/C^C?y
EEN WEDERWOORD
NAAR AANLEIDING VAN
ONMACHT TEGEN ONRECHT
VAN
G. W, W, C. Earon VAN IIOÃVELL
DOOR
Mr. M. M. ROSMAN,
L l d in (leu Raai! van JusUlle te Padun;/.
'S-G EAVENHAGE, J. jSI. A'AK 'T
1 S S
/3quot; /amp;amp;amp; z/. /f-
EEN WEDERWOORD
r
NAAR AANLEIDING VAN
ONMACHT TEGEN ONRECHT
VAN
G. W. W. C. Baron VAN HOÃVELL
DOOR
Mr. M. M. ROSMAN,
Lid in den Raad van Justitie te Padan^.TT
â ^u
:; / .â â¢'N-n \ ââ \ \Tt\
\VtA : ' r-if
'S-GRAVENHAGE, J. M. VAN 'T TT A A F li1.
1 8 89.
ïyp. öebra. OiÃDta d'Albani, den Haag.
Qni bene distinguit, bene docet.quot;
In een vlugschrift, getiteld Onmacht tegen Onrecht, tracht de Assistent-Resident G. W. W. C. Baron van Hoévell zich te wreken op den rechtsgeleerden schrijver van Macht tecjen Recht over de beschuldigingen, in dat werk geuit tegen besturende ambtenaren in Nederlandsch-Indië en Indische toestanden in het algemeen. In dat opstel is veel, waarmede wij ons niet kunnen vereenigen; het wemelt onzes inziens van onjuiste feiten en gevolgtrekkingen, waardoor het argeloos lezend publiek kan worden misleid. Wij mogen dat niet gedoogen en willen trachten, in een klein bestek, het door den Heer vax Hoëvell onjuist aangevoerde te verbeteren en te weerleggen.
Niet dat wij alles in bescherming nemen, wat door Mr. Piepers in zijn aangehaald werk is medegedeeld; wij gelooven, dat die schrijver het « suaviter in tnodo» te veel uit het oog heeft verloren, om zelf te verwachten, dat men zich zonder morren bij al zijne conclusiën zou nederleggen. Doch de feiten, zes jaren geleden door Mr. P. in het licht gesteld, zijn tot op heden, voor zoover ons bekend is, nooit bepaald
4
weersproken, veel minder weêrlegd, en zelfs de Heer v H. erkent, dat Macht tegen Recht veel waars bevat. Wij meenen dus, dat dit werk, trots zijne vlijmende scherpte, zijn waarde heeft en dat het hoogstens kan gezegd worden, verbetering en aanvulling te behoeven.
In den aanvang zijner brochure deelt de Heer v. H. als zijne zienswijze mede, dat er rechterlijke ambtenaren zijn, waarop veel zou zijn af te dingen. Wij hebben daar in het algemeen niet op tegen, te minder omdat de heer v. H. zoo billijk is te erkennen, dat ook in het corps, waartoe ZEd. behoort, kaf onder het koren wordt aangetroffen; dit is ook met andere corpsen het geval en er is m. i. geene regeling denkbaar, waardoor de minder goede elementen geheel konden worden geweerd; met deze zou men tevens de betere elementen uitsluiten.
Doch wij meenen bovendien, dat de veeljarige opleiding, die de rechterlijke ambtenaren hebben genoten, om in N. I. benoembaar te zijn, de ernst en moeie-lijkheid der vele examens, waaraan zij in Nederland zijn onderworpen, het veeljarige en in het algemeen beschavende studentenleven, dat zij hebben geleid, en ten slotte de rijpere leeftijd, waarop zij in staatsdienst treden, alles vergeleken met de geringere eischen, aan candidaten voor andere diensttakken gesteld, dat dit alles in het algemeen waarborgen oplevert voor eene hoogere verstandelijke en zedelijke ontwikkeling. De Regeering heeft reeds lang en terecht begrepen, dat een corps ambtenaren, waaraan in hoofdzaak de beschikking over het leven, de eer, de vrijheid en
het vermogen der ingezetenen is toevertrouwd, en dat in N. I. liet bolwerk bij uitnemendheid zal zijn tegen onrecht en onderdrukking, zooveel mogelijk uit goede elementen moet zijn samengesteld en zij heeft dien overeenkomstig hare maatregelen genomen.
De Heer v. H. zal tuch niet in ernst beweren, dat mannen, die geene rechtskundige opleiding hebben genoten , in het algemeen meer weten van wet- en rechtspraak dan zij, die daarvoor van jongs afzijn opgeleid?
Wij zijn innig overtuigd, en het is nog nooit door bevoegden weêrsproken, dat de rechtspraak in N. L, voor zoover die aan gegradueerden is toevertrouwd, over het geheel zoo goed is, als zij met de bestaande hulpmiddelen zijn kan en wij weten, dat bij het corps rechterlijke gegradueerden in Indië over het geheel, zoo gestreng en rechtschapen wordt gediend, als hoogst waarschijnlijk bij eenig corps ter wereld.
En wat nu betreft de beschuldiging van «servilisme en oneerlijkheid» bij rechterlijke ambtenaren, met staaltjes waarvan de Heer v. H. beweert, dat een boekdeel zou zijn te vullen, â zulk eene aantijging behoorde in dit land absoluut niet tegen de rechterlijke macht of eenigen barer leden uitgesproken te kunnen worden en zeker niet zonder opgave van feiten. Die beschuldiging is valsch. Wij mogen dit punt hier niet verder behandelen, doch verwachten van den Heer v. H., dat hij de feiten zal noemen, waarop hij deze ter laste legging grondt.
