tEJ' «â= r
llllllllMllilllllllllllllllllllllllllllllllillllllllllllllllllllllllllinilllllllllllllllllllillHIKHIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIHIIIIIIIIII,,!,,!!,!!,,,,,,!,,,!!,,,,,
PC S A
LEERREDE
OVER
IP S -A-L JMI 4 'vers 83
üitgeproken in de üom-kerk, 23 Juli 1893,
DOOR
jA. j-I. Duval jSL-OTHOU WER,
Predikant bij de Nederdnitsche Hervonnde Gemeente te. Utrecht.
IJlTGEGEVEN TEN VOORDEELE DER DIACONIE-SCHOLEN EN OP VERZOEK VAN VELE VRIENDEN.
Utrkcht, C. H. E. B RE IJ ER. 1893.
K-: X y
⢠1111111 ITM ........................................................................................................................iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiii
^ ^ ....... ............cT E gt;
BIBLIOTHEEK DE* RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.
1
LEERREDE.
^ VJ»-------
i'
PlTGEGEVEN TEN VOORDEELE DER DIACONIE-SCHOLEN EN OP VERZOEK VAN VELE VRIENDEN.
â
Utrecht,
C. II. E. BREIJER.
1893.
BIBLIOTHEEK DEI* RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
Eerste voorzang: Psalm 103 : 1.
Voorgelezen: Jesaja 55 en Rom 8.
Tweede voorzang: Psalm 138: 1, 4. Tusschcnzang: Gezang 30: 1, 3. Nazang: Psalm 73: 13.
Gedrukt ter âUtrecMsclie Drukkerijquot; â V. DEN BÃER â Utrecht.
Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.
Psalm 4; 8.
Gij weet hoe Palestina beschreven wordt als een land overvloeiende van melk en honig. Het was dan ook een zeer vruchtbaar land. De heuvels en valleien prijkten met het heerlijkste graangewas en de wijnstok teelde er welig. Wie door de wijnbergen wandelde, dien lachten purperen druiftrossen tegen terwijl hij zelfs op de top der bergen de korenhalmen hoorde ruischen. â Vooral in den oogsttijd heerschte hier groote vreugde. Dan hoorde men alomme het lied van de vroolijke landjeugd klinken. Maar bovenal bij den wijnoogst was de vreugde groot. Wie dan de landlieden zag, zou meenen dat er geene zorgen waren, want op aller gelaat stond de vreugde te lezen en van duizende lippen klonk een vroolijk lied.
Wij zien ons door dezen Psalm in zulke vroolijke dagen verplaatst. De laatste tarweschoven waren in de schuren verzameld. Hier werd de druif geplukt, daar in de perskuip geworpen en elders vloeiden de vaten reeds over van most. Overal waren zingende cn dansende rijen. Maar ach ! welk een tegenstelling met deze vreugde vormde de stemming van Davids tochtgenooten. Toen zij het gezang der vroolijke jeugd hoorden, vroegen zij twijfelmoedig, wie zal ons het goede doen zien? Maar geheel anders was de stemming van David zelf. Hij benijdde dien vroolijken zangers hunne vreugde niet, want hij rekende zich in het bezit van grooter geluk. âGijquot; dus zegt hij tot God, den Weldoener zijns levens, âGij hebt
6
vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.quot;
Het is ons voornemen, naar aanleiding dezer woorden heden morgen tot u te spreken over de vreugde des Christens, als de grootste vreugde, en zullen achtereenvolgens nagaan haar oorsprong, haar grond, haar aard en hare voortreffelijkheid. En wil Gij, o God, door de redenen onzes monds die vreugde in ons brengen, waardoor wij met blijdschap onzen weg reizen. Amen.
Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven. Wat wordt met deze ivoorden verondersteld? Dat de natuurlijke mensch de vreugde niet bezit, niet waar? En hoe waar is dit. Want wie is de mensch? Een zoon van Adam, een diep gevallene. Want hij is in zijn stamvader van God afgevallen, waardoor zijn hart in den diepsten grond is bedorven, vervuld met vijandschap tegen zijnen Schepper en Weldoener.
Werpt ons niet tegen. Gel., dat deze teekening van de gesteldheid van 's menschen hart te donker is. Want zij is geheel overeenkomstig Gods Woord, dat niet liegt, ja geheel in overeenstemming met de getuigenis van Gods kinderen. En wanneer gij, mijn tegenspreker, door Gods genade bij het licht des H. Geestes u zclven eens mocht aanschouwen, dan zult gij toestemmen, dat wij 's menschen natuurlijken staat eer te licht dan te donker hebben afgemaald.
