ocr page 1

HOLLANDERS

K I, E E 1

Een' Kleefsclien Hollander.

(EENK CAUSERIE.)

TeTeiis reisgids, met een kaartje Tai Kleef en mgmg.

Tweede vermeerderde Uitgave,

H

•f

u

waarin ook de Sage van den Zwaanridder voorkomt.

5-.v

4-; lt;£*'*

1

ocr page 2

Uitgaven van A. ROSSING te Amsterdam.

DE LANTAARN

orgaan voor Noord- en Zuid-Nederland.

VIERDE JAARGANG. '

Schijnt den l8ten en ïi5lt;teB van ellie maand.

Redacteur J. H. RÓSSING.

Prijs per 3 maanden /' 1.25 fr, p. p. /1.87.

De Lantaarn ia gewijd aan de bespreking van literaire en maatschappelijke verschijnsels. Z\j behandelt vooral principes. Haar richting is vooruitstrevend. Zij streeft naar schoonheid van taal en stijl. De Noorsche en Russische Letterkunde wijdt zij bizondere aandacht Ieder nummer bevat een plaat, die ironisch een belangrijk, feit voorstelt, of wel in sterk sprekende lijnen de afbeelding van beroemde tydgenooten. In dit tijdschrift, dat een groot aantal inteekenaars telt, thans bijna vier jaar bestaat, en in Dn Gids en andere tijdschriften en kranten zeer gunstig beoordeeld werd, leverde bydragen: Cl Bqsken Hukt, H. J. Schimmel, Prof. Dr. Jan ten Brink, Engelbkrt de Chateleux, A. quot;W. Stellwagen, Jan C. de Vos, -Frans Netscher, H. L. Berkenhopf, F. Smit Kleine, J. van Rennes, W. G. vau Nomrous, M. Coens, G. Waalner, enz.

Engelbert de Chateleux, Ephemeriden . f' 1.60 geb. /' 2.25 Een boekje in den trant van Multatuli's Ideeen, wiens geniale geestverwant hij is.

De Auteur omschri)ft den inhoud aldus; Ideëen, Spreuken, Paradoxen, Studiën, Verhalen, Sprookjes, Fabels, Droomen.. . kort en goed 'n jaargang mijner zielsannalen.

M. A. Perk, De Troubadours........./1.75

M. A. Perk, De Tooneelarbeid eener non uit de lOf

Eeuw . . . . . . . - . ■ ; • , • • • ' » 1-90

A. van Berkel, Utrechts Hoogeschool....... l.Su

H. L. Behckenhofp. Causerieën . . . . . . ■ . „ 1.25 Inhoud ; Een korte briefwisseling. — Ons kunstoordeel. — De Toonkunstquot; en hare schynvrienden. — Het „Naaktequot; in de Dichtkunst. De Natuur op het Doek.

ocr page 3
ocr page 4

N.B. Wil men omtrent Kleefs huurgelegenheden, of over iets anders, nader bericht bekomen, men wende zich tot den schrijver dezes, per adres den Uitgever A. RöSSING.

Typ. Th. A. van Zeggelen. — Amsterdam.

ocr page 5

Iets noodigs vooraf.

Met dankbaarheid denk ik aan de eerste uitgave van dit boekske, en wel omdat het door de pers welwillend en door het publiek met zooveel sympathie is ontvangen, dat de uitgever den moed heeft een tweeden druk het licht te doen zien, nu verrijkt met een kaartje, dat ik getracht heb zoo practisch mogelijk in te richten, opdat de reiziger van het station uit, zelf zijn logement kan vinden, en van zijn logement uit de paden kan inslaan, die naar de mooiste punten leiden. Was het niet te duur geweest een uitslaande kaart te geven, dan had ik de geheele diergaarde willen schetsen; mogelijk is dit weggelegd voor eene latere uitgave. In alle geval heeft men op het nevensgaand kaartje reeds stof genoeg om er veertien dagen op rond te dolen.

Van mijn aanbod om aan tijdelijke afblijvende woningen te helpen voorzien, heeft men meermalen gebruik gemaakt. Men ga daarmede voort, alleen wordt nu het aanbod vergezeld door het verzoek, dat de kandidaatreiziger vooraf het vaste besluit neme te komen, als hij er plan toe heeft. Meer dan eens kwam het mij voor, dat men voor 3/4 bestelde, maar dan weer plotseling het l/4 (te hubs blijven) de overhand liet nemen. De voorloopige bestelling maakte grage gastheeren of gastvrouwen, terwijl dan de definitive afbestelling mij jn eene valsche verhouding bracht, en de met recht hopende „wirthquot; of „ivirthinquot; geheel, en soms zichtbaar, ontstemde.

Natuurlijk kwamen er aanmerkingen op mijn boekje voor, waaraan dikwijls zeer practische wenken waren verbonden. Men zal zien, dat ik er verscheidene van benuttigd heb. Sommige aanmerkingen deden mij echter aan het bekende liedje denken :

Schilder ik wil mij zelfs eens zien,

Op het doek geteekend.

En mijn vrouwtje bovendien,

Vriendelijk met mij sprekend.

Enfin.' de schilder moest een stuk leveren, waarop alles voorkwam, de in de keuken spinnende meid, de inhoud van kelder, enz. — alzoo ongeveer een schaap met vijf pooten. Zoo iets heb ik ter

ocr page 6

4

zijde gelegd, even als da onpractischi- opmerking, dat men den Hollanders, door mijn boekje, de devotie ontnam, hier eens hun Duitsch uit te kunnen pakken. Die hel gebruikmaken van zijne Duüsche taal in toepassing wil brengen, door den omgang niet kellners of' winkelbedienden, slaat de plank mis; het schoone en juiste van de Duüsche taal vindt men niet in die monden. En dan ons schoolduitsch? Een der grootste -winkeliers alhier zeide mij: „ Wij zijn altijd bang voor de Duitsch sprekende Hollanders; zij mogen gramaticaal zich juist uitdrukken, doch het Kleefsch Duitsch kennen zij niet; en waarvoor is het noodig, wij komen hun met het Hollandsch spreken te gemoet,quot; Doch ook hd gewone, laat ik het noemen, het volksduitsch, leert men, niet op de scholen. Zoowel in Berlijn, Keulen, Hannover of Hamburg enz. kan men een winkel intreden en naar een artikel vragen, waarop men het antwoord bekomt: „Es ist alle.quot; De Hollander zegt daarop dat hij het artikel dan eens zien wil, noemt zelfs de hoeveelheid die hij noodig heeft, niet wetende dat het: „Es ist alle?quot;, wil zeggen „hel is niet voorhanden.quot; En zoo zijn er honderden gelegenheden om met een mond vol tanden tegenover het lieve „Ladenmddchenquot; te staan.

Ook is de opmerking gemaakt dat ik de Hollanders niet genoeg heb laten uitkomen. Men had dus den titel van mijne causerie te haastig gelezen. Er staat niet: „De Hollanders in Kleef,quot; — dus de daar wonende maar: „Hollanders in Kleefquot; dus elke aanraking van Hollanders met Kleef, zoowel de voor goed daar levende, als de daar tijdelijk wonende. — Het hoofddoel was te laten zien wat Kleef biedt aan de Hollanders, het zij hij komt om er zich slechts kort op te houden, het zij hij er zijn leven komt rekken, in de gezonde lucht, met het vaste voornemen, het getal der grafsteenen op het fraaie kerkhof met een te vermeerderen. Wat de alhier gevestigde Hollanders eten, en hoe laat, en of ze nachtbraken, of vroeg opstaan, heeft geene historische waarde, en interesseert niemand.

Iemand, die naar Kleef komt, moet met eigen oogen zien en naar eigen wil handelen. Met eigen oogen zien, dat wil zeggen als hij kijken kan met de gave des onderscheids. — Ik zat eens te Lubeck in die gezellige wirthschaft, waar die miniatuurschepen aan den zolder hangen. Ik was zoo gelukkig geioeest bij den grooten Geibel toegelaten te zijn. Mijne opgeruimdheid daardoor werd nog verhoogd, toen een Lubecker in die' restauratie, bemerkende dat ik een Hollander was, met eene zekere bonhomie mij toevoegde dat hij ook eens in Amsterdam was geweest, eene mooie stad, jammer maar dat de grachten zoo smal waren dat men ze niet berijden kan. Die man kon dus wel kijken, maar niet zien. Ik schrijf deze alinea, omdat mij meer dan eens toegevoegd werd dat Kleef zelf een onbeduidend stadje is, waar nauwelijks een Duitsch vorstje

ocr page 7

O

zijn zetel zoude kunnen hebben. Die dat zeyt, kent noch Kleef, noch de residentie van sommige Duüsche vorstjes, bijv. die van Schaümbunj Lippe, die in zijne residentie Buckeburg aan het hoofd van 5100 inwoners staat. Een stadje waarvan een Buckeburger mij eens zeide dat er slechts één koe was. Neen! Kleef is hel best te vergelijken met ons Tiel, dat eenige honderd inwoners minder tuit, maar ook eve)/ als Kleej ver genoeg van eene groote stad ligt. om eene niet onaardige binnenhandél te drijven en daardoor eeti voldoend winkeldebiet te bezitten. Even als Tiel heeft Kleef een rechtbank, doch die rechtbank is tevens een „Schwürgericht .quot; dat alzoo ook doodvonnissen uitspreekt. Dat collegie en het „Amts-gericht,quot; dat ook iets meer beduidt dan onze Kantongerechten-, het „Hauptzollamt.' en niet het minste het garnizoen van 500 man, geven ons wel niet eene ooerloopende. maar eene blijvende levendigheid, die door hel zamenloopen van twee spoorwegen, en het genieten van eene dagelijksche, goed bezochte markt, nog verhoogd wordt. Nog can eene bijzonderheid, de landbouwschool gezwegen, en de mogelijkheid dat Kleef nog eens het Bezirksbestuur terughekomt, dat haar in 1821 met het Oberlan desgericht ontnomen, is, en waarvoor de gebouwen nog altijd disponibel zijn. Wij wenschen het Kleef toe, dat vooral ook door de beambtewereld leven moet. En denkt gij dat een Tielenaar het U goea zal afnemen, als gij zijn arrondissemenls-hoofdplaaUs, een stil en onbeduidend stadje soudt noemen? Het is waar of men ziel en hoe men ziel. ü; heb officieren gekend die T lissingen. den Helder. Venlo, Delfzijl enz, een gat noemden, eenvoudig omdat zij zich niet wisten te schikken in de nieuwe omgeving, die de hunne was geworden.

En nu kan ik bij dat alles nog voegen, wat ik ten vorigen jan: niet opnam, en hier in de inleiding, bij hel behandelen der kwestie, de bedrijvigheid van Kleef, nog heter plaats vindt, dan in het eigenlijke lichaa.m van deze brochure, de bedrijvigheid namelijk van /het fabrieksleven alhier.

Daarin staat wel bovenaan de tabak en sigarenfabriek van den heer Mertens met circa honderd, de sigarenfabriek van den heer Frenk met dertig arbeiders, de ijzergieterij en machinefabriek van den heer Rennebaum, ook ten onzent met lof bekend, met 85 arbeiders; dan de fabriek can goud en zilver can den heer Rog mams, waar tonnen schats ran die edele metalen en de daarbij hehoorende edelgesteenten naar Holland wordt gezonden, en die 22 arbeiders bezig houdt. Bovendieti heeft men hier twee boter fabrieken, vier looierijen, een chemische fabriek, een ka,mmenfabriek, drie schoenen-fabrieken, die tol in ons Friesland toe verzendt, een zeepfabriek twee lijnbanen, een kofftenwlenfabriek, die even als de Gochsche duizenden exemplaren naar ons land expedieert; en eindelijk het atelier van plastische voorwerpen en schilderstukken van den heer Baühüs

ocr page 8

ö

bij het station, dat veie kerken in Nederland, en verder tot Azie, Afrika, en Amerika toe van kruiswegen, heelden scMlderi/jen op kopervoorziet.

Jammer dat er geen Kamer van Koophandel is.

Een loge van de vrijmetselarij (en wel van ouden datum) is er ook; zij telt 30 leden. De Katholieke burger-, de Gymnastie-, de Krieger- en de Schutzen-verein, benevens twee zangvereenigingen ver-hoogen hier de gezelligheid.

Maar ééne aanvrage, van verschillende zijden mij geworden, was voor mij zeer aangenaam, en wel het aanzoek om, al ligt het ook eenigs-zins buiten het kader van de causerie, de sage va,n den Zivaan-ridder ter loops mede te deelen. En daar de uitgever die meerdere plaatsruimte toestaat, volgt die sage hier.

Om den eenvoudigen stijl, en de vele woorden, die oorspronkelijk Nederduitsch zijn, geef ik hier het verhaal in de taal van Gert van der Schuren, die in de 15 eeuw secretaris teas van de hertogen van Kleef, Adolph en Johann.

„In den Jair nae der geburten des oeversten (bovenste) koenijnghs onss lieven heren Jesu Gristi Sevenhondert ind (en) dertijen in tijden des anderden Justiani Romschen Keysers, als Hildebertus konynck van Frankrijk was ind (en) Pippinüs van Harstal Hertoch van Brabant loas, doe waren dair bevorents manich jairlanck heeren geweest des lands van Cleve, bis op die tijt toe, dat Elyas qwam, dair van hyr nae geschreven steijt die ijrste (eerste) Greve van Cleve wart ind die mjhe waipen van Cleve mit sich bracht; want die aide ind aire yrste wapen van Cleve bis an Elyas toekompste (komst) was geioeest eyn (een) gulden schild ind dayr mydden (midden') inne eyne roide rose, dat die aide wapen is van den ursynen den edelen geslacht van Romen, uyt Troyen gespraiten (gesproten), dair dese edele Cleefsche heeren van aides afgekomen synt. In deser tyt teas gestorven eijn heer des lands van Cleve, die die heer van meer 'landen was, geheyten Be rick, die eyne eenighe schoen Jonffer tot eijnre dochter, genoempt Beatrix, achter ley te (liet) ind gheyne soene. Dese selve Jonffer was eyn vrouwe van den lande van Cleve ind van den anderen tanden dair omtnjnt liggende, die oer (haar) oere vader gelaten hadde. Ind die Keyserlicke Borch tot Nijmegen gehoirde tot oeren lande van Cleve in bevelen ind in beleenyngen van den Roimschen Rycke. Dese selve Jonffer van Cleve leyt vele bestoeryngen ind anrechtinghen van oeren wederparthyen die sy an oeren lande ind herlicheyden verkorten wolden, soe dese vader doe gestorven teas. Op eyne tyt satt dese selve edele jonffer van Glcve op den borch te Nymegen, dair sy doe op woenden, ind id (het) was eyn seer schoenklair weder, ind sach aff in den Rijn eijn wonderlick dynck (ding) als dat dairher qwam, drijven, eijn schoen wytt (witte) swaen, eigne gulden ketten an sijnen hals hebbende,

ocr page 9

daar an gehecht was ei/jn scheep ken. dat he woe sich toich. Ind in denselven scheepken was eijn stolt (trotsch) jongelynck, die had eyn verguld sweert in synre hant ind eyn jachhoern an sich hangende ind eyen kostelicken rynck an synen vyngher, ind had eynen schilt vitr sich staende, die ivas van kele dut is roit gevarwet, mit eynen inschild van sylver, myt acht gulden (gouden) koemynghs sceptren na farmer van lylyen oeverstrouwet, sich nujdden vergaderende in eynen gulden spanne, ind dair inne alles myddens (en daar midden in) eynen schonen edelen steyn van cynober, dat is groen, ind was eyne meralde (smaragd). Deseselve jonghelyck, soe men in alden historiën vyndet, was geheyten Ehjas, komende uyt den ertschen paradyse, dat so-mighen der Grail nuemen, ind was in den scheepken mijt den swane drijvende to Nymegen onder den borch, ind als he dan uyt den scheepken op dat land trat ind die jonffer to spreken begheerden, soe trad sy van der borch ind ginck vort den berch aff tot desem jonghelynck ind sprack oen vrunntlick an ind hyet oen wilkom toesen ind leydden oen myt oer op dese borch. He hadde vele woirde myt (met) oer ind he behaeghden oer gantz ivale {wel) ind he sacht tot oer, dat he dair gekomen were, mnb (omj oere lant to beschermer, ind oere vyande to verwynnen (overwinnen) ind to verdryven. Ind deser jonffer was in eynen visioen aepenbairt (geopenbaard), dat sy alsulken man hebn solde, dair by alle oere noekomelynghe victorie verkrygende warden.

Dese selve jonghelynck behaeghden deser jonffer soe wale (zoowel) dat sy oen lyeff beghonde to kryghen, ind he sachte lot oer dat he oer man wesen solde, ind darumb weere he van Gaids (Gods) verhencknisse (bestuur) ind van gelucke der avonturen dair gekomen, ind dat geslecht dat van oen beyden komen solde, dal solde vele victorien ind avonturen hebn, ind verheven ind groit werden. Mer he wamden (waarschuwden) sy, dat sy timmer {nimmer) van synen geslechte off nae synre herkompste nyet vraghen en solde, als wair dat he her gébairen off gekomen were, ind sacht lot oer alsus: „Soe toanneer gy van miynen geslecht off nae mynre herkompste vraigt, soe suldy terstont mynre gwyt werden ind en suit my dan nyet meer syen.quot; Ind he sacht oer mede dat he Elyas hyete ind dat he rittere were.

Dese selve jonffer kreich desen schonen heer Elyas seer lieff ind nam oen tot eynen man ; want he was eyn die ueydelickste (statelijkste) man, den men syen (zien) mochte, ind he was seer groit ind schoen van personen ind van lyve, by nae off id eyn gygaid (reus) geweest were, ind was oik stolt (trotsch) van moide (moed) ind seer vrome ter hant. He streyt ind verwan (overwon) alle die ghoene myt groter victorien, die sich tegen oen off synen lande satten (verzetten) ind behielde an alle platsen die oeverhant ind wart seer vermeert (vermaard) ind wael gesyen (gezien) bij allen fursten, princen ind heer en. also dat die keyser Theodosius oen greve

ocr page 10

8

maeckten hid verhoighden dat lant ran Gleve, eyne graisschap dairaff' makende. Ind dese greve Elyas onlfyenck dese graisscap van Cleve tot Une van den keyset car oen ind syne nakomelynghe, die-selve graisschap* to leene to ontfangen ind to halden van des heyligen Roimschen Rijke. Also dat dat land van Cleve, woe wale (hoewel) dat nu eyn hertochdom is. so is id doch ind sal altyt blyven eyn van den vyer furstliken Graisschappen des Rycks, dair van Savoyen die ander is, Tzylle die der derde, ind Swurtzenborch die vyrde (vierde) ind gheyn (geen) meer in den Ryck; dan men vygt;idet wal gefurstende , greven, doch eyne andere wyse is. Alsus soe wart (was het) ind was d'.se vurs. Greve Elyas die yrste greve van Cleve ind he was soe heer ind greve van Cleve XXI jair lanck.

Dese selve greve Elyas wan by der grevynnen Beatrix synre huysfrouwen dry soene; die yrste soen hyete Deriek die ander soeti heyt \Goedart ind die derde soen hyete Coenrait. Ind greve Elyas ordinierden by synen leven dese syne dry soene, tot wat stalde (stand) dat he sy hebben walde. Seynen aldsten soen Derick ga ff' he . synen schilt myt der wapen, ind syn verguldt swert ind sacht oe)i. dat he noe oen greve van Cleve wesen solde, ind hylickten oen an eyn greven dochter van Henegouwen, ind den anderen soen Goedart galf' he syn hoern ind warff' (verwierf met moeite) oen myt hylicke (huwelijk) ind myt hulpen van prineen dat he Greve van Loyn (Loon) toart, ind den derden soen Coenrait gaff he synen Rynk ind warff' oen myt hylicke ind myt hulpe van princen, dat he lantgreve van Hessen wart. Ind dese dry soene en iiioisten oen oick nyet vraighen van syne herkornpste, gelyck he der moeder voir (vroeger) verbaiden (verboden) hadde.

Dese vurs greve Elyas lach hyr nae eyns nachtes by Beatrix synre vrouwen ind kalden (babbelen), bid dieselve grevynne vraig-heden onverhoids ind sachie: „Heer soldy ieiven Kynderen nyet willen seggen, van tcair dat gy gekomen sydt,quot; — ind myt den soe (op eens) wart sy des greven oirs (haren) man qwyt ind en sach synre nyet meer. Doe wart sy seer rouioick ind star ff' bynnen denselven jaire.

Tot dus verre het manuscript can van der Schuren. (Justav can Vel sen, die in deze eeuw leefde, voegde er in zijn werkje: quot;Die stadt Cleve, (enz) voormals und jetzt'l het aandoenlijke slot bij, nadat hij Beatrix, met de paradijsslang, de zucht naar het ter-bodene, in verbinding bracht, — dat Elias met diepe smart van zijne zonen afscheid nam. en eerst daarna hnn het -zwaard, de jachthoorn en den ring overgaf. En nu teas de zwaan met het scheepje weer daar. die Elias wegvoerde, zoolang mogelijk uage-

ocr page 11

lJ

staard door sijne (jade. Dat treurtooneel had op hd toenmalige slot van Cleve plaats, waar Beatrix later, zelfs tot in deze eeuw, als geest in wit gewaad zoude verschenen zijn. Deze verschijning wordt ook nog in verhand gebracht met die in het Berlijner paleis onder de groot» keurvorsten leder. Hoe intusschen de verdienstelijke president Buggenhagen en de predikant Kayser, aan wie beide Kleef veel verplicht is, daar nog eenigszins aan geloofden, is bevreemdend, doch reeds Horatius (Epist. Lib. II Ep. Ill wist'er een hoekje van open te doen.

Elias Grail zoude de door hein gewenschte dood in een gevecht tegen de Saraceenen gevonden hebben, volgens andere bij Tours tegen de Arabieren.

Eigenlijk koud het hierop neer. dat wij in die Elias Grail niemand anders te zoeken hebben, dan de eerste erfelijke graaf Butger van Vlaanderen, die in het jaar 1020 optrad. Zijn komen uit den vreemde hebben de kroniekschrijvers tot het toepassen van de bekende sage verleid, die reeds in Vlaanderen bestond. Lohengrin toch, de zoon van Parcival zou ook eene dergelijke zwanemvatertocht gemaakt hebbe naar Antwerpen, naar het slot van de hertogin van Brabant, onder deselfde vormen en met hetzelfde resultaat. En eigenlijk kond de sage uit Spanje.

Idler weet wat de komponist Wagner van die geheele geschiedenis gemaakt heeft, en hoe de krankzinnige koning Bodewijk van Beijeren, zich koning Grail noemde, op een ^ak van een zijner sloten een hangenden vijver liet houwen en daarin door een kunstzwaan getrokken, rond voer, een koning die, tot schande van de Beijersche regiering, te lang in vrijheid bleef, en daardoor gelegenheid vond zijn leven te eindigen als zelfmoordenaar en, als moordenaar van een beroemden Kleveriaan, den hoogleeraar Gudde.

Vóór Rutger weet men? niets zekers van de Kleef'sche regeering. Met hem hebben 15 graven -van 1020—1394 in Cleve geregeerd, zijnde steeds van vader op zoon de kroon overgegaan, behalve de laatste die uit het Markische huis wets. Van 1394 — 1609 regeerden IJ hertogen. Door kinderloos sterven van den laatsten hertog en het huwelijk van de oudste dochter van den voorlaatsten hertog met den markgraaf van Brandenburg, kwam Kleef aan laatstgenoemd huis, dat later het Koninklijke hui* van Pruisen werd. De eerste keurvorst over Eleef was alzoo Johann Sigismund, wiens smakeloos standbeeld, levensgroot, vóór het slot staat.

Aan Lohengrin is een fraai standbeeld gewijd, dat een sieraad van de kleine markt is. Ik had het echter liever op de groote markt, of aan het terrein waar eens de zwaanridder vertrok, zien oprichten; tegenover eene christentempel is het misplaatst. Keen dan staat het fonteinbeeldje van Otto den Sahütz (Kleef heef drie standbeelden) aan de zamenvloeing van Groote- en Kerkstraat veel gunstiger.

ocr page 12

10

Maar waarom gaat Kleef in het ver verleden stof zoeken tot het africhten van standheelden ? In de loop van deze eeuw heeft het beroemde mannen genoeg geleverd, als (alphabetisch):

Berghaus, professor te Berlijn, een der grootste aardrijkskundigen.

Vo'n Bernuth, regeeringspresident te Arnsberg.

Beuth (P. C. W.) de man aan wien geheel Pruissen, na 1815 de algemeene technische ontwikkeling te danken heeft.

Von Dankelman de minister van justitie, onder twee Primsische kaningen.

Von Biest, bekend luitenant Generaal.

Fokke, geheime Ober-Tribunalrath in Berlijn.

Gudde, de beroemde professor in de krankzinnigheidsleer. koninklijk vermoord, {zie boven)

Von Hymmen, president van het hof van appel te Dusseldorf.

Von Müntz, Oberlandsgerichtpresident te Munster.

Von Rappard Oberlandsgerichtpresident te Hnimii.

Von Reynmann, regeer in gs-p resident te Aken.

Drie heeren Sack, waarvan de een als Ober-president van l3ommeren zich in 1814 en 15 zeer verdienstelijk heeft gemaakt.

Drie heeren Schlechtendahl, regeerings-president enz. te Aurich Munster, en Paderboni.

Sethe president van het haf van cassatie te Berlijn.

De beroemde jezuit Grolman, en de bekende cttvallerie-generaal Seydlitz genoten hunne opvoeding in Kleef.

De groote Hollandsche schilder Govert Flinck en de verdienstelijke Nederlandsche staatsman. Gericke, zijn ook in Kleef geboren.

En hie/mede is mijn lange, maar zeer noodige inleiding ten einde, en gaan wij over tot het hoofddoel der causerie.

ocr page 13

Hollanders in Kleef.

Kleef (Clove) is een lieflijk woord voor elk reislustig Nederlander. Een tocht daarheen was vroeger een meer aristocratische uitstap, toen de verbinding, zelfs tusschen Nijmegen en Kleef slechts langs zand of kleiweg te vinden was, en er geen waterweg, of straatweg, of spoorbaan heenvoerde, maar thans nu men over Nijmegen, dat de beste en goedkoopste route is, in drieen een halfuur van An! sterdam en Rotterdam in Kleef zit, en men zesmaal op een dag kan aan komen, nu is een Kleefsche reis voor een ieder toegankelijk, en in den zomer biedt menigmaal een zoogenaamde pleiziertrein, het minder gefortuneerde publiek, voor één gulden heen en terug, de gelegenheid aan, om zich, voor weinig geld, één recht aangenamen dag te bezorgen. De Haarlemiet, die 's morgens vroeg zijne vrouw vaarwel kust, kan haar 's avonds reeds rapporteeren, dat de Kleefsche bergen toch nog hooger zijn dan de Zomerzorgsche duinen achter Bloemendaal, en wanneer manlief eene kleine koude keuken medevoerde, dan heeft hij zeker al zeer weinig verteerd. Maar behalve die pleiziertreinen, is er geen heldere zomerdag, zoowel Zondags als in de week, of men ziet per eersten trein scharen van Hollanders, de provincie hunner woonplaats dikwijls verradende door gouden kap of oorijzer, per gewone gelegenheid, op een dag heen en weer. Kleef met een bezoek vereeren. Wanneer wij, die in Kleef wonen, zulke troepjes (want alléén doet men zulk eene tocht niet), de heeren met demi-saison, de dames met omslagdoek, door beide seksen, over den arm gedragen, naar berg of naald of Mauritsgraf, zien heendwalen, of onder de veranda bij Maywald laag op natuur en natuurgenooten neerzien, dan zeggen wij tegen onze buren „kijk! daar komt weer een troep dagjesmenschen aanquot;. Aan die dagjesmenschen wordt weinig verdiend door het Kleetsche neringdoende publiek; winkels worden niet door hun bezocht, als mogelijk een enkel photographie-atelier; alléén wandelen is hunne dagtaak geweest, en geheel onbekend met den weg, en toch aan tijd en uur gebonden, is het zoeken naar de fraaiste punten reeds eene afzonderlijke afmatting, die de reislustigen soms aameohtig

ocr page 14

in het station doet neervallen, om daar het laatste, mogelijk hun eenigste glas bier te verorberen, dikwijls kort voor dat hunne trein vertrekt. Dat stationsbier is heerlijk; de kastelein steekt dagelijks een versch vat op; de rest van dat vat gaat in kruiken naar de stadsche klanten.

De grootere en kleinere tempels waar de waarachtige bezoeker uit Nederland offert, zijn de, hotels (alphah. gesteld), Badhotel, Holtzem, Koek, Loock. Maywald, Prinsenhof, Robbers en Styrum; de laatste echter slechts eene bij wagen van den eersten, verder een groot dozijn logementen van den tweeden en derden rang. Gedeeltelijk ingevolge informatie, aangevuld döor eene vrij gegronde taxatie, kan men aannemen, dat genoemde inrichtingen gezamenlijk een kleine zes honderd bedden beschikbaar hebben. Maar bovendien is er een schat van inwoners die, gedurende de zomermaanden, kamers of halve kwartieren verhuren: leden van den raad, zoowel als andere honoratiores schamen zich niet op die wijze van hunne aangenaam gelegene villa's enz. te profiteeren. want bij den strijd „um das Daseinquot;, moet men den Duitscher de eer geven, dat hij zich niet door een valsch eergevoel binden, noch een eerlijke verdienste of winst, voorbij laat gaan. quot;Van zulke villa's genoten dan ook in het vorig jaar, een paar professoren van Nederlandsche Academiën, met hunne familiën. Die wijze van verblijf in Kleef is natuurlijk veel goedkooper en vrijer, ofschoon men van de hotels zeggen kan, dat zij niet boven mate rekenen. Zij, even als de meeste Kleefsche „Geschaftequot; hebben de meening, die in Duitsch-land vrij rer-u is, dat de Hollanders, vooral de reizende Hollanders, „Steinreichquot; zijn, gelukkig tot een vrij laag peil laten dalen.

Wij spraken hierboven van die dagjesmenschen. Onder deze zijn er ook wel die een goed diner nemen in een der hotels, meestal bij Maywald, (waar een vergezicht is, zooals in Nederland weinig voorkomt), zoodat bij laatstgenoemde wel eens dagen zijn, dat er een driehonderdtal aan den middagdisch aanzitten, doch dit zijn of potverterenden, of veelal jongelui die eens een vroo-lijken uitgang bedoelen, en het onverschillig is of zij dat in Kleef of in het Scheveningsche badhuis genieten. Dat zijn echter de echte Kloef-bezoekers ook nog niet. De natuurschoonheden van Kleef, wier beschouwing minstens dagen zouden vereischen, wordt door hen slechts een enkelen tocht, bijv. naar den Kleefschen berg, waardig gekeurd, en ze zijn te Rome geweest zonder den Paus te hebben gezien. Eenigermate treft dit oordeel ook de bezoekers, die dagen, soms wTeken blijven. Hebben zij al eens een wegwijzer aangenomen, dan is dat doorgaans een persoon, die hen slechts naar de meest bekende pnnten leidt. Neen! zulke bezoekers hebben tijd genoeg, de bijna nog correcte kaart van den Thier-garten en omgeving, die voor eenige jaren bij den boekhandelaar

ocr page 15

Char uitkwam, of de „Pührer durch Clevequot; van Ivnixjping te raadplegen; met een van deze of met mijn brochure in de hand. moet men zelf de ontdekkingstochten regelen en leiden, en de beste topograaf van het gezelschap moet dan de aanvoerder zijn. Dan kan men op schilderachtige plaatsjes aanlanden die dikwijls de gewone Kle-veriaan zelfs niet kent. Het Reichswald is, wanneer men den gewonen weg volgt, eentonig en vervelend, doch wanneer men t—y het ingaat van de westelijke zijde der gemeente Materborn die,

een enclavement van het grondgebied van Kleef is, dan vindt men er stille landschappen, die treffen, en nooit te vergeten zijn. Zoo ook de schilderachtige weg langs de Echo, (een echo die 's winters zwijgt). Wanneer het zoogenaamde graf van Prins Maurits, het doel der wandeling is, neme men eene versterking, of in de beide Bergendal's, of in de nette en door mooie gezichtspunten verrijkte uitspanning, de „Fasanengartenquot;, en men stappe met frissche krachten, niet den weg op. langs welken men gekomen is, maar men ga dwars door de bosschen heen, die vóór genoemde uitspanning liggen, en men /.al zijn moeite rijkelijk beloond vinden. Achter dat lokaal is de Papenberg, waarschijnlijk zoo genoemd naar het kapelletje dat Prins Maurits er bouwde, waar hij zijn morgengebed deed, en soms liet prediken. Van dezen berg heeft men een verrassend uitzicht op Kleef; dat yerzuime men niet, vooral als men zich ontnuchterd heeft gevoeld door het aanschouwen van het weinig sierlijke graf van den verdienstelijken Prins, die, in acht jaren tijds, in Brazilië wonderen van ontginning en ontwikkeling heeft verricht, en Nederland daar bekend maakte, doch helaas! te vroeg vertrok, en later het moest vernemen, dat al zijn energie niet begrepen, noch tot leiddraad voorde toekomst geworden was. Als herinnering nu aan den neef van onzen grooten stadhouder Maurits, is die ijzeren kist of kast, die als het zoogenaamde graf van Prins Maurits alhier bekend is, door hem zeiven opgericht. Hij liet het stuk te Siegen gieten, bouwde er een halvemaanvormigen muur voor, en versierde deze met Romeinsche oudheden, die in den omtrek gevonden waren, waarvan echter vele door de Pranschen vernield zyn. De onderprefekt G-ruat, heeft intusschen in 1811 het graf laten restaureeren, daar het dreigde in te storten. Bij deze gelegenheid werd de steen met het Latijnsch opschrift geplaatst, die men er nog vindt. Er zijn helaas! Hollandsche bezoekers, die meenen, dat onze stadhouder daar rust. Het punt, waar dat grove ijzeren product van Nassau's gieterij staat, is niet onaardig gekozen, doch dat verhindert niet dat alle illusie wegvalt, als men weet dat de Braziliaan, later generale commandant van onze cavallerie, en nog later in Brandenburgschen dienst, stadhouder van Kleef, daar niet ligt en er nooit gelegen heeft. De man, die dan in het slot te Kleef

*

ocr page 16

14

resideerde, en dan weder in het door hem gebouwde Prinsenhof, en vele schoone wandelingen aanlegde, heeft steeds gezocht in en om den Thiergarten, ook in het park van het Prinsenhof, waar hij zijn mausoleum zoude plaatsen; het plekje dat de wandelaar nu aanschouwt, koos hij ten laatste. Daar moest zijn stoffelijk overblijfsel rusten, alleen zijn hart zoude naar Siegen overgebracht worden; doch op zijn sterfbed herriep hij deze bepalingen, en gaf order dat zijn lijk maar dadelijk ingepakt en in zyn geheel, dus met het hart er in. naar Siegen moest gevoerd worden; dat is ook plechtig geschied. Maar nu, twee eeuwen na zijnen dood, trekken wij nog naar het geschiedkundig Mekka dat niet bestaat. Aan Maurits heeft Kleef veel te danken, doch jammer is het dat zijn manier van doorzetten wel eens in onrechtvaardigheden overging; zijn verlangen toch om langs den korsten weg naar buiten te rijden, deed hem den kerkhofmuur en een bijgebouw van de groote katholieke kerk eigenmachtig afbreken, benevens woningen aan haar behoorende. In één nacht bouwde hij tot schrik van de omgeving de Nassau's poort.

Hat heerlijke uitzicht aan het hotel Maywald heeft aan de zuidzijde van Kleef drie concurrenten; één van den Slotberg uit, waar het koffiehuis is van Stiebels, dan aan het voormalig Prins Wal-decksche paleis, door Prins Maurits gebouwd, thans hotel Prinsenhof, waar vooral de terras-vormige aanleg zeer schoon is, eindelyk op het groote buitengoed Bellevue, dat thans uit de hand te koop, en een werkelijk „steinreichquot; Hollander zeer aan te bevelen is; vroeger was het eene bezitting van van Spaen, die er twee malen Prederik de (iroote logeerde. {')

Wat men nergens zoo uiteenloopend fraai vindt, is de ligging van de groote hotels alhier; elders variëeren ze alleen door inrichting, doch hier kan men vier jaren achtereen een ander hotel bezoeken, en men ziet steeds iets anders; de hotels Maywald ea Prinsenhof zien over de verre vlakten naar Goch en eene massa dorpen heen, doch elk weer op verschillende wijze; van het Badhotel heeft men een lieflijk uitzicht op den Forstgarten en de daarvoor liggende rijk gestoffeerde bloemperken, welke „Garten'', door de bergen tegen den scherpen westenwind beschut, het eerste groen en den eersten nachtegaalslag biedt; hij is 30 Hectaren groot; het tegenover liggende hotel Styrum, naar eenen vroeger gravelijken bezitter alzoo genoemd, heeft een indrukwekkend uitzicht, èn op de vier terrasvormig aangelegde fonteinbassins,

(t). Frederik was er gaarne, en toch kwam hij er slechts 2 maal, dewijl het hem tegen de horst stuitte in Kleef te komen, waar men door een oud privilegie vrij van militairen dienst was, doch met de verplichting zelve hunne stad te verdedigen.

ocr page 17

15

waarvan in eene een Minerva staat van Uarrarisch marmer, door Quellijn vervaardigd, en door de stad Amsterdam aan Prins Maurits vereerd, — èn op eene daarboven uitstekende gedenknaald, waarop de namen zijn vermeld van inwoners van Kleef en omstreken, die in 1870 en '71 sneuvelden, en waarboven een krans hangt, die jaarlijks wordt vernieuwd. Aan den voet van dezen gedenknaald-berg, de Spriogenberg, waarvan men Hoog-Elten ziet liggen, is een open koepel tempeltje, dat eens het middenpunt was van eene groote kolonnade, die echter door de Franschen vernield is. Het was scout van die Franschen, die op hunne tochten daar altijd nog al een handje van hadden, doch stouter ziet daardoor nu die groep er uit, die ik zoo even beschreef, want by zooveel fraai hout, waarmede de heuvels achter het Badhotel en het hotel Robbers begroeid zijn, is eene, toch altijd stijve kolonnade, geen sieraad. Uit het hotel Robbers eindelijk heeft men weer een geheel ander uitzicht; daar heeft men de fonteinen en profil, en uit de glazen zaal, die voor eenige jaren gebouwd is, is het vergezicht op den straatweg naar Nijmegen, en op het Schütsenhaus, en op het buitengoed (inadenthal, alleraantrekkelijkst; men ver-zuime niet daar eens „gemüthiichquot; een kop koffie te gaan drinken.

Het hotel Robbers is verreweg het oudste der hotels alhier. Op den gevel leest men het jaartal 17ö2 en het versje:

(jott schütze dieses aites Haus Und alle die gehen ein und aus.

Ue overige hotels zijn jeugdiger: de vader van den tegenwoor-digen bezitter van het hotel Maywald begon hot in het begin dezer eeuw; de andere zijn eerst van veel lateren tijd. Het Badhotel, om de daar vlak aan liggende ijzerbron, heen gebouwd, vooral op het veerkrachtig drijven van den kortelings overleden, zeer verdienstelijken doctor Arntz, rendeerde, hoe fraai gelegen en doelmatig ingericht ook, niet genoeg om de interessen van beuwen aanlegkapitaal te dekken; de nieuwe en ervaren directeur dier grootsche inrichting zal er nu wel nieuw leven inbrengen; men eet er nu ook al beter dan vroeger. De 32 groote en kleine badkamers zijn modellen van inrichting en van flinke ruimte, die elders niet overtroffen worden.

Maar keeren wij tot Robbers terug. Ook die naam is oud, want reeds de overgrootvader van den tegen woordigen bezitter R. zat op dat goed; hij breidde het uit en maakte het tot een hotel. Vóór bijna anderhalve eeuw heette het het „Brunnem Wirthshausquot;; toen wandelden de logé's van daar naar het „Brun-nen-Trinkhausquot; dat tegenover de bron lag. Jammer dat de meeste hotels slordig zijn op hunne vreemdeling-boeken; ze konden langzamerhand historische en justitieele waarde krijgen. De heer Robbers heeft ze niet vroeger dan van 1833. Op aanzoek laat

ocr page 18

TÜ

hy die volgaarne zien, en legt u tevens een viertal platen voor van den ouden toestand en omgeving van zijn huis. De heer Robbers is een zeer verdienstelijk en humoristisch dichter. In zijn vreemdelingenboek vond ik, dat ook vóór 50 jaren de bezoekers voor 9j10 .ut Nederlanders bestonden, en het hotel ook toen, zooals vroeger en later, een eenigszins meer aristocratische tint had, dan die der collega's. Zoo logeerde er den 8 Sept. 1843 Koning Willem II met zijne adjudanten Nepveu, Coohoorn en Heemskerk en de Kroonprins met gemalin, komende van 's Hage en gaande naar Keulen; later overnachtte de Kroonprins er nog eens, langs dezelfde route reizende. De meeste Nederlandsche hoogleeraren bezochten in dien tijd dat hotel. Achter het hotel heeft men de rand van zeer hooge heuvels, o. a. de Butterberg, van waar men de Rhijn met hare begrenzingen duidelijk zien kan.

De hoogste punten van de Thiergarten, die 700 hectaren groot is, noemt men „de Kleefsche berg,quot; en „de Sterrenbergquot;; op den laatsten loopen elf lanen uii, die alle trechters zijn voor fraaie vergezichten; de Kleefsche berg geeft weer een ander overzicht over de omgeving, en dit is wel het ruimste en het fraaiste. Men ziet Nymegen; Emmerik en een schat van dorpen liggen, en met helder weer, zegt men, ook Doesborgh, ja zelfs den hoogen toren van Rhenen te kunnen zien. De top van den Kleefschen berg, is evenals de spits van de Zwanentoren bijna 400 voet boven het mid-denpeil van de Noordzee. Vroeger stond hier de galg en heette hij daarom Galgenberg, doch Koning Frederik I, die zeer in den geest van Prins Maurits handelde, verplaatste het gerecht, en liet den bergtop effen maken, en hier en daar ophoogen, ten einde in het midden een lindenboom te plaatsen. Bij die galg hebben de vaderen het niet gelaten, want op de groote en kleine markt stonden ook schavotten, en werd daar onthoofd. — Joh. Willemsen „König der Wiedertaüfer üm Wesel, enzquot; werd op den Heiberg met drie zijner gezellen verbrand; hij, na scherpe marteling, ten einde zijne bekentenis te erlangen, levend, de ander na verworging. In Dr. Scholten's „Die stadt Clevequot; vindt men vyf bladz, vol met allerlei ten uitvoer gelegde straffen van 1526 — 1701. binnen Kleef.

Het ligt niet in mijn plan alle mooie punten van Kleefs onmidde-lyke omgeving op te geven; men kome en zie, doch op een paar flinke wandelingen heb ik nog te wijzen. In anderhalf uur kan men op het kasteel Moyland zijn, de bezitting van den Haagschen kamerheer Baron Steengracht. Neemt men den weg niet langs den straatweg, maar langs het dorp Bedburg, waar eens een adelijk jonkvrouwen-stift stond, door onzen oud-minister baron Sloet van den Beele beschreven, en het slot Rozendaal, dan heeft men een verrukkelijke wandeling gemaakt. Dat uitstapje moet men niet

ocr page 19

verzuimen. Door vrijgevigheid des barons is het geheele kasteel te zien, .waar schatten van schilder- en beeldhouwwerk bewaard worden; wij noemen slechts uit het vele, een portret door Greuze, dat op eeno waarde van een ton gouds wordt geschat. Ongestraft kan men daar zitten op de stoelen, die eens de zetels waren van Frederik de Groots en Voltaire; aan den eerste behoorde Moyland. Op dit uitgebreide goed vindt men nog zwaarder boomen dan by Kleef.

quot;Wat veranderen toch geld- en waardeverhoudingen! Op het-slot Monreberg gaf graaf Otto I van Kleef, in 1307, aan Jacobus van Egeren en zijne nakomelingen het allodial-goed Moyland, tegen den jaarlijkschen cijns van twee kapuinen. Door huwelijken kwam het achtereenvolgens aan een Weckede, een Bronkhorst en een vorst van Croy. In de 17e eeuw werd het door de familie van Spaen gekocht, maar reeds in 1695 aan den keurvorst van Brandenberg, den lateren eersten koning van Pruisen verkocht; zijn zoon en kleinzoon waren er, evenals hij, zeer gaarne, gebruikten het vooral als jachtslot. Daardoor is het vreemd dat de groote Frits het zoo spoedig aan de familie Steengracht van Oost-kapelle verkocht, doch hij had geld voor zijne oorlogen noodig.

Op een uur afstand van Kleef kan men nog twee andere punten bezoeken, het gedenkteeken aan de 17-jarige Johanna Sebus gewijd, de verongelukte redster in den watersnood van 1809, door Goethe bezongen, wiens lied op muziek is gebracht, en de Schenkenschans, voor ons zóó historisch bekend. Van de verdedigingswerken aldaar zijn nog enkele aarden wallen over, waartusschen een tweehonderd inwoners verblijven; belangwekkend is het daar by den predikant herinneringen aan het beleg van 1636 te gaan zien; zeer beleefd toont hij die, en geeft gaarne een kogel uit dien tijd cadeau. Ook Emmerik is in anderhalf uur te bereiken; daar vindt men belangrijke katholieke kerken. Het gedenkteeken van Johanna Sebus, die het slachtoffer werd van hare heldendaden, is door Napoleon de eerste opgericht. Een schilderij het omkomen van J. Sebus voorstellende, hangt op het stadhuis te Kleef. — De forellen vijvers, een half uur ten noorden van Kleef aangelegd, zijn wel niet van groote beteekenis maar liggen allerlietst in het hout verscholen.

Wil men rijtoeren maken, dan is in de eerste plaats een tocht naar Calcar aan te bevelen, eene plaats die bezienswaard is, ook al weer om hare kerk, waarin prachtig beeldhouw-, snij- en schilderwerk is, het laatste vooral van den beroemden Jan van Calaer. Een kwartier achter Calcar ligt het schilderachtige Monreberg, vroeger een Romeinsche bevestiging, later een burg van de graven van Kleef, die er in 1334 (Diederich IX) een Canonicat-stift stichtte; die burg is in het laatst der 17e eeuw verdwenen. — In even zooveel tijd kan men de Plasmolen bereiken, waarheen de Nymegenaars

ocr page 20

18

hunne liefste uitstapjes maken. Neemt men echter een rijtuig, men bestelle het zelf, niet door een tusschenpersoon, want dan betaalt men dikwijls zoo veel guldens als anders marken, tollen heeft men niet, en de fooien, bij zulk eene gelegenheid, zijn matig.

Wil men voor de afwisseling een bedrijvig en net landstadje zien, men stoome dan in SU minuten naai- (joch; om dan tevens door te stoomen naar Xanten, belangrijk om zijn St. Victorsdom met 23 altaren en zijn oudheidkundig museum. Alhier heeft keizer Napoleon een gedenkteeken gesticht ter eere van den Amsterdamschen geleerde C. de Pauw die te Xanten 5 July 1799 stierf.

Heeft men al die tochten gedaan, dan heeft men zijn tijd goed besteed, en de naaste omgeving van Kleef voldoende doorreisd.

(jaan wij nu naar Kleef teru^.

In de eerste plaats de kerken. De groote kerk, die der katholieken is een imposant gebouw uit de 14e eeuw. Zeer bezienswaardig is daar de graftombe van Adolph, den laatsten graaf van Kleef, en die van zijne vrouw, Margaretha, dochter van den graaf van den Berg. Boven dit graf hangt nog de speer, waarmede Adolph den helm van het hoofd zijns tegenpartijders Beinhold van (jelder in den veldslag afstootte. In de gewelven onder de kerk rusten nog de lijken van twee graven, drie hertogen en vier hertoginnen. Zeer rijk is het archief dier kerk, ofschoon ook daar, zooals in zoo vele archieven, in de tijden dat het toezicht daarop zeer gebrekkig of in oneerlijke handen was, veel belangrijks verdwenen is. Een der belangrijkste vermissingen is wel die van de „Uopiarium capltuli Clivensisquot; in folio gedeeltelijk op perkament geschreven. Dit belangrijk stuk werd door den deken van Spaan geleend aan zijnen aanverwant, onzen geleerden van «paan te 's Hage, en is nooit teruggegeven. Met grond wordt vermoed, dat dit stuk in het archief van den hoogen raad van adel te 's Hage berust. Den 12den Aug. 1341 werd de eerste steen van het koor gelegd door graaf Diederick IX, op de plaats waar vrooger de Johannes-Kerk gestaan had. Eerst na 80 jaren werd de kerk voltooid en aan de hoede van de apostelen Petrus en Paulus aanbevolen. Toen Johannes II ze tot Pfarrkirche verhief, bekwam ze den titel „ad divam virginem assumtamquot;. Aan weerzijde van het hoogaltaar heeft men het Maria- en het Kruisaltaar; de beide andere altaren zijn aan Ueorg en aan Anthonius, den heremiet, gewijd. Men had vroeger nog meer altaren. De kerk gaat eene groote vernieuwing te gemoet; zij wordt geheel opgeschilderd en bekomt eene keurige communiebank, liet werk van onzen beroemden Bosschenaar, van der Geld, die reeds zooveel voortrettelijks geleverd heeft, waaronder ook de prachtige kruisweg in deze kerk. Daarbij ontving de deken, pastoor

ocr page 21

19

dezer kerk, dezer dagen 6000 th. voor het orgel, en bovendien prachtige mis- en altaarkleeden, in het klooster te Simpelvelde geborduurd. De zuidertoren is 184 voet hoog; de andere is (gothischerwijze) iets lager. Bi] de kerk waren vroeger ook hofjes voor armen, doch die zijn verdwenen; vooral de Vincentius-vereeniging en dan het stedelijk armbestuur, voorzien geheel in de behoefte, nu klooster en Munt zoo voortrettelyk iagericht zijn. In de vorige eeuw werd in de groote kerk zondag 's morgens in het Nederduitsch gepredikt.

Een tweede katholieke, keurig nette kerk, in 1291 voltooid, is de zoogenaamde bijkerk of Minoritenkerk, die men evenzeer moet gaan zien, even als de veel kleinere kerk in het (Japucijner klooster, waar de biechtstoelen zeer practisch in den muur zijn ingebouwd; de laatste staat eenigszins noordwaarts van den Thiergarten, buiten de gemeente Kleef. In de bijkerk is een prachtig stuk van Quellijn, de aanbidding der drie koningen voorstellende, en tevens, evenals in de groote kerk, een zeer traaie kruisweg; ook het fijn gesneden koorgestoelte en de kansel, kunststukken uit de 15e eeuw, zijn zeer bezienswaard. In deze kerk zijn 13 Duitsche edellieden begraven, die zich aan straatroof schuldig hadden gemaakt, en die door hertog Johann 111 in het jaar 1561 tot de straf van het rad werden verwezen. Deze kerk slaat op de plaats waar eens de Rhyn vloeide.

De beide evangelische kerken zijn zeer goed onderhouden; de kleinste er van is een antiek gebouwtje dat uitmunt door netheid; het orgel in de groote kerk is zeer goed. De ligging der laatstgenoemde is zeer onpraktisch, doch heeft men ze daar tegen de fondamenten van den slotburg aangebouwd, ton einde de kerkgang van prins Maurits gemakkelijker te maken ; anders was zij in de Haagsche straat verrezen. Ik geloof niet dat in den gevel van deze kerk, de gulden letters D. O. M. staan, anders moesten de letters „M. O.quot; er bijgevoegd worden. Deze kerk heeft 17.000 th. gekost. Zii bezat ook nog een zilveren schotel, die onze prins Maurits, als peet van den Kleefschen Maurits bij diens doop geschonken heeft. Deze liet er in denzelfden stijl eene kan by vervaardigen en schonk beide aan deze kerk; de schotel is echter later verkocht voor 17.000 M. Twee predikanten voorzien in den dienst. In de laatstgemelde kerk wordt de liturgie met responsoriën gehouden, dat in het noordelijk deel der Rhijnprovincie weinig meer voorkomt, althans niet in de kreis Kleef, waarin veertien protestantsche gemeenten liggen.

Vreemd is het dat de alhier soms weken lang logeerende .Nederlanders, des Zondags, zoo bitter weinig de protestantsche kerk bezoeken. Ook daarin moet ik tot hun lof de katholieke logees prijzen, die hunne heiligdommen niet onbezocht laten. Het

ocr page 22

20

voorwendsel dat een mis, ook in vreemde landen altijd te volgen is, doch een Duitsche preek niet, gaat niet op, want eiken Zondagmorgen wordt in het Nederlandsch gepredikt in de kerk der Doopsgezinden; men hoort daar een begaafd leeraar van de evangelische richting. Dit kerkje is als gebouw, de minste der broederen ; het staat aan de groote markt. Het is in 1682 gebouwd.

Weinig Israëlitische gemeenten, ook in ons land, hebben eene zoo nette synagoge als die van Kleef, die in 1820 opgericht is, en op een heerlijk punt bij den Slotberg ligt. De in 1671 gebouwde Synagoge lag in eene steeg.

In vroeger tijd had men hier ook eene Luthersche gemeente met twee predikanten, en eene Fransch hervormde gemeente, die hare kerk op het slot had.

Van de overige gebou wen moet men vooral bezoeken het slot, waarvan de helft verdwenen is, en waar nog enkele Romeinsche oudheden te vinden zijn. Het staat op oude fundeeringen, doch waarschijnlijk niet uit den tijd van Julius Crosar ; de Zwanentoren dateert eerst van na 1439, toen eene vroegere toren geheel instortte, die waarschijnlijk omstreeks het jaar 1020, door den eersten erfgraaf gebouwd was. En bovendien is wat van Kleef, vóór de elfde eeuw gezegd wordt, geheel legendarisch. Dr. Soholten toont dat duidelijk aan; vóór dien tijd wordt er van geen Kleef gesproken. Doch hoog op te klimmen in de geneaologie der steden of staten, is eene oude kwaal; denken wij slechts aan onzen Friso. Ruime zalen dragen nog kenmerken dat het eens de woonstede was van de graven en hertogen van Kleef. De groote keurvorst, gehuwd met Louise, de dochter van onzen Frederik Hendrik, was zeer met Kleef ingenomen; hij noemde het „sein zweites liebes Potsdamquot;, en vergrootte en verfraaide het slot zeer, waarschijnlijk ook wel om zijn innig geliefde gade de nabijheid van haar geboorteland des te aangenamer te maken; zij heeft er slechts een paar jaar van kunnen genieten, daar zij reeds in 1667 overleed. Het slot ligt op een der drie bergen waarop Kleef gebouwd is; men heeft van den toren, ja zelfs reeds van het terras er om heen, een der schoonste uitzichten van Kleef. Het daaronder liggende Kermisdal, een langwerpige waterkom, die door het vóór circa een halve eeuw hergraven spuikanaal met den Rhiju in verband staat, is het overblijfsel van eenen vroegeren arm van den Rhijn In het slotgebouw is thans het „land- und schwür-gerichtquot; een mixtuur van onze gerechtshoven en rechtbanken, en het ambtsgericht, gevestigd. Het is een aparte promotie hier land-richter te worden, want die heeren bebben het schoonste uitzicht van al de landgerichten in Pruissen. De antieke bijbouw van het slot is de gevangenis, die plaats heeft voor nagenoeg 200 logés.

Ik sprak zooeven van het Spuikanaal, dat is eerst, na vele

ocr page 23

21

overstroomingen en toeslibbingen in 1841 voltooid en heeft aan Kleef eene haven bezorgd. Men vertelt wel eens dat de Hollanders per trekschuit hier aankwamen, doch dit is niet denkeUjk; wel lees ik dat in de vorige eeuw de reis per beurtschip werd gemaakt, hetzij tor, Wesel, en van daar per as naar Kleef, doch thans bestaan ook die buurtveeren niet meer.

Aan dat spuikanaal ligt eene goede stedelijke badplaats, waarvan ook het garnizoen gebruik maakt. Dat garnizoen, een fusi-lierbataillon van het 56e infanterie-regement, 500 man sterk, logeert in een gebouw, door de stad aan het rijk verhuurd. Dit gebouw is niet uitstekend, maar toch geschikt. Mij trokken aan uet gezellige van de kamers, kleiner dan in nieuwmodische kazernes, niet meer dan S a 10 man op elk, en de badinrichting met douches. De cantine, vooral die voor de manschappen is er te klein. Het bataillon heeft een zeer goed muziekkorps, dat ook wel in Holland kunstreizen maakt, en dat eene goedkoope gearig-heid aan Kleef geeft, even als het geheele officierskorps, met zijnen beleefden kommandant.

Het stadhuis is een groot gebouw in de groote straat: het heeft een eenvoudigen gevel, maar bezit enorm veel ruimte, de raadzaal en de bijzalen, en de bureaux zijn zeer spatieus, ook daar kan kan men gerust ronddwalen, het wordt gaarne vergund. Op de bovenzalen hangen vele historische portretten en schilderijen onder de laatste is de grootste, maar niet het verdienstelijkste het tafereel van het omkomen van Johannna Sebus. Een kluchtig en te zeer gevulde schilderij is dat wat de tocht met het „gnadenzeilquot; (genadetouw) voorstelt. Bij de huldigingen van de Kleefsche vorsten was het namelijk de laatste plechtigheid, dat een ridder met een lang touw achter zich, verscheiden straten doorreed. Die nu eenige straf was toebedeeld, of zich aan overtreding had schuldig gemaakt, moest dat touw grijpen en vasthouden en naderde zoo den vorst, want aan den voet van den troon eindigde de ridder zijn tocht, met de tros die hij langzamerhand achter zich vormen zag. Nu gaven de zondaren hunne verzoekschriften over; alles werd ten spoedigste onderzocht, en vele bekwamen vermindering van straf, de meeste geheele kwijtschelding. De laatste maal was dat in 1786. De ridder was toen de Freiherr von Quadt, wiens nazaat thans het garnizoen van Kleef kommandeert. Door een brand in de 16e eeuw is van het archief bijna alles te loor gegaan. Belangrijke documenten vindt men er dus weinig; toch zijn er nog eenige oudheden, munten en penningen over, zelfs voorwrerpen uit de steenperiode, die bezienswaardig zijn, en waarvan eeneberedenee-rende catalogus bestaat. Ik zocht er naar stukken op ons land betrekking hebbende, doch die waren er niet. In dat gebouw is tevens een vrij flinke schouwburgzaal, waarin 600 personen plaats kunnen

ocr page 24

vinden, en waar menig goed stuk of concert gegeven wordt; voor het laatste leveren vooral de liedertafel en de jongelui van het gymnasium zeer goede koren; voor het eerste komen de krachten uit andere Rhijnlandsche steden, die vaste troepen bezitten; het een en ander geeft meestal goede rekening, dank zij de Duitsche ingenomenheid met zang enmuziek; door een niet al te hoog tarief is het dan ook onder het bereik van menigeen, die ten onzent te huis moet blijven.

Het „Stephansstiftquot;, alias het postkantoor, is een ruim, doelmatig gebouw, dat, door zijn verheven ligging zeer goed uitkomt. Door den Directeur tot den minsten beambte toe, wordt men vriendelijk en voorkomend behandeld, dat voor de vele vreemdelingen wezenlijk een tegemoetkoming is. Als zeldzaamheid is het der vermelding waard, dat één der postbeambte van eene familie is die 200 jaren aaneen, in den dienst van het Kleefsche postkantoor stond; deze nog zeer krachtige man bekwam by zijn 50-jarigen dienst de medaille van den rooden adelaar, en in November van het vorig jaar een pendule van Zijne Excellentie den Htaatsminisier Stephan, bij gelegenheid dat bovengemelde twee eeuwen vol waren. Voor 10329 inwoners in Kleef en 8388 daar buiten, doch die van Kleef uit besteld worden, bestaan 24 brievenbussen. In 1885 zijn aangekomen en verzonden 339.232 en 388.686 brieven, 97.074 en 139.436 briefkaarten, 143.272 en 160.080 drukwerken, 4108 en 4734 stalen. 274.063 en 51.429 couranten, 32.714 postwissels, tot een bedrag van 1.970.052 Mark; 2748 personen maakten gebruik de postwagens naar Calcar en Emmerik en betaalden daarvoor 2152 Mark. De ontvangsten bedroegen 2.062.850 en de uitgaven 1.661.745 Mark. Het personeel bestaat uit 9 „Oberquot; en 21 Onderbeambten. In deze statistiek treft meer bijzonder het montant der postwissels; in den handel wissel heeft het Pruissische publiek minder vertrouwen. Het gebouw zelf is tot 1802 het adelijk jonkvrouwen-stift geweest, dat vroeger te Bedburg stond; sedert 1821 is het postkantoor.

Behalve van bijzondere scholen spreekt men alhier in de taal der statistiek, wanneer er van het getal scholen sprake is, niet van scholen, maar van klassen, dewijl hier een onderwijzer aan het hoofd eener klasse meer op zich zeiven staat dan bij ons. Zoo zijn er dan in Kleef voor het lager onderwijs 18 Katholieke, 3 Evangelische en 1 Israëlitische klasse, en gaan er 1423 Katholieke, 165 Evangelische en 18 Israëlitische kinderen school, een totaal van 1606 kinderen, dat op eene bevolking van 10.218 inwoners, 1) ruim lö0/0 bedraagt, een prachtig cijfer, het gevolg der

') Het gelal inwoners vermeerdert zicli met schroomvallige schreden. Het was in 1702, 5265; in 1807, 4019; in 1816, 6511; in '1825, 7184; in 1834, 7190 en in 18'i5, 8232, Dus in bijna een eeuw, is het getal slechts eens verdubbeld

ocr page 25

23

sciioolpliclit. Bovendien zijn er nog twee goede meisjesscholen voor uitgebreid lager onderwijs. De eerste school werd in 1356 opgericht en de kapelaan Heymerik (een recht Hollandsche naam) werd er de eerste schoolmeester. Eéne regeling kunnen wij wel van de Duitschers in overweging nemen, namelijk de godsdienstige openbare scholen; dat zoude ten onzent de quaestie van het onderwijs, en van artikel 194 van de grondwet, geleidelijk oplossen. Alle lagere scholen zijn openbaar, en worden geheel door de burgerlijke gemeente onderhouden, ja zelfs op de pariteits-scholen. krijgt de catechismus zijn beurt; en dit systeem wordt gevolgd tot in de hoogste klassen der gymnasii. In het gymnasium en op de landbouwschool te Kleef worden wekelijks 8 er; 13 uur godsdienstonderwijs gegeven door twee katholieke en één evangelische geestelijken en één leeraar. In de eerste en tweede klasse van de landbouwschool bijv. worden in dit jaar gegeven, voor de katholieken, de tien geboden, de leer der genademiddelen, bijbelsche en kerkgeschiedenis, herhaling uit het 0. en N. Testament; en voor de protestanten, het leven van Jezus, nieuwe kerkgeschiedenis vóór de hervorming en een der brieven van Paulus. In het gymnasium geeft een derde gymnasiaal leeraar het evangelisch onderwijs; hij besprak in het afgeloopen jaar de gelijkenissen, den brief aan de Romeinen, Luthers hervormings-geschriften na 1020, en herhalingen uit de kerkgeschiedenis. Dr. Scholten behandelde de laatste periode der kerkgeschiedenis, voor de katholieken, tot aan de hervorming, verder de Schepping en de Verlossing

Beide inrichtingen; gymnasium, dat in een voormalig nonnenklooster gevestigd is, en landbouwschool zijn uitmuntend, en zeer opmerkingswaardig voor familiën, die zich hier willen nederzetten; van reeