden is opgericht. Hen, die zich stooten aan dezen steen, zal hij verbrijzelen; maar die op Hem steunen zullen niet wankelen; zij zullen allengs dat gebouw, die stad, dat koninkrijk Gods worden, wat het groote doel der gansche schepping is.

Wanneer de H. Geest in uitverkoren zielen werkt, opdat zij een zelfde werk voltooien, brengt hij hen op geleidelijke wijze bijeen. Den volgenden dag. nadat Maria tot Moeder van Christus was uitverkoren, ging zij met haast naar eene andere vrouw, hare bloedverwante, die in weerwil van haar ouderdom en hare onvruchtbaarheid was uitverkoren om de moeder van Joannes den Dooper te zijn.

Elisabeth woonde met den priester Zacharias in het dorp Karem, nu Aïn-Karim genaamd, in het gebergte van Juda.

De ontmoeting dezer twee vrouwen is in het breede door den Evangelist Lucas verteld, en hij laat het volle licht vallen op alles wat door Gods liefde in dien kleinen kring van men-schen gewerkt wordt, waarin de groote verwachtingen van Israël beginnen vervuld te worden, en waarin God, buiten weten der wereld, de verlossing der menschheid voorbereidt.

In het eerste oogenblik harer ontmoeting begrepen beide moeders elkaar.

47

Bij den groet van Maria voelt Elisabeth haar kind opspringen in haren schoot, en onder goddelijke ingeving roept zij uit: „Gezegend zijt gij boven de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws lichaams! En van waar geschiedt mij dit, dat de Moeder mijns Heeren tot mij komt? Want, zie, toen de stem van uwen groet in mijne ooren klonk, sprong het kindeken van vreugde op in mijn lichaam. En zalig

») Rom. IX, S2.

ocr page 56

christüs' veebokgen leven.

zijt gij, die geloofd hebt, omdat vervuld zal worden wat u van den Heer is gezegdquot; ')•

Toen openbaarde Maria aan Elisabeth het geheim van hare roeping en moederschap. Maria hief haar dank- en loflied aan:

„Mijne ziel maakt groot den Heer.quot;

„En gejuicht heeft mijn geest in God, mijn Zaligmaker.

„Daar Hij neêrgezien heeft op de geringheid Zijner dienstmaagd. Want zie! van nu af zullen mij zalig noemen alle geslachten! omdat Hij groote dingen aan mij heeft gedaan, de Machtige; en heilig is Zijn Naam.

„En Zijne barmhartigheid is van geslacht tot geslacht voor die Hem vreezen.

„Hij heeft kracht gedaan door Zijnen arm; verstrooid heeft Hij de hoogmoedigen in de meening huns harten. Hij heeft machtigen van den troon gestooten en geringen verheven; hongerigen heeft Hij met goederen vervuld en rijken ledig weggezonden.

„Hij heeft Israël, Zijnen dienaar, in genade aangenomen, indachtig Zijner barmhartigheid — gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen — jegens Abraham en zijn geslacht in eeuwigheidquot;.

Zij ontleent aan de bijbelsche vrouwen, die vóór haar in hun moederschap juichten, gelijk Lia en de moeder van Samuël, uitdrukkingen wier beteekenis zij uitbreidt en verklaart.

Welk schepsel was zich een hoogere bestemming bewust §n bleef in hare grootheid nederiger en meer verborgen? Zij voorspelt hare toekomstige grootheid, zij hoort reeds het handgeklap der naderende eeuwen; maar zij ziet daarin slechts de zegepraal van Hem die groote dingen in haar heeft gedaan.

48

Zoo spreekt geen eenvoudige vrouw, geen gewone dochter van Eva. Deze van God ingegeven lofzang reikt verder dan de

Luc. I, 41 —45.

ocr page 57

CHRISTUS' VEBBCRGEN LEVEN.

horizont dezer aarde en sluit de oude tijden af; 't is niet meer het verlangen dat God afroept, 't is het zegenpralende geloof dat Hem aanschouwt en bezit; 't is het lied der nieuwe tijden, de volste vreugdekreet die ooit aan de lippen der menschen ontvlood.

Ongeveer drie maanden bleef Maria te Karem in het huis van Zacharias. Het was éen lang gebed, een onafgebroken mededeeling van geheimen, een aanbidding van Gods plannen , in heilige afwachting dat ze zouden in vervulling gaan.

Op den bepaalden dag bracht Elisabeth een zoon ter wereld, zooals aan Zacharias beloofd was, toen hij op zekeren morgen, in den tempel te Jerusalem, bij het wierook offeren, rechts van het reukaltaar, een engel Gods aanschouwde en van hem de hooge en godsdienstige bestemming van dit kind vernam').

Deze geboorte verwekte in de nabijgelegen dorpen en onder de bloedverwanten van Zacharias groot opzien. De rijpere leeftijd van Elisabeth was bekend, en deze geboorte, die alle menschelijke verwachtingen te boven ging, bewees, dat de vinger Gods aanwezig was.

Den achtsten dag moest het kind besneden worden en nieuwe wonderbare feiten grepen plaats. De bloedverwanten en vrienden wilden naar gewoonte aan den eerstgeborene den naam zijns vaders geven. — Nooit! riep de moeder. Bij de joden was het een voorrecht der vrouw een naam aan het kind te geven3). Wie kent het beter dan zij? Wetend dat zij het kind dankte aan God alleen, wilde zij, dat ook zijn naam de weldaad zou uitdrukken aan zijn moeder bewezen. Hij zal Joannes genoemd worden, zegt zij. Men beroept zich op de gewoonte. Er is niemand onder uwe maagschap die met dezen naam wordt genoemd. Men wenkt den vader om zijn wil te kennen. Zacharias, die na de verschijning in den tempel was stom gebleven

') Luc. I, 1-23.

Gen. XXIX, 32; XSXV, 18; I Kou. I, 20.

49

4

ocr page 58

CHRISTUS' VERBOEGEN LEVEN.

vroeg een schrijfbordje en schreef: Joannes ') is zijn naam.

In hetzelfde oogenblik herkreeg hij de spraak en loofde God. Heel de omtrek kwam in beweging en was vol van bewondering. Het verlangen naar den Messias was groot onder het volk en daarom vroeg men elkander: Wat toch zal dat kind zijn? De hand des Heeren is met hem. Eene spreekwijze bij de joden veel in gebruik 2).

Terwijl deze feiten langs de bergen van Juda de geesten der menschen in beroering brengen, komt de geest der profeten over Zacharias: hij doorschouwt het geheim dat Maria in haren schoot met zich draagt en bezingt in een heerlijk lied de vervulling van Gods beloften.

„Gezegend de Heer, de God van Israël!

„Want Hij heeft zijn volk bezocht en verlossing gewerkt; Hij heeft voor ons laten opstaan den Verlosser, machtig in het huis van David, Zijnen dienaar, gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, van oudsher! Hij heeft ons bevrijd van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten; om barmhartigheid te doen aan onze vaderen en indachtig te wezen Zijn heilig Verbond, Zijnen eed, dien Hij gezworen heeft aan Abraham, onzen vader: dat Hij ons, zonder vrees, verlost uit de handen onzer vijanden, verleenen zou Hem te dienen in heiligheid en rechtvaardigheid voor Zijn aangezicht, al onze dagen!quot;

En zijnen zoon aanziende, riep hij:

50

„En gij, kind! Profeet des Allerhoogsten zult gij genoemd worden! Want gij zult voor des Heeren aanschijn voorafgaan om zijne wegen te bereiden, om de wetenschap des heils te schenken aan zijn volk tot vergiffenis hunner zonden door de innigste barmhartigheid van onzen God, waarin ons bezocht heeft Hij, die opgaat uit den hooge; tot verlichting van hen, die in duisternis en in schaduw

') Johana, gave Gods. *) Luc. I, 66.

ocr page 59

CHRISTUS VEEBOKGEN LEVEN.

des doods gezeten zijn, om onze voeten te richten op den weg des vredes!quot; ')

Ternauwernood ontvangen, nog in den schoot zijner moeder, gaan daar reeds stralen van Jesus uit. Hij heiligt Joannes in den schoot van Elisabeth en doet bij Zacharias den geest der oude profeten ontwaken.

Bij het ontstaan van het Christendom, vóór de zichtbare zegepraal van Christus' Geest, kon men misschien nog deze eenvoudige lieden met hunne profetische gezangen minachten; maar nu het werk van den Christus glorievol is voltooid, moet men in hen meer dan menschelijke bezieling erkennen; nu zijn het wezens van een hoogere orde, die niet aan de inbeelding van dichters maar aan God alleen het aanzijn danken.

Is Maria bij de geboorte en de besnijdenis van Joannes tegenwoordig geweest? De Evangeliën geven eerder het tegenovergestelde te kennen. Eerst wanneer de H. Lucas haar terugkeer te Nazareth heeft vermeld, verhaalt hij de overige gebeurtenissen, die in het huis van Zacharias plaats hadden, en waarbij niets aan Maria's tegenwoordigheid doet denken 2).

Maria was slechts verloofd; de plechtigheid waarmee zij in het huis van haren Bruidegom zou worden binnengehaald had nog niet plaats gehad, maar de tijd daarvoor naderde; zij komt naar Nazareth terug.

Na de stille dagen van Aïn-Karim wacht haar eene beproeving.

51

Haar moederschap werd zichtbaar. Hoe zou God de eer van hare maagdelijkheid redden tegenover de menschen en haar bruidegom ? Deze gedachte moest door den geest van Maria gaan; maar wat een gewoon mensch, alleen aan

Bibliotheca

') Luc. I, 67-69. 3) Luc. I, 66.

ocr page 60

CHRISTUS VERBORGEN LEVEN.

zich zeiven denkend, zou angstig maken, kon niet de kalmte storen van haar, die gezegd had: „Ik ben de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar Zijn woordquot;.

Allen die zich bewust zijn, werktuigen in Gods hand te wezen, geven zich met volle vertrouwen aan Hem over; Hij zal alle beletselen ter zijde zetten of te boven komen. Maria, zegt Bossuet, liet alles over aan God en bleef in vrede leven.

Middelerwijl gebeurde het volgende te Nazareth.

Joseph, die niet was ingewijd in 't geheim waarvan Maria uit bescheidenheid en ootmoed gezwegen had, werd Maria's toestand gewaar. Uiterlijke teekenen brachten hem in verwarring. De onnaspeurlijke wegen van God niet gissende, aarzelde hij. Met menschelijke wijsheid neemt hij een wijs besluit. Om haar zooveel mogelijk te redden zal hij haar in stilte verlaten.

Wanneer de mensch alles gedaan heeft om zijn plicht te kennen kan hij nog dwalen; maar hij verdient door God te worden geholpen, en God komt ter hulpe op.

Joseph had een droom. Een Engel des Heeren verscheen hem en zeide: „Joseph, zoon van David! schroom niet, Maria, uwe vrouw, tot u te nemen, want hetgeen in haar geboren is, is van den H. Geest. En zij zal eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Jesus '); want hij zal zijn volk van hunne zonden verlossen 1).

Joseph ontwaakte, stond op en gehoorzaamde zonder dralen aan het woord van God. Onmiddelijk hierna werd Maria op plechtige wijze in het huis van haren bruidegom ontvangen, zooals de wet van Mozes en de gebruiken der Israëlieten dit voorschreven. Zeven dagen lang was er feest, de lammeren werden geslacht en door een maagden-rei met brandende lampen en myrte-takken werd zij opgeleid.

52

Voor 't oog der wereld was dit huwelijk aan dat van

1

) Matth. I, 20-27.

ocr page 61

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

anderen gelijk; maar de gehuwden leefden als broeder en zuster, zooals het Evangelie uitdrukkelijk verklaart ').

Joseph begreep zijne roeping; hij moest de beschermer van twee zwakken wezen: zijne bruid en haar kind.

Een voorbeeld van zelfverloochening, van toewijding en trouw zal hij worden. Zijn naam zal onafscheidbaar aan de HH. Namen van Jesus en Maria verbonden blijven.

De dagen gingen voorbij; groot was de verwachting te Nazareth, in het huis van Joseph, den timmerman.

DERDE HOOFDSTUK.

Van de Geboorte tot de vlucht naar Egypte.

Een ongehoord feit in de. geschiedenis van Judea bracht de geheele bevolking van het kleine koninkrijk van Herodes, der oostersche provinciën en der verschillende staten, aan Eome schatplichtig of verbonden, omstreeks het jaar 747 na E. S. in opschudding. Op nieuw was voor tien jaren aan Augustus door den Senaat de keizerlijke oppermacht in handen gegeven. Ten derden male zijn de poorten van Janus' tempel gesloten. Nooit was er algemeener en volmaakter vrede. Augustus maakt er gebruik van om, gelijk een vermogend eigenaar, zijn inventaris op te maken: hij laat zijne landen opmeten, zijn onderdanen en bondgenoo-ten opschrijven, regelt den kalender en boekt zijne inkomsten in een boekwaarvan wij nog eenige gedeelten bezitten. Hij heeft eene optelling van alle inwoners der provinciën , der verbondene en schatplichtige koninkrijken voorgeschreven. Ook Judea, door Herodes bestuurd, moet aan het keizerlijk bevelschrift gehoorzamen. Alle joden moesten zich

') Matth. I, 2D.

53

ocr page 62

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

laten opschrijven en hun eed van trouw aan den keizer en den koning afleggen in de hoofdstad van hun geslacht.

Dit was de aanleiding der reize van Joseph en Maria naar Bethlehem, de hoofdstad van Davids huis en geslacht, waartoe Joseph en Maria behoorden. Beiden zagen daarin ontwijfelbaar den vinger Gods die hen, op ongezochte en onverwachte wijze, bracht naar de plaats waar, volgens de profeten, de Verlosser van Israël moest geboren worden. Ondanks haar vergevorderde zwangerschap, den wintertijd, de vermoeienissen van eene lange reis werd Joseph door Maria gevolgd.

Drie of vier dagreizen is Bethlehem van Nazareth verwijderd, wanneer men den rechten weg volgt door de vlakte van Jizreël, over de bergen van Samaria en Judea, door Ginea, Bethulië, Sichem, Letonah, Bethel, Tel-el-Pul, Jerusalem en de vlakte van Rephaïm. De karavanen volgen elkander zonder tusschenpoozing. Het gewone volk gaat te voet, maar zeer zelden is eene familie in Judea niet van een ezel vergezeld; het onvermoeibare en zuinige beest heeft aan weinig behoefte en draagt den voorraad en de kleederen van zijn meester; - dat is uitrusting van den arme.

Men rust uit bij de bronnen onder de schaduw der boo-men; in den regentijd overnacht men bij den ingang van een dorp, in een karavaanderij, die reizigers en beesten onder éen dak herbergt; den volgenden dag vertrekt men bij het opgaan der zon, terwijl men de psalmen zingt die van Jerusalem en het huis van Jehovah gewagen; en van halte tot halte gaande bereikt men eindelijk het doel van den tocht.

Ook zoo gingen Joseph en Maria in gezelschap van anderen naar Bethlehem op.

54

Bethlehem ') is twee uren ten zuiden van Jerusalem

') In 't Hebreeuwsch: Beth-Lehem, Broodhuis.

ocr page 63

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

gelegen, over de vlakte van Eephaïm, in 't hart der bergen van Judea. Het ligt op den top van twee heuvelen, die in den vorm van een hal ven maan aan elkander verbonden zijn. Diepe dalen sluiten haar van alle kanten af; het middelste , het vruchtbaarste tevens, Quady-el-Karroubeh, door de twee punten van den halven maan ingesloten, komt in steile helling naar beneden, en de muren, opgebouwd om aardvallen te voorkomen, geven haar het aanzien van een uitgestrekt, met groen begroeid, amphitheater, met wijnstokken, olijf- en vijge-, amandel- en broodboomen beplant. De horizont, ten noorden en ten westen omsloten door de bergen die boven Bethlehem uitsteken, ligt ten zuiden en ten oosten open in vollen glans. Daar was het korenveld waar Ruth de aren nalas, en in de nabijheid de heuvel met het dorp Beit-Saour, waar Booz zijn dorschvloer had. Verderop ligt de woestijn van Juda met hare dorre, zandige bergen en, van achteren in de diepte, met de blauwe en paarse rotsen van Moab er om heen, de blauwe wateren van de Doode-zee. Ten zuiden rijst een eenzame berg in kegelvorm naar boven; dat is de Herodion, waar de oude koning Herodes wilde begraven worden en slapen zijnen grooten slaap.

Zoodanig is het kleine land, waar David geboren werd en waar nu zijne nakomelingen zich verdringen.

Alle woningen zijn bezet. De khan van het dorp, het diversorium waarvan de H. Lucas spreekt, is vol. Toen Maria en Joseph aankwamen, was er voor hen geen plaats; zij moesten een onderkomen zoeken in een nabijgelegen grot, in een van die gaten welken men nog dikwerf in de hellingen der kalkheuvelen van Palestina ziet. In deze ellendige schuilplaats zal de zoon van David, de Heilige, de Zoon Gods, de Verlosser geboren worden. In hoogst eenvoudige woorden verhaalt het Evangelie deze grootsche gebeurtenis. „Maar het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij zou baren. En zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken,

55

ocr page 64

CHRISTUS' VERBOEGEN LEVEN.

en legde hem in eene kribbe, omdat er voor hem geene plaats was in de herbergquot; ')•

Zij, die als maagd had ontvangen, werd moeder en bleef maagd. Het Evangelie geeft het te verstaan: zij kende de zwakte en de lasten van het moederschap niet. Zij-zelve ontvangt haar kind, zij-zelve wikkelt het in doeken en legt het in een kribbe. Vol geloof buigt de christen zijn knieën voor de vrouw en dit kind op haren schoot. De zachtmoedigheid , de armoede en het offer leert hij van beiden, wanneer hij beiden aanschouwt; telkens komen nieuwe gezichten voor zijn oogen wanneer hij dit onvergetelijk tooneel, zonder ooit moede te worden, onophoudelijk beziet, terwijl hij nooit daarvan de kracht, de bekoorlijkheid en de schoonheid achterhaalt.

Dit geschiedde in een December-nacht, in de maand van Tibeth volgens den kalender der Joden, buiten weten van allen, zonder andere getuigen dan Maria en Joseph. Maaide Geest Gods gaat zijne uitverkorenen geleiden naar hier.

Aan den voet van Bethlehem, een weinig aan de andere zijde van Beit-Saour, in dezelfde vallei waar Booz zijn graanlanden had en Ruth aren las, waakten herders bij hunne kudden.

De herders in het oosten behooren tot de laagste klasse van het landvolk. In dezen tijd nog ziet men hen, het hoofd bedekt met een groote, zwarte doek en een schapenvacht om de schouders geworpen, met bloote voeten of met ellendige sandalen, een kleine eiken- of vijgestok in de hand; beurtelings houden zij de wacht, gezeten onder een vooruitspringend rotsstuk, bij groote vuren. Wanneer de eerste regen valt wordt met gras en bloemen dezelfde grond gedekt, waarin later het zaad wordt gestrooid; en de kudden leven van deze eerste spruitjes.

5G

Terwijl dan de herders van Beit-Saour de nachtwake bij hunne kudden hielden, omstraalde hen op eenmaal een

•) Luc. II, ö en 7.

ocr page 65

CHRISTUS' VEEBOEGEN LEVEN.

hemelsch licht, en vol vreeze zagen zij een Engel des Heeren bij hen.

„Vreest niet, zeide hij, want ziet, ik verkondig u eene groote blijdschap, welke voor het gansche volk zijn zal; heden is u een Zaligmaker geboren, welke is Christus, de Heer, in Davids süad. En dit zij u het teeken: Gij zult een kindeken vinden, in doeken gewonden, en liggende in eene kribbequot; ').

En in hetzelfde oogenblik vulde een menigte van stemmen de lucht. In vereeniging met den Engel loofde een menigte van Engelen den Heer, zeggende; Glorie zij God in het allerhoogste en vrede op aarde aan de menschen van goeden wil1).

In deze twee woorden ligt de geheele toekomst en het gansche geheim van deze kribbe. Glorie aan God, vrede aan den mensch. Voortaan heeft de wereld, die God miskende, een zoon die ons den naam van God zal verkondigen en zijn rijk zal stichten; en de menschheid gaat den wet van vrede erkennen en aannemen, omdat zij door de wet der liefde zal worden bestuurd.

De Engelen verdwenen en de herders zeiden tot elkander; Laat ons heengaan naar Bethlehem, en dit woord zien, dat er geschied is, hetwelk de Heer ons heeft verkondigd. En zij kwamen met spoed en vonden Maria en Joseph en het kindeken in de kribbe 2).

En toen zij het zagen begrepen zij hetgeen hun over het kind was gezegd.

Eenvoudige zielen, die door God zijn verlicht, hebben een scherpen blik, zij achterhalen wat de wijzen met al hun wijsbegeerte niet begrijpen kunnen. Het geloof alleen heett begrip van Gods raadsbesluiten; de rede beziet ze van de hoogte uit, en tuurt zich daarop blind; zij wil ze pasklaar maken voor hare eischen en enge formulen, en eindigt zeer

57

1

5) Luc. II, 14.

2

) Luc. I[, 15-17.

ocr page 66

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

dikwijls met ze te misvormen of te verkleinen of geheel en al te ontkennen.

De herders vertelden, gelijk begrijpelijk is, wat zij hadden gezien en gehoord; maar het schijnt dat het getuigenis van deze arme menschen Bethlehem niet heeft in beweging gebracht. Christus bleef onbekend; maar Maria bewaarde in haar hart alles wat zij hoorde en maakte daarvan een soort van boek waarvan zij met innige teederheid, meermalen in haar leven, de bladen herlas.

Na acht dagen werd het kind, volgens de wet van Mozes besneden in het huis waar de eenvoudige reizigers waren geherbergd. Het was hoogst waarschijnlijk het feest der armen. Alles geschiedde op eenvoudige wijze en in stilte. Slechts de profetische naam, die aan het kind gegeven werd, was buitengewoon; en ook die naam van Jesus kon een gewone naam schijnen; andere kinderen droegen denzelfden naam. Hier bij dit kind had die naam zijn volle goddelijke beteekenis alleen voor die geloofden, voor zijn vader en zijne moeder.

Bij de joden werd elke eerstgeborene van alles wat leven had aan God geofferd Om hem vrij te koopen betaalde men vijf sikkels2). Drie en dertig dagen na de besnijdenis ging de moeder naar den Tempel om gezuiverd te worden; wanneer zij rijk was offerde zij een lam, was zij arm, een paar tortelduiven.

Op den bepaalden dag kwamen Maria en Joseph met het kind van Bethlehem naar Jerusalem , om te voldoen aan de voorschriften der Mozaïsche wet.

Volgens gebruik vertoonden zij zich in het voorhof dei-vrouwen, voor de poort van Nicanor, aan den voet der trappen waar het voorhof der priesters begon, tegenover het offeraltaar; zij gaven de vijf sikkels, en Maria bood den priester de twee duiven aan.

') Exod. XIII, 2-12. Num. XVIII, 15, 16.

J) De waarde van 4 gulden ongeveer.

58

ocr page 67

CHEISTUS' VERBORGEN LÉVEN.

Wij moeten hier eene zinrijke gebeurtenis verhalen.

Gedurende de uren van het offer en het gebed was de Tempel, zijn zuilengangen en voorhoven, gelijk nu de moskeeën, met eene menigte van menschen gevuld, die kwamen om te offeren, offers te brengen, zich te reinigen en het Geüllah'), het verlossingsgebed, te bidden.

Onder de joden die daar waren, toen Maria haar kind in de handen van den priester lag, was een grijsaard, Simeon. De Geest Gods had hem in dat oogenblik naar den Tempel gebracht. Hij woonde te Jerusalem en behoorde tot de godvruchtige klasse van menschen , die in de vreeze des Heeren en in de ware verwachting van Israël leefden. Gedurende zijn lang leven had hij zijn land ten gronde zien gaan; hij was bedroefd over het bestuur van Herodes met zijn heidendom en goddeloosheden; maar zijn vertrouwen was onwankelbaar en God sprak tot zijn hart. Een inwendige stem zeide hem, dat hij niet zou sterven aleer hij met zijne oogen den Gezalfde des Heeren 1) had aanschouwd.

Aanstonds openbaarde hem de Heer, dat dit kind, door eene arme vrouw aan den priester vertoond, de Verlosser was. Hij nam het in zijne armen; en gelijk Zacharias werd ook deze grijsaard, profeet.

— Laat nu, o Heer! Uwen dienstknecht, volgens Uw woord, in vrede gaan; want mijne oogen hebben Uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle de volken, een licht ter verlichting der heidenen en een luister voor Uw volk, Israël 2).

Zijn vader en moeder waren verwonderd over hetgeen van hem gesproken werd,

59

Simeon zegende hem en zeide tot Maria zijne Moeder: — Zie, deze is gesteld tot val en tot opstanding, voor velen in Israël, en tot een teeken dat zal worden tegengespro-

1

s) Luc. II, 26 vv.

2

) Luc. II, 28 W.

ocr page 68

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

ken, - dat zal uwe ziel met een zwaard doorsteken, — opdat uit vele harten de gedachten openbaar worden ').

Deze profetie van Christus' betreurenswaardige bestemming en van Maria's smarten is waar geworden op jammerlijke wijs: Heden, gelijk gisteren, is Christus een wonder van tegenspraak, en morgen zal hij het wezen evenzoo. Men moet voor of tegen hem wezen; hij trekt aan of stoot af; Hij dwingt de gewetens zich te openbaren.

Wanneer woorden, door den mond der menschen gesproken, zoo de eeuwen doortrekken en daarin zooveel licht werpen, verraden zij hun oorsprong: Ze zijn niet meer de woorden van menschen maar van den Geest Gods.

Bij velen, die in en uit den Tempel gingen, laten Simeon's woorden een heiligen indruk achter; de ontroering van den grijsaard had hen aangegrepen.

Daar was ook eene vrouw van groote godsvrucht, met name Anna, dochter van Phanuël, uit den stam Aser ^). Toen zij na een huwelijk van zeven jaren weduwe was geworden, had zij zich aan den dienst des Tempels toegewijd en bleef daar dag en nacht in vasten en gebed. Zij was vier-en-tachtig jaren oud. De Geest Gods kwam over haar; zij loofde den Heer en zeide tot allen, die de verlossing van Israël verwachtten, dat eindelijk de Messias aan het volk was geschonken.

Maar dit alles baarde geen opzien binnen Jerusalem. Ouderlingen en overpriesters, pharizeën en schriftgeleerden droomden van een geheel andere toekomst dan een grijsaard over het hoofd van een onbekend kind voorspelde.

Toen Maria en Joseph aan de voorschriften der Wet hadden voldaan, verlieten zij Jerusalem, en keerden met Christus naar hun land, naar Galilea, naar Nazareth terug 1).

60

1

) Luc. II, 39.

ocr page 69

Christus' verborgen leven.

Het was toen de maand van Schébat, in de eerste dagen van Februari.

Het algemeens gevoelen der godsdienstige Israëlieten was, dat de Messias binnen Judea niet ver van den Tempel moest leven en werken. „De zaligheid is uit de Jodenquot;, ') zal Christus later tot de Samaritaansche vrouw zeggen. Nu was langzamerhand in het hoofd van Joseph het plan gerijpt , waarvan wij een spoor bij Mattheüs 2) vinden, om, in overeenstemming met de roeping van zijn voedsterkind, in Judea te gaan wonen, in de nabijheid van Bethlehem, waar hij geboren was. De liefderijke behandeling der herders en van hunne meesters, eenmaal daar ondervonden, moedigde hem aan. Zoo keerde hij met Maria en haar kind weer spoedig naar Bethlehem terug.

Gedurende dit tweede verblijf en waarschijnlijk tegen het einde van de maand Adar (Februari — Maart), korten tijd vóór het Paaschfeest van 750, vielen dan de gebeurtenissen voor, die alleen door het eerste Evangelie worden verhaald en die een nieuw licht werpen op de kindsheid van Christus.

De groote godsdienstige verlangens der joden, omtrent de toekomst van hun geslacht en van den Messias die over de geheele wereld zou heerschen, waren niet besloten binnen den kring van dat kleine volk. Ze waren het heidendom ingedrongen, hadden naar het Oosten zich een weg gebaand en zelfs binnen Rome voor eenige ontmoedigde zielen een straal van hoop laten schijnen. De verwachting van den Messias zat in de lucht, kan men zeggen; dichters, historieschrijvers, wijsgeeren, priesters en sterrenwichelaars, zagen naar de toekomst uit.

61

In een land, wat het Evangelie niet noemt, maar dac alleen Chaldea, Mesopotamie, Perzië of het steenachtig

') Joës IV, 22. J) Matth. II, 22.

ocr page 70

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

Arabië kan zijn, — want aan deze landen denkt het Evangelie gewoonlijk, wanneer het van het Oosten spreekt — zagen wijzen — beoefenaars van wijsheid en sterrekunde om uit de sterren de geheimen der toekomst te raden — op zekeren dag aan den hemel een groote ster.

Was het een meteoor, een eigenlijke ster, of een komeet? Getroffen door de verschijning van dit hemellichaam, ondervragen zij de overleveringen der ouden en, zonder twijfel voorgelicht door God, zagen zij daarin het teeken van den grooten Koning aan de joden beloofd.

Het Boek van Daniël, waarin de opvolging der rijken en de tijd der komst van den Zoon des menschen was aangegeven, kon hun niet onbekend zijn. Wellicht ook stamden zij af van Balaam, den heidenschen profeet, die voorspeld had, dat een ster uit Jacob zou opgaan en een schepter uit Israël zich zou verheffen ').

Drie van hen verlaten hun land en trekken op naar Jerusalem. Hun rijke en schitterende karavaan trok de aandacht der bewoners. Zij ondervragen allen; en zeker van de groote gebeurtenis die heeft plaats gehad, zeggen zij: „de Koning der Joden is geboren, waar is hij? Wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en zijn gekomen om hem te aanbiddenquot; 2).

De woorden bereikten de ooren van koning Herodes. De koning ontstelde en heel Jerusalem met hem.

Herodes riep in zijn onrust de opperpriesters en schriftgeleerden des volks bijeen en vroeg hun waar de Christus moest geboren worden. Allen antwoordden hem: In Bethlehem van Juda. De Schriften waren duidelijk, de overlevering eenstemmig. Een profeet had gezegd: „En gij Bethlehem, land van Juda, geenzins zijt gij de minste onder de hoofdsteden van Juda; want uit u zal de Vorst voortkomen; die mijn volk Israël regeeren zalquot; 3).

gt;) Num. XXIV, 17.

Matth. II, 17.

J) Micheas V , 12.

62

ocr page 71

CaEISTUS* VERBORGEN LEVEN.

De oude tiran, die van alles op de hoogte was, liet de wijzen heimelijk bij zich komen, en onderzocht nauwkeurig van hen den tijd, wanneer de ster aan hen verschenen was. Gaat naar Bethlehem, zegt hij hun, en onderzoekt nauwkeurig naar het kind, en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ook ik het kome aanbidden ').

Het blijkt niet, dat de wijzen de list begrepen, die onder de schijnbaar belangstellende woorden van Herodes verborgen lag. Zij waren zeker niet bekend met de schandelijke geschiedenis van dien heerschzuchtigen indringer, die niet onwillig was de rol van Messias te spelen, en nooit voorde misdaad was teruggeschrikt om allen te verwijderen, die voor zijn koningschap, waarop hij zoo naijverig was, konden gevaarlijk zijn.

Na den koning gehoord te hebben, vertrokken zij. Nauwelijks buiten Jerusalem gekomen, zagen zij op nieuw de ster die zij in het Oosten hadden gezien, en waren daarover zeer verblijd. De ster ging hun voor en stond stil boven -de plaats waar het kind was. Zij gingen het huis in, vonden het kind met zijne moeder , vielen neder en aanbaden het 2).

Naar het gebruik van hun land boden zij het geschenken aan: goud, wierook en myrrhe.

Geen enkel woord van hen is bewaard; maar hunne geschenken hebben een diepe beteekenis: zij offeren goud aan den toekomstigen koning, wierook aan den priester en myrrhe aan het slachtoffer, dat door zijn dood onder de menschen een eeuwig koning- en priesterschap zal stichten.

68

De zonen van Balaam hebben beter dan hun voorvader voorspeld: zij hebben den weg gebaand langs waar de heidenen zijn opgetrokken; de menschen zijn in menigte hen gevolgd, hebben op hun voorbeeld voor de voeten van

') Matth. II, 8. vv. ') Matth. II, 4,

ocr page 72

CHRISTUS* VREBORGEN LEVËN.

Christus goud, wierook en myrrhe neergelegd, en vereeren en aanbidden Hem, met Hem lijdend en Hem liefhebbend tot den dood.

Herodes wachtte op de terugkomst der wijzen. Maar dezen werden in een droom vermaand niet tot Herodes weder te keeren, en gingen langs een anderen weg naar hun land terug.

Het bezoek dezer wijzen, van luister en rijkdom vergezeld, ook hun geloof, moesten op de arme woning van Joseph het licht laten vallen. In het Oosten geschiedt alles in de open lucht, en van huis tot huis moest alles in het kleine Bethlehem bekend worden. De naam van den Messias, van den Verlosser, werd zeker dikwijls genoemd en Joseph moest niet zonder vreeze zijn, daar alle joden de wreedheid en sluwheid van Herodes kenden.

En werkelijk, daar komt een storm op. Verwonderd, dat de wijzen niet terugkeerden, en zijne berekeningen ziende falen, werd Herodes boos.

Hij had het volmaakte karakter van een hoveling; kruipend voor zijn meesters, de Romeinen, was hij geweldig en hard voor zijne onderdanen. Eerst wanneer hij voldoening had, bedaarde zijn toorn, en voldoening gaf hem alleen het bloed. Hij verbande niet, maar doodde. Zoodra men raakte aan zijn gezag, strafte hij met den dood.

Door moord regeerde hij.

64

Ter nauwernood op den troon geklommen, vraagt hij aan Antonius den dood van den overwonnen Antigonus, en Antigonus wordt onthoofd '). Hij laat alle leden van het Sanhedrin ter dood brengen die gedurende Jerusalems beleg tegen hem en de Romeinen hadden partij gekozen; Aristobulus, zijn schoonbroeder, den zoon van Alexandra, laat hij te Jericho in een bad verdrinken en levert den tachtigjarigen Hyrcan, den laatsten der Asmomeërs, onder

') Antig. XV, 1.

ocr page 73

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

voorwendsel van verraad aan den beul over '); zonder wettige reden wantrouwt hij Marianne, zijne meest geliefde vrouw, en zij moet sterven. Door de kuiperijen van Pheroras en Salome begint hij zijne twee zonen, Alexander en Aristobulus, te wantrouwen en hij geeft bevel hen te worgen '). Bij het klimmen zijner jaren wordt hij nog wreeder en achterdochtiger. De pharizeën, verbitterd door zijne ongodsdienstige en onvaderlandsche staatkunde, smeden komplotten en verwekken oproer: hij laat de twee hoofden. Judas en Matthias, gevangen nemen en levend verbranden :').

Toen hij geheel Jerusalem in beweging zag bij de gedachte aan een onlangs geboren Verlosser, was de oude dwingeland met zijn besluit spoedig gereed. Het kind moet gegrepen en vermoord worden. Maar hoe zal hij het kind ontdekken ? Zijne handlangers zoeken te vergeefs. Zijn woede klimt bij 't ijdele van zijn pogen; en eindelijk deinst hij voor niets terug. Hij, die al de jaren van zijn bestuur met een moord had gestempeld, die vóór zijn dood een zijner zonen liet ter dood brengen, die, zijn einde ziende naderen en bevreesd, dat bij zijn uitvaart niemand zou schreien, in den renbaan van Jericho zijne voornaamste legerhoofden wilde doen vermoorden, gaf bevel alle zuigelingen te dooden in Bethlehem en zijne omgeving.

Na dien moord denkt hij veilig te zijn; maar hij bedroog zich.

Christus ontkwam aan Herodes' woede. Joseph zag in een droom een Engel des Heeren die zeide:*

„Sta op en neem het kind en zijne moeder met u, en blijf aldaar totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het kind zoeken om het doodenquot;. Joseph stond op, nam in dien zelfden nacht het kind en zijne moeder, en vertrok naar Egypte.

') Antiq.j XV, 9.

2) Antiq., XVI , 18.

3) Antiq., XVII, 6.

ocr page 74

dHBISTUS' VERBORGEN LEVEN.

Welke waren de lotgevallen van die reis? Waar zetten de vluchtelingen zich neer? Het Evangelie zegt er ons niets van. Het zegt alleen, dat zij daar bleven tot na den dood van Herodes.

De vlucht naar Egypte redde niet alleen het leven van Christus, maar borg hem weg in eene stilte die vóór zijn openbaar leven nog slechts eenmaal wordt gestoord. De ster der wijzen verdwijnt, de profetische stemmen zwijgen, de hemel wordt bewolkt, de eenvoudige familie verdwijnt in de menigte, en Maria en Joseph alleen bewaren Jesus' geheim.

In het volgend jaar (750—751) stierf Herodes. Wederom verschijnt de Engel in een droom aan Joseph en vermaant hem naar het land van Israël terug te gaan. Toen hij onderweg vernam dat Archelaüs, de nieuwe koning van Judea, in zijn bestuur gelijkenis met zijn vader had '), vreesde hij naar Judea terug te keeren. Nogmaals sprak God in den slaap tot hem, en kreeg hij in last naar Galilea te gaan.

Antipas '), een andere zoon van Herodes, regeerde als tetrarch over Galilea en Perea. Hij was van zachteren aard en jegens de joden welwillend gestemd.

66

Joseph kwam dan met het kind en zijne moeder in Nazareth terug en woonde aldaar.

VIERDE HOOFDSTUK.

De historische waarde der wonderbare verhalen van Christus' geboorte en kindsheid.

Het geheele verhaal van Christus' geboorte en eerste levensjaren heeft een bovennatuurlijk karakter dat men ver-

') Antiq., XVII, 13. Antiq., XVII, 11

ocr page 75

OIIBISTUS' VERBORGEN LEVEN.

kleinen noch ontveinzen moet. Eén groot feit is ervan schering en inslag: de persoonlijke tusschenkomst van God. De Geest Gods handelt hier als soviverein en openbaart zich aan uitverkoren personen op verschillende wijzen: Hij roept en beweegt hen; Hij beveelt hun naar welbehagen en met vrijen wil gehoorzamen zij aan Hem.

Die in dit eenig tijdperk der historie slechts het spel van de krachten der natuur en der menschen wil zien , zal nooit het geheim van den Christus doorgronden; want hij vergeet God, de hoogste beweegkracht, die de natuur eh de menschen voor zijn doel gebruikt.

Alle vijanden van het wonder, — rationalisten, pantheïsten, materialisten, positivisten of scepticisten, — verbannen uit de historie en behandelen als legende of als een dichterlijk verhaal het Evangelie van Christus' kindsheid, zooals de H. Mattheus en de H. Lucas dat hebben opgeteekend; zij zien in die verhalen slechts een gewoon feit, gelijk alle geboorten van beroemde mannen der oudheid. door gevoel en verbeelding opgesmukt.

Het eenige feit, dat volgens hen historische waarde heeft, kan in twee woorden worden neergeschreven : Christus werd in Palestina, onder Augustus, geboren.

Het meest nauwkeurig onderzoek der werken waarin deze critiek belichaamd is zal daarin niet het minste historische bewijs vinden tegen de feiten die ik naar de oorspronkelijke oorkonden heb verhaald. Hunne bezwaren zijn allen van leerstelligen aard. Deze feiten vooronderstellen eenmaal de persoonlijke en bovennatuurlijke tusschenkomst van God en kunnen daarom geen genade vinden bij hunne wijsgeerige stelsels die deze tusschenkomst verwerpen. Zoodanig eene critiek heeft juist zooveel waarde als die stelsels waard zijn; welnu, deze stelsels hebben, ondanks de gunst waarin zij staan, niet het minste recht zich als de uitdrukking der waarheid te laten gelden, want de rede kan ze van dwaling overtuigen; en altijd heb ik mij zeiven afgevraagd, hoe geschiedschrijvers. wier taak het is slechts feiten te verhalen

07

ocr page 76

B8 CHRISTUS* VERBORGEN LEVEN.

die deugdelijk bewezen zijn, zich kunnen verstouten, de verhaalde feiten met geweld naar hunne theoriën om te buigen. Keert men zoo niet de rollen om? Het feit met bewijzen gestaafd is onwraakbaar, aan de theorie kan altijd getwijfeld worden. Onze wijsbegeerte moet niet over de feiten gebieden maar de wijsbegeerte wordt door de feiten beheerscht.

Wanneer de historie een feit verhaalt dat een tegenstrijdigheid bevat en indruischt tegen het beginsel; geen gevolg zonder oorzaak, dan mag de rede zegevierend worden ingeroepen; een ondenkbaar feit en een feit zonder oorzaak bestaat niet en kan niet bestaan. De wijsgeeren, die de feiten der Evangeliën als onredelijke feiten hebben behandeld, hebben ze slechts van het standpunt hunner stelsels en niet van dat der eerste, wezenlijke, klaarblijkelijk ware beginselen der menschelijke rede bezien. Tegen de dwingelandij van deze kleingeestige, willekeurige, en geweldplegende critiek , die de historie vermoordt, moet men appèl aanteekenen bij het gezonde menschenverstand.

Willen wonderbare feiten het recht hebben in de historie te worden opgenomen dan is het slechts noodig dat ze mogelijk zijn en op geloofwaardige getuigenissen steunen. Welnu, deze feiten zijn mogelijk, omdat ze in de kracht, de wijsheid en de goedheid van God een voldoende reden van bestaan hebben; maar zijn ze door voldoende getuigen gesteund die ze in de oprechtheid van hun geweten voor waar verklaren? Ziedaar het groote punt.

Niemand zal het historisch gezag van het derde Evangelie ') verwerpen, dat ons al de omstandigheden der ontvangenis en der geboorte van Christus verhaalt. De H. Lucas verklaart in een inleidend woord, in duidelijke taal, zijn plan quot;). Hij verzamelt niet met gesloten oogen onzekere overleveringen of legenden; hij beschrijft feiten. Met nauw-

') Zia de inleiding pas». VI enVII. Luc. I, 3, 4.

ocr page 77

CHRISTUS' VEKBOBGEN LEVEN.

69

gezetheid en zorg heeft hij alles van 't begin af nagegaan om met orde te schrijven en aan Theophilus de waarheid der dingen te leeren, waarin hij-zelf reeds onderwezen is. Hoe kan men vooronderstellen, dat deze zorgvuldige en nauwgezette schrijver de goede trouw van Theophilus en van allen, die zijn verhaal zouden lezen, heeft bedrogen, door bij de ware historie verhalen te voegen aan de inbeelding van dichters en legenden ontleend? Welke onpartijdige critiek zou zich het recht aanmatigen zoodanig een getuigenis en zulke feiten te verwerpen, om de eenvoudige reden, dat ze de enge kring van onze eigen denkbeelden te boven gaan? Een wijsgeerig stelsel is niet de rede zelve, de waarheid ervan kan met grond worden betwist; maar de grondwetten der rede staan onwrikbaar vast. Door het verhaal van Christus' geboorte volgens de Evangeliën kan de waarheid van een stelsel worden geschokt, maar voor de rede heeft ditzelfde verhaal geen bezwaar.

Eenigen hebben beproefd de geschiedkundige waarheid der twee eerste hoofdstukken van don H. Lucas in twijfel te trekken. Waarin zoeken dezen hun steun? Deze twee hoofdstukken worden in het voorwoord zelf aangekondigd: „ik heb alles van den aanvang af nauwkeurig nagegaanquot; '), schrijft de evangelist; ze worden tevens zoowel in de eerste vertalingen als oudste handschriften gevonden. In het midden der tweede eeuw, 't is waar, heeft Mardon ze verworpen: hij wilde in Christus niets anders dan een zuivere „aeoonquot; zien, die van de menschheid slechts de gedaante had en aan geen geboorte of pijn of dood was onderworpen; de H. Justinus, Tertulliaan en Epiphanes verwijten daarom Marcion met kracht, dat hij den H. Lucas verminkt, 't Is ook waar, dat de gezangen van Maria, van Zacharias en van Simeon met hebraïsmen zijn doorregen en trekken van joodschen geest verraden, die weinig in overeenstemming

') Luc. 1, 3.

ocr page 78

CHRISTUS* VERBORGEN LEVEN.

zijn met hot paulinische karakter van het Evangelie; maar die trokken zijn veeleer onverdachte getuigen voor de geschiedkundige waarheid ervan, want zij verraden de bijzondere bronnen, waaruit de schrijver geput hoeft, om feiten te boek te stellen, die reeds een halve eeuw oud waren en die onder den indruk van het oogenblik waren opgeteekend. De joden, die tijdgenooten van den H. Lucas waren, spraken noch dachten meer gelijk de godvreezende families ten tijde van Zacharias en Simeon.

Overigens was de H. Lucas wel in staat de geschiedenis van het Evangelie te achterhalen. Men kent uit de ..Handelingenquot; zijn nauwe betrekking met Paulus, zijn verblijt te Antiochië, zijn geboorteland, waar hij Barnabas leerde kennen, en te Caesarea waar hij de gast was van den diaken Philippus; en zonder nog van zijne reis naar Jerusalem te spreken, waar hij de Apostelen ontmoette, is het duidelijk, dat hij met Maria en de familie van Joannes den Dooper in kennis was.

Uit die bronnen heeft hij de kostbare bijzonderheden geput, die hij ons verhaalt.

Onder alle deze getuigen Is er een die alle overige overtreft , 't is Maria, de Moeder van Christus. Zij heeft volgens den H. Lucas') de woorden die zij gehoord heeft en de tooneelen waarin zij een hoofdrol vervulde in haar hart bewaard. Zou deze vrouw na den dood van haren Zoon de lippen gesloten hebben gehouden en aan do leerlingen, aan de vrienden geweigerd hebben de geheimen mede te deelen waarin zij betrokken was? Wie kan het gelooven? In hare bescheidenheid, wist zij in waarheid den tijd van God af te wachten; maar toen dat uur gekomen was heeft zij gesproken ; en in het derde Evangelie hebben wij hare eigene getuigenis.

70

Men kan beweren , dat legenden zonder historische waarde , verhalen door de verbeelding en het gevoel der leerlingen

') Luc. II, 19, 5J.

ocr page 79

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

rondom de kribbe van Christus gevormd, zijn ontstaan, maar onaannemelijk is het, dat de moeder van Christus door haar stilzwijgen aan deze mythen en dichterlijke leugens medeplichtig werd.

't Is waar, in de eerste dagen der Kerk hebben de Ebeoniten, judaïzeerende christenen, de wonderdadige ontvangenis en geboorte van Christus ontkend; maar hunne ontkenning geeft slechts meer gewicht aan het verhaal van den H. Lucas, wiens bepaalde doel het was tegen deze scheurmakers voor de waarheid dezer goddelijke feiten op te komen.

Behalve deze Ebeoniten is er in de oudheid slechts éen geweest, die de waarheid van het evangelisch verhaal van Christus' geboorte heeft in twijfel getrokken. Celsus') was het, die zich niet ontzag vuile smaad over de reine kribbe van Christus uit te gieten. Hij is geen wederlegging waard. In deze eeuw komt dezelfde soort van smaadvolle loochening in Duitschland'-) uit de pen van verschillende schrijvers wederom te voorschijn. Een fransche jood :,j heeft niet geschroomd ze voor den dag te brengen, maar is evenmin geslaagd ze geloofwaardig te maken, omdat ze zoo smaad-vol, willekeurig, onwaarschijnlijk en stootend is.

De mythe en de legende tieren even welig rondom de kribbe van Christus als om de wieg dier groote genieën die op het hart en den geest des menschen een geweldigen indruk hebben gemaakt. Maar die scheppingen van ver beelding en gevoel wachten tot da-t tijd en afstand de menschen en zaken in een nevel hebben gehuld; ze zijn bevreesd voor getuigen van liet leven en groeien op hunne graven alleen. quot;Wil men ze met volle garven bijeenverzamelen dan moet men ze niet zoeken in de Evangeliën van

') Origenes. Coulr. Cel*. 1. '30.

') Venturini: Bartli, Die natur. Gehurt Jts. iVar. histor. bearheitet. ,1) Salvador.

71

ocr page 80

CHRISTUS VERBORGEN LEVEN.

den Canon der H. Schrift, maar in de tallooze apocrieve boeken der tweede, derde, vierde en vijfde eeuw1).

Laat men die naamlooze boeken vergelijken met den tekst der Evangeliën: de eerste zijn dikwijls kinderachtig en vreemd, gevuld met wonderlijke en onmogelijke dingen; de laatste zijn geschreven met een duidelijke, stille en levende hand; alles is er waardig en sober, stellig en bepaald; de personen zijn met scherpe trekken geteekend, de toestanden hebben niets onbepaalds en onsamenhangends; de gesprekken zijn in overeenstemming met de personen; het geheele schilderij springt vol harmonie en oorspronkelijkheid naar voren met kracht.

Niets doet hier denken aan de heidensche fabelen en verdachte tusschenkomst van goden en godinnen in het leven der helden of groote mannen; niets verraadt den joodschen geest, die zoo weinig begrip had van deze hoog verhevene maagdelijkheid. Het verhaal van Christus' maagdelijke geboorte kan alleen door de werkelijkheid worden verklaard; zoo droomt en spint de verbeelding niet.

72

Men kan niet nalaten te lachen, wanneer men leest wat de mythen-vereerders hebben uitgedacht om deze geheele historie te verklaren. Hun arbeid is eenvoudig en kort. Wanneer een of ander feit van Christus' eerste jaren aan een woord of feit van het O. T. kan worden vastgebonden, dan is volgens hen terstond de koningsstijl gereed waarom de toren der legende of mythe wordt opgetrokken. Spreekt Isaïas van eene maagd die zal ontvangen, dan is door „epigenesisquot; de legende dor boodschap des Engels gevormd, en uit de ster van Balaam is de ster der wijzen voortgekomen; de moeder van Samuel zingt een danklied2), de moeder van Christus moet het hare zingen, enz. enz.

1

') Vgl. in de Dictionaire des apocryplies, D. 1 Editie van Migne: Hei evangelie, der Kindsheid; het eerste evangelie van den H. Jacobus; de geschiedenis van Maria's geboorte', de geschiedenis van Jozeph, den timmerman, enz.

2

I Kon. I, 2.

ocr page 81

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

Voor hen is het Oude Testament en de mythologie de mijn waaruit de legende naar boven komt; de godvruchtige verbeelding der christenen is de kunstenares die er den vorm aan geeft; en de goed geloovige Kerk, die eraan medeplichtig is, zorgt voor goedwillige geloovigen.

Vindt men geen punten van aanraking met het O. T. dan zoekt men in de ongewijde historie: om de aanwezigheid der herders bij Christus' geboorte te verklaren, neemt men zijn toevlucht tot de grieksch-romeinsche mythe van Romulus en Remus, die onder herders werden groot gebracht.

't Baart verwondering, dat de wereld achttien eeuwen gewacht heeft voor aleer zij langs dezen weg tot een zoogenaamd helder begrip van het evangelisch verhaal van Christus' geboorte en zijne eerste levensjaren gekomen is.

Iedereen begrijpt dat deze soort van verklaring geen waarde heeft. Zij is ook veel te laat gekomen en verraadt te duidelijk, dat zij slechts is uitgevonden om hen te redden, die met het wonder verlegen zijn.

Kon men nog aanwijzen waar deze verhalen ontstaan zijn, kon men bij hunnen naam noemen de makers dezer verdichtselen, waarvan men wel de schoonheid, den goddelijken zin en ideale frischheid bewonderen wil, — maar niets van dit alles is mogelijk; geen enkel bewijs, noch feit wordt aangehaald; 't zijn steeds vooronderstellingen, die altijd willekeurig dikwijls ook onwaarschijnlijk zijn.

De Evangeliën bevestigen herhaalde malen, dat de moeder van Christus allo woorden en feiten, waarvan zij getuige was, in haar hart bewaarde; deze herhaalde verklaringen, die men te weinig telt, zijn toch van te groot gewicht, en mogen door geen geschiedschrijver verdacht worden. Waarom dan niet in de evangelische verhalen de vertrouwelijke openbaring dezer vrouw gezien? Meer dan anderen hebben moeders hare herinneringen; hare teederheid vergeet niets, en alles wat met de geboorte van haar kind is verbonden staat met duidelijke letters in hare ziel geschreven.

De liefhebbers van mythen hebben deze verheven feiten

73

ocr page 82

CHEISTCS' VERBORGEN LEVEN.

ook aan griekschc fabelen en droomen der hindoes willen gelijk maken.

Zij herinneren, dat men de geboorte van Plato aan den omgang van den god Apollo met zijne moeder, Perictiona, toeschreef; dat Romulus doorging voor den zoon van Mars, en Caesar voor den zoon van Venus. Leerde ook eene secte van het Bouddhisme niet de zeven menschwor-dingen van Krichna? En was Cakija-Mouni, de hervormer van den godsdienst der Brahmanen, volgens de heilige boeken van het Bouddhisme, niet god geworden ? Had geen godin en maagd bij zijn aardsche geboorte hem diensten bewezen? Geeft in den tegenwoordigen tijd het opperhoofd der Bouddhistische hiërarchie zich niet uit voor een menschgeworden godheid?

In stede dat deze vergelijkingen de waarheid van het evangelie verzwakken, rechtvaardigen zij haar; zij getuigen voor een algemeen verlangen, dat niet bedriegeh.ik kan zijn, omdat het voortkomt van God: de verlangens door God ingestort, zijn de profetie van hetgeen gebeuren gaat. Het algemeen verlangen der gansche menschheid om God bij de geboorte der groote genieën te laten optreden, is eerst bij de geboorte van Christus ten volle bevredigd.

In de gewijde of ongewijde letterkunde zal men te vergeefs eene bladzijde zoeken, waar poëzie en historie, ideaal en werkelijkheid, het menschelijke en het goddelijke in volmaakter samenstemming een verhevener hoogte hebben bereikt.

In deze verhalen staat alles op zijn plaats; het geheel en zijne onderdeelen zijn met orde verbonden in eene heer-lijke en krachtige eenheid; wat de H. Mattheüs verhaalt wordt door het verhaal van den H. Lucas aangevuld.

Christus is de Zoon Gods, maar hij wordt, als een arm kind, geboren in een stal; eenvoudige herders erkennen hem, maar de geheele hemel opent zich boven zijne kribbe.

74

ocr page 83

CHRISTUS1 VERBOEGEN LEVEN.

Een oogenblik komt Bethlehem in beroering bij de komst der wijzen; maar nauwelijks is deze aardsche glans voorbij ol' het kind wordt bedreigd en moet vluchten.

Deze tegenstellingen zullen het leven van den Christus eu het leven der Kerk door de eeuwen heen vergezellen; ze zijn slechts eene herhaling en voortzetting dier ééne groote tegenstelling, waarin het geheele geheim van Christus is gevat en die de H. Joannes uitdrukt met dat ééne woord: Het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gemond').

De legende kent zulke samenstemmingen niet; hare onsamenhangende droomen zijn onwaarschijnlijk niet alleen, maar ook onredelijk; zij heeft behagen in het willekeurige en allegorische, in het wonderbaarlijke en ongewone. Ten tijde van het heidendom leende zij aan hare goden de zwakheden en hartstochten der menschen, en in de tijden, die op het christendom volgen, omkleedt zij God zeiven met de inbeeldingen van het menschelijk brein. Laat men de apocrieve boeken, de godenleer van Grieken en Romeinen en Hindoes en de wonderlijke feiten van Mohamets leven plaatsen op ('ene lijn; maar eene onbevooroordeelde critiek kan zoo niet met de evangeliën en de historie van Christus' kindsheid handelen.

Ook door alles, wat daar in verband met die feiten wordt gesproken, worden die feiten verdedigd en daarvan het goddelijk karakter geopenbaard.

De geest der profeten ontwaakt en maakt zich meester van de overlevering der verdwenen zieners; hij gaat buiten de nauwe kreits waarbinnen de godsvrucht der joden wegkwijnde; hij verbreekt de omheiningen van levenlooze vormen waarbinnen leeraars en overpriesters alle godsdienstige gedachten en gevoelens gevangen hielden. De oude beloften van God worden in al hare grootheid opgevat: de troon van David zal worden hersteld , maar de Zoon van God zal

75

1

JóGs 1, 14.

ocr page 84

CHRISTUS' VEHBOEGEN LEVEN.

op haar troonen in een rijk zonder einde; Israël zal worden getroost en verlost, maar de heidenen, die in de schaduwen des doods gezeten zijn, worden niet vergeten. Niet Israël zal regeeren maar God, en Zijne barmhartigheid zal zich over allen ontfermen.

Tot de hoogte van deze openbaringen konden noch het volk noch do schriftgeleerden en priesters zich verheffen. Men moet ziende blind wezen om daarin niet te zien het schitterend bewijs van den Geest en het woord van God. De menschelijke geest, hoe groot ook, kan niet komen tot deze hoogte en klaarheid, een weg zich banen naar het hart der menschheid, mot deze zekerheid de toekomst doorschouwen, en zoo diep in het geheugen der menschen zich zetten, dat hij na eeuwen nog voortleeft op de lippen van allen, die in aanbidding nederknielen, bidden, lijden, beminnen en hopen.

Ziedaar het inwendige bewijs voor de historische waarheid van het Evangelie, wat het Evangelie alleen bezit, en waarmee het deze bladzijden van Christus' kindsheid boven allen twijfel verheven houdt.

VIJFDE HOOFDSTUK

Christus' jeugd. Zijne opvoeding.

In twee woorden wordt ons het leven van Christus te Nazareth verhaald; hij teas hun onderdanij, en hij nam toe in ivijsheid en jaren en in genade hij God e« de menschen ').

Door de geheele, persoonlijke vereeniging der menschelijke met de goddelijke natuur in Christus, zag Hij altijd de oneindige waarheid, bezat Hij altijd de oneindige liefde, en genoot Hij altijd de oneindige schoonheid1); maar deze vereeniging belette niet, dat in zijn menschelijk verstand de

76

1

) Vgl. Thomas. Sum., Oa P., qu XV, art. 10.

ocr page 85

CHRISTUS VERBORGEN LEVEN.

keunig door ervaring vermeerderd werd'), zijne deugden zich al meer vertoonden, de macht van zijn wil sterker uitkwam en hij van lichamelijke vermoeienissen, van arbeid en pijn te lijden had.

Christus wilde in alles, behalve in de zonde, aan ons gelijk worden. Zijne opvoeding te Nazareth was aan die van alle andere Gallileërs van dien tijd gelijk.

Het kind werd groot gebracht in het ouderlijk huis, in de synagoge, in de werkplaats. Te huis ontvangt hij lessen en raadgevingen van vader en moeder; in de synagoge leert hij in de Thora lezen; in de werkplaats wordt hij opgeleid voor zijn vak.

Heilig waren de banden waardoor bij de Israëlieten het kind aan zijne ouders verbonden was.

Het huisje, waarin hij werd groot gebracht, gelijkt op dat wat nu nog in Palestina door de Arabieren wordt bewoond. Het is vierkant, en opgetrokken van klei of steen. De muren bestaan dikwerf uit een grof vlechtwerk, bestreken met klei, die in de zon is gedroogd en wit gemaakt met kalk. Het dak is plat en van een omheining omringd; men komt van buiten af naar boven, langs een verplaatsbare ladder of een trap tegen de muur gezet. Daar boven is de opkamer, de plaats des gebeds, waar men in den zomer, in het warme jaargetijde, een kleine hut maakt, met bladeren of riet bekleed, waaronder men slaapt bij nacht.

De woning heeft slechts een of twee kamers, en dikwijls is de deur de eenige opening; een nauwe, opene plaats ligt voor het huis, ommuurd met steenen zonder kalk of gedroogde takkebossen. In een der hoeken van de open plaats, dicht bij de deur, is de oven om het brood te bakken, -eene kleine rondte van klei, — die door een beweegbare deur wordt afgesloten, terwijl de vloer, waarop het deeg wordt neergelegd, van vuursteenen is gemaakt.

De meubels zijn hoogst eenvoudig: eenige lage banken,

:i) Vgl. Thomas. Sum., 3a P., qu. XII.

ocr page 86

CmJilSTUSquot; VERBORGEN LEVEN.

een tafel, kussens langs de muren neergelegd, matrassen en matten, een kandelaar, een olielamp in een gat van de muur, eene groote kist voor het linnen en de kleederen, een korenmaat,. eenige kannen, en een molensteen voor liet graan. De schoorsteen of liever de haard is somtijds midden in de kamer; bij de deur van elk vertrok hangt een langwerpig busje, de mézuza, dat een rolletje perkament bevat waarop twee fragmenten van de Wet, aan het Boek Deuteronomium ontleend, geschreven zijn ').

Het huis van den timmerman was de eerste, de ware school van Christus. Van zijne moeder en zijn voedstervader leerde hij lezen in de Schriften, en hoorde uit hunnen mond de Wet en de geschiedenis van zijn volk.

Christus was de eenige zoon zijner moeder. Zij, die door het Evangelie zijne broeders en zusters worden genoemd, waren in waarheid slechts zijn neven en nichten van moeders zijde; want zij hadden Cleophas tot vader, en tot moeder Maria, de zuster van Christus' moeder s): zij waren van hetzelfde geslacht, van denzelfden stam, van hetzelfde bloed als hij, en hij leefde te midden van hen. Deze bloedverwanten van Christus schijnen de geheimen van het heilig huisgezin niet te kennen.

Ook voor ons is dit heilig familieleven, te Nazareth, omsluierd gebleven.

De opvoeding van den jongen Israëliet werd in de synagoge voltooid. Na Esdras had elk dorp zijne synagoge: dikwijls was het, een eenvoudige kamer, zonder eenlg versiersel, naar het heilige Salem gekeerd. In een kast, achter een schitterend gekleurd gordijn, dat het voorhangsel van den grooten Tempel moest verbeelden, was de Thora neergelegd. Voor deze perkamentrol brandde altoos een lamp.

quot;) Deut. VI, 5-19: XI, 13-20.

2) Matth. XIII, 55; XXVII, 5G. Marc. VI, 5; XV, 40. Naar liet getuigenis van Ilegesipims, hij Euscbins, was lt;\mf Muiia slechts de schoonzuster, als echtgeuoote van Cleophas, broeder van Joseph.

78

ocr page 87

CHKISTUS' Vr KR HOR O EN LEVEN.

lu 'L midden der zaal staat de zetel waarvan, drie-raaien in de week, — op den Sabbath, 's Maandags en Donderdags — de zeven voorlezers een gedeelte der Wet en der profeten voorlezen. Van dien stoel af ook verklaart de voorlezer in het arameesch, de volkstaal, de verzen die zijn voorgelezen, en zegt de voorzitter of zijn plaatsvervanger tot besluit de zegeningen op, die het volk staande en luide, naar den Tempel van Jerusalem gekeerd, met een herhaald Amen beantwoordt. Op banken, met matten en kussens bedekt, langs de muren of rondom den leerstoel geplaatst, zijn de aanwezigen gezeten, het hoofd bedekt met den Udetk, met lange kwasten aan de vier punten, terwijl zij zachtkens bidden en op de maat het hoofd en bovenlijf bewegen.

De vrouwen, van de mannen gescheiden, staan meestal aan de deur met hare kinderen op de armen, terwijl zij in stilte het gebed der vergadering volgen.

Zoodanig eene synagoge werd door Christus te Nazareth trouw bezocht.

De moedertaal van Christus was het syrisch-chaldeeuwsch '), en het blijkt niet, dat hij het grieksch heeft gesproken; de grieksche beschaving was ook onder de joden van Palestina niet doorgedrongen.

Elke Israëliet van eiken stand moest een ambacht leeren quot;-). Hillel en Aquiba, twee der grootste rabbis, waren hout-klovers; Rabbi Johanan schoenmaker; Rabbi Isaac Nanacha, smid. Christus, de zoon van een werkman, was timmerman gelijk zijn vader. Hij werd in de werkplaats groot gebracht.

Tot den bepaalden dag blijft hij het voorbeeld der een-

') Ofschoon het klassieke hebreeuwsch, ten tijde van Christus, een doode taal was, waren toch alle joden er mee bekend. Het volk sprak het syrisch-chaldeeuwsch; een dialekt dat voor liet oude hebreeuwsch was wat nu het nieuwe grieksch voor het oude en het italiaansch voor het latyn is.

Dit volksdialekt had weer drie vertakkingen: het judeesch, het samari-taansch, en het syrisch.

De Crallileërs hadden een eigen dialekt; zg lieten de keelletters niet hoüren.

a) losaphut, in Kicldaschin, hooldst. 1.

79

ocr page 88

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

voLidigeu, die verborgen en vergeten leven , en is zijn leven aan dat der groote menigte gelijk, 't Is niet de geringste kracht van het christendom, dat het aan het volk ter navolging een Christus kan geven, die in zijne jeugd, gelijk de' meeste menschen , een arbeider, een werkman was.

De werkplaats hadden de joden niet thuis.

De vrouw leefde te huis in afzondering, terwijl echtgenoot en kind aan den arbeid waren. Zij maalde het graan, bereidde het maal, weefde het linnen, naaide de kleederen, putte water uit de bron en kocht hare mondbehoeften op de markt. Bij de bedestonden en maaltijden waren alle leden van het gezin in huis bijeen; op feest- en sabbath-dagen vond men elkander in de synagoge.

Ziedaar ook tevens het uitwendige leven van het heilig huisgezin te Nazareth beschreven.

Om iemand geheel en al te kennen moet men ook bekend zijn met het land en de natuur waarin hij is groot gebracht.

De natuur, waarin wij zijn opgevoed, laat voor altijd op ons volgend leven indrukken achter.

Die zich den oosterschen hemel, het land van Palestina, de bergen van Nazareth en het meer van Tiberias niet voor den geest kan halen, zal nooit ten volle de kleuren en beelden kennen waarmede Christus zoo gaarne zijne gedachten omkleedde.

In het open veld zag Christus de anemonen, de leliën des velds'), den vijgeboom die in de lente zijn eerste vrucht draagt1), het koren rijpen en de velden wit worden :'), de wijnranken snijden om den wijnstok meer vruchtbaar te maken2), de verloren schapen5) ronddwalen en de kudden naar de schaapstal voeren, de vossen naar hunne holen

so

1

') Joës. IV, 35.

2

) Luc. XV, 46; Joës. X, 1. m enz.

ocr page 89

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

gaan '), de arenden en gieren vergaderen rondom hun prooi'); daar zag hij in den morgen en bij den avond de zon rood op en ondergaan ten teeken van droogte of storm''), en de stroom buiten zijn boorden gaan, waardoor een slecht gebouwd huis werd meegevoerdquot;).

Moeielijk zal men een stadje vinden, met stiller en zoeter omgeving dan Nazareth; dat meer verborgen en meer in 't licht, meer in afzondering en meer open ligt. Wanneer men op eeue der heuvelen klimt die het stadje omgeven, heeft men een grootsch en onbegrensd uitzicht. In het Noorden de hooge bergen van Galilea, en daarachter de groote eenzame Hermon, met zijn eeuwige sneeuw. In het Oosten rijst fier de Thabor omhoog en laat de bergketen van Adjloun hare groenende hellingen zien. In het Zuiden de kleine Hermon, de bergen van Gelboë en van Samarië, en aan den gezichteinder de scherpe punten van Juda's bergen. In de onmiddeliike nabijheid de vlakte van Esdrelon , geel en grijs gekleurd als een perzisch vloerkleed, waarover de wolken purperen schaduwen werpen. In het Westen de blauwe bergketen van den Karmel en de nog blauwere zee, waarin de hemel zich spiegelt en de ondergaande zon. De geheele wereld gaat hier open voor het oog, en gaarne stellen wij ons Christus voor, wanneer hij op deze hoogte tot den Vader bidt en den ganschen grond overziet, dien hij eenmaal moest veroveren en vruchtbaar maken.

Een enkel feit uit Christus' jeugd laat ons voelen wat, gedurende dien tijd, er om ging in zijne ziel.

Het twaalfde levensjaar was gewichtig voor een jongen Israëliet. Van dien tijd af wordt hij als een man behandeld , is hij voor zijn daden zelf aansprakelijk; hij wordt lid dei-gemeente en neemt de verplichting op zich om de voor-

') Matth. VIII, 20.

2) Matth. XXIV, 2S; Luc. XVII , 37.

•,) Matth. XVI, 3.

*) Matth. VII, 47; Luc. VI, 40.

81

ocr page 90

CHRISTUS' VERBOEfJEN LEVEN.

schriften der Wet getrouw te vervullen. De Romein werd op dien leeftijd met de mannelijke toga bekleed, de jeugdige Israëliet wordt de zoon van de Thora. Volgens het voorschrift van Mozes begint hij gedurende de plechtigheden van den godsdienst, op voorhoofd en armen, de gedenkcedels ') te dragen. Hij moet vasten op de dagen van boete; en met de groote feesten — Paschen, Pinksteren en het Loofhuttenfeest — naar Jerusalem ter beevaart gaan.

Christus was twaalf jaren oud. Door zijn vader was hij in de synagoge van Nazareth voorgesteld, hij was lid dei-gemeenschap geworden en men had hem, op den Sabbath-Tephilin, de gebed-reepen1) gegeven.

Gelijk alle godvruchtige joden maakten zijne ouders elk jaar met Paschen de reis naar Jerusalem2). Deze keer vergezelde hij hen. Het was zijn eerste vrijwillige, openbare onderwerping aan de Wet.

Deze beevaarten naar Jerusalem zijn een eigenaardigheid van het godsdienstige volksleven der Israëlieten. Bij de drie groote feesten zijn de vier wegen, die naar Jerusalem leiden, met lange karavanen bedekt. Flavius Josephus schat het aantal personen, die met het Paaschfeest in Jerusalem waren, niet minder dan op twee millioen quot;). De Galileërs, die door Samarië trokken, hielden gewoonlijk voor de laatste maal rust voorbij Sichem, bij de put van Jacob, te Aïn-el-Aramieh.

Na eene reis van twee uren kwamen zij dan op den kruin van den berg Scopus, waaraan nu de naam van Naschevat wordt gegeven. Daar lag plotseling de heilige stad in de verte voor hen. De Tempel met zijn verguld dak op den Moriah, het paleis van Herodes, de paleizen der Hoogepriesters op den Sion; alle koepels glanzend in

82

1

) Het waren kleine roepen van perkament met riemen op hoofd en armen vastgemaakt, waarop de gedeelten van Deut. VI, 4-5; XI, 1-21 en van Exodus XIII, 1 — 10 en 11 — 16 geschreven stonden.

2

) Luc. II, 41. vv.

ocr page 91

CHRISTUS' VERBOKGEN LEVEN.

het licht van de opgaande zon; zestig torens langs de muren der stad, als reuzen-wachters, die de stad van den grooten Koning bewaren. Ten Oosten rijst de Olijfberg omhoog, met cypressen, ceders en donker groene boomen beplant; in het Zuiden, onmiddelijk achter Jerusalem, golven de bergen van Bethlehem, en in de dampige verte komen de bergen van Moab boven alles uit. Het zien van Jerusalem bracht alle pelgrims in verrukking, en zij zongen het lied der Trappen: Hoe liefelijk zijn uwe woontenten o Heer der Heerscharen!l)

In het jaar 760 na R. St. ging Christus met den karavaan van Nazareth, langs dezen weg naar het Paaschfeest op. Het feest duurde acht dagen, van den l4den tot den 21s'en Nizan. Aanhoudend was de Tempel met biddenden en offeraars gevuld. Jerusalem was toen de hoofdstad van den eeredienst niet alleen, maar ook der godsdienstige wetenschap. Twee scholen stonden tegen elkander over: die van Hillel en die van Schammaï; de eene, die verdraagzamer en vrijgeviger was, hield het zedelijke gedeelte van de Wet hoog en stelde dit boven de voorschriften van eere- en offerdienst; de andere, die kleingeestig en kleinhartig was, hing aan de letter, en wilde de mozaïsche voorschriften, die zij nog vermeerderd had, voor allen verbindend maken.

De komst van vreemde Rabbijnen maakte in deze dagen den strijd nog heeter in het voorhof der heidenen onder den zuilengang. Waarschijnlijk viel bij deze zuilen het feit voor, dat de H. Lucas ons verhaalt -).

Het Paaschfeest was voorbij. De karavanen verlieten Jerusalem. De karavaan van Nazareth, waarbij Maria en Joseph behoorden, trok naar Samariö; zij was te Bireh, de eerste pleisterplaats, gekomen niet ver van Bethel, waar

') Ps LXXXIII, 1.

') Luc, II, 41 vv.

83

ocr page 92

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

Jacob den geheimzinnigen ladder zag en Samuel elk jaar recht sprak. Bij den avond bespeurden Joseph en Maria, dat het goddelijk kind niet met hen was in de karavaan. Zij keerden terug naar Jerusalem; en na drie dagen vonden zij Christus in den Tempel, in het midden der leeraars, naar wie hij luisterde en wie hij ondervroeg. Alle hoorders waren verwonderd over zijne wijsheid en zijne antwoorden.

Zij die de Oostersche zeden kennen, en van nabij de synagogen der joden of de moskeeën der muzelmannen hebben gezien, wanneer daar onderricht wordt gegeven, zullen zich over deze gebeurtenis niet verwonderen. Men vormt een kring rondom de meesters, men zit op matten, men luistert en vraagt en antwoordt op de beurt; leeraars en leerlingen, grijsaards en jongelingen zijn met gekruiste beenen op een kleed gezeten, en het woord is aan allen.

Het Evangelie verhaalt niet wat Christus met de leeraars besprak.

Toen Maria hare verwondering te kennen gaf, zeggende: „Zoon! waarom hebt gij zoo met ons gedaan? Zie, uw vader en ik hebben u met smart gezocht,quot; antwoordde Christus:

— „quot;Waarom zocht gij mij? Wist gij niet, dat ik met de dingen mijns Vaders moet bezig wezen? ')quot;

Christus' bewustzijn van zichzelven en van zijn werk openbaart zich hier in deze geheimzinnige woorden voor de eerste maal: Christus, die weet dat hij één is met God den Vader, Christus met zijn souvereinen wil en boven-aardsche zending. Zijn geheele leven zal van dit woord, op twaalfjarigen leeftijd gesproken, de vervulling zijn.

Maria noch Joseph peilden er de volle diepte van.

84

Christus keerde met hen naar Nazareth terug, waar hij zijn verborgen en arbeidzaam leven zal voortzetten, tot dat God, zijn Vader, hem roept.

') Luc. II , 48, 49

ocr page 93

CHRISTrs' VKEBOKGEN LEVEN.

ZESDE HOOFDSTUK.

Christus' roeping.

Toen Christus zelf zijne roeping en zijne natuur, zijn werk en zijn persoon, in één woord; zijn betrekking tot God openbaarde, heeft hij zichzelven, zoo getrouw mogelijk, naar het leven geteekend.

Een wantrouwende geest, die een zoodanig getuigenis wil bedillen en zooveel mogelijk binnen zijn eigene, enge formulen terugdringen, zal Christus nooit begrijpen.

Men moet gelooven en liefhebben om personen, die hooger staan en hooger zijn dan wij, te doorschouwen. Geloof en liefde zien scherper dan het genie. Wie der leerlingen heeft van den Meester het meest goddelijke beeld geteekend? Die ons de vertrouwelijkste openbaringen heeft meegedeeld, die hem het meest heeft liefgehad.

De ziel van eiken mensch kan hier op aarde meer of minder volkomen rust en genot vinden in God, in de natuur en in de menschen. In de vereeniging met God alleen is volkomen rust. Hoe meer de ziel leeft in vereeniging met God, des te heiliger en krachtiger zal het leven zijn. De aarde was voor Christus niet anders dan de grond waarop hij de menschheid ontmoette. Zijn waarachtig leven was in God.

Deze vereeniging van de ziel met God is in den gewonen mensch zeer onvolmaakt en broos, om dat het verstand en de wil, waardoor de ziel met God vereenigd wordt, zoo onvolmaakt zijn en zwak.

Het christelijk geloof geeft met een geheimzinnig woord de vereeniging van God met den mensch in Christus te kennen. Het noemt haar eene zelfstandige en persoonlijke

ereeniging. De menschelijke en de goddelijke natuur zijn.

85

ocr page 94

CHKISTUS' VERBOEGEN LEVEN.

terwijl ze van elkaar onderscheiden blijven, op hypostatische wijze in den Persoon van het quot;Woord vereenigd. Christus is in den diepsten en meest waren zin van het woord, zonder beeldspraak, de eenige Zoon van God; daardoor is niemand onder de menschen aan hem gelijk.

Hij was zich zijn goddelijke afkomst altijd en zoo helder mogelijk bewust. Tusschen God en Christus' menschelijke natuur is geen middelaar. Elke daad van Christus heeft een menschelijk en goddelijk karakter, wat door éen woord wordt uitgedrukt: elke daad is eene godmenschelijke daad.

Christus leeft niet in eene overprikkeling van het gevoel of verbeelding; al zijne vermogens zijn in evenwicht. Wanneer hij God zijn Vader') noemt, brengt hij onder woorden een inwendig feit waarvan hij zeker is. Hij is de eenige die éen is met den Vader. Mozes, de grootste van Gods dienaren, beeft voor den Heer, Wiens aanschijn niemand zonder te sterven kan zien 1); Christus ziet Hem en heeft Hem lief. De profeten zijn ontsteld bij het hooren van Jehovah's woord dat als de donder op hen valt en zij roepen uit: „de Heer heeft tot mij gesprokenquot;; Christus luistert naar dat woord en brengt het over als het zijne. De meest godvruchtige zielen zoeken God in het ascetisme en in eene smartvolle inspanning van alle krachten, zij voelen dan, in geestvervoeringen die spoedig verdwijnen, zijne tegenwoordigheid voor korten tijd; Christus heeft Hem altijd bij zich en leeft van aanschijn tot aanschijn met Hem.

„Wij hebben hem gezien, zeiden zijne beminde leerlingen van hem na zijnen dood, hij was waarlijk de eenige Zoon van God, vol genade en waarheid 2)quot;.

Aan deze vereeniging van de menschelijke met de goddelijke natuur ontleenen al zijne menschelijke vermogens eene volheid en samenstemming die van hem de volmaakte type eens menschen maken.

86

1

') Exodus XXXIII, 20.

2

) Joös. I, li.

ocr page 95

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

Bij de menschen, in wie de vermogens van den geest sterk ontwikkeld zijn, vindt men zeldzaam de wil en de goede hoedanigheden van 't hart ontwikkeld in evenredigheid. In Christus heeft alles dezelfde hoogte bereikt. Gelijk de Waarheid hem verlicht, trekken de Goedheid en de Schoonheid hem aan. De wil van zijn Vader is altijd in overeenstemming met zijnen wil. Den wil zijns Vaders te volbrengen is zijn spijs'). Hij kan van zlch-zelven niets doen1); hij is niet gekomen om zijnen wil te doen, maarden wil van Dengene Die hem gezonden heeft2); daarom wordt hij nooit misleid. Omdat hij weet, dat hij altijd verhoord wordt is hij zachtmoedig als iemand die alles kan. Goedheid is zijn wet, en uit zijne handen komt alles wat goed is en het leven. Alle lagere krachten gehoorzamen in Christus aan zijn wil, gelijk zijn wil gehoorzaam is aan God. Van daar die kalmte, die helderheid van geest, die zachtmoedigheid, die hem nooit verlaten. Gods licht, schoonheid en liefde, stralen door heel zijn wezen heen; eene goddelijke kracht gaat van hem uit3). Hij is bovenmate fijngevoelig en ontvankelijk voor alle indrukken der natuur, die hem spreekt van de goedheid en de mildheid zijns Vaders4). Te midden der menschen levend, heeft hij alle droefheid, alle smarten, alle pijnen, ja zelfs de verschrikkingen des doods willen gevoelen. Dikwijls heeft hij geweend5). Alle menschelijk lijden heeft hij gekend en vreugde slechts genoten wanneer hij zielen met geloof ontmoette, omdat hij haar redden kon. Hij is en blijft voor allen, de man van smarten ;), de zachtmoedigste, de meest beminde der martelaren.

87

1

!) Joës. V , 30.

2

) Joës. VI, 38.

3

«) Luc. VI, 19; VIII, 46.

4

j Matth. VI, 28; XII, 27.

Luc. XIX, 41; Joes XI, 35.

5

') Isaïas, LUI, 3.

ocr page 96

CHRISTUS* VEllHORGEN LEVEN.

Behalve in vele andere klassen kan de menschheid verdeeld worden in het gewone volk, de groote menigte, in mannen van talent en in genieën.

Aan het genie behoort de oorspronkelijkheid, de eerste gedachte, het geven van den eersten stoot.

De mannen van talent vertolken, ontwikkelen, verspreiden wat genieën het eerst hebben gedacht en gedaan. Hun arbeid kost zweet en tranen.

Indien het genie een god is, de man van talent is zijn profeet.

Het gewone volk, de menigte, is de kudde die gaat, waar de herder haar leidt.

Geen menschelijk genie is volmaakt in zijn werk; het heett zijn grenzen en buitensporigheden, zijn sterke en er.i zwakke zijde, zijn diepen blik en blindheid te gelijk.

In Christus is niets van dien aard: zijn woord, zijn leven, zijn werken gaan door en schitteren aan het uitspansel dezer aarde, terwijl zij de rede verbazen, de gewetens be-heerschen en de krachten der eeuwen trotseeren.

Daar zijn ook verscheidene soorten van genieën: genieën van de gedachte, genieën van de kunst, genieën van de daad, Geen enkele genie omvat alle soorten tegelijk, en in elk genie zijn de krachten nog vereenigd in éen punt. Daar is slechts éene uitzondering: het godsdienstig genie. Het godsdienstig genie is, in zich-zelf beschouwd, een buitengewoon ontwikkelde zin voor alles wat goddelijk is. Het leeft alleen met en voor God. Wanneer het godsdienstig genie zich naar buiten openbaart, moet het alle andere genieën omvatten: het genie der gedachte, om den menschen de hoogste waarheden omtrent God, omtrent zijn einde en zijn leven te leeren; het genie van den daad, om aan de gewetens zijn orders te geven en ze in bedwang te houden; het genie van de kunst, om in het woord of in de heilige handelingen het goddelijk ideaal te leggen, dat de menschen toelacht en bekoort.

88

ocr page 97

CHRISTUS' VERBOHGEN LEVEN.

Inderdaad, alle groote geesten, die door middel van den godsdienst op de menschen hebben ingewerkt, waren ook groote denkers, groote wetgevers, groote kunstenaars. Zij hebben kennis en macht, en sleepen meê. Als meesters spreken zij in naam van God, wiens gezanten zij zich noemen, tot het volk, dat zij in verrukking brengen; zij wisselen niet van gedachte maar geven slechts bevelen aan het verstand en den wil. Het zijn machtige naturen, die het geheim kennen van vertrouwen te wekken en geloof te winnen, en daardoor een bedding maken, langs waar duizenden menschen en geheele geslachten, eeuwen lang, als een rivier tusschen dijken, voortstroomen.

Juist om de volheid van al zijne vermogens, in volle samenstemming, in een mate zonder wederga, werd Christus nooit in eene bepaalde klasse van menschelijke genieën geplaatst. Indien ik echter hem een naam durfde geven, die te klein is voor zijn glorie, dan zou ik zeggen, dat hij het godsdienstig genie zelf is, in zijn wezen en ideale heerlijkheid.

Mozes en de profeten vóór hem, en na hem de Heiligen, zijn niet anders dan schaduwen van hem.

Hij brengt onder de menschen niet alleen eene opvatting van God die meer of minder nieuw is en oorspronkelijk, maar toch altijd een afgetrokken denkbeeld blijft; neen, hij brengt den levenden, den persoonlijken God zeiven. Hij is er de tastbare, levende, persoonlijke uitdrukking van. Hij is éen met Hem1). Die hem ziet, ziet den Vader2). Die in hem gelooft, gelooft in den Vader3). Hij toont niet alleen den hemel, hij draagt hem met zich en opent hem.

Hij stelt geen zinledige plechtigheden in, die slechts tot de zinnen en de verbeelding der menigte spreken, maar hij-zelf leeft onder de symbolen en de sacramenten van

89

1

') Joi'S. X, 30.

2

) Joüs. XII, 45.

3

) Joës. XI, 41.

ocr page 98

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

den godsdienst door hem ingesteld; en de mensch, die aan deze plechtigheden deelneemt, wordt met zijn goddelijk Wezen één.

Terwijl anderen met ijzeren arm hun volgelingen doen gehoorzamen, deelt hij aan zijne geloovigen den Geest Gods mede, die is zijn eigen geest; hij wekt liefde op. De anderen spreken tot één volk, één geslacht, één tijd; Hij spreekt tot allen, zonder onderscheid van volk, geslacht of tijd, Mozes was slechts de dienaar, Christus is de Zoon van God.

Het ware kenteeken van een godsdienstig genie is de heiligheid. De deugd is de toetssteen voor zijne zending. Zonder wonderen te doen kan hij een gezant zijn van God, maar niet zonder deugd.

Bij de grootsten der godsdienstige genieön vindt men groote feilen, die van geestelijke zwakheid getuigen.

De mensch is gemaakt om den hemel te bemachtigen niet alleen, maar ook om heer van deze aarde te zijn. De ware godsdienstprediker moet den mensch leeren leven en sterven.

Christus alleen kent geen zedelijke zwakheid. Hij is het ideaal van heiligheid. De besten onder de menschen gelijken het meest op hem. Hij heeft alles geheiligd wat hij heeft aangeraakt, en een lichtende baan van heiligheid laat zijn tocht door den oceaan der menschheid achter.

Het gewichtigste feit in het bijzonder leven van hoogere geesten is het ontstaan hunner roeping. Zij beginnen eerst te leven wanneer zij zich van hun roeping bewust worden, en, ofschoon zij voor alles aan die roeping willen gehoorzamen , zij moeten toch rekening houden met tijd en plaats. Velen aarzelen langen tijd, zijn onzeker omtrent den wil Gods, deinzen voor moeilijkheden terug, en ijlen dan, soms plotseling hun loopbaan op, zonder te weten: waarheen.

90

ocr page 99

Christus' veebokgen leven.

Maar in Christus beantwoordt alles aan zijn hooge roeping, die hein van het begin af helder en klaar voor oogen staat.

Zijn geheele roeping ligt in het feit, dat hij is de Zoon van God. Op aarde kan hij geen ander doel hebben, dan daar zijn Vader te doen heerschen; wat hij later noemen zal, het Rijk Gods, het Koninkrijk der Hemelen. Zijne woorden, zijne lessen, zijne daden, zijn geheele leven, zijn lijden en dood, zullen zonder dat doel onverklaarbaar zijn.

De Bijbel verdeelt de menschen in twee klassen: in joden en heidenen. Onder de joden is het Eijk Gods reeds begonnen; zijn quot;Wet — een onvolmaakte wet, een wet van dienstbaarheid — is afgekondigd. Christus zal die wet volmaken1), — ziedaar als Messias zijn roeping.

Christus' Kerk zal op de Wet van Mozes volgen, en in de Kerk zullen de geloovige joden niet alleen, maar ook de heidenen worden bijeengebracht.

Het heidensche deel der wereld zucht in de slavernij van het kwaad. Christus moet ook aan dit deel der wereld den Geest Gods mededeelen, die alleen het kwaad overwint; en daarom zal hij niet alleen de Messias der joden maaide Verlosser der volken zijn.

De geheele menschheid verlangt en zucht naar God; 't is Christus' roeping, door hem haar te brengen tot God; en daarom zal hij de geheele menschheid tot zich trekken 2). Alle menschen te zamen zien naar een zoenoffer uit, dat door de eeuwige rechtvaardigheid wordt opgeeischt: Christus zal het Lam Gods zijn, dat de zonden der wereld wegneemt 3). De wereld kent God niet, voor Wien zij geschapen is; Christus zal haar dien God leeren kennen en haar eenige Meester zijn 4); zij heeft niet begrepen, dat

') I Thim. XVI, 5. Matth. V. 17.

!) JoGs. XII, 32.

') JoCs I, 29, 36.

J) Matth. XXI I.

91

ocr page 100

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

de geheele Wet in de liefde school; Christus zal het haar leeren en haar Wetgever zijn.

Zoo zal het Rijk Gods worden gesticht — dat Rijk wat geweld lijdt en alleen door de geweldigen wordt ingenomen '), — en Christus zal daarvan de stichter zijn.

Ziedaar de roeping van Christus.

Geen roeping is aan de zijne gelijk. Men kan aan Moha-med de eer geven, dat hij eenige Arabische volksstammen aan de afgoderij heeft ontrukt; maar men zal niet zeggen, dat hij het laatste woord van Gods openbaringen heeft gesproken. Al eer de Coran was geschreven, was zij dooiden Bijbel en het Evangelie overtroffen. Men mag de zachtmoedigheid en de goedheid van Cakija-Mouni bewonderen , die zich opwerpt als de meester van het volk om het den weg tot het geluk te leeren; maar men huivert voor zijn pessimisme, waardoor het bestaan zelf een ramp is, en waaraan men alleen in de Nirwana kan ontkomen. De zedelijke en maatschappelijke voorschriften van Bouddha zijn somtijds bewonderenswaardig; maar welke kracht geeft hij om ze te volbrengen? Het genie des menschen blijkt altijd onmachtig; zij brengt altijd de letter die doodt en nooit den geest die levend maakt.

Aan de roeping van Christus kleeft geen persoonlijke zwakheid, geen kleingeestigheid van een volk, geen dwaling van den tijd. Oorspronkelijk, gelijk alles wat onmiddelijk van God komt, draagt zij in hare menschelijke verschijning de kenteekenen van God op het voorhoofd: zij is algemeen, heeft scheppingskracht en is onveranderlijk.

92

Christus, een geboren jood, gelijkt op niemand der groote geesten van zijn volk; hij is noch van de school van Palestina, noch van die van Alexandrië; hij overtreft Hillel, den leeraar van Jerusalem, en Philo, den Griek. Hij is zich-zelf. Wat hij spreekt behoort aan alle tijden,

gt;) Matht. XI, 12.

ocr page 101

CURISTÜS' VERBORGEN LEVEN.

en is heden van toepassing gelijk voor achttien eeuwen. zijn arbeid omvat alles wat eeuwig en zelfstandig is in de gansche menschheid; zijn Rijk zal evenmin voorbijgaan als God Wiens naam het draagt; de wet van dat Rijk zal niet overtroffen worden; zij regelt de onveranderlijke betrekkingen tusschen den wil van God en de menschen die moeten gered worden door hem; en de kracht die hij schenkt is de kracht van God-Zelven, zijn eigen en levende Geest.

Deze idee was zoo krachtig dat zij, levend en onbedwingbaar als op haar eersten dag, in weerwil van 's menschen verzet, door alle eeuwen en volken zich een weg heeft gebaand. Wanneer de Christus verdwenen is, blijft hij voortleven, gelijk hij zich eenmaal voor het aanschijn der wereld heeft vertoond; zijn geest blijft stralen uitschieten, zijn werk voortleven, en het Rijk Gods gaat in machtige ontwikkeling vooruit. Het jodendom, als godsdienst altijd onmachtig, ziet deze idee van Christus groot worden, is niet in staat haar in boeien te slaan en veroordeeld zich aan haar te onderwerpen. De laatste overblijfselen van het heidendom verdwijnen en, terwijl het mohamedisme de wilden aan hun fetischdienst tracht te ontrukken, over-heerscht Christus de wereld met zijnen Geest, waaruit voor den mensch alle waarheid, alle kracht en alle vrede voortkomt.

In personen, die eene machtige roeping hebben, wordt het geheele leven, met al zijne gedachten en verlangens, door die roeping beheerscht. Ook zoo gaat het met Christus. Zijne roeping verlicht, ondersteunt en voedt hem gedurende de lange jaren van Nazareth. De Geest Gods doet hem groeien en maakt hem gereed voor zijn werk. Van dien Geest heeft hij alles ontvangen en niets van de menschen. Alles wat hij spreekt leeft in zijne ziel, en zijn woord is slechts een krachtige echo van dat leven. Hij aarzelt niet, hij twijfelt niet, hij is zeker van zijn zaak.

Wanneer het genie des menschen na den stoot van Boven in werking gaat, snelt het voort in toomlooze vaart; maar de kalmte van Christus is aan zijne bezieling gelijk; zij is

93

ocr page 102

CHRISTUS' VERBORGEN LEVEN.

volkomen en bestendig. Hij blijft altijd meester over zich, zeiven. Wanneer het uur komt — en het nadert - zal de werkman, de zoon van den timmerman, zijn verborgen leven verlaten, en met beslistheid, met moed, met kalme kracht zal hij zeggen: — De tijden zijn vervuld, het Rijk Gods is nabij. Bekeert u, en gelooft1).

Dat zal zijn eerste woord zijn, waarmee hij het geheimzinnig antwoord verklaart, dat hij op twaalfjarigen leeftijd gaf: Wist gij niet dat ik met de dingen mijns Vaders moest bezig zijn?

In dit woord heeft hij zijn openbaar leven en zijn ge-heele bestemming neergelegd.

Het rationalisme, dat nooit begrip heeft gehad van een godsdienstig genie in het Oosten, heeft in de eigenaardige roeping van den Christus en in zijne natuur grovelijk misgetast. Het heeft niets bespeurd van dit geheimzinnig verband, dat den Christus met God verbindt, en heeft slechts een onvoldoende verklaring van zijn goddelijke afkomst gegeven. Daaruit ontstaan al die dwaalbegrippen omtrent den Meester. Het heeft zich nooit opgewerkt tot de idee die hem eigen is en hem van elk ander mensch onderscheidt. Het heeft van hem een hervormer, een zedenprediker, een baanbreker op godsdienstig en maatschappelijk gebied, een wetgever en stichter van een zuiveren godsdienst gemaakt, die gelijk andere menschen de macht had om anderen te leeren, nieuwe dogma's onder woorden te brengen, zuiverder wetten te maken, en een nieuwe maatschappij te stichten; maar de macht, om aan den mensch den Geest van God als een levende en persoonlijke kracht mede te deelen, heeft het nooit in hem erkend.

94

Deze opvatting gaat de stelsels van eene wijsbegeerte , die den persoonlijken God verwerpt, te boven, maar zij dringt zich op aan den historieschrijver, die eerbied heeft voor de

') Marc. 1, 15.

ocr page 103

CHRISTUS VERBORGEN LEVEN.

i«l ■ V

. Sï

95

oorkonden van het Evangelie, en die, in plaats van Christus naar zijn eigen opvatting te teekenen, er naar streeft hem weer te geven gelijk hij zich-zelven vertoont voor het onwraakbare getuigenis der historie.

Wanneer een man der Voorzienigheid tot rijpheid is gekomen, wordt hij door alles wat hem omgeeft uitgenoodigd voor den dag te komen, en zijn alle omstandigheden voor zijn optreden gunstig; dezelfde hand waarmee God de genieën schept en aan den arbeid zet, leidt de gebeurtenissen waarin zij moeten optreden; tusschen den loop van deze gebeurtenissen en de ontwikkeling van het genie is eene alles voorbereidende samenstemming: beide zijn rijp in denzelfden stond.

IP

|||

:ï ilp 'Ê

•' 'i

11

t

Toen Christus zijn dertigsten levensjaar— den vollen manne-lijken leeftijd bij de joden — nabij was, maakte dezelfde Geest, die hem had voortgebracht en alle eeuwen naar hem had voortbewogen '), het tooneel gereed waar hij verschijnen zal; hij baant voor hem den weg en wekt zijn volk door een van die stemmen, die de menigte in beroering brengen en de gewetens wakker schudden.

II f!

u !if

!) Zie liet Eerste Boek. Hoofdstuk I.

ii

ocr page 104
ocr page 105

TWEEDE BOEK.

JOANNES DE VOORLOOPER EN CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR.

7

ocr page 106
ocr page 107

EERSTE HOOFDSTUK.

De joden in Judea omstreeks het jaar 26.

Joannes de Dooper.

Aleer wij de geschiedenis van het Evangelie vervolgen, moeten wij het maatschappelijk leven der joden in Palestina omstreeks het jaar 26 van alle kanten bezien.

In die geruchtmakende kleine wereld zien wij terstond drie hoofdgroepen, die scherp van elkander te onderscheiden zijn. Wij zien vooreerst de groote geslachten van adel- en priesterdom, waaruit de hoogepriesters voortkwamen. Het hoogepriesterschap is voor hen een soort van leengoed geworden, dat zij door kuiperij en geld voor de romeinsche overheid elkander betwisten. Deze aristocraten verdrukken het volk met tiendepenningen en belastingen, en prikkelen het door een weelderig leven. Men vergaf het dezen patriciërs en priesteroversten niet, dat zij welwillend gestemd waren voor het heidensch gezag, wat in de oogen van het volk een gruwel was. De hoogepriesters, die naar willekeur door de procuratoren werden aangesteld of afgezet, hebben alle ontzag verloren. Zij worden door het volk veracht, gehaat en bespot. Hunne zonen zijn schatbewaarders, hunne schoonzonen bewaarders van den Tempel, en hunne knechten slaan het volk met stokken '), om met geweld de tiendepenningen te innen quot;). De hoogepriesters hadden

') Talmud Hierosol., Pe sac him , 57. a. 2 Antiq., XX, 8, 8: 9. 2.

ocr page 108

JOANNKS HE VOORLOOPER EX

dikwijls alleen het recht om offerdieren te verkoopen. De leden der familie Hanan hadden op den Olijfberg bazars (Kaneroth) waarin duiven werden gefokt en verkocht. Zij hadden er slag van hun monopolie winstgevend te maken. Misbruik makend van hun gezag, maakten zij de gevallen menigvuldiger waarin het verplichtend was duiven te offeren. De duiven werden zoo hoog in prijs, dat een paar soms voor een gouden denarie werd verkocht. Terwijl deze hoogepriesters overvloedige inkomsten genieten, komen de priesters, die lager zijn in rang, van honger om ').

Deze ontaarde zonen van Aaron en Levi, maken de kern uit van de partij der sadducëen 2). Zij stellen geen belang in den tijd na dit leven, want zij gelooven er niet aan. Het zijn materialisten, zinnelijke menschen en twijfelaars, 't Is hun alleen te doen om de oude toestand te laten voortbestaan, in vriendschap met de Romeinen te leven, anderen tot last te zijn, goede sier te maken en van 't leven te genieten. De godsdienst is voor hen geen doel maar middel; ofschoon zij zich wel wachten het hardop te zeggen.

Tegen deze aristocratie van geboorte, fortuin en priesterdom , staat die der godsdienstwetenschap over. Deze bestaat uit geletterden, leeraars en schriftgeleerden. Zij zijn allen mannen van de „Thoraquot;.

Was voor de eersten het offer alles, voor dezen is de studie de hoofdzaak. De eersten zijn door hun geboorte bedienaars van den godsdienst, maar de anderen komen voort uit alle stammen en klassen. Zij zijn de vertegen-

') Aniiq., XX, 8, 8; ü, 2.

1) De partij der Rechtvaardigen, van Tsedakah, rechtvaardigheid. Onder Joüs Hyrcan werd de party, die vooral uit priesters bestond, en die tegenover de overdry vingen der pharizequot;n alleen op de rechtvaardigheid zich toelegden, zooals de tekst der Wet die vorderde, met dezen naam aangeduid. Misschien wilden zü door dezen naam zich vastklampen aan Simeon, den rechtvaardige, den laatste der hoogepriesters wiens gedachtenis in eere was. Vgl Aniiq. XMl, 9; XVII, 2, 4; XVIIC, 1. 3. Bell. Jud , II, 8.

100

ocr page 109

CHRISTUS' VEESCHTJTÏING IN 'T OPENBAAR. 101

woordigers der wetenschap op godsdiensüg, zedelijk, ceremonieel en rechtskundig gebied; zij verklaren den Bijbei, schrijven hem over en verspreiden hem; zij zijn er op uit zich boven de klasse der priesters te verheffen en meesters van de openbare meening te worden, 't Blijft altijd waar: in de handen der sterksten is de macht en de mannen der wetenschap zijn de sterksten.

De leeraars bestudeeren de „Thoraquot; en geven daarin les niet alleen, maar onderscheiden zich ook door een grootere nauwgezetheid, waarmee zij al hare voorschriften opvolgen , en door een grooteren ijver waarmee zij aan allen heidenschen invloed trachten te ontkomen. Het zijn de „Hassidimquot;, de vromen, die dagteekenen van den tijd toen na Alexanders regeering, door de liefde tot al wat grieksch was, alles werd overstemd. Nadat zij zich tegen de beschaving en zeden dei-Grieken en Syriers met kracht hebben verzet, bieden zij weerstand aan het bederf der Romeinen. Zij zijn voor alles jood, en de „Thoraquot; is alles voor hen, omdat daarin hun verleden en hun heerlijke toekomst staat opgeteekend.

Uit deze dubbele aristocratie kwamen twee partijen voort, wier onderlinge strijd van de twee laatste eeuwen bijna de geheele geschiedenis van het joodsche volk uitmaakt: de sadduceën (Tsaddikim) of de rechtvaardigen, en de pharizeën (Perischim) of de afgescheidenen.

De pharizeën ') kennen alleen de letter van de „Thoraquot;; de geest ervan ontsnapt hun, terwijl de letter hen doodt. Meer en meer verliezen zij de zedelijke strekking ervan uit 't oog, en leggen zij zich alleen toe op hetgeen het uitwendige leven en het ceremonieel betreft. Ter nauwer-nood hebben zij eenige aandacht voor de heiligheid der ziel, terwijl zij voor de wettelijke heiligheid in geestdrift zijn.

') Van Parousch, sclieiding. Do pharizeën of afgesclieiclenen waren kenbaar aan hunne groote zorg waarmede zij zich van alles wat niet jood was afscheidden. Alle omgang met do heidenen, elke toegevendheid aan hunne gewoonten van den kant der sadduceën was üi hun oog eeno heillgschonnis en laagheid. Vgl. Antiq. XIII, 9; XVII, 2, 4; XVIf, 1, 3. Bell. Jud. II, S.

ocr page 110

JOANNES DE VOORLOOPER EN

Voor hen bestaat de deugd niet in het volbrengen van den wil Gods maar voor alles in het opvolgen van alle wettelijke voorschriften. Zij zijn geen beoefenaars van deugden maar van ceremoniën. Voor hen is hij, die zich-zelven beheerscht, God en zijn evenmensch liefheeft, niet de heiligste, maar die het strengste vast, de meeste afwasschingen verricht, de meeste offers brengt, de breedste gedenkcedels en de langste kwasten draagt, zich het hoofd niet zalft en het aangezicht niet wascht '), zijne vrienden niet groet quot;) en de langste bidceelen opdreunt. Voor hen is de godsvrucht een masker, en huichelarij is hun hoofddeugd.

De beroemde leeraars der Wet, Schemaïa, Abtalion, Hillel, Schammaï, die onder Herodes den Groote leefden, waren gestorven. Hunne kleine opvolgers maakten de uitlegging der wet nog kleingeestiger 1).

Een enkel feit tot voorbeeld. Zwaar was de strijd tus-schen de twee scholen over het antwoord op de volgende vraag: Is het geoorloofd een ei te eten dat op Sabbath is gelegd? De zachtzinnige Hillel antwoordt met een onverbiddelijk „neenquot;, en de strenge Schammaï was in dit bijzondere geval minder moeielijk; maar Schammaï daarentegen verbood op Sabbath kinderen te onderwijzen en zieken te helpen.

Uiterlijke reinheid was voor de pharizeën van zooveel gewicht dat de sadduceën zeiden; de pharizeën zullen de zon nog schoon maken. Ook het Evangelie laat ons zien hoever de pharizeën de groote wetten vergaten om kleine en uiterlijke voorschriften op te volgen, wanneer Christus hun verwijt, dat zij gelooven aan hunne ouders geen hulp of bijstand verschuldigd te zijn, wanneer zij hun goed en geld offerden aan God 2)

102

1

) Talmud Hierosol., Beracot, fol. 13, 2; Sotah, lol. 20, 3. Bdbyl., Sotah, fol. 22, 2.

2

Matth , V, 20: XV, 3.

ocr page 111

CHRISTUS' VEESCHIJNING IN 'ï OPENBAAR. 103

Door al deze afdwalingen heen heeft de Talmud toch eenige goede zedelessen van sommige leeraars in korte spreuken bewaard, die echter op het leven der joden haar invloed misten.

Wij zouden echter aan de historische waarheid te kort doen, indien wij alle leden van de partij der pharizeën voor alle afdwalingen en overdrijvingen aansprakelijk stelden. Het Nieuwe Testament zondert sommige personen, zooals Nicodemus, Joseph van Arimathea en Gamaliel uit, die eenvoudig en edel van karakter waren. In hen vinden wij de echte leerlingen van Hillel, de juiste type der joden terug die open oogen hadden voor de beloften van God.

De middenklasse van het volk bekommerde zich niet veel over dit gekijf der scholen onderling, maar was ook voor het grootste gedeelte onwetend en niet ijverig in het naleven der vele voorschriften door de pharizeën geliefd. Tot deze klasse behooren de zondaars, van wie in het Evangelie wordt gesproken.

Vooral de publicanen, de tollenaars '), de inners der belastingen, de agenten van de keizerlijke schatkist, de douanen, de tolgaarders van bruggen, overhalen en wegen, werden gehaat en veracht door het volk.

In het algemeen was het volk meer lauw dan onverschillig. Op de feestdagen namen allen deel aan het offer, zelfs de tollenaars waren bij de plechtigheden tegenwoordig.

Eén klasse van menschen, de Essenersquot;) genaamd, maakt eene uitzondering op allen. Zij zijn een eigenaardige verschijning onder de joden van dit tijdvak. Zij vormen geen partij

') Vgl. Luc. XIX, 2; Bell. Jud., II, 14, 4.

*1 De naam vau Esseners komt van het Grieksch EdOaioi. Dit woord komt overeen met het syrische kassa, eene vertaling van het hebreenwsche hassidim, vromen. Deze woordafleiding schtjnt ons waarschynlijker dan die Esseners laat afkomen van sihah, doopen, van asah, genezen , of van hachak zwügen.

Vgl. Flavins Josephns op dezelfde plaatsen, die boven zijn aangehaald by de woorden saddueeën en pharizeën.

ocr page 112

JOANNES DE VOORLOOPER EN

onder het volk, omdat zij aan de wereld ontvlucht waren en aan alle openbaar leven hadden verzaakt. Het is meer een godsdienstige orde. Hun ware meesters zijn de „Hassidimquot; (de vromen), die vurige joden en verklaarde vijanden dei-Grieken, uit wie Judas de Machabeër was voortgekomen. In hunne oogen is de Wet van Mozes alles. Voor haar hebben zij alles verlaten. De pharizeën zijn naar hunne opvatting nog koud. Zij zijn aan de wereld ontvlucht omdat hun de bekeering der wereld onmogelijk was. Zij leven een gemeenschappelijk leven en zijn arm. Aan de westzijde der Doode-zee bouwden zij, onder de palmen der oasis van Engaddi, hunne kloosters.

Zij leven voor zich-zelven, gelooven aan de onsterfelijkheid der ziel, en verwachten een eeuwig en gelukkig leven. Zij zweren niet, zijn ernstig, kuisch, verstorven, beoefenaars der stilzwijgendheid. Zij leven als broeders en allen zijn aan elkaar gelijk. Zij trouwen niet, zegt Flavius Jo-sephus. maar nemen kinderen van anderen op, wanneer zij niet te oud zijn om nog gevormd en opgevoed te worden. Hun voornaamste godsdienstoefeningen bestaan in dikwijls herhaalde afwasschingen. Eiken morgen nemen zij, bij het opgaan der zon, een bad.

Zij beschouwen zich als priesters. Staat er niet geschreven: gij zijt een volk van priesters ')? Zij onthouden zich van wijn, omdat den offeraar in het uitoefenen van zijne bediening de wijn verboden is; zij komen niet in de steden omdat hare poorten met beelden zijn versierd; zij gebruiken geen grieksch of romeinsch geld, omdat in Deuteronomium verboden wordt beelden te maken en op dat geld koppen en beelden staan. Zij kleeden zich in een lang wit kleed , dat om hunne lendenen met een lang koord wordt vastgebonden, en op zijde dragen zij de dolabra, het bijltje, waarvan in Deuteronomium gesproken wordt.

De pharizeën haten hen en schelden hen „morgendoopersquot;.

Honderd jaren vóór Christus, onder Aristobulus I, treden

') Exodus U

104

ocr page 113

Christus' veeschijxing ix 't openbaar. 105

zij voor 't eerst op en verdwijnen niet den ondergang van Jerusalem.

Buiten alle partijen en de onverschillige menigte staat in elk volk een kleine groep, die in stilte voortleeft en God vreest in oprechtheid des harten.

Men mag deze groep niet over het hoofd zien, ofschoon het aantal menschen, welke in de joodsche maatschappij hiertoe behooren, onmogelijk met eenige historische zekerheid kan worden opgegeven. Zij bestond toch, men kan het niet ontkennen, en was overal verspreid, in de stad, op het veld, in Gallilea en Samarië, in de schaduw van den Tempel, aan de oevers van het meer en onder de verachte tollenaars.

Ofschoon de scepter aan Juda was ontnomen en de joden onder de heerschappij der Romeinen waren, hadden dezen toch in Judea en in hunne koloniën een soort van eigen bestuur behouden. Het bestond uit een soort van raad die uit 71 leden bestond. Gaarne beschouwden de joden dezen Raad als een instelling van Mozes, ofschoon er tus-schen dit Sanhedrin en de ouderlingen, van wie Mozes spreekt, geen verband bestond.

Dit Sanhedrin komt eerst voor den dag in het midden der tweede eeuw voor Christus, onder het bestuur van Antiochus Epiphanes. Deze vergadering was hun door de Ptolomeërs toegestaan om de welwillendheid der joden te winnen. De macht van dit Sanhedrin was langzamerhand toegenomen, totdat het onder koning Hyrcan, omstreeks 130 v. Ghr., in de regeering over het volk met den Hooge-priester begon deel te nemen. De Romeinen, die sedert 63 v. Chr. meesters van Judea waren, lieten het voortbestaan.

De Hoogepriester is er voorzitter van en wordt prins, Nasi, genoemd. De ondervoorzitter heet Ab-Belh-Din (vamp;Aex van het gerecht) omdat hij in de rechtsgedingen voorzit. De leden van het Sanhedrin worden gekozen uit de leden

ocr page 114

JOANNES DE VOOHLOOPEE EN

der hoogeprieslerlijke families, uit de mannen van fortuin, uit joden van het zuiverste bloed, — dezen behooren tot de ouderlingen, — en uit de leeraars, hoofden der scholen, rabbijnen, overschrijvers, bestudeerders, verklaarders en onderwijzers van de Thora, welke schriftgeleerden en meesters worden genoemd.

Het geheele joodsche leven is aan het Sanhedrin onderworpen ; 't is een kerkvergadering, een hof van justitie en een parlement tevens. Het daagt voor zich godslasteraars en valsche profeten. veroordeelt hen zelfs ter dood, mits door den romeinschen stadhouder het vonnis wordt bekrachtigd.

Ten tijde van Christus bleef van het Sanhedrin slechts een schaduw over. Door den Hoogepriester hadden Herodes en de Romeinen het geheel in hun macht Toen de pha-rizeën nog in den Raad de meerderheid hadden, onderstonden zij het zelfs koning Herodes voor zich te dragen '). Nu de meerderheid aan de sadduceën is, heeft de Raad slechts één doel: alle twist met de Romeinen te voorkomen.

Zeldzaam komt uit oude instellingen de herleving, de hernieuwing van een volk voort. Zij zijn van natuur be-houdensgezind en het nieuwe is voor de leden dezer instellingen ten minste verdacht. Bij de worstelling dei-oude en nieuwe maatschappij komen zij in den regel om. Het Sanhedrin heeft bij den strijd tegen de nieuwe maatschappij — het Rijk Gods - dit lot ondergaan.

De gebeurtenissen der laatste eeuw, op staatkundig en godsdienstig gebied, voerden den kleinen, joodschen staat naar zijn ondergang.

106

De broedertwisten der laatste Asmoneörs, de inneming van Jerusalem door Pompejus, de aanstelling van Herodes tot koning van Judea door Augustus, de heidensche en gewelddadige staatkunde van dezen Idumeër, zijne aanslagen tegen den godsdienst, de versnippering van zijn rijk, de tien jaren van geweld en wreedheid van den Ethnarch,

') Antiq.. XVII, 2, 4.

ocr page 115

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'ï OPENBAAE. 107

Archelaüs' bestuur, de verklaring van Judea tot een romeinsche provincie, de eed van trouw aan Caesar, de cijnspenning elk jaar ten teeken van onderwerping te betalen, de aanwezigheid der romeinsche stadhouders, — al deze feiten brengen de joodsche natie langzamerhand ter dood.

Een onmetelijke droefheid maakt zich van het gansche volk meester, en allen zijn in rouw over hun verloren onafhankelijkheid. Maar wat hun het ergste kwelt, is een regeering die hun Heilige Wet met voeten treedt. Inderdaad, van alle vrijheden is de vrijheid van zijn God naar eigen geweten te dienen, de meest heilige en 't diepst in de ziel van het volk geworteld.

De tijden der afgoden waren reeds lang voorbij; en ofschoon de godsdienst slecht wordt begrepen, heeft het volk toch alles daarvoor veil.

Rome weet het. Caesar en Augustus hebben er rekening mee gehouden, maar kunnen niet alles voorkomen.

Tiberius volgt gedurende de eerste jaren van zijn bestuur, dezelfde staatkunde. „Een goede herder, zegt hij, scheert zijn schapen, maar wacht zich wel ze te keelenquot;'). Hij houdt er niet van dikwijls andere stadhouders te zenden en hij zeide: „Indien men vliegen, die het bloed van een gewonde uitzuigen, verdrijft wanneer ze verzadigd zijn, zuigen anderen, die hun plaats innemen, met versche begeerlijkheid de wonde uitquot;1).

In hot tiende jaar van zijne regeering bracht een ergelijk feit de geheele aristocratie van Rome in beweging2). Tiberius' eerste staatsdienaar, Sejanus, die alle macht in handen had, terwijl Tiberius-zelf zijn dagen op het wellustige Caprea doorbracht, zwoer den ondergang van het joodsche volk, en

1

) Sueton. Nero, 32.

2

Antiq, XVIII, 4. Eene voorname romeinsche dame, met name Fulvia bekeerde zich lot het jodendom. Drie of vier joden doen met eeno schaam-telooze behendigheid en stoutheid hun voordeel met haar; haar echtgenoot' Saturninus, betrapt hen, en brengt hen voor den prefect.

ocr page 116

JOANNES DE VOOELOOPEH EX

Pilatus werd gekozen om in 't jaar 26 Valerius Gratus in Judea te vervangen.

De standaards der romeinsche legioenen waren te voren door de soldaten nooit binnen Jerusalem gebracht, om de joden niet te ergeren met de afbeeldsels, die er waren opgebracht, Pilatus, die het een bewijs van zwakheid noemde, liet bij nacht de standaards binnen Jerusalem brengen. Verbolgen over dit feit trokken de joden in massa naar Caesarea op, waar Pilatus zijn verblijf had. Met het doel hen allen om te brengen liet hij hen in den renbaan komen. Op een gegeven teeken omringen de soldaten het volk met uitgetrokken zwaard. Zonder vrees verklaren zij eenparig liever te sterven dan dien smaad te overleven. Pilatus werd bang en gaf bevel, de standaards buiten Jerusalem te brengen '). Maar gehoorzaam aan de bevelen van hooger hand, herhaalde hij zijne daden van geweld, en zette zoo het volk tegen Rome op.

Het verzet tegen Rome wordt een heilig werk, de godsdiensthaat ontwaakt, en allen, enkele sadducëen uitgezonderd, zien in die dagen van grooten druk met smart naar de beloofde betere tijden uit.

Eéne gedachte, een groote, grijpt in die dagen het volk aan. Gelijk eertijds in de dagen van Judith, Daniël en de Machabeën zal ook nu, nu de nood het hoogste is, de hulp van God het meest nabij zijn; het rijk Gods moet nabij wezen, de Messias zal verschijnen. Die Messias wordt wel door den een anders gedacht dan door den ander; maar hij is en blijft een Redder, een Verlosser.

Niemand twijfelde er aan of het Rijk Gods zou komen. Maar hoe? Op die vraag was het antwoord verschillend.

De overpriesters, de pharizeën, de sadducëen en zelfs de ontmoedigde volgelingen van Judas den Gauloniet, beeldden zich in, om verschillende beweegredenen, dat de Messias niet anders zou zijn dan een bloeiend Israël, waarin de

') Antiq.j XVIII, 3, I; Bell. Jud., II, 9, 2, 3.

108

ocr page 117

m k ff

CllllISTÜS VEBSCHIJNING IN T OPENBAAR.

Wet zoo volkomen mogelijk zou worden onderhouden en de aardsche zegeningen overvloedig zouden zijn. Dit Rijk was voor hen bestaanbaar met een romeinschen gouverneur te Antiochië en een stadhouder te Cesarea. Zoodanig was de hoop, het verlangen der aristocratische wereld.

De onverschilligheid, v/aardoor dezen zich gemakkelijk nederlegden bij het feit, dat zij door Romeinen werden bestuurd , mishaagde aan de ijverigen en vurigen onder de joden, die zelfs onder de pharizeën talrijk waren, en hunne gehechtheid aan de Wet van eene hartstochtelijke zucht naar nationale grootheid lieten vergezeld gaan. Van deze soort waren de Machabeën. de zesduizend die onder Herodes, bij gelegenheid der optelling waarvan de H. Lucas spreekt, den eed van trouw weigerden af te leggen, Judas de Gauloniet, de leeraar Saddok en later de Kanaïn en de Zeloten.

Dezen verwachtten een Messias, die krijgsman en een waar koning zou wezen, om het juk der Romeinen af te werpen. De jeugd en velen van het volk behoorden tot deze partij.

Men zou zich echter vergissen bij de gedachte, dat ten tijde van Christus alle joden in Palestina slechts van een aardschen Messias en een aardsch Messias-rijk droomden.

Het boek van Henoch ') dat zoo getrouw de gedachten der goede joden teruggeeft, noemt toch den Messias, „den Gezalfdequot;, „den Uitverkorenequot;, „den Zoon des menschenquot;, en zelfs „den Zoon Godsquot;. Hij zal — zegt hetzelfde boek— een profeet, een leeraar en een rechter wezen, die over Engelen en menschen zal oordeelen. En na dat oordeel zullen hemel en aarde hernieuwd worden en het rijk van den Messias voor goed beginnen.

109

'• fill

ff

llll

•i ■i

■ r

' én wa

i

w 1

i

i

1 f

m 1 I

De joden van Palestina evenwel denken er niet aan, dat de Messias moet lijden en sterven en eerst daarna in glorie we-derkeeren. De Messias zal niet sterven, zeggen zij, maar gelijk de troon van David2) dien hij herstellen moet, eeuwig blijven.

') Das Hucli Ueiwch, übersetzt von Dillman, Leipzig 1853 Joes. XIf, 22. Luc XXIV, 19.

ocr page 118

JOANNES DE VOOULOOPER EN

Onder de godvruchtigen en vreedzamen , de nederigen en eenvoudigen werd de verwachting van Israël het zuiverst bewaard. Zij verwachten een grooten troost voor het volk , en zien in de komst van den Messias de komst van God-zelven. De Messias is voor hen de ware Emmanuel en de Zoon van God, die de duisternis verlichten, in gerechtigheid oordeelen en de glorie van Israël wezen zal.

Hoe zal dat alles geschieden ? Zij weten het niet en trachten niet het te achterhalen. De tijd zal hun alles leeren.

Welk hartroerend schouwspel geeft ons dit kleine getal van joden te aanschouwen! Hun is alle macht ontnomen en zwakker zijn zij nooit geweest, en toch gelooven zij dat hunne verheffing nabij is en de wereldheerschappij van de Romeinen op hen zal overgaan. Zij zien uit en luisteren in spanning of de Messias komt.

In die dagen verscheen de man, die het plan van God moest kenbaar maken. In hem herleven de profeten, hij is de grootste van allen. Hij is van een priesterlijk geslacht, en leeft als een „Nazirquot;. Hij woont in de woestijn en luistert alleen naar de stem van den Geest die in zijn binnenste spreekt en hem krachtig maakt. Hij staat verre boven zijn tijd en omgeving uit, hij behoort tot geene school en tot geene partij. De profeten Elias en Isaïas herleven in hem; in zijne lange eenzaamheid heeft hij zich gevoed met hunnen geest. Het kwaad maakt hem droevig en boos, hij begrijpt er de grootheid en afschuwelijkheid van, hij vleit niet maar berispt; hij troost niet maar jaagt vrees aan. Hij weet van geen buigen en is voor niets bang: noch voor het volk, noch voor de grooten, noch voor de vorsten; zijne oprechtheid is onverbiddelijk. Hij heeft de gave van harten te beroeren en door te dringen in de gewetens. Als een heldhaftige boeteling is hij streng voor zich-zelven en maakt daardoor indruk op de menigte. Geen profeet heeft luider dat woord herhaald: „doet boetvaardigheidquot;. En toch — deze wreker der zedenleer, deze heraut

no

ocr page 119

CHRISrUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 111

van boete en Gods vreeselijk oordeel, gaat niet gebukt onder den last der euvelen die hij geeselt; hij is geen ontmoedigde pessimist, maar een man van hoop.

Hij ziet het Rijk Gods komen en verkondigt dat het daar is; maar wel verre van zijn volk met deze tijding te vleien, geeft hij met grooten ernst het middel aan , om deelgenoot te worden van dat Rijk: Het beteekent weinig een zoon van Abraham te zijn, men moet van hem de deugden hebben. Zonder onderwerping aan God is er voor den mensch geene zaligheid.

Hij heeft een levendige verbeelding en een meesleepend woord, dat onweerstaanbaar welsprekend is om zijnen hartstocht voor het goede en zijn krachtige toon.

Zijn gansche leven is een prediking. Door niets is hij verbonden met de ontaarde wereld, waaraan hij de blijde boodschap brengt; hij verlaat de woestijn niet; hij kent slechts de stem van God die in zijn binnenste weerklinkt, en van de verlaten en eenzame natuur die hem ook spreekt van denzelfden God. Zijne kleedij is aan die van zijn meester, Elias, gelijk: een kleed van kemelshaar en een leeren gordel om de lendenen. Sprinkhanen en wilde honig voeden hem. Wijn drinkt hij niet, maar het stroomend water der woestijn.

Ten westen van Aïn-Karim vertoont men nu nog een grot waarin hij wellicht eenmaal verbleef. Zij is op de oostelijke helling der vallei van Beït-Anina, in een rots uitgehouwen. Boven de grot ontspringt op een afstand van twee meters eene bron; zij besproeit de geheele omgeving: het gras is daar groen, de citroenboom in bloei, en de broodboom breidt er zijn zwarte takken uit. De horizont is eng, want de beide hellingen der vallei naderen elkaar. Met angst zoekt het oog naar den open hemel. Die rotsen, die stroom, die sombere vallei stemmen samen met den strengen man die daar eenmaal woonde. De echo van de stem die riep: „God komt, bereidt den weg des Heeren, bekeert uquot;, klinkt nog door deze wildernis: men gelooft haar nog te hooren bij het geklater der wateren en het loeien van den wind.

ocr page 120

JOANNES DE VOORLOOPEK EN

TWEEDE HOOFDSTUK.

De arbeid van Joannes den Dooper. — Het doopsel van Christus.

Het jaar 27 was een sabbathjaar.

In zoodanig jaar werd het land niet bewerkt noch bezaaid; het lag braak; de aarde, de beesten, de menschen — alles is ia rust. De vruchten, die van zelf wassen, zijn voor de armen, voor wie het aldus een overvloedig jaar is, vrij en blij. De synagogen waren op de feestdagen en in de uren van gebed drukker bezocht; talrijker karavanen trekken over de wegen naar Sion, en de luisteraars naar de verklaarders der Wet zijn menigvuldiger. Het volk, dat in het Oosten gaarne praat en leeft in de open lucht, bespreekt met klim-menden hartstocht, omdat het minder werk heeft, alle godsdienstige en staatkundige vragen van den dag.

In dien tijd openbaarde Joannes zich aan het volk. Hij verscheen niet op de openbare pleinen, noch aan de poorten der stad; hij werd niet gezien binnen Jerusalem, op de kruiswegen der heilige stad, of onder de zuilengangen van den Tempel. De gezant blijft kluizenaar, door den Geest vastgehouden in de woestijn, waarvan hij zoo gaarne zich de stem ') blijft noemen.

Die het land niet gezien heeft, waar Joannes de Dooper als profeet is opgestaan, kan de hardheid zijner taal, zijn sterke beelden en zijne machtige kreten, aan het gebrul van een leeuw gelijk, niet verklaren.

Het land strekt zich van de oevers der Doode-zee tot de grenzen van Samarlë uit, is twintig mijlen lang en heeft een gemiddelde breedte van zes kilometers. Wanneer men het beziet van de hoogte der roode karavaanderij, die op een heuvel is gelegen, gelijkt het op een wilde zee, waarvan de golven eensklaps zijn versteend. De grond bestaat uit ontelbare hoogten, die door kleine dalen van elkander

') Jsaïas XL. 3; Matth. HF, 3 en parall.; Joës. T, 23.

112

ocr page 121

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN HET OPENBAAR. 113

zijn gescheiden. Diepere kloven zijn hier en daar de beddingen van strooraen, die afkomen van Juda's bergen. De Olijfberg steekt in het Westen boven alles uit; in het Oosten kronkelt de vallei van den Jordaan zich als een stroom tusschen de laatste golvingen van Juda's bergen en de steile hoogten van Moab. Daar is geen enkele boom in deze brandende eenzaamheid; hier en daar een grassprietje op de uitgemergelde rots, waarvan de krijtlagen ons doen denken aan een grond, die door vuurspuwende bergen is naar boven geworpen. Men vindt er geen enkel dorp: in de verte alleen, in het Westen, Aboudis, en in het Noorden , Tayebeh. Een lange witte streep loopt naar den Olijfberg, dat is de weg van Jericho naar Jerusalem, die gedurende eeuwen door de karavanen is gevolgd: Joannes heeft hem dikwijls betreden. De stilte hier maakt den mensch zwaarmoedig; men voelt zich alleen en overmeesterd door die natuur, die den mensch meer in eene godsdienstige stemming brengt, naarmate zij stommer is en meer verlaten.

Alles straalt in het volle licht, en de onmetelijkheid van aarde en hemel laat een diepen indruk achter.

Ziedaar het land van den Voorlooper, Joannes. Hij doorkruist het van alle kanten, terwijl hij tot de voorbijtrekkende karavanen zijn gloeiende opwekkingen richt. Hij gaat niet gelijk de oude profeten tot het volk, maar hij trekt het volk tot zich. Die hem gehoord hadden waren bewogen en keerden naar hun stad of dorp terug met bewondering voor den kluizenaar, wiens naam zij verbreidden en naar wien zij anderen verlangend maakten.

Weldra was de naam van Joannes op aller lippen.

Aan te kondigen, dat het Rijk Gods nabij was — ziedaar Joannes' eerste werk.

De Heer is nabij, zegt hij, hij nadert; hij komt om over zijn volk te heerschen en als een rechter; hij heeft de wan in de hand, en zal zijn dorschvloer reinigen, zijn

8

ocr page 122

JOANNES DE VOOELOOPEK EN

tarwe zal hij wannen en het kaf van het koren scheiden. De tarwe zal in de graanschuur verzameld en het kaf in een onuitbluschbaar vuur verbrand worden ').

Somtijds klinkt zijn stem zachter en spreekt hij van de zaligheid Gods, die alle vleesch zal aanschouwen -).

Waar is hij? vraagt het volk. — Midden onder u, antwoordde Joannes, maar gij kent hem niet. Hij zal na mij komen, maar is vóór mij geweest, wiens schoenriem ik niet waardig ben te ontbinden 1).

Geen woord kon in dien tijd, vol van verwachting, meer weerklank vinden. Het geheele volk kwam op het geluid van den nieuwen profeet in beweging. De gestrengheid van zijn leven, zijne heiligheid sloeg een stralen krans om hem, terwijl hij slechts ééne deugd, de boetvaardigheid, en één godsdienstige plechtigheid, het Doopsel, predikte. Uwe gerechtigheid volgens de Wet, uw verzet tegen het hei-densch gezag, maken u het Rijk van God niet waardig, zegt hij, maar indien gij uwe hartstochten beteugelt, uwe ondeugden uitroeit, zal het Rijk van God tot u komen. Doet boetvaardigheid, dat wil zeggen: legt af uwe vooroor-deelen, uwe ondeugden, bedwingt uwe hartstochten. Zonder deze boetvaardigheid is er geen vooruitgang in het goede mogelijk en geen omkeer in de ziel. Dat is de algemeene wet van den vooruitgang op zedelijk gebied.

Ten eeuwigen dage strekt het Joannes tot eer, dat hij met eene kracht zonder wederga, in dat eenige tijdperk der wereldhistorie, deze groote wet in woorden gebracht en verkondigd heeft.

Bij deze prediking voegde hij eene godsdienstige handeling, waarvan op zoodanige wijze nog door niemand was gebruik gemaakt.

Vooral in het Oosten wordt alles, wat godsdienst is,

114

1

) Joös. I, 26. 27.

ocr page 123

cheistus' verschijning in *t openbaar. 115

verborgen onder een zichtbaar teeken, dat tot de zinnen *

spreekt. Toen Joannes zijn Doopsel instelde, was hij om die reden overtuigd, geheel overeenkomstig den aard en de gebruiken van het volk te handelen. Het Doopsel van Joannes was eene openbare daad van boetvaardigheid en een afbeelding der inwendige afwassching, der inwendige reinheid, die voor het Eijk Gods gevorderd werd.

De belijdenis van zonden, door Joannes vóór en onder het Doopsel vereischt, was den Israëlieten niet vreemd. De wet schreef het in sommige gevallen uitdrukkelijk voor.

Terwijl in dezen tijd de pharizeën op hunne rechtvaardigheid, en de Esseners op hunne wettelijke reinheid trotsch waren, terwijl beiden de wet der boetvaardigheid uit het oog verloren, herinnert Joannes het volk aan deze wet, reeds door de profeten geleerd.

Nadat Joannes eenigen tijd al predikend in de woestijn had rondgedwaald, daalde hij af naar de vlakte van den Jordaan. Deze vlakte ligc drie honderd meters boven den waterspiegel der zee, aan den voet der bergen van de woestijn van Juda. Het is een sombere onbewoonde, bijna onbebouwde vlakte. Door het meer van Tiberias wordt zij ten noorden, door de Doode-zee ten zuiden, door de bergen van Moab en Adylon ten oosten begrensd. Hoe meer men komt in de nabijheid van de Doode-zee des te onvruchtbaarder is de grond. Het groene Jericho, besproeid door het water van de bron, die nu de fontein van Elizeüs wordt genoemd, komt met zijne bananen, palmen en rozen als eene oasis te voorschijn. Rondom de stad is alle grond geelachtig en grijs. Hier en daar ziet men slechts eenige zakkoum, een soort van wilde olijfboomen, en boschjes van doornachtige heesters, die door de Arabieren „sidrquot; worden genoemd. In het midden der vlakte, tusschen Judea en Perea, geeft eene lange witachtige streep de laagte aan waarin de bedding ligt van den Jordaan. Deze omwoelde, met losse hoekige steenen van elke grootte bezaaide grond levert een eigen-

ocr page 124

JOANNES DE VOOELOOPER KN

aardig schouwspel op: men waant oude verwoeste gebouwen, brokken van muren, in puin gestorte torens, vonnlooze overblijfsels van eene groote stad te zien, die door oorlogen, hemelvuur en den loop der jaren is verwoest.

De dagen zijn er heet, de nachten vochtig en helder. Lang na het ondergaan van de zon verschijnt er aan den hemel een glans in het westen, en ontelbare sterren laten zich zien. Aan den horizont, dicht bij de aarde, schitteren zij zoo fel als hoog aan den hemel, aan lichtbaken gelijk, op de kust van eene onbewogen zee. Groote wolken van vogels strijken met machtig wiekgeruisch bij den avond over de vlakte heen. Zij alleen, en het doffe geluid van den stroom, verbreken de stilte die er heerscht.

Zoodanig was het land van den Jordaan waar Joannes doopte en predikte.