Maar dan heb ik ook vrijmoedigheid te vragen, kan er :n zulk een diep bedorven hart vreugde wonen ? Immers neen. Want waar de zonde heerscht daar is onrust en vreeze voor God. Als Adam met vreeze vervuld, zich achter de struiken verbergt, dan verkeert hij in eene alles behalve blijde stemming. En wie vindt niet bij al de vroolijkheid der Heidenen een diepen weemoed, die bewijst, dat de ware vreugde hun deel niet is. En heeft niet iemand van het vroolijkste volk-op aarde gesproken âwij hebben de vroolijkheid in onzen geest maar de weemoed diep in het hart.quot;
Ach, de natuurlijke mensch draagt zelfs te midden van het lachen een nameloos ledig daarbinnen, een voortdurende onrust, een schrelnend zielewee. Zijne vroolijkheid is niets dan een vuurwerk, dat schittert en knettert en blakert in tal van oogverblindende kleuren, maar straks eindigt in smook, te midden van een donkeren nacht.
Maar hoe zal in dezen nacht van weemoed en smart verandering komen? Wanneer zal de mensch met blijdschap zijn weg reizen?
Nauwelijks is deze vraag gedaan, of er is aan antwoorden geen gebrek. Jammer dat de meeste menschen daarbij niet rekenen met dc zonde en geen achtgeven op het diep bedert van het hart. Vandaar dat velen meenen, dat de vreugde van allerlei uitwendige omstandigheden afhangt. Als het koren cn de most maar vermenigvuldigd werden, dan ja dan /,ou er blijdschap zijn. Maar zou het waar wezen? Geeft eens acht op die menschen, wien het in de wereld zeer voorspoedig gaat, wien schatten in den schoot worden geworpen, eere-kransen gevlochten, en groote macht verleend. Maar vindt gij bij deze allen vreugde? Hoevelen zijn gelijk aan Haman, die bij allen uitwendigen voorspoed klagen moest, âdat alles baat mij niet, zoolang de Jood Mordechaï in dc poort zit.quot; Hoewel gelukskinderen, kennen zij de ware vreugde niet-
Geen wonder, zoo hooren ⢠wij anderen zeggen. Het geluk hangt niet af van de uitwendige omstandigheden, maar van cene zedelijke daad. Of zegt de Heere niet in zijn woord; âde mensch, die deze dingen doet, zal leven? Hij moet naar de getuigenis van Gods Woord handelen, de wet zich voorstellen als het ideaal, dat hij moet zoeken te bereiken,quot; Maar ik vraag u, zijn er niet velen geweest, die hier naar gestreefd hebben? Ik noem u enkel Saulus van Tarsen. Als deze zeer begaafde, allerijverigste jongeling aan Gamaliels voeten lessen der waarheid ontvangt, dan stelt hij zich niets minder ten taak, dan om hetgeen hij gehoord heeft in zijn leven van toepassing te brengen. âWees heilig, zoo wordt gij zalig naar recht,quot;
8
dat was de leus van zijn leven. Maar wie durft van hem getuigen, als hij hem daar bij de steeniging van Stephanus ziet staan: daar hebt gij een jongeling, in wiens harte vreugde woont ? Gij zult er u wel voor wachten, omdat gij het tegendeel weet.
Maar dit geeft ons dan ook de vrijmoedigheid om verder te vragen: hoe zal de arme mensch dan toch de hoogste vreugde deelachtig worden ? Mogen wij het u zeggen ? Door cenc gift. De hoogste vreugde is eene gift. Doet het u pijnlijk aan ? Met zou niet vreemd zijn. Want eene gift is niet uit verdienste, maar uit genade. Bezoldiging en loon zijn voor hen, die arbeiden, maar eene gift is eene daad van liefdadigheid. En toch, hoe ons antwoord den eigengerechtige mag ontstemmen, deze aankondiging is eene blijde boodschap bij uitnemendheid voor u, arm en ellendig volk. Want sints gij uwe zonde kent, uwe diepe ellende gevoelt, klinkt het u als Engelenmuziek in de ooren, dat de hoogste vreugde als cenc gift tc verkrijgen is. Want eene gift is voor een bedelaar niet vernederend. Maar van wien ontvangt de zondaar die gift? David zegt het ons als hij spreekt âGij hebt vreugde in mijn hart gegevenquot; en die Gij is niemand anders dan God, de Schepper en Weldoener zijns levens. Van God komt de grootste vreugde, van God, zooals Ilij zich in zijn woord heeft geopenbaard.
