/^./lt;?Æ/, JT/JA
HET
UNIVERSITEITSGEBOUW
ÃE
XTTREOKT.
MEDEDEELING 6170ÃBDEACHT
VAN
8 JANUARI 1891.
utrecht. â FIKHA F. B. VAN DITMAR. â 1891.
HET
UNIVERSITEITSGEBOUW
te
XJ T IR. B O ü T.
MÃDEDEELINamp; U 700RDSAOHT
van
8 JANUARI 1891.
utkecht. â Firma F. B. VAN DITMAR. â 1891.
Utrecht, den ssten Januari 1891.
Nquot;. 14. F.
Naar aanleiding van de voorstellen, gevoegd bij onze voordracht van den 28sten Juni 1890, n' 352 F. werden dooiden Raad in zijne openbare vergadering van den i0611 Juli 1890, de besluiten genomen, die als Bijlage A ter lezing zijn gedeponeerd.
Tot uitvoering van een en ander werd sedert dat besluit het volgende door ons verricht.
In de eerste plaats hebben wij ons, bij missive van den 5aen juii 1890, (Bijlage B) gewend tot Heeren Kerkvoogden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht om van hunne zijde de onmisbare medewerking te verkrijgen. Den isten Augustus daaraanvolgende kwamen wij in bezit van het antwoord van dat college gedateerd 80 Juli 1890 (Bijlage C), waarbij ons werd medegedeeld , dat kerkvoogden, daartoe gemachtigd door het College van Notabelen, besloten hebben geen gebruik te maken van het recht van naasting, maar overigens voor de Nederd. Hervormde Gemeente meenen te moeten behouden al de rechten, haar toegekend bij de acte van 7 October 1828 (Bijlage D). Verder werd door hen verzocht, dat in de overeenkomst eene bepaling zoude worden opgenomen, waarbij voor kerkgangers de toegang van de straatzijde naar de Domkerk bij de vroegpreekdiensten zoude worden verzekerd.
Inmiddels waren onderhandelingen aangeknoopt met de eigenaars der perceelen aan het Munsterkerkhof, ten einde
Aan
den Gemeenteraoch
521 Model n0. 4ö Fin.
4
van hen de verzekering te verkrijgen, dat de beslissing omtrent den aankoop door den Raad zoude kunnen worden genomen, nadat door de Wetgevende Macht hare goedkeuring zoude zijn gehecht aan de dading, bedoeld sub. 1 van het Raadsbesluit van 4 Juli 1890. Wij mochten den 29steuJuli den Heer van Burkom bereid vinden om, mits de mededee-ling van de beslissing der Gemeente uiterlijk op 15 Januari 1891 geschiedde, zijn perceel beschikbaar te houden; de welwillende tusschenkomst van eenige belangstellende ingezetenen was echter noodig om later ânl. den 16d®n Augustus â dergelijke verzekering te verkrijgen van de erfgenamen en rechtverkrijgenden van den Heer J. H. Wiesman.
Nadat wij, bij missive van den lldcn Juli 1890, (Bijlage E) aan Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken voor-loopig eenige mededeelingen omtrent den stand van zaken hadden gedaan, zonden wij bij missive van 6 September 1890 een ontwerp in voor de te treffen overeenkomst van dading en voegden daarbij eenige nadere inlichtingen betrekkelijk de afgeloopen onderhandelingen. (Bijlagen F. en G.)
Nadat wij den 26stcn September aan Z. E. eenige, bij missive van 28 September (Bijlagen H. en J.) gevraagde, inlichtingen hadden verstrekt, werd een der leden van ons College den 29!'ton September in de gelegenheid gesteld met den Minister de ontworpen regeling nader te bespreken.
Bij missive van den 4lt;:ieu October 1890 (Bijlage K) deelde Z. E. ons daarop mede, dat Z. E. het wenschelijk achtte de kerkvoogden der Nederd. Hervormde Gemeente als medecontractanten bij de te sluiten overeenkomst te doen optreden , en werd ons eene ontwerpovereenkomst toegezonden , welke de bedoeling der drie partijen omschrijft (Bijlage L).
Nadat het nieuw ontwerp door ons College was onderzocht gaven wij , den 14den October 1890 (Bijlage M) van een en ander kennis aan heeren kerkvoogden der Nedei-
O
duitsch Hervormds Gemeente, verzochten hen ons te willen mededeelen, of zij bereid zouden worden bevonden aan het verlangen des Ministers te voldoen en gaven daarbij in overweging aan de overeenkomst eene slotalinea toe te voegen, waarbij afstand werd gedaan van het recht van naasting.