Bereidt den weg langs welken de Heer zal komen, riep hij, opdat hij niet zij gelijk een hobbelige en oneffen weg. Dat de dalen gevuld, bergen en heuvelen geslecht worden'). Bedrukten en ontmoedigden, heft u op; ijdelen en hoovaar-digen vernedert u; dan zult gij de zaligheid Gods aanschouwen 1). Met dit woord wees Joannes op den Messias.

Velen bekeerden zich bij de prediking van Joannes en werden zijne leerlingen. Naar het voorbeeld van alle meesters in het geestelijk leven leert hij hen bidden 2) en legt hij hun het strengste vasten op 3).

In de geheele geschiedenis van Israël en misschien in de geschiedenis van alle volken zal men geen zoodanig streven naar de deugd terugvinden 4). De lagere klassen des volks vooral dringen op den nieuwen profeet aan. Een oogenblik schijnt het, dat zelfs de overheid zijn werk met een gunstig oog beziet quot;), maar noch sadduceën, noch pharizeën, noch

116

1

quot;) Luc. III.

2

) Luc. XI, 1; V, 33.

lt;) Marc. II, 18.

3

a) Vgl. Antiq. XVIII, p. 1-2.

4

quot;) Joës. V, 35.

ocr page 125

CHRISTUS' VEB SCHIJN ING IN 'T OPENBAAR. 117

de leeraars der wet willen van Joannes doopsel iets weten ').

De eersten, vijanden van elke nieuwigheid, hebben slechts minachting over voor eene plechtigheid die door een man, zonder zending, is ingesteld; de overigen vertrouwen op hunne wettelijke heiligheid, zijn voldaan over zich-zelven en zijn zich van geene zonden bewust1). De onverbiddelijke gestrengheid van den boetgezant is hun eene ergernis, en weldra zien zij in hem slechts een dweeper die door Beëlzebub bezeten is2). Maar het volk nam beter zijne prediking aan. 't Is een wet der historie en van het Evangelie, dat God, wanneer hij handelend optreedt, de grooten en wijzen versmaadt.

Voor de eenvoudigen en nederigen is de gestrenge hervormer vol van teederheid.

Hij spreekt van rechtvaardigheid tot de tollenaars. — Eischt niet meer dan u is voorgeschreven, zeide hij.

Zelfs den krijgsknechten verbiedt hij geweld en vermaant hen tevreden te zijn met hunne soldij. — Weest goed, sprak hij tot allen. Hebt gij twee bovenkleederen? Geeft er een aan hem die er geen heeft; en die wat te eten heeft, deele het met hem die niets heeft3).

Op zekeren dag zag hij vele pharizeën en sadduceën onder het volk staan. Hij, die hunne huichelarij aanschouwde, riep hun toe: Gij adderengebroed! hoe ontkomt gij aan den toorn van hem die komt. Gij hebt slechts één uitweg. Bekeert u en brengt ware vruchten van boetvaardigheid voort.

Hunne godsdienstige hoovaardij kennende, zeide hij: zeg niet: wat hebben wij te vreezen? Hebben wij niet de beloften van God? Zijn wij niet kinderen van Abraham? — Kinderen van Abraham! Kan God hen niet uit deze steenen

1

') Luc. VII, 30; Matth. XXI, 32.

2

) Joës. III, 2.

') Matth. XI, 18.

3

) Luc. III, 11 vv.

ocr page 126

JOANNES DE VOOELOOPER EN

voortbrengen? — Indien de boom door God geplant geen vruchten afwerpt, zal hij worden uitgehouwen. En het uur komt, onvruchtbare boom, waarin de bijl reeds aan den wortel is gelegd. Gij zult worden omgehouwen en in 't vuur geworpen ').

Zoo geeselde God door den mond van zijn profeet de vooroordeelen der hoofden van het volk.

Te geweldig schokte Joannes de joodsche samenleving om niet de achterdocht van het Sanhedrin op te wekken. Had hij in de steden en te Jerusalem gepredikt, men had hem gegrepen en veroordeeld, nu zond men slechts een gezantschap tot hem om hem over zijne zoogenaamde zending te ondervragenquot;). De afgezondenen waren priesters en behoorden tot de partij der strengste pharizeën.

— Wie zijt gij? Wie geeft gij voor te zijn? Zijt gij Elias? vroegen zij.

In alle oprechtheid antwoordde Joannes: Ik ben Elias niet. — Wie dan? herhaalden de afgezondenen. Zijt gij de profeet door Mozes voorspeld? — Neen. — Wie zijt gij dan? Geef antwoord, opdat wij het overbrengen aan hen die ons gezonden hebben. — Ik ben, antwoordde Joannes, de stem die in de woestijn roept: Maakt recht den weg des Heeren!

Het gezantschap was niet voldaan. De twistzieke geest der pharizeën kwam met een rechtsvraag voor den dag. Waarom doopt gij dan, indien gij noch Elias, noch de Profeet, noch de Christus zijt?

De leeraars der wet gaven aan den Christus het recht om te doopen, naar het woord van Ezechiël1): ik zal zuiver water over u uitgieten en gij zult van al uwe onreinheden gezuiverd worden, naar het woord van Zacharias 2): in die dagen zal in het huis van David een bron opspringen voor

118

1

a) Ezechiël. XXXVI, 25.

2

) Zacharias. XIII, 1.

ocr page 127

Christus' verschijning in 't openbaar. 119

alle Inwoners van Jerusalem en de zondaar zal gerechtvaardigd worden; en naar het woord van Joel; alsdan zullen binnen alle boorden van Juda de wateren stroomen en zal er eene bron uit het huis des Heeren gaan die het doornig bed der stroomen zal besproeien ').

Elias had als voorlooper hetzelfde voorrecht met den door Mozes voorspelden profeet gemeen.

Deze overtuiging stond bij allen vast.

Met juistheid antwoordt Joannes! Er zijn twee doopsels: één van water en één van den H. Geest. Hij zal doopen met den H. Geest en met vuur 1). Zooveel als de alleen uiterlijke reiniging met water overtroffen wordt door de volkomene innerlijke reiniging van het vuur; zooveel beter zou het doopsel van Christus zijn.

En de Christus is midden onder u en gij kent hem niet. Hij, die voor mij geweest is, zal na mij komen, en ik ben niet waardig zijn schoenriem te ontbinden *).

Men kent de gevolgen van dit gezantschap niet. Doch de profeet zette zijn doopsel en prediking voort.

Verscheidene maanden waren voorbijgegaan, sedert Joannes was opgetreden. Op den oostelijken oever van den Jordaan, in eene woestenij met name Bethanië, tegenover Jericho, in de nabijheid eener doorwaadbare plaats, waar de karavanen , die in het zuiden van Perea naar Hesbori en Mache-rous trekken, de rivier oversteken, had hij eene ontelbare menigte zien voorbijgaan. Met welken goeden uitslag hij zijn werk ook bekroond zag, — hij begreep dat hij het toppunt ervan niet bereiken zou, indien hij aan het volk niet den lang verwachten Messias, den stichter van het Gods-Rijk, kon aanwijzen Maar waaraan zou hij hem erkennen ? Een inwendige stem had tot hem gesproken: Op wien gij den Geest zult zien nederdalen, en op wien

1

Matth. Ill, 11.

3) Joes I, 26, 27.

ocr page 128

JOANNES DE VOORLOOPER EN

gij deze zult zien blij ven, deze is het, die met den Heiligen Geest doopt ')•

Joannes was in afwachting.

Het jaar 27 liep ten einde, misschien ook was het jaar 28 reeds begonnen. In geheel Galilea was, gelijk in de andere gewesten, de naam van Joannes op aller lippen. Ook de Galileërs werden tot Joannes getrokken en vroegen hem om het doopsel.

Het uur van God was daar. De timmerman van Nazareth was dertig jaar oud; hij voegde zich bij de karavanen van zijn land en kwam in het dal van den Jordaan.

De weg van Nazareth naar Bethanië, waar Christus bij Joannes kwam, is vijf-en-twintig mijlen lang. Op deze zelfde plaats staken de Israëlieten, onder aanvoering van Josua, den Jordaan over om het Beloofde Land in te gaan, en spreidde de profeet Elias zijn mantel uit over dezelfde rivier.

Deze plaats Bethanië heet nu „Makthaquot; (plaats van doorgang) en stemt zeer goed samen met het woord „Bethaniëquot; wat scheepshuis, of het andere bij Joannes 1) „Beth'abaraquot; wat doorgangshuis beteekent. Het is anderhalve mijl van de Doode-zee gelegen; en de Jordaan is daar slechts tien meters breed.

Joannes kende Christus niet toen deze hem naderde; maar eene plotselinge verschijning maakte hem bekend.

„Joannes zag boven het hoofd van Christus den hemel open; de H. Geest daalde neder in de gedaante eener duif en zette zich neder op hemquot;.

Dat was het verwachte teeken.

— Hoe, zeide Joannes, ik moet door U gedoopt worden en gij komt het doopsel vragen aan mij?

— „Laat het toequot;, sprak Christus, „want zoo moeten wij alle gerechtigheid vervullenquot;.

120

De diepe beteekenis van dit woord waarborgt er de echt-

1

) Joës I, 28.

ocr page 129

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 121

heid van. Het werpt op Christus een onverwacht licht, het toont dat hij zijn roeping als Messias volkomen begrijpt en dat hij, door zich aan de godsdienstige plechtigheid van Joannes te onderwerpen, aan die roeping begint te gehoorzamen.

Joannes deed wat Christus vroeg en doopte hem. Nauwelijks uit het water gekomen zag Christus zelf wat Joannes te voren had gezien:

De hemel opende zich, hij zag den Geest Gods nederdalen, als eene duive, en op hem komen. Ter zelfder tijd sprak een stem uit den hemel; Deze is mijn welbeminde Zoon, in Wien ik mijn welbehagen heb ').

Met deze daad wordt het openbare leven van Christus ingewijd. Zij laat Christus' natuur, zijn goddelijk werk, zijn gansche bestemming en de kracht waarin hij zal optreden, volkomen aanschouwen.

De tegenstanders van Gods persoonlijke tusschenkomst zullen er nooit de diepte van doorgronden; en de historie der Evangeliën zal voor hen een gesloten boek blijven.

Voortaan is Jesus niet meer de timmerman van Galilea. De sluier die hem dekte, wordt verscheurd; het wordt openbaar, wie hij is: de Christus, de Zoon van God. Intusschen zal hij in zijne goddelijke grootheid eene zwakke natuur behouden, die onderworpen is aan de smart en den dood. Zondaar kon hij niet wezen die van den H. Geest was ontvangen; maar vernederd en gedood moet hij worden. Daarom is zijn eerste openbare daad een daad van vernedering. Hij stelt zich als een zondaar aan.

Zoo vervult hij alle gerechtigheid; hij gehoorzaamt het eerst aan die wet, die hij allen kwam opleggen als de noodzakelijke voorwaarde om in te gaan binnen zijn Rijk, en hij, die door te sterven de menschheid moet redden en herscheppen, begint reeds den dood in te gaan. Het is rechtvaardig, dat de zondaar lijdt en zich opoffert; maar dat de Heilige Gods zich aan de smart en den dood onder-

l) Matth. II r, 13 — 17 en parall.

ocr page 130

JOANNES DE VOORLOOPEE EN

werpt, — dat is de vervalling der rechtvaardigheid door de liefde, dat is Christus' rechtvaardigheid.

In het oogenblik waarin deze onderwerping hem inwijdt, en krachtens deze onderwerping zelve gaat de hemel open. Het leven van God ondoorgrondelijk en onverklaarbaar, voor elk schepsel ontoegankelijk , — door de zonde was het deelen in dit goddelijk leven aan den mensch ontnomen — vertoont zich hier, terwijl het de ziel van een der menschenkinderen doordringt. De Geest die in hem woonde maar voor allen verborgen was openbaart zich op plechtige,wijze en geeft hem wijding in de oogen van het volk: het werk van den Messias vangt aan.

Wat er plaats greep bij Christus' doopsel, zal tot het einde der eeuwen worden herhaald; het geheiligde water zal eenmaal, krachtens eene bijzondere instelling, het sacrament van 's menschen wedergeboorte zijn, en het doopsel des waters zal worden het doopsel van den H. Geest. Die op Christus' stem uit zijne zonden, zijne onwetenheid, zijne eigenliefde zal opstaan, door het berouw, het offeren het geloof, zal, gelijk hij, den hemel open zien; de zonen der menschen zullen weer worden de zonen Gods, en door den Geest God hun Vader noemen.

Wat zag het volk van de buitengewone openbaringen die bij het doopsel van Christus plaats hadden ? Het verhaal der Evangeliën geeft geen bepaald antwoord. Ze schijnen overigens hoofdzakelijk ten voordeele van Joannes te zijn, die den Messias moest aanwijzen, en die daardoor op de hoogte zijner roeping wordt geplaatst. Hij zal aan zijne roeping getrouw zijn. De omstandigheden zullen alles regelen en op den bepaalden tijd zal hij zijn Heer en Meester toonen aan het volk.

122

Het feit van Christus' Doopsel bleef krachtig leven in de herinnering zijner leerlingen, die het ., Jesus' Zalvingquot; noemden ').

') Hand. IV, 27; X, 38.

ocr page 131

CHRISTUS' VERSCHIJNING JN 'T OPENBAAR.

Christus trok zich nu onmiddelijk terug van het gewoel der menigte, en de Geest die in hem was bracht hem in de woestijn.

DERDE HOOFDSTUK.

Christus in de woestijn. — De bekoring.

Naar welke woestijn werd Christus door den Geest gebracht?

De Evangeliën noemen haar niet; maar hoogst waarschijnlijk was het de woestijn van Juda, ook om het woord „woestijnquot; dat door de Evangeliën hier in het enkelvoud en zonder bijvoegelijk naamwoord, met het bepalend lidwoord wordt gebruikt ')• Ook de overlevering stemt hier mede samen en heeft altijd in deze bergachtige en woeste landstreek, die zich ten westen, boven Jericho, tot de hoogten van Bethanië uitstrekt, ten zuiden door de Quady-el-Kelt en ten noorden door de Quady Neuahimeh wordt begrensd, de voetsporen van Christus gezocht en vereerd.

In deze woestijn ligt de berg nu nog de „veertig-daagschequot; genoemd. Dit groote stuk rots is van roodachtig kalksteen, en schijnt door vuur tot kalk verbrand te zijn. De berg is trotsch van bouw en heeft zeven toppen, die op pyramiden gelijken. Door diepe ravijnen worden zij van elkander gescheiden. Regen en wind hebben den steen hier en daar afgebrokkeld en op zeer vele plaatsen in de wanden van den berg holen gegraven, die door de hand der kluizenaars zijn verbreed. In het midden van den hoogsten top vereeren de geloovigen een grot, waar Christus gedurende zijn verblijf in de woestijn moet hebben gewoond.

I) Matth. Ill, 1; IV, 1; XI, 7; XXIV, 26; Marc. I, 4, 12, 16; Luc. III, 2.— Vgl. Luc. V, 76; VIII, 29; Joüs XI, 54.

123

ocr page 132

JOANNES DE VOORLOOPEE EU

Het uitzicht van hier is overheerlijk. In het Oosten, over de vlakte van den Jordaan, de berg Nibo en de hooge vlakten van Perea; in het Noorden, de Hermen met zijn eeuwige sneeuw en zijn kruin in lichtende nevelen gehuld; in het Zuiden, de Doode-zee blinkend als een gepolijste zilveren plaat; in het Westen de woestijn van Juda met ontelbare kiezels van steen , waarop de regens van den winter hier en daar een grassprietje doen groeien, dat door de eerste stralen van den zomerzon wordt verbrand. Jerusalem ligt achter den Olijfberg, die daar alles overheerscht.

Wanneer Christus van hier uit zag naar de vlakte van den Jordaan, die hij verlaten had, kon hij op de voetpaden het volk zien, dat stroomde naar hem die zijn wegbereider was; aan den anderen kant van den horizont zag hij den weg van Jericho naar Jerusalem, dien hij eenmaal met zijn leerlingen zou bewandelen om naar zijn dood te gaan.

Christus' verblijf in deze woestijn was voor alles een gebed, eene aanschouwing, een opgaan van al zijn menschelijke krachten in God, zijnen Vader. Alleen de Heiligen met hunne geestvervoeringen kunnen iets van dat leven begrijpen. De wil zijns Vaders, de grootheid en heerlijkheid zijner zending doordringt hem; hij kent er alle moeilijkheden van en heeft van zijn lijden en pijnen een smartvol voorgevoel; hij geniet de verrukkingen eener ziel, die van Gods geneugten overvloeit en gaat gebogen onder de angsten eener ziel, die een verschrikkelijken strijd in de toekomst ziet.

De woestijn was voor alle godsdienstige mannen aantrekkelijk. Gaan zij er echter heen om kracht te krijgen, Christus gaat er heen om zijn kracht te toonen. Zij zoeken daar de eenzaamheid en de rust, Christus den strijd; zij schuilen daar weg voor het kwaad, Christus zoekt den duivel op om over hem overwinnaar te zijn.

Dikwerf weten wij niet wat wij kunnen, zegt Thomas van Kempen, maar de bekoring openbaart wat wij zijn.

124

ocr page 133

Christus' verschijning in 't openbaar. 125

De bekoring is een beletsel tussclien onzen wil en onzen plicht. Dit beletsel kan vooreerst komen uit onze mensche-lijke natuur die een afkeer heeft van alles wat inspanning, droefheid, opoffering en zelfs het leven kan kosten. Niemand kan aan deze bekoring ontkomen.

De bekoring komt verder uit de zinnelijkheid of uit den hoogmoed voort, d. i. uit onze bedorven menschelijke natuur. Komt zij uit de zinnelijkheid dan tracht zij ons met geweld zonder maat te laten genieten van alles wat onze lagere hartstochten streelt; vindt zij in den hoogmoed haar begin dan wil zij onzen eigen geest en wil tot bestuurders van onze gedachten en daden maken. Zinnelijkheid en hoogmoed beide zijn eene ongeregelde liefde tot zich-zelven, die den mensch er toe brengt, zich-zelven als het middenpunt van alles te beschouwen; dat is de kwaal die het geheele menschdom kwelt, zijn ontwikkeling stuit en den vrede verstoort.

Zij, die van deze kwaal de slachtoffers zijn, maken het rijk van den booze uit, wat Christus „de wereldquot; noemt; de wereld die hen niet kent '), van welke hij niet is 1); de wereld die hem en de zijnen haat 2), de wereld die hem en de zijnen zou vervolgen, maar waarvan hij zeide : vreest haar niet, ik heb haar overwonnen 3).

De algemeenheid noch de kracht der bekoring, waarvan Christus' geschiedenis het smartvolle geheim een weinig-laat zien, zal men nooit kennen, indien men geen rekening houdt met de geesten die, van eene hoogere orde dan de menschen, toch niet vreemd zijn aan het leven der rnenschen hier op aarde.

Niets in de wereld staat alleen; alles is verbonden aan

1

J) Joës. XVII, 1G.

2

Joiis. XV, 13.

3

) Joös. XVI, 33.

ocr page 134

JOANNES DE VOORLÓOPER EN

elkaar. Door zijne ziel is de mensch verbonden met de geesten die staan tusschen hem en God.

Die geest van hoogere orde, waarin de boosheid het meest verpersoonlijkt is, wordt door de Evangeliën „de Duivelquot; genoemd. Christus zal hem noemen, „de Boozequot; 1)( „Satanquot; '), „de vijandquot; 2), „de vorst dezer wereldquot; 3) en der duivelen4), die moordenaar was van het begin af5).

Elk mensch wordt min of meer door hem aangevallen. Door de onzichtbare werking van den duivel worden onze ongeregelde neigingen in beweging gebracht; en tegenover het Rijk van God tracht hij in 't verborgen zijn eigen rijk te stellen.

Voor éen beproeving van de velen, waaraan het geheele menschdom te samen of elk mensch afzonderlijk is onderworpen, was Christus niet vatbaar: de beproeving of bekoring die uit eene door de zonde bedorven natuur voortkomt.

In Christus was geene zinnelijkheid, geene hoogmoed, geen zelfzucht. Hij-zelf zegt in het laatst zijner dagen: „de Vorst dezer wereld komt, doch heeft niets in mijquot; 6).

Maar toch, ofschoon Christus door deze bekoring niet gekweld kon worden, ofschoon hij den inwendigen strijd tusschen het vleesch en den geest en de zwakheden van beide niet heeft gekend, is hij toch waarlijk mensch en heeft hij de bekoring willen ondergaan. De bekoring was voor hem wel geen aanloksel tot kwaad, maar toch een lijden, een strijd. En in dien strijd is zijn lijden grooter omdat hij onder die beproevingen en bekoringen die van buiten komen dieper gebukt gaat dan eenig ander mensch.

126

1

') Matth. XIII, 19.

2

) Matth. XIII, 39.

3

) Joüs. XII, 31; XIV, 30, XVI, 11.

4

) Matth. IX, 34; X LI. 24 en parall.

5

) Joës. VIII, ii.

6

') Joös. XIV, 30.

ocr page 135

Christus' verschijning in 't openbaar. 3 27

Naarmate de mensch meer zijne hartstochten te boven komt, naar die mate wordt de inwendige strijd ook zwakker. Maar al had de mensch al zijne hartstochten overwonnen, daarom is voor hem, evenmin als voor Christus, de rust gekomen. Dan juist wordt de strijd, die van buiten komt, nog heftiger; want voor Christus, gelijk voor ons, is dan de strijd niet meer tegen vleesch en bloed, maar tegen de Overheden en de Machten, tegen de wereldbeheer-schers dezer duisternis, tegen de booze geesten in de lucht.

Een der grootste rampen voor een rechtvaardig en heilig mensch is met den boozen geest in aanraking te komen. Dat lijden wilde Christus ondergaan, in afwachting van den tijd waarin hij, om aan zijn Hemelschen Vader te gehoorzamen, van den vollen stroom van 's menschen lijden in lange teugen zal drinken, en zelfs tot den dood vervolgd zal worden.

Bij het begin van zijn openbaar leven wilde Christus staan tegenover het beginsel van alle kwaad. Met dezen strijd vangt het openbaar leven aan. Het is „de Bekoringquot; bij uitnemendheid, die door drie evangelisten wordt verhaald ').

Gedurende veertig dagen en veertig nachten had Christus op het voorbeeld van Mozes en Elias gevast; hij had gedronken noch gegeten.

Wie kan zeggen hoezeer eene ziel, zoo in God verslonden, zelfs haar lichaam geestelijk maakt?

Na veertig dagen en veertig nachten liet de Zoon Gods wederom den zoon des menschen verschijnen: Christus had honger.

') Math. IV, 1 — 11; Marc. 1, 12 — 13; Luc. IV, 1 — 13. Het stilzwijgen van den H. Evangelist Joës kan het getuigenis der synoptici niet verzwakken, noch de historische waarheid van hun verhaal aan het wankelen brengen; dit stilzwijgen wordt door den aard van het feit genoegzaam verklaard. — De menscheiyke natuur van Christus openbaart zich hier in hare vernedering en om die reden stemde de bekoring niet samen met de beeltenis van Christus zooals de H. Evangelist Joos ons die wilde teekenen. Ook moet men wel opmerken, dat de H. Joës alles verzwijgt wat zijne voorgangers reeds hebben verhaald, wanneer hü niets ter aanvulling van hun verhaal kan bijbrengen.

ocr page 136

JOANNES DE VOOELOOPER EN

De bekoorder naderde.

De duivel wist niet wie de nieuwe Profeet was, op wiens hoofd de G-eest was neergedaald en die door eene stem uit den hemel de welbeminde Zoon des Vaders was genoemd. Hij was achterdochtig en dacht dat hij de Messias kon zijn; hij wil hem dus beproeven: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dan dat deze steenen brooden worden. — Zoo sprak hij, terwijl hij met zijne hand wees op de steenen der woestijn.

De bekoorder zet den Messias in Christus aan, om zijn almacht tot eigen voordeel te gebruiken. Zelfzucht, zinnelijkheid en het verlangen, God tot dienstknecht te maken, en niet zelf de dienstknecht van God te zijn, ligt in deze woorden.

— „De mensch leeft niet van brood alleen, maar van alle woord dat komt uit Gods mondquot;, was het antwoord van Christus. Als een ware Zoon zal hij alleen doen wat God, zijn Vader, wil.

Nu maakt de duivel gebruik van zijne bovenmenschelijke macht, die den geesten eigen is. Niet gebonden aan de wetten der zwaartekracht of aan de afstanden, brengt hij Christus op de tinne des Tempels en zeide tot hem:

„Indien gij Gods Zoon zijt, zoo werp u naar beneden; er staat immers geschreven: Want hij heeft zijn engelen aangaande u een bevel gegeven, en op de handen zullen zij u nemen, opdat gij niet soms uwen voet aan eenen steen mocht stootenquot;.

Met deze woorden kon de duivel eene zichzelf mistrouwende of vermetele ziel bekoren, want in de meest verborgen plooien der ziel schuilt altijd eene bedekte zelizucht, die de ziel omtrent hare eigene krachten misleidt en tot ondoordachte daden brengt; maar het vertrouwen van Christus in zijn Vader is volkomen en al zijne daden komen uit dat vertrouwen voort.

Met een enkel woord antwoordt Christus: „Gij zult den Heer uwen God niet beproevenquot;.

Wederom nam de duivel hem op naar eenen zeer hoogen

128

ocr page 137

CHRISTUS' VERSOTJIJNING IN 'T OPENBAAR. 129

berg en toonde hem al de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid.

Hoe sterker de mensch is des te grooter is zijn heersch-zucht. Toen Satan het rijk, wat hij het zijne noemde, voor de oogen van Christus ontrolde, trachtte hij hem door valsche ijverzucht te verlokken en vrees aan te jagen, door hem de krachten te laten zien, die bij zijn weigering zich tegen hem zouden keeren.

Dit alles, zeide hij, zal ik u geven, maar sluit eerst vrede met den geest des kwaads, door nêer te vallen en mij te aanbidden.

Met een geweldig woord stiet Christus den bekoorder weg: — „Ga weg, Satan, er staat geschreven: Den Heer uwen God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienenquot;.

Daar is slechts één Heer en Meester van alles, en alleen met dien Heer, zijnen Vader, heeft Christus een verbond gesloten.

God worden is de droom die van den eersten mensch af de menschheid toelacht en omzweeft, waarmee Satan den mensch verleidt om God te aanbidden in hem. Wanneer wij echter aan den geest van het kwaad gehoorzaam zijn, gaat ons trotsche ik verloren, wordt onze wijsheid zotternij, onze macht sluwheid en dwingelandij, onze glorie ijdelheid en ons rijk een hersenschim; want weldra gaan wij, terwijl alles wat wij een oogenblik bezeten hebben met geweld wordt opgeëischt, in onze eigenliefde en het geweld dei-hartstochten onder.

Ziedaar de geschiedenis der menschen die aan de bevelen van Satan gehoorzamen, en niet vermogen het werk van Christus te verijdelen , waardoor alleen de mensch kan deelen in 't leven van God.

Na deze drievoudige bekoring verdween de Satan voor goed '). Geen onmiddelijke macht zal voortaan meer aan den Satan over Christus gegeven worden •). Satan zal voor

l) Matth. IV, 11. ï) Luc. IV, 13.

9

ocr page 138

JOANNES DE VOORLOOPER EN

hem vreezen en uitroepen: — „Zoon Gods, waarom zijt gij hier gekomen, om ons te pijnigen vóór den tijd1)!quot;

Maar nu ook smaakte Christus alle goddelijke geneugten. De Engelen kwamen bij hem, zeggen de Evangeliën, en dienden hem. Ten tijde der bekoring hebben zij op verlangen van hunnen Meester hunne tegenwoordigheid verborgen, maar wanneer Satan is verjaagd verschijnen zij op nieuw.

Wel is hier het woord van den grooten Apostel waar: „Wij hebben geenen Hoogepriester, die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar een' die in alles beproefd is geworden, op dezelfde wijze als wij, zonder zondequot;

Dit feit, in zijn geheel en in zijn deelen van zoo geheim-zinnigen aard, is geheel en al miskend door alle geschiedschrijvers, die de ontkenning van het bovennatuurlijke tot den grondslag van hunne critiek hebben gemaakt.

De verschijning van het kwaad als een persoonlijk wezen , de magische kracht die hier vertoond wordt, de wondervolle wijze waarop Christus door den Bekoord er geplaatst wordt op de tinne des Tempels en op den kruin eens bergs, de Engelen die komen om hem te dienen, - dat alles was te veel voor eene wijsbegeerte zonder God en eene wetenschap die niets buiten de stof erkent.

De oude rationalistische school in Duitschland zag in den duivel niets anders dan een loozen afgezant van het Sanhedrin, een of anderen doorslepen en machtigen pharizeër, die gezonden was om Christus van zijne zending af te trekken en tegenover hem de rol van Satan vervulde

Anderen hebben er slechts een parabel in gezien om den mensch te leeren hoe de bekoring te overwinnen. Toen Christus deze parabel vertelde, zouden de leerlingen haar niet begrepen en voor eene ware gebeurtenis hebben aangezien. Maar nooit heeft Christus zich-zelven tot onder-

') Matth. VIII, 29.

J) Hebr. IV, 15.

3) Pav lus, ad h. 1.; Herder f Christ. Schrift. B. 2.

130

ocr page 139

Christus' veeschijnikg in 't openbaar. 131

werp van eene parabel gemaakt; en wanneer Christus dit niet heeft gedaan toen hij het verhaal voordroeg, hoe zijn de Apostelen er dan toe gekomen om hun Meester te stellen in de plaats van den verdichten persoon uit de parabel ')?

De liefhebbers van mythen hebben in de Bekoring niet anders dan een legende gezien '). Te vergeefs hebben zij het Oude Verbond doorsnuffeld om te laten zien uit welke brokken de eerste christenen deze historie hebben opgebouwd. Zij hebben de bekoring van het Paradijs, van Abraham en van het Israëlitische volk in de woestijn aangegrepen, om daarin een voorbeeld voor Christus' bekoring te vinden. Zij hebben zelfs gezegd, dat de strijd die noodzakelijker wijze tusschen den Messias en zijn tegenstander moest bestaan, door zijne volgelingen tot eene gebeurtenis is gemaakt. Zij hebben zelfs de plaats waar de Bekoring plaats greep te hulp geroepen, omdat de woestijn als het verblijf der duivelen werd aangezien. Maar 't is onmogelijk uit al deze gegevens de drievoudige Bekoring met hare hoog zedelijke beteekenis op te bouwen.

De Fransche critiek heeft zich nog minder moeite gegeven: zij heeft de historische waarheid van Christus' verblijf in de woestijn en zijn streng vasten wel willen aannemen; maar, zegt zij, de verbeelding der leerlingen heeft deze bekoringen uitgedacht; zij alleen heeft de legende in de wereld gebracht 1).

Deze geheel willekeurige vooronderstelling, door geen enkel bewijs gestaafd, dient alleen om alles over boord te werpen wat met de wijsbegeerte van den schrijver in strijd is. Op die wijze wordt de historie op zand gebouwd.

Hoe konden de Apostelen deze Bekoring van hunnen Meester uitdenken? Moest het hun niet veeleer eene zondige gedachte toeschijnen, wanneer zij zich voorstelden, dat hun

1

) Kenau, Vie de Je'sus.

ocr page 140

JOANNES DE VOORLOOPER EN

Meester door den duivel werd bekoord? Hoe konden zij deze Bekoring uitdenken, die slechts kan worden verklaard door hen die ten volle den Messias begrepen hebben. Wanneer zulke gebeurtenissen worden verhaald en neergeschreven, kunnen ze alleen worden verklaard door dat ze waarachtige feiten zijn. Alles wat in het leven van Christus droevig en smartvol was hebben de leerlingen met moeite en langzamerhand begrepen; zelfs de Geest Gods was noodig om hen den lijdenden Messias te doen begrijpen; welnu de bekoorde Messias is eene der eerste, eene der geheimvolste openbaringen van het geheim zijner smarten.

De laatste vertegenwoordigers der duitsche critiek ') hebben ook den letterlijken zin dezer historie verworpen, omdat zij haar den Christus onwaardig oordeelden en onaannemelijk in hare onderdeelen voor eene verlichte rede, die vrij is van alle bijgeloof. Zij hebben haar voor eene uitvinding van het volk verklaard, dat in grove vormen de verschillende bekoringen van Christus' leven heeft weergegeven. Twee vragen, zeggen zij, beroerden het gemoed van Christus: moet hij de Christus' rol opnemen? en welke middelen zijn noodig om die rol te vervuilen? Met deze twee vragen hebben zij den geheelen inwendigen strijd van Christus willen verklaren, waardoor hij ten laatste na veel arbeid tot de volkomene kennis van zijne roeping en tot het beantwoorden daaraan gekomen is. Maar de Evangeliën wijzen niet het geringste spoor van deze menschelijke zwakheden aan. De Christus, dien zij zoo teekenen, is niet meer de Christus dei-historie, maar die der inbeeldingen eener bevooroordeelde critiek.

Het uitdrukkelijk en in bijzonderheden afdalend getuigenis van den H. Mattheüs en van den H. Lucas verbiedt ons de historische waarheid van dit verhaal te ontkennen, dat alleen uit Christus' mond kan zijn voortgekomen. In welk oogen-blik van zijn leven heeft Christus het verhaald? Misschien

') Keim, GeschiMe Jesus von Nazura, Ij. I ad h. 1. — Schenkel, das Charaderhild Jesu, p. 50.

132

ocr page 141

CFIRISÏUS' VERSCHIJN'ING IN 'T OPENBAAR. 133

wel in hetzelfde uur waarin hij, bij het vieren van zijn laatste Paaschfeest, tot zijne leerlingen zeide: „Vertrouw, ik heb de wereld overwonnenquot; '). Was dat geen toespeling op zijn verblijf in de woestijn, waar hij in waarheid den vorst der wereld overwonnen had?

Het Doopsel en de Bekoring van Christus zijn de deuren der poort waardoor Christus zijn openbaar leven binnen ging.

Bij het Doopsel laat de geest Gods, bij de Bekoring, de geest des kwaads zich zien.

Het Doopsel zegt ons, dat Christus is de Zoon van Crod; de Bekoring, dat hij ook is de zoon des menschen. Uit den strijd tusschen de twee geesten, die in eiken mensch afzon• derlijk en in de geheele menschheid kampen tegen elkaar, wordt de historie geboren.

Van dezen strijd is Christus de type en de kracht.

VIERDE HOOFDSTUK.

liet begin van Christus' openbaar leven.

Het begin van Christus' openbaar leven omsluit een tijdruimte van veertien tot vijftien maanden; van den dag waarop hij de woestijn verliet, een weinig voor het Paaschfeest van het jaar 28, tot de gevangenneming van Joannes den Dooper, tegen het Purimfeest van 't jaar 29. De drie eerste Evangeliën laten de prediking van Christus en hun verhaal beginnen bij deze gebeurtenis, die aan de zending van den Voorlooper een einde maakt1). Zij zeggen niets

1

Mattli. IV, 12; Marc. I, 14; Luc. IV, 14.

ocr page 142

J 34 JOANNES DE VOOKLOOPER. EN

van het eerste begin, dat door hun verhaal wordt voorondersteld; het zou ons geheel onbekend zijn indien de vierde Evangelist ons niet eenige kernachtige feiten daarvan had opge-teekend die het eigenaardige van dit tijdperk aanwijzen. Met juistheid geeft hij de verschillende reizen van Christus aan, gelijk wij dat van hem gewoon zijn, bepaalt dag en uur, en verhaalt zeer uitvoerig de vertrouwelijke mededeelin-gen, die, naar het schijnt, alleen aan hem zijn gegeven, omdat hij alleen daarvan de verhaler is. Alle deze bladzijden verraden den getuige; door zijne woorden straalt Christus' geest; den Evangelist hooren wij niet — hij schuilt altijd weg en vermijdt zich-zelven te noemen — maar wij hooren altijd den Meester.

Na zijn vasten en bekoring in de woestijn, komt Christus alleen naar de oevers van den Jordaan terug, in de omstreken van Beth-A'barah, waar Joannes niet ophield van hem te getuigen.

Nadat Joannes den Christus heeft gezien en gedoopt, is hij niet enkel meer de strenge boeteprediker, de dreigende afgezant van Gods Rechtvaardigheid, de ijverige Dooper, maar hij wordt de eerste Evangelist der nieuwe tijden: wat de profeten van de verte uit hebben gezien, aanschouwt hij terwijl het voor hem staat.

Deze voortgang in den godsdienstigen arbeid van Joannes wordt verduisterd of over 't hoofd gezien door de nieuwere geschiedschrijvers, die van de zoo kostbare oorkonden van het vierde Evangelie niets willen weten. Deze groote figuur heeft daardoor juist zijn eigenaardig karakter verloren. Christus heeft niet, gelijk sommigen hebben beweerd1), ten koste van hem-zelven, den invloed van Joannes en van zijne bediening ondergaan; maar Joannes is onder den invloed van Christus geweest.

Op zekeren dag zag Joannes Christus naderen onder de

') Renau, Vie de Jésus. p. 119.

ocr page 143

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 135

menigte die voorbij trok; en vol van gedachten aan hem riep hij uit, terwijl hij hem aan de omstaanders toonde; Ziedaar het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt ').

Ziedaar Christus' eerste naam die hem bij zijn intrede in het openbare leven wordt gegeven. Geen andere naam duidt juister de uiterlijke verschijning en het inwendige karakter aan van hem die, door God ten zoenoffer bestemd, tot Joannes had gezegd: „zoo moeten wij alle geFechtigheid vervullenquot;.

Joannes' opvatting van den Messias gaat verre boven de opvatting van de meesten zijner tijdgenooten uit. De tweede Isaïas spreekt weer als de eerste.

Bij deze eerste aanwijzing bepaalt Joannes zich niet, maar gelijk allen, bij wie ééne gedachte alle anderen verdringt , herhaalt hij menigwerf dezelfde woorden, terwijl hij naar Christus wijst: Hij is het op wien ik den Geest zag nederdalen, als eene duive uit den Hemel, en op hem blijven. Ja, ik heb het met mijne eigen oogen gezien, ik ben zijn getuige; hij is de Zoon Gods 2).

Het schijnt niet dat deze woorden op de menigte indruk maakten. Slechts enkelen waren er door getroffen; maar het kon niet anders of zij moesten de aandacht op Christus vestigen.

Christus bleef bij de boorden van den Jordaan. Den volgenden dag wandelde hij bij zonsondergang langs de rivier. De menigte was weg. Joannes was daar met twee van zijne leerlingen en terwijl hij op Christus zag riep hij wederom uit: ziedaar het Lam Gods.

De twee leerlingen hoorden dit woord van Joannes. De toon waarop Joannes sprak had hen getroffen, de aanblik van Christus sleepte hen mee; zij verlieten hun meester en volgden Christus.

') Joës I, 36. 3) Joüs I, 32-3-1.

ocr page 144

JOANNES DE VOORLOOPER EN

Toen Christus zich omkeerde, zag hij dat zij hem volgden.

— „Wat zoekt gijquot;? zeide hij tot hen. — „Meester waar woont gij ? — „Komt en ziet ...

Zij kwamen en zagen waar hij woonde en brachten bij hem dien dag door. Het was avond omstreeks het tiende uur').

Die dit schilderijtje met zoo fijne en sobere en frische kleuren heeft geschilderd, was een der twee leerlingen, die door Christus werden geherbergd; dat oogenblik was onvergetelijk voor hem: hij heeft er het uur van onthouden. Hij noemt zich-zelven niet, maar men kent hem juist omdat hij zich verbergt; 't is Joannes, de meest beminde leerling van Christus, die het eerst werd uitgekozen. Ook hij was een Galileër, een visscherszoon en zelf visscher. Wat hij in dien nacht en op dien dag uit de mond van den Meester hoorde, is hun geheim gebleven.

Eén woord zegt ons duidelijk, dat de indruk van Christus op hen overweldigend was: zij geloofden in zijn persoenen in zijne zending. Inderdaad, toen de morgen was aangebroken, ging éen der twee, Andreas ook een Galileër en visscher van het meer van Tiberias, zijn broeder zoeken, Hij was in verrukking en kon niet zwijgen. Zoodra hij zijn broeder, Simon, ontmoette, zeide hij: — Wij hebben den Messias gevonden. En hij bracht hem tot Jesus s).

Met een doordringenden blik zag Christus hem aan; — „Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; — zeide hij hem — Gij zult Cephas d. i. Petrus, — steenrots — genoemd wordenquot;.

136

Door den nieuw aangekomene dezen naam te geven, die zooveel voorspelde, wilde Christus hem oogenblikkelijk aan zich verbinden; hij liet den zoon van Jonas zien, hoe diep hij pijlde in zijn gemoed, zonder nochtans hem zijne roeping te openbaren, die in dien naam op geheimzinnige wijze lag opgesloten. Het was voor Petrus genoeg, dat hij

') Joës I, 3G. vv. ') Joës I, 10. vv.

ocr page 145

Cliursïus' VERSCHIJNING IN 'l' OPENBAAll. 137

zich verbonden achtte aan dengene, die begonnen was zich aan hem als den Christus te openbaren ').

De kracht Gods, die meestal gehoorzaamt aan de wetten door haar zelve gesteld om aan de geheele schepping regel en orde te geven, handelt niet met geweld. De eerste openbaringen eener wereld die zich vormt geschieden altijd in stilte en in geheim.

Wij zien hier de eerste openbaringen van den geest die in Christus leeft. Voor hem, gelijk voor elk ander wezen is leven niet anders dan andere wezens tot zich trekken en in zich opnemen. Ziet, hoe Christus hier eenige uitverkoren zielen tot zich trekt; zij komen, de een na de ander, zich bij hem voegen zonder gedruisch: het zaadkorreltje groeit niet stiller op.

In de vallei van den Jordaan, onder dien brandenden hemel is het zaadkorreltje neergestrooid en hebben wij voor het eerst de kracht van den Messias gezien.

Christus heeft nu drie leerlingen.

Daags na de roeping van Petrus ging hij naar Galilea, dat hij na zijn Doopsel niet meer had teruggezien.

Hij was reeds op weg, toen hij een ander Galileër ont-

') De duitsche critici, die altyd de synoptici tegenover het vierde Evangelie plaatsen, terwyl zij de eersten aan het tweede, of het tweede aan de eersten opofleren, zooals zij dat verkiezen, hebben naar rayne opvatting een zwaren misstap begaan. Z\j hebben het verhaal der roeping van de leerlingen, zooals het door den H. Matth. IV, 18—22, den H. Marc. I, 16 vv. en denH. Luc. V, 2 — 11 wordt gegeven, met dat van den H. Joannes verward, alsof het eenzelfde feit betrof, slechts op andere wijze verteld. Natuuriyk konden zy nu gemakkelijk het verschil, de tegenstelling en tegenstrijdigheid van deze twee verhalen aantoonen. Eene onpartijdige studie echter van deze twee teksten laat niet toe te gelooven, dat zij op eenzelfde feit betrekking hebben; de roeping van den eersten leerling, zooals die door den H. Joannes wordt verhaald, is èn in den tijd én in de plaats én zelfs in de onderdeden onderscheiden van de tweede roeping, die door de synoptici wordt medegedeeld. Do twee feiten vullen elkander aan en verklaren elkaar, maar doen elkaar geenszins te niet; men moet het eene niet aan het andere opofferen, maar beide bij elkander brengen. Ook hier, gelijk op vele andere plaatsen, worden de synoptici door den H. Joannes aangevuld.

ocr page 146

JOANNES DE 700RL00PER EN

moette, Philippus, een medgezel van Andreas en Petrus en gelijk zij een inwoner van het kleine dorp Bethsaïda aan den oever van het meer. Christus trok hem tot zich met dat enkele woord: „Volg mijquot;1). Het roepen van Christus is onweerstaanbaar, het raakt het hart en sleept meè. Philippus deelde in het ontluikende geloof en in den geestdrift zijner gezellen.

Inderdaad, toen hij-zelf een zekeren Nathanaël, denzoon van Tholomeüs ontmoette, zeide hij terstond tot hem: — Wij hebben hem gevonden, van wien Mozes in de Wet geschreven heeft en de profeten: Jesus, den zoon van Joseph van Nazareth. — Die naam van Nazareth stuitte Nathanaël tegen den borst. — Hoe! roept hij met ruwe openhartigheid uit, kan er uit Nazareth iets goeds komen?

Galilea was wegens zijne gemengde bevolking door de fijne pharizeën veracht. Uit Galilea komt geen profeet, zeiden zij, en dat woord was een spreekwoord geworden.

Philippus doet geen moeite om Nathanaël te weerleggen, en zegt niet anders dan: Kom en zie. Nathanaël ging tot Christus, die hem toeriep: — „ziedaar in waarheid een Israëliet, in wien geen bedrog is!quot; — Van waar kent gij mij? antwoordde Nathanaël vol verwondering. — „Voordat Philippus u riep, hernam Christus, terwijl gij onder den vijgeboom waart, zag ik uquot;. Christus laat hem gevoelen, dat hij alles weet, en aanstonds roept de andere uit: — Rabbi! gij zijt de Zoon Gods, gij zijt de Koning van Israël!

Christus was door deze oprechtheid getroffen: — „Omdat ik u gezegd heb: ik zag u onder den vijgeboom, gelooft gij. Grooter dan dit zult gij zienquot;. Toen keerde hij zich tot Nathanaël'}, maar sprak tot allen; zijn stem werd plechtig,

') Joës I, 43, vv.

-) De algemeene overlevering heeft altijd in Nathanaël en Bartholomeüs één persoon gezien. Nathanaël was zyn eigen naam, Bartholomeüs zijn bijnaam. In de opsomming der twaalf Apostelen, (Matth.X, 2 — 3) waar zy paarsgewyze worden opgegeven, zijn Philippus en Bartholomeüs altjjd by elkaar. Bijna alle schriftuur verklaarders zijn in dit punt van éen gevoelen.

138

ocr page 147

CHRIST CIS* VBRSCHUNIKG IN 'ï OPENBAAR. 139

en hij gebruikte voor de eerste maal die woorden, die hij nog dikwerf gebruiken zal, wanneer hij zijne leerlingen eene goddelijke waarheid wil inscherpen:

— „Voorwaar, voorwaar1), ik zeg u: gij zult den hemel open zien, en Gods Engelen opklimmen en nederdalen op den Zoon des menschenquot;

Geheimzinnige woorden waaruit een vaste hoop en onmetelijk vertrouwen spreekt. Zonder te hopen is het leven onmogelijk. Dat weet Christus; en daarom laat hij voor de oogen zijner nieuwe leerlingen de hope stralen.

Het geloof dezer eerste leerlingen was wel oprecht, maar lang niet volmaakt. Ongetwijfeld zagen zij, kinderen van het volk, in Christus niet anders dan den Messias hunner droomen.

Sedert Christus Nazareth verlaten had waren er groote gebeurtenissen voorgevallen. Ofschoon Christus de menigte ontvluchtte, kon het niet anders, of zijn naam moest door Palestina zijn bekend geworden bij dat joodsche volk, dat in afwachting van den Messias leefde.

Toen hij gevolgd van eenige onbekende leerlingen in Galilea terugkeerde, was de faam hem vooruit gegaan, maar wilde het kleine Nazareth niets van hem weten.

Met welke ontroering werd hij echter door zijne moeder opgewacht, die eindelijk hare hoop, jaren lang in haar hart besloten, in vervulling zag gaan!

') Deze uitdrukking wordt door Christus dikwijls gebruikt Hy is de eenige meester die haar gebruikte bij den aanvang eener rede; !t is zijn geliefkoosde uitdrukking; zij omsluit het dubbele begrip van waarheid en onwrikbaarheid. Door haar te herhalen schijnt de H. Joës de voiheid harer beteekenis te willen aanduiden. Geen ander sterveling heeft haar durven gebruiken. De joodsche leeraars, gelijk Lightfoot terecht opmerkt, (Norae hehr. et Talmud, p. 969), die orakels der godsdienstige overlevering, zeiden: Ik zeg, in waarheid, maar ik zeg niet amen. Men weet dat de Apocalyps III, 14, aan Christus den naam van Amen geeft, gelijk Isaïas XV, 10 God met denzelfden naam noemde: EUn Amen.

2) Joës X 51.

ocr page 148

JOANNES DE VOORLOOPEE EN

Den derdon dag na de roeping van Philippus'), vinden wij Christus te Cana, eene stad in Galilea, die meer dan vijf-en-twintig mijlen van Beth-A'bara verwijderd lag. Christus moet dus snel dien weg hebben afgelegd. Zijne moeder was reeds voor hem te Cana gekomen; zij was daar bij bloedverwanten of vrienden. Wellicht had zij, na het vertrek van haren zoon naar den Jordaan, Nazareth verlaten en bij hen een onderkomen gevonden. Daar de Evangelisten niet van haren bruidegom, den H.Joseph, spreken, mag men veronderstellen, dat deze reeds gestorven was.

Dit Cana in Galilea lag twee uren van Nazareth, op den weg naar Tiberias, niet ver van den grooten weg waardoor Ptolemaïs met de steden aan het meer van Genezareth verbonden was. 't Is nu slechts een ellendig dorp.

Ziehier wat er in den avond te Cana voorviel, toen Christus daar kwam.

Er werd een bruiloft gehouden, die naar joodsch gebruik, ook bij het gewone volk, meerdere dagen duurde. Christus werd met zijne leerlingen uitgenoodigd. 't Was echter niet de gewoonte, dat de vrouwen aan de tafel der genoodigden plaats namen; zij bleven van de mannen gescheiden, bereidden de schotels, zorgden voor de bediening, maar gingen de feestzaal in en uit. Een kleine stoornis viel aan het einde van den maaltijd voor. Er was geen wijn meer. Vele gasten waren aan tafel; de voorraad was op. Maria bemerkte hoe verlegen bruid en bruidegom waren, en in hare bezorgdheid en ijver dacht zij slechts aan haren zoon. Zij naderde hem en sprak: — zij hebben geen wijn meer.

MO

Gingen nog andere gedachten door Maria's hoofd? Dacht zij aan al het heerlijke wat van Christus werd gezegd? Verlangde zij dat hij deze gelegenheid zou aangrijpen om zijne macht te toonen? Liet zij heel hare ziel in haar blikken en houding zien ? Het antwoord van Christus laat het ver-

') Joës II, i.

ocr page 149

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 141

moeden. Altijd meester van zich-zelven, en met een kalmte die door niets menschelijks werd gestoord, wees hij zacht-kens zijne moeder af, temperde de onstuimigheid liarer liefde en, met de waardigheid van iemand die in zijne goddelijke zending aan geen aardschen invloed maar aan zijn Vader alleen kan gehoorzaam zijn, zeide hij:

— „Vrouwe, wat heb ik met u te doen1)?quot; „Mijn uur is nog niet gekomenquot;. Deze woorden brengen ons die andere woorden van zijn twaalfde jaar in herinnering, toen hij tot zijne bedroefde moeder zeide: „Wist gij niet dat ik in de dingen mijns Vaders moest wezen2)?quot;

Het hart eener moeder voelt alles; in weerwil vanJesus' zoete klacht verloor Maria hare hoop niet; zij begreep dat aan haar verlangen zou worden voldaan, gaf zich zonder schroom over aan de goedheid van hem, die haar niets kon weigeren; en zeker van hem, gelijk zij van zich-zelve zeker was, zeide zij tot de dienaren: — Doet al wat hij u zeggen zal.

Daar waren zes steenen kruiken, die bij de reiniging moesten gebruikt worden; ieder hield twee of drie metreten. Christus zeide tot de dienaren: — „Vult de kruiken met water.quot; Zij vulden ze tot boven toe. — „Schept nu, en brengt het aan den hofmeesterquot;. Zij brachten het: het water was veranderd in wijn.

De hofmeester wist niet wat er gebeurd was, maar de dienaren , die het water geschept hadden, wisten het. Zoodra

') Deze uitdrukking is geheel en al aan het hebroeuwsch eigen. Zü komt dikwijls in het O. T. voor (Recht. Xt, 12: II Kor. XVI, 10; XVI[, 18; XIX, 22) en soms in het N. T. (Joös IC, 14; Matth. VIII, 29). Zij geeft altijd een zeker ongenoegen te kennen. 't Is dc gewijde formule om het onaangename van zeker woord el feit aan te duiden. De letterlijke hollandsche vertaling geeft den zin niet weer. De H. Joës Chrysostomus (Hom., 20. In Joann.) vertaalt en omschrijft deze uitdrukking aldus: quid me molestas'.' wat valt gij mü lastig? Het woord „vrouwquot; was bü den .jood en in heel het Oosten eene zeer gewone uitdrukking, ook wanneer men tot zijne moeder sprak, en is volstrekt niet oneerbiedig.

2) Luc. IT, 4'J.

ocr page 150

JOANNES DE VOORLOOPEK EN

hij ervan geproefd had, riep hij den bruidegom en zeide tot hem: — Ieder raensch zet eerst den besten wijn op; en wanneer zij goed gedronken hebben. dan den minderen; maar gij hebt den besten wijn tot nu toe bewaard.

De leerlingen waren door dit wonder getroffen. Het was de eerste maal dat de Meester hun een blijk gaf van zijne macht; en zij voelden hun geloof in hem grooter worden.

Het Rijk Gods dat Christus kwam stichten is een bruiloftsmaal van God en de menschheid; Christus is de eeuwige bruidegom die elk mensch naar zijne bruiloft roept; het water in wijn veranderd is het beeld van die ommekeer in onze natuur die door de kracht van den H. Geest wordt uitgewerkt; de moeder die uitroept; „zij hebben geen wijnquot; en die zich met vertrouwen tot Christus keert, is de stem van allen die de tekortkomingen van dit leven, de ijdele krachtverspilling der gansche menschheid hebben gevoeld, van allen die aan God hunnen nood hebben geklaagd, en van wie God, op het bepaalde uur, maar dikwerf te langzaam voor hun verlangen, altijd het gebed heeft verhoord.

Dit wonder heeft Christus in het verborgen vooral voor zijne leerlingen gewrocht.

142

Christus vertoefde niet lang te Cana, maar ging, zonder naar Nazareth terug te keeren, naar Capharnaüm, terwijl zijne moeder, zijne bloedverwanten en leerlingen hem vergezelden. Deze reis moet niet verward worden met die hij later doet, om te Capharnaüm zijn verblijf te nemen '). Eéne dagreize is Capharnaüm van Cana verwijderd. Tegen den avond kwam hij in het land zijner leerlingen; daar woonde de familie van Joannes, van Andreas en Simon; Simon die reeds gehuwd was had een huis te Capharnaüm, waar zijn schoonmoeder was geboren. Van dit eerste verblijf te Capharnaüm wordt ons niets gemeld; Christus kwam

') Zie Boek Ut, Hoofdst. II.

ocr page 151

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 143

daar alleen om den band, die hem met zijne leerlingen verbond, nauwer toe ie halen.

Christus dacht aan eene andere stad, aan Jerusalem en zijn Tempel. Daar in het hart van het volk, in de hoofdstad, zou hij optreden, in volle glorie, voor het volk en het openbaar gezag.

Eene ongezochte gelegenheid bood zich aan. Het Paasch-feest van het jaar 28 naderde, en door geheel Galilea werden karavanen ter beevaart gevormd. Ook Christus trok met zijne leerlingen, door de vallei van den .Tordaan, naar Jerusalem op.

VIJFDE HOOFDSTUK

Christus te Jerusalem tijdens het paaschfeest van 't Jaar 781, na R. St. Eerste prediking in Judea.

J'iet onopgemerkt gelijk weleer kon Christus naar Jerusalem gaan. Zijn naam werd reeds genoemd. Wanneer men hem zag, door zijne leerlingen gevolgd, zeidemen: DezeisJesus, de profeet van Nazareth in Galilea.

De karavanen der Galileërs werden, bij hunne komst te Jerusalem, op den Olijfberg, in den omtrek van Bethphage en Bethanië, geherbergd. Men houdt het er voor, dat zij daar eene gemeenschappelijke karavaanderij hadden. Des morgens gingen zij dan naar den Tempel, bleven den gan-schen dag in de stad en kwamen 's avonds weer in hunne karavaanderij terug.

Wellicht verbleef Christus te Bethanië bij zijn vriend Lazarus en vertrok hij van daar om zijne intrede in de stad te doen.

ocr page 152

JOANNES DE VOORLOOPER EN

Den weg volgend, die over den Olijfberg gaat, ziet men, op den kruin van den berg gekomen, plotseling in het westen, aan de overzijde van de Cedron-vallei, Jerusalem op vijf heuvelen gelegen, met zijne koepels en terrassen, zijne paleizen en torens, ingesloten door hooge muren. Op den achtergrond de Ophel en de Sion, de Acra en de Beth-zeta, amphitheatersgewijze gelegen rondom den afgeknotten Moriah, die gedekt is met de grootsche gebouwen van den Tempel.

Het geheel der gewijde gebouwen maakt een volkomen vierkant uit waarvan elke zijde vijf honderd elleboogslengten ') lang is, omsloten door dikke muren die doen denken aan de muren eener versterkte stad. Acht groote poorten, waarboven versterkte torens, geven toegang tot de gebouwen. In den noord-westelijken hoek van het vierkant staat een groot vierkant gebouw van wit marmer, met gouden platen bedekt en honderd elleboogslengten hoog. Dit is het Heilige, stralend als een vlam en schitterend als de sneeuw. Die gebouwen van de verte uit te zien , was een overheerlijk genot. Zij schenen eene geduchte sterkte en een prachtvol paleis tevens.

De heele ziel, het gansche godsdienstige leven van Israels volk was daar. Voor dat volk was er niets heiliger dan deze muren, dan deze grond, door God-zelf uitgekozen om er te wonen met zijn volk. Het zien er van bracht het in vervoering en men kon niet in vrede sterven zonder daar ten minste eenmaal te hebben gebeden en geofferd. Nu nog, na twee duizend jaren, terwijl er slechts brokstukken zijn overgebleven, ziet men de joden van de vier hoeken der aarde toesnellen, om die overgebleven muurstukken aan te raken, te kussen en te besproeien met hunne tranen en door ze aan te raken zich te versterken in hunne onverdelgbare hope, dat eenmaal nog hunne verlangens zullen in vervulling gaan.

144

Door een der acht poorten binnengetreden, komt men in het

l) De elleboogslengte was bü de joden 0.45 centimeters.

ocr page 153

CHRISTUS' VEESCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 145

groote voorhof der heidenen. Twee zuilengangen loopen langs de muren ten oosten en ten zuiden: de eerste, ten oosten gelegen, wordt de zuilengang van Salomon genoemd, de andere in het zuiden, de koninklijke zuilengang. Die van Salomon had drie rijen wit-marmeren kolommen van vijf-en-twintig ellebooglengten, rustende op een grond met veelkleurige steenen ingelegd, en een houten dak van gepolijst cederhout.

Dit voorhof was toegankelijk voor allen: voor heidenen en joden, voor uitgebannenen, ketters en rechtzinnigen, voor reinen en onreinen.

Een steenen, rijk bewerkte omheining, en op een afstand van tien ellebooglengten, van achteren, een groote muur scheidden het voorhof der heidenen van het voorhof dei-joden. De omheining had dertien poorten waarvoor dertien palen stonden met een opschrift, dat op straffe des doods den toegang verbood aan die of om hun godsdienst of om eenige wettelijke onreinheid niet mochten binnengaan. De muur achter de omheining was van vijf-en-twintig ellebooglengten en had negen poorten: vier ten noorden, vier ten zuiden, een ten oosten die de schoone of de Corintische werd genoemd. Voor elke poort was een stoep van veertien treden langs waar men op het plaveisel der vrouwen kwam. Een eenvoudige galerij met meerdere reiën van kolommen stond daar binnen in 't vierkant; tusschen de kolommen waren, op een bepaalden afstand van elkander, de dertien offerkisten geplaatst, waarin de godvruchtige Israëlieten hunne offers wierpen. Elke offerkist was voor een bepaald soort van offers bestemd.

Vóór het voorhof der vrouwen, van dat der mannen door eene omheining afgesloten, was het voorhof van Israël, voor de mannen bestemd. Het was slechts vijf meters diep , had een groote bronzen poort, die de poort van Ni-canor werd genoemd, waarboven een machtige toren zich verhief; een breede trap van vijftien treden lag voor de poort , en op zekere dagen van het jaar zongen daar de

10

ocr page 154

JOANNES DE VOOELOOPER EN

priesters bij het geluid der bazuinen de bekende twaalf „trap-psalmenquot;.

Boven het voorhof van Israël, en daarvan door eene andere omheining gescheiden, lag het voorhof der priesters. In het midden daarvan stond het groote altaar der brandoffers. Men zag er ook het groote koperen bekken en de marmeren tafels die voor het opdragen der offers noodig waren.

Achter dit altaar verhief het Heilige zich, de woonplaats van Jehovah. Door een poort met twee van zelf dichtvallende deuren, die bedekt waren met goud, waarboven een groote gouden wingerd zich slingerde, ging men het Heilige binnen. Het inwendige bestaat uit twee vierkante vertrekken van elkander gescheiden door een breed babylonisch gordijn waarop cherubijnen met uitgespreide vleugelen waren gewerkt: dat was het voorhangsel van den Tempel. Het eerste vierkant wordt „het Heiligequot; genoemd en bevat aan de noordzijde de tafel met de toonbrooden, aan de zuidzijde de gouden kandelaar met zeven armen, in 't midden, een weinig ten oosten, het reukaltaar waarop eiken dag tweemaal, des morgens en des avonds, ter eere van Jehovah de wierook wordt gebrand.

Achter het voorhangsel is niets. Het Heilige der Heiligen is ledig. Sedert de verbondsark verdwenen is, ligt daar slechts een steen , die grondslag (Schethiga) wordt genoemd , een koud zinnebeeld van Hem die alles draagt ').

De Hoogepriester alleen gaat slechts eenmaal in het jaar het Heilige der Heiligen binnen; priesters en levieten mogen slechts zijne muren aanraken, en het volk van de verte uit opzien naar deze plaats. De heidenen moeten voor de Corin-tische poort blijven staan.

Hier, in het voorhof der heidenen en van Israël, zullen vele gebeurtenissen van Christus' openbaar leven plaats grijpen.

14G

Christus is in aantocht en gaat aller aandacht trekken.

') Vgl. Bell. Jud. V, 5; Anliqu. 11, 8; I, 22.

ocr page 155

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'ï OPENBAAR.

Bij zijn komst te Jerusalem ging Christus terstond naaiden Tempel'). Door de poort van Susa kwam hij de galerij van Salonion binnen, waardoor het voorhot der heidenen aan den oostkant werd omsloten. Met de groote feesten en vooral met Paschen was het daar vol van volk. De wisselaars hadden daar hunne wisselbanken; want alles wat voor de offeranden en de afwasschingen noodig was kon alleen met heilig geld worden gekocht. Kooplieden met koeien, ossen, vaarzen, lammeren en schapen vullen een hoek van het voorhof der heidenen. Verkoopers van duiven en mus-schen hebben hunne stalletjes bij de winkels waar olie, wierook , en alles wat voor den dienst van het altaar noodig is, wordt verkocht. Het geloei der ossen, het geblaat der schapen en het geluid der andere dieren mengen zich met het geschreeuw der verkoopers en het schelle gepraat van pharizeën en sadduceën. 't Was geen Tempel meer maar een markt, een bazar.

Menigwerf reeds heeft dit schouwspel Christus geërgerd; hij had tot nu toe in stilte geleden, maar nu is het uur van handelen geslagen. Hij gaf den vrijen loop aan zijn ijver, aan zijne verontwaardiging en heiligen toorn; en terwijl hij eenige touwen bijeennam, waarmede de beesten gebonden werden, maakte hij daarvan een geesel of zweep en joeg daarmee alle kooplieden met hunne schapen en koeien naar buiten, wierp de tafels der wisselaars omver, stortte het geld uit op den grond en zeide tot hen die in naam der hoogepriesterlijke families de duiven verkochten: — „Neemt die dingen weg van hier, en maakt het huis mijns Vaders niet tot een verkoophuisquot; 2).

147

Zijne kracht was onweerstaanbaar en allen bukten voor haar. Inderdaad, daar is iets goddelijks in die daad van heiligen moed. Een enkel mensch , zoo goed als onbekend , met een geesel in de hand, zonder wettige macht, die zoo

') Joiis. II, 14 vv. 4) Joes. II, 16.

ocr page 156

JOANNES TE VOORLOOPER EN

alle kooplieden met hunne beesten wegjaagt, zonder dat iemand zich daar tegen verzet: noch het volk, noch de overheden van den Tempel, noch hare soldaten, — een zoodanig mensch vertoont eene goddelijke grootheid en kracht; hij handelt niet alleen als een afgezant van God, hij handelt als Meester en Heer. Het huis van Jehovah is zijn huis, de woning van zijn Vader, waaruit hij alles, wat haar onrein maakt en onheilig, verdrijft naar eigen recht.

Spoedig was dit feit aan de tempelbewaarders bekend. Men kwam tot hem en zeide: met welk recht verbiedt gij wat de overheid toelaat? welk teeken kunt gij ons toonen, om uw geweld te rechtvaardigen ') ? Christus gaf antwoord met een van die geheimvolle woorden, die door zijne ondervragers niet altijd worden begrepen, maar die zijn profeten-blik bewijzen en door de feiten van latere dagteekening worden waar gemaakt.

— „Breekt dezen Tempel afquot;, zeide hij terwijl hij met de hand op zich-zelven wees, „en in drie dagen zal ik hem weer oprichtenquot;.

De H. Joannes, ooggetuige dezer gebeurtenis, moest de beweging van Christus' hand opmerken, en daarom voegt hij erbij, dat de Meester van zijn lichaam sprak. Dat lichaam, een ware tempel waarin de Godheid woonde, zullen de joden eenmaal slopen; maar hij-zelf zal het wêer levend maken. De joden begrepen in dien zin het antwoord niet en roepen: „Zes-en-veertig jaren is er aan dezen tempel gebouwd, en gij, gij zult dien in drie dagen weer oprichten?quot;

148

Door deze daad van Christus kwam er aan de misbruiken binnen Jerusalems tempel wel geen einde, maar zij miste toch niet haar doel: de Christus had zich verklaard voor het aanschijn van het volk en de overheid van Israël als den Heer van den Tempel en den Zoon van God. De aandacht van het volk viel op den nieuwen profeet, die door het volk werd toegejuicht, maar door wien overheden

') Joës. II, 18 vv.

ocr page 157

CHRISTUS' VERSCHIJNING IX 'T OPENBAAR.

en ouderlingen, priesters en geloovigen die onverschillig waren of voldaan, werden voor 't hoofd gestooten en geërgerd. Van nu af is de wereldlijke en godsdienstige overheid in strijd met hem; en die strijd zal worden voortgezet tot dat, na drie jaren zijne woorden van heden een beschuldiging worden voor den Hoogen Raad, en hij den kruisdood sterven moet.

Dit verblijf van Christus te Jerusalem was overigens ongestoord. Op het Paaschfeest-zelf deed hij vele wonderen, maar de geschiedschrijver beschrijft ze niet. Velen zagen in hem den Messias; maar Christus was toch op zijne hoede voor hen, zooals de Evangelist het nadrukkelijk verklaart.

De openbare meening, die men van ons heeft, is in den regel sterker dan wij. De volksgunst brengt den mensch dikwijls verder dan hij wil; want elke volksgunst dient ten laatste haar eigen belang.

Christus is nooit de slaaf van de openbare meening geweest. Hij kende de menschen en 't was niet noodig dat iemand hem de menschen deed kennen.

God heeft uitverkorenen overal. In de wereld der aanzienlijken echter zijn de menschen niet altijd even openhartig en vurig gelijk de eenvoudige zielen van het volk. Hun rang en stand en vele andere belangen moeten worden ontzien en met omzichtigheid slechts gehoorzamen zij aan de stem van hun geweten.

Een zekere Nicodemus behoorde tot deze soort.

Hij was een invloedrijk man onder de pharizeën en waarschijnlijk een lid van den Hoogen Raad. Volgens de Talmud was zijn ware naam Bonaï. Hij was priester, bekleedde een openbaar ambt en moest ten behoeve dei-vreemdelingen , die op de hooge feestdagen naar de stad stroomden, toezicht houden over het water en de putten. Hij leefde nog, toen Jerusalem door Titus belegerd werd, en behoorde tot een der drie rijkste familiën der stad. Toen men de leerlingen van Christus begon te vervolgen , werden ,

119

ocr page 158

JOANNES DE VOORLOOPEB EN

naar men zegt, zijne goederen verbeurd verklaard en kwam zijne familie tot armoede.

Nicodemus was getroffen door het woord, meer nog dooide wonderen van Christus. Hij wilde verder onderwezen worden, vroeg om een geheim onderhoud en kwam, om bij anderen geen achterdocht te wekken, in den nacht bij den Heer. De waarheid zoeken zelfs met schroom is altijd prijzenswaardig.

Met bewondering zag hij in Christus een profeet, zooals in geen vier eeuwen er een was geweest.

— Meester zegt hij, wij weten dat gij een leeraar zijt, van God gekomen; want niemand kan deze teekenen doen, die gij doet, tenzij God met hem is.

Christus, die het hart van dezen weifelaar doorgrondde, ging recht op het vraagstuk in, dat alle tijdgenooten van Nicodemus in beroering bracht.

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg uquot;, zeide hij, „zoo iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Eijk Gods niet zienquot;.

Dit woord: op nieuw geboren worden , dat juist de geheele leer van Christus over het geestelijk Rijk en de werking van den Messias omsluit, ontstemde Nicodemus en kwam tegen al zijne vooroordeelen in verzet. Hij behoorde tot hen die geloofden, dat men tot een heiden, tot een zondaar, van eene wedergeboorte kon spreken; maar hoe kon een ware zoon van Abraham, een Israëliet van zuiver ras een ijverige pharizeër, daaraan behoefte hebben? Is hij niet alleen door zijn bloed, door zijne getrouwheid, het Rijk der hemelen waardig? Daarom vroeg hij niet ongekunsteld, terwijl hij den schijn aannam den zin van Christus woorden letterlijk op te nemen:

— Hoe kan een mensch geboren worden als hij een oud man is? kan hij wel andermaal in den schoot zijner moeder ingaan en herboren worden?

Christus herhaalde zijn woord terwijl hij hei verklaarde;

— „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; zoo iemand niet

150

ocr page 159

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'ï OPENBAAR. 151

herboren wordt uit water en den H. Geest, hij kan het Rijk Gods niet ingaanquot;. Het doopsel met water van Joannes bereidt slechts den mensch tot de wedergeboorte voor, maaide uitstorting van den Geest, aan de tijden van den Messias beloofd, kan alleen die wedergeboorte uitwerken.

En om aan al zijne vooroordeelen van geslacht of stam met één slag een einde te maken, brengt hij alles bijeen wat God en zijn Rijk onwaardig is:

— „Wat uit het vleesch geboren is, is vleeschquot;; van welken naam, van wat voorrecht, van welk geslacht het ook is. „En wat uit den Geest geboren is, is Geestquot;.

— „Verwonder u niet, omdat ik u gezegd heb: Gij moet op nieuw geboren wordenquot;. De Geest is vrij en geheimzinnig als de wind. „De wind waait waar hij wil; en zijn geluid hoort gij wel, maar gij weet niet van waar hij komt, of waar hij heen gaat; alzoo is een ieder die uit den geest geboren is. Hij is ondoorgrondelijk gelijk God van Wien hij komt, en tot Wien hij wederkeertquot;.

Nicodemus vraagt; — „Hoe kunnen deze dingen geschieden?quot;

— „Gij zijt een leeraar in Israël, en kent toch deze dingen niet?quot;

De profeten hebben inderdaad overal de uitstorting van den Geest ten tijde van den Messias voorspeld, waardoor een nieuw leven zou ontstaan, waarvan Christus tot Nicodemus spreekt. Maar ééne voorwaarde werd vereischt: het geloof in het woord van Gods gezanten. Die onderwerping van den geest vraagt Christus aan zijn ondervrager, en zich één makend met de profeten wier gezag door Nicodemus niet werd ontkend, riep hij:

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg u: Wat wij weten spreken wij, en wat wij gezien hebben getuigen wij; en gij neemt onze getuigenis niet aanquot;. Zelfs indien ik u van aardsche dingen gesproken heb d. i. van de voorwaarden die de mensch moet vervullen om het Rijk binnen te gaan, „gelooft gij niet, hoe zult gij dan gelooven, als ik u hemelsche dingen zeggen zalquot; de geheimen van het Rijk Gods?

ocr page 160

JOANNES DE VOORLOOPER EN

Nicodemus was stil geworden.

Christus begreep, dat dit verwijt in hem het vertrouwen had opgewekt en liet hom nu iets van die goddelijke wereld zien die alleen door den Zoon des menschen wordt gekend, want „niemand is ten hemel opgestegenquot;, en kent den wil van God, „dan die uit den hemel is nedergedaald, de Zoon des menschenquot;.

Gij weet, zeide hij, dat „Mozes in de woestijn de slang verhiefquot; '), en dat allen die haar aanzagen waren genezen; „ook zoo moet de Zoon des menschen verheven worden opdat ieder diequot; naar hein ziet, „in hem gelooft, niet verloren ga, maar het eeuwige leven hebbequot;.

Christus brengt, waarin de glorie en marteling tevens van den Zoon des menschen gelegen is, de ontzaggelijke bestemming van den Messias, onder één licht. Het geheele geheim dezer bestemming heeft zijne onpeilbare bron in de liefde van God. Uit liefde heeft God zijn Zoon in de wereld gezonden, niet opdat hij de wereld zou oordeelen, maar opdat de wereld door Hem zou behouden worden. Die in Hem gelooft is behouden, die niet gelooft, is reeds geoordeeld: hij veroordeelt zich-zelven. Nu is het uur der zaligheiden „der crisisquot; daar, 't is noodig dat het zijn loop hebbe.

Bij het aanschouwen dezer scheiding onder de menschen rondom den Zoon des menschen rijst er eene vraag op: Eenigen gelooven en worden behouden, anderen gelooven niet en worden verstoeten; waarom ?

152

— „Het licht is in de wereld gekomenquot;, zegt Christus, „indien de menschen de duisternis meer dan het licht hebben liefgehad, 't is omdat hunne harten boos waren. Want al wie kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijne werken niet berispt worden; maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dewijl zij in God gedaan zijnquot;. Wat van God komt keert terug tot God.

') Num. XVI, 9.

ocr page 161

CHKISTUS' VEBSCHIJNING IN 'T OPEKBAAK. 153

Dit onderhoud van Christus met Nicodcmus, den pharizeër, is het eerste onderricht van den Meester, dat in het vierde Evangelie is opgeteekend en ons groote waarheden in breede trekken schetst.

Men ziet wat het Rijk Gods is: het deelnemen van den mensch in het leven van God; men ziet hoe men dat verkrijgt; door eene tweede geboorte, die van den menscheen nieuw wezen maakt, niet naar het vleesch maar naar den geest; men leert welke de voorwaarde voor deze wedergeboorte is: het doopsel van water en van den Geest; daarenboven verneemt men, dat men gelooven moet in het woord van Gods gezanten en van Hem die allen overtreft, denZoon van God, wil men dit geheim begrijpen.

Van welke uitwerking was dit onderhoud voor Nicodemus? De Evangelist zegt het niet, maar men weet, dat hij eerst in 't geheim een leerling van den Meester werd om later eene openbare getuigenis te geven.

Toen het Paaschfeest voorbij was, verliet Christus met zijne leerlingen de stad en nam hij zijn verblijf buiten, in het land van Judea '). Deze uitdrukking leert ons geen bepaalde plaats kennen. De H. Joannes verhaalt slechts, dat geheel Judea zijn stem hoorde en de menigte uit alle dorpen en steden tot hem kwam, om hem te volgen en te hooren.

Vele maanden bleef hij in Judea en verliet eerst dat land vier maanden vóór den oogst, d. i. in December van 'tjaar 781 na R. St. ■), om door Samarië naar Galilea terug te keeren. Een enkel woord van het vierde Evangelie teekent ons deze periode van Christus prediking zoo volkomen mogelijk: „hij doopte 1), (ofschoon Christus zelf niet doopte maar zijne leerlingen) 2); hij maakte leerlingen3), en allen kwamen tot

1

Joes. Ill, 22, 24.

2

) Joës. IV, 2.

3

) Joës. IV, 1.

ocr page 162

joannes dj: voorlooper en

hemquot; '). Het blijkt hieruit duidelijk, dat Christus-zelf in den eersten tijd het volk wilde voorbereiden voor zijn woord en werk. Hij herhaalt niet het werk van Joannes den Dooper; maar hij voltooit en bevestigt het. Zijne geheele prediking van dezen tijd wordt ons door den H. Marcus volkomen geteekend 1), wanneer hij verhaalt dat hij niet meer gelijk Joannes uitriep: „de tijden zijn nabijquot;, maar .,de tijden zijn vervuldquot;, en „geloof aan het Evangeliequot; vraagt.

In die dagen redetwistte men veel, onder de volgelingen van Christus en Joannes, over de vraag: welke zuivering noodig was om het Eijk Gods waardig te zijn. Een teekenend feit levert ons hiervan het bewijs. Maar de hoofdreden van dit redetwisten lag in de afgunst waarmede Joannes' leerlingen Christus en zijn werk aanschouwden.

ïen slotte gingen de leerlingen van Joannes tot hun meester, die toen te A en non nabij Salem was, en zeiden: — Meester! die bij u was over den Jordaan, van wien gij getuigenis hebt gegeven, zie, deze doopt, en allen komen tot hem.

De afgunst gluurt door deze woorden heen. Zelfverloochening is eene zeldzame en moeilijke deugd, die door weinigen wordt beoefend, maar die partijen en scholen onmogelijk bezitten kunnen.

Deze klacht zijner leerlingen geeft aan Joannes eene nieuwe getuigenis in de mond. De zelfverloochening heeft zelden oprechter en waardiger woord gesproken.

— Waarom die twist en ijdele praatjes? zegt Joannes de Dooper: „Een mensch kan niets nemen, tenzij het hem gegeven is uit den hemelquot; quot;). Ik ben geweest de stem in de woestijn, en 't is God die deze stem in mij heeft gelegd. Ik ben alleen dat wat God mij gemaakt heeft. Voor 't overige ,

154

1

) Marc. I, 15.

ocr page 163

CUHISTUS' VERSCHIJNING IN 'l OPENBAAH. 155

„gij zeiven zijt mij getuigen, dat ik gezegd heb: ik bende Christus niet, maar ik ben voor hem uitgezondenquot;.

„Die de bruid heeft is de bruidegom; doch de vriend des bruidegoms die staat en hem hoort verblijdt zich zeer om de stem des bruidegoms. Zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld gewordenquot;.

Hij begreep dat zijne roeping eindigde en bewilligde daarin met onderwerping: — Hij moet, voegde hij erbij, grooter worden, maar ik kleiner.

De gedachte aan den Messias doordringt hem geheel en al, en om hem af te beelden zijn gewone woorden voor hem niet genoeg, maar gebruikt hij een nieuwe taal.

— „Die van boven komt, is boven allenquot;, — en hier herinnert hij aan de woorden van Zacharias, zijnen vader, die den Christus noemde: hij, die opgaat uit de hoogte — want alle anderen komen van de aarde voort; welnu, „die van de aarde gekomen is, is van de aarde, en spreekt van de aardequot;. Door onze afkomst wordt onze natuur bepaald en door onze natuur ons woord en ons werk. Maar hij „komt van den hemel, en wat hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hijquot;; maar, voegde hij erbij, terwijl hij zijne leerlingen aanzag, „niemand neemt zijne getuigenis aanquot;, en toch zijne getuigenis aannemen, „is bekrachtigen, dat God waarachtig isquot;.

„Zijne woorden zijn Gods woordenquot;, hij kan niet dwalen, „want God heeft hem den geest niet bij mate gegevenquot;.

En hier komt Christus' Doopsel hem weer voor oogen.

— „De Vader heeft den Zoon lief en heeft alles in zijne hand gegevenquot;. Gelooft in Hem. „Wie in den Zoon gelooft heeft het eeuwige leven; doch wie niet gelooft in den Zoon „zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hemquot;.

Ziedaar Joannes' laatste woord, waarmede hij zijne leerlingen bezweert, om voortaan Christus aan te hangen, — het testament van den laatsten profeet, en eene bedreiging tegen de verblinden, die den Messias weerstaan.

Voortaan zal hij zwijgen. Hij heeft niets meer van zijn

ocr page 164

JOANNES Dj] VOORLOOPKR EN

Meester te zeggen. Maar later zullen wij hem uit zijne gevangenis een laatste poging zien wagen, om den Meester zeiven tot spreken te dwingen en zijne tegenstrevende leerlingen te overtuigen.

Door den opgang, die Christus maakte in het land van Judea, werden de pharizeën wrevelig en vele volgelingen van Joannes naijverig. Christus hoorde van zijne leerlingen hoe in de hoofdstad beide klassen van menschen hem meer en meer vijandig werden en besloot daarom zijne vijanden te ontwijken. Hij verliet Judea, van zijne leerlingen vergezeld, en trok door Samarië naar Galilea voort.

ZESDE HOOFDSTUK.

Christus bij de Samaritanen.

Samarië ontleent zijn naam aan zijne hoofdstad, die op haar beurt haren naam ontvangert heeft van den heuvel „Chameronquot; waarop een koning van Israël, Omri, negen eeuwen vóór Christus, haar had gebouwd. De heuvel was genoemd naar „Chamorquot; een der zonen van Chanaan ').

Samarië was ten tijde van Christus een gedeelte dei-provincie Judea en werd onmiddelijk door de romeinsche stadhouders bestuurd.

Het land van Samarië was weliger en vroolijker dan het land van Judea. Het is een heerlijk land van bergen en dalen, met vette weiden, schoone kudden, rijke vrucht-boomen en een overvloed van waterbronnen.

15G

De bewoners werden door die van Galilea en J udea sedert eeuwen gehaat. Die haat was begonnen bij de scheuring

lt;) Gen. X, 18.

ocr page 165

CHRISTUS VERSCHIJNING IN T OPENBAAR. lo7

der tien stammen waardoor aan de eenheid van Davids rijk een einde kwam. Later werd Saxmrie bevolkt door vreemde volksplanters. Het bloed van Ephraïm werd met het bloed van heidenen gemengd. Ofschoon de godsdienst van Mozes bij de Samaritanen de overheerschende godsdienst bleef, wilden de Israëlieten hen toch niet als broeders erkennen en weigerden zij hunne hulp aan te nemen bij den herbouw van Jerusalem en den Tempel onder Zorobabel. Deze weigering werd nooit vergeten en Manasses, de broeder van den Hoogenpriester Jaddua, bouwde met verlof van Alexander op den Garizim een tempel aan dien van Jerusalem gelijk '). Honderd negen-en-twintig jaren voor Chr. werd deze tempel door Joannes Hyrcan, den Asmoneër, verwoest.

Ten tijde van Christus werden de Samaritanen door de Israëlieten even fel als te voren veracht, en de Samaritanen wilden op hun beurt de Israëlieten niet herbergen.

Door deze afscheiding tusschen beide volken hadden de Samaritanen ook geen deel genomen in de godsdienstige ontwikkeling der joden, en van de leer der pharizeën was bij hen geen spoor te vinden. Zij kwamen met de joden alleen hierin overeen, dat zij met hen den Messias verwachtten, den grooten profeet door Mozes voorspeld 2).

Maar de beloofde Messias was voor hen een wetgever, een hervormer op godsdienstig gebied, die met geen staatkunde in betrekking stond.

Met de overlevering en de voorschriften der leeraars waren zij onbekend, en daarom werden zij door dezen zoo gehaat, dat zij achter den heiden en den tollenaar werden gesteld.

Christus was niet met de vooroordeelen zijner tijdgenooten behept en had de Samaritanen lief Bij Sichem, de oude en vervallen hoofdstad, bij de put door Jacob gegraven, rustte Christus tegen den middag uit. Het was in den

') Antiq., XI, 8, 2.

s) Deut. XVIII, 25.

3) Luc. X, XVII.

ocr page 166

JOANNES DK TOORLOOPER EN

Meester te zeggen. Maar later zullen wij hem uit zijne gevangenis een laatste poging zien wagen, om den Meester zeiven tot spreken te dwingen en zijne tegenstrevende leerlingen te overtuigen.

Door den opgang, die Christus maakte in het land van Judea, werden de pharizeën wrevelig en vele volgelingen van Joannes naijverig. Christus hoorde van zijne leerlingen hoe in de hoofdstad beide klassen van menschen hem meer cn meer vijandig werden en besloot daarom zijne vijanden te ontwijken. Hij verliet Judea, van zijne leerlingen vergezeld, en trok door Samariö naar Galilea voort.

ZESDE HOOFDSTUK.

Christus bij de Samaritanen.

Samarië ontleent zijn naam aan zijne hoofdstad, die op haar beurt haren naam ontvangen heeft van den heuvel „Chameronquot; waarop een koning van Israël, Omri, negen eeuwen vóór Christus, haar had gebouwd. De heuvel was genoemd naar „Chamorquot; een der zonen van Chanaan').

Samarië was ten tijde van Christus een gedeelte dei-provincie Judea en werd omniddelijk door de romeinsche stadhouders bestuurd.

Het land van Samariö was weliger en vroolijker dan het land van Judea. Het is een heerlijk land van bergen en dalen, met vette weiden, schoone kudden, rijke vrucht-boomen en een overvloed van waterbronnen.

15G

De bewoners werden door die van Galilea en Judea sedert eeuwen gehaat. Die haat was begonnen bij de scheuring

') Gen. X, 18.

ocr page 167

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 157

der tien stammen waardoor aan de eenheid van Davids rijk een einde kwam. Later werd Samarië bevolkt door vreemde volksplanters. Het bloed van Ephraïm werd met het bloed van heidenen gemengd. Ofschoon de godsdienst van Mozes bij de Samaritanen de overheerschende godsdienst bleef, wilden de Israëlieten hen toch niet als broeders erkennen en weigerden zij hunne hulp aan te nemen bij den herbouw van Jerusalem en den Tempel onder Zorobabel. Deze weigering werd nooit vergeten en Manasses, de broeder van den Hoogenpriester Jaddua, bouwde met verlof van Alexander op den Garizim een tempel aan dien van Jerusalem gelijk '). Honderd negen-en-twintig jaren voor Chr. werd deze tempel door Joannes Hyrcan, den Asmoneër, verwoest.

Ten tijde van Christus werden de Samaritanen door de Israëlieten even fel als te voren veracht, en de Samaritanen wilden op hun beurt de Israëlieten niet herbergen.

Door deze afscheiding tusschen beide volken hadden de Samaritanen ook geen deel genomen in de godsdienstige ontwikkeling der joden, en van de leer der pharizeën was bij hen geen spoor te vinden. Zij kwamen met de joden alleen hierin overeen, dat zij met hen den Messias verwachtten, den grooten profeet door Mozes voorspeld 2).

Maar de beloofde Messias was voor hen een wetgever, een hervormer op godsdienstig gebied, die met geen staatkunde in betrekking stond.

Met de overlevering en de voorschriften der leeraars waren zij onbekend, en daarom werden zij door dezen zoo gehaat, dat zij achter den heiden en den tollenaar werden gesteld.

Christus was niet met de vooroordeelen zijner tijdgenooten behept en had de Samaritanen lief :i). Bij Sichem, de oude en vervallen hoofdstad, bij de put door Jacob gegraven, rustte Christus tegen den middag uit. Het was in den

') Antiq.; XI, 8, 2. J) Deut. XVIII, 25. 3) Luc. X, XVII.

ocr page 168

JOANNES DE VOORLOOPER EN

winter, in het midden van den maand December. Zijne leerlingen waren naar de stad gegaan om spijs te koopen.

Hij scheen te wachten.

Eene vrouw uit Samarië kwam daar water scheppen.

Christus zeide tot haar: „Geef mij te drinkenquot;. Maarzij, verontschuldigde zich, toen zij aan zijn spraak den jood herkende.

— Hoe vraagt gij, daar ge een jood zijt, te drinken van mij, die eene samaritaansche vrouw ben? Want de joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.

Christus antwoordde haar: „Indien gij de gave Gods kendet, en wist wie hij is, die tot u zegt: Geef mij te drinken, — gij zoudt hém wellicht gevraagd hebben, en hij zou u levend water hebben gegeven.quot;

Dit geheimzinnig woord verraste de samaritaansche en wekte hare nieuwsgierigheid. — Heer, zeide zij tot hem, gij hebt niets om mee te putten, en de put is diep; van waar hebt gij dan dat levend water. Is er beter water dan dit? Zijt gij grooter dan onze vader Jacob, die ons den put gegeven heeft, en zelf daaruit dronk, en zijne zonen en zijn vee?

Christus die zijne gedachte uitspon en die der vrouw wilde verheffen antwoordde hem: „Al wie van dit water drinkt, zal wederom dorsten; doch wie zal hebben gedronken van het water, dat ik hem geven zal, zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat ik hem gever^ zal, zal in hem een bron worden van water, dat springt tot in het eeuwige levenquot;.

De vrouw, meer nieuwsgierig dan verlicht, zeide met drift: — Heer! geef mij dat water , opdat ik geen dorst hebbe, noch hier moet komen om te putten.

Christus zag wel, dat de samaritaansche den zin zijner woorden niet begreep, en daarom wilde hij door in haar geweten te gaan hare oogen voor de waarheid openen.

— „Ga heenquot;, zeide hij, „roep uwen man en kom hierquot;.

Dat woord trof doel; achter een dubbelzinnig antwoord

verborg zij zich: — Ik heb geen man. Christus hernam:

158

ocr page 169

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 159

„Gij hebt te recht gezegd: ik heb geen man; want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, die is uw man niet; dit hebt gij naar waarheid gezegdquot;.

— Heer, riep nu de vrouw uit, terwijl zij Christus' kennis van het verborgene huldigde: ik zie dat gij een profeet zijt.

Aanstonds klom hare gedachte hooger. — Onze vaderen, voegde zij erbij, terwijl zij naar den berg, Garizim, wees, hebben op dezen berg aangebeden en gij, joden, zegt, dat te Jerusalem de plaats is, waar men aanbidden moet.

— „Vrouw geloof mij: de ure komt, dat gij noch op dezen berg, noch te Jerusalem den Vader zult aanbidden. Gij, Samaritanen, aanbidt wat gij niet kent; wij, joden, aanbidden, wat wij kennen; omdat het heil door God beloofd uit de joden is.

„Maar het uur komt, en is nu daar, dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; want zulke aanbidders verlangt mijn Vader. God is een Geest; en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheidquot;.

— Ik weet, zeide de vrouw, terwijl zij eene gedachte uitte die onder het volk leefde, ik weet dat de Messias komt.

En in de eenvoud van haar geloof, bereid naar hem te luisteren, voegde zij er bij: — wanneer die komt, zal hij ons alles verkondigen.

En Jesus openbaarde zich aan haar.

— „De Messias, zeide hij tot haar, ben ik, ik, die met u spreekquot;.

Het levend water van den Geest komt voort uit de diepten van God, ontspringt in het geweten en stroomt naar God terug. Dit levende water geven is het werk van den Messias; hij is de ware put van Jacob, door God-zelven gegraven bij de kruiswegen langs waar de karavaan der menschheid trekt; zoo legt hij den grondslag van den eeuwigen godsdienst, den eeredienst in geest en in waarheid, die voortaan

ocr page 170

JOANNES DE VOORLOOPER EN

noch te Jerusalem noch pp den Garizim uitsluitend wordt gehuldigd; hij-zelf is de eeuwige Tempel en die Tempel is in elke ziel waarin de Geest woont, en in elke ziel die God aanbidt in dezen Geest van liefde en waarheid. Uit die zielen bestaat Christus' Kerk en Koninkrijk.

Terwijl Christus de samaritaansche vrouw onderwees, kwamen zijne leerlingen uit de stad terug. Zij waren over het gedrag van hunnen Meester verwonderd. Bij de joden werd de vrouw met eene zekere verachting behandeld; men groette haar niet; en in 't openbaar sprak niemand zelfs met zijn eigen vrouw. De rabbijnen overdreven nog deze gestrenge gebruiken en weigerden haar onderwijs te geven De leerlingen deelden in deze voor-oordeelen; vandaar hunne verwondering. Maar zoo groot was de eerbied voor hun Meester, dat niemand van hen zijne verwondering durfde uiten of de kleinste opmerking maken ; zij vroegen zelfs niet waarover hij sprak met de vrouw.

Tot groote ergernis der pharizeën stoort hij zich niet aan menschelijke overleveringen zoo dikwijls ze zijn werk in den weg staan. Den jood met zijne kleingeestige begrippen vindt men in hem nooit terug. Zijne woorden openbaren waarheden van goddelijke helderheid.

Dit onderhoud met een gevallen vrouw laat ons reeds den herder zien die de verloren schapen kwam opzoeken, openbaart ons de goedheid en barmhartigheid van den Christus.

Toen de leerlingen kwamen, verwijderde de Samaritaansche zich en liet voor het maal der reizigers de gevulde kruik achter. Zij is geheel ontsteld van alles wat zij gehoord heeft, kon hare verwondering niet verzwijgen, keert naaide stad terug en zegt:

IGO

— Komt en ziet; bij de put van Jacob heb ik een mensch gevonden, die mij alles gezegd heeft wat ik gedaan heb, zou deze niet de Christus zijn? —

') Joma, fol. 240, 2.

ocr page 171

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 161

Op dit woord der vrouw kwam de geheele stad in beweging. De inwoners gingen naar buiten, naar de put van Jacob.

Middelerwijl bleef Christus in gedachten zitten bij de put. Hij dacht aan het werk dat in Samarië zou begonnen worden.

Hij at niet.

— Meester, zeiden zijne leerlingen, eet.

Hij weigerde.

— „Ik heb eene spijze te eten , zeide hij, die gij niet kentquot;.

Zij durfden niet verder vragen en zeiden in stilte tot

elkander: „Zou iemand hem eten gebracht hebben?quot; Chiistus liet hooren, dat zij dwaalden en zeide; —„Mijne spijs is dat ik den wil doe van hem die mij gezonden heeft, dat ik zijn werk volbrengequot;.

Hoe meer de mensch zich boven het aardsche verheft, des te minder is hij onderworpen aan menscheiijke behoeften. Het lichaam leeft van de aarde, maar de ziel van G-od; is deze verzadigd van Hem dan ondersteunt zij zelfs het wankelend en zwakke lichaam.

Christus had een zoo sterk mogelijk plichtsbesef in zijn hoogsten en heiligsten vorm. De stem zijns Vaders, die in hem sprak, was zijn geweten, daaraan te gehoorzamen was zijn leven.

Terwijl hij sprak keerde hij zich naar Sichem, welks inwoners tot hem kwamen.

— „Zegt gij niet, zeide hij, nog vier maanden en de oogst komt ? Zie, ik zeg u, heft uwe oogen op, en aanschouwt de velden, hoe zij reeds wit zijn tot den oogstquot;.

Die menigte van Samaritanen waren voor hem een rijpe akker en daarover was hij verheugd

— „De maaier ontvangt loon, en verzamelt vrucht voor het eeuwige leven, voegde hij erbij. Zoo kunnen de zaaier en de maaier te zamen zich verblijdenquot;. Want men moet het erkennen: „een ander is de zaaier en een ander de maaierquot;. De Vader heeft den arbeid verdeeld. „Ik heb u

11

ocr page 172

JOANNES DE VOORLOOPER EN

uitgezonden om te maaien wat gij niet bearbeid hebt; anderen hebben gearbeid en gij zijt tot hunnen arbeid ingegaanquot;.

Christus doelde hier op de aartsvaders en profeten van wie het woord, als een goddelijk zaad op de aarde geworpen, daar lange eeuwen had gesluimerd en nu plotseling bij het geluid zijner stem en onder zijne hand een rijke oogst wordt, die aanstonds onder de sikkel der leerlingen moet nedervallen.

De inwoners van Sichem ontvingen hem met geestdrift en baden hem bij hen te blijven. Hunne vooroordeelen waren verdwenen. Christus voldeed aan hun verzoek, kwam in Sichem en bleef daar twee dagen.

De Evangelist verhaalt ons van dit verblijf geen bijzonder feit. De uitslag dezer prediking was buitengewoon. Velen geloofden op het woord van de vrouw; maar toen zij zeiven hem gehoord hadden erkende een nog veel grooter aantal in hem den lang verwachten Messias. Christus doet onder hen geen teekenen van wonderen, zijn woord is hun genoeg.

Deze prediking in Samarië vervult Christus met eene zalige vreugde. Daar is geen afgunst, geen hoovaardig verzet, daar zijn slechts de eenvoudigen van geest en hart, door wie het nieuwe Evangelie het best wordt begrepen.

Na dit oponthoud van twee dagen, zette Christus zijne reis naar Galilea voort. De ontvangst door de Samaritanen hem bereid vergelijkt hij met de ontvangst die hem in Galilea wacht, en hij sprak tot zijne leerlingen dat woord, wat hij dikwijls herhaalt: een profeet is alleen in zijn land niet geeerd ').

162

Galilea echter bleef niet onverschillig nu Christus' naam meer en meer werd genoemd. Christus' schitterend optreden

1) JoCs IV, 44. Vgl. Matth. XIII, 57; Marc. VI, 4; Luc. III, 24.

ocr page 173

CHRISTUS* VERSCHIJNING IN 'ï OPENBAAR. 163

in de hoofdstad, de gunstige uitslag van zijne prediking in de velden van Judea, de buitengewone teekenen die zijn arbeid steunden, maakten hem ook onder zijne land-genooten beroemd. Een groot aantal van hen had met eigen oogen, te Jerusalem en aan de boorden van den Jordaan, de bewijzen zijner wonderdadige macht gezien '). Door die wonderen vooral waren zij, zoo verlangend naar wonderen, door-en-door getroffen. Over die gesteltenis hunner zielen was Christus bedroefd ; hem mishaagde die zucht naar wonderen, want hij zag daarin een verborgen eigenliefde, een gebrek aanvertrouwen, eene schuldige nieuwsgierigheid.

— „Indien gij geene teekenen en wonderen zietquot;, zegt hij tot hen op verwijtenden toon, „gelooft gij nietquot;1).

Ter wille der faam die voor hem uitging werd hij toch door de Gallileërs met welwillendheid ontvangen.

De kleine karavaan werd hier ontbonden. De leerlingen gingen elk naar hun eigen plaats terug; de eenen naar Cana, de anderen naar Bethsaïda en Capharnaüm. Christus keerde waarschijnlijk niet naar Nazareth terug, maar ging naar Cana, waar zijne moeder bij bloedverwanten en vrienden haar intrek had genomen.

De komst van Christus was, door het uiteengaan dei-leerlingen, spoedig binnen de provinciën en in de stad Capharnaüm, waar Petrus woonde, aan allen bekend. Een schitterend feit vermeerderde de glorie van den profeet van Galilea en maakte zijn naam aan het hof van Herodes Antipas bekend 2).

De zoon van een der officieren van den Tetrarch lag te Capharnaüm ziek. Toen de vader vernomen had, dat Christus te Cana in Galilea was terug gekomen, ging hij tot hem en verzocht hem naar Capharnaüm af te komen, om zijn zoon te genezen die op sterven lag.

1

Joës IV, 43.

2

Jobs IV, 47,

ocr page 174

JOANNES DE VOOELOOPER EN

Het afleggen van bezoeken, het brengen van boodschappen het zenden van afgezanten gaat in het Oosten altijd met een zekere plechtigheid gepaard; deze voorname persoon kwam dan ook bij Christus in zijn woning met gevolg.

Christus scheen in den beginne niet geneigd aan zijn verzoek te voldoen. Hij begreep, dat men in hem niet den Messias kwam zoeken, maar den wonderdoener, den geneesheer van lichamelijke kwalen. Met dat soort van geloof had hij niet veel op. Daarom roept hij, zonder op de droefheid des vaders te letten, als de waarachtige verlosser altijd meer bezorgd voor de genezing der ziel dan die van het lichaam:

— Welk soort van geloof hebt gij! „Gij moet altijd teekenen en wonderen zien, anders gelooft gij in mijne zending nietquot;.

Deze verwijtende toon maakt den vader nog meer bedroefd. Heer! zegt hij met aandrang, kom toch af, eer mijn zoon sterft.

Christus liet zich verbidden.

— „Ga, zeide hij, uw zoon leeftquot;.

Christus' woord dringt altijd door de ziel. Zonder aarzeling gelooft de officier aan dit woord en gaat heen.

Voordat hij te Capharnaüm terug was, kwamen zijne knechten hem op den weg te gemoet met de blijde boodschap dat zijn zoon was genezen. Hij wilde weten op welk uur hij beter was geworden.

— Gisteren om zeven uur heeft de koorts hem verlaten, was hun antwoord.

De vader bemerkte, dat het 't uur was waarin Christus tot hem zeide; uw zoon leeft!

Het geheele huisgezin geloofde in den nieuwen profeet. Dit wonder moest veel besproken worden omdat het geschied was aan een zoon eens officiers, die aan het huis van den Tetrarch was verbonden.

Deze genezing van een afwezige is voor den mensch

164

ocr page 175

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 165

onmogelijk, maar een daad van goddelijke kracht '). De mensch, die de historie beoordeelt naar de krachten die bekend zijn, verwerpt deze wonderdadige genezing; die haar echter beoordeelt zooals zij zich vertoont, neemt haar aan als een bewijs van Gods oneindige kracht. In tegenstelling met het wonder te Cana wordt dit wonder door Christus met zeker vertoon verricht, om het volk langzamerhand voor te bereiden voor het werk wat hij onder hen gaat beginnen.

Dit verblijf van Christus in Galilea, bij deze tweede reis, duurde van December 781 tot het Purimfeest in Februari. Wij weten niet wat Christus gedurende dezen tijd heeft gedaan; maar hoogstwaarschijnlijk bezocht hij dikwijls zijne leerlingen te Bethsaïda en Capharnaünr en deed hij vele teekenen. Hierna volgt Christus' tweede reize naar Jerusalem, ter viering van het Paaschfeest.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Christus, de Zoon Gods.

Gedurende zijn eerste verblijf te Jerusalem had het volk in Christus slechts een profeet gezien. De naam van Messias

') Dit wonder is door de rationalistische school natuurlijk verworpen, gelük zij alle andere feiten verwerpt, die in den wonderdoener een boven-raenscheiyke kennis en macht vereischen. De ontkenning is gemakkelijk; maar door ze eenvoudig te ontkennen wordt het verhaal niet verklaard dat door onwraakbare getuigen wordt verteld. Strauss met zyn school heelt er wederom ecne legende van gemaakt en laat den melaatschen Nailman die door Elias op een afstand genezen wordt tot voorbeeld dienen. Zoo vraagt men van den lezer meer geloof dan het wonder vraagt.

Weisse heeft in dit verhaal een parabol willen zien. Niets wettigt een dergeHjke verklaring, 't Is waar, dat dit feit een typisch karakter heeft, gelyk

ocr page 176

JOANNES DE VOOKLOOPEE EN

was nog niet genoemd. De uiterlijke verschijning van een Galileesch werkman stemde niet overeen met de droomen van den volksgeest of de vooroordeelen der pharizeesche wetenschap. Toch heeft de overheid gevoeld, dat zij met eene macht had te doen, die door haar moet gebogen of gebroken worden.

Christus heeft zich gedurende dit eerste verblijf binnen Jerusalem aan hen nog niet geopenbaard.

Tien maanden later verschijnt hij opnieuw in deze stad.

Het oogenblik was daar om te verklaren wie hij was, aan zijne tegenstanders zeiven zijne goddelijke zending te openbaren en voor de geestelijke overheid zijn goed recht te bewijzen.

Bij het doen van het volgend wonder vond Christus voor cit alles eene geschikte gelegenheid.

Te Jerusalem bij de Schaapspoort was een bad met vijf galerijen, door de joden Bethseda genoemd, d. i. gesticht van liefdadigheid, — een soort van gasthuis, dat bij dag den zieken een schuilplaats aanbood tegen de wind, de zon, en de regen. Eene menigte van zieken, blinden, kreupelen en lammen was daar. Aan het water van het bad werd eene bovennatuurlijke kracht toegekend. Van tijd tot tijd kwam het door eene geheimzinnige macht in beroering en hij, die dan het eerst in het geroerde water afdaalde, kwam er gezond en gaaf uit, aan welke krankheid hij ook lijdende was.

Onder al deze ongelukkigen was eene zieke man die reeds acht-en-dertig jaren krank was geweest.

Christus kwam bij hem, en wetende, dat hij sedert lang ziek was, vroeg hij hem:

166

— „Wilt gij gezond worden?quot;

tljna alle feiten uit het Evangelie. Die heiden van Capharuaüra is het beeld der heidensche wereld , die ofschoon zy niet. geiyk de joden den Christus heeft gezien, toch de souvereine macht van zyn goddelijke krach; heeft ondergaan.

ocr page 177

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 107

— Heer! antwoordde de zieke, ik heb geen mensen die mij, wanneer het water bewogen wordt, in het bad werpt; terwijl ik kom, gaat een ander voor mij er in.

— „Sta op, zeide Christus, neem uw bed op en wandelquot;. En terstond werd die man gezond; hij nam zijn bed open wandelde.

Het was Sabbath op dien dag.

De pharizeën riepen, toen zij de zieke zijn bed zagen dragen, vol verontwaardiging uit: Het is Sabbath; het is niet geoorloofd uw bed te dragen.

Maar hij antwoordde zonder de minste vrees: — Die mij heeft gezond gemaakt, die heeft tot mij gezegd: „Neem uw bed op en wandelquot;! Zij vroegen hem: — Wie is die mensch die zoo tot u gesproken heeft?

Hij wist het niet, want Christus was verdwenen uit de menigte die daar was.

Eenigen tijd daarna ontmoette Christus in den Tempel den zieke dien hij had genezen.

— „Zie, gij zijt gezond geworden, zeide hij tot hem, zondig nu niet meer, opdat u niet wat ergers overkomequot;.

Deze lamheid der ledematen , dit lichamelijk kwaad, is meer dan een symbool, het kan een gevolg zijn van zedelijk kwaad; want de ziekten hébben dikwerf in de zonde haren grond. Deze zieke is ongetwijfeld een schuldige en Christus herinnert hem eraan. Na hem de gezondheid te hebben teruggegeven wilde hij hem opbeuren en zijn geweten zuiveren; want aan het lichaam deed hij alleen goed om de ziel te behouden.

Zoodra de gewezen lamme zijn weldoener kende, ging hij, door dankbaarheid gedreven, overal den naam van Christus bekend maken, zonder te vermoeden, dat hij daardoor haat en nijd bij de pharizeën opwekte.

Op het volk maakte Christus diepen indruk en hij trok velen aan. Dat was in de oogen der pharizeën zijn groote misdaad.

Men zocht en vervolgde Christus en hij verschool zich niet; want de strijd met zijne vijanden moest beginnen.

ocr page 178

JOANNES DE VOOHLOOPEK EN

Zijn geheele persoon overigens was met de vooroordeelen der pharizeën in strijd: zijn galüeesche afkomst, zijn armoede, zijne stoutmoedigheid, zijn minachting voor de inzettingen der menschen, het eigenaardige van zijne prediking — alles was den pharizeën eene ergernis. De voorzienigheid heeft inderdaad aan Christus niets gegeven waarmede hij de openbare meening kon vleien; en wanneer hij sprekend of handelend optreedt komt hij bijna altijd met dezen of genen in strijd.

Hij is bij uitstek — zijn geheele leven bewijst het — een geheimzinnig wezen.

Hij is van koninklijk bloed, maar zijne familie is in verval; hij is te Bethlehem geboren, maar hij gaat door voor een Nazareër; hij spreekt gelijk geen meester vóór hem gesproken heeft, maar hij heeft geen school bezocht; hij vermenigvuldigt de teekenen zijner macht , maar't zijn niet die welke de joden verlangen; hij geneest, maar dikwijls op den Sabbath; hij noemt zich den Messias, maar zonder de aardsche rol te vervullen die door de pharizeën van hem wordt vereischt; met klimmende kracht houdt hij aan op zijn goddelijk zoonschap, maakt hij zich gelijk aan God, maar juist deze verklaring, dat hij de Zoon is van God, stuit het meest den overpriesters tegen de borst en is voor hen de grootste godslastering; hij sticht het Rijk Gods en verkondigt daarvan de wet, maar dit Eijk en deze wet zijn het einde der joodsche wet en macht; Mozes wordt voorbij gestreefd, Israël moet veranderen of sterven.

De joodsche overheden dachten er zelfs niet aan het wonderbare dezer genezing te bewonderen. Gelijk alle kwaad-gezinden en bekrompen geesten letten zij slechts op datgene wat hun eene ergenis is. Hij heeft op een Sabbath genezen en op een Sabbath aan een man bevolen zijn bed te dragen — dat is een misdaad in hun oog en daarom zijn zij boos op hem. De ware godsvrucht is zachtmoedig, de val-sche altijd schijnheilig en bitter.

Christus werd dus door de pharizeën beschuldigd den

168

ocr page 179

Christus' verschijning in 't openbaar. 169

Sabbath te hebben geschonden. In het antwoord van Christus op deze beschuldiging ligt de eerste openbare, plechtige verklaring van zijn persoon en van zijn werk.

Ofschoon Christus zich ter zijner rechtvaardiging kon beroepen op de wet van Mozes, waardoor zijn daad niet verboden werd, doet hij dat niet; maar hij eischt voor zich, op het voorbeeld van zijn Vader, het recht van God als zijn eigen recht, en in het volle bewustzijn, dat hij is de Zoon van God, zegt hij ook tot hen;

— „Mijn Vader werkt zonder ophouden en ook ik werkquot;.

God kent geen rust; hij is de werkende kracht zelve.

Door Hem en in Hem bestaat en beweegt alles zich.

's Menschen vrije wil wordt door zijn geweten en zijn reden bestuurd. Christus wordt alleen bestuurd door den wil van zijnen Vader; wat zijn Vader doet, doet hij; wat zijn Vader wil, wil hij. De Vader werkt zonder ophouden aan het heil der menschheid.

— „En ik, zegt Christus, ik werk daaraan met hemquot;.

Welke Sabbath-wet kan dat werken van God in de geheele

geschapen wereld tegenhouden?

Met dit antwoord wordt ronduit de verklaring afgelegd; dat de Messias God en Christus de Messias is.

Deze beide waarheden, — de korte inhoud van het gansche Evangelie — maken den grondslag uit van Christus' werk. Ze breken door al zijne gesprekken en toespraken heen en geven verklaring van den haat en de vijandige stemming zijner vijanden, van zijn dood en van zijn wonderdadigen invloed nog daarna.

De leeraars der wet en de overheden roepen zonder ophouden; „Hoort, Israël, hoort, Jehovah is onze God en Jehovah is éénquot;, en willen van geen zoonschap Gods weten. En toch, de eenige titel dien Christus als Messias voor zich-zelven eischt is juist, dat hij is de Zoon van God; al laadt hij daardoor ook den haat en de ergernis van alle leeraars en priesters en schriftgeleerden op hem. Voor deze verkla-

ocr page 180

JOANNES DE VOORLOOPJSK EN

ring wacht hij de gelegenheid niet af, maar roept zelf de gelegenheid op. Zoo verklaart hij zich nu aan God gelijk, terwijl hij beschuldigd wordt de voorschriften der pharizeön te overtreden.

Deze is de eerste, plechtige verklaring van zijn leven.

De afgevaardigden van het Sanhedrin waren geërgerd.

— Hij overtreedt niet alleen de Sabbath-wet, riepen zij, maar hij durft God zijnen Vader noemen, terwijl hij zich gelijk maakt aan God ').

Van dit oogenblik af wordt Christus in hunne oogen een godslasteraar die den dood verdient. Maar Christus kent geen vrees; de wil zijns Vaders is zijn wet en daarom herhaalt hij nog eens en verklaart hij zijn getuigenis:

— „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: De Zoon kan van zich zeiven niets doen, dan hetgeen hij den Vader ziet doen, want al hetgeen Deze doet, dit doet ook de Zoon desgelijksquot;.

De gelijkheid en eenheid tusschen beiden is volmaakt en daarin ligt het geheim van de natuur en van het werk des Messias.

— .,De werken die de Zoon met den Vader heeft gedaanquot;, zegt hij, „zijn weinig; hij zal grootore verrichten, waarover gij verwonderd zult staanquot;.

Christus openbaart hier zijn bestemming als Messias en getuigt wat hij ziet en wat hij is.

— „De Vaderquot;, voegt hij er bij, „laat de dooden verrijzen, Hij is des levens beginsel; ook zoo geeft de Zoon het leven aan wien Hij wil. De Vader is het niet die hen uitkiest, maar Hij heeft het aan den Zoon overgelaten den eene te nemen en den andere te laten liggen, als Zoon des menschen de groote verdeeling te maken, opdat de eer van den Vader en van den Zoon gelijkmatig zij. Die ze weigert aan den Zoon, weigert haar ook aan den Vader, die Hem heeft gezonden.

170

„Het middel om het leven en het eeuwige leven te bezitten, om niet bij de groote scheiding te worden wegge-

') Jots. V, 18.

ocr page 181

CHIUSTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 171

worpen, om van den dood tot het leven over te gaan, bestaat hierin, dat men naar mijn woord luistert en gelooft in Hem die mij gezonden heeftquot;.

Op vele plaatsen hadden de profeten van dit nieuwe leven, dat door den Messias zou gebracht worden, gesproken '). Christus sprak dus voor de schriftgeleerden geen onverstaanbare taal, toen hij met deze woorden over het werk zijner zending sprak.

— Gij verwacht, zeide hij, deze opstanding der dooden door de profeten voorspeld Welnu, „voorwaar, voorwaar, ik zeg u. het uur komt en is reeds daar, dat de dooden de stem van den Zoon Gods zullen hooren; en die haar hooren, zullen levenquot;.

„Verwondert u hierover nietquot;.

Dat is slechts het eerste uur en de eerste opstanding, die van de door zonde doode zielen en der gansche menschheid, aan dorre beenderen gelijk; „het uur komt, waarin allen die in de graven zijn de stem van den Zoon Gods zullen hooren; en zij zullen hunne graven uitgaan: die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens; maar die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding des oordeelsquot;.'

Terwijl Christus hier deze beide eindpunten van zijn werk van elkander scheidt, doet hij duidelijk uitkomen, dat het alles van deze en gene zijde des grafs omvat, en laat hij de nevel waarin deze beide opstandingen, de zedelijke en de stoffelijke, door velen gewikkeld was, verdwijnen voor het volle licht van den zon der gerechtigheid.

Om deze woorden goed te begrijpen moet men altijd wel bedenken, dat ze door geen stenografen zijn opgeteekend, maar herinneringen zijn, die bij gedeelten en in't kort zijn opgeschreven.

Christus' opvatting van de godheid van den Messias en de goddelijkheid van zijn werk is overal dezelfde. De vorm alleen, waarin hij zijne gedachte kleedt, is naar de omstan-

') Ezoch. XXXVII, 1-3. Isaïas XXVI, 19 vv.

ocr page 182

JOANNES DE VOOELOOPEll EN

digheden verschillend. Hetzij hij spreekt met Nicodemus, den geletterden pharizeër, of met de vrouw te Samarië, of hier voor een kring van vijanden — de godheid van zijn persoon, de goddelijkheid van zijn werk is altijd de hoofdidee die alles beheerscht.

Zoo komt het werk van den Messias los van den achtergrond waartegen de joodsche schriftverklaarders het hadden neergezet en verschijnt het in zijne zuivere schoonheid en eeuwige grootheid; het vleit niet de vooroordeelen van een verblind volk, maar het wekt echo's in de harten van alle menschen en laat de hoogste verwachtingen in vervulling gaan.

Toen Christus aan de joden, die gekomen waren om hem te beschuldigen, deze waarheden openbaarde, wist hij wel, dat vooral de gedachte: dat hij-zelf die Zoon van God was, hen het meest moest schokken. Die gedachte kwam met hunne eigenliefde in strijd. Wat! een Galileër, een man van 't volk, een zondaar zou de Messias van het volk zijn! Niets is moeilijker dan de gekwetste hoovaardij van een volksklasse of van een geheel volk te trotseeren. Gekwetste hoovaardij verblindt den geest en sluit het hart.

Gedurende zijn gansche leven heeft Christus deze hindernis op zijn weg gehad. Hij ontmoet ze hier in al haar grootheid en kracht, en om haar op zij te zetten laat hij al zijn titels gelden.

Voor gewone en eenvoudige menschen was het genoeg dat hij zijne titels noemde, maar bevooroordeelde menschen konden eene moeilijkheid opwerpen: wie van zich-zelven getuigenis geeft, heeft het recht niet, geloofd te worden; het gerecht wil het getuigenis van een derde en de kracht der bewijzen.

Christus antwoordt, dat hij wanneer hij zich-zelven oordeelt, niet behoort tot hen die door persoonlijke ijverzucht of door eigenliefde gedreven worden, een rol te spelen en een zending te vervullen.

172

ocr page 183

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 173

— „Ik oordeel, zegt hij, naar de stem die ik hoor; 'tis niet mijn wil dien ik opvolg maar den wil van Hem die mij gezonden heeftquot;.

„Ik erken het, indien ik van mij-zelven getuigenis afleg, is mijne getuigenis volgens het algemeen rechtsbegrip niet van kracht. Ik heb ook een anderen getuige van mij-zelvenquot;, om mijn woord te bevestigen, „en ik weet dat de getuigenis die hij van mij geeft waarachtig is; deze getuige is Joannes. Gij hebt een gezantschap tot Joannes gezonden, en hij heeft van de waarheid getuigenis gegevenquot;, hij heeft voor u mijne waardigheid en mijn werk erkend. „Indien ik deze getuigenis inroep, is het niet omdat ik aan de getuigenis van een mensch behoefte hebquot;, maar uit welwillendheid jegens u, „opdat gij in hem geloovendquot; en in zijn werk , „moogt gelooven in datgene wat hij van mij zegt, en zalig worden. Hij was een brandende en lichtgevende lamp. Maar gelijk kinderen die spelen met het licht, hebt gij slechts voor een oogenblik u in mijn licht willen verblijdenquot;.

„Maar ik heb eene getuigenis, grooter dan die van Joannes, het zijn de werken, die de Vader mij gegeven heeft om ze te volbrengenquot;. Ja, die werken getuigen van mij, dat de Vader mij gezonden heeft; en zoo geeft de Vader-zelf getuigenis van mij. „Gij hebt noch Zijne stem gehoord , noch Zijne gedaante gezienquot; zegt gij; heeft Hij mij niet voor het aanschijn van Joannes en van het volk, bij mijn doopsel. Zijn welbeminden Zoon genoemd? „Maar het woord van God is niet blijvend in u; want hem dien Hij gezonden heeft, dien gelooft gij nietquot;.

„Gij onderzoekt de schriften, omdat gij meent, dat gij in haar het eeuwige leven hebtquot;, dat de Messias moet brengen. Onderzoekt ze, achterhaalt er den zin en den geest van; „zij zijn het die van mij getuigen, en toch wilt gij niet tot mij komen om het leven te hebbenquot;.

Deze bewijsvoering was streng en boven alle tegenspraak

ocr page 184

JOANNES DE VOORLOOPER EN

verheven, maar zonder vrucht. Tegen een vooroordeel uit eigenliefde geboren is God zelfs krachteloos.

Maar ook deze onoverwinnelijke verstoktheid was in overeenstemming met de plannen van God, zijn hemelschen Vader, en met zijn eigene bestemming.

Met droefheid en zachtheid, maar toch dreigend, spreekt Christus tot de afgezanten van het Sanhedrin deze laatste woorden; „Gelooft niet, dat ikquot;, mij verklarend voor den Zoon van God en u aanzettend om mijn woord te gelooven, „eer bij de menschen zoek; maar ik ken u, gij bemint God niet maar u-zelven. En daar ik in den naam mijns Vaders ben gekomen, neemt gij mij niet aan; maar zoo een ander zonder roeping en zonder zending in zijn eigen naam komtquot;, en uwe vooroordeelen vleit, „dien zult gij aannemen. Hoe kunt gij gelooven, gij die u-zelven verheerlijkt en elkander vleit en de eer niet zoekt die van God alleen komtquot;?

„Ik weet wel, dat gij voorgeeft Mozes te eeren; maar meent niet, dat ik u zal aanklagen bij den Vader, uw aanklager is Mozes, op wien gij uwe hoop gesteld hebt. Want indien gij Mozes geloofdet, gij zoudt wellicht ook mij gelooven ; vrant van mij heeft hij geschreven. Doch als gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden geloovenquot;?

Christus laat hier een laatste straal van licht in hunne oogen schijnen; hij herinnert hun duidelijk de twee plaatsen van Mozes die op den Messias slaan: de voorspelling van Jacob waardoor de tijd der verschijning van den Messias wordt aangegeven, de tijd waarin de scepter aan Juda zal ontnomen zijn '), en de voorspelling van Mozes zelf over den toekomenden grooten profeet, aan hem gelijk, en hen, die naar hem niet zullen luisteren, bedreigend, dat zij uit het volk zullen worden weggeworpen 1).

174

Christus liet zijne rechters met hunne verblinding slaan en ging heen.

1

Deut. XVIII, 15-18

ocr page 185

CHRISTUS' VERSCHIJNING IN 'T OPENBAAR. 175

De verblinding dezer pharizeën is aan die van vele wetenschappelijke mannen gelijk. Zij verachten Christus' getuigenis, omdat zij noch God noch de Waarheid noch het Goede liefhebben maar zich-zelven. De verstoktheid van den geest wortelt in de eigenliefde. Die zich-zelven bemint is zich-zelf tot God. Alle deze zelfminnaars bewierooken elkander en noemen elkander meester en heer, maar elk gelooft voor zich de eerste en de meester te zijn. Zij hebben allen hun Mozes, - wat zij heden de wetenschap en het gezond verstand noemen — maar gelijk de joden verklaart elk hem naar eigen goedvinden, en wil niemand zien, dat de wetenschap en het gezond verstand, gelijk Mozes, op hunne wijze getuigenis afleggen van den Zoon Gods.

Christus heeft zich dus aangekondigd als den Zoon Gods en zijn werk binnen Jerusalem voor het aanschijn van het volk en de overheid begonnen. Men weet nu wie hij is en wat hij wil.

't Was mogelijk geweest dat het verzet en de onwil der overheid het werk van Christus verijdelden, maar God is ook meester van het kwaad; en van den anderen kant is Christus met de kracht van dat verzet bekend. Zoolang zijn uur nog niet gekomen is ontwijkt hij het gevaar. Daarom verlaat hij nu Judea en keert hij naar Galilea terug.

In het godsdienstig leven der joden was een groot feit voorgevallen dat diepen indruk had gemaakt.

Joannes de Dooper was gevangen genomen, omdat hij het gedrag van Herodes Antipas had veroordeeld. De Tetrarch die het schandelijk voorbeeld van zijn vader volgde, had zijne vrouw, de dochter van Aretas, koning van Arabic, verstoeten om met eene princes van zijn eigen bloed, He-rodias de vrouw van zijn broeder, Herodus Philippus, te trouwen. Deze overspelige vereeniging was een gruwel vooralle ware joden. Joannes was de wreker van het beleedigde

ocr page 186

176 JOANNES DE VOORLOOPER EN CHRISTUS' VERSCHIJNING ENZ.

volksgeweten. in naam van God verweet hij aan Herodes zijn euveldaad.

De Tetrarch, een week karakter, had wellicht deze stoutheid aan den profeet vergeven, maar Herodias kon haar niet verdragen en maakte van hem ook het slachtoffer van haren haat.

Als altijd geeft men voor, bevreesd te zijn voor stoornis der openbare orde, en gebruikt men deze vrees als voorwendsel om Joannes gevangen te zetten. Hij werd naaiden grens van Perea en Arabië gebracht en in de sterkte van Macherous, op de eenzame en steile bergen van Moab, opgesloten.

De taak van Joannes was volbracht, de wegen zijn effen, de menschen oplettend gemaakt; de Voorlooper kan zwijgen, de Christus zal spreken en handelen.

ocr page 187

DERDE BOEK.

DE PREDIKING IN GALILEA. HET RIJK GODS.

12

ocr page 188
ocr page 189

EERSTE HOOFDSTUK.

Galileo, en het Rijk Gods.

Toen Christus de gevangenneming van Joannes had vernomen , verliet hij Judea en keerde naar Gralilea terug ') in de kracht des Geestes, om daar het Evangelie van liet Rijk Gods te prediken

Na de babylonische gevangenschap werd het land van Israël in drie landstreken verdeeld: Judea, het overjor-daansche of Perea en Galilea :gt;). Samarië behoorde volgens de leeraars der wet niet meer tot het heilige land, ofschoon het voor de joden niet zoo onheilig als het land der heidenen was 1).

Het land van Judea stond boven de andere landen uit. Terwijl Galilea door de Judeërs met verachting „het land der heidenenquot; werd genoemd, bleef Judea het heilige land bij uitstek , het middelpunt van het staatkundig en godsdienstig leven der joden.

Galilea en Perea, de landen aan deze en gene zijde van den Jordaan, waren na den dood van Herodes aan een Tetrarch, een zijner zonen. Antipas, onderworpen. Galilea was van geheel Palestina om de vruchtbaarheid van zijn grond en het schilderachtige zijner ligging het meest bekend. Door het grondgebied van Tyrus en Sidon, de blauwe keten

1

) Talmud Hierosol., Avoda Zara. f. 44.

ocr page 190

180 DE PREDIKING IN GALILKA. — HET KUK GODS.

van den Carmel werd het ten Westen en door Samarië ten Zuiden omsloten; in het Noorden strekte het zich uit tot de rivier Leontes en den Anti-Libanon; ten Oosten vormden de hooge Jordaan, het meer van Genezareth en het grondgebied van Gadara, Hippos en Scythopolis zijne grenzen. Alle schoonheden der natuur zijn in dit kleine hoekje dei-aarde vereenigd, dat slechts negentig- tot honderd-duizend vierkante meters groot is. Het heeft hooge bergen en lachende heuvelen, wilde ravijnen en frissche dalen, tallooze beken, een heilige stroom en een klein maar schilderachtig meer of binnen-zee.

Josephus noemt het een groote koorn-tuin. Met eikenen pijnbosschen waren de bergen bedekt; bosschen van olijf-boomen, uitgestrekte weilanden en bebouwde akkers wisselden elkander af; tallooze zomerverblijven scholen bij het meer onder veelvuldige palmen weg of op de heuvelen onder vijge- en olijfboomen en rijke wijngaarden. De groote wegen der karavanen waardoor de voornaamste zeesteden Ptolemaïs, Tyrus en Sidon met Damascus en het land van Mesopotamiö verbonden werden, liepen door Galilea en gaven aan het land eene groote levendigheid.

Daar waren in die dagen vijftien versterkte steden, meer dan twee honderd dorpen en gehuchten en twee of drie millioen inwoners ').

De Gallileërs waren een dapper, sterk, oorlogzuchtig, zelfs oproerig volk, dat boven alles zijne vrijheid lief had en van den landbouw leefde.

Judas de Gauloniet 2) wierf onder hen zijn eerste volgelingen aan, die met hem liever alles wilden lijden dan onder het juk van den heiden zich krommen. Na den dood van Christus in den laatsten kamp tegen Rome dragen deze volgelingen den naam van „Zelotenquot;.

Toch werden deze kloeke Galileërs door de mannen van

Vita Joseph., 5, 45.

-) Act. V, 37; Antiq, XVIII, 1, 6; XX, 5, 2; Bell. Jud., IT, 8, 1.

ocr page 191

DE PREDIUING IN GALILEA. - HET RIJK GODS. 181

Judea, die boven alles de uiterlijke vormen liefhadden, niet geteld, maar veracht. Zij spotten zelfs met het dialekt en de uitspraak der Galileërs ').

Ofschoon in Galilea en Perea vele Romeinen en Syro-pheniciërs woonden, waren het toch echte joodsche landen gebleven, waarin vele vervolgden uit Judea, gedurende het bestuur der Amoneërs, een toevluchtsoord hadden gevonden. Maar de Judeërs waren daarvoor niet dankbaar.

De Voorzienigheid wreekt de versmaden; onder hen zal het Rijk Gods het eerst verkondigd worden.

Toen Christus Jerusalem verliet om te ontkomen aan den haat der joodsche overheid was zijn naam overal bekend. Zijne welsprekendheid en leer, zijne wonderen vooral maakten hem tot een buitengewoon man.

Hij doorliep het geheele land, alle steden en dorpen, en kwam zelfs in de kleinste synagogen op den dag en in het uur waarop het volk daar bijeen was. Overal werd hij met liefde ontvangen en kwam het volk in massa op om hem te zien en te hooren. Nadat een gedeelte der Wet en der Profeten was voorgelezen gaf het hoofd der vergadering hem het boek en naar gewoonte zette hij zich neder om de aangegeven plaats, die hij eerst staande had voorgelezen, uit te leggen.

Deze prediking in Galilea heeft acht tot negen maanden geduurd, van het Purimfeest in 't jaar 29 tot het Loofhuttenfeest van 't zelfde jaar. Het geheele werk van Christus, wat hij zijn Rijk noemde, dat later onder den naam van Kerk de wereld moest vervullen, is gedurende deze weinige dagen gegrondvest en geordend.

Voor een genie onder de menschen is het leven nog te kort om leerlingen te vormen, instellingen te grondvesten, een staat op te bouwen of een godsdienst te hervormen; hij heeft daardoor jaren noodig; maar Christus is met enkele maanden tevreden. Daarbij zijn de middelen die hij ge-

Vgl. Ligthfoot, Horae hcbraicao ct talmud., p. 151. Leipzig, 1684.

ocr page 192

182 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RfllC GODS.

bruikt schijnbaar de geringsten die hij kon kiezen. Daarin ligt juist de grootheid van Christus , en de onafhankelijke critiek aarzelt niet daarin het werk van God te erkennen.

De profeet van Nazareth vertoont zich hier met goddelijke scheppingskracht; de zoon des menschen is waarlijk de Zoon van God.

Om de macht van zijn invloed goed te begrijpen moet men goed bekend zijn met de gedachten en verlangens waarvan dit volk vervuld was.

De partij der strenge pharizeën voerde onder de geletterden den boventoon. Deze partij was te strenger, omdat het volk minder ijverig was in het volbrengen van de voorschriften der Wet en minder afkeerig van de godsdienstige gebruiken der heidenen, met wie zij samen woonden. Met het volk was zij vijandig aan het Eomeinsche gezag en onwillig om den cijnspenning aan den Caesar te betalen.

De aristocraten behoorden tot de partij der sadduceën, onder wie de Herodianen werden geteld, die het bestuur der Herodessen als wettig erkenden. Zij hadden het geld en in Galilea gelijk in Judea alle eereposten in handen. De post der inzamelaars-generaal van de belasting was bij het volk het meest gehaat. Deze groot-inners hadden echter ondergeschikte ambtenaren, die publicanen of tollenaars werden genoemd. Roof en diefstal was bij dit soort van menschen inheemsch. Door het volk werden zij gehaat en door de pharizeën zóó veracht, dat hun getuigenis voor het gerecht niet geldig was '). In Galilea waren zij menigvuldiger dan elders, omdat hier de grond vruchtbaarder, de bevolking talrijker, de wegen meer begaan en de handel rondom het meer in vollen bloei was. Zij kwamen voort uit de lagere volksklasse en werden door de godvruchtige partij gelijk gesteld met woekeraars, spelers, dieven, verkoopers

') Sanhedr., fol. 25, 2

ocr page 193

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 183

van gevonden fruit in het Sabbath-jaar en straatkunstenaars ').

De leer der pharizeön en sadduceën drong niet tot het volk door. Het volk had alleen zijn land lief, droomde van een Messias die het zou verlossen en ging op de groote feesten ter beê vaart naar Jerusalem.

De gedachte aan den Messias had sedert eenige maanden door Joannes den üooper met geweld zich van aller hoofden meester gemaakt. De gevangenneming van Joannes had zijn invloed versterkt. Tollenaars en zondaars, die door hem gedoopt waren en boetvaardigheid hadden gedaan, zagen meer dan ooit reikhalzend naar den Heer.

Daar leefde onder dit volk eene uitdrukking die door allen werd begrepen, al werd zij ook op verschillende wijzen opgevat, — een woord dat alle verlangens omsloot: „Het Rijk Gods is nabijquot;

Van dit Rijk Gods hadden reeds vele profeten gesproken 1) en de Openbaringen der laatste twee eeuwen vóór Christus zijn er vol van2). Het stond bij de joden vast, dat elk gebed waarin niet van het Rijk Gods gesproken werd , geen gebed was3). Op de gebeden der priesters werd in den Tempel door het volk hardop geantwoord: „Gezegend zij de glorienaam van het Rijk Gods in eeuwigheidquot; f').