Maar waardoor wordt God de Gever der grootste vreugde ? Als David zegt âGij hebt vreugde in mijn hart gegeven,quot; dan verklaart hij het hart voor den zetel der grootste vreugde; het hart, niet zooals het van nature is, maar zooals het door Gods genade geworden is. God moet het hart veranderen, herscheppen en er het geloof in planten, zal er vreugde in wonen.
Maar welk geloof? Er zijn onderscheiden soorten van geloot. Er is een historisch geloof, een wondergeloof, een tijdgeloof, een zaligmakend geloof. Wat van die allen
9
kan bijzonder als dc vrucht van Gods genade beschouwd worden ? Bedenken wij, dat het geloof, waaraan de hoogste vreugde verbonden is, in het hart zetelt, dan is het duidelijk, dat wij hierbij aan het zaligmakend geloof te denken hebben.
Maar wat is het zaligmakend geloof met zijn aard, met zijn wezen? Hoe zal ik u dit duidelijk maken? Het gaat met het geloof a!s met een blinde, die zijn leidsman bij de hand neemt en hem stap voor stap volgt, opdat hij veilig langs den weg wandele. Het is er mede als met een kranke, die den geneesheer tot zich roept en de bittere medicijn neemt, opdat hij genezen worde. Het kan vergeleken worden met oen kind, tot hetwelk de Vader zegt âdoet dit en hij doet het, ga herwaart en hij gaat, roer dit niet aan en hij onthoudt er zich van,quot; omdat hij zijn eigen hart niet kent, maar vertrouwen stelt in den man, die wijs is en hem liefheeft.
Hebt gij het gehoord. Gel.? Zoo gij gelijk zijt aan dien blinde, dien kranke en dat kindeke, gij gelooft. Want in uw hart is gewrocht eene volkomene overgave, een hartelijk vertrouwen op Christus; want Christus is het voorwerp van het zaligmakend geloof, Christus de eeuwige Zoon van den eeuwigen Vader, mensch geworden, gestorven, opgestaan en verheerlijkt aan de rechterhand des Vaders, maar die op het geloof afdaalt in het hart van Gods kinderen.
Of wordt dit niet in Gods Woord geleerd en verklaard. Paulus zegt van de geloovigen, dat zij door het Evangelie zijn gebaard, opdat Christus in hen eene gestalte mocht verkrijgen, hij geeft van zichzelven de getuigenis, dat Christus in hem leeft, en eilieve komt de bevinding van alle Gods kinderen hiermee niet overeen ? Zij roepen ons toe, dat er, sints zij tot het geloof zijn gekomen, inwendig eene geheele verandering met hen heeft plaats gehad. Christus is hun lief geworden boven alles. Zij gevoelen zijnen heilzamen invloed. Hij is het leven hunner ziel. Al hun denken, spreken en doen beweegt zich om Hem, zij brengen alles met Hem in betrekking. Hij is de lucht die zij inademen, dc atmosfeer
IO
waarin zij zich bewegen, Hij is hun een en hun al; en om die innige geloofsgemeenschap met Christus mogen zij de grootste vreugde genieten.
Maar waarin hcstaat de grootste vreugde, die de geloovige geniet ? Wij weten, dat wij, als wij haar aard zullen beschrijven, verre beneden de werkelijkheid blijven. Maar toch wenschen wij eene poging te wagen. Doch hoe zullen wij beginnen!
Laat ons u vragen, waarvan is de geloovige verzekerd ? Is het niet dat hij een gunsteling Gods is ? En zoekt nu eens in te denken, wat dit beteekcnt. Gij hebt meer dan eens hen gelukkig genoemd, die in gunst stonden bij de aanzienlijken der wereld of met gunstbewijzen van onze Koningin werden overladen. Maar hoe zinkt dit alles in het niet bij de gunst van onzen God. Want wie is de mensch, de aanzienlijkste, wie zijn de vorsten der aarde in vergelijking met God? Ik bid u doe geen poging den afstand te meten; want alle vergelijking is onmogelijk. Hij is de Koning der Koningen, en Heer der Heeren, Hij is de eeuwige, volzalige â en wie zal zeggen, hoe onuitsprekelijk gelukkig het maakt te weten, dat men een gunsteling van zuik een God is ? te weten, dat men in zulk een God niet meer een vijand, maar een vriend heeft, niet langer een Rechter maar een Vader, die ons lief heeft met meer dan moederlijke liefde. Maar al kunt gij het niet in woorden zeggen, gij weet bij bevinding, mijn Christen, welk een genot het is, dat gij het voorwerp zijt der hoogste liefde en niets in staat is u aan zijne liefde te onttrekken.
En geeft dit op zichzelf reeds groote vreugde, wat daaruit voortvloeit is niet gering te achten. Een geloovige weet, dat hij het voorwerp is van Gods teedere zorg. Gelooft de Christen niet aan een toeval of een noodlot, maar gelooft hij daarentegen met zijn gansche hart aan de voorzienigheid Gods, hij is daardoor in het bezit van volkomen gerustheid aangaande zijn lot.
11
Wie zal ons het goede doen zien ? Zoo mag menigeen met groote bekommering vragen, als hij denkt aan de toekomst, die dreigt. De geloovige daarentegen, is en blijft rustig, hoe donkere wolken boven zijn hoofd samenpakken. Want hij weet, dat ook die dreigende wolken door zijn Vader bestuurd worden, en Hij machtig is ze uiteen te drijven, zonder dat zij verderf en vernietiging hebben verspreid. Hoe menigmaal heeft hij immers ondervonden, dat alles tegen hem scheen, maar hoe door Gods voorkomende zorg niets van al dat kwade gebeurde.
En als het soms mocht zijn, dat werkelijk hetgeen wij kwaad noemen komt, ook dan is dit niet in staat des Christens gelaat te doen vervallen, den slaap uit zijn oogen te weren en de smaak van het goede te verbitteren. Want hij is verzekerd, dat alles moet medewerken ten goede. Alles? Ja, ik leg nadruk op dat woord. En hoeveel bevat dit ? Gij noemt ons, mijn Christen, aardschen tegenspoed, zorgen des levens, teleurstellingen, doornen in quot;t vleesch, verlies van dierbaren.....Wij bidden u, niet verder. Gij zoudt
zoo ligt iets vergeten en daardoor den schijn geven, dat er iets bestaat, waarvan gij gelooft, dat het niet ten goede werkt. En dat zou geheel in strijd met de waarheid zijn-Of gij met Israël voor den ticheloven der beproeving geblakerd wordt, dan of gij rustig neerzit onder wijnstok en vijgenboom, gij weet, dat het komt van uw Vader, die geeft al wat zijn kind behoeft. En ik vraag, zou dat alles geen vreugde geven ? Prees een Romeinsch dichter hen hoogst gelukkig, die in alle levensomstandigheden een kalm gemoedsbestaan weten te bewaren, de Christen weet niet enkel dat het tot de ware vreugde behoort, kalm, getroost en moedig met een opgericht hoofd zijn weg te vervolgen, maar hij mag ook den weg kennen, welke tot die blijdschap des harten voert.
Vraagt gij, welke die weg is ? Wij noemen u den weg des gebeds. Want de geloovige alleen kan en mag bidden. Als hij de stormen ziet opsteken, als allerlei leed hem dreigt, dan denkt
12
hij aan niets eerder dan de toevlucht tot God te nemen, die, hij weet het, hem helpen kan en om Christus wil verhooren wil. Hoeveel EbenhaCzers staan er immers op zijn weg, waar de Heere op zijn gebed ter hulpe gesneld is. En kwame er ook geen verhooring, de geloovige zou dan niet te min bidden. Want in het gebed ligt de vreugde zijner ziel.
Is er wel een in ons midden, die dit niet begrijpt ? Maar den zoodanigen vraag ik, weet gij niet bij eigen ervaring, welk een genot het voor u was, toen gij vertrouwelijk met Vader of Moeder mocht spreken, ja hoe zulke oogenblikken tot de zoetste en zaligste van uw leven behooren ? Maar meet dan hiernaar nu eens af hoe heerlijk het voor een kind van God moet zijn, als hij in den gebede vertrouwelijk tot God mag naderen en met Hem spreken, gelijk het kind met zijn vader. Wanneer de wereld als ontzinkt aan de voeten des Christens, en hij op de vleugelen des gebeds mag opstijgen naar hoogere gewesten; als hij door gebedsgemeenschap met den Vader een reiner lucht mag inademen, waarin de ziel zich zoo ligt en ruim gevoelt, ó dan geniet hij een voorsmaak der hcmel-sche zaligheid. De binnenkamer behoort tot de liefste vertrekken van zijn huis, want daar heeft hij een poorte des hemels, waardoor hij een blik mag slaan in dat goede land, waar God met ongedekten aangezichte aanschouwd en volkomen genoten wordt.
