/lt;Sy samp;yZ JA Samp;
DE SCHBIDINGSURE.
REDE
P. van der Veen.
Uitgesproken den 26sten Juni 1892 in de E.L. Kerkte Leiden.
WMtK.'A
:â /
LEIDEN,
A. H. ADRIANI. 1892.
G-ezongen werden:
GEZANG 26, vs. 1â2. â 257, â 1 en 5. 9.
âEn zij werden gescheiden, de een van den ander.quot;
Gen. 13: 11/;.
Mijne Hoorders,
Hot was aan don avond des 4den Aprils 1886, dat zich in ditzelfde kerkgebouw een talrijke schaar van belangstellenden had vereenigd om getuige te zijn van een, weliswaar eenvoudige, doch niet minder hoogst belangwekkende plechtigheid. Een onlangs beroepen, van Alkmaar herwaarts overgekomen predikant stond gereed zijn eerste woord tot de Leidsche Evangelisch-Luthersche gemeente te spreken.
Moer dan een onzer naar ik vertrouw â- in elk geval hij, die de eer had thans voor u op te treden â herinnert zich dat uur nog bij uitstek goed. Menige gedachte, toon door dien leeraar vertolkt, staat mij nog levendig voor don geest; gelijk de goede weuschen, toen al aanstonds door do
4
gemeente voor haar nieuwen voorganger geuit, en de hartelijke bede, reeds toen voor hem opgezonden, tot vandaag toe mij het geheugen niet ontvloden. Nog ruischen zij mij, in het oor de vrome woorden van dat, aan het einde der samenkomst hom toegezongen lied;
O Vader! dat Uw vriendlijk oog Uw dienstknecht sterke van omhoog!
Wij zenden onze smeekgebeden Tn naam van Jezus, Uwen Zoon,
Voor Hem vertrouw lijk tot Uw troon!
O milde bron van zaligheden.
Stort in den rijksten overvloed Uw zegen uit in zijn gemoed!
Niet waar, zulk een ontvangst spelde iets goeds? Waar een gemeente haar nieuwen leeraar zóo welwillend tegon-treedt, daar mag van hun vereeniging iets schoons verwacht worden ? .. ..
Welnu, deze hope is dan ook niet teleurgesteld. De band, toen geknoopt, heeft sinds, tot den huldigen oogenblik toe, steeds gebonden, doch nooit gekneld. Gemeente en predikant beiden was het goed samen te zijn. En met te meer verzekerdheid, zonder de minste vrees voor tegenspraak, mag ik zulks verklaren, aangozien de man, die zich toen â dien 4|1en April 1886 â aan de Leidsche gemeente verbond, dezelfde is, die thans gereed staat als beur predikant zijn letste woord tot haar â d. i. tot u â-te richten. â
April '86 en Juni '02. â Welk een afstand daartusschen: zeker, ook in tijd: immers zes en een kwart jaar is een heele ruimte; doch bovenal: welk een afstand daartusschen wat betreft de omstandigheden, waarin wij verkeeren, en de verhoudingen, waarin wij tot elkander staan! Toen was het een komen, nu een gaan. Toen een ontmoeten, nu een scheiden. Toon waren wij voor elkaar als vreemden; thans zijn wij bekenden: met het oog op menigeen mag ik zeggen : thans zijn wij vrienden. Toen in onze harten de vraag: âWat zullen wij de een in den ander vindon?quot; Nu voor alles het bewustzijn van wat wij in mindere of meerdere mate voor elkander mochten zijn. Den eersten dag: meer blijde hoop; den laatsten stond: meer stille weemoed. Wat mij zelf aangaat ten minste, als onwillekeurig klinkt mij in de ooren de bekende kiachte:
.... wy armen boeten,
Wij boeten wreed en snel,
Vast menig lief ontmoeten Met menig bang vaarwel. â
Op een kruispunt, bij den handwijzer, waar verschillende paden elkander snijden, staan twee menschen. Een deel dei-reis maakten zij samen. Thans evenwel sloeg de scheidingsure. Van nu af volgt elk hunner wederom zijn eigene
6
richting. Alvorens echter de een den ander voor goed en voor liet laatst vaarwel te zeggen, toeven zij nog een wijle. Nog eens terugblikken moeten zij. Hieraan hebben zij behoefte. Uit kunnen zij niet laten. Hetgeen zij in werkelijkheid beleefden, in herinnering willen zij het andermaal doormaken. Goed en kwaad, zoet en zuur, blijde verrassing en pijnlijke teleurstelling: al, wat de tocht hun baarde, in bonte reeks trekt het hun het oog des geestes voorbij. En hun opmerkingen knoopen zij eraan vast. En hun lessen putten zij eruit. En ten slotte â ten slotte, na nog een handdruk en na nog een groet, met een wensch op de lippen en met een bede in het hart, gaat elk der twee weder zijnen eigenen gang.
Bedrieg ik mij of, M. II., toeft, als de mijne, ook uw geest thans bij voorkeur in het verleden, immers in dat deel daarvan, hetwelk wij â als gemeente en leeraar â samen mochten doorleven! Gedurende de ruim zes jaren toch, welke onze vereeniging duurde, hebben wij, zoo ten aanzien van onszelf en elkaar, als ook in anderen en broederen kring, indrukken ontvangen en ervaringen opgedaan: meer en minder aangename, verheffende en verootmoedigende; en â hoe kan het anders? â veel hiervan dringt als vanzelf zich thans onwederstaanbaar aan ons op.
Welaan, bezigen ook wij dan deze laatste ure om eens
7
deukend achteruit te zien! Geen twijfel of straks en onwillekeurig paart aan dit herinnerend terugblikken zich een hopend en biddend vooruitzien! â
Is het gewoonlijk minder gepast dat een spreker handele over zichzelf, ditmaal zult gij hot mij ten goede houden zoo ik ten dezen opzichte in gebreke blijf. Onmogelijk bjj een gelegenheid als deze niet ook van mijzelf te gewagen! Ik moet mij uitspreken; en dit wel allereerst om woorden te geven aan het gevoel van erkentelijkheid, dat mij vervult bij het terugdenken aan de goede en schoone jaren, te dezer stede doorgebracht.
Mag, ten minste voor wie hot licht liefheeft, het wonen in het âLeidschc Atheenquot; reeds op zichzelf een voorrecht heeten; in dubbele mate was het zulks voor mij, dank dor voorkomende vriendelijkheid, waarmede door de professoren der Godgeleerde Faculteit en door de vrijzinnige predikanten der onderscheidene gemeenten ik reeds van meet aan werd ontvangen, en waarvoor bij dezen ik hun nog eenmaal mijn innigen dank breng! Nimmer zullen de vruchtbare en genotvolle Woensdagavonden van liet Theologisch Gezelschap mijn herinnering ontgaan.
Voorts, hoe wel had ik het hier! Ziekte en tegenheid gingen mijn woning steeds voorbij. Geluk en zegen waren er blijvende huisgeuooten.
8
Ook, heb ik geen reden om, niet bescheidenlieicl, zeker! doch niet minder met innige verheuging, mij te binnen te brengen hoe, schoon do Luthersche gemeente alhier betrekkelijk klein is, en de liberale predikanten te Leiden in zekeren zin velen zijn, toch al zeer spoedig ik het voorrecht had een kring van geestverwanten rondom mij te zien, welke de jaren door tot vandaag toe mij onwankelbaar ter zijde is gebleven ?
Dan, hoeveel warme vriendschap mocht ik, zoowel buiten als binnen de grenzen mijner gemeente, ondervindon! Hoeveel aanhankelijkheid werd mij betoond, hoeveel liefde mij bewezen! Bracht niet nog de laatste week van ons samenzijn hiervan de ondubbelzinnigste blijken mee?.... En van de zijde des kerkeraads, en van den kant mijner leerlingen, en uit breeder vriendenkring werden mij souvenirs aangeboden, waarvoor ik niet kan nalaten in het openbaar mijn dank te betuigen. Uw schoone geschenken ik stel zo op hoogon prijs. Doch hooger nog schat ik uwe goede gezindheid te mijwaart, waarvan zij spreken, waarvan zij de vertolking zijn.
Eindelijk â niet het minst gewichtige â hoezeer werd mijn levenservaring: mijn kennis van wereld en menschen, verrijkt! Zijn zes jaar van ondervinding altoos belangrijk, met name worden zij dit, waar tot het verzamelen van gegevens een veld voor ons ligt, zóo ruim en zoo breed als
9
zulks met den predikant liet geval is. Lieden op allerlei leeftijd, uit verschillenden kring, van allerhande aard en ontwikkeling, en iu de meest uiteenloopende omstandigheden komen met hem in aanraking. En is, van welke zijde ook men het leven bezie, dit altoos belangwekkend â hoe dan zou de deur tot levenswijsheid en inensclienkennis hem niet wijd openstaan!
Of dus wat mij betreft, ik in uw midden ook geleerd heb ? ... . Zoo niet, ik hadde wel doof eu blind moeten zijn. Aan ziekbedden stond ik, welker lijders zich verliepen iu bedilziek klagen en balsturig morren; ook echter mocht mijn oog rusten op wie groot waren door mannelijken moed en door kinderlijk toevoorzicht. Mildbedeelden zag ik, zich blind starend op wat zij meenden te missen; armen ontmoette ik bereid te danken ook voor het hard stuk brood en hot nauw dekkend kleed Uotsend stootte ik op wufte oppervlakkigheid, uit de hoogte oordeelend over wat beide boven haar lof en haar blaam zeer verre verheven was; deelnemend luisterde ik naar ernstigen twijfel, moeizaam vorschend naar een houvast voor zijn denken, naar oen God voor zijn hart. â O buiten kijf, waaraan ook, gemeente van Leiden, in uw midden het mij ontbrak, aan leerstof wel niet! En waarvoor ook ik te danken heb, hiervoor zeker uiot het minst! â
10
Maar niet slechts wat ik ondervond en ervoer, ook wat ik was wordt in deze plechtige scheidingsure mij onvermijdelijk herinnerd.
Wat ik was?.... Wie, die ook maar eenigszins beseft welk een veelheid van moeilijke eischen den predikant in onzen tijd wordt gestold, en met wat tal van bezwaren hij heeft te kampen, gevoelt niet reeds van te voren dat noodzakelijkerwijs ik in menig opzicht moest tekortschieten!
De predikant, zooals tegenwoordig men hem verlangt, dient te wezen, eerstens; een flink, degelijk, welontwik-keld, beschaafd, onderhoudend spreker; voorts: een tactvol katecheet, even geschikt tot het onderwijs aan meer- als aan miuder-gevorderden; gelijkelijk vertrouwd met den toon, welke bij kinderen, als met dien, welke bij volwassenen aangeslagen moet worden; eindelijk: een belangstellend, on-onvermoeid, tot alles weltoegerust en op alles voorbereid pastor. In liet rijk gemeubeld salon des aanzienlijken zal hij zich op zijn plaats hebben te gevoelen; doch ook in het cenig en schamel vertrek dos armen heeft hij thuis te zijn. In een kring van breed onderwezenen mag hij geen al te povere figuur maken; maar ook de taal der meest eenvou-digen moet hij weten te verstaan en te spreken. Op de hoogte van zijn tijd moet hij blijven, doch niet minder ook op de hoogte zijner gemeente. Niet een deel zijner roeping
11
mag hij geringschatten; desniettemin evenwel is hij tevens gehouden nog genoeg vrijen tijd ter zijner beschikking te hebben tot het afleggen van allerlei vriendschappelijke bezoeken, waarvan heden deze, morgen die zijn aandeel verlangt.
Bedenkt hierbij nu nog hoe, reeds omdat hij predikant is, hij door velen in minder vriendelijk licht wordt gezien; terwijl anderen, ter oorzake van zijn richting, hem met weinig welwillend oog beschouwen; en mij dunkt, gij beseft dat do eischen, waaraan, èn als stoffelijk èn als geestelijk wezen; zoo wat betreft zijn lichaamskracht, als wat aangaat zijne gaven van verstand en hart, hij te beantwoorden heeft, werkelijk het onmogelijke verlangen! Een mensch is nu eenmaal maar een mensch. Onze vermogens, krachten en talenten zijn beperkt; ook onze tijd is begrensd. â
Verstaan wij elkander- wel, M. II.! Niet ter mijner verontschuldiging, slechts waarheidshalve herinner ik dit alles. Want voorzeker! zoo ik dezen wichtigen oogenblik, bij het terugzien op de jaren mijner ambtsvervulling te dezer plaatse, iets besef, dan wol dat ik ook aan bescheidener eischen niet gansch iieb voldaan.
Doch wat ook waar is â en mede deze bekentenis wilt ge mij vergunnen! â dat ik nooit, om welke bijoorzaak dan ook, eenig deel mijner bediening opzettelijk heb verwaarloosd. Was ik niet immer en in alles hetgeen ik had moeten zijn: openbaringen waren het van mijn tekort
10
Maar niet slechts wat ik ondervond en ervoer, ook wat ik was wordt in deze plechtige scheidingsure mij onvermijdelijk herinnerd.
Wat ik was?.... Wie, die ook maar eenigszins beseft welk een veelheid van moeilijke eischen den predikant in onzen tijd wordt gesteld, en met wat tal van bezwaren hij hoeft te kampen, gevoelt niet reeds van te voren dat noodzakelijkerwijs ik in menig opzicht moest tekortschieten!
Do predikant, zooals tegenwoordig men hem verlangt, dient te wezen, eerstens: eon flink, degelijk, welontwik-keld, beschaafd, onderhoudend spreker; voorts: oen tactvol katecheet, even geschikt tot het onderwijs aan meer- als aan minder-gevorderden; gelijkelijk vertrouwd met den toon, welke bij kinderen, als met dien, welke bij volwassenen aangeslagen moet worden; eindelijk: een belangstellend, on-onvermoeid, tot alles weltoegerust en op alles voorbereid pastor, lii het rijk gemeubeld salon des aanzienlijken zal hij zich op zijn plaats hebben te gevoelen; doch ook in het eeuig en schamel vertrek des armen heeft hij thuis te zijn. In een kring van breed onderwezenen mag hij geen al te povere figuur maken; maar ook de taal der meest eenvou-digen moet hij weten te verstaan en te spreken. Op de hoogte van zijn tijd moet hij blijven, cloch niet minder ook op do hoogte zijner gemeente. Niet éen deel zijner roeping
11
mag hij geringschatten; desniettemin evenwel is hij tevens gehouden nog genoeg vrijen tijd ter zijner beschikking te hebben tot het afleggen van allerlei vriendschappelijke bezoeken, waarvan heden deze, morgen die zijn aandeel verlangt.
Bedenkt hierbij nu nog hoe, reeds omdat hij predikant is, hij door velen in minder vriendelijk licht wordt gezien; terwijl anderen, ter oorzake van zijn richting, hem met weinig welwillend oog beschouwen; en mij dunkt, gij beseft dat do eischen, waaraan, èn als stoffelijk èn als geestelijk wezen; zoo wat betreft zijn lichaamskracht, als wat aangaat zijne gaven van vorstand en hart, hij te beantwoorden hoeft, werkelijk het onmogelijke verlangen! Een mensch is nu eenmaal maar een mensch. Onze vermogens, krachten en talenten zijn beperkt; ook onze tijd is begrensd. â
Verstaan wij elkander-wel, M. EL! Niet ter mijner verontschuldiging, slechts waarheidshalve herinner ik dit alles. quot;Want voorzeker! zoo ik dezen wichtigen oogenblik, bij hot terugzien op de jaren mijner ambtsvervulling te dezer plaatse, iets besef, dan wel dat ik ook aan bescheidener eischen niet gansch heb voldaan.
Doch wat ook waar is â en mede deze bekentenis wilt ge mij vergunnen! â dat ik nooit, om welke bijoorzaak dan ook, eenig deel mijner bediening opzettelij k heb verwaarloosd. Was ik niet immer en in alles hetgeen ik had moeten zijn: openbaringen waren het van mijn tekort
12
in liet k u ii n o n, niet in liet willen. Steeds toch â met gerust geweten mag ik liet verklaren â trachtte ik al, waartoe mijn plicht mij riep, zoo goed mogelijk te doen; en geen offer, noch van tijd noch van kracht, was mij ooit te zwaar, zoo de rechte vervulling mijner roeping hot noodwendig maakte.
Deze overtuiging dan ook, Zusteren en Broederen, is het, welke me mijzelf doet vleien met do vriendelijke hoop dat ik â Z]j ]iet dan in zwakheid â toch in uw midden niet ten eenenmale vruchteloos zal gearbeid hebben: dat ik, al was hot dan maar voor enkelen, toch iets mocht wezen. Met goede hope mede toeft mijne herinnering bij wie voor of na mijn leerlingen waren, waaronder er zijn, van wie met grond ik mag vertrouwen dat, zoo in mijn onderwijs iets goods is geweest, dit dan zeker niet zal nalaten in hen zijn oogst te doen zien.
Op de vraag: âAVas was ik voor U?quot; volgt natuurlijk en als vanzelf terstond deze andere: âW a t w a a r t g ij voor m ij ?quot;
Doch wie zijn deze âGijquot;? Denk ik hierbij aan de gemeente, welke mij beriep, of aan die, welke zich rondom mij verzamelde? Eon der eigenaardige kenmerken onzes tijds toch is dat, terwijl voor liberale protestanten het kerk-genootschappelijk verschil hoe langer des te meer wegvalt,
13
op de grooterc plaatsen zich om elk vrijzinnig predikant een kring van tot verschillende gezindten behoorende geestverwanten vormt, welke, zij het dan in bijzonderen zin, doch niet minder volkomen juist, men âzijne gemeentequot; mag noemen.
Welnu, dus is liet ook hier. Zoo was het ook met mij. Onder degenen, die mijn prediking gezet volgden, waren wel evenvele Hervormden als Lutherschen; gelijk, voor en na, het door mij verstrekt godsdienstonderwijs mede door kinderen van gereformeerde ouders werd ontvangen.
Tot zekere hoogte derhalve heeft elk vrijzinnig predikant â had ook ik hier â twee gemeenten: die, welke mij beriep; en die, waarvoor ik en welke wederkeerig voor mij, in meer bepaalden zin, iets mocht zijn.
âW at waart g ij v o o r m ij ?quot; Denk ik bij deze âGrijquot; aan U, Evangelisch-Luthersche Gemeente van Leiden, dan moet ik beginnen met uit het diepst mijner ziel en van heeler harte U oprecht dank te zoggen voor het vele goede, dat ik â dank den velen vrijzinnigen en weiwillenden in uw midden! â hier heb mogen ondervinden. Grij steldet mijn werk op prijs. Uw kinderen hebt gij mij toevertrouwd; en de teleurstelling van voor ledige plaatsen te prediken hebt gij mij steeds bespaard. Mijn dank daarvoor! Meer dan gijzelf kunt vermoeden, hebt gij aldus mij gesterkt en geschraagd, mij geholpen en gesteund.
14
Uw d. J. Kerkeraad: Ouderlingen, Rentmeesters en Diakc-nen-Regenten â een kring van vroede, vronjc en vrije mannen â ook de in den loop der jaren achtereenvolgens opgetreden Regentessen (met name denk ik mede aan de thans nog fungeerende dames Reimeringer en Bos) hebben, mijn gansche verblijf floor, met voorkomende minzaamheid mij bejegend, en bij al wat goed was mij krachtdadig ter zijde gestaan.
Aanvaardt, dames en heeren, voor uw vriendschap, voor uw medewerking bij dozen de betuiging mijner diep gevoelde erkentelijkheid! Wat ook Amsterdam mij bieden moge, meer steun dan van uwe zijde mij gewerd wol niet! â Met leedwezen ga ik van u heen. Doch met goed, met vol vertrouwen zie ik de belangen van kerk en weeshuis in uwe handen. Blijven zij daar nog lang!
Zou mogelijk zijn van kerk en weeshuis te gewagen, zonder dat hierbij tevens opdoemden voor onzen geest de aantrekkelijke beelden van wijlen onze broederen Bos en Ileintz, ook do vriendelijke gestalte van wijlen mevrouw
SparenbergâSchlette?____ Welk een warm, welk een van
liefde overvloeiend hart droegen zij onzer gemeente, onzen armen, onzen weezen, onzen ouden lieden, welk een warm hart droegen zij der goede zaak toe!. ... Daarom, naast den innigen dank, den levenden gebracht, vinde mede de
15
erkentelijke hulde, der nagedachtenis van de gestorvenen gewijd, hier een plaats!
En wat u betreft, hooggeachte collega Evelein, ook n mijn dank voor uw vaak betoonde welgezindheid! Vriendelijker dan ik de eerste maanden van mijn verblijf te dezer stede had durven voorspellen is onze verhouding geweest, en hiertoe hebt ook gij het uwe bijgedragen. Hebben wij wel te weinig met elkaar gewerkt, naast elkander arbeidden wij in vrede: ieder op zijne eigene wijze en naar zijne eigene inzichten. Het ga n wel! De Hemel zegene u! â
Wat evenwel, gemeente, mij vaak heeft verdroten?.... Niet, dat zoovelen uwer andere zienswijzen huldigen dan welke ik voorsta! â wij zijn nu eenmaal niet gelijk â maar wel, dat er onder u worden gevonden, en niet weinigen ook, blind genoeg om te meenen dat zij d e waarheid hebben: de geheele waarheid en niets dan de waarheid; en oncliriste-hjk genoeg zich te vermeten om uit de hoogte, met minachting, met verachting op andersdenkenden neder te zien. Waarom toch, in weerwil van allo verschil van opvatting en richting, zou in onze kleine gemeente niet wat meer samenwerking, niet wat meer wederzijdsche waardeering, niet wat meer broederschap kunnen zijn! .... Zij het mij vergund ons allen: u en mijzelf, voor het laatst nog eens deze regelen op het gemoed te drukken:
14
Uw d. cl. Kerkeraad: Ouderlingen, Rentmeesters en Diakenen-Regenten â een kring van vroede, vrome en vrije mannen â ook de in den loop der jaren achtereenvolgens opgetreden Regentessen (met name denk ik mede aan de thans nog fungeerende dames Reimeringer en Bos) hebben, mijn gansclie verblijf door, met voorkomende minzaamheid mij bejegend, en bij al wat goed was mij krachtdadig ter zijde gestaan.
Aanvaardt, dames en heeren, voor uw vriendschap, voor uw medewerking bij dozen de betuiging mijner diep gevoelde erkentelijkheid! Wat ook Amsterdam mij bieden moge, meer steun dan van uwe zijde mij gewerd wel niet! â Met leedwezen ga ik van u heen. Doch met goed, met vol vertrouwen zie ik de belangen van kerk en weeshuis in uwe handen. Blijven zij daar nog lang!
Zou mogelijk zijn van kerk en weeshuis te gewagen, zonder dat hierbij tevens opdoemden voor onzen geest de aantrekkelijke beelden van wijlen onze broederen Bos en Heintz, ook de vriendelijke gestalte van wijlen mevrouw SparenbergâSchlette ? .... Welk een warm, welk een van liefde overvloeiend hart droegen zij onzer gemeente, onzen armen, onzen weezen, onzen ouden lieden, welk een warm hart droegen zij der goede zaak toe! ... . Daarom, naast den innigen dank, don levenden gebracht, vinde mede de
15
erkentelijke hulde, der nagedachtenis van de gestorvenen gewijd, hier een plaats!