Nu Christus deze uitdrukking op de lippen neemt wordt zij nog meer verbreid en ontvangt zij hooger glans.

De groote menigte kon wel niet met juiste woorden zeggen wat deze uitdrukking beteekende, maar de twee groote partijen van het volk gaven aan deze uitdrukking eene beteekenis, die geheel en al overeenkomt met hunne opvatting van den Messias. De eene partij verstaat door

1

Vgl. II, III; Osias. XIV; Mich. V; Jerem. XXIII, 4; XXX, XXXI, 31—40; Ezech. XXXIV, 10 — 23; Isaias. XXV, XLII, XLIX , L, LI , LUI, LXI, etc. Agg. II, 1 — 9, 18 — 20: Zach. II, III; Mach. III; Daniël VII.

2

) Vgl. het Boek van Henoch en het kleine Psalmboek van Salomon.

3

) Bdbyl. Beracoth, fol. 40. 2.

ocr page 194

184 DE PREDIKIN-J IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

het Kijk Gods de herstelling van Israel, de afwerping van het juk der Eomeinen en een Messias die het wereldlijk hoofd van dit Rijk zal wezen. De meeste Galileërs behooren tot deze partij, die het best strookt met hunne onafhankelijke en krijgshaftige natuur. De andere partij verlangt voor alles de zegepraal der mozaïsche Wet zooals die door de schriftgeleerden en de Hassidim sedert Esdras is verklaard. Zij wil zich aan het vreemde juk onderwerpen, mits de God van Israel de God der geheele wereld, de Thora, de wet van allen wordt. Deze partij telt hare aanhangers vooral in de scholen en onder de hoofden van het volk, - sadduceën, vrienden van het bestaand gezag en gematigde pharizeën in de school van Hillel.

Naarmate de rampen van het volk toenemen, naar die mate wordt deze partij sterker ').

Voor beide partijen is het Rijk Gods niet anders dan haar eigen rijk; en beide zetten hare gedachten in de plaats van Gods gedachten.

Eén alleen heeft het plan van God in zijn volheid omvat en zoo kort mogelijk in dat ééne woord uitgedrukt: „het Rijk Godsquot;; — en die ééne is Christus.

Hij heeft deze uitdrukking van het volk bij zijne prediking in Galilea als de zijne opgenomen, omdat zij wedergaf heel zijn leer en heel zijn plan. Dit is Christus' glorie.

Aan Christus' opvatting van het Rijk Gods is alle vooroordeel van zijn volk en van zijn tijd vreemd. Geen men-schelijk genie stond ooit boven de heerschende dwalingen en het eigenaardige van zijn tijd zoover uit. Zijne opvatting is zuiver en heeft de kenteekenen der waarheid: zij is algemeen, eeuwig en onveranderlijk. Bijna alle historie schrijvers van den lateren tijd hebben dit miskend en ver-valscht, en hebben daarom zich in zijn werk en in zijne roeping vergist.

Was dan het Rijk Gods uit de geheele wereld gebannen ? De wereld was voor Christus' komst aan hare dwalingen

i) Vgl. Beracoth, c. 2; Gemara Babyl., fol. 13, 2, fol. 15, 1; Zohar Levit., f. 53.

ocr page 195

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 185

en misdaden, aan hare hartstochten en ellende, aan de slavernij en den dood overgeleverd. Slechts binnen de grenzen van een enkel volk was gedurende twintig eeuwen de dienst van den waren God bewaard gebleven; maar de ontzagwekkende God, die aan den jood zijne Wet van vreeze en slavernij had gegeven , had daarmee slechts een ruwe schets van zijn Rijk willen schenken; de vreeze door deze Wet opgeroepen was in de bedorven aarde niet doorgedrongen. In enkele zielen slechts liet een groot verlangen naar betere tijden zijn stralen vallen, en vertolkte alzoo de wensch der geheele menschheid, die in de diepste ellende was neer-gedompeld: dit verlangen kwam Christus' bevredigen.

Hij begrijpt zijn werk volkomen en daarom zegt hij; „De tijden zijn vervuldquot;.

Wil dit Rijk Gods, dit Rijk der hemelen, worden opgebouwd , dan moet God persoonlijk zijn werk opnemen; en dat doet hij door Christus, den zoon des menschen en den Zoon van God; 't is noodzakelijk dat de onbekende en miskende God zelf zijne waarheid en zijnen wil openbaart, en dat doet Hij door Christus, die door zijn éénzijn met God alle geheimen zijner oneindige wijsheid kent; 'tis noodzakelijk, dat de Geest van God zelf, die geheel en al in Christus woont, aan den vrijen mensch wordt meegedeeld, en dat geschiedt door Christus, die de eenige bron is waaruit deze Geest van God voortkomt. De vleeschelijke mensch moet deze mededeeling willen ontvangen, zich-zelven verloochenen , van gedaante veranderen en gelooven. Christus vraagt hem dat, en geeft hem om het te volbrengen de kracht. Maar omdat het Rijk Gods voor alle tijden en alle volken is bestemd, zal Christus arbeiders uitkiezen, die zijn werk op zichtbare en onfeilbare wijze zullen voortzetten, het Rijk Gods zullen verbreiden en grooter doen worden; — en dat Rijk Gods zal hij zijne Kerk noemen.

Dat Rijk Gods heeft daarom een hoofd , een wet en onderdanen noodig. Christus is het hoofd; de levende Geest Gods of de wil des Vaders is de wet; en de menschen, die door

ocr page 196

186 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

het geloof dat hoofd erkennen, dezen Geest aannemen en aan dien wil zich uit liefde onderwerpen, zijn de onderdanen.

In zijn ontwikkeling heeft dat Rijk Gods drie tijdperken: zijn begin, zijn groei en bloei en zijne voltooiing. In zijn eerste tijdperk bestaat het uit Christus en zijne eerste ge-loovigen; in zijn groei en bloei omvat het de apostolische hierarchie en alle geloovigen die aan haar als bewaarster van Christus' macht gehoorzaam zijn; in zijne voltooiing omvat het de geheele herboren menschheid in de heerlijkheid voor de zaligen bereid. Deze drie tijdperken en toestanden, aan elkander verbonden, komen uit elkander voort. Uit het goddelijk zaad, dat Christus is, ontkiemt de Kerk, die grooter wordt gelijk de takken van den ontzaggelijken boom, die heel de wereld moet overdekken; en de geheele menschheid, volkomen door Christus vervormd, houdt ten laatste op de lijdende menschheid te zijn, die gelijk hij aan vervolging en strijd was blootgesteld, wanneer de Geest Gods haar aan het einde der tijden, naar het voorbeeld van Christus, in de volheid van het leven zal verheerlijken.

Het Rijk Gods omsluit dus alle tijden en werelden: hier op aarde, waar het vervolging lijdt, bereidt het zich op de eeuwigheid voor; maar het zal den Hemel vullen aan het einde der tijden, bepaald door Hem, die alles leidt en aan wien alleen het geheim van zijn werk en der tijden bekend is.

Men ziet ook, hoe dit Rijk van God het Rijk is van den Geest, omdat de Geest Gods de ziel is van dit Rijk, en de mensch, om daarvan onderdaan te worden . zijn vleesch moet in bedwang houden en in den Geest herboren worden; hoe het niet van deze wereld is; hoe het geweld lijdt; hoe het van binnen in den mensch zijn grondslag heeft; hoe het eeuwig is; hoe geen macht tegen dat Rijk bestand is; hoe vreedzaam het wezen zal; en eindelijk hoe dit onzichtbaar Rijk in de Kerk eene zichtbare maatschappij wordt, op Christus gebouwd, om langzamerhand in het midden der wereld en der tijden alle door God voorbestemde zielen bijeen te brengen, terwijl Hij zijn Geest, zijn woord, zijn kracht eeuwig laat voortbestaan.

ocr page 197

DE PREDIKING IN GALILEA. - HET RIJK GODS. 187

De komst van het Rijk Gods, zooals het door Christus wordt opgevat, is geen vraagstuk meer waarbij alleen het Israëlitische volk maar de geheele menschheid belang heeft. Het Evangelie, dat deze blijde en nieuwe boodschap brengt, is voortaan het boek van allen, en hij die haar waar maakt is niet meer alleen de Messias der joden, maar de Middelaar van allen. Dit Rijk is de godsdienst zelf in zijn hoogste volmaaktheid.

Met Christus is een nieuw Rijk op aarde gekomen, dat de andere rijken: van de stof, van het dier en den mensch, zal overheerschen en volmaken. Dii Rijk leeft door den levenden en persoonlijken Geest van God. Het zal de veilige vluchthaven voor armen, bedroefden en nederigen van harte zijn, tot wie de groote menigte der menschen behoort. Voor de anderen, die met zich-zelven tevreden, in zich-zelven gelukkig en bedorven zijn, de geweldigen, de hoovaar-digen — voor hen allen is het Rijk Gods ontoegankelijk en onverklaarbaar, zij zullen rondwentelen in de duisternis en in de smart, zonder einde en zonder hoop.

Zoo is deze prediking van Christus in Galilea voor de geheele wereld van belang, en moeten alle werken van Christus in dat land ook op de volgende tijden van invloed zijn.

Om zijn werk te volbrengen was Christus toegerust met de kracht Gods, die zich in zijne wijsheid, zijne macht en goedheid openbaarde.

De welsprekendheid van Christus was zonder wederga, zijn woord vol leven. Zijne spreuken vertolken zoo volmaakt mogelijk de waarheid en blijven voortleven van geslacht tot geslacht.

Maar het woord van Christus had ook scheppingskracht. Wanneer een mensch de waarheid onder woorden brengt kan hij het goede slechts wenschen; doch de kracht om het voort te brengen heeft hij niet. Maar Christus brengt het goede voort wat hij uitspreekt. Met één woord verdreef en onderwierp hij de booze geesten , genas hij de zieken, lenigde

ocr page 198

188 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

alle droefheid, gaf hij beweegkracht aan de lammen, het gezicht aan de blinden, het gehoor aan de dooven, het leven aan de dooden. Die met geloof den Profeet naderden, waren zeker verhoord te worden. Een stroom van wonderen kwam uit zijne handen voort. Het wonder was Christus' gewone daad.

Niemand vóór Christus was zoo wonderdoener en profeet tevens.

Het karakter van Christus, zijne zachtmoedigheid en goedheid waren van grooten invloed. Hij vleit het volk niet maar hij heeft het lief. Alles in hem is aan deze liefde dienstbaar.

Elk mensch op aarde die van God een buitengewonen geest, een ontzettend genie heeft ontvangen stoot af juist door de grootheid zijner gave.

Zoo is het met Christus niet. Zijne gaven stemmen zoo met elkander samen en zijne goedheid is zoo grenzeloos, dat hij alle zwakken, lijdenden, bedrukten, ongelukkigen, en bijgevolg vooral het volk bekoort en tot zich trekt.

Christus predikte in Galilea in hoofdzaak voor het volk; maar zijn leer en persoon waren met de vooroordeelen van het volk en zijn leeraars in strijd. Het volk verwacht een staatkundig rijk, en Christus kondigt een geestelijk en geheel inwendig rijk aan; het volk hoopt dat de Wet overal van kracht gaat worden en Christus voorspelt het rijk van den Geest; het volk verlangt naar een Messias die met aardsche macht is omkleed en Christus vertoont zich zonder aardsche macht, met de kracht van zijn hemelschen Vader, met de wijsheid der eeuwige Waarheid en- geneest lichaam en ziel; het volk droomt van de zegepraal van Abrahams geslacht over alle volkeren en Christus spreekt van een volk en geslacht dat door den Geest is wedergeboren; het volk gelooft, dat het genoeg is een zoon van Abraham en een getrouw volgeling van de Wet te zijn om tot dat nieuwe volk Gods

ocr page 199

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 1S9

gerekend te worden en Christus eischt eene geheele omkeer op zedelijk gebied en geloof in zijn woord, 't Kan ons niet verwonderen dat het begin zijner prediking met geen goeden uitslag wordt bekroond. Zelfs aan de kracht Gods kan hier op aarde door den mensch worden weerstand geboden.

De Evangelisten noemen de dorpen, gehuchten en steden van (lalilea niet, waar Christus de blijde boodschap van het Rijk Gods verkondigde. De H. Lucas evenwel verhaalt uitvoerig zijn reis naar Nazareth gedurende dezen tijd ').

Het schijnt, dat Christus niet meer te Nazareth was geweest , nadat hij het verlaten had om naar den Jordaan te gaan en zich te laten doopen. Hij wilde nu die stad terugzien en haar de eerste prediking gunnen.

Op den Sabbath kwam hij naar gewoonte in de synagoge, die hij te voren zoo dikwijls had bezocht. Hij treedt haar nu binnen als de Profeet. Men begrijpt, dat alle oogen in spanning op hem gevestigd waren.

Nadat de gebeden gedaan en eenige gedeelten der Wet voorgelezen waren, gaf men Christus de eer een stuk uit de profeten te lezen. Op verlangen van den voorzitter bood de „Hassanquot; hem de gewijde rol; hij ontrolde haar en vond de volgende plaats van den profeet Isaias.

„De Geest des Heeren is op mij:

„Daarom heeft hij mij gezalfd om aan armen het evangelie te verkondigen;

„Hij heeft mij gezonden om de gebrokenen van harte te genezen;

„Om aan gevangenen bevrijding en aan blinden het gezicht te verkondigen; om verslagenen heen te zenden in vrijheid;

„Om het genaderijk jaar des Heeren te verkondigen, en den dag der wedervergeldingquot;.

Hij gaf de rol aan den „Hassanquot; terug en ging zitten.

Allen zwegen stil en zagen hem aan. Toen begon hij tot hen te zeggen; „Wat gij gehoord hebt is heden vervuldquot;.

') Luc. IV, IC vv.

ocr page 200

19 Ö DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

Christus verklaarde aan de Nazareërs, dat hij het was op wien de Geest des Heeren was nedergedaald, dat hij krachtens die goddelijke zalving de afgezonden Messias was, het hoofd van het Rijk Gods. Hij leerde hen ook den aard van dat rijk kennen, zooals die door Isaïas was voorspeld.

Deze verklaring kon natuurlijk niet aangenaam zijn aan de pharizeën of leeraars der Wet. Zij was met al hunne verwachtingen in tegenspraak. Daar is in dit Rijk zoo opgevat slechts spraak van armen, gevangenen en bedroefden — en van een zoodanig rijk droomen zij niet. En toch met welke zalving en welsprekendheid moet Christus gesproken hebben, want allen gaven hem bijval en waren over zijne welbehagelijke woorden verwonderd.

Intusschen rees er bij velen eene groote moeielijkheid op. Terwijl Christus zich-zelven duidelijk voor den Messias verklaarde , vroeg men op welken grond hij zich dezen titel toeeigende, en met zekere verachting herinnerde men zich zijne eenvoudige alkomst: — Is deze niet, zeide men, de zoon van Joseph?

Zij willen teekenen zien en eischen die van Christus als bewijs dat hij de Messias is. Maar Christus wil ze den Nazareërs niet geven, gelijk hij ze altijd weigert aan hen die in denzelfden geest van ongeloof erom vragen. Hij geeft ze slechts aan hen die in eenvoud gelooven en nooit aan hen die op hoovaardige wijze bewijzen vragen.

Dit is een in 't oogloopend feit in geheel zijn leven, een eigenaardige trek van zijn gedrag.

Had hij niet reeds te Jerusalem in Judea en te Capharnaüm teekenen gedaan? En had hij niet het recht zich hierop te beroepen tegenover zijn medeburgers die zich ergerden, dat de zoon van Joseph zich uitgaf voor den gezant van God?

— Gij zult gewis, zegt hij, mij het spreekwoord tegenwerpen: „Geneesheer, genees u-zelven. Doe ook hier in uw vaderland zoo groote dingen, als wij gehoord hebben, dat in Capharnaüm geschied zijn!quot;

Christus echter blijft onverbiddelijk. Gelijk zijn Vader,

ocr page 201

DE PllEDlKING IN (ÏALILEA. — HET RIJK GODS. 191

weerstaat hij den hoogvaardigen en heeft hij de nederi-gen lief.

— „Voorwaar ik zeg uquot;, antwoordt hij, „gij maakt een ander spreekwoord waar, „geen profeet is geëerd in zijn vaderlandquot;. God zend hen tot wie hij wil. En op de historie wijzend, voegde hij erbij: „Er waren vele weduwen in Israël, in de dagen van Elias, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, wanneer er groote hongersnood ontstond door het gansche land. En tot geene van haar werd Elias gezonden, dan tot eene weduwe te Serepta in Sidonië'). Ook waren er vele melaatschen in Israël, ten tijde van den profeet Eliseüs; en niemand hunner werd gezuiverd, dan Naaman, de Syriërquot; 2).

Christus predikt hier voor zijne tegenstrevers eene harde waarheid. Met deze voorbeelden geeft hij te kennen, dat het Rijk Gods niet aan het volk der profeten gebonden is, dat dit verstokte volk het niet zal ontvangen en de Messias tot de heidenen, die hongerigen en melaatschen. van wie de vrouw te Serepta en de Syriër het toonbeeld waren, zal gezonden worden. Door niets kon de godsdienstige hoovaardij en valsehe vaderlandsliefde der pharizeën dieper getroffen worden.

Het volk werd boos, dreef hem buiten de synagoge en buiten de stad, en wilde hem van den top des bergs naar beneden werpen.

Hoe ontkwam Christus aan dezen oploop? Een goddelijke kracht bewaarde hem. Hij bleef kalm en zachtmoedig te midden dezer bezetenen. JJiemand echter sloeg de hand aan hem, allen wijken, en hij gaat door allen heen s).

Niemand heeft macht over Christus. De Geest van wien hij is vervuld bewaart hem.

Hij verliet Nazareth en was over de ongeloovigheid der inwoners bedroefd.

') III Kon. XVII, 9-24.

il IV Kon. V, 9-14.

3) Luc. IV, 30.

ocr page 202

192 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

Miskenning en vervolging wachten alle zachtmoedigen en nederigen. Hij ging over den berg naar het meer en over Cana, door de vlakte van El-Batouf, naar Capharnaüm.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Christus te Capharnaüm.

Het meer van Genezareth is het kleinood van Galilea. 't Is niet altijd een blauwe saffier; zijne wateren gelijken op den opaalsteen met wisselende kleuren. De bergen waarin deze steen is gezet zijn van edelen vorm. In 't Westen de grijze hoogten van Safed, de steile rotsen van Hammar, Koroun-Hattin, de kruin van den Arbel, de bergen van Tiberias; in 't Oosten de laatste, geheel groene hellingen, die golvend afkomen van de hoogvlakte van Gaulan, en die somwijlen weer naar boven klimmen om loodrecht naar beneden te gaan; in 't Noorden de heuvelen van Korazin en verderop de groote Hermon met zijn kop van sneeuw, — omsluiten van alle kanten den horizont. Alleen in het Zuiden heeft de horizont eene kleine opening, om de vallei met haar stroom, den Jordaan, door te laten. Zilverwit is in 't Zuiden de hemel, die door de blauwachtige en dampige bergen van Bespan en Adjloun wordt omsloten.

De bergen en heuvelen hier zijn van vulcanischen aard, gelijk aan die van de Doode-zee. Zwarte bazaltblokken, uit de vulcanen naar boven gekomen, ziet men hier van alle kanten. En toch — welk een tegenstelling tusschen de Doode-zee en het meer van Tiberias. De eene is een afgrond, het andere een schaal; boven de eene gromt Gods toorn, boven het andere zweeft de liefde van God. Hier een som-

ocr page 203

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 1Ö3

bere en huiveringwekkende verlatenheid; door een stille vroolijkheid.

Het meer loopt van het Noorden naar het Zuiden in een punt uit, en is twintig kilometers groot; het zet zich uit naar den westelijken oever, die van het bergje Medjdel tot den hoek van den Kan el-Minieh een wijde halve cirkel omschrijft; zijn grootste breedte is drie of vier mijlen en zijn vorm een onregelmatig ovaal.

quot;Wanneer de hemel schitterend van wit licht daarin wordt terug gekaatst, wordt het meer zelf wit en aan de sneeuw van den Hermon gelijk.

Het oog kan niet met juistheid zien waar het meer eindigt en de lucht begint. De heuvelen van beide oevers worden, naarmate zij zich verwijderen, vager van lijnen en zachter van tint. De meest nabij gelegene zijn donker paars, de meer verwijderde licht-blauw van kleur. Bij den avond, na zonsondergang, schijnt het meer te sluimeren; dan nemen zijn wateren, zonder rimpels en stil, de tinten aan van metaal. Ziet men het over zijn breedte, dan wordt het éen met den grond: een lichtende streep, als een stalen lemmet, wijst den oever aan. De heuvelen komen als breede, violetkleurige en gewaterde banden op een donkeren achtergrond flauw uit. Van tijd tot tijd komt een zachte bries van den berg af en rimpelt, zonder het water te beroeren, de schoone, onbewegelijke oppervlakte; een lichte huivering gaat door het meer. Naarmate de avond valt verdwijnen langzamerhand de kleuren van het water en worden grijs-paars als de lucht. Bij het opkomen der sterren wordt de bries sterker, het golfje kabbelt tegen de steentjes van het strand, kust de bosschen laurier-rozen en brengt de groote rietstengels in beweging. Het meer ontwaakt en fluistert; zijn gemurmel is onuitsprekelijk zoet en lieflijk als harpgeluid. De ouden, zegt men, noemden het Kinnerot, omdat het den vorm had van een harp, den „Kinnorquot; der Hebreërs.

Voorheen, ten tijde van Christus, lagen tien steden aan het meer: Capharnaüm, Bethsaïda, Medjdel, Julias, Kersa.

13

ocr page 204

194 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET EIJK GODS.

Gamala, Tarichea, Hippos, Kufeïr. Karavanen dekten van alle kanten de omliggende wegen.

Aan den oever van dit meer kwam Christus, toen hij uit Nazareth was verdreven, een schuilplaats zoeken.

Capharnaüm was een der steden waardoor de meeste karavanen trokken. Het lag aan de noorderpunt van het meer, een weinig dichter bij den westelijken oever dan bij de monding van den Jordaan, waar het bergstroompje Nasit in het meer valt, langs den weg die door Gaulonitides naar Damascus leidde en op de glooiende hellingen, die van de hoogten van Safed naar het meer afdaalden. Op het strand zelfs stonden de huizen der stad. Kleine kreken dienden tot-haven voor de schepen der visschers. De visscherij was er in vollen bloei. Jerusalem had een afzonderlijke markt, waaide visschers van het meer hun gedroogde visch verkochten. Het is moeilijk te zeggen, hoe groot de bevolking van Capharnaüm was. Daar het een grensstad van de tetrarchie was, had het een garnizoen van honderd man , een tolhuis en douanen, en was het ommuurd. De inwoners waren trotsch op hunne synagoge, die door een milddadig hoofd der honderdmannen was opgebouwd.

Tot nu toe waren Christus' leerlingen niet altijd in zijn gevolg. Na hem op zijne reizen naar Jerusalem te hebben vergezeld, keerden zij tot hunne gezinnen en vorigen arbeid terug. Na het Purimfeest, terwijl Christus naar Nazareth ging, waren zijne leerlingen uiteen gegaan en had elk wederom zijn eigen vorig verblijf opgezocht.

Toen Christus bij Betsaïda de oevers van het meer naderde werd de menigte, die hem volgde, grooter en grooter. De scharen drongen op hem aan, zegt een Evangelist, om het woord Gods te hooren '). Terwijl hij langs het meer ging, zag hij twee schepen, die de visschers hadden verlaten om hunne netten af te spoelen. Het eene behoorde aan Petrus.

') Luc. v, i.

ocr page 205

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 195

Christus ging in dat schip en verzocht hem een weinig van land af te steken; toen zette uj zich neder en leerde het bijeengestroomde volk van het schip uit.

Als hij ophield te spreken, zeide hij tot Simon; „steek in zee, en werpt uwe netten uit ter vangstquot;. „Meester, antwoordde Simon, wij hebben den geheelen nacht gearbeid en niets gevangen; doch op uw woord zal ik het net uitwerpenquot;.

Hij wierp het net uit en zij vingen eene zoo groote menigte visschen, dat het net scheurde. Zij wenkten nu hunne medegezellen, die in het andere schip waren, dat zij zouden komen en hen helpen. Zij kwamen en vulden beide schepen zoodat ze bijna zonken.

Simon dit ziende, viel neder aan Jesus' knieën. „Ga weg van mij. Heerquot;, zeide hij, „want ik ben een zondig menschquot;.

Petrus' geheele ziel is in dat plotseling opwellend, openhartig, vurig en onbaatzuchtig woord. Bij het zien van deze vangst waren allen verbaasd. Ook Jacobus en Joannes, de zonen van Zebedeüs, waren daar. Toen sprak Christus tot Simon: — „Vrees niet, voortaan zult gij menschen vangenquot;.

Petrus' uitroep had Christus bewogen. De mensch, die zijne onwaardigheid belijdt, wordt groot voor God. Terwijl Petrus zich-zelven een zondaar noemt, belijdt hij de heiligheid van zijn Meester. Dat gevoel van eigen nietigheid en van Jesus' grootheid maakte hem zijne hooge roeping waardig. Niet te bouwen op zich-zelven is de eerste deugd, die van een apostel wordt gevraagd.

Christus liep een weinig verder en zag Jacobus en Joannes, zijn broeder, met hunnen vader in een schip hunne netten herstellen; hij riep hen, en zij verlieten hunne netten, hun vader en de huurlingen en volgden hem ').

Toen Christus hen bij de boorden van den Jordaan voor

') Matth. IV, 18-22; Marc. I, 16-20.

ocr page 206

196 DE PREDIKING IN GALILEA, — HET UIJK GODS.

de eerste maal tot zich riep, zeide hij hun niet wat hij met hen voor had; heden openbaart hij hun hunne grootsche bestemming met dat woord van diepe beteekenis, zooals Christus ze zoo gaarne gebruikte: „Menschen-visschersquot;.

Het kleine meer van Galilea is de wereld , de vier visschers van Bethsaïda zijn de eerstelingen van dat legioen van Apostelen die in de menschheid het net zullen uitwerpen. Het plan is onmetelijk groot, de werklieden zijn niets; maar Christus roept hen, en gelijk God, Dien hij zijn Vader noemt, van niets de wereld heeft gemaakt, zal hij haar ook verlossen met niets. In de zwakheid des menschen zal de kracht Gods geopenbaard worden.

Omringd van zijne vier leerlingen kwam Christus te Capharnaüm ').

Hij was daar geen onbekende; voor zijn eerste reis naar Jerusalem, om er het Paaschfeest te vieren, had hij daar een korten tijd vertoefd. Eenige maanden later was hij daar beroemd geworden door den zoon van den hoofdofficier te genezen.

Het was Sabbath eu Christus ging met zijne leerlingen naar de synagoge waar hij predikte. De indruk , dien hij maakte, was buitengewoon. Hij ging boven alle meesters, pharizeën en schriftgeleerden uit. Hij beriep zich niet, gelijk zij deden, op het gezag der ouden, hij gaf zich niet uit voor een leerling van Hillel of Schammaï, maar hij openbaarde zich-zelven en' paste het woord der profeten met souverein gezag op zich-zelven toe. Zijne overredingskracht was zoo groot, dat die slaven van formulen, in weerwil van alle nieuwheid, aan de bekoorlijkheid van zijn persoon geen weerstand konden bieden.

Een onverwacht voorval openbaarde van Christus eene nieuwe kracht en bracht het volk in nog grootere bewondering.

') Mattu. IV, li; VIII, 14-17; Marc. I, 21-39; Luc. IV, 34-44.

ocr page 207

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 197

In de synagoog was een mensch met een onreinen geest, die plotseling, hardop tot Christus riep; Laat af! wat hebben wij met ii te doen, Jesus van Nazareth? Zijt gij gekomen om ons te verderven? Ik weet wie gij zijt: de Heilige Gods.

Christus bestrafte hem zeggende:

— „Verstom en ga van hem uitquot;.

De booze geest schudde hem geweldig, wierp hem midden onder het volk op den grond en ging van hem uit met een luide schreeuw, zonder hem eenig kwaad te doen.

Allen waren verschrikt en zeiden tot elkander: Wat is dit? Met macht gebiedt hij ook aan de onreine geesten en zij gehoorzamen hem ').

Deze gebeurtenis is de eerste, door de Evangelisten opge-teekend, waaruit Christus' souvereine macht te voorschijn komt over den boozen geest, die op onzichtbare wijze de menschheid kwelt en op zichtbare wijze van sommige men-schen de meester is.

In zijne Bekoring, had hij hem met betrekking tot zijn eigen persoon verwonnen, door zijne uitdrijvingen zal hij hem in anderen overwinnen.

Deze feiten moet men niet op zij zetten of verkleinen, zij moeten verklaard worden; want zij staan in verband met het groote vraagstuk over het kwaad in deze wereld, en men kan ze niet begrijpen, in de beteekenis door de Evangeliën daaraan verleend, zonder te luisteren naar de verklaringen die Christus over dit punt heeft gegeven.

Geen enkel wezen staat op zich-zelf; alle wezens zijn door onzichtbare banden aan elkaar verbonden. Daarin bestaat de organische en levende eenheid van al het geschapene. De stof wordt beheerscht door een ongeziene kracht, die het beginsel is van alle gedaanteveranderingen, herscheppingen , opvolgingen en ontwikkelingen. De geesten be: wegen zich om Hem, die het beginsel is en het midden-

l) ilarc. I, 23-27; Luc. IV, 33-37.

ocr page 208

198 ÜB PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

punt van hunne verstandelijke en vrije daden; eenigen van dezen worden geleid door de liefde en den souvereinen wil van Hem aan wiens bevelen zij gehoorzaam zijn; anderen leven in wanorde en haat, terwijl zij tegen dien souvereinen wil in verzet zijn gekomen. De zielen der menschen staan tusschen deze geestelijke en stoffelijke wereld in, zij vormen een afzonderlijk gebied; dat is het gebied van den mensch, waarop de stoffelijke en geestelijke wereld te zamen komen. De ziel ontvangt hare indrukken van beide werelden, van het stof en van den geest, en beide werelden werken op haar in.

Gelijk de stof door de aantrekkingskracht wordt bijeengehouden, ook zoo zijn de goede geesten door de liefde en den vrijen wil aan elkander verbonden.

Elke wijsbegeerte die deze groote eenheid, dit onderling verband uit het oog verliest, verminkt onze natuur, miskent hare bestemming en verkleint de grootheid der vertooningen die op het tooneel dezer wereld worden opgevoerd.

Naar Christus' leer is het kwaad, de zonde, niet alleen een menschelijke daad die in den bedorven wil en in de overerflijkheid haren oorsprong, in de zwakheid van het vleesch hare hulp en in de ziekten en pijnen van het lichaam haar straf heeft, zij is ook aan de hoogere geestenwereld verbonden. De eerste oorzaak van het kwaad ligt in eene gebeurtenis dier onzichtbare geestenwereld, en de mensch is niet slechts een aardsch wezen met hartstochten en een zelfzuchtigen en trotschen wil, maar ook een geest van lager rang, overgeleverd aan de verderfelijke inblazingen van geesten, grooter dan hij.

Christus en zijne Apostelen hebben duidelijk het bestaan van den Satan en de duivelen en hun invloed op den mensch geleerd. Christus spreekt dikwijls van den Bekoorder. Hij noemt hem den Lasteraar, den Booze, den Vorst der duivelen, den Vijand en Baal-Zebud, den naam van den god der Filistijnen, dien de joden aan het hoofd der duivelen gaven , en Vorst dezer wereld.

ocr page 209

DE PREDIKING IN «ALILEA. — HET RIJK GODS. 199

Het bestaan der booze geesten en hun invloed op de gebeurtenissen dezer wereld is eene waarheid die over de geheele wereld door alie tijden is geleerd. Wanneer men in deze leer alleen een voortbrengsel van domheid en dwaasheid, van bedrog of lichtgeloovigheid wil zien, levert men slechts het bewijs van eigen lichtzinnigheid. Epicuristen en cynische wijsgeeren onder de heidenen, sadduceën onder de joden zijn de eenige loochenaars van deze feiten. De materialistische en pantheïstische critiek van den laatsten tijd en de wijsbegeerte van een vermomd atheïsme, dat God zonder invloed buiten de wereld zet, stemmen met dezen samen.

De ontkenning dezer laatsten steunt op geen enkelen redelijken grond. Zij vleien onze geheime afschuw voor het onzichtbare, en onze verachting voor het gecuigenis van een ander, en verstaan de kunst hunne gedachten met stoutheid voor waar te verklaren. Heeft men ooit bewezen , dat de geesten niet bestaan, en indien ze bestaan, dat ze niet handelend optreden in onze wereld? De wetenschap zonder God heeft met trotsheid verklaart, dat alle buitengewone verschijnselen, waarvan de historie vol is: tooverijen, wichelarijen , betooveringen , geesten , bezweringen , bezetenen , uit onwetenheid of inbeelding voortkomen, of aan zenuwziekte, hysterie, somnambulisme of natuurlijk magnetisme moeten worden toegeschreven; maar zij heeft het nooit bewezen. Door geen zenuwziekte wordt verklaard, dat, tegen de wet der zwaartekracht in, lichamen in de lucht blijven hangen , verborgen dingen gekend, toekomstige feiten voorspeld en vreemde talen plotseling gesproken worden. Tegen dergelijke feiten helpt geen eenvoudige ontkenning. Deze feiten bestaan, dat bestaan is behoorlijk bewezen, en ze trotseeren daardoor de zoogenaamde wetenschap van hen die de tusschen-komst van verstandelijke wezens, van eene hoogere orde dan de mensch, weigeren aan te nemen. Kwakzalverij, lichtgeloovigheid en bijgeloof spelen voorzeker daarin dikwijls een groote rol. Laat die rol zoo groot mogelijk zijn, er blijven altijd nog onbetwistbare feiten over, die in deze oorzaken

ocr page 210

200 DE PKEDIKING IN GALfLEA. — HET KIJK GODS.

geen verklaring vinden en die alleen door vooroordeel kunnen ontkend worden.

De geschiedenis van het heidendom is de geschiedenis van de tusschenkomst der duivelen, en daaraan moet men zoovele gruwelen toeschrijven, waarvan het verhaal alleen ons met afschuw vervult.

Om nu den mensch te verlossen is het niet genoeg 's menschen hartstochten tot bedaren te brengen , zijnen wil te stalen en te zuiveren, hij-zelf moet ook gesterkt en vrijgemaakt worden: gesterkt tegen de verleidingen van den Booze, vrijgemaakt van het juk waaronder hij gebukt gaat.

Zeker, elk verstandig en vrij wezen kan zijn geest in een ander overstorten en zoo aan het leven van dit andere wezen een bepaalde richting geven. Maar wat is die geest ? Een kracht die haar grenzen, een licht dat haar duisternis heeft.

Vandaar 's menschen onvermogen om den mensch volkomen te herscheppen: met het overstorten van zijn geest brengt hij ook het kwaad over waarvan hij-zelf is vervuld. De Geest Gods alleen , die boven alle kwaad uitstaat, kan de menschheid verlossen; die Geest was geheel in Christus en Christus is ook daarom geweest de ware, de eenige Verlosser.

Het werk van 's menschen verlossing is dus tweevoudig; de geest moet worden vrijgemaakt van het kwaad, dat in de wereld, in onzen bedorven wil en ongeregelde hartstochten schuilt; de geest moet ontvangen den Geest van God of van het goed.

Deze tweevoudige arbeid, dien Christus als Verlosser had te verrichten, is nooit begrepen en daarom verwaarloosd door de historieschrijvers, die het leven van Christus wilden verklaren , door de oorkonden daarvan in overeenstemming te brengen met hunne materialistische, pantheïstische , sceptische en rationalistische critiek.

De bezetenen door Christus genezen, de duivelen, het

ocr page 211

DE PIIEDIKING IN GALILEA. — HKT RIJK GODS. 201

hoofd der duivelen, Satan, zijn door de moderne critiek voortdurend aangevallen. Deze verklaart openlijk, dat Christus in dit punt met de bijgeloovigheden van zijn land en tijd was behept.

Dit besluit is niet alleen beleedigend voor Christus maar ook willekeurig; want nooit heeft de wijsbegeerte bewezen, dat de geesten niet bestaan en de wetenschap heeft nooit uitgemaakt, dat de bezetenen slechts gekken waren.

Anderen, die Christus'wijsheid wilden redden , hebben gezegd: Christus zelf geloofde niet aan Satan en de duivelen, maar hij heeft zoo gesproken en gehandeld om met het volk mede te gaan en zich op het standpunt van het volk te plaatsen. Op die wijze gelooft men Christus' wijsheid te redden en offert men zijn eenvoud en oprechtheid van karakter op.

Wanneer men het bestaan van den duivel ontkent, loochent men den bovenmenschelijken oorsprong van het kwaad. Wanneer men de voortdurende inwerking van den duivel in de menschheid niet wil aannemen, loochent men de machtigste oorzaak van onze verdorvenheid. Wanneer men ontkent, dat er bezetenen zijn, loochent men de meest krachtvolle openbaring van den Bekoorder. Wanneer men eindelijk ontkent, dat deze ongelukkigen, deze bezetenen door Christus zijn verlost, loochent men eene der goddelijke machten van den Christus.

Deze dwalingen brengen ons tot de loochening van Christus-zelf.

Een bezetene is geen zieke. In hem wordt door den duivel ingewerkt op zijn organische en lagere vermogens, op de verbeelding en de zinnen. Zijn vrije wil mag voor een oogenblik gebonden worden, hij blijft toch altijd bestaan, wanneer de mensch niet zelf dezen aan den duivel overlevert. De stoornissen zijner vermogens zijn niet het gevolg van een ziekelijken toestand der hersenen of der organen , maar zij komen voort uit een ■ verstorenden gewelddaad van een hoogeren wil. Ze zijn een gevolg en geen oorzaak. Ze

ocr page 212

202 DE PIIEDIKING IN GALILEA. — HEÏ RUK GODS.

worden daarom ook niet door den geneesheer genezen, maar door de inwerking van den eenen geest op den anderen.

In de geschiedenis der joden spelen de bezetenen een groote rol, en de duivelbezwering was daarom bij hen in groot aanzien.

Men kan niet zeggen aan welke teekenen men in dien tijd de bezetenen herkende. Eveneens kan men slechts gissend antwoord geven op de vragen, waarom ten tijde van Christus in Palestina de bezetenen zoo talrijk waren, en waarom zij later verdwenen of ten minste verminderd zijn in aantal.

't Is wel een wet der historie dat de geest van het kwaad zich krachtiger laat gevoelen, wanneer de Geest Gods hier of daar in de menschheid meer in 't openbaar optreedt. Rondom de heiligen dansen de duivelen. Welnu, met Christus kwam de Geest Gods in zijn goddelijke volheid: het kon dan niet anders of de aanvallen van den duivel moesten ook menigvuldig en krachtig wezen.

Men ziet dan ook hoe alle bezetenen tot Christus worden getrokken, en hem, Jesus, Heilige Gods, Zoon van David noemen, om daardoor bij het volk onware denkbeelden op te wekken, welke zij aan die titels verbonden, en het werk van den Messias te verhinderen.

Als Heer en Meester over de geesten, van de ziel en van het lichaam, verdrijft hij de duivelen, vervormt hij de ziel, geneest hij de zieken; hij geneest het lichaam om de ziel te redden, en redt de ziel door haar te vrijwaren van den Booze, en vrijwaart van den Booze door de mededeeling van den Geest Gods. Het genezen van bezetenen is slechts een gedeelte van Christus' genezenden arbeid, een dei-sprekendste verschijnselen van zijn verlossingswerk.

Vooral de wijze, waarop de bezetene genezen werd in de synagoge te Capharnaüm , baarde verwondering bij de joden. Hij beveelt, en de onzuivere geest gaat weg. Groot was

ocr page 213

DE PREDIKING IN GAULEA. - HET BUK GODS. 203

de opspraak door dit wonder verwekt; het geheele land was er vol van.

Christus verliet met zijne vier leerlingen de synagoge en kwam in het huis van Simon en Andreas dat er dicht bij was. De schoonmoeder van Petrus lag ziek te bed en had een zware koorts. De leerlingen vroegen hare genezing, Hij ging naar het bed. deed haar opstaan en nam haar bij de hand; oogenblikkelijk verliet haar de koorts en diende zij hem ').

Deze gebeurtenis van den morgen werd bij allen in de kleine stad bekend.

Bij den avond, toen de zon was ondergegaan en de sabbath voorbij was, bracht men alle zieken en bezetenen, en er stond veel volk voor de deur. Christus genas vele zieken door hen de handen op te leggen, maar verdreef nog meer duivelen die riepen: Gij zijt de Zoon Gods. Hij bestrafte hen en liet hun niet toe te zeggen , dat hij de Christus was.

Den anderen dag stond hij zeer vroeg op, en ging alleen naar buiten om te bidden op eene afgezonderde plaats. Petrus en zij die met hem waren volgden hem van verre. Ook de menigte kwam hem zoeken. Toen zijne leerlingen bij hem waren zeiden zij: — Meester; allen zoeken u.

- „Laat ons gaan in de naaste vlekken en steden, antwoordde hij, opdat ik ook aldaar predike: want hiertoe ben ik gekomenquot; 2).

Dit met weinige lijnen geteekende tafereeltje laat ons zien hoe Christus in Galilea den dag doorbracht.

Het gebed was zijn eerste werk. Vóór zonsopgang, ierwijl allen nog sliepen, verliet hij het huis en de stad, onttrok zich aan het gewoel van 't volk om in de stilte en eenzaamheid tot God zijn Vader te spreken.

Wanneer de leerlingen bij hun Meester kwamen, vonden

') Matth. Vin, 14—17; Marc. I, 29-39; Luc. IV, 38-44. •-) Marc. I, 29-39. Vgl. Matth. VIII, 14-17, Luc. IV, 42-44.

ocr page 214

204 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET KIJK GODS.

zij hem in het gebed. Dan begon het werk van den dag. Zij bezochten de dorpen en de synagogen in het uur waarop daar menschen bijeen waren , en Christus predikte het Eijk Gods.

In en bij het huis waar hij verbleef werden de zieken gedragen, die allen door hem genezen werden; zoo groot was de toevloed van volk, dat Christus nauwelijks tijd had om te eten.

Somtijds ook vertoonde hij zich bij het meer en klom dan in het scheepje van Petrus, die daarmede een weinig van land moest steken, opdat Christus van dit schuitje af tot het volk zou kunnen spreken, dat op den oever in menigte stond.

Bij zonsondergang keerde hij naar huis terug en werd dan tot den nacht wederom door de menigte bestormd. Niemand zag ooit zooveel ellende. Niemand ook heeft ooit grooter aantal genezen en beter de vreugde van het weldoen gekend. Men verdrong zich om hem te hooren, ofschoon hij altijd met het volk over godsdienstige zaken sprak. Zijn beeldspraak was rijk en nieuw en altijd juist. De een-voudigen en oprechten voelden bij het geluid zijner stem een omkeer in hun binnenste; de schijnheiligen werden ontmaskerd en beschaamd.

Bij nacht, wanneer hij alleen was, waakte hij nog langen tijd en soms ook werd de geheele nacht aan het gebed gegeven. De vermoeienissen van zijne zending deden hem leven; met zijne ziel rustte zijn lichaam uit in den schoot van zijn hemelschen Vader.

Zóó waren de dagen van Christus' leven in Galilea; de lentedagen van het Godsrijk op aarde.

ocr page 215

DK PREDIKING IN GAULEA. — HET KIJK GODS. 205

DERDE HOOFDSTUK.

Genezing van den melaatsche. Verzet der pharizeën in Galilea.

Van korten tijd was Christus' verblijf in de omstreken van Capharnaüm. Eenige dagen later vinden wij hem in de stad terug. Zijne werkzaamheid is buitengewoon; binnen zeven maanden verkondigde hij het Evangelie in geheel Galilea en de Decapolis; ging hij tot de grenzen van Tyrus en Sidon en zag Caesarea van Philippus hem binnen hare muren. Gedurende deze eerste zwerftocht bezocht hü ontwijfelbaar Korazim en Bethsaïda.

Bethsaïda, een klein vlek door visschers bewoond, was de geboorteplaats van Petrus. Het lag aan de noord-westelijke punt van het meer, dicht bij eene kleine baai, bij het begin der vlakte van Gennesar en was een ankerplaats, waar de schepen tegen den zuidenwind veilig waren. In hare nabijheid welde een heerlijke bron op. De weg van de middellandsche zee naar Damascus doorliep het vlek in zijne breedte en verdeelde zich later in tweeën. De eene weg liep langs het meer naar Capharnaüm en was drie kwartier uurs lang, de andere verloor zich in de engten der bergen van Safed.

Korazim lag ten Noorden van Capharnaüm, tweeduizend mijlen van de stad en het meer verwijderd.

De melaatschheid was eene der meest gevreesde ziekten onder de joden. Zoodra de ziekte zich openbaarde, werd de zieke door den priester voor onrein verklaard, buiten de gemeenschap der menschen gesloten en het land in, bij de andere melaatschen gezonden '). Ten teeken van rouw

i) IV Boek der Kon. VII, 3; Luc. XVII, 12.

ocr page 216

20G DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

werden zijne kleederen verscheurd. Hij werd echter geen gevangene en mocht zelfs binnen niet ommuurde steden in de synagoge komen '). Daar moest hij zitten achter tralies, die hem van de vergadering scheidden, en de eerste zijn die haar binnentrad en de laatste die haar verliet -).

De melaatschheid werd voor ongeneeslijk gehouden; zelfs de witte melaatschheid, de meest algemeene en de minst afschuwelijke. Wanneer zij het geheele lichaam had door-loopen, de schilfers waren afgevallen en het vleesch weer blank en doorschijnend werd, geloofde men, dat zij niet meer besmettelijk was; dan konden de priesters den melaatsche voor rein verklaren en hem de vrijheid terug geven 1).

Deze ziekte is nog niet uit Palestina geweken. Men ziet de melaatschen nog bij de poorten der steden. Hun huid is glinsterend wit en met schilfers bedekt, de ooren en do neus met zweren bezet, de oogen zijn strak, glazig en ontstoken , de gelidbeentjes der vingers voor de helft los van elkaar. Zoo steken zij hunne omzwachtelde handen naar de voorbijgangers om een aalmoes uit, terwijl zij met hartverscheurende kreten al hunne ellende vertoonen.

Een van deze afschuwwekkende zieken werd door Christus genezen.

Toen hij, van den berg afdalend 2) naar Capharnaüm kwam, terwijl een groote menigte volks hem volgde, bleef hij onderweg in eene stad. Bij den avond toen liet volk weg was kwam er een melaatsche, die zich voor zijn voeten wierp met het gelaat op den grond en smeekte:

— Heer, Indien gij wilt kunt gij mij reinigen.

Christus werd bewogen door het vertrouwen en de ellende

van den zieke, stak zijn hand uit, raakte den melaatsche aan en zeide:

— „Ik wil! word gereinigdquot;.

1

3) Levit. XIII, XIV.

2

) Matth. VIII, 1-4; Marc. I, 40-45; Luc. V, 12-16

ocr page 217

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 207

„En toen hij dit gezegd had, ging de melaatschheid aanstonds van hem, en hij was gereinigdquot;.

Christus deed hem terstond weggaan en zeide tot hem met gezag;

— „Zie toe, dat gij het aan niemand zegt, maar ga heen, vertoon u aan den opperpriester, en offer voor uwe reiniging wat Mozes bevolen heeft, opdat gij voor hen eene getuigenis zijt.quot;

De ziekte was duidelijk zichtbaar, de genezing plotseling, en daardoor bovennatuurlijk en wonderdadig. Zulke daden waren in Christus' openbaar leven menigvuldig en gewoon. Als Meester der Wet raakte hij tegen de Wet in ') den melaatsche aan en maakte van hem een getuige te Jerusalem voor de leden van den Hoogen Raad. Hij moest hun zeggen, dat degene, dien zij als een godslasteraar met den dood hadden bedreigd, zijn werk voortzette en dat de Geest Gods met hem was. Een der grootste teekenen, die een profeet kon doen, was het genezen van een melaatsche, dan was hij aan Mozes en Elias gelijk: Mozes die zijne zuster Miriam, Elias die den Syriër Naiiman genas.

Maar niets was in staat de vreugde en den geestdrift van den genezene te bedwingen; overal waar hij kwam maakte hij het feit bekend.

Christus kon de stad niet binnengaan en moest zich daar buiten in de eenzaamheid voor de inwoners verbergen. De eenzaamheid bracht hem rust en hij bad er.

Het werk van den Messias maakte snelle vorderingen. Alles werkte mede: de alles overtreffende grootheid van Christus, het oorspronkelijke van zijn leer, zijn wondermacht en welsprekendheid, zijne opzienbarende daden, zijne vrijgevige natuur en de opgewonden staatkundige en godsdienstige toestand der Galileërs. Voeg hier nog bij, dat alle steden en dorpen der verschillende tetrarchieen en van

gt;) Levit. XIII.

ocr page 218

208 de prediking in GALILEA. — HET rijk gods.

Juda op veelvuldige en innige wijzen met de hoofdstad waren verbonden. De plichten van den godsdienst immers brachten meermalen in 't jaar alle joodsche families binnen Judea en Jerusalem; de tempelbelasting maakte, dat velen het land afliepen om de belasting te innen; het leerstellig gezag van het Sanhedrin was geldig in alle synagogen en de raadsleden van deze hooge vergadering handhaafden overal met gestrengheid de rechtzinnigheid der leer.

Drie soorten van menschen omringden den Christus: zijne leerlingen, de menigte of het volk en de ouderlingen en leeraars die tot de hoogste klasse behoorden.

De leerlingen zijn altijd bij den Meester en leven van en met hem. Zij worden door hem vóór allen bemind en hooren de waarheid zonder parabels en figuren; langzamerhand openbaart hij hun zijne plannen en doordringt hij hen van zijnen Geest.

De menigte of het volk is in Oosten aan dat van het Westen gelijk. Het is volgzaam en vatbaar voor het bekoorlijke van iets nieuws, van machtsvertooning en vooral van tastbare en stoffelijke weldaden. Uit dat volk van Galilea werft hij zijne leerlingen aan, en stelt daarin grooter vertrouwen dan in het volk van Jerusalem. Terstond bij zijn optreden had Christus de geestdrift van dat volk gewekt. Hij had medelijden met zijne ellende en overlaadde het met weldaden; hij sprak tot hen in parabels om hunne zwakheid van begrip ten opzichte der goddelijke waarheden te hulp te komen, en de heiligheid zijner leer niet aan den schimp van de domheid des volks bloot te stellen. Het was altijd en overal bij hem in groot getal. Een zoo voortdurenden en sterken aandrang van het volk zag men nooit.

Bij zulk een optreden kon het niet anders of velen moesten in verzet tegen hem komen. Wij zien dan ook, dat even als in Jerusalem ook in Gallilea velen, vooral uit de hoogere klasse, die vasthoudt aan de overleveringen en altijd en overal behoudend gezind is, tegen hem den strijd aanbinden.

ocr page 219

DE PREDIKING IN GALILEA, — HET RIJK GODS. 209

De drager van eene nieuwe idee heeft alle oude ideeën tegen zich. Ofschoon de mensch voor den vooruitgang is geboren, is hij toch altijd daarmede in strijd. Elke nieuwe idee wordt in smarten geboren. Christus de eenige goddelijke verkondiger van nieuwe waarheden, is de heiligste der slachtoffers. Wie de menschheid wil beter maken is zeker dat hij lijden moet. De mensch zal dikwijls ten bloede toe weerstand bieden, voordat hij een toestand en al de voordeelen aan dien toestand verbonden opgeeft en dengene trachten te dooden, die hem uit zijne traagheid en werkeloosheid wil opjagen.

Met voorzichtigheid en beleid, met standvastigheid en kracht, soms met droefheid en verontwaardiging zal Christus tegen de pharizeën kampen; hij zal hen weerleggen, beschamen , bedreigen, verwerpen en met vervloekingen overladen.

De Evangeliën zetten dezen strijd en de omstandigheden ervan in het volle licht.

Ter nauwernood was Christus te Capharnaüm') of het volk drong wederom op hem aan. Zijne korte afwezigheid had de toeloop nog grooter gemaakt, en het huis, waar binnen hij was weergekeerd, was van binnen en van buiten vol van menschen.

Christus was in de hooger gelegen kamer 1) en predikte daar. Bij hem stonden de pharizeën en de leeraars der Wet, van wie eenigen uit Judea anderen zelfs uit Jerusalem waren gekomen om op hem te letten en zijn woord en daad te beoordeelen.

Een onverwachte gebeurtenis liet plotseling de kracht Gods aanschouwen 2).

14

1

) Een israölitisch huis bestond gowoonlyk uit eene verdieping goiyic-vloers en een liooger gelegen verdieping. Daar was liet coenaculum, de hooge kamer, waarin gebeden werd en do godsdienstige plechtigheden plaats hadden. Vgl. Lightfoot. ITorae hehrakae et talmudicae, ad. h. 1.

2

■■') Matth. IX, 2-8; Marc. II, 2-12; Luc. V, 17-26.

ocr page 220

210 DE PREDIKING IN GALILEA. - HET EIJK GODS.

Terwijl Christus sprak, kwamen buiten eenige mannen met een lamme aandragen om hem Christus voor te stellen. Toen zij geen kans zagen door de menigte te dringen en binnen het huis te komen, beklommen zij de trap die buiten stond, kwamen op het platte dak, waarvan zij het luik openden, boven de kamer waar Christus was, en lieten zoo het bed waarop de zieke lag voor Christus' voeten neder-zakken. De kracht van dit onversaagd geloof trof hem:

— „Mijn zoonquot;, sprak hij tot den lamme, „uwe zonden worden u vergevenquot;.

Dit ongehoorde woord deed de schriftgeleerden en de pharizeën ontstellen. Zij waren geërgerd. -- Welk eene godslastering! zeiden zij bij zich-zelven. Wie anders dan God alleen kan de zonden vergeven?

Christus die in hunne harten las, zag hunne ergernis. Om nu over dat woord zich te rechtvaardigen, inderdaad het meest buitengewone, wat ooit over mensche-lijke lippen was gekomen , en dat van hem , die het durfde uitspreken, eischte dat hij God-zelf was, — deed hij een beroep op zijne zending, op zijne waardigheid van Messias gt; die hij zoo gaarne aanduidde met dat eenvoudige woord: „Zoon des menschenquot;.

Het vergeven van zonden is een goddelijke daad. Indien Christus zich zoodanig een recht aanmatigt, dan doet hij dat omdat God in hem woont en hij aan God gelijk is, In plaats van deze gevolgtrekking te verwerpen, bewijst hij de waarheid daarvan met een wonder:

— „Waarom denkt gij kwaad in uwe harten?quot; zeide hij terwijl hij de schriftgeleerden en pharizeën aanzag. Wat is gemakkelijker te zeggen: „Uwe zonden worden u vergevenquot; of te zeggen: „Sta op, neem uw bed op, en wandel?quot;

Zij zwegen.

— „Maar opdat gij moogt weten, dat de zoon des menschen macht heeft op aarde de zonden te vergeven — zoo zeide hij tot den verlamde: Sta op, neem uw bed op, en ga naar uw huisquot;.

ocr page 221

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 211

Bij die woorden stond de verlamde op , nam zijn bed op en ging naar huis.

De menigte werd door vrees bevangen bij het aanschouwen van dat machtige werk, en in éen kreet gaven allen aan hun gevoelen lucht: „Zoo iets hebben wij nog nooit gezienquot;.

Daarna ging Christus naar buiten, naar het meer, van het volk omringd , dat hij al wandelend onderwees.

Toen hij zoo wandelend voorbij een tolhuis kwam, zag hij een inner van belasting-penningen, een tollenaar, met name Levi, den zoon van Alpheus, daar binnen zitten.

— ,,Volg mijquot;, zeide hij tot hem.

Dit éene woord is genoeg. Het woord, dat zooeven den melaatsche en den verlamde had genezen en den laatste zijne zonden vergeven, veranderde plotseling den tollenaar in een leerling van Christus.

De tollenaar stond op, verliet alles en volgde hem.

Bij de vier visschers voegt Christus nu een tollenaar, een der menschen die door de joden het meest werden veracht. Een weinig later gaf de nieuwe leerling in zijn eigen huis1) een groot gastmaal, waarop hij zijne metgezellen en vrienden verzocht; zoodat Christus zich daar bevond in 't midden van tollenaars en van hen die door de pharizeën zondaars werden genoemd. Christus hield van dit volk, en telde daaronder reeds vele aanhangers -).

Voor hem bestaat de maatschappij niet uit rijken en armen, wetenden en onwetenden, reinen en onreinon. Hij kent slechts twee soorten van menschen: zij die in zijn woord gelooven en zij die het verwerpen.

Doch eenigen der schriftgeleerden en pharizeön waren verontwaardigd en konden die verontwaardiging niet verbergen. Zij waren waarschijnlijk niet zeer vijandig gestemd en hielden hem voor een profeet. Want zij zijn met de leerlingen van Joannes bekend en geven met zekeren

') Mattli. IX, 10 vv; Marc. II, 14 vv; Luc. Ar, 2S W. Marc. II, 15.

ocr page 222

212 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

schroom niet aan Christus maar zijne leerlingen hunne verontwaardiging te kennen.

— Waarom, zeiden zij tot hen , eet en drinkt uw meester met tollenaars en zondaars?

Deze vraag openbaart hun nijd en spi.it omdat arme menschen zonder godsdienst door den Profeet worden voorgetrokken.

De Meester, die altijd op alles acht gaf, beantwoordde zelf de vraag aan zijne leerlingen gesteld.

— „De gezonden hebben geen geneesheer noodig, maar wel de ziekenquot;. Gaat en overweegt deze woorden van den Profeet:

„Barmhartigheid wil ik en niet offerandequot; '). Deugd is mij meer waard dan een godsdienstig voorschrift, en goedheid gaat boven het offer uit.

Daarenboven, voegde hij er bij om zijne voorliefde voor dö zondaars te verklaren, en die schijnheilige rechtvaardigen in hunne hoovaardij te treffen, „ik ben niet gekomen om rechtvaardigen maar om zondaars te roepenquot;.

De geheele geest van het Evangelie straalt door deze woorden van hem „die van boven is ontsproten en voortgekomen uit de ingewanden van Gods barmhartigheidquot;.

De pharizeön en de leerlingen van Joannes maakten van dezen maaltijd bij Levi gebruik om Christus aan te vallen en zijne volgers te verachten.

Wij vasten, zeiden zij over zich-zelven voldaan, wij vasten dikwijls en wij vermeerderen onze gebeden, terwijl uwe leerlingen eten en drinken.

De geest van een slecht begrepen godsdienst, waardoor de joden sedert lang op een dwaalspoor waren, gluurt door deze woorden heen. De pharizeön vastten dikwijls: de minst ijverigen tweemalen in de week. Doch de ware versterving was aan al dat vasten vreemd.

') Os. VI, 6.

ocr page 223

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET KIJK GODS. 213

— „Laat hen begaan, antwoordde Christus tot de phari-zeöu, het zijn kinderen van den bruidegomquot;.

Dezo uitdrukking kwam van Joannes zeiven, en moest alle leerlingen van Joannes opvallen.

„Kunnen dan de bruiloftskinderen rouwen en vasten zoolang de bruidegom met hen is?quot; „'t Is nu het bruiloftsmaal; maar wacht, er zullen dagen komen, waarin de bruidegom van hen zal weggenomen zijn; dan zullen zij vastenquot;.

„Niemand naait een lap nieuw laken op een oud kleed» want de aangezette lap scheurt van het kleed af en grooter wordt de scheur. Niemand ook doet nieuwen wijn in oude zakken, anders bersten de lederzakken en de wijn loopt weg en de zakken gaan verloren; maar nieuwen wijn doet men in nieuwe lederzakken, en beide worden te zamen behoudenquot;.

De wettelijke voorschriften van de mozaische Wet zijn voor Christus het oude kleed en de oude zakken; de Geest waarvan hij overvloeit, de leer die hij verkondigt, ziedaar het nieuwe stuk laken en de nieuwe wijn.

De Oude Wet is voorbij, zij zal hervormd worden, zij kan de Wet van het Evangelie niet bevatten; de mensch door den Geest grooter geworden heeft een wijder kleed noodig. Men bespeurt hier iets van Paulus' leer over de vrijheid der kinderen Gods.

De pharizeën begrepen den zin van dit antwoord niet volkomen, maar zij moesten toch begrijpen, dat Christus zich plaatste boven datgene wat zij als het laatste woord van den godsdienst opvatten, en werden daardoor nog meer tegen hem ingenomen.

Nauwelijks hield hij op te spreken ') of een zekere Jaïrus kwam tot hem. Hij was een voornaam pharizeër uit Capharnaüm en een der hoofden van de synagoge. Er was hem een groot ongeluk overkomen; zijn dochtertje

i) Matth. IX, 18-34; Marc. V, 21-43; Luc. VIII, 40-5G.

ocr page 224

214. DE PEEDIKING IN GALILEA. — HET EIJK GODS.

van twaalf jaren lag te sterven. In zijn smart overwon hij zijne vooroordeelen, wierp zich voor de voeten van Christus en smeekte met aandrang: — Meester, mijn dochtertje ligt te sterven, kom naar mijn huis, leg haar de handen op, opdat zij geneze en leve.

Christus stond op en volgde hem met zijne leerlingen en het volk. Het volk was zoo talrijk dat Christus voortdurend in het gedrang ervan was.

Eene vrouw, die reeds twaalf jaren lang aan eene bloedvloeiing leed, en veel had geleden van talrijke geneesheeren on vruchteloos al haar geld aan hare kwaal ten koste had gelegd, mengde zich onder het volk dat achter Christus liep. Zij was ervan overtuigd, dat zij zou genezen zijn, indien zij slechts den boord van zijn kleed mocht aanraken. Zij raakte hem aan en was terstond genezen.

Christus die wist dat eene kracht van hem was uitgegaan, keerde zich naar het volk om en vroeg wie zijn kleederen had aangeraakt. De menigte dringt op van alle kanten, zeiden zijne leerlingen, en gij vraagt: wie heeft mij aangeraakt?

Christus, zag in 'trond, en de arme vrouw, die wist wat er met haar was geschied, knielde bevend voor hem neder en bekende alles. — „Mijne dochter, zeide Christus, uw geloof heeft u gezond gemaakt; ga heen in vrede, en wees genezen van uwe kwaalquot;.

Terzelfder tijd berichtte men den overste der synagoog, dat zijne dochter was gestorven en het dus nutteloos was den Meester nog lastig te vallen. Christus sprak tot Jaïrus; „Vrees niet, doch geloofquot;. Toen verbood hij het volk en zelfs zijnen leerlingen behalve aan Petrus, Jacobus en Joannes, hem verder te volgen.

Toen hij voor het huis van Jaïrus kwam, zag hij veel volk en veel misbaar. De huilsters en klaagsters hieven hare armen omhoog, jammerden met loshangende haren, wrongen de handen en schreeuwden het uit met de tonen der fluitspelers.

ocr page 225

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 215

Christus ging naar binnen en zeidc tot de menschen: waarom maakt gij zoo'n misbaar en waarom weent gij? „Het meisje is niet dood, maar het slaaptquot;.

Zij lachten hem uit, omdat zij zeker waren dat zij dood was.

Hij zond al dat volk weg, nam de vader en de moeder van het meisje en zijne drie leerlingen meê en ging binnen de kamer waar het meisje lag. Hij vatte de hand der doode en sprak:

— „Meisje, sta op!quot;

Het meisje stond op en ging. Christus gelastte haar eten te geven. De ouders stonden verbaasd maar mochten naar het verlangen van Christus niets van het voorgevallene vertellen.

Bij zijn heengaan gaf Christus nog aan twee blinden ') het gezicht, aan een doove het gehoor terug en joeg den duivel uit een bezetene.

Al deze wonderen oefenden een onweerstaanbaren invloed op het volk uit, dat luide riep: „Zoo iets heeft men nooit gezienquot;. Maar de pharizeën beginnen met de beschuldiging voor den dag te komen, dat hij in naam des duivels de duivelen uitdrijft. Later zal Christus op die beschuldiging antwoord geven.

Een of twee dagen later, het was sabbath ') en wel de eerste van het tweede jaar dat op het sabbath-jaar1) volgde, wandelde Christus langs de korenvelden; zijne leerlingen die hem vergezelden, plukten eenige aren af, wreven die in hunne handen uit en ateu de graankorrels op. De pharizeën waren geërgerd.

— Waarom, zeiden zij tot hen, doet gij wat verboden is op den sabbath te doen?

1

) Vgl. Wiescher Chronologische Synopse. p. 225, 353. Hambourg, 1843.

ocr page 226

216 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

Christus antwoordde hun; Hebt gij nooit gelezen, wat David deed, toen hij gebrek had en honger leed, hij, en zij die met hem waren? Hij ging in het huis van God, at de toon-brooden, die alleen door de priesters mochten gegeten worden en gaf daarvan aan hen die met hem waren. Veroordeelt gij David en de zijnen? Veroordeelt gij Abiathar den Hooge-priester, die hem de toonbrooden gaf? Waarom veroordeelt gij dan onschuldigen?

Voor nood en gebrek moeten de ritueele voorschriften dei-Wet wijken; indien ze de eenen verontschuldigen dan doen ze dat ook de anderen.

Gij beroept u op uwe Wet die allen arbeid verbiedt; maar slachten uwe priesters de offerdieren niet in den tempel op den sabbath? en toch zijn zij niet schuldig. „Weet, dat de mensch niet is gemaakt om den sabbath, maar de sabbath om den menschquot;. Overigens „de zoun des menschen is Heer ook van den Sabbathquot;.

Niets stuitte de pharizeën meer tegen de borst dan dat hij zich boven Mozes plaatste en boven de Wet. Hun haat werd feller tegen hem, dien zij niet willen erkennen en wiens teekenen zij verwerpen.

Den volgenden sabbath ') was er in de synagoge een man met een verdorde hand. De pharizeën en schriftgeleerden brachten bij het zien van dien man de sabbaths-rust ter spraak. De mannen der Wet nu lieten het een en ander toe om een dier uit den nood te redden 2). Zij vroegen nu aan Christus: — Is het geoorloofd op den sabbath te genezen ? zij kenden zijn antwoord vooruit; maar zij wilden hem in minachting brengen bij het volk voor wie hunne verklaring der Wet voor onfeilbaar gold.

Christus versloeg hen met hunne eigene beginselen.

„Wat mensch zal er onder u zijnquot;, antwoordde hij, „die

') llattli. XII, 9 vv.; Marc. III, 1-6; Luc. VI, 6-11. ') Talmud Hierosol., Joma, fol 62, 11.

ocr page 227

DE PllEDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 217

één schaap heeft, en zoo het op den sabbath in eene groeve gevallen is, het niet zal vastgrijpen en optrekken ? Is een mensch niet meer dan een schaap?quot;

Voorts sprak hij tot den man met de verdorde hand: — „Sta op en ga daar in 't midden staanquot;. Hij richtte zich op en stond daar.

Christus sprak toen tot de pharizeën: — „Is het op den sabbath geoorloofd goed of kwaad te doen? een leven te redden of te dooden? Antwoord mijquot;.

Zij zwegen.

Over deze verblinding bedroefd zag Christus hen met gramschap aan. — „Steek uw hand uitquot;, zeide hij tot den zieke. Hij stak haar uit en zijn hand was hersteld.

Die verstokten van harte worden door het wonder niet bekeerd, maar beschaamd, en hunne schaamte keerde om in afkeer en spijt.

Na dit voorval waren de pharizeën nog meer verbitterd dan ooit. Zij schuilen bijeen en peinzen op middelen om zich van Christus te ontdoen.

VIERDE HOOFDSTUK.

De bergrede.

Terzelfder tijd dat de overpriesters en schriftgeleerden zich met grootere felheid tegen Christus verzetten, wordt het aantal zijner volgelingen grooter. Zij stroomen van alle kanten toe, om hem te zien, te hooren en aan te raken. Alle zieken werden genezen, op het bevel van zij ne mond of bij het aanraken van zijne hand. En zoo groot is de toevloed van het volk, dat zijne leerlingen moesten zorgen

ocr page 228

218 DE PBEDIKINü IN GALILEA. —

altijd een scheepje bij de hand te hebben, wanneer hij wandelde langs het strand ').

Bij het zien van al dat volk dat daar vermoeid heen dwaalde als een kudde zonder herder, werd hij door medelijden bewogen, en hij vergeleek het met een korenveld.

- „De oogst is grootquot;, zeide hij tot zijne leerlingen, „maar weinige zijn de arbeiders; bidt dan den Heer des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitzendequot; quot;).

In die dagen trok hij zich op zekeren avond heimelijk 1) terug op een der bergen aan het meer, om daar iu de stilte te zijn.

Eene oude en achtenswaardige overlevering wijst den Djebel Koroun-Hattin van dezen tijd als den berg aan, waarop hij dien nacht doorbracht in gebed.

Het is een op zich-zelf staande heuvel, ten westen en drie uren van Capharnaüm gelegen. Hij overheerscht de breede vlakte waardoor de weg van Akra naar het meer van Tiberias loopt, en ligt bij den ingang der engten van den El-Hamam. Zijne twee toppen, waaraan hij zijn naam dankt '), zijn door eene nauwe doortocht van elkander gescheiden. Tusschen beide steile hellingen, bezaaid met brokken steen, ligt een klein stukje grasland, dat daar schijnt neergelegd om er eene menigte van menschen bijeen te verzamelen. De beide hellingen der toppen benemen alle uitzicht naar het noorden en naar het zuiden en laten slechts den hemel zien. Op beider kruinen staat men in het volle licht. Eene groene en bezaaide vlakte omringt n daar van alle kanten, die in den oogsttijd eene zee van korenaren wordt, waaruit de Koroun-Hattin als een klein eiland oprijst. In het noorden staat daar hoog in de lucht de Hermon met zijn eeuwige sneeuw; in het oosten, op den achtergrond de hooge vlakten van den Djaulan, het oude land van

HET RIJK GODS.

1

) Matth. V, 1 ; Luc. VI, 12;

ocr page 229

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 219

Galaad en de schoone keten van den Hauran, wiens blanke top op eeno lichte, zwevende wolk gelijke. Aan uwe voeten ligt het meer van Genezareth, aan gepolijst metaal gelijk en gekleurd met alle kleuren die het licht eraan geven wil. In de lente wordt de heuvel nog gedekt met dezelfde anemonen en wilde leliën waarvan Christus het wit kleed bewonderde en ziet men nog in de lucht dezelfde onbezorgde en vroolijke vogelen vliegen, die door den hemelschen Vader worden gevoed zonder dat zij zaaien of arbeiden of in schuren verzamelen.

Op dezen berg bracht Christus den nacht door in het gebed en in het overwegen van het groote werk dat hij den volgenden dag zou verrichten.

Bij het aanbreken van den dag, toen zijne leerlingen en het volk bij hem waren gekomen, riep hij een bepaald getal van zijne leerlingen bijeen en koos uit dezen die hij wilde.

Het was een twaalftal, waarvan de namen door de drie eerste Evangeliön') twee aan twee worden opgegeven. Aan het hoofd van allen staat Simon, wien Christus den bijnaam van Steenrots of Petrus gaf, en met hem zijn broeder Andreas; Jacobus de zoon van Sebedeüs en zijn broeder Joannes, aan wie hij den bijnaam van „Boanergesquot; zonen van den donder, gaf; Philippus en Bartholomeüs, Thomas en Mattheüs de tollenaar. Jacobus, de zoon van Alpheüs, en Thaddeüs, Simon de Kananiter en Judas de Iskariother, die hem verraden heeft.

Geen van allen is geleerd of rijk. De tollenaar Levi of Mattheüs is wellicht de eenige die kan schrijven; de anderen zijn visschers oi werklieden; en toch - Christus maakt van hen apostelen. Zij moesten bidden om arbeiders in den oogst; hij zelf heeft den geheelen nacht gebeden; God de Vader heeft zijn Zoon verhoord; ziedaar de arbeiders van het eerste uur.

') Matth. X, 2-4; Marc. III, 16-19; Luc. VI, 14-16. Vgl. Act. I. 13.

ocr page 230

220 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET KIJK GODS.

Alle mensclielijke middelen om het Rijk Gods te verkondigen heeft Christus veracht. Van zulke stoutheid kent de wereld geen ander voorbeeld. Christus heeft slechts zijnen Geest; en om apostelen te maken moet hij slechts zijnen Geest mededeelen. Na deze keuze daalde hij met de twaalf van den kruin des bergs af, en hield stand op eene vlakte die een weinig lager was gelegen '); de groote hoop zijner leerlingen en van het volk wachtte hem daar en omringde hem.

Christus zette zich neder en sprak'):

— „Zalig zijn de armen van geest, want hun is het Rijk der hemelen.

„Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten.

„Zalig zijn zij die ween en, want zij zullen vertroost worden.

„Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid, want zij zullen verzadigd worden.

„Zalig zijn de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid verwerven.

„Zalig zijn de zuiveren van harte, want zij zullen God zien

„Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen kinderen Gods genoemd worden.

„Zalig zijn die vervolging lijden om de rechtvaardigheid, want hun is het Rijk der hemelen 3).

Het ideaal van alle kennis en geluk, dat voor den mensch was verloren gegaan, was nooit te voren in dezen vorm met zulke bazuinstooten de wereld ingeworpen.

') Do schijnbare tegeustrüdighcid, die tusschen den H. Mattheüs en den II. Lucas bestaat, verdwijnt zee van zelf. Do bergrede werd inderdaad op den berg uitgesproken gelijk de H. Mattheüs verhaalt, maar beneden de kruinen van den Koroun-Hattin, op de vlakte die tusschen beide kruinen ligt, zooals de H. Lucas bericht.

2) Ik weet niet waarom ik met anderen deze bergrede slechts ecu vorm zou noemen waarin de H. Mattheüs verschillende verspreide uitspraken van Christus heeft büeengobracht.

') Matt. V, 2 vv.; Luc. VI, 20 vv.

ocr page 231

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 221

Het geluk is slechts voor hem die lid is van het Rijk Gods. Wie het elders zoekt, dwaalt, en bereidt zich bittere teleurstellingen.

Maar welke weg voert tot dat Rijk van God! De verloochening van al het geschapene en de armoede van geest. Niemand zal den Eemel binnengaan die niet zachtmoedig is en nederig of een anderen wil dan den wil des Vaders heeft.

De goddelijke vertroostingen zijn voor de weenenden en verzadigd zullen alleen die zielen worden, die hongeren en dorsten naar de rechtvaardigheid. Alleen door zelf barm-hartig te wezen zal men van God vergiffenis krijgen, en alleen door oen zuiver hart zal men God zien; om door God zijn kind te worden genoemd, moet men vreedzaam zijn, alle geweld laten varen, gramschap en twist vermijden, en met de menschen als broeders leven, als zonen van denzelfden hemelschen Vader.

De voorwaarde en het onderpand van het leven wordt juist dat wat de loochening van dat leven schijnt. De armoede, de nederigheid, de tranen, de vervolging der recht-viiardigon, het edelmoedig opgeven van zijn rechten, het vuVzakcn van alles wat de zuiverheid des harten stoort, de liefde tot den vrede, de zachtmoedigheid die van geen geweld wil weten, de vervolging in deze wereld, waar de machtigen er altijd op uit zijn om de zwakken te verdrukken en de gerechtigheid te krenken: ziedaar de weg naar het Rijk van God.

De leerlingen hebben reeds den eersten stap op dien weg afgelegd.

Nu dringt Christus nog meer aan op het geluk, dat zij zullen smaken , die vervolging lijden om de rechtvaardigheid.

— „Zalig zijt gijquot;, zeide hij, „wanneer de menschen u beschimpen en vervolgen zullen en al liegende', u van allerlei kwaad zullen beschuldigen om mijnentwilquot;.

„Verheugt en verblijdt u! omdat uw loon groot is in den Hemelquot;.

De mensch spreekt hier niet meer, maar de Zoon van

ocr page 232

222 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

God, die zich-zelven éen maakt met de gerechtigheid: wie om zijnentwil lijdt, lijdt ter wille der gerechtigheid.

— „Overigensquot; voegde hijerbij, „vervolging is het lot dei-profeten, die vóór u geweest zijnquot;.

Toen sprak hij tot hen over het groote werk van hunne zending als apostelen en hunne plichten.

— „Gij zijt het zout der aardequot;, maar wacht u wel smakeloos te worden. Het smakelooze zout is goed om weggeworpen en door de menschen vertreden te worden. Gij zijt het licht der wereld. Men steekt geen lamp aan om haar onder de korenmaat te zetten, maar op den kandelaar, opdat zij schijne voor allen, die in het huis zijn.

Wanneer hij aan de toekomst denkt, aan het groote aantal zijner volgelingen in lateren tijd, vergelijkt hij dezen met eene stad op eenen berg gebouwd. Kan zoo'n stad verborgen wezen?

— „Dat uw licht voor de menschen schijne, gelijk eene lamp in het huis; en zij door goede werken ziende, uwen Vader verheerlijken die in den hemel isquot;.

Christus maakte altijd groot verschil tusschen de Wet en de menschelijke inzettingen daarvan. De pharizeën mengden beide onder een. Hij onderwierp zich aan de Wet maar bleef tegenover de inzettingen der menschen vrij.

De pharizeën verklaren hem voor een overtreder der Wet; en om nu de leerlingen tegen deze beschuldiging te wapenen , neemt hij het voor de heiligheid der Wet en der profeten op. Hij komt niet, zegt hij, om de Wet of de profeten at te schaffen; hij is geen oproermaker, maar een goddelijke invoerder van nieuwigheden; zijn Wet moet de oude Wet volmaken.

„Neenquot;, roept hij uit op een toon van gezag, „ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om zo te volmakenquot;. Want voorwaar ik zeg u: hemel en aarde zullen niet vergaan, voordat de geheele Wet tot de laatste letter of stip vervuld is; en zelfs wie éen van die geringste geboden

ocr page 233

DE PEEDIKINiï IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 223

overtreden en de menschen aldus geleerd zal hebben, zal in het Kijk der hemelen voor niets worden geteld, doch wie ze onderhouden en zoo den menschen geleerd zal hebben zal groot wezen in het Rijk der hemelen.

Ook zeg ik u, zeide Christus tot zijne apostelen sprekend , „indien uwe gerechtigheid niet overvloediger is dan die dei-schriftgeleerden en pharizeün, zoo zult gij het Rijk der hemelen niet binnengaanquot;.

Nu begint hij door verschillende voorbeelden hun duidelijk te maken, wat er in de vele inzettingen dier schijnheiligen onvolmaakt is en onwaar.

„Gij hebt gehoord, dat tot de Ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan: wie doodslag begaat, zal door het Gerecht worden gevonnisd en den dood sterven '). De schriftgeleerden nu hebben over den doodslag, over de verschillende gevallen waarop hij kan begaan, over de verschillende straffen wanneer hij moet gestraft worden veel geredekaveld, maar zij zijn bij de misdaad gebleven zonder op te klimmen tot de geheime oorzaak waaruit hij voortkomt. En ik zeg u: al wie zich vertoornt op zijnen broeder zal schuldig zijn voor het oordeel van God; en wie tot zijn broeder zegt „Racaquot;'-) zal door het Sanhedrin veroordeeld worden; en die tot hem zegt: dwaas, zal tot het vuur der Gehenna veroordeeld wordenquot;.

Door de pharizeën werd de niet onmiddelijkc doodslag aan het oordeel van God overgelaten; onmiddelijke doodslag hoorde bij het Sanhedrin thuis, dat dezen strafte met

') Exod. XX, 13; Deut. V, 23.

2) Raca in 't hebreouwsch Jieck is eene volksuitdrukking, die by de hebreeuwsche schrüvers zeer in gebruik is en een zekere verachting te kennen geeft. Het heeft de beteekenis van Afi^or en duid een mensch van niets aan. JMtüoe. Eene zware beleediging die door het woord dicaas niet goed wordt weergegeven. Dit woord komt dikwerf in de Spreuken voor en beteekent altyd een slecht mensch, van allen geesteiyken zin verstoken en zoo goed als verdoemd.

ocr page 234

224 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

den dood en in sommige gevallen bepaalde , dat de lichamen der veroordeelden moesten onteerd worden. Het lijk van den veroordeelde werd dan verbrand in de vallei van Gihon (de gehenna), waarvoor de Joden altijd vol afschuw waren, omdat hunne vaders daar eenmaal hunne kinderen aan Moloch geofferd hadden ').

Door deze verschillende straffen op den inwendigen gramschap, op een woord van verachting en op eene grove be-leediging toe te passen, geeft Christus te verstaan, dat hij niet alleen de uitwendige en brutale daad veroordeeld, maar zelfs het woord en de verborgen gemoedsstemming waaruit het woord en zelfs de misdaad voortkomt. Alle kwaad moet gestraft worden, en de rechtvaardigheid wil, dat de straf aan de misdaad evenredig zij; de zonde zal niet alleen voor de menschen gestraft worden, maar ook door God gewroken worden, want zij besmeurt de ziel, over wie God alleen de rechter is.

— Daarom, „zoo gij uw gift naar het altaar brengt en daar u herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft; laat uw gift daar voor het altaar, en ga u eerst verzoenen met uwen broeder; en dan terug gekomen, zult gij uwen gift offerenquot;.

Ja, stem met uwen tegenstander spoedig overeen, terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat niet de tegenstander u overlevere aan den rechter en de rechter u over-levere aan den dienaar, en gij in de gevangenis wordt geworpen. Voorwaar ik zeg u: gij zult daar niet uitkomen, voordat gij den laatsten penning betaalt2).

') Vgl. Talm. UierosoL, Bava Karna. fol. 5, 2.

') Hot kleine geld by de joden van dien tyd bestond uit oen penning, met eene waarde van 44 cents; méah, of hot zesde van een penning; de pondion, of halve méah; de as o{ halve pondeon, de semisse of halve as, de verrel of halve semlsse, de prutah, in 'tgrieksch lepte, of halve verrel. In een ponning gingen zes en negentig verreis. Talmud. Hierosol., Kidduschin fol. 58, 4; Maimon, Schekolin hoofdstuk I.

ocr page 235

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET BUK GODS. 225

Evenals bij alle zonden van gramschap en toorn, gramschap de wortel en doodslag de vrucht is, ook zoo beginnen de zonden van begeerlijkheid met een schuldig verlangen om in overspel te eindigen. De schriftgeleerden en phari-zeën bemoeiden zich alleen met het uiterlijk kwaad; Christus roeit de wortel van het kwaad uit.

— „Gij hebt gehoord, dat tot de Ouden gezegd is: gij zult geen overspel bedrijven. Doch ik zeg u: al wie eene vrouw aanziet om haar te begeeren, heeft reeds overspel gedaan met haar in zijn hartquot;.

De slechte begeerte wordt door de gelegenheden opgewekt en met deze woorden, die van eene ongehoorde gestrengheid getuigen, beveelt Christus de gelegenheden te ontvluchten:

— „Indien uw rechteroog u ergert, ruk het uit en werp het ver van u; want het is beter voor u, dat éen uwer leden verloren ga, dan dat geheel uw lichaam in de gehenna van het vuur geworpen wordtquot;.

— „Indien uwe rechterhand u ergert, houw haar af, en werp haar ver van u; want het is beter voor u, dat éen uwer leden verloren ga, dan dat geheel uw lichaam in de gehenna van het vuur gaquot;.

De Meester geeft aan de lagere hartstochten niets toe; hij wil de volstrekte reinheid. De trek naar het zinnelijke moet in de meest verborgen begeerte onderdrukt worden. Op die wijze legt Christus den grondslag voor de reinheid dei-zeden en verzekert hij de vrijheid des geestes. Het huwelijk wordt door hem weêr voor onontbindbaar verklaard. Zonder bepaaldelijk het wegzenden, door Mozes geduld, te verwerpen, veroordeelt hij het misbruik wat daarvan, met toelating der schriftgeleerden, gemaakt werd en waardoor het huwelijk werd eene vermomde veelwijverij ').

') De school van Hillel was iu dat punt betreurenswaardig toegevend; zü dulde dat eene vrouw, die het eten van haar man te zout maakte of liet aanbranden, kon worden weggejaagd. Do leerlingen uit de school van Scharamaï waren strenger en. lieten dat wegzenden van de vrouw slechts toe, wanneer zy overspelig was.

1

15

ocr page 236

226 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

„Daar is ook gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, die geve haar een scheidbriefquot;, alsof zoodanig eene akte, behoorlijk opgesteld, elke wegzending rechtvaardigde. „Doch ik zeg u, al wie zijne vrouw verstoot, uitgenomen om overspel, maakt, dat zij overspel bedrijft; en wie eene verstootene vrouw trouwt, bedrijft overspelquot;.

Christus, men weet het, laat de ontbinding niet toe, maar slechts de scheiding van tafel en bed.

Het huwelijkscontract zal voortaan bij de wet geregeld worden; en de vrouw, door de wet in bescherming genomen, zal aan de heerschzucht, aan het geweld en aan de willekeur van den man ontkomen.

Bij de joden was ook de leer over den eed ver van de waarheid afgedwaald. De Wet zeide: „Gij zult geen meineed doenquot; '). De leeraars hielden zich daar streng aan, terwijl zij zich weinig bekreunden over den lichtvaardigen en ijdelen eed, en er slechts op letten of het bezworene waar was. Zij maakten er zelfs een godvruchtig werk van bij alle gelegenheden de eeden te vermenigvuldigen Zij zwoeren bij God en bij de schepselen, maar de eed bij de schepselen gedaan was in hunne oogen niet geldig. Zij hadden ook uit eigen belang allerlei dwaze onderscheidingen uitgedacht: zoo was de eed bij den Tempel en bij het altaar voor hen niet geldig, maar de eed bij het goud van den Tempel en bij de offergave was bindend voor het geweten.

Deze leeraars begrepen, dat het goud in de offerbussen van den Tempel geworpen, en het vleesch als offergave aangebracht, — wat het eigendom der priesters werd —

•) Levit. XIX, 12.

2) Om billyk te zyn moet men opmerken, dat enkele rabbijnen te^en dit gebruik zich hebben verzet, maar in een anderen geest als Christus. Zij zagen daarin slechts een gevaar, eene gelegenheid tot meineed. „Wees niet uitgelatenquot;, zeiden zij, ..noch in het zweren, noch in het lachenquot;. (Tract. Demai, Cap. 2).

ocr page 237

DE PREDIKING IN (ÏALILEA. — HET RIJK fiODS. 227

hierdoor heiliger en meer onschendbaar in de oogen der joden zou worden.

Met éen woord werpt Christus al deze verkeerde uitleggingen omver, en geeft hij aan het geweten zijne goede richting. Men moet niet alleen den meineed laten maar ook eiken onnoodigen eed.

„Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: gij zult geen misdaad doen, maar voor den Heer uw eed houden. Doch ik zeg u, in 't geheel niet te zweren; noch bij den hemel, want het is de troon van God; noch bij de aarde, want het is de rustbank zijner voeten; noch bij Jerusalem, want het is de stad des grooten Konings; noch bij uw hoofd zult gij zweren; want gij kunt niet een haar wit of zwart maken; maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen; wat daar nog bij komt is uit den Boozequot;.

In den eed ligt opgesloten gebrek aan vertrouwen van de menschen onderling. Indien men iemand op zijn woord gelooft; waarom zou men dan God tot getuige nemen in de zaken van het gewone leven? Die elkander liefhebben gelooven elkaar; de leerlingen van Christus moeten elkander liefhebben, en behoeven dus niet te zweren. Voor hen moet de eed niet anders dan de plechtige bevestiging der waarheid zijn, een getuigenis voor de waarachtigheid van God, die ons niet kan bedriegen, en voor de broosheid van den mensch wiens woord altijd zelfs bij de hoiligsten voor dwaling vatbaar is.

Een harde, vreeselijke wet was in de oude wereld overal geldig: de wet der wedervergelding: jus talionis.

Het doel van den wetgever was: met deze wet het wraak nemen binnen perken te brengen; door deze wet moest het menschelijk beest worden in toom gehouden. De overleveringen van de leeraars der Wet hadden boeten gesteld in de plaats van lichamelijke wraakoefeningen, maar het grondbeginsel waaruit de wet voortkwam laten bestaan. Christus matigt nu de rechtvaardigheid door de barmhar-

ocr page 238

228 DE PREDIKING IN GALILEA. - HET RIJK GODS.

tigheid en verbiedt alle wraak van do menschen in hun persoonlijk verkeer met elkaar.

„Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Doch ik zeg u: geen wederstand te bieden aan den kwaaddoener; en mocht iemand u op de rechterwang geslagen hebben, keer hem dan ook de andere toe; en die met u voor het gerecht wil gaan om uw onderkleed te nemen, laat hem ook uw mantel, en wie u dwingen wil duizend schreden met hem te gaan, ga er nog twee andere duizend met hem. Geef dengene die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem, die van u leenen wilquot;.

Zoo keert Christus den wolf om in een lam; hij veroordeelt niet de wettige verdediging noch het recht om te straften ter verbetering, maar hij gaat op een hooger standpunt staan en vertoont aan zijne leerlingen het ideaal der zachtmoedigheid.

Boven de natuurlijke wet der aardschgezinde menschen stelt Christus de wet der kinderen Gods. Hij wil, dat men voor den kwade uit den weg gaat, en hem niet wederstaat. Door weerstand kan hij getemd, door zachtmoedigheid kan hij bekeerd worden. Aan dit teeken zal men de leerlingen erkennen van hem, die zich vrijwillig overgaf aan zijne beulen '). Bovenmenschelijke leer, die zoovele martelaren heeft gekweekt en immer kweeken zal! Waar zij doordringt , verandert zij het zwaard in een kruis; de mensch houdt op zich te wreken en te dooden, hij leert vergeven en sterven.

Die niet liefheeft, die niet door den Geest Gods is hervormd , zal misschien de verhevenheid dezer wet bewonderen, maar hij zal haar niet begrijpen, want in de volmaakte liefde alleen vindt zij haar grond van bestaan. Christus gaat nu deze volmaakte wet der liefde onder woorden brengen. Heidenen noch joden hebben daarvan de diepte gepeild, omdat noch de eenen noch de anderen den

') Isaïas. XLIX, LUI.

ocr page 239

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 229

evenmensch wisten lief te hebben niet alleen, maar omdat zij niet begrepen, wie die evenmensch was.

De vreemdeling en de barbaar, was bij de heidenen de vijand; en bij de joden was de heiden gehaat. De schriftgeleerden waren van nog bekrompener omvatting dan dc heidenen. Voor hen was de naaste slechts de Israëliet, de godsdienstige Israëliet. Alle anderen werden, met inbegrip der Samaritanen, door hen gehaat.

Aan deze noodlottige dwaling maakt Christus een einde.

— „Gij hebt gehoord, dat u gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand zult gij hatenquot;.

„Doch ik zeg u: hebt uwe vijanden lief, doet wel aan die u haten, en bidt voor hen die u vervolgen en belasteren, opdat gij kinderen moogt zijn van uwen Vader die in den hemel is, die zijn zon doet opgaan over goeden en kwaden en het doet regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigenquot;.

„Want indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon zult gij hebben? doen ook de tollenaars dat niet? En indien gij leent aan hen, van wie gij hoopt weder te leen te ontvangen, want dank hebt gij? want ook de zondaars leenen aan zondaars, opdat zij gelijkelijk weder te leen ontvangen. Én indien gij uwe broeders alleen groet, wat voortreffelijks doet gij? doen ook de heidenen d;xt niet?quot;

„Maar gij, hebt uwe vijanden lief; doet wel en geef te leen, zonder iets daarvan te hopenquot;.

„Weest dan volmaakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt isquot;.

De naastenliefde is door Christus tot hare hoogste volmaaktheid gebracht. Het voorbeeld van den hemelschen Vader, ziedaar uwe wet; zijn Geest, ziedaar uw kracht. Uw Vader is goed, zijt ook gij goed; hij heeft deboozen — zijne vijanden — lief, doet gelijk hij: hebt uwe vijanden lief.

Alle die meesters, die slechts van recht spreken en zich als gidsen opwerpen, zijn voor Christus blinden; en op hen doelend zegt hij:

ocr page 240

230 DE PREDIKING IN GALILEA.. — HET RIJK GODS.

— „Kan een blinde wel eenen blinde leiden? Vallen zij nieb beiden in den kuil? Een leerling is niet boven den meester. Zijn grootst verlangen is aan zijn meester gelijk te zijnquot; ').

Van de meening hangt grootendeels de rechtvaardigheid van het werk af. Is zij goed dan is het werk goed, is zij slecht dan is ook het werk slecht.

Welnu, uit uwe geheime hoovaardij komen vele werken voort. Aan deze werken ontbreekt dus de goede meening. De werken van godsvrucht zelve gaan aan dit euvel mank, en de werken der pharizeën kunnen tot voorbeeld dienen.

— „Ziet toe, dat gij uwe goede werken niet doet voor de menschen, om van hen gezien te worden; anders zult gij geen loon hebben bij uwen Vader die in den hemel isquot;.

— „Wanneer gij eene aalmoes geeft, bazuin het niet voor u uit, gelijk de huichelaars doen in de synagogen en op de straten, om door de menschen geëerd te worden; voorwaar ik zeg u: zij hebben hun loon reeds ontvangenquot;. Zij zoeken hun eigen glorie en vinden haar; laat hen daarin blijven.

— „Maar als gij eene aalmoes geeft, dat uwe linkerhand dan niet wete wat uw rechter doetquot;. Dat uwe aalmoes in het verborgen zij alleen voor uwen Vader; „en uw Vader die in 't verborgen ziet, zal het u vergeldenquot;.

De strenge pharizeën maakten zelfs met hunne gebeden vertooning.

Dat verbiedt Christus aan zijne leerlingen.

— „Wanneer gij bidt zult gij niet zijn gelijk de huichelaars , die er behagen in scheppen, om in de synagogen, en staande aan de hoeken der straten, te bidden, opdat zij van de menschen gezien worden. Voorwaar ik zeg u, zij hebben hun loon ontvangenquot;.

') Luc. VII, 30 en 40.

ocr page 241

DE PREDIKING IN GALILEA. — HEÏ RIJK GODS. 231

„Maar gij, wanneer gij bidt, ga in uw binnenkamer, en de deur gesloten hebbende, bid uwen Vader in het verborgen : En uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden.

„Wanneer gij bidt, zult gij niet veel spreken gelijk de heidenen; want zij wanen, dat zij om de veelheid van hunne woorden verhoerd zullen worden.

„Wordt hun derhalve niet gelijk; want uw Vader weet, voor dat gij hem bidt, wat gij van nooden hebt.

„Zoo, dan zult gij bidden.

„Onze Vader, die in de hemelen zijt! Geheiligd zij uw naamquot;.

„Laat toekomen uw rijk! uw wil geschiede op aarde als in den hemelquot;.

„Geef ons heden ons dagelijksch broodquot;.

„En vergeef ons onze schulden, gelijk wij ook vergeven onzen schuldenaren.

„En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van den kwade. Amenquot;.

Ziedaar het gebed in zijn meest idealen vorm. Zoo spreken de kinderen Gods tot hunnen Vader.

De woorden van dit gebed komen voort uit Christus' ziel en vertolken ons in menschelijke klanken de onuitsprekelijke verzuchting van den Geest in alle harten waarin Hij woont').

De ijdelheid der pharizeën openbaarde zich ook in het vasten. Zij hadden de vastendagen niet alleen menigvuldiger maar ook zwaarder gemaakt, om door het volk bewonderd te worden. Om die reden zeide hij: volgt hen daarin niet na, en laat aan anderen niet zien, dat gij vast.

De heiligheid onzer daden hangt vooral af van de meening waarmede zij gedaan worden. Daarom moeten zijne leerlingen

') Quid oremus, sicut oportet, nescimus; sed ipse Spiritus postulat pro nobis gemitibus iuenarrabilibus. Rom. VIII, 26.

ocr page 242

232 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

ook niet werken voor de schatten dezer aarde, maar voor den hemel.

„Wilt ii geen schatten vergaderen op de aarde maar in den hemel. Want waar uw schat is daar is ook uw hartquot;.

Hij vergelijkt de liefde en de meening door liefde gelouterd met het oog dat ons verlicht').

„Het oog is het licht uws lichaams; indien uw oog slecht is, zal geheel uw lichaam duister zijn. Ook zoo, indien het licht dat in u is, duister is, hoe groot zal dan niet de duisternis zelve zijn ?quot;

Twee soorten van liefde, die elk voor zich oppermachtig willen zijn, kunnen in ons hart niet bestaan: „Niemand kan twee heeren dienen; want hij zal of den een' haten en den ander' liefhebben, of hij zal zich aan den een' onderwerpen en den ander' verwaarloozen. Gij kunt niet God dienen, en den Mammon 1)quot;.

Christus veroordeelt met deze woorden niet allen arbeid van den mensch, waardoor hij rijk kan worden, maar hij veroordeelt de ongeregelde liefde tot de valsche goederen dezer wereld, waardoor de arbeid en de vrijheid in zelfzuchtig genot verloren gaan. Wanneer hij den mensch herinnert aan de liefde des Vaders, die de vogelen voedt en de leliën kleedt, prikkelt hij juist op nieuw al zijn werkkracht, die hij vrij maakt van het stof, en waarvan hij alle krachten verhoogt.

Deze liefde van den hemelschen Vader is voor zijne leerlingen ook de bron van alle zachtmoedigheid.

1

) Een uitdrukking van syro-chaldeeuwschen oorsprong, die rijkdom, wellicht opeengehoopte, verborgen rijkdom, in 't hebreeuwsch Matmon beteekent. Vgl. Reuss, Bist. mangel, ad h. 1.

ocr page 243

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET HUK GODS. 233

— „Oordeelt niet, zegt Christus, opdat gij niet geoordeeld wordtquot;.

„Waarom ziet gij den splinter in het oog irws broeders, maar den balk in uw eigen oog ziet gij nietquot;?

Die zachtmoedigheid en goedheid moeten echter niet blind wezen, en daarom:

— „Geeft het heilige niet den honden, en werpt uwe paarlen niet voor de zwijnenquot;.

Christus wil geen stil en lijdelijk vertrouwen dat allen eigen arbeid uitsluit. De liefde des Vaders spoort juist tot grooteren arbeid aan en wekt in de ziel groote verlangens op, waaruit vurige gebeden oprijzen. Om zijn eigen berekeningen te laten uitkomen, rekent de inensch op zich zelven ; maar de kinderen Gods, die aan het werk des Vaders arbeiden, hopen op Hem, want zij weten dat alle kracht zonder de zijne ijdel is, en buiten zijn wil niets geschiedt.

Opdat zij die kracht zouden verkrijgen en met de plannen van God medewerken, zeide Christus nog tot zijne leerlingen:

— „Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vindenquot;.

De Vader weigert niets aan het gebed, dat door den Geest wordt ingeblazen en door het vertrouwen wordt gesteund.

Een eenvoudige maar goddelijke formule omvat alle onze plichten, die wij jegens de menschen hebben te vervullen:

— „Alles wat gij wilt dat de menschen u doen, doet gij zoo ook aan hen. Want dit is de Wet en de Profetenquot; ').

Nadat Christus alle deze groote plichten heeft verklaard, wekt hij zijne leerlingen op tot volharding, neemt hen in bescherming tegen valsche leermeesters, waarschuwt hen voor eene godsvrucht, die zich niet in deugd en opoffering openbaart, en laat hen zien hoe zij, die op zijn woord als op een rots vertrouwen, onwrikbaar stevig staan.

') Matth. XII, 12.

ocr page 244

234 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

— „Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan. Hoe eng is de poort, en hoe nauw de weg, die tot het leven leidt, en hoe weinigen zijn er die hem vinden!

„Wacht u voor de valsche profeten, die in schaapsklee-dcren tot u komen, maar inwendig grijpende wolven zijn. Aan hunne vruchten zult gij hen kennen. Plukt men wel van doornen druiven, of vijgen van distelen?

„Zoo brengt elke goede boom goede vruchten, maar de kwade boom brengt kwade vruchten voort. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten.

„Iedere boom, die geene goede vrucht voortbrengt, zal uitgehouwen en in het vuur geworpen worden.

„Zoo dan, aan hunne vruchten zult gij hen kennenquot;.

De deugd is het teeken van den boom door God geplant en van den profeet door Hem gezonden.

„Niet een iegelijk, die tot mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het rijk der hemelen, maar wie den wil doet mijns Vaders, die in de hemelen is, die zal in het rijk der hemelen ingaan.

„In dien dag zullen velen tot mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgedreven, en in uwen naam vele wonderen gedaan? En dan zal ik hun verklaren: „Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt!quot;

„Die naar mijne woorden luistert en ze in beoefening brengt, is een wijs mensch die zijn huis op een steenrots heeft gebouwdquot;.

„En de slagregen valt neer, en de stortvloeden komen, en de stormen waaien en bestormen het huis, maar het is niet gevallen; want het was gebouwd op de rots. Maar die mijne woorden hoort en ze niet in beoefening brengt is een dwaas man die zijn huis gebouwd heeft op het zand.

ocr page 245

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET BUK GODS. 235

En de slagregen valt neer, en de stortvloeden komen en do stormen waaien en hebben het huis bestorrad, en het is gevallen, en zijn val was groot.quot;

De wijsheid der heidenen, en de zedenleer der joden is overtroffen. Wat de eene ten halve had laten zien, zet Christus in 't volle licht: wat de andere in losse omtrekken had geschetst, daarvan maakt Christus een schilderij. Geen wijze voor hem heeft niet op handige wijze iets aan de raenschelijke zwakheid en aan het kwaad toegegeven; bij Christus is er van geen toegeven spraak; hij spreekt het laatste woord van rechtvaardigheid en heiligheid en heeft alleen het recht volmaaktheid te eischen, omdat hij alleen daarvoor de kracht Gods den menschen mededeelt. Hij ontrukt de menschen aan hunne hartstochten, die hun meesters zijn, en brengt hen gelouterd tot den Vader, die in de hemelen woont, en die alleen hun het oneindige geluk en het leven zonder einde schenken kan.

Ziedaar de wetgevende arbeid van Christus in zijn vollen glans.

De ontwapende critiek knielt neer voor dit gedenkteeken waarin op goddelijke wijze alles in de hoogste orde verbonden is en van goddelijke kracht getuigenis aflegt,—voor dit gedenkteeken dat boven alles uitsteekt en Christus boven alle meesters tilt. Met de eeuwen is het gedenkteeken grooter geworden. Nog zien de menschen het met bewondering aan , gelijk de Galileërs het bewonderden aan 't meer; het is en blijft een richtsnoer en een steunsel voor allen, omdat het hun den weg aanwijst en het doel voor oogen houdt; het is de pyramide opgericht in het woelend zand van de woestijn waardoor de menschheid trekt.

ocr page 246

236 DE PREDIKING IN GALILEA.

VIJFDE HOOFDSTUK

Dc reis naar Na'im.

De bergrede is in het openbaar leven van Christus en in de vervulling van zijn Messiasambt een groote daad van volstrekt gezag. Als onafhankelijk Wetgever en Meester heeft hij zijn wet voorgeschreven, zijne voorschriften onder woorden gebracht en zijn Geest overgestort in alle menschen. Hij geeft niet als een gewoon profeet zijne bevelen in naam van God, hij spreekt in zijn eigen naam; hij verwerpt de Wet van Mozes niet, maar volmaakt haar en gaat boven haar uit; hij verwerpt alleen de menschelijke inzettingen der leeraars van het volk en komt tegen haar zoo krachtig mogelijk met beschuldigingen voor den dag; hij noemt zich den eenigen Meester naar wien men luisteren moet.

Deze houding verbittert de mannen van gezag in de officieele wereld, voor wie de nieuwe profeet slechts een oproermaker is, en bij het winnen van zijn arbeid in omvang en kracht • zet ook de haat zich uit tegen hem en worden bedreigingen en hinderlagen menigvuldiger: het was Gods wil, dat zijn arbeid in en door den strijd zou bloeien.

Doch de hemelsche Vader heeft voor Christus nu eenige stille dagen bereid, waarin hij de zieken genezen, de bedroefden vertroosten en de zondaren redden kan.

Christus daalde van den berg af, gevolgd door de menigte die te Koroun-Hattin bij hem gekomen en door zijn woord in verrukking was gebracht; hij kwam te Capharnaüm terug, waar hij slechts een korten tijd verbleef.

Daar was in die stad een hoofd der honderdmannen, waarschijnlijk een romeinsch soldaat in dienst van Herodes

— HET RIJK GODS.

ocr page 247

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 237

Antipas '). Deze heiden was door zijne milddadigheid bij de joden zeer gezien en was voor hun godsdienst blakend van ijver; het was een rechtschapen en goed man.

Een van zijn knechten was door eene beroerte getroffen en lag te sterven. Hij zond eenige ouderlingen tot Christus om hem de gezondheid van zijn knecht te vragen. Zij drongen bij den Meester hun verzoek aan, zeggende: Hij is waardig, dat gij dit voor hem doet; want hij heeft ons volk lief en heeft zelfs ons eene synagoge gebouwd.

Christus ging met hen meê en bij het huis komende werd hij door den hoofdman gezien. Deze vreesde hem in zijne woning te ontvangen en zond eenige vrienden om hem te zeggen, dat hij niet waardig was hem onder zijn dak op te nemen, dat een woord van Christus genoeg zou zijn, gelijk een woord van hetn-zelf het voor zijne ondergeschikten was.

Christus stond verwonderd over de nederigheid en het vertrouwen van dien man en sprak tot het volk:

— „Voorwaar ik zeg u; ik heb zelfs in Israël zoo groot een geloof niet gevondenquot;.

Christus wiens gedachten terstond altijd hooger en verdelgingen, zag in dezen man de heele heidensche wereld die eenmaal in hem, als hij verworpen was door de joden, zou gelooven, en daarom zeide hij:

— „Velen zullen van het Oosten en het Westen komen en met Abraham, Isailc en Jacob aanzitten in het rijk dei-hemelen; maar de kinderen des rijks zullen in de uiterste duisternissen geworpen worden: daar zal geween zijn en geknars der tandenquot;quot;-).

Vervolgens gaf hij antwoord aan de vrienden van den hoofdman zeggende:

') Matth. VIII, 5-15; Luc. Vllvl-10.

2) Buiten het Ryk Gods is de mensch in den nacht der duisternis en in de verschrikkingen van het kwaad. Hot eeuwige feestmaal met Abraham, Isaac en Jacob was by de joden een zeer bekende beeldspraak voor de eeuwige zaligheid. Christus hield van deze beeldspraak en gebruikte haar menigmaal. Buiten de feestzaal te worden geworpen in den yskouden nacht, beteekent de eeuwige verwerping.

ocr page 248

238 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

— „Gaat en zegt aan den hoofdman dat hem geschiedt gelijk hij geloofd heeftquot;.

Bij hun thuiskomst vonden zij, die gezonden waren, den knecht gezond.

Den volgenden dag verliet hij Capharnaüm, en nam den weg die van Damascus over den Thabor en de vlakte van Jizreël naar Jaffa leidt, en kwam na een of twee dagreizen in de nabijheid van eene kleine stad, Naïm. Hij was van zijne leerlingen gevolgd en van veel volk omringd.

Daar bij de poort ontmoette Christus de begrafenisstoet van een jongeling, den eenigen zoon eener weduwe.

Hij liet de dragers met de draagbaar stilstaan en sprak tot den doode:

— „Jongeling ik zeg u sta opquot;.

De jongeling stond op en begon te spreken; en hij die hem het leven had teruggegeven en wiens eigendom hij dus geworden was, gaf hem aan zijne moeder weder.

In verbazing riep het volk uit; — „Een groot profeet is onder ons opgestaan, en God heeft zijn volk bezochtquot;.

Deze is de tweede doode aan wien Christus het leven gaf. Het wonder van Naïm werd alom bekend en maakte ook in Judea diepen indruk. De openbare meening scheen voor Christus gewonnen.

De faam bracht Christus' wonderdaden aan de ooren van Joannes, den dooper, die nog in de kerker was. Indien iemand Christus' arbeid met oplettenheid gadesloeg was het deze gevangene van Herodes. Met zooveel ongeduld werd het Rijk Gods, dat hijzelf had aangekondigd, doorniemand verwacht. Van zijne gevangenis uit, in de sterkte van Macherous, leefde hij met Christus mede. De leerlingen van Joannes berichtten den gevangene voortdurend en boodschapten hem wat Christus deed en het volk van hem zeide.

Hij was bedroefd over het verzet van. pharizeën en schriftgeleerden maar meer nog over de kleingeestigheid zijner

ocr page 249

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 239

eigen leerlingen, die in Christus om zijne armoede en geringe afkomst, in weerwil zijner wonderen, den Messias niet wilden erkennen.

Om zijne leerlingen te overtuigen, koos hij het volgende middel, dat zijner groote ziel waardig was. Hij riep twee zijner leerlingen bij zich;

— Gaat tot Jesus, zeide hij tot hen, en vraagt hem: zijt gij het die komen moet? Of hebben wij eenen anderen te wachten ')?

Joannes erkent zijn onmacht, en wil, dat Christus zijne leerlingen overtuigt. Zoo legt hij eene openbare getuigenis af van zijn groot vertrouwen in hem en geeft hij tegelijker tijd eene gelegenheid aan Christus om zich voor den Messias te verklaren 1).

De Evangelisten zeggen ons niet waar Christus was, toen deze gezanten tot hem kwamen. Hij was echter wederom van veel volk omringd, genas de zieken, verdreef de duivelen en gaf aan de blinden het gezicht terug. De gezanten drongen door het volk en spraken:

— Joannes de Dooper heeft ons tot u gezonden met deze vraag: Zijt gij het die komen moet? Of hebben wij eenen anderen te wachten?

1

) Deze uitlegging van het gezantschap door Joannes tot Christus gezonden komt overeen met de eenstemmige overlevering van byna alle vaders en kerkleeraars , uitgezonderd Tertulliaan en Justinus. Tertull., De haptism, h. X, IV; Cont. Mardon c. XVIII; Just. Quaest. XXXVIII: Ad Orthodox. De rationalistische critiek wil natuurlyk van deze uitlegging niets weten, maar wil, dat Joannes in züne gevangenis aan hem begon te twyfelen.

Met deze laatste uitlegging zyn het karakter van Joannes en de duidelijke getuigenis van Christus in strijd. Een van Joannes meest sprekende karaktertrekken is juist zyne standvastigheid; welnu zulke naturen worden in de beproeving niet zwak maar veeleer sterk: en indien de gevangene van Herodes wankelde in zyne gevoelens omtrent Christus, hoe kiest Christus dan juist dit oogonblik van wankelen uit om hem boven alle profeten te verheffen en hem den waren Isaïas te noemen ?

ocr page 250

240 DE PREDIKING IN GALILEA.. — HET RIJK GODS.

Het antwoord was kort en krachtig.

— „Gaat en boodschapt aan Joannes hetgeen gij gehoord en gezien hebt: blinden zien, kreupelen wandelen, melaat-schen worden gezuiverd, dooven hooren, dooden verrijzen, den armen wordt het Evangelie verkondigdquot;. Hierop voegde hij er een woord van diepe droefheid en vol bedreiging tevens bij voor hen, die door deze teekenen niet wilden overtuigd worden: Zalig is hij die aan mij niet geërgerd wordt

De vraag, door Joannes aan Christus gesteld, lokte eene duidelijke verklaring uit, dat hij de Messias was. Het geheele leven van Joannes diende om Christus door het volk als den Messias te laten erkennen. Aan het einde van dat leven gekomen wil hij nu de verklaring hooren uit Christus' eigen mond.

En deze verklaring is in al hare bescheidenheid en korte eenvoud van verrassende klaarheid; zij geeft met weinige woorden de onafwijsbare teekenen en den aard van het werk des Messias' aan, en omsluit in zachten vorm eene ernstige waarschuwing.

De wonderen zijn de teekenen waaraan volgens den Profeet Isaïas de Messias zal zijn te erkennen. Maar zijn werk zal niet binnen een enkel volk omsloten zijn of van staatkundigen of stoffelijken aard. Niet een volk maar alle menschen moeten worden vrijgemaakt. „Aan de armen wordt het evangelie verkondigdquot;. Dit éene woord openbaart al de stoutheid der onderneming. De menschelijke wijsheid, die alleen tot de uitverkorenen spreekt en onbekwaam is tot de eenvoudigen door te dringen, is beschaamd gemaakt. Wat de rede niet vermocht zal God doen. Het genie dient tot niets, het hart is alles. Verheven gelijkheid van zijn Rijk: God bezoekt ons in onze ellende; en de kleinsten, en die het meest van hun onmacht zijn overtuigd, zijn de eersten, de ware grooten en de hoogste heiligen.

Christus' uiterlijke armoede en zwakheid, zijn minachten

') Luc. VII; Matth. XF.

ocr page 251

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 241

van de voorschriften der pharizeën, zijne zorg om zijn messiaswerk van eiken staatkundigen en aardschen, stoffe-lijken invloed vrij ce houden, zijne liefde voor de armen, tollenaars en zondaars — dat alles gaf ergernis aan de geleerdste , invloedrijkste, strengste en meest vaderlandslievende joden; — de leerlingen van Joannes ondervonden het — en die ergernis zal bij den dag grooter worden, in het kruis en den dood haar hoogste toppunt bereiken, en in den loop der eeuwen voortduren. Allen die slechts aan eigen wijsheid zullen gelooven en begeerig zijn naar genot, zullen de teekenen van den Verlosser miskennen en zich afkoeren van hem, dien zij voor dwaas en zwak zullen houden.

Tot alle deze geergerden richt Christus deze waarschuwing en klacht: „Zalig is hij die aan mij niet geërgerd wordtquot;.

De leerlingen van Joannes gingen heen.

Toen zij weg waren, begon Christus over hun meester tot het omstaande volk te spreken. Daar waren ook pharizeën en schriftgeleerden, die misschien aan het gezantschap van den profeet eene uitlegging gaven, even beleedigend voor Christus als voor Joannes. Hij verdedigde nu zijn voor-looper in eene voor het volk duidelijke rede van buitengewone kracht; hij prees zijne standvastigheid, zijne versterving en zijne grootheid als profeet.

— „Wat zijt gij in de woestijn gaan zien?quot; vroeg hij aan het volk. „Een riet door den wind bewogen?quot; Neen, zeker niet. Joannes was geen riet. Zijn onversaagde moed, zijne liefde voor de gerechtigheid, zijn onwankelbaar karakter, maakte hem gelijk aan den eik van het woud.

— „Maar wat zijt gij dan gaan zien? Een mensch in zachte kleederen gedoscht?quot; De versterving van Joannes was nog meer dan zijn wilskracht bij het volk bekend.

„Ziet, die zachte kleederen dragen zijn niet in de woestijn maar in de huizen der koningen.

„Maar wat zijt gij dan. gaan zien?quot; vroeg Christus met grooten aandrang. „Een profeet? ja, ik zeg u, en meer dan een profeetquot;. Hij-zelf niet alleen heeft voorspeld, maar

16

ocr page 252

242 DE PREDIKING IN GALILEA.. — HET BUK GODS.

hij is voorspeld geworden; want van hem is voorzegd: ziet ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht die uwen weg voor u bereiden zal.

„Voorwaar ik zeg u, onder degenen die van vrouwen geboren zijn is geen grooter profeet opgestaan dan Joannes de Dooperquot;. De anderen hebben den Messias van de verte uit gezien; hij heeft hem met den vinger aangewezen. Maar hoe groot hij ook zij „de minste in het Rijk der hemelen is grooter dan hij; want deze maakt met den Messias een lichaam uit en deelt aldus in de volheid van den Geest en deelt in de goederen van dat Rijk wat door Joannes slechts is aangewezenquot;. De Wet met hare voorafbeeldingen , alle de profeten met hunne voorspellingen tot Joannes toe, die de laatste is, maken alles voor dat verwachte Rijk gereed en kondigen het aan; en sedert Joannes gesproken heeft tot dezen dag toe haast het volk zich dat Rijk binnen te gaan; en de moedigen, de geweldigen nemen het in, want de poort is eng.

„Zegt niet, dat het Rijk Gods niet kan komen voordat Elias, zooals door Malachias is voorspeld, verschenen is; want indien gij van dat woord den verborgen zin wilt vatten: Elias die komen moet is Joannes.

„Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!quot; nogmaals spreekt Christus nu over de hoovaardigheid van hen die Joannes en hem niet willen erkennen.

— „Weet gij op wie de menschen van dezen tijd gelijken? zegt hij. Op kinderen die op de markt zitten en bruiloft en begrafenis spelen en tot elkander zeggen: Wij hebben voor u op de fluit gespeeld, en gij hebt niet gedanst; wij hebben klaagliederen gezongen, en gij hebt niet geweendquot;. Joannes kwam, at geen brood, dronk geen wijn, en gij zeidet:

„Hij is van den duivel bezeten. De Zoon des menschen komt etende en drinkende, en gij zegt: ziedaar een brasser en wijndrinker, een vriend van tollenaars en zondaarsquot;.

Alles is voor u eene ergenis: de versterving en het gewone dagelijksch leven.

ocr page 253

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET HUK GODS. 243

„Maar de zonen der wijsheid, zijne uitverkorenen, begrijpen en verheerlijken hemquot;.

Een treffende gebeurtenis zal van de waarheid dezer woorden getuigenis afleggen.

Een zekere Simon verzocht Christus ten eten '). Hij behoorde tot die pharizeën, die den Christus wantrouwden, omdat hij in Jesus het ideaal van den Messias naar de opvatting der pharizeën niet terugvond. Hij ontving Christus zonder eenig eerbewijs; men gaf hem geen water om zijne voeten te wasschen, geen vredekus, en men goot geen balsem uit op zijn hoofd. Als een gewone gast trad hij binnen en ging aan tafel aanliggen op de rustbedden, die voor de disch-genooten waren bestemd.

„En ziet, eene vrouw uit de stad, eene zondares, als zij vernam, dat hij in Simons huis aan tafel was, kwam de zaal binnen.

„Zij droeg een albasten kruik met balsem, kwam bij Christus, en van achteren aan zijne voeten staande begon zij zijne voeten met haar tranen te besproeien, droogde ze af met haar hoofdhaar, kuste ze en zalfde ze met den balsem.

„Toen de pharizeër, die hem genoodigd had, dit zag, sprak hij bij zich-zelven: indien deze een profeet ware zou hij gewis weten, w;e de vrouw is die hem aanraakt; want zij is eene zondaresquot;.

Toen zeide Christus, op die gedachte antwoord gevend; Simon ik heb u iets te zeggen, - Meester, hernam Simon, zeg het.

— „Een schuldeischer had twee schuldenaren: de een was hem vijfhonderd tienlingen schuldig, en de ander vijftig. Daar zij niet hadden om te betalen schold hij beiden kwijt Wie dan zal hem meer liefhebben?

„Ik meenquot;, antwoordde Simon, hij wien hij het meest

') Luc. XII, 36 — 50.

ocr page 254

244 DE PREDIKING IN' GALILEA. — HET HUK GODS.

heeft kwijtgescholden. Christus sprak tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.

Zich tot de vrouw , neergeknield aan zijne voeten, keerende , voegde hij er bij: ziet gij deze vrouw ? Ik ben in uw huis gekomen, en gij hebt mij geen water gegeven om mijne voeten te wasschen; maar zij heeft mijn voeten met tranen besproeid en met hare haren afgedroogd. Gij hebt mij geen kus gegeven; maar zij heeft, van dat zij gekomen is, niet opgehouden mijne voeten te kussen. Gij hebt mijn hoofd niet met olie gezalfd; maar zij heeft mijne voeten met balsem gezalfd.

„Daarom zeg ik u: vele zonden worden haar vergeven, omdat zij veel heeft liefgehad; maar hij wien minder vergeven wordt, heeft minder lief.

„Toen sprak hij tot haar: uwe zonden worden u vergevenquot;.

De dischgenooten waren verwonderd en geërgerd, en zeiden: Wie is deze, die ook de zonden vergeeft?

Maar Christus sprak tot de vrouw: „uw geloof heeft u behouden, ga in vredequot;.

Deze zondares wier naam het Evangelie uit fijn gevoel verzwijgt, wordt door de eenparige overleveringen Maria Magdalena genoemd.

Zij behoorde tot eene voorname familie en had eenen broeder, Lazarus, die groote bezittingen te Jerusalem had; hare zuster, met name Martha, woonde te Bethanië; zij-zelve had grondbezittingen in Galilea en woonde , aan de westzijde van het meer, te Magdala, waarvan zij haren bijnaam, Magdalena, heeft. Wellicht was Christus reeds bevriend met Lazarus en had hij te Bethanië van Martha reeds de gastvrijheid genoten, terwijl Maria Magdalena nog aan de vermaken der wereld haar geld en schoonheid offerde.

Gelukkige vrouw! uit wie, naar een ander woord van het Evangelie, zeven duivelen verdreven werden.

Deze onzichtbare uitdrijving van zeven duivelen is grooter wonder dan de verlossing van een bezetene wiens lichaam door den duivel op zichtbare wijze is in bezit genomen.

ocr page 255

DE PREDIKING IN GALILEA. - HET RIJK GODS. 245

De goedheid en beminnelijkheid van den Meester had haar aangetrokken.

Deze zondares ziet in Christus niet alleen den profeet dien zij vereert, maar den Zoon Gods dien zij aanbidt. Zij vraagt niet gelijk de anderen een stoffelijke weldaad, maar komt tot hem om de genezing van hare ziel te verkrijgen.

Maria Magdalena is het volmaakste toonbeeld van alle bekeerlingen; en h'j, door wien op zoodanige wijze de genade van berouw wordt geschonken, is niet alleen mensch, maar de eeuwige Goedheid en Schoonheid zelf, verschenen in de menschelijke natuur. Dat geven zijne woorden duidelijk te verstaan; want hij maakt zich éen met God die beleedigd wordt en vergeeft. Zijne godheid straalt hier uit. De liefde, die hij wekt, is de liefde tot God-zelven, die eene menigte van zonden bedekt.

De mensch verdwijnt en God openbaart zich in zijne onuitsprekelijke barmhartigheid; Hij is het, die door de bekeerde zondares wordt aangebeden.

— „Uwe zonden worden u vergevenquot;, zeide hij tot haar, „uw geloof heeft u behouden. Ga in vredequot;.

God alleen kan de zonden vergeven en den vrede schenken. Die het, gelijk Maria Magdalena, ondervonden hebben, begrijpen deze woorden; maar de overigen, die niet gelooven en niet liefhebben, gelijk de phaiizeën, ergeren zich en morren. Maar door Christus' uitverkorenen wordt de waarheid zijner woorden aan allen verkondigd.

Voortaan kan de zondaar hopen en vertrouwen. Het kwaad heeft een meester gevonden, 't Is voldoende voor den mensch, dat hij gelooft en zich bekeert, dat hij weent en bemint.

ocr page 256

246 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET EIJK GODS.

ZESDE HOOFDSTUK.

De parabels van het Eijk Gods.

De dagen , die volgden op de reis van Naïm en de bekeering van Maria Magdalena, worden geheel en al besteed om aan het volk het evangelie te verkondigen.

Christus' werkkracht is onuitputtelijk. Hij gaat, zegt het Evangelie '), van stad tot stad, van dorp tot dorp predikende, en verkondigende het Evangelie van het Rijk Gods, en de twaalf apostelen waren met hem. Hij heeft niets, geen huis, geen grond, en bekommert zich niet over zijn voedsel en kleeding. Maar de Vader voorziet in alles. Deze roept eenige vrouwen 2) om hem te dienen en alles voor hem veil te hebben. Sommigen van haar zijn door hem van booze geesten en krankheden genezen, en de dankbaarheid, zoo eigen aan de vrouw, heeft van haar trouwe dienstmaagden gemaakt. Na Maria de Moeder van Christus , komt de eerste van allen, Maria Magdalena, de bekeerde zondares. Men noemt ook Joanna, wier echtgenoot, met name Chusas, rentmeester van den tetrarch Herodes was, en een zekere Susanna, van wie alleen de naam bekend is. Zij waken met teedere zorgvuldigheid over den Meester en zijne leerlingen, besteden hun geld en goed ten dienste van hen, betalen de reis en verblijfkosten, dragen zorg voor het maal en kiezen de woning uit waar Christus met de zijnen moet verblijven.

Capharnaflm en het meer zijn nog altijd het middelpunt zijner reizen. Ze zijn ervan het begin en het einde. De toeloop van het volk wordt grooter en grooter, dat op een

') Luc. VIII, i. =) Luc. VIII, 2, 3.

ocr page 257

DE PBEDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 247

der heuvelen zich aan Christus' voeten nedervleit of op den oever van het meer bijeenstaat te luisteren , terwijl Christus het van een scheepje uit toespreekt.

Op zekeren dag zeide hij 'j:

„Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien, en terwijl hij het zaaide, viel een deel bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten het op.

„Een ander deel viel in steenachtigen grond, waar het niet veel aarde had; en het schoot terstond op, omdat het geen diepte van aarde had; maar als de zon was opgegaan, is het verbrand, en omdat het geen wortel had, is het verdroogd.

„Een ander deel viel onder de doornen, en de doornen zijn opgeschoten en verstikten het, en het gaf geen vrucht.

„Een ander deel eindelijk viel in goede aarde; en opschietende en wassende gaf het vrucht, en het ééne droeg dertig, het andere zestig, en het andere honderdquot;.

Toen waarschuwde hij zijne hoorders niet bij den letterlijken zin dezer woorden te blijven stilstaan, maar te trach. ten den verborgen zin ervan te begrijpen, en riep: „Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!quot;

De leerlingen begrepen de beteekenis van deze parabel niet en vroegen den Meester eene verklaring.

Hij sprak tot hen op eenigzins verwijtende toon: Verstaat gij deze gelijkenis niet? Indien gij deze niet begrijpt wier beteekenis zoo duidelijk is, hoe zult gij dan de andere gelijkenissen verstaan?

Daarna verklaarde hij deze duidelijke gelijkenis waarin het zaad het Woord Gods beteekent, en de verschillende soorten van grond, waarin het geworpen wordt, aan de soorten van menschen, die het hooren, beantwoordt.

De deugd is de vrucht van de leer.

Denkend aan de deugden zijner leerlingen zeide Christus tot hen: Gij zult de lamp Gods zijn. „Steekt men de lamp

') Matth. XIII, 1-25; Marc. IV, 1-20; Luc. VIII, 4-15.

ocr page 258

248 DE PREDIKING IN GAL ILEA. — HET RIJK GODS

aan om haar onder een korenmaat of onder het bed te zetten ? Is het niet om haar te zetten op een kandelaar?quot;

De Vader brengt alles tot de volmaaktheid en het licht.

„Er is niels verborgen, dat niet openbaar zal worden, en niets geheim, dat niet zal geweten wordenquot;.

Dit woord is in Christus en zijn werk volkomen waar geworden. De Geest die in hem was opgesloten, de waarheid in de parabels verborgen, hebben voor de geheele wereld hun glans geopenbaard, hun macht en kracht getoond.

Die levenskracht van het Rijk G-ods bespreekt Christus in eene parabel, wanneer hij het vergelijkt met het zaad dat in stilte wast en eindelijk vruchten voortbrengt') of met het mosterdzaadje quot;), dat het kleinste van alle zaden is.

Deze zelfde gedachte drukt hij uit in een ander beeld, wanneer hij het Rijk Gods vergelijkt met een zuurdeeg1), hetwelk een vrouw nam, en in drie maten meel vermengde» totdat het geheel verzuurd was.

Hier op aarde komt het Rijk Gods niet tot zijne volmaaktheid. Hier op aarde is het goed met het kwaad vermengd , daarom zegt hij:

— „Het Rijk der hemelen is gelijk aan een mensch die goed zaad op zijnen akker zaaide. Maar terwijl de menschen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden onder de tarwe en ging heenquot;.

De leerlingen begrepen deze parabel niet en daarom verklaarde hij haar:

„Die het goede zaad zaait, is de zoon des menschen.

„De akker is de wereld.

„Het goede zaad zijn de kinderen des Rijks; doch het onkruid zijn de kinderen des Boozen.

„De vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel; de oogst is de voleinding der wereld. En de maaiers zijn de Engelen.

1

) Matth. XIII, 33.

ocr page 259

DE PREDIKING IN GA LI LEA. — HET RIJK GODS. 249

„Gelijk nu het onkruid uitgewied en in het vuur verbrand wordt ook zoo zal de zoon des menschen in de voleinding der wereld zijne Engelen uitzenden: en zij zullen uit zijn Rijk alle ergernissen en degenen die ongerechtigheid doen, verzamelen, en werpen in de oven des vuurs. Daar zal geween zijn en knarsing der tanden.

„Dan zullen de rechtvaardigen in het Rijk huns Vaders blinken als de zonquot;.

Hier wordt ons de gansche strijd van het goed tegen het kwaad op de wereld verklaard. God wil het zoo, zijne dienaars moeten zich daaraan onderwerpen. Hij troost hen echter met het einde van dien strijd en het loon dat hen in den hemel wacht.

Deze gedachte geeft hem ook de parabel van het visch-net aan de hand. Het vischnet, dat in zee geworpen en met alle soorten van visschen opgetrokken wordt; maar de visschers zoeken de besten uit en werpen de slechten weg.

Christus is in parabels onuitputtelijk om zijne leer het volk in te scherpen.

„Het Rijk der hemelen is gelijk aan eenen schat in eenen akker verborgen, welken een mensch die hem vindt, verbergt; en van blijdschap daarover gaat hij heen, verkoopt al hetgeen hij heeft, en koopt dien akker').

„Het is ook gelijk aan een koopman die schoone paarlen zocht. Wanneer hij éen kostbare parel vindt, gaat hij heen, verkoopt alles om haar te koopen 2).

De mensch moet alles veil hebben om het Rijk Gods te verkrijgen. Geen offer is voor dat Rijk te zwaar.

Christus' geheele leer met al hare hoofdpunten is in deze parabels opgesloten.

De waardigheid en het goddelijk ambt van den Meester, zijn smartvolle dood en eindelijke zegepraal, de geheime aard en algemeenheid van zijn werk, zijn klein begin, zijn rerborgen kracht, zijn strijd zonder einde, zijn onmetelijke

gt;) llatth. XIII, 44.

') Matth, XIII, 45 — 46.

ocr page 260

250 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

uitkomsten, de plichten en de vereischte gesteltenis der menschen die dat Rijk willen binnengaan, de vijandige gezindheid der wereld, de rol van Satan, — den zaaier van onkruid — de taak der Engelen, — de onzichbare oogsters — de Voorzienigheid van den Vader die waakt over het gansche wereld-drama en de ontknooping daarvan voorbereidt, — ziedaar wat die parabels even laten zien.

Het Rijk Gods was het hoofdbegrip van Christus' geheele prediking. Het volk begreep in de verste verte daarvan den diepen zin niet. De wonderen alleen maakten indruk op het volk, dat overal gelijk is aan een kind. Vertoon van kracht maakt op hen dieper indruk dan alle wijsheid. En zelfs wanneer het Christus' leer bewondert, is het nog zijn vertoon van macht die allen verbaasd en boeit.

„Zietquot;, zegt het volk, hij leert niet gelijk de schriftgeleerden en pharizeën, hij spreekt als machthebbende, hij beveelt').

Voor zijne leerlingen legt hij zijn gansche ziel open, waaruit de waarheid vol zoetheid en zalving overvloeit; voor de handige geletterden, beroept hij zich op de schrift, beschaamt hen door zijne redenen, wier bewijskracht onweerstaanbaar zijn en drukt hen in hun kwade trouw neer onder den last zijner vervloekingen; onder den sluier van parabels verkondigt hij zijn leer aan het volk.

Elk volk heeft in zijne letterkunde iets eigenaardigs waarin het uitmunt. De Hindoes hebben hunne vertellingen en verhalen die het werk van eene sterke verbeelding zijn; de Grieken en Romeinen hunne samenspraken en labelen; de joden hunne parabels en spreuken.

Christus voegde zich naar het gebruik van het land en koos de parabel uit, wier grond van bestaan in de overeenkomst, samenstelling en orde van al het geschapene gelegen is.

Hoe grooter de geest des menschen is en hoe meer h'j

') Matth. V!I, 29; Marc. I, 22; Luc. IV, 32.

ocr page 261

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 251

alles te gelijk overziet, des te meer vindt hij ook bij schijnbaar verschil in alles de eenheid terug, en zal hij rijker aan vergelijkingen en parabels zijn.