En die vreugde des gebeds wordt door geene verontruste consciëntie vergald. Wel is ook* de geloovige een zondaar, die zwaar en menigmaal heeft misdreven, maar des niet te min siddeit hij niet bij de gedachte, dat hij eenmaal, wie weet hoe spoedig, voor den Rechter van hemel en aarde zal verschijnen. Want hij weet, dat Christus ook hem heeft liefgehad, ook voor hem het harde kruis heeft bestegen. Hij is verzekerd, dat zijn Heiland ook voor hem een vloek is geworden, den toorn Gods in Zijne ziel heeft gedragen en met zijn dierbaar bloed verzoening heeft aangebracht. En waarvoor zou hij dan nog vreezen. Sints hij weet, dat hij in Christus ge-
13
rechtvaardigd is, kan niemand of niets hem meer deren; sints dien tijd heeft hij vrede met God. En ik vraag is er iets heerlijkers dan vrede met God? Vrede met God is onmisbaar als de levenslucht, die wij inademen, en de dagelijksche spijs voor ons lichaam, hij is grooter schat dan de gezondheid. Met hem is de armste hutbewoner rijk, zonder hem de rijkste vorst arm, waarom de geloovige gelukkiger is dan menigeen, wiens lot door duizenden benijd wordt. Hij heeft in den vrede des gemoeds de grootste vreugde, die er voor een mensch denkbaar is.
En hoeveel voortreffelijks heeft deze grootste vreugde! Of mag het niet eene van hare deugden heeten, dat zij eene heilige vreugde is? Want het beginsel der heiligheid, dat in het hart der geloovige gelegd is, maakt dat hij alles in eene heilige stemming geniet. Ziet hem, om maar iets te noemen, aan den bruiloftsdisch gezeten; hoe geheel anders gedraagt hij zich dan het kind dezer wereld. Hij geniet, ja dat kan men hem wel aanzien, maar geen dwaze aanstelling bemerkt gij bij hem. Hij weet zich van alles te onthouden, wat niet met zijn leeftijd, rang en stand overeenkomt. Als hij zich van vroolijke scherst bedient, dan blijft hij vrij van al dat gemeene en schandelijke, waardoor menigeen zich aangenaam zoekt te maken. En al zijne woorden die hij spreekt, zijn wel niet deftig, afgemeten, of kunstmatig geestelijk, maar hoogst eenvoudig en natuurlijk, doch doortrokken van een heiligen zin, dien elkeen voelt en weldadig aandoet.
Daarenboven is de grootste vreugde, en dat is hare tweede deugd, eene bestendige vreugde. En hoe verhoogt dit hare waarde? Want op alle wercldsche vreugde is het stempel der onbestendigheid gedrukt. Wat het kind verblijdt, verblijdt niet meer den jongeling, en den man, en hoe staat verveling op het gelaat van menigeen te lezen, die weer denzelfden kring van wereldsche feesten moet doormaken. Maar hoe geheel anders is dit met de vreugde van den geloovige. Vooral komt dit
'4
van het voorwerp zijner vreugde. Want wie is Christus? âDe zee der liefde,quot; zegt de een. Maar wie heeft ooit de zee met hare hoogslaande golven, hare schuimende branding, hare door den wind voortgezweepte baren vervelend genoemd ? âDe zon der gerechtigheidquot; zegt een ander. Maar wie heeft ooit geklaagd over de weinige afwisseling door de zön te weeg gebracht? âHet brood des levensquot; roept een derde. Maar wie onzer durft verklaren, dat het brood, hetwelk hij reeds jaren lang gegeten heeft, hem walgt? Welnu, omdat de geloovige in dezen Christus, die nooit verveelt, al zijne vreugde vindt, draagt zijne vreugde altijd het sierand der jeugd. Zij veroudert niet maar zij blijft.
En dan verder, en gij zult toestemmen, ook dit is een sieraad, zij is eene toenemende vreugde. Zij vermeerdert naar mate het geloof vast is. Hoe grooter het geloof wordt, des te helderder ziet de Christen de heerlijkheid van Christus in, des te meer ontvangt hij uit zijne volheid genade voor genade; en hoe overvloediger de wateren des Geestes over zijne ziel stroo-men des te grooter wordt zijne vreugde. Want de wateren des H. Geestes zijn een bijtend vocht voor de zonde. Vóórhaar moet de zonde in kracht verliezen, en waar de zonde vermindert, neemt de vreugde des harten toe. Want dit is de wensch van ieder kind van God, heilig te wezen; en al blijft hij hier beneden oneindig ver van het ideaal verwijderd, het schenkt hem toch eene ontzaggelijke vreugde, als hij door de genade des H. Geestes een triomf over de zonde mag behalen, en nu hier en dan daar aan de weg een moordenaar zijner ziel doodelijk gewond mag achterlaten.
En eindelijk, want meer willen wij dan ook niet noemen ter aanprijzing hare voortreffelijkheid, zij is eene eeuwige vreugde, want zij is het eenige dat den dood overleeft. Gij zijt rijk, maar als gij sterft is het met uw rijkdom gedaan; gij zijt geëerd, maar als gij den laatsten adem uitblaast is al uw roem voorbij, gij .... maar waartoe meer? Alleen de vreugde des Christens blijft; want is Jezus hier het voorwerp zijner vreugde, als
is
hij sterft zal hij Hem in al zijne heerlijkheid mogen aanschouwen. Geeft Jezus gemeenschap hem hier de verrukkelijkste vreugde, hoe zal die vreugde toenemen als hij ongestoord gemeenschap met Hem mag oefenen. O! als die schoone bloem uit dit dorre Berseba wordt overgeplant in het he-melsch Paradijs, dan gaat zij zich in allen luister ontplooien. In die hemelsche dreven staat zij onuitsprekelijk schoon te prijken en geeft daar eene zoetheid en zaligheid onuitsprekelijk groot.
Wij roepen u aan het einde onzer rede toe, âzoek de grootste vreugde.quot; Maar zoek haar alleen in den weg des geloofs. Ontvlucht alle wegen der eigengerechtigheid, elke weg waarop het schepsel eenige eer zijner behoudenis ontvangt. Jezus moet gij hebben, Jezus dragende den doornen kroon, Jezus genageld aan een kruis, Jezus biddende voor zijne vijanden, Jezus moet gij door het geloof aannemen als uwen Zaligmaker.
âMaar ik kan niet gelooven.quot; Gij hebt juist gesproken. Maar zegt gij dit uit uzelven of omdat anderen het u gezegd hebben? Zijt gij uwer onmacht bewust of is hare belijdenis enkel lippentaal ? Wee u, uw onmacht zal het kussen zijn, waarop gij na een vreugdeloos leven, den eeuwigen doodsslaap insluimert. Och! of gij onze roepstem mocht hooren; wordt wakker leert uwe onmacht gevoelen en roept dan uit diepte van ellende âHeere ontferm u mijner, trek mij naar het kruis, geef mij den Heere Jezus aan te nemen door het geloof.quot; Voorwaar, in dat roepen hoort de Heere zijne eigene stem, en Hij zal u daarop geven, u aan Jezus vast te houden en in u op te nemen, en dan ontvangt gij vreugde in het hart.
âMaar als ik afdwaal?quot; Gods kinderen weten dan wordt het leven vreugdeloos, en daarom mijn Christen, blijf bij Jezus, laat de vrees van af te dwalen u doen bidden: âHeere, houd mij dicht bij u.quot;
i6
En als gij met eigen schuld, onder toelating Gods mocht afdwalen? Zoek zoo spoedig mogelijk terug te keeren.
Maar als gij geheel van het geloof mocht afvallen? Verheugt u, o volk des lleeren, met de gedachte, dat uw ontrouw Gods trouw niet kan vernietigen. De Heer is zoo getrouw als sterk. Hij zal zijn werk voor u voleinden. Amen.
Bij den uitgever dezes is mede verschenen;
LEERREDE
OVER
O I3 E HST IB A. IR I HST G- .XXI ; ^
DOOR
Tj. SCHOUTEN Hzn.,
Predikant liij de Nederdnitsclie Hervormde Ocmeeute te Utrecht,
Uitgesproken in de Jans-Kerk, 20 Augustus 1893, na 't zalig afsterven van zijn vriend en ambtgenoot
ps. jA:. fi. PUVAL Sl.OTHOUWER,
overleden te Laag-Keppel U Augustus, in den ouderdom van 65 jaar;
achter welke gevoegd is de toespraak, door den eerstgenoenulen gehouden, hij de begrafenis, te Utrccht, op Donderdag if Augustus.
Uitgegeven ten voordeele der Piaconie-^cholen en op verzoek van
vele vrienden des ontslapenen.