Een ander onderwerp, dat bespreking verdient, is de gespannen verhouding tusschen rechterlijke en bestu-
6
lende ambtenaren in liet algemeen. Leest men cle verslagen der conflicten, die zich in de laatste circa tien jaren tusschen ambtenaren dier beide diensttakken hebben voorgedaan, dan ontwaart men dadelijk, dat zij het gevolg waren van persoonlijke eigenschappen, prikkelbaarheid en hoogmoed van een of beide partijen, eigenaardigheden, die hen in elke betrekking met elkaar in botsing zouden hebben gebracht, doch deze bewijzen niets tegen het eene of andere corps. Die con-llicten behooren reeds tot de groote zeldzaamheden. Nog blijkt daaruit alleen, dat men rechterlijk of besturend ambtenaar zijn en toch als mensch hinderlijke gebreken hebben kan. Persoonlijke quaestiën plegen bij alle diensttakken voor te komen, zonder dat men daarvan telkens eene part ij zaak maakt.
Wij ontkennen dus, dat tusschen de beide corpsen een gespannen verhouding bestaat en zien in de bewering van den Heer v. H., dat die wanverhouding door het werk «Macht tegen Recht» ten top zou zijn gevoerd, inderdaad niets dan een bewijs, dat de beschuldigingen van Mr. P., en misschien nog andere persoonlijke ervaringen, hem diep gegriefd hebben. Wanneer de Heer v. H. medelijden vraagt voor dat leed, dan kunnen wij hem dat schenken, doch hij had onzes inziens het recht niet, om â subjectief met objectief verwarrende â in blinde woede de geheele rechterlijke macht aan te vallen en haar uit haat tegen Mr. P. beschuldigingen in het aangezicht te slingeren, die de-Heer v. H. niet kan verantwoorden.
Is dus die beweerde wanverhouding een fictie, iets
7
anders zou het zijn, indien de Heer v. H. beweerd had, dat het menig besturend ambtenaar, vooral in de binnenlanden, waar hij bijna nooit anders dan slaafs ondergeschikten om zich heen ziet, somwijlen lastig en onaangenaam moet zijn, in den Landraadspresident een man te ontmoeten, die â in dienst van hem onafhankelijk â zich niet leent tot de kleine transigeeringen en wetsafwijkingen, die, zooals men weet, bij onze gewaardeerde bestuursambtenaren licht gewoonte worden en die men dan motiveert, of verschoont of vergoelijkt door een beroep op het belang der bevolking of op de noodzakelijkheid, om het prestige of om de rust en orde te handhaven. Wij herinneren, dat in 1886 een magistraat, tevens Assistent-Resident, ter Sumatra's Westkust officieel verklaarde, dat hij zich tot toepassing der strafwet niet verder gebonden achtte, dan met zijne inzichten omtrent het belang der rust en veiligheid overeenkwam. Die magistraat besefte dus niet, dat de geheele wetgeving enkel ten doel heeft in Nederlandsch-Indië de rust en veiligheid onder alle ingezetenen te handhaven, en dat de Regeering het niet aan de ongelouterde inzichten van een hooger of lager ambtenaar kan en mag overlaten, om zich casu quo boven de wet te stellen.
Wanneer de wetgever de strafwet voor verbetering vatbaar acht, dan zal zij verbeterd worden; maar zij mag inmiddels geen speelgoed zijn in de handen van onbevoegden.
Ter zake komende bepaalt de Heer v. H. â ten be-tooge aan welk onrecht de bestuursambtenaal' in het
8
algemeen blootstaat â zich hoofdzakelijk tot eene be-oordeeling dei' rechtspraak in zaken van overtredingen van het Reglement van den Burgerlijken Stand, en vindt hij in die rechtspraak een grief tegen de rechterlijke macht.
Als hoofdargument wordt door hem de stelling aangevoerd, dat zelfs een nauwgezet en bekwaam ambtenaar van den Burgerlijken Stand niet aan vervolging en veroordeeling kan ontkomen. Ten bewijze hiervan noemt de Heer v. H. uit den «schat» zijner ondervinding eenige voorbeelden van zijns inziens onrechtvaardige veroordeelingen, b v. het feit, dat hij zelf eens beboet is, omdat hij in eene door hem in qualiteit gepasseerde geboorteacte niet had opgegeven in welk huis de bevalling had plaats gehad, ofschoon het Reglement op den Burgerlijken Stand voorschrijft, dat in elke geboorteacte de plaats der (jeboorte moet worden vermeld; â dat hij niettemin een paar jaren later door denzelfden Raad van Justitie, doch anders samengesteld, wederom is beboet, doch ditmaal, omdathij juist conform 's Raads vroeger vonnis, in eene geboorteacte het huis der bevalling wèl had vermeld; ditmaal op grond, dat de Raad het met de vroegere beslissing niet eens was en nü onder plaats der (jeboorte slechts verstond de plaats in den zin van samenwoning, stad of dorp â der bevalling; zoodat volgens deze redeneering eene aanduiding ook van het huis der bevalling eene overtolligheid was. die evenzeer als elke omissie bij het Reglement met straf wordt bedreigd.
Wij beginnen met op te merken, dat de uitdrukking
9
«plaats der geboorte» in art. 40 van het Reglement nergens wordt toegelicht, zoodat de Officier van Justitie en de Rechter, die geroepen zijn het Reglement te handhaven, bij hunne beoordeelingtelkens naar hun beste weten moeten handelen, terwijl zich op dit punt nog geene vaste jurisprudentie gevestigd heeft. Bij de eerste veroordeeling gold het zeer begrijpelijke argument, dat de wet moest bedoeld hebben ook de aanduiding van het huis der bevalling voor te schrijven, ten einde in sommige gevallen te kunnen constateeren, of de aangifte wel door den bevoegden persoon was geschied. De wet bepaalt immers, wie uitsluitend bevoegd zijn de geboorte van een kind aan te geven. Is b. v. de moeder buiten hare woning bevallen, dan is tot de aangifte niemand bevoegd behalve 1°. de vader, 2°. de persoon ten wiens huize de bevalling heeft plaats gehad. Voor deze zienswijze pleit ook het bepaalde bij art. 37, 2de alinea, van het Reglement.
Over deze veroordeeling behoeft men zich dus niet te verwonderen; m. a. w. de vervolging en veroordeeling kunnen voor het Openbaar Ministerie en den Rechter plicht geweest zijn.
Dat nu een paar jaren later, bij andere samenstelling van het Openbaar Ministerie en van het College, die jurisprudentie zich gewijzigd heeft â hetgeen wij bij gemis aan gegevens niet kunnen nagaan, doch in goed vertrouwen willen aannemen â moge voor den veroordeelde verdrietig zijn, maar het was onvermijdelijk.
De rechter en het Openbaar Ministerie zijn niet aansprakelijk voor de uitdrukkingen der wet; zij heb-
10
ben haar niet gemaakt, doch hebben haar alleen toe te passen, zooals zij daar ligt, zonder hare innerlijke waarde en billijkheid te beoordeelen. Wanneer de wet niet duidelijk heeft willen zijn, dan moeten zij naar hun beste weten eene oplossing zoeken. Het valt te betwijfelen, of het Openbaar Ministerie, toen het de tweede vervolging requireerde, kennis droeg van de een paar jaren te voren door den Raad gegeven uitlegging der woorden «plaats der geboorte». Toen de gerequireerde later in zijne verdedigingsmemorie wees op's Raads vroegere beslissing, kon het requisitoir niet meer worden ingetrokken en moest er dus een vonnis gewezen worden. De feiten waren bewezen; bleef dus alleen de vraag over, of zij een overtreding daarstelden, m. a. w. welke uitlegging de Raad thans gaf aan de uitdrukking «plaats der geboorte.» Wanneer de Raad, na beraadslaging, de vroegere beslissing onjuist achtte, b. v. meende, dat wanneer de wetgever had gewild, dat ook het huis der geboorte in de geboorteacte werd opgenomen, hij dit wel duidelijker zou hebben voorgeschreven â dan moest het College met het oog op art. 10 wel tot eene veroordeeling komen. De rechter is wel gebonden aan de wet, maarniet, en wel wettelijk noch zedelijk , aan vroegere rechterlijke beslissingen.
Wij erkennen, dat dit hard is, maar het is onvermijdelijk. Een der twee beslissingen was zeker foutief, omdat de wetgever of het een öf het ander moet hebben bedoeld; maar wat heeft hij bedoeld? Aan de goede trouw der rechtsprekende ambtenaren mag niet getwijfeld worden. â In elke beschaafde maatschappij
41
staat ieder staatsburger bloot aan liet gevaar, dat een jurisprudentie, zelfs die van het Opperrechtelijk College, zich wijzigt. Ware het een misdrijfzaak, dan zou het ontbreken van boos opzet bij het plegen van het feit eene veroordeeling van den beklaagde onmogelijk maken, en al ware eene veroordeeling gevolgd â des neen â dan zou de veroordeelde gratie hebben kunnen erlangen. Men weet, dat in overtredingszaken de bedoeling van den beklaagde, om iemand te bena-deelen, om de strafwet te overtreden, of zelfs om zedelijk kwaad te doen, als « essentiale» tot schuldig verklaring veelal niet wordt vereischt.
Wanneer in liet door den Heer v. H. bedoelde geval , de veroordeelde gratie had gevraagd zou die hem vrij waarschijnlijk zijn verleend, doch alleen van de boete, niet van de gerechtskosten, die een civiele vergoeding zijn voor den arbeid, die ten behoeve der veroordeeling is verricht.
Om die kosten te besparen had de Heer v. H. van 's Raads vonnis cassatie kunnen aanteekenen op grond van verkeerde toepassing der wettelijke bepalingen. De beklaagde had dan zijne zaak voor het Hoog Gerechtshof kunnen voordragen en indien de hoogste Rechter 's Raads vonnis alkeurde, zoo dit door het Hof vernietigd zijn en zou de beklaagde zijn vrijgesproken met veroordeeling van den staat in al de kosten. De Heer v. H. heeft echter verkozen van dit middel geen gebruik te maken, en heeft dus het betalen der betrekkelijk hooge gerechtskosten in zooverre aan zich zelve te wijten. Doch al ware dit zoo niet ;
dau ging hot toch niet aan, den Raad, die deze twee vonnissen gewezen had, veel minder der Rechterlijke macht, daarvan een grief te maken. De Rechter en het Openbaar Ministerie verdienen voor hetgeen zij in dezen verricht hebben, lof noch blaam. Zij handelden volgens overtuiging en deden dus â in zeer strengen zin genomen â hun plicht. Indien de Heer v. H. de nauwgezette en verlichte man is, waarvoor hij zich houdt, dan zou hij onder dezelfde gegevens in 's Rechters plaats niet anders hebben beslist.