Den T3011 November ontvingen wij van heeren kerkvoogden het op 5 Nov. gedateerd bericht (Bijlage X), dat zij aan ons verzoek konden voldoen, mits in de overeenkomst de wijzigingen werden gebracht, die zijn opgenomen in een hunnerzijds aangeboden ontwerp (Bijlage O). De door ons gewenschte bepaling omtrent het recht van naasting was in dit ontwerp opgenomen.
Dit derde ontwerp werd door ons den llden November 1890 (Bijlage P) toegezonden aan Z. E. den Minister van Binnenlandsche Zaken met de mededeeling, dat ons College tegen de bepalingen daarvan geen bezwaar heeft en onder bereidverklaring om het aan de goedkeuring van den Raad te onderwerpen, zoodra zoude zijn gebleken, dat bij Z. E. tegen het sluiten der overeenkomst geen bezwaar bestaat.
Bij missive van den ie3011 December werd daarop door den Minister het verlangen kenbaar gemaakt, dat de Nederd. Hervormde Gemeente er genoegen mede zoude nemen, dat een der stovenhokken bij de Domkerk twee Meter zoude worden ingekort (Bijlage Q).
Den 17den December deden wij van deze missive mededeeling aan heeren kerkvoogden met verzoek zoo mogelijk aan de daarin uitgedrukte wenschen te gemoet te komen (Bijlage R); doch den 24sten December werd ons bericht, dat daartegen overwegende bezwaren bestaan (Bijlage S).
Van dit antwoord gaven wij den Minister van Binnenlandsche Zaken den 27sten December kennis (Bijlage T) en ontvingen bij missive van 30 December 1890. bericht, dat de inkorting van een der stovenhokken door Zijne Excellentie
6
volstrekt onmisbaar wordt geacht, om de zoo kostbare restauratie der kloostergangen te kunnen voleindigen. (Bijlage U).
Den 31ste December 1890 (Bijlage V) gaven wij van dezen brief mededeeling aan kerkvoogden mot dat gevolg, dat wij uit het antwoord van den 3dcn Januari 1891 mochten vernemen, dat bij dat College tegen de inkorting van het stovenhok met eene evenredige vergrooting aan eenc andere zijde van het gebouw geen bezwaar bestaat. (Bijlage W).
Den oden Januari hebben wij den Minister van Binnenland-sche Zaken van den afloop onzer correspondentie met kerkvoogden kennis gegeven (Bijlage X), waarop Z. E. ons den 7deii Januari mededeelde, dat thans de acte van dading dooide drie partijen kan onderteekend worden. (Bijage Y)
En hiermede is de voorbereiding zoo ver gevorderd, dat wij de verder noodige besluiten hebben kunnen ontwerpen.
Tot toelichting van een en ander diene nog het volgende.
Het ontwerp A zal treden in de plaats van de ontwerp overeenkomst I, welke door Uwe vergadering den Juli 1890 voorwaardelijk is goedgekeurd. De door den Raad in Art. 3 van ontwerp I opgenomen bepaling âdat de gemeene âmuur tusschen den kloostergang en het leesmuseum ruw âafgebikt en van de aanwezige witkalk bevrijd, van het âplein zichtbaar wordequot; is in het nieuw ontwerp niet opgenomen. Daarvoor is in de plaats getreden de clausule: âdat de kloostergang aan die zijde geheel open als historisch âmonument van het plein zichtbaar worde, zonder dat de âGemeente op eenigerlei wijze tot opsiering verplicht is.quot;
i
Wij vertrouwen, dat tegen deze wijziging, die door den Minister van Binnenlandsche Zaken is voorgesteld, geen bezwaar zal bestaan.
Verder is uit ontwerp I van 4 Juli 1890 niet overgenomen art. 7, omdat de te sluiten overeenkomst niet aan de goed-
7
keuring van de Wetgevende Macht behoeft te worden onderworpen.
De overige wijzigingen vloeien hoofdzakelijk voort uit het optreden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht, als derde partij bij deze overeenkomst.