De betrekking die er bestaat tusschen God en de wereld, tusschen de ziel en God, is ook voor de parabels hot meest open veld. Sommige volken, zooals de Hindoes en de Grieken zijn in parabels ver beneden de Semieten en de joden gebleven, omdat de eenen door hun pantheïsme God met de schepping verwarrend, de betrekkingen tusschen beiden verbroken hebben, terwijl de anderen, die ze beiden streng van elkander gescheiden hielden, de eindelooze schat van hunne analogiën ongeschonden hebben bewaard. De poözie van de eenen ging in tallooze en dwaze legenden onder, die der anderen hield zich staande in de gezonde en sterke kracht der waarheid. Zij hebben aan de wereld de eigenschappen van God niet gegeven; zij hebben de kleinheid van het heelal begrepen, en hebben in die kleinheid de ondoorgrondelijke grootheid van het oneindige gelezen.

Door den vorm van de parabel te kiezen handelde Christus in overeenstemming met de wet van 's menschen begrip, met de wet die het meest met de natuur van den Meestelen die der leerlingen samenstemt. Daar nu deze wetten onveranderlijk zijn, deelen zij hare onveranderlijkheid mede aan de vormen waaraan zij wijding geven.

De eeuwige jeugd dier evangelische parabels vindt behalve in andere oorzaken ook daarin haren grond.

De parabel, op zich-zelve beschouwd, is volmaakter naarmate zij juister is en een dieperen grond heeft. Do juistheid hangt van het gekozen zinnebeeld af; de diepte, van de waarheid die in het zinnebeeld ligt verborgen. Hoe meer het zinnebeeld de werkelijkheid nabijkomt des te juister is de parabel, hoe dieper de waarheid is, des te verhevener is dezelfde parabel. Christus heeft, tot het volk sprekend, ijdele poëzie en grootsche beelden niet gebruikt, hij is eenvoudig en laag bij den grond gebleven, door de meest

ocr page 262

252 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

gewone voorwerpen als zinnebeeld der waarheid te kiezen. De verhevenheid zijner leer is dus met de geringheid van het symbool in strijd. Daar is bij hem geen praal en ijdele glans, maar altijd eenvoud; dat is het eenige kleed waarin hij de waarheid van den Geest wil kleeden. Hij wil niet, dat men bij den uiterlijken vorm, bij het zinnebeeld verwijlt; hij verwerpt alles wat zou kunnen boeien en verstrooien. De grootste genieön verbergen de waarheid en zondigen somtijds tegen haar, wanneer zij haar steken in vreemde kleedij; Christus ontbloot de waarheid terwijl hij haar schijnt te verbergen, want de doorzichtige sluier waarin hij haar wikkelt laat de lijnen van dit maagdelijk lichaam in al hare reinheid uitkomen.

De onsterfelijke woorden van een geniaal mensch vleien dikwerf slechts ons esthetisch gevoel; de eenvoud door Christus gekozen, stoot de profanen af en brengt in rech-schapen harten licht voort en deugd.

Een redenaar moet zich schikken naar zijn gehoor, wil hij de waarheid, die hij verkondigt, ingang doen vinden. Hij moet met opoffering van zich-zelven de waarheid in die kleedij binnenleiden welke voor zijn gehoor het meest aanlokkend is. Zoo weinig ontwikkeld kan de mensch niet zijn en zoo verheven kan de waarheid niet wezen of tus-schen beide bestaan onvergankelijke betrekkingen. Indien de mensch zich niet tot de waarheid kan opheffen, zal de waarheid nederdalen tot den mensch. Gelijk God in Christus zich met de menschheid omkleedde, ook zoo omkleedt de eeuwige Waarheid zich met het kleed der parabels die uit Christus' mond voortkomen. Maar evenals de mensch geworden God gemakkelijker bemind en begrepen wordt ook zoo wordt het licht der eeuwige Waarheid in de parabels zachter van gloed en voor een gedeelte meer aanschouwelijk. De onwetenden kunnen ze lezen, en Christus heeft door haar het middel gevonden de geheimen Gods aan het eenvoudigste volk te openbaren.

ocr page 263

DE PREDIKING lis GALILEA. — HET RIJK GODS. 253

Ziedaar wederom eene der eigenaardigheden van Christus' prediking.

De leerlingen waren verwonderd, dat Christus tot het volk altijd in parabels sprak en zeiden:

— „Waarom spreekt gij tot hen in parabels, terwijl gij tot ons niet in parabels spreekt?quot;

Christus antwoordde: „U, die gelooft en mij liefhebt, is het gegeven de verborgenheden van het Rijk der hemelen te kennen; maar hun, die niet willen gelooven, is het niet gegeven.

„Wie dit geloof, dit beginsel van alle licht heeft, zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben; maar wie het niet heeft, van hem zal ook hetgeen hij heeft worden weggenomen.

„Daarom, voegt Christus er bij: spreek ik tot hen in parabels, opdat zij, die onwaardig zijn, ziende niet zien, en hoorende niet hooren noch verstaan.

„Zoo breng ik het woord van Isaïas in vervulling, wanneer hij zegt: met al uw gehoor zult gij luisteren en niets verstaan , gij zult zien met al uw gezicht en niets zien; want het hart van dit volk is verstokt, hunne ooren zijn doof geworden en hunne oogen hebben zij gesloten, uit vrees dat hunne oogen mochten zien, hunne ooren hooren, hun hart verstaan en zij alzoo zich bekeeren en ik hen geneze ').

Dit laatste woord is verschrikkelijk.

Niet meer de wraak van God maar zijne liefde wordt door dat volk gevreesd. De joden waren bevreesd verlicht en bekeerd te worden door God. Daarom zal God hen aan henzei ven overlaten en hen door eigen schuld laten verloren gaan.

Tot zijne leerlingen zegt hij:

— „Maar uwe oogen zijn gelukkig, omdat zij zien en uwe ooren, omdat zij hooren.

') Matth. XIH, 13 vv. Isaïas VI, 9— 10.

ocr page 264

254 DE PREDIKING IN (ïALILEA. — HET RIJK GODS.

„Voorwaar ik zeg u, vele profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en zij hebben het niet gezien en te hooren, hetgeen gij hoort, en zij hebben het niet gehoordquot;.

In den mond van een mensch zijn deze woorden onverklaarbaar, maar zij passen in Christus' mond: zij leggen getuigenis af voor zijne overtuiging, dat hij God is.

Men kan hier even voelen op welke vertrouwelijke wijze Christus met zijne Apostelen omging, wanneer de avond was gevallen en zij in de hooge kamer bij elkander waren. In die oogenblikken openbaarde hij zich geheel aan hen '). Zij mochten alles vragen en Christus kon op alles antwoord geven. Wanneer hij gesproken had, vroeg hij aan zijn leerlingen:

— „Hebt gij dit alles verstaan1)?quot; En vol verrukking antwoordden zij: — Ja, Heer!

Op zekeren dag zeide hij, zinspelend op zijn leeraarsambt:

— „De ware schriftgeleerde, die de kennis van het Rijk Gods bezit, is gelijk aan een huisvader die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen te voorschijn haaltquot;.

Christus is die goddelijke schat waaruit alle menschen zonder ophouden putten kunnen; gelijk al het eeuwige is in hem alles oud en nieuw; hij geeft antwoord op alles wat was, wat is en wat zijn zal. Bidt iemand hem om de waarheid, hij leert haar; om kracht, hij geeft haar; om troost, hij laat haar stroomen in overvloed; om hoop, hij laat haar opkomen in zijn hart; om zaligheid, hij geeft daarvan aan de meest misdeelden de heerlijkste voorproef.

De mensch heeft geen recht meer zich te beklagen: zijn lot is heerlijk. Wat hinderen ellenden en zorgen ? 't Is zoet daarvan den prikkel te voelen, omdat men ze kan wegnemen en verminderen. Wat hij met den meesten angst en aandrift zocht en hem altijd ontliep: het leven en het geluk;

1

») Matth. VIII, 51-52.

ocr page 265

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET BUK GODS. 255

het leven dat den dood niet meer vreest, het ware geluk dat in de beproeving grooter wordt, — die goederen zijn onder zijn bereik, hij heeft ze slechts te vragen aan Christus, te leven en gelukkig te zijn.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De, vuigste lastering der pharizeën.

De prediking van Christus had haar glanspunt bereikt. Binnen weinige weken werd Capharnaüm de beroemde stad, waar al het volk van Israël samenstroomde om den Zoon van David, den Messias te zien en te hcoren. Maar ook de haat en de nijd der schriftgeleerden en pharizeën werden grooter bij den dag. Zij verloren hem geen oogenblik uit het oog. Het Sanhedrin zond zelfs zijne afgezanten naar Galilea om op Christus te letten en het volk van hem af te trekken.

In dezen tijd nu wierpen Christus' vijanden de laagste, en schandelijkste lastering van hem onder het volk.

— „God is niet in hem, zeide zij, maar de duivel. In naam van Beëlzebub, den vorst der duivelen, drijft hij de duivelen uitquot;.

Christus bleef bedaard en liet de waarheid schijnen in haar vollen glans. Nooit kwam er een woord met onverbiddelijker gestrengheid van zijne lippen om de lastering van zich aftewerpen en de schijnheiligheid te vervloeken.

Hij riep hen bijeen en zeide:

„Hoe kan de Satan den Satan verdrijven? Breekt hij dan zich-zelven af? Een rijk dat verdeeld is zal verwoest worden. Elke stad, elk huis dat tegen zich-zelve kampt is

ocr page 266

256 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

verloren. IndLen Satan tegen zich-zelven opstaat is hij verdeeld en kan hij niet blijven bestaan; dat zou zijn einde wezen.

„Volgens u drijf ik door Beëlzebub de duivelen uit; maar uw eigen kinderen, uwe eigen zonen, door wien drijven dezen hen uit? Gij zegt: in naam van God; waarom zegt gij dat ook niet van mij? Zij zullen uwe rechters zijn.

„Ik drijf de duivelen uit door den Geest Gods, dat is het bewijs, dat het Rijk Gods onder u gekomen is; want niemand kan het huis van een sterk m-ensch binnenkomen en zijn meubelen wegnemen, of hij moet hem eerst vastbinden; en dan zal hij zijn huis leeg plunderen. Wie niet met mij is, die is tegen mij; en wie met mij niet vergadert, verstrooid. Indien ik handel door den Geest Gods, schijnt hij te zeggen, dan is ook hij die niet met mij is tegen den Geest Gods, en die in dien Geest niet is opgenomen, is verstrooid.

„De Geest is van alles de bandquot;.

Toen voegde hij met verheffing van stem er deze woorden bij:

— „Voorwaar ik zeg u, alle zonden der menschen, al hunne godslasteringen zullen hun vergeven worden. Wie een woord tegen den Zoon des menschen zal gesproken hebben, het zal hem vergeven worden; maar wie zal gelasterd hebben tegen den Heiligen Geest zal daarvan nooit vergiffenis krijgen, noch in deze wereld, noch in de toekomende; hij is aan eene eeuwige misdaad schuldigquot;.

Daar zijn volgens het woord van Christus, zonden die niet kunnen vergeven worden, daar is een eeuwige misdaad. Gij kunt van den zoon des menschen zeggen wat gij wilt en hem als een Samaritaan of oproermaker behandelen, voor alle deze godslasteringen is vergiffenis te bekomen; maar den H. Geest, van wien de Zoon des menschen vervuld is, beleedigen, zijne goddelijke daden: het uitdrijven van duivelen, het opwekken van dooden en zooveel andere

ocr page 267

DE PREDIKIMG IN GALILEA. — HET HUK GODS. 257

wonderen, aan den boezen geest toeschrijven, hem zoo zwaar te beleedigen, dat men hem met het kwaad verwart, — dat is een godslastering waarvoor geene verontschuldiging en vergiffenis te vinden is.

Volgens Christus' leer wordt de zonde slechts door God door zijn Geest van barmhartigheid, liefde en goedheid vergeven. Elk mensch die dien Geest niet van zich stoot en van God niet zegt: Hij is het kwaad, en van Christus' werk: het is het werk van het kwaad en der duisternis, hoe menigvuldig en zwaar zijne zonden ook moge wezen, kan behouden worden; maar hij die in godslastering en verharde boosheid den Geest verstoot, sluit met vrijen wil de eenige wegen af langs waar de vergiffenis hem kan bereiken; hij ommuurt zich-zelven in zijn geweten en weigert allen toegang aan God, die vergiffenis schenkt. De beleedigde Geest gaat dan heen en laat den godslasteraar aan zijn „eeuwige misdaadquot; over1).

Laten echter de zwakken bemoedigd worden en de afge-dwaalden hopen; daar blijft altijd, indien zij hetafsmeeken, nog een laatste woord van barmhartigheid over. Maar wat anders wacht hen, die wel verre van dit woord af te smeeken daarvan zelfs den oorsprong beleedigen, dan de wrekende gerechtigheid Gods? Zij zal in al haar zwaarte drukken op hen, zonder dat de oneindige maar verstoeten goedheid haar verbidden en daardoor de eeuwige gramschap en de eeuwige vervloekingen keeren kan.

Christus herinnert zijne beschimpers aan de eenvoudigste wetten der wijsheid en van het gezond verstand, laat hen zien, terwijl hij gelijk altijd in hun geweten binnendringt, waarom zij zijne wetten overtreden, en openbaart de verborgen oorzaak van hunne godslastering.

— „Gelijk de boom aan zijn vrucht wordt gekend, roept

') Vergelijk Summa theolog., 2quot; 2ae, q. XIII eu XIV.

17

ocr page 268

258 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

hij uit, ook zoo wordt een beginsel gekend aan de werken die daaruit voortkomen. Schrijft dus geen slechte vrachten aan een goeden boom, noch goede vruchten aan een slechten boom toe. Mijne werken zijn goed: hoe kunnen ze dan Beëlzebub voor beginsel hebben? De duivel is slecht: hoe kan hij goede daden voortbrengen ?

— „En gij adderen-gebroed! hoe kunt gij spreken wat goed is daar gij kwaad zijt? De feiten zijn in tegenspraak met uw versteend hart, en de mond spreekt uit 's harten overvloed. Maar elk menschenwoord — zelfs het onnutte woord — zal op den dag der gerechtigheid geoordeeld worden. Uwe woorden zullen u rechtvaardigen of veroordeelenquot;.

Sommige woorden zijn niet minder schuldig dan daden, want zij beleedigen en geven ergernis, zij zaaien verderf en den dood. De woorden van de pharizeën, die Christus hier bespreekt, zijn aan een slangenbeet gelijk.

't Lijdt geen twijfel of zij hadden invloed op het volk, waaronder zij door Christus' vijanden werden verspreid. Onverschilligen en zij die in den algemeenen geestdrift niet wilden deelen vingen met graagte deze woorden op; daar was de grond voor den laster bewerkt.

De ijver van den Meester scheen aan een klein getal overdreven toe en zijn werk eene dwaasheid. De verhevenheid zijner leer ging hun verstand te boven. Dat apostolisch leven zonder rust, die aandrang van het volk rondom hem, die nachten doorgebracht in gebed, die dagen aan het genezen van zieken besteed, dat huis altijd zoo door het volk belegerd, dat hij bijna geen tijd had om eenig voedsel te nemen, dat heele leven door den Geest bezield en zoo geheel en al buiten het alledaagsche vallend, — dat alles werd slecht begrepen.

Zelfs zijn eigen bloedverwanten keurden het af en eenigen van hen beschouwden hem als een dwaas, een bezetene, of als een man met een verhitte verbeelding'). Zij wilden

lt;) Matth. XII, 40-50; Marc. III, 21, 31-35; Luc. VIII, 19-20.

ocr page 269

DE PREDIKING IN ÜAL1.LEA. — HET RIJK GODS.

hem uit het volk weghalen en met hen, ver buiten het gewoel der menigte, waar hij naar hun zeggen zijn hoofd verloor, meenemen.

't Was een weinig later — nadat Christus de afgezanten van het Sanhedrin had afgestraft; het volk was na het vertrek dei-gezanten het huis binnen gedrongen en zat rondom hem en bracht hem troost door zijn vurig geloof, 't Is een wet van Jesus' leven door de eeuwen heen, dat elke smaad, dien hij van menschen te verduren heeft, wanneer zij door hun verstand en hun hart van het rechte pad zijn afgeweken, grooter vertrouwen en vuriger liefde in het goede volk opwekt.

Christus genoot, wanneer hij zijn Geest zag stralen, en dat genot had hij, toen men hem boodschapte:

— Meester, zie, uwe moeder en uwe broeders daar buiten zoeken u.

— „Wie is mijne moeder en wie zijn mijne broeders?quot; antwoordde Christus, en zijne blikken slaande op hen die in een kring rondom hem gezeten waren, sprak hij: —„Ziet hier mijne moeder, en mijne broeders! want wie naar het woord Gods luistert en den wil van God doet, die is mijn broeder en zuster en moederquot;.

Vleesch en bloed zijn voor den Zoon des menschen niets. De verwantschap van het bloed is weinig in tel bij hem. Indien eene aardsche familie één is omdat eenzelfde bloed door aller aderen stroomt, de hemelsche familie is één, omdat dezelfde Geest in aller zielen leeft. Christus behoort niet tot deze aarde; van den Geest ontvangen en vervuld van Hem, is hij de grondlegger van de groote familie dei-kinderen Gods; en al was men van hetzelfde bloed als hij, men wordt zijne moeder, zijn broeder en zijne zuster slechts door deel te hebben in de volheid van zijnen Geest.

259

!:

!

i

i i 11

Op zekeren avond, toen hij bij dag het volk aan den oever van het meer in parabels had onderwezen '), sprak Christus op 't onverwachts tot zijne leerlingen:

1) Marc. IV, 35.

ocr page 270

260 DE PREDIKING IN WALILEA. — HET EIJK GODS.

— „Laat ons naar de overzijde varenquot; ').

De leerlingen gehoorzaamden, zonden het volk weg, gingen onder zeil en namen Christus in hun scheepje mêe. Nog andere scheepjes voeren met hen. Daar ontstond een zware storm, en de wind joeg de golven in het schip, dat vol water werd. Christus lag in het achterschip op een hoofdkussen te slapen. De leerlingen waren voor den storm beducht, wekten hem en zeiden: — Meester red ons, wij vergaan!

— „Waarom vreest gij, kleingcloovigen?quot; zeide Christus tot hen.

Toen stond hij op, dreigde den wind en sprak tot de zee; - „Zwijg, wees stilquot;.

Op zijn woord ging de wind liggen, bedaarden de golven en er kwam een groote stilte.

„Waarom zijt gij vreesachtig? Hebt gij nog geen geloof? zeide Christus tot zijne leerlingen. En zij vreesden met groote vreeze en zeiden tot elkander: Wie toch is deze, dat zelfs de wind en de zee hem gehoorzamen?quot;

In dit wonderbare feit openbaart Christus wederom zijn goddelijke macht. Die voor de gevolgtrekking van dit feit bevreesd zijn, ontkennen deze gebeurtenis, maar die ontkenning verzwakt het onwraakbare getuigenis der oorkonden niet.

Men begrijpt, dat zulke daden een wonderbaren invloed op de leerlingen uitoefenden. Hun geloof schoot dieper wortel, en de idee die zij van hun Meester hadden, werd grootscher.

De wonderen hebben een groot aandeel in de opvoeding van Christus' eerste geloovigen; ze zijn eene der krachten waardoor hun geheele omkeer wordt verklaard; ze eischen voor de rede hunne rechten en zijn een dikke draad in het weefsel dezer historie.

Dit scheepje van Petrus met den slapenden Jesus is het beeld geworden der Kerk, die drijft op de wereldzee, ter-

') Marc. IV, 3D en vv.; Matth. VIII, 18-27; Luc. VIII, 22-25.

ocr page 271

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 261

wijl de stormen loeien en Christus, die soms schijnt to slapen, toch altijd waakt.

Na den storm landde het scheepje op den oostelijken oever1) van het meer, in het land der Gerasenen, een weinig voorbij het oude Gerasa. De kleine stad was eene der tien steden en de bergen waarbij zij was gelegen rezen steil uit het meer op naar de hoog-vlakten van Gaulan. In die bergen waren vele grotten, die voor graven werden gebruikt.

Toen Christus daar landde, kwam plotseling uit eene der graven een man met een schrikwekkend uiterlijk voor den dag. Hij woonde in de graven en kon zelfs niet met ketenen gebonden worden; hij was de schrik van de geheele omtrek.

Deze woedende waanzinnige was een bezetene. Toen hij Christus van de verte uit zag naderen, liep hij naar hem heen, knielde voor hem neer; stootte een kreet uit en riep: Wat heb ik met u uit te staan, Jesus, Zoon Gods, des Allerhoogsten? ik bezweer u bij God, dat gij mij niet pijnigt.

Niet de waanzinnige spreekt, maar de booze geest die in hem woont.

De booze geest wordt altijd tot Christus getrokken. Een hoogere macht schijnt hom tot Christus te drijven; hij vermoedt, dat de Zoon Gods is in dezen buitengewonen mensch; hij voelt zich reeds te voren overwonnen en gekluisterd; hij vloekt niet maar smeekt om genade.

Christus spreekt niet tot den ongelukkigen mensch maar tot den boozen geest. Hij wil eerst de ziel verlossen en wanneer de ziel verlost is, zal hij het lichaam gezond maken.

— „Onreine geestquot;, zeide hij tot hem, „ga uit van den mensch. Hoe is uw naamquot;?

— „Mijn naam is Legio2), zeide de geest, want wij zijn

') Matth. VIII, 28; Marc. V, 1-10; Luc. VIII, 26.

s) Deze naam, die ons de overwinning en overheersching van het joodsche volk door de romeinsohe legers in herinnering brengt, drukte zoo krachtig mogelijk de dwingelandij uit die op de menschen wordt uitgeoefend door de booze geesten wier macht zoo groot is.

ocr page 272

262 DE PREDIKINft IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

velenquot;. En hij smeekte hem op nieuw, dat hij hem niet uit die landstreek zon verdrijven.

Christus gaf geen antwoord.

Daar graasde juist langs den berg een groote kudde zwijnen. „Zend ons in de zwijnenquot;, riepen de geesten dooiden mond van den bezetene, „zoodat wij daarin mogen varenquot;.

Christus liet het hun terstond toe. Gelijk hij dien eigen nacht aan den wind en de golven had geboden, vertoont hij zich nu meer dan ooit als den beheerscher der geesten: zij gaan waar hij wil.

De onreine geesten gingen uit en voeren in de zwijnen; en met groote onstuimigheid stortte de kudde, die uit ongeveer tweeduizend zwijnen bestond, zich van de steille hoogte neer in de zee, en verdronk').

Welk een overeenkomst tusschen deze onreine geesten en de vuile zwijnen. De mensch in wien deze geesten wonen, wordt aan het zwijn gelijk.

De bewakers dezer dieren vloden van schrik weg en verkondigden in de stad en op het land wat zij hadden gezien.

Velen kwamen, toen zij dit hoorden, tot Christus en zagen aan zijn voeten de bezetene zitten die nu gekleed, gezond van hoofd was en stil.

De Gerasenen waren bevreesd en bedroefd over het verlies van hunne zwijnen. Of deze onbeschaafde menschen heidenen of joden waren is niet bekend, maar wel weten wij, dat zij uit vrees voor Christus, hem verzochten dat hij uit hun land zou gaan.

Christus ging heen en klom in het schip.

En toen hij in het schip klom smeekte degene die van

') Matth. spreekt van twoo bozeteuon, terwijl Marc, en Luc. er slechts oenen noemen. Dat er twee waren, lydt geen twijfel, maar liun toestand was verschillend. Het verhaal van Matth. past op heiden. Het verhaal van Marc, en Luc. past op den ergsten bezetene. Mare. en Luc. hadden bij hun verhaal een ander doel dan Matth. ZU wilden vooral do uitdrijving van het legioen duivelen bespreken en zich bepalend tot het voornaamste gaan zij stilzwijgend het mindere voorbij.

ocr page 273

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 263

den duivel was gekweld geweest hem te mogen volgen. De meester stond het hem niet toe, maar, over zijn geloof getroffen, maakte hij van hem een apostel.

— „Ga heen naar uw huisquot;, zeide hij tot hem, „tot de uwen en boodschap hun wat groote dingen de Heer in u heeft gedaan, en hoe hij zich over u heeft ontfermdquot;.

In Galilëa verbood Christus aan de zieken hunne genezing bekend te maken, maar in dit land dat hij slechts vluchtig bezoekt en plotseling verlaat wil hij dat zijn naam blijft voortleven, en dat deze misdeelden van Gerasa niet geheel en al van het werk des Messias' verstoken blijven ').

De verloste bezetene trok door de geheele landstreek van de tien steden en verkondigde welke groote dingen door Christus aan hem gedaan waren.

Dit verhaal der genezing van den bezetene van Gerasa laat ons zien op hoedanige wijze de duivel bezit neemt van den mensch en hoe Christus' macht onweerstaanbaar is.

De zoogenaamde rationalistische school der duitsche godgeleerden , die er alleen op uit is de waarheid te verkleinen om ze aannemelijk te maken en de teksten te verdraaien om ze met hare stelsels in overeenstemming te brengen, heeft in den bezetene van Gerasa slechts een dollen ijlhoofdige gezien, in den onstuimigen draf der zwijnen niet anders dan eene kudde, die van den bezetene en het geschreeuw der herders verschrikt is, in de genezing van den bezetene niet anders dan een kracht van Christus, den grooten magnetiseur. De ernstige historieschrijver hecht zijne goedkeuring aan deze inbeeldingen niet, die met schijnbare stoutmoedigheid slechts eene schuchtere gedachte moeten dekken. Allen hen die niet gelooven in een persoonlijken God, in geesten, in hun inwerking op den mensch, in de goddelijke zending van Christus, blijft niets anders over dan het Evangelie als eene legende en de Evangelisten als domooren

') Vgl. Goclet, Comment, de l'Evang. de saint Luc. ad. h, 1.

ocr page 274

264 DE PUEDIKINCt IN GALILEA. —

te behandelen; maar zij loopen hun hoofd tegen de grootheid van Christus te pletter.

Het gaat ook niet aan om van hem, die van de zedenleer het laatste woord heeft gesproken, een mensch te maken, die zich ter wille van het volk gevoegd heeft naar de verkeerde opvattingen van het volk en door zijne woorden duivelen uitdreef waar geen duivelen waren. Zoo doet men aan den geheelen persoon van den Christus te kort.

Toen Christus het land der Gerasenen verliet, kwam hij denzelfden morgen te Capharnaüm terug. Men zag van verre het scheepje terugkeeren, dat den voiigen avond was vertrokken, en het volk stroomde te zamen om hem te ontvangen. Allen wachtten hem af, zegt het Evangelie '). Christus trok slechts de stad door en vertrok onmiddellijk, door zijne leerlingen gevolgd, naar Nazareth 2). Hij wilde zijn land terug zien en eene laatste poging beproeven, om zijne landgenooten tot inkeer te brengen. Wellicht waren nu door de glorie van zijn naam de vooroordeelen tegen hem verdwenen.

Op den sabbath verscheen hij in de synagoog. De gemoederen schenen kalm geworden. Velen stonden verstomd en bewonderden hem, toen zij hem hoorden; zij loochenden zijne wijsheid en wonderen niet, maar de kleinheid, de geringheid van zijn afkomst bleef een steen des aanstoots voor hun geloof in hem.

— „Is deze niet de zoon des timmermans? Heet zijne moeder niet Maria? en zijn zijne broeders niet Jacobus en Joseph en Simon en Judas? En zijne zusters zijn die niet allen bij ons?quot;

Wat is de mensch toch veranderlijk in zijn indrukken en oordeelen. In onzen tijd maakt de geringheid en de verborgenheid der geboorte de verdienste van een groot man nog grooter; bij de Galileërs van Nazareth wordt zij daardoor kleiner en niet geteld. De nijd maakt hen blind, en met

') Luc. VIII, -10.

J) Matth. XIII, 53-58; Mate. VI, 1-6. Vgl. Luc. IV, 16 vv.

HET RIJK GODS.

ocr page 275

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 265

de pharizeën roepen zij uit: Kan de afkomst van den Messias zoo gering wezen? Kan een timmerman het volk verlossen en den troon van David herstellen?

De eigen bloedverwanten van Christus konden zich niet boven deze ergernis uitwerken: de meerderheid van een buitengewoon mensch wordt meestal door zijne naaste omgeving het minst begrepen.

Christus verwonderde zich niet zonder droefheid over de halsstarrige ongeloovigheid van zijn land. Hij genas slechts weinigen door hen de handen op te leggen. Hij verliet Nazareth om het niet meer terug te zien, en zeide met smart: „een profeet is nergens ongeëerd dan in zijn vaderland, en in zijn huis, en onder zijne maagschapquot;.

Christus is een Nazarener en de Nazareners verachten hem; hij is een jood en de joden verstoeten hem; maar de Samaritanen en heidenen nemen hem aan en aanbidden hem.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

De onderrichting der twaalven. — Dood van Joannes den Dooper.

Terwijl Christus in Galilea predikte, terwijl het volk hem toejuichte en de pharizeën hem vervloekten, was hij voortdurend voor zijne leerlingen bezorgd: zij maken zijne Kerk en zijn Rijk uit.

Twaalf heeft hij uitgekozen en hen apostelen genoemd. Hij oordeelt hen nu een grooter vertrouwen waardig en wil dat zij het Evangelie verkondigen, en onder zijn oogen de eerste proef van hun apostelambt afleggen.

De zending der twaalven naar de joodsche steden moest ook aan zijn eigen apostolaat nog meer uitbreiding geven. Zijn tijd is bijna voorbij. De oogst is rijp, de werklieden worden vermenigvuldigd.

ocr page 276

2fi6 DE PREDIKING IN GAL ILEA. — HET RIJK GODS.

Christus riep de twaalven bijeen , waarschijnlijk te Caphar-naüm in hot huis van Simon, en begon met het terrein van den slag af te bakenen.

— „Gaat niet naar de heidenen en treedt de steden der Samaritanen niet binnenquot;.

Hierdoor maakte hij hun taak lichter en overeenkomstig hunne krachten. Daarenboven moest ook volgens het plan van God aan Israël het eerst het evangelie verkondigd worden.

— „Gaat dan, predikt, en zegt: Het rijk der hemelen is nabij gekomen!quot;

Ziedaar in één woord de geheele wetenschap der apostelen, 't Is ook de wetenschap die aan Christus eigen is!

Aan deze nieuwe strijders voegt ook een nieuwe wapenrusting.

— „Ik geef u, zeide hij, macht en gezag over alle duivelen en om alle zieken te genezenquot;.

Ziedaar ontwijfelbaar een goddelijk woord. Geen mensch kan zijn eigen genie en eigen kracht in een ander overgieten. Christus alleen stort den Geest Gods, die hem behoort en in hem woont, in zijne leerlingen over.

Terzelfder tijd waarin hij zijne Apostelen sterkt met de kracht van den Geest, toont Christus hun de deugden die zij moeten hebben.

— „Gij hebt alles om niet ontvangen, om niet zult gij ook alles geven. Draagt geen goud, geen zilver, geen geld in uwe gordels mee; noch reiszak, noch twee rokken, noch schoeisel maar alleen sandalen; noch staf maar alleen een reisstok '); want de werkman is zijn loon waard.

') Volgens den H. Mattheüs verbiedt Christus het gebruik van staf en schoeisel; volgens den H. Marcus laat hij ze toe. 't Is gemakkelijk deze twee teksten, die schijnbaar met elkander in strijd zijn, overeen te brengen. De staf die verboden wordt is duidelijk de matah, die diende om iemand aan te vallen of af te weren ; de stok, die toegelaten wordt, is dc reisstok, de maschan. Beide beteekenissen zijn in het grieksche woord (jeefidov opgesloten. Geen eigenlyk schoeisel mogen zij gebruiken maar wel sandalen, het schoeisel der armen. Vgl, Lichtfoot, Horae hebr.icae, ad'h. I.

ocr page 277

DE PREDIKING IN GALILEA. — HEI RIJK GODS. 267

Zijne leerlingen moeten vrijgevig zijn en zoo de liefde winnen, belangeloos wezen en zoo aan de menschen doen gevoelen, dat zij werken voor de onvergankelijke goederen van het Rijk Gods. Zij moeten leven van aalmoezen, die de dankbaren hun zullen geven.

Op wat wijze zullen zij arbeiden? Voor dezen keer wil Christus niet, dat zij alleen uitgaan, maar twee aan twee opdat de een door den ander zou worden gesteund ').

Hij zendt hen ook niet naar de openbare vergaderingen van het volk of naar de synagogen. Daarvoor zijn zij nog te vreesachtig en te weinig beproefd.

— „In welk huis gij ook in gaat, blijft daar, totdat gij naar elders vertrekt. Wanneer gij den drempel van het huis overgaat zegt dan: De vrede zij met u. Is het huis dien vrede waardig dan zal uw vrede daarop nederdalen en anders tot u wederkeeren. Indien niemand u ontvangt noch luistert naar u, verlaat dan dat huis of die stad en schudt het stof van uwe voeten af. Zij zullen dan voor u aan de huizen en de steden der heidenen gelijk zijnquot;.

„Voorwaar, ik zeg u: verdragelijker zal het zijn voor het land van Sodoma en Gomorrha in den dag des oordeels, dan voor die stadquot;.

Vervolgens schildert Christus met enkele krachtige trekken de moeilijkheden die zij bij hunne prediking zullen ondervinden , en zijn blik verruimend, spreekt hij ook van de moeilijkheden die in later jaren bij hun groote zending zullen opdagen,

— „Ik zend u als lammeren onder de wolvenquot;.

„Weest voorzichtig gelijk de slangen en eenvoudig als de

duivenquot;. Neemt u in acht voor de menschen; want zij zullen u overleveren aan de rechtbanken en in hunne synagogen zullen zij u geeselen, en ook voor landvoogden en

') Hoogst waarscliijniyk zijn do Apostelen, zooals hunne namen twee aan twee bg elkander door de Evangelisten worden opgegeven, ook zoo naar de keuze van Christus twee aan twee uitgezonden.

ocr page 278

268 DE PREDIKING IN GALILEA. —

koningen zult gij gebracht worden om mijnentwil, om voor hen en voor de heidenen tot eene getuigenis te wezen.

„Doch als zij u eenmaal hebben overgeleverd, weest dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in dien stond worden ingegeven wat gij spreken moet; niet gij toch zijt het die dan spreekt, maar het is de Geest uws Vaders die spreekt in u.

„De broeder zal zijnen broeder ter dood overleveren, en de vader zijnen zoon; en kinderen zullen opstaan tegen hunne ouders en hen dooden. En gij zult gehaat wezen bij allen om mijnen naam; doch wie volhard zal hebben ten einde toe, die zal zalig worden.

„En wanneer zij u vervolgen zullen in deéénestad, zoo vlucht naar de andere. Haast u. Voorwaar ik zeg u; gij zult de steden van Israël niet afreizen, voordat de Zoon des menschen komtquot;.

Ziedaar het lot der Apostelen, waaraan Christus de eerste openbaring van zijne smartvolle bestemming verbindt.

Om hen op te wekken wijst hij hun op zijn eigen lot.

— Ons beider lot is hetzelfde zegt hij. „Noemt gij mij niet Meester en Heer? Men zal met u handelen als met mij. Een leerling is niet boven zijn meester, noch een dienstknecht boven zijnen heer; het is voor den leerling genoeg dat hij zij gelijk zijn meester, en voor den dienstknecht, dat hij zij gelijk zijn heerquot;. Vervolgens hun de afschuwelijke lastertaal herinnerende die den avond te voren door de pharizeën tegen hem was uitgebiacht, zeide hij: „hebben zij den vader des huisgezin Beëlzebub genoemd, hoeveel te meer zijne huisgenootenquot;?

En wat moeten zij, de vervolgden, doen in dezen strijd ? Voorzichtig en eenvoudig zijn en nooit handelen met geweld. Maar ook nooit terugwijken voor het kwaad en zonder vreeze zijn.

- „Gaat. zegt Christus, wat bedekt is moet ontdekt,

HET KIJK GODS.

ocr page 279

DE PREDIKING IN GA.LILEA. - HET RIJK GODS. 269

ea wat verborgen is geweten worden. Wat ik u in het duister zeg, zeg dat in het licht, en wat ik u in het ooi-blaas1), predikt dat op de daken2).

„Gaat, volhardt en vreest nietquot;.

Die door Christus zonder iets in de wereld wordt gezonden is sterker dan elke menschelijke macht; deze kan het lichaam dooden maar niet de ziel, en de ziel is voor den apostel alles, omdat in haar de Geest Gods woont waardoor zij leeft. Voor één slechts moet men bevreesd zijn: voor hem die én ziel én lichaam kan werpen in de gehenna van het vuur.

„Worden niet twee musschen voor een penning verkocht? en toch zal éene van haar niet op de aarde vallen zonder dat uwe Vader het toelaat. Van u zijn zelfs alle hoofdharen geteld. Vreest dus niet, gij zijt meer waard dan vele musschenquot;.

Om hun moed op te wekken, sterkt hij hun vertrouwen en trekt hij hunne blikken naar omhoog.

Hoe moeilijk ook uw werk zij, wil hij zeggen, gaat, legt getuigenis van mij af voor de menschen; „die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in den hemel is; maar die mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader, die in den hemel isquot;.

Door Jesus erkend te worden voor den Vader, die het beginsel en einde van alles is, ziedaar der apostelen hoogste zaligheid en schitterendste belooning.

Hier op aarde wacht hun slechts strijd. Meent niet, zegt

1

') Eene toespeling op een gebruik in de synagogen en in de scholen. In de eersten had de voorlezer der Wet, en in de laatsten hadden de Rahbünen voor zich een bijzitter of uitlegger staan, zy fluisterden hem in 't oor, wat hij hardop in de vergadering moest zeggen. Licht foot, Horae hebraicae, p. 253.

2

) Eene andere toespeling op de godsdienstige gebruiken der joden. Inden vooravond van den Sabbath kondigde de Hassan, staande op het terras van een hoog huis, bü het geschetter van tien trompetten of met luide stem, het begin van den Sabbath aan

ocr page 280

270 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

Christus, dat ik gekomen bon om vredo te brengen op aarde; „ik ben niet gekomen om vrede maar om het zwaard te brengen. Ik kom den zoon van zijnen vader, de dochter van haar moeder scheiden, en 's menschen huisgenooten zullen zijne vijanden wezenquot;. Om tot mij te komen zal men alles moeten verlaten. Wie vader of moeder meer bemint dan mij, is mijner niet waardig. De weg die leidt naar mij is de weg van het kruis: „wie zijn kruis niet opneemt om mij te volgen, is mijner niet waardigquot;.

Hij wil dat zijne Apostelen zelfs het leven om hem zullen verliezen.

— „Vreest niet uw leven te geven voor mij in deze wereld die doodt, want die het leven zal trachten te behouden, zal het verliezen en wie het verliest om mijnentwil, zal het vindenquot;.

Door het leven van een dag op te offeren, verkrijgt men het eeuwige leven; maar wanneer men het leven dezer aarde dat voorbij gaat wil behouden, maakt men zich het eeuwige leven onwaardig.

Het offer — de groote wet van elk leven — zal ook vooral de groote wet van den apostel zijn.

Dit onderhoud van Christus met de twaalven eindigt in woorden der hoogste liefde, als hij bedenkt hoe hij met zijnen Vader en zijne leerlingen vereenigd is.

— „Wie u ontvangt, ontvangt mij, zeide hij tot hen, en wie mij ontvangt, ontvangt hem, die mij gezonden heeft. Nog meer, wie een profeet ontvangt, omdat hij een profeet is zal het loon van eenen profeet ontvangen; en wie een rechtvaardige ontvangt, omdat hij een rechtvaardige is, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen. En al wie aan een van deze geringsten een glas water zal te drinken geven, omdat hij mijn leerling is, hij zal, voorwaar, ik zeg het u, zijn loon niet verliezen.quot;

Christus ontvangen wil zeggen; Christus begrijpen; dat is deelen in den zelfden Geest van waarheid, rechtvaardig-

ocr page 281

DE PREDIKINj IN GALILEA. — HET KIJK GODS. 271

heid en vrede, dat is deelgenoot worden van hem. Christus' leerling of den profeet of den rechtvaardige ontvangen, dat wil zeggen: deelen in het werk dat zij voltooien en dezelfde belooning waardig worden gelijk zij. De geringste daad zal niet vergeten worden; het penningske der weduwe zal gekend, en het glis water geteld worden.

Welk groot man, welk hoofd eener school gaf ooit aan zijne volgelingen een verhevener ideaal. Groote genieën zijn bijna altijd onmachtige opvoeders; hun grootheid en oorspronkelijkheid zijn een beletsel daarvoor; zij kunnen zich zeiven niet overleven. God weigert hun de nakomelingschap. Zij dragen naar het graf het geheim met zich mede en laten hen, die zij een oogenblik hebben bekoord en verlicht, aan hunne zwakheid en middelmatigheid over. Veldheeren, die den overwinnaar zien sterven, kunnen slechts den buit verdeelen en de eenheid van het Rijk verscheuren; de leerlingen van den wijsgeer, overdrijven zijn systeem en vervalschen zijne leer; de wetten van den wetgever worden bij zijn dood doode letters, en de bezielde kunstenaar die aan zijne school, zonder zijne kunst, alleen zijne wijze van werken achterlaat wordt spoedig door zijne vereerders bespottelijk gemaakt.

's Menschen onmacht, om zich te doen voortleven in leerlingen, die zijner waardig zijn, komt uit twee oorzaken voort: de leerlingen zijn te zwak en de meester niet in staat hun zijn levenden geest achter te laten. Christus alleen heeft deze twee beletsels overwonnen; hij heeft den Geest zeiven van God in eenvoudige, onopgevoede naturen overgestort, en de in hen wonende kracht heeft hen langzamerhand naar zijn beeld vervormd; zij zijn zoo geworden gelijk hij hen wilde hebben: toonbeelden van strengheid en zachtheid, van nederigheid en overweldigende kracht, van edelmoedigheid en lijden, in één woord: ware apostelen.

Daar die Geest van Christus blijft leven en Christus nog

ocr page 282

272 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

altijd dien Geest in anderen overstort, brengt hij ook altijd nu en dan nieuwe apostelen de wereld in.

Sterk door 's meesters onderrichtingen trokken zij, predikend , twee aan twee, door de steden en dorpen van Galilea voort.

Christus bleef onderwijl met zijn eigen werk bezig, terwijl hij van andere leerlingen was vergezeld.

In deze dagen, korten tijd nadat Joannes het hierboven verhaald gezantschap tot Christus had gezonden, eenige dagen vóór het Paaschfeest van 'tjaar 29, werd Joannes ter dood gebracht').

De gevangene van Herodes dacht niet te gunstig over zijn lot. Herodias haatte hem met een feilen haat. Zij was niet tevreden met zijn gevangenneming, maar stond hem naar het leven.

In weerwil van al haar invloed op den tetrarch kon zij Herodes niet tot eene nieuwe misdaad overhalen. Herodes was bang voor den profeet en durfde de verontwaardiging van het volk niet aan, die bij de tijding van zijn dood zeker zich van allen zou meester maken. De rechtvaardigheid en heiligheid van Joannes dwongen hem eerbied af; hij won zelfs somwijlen zijnen raad in, en luisterde gaarne naar hem. Maar de wraak eener beleedigde vrouw is geduldig en sluw.

Eindelijk was de lang verwachte en gezochte gelegenheid daar. Het was Herodes' feestdag. Wij denken niet aan zijn verjaardag, maar aan het jaarfeest zijner kroning. De tetrarch was met zijn hof te Macherous, waar hr een luisterrijk feest gaf aan de grooten van Galilea.

Terwijl zij aan tafel waren, verscheen de dochter van Herodias in de feestzaal, en danste naar joodsch gebruik ter eere van het feest.

') Matth. XIVr 1 — 12; Marc. VI ? 14 — 29; Vgl. Luc. IX, 7 — 9.

ocr page 283

DÈ PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 273

Dit behaagde den tetrarch, die zeide:

— Vraag wat gij wilt, ik zal het u geven. — Dit woord bezwoer hij met een eed. Ja, vraag wat gij wilt, ik zal het u geven, al was het de helft van mijn Eijk.

Zij ging weg en zeide tot hare moeder: — Wat zal ik vragen?

— Het hoofd van Joannes den Dooper, sprak Herodias zonder te aarzelen.

— De jonge dochter keerde terstond naar de feestzaal terug en den koning naderend zeide zij: - Geef mij terstond hier op een schotel het hootd van Joannes den Dooper. • Dit vreeselijke en onverwachte woord deed Herodes ontstellen. Hij werd bedroefd, maar durfde de misdaad niet weigeren, om den eed dien hij had gezworen en ter wille der gasten, die daarvan getuigen waren. Hij zond een zijner lijfwachten en beval hem het hoofd van Joannes op een schotel te brengen. De soldaat onthoofde Joannes in zijne gevangenis, bracht het .hoofd op een schotel, en gaf het aan de jonge dochter, die het aan haar moeder gaf.

Herodias was gewroken.

Zoodanig was het tragisch einde van den Voorlooper des Heeren.

In vrede en in hoogen ouderdom, gelijk de aartsvaders, kunnen zulke mannen hunne loopbaan niet voleindigen. Een geweldige dood stemt meer overeen met de profeten, die helden der waarheid en der gerechtigheid, van het recht en van de deugd. Zij hebben gestreden om te zegepralen, zij hebben de misdaad gegeeseld, zij hebben in hunne zwakheid, ten aanhoore van machtigen en boozen het „non licetquot; voor het geweten dat niet buigen wil, uitgeroepen; zij hebben behoefte hun leven, hun woord, hun moed, hun liefde, hunne zending te bezegelen met hun bloed. God geeft zijnen uitverkorenen wat zij vragen.

De wereld haat en doodt hen; zij gelooft hun stem te smoren en maakt hen onsterfelijk. Het bloed voor God vergoten is welsprekender dan alles.

18

ocr page 284

274 DE PEKDIKIN6 IN GALlLEA. - HET RIJK GODS.

Het „non licetquot; — dit woord dat niet wijkt voor geweld voor list of haat — zal onder de menschen nooit op meer roerende wijze worden vertolkt dan door het hoofd van Joannes, op een schotel aangeboden aan Herodias, de overspelige, de bloedschendende, de moorddadige vrouw.

Joannes gaat Christus in den dood voor en sterft omdat hij voor hem den weg heeft bereid.

De dood van Joannes den Dooper bracht in Judea en Galilea het volk in beroering, maar het volk stond niet op; — het volk begint nooit uit eigen beweging, zelfs aan geen opstand. Zijn gramschap werd door geen opstokers bewerkt. De hoofden van den godsdienst in Judea beefden onder de harde hand van Pilatus; de grooten van Galilea en de saddu-ceën, de vleiers van Herodes, waren nu gerust; depharizeën zelfs zagen met voldoening Joannes verdwijnen, die getuigenis van hun grootsten vijand had afgelegd.

Lang bleef de wreede dood van Joannes in de geheugenis van het volk leven; want toen, vijf jaren later, de soldaten van Herodes in eene oorlog met Aretas van Arabië werden in den pan gehakt, riep het volk uit: God wreekt zich over den moord van Joannes.

Was Herodias tevreden, Herodes werd door wroeging verscheurd.

Toen Christus meer en meer om zijne wonderen en leeringen werd genoemd en de tetrarch van zijne wonderen hoorde, geloofde Herodes, terwijl velen uit het volk in Christus een verrezen Elias of een der andere profeten zagen, dat Joannes uit den dood was opgestaan en zeide hij: Joannes, dien ik onthoofd heb, is van de dooden verrezen.

De twaalven kwamen van hun eerste reis terug, vonden hun meester te Capharnaüm en vertelden hem alles wat zij gepredikt en gedaan hadden. Zij vonden den toeloop van het volk nog grooter geworden: het huis waar Christus

ocr page 285

DÉ PREDIKING IN GALILÉA. — HET RIJK GODS. 275

verbleef werd letterlijk bestormd en Christus en zijne leerlingen hadden geen tijd om te eten'). En toch hij had behoefte op vertrouwelijke wijze zich met zijne leerlingen te onderhouden en wilde hun eenige dagen van rust en afzondering geven.

Hij klom met zijne leerlingen in een schip, en beval hun naar den oostelijken oever van het meer, naar den kant van Bethsaïda te varen.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Het keerpunt van Christus' arbeid in Galilea.

Christus landde in de nabijheid van Bethsaïda-Julias, door den tetrarch Philippus gebouwd, op een afstand van een half uur en ten noord-oosten van het meer gelegen.

Met het overvaren was ongeveer een uur voorbij gegaan. Maar spoedig was Christus' overhaastig vertrek in de stad bekend, en het volk, dat het schip zag weg varen, volgde hem langs het meer. Toen het volk wederom bij hem kwam, werd zijn hart van medelijden bewogen en begon hij het van een heuvel af over het Rijk Gods te spreken. Men dacht aan geen tijd, als men naar hem luisterde. De dag nam af, de zon was achter de bergen van Galilea ondergegaan en Christus hield niet op te spreken. In het oosten is de schemering van korten duur en wordt het plotseling donker.

De apostelen waren ongerust en zeiden tot hun Meester:

— Deze plaats is woest en 't is reeds laat, zend het volk weg naar de naburige dorpen om eten te koopen.

') Marc. VI, 31.

ocr page 286

276 DE PREDIKING IN GALILEA. — HLT RIJK GODS.

Christus zeide tot hen: „Ik heb medelijden met het volk; want zij zijn nu reeds drie dagen aanhoudend bij mij en hebben niets te eten. Zoo ik hen nuchter naar hunne huizen laat gaan, zullen zij op den weg bezwijken, want som * migen van hen zijn van verre gekomenquot;.

— „Geeft gij hun te etenquot; voegde hij er bij.

Dat antwoord verwonderde de leerlingen en zij zeiden: Hoe, zullen wij voor twee honderd denariën brood koopen om hen eten te geven?

Blijkbaar dachten de leerlingen niet aan de macht van hun Meester, waaraan hij wilde dat zij toch zouden denken.

— „Philippus, riep hij, van waar zullen wij brood koopen , opdat dezen mogen eten?quot;

Maar Philippus antwoordde gelijk de anderen: voor twee honderd denariën is nog niet genoeg.

Toen sprak hij tot allen:

— Hoe vele brooden hebt gij?

Een der leerlingen, Andreas de broeder van Simon, ging op verkenning uit en boodschapte: quot;Wij hebben niet meer dan vijf brooden en twee visschen. Maar wat betee-kent dat voor zoo velen ? — Daar waren meer dan vijf duizend menschen , zonder de vrouwen en de kinderen mede te tellen.

— „Breng ze hier, — zeide hij, en doet het volk bij partijen van honderd en van vijftig op het gras nederzittenquot;.

De apostelen gehoorzaamden.

Het volk zat bij partijen van honderd en van vijftig op den heuvel in het groene gras.

Het Paaschfeest was nabij.

Christus, die het dit jaar niet te Jerusalem kon vieren, omdat het Sanhedrin reeds tot zijn dood besloten had, wilde het op zijne wijze vieren in de woestijn.

Hij nam de vijf brooden en de twee visschen, hief zijne oogen ten hemel, dankte en zegende, brak de brooden en gaf de stukken aan de leerlingen om ze aan het volk voor te zetten; daarna verdeelde hij ook de twee visschen en

ocr page 287

DE PREDIKING IN CrALILEA. - HET RIJK GODS. 277

gaf daarvan zooveel men verlangde. Het brood en de vis-schen vermenigvuldigden zich in zijne handen.

Allen aten en werden verzadigd.

Twaalf korven met brokken van het brood en van de visch werden door de apostelen gevuld.

Bij het zien van dit wonder was het volk in verrukking.

„Ziedaar waarlijk, riep men, de profeet die in de wereld komen moetquot;.

Door Christus wordt voortdurend de heele wereld gespijsd, omdat hij haar met zijnen Geest de deugden geeft, die haar noodig zijn om de vruchten van haren arbeid te plukken.

Deze wonderbare wijze waarop Christus het volk in de woestijn spijsde bleef met al hare bijzonderheden zoo sterk in de herinnering van alle ooggetuigen voortleven, dat alle vier Evangelisten dit wonder verhalen

De critiek, die het bovennatuurlijke verwerpt, moet eenvoudig dit historisch feit ontkennen, want zij kan daaraan het wonderbare niet ontnemen, 't Is eene bespottelijke verklaring wanneer men zegt, dat ieder uit zijn eigen knapzak at of daarvan aan anderen mededeelde, of dat het volk inwendig zoo tevreden of zoo in verrukking was over Christus' welsprekendheid, dat het geloofde gespijsd te zijn.

De zoogenaamde schriftverklaarders, die van alles mythen wilden maken, die uit andere feiten of verhalen ontstaan waren, hebben gewezen op het manna en de kwartels!) in de woestijn, het meel en de olie van de weduwe van Sarepta1), de twintig brooden en een weinig fijngemaakte tarwe waarmeê Eliseüs honderd menschen spijsde 2); maar elkeen begrijpt gemakkelijk, dat het vermenigvuldigen van de brooden en van de visschen door Christus hier verricht

1

) I Kon. XVII.

2

) II Kon. IV.

ocr page 288

278 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

niets gemeens heeft met deze feiten, die eeuwen te voren zijn voorgevallen. Op die wijze is er geen geschiedenis mogelijk.

Maar er is nog meer. — Deze wonderbare vermenigvuldiging der brooden staat op een eigenaardige plaats in het leven van Christus, en handhaaft zich daar tegenover mythen-jagers en rationalisten. Dit wonder staat aan het einde van Christus' prediking in Galilëa, verhaast daarvan het einde en laat ervan de slotsom zien.

Het doel van Christus' prediking was: aan allen te verkondigen dat de tijd van het Messias-Rijk was aangebroken, aan allen duidelijk te maken waarin de aard, het wezen van dat Rijk bestond en te bewijzen, dat hijzelf daarvan de stichter was. Na twee maanden van aanhoudenden arbeid is eindelijk het geheele volk, in weerwil van pharisëen en schriftgeleerden, in beweging gekomen. Christus is meester van het volk, dat hem volgt waar hij gaat. In de eerste dagen was hij het ontloopen door in het scheepje van Petrus te klimmen, maar nu is zelfs de woestijn voor hem geen schuilplaats meer. Christus is voor dat volk niet meer een profeet, een gezant van God, maar de Messias. De woestijn van Bethsaïda weerklinkt na de vermenigvuldiging der brooden van éen langen kreet: Ziedaar de verwachte profeet door Mozes voorspeld, de zoon van David.

In deze stemming van het volk en in dien kreet schuilt schijnbaar Christus' zegepraal, maar is in waarheid het gevaar gelegen, wat hij voor zijn arbeid het meest van alles vreest. Christus zal al zijn kracht, al zijne kalmte, al zijne goddelijke wijsheid aanwenden om die stemming :e bezweren.

Zeker, hij is de verwachte profeet, de beloofde Messias, maar niet de Messias zooals dit volk dien droomt. Hij is niet de vleeschelijke, de aardsche, de staatkundige Messias van éen volk, hij is de geestelijke, de hemelsche, de godsdienstige Messias van de geheele wereld. Zijn Rijk heeft met de rijken dezer wereld niets gemeen. Met alle inspan-

ocr page 289

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET KIJK GODS. 27Ö

ning heeft liij getracht het volk dit ware begrip van zijn Kijk in te scherpen, maar de leeraars en het volk hebben hem niet begrepen. Eenige uitverkorenen alleen hebben hem gehoord en verstaan.

Deze vurige en krijgszuchtige Galileërs droomeu nog altijd van een Judas den Gauloniter. Zij willen een gewapenden aanvoerder, een overwinnaar, een bevrijder. Een staatkundige hartstocht zet hen in vuur en hun geestdrift voor Christus zal aanstonds uitslaan in lichte laaie; de een zet den ander aan en allen loopen rond met het plan, Christus weg te voeren, naar Jerusalem mede te nemen en voor het oog van al het volk tot koning uitteroepen.

Het was een gewichtig en moeielijk oogenblik.

Volksbewegingen zijn verschrikkelijk; ze slepen de sterk-sten meê en berooven de wijsten van hun zinnen; maar geen gevaar kon ooit de wijsheid van den Meester bedriegen.

Indien Christus, om zich aan het volk te onttrekken onmiddelijk met zijne leerlingen was weggegaan, zou de beweging in Galilea zich hebben uitgebreid en in een volslagen opstand veranderd zijn; indien hij met de zijnen onder het volk ware gebleven, zouden ook zij misschien door het volk zijn medegesleept. Eene gisting onder het volk is aan een brand gelijk: men ontkomt niet gemakkelijk aan dat vernielend vuur. Daar de leerlingen zelven Galileërs waren, deelden zij in den gloed van dat volk. Alles, wat hun Meester tot glorie was, moest hun aangenaam wezen. Zij waren bij lange na niet doorgedrongen in de plannen, die God met den Messias had, en zoo zij geloofden in zijne zegepraal, zij konden zich die niet denken zonder vertoon van aardsche macht. Christus. door het volk van Galilëa tot Koning uitgeroepen, moest, dachten zij, het teeken worden der heerlijke komste van zijn Rijk.

Christus zag het gevaar en met beslistheid, zonder dralen, zonder weifelen, bracht hij 'teerst zijne leerlingen in veiligheid.

ocr page 290

280 DE PEEDIKIKG IN GALILEA. — HET KIJK GODS.

Na den wonderbaren maaltijd waren allen langzamerhand bij den oever van het meer gekomen; de Meester gelastte den zijnen in het scheepje te klimmen en, terwijl hij-zelf het volk zou wegzenden, voor hem naar den anderen kant, naar Bethsaïda in Galilëa, te varen. Met weerzin voldeden de leerlingen aan dit bevel van den Meester, die om hen te noodzaken gebruik moest maken van al zijn macht.

Het scheepje ging onder zeil en Christus zond het volk heen. Hoe het volk ook met hem weg liep, hij bleef er meester over. Christus is van alle menschen, die toenmaals tot bevrijders werden uitgeroepen, de eenige die door het volk niet is meegesleept. Hij volbrengt den wil zijns Vaders en gaat tot zijn Vader om te ontkomen aan de menschen die hem in den weg staan, wanneer hij aan zijne roeping wil beantwoorden.

Toen de menigte zich verwijderd had, beklom hij alleen den heuvel om te bidden, en verdween hij in den nacht.

Terwijl Christus daar was op den berg, was het scheepje in het midden van het meer. Er blies een stormwind uit het westen en de leerlingen vermoeiden zich met te roeien. Het meer van Tiberias is om zijne plotseling opkomende stormen bekend.

Christus vergat de zijnen niet, hij zag hen in den geest, en zijn geest was met hen. Tusschen drie en zes uur in den morgen kwam hij bij hen, wandelend op de golven en de zee.

Gelijk onze wil binnen zijn eng gebied elk oogenblik over de wet der zwaartekracht zegeviert en het lichaam dat hij in beweging brengt daarvan vrij maakt, opheft en verplaatst, ook zoo maakt Christus' wil, wiens gebied geen grenzen kent, omdat God geheel en al in hem is, in deze oogen-blikken zijn lichaam vrij van de wetten der ruimte en der zwaartekracht en houdt diezelfde wil dat lichaam boven de golven uit; en plotseling verschijnt hij vóór het scheepje aan de oogen zijner leerlingen.

Deze plotselinge verschijning maakte hen bevreesd: zij

ocr page 291

DE PKEDIKING IN GAL1LEA. — HET RIJK GODS. 281

geloofden een spooksel te zien en schreeuwden het uit van angst.

Maar terstond sprak Christus tot hen :

— „Weest gerust, ik ben het, vreest niet.quot;

— „Heer, zeide Petrus, indien gij het zijt, beveel mij dan tot u te komen op het water.

— „Komquot;, zeide Christus.

En terstond klom Petrus uit het schip, wandelde op het water om naar zijn Meester te gaan. Maar het geweld van den wind maakte hem bang, en toen hij begon te zinken, riep hij: Heer, behoud mij!

Christus stak zijne hand uit, greep hem en zeide;

— „Gij, kleingeloovige! waarom hebt gij getwijfeld?

Zoodra zij in het scheepje geklommen waren, hield de

wind op en het scheepje was oogenblikkelijk daar, waar zij moesten landen.

Het wonder der broodvermenigvuldiging had hen ongevoelig gelaten. Zij waren toen ongetwijfeld, even als het volk, vol van aardsche gedachten en plannen van wereldsche glorie. Een mensch die door zijn eigen ijdelheid is verblind, ziet niet het werk van God. Maar wanneer het gevaar hem aan hem-zelven ontvoert, door hem te noodzaken naar boven te zien, gaat met zijn hart terstond ook zijn oog open, — hij begrijpt en aanbidt.

Bij het zien van Christus op het woeste meer en van de kalmte die door zijn komst plotseling ontstond, werden de leerlingen van verbazing vervuld, en uit het scheepje op den oever stappende vielen zij voor Christus' voeten neder en zeiden: Waarlijk! gij zijt de Zoon van God!

In de plaats van een aardsch koningrijk, dat Christus ontvlucht, veracht en opoffert voor zyne roeping als Messias, geeft de hemelsche Vader hem een goddelijke macht, en door zijne leerlingen aan de bekoringen van een aardsch rijk te onttrekken , maakt hij hen tot getuigen der overweldigende glorie van een hemelsch rijk; door zulke openbaringen overheerscht en vervormt hij zijne leerlingen.

ocr page 292

282 DE PEEDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

Ook dit scheepje, op deze woeste golven, is het beeld van zijn Rijk, van de Kerk op de woeste wereldzee.

Terwijl dit voorviel op den westelijken oever van het meer, bij den ingang der vlakte van Gennesar, gebeurde er op den oostelijken oever van Bethsaïda, dien Christus eenige uren te voren verlaten had, het volgende:

Het volk, dat den vorigen avond naar huis was gezonden , was in den morgen teruggekeerd. Toen het zag, dat slechts éen scheepje op het strand lag en de leerlingen dus zonder hun Meester waren weggegaan, hoopte het hem terug te zien. Ook zij, die het plan hadden opgevat om hem tot Koning uit te roepen, waren gedurende den nacht bij elkaar gebleven , maar keerden nu, terwijl zij hem niet vonden, op schuiten die van Tiberias waren gekomen, naar Capharnaüm terug, in de hoop aldus spoediger bij den Profeet te zijn.

Dezen ontmoetten Christus inderdaad aan de andere zijde van het meer, toen hij met zijne leerlingen te Capharnaüm kwam. Nu werd Christus wel gedwongen het einde zijner prediking in Galilëa te verhaasten.

Wanneer de man van God, in den strijd met de hartstochten en de vooroordeelen van het volk, de onafhankelijkheid en de heiligheid zijner bediening bedreigd ziet, heeft hij den tijd niet meer in zijne macht, en moet hij de sluiers verscheuren en de waarheid in hare volle naaktheid toonen; de weifelenden en schijnheiligen komen er bij om, maar de oprechten en getrouwen leven meer dan ooit — en de waarheid zegeviert.

Dit verklaart Christus' woorden en onderwijzingen die naar het verhaal van het vierde Evangelie nu volgen. Het is een laatst maar krachtig pogen om den Galileërs hunne droomen over een staatkundigen en aardschen Messias te ontrukken, en hen te doen begrijpen, dat het werk van den Messias was van geestelijken en goddelijken aard.

— Meester, zeiden zij tot Christus, wanneer zijt gij hier gekomen ') ?

') Joës VI , 25 vv.

ocr page 293

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 283

Eene nieuwsgierige vraag, die door Christus niet wordt beantwoord; maar onmiddelijk grijpt hij nu de gedachten en begeerten zijner ondervragers vast, en ontmaskert hij met éen slag alles wat er valsch, zelfzuchtig en misschien trouweloos is in hunne ijverige bezorgheid voor hem.

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg u, gij zoekt mij, niet omdat gij teekenen hebt gezien, maar omdat gij van de brooden hebt gegeten en verzadigd zijt geworden.quot;

Met dit gestrenge woord veroordeelt en verwerpt hij al het aardsche en stoffelijke, waarmee in de verbeelding der Galileërs de roeping van den Messias was omkleed.

Zijne wonderen zijn slechts teekenen en symbolen die men ontcijferen en begrijpen moet. 't Is niet te doen om die wonderen, maar om datgene waarvan zij de teekenen zijn. De teekenen zijn stoffelijk, maar wat zij beteekenen is geestelijk.

Op zachter toon vervolgt hij nu.

— Er zijn twee voedsels, het eene dat verteert en het andere dat blijft tot in het eeuwige leven. „Maakt geen werk van het voedsel wat vergaat, maar van dat, wat altijd blijft tot het eeuwige leven, en wat de Zoon desmenschen u zal geven. Want hem heeft God de Vader bezegeldquot;.

Het licht breekt door.

Christus vertoont zich in zijn eigen goddelijke gedaante; zijn merk, zijn teeken waarmede hij is bezegeld, is de Geest van wien hij vervuld is. Dit geestelijk en bovennatuurlijk voedsel moet men hem vragen; want dit is het eeuwig blijvend voedsel waarvan de onsterfelijke ziel moet leven.

Zijne uitnoodiging, om het voedsel van den Geest te zoeken, was zoo dringend, dat de joden, een oogenblik hunne aardsche beslommeringen vergetend, uitriepen: Wat moeten wij doen om te volbrengen wat God vraagt en het leven te hebben dat niet verloren gaat?

— „Het werk, wat God vraagt, antwoordde hij, is, dat gij gelooft in hem dien hij gezonden heeft.quot;

Gelooven! in dat éene woord is Christus' geheele godsdienst, heel het geheim van het eeuwige leven opgesloten.

ocr page 294

284 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

Door het geloof wordt de ziel opengemaakt om God te ontvangen gelijk de grond door den arbeid voor het zaad geopend wordt.

Zoodanig eene leer was verre gewijderd van de overleveringen der meesters in Israël. Waar blijven hier al die wettelijke voorschriften door Mozes gegeven van wier naleving, zooals de meesters in Israël leerden, de rechtvaardigheid en het leven afhingen ? Hier breekt reeds de schemering door van dien godsdienst der vrijheid van het Evangelie, waarvan de H. Paulus later de Apostel zal wezen.

Christus die den avond te voren een aardsch Koningschap heeft geweigerd, verklaart zich voor den eenigen gezant van God, en in naam zijns Vaders dwingt hij het volk in hem te gelooven.

Het volk aarzelt en weerstaat.

Een volkomen geloof schenkt de mensch van alles het laatst. Al is hij nog zoo mild met zijne bewondering, toewijding, geestdrift en vertrouwen, hij blijft zijne eigene ideeën, verlangens en belangen behouden, mét het vaste voornemen van dat alles niets meer weg te geven, zoodra hij in zijne ideeën geschokt, in zijne verlangens tegengewerkt of in zijne belangen bedreigd wordt. Niemand heeft ook het recht een onvoorwaardelijk geloof te vragen. Door dat onvoorwaardelijk geloof te vragen plaatste Christus zich boven alle menschen, zelfs boven Mozes uit, en maakte hij zich gelijk aan God.

- Welk teeken doet gij dan, zeiden de joden, opdat wij het zien en in u gelooven? Mozes heeft zijn teeken gehad: onze vaderen aten het manna in de woestijn, gelijk er geschreven staat: Brood uit den hemel gaf hij hun te eten.

De vermenigvuldiging der brooden is voor hen niet genoeg; zoodanig een wonder plaatst hem niet op dezelfde hoogte als Mozes, en rechtvaardigt zijne eischen niet. Wat beteekent het spijzen van eenige duizenden menschen in vergelijking met de macht van hem die gedurende veertig jaren een geheel volk op wonderdadige wijze in de woestijn heeft gespijsd ?

ocr page 295

DE PREDIKING IN GALILEA. - HET HUK GODS. 285

De Rabbijnen leerden, dat de eerste verlosser, Mozes, manna uit den hemel had laten regenen, en dat de tweede verlosser, de Messias, dat wonder zou herhalen. Men hoort in de eischen van het galileesche volk eene echo van deze droomerijen ').

Christus staat niet eens stil bij de vraag van zijne ondervragers. Bij al zijne wonderen heeft Christus nooit willen voldoen aan den dorst naar het wonderbare, waardoor dit volk werd gekweld. Alle werken zijner almacht vinden slechts in zijne goedheid hun grond en hebben tot voorwaarde het geloof. Wie in hem gelooft, ondervindt zijne goedheid, maar wie twijfelt en eerst alles uitpluizend onderzoekt, laat hem onverschillig en koud.

Met bovenmenschelijke grootheid legt hij hier de verklaring af, dat hij-zelf is het teeken van God. ,

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg u, niet Mozes heeft u het brood uit den hemel gegevenquot;, 't Is waar het manna kwam uit den hemel, maar het was toch stof, — een vergankelijk beeld der eeuwige spijs — maar „mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel, want het ware brood van God is hij, die uit den hemel nederdaalt en het leven geeft aan de wereldquot;.

Daar waren in dat oogenblik onder dat volk eenigen die getroffen waren en verlicht.

— Meester, riepen zij, geef ons altijd dat brood.

Toen begon Christus zonder eenige terughouding uit te leggen, wat hij was.

— „Ik ben het brood des levens; die tot mij komt zal niet hongeren, en die in mij gelooft, zal nimmer dorstenquot;. En doelend op de hardnekkige wijze waarop men van hem teekenen vroeg om tot hem te Komen en in hem te gelooven , gaf hij te kennen, dat hij-zelf het ware teeken was.

— Welnu, voegde hij erbij, „gij hebt mij gezien, en nochtans gelooft gij niet.quot;

') Midrasch, Cohelet. lol. 86, 4.

ocr page 296

286 DE PREDIKI.VG IS GALILEA. — itET RIJK GÓDS.

Christus is inderdaad het groote teeken van God. Nooit heeft de macht, de wijsheid, de goedheid en de kracht Gods zich zoo volkomen geopenbaard als in het leven, het woord, de heiligheid en de werken van den Zoon des menschen. Die dat ziende den Gezondene des Vaders niet erkent, zal door niets verlicht en overtuigd worden. Door deze halstar-rige ongeloovigheid werd Christus bedroefd en neergedrukt. Hij voelde er in dit oogenblik alle zwaarte van.

In de vreugde van zijn hart heeft hij aan dit volk van Galilea een feest gegeven en met hen een wonderbaar Paasch-feest in de woestijn gevierd; maar het volk heeft er niets van begrepen; het vraagt hem niet om het brood des levens, maar eischt het stoffelijk brood. Die ongunstige uitslag van al zijn arbeid was een bittere voorproef van het lot dat hem in Jerusalem .wachtte, wanneer hij voor de laatste maal daar zou verschijnen om ten aanhoore der vertegenwoordigers van het geheele volk van zich-zelven getuigenis af te leggen.

Maar de hardnekkigheid der ongeloovigen zal het werk van den Vader niet verijdelen; het zal in de uitverkorenen worden voltooid; de veroordeelden zullen slechts zich-zelven ten verderve zijn en Gods rechtvaardigheid in quot;t aangezicht van allen laten stralen.

Met groote kalmte sprak hij dan ook:

— „Al wat de Vader mij geeft, zal tot mij komen; en hem die tot mij komt, zal ik niet buitenwerpen; want ik ben van den hemel nedergedaald, niet om mijnen wil te doen, maar den wil van hem die mij gezonden heeft. En dit is de wil des Vaders die mij gezonden heeft, dat ik niets van al wat hij mij gegeven heeft late verloren gaan, maar het opwekken in den jongsten dagquot;.

— Ja, riep hij met aandrang, „dit is de wil mijns Vaders die mij gezonden heeft, dat een ieder, die den Zoon ziet en in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en ik zal hem opwekken in den jongsten dagquot;.

't Is een gaaf van God wanneer men tot Christus komt en in zijn woord gelooft. De mensch, die zich in zich-zelven,

ocr page 297

DE PREDIKING IN GALILEA. — MET RIJK GÓDS. 287

in zijn eigen rede, in zijn dwalingen, in zijne ondeugden, in zijne hartstochten, in zijn zelfzucht opsluit, kan niet tot Christus komen. Die, geroepen door den Vader d. i. bekoord door het goede, door de waarheid en het leven, zich zijn eigen nietigheid en ellende bewust wordt, zal komen en ge-looven. Christus zal hem niet verstoeten, en hem niet bedriegen; heel zijn hoop zal vervuld worden; want Christus' wil en macht gaan verre uit boven hetgeen een mensch kan hopen. Hij zal in Christus vinden het eeuwige leven waarin al zijne verlangens te zamen in vervulling gaan, de kracht om dat leven te bewaren en te ontwikkelen in deze wereld, waar alles met dat leven in strijd is en alles sterft; en zoo groot is de levenskracht door den Vader aan den Zoon des menschen gegeven, dat zij zelfs den dood van het lichaam zal overwinnen en in den jongsten dag de Zoon des menschen alles zal opwekken wat de Vader hem gegeven heeft.

Ziedaar het waarachtig Koningschap wat hij voor zich-zeiven eischt in de plaats van dat ellendig aardsche rijk waarvoor de Galileers ijveren. Dat koningschap zal hem niet ontgaan, hij is er op goddelijke wijze zeker van, en de tegenslagen in deze wereld zullen daarvan de glorie grooter maken.

Nooit had Christus zoo duidelijk het ware rijk van den Messias verklaard. De plannen van het volk dwongen hem ertoe. Wat ons het meest verwonderd, is niet dat tegenover zoo'n persoon en zoodanig een werk de groote menigte van het joodsche volk is ongeloovig gebleven, maar dat eenvoudige lieden, in weerwil van alle beletselen die in staat waren aan alle andere kracht dan die van God weerstand te bieden, zijn leer hebben aangenomen, zich voor zijn geest geopend hebben en zijn invloed hebben ondergaan.

De waarheid beleedigt alleen hen die van haar afkeerig zijn en haar verwerpen. Christus' woorden doen sommigen morren:

— Hij heeft durven zeggen, morren zij, ik ben het levend brood dat uit den hemel is gedaald. Wat! is deze niet

ocr page 298

288 D£ PREDIKING IN GALtLEA. — HET RIJK GODS.

Jesus, de zoon van Joseph, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt deze dan: ik ben uit den hemel nedergedaald ?

Dat was het groote bezwaar der joden om in Jesus den Messias te erkennen. Men vindt het overal terug; de inwoners van Nazareth hadden het reeds geopperd en het wordt hier herhaald, nu Christus verklaart, dat hij van goddelijken oorsprong is ').

Christus weerlegt deze opwerping niet. Die opwerping is geen beletsel om te gelooven, maar wel de inwendige gesteltenis, — en die gaat hij nu ontmaskeren.

— Mort niet onder elkander. „Niemand kan tot mij komen, tenzij de Vader, die mij gezonden heeft hem trekkequot;; hij zal het teeken niet zien, hij zal niet begrijpen, en niet gelooven, „Maar ik herhaal het, wat de Vader mij zendt, zal ik opwekken in den jongsten dag, ik zal het brengen tot de hoogste volmaaktheid.

Alle opwerpingen tegen Christus vinden daarin haren grond, dat de mensch verblind is door zijne zinnen, of bekrompen van verstand of zwak is van wil; maar die door den Vader getrokken worden, komen alle deze beletselen te boven en gaan tot Christus, die hun de waarheid, de goedheid en het leven moet mededeelen. Zoo worden zij door Christus tot zoodanig eenen graad van volmaaktheid gebracht, dat het lichaam in den jongsten dag daarin deelen zal.

De joden, die niet de leerlingen maar de slaven der Wet zijn, willen door den Vader niet getrokken worden, en

') De critiek heeft hierin een afdoende opwerping tegen de werkelijkheid van Christus' wonderbare ontvangenis en geboorte willen zien. Zij vergeet echter twee dingen: het duistere en het geheimzinnige waarin gedurende dertig jaren dit goddelijk feit gewikkeld was, en tevens dat het onvoegzaam ware geweest, dit feit ter sprake te brengen voor een vijandig gezinde menigte die het niet gelooven maar er om lachen zou. Het wonder van Jesus' geboorte is geen reden voor de ongeloovigen om te gelooven, maar het versterkt het geloof in do zielen der goloovigen en dezen alleen hebben de kracht het aan te nemen.

ocr page 299

De prediking in galilëa. — het rijk göds. 289

gelooven daarom in Christus niet. Zij verklaren het gedrag van alle ongeloovigen der latere eeuwen. Dezelfde oorzaken hebben dezelfde gevolgen.

Wat de Meester hier leert is niet anders dan de leer der Profeten. Daar staat werkelijk geschreven, dat alle onderdanen van het Messias-rijk door God zullen onderwezen worden.

— „Ja, zegt Christus, een ieder die den Vader gehoord en van hem geleerd heeft, komt tot mij. Niet dat iemand den Vader gezien heeft, tenzij hij die van God komt; deze alleen heeft den Vader gezien.

Zich getrokken te voelen tot het beginsel van al wat is, van alle waarheid, van alle deugd, van alle leven, is geheel iets anders dan dat beginsel aanschouwen; het is veeleer getuigen, dat men ver daarvan verwijderd is, maar dat men ertoe komen kan, omdat het ons aantrekt. Christus alleen kent dien dorst niet, want hij is de bron-zelf; en hij alleen kan de zielen, die door dien dorst worden gekweld, brengen tot de bron; hij is die van God komt en van God is nedergedaald om tot God terug te keeren en allen die tot hem komen tot God te brengen.

Nu neemt hij de idee waarin de joden zich geërgerd hadden nogmaals op en legt hij nogmaals met nog grootere plechtigheid van zich-zelven getuigenis af.

— „Voorwaar, voorwaar, ik zeg het u, die in mij gelooft, heeft het eeuwige leven, want ik ben het brood des levens. Uwe vaderen aten het manna in de woestijn en zijn gestorven. Ziethier het brood, dat uit den hemel nederdaalt, opdat, zoo iemand daarvan eet, hij niet sterve. Ik ben het levend brood, die uit den hemel ben nedergedaald; zoo iemand van dit brood eet, hij zal in eeuwigheid levenquot;.

Door zich het levend brood te noemen verklaart hij zoo duidelijk mogelijk, dat hij is het brood, dat doet leven niet alleen, maar dat hij-zelf het leven is van God in de men-schelijke natuur.

Christus gaat nu den aardschgezinden joden nog grooter

19

ocr page 300

290 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET HUK GODS.

ergernis geven door hun te verklaren welke rol deze men-schelijke natuur te vervullen heeft.

— „Het brood dat ik geven zal, is mijn vleesch, voor het leven der wereldquot;.

Bij dat woord: „het brood is mijn vleeschquot; ontstaat er onder de joden een zware strijd.

— „Hoe, riepen zij, kan deze ons zijn vleesch te eten geven ?

Christus heeft eenmaal besloten met dat volk te breken

en gebruikt nu nog sterkere uitdrukkingen.

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg u: tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken in den jongsten dag. Want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drankquot;.

Ziedaar wat de menschheid van Christus voor het heil der wereld moet doen. 't Is niet meer zijn goddelijke Gesst alleen die handelend optreedt, maar zijn lichaam en ziel, zijn vleesch en bloed werken mede. 't Is niet genoeg deel te hebben in zijnen Geest, men moet ook deel hebben in zijne ziel, in zijn lichaam, in zijn vleesch en in zijn bloed, in zijn persoon, in geheel zijn wezen. Het H. Sacrament des Altaars staat hier helder en klaar voor onze oogen.

— „Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hemquot;. De vereeniging zal volkomen wezen en door deze vereeniging met den levenden Christus zal in de doode menschheid het leven worden terug gebracht.

— „Gelijk de Vader — die het leven zelf is — mij gezonden heeft, en ik leef door mijn Vader, zoo zal ook hij die mij eet, door mij levenquot;.

De menschelijke taal kent geen woord van dieper be-teekenis. Er zijn twee levens: het eene is stoffelijk, het andere goddelijk; het eene in de natuur, het andere in God. Het eerste kan door den mensch alleen in een aardsch en stoffelijk voedsel, dat hem moot voeden, worden gegrepen; het tweede kan alleen in de menschheid van Christus worden

ocr page 301

DE PUEDIKIKG IN ffALILEA. — HET RIJK GODS. 291

bereikt. De mensch die weigert door het voedsel het eerste leven in zich op te nemen, sterft; ook zoo sterft hij die weigert het tweede leven door het vleesch en bloed van Christus in zich op te nemen.

Aan het einde van deze buitengewone rede, verklaart Christus op nieuw wat hij is, in deze woorden;

— „Dit is het brood, dat uit den hemel is nedergedaaldquot;. Het wordt u aangeboden en gij zijt daarom bevoorrecht boven uwe vaders, „zij hebben het manna gegeten en zijn gestorven; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid levenquot;.

Ziehier zijn laatste woord tot dat volk; die het verwerpt, sterft, die het aanneemt, zal leven.

Het volk verwierp het en stierf.

Deze woorden werden gesproken in eene plechtige bijeenkomst, in de volle synagoog van Capharnaüm.

Het keerpunt is daar. De aardschgezinde Galileërs hebben genoeg van hem en keeren hem den rug toe. Zoo geweldig had hij hen afgestooten, dat zelfs velen zijner leerlingen, die met hem leefden, werden omvergeworpen.

— „Dit woord is hard, riepen zij, wie kan het aanhooren?

Christus waakte over de zijnen; hij hoorden hen mompelen

en zeide:

— „Ergert u dit woord? Indien gij dan den Zoon des menschen eenmaal daarheen zult zien opvaren waar hij te voren was, zoudt gij hem dan gelooven?

Hier zinspeelt hij op zijn toekomende zegepraal, waarvan zijn hemelvaart het schitterend bewijs zal wezen; want deze zal toonen, dat zoo de mensch voor 't oogenblik over de menschheid van Christus macht heeft, hij niets over den Geest, een onbedwingbare en souvereine macht, te zeggen heeft.

— „De Geest is het, zegt hij, die levend maakt; het vleesch is van geen nut. De woorden die ik tot u gesproken heb zijn geest en levenquot;. Wat zij zeggen, werken zij uit.

Alle levendmakende kracht van Christus komt voort uit den Geest, en indien zijn vleesch en bloed den mensch tot nut

ocr page 302

292 DE PREDTKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

kunnen zijn, dan is het omdat zijn goddelijke Geest daarin is.

Maar om deel te hebben in dezen Geest, moet men ge-looven. — „En er zijn sommigen van uquot;, zegt Christus, „die niet geloovenquot;.

't Lijdt geen twijfel of Christus kende zoo duidelijk mogelijk de verborgen gevoelens van hen die tot hem kwamen. Indien hij aan de kwalijk gestemden toestond zich aan hem te verbinden, wilde hij hun daardoor een krachtiger middel geven om zich te bekeeren. Door hier van hen te spreken, zonder hunne namen te noemen, noodigde hij hen uit tot berouw en geloof. Daarop herhaalde hij, aan zijn Vader denkend, dat geliefde woord: — „Niemand kan tot mij komen, tenzij het hem gegeven zij van mijnen Vaderquot;.

Van dit oogenblik af gingen ook velen zijner leerlingen weg-Dat moest hem leed doen; maar de gedachte dat zijn arbeid daardoor gezuiverd werd, troostte hem. Indien het noodig was zou hij ook zoo met zijne twaalf apostelen handelen.

Hij keerde zich tot hen en zeide:

— „Wilt gij ook niet heen gaan?quot;

Maar Petrus antwoordde in naam van allen:

— Meester! tot wien zullen wij gaan? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij, wij hebben geloofd en erkend, dat gij de Christus, de Zoon Gods zijt.

Ofschoon die kreet den Meester goed doet, neemt hij deze betuiging alleen aan onder voorbehoud. Hij wist, dat er onder de twaalven een verrader was. Dat zegt hij openlijk en met een woord, dat zijne liefde en de ondankbaarheid van den andere laat zien:

— „Heb ik u, twaalven, niet gekozen? En een uit u is een duivelquot;.

Judas herkende zich niet in deze strenge toespeling van den Heer. De huichelaar beschouwde de edelmoedige belijdenis van Petrus' geloof als de zijne en bleef bij de twaalf.

Het is de wil des Vaders, dat hier op aarde altijd het kaf met het koorn is gemengd.

ocr page 303

DE PREDIKING IN GALILEA. —

TIENDE HOOFDSTUK.

Christus' reis naar de grenssteden van Tyrus en Sidon en door de Decapolis.

De groote volksmenigte is van Christus heengegaan; de pharizeën houden niet op hem te bespieden en af te breken in de achting van het volk; de tetrarch bewaakt en bedreigt hem: er is alles te vreezen van Joannes'moordenaar, die in de onrust van zijn geweten zich inbeeldt, dat Joannes in Christus herleeft. Rondom den Meester blijven slechts de twaalven en een bepaald getal leerlingen.

Menschelijker wijze is Christus' zaak verloren.

Niets heeft het volk van zijne vooroordeelen kunnen genezen. In plaats van Christus' volger te zijn wilde het Christus tot volger hebben.

Vooral in drie steden van Galilea, Korazim, Bethsaïda en Caphernaüm, had Christus gearbeid, maar weinig gevangen. Daarover is hij verontwaardigd en bedroefd.

— „Wee u Korazim! wee u, Bethsaïda! roept hij uit, want indien in Tyrus en Sidon de wonderen geschied waren, die geschied zijn in u, over lang zouden zij in haren kleed en asch zich bekeerd hebben. Doch ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan voor u.

HET RIJK GODS. 293

„En gij, Capharnaüm! zult gij tot den hemel toe verheven worden? Neen, tot de hel toe zult gij nederdalen; want indien in Sodoma de wonderen geschied waren, die geschied zijn in u, het zou gebleven zijn tot op dezen dag. Doch ik zeg u: het zal voor het land van Sodoma verdra-gelijker zijn in den dag des oordeels dan voor u.')

') Matth. XI , 20 vv.

ocr page 304

290 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

ergernis geven door hun te verklaren welke rol deze men-schelijke natuur te vervullen heeft.

— „Het brood dat ik geven zal, is mijn vleesch, voor het leven der wereldquot;.

Bij dat woord: „het brood is mijn vleeschquot; ontstaat er onder de joden een zware strijd.

— „Hoe, riepen zij , kan deze ons zijn vleesch te eten geven ?

Christus heeft eenmaal besloten met dat volk te breken

en gebruikt nu nog sterkere uitdrukkingen.

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg u: tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen eet en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken in den jongsten dag. Want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drankquot;.

Ziedaar wat de menschheid van Christus voor het heil der wereld moet doen. 't Is niet meer zijn goddelijke Geest alleen die handelend optreedt, maar zijn lichaam en ziel, zijn vleesch en bloed werken mede. 't Is niet genoeg deel te hebben in zijnen Geest, men moet ook deel hebben in zijne ziel, in zijn lichaam, in zijn vleesch en in zijn bloed, in zijn persoon, in geheel zijn wezen. Het H. Sacrament des Altaars staat hier helder en klaar voor onze oogen.

— „Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in mij en ik in hemquot;. De vereeniging zal volkomen wezen en door deze vereeniging met den levenden Christus zal in de doode menschheid het leven worden terug gebracht.

— „Gelijk de Vader — die het leven zelf is — mij gezonden heeft, en ik leef door mijn Vader, zoo zal ook hij die mij eet, door mij levenquot;.

De menschelijke taal kent geen woord van dieper be-teekenis. Er zijn twee levens: het eene is stoffelijk, het andere goddelijk; het eene in de natuur, het andere in God. Het eerste kan door den mensch alleen in een aardsch en stoffelijk voedsel, dat hem moet voeden, worden gegrepen; het tweede kan alleen in de menschheid van Christus worden

ocr page 305

Dfi PREDIlimG tN QALILEA. — HET RIJK GODS. 291

bereikt. De mensch die weigert door het voedsel het eerste leven in zich op te nemen, sterft; ook zoo sterft hij die weigert het tweede leven door het vleesch en bloed van Christus in zich op te nemen.

Aan het einde van deze buitengewone rede, verklaart Christus op nieuw wat hij is, in deze woorden:

— „Dit is het brood, dat uit den hemel is nedergedaaldquot;. Het wordt u aangeboden en gij zijt daarom bevoorrecht boven uwe vaders, „zij hebben het manna gegeten en zijn gestorven; wie dit brood eet, zal in eeuwigheid levenquot;.

Ziehier zijn laatste woord tot dat volk; die het verwerpt, sterft, die het aanneemt, zal leven.

Het volk verwierp het en stierf.

Deze woorden werden gesproken in eene plechtige bijeenkomst, in de volle synagoog van Capharnaüm.

Het keerpunt is daar. De aardschgezinde Galileërs hebben genoeg van hem en keeren hem den rug toe. Zoo geweldig had hij hen afgestooten, dat zelfs velen zijner leerlingen, die met hem leefden, werden omvergeworpen.

— „Dit woord is hard, riepen zij, wie kan het aanhooren?

Christus waakte over de zijnen; hij hoorden hen mompelen

en zeide:

— „Ergert u dit woord? Indien gij dan den Zoon des menschen eenmaal daarheen zult zien opvaren waar hij te voren was, zoudt gij hem dan gelooven?

Hier zinspeelt hij op zijn toekomende zegepraal, waarvan zijn hemelvaart het schitterend bewijs zal wezen; want deze zal toonen, dat zoo de mensch voor 't oogenblik over de menschheid van Christus macht heeft, hij niets over den Geest, een onbedwingbare en souvereine macht, te zeggen heeft.

— „De Geest is het, zegt hij, die levend maakt; het vleesch is van geen nut. De woorden die ik tot u gesproken heb zijn geest en levenquot;. Wat zij zeggen, werken zij uit.

Alle levendmakende kracht van Christus komt voort uit den Geest, en indien zijn vleesch en bloed den mensch tot nut

ocr page 306

292 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

kunnen zijn, dan is het omdat zijn goddelijke Geest daarin is.

Maar om deel te hebben in dezen Geest, moet men ge-looven. — „En er zijn sommigen van uquot;, zegt Christus, „die niet geloovenquot;.

't Lijdt geen twijfel of Christus kende zoo duidelijk mogelijk de verborgen gevoelens van hen die tot hem kwamen. Indien hij aan de kwalijk gestemden toestond zich aan hem te verbinden, wilde hij hun daardoor een krachtiger middel geven om zich te bekeeren. Door hier van hen te spreken, zonder hunne namen te noemen, noodigde hij hen uit tot berouw en geloof. Daarop herhaalde hij, aan zijn Vader denkend, dat geliefde woord: — „Niemand kan tot mij komen, tenzij het hem gegeven zij van mijnen Vaderquot;.

Van dit oogenblik af gingen ook velen zijner leerlingen weg-Dat moest hem leed doen; maar de gedachte dat zijn arbeid daardoor gezuiverd werd, troostte hem. Indien het noodig was zou hij ook zoo met zijne twaalf apostelen handelen.

Hij keerde zich tot hen en zeide:

— „Wilt gij ook niet heen gaan?quot;

Maar Petrus antwoordde in naam van allen:

— Meester! tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens. En wij, wij hebben geloofd en erkend, dat gij de Christus, de Zoon Gods zijt.

Ofschoon die kreet den Meester goed doet, neemt hij deze betuiging alleen aan onder voorbehoud. Hij wist, dat er onder de twaalven een verrader was. Dat zegt hij openlijk en met een woord, dat zijne liefde en de ondankbaarheid van den andere laat zien;

— „Heb ik u, twaalven, niet gekozen? En een uit u is een duivelquot;.

Judas herkende zich niet in deze strenge toespeling van den Heer. De huichelaar beschouwde de edelmoedige belijdenis van Petrus' geloof als de zijne en bleef bij de twaalf.

Het is de wil des Vaders, dat hier op aarde altijd het kaf met het koorn is gemengd.

ocr page 307

— HET RIJK GODS. 293

TIENDE HOOFDSTUK.

Christus' reis naar de grenssteden van Tyrus en Sidon en door de Decapolis.

De groote volksmenigte is van Christus heengegaan; de pharizeën houden niet op hem te bespieden en af te breken in de achting van het volk; de tetrarch bewaakt en bedreigt hem: er is alles te vreezen van Joannes' moordenaar, die in de onrust van zijn geweten zich inbeeldt, dat Joannes in Christus herleeft. Rondom den Meester blijven slechts de twaalven en een bepaald getal leerlingen.

Menschelijker wijze is Christus' zaak verloren.

Mets heeft het volk van zijne vooroordeelen kunnen genezen. In plaats van Christus' volger te zijn wilde het Christus tot volger hebben.

Vooral in drie steden van Galilea, Korazim, Bethsaïda en Caphernaüm, had Christus gearbeid, maar weinig gevangen. Daarover is hij verontwaardigd en bedroefd.

— „Wee u Korazim! wee u, Bethsaïda! roept hij uit, want indien in Tyrus en Sidon de wonderen geschied waren, die geschied zijn in u, over lang zouden zij in haren kleed en asch zich bekeerd hebben. Doch ik zeg u, het zal voor Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels, dan voor u.

D£ ÏREDIKING IN GALILEA.

„En gij, Capharnaüm! zult gij tot den hemel toe verheven worden ? Neen, tot de hel toe zult gij nederdalen; want indien in Sodoma de wonderen geschied waren, die geschied zijn in u, het zou gebleven zijn tot op dezen dag. Doch ik zeg u: het zal voor het land van Sodoma verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan voor u.')

') Matth. XI , 20 vv.

ocr page 308

294 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET KIJK GODS.

De oordeelen van God wachten niet altoos op de eeuwigheid.

De drie steden zijn onder den last dezer vervloekingen sedert lange eeuwen vergaan.

De twaalf waren de getuigen van zijne droefheid en verontwaardiging , maar hoorden van hem geen woord waaruit bleek, dat hij ontmoedigd was. Zelfs in deze oogenblikken klopte zijn hart nog van vreugde bij het bewustzijn, dat zijn menschelijke wil met den wil zijns Vaders in volmaakte overeenstemming was.

— „Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde! dat gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen en ze aan kleinen geopenbaard hebt; ja, Vader! ik loof u, dat het u alzoo heeft behaagdquot; ').

Deze is de algemeene grondwet des heils voor alle volken en alle tijden.

Nu verklaart hij op nieuw, dat hij gelijk is aan den Vader, en de eenige Meester is.

— „Alles is mij overgegeven door mijnen Vader, en niemand kent den Zoon dan de Vader; noch kent iemand den Vader dan de Zoon, en hij, wien de Zoon het wil openbaren 1).

En bij het zien der menschelijke ellende roept hij tot alle menschen:

— „Komt tot mij, allen die vermoeid en beladen zijt, en ik zal u verkwikken. Neemt mijn juk op u, en leert van mij: want ik ben zachtmoedig en nederig van harte; en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Want mijn juk is zacht, en mijn last is lichtquot; 3).

Christus houdt evenwel niet op zijne weldaden aan dit ondankbaar volk weg te schenken. De vlakte van Genesar in den omtrek van Bethsaïda, zag hem wederom vele wcn-deren doen. De zieken, die men tot hem bracht, werden

1

) Matth. XI, 28.

ocr page 309

DE PREDIKING IN GAXILEA. - HEÏ KIJK GODS. 295

allen genezen. Zelfs zij die slechts het boordsel van zijn kleed ') met vertrouwen aanraakten werden gezond.

't Is het laatste werk van zijne prediking in Galilea. Van het einde der crisis af, eenige dagen na het Paaschfeest van 'tjaar 29, tot den maand van September, wanneer hij voor goed naar Jerusalem gaat, verschijnt Christus slechts nu en dan en wel voor korten tijd, in Galilea en te Capharnaüm. Het volk omringt hem niet meer in groot getal en het hoort zijne parabels niet meer. Zwijgend doorloopt hij het land tot de grenzen waar de landen van Tyrus en Sidon beginnen; hij bezoekt de Decapolis, gaat te Magdala aan land en vertrekt weer langs Bethsaïda-Julias naar het tetrar-chaat van Herodes Philippus. Na deze reizen komt hij nog eens door Galilea en te Capharnaüm in den vooravond van den dag waarop hij die stad voor altijd verlaten zal1).

De omstandigheden maakten dit terugtrekken noodzakelijk. Herodes en zijn aanhangers zochten Christus, de pharizeën loerden scherper dan ooit op hem, en hij wilde zich niet noodeloos blootstellen aan de aanslagen van hunnen haat. Zijn tijd was nog niet daar, en niet in Galilea maar in Judea, in Jerusalem, moet het einde van den Messias wezen.

Toen Christus op het punt stond Capharnaüm te verlaten, om naar de grenzen van Tyrus en Sidon te gaan, ontmoette hij de pharizeën en schriftgeleerden die van Jerusalem, waar zij het Paaschfeest hadden gevierd, terugkeerden 2). Zij zagen hoe eenigen zijner leerlingen aan tafel het brood braken zonder hunne handen volgens gewoonte te hebben gewasschen. Dat gat aanleiding tot ergernis. Men weet

1

) Dezo uitstapjes naar buiten, ver verwijderd van het middenpunt van Christus' prediking in Galilea, worden door den H. Lucas niet vermeld, maar zijn in het verhaal van den H. Mattheüs en vooral van den H. Marcus, op nauwkeurige wijze opgenomen. Deze HH. Evangelisten hebben echter slechts eenige trekken en voorvallen van 's Meesters leven in dezen tyd opgeteekend; maar men kan daarin toch den geheelen Christus, onverbiddelijk voor de pharizeën en vol van zachtmoedigheid voor het volk, terugvinden.

2

') Matth XV; Marc. VII.

ocr page 310

296 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

reeds van vroeger hoe wasschingen bij pharizeën en schriftgeleerden in aanzien waren, en hoe zij, die haar verzuimden, door de excommunicatie van het Sanhedrin getroffen werden ').

Waarom overtreden uwe leerlingen de overlevering dér ouderlingen? want zij wasschen hunne handen niet als zij brood eten?

— „Gij huichelaarsquot;, antwoordde Christus, „Isaïas heeft treffend van u voorzegd; dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is verre van mij. Hun eeredienst is van geen waarde; zij leeren leeringen en geboden van menschen.

„Gij overtreedt het gebod van God om uwe overleveringen te onderhouden. Want God heeft gezegd: eer uwen vader en uwe moeder en: wie vader en moeder vloekt, dat hij de dood sterve.

„Doch gij zegt: Indien iemand tot vader of moeder zal gezegd hebben: alles, wat u van nut zou kunnen wezen, heb ik aan God ten offer gebracht3), deze is van alle verplichting ontslagen, en gij vordert niet, dat hij verder nog iets voor zijn vader of moeder doet. Zoo verijdelt gij in dit en nog vele andere gevallen het gebod van God om eene overlevering, die gij-zelf gemaakt hebt, op te volgenquot;.

In het misbruik maken van uiterlijk vertoon bij godsvrucht en godsdienst ligt het pharizëisme waartegen Christus zonder ophouden gestreden heeft. De werken van godsvrucht waren voor de pharizeën een masker. Zij offerden door eene gelofte hun overvloed aan den tempel, om daarmee offers, zout

M Babyion. Beracoth, fol. 46.

') Kor ban; eene korte formule die door de joden werd gebruikt om geloften af te leggen. Men maakte onderscheid tusschen de geloften waardoor men iets aan God ten offer bracht, en die waardoor men zich verplichtte om deze of gene daad te doen of niet te doen. Door het woord Korban te gebruiken werd een zaak geheiligd en daardoor onschendbaar. De godvruchtige pharizeêr offerde aan God en aan den dienst van den Tempel zijne goederen of het overvloedige ervan, en alsdan was het hem volgens de leeraars der wet niet meer geoorloofd daarmee zyn vader of moeder ter hulp te komen. Vgl. Licht-foot, Horae heabraicae et talmud., ad. h. 1.

ocr page 311

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 297

on hout te koopen, en lieten vader en moeder van honger omkomen.

En aanstonds spreekt hij het volk toe om de huichelarij dezer onwaardige meesters') te ontmaskeren.

— „Hoort en verstaat! Er is buiten den mensch niets dat hem besmetten kan door in hem te komen, maar wat van den mensch uitgaat dat besmet den mensch. Die ooren heeft om te hooren die hoorequot;.

In dat oogenblik naderden de leerlingen tot Christus en zeiden:

— „Weet gij wel dat de pharizeën, toen zij dit woord gehoord hebben zijn geërgerd geworden?

Christus heeft zijn tegenstrevers niet meer te ontzien en zijn woord wordt nu heftig en scherp.

— „Alle plant welke mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. Laat hen begaan! het zijn blinden en leidslieden van blinden. En als de blinde den blinde leidt, vallen zij beiden in den kuilquot;.

Alle godsdienst die in de dwaling wortelt is veroordeeld te sterven. Zoodanig is en blijft het lot van alle valsche eerediensten.

Hierna ging Christus het huis binnen. Doch de leerlingen waren door de voorgaande parabel in de war gebracht en daarom zegt Petrus tot den Meester: verklaar ons deze parabel.

— „Hoe, zeide Christus, zijt ook gij nog zonder verstand? Begrijpt gij niet, dat al wat den mond ingaat, van buiten komt, den mensch niet kan bezoedelen, omdat het niet komt in het hart maar in de ingewanden, die het onzuivere van het voedsel afscheiden en uitwerpen? Maar wat van den mensch voortkomt, dai kan hem besmetten, d. i. wat uit 's menschen hart komt, zooals slechte gedachten, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen , godslasteringen; deze dingen besmetten den

') Matth. XV, 10 vv.; Marc. VII, 14 vv.

ocr page 312

298 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

mensch; maar het eten met ongewasschen handen besmet den mensch nietquot;.

Christus vertrok nu met zijne leerlingen naar de grenzen van Tyrus en Sidon '). Een kleine omstandigheid, door den H. Marcus medegedeeld, geeft het bewijs, dat Christus gedurende de laatste maanden van zijne prediking in Gali-lea alle opspraak en toeloop wilde vermijden. Toen men daar het huis, waar hij zou verblijven, was binnen gegaan, gaf hij last zijn komst verborgen te houden; maar dat was onmogelijk; de heidenen van die streek wisten spoedig, dat hij daar was.

Een Cananeesche vrouw uit het land der heidenen kwam bij het huis waar Christus was en riep luid:

— „Ontferm u mijner. Heer, Zoon van David, mijne dochter wordt deerlijk geplaagd van een boozen geestquot;.

Christus gaf geen antwoord.

Zijne leerlingen zeiden: zend haar weg, want zij schreeuwt ons achterna.

— „Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis van Israëlquot;, hernam Christus.

De vrouw ging binnen, wierp zich voor hem neder en zeide: „Heer! help mij!quot;

De Heer hield zijn medelijden in om het geloof van die vrouw op de proef te stellen en sprak:

— „Het is niet goed het brood der kinderen te nemen en het te werpen voor de hondenquot;.

— „'t Is waar, Heer! maar ook de hondjes eten van de kruimeltjes die van de tafel hunner meesters vallenquot;.

Door zooveel nederigheid en zachtmoedigheid was Christus overwonnen.

— „O vrouw, zeide hij tot haar, groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt, de booze geest is uitgevaren uit uwe dochterquot;.

') Matth. XV, 21; Marc. VII, 24.

ocr page 313

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET KIJK GODS 299

En haar dochter was van dien stond af genezen.

Wij weten niet hoe lang Christus in deze streken verbleef en deze is ook de eenige gebeurtenis die van dien tijd staat geboekt.

Toen hij echter deze streken verlaten had, kwam hij door de Decapolis ') bij het meer van Generareth terug.

Ofschoon hij den toeloop van het volk vermeed, bracht men toch alle zieken bij hem, en de verwonderde heidenen verheerlijkten den God van Israël2).

De H. Marcus verhaalt een wonder van deze dagen in al zijne bijzonderheden. Het is de genezing van een doofstomme 3).

Christus nam hem bij zich en ontliep het volk. Daarna stak hij zijne vingeren in zijne ooren, spoog op den grond en raakte met het speeksel zijne tong aan; vervolgens zag hij naar den hemel op, verzuchtte en zeide:

— „Ephphetal dat is: Word geopendquot;.

Terstond werdén zijne ooren geopend, de band zijner tong werd los en hij sprak goed.

Christus gebood hun wel het aan niemand te zeggen, maar de geestdrift van het volk was niet aan banden te leggen. Eenparig was aller roep: Hij heeft alles wel gedaan, de dooven heeft hij doen hooren, en de stommen doen spreken.

Zoo werd de stem van het volk de stem van God.

Eenige dagen later was Christus verdwenen door eene

') De Decapolis was een vereeniging van tien steden. Maar men kan niet met zekerheid de namen dezer steden opgeven. Eenigen daarvan lagen op de grenzen van Syrië, anderen aan den oostelijken kant van het meer en een, Scythopolis, lag tusschen Galilea en Samarië aan dezen kant van den Jordaan. De bevolking dezer steden was grootendeels van syro-griekschen of phenicischen oorsprong. Daar woonden weinig joden; maar zooals de leeraars leerden behoorden ze tot Israels grond.

') Matth. XV, 35.

3) Marc. VII, 32-37,

ocr page 314

300 DE PKEDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

groote menigte omringd. Reeds drie dagen lang was het volk hem gevolgd '), en nu ontbrak hun voedsel. Christus beklom een heuvel, zette zich neder en riep zijne leerlingen.

— „Ik heb medelijden met dit volk, sprak hij, zij zijn nu reeds drie dagen aanhoudend bij mij en hebben niets te eten. Zoo ik hen nuchter naar hunne huizen laat gaan, zullen zij op den weg bezwijken: want sommigen van hen zijn van verre gekomenquot;.

De leerlingen waren verwonderd en herinnerden hem aan de onmogelijkheid zooveel volk in de woestijn te voeden,

— „Hoe vele brooden hebt gij ?quot; vroeg Christus. „Zeven, met eenige visschenquot;, antwoordden zij.

Hij liet het vólk nederzitten en nam daarna de zeven brooden en de visschen, dankte God, brak ze en gaf daarvan aan zijne leerlingen, die het aan het volk moesten uitdeelen.

Allen aten en werden verzadigd. Men vulde zeven korven met brokken. Het getal van hen die gegeten hadden was ongeveer vier duizend, zonder de vrouwen en de kinderen mede te tellen.

Christus haastte zich het volk weg te zenden en vertrok terstond. Het meer was nabij. Hij klom met zijne leerlingen in een scheepje, en voer over naar het land van Dalmanutha, in de nabijheid van Magdala.

Zijn verblijf aldaar werd spoedig genoeg door het volgende voorval gekenmerkt.

Gedurende zijne afwezigheid was de haat en verbittering van Christus' vijanden niet verzwakt. Door pharizeën en sadduceën werd hij onophoudelijk beloerd. Zijne laatste wonderen schreven zij wederom, maar onder gewoonte, aan de macht van den duivel toe.

Velen van hen kwamen wederom bijeen en gingen tot

') Matth. XV, 32 vv.; Marc. VIII, 1-9.

ocr page 315

DE PREDIKING IfT GALlLEA. — HET RUK GODS. 301

Christus en vroegen hem met schijnbare oprechtheid een teeken van den hemel').

Uwe wonderen, schijnen zij te zeggen, zijn wonderen dezer aarde, waar Satan heerscht, wij moeten wonderen zien in den hemel, waar God woont; de eersten kunnen het werk van den Satan zijn; toon ons wonderen, die alleen van God kunnen komen; doe gelijk Elias, Samuël, Josuë en Mozes; geef ons een teeken van den hemel en wij zullen in u gelooven.

Deze was de geliefkoosde redeneering der pharizeën; wij hebben ze reeds meermalen gehoord. Christus is over die verstoktheid zijner vijanden bedroefd, slaakt een zucht en zegt:

— „Als het avond geworden is, zegt gij: Morgen schoon weder, want de hemel is rood; en des morgens: van daag onweer, want droevig rood ziet de hemel. Schijnheiligen, gij beoordeelt het gelaat des hemels, hoe kunt gij de teekenen der tijden niet verstaan?quot;

De tijden, — die groote hemel der historie, waarvan de zichtbare hemel slechts een afbeedsel is — waren vol van teekenen die aller oogen moesten trekken. Waren de jaar-weken van Daniël niet voorbij ? Was de scepter niet aan Juda ontnomen? Was de joodsche staat niet ten gronde gegaan ? Gingen de voorzeggingen der profeten niet in vervulling? Was Elias niet in den persoon van Joannes gekomen, als de voorlooper van het Eijk Gods. Beantwoordden de wonderen van Christus niet aan alles wat door de profeten van den Messias was voorspeld ? En nog durven de meesters in Israël andere teekenen vragen? Welk licht kon dan deze oogen openen die niet wilden zien?

— „Watquot; roept Christus in hevige ontroering uit, „dit boos en overspelig geslacht begeert een teeken ? Geen ander teeken zal aan dit geslacht gegeven worden, dan het teeken van Jonas, den Profeetquot;.

') Marc. VIII, 12.

ocr page 316

302 DE PBEDIKING IN GAULÉA. — HET llIJK GODS.

Christus zinspeelt hier op zijn dood en verrijzenis. Dat zal inderdaad het groote bewijs zijner zending zijn.

Na dit geheimzinnig woord ging hij heen, klom in een schip en voer naar de overzijde van het meer, naar Bethsaïda ').

De leerlingen hadden bij hun overhaastig vertrek vergeten brood mede te nemen. Maar Christus is nog vol van de verstoktheid en halstarrigheid der pharizeën en zegt nu, terwijl zijne leerlingen over hun gebrek aan brood bekommerd zijn, tot zijne leerlingen:

— „Wacht u voor het zuurdeeg der pharizeën en der herodianenquot;.

De leerlingen begrepen de gedachten niet, die onder dat beeld van 't zuurdeeg verborgen was. Zij dachten slechts aan het brood, dat zij gegeten hadden, deden aan elkander verwijten en waren bekommerd over den volgenden tijd, wanneer de Meester hen naar gewoonte naar de woestijn zou medenamen.

Christus kende hunne gedachten en zeide:

„Waarom denkt gij daaraan, dat gij geene brooden hebt? Gij klein geloovigen! Hebt gij nog geen begrip, en verstaat gij nog niets? Uw hart is dan altijd blind! Hebt gij oogen, en ziet toch niet? En hebt gij ooren, en hoort toch niet? Hebt gij geen geheugen?

„Toen ik vijf brooden brak voor de vijfduizend, hoevele korven met brokken naamt gij toen op? Twaalf, antwoordden zij. — „En toen ik ook de zeven brooden brak voor de vierduizend , hoe vele manden met brokken naamt gij toen op ?quot; Zeven, zeiden zij.

Toen voegde hij erbij: Waarvoor al deze zorgen? Zal ik u niet weten te voeden? Ik heb van geen brood gesproken toen ik zeide: wacht u van het zuurdeeg der pharizeën en herodianen.

Nu begrepen zij de toespeling.

Altijd trekt Christus de gedachten zijner leerlingen naar

*) Marc. III, 22 vv.

ocr page 317

DG PREDIKING IN GALILEA. — UET RIJK GODS. 308

omhoog en gebruikt hij vergelijkingen, die de omstandigheden hem aan de hand doen.

Toen zij het meer waren overgestoken, kwamen zij te Bethsaïda'). Daar bracht men hem een blinde en het volk vroeg hem, dat hij hem zou aanraken en genezen.

Christus nam den blinde bij de hand en bracht hem, om een oploop van het volk te voorkomen, buiten de stad. Daar bestreek hij zijne oogen met speeksel en vroeg hem, na hem de handen te hebben opgelegd, of hij iets zag.

„Ik zie menschen wandelen, alsof het boomen warenquot;, zeide de blinde.

Toen legde hij andermaal de hand op zijne oogen en de blinde begon te zien. Langzamerhand zag hij alles duidelijk en was genezen.

— „Ga naar uw huis, zeide Christus tot hem, en zoo gij het vlek binnen gaat, zeg het aan niemandquot;.

Dit levendig verhaal vol bijzonderheden verraadt den ooggetuige. De H. Marcus is hier blijkbaar de echo van Petrus, een der drie Apostelen, die Christus altijd bij zich nam, ook wanneer hij zich van het volk en zijne andere leerlingen verwijderde.

Alle wonderen van Christus zijn naar het woord van den H. Joannes ook teekenen. Zoo is deze langzaam voortgaande genezing van den blinde het levend beeld van de wijze waarop Christus hen, die de waarheid Gods niet aanschouwen, tot het licht dier waarheid brengt. Ook zoo handelt Christus met zijne leerlingen, die hij in deze dagen vooral langzamerhand voorbereidt, om diepere en voor hen nog onbegrijpelijker waarheden te hooren. De opvoeding van Christus' leerlingen door zijnen Geest is voor onze oogen niet waarneembaar ; wel zien wij hoe zij langzamerhand meer en meer in alles worden ingewijd en zij alles beter verstaan. Door

') Mutth. IX, 32 vv.; Marc. VII, 32 vv.; Luc. XII, 14 vv.

ocr page 318

SÓ4 DE PREDIKING IN GALtLEA. — HET RIJK GODS.

hun voortdurenden omgang met Christus, denken en handelen zij ten laatste alleen door hem.

Altijd getuigen geweest van zijne wonderen, zijn zij nu overweldigd door zijne grootheid en goddelijke macht; maar het geheim zijner zwakheid, zijner vernedering, zijner pijnen en van zijn dood vermoeden zij nog niet, en toch — zij staan in den vooravond van den dag waarop ook dat geheim zal vervuld worden; de Meester gaat hen ook dat geheim toevertrouwen.

ELFDE HOOFDSTUK.

De aanstaande dood van den Messias. — De gedaanteverandering.

Te Bethsaïda bleef Christus slechts korten tijd. Nadat hij voor goed met het Galileesche volk gebroken heeft, trekt hij voortdurend , ver van Capharnaüm en het meer, door steden en dorpen, zooveel mogelijk onopgemerkt, heen en weder. Hij heeft de grenzen van Tyrus en Sidon en de Decapolis bezocht en gaat nu met zijne leerlingen naar Caesarea om daar nog meer in de afzondering te zijn.

Het land tusschen Bethsaïda-Julias en Caesarea, ten oosten van den Jordaan, is bergachtig, woest en verlaten; ten tijde van Herodes was het weinig bevolkt. Door de romeinsche heirweg van Damascus naar Jerusalem werd het in zijn geheele lengte doorsneden. Christus moest bij de brug van Jacobs dochters dien weg oversteken'). Wij weten echter van deze reis geen enkele bijzonderheid, 't Was zijn doel niet, het evangelie in het tetrarchaat van Philippus te ver-

') Matth. XVI, 1 vv.: Marc. VIII, 27 vv.

ocr page 319

DE PREDIKING IN GALtLÉA. — HET RIJK GODS. 305

kondigen, maar hij wilde zijne leerlingen voorbereiden op het droevig einde dat aanstaande is.

Twee gevoelens van tegenstrijdigen aard gaan ir; dezen tijd door Christus' ziel; de afval van het volk, dat hij te vergeefs tot het geloof had geroepen, vervulde hem met droefheid, maar zijne geloovige en getrouwe leerlingen brachten hem vreugde in overvloed. Dezen drongen meer op hem aan, maar droomden toch slechts gloriedroomen van des Messias' naderend Rijk.

Op zekeren dag dwaalde de kleine troep in de omstreken van Caesarea. Christus wilde bij de zijnen eene nieuwe en duidelijke verklaring van hun geloof uitlokken '). Het was avond. Hij had naar gewoonte in afzondering gebeden en deed hun deze vraag:

— „Wie zeggen de menschen dat ik ben?quot;-

Christus weet wel wat het volk van hem zeide, maar hij doet deze vraag, om aan de leerlingen eene gelegenheid te geven, omtrent zijn persoon van de waarheid getuigenis af te leggen. De leerlingen antwoorden:

„Sommigen zeggen, dat gij Joannes de Dooper zijt; anderen, Elias, en anderen, Jeremias of éen der Profetenquot;-

Hiermee wordt duidelijk en klaar de openbare meening omtrent Christus weergegeven.

„En gijquot;, hernam Christus, wie zegt gij dat ik ben?

Petrus die reeds te Capharnaüm getuigenis van de trouw der Twaalf had afgelegd, belijdt ook hier in naam van allen hun geloof in zijne godheid.

— „Gij zijt de Christus, riep hij uit, de Zoon van den levenden Godquot;.

Deze woorden komen voort uit een krachtig en helder geloof; zij drukken zoo kort mogelijk de waardigheid van Christus als Messias uit, en zeggen, dat hij is de Zoon van God.

Die gelooft wordt overgeleverd aan hem in wien hij gelooft.

') Matth. XVI, 13 vv.; Mure. XIII, 27 vv.; Luc. IX , 13 vv.

20

ocr page 320

306 DE PREDIKING IN GALILEA. - HET KIJK GODS.

Geen gewoon mensch heeft het recht een volkomen en onvoorwaardelijk geloof te eischen. Dit is alleen het recht van God. Ook Christus heeft als een eigenaardig teeken dat recht voor zich opgeeischt.

Zijne leerlingen zijn de eenigen die in hem gelooven en met dezen zal hij zijn Rijk stichten, om de waarheid te doen overwinnen.

De belijdenis van Petrus heeft hem getroffen.

— „Zalig zijt gij, riep hij uit, Simon, zoon van Jonas! want vleesch en bloed ') heeft u dit niet geopenbaard; maar mijn Vader die in den hemel is.

Het is niet in de macht der menschen, in Christus den Messias en den Zoon van God te erkennen. God moet den Messias aan ons openbaren en wij moeten die openbaring aannemen. De Vader heeft voor zijnen Zoon getuigenis in overvloed gegeven en geeft ze nog altijd, maar wanneer de mensch alleen op zijn verstand, op zijn wetenschap en overleveringen vertrouwt, wordt hij blind en ziet hij de getuigenissen niet. Voor zoodanig een mensch is Christus niet anders dan een wijze; maar door een wijze wordt de wereld niet gered.

In dezen oogenblik werd het Rijk Gods gesticht. Christus-zelf verkondigt het plechtig, terwijl hij nu aan Petrus den naam verklaart, dien hij hem bij den Jordaan gegeven had.

Gij erkent in mij den Zoon van den levenden God „en ik zeg u: Gij zijt Petrus, d. i. steenrots, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen, en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En aan u zal ik geven de sleutelen van het Rijk der Hemelen. En al wat gij zult gebonden hebben op aarde, zal ook in den hemel gebonden zijn, en al wat gij zult ontbonden hebben op aarde, zal ook in den hemel ontbonden wezenquot;.

Een hebreeuwscho uitdrukking, die voortdurend in het godsdienstig spraakgebruik en in de Talmud voorkomt, waarmede vooral de aardsch-gezinde en vleescheiyke mensch wordt bedoeld.

ocr page 321

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET KIJK GODS. 307

Het geloof in Christus straalt hier in zijn vollen glans; het heeft Petrus, den eersten der geloovigen, gemaakt tot den menschelijken maar onwrikbaren grondslag der Kerk. Het geloof van Petrus en zijne opvolgers zal onvergankelijk zijn. Het groote doel van het Gods Rijk komt naar voren. Het plan van Christus wordt zichtbaar nu hij voor de eerste maal dat woord: Kerk, gebruikt. Hij wil de uitverkorenen van de gansche aarde onder alle volken tot zich roepen en om zich vergaderen : deze vergadering in éen geloof is zijne Kerk.

Zij zal onvergankelijk en onoverwinnelijk zijn. De Geest is haar kracht, en niets wat aardssh , menschelijk en helsch is zal den Geest overwinnen.

In deze vergadering, in zijne Kerk, wil Christus een gezag hebben, en dit gezag geeft hij aan Petrus, wat hij in symbolische taal „de sleutels van het Rijkquot; noemt. Petrus zal zijn het orgaan van den Geest Gods en dien Geest zal hij geven aan de waardigen en weigeren aan de onwaardigen. De waardigen zullen het Rijk worden binnengeleid, de onwaardigen verworpen worden. Christus zal het onzichtbaar hoofd blijven, maar Petrus zal het zichtbaar hoofd wezen, en in zijne zending niet ondergaan; Christus belooft het hem.

De menschelijke rede staat hier in bewondering stom. Een werkman van Galilea, door een visscher van Bethsaïda voor den Zoon van God verklaard, kondigt aan, dat hij een werk zal stichten, waartegen geen macht bestand zal wezen, en dat onsterfelijk zal zijn; en van dit werk maakt hij een zwak en sterfelijk mensch, dien hij met goddelijk gezag omkleedt, tot den onwrikbaren grondslag Ziedaar eene der zonderlingste feiten der historie en een werk dat onder de werken der menschen zijn weerga niet heeft.

Van deze vereeniging, van deze vergadering, van dit werk maakt Christus zich-zelven het middelpunt en de levende kracht. Om tot deze vereeniging te behooren is het genoeg in hem te gelooven en door het geloof verbonden te zijn met hem. Alle volken kunnen leden dezer vereeniging worden. De Geest van God, zijn Geest, en eene macht

ocr page 322

308 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

welke dien Geest in zijn naam in de menschheid moet over-storten is de ongeschreven grondwet dezer vereeniging.

Wanneer men na achttien eeuwen dit plan in vollen luister ziet voltooid, dat door Christus in de eenzaamheid der bergen van Caesarea werd ontworpen, laten de stoutheid van het werk, de onoverkomelijke hinderpalen, de zwakheid en de nietigheid der middelen niet toe, alleen aan een groot mensch te denken; ze dwingen ons in den bouwheer van dit gebouw de kracht en de wijsheid van God te erkennen.

Juist wanneer zijn arbeid schijnt mislukt, werkt Christus met meer aandrang aan zijn werk voort. Aan een der twaalven heeft hij nu het oppergezag en, onder het symbool der sleutelen, de volheid der macht beloofd om zijn Rijk te besturen.

Hij gelooft, dat zijne leerlingen nu sterk genoeg in het geloof zijn om hun eindelijk de volle waarheid omtrent zijn persoon te openbaren en hun zijn smartvol einde te verkondigen. Tot nu toe had hij slechts van de verte uit daarop gezinspeeld').

— „De Zoon des menschen moet naar Jerusalem gaan om daar veel van de Ouderlingen, Schriftgeleerden en Opperpriesters te lijden, om gedood te worden en den derden dag van de dooden op te staanquot;

Terwijl een gewoon mensch, als een blinde, naar zijn einde loopt, voorziet Christus zijn einde met al zijne bijzonderheden.

Wat was het gevolg van deze plechtige verklaring? De leerlingen wilden daarvan niets weten. Hun geloof, hun liefde en hunne opvatting van den Messias komen tegen die verklaring in verzet, en Petrus werpt zich wederom als den tolk van allen op, wanneer hij Christus afzonderlijk neemt en zegt:

1 Matth. III, 15 en parall.; Joës. II, 20; III, 14; VI 52.

S) Matth. XVI, 21 vv.; Marc. VIII, 31 vv.; Luc. IX, 22 vt.

ocr page 323

DE PREDIKING lU GALILEA. — HET RIJK GODS. 309

„Dat zij verre van u Heer! dat zal met u niet geschiedenquot;.

Christus keerde zich toornig om en stootte hem weg met de woorden:

— „Ga weg van mij, Satan! gij zijt mij een ergernis; want gij denkt slechts aan aardsche en niet aan goddelijke zakenquot;.

De Christus van God is niet zoodanig als de menschelijke wijsheid hem verlangt maar als de eeuwige wijsheid hem heeft opgevat. Een God die lijdt en sterft, moet de Verlosser der menschheid zijn.

Na dit verwijt tot Petrus te hebben gericht, wilde hij aan zijne leerlingen en aan allen openbaren, wat hij van zijne volgelingen vorderde. Geen meester heeft zooveel gevraagd als hij. Hij eischt eene volmaakte zelfverloochening, een edelmoedig aannemen van alle lijden en zelfs het offer van het leven. 'L Is niet genoeg in hem te gelooven, men moet ook deelen in het smartvol lot van den Zoon des menschen.

— „Indien iemand mijn volgeling wil wezen, hij verloochene zich-zelven, riep hij. en neme zijn kruis op, envolgemijquot;.

„Want wie liever zijn leven zal willen behouden dan mij volgen, zal het leven verliezen dat ik hem geven zal; doch wie niet vreest om mijnentwil zijn leven van éen dag te verliezen, zal zijne ziel redden en door mij het leven leven dat niet voorbij gaatquot;.

— „Men moet de ziel redden want zij is de geheele mensch. Wat toch baat het den mensch, zoo hij de geheele wereld wint, maar zijne ziel verliest? Wat zal de mensch in ruil geven voor zijne ziel?quot;

Deze leer, zoo in strijd met alles wat de mensch hoogacht en verlangt, moest natuurlijk hoongelach en afkeer wekken en smaad brengen over Christus' volgelingen, daarom zegt hij:

— „Men zal zich onder dit overspelig en zondig geslacht over mij schamen; maar wie zich over mij en mijne woorden zal geschaamd hebben, over hem zal ook de Zoon des

ocr page 324

310 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

menschen zich schamen, wanneer hij zal gekomen zijn in de heerlijkheid zijns Vaders met de heilige Engelenquot; ').

Christus heeft medelijden met de zwakheid zijner leerlingen en wijst hen daarom ter bemoediging op de toekomende heerlijkheid. Op zekeren dag, toen zij meer dan anders waren ter neergeslagen, beloofde hij plechtig, dat sommigen van hen die heerlijkheid spoedig zouden zien.

— „Voorwaar, ik zeg u; van hen die hier staan, zijn er eenigen die den dood niet zullen smaken, voordat zij den Zoon des menschen zien komen in zijn Rijkquot; Deze geheimvolle woorden doelen op een buitengewoon feit dat weldra zal gebeuren en die woorden zal waar maken.

Zes dagen later neemt Christus Petrus, Jacobus en Joannes met zich en leidt hen, om te bidden, afzonderlijk op een hoogen berg. De overlevering zegt dat deze berg de Thabor was, in de nabijheid van Nazareth gelegen. Hij ligt in het noord-oosten der vlakte van Jizreël, afgescheiden van andere bergen, is pyramidaal van vorm en meer dan zeshonderd meter hoog.

Van den ïhabor at ziet men geheel Galilea met zijne bergketens en valleien, zijne vlakten en een blauwe hoek van zijn meer. Nu is bijna het geheele land kaal, slechts hier en daar met boomen beplant en met enkele dorpen bezet, wier vierkante huizen tegen elkander leunen en aan groote bijenkorven doen denken. Een onafzienbaar vergezicht heeft men op dezen berg. In het noorden, achter de bergen van Safed, de witte kam van den Libanon, en de witte kop van den Hermon, aan het besneeuwde hoofd van een grijsaard gelijk. In het oosten de bergen van Djaulan, die een rechte lijn met enkele uitstekende punten aan den horizont laten zien. Nog verder in het oosten de blauw grijze bergen van steenachtig Arabië en van de groote woestijn. De vallei van

i) Mare. VIII, 38; IX, 1.

») Luc. IX, 27, 28; Matth. XVI, 28; XVII, 1.

ocr page 325

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 311

den Jordaan ligt in de diepte verscholen en laat aan den oostkant woeste ravijnen zien, waardoor de Hyeromax, de Zerka en de Amon en aan den westkant de groote berg-stroomen Birey, Adjloun, die van de hoogvlakte van Jizreël afkomen, naar beneden stroomen. In het zuiden eene groote massa van dezelfde kleur als de bergen van Arabië: het zijn de hoogvlakten van Noab die de Doode-zee omringen. In het westen de scherpe bergtoppen van Judea's bergen, de eentonige hoogte van Samarië en het lange bolwerk van den Carmel dat de vlakte van Meggido omlijst.

Het oog zoekt de Middellandsche zee: door eene opening van den Carmel en langs de helling van Nazareths bergen ziet men haar eindelijk als een blauwe plek op den helderen achtergrond van den hemel. Hiermede is de onmetelijkheid van den horizont voltooid.

Naar den kruin van dezen berg, in het hart van Galilea, leidde Christus in een nacht van de Augustus-maand zijne drie uitverkoren leerlingen, om aan hen zijne eeuwige glorie, waarbij alle glans van den oosterschen hemel niet kan halen, ten deele te laten aanschouwen.

Terwijl hij bad, werd hij voor hen van gedaant^veranderd.

Zijn aangezicht schitterde als de zon en zijne kleederen werden wit als sneeuw.

En zie; aan hen vertoonden zich twee mannen, die met hem spraken: het waren Mozes en Elias, van glorie omringd, die spraken over zijn uitgang uit deze wereld.

De leerlingen, die in slaap waren gevallen, werden wakker, zagen Christus in zijne glorie en de twee mannen bij hem. En toen dezen van Christus weggingen zeide Petrus: Heer! wij zijn hier goed! laat ons, als gij wilt, drie tenten maken, ééne voor u, ééne voor Mozes en ééne voor Elias.

Terwijl hij nog sprak overschaduwde hen een lichtende wolk en eene stem kwam uit de wolk en zeide: „Deze is mijn welbeminde Zoon, in wien ik mijn welbehagen heb gesteld; luistert naar hemquot;.

ocr page 326

312 DE PREDIKING IN GA LI LEA. — HET BUK GODS.

Toen de leerlingen deze stem hoorden vielen zij van vrees op hunne aangezichten.

Christus trad op hen toe en raakte hen aan.

— „Staat op, zeide hij, en vreest nietquot;.

Zij sloegen hunne oogen op en zagen niemand dan Jesus alleen').

Wij zien Christus hier in de heerlijkheid van zijn Rijk, in de heerlijkheid van dat zijns Vaders en der heilige Engelen. Dit wonder ook overtreft alle andere wonderen. Hier wrocht hij een wonder aan zich-zelven. Voor een oogenblik laat hij door zijn sterfelijk vleesch zijne Godheid schijnen en geeft hij daaraan den glans der onsterfelijkheid. Wanneer later alle zielen en lichamen door dien goddelijken glans zullen doortrokken zijn, zal het Koninkrijk der hemelen voltooid wezen.

Bij het einde der eeuwen zal dat Rijk zoo voor allen zijn.

Christus wilde in deze gedaanteverandering het einde toonen van zijn lijden en dood, en de Vader liet zijne stem hooren, om aan zijne leerlingen te zeggen, dat zij ook naar hem moesten luisteren, wanneer hij van lijden en sterven spreken zou.

0

De rationalistische critiek heeft natuurlijk dit feit geloochend. Zij kan niet aannemen, dat het lichaam van Christus lichtend werd; — en de ondervinding leert dat reeds geest en deugd aan het gelaat van den mensch soms boven-aardschen luister schenkt. Zij ergert zich aan de tegenwoordigheid van twee afgestorvenen, — alsof de dood aan alles een einde maakt, en de betrekkingen tusschen hemel en aarde louter droombeelden waren.

Zij vraagt, hoe de apostelen Mozes en Elias herkenden ofschoon hunne namen niet worden genoemd; alsof hun taal en voorkomen door de overlevering niet aan allen was bekend. Zij heeft ook het zedelijk doel van deze gedaanteverandering niet willen begrijpen, ofschoon daarin juist een

') Matth. XVII; Marc. IX; Luc. IX.

ocr page 327

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 313

bewijs voor de waarheid van het feit gelegen is. Zij heeft getracht het feit te verklaren, maar de pogingen daarvoor aangewend zijn nog zwakker dan hare opwerpingen.

De voorstanders van mythen ') zeggen, dat Chritus' leerlingen dit verhaal hebben uitgedacht, om hun Meester te verheerlijken; maar men ziet nergens het begin van deze zoogenaamde uitgedachte gebeurtenis. De hypothese eener legende verklaart ook de historische bijzonderheden niet die dit feit nauwkeurig omlijsten en geeft ons de reden niet aan van Christus' gestreng verbod om een feit bekend te maken, dat volgens hen nooit heeft plaats gehad. Deze hypothese wordt ook omvergeworpen door Petrus' woorden, die eenige jaren later als getuige schrijft: Niet naar kunstige verdichtselen maakten wij de macht en komst van onzen Heer J. Chr. bekend, maar als aanschouwers van zijne heerlijkheid. Want hij ontving eere en heerlijkheid van God den Vader, toen van de luistervolle Heerlijkheid deze stem tot hem neerkwam; Deze is mijn welbeminde Zoon ; in wien ik mijn welbehagen heb gesteld; luistert naar hem! en wij, wij hebben deze uit den hemel gebrachte stem gehoord, toen wij met hem waren op den heiligen berg').

Tegen deze woorden vermogen de mythen-liefhebbers niets.

Een onpartijdige geest, die vrij is van elk bekrompen stelsel en kiezen moet tusschen den letterlijken zin der evangelische verhalen en de zoogenaamde critische verklaringen , zal hier van geen aarzeling weten.

De gedaanteverandering is ook geen toevallige gebeurtenis in het leven van Christus, want zij stemt overeen met

') Vgl. Strauss, Das Leien Jesu, 2 Baud. Weiss. Evang. Geschichte, 1 Band. I Petrus I, 16. 't Is waar, de critiek heeft beproefd de echtheid van dezen brief te bestrijden; maar zvj heeft geen enkelen bewusgrond aangevoerd. De geheele inhoud van dezen brief pleit voor de overlevering en reeds in de eerste eeuw is deze brief aangehaald door den H. Clemens (Ep. ad. Corinth. II), door den H. Polycarpus (ad Phil n. 1. 2. 5. etc) en Papias (Euseb-, Hist, eccles., III 39).

ocr page 328

314 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS.

éene der wetten die zich voortdurend in Christus' leven openbaren, dat zijne Godheid juist naar voren springt wanneer de menschheid het ergst vernederd wordt: als hij sterft is zijne verrijzenis nabij.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Laatste onderrichtingen te Capharnaüm.

Christus heeft zijne drie uitverkorene leerlingen op den Thabor bemoedigd en zijne andere leerlingen moesten later gesterkt worden door hen.

Den volgenden dag daalde hij met hen van den Thabor af, en zeide hij onderweg:

„Zegt aan niemand deze verschijning, tot de Zoon des menschen van den doode is opgestaanquot; ').

De drie Apostelen bewaarden het stilzwijgen en trachtten deze woorden: totdat de Zoon des menschen van de dooden is opgestaan, te begrijpen.

Van welke opstanding spreekt hij hier? of gebruikt hij hier een beeld? Zou hij werkelijk verrijzen, of zinspeelt hij op de herstelling van het rijk van Israël na zijn dood? Deze laatste veronderstelling was voor hen de meest aan nemelijke; daarom vragen zij;

Wat zeggen de pharizeën en schriftgeleerden dan, dat Elias vóór de herstelling van het rijk van Israël moet komen ?

— „Ja, zegt Christus, Elias moet voor de komst van den Zoon des menschen komen om alles te herstellen en den weg voor hem te bereiden, en gelijk er van den Zoon des menschen geschreven staat dat hij veel zal lijden en veracht

l) Matth. XVII, 9 vv; Marc. IX, S vv.

ocr page 329

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 315

worden, zoo zal het ook hem gaan. Maar ik zeg u, dat Elias reeds gekomen is, en zij hebben hem niet erkend en, gelijk er van hem geschreven staat, zij hebben aan hem gedaan al wat zij wilden; zoo wil ook de Zoon des menschen van hen te lijden hebbenquot;.

Toen begrepen de leerlingen dat hij van Joannes den Dooper tot hen gesproken had. Het lijden is aan alle gezanten van God gemeen: Joannes de dooper heeft het reeds ondergaan en Christus gaat het te gemoet.

Aan den voet van den berg ^ gekomen, zag hij rondom zijne overige apostelen veel volk, dat redetwistte met de leeraars der Wet. Zijn plotselinge verschijning wekte ontroering; daar blonk op zijn voorhoofd nog de weerglans van het hemelsch licht. Het volk liep toe en begroette hem.

— „Waarover redetwist gij met elkaar? vroeg hij.

— „Meester; antwoordde een uit het volk, terwijl hij neerknielde voor hem, ik heb tot u mijn zoon gebracht. Ontferm u over hem! want hij is maanziek, en lijdt veel, hij is van een stommen geest bezeten. Wanneer die geest zich van hem meester maakt, slaat hij hem neder, en hij schuimbekt en knerst met de tanden en teert uit. Ik heb aan uw leerlingen gezegd, dat zij hem zouden uitdrijven, doch zij hebben het niet kunnen doen.

Deze onmacht der leerlingen had de spotzucht der phari-zeën opgewekt. Maar Christus stond verslagen over aller ongeloovigheid en vol verontwaardiging roept hij uit;

— „O ongeloovig en verkeerd geslacht! tot hoe lang zal ik met u wezen? tot hoe lang zal ik u verdragen?quot;

Maar bij het zien van den ongelukkige won zijn medelijden het van alle ander gevoel.

— „Brengt hem hier tot mijquot;, zeide hij.

Zoodra het kind Christus zag, scheurde de booze geest hem terstond als van een, wierp hem op den grond, en daar wentelde het kind zich al schuimbekkend rond.

l) Math XVII, 14 vv; Marc. IX. 17 vv; Luc IX, 37 vv.

ocr page 330

316 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET BUK GODS.

— „Sedert hoe lang is hij in dezen toestand? vroeg Christus aan den vader.

„Van zijn kindsheid af. Dikwijls heeft de booze geest hem in het vuur en in het water geworpen om hem te doen omkomen; maar indien gij iets kunt, erbarm u onzer en help onsquot;.

Dat woord: indien gij iets kunt, was geen woord van geloof, en daarom zeide Christus:

„Indien gij kunt gelooven; alles is mogelijk voor hem die gelooftquot;.

In hetzelfde oogenblik riep de vader in tranen uit: Ik geloof, Heer, kom mijn ongeloof te hulp!

De menigte groeide voortdurend aan. Toen bestrafte hij den onreinen geest, zeggende;

— „Doove en stomme geest, ik gebied u, ga uit van hem, en kom niet meer in hemquot;.

De geest gaf een groote schreeuw, trok hem geweldig als vaneen en ging van hem uit. Het kind viel als een doode neêr.

Hij is dood, zeide men.

Doch Christus vatte zijn hand, richtte hem op, en hij stond genezen overeind.

Terstond daarna ging Christus met zijne leerlingen een huis binnen. Zijne leerlingen wilden nu weten, waarom zij dien duivel niet konden uitdrijven en vroegen hem: quot;Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?

— „Om uwe ongeloovigheidquot;, antwoordde hij. Want voorwaar ik zeg u, indien gij geloof zult hebben als een korrel mostaardzaad, d. i. nietig ook gelijk dit, zult gij tot dezen berg zeggen: ga van hier daarheen, en hij zal heengaan. Niets zal u onmogelijk zijnquot;.

Volgens Christus' leer maakt het geloof ons deelgenoot in het leven van God. In den geloovige werkt niet meer de mensch maar God.

Hierop liet hij volgen: „deze soort wordt niet uitgedreven dan door bidden en vastenquot;.

ocr page 331

DE PREDIKING IN GALlLEA. — HET RIJK GODS. 317

Deze twee woorden leeren ons hoedanig dat geloof moet wezen: door het vasten worden wij aan alle stof en geschapen kracht ontrukt; door het gebed worden wij ver-eenigd met God-zelven. De aardsche mensch gaat onder, hij heeft geen wortel meer in deze aarde waaraan hij verzaakt; hij wortelt in den hemel.

Wanneer men Christus' inwerking op de gewetens der menschen in den loop der eeuwen gadeslaat, dan ziet men, dat de menschen behouden worden door deze dubbele kracht, waarvan hij hier tot zijne Apostelen spreekt. Indien de man Gods in een edelmoedig afleggen van alles wat menschelijk, aardsch en geschapen is niet alles ten offer brengt, indien hij zich in het gebed niet voor de liefde Gods toegankelijk maakt, waaruit alle hemelsche kracht ontspringt, is hij onmachtig de zielen boven den grond te beuren en mee te trekken naar het leven van den Geest. — Dan moet de onzichtbare Christus tusschenbeide komen om de zwakheid zijner gezanten met zijn sterkte te steunen.

Dit onderhoud had plaats in de nabijheid van den Thabor. Christus vertrok van hier in alle stilte met zijne leerlingen door Galilea naar Capharnaüm.

De gedachte aan zijn naderenden dood verliet hem niet meer, en hij sprak tot hen onder weg:

„Legt deze woorden in uwe harten: de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen; zij zullen hem dooden en den derden dag zal hij verrijzenquot;.

Doch zij verstonden dit woord niet en het bleef voor hen verborgen; zelfs vreesden zij den Meester over dat woord te ondervragen').

De mensch is bang voor de waarheid die in strijd is met zijne gedachten en hem dikwerf vernedert. De idee van een lijdenden en stervenden Messias was zelfs voor de leerlingen , die hem als den Zoon van God hadden erkend, onver-

I) Luc. !X, 45.

ocr page 332

318 DE PHEDIKING IN GALILE.V. — HET RIJK GODS.

dragelijk, en terwijl Christus hen langzamerhand met deze gedachte wil betrouwd maken, denken zij slechts aan de glorie van dat Rijk en betwisten zij elkander daarin den voorrang.

Zij kwamen juist binnen Capharnaüm, toen de heffers der belastingpenningen het hoofdgeld, tot onderhoud des tempels, ophaalden. Dezen gingen tot Petrus en vroegen hem: Betaalt uw meester de didrachmen niet') ? Welzeker, antwoordde Petrus.

Toen Petrus nu het huis binnenging om aan Christus te zeggen wat men hem had gevraagd, voorkwam deze hem met de vraag:

— „Wat dunkt u Simon? Van wie nemen de Koningen der aarde tol of schatting: van hunne zonen of van de vreemden?quot;

— „Van de vreemdenquot; antwoordde Petrus.

— „Derhalve zijn de zonen vrijquot;, sprak Christus. „Doch opdat wij hun geen aanstoot geven, ga naar het meer en werp den angel uit, haal den visch, die het eerst naar boven komt, op, en als gij zijnen mond open hebt gedaan, zult gij een stater vinden; neem dien en geef hem hun voor mij en uquot;.

Christus zinspeelt hier duidelijk op zijne goddelijke afkomst. Hij laat hooren, dat hij is de zoon van den eenigen Koning en daarom met hen, die onderdanen van dat Koninkrijk zijn, van alle aardsche schatting vrij. Maar de Zoon Gods die ter wille der menschen de gedaante van een slaaf heeft aangenomen kan ook ter wille van hen afstand doen van zijne rechten. De liefde is meer waard dan de gerechtigheid. Christus gehoorzaamt aan de liefde en geeft een nieuw voorbeeld van zelfverloochening aan den mensch, die scherp en zoo veel eischend is als men aan zijne rechten of belangen raakt. Hij zal het hoofdgeld betalen, maar door een wonder, dat zijn goddelijke macht laat uitkomen.

') Ongeveer 60 centen.

ocr page 333

DE PREDIKING IN GALILEA. — ItET RIJK GODS. 319

In datzelfde oogenblik traden de leerlingen het huis van Cephas binnen. Toen zij allen bijeen waren, vroeg Christus hun:

— „Waarover spraakt gij op den weg?quot;

Zij zwegen een oogenblik omdat zij niet durfden antwoorden. Eindelijk bekenden zij, dat zij met elkander hadden getwist over de vraag, wie van hen in het Rijk der hemelen het grootste was.

Uit deze kleine bijzonderheid leert men wat er in de harten der leerlingen omging. Petrus was het aangewezen hoofd; voor Jacobus en Joannes scheen Christus eene voorliefde te hebben. Dat alles maakte de overige leerlingen nog naijverig op elkaar.

Christus kende de reden van hun onderling krakeelen, hun naijver op elkander. Hiervan wil hij hen genezen, en hij besteedt aan dat doel de laatste oogenblikken van zijn verblijf binnen Capharnaüm.

Hij zonderde zich met de twaalven in de hooge kamer van het huis af; zette zich neder en sprak:

— „Indien iemand de eerste wil zijn, zoo zij hij de laatste van allen en aller dienaarquot;.

Hij liet nu een kind komen, stelde het in hun midden en zeide:

— „Voorwaar ik zeg u, indien gij u niet bekeert, en wordt als kinderen, gij zult het Rijk der Hemelen niet ingaan. Al wie dan zich-zelven zal klein maken gelijk dit kind, die is de grootste in het Rijk der Hemelenquot;.

God openbaart zich alleen aan de nederigen.

Bij het zien van dit onschuldig kind wordt hij bewogen, en hij omhelst het.

— „Wie een zoodanig kind in mijnen naam ontvangt, zeide hij, ontvangt mij; en wie mij ontvangt, ontvangt niet mij, maar hem die mij gezonden heeftquot;.

Het geweten van een der twaalven schijnt bij deze vermaning in onrust gebracht.

ocr page 334

320 DE PREDIKINÖ IN GALlLEA. — HET RlJK GODS.

— Meester, zegt Joannes, wij hebben iemand, die ons niet volgt, in uwe naam booze geesten zien uitdrij ven, en wij hebben het hem verboden.

„Verbiedt het hem nietquot;, antwoordde Christus, „wie niet tegen u is, die is voor uquot;.

In naam van Christus goed doen wil zeggen vereenigd zijn met hem door den Geest, en zelfs hij die op deze wijze en niet zichtbaar in de gemeenschap der leerlingen is opgenomen is een nuttige medearbeider.

— „Zelfs hij die u in mijnen naam een glas water zal geven, omdat gij leerlingen van Christus zijt, voorwaar ik zeg u hij zal zijn loon niet verliezenquot;.

Geen weldaad wordt in het Rijk vergeten, maar wee hem die aan kleinen en zwakken zullen kwaad doen.

— „Wie éen van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het is hem beter, dat hem een molensteen om den hals gedaan en hij in de diepte der zee geworpen wordequot;.

„Wee der wereld wegens de ergernissen. Het is noodzakelijk, dat er ergernissen komen; nochtans wee dien mensch, door wien de ergernis komt!quot;

Christus wilde dat men onverbiddelijk zou zijn in het vluchten en verwijderen van alles wat leidt tot kwaad.

— „Indien uwe hand of uw voet u ergert, houw hem dan af en werp hem van u; het is u beter verminkt of kreupel het leven in te gaan, dan twee handen of twee voeten hebbende in het eeuwige vuur geworpen te worden. En indien uw oog u ergert, ruk het uit en werpt het van u; het is u beter met éen oog het leven in te gaan, dan twee oogen hebbende in de gehenna des vuurs geworpen te worden, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgebluscht.

„Y^ant gelijk ieder tegen het bederf met zout gezouten wordt, zoo zullen zij met vuur gezouten worden en niet vergaanquot;.

Zwakken en kleinen ten verderve voeren is een duivelsch werk. Dat werk doen de leeraars en schriftgeleerden, die

ocr page 335

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET ElJK GODS. 321

het onnoozele volk misleiden, en de gedachte daaraan ontvlamt zijn goddelijken toorn.

— „Ziet toe, voegde hij erbij, dat gij niet éen van de kleinen veracht. Een hemelsche macht beschermt hen. Hunne engelen zien in den hemel altijd het aangezicht mijns Vaders, die in den hemel isquot;.

Christus kan niet eindigen, als hij aan de zwakken denkt en hij is vol medelijden met hen.

— „De Zoon des menschen heeft slechts één levensdoel: » zalig te maken wat verloren wasquot;. En hier komt de geheele menschheid als moede en afgedwaald hem voor oogen staan.

— „Wat dunkt u? zeide hij tot zijne leerlingen, zoo iemand honderd schapen heeft, en één van deze verdoolt, laat hij niet de negen-en-negentig op de bergen en gaat hij niet het verdoolde opzoeken? En zoo hij het vindt, voorwaar ik zeg u, hij verheugt zich daarover meer, dan over de negen-en-negentig, die niet verdooldenquot;.

Op deze wijze vertolkt Christus Gods oneindige goedheid. Het grootste bewijs van goedheid geeft hij, die vergiffenis schenkt, en daartoe noodigt hij nu zijne Apostelen uit.

— „Als uw broeder tegen u mocht gezondigd hebben, ga heen en berisp hem tusschen u en hem alleen. Indien hij naar u luistert zult gij uwen broeder gewonnen hebben; doch zoo hij niet luistert naar u, neem dan me t u nog één of twee personen, opdat door het woord van twee of drie getuigen alles worde uitgemaakt. Indien hij naar hen niet luistert zeg het dan aan de vergadering der broeders, aan de Kerk; en luistert hij naar de Keik niet, zoo zij hij u als een heiden en een tollenaar. Voorwaar ik zeg u: al wat gij op aarde zult gebonden hebben, zal ook in den hemel gebonden zijn; en al wat gij op aarde zult ontbonden hebben, zal ook in den hemel ontbonden zijnquot;.

Die haat blijft dragen behoort niet tot de Kerk, want de Geest Gods is niet in hem.

— „Maar integendeelquot;, zeide Christus, „wanneer twee van u op aarde overeenstemmen , zij zullen , wat zij ook mochten

21

ocr page 336

322 DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS

vragen, het van mijn vader die in den hemel is verkrijgen. Want waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in hun middenquot;.

Christus is de band, die allen vereenigt en't is zijn Geest, die tot den Vader bidt, wanneer zijne leerlingen in't gebed vereenigd zijn.

Een vraag van Petrus lokte eene nadere verklaring van Christus uit, waarmee hij leerde hoever het vergiffenis schenken aan elkander onder zijne leerlingen moet gaan.

Heer! hoe menigmaal, vroeg hij, zal mijn broeder tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? tot zevenmaal toe?

De Meester stelt zijne oneindige barmhartigheid tegen de altijd kleingeestige barmhartigheid der menschen over.

— „Ik zeg u niet tot zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaalquot;.

Barmhartigheid is de ziel van het Rijk Gods. Christus maakt dat duidelijk in een heerlijke parabel.

— „Het Rijk der hemelen is gelijk aan een Koning die rekening wilde houden met zijne dienaren. Men begon met iemand voor hem te brengen, die hem tien duizend talenten schuldig was, maar hij had niet om te betalen. De Heer gebood nu hem, zijne vrouw en kinderen en al wat hij had te verkoopen om daarmee zijn schuld te betalen.

„De dienaar nu viel neder en bad hem, zeggende:

— „Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalenquot;. „De Heer had medelijden met hem en schold hem de schuld kwijt; maar toen deze dienaar heenging ontmoette hij een van zijne mededienaars, die hem honderd denariën schuldig was; en hij greep hem aan en worgde hem zeggende: Betaal wat gij schuldig zijt.

„Zijn mededienaar viel neder en smeekte hem, zeggende: — Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.

„Hij was onverbiddelijk, wierp hem in de gevangenis, totdat hij zijne schuld zou betaald hebben. Toen zijne mededienaars zagen wat er gebeurde, werden zij zeer

ocr page 337

DE PREDIKING IN GALILEA. — HET RIJK GODS. 323

bedroefd en verhaalden hunnen Heer alles wat er geschied was.

„Deze liet den eersten dienaar roepen en zeide tot hem: — Booze dienaar, de geheele schuld heb ik u kwijt gescholden, omdat gij er mij om gesmeekt hebt; moest gij dan ook geen medelijden hebben met uwen mededienaar, zooals ik medelijden heb gehad met u?

„En slechts luisterend naar zijn gramschap gaf de heer hem over aan de pijnigers totdat hij zijn geheele schuld had afbetaald.

„Ook zoo zal mijn Hemelsche Vader met u doen, indien gij niet elkander van harte vergeeftquot;.

Men ziet met welke vertrouwelijke gemeenzaamheid de leerlingen hem ondervragen, met welke teederheid hij hen onderwijst, berispt en hunne harten omhoog heft. Nooit ontving de mensch zulke lessen; nooit werd de mensch tot zulke dingen aangezet. Zoo legde Christus de eerste grondslagen van zijn nieuw Rijk in zijne Apostelen neder.

Door een anderen geest dan den bedorven geest des menschen zou dat Rijk worden bestuurd; het geheimzinnige woord wat aan dit onderhoud een einde maakt geeft dit te verstaan.

— „Het zout is goedquot;, het keert het bederf. Hebt in u den Geest die het zout is der ziel. „Laat deze niet krachteloos worden. Hij zal u den vrede geven. Houdt vrede onder elkanderquot; ').

Dit was het laatste onderhoud van Christus met zijne leerlingen te Capharnaüm in den vooravond van den dag waarop hij Galilea verlaat en optrekt naar Jerusalem.

') Marc. IX, 49.

ocr page 338
ocr page 339

VIERDE BOEK.

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

ocr page 340
ocr page 341

EERSTE HOOFDSTUK.

Galilea wordt verlaten.

Wanneer Christus Galilea verlaat, begint het tweede gedeelte van zijn openbaar leven.

In Galilea heeft Christus het geheele werk zijner prediking voltooid en de grondslagen zijner Kerk neergelegd; daar heeft hij gearbeid, in Judea gaat hij sterven.

Met heldhalftigen moed, in het volle bewustzijn van hetgeen gebeuren zal, gaat hij naar de kampplaats waar-hij zijn laatsten strijd moet strijden. „Toen de dagen naderden waarop hij ten hemel moest worden opgenomen, zegt de H. Lucas, nam hij het besluit naar Jerusalem te gaanquot;1).

Zes maanden scheidden hem nog van zijnen dood, die nu geen oogenblik meer uit zijne gedachten gaat. Ofschoon hij reeds vele malen over den naderenden strijd en zijnen dood tot zijne leerlingen heeft gesproken, zijn deze strijd-lustigen voor de toekomst niet bevreesd, omdat zij in de macht van hunnen Meester vertrouwen stelden.

Deze reis naar Jerusalem kenmerkt zich door vele feiten die getuigenis afleggen van Christus' onverstoorbare kalmte, groote wijsheid en onoverwinnelijke zachtmoedigheid.

Het Loofhuttenfeest was nabij2). In het jaar 29 viel het op den ia3®11 October.

In de steden en dorpen van Galilea vormden de karavanen zich reeds om op te gaan naar Jerusalem. Christus' bloed-

gt;) Luc. IX, 51.

») Joös, VII, 2-10.

ocr page 342

328 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

verwanten: de zonen van Maria, de zuster van Christus' Moeder en die van Josephs broeder — in het Evangelie Christus' broeders genoemd — trachten hem over te halen om meê op reis te gaan. Na het Purimfeest was hij niet meer te Jerusalem geweest1). Ga naar Judea, zeiden zijne bloedverwanten, opdat ook daar uwe aanhangers uwe wonderwerken zien; want niemand doet iets in het verborgen als hij zoekt vermaard te wezen. Openbaar u aan de wereld.

Toen Christus het volk van Galilea in beweging bracht, behandelden diezelfde bloedverwanten hem als een bezetene en wilden zij hem aan zijn werk onttrekken, — en nu zij zien dat het volk hem verlaten heeft, komen zij met de meest gewone raadgevingen voor den dag.

Klaarblijkelijk verlangden zij van hem eene openbaring die strookte met de eigenaardige vooroordeelen van het volk; eenige teekenen uit den hemel, zooals zijne bitterste vijanden altijd met hardnekkigheid en bitterheid dit geëischt hadden. Zij geloofden niet in hem, en aan zijne veiligheid was hun weinig gelegen; want zij wisten, dat men er te Jerusalem reeds over gesproken had om hem ter dood te brengen.

- „Mijn tijd is nog niet gekomenquot; zeide Christus tot hen, „maar uw tijd is altoos gereedquot;. Zijn tijd om zich aan de wereld te openbaren was nog niet daar; doch altoos was het hun tijd om zich aan de wereld te vertoonen. Zij hadden van de booze wereld in Jerusalem niets te vreezen.

— „De wereld kan u niet haten; doch mij haat zij, omdat ik van haar getuig, dat hare werken boos zijn'J.

Bijna alle bloedverwanten van Christus beschouwden zijn werk in Galilea als mislukt, omdat het volk hem verliet en de pharizeën hem verwierpen; nu geeft hij hun te verstaan, dat de haat die hem vervolgt aan het voltrekken van zijn arbeid noodzakelijk verbonden is. Hij weet, dat hij altijd door eenigen zal bemind, door anderen gehaat worden, en alleen bij zijnen Vader zal hij raad nemen om te weten, wanneer en hoe hij moet arbeiden.

') Zie het tweede Boek, zevende Hoofdstuk.

ocr page 343

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 329

— „Gaat gij naar dit feestquot;, zegt hij tot hen, „ik ga er nog') niet heen, omdat mijn tijd nog niet gekomen isquot;.

Dit antwoord is klaarblijkelijk een uitvlucht. Christus handelt omzichtig met zijn bloedverwanten die zijne plannen niet begrijpen, maar ze slechts kunnen belemmeren.

De karavanen vertrokken, doch Christus bleef. Het was zijn plan, buiten weten der menigte, een weinig later naar Jerusalem op te trekken. Alleen zijne leerlingen maakte hij met dit plan bekend. Hij verliet met hen Galilea en nam den weg die door Samarië onmiddelijk naar Judea leidde1). Enkelen had hij voor zich uit gezonden om zijn komst aan te kondigen. Dezen kwamen in een samaritaansch dorp om voor Christus een nachtverblijf gereed te maken; maar men wilde hem niet ontvangen, omdat men begreep, dat hij optrok naar Jerusalem. Aan het begin van zijn openbaar leven had hetzelfde Samarië hem met blijdschap ontvangen2), maar zijne gelukkige dagen worden zeldzaam; het smartvolle en bittere gedeelte van zijn leven is begonnen.

Zijne leerlingen waren over die onherbergzaamheid verstoord. Twee van hen, Jacobus en Joannes, de meest geliefde leerlingen, voelden die beleediging het diepst. — Heer, wilt gij? en wij zeggen dat het vuur uit den hemel moet nederdalen om hen te verteren.

Dit woord van onverstandigen ijver bewijst hoezeer de Apostelen in Christus' almacht vertrouwen stelden. De gedaanteverandering op den Thabor had hun geloof versterkt, en het voorbeeld van Elias kwam hun voor den geest.

Christus keerde zich tot hen om en deed hun dit scherp verwijt.

— „Gij weet niet van wat geest gij zijt; de Zoon des

1

l) Luc. IX , vv.

2

) Zie het derde Boek, zesde Hoofdstuk.

ocr page 344

330 DE GROOTE WORSÏELSÏKI.ID BINNEN JERUSALEM.

menschen is niet gekomen om te verderven maar te behoudenquot;.

Inderdaad, hij ging heen, niet om te slaan of te dooden, maar om te verlossen en zijn leven te geven voor allen.

Christus ging nu met zijne leerlingen naar een ander dorp; maar waarschijnlijk wilden zij Samarië vermijden en daalden daarom af naar de vallei van den Jordaan om den gewonen weg te volgen, die over Jericho leidt, en door de woestijn van Juda opklimt naar Jerusalem.

Terwijl zij op den weg voortgingen') kwam een schriftgeleerde tot Christus en zeide hem:

— Ik wil u volgen waarheen gij ook gaat. „De vossen hebben holenquot;, antwoordde Christus, „en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij zijn hoofd kan nederleggenquot;.

Christus had zelfs geen woning. Te Capharnaüm was hij Petrus' gast. Begreep de schriftgeleerde dat hij door Christus te volgen naar de wereld niets verdienen kon, of verwijderde hij zich wrevelig? Wij weten het niet.

Toen sprak Christus tot een ander: „Volg mijquot;.

— Heer! sta mij toe eerst heen te gaan en mijn vader te begraven.

— „Laat de dooden hunne dooden begraven; maar gij, ga heen en verkondig het Rijk Godsquot;.

Wanneer wij twee plichten te vervullen hebben die tegen elkander over staan, moet de meest verhevene het van den andere winnen. Niets menschelijks mag een hinderpaal zijn voor hem die geroepen is.

— Meester, sprak een ander, ik zal u volgen; maar laat mij toe eerst te beschikken over hetgeen ik thuis heb.

— „Niemand, die zijne hand aan den ploeg heeft geslagen, antwoordde Christus, en achterwaarts ziet, is geschikt voor het Rijk Godsquot;.

') Luc. IX , 57 vv.

ocr page 345

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 331

Een volgeling van Christus is een werkman op zijns Vaders akker, die om een voren te ploegen op dien akker slechts vooruit moet zien.

Op deze reis was Christus slechts door zijne leerlingen vergezeld en hij dacht er aan hen twee aan twee uit te zenden, gelijk hij te voren met zijne Apostelen had gedaan. Hij koos twee-en-zeventig uit en gelastte hun naar de steden en dorpen van Judea en Perea te gaan, terwijl hij-zelf zijne reis naar Jerusalem zou voortzetten '). Hij koos ook aan den overkant van den Jordaan eene plaats uit, waar zij wederom bij elkander zouden komen. De naam dier plaats is onbekend.

Alvorens hen te verlaten, sprak hij tot hen in figuurlijken zin, gelijk hij gaarne deed, over den oogst.

— „De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig. Bidt dan den Heer des oogstes, dat hij arbeiders uitzende in zijnen oogstquot;. Daarna gaf hij hun dezelfde vermaningen als voorheen aan zijne apostelen.

— „Ik zend u als schapen onder de wolvenquot;. Zij hebben dezelfde taak die zij op dezelfde wijze volvoeren moeten.

Ook in hen stortte hij zijnen Geest uit.

— „Gaat, die naar u luistert, luistert naar mij, en die

gt;) Men kan niet begrijpen, dat sommigen de echtheid dezer zending der 72 leerlingen in twüfel hebben getrokken en zich veroorloofd hebben daarin eene vinding van den Evangelist te zien, die volgens hen do bediening van den H. Paulus en zijne medehelpers daardoor wilde verheffen omdat de 72 leerlingen van dezen de voorloopers moeten zijn. Met zulke vooronderstellingen bouwt men geen historie op; deze eischt stellige getuigen. Welnu, de H.Lucas geeft zoo duidelijk mogelijk de zending der twaalven en der twee-en-zeventig leerlingen aan. Geen enkele redeneering a priori kan deze duidelijke opgaaf uitwisschen. Verhaalt hij alleen dit feit, 't is omdat ook hij alleen dit tijdperk van Christus' leven beschrijft. Men mag dit verhaal te minder aan paulinische vinding toeschrijven, omdat een werk, dat zeker van joodsch-christelijken oorsprong is, deze afdoende woorden in den mond van den H. Petrus legt: Eerst heeft hy ons, do twaalven, uitgekozen die hij Apostelen noemde; daarna koos hy nog 72 andere leerlingen onder zijn volgelingen uit. Clemens. Recognit. I, 24.

ocr page 346

332 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

u versmaadt versmaadt mij; en die mij versmaadt, versmaadt hem, die mij gezonden heeft.quot;

Christus zette zijne reis naar Jericho en Jerusalem voort.

Wanneer men Jericho nadert wordt de grond woester en woester; daar is alles kaal; daar zijn slechts steenen en zand. Jericho zelf ligt in eene vruchtbare vlakte en was in Christus' tijd de stad van rozen en palmen. Voorbij Jericho loopt de weg naar het westen, naar de bergen van Judea, wederom door een onvruchtbaar land. Eerst bij den Khan van Achmar wordt de grond weer vruchtbaar, grazen de kudden weer hangend aan de heuvelen en komen de dorpen in de verte voor den dag.

De Khan el-Achmar was van ouds eene halte voor de karavanen. Ook Christus rustte daar uit. Een oude over. levering laat hier eene episode van deze reis voorvallen die door den H. Lucas uitvoerig wordt verhaald. Ook het evangelieverhaal spreekt hier van den weg van Jericho naar Jerusalem.

Christus zat neêr, omgeven van zijne leerlingen en andere personen, onder welken een schriftgeleerde was ')• De schriftgeleerde wilde Christus' wijsheid op de proef stellen. — Meester, zeide hij, met wat te doen zal ik het eeuwige leven bezitten?

— „Wat staat er in de wet geschreven. Wat leest gij daar?quot; antwoordde Christus, terwijl hij hem wees op de woorden der Wet die op zijne gedenkcedels geschreven stonden.

Hij antwoordde: „Gij zult den Heer uwen God liefhebben . met geheel uw hart, met geheel uwe ziel, met al uwe krachten en met geheel uw verstand, en uwen naasten als uzelvenquot;.

Het antwoord was best. Christus keurde het goed en zeide: „doe dat en gij zult levenquot;.

') Luc. X, 25 vv.

ocr page 347

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 338

In de Oude zoowel als in de Nieuwe Wet baart zelfzucht den dood en is liefde de bron des levens.

De schriftgeleerde wilde zijn onmacht tegenover een zoodanig volmaakt ideaal niet erkennen, maar dacht er slechts aan eene nieuwe vraag te stellen, waarover in de rabbinale scholen veel werd getwist. Zeker wist hij dat Christus de vriend der heidenen, der tollenaars en der zondaren was, en hij vroeg nu om rechtvaardig te schijnen en den Meester te beschamen: — Wie is mijn naaste?

Christus antwoordde hem met eene parabel. — „Zeker mensch kwam af van Jerusalem naar Jericho. Hij viel onder roovers die hem uitschudden en na hem gewond te hebben heen gingen en hem half dood lieten liggen.

„Nu gebeurde het dat een priester denzelfden weg afkwam. De priester zag hem en ging voorbij. Toen een leviet daar kwam en hem zag ging hij even zoo voorbij.

„Maar een Samaritaan, die op reis was, kwam bij hem, zag hem en werd van medelijden bewogen. Hij ging naar hem toe, verbond zijne wonden, goot er olie en wijn in, zette hem op zijn eigen lastdier, bracht hem in eene herberg en droeg zorg voor hem. Des anderen daags nam hij twee tienlingen, gaf ze aan den waard en zeide: Draag zorg voor hem. En al wat ge aan hem meer ten koste legt, zal ik u wedergeven als ik terugkom.

— „Wie van deze drie dunkt u, zeide Christus tot den Schriftgeleerde, dat de naaste was van hem die onder de roovers was gevallen?quot;

De schriftgeleerde had den moed niet te zeggen: de Samaritaan; zijne vooroordeelen kwamen daartegen in verzet; maar hij sprak onder den invloed van Christus'parabel toch een woord van diepen zin. — De naaste, antwoordde hij, is hij, die hem barmhartigheid heeft bewezen.

— „Ga heenquot; sprak Christus, „en doe ook zoo. Wees barmhartig. En gij zult levenquot;.

De overredingskracht van Christus' zachtmoedigheid viert

ocr page 348

3^4 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BIKKEN JERUSALEM.

haar schoonste zegepraal, wanneer zij een schriftgeleerde dwingt in een Samaritaan zijn evenmensch te erkennen.

Voortaan zijn alle menschen gelijk. Allen moeten allen beminnen.

Op zijne reis van Jericho naar Jerusalem kwam Christus te Bethanië1), het dorp dat de H. Lucas niet noemt en waar eene vrouw met name Martha woonde. Zij leefde daar met haren broeder Lazarus en hare zuster Maria. Bethanië was ten tijde van Christus met zijn olijf-, vijgeen amandelboomen, met zijne tuinen en terrassen een heerlijk dorp. In dezen tijd is het een ellendig gehucht, waar brokken steen en eene verwoeste kerk de plaats van Lazarus' huis moeten aanwijzen.

Toen Christus het huis van Martha was binnen gegaan, ging hij naar gewoonte op het eere-rustbed liggen om te eten. Martha s zuster, Maria, ging aan 's Meesters voeten zitten om naar zijn woord te hooren; maar Martha was druk met den maaltijd bezig en had geen tijd om te luisteren. Onder het heen en weerloopen door het huis bleef zij voor Christus staan en sprak tot hem: — Heer! bekommert gij er u niet om, dat mijne zuster mij alleen laat dienen? Zeg haar dan dat zij mij helpt.

-„Martha, Martha! antwoordde Christus, gij zij t bezorgd en bekommerd over zeer veel; doch éen ding is noodig. Maria heeft het beste deel verkoren, hetgeen haar niet zal ontnomen wordenquot;.

Voor hen die in Christus niet den goddelijken gast erkennen, blijft er een sluier hangen over deze schilderij met zulke scherpe kleuren gemaald.

Deze twee vrouwen zijn de twee hoofdtypen der herboren menschheid. Het gastmaal wordt in de Kerk voorgezet; Christus geeft daar het voedsel. Naast hen, die gelijk Martha, bedrijvig en verstrooid, vol zorg en onrust zijn, ziet men

') Luc. X, 31 vv.

ocr page 349

DE GROOTE WORStELSTRIJD BINKEN JERUSALEM. 335

onbewegelijk en in verrukking aan zijne voeten, hen die, gelijk Maria, het beste doel hebben verkoren, dat zelfs geen dood hun ontnemen kan.

Na Bethanië verlaten te hebben, ging Christus verder naar Jerusalem en stak den berg der Olijven over. Op de hoogte van den Olijfberg was de pelgrim, die van Jericho kwam, gewoon halt te houden. Wanneer daar plotseling het heilige Sion voor zijne oogen verrees, aan de overzijde van het dal van Josaphat, maakte eene heilige ontroering zich van hem meester en voelde hij meer dan ooit den gloed zijner liefde voor zijn vaderland.

Christus hield daar stand om te bidden.

Eene eerbiedwaardige overlevering laat op deze plaats de gebeurtenis voorvallen die door den H. Lucas verhaald wordt en de laatste episode is op deze reis van Caphanaüm naar Jerusalem.

Daar was voor zijne volgelingen altijd iets plechtigs in zijn gebed; dan zonderde hij zich af en zijne leerlingen wachtten in stilte op zijne terugkomst. Op dien dag zeide een van hen toen hij terugkwam tot hem: „Heer! leer ons bidden, gelijk Joannes dit aan zijne leerlingen heeft geleerdquot;.

Bij de joden was het de gewoonte dat de godsdienstleeraars aan hunne leerlingen gebedsformulieren gaven die zij onophoudelijk , zonder er een woord aan te veranderen, moesten opzeggen. Misschien werd deze vraag gedaan door een oudleerling van Joannes die zich zoodanig gebed herinnerde en nu hetzelfde van Christus verlangde.

— „Wanneer gij bidtquot;, antwoordde Christus, „zegt dan: „Onze Vader, die in de hemelen zijt! Geheiligd zij uw naamquot;.

„Laat toekomen uw rijkquot;.

„Uw wil geschiedde op aarde als in den hemelquot;.

„Geef ons heden ons dagelijksch broodquot;.

„En vergeef ons onze schulden, gelijk wij ook vergeven onzen schuldenarenquot;.

ocr page 350

336 DË GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

„En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van den kwade! Amenquot;').

Wat de Meester in zijn bergrede heeft geleerd, leert hij ook hier. Daar is slechts éen gebed voor rijken en armen, voor uitverkorenen en zondaars; allen hebben dezelfde behoeften en denzelfden God tot Vader.

In denzelfden zin gaat Christus voort:

— „Zoo iemand van u een vriend heeft, en die ten middernacht tot hem komt, en hem zegt: Vriend, leen mij drie brooden; want een mijner vrienden is van de reis bij mij aangekomen, en ik heb niets om hem voor te zetten; en zoo deze van binnen 's huis antwoordde: Val mij niet lastig, de deur is reeds gesloten, mijne knechten zijn zoowel als ik te bed; ik kan niet opstaan en ze u geven; en zoo de andere blijft kloppen, ik zeg u, dat, al stond hij niet op en gaf hij ze hem niet, omdat hij zijn vriend is, hij nochtans om zijn onbescheiden aanhouden zal opstaan en hem geven zoovelen hij er noodig heeft.

„En ik zeg u: vraagt en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt en u zal worden open gedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; en wie zoekt, vindt; en hem die klopt wordt opengedaan.

„Is er een vader onder u, die het gebed van zijn kind verhoort? Zoo hij om brood vraagt, zal hij hem een steen geven? Zoo hij hem een visch vraagt, zal hij hem een slang geven ? En zoo hij hem om een ei vraagt, zal hij hem een scorpioen toereiken?

„Indien dan gij, die toch boos zijt, goede giften weet te geven aan uwe kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit den hemel den goeden geest geven aan die er hem om vragenquot;.

Christus hield van een beeldspraak waarvan de beelden aan het dagelijksch leven waren ontleend.

') De twee teksten van het „Onze Vaderquot; by den H. Mattheüs en den H. Lucas zijn in zoover aan elkander geiyk, dat de tekst van den H. Mattheüs dien van den H. Lucas slechts aanvult en uitwerkt.

ocr page 351

DË GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 337

Hij gebruikt alles wat ons omringt, waarin wij opgaan en leven, om naar omhoog, naar de goddelijke dingen, die ver van ons verwijderd zijn en waaraan wij niet denken , onze gedachten te trekken.

Na dit onderhoud met zijne leerlingen daalde Christus van den heuvel af en zette hij zijne reis naar Jerusalem voort.

Met het loofhuttenfeest, waarmee de Israëlieten hun verblijf in de woestijn herdachten, bood Jerusalem van de verte uit gezien, een vroolijk schouwspel aan. Op de daken en huizen, op pleinen en straten, in den geheelen omtrek waren tenten van groen loof opgeslagen.

Eiken morgen werd er in den Tempel een drankoffer uitgegoten ter herinnering aan het water dat op Mozes' bevel uit de steenrots sprong. Bij den avond brandden er twee groote luchters ter gedachtenis aan den vuurkolom die voor de Israëlieten op hun zwerftochten uitging. Tot teeken van blijdschap droeg men takken van citroen- en wilgenboomen met palmbladen omvlochten en ging men zoo om het altaar heen '). Geen feest was bij de Israëlieten zoo vroolijk en blij.

En in 't midden van dat feest ■), terwijl de Tempel vol is van koopers, en verkoopers van schriftgeleerden en phari-zeön, komt Christus naar Jerusalem in den Tempel terug om daar zijn laatsten en zwaarsten strijd te beginnen.

Zijne rustdagen zijn voorbij. Met grooter klem en in duidelijker woorden zal hij zeggen wie hij is en wat hij wil, zal hij spreken van God, zijnen Vader, Wiens Zoon hij is en met Wien hij een is van wezen en natuur, zal hij spreken van zijne zending en zijn Messiaswerk. Maar heftiger zal ook de tegenspraak worden, en geweldiger de hartstochten in beroering komen , totdat zij dien vreeselijken godsdiensthaat zullen hebben opgewekt, waardoor hij eindelijk den schandelijksten dood zal sterven.

') Vgl. Antiq., III, 10, 4; Succah., C. V; hal., 2. 2) Joës. VIT, 14 vv.

22

ocr page 352

338 DE ÖROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Maar nooit zal hij zijne kalmte verliezen.

Toen Christus te Jerusalem kwam, midden in het feest, zochten de Israëlieten hem onder de pelgrims. Bij deleden van het Sanhedrin niet alleen, maar ook bij het volk was hij nog door en door bekend. Zijn naam was op aller lippen. Sommigen zeiden: hij is goed; maar anderen riepen: hij is een verleider en een valsche profeet. Maar de goedgezinden waren bang voor de handlangers en vleiers van het openbaar gezag.

Christus ging onmiddelijk naar den Tempel, en zette zich neder om te leeren onder de galerijen.

TWEEDE HOOFDSTUK.

Christus op het Loofhuttenfeest in 'tjaar 29.

Menschen van de daad, die in 't openbaar hun rol willen spelen, trachten zich met geweld, met sluwheid of list meester te maken van het openbaar gezag. Eenmaal daarvan meester, zijn zij er op uit hun plan te volvoeren en de uitslag is hun rechter. Worden zij overwonnen dan worden zij veracht; maar overwinnen zij, dan worden zi; toegejuicht.

Christus handelt niet gelijk andere menschen; hij kanen wil niet anders heerschen dan door het Geloof; hij dringt zich aan niemand op, hij stelt zich slechts voor; zijn woord is zijn eenige wapen en de openbaring van zich-zelven zijn groote werk.

Dit werk wordt te midden van zwaren strijd langzamerhand voltooid. Te Jerusalem onder de oogen en voor het

ocr page 353

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 339

aanschijn der officiëele vertegenwoordigers van het volk, wordt dat werk op plechtige wijze voortgezet en breekt eindelijk de strijd los waarin hij zal ondergaan.

Alleen het vierde Evangelie ') beschrijft ons Christus' leven gedurende het Loofhuttenfeest en de daaraan volgende dagen. Alle voorvallen van deze dagen hebben plaats onder de galerij van Salomon of binnen het Voorhof van Israël, in de nabijheid der offerblokken. Reeds vroeg in den morgen verschijnt hij daar eiken dag, en 's avonds keert hij met zijne leerlingen naar den Olijfberg terug.

In den Tempel is hij omringd van het gewone volk uit de provinciën en van de inwoners van Jerusalem, die dooiden H. Joannes Judeërs worden genoemd. Deze laatsten zijn minder onbedreven in de H. Schrift, hebben een meer doorslepen godsvrucht en zijn bij uitstek onderdanig aan het gezag.

De oversten der priesters en des volks, ouderlingen, leden van den Hoogen Raad, twijfelzuchtige sadduceën en onverdraagzame pharizeën zijn overal onder het volk verspreid om acht te geven op den Profeet en hem te beoordeelen. Zij loopen daar heen en weder, terwijl zij of naar het Voorhof der priesters of naar de raadzaal gaan.

De critiek heeft vergeten de bestanddeelen waaruit Christus' gehoor hier bestond goed uiteen te houden. In Galilea sprak hij meest altijd tot het gewone volk; hier te Jerusalem, in den Tempel, spreekt hij tot allen: tot het volk uit de provinciën, tot de inwoners van Jerusalem, tot invloedrijke personen van het staatsbestuur en tot de beroemdste leeraars der Wet.

Zijne leer, waarvan de vorm waarin zij gegoten wordt alleen verschilt, is overal dezelfde en kan onder twee hoofdpunten worden teruggebracht: zonder ophouden leert hij, dat hij de Zoon is van God, en dat zijn werk als Messias, het werk is van God. Hier gebruikt hij geen parabels,

') Joüs vu, x, 21.

ocr page 354

340 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

maar beroept hij zich voortdurend op de Schriften tegenover menschen die hieraan alleen alle gezag toekennen. De Galileërs bewonderen de kracht en de oorspronkelijkheid zijner leer; de Judeërs zijn over zijne kennis der Schriften in bewondering.

— Hoe kent deze de Schriften, zeiden zij, daar hij ze niet geleerd heeft?

Voor deze geletterden was Christus een ongeleerde. Men wist, dat de zoon van den timmerman van Nazareth geen school had bezocht, en toch gaf hij blijken van eene kennis der quot;Wet en der profeten die de kennis der meesters in Israël overtrof. Geen leeraar had vóór hem zoo gesproken over het Eijk G-ods of de nietswaardigheid der overgeleverde gebruiken zoo duidelijk aangetoond; niemand vóór hem had zóó de rol van den Messias opgevat, met zooveel gezag en met zoo groot eene onwrikbare overtuiging daarvan getuigenis afgelegd en met schitterender wonderteekenen bewezen. dat hij-zelf de Messias was.

De menigte bewonderde hem , maar de oversten des volks, de geletterden, de officieele leeraars waren boos en geërgerd, omdat zijne leer in het getuigenis van geen enkelen leeraar een steunsel vond.

Men weet, dat in die dagen de overlevering der vaders van de synagoge, over alles besliste. Maar Christus die de afdwalingen der laatste eeuwen veroordeelde, zich-zelven boven de profeten stelde en zich uit gaf voor den beloofden profeet, Christus beriep zich alleen op het gezag van God.

— „Mijne leer is de mijne nietquot;, zeide hij, „maar van Hem, die mij gezonden heeftquot;.

Terwijl hij op die wijze de goddelijkheid van zijn afkomst en van zijne leer en daardoor van zijne zending predikts, sprak hij èn tot het verwonderde volk èn tot de hoofden van het volk die, vol van ergernis, verontwaardigd waren. En tot bewijs dat God in hem sprak haalde hij niet zijne wonderen aan, die voor menschen met vooroordeelen behept geen waarde hebben, omdat zij den aard of de waar-

ocr page 355

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 341

heid dier feiten loochenen, maar hij beriep zich op hun geweten.

„Gij vraagt u zeiven afquot;, zegt Christus, „of mijne leer van God is, of dat ik uit mij-zei ven spreek. Welnu, indien gij den wil van God wilt volbrengen zult gij het wetenquot;.

Die den wil van God wil volbrengen is rechtschapen van hart en van goeden wil. Naarmate wij meer aan onze vooroordeelen gehecht zijn, naar die mate spelen ook eigenbelang en hartstochten een grootere rol. Christus vraagt slechts liefde tot de waarheid en het goede. Wie in deze stemming is zal niet aarzelen in hem te gelooven, zoodra hij hem ziet of zoodra hij hem hoort. Het geloof zal hem zekerheid en hoop, liefde en vrede geven, wat door niets wat geschapen is kan gegeven worden en wat het teeken van goddelijken oorsprong op het voorhoofd draagt. Christus is de eenige Meester die geleerd heeft, dat de kennis van het goddelijke in het zuivere hart haren zetel heeft. — „Zalig dezenquot;, zeide hij, „want zij zullen God zienquot;. Wanneer zij ondervinden dat God het goed is waarnaar de ziel verlangt en de kracht zonder welke zij omkomt, zullen zij begrijpen op welke wijze Christus' leer geest is en leven.

Niemand komt tot het geloof die, binnen zijn eigen rede opgesloten als in een versterkt kamp, hardnekkig weigert den wil van God te volbrengen en in zijn geweten het woord van Christus waar te maken.

De overheden der Israëlieten hebben tegen Christus die koppige houding aangenomen en bewaard; zij zagen in den Profeet dien God zond om hun volk en de geheele menschheid te redden niets anders dan een tegenstander die te voren veroordeeld was.

In deze leer van Christus lag natuurlijk zijne eigene verheerlijking • opgesloten. Men was daarom verontwaardigd over hetgeen hij zeide en verweet het hem met bitterheid.

— „Indien ik uit mij-zelven spreekquot;, antwoordde hij.

ü

ocr page 356

342 DE GROOTE VVOIÏSTELST1UJD BINNEN JERUSALEM.

„zouden uwe beschuldigingen gewettigd wezen. Die uit zich-zelvuii spreekt, zoekt zijne eigene eer; maar die de eer zoekt van God, die hem gezonden heeft, die is waarachtig en in hem is geene ongerechtigheid1)quot;; hij spreekt slechts wat God hem ingeeft, en doet slechts wat God hem beveelt.

— „Gij beschuldigt mij, ik weet het, dat ik de Wet van Mozes overtreed. En toch — niemand van u volbrengt die Wet. Waarom zoekt gij mij dan te dooden?quot; Christus herinnerde hun nu de genezing van den lamme in het Bad ^van Bethseda toen hij de laatste maal te Jerusalem was, en de bedreigingen met den dood welke hij bij die gelegenheid uit de mond van de afgezanten van het San-hedria had gehoord quot;). Zonder twijfel was het volk dat hem omringde met dit feit en deze bedreigingen onbekend, en daarom geloofde het, bij het liooren van deze woorden, dat Christus hun verweet dat zij naar zijn leven stonden. — Gij hebt den duivel in, riep het volk, wie zoekt u te dooden?

Christus ging voort met zich te rechtvaardigen.

— „Een werk heb ik gedaan door den lamme te genezen, en gij verwondert u allen dat ik den sabbath heb geschonden. Maar schendt gij-zeiven hem niet? Mozes heeft u de besnijdenis gegeven (ofschoon zij niet van hem maar van de aartsvaders is) en gij besnijdt een mensch op den Sabbath.

„Indien nu een mensch op den Sabbath de besnijdenis ontvangt en gij gelooft daarmede niet de wet van Mozes te overtreden; waarom zijt gij dan op mij verstoord ofndat ik een mensch geheel en al op den Sabbath heb gezond gemaakt?quot;

Christus vergelijkt hier zijn werk, waardoor hij ziel en lichaam van den mensch geneest, met de besnijdenis waardoor de besnedene onder het volk Gods werd opgenomen.

— Indien de Sabbath-wet, zoo besluit hij, voor het eene

') Joös VII, is vv.

') Zie hieiboven, Tweede Boek , Zevende Hoofdstuk.

ocr page 357

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 34o

wijkt, met nog meer reden moet zij voor het andere wijken. Hij beroept zich hier van de wettigheid op de redelijkheid, van het uitwendig onderhouden der wet op de ware deugd, van de letter op den geest, van de wet op het geweten.— „Oordeelt niet naar den schijnquot;, zegt hij, „maar velt een rechtvaardig oordeelquot;.

Er kan geen wet bestaan die het goede verbiedt. Heiligheid en goedheid zijn van eiken dag en elk uur.

Deze openbare rechtvaardiging voor vertegenwoordigers van al het volk toont hoe Christus van de Schriften en van het gezag van Mozes en de gebruiken zich ter gelegener tijd wist te bedienen om zijne vijanden te verslaan, en met wat kloeke wijsheid hij zich op het geweten en de rechtvaardigheid beriep waarvan reeds de namen alleen in de ziel van het volk altijd weerklank vinden.

Toen sommige inwoners van Jerusalem hem met zooveel stoutheid zagen optreden verwonderden zij zich daarover, omdat van het Purimfeest af de overheden hem zochten ter dood te brengen en zeiden zij: — „Is deze het niet dien zij zoeken te dooden? En zie, hij spreekt openlijk, en zij zeggen hem nietsquot;.

Deze inwoners van Jerusalem praten slechts hunne overheden na, en zijn bevooroordeeld gelijk zij.

— Neen, zeggen zij, hij kan de Christus niet zijn, want wij weten van waar hij is; maar wanneer de Christus komt weet niemand van waar hij is.

Drie dingen, zegt een rabbinale uitspraak van die dagen, komen onverwachts: de Messias, de Voorlooper en de Scor-pioen'). De rabbijnen leerden dat de Messias te Bethlehem zou geboren worden, onbekend verdwijnen en plotseling weer voor den dag zou komen. De tweede verlosser zal aan den eersten, aan Mozes, gelijk zijn 1): hij zal eerst als met

1

) Midr. Sohar, fol. 16.

ocr page 358

34.4 DE GBOOTE WORSTELSTHIJD BINNEN JEEUSALEM.

den vinger worden aangewezen en dan plotseling geopenbaard worden.

De pharizeën lieten niet na deze uitspraak tegen Christus te gebruiken.

Daarover was Christus verontwaardigd en daarom begon hij den goddelijken oorsprong van zijne zending en van hem-zelven te verklaren.

Hij sprak met verheffing van stem; hij riep, zegt het Evangelie, om de volheid des Geestes te openbaren waardoor hij sprak.

„ — Gij kent mij, zegt gij, en weet ook vanwaar ik ben. In waarheid, gij kent noch mijne zending, noch van waar ik kom. En toch, ben ik niet uit mij-zelven gekomen, maar hij die mij gezonden heeft is waarachtig. Maar dezen kent gij niet. Ik ken hem, want ik kom van hem voort en hij heeft mij gezondenquot;.

Dat Christus gezonden was van God en om die reden zijne zending goddelijk was, dat hij voortkwam van God en aldus van éen wezen was met God, was de hoofdvraag , de vraag van leven of dood, waarvan alle andere vragen afhingen. Wanneer die vraag met eene bevestiging beantwoord werd, was Christus de eenige aanvoerder dien men volgen, de eenige meester naar wien men luisteren moest. Alle gezag moest zich dan onderwerpen aan hem in het geloof. Maar werd op die vraag een ontkennend antwoord gegeven, dan was hij een valsche profeet en den dood schuldig.

Met welk gezag en met welke kracht geeft hij hier getuigenis van de waarheid. Hij ontkent zijn schijnbaar arme afkomst niet, maar verklaart toch dat God hem gezonden heeft. In dit opzicht is zijn afkomst onbekend. „Gij weet niet van waar ik kom, want gij kent Hem niet die mij gezonden heeftquot;.

Dit laatste woord was kwetsend voor de pharizëen, die zich uitverkorenen waanden. Maar niets kan de waarheid

ocr page 359

DE GKOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 345

op de lippen van Christus terughouden en hij gaat voort zijne gansche ziel uittestorten.

„Ik ken hem dien gij niet kent, want ik ben van hem en gezonden door hemquot;.

Achter den nederigen Zoon des menschen laat hij den Zoon van God uitkomen, die van één wezen is met den Vader en door Dezen in den tijd gezonden.

De menigte is in hare overtuiging geschokt. Velen naderen tot het geloof en men hoort hen vragen: — Wanneer de Christus komt, zal hij meer teekenen doen dan deze doet ?

Over deze stemming van het volk maakten de pharizeën zich ongerust, zij waarschuwden de overpriesters en besloten hem te laten bewaken door hunne afgezanten. Zij waren beducht voor zijn invloed op het volk.

Christus zag in deze maatregel het begin zijner vervolging en van zijn dood. Dat gezicht trof hem en deed hem de volgende plechtige, teedere, kalme maar droevige woorden spreken:

— „Nog een weinig tijds ben ik met u, zeide hij, en dan ga ik tot hem die mij gezonden heeftquot;. En hij noodigt allen uit om dezen tijd goed te gebruiken.

— „Wanneer ik zal zijn weggegaanquot;, zeide hij, „zult gij mij zoeken, maar niet vinden; en waar ik ben, kunt gij niet komenquot;. Met deze geheimzinnige woorden spreekt hij van zijn hemelvaart.

Deze teedere en dreigende woorden wekten, omdat ze een raadsel schenen, den spotlust der pharizeeën op.

— Waar wil hij heengaan, zeiden zij, dat wij hem niet zullen vinden. Wil hij soms, nadat wij, de ware zonen van Abraham, hem verworpen hebben, gaan tot hen die onder de Grieken zijn verstrooid, en de heidenen leeren?

Een halve eeuw later in het zelfde oogenblik waarin Joannes dit nederschreef, zag deze, hoe hij, die door Jerusalem en heel het volk verstoeten was, met zijn geest de grieksche wereld binnen drong — die wereld van heidenen

ocr page 360

346 DE GEOOTE WORSTELSTKIJD BINNEN JERUSALEM.

waarvan deze fanatieke Israëlieten met verachting spreken — en Christus' leer in alle synagogen van het verstrooide Israël weerklonk.

De wereldgebeurtenissen door Gods hand geleid, zijn soms vol van wraak en spot.

Op den laatsten dag van het feest verlieten de Israëlieten hunne loofhutten en gingen zij in plechtigen optocht naar den Tempel en van daar naar hunne woningen terug, ter herinnering aan den intocht hunner vaderen in het beloofde land1). Deze was een stille en heilige dag, die door de rust van den sabbath werd geheiligd. Alle groote feiten die den eersten tijd van hun verblijf in de woestijn opluisterden, kwamen bij het voorlezen der Schriften en de ceremoniën der Wet wederom helder voor aller oogen staan.

Het water dat op Mozes' bevel uit de rots sprong en de dorst van geheel Israël leschte, was vooral in blijde ge-dachtenis bij het volk.

Gedurende deze feestweek daalde het volk eiken morgen, na het offer van het lam, door een priester vergezeld van den Tempel af naar de bron van Siloë die aan den voet van den Ophel lag. Daar vulde de priester een gouden kruik met water en bracht die onder de vreugdekreten der menigte en bij het geluid der trompetten en cymbalen binnen den Tempel terug. — Hef de hand omhoog, riep het volk; - - en hij goot de kruik naar het Westen uit, terwijl het volk riep: „Gij zult water putten met vreugde uit de bron des heilsquot;2). Profetische woorden die het Kijk van den Messias aankondigden.

Het wonder van Mozes in de woestijn, wat hier herdachi werd, gaf Christus wederom aanleiding om te leeren wie hij was. Het volk, in de woestijn van dorst omkomend, was voor hem het zinnebeeld der geheele menschheid die dorstte naar de waarheid, de gerechtigheid en de zaligheid.

*) Maimon., Succah., fol. 48, 55. Isaïas XII.

ocr page 361

DE GROOTE WOESTELSTliIJD BINNEN JERUSALEM. 347

— „Indien iemand dorst heeltquot;, riep hij uit, „hij kome tot mij en drinkequot;.

„Die in mij gelooftquot;, zal zelf een rots zijn, waarvan de Schriftuur spreekt, „uit zijn binnenste zullen stroomen van levend water vloeienquot;.

Christus is de ware steenrots; van hem uit stroomt het levend water, dat de dorst der zielen lescht naar den Geest van waarheid, van gerechtigheid en liefde.

De woorden van den Meester hadden het volk in beweging gebracht.

Sommigen waren verlicht, geraakt en meegesleept, en zeiden: Deze is waarlijk de Profeet. Anderen zeiden: Deze is de Christus. Weer anderen, die van hunne vooroordeelen geen afstand konden doen, antwoorden: Komt de Christus dan uit Galilea? De Schrift is duidelijk in dit punt: de Christus moet uit het geslacht van David zijn, van het dorp Bethlehem, waar David geboren is.

Daar was dus groote verdeeldheid wegens hem onder het volk; maar niemand sloeg de handen aan hem.

In dezen zelfden tijd hield de groote Raad een stormachtige zitting.

De invloedrijke leden beraadslaagden over Christus toen de afgezanten, die zij 's avonds te voren hadden uitgezonden, van hunne zending rekenschap kwamen afleggen.

— Waarom hebt gij hem niet opgebracht? zeiden de opperpriesters. Zij antwoordden: Nooit heeft een mensch zóó gesproken als deze mensch.

Blijkbaar waren ook dezen onder den invloed van Christus' woord.

De pharizeën waren verontwaardigd en zeiden: Zijt gij soms ook al verleid geworden? Ziet naar uwe oversten; heeft wel iemand van dezen in hem geloofd ? — Deze groep uit het volk, dat de wet niet kent, is in de oogen der pharizeön vervloekt.

De hoovaardij, verblindheid en dwingelandij van deze oversten des volks heeft haar weêrga niet.

ocr page 362

348 DE GKOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Onder hen staat toch éen verdediger van Christus op: Nicodemus, het lid van het Sanhedrin, die in den nacht tot Jesus kwam Dit onderhoud met Christus bracht zijne vruchten voort. — Oordeelt onze wet wel een mensch, riep hij, zonder hem eerst gehoord te hebben en zonder gerechtelijk te weten wat hij gedaan heeft ? Dit woord van rechtvaardigheid verbitterde de vergadering nog meer.

— Zijt gij soms ook een Galileër ? riepen de heetsten. Onderzoek de Schriften, en gij zult zien dat er geen Profeet uit Galilea opstaat.

De pharizeën vergeten dat Jonas een Galileër was en dat naar het getuigenis van Isaïas2) Galilea het uitverkoren land zou wezen waar de Messias zou prediken.

De hartstocht is altijd blind.

Zonder een besluit te nemen ging de vergadering uiteen.

De haat heeft tijd van noode om zijn voornemens ten uitvoer te brengen. Christus deed inmiddels zijn voordeel met dezen tijd en zette ten aanschouwe zijner vijanden het werk zijner zending voort met klimmende kracht.

Op den laatsten dag van het feest, terwijl allen wederom hunne woningen betrokken, ging Christus den weg naar den Olijfberg op. Hij had dezen berg met zijne eenzaamheid lief, waar hij in het gebed uitrustte van zijnen dagelijkschen arbeid. Daar lag de stad aan zijne voeten en dikwijls zeker heeft hij toen over haar geweend.

Den volgenden dag, toen de feesttijd voorbij was, kwam Christus reeds vroeg in den morgen binnen den Tempel en zette hij zich neder onder de galerij van de schatkist die om het voorhof der vrouwen liep; de schriftgeleerden en pharizeën brachten voor hem eene vrouw die op overspel was betrapt.

Zij werd midden in den kring geplaatst en de pharizeën stelden den Meester deze arglistige vraag: — Deze vrouw is daar zoo even op overspel betrapt geworden. In de wet

') Zie liet Tweede Boek, V\jfde Hoofdstuk.

Isaïas VITI, 23; IX, 1.

ocr page 363

DE GROOTS WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 349

nu heeft Mozes geboden dezulken testeenigen1). Maar gij, wat zegt gij ?

De strik was handig gespannen. Indien Christus antwoordde: steBnigt haar, dan kon men hem bij Pilatus beschuldigen, dat hij zich het recht van leven en dood aanmatigde, wat de Romeinen in de veroverde provinciën aan zich hadden voorbehouden, en men kon het volk in opstand brengen tegen zijne onbarmhartige leer. Indien hij antwoordde : steenigt haar niet, dan zou men Mozes tegen hem over zetten, hem in de achting van het volk doen dalen, en hem bij het Sanhedrin als een valschen Messias beschuldigen. Dat de wet in onbruik was geraakt kon hem niet verontschuldigen; want de Messias moest de wet handhaven en in hare waardigheid herstellen.

Christus nam den schijn alsof hij onverschillig was; boog zich voorover en begon met zijn vinger letters in het zand te schrijven.

Die hem ondervraagd hadden, herhaalden hunne vraag. Hij richtte zich op en zeide:

— „Wie van u zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haarquot;.

Hij bukte nog eens en schreef wederom op den grond.

Christus verijdelt de list zijner bestrijders. Hij verlaat het standpunt van de wet waarop zij hem geplaatst hadden, en klimt naar het hoogere standpunt der zedelijkheid op. Hij stelt zich niet aan tot rechter over de Wet, maar geeft zich-zelven een hoogere waardigheid; als de waarachtige Heer over het geweten herinnert hij die schelmen, dat een zondaar, al mag een rechter in weerwil zijner persoonlijke fouten krachtens zijn ambt oordeelen en veroordeelen, daarom nog niet het recht heeft zich op te werpen als de uitvoerder van Gods gerechtigheid.

De schriftgeleerden en pharizeën dropen de een na den ander weg, te beginnen met den oudsten.

') Voze wet was by het verslappen der zeden iu onbruik geraakt.

ocr page 364

350 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Christus bleef alleen met de vrouw die vóór hem stond. Hij richtte zich nu op, vermeed haar aan te zien om haar schaamtegevoel te eerbiedigen en sprak:

— „Vrouw waar zijn zij die u beschuldigden? Heeft niemand u veroordeeld?quot;

— Neen, Heer!

— „Ook ik zal u niet veroordeelen. Ga heen en zondig nu niet meerquot; ').

Geen meester was onbarmhartiger voor de zonde maar ook barmhartiger voor den zondaar.

Terstond hierna zette Christus zijne onderrichting voort die bij den dag klaarder en krachtiger wordt. Voor deze meesters in de godsdienst-leer ontleent hij zijne beelden niet meer aan de natuur en het dagelijksch leven, maar hij grondt zich op de H.H. Schriften op de rechtswetenschap en de geschiedenis van het volk, om te verklaren wie hij is en wat hij komt doen.

De Kabbijnen leerden dat de Messias Licht was en de glans van het licht in hem woonde2). Op deze leer zinspelend zeide hij :

— „Ik ben het licht der wereld 3); die mij volgt wandelt

') De echtheid van dit verhaal is hovig bestreden, doordat velo gezaghebbende grieksche handschriften dit verhaal niet hebben, en vele Vaders daarover zwügen. De H.H. Hieronymus, Ambrosius en Augustinus houden deze plaats met kracht voor echt. Van waar echter dezo uitlating in sommige handschriften? Deze laat zich gemakkelijk verklaren. Dit verhaal was een aanstoot voor de strenge montanisten of kon de slapheid van zeden bevorderen die onder Constantvjn by de hekeering der heidenen en masse toch al groot was. Eerst teekende men dit verhaal met een teeken, (sommige grieksche handschriften laten dit nog zien) en later liet men dit gedeelte geheel weg. Wanneer dit verhaal in den Canon ware ingezet, men zou deze inzetting niet kunnen verklaren. Wie zou dit verhaal van zoo'n sprekend karakter hebben ingelascht? Hoe kon dit gebeuren terwyl het volk leefde met do Schriften, zonder dat een enkele stem zich daartegen verhief? Do Kerk heoft dan ook altijd dit verhaal voor echt gehouden.

1) Fcharahb., fol. 68, 4 ; Beresih. rdbb., fol. 3, 4.

*) Joës. VIII, 12.

ocr page 365

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 351

niet in de duisternis, maar hij zal het licht des levens hebbenquot;.

De vuurkolom leidde Israël bij nacht door de woestijn en bracht het volk naar het beloofde land; ook Christus zal de menschheid door de duisternissen dezer wereld brengen naar het Rijk zijns Vaders. Dat licht des levens, wat hij belooft aan hen die hem volgen is geen doode, afgetrokkene, onvruchtbare wetenschap, maar een levend, vruchtbaar licht, dat de geheele ziel doorstroomt die door het geloof met God vereenigd is. Door dat licht zien wij het leven van God zeiven en alles wat daaraan verbonden is, zien wij, dat wij geroepen zijn in dit leven van God te deelen en daardoor zijne kinderen te worden, zien wij de oneindige kracht die door den H. Geest in ons is uitgegoten, waardoor wij aan den Vader gelijkvormig worden.

Gelijk Christus heeft niemand met zooveel beslistheid zijne leer verkondigd. Maar het gezag van Christus waarmede hij optreedt en leert, is alle vertrouwen waardig. Wanneer men eenmaal zich aan hem onderworpen heeft, begint men terstond de waarheid van zijn woord te gevoelen. Dit gevoel, deze inwendige getuigenis gaat in kracht alle redelijke bewijsvoering te boven. De menschelijke wetenschap spreekt tot den geest, de godsdienstige wetenschap van Christus doet een beroep op het geweten.

In de volle overtuiging dat hij van ééne zelfstandigheid is als de Vader komt hij voor den dag als de getuige der waarheidIn die volle overtuiging ligt ook de oorzaak dat zijne getuigenis met zooveel waardigheid en heerlijkheid en gezag wordt afgelegd.

Doch de pharizeën konden niet dulden, dat hij zich uitgaf voor den Messias. Toen zij hem zoo hoorden spreken zeiden

i) Joës. VIII, 13.

ocr page 366

352 DE GEOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

zij: — Gij getuigt van u-zelven; uwe getuigenis is niet waarachtig ■).

In zijn eersten strijd met de afgezanten van het Sanhedrin had Christus, om de waarheid zijner zending te bewijzen, zich reeds beroepen op het gezag van Joannes, op zijne werken, op de stem van zijn Vader en de Schriften. Daarop komt hij niet meer terug, maar zet nu tegenover de moedwillige blindheid zijner vijanden, met meer beslistheid zijne stellingen op en, in het volle bewustzijn wie hij is, verdedigt hij zich niet alleen, maar valt hij zijne tegenstanders aan.

— Erkent uwe dwaling, zeide hij, „ook wanneer ik van mij-zelven getuig, is mijne getuigenis waarachtig; omdat ik weet vanwaar ik gekomen ben, en waar ik heenga1)quot;.

Daarop herinnert hij hen, dat het bij hunne rechtbanken de gewoonte was het getuigenis van onbekende personen niet aan te nemen 2) en wijst hij hen op de verborgen reden waarom zij zijn woord niet gelooven.

— „Gij weet niet vanwaar ik kom of waar ik heenga; gij oordeelt naar het vleeschquot;.

De Israëlieten luisteren alleen naar hunne schoolsche overleveringen, naar hunne staatkundige en godsdienstige vooroordeelen; hoe kunnen zij dan hem kennen die dit alles komt vernietigen. Liever lasteren zij den Profeet, loochenen zij zijne zending, schrijven zij aan den duivel zijne wonderen toe, dan vaarwel te zeggen aan dat wat hunne wijsheid en glorie uitmaakt.

't Is altijd dezelfde geschiedenis der critiek en der wijsbegeerte tegenover Christus: zij wil hem altijd beoordeelen naar hare zoogenaamde beginselen, maar gaat, terwijl zij gedoemd is hem te miskennen en te verkleinen, onmachtig

1

) Joes. VIII, 14.

2

) Sdhed. C., 5, hal. 3,4.

ocr page 367

Dl! GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 353

hem voorbij, altijd op critiek belust en nooit in staat hem te begrijpen.

Tegenover dat trotsche oordeel van den vleeschelijken mensch zegt Christus:

— „Ik oordeel niemand. Doch indien ik oordeel, zoo is mijn oordeel waarachtigquot;.

En waarom?

— „Omdat ik niet alleen ben, maar ik en de Vader die mij gezonden heeftquot;.

Hij is van ééne zelfstandigheid als de Vader, maar de Vader en hij zijn twee personen.

Nu beroept Christus zich op de rechtswetenschap van zijne bestrijders').

— „In uwe wet staat geschreven, dat de getuigenis van twee menschen waarachtig is. Welnu, indien ik getuigenis afleg van mij-zelven, de Vader die mij gezonden heeft, getuigt ook van mijquot;; ziedaar de twee getuigen s).

Het geloof alleen kan deze woorden verklaren. Indien Christus God is, is alles duidelijk wat hij zegt; maar is hij het niet, dan wordt alles dwaasheid.

— Waar is dan uw Vader? riepen de pharizeën; een getuige moet gezien en gehoord worden.

— „Indien gij mij kendetquot;, antwoordde Christus, „gij zoudt ook mijn Vader kennen; maar gij kent noch mij noch mijn Vaderquot;.

De verblinde pharizeën wilden in hem niets zien van alles wat hij hun openbaarde en bleven in hunne halsstarrigheid voortleven.

Men kan gemakkelijk begrijpen hoe hevig de partij- en schoolhoofden en de priester-oversten en dat gedeelte van het volk wat blindelings zijne overheid volgde, tegen zulke woorden in opstand kwamen.

gt;) Deut. XVII, 6; XIX, IS. gt;) Joës. VIII, 17-18.

23

ocr page 368

354 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Het openbaar gezag geloofde zich bedreigd, de leeraars gevoelden, dat zij waren op zijde gezet, en hunne partij-genooten zagen zich in hunne ijdele droomen over nationale grootheid teleurgesteld.

Dit juiste begrip van den Messias kon slechts in rechtzinnige gewetens en waarheidlievende geesten ingang vinden. Niemand evenwel sloeg nog de hand aan hem1), want zijn uur was nog niet gekomen.

DERDE HOOFDSTUK.

Nieuwe getuigenissen dat Christus de Messias is.

Daar zijn keerpunten in het leven der volken die beslissen over hun op- of ondergang. Het Loofhuttenfeest van het jaar 29 was voor het Israëlitische volk van zoodanig eene beteekenis.

De Messias dien het volk sedert vele eeuwen verwacht is daar, in zijne hoofdstad, in zijnen Tempel. Zal het volk hem aannemen of verwerpen ? De toekomst van Israël hangt af van het antwoord op die vraag. Indien het hem aanneemt, zal het zijn staatkundig bestaan niet redden waarvoor alle reden van bestaan verdwenen is, maar het zal de heerlijkste roeping vervullen die ooit aan een volk gegeven is: het zal na eerst Gods profeet te zijn geweest, de aposte'i van zijn Evangelie worden; indien het volk, door een kleingeestige opvatting van zijn eigen bestaan en zijne Wet, hem verwerpt, zal het op zijn beurt door hem verworpen worden

') Joës VIII, 20.

ocr page 369

t)E GROOTE WOESTELSTKIJD BINNEN JERUSALEM. 355

en te midden der andere volkeren, die in de eenheid van het Godsrijk zijn opgenomen, verdacht en gehaat, een leven zonder glorie leiden.

Christus weet, dat het keerpunt voor het volk van Israël daar is, maar weet ook dat het oogenblik beslissend is voor het geheele raenschdom. Wanneer hij zich aan zijn volk openbaart, spreekt hij tegelijk tot alle menschen. Israël en zijn Tempel staan op den voorgrond, maar het geheeie menschdom staat daar achter. Zoo worden deze woorden over het volk van Israël heen gesproken tot alle menschen van alle tijden.

Bij alle verzet wordt Christus'ijver om zijn volk tot andere gedachten te brengen nog grooter. Met een hart vol van droefheid wijst hij dreigend hen op de gevolgen van hun ongeloof. Weldra is de tijd voorbij, gaat hij heen om nooit weer terug te keeren. Zijn komst op aarde is slechts een doorgang. Gelijk hij van den Vader is uitgegaan keert hii tot den Vader weder. Ongelukkig zij, die hem niet begrepen hebben!

— „Ik ga heenquot;, zegt hij, „en wanneer ik er niet meer zijn zal, zult gij mij zoeken, en in uwe zonde zult gij stervenquot;.

Wanneer hij heen gaat, neemt hij het leven mede. Kon men hem dan nog wedervinden!

- Maar neen, voegt hij erbij, „waar ik heenga, kunt gij niet komenquot;1). Hij gaat naar zijn Vader, en niemand kan tot den Vader opklimmen, indien hij niet door Christus getrokken wordt.

Israels historie getuigt voor de waarheid dezer woorden. Het dwaalt om in den dood zonder ooit den weg des levens te vinden.

Vooral de sadduceön spotten met dit woord. — Zou hij zich-zelven willen dooden? vragen zij. Wat wil hij zeggen met deze woorden: Waar ik heenga kunt gij niet komen?

') Joes. VIII, 22.

ocr page 370

356 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Christus verachtte deze spotternij en legt de reden bloot van hun onbuigzaam verzet.

— „Gij zijt van benedenquot;, zeide hij, „ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, „ik ben niet van deze wereld. Ik herhaal het, gij zult in uw zonde sterven; want indien gij niet gelooft dat ik het ben .... voorzeker zult gij in uwe zonden stervenquot; ').

Omlaag is het Niet en het geschapene, omhoog het Zijn, de Vader, God. Tusschen beiden staat de mensch. Indien hij zich afwendt van God wordt hij een wezen van hier beneden dat wordt meegesleept door de wervelwind der wereld.

Christus uit den Vader geboren is/ïei iJyw van hier boven , dat op de wereld komend de geheele menschheid vervult. Alles in hem is van God, omdat hij God-zelt is.

Uit dit verschil van afkomst komt de strijd voort dien Christus tegen zijn eigen volk moet strijden.

Alle bedreiging zelfs is vruchteloos.

Bij deze woorden: „Indien gij niet gelooft, dat ik het benquot;, onderbreken hem de pharizeën. Die uitdrukking van Christus doet hen denken aan de woorden waarmede Jehovah in het Oude Verbond eene bepaling van zich-zelven gaf: „Ik ben die benquot; 1).

„Wie zijt gij?quot; riepen zij.

Blijkbaar wilden zij dat Jesus het woord „Christusquot; gebruikte-, wat hij tot nu toe nog altijd had vermeden , omdat men daarvan misbruik kon maken tegen hem. Hij zal dat woord gebruiken in het oogenblik waarin hij het wil.

— „Wat ik ben?quot; antwoordde Christus, „volstrektelijk wat ik u ook zeg dat ik benquot; 3).

De mensch bedriegt zich-zelven en zegt altijd wat hij niet is. Christus' woord echter is aan zijn wezen gelijk Hij is alleen en waarachtig wat hij van zich-zelven getuigt.

1

Joës XIII, 25.

ocr page 371

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 357

De gewetens waarin dit woord geloof vindt, voelen en smaken terstond dat Christus de ware Tempel, de levende Bron, het Licht, het hemelsch Brood en het Leven is.

Die inwendige overtuiging des harten van Christus' godheid overtreft alle zekerheid die de geest daarvan kan ontvangen.

Hierna gaat Christus voort met verwijten te doen aan de koppige Israëlieten.

— „Veel heb ik van u te zeggen en te oordeelen, en daarmee gehoorzaam ik aan hem die mij zendt, maar deze is waarachtig. Wat ik van hem gehoord heb dat spreek ik in de wereldquot;.

Men zal bemerken hoe Christus voortdurend terug komt op zijne inwendige, voortdurende en volkomene vereeniging met den Vader. Daarin ligt opgesloten, dat hij de Zoon is van God.

De Israëlieten konden hiervan geen begrip krijgen1); maar hun onverstand maakte hem niet moedeloos, evenmin als het bewustzijn dat zijn einde naderde hem nedersloeg.

— „Wanneer gij den Zoon des menschen zult hebben omhoog geheven, dan zult gij begrijpen, dat ik het ben, dat ik uit mij-zelven niets doe, maar dat ik spreek wat de Vader mij geleerd heeft, en dat hij die mij gezonden heeft, met mij is; en hij heeft mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat hem behagelijk isquot; 2).

De historie heeft deze profetische woorden waar gemaakt. Van het kruis af begint de verheffing van den Zoon des menschen.

Niet allen echter weerstonden aan de kracht van Christus' woord. Velen geloofden in hem, zegt het Evangelie. Zelfs eenige oversten 3) erkenden hem voor den waren Messias.

1

') Joës VIII, 27.

2

J) Joës VIII, 28-29.

3

) Joës XII, 42.

ocr page 372

358 DE fïROOTE WOKSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Hij wilde het geloof van deze nieuwelingen beproeven en sprak daarom:

„Gij zult mijne ware leerlingen niet zijn, tenzij gij standvastig blijft in mijn woord; maar indien gij standvastig blijft in mijn woord, zult gij de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmakenquot; ').

Bij dit laatste woord brak een storm los. — „Zal ons de waarheid vrijmaken?quot; riepen zij; „maar wij zijn Abrahams nageslacht, en nooit zijn wij aan iemand dienstbaar geweest. Hoe zegt gij dan: Gij zult vrij zijn?quot;

Maar Christus zegt hun, dat hij spreekt noch van staatkundige noch van burgerlijke noch van persoonlijke slavernij: — „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: al wie de zonde doet, is een slaaf der zondequot; 2).

Nu weten de Israëlieten waarin de vrijmaking bestaat die naar de overtuiging van het volk een der glorievolste werken van den Messias zou wezen.

Deze verklaring moest wederom mishagen aan hen, die zoo diep overtuigd waren van eigen rechtvaardigheid.

Zijn zij zonen van Abraham zij zijn niet minder de slaven der zonde. Maar de toestand van den slaaf is anders dan die van den Zoon. De slaaf blijft niet altijd in het huis: hij blijft daar zoolang de meester het goedvindt; maar de zoon blijft er altijd.

Opnieuw ziet men hier, maar in een ander licht, wat Christus van zich-zelven dacht. Overal is elk mensch, van welk geslacht of van welke wet ook de slaaf der zonde. Een is er slechts die de Zoon is, en deze is Christus. Hij vult het geheele huis. Alle eer en waardigheid van den mensch, die slaaf geboren is, bestaat hierin dat hij kan worden vrijgemaakt; maar daartoe moet hij met het woord van den Zoon den Geest, die spreekt door dat woord, aannemen.

Deze strenge maar troostvolle waarheden leerde Christus

gt;) Joës VIII, 31-32. gt;) Jo§s VIII, 34.

ocr page 373

DE GEOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 359

aan het volk. — „Indien dan de Zoon u zal hebben vrijgemaakt, zult gij waarlijk vrij zijnquot;1). Anders, niet. Maar zij wilden zich niet leenen voor dit werk, sloten zich in hunne vooroordeelen op en gingen voort met hem te haten.

— „Daaromquot;, zegt Christus, „zoekt gij mij te doodenquot;2).

Nu zet hij het mes in de wond, en grijpt de hoovaardij

bij den wortel waarmede zij zich op hun afstamming van Abraham alles laten voorstaan.

— Gij zegt dat gij kinderen van Abraham zijt. „Ik spreek wat ik bij mijnen Vader gezien heb; en gij, gij doet wat gij gezien hebt bij uwen Vaderquot;. Hij schijnt hun de vraag te stellen; Is Abraham werkelijk uw Vader?

— „Ja, antwoorden zij. Abraham is onze Vaderquot;.

— „Indien gij Abrahams kinderen zijt, doet dan Abrahams werkenquot;3). quot;Weest gelijk hij, gedwee voor de waarheid Gods4); hebt eerbied, gelijk hij, voor de afgezanten van God 5).

De ondervragers van Christus worden boos en herhalen met kracht: Abraham is onze Vader.

— „Indien gij Abrahams kinderen waartquot;, zeide Christus, „gij zoudt Abrahams werken doen. Welnu, gij tracht mij te dooden, een mensch die u de waarheid heeft gezegd, de waarheid die ik van God gehoord heb. Dat heeft Abraham niet gedaan. Maar gij stamt van een ander af en gij doet de werken van hem die waarlijk uw vader isquot;.

De Israëlieten begrepen dat Christus van eene zedelijke afstamming sprak, en riepen uit: Wij zijn niet uit overspel geboren, wij hebben hetzelfde geloof als Abraham, en gelijk hij éenen Vader, namelijk God.

— „Indien God uwe Vader wasquot;, antwoordde Christus, „zoudt gij voorzeker mij liefhebben, want ik ben uitgegaan

•) Joës VIII, 36.

•) Joës VIII, 87.

3) Joës. VIII, 39.

4) Gen. XII, XXII.

5) Gen. XVI, XVII.

ocr page 374

360 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JEKUSALEM.

en gekomen van God; ik ben niet van mij-zeiven gekomen, maar Hij heeft mij gezonden. Waarom erkent gij mijne spraak niet? Omdat gij mijn woord niet kunt begrijpenquot; ').

Kinderen van eenzelfde geslacht hebben een eigenaardige uitspraak, een zelfde wijze van spreken, waaraan zij elkander herkennen, omdat één gevoel, één gedachte hen bezielt. Een vreemdeling verstaat hen niet omdat hij van een anderen geest is. Christus verklaart nu van welken geest zij zijn die hem niet willen verstaan en legt tevens de diep verborgen oorzaak bloot van hun ongeloof en halsstarrigheid.

— „Zegt niet, dat gij zonen van Abraham zijt, en noemt God niet uwen Vader. Gij hebt den Duivel tot Vader en wilt de verlangens van uw Vader volbrengen. Welnu, deze was van den beginne af een menschenmoorder, en hij is niet in de waarheid omdat de waarheid niet is in hem. Wanneer hij iets uit zijn eigen spreekt, spreekt hij leugentaal, want hij is een leugenaar en de vader van de leugenquot;2).

Den mensch en de waarheid haten is duivels aard.

Ook zoo haten de Israëlieten, des duivels kinderen, Jesus en zijne leer.

Dat verwijt hij hen met gestrengheid; —„En mijquot;, riep hij uit, „mij gelooft gij niet als ik de waarheid zeg. Kondet gij mij nog van eene fout beschuldigen; maar wie van u zal mij van zonde overtuigen?quot;

Heiligheid van leven is het grootste bewijs dat men waarheid spreekt. Maar de mensch kan nooit de volstrekte waarheid en heiligheid wezen. Naarmate de mensch heiliger en volmaakter is, leeft hij des te meer in de overtuiging, dat hij zwak is van geest en van hart. De Zoon des menschen evenwel verklaart, dat hij de waarheid en de

i) Joës. VIII, 40-43. 3) Joës. vul, a.

ocr page 375

DE GROOÏK WORSTELSTHIJD BINNEN JERUSALEM. 361

heiligheid zelve is en dat elk woord uit zijne mond onmiddellijk voorkomt van God; hij schroomt zelfs niet hun eene uitdaging voor de voeten te werpen: „Wie van u zal mij van zonde overtuigenquot;?

Niemand nam die uitdaging aan.

„Welnuquot;, voegde Christus er bij: „indien ik u de waarheid zeg, waarom gelooft gij mij niet?quot;

Dat „waaromquot; gaat Christus verklaren.

— „Die uit God is, luistert naar Gods woorden en verstaat ze: gij luistert er niet naar en verstaat ze niet, omdat gij uit God niet zijtquot; ').

Uit God zijn beteekent zich door God laten trekken tot God-zelven die de waarheid en de goedheid zelve is. Die dit doet zal Christus begrijpen en rust vinden in hem. Wie zich niet door God wil laten trekken tot God, maar zich in zich-zelven terugtrekt, volgt Satan na: hij bemint zich-zelven, zijn eigen verlangen, zijn eigen dwalingen, en wordt in opstand tegen God, die liefde en waarheid is, een hater en een leugenaar. Alles wat hem van God spreekt doet hem ontstellen en maakt hem boos, en elke waarheid maakt hem blind. Hij onderdrukt en bedriegt; terwijl Christus vrijmaakt en verlicht.

Heel het leven der ziel hangt van dit eerste standpunt af.

Deze beide verwijten maakten de Israëlieten zoo boos dat zij begonnen te schelden:

Zeggen wij niet te recht, dat gij een Samaritaan zijt en eenen boozen geesi; inhebt?

„Neenquot;, antwoordde Christus, „ik heb geen boozen geest in, maar ik eer mijnen Vader en gij onteert mij. Doch ik, ik zoek mijne eer niet; er is er een die haar zoekt en oordeeltquot;

Men scheldt hem en hij scheldt niet terug, zegt een dei-getuigen J), maar herinnert aan zijne bestrijders de weldaden

') Joës VIII, 47.

gt;) Joës VIII, 50.

3) 1 Petrus II. 23.

ocr page 376

362 DE 6ROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

die hij voor zijne leerlingen bewaart: — „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, zoo iemand mijn woord bewaren zal, hij zal in eeuwigheid den dood niet zienquot; l).

Door zijne gemeenschap met den Geest Gods zal hij aan het goddelijk leven deelachtig worden, dat zelfs aan het sterfelijk lichaam de onsterfelijkheid schenken zal.

Christus' vijanden blijven hangen aan den letterlijken zin.

Abraham is gestorven en de profeten; en gij zegt: indien iemand mijn woord bewaart, hij zal in eeuwigheid den dood niet zien. Zijt gij grooter dan onze Vader Abraham, die gestorven is? Ook de Profeten zijn gestorven. Tot wien maakt gij u-zelven?

— „Ik ben alleen wat God gewild heeft dat ik ben. Indien ik mij-zelven eer geef, is mijne eer niets. Mijn Vader is het die mij eertquot;.

Christus antwoordt met eene der meest verhevene verklaringen die ooit uit zijne mond zijn voortgekomen.

Alle glorie van den Zoon des menschen is gelegen in zijn één zijn met God, zijn Vader.

— „Gij zegt dat hij uw God isquot;, voegde hij er bij; „en toch gij kent hem niet, maar ik ken hem. En indien ik zeide; ik ken hem niet, dan zou ik aan u gelijk zijn die zegt hem te kennen, een leugenaar. Maar ik ken hem en bewaar zijn woordquot;.

Op hunne vraag; zijt gij grooter dan onze vader Abraham? geeft hij hun een klaar antwoord:

— „Ja, want Abraham, uw Vader, verheugde zich in de hoop mijnen dag te zien, hij heeft dien gezien, en zich verblijdquot;.

Duidelijk en klaar zegt hij hier, dat hij de lang verwachte der volken is in wien alle geslachten der aarde zullen gezegend worden, de ware Messias.

Als altijd willen zij hem niet begrijpen en onderbreken hem met de lompe vraag: Gij zijt nog geen vijftig jaren oud en gij hebt Abraham gezien?

') Joës Vilt, 52.

ocr page 377

DE GROOTE WOKSTELSTIIIJD BINNEN JERUSALEM. 363

— „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, eer Abraham werd, ben ikquot;

Abraham werd, Christus is. Tegenover Abrahams historisch bestaan plaatst hij zijn eeuwig bestaan waaraan geen begin en geen einde is.

Dit woord verzint men niet. Het is een woord van een dwaas of van God.

Christus' vijanden zien daarin een godslastering en nemen steenen tegen hem op.

Maar Christus verborg zich en ging met zijne leerlingen uit den Tempel.

VIERDE HOOFDSTUK

Het wonder van den blind geborene.

In het Oosten vindt men overal op de wegen en in de poorten der steden blinden, kreupelen en zieken van eiken aard, die de barmhartigheid der voorbijgangers inroepen en op klagende toon een aalmoes vragen.

Toen Christus den Tempel verliets), zag hij bij een der poorten een blindgeborene. „Meesterquot;, vroegen zijne leerlingen, „wie heeft gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind geboren werd?quot;

Het was hunne godsdienstige overtuiging dat elk lichamelijk gebrek evenals de dood in de zonde zijn oorsprong heeft. Zij dwaalden echter wanneer zij geloofden dat van elk persoonlijk lijden altijd in een persoonlijke zonde of in de zonde der ouders de oorzaak te vinden is. Christus wil dit vooroordeel wegnemen en geeft hun te verstaan, terwijl hij in

') Joës VIII, 53-59. ') Joës. IX.

ocr page 378

362 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

die hij voor zijne leerlingen bewaart: — „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, zoo iemand mijn woord bewaren zal, hij zal in eeuwigheid den dood niet zienquot; ').

Door zijne gemeenschap met den Geest Gods zal hij aan het goddelijk leven deelachtig worden, dat zelfs aan het sterfelijk lichaam de onsterfelijkheid schenken zal.

Christus' vijanden blijven hangen aan den letterlijken zin.

Abraham is gestorven en de profeten; en gij zegt: indien iemand mijn woord bewaart, hij zal in eeuwigheid den dood niet zien. Zijt gij grooter dan onze Vader Abraham, die gestorven is? Ook de Profeten zijn gestorven. Tot wien maakt gij u-zelven?

— „Ik ben alleen wat God gewild heeft dat ik ben. Indien ik mij-zelven eer geef, is mijne eer niets. Mijn Vader is het die mij eertquot;.

Christus antwoordt met eene der meest verhevene verklaringen die ooit uit zijne mond zijn voortgekomen.

Alle glorie van den Zoon des menschen is gelegen in zijn één zijn met God, zijn Vader.

— „Gij zegt dat hij uw God isquot;, voegde hij er bij; „en toch gij kent hem niet, maar ik ken hem. En indien ik zeide: ik ken hem niet, dan zou ik aan u gelijk zijn die zegt hem te kennen, een leugenaar. Maar ik ken hem en bewaar zijn woordquot;.

Op hunne vraag: zijt gij grooter dan onze vader Abraham? geeft hij hun een klaar antwoord;

— „Ja, want Abraham, uw Vader, verheugde zich in de hoop mijnen dag te zien, hij heeft dien gezien, en zich verblijdquot;.

Duidelijk en klaar zegt hij hier, dat hij de lang verwachte der volken is in wien alle geslachten der aarde zullen gezegend worden, de ware Messias.

Als altijd willen zij hem niet begrijpen en onderbreken hem met de lompe vraag: Gij zijt nog geen vijftig jaren oud en gij hebt Abraham gezien?

') Joes VIII, 52.

ocr page 379

DE GEOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 363

— „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, eer Abraham werd, ben ikquot;

Abraham werd, Christus is. Tegenover Abrahams historisch bestaan plaatst hij zijn eeuwig bestaan waaraan geen begin en geen einde is.

Dit woord verzint men niet. Het is een woord van een dwaas of van God.

Christus' vijanden zien daarin een godslastering en nemen steenen tegen hem op.

Maar Christus verborg zich en ging met zijne leerlingen uit den Tempel.

VIERDE HOOFDSTUK

Het wonder van den blind geborene.

In het Oosten vindt men overal op de wegen en in de poorten der steden blinden, kreupelen en zieken van eiken aard, die de barmhartigheid der voorbijgangers inroepen en op klagende toon een aalmoes vragen.

Toen Christus den Tempel verliets), zag hij bij een der poorten een blindgeborene. „Meesterquot;, vroegen zijne leerlingen, „wie heeft gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind geboren werd?quot;

Het was hunne godsdienstige overtuiging dat elk lichamelijk gebrek evenals de dood in de zonde zijn oorsprong heeft. Zij dwaalden echter wanneer zij geloofden dat van elk persoonlijk lijden altijd in een persoonlijke zonde ofin de zonde der ouders de oorzaak te vinden is. Christus wil dit vooroordeel wegnemen en geeft hun te verstaan, terwijl hij in

') Joës VIII, 53-59. ») Joës. IX.

ocr page 380

364- DE GKOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

de ziel zijner leerlingen een gezonder denkbeeld daaromtrent wil instorten, wat het lijden wordt in de plannen van God.

— „Indien deze mensch blind isquot;, zeide hij, „dan is het niet omdat hij of zijne ouders gezondigd hebben, maar opdat in hem de werken Gods openbaar wordenquot;.

Alle menschelijk lijden wordt bij en door Christus van gedaante veranderd. Het leven van den Meester is eene aaneenschakeling van goede werken, want hij wist dat zijn leven kort was. Dat leven is voor hem de dag, en zijn dood, de nacht.

— „Zoolang het dag isquot;, zeide hij, „moet ik de werken doen van hem die mij gezonden heeft; de nacht komt wanneer niemand werken kan. Zoolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereldquot;.

Daarvan zal hij het tastbaar bewijs geven aan dezen blinde.

Hij spuwt op den grond, maakt slijk met zijn speeksel, en legt dit slijk op de oogen van den blinde.

— „Ga heenquot;, zeide hij tot hem, „wasch u in het bad van Siloëquot;.

Hij ging heen, wiesch zich en kwam ziende terug. Het was dien dag Sabbath.

Het bad Siloë was gelegen aan den zuidwestelijken voet van den heuvel, Ophel genaamd, waar de Cedron- en Gihon-valleiën bijeenkwamen. Ten tijde van Herodes strekten de muren der stad zich tot het bad Siloë uit. De gebouwen van het bad liggen nu in puin.

De genezing van den blindgeborene was weldra bekend. De geburen en die hem te voren gezien hadden, toen hij bedelde, zeiden: „Is deze het niet die zat en bedelde?quot; Sommigen zeiden: Ja! doch anderen: Volstrekt niet! maar hij gelijkt op hem. Doch hij zeide: ik ben het.

Men ondervroeg hem met nieuwsgierigheid. - Hoe zijn u de oogen geopend? — De mensch, die Jesus genoemd wordt, maakte slijk, bestreek mijne oogen en zeide tot mij: Ga naar het bad van Siloë en wasch u. En ik ging heen,

ocr page 381

DÉ GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 365

wiesch mij, en ik zie. — Waar is die mensch? vroeg men hem. — Ik weet het niet.

Den gewezen blinde bracht men nu bij de pharizeën, die hem op hun beurt vroegen op welke wijze hij het gezicht had teruggekregen. Hij zeide hun: — Hij legde mij slijk op de oogen, ik wiesch mij, en ik zie.

Bij dit wonder worden de pharizeën verdeeld ten opzichte van Christus. Sommigen zeiden: - Deze mensch, die den Sabbath niet onderhoudt, is niet van God. - Doch anderen zeiden: Hoe kan een zondaar „deze teekenenquot; doen?

In hunne verlegenheid zeggen zij tot den gewezen blinde: Gij voor u, wat zegt gij van hem? - Hij is een Profeet.

Dit woord bracht bij hen ontsteltenis te weeg.

Zij begrepen dat zoodanig een wonder van grooten invloed op het volk zou zijn, en trekken daarom het wonder in twijfel. Om zeker te zijn dat het wonder niet was geschied, lieten zij de ouders van den blindgeborene komen en ondervroegen hen: „Is deze uw zoon, van wien gy zegt, dat hij blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?quot; „Ja, wij weten dat deze onze zoon en blind geboren is, maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; pf wie hem zijn oogen geopend heeft, wij weten het niet. Ondervraagt hem-zelven; hij heeft zijne iaren, hij spreke zelf voor zichquot;.

De ouders waren zoo voorzichtig uit vrees voor de Joden, die overeengekomen waren om elkeen buiten de Synagoog te werpen die Christus als den Messias erkennen zou.

Nu zij met de ouders niet verder kwamen, wilde de pharizeën den blindgeborene vrees aanjagen en riepen hem terug.

- Geef eer aan God, zeiden zij tot hem, wij weten dat deze mensch een zondaar is.

Blijkbaar wilden zij deze eenvoudige ziel verleiden te spreken gelijk zij.

- Of hij een zondaar is, weet ik niet; éen ding weet ik, dat ik blind was en thans zie.

Dit besliste en juiste antwoord bracht hen in verwarring.

ocr page 382

36Ö DE rmOOTE WORSïELStRIJD BINNEN .ieeusalem.

— Wat heeft hij dan aan u gedaan? hoe heeft hij u de oogen geopend?

— Ik heb het u reeds gezegd, antwoordde hij waarom wilt gij het andermaal hooren?

Met verholen scherts voegde'hij erbij:

— Wilt ook gij zijne leerlingen worden?

— Wees gij een leerling van hem, riepen de pharizeën; wij zijn leerlingen van Mozes, want wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft: maar van waar deze is, weten wij niet.

— Dit is dan wel wonderlijk, dat gij niet weet van waar hij is, en hij heeft toch mijne oogen geopend. Wij weten dat God geen zondaars verhoort; maar zoo iemand hem eert en zijnen wil doet, dien verhoort hij. Van alle eeuwen her is het niet gehoord, dat iemand de oogen van een blindgeborene heeft geopend. Indien deze niet van God ware, hij zou niets kunnen doen.

Op dit antwoord was alle wederwoord onmogelijk, daarom worden de joden boos en beginnen zij te schelden.

— Gij zijt geheel in zonden geboren, en gij leert ons?

Hij werd in den ban gedaan en buiten geworpen.

Christus hoorde dit en voltooide, toen hij hem gevonden

had, het werk wat zijn Vader in den blindgeborene was begonnen. — „Gelooft gijquot;, zeide hij tot hem, in denZoon Gods? — Wie is hij. Heer, opdat ik in hem geloove? — „Gij hebt hem gezienquot;, sprak Christus, „die met u spreekt, hij is hetquot;. Hij antwoordde: — Ik geloof Heer! en neder-vallende aanbad hij hem.

De rechtzinnigen van harte beginnen in hem te gelooven. De blindgeborene is hun toonbeeld.

De pharizeSn zeggen: deze man handelt tegen onze wetten; geen feit weegt tegen deze wetten op, die steunen op onzen godsdienst en onze wetenschap.

Zij zijn het toonbeeld van alle ongeloovigen, die vóór alles het getuigenis loochenen en daarvoor getuigen om-koopen en de bewijsstukken vervalschen. Indien echter de

ocr page 383

DE GROOIE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 367

getuigen onomkoopbaar blijken en de stomme bewijsstukken niet vervalscht kunnen worden, komt het scheld- en vloekwoord in hun mond.

Het feit , dat de menschen zoo verdeeld zijn in goed- en kwaadwilligen, waarvan hij reeds zoo dikwijls tot zijne leerlingen gesproken had, verklaart Christus nu ten aanhoore der pharizeën.

— „Ik ben in deze wereld gekomenquot;, zegt hij, „om een oordeel te vellen, opdat zij die niet zien, zien, en zij die zien, blind wordenquot; ').

Eenige pharizeën riepen spottend uit: „Zijn ook wij soms blind?quot;

Het antwoord van Christus is met al zijn zoetheid verpletterend.

— „O! waart gij maar blind!quot; gij zoudt het lichtzoeken en gij zoudt geene zonden hebben. „Maar gij zegt: Wij zien, en gij verstoot het licht dat ik u breng; en daarom blijft uwe zondequot; ■).

In weerwil van alle verzet van leeraars en overheden in de hoofdstad neemt het aantal van Christus' volgelingen toe, en de overweging van dit feit geeft Christus een zijner treffendste parabels in de mond.

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi ingaat, maar van elders er inklimt, die is een dief en een roover; maar wie door de deur ingaat, is de herder der schapenquot;.

„Hem doet de deurwachter open en de schapen hoeren zijne stem; en hij roept zijne eigen schapen bij name, en leidt ze uit. En wanneer hij zijne eigen schapen naar buiten heeft geleid, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijne stem kennen. Doch eenen

') Joës IX, 39. ï) Joës IX, 40-41.

ocr page 384

368 DE GROOXE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

vreemde volgen zij niet; maar vlieden van hem heen, omdat zij de stem van vreemden niet kennenquot; ').

De pharizeën begrepen niet dat Christus de Herder en zij de vreemden, de dieven en roovers waren.

Christus verklaarde nu de parabel.

— „Voorwaar, voorwaar ik zeg u: ik ben de deur dei-schapen. Allen, zoovelen er zijn gekomen, zijn dieven en roovers: maar de schapen hebben naar hen niet geluisterd.

„Ik ben de deur. Die door mij ingaat, zal behouden worden. Hij zal in- en uitgaan en weiden vinden. De dief komt niet, dan om te stelen en te slachten en te verderven. Ik ben gekomen opdat zij het leven hebben en overvloediglijk hebben.

„Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijne schapen, maar de huurling die geen herder is en aan wien de schapen niet toebehooren, ziet den wolf komen verlaat de schapen en vlucht heen; en de wolf rooft en verstrooit de schapen. De huurling vlucht, omdat hij een huurling is en zich om de schapen niet bekommert.

„Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen mij, gelijk de Vader mij kent en ik den Vader ken; en ik geef mijn leven voor mijne schapen. Ik heb nog andere schapen, die niet van dezen schaapstal zijn. Ook dezen moet ik er heen leiden. Zij zullen mijne stem hooren , en het zal worden ééne kudde en ééne herder.

„Daarom heeft de Vader mij lief, wijl ik mijn leven afleg. Niemand ontneemt het mij, maar ik leg het af uit mij-zelven. Gelijk ik de macht heb het af te leggen, heb ik ook de macht het weder aan te nemen. Dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangenquot; 2).

Deze parabel, aan het herdersleven van het Oosten ontleend, openbaart ons het geheim van den persoon van Christus en zijn werk op de meest innemende wijze. De

') Joës. X, 1 — 5. *) Joës. X, 7-17.

ocr page 385

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 369

schaapstal is het volk van God. De deur van dezen schaapstal is de Messias, want het geloof in den toekomstigen Messias was de ziel der Oude Wet. Alle oversten die den Messias hebben miskend zijn dieven en roovers die met geweld binnen de Wet willen komen en de schapen wurgen.

Christus is niet alleen de deur, maar ook de herder. Hij heeft buiten den ouden schaapstal nog andere schapen, die hij op versche weiden weidt. Zijn eigen schaapstal is de Kerk, die groot is als de wereld en eeuwig duren zal gelijk God. Om dezen schaapstal te vullen zal hij in zijne apostelen door de geheele menschheid trekken en zijne schapen van alle hoeken der aarde bijeen brengen.

Zij zullen leven van hem; en zoo zal hij in waarheid hun herder zijn. De gedachte aan zijn dood, die hem geen oogen-blik verlaat, laat ons daarvan nu eene nieuwe zijde zien; hij wil bekend maken, dat hij, wanneer de wolven zijner kudde hem vermoorden, sterft met vrijen wil.

Met deze parabel eindigt de reeks onderrichtingen, die Christus gedurende het Loofhuttenfeest van het jaar 29 en de volgende dagen te Jerusalem gaf.

Het gevolg was dat sommigen in het woord van den Profeet de stem van Satan meenden te hooren. — Waarom luistert gij naar hem ? zeggen zij, hij heeft een boozen geest in en raaskalt.

Anderen zijn getroffen door zijne wijsheid en zijne wonderen. — Neen, zeggen zij, dat zijn geen woorden van een bezetene; en kan een booze geest wel aan blinden de oogen openen ') ?

Bij het voortzetten van zijn werk wordt Christus meer en meer de man die de gemoederen verdeelt.

') Joës. X, 19-21.

24

ocr page 386

370 DE GROOTE WOESTELSTRIJB BINNEN JERUSALEM.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Christus' eerste afzondering in Perea.

Christus heeft de noodzakelijkste maar ook de gevaarlijkste daad zijner zending volbracht. Ten aanhoore van het openbaar gezag en van al het volk heeft hij in den Tempel met klaarheid en kracht verklaard, dat hij is de Zoon van den levenden God.

Voor het openbaar gezag is hij voortaan een godslasteraar en valsche profeet, die den dood verdient ').

Omdat hij zijn einde niet wilde verhaasten, verliet hij Jerusalem dat vol was van zijnen naam.

Toen Christus naar het Loofhuttenfeest ging1), had hij onder weg twee-en zeventig leerlingen vooruitgezonden naaide steden en dorpen die hij voornemens was zelf te bezoeken3). Deze plaatsen moeten gelegen hebben in zuidelijk Perea, de eenige streek van het Israëlitisch land waar het Evangelie nog niet verkondigd was.

Perea lag aan de overzijde van den Jordaan. Ten noorden was het begrensd door de stad Pella, ten zuiden door de sterkte Macherous en ten oosten door Arabië 2). De stammen van Ruben en Gad en een deel van Manasses hadden zich daar vroeger neergezet. Ten tijde van Herodes was het bijna niet bevolkt. Na den dood van Herodes maakte het met Galilea het Tetrarchaat van Antipas uit. Onder de romeinsche overheersching ging het sterk vooruit en waren er vele groote steden.

1

) Luc. X, 1 vv.

2

*) Bell. Jud. III, 2.

ocr page 387

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 371

Naar dit Perea trok Christus zich terug en hier kwamen tot beider vreugde') de leerlingen en de Meester wederom te zamen.

— Heer, zeiden zij , ook de booze geesten zijn ons onderworpen op uwen naam.

Hij, die wist dat hij de meester was van alle booze geesten en de verlosser van het kwaad, antwoordde: „Ik zag den Satan als een bliksem uit den hemel vallenquot;. De zegepraal zijner leerlingen is slechts het voorspel van zijne eigene groote zegepraal.

— „Vreest nietquot;, voegde hij er bij in symbolische taal, ik heb u de macht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en over al de kracht des vijands; maar noch list, noch geweld, „niets zal u schadenquot;. „Nochtans verblijdt u daarover niet, dat de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u, dat uwe namen opgeschreven zijn in den hemelquot;.

Wat baat het een hoog verheven ambt in het Rijk Gods te bekleeden, indien onze naam uit het boek des Levens wordt weggevaagd!

De gedachte aan zijne toekomstige zegepraal, het zien van zijne getrouwe leerlingen maakte hem verheugd in den Heiligen Geest.

— „Ik loof u, Vaderquot;, riep hij, „Heer van hemel en aarde, dat gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen en aan kleinen geopenbaard hebt; ja. Vader! ik loof u, dat het u alzoo behagelijk is geweestquot;.

De wil van zijnen Vader is voor hem altijd alles geweest. En het was de wil van zijnen Vader, dat de geheimen van zijn Rijk voor de wijzen en grooten dezer wereld verborgen bleven en aan de kleinen werden geopenbaard. Zoo zal het blijven tot het einde der tijden.

Het Rijk Gods zal altijd de openbaring zijn van de zwakheid des menschen in de kracht Gods. Niet het verstand maar de deugd zal zegevieren, de deugd - waardoor men

') Luc. X, 17, vv.

ocr page 388

372 DE GROOTE WORSTELSTRIID BINNEN JERUSALEM.

zich-zelven verloochent en zich overgeeft aan den wil van God. Hierin ligt de hoogste kracht van het Rijk Gods.

Van deze kracht weet Christus dat hij de bewaarder is en hij zegt het aan de zijnen.

— „Alles is mij overgegeven door mijnen Vader; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en hij wien de Zoon het wil openbarenquot;.

Toen hij zijne leerlingen, zoo ingewijd in zijn woord en werk, bij zich zag, lustte het hem tot hen te spreken over de glorie hunner uitverkiezing.

— „Zalig de oogen die zien, hetgeen gij ziet! Want ik zeg u: vele Profeten en Koningen hebben verlangd te zien wat gij ziet, en zij hebben het niet gezien, en te hooren wat gij hoort, en zij hebben het niet gehoordquot;1).

De evangelisten noemen de plaatsen niet welke Christus met zijne leerlingen in Perea bezocht. Alleen het vierde Evangelie verhaalt de feiten die er voorvielen en laat zien hoe zijn naam op aller lippen is en hij als de Messias spreekt.

Maar de strijd blijft ook hier niet weg.

Bij gelegenheid van eene duivelbezwering liepen de pha-rizeën te hoop en vielen gelijk in Judea en Galilea op hem aan. Sommigen zeiden: — Door Beëlzebub, den overste der booze geesten, drijft hij de booze geesten uit. Anderen : — Geef ons een teeken uit den hemel2).

Het schijnt, dat het bij de pharizeën een wachtwoord was, Christus als een bezetene te beschouwen. Overal en altijd komen zij hiermede voor den dag. Maar Christus verslaat zijne vijanden met haar eigen leer.

— „Indien ik door Beëlzebub de duivelen uitdrijf, is Satan tegen zich-zelven verdeeldquot;.

Maar elk rijk dat verdeeld is, zal verwoest worden en het eene huis zal op het andere vallen; zoo nu ook de Satan tegen zich-zelven verdeeld is, hoe zal dan zijn rijk stand houden?

1

) Luc. XI, 14 vv.

ocr page 389

DE GEOOTB WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 373

Ook in de Oude Wet waren duivelbezweerders die voor geld de duivel verdreven en toch bij de Israëlieten in aanzien waren, en daarom voegt hij er eenigzins spottend bij:

— „Indien ik door Beëlzebub de booze geesten uitdrijf, door wien drijven uwe zonen ze dan uit?quot;

Hierna verklaart Christus hen met een parabel die den aard der genezingen welke hij doet en de ij delheid hunner eigene bezweringen verklaarde.

— „Door Gods vinger drijf ik de booze geesten uit, dus is het Rijk Gods tot u gekomenquot;. Satan is overwonnen; God regeert in zijn plaats.

„Wanneer een sterk gewapende den ingang van zijn huis bewaart, is alles wat hij bezit in veiligheid; maar wanneer een sterkere dan hij hem overvalt, ontneemt hij hem al zijne wapenen waarop hij vertrouwde en verdeelt hij zijnen buitquot;.

Christus verklaart zich hier voor den eenigen overwinnaar van hem dien hij met een geheimzinnig woord den sterk gewapende noemt, den Satan.

— „Die in dezen strijd niet met mij is, is tegen mij; en die niet met mij de slachtoffers, aan deze slavernij ontrukt, verzamelt, verstrooit.

„Wanneer de onreine geest van den mensch is uitgegaan, waart hij om door waterlooze plaatsen en zoekt rust. En haar niet vindende, zegt hij: ik zal terugkeeren naar mijne woning van waar ik ben uitgegaan. Hij keert terug en vindt haar uitgeveegd en versierd. Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven andere geesten nog boozer dan hij; zij gaan binnen en wonen aldaar; en de laatste toestand van dien mensch wordt erger dan de eerstequot; ').

Christus laat iets zien van den strijd tusschen de ziel en den Satan. Noch 's menschen wil, noch bijgeloovige praktijken vermogen op den duur iets togen den duivel. Is de macht van het kwaad een oogenblik overwonnen, zij

') Luc. XI, 18-26.

ocr page 390

374 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

keert spoedig met grooter kracht terug. Alleen de Geest Gods is tegen den duivel bestand en alleen in Christus huist die Geest Gods in zijne volheid. Hij alleen grondvest het Rijk Gods in de harten der menschen door de ware duivelbezwering.

Terwijl hij sprak riep eene vrouw uit het volk met luide stem: „Zalig de schoot die u gedragen heeft, en de borsten die gij gezogen hebtquot; ').

Die stem van eene onbekende vrouw was hem aangenamer dan de godslastering der pharizeën voor hem hatelijk was. Hij geeft antwoord op dien kreet en zegt:

— „Zalig vooral zij die naar het woord Gods luisteren en het bewaren!quot;

Door Christus' moeder te wezen treedt men onmiddellijk in gemeenschap slechts met zijne menschheid, maar door het hooren en bewaren van Gods woord is men in gemeenschap met Christus' goddelijken Geesi. Het is een grooter geluk den levenden God te ontvangen dan aan den Christus het leven te geven.

Nu laat Christus ten aanhoore van het volk de trouweloosheid zien waarmede de pharizeën aan hem een teeken uit den hemel vroegen, om zijne zending te bewijzen; want alle teekenen door de Profeten van den Messias voorspeld waren door hem meer dan vervuld.

— „Dit geslacht is een boos geslachtquot;, zeide hij tot het volk, „het vraagt een teeken, en geen teeken zal aan hetzelve gegeven worden, dan het teeken van Jonas, den Profeet. Want gelijk Jonas een teeken was voor de Nini-viters, zoo zal ook de Zoon des menschen het zijn voor dit geslachtquot; 1).

1

Luc. XI, 29-33.

ocr page 391

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 375

Klaarblijkelijk spreekt hij hier van den dood en de verrijzenis van den Messias. Ziedaar het teeken van deze aarde en van den hemel tegelijk, waarvan Jonas, die na drie dagen in den buik van het zeemonster geweest te zijn ongedeerd op het strand geworpen werd, de afbeelding was. Als de meester der toekomst voorspelt hij, dat dit teeken hun voor hunne verblinding en haat geen verontschuldiging zal laten.

— „De koningin van het Zuiden zal in het oordeel opstaan met de mannen van dit geslacht, en hen veroor-deelen; want zij kwam van de einden der aarde om Salomons wijsheid te hooren; en zie, meer dan Salomon is hier. De Niniviters zullen in het oordeel opstaan met dit geslacht, en het veroordeelen; want zij hebben op de prediking van Jonas boetvaardigheid gedaan; en zie, meer dan Jonas is hierquot;.

Daarenboven, — was Christus zelf niet het sprekendst teeken? De pharizeën weigeren hem te erkennen niet uit gebrek aan licht, maar omdat hunne oogen de stralen van dat licht niet kunnen zien.

— „Niemand steekt eene kaars aanquot;, zegt hij, „en zet haar op eene verborgen plaats of onder de korenmaat, maar op den kandelaar opdat zij, die inkomen het licht zienquot;.

Christus is dat licht door den Vader ontstoken ter verlichting der gansche wereld.

Maar om het te zien moet men de oogen open doen.

— „De lamp uws lichaams is uw oogquot;, voegde hij erbij. Indien uw oog zuiver is, zal geheel uw lichaam verlicht zijn; maar indien het kwaad is, zal ook uw lichaam in 't duister wezen.

„Zie dan toe, dat niet het licht, dat in u is, duisternis zij. Maar indien uw lichaam geheel is verlicht en geen duister deel heeft, zoo zal het geheel verlicht zijn, en u, als een helschijnend licht, verlichtenquot;.

Christus had dit beeld lief en hij gebruikt het meermalen. Het laat zien dat oprechtheid des harten , eenvoudigheid van

ocr page 392

376 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

meening en zuiverheid des gewetens noodzakelijk zijn om den Messias en zijne teekenen te erkennen.

Een pharizeër noodigde hem uit bij hem het middagmaal te houden !). Het vervolg van dit verhaal bewijst, dat deze pharizeër Christus niet genegen was.

Hij was ook geërgerd en vroeg zich-zelven af, waarom Christus zich vóór den maaltijd niet gereinigd had. De Heer kende de gedachte van zijnen gastheer en zijne gasten en sprak tot hen op strengen toon met het gezag van een rechter die in het geweten leest:

— „Gij, pharizeën, gij reinigt het buitenste van beker en schotel, maar het binnenste van u is vol van roof en ongerechtigheid. Gij dwazen! heeft hij, die het buitenste gemaakt heeft, niet ook het binnenste gemaaktquot;?

Het buitenste is de stof; het binnenste de ziel. God heeft beide gemaakt. De reiniging van het lichaam kan niet volstaan voor de reiniging der ziel; het lichaam wordt eerder door de ziel gereinigd; welnu, de ziel wordt alleen door de liefde gelouterd.

— „Geeft dan aalmoezenquot;, zeide hij, „met hetgeen wat in de bekers en schotels is, en alles zal rein zijn voor uquot;.

Na de boosheid der pharizeën te hebben bloot gelegd laat hij nu zijne vervloekingen op hen nederdalen.

— „Wee u, pharizeën, die tienden geeft van muntkruid, wijnkruid en alle moeskruiden, terwijl gij verwaarloost de rechtvaardigheid en liefde Gods. Het eerste moet gij doen en het ander niet laten.

„Wee u, pharizeën, want gij bemint de voorste zetels in de synagogen en de begroetingen op de markt.

„Wee u, omdat gij zijt als de graven, die zich niet aan 't oog vertoonen, en de menschen die daarover wandelen weten het nietquot;.

Deze verwijten waren zoo krachtig dat een wetgeleerde

') Luc. XI, 37 vt.

ocr page 393

DE GBOOIE WORSTELSTBIJD BINNEN JERUSALEM. 'è I i

hem met verontwaardiging toevoegde: Meester! met dit te zeggen beleedigt gij ook ons.

Tot antwoord vermeerderde en verzwaarde Christus zijne vervloekingen.

— „Ook u, wetgeleerden, wee u! omdat gij de menschen belast met lasten, die zij niet dragen kunnen, en zeiven raakt gij met één uwer vingeren die lasten niet aan. Wee u, die graven opbouwt der Profeten, die uwe vaderen hebben gedoodquot;. En met bijtende spot de ijdelheid dezer eerbewijzen aantoonend waarmede zij deze heilige slachtoffers wilden eeren, voegde hij erbij: „voorwaar gij getuigt, dat gij instemt met de werken uwer vaderen, want zij hebben hen gedood en gij bouwt hunne graven opquot;.

De dood der Profeten herinnert Christus aan zijn eigen dood en aan de vervolgingen die zijne leerlingen zullen te verduren hebben.

— „De wijsheid Godsquot;, riep hij, heeft gezegd; „Ik zal tot hen Profeten en Apostelen zenden, en sommigen van hen zullen zij dooden, en anderen vervolgen. Maar Gods rechtvaardigheid waakt. Het bloed van alle Profeten, dat vergoten is van de grondlegging der wereld af, van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharias die tusschen het altaar en den tempel gedood is, ia, ik zeg u, het zal afgeëischt worden van dit geslachtquot; ').

De grootste misdaad der leeraars van de wet, ontvangt de laatste van Christus' vervloekingen: hunne trouweloosheid waarmee zij de Wet verklaren, het volk van den Messias aftrekken en zijn werk belemmeren.

— „Wee u, wetgeleerden, omdat gij den sleutel der kennis hebt weggenomen, gij-zelven zijt niet ingegaan, en hen, die ingingen, hebt gij geweerdquot;.

Door de Schriften moesten zij het Rijk Gods binnengaan-maar den zin der Schriften hebben zij verdraaid en daarmee hebben zij den sleutel van het Rijk Gods weggenomen.

lt;) Luc XI, 49-51 Vgl. Gen. IV, 8; II Paral. XXIV, 22.

ocr page 394

378 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

De pharizeën vielen hem van alle kanten lastig om hem een woord te ontrukken waarop zij hem konden beschuldigen. De toeloop van het volk werd grooter en Christus moest zich met zijne leerlingen verwijderen.

— „Wacht u voor het zuurdeeg der pharizeënquot;, zeide hij. „Dat is schijnheiligheidquot;. Met zachtere stem liet hij er op volgen 1):

— „Vreest niet hen, die het lichaam dooden, vreest Hem, die de ziel doodt, en die na het lichaam gedood te hebben u in de gehenna van het vuur kan werpen. Ja, ik zeg u, vreest Hemquot;. Hij herinnerde hen ook, dat de Vader, die geen mensch vergeet, waakte over hen; dat de haren van hun hoofd geteld waren; dat de Zoon des menschen hen voor de engelen Gods erkennen zou, indien zij voor de menschen getuigenis aflegden van hem; dat zijn Geest met hen zou wezen vóór de overheden en machthebbenden en Deze hun zou leeren wat zij moesten zeggen.

Men voelt dat Christus' toestand hachelijker wordt; maar hoe meer het einde nadert, des te dichter trekt hij zijne leerlingen tot zich. Ook het volk dringt meer en meer op hem aan. Christus heeft geen tijd te verliezen en onderwijst hen terwijl hij met hen voortwandelt op den weg.

In dat oogenblik komt er een man uit het volk tot hem met het verzoek, dat hij zijn broeder gelasten zal de vaderlijke erfenis met hem te deelen5). Hij antwoordt hem:

— „Mensch, wie heeft mij tot rechter of scheidsman over u aangesteld?quot;

Moet de Geest Gods zich met deze aardsche belangen inlaten? Maar hij weet dat de mensch hebzuchtig is en zegt daarom:

— „Ziet toe en wacht u voor alle hebzucht. Niet in den overvloed der aardsche goederen is het leven gelegenquot;.

1

') Luc. XII, 1 TV.

ocr page 395

DE GROOTE WOItöïELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 379

want alles ontvalt ons wanneer men denkt alles te bezitten. Om hen daarvan te overtuigen gebruikte hij deze parabel'):

— „De akker van zeker rijk mensch bracht overvloedige vruchten voort. En hij dacht bij zichzelven: Wat zal ik doen, dewijl ik niets heb, waar ik mijne vruchten kan verzamelen? En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en daar zal ik mijn gewas en mijne goederen verzamelen, en ik zal tot mijne ziel zeggen: Ziel! gij hebt vele goederen leggen voor vele jaren; rust, eet, drinkt, maakt goede sier!

„Maar God zeide tot hem: Gij dwaas! in dezen nacht eischt men uw ziel van u op; en wat gij bijeen hebt verzameld, voor wien zal het zijn?

„Zoo ook gaat het met hem, die voor zich schatten vergadert, en niet rijk is bij Godquot;.

In zijne vertrouwelijken omgang met zijne leerlingen spreekt hij tot hen als tot de geliefde kinderen van den hemelschen Vader, op Wien zij al hun vertrouwen moeten stellen.

— „Ziet de raven, zij zaaien noch maaien; zij hebben kelder noch schuur en God voedt ze toch. Hoeveel beter dan zij, zijt gij ?

„Ziet de leliën hoe zij opgroeien, zij arbeiden niet en spinnen niet; en ik zeg u: zelfs Salomon in al zijne heerlijkheid was niet gekleed als éene van die. God kleedt ze, en toch morgen worden zij op het vuur geworpenquot;.

„Vreest dus niet, gij, kleingeloovigen. Bekommert u niet over hetgeen gij eten of drinken zult. Uw Vader waakt en weet, dat gij die dingen noodig hebtquot;.

Hij toont hun ook het groote doel waarnaar zij, vrij van overdreven aardsche zorgen, streven moeten.

— „Zoekt eerst het Rijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen wordenquot;3).

') Luc. XII, 16 vv. 2) Luc. XU. 16—32.

ocr page 396

380 DE GROOÏE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Wat kan hij vreezen die, al is hij ontbloot van geld en goed, geroepen is met God te heerschen? — „Vrees niet, gij kleine kudde, want het heeft uwen Vader behaagd u het Rijk te gevenquot;. Ontdoet u liever nog van meer. „Verkoopt wat gij bezit, en geeft het tot een aalmoes. Maakt u buidels die niet veranderen, een onuitputtelijken schat in den hemel, waar geen dief binnendringt noch de mot verderft.

„Waar uw schat is, daar moet ook uw hart zijnquot;.

Zijne leerlingen zullen te strijden hebben en daarom zegt hij tot hen:

— „Laat uwe lenden omgord, en uwe lampen brandende in uwe handen zijn, gelijk aan hen, die hunnen heer verwachten wanneer hij van de bruiloft wederkeert, opdat, als hij komt en klopt, zij hem terstond opendoenquot;.

„Gelukkig die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar ik zeg u, hij zal zich omgorden en hen doen aanzitten en, heen en weder-gaande, hen dienen. En of hij komt in de tweede of derde nachtwake, indien hij hen alzoo vindt, gelukkig zijn die dienstknechtenquot;.

De komst des Heeren is onzeker; men moet altijd gereed zijn.

„Indien de vader des huisgezins wist, in welk uur de dief zou komen hij zou voorzeker waken en niet toelaten,

V

dat zijn huis werd doorgegraven. Zijt ook gij bereid! want in het uur, waarin gij het niet vermoedt, zal de Zoon des menschen komenquot;.

De heerlijkheid van hetgeen Christus beloofde in deze parabel van het koninklijk gastmaal had indruk op Petrus gemaakt. — Heer, zeide hij, zegt gij deze gelijkenis tot ons of ook tot allen?

Christus geeft te verstaan dat de belooning voor allen zal zijn, maar dat aan de Apostelen een voorrecht zal gegeven worden.

— „Wie toch is de getrouwe en voorzichtige huisbestuurder, dien de heer over zijne dienstboden stelt, om hun ter rechter tijd de maat tarwe te geven?quot;

ocr page 397

DE (tROOIE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 381

Zijt gij dat niet, gij, mijne leerlingen? schijnt Christus te zeggen.

— „Gelukkig de dienstknecht welken de heer, als hij gekomen is, zoo doende zal vinden. Naar waarheid zeg ik u; hij zal hem stellen over al wat hij bezitquot;.

„Doch zoo die dienstknecht in zijn hart sprak: Mijnheer draalt te komen, en zoo hij begon de dienstknechten en de dienstmaagden te slaan, te eten, te drinken, zich dronken te maken, dan zal de heer van dien dienstknecht komen op een dag, waarop hij het niet verwacht, en op een uur dat hij niet kent, en hij zal hem in tweeën deelen en zijn deel geven met de ongetrouwen. De dienstknecht nu, die den wil zijns heeren geweten heeft, en zich niet bereid heeft en niet gedaan heeft naar zijnen wil, die zal vele slagen ontvangen; maar wie dien niet geweten, en gedaan heeft wat slagen waardig is, zal weinige slagen ontvangen. Want van hem die veel ontvangen heeft, vraagt men veel, en van hem aan wien veel is toebetrouwd vraagt men nog meerquot;1).

In deze gesprekken van Christus met zijne leerlingen hooren wij voor het eerst eene toespeling op zijne wederkomst naar deze aarde die hij weldra verlaten zal, en waar hij zijne Apostelen als zijne getrouwe en voorzichtige uit-deelers zal achterlaten, die Gods dienaren met het brood der waarheid moeten voeden.

Doch de hevigheid van den strijd, dien men tegen Christus streed, maakte de kleine kudde soms bang; dan vergelijkt Christus zich met stoutheid bij een ontstoken fakkel en zegt:

— „Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik anders, dan dat het ontstoken worde?quot; Maar aanstonds denkt hij ook aan zijn dood, dien hij een doopsel noemt. — „Ik moet een doopsel ontvangen, en hoezeer word ik geprangd, totdat het volbracht isquot;.

') Luc. XII, 42-48.

ocr page 398

382 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Wekt hij bij zijne leerlingen het vertrouwen door hun de vreugde van het eeuwig feestmaal bij God voor te spiegelen, hij verbergt voor hen de wreede werkelijkheid op deze aarde niet.

— „Denkt nietquot;, zeide hij, „dat ik gekomen ben om vrede op aarde te brengen. Neen, zeg ik u, maar verdeeldheid. Want van nu aan zullen er vijf in éen huis verdeeld zijn; drie zullen tegen twee, en twee tegen drie verdeeld zijn: de vader tegen den zoon en de zoon tegen zijnen vader; de moeder tegen de dochter en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter en de schoondochter tegen hare schoonmoederquot; ').

Die door den Profeet de Vorst des Vredes wordt genoemd laat de oorlog over de geheele wereld los. Zwaar zal de strijd zijn tegen hem, maar zijne leerlingen zullen gelijk hun meester zijn. Hun zachtmoedigheid zal hunne sterkte wezen.

Met klimmenden aandrang vermaant hij het volk in hem te gelooven en zich te bekeeren.

— „Wanneer gij een wolk ziet opkomen uit het westen, zegt gij terstond: Er komt regen! en zoo geschiedt het. Wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zegt gij: er zal hitte zijn! en het gebeurt. Gij huichelaars! het gelaat des hemels en der aarde weet gij te beoordeelen, waarom herkent gij dezen tijd niet?quot;

Alle teekenen van den Messias zijn daar, maar deze onverschilligen en blinden zien niets, omdat zij niet willen zien.

— „Waaromquot;, zegt Christus, „oordeelt gij uit u-zelven niet wat recht is ?quot;

Hij bedreigt hen met de onverbiddelijke rechtvaardigheid van God. — „Als gij met uw tegenstander naar de overheid gaat, doe onderweg uw best om van hem bevrijd te

i) Luc. XII. 49-57.

ocr page 399

DE GROOXE WORSTELSTRIJD BINNEN JERÜSALEJI. 383

worden, opdat hij u soms niet betrekke voor den rechter, en de rechter u overlevere aan den gerechtsdienaar, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe. Ik zeg u, gij zult daar niet uitkomen, totdat gij ook den laatsten penning betaaltquot;.

In dezen tijd bracht men hem de tijding, dat eenige Galileers, zonder twijfel volgelingen van Judas den Gaulo-niter, op bevel van Pilatus waren vermoord bij het opdragen hunner offers. quot;Van dat feit wordt bij geene andere schrijvers melding gemaakt. Het volk was bij het hooren van deze tijding meer dan ooit verbitterd op de overheersching der Romeinen. Pharizeesche vroomheid zag daarin Gods rechtvaardigheid die de schuldigen strafte. Christus kende geen ijdele vroomheid noch onvruchtbare gramschap; zijn blik reikte verder en overzag alles.

Deze slachting is voor hem het voorspel van den grooten bloedigen ondergang van het geheele volk.

— „Denkt niet dat deze Galileërs meer dan al de Galileërs zondaars waren. Neen, zeg ik u; maar indien gij geen boete doet, zult gij allen op gelijke wijze omkomen.

„Ook zoo die achttien, op wie de toren in Siloë viel en hen doodde, — meent gij, dat ook zij schuldig waren boven alle menschen die in Jerusalem wonen? Neen, zeg ik u; maar indien gij geen boete doet, zult gij allen op gelijke wijze omkomenquot;.

Deze bedreiging met de toekomst schijnt op het volk niet veel indruk te hebben gemaakt.

De voorspelling evenwel is door de soldaten van Titus vervuld.

De gedachte aan deze verschrikkelijke toekomst verlaat Christus voortaan geen oogenblik en bedroeft en ontroert hem meer dan zijn eigen dood. Begreep dat volk nu nog zijn roeping, het zou nog behouden wezen.

— „Zeker iemandquot;, zeide hij in een parabel, „had een vijgeboom geplant staan in zijnen wijngaard. Hij kwam

ocr page 400

384 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

vrucht daaraan zoeken en vondt er geene. Toen zeide hij tot den wijngaardenier: zie, drie jaren kom ik nu vrucht-zoeken aan 'dezen vijgeboora, en ik vind er geene. Houw hem dus om. Waarom ook beslaat hij den grond? Doch de wijngaardenier antwoordde: Heer! laat hem nog dit jaar staan, totdat ik rondom hem gespit en mest gelegd heb, en hij zal misschien vrucht voortbrengen; zoo niet, dan zult gij hem tegen het volgend jaar omhouwenquot; ').