De andere door den Heer v. H. aangevoerde bezwaren en voorbeelden van z. i. onbillijke rechtspraak gaan nog minder op. Hij beweert in het algemeen, dat het Reglement op den Burgerlijken Stand en de daaraan gehechte modellen niet deugen. Het eerste is een ongeveer gratuite veronderstelling, waarvoor geen ander bewijs wordt aangevoerd, dan de zoogenaamde onvolledigheid in art. 67, al waar voor eene sterfacte niet met zooveel woorden wordt vereischt vermelding van het jaar en de maand, doch alleen van den dag en het uur van het overlijden. De Heer v. H. leest hieruit, dat de wTet dus niet heeft voorgeschreven, te vermelden in welk jaar en in welke maand de overledene is gestorven. Wij staan verstomd over dit staaltje van would-be scherpzinnige wetsuitlegging. Ons wil het voorkomen, dat het onmogelijk is, den dag van het overlijden goed te bepalen, zonder tevens het jaar en de maand te noemen, waarin die dag voorkomt. Wij geven toe, dat de in artt. 11 en 40 bijgevoegde woor-
13
den «jaar» en «maand» dus overtollig zijn; zij zijn echter tevens volkomen onschuldig en onschadelijk. Wij gelooven dan ook. dat een spitsvondig Ambtenaar van den Burgerlijken Stand, die in een sterlacte alleen den weekdag en het uur van liet overlijden vermeldde, veel kans zou loopen, te worden beboet.
Het is ons waarlijk nog niet bekend, of het Reglement op den Burgerlijken Stand door juristen is ontworpen ; maar wij gelooven, dat het zeker niet door de Nederlandscli-Indische rechterlijke macht is vasfc/e-steld noch ingevoerd.
Wij beweren niet, dat het Reglement volmaakt is; de onduidelijkheid van de woorden «plaats der geboorte » in art. 40 bewijst het, wij beweren het te minder, omdat de, volgens deskundigen, zeer moeielijke kunst om wetten goed te redigeeren, in 1849 nog weinig was gevorderd. Wij betwijfelen, of de Heer v. H. wel eens een volmaakt reglement over eenuj onderwerp gezien heeft; ons is dat voorrecht nog niet te beurt gevallen. In het reglement komen enkele onduidelijkheden en wellicht ook onvolledigheden voor, en de bij het Staatsblad gevoegde modellen komen niet in alle opzichten overeen met het regiement zelf. Dit laatste bezwaar is echter opgeheven door de door den Heer v. H. zelf aangehaalde Circulaire van 1809, waarmede ZEd. in elk geval gedurende ongeveer zijn geheele ambtenaarsloopbaan zijn voordeel heeft kunnen doen. Het Reglement zelf is in het algemeen duidelijk en bevattelijk gesteld, telt nog geen negentig artikelen en de verbeterde modellen vormen een hulpmiddel, waarmede
12
dan ging hot toch niot aan, den Raad, die deze twee vonnissen gewezen had, veel minder der Rechterlijke macht, daarvan een grief te maken. De Rechter en het Openbaar Ministerie verdienen voor hetgeen zij in dezen verricht hebben, lof noch blaam. Zij handelden volgens overtuiging en deden dus â in zeer strengen zin genomen â hun plicht. Indien de Heer v. H. de nauwgezette en verlichte man is, waarvoor hij zich houdt, dan zou hij onder dezelfde gegevens in 's Rechters plaats niet anders hebben beslist.
De andere door den Heer v. H. aangevoerde bezwaren en voorbeelden van z. i. onbillijke rechtspraak gaan nog minder op. Hij beweert in het algemeen, dat het Reglement op den Burgerlijken Stand en de daaraan gehechte modellen niet deugen. Het eerste is een ongeveer gratuite veronderstelling, waarvoor geen ander bewijs wordt aangevoerd, dan de zoogenaamde onvolledigheid in art. 67, al waar voor eene sterfacte niet met zooveel woorden wordt vereischt vermelding van het jaar en de maand, doch alleen van den dag en het uur van het overlijden. De Heer v. H. leest hieruit, dat de wet dus niet heeft voorgeschreven, te vermelden in welk jaar en in welke maand de overledene is gestorven. Wij staan verstomd over dit staaltje van would-be scherpzinnige wetsuitlegging. Ons wil het voorkomen, dat het onmogelijk is, den dag van het overlijden goed te bepalen, zonder tevens het jaar en de maand te noemen, waarin die dag voorkomt. Wij geven toe, dat de in artt. 11 en 40 bijgevoegde woor-
13
flen «jaar» en «maand» dus overtollig zijn; zij zijn echter tevens volkomen onschuldig en onschadelijk. Wij gelooven dan ook. dat een spitsvondig Ambtenaar van den Burgerlijken Stand, die in een sterfactealleen den weekdag en het uur van het overlijden vermeldde, veel kans zou loopen, te worden beboet.
Het is ons waarlijk nog niet bekend, of het Reglement op den Burgerlijken Stand door juristen is ontworpen; maar wij gelooven, dat het zeker niet door de Nederlandsch-Indische rechterlijke macht is vastgesteld noch ingevoerd.
quot;Wij beweren niet, dat het Reglement volmaakt is; de onduidelijkheid van de woorden «plaats der geboorte » in art. 40 bewijst het, wij beweren het te minder, omdat de, volgens deskundigen, zeer moeielijke kunst om wetten goed te redigeeren, in 1849 nog weinig-was gevorderd. Wij betwijfelen, of de Heer v. H. wel eens een volmaakt reglement over eenig onderwerp gezien heeft; ons is dat voorrecht nog niet te beurt gevallen. In het reglement komen enkele onduidelijkheden en wellicht ook onvolledigheden voor, en de bij het Staatsblad gevoegde modellen komen niet in alle opzichten overeen met het reglement zelf. Dit laatste bezwaar is echter opgeheven door de door den Heer v. H. zelf aangehaalde Circulaire van 1809, waarmede ZEd. in elk geval gedurende ongeveer zijn geheele ambtenaarsloopbaan zijn voordeel heeft kunnen doen. Het Reglement zelf is in het algemeen duidelijk en bevattelijk gesteld, telt nog geen negentig artikelen en de verbeterde modellen vormen een hulpmiddel, waarmede
u
een gewoon ontwikkeld persoon zelfs met oppervlakkige kennis van het Burgerlijk Wetboek en zonder veel nadenken goede acten kan opmaken. Bij twijfel omtrent de uitlegging van eenige bepaling is bovendien de Officier van Justitie daar, om de door den Ambtenaar van den Burgerlijken Stand gevraagde inlichtingen te geven. In de pr act ijk achten wij het Reglement zeer bruikbaar en wel berekend voor de ernstige belangen, die het geroepen is te waarborgen.
De Heer v. H. noemt nog eenige voorbeelden van veroordeelingen van Ambtenaren van den Burgerlijken Stand wegens zijns inziens zeer onbelangrijke overtredingen. Hij acht zich b v. ten onrechte beboet, omdat hij eens in eene acte van overlijden had vermeld, dat de overledene was ongehuwd, hetgeen ook waar was, doch niet vermeld had mogen worden, omdat die vermelding niet is voorgeschreven en omdat art. 10 uitdrukkelijk alle overtolligheden met straf bedreigt; een andermaal, omdat hij in de sterfacte van een kind, dat slechts eenige uren had geleefd, niet had vermeld dat het kind geen beroep had uitgeoefend, terwijl duidelijk is voorgeschreven, dat in elke sterfacte het beroep van den overledene moet worden vermeld. Hij noemt dit kleingeestigheden en haarkloverijen.
Ons komt het voor, dat de Heer v. H. zich geen rekenschap geeft van het groote belang, dat de samenleving bij den Burgerlijken Stand heeft. De identiteit van vele europeesche ingezetenen, hunne erfrechten, de vraag, of zij en hunne kinderen in of buiten huwelijk-of soms uit overspel of bloedschande geboren zijn, of
15
zij met hunne vrouwen al of niet zijn gehuwd en dergelijke, hangt geheel af van het houden en richtig houden der registers. Geen wonder, dat dus het Reglement, overeenkomstig de daaromtrent voor het moederland geldende bepalingen, zeer gestrenge en minu-tieuse bepalingen inhoudt omtrent de wijze, waarop de registers moeten worden gehouden en dat het in het algemeen alle overtolligheden, die immers slechts tot verwarring kunnen leiden, even goed tegengaat en dus met straf bedreigt als verzuimen of omissies. Denzelfden regel vindt men in nagenoeg dezelfde bewoordingen in de voor Nederland geldende bepalingen omtrent het houden der registers van den Burgerlijken Stand, zonder dat dit aldaar ooit tot klachten heeft geleid. Wanneer die bepaling niet bestond, zou men haar terstond moeten invoeren. Nu zij terecht bestaat moet zij gehandhaafd worden. Begint men toch eenmaal met kleine afwijkingen door de vingers te zien en niet te vervolgen, dan is er geen grens te stellen, hoever men met die toegeeflijkheid kan gaan. Het geheele institutum van den Burgerlijken Stand zou daardoor op losse schroeven geraken. Het mag niet aan het inzicht of de willekeur van den Officier van Justitie worden overgelaten, om eenige overtreding, ten wille harer geringheid, of omdat zij de openbare orde niet zoo heel erg krenkt, onver-volgd te laten. Wij meenen, dat elke wetsafwijking de maatschappelijke orde indirect bedreigt, en dat geringe straffen, terecht wegens geringe overtredingen opgelegd, dienen als een voorbehoedmiddel tegen ergere verzuimen en als een telkens te herhalen herinnering
16
aan den veroordeelde, dat hij de betrekking van Ambtenaar van den Burgerlijken Stand, het moge dan eene oijbetrekking zijn ol' niet, niet als eene sinecure heeft te beschouwen, en hij zich op de hoogte der bepalingen moet stellen.
Ook in de militaire wereld worden vele â van een moreel standpunt â geringe vergrijpen onevenredig zwaar gestraft, tot handhaving der tucht; een dergelijke gestrengheid heerscht bij de wetgeving betreffende den Burgerlijken Stand als waarborg voor het richtig houden der registers.
Dat in de laatste, door den Heer v. H. genoemde, gevallen de beboeting onbillijk zou zijn geweest, moeten wij dus ontkennen. Een beroep op de geringe opleiding-der besturende ambtenaren voor het ambtenaarschap van den Burgerlijken Stand kan aan het bovenstaande niet veranderen. Er dient ook in aanmerking te worden genomen, dat voor werkelijk geringe overtredingen de Rechter, die voor elke overtreding tot honderd gulden kan gaan, slechts een boete van f 1.â, veelal zelfs eene van 25 centen oplegt, een bewijs van de humaniteit, waarmede de strenge bepalingen door de rechterlijke macht worden toegepast.
Wij kunnen niet nalaten nog een voorbeeld aan te halen, waarmede de Heer v. H. wil aantoonen, hoede rechterlijke macht hem mishandeld heeft. De zaak is deze:
Het Reglement op den Burgerlijken Stand schrijft o. a. voor (zie art. 9), dat de acten van den Burgerlijken Stand achtereen in de registers worden ingeschreven zonder tusschen beiden eenig wit vak open
17
te laten; en voorts (zie art. 17), dat op liet. einde van elk jaar de registers moeten worden afgesloten; dit laatste geschiedt door eene korte formule, geteekend en gedagteekend, vermeldende, koevele acten in het register voorkomen.
De vraag rees nu, of een ambtenaar van den Burgerlijken Stand, die boven de slotformule een groot wit vak had opengelaten, daardoor art. 9 had overtreden. De Officier van Justitie meende van wel en vervolgde. De Raad van Justitie meende van niet en ontsloeg den gerequireerde van rechtsvervolging, omdat er wel geschreven staat dat, tusschen heide (acten) geen wit vak mag openblijven, doch dit alleen slaat op witte vakken tusschen twee acten van den Burgerlijken Stand, dus m. a. w. omdat de slotformule wel was eene acte, (immers een geteekende verklaring) maar geen acte van den Burgerlijken Stand.
Het Hooggerechtshof besliste, (in cassatie) dat het openlaten van het witte vak wèl eene overtreding was van art. 9, omdat de bedoeling der bepaling was; te voorkomen , dat ergens in het register tusschen het hoofd en het slot door fraude eene acte of bijvoeging later zou kunnen ingeschoven worden en dit doel niet wordt bereikt, wanneer boven de slotformule een wit vak openblijft.
Intusschen bepaalt een ander artikel, dat de ambtenaar van den Burgerlijken Stand elke acte van zijn register moet nummeren, hetgeen in verband met de voorgeschreven folieering en parafeering der bladzijden van het register wederom een goede waarborg is tegen het frauduleus tusschenschuiven van acten of bijvoe-
18
gingen. Elke fout in de nummering is dan ook tot een overtreding gestempeld.
De Heer v. H. nu las 's Hofs arrest en trok daaruit de gevolgtrekking, let wel, dat de afsluitingsformule nu ook een nummer moest hebben, even goed als de acten van geboorten als anderszins, die het lichaam van het register uitmaakten. Bevatte dus een geboorteregister vijf geboorteacten, dan gaf de Heer v. H. aan de slotformule het nummer zes; was er dus een vervolg-register aangelegd, dan zou elke geboorteacte in dat vervolg niet meer genummerd worden G, 7, 8 (enz.), maar 7, 8, 9 (enz.).
Dit stond echter niet in het arrest en kon ook nooit zijn bedoeld, omdat het alleen handelde over het laten van witte vakken in het lichaam der acte. Het vond ook volstrekt geen steun in de wet, omdat art. 19 van het Reglement veeleer zegt- dat wanneer een register geene acte inhoudt, het toch moet worden afgesloten, met vermelding, dat er geene acten zijn ingeschreven. Zelfs uit de (verbeterde) modellen, en wel model C, blijkt (indien het nog niet van zelf sprak), dat de afsluitingsformule bij de nummering niet medetelt. Het doet ons leed, dat de Heer v. H. op dien zonderlingen inval kwam; het kostte hem eenige boete en kosten; doch wij gelooven, dat de meeste menschen met (.(.normale hersenen)) (de aangehaalde woorden nemen wij van den Heer v. H. over) zouden hebben begrepen, dat het Arrest niet sloeg op de nummering van het afsluitingsformulier. De Heer v. H. heeft het Arrest niet begrepen.
19
Het meest ergert de Heer v. H. zich over de hooge gerechtskosten, aan eene veroordeeling verbonden; bedragen, zegt hij, de booten veelal een of enkele guldens, de kosten eener vervolging beloopen gewoonlijk ± f30.â; nit deze enorme gerechtskosten, die den Griffier van den Raad van Justitie ten goede komen, in verband met de veelvuldigheid dezer vervolgingen, komt hij tot de gevolgtrekking , dat een besturend ambtenaar onder zulke omstandigheden aan een verstandhouding en aan zekere transactiën tusschen den Griffier en den vervolgenden ambtenaar, den Officier van J ustitie, gaat denken en dat hem de woorden « legale afzetterij » op de lippen komen.
De Heer v. H. is met korter of langer tusschen-poozen van 1877 tot Mei 188G als ambtenaar van den Burgerlijken Stand ter Sumatra's Westkust, dus onder liet ressort van den Raad van Justitie te Padang, werkzaam geweest. Nagenoeg al de door Z.Ed, in zijne brochure aangehaalde vervolgingen zijn bij dezen Raad aangebracht en afgedaan. De meeste vonnissen, waarover hij zich bezwaard gevoelt, liggen in 's Raads archief te Padang en dateeren van de laatste tien jaren. De grieven, die hij als ambtenaar van den Burgerlijken Stand tegen de rechterlijke macht heeft, zijn hem bijna uitsluitend aangedaan door ambtenaren, verbonden aan den Raad van Justitie te Padang. Zoo wordt het duidelijk, welke Griffier, in overleg met welken Officier van Justitie, naar het vermoeden van den Heer v. H., zijn geldzak heeft gevuld met de emolumenten, die de bedoelde «transactiën » hem en anderen zijner lotgenooten hebben uit den zak geklopt.