De besluiten B en C tot aankoop der perceelen aan het Munsterkerkhof zijn bestemd om te treden in de plaats dei-besluiten II (A en B) van 4 Juli 1890. Alleen de toen gestelde voorwaarde omtrent de medewerking van de Wetgevende Macht en van de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht zijn uit de nieuwe ontwerpen weggelaten.
Het besluit D, waarvan de redactie volkomen overeenstemt met het op 14 October 1887 en 4 Juli 1890 genomen besluit IV, zal op nieuw moeten worden genomen, omdat de machtiging, om de overeenkomst te sluiten niet meer afhankelijk zal zijn van de goedkeuring dei Wetgevende Macht.
Het program van eischen E eindelijk behoeft niet opnieuw door Uwe vergadering te worden bekrachtigd, maar is door ons op nieuw, gewijzigd overeenkomstig Uw besluit van 4 Juli 1890, hierbij gevoegd, omdat wij het wenschelijk hebben geoordeeld, dat de verschillende besluiten in druk bijeen zijn gevoegd.
Indien Uwe vergadering hare goedkeuring aan de sedert 4 Juli 1890 door ons gedane stappen zal hebben verleend, zullen wij ons beijveren ten spoedigste de plannen en het bestek, die, volgens Uw besluit van den l4lt;ieu October 1887 vóór de vaststelling aan de goedkeuring van den Eaad moeten worden onderworpen, te doen opmaken en aan den Minister van Binnenlandsche Zaken op te zenden. Wij
vleien ons met de hoop, dat na eene meer dan vijfjarige voorbereiding eindelijk tot don bouw zal kunnen worden overgegaan en dat, indien ons verdere medewerking verzekerd blijft, althans bij het aanstaande lustrumfeest de eerste steen van het Universiteitsgebouw zal kunnen worden gelegd.
Wij hebben om boven omschreven redenen de eer U voor te stellen te nemen de besluiten, A, B, C, D en F, welke in ontwerp hierbij zijn gevoegd.
Burgemeester en Wethouders der gemeente Utrecht,
De Burgemeester,
{get.) F. H. COBLIJN, Weth.
De Secretaris,
(get.) DE WATTEVILLE.
NB. De bijlagen A tot Y liggen ten Stadhuize voor de leden van den Raad ter lezing.
A. De Raad der gemeente Utrecht,
gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders van 8 Januari 1891.
besluit: Burgemeester en Wethouders te machtigen met den Staat der Nederlanden en de Nederduitsch Hervormde Gemeente. betreffende de rechten op het binnenplein en de kloostergangen ten Zuiden van de Domkerk eene dading aan te gaan van den hierna volgenden inhoud;
De Staat der Nederlanden ten deze vertegenwoordigd door Zijne Excellentie den Minister van Binnenlandsche Zaken ter eenre,
de Gemeente Utrecht ten deze vertegenwoordigd door Burgemeester en Wethouders, handelende ter uitvoering van een besluit van den Raad dier Gemeente van
1891, goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Utrecht bij hun besluit van 1891, N0. ,
ter andere; benevens
de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht ten deze vertegenwoordigd door het College van Kerkvoogden derzelve Gemeente, tot deze handeling gemachtigd door de Vereenigde Vergadering van Kerkvoogden en Notabelen van die Gemeente bij besluit van -1 November 1890, ter derde zijde;
In aanmerking nemende, dat sedert eenigen tijd tusschen contractanten ter eenre, en ter andere geschil bestaat over
10
de rechten der Gemeente Utrecht T)p het binnenplein en de kloostergangen ten Zuiden van de Domkerk aldaar, kadastraal bekend Gemeente Utrecht Sectie B, ÃT. 2656, schrijvende die Gemeente zich den eigendom toe van den Oostelijken en den Westelijken gang krachtens een contract met contractant ten derde, opgemaakt bij acte verleden voor den Notaris H. van Ommeren te Utrecht, den 7den October 1828, overgeschreven ten kantore der hypotheken te Utrecht den T11quot;' November 1828, deel 60, N0. 10, terwijl de Staat beweert dat die gangen en het binnenplein hem in eigendom toekomen,
dat het wenschelijk is die geschillen in der minne te vereffenen en de rechten, waarop Contractante ter derde krachtens genoemd contract aanspraak maakt te verzekeren,
verklaren te hebben aangegaan de volgende overeenkomst van dading.
1°. De Gemeente Utrecht ziet geheel af van elk eigen-doms- of eenig ander recht op den Vrijhof en op de Kloostergangen met het terrein, waarop zij zich bevinden, kadastraal Gemeente Utrecht Sectie B, Nquot;. 2656 of op eenig deel daarvan en erkent den Staat der Nederlanden als eenigen eigenaar van die perceelen, zonder eenige reserve hoegenaamd.
2°. De Staat verbindt zich tegenover de beide contractanten ter andere en ter derde zijde, een doorgang voor voetgangers langs de Zuidzijde der Domkerk open te houden in den regel dagelijks van half acht uur des morgens tot tien uur des avonds, en bovendien op die dagen, waarop eene Godsdienstoefening in die kerk vroeger dan acht uur aanvangt, reeds een half uur vóór den aanvang dier Godsdienstoefening en dien doorgang, welke tevens als toegang tot den ingang der Domkerk achter de Statenbank zal dienen , te onderhouden , schoon te houden en te verlichten.
11
3°. De Gemeente Utrecht staat in vollen en vrijen eigendom af aan den Staat der Nederlanden, die in eigendom aanneemt, het geheele gebouw kadastraal bekend Gemeente Utrecht, Sectie B Nquot;. 2655, waarin thans het Leesmuseum gevestigd is.
4°. De Gemeente Utrecht verbindt zich binnen twee jaren na het sluiten der overeenkomst tot het aan den grond sloopen van het gebouw sub 3 genoemd, het zoodoende vrijkomende terrein met klinkers te bestraten en in dier voege op te leveren, dat de Kloostergang aan die zijde geheel open als historisch monument van het plein zichtbaar worde, zonder dat de Gemeente op eenigerlei wijze tot opsiering verplicht is.
De opbrengst van de afbraak komt ten bate der Gemeente, welke het behoorlijk onderhoud der bestrating van het vrijgekomen terrein nu en later ten haren laste neemt.
5°. De Staat der Nederlanden verbindt zich ter uitvoering van het vorenstaande aan de Gemeente Utrecht een subsidie te verleenen van f 21,000.-, in gedeelten uit te keeren vóór 1 Januari 1894.
6°. De Staat der Nederlanden verbindt zich tegenover Contractante ten derde tot het volgende;
Voor zijne rekening zal moeten worden voorzien in het onderhoud van het binnenplein der academie en het aldaar gelegen riool.
Hij erkent en waarborgt het recht van vrijen uitgang uit de Domkerk achter de Statenbank naar de stoven-hokken, der kerk en derzelver erf langs het binnenplein gelegen, alsmede het recht van vrijen toegang tot de trap, die aldaar uit den kloostergang naar het dak der kerk geleidt, welke trap met de buitendeur en het portaal van ingang eigendom der Nederduitsch Hervormde Gemeente is en blijft, daarenboven het recht van vrijen uitgang uit het
12
zuid-oostelijk uitgangsportaal der Domkerk naar het erf dëï kerk langs het binnenplein alsmede naar en uit de kerkelijke huizinge gelegen tegen den Oostelijken kloostergang, alles in dier voege als omschreven is in de bovenaangehaalde notarieele acte van 7 October 1828.
Bijaldien van Rijkswege boven de kloostergangen gebouwd wordt, zal zoodanige bouwing, optrekking of vertimmering en verlenging van den Noordelijken zijgevel van het oude Kapittelhuis, gelijk ook van den kloostergang tegen de «
Kerkelijke huizinge uitkomende op den Oostelijken kloostergang in dier voege geschieden, dat door dezelve geen nadeel worde toegebracht aan de afwatering der kerk of van de genoemde huizinge, verblijvende het derhalve den Staat vrij een nieuwe goot daar te stellen, indien zulks noodig mocht wezen, of op zoodanige andere wijze als geschikt mocht bevonden worden de eventuëele belemmering welke door de verbouwing zoude kunnen ontstaan te verhelpen,
ook zal het op te trekken gebouw aan de zijde achter den ingang naar de Statenbank zich niet verder uitstrekken dan tot een afstand van twee Meter zeven en vijftig centimeter van den opgaanden gevelmuur der kerk opdat het licht zoo min mogelijk verhinderd worde. *
7°. De Nederduitsch Hervormde Gemeente te Utrecht zal de (burgerlijke) Gemeente Utrecht op geenerlei wijze aansprakelijk stellen voor het nakomen van de hierboven sub 6quot;. genoemde bepalingen.
8quot;. Alle kosten op deze overeenkomst vallende met uitzondering van die van zegel komen ten laste van den Staat.
9°. De Contractante ter derde zijde verklaart ten aanzien van de krachtens deze dading aan den Staat verblijvende of komende terreinen en gebouwen geen gebruik te maken van het recht van naasting, door haar bedongen bij het aangehaalde contract van 7 October 1828.
13
B. De Raad der gemeente Utrecht,
overwegende, dat het bij de stichting van het Universiteitsgebouw , ter verfraaiing van het Munsterkerkhof, noodig is de beschikking te hebben over het perceel, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, N0. 602, toebehoorende aan den Heer Willem van Burkom;
overwegende, dat deze zich heeft bereid verklaard, het bedoelde perceel aan de gemeente te verkoopen voor de som lt; van zestien duizend gulden ;
Besluit:
1. van den Heer W. van Burkom voor de gemeente aan te koopen het hem toebehoorend perceel aan het Munsterkerkhof, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, Nquot;. 602, en zulks voor de som van zestien duizend gulden, onder voorwaarde dat het perceel den lsten Februari 1891, onbezwaard en niet langer verhuurd dan tot 1 Mei 1891, aan de ge meente zal worden geleverd.
2. Burgemeester en Wethouders te machtigen hierin verder het noodige te verrichten.
C. De Raad der gemeente Utrecht,
» overwegende, dat het bij de stichting van het Universi
teitsgebouw , ter verfraaiing van het Munsterkerkhof, noodig is de beschikking te hebben over de perceelen kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B N0. 2695 gedeeltelijk en N0. 2696 gedeeltelijk, toebehoorende aan de erfgenamen van den Heer J. H. Wiesman;
overwegende, dat deze zich bereid hebben verklaard, mits daartoe de noodige rechterlijke machtiging worde verkregen, bedoelde perceelen aan de gemeente te verkoopen voor de som van twee en twintig duizend gulden;
Besluit:
1. Van de erfgenamen van den Heer J. H. Wiesman
14
voor de gemeente aan te koopen de hun toebchoorende perceelen aan het Munsterkerkhof, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B Nquot;. 2695 gedeeltelijk en N#. 2696 gedeeltelijk, op bijgaande teekening met eene roode kleur aangeduid, en zulks voor de som van twee en twintig duizend gulden onder de volgende voorwaarden:
a. De grenzen tusschen de gedeelten der perceelen 2695 en 2696, welke aan de verkoopers verblijven of hetwelk gemeen eigendom blijft, en datgene wat aan de gemeente overgaat, worden bepaald door de volgende lijnen:
uit het zuidelijkste punt van de westelijke buitenzijde van den muur der thans bestaande werkplaats (op de teekening aangeduid met letter «.) loopt de grenslijn noordelijk in de richting van een van wege het gemeentebestuur door den Directeur der gemeentewerken vast te stellen punt x. â tot aan het op de teekening aangeduid punt h.; dit punt x moet vallen tusschen het noordelijkste punt (gemerkt x\) van gemelden muur der thans bestaande werkplaats en tusschen het noordelijk uiteinde der lijn, die het verlengde uitmaakt van het bestaande, thans reeds in rechte lijn loopende gedeelte van gemelden westelijken muur der werkplaats, welk punt op de teekening is aangeduid met x}.
Op het gedeelte dezer grenslijn, zich uitstrekkende van gemeld punt ct. tot aan het punt h., in de lijn van den te stellen muur b. c. wordt door de gemeente op hare kosten een scheidingsmuur gesteld die tusschen haar en de verkoopers gemeen zal worden.
Van gemeld punt b. loopt de grenslijn naar het punt d. langs de lijn b. c.
In gemelde lijn b.c. zal een muur worden gesteld op een afstand van 1.62 M, ten zuiden van den muur die thans aan de zuidzijde van perceel 2696 dit perceel van perceel 2695
15
scheidt; van dezen muur zal het gedeelte b.d. door de gemeente Utrecht als gemeene scheidsmuur worden gesteld, terwijl het gedeelte d.c. door de verkoopers kan gesteld worden. Gemeld punt. cl. is gelegen in het verlengde van de lijn e.f, zijnde de westelijke buitenkant van den bestaanden muur aan de oostzijde van den thans bestaanden uitgang.