Deze doorzichtige parabel laat gemakkelijk zien in welken toestand Israël was gedurende de laatste dagen van Christus' prediking. Te vergeefs had hij van dat uitverkoren volk de vruchten van geloof en boete gevraagd. Schriftgeleerden en pharizeën bleven zich verzetten tegen hem en boven de Wet hunne eigene voorschriften stellen.

Het derde Evangelie verhaalt ons uit dezen tijd een voorval dat dienen kan tot bewijs5).

Terwijl Christus in deze dagen door Perea trok, leerde hij op een sabbath-dag in eene synagoog. Eene vrouw die achttien jaren ziek was kwam in de vergadering. Zij was krom gebogen en kon niet meer naar den hemel zien.

Christus zag en riep haar. „Kom! gij zijt verlost van uwe krankheidquot; zeide hij. „Hij legde haar de handen op, en terstond richtte zij zich op en verheerlijkte Godquot;.

De overste der synagoog was verontwaardigd dat Christus deze zieke op een sabbath had genezen en zeide: — Zes dagen zijn er op welke men werken moet; kom dus op die dagen om u te laten genezen, maar niet op den Sabbath.

- „Huichelaars!quot; antwoordde Christus met verontwaardiging , „maakt niet ieder van u op den Sabbath zijnen os of ezel los van de kribbe en leidt hem om te doen drinken ? En deze, die een dochter van Abraham is, welke satan achttien jaren gebonden hield, mocht zij niet van dien band worden losgemaakt op den Sabbath-dag?

Ofschoon bedroefd over de onboetvaardigheid en het onge-

i) Luc. XIII, G —9.

Luc. XIII , 11-17.

ocr page 401

DR GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 385

loof der menigte werkt Christus zonder aarzeling, met onbezweken moed, aan het Rijk Gods voort. Hij weet dat het begin van dat Rijk nietig zal wezen.

— „Het is gelijk aan een korrel mostaardzaadquot;, zeide hij, „welke iemand in zijn hof wierp. Zij wies op, werd een groote boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijne takkenquot;. Hij weet ook dat de kracht van dat Rijk onweerstaanbaar is: „Het is gelijk aan zuurdeeg dat een vrouw met drie maten meel vermengde; al het meel zal gezuurd wordenquot;.

Niemand meer dan Christus was bij zijn leven zoo miskend en veracht; maar niemand bleef kalmer en was meer zeker van zijne overwinning dan hij.

ZESDE HOOFDSTUK.

Laatste aanval op Jerusalem.

Nadat Christus Galilea verlaten had dacht hij slechts aan Jerusalem. Perea, waarheen hij zich meermalen terugtrok , was voor hem slechts eene schuilplaats waar hij beschut was tegen den storm dien hij telkens in de hoofdstad verwekte. Na vele weken wilde hij Jerusalem terugzien en op haar een laatsten aanval beproeven. In kleine dagreizen trok hij dan op , verwijlende in de steden en dorpen die aan den weg lagen'). De H. Lucas alleen geeft eene vingerwijzing naar deze reis, en verhaalt ervan slechts twee gebeurtenissen waarin wij het ernstige en droevige van dezen tijd zien teruggekaatst. Christus ziet, dat hij miskend en verstoeten

1 Luc. XIII, 22 vv.

25

ocr page 402

386 DE ÖROÜTE WOESTELSTRIID BINNEN JERUSALEll.

is. Zijne getrouwen zijn slechts weinigen. Alle gezag, wetenschap en fortuin heeft hem den rug toegekeerd. Zijne klachten kwetsen den nationalen trots van het volk en de meesten beelden zich in, dat heel Israël zou deelen in de glorie van het nieuwe Rijk ').

Zeker iemand maakte zich tot tolk van deze ij dele verwachtingen waartegen Christus voortdurend had gestreden en zeide tot hem; - Meester zijn het weinigen, die zalig

' idy '■ -

worden?2) Op deze vraag wil Christus geen antwoord geven, 't Is niet van belang te weten of weinigen of velen zalig worden, maar wel, zóo te werken dat men zalig wordt

- „Doet uw bestquot;, riep hij, zich wendend tot het volk, „om in te gaan door de enge poort; want ik zeg u, velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.

„Wanneer toch de vader des huisgezins zal ingegaan zijn, en de deur gesloten hebben, zult gij beginnen buiten staande, aan de deur te kloppen, zeggende; Heer, doe ons open! en hij zal antwoorden en tot u zeggen; Ik weet niet van waar gij zijt. Alsdan zult gij zeggen; wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. En hij zal tot u zeggen: ik ken u niet, ik weet niet van waar gij zijt; gaat weg van mij allen gij werkers der ongerechtigheidquot;.

„Aldaar zal geween zijn en knarsing der tanden , wanneer gij Abraham en Isaak en Jacob en al de Profeten in het Rijk Gods zult zien en u buiten geworpen. En er zullen uit het Oosten en Westen en Noorden en Zuiden komen en aanzitten in het Rijk Gods. En ziet, er zijn laatsten, die eersten en eersten die laatsten zullen zijnquot;.

't Is eene levensvraag voor den mensch of hij in het Rijk wordt opgenomen of niet. Men weet wel, dat de poort van dat Rijk eng is en laag. Die poort is het geloof in Christus, den armen, nederigen, onbekenden, lijdenden

!) Sanhedr., fol. 90, 1. l) Luc. XXI f, 23 vv.

ocr page 403

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 387

Messias. Die door de enge poort willen binnengaan moeten zich ontdoen van alles eh bukken willen. De tijdgenooten van Christus hebben het ondervonden. Het grootste getal van hen is verworpen, verworpen voor altijd. In het andere leven is geene bekeering mogelijk. De miskende en verstooten Meester zal op zijn beurt ook hen niet kennen en verstooten.

Men ziet wélk bewustzijn van zich-zelven Christus in zich omdroeg. Hij is de barmhartige meester van den tijd en de onverbiddelijke rechter der eeuwigheid.

Hij is alleen bedroefd over den onwil van zijn volk, maar zijn werk zal toch voleindigd worden en van alle kanten der wereld zullen anderen zijn Rijk binnengaan.

Op diehzelfden dag kwamen pharizeen bij Christus en zeiden hem: Ga weg en vertrek van hier, want Herodes wil u dooden.

Zij wilden hem op deze wijze Perea doen verlaten en naar Jerusalem lokken.

Christus doorzag hun bedrog en zeide:

— „Gaat en zegt aan dien vos: zie, ik drijf duivelen uit en genees de zieken, heden en morgen, en op den derden dag maak ik er een einde aanquot;.

Christus vertrekt wanneer hij wil, op den dag door zijn Vader bepaald en niet vroeger.

Midden in den winter den 20sten December kwam hij op het feest der Tempelwijding binnen Jerusalem terug.

Dit feest dagteekende van den tijd der Machabeën toen onder Judas den Tempel heropend werd en men slechts een klein fleschje vond met olie die door de heidenen, de Grieken , niet ontheiligd was. Deze olie waö slechts voldoende om gedurende éen dag de H. lamp in den Tempel te voeden , maar door een wonder had de lamp daaraan acht dagen genoeg.

Pei gedachtenis aan dit wonder werden acht feestdagen ingesteld en brandde men gedurende acht dagen lichten

ocr page 404

386 DE GROOTE WORSTELSIRLID BINNEN* JERUSALEM.

is. Zijne getrouwen zijn slechts weinigen. Alle gezag, wetenschap en fortuin heeft hem den rug toegekeerd. Zijne klachten kwetsen den nationalen trots van het volk en de meesten beelden zich in, dat heel Israël zou deelen in de glorie van het nieuwe Rijk ').

Zeker iemand maakte zich tot tolk van deze ijdele verwachtingen waartegen Christus voortdurend had gestreden en zeide tot hem: — Meester zijn het weinigen, die zalig worden?2) Op deze vraag wil Christus geen antwoord geven, 't Is niet van belang te weten of weinigen of velen zalig worden, maar wel, zóo te werken dat men zalig wordt

- „Doet uw bestquot;, riep hij, zich wendend tot het volk, „om in te gaan door de enge poort; want ik zeg u, velen zullen zoeken in te gaan en zullen niet kunnen.

„Wanneer toch de vader des huisgezins zal ingegaan zijn, en de deur gesloten hebben, zult gij beginnen buiten staande, aan de deur te kloppen, zeggende: Heer, doe ons open! en hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik weet niet van waar gij zijt. Alsdan zult gij zeggen: wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd. En hij zal tot u zeggen: ik ken u niet, ik weet niet van waar gij zijt; gaat weg van mij allen gij werkers der ongerechtigheidquot;.

„Aldaar zal geween zijn en knarsing der tanden , wanneer gij Abraham en Isaiik en Jacob en al de Profeten in het Rijk Gods zult zien en u buiten geworpen. En er zullen uit het Oosten en Westen en Noorden en Zuiden komen en aanzitten in het Rijk Gods. En ziet, er zijn laatsten, die eersten en eersten die laatsten zullen zijnquot;.

't Is eene levensvraag voor den mensch of hij in het Rijk wordt opgenomen of niet. Men weet wel, dat de poort van dat Rijk eng is en laag. Die poort is het geloof in Christus, den armen, nederigen, onbekenden, lijdenden

!) Sanhedr., fol. 90, 1. i) Luc. XXII, 23 vv.

ocr page 405

DE GROOTE WOESTELSTRMD BINNEN JERUSALEM. 387

Messias. Die door de enge poort willen binnengaan moeten zich ontdoen van alles eh bukken willen. De tijdgenooten van Christus hebben het ondervonden. Het grootste getal van hen is verworpen, verworpen voor altijd. In het andere leven is geene bekeering mogelijk. De miskende en verstoeten Meester zal op zijn beurt ook hen niet kennen en verstooten.

Men ziet welk bewustzijn van zich-zelvën Christus in zich omdroeg. Hij is de barmhartige meester van den tijd en de onverbiddelijke rechter der eeuwigheid.

Hij is alleen bedroefd over den onwil van zijn volk, maar zijn werk zal toch voleindigd worden en van alle kanten der wereld zullen anderen zijn Rijk binnengaan.

Op diehzelfden dag kwamen pharizeën bij Christus en zeiden hem: Ga weg en vertrek van hier, want Herodes wil u dooden.

Zij wilden hem op deze wijze Perea doen verlaten en naar Jerusalem lokken.

Christus doorzag hun bedrog en zeide:

— „Gaat en zegt aan dien vos: zie, ik drijf duivelen uit en genees de zieken, heden en morgen, en op den derden dag maak ik er een einde aanquot;.

Christus vertrekt wanneer hij wil, op den dag door zijn Vader bepaald en niet vroeger.

Midden in den winter den 20sten December kwam hij op het feest der Tempelwijding binnen Jerusalem terug.

Dit feest dagteekende van den tijd der Machabeën toen onder Judas den Tempel heropend werd en men slechts een klein fleschje vond met olie die door de heidenen, de Grieken , niet ontheiligd was. Deze olie wafe slechts voldoende om gedurende éen dag de H. lamp in den Tempel te voeden , maar door een wonder had de lamp daaraan acht dagen genoeg.

Ter gedachtenis aan dit wonder werden acht feestdagen ingesteld en brandde men gedurende acht dagen lichten

ocr page 406

388 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

voor de deuren van alle huizen. Het feest werd daarom ook het feest van de „Lichtenquot; genoemd ').

Slechts korten tijd bleef hij te Jerusalem, dat onder den indruk was van zijn machtig woord en werk. Men wist dat de tijd voor den Messias was aangebroken, die naar veler overtuiging het aardsche Rijk -van Israël moest herstellen, en velen betreurden het, dat Christus, die op het volk zooveel macht had, de zaak van Israël niet in handen nam. Was hij die Messias, — waarom verklaarde hij zich niet? was hij het niet, — waarom dan langer het volk misleid.

Het volgende voorval, door het vierde Evangelie opge-teekend, openbaart ons deze stemming volkomen.

Volgens gewoonte was Christus naar den Tempel gegaan en wandelde hij onder de galerij van Salomon. Zoodra de Israëlieten hem herkenden trokken zij hem in een kring en zeiden: - Hoelang nog houdt gij ons gemoed in twijfel ? Indien gij de Christus zijt, zeg het ons dan vrijuit

Deze geweldige uitdaging bewijst dat de Judeërs noch het vooral geestelijk karakter van Christus' werk noch de godheid van zijn persoon hebben aangenomen of begrepen; zij zoeken niet verlicht te worden, maar dagen hem uit ronduit te verklaren, of hij de Messias is zooals zij dien begrijpen, of niet. 't Is altijd dezelfde strijd, die eenmaal voor het eerst in Galilea uitbrakquot;): de strijd over den aard van den Messias; of de Messias aan Christus gelijk zal wezen, of zoodanig als hij door de joden werd gedroomd en verlangd. De Galileërs waren ten minste oprecht, toen zij Christus wilden wegvoeren en Koning maken; de Judeërs wellicht valsch. Zij vragen eene openbare verklaring, met het doel om daarvan tegen Christus gebruik te maken

') Schabbat, fol. 21; Chemie,, III.

1) Zie hierboven Derde Boek, Negende Hoofdstuk. Het keerpunt van Chris, tus' arbeid in Galilea.

ocr page 407

DE GBOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 389

en hem voor de Romeinen aan te klagen. Welk begrip vormden zij zich dan van dezen geheimzinnigen persoon? Men heeft het reeds gezien, — en de oorkonden van dien tijd laten ons op dat punt geen twijfel over — de felste partij der pharizeën verwachtte, dat hij een krijgsman, een veroveraar, een gewapend bevrijder zou zijn die aan het volk de vrijheid en de glorievolle oppermacht over de gansche wereld zou geven. De meer godsdienstigen 7 die in het volbrengen der voorschriften van de wet de hoogste heiligheid zochten , hoopten, dat hij alle heidenen zou maken tot onderdanen en nalevers dier zelfde wet. De sadduceën , niet wars van het vreemde juk, onverschillig van aard en twijfelaars van huis uit, bekommerden zich over de toekomst niet veel, maar verlangden voor alles rustig te kunnen leven, genieten en heerschen. Hunne partijgenooten dwingen Christus niet om zich voor den Messias te verklaren ,— dat doen de pharizeën. Men ziet ook hoe dubbelzinnig deze verklaring kon worden opgevat. De beteekenis, door Christus daaraan gegeven , was onmiddelijk en volkomen in strijd met die, welke zijne tegenstanders er aan gaven. Bij Christus is aan het begrip van den Messias niets staatkundigs, niets kleins, niets aardsch verbonden.

De Messias, de Zoon Gods, is God-zelf in den mensch; maar in den mensch, ontdaan van alle aardsche glorie, die alle geruchtmakende openbaringen vermijdt en de teekenen van den hemel weigert te doen, die door de leeraars op trouwelooze wijze zonder ophouden werden geëischt; hij is de Zoon van den verborgen God, Die Zich slechts aan de nederigen openbaart, met dezen het ware Rijk Gods sticht, waarvan het rijk van David slechts eene afbeelding-was , en in Zich alle verstrooide zonen van Israël niet alleen, maar alle zonen van het gansche menschengeslacht vereenigt, terwijl Hij hen met de waarheid spijst en in het licht van Zijn woord ten eeuwigen leven leidt.

Het antwoord van den Meester was zooals men het van zijne wijsheid moest verwachten. Wat kon hij voegen

.

ocr page 408

390 DE GROOTE WORSTELSTBJJD BINKEN JERUSALEM.

]■ Ml$Vr .uagisDt IJ iiamp;fi dsnidmoH OÏ; 100* mdd QÖ bij de plechtige getuigenissen met zooveel aandrang reeds op het Loofhuttenfeest afgelegd? '), Had hij niet met on-, weerstaanbare klaarheid de goddelijkheid yan zijne natuur, van zijn oorsprong en zijner zending verkondigd? Had hij zijn groot werk ter zaliging niet met scherpe lijnen afge-teekend? Indien hij met opzet en zorg voor de menigte, het woord Messias niet gebruikt, — 't is niet omdat hij dien titel weigert, maar omdat hij beducht was voor eene uitdrukking waarvan de beteekenis door vooroordeelen was ontaard. Neen , hij is de Messias niet dien de godsdienstige inbeelding van het volk zich droomt, hij is de Messias die door den Vader gezonden wordt.

— „Ik zeg het uquot;, antwoordde hij, „en gij gelooft nietquot;.

Nogmaals beproeft hij hen te ontrukken aan hunne dwaze

inbeeldingen, maar te vergeefs. Zijne wonderen zelfs vermogen niets. Met droefheid verwijt hij hun hunne halsstarrigheid.

— „De werken die ik doe in den naam mijns Vaders, deze geven van mij getuigenis. Waarom gelooft gij dan niet?quot;. .. :„ ...,v . ,

Nogmaals zegt hij hun de geheime reden van hunne ongeloovigheid. Zij is overal en altijd dezelfde omdat zij wortelt in de zelfzucht van 's menschen wil en geest.

Niets overtuigt den mensch, die zijne eigene godsdienstige ideeën voor onfeilbaar en zijne wijsbegeerte voor onaantastbaar houdt. Feiten, bewijsvoeringen, wonderen stootenzich den kop stuk op zijne eigenliefde die zijnen wil verlamt. Zijne eigenliefde alleen oordeelt en veroordeelt alles. Die den Christus wil kennen en begrijpen, moet zijne eigenliefde opofferen, zich bekeeren en zijne ziel ontvankelijk maken voor de aantrekkingskracht van den Vader.

Die dit doen noemt hij zijne schapen.

— „Gij zijt niet van mijne schapenquot;, zegt hij tot hen.

') Zie hier boven. Tweede Boek, Zevende Hoofdstuk en Vierde Boek, Tweede Hoofdstuk.

ocr page 409

DE GRÓOTÉ WORöïELSTEUD BINNEN JERUSALEM. 391

„Daarom gelooft gij niet. Mijne schapen luisteren naar mijne stem, èn ik ken ze en zij volgen mijquot;. En in een woord het geheele goddelijk werk'van den Messias te zamen vattend, voegt hij er bij: „ik geef hun het eeuwige levenquot;.

In een nieuweren vorm, met andere woorden, verklaart hij hier dat hij God is; want 't is den mensch niet gegeven het eeuwige leven te beloven en te geven. Deze verklaringen moeten door den historieschrijver of als het geraaskal van een waanzinnige of als het woord van God zei ven worden aangenomen.

Christus is zich volkomen bewust van zijne macht, en spreekt' daarom met kalmte op de meest besliste wijze over de hoogste dingen.

, .Vil'

— „Zij aan wie ik het eeuwige leven geef,quot; zegt hij, „zullen niet verloren gaan. Niemand zal hen uit mijne hand wegrooven. Mijn Vader die hen aan mij gegeven heeft is grooter dan allen, en niemand kan hen uit de hand mijns Vaders wegvoerenquot;.

Ter bemoediging zijner leerlingen getuigt hij dezelfde macht als zijn Vader te hebben en spreekt hij ten slotte dat verhevene woord uit, waarin alle openbaringen over hem-zelven zijn opgesloten, en verklaart hij zonder omwegen:

— „Ik en de Vader zijn éenquot;.

Ziedaar het hoogste idee van den Messias die van éen natuur is met den Vader. Van 's monschen lippen is nooit ontzettender en ondoorgrondelijker woord voortgekomen. Indien de Israëlieten den waren zin der Schriften bewaard en niet in staatkundige en godsdienstige dwalingen verloren hadden; indien zij zich hadden laten voorlichten door Christus en door de kracht zijner wonderen overtuigen — zij hadden nu zijne godheid erkend en geloofd dat hij de waarachtige Messias was.

Nu nemen zij steenen om op hem te werpen.

Onbevreesd voor dergelijke bedreigingen ontloopt hij hen niet, maar doet door zijne onverstoorbare kalmte de steenen uit hunne handen vallen.

ocr page 410

392 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

— „Hoe?quot; zeide hij tot hen, „door de kracht mijns Vaders heb ik u vele voortreffelijke werken laten zien: om welk dezer werken steenigt gij mij ?quot;

— „Wij steenigen u nietquot;, antwoordden de joden, „om eenig voortreffelijk werk, maar wegens godslastering, omdat gij, die een mensch zijt, u-zelven tot God maaktquot;.

Die dweepers bedrogen zich. Niet een mensch maakte zich tot God, maar God openbaarde zich persoonlijk in den mensch Jesus.

De Godheid van den Messias, die door de Profeten was geleerd, wordt in hunne oogen een godslastering. Maar hadden zij ook in beginsel de godheid van den Messias aangenomen , zij waren zoodanig tegen den persoon van Christus ingenomen, dat zij hem toch als een valschen profeet zouden gesteenigd hebben wanneer hij zich voor den Messias had verklaard.

Maar Christus wijkt niet.

Hij zal zijne vijanden verslaan met het wapen dat voor hen alleen van kracht is, met de Schrift.

— „Staat er niet in uwe wet geschreven: Ik heb gezegd : gij zijt goden? Indien zij diegenen goden noemde, tot wie het woord Gods gesproken is — en de Schrift kan niet te niet gedaan worden — hoe zegt gij dan van mij, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God, omdat ik gezegd heb; Ik ben de Zoon van God?quot;

Hij beroept zich op de stoute uitdrukking waarvan God-zelf in de Schrift zich bedient om zijne vertegenwoordigers onder de menschen aan te duiden. Voor Israël is God een persoonlijk en levend Wezen, die met woord en daad onophoudelijk tot het volk spreekt. Zij tot wie hij spreekt ontvangen daardoor een goddelijk karakter: koningen, rechters en profeten worden organen van God en in zekeren zin aan hem gelijk gemaakt. Indien dus zij om deze gedeeltelijke vereeniging met recht goden worden genoemd, hoe kan dan hij die door den Vader geheiligd en in de wereld gezonden is met de volheid van zijnen Geest, van

ocr page 411

DE GROOTE WOHSTELS1RIJD BINNEN JERUSALEJI. 393

godslastering beschuldigd worden, omdat hij zich voor den Zoon Gods heeft verklaard?

Op deze bewijsvoering was geen wederwoord mogelijk.

Sommigen hebben gemeend dat Christus met dit antwoord de beteekenis zijner verklaring wilde verkleinen, maar zij dwalen. Door dit antwoord wordt veeleer de verklaring bevestigd ; ofschoon het toch zonder twijfel vóór alles in de bedoeling van den Meester lag met dit antwoord de beschuldiging van godslastering van zich af te wenden en aan zijne tegenstrevers door hunne Wet zelve het bewijs te leveren, dat hij onaantastbaar was.

Nog eene laatste poging waagt hij om hen te doen erkennen , dat hij één met den Vader en daarom de Messias was.

— „Ziet naar mijn werk. Indien ik niet de werken mijns Vaders doe, gelooft mij dan niet; maar indien ik ze doe gelooft dan aan deze werken en erkent dat de Vader in mij is en ik in den Vaderquot;.

Zij wilden zien noch hooren, trokken af en spanden samen om hem voor het Sanhedrin te brengen. Maar Christus verliet. door zijne leerlingen gevolgd, den Tempel en de stad, en ging langs den weg van Jericho naar gene zijde van den Jordaan.

Op weg zag hij nog eens naar Jerusalem met diep bedroefde ziel. Een klacht, een smarl.kreet kwam van zijne lippen:

— „Jerusalem, Jerusalem, gij die de Profeten doodt en steenigt die tot u gezonden worden! hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen vergaderen, gelijk een vogel zijn nest onder zijne vleugelen, en gij hebt niet gewild1)!

„Ziet, uw huis zal verwoest worden. Ik zeg u: gij zult mij niet zien, totdat de tijd komt, waarop gij zeggen zult: Gezegend hij, die komt in den naam des Heerenquot;!

Het was inderdaad de laatste maal dat hij binnen Jerusa-

') Lucas XIII, 34 - 35.

ocr page 412

394 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

1 .V. ; .

lems muren en Tempel verscheen. Hij komt daar niet meer terug dan om te sterven.

De uitverkorene maar ondankbare stad zal eenmaal de vreeselijke wraak van eene miskende liefde gevoelen.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Christus' laatste afzondering aan gene zijde van den Jordaan.

Christus ging naar Beth' Abara waar Joannes twee jaren te voren was begonnen te doopen. De naam van den Profeet leefde nog onder het volk en men herinnerde zich dat hij gesproken had van het Rijk Gods, van de komt des Messias en van den Messias-zelven. Het volk luisterde naar Christus en was getroffen over de waarheid der voorspellingen en van het getuigenis van Joannes. Christus won daar vele volgelingen en oogste wat Joannes had gezaaid. Nu hij zijn loopbaan gaat voleinden wilde hij gaarne nog eens daar verwijlen waar hij dien begonnen had.

Ofschoon Christus door zijn eigen volk was miskend en uitgeworpen is hij niet ter neergeslagen, noch geeft hij aan zijne droefheid door verwenschingen lucht; maai zijn medelijden met de zwakken en eenvoudigen wordt grooter, terwijl hij zonder dralen zijn werk vervolgt.

Ook de pharizeën gaan voort met hem strikken te spannen en noodigen hem ter tafel om hem meer van nabij ie bespieden. Eén van deze maaltijden wordt door den H. Lucas uitvoerig verhaald.

Een der partijhoofden had met opzet hem op een Sabbath ter tafel genoodigd, en terwijl Christus aan tafel lag werd

ocr page 413

DÉ GKOOTE WOHHTELöTBIJD BINNEN , JERUSALEM. 395

er plotseling een zieke, een waterzuchtige vóór hem gebracht. Christus die hun opzet kende en doorzag stelde oogen-blikkelijk de vraag: Is het geoorloofd op den Sabbath te genezen') ?

De leeraars zwegen, maar hij nam de zieke bij de hand, genas hem en liet hem gaan. Daarop vroeg hij:

— „Indien uw ezel of os in een put valt wie van u trekt hem niet terstond daaruit, zelfs op den sabbath?quot;

Daar waren vele genoodigden en Christus zag hoe zij de eerste plaatsen uitkozen; daarom zeide hij :

— „Als gij ter bruiloft zijt genoodigd, ga dan niet aanzitten op de eerste plaats; er mocht misschien een aanzienlijker dan gij genoodigd zijn, en degene, die u en hem genoodigd heeft, gekomen zijnde, konde u zeggen; maakt plaats voor dezen, en gij zoudt met schaamte de laagste plaats moeten innemen.

„Neen, wanneer gij genoodigd zijt, ga, zet u op de laagste plaats, opdat hij, die u genoodigd heeft, gekomen zijnde, tot u zegge: Vriend! ga hooger op. Dan zal u eer geworden in tegenwoordigheid van hen die mede aanzitten. Want al wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven wordenquot;.

Zonder nederigheid kan men het Rijk Gods niet binnengaan.

Hij-zelf geeft van die nederigheid het sprekende voorbeeld en velen zullen dat voorbeeld volgen. Hier aan denkend zeide hij:

— „Wanneer gij een middag- of avondmaal aanricht, noodig niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch bloedverwanten , noch rijke geburen, opdat zij wellicht ook u wederom noodigen en u vergelding geschiede. Maar als gij een gastmaal aanricht, noodig armen, zieken, kreupelen en blinden.

„En zalig zult gij zijn, omdat zij niet hebben om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de verrijzenis der rechtvaardigenquot;.

') Lucas XIV, 3 vv.

ocr page 414

396 DK GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALBlf.

Eén der tafelgenooten riep uit: Zalig hij die brood zal eten in het Rijk Gods.

Zij dachten er niet aan dat het Rijk Gods onder hen was en het gastmaal van den Messias reeds was aangericht. Daarom trachtte Christus hunne oogen te openen met eene nieuwe parabel.

- „Zeker mensch richtte een groot avondmaal aan en noodigde velen. En hij zond zijnen dienstknecht ter ure des avondmaals om aan de genoodigden te zeggen, dat zij komen zouden, want dat reeds alles gereed was. En zij begonnen gelijkelijk allen zich te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem; ik heb eene landhoeve gekocht, en moet noodzakelijk uitgaan en haar bezichtigen, ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. Ik heb zeide de tweede, vijf koppel ossen gekocht en ga ze beproeven, ik bid u, houd mij voor verontschuldigd. En ik, zeide een ander, heb eene vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.

„De dienstknecht berichtte dit aan zijnen heer.

„Toen werd de vader des huisgezins vergramd en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga spoedig uit naar de pleinen en straten der stad en breng de armen en zieken en blinden en kreupelen hier binnen. - Meester, zeide de dienstknecht, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats. Ga uit, hernam de heer, naar de wegen en heggen en dwing hen binnen te gaan, opdat mijn huis vol worde; want, ik zeg u, geen dier mannen , die genoodigd waren zal mijn avondmaal proevenquot;.

In geen doorzichtiger parabel kon Christus den toestand laten zien waarin het Rijk Gods in die dagen verkeerde. Ook komt hier ten duidelijkste die eigenaardige eigenschapvan het Rijk Gods uit, dat het bijzonder voor de ongeluk-kigen en misdeelden dezer aarde is bestemd.

Terwijl wij niet weten welken indruk deze parabel op de pharizeën maakte, zien wij ook hier dat het volk hem zocht en volgde, maar hij verbergt voor hen niet, dat zij niet dan ten koste van een duren prijs het Rijk Gods

ocr page 415

DE GHOOTE WORSTELSTRMD BINNEN JERUSALEM. 397

zullen binnengaan. Vader, moeder, echtgenoot, kinderen, broeders en zusters zullen zich verzetten tegen hen. „Men moet, zeide hij, hen verstoeten om mij te volgen. Men moec zelfs zijn leven haten, zijn kruis opnemen en mij volgenquot;.

Ook maakte hij hun duidelijk in verschillende parabels'), dat zij sterk moeten wezen om het Rijk Gods te bemachtigen, en die sterkte in de verloochening van zich-zelven te vinden was.

Door deze strenge waarheden werden de zondaren en tollenaars niet van hem vervreemd, zoodat zijne vijanden zeiden : — Zie hoe hij de zondaren ontvangt en met hen eet2).

Om zich te rechtvaardigen gebruikt Christus de meest treffende parabels, en spreekt hij over de vreugde bij het vinden van een verloren schaap en drachmen, 't Is eene van Christus' meest eigenaardige karaktertrekken dat hij medelijden met den zondaar heeft.

In deze dagen ook gebruikte hij voor hetzelfde doel de beroemde parabel van den verloren zoon , die zijn erfdeel met slechte vrouwen verkwist, door armoede tot inkeer komt, tot zijn vader terugkeert en door dezen met liefde en vreugde wordt ontvangen, terwijl zijn oudere broeder daarover toornt en vol is van nijd.

De pharizeën konden hun beeltenis in den oudsten zoon gemakkelijk herkennen.

De zondaars en tollenaars van alle landen en alle tijden kunnen hunne geschiedenis lezen in die van den verloren zoon.

Maar boven alles komt hier Gods grenzenlooze barmhartigheid uit.

Wat Christus in deze dagen tot zijn volgelingen spreekt en alleen door het derde Evangelie is opgeteekend laat ons meer en meer doordringen in Christus' ziel en leer . en

!) Lucas XIV, 2ü-3r.: Maltli. V, 13; Marc. IX, 49. ') Luc. XV, I.

ocr page 416

398 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

doet ons met juistheid den toestand kennen waarin hij tijdens zijn verblijf te Perea verkeerde.

De Meester is even als in Galilea omringd van de lagere volksklasse. De oversten der synagogen en de pharizeën hebben ook hier eene vijandige houding aangenomen, maar dreigen hem niet. Christus vergeet hen bijna geheel en al om alleen tot het volk en de tollenaars te spreken.

Deze laatste vermaant hij het onrechtvaardig verkregen geld goed te besteden en schroomt niet hun het voorbeeld der boozen voor oogen te stellen ').

De parabel van den onrechtvaardigen rentmeester, die den schuldenaars van zijnen heer gelast hunne schuldbrieven te verkleinen om later, wanneer hij van zijn rentmeesterschap zal ontslagen wezen, door hem in genade te worden opgenomen, wordt voor dat doel gebruikt.

— „Het geld wat gij hebtquot;, voegde hij er bij, het geld dat aan God behoort aleer het uw geld is, en dat gij op onrechtvaardige wijze als het uwe beschouwt, zonder te bedenken dat gij de rentmeesters zijt van God, „moet gij gebruiken om u vrienden te maken die u, wanneer gij het niet meer bezitten zult, in de eeuwige woningen ontvangenquot;.

Die in den geest van Christus' leer zijn doorgedrongen zullen deze woorden gemakkelijk begrijpen; hij zeide dikwijls: Hetgeen gij aan den minste der armen hebt gedaan. hebt gij aan mij gedaan. Daarom zal de rijke, die door zijne milddadigheid jegens de armen hen tot zijne vrienden op aarde heeft gemaakt, Jesus-zelven en de engelen in den hemel tot vrienden hebben. Wanneer de Vader hem bij den dood zijn geld en goed zal ontnemen, zal hij in de eeuwige woontenten ontvangen worden door Hem die rechtens de meester van alles is.

Men bespeurt hier ook welk begrip van eigendom Christus zijne volgelingen inprent; hij ontkent het recht van eigen-

i) Luc. XVI, i.

ocr page 417

DE SROOXE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 3amp;9

dom niet, zooals sommigen hebben beweerd, maar verklaart tevens dat de mensch alleen een tijdelijke zaakwaarnemer is. God is en blijft de ware eigenaar van alles.

— „Voert dus met getrouwheid het beheer over het geld en goed, zeide hij, want die getrouw is in het geringe is ook in het grootere getrouw. En zoo gij niet getrouw zijt geweest in het beheer van geld en goed, wie zal u de ware rijkdommen toevertrouwen? En indien gij in eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?quot;

Het geld en goed dezer wereld heeft voor Christus alleen waarde in zooverre daarmede de hemel wordt gekocht.

Overigens tracht hij zijne leerlingen te onthechten aan het goed dezer wereld. Wij moeten den „Mammonquot; niet dienen maar God; want die den „Mammonquot; dient kan God niet dienen.

Dat alles was vooral tot de pharizeën gezegd, wier hebzucht spreekwoordelijk was '); maar zij trokken daarom den neus voor hem op.

„Gaat heenquot;, zeide Christus nu, „gij, die u-zelven rechtvaardigt voor de menschen. God kent uwe harten; want wat groot is voor de menschen is een gruwel voor Godquot;. Daarop strafte hij, met een gezag dat door de schijnbare zwakheid ervan nog grooter werd, hunne onbeschaamdheid af, door hen te zeggen dat hun rijk ten einde was.

— „De Wet en de Profeten, waarop gij uwen voorrang en geestelijke dwingelandij hebt gebouwd, houden bij Joannes op. Van Joannes af is het Rijk Gods begonnen, dat open staat voor allenquot;. En hij wees hen op het volk dat hem omringde en volgde.

Men begrijpt gemakkelijk, hoe deze leer over het Rijk Gods dat op de Wet en de Profeten volgde voor de pharizeën eene ergernis was. Daarom beschuldigden zij hem, dat hij de Wet en de Profeten omver wierp. Maar Christus verd.edigde zich op glansvolle wijze en verkondigde juist de eeuwigheid

') Luc. XVI, 14.

ocr page 418

400 DE GROOTK WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

en onveranderlijkheid der Wet. — „Hemel en aarde zullen eerder voorbijgaan . dan dat één stip der Wet vervaltquot;.

Christus is gekomen om de Wet te volmaken en tot bewijs daarvan haalt hij de echtscheiding aan, die door Mozes toegelaten en door hen misbruikt, door Christus in zijn Rijk veroordeeld wordt.

— „Al wie zijne vrouw verstootquot;, zegt hij, „en eene andere trouwt, doet insgelijks overspelquot;.

Het huwelijk tusschen éen man en éene vrouw is van goddelijken oorsprong, maar de veelwijverij is niet anders dan eene afdwaling van het oorspronkelijke plan. 't Is Christus' taak alles te hervormen.

— „Maar waarom danquot;, zeiden zij, heeft Mozes geboden l) „eenen scheldbrief aan de vrouw te geven en haar te verlaten?quot;

— „Mozesquot;, sprak Christus, „heeft om de hardheid uwer harten u veroorloofd uwe vrouwen te verlaten, maar van den beginne was het zoo nietquot;. En sprekend als opperste wetgever voegde hij erbij; „wie zijne vrouw verlaat, tenzij om overspel, en eene andere huwt, doet overspelquot;.

Scheiding is geoorloofd; de onwaardige vrouw kan uit het huis worden gebannen; maar de band tusschen de echt-genooten blijft; zij zijn met een onverbreekbaren band aan elkander verbonden.

Deze heilige leer van het huwelijk strekt tot glorie der nieuwe maatschappij waarvan de teederste en kuischte wetgever de stichter is. Zij schrikt onze ellende en zwakheid af. Indien het zoo gesteld is met den man en de vrouw, riepen de leerlingen uit, dan is het niet oorbaar te trouwen. Eene goddelijke gave heeft de vleeschelijke mensch noodig om die wet te onderhouden.

— „Niet allen begrijpen dit woordquot; antwoorde Christus, „maar dien het gegeven isquot;. En met wonderbare kracht voegde hij erbij; „er zijn onhuwbaren, die van het lichaam

') Matth. XIX, 3 en parall.

ocr page 419

tgt;E afeOOTE WORSTELSïBIJD BINNEN JÉRrSALEM. 401

hunner moeder zoo geboren zijn; er zijn onhuwbaren, die van de menschen in dien staat gebracht zijn; en er zijn onhuwbaren, die zich zelven alzoo gemaakt hebben om het rijk der hemelenquot;.

„Wie het begrijpen kan, begrijpe hetquot;.

Christus veroordeelt het huwelijk niet, maar geeft aan het Celibaat en de maagdelijkheid de voorkeur wanneer de mensch ze om het Eijk der hemelen kiest.

Van alle wetgevers is Christus de eenige die aan het kwaad ter wille van 's menschen zwakheid geen offer brengt; want hij is ook de eenige die kracht geeft om die zwakheid te overwinnen. Van hem komt de moed om te zeggen: Ik kan alles in Hem die mij versterkt').

Maar door niets kon de weerstand van deze dweepzieke leeraars verwonnen worden. Zij zijn zich-zelven genoeg en verachten wat zij niet begrijpen.

Die hardnekkigheid, die zelfzucht, die onbeschaamde trots, waarop noch de zwakheid der kleinen, noch deugd, noch waarheid iets vermogen, gaven Christus een dier doorzichtige parabels in den mond, waarin de schuldigen zich kunnen herkennen en de zich wrekende rechtvaardigheid Gods daghelder te voorschijn komta).

't Is de parabel van den rijken vrek en den armen Lazarus.

Het ongeloof der sadduceën kan niet verontschuldigd worden. De Profeten en de Wet pleiten tegen hen. Er ontbreken geen getuigen. Het ongeloof zetelt meer in het hart dan in den geest. Al stond er iemand uit de dooden op, zij zouden niet gelooven. Christus zelf zal eenmaal uit de dooden opstaan; men zal verwonderd staan en verstijven van schrik, maar daarna zal men bedillen en vitten om ten laatste alles te ontkennen. De Verrezene die den dood zal overwonnen hebben, zal niet overwinnaar zijn van hen die door zijn sterfelijk leven onovertuigd zijn gebleven.

') Pliilipp. IV, 13. ») Luc. XIV, 19 vv.

26

ocr page 420

102 DE GROOÏK VVORSTKLSTlil.tD lilNquot;NKN .IF.UL'SAI.KM.

üc leerlingen , voortdurend getuigen van den toenemenden strijd huns Meesters tegen alles wat groot en machtig was onder het volk, moeten nu en dan in hunne overtuigingen zijn .geschokt. Christus bemoedigt hen daarom van tijd tot tijd door hen te herinneren dat zijn werk, een werk van scheiding is en strijd.

- „Het is onmogelijkquot;, zegt hij, „dat er geen ergernissen komen1); doch wee hem door wien ze komen. Het is voor hem beter dat een molensteen om zijnen hals gelegd en hij in de zee geworpen worde, dan dat hij éen van deze kleinen ergerequot;.

Die den zwakke en kleine belet tot God te gaan doet het werk van den Antichrist.

- „Geeft acht op u-zei venquot;, liet hij er op volgen om zijne leerlingen te waarschuwen voor hen die beproefden hen af te trekken van hem.

Door aanhoudenden strijd en voortdurende vijandige gezindheid worden dikwijls de besten verbitterd en onmeödoogend gemaakt, maar Christus blijft zachtzinnig en vol barmhartigheid. Zich-zelven geeft hij zijnen leerlingen ten voorbeeld.-„Indien uw broeder tegen u zondigt, bestraf hem; en indien het hem berouwt vergeef hem. En indien hij zevenmaal daags tegen u zondigt, en zevenmaal tot u wederkeert, zeggende: het berouwt mij, vergeef hem.

De apostelen waren overtuigd, dat al hunne wijsheid en kracht in Christus was gelegen; en in verrukking over hetgeen zij hoorden riepen zij uit; — „Heer vermeerder ons geloofquot;; en hij antwoordde om hun de kracht des geloofs te openbaren: „indien gij geloof zult hebben als eene korrel mostaardzaad, zult gij tot dezen moerbeziënboom zeggen: ontwortel u en plant u over in de zee! en hij zal u gehoorzamen'7.

Door het geloof deelt de mensch in de macht van God

') Luc. XIV, 1 vv.

ocr page 421

DK OROIVÜË WOBStKLSTRMD BtNJÜtóN -1 EltÜ.SAI.KM, 4Ó3

en brengt hij in do zedelijke wereld wonderen voort die de wonderen der physieke wereld verre overtreffen.

Uit vrees dat zijne leerlingen door deze macht hoovaardig zullen worden, vermaant hij hen zachtzinnig en nederig te blijven. — „Wie van u heeft eenen dienstknecht die ploegt of het vee hoedt, en zal, als deze van het veld is teruggekeerd, tot hem zeggen: kom terstond en zit aan! en zal niet tot hem zeggen: maak mijn avondmaal gereed, en omgord u en bedien mij totdat ik gegeten en gedronken heb. en daarna zult gij eten en drinken?

„Dankt hij wel den dienstknecht, nadat hij gedaan heeft, wat hij hem bevolen had? Ik denk het niet. Zoo ook gij, wanneer gij alles gedaan hebt, wat u bevolen is, zegt dan: wij zijn onnutte dienstknechten, wij hebben gedaan wat wij schuldig waren te doenquot;.

In Christus school moet alle eigenliefde en eigenbelang vergeten worden, hoe groot 's menschen verdiensten ook mogen wezen; voor God blijft de mensch klein en aan den geringsten dienstknecht gelijk.

ACHTSTE HOOFDSTUK

De opwekking van Lazarus.

Een feit van groote beteekenis, waardoor het einde van Christus' leven werd verhaast, maakte een einde aan zijn verblijf in Perea.

Het huis te Bethanië, waar hij op zijne reizen naar Jerusalem altijd met zooveel liefde werd opgenomen eu verzorgd , was in droefheid gedompeld. Lazarus was ziek').

') Joés, XI , 1 TV.

ocr page 422

404 T)E GROOTR \VOR3TRLSTllUD BINNEN TERUSALfiM.

Martha en Maria, zijne zusters, lieten aan Christus de boodschap brengen: Heer, zie, dien gij liefhebt is krank.

Met fijngevoelige bescheidenheid vermijden deze vertrouw-volle zusters zelfs hun verlangen te openbaren. Konden zij overigens ook onbekend zijn met de gevaren die den Meester in Judea bedreigden?

Bij het hooren van deze tijding stelde Christus de boodschappers en zijne leerlingen gerust.

-„Deze krankheidquot;, zeide hij, „is niet ter dood, maar voor de eer van God, opdat de Zoon van God daardoor verheerlijkt wordequot;. Waaraan dacht hij in zijne teedere liefde voor zijne uitverkorene vrienden? — want hij had Martha en hare zuster Maria en Lazarus lief, zegt het Evangelie met grooten eenvoud. De volgende geheimvolle woorden laten het eenigszins raden.

Toch bleef hij nog twee dagen op de plaats waar hij was en na deze dagen zeide hij tot zijne leerlingen; „Laat ons wederom naar .Tudea gaanquot;. Bij dat woord van Judea riepen de leerlingen uit; „Meester, onlangs zochten de joden u te steenigen, en gaat gij wederom derwaarts? Op dezen uitroep van angst en kleinzielige genegenheid geeft Christus een antwoord waarin heel zijn zielskracht en zi n volle vertrouwen in zijn Vader weerklinkt;

— „Zijn er niet twaalf uren in den dag? Zoo iemand bij dag wandelt, stoot hij zich niet, omdat hij het licht dei-wereld ziet; maar wandelt hij bij nacht, hij stoot zich, omdat het licht niet bij hem isquot;. Christus vergelijkt zijn naderend lijden met den nacht; hij noemt het „het uur van de macht der duisternissen' . In dien tijd zal de Vader hem zonder bescherming aan zijne vijanden overleveren, maar vóór dien tijd beschermt Hij hem, ia Hij zijn licht en zijne kracht. Geen gevaar zal hem verhinderen zijn taak te volbrengen. Deze tijd zijn voor hem de twaalf uren van den dag. Hij weet dat het einde van dien tijd nog niet daar is en hij is volkomen gerust.

Een weinig later zeide hij tot zijne leerlingen:

ocr page 423

DE GROOÏE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 405

— „Lazarus, onze vriend, slaapt, maar ik ga hem uit den slaap opwekkenquot;. In hunne vrees voor de reis zeiden zijne leerlingen; — „Heer, indien hij slaapt, zal hij gezond wordenquot;.

ïoen zeide Christus vlakweg: „Lazarus is dood; en om uwentwil, opdar gij gelooven moogt, ben ik blijde dat ik daar niet was. Doch laat ons tot hem gaanquot;.

Dit onverschrokken woord ontvlamde den moed van een hunner. — „Laat ook ons gaan, zeide Thomas, om met hem te stervenquot;.

Voor den historieschrijver, die niet terugschrikt voor het wonder, aan den tekst geen geweld pleegt en den aard van het verhaal niet vervalscht, is het duidelijk, dat Christus van de verte uit en door goddelijke voorlichting den dood van Lazarus kende. Hij moest gestorven zijn op den dag zeiven waarop de boden van Martha en Maria vertrokken waren. Bethanië ligt zeven of acht uren van Beth' Abara aan gene zijde van den Jordaan. Naar joodsch gebruik werd Lazarus denzelfden dag gebalsemd, in zwachtels gewikkeld en begraven. Nu Christus twee dagen gewacht had voordat hij optrok, kon hij niet eerder dan den vierden dag daar zijn; 't was ook de vierde dag van Lazarus' begrafenis.

Christus heeft alleen gewacht om aan den wil van zijn hemelschen Vader te voldoen. Hij vertrekt wanneer God, zijn Vader, het wil.

Toen Christus op de hoogte van Bethanië was gekomen, boodschapte men hem dat Lazarus voor vier dagen begraven was. 't Was het midden van den rouwtijd. Vele joden uit Jerusalem, tot wier getal enkelen behoorden die Christus vijandig waren, waren gekomen om Martha en Maria te troosten. Zoodra had men niet Martha bericht, dat de Meester naderde of zij gaat in weerwil harer droefheid hem tegemoet, terwijl Maria in huis achterbleef.

Zoodra zij Christus zag, riep zij uit: Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder zou niet gestorven zijn; maar ook

ocr page 424

406 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

nu weet ik, dat al wat gij van God mocht vragen, God het u geven zal.

Christus geeft haar antwoord met eene belofte, die alle hare verwachtingen verre overtreft en haar geloof van streek maakt:

— „Uw broeder zal verrijzenquot;.

— Ik weet, zeide Martha, dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis ten jongste dage.

Velen in Israël en vooral de partijgenooten der pharizeën geloofden, dat de godvreezende joden zouden verrijzen wanneer het Rijk van den Messias begon ').

Martha zag in de belofte van Christus slechts eene toespeling op dit geloof, en men zou zeggen dat zij niet meer durfde hopen.

Om haar moed in te spreken trekt Christus haren geest op tot hem: — „Ik ben de verrijzenis en het leven, zeide hij, die in mij gelooft, al is hij ook gestorven, zal leven, en een elk die leeft en in mij gelooft zal niet sterven in eeuwigheidquot;.

Tegen het schrikwekkende geheim des grafs over is er geen bemoedigender woord dan dit. Onze Meester is sterker dan de dood, zijn naam is Verrijzenis en Leven. Hij is het beginsel en de kracht onzer onsterfelijkheid.

„Gelooft gij dit?quot; vroeg Christus aan Martha.

— „Ja, Heer, ik geloof dat gij de Christus zijt, de Zoon van den levenden God, die in deze wereld moest komen .

Het geloof van Martha is nu volmaakt.

— Terwijl Christus op die zelfde plaats bleef aan het begin van het dorp, ging Martha tot hare zuster Maria en zeide in stilte tot haar: — De Meester is daar en roept u.

Oogenblikkelijk stond zij op en ging naar hem.

De joden die met haar in huis waren volgden haar zoodra

') Daniël XII, 2 Vgl. Het. boek van Henoch, 51, 1; Psaiit. Sal., 3, 10; Anti//. JC VIII, 1, ; Bell. .Iv^.. VIII, U; Misch. Sanhedr,, „f, 1, Pirkv Mot, IV, 23.

ocr page 425

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN .TERUSALEJI. -107

zij haar zagen opstaan en uitgaan, in de vaste meening aat zij naar het graf ging om daar te weenen. Toen Maria kwam waar Cüristus was viel zij aan zijne voeten neder en riep evenals hare zuster uit: — Heer, waart gij hier geweest, mijn broeder zou niet gestorven zijn.

Door droefheid overstelpt kon zij geen woord meer uiten en weende zij in stilte.

Bij het zien van Maria's tranen, in de tegenwoordigheid der ioden die haar al weenend gevolgd waren, werd Christus in zijn geest bewogen. — „Waar hebt gij hem gelegd?quot; vroeg hij, en men antwoordde: — „Heer, kom en ziequot;.

En Christus weende.

— Ziet, hoe lief hij hem had, zeiden de joden. Eenigen echter konden echter een bedillend en scherp woord niet achterhouden: kon iiij die de oogen van den blindgeborene heeft geopend, niet maken, dat deze niet stierf?

Nogmaals werd Christus bewogen. Hij kwam bij het graf dat in een rots was uitgehouwen en waarop een steen lag in horizontale lijn.

— „Neemt den steen wegquot;, zeide hij.

Martha schrikte en riep uit; — „Heer! hij riekt al, want reeds vóór vier dagen is hij begraven. Christus stelde haar gerust.

— „Heb ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij Gods heerlijkheid zult zien?quot;

Zij namen dan den steen weg. Christus sloeg zijne oogen ten hemel en zeide:

— „Vader! ik dank u, dat gij mij verhoord hebt. Ik wist wel, dat gij mij altijd verhoort, maar om het volk hetwelk rondom staat heb ik dit gesproken, opdat zij ge-looven, dat gij mij hebt gezondenquot;.

Alle menschelijke droefheid maakte hij in zijn oneindig medelijden tot de zijne. In dezen oogenblik is de vriend ontsteld en bedroefd.

Na dit gebed riep hij met luider stemme: „Lazarus, kom uitquot;! En de gestorvene kwam terstond uit, handen en

ocr page 426

408 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

voeten met grafdoeken omzwachteld en met een zweetdoek om het gelaat.

— „Maak hem losquot;, zeide Christus, „en laat hem gaanquot;.

Bij het zien van dit wonder geloofden vele aanwezigen in hem. Anderen, verstokten van hart, liepen naar de pharizeën van Jerusalem en zeiden hun wat Christus gedaan had. Zij maakten het woord van de parabel waar: „Al stond er een uit den dood op, zij zouden niet geloovenquot;.

Het Sanhedrin kwam bijeen. — Deze mensch heeft eene bijzondere macht, werd er gezegd in den Raad, hij vermenigvuldigt zijne wonderwerken. Wat moeten wij doen? Wanneer wij hem zoo laten begaan, zullen allen in hem gelooven. De Romeinen zullen komen en onze stad en ons volk verderven.

In de oogen van de openbare macht werd Christus een gevaar. Hoe is het mogelijk? Had hij niet alles gedaan om het volk uit de dwaling te helpen, dat met den Messias een nieuw wereldsch rijk zou beginnen. Had hij niet in Galilea met verontwaardiging geweigerd koning te worden ? Had hij niet altijd vermeden te Jerusalem zich-zelven den naam van Messias te geven, omdat aan dien naam eene onware beteekenis werd gehecht? Betaalde hij geen belasting en eerbiedigde hij niet de overheid? Dat alles was bekend; bekend ook aan de leden van den Hoogen Raad.

Maar alle Raden zijn slechter dan hunne leden. Ze worden door eigen belang, kleine hartstochten en vooroordeelen verblind en van den weg gebracht.

De priestergeslachten vergaven het hem niet damp;.t hij hunne dwaze gebruiken en overdreven voorschriften met minachting bejegende. De partij der pharizeën haatte hem omdat hij hunne gebreken had blootgelegd en hunne huichelarij had gebrandmerkt; zij was op hem gebeten om zijn overmacht op het volk en omdat hij meer dan een profeet, meer dan Mozes zelf wilde wezen. De hoogere klasse, die uit sadduceën bestond, was bang voor Christus

ocr page 427

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 409

en verachtte hem; zij was bang, dat hij door het volk de openbare orde zou verstoren en de Romeinen verbitteren , — en voor alles wilden zij den vrede en de rust bewaren. In het Sanhedrin had deze partij de meerderheid. De Opperpriesters waren sadduceën. Zij zullen voor Christus onverbiddelijk zijn.

In dit gewichtig jaar was een zekere Jozef, bijgenaamd Caïphas, de opperste offeraar en voorzitter van den Hoogen Raad: twee onderscheiden bedieningen, die sedert de verbanning van Archelaüs in éen persoon vereenigd waren Hier verschijnt deze persoon in Christus' leven voor het eerst. Krachtens zijn officieel ambt zal hij bij het lijden en den dood van Christus onder de vijanden van Gods Zoon eene groote rol vervullen. Hij zal hem rechten en veroor-deelen. Door den gouverneur van Syrië, Valerius Gratus, was hij in het jaar 181) tot opperpriester aangesteld omdat hij in hem een geschikt werktuig meende gevonden te hebben.

Pontius Pilatus, de stadhouder van Judea, vond hem in die bediening en hield hem daarin. Van zijne familie is niets bekend, maar zij behoorde toch zeker tot de voornaamste van het land. Hij was een sadduceer Hij huwde de dochter van een voorgaanden Hoogepriester, Hanan, (Annas) het onafwijsbare hoofd der partij, een vriend van Rome, van wien vijf zonen achtereenvolgens de bediening van oppersten offeraar vervulden. Door deze verbintenis werd zijn gezag verbreid en versterkt. Toen Pilatus in't jaar 35 werd teruggeroepen , bleef Caïphas in zijn ambt en werd eerst in het volgend jaar door Vitellius2) afgezet. Zijne houding in de vergadering van Sanhedrin, waarin men beraadslaagde over de maatregelen tegen Christus te nemen, laat ons zien dat

1

») Antiq. XVIII, 2, 2: XVIII, 4, 5.

2

) Antiq. XVIII, 3, 4.

ocr page 428

410 DE GEOOÏE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

hij van eene geweldige, heerschzuchtige en slaafsche uiituur was. Men kent van hem een woord dat den geheelen mensch teekent en de cynische onbeschaamdheid van zijne geheele partij').

Ongeduldig geworden door de weifelingen en de besluiteloosheid der raadsleden, zeide hij onbeschoft: — Gij weet niets, en gij bedenkt niet, dat het u nuttig is, dat één mensch voor het volk sterve, en niet het geheele volk ten gronde ga ^).

Christus wordt staatsgevaarlijk verklaard; — en daarmee hebben altijd alle dwingelanden hunne misdaden trachten te rechtvaardigen. Hij moet sterven, zegt de Hooggepriester, want het wordt door het belang van het volk geeischt.

Nu de Evangelist een halve eeuw later zich dat woord herinnert en neerschrijft, ziet hij daarin eene profetie. Zonder het te weten heeft Caïphas aan Gods gedachte uitdrukking gegeven. In het Godsbestuur der wereld lag het plan opgesloten dat hij zou sterven. Het was noodig, niet voor het volk van Israël alleen , maar om de verstrooide kinderen Gods tot één te vergaderen 1).

In de ontwikkeling der menschheid hebben de misdaden hunne plaats. De grootste ongerechtigheid jegens den Heiligste van allen wordt gepleegd als de menschheid wordt herboren en het Rijk Gods hernieuwd.

Zoo werd de opstanding van Lazarus het begin van een droevig einde, 't Is het wonder dat Christus' prediking in Judea afsluit gelijk door de vermenigvuldiging der brooden in de woestijn van Bethsaïda zijne prediking in Galilea werd afgesloten.

Het getuigenis van een getuige als Joannes, die p.lles nauwkeurig verhaalt, maakt de opstanding van Lazarus historisch waar. Hoe wonderbaar ook, het feit is niet te loochenen.

1

) Joës. XI, 52 — 53.

ocr page 429

DE GROOTE quot;WORSTELSTH1JD BINNEN JERUSALEM. 411

Pantheïsten en materialisten hebben geroepen, dat het onmogelijk is. — De dooden verrijzen niet, verzekeren zij op onbeschaamde wijze, al draagt de historie ook ontwijfelbare ware opstandingen aan en ziet de rede, die een persoonlijken God aanneemt, daarin geen enkele moeilijkheid.

— Lazarus, zeggen zij was slechts schijndood1), al verklaren de getuigen dat hij dood was.

Sommigen zien in het verhaal van Lazarus' opstanding slechts een handig verzonnen legende om Christus' woorden : .,Ik ben de verrijzenis en het levenquot; tot feit te maken2). Anderen nemen het aan als een werk der verbeelding van de eerste christenen, die aan hun Messias de opstanding van een doode wilden toeschrijven gelijk van de Profeten in het Oude Verbond werd verhaald3). Latere verklaarders hebben met groote sluwheid het krijgsplan der oude duitsche rationalistische school gevolgd.

De overlevering, zeggen zij, heeft, door de parabel van Lazarus op het dwaalspoor gebracht, eerst aan Martha en Maria een zieken broeder gegeven en vervolgens de woorden van de parabel: „al stond iemand uit de dooden op, men zou hem toch niet geloovenquot;, verkeerd verstaan, en zoo opgevat alsof Lazarus werkelijk uit het graf ware opgestaan.

Deze uitlegging bewijst alleen dat men met weinig tevreden is wanneer men slechts de feiten kan verwringen en onwaar maken die hunne eenmaal ingenomen stellingen omverwerpen.

Men heeft ook het zwijgen der drie eerste Evangeliën tot bewijs aangehaald. En inderdaad schijnt dat zwijgen bij den eersten aanblik iets te zeggen; maar bij eene nadere beschouwing wordt dat zwijgen gerechtvaardigd en verklaard.

Geen der Evangelisten , zelfs de H. Lucas niet, ofschoon deze zeer veel zorg besteed aan de geregelde volgorde van zijn verhaal, — heett het plan gehad de tallooze leeringen noch

1

') Faulus, Exeg. Handbuch.

2

') JSaiir. Theol.-Jahrb , D. Ill; Keim, .Its. v. Na:., D. IU.

3

) Strauss, Das Leben Jesu. D. II.

ocr page 430

412 DE GKOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

alle daden van den Meester te boeken. Hunne „gedenkschriftenquot; bestaan uit losse stukken. Het zwijgen van den eene kan dus niet pleiten tegen het getuigenis van den ander. De drie eerste evangelisten hebben een trek gemeen: zij laten het openbaar leven van Christus beginnen bij zijn optreden in Galilea met de gevangeneming van Joannes den Dooper; en van Christus' optreden in Judea verhalen zij slechts wat in de laatste week is geschied. De H. Joannes alleen verhaalt Christus' reizen naar de hoofdstad en enkele leeringen en wonderen die bij dit tijdperk van Christus' leven behooren. Zoo begrijpt men hoe alles wat Christus' werk te Jerusalem en in Judea betreft — bijgevolg ook het wonder van Lazarus' opstanding — door de anderen niet is geboekt: het kwam in het plan van hun verhaal niet te pas.

De vergadering van het Sanhedrin en wat daarin gesproken was werd spoedig te Jerusalem en te Bethanië bekend. Christus had ook in den Hoogen Kaad zijne vrienden die hem zeker bericht gaven van het dreigende gavaar.

Nog is het oogenblik van zijn dood niet daar. Hij verwijdert zich met zijne leerlingen van Bethanië en trekt zich terug in eene naburige streek van de woestijn, binnen eene kleine stad, Ephrem ') genaamd, waar hij een korten tijd vertoeft ').

Om in deze woestijn te komen moest hij aan den westkant om den Olijfberg trekken en de bergachtige voetpaden volgen die door Anatot en Mikhmes loopen.

De stad waar binnen hij zich verschool was van de groote wegen afgelegen en lag aan de noordelijke uithoek van Judea, vijftien of zeventien mijlen van Jerusalem. Zij was gebouwd op een puntige heuvel die acht honderd meter hoog was, op den grens der woestijn; hare vierkante huizen

') Joës XI, 54.

'j Ephrem bestaat niet meer.

ocr page 431

DE GllOCWE WÓftSTELSTfeUD BIN SEN JERUSAtEM. 4l8

van witten steen hadden van de verte uit het aanzien van oude ontmantelde torens.

Van deze hoogte uit kon Christus het geheele land van Judea overzien, dat daar droevig en somber met zijne rotsachtige bergen, zoo hoekig en puntig als zijn verhard volk, nederlag. Hij zag den Olijfberg van waar hij in glorie zou opklimmen en verder Jerusalem, waar hij moest sterven.

NEGENDE HOOFDSTUK.

De laatste reis naar Jerusalem.

Het derde en het vierde Evangelie verhalen deze reis: De H. Joannes geeft de plaats van vertrek, de H. Lucas den weg en de plaats van aankomst aan. De reis begint bij Ephrcm '), op de noordelijke grens van Judea, en loopt in een groote cirkel door Samaiië, Galiloa en de vallei van den Jordaan, om te Bethphage te eindigen 1). In plaats van naar Jerusalem op te trekken, van waar hij slechts vijf of zes uren gaans verwijderd was, schijnt Christus zich daarvan te verwijderen: hij nam ten noorden den weg van Samarië, klom op naar Galilea, naar de hoogvlakte van Jisraül, daalde zonder twijfel door de engte van Djaloud in de vallei van den Jordaan af en ging naar Jericho langs den grooten weg der Galileesche karavanen.

Met welk oogmerk maakte Christus dezen langen omweg? Het is waarschijnlijk dat hij, aan zijne komst binnen de H. Stad een buitengewonen luister willende geven en daarvan een zegetocht maken, zich eerst nog eens onder het volk van

1

-) Luc. XVIII, 11.

ocr page 432

ill • DE UROOTK WOHBTKLSTRrJl) ntNNK.f IKRÜSALEM.

Gaiilea wilde laten zien, om liun zijn voorgenomen reis bekend te maken en zijne tallooze volgelingen bijeen te brengen die verstrooid waren onder de optrekkende pelgrims naar Jerusalem, 'tis ook, alsof hij afscheid gaat nemen van zijn land. Wat zijne bloedverwanten vóór zes maanden met het Loofhuttenfeest hem gevraagd hadden: — vertoon u aan de wereld1), gaat hij nu op zijne wijze volbrengen; maar tot den laatsten stond heeft hij zijn plan, om op plechtige wijze zijn intrede binnen Jerusalem te doen , verborgen gehouden.

Deze reis duurde verscheidene dagen en wordt gekenmerkt door vele belangwekkende voorvallen die door den H. Lucas met zorg zijn opgeteekend.

Bij het doortrekken van zeker dorp, kwamen tien melaatschen Christus te gemoet. 't Is nog in het Oosten het gebruik dat deze ongelukkigen bij en met elkander leven, terwijl zij aan de uiteinden van dorpen en vlekken langs den weg dwalen. Zij bleven van verre staan en riepen luide: — „Jesus, Meester ontferm u onzerquot;. Door deze ellende en dit vertrouwen werd Christus getroffen.

— „Gaatquot;, zeide hij tot hen, „en vertoont u aan de priestersquot;.

En terwijl zij gingen werden zij genezen. Een van hen kwam, zoodra hij zag dat hij genezen was, terstond terug en loofde God met luider stemme. Hij viel voor Christus' voeten neder en dankte hem.

Deze was een Samaritaan.

— „Zijn er geen tien gereinigd?quot; vroeg Christus met verwondering. „En de negen waar zijn zij? Er is niemand gevonden die terugkeerde en eer gaf aan God, dan deze vreemdelingquot;.

Men hoort in dit woord: „vreemdelingquot; een klacht en oen verwijt.

Tot den genezene zeide hij: — „Sta op en ga heenquot;2},

1

') Zie Boek IV. Hst. [.

2

) Luc. XVII, 11 -19.

ocr page 433

DU (lltOOTE WOUSÏKLSTlftJn IUNNUK .fKltt'SAt.KM. tló

Bij het voortzetten vun zijne reis weid Gliristus nog eens ondervraagd over zijn Rijk Gods '). — Wanneer komt het dan? vroegen de pharizeën met spotternij. Want niets van die aardsche grootheid. welke naar hunne opvatting toch aan dat Rijk moest eigen wezen, hadden zij tot nu toe gezien. Daarover waren zij verheugd en daarom tot spotten geneigd. Christus geeft hun antwoord door nogmaals op den geestelijken aard van zijn Rijk te wijzen:

— „Het Eijk Gods komt niet zoo dat het opgemerkt wordt, en men zal niet zeggen: Ziet, hier is het! of, ziet, daar is het! Het Rijk Gods is binnen uquot;.

Het Rijk Gods, waarvan Christus de Messias is, vindt zijn grondslag in het geweten. De pharizeën, die alles aan den vorm opofferen en kleinzielige vaderlanders zijn, willen dat niet begrijpen; maar in weerwil van hen wordt het werk van den Messias onder hen voortgezet.

Christus bekommert zich niet over hunne spotternij, maar noodigt zijne leerlingen uit de tegenwoordigheid van den Zoon des menschen te benutten. Wanneer hij weg is zal de beproeving lang zijn en zwaar:

— „Er zullen dagen komenquot;, zeide hij, wanneer gij wen-schen zult eenen enkelen dag den Zoon des menschen te zien, en gij zult dien niet zien. Men zal u zeggen: ziet, hier is hij, en, ziet, daar is hij. Gaat niet, en volgt hem nietquot;.

Evenwel, - zij moeten bij al hun wachten den moed niet verliezen; want indien de eerste komst van den Messias ook voor zijne volgelingen in zwakheid en strijd is voorbijgegaan, zijn tweede komst zal heerlijk zijn en vol majesteit.

— Laat u niet misleiden door valsche profeten die u den komst van den Zoon des menschen zullen aankondigen. Deze komst zal plotseling gelijk de bliksem wezen en aller oogen verblinden. Gelijk de bliksem plotseling van de eene

') Luc XVll, 20-37.

ocr page 434

416 DE GfeOOtG WollStËLSÏRUD BENNRN JÉRÜSALËM.

liemelstieek naar de andere straalt, ook zoo zal de Zoon des menschen wezen op zijnen dag.

— „Doch eerst moet hij veel lijden en verworpen worden door dit geslachtquot;.

In den loopbaan van den Messias zijn twee tijdperken , twee dagen. Het eene tijdperk is dat van lijden, vervolging en verwerping, en loopt in zijne leerlingen door de eeuwen heen; het andere tijdperk zal vol van glorie zijn en zegepraal aan het begin der eeuwigheid.

Terwijl Christus' leerlingen naar dezen tweeden dag in ongeduld zullen verlangen, zal de groote menigte gelijk zijn aan het volk van Noö's tijd.

— „Zij aten en zij dronken, zij huwden en werden uitgehuwelijkt, tot op den dag, waarop Noë in de arke ging. De zondvloed kwam en deed allen omkomen''.

Ook zoo was het ten tijde van Lot: zij aten en dronken, zij kochten en verkochten, zij plantten en bouwden; maar op den dag dat Lot uit Sodoma ging, regende het vuur en zwavel uit den hemel, en kwamen allen om.

„Zoo zal het ook zijn op den dag, dat de Zoon des menschen zal geopenbaard wordenquot; in zijne souvereine macht en heerlijkheid.

De leerlingen moeten deze lichtzinnigheid en gehechtheid aan deze aarde niet navolgen; maar — „Wie in die ure op het dak is en zijne goederen in huis heeft, kome niet af om ze te halen; en wie op het veld is keere insgelijks niet terug. Denkt aan de vrouw van Lotquot;.

„Al wie zoeken zal zijn leven te behouden door zich te hechten aan hetgeen voorbijgaat, zal het verliezen, en wie dit leven en deze veroordeelde aarde zal verzaken, zal liet behouden in God.

Dan zal voorgoed het heele menschengeslacht in twee dealen worden verdeeld. In één oogwenk zullen zij. hier op aarde voor 't oog met elkander ten nauwste verbonden, maar vreemd aan elkaar door den geest die hen bezielde, voor altijd gescheiden worden.

ocr page 435

DÉ ÖROOTË WORSTELSTRIJD ÜÏSNEN JERUSALEM. 41?

— „Ik zeg u: in dien nacht zullen er twee op één bed zijn; de eene zal aangenomen worden en de andere achtergelaten. Twee vrouwen zullen te zamen malen; de eene zal aangenomen worden en de andere achtergelaten. Twee zullen op het veld zijn; de eene zal aangenomen worden en de andere achtergelatenquot;.

Nieuwsgierig vroegen de leerlingen: — Waar, Heer?

— „Waar een lijk is, daar zullen de arenden vergaderenquot;.

Brengt de Meester met dit krachtvol beeld, aan de natuur

van Galilea ontleend, niet eene vreeselijke wet van het Godsbestuur onder woorden: de wet — dat alles wat niet uit God is zal ten onder gaan? Wee hen die zich niet vasthechten aan het ware leven. Lijk is in de menschheid alles wat den levenden Geest Gods niet heeft; de arenden zijn de vernielende krachten welke in die dooden, overal waar ze zijn, den zich wrekenden wil der eeuwige rechtvaardigheid zullen ten uitvoer brengen.

Daarop zeide Christus tot zijne ontstelde leerlingen om hen te bemoedigen, dat zij altijd en zonder ophouden moesten bidden. En om hen van die waarheid dieper te doordringen voegde hij er eene parabel bij ').

— „In zekere stad was een rechter die God niet vreesde, en geen mensch ontzag. En er was eene weduwe in die stad en zij kwam tot hem en zeide: Verschaf mij recht van mijnen tegenstander. En langen tijd wilde hij niet. Doch daarna zeide hij bij zich-zelven: Alhoewel ik God niet vrees en geen mensch ontzie, nochtans omdat deze weduwe mij lastig valt, zal ik haar recht verschaffen, opdat zij ten laatste niet kome en mij in het aangezicht slaquot;.

— „Hoortquot;, zeide Christus, „wat de onrechtvaardige rechter zegt! En zal nu God geen recht verschaffen aan zijne uitverkorenen, die dag en nacht tot hem roepen — zelfs wanneer Hij zijn toorn een wijl inhoudt om hen te wreken? Ik zeg u: hij zal hun spoedig recht verschaffenquot;.

i) Luc. XVIII, 1 -9.

27

ocr page 436

418 DE GROOXE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

^Doch zal de Zoon des menschen, als hij komt, wel het geloof op aarde vinden?quot;

Dit laatste woord laat verstaan dat zelfs geloovigen zullen moede worden op den dag des Heeren te wachten, zoolang zal de eeuwige rechtvaardigheid uitblijven Hij waarschuwt hen daarom en wil met deze laatste vraag nog eens zeggen; Bidt, gelooft en hoopt ten einde toe; lange eeuwen gingen voor de eerste komst van den Messias uit, lange eeuwen zullen ook voorafgaan aan zijn tweede komst in heerlijkheid.

Op deze zelfde reis was Christus met zijne leerlingen dikwijls in gezelschap van pharizeën, die evenals zij naar Jerusalem optrokken. Zij waren zooals altijd tevreden met eigen heiligheid en vol verachting voor anderen. Gedurende dezen tijd werd eens door Christus in eene parabel met onsterfelijke trekken den pharizeër geteekend.

— „Twee menschen gingen op naar den Tempel om te bidden, de eene een pharizeër, en de andere een tollenaar. De pharizeër stond en bad bij zichzelven aldus: God! ik dank u , dat ik niet ben gelijk de overige menschen , roovers, onrechtvaardige!!, overspelers of ook gelijk deze tollenaar; ik vast tweemaal in de week; ik geef tienden van alles wat ik bezit.

„En de tollenaar, van verre staande, wilde zelfs de oogen niet ten hemel opheffen maar sloeg op zijne borst, zeggende ; God! wees mij zondaar genadig.

— „Ik zeg u, zeide Christus, deze ging naar zijn huis, gerechtvaardigd boven den ander. Want al wie zich verheft, zal vernederd, en wie zich vernedert, zal verheven wordsnquot;.

Dit slot, deze uitspraak op zedelijk gebied, waarmee Christus zoo gaarne zijne parabels besloot, is van onpeilbaar diepe beteekenis voor hen! en voor ons. Nederigheid is de eerste deugd die men hebben moet om het Rijk Gods binnen te gaan en de eerste voorwaarde voor alle ware grootheid. Christus zelf is van alle nederigheid het grootste

ocr page 437

DE OROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 419

voorbeeld. Niemand heeft zich vernederd zooals hij. Maar zijn zegepraal zelfs in deze wereld gaat boven die van alle anderen uit.

Terwijl Christus op deze reis eenmaal ergens verwijlde, bracht men kinderen bij hem opdat hij die zou aanraken '). Men was overtuigd dat die aanraking hun ten zegen zou zijn. De leerlingen zagen het gedrang en berispten het volk; maar Christus zeide:

— „Laat de kinderen tot mij komen, en belet het hun niet; want aan dezulken behoort het Rijk Gods. Voorwaar, ik zeg u: al wie het Rijk Gods niet ontvangt gelijk een kind, die zal het niet ingaanquot;.

Christus legde hun de handen op en zegende hen.

Het kind is vrij van vooroordeelen en van. eigenbelang. Het oordeelt noch veroordeelt en biedt geen wederstand. Wanneer God spreekt moet de mensch dat voorbeeld volgen.

Op zekeren dag, toen Christus na een oponthoud van eenige uren naar buiten kwam om zijne reis voort te zetten2) liep een jong en voornaam mensch op hem toe, viel voor zijne voeten en zeide; — Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te bezitten?

't Is de vraag van een uitverkoren natuur en oprechte ziel. Hem was de heiligheid naar pharizeesche opvatting niet gevallig.

— „Waarom noemt gij mij goed? vroeg Christus hem. Niemand is goed. dan God alleenquot;.

„De geboden kent gij; Gij zult niet doodslaan; gij zult geen overspel bedrijven; gij zult niet stelen; gij zult geene valsche getuigenis geven; eer uwen vader en uwe moederquot;. — „Dit allesquot;, antwoordde de jongeling, „heb ik onderhouden van mijne jeugd afquot;.

Christus zag hem aan en had hem lief.

h Luc. XVIII, 15 v.v. Vgl. Matth. XIX, 13-15; Marc. V. 13 IC. J) Luc, XVIII, IS-30; Mattli. XIX, 1G 30; Marc. X, 17-31.

ocr page 438

420 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JEEÜSALEM.

— „Nog éen ding ontbreekt uquot;, ging Clnistus voort. „Verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom, volg mijquot;.

Bij het hooren van deze woorden werd hij bedroefd, want hij was zeer rijk.

Het vervullen van de letter der wet is niet genoeg, men moet doordringen in haren geest. De wil Gods moet onze wet wezen. Wanneer deze wil van ons eischt onthechting van alles, moeten wij alles verlaten en Christus volgen. De hoogste liefde verlangt het zwaarste offer.

Toen de jongeling vol droefheid zich omkeerde en wegging, zag Christus zijne leerlingen aan en zeide:

— „Hoe moeilijk zullen zij die geld hebben het Eijk Gods binnertgaan! Het is gemakkelijker dat een kemel door het oog der naald ga '), dan dat een rijke inga in het Rijk Godsquot;.

— „Maar wie kan dan zalig worden1)?quot; vroegen zij.

„Wat onmogelijk is bij de menschen, is mogelijk bij Godquot;.

Zij-zelven waren daarvan het bewijs. Zij hadden alles

verlaten en Petrus kon niet nalaten dat te herinneren met zijne gewone vrijmoedigheid.

— „Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd. Wat zal ons dan geworden?quot;

— „Voorwaar ik zeg uquot;, antwoordde Christus, „dat gij, die mij gevolgd zijt, bij de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, dat ook gij zult zitten op twaalf troonen, oordeelende de twaalf stammen van Israëlquot; 2).

Tot nu toe had de Meester van geene belooning en heerlijkheid tot zijne leerlingen gesproken. Hij had hen slechts zoo nauw mogelijk verbonden met zijn eigen leven en met alles wat hem te wachten stond. Zij-zelven hebben

1

*) Luc. XVIII, 26 en parall.

2

) Matth. XIX, 28.

ocr page 439

DE GEOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 421

ook van hunnen kant, naarmate hun vertrouwen in Christus grooter werd, hunne verwachtingen met zijne toekomst verbonden. Zij zijn in weerwil van alle verzet volkomen zeker van de eindoverwinning, die Christus eenmaal behalen zal. En op deze overwinning doelen zij wanneer Petrus in naam van allen aan zijnen Meester vraagt: Wat zal ons dan geworden?

De belooning ligt wel aan de andere zijde van het graf, maar Christus spaart de zwakheid zijner leerlingen, en zwijgt over den tijd, terwijl hij hun toch de belooning voor oogen houdt. In afwachting van die eeuwige belooning is toch het leven van hen die hem volgen niet te beklagen, want Christus voegt erbij;

— „Voorwaar ik zeg u: er is niemand die huis of broeders of zusters of vader of moeder of kinderen of akkers om mijnentwil en om het Evangelie zal verlaten hebben, of hij ontvangt honderdmaal zooveel, nu in dezen tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en akkers bij vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige levenquot;1).

Men moet wel weinig zijn doorgedrongen in den geest van Christus' woord om aan deze woorden eene letterlijke beteekenis te hechten; maar zelfs gedurende het leven van dezen tijd wordt hier aan zijne leerlingen eene belooning beloofd.

Voortdurend bleven de leerlingen echter aan zich-zelven denken en hopen op eene naderende zegepraal terwijl alle gedachte aan strijd en lijden hun vreemd was; daarom zette Christus hen neer en sprak hij:

— „Vele eersten zullen de laatsten, en laatsten de eersten zijn''.

Het Rijk Gods is meer een werk van goedheid en barmhartigheid dan van rechtvaardigheid. Gods uitverkiezing

') Marc. X, 29-30.

ocr page 440

422 DE GUOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN .TEKUSALEM.

alleen maakt den mensch deelgenoot van dat Rijk waarin velen op verschillende tijden worden opgenomen en de laatsten somwijlen een gelijk loon als de eersten ontvangen.

Ter verklaring geeft Christus hier zijne parabel van de arbeiders in den wijngaard die op verschillende uren beginnen te arbeiden en allen een gelijk loon ontvangen.

De Vader des huisgezins heeft alle menschen in massa geroepen. Aan die roepstem gehoor te geven en getrouw te blijven is 's menschen grootste roeping; evenwel:

,Velen zijn geroepenen maar weinig uitverkorenenquot;; zij zijn aan hunne roeping ontrouw geworden en uitgeworpen.

Christus was met zijne leerlingen in de vallei van den ■Fordaan gekomen op den grooten weg die over Jericho van Galilea naar Jerusalem leidde. Hij was slechts twee dagreizen van de H. Stad verwijderd, en den Sartaba omtrekkend kon hij op den top de brandende vuren zien, die voor het volk de boodschappers waren van den nieuwen maan en 't Paaschfeest van 't jaar 30').

TIENDE HOOFDSTUK.

liet einde van de reis: van Jericho naar Bethanië.

Bij het naderen van Jerusalem waren de leerlingen droevig gestemd en vol angst. Zij kenden de gevaren die daar hun Meester dreigden. In zekeren stond waarvan éen dei-getuigen nooit het geheugenis verloor, ging de Meester

') Talm. Hierosol., Boich, lloshanna, cap. II, col 3,

ocr page 441

DE CiROOTE WORSTELSIEIJD BINNEN JERUSALEM. 423

op den weg vooruit, en zijne leerlingen volgden in stilte en vrees').

Christus nam de twaalven afzonderlijk en zeide tot hen 1): — „Ziet, wij gaan op naar Jerusalem, en de Zoon des menschen zal overgeleverd worden aan de opperpriesters en de schriftgeleerden, en zij zullen hem ter dood veroor-deelen, en hem overleveren aan de heidenen, om hem te bespotten en te geeselen en te kruisigen; en ten derde dage zal hij verrijzenquot;.

Reeds twee malen had Christus op plechtige wijze aan zijne leerlingen zijn lijden, zijn dood en verrijzenis aangekondigd: de eerste maal, op den weg naar Caesareii, nadat Petrus hem den Messias, den Zoon van den levenden God had genoemd; de tweede maal, op zijne reis van den Thabor naar Capharnaüm. Voor de derde maal spreekt hij er heden van in deze vallei van den Jordaan, waar de H. Geest op zichtbare wijze zich had geopenbaard, waar de stem van God den Vader hem zijn welbeminden Zoon had genoemd en waar hij zelf had gezegd: „ik moet alle gerechtigheid vervullenquot;.

Dit ontzettende geheim van voldoening en liefde, die opstanding der wereld door den dood van den Messias was voor de leerlingen een raadsel. Hoe meer zij van zijne heiligheid en Godheid overtuigd waren des te minder konden zij gelooven in zijn lijden en dood.

— „Zij verstonden niets hiervan. Dit woord was voor hen verborgen. Zij begrepen niet wat hun gezegd werd''2).

Het woord „opstandingquot; evenwel deed hen denken aan eene nabijzijnde, glorievolle openbaring van het Rijk Gods, en in hunne eigenliefde waren zij met hunne bloedverwanten en vooral hunne moeders er voor alles op bedacht daarin de eerste plaatsen te bezetten.

1

2) Matth. XX, 17-19; Marc. X. 33-31; Luc. XVIII, 31 -39.

2

) Luc. XVIII, 31.

ocr page 442

424 DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

De karavanen van Galilea die optrokken naar Jerusalem hadden zeker Christus en zijn leerlingen in de nabijheid van Jericho ontmoet. Op die wijze vindt de tegenwoordigheid der moeder van Zebedeüs'kinderen: Jacobus en Joannes, en het volgende voorval wat nu plaats greep, gemakkelijk zijne verklaring.

Salome kwam met hare zonen; Jacobus en Joannes, bij Christus, terwijl hare zonen zeiden: Meester, wij wilden wel, dat gij voor ons deedt, wat wij u zullen vragen.

— „Wat wilt gij?quot; zeide Christus.

De moeder antwoordde: — „zeg, dat deze mijne twee zonen zitten mogen , één aan uwe rechter- en één aan uwe linkerhand in uw Koninkrijkquot;.

Geheel en al verdiept in de gedachte van zijn naderend lijden en dood, waardoor hij zijne glorie moest binnengaan, herinnert Christus zijne ijverzuchtige leerlingen daaraan.

— „Gij weet niet wat gij verzoekt. Kunt gij den kelk drinken, dien ik drinken zal, of met den doop, waarmede ik gedoopt wordt, gedoopt worden?quot;

Zonder aarzelen antwoordden zij: — Wij kunnen het.

— „Den kelk, dien ik drinkquot;, hernam Christus, „zultgij wel drinken, en met den doop, waarmede ik gedoopt word , gedoopt worden; doch het zitten aan mijne rechter-of linkerhand komt mij niet toe aan u te geven, maar aan degenen wien het bereid isquot;.

De wil Gods alleen bepaalt alles, en Christus is in zijne menschelijke natuur de getrouwe uitvoerder van dien wil.

Toen de overige tien dit hoorden werden zij boos; maar Christus bracht hen met groote goedertierenheid tot kalmte.

— „Gij weetquot;, zeide hij, „dat zij die geacht worden de oversten der volken te zijn, over hen heerschen, en dat hunne grooten hunne macht oefenen over hen. Zoo moet het onder u niet zijn; maar al wie groot wil worden, die zij uw dienaar; en al wie onder u de eerste wil zijn, hij zij de dienstknecht van allenquot;.

ocr page 443

DE QROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 425

Zijn eigen leven is het voorbeeld van deze stoute maar noodzakelijke wet van Gods Koninkrijk. Ook door te sterven zal hij aan de menschen van dienst zijn en daardoor over hen heerschen.

Het gevolg van Christus vermeerderde naarmate hij dichter bij het einde zijner reize kwam, en bij Jericho werd het nog grooter. Daar kwamen de karavanen van Perea en Galilea bijeen, en met de groote feesten was de stad vol van vreemdelingen en pelgrims. Daar was de laatste halte vóór Jerusalem. Het uiterlijk van Jericho was geheel anders als dat van de andere steden in het Oosten. De stad was wijd uit gebouwd en de huizen stonden in de schaduw van palmen vijgeboomen, in het midden van heerlijke tuinen.

Op den weg vóór de stad zat een blinde te bedelen 'j. Toen hij de menigte hoorde voorbijgaan vroeg hij wat dat was. Men zeide hem, dat Jesus de Nazarener voorbij ging. En hij riep: „Jesus, Zoon van David, ontferm u mijnerquot;.

Deze hulde van een ongelukkige aan den Messias ontroerde den Meester. Sommigen die vooraan gingen wilden hem doen zwijgen; maar hij riep nog luider: Zoon van David ontferm u mijner.

Christus stond stil, liet hem bij zich brengen en vroeg: „Wat wilt gij dat ik u doe?quot; - Heer, antwoordde de blinde, dat ik zien moge. — „Wees ziendequot; zeide Christus, „uw geloof heeft u gezond gemaaktquot;.

En terstond was hij ziende, volgde Christus en verheerlijkte God. Getroffen door dit wonder brak het volk in gejubel uit.

In zegepraal komt Christus Jericho binnen. Men zou zeggen , dat hij zijnen glorievollen intocht binnen Jerusalem voorbereidt.

Eene andere gebeurtenis die Christus' heele ziel laat zien , had plaats bij het doortrekken van de stadquot;).

') Luc. XVIII, 35-4 3; 2) Luc. XIX, 1-10,

ocr page 444

426 DE GROOTE WOKSÏELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Onder al het volk dat langs den weg stond om den Profeet te zien stond ook Zacheüs. Hij was het hoofd der tollenaars en rijk.

Blijkbaar was het hem niet onbekend dat Christus doorging voor een vriend der tollenaars, en vurig verlangde hij hem te kennen. De straat was vol volk, en daar hij klein was van gestalte zag hij geen kans hem te zien. Hij klom daarom in een vijgeboom die langs den weg stond.

Toen Christus voorbijkwam zag hij Zacheüs in den vijgeboom.

— „Zacheüsquot;, zeide hij, „kom spoedig af, want heden moet ik in uw huis verblijvenquot;.

Het hoofd der tollenaars kwam spoedig af en ontving hem met blijdschap.

Dat was eene groote ergernis voor het volk voor wien de voorschriften der pharizeën golden als wet. Morrend zeide men: hij is bij een zondaar ingegaan.

Christus' tegenwoordigheid scheen den tollenaar plotseling veranderd te hebben. Voor den Heer staande beleed hij zijne onrechtvaardigheden en betuigde daarover luide zijn berouw — Heer, zeide hij, de helft mijner goederen geef ik den armen; en zoo ik iemand iets heb te kort gedaan, geef ik het vierdubbel weder').

Toen sprak Christus: „Heden is dezen huize zaligheid geworden, dewijl ook hij een zoon van Abraham is; want de Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren wasquot;.

In de dagen waarin het Evangelie door de heidenen van Klein-Azië, van Macedonië en Griekenland met grooten ijvei-werd aangenomen moest dit voorval weêr met kracht opkomen in het geheugen der leerlingen. Christus' liefde voor de heidenen en zondaars kwam hier zoo duidelijk uit.

Zacheüs blijft het toonbeeld van allen die in hunne ellende

') De Talmud verplicht het gestolene vierdubbel terug te gevea.

ocr page 445

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 427

met oprechtheid Christus willen kennen en zien. Christus geeft hun meer dan zij verlangen; hij doet hen hun gewetenstoestand kennen en brengt hen tot berouw.

In de hoofden van het volk en der leerlingen had. gedurende Christus' verblijf te Jericho, de gedachte post gevat, dat aanstonds, te Jerusalem zelve, het Rijk Gods op luistervolle wijze zich openbaren zou. Met eene parabel wilde Christus hen tot andere gedachten brengen en hij sprak ');

— „Zeker mensch van hooge geboorte vertrok naar een vergelegen land, om voor zich een koninkrijk te ontvangen en dan terug te keeren.

„Hij riep zijne tien dienstknechten bijeen, gaf hun tien ponden en zeide tot hen: — Drijft er handel mede totdat ik terug kom.

„Zijne burgers nu haatten hem en zonden hem een gezantschap achterna zeggende: Wij willen niet dat deze over ons koning zij.

„En het geschiedde, dat hij, na het koninkrijk te hebben aanvaard, wederkeerde en gebood zijne dienstknechten te roepen, aan wie hij het geld gegeven had, om te weten hoeveel ieder had gewonnen.

„De eerste kwam en zeide: Heer! uw pond heeft tien ponden aangewonnen. — Zeer wel, gij goede dienstknecht, omdat gij over weinig zijt getrouw geweest, zult gij machthebber zijn over tien steden.

„ De tweede kwam en zeide: Heer uw pond heeft vijf ponden winst gedaan. — Wees ook gij, zeide hij, over vijf steden.

„Een ander kwam en zeide; Heer! ziedaar uw pond, hetwelk ik, in een doek geborgen, bewaard heb; want ik vreesde u, omdat gij een hard mensch zijt; gij neemt weg wat gij niet hebt neergelegd, en maait wat gij niet gezaaid hebt.

i) Luc. XU, 12-37 vv. MattJ. XXV, U-30.

ocr page 446

428 DE GliOOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

— „Uit uwen mond oordeel ik u, booze knecht! Gij wist dat ik een hard mensch ben, die wegneem wat ik niet heb neergelegd, en maai wat ik niet gezaaid heb; en waarom dan hebt gij mijn geld niet aan den wisselbank gegeven, opdat ik het bij mijn terugkomst met rente had kunnen invorderen?

„En tot hen die daarbij stonden zeide hij: Neemt hem het pond af en geeft het aan hem die de tien ponden heeft. En zij zeiden tot hem: Heer! hij heeft al tien ponden! — Geeft, geeft, want ik zeg u: aan een ieder die heeft zal gegeven worden, en hij zal overvloed hebben; maar die niet heeft dien zal ontnomen worden ook hetgeen hij heeft.

„Doch die vijanden van mij, die niet wilden, dat ik Koning over hen zou wezen, brengt hen hier en doodt hen voor mijne oogenquot;.

De mensch van hooge geboorte is Christus. De wereld is het vergelegen land waar hij zijn Koninkrijk komt stichten.

Zijne medeburgers, die hem haatten en niet wilden dat hij Koning over hen zou wezen, zijn de joden. Zijne dienstknechten zijne leerlingen en volgers, zij moeten werken met de gaven hun gegeven. Bij zijn heerlijke wederkomst op aarde zal Christus hen oordeelen.

Het slot van de parabel is eene bedreiging tegen hen met wie hij nu zijn laatsten strijd gaat strijden. Hun straf zal reeds hier op aarde beginnen. De Romeinen zullen komen, Jerusalem verbranden en verwoesten en hare inwoners vermoorden.

Den volgenden dag trok Christus verder. Bij het verlaten van Jericho deed hij nogmaals een wonder'). Daar waren, waar de weg begint te klimmen, twee blinde bedelaars. Een van hen was de zoon van Timeüs, Bartimeüs. Toen hij hoorde dat Jesus de Nazarener voorbijging begon

!) Marc. X, 16-53.

ocr page 447

DE GROÓTE WORSTELSTRIjn BINNEN JERUSALEM. 42Ö

hij te schreeuwen; — Jesus, zoon van David! ontferm u mijner!

Het volk ging vooruit en Christus volgde.

Die vooruit gingen trachtten door berispingen hem het zwijgen op te leggen. Doch hij schreeuwde nog luider: Zoon van David! ontferm u mijner!

Christus stond stil en liet hem roepen. — Wees welgemoed, zeiden de omstaanders, sta op, hij roept u.

Hij wierp zijn overkleed weg, sprong op en kwam tot Christus die hem vroeg: - „Wat wilt gij dat ik u doe?quot; — Heer, dat ik zien moge. — „Ga heen, zeide de Meester, „uw geloof heeft u gezond gemaaktquot;.

En terstond zag hij en volgde hem op den weg.

Reeds dikwijls was Christus met zijne leerlingen den weg van Jericho naar Jerusalem opgegaan. Nu gaat hij voor het laatst dien weg op, aan het hoofd zijner leerlingen en volgelingen, zwijgend en met vasten tred. Het was Vrijdag, zes dagen voor Paschen. Christus ging niet tot Jerusalem; maar terwijl hij het volk zijn weg liet vervolgen en zich verspreiden in de plaatsen die rondom den Olijfberg lagen, bleef hij-zelf te Bethanië ').

Zijne vrienden wachtten hem daar met groote liefde en blijde dankbaarheid.

Den volgenden dag richtte men voor hem een avondmaal aan ten huize van zekeren Simon den melaatschequot;), - een vriend, wellicht een bloedverwant van Christus' vrienden. Martha diende, en Lazarus, de verrezene, was één der dischgenooten.

Onder het maal kwam er eene vrouw met een albasten ilesch, gevuld met den kostbaarsten nardus-balsem, zij naderde Christus, brak de flesch, goot den balsem over

■) Joës, XII, i.

'J Matlh. XXVI, C-13; Marc. XIV, 3-9; Joës, XII, 2-8.

ocr page 448

430 DE OROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM.

Christus' hoofd en zalfde daarmee zijne voeten die zij cifdroogde met hare haren.

Het gewone — water voor de voeten en reukwater voor het hoofd — was voor die vrouw niet genoeg. Hare vurige ziel gaf haar een stoute ingeving; als water goot zij het kostbare reukwerk over de voeten des Heeren en droogde ze met hare naiea af. Het geheele huis was vervuld van den geur.

Het kan niet anders of deze vrouw was Maria, de zuster van Lazarus en Martha, de bekeerde zondares, Maria-Magdalena.

Gewone naturen, die alles berekenen, doen zulke daden niet. Een geheel pond van den kostbaarsten balsem gaat hier op schijnbaar verkwistende wijze verloren.

Judas de Iskariother vooral keurde deze verkwisting af en verborg zijne misnoegdheid achter het masker van liefdadigheid: — Waarom is deze zalf niet voor drie honderd denariën verkocht, riep hij uit, en het geld aan de armsn gegeven ?

Die zoo spreekt en zoo'n schandelijke rol gaat spelen verschijnt hier voor het eerst in het verhaal en wordt met name genoemd.

Judas was de kashouder van het kleine gezelschap en droeg zorg voor de tijdelijke behoeften. Reeds meermalen had hij zich uit den buidel iets toegeeigend en wordt daarom door den H. Joannes vlakweg een dief genoemd. Hij hoopte aan zijne hebzucht te kunnen voldoen wanneer het nieuwe Rijk zou worden gesticht in rijkdom en eer. Die hoop deed hem Christus volgen en bond hem aan Christus vast.

Op zijn hebzuchtig en begeerig, afgetrokken en onbeschaafd karakter had de leer en de omgang van zijn Meester geen invloed.

Christus nam zelf de verdediging van Maria op. „Laat haar met rustquot; zeide hij tot Judas. „Zij heeft mijn lichaam vooruit gebalsemd ter begrafenis. De armen toch hebt gij altijd bij u, maar mij hebt gij niet altijdquot;.

ocr page 449

DE GROOTE WORSTELSTRIJD BINNEN JERUSALEM. 43!.

„Voorwaar ik zeg u, overal waar dit Evangelie zal verkondigd worden in geheel de wereld, daar zal ook hetgeen deze gedaan heeft vermeld worden tot haar gedachtenisquot;.

De geurende balsem in den vooravond van Christus' begrafenis door Magdalena over zijne voeten uitgegoten geurt naar 's Heeren voorspelling nog altijd voort. De geloovigen vereeren overal de vrouw wier hart zich hier op zoo fijne wijze openbaart.

Door Cliristus' toespeling op zijn naderenden dood werden alle dischgenooten droevig gestemd.

Zijn verblijf te Bethanië was inmiddels reeds te Jerusalem bekend geworden en vele joden waren nu gekomen om hem en Lazarus te zien. De hoofden van hot Sanhedrin hadden laten verstaan, dat zelfs Lazarus niet aan hunne handen zou ontkomen. Dit levend wonder maakte hen boos.

Staatsbelangen eischten naar Kaïphas' raad het plegen van geweld en daartoe was men meer dan ooit besloten.

Alles voorspelde een naderend en droevig einde; deze keet gaat Christus dat einde met vrijen wil tegemoet.

ocr page 450
ocr page 451

VIJFDE BOEK.

Christus' dood en herleving.

ocr page 452
ocr page 453

EERSTE HOOFDSTUK.

De glorievolle intocht binnen Jerusalem.

De dag na den Sabbath en de eerste der groote week waarin Christus moest lijden en sterven, de 10quot; Nisan zou voor hem een gloriedag wezen. Met zijne leerlingen vertrok hij van Bethanië om naar Jerusalem te gaan. Aan de ontelbare pelgrimsscharen, uit geheel Judea, Idumea en Galilea wegens het Paaschfeest te Jerusalem bijeen, was de naderende komst van den grooten Profeet bekend.

De tallooze leerlingen vertelden elkaar het wonderbare van zijn leven, zijne deugden en wonderen zonder tal; — de opwekking van Lazarus vooral baarde groot opzien bij allen, en men wilde hem aanschouwen, die zulke wonderen deed. Door de glorie van hun Meester te verbreiden werkten zij zonder het te weten mede aan de openbare hulde die hem straks door het volk zal worden gebracht. In weerwil dat het volk van Galilea hem in het voorgaande jaar verlaten had '), was hij nog meer vermaard dan ooit. De menigte hield niet op zijns ondanks in hem den Messias hunner droomen te zien. De verwoede tegenstand van alle openbaar gezag bracht hem bij het volk niet in minachting rnaar deed hem welgevalliger in hunne oogen zijn. Men maakte zich wijs dat het Rijk Gods eindelijk zou komen en men wachtte met koortsachtig ongeduld de gebeurtenissen af. De Galileörs vooral, die vuriger en onaf-

') Zie hiervoor Boek III, Hoofdstuk IX.

ocr page 454

436 CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING!.

hankelijker waren, wilden hun Profeet toejuichen en huldigen bij zijne komst in de stad.

Christus volgde met zijne leerlingen den weg die opklimt langs de oostzijde van den Olijfberg. Bij Bethphage ') hield hij stil en zeide tot twee der zijnen, terwijl hij met de hand naar dit dorpje wees. — „Gaat naar het vlek, dat tegen u over ligt. Zoodra gij. er binnengaat, zult gij er eene ezelin vastgebonden vinden, haar veulen, waarop nog nooit iemand gezeten heeft, bij haar; maakt ze los en brengt ze tot mij. En zoo iemand u mocht zeggen: waarom ontbindt gij ze? zegt dan: de Heer heeft ze noodig; en aanstonds zal hij u laten gaanquot;.

Alles gebeurde gelijk Christus had gezegd.

De leerlingen maakten ze los, brachten ze bij hun Meester, legden hunne kleederen op het veulen en deden hem erop zitten.

Zoodra men hoorde dat hij Jerusalem naderde, liep het volk hem te gemoetquot;). Geestdrift maakte zich van de leerlingen en het volk meester. Zij spreidden hunne opperkleederen over den weg, hakten takken van de boomen, strooiden ze op den grond en riepen: Hosanna den zoon van David! Gezegend hij, die komt in den naam des Heeren, de Koning van Israel. Hosanna in den Hooge. De gloeiende overtuiging van het volk sloeg eindelijk in lichte laaie uit en deed recht aan hem die kwam om alles te redden. Hij, die tot nu toe in zijn openbaar leven elk bewijs van hulde had voorkomen en vermeden, neemt van daag alle hulde aan. Hij luistert met graagte naar die juichtoonen, waarmede zij hem als den Messias begroeten en de komst van zijn Rijk verkondigen.

Deze openbare hulde van één dag lag in het plan van God. De Profeet had haar zes eeuwen te voren met duidelijke woorden voorspeld en beschreven1); maar zij was niet

1

) Zachar. IX, 9 — 10.

ocr page 455

CHRISTUS' DOOD EN HEKLEVING.

van bitterheid vrij. De pharizeën, onder het volk verspreid, laten den wanklank hooren: — Meester! berisp uwe leerlingen.

Zij kunnen hun spijt niet verbergen; de waarheid maakt hen boos, en zij zijn beducht voor de gevolgen eener dergelijke vertooning. Wat zullen de Romeinen zeggen, wanneer zij hooren dat het volk zijn koning toejuicht en huldigt ?

Christus antwoordde hen:

— „Indien dezen zwijgen, zullen de steenen roepenquot;. Meer dan twee jaren heeft hij, om aan te toonen dat hij de Messias is, zoovele bewijzen gegeven, dat zelfs de steenen indien zij stemmen hadden, voor hem hadden getuigd. Maar de mensch die vrijwillig zich verzet tegen de meest duidelijke waarheid kan ongevoeliger worden dan een brok steen.

Het was een scherp verwijt maar de pharizeën begrepen het niet.

De geestdrift nam toe bij het voorttrekken van den stoet, en de leerlingen loofden in volle vreugde den Heer om de glorie aan hun Meester gegeven, terwijl zij de wonderen waarvan zij getuigen waren geweest aan elkeen verhaalden. Maar ook de verbittering der pharizeën werd grooter, die tot elkander zeiden; Merkt gij wel, dat wij niets vorderen! Zie, de heele wereld is hem nageloopen.

Ofschoon zij het volk verachten zijn /ij jaloersch op hem die het volk aan hunnen invloed onttrekt en schrikken zij voor geen misdaad terug om hun invloed te herwinnen.

Toen Christus boven op den Olijfberg was aangekomen, waar de weg naar de vallei van de Cedron afdaalt, zag hij Jerusalem aan zijne voeten. Dat zien van Jerusalem maakte hem bedroefd — en hij weende over haar').

— „Indien ook gij erkendetquot;, riep hij uit, „toch nog op dezen uwen dag, wat tot uwen vrede dient! .... doch nu is het voor uwe oogen verborgen.

') Luc. XtX, 37 vv.

4S7

ocr page 456

CHKISTUS' DOOD EN HERLEVING.

„Er zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden u met eenen wal zullen omringen en u omsingelen, en u benauwen van alle kanten; en zij zullen u tot den grond toe verdelgen, en uwe kinderen in u, en niet eenen steen zullen zij in u op den anderen laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet erkend hebtquot;.

Hij vergeet al de vreugde van dezen dag om alleen aan zijn ondankbaar en schuldig volk te denken.

Met deze sombere gedachte aan het droevig einde van Jerusalem houdt hij zijnen zegevierenden intocht binnen deze stad.

Bij het zien van dien stoet vroegen velen: wie komt daar? — en Christus' volgers riepen met trots: 't Is Jesus; de profeet van Nazareth in Galilea!

Deze geheele hulde, vooral door de Galileërs aan Christus gebracht, blijft eenvoudig, vredelievend en godsdienstig, en is vrij van alle wereldsch vertoon.

De Romeinen bekommerden zich niet om dezen stillen en zachtaardigen koning en de trotsche sadduceën zagen met verachting op dezen stoet.

Christus ging onmiddelijk naar den Tempel

Het was de dag door de Wet bepaald voor de keuze van het paaschlam 'j. Het samenvallen van Christus' intrede binnen Jerusalem en de keuze van het paaschlam moet wel worden opgemerkt. Christus zelf is het groote slachtoffer dat aan God, zijnen hemelschen Vader, wordt opgeofferd en aan alle andere offers een einde maakt.

Na in den Tempel te hebben gebeden zag hij daar alles goed na, zegt een der Evangelisten 1). Hij zag het voorhof der heidenen met beesten gevuld, in een markt veranderd, en tevens aan een groot wisselkantoor gelijk. Hij hoorde in de galerijen hoe allen daar redetwistten en schetterden op hoogen toon, hoe de pharizeën nauw toezagen of men

438

1

) Marc. XI, 11.

ocr page 457

CHRISTUS' DOOD EN HEKLEVING.

hunne kleinzielige voorschriften getrouw opvolgde en geld sloegen uit de godsvrucht van het volk. Aan den vooravond der dagen waarin het einde van dit alles zou aanvangen, wilde hij-zelf nog eens alles met eigen oogen zien.

Het was avond. Hij verliet wederom den Tempel en keerde naar Bethanië terug. Daar was hij de gast zijner vrienden.

Den volgenden dag ging hij, door zijne twaalf Apostelen vergezeld, wederom op weg naar Jerusalem. Onder weg gebeurde er iets wat diepen indruk op de Apostelen maakte.

Toen hij het dorp verliet had Christus honger. Bij den weg zag hij een vijgeboom in blad; het was de tijd der vijgen nog niet. Toen sprak hij tot den boom:

— „Nooit meer in eeuwigheid ete nu iemand vrucht van uquot;.

De leerlingen hoorden die woorden en waren daarover

verwonderd; maar zonder iets te zeggen , vervolgde Christus zijnen weg.

Te Jerusalem gekomen ging hij den Tempel binnen; maar ditmaal als heer en meester gelijk op den dag toen hij daar voor den eersten keer verscheen. Bij het zien van dezelfde godtergende ontheiligingen werd hij in heiligen toorn ontstoken, joeg de koopers en verkoopers uit het voorhof der heidenen, stortte de tafels der wisselaars en de gestoelten der duivenverkoopers omver en liet niet toe, dat iemand eenig huisraad door den Tempel droeg.

— „Staat er niet geschrevenquot;, riep hij, „mijn huis zal een huis des gebeds genoemd worden van al de volkeren? Doch gij hebt het tot een roovershol gemaaktquot;.

Zij die hem daags te voren als den zoon van David en als Koning hadden begroet, en zij die in die begroeting geërgerd waren, beiden konden begrijpen in welken zin hij zijn koningschap opnam.

Het bederf onder de menschen had het heiligste, den godsdienst met zijn Tempel aangetast. Christus' tusschen-kornst was noodig om aan die ergernis een einde te maken.

439

ocr page 458

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Waar zijn arm, met een zweep gewapend, niet geslagen heeft, blijft het huis des gebeds aan onteerders, dieven en kooplieden overgeleverd.

Twee malen in zijn leven, aan het begin en het einde van zijn loopbaan, heeft hij de koopers en verkoopers uit den Tempel gedreven. Altijd heeft Christus den Tempel, het huis zijns Vaders, beschouwd als zijn huis. Hij komt en handelt daar als Heer en Meester. Daarenboven de tijd is aangebroken, waarin die kudden voor de offers noodig, geen reden van bestaan meer hebben. Hij , die zelf het eeuwigdurend offer zou wezen, moet een einde maken aan die offers welke waardeloos werden.

Terwijl hij toornt tegen de schuldigen en onwaardigen is hij vol van medelijden met de zwakken en zieken die tot hem kwamen '), en genas hij blinden en kreupelen.

Het volk, in geestdrift over zijne wonderen en onderrichtingen , gaf ondubbelzinnige blijken van eerbied en liefde voor den Profeet. Zelfs kinderen deelden in aller opgetogenheid en riepen in den Tempel: „Hosanna den Zoon van Davidquot; ').

Die kreten wekten ergernis. De oversten van den Tempel, de schriftgeleerden en alle vijanden van Christus kwamen met verontwaardiging tot hem en vroegen:

— „Hoort gij wel wat dezen zeggenquot;?

Met één woord werden zij door hem neergezet:

— „Ja! Hebt gij nooit gelezen: o God! uit den mond van kinderen en zuigelingen hebt gij lof bereidquot; 3).

440

De wereld is niet veranderd. De kleinen, de onschuldigen , de oprechten alleen erkennen God en beminnen Hem; de hoovaardigen, die groot gaan op eigen kennis en deugd, zien niets en begrijpen niets. God staat hun in den weg

■) Matth. SXI, 14. ') Matth. XXI, 14. gt;gt; Ps. VIII, 3.

ocr page 459

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

en zijn gezant maakt hen boos. Zij zijn zich-zelven genoeg en verlangen slechts te genieten en te heerschen.

De Hooge Raad had reeds besloten Jesus te dooden en de invloedrijkste leden zochten slechts naar eene geschikte gelegenheid om dit besluit ten uitvoer te brengen.

Daar was één beletsel wat hun in den weg stond: het volk. Zij waren bang voor een volksoproer; alles moestin stilte gebeuren; ook hadden zij vrees voor Christus1).

Het doet goed Christus alleen verdedigd te zien door het volk dat een oogenblik in dienst is van het recht, de deugd en van God.

De Tempel is zijn laatste kampplaats; en om duidelijk aan te toonen, dat zijne zending is van zuiver geestelijken en niet van staatkundigen aard, verlaat hij het huis zijns vaders niet meer. Daar en niet op de straat of op de openbare pleinen leert en werkt hij. Men was in verrukking over zijn woord'); en met kwistige hand strooide hij van den ochtend tot den avond de gaven van zijne leer en van zijn almacht uit.

Wanneer de zon is onder gegaan keert hij met de zijnen naar Bethanië terug. Den volgenden dag, nog vroeg in den morgen, ging hij met zijne leerlingen wederom den weg naar Jerusalem op. De leerlingen zagen den vijgeboom, die door Christus was vervloekt, van den wortel af verdord3). — Meester riep Petrus, zie de vijgeboom dien gij vervloekt hebt, is verdord.

Deze boom alleen is alles wat door Christus' verdelgende macht is getroffen. Als Messias het welzijn der menschen verlangend heeft hij de schuldigen gespaard en alleen dezen vijgeboom zonder vruchten gedood.

Een licht te begrijpen zinnebeeld, dat daarom door de geheele overlevering 4) op gelijke wijze is verklaard. De onvruchtbare

') Marc. XI, 18.

-I Luc. XIX, 48.

') Marc. XI, 20 vv.; Matth. XXI, 18 vv.

*) Vgl. Origenes. Trad 16 en 18: Hieron. in Uatth., ad h. 1.

441

ocr page 460

CHRISTUS' DOOD EN HEELEVING.

vijgeboom is het uitverkoren volk door God in een uitgelezen grond neergezet. Op den bepaalden tijd kwam Christus, de Gezondene des Vaders, van dat volk boetvaardigheid eischen en geloof: dat waren de vruchten waarnaar hij hongerde. De uitverkorene die de goedheid en de liefde des Scheppers niet beloont, wordt altijd ten doode gedoemd. Hiervan geeft de geschiedenis vele voorbeelden aan de hand.

Aan dit alles schijnen de Apostelen niet gedacht te hebben; maar Christus wil hun geloof versterken en zegt tot hen: „Hebt geloof in Godquot; ').

Alle bovennatuurlijke macht wortelt in het geloof. Door het geloof wordt de mensch vereenigd met God en het werktuig van Zijn kracht. Christus heeft alle macht omdat hij een is met den Vader. Wat hij-zeil' is wil Christus dat zijne leerlingen worden. — „Danquot;, zegt hij, „zal niets u weêrstaanquot;.

„Voorwaar ik zeg u: al wie tot dezen berg zal zeggen: Hef u op, en werp u in de zee! en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft, dat wat hij ook zeggen mocht, geschieden zal, het zal hem gewordenquot;.

Men zou de beteekenis van Christus' woorden vervalschen indien men geloofde dat de Macht Gods aan de willekeur der menschen is overgeleverd. Neen, zij moeten vóór alles willen wat God wil en daarvoor is noodig het gebed.

„Daaromquot; zegt Christus, ,al wat gij biddende zult vragen, gelooft dat gij het verkrijgen zult, en het zal u gewordenquot;.

Voor zoodanig een gebed is noodig een zuiver hart. „Wanneer gij gaat staan om te bidden, vergeeft, indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader, die in de hemelen is, u uwe zonden vergevequot;.

De oneindige barmhartigheid van den Hemelschen Vader is de belooning van onze barmhartigheid.

Dit alles heeft Christus reeds vele maanden geleerd maar telkens met meer aandrang en met meer gevoel. Nog eens herinnert hij de apostelen eraan op weg naar Jerusalem, op

«) Matth SXI, 20 vv j Marc. XI, 22 vv.

442

ocr page 461

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

443

weg naar zijn lijden en dood, schen Vader te volbrengen.

Deze dag, de 12quot; Nisan, is brengen in den Tempel. Het vijanden wachten hem.

om den wil van zijn Hemelde laatste dien hij zal doorvolk is reeds daar, en zijne


TWEEDE HOOFDSTUK.

Laatste strijd in den Tempel.

In elke menschelijke maatschappij hetzij van godsdienstigen hetzij van staatkundigen aard, treden nu en dan voorgangers en baanbrekers op die het volk in beweging brengen, de gebreken van het bestaand gezag op de kaak stellen en om hervorming roepende tot vijanden van het bestaande gezag worden verklaard.

Dit is eene wet der historie die voor alle volkeren geldt; in het joodsche volk is zij geschreven met het bloed dei-Profeten.

Maar als voorganger en baanbreker is niemand aan Christus gelijk. Door het Rijk Gods te stichten schiep hij inderdaad eene nieuwe wereld waarvan hij-zelf de eenige en oppermachtige Koning is. Meer dan iemand moest hij dan ook den haat en de vervolgingen van het gezag op zich laden. Welke waren de laatste booze aanslagen van dezen haat? De evangelische oorkonden verhalen ze met een overvloed van bijzonderheden waardoor getuigenis wordt afgelegd van den diepen indruk dien ze bij de getuigen hebben achtergelaten ').

De overheden der joden die meer en meer verbitterd waren trachtten zich van Christus meester te maken. Van

') Vgl. Matth. XX', 23; XXXI[I; Mare- Xf, 27; XII; Luc. XX.

ocr page 462

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

den vorigen avond af beraadslaagden zij, in kleine bijeenkomsten hoe dit plan te volvoeren. Vóór alles willen zij alle opspraak vermijden en hun gewelddaad achter wet en recht verbergen. Een volksopstand, die bij het gevangen nemen van Christus wellicht zou losbreken, kon de grootste gevolgen hebben. Deze kon , zoo vreesden zij, de tusschen-komst der Romeinen noodzakelijk maken en den Hoogen-priester en zijne raadsleden aan de gestrengheden van den Stadhouder blootstellen. Zij geloofden daarom den veiligsten weg te bewandelen, wanneer zij aan Christus met list eenige woorden ontlokten die hem verdacht zouden maken bij de Romeinen en het volk, en tevens hen zouden recht, vaardigen dat zij hem gevangen namen en voerden voor den Hoogen Raad. Zoo deden zij.

Alle leden van het Sanhedrin waren om godsdienstige ot staatkundige redenen eenparig van gevoelen, dat „de Galileërquot; moest verwijderd worden.

In den morgen van den 12'i0quot; der maand Nisan leidde Christus het volk onder de galerijen van den tempel '). Daar kwamen toen tot hem eenige afgevaardigden van het Sanhedrin, overpriesters, schriftgeleerden en ouderlingen, om hem rekenschap van zijne zending te vragen. Zij vroegen hem: Door welke macht doet gij deze dingen ? en wie heeft u die macht gegeven?

Het geheele optreden van Christus is voor de afgevaardigden verdacht, terwijl zij zich toch in den aard van dat optreden des Profeets niet kunnen vergissen. Sedert drie dagen immers laat hij toe dat het volk en zijne volgelingen hem den Messias noemen; als hervormer is hij den Tempel binnengegaan en hij handelt en leert daar als meester. Met welk recht? Hij is niet gezonden door het openbaar gezag, en is dus een indringer, een rustverstoorder, een verleider, een invoerder van nieuwigheden.

Jesus' vijanden zochten met deze vragen de waarheid niet, maar eene verklaring die aan de voorgenomen be-

') Matth. XXl, 23-27; Marc XI. 27-33; Luc. XX, 1-8.

444

ocr page 463

CHRISTUS* DOOD ËN HERLEVING.

schuldiging tot grondslag kon dienen. Met recht konden zij, na hetgeen Christus bij het Loofhuttenfeest in den Tempel had gezegd, zoodanig eene verklaring verwachten. Doch Christus gaf hun geen antwoord op die vraag; zij verdienden veeleer beschaamd gemaakt en ontmaskerd te worden.

— „Ook ik zal u één ding vragenquot;, zeide hij tot zijne ondervragers, in tegenwoordigheid van al het volk, „en als gij mij dat zult gezegd hebben, zal ook ik u zeggen, door welke macht ik deze dingen doe. De doop van Joannes, van waar was die? uit den Hemel, of uit de menschen? Antwoordt mijquot;!

De vraag was lastig. Zoo zij antwoordden: uit den Hemel — dan veroordeelden zij zich-zelven en Christus zou tot hen, die dat doopsel, niet hadden aangenomen, zeggen: Waarom hebt gij daaraan geen geloof geslagen ? Maar indien zij, om hun ongeloof te rechtvaardigen, antwoordden: uit de menschen, — zou het volk, dat daar stond, hen gesteenigd hebben; want allen hielden Joannes voor een profeet.

De afgezanten zwegen op die vraag en misten zelfs den moed hunner overtuiging.

— „Wij weten het nietquot;. Ziedaar hun eenig antwoord.

— „Dan zeg ook ik u nietquot;, antwoordde Christus, „door welke macht ik deze dingen doequot;.

Die vertegenwoordigers van het geestelijk gezag veroor-deelen zich-zelven door te belijdan dat zij' den aard van Joannes' zending niet kenden. Wanneer zij het meest buitengewone godsdienstige feit der eeuw — de verschijning van Joannes door de profeten voorspeld ') — niet kunnen onderkennen, dan zijn zij ook niet meer de dienaren Gods. Kunnen zij den Voorlooper niet meer kennen, hoe zullen zij dan den Messias-zelven kennen?

't Blijft altijd en overal waar, dat God aan de eenvoudigen en nederigen zich openbaart.

') Isaïas, XII, 3; Malach. Ill, 1, 2.

445

ocr page 464

CHRISTUS1 DOOO ËN HERLEVING.

Boven het koning- en priesterschap stond bij het Israëlitische volk altijd nog een andere macht: die van Jehovah-zelven. Hij-zelf waakte over dat volk en sprak het van tijd tot tijd door den mond zijner profeten toe. quot;Waar deze afgezanten van God spraken, moesten allen luisteren en gehoorzamen. Die hen verwierpen, verwiei'pen God-zelven.

Christus roept het voorbeeld van Joannes in hun geheugen terug, omdat het geheugenis van hem bij het volk nog levendig was, en terwijl hij het goddelijk recht van den profeet bepleit, wijst hij tegelijk op zijn eigen goddelijk recht. De Geest Gods had alles door Joannes uitgewerkt, en aan dien Geest moet alle gezag onderdanig wezen.

Men moest dus gelooven in Joannes, naar hem luisteren en hem volgen. Het openbaar gezag nu had dat niet gedaan en Christus verwijt het den vertegenwoordigers ervan.

— ,Wat dunkt u? Zeker mensch had twee zonen; en hij kwam tot den eerste en zeide: Zoon! ga henen en werk in mijnen wijngaard. Maar hij antwoordde en zeide: Ik wil niet. Doch daarna berouw hebbende ging hij er heen5'.

„En hij kwam tot den tweeden en zeide hetzelfde. Deze antwoordde: Ik ga. Heer! en hij ging nietquot;.

„Wie van de twee heeft 's Vaders wil gedaanquot;? vroeg Christus tot de afgevaardigden van het Sanhedrin. „Zij zeggen tot hem: De eerstequot;.

Met hun eigen beginselen verslaat hij hen en laat er daarom zonder omwegen op volgen: „Voorwaar ik zeg u, de tollenaars en de onkuische vrouwen zullen u voorgaan in het Rijk Gods. Want Joannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en onkuische vrouwen hebben hem geloofd; terwijl gij, die dit zaagt, zelfs daarna geen berouw hebt gehad om hem geloof te gevenquot;.

Zoo versloeg Christus zijne tegenstanders en verweet hij hun hunne blindheid en ongeloof.

Daarop keerde hij zich tot het volk en verklaarde voor

446

ocr page 465

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

hen in eene nieuwe parabel wie hij was, van waar hij kwam, wat hij kwam doen, en waarheen hij ging.

De aanzienlijken luisterden mede.

— „Er was een huisvader die een wijngaard plantte; hij zette er eene haag om, groef eene wijnkuip daarin, bouwde een toren, verhuurde dien wijngaard aan landlieden , en vertrok buiten 's lands.

„Toen nu de tijd der vruchten genaderd was, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden om er de vruchten van te ontvangen. En de landlieden grepen zijne knechten, en sloegen den eenen, doodden den anderen, en steenigden den derden.

„Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eerste, en hen behandelden zij op dezelfde wijzequot;.

„Ten laatste zond hij zijnen zoon tot hen, zeggende; Mijnen zoon zullen zij ontzien.

„Maar de landlieden, den zoon ziende, zeiden tot elkander; Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, en wij zullen zijn erfenis hebben.

„Zij grepen hem dan, wierpen hem buiten den wijngaard, en doodden hem.

„Wat zal de heer des wijngaards met die landlieden doenquot;?

Zij antwoordden hem: „die booswichten zal hij naar hunne boosheid verdelgen, en zijnen wijngaard verhuren aan andere landlieden, die hem de vruchten zullen leveren op hare tijdenquot;.

Bij dio woorden riepen zij die begrepen dat dit op hen sloeg: „Dat zij verrequot;.

Christus zag hen aan met een gestrengen en dreigenden blik.

— „Dat zij verrequot; roept gij? „Wat is dit dan, hetwelk geschreven staat: De steen welken de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot hoeksteen geworpen. Van den Heer is dit geschied, en wonderbaar is het in onze oogenquot; ').

447

Daarop zeide hij met ronde woorden die de geheele parabel

') Ps. CXVII, 23.

ocr page 466

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

verklaren: „Het Rijk Gods zal van u worden weggenomen en gegeven aan een volk dat er vrucht mee doetquot;.

En terugkomend op het profetisch beeld van den steen voegde hij erbij: „wie op dezen steen zal gevallen zijn, zal verpletterd worden; en op wien hij zal vallen, dien zal hij-verbrijzelenquot;.

Op meer duidelijke wijze kon Christus niet zeggen, wie hij was en aan wien hij zijn recht ontleende.

Wij begrijpen, dat de afgevaardigden van het Sanhedrin aftrokken en zonnen op nieuwe list.

Tot eiken prijs wilden zij Christus verdacht maken bij het romeinsch gezag. En met dat doel vormden zij een ander plan. De hoofden der partijen bleven echter ditmaal achter de schermen staan. Zij gebruikten hunne leerlingen en kozen eenige pharizeën en eenige herodianen ') uit. De eersten waren groote voorstanders der nationale onafhankelijkheid, de tweeden waren goedgunstig gestemd voor het vreemde gezag. Beide partijen waren verklaarde vijanden, maar zijn nu vrienden met het oog op Christus' verderf.

Zij hielden te zamen raad, gingen daarna tot Christus en begonnen met gevlei:

— Meester! wij weten, dat gij oprecht spreekt en leert, en niemand ontziet en den weg Gods naar waarheid leert.

Is het ons geoorloofd, den keizer schatting te geven, of niet?

448

Geen verraderlijker vraag kon aan Christus worden voorgelegd. Het geheele volk had belang bij die vraag. Slechts met weerzin en gedwongen betaalde het volk zijn schatting

!) Eene plaats uil den Talmud, Juchasim., fol. 19, 1, zegt duidelijk wie de Herodianen waren. Daar wordt gezegd, dat voorheen Hillel on Monachem beiden aan het hoofd van het Sanhedrin stonden, maar dat Menahem zich ten dienste van Koning Herodes stelde en hy door 80 mannen werd gevolgd die zeer ryk waren gekleed. Hier ligt het begin der party, wier leden Herodianen werden genoemd. Vgl. Lightfoot, Iforae hebr. et talmud, p. 220.

ocr page 467

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

aan den Keizer, maar vooral de Galileërs stonden als weerspan nigen bekend. Zij verwachtten dan ook, dat hij als de vriend van het volk en als Galileör de schatting zou veroordeelen.

De Meester doorzag de list.

— „Waarom beproeft gij mij, gij huichelaars! Toont mij den cijnspenningquot;.

Zij gaven hem den penning waarop 's keizers beeld en naam was geslagen.

„Van wien is dit beeld en dit opschrift? Zij antwoordden: van den Keizer.

— „Geeft dan den keizer wat den keizer, en aan God wat God toekomtquot;.

Het stond bij alle wetgeleerden vast, dat overal waar het geld van een vorst in omloop was, de bewoners van dat land hem moesten erkennen als souverein ').

Christus onderscheidt hier de twee maatschappijen waartoe de mensch voortaan zal behooren: de kerk en de staat. Door zijne ziel behoort de mensch aan de kerk; door zijn lichaam aan den staat.

In deze woorden ligt de grondwet van alle menschelijke maatschappijen die zich alleen ontwikkelen kunnen waar gezag en vrijheid gaan hand aan hand. Zonder God loopt alle gezag uit op tirannie en alle vrijheid wordt opstand. Wanneer de politieke macht zal willen heerschen over het geweten van het volk, zullen Christus' leerlingen haar zeggen: „geeft aan God wat God toekomtquot;; en wanneer het volk tot oproer overslaat zal het woord weerklinken: „Geeft den Keizer wat den Keizer toekomtquot;.

449

Christus' geheele leven is in overeenstemming met zijne leer. Op de openbare plaatsen hoorde men hem nooit het volk opruien en bewerken. Zoo de tetrarch hem bedreigt, zet hij zijne vreedzame zending rustig voort; indien de hoofden van den godsdienst hem beloeren en willen vervolgen, trekt hij zich in weemoed terug. Wanneer het volk hem wil

l) Talmud Hierosol. fol. 20. 2 Vgl. Maimon, in Gezïlah, c. V.

29

ocr page 468

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Koning maken, vlucht hij weg, nadat hij allen voor goed daartoe den lust heeft ontnomen door het openbaren van zijne zending op de meest stootende wijze. En in de toejuichingen van het volk gedurende deze laatste dagen van zijn leven is niets waarover de overheid met reden bezorgd of bevreesd kon wezen. Zijne leerlingen zullen hetzelfde doen en gehoorzaamheid prediken aan hen die het zwaard voeren waardoor zij-zelven zullen vallen ').

Ook deze afgezanten bewonderen zijne wijsheid en trekken zich vol schaamte terug.

Alle partijen schijnen nu samen te spannen tegen Jesus. Men gaat hem van alle kanten met vragen te lijf, om hem te tergen en lagen te leggen.

Na de oversten der priesters en der mannen van de Wet die hem vroegen in naam van welk gezag hij optrad voor het volk; na de pharizeën en de herodianen die hem ten val trachtten te brengen door hem de moeielijke vraag over het geoorloofde van den cijnspenning voor te leggen, komen nu de sadduceën, die ongeloovigen en spotters zijn. Dezen zijn de positivisten van dien tijd. Het bestaan van een ander leven na het leven van dezen tijd schijnt hun eene dwaasheid toe. De Wet bestaat voor hen slechts uit wijze inzettingen van menschen die ^ noodzakelijk zijn voor de maatschappelijke orde. Zij zijn aan sommige critici van dezen tijd volkomen gelijk, en zeggen dat door niets in de Wet de onsterfelijkheid wordt geleerd. Zij loochenen de opstanding. Zij zijn kortzichtig en verachten elke leering die niet komt van hen. Hun krachtigste wapen is spct-ternij. Zij gelooven Christus als een gewoon pharizeër in 't nauw te kunnen brengen door hem eene moeilijkheid voor te leggen die steeds met goed gevolg tegen hunne tegenstanders door hen was gebruikt1).

— Meester, zeiden zij tot hem, Mozes heeft ons voor-

450

1

') Matth, XXII, 23-32; Marc. XII, IS-27; Luc. XX, 27-38.

ocr page 469

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

geschreven: indien iemand sterft zonder kinderen na te laten moet zijn oroeder de vrouw van den overledene trouwen, om voor hem een nageslacht te verwekken.

„Nu waren er zeven broeders: en de eerste nam eene vrouw en stierf zonder kinderen. En de volgende nam haar: ook hij stierf kinderloos. En de derde nam haar: op gelijke wijze ook alle zeven, en zij lieten geen kroost na, en zijn gestorven. Ten laatste van allen stierf ook de vrouw. In de opstanding dan, van wien hunner zal zij de vrouw zijn? Want de zeven hebben haar tot vrouw gehadquot;.

— „Gij dwaaltquot;, antwoordde Christus, „daar gij noch de schriften kent noch de kracht Gods.' Want in de opstanding zal men noch huwen noch uitgehuwelijkt worden; zij kunnen ook niet meer sterven, vermits zij den Engelen gelijk zijn; zij zijn kinderen Gods, daar zij kinderen der opstanding zijnquot;.

De moeilijkheid door de sadduceën opgeworpen bestond niet. Zij bestond alleen in hun bekrompen brein, dat de dingen der eeuwigheid beoordeelde naar de dingen van dezen tijd.

En om aan zijne tegenstanders een onderricht te geven dat zijn grond had in de Schriften die zij aannamen doch niet verstonden, zeide hij tot hen:

Gij ontkent de opstanding, en Mozes toont aan dat de dooden zullen opstaan en leven. Heeft God niet tot hem in het brandend braambosch gezegd; Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaiic, en de God van Jacob. Welnu; hij is toch niet een God der dooden maar der levenden, want allen leven in Hem.

Wat God heeft geschapen onderhoudt Hij. De vorm verandert, maar de zelfstandigheid blijft.

451

Christus' wijsheid vierde eene nieuwe zegepraal. Men juichte hem toe, en sommige schriftgeleerden zeiden: Meester, gij hebt wel gesproken ').

') Matth. XXV, 33; Luc. XX, 39.

ocr page 470

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Eén van hen - een leeraar die de vraag der Sadduceën en het antwoord van Christus gehoord had — naderde zelfs tot hem en vroeg welk het grootste gebod was in de Wet').

— „Het eerste gebod van allen zeide hij, is: Hoor, Israel! de Heere, uw God, is een éenig God. En gij zult den Heer, uwen God liefhebben uit geheel uw hart, en uit geheel uwe ziel, en uit geheel uw verstand, en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod.

„En het tweede aan dit gelijk, is: Gij zult uwen naaste liefhebben, als u-zelven. Er is geen ander gebod, grooter dan dezequot;.

„En de schriftgeleerde zeide tot hem: Wel, Meester! naar waarheid hebt gij gesproken; dat er een éenig God is, en er is geen ander, dan Hij. En Hem lief te hebben uit geheel het hart, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziel, en uit geheel de kracht; en den naaste lief te hebben, als zich-zelven, is meer, dan alle branden slachtoffersquot;.

Met deze woorden wordt de meest zuivere opvatting van den Israëlischen godsdienst weergegeven; en de wijze Hillel had het in die dagen zoo geleerd. De liefde is meer dan offers waard. Dat was ook de leer der profeten die echter door de overdreven vereerders van alle vormen was miskend. Toch blijft hem, die God en den naaste bemint, nog iets overig te doen. Christus laat dit den schriftgeleerde verstaan door tot hem te zeggen :

— „Gij zijt niet verre van het Rijk Godsquot;.

De ware leer en de deugd zijn slechts eene voorbereiding tot het Rijk Gods; het Geloof alleen brengt ons daarbinnen. Door het Geloof in Christus komt Gods Geest in ons, deelen wij, door dien Geest herboren, in het eigen leven van God, en worden wij kinderen Gods.

452

Zoo zegepraalt Christus in den laatsten dag, waarop hij als leeraar optreedt over alle aanvallen waaraan hij is bloot-

!) Matth. XXII, 34-40; Marc. XII. 28-34.

ocr page 471

CHEISTUS' DOOD EN HERLEVING.

gesteld. Hij ontsnapt aan alle hinderlagen en schijnt grooter dan ooit. Hij verlicht allen die gelijk deze schriftgeleerde in oprechtheid en eenvoud des harten tot hem komen.

DERDE HOOFDSTUK

Laatste vervloekingeyi tegen de pharizeën.