20
Ter beoordeeling van de gegrondheid dezer verdenking zijn wij in staat eenige cijfers te produceeren. Wij weten, dat in de tien laatste jaren, waarover onze gegevens loopen, het aantal vervolgingen tegen ambtenaren van den Burgelijken Stand onder het ressort van genoemden Raad respectievelijk hebben bedragen, nl.:
|
in |
1879 |
40 |
vervolgingen |
|
» |
1880 |
9 |
» |
|
» |
1881 |
22 |
» |
|
» |
1882 |
34 |
» |
|
» |
1883 |
19 |
» |
|
» |
1884 |
21 |
» |
|
» |
1885 |
18 | |
|
» |
1880 |
12 |
» |
|
» |
1887 |
11 |
» |
|
» |
1888 |
5 |
» |
|
Totaal |
191 |
vervolgingen, |
Wij haasten ons er bij te voegen, dat hieronder alleen zijn gerekend de vervolgingen, die tot eene veroordeeling hebben geleid en waarvan de kosten dus kwamen ten laste der overtreders.
Over die jaren bedroegen de ter zake dier overtredingen door den Griffier geïnde leges (redactie en schrijfloonen) successievelijk als volgt:
Over 1879 onbekend » 1880 f 91.00 » 1881 - 199.11 » 1882 - 230.05 » 1883 - 78.22
Over 1884 f 101.67 » 1885 - 87.17 » 188G - nihil ygt; 1887 - nihil » 1888 - nihil.
Uit de laatste reeks cijfers blijkt, dat de emolumenten, die den Griffier trouwens bij de wet zijn gewaarborgd, over de jaren 1880 tot en met 1885 gemiddeld 'sjaars f 132.21 hebben bedragen, waarvan hij nog één derde gedeelte afstaat aan den Substituut-Griffier, zoodat het netto voordeel voor den Griffier heeft bedragen circa / 88.- 'sjaars. Ziedaar dan het resultaat van de door den Heer v. H. bedoelde «transactiën» tusschen Griffiei en Openbaar Ministerie. Een som van /'7.33 's maands was de buit, die tusschen hen beiden kon verdeeld worden, de vrucht van het geknoei tusschen die rechterlijke ambtenaren. Met zijn aandeel in die buit kon de Griffier zijn geldzak vullen. Men veroorlove zich idet, aan de juistheid dezer cijfers te twijfelen, want zij zijn officieel bewijsbaar.
Hoe zullen wij zulk eene verdachtmaking qualifi-ceeren? Wat zullen wij zeggen van een man omtrent wiens classieke opvoeding wij (de Heer v. H. zegt het zelf) «gerust» kunnen zijn, en die, bovendien met een twintig-jarige ambtenaarsloopbaan achter zich het publiek met zulke erbarmelijke praatjes aankomt ?
Ofschoon het tarief van Griffiersleges in het algemeen hoog is en vervolgingen in zake Burgerlijken Stand, in het tijdvak, waarover de Heer v. H. spreekt, veel kostbaarder waren dan beslissingen op rekesten, en
22
wel duur liet tusschenkomend vuurluupig bevelschrift en de voorgeschreven beteekening van dit bevel en van het vonnis, heeft de Griffier bij den Raad van Justitie van i Januari 1880 af tot medio 1885 over veertig veroordeelingen niets geïnd en wel uit (inan-cieele zorgeloosheid, omdat gewoonlijk de Officier van Justitie met de boeten ook de emolumenten inde en omdat de Griffier, wanneer de Officier soms alleen de boeten ontving, te roijaal of te onverschillig was, dan dat hij den veroordeelde om die paar guldens zou hebben aangeschreven.
Nog verzekert de Heer v. H. dat zijne winst- en verliesrekening als Ambtenaar van den Burgerlijken Stand over negentien jaren sluit met een deficit van eenige (hoevele ?) honderden guldens. Ofschoon dit bedrag weinig indruk op ons maakt, omdat liet zoo gering is, en omdat het tarief van emolumenten van een Ambtenaar van den Burgerlijken Stand laag is, kunnen wij bovendien releveeren, dat ZEd. sedert 1877 ter Sumatra's Westkust als Ambtenaar van den Burgerlijken Stand niet meer dan vier malen is vervolgd geworden en dat de Griffiekosten over de drie laatste vervolgingen, die respectievelijk in 1881, 1882 en 1883 hebben plaats gehad, in het geheel f 32.08 hebben bedragen. Wij ontkennen niet de mogelijkheid dat de Heer v. H. wel eens / 32.â voor eene dergelijke zaak heeft betaald, maar dan is door het meerdere de Griffie niet gebaat. Dan waren onder die f 30,â ook de boeten, zegel en deurwaarders-gelden begrepen.
Volledigheidshalve kunnen wij nog mededeelen dat
23
al sedert ecnigc jaren de Procureur-Generaal zelf bepaalt, welke overtredingen van den Burgerlijken Stand door den Officier van Justitie vervolgd worden; en dat bij een in 1885 afgekondigd Staatsblad al de Griffiersleges in zake Burgerlijken Stand practisch tot nul zijn gereduceerd, zootlat reeds daarom de grieven van den Heer v. H. actualiteit missen en eenige jaren te laat komen.
Het door ZE. voorgestelde remedie om de toepassing der straffen, welke op de overtredingen van het Reglement op den Burgerlijken Stand zijn gesteld, aan de rechterlijke macht te ontnemen en op te dragen aan het administratief gezag, komt dus ook te laat. Met de hand op het hart kunnen wij zeggen, dat er niet veel aan verbeurd is, omdat het in strijd zou zijn met de eerste beginselen van het moderne Staatsrecht en een forum privilegiatum voor de Ambtenaren van den Burgerlijken Stand zou in het leven roepen, ook al in strijd met een hoofdbeginsel van het Regeerings-reglement. Er is, meenen wij, veel meer kans, dat de rechtspraak der algemeene Rekenkamer als beginselloos en gevaarlijk voor de individueele vrijheid uit onze wetgeving verdwijnen zal, dan dat men op den vicieusen weg der extraordinaire rechtbanken een schrede vooruit zou zetten, door in te gaan op het voorstel van den Heer v. H.
Het is op zich zelf onjuist , dat de memories van verdediging der Ambtenaren van den Burgerlijken Stand in extenso in de vonnissen werden opgenomen. Te Padang is dat nog nimmer gebeurd; er werd alleen
24
vermeld, dat er een verweerschrift was ingediend; doch een enkele maal is een zinsnede uit eene door den Heer v. H. ingediende memorie in hot vonnis aangehaald, om de foutieve redeneering te kunnen weerleggen.
Dat acten van den Burgerlijken Stand, waarin fouten zijn geslopen, niet ambtshalve worden verbeterd is ook minder juist, omdat liet jaarlijks herhaaldelijk gebeurt, doch steeds op initiatief van het Openbaar Ministerie. Zoodanige verbetering wordt echter ambtshalve alleen dan verzocht, wanneer zij in het blijkbaar voordeel is van belanghebbenden, of om redenen van openbare orde, in. a. w. wanneer de fout een essentieel gedeelte der acte raakt.
De Heer v. H. schijnt zich voorts te beroemen op den oneerbiedigen toon door ZEd. tegenover den Raad van Justitie aangeslagen, toen hij een hem beteekend requisitoir begroette met de mededeeling « dat hij zich amaar niet zou verdedigen, omdat hij toch wist, dat « hij met gebonden handen en voeten was overgeleverd «aan de subjectieve opinie van den Officier van Justitie «en van de Leden. » Hij voegt er evenwel in één adem bij, dat hij daarop langs administratieven weg tot de orde is geroepen. Deze laatste omstandigheid is een waarborg dat de «uitbrander» wel verdiend zal zijn geweest. Of bestond er, naar de meening van den Heer v. H., destijds wellicht een «transactie» tusschen de rechterlijke macht en de Regeering tot onderdrukking van besturende ambtenaren?!
Acht de Heer v. H. het vigeerend Strafwetboek voor inlanders inderdaad eene misgeboorte ?
25
Revokgde personen zijn sedert jaren van oordeel dat het vervangen moet worden. Ecne commissie in Nederland is door de Regeering aldaar met eene omwerking van dat wetboek belast, en eerlang kunnen wij de invoering van een nieuw Strafwetboek voor Inlanders te gemoet zien; doch wij kunnen verzekeren, dat de door den Heer v. H. bedoelde bezwaren slechts een gering gedeelte uitmaken van de redenen. die tot de omwerking hebben geleid.
Dit is trouwens het minste, en dat de Heer v. H. â om tot ons onderwerp terug te keeren â bij gemis aan goede aanteekeningen de door hem als ambtenaar van den Burgerlijken Stand geleden schade vermoedelijk overschat, often onrechte gelooft, dat de Griffier veel daarvan heeft geprofiteerd laten wij ook daar; errare humanum. Maar de bij wijze van suggestie door ZEd. geuite ongegronde verdachtmaking van eenige rechterlijke ambtenaren moet o. i. anders beoordeeld worden.
Gelooft de Heer v. H. zelf aan de waarheid dier beschuldigingen, dan moet men zijne lichtvaardigheid betreuren en beweren wij, dat het meer aan de grootmoedigheid der gekrenkte ambtenaren, dan aan de wijsheid van den Heer v. H. zal zijn toe te schrijven, indien hij voor deze zaak aan eene crimineele vervolging wegens laster of iets dergelijks ontsnapt.
Waar moet het heen en wat kan men tot verschooning aanvoeren; indien mannen van de positie en antecedenten van den Heer v. H. aan de jongeren zulke voorbeelden stellen ?
20
Gelooft de Heer v. H. echter zelf niet aan de waarheid zijner aantijging en voert hij ze dus louter aan uit wraak over de zes jaren geleden door Mr. Pjepeus tegen besturende ambtenaren geuite beschuldigingen, dan teekenen wij protest aan tegen deze toepassing-van den verachtelijken regel «dat het doel de middelen heiligt.»
Wanneer de Heer v. H. vond, dat Mr. P. in zijn werk te ver was gegaan, dan had hij van de in dat werk voorkomende overdrijvingen of onjuistheden partij kunnen trekken, door ze aan te toonen en niet zelf' in die fouten te vervallen. Dan zou de Openbare meening hem recht hebben laten wedervaren en daarmede was de zaak van het Binnenlandsch Bestuur ongetwijfeld vrij wat beter gediend geweest dan met de onridderlijke verdachtmaking, die in de door ons besproken brochure te lezen staat.
Wij gelooven evenwel, dat de Heer v. H. wèl te goeder trouw en alleen wat verbitterd is geweest over die extra-hooge gerechtskosten.
De Heer v. H koestert het voornemen, zegt hij, om het werk «Macht tegen Recht» meer in extenso te beantwoorden. Wij hopen voor hem en zijne zaak, dat, indien ZEd. daartoe al overga, hij bij die bestrijding meer gave van onderscheid en nauwkeurigheid moge aan den dag leggen, dan hij gedaan heeft in «Onmacht tegen Onrecht».
Padano, 5 April 1889.