Van het punt cl. loopt de grens tot het punt /quot;. in het verlengde van de voormelde lijn e.f. Ook op dit gedeelte d.f. wordt door de gemeente Utrecht een scheidingsmuur gesteld, die gemeen wordt als gezegd.
Van het punt /. loopt de grens in westelijke richting naar het punt cj. in de lijn evenwijdig aan den muur thans tusschen de perceelen 2696 en 2695 zich bevindende (straks vermeld) en wel op een afstand van hoogstens 80 centimeter van dezen bestaanden muur.
Het punt cj. vormt het westelijke eindpunt van de oostelijke scheiding van den nader te vermelden gang en de ligging van dat punt y wordt bepaald door de aan dien gang te geven breedte, nader te vermelden.
Ook op dit gedeelte f.g. der grenslijn stelt de gemeente Utrecht een scheidingsmuur, welke gemeen wordt als voormeld.
De gemelde scheidingsmuur zal aangelegd worden op een hoogte van 2.50 M. boven het hoogst thans bestaande grondvlak.
h. De scheidingsmuur tusschen de perceelen 2696 en 2697 zal voor zoover die buitenmuur wordt, door de gemeente Utrecht op hare kosten worden bekleed met een halve steen van harde steensoort,.
c. Aan de oostzijde van dien aldus bekleeden muur zal een gang van minstens een Meter breedte onbebouwd blij ven liggen als gemeenschappelijk eigendom van verkoopers en de gemeente Utrecht, om uitgang te geven naar het Munster-
] 6
kerkhof. Deze gang is op de teekening aangeduid met de letters g h i k.
In den grond van dezen gang zal de gemeente Utrecht, de versnijding van het aan de oostzijde door haar op te richten gebouw mogen plaatsen. De gang zal langs de lijn i./t. worden afgesloten met een ijzeren hek, waarvan elk der mede-eigenaars een sleutel heeft, en dat â buiten den tijd dat bepaald van den gang gebruik wordt gemaakt â gesloten moet blijven. De gemeente Utrecht zorgt voor de bestrating van dien gang.
d. Op het zuidelijkste gedeelte van het afgestane deel van perceel Nquot;. 2695, op de nevensgaande situatie-teekening met stippellijn aangegeven en begrepen tusschen de letters a l m n, mogen geen gebouwen geplaatst worden, hooger dan de scheidingsmuur.
e. In het op den af te stanen grond te stichten gedeelte van het gebouw zullen in de gevels, gericht naar de niet verkochte gedeelten van de bovengenoemde perceelen, geene andere ramen mogen worden gemaakt dan welke voorzien zijn van ondoorzichtig glas. Alleen het bovengedeelte dezer ramen mag beweegbaar zijn.
f. De gekochte perceelen worden uiterlijk den lston Mei 1891 onbezwaard en onverhuurd geleverd.
;/. De betaling van den koopprijs zal plaats hebben bij de aanvaarding en levering.
2. Burgemeester en Wethouders te machtigen hierin verder het noodige te verrichten.
D. De Raad der Gemeente Utrecht,
gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders van 8 Januari 1891,
besluit Burgemeester en Wethouders te machtigen met
17
den Staat der Nederlanden aan te gaan de overeenkomst van den hiernavolgenden inhoud:
De Minister van Binnenlandsche Zaken, handelende namens den Staat der Nederlanden,
ter eenre en Burgemeester en Wethouders van Utrecht, handelende voor de Gemeente, hiertoe gemachtigd bij besluit van den Gemeenteraad van goedgekeurd bij dat van Gedeputeerde Staten van Utrecht van , van welke besluiten afschriften aan
deze overeenkomst zijn gehecht, ter andere zijn overeengekomen als volgt:
Art. 1. Contractante ter andere, wenschende ter gelegenheid van het feest van het 250jarig bestaan der Utrechtsche Universiteit door eene feestgave hare belangstelling in deze instelling te betoonen en ten haren behoeve behoorlijke lokalen beschikbaar te stellen, verbindt zich aan het Munsterkerkhof op de terreinen, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, Nos. 602, 603, 26Ã6 gedeeltelijk en 2695 gedeeltelijk , binnen 3 jaren na de goedkeuring, bedoeld in artikel 2, een aanvang te maken met de stichting van een nieuw gebouw en dit gebouw, hetwelk gemeenteeigendom blijft, aan contractant ter eenre ten behoeve der Rijksuniversiteit te Utrecht kosteloos in bruikleening af te staan.