De afgezanten van het Sanhedrin, de leeraars der ver schillende partijen en scholen waren voor zijne wijsheid beducht. Men liet hem heer en meester in den Tempel, waar hij door het volk als de Messias werd vereerd. Hij wist evenwel dat men verlangde naar zijn dood; hij-zelf had het duidelijk gezegd in de parabel van de wijngaardeniers. Het was hem ook bekend hoe zijne verklaring, dat hij de Zoon was van God, door velen als eene godslastering was opgenomen en zij hem daarvoor des doods schuldig zouden verklaren.

Hij wilde echter zijne tegenstanders met de Schriften in de hand bewijzen, dat hij, als Messias, met recht zich voor den Zoon van God verklaarde; hij verzamelde daarom de pharizeën en stelde hun deze vraag '):

— „Wat dunkt u aangaande den Christus? Wiens Zoon is hij?quot;

Zij antwoordden: — van David.

Geene hoedanigheid van den Messias was in het gansche land, in de overlevering en in de scholen meer algemeen bekend.

453

Maar wat is die zoon van David? Hoedanig is zijn natuur, zijne waardigheid en zijne bediening? Bij het antwoord geven op deze vragen, dwalen allen van den weg.

') Matth. XXII, 41-45; Marc. XXII, 33-37; Luc. XX, 41-46.

ocr page 472

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Juist de éene waardigheid, die al het andere omsluit, wordt door allen miskend ; en juist deze waardigheid houdt Christus gedurende zijn openbaar leven hoog in 't volle licht.

Nu nog, nu hij op het punt staat voor goed den Tempel te verlaten, bij het naderen van zijn dood, beproeft hij de Schriftgeleerden uit de meest bekende der messiaansche Psalmen te bewijzen, dat de Messias de Zoon van God moet zijn.

Hij weigert den titel van zoon van David niet, gelijk sommige Schriftverklaarders hebben gewild1); hij neemt dezen aan maar zal daaruit juist zijne godheid bewijzen.

— „Indien de Christus de zoon van David isquot;, zegt hij tot hen, „hoe noemt dan David door den Geest hem Heer, als hij zegt

„De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer.

„Zit aan mijne rechterhand,

Totdat ik uwe vijanden zette tot eene rustbank uwer voetenquot;').

Indien de Christus de Heer is van David, gezeten zelis aan de rechterhand van God, dan is hij ook God. Deze gevolgtrekking was voor alle leeraars der Wet, die in de Schriften het woord Gods erkenden, noodzakelijk. En toch namen zij deze gevolgtrekking niet aan, omdat voor hsn de geest van alle zieners in Israël en van het geheele Oude Verbond was verloren gegaan. Zij begrepen niet meer de persoonlijke, daadwerkelijke, onmiddelijke, levende tusschenkomst van God in het bestuur van zijn volk, welke zich bij de zieners van Israël tijdelijk in een voorbijgaanden vorm had geopenbaard maar welke in den persoon van den Messias voor goed de gedaante eens menschen zou aannemen en zoo volmaakt mogelijk zou wezen. De Godheid van Hem, door Isaïas genoemd3): „ons is een knaapje geboren, de wonderbare, de sterke en machtige Godquot;, van wien Micheas de menschelijke geboorte te Bethlehem en de

') Schenkel Des Characterbild von Jesu.

») Psalm CX.

s) Isaïas, IX, 5; Mich. V, 2; Malach. Ill, 1.

454

ocr page 473

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

goddelijke geboorte in de eeuwigheid onderscheidt; die door Malachias „de Adonaï, die zijn Tempel binnengaat'^ wordt genoemd — de godheid van den Messias was voor hen achter een sluier verborgen. Voor de laatste maal tracht Christus met de woorden der profeten dien sluier van een te scheuren en hun aan tetoonen, hoe, door de godheid van den Messias, zijne twee titels, van zoon en Heer van David, verklaarbaar worden. Deze verstokte geesten willen niet zien, zij staan verstomd en verslagen maar gaan even ongeloovig weg.

Met zulke sobere trekken wordt dit laatste samenzijn van Christus en zijne tegenstanders door de Evangelisten verhaald, dat wij ter nauwernood daarvan alle heerlijkheid gevoelen. En toch dit voorval is zoo aangrijpend en gewichtig mogelijk, want terwijl hij zoo zijn ware natuur aan hen openbaar maakt onderteekent hij zijn doodvonnis met eigen hand. Maar wat is hem aan zijn dood gelegen? Moest hij door zijn dood niet ter overwinning gaan? Hij wilde het eenmaal met groot gezag aan de joden zeggen, toen hij hun het woord van Jehovah tot den Messias herinnerde: „Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden zette tot eene rustbank uwer voetenquot;. Daarop keerde Christus zich tot zijne leerlingen die in verrukking en vol van bewondering naar hem geluisterd hadden.

En na deze plechtige en laatste openbare verklaring dat hij de Messias is en de Zoon van God, gaat hij als rechter spreken, veroordeelt en brandmerkt hij schriftgeleerden en pharizeën, als de vertegenwoordigers der Wet en der offlcieele godsdienst-wetenschap, op zoodanige wijze , dat hij hen onder zijne vervloekingen begraaft').

— „Wacht u voor henquot;, riep hij, „zij zullen zwaarder oordeel ontvangen.

455

„Zij zijn gezeten op den stoel van Mozes. Daarom onderhoudt en doet, al hetgeen zij u zeggen; maar doet niet naar hunne werken; want zij zeggen het en doen het niet.

gt;) Matth. XXIIX, 1 ad /in.; Marc. XII, 37-iO.

ocr page 474

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

„Zij binden zware en ondragelijke lasten samen, en leggen die op de schouders der menschen; maar zij willen ze met hunnen vinger niet aanraken.

„Zij doen al hunne werken om van de menschen gezien te worden.

„Breed maken zij hunne gedenk-cedels, en groot de kwasten van hun bovenkleed.

„Zij hebben gaarne de eerste plaatsen bij de gastmalen, en de voorste zetels in de synagogen, ook de begroetingen op de markt, en dat zij van de menschen Rabbi genoemd worden.

„Maar gij laat u niet meesters noemen, en wilt ook op de aarde niemand meer vader noemen; want gij hebt slechts één Vader die in de hemelen is, en gij zijt allen broeders; en één is uw Meester, Christus.

„Die onder u de grootste is, zal uw dienaar zijn; want al die zich verheft, zal vernederd, en die zich vernedert, zal verheven wordenquot;.

Huichelarij, hardvochtige dwingelandij, naijver, valsch-heid en hoovaardij waren de ondeugden dier mannen, die met gezag bekleed en de eerste Antichristen waren.

Hunne verblindheid en hun haat was niet te verontschuldigen, zij hebben Gods vloek verdiend.

— „Wee uiquot; zegt Christus, „schriftgeleerden en pharizeën, schijnheiligen! want gij sluit het rijk der hemelen voor de menschen; gij toch gaat daar niet in, en die daarin willen gaan, laat gij niet ingaan.

„Wee u, schriftgeleerden en pharizeën, schijnheiligen! want gij eet de huizen der weduwen op, biddende lange gebeden.

„Wee u, schriftgeleerden en pharizeën, schijnheiligen! want gij doorkruist zee en land, om éénen bekeerling te maken, en als hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der gehenna, tweemaal meer dan gij-zelven.

„Wee u, gij blinde leidsmannen, die zegt: Alwie bij den Tempel zweert, dat is niets; maar wie bij het goud des

455

ocr page 475

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Tempels zweert f die is schuldig. Gij dwazen en blinden! Want wat is meer, het goud, of de Tempel, die het goud heiligt? En zegt gij nog: Wie zweert bij het altaar, dat is niets; maar wie gezworen heeft bij de gave, welke daarop ligt, die is schuldig. Gij blinden! Wat toch is grooter, de gave, of het altaar, dat de gave heiligt?

„Wie zweert bij het altaar, die zweert bij dit, en bij al wat daarop is. En wie zweert bij den Tempel, die zweert bij dien en bij Hem, die daarin woont. En wie zweert bij den hemel, die zweert bij den troon Gods, en bij Hem die op dien troon zit.

„Wee u, schriftgeleerden en pharizeën, schijnheiligen! want gij geeft tienden van munt-kruid en van anijs, en van komijn; maar gij verwaarloost de gewichtige plichten der Wet, de rechtvaardigheid, en de barmhartigheid, en het geloof. Het eerste moest gij doen, en het andere niet nalaten. Gij blinde leidslieden, die de mug uitwerpt en den kameel doorzwelgt.

„Wee u, schriftgeleerden en pharizeën, schijnheiligen! want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijt gij vol roof en onreinheid.

„Gij blinde pharizee! maak eerst rein het inwendige van beker en schotel, opdat het uitwendige rein worde!

„Wee u, schriftgeleerden en pharizeën, schijnheiligen! want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten den menschen wel fraai schijnen, maar van binnen zijn zij vol doodsbeenderen en alle verrotting, ook zoo schijnt gij wel den menschen van buiten rechtvaardig, maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en boosheid.

Gods onverbiddelijke en eeuwige rechtvaardigheid toornt door Christus* mond tegen de hoofden van het joodsche volk. Hunne misdaden roepen om wraak. Zij trekken zich-zelven en anderen af van het Rijk Gods. Zij zoeken zich-zelven in alles en gebruiken den godsdienst als masker.

God spreekt door zijne profeten , naar wie zij niet luisteren

457

ocr page 476

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

maar die zij wel ter dood brengen. En om het volk te bedriegen, sieren zij hunne graven op. Maar nu God-zelf is gekomen zinnen zij wederom op zijnen dood. Christus ziet het, hoe zij vol zijn van verlangen naar zijn dood; en bij dat gezicht slingert hij hun zijn laatste maar ook vreese-lijkste vervloeking naar het hoofd.

— „Wee u, schriftgeleerden enpharizeën, schijnheiligen! die de graven der profeten opbouwt en versiert de gedenk-teekenen der rechtvaardigen, en zegt; Hadden wij in de dagen onzer vaderen geleefd, wij waren met hen niet deel-genooten geworden aan het bloed der profeten.

„Wilt gij hem die tot u spreekt, niet ter dood brengenquot;?

„Maakt dan de maat uwer vaderen volquot;.

De opperste rechter verklaart allen schuldig aan de misdaden van heel zijn volk, en roept uit;

„Gij slangen, adderengebroed! hoe zult gij het oordeel der gehenna ontvlieden?

458

„Daarom ziet, ik zend tot u profeten en wijzen , en schriftgeleerden; en sommigen van hen zult gij dooden en kruisigen, en sommigen van hen zult gij geeselen in uwe Synagogen en vervolgen van stad tot stad, opdat over u kome al het rechtvaardig bloed, dat op aarde vergoten is, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot het bloed van Zacharias '), den zoon van Barachias, dien gij vermoord hebt tusschen den Tempel en het altaarquot;.

i) Deze Zacharias was de opperste offeraar onder het bestuur van Joas. (II Philip. XXIV, 20-22). Toen hij zag, dat het volk zich aan afgoderij overgaf, waagde hy het bü een plechtig feest, in den Tempel, aan Israël ztjne ongetrouwheden jegens God te verwijten. Door Joas en het volk werd hy daarom in het Voorhof zelve gesteenigd. In het Boek Paralipomma wordt hü de zoon van Jojada genoemd , en door den H. Mattheüs, de zoon van Barachias. De H. Hieronymus teekent hier (Comment, in Matth. L. IV) met recht aan, dat beide namen, Jojada en Barachias in het Hebreeuwsch hetzelfde beteekenen: van God gezegend. Volgens het getuigenis van deuzelf-den Kerkvader las men ook werkelijk in het Evangelie der Nazareé'rs, Jojada in de plaats van Barachias.

ocr page 477

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Deze woorden werden daad en brachten in werkelijkheid Gods vloek.

„Voorwaar ik zeg uquot;, voegt hij er bij, „dit alles zal komen over dit geslachtquot;.

Maar toch ontrukt het zien van Jerusaleras straf hem een kreet van groote droefheid en herhaalt hij zijne klacht die hij reeds vroeger bij het zien van Jerusalems halsstarrige boosheid had geuit').

— „Jerusalem, Jerusalem! die de profeten doodt, en steenigt degenen, die tot u gezonden zijn! hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijeen vergaderen, gelijk eene hen hare kiekens vergadert onder hare vleugelen, en gij hebt niet gewild 1) ?quot;

En wijzend op den Tempel voegde hij er bij: — „ziet, uw huis zal u woest worden overgelaten. Want ik zeg u: Gij zult mij van nu af niet meer zien, totdat gij zult zeggen : Gezegend is Hij die komt in den naam des Heeren.

Met deze woorden riep Christus voor de laatste maal en te vergeefs Jerusalem ter bekeering op. De Tempel zou hem niet meer terugzien en moet als een verlaten huis in puin verkeeren.

Alles wat God verjaagt is ten verderve gedoemd.

Hierna ging Christus een weinig ter zijde zitten in het Voorhof van Israël, bij de schatkamer en de offerblokken2). Hij zag naar het volk dat daar samenstroomde om zijne geldstukken daarin te werpen. Vele rijken wierpen veel daarin; maar eene arme weduwe wierp er twee penningskens in, ter waarde van een halve cent.

Christus riep zijne leerlingen en zeide; „Voorwaar ik zeg u, dat deze arme weduwe er meer heeft ingeworpen , dan alle anderen. Want allen hebben zij van hunnen overvloed gegeven; maar deze heeft

459

1

') Matth. XXIII, 38-39.

2

) Mare. XII, 41-14; Luc. XXI, 1-4.

ocr page 478

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

van hare armoede geschonken al wat zij bezat, hare gansche havequot;.

Alle gave ontleent haar waarde aan de liefde waarmee gegeven wordt. Christus, die in de harten las kende de liefde van die vrouw.

Een eigenaardig voorval'), dat aanleiding gaf tot Christus' laatste woorden in den Tempel, had nu plaatss).

Eenige heidenen, die ook met het Paaschfeest naar Jerusalem waren opgetrokken om daar te aanbidden kwamen tot Philippus, die van Bethsaïda in Galilea was, en vroegen hem: Heer, wij willen Jesus zien. Zij schijnen dus Philippus gekend te hebben en woonden wellicht in éene der tien steden die bij Bethsaïda lagen. Niet uit nieuwsgierigheid verlangden zij Christus te zien. De groote eerbied, waarmede zij dit verlangen kenbaar maken , getuigt dat zij tot hem wilden naderen om door hem onderricht te worden.

Philippus begrijpt het gewicht van hetgeen hij gaat doen; hij herinnert zich het woord van zijn Meester: „Ik ben slechts gezonden tot de verloren schapen van het huis van Israëlquot;. Hij-zelf durft de vraag niet te doen en spreekt er daarom eerst met Andreas over. Deze laatste , wiens besliste aard bekend is1), bemoedigt Philippus; en beiden brengen aan Christus de vraag over. Ofschoon de Evangelist ons het antwoord niet meldt , kunnen wij toch ge-looven dat hij aan het verlangen der heidenen heeft voldaan. Geen mensch van goeden wil komt te vergeefs tot Christus. Zij werden ook de aanleiding en de getuigen van een feit, waarin Christus zijn gansche ziel in 't volle daglicht openbaarde.

460

1

) Joës. I, 41 — 42.

ocr page 479

Christus' dood en herleving. quot;£81

Nu de heidenen naar hem verlangend uitzien in hetzelfde oogenblik waarin de joden hem verwierpen, greep een ontroering van Godswege hem aan. Zijn gansche bestemming, smartvol en glorierijk tevens, zag hij voor zich staan. Het ontrouwe volk zal hem verwerpen en kruisigen, maar door zijn dood zal hij de geheele menschheid tot zich trekken. De „Vorst dezer wereldquot; hoopt hem als een overwonnene neer te werpen op zijn kruis; maar dat kruis zal zijn troon worden waarheen de heidenen in massa ter aanbidding zullen opgaan.

Door dit gezicht in de toekomst wordt hij ontsteld en getroost, ter neergeworpen en opgebeurd. Maar wat hij spreekt dient slechts om zijne leerlingen te wapenen tegen de ergernis van zijn naderenden dood. Zijne woorden zijn vol van vrede en kracht: — „Het uur is gekomenquot;, zegt hij, „dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt wordenquot; ').

Die heerlijkheid zal niet alleen in den hemel aan de rechterhand zijns Vaders wezen , maar ook op aarde in zijn zegepraal over de heidensche wereld.

Waarom moet de Zoon des menschen sterven? Door eene algemeene en noodzakelijke wet in het Godsbestuur wordt die dood geëischt. — „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Tenzij het tarwegraan in de aarde valle en sterve, blijft het alleen; maar wanneer het sterft, brengt het veel vrucht voortquot;5).

Om zoodanig een Meester te volgen, in wien de dood — het grootste offer — de voorwaarde is voor het leven en de overwinning, moet men zich-zelven maken tot een offer.

— „Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen, en wie zijn leven haat in deze wereld, bewaart het ten eeuwige levenquot;. Het glorievol lot van den Meester zal ook dat van zijne leerlingen zijn: „Zoo iemand mij dient, hij volge

') Joës. XII, 23. ') Joës. XII, 24.

ocr page 480

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

mij; en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Zoo iemand mij dient, de Vader zal hem eerenquot; ').

Ofschoon onderworpen aan den wil van zijn Vader voelde hij toch, nog meer dan wij, een afkeer van het lijden. En dien afkeer openbaart hij hier wanneer hij uitroept;

— „Nu is mijne ziel ontroerd. En wat zal ik zeggen? Vader! verlos mij uit deze urequot;. Ziedaar het woord van den mensch. „Maar om te sterven ben ik gekomen. Vader! verheerlijk uwen naamquot; 2). Ziedaar het woord van den wil die aan de natuur het zwijgen oplegt en zich vereenigt met den wil van God.

Alle getuigen waren zeker ontsteld bij het plechtige en verhevene van Christus' houding en woord; maar grooter werd nog hunne ontsteltenis, toen de Vader hem ging verheerlijken die zich zoo vernederde voor de menschen.

Daar kwam eene stem uit den hemel, roepende: „En ik heb mijn naam verheerlijkt, en zal hem wederom verheerlijkenquot; 3).

De eerste verheerlijking werd gebracht door Christus' prediking aan Israël; de tweede zal komen bij de bekeering der heidenen. Van beide verheerlijkingen is Christus' dood het middelpunt.

Allen hoorden deze stem, maar niet allen begrepen haar. De groote menigte zeide: „dat er een donderslag was geweestquot;. Anderen zeiden: een Engel heeft tot hem gesproken. „Deze stemquot;, sprak Christus, „is niet gekomen om mij, maar om uquot; 4).

De lijdende en stervende Christus is eene ergernis voor 's menschen verstand indien God-zelf niet iuist daarin de glorie van zijnen naam liet zien. Christus zelf verklaart daarom aan onze onwetenheid de geheimzinnige stem.

') Joüs, XII, 25-26.

') Joës, XII, 27-28.

5) Joës, XII, 28.

*) Joës, XII, 30.

462

ocr page 481

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

— Weet het, voegde hij erbij: „Nu is het oordeel der wereld daar; nu zal de vorst dezer wereld worden buiten-geworpen. En ik, wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal allen tot mij trekkenquot;.

Nooit te voren had Christus zoo klaar en kloek gesproken van zijnen dood en van zijne glorie die na zijnen dood zou beginnen. Wanneer hij aan zijn kruis zal hangen zal hij over de wereld heerschen. Zij die alsdan op de borst kloppen en gelooven, zullen behouden zijn, die hem zullen lasteren en ongeloovig blijven, zullen verloren gaan.

Terwijl Christus sprak, was het volk in grooten getale rondom hem samengestroomd. Het luisterde met aandacht, maar was geërgerd in Christus' verklaring dat hij, die zich de Messias noemde , zou sterven. Een gefolterde en stervende Messias was en bleef boven hun bereik. De Messias moest een overwinnaar en de stichter van een nieuw en altijddurend koninkrijk wezen. Zóó hadden zij het van hunne leeraars geleerd, die sommige schriftuurplaatsen') kwalijk verstonden en andere s) schenen te vergeten. Toen het volk nu van zijn kruisdood hoorde, riep het ook uit: De Christus sterft niet, maar blijft in eeuwigheid; de Wet leert het ons. Hoe zegt gij dan? De Zoon des menschen moet verhoogd worden? Wie is die Zoon des menschen?

Men hoort hier reeds de storm opkomen waardoor Christus zal worden neergeveld. Een gekruiste Messias kon voor hen de ware Messias niet zijn.

Christus geeft geen antwoord op de laatste vraag. De tijd is voorbij. Hij gaat met zijne leerlingen weg na nog eens en voor het laatst, in eene taal die niemand der menschen ooit heeft gesproken, een beroep te hebben gedaan op zijn volk.

') Mich. V, 2; Ps. CIX, 4; LXXXVIII, 30-38; LXXI, 0; Isaïas, IX. 7; XL. 8; XXXVIII, 27; Daniël, IX, 26 enz.

s) Isaïas LUI; Ps. XXI; Daniël IX, 26; Jerem. XI, 19.

4C3

ocr page 482

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

— „Nog een weinig tijds is het licht bij u. Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat u niet de duisternis over-valle; en die in de duisternis wandelt, weet niet, waarheen hij gaat. Terwijl gij het licht hebt, gelooft in het licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijnquot; ').

VIERDE HOOFDSTUK.

De naderende verwoesting van Jerusalem en den Tempel.

Het einde der tijden.

Toen Christus, meer dan ooit door de hoofden des volks verstooten, den Tempel verliet, waarin hij niet meer zou terugkeeren, ging hij zonder twijfel door de poort van Suza die aan de vallei van de Cedron was gelegen en klom hij naar Bethanië op.

De muren van den Tempel en der stad waren hier bovenmate zwaar en breed. Daarop werd Christus door een dei-leerlingen opmerkzaam gemaakt. — Meester! zie wat steenen, en wat gebouwen2)! terwijl anderen hem wezen op de rijke versierselen van den Tempel. Zij dachten aan de voorspelling zooeven gehoord. aan de naderende verwoesting van dat alles. Christus' antwoord was verpletterend.

— „Ziet gij alle deze groote gebouwen? Er zal niet één steen op den anderen gelaten worden, die niet zal worden afgebrokenquot;.

Dienzelfden dag had hij reeds van den Tempel tot de joden gezegd: „Uw huis zal u woest worden overgelatenquot;.

') Joës XII y 3o , 36.

*) Matth XXIV, 1 vv.; Marc. XIII, 1; Luc. XXI, 5.

464

ocr page 483

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Om hun gevoel te sparen had hij niet meer gezegd; maar voor zijne leerlingen spreekt hij de volle waarheid uit. De Tempel zal niet alleen verlaten maar verwoest worden.

Deze voorspelling deed Christus op den vierden cf vijfden April (den ll^en of der maand Nisan) van het jaar 30.

In het jaar 70 werd Jeiusalem en de Tempel door Titus en zijne soldaten tot den grond verwoest. De drie torens Phasaël, Hippicos en Mariamne alleen, met een brok muur ten westen der stad, bleven staan.

Door deze vreeselijke voorspelling en hetachtmaal herhaalde : Wee! van Christus tegen de hoofden van het volk waren zijne leerlingen terneergeslagen; maar op die puinhopen zagen zij het rijk van den Messias verrijzen en die aanblik bracht hun troost.

Al voortwandelend waren zij door de vallei van de Cedron gegaan en hadden zij den Olijfberg ten halve beklommen. Hier keerde Christus zich om, en zette hij zich neder met zijn gelaat naar den Tempel gekeerd '). Het was avond en de zon ging achter den Tempel onder. Nog altijd onder den indruk van Christus' voorspelling namen vier leerlingen, Petrus, Jacobus, Joannes en Andreas hem afzonderlijk en zeiden: Meester, zeg ons, wanneer zullen deze dingen geschieden? en welk zal het teeken zijn van uwe openbaring en het einde der wereld?

Op geheimzinnige wijze komen zij met deze vraag tot Christus, omdat zij het niet wagen luide te spreken over de verwoesting van den Tempel en de stad. Dat was voor de schriftgeleerden en pharizeen een godslastering.

465

Voor de leerlingen zijn de verwoesting van Jerusalem en van den Tempel, de glorierijke komst of openbaring van den Christus en het einde der tijden en der dingen aan elkander verbonden. Zij hebben daarop verschillende ongegronde verwachtingen gebouwd. Iets anders evenwel is de verwoesting der stad; iets anders de ondergang der wereld.

') Matth. XXIV, 3; Maro. XIII, 3.

30

ocr page 484

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Iets anders is Christus' heerlijke openbaring aan de heidenen wanneer hij over het jodendom zegeviert en op de puinhopen ervan zijn Rijk en zijne Kerk sticht; iets anders Christus' laatste glorievolle verschijning aan het einde dei-wereld, wanneer hij in de volheid zijner glorie op de oude verwoeste wereld, in het van gedaante veranderde heelal, zijn eeuwigdurend Rijk zal stichten.

Daar zijn dus twee plechtige daden van Gods wrekende gerechtigheid: door de eene komen de joden als volk om, door de andere wordt de wereld verwoest. Door de eene worden alleen de joden getroffen, die gestraft worden om hunne verwerping van den Messias en zijn dood; door de andere wordt de gansche wereld geslagen om de ongetrouwheid van alle boozen en de verwerping van den Messias die voortleeft in zijne Kerk.

Daar zijn ook twee plechtige openbaringen van den Messias. De eerste na zijn schandelijken dood voor de heidensche wereld in het midden der tijden en der volken; de tweede aan het einde van allen tijd. Ook zoo zal het Rijk van den Messias in twee toestanden verkeeren, die met de twee onderscheidene komsten van Christus overeenstemmen; eerst zal dat Rijk de strijdende Kerk op aarde wezen, die, gelijk Christus in zijn sterfelijk leven, in strijd en lijden haar taak zal volbrengen; later zal dat Rijk de hernelsche Kerk wezen in volle zegepraal, vrij van lijden en strijd, gelijk Christus in zijn verheerlijkt leven.

Deze twee feiten zijn onverbreekbaar met elkander verbonden ofschoon zij door de eeuwen worden gescheiden. Het eerste is de voorspelling van het tweede feit. Ofschoon zij elk voor zich iets bijzonders en eigenaardigs hebben waardoor zij onderscheiden zijn, hebben zij ook veel wat overeenkomt in beide. In de verwoesting van Jerusalem en den Tempel ziet men den ondergang der wereld en het einde der tijden; het eene is het einde van éene wereld en éen volk, het andere is het einde der gansche wereld en alle volken. Wanneer men Christus' zegevierenden voort-

466

ocr page 485

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

gang na de verwoesting van Jerusalem in het midden der verbitterde en saamgezworene maar onmachtige menschheid ziet, denkt men onwillekeurig aan de eind-zegepraal van hem die op de wolken des hemels zal nederdalen met groote macht en heerlijkheid om te heerschen op de nieuwe aarde in eeuwigheid.

De leerlingen verwarden deze twee feiten; maar Christus onderscheidt ze in zijn antwoord met zorg. De gebeurtenissen hebben voor zijne oogen plaats. Hij is daarvan de getuige niet alleen, maar de goddelijke macht die ze in 't leven roept. Hij omvat de geheele samenhang van zijn eigen werk, en terwijl hij spreekt tot hen die daarvan het begin zullen zien, onderwijst hij, de meester van tijd en eeuwigheid, tegelijk allen die elkander zullen opvolgen in den loop der tijden. Behalve eenige bijzonderheden die öt alleen op Jerusalem of alleen op het einde der wereld kunnen slaan, blijven alle woorden van dit onderhoud altijd waar voor alle tijden. De geloovige van alle tijden kan daarin licht vinden voor zijn levensweg; de wet der historie voor het geheele mensch-dom en voor de aarde waarop het woont, ja voor het gansch heelal, staat daar in eeuwigdurende karakters neergeschreven.

Door elke tijdelijke zegepraal van het kwaad wordt Gods gerechtigheid afgeroepen, die tusschenbeide komt om te vernietigen wat noodzakelijk vernietigd moet worden; en na elke vernietiging van het kwaad, het werk van Gods wrekende gerechtigheid, komt eene nieuwe openbaring van het goede, eene grootere zegepraal van den Christus en zijnen Geest.

467

— „Ziet toe, dat niemand u verleide1). Laat u niet misleiden noch door valsche profeten, noch door ijdele teekenen. Er zullen velen komen die mijnen naam zullen dragen en zeggen; Ik ben de Christus, en de tijd is nabij; volgt hen nietquot;.

') Matth. XXIV ; Marc. XIII.

ocr page 486

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Daar is slechts éen Meester, éen Messias, éen Verlosser ! — en die Meester, die Messias, die Verlosser is hij. Daarvan zijne leerlingen • te overtuigen is zijn onafgebroken werk geweest. Te midden van alle verleiding moeten zijne leerlingen hem trouw blijven, en zij zullen machtig wezen en wijs.

Daarop geeft Christus de verschijnselen aan waardoor het gansche menschdom en de geheele aarde zullen beroerd worden.

— „Gij zult van oorlogen en van oorlogsgeruchten van veldslagen en opstanden hooren. Vreest niet. Want deze dingen moeten geschieden. Volk zal tegen volk, en rijk tegen rijk opstaan; maar het is nog het einde niet; er zullen zijn pestziekten, en hongersnood en aardbevingen op verscheidene plaatsen. Doch dit alles is het begin der ellendequot;.

Alle deze woorden zijn letterlijk vervuld; zij schijnen een brok historie en zijn toch eene voorspelling.

Men ziet de aanvallen der bewoners van Ascalon en Ptolemaïs, van Damascus en alle naburige volken var. Jerusalem. Men hoort de romeinsche legioenen naderen gedurende de laatste jaren van Titus, onder het bestuur van Caligula en Nero, en men gelooft van de bloedige oproeren, die den troon der Caesars deden wankelen, getuigen te zijn. In diezelfde dagen onder Claudius werd het Oosten ontvolkt door eene hongersnood die ook in Judea woedde '), en werden Laodicea, Hieropolis door aardbevingen verwoest.

Bij het zien van die rampen zal de mensch vol zijn van angst en schrik; maar Christus vermaant zijne leerlingen kalm te blijven. Dit alles moet gebeuren, want het zijn de gevolgen van den haat, het bedrog, de hoovaardij, de wellust der wereld.

Gelijk de volkeren zullen ook de krachten van aarde en hemel bewogen worden, alsof zij opstaan en strijden om een waardiger bestaan. Zonder vrees moet de christen in deze vergankelijke woonplaats blijven.

') bundelingen, XI, 28. Vgl. Antiq. Jud. XX, 3.

468

ocr page 487

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

En toch — hoe vreeselijk zal ook zijn lot wezen!

Christus gaat het schilderen in onverdelgbare trekken.

— „Maar ziet gij voor u-zelven toe! Zij zullen u overleveren tot kwelling en aan de vierscharen. In de synagogen zult gij geslagen en voor landvoogden en koningen gesteld worden om mijnentwil. Maar dit alles zal u overkomen opdat gij getuigenis zoudt afleggen.

„En wanneer zij u wegvoeren, om u over te leveren, bedenkt niet te voren, wat gij zult spreken; maar hetgeen u in die ure gegeven zal worden, spreekt dat; want niet gij zijt het, die spreekt, maar de Heilige Geestquot;.

Bij deze vervolgingen door de staatkunde u gebrouwd, komen nog die van bloed- en aanverwanten, van uwe geheele familie. •

— „De eene broeder zal den anderen ter dood brengen, en de vader den zoon, en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en hen ter dood brengen. En gij zult door allen gehaat worden, om mijnen naam. En alsdan zullen velen geërgerd worden en elkander overleveren en elkander haten. Er zullen vele valsche profeten opstaan, en zij zullen velen verleiden. En nademaal de boosheid toeneemt, zal de liefde van velen verkoelen.

„Maar gij, bezit uwe zielen in lijdzaamheid. Wie tot het einde volhoudt, die zal zalig zijn!quot;

Alles is volbracht gelijk Christus het had voorspeld. De Handelingen der Apostelen leggen daarvan getuigenis af. Vervolging, lijden en dood zullen het deel van Christus' leerlingen zijn. Alles zal worden geduld, alleen zij-zelven niet. De eeuwen door zal die haat overgaan op de leerlingen van hem die alleen van alle godsdienststichters aan de zijnen vervolging en altijd vervolging heeft voorspeld.

Nu hij zijne leerlingen tegen dat alles gewapend heeft, door hen te wijzen op alles wat rondom hen zou gebeuren en hun te wachten stond, op de deugden die hij van hen zou eischen, geeft Christus hun het verlangde teeken aan,

469

ocr page 488

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

waaraan zij zullen zien dat de verwoesting van Jerusalem nadert.

-- „Wanneer gij de stad omlegerd zult zien door vreemde legerscharen, en den gruwel der verwoesting, die door den profeet Daniël voorzegd is, zult zien staan in de heilige plaats, — die het leest, bevatte het! — weet dan dat de verwoesting nabij isquot;.

Het aangegeven teeken is naar den H. Lucas '), een krijgs-leger dat Jerusalem omsingelt. De twee eerste Evangelisten noemen het naar Daniël, de gruwel der verwoesting. Daarmede geven zij niet onduidelijk de romeinsche standaards te kennen, die, versierd met de beeltenissen der Goden en van den Caesar rondom de heilige stad worden geplant.

Van het jaar 65 af begonnen de romeinsche legers daar te verschijnen2).

Men zag er toen de cohorten door den Stadhouder Florus gezonden om het oproerige volk van Jerusalem te tuchtigen. Eenige maanden later kwamen de legioenen terug3) onder bevel van Cestius, prefect van Syrië; en in het voorjaar van het jaar 70 4) omsloot Titus eindelijk de stad.

— „In dat oogenblikquot;, zeide Christus, „dat zij dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, dat zij die binnen haar wonen, zich uit haar terugtrekken, en dat zij die in hare nabijheid wonen haar niet binnengaan; en die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis mede te nemen; en die in het veld is, keere niet terug, om zijn kleed te halen. Die dagen zullen dagen zijn van wraak, en daarin moet alles vervuld worden wat er geschreven staat.

— „Wee de zwangere en zoogende vrouwen in die dagenquot;!

„Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede in den winter, noch op den sabbath.

') Luc. XX, 20.

gt;) Bell. Jud. II, 14, 3.

J) Id. II, 19, 4.

♦) Id. V , 2, 1.

470

ocr page 489

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

„Want er zal alsdan eene zware verdrukking zijn, als niet geweest is van den beginne der schepping, tot nu toe, noch zijn zal. En zoo de Heer die dagen niet verkort had, geen vleesch bleef er behouden; maar om de uitverkorenen zullen die dagen verkort wordenquot;.

„En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle de volken, en Jerusalem zal door heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijnquot;.

Nog eens terugkomend op de valsche Christussen van die dagen voegt Christus er bij: „als. iemand u dan zal zeg. gen: Ziet, hier is de Christus: Ziet, daar is hij! gelooft het niet. Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zij zullen teekenen en wonderen doen, om, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen te verleiden. Daarom ziet toe: Ziet, ik heb u alles voorzegdquot;.

De apostelen en de eerste christenen hebben naar Christus' vermaning geluisterd. Toen de Romeinsche legioenen naderden, gingen zij over den Jordaan op de bergen van Moab en op de hoogten van Galaad bij Pella.

De Israëliet, Flavius Josephus, heeft in zijne beschrijving van Jerusalems ondergang voor de waarheid van Christus' voorspelling getuigenis afgelegd. Bijna een millioen joden kwamen om; ongeveer honderdduizend gingen in ballingschap door het geheele rijk'); en Jerusalem werd in den letterlijken zin onder den voet der heidenen vertreden. Nog ligt het onder het juk der heidenen gekromd.

Het is „hun tijdquot; heeft Christus gezegd; die van Israël is voorbij.

471

Dit geheimzinnig woord, door het derde Evangelie tot ons overgebracht, „de tijd der heidenenquot; duidt het lange tijdperk aan, dat Jerusalems verwoesting van het einde der wereld scheidt, en waarvan de duur onbekend is. Maar

') BeU. Jud, v.

ocr page 490

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

waaraan zij zullen zien dat de verwoesting van Jerusalem nadert.

-- „Wanneer gij de stad omlegerd zult zien door vreemde legerscharen, en den gruwel der verwoesting, die door den profeet Daniël voorzegd is, zult zien staan in de heilige plaats, — die het leest, bevatte het! — weet dan dat de verwoesting nabij isquot;.

Het aangegeven teeken is naar den H. Lucas '), een krijgs-leger dat Jerusalem omsingelt. De twee eerste Evangelisten noemen het naar Daniël, de gruwel der verwoesting. Daarmede geven zij niet onduidelijk de romeinsche standaards te kennen, die, versierd met de beeltenissen der Goden en van den Caesar rondom de heilige stad werden geplant.

Van het jaar 65 af begonnen de romeinsche legers daar te verschijnen5).

Men zag er toen de cohorten door den Stadhouder Florus gezonden om het oproerige volk van Jerusalem te tuchtigen. Eenige maanden later kwamen de legioenen terug1) onder bevel van Cestius, prefect van Syrië; en in het voorjaar van het jaar 70 2) omsloot Titus eindelijk de stad.

— „In dat oogenblikquot;, zeide Christus, „dat zij dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, dat zij die binnen haar wonen, zich uit haar terugtrekken, en dat zij die in hare nabijheid wonen haar niet binnengaan; en die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in, om iets uit zijn huis mede te nemen; en die in het veld is, keere niet terug, om zijn kleed te halen. Die dagen zullen dagen zijn van wraak, en daarin moet alles vervuld worden wat er geschreven staat.

— „Wee de zwangere en zoogende vrouwen in die dagenquot;!

„Doch bidt, dat uwe vlucht niet geschiede in den winter, noch op den sabbath.

470

1

Jgt; Id. II, 19, i.

2

♦) Id. V, 2, 1.

ocr page 491

ohristus' dood en herleving.

„Want er zal alsdan eene zware verdrukking zijn, als niet geweest is van den beginne der schepping, tot nu toe, noch zijn zal. En zoo de Heer die dagen niet verkort had, geen vleesch bleef er behouden; maar om de uitverkorenen zullen die dagen verkort wordenquot;.

„En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle de volken, en Jerusalem zal door heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijnquot;.

Nog eens terugkomend op de valsche Christussen van die dagen voegt Christus er bij: „als iemand u dan zal zeg. gen: Ziet, hier is de Christus! Ziet, daar is hij! gelooft het niet. Want er zullen valsche Christussen en valsche profeten opstaan, en zij zullen teekenen en wonderen doen, om, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen te verleiden. Daarom ziet toe: Ziet, ik heb u alles voorzegdquot;.

De apostelen en de eerste christenen hebben naar Christus' vermaning geluisterd. Toen de Romeinsche legioenen naderden, gingen zij over den Jordaan op de bergen van Moab en op de hoogten van Galaad bij Pella.

De Israëliet, Flavius Josephus, heeft in zijne beschrijving van Jerusalems ondergang voor de waarheid van Christus' voorspelling getuigenis afgelegd. Bijna een millioen joden kwamen om; ongeveer honderdduizend gingen in ballingschap door het geheele rijk1); en Jerusalem werd in den letterlijken zin onder den voet der heidenen vertreden. Nog ligt het onder het juk der heidenen gekromd.

Het is „hun tijdquot; heeft Christus gezegd; die van Israël is voorbij.

471

Dit geheimzinnig woord, door het derde Evangelie tot ons overgebracht, „de tijd der heidenenquot; duidt het lange tijdperk aan, dat Jerusalems verwoesting van het einde der wereld scheidt, en waarvan de duur onbekend is. Maar

') Beü. Jud, v.

ocr page 492

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

aan het einde daarvan komt de voleinding der eeuwen, en zal de Zoon des. menschen verschijnen.

Deze verschijning zal aan de eerste in niets gelijk zijn.

— „Wanneer gij dan in dit tijdperk van twist en verleiding en bloedigen strijd zult hooren zeggen; ziet de Christus is in de woestijn! gaat niet uit; of: ziet, hij is in het binnenste van het huis! gelooft het niet. Want gelijk de bliksem uit het Oosten komt en tot in het Westen schijnt, zoo zal ook de komst van den Zoon des menschen zijn.

„Overal waar een lijk is daar zullen ook arenden vergaderenquot;.

De mensch zal zich geene moeite behoeven te geven om den waren Christus te ontdekken. De stralen zijner heerlijkheid zullen allen en alles verblinden. En gelijk de arenden, door den reuk van lijken getrokken, in grooten vlucht komen aanvliegen, ook zoo zullen naar hem die een slachtofler wilde wezen, door de geur van het ofler getrokken, alle uitverkorenen heensnellen.

— „Terstond na de verdrukking van die dagen, zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar licht niet geven, en de sterren zullen van den hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen beroerd worden; en alsdan zal het teeken van den Zoon des menschen in den hemel verschijnen, en alle geslachten der aarde zullen weenen; en zij zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels, met groote macht en heerlijkheid-En hij zal zijne Engelen zenden met eene bazuin en met groot geschal; en zij zullen zijne uitverkorenen bijeen vergaderen van de vier winden, van den eindpaal der aarde, tot den eindpaal des hemelsquot;.

In deze trotsche beelden schildert Christus het einde der tijden, der aarde en der wereld.

De huidige toestand van het heelal waarin Christus op een bepaald uur der historie, in strijd en lijden en dood

472

ocr page 493

CHRISTUS DOOD EN HERLEVING.

het Rijk van den Zoon Gods kwam stichten om het kwaad te overwinnen en zijne uitverkorenen te kiezen, is slechts een tijdperk in de ontzaggelijke ontwikkeling van het gansche heelal. Van hoedanigen aard de laatste gebeurtenis vóór het einde der tijden zijn zal, heeft de Meester niet geopen. baard. Zal het zonnestelsel uiteen vallen? quot;Wij weten het niet.

Hij zegt ons alleen , dat het einde dezer wereld plotseling in eene algemeene verwoesting zal komen. De wetten der natuur zullen worden opgeheven, en hare krachten zullen beroerd worden. Maar uit deze verwoesting zal een ander heelal te voorschijn komen — het teeken van de komst van den Zoon des menschen, in het volle rijk van zijne macht en heerlijkheid.

Gelijk de dood. voorafgegaan door ziekten en krankheden die hem • aankondigen, voor Christus' leerling niet schrikwekkend moet zijn, omdat hij daarin niet anders ziet dan de volkomene omzetting van zijn wezen en zijn ongestoord en altijddurend deelnemen in het leven van God, ook zoo moet hij niet bevreesd zijn voor den dood of het einde der gansche wereld, waaraan de ondergang van valsche godsdiensten van verouderde volken en vermolmde beschavingen als voorloopers zijn voorafgegaan, omdat die geheele ondergang de noodzakelijke voorwaarde is voor eene nieuwe wereld waarin het Rijk van Christus eeuwig in glorierijken glans zal zegepralen.

„Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zegt Christus, zijt dan niet ontsteld, maar ziet omhoog, en heft uwe oogen opwaarts; want uwe verlossing is nabijquot;.

Op nieuw dringt Christus er op aan dat wij waakzaam moeten zijn in het volle vertrouwen op hem.

— „Ziet den vijgeboom en alle de boomen, wanneer de takken zacht worden en de bladeren uitspruiten, weet gij, dat de zomer nabij is. Ook zoo gij, wanneer gij alle deze dingen ziet , weet dan, dat het nabij, voor de deur isquot;.

En van Jerusalems verwoesting zeide hij daarbij: „Voorwaar, ik zeg u, dit geslacht zal niet voorbijgaan, eer alle

473

ocr page 494

CHRISTUS' DOOD E'N HERLEVING.

deze dingen geschieden. De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen niet voorbijgaanquot;.

Maar wanneer zal de dag het uur voor de voleinding der wereld daar zijn? „Niemand weet het, nocli de Engelen in den hemel, noch de Zoon; maar de Vader alleenquot;.

De goddelijke geheimen, die de Zoon des menschen van den Vader had ontvangen om ze aan de menschen mede te deelen, omvatten niet dit geheim; in dezen zin weet de Zoon het niet. Het einde kan altijd daar zijn; de wereld moet daarop altijd voorbereid wezen.

— „Ziet toe, waakt en bidt! want gij weet niet wanneer de tijd daar is. Gelijk het was in de dagen van Noë, zoo zal ook de komst van den Zoon des menschen zijn. Vóór den zondvloed at en dronk men, huwde men en gaf men ten huwelijk, tot op dien dag, dat Noë in de. ark ging. Men bemerkte het naderen van den zondvloed niet, tot dat de zondvloed kwam en allen wegrukte: ook zoo zal de komst van den Zoon des menschen zijnquot;.

„Waakt dus op u-zelven , opdat uwe harten niet bezwaard worden door brasBerij en dronkenschap, en door beslommeringen dezes levens, en die dag u niet onverhoeds overvalle Want gelijk een strik zal hij over allen komen , die op den ganschen aardbodem gezeten zijn.

„Alsdan zullen er twee in het veld zijn: de een zal opgenomen, en de ander verlaten worden. Er zullen twee vrouwen zijn die aan den molen malen: de eene zal opgenomen, en de andere verlaten worden.

„Het zal gaan gelijk het met den mensch ging, die naar het buitenland reizend, zijn huis verliet, en aan zijne dienstknechten het beheer over zijne zaken in handen gaf, aan een ieder zijn bepaalden werkkring aanwijzende, en den deurwachter gebood te waken.

„Daarom waakt! want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komt, des avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond; opdat hij niet, wanneer hij plotseling komt, u slapende vinde.

474

ocr page 495

CHRISTUS1 DOOD EN HERLEVING.

„Hij zal komen als een dief. Indien de vader des huis-gezins wist, in welke ure de dief zou komen, hij zou zeker lijk hebben gewaakt, en niet toegelaten, dat zijn huis wierd ondergraven.

„Waakt dus en bidt ten allen tijde, en zijt bereid, opdat gij waardig moogt gekeurd worden, alle deze dingen, die toekomende zijn, te ontvlieden, en voor den Zoon des menschen te staan.

„Maar hetgeen ik zeg tot u, zeg ik tot allen: Waakt1)! De Apostelen waren waakzaam en leefden in afwachting van Jesus' komst. Daarom waren zij meester over zich-zelven, onthecht aan de wereld en onbevreesd voor alle dwingelandij, maar niet in roestige rust. Zij wisten, dat zij dienstknechten waren, aan wie door den meester een taak is opgedragen.

— „Zalig de dienstknecht, welken zijn heer, als hij komt, alzoo doende zal vinden. Voorwaar, ik zeg u, hij zal hem over alle zijne goederen stellen. Maar de booze dienstknechten, die niet rekenen op 's heeren komst, die in hun hart zeggen: Mijn heer vertraagt te komen, die hunne medeknechten slaan en eten en drinken met dronkaards, zullen worden afgescheiden en ontmaskerd.

„Voor hen geween en knarsing der tandenquot;.

Om hen tot waakzaamheid en tot eerbied tevens aan te zetten sprak hij tot hen nog deze gelijkenis 2):

„Het Eijk Gods zal, wanneer het in zijn glorie zal verschijnen , gelijk zijn aan tien maagden, die hare lampen namen en den bruidegom en de bruid tegemoet gingen. Vijf van haar waren dwaas en vijf wijs.

„De vijf dwazen namen wel hare lampen, doch namen geen olie mede; de vijf wijzen namen olie in hare vaten mede, bij hare lampen.

„Daar nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen slaperig en sliepen in.

„Doch te middernacht werd er een geroep gehoord; Ziet

475

1

Matth. XXV, 1. tv.

ocr page 496

Christus' dood en herleving.

de bruidegom komt! gaat uit, hem te gemoet! Toen ontwaakten alle die maagden, en bereidden hare lampen. Maaide dwazen zeiden tot de wijzen; Geeft ons van uwe olie; want onze lampen gaan uit. De wijzen weigerden.

— „Er mocht wellicht niet genoeg zijn voor ons en voor u; gaat liever tot de verkoopers, en koopt voor u-zelve.

„Terwijl zij nu heengingen, om te koopen, kwam de bruidegom. Die gereed waren gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd geslotenquot;.

„Ten laatste kwamen ook de andere maagden en zeiden: Heer, Heer, doe ons open!

„Maar hij antwoordde en sprak: Voorwaar, ik zeg u, ik ken u nietquot;.

Deze parabel, ontleend aan de gebruiken der Israëlieten, is zacht en teeder, maar scherpt ons tevens eene waarheid in van angstwekkende beteekenis.

De bruidegom is Christus-zelf. De tijd voor de bruiloft is daar wanneer hij voor altijd met zijne bruid, de Kerk, zal vereenigd zijn.

De lamp moet branden en de olievaten gevuld zijn, wil men toegelaten worden tot de bruiloftszaal. Met het Geloof moeten wij andere deugden bij ons hebben; want zonder deze is het Geloof aan een lamp zonder olie gelijk.

Daar is slechts éen uur waarop men tot de bruiloft wordt toegelaten. Is dat uur voorbij dan is de deur gesloten voor altijd. Dat uur, die tijd, is het leven hier op aarde. Die gedurende dit leven hunne lampen niet hebben gevuld met de olie der deugden zullen worden afgewezen, want de deugden moeten zijn een persoonlijke schat die men niet bij anderen leent.

— „Waakt, waaktquot;, herhaalde Christus, „want gij weet noch dag noch uurquot;.

In de laatste dagen van zijn sterfelijk leven, met zijn blik op den Tempel en de stad, te midden zijner leerlingen

476

ocr page 497

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

gezeten, spant Christus zijne krachten in om hen alles beter te doen oegrijpen en hen te sterken voor den naderenden strijd: hij openbaart hun zijn ganschen arbeid in al zijn omvang en houdt hun hunne plichten voor. Hij spreekt van den tijd wanneer hij niet meer bij hen zal wezen, hij zegt hun wat er moet gebeuren. Zijne gedachte gaat van het tegenwoordige op de toekomst over, van de naaste tot de laatste toekomst, van het land der Israëlieten tot de gansche wereld, van den tijd tot de eeuwigheid, waarin hij , na het einde van alles, zal oordeelen, zijne uitverkorenen kiezen en regeeren zal.

De aankondiging van dit laatste en plechtige oordeel is eene openbaring voor alle geloovigen. Terwijl zijne vijanden gaan nederzitten om hem te oordeelen , openbaart hij zich-zelven als den Oppersten Eechter').

— „De Zoon des menschen zal komen in zijne heerlijkheidquot; riep hij „en alle Engelen met hem. Hij zal gaan zitten op den troon zijner-heerlijkheid. Allen volken zullen voor hem vergaderd worden. Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. De schapen zal hij stellen aan zijne rechterhand, maar de bokken aan zijne linkerhand.

„Alsdan zal de Koning zeggen tot hen, die aan zijne rechterhand zullen zijn; .Komt, gezegenden mijns Vaders! bezit het Rijk hetwelk van de grondlegging der wereld voor u bereid is.

„Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij te eten gegeven; ik heb dorst gehad , en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; naakt, en gij hebt mij gekleed; ziek, en gij hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis en gij zij t tot mij gekomen.

477

„Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden en zeggen; Heer! wanneer hebben wij u hongerig gezien, en hebben u gespijsd; ot dorstig, en hebben u te drinken gegeven?

') Mattli XXV , 31 vv.

ocr page 498

CHEISTUS' DOOD EN HERLEVING.

wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien, en u geherbergd? of naakt, en hebben wij u gekleed? of wanneer hebben wij u ziek gezien, of in de gevangenis, en zijn wij tot u gekomen?

„De Koning zal antwoorden: — Voorwaar ik zeg u: zoo dikwijls gij dit aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, hebt gij het aan mij gedaan.

„Alsdan zal hij ook tot degenen zeggen, die aan zijne linkerhand zullen zijn: — Gaat van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen is bereid.

„Want ik heb honger gehad, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik heb dorst gehad, en gij hebt mij niet te drinken gegeven; ik was vreemdeling, en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed; ziek, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht. Dan zullen ook dezen hem antwoorden: Heer! wanneer hebben wij u gezien hongerig, of dorstig, of als vreemdeling, ot naakt, of ziek, of in de gevangenis, en hebben u niet gediend?

„Dan zal hij hun zeggen: „Voorwaar, ik zeg u, zoo dikwijls gij het aan éenen van deze geringsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook mij niet gedaan.

„En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige levenquot;.

Christus' geheele ziel, zijn geheele werk in al zijn omvang, de hoogste wet der menschheid, het geheele geheim dei-eeuwigheid is in deze bladzijde neergelegd.

God, verborgen in den man van smarte, maakt zich uit liefde een met alles wat op aarde lijdt. Bemint alle lijdenden , roept hij tot zijne leerlingen , gelijk gij mij bemint. Daardoor alleen wordt gij mijn eeuwig Koninkrijk waardig. Door liefde kwam ik tot u, door liefde moet ook gij komen tot mij.

478

ocr page 499

CHRISTUS* DOOD EN HEKLEVING.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Christus' schijnbaar ver geefsche arbeid en de oorzaken ervan.

Voor hem die optreedt en arbeidt in het openbaar belang van anderen is de dood niet de grootste ramp. Wanneer de waarheid en het feit, waarvan hij zich de verkondiger gelooft, wordt miskend en verworpen, lijdt hij grootere smart. Zijne droefheid is edel en zonder eigen belang. De Apostelen en de martelaren vergeten hun eigen lijden bij het aanschouwen van de misdaad hunner beulen. De smarten van Christus zijn daarom mateloos groot nu hij zich door zijn eigen volk verworpen ziet.

Toen hij in den avond van Dinsdag, den 12n Nisan, (Maart — April) „zich voor de Joden verbergendquot; ') langen tijd op de helft der helling van den Olijfberg, met zijn gelaat naar Jerusalem gekeerd, bijna fluisterend, tot zijne leerlingen over den naderenden ondergang van stad en tempel en over het einde der tijden sprak, was hij zeker, dat zijn arbeid voor zijn volk als volk een vergeefsche was geweest.

Naar den mensch heeft hij zijn doel niet bereikt.

De mannen van het gezag en van de Wet heeft hij niet overtuigd, dat hij de Christus, de Messias is.

Wel is het gewone volk goedgunstig voor hem gestemd, maar het is lichtzinnig, en ongedurig van aard en begrijpt hem toch ten slotte niet. Enkele eenvoudige, niet altijd onschuldige zielen hebben vertrouwen in hem; — ziedaar zijn gansche buit. En toch — in dat weinige wortelt Christus' zegepraal over de gansche wereld.

479

Wanneer de gewone mensch den kamp verliest waaraan

l) Joës. XII, 36.

ocr page 500

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

zijn heele leven hing, is hij terneergeslagen niet alleen, maar ook verbitterd op zijn eigen persoon. Dan eerst ziet hij zijn eigene dwaasheid, zijn eigen fouten in.

Christus heeft nooit geloofd, dat zijn arbeid zou slagen onder zijn volk. Vele malen heeft hij voorspeld, dat hij aan de hoofden van zijn volk zou worden overgeleverd, dat hij veel zou hebben te lijden van hen. Hij is er van overtuigd, dat hij-zelf de schuld niet draagt van zijn onbegonnen arbeid. Zijn werk was grooter dan zijn volk. Maar zijne nederlaag wordt zijne zegepraal; want met haar begint de straf van zijn ontrouw .volk, dat met zijn vloek beladen overal zal zwerven.

Christus' verwerping door zijn eigen volk is in de geschiedenis van dat volk zelf en van de geheele godsdienstige wereld het grootste van alle feiten. De verhevenheid van Christus' arbeid, de ontaarding en het verval van het volk waaronder hij optrad, zijne verwerping van alle middelen door menschelijke wijsheid aan de hand gedaan, en boven alles de plannen van God die alles bestuurt, — dat alles te zamen werpt eenig licht over dit belangwekkend feit.

In Judea gelijk in Galilea, in Samarië gelijk in Perea voor volk en overheid optredend, kent Christus slechts één doel: voor allen te verklaren wat hij komt doen, aan allen te toonen, wie hij is. Om dat doel te bereiken schikt hij zich naar omstandigheden en naar de menschen. Langzamerhand wordt zijne openbaring klaarder en breeder naarmate zijne hoorders ontvankelijker worden voor zijn woord.

Wat kwam Christus doen? Hij kwam naar zijn eigen woord, op aarde stichten het Rijk van God.

Dat Rijk Gods bestaat in het deelnemen van den mensch aan het leven van God, wat door Christus „het eeuwige levenquot; wordt genoemd. Het was des Messias' werk den mensch dat leven te geven door mededeeling van den Geest Gods. Voor het ontvangen van dien Geest Gods moest de mensch zich-zelven ontvankelijk maken door geloof en berouw.

480

ocr page 501

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Ziedaar Christus' arbeid en levensdoel in den raensche-Jijken zin van dat woord, zooals het zich aan zijne tijd-genooten en in de historie vertoont.

Die arbeid is goddelijk om reden van zijn doel: den mensch op te heffen tot het leven van God; goddelijk om reden van zijne middelen: door mededeeling van den Geest Gods; goddelijk om reden van hem die den arbeid verricht; indien hij-zelf niet de volheid van den Geest Gods had, kon hij dien niet in anderen overgieten; goddelijk zelfs met betrekking tot den mensch die, als een redelijk en vrij wezen, bekwaam geacht en geroepen wordt om mede te leven het leven van God.

Een zoodanig levensdoel is verre boven alle menschelijk verstand verheven. Hij die dat doel heeft gewild en bereikt kan niet anders zijn dan God.

Zijn openbaar optreden onder de joden was dan ook reeds van den beginne af geheel en al gewijd aan de verklaring, dat hij de Zoon was van God, van één wezen of natuur met den Vader.

Wel openbaarde die Zoon van God zich slechts in de menschelijke natuur en noemde hij zich daarom „den Zoon des menschenquot;; maar beide naturen waren onvermengd in den Goddelijken Persoon vereenigd.

Is Christus de Zoon van God, dan is zijn gansche leven, dan zijn alle zijne werken duidelijk en klaar; is hij het niet, dan is alles in hem, dan is zijn gansche verschijning-één groote leugen; en de joden hebben hem te recht ter dood gebracht.

Zoodanig een Meester, met dat levensdoel, moest door elk volk met geestdrift en liefde worden ontvangen. Maar vooral moest hij aan de Israëlieten welkom zijn; omdat zijn levensdoel zoo innig samenstemde met alles wat daar in het godsdienstige hart der joden het diepst verborgen lag.

In hetyerbond met Jehovah, dencénen, waren God, lag

O i

481

ocr page 502

CIIIUSTUS' DOOD EN HERLEVING.

de grond van Israels bestaan. Welnu, dat verbond werd door de verschijning van den Zoon Gods te midden der joden en door de mededeeling van dat zoonschap Gods aan alle ware zonen van Abraham tot de hoogste volkomenheid opgevoerd. Ook de Wet van Israel had geen ander doel dan 's menschen rechtvaardiging, en ook om hem te rechtvaardigen , bracht Christus geen geschreven Wet maar den levenden Geest Gods. Het was Israels bestemming onder alle volkeren der aarde den naam van den waren God te verbreiden; welnu, was het Christus' doel niet de geheele menschheid het Rijk Gods binnen te leiden en kwam niet zoo Israels bestemming tot hare hoogste volkomenheid?

Men staat verbaasd, dat deze waarheden noch priesters en leeraars, noch het gansche volk hebben aangegrepen en overtuigd.

Maar al is de voorgestelde waarheid nog zoo klaar en verheven, de mensch moet ontvankelijk voor haar zijn gemaakt, om haar op te nemen en weg te bergen in zijnen geest. En ten tijde van Christus was het volk van Israel niet ontvankelijk voor de waarheid, omdat het in groot verval was op staatkundig, godsdienstig en zedelijk gebied. Israels ongeloof en naar bloed dorstende haat tegen Christus vindt daarin zijne verklaring.

Naar den schijn was Israel niet in verval op godsdienstig of zedelijk gebied. Het Israël dier dagen was meer dan ooit getrouw in zijn geloof aan den éénen waren God; de Tempel door Herodes herbouwd en verfraaid was in eere; de Wet boven alles verheven, en het land der vaderen bemind. Dit alles is echter schijn en schijn alleen. Alle verval is aan eene doodelijke ziekte gelijk, die zich opsiert met de versierselen van het leven, aan het einde van den strijd, bij het naderen van den dood.

In waarheid zijn alle elementen van Israels godsdienstig leven in verval.

482

ocr page 503

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING. 483

Het priesterschap is in minachting bij het volk, omdat het zich kromt voor het heidensch gezag. De hoogste zetels worden ingenomen door sadduceën die aan alles twijfelen en van geene eeuwigheid en onsterfelijkheid willen weten. Hun blik reikt niet verder dan deze aarde en de voorschriften der Wet zijn hun dierbaar om het geld. Hoe kon het woord van een profeet ja, van God zeiven eene echo vinden in hunne harten?

De godsdienstige wetenschap van de pharizeën was geen bolwerk tegen den invloed van dat ongeloovig priesterdom. In plaats dat zij met behulp van een godsdienstig onderwijs, aan de school der Profeten ontleend, het grofste materialisme onder het volk bestrijden, dat in zoogenaamde „openbarin-dgenquot;, door eene bandelooze verbeelding uitgedacht, het volk van den rechten weg afbrengt, worden 'zij-zelven van die „openbaringenquot; de bewerkers en de vereerders tegelijk1).

Zij hebben de boeken der Profeten, waarin de geest van hunne Wet, de verwachting en de bestemming van hun volk zoo klaar mogelijk staat neergeschreven. Maar zij verdraaien daarvan den zin en leggen alles uit naar hun eigen geest. Heel de geest der Wet gaat in de letter verloren. De levende band tusschen God en zijn volk is verbroken.

Onder zoodanige overpriesters en leeraars heeft het volk alle begrip van plicht en geweten in wettelijke voorschriften laten opgaan. In uitwendige, wettelijke reinheid is de reinheid des harten verloren geraakt.

Een letterknechterij vol eigen belang is de geest van dien kwalijk begrepen godsdienst. De dienst van God is geworden de dienst van het geld.

Gelijk alle volkeren die in verval zijn, is ook Israël van valsche vooroordeelen vol. Het is met blindheid geslagen, terwijl het gelooft te wandelen in het licht der volle mid-

') Vgl. Das Judenihum sur Zeit Christi, van J. Langen.

ocr page 504

CHRISTUS* DOOD EN HKRLEVING.

dagzon. Maar God had medelijden, en wilde op zichtbare wijze en met kracht Ier hulp komen aan zijn volk.

Daar verscheen een profeet, door wiens mond de Geest Gods wederom sprak die vier eeuwen had gezwegen. Joannes ontvangt alles wat noodig is om het volk in beroering te brengen. Israël verwacht zijn Messias en den nieuwen tijd ; Joannes verkondigt hem en wijst hem met den vinger aan. Het volk wil dat zijne zieners een verstorven leven leiden; in versterving is niemand aan Joannes gelijk. Een godsdienstige en geheimzinnige handeling mist op het volk zijn invloed niet; Joannes neemt het doopsel als het zinnebeeld der deugden die hij predikt. Hij doet wel geen wonderen, maar zijn geheele leven is een wonder. Alleen onder een wolk van bedreigingen is het volk altijd gehoorzaam geworden ; geen der zieners heeft ooit met zoo'n gebalde vuist zijn volk bedreigd als Joannes dit deed. Maar toch — de hoofden en oversten des volks, de mannen van het gezag en der wetenschap blijven onverschillig en koud of vol van verachting en haat jegens hem.

Toen zond God zijn Messias in wien woont de volheid van den Geest Gods. Hij is de Zoon Gods, zichtbaar in den Zoon des menschen.

Hij heeft alles waardoor het volk van Israël kan verlicht, beroerd, gezuiverd en veranderd worden. Zijne wijsheid, zijne deugd, zijne wondermacht, zijn ijver zijn zonder wederga.

Maar als dat volk in beroering komt, verzet het zich tegen hem.

Het dient gezegd: zijn woord en werk is ook volkomen in strijd met de vooroordeelen van onderdaan en overheid, van leerling en meester.

Men verwacht een Messias in heerlijkheid: hij is arm en klein; een Messias op staatkundig en godsdienstig gebied: hij verwerpt elke staatkundige rol; een Messias met teekenen uit den hemel in kracht; in wèl doen openbaart hij zijne

484

ocr page 505

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

macht; een Messias die het land van den Bomein verlost: hij gelast den Caesar den cijnspenning te betalen, en spreekt slechts van een geestelijk koninkrijk. Men haat den heiden en hij prijst zijn geloof; men gelooft dat de Tempel altijd zal blijven bestaan en hij verkondigt zijn ondergang; mea streeft slechts naar wettelijke reinheid en hij verlangt vóór alles de zuiverheid des harten; men gelooft dat het genoeg is een zoon van Abraham te wezen om recht te hebben op het Kijk Gods en hij zegt, dat men herboren moet worden, dat men gelooven en zich bekeeren moet om dat Rijk Gods binnen te gaan; men verdubbelt alle uitwendige godsdienstige handelingen en hij eischt vóór alles barmhartigheid, rechtvaardigheid en gehoorzaamheid; men heeft God uit de wereld gebannen en ongenaakbaar gemaakt en hij verklaart zich voor den Zoon van God in wezen aan den Vader gelijk , die alles levend maakt en, aan zijne rechterhand gezeten, ook alles richt.

Tusschen Christus en zijn volk dus de felste strijd.

In den boezem echter van het Israëlitische volk school een uitverkoren getal, dat God zich had voorbehouden. Dat was het zaad van het Eijk Gods, het behoud der wereld.

Het was onder alle rangen van het volk maar het meest onder de eenvoudigen en armen en zondaars verspreid. De mannen van rijkdom, wetenschap, overdreven uitwendige gods vereering en der openbare macht zijn in tijden van verval meer dan anderen met vooroordeelen behebt en bezwaard.

Het getal zijner volgelingen was klein: eenige honderden geloofden in hem.

Dat was weinig voor ieder ander; voor Christus was het meer dan genoeg. Met hen zal hij de openbare macht , de wetenschap, en de massa van het volk overwinnen; niet door oproer, vergelijk en laffe vleierij, maar door mee vrijen wil te bezwijken voor aller geweld.

Terwijl Christus met zijne leerlingen op weg is naar

485

ocr page 506

CHRISTUS' DOOD EN HEELEVING.

Bethanië, nadat hij Dinsdag voor het laatst in den Tempel had gesproken, heeft de gedachte aan zijn naderenden dood zijn geheelen geest overmeesterd.

De gebeurtenissen zijn elkander snel opgevolgd. De menigte , die hem eerst had toegejuicht, in de hoop eindelijk groote teekenen aan den hemel te zien , had zich van hem afgewend nu die teekenen niet willen komen; de pharizeën schelden hem voor godslasteraar; en de openbare macht is er op uit zich van hem meester te maken met een goed overdachten en goed toegebrachten slag.

Het Sanhedrin is bij den Hoogepriester vergaderd'). De hoofden der priestergeslachten en ouderlingen des volks beraadslagen onder het voorzitterschap van Caïphas. Men besluit Christus met list te vangen om hem te dooden. Maar allen zijn van oordeel daarmeê te moeten wachten tot na het Paaschfeest, om alle oproer te voorkomen.

Alle menschelijke wijsheid zou worden beschaamd. Op Paaschdag zou Christus worden ter dood gebracht, zonder dat het volk om hem in opstand kwam. Ook geen list zal noodig zijn ; eene onvoorziene gebeurtenis zal hem voeren in hunne macht.

In de ziel van één zijner apostelen werd dien eigen dag den laatsten zwaren strijd gestreden.

486

Judas Iskarioth, één der twaalven, aan wien de kleine geldbuidel was toevertrouwd, had besloten zijnen Meester te verraden. Indien hij geloofde in den Zoon Gods, hoe kon hij dan tot zoodanig besluit komen? Indien hij niet geloofde, hoe kon hij dan twee jaren lang de vriend van Christus blijven? Het hart van den mensch is pijlloos diep: alle misdaad niet alleen, maar ook alle deugd kan daaruit naar boven komen. Aanblazingen des duivels en ingevingen Gods brengen het in beroering. Waarom luistert de mensch , tusschen beide elkander vijandige krachten geplaatst, liever naar de inblazingen van genen dan naar de ingevingen van

i) Matth. XXVI, 1 — 5; Marc. XIV, 4 vv.; Luc. XXII, 1 vv.

ocr page 507

CHRISTUS' DOOD EN HEELEVISG.

Dezen? Karakter, omstandigheden van tijd en plaats, persoonlijke ideön geven van dit verschijnsel geen voldoende verklaring.

Maar de mensch die langen tijd aan God weerstaat wordt halstarrig en in de boosheid verhard. De ingevingen Gods hoort hij niet meer. Het kwaad neemt hem geheel en al in bezit en maakt hem tot slaaf, In die slavernij is hij tot eiken misdaad in staat. Hij haat het Goede; hij haat God.

Daarin ligt het geheim van Judas' boosheid.

De verrader heeft gewis, gedurende twee jaren, zich tegen den geest zijns Meesters moeten verzetten, terwijl de andere leerlingen door dienzelfden geest werden veranderd, en dezen langzamerhand hunne vooroordeelen en gebreken hadden overwonnen. Voor den schijn deelde hij in de edelmoedige gevoelens zijner medeleerlingen , maar in werkelijkheid zocht hij slechts zijn eigen belang. Elk oogenblik moest hij een huichelaar wezen en nam hij gewis den schijn aan, met ijver de stoffelijke belangen van het gezelschap te behartigen '). Wellicht vleide hij zich ook met de gedachte aan een aardsch Eijk waarin zijn hebzucht zou bevredigd worden. Deze vooronderstelling verklaart ook zijn voortdurend verblijf bij den Meester in wien hij niet geloofde, en bij de leerlingen in wier liefde en vereering hij niet deelde.

Christus kende de ziel van den verrader. In een gewichtig oogenblik van zijn leven, toen hij verlaten was door de Galileërs, die hem voor een staatkundig doel wilden gebruiken , vroeg hij aan zijne twaalf leerlingen, of ook zij hem wilden verlaten, — en op hen een langen en van zoetheid overvloeienden blik werpend zeide hij tot hen: „Heb ik u niet allen uitgekozen?'' Maar tegelijk zich-zelven onderbrekend liet hij er met onuitsprekelijke droefheid op volgen: „en toch één uit u is een duivelquot;2).

Met dat woord was Judas aangewezen in wien de geest van Satan was gevaren.

') Joës XII, 6; XIII, 29.

gt;) Joës. VI, 71.

487

ocr page 508

CHRISTUS' DOOD EN HEHLEVING.

Waarom heeft Christus, die den waren toestand van zijn leerling kende, hem niet van zich afgestooten? Ook over Judas wil hij den overvloed zijner lankmoedigheid uitstorten:

Men maakte allerlei plannen om zich in stilte van Christus meester te maken; Judas bood zijne diensten aan1).

Voor hem is de zaak van den Profeet verloren; hij gaat tot hen die overwinnaars blijven. Zijn Meester verlaat hij niet alleen, maar hij levert hem over; hij levert hem over niet alleen, maar hij verkoopt hem. Hij was hebzuchtig en gierig tevens: zijn verraad is een verkoop.

Hij heeft gezegd: — Wat wilt gij mij geven, en ik zal u hem overleveren?

Men beloofde hem dertig zilverlingen5), den prijs van een slaaf). Met dien prijs te bepalen onteerden de leden van den Hoogen Raad Christus meer dan zij geld gaven aan den verrader.

Hij nam het aanbod aan en zocht slechts naar een gunstig oogenblik om zijn plan te volvoeren.

Middelerwijl bereidt Christus, te Bethanié in afzondering, zijne leerlingen voor op zijn naderenden dood. Hij blijft daar den ganschen Woensdag. En van alle zijne woorden toen gesproken zijn slechts deze — de korte inhoud van alles — opgeteekend; — „Gij weet, dat het na twee dagen Paschen is en de Zoon des menschen zal worden overgeleverd om gekruisigd te wordenquot; 2).

488

1

gt;) Matth. SXVI, 14, 16; Marc. XIV, vv.; Luc. XXII, 3-6.

2

) Matth. XXVI, 8.

ocr page 509

Christus' dood en herleving.

ZESDE HOOFDSTUK.

Het laatste Paaschfeest. — Christus' groote instelling.

Paschen was voor de joden het groote feest. De naam ervan') herinnert aan den geheimzinnigen doorgang van Jehovah, toen de Verderf-Engel in éenen nacht alle eerstgeborenen der Egyptenaren deed sterven en die der Israëlieten spaarde. Het was tevens eene herinnering aan Israels overgang van de slavernij in de vrijheid. Met dit feest begon het kerkelijk of godsdienstig jaar; het duurde acht dagen, van den 14on tot den 21eu Nisan. Alle gezuurd brood was gedurende die dagen ten strengste verboden; men at slechts ongezuurd brood. Om die reden werd het ook het feest der ongezuurde brooden genoemd.

Reeds op den IS60 Nisan nam het hoofd des gezins een lamp, doorzocht het geheele huis en vernietigde alle zuur-deesem en gezuurde brood. Het werd in de open lucht op eene schaal verbrand. Met bazuinstooten werd het feest geopend en terstond kochten de hoofden der gezinnen of hunne dienstboden het lam, dat zonder vlek en één jaar oud moest wezen. Men bracht het naar den Tempel, waar het door de priesters werd gedood en zijn bloed op het offeraltaar weid uitgegoten. In den avond moest het met godsdienstige plechtigheid worden gegeten. Dat noemde men „paschen houden''.

De eerste dag der ongezuurde brooden, de 14de Nisan, viel in het jaar 30 op een Donderdag, den 6en April.

489

Men was te Jerusalem reeds bezig met de voorbereidende plechtigheden. Allen waren voor de te houden paasch-maaltijd in de weer.

') In het hebreeuwsch Paseh: doorgang, voorbygang.

ocr page 510

CHRISTUS' DOOD EN HEELEVING.

Christus had Bethanië niet verlaten; maar wilde toch den paasch-niaaltijd te Jerusalem houden. Toen naar de meening der leerlingen de tijd daarvan was aangebroken, naderden zij tot hem met de vraag: — „Waar wilt gij, dat wij u het paaschlam te eten bereidenquot;?

Gewoonlijk was Judas belast met alles wat de stoffelijke belangen van Christus' gezelschap betrof; maar deez' keer werd hij op zij gezet, en moesten Petrus en Joannes voor den maaltijd zorg dragen,

— „Gaat, zeide hij, en bereidt ons het paaschlam, opdat wij het eten. Ziet, als gij de stad ingaat, zal u een mensch ontmoeten, dragende eene kruik water, volgt hem in het huis, waar hij ingaat. En zegt tot den heer des huizes: de Meester zegt tot u: Waar is de eetzaal, waar ik het paaschlam met mijne leerlingen eten zal?

„En hij zal u eene groote weltoebereide eetzaal') aanwijzen, maakt daar voor ons alles gereedquot;.

In zijn geest heeft Christus reeds de plaats voor zijn laatsten paaschmaaltijd uitgekozen. Als hij wil is hij de meester der menschen: zij doen wat hij verlangt. Eene eerbiedwaardige overlevering zegt dat Joseph van Arimathea de heer des huizes was. Voor zijne andere leerlingen zelfs houdt hij de plaats, die hij had uitgekozen, geheim; want hij wil alle stoornis voorkomen. Hij heeft alles te vreezen; zijne vijanden staan gereed.

De leerlingen gehoorzamen met blinde gehoorzaamheid. Bij het ingaan der stad vonden zij alles gelijk hun meester had gezegd en zij bereidden het paaschmaal.

490

Het eenjarig en vlekkeloos lam werd gekocht en in den Tempel door de hand des priesters gedood. Daarna werd het gebraden en met bittere kruiden toebereid. De onge zuurde brooden werden gebakken en de kiuiken met wijn gevuld. Het ongezuurde brood en het bittere kruid zijn een zinnebeeld van het leed in slavernij gedragen; het

i) Opperzaal.

ocr page 511

CHRISTUS' DOOD EN HEELEVING.

lam herinnert aan het slachtoffer -waarvan het bloed op de deurposten der Israëlitische huizen werd gestreken, opdat de rondgaande Verderf-Engel deze huizen zou sparen. Voorheen werd het staande, met de reisstaf in de hand en met omgorde lendenen gegeten. Ten tijde van Christus werd het gegeten terwijl men op rustbedden lag uitgestrekt').

Het aantal óer dischgenooten mocht niet kleiner zijn dan tien. De opperzaal was met tapijten behangen. In het midden stond een lage tafel waarop het lam, het ongezuurde brood en de wijnroemer, die door de dischgenooten aan elkander werd overgereikt, waren neergezet. Rondom de tafel waren in eene halve cirkel de rustbedden geplaatst, die een weinig afhelden en even boven den grond uitkwamen.

Elke gast lag op zijn linkerzijde zoodat hij de rechterhand vrij had. De eereplaats was in het midden der tafel, de tweede ter linker, de derde ter rechterzijde en zoo achtereen volgend. Tusschen de rustbedden en de muren konden de dienaren zich vrijelijk bewegen.

Tegen den avond verliet Christus met zijne leerlingen Bethanië, ging naar de stad en het huis waar Petrus en Joannes alles hadden gereed gemaakt.

491

Na zonsondergang zette hij zich aan tafel en nam de eereplaats in; Petrus was achter hem aan zijn linkerkant, Joannes aan zijn rechter kant gelegen. De beminde leerling kon een weinig achter over liggend zijn hoofd op de borst van Jesus laten rusten. Judas lag met de twaalven aan. Toen Christus zich daar aan tafel door de zijnen zag omringd, kwam er een woord over zijne lippen, datvangroote vreugde maar ook van diepe droefheid getuigt: — „Met verlangen heb ik verlangd, dit paaschlam met u te eten, eer ik lijde. Ik zal het voortaan niet meer eten, totdat het vervuld worde in het Rijk Godsquot; 3).

i) Babyl. Berac., fol. 46. 2, ») Luc. XXII, 15.

ocr page 512

Christus' dood en herleving.

Na het gebed moest het hoofd des gezins den wijnroemer nemen en aan zijne dischgenooten overreiken, zeggende; „Gezegend zijt gij, Heer! die de vrucht van den wijnstok hebt geschapen!quot; Daarop at men de bittere kruiden die in de charoset') waren gedoopt. Christus nam den vollen roemer, dankte en zeide: — „Neemt en deelt die onder uquot;5).

De droefheid, bij de gedachte dat hij de zijnen ging verlaten, deed hem erbij voegen: „ik zegu: ik zal niet drinken van het gewas des wijngaards, totdat het Eijk Gods zal gekomen zijn, wanneer ik het met u op nieuw zal drinken in het rijk mijns Vaders''1).

De gedachte aan het eeuwige leven, aan de vreugde in het Rijk zijns Vaders verlicht voor hem en zijne leerlingen de benauwdheden van den naderenden dood.

Terwijl zij aan tafel lagen en aten, zeide Christus tot hen :

— „Voorwaar, ik zeg u, één uit u, die met mij eet, zal mij verradenquot; 2).

Door ondervinding wisten zij dat hun Meester alles wist, en daarom vragen allen één voor één: Ben ik het?

Zonder nog den verrader aan te wijzen herhaalde Christus: „Eén uit de twaalven is het, die met mij de hand in den schotel doopt.

„Wat den Zoon des menschen betreft, hij gaat heen gelijk er van hem geschreven staat; maar wee dien mensch, door wien de Zoon des menschen zal verraden worden. Het ware dien mensch beter, dat hij niet geboren warequot;5).

492

1

) Matth. XXVI, 29; Mare. XiV, 25; Luc. XXII, IS.

2

lt;) Marc. XIV , 18.

Matth. XXVI, 24; Marc. XIV. 21.

ocr page 513

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Alleen om den verrader is Christus bedroefd. Maar Judas blijft ongevoelig en vol veinzerij vraagt hij, gelijk de anderen; Ben ik het? — Hij gelooft nog hem te kunnen bedriegen, dien hij verraden had.

Christus antwoordde: „Gij zijt het, gij hebt het gezegdquot;'). Maar dit woord ging onder de algemeene ontsteltenis verloren, en de droeve onzekerheid drukte allen neêr.

De feestmaaltijd werd voortgezet.

Toen geschiedde wat men moet lezen met het geloof der getuigen die het ons hebben overgeleverd.

„Hij wist, zegt de H. Joannes1), dat hij bij dit Paasch-feest uit deze wereld zou overgaan tot den Vaderquot;. Hij had de zijnen, die in de wereld waren, liefgehad en hij had hen lief ten einde toe. Die liefde brengt hem tot eene daad, die niet van den mensch kan wezen , maar alleen aan God behoort.

Terwijl zij te zamen aten nam Christus het brood, dankte, brak het, en gaf het aan zijne leerlingen, zeggende:

— „Neemt, en eet: dit is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt: doet dit tot mijne gedachtenisquot;.

Een weinig later, toen de maaltijd was afgeloopen, en het hoofd des gezins volgens voorschrift den laatsten wijnroemer aan alle dischgenooten moest overreiken, nam Christus den kelk, dankte, en gaf dien aan hen, zeggende:

- „Drinkt hieruit, allen. Dit is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, dat voor velen zal vergoten worden, tot vergiffenis der zonden. Doet dit, zoo dikwijls gij dien (kelk) drinkt, tot mijne gedachtenis2).

Deze woorden: „neemt en eet, dit is mijn'lichaam; neemt en drinkt, dit is mijn Bloed des Nieuwen Verbondsquot;, verstaan in den letterlijken zin en in hunne volle waarheid,

493

1

J) Joës. XIII, 1, 2.

2

) I Cor. XI, 23-25.

ocr page 514

Christus' dood en herleving.

Na het gebed moest het hoofd des gezins den wijnroemer nemen en aan zijne dischgenooten overreiken, zeggende: „Gezegend zijt gij, Heer! die de vrucht van den wijnstok hebt geschapen!quot; Daarop at men de bittere kruiden die in de charoset') waren gedoopt. Christus nam den vollen roemer, dankte en zeide: — „Neemt en deelt die onder uquot; 5).

De droefheid, bij de gedachte dat hij de zijnen ging verlaten, deed hem erbij voegen: „ik zeg u: ik zal niet drinken van het gewas des wijngaards, totdat het Eijk Gods zal gekomen zijn, wanneer ik het met u op nieuw zal drinken in het rijk mijns Vadersquot; 1).

De gedachte aan het eeuwige leven, aan de vreugde in het Rijk zijns Vaders verlicht voor hem en zijne leerlingen de benauwdheden van den naderenden dood.

Terwijl zij aan tafel lagen en aten, zeide Christus tot hen:

— „Voorwaar, ik zeg u, één uit u, die met mij eet, zal mij verradenquot; *).

Door ondervinding wisten zij dat hun Meester alles wist, en daarom vragen allen één voor één: Ben ik het?

Zonder nog den verrader aan te wijzen herhaalde Christus: „Eén uit de twaalven is het, die met mij de hand in den schotel doopt.

„Wat den Zoon des menschen betreft, hij gaat heen gelijk er van hem geschreven staat; maar wee dien mensch, door wien de Zoon des menschen zal verraden worden. Het ware dien mensch beter, dat hij niet geboren warequot;5).

492

1

) Matth. XXTI, 29; Marc. XIV, 26; Luc. XXII, 18.

lt;) Marc. XIV , 18.

Sj Matth. XXVI, 24; Marc. XIV. 21.

ocr page 515

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

Alleen om den verrader is Christus bedroefd. Maar Judas blijft ongevoelig en vol veinzerij vraagt hij, gelijk de anderen: Ben ik het? — Hij gelooft nog hem te kunnen bedriegen dien hij verraden had.

Christus antwoordde: „Gij zijthet, gij hebt het gezegdquot;'). Maar dit woord ging onder de algemeene ontsteltenis verloren, en de droeve onzekerheid drukte allen neêr.

De feestmaaltijd werd voortgezet.

Toen geschiedde wat men moet lezen met het geloof der getuigen die het ons hebben overgeleverd.

„Hij wist, zegt de H. Joannes1), dat hij bij dit Paasch-feest uit deze wereld zou overgaan tot den Vaderquot;. Hij had de zijnen, die in de wereld waren, liefgehad en hij had hen lief ten einde toe. Die liefde brengt hem tot eene daad, die niet van den mensch kan wezen , maar alleen aan God behoort.

Terwijl zij te tarnen aten nam Christus het brood, dankte, brak het, en gaf het aan zijne leerlingen, zeggende:

— „Neemt, en eet: dit is mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt: doet dit tot mijne gedachtenisquot;.

Een weinig later, toen de maaltijd was afgeloopen, en het hoofd des gezins volgens voorschrift den laatsten wijnroemer aan alle dischgenooten moest overreiken, nam Christus den kelk, dankte, en gaf dien aan hen, zeggende:

— „Drinkt hieruit, allen. Dit is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, dat voor velen zal vergoten worden, tot vergiffenis der zonden. Doet dit, zoo dikwijls gij dien (kelk) drinkt, tot mijne gedachtenis2).

Deze woorden: „neemt en eet, dit is mijn'lichaam; neemt en drinkt, dit is mijn Bloed des Nieuwen Verbondsquot;, verstaan in den letterlijken zin en in hunne volle waarheid,

493

1

') Jobs. XIII, 1, 2.

2

) I Cor. XI, 23-25.

ocr page 516

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

zijn voor den mensch een ongehoord en ondoordringbaar geheim. Dit brood wat Christus aan zijne apostelen geeft is geen brood meer, maar zijn lichaam dat zal worden geslachtofferd; de kelk dien hij hun te drinken geeft bevat geen wijn meer, maar zijn eigen bloed, dat zal worden vergoten.

In dien zin hebben de apostelen deze woorden opgevat; zij hebben des Meesters woord geloofd en zijn vleesch en bloed genuttigd onder de gedaanten van brood en wijn.

Wat Christus een jaar te voren, te Capharnaüm') aan het volk van Galilea had beloofd, geeft hij in dezen oogen-blik, eenige uren vóór zijn dood.

Toen zeide hij, dat hij „het Brood des levensquot; was; dat men door dat brood te eten, zou leven; dat men, „tenzij men het vleesch van den Zoon des menschen at en zijn bloed dronk, het leven niet zou hebbenquot;; „dat zijn vleesch waarlijk spijs was en zijn bloed waarlijk drank; dat die zijn vleesch at en zijn bloed dronk in hem zou blijvenquot;.

Het volk wendde zich toen vol ergernis van hem af met de vraag: hoe kan deze ons zijn vleesch te eten geven? Op die vraag geeft hij heden het antwoord.

Het kort begrip van Christus' geheelen godsdienst ligt opgesloten in zijne daad van dit oogenblik. Christus is hier offeraar en offerande tevens, de insteller van een eeuwig priesterschap en een eeuwig offer. De reden van zijn dood openbaart hij hier zonder beeldspraak, zonder parabel; zoo duidelijk heeft hij daarover nooit gesproken. Hij is het offer, waardoor de zonden der wereld worden weggenomen.

494

Het kwaad is in de menschheid, en dat kwaad moot overwonnen worden; om het te overwinnen moet er voor geboet worden: dat zal de Zoon des menschen doen. De goddelijke rechtvaardigheid eischt voldoening, de Zoon des menschen zal die geven door zijn lijden en dood. Terecht

') Joös, VI, 35. VT,

ocr page 517

CHRtSTUS* DOOD ÉN HERLEVING.

is hij door Joannes den Dooper genoemd: het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld.

Hoe zullen de menschen deelen in de voldoening door den Zoon van God persoonlijk gegeven, hoe zullen zij deelen in de twee groote voordeel en van zijnen dood: de verlossing van het kwaad , en de voldoening van Gods rechtvaardigheid? Zij moeten één lichaam worden met het slachtoffer dat zich overlevert en sterft voor hen. Welnu, Christus was niet tevreden met eene geestelijke vereeniging tusschen den mensch en zijn Geest en zijn persoon; hij wilde ook eene stoffelijke vereeniging. Hij wilde dat de mensch, geest en stof, ziel en lichaam, in den geest en in werkelijkheid één zou worden met zijn geheele wezen, met den Zoon Gods en den Zoon des menschen, met zijne godheid en menschheid, met zijne ziel en met zijn lichaam; hij wilde dat men geloofde aan zijn woord en door het geloof éen van geest werd met hem; hij wilde dat men zijn vleesch zou eten en zijn bloed drinken, dat men één lichaam werd met den Zoon des menschen.

Daarin is de wondervolle samenstemming van alle deelen onzer verlossing gelegen en de grond van het H.H. Sacrament des Altaars.

In hetzelfde oogenblik waarin Christus zich als slachtoffer openbaart, stelt hij, in de volheid zijner priesterlijke waardig, heid, het eenige en altijddurende offer in, terwijl hij aan alle andere offers een einde maakt. Daar zal voortaan slechts één offer zijn; de Zoon des menschen stervend voor de zonden der wereld.

Dit bloedig feit, wat den volgenden dag zal voltrokken worden, wordt reeds heden door Christus in daad voorspeld; hij voltrekt het heden in sacramenteelen vorm aleer het in werkelijkheid geschiedt, en wanneer het in werkelijkheid zal voltrokken wezen, zal hij het voortzetten in sacramenteelen vorm tot het einde der eeuwen.

Terwijl hij tot zijne apostelen zegt: „Doet dit ter mijner gedachtenisquot;, stelt hij het priesterschap in met de macht, tot het einde der tijden voort te zetten wat hij-zelf heden is begonnen. —

495

ocr page 518

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Op het woord des Meesters zullen anderen doen gelijk hij, en de Zoon Gods zal onder de gedaanten van brood en wijn met de zelfstandigheid van zijn vleesch en bloed, krachtens de woorden van elkander gescheiden, tegenwoordig wezen. Hij zal daar tegenwoordig zijn met zijne godheid en menschheid, en de spijze en de drank en het leven der wereld zijn. Zoo zal het volle werk van het Rijk Gods in voltooiing gaan; alle uitverkorenen éen met den Zoon Gods door het Geloof en het Sacrament.

Nu kan Christus zich overleveren aan den dood; want ook als hij gestorven is, zal hij voortleven in de gedachtenis der zijnen niet alleen, maar in werkelijkheid te midden van hen. Zij zullen hem aanbidden in geest en in waarheid, totdat hij hun verschijnt in zijne glorie.

Meer dan twaalf eeuwen hebben de christenen met een ongestoord geloof in dit H.H. Sacrament geloofd. Eerst toen waren eenigen, gelijk de Galileërs te Capharnaüm, daarin geërgerd, hebben de woorden; „dit is mijn lichaam, dit is mijn bloedquot;, tot een beeldspraak verlaagd, zagen in Christus' handeling slechts eene aanmaning tot de zijnen om te blijven denken aan hem, en in het laatste Avond maal een gastmaal, dat moest worden voortgezet ter herinnering van zijnen dood.

Maar niemand zal den moed hebben, de gedachte die de ziel dezer woorden en van deze instelling is te verkleinen of te loochenen.

Christus openbaart zich hier als het slachtoffer der wereld, en hij geeft zijn bloed tot vrijkoop der zonde. Zonder den Geest Gods, die alleen rechtvaardig maakt en vergiffenis schenkt, is die vrijkoop der zonde onmogelijk; en indien het bloed van Christus de kracht heeft om ons vrij te koopen, is het niet meer het bloed van den mensch maar van den Zoon Gods.

Indien het hem behaagt ons zijn vleesch tot spijs, zijn bloed tot drank te geven, is hij daar meester van; en

496

ocr page 519

CHRISTUS' DOOD KN HERLEVING.

wanneer hij het Sacrament des Altaars instelt wekt hij niet meer onze bewondering dan wanneer hij ons vraagt te gelooven in zijn goddelijk verlossingswerk. De christenen die hierin gelooven zijn niet te verdedigen wanneer zij het andere verwerpen.

De ongeloovigen, die willen weten en oordeelen, staan hier voor een onoplosbaar raadsel. Wie is die mensch die eene taal spreekt waarvan niemand nog één lettergreep heeft gespeld? Wie is die martelaar, die te voren zijne marteling kent, haar beschouwt als de straf waarmede de schuld van alle menschen wordt uitgeboet en van zich-zelven gelooft dat hij van allen de Verlosser is, die aan de goddelijke rechtvaardigheid voldoening geeft ? Hij is geen dweeper noch een dwaas. Dweeperij en dwaasheid hebben nooit op den loop der menschelijke gebeurtenissen een beslissenden invloed gehad. Christus heeft dien loop veranderd en bedwongen: hij heeft den mensch vrij gemaakt en verlost. Wat hij van zich-zelven gelooft en wat hij heeft geleerd is dus waar. De zonde is in de wereld, en daarvoor voldoet hij door zijnen dood. Maar dan is hij ook meer dan mensch en is hij God. Zijne voortdurende getuigenis dat hij de Zoon is van God, van één wezen en natuur met den Vader, is de eenige verklaring van zijn verzoenenden arbeid waarvoor hij zegt in de wereld te zijn gekomen.

Deze slotsom van Christusquot; woord en daad dringt zich met nog meer geweld aan elkeen op, wanneer Christus zich hier maakt tot een offer en offeraar van allen tijd. De mensch kan evenwel dat alles verwerpen en met vrijen wil blind voor de waarheid blijven. Judas-zelf is daarvan een voorbeeld en het toonbeeld tevens.

Uit de hand zijns Meesters nam hij het brood aan, waarvan Christus zeide; „Dit is mijn lichaamquot;. Hij dronk den kelk, waarvan Christus getuigde: „Dit is het bloed van het Nieuwe Verbondquot;. Zooveel verstoktheid doet Christus zeggen : „Doch ziet! de hand van dengene die mij verraadt, is

32

497

ocr page 520

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

met mij aan de tafelquot;; Christus is begaan met zijn lot en tracht hem nog door eene bedreiging te redden: — „De Zoon des menschen gaat wel heen, gelijk er van hem geschreven staat; maar wee dien mensch, door wien hij zal verraden wordenquot; ').

De apostelen zijn ontsteld en beducht en vragen aan elkander wie wel de verrader zou zijn.

Het avondmaal was geeindigd. Christus stond op. En „hij, aan wien de Vader alles in handen had gegeven, die van God was uitgegaan en tot God henengingquot;, zijne goddelijke grootheid vergetend, legde zijne kleederen af, nam een linnen doek en omgordde zich ermede, goot water in een bekken, begon de voeten der leerlingen te wasschen en af te droegen met den linnen doek, waarmede hij omgord wasquot; s).

Dat was een buitengewone daad, die aan dienstknechten paste, maar dien men nooit te voren door het hoofd des gezins had zien verrichten.

Toen Christus bij Simon Petrus kwam, riep deze vol ontsteltenis: — Heer, wascht gij mij de voeten!

„Wat ik doequot;, antwoordde Christus, „weet gij nu niet, maar gij zult het later wetenquot;.

- Neen, nooit, riep Petrus, zult gij mij de voeten wasschen!

— „Indien ik unietwaschquot;, zeide Christus tot hem, „zult gij geen deel met mij hebbenquot;.

De gedachte van zijn Meester te worden gescheiden trof Petrus levendig. - Heer, riep hij, niet alleen mijne voeten, maar ook de handen en het hoofd.

Christus zeide tot hem: „Die gewasschen is heeft niet van noode, dan dat hij de voeten wassche, en hij is geheel rein. Ook gij zijt rein, maar niet allenquot;.

498

Nieuwe toespeling op Judas. Voortdurend is Christus

i) Luc. XXII, 22 en parall. 3) Joos. XIII, 4 vv.

ocr page 521

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

met hem bezig en tracht hij hem nog los te rukken van zijn misdadig plan.

Bij de gedachte dat een van hen den Meester zou verraden, willen allen getuigenis afleggen van hun trouw en draagt elkeen zijne verdiensten aan. Daaruit volgt een onderling getwist en gekibbel, wie van hen den voorrang in het Rijk Gods zal hebben. Het eigenbelang komt voor den dag; en daaraan wil Christus een einde maken. Het gezag waarvan zij de dragers zullen wezen is van een anderen aard dan dat der wereld.

— „De koningen der volkeren, zeide hij, „heerschen over hen, en die over hen gezag hebben, worden weldoeners geheeten. Zoo moet het niet zijn met u.

„Die onder u de grootste is, wordt als de geringste, en die voorganger is als de dienaar. Wie is grooter, die aanzit aan tafel of die dient? Is het niet hij, die aanzit? Welnu, ik ben midden onder u, als een die dientquot;1).

Na in het laatste Avondmaal hei priesterschap te hebben ingesteld, de hoogste en heiligste der machten, geeft Christus van die macht het hoofdbegrip en de onveranderlijke grondregels aan.

Komt de priesterlijke macht uit de macht van Christus voort dan moet zij ook hebben dezelfde wet waaraan Christus altijd onderworpen was; en die wet is de wet van liefde. Het Rijk Gods en de hierarchie, waardoor Christus onzichtbaar onder de menschen blijft wonen, moet in de liefde gegrondvest zijn.

Dat wilde hij hun in de voetwassching duidelijk maken. Van Christus' leven met zijne leerlingen is dit de laatste handeling. Zij moet en zal nooit vergeten worden.

499

Daarop deed hij zijne kleederen aan, zette zich wederom aan tafel, en zeide; — „Weet gij, wat ik u gedaan heb?

') Luo. XXII, 25 vv.

ocr page 522

CHRISTUS' JX)OD EN HERLEVING.

Gij noemt mij Meester en Heer, en gij zegt wel, want ik ben het. Indien dan ik, de Heer en de Meester, uwe voeten gewasschen heb; moet ook gij elkanders voeten wasschen. Een voorbeeld heb ik u gegeven, opdat, gelijk ik u gedaan heb, gij ook alzoo doet. Voorwaar, voorwaar ik zeg u: De dienstknecht is niet grooter dan zijn heer, nooit is de apostel grooter, dan die hem gezonden heeft. Zalig zult gij zijn, indien gij dat weet en doetquot; ').

Een gevoel van vreugde doorstroomde zijne ziel, als hij de zijnen zag; en met teederheid zeide hij:

— „Gij zijt het, die met mij hebt volhard in mijne beproevingenquot; ').

Die getrouwheid zal beloond worden; en daarom voegt hij erbij:

— „Ik beschik u het Kijk, gelijk mijn Vader het mij heeft beschikt, opdat gij aan mijne tafel eet en drinkt in mijn Rijk, en gij op tronen zit, oordeelende de twaalf stammen van Israel^'1).

Wederom denkt hij aan Judas. Hij ziet dat de misdaad van den verrader zal gepleegd worden.

— „Ik zeg dit niet van u allenquot;', riep hij. „Ik ken die ik uitverkoren heb. Het woord van de Schrift zal vervuld worden: Die met mij het brood eet, zal zijne verzenen tegen mij opheffen2). Ik zeg het u alvorens het geschiedt, opdat, als het geschied is, gij gelooft aan hetgeen ik benquot; 6).

De gedachte aan Judas wordt sterker en sterker in hem. Hij wordt in den geest ontroerd; en plechtiger dan te voren herhaalt hij dat woord met tranen in de stem: Voorwac,r, voorwaar, ik zeg u: „Eén van u zal mij verradenquot;.

Ook de leerlingen zijn nu nog meer ontsteld, en zien

500

1

') Luc. XXII, 29 vv.

2

) Ps. XL, 10.

ocr page 523

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

elkander aan om het ondoordringbaar geheim van den verrader te achterhalen.

Aan Christus' rechterzijde lag Joannes en aan zijn linker Petrus, die het niet langer kon nithouden. Deze richtte zich een weinig op en gaf, achter Christus om, een teeken aaïi Joannesquot;, dat hij aan den Meester den naam van den verrader zou vragen. Joannes liet hel hoofd een weinig naar achter op de borst van Christus vallen en zeide in stilte tot hem: — „Heer! wie is het?quot;

Aan zijn beminden leerling openbaarde hij het smartvol geheim; maar hij droeg zorg dat niemand, behalve Petrus misschien, het verstond.

— „Hij is hetquot;, antwoordde hij aan Joannes, „wien ik het brood, als ik het ingedoopt heb, zal toereikenquot;.

Hij doopte het brood in en gaf het aan Judas Iscarioth, den zoon van Simon. Judas nam het en at. Dat was de laatste daad zijner schijnheiligheid. De maat was vol.

Christus sprak toen tot hem dat vreeselijke woord: „Wat gij doet, doe het haastelijkquot;'). Zijn uur is daar waarin hij zal worden overgeleverd.

Alleen Joannes en misschien ook Petrus begrepen den zin dezer laatste woorden. De meesten dachten, dat Judas, die de geldbeurs droeg, iets moest koopen voor het feest van den volgenden dag of een gift aan de armen geven.

Toen Judas het gezelschap verliet was het laat in den avond. Het lijden des Heeren begon.

501

Christus' lijden en dood zijn zijn groote werk. Door zijn dood de wereld te verlossen van het kwaad, de waarheid van zijne leer te bekrachtigen, zijn Rijk vooi eeuwig te stichten en zijne uitverkorenen daar binnen te voeren om hun te laten deelen in het leven van God, — ziedaar de glorie van den Zoon des menschen en van God. In die

gt;) Joës XIII, 27.

ocr page 524

Christus' dood en herleving.

glorie verheugt Christus zich nu en met een zegekreet op de lippen gaat hij zijn lijden en dood tegemoet.

— „Nu is de Zoon des menschen verheerlijkt en God is verheerlijkt in hem; en indien God verheerlijkt is in hem, zal ook God hem verheerlijken in zich-zelven en daarmee niet wachten, maar terstond zal hij hem verheerlijkenquot; ').

ZEVENDE HOOFDSTUK.

De laatste woorden.

Christus heeft zijn beste woorden bewaard voor dit oogenblik.

Nu Judas is weggegaan is hij met zijne getrouwen alleen. Hij weet dat hij hen weldra zal verlaten; geen dagen maar slechts uren heeft hij te leven met hen.

Al de teederheid zijner liefde vloeit op hen neêr.

— „Kindekens!quot; zegt hij tot hen, „nog een luttel tijds ben ik met u. Gij zult mij dan zoeken; maar gelijk ik tot de joden gezegd heb, zeg ik ook nu tot u; Waar ik ga, kunt gij niet komenquot; s).

Christus weet hoezeer zijne leerlingen hem zullen missen; maar toch moet de scheiding gebeuren. „De Zoon des menschen moet door zijn lijden en dood, langs een nieuwen wegquot; 1), tot zijn Vader teruggaan. Eerst wanneer hij dien nieuwen weg heeft afgelegd, kunnen zijn leerlingen volgen.

502

1

) Hebr. IX, 8.

ocr page 525

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Christus gaat hun zijne laatste verlangens') openbaren.

— „ Een nieuw gebod geef ik u: dat gij elkander liefhebt, gelijk ik u heb liefgehad. Ja, zoo moet gij elkander liefhebben. Aan dit teeken zullen allen kennen, dat gij mijne leerlingen zijt, indien gij liefde hebt tot elkanderquot;.

De liefde die Christus hier aan zijn leerlingen voorschrijft, mag niet worden gelijk gesteld met dat gevoel van men-schenmin dat ook de heidenen hebben gekend, noch met het gebod van naastenliefde in de Tien Geboden gegeven '). Deze heeft een andere bron, een ander gebied, een ander doel, eene andere wet. Haar bron is de levende Geest Gods die ons in eiken mensch, zonder uitzondering, een redelijk en vrij schepsel doet zien, dat bekwaam is een aangenomen Zoon van God te worden; haar doel is, dien mensch te brengen tot God, het hoogste en oneindig goed; hare wet is de verloochening van zich-zelven, de onbaatzuchtige , algeheele toewijding ten koste van lijden en dood.

Van deze liefde heeft Christus zelf het eerste voorbeeld gegeven; zij was noch bij de joden, noch bij de heidenen bekend. Ook de joden hadden slechts liefde voor de zonen van hun volk. Alleen de christenen, indien zij hunnen Meester volgen, kennen die matelooze, algemeene liefde. Zij moeten ook hen liefhebben die niet deelen in hun geloof, want Christus heeft ook ons bemind, toen wij dood3), en zijner liefde onwaardig waren.

Petrus was nu bedroefd bij de gedachte, dat zijn Meester evenmin als in de joden ook in hen geen vertrouwen had, omdat zij hem niet konden volgen. Hij komt daarom op dat heengaan van zijn Meester terug en vroeg: — „Heer! waarheen gaat gij ?quot; Hij wilde hem zoo gaarne volgen.

503

Christus antwoordde; „Waar ik ga, kunt gij mij nu

') Joês XIII, 34-35. ') Deut. VI, 6, ') Eph. II, 5.

ocr page 526

Christus' dood en herleving.

niet volgen; maar gij zult mij later volgenquot;. Dat woord van hoop was Petrus niet genoeg. Hij vertrouwt op zijn hart en zijne eigen krachten. — Waarom, vroeg hij, kan ik u nu niet volgen?

Toen riep Christus uit, terwijl hij den storm zag naderen waardoor zijne leerlingen zouden beroerd worden: — „Simon, Simon! zie, Satan heeft ulieden begeerd, als tarwe te ziften. Maar ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet bezwijke. Gij dan, wanneer gij eens bekeerd zijt, versterk uwe broederenquot; ').

Deze voorspellende woorden beduidden aan Petrus op fijne en zachte wijze dat hij niet bestand was tegen den strijd dien hij wilde aanbinden; De apostelen zouden beproefd worden, geeft Christus te kennen, maar door ondervinding zullen zij hunne onmacht gevoelen. Dan eerst zullen zij sterk wezen en onverwinbaar door het gebed van den Heer. Maar Petrus is zeker van zich zelven, en in zijn overmoed roept hij uit: Heer! met u ben ik bereid, èn in den kerker, èn in den dood te gaan. Mijn leven wil ik voor u geven.

— „Uw leven wilt gij voor mij gevenquot;? zeide Christus. „Voorwaar, voorwaar ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult geloochend hebben, dat gij mij kentquot;1 .

Petrus was verslagen en alle leerlingen waren gewaarschuwd. De rustige dagen zijn voorbij. In het gezelschap van hunnen Meester hadden zij aan niets gebrek, ook toen zij niets bezaten. — „Als ik u uitzond zonder buidel of male, en schoenzolen, heeft u wel iets ontbrokenquot; ? — Niets — „Maar nuquot;, hernam Christus, „wie een buidel heeit, neme dien ; insgelijks ook eene male; en die er geen heeft, verkoope zijn kleed en koope een zwaard.

Want ik zeg u: Er moet nog dit aan mij volbracht

lt;) Luc. XXII, 31-32.

») Luc. XXII. 33, 34; JoëB. XIII, 38.

504

ocr page 527

Christus' dood en heuleving.

worden, hetwelk geschreven staat: En hij is onder de booswichten gerekend ■).

„Alles wat mij aangaat, loopt ten einde'quot;).

Geen apostel met gevulden buidel en gewapend met het zwaard roept Christus op ten strijd. Naar gewoonte gebruikt Christus een beeldspraak. In het zwaard van den Geest Gods ligt hun kracht. Hij die als een sprakeloos iam ter slachtbank zal worden gevoerd, is op den dood van anderen niet bedacht.

De leerlingen namen de woorden op in letterlijken zin en zeggen: Heer, zie hier, twee zwaarden.

Christus weerlegt hunne awaze opvatting niet, maar voegt erbij in droevige ironie: — Voor het gebruik dat gij van die wapenen hebt te maken „het is genoegquot; !

Nu gaat hij hen weer bemoedigen en troosten.

— „CJw hart worde niet ontroerd. Uwe kracht is in God en in mij. Gij gelooft in God; gelooft ook in mijquot;3).

Om het geloof der zijnen te sterken, zegt Christus hun duidelijk waarheen hij ging en de reden van zijn heengaan. Ook spreekt hij van zijn wederkomst en de hereeniging met hen.

— „In mijns Vaders huis zijn vele woningen''; ze zijn voor allen die gelooven voorbeschikt; „zoo niet, ik zou het u gezegd hebben; want ik ga u plaats bereiden. En wanneer ik zal gegaan zijn, en u plaats bereid hebben, kom ik weder, en zal u tot mij nemen, opdat, waar ik ben, ook gij zijtquot;.

Het is Christus' werk zijne uitverkorenen daar te brengen waar voor hen in alle eeuwigheid eene plaats is bereid.

Hierna kon hij tot zijne leerlingen zeggen:

505

— „Gij weet nu waarheen ik ga, en den weg weet gij.

') Isaïas LUI, 12. ') Luc. XXIT , 36 VT. ') Joes. XIV, 1 VT,

ocr page 528

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Een der leerlingen, Thomas, die niets begrepen had, riep uit: Heer! wij weten niet, waarheen gij gaat; en hoe kunnen wij den weg weten?

— „Ik ben de wegquot;, zeide Christus tot hem, „en de waarheid, en het leven. Niemand komt tot den Vader, dan door mijquot;.

Daar klinkt de volle waarheid, zuiver enklaar. Hij gaat tot den Vader, de eeuwige, onveranderlijke, onuitputtelijke Bron der waarheid, der liefde en van het leven, om alle uitverkorenen te brengen tot die Bron. Niemand kan tot die Bron naderen dan door hem; want hij en de Vader zijn één.

— „Indien gij mij gekend hadt, zoudt gij ook wel mijnen Vader gekend hebben. En van nu af zult gij Hem kennen, en hebt Hem gezienquot; ').

Ofschoon zij in hunnen Meester den Zoon van God hadden erkend, doorschouwden de leerlingen den band toch niet waarmede hij aan zijn Vader was verbonden. Van dien band wil hij hun nu eene verklaring geven en daardoor hun geloof in zijne godheid versterken.

Philippus, die veel eenvoudiger dan Thomas was, hoorende van zijnen Meester, dat zij den Vader zouden kennen en zij Hem reeds hadden gezien vroeg nu in zijn eenvoud: — „Heer toon ons den Vader, en het is ons genoegquot;.

Zooveel onnoozelheid bracht Christus er toe nog eens het geheim van zijne volmaakte eenheid met den Vader te verklaren.

506

— „Ben ik zoo langen tijd met u, en hebt gij mij met gekend? Philippus, die mij ziet, ziet ook den Vader. Hoe zegt gij: Toon ons den Vader? Gelooft gij niet, dat ik in den Vader ben, en de Vader in mij is? De woorden die ik tot u spreek, spreek ik niet uit mij-zelven, ik heb ze van den Vader gehoord; en de werken die ik doe, — het is de Vader, die in mij blijft, die ze doetquot;.

') Joës. XIV, 7 TY.

ocr page 529

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Het geloof, dat hij éen is in wezen met den Vader, vordert de Meester van zijne leerlingen. Dat geloof is de grondslag en de verklaring van alles. Het is den mensch hier op aarde niet gegeven God in zich-zelven te zien. Wij kennen hem in zijne werken maar voor alles in Christus, die hier op aarde, in de éenheid van zijn wezen met den Vader, in alles den wil zijns Vaders heeft volbracht. In den Zoon des menschen, in Christus heeft God de Vader zich zoo volmaakt mogelijk geopenbaard; zoodat elke ge-loovige, wanneer hij Christus ziet, zeggen kan: ik zie den Vader, en het is mij genoeg!

Dat geloof in Christus zal in de zijnen het beginsel van goddelijke daden zijn. — „Voorwaar, voorwaar ik zeg u. Die in mij gelooft, ook hij zal de werken doen die ik doe, en hij zal grootere dan deze doen; wantik ga tot den Vaderquot;.

Het geloof brengt tusschen Christus en zijne leerlingen eene goddelijke gemeenschap. Christus leeft in den geloovige voort, en zal, wanneer hij tot den Vader is teruggekeerd, altijd meer en meer in en door den geloovige werken.

Willen zij zijne werktuigen zijn, dan vraagt hij slechts twee dingen van hen; dat zij bidden en getrouw aan zijne geboden blijven.

— „Bidt dusquot;, zeide Christus tot hen, „al wat gij den Vader zult vragen in mijnen naam , dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon worde verheerlijktquot;.

Christus spreekt hier als God. Wat hij, de Zoon des menschen doet, is van oneindige waarde, omdat hij éen is in wezen met den Vader. — „Wat gij zult vragen dat zal ik doenquot;. Maar dat gebed der zijnen heeft slechts kracht wanneer het voortkomt uit liefde tot hun Meester, en dien Meester hebben zij lief alleen wanneer zij getrouw aan zijne geboden zijn. — „Onderhoudtquot;, vermaant Christus hen, „mijne gebodenquot;, dan „zal ook ik den Vader biddenquot;; en, daar ik niet meer op zichtbare wijze met u zal wezen , zal de Vader

507

ocr page 530

CHRISTUS' DOOD EN HKELEVING.

u een anderen steun, den Vertrooster geven, opdat hij met u blijve in eeuwigheid ').

Zoo zal dezelfde Geest, die in hem en in den Vader woont en beiden vereenigt, volgens Christus' bede ook aan de geloovigen worden gegeven en met hen blijven in eeuwigheid.

Hij zal hun steun zijn, hun troost en hun licht.

— „'tls de geest der waarheid , welken de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet hem niet, en kent hem niet. Gij echter zult hem kennen, want hij zal bij u blij ven en in u zijnquot;.

Die de waarheid dezer woorden in zijn binnenste niet heeft ondervonden, zal ze nooit begrijpen; hij behoort tot de wereld en de Geest van Christus is hem vreemd. Maar tot hen, die naar deze onuitsprekelijke verzuchtingen 5) van den Geest luisteren zal Christus even als tot zijne leerlingen spreken.

— „Ik zal u niet als weezen achterlaten; ik zal tot u komen.

„Nog een luttel tijds, en de wereld ziet mij niet meer. Maar gij zult mij zien; want ik leef in u en gij zult leven door mij.

„In dien dag waarop u de Geest zal worden gegeven, zult gij erkennen dat ik in mijnen Vader ben, en gij in mij, en ik in u; want die mijne geboden heeft en onderhoudt, hij is het, die mij liefheeft, mijn vader zal hem liefhebben, en ik zal hem liefhebben , en mij-zelven aan hem openbaren''.

In het getrouwe geweten ■ en in het hart van den ge-loovige, die Christus' woord onderhoudt, zal het Rijk Gods nederdalen en de openbaring van Christus volkomen zijn.

— „Waaromquot;, sprak een leerling, die blijkbaar meer dacht aan de uiterlijke heerlijkheid van des Messias' rijk, „openbaart gij u aan ons en niet aan de wereld3)quot;?

') Jo6a. XIV, 16 vv.

') Eom. VIII, 26.

ï) Joea. XIV, 22 vv.

508

ocr page 531

CHRlSTas' ÖOOD EN HERLEVING.

Christus geeft de reden daarvan aan; de wereld heeft hem niet lief; en die Jesus Christus niet lief heeft, kan hem niet kennen.

— „Maar indien iemand mij liefheeftquot;, gaat hij voort met klem, „hij zal mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en woningen bij hem makenquot;.

't Is niet vDor het eerst dat Christus spreekt van dien Geest, die in zijne leerlingen moet wonen. Reeds in het begin, toen hij zijne leerlingen lijden en vervolging voorspelde, had hij hen bemoedigd met de belofte, dat de H. Geest met hen zou wezen.

Nu in den laatsten avond van zijn leven openbaart hij dien Geest als een persoonlijk wezen, onderscheiden van hem en zijnen Vader, als de eeuwige Liefde v/aarmede de Vader en de Zoon elkander liefhebben. Door dienzelfden Geest worden ook de uitverkorenen op onuitspreekbare wijze met den Vader en den Zoon verbonden — het einddoel van Christus' leven, van al zijne daden en heel zijn woord.

— „Dat woord hetwelk gij hebt gehoordquot;, zeide hij tot de leerlingen, „is niet het mijne, maar van den Vader die mij gezonden heeft. Dit heb ik tot u gesproken, toen ik bij u was. Maar voortaan zal de Vertrooster, de Heilige Geest, dien de Vader in mijnen naam zal zenden, u alles leeren, en u alles indachtig-maken, hetgeen ik tot u gesproken hebquot;.

Zulke gaven kan de mensch niet geven, alleen de liefde van God, de Geest van Christus, kan de ziel waarin hij woont, veranderen, hernieuwen, omkleeden met goddelijke kracht.

Daarom kon Christus na deze belofte zeggen; Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u, niet gelijk de wereld dien geeft.

Die der wereld is broos, ijdel en vol bedrog; maar de vrede van Christus ontspringt uit de liefde van den Zoon en den Vader, is onveranderlijk, innig en waar.

Alles wat de mensch kan weten van God den Vader'

509

ocr page 532

CHRISTUS1 DOOD EN HEKLEVING.

van Zijn leven, Zijn wezen en raadsbesluiten, van Zijn eenigen Zoon en den Geest die de Liefde van beiden is; alles wat hij kan weten van Christus' arbeid, waardoor de uitverkorenen met den Vader en den Zoon in dezelfden Geest van waarheid en liefde moeten vereenigd worden in het Rijk Gods, — dit alles heeft Christus in deze laatste samenspraken met zijne leerlingen uiteengezet, in klare en eenvoudige woorden, ten aanhoore van menschen wier onwetendheid voor de waarheid dezer woorden getuigt.

De mensch, die den dood ziet naderen, huivert en beeft en laat zijn werk aan anderen over. niet wetend wat er met dat werk gaat gebeuren.

Zoo was het met Christus niet. Zijn dood is voor hem niet anders dan een wederkeeren tot zijn Vader van Wien hij is uitgegaan. Als Zoon des menschen gaat hij de glorie genieten die hij als Zoon van God van eeuwigheid heeft genoten. Het werk wat hij achterlaat, zal na hem voortleven en groot worden. Ofschoon onzichtbaar zal hij voortleven met zijne leerlingen en in en door hen zijn werk, zijn Rijk , voltooien.

— „Uw hart worde niet ontroerd, noch versaagd '). Gij hebt gehoord, dat ik tot u gezegd heb: Ik ga en ik kom tot uquot;. Ik ga tot den Vader, ik kom op onzichtbare wijze door den Geest. „Indien gij mij liefhadt, zoudt gij gewis u verblijden, omdat ik tot den Vader ga. De Vader is grooter dan de Zoon des menschen, hij gaat hem verheerlijken; en de Zoon des menschen zal, als hij verheerlijkt is voor u den Vertrooster verwerven.

„Ik heb u dit gezegd, eer liet geschiedt, opdat, als het geschied is, gij moogt geloovenquot;.

De tijd ging voorbij; het uur van droefheid en sterven naderde snel.

510

— „Ik zal niet meer veel met u sprekenquot;, zeide Christus

1

Joes. XIV, 27 vv.

ocr page 533

Christus' dood en herleving. oil

met droefenis. „De vorst dezer wereld komtquot;. Judas, de verrader, en allen die zich gereed maken om hem te vangen , zijn voor hem slechts werktuigen vandengene, dien hij den Vorst dezer wereld noemt. Hij komt, „maar hij heeft in mij nietsquot; '). Ofschoon van alle boosheid en zonde vrij zal hij toch als een boosdoener worden behandeld.

Maar in zijn lot ziet hij den wil zijns Vaders. — „De wereld moet erkennen dat ik den Vader liefheb, en zoo doe, als de Vader mij geboden heeftquot;.

Toen sprak hij zonder vrees: „Staat op, laat ons van hier gaanquot;.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Van de opperzaal naar Gethsemani.

Zij stonden op; en naar gewoonte baden zij luide het einde van het „Hallelquot; 2).

Na het eindigen van den lofzang verliet de Meester, door zijne leerlingen omringd, de opperzaal en sloeg hij met hen den weg naar den Olijfberg in. Het huis waar zij het Paaschlam hadden gegeten lag op den berg Sion. Hij moest door eene der zuidelijke poorten de stad verlaten en langs de hellingen van den Ophel, langs tuinen en wijngaarden, naar den hof van Gethsemani wandelen. Het was nacht, — een van die oostersche nachten waarin de heerlijkheid Gods in de diepblauwe lucht door millioenen sterren naar beneden ziet.

') Joes. XIV, 30, 31.

x) Ps. CXIII, CXV, CXVI, CXV1I, waarin de verlossing uit Egypte, de wetgeving op Sinaï, de opstanding en het lijden van den Messias bezongen werden.

ocr page 534

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

van Zijn leven, Zijn wezen en raadsbesluiten, van Zijn eenigen Zoon en den Geest die de Liefde van beiden is; alles wat hij kan weten van Christus' arbeid, waardoor de uitverkorenen met den Vader en den Zoon in dezelfden Geest van waarheid en liefde moeten vereenigd worden in het Rijk Gods, — dit alles heeft Christus in deze laatste samenspraken met zijne leerlingen uiteengezet, in klare en eenvoudige woorden, ten aanhoore van menschen wier onwetendheid voor de waarheid dezer woorden getuigt.

De mensch, die den dood ziet naderen, huivert en beeft en laat zijn werk aan anderen over. niet wetend wat er met dat werk gaat gebeuren.

Zoo was het met Christus niet. Zijn dood is voor hem niet anders dan een wederkeeren tot zijn Vader van Wien hij is uitgegaan. Als Zoon des menschen gaat hij de glorie genieten die hij als Zoon van God van eeuwigheid heeft genoten. Het werk wat hij achterlaat, zal na hem voortleven en groot worden. Ofschoon onzichtbaar zal hij voortleven met zijne leerlingen en in en door hen zijn werk, zijn Rijk , voltooien.

— „Uw hart worde niet ontroerd, noch versaagd1). Gij hebt gehoord, dat ik tot u gezegd heb: Ik ga en ik kom tot uquot;. Ik ga tot den Vader, ik kom op onzichtbare wijze door den Geest. „Indien gij mij liefhadt, zoudt gij gewis u verblijden, omdat ik tot den Vader ga. De Vader is grooter dan de Zoon des menschen, hij gaat hem verheerlijken; en de Zoon des menschen zal, als hij verheerlijkt is voor u den Vertrooster verwerven.

„Ik heb u dit gezegd, eer het geschiedt, opdat, als het geschied is, gij moogt geloovenquot;.

De tijd ging voorbij; het uur van droefheid en sterven naderde snel.

olü

— „Ik zal niet meer veel met u sprekenquot;, zeide Christus

') Joes. XIV, 27 VV.

ocr page 535

CHRISTUS* DOOU EN HERLEVING.

met droefenis. „De vorst dezer wereld komtquot;. Judas, de verrader, en allen die zich gereed maken om hem te vangen , zijn voor hem slechts werktuigen vandengene, dien hij den Vorst dezer wereld noemt. Hij komt, „maar hij heeft in mij nietsquot; '). Ofschoon van alle boosheid en zonde vrij zal hij toch als een boosdoener worden behandeld.

Maar in zijn lot ziet hij den wil zijns Vaders. — „De wereld moet erkennen dat ik den Vader liefheb, en zoo doe, als de Vader mij geboden heeftquot;.

Toen sprak hij zonder vrees: „Staat op, laat ons van hier gaanquot;.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Van de opperzaal naar Gethsemani.

Zij stonden op; en naar gewoonte baden zij luide het einde van het „Hallelquot; 2).

Na het eindigen van den lofzang verliet de Meester, door zijne leerlingen omringd, de opperzaal en sloeg hij met hen den weg naar den Olijfberg in. Het huis waar zij het Paaschlam hadden gegeten lag op den berg Sion. Hij moest door eene der zuidelijke poorten de stad verlaten en langs de hellingen van den Ophel, langs tuinen en wijngaarden, naar den hof van Gethsemani wandelen. Het was nacht, — een van die oostersche nachten waarin de heerlijkheid Gods in de diepblauwe lucht door millioenen sterren naar beneden ziet.

') Joes, XIV, 30, si.

l) Ps. CXIII, CXV, CXVI, CXVII, waarin de verlossing uit Egypte, de wetgeving op Sinaï, de opstanding en het lyden van den Messias bezongen werden.

511

ocr page 536

CHRfSTUS' DOOD EN HERLEVINti.

Hij vloeit over van teederheid en wil onderweg nogmaals zoo duidelijk mogelijk maken, dat zijne leerlingen met hem vereenigd moeten blijven. — Terwijl de wijngaarden hem omringen waarin de ranken reeds beginnen uit te botten zeide hij:

— „Ik ben de ware wijnstok en mijn vader is de landmanquot; '). Elke rank, die in mij geene vrucht draagt, zal hij wegnemen; en elkeen die vrucht draagt, zal hij zuiveren, opdat zij meer vrucht drage. Maar gij zijt reeds zuiver, door het woord dat ik tot u gesproken heb.

„Blijft in mij en ik in uquot;.

„Gelijk de ranke uit zich zelve geene vrucht kan dragen, tenzij zij in den wijnstok blijft; zoo ook gij niet, tenzij gij in mij blijft.

„Ik ben de wijnstok, gij de ranken. Die in mij blijft, en ik in hem, die draagt vee] vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen. Zoo iemand in mij niet blijft, hij zal buiten geworpen worden als de ranke en zal verdorren, men zal haar verzamelen in het vuur werpen en verbranden.

„Indien gij in mij blijft, en mijne woorden in u blijven; al hetgeen gij wilt, zult gij vragen, en het zal u geworden.

„Hierdoor wordt mijn Vader verheeilijkt, dat gij zeer veel vrucht draagt, en mijne leerlingen wordtquot;.

Van alle parabels die Christus gebruikte om de geheimen van het eeuwige leven te verklaren, is deze wellicht de schoonste. Zij is eenvoudig en klaar.

In de overmaat zijner liefde gaat Christus aldus voort:

— „Gelijk de Vader mij heeft liefgehad, heb ik cok u liefgehad. Blijft in mijne liefde. Welnu, indien gij mijne geboden onderhoudt, zult gij in mijne liefde blijven, gelijk ook ik mijns Vaders geboden heb onderhouden en ie. zijne liefde blijf. Dit heb ik tot u gesproken, opdat mijne blijd schap in u zij, cn uwe blijdschap volkomen wordequot; 1).

512

1

Joës. XV, 11.

ocr page 537

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Die in de liefde Gods zijn , hebben den waren vrede en daardoor alle geluk.

— „Dit is mijn gebodquot;, zeide hij, „dat gij elkander liefquot; hebt, gelijk ik u heb lief gehadquot; ').

Wederom komt de gedachte aan zijn naderenden dood in zijnen geest; maar deezquot; keer ziet hij daarin niets anders dau het bewijs van zijne liefde voor de zijnen.

— „Niemand heeft grootere liefde dan deze, dat hij zijn leven voor zijne vrienden geeft.

„Gij zijt mijne vrienden, indien gij doet, hetgeen ik u gebied. Op dat woord „vriendenquot; gaat hij door.

„Ik zal u niet meer dienstknechten noemen; want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet. Maar ik heb u vrienden genoemd, omdat ik al hetgeen ik van mijnen quot;Vader gehoord heb, u heb bekend gemaaktquot;.

Het vertrouwen neemt met de liefde toe.

Het werk der schepping, het geringste van Gods werken en het samenstel van het heelal is aan het verstand van allen ter onderzoeking overgeleverd; maar het werk van de Verlossing der wereld door de menschwording van den Zoon Gods is ons alleen door het geloof, door de openbaring van Christus aan zijne vrienden, bekend geworden.

Zij moeten zich echter daarop niet verheffen, want wat zij zijn. zijn zij door de genade').

— „Gij hebt mij niet verkozen, maar ik heb u verkozen en aangesteldquot;, zeide Christus, „opdat gij zoudt gaan, en vruchten dragen, en uwe vrucht blijve ; opdat de Vader al hetgeen gij Hem in mijnen naam zult vragen, u gevequot;.

Nogmaals zegt hij, want hij kan het niet genoeg herhalen: — „Dit gebied ik u, dat gij elkander liefhebtquot;.

In die liefde ligt hunne kracht wanneer de haat der wereld hen vervolgt.

518

— Terwijl gij elkander liefhebt, zal de wereld u haten.

*) Joës. XV, 12 vv. I Cor. XV, 10.

38

ocr page 538

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

Indien de wereld u haat weest daarover niet verwonderd of ontsteld. Troost u liever, want weet, dat zij mij eerder dan u gehaat heeft.

„Indien gij van de wereld waart geweest, de wereld zou wat het hare was hebben liefgehad; maar omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb verkoren, daarom haat u de wereldquot;.

Door de wereld verstaat Christus de menschen die onderworpen zijn aan de macht van het kwaad. Bij hen is alles hoovaardij, hebzucht en wellust. Christus alleen is van die wereld de volslagen vijand. Zijne leerlingen zullen erfgenamen zijn van dien haat.

— „Gedenkt aan mijn woord, hetwelk ik tot u heb gesprokenquot;; sprak hij, „een dienstknecht is niet grooter dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen; 'indien zij mijn woord onderhouden hebben, zullen zij ook het uwe onderhoudenquot;.

Zij zullen dit alles u aandoen om mijnen naam; omdat zij Hem niet kennen , die mij gezonden heeft.

Dien haat der wereld had Christus onder de joden in schijnheilige godsvrucht en valschen ijver aan het werk gezien. Van die schuldigen zegt hij:

— „Indien ik niet gekomen ware , en tot hen niet hadde gesproken , zij zouden geene zonde hebben; maar nu hebben zij geene verschooning voor hunne zonde. Zij hebben mij gehaat; en die mij haat, haat ook mijnen Vader. Indien ik niet onder hen de werken had gedaan, welke geen ander gedaan heeft, zij zouden geene zonde hebben; maar nu hebben zij gezien, en zij hebben èn mij èn mijnen Vader gehaatquot;.

514

Hun godsvrucht diende slechts tot dekmantel van hun ongeloof en bedorven hart. Door Christus te verwerpen hebben zij evenwel eene voorspelling vervuld: „zij hebben

!) Joës XV, 16 vv.

ocr page 539

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

mij zonder reden gehaatquot; '). Maar de Vader zal het opnemen voor zijner. Zoon.

„Wanneer de vertrooster zal gekomen zijn, dien ik u van den Vader zenden zal, den Geest der waarheid, die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigenis gevenquot; 5).

Reeds hier op aarde zal de Vader zijnen Zoon verheffen. Niet aan de dwaling en den haat maar aan de waarheid en de liefde zal hier op aarde het laatste woord zijn.

— „Ook gijquot;, voegde hij erbij, „zult getuigenis geven, omdat gij van den beginne met mij zijtquot;.

De Geest der waarheid zal met de hulp van weinige leer lingen de Kerk verbreiden over de geheele wereld; en van deze Kerk zal voor Christus eene getuigenis uitgaan die alle andere getuigenissen overstemt.

— „Ergert u daarom nietquot;, zeide Christus: „Zij zullen u uit de synagogen bannen; ja het uur komt, dat een elk, die u doodt, meenen zal aan God een dienst te doen. En dit zullen zij u aandoen, omdat zij noch den Vader, noch mij kennen. Maar ik heb dit tot u gesproken opdat, wanneer het uur komt, gij hieraan gedachtig zijt, dat ik het u gezegd heb. Doch ik heb u dit niet van den beginne gezegd, omdat ik bij u wasquot;1).

De meest verborgen geheimen openbaart Christus langzamerhand in deze laatste vertrouwelijke samenspraken met zijne leerlingen Door. de heidenen niet alleen maar, wat veel smartvoller was, door hunne eigene geestelijke overheid , die gezeten was op Mozes' stoel, zouden zij worden gehaat en vervolgd.

De leerlingen zijn gewaarschuwd; de herinnering aan deze woorden zal hen sterken wanneer hij niet meer bij hen is.

51 ö

De gedachte dat hun Meester hen gaat verlaten heeft uit

1

Joës. XVI, 1-8.

ocr page 540

516 CHRISTUS- DOOD EN HERLEVING.

hen alle andere gedachten verbannen. Zij zijn bedroefd, en Christus wil hen bemoedigen.

— „Nu ik ga tot Hem, die mij gezonden heeftquot;, zeide hij, „vraagt mij niemand van u: Waarheen gaat gij? De droefheid heeft uw hart vervuld. Schepi, moed. Ik zeg u de waarheid: het is nuttig, dat ik ga; want indien ik niet wegga, zal de Vertrooster niet tot u komen; maar indien ik wegga, zal ik hem tot u zendenquot;.

Aroor de alles doordringende, heiligende werking van den H. Geest in haar volle kracht was het noodig, dat de men-schelijke natuur in Christus verheerlijkt ware en in zegepraal. Dan eerst kon de Geest zijn werk van heiligmaking, troost en sterkte in zijn vollen omvang beginnen. Die gedachte moest hen opbeuren.

— „Wanneer deze — de Geest — zal gekomen zijnquot;, zeide Christus, zal hij de wereld overtuigen van zonde, van rechtvaardigheid en oordeel: en wel van zonde, omdat zij in mij niet geloofd hebben; van rechtvaardigheid, omdat ik tot den Vader ga, en gij mij niet meer zien zult; en van oordeel, omdat de vorst dezer wereld reeds geoordeeld isquot;1),

In deze drie geheimvolle woorden ligt het geheele werk van den H. Geest en zijne overwinning tevens opgesloten.

De heidensche en de joodsche wereld beide gelooven niet dat zij in zonde leven; maar hare verwerping van Christus maakt hare zonde nog grooter en eindelijk zullen zij inzien dat zij in zonde zijn. Om aan de zonde te ontkomen is het noodig te gelooven in den éenen Verlosser; en dit geloof dat door de werking van den H Geest het geloof van een groot en heilig volk zal worden, zal voor een ieder duidelijk maken dat de Christus het beginsel is van alle heiligheid en deugd.

De wereld kent de rechtvaardigheid niet waardoor de mensch volmaakt en aangenaam wordt aan God. Zij heeft

') Joës XVI, 8 vv.

ocr page 541

Christus' dood en herleving.

haar oorsprong en vollen wasdom slechts in éen persoon, die door de joden als een boosdoener is veroordeeld. Maar de Geest Gods, die Christus aan den dood en aan deze aarde van zonde ontrukt om hem over te plaatsen in den hemel, aau de rechterhand des Vaders, en uit hem opschiet als. een vlam die de heele wereld zal doen ontbranden -deze Geest zal aan allen, die willen zien, toonen, waar de rechtvaardigheid is.

De wereld weet niet wie veroordeeld wordt; zij gelooft zich. meesteres en vermoedt niet dat haar beginsel en haar heer inderdaad de veroordeelden zijn van God.

De overwonnene is niet Christus maar het kwaad. Door den dood van gene is dit vernietigd. De Geest zal, door de zielen aan de heerschappij van het kwaad te ontrukken, in den loop der eeuwen de overwinning over het kwaad bewijzen en de wereld van het oordeel overtuigen. Elke heilige, naar het voorbeeld van den Meester, is een levende getuige, die bewijst dat Satan overwonnen is.

Na aan zijne leerlingen aoovele waarheden te hebben toevertrouwd, die zij slechts ten halve konden begrijpen, hield Christus op.

— „Nog veel heb ik u te zeggen; maar gij kunt het nu niet dragenquot;').

Zelfs zijn zwijgen is een liefdedaad.

— „Maar wanneer hij zal gekomen zijn, de Geest der waarheid, zal hij u alle waarheid leeren. Hij zal niet uit zich-zelven spreken, maar hetgeen hij hooren zal, van den Vader en mij, zal hij spreken; en hetgeen toekomende is, zal hij u verkondigenquot;.

517

„Hij zal mij verheerlijken; want hij zal van het mijne nemen en het u verkondigen. Al hetgeen de Vader heeft, is het mijne. Daarom heb ik u gezegd: Hij zal van het mijne nemen en het u verkondigenquot;.

') Jcës XVI, 12 vv.

ocr page 542

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Inderdaad, de Geeat zou de Apostelen volkomen inwijden in hetgeen de H. Paulus noemt: het geheim van Jesus') „ en bij Christus heet „de geheele waarheidquot;. Hij zal hun; leeren de Verlossing van allen door den dood van den Messias, de afschaffing der Mozaïsche wet, de verwerping van Israël, de roeping der heidenen en de grootsche uitbreiding en ontwikkeling van het Rijk Gods.

De laatste oogenblikken waren voorbij.

— „Nog een luttel tijdsquot;, zegt Christus, „en gij zult mij niet meer zien; en wederom een luttel tijds, en gij zult mij zien; want ik ga tot den Vaderquot;2).

Van Vrijdag-avond tot Zondag-morgen gaat hij verdwijnen,, om dan in zijne verheerlijkte gedaante terug te komen, en na veertig dagen voor goed tot zijnen Vader te gaan.

De leerlingen begrepen het niet; en hun Meester geeft hun deze verklaring.

— „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Gij zult weeklagen en weenen, doch de wereld zal zich verheugen: en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal in vreugde veranderd worden.

„Eene vrouw, als zij baart heeft droefheid, dewijl haar uur gekomen is; als zij echter het kind gebaard heeft, gedenkt zij niet meer de smarte, om de vreugde, dat een mensch ter wereld geboren is.

„Ook gij dan hebt nu wel droefheid; maar ik zal u. wederzien, en uw hart zal zich verheugen. en uwe vreugde zal u niemand ontnemen.

518

„En in dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u; indien gij den Vader iets in mijnen naam zult vragen, Hij zal het u geven. Tot nu toe hebt gij niets gevraagd in mijnen naam. Vraagt, en gij zult ontvangen, opdat uwe vreugde volkomen zijquot;3).

') Ephes. Ill, 3 vv. ») Joës. XVI, 16 vv. ') Jo6s XVI, 23 vv.

ocr page 543

CHRISTUS' DOOD EN HEKLEVINQ.

Zoolang Christus bij de zijnen verbleef, was hij hun steun, hun raad, hun zichtbare vreugd; wanneer hij zal zijn weggegaan, zal zijn Geest zijn plaats vervangen. Door dien Geest zal hij in hunne harten wonen en zij zullen hem niets meer behoeven te vragen. Dan zal hij door dienzelfden Geest in de stilte van hun hart hun de geheimen Gods openbaren. Gelijk hij-zelf zullen zijne leerlingen, waaneer zij dien Geest ontvangen hebben, alles van den Vader verkrijgen. Ziedaar het eenige krachtige gebed. Wij bidden niet meer, maar Christus' Geest bidt in ons. Het gebed van Christus in ons wordt altijd verhoord, want de Vader, die hem hoort, bemint ook ons.

— „In dien dag zult gij in mijnen naam vragenquot;; zeide hij, „en ik zeg u niet dat ik den Vader voor u vragen zal; want de Vader-zelf heeft u lief, dewijl gij mij liefgehad, en geloofd hebt, dat ik van God ben uitgegaanquot;.

„Ja, ik ben van den Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; ik verlaat wederom de wereld, en ga tot den vaderquot;.

Met deze weinige woorden is de geheele persoon en de gansche geschiedenis van den eeuwigen Zoon van God beschreven. Hij . is niet gelijk wij' geschapen van niets, maar hij is voor den tijd, van alle eeuwigheid uit den Vader geboren; hij is in deze wereld gekomen en mensch geworden om te lijden en te sterven; nu verlaat hij de wereld door den dood, al het zwakke en sterfelijke zijner menschelljke natuur achterlatend, en gaat hij tot den Vader terug, die ook zijne menschheid zal omkleeden met zijne goddelijke glorie en macht.

De leerlingen waren verbaasd en verrukt. De Meester had hunne meest verborgen gedachten geraden; zij zagen nu de volle waarheid in. — Zie, nu spreekt gij openlijk, en gebruikt geene gelijkenis. Nu weten wij, dat gij alles weet; gij leest in onze harten, en 't is niet noodig dat iemand u iets vraagt; daarom gelooven wij, dat gij van God zijt uitgegaan.

519

ocr page 544

Christus' dood en herleving.

Jeaus' godheid straalde in en om hen heen; 'tis hun geloof in hem dat door den Meester werd verlangd. Toen hij dat geloof uit den mond van de zijnen hoorde voortkomen liep zijn hart over van heilige vreugd.

— „Gelooft gij nuquot;1)? zeide hij. Maar voor oogenziende hetgeen aanstonds zou gebeuren, voegde hij er met droefheid bij;

„Het uur komt en is reeds daar, dat gij verstrooid zult worden, een elk zijns weegs, en mij alleen zult latenquot;... „Maar neenquot;, liet hij er onmiddelijk op volgen, „ik ben niet alleen, want de Vader is met mijquot;.

„Dit heb ik tot u gesproken, opdat gij in mij moogt vrede hebben. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar weest welgemoed! Ik heb de wereld overwonnenquot;.

Met dezen zegekreet eindigt hij zijne laatste rede.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Christus' gebed. — Zijn doodstrijd. — Zijn gevangenneming.

Christus, al voortwandelend naar Gethsemani, was gekomen in het Cedron-dal. Daar had eertijds Abraham, den koning van Salem, Melchisedech, ontmoet, die aan God brood en wijn offerde en den Vader der geloovigen zijnen zegen schonk sj.

Ook koning David was op zijn vlucht voor zijn zoon Absalon, blootsvoets en met gesluierd hoofd, van zijne weinige getrouwe dienstknechten gevolgd, door dat dal gegaan 2).

520

1

') Joës XVI, S] vv.

2

II Boek der Kon. XV. 11.

ocr page 545

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Een beek, die nu is opgedroogd, vloeide door dat dal en liep voorbij Siloë in de stroomen van Bir-Eyoubs bron, die in den regentijd met veel water daar ontspringt en waar van het water langs een kalkachtige bedding met groote snelheid voortloopt naar de Doode-zee.

Het was een somber dal met zijn grafgesteenten van Absalon, Josaphat en Zacharias en andere graven, waarmede de geheele oostelijke helling was bedekt.

Daar, met zijn gelaat naar die grafgesteenten gekeerd, gelooven wij, dat Jesus bleef staan. Alvorens zich-zelven , den eeuwigen offeraar en het eeuwige offer tevens, op te offeren, spreekt hij tot zijnen Vader dat gebed, waarin al de kracht en- de volle beteekenis van dit offer is neergelegd.

Hij bidt hardop; zijne leerlingen moeten worden ingewijd in dat offer wat zijn groote werk is. En na zijne oogen ten hemel te hebben .geslagen, gelijk hij altijd deed, sprak hij:

— „Vader! het uur is gekomen; verheerlijk uwen Zoon, opdat uw Zoon u verheerlijke'); opdat hij, gelijk gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch, aan allen, welke gij hem gegeven hebt, het eeuwig leven schenke. En dit is het eeuwig leven: dat zij u kennen, den eenigen waren God, en dien gij gezonden hebt, Jesus Christus.

„Ik heb u verheerlijkt op aarde; ik heb het werk volbracht , dat gij mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk mij. Vader! bij u-zelven met de heerlijkheid, die ik-bij u had, eer de wereld was.

521

„Ik heb uwen naam geopenbaard aan de menschen, welke gij mij uit de wereld hebt gegeven; de uwen waren zij, en mij hebt gij hen gegeven; en uw woord hebben zij onderhouden. Nu weten zij, dat alles, wat gij mij gegeven hebt van u is; want de woorden, die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven; en zij hebben die aangenomen en in

l) Joës. SVII, 1 vv.

ocr page 546

CHRISTUS' DOOD EN HERLKVING.

waarheid erkend, dat ik van u ben uitgegaan, en zij hebben geloofd, dat gij mij gezonden hebt.

„Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid ik, maar voor hen, die gij mij gegeven hebt, want zij zijn de uwen; — en al het mijne is het uwe, en het uwe is het mijne; — en ik ben in hen verheerlijkt.

„En weldra ben ik niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en ik kom tot u.

„Heilige Vader! bewaar hen, die gij mij gegeven hebt, in uwen naam, opdat zij éen zijn, gelijk wij.

„Zoolang ik met hen was, bewaarde ik hen in uwen naam. Ik heb hen, die gij mij gegeven hebt, bewaard; en niemand hunner ging verloren, behalve de zoon des verderfs, opdat de schrift vervuld worde.

„Doch nu kom ik tot u; en dit spreek ik in de wereld, opdat zij mijne blijdschap volkomen in zich hebben.

„Ik heb hun uw woord gegeven, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn, gelijk ook ik niet van de wereld ben. Ik vraag niet, dat gij hen uit de wereld neemt, maar dat gij hen bewaart van den Boozf. Zij zijn niet van de wereld, gelijk ook ik niet van de wereld ben.

„Heilig hen in de waarheid. Uw woord is waarheid.

„Gelijk gij mij in de wereld gezonden hebt, heb ook ik hen in de wereld gezonden; en ik heilig mij-zelven voor hen, opdat ook zij in de waarheid mogen geheiligd zijn.

„Doch ik bid niet alleen voor hen , maar ook voor degenen , die door hun woord in mij zullen gelooven.

„Ik bid u, dat zij allen éen zijn. Gelijk gij. Vader! in mij zijt, en ik in u, dat ook zij in ons éen zijn; opdat de wereld geloove dat gij mij gezonden hebt. En de heerlijkheid, welke gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, — door hen u te doen kennen en te doen beminnen — opdat zij éen zijn, gelijk ook wij éen zijn, ik in hen, en gij in

522

ocr page 547

CHEISTUS' DOOD EN HERLEVING.

mij; opdat zij volmaakt éen zijn, en de wereld erkenne, dat gij mij gezonden en hen liefgehad hebt, gelijk gij ook mij hebt liefgehad.

„Vader! Ik wil dat, waar ik ben, ook degenen, welke gij mij gegeven hebt, met mij zijn, opdat zij mijne heerlijkheid zien, welke gij mij hebt gegeven; want gij hebt mij liefgehad voor de grondlegging der wereld.

„Eechtvaardige Vader! De wereld heeft u niet gekend; maar ik heb u gekend, en dezen hebben erkend, dat gij mij gezonden hebt. En hun heb ik uwen naam bekend gemaakt, en zal dien bekend maken, opdat de liefde, waarmede gij mij hebt liefgehad, in hen zij, en ik in henquot;.

In dit hoogepriesterlijk gebed is het geheele werk van den Christus opgesloten.

Als Heer en Meester „van alle vleesch'' om het eeuwige leven mede te detden aan allen die de Vader hem heeft gegeven, vraagt Christus dat de wil Gods in hem en in alle menschen moge vervuld worden, dat in zijn eigen leven alle redelijke schepselen mogen deelen. Reeds begint die wil Gods vervuld te worden. Christus heeft in het geloof aan hem zijne uitverkorenen vereenigd. Door hen erkend te worden als de Zoon van God, aan den Vader gelijk, is de eenige glorie hier op aarde door Christus gezocht. Die glorie vraagt Christus nu aan zijnen Vader, en die glorie zal hem alleen en aan geen ander worden gegeven.

Gelijk hij bidt voor zichzelven, bidt hij ook voor zijne leerlingen. Wanneer hij van hen zal zijn weggegaan, vraagt hij , dat zijn Vader zal waken over zijne leerlingen, die zullen blijven in deze booze wereld en elkander moeten liefhebben gelijk de Vader en ^de Zoon elkander liefhebben. In die liefde moeten zij éen zijn gelijk hij en de Vader éen zijn, tot het einde der tijden.

Eindelijk vraagt hij met aandrang, wetend dat zijn wil een is met den wil des Vaders, dat zijne leerlingen eenmaal met hem zullen zijn in denzelfden hemel en allen

523

ocr page 548

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

hem zullen zien in zijne heerlijkheid en zullen deelen in het eeuwige leven.

Zoo zal het werk der eeuwige wijsheid en goedheid worden voltrokken. Van dit ' gebed gaat de kracht uit van Christus' Rijk in tijd en eeuwigheid.

Na dit gebed ging Christus over de Cedron ').

— „Gij allen zult in dezen nacht aan mij geërgerd wordenquot;, zeide Christus tot zijne leerlingen; „want er staat geschreven: ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden s).; maar nadat ik zal verrezen zijn, zal ik u voorgaan naar Galileaquot;.

Petrus ontroerde. De Meester had hem reeds eenige uren te voren zijne verloochening voorspeld, hij kon het niet gelooxen. — „Al werden ook allen aan u geérgerd, riep hij uit, ik toch niet!quot; — Christus antwoordde hem; „voorwaar, ik zeg u: heden, in dezea nacht, eer de haan tweemaal zal gekraaid hebben, zult gij mij driemaal verloochenenquot;. Maar Petrus, die altijd vermetel en overmoedig was, hernam: „al moest ik ook voor u sterven, ik zal u niet verloochenenquot; 1).

De andere leerlingen begonnen nu ter zelfder tijd met kracht getuigenis af te leggen van hun trouw.

Zij liepen, hun Meester volgend, langs den linkerboord der beek, terwijl zij uit het dal opklommen naar den berg der Olijven. De tuinen te Jerusalem lagen niet binnen de stad maar buiten de muren en vooral op de westelijke helling van den Olijfberg. Aan den voet van dezen berg, op honderd passen en aan de linkerzijde van ds beek, was een tuin die Gethsemani werd genoemd. Christus was gewoon met zijne leerlingen in den avond daar te bidden. Het was een afgelegen en sombere plek gronds, die stemde tot heiligen ernst. In het westen zag men niets dan de

524:

1

Matth. XXVI, 31 vv.; Marc. XIV, 27 vv.

ocr page 549

Christus' dood en herleving. 525

groote muren van den Tempel, het hoogst gelegene van alle gewijde gebouwen, en den somberen burcht Antonia; ter rechterzijde den naakten berg Scopus, ter linker het dal van Josaphat met zijn grafgesteenten.

Christus hield van dezen eenzamen hof.

Hij wilde er nog eens voor het laatst bidden en door droefheid worden geperst, gelijk de olijt door de pers van Gethsemani').

Met de elven ging hij den hof binnen1), en sprak tot hen; „Zit hier neder, terwijl ik derwaarts ga en bidquot;. Petrus, Jacobus en Joannes nam hij met zich en ging met hen een steenworp verder. Hij begon bedroefd en zeer beangst te worden.

— „Mijne ziel is bedroefd tot den dood toequot;, zeide hij tot hen, „blijft hier en waakt met mijquot;.

Hij ging een weinig verder en viel op zijne knieën met het gelaat op den grond; en de drie leerlingen hoorden hem bidden, dat dit uur van hem mocht voorbijgaan;

— „Vader! indien het mogelijk is — alles is voor u mogelijk — laat deze kelk van mij voorbijgaan. Nochtans niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wiltquot;.

Hij kwam tot zijne leerlingen en vond hen in slaap.

— „Simonquot;, zeide hij tot Petrus, „slaapt gij? Kondet gij niet éen uur met mij wakenquot;?

Petrus, die bereid was te sterven, sliep. Zachtkens verweet Christus hem zijne zwakheid en voegde er bij; „Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt. De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwakquot;.

Christus verwijderde zich voor de tweede maal.

Hij sprak; „Mijn Vader! indien deze kelk niet kan voorbij gaan, tenzij ik hem drinke, uw wil geschieddequot;!

Hij kwam weêr terug en vond hen nogmaals in slaap. Hunne ooglêen waren zwaar van den slaap, en zij wisten

1

) Matth. XXVI, 36 vv.j Marc XIV, 32 vv.; Luc. XXIT, 40 vv.

ocr page 550

CHRISTUS' DOOD EN HEULEVING.

niet wat zij hem zouden antwoorden. Hij verliet hen wederom en bad voor de derde maal.

— „Vader, indien gij wilt, neem dezen kelk van mij. Nochtans niet mijn wil maar de uwe geschiedequot;.

Toen kwam er een Engel die hem versterkte.

In doodsangst vallende bad hij te meer. En zijn zweet werd als bloeddruppelen, die op de aarde nedervielen.

Na dit gebed stond hij op, kwam voor de derde maal tot zijne leerlingen die overmand waren door droefheid en slaap.

— „Gij slaapt nogquot;, sprak hij tot hen, „ja, slaapt nu, en rustquot;.

Zoodanig is het betrouwbaar en rechtsgeldig verhaal van het gebed en den doodstrijd van Jesus in Gethsemani, dooide drie eerste Evangelisten opgeteekend.

Welke is deze inwendige strijd? Aarzelt Christus' wil hier éen te zijn met den wil zijns Vaders? Neen; want in het hoogste van den strijd zegt hij: „Vader, dat uw wil en niet de mijne geschiedequot;.

Maar de wil is niet de geheele mensch. Zelts in de dienaren Gods blijft er afkeer van het lijden en de zucht naar lijfsbehoud.

Ook in Christus den volmaakten mensch schuilt die afkeer en huist die zucht in volle kracht.

Hij kon zich daarvan hebben ontdaan, maar hij heeft het niet gewild. Al de bitterheid van het lijden heeft hij willen smaken.

Een gewoon mensch kent de pijnen en smarten niet die hem wachten; maar Christus ziet ze naderen éen voor éen.

Met zijn eigen lijden ziet hij het lijden zijner dienaren door de eeuwen heen. 't Is éen stroom van bloed die in hem ontspringt en straks langs de geheele wereld gaat.

526

Maar meer dan het gezicht van al dat lijden foltert hem de zonde waaruit dat lijden voortkomt. Hij heeft, zooals een proleet getuigt, aller ongerechtigheid op zich geladen').

1) laaïas LUI; 1.

ocr page 551

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Van die ongerechtigheid van allen draagt hij hier in Geth-semani den schuldenlast.

Zonder stoicijnsche onverschilligheid, zonder de geestdrift der martelaren komt Christus hier alle menschelijke zwakheid te boven en vindt hij in het gebed en in de eenheid van wil met den Vader de kracht om den kelk des lijdens te drinken tot den dood.

Aleer hij den strijd van zijn openbaar leven aanbond was hij naar de woestijn gegaan om daar de bekoringen van den Booze te weêrstaan; aleer hij gaat sterven komt hij hier in Gethsemani om alle zwakheden der menschelijke natuur te overwinnen. Zijn leven was zonder zonde; zijn dood zal zonder zwakheid zijn.

Zijn besluit is genomen. Weer sterk staat hij te midden zijner slapende leerlingen die niet hebben gebeden en zullen vallen in de bekoring. Het vreeselijk oogenblik is daar.

— „Staat op, laat ons gaanquot;; sprak hij tot zijne leerlingen, „die mij verraden zal, is nabijquot;. En alsof hij zich-zelven wilde overleveren, ging hij met zijne leerlingenden verrader te gemoet bij den ingang van den hof.

Terwijl hij nog sprak verscheen daar eene groote schare'). Zij bestond uit soldaten van het romeinsch legioen en gewapende Levieten, de bewakers van den Tempel. Daar waren ook eenige overpriesters, leeraars en ouderlingen bij, en zelfs de opperbevelhebber van het legioen was daar. De joodsche overheid had dus den romeinschen landvoogd op hare hand.

Zij waren gewapend met zwaarden en stokken, voorzien van lantaarnen en fakkels. Eén ging hun vooruit, en die éene was Judas.

527

Hij kende de plaats, waar heen de Meester dikwijls in afzondering ging; daar hoopte hij hem gevangen te nemen. Om alle misverstand te voorkomen heeft hij een teeken

gt;) Matth. XXVI, 47 tv.; Marc. XIV, 43 vv.; Luc. XXII, 47 vv.; .Foes. XVIII, 2-11.

ocr page 552

CHRIST OS' DOOD EN HERLEVING.

verzonnen waaraan zijn volgelingen het slachtoffer zullen erkennen. — „Dien ik kussen zalquot;, heeft hij gezegd, „die is.het; grijpt hem en leidt hem wel bewaard wegquot;.

De Meester was gewoon den leerling te omhelzen; de leerling den meester nooit.

Hij zou den hof binnengaan, toen Christus aan het hoofd der zijnen hem te gemoet trad. Judas naderde. — Wees gegroet, Meester, zeide hij tot hem, en hij kuste hem.

— „Vriend! wat zijt gij komen doen? Judas! verraadt gij den Zoon des menschen met eenen kusquot;? Deze waren de laatste woorden die de ellendeling uit Christus' mond mocht hooren.

Christus trad nu voorwaarts en sprak: „Wien zoekt gij ?quot; — Jesus van Nazareth. — „Ik ben hetquot;. Bij dat woord gingen zij achterwaarts en vielen op den grond.

Zij moeten weten, dat'hij het vrijwillig ofier is en zij zich van hem kunnen meester maken alléén omdat hij het wil.

Toen zij waren opgestaan vroeg Christus hun opnieuw: „Wien zoekt gij?quot; zij antwoordde: — Jesus van Nazareth.

— „Ik heb u gezegd, dat ik het ben. Indien gij dan mij zoekt, laat dezen gaanquot; voegde hij erbij terwijl hij op zijne leerlingen wees.

Men zal aan zijne leerlingen niet komen en hem alleen gevangen nemen, omdat hij het wil. Het woord wat hij biddend tot zijnen Vader had gesproken zou letterlijk in vervulling gaan: „Van hen, die Gij mij gegeven hebt, heb ik niemand verlorenquot; ').

528

Nu sloegen de soldaten de handen aan hem en grepen hem. De leerlingen, die hun Meester gevangen zagen, riepen: Heer zullen wij met het zwaard slaan? En Simon trok het zwaard, zonder antwoord af te wachten, sloeg den dienstknecht des hoogepriesters, een zekeren Malchus, en hieuw hem het rechter oor af. Terstond bracht hij zijne

l) Joës XVII, 12.

ocr page 553

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

leerlingen tot bedaren en zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de schede; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard omkomen. Den kelk, dien de Vader mij gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?

„Of meent gij, dat ik mijnen Vader niet kan bidden, en hij zal mij terstond meer dan twaalf legioenen Engelen zenden? Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die verklaren dat het aldus moet geschieden?quot;

Toen raakte hij het oor van Malchus aan en genas hem.

— „Als tegen een moordenaar zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, om mij te vangenquot;, sprak hij tot hen. „Dagelijks was ik bij u, leerende in den tempel, en gij hebt mij niet gegrepen; maar dit is uw uur, en van de macht der duisternisquot;.

Toen verlieten hem zijne leerlingen, en vluchtten allen.

Een jongeling, met een lijnwaad om het naakte lijf geslagen , volgde hem. Ook hem wilden zij grijpen: maar hij wierp het lijnwaad van zich af en vluchtte weg.

Jesus bleef alleen, gebonden en gekneveld, bij die bende achter.

Met kracht heeft Christus hier alle geweld gekeerd. Wanneer hij evenwel zijnen leerling gebiedt het zwaard weer in de schede te steken, verbiedt hij daarvan niet het wettig gebruik. De mensch mag zich verdedigen, en in elke goed geordende maatschappij heeft het gezag het zwaard ontvangen tot steun van het goed en tot straf van het kwaad. Maar boven deze aardsche maatschappijen, gebouwd op het recht, heeft Christus door zijnen dood eene andere, — de Kerk, het Rijk van God in deze wereld, op de liefde gebouwd.

Christus zelf heeft nooit geweld gebruikt; hij is en blijft altijd zachtmoedig en goed.

Hij wil dat zijne leerlingen, die in den dienst des Heeren zijn, gelijk zijn aan hem. Zij moeten hunne verdediging aan den Vader overlaten en sterven gelijk hij gestorven is.

529

34

ocr page 554

CHRISTUS' DOOD EN HERCEVING.

TIENDE HOOFDSTUK.

Christus' vonnis.

Zonder luidruchtigheid werd Christus, eenmaal gevangen genomen, naar het paleis van den Hoogepriester geleid. Men vermoedde binnen Jerusalem niet wat er dien nacht gebeurde. De bende ging door de Cedron-vallei en over de beek terug, langs de muren aan de zuidzijde der stad, naar den Sion.

De schoonvader ran den Hoogepriester, een zekere Hanan of Annas schijnt een groot deel te hebben gehad in het kiezen der middelen om Christus gevangen te nemen. Hij was het hoofd van de partij der Sadduceën en der familie waaruit in dien tijd de meeste hoogepriesters voortkwamen.

Het paleis van Hanan lag op den weg naar het paleis van Caiphas.

Men liet den gevangene aan den grijsaard zien. Hij kon tevreden zijn over het plan door hem beraamd en aan Judas het loon geven , twee dagen te voren aan den verrader beloofd.

Slechts korten tijd bleef men bij Hanan, want de oogen-blikken waren geteld. Voor Caïphas moest Christus het voorloopig verhoor ondergaan.

Het paleis van den Hoogepriester lag op den Sion. Gelijk alle voorname gebouwen bezat het een binnenhof, het „atriumquot;, waar men door een zuilengang binnen kwam. Langs een open trap klom men naar dien zuilengang op.

Caïphas was dezelfde die eenige dagen te voren van Christus had gezegd: het is nuttig, dat éen mensch sterve voor het volk. Hij zou de voorzitter van den rechtbank

530

ocr page 555

CHRISTUS' DOOD EN HERLKVING.

zijn.- Het lot van den beschuldigde was nu gemakkelijk te voorzien.

Petrus echter had zijn Meester niet uit het oog verloren en was de bende van de verte uit gevolgd.

Zijn meester was hem te dierbaar, om niet te willen weten wat men met hem zou doen.

In de nabijheid van het paleis des Hoogepriesters voegde nog eene andere leerling zich bij hem, wiens naam niet wordt genoemd. Het kan Joseph van Arimathea zijn geweest. Als lid van den Hoogen Raad was hij bij den Hooge-priester bekend. Toen de bende met Christus het binnenhof binnenging, volgde ook die andere leerling, terwijl Petrus buiten bij de poort moest blijven. De ongenoemde leerling dit ziende, wisselde eenige woorden met de deurwachster en ook Petrus ging binnen ').

In het midden van het voorhof brandde een groot vuur, want de nacht was koud. De knechten van den Hooge-priester en de wachters van den tempel, die Christus hadden gevangen genomen, waren rondom het vuur gezeten. Petrus stond bij hen en wachtte het einde af van het verhoor.

Caïphas was voorzitter van den raad die bijeen was in een der zalen uitkomende op het binnenhof. Hij begon Christus te ondervragen over zijne leerlingen en zijne leer.

Het Sanhedrin moest alle nieuwe leeringen onderzoeken en Christus was voor de hooge vergadering de prediker eener nieuwe valsche leer. Maar uit zijn eigen mond wilde men eene bekentenis hebben.

De beschuldigde verdedigde zich tegen het verwijt, dat hij het hoofd eener verborgene secte was en de verspreider van leeringen die het daglicht schuwden.

531

— „Ik heb openlijk tot de wereld gesprokenquot;, antwoordde hij, „ik heb altoos in de synagoge en in den Tempel geleerd,

1) Joës, XVIII, 15—16; Luc. XXII, 54 vv.; Matth. XXVI, 17 vv.; Marc. XIV, 58 vv.

ocr page 556

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

waar alle de joden samenkomen, en in hef verborgen heb ik niets gesproken.

„Wat ondervraagt gij mij? ondervraag hen, die gehoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb. Ziequot;! voegde hij erbij, wijzend op zijne rechters die hem zoo dikwerf hadden ondervraagd, „zij weten, wat ik gezegd hebquot;.

Het antwoord van Christus, die weigerde aan het verlangen van den Hoogepriester te voldoen, scheen oneerbiedig te zijn. Een der knechten, die zich wilde verdienstelijk maken en zijn meester wreken, zeide tot Christus: - Antwoordt gij aldus den Hoogepriester?

En hij gaf hem een kaakslag.

Christus verdroeg dien smaad, en met bovenaardsche waardigheid en zachtmoedigheid sprak hij tot hem: — „Indien ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad (toon dan wat er onbetamelijk in mijn antwoord is); maar indien ik wel heb gesproken, waarom slaat gij mij?quot;

Voor de machtigen der aarde hebben de zwakken dikwijls het grootste ongelijk wanneer zij gelijk hebben; en indien de zwakke den moed heeft voor zijn recht op te komen willen de machtigen daarin gemakkelijk eene beleediging zien. —

Nooit ook ontbreekt hun een vleiende knecht die hunkert naar de verdienste van hen te wreken.

Het listige verhoor van den Hoogepriester was nauwelijks afgeloopen of de leden van den Hoogen Raad zochten naar een of ander valsche getuigenis waarop het doodvonnis kon worden uitgesproken.

Vele valsche getuigen kwamen op, maar hunne getuigenissen , die wij niet kennen, waren niet voldoende voor het uitspreken van een vonnis. Ten laatste kwamen er twee andere getuigen op. De een bracht deze beschuldiging in; — Deze heeft gezegd: ik kan den Tempel Gods afbreken en dien na drie dagen weder opbouwen. De ander bevestigde de getuigenis van den eerste : — ik wil dezen Tempel, die met

532

ocr page 557

Christus' dood en herleving.

handen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen eenen anderen, niet met handen gemaakt, opbouwen.

Deze woorden schenen eene godslastering, een smaad het huis van God aangedaan ; en elke smaad den Tempel aangedaan was strafbaar met den dood. De vergadering was echter niet eenstemmig in hare veroordeeling van dit woord.

De Hoogepriester ondervroeg evenwel Christus en zeide, terwijl hij van zijn zetel oprees: Antwoordt gij niets op hetgeen dezen tegen u getuigen?

Jesus zweeg.

Waarom zou hij gesproken hebben? Hij kon de valsche getuigen wel beschamen; maar zou hij geloofd worden ? Hij kon zijne rechters toch niet overtuigen; zij waren vergaderd om hem ter dood te veroordeelen.

Toen stelde Caïphas op plechtige wijze aan Jesus de beslissende vraag; — „Zijt gijquot; , vroeg hij hem, „de Christus, de Zoon van den gezegenden God? Geef ons antwoord, ik bezweer het u bij den levenden Godquot;.

Jesus, die gedurende zijn openbaar leven altijd vermeden had den naam van Christus voor zich-zelven te gebruiken, waaraan door de openbare meening en de leeraren der Wet zoodanig eene valsche beteekenis was gegeven, maar die altijd voor het volk, de pharizeen en de afgezanten van het Sanhedrin, zich voor den Zoon van God had verklaard; Jesus, die met woord en daad, met geheel zijn leven het bewijs had willen geven, dat hij inderdaad de Zoon was van God, ondervraagd door den Hoogepriester en overtuigd dat in het antwoord zijn doodvonnis school, — aarzelde geen oogenblik het stilzwijgen te verbreken en van de waarheid zoo plechtig mogelijk getuigenis af te leggen.

533

- „Ik ben hetquot;, zeide hij, „en eenmaal zult gij den Zoon des menschen zien, zittende aan de rechterhand dei-kracht Gods, en komende op de wolken des hemelsquot; ').

'1 Dan. VU, 13.

ocr page 558

Christusquot; dood en herleving.

De beschuldigde klimt op tot den troon van God, vanwaar hij-zelf eenmaal zijn rechters zal oordeelen.

De ergernis brak los.

De Hoogepriester verscheurde zijne kleederen tot teeken van smart. Eene zoodanige godlastering - wilde hij te kennen geven — had men nog nooit gehoord.

Gij hebt het gehoord, hij heeft God gelasterd. Waartoe hebben wij nog getuigen noodig? Wat dunkt u?

En aller uitspraak was: Hij is des doods schuldig.

De pharizeën vooral mochten in deze verklaring geen doodschuld vinden, want volgens de profeten moest de Messias van Goddelijken oorsprong zijn. Hij die zich voor den Messias uitgaf moest geoordeeld worden naar zijn woord en daad; en hij, die voor hen stond, had bewijzen van zijn zending gegeven in overvloed. Het Sanhedrin was verplicht om te onderzoeken of hij waarlijk de Messias was.

Het Sanhedrin heeft het niet gedaan, en daardoor zich blootgesteld aan het gevaar, een onschuldige niet alleen maar den Zoon Gods te veroordeelen.

Het is schuldig en verantwoordelijk voor de grootste euveldaad.

Bij het einde van het verhoor was het diep in den nacht.

Wat er toen in het paleis van Caïphas gebeurde, was voor Christus smart- en smaadvol tevens.

Zij spuwden hem in het aangezicht, wierpen een doek over zijn hoofd, sloegen hem met vuisten en zeiden: profe teer, Christus! wie is het die u geslagen heeft.

Een ter dood veroordeelde moest hun heilig zijn; maar voor Christus was er geen medelijden.

Terwijl de Meester voor den rechtbank stond, was Petrus in het voorhof met de knechten bij het vuur gebleven. Daar kwam eene dienstmaagd van den Hoogepriester, dezelfde die hem had binnen gelaten bij dit vuur, zag Petrus in het gelaat en zeide tot hem: ook gij waart bij Jesus den Galileër. Maar hij loochende het in het bijzijn

534

ocr page 559

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

van allen en zeide: Ik ken hem niet, en weet niet wat gij zegt.

Toen Petrus zich herkend zag verliet hij het voorhof en ging hij staan in den zuilengang.

De haan kraaide voor de eerste maal.

Eene andere dienstmaagd zag hem daar en zeide; Deze is een van hen, ook deze was bij Jesus, den Nazarener.

Petrus keerde weder naar het voorhof terug om allen argwaan te verdrijven; maar terwijl hij daar stond en zich verwarmde, zeide iemand tot hem: — Zijt gij ook niet een van zijne leerlingen?

Men herhaalde deze vraag en Petrus loochende steeds; Neen, neen ik ben zijn leerling niet. Met eenen eed voegde hij erbij; ik ken den mensch niet.

Daar ging een groot uur voorbij. Het verhoor was afge-loopen; men bracht Christus gebonden in het voorhof. In dat oogenblik werd Petrus nog eens lastig gevallen met dezelfde vraag; Zijt gij ook niet van zijne leerlingen? — Ja ; zeiden de omstanders, gij zijt waarlijk ook van hen; want ook uw spraak maakt u bekend.

Een der knechten van den Hoogepriester, een bloedverwant van Malchus, wien Petrus het oor had afgehouwen, meende hem te herkennen en vroeg hem; — Heb ik u niet in den hof met hem gezien?

Voor de derde maal loochende Petrus; en met vloaken en zelfverwenschingen zwoer hij nu; — ik ken den mensch niet, van wien gij spreekt.

Nog had Petrus niet uitgesproken of voor de tweede maal kraaide de haan.

In een hoek van het voorhof, met de handen gebonden, zat Christus neêr. Hij keerde zich naar Petrus om en zag hem aan.

Dien blik vergat Petrus nooit.

Hij herinnerde zich alles, verliet het huis en weende bitter.

Petrus' verloochening moest voor Jesus in deze ure wel smartvol zijn. Het hoofd der apostelen, die hem voor den

535

ocr page 560

chkisïus' dood en heeleving.

Zoon van God had verklaard, noemt hem nu „die menschquot; en wil zijn leerling niet zijn.

En toch — hij zou de steenrots wezen waarop Christus zijne Kerk zou bouwen. Met zijne tranen begint zijn ommekeer.

De wet vorderde in dezen tijd, dat het Sanhedrin eerst eene voorloopige vergadering hield voordat het in een plechtige vergadering het doodvonnis uitsprak. Wij hebben gezien hoe Caïphas reeds aan deze wet had voldaan. Eenige uren later, in den ochtend, vóór het opgaan der zon vergaderde de Hooge Kaad, die het doodvonnis moest uitspreken, in het Lischat-ha-Gazith, bij het voorhof der heidenen1).

Dezelfde bende die Jesus had gevangen genomen leidde hem naar deze plaats.

Hij verscheen voor den Hoogen Raad waarvan alle leden bijeen waren: overpriesters, ouderlingen, schriftgeleerden en leeraren der Wet. Men ontdeed hem van zijne boeien; en voor zijne rechters staande werd hem gelast te zeggen of hij de Christus was.

Hy antwoordde: — „Indien ik het zeg, zult gij mij niet gelooven; en indien ik u ook vragen doe, zult gij mij niet antwoorden noch loslatenquot;.

Het vonnis is reeds bepaald; om die reden zal Christus zwijgen. — Maar nog eens wil hij plechtig en dreigend herhalen wat hij in den nacht reeds had verklaard:

— „Van nu af zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechterhand der kracht Godsquot;.

Toen riepen allen: — dus gij zijt de Zoon Gods? En hij antwoordde: — „Gij zegt het; ik ben hetquot;.

Het doodvonnis werd uitgesproken en de vergadering gesloten. Allen stonden op en Jesus werd op nieuw gebonden.

536

Een ander voorval kleurde de vergadering waarin Christus veroordeeld werd in nog schriller toon.

Middath., hoofdst. V.

ocr page 561

CHRISTUS' DOOD EN HEELEVINQ. 537

Judas kwam en verklaarde hem onschuldig die door het Sanhedrin als een godslasteraar veroordeeld was. Toen de verrader den Christus veroordeeld zag , werd hij van wroeging verteerd. De gevolgen zijner misdaad joegen hem de vrees op het lijf. Hij nam de dertig zilverlingen, kwam in de vergadering en riep: — Ik heb gezondigd, verraden onschuldig bloed. — Wat gaat het ons aan? zeiden zij. Dat is uw zaak. Toen wierp hij in wanhoop hun de zilveren geldstukken voor de voeten. Deze mannen, die vóór alles en in alles de vormen wilden onderhouden, waren voor deze geldstukken bang; zij schenen hun bloedgeld toe: — 't Is niet geoorloofd , werd er gezegd, ze in de offerkist te werpen, want het is een bloedprijs.

Men beraadslaagde en besloot voor dat geld een akker van een pottebakker te koopen om daar de vreemdelingen te begraven.

Judas kende geen nederig berouw, geen vertrouwen op God. Hij ging heen en verhing zich met een strop').

Het Sanhedrin had Christus wel des doods schuldig verklaard , maar sedert de romeinsche overheersching kon het geen doodvonnis ten uitvoer brengen. Pilatus alleen, de romeinsche landvoogd, had macht over leven en dood.

Christus werd nu voor Pilatus gebracht. Het was nog vroeg in den morgen. Het paleis van den landvoogd grensde aan de ringmuren van den Tempel en behoorde bij den grooten bouw van den burcht Antonia , die gelegen was in den noord-westelijken hoek van het vierkant, waarbinnen alle gebouwen van den Tempel stonden. Het was de verblijfplaats van het romeinsche legioen envan den landvoogd. De burcht was omringd van vier torens, onder elkaar verbonden door hechte gebouwen als vestingwallen, die wederom door diepe grachten waren omringd. Men zou gezegd hebben dat het een stad was, zoo'n grooten omvang hadden deze gebouwen. Van binnen had alles het voorkomen van eene

gt;) Matth. XXVII, 5. Vgl. Act. 1, 18.

ocr page 562

CHillSTÜSquot; DOOD EN HERLEVING.

sterkte, maar daar was ook de weelde van een paleis1).

Pilatus, die gewoonlijk te Caesarea verbleef, kwam met de groote feesten naar Jerusalem. In die dagen was om den grooten toevloed der joden de tegenwoordigheid van den landvoogd noodzakelijk. Zeldzaam gingen deze feestdagen voorbij zonder oproeren die door de zeloten werden verwekt.

De leden van het Sanhedrin kwamen vóór de woning van Pilatus bijeen. Het was wel vroeg, maar het romeinsch gerecht had zijne zittingen alle uren van den dag.

Pilatus, die met alles was bekend, omdat zijn bevelhebber van het legioen den avond te voren bij de gevangenneming van Christus was tegenwoordig geweest, was terstond bereid het geding te beginnen.

Zij leverden Christus over, die het rechthuis binnenging, maar zij-zelven weigerden den drempel ervan te overschrijden. Dien avond nog moesten zij het pascha etens), — en door het huis van een heiden binnen te gaan zouden zij ver ontreinigd worden.

Pilatus moest buiten het rechthuis komen en bij de poort van zijn paleis met de joden onderhandelen 2).

— Welke beschuldiging, vroeg hij, brengt gij in tegen dien mensch?

Het antwoord was bits en kort; — Indien deze geen boosdoener was, zouden wij hem niet aan u hebben overgeleverd.

De hoogmoedige rechters vragen van Pilatus, dac hij

538

1

') Antiq. Jud. XV, 11 , 4.

2

Wil men het pascha eten in den eigenlijken ïin verstaan., dan moet men bedenken, dat niet alle joden te Jerusalem aanwezig op den l-tden Nisan het paasohlam konden eten, en het den inwoners van Jerusalem vrüstond hun paaschlam op don loden Nisan te eten (Pere Didon).

*) Joës XVIII, 29 tv.

ocr page 563

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

niet oordeelt maar alleen veroordeelt. Doch Pilatus was niet tevreden met die rol.

— Neemt gij hem dan, sprak hij, en oordeelt hem volgens uwe wet.

Toen zeiden de joden: — Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen.

Zij erkennen nu hunne afhankelijkheid. Zij willen den dood van dien mensch en verklaren niet het recht te.hebben hem ter dood te brengen.

Om Pilatus tot handelen aan te zetten stemmen zij er in toe het geding voor hem opnieuw te beginnen.

— Deze mensch, zeggen zij, verleidt ons volk; hij verbiedt schatting te betalen aan den keizer, en zegt Christus, de koning te zijn.

De valschheid en trouweloosheid dezer aantijgingen zijn klaar. Deze beschuldigingen zijn geheel van staatkundigen aard; en is het niet duidelijk, voor elkeen die stap voorstap het openbare leven van den Profeet heeft gevolgd, dat hij juist altijd met zorg vermeden heeft het volk in beroering te brengen? Heeft hij niet gezegd tot de afgevaardigden van het Sanhedrin, dat men verplicht was aan den keizer den cijnspenning te betalen? En wat had zijn koningschap van het messiaansche Rijk te maken met een staatkundig koningschap?

Pilatus ging het rechthuis binnen en liet Christus voor zich komen.

In staatkunde alleen stelde de Romein belang. — Zijt gij de Koning der joden? — vroeg hij hem. De vraag was dubbelzinnig. In den zin, door de joden aan dat woord gegeven, was hij hun koning niet; maar in den geestelijken zin van dat woord, is hij de koning.

Christus wilde alle dubbelzinnigheid van die vraag verwijderen.

— „Zegt gij dit uit u-zelven, of hebben anderen het u over mij gezegdquot;? vroeg hij. - Ben ik een jood? zeide

539

ocr page 564

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Pilatus. Uw volk en uwe opperpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt gij gedaan?

Christus wilde den stadhouder inlichten en antwoordde:

— „Mijn rijk is niet van deze wereld. Indien mijn rijk van deze wereld was, zouden mijne dienaren voorzeker gestreden hebben, opdat ik den joden niet werd overgeleverd; nu echter is mijn rijk niet van hierquot;.

— Dus zijt gij een koning? vroeg Pilatus met verwondering. Nu Christus den aard van zijn rijk had verklaard kon hij zeggen: — „Gij zegt het: ik ben Koningquot;.

En den aard van zijn rijk nader verklarend, ging hij voort: „Ik ben geboren en in de wereld gekomen om getuigenis van de waarheid af te leggen. Al wie uit de waarheid is hoort mijne stemquot;.

Wat is het romeinsche rijk, gebouwd op geweld, vergeleken bij Christus' rijk der Waarheid, dat alleen in zijn eigen getuigenis en in het geloof aan zijne zending zijn grondslag heeft.

De stadhouder was niet iemand die veel belang in de waarheid stelde; hij antwoordde daarom ook met eene onverschillige en achterdochtige vraag:

— Wat is waarheid? En zonder een antwoord af te wachten, omdat hij begreep met geen rustverstoorder of vijand van den staat te doen te hebben, ging hij wederom naar buiten en zeide tot de joden: „Ik vind geen schuld in dezen menschquot;.

Indien Pilatus had willen rechtvaardig zijn, hij zou aan Christus onmiddellijk de vrijheid hebben teruggegeven ; maar hij stelde boven alles zijn eigen belang en was -quot;-oor de joden bevreesd.

De joden begrepen dat Pilatus niet geneigd was het vonnis, door hen geveld, te laten uitvoeren en daarom herhaalden de meest invloedrijke mannen der bende hunne aantijgingen tegen Christus. Deze geheele samenspraak, tusschen Pilatus en het volk, had plaats vóór het paleis, ^n de open lucht; de joden stonden opeengepakt aan den

540

ocr page 565

CHRISTUS' DOOD EN HEH1.EVINQ.

voet van den breeden trap, en Pilatus ging heen en weer van de zaal in het rechthuis naar de poort, terwijl hij Christus ondervroeg en redetwistte met de joden. Alle beschuldigingen die nu werden uitgebracht zijn niet geboekt.

Ten laatste kwam Pilatus bij Christus terug met de vraag: hoort gij niet, hoeveel getuigenissen men tegen u aflegt? Antwoordt gij niets? Zie, van hoeveel zij u beschuldigen.

Christus sprak geen woord. Pilatus verwonderde zich over dat stilzwijgen, maar hoorde tegelijk hoe'de joden met nog meer geweld hunne beschuldigingen herhaalden. Ten laatste komen de joden op hunne eerste beschuldiging van staatkundigen aard terug en doelend op Christus' zegevierenden intocht binnen Jerusalem, zeiden zij: Hij ruit het volk op door geheel Judea, beginnende in Galilea tot hier toe.

Toen Pilatus den naam van Galilea hoorde, geloofde hij het middel te hebben gevonden om zich aan dat lastig geding te kunnen onttrekken. Hij vroeg of Christus een Galileër was, en hij besloot nu terstond hem naar Herodes1) te zenden.

De tetrarch was toevallig te Jerusalem en zijn paleis lag in de nabijheid van het rechthuis. Daar was vijandschap tusschen Pilatus en Herodes omdat de eerste eenige Galileërs had veroordeeld en laten ter dood brengen. Met beide handen nam Pilatus deze gelegenheid waar om zich met Herodes te verzoenen. Door Christus tot hem te zenden erkende hij Herodes' macht over de Galileërs tot zelfs in Judea. Herodes was gevleid, en van dien dag af waren beiden vrienden.

541

Bij het zien van Jesus was Herodes zeer verheugd. Reeds vóór langen tijd had hij begeerd hem te zien en rekende nu op een wonder van zijne hand. Hij ondervroeg Christus

') Luc. xxm, 7 — is

ocr page 566

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

met vele vragen, maar deze sprak tot den moordenaar van zijnen Voorlooper geen enkel woord.

Herodes begon hem te verachten en liet hem ter bespotting, omdat hij ook hier beschuldigd was koning te willen zijn, met een schitterende mantel omhangen, zooals de koningen der joden die gewoon waren op hooge feesten te dragen 'j. Zoo gekleed zond Herodes hem naar Pila-tus terug.

Pilatus was ontmoedigd, maar beproefde nog een ander middel.

Hij riep de priesteroversten, de mannen van het gezag, en het volk te zamen en sprak:

— G-ij hebt dezen mensch tot mij gebracht als iemand, die het volk verleidt; ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd en in dezen mensch geen schuld gevonden aan hetgeen, waarvan gij hem beschuldigt. Maar ook Herodes niet tot wien ik u verwezen heb. Ziet, er is niets door hem bedreven dat den dood verdient.

Ik zal hem dan kastijden en loslaten.

't Is daarenboven de gewoonte dat ik met het Paaschfeest aan een boosdoener de vrijheid geef. Wien wilt gij . zal ik u vrijlaten: Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt? Wilt gij dus. dat ik u den koning der joden loslate ?

Wreede afdwaling van hem die uit lafheid uitwegen zoekt en bang is de verdediger der onschuld te zijn.

Middelerwijl viel er iets voor, dat Pilatus sterkte in zijn verlangen om aan Christus de vrijheid te geven 1).

Zijne vrouw, een heidin, liet hem zeggen; „Laat u niet in met dezen Rechtvaardige, want veel heb ik heden in een droomgezicht om zijnentwil geleden7'.

Daar was in de laatste dagen en vooral in den laatsten avond veel over Christus gesproken en over het plan om

542

1

) Matth. ZXVII, 19.

ocr page 567

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

hem gevangen te nemen. Niets is natuurlijker, dan dat deze vrouw, beducht voor het lot van den Profeet, op schrikwekkende wijze van hem had gedroomd, want allen die niet door haat waren verblind, moesten medelijden met hem hebben.

De menigte stond intusschen buiten de poort van het rechthuis te wachten om volgens gewoonte de vrijlating van een veroordeelde ter eere van het feest te vragen. Het volk was opgeruid en had het wachtwoord van zijn overheid ontvangen.

De stadhouder herhaalde zijne vraag: — Welke van beiden wilt gij, dat u worde vrijgegeven? Wilt gij dat ik u den koning der joden vrij geve?

De menigte schreeuwde: — Neem dezen weg en laat ons Barabbas los!

Pilatus ging voort met te spreken tot het volk. Gevoel van plicht en eigenbelang kampten nog in hem.

— Dan zal ik u, hernam hij, den koning der joden vrijgeven.

Het volk, dat de kleinmoedigheid en de aarzeling van Pilatus zag, riep op nieuw: - Niet dezen, maar Barabbas!

Wat zal ik dan met Jesus doen? vroeg hij. Wat wilt gij dan, dat ik met den koning der joden doe?

Zoo geeft deze landvoogd geen bevelen meer, maar ontvangt ze uit den mond van mannen die haten en jaloersch zijn.

Het antwoord kwam onmiddelijk: — Kruisig hem ! kruisig hem! Nog ging Pilatus voort Jesus' zaak te bepleiten.

— W at kwaad heeft hij dan gedaan ? Ik vind geen doodschuld in hem. Ik zal hem dus kastijden en vrijlaten. Maar het geschreeuw van het volk klonk luider; de opperpriesters gilden ook mede: kruisig hem!

Toen werd Pilatus bang voor het onweer dat hij-zelf had verwekt.

*

Hij liet water brengen, waschte zijne handen ten aan-schouwe van al het volk en zeide: — Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige. Gij moogt toezien.

543

ocr page 568

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

En al het volk antwoordde; — Zijn bloed zij op ons en op onze kinderen.

Dit water kon Pilatus niet schoon wasschen. Pilatus wist dat Christus onschuldig was: hij heeft het zelf erkend. Pilatus kon en moest hem redden; het was in zijne macht en 't was zijn plicht. De stadhouder gaf toe. Hij liet Barabbas los en leverde Christus aan hen over.

Nog hoopte Pilatus Christus te redden en rekende hij op het medelijden van het volk. Hij liet Christus vastgrijpen en overleveren aan de soldaten om gegeeseld te worden. Dit was het lot voor allen die den kruisdood moesten sterven.

Naar romeinsch gebruik werd Christus met de handen in gebogen houding aan eene kleine kolom vastgebonden. Met een geesel van dunne leeren riemen, aan -wier uiteinden stukjes been of lood waren gebonden, werd bij herhaling geslagen. Velen bezweken reeds bij deze gruwzame marteling. Reeds bij de eerste slagen was de rug vaneen gescheurd en vloeide het bloed.

Christus leed zonder te klagen.

Men bracht hem daarna in het binnenhof en riep alle soldaten der wacht in het raadhuis bijeen; zij ontdeden den beschuldigde van zijne kleederen en wierpen over zijne schouders een rooden soldatenmantel; maakten een kroon van doornen en drukten dien op zijn hoofd; zij gaven hem voor schepter eenen rietstok in de hand; zij naderden, knielden neder vol spotternij en riepen: — Wees gegroet, koning der joden. Zij gaven hem kaakslagen en sloegen met den rietstok opzijn hoofd; zij spuwden hem in het aangezicht en bogen de knieën voor hem.

Alleen getuigen kunnen met zoodanige kleuren schilderen.

Pilatus kwam op nieuw naar buiten, door Christus gevolgd. - Ziet, ik breng hem tot u buiten; zeide hij, opdat gij weten moogt dat ik geene schuld in hem vind.

544

ocr page 569

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING. O-tÓ

Daar verscheen Jesus, omhangen met eenen purperen mantel en met doornen gekroond. Pilatus wees op hem en riep: — Ziet den mensch.

Daar was medelijden met Jesus en bitterheid tegen de joden in dat woord.

Toen de voornaamste offeraars en de tempelwachters Jesus zagen, barste hun haat los.

— Kruisig, kruisig hem, riepen zij tot Pilatus.

De landvoogd schijnt nu voor' de derde maal aan de haat der joden te willen weerstand bieden. Met drift roept hij hun toe: — Neemt gij hem, en kruisigt hem! wantik vind in hem geen schuld.

De joden beroepen zich nu op hunne Wet'). — Volgens onze Wet moet hij sterven, omdat hij zich gemaakt heeft tot Zoon van God.

En zij eischen van Pilatus dat hij die Wet ten uitvoer legt.

Bij het hooren van deze woorden: Zoon van God, werd Pilatus bevreesd. Zou deze beschuldigde van hoogeren oorsprong zijn? Van den anderen kant was hij beducht voor de geestdrijverij der joden waar het gold een voorschrift hunner Wet.

Radeloos gaat hij met Jesus het gerechthuis binnen; en denkend aan den naam van Zoon Gods, waarvan hij de beteekenis slechts door zijne heidensche vooroordeelen heen vermoedt, vraagt hij: — Vanwaar zijt gij?

Jesus antwoordde niet.

Pilatus was boos over dat zwijgen en wilde hem vrees aanjagen: —Spreekt gij niet tot mij? Weet gij niet dat ik macht heb u te kruisigen en macht heb u vrij te laten?

— „Gij zoudt volstrekt geen macht tegen mij hebben, tenzij het u van Boven gegeven ware. Maar hij die mij overleverde aan u, heeft grootere zondequot;.

Dit antwoord van Jesus trof den landvoogd die eene laatste poging aanwendt om den beschuldigde te redden.

Maar de joden schreeuwden: — Zoo gij dezen vrijlaat,

') Levit. XXIV, IC.

35

ocr page 570

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

zijt gij geen vriend des keizers. Want al wie zich koning maakt is in opstand tegen den keizer!

Pilatus weerstond niet langer.

Hij bracht Jesus vóór het paleis, op de plaats die Gabatha werd genoemd, ging zitten op zijn rechterstoel en zeide tot de joden; Ziet uw koning.

Maar zij riepen: Weg, weg met hem! kruisig hem!

— Uwen koning zal ik kruisigen?

— Wij hebben geenen koning dan den keizer.

Pilatus zweeg.

Hij ging onder in dezen strijd tusschen staatkunde en godsdienstige dweeperij en leverde Jesus over aan de joden om gekruisigd te worden.

Het was een vrijdag, tusschen negen en twaalf uur van den morgen.

ELFDE HOOFDSTUK.

Christus' dood en begrafenis.

In de joodsche wet was de kruisstraf onbekend. Alleen van groote misdadigers moesten de lijken aan eene galg worden opgehangen. De joden hadden de steeniging. Maar de kruisstraf was in gebruik bij alle oude volkeren: bij de Egyptenaars'), Persen •), Pheniciörs en Carthagers, Grieken en Romeinen. Deze laatsten straften een ter dood veroordeelden burger met het zwaard en kruisigden alleen de slaven3). In de provinciën van het keizerrijk werd de kruisstraf dikwijls toegepast, en bij duizenden4) werden de joden in Syrië en Judea gekruisigd.

Het kruis was hun schrik, het zinnebeeld van smaad en

1) Gen., XL, 19.

gt;) y.sth. vu, 10.

3) Cic., C. Verr. 5, 6; Juven. 6, 4, Val. Max. 2, V, 12.

lt;) Antiq. Jud. XVIII. 10, 10.

öiQ

ocr page 571

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

pijn. De veroordeelde leefde langen tijd; één dag, soms twee dagen; hij was geheel ontkleed en aan handen en voeten gebonden of genageld aan het kruis: — twee boomstammen dwars op elkander in den vorm van een ï. Het geheele lichaam, met geweld uitgerekt, hing aan de handen waarin de wonden uitscheurden en grooter werden door de zwaarte van het lichaam. Langzaam liep het bloed uit de gaten dei-nagelen. De gekruisigde kon zich niet bewegen, brandde van dorst en wondkoorts, bleef bij zijn bewustzijn, en zag den dood langzaam naderen. Dikwijls moest de dood worden verhaast en brak men de beenen van den veroordeelde. Het volk mocht hem bespotten in zijnen doodstrijd en zich verlustigen in zijn geschreeuw en gejammer. De wreedheid des menschen heeft niets vreeselijkers uitgevonden: deze straf is langzaam en onteerend en wreed.

De joden vroegen haar aan Pilatus voor Jesus.

Daar stond geschreven dat de man van smarten zou sterven aan een kruis.

De soldaten trokken Christus den mantel af ') en deden hem zijne kleederen aan.

De veroordeélde daalde de trappen van het rechthuis af. en werd volgens gewoonte met zijn eigen kruis beladen.

Twee boosdoeners gingen met hem om dezelfde straf te ondergaan. Zijn dood moest zoo smaadvol mogelijk zijn.

Reeds in den vroegen morgen moet het aan allen zijn bekend geweest, dat Christus gevangen genomen en veroordeeld was. In de nabijheid van het rechthuis was een groote menigte volks bijeen, toen de droevige tocht begon. Soldaten, met lansen gewapend en door een honderdman aangevoerd, begeleidden de veroordeelden.

547

De weg, die naar Calvarië leidde, is bijna geheel dezelfde als die nu door de christenen van Jerusalem de lijdensweg wordt genoemd; hij doorloopt het geheele beneden gedeelte

I) Matth. XXVU, 31; Marc. XV, 20.

ocr page 572

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

der stad, steekt de benedenstraat over die door Josephus de vallei van Tyropeon wordt genoemd en die den heuvel „Acraquot; van den Gareb scheidt, en klimt tamelijk steil tot de poort van Ephraïm op ').

Nadat Christus eenige schreden had gedaan bezweek hij onder zijnen last. Onder het volk, dat op den weg, dien de veroordeelden gingen, was samengestroomd, zag hij zijne moeder. Moeder en zoon wisselden slechts éénen blik.

Een weinig later werd een zekere Simon van Cyrene, die van het land komend den stoet ontmoette, door de soldaten gedwongen het kruis van Christus te dragens). Zij waren bevreesd dat Christus op den weg zou bezwijken.

De gedachtenis van dezen man is in zegening gebleven. Met zijne vrouw en zijne twee zonen, Rufus en Alexander, werd hij een getrouw en eerbiedwaardig leerling van den Meester').

Ook van eene vrouw, Veronica, is de gedachtenis bewaard, die zonder vrees voor bespotting buiten haar huis ging, Christus naderde, en zijn gelaat, met bloed en stofbedekt, afwiesch met haren sluier.

Bij het opgaan naar Calvarië hoorde men achter de veroordeelden geween en gejammer. Daar was groot medelijden onder het volk en onder de vrouwen vooral.

Christus keerde zich tot haar en sprak:

— „Dochters van Jerusalem! weent niet over mij, maar weent over u-zelven en over uwe kinderen, want ziet, er zullen dagen komen, dat men zeggen zal; gelukkig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet gebaard heeft, en de borsten, die niet gezoogd hebben! Dan zal men tot

') Ten westen der stad op twintig schreden van de stadsmuur lag Calvarië, in 't Hebreeuwsch Golgotha of sohedelberg, zoo genoemd om den naakten kruin, aan een schedel gelijk, waarmede deze heuvel was bedekt.

Tuinen met olijven waren in de nabijheid, waarbinnen rijke familiënhunne graven in den rotsgrond hadden uitgehouwen. (Père Didon).

') Matth. XXVII, 32 en parall.

3) Rom. XVI, 13.

548

ocr page 573

CHRISTUS' DOOD EN HERLBVING.

de bergen beginnen te roepen; valt op ons! en tot de hemelen: bedekt ons!

„Want zoo zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschiedenquot;?

Christus vergeet zich-zelven en denkt aan de naderende straf van dat ondankbare volk. Hij-zelf is het groene hout, en het verworpen volk het dorre.

Eindelijk kwam men op den Calvarie-berg.

De drie kruisen werden opgericht. Eer men de kruisiging begon, bood men den veroordeelden een drank aan van verdoovende kracht. Het was wijn met myrrhe vermengd, scherp en bitter van smaak. Christus zette zijne lippen aan den drank, maar wilde niet drinken; met volle bewustzijn zal hij al de wreedheid zijner straf ondergaan.

Het rechthuis ligt van Golgotha's kruin ternauwernood duizend schreden; binnen een uur tijds was de kruisweg afgelegd.

Omtrent den middag, om 12 uur, werd Christus gekruisd, en met hem de twee moordenaren: de een ter rechter, de ander ter linker zijde.

Christus hing tusschen beiden.

Toen hij aan het kruis hing, bad hij voor zijne beulen. Zijn eerste woord is een woord van vergiffenis. Hij zeide: „Vader, vergeef het hun! want zij weten niet wat zij doenquot;.

Op den bodem van elke zonde der menschen ligt onwe-tenheid. Deze onwetenheid brengt Christus als eene verontschuldiging voor den dag voor de grootste der misdaden. Aan allen leert hij niet meer te vloeken, maar met hem vergiffenis schenkend en zegenend te sterven.

549

Boven het hoofd der veroordeelden werd aan hun kruis een bord geplaatst waarop hun misdaad stond te lezen. Zoo was het gebruik bij de Romeinen '). Op het bord van

') De veroordeelde zelf moest dit bord dragen (Père Didon).

ocr page 574

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Christus stond: „Jesus van Nazareth, koning der jodenquot;, in drie talen geschreven: het hebreeuwsch, de landtaal, het grieksch, de wereldtaal; het latijn, de taal der over-heerschers. Allen konden deze laatste spotternij van Pilatus lezen en waren verontwaardigd ').

De opperpriesters wilden in dat opschrift eene verandering brengen en zonden eenigen tot Pilatus die moesten zeggen; — Schrijf niet; de koning der joden, maar: deze heeft gezegd: Ik ben de koning der joden.

Deze keer was de landvoogd onverbiddelijk en hij antwoordde met verontwaardiging: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.

Middelerwijl verdeelden de soldaten de kleederen der veroordeelden 2). De romeinsche wet „De bonis damnatorumquot; gaf hun daartoe het recht. De vier beulen van Jesus namen dan zijne kleederen: den hoofdsluier, den gordel, den mantel, den lijfrok en het schoeisel. Den mantel verdeelden zij in vier stukken, maar den lijfrok — zonder naad, van boven af aan één stuk geweven — wilden zij allen bezitten. Zij zeiden tot elkander: — Laat ons dien niet scheuren, maar daarover het lot werpen, wien hem zal hebben.

Zij deden gelijk zij zeiden. Toen gingen zij bij de kruisen zitten en hielden de wacht.

Zij zijn zich evenmin als Pilatus bewust dat zij werktuigen zijn in Gods handen en het woord van een profeet over Christus in vervulling doen gaan: Zij hebben mijne kleederen onder elkander verdeeld, en over mijn lijfrok het lot geworpen 3).

Voorbijgangers bespotten Jesus, terwijl zij het hoofd schudden en hem lasteren. - Ha! riepen zij. Gij, die den Tempel Gods afbreekt en in drie dagen weder opbouwt.

') Joes XIS, 19 vv. Ygl. Luc. XXIII, 38; Marc. XV, 26; Matth. XXVII, 37. ') llatth. XXVII, 35 vv. en parall. Joës XIX, 23, 24.

*) Ps. XXI, 19.

550

ocr page 575

CHRISTUS' DOOD EN HEBLEVINQ. 051

red u-zelven! Zoo gij de Zoon Gods zijt, kom af van het kruis.

Men hoort daarin de stemmen der valsche getuigen voor Caïphas.

Ook de priesteroversten, opperpriesters, schriftgeleerden en ouderlingen doen mede. Zij spreken onder elkander vol spotternij over den zoogenaamden Messias, die zich uitgaf voor den Zoon Gods, zoo goed voor de menschen en zoo vol vertrouwen op zijnen Vader was ').

- Anderen heeft hij gered, zeiden zij, zich-zelven kan hij niet redden. Indien hij Israels koning is, dan kome hij nu af van het kruis, en wij zullen in hem gelooven!

Hij heeft op God vertrouwd, dat die hem nu redde, zoo hij in hem behagen heeft; hij heeft immers gezegd: „Ik ben de Zoon van Godquot;.

Rondom dit slachtoffer staat alle haat en smaad bijeen. Ook de romeinsche soldaten beschimpen hem3), zeggende: — Indien gij de koning zijt, verlos u-zelven. En eenen nap vullende met hunnen drank boden zij dien Christus aan.

Ten laatste begon ook een der medeveroordeelden hem te lasteren: - Indien gij de Christus zijt, red u-zelven en ons3)!

Maar de ander riep: Vreest gij ook God niet, daar gij toch dezelfde straf ondergaat? Wij ondergaan deze straf zeker met recht, want wij ontvangen wat onze daden verdienen; maar deze heeft niets kwaads gedaan.

Men voelt dat deze ziel voor Jesus gewonnen is. Hij heeft berouw, hij gelooft.

— Heer! bad deze laatste moordenaar, zich tot Jesus wendend, gedenk mijner, als gij in uw Rijk zult gekomen zijn.

Hij voelde de waarheid die in den titel van koning, — de reden van Jesus' dood — verborgen lag. Zijn vertrouwen werd met het grootste troostwoord beloond.

') Matth. SXVII. 41 vv.; Marc. XV, 31.

5) Luc. XXIII, 36.

gt;) Matth. XXVII, U; Marc. XV, 32; Luc. XXIIl, 39 vv.

ocr page 576

CHRISTUS DOOD EN HEELEVING.

— „Voorwaar, ik zeg u, heden zult gij met mij in het paradijs zijnquot; 1).

Toen geschiedde de treffende gebeurtenis die door een der getuigen wordt verhaald en waarin hij-zelf een groote rol vervulde5).

Onder het onverschillige, nieuwsgierige, en vijandig gestemde volk, dat de veroordeelden omringde, waren ook Christus' bloedverwanten, zijne leerlingen, zijne landgenooten uit Galilea, en de vrouwen die hem waren gevolgd Ook zijne moeder was daar. In dezen oogenblik naderde zij met Joannes met eene andere Maria, haar schoonzuster, de vrouw van Cleophas en Maria Magdalena het kruis. Jesus zag haar staan en bij zijne moeder den leerling dien hij liefhad. Hij zeide tot zijne moeder: „Vrouw zie uw zoonquot;, en tot Joannes: „zie, uwe moederquot;.

In zijn laatste uur vergat hij nog zich-zelven en brengt hij troost: aan zijnen vriend geeft hij eene moeder, aan zijne moeder een zoon. Maar verder nog gaat zijn woord. De beminde leerling is in zijne oogen de gansche Kerk, de vereeniging zijner geloovigen, zijner vrienden. Toen hij tot zijne moeder sprak: zie, uw zoon, gaf hij haar een moederhart en liet hij haar deelnemen in het werk der verlossing. Door zich op te offeren aan den wil Gods die haar het offer vroeg van haren zoon, is deze heldhaftige vrouw, zonder wederga onder de menschen, een medewerkster in aller heil geworden. Op onzichtbare wijze zet zij dat werk voort, door hare moederlijke inwerking in de Kerk. Allen die Jesus volgen zijn voor haar, hare zenen;

552

1

') Het woord paradijs is van persischenoorsprong en beteekent, tuin, park. „Pardesquot; in 't hebreenwsch heeft de beteekenis van „koninklijke tuinquot;. (Cant. IV, 13; Eccl II, 3.) Het Paradeisos der „zeventigquot; is de tuin van Eden , Gan Eden, en heeft in zyn allegorischen zin, de beteekenis van „hemeP'-Chag fol. 14, 2 Midrasch. Tillm, fol. 2. 3.) Vgl. Lichtfoot. Horae hebr. et talmud, p. 890 (uitgaaf van Leipzig).

ocr page 577

Christus' dood en herleving.

en allen die Jesus liefhebben volgen Joannes na en nemen haar aan als moeder.

Een weinig later begon er duisternis o^er de aarde te komen. De zon werd verduisderd').

Tegen drie uur slaakte Christus op zijn kruis een luiden kreet.

Hij riep: — „Mijn God! mijn God! waarom hebt gij mij verlatenquot;

Het was geen kreet van wanhoop, maar een kreet der diepste smart.

Opdat Christus alle menschelijke smarten zou ondergaan heeft hij, naar een verborgen raadsbesluit van God, een oogenblik het zalige genot van zijn éen zijn met den Vader willen missen, ofschoon het bewustzijn dier éenheid met den Vader in hem geen oogenblik verloren ging. „Mijn God! mijn God! waarom hebt gij mij verlatenquot; zijn de eerste woorden eener Psalm die het lijden van den Christus voorspellend beschrijft1).

Christus'! kreet: „Eloï, Eloïquot; werd ontvangen met bijtende spotternij. — Ziet, zeiden de toeschouwers, hij roept Elias2).

Het vuur der wondkoorts, waardoor Christus' ingewanden werden verteerd, deed hem klagend zeggen:

— „Ik heb dorstquot;.

Daar was, naar gewoonte, in de nabijheid der slachtoffers een schotel met azijn. Een der soldaten liep toe, nam eene spons, doopte die in de azijn, stak haar op een hysopstengel, en bracht haar aan Christus' lippen: — Houd

553

1

■3) Pa. xxi.

2

) Een bewijs dat er onder de vreemdelingen te Jerusalem b\j het Paasch-feest eenigen waren die geen hebreeuwsch, geen arameesch cn geen syro-chaldeewsch verstonden (Père Didon).

3

') Matth XXVII, 45; Marc. XV, 53; Luc. XXIII, 44.

ocr page 578

551: CHKISTUS' DOOD EN HERLEVING.

op! riepen zij den soldaat toe, laat ons zien, of Elias komt om hem te verlossen.

Christus nam de azijn en zeide: „Het is volbrachtquot;1).

Den kelk dien hij moest drinken, had hij geledigd tot den bodem. Hij had alles geleden, maar ook alles afge-boet.

Toen deed hij met kracht nog een tweeden en laatsten kreet hooren. Christus wil sterven in volle kracht. De dood komt niet over hem; maar met vollen vrijen wil geeft hij zijn leven weg gelijk hij het later weêr zal hernemen.

— „Vader!quot;, riep hij, „in uwe handen beveel ik mijnen geestquot;.

Hij boog het hoofd en gaf den geest').

Het was drie uur in den middag.

Daar was duisternis over de wereld gelijk bij eene zonsverduistering. Het voorhangsel, dat het Heilige der HeLigen afsloot, scheurde in twee stukken van boven tot beneden2). De aarde beefde en de steenrotsen spleten vaneen. De graven openden zich, en vele ontslapene rechtvaardigen vertoonden zich aan de levenden.

De geheele natuur is in beroering bij Christus' dood.

Schrik en ontsteltenis kwam er onder het volk dat bij het kruis had gestaan. In vreeze ging het uiteen, en velen sloegen op hun borst uit droefheid en spijt. Vooral op den hoofdman en zijne soldaten had alles wat zij hadden gezien en gehoord, een diepen indruk gemaakt.

Hunne gemoederen gingen open als de graven en scheur-der als de rotsen, waaraan ze nog kort te voren in hardheid gelijk waren. En bij het kruis verheerlijkte de hoofdman

1

») Joes XIX, 36.

2

) Matth. XXVII, 51; Marc. XV, 38.

ocr page 579

CHRISTUS' DOOD EN HEHLEVIXG.

God, zeggende: - „Deze mensch was rechtvaardig en waarlijk de Zoon van Godquot; ').

Het kruis van Cnristus begint reeds allen tot ziclite trekken, en een heiden is de eerste die door Christus' dood wordt verlicht en zijne godheid belijdt.

Terwijl het volk wegging, bleven eenigen in de nabijheid van Christus' kruis achter. Het waren zijne vrienden, vooral de vrouwen, die hem van Galilea af met hare zorgen en diensten waren gevolgd. Maria Magdalena, Maria, de moeder van Jacobus den Mindere en van Joseph, en Salome, de moeder van Joannes en Jacobus den Meerdere. Zij stonden daar sprakeloos van droefheid en wachtten alles in stilte af.

De sabbath naderde. De joden, die niet wilden dat de lichamen op den heiligen dag aan de kruisen bleven hangen, vroegen aan Pilatus dat men de beenen der gekruisigden zou breken om hen nog voor den avond te kunnen afnemen.

De landvoogd stond hun verzoek toe en zond eenige soldaten die de beenen der twee moordenaars verbrijzelden; maar toen zij zagen, dat Christus reeds gestorven was, verbrijzelden zij zijne beenen niet2). Een echter van hen stak zijne lans dwars door het lichaam van Christus, en terstond vloeide er bloed en water uit de wonde, die eene hand breed was.

Joannes, die alleen dit feit vermeldt, was er getuige van. „Hij heeft het gezien, zegt hij, en er van getuigenis gegeven, en hij weet, dat zijne getuigenis waarachtig isquot;

Deze lansstoot was de laatste beleediging die het lichaam van Christus werd aangedaan, maar hij maakte ook eene voorspelling waar, waarin de Messias, met een lans doorboord, aan de joden werd voorgesteld. Het water en bloed niet alleen, maar alles is hier een symbool der grootste geheimen. God maakte uit de zijde

') Matth. XXVII, 54; Mare. XVII, 39; Luc. XXIII, 4-7.

J) Joes, XIX, 33 vv.

') Joês. XIX, 35.

555

ocr page 580

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

van den slapenden A,dam Eva de moeder der levenden; de ware ingeslapen Adam is Jesus op zijn kruis; uit zijne half geopende zijde is de Kerk voortgekomen, die de ware Moeder is waaruit door het water des Doopsels en het bloed van het HH. Sacrament alle levenden gewonnen zijn.

De veroordeelden van het Sanhedrin werden begraven zonder eenig eerbewijs in een graf wat van overheidswege voor hen was bestemd1). Somtijds echter bij gelegenheid van een feest, mochten de bloedverwanten hen in stilte in hun eigen graf begraven3).

Maar de vrienden van Jesas vergeten hem niet in den dood3).

Op éen vooral valt in dit uur van droefheid het volle licht.

Hij was rijk, lid van Sanhedrin, geboortig uit Arimathea, eene kleine stad in Judea.

Zijn naam was Joseph. Hij was rechtvaardig en goed; verwachtte het Rijk Gods en was een verborgen leerling van Christus. Hij had geen deel gehad aan de laatste beraadslagingen en daden van het Sanhedrin.

Met onverschrokken moed ging hij naar Pilatus en verzocht verlof, het lijk van Christus weg te nemen en te begraven.

De landvoogd verwonderde zich dat Christus zoo spoedig was gestorven. Door den hoofdman van Calvarië overtuigde hij zich van de waarheid van dit bericht en gaf toen het lijk aan Joseph.

Onmiddelijk kocht hij het doodkleed en kwam op den Calvarieberg met Nicodemus een anderen verborgen leerling van Christus.

Deze bracht bijna honderd pond kostbare specerijen, myxrhe en aloë aan.

556

Zij namen het lichaam van het kruis af en balsemden

■) Saniu'dr., c. VI, IIal., 5 !) Philon, in Flacc., § 10, :i) Matth XXVII,5? en paral.

ocr page 581

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING. 557

het naar gewoonte. Zij wikkelden het lijf in een doodkleed van deze specerijen doortrokken, en omwoelden handen en voeten met zwachtels die eveneens doortrokken waren van denzelfden balsem. Het hoofd werd in een zweetdoek gewikkeld, waardoor ook het geheele gelaat was bedekt. •

In de onmiddelijke nabijheid van Calvarië had Joseph van Arimathea een tuin. In den rotswand van dien tuin had hij een graf laten graven, waarin nog niemand was neergelegd. Gelijk de meeste joodsche graven was het graf in twee gedeelten -verdeeld. Het voorste gedeelte diende tot rouwkamer, waar de bloedverwanten kwamen weenen; in het achterste gedeelte werden de lijken neergelegd. Het eigenlijke graf was een uitgeholde ligplaats, een weinig in de rots met eene boogvormige ronding uitgehouwen.

Daar werd het lichaam van Christus neergelegd. De zon ging onder en de sabbath begon.

Een groote steen, aan een molensteen gelijk, sloot het graf. Deze steen werd na de begrafenis voor den ingang gerold, en Christus' vrienden gingen heen1).

De Heilige vrouwen waren bij dit werk van Joseph van Arimathea en Nicodemus tegenwoordig. Zij hadden gezien hoe het lichaam van Christus was neergelegd, en zijn heen gegaan om daarvoor nog anderen balsem gereed te maken.

In stille droefheid ging de sabbath voorbij.

Maar de opperpriesters en de pharizeën waren in vollen arbeid.

Zij waren van den kant der leerlingen bevreesd voor eene list, die alleen ia het hoofd van schijnheiligen en bedriegers kon opkomen; zij gingen daarom tot Pilatus en zeiden;

— Heer! wij hebben ons herinnerd, dat die verleider, toen hij nog leefde, gezegd heeft; „na drie dagen zal ik verrijzenquot;. Gebied derhalve dat het graf tot den derden dag bewaakt worde, opdat misschien zijne leerlingen niet komen ,

*) Matth. XXVII,59 — 60 en paral!.

ocr page 582

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

hem wegstelen en aan het volk zeggen: Hij is van de dooden verrezen. En de laatste dwaling — te gelooven in een Verrezene — zou erger zijn dan de eerste — te gelooven in een Zoon van God.

Pilatus weigerde: — Gij hebt eene wacht, zeide hij, gaat het bewaken gelijk gij goed vindt.

Zij gingen dan, sloten met zorg het graf. legden over den sluitsteen het zegel van het Sanhedrin, en plaatsen hunne wachters bij den ingang.

Een korten tijd sliep Jesus den slaap des doods onder de hoede zijner eigene beulen.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De verrezen Christus.

De geschiedenis van een groot mensch eindigt bij zijn dood; maar gelijk Christus'geboorte niet aan de onze is gelijk geweest, ook zoo komt zijn dood niet met den onze overeen.

De sabbath liep ten einde1)- De heilige vrouwen, die niet ophielden den begraven Meester te beweenen, hadden geene andere gedachte dan hem nog eer te geven in zijnen dood. Maria Magdalena, Maria de moeder van Jacobus, en Salome kwamen naar Golgotha terug om het graf te zien. Na zonsondergang kochten zij reukwerken waarmede zij den volgenden morgen het lichaam wilden overgieten.

Den volgenden dag verlieten zij nog voor het opgaan der zon Bethanië, gingen naar den Calvarieberg en droegen met zich de specerijen, die zij den vorigen avond hadden gereed gemaakt. Onder weg zeiden zij tot elkander: — wie zal voor ons den steen afwentelen van den ingang des grafs?

') MatthXXVlII: Marc. XVI; Luc. XXIV; Joes, XIX, XX, XXI.

558

ocr page 583

Christus' dood en herleving.

Geen van allen vermoedde het buitengewone feit dat in den oogenblik waarin zij Bethaniö verlieten reeds geschied was.

Plotseling had de grond gesidderd. Eene goddelijke kracht, een Engel Gods, zegt het Evangelie, was van den hemel nêergedaald. Hij had den steen van den ingang weggerold en was er op gaan zitten. Zijn gelaat was als de bliksem, en zijne kleederen waren wit als sneeuw. Bij het zien van hem waren de wachters,'verstijfd van schrik, neergevallen als dooden en later, van hunne ontsteltenis bekomen, in allerijl gevlucht1).

De zon was opgegaan toen de vrouwen op Golgotha kwamen; en naar het graf ziende, zagen zij dat het open was: de groote steen was afgewenteld. Maria Magdalena dacht, bij het zien van dit alles, aan eene heimelijke wegvoering van het lijk, aan eene heiligschennis, en terwijl hare gezellinnen in het graf traden waar zij werkelijk niets vonden, ging Maria Magdalena naar Simon Petrus en Joannes, den beminden leerling des Heeren.

— Zij hebben den Heer uit het graf weggenomen, zeide zij tot hen, en wij weten niet, waar zij hem gelegd hebben.

Oogenblikkelijk gingen Petrus en Joannes naar buiten en kwamen bij het graf. Beiden spoedden zich zooveel zij konden, doch Petrus liep niet zoo snel als Joannes, die het eerst bij het graf kwam. Hij boog zich neder bij den ingang om in het eigenlijke graf te zien, hij zag de linnen doeken bijeen gerold op den grond liggen, maar ging het graf niet binnen. Petrus, die hem volgde op den voet, ging onmiddelijk binnen, zag ook de linnendoeken op den grond liggen, en den zweetdoek, waarin het hoofd van Christus was gewikkeld geweest, op eene afzonderlijke plaats. Joannes ging toen ook in de grot; hij zag en geloofde, gelijk Magdalena het hem had gezegd, dat de Meester was weggenomen.

De gedachte aan Christus' verrijzenis kwam in hunnen geest niet op. Ofschoon Christus vele malen uitdrukkelijk

') Matth. XXVIII, 2 — 4.

559

ocr page 584

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

van zijne verrijzenis had gesproken, hadden zij die niet in dezen zin opgevat. Zij verwardden die met de wederkomst ran den Messias in de heerlijkheid van zijn Rijk.

Na hun bezoek aan het graf gingen zij vol droefheid en ontsteltenis wederom naar huis1).

De vrouwen dwaalden, overgegeven aan hunne droefheid, door den tuin. Maria Magdalena stond bij den ingang van het graf te weenen; en terwijl zij zich nederboog om ten minste de plaats te zien waar Christus eenmaal gelegen had, aanschouwde zij twee engelen in menschelijke gedaante, in het wit gekleed: éenen aan het hoofd, en éenen aan de voeten waar Jesus'lichaam was gelegd geworden. —Vrouw! waarom weent gij? zeiden zij. — Omdat zij mijnen Heer hebben weggenomen; antwoordde zij, en ik weet nietwaar zij hem gelegd hebben.

Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om, hem blijvende zoeken met hare oogen vol tranen.

Zij zag Jesus staan; maar herkende hem niet.

— „Vrouwquot;, sprak Jesus tot haar, ,waarom weent gij? wien zoekt gij?quot; Meenende dat het de hovenier was, zeide zij tot hem; Heer! zoo gij hem weggedragen hebt, zeg mij, waar gij hem gelegd hebt, en ik zal hem wegnemen.

Jesus noemde haar bij haren naam: „Mariaquot;. Aan den klank van die stem herkende zij haren meester: O mijn Meester! antwoordde zij, terwijl zij zich aan zijne voeten wierp om ze te kussen, gelijk zij in zijn leven zoo dikwerf had gedaan. - „Eaak mij niet aanquot;; sprak Jesus, „want ik ben nog niet tot mijnen Vader opgeraren. Maar ga tot mijne broeders en zeg hun: Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, tot mijnen God, en uwen Godquot;.

560

Deze geheimzinnige woorden geven aan Magdalena te kennen dat het uur om van 's Meesters tegenwoordigheid in zijne verheerlijkte menschheid te genieten nog niet ge-

') Jobs XX, 2-10.

ocr page 585

CHRISTUS* DOOD EN HERLEVING.

komen is. Hij verschijnt hier alleen om weer heen te gaan. Eerst wanneer hij zijn Rijk van heerlijkheid zal zijn binnen gegaan zullen zijne leerlingen volkomen zijne tegenwoordigheid mogen genieten. In afwachting daarvan draagt hij aan zijn meest geliefde dienares de blijde boodschap op waarmede de hereeniging van Christus met zijne leerlingen in den hemel wordt beloofd.

De gekruiste is opgestaan uit zijn graf en heeft zijn lichaam onttrokken aan de wet van pijn en bederf. Het wordt in zekeren zin van geestelijken aard. Het doordringt alle stof, wordt door geen zwaartewet gebonden en in geene ruimte omsloten; het is snel en vlug als de wil die het beweegt; het is zichtbaar en tastbaar naar willekeur; het verschijnt en verdwijnt gelijk het wil; het neemt alle gedaanten aan zonder verloochening zijner natuur en zonder op te houden zich zelf te zijn. Het heeft de lidteekenen der vijf wonden behouden ; zij zullen het glorievol en onuitwisch-baar bewijs zijn van Christus, strijd hierop aarde, en in het Rijk zijner glorie nog getuigenis afleggen van zijne overwinning op de aarde en van zijne oneindige liefde voor den mensch.

Niet aan zijne apostelen vertoont de verrezen Christus zich het eerst. Zij, wier droefheid het hevigst was, worden het eerst getroost en door hem uitgezonden om aan zijne ontstelde leerlingen weêr het geloof en het vertrouwen terug te brengen.

Terwijl Maria Magdalena aan de leerlingen boodschapte wat zij had gezien, waren eenige vrouwen dichter bij het graf gekomen en zagen zij plotseling twee engelen in mannelijke gedaanten en gekleed in schitterende kleederen bij haar staan. Toen zij verschrikten en haar gelaat naar den grond bogen zeiden de engelen; Waarom zoekt gij den levende bij de dooden? Hij is hier niet, maar is verrezen. Gedenkt, hoe hij, als hij nog in Galilea was, tot u sprak: de Zoon des menschen moet in de handen der zondige menschen overgeleverd en gekruisigd worden en ten derde dage weder opstaan.

561

36

ocr page 586

CHRISTUS* DOOD ËN HERLEVING.

En zij werden zijner woorden indachtig. — Haast u, voegden de engelen erbij, aan zijne leerlingen te zeggen, dat hij verrezen is'). Hij gaat u vóór naar Galilea; aldaar zult gij hem zien gelijk hij u gezegd heeft.

Zij verlieten het graf om deze woorden aan de leerlingen over te brengen. Zij waren vol vreugde maar ook niet zonder vrees en durfden niets te zeggen.

Plotseling kwam Jesus haar te gemoet en sprak: „Weest gegroetquot;.

Zij naderden, omvatten zijne voeten en aanbaden hem. — „Vreest nietquot;, voegde hij erbij, „gaat en boodschapt het aan mijne broeders, dat zij heengaan naar Galilea; aldaar zullen zij mij zienquot;.

Het verhaal van Magdalena en de andere vrouwen werd door de leerlingen niet geloofd. Het scheen hun eene dwaasheid toe, zegt éen der Evangeliën1).

Doch Petrus stond op, ging voor de tweede maal naar het graf, bukte neder en zag de linnen doeken nog liggen op den grond, maar meer ook niet. Misschien had hij gehoopt zijnen Meester te zien; hij ging heen, bij zich-zelven bewonderende hetgeen er geschied was.

Eén feit beheerscht de geheele week die volgt op Christus' dood; de leerlingen en de elven zijn door en door bedroefd en verslagen.

Dit zwijgen van G-od bij die veroordeeling en dien dood van Christus heeft hun allen moed ontnomen. Zij hadden gehoopt op eene schitterende openbaring van Gods glorie en kracht, om de vijanden huns Meesters te beschamen en het Rijk van den Messias in te wijden. Daar is niets; niets dan een leeg graf en het verhaal van vrouwen die zeggen, dat zij engelen en hem-zelven hebben gezien.

562

Om hun nu weer moed en vertrouwen in te storten moet de verrezen Meester zich-zelven meermalen aan hen ver-

1

') Luc. XXIV, 11.

ocr page 587

CHRISTUS' DOOD EN HERL2VING.

toonen. De verrijzenis moet voor hen een feit worden. Zij moeten Jesus zien, betasten en hooren. Welnu, zij zullen weten, dat de Zoon Gods niet aan het bederf en den dood is overgeleverd ■).

De ontzettende gebeurtenissen van den vroegen morgen, die de verrijzenis van den gekruisigde vergezelden, waren spoedig in de stad bekend. Eenigen van de wachters hadden aan de overpriesters alles geboodschapt wat er geschied was2). Daar werd eene buitengewone vergadering belegd; maar de ongeloovige sadduceën bleven kalm bij het verhaal der wachters. Een verrezene was in hun oog een hersenschim. Zij wilden echter alle moeilijkheden voorkomen en gaven met veel geld aan de wachters een leugen in den mond: — zegt overal, gelasten zij, dat zijne leerlingen in den nacht zijn gekomen en hem gestolen hebben, terwijl gij sliept. Mocht de landvoogd dit hooren, zoo zullen wij hem tevreden stellen en zorgen, dat gij veilig zijt.

De soldaten namen het geld en deden wat men hun had gezegd; hun leugen ging rond bij het joodsche volk, en was nog tien jaren later in omloop, toen een der Evangelisten, die dit feit verhaalt, zijne gedenkschriften te boek stelde.

De waarheid kan door de boosheid der menschen niet voor goed verduisterd worden. De wonderbare daden van den Verrezene hebben voor hem getuigenis afgelegd; en geene onbevooroordeelde historieschrijver zal op een listig verzinsel van eenige sadduceën en de omkoopbaarheid van eenige soldaten den godsdienst van Jesus durven opbouwen.

Door niets wordt de zielstoestand der apostelen gedurende deze dagen beter weergeven dan door het volgend feit. Hec wordt door den H. Lucas met zulke levende kleuren ge-

gt;) Ps, XV, 10.

») Matth. XXVI[I, 11, vv.

563

ocr page 588

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

teekend, dat men niet zonder reden in hem een der handelend optredende personen heeft willen zien ').

Het was op den avond van den dag der verrijzenis. Twee leerlingen waren op weg naar Emmaus, een vlek dat zestig stadiën d. i. bijna drie uren gaans, van Jerusalem lag.

Al voortwandelend spraken zij over alles wat er was voorgevallen. En terwijl zij zoo voortwandelden en spraken met elkander, kwam Christus bij hen en liep met hen mede. Maar daar was iets wat hen belette hunnen Meester te herkennen.

Het van natuur veranderde lichaam van Christus geeft daarvan verklaring.

Zij zagen in Christus een der vele pelgrims die na het Paaschfeest van Jerusalem naar huis terugkeerden.

— „Waarover spreekt gij onder elkander, en waarom zijt gij treurig?quot; zeide Christus tot hen.

Een van hen, met name Cleophas, antwoordde: — zijt gij alleen een vreemdeling in Jerusalem, en weet gij niet, wat in drie dagen daarin geschied is?

Christus geeft voor van alles niets te weten, om hen tot spreken te dwingen. „Wat?quot; zeide hij. — Het betreft Jesus van Nazareth, gaan zij voort, die een groot profeet was, een man, machtig in werken en woorden, voor God en al het volk. Onze overpriesters en oversten hebben hem tot de straf des doods overgeleverd en gekruisigd. Wij echter hoopten, dat hij het was, die Israël zoude verlossen. Doch nu is het, van dit alles, heden de derde dag, sedert deze dingen geschied zijn.

— 't Is waar, voegde Cleophas er bij , sommige vrouwen uit de onzen hebben ons ontsteld. Zij zijn, toen het licht werd, naar het graf gegaan en hebben zijn lichaam niet gevonden; en zij zijn ons komen zeggen, dat zij eene verschijning van Engelen gezien hadden. die zeiden dat hij leeft.

564

Sommigen van de onzen zijn daarop naar het graf gegaan

•) Luc. XXIV, 13 vv.

ocr page 589

CHBISTUS' DOOD EN HERLEVING.

en hebben het zoo bevonden als de vrouwen gezegd hadden; hem echter vonden zij niet.

Toen sprak Christus tot hen: — „O onverstandigen, en tragen van hart om alles te gelooven hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden, en aldus ingaan in zijne heerlijkheid?

Alle profeten doorloopend, met Mozes beginnende, verklaarde hij hun hetgeen er van hem in alle de Schriften geschreven stond.

Bij het naderen van Emmaus hield Christus zich alsof hij verder wilde gaan en zijne reis vervolgen. Maar eene geheimzinnige macht bond hen aan hem: zij noodigden hem dringend uit bij hen te blijven. — Blijf bij ons, zeiden zij, want het wordt avond en de zon gaat reeds onder.

Hij nam het aanbod hunner gastvrijheid aan.

Toen Christus met hen aan tafel was deed hij, de gast in eens anders huis, alsof hij zelf de gastheer was. Naar gewoonte ') nam hij het brood, dankte, brak en gaf het aan hen, zooals hij gewoon was met zijne leerlingen te doen.

In dit oogenblik gingen hunne oogen open en kenden zij hem; maar hij verdween uit hunne oogen.

Dit vluchtig zien was voor hun geloof genoeg; zij geloofden terstond aan de verrijzenis van den gekruisigden Christus. Het onderhoud, wat zij op den weg met Christus hadden gehad, kwam hun nu voor den geest staan en zij openbaarden aan elkander wat zij toen hadden gevoeld. Was niet ons hart brandend in ons, zeiden zij, toen hij op den weg sprak en ons de Schriften opende?

Zonder te aarzelen stonden zij op en keerden naar Jerusalem terug, om aan hunne gezellen te verhalen wat zij hadden gezien en gehoord.

565

Het schijnt, dat sommige van hen die zij ontmoetten geen geloof konden slaan aan hun verhaal. Daarin ligt een nieuw bewijs hoe moeilijk het geloof in Christus' verrijzenis

gt;) Math. XVI, 13.

ocr page 590

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

bij de leerlingen ingang vond. Maar de verrezen Christus blijft zorgen voor de zijnen, en door zich-zelven aan hen te vertoonen zal hij hen verlichten en langzamerhand tot de waarheid brengen.

In den avond van dienzelfden dag, verscheen Christus aan Petrus, maar de omstandigheden van deze verschijning zijn ons niet bekend. Alleen de H. Lucas en de H. Paulus spreken ervan zonder bijzonderheden te verhalen ').

Toen de twee leerlingen van Emmaus te Jerusalem kwamen, vonden zij de elven en andere leerlingen vergaderd met hen. Zij spraken over de verrijzenis, en eenigen zeiden: — de Heer is waarlijk verrezen; Petrus heeft hem gezien. Het getuigenis van Petrus echter scheen niet afdoend. Zij luisterden met aandacht naar het verhaal van Cleophas en zijn gezel, die zeiden wat op den weg geschied was en hoe zij hem in het breken des broods hadden herkend. Deze nieuwe getuigenis had allen nog niet overtuigd.

Het was laat!) in den avond. Men was voor de joden bevreesd, en daarom waren de deuren van het huis, waar de leerlingen vergaderd waren, gesloten. Nog waren de twee leerlingen van Emmaus aan het woord, toen Christus in hun midden stond.

— „Vrede zij uquot;, sprak hij, „Ik ben het! vreest nietquot;. Deze plotselinge en wondervolle verschijning deed hen ontstellen en maakte hen bang; zij geloofden een geest te zien. Christus sprak bemoedigend tot hen;

— „Wat zijt gij ontsteld! En waarom komen er twijfelingen in uwe harten op ?quot; Hij naderde hen en toonde hun zijne wonden. — „Beschouwt mijne handen en voeten, ik ben het zelf; voelt en ziet! want een geest heeft geen vleesch en beenderen, gelijk gij mij ziet hebben''.

566

De leerlingen hebben hun beminden meester weergevonden. Zij hooren hem, raken hem aan en twijfelen nog aan

') Luc. XXIV, 34. I Cor XV, 5. gt;) Joës. XX, 2. VV.

ocr page 591

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

hun geluk. Een meusch is gemakkelijker van het kwaad dan van het goed overtuigd.

Christus wil echter hun nog meer zekerheid geven. Om die reden zeide hij; „hebt gij hier iets te eten?quot;

Zij gaven hem een stuk van een gebraden visch en een honigraat. Hij at iets van beide in hun bijzijn en gaf hetgeen er overbleef aan zijne leerlingen.

Christus' verheerlijkt lichaam is een organisch lichaam. Het kan in werkelijkheid spijs opnemen, ofschoon het die spijs voor zijn onderhoud niet noodig heeft.

Daarna sprak Christus wederom: — „Vrede zij u! Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zend ik ook u ')•

Hij geeft hun te verstaan, dat zijne zichtbare tegenwoordigheid van korten duur zal wezen, en dat zij zijne vertegenwoordigers, zijne afgezanten in de wereld zullen wezen. Zijn eigen gezag en eigen zending, die beide voortkomen van den Vader, geeft hij aan zijne leerlingen.

Met éen woord geeft hij deze macht en de uitoefening ervan te kennen, d. i. den Geest Gods mededeelen en vergiffenis van zonden schenken aan hen, die daarvoor door geloof en berouw ontvankelijk zijn. In dezen oogenblik blies hij over hen — een sterk sprekend symbool van hetgeen hij zeggen ging — en sprak:

— „Ontvangt den Heiligen Geest! Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven; en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden.quot;

Ziedaar de tweede goddelijke macht der apostelen.

567

In den avond vóór zijn lijden had Christus hun in de opperzaal de macht gegeven onder de gedaanten van brood en wijn het offer van het eeuwigdurend slachtoffer te hernieuwen en voort te zetten tot het einde der tijden; van daag in dezen anderen avond blaast hij in hen den H. Geest, en geeft hij hun de macht de zielen te heiligen en de zonden te vergeven in dienzelfden H. Geest.

') Joës. XX. 21, vv.

ocr page 592

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Deze verschijning van Christus bereikte volkomen haar doel: zij overwon de ongeloovigheid der leerlingen en bracht hen tot kalmte. Zij zeiden tot elkander: — wij hebben den Heer gezien. De verrijzenis was ook voor hen een feit geworden.

God liet evenwel toe, dat een der elven afwezig was. Het was Thomas die van allen het meest beslist was van aard. Toen de anderen hem zeiden: — wij hebben den Heer gezien, openbaarde hij alles wat er omging in zijne ziel. — Indien ik niet, antwoordde hij, in zijne handen het merkteeken van de nagelen zie, en mijnen vinger steke in de plaats der nagelen, en mijne hand steke in zijne zijde, zal ik niet gelooven.

Hoevelen zullen zich in dien veel eischenden apostel terugvinden. Het getuigenis van zijne medegezellen verwerpt hij; hij vertrouwt alleen op zich-zelven en zijnen Meester. De anderen hebben gezien, ook hij wil zien; indien hij niet ziet wil hij niet gelooven.

De ongeloovige zal overtuigd worden. Allen zonder uitzondering moeten één zijn in het geloof. Eene nieuwe verschijning zal het werk voltooien.

Deze had acht dagen later plaats.

De leerlingen waren nog bijeen; de deuren waren nog gesloten. Thomas was tegenwoordig. Christus verscheen , terwijl de deuren gesloten bleven; en hij stond in hun midden en sprak: — „Vrede zij u!quot;

Daarna sprak hij tot Thomas: — „Steek uwen vinger hierin, en zie mijne handen, en neem uwe hand, en leg die in mijne zijde; en wees niet ongeloovig maar geloovig!

De leerling slaakte een hartverscheurenden kreet: — Mijn Heer, en mijn God !

Hij zag den verrezene en beleed dat hij God was.

Toen sprak Christus tot allen die gelijk Thomas zouden geneigd wezen geen geloof te slaan aan het getuigenis der Apostelen: — „Omdat gij mij gezien hebt, Thomas hebt gij geloofd. Zalig die niet gezien en geloofd hebbenquot;.

568

ocr page 593

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Tegen zoodanige getuigenissen als er voor de verrijzenis en de verschijningen van Christus pleiten, werpt de rationalistische school het vraagstuk van het wonder op.

Inderdaad, er bestaat geen grooter wonder; maar ook van geen wonder is de waarheid door zoovele, door zoo ernstige getuigen — niet licht geloovige mannen — bevestigd. Het lichaam met de teekenen der wonden bewijst dat het hetzelfde lichaam is, en de eigenschappen van dat lichaam zeggen zoo duidelijk mogelijk, dat het een verheerlijkt lichaam is ei; vrij van alle zwakheden dezes levens waarin men lijdt en sterft.

Bij sommige getuigenissen buigt de onbevooroordeelde historieschrijver het hoofd; maar die van vooropgestelde beginselen de dienaar is weigert geloof. De zoogenaamde wijsbegeerte van dezen laatste verplicht hem het wonder te verwerpen en vergoelijkend te zeggen, dat de getuigen gehallucineerden en eenvoudig als kinderen waren.

Christus' leerlingen, zeide men in de achttiende eeuw, hebben het lichaam van hunnen Meester weggestopt en de fabel verspreid, dat hij verrezen was. De joden, die het eerst met die bewering zijn voor den dag gekomen, hebben daarvoor nooit eenig bewijs geleverd, en de aard der leerlingen, zooals wij dien uit de historie kennen, verbiedt met ernst om te gelooven, dat zij schelmen en bedriegers waren.

De verklaring van het ongeloof in de achttiende eeuw heeft uitgediend en de negentiende eeuw komt met de bewering voor den dag dat Christus' leerlingen gehallucineerden waren.

Maar gehallucineerden zijn zieken, zijn gekken, die in heel hun samenstel hunne ziekelijkheid vertoonen.

Door hallucinatie te willen verklaren wat zoovele getuigen verscheidene malen, onder verschillende omstandigheden, hebben gezien niet alleen maar ook gehoord — daar Christus niet alleen met hen at, maar ook de meest verhevene openbaringen deed — is een onverstandige daad, die de getuigen beleedigt.

569

ocr page 594

CHRISTUS* DOOD Eïf HERLEVING.

Deze theorie zal nooit den wondervollen omkeer verklaren die in de apostelen plaats greep: zij waren voorheen zoo traag om te gelooven en nu stonden zij onwrikbaar in hunne overtuiging op eene heldhaftige wijze. De elven ook, om alleen van hen te spreken, vertoonen geen enkel spoor van ziekte der zenuwen of werkelijke opgewondenheid. Het zijn en blijven gezonde kloeke mannen, in wéér en wind gestaald, met geene buitengewone gaven bedeeld, maar ook zonder vreemde denkbeelden.

De gehallucineerde heeft ook eene bijzondere eigenschap: hij ziet altijd wat hij vreest of wat hij verlangt. Welnu de apostelen hadden niet het minste begrip der verrijzenis, zij konden haar dus niet vreezen of verlangen. Zij weigeren zelfs daaraan geloof te slaan. Ze zijn juist het tegenovergestelde van gehallucineerden: dezen verbeelden zich iets te zien wat niet is, en de apostelen bleven ontkennen wat inderdaad bestond. Door ter verklaring van zoodanigen toestand de hulp in te roepen van de vurige liefde der apostelen voor hunnen Meester, van lichtspelingen in het oosten, van het voorjaar in Galilea met zijn hel schitterend licht, wekt men den lachlust op van allen die het Oosten en de spitsvondigheden, de kinderachtige streken van het ongeloof kennen. De jood en de Arabier zijn geen droomers. Niemand minder dan zij zijn gevoelig voor den invloed der natuur.

Verder — men moet niet vergeten, dat de wereld .bekeerd is door diezelfde mannen die een gekruisigden en verrezen God gepredikt hebben. Daar bestaat geen voorbeeld van gehallucineerden die de wereld overwonnen hebben. Wanneer men dus het wonder van Christus' verrijzenis loochent, roept men een ander wonder in 't leven; de vestiging van het Christendom door gehallucineerden.

Maar voor hen die slechts oogen schijnen te hebben voor de wetten der physische en dierlijke natuur, is het goed de algemeene wetten der zedelijke en menschelijke, der redelijke en goddelijke natuur in herinnering te brengen.

570

ocr page 595

Christus' dood en herleving.

De dood is het logische, noodzakelijke, onverbiddelijke gevolg der zonde. Zoo de zonde een bepaald wezen niet heeft besmeurd, is het rechtvaardig dat het aan den dood ontkomt. De volstrekte heiligheid van Christus beveiligde hem tegen de ontbinding; en indien uit liefde voor de menschen Christus zich vrijwillig, naar den wil zijns Vaders, aan den dood had overgeleverd, moest Gods rechtvaardigheid hem voor altijd van den dood vrij maken.

De verrijzenis is de grootste daad der goddelijke rechtvaardigheid jegens het eenige onschuldige Wezen dat de wereld heeft gekend.

Thomas was de laatste der elven die in zijn Meester geloofde. In denzelfden lijd waarin de paasch-pelgrims, na de feesten, Jerusalem verlieten, vertrokken ook de leerlingen uit de stad en gingen den weg naar Galilea op.

Christus had hun tijdens zijn leven gezegd, dat hij hen daarheen zou voorgaan '), en de vrouwen , die hem verrezen hadden gezien, hadden aan de elven de boodschap des Heeren gebracht, dat zij naar Galilea zouden terugkeeren.

De leerlingen gingen zeker naar Capharnaüm terug. Petrus had daar een huis, en meer dan ooit was hij van allen het middelpunt.

Te Capharnaüm waren op zekeren avond Simon Petrus, Thomas, Nathanaël die van Cana in Galilea was, de zonen van Zebedeüs en twee andere ongenoemde leerlingen bijeen '). Heel de omgeving moest hun den tijd te binnen brengen toen de Meester nog bij hen was. Alles wat hen deed denken aan hem was hun dierbaarder dan ooit. Het hart van den mensch is overal hetzelfde. Ook het scheepje waarin Christus zoo dikwerf overvoer zagen zij zeker met vreugde terug, en vol van gedachten aan het heerlijk verleden riep Petrus tot zijn gezellen: — Ik ga visschen. En zij antwoordden: ook wij gaan met u.

') Matth. XXVI, 32; Marc. XIV, 28.

') Joês. XXI, I vv.

571

ocr page 596

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Zij gingen dan uit en stegen in het schip; maar dien heelen nacht vingen zij niets. Als nu de morgen was gekomen en zij den oever van het meer naderden, zagen zij iemand op den oever staan die op de komst van het schip stond te wachten. Het was Christus; maar niemand der leerlingen herkende hem.

— „Kinderen,quot; sprak hij, „hebt gij iets te eten?quot; Zij antwoorden hem: neen. — „Werpt danquot;, zoo sprak hij, „het net rechts af van het schip en gij zult vindenquot;'.

Zij wierpen het dan en konden het niet meer trekken om de menigte der visschen.

Van hunne oogen vielen de schellen af. De meest geliefde leerling zeide tot Petrus: Het is de Heer! Zijn hart had het hem geopenbaard. Toen Petrus hoorde, dat het de Heer was, omgordde hij zich met zijn onderkleed, en wierp zich in zee. Men was ongeveer twee honderd ellen van den oever. De andere leerlingen roeiden het schip naar land en sleepten het net met de visschen mede.

Toen zij aan land waren gegaan, zagen zij een kolenvuur aangelegd, en visch daarop liggen en brood.

— „Brengt van de visschenquot;, sprak Christus, „die gij nu gevangen hebtquot;. Simon Petrus klom van het schip en trok het net op het land, vol groote visschen, honderd drie-en-vijftig; en toch scheurde het net niet. Hij die voorheen had gezegd tot dezelfde leerlingen: Ik zal van u menschen-visschers maken, gaf hun door deze overvloedige en onverwachte vangst te kennen hoedanig eenmaal hun apostolaat zou zijn.

— „Neemt het maalquot;, sprak Christus. Zij zetten zich op den oever neder, maar niemand durfde hem vragen: quot;Wie zijt gij? wetende, dat het de Heer was. Een heilige vrees had hen bevangen, Toen kwam Christus, nam het brood en gaf het hun. Ook zoo deed hij met de visschen.

Toen zij gegeten hadden '), zag Christus Peirus aan.

') Joës XXI, 15 — 19.

572

ocr page 597

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

— „Simon, Jonas' zoonquot;! zeide hij, „Bemint gij mij meer dan dezen?quot; — Ja Heer! gij weet dat ik u liefheb. — „Weid mijne lammerenquot;, antwoordde Christus. Daarna dezelfde vraag: — „Simon Jonas' zoon! Bemint gij mijquot;?

— Ja, Heer! zeide Petrus, gij weet dat ik u liefheb. — „Weid mijne lammeren'', sprak Christus.

Eindelijk vroeg de Meester voor de derde maal: — „Simon, Jonas' zoon! hebt gij mij liefquot;? Petrus werd bedroefd over deze voor de derde maal herhaalde vraag; en hij gaf een antwoord waaruit zijne matelooze liefde en onbegrensd vertrouwen sprak: — Heer!- gij weet alles: gij weet, dat ik u liefheb. Hij sprak niet meer tot een mensch maar tot God die alles weet; en voor God die alles weet legt hij getuigenis zijner liefde af.

Christus zeide hem : „Weid mijne schapenquot;.

Daar schenkt Christus op plechtige wijze vergiffenis aan Petrus en herstelt hij hem, den Christus verloochenaar, in eer en aanzien bij zijne medeleerlingen : den rouwmoedigen en vurig liefhebbenden leerling maakte hij tot den eerste in zijn Koninkrijk. Petrus alleen is belast schapen en lammeren te weiden: eenvoudige geloovigen niet alleen maar ook de ondergeschikte herders; hij moet hen leiden naar Christus' weiden; en daar de zielen alleen gevoed worden met de waarheid Gods, met de kracht Gods, met de liefde Gods, moet Petrus, de opperste der herders, aan allen de waarheid mededeelen door zijne leer, de kracht en de liefde door de sacramenten. Christus stelt hem aan tot bewaarder van deze onbederfelijke schatten. Voortaan zal heel de hiërarchische macht der Kerk in hem vereenigd zijn. Op het woord des Heeren wordt Petrus, daar bij hetzelfde meer, waar Christus beloofd had hem tot visscher van menschen te maken, tot opperste herder aangesteld en tot Paus.

Maar die waardigheid zou niet zonder smarten en pijnen

573

ocr page 598

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING-.

wezen. Petrus zal in het lot zijns meesters deelen: ook voor hem zal de marteling gelijk aan zijne glorie zijn. Christus voorspelt het hem:

— „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Toen gij jong waart, gorddet gij u, en wandeldet, waar gij wildet, maar als gij oud zijt geworden, zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en geleiden waar gij niet wiltquot;.

Zietdaar wat Christus voor zijne liefste en grootste apostelen bewaart. Naar zijn beeld gevormd moeten zij, gelijk hij, een vrijwillig slachtoffer worden en van de waarheid die zij verkondigen getuigenis afleggen met algeheele toewijding en door eene heldhaftige offerdaad.

Eindelijk sprak Christus tot Petrus: „Volg mijquot;! Het schijnt, dat hij hem iets zeer bijzonders heeft te zeggen. Petrus gehoorzaamde, en toen hij naar zijne medeleerlingen omzag, bemerkte hij, dat ook de meest beminde leerling hem volgde. — Wat zal er met dezen gebeuren? vroeg Petrus aan Christus.

Deze vraag werd niet zonder nieuwsgierigheid gesteld.

Christus hernam: „Wat gaat u dat aan? Zoo ik wil dat hij büjve, totdat ik kom? Volg gij mijquot;.

In dit antwoord ligt een mysterie. Het bracht later de leerlingen op de gedachte, dat die leerling niet zou sterven. Joannes zelf bestrijdt hier de meening, zonder nochtans van die woorden eenige verklaring te geven. Christus schijnt met deze woorden den geweldigen dood van Petrus tegen den natuurlijken dood. dien Joannes sterven zou, over te zetten.

Het verblijf der elven in Galilea en hunne krachtige getuigenissen van 's Heeren verrijzenis brachten vele leerlingen die door Christus' dood verstrooid waren geweest, wederom bijeen. Maar alle leerlingen waren nog niet overtuigd.

Eene nieuwe verschijning, plechtiger dan de vorige, nam ook bij dezen allen twijfel weg'). Zij had plaats op een

Math. XXVIII, 16 vv.

574

ocr page 599

CHRISTUS* DOOD ËN HERLEVING.

der heuvelen bij het meer gelegen, waar Christus voorheen zeker dikwerf verwijlde. Daarheen had Christus hen ontboden. De naam van dien heuvel is verloren gegaan. De H. Paulus, die van deze laatste verschijning spreekt1), haalt haar aan als eene der meest onweerspreekbare getuigenissen voor het feit van Christus' verrijzenis. Daar waren roept, hij uit, meer dan vijfhonderd broederen bijeen. Jesus is door hen allen gezien, en velen van hen leven nog onder ons.

Toen zij hem zagen, vielen zij neder en aanbaden hem. Christus kwam nader en sprak met hen. Tegelijk gat hij getuigenis van zijne souvereine, algemeene macht, en van de zending die hij zijne leerlingen zou opdragen.

— „Mij is alle macht gegeven') in den hemel en op aarde. Gaat derhalve, en leert alle volkenv, en doopt hen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des Heiligen Geestes. En leert hen onderhouden, al hetgeen ik u bevolen heb. En ziet, ik ben met u alle dagen, tot de voleinding der wereldquot;.

Elk woord van Christus hier is een scheppingswoord.

Toen hij zeide: „Ontvangt den H. Geestquot;, schiep hij de priesterlijke macht, die oordeelt en heiligt. Toen hij tot Petrus sprak: „Weid mijne lammeren, weid mijne schapenquot;, schiep hij het primaat, het hoogste punt in de hierarchic van zijn Koninkrijk. En toen hij nu zeide: Gaat en leert alle volken, doopt hen in den naam des Vaders, en des Zoons, en des H. Geestes, schiep hij het hooge recht van het apostolaat. Het zal even als God zelf zonder grenzen zijn en algemeen, omdat allen geroepen zijn de stem van Christus te hooren en deel uit te maken van zijn Koninkrijk. Hij geeft ook in 't kort aan, wat de apostelen aan de menschheid bekend moeten maken: zijn eigen geboden ; hij wijst tevens op het Doopsel als het eerste sacrament, waardoor de mensch deelgenoot moet worden van het goddelijk leven dat hij-zelf op de wereld is komen brengen

gt;) Matth. XXVIII, 18 vv.

575

ocr page 600

Christus' dood en herleving.

en waardoor wij moeten opgeheven worden tot den Vader, die de eeuwigdurende bron van dit leven is, met den Zoon, die door den H. Geest — door Wien alleen deze vereeni-ging zal voltrokken worden — van dat leven de volmaakte openbaring is.

Daarop zeide Christus tot allen:

— „Ik ben met u tot aan het einde der eeuwenquot;.

Christus is niet gebonden aan tijd noch plaats. In alle tijden en op alle plaatsen zal hij te midden der zijnen wezen.

De apostelen hebben in deze dagen, na Christus' verrijzenis, daarvan een voortdurend bewijs. Zij zijn en blijven onder voortdurenden invloed huns Meesters. Ofschoon hij zich slechts nu en dan aan hen vertoont, is hij met hen en in hen. Hij versterkt de banden die hen te zamen binden, verruimt hunne blikken, overwint hunne ontmoediging, hunne ongeloovigheid en weekhartigheid, en legt de laatste hand aan het samenstel der Kerk, waardoor zij onoverwinnelijk zullen zijn en gesterkt om in heel den loop der eeuwen het werk van het Rijk Gods in vervulling te doen gaan. Niemand anders dan hij heeft deze Gallileërs, die wereldveroveraars zullen worden, op wonderdadige wijze veranderd. Hij gaat hen voor 't laatst en wel te Jerusalem bijeenbrengen.

Voor altijd verlieten zij dit land van Zabulon en Neph-tali, de boorden van dit meer, waar zij geroepen werden, en zij komen in de heilige Stad, waar de Meester hen wacht').

De elven waren aan tafel en Jesus verscheen in hun midden.

Hij begon hun hunne eerste ongeloovigheid te verwijten, en de hardheid huns harten om te gelooven in het getuigenis van hen die hem hadden gezien. Dit verwijt klinkt de volgende eeuwen door tot allen die weigeren geloof te slaan aan het woord der getuigen, aan wie de zending is

') Marc. XVI, 14 vv; Luc. XXIV, 44 vv.

o76

ocr page 601

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

opgedragen het leven, den dood, de opstanding, de leer en de verwachtingen van Christus te verkondigen.

Daarna herinnerde hij hun alles wat hij hun had geleerd, toen hij nog in zijn sterfelijk leven bij hen was.

— „Alles hetgeen in de wet van Mozes en in de profeten en in de psalmen van mij geschreven staatquot;, zeide hij tot hen, „moest vervuld wordenquot;. En hij opende hun den zin der schriften. — „Aldusquot;, voegde hij erbij, „moest de Christus lijden en ten derden dage van de dooden verrijzen. In zijnen naam moet boetvaardigheid en vergeving van zonden onder alle volken verkondigd worden, te beginnen van Jerusalem uit.

„Gij nu zijt hiervan getuigen.

„En ik zal op u de belofte mijns Vaders zenden. Verwijlt dus in de stad, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.

„Gaat dus heen in de geheele wereld, en verkondigt het Evangelie aan de schepselen. quot;Wie gelooft, en gedoopt wordt zal zalig worden: maar wie niet zal gelooven, zal verdoemd wordenquot;.

En om de goddelijke kracht te kennen te geven die in hen zou nederdalen, voegde hij erbij: — „Maar deze teeke nen zullen degenen, die gelooven, volgen: In mijnen naam zullen zij duivelen uitdrijven: nieuwe talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen; en indien zij iets doodeiijks zullen drinken, zal het hun niet schaden; kranken zullen zij de handen opleggen, en zij zullen gezond wordenquot;.

Geheel die wondermacht zal een gaaf des H. Geestes zijn. Hetzij ze op zichtbare wijze op de lichamen, hetzij ze op onzichtbare wijze op de zielen wordt uitgeoefend, — zij zal altijd dezelfde zijn; altijd zal zij getuigenis afleggen van de kracht Gods.

Christus leidde daarop zijne apostelen naar buiten, den weg op naar Bethanië, naar den kruin van den Olijfberg').

') Luc. XXIV, 50 vv.

577

37

ocr page 602

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Daar was zijn lijden met zijn doodsangst begonnen; daar wil hij de aarde verlaten en zijne glorie binnengaan, in het gezicht van de Stad waarbinnen hij gekruisigd was, waar nog zijn graf lag, en waar niemand dacht aan zijne zegepraal.

Alle apostelen en ontelbaar vele leerlingen waren tegenwoordig. In dat oogenblik zeiden zij tot hem: — Heer; zult gij nu het rijk van Israël herstellen?1)

— „U komt het niet toequot;, antwoordde hij, „tijden of stonden te weten, welke de Vader in Zijne macht heeft gesteldquot;.

In deze vraag der apostelen klinkt nog het laatste overblijfsel van der joden droomen, die straks zullen verdwijnen bij de zending van Gods Heiligen Geest; tegelijk ziet men in Christus' antwoord zijn laatste pogen om hunne gedachten op te trekken naar dien Geest, van wien zij de gehoorzame en onoverwinnelijke werktuigen zullen zijn.

— „Gij zult de kracht ontvangen des H. Geestes, die over u komen zal, en gij zult mij getuigen zijn m Jerusalem, en in geheel Judea en Samarië, tot aan het uiteinde der aarde''.

Dit was zijn laatste woord.

Hij hief zijne handen op en zegende zijne apostelen; en terwijl hij hen zegende, zagen zij hem opklimmen ten hemel. Een wolk onttrok hem aan hunne oogen.

578

De hemel is geopend. Het Rijk Gods is gesticht. De zegepraal van Jesus begint. Hij verlaat de wereld alleen om haar te vrijwaren van het kwaad en haar redding te brengen. Hij heeft de wereld overwonnen.

') Hand. I, 6 vv.

ocr page 603

POST-SCR1PTUM.

Dat in dit boek hier en daar de wijze van voorstellen niet minder dan sommige uitdrukkingen aan enkele lezers wellicht eenigen aanstoot kunnen geven, zal door mij niet worden ontkend.

't Is, dunkt mij, een onvermijdelijk gevolg van het doel waarmede het boek geschreven werd.

Het was ons doel uit de vier Evangeliën, beschouwd als betrouwbare en rechtsgeldige oorkonden, geschreven door geloofwaardige, gewoon menschelijke getuigen, het leven van den Christus op te bouwen, zooals het voor ongeveer 1900 jaren zich aan de joden van Galilea, Judea en Perea vertoonde , en als slotsom een historischen Christus te verkrijgen, die volkomen in alles gelijk is aan den Christus, dien de Kerk — de groote stichting van dienzelfden Meester — aan de volken verkondigt. Zoo moet het blijken dat de Christus der Kerk tevens de historische Christus is.

Wij hebben ons in den geest teruggeplaatst in het land der joden aan het begin onzer christelijke tijdrekening; wij stonden onder de luisterende Israëlieten, wanneer Christus in Galilea of Judea, of Perea zijne leer verkondigde.

Wij hebben hem overal op den voet gevolgd, kennende het land en het volk met al zijne eigenaardigheden, terwijl wij niets anders zagen dan den mensch die Jesus werd genoemd, in het land der joden geboren werd, leefde, werkte, stierf en na zijnen dood nog eenige malen opnieuw aan zijne leerlingen verscheen.

ocr page 604

CHRISTUS' DOOD EN HERLEVING.

Daar was zijn lijden met zijn doodsangst begonnen; daar wil hij de aarde verlaten en zijne glorie binnengaan, in het gezicht van de Stad waarbinnen hij gekruisigd was, waar nog zijn graf lag, en waar niemand dacht aan zijne zegepraal.

Alle apostelen en ontelbaar vele leerlingen waren tegenwoordig. In dat oogenblik zeiden zij tot hem: — Heer; zult gij nu het rijk van Israël herstellen?1)

— „U komt het niet toequot;, antwoordde hij, „tijden of stonden te weten, welke de Vader in Zijne macht heeft gesteldquot;.

In deze vraag der apostelen klinkt nog het laatste overblijfsel van der joden droomen, die straks zullen verdwijnen bij de zending van Gods Heiligen Geest; tegelijk ziet men in Christus' antwoord zijn laatste pogen om hunne gedachten op te trekken naar dien Geest, van wien zij de gehoorzame en onoverwinnelijke werktuigen zullen zijn.

— „Gij zult de kracht ontvangen des H. Geestes, die over u komen zal, en gij zult mij getuigen zijn in Jerusalem, en in geheel Judea en Samarië, tot aan het uiteinde der aarde''.

Dit was zijn laatste woord.

Hij hief zijne handen op en zegende zijne apostelen; en terwijl hij hen zegende, zagen zij hem opklimmen ten hemel. Een wolk onttrok hem aan hunne oogen.

57S

De hemel is geopend. Het Rijk Gods is gesticht. De zegepraal van Jesus begint. Hij verlaat de wereld alleen om haar te vrijwaren van het kwaad en haar redding te brengen. Hij heeft de wereld overwonnen.

') Hand. I, 6 vv.

ocr page 605

POST-SCRIPTUM.

Dat in dit boek hier en daar de wijze van voorstellen niet minder dan sommige uitdrukkingen aan enkele lezers wellicht eenigen aanstoot kunnen geven, zal door mij niet worden ontkend.

't Is, dunkt mij, een onvermijdelijk gevolg van het doel waarmede het boek geschreven werd.

Het was ons doel uit de vier Evangeliön, beschouwd als betrouwbare en rechtsgeldige oorkonden , geschreven door geloofwaardige, gewoon menschelijke getuigen, het leven van den Christus op te bouwen, zooals het voor ongeveer 1900 jaren zich aan de joden van Galilea, Judea en Perea vertoonde , en als slotsom een historischen Christus te verkrijgen, die volkomen in alles gelijk is aan den Christus, dien de Kerk — de groote stichting van dienzelfden Meester — aan de volken verkondigt. Zoo moet het blijken dat de Christus der Kerk tevens de historische Christus is.

Wij hebben ons in den geest teruggeplaatst in het land der joden aan het begin onzer christelijke tijdrekening; wij stonden onder de luisterende Israëlieten, wanneer Christus in Galilea of Judea, of Perea zijne leer verkondigde.

Wij hebben hem overal op den voet gevolgd, kennende het land en het volk met al zijne eigenaardigheden, terwijl wij niets anders zagen dan den mensch die Jesus werd genoemd, in het land der joden geboren werd, leefde, werkte, stierf en na zijnen dood nog eenige malen opnieuw aan zijne leerlingen verscheen.

ocr page 606

Het spreekt dus van zelf, dat dit boek niet op de eerste plaats geschreven is voor die geloovigen in wie nooit de kleinste en geringste wolk van twijfel voorbij hunnen geest gedreven is, of die, mocht soms voor een oogenblik het volle licht des Geloofs door een benevelde lucht in hunne zielen gevallen zijn, toch onmiddellijk daarna weder ongestoord konden voortwandelen in den vollen middagglans van hun H. Geloof.

Veeleer is dit boek geschreven voor hen, die midden in de wereld levend, niet geheel en al onbekend zijn gebleven met de opwerpingen en moeielijkheden der moderne cri-tiek tegen den persoon van Christus zooals hij dooide Kerk wordt begrepen en geleerd. Daar zijn naar mijn bescheiden meening nog zoovelen die, ofschoon goed roomsch, toch van tijd tot tijd gewaar worden , dat het hooren en lezen van voorstellingen, door de zoogenaamde moderne critiek over den persoon van Christus de wereld binnen geleid, in hun gemoed geen weelderigen grond heeft aangebracht, waarin het Geloof breedere en vastere wortels schiet.

Voor dezen vooral heb ik het boek van Père Didon bewerkt en overgebracht naar het lage land aan de zee.

Ook in de handen der jongelieden, die eenmaal zullen geroepen worden in het gewoel der wereld op te treden en te leven, die in hunnen staat en stand den grooten strijd des Geloofs zullen moeten mede strijden en aan de bestorming eener ongeloovige wetenschap weerstand bieden, — ook in handen van deze jongelieden — de spes ecclesiae niet minder dan de spes patriae — hoop ik van heeler harte dit boek: Jesus van Nazareth, te zien.

Ten laatste denk ik aan zoovele edele zielen die. door de natuur met kwistige hand bedeeld , tot onzen grooten spijt nog altijd de gave des Geloofs derven en den waren Christus niet liefhebben, omdat de ware kennis van zijn heerlijk leven hier op aarde hun ontbreekt.

Aan velen van hen kome dit boek in handen.

De bewerker.

ocr page 607

INHOUD

Biz.

Inleiding. De critiek en de historie hij het verhalm van Christus' leven.................^

EERSTE BOEK.

Christus' verborgen leven.

Eerste Hoofdstuk. De wereld van dien tijd......31

Tweede Hoofdstuk. Christus' ontvangenis.......44

Derde Hoofdstuk. Van de geboorte tot de vlucht naar

Egypte...................

Vierde Hoofdstuk. De historische waarde der wonderbare

verhalen van Christus' geboorte en kindsheid......66

Vijfde Hoofdstuk. Christus' jeugd. Zijne opvoeding. . . 76 Zesde Hoofdstuk. Christus' roeping.........85

TWEEDE BOÉK

Joannes de voorlooper en Christus' verschijning in het

openbaar.

Eerste Hoofdstuk. De joden in Judea omstreeks het

jaar 26. Joannes de Dooper...........

Tweede Hoofdstuk. De arbeid van Joannes den Dooper.

Het doopsel van Christus............112

Derde Hoofdstuk. Christus in de woestijn. De bekoring. 128 Vierde Hoofdstuk. Het begin van Christus'openhaar leven. 133 Vijfde Hoofdstuk. Christus te Jerusalem tijdens het Baasch-feest van 't jaar 781, naR.St. Eerste Prediking in Judea. 143

ocr page 608

Biz.

Zesde Hoofdstuk. Christus bij de Samaritanen. . . . 156 Zevende Hoofdstuk. Christus, de Zoon Gods.....165

DERDE BOEK.

De prediking in Galilea. Het Rijk Gods.

Eerste Hoofdstuk. Galilea en het Rijk Gods.....

Tweede Hoofdstuk. Christus te Capharnaüm.....

Derde Hoofdstuk. Genezing van den melaatsche. Verset

der pharizeën in Galilea............

Vierde Hoofdstuk. De bergrede..........

Vijfde Hoofdstuk. De reis naar Nairn.......

Zesde Hoofdstuk. De parabels van het Rijk Gods. . . Zevende Hoofdstuk. De vuigste lastering der phariseën. Achtste Hoofdstuk De onderrichting der Twaalven.

Dood van Joannes den Deeper..........

Negendk Hoofdstuk. Het keerpunt van Christus' arbeid

in Galilea.................

Tiende Hoofdstuk. Christus'1 reis naar de grenssteden van

Tyrus en Sidon en door de Decapolis........

Elfde Hoofdstuk. De aanstaande dood van den Messias. —

De gedaanteverandering..............

Twaalfde Hoofdstuk. Laatste onderrichtingen te Capharnaüm.................

VIERDE BOEK.

De groote worstelstrijd binnen Jerusalem.

Eerste Hoofdstuk. Galilea wordt verlaten......327

Tweede Hoofdstuk. Christus op het loofhuttenfeest in

't jaar 29...........................338

Derde Hoofdstuk. Nieuwe getuigenissen dat Christus de

Messias is.................354

Vierde Hoofdstuk. Het ivonder van den blind geborene. 363

Vijfde Hoofdstuk. Christus' eerste afzondering in Perea. 370

Zesde Hoofdstuk. Laatste aanval op Jerusalem. . . . 385

179 192

205 217 236 246

265 275 293 304 314

ocr page 609

Biz.

Zevende Hoofdstuk. Christus' laatste afzonderir.g aan

gene zijde van den Jordaan...........39 l

Achtste Hoofdstuk. De opwekking van Lazarus. . . . 403

Negende Hoofdstuk. De laatste reis naar Jerusalem. , . 413 Tiende Hoofdstuk. Het einde van de reis: van Jericho naar

Bethanië..................422

VIJFDE BOEK

Christus' dood en herlevino.

Eerste Hoofdstuk. De glorievolle intocht binnen Jerusalem. 435 Tweede Hoofdstuk. Laatste strijd in den tempel. . . . 443 Derde Hoofdstuk. Laatste vervloekingen tegen depharizeën. 453 Vierde Hoofdstuk De naderende verwoesting van Jerusalem en den Tempel. Het einde der tijden.....464

Vijfde Hoofdstuk. Christus' schijnbaar vergeefsche arbeid

en de oorzaken ervan.............479

Zesde Hoofdstuk. Het laatste Paaschfeest. — Christus' groote

instelling................ . . 489

Zevende Hoofdstuk. De laatste ivoorden.......502

Achtste Hoofdstuk. Van de opperzaal naar Gethsemani. 511 Negende Hoofdstuk. Christus' gebed. — Zijn doodstrijd —

Zijn gevangenneming..............520

Tiende Hoofdstuk. Christus' vonnis........530

Elfde Hoofdstuk. Christus' dood en begrafenis.....546

Twaalfde Hoofdstuk. De verrezen Christus.....558

ocr page 610
ocr page 611
ocr page 612
ocr page 613
ocr page 614