En wat u betreft, hooggeachte collega Evolein, ook u mijn dank voor uw vaak betoonde welgezindheid! Vriendelijker dan ik do eerste maanden van mijn verblijf te dezer stode had durven voorspellen is onze verhouding geweest, en hiertoe hebt ook gij het uwe bijgedragen. Hebben wij wel te weinig mot elkaar gewerkt, naast elkander arbeidden wij in vrede: ieder op zijne eigene wijze en naar zijne eigene inzichten. Het ga u wel! Do Hemel zegene u! â
Wat evenwel, gemeente, mij vaak heeft verdroten?..., Niet, dat zoovelen uwer andere zienswijzen huldigen dan welke ik voorsta! â wij zijn nu eenmaal niet gelijk â maar wel, dat er onder u worden gevonden, en niet weinigen ook, blind genoeg om te meenen dat zij d e waarheid hebben: de geheele waarheid en niets dan de waarheid: en onchristelijk genoeg zich te vermeten om uit do hoogte, met minachting, met verachting op andersdenkenden neder te zien. Waarom toch, in weerwil van alle verschil van opvatting en richting, zou in onze kleine gemeente niet wat meer samenwerking, niet wat meer wederzijdsche waardeering, niet wat meer broederschap kunnen zijn! .... Zij het mij vergund ons allen: u en mijzelf, voor het laatst nog eens deze regelen op het gemoed te drukken:
16
Wie 't Woord den besten uitleg gaf Dit leert eens de andre zy van 't graf.
Maar wie ziek grondde op 't Woord En broedren van zich stiet,
Gewis'lijk! die begreep liet niet!
Eu wat voorts â ook dit moet mij nog van het hart â mij dikwijls heeft bedroefd, en waarop thans, bij mijn laatste optreden, ik nog eenmaal den vinger wil leggen ? Hierop, dat ook deze gemeente onder hare leden telt wie, schoon in naam en op het boek de onzen, toch nooit ofte nimmer eenig bewijs van belangstelling geven. Voor hen is de kerk, waarvan zij, nota bene! leden zijn, er eigenlijk niet. Zelfs geen klein geldelijk offer hebben zij voor haar over: zelfs geen klein geldelijk offer!.... toch wel het minste, liet allerminste, wat men offeren kan!
Hoe zou ik mijzelf toewenschen longen van koper en een stem van metaal, om tot op groeten afstand verstaanbaar te kunnen uitroepen: âZijt wat ge zijt, docli weest heelen, geen halven! Acht ge ons genootschap, onze gemeente, ons willen en streven, uw steun niet waard.... het smart ons; wij beklagen u; doch het zij zoo! Alleenlijk zijt eerlijk, en behoort nu ook niet langer in schijn tot de onzen! Laat u schrappen uit het lidmatenregister! Niet op een veelheid van namen komt het aan, maar op een rijkdom van wezenlijk belangstellenden.quot;
17
Jammer! en nog1 eens jamnicr! ciat onder deze sclijjii-leden ook wordt gevonden een niet gering aantal jonge lieden! Hoeveel kwaad doen de zoodanigen zichzelven! Wat â aanstonds: in 's levens verzoeking en strijd, onder rouw en tranen, bij miskenning en teleurstelling â zal de hen steunende staf, de rots hunner hoop, de star van hun vertrouwen, de bron hunner sterkte wezen? Eu wat staat te worden van een samenleving, welker opkomend geslacht het uitnemendste derft: nl. dien gloed en dien moed, die macht en die kracht, dien lust en die rust, welke van gezonde vroomheid de heerlijke vruchten zijn ?
Mocht zij hen bereiken mijn stem, en mochten zij het verstaan mijn woord: âDoet uzelf geen kwaad! Doodt niet uw edelste adspiratiën! Verstopt niet de bron, waaruit levend water welt! Berooft niet de maatschappij der toekomst van wat haar merg, haar pit, haar leven moet zijn! Let op het einde!quot;
âWat waart gij voor mij?quot; â Dachten wij in het voorgaande bij deze â(xjjquot; uitsluitend aan de officieele gemeente : aan de gemeente in eigenlijken zin; thans rijst gij mij voor den geest, gij, o kring van getrouwen, beiden Lutherschcn en niet-Luthevschen, die, gedurende de jaren mijner werkzaamheid alhier, meer bepaald âm ij n e g e-m e e n t e quot; hebt gevormd! Hoe voel ik mij aan U gehecht!
18
Voor hoeveel heb ik ü te danken! En wat zou het mij niet waard zijn U recht diep te doen beseffen wat gij voor mij zijt geweest: hoeveel ik U verschuldigd ben! Indien â ach mocht het zoo zijn! â van mij eenigekracht, eenige warmte, eenige zegen is uitgegaan, dan komt daarvoor U de eere toe! Gr ij, met uw welwillendheid, met uw belangstelling, met uw liefde, hebt den lust mij levendig gehouden, mij moed gegeven, mijn ijver aangevuurd, onder teleurstelling en miskennning mij voor versagen behoedt.
Ware het U, gelijk helaas zoovcien, die den kansel verwarren met katheder of tooneel, steeds om iets pikants en markants, om iets nieuws en âmooisquot; te doen geweest, dan voorzeker zou mijn eenvoudig woord op den duur U niet hebben kunnen boeien. Doch gezonder is uw standpunt en andere zijn uw sympathieën. Gij komt ter kerke, niet om U te amuseeren; zelfs niet in de eerste plaats om te leeren; maar uit behoefte: om uw geloof* uit te spreken; om voedsel op te doen voor uw godsdienstig-zedehjk leven; om in ver-eeniging met de broederen, het gemeenschapsbesef te versterken : i. é. w. om den band welke U aan God en aan de menschen hecht, nauwer toe te halen.
Ziet, M. V., erkentelijkheid jegens den Hemel vervult mij bij het bedenken, dat gij hebt kunnen meenen hetgeen gij zocht bij mij te zullen vindon. Aanvaardt mijn dank voor uw vertrouwen, voor uw aanhankelijkheid, voor uw steun! ~
19
Meer dan eens, nu meer bedekt dan meer rechtstreeks, werd mij gevraagd waarom toch ik mijn pastorale bezoeken niet uitstrekte ook tot diegenen, welke, schoon niet behoo-rende tot de Luthersche gemeente, toch door het gezet bijwonen der door mij geleide samenkomsten doorslaand bewijs gaven van hun belangstelling in mijn werk. Natuurlijk ben ik het antwoord niet schuldig gebleven. Doch wat aldus in bijzonder gesprek herhaaldelijk door mij is verklaard, wil ik thans nog eens in het openbaar doen hooren, opdat niemand meene dat het nalaten van bedoelde bezoeken in onverschilligheid, gebrek aan waardeering, of iets dergelijks zijn grond had.
Welnu dan, het geschiedde opdat ik geen aanstoot zou geven; opdat ik niet den schijn van proselietenmakerij op mij zou laden. Bij sommigen mijner ambtgenooten â van de Leidsche collega's spreek ik niet â bestaat eene, in mijn oog kinderachtig overdrevene voorliefde voor eigen kerkelijke Gemeenschap, gepaard aan een kleinzielig streven om daarvoor zooveel mogelijk zielen te winnen. Om nu zelfs den schijn daarvan te vermijden, had ik tot vasten regel bij niet-leden der gemeente herderlijke bezoeken af te leggen alleen dan wanneer deze uitdrukkelijk werden verlangd. En tot nog toe heeft het volgen dezer gedragslijn mij nooit berouwd.
Moge deze korte herinnering volstaan om hier allicht nog aanwezig misverstand voor goed uit den weg te ruimen! â
20
âEu zij werden gescheiden, de een van den andei'.quot; â Scheiden. Welk een veelheid van gedachten, ook welk een diepte van weemoed in dit woord! Scheiden. En hoe gelukkig was hot samenzijn! Scheiden. En hoe verholen is do toekomst! Scheiden. Eu hoe verstoken zal men voortaan zijn van elkanders vriendelijken glimlach en bemoedigenden blik, van elkanders opwekkend woord ou hulpvaardige hand!
Hoe begrijpelijk, niet waar? dat onwillekeurig en als vanzelf steeds men erop bedacht was de alsembitterheid der scheiding althans eenigszins te matigen door do een den ander zijn beste wenschen, zijn hartelijkste beden mee te geven! Hier een: âHeil en zogen!quot; Daar een: âGod geleide U!quot; Geen boot verlaat ooit de kust of het âVaarwel!quot; gaat met haar mee! Geen doode, immer door vriendenhanden bijgezet, of het vriendenhart bidt hem een âRust zacht!quot; toe.
quot;Wat wonder dan dat, deze gedachtennjke scheidingsure, ook ik een wensch in de ziel heb voor U, in het genot van wier gezelschap ik eenen betrekkelijk zoovele mijlpalen tellenden weg mocht afleggen!