Art. 2. Contractant ter eenre verbindt zich bovenbedoeld gebouw in bruikleening aan te nemen, mits het gebouw zij overeenkomstig de door contractanten in gemeen overleg vastgestelde opgave van eischen, waarvan een afschrift aan deze overeenkomst is vastgehecht, en de door contractante ter andere opgemaakte en door contractant ter eenre goedgekeurde plannen |en bestek.
Art 3. Contractant ter eenre neemt van het oogenblik dat het nieuwe gebouw hem zal zijn overgedragen, het onderhoud, het schoonhouden en de verlichting daarvan op
18
zich, alsmede de lasten welke daarop mochten rusten.
Hij is bevoegd daaraan op Rijkskosten al de vertimmeringen, verbouwingen of veranderingen uit te voeren, naar zijn oordeel noodig om het voor het Hooger Onderwijs bestemde gebouw aan zijne bestemming te doen beantwoorden.
Art. 4. Zoodra het bovenbedoeld nieuw gebouw niet langer voor de te Utrecht gevestigde Rijksuniversiteit wordt gebruikt, zal het op de eerste aanvrage van contractante ter andere ter harer vrije beschikking worden gesteld in den staat, waarin het zich alsdan zal bevinden, zonder dat contractante ter andere zal gehouden zijn tot het betalen of gerechtigd zijn tot het vorderen van eenige vergoeding uit welken hoofde ook.
Art. 5. Het nieuwe gebouw wordt zoolang de bruikleening duurt door contractante ter andere tot een nader over een te komen bedrag bij een of meer door contractant ter eenre goed te keuren brandverzekeringmaatschappijen tegen brandgevaar verzekerd.
De verzekeringspremie wordt jaarlijks door contractant ter eenre aan die ter andere terugbetaald.
Art. 6. Indien het nieuwe gebouw door brand of eenig ander onheil geheel of gedeeltelijk vernietigd wordt, is contractant ter eenre bevoegd het op zijne kosten weder op te bouwen en het herstelde gebouw op den voet van deze overeenkomst in bruikleening te houden, terwijl contractante ter andere alsdan verplicht is aan contractant ter eenre de schadevergoeding uit te keeren, welke te dezer zake door de brandverzekeringmaatschappijen zal uitbetaald zijn.
Gaat contractant ter eenre niet binnen 5 jaren tot den wederopbouw over, dan is hij gehouden het erf en de overblijfselen van het gebouw op de eerste aanvrage ter beschikking te stellen van contractante ter andere.
Art. 7. Van weerszijden wordt overeengekomen dat geen
19
gebruik zal worden gemaakt van de rechten bedoeld in de artikelen 1788 en 1789 Burgerlijk Wetboek.
Art. 8, Deze overeenkomst is van rechtswege ontbonden, indien de in artikel 2 vermelde goedkeuring van plannen en bestek niet binnen één jaar na de indiening daarvan is verkregen
Art. 9. Alle kosten op deze overeenkomst vallende, met uitzondering van die van zegel, zijn ten laste van contractant ter eenre,
Aldus overeengekomen en in dubbel opgemaakt en onderteekend te 's-Gravenhage en te Utrecht,
E. Programma van eischen voor den bouw van een nieuw universiteitsgebouw te Utrecht.
Terrein. gebouw wordt opgericht aan het Munsterkerkhof op
de terreinen, kadastraal gemeente Utrecht, Sectie B, Nos. 602, 603, 2696 gedeeltelijk en 2695 gedeeltelijk. Het moet zich onmiddellijk aansluiten bij de westelijke en zuidelijke kruisgangen van de Domkerk, door welke men het groot Auditorium bereikt, en voorts in verbinding gebracht worden met de groep gebouwen, welke het Auditorium, de Senaatskamer en de lokalen in het voormalig politiegebouw omvatten.
In het nieuwe gebouw behoeft op eene Conciërgewoning niet gerekend te worden, omdat den Pedel-concierge eene woning in de lokalen van het voormalig politiegebouw wordt aangewezen.
Het gebouw moet bevatten;
Benoodigde lokalen.
A. Gelijkstraats
1quot;. Vier collegezalen, als: één groot 80 a 120 M2
20
drie groot ongeveer 42 M2.
minstens twee dezer collegezalen behooren aan den tuin gelegen te zijn. De vorm dezer zalen behoort vierhoekig te zijn.
2°. Een spreek- of wachtkamer voor de professoren, groot ongeveer 25 M2.
3°. Een pedelskamer, groot ongeveer 15 M2.
4°. Een jassenbergplaats, groot ongeveer 12 M2.
5°. Eene wachtkamer voor de studenten, groot ongeveer 42 M2-
De spreekkamer wordt in de nabijheid van den ingang , de pedelskamer ongeveer in het midden van het. gebouw geplaatst en evenzoo de jassenkamer.
6°. Eene van tochtdeuren voorziene vestibule van matige afmetingen.
7°. Voorts zal op de benedenverdieping een door deuren af te sluiten doorgang naar het Vrijhof aangelegd worden, onafhankelijk van de communicatie door de vestibule
B. Op de eerste verdieping.
1^. Vijf faculteitszalen, als:
één groot ongeveer 70 M3.
één â â 55 â
twee groot ongeveer 46 â
één â â 42 â
2°. Een collegezaal ongeveer groot 35 M3.
3°. Eene wachtkamer voor de examinandi, groot ongeveer 35 M2.
4°. Een vertrekje voor den pedel ongeveer groot 5 M2.
5°. Een jassenbergplaats ongeveer groot 10 M2.
Voor de ligging dezer beide laatste lokalen geldt wat van die vertrekken in de benedenverdieping is gezegd.
21
. Trappen, De trappen moeten van steen zijn. Behalve de hoofdtrap,
privaten .
en water- die zooveel mogelijk in het midden van net gebouw is aan
plaatsen. j.e ieggen; js n0g eene tweede of diensttrap van mindere
breedte noodig, meer nabij de pejlelswoning gelegen en
waar langs men de zolderverdieping kan bereiken.
Twee privaten en waterplaatsen, aan de buitenlucht uitkomende en door voorportalen van de corridors gescheiden, moeten zoowel op de beneden- als op de bovenverdieping worden aangelegd.
4. Licht. Alle lokalen ontvangen zijlicht, dat in de faculteits- en collegezalen links van de toehoorders moet intreden. Zoo in corridors als trappen en gangen moet het licht in ruime mate toetreden.
De vloeren van gangen, corridors, privaten en waterplaatsen, ook op de eerste verdieping, moeten van steen zijn. Om gehoorigheid te voorkomen wordt in de faculteits- en collegezalen hetzij van dubbele vloeren hetzij van troggewelven onder de vloeren partij getrokken.
Alle lokalen, corridors, privaten en waterplaatsen worden water- en van gas- en waterleidingen met toebehooren voorzien. De
mellelamg.
waterleiding wordt ook voor brandblussching en voor het schoonmaken van het gebouw ingericht. De noodige elec-trische schellen worden in de lokalen aangelegd.
7. Berg- 1)6 vereiscllte bergplaatsen voor brandstoffen en gereed-piaatsen. schappen worden in den tuin geplaatst, waarmede in verquot; band een gemakkelijke toegang van het gebouw naar den tuin wordt aangelegd.
Het maken van een kelder in het gebouw, uitkomende op de straat wordt wenschelijk geacht.
22
verwar- Voor verwarming van gangen, trappen enz. worden müig. calorifères in de kelders geplaatst. De college- en faculteitskamers worden ingericht om met haarden of kachels te worden verwarmd.
9. uit- Het gebouw wordt van deugdzame materialen opgetrokken \ oei mg. me£ vern^ijding van surrogaten. De in het gezichtkomende daksvlakken worden met leien afgedekt.
10. Teeke- De over te leggen teekeningen van het gebouw moeten
ningen.
bevatten:
a. de plattegronden van de fundeering en de kelders, van de verdiepingen en het dak.
b. de noodige doorsneden.
c. de opstand teekeningen van de verschillende gevels, al deze teekeningen uitgevoerd op de schaal van 1 : 100.
Met deze teekeningen wordt overlegd eene raming van kosten met omschrijving der aan te wenden materialen.
F. De Raad der Gemeente Utrecht,
gezien de voordracht van Burgemeester en Wethouders van 8 Januari 1891,
besluit:
in te trekken de op 4 Juli 1890 betrekkelijk het stichten van het Universiteitsgebouw sub I, II en IV genomen besluiten.