Waarom echter ik u en mijzolven dezen stond niet liever heb bespaard ? M. a. w.; waarom ik, in stede van te gaan, niet liever bon gebleven? .... Dewijl ik, gedachtig aan mijn gezin, vooral ook mot het oog op de mogelijke toekomst mijner echtgenoote, niet mocht. Want zoo ik iets besef, dan
21
wel dat mijn werkkring te Amsterdam een geheel andere zal zijn dan hier. Van die vertrouwelijkheid toch, welke in een kleine gemeente tusscheu den leeraar en zijn geestverwanten bestaat, en welke mij een harer bekoringen dunkt, kan, uit den aard der zaak, in zulk een grooten kring weinig sprake zijn. De predikant is er meer oen uitsluitend officieel persoon, die openbare godsdienstige redevoeringen houdt, doop en avondmaal bedient, huwelijken inzegent, in dit en dat en nog iets wordt gemoeid, doch van eigenlijk persoonlijke aanraking tusschen hem en zijne gemeente komt luttel. Hoeveel dus, aan den eenen kant, ik ook winne, hoezeer het mij streele dat de gemeente in do hoofdstad â de grootste Luthersche gemeente iu ons vaderland â mij tot een harer voorgangers hoeft begeerd; hoezeer liet mij aantrekke leeraar te zullen zijn terzelfder plaatse, waar ik zoovele jaren leerling ben geweest, toch tor anderer zijde weet ik ook van verlies.
Doch geen nutteluoze en ondankbare klachten! Wij scheiden; en erkentelijk voor wat ik in u mocht bezitten, bied ik, als het eenige, wat ik nog te geven heb, u mijn beste wenschen aan.
Mijne Vrienden, dat het u welga! Dat het u welga, zoo wat betreft uw uitwendige als uw innerlijke aangelegenheden, zoo wat aangaat uw stoffelijk als uw geestelijk zijn! Dat het u welga in uw personen, in uw familiën, in uw ondernemingen! Dat het u welga in kwade en in goede
22
dagen. Dat het u welga altijd, overal 011 onder alles! Dat het u welga!
Hiertoe moge het u nimmer ontbreken aan die gezindheid des harten, aan die gesteldheid des gemoeds, waardoor bij het tintelen der zonnestralen, doch ook bij het flikkeren der bliksemschichten; bij het fluisteren van het avondkoeltje, doch ook bij het donderen des orkaans; bij het geuren van de roos, doch ook bij het wonden van den doorn; gij u in goede handen: welbezorgd en welbewaard weet!
En die gezindheid des harten en die gesteldheid des gemoeds hoe zult gij haar erlangen, tenzij dan van den kant dier blijmoedige, opwekkende, zegenvolle vroomheid, welke van een wijs en liefderijk wereldbestuur: van eenen Ilemel-schen Vader weet!
Mijne Vrienden, geve of vermeerdere God u allen den heiligen geest der echt-christelijke vroomheid! En geen twijfel of wat dan ook de toekomst u brenge, dan gaat het u wel.
zoo zij het!
Bij A. II. Adhtani, te Leiden, verscliijnt mede:
JEZUS YAN NAZARET
Historisclie Konxai l PA UI j ADO li,
In hol .Ncderlandsch hcwcrkl dooi' P. VAN DER VEEM Tweede, herziene druk.
Prijs: Æ 2.40, geb. Æ 2.90
Ondanks aanmerkingen en bedenkingen die zeker te maken zijn, heeft de lezing van dezen roman mij rijk g e n o t verschaft; toen ik er eens mede begonnen was, hield ik ook niet op voor ik beide deelen liad doorlezen; en omdat ik velen denzelfden goeden indruk toewensch, dien ik zelf daarvan ontving, daarom wenseh ik dat boek in veler handen. Het Xedorlandsch gewaad, waarin \ an dek V ben den roman stak, laat dien goed uitkomen. Het is een vertaling in schoon en flink Hollandscli; er zijn zelfs zeer schoon gestileerde stukken in, en er is reden Vanquot; der \ een dank te zeggen dat hy dezen arbeid ter hand nam. Hij deed er oen goed werk mee. De kennis van het Christendom en daardoor de zuivere waardeering kunnen er slechts door winnen.
J. Herman de Rtdtjer Jr.
JUDAS
VAN
TOR HEDBERQ-l il hel Zweedscli door MARdARETII V A. S. MEIJBOOM Prijs: Æ 1.90, geb. Æ 2.50.
â âJudasquot; is een schoon boek, een boek, dat gelezen moet worden, een boek, dat niet nalaten kan diepen indruk te maken op al wie een zin hebben voor wat waar is en schoon en goed; een boek, dat ons aangrijpt en niet meer loslaat; een stichtelijk boek eindelijk in den goeden zin des woords, bevattende eene onwillekeurige aanbeveling van en een eerbiedige hulde gebracht aan Jezus' persoon en geest.
Het zal niemand berouwen het te koopen, het te lezen en te herlezen. Het is het dubbel waard.quot;
ju. va\ der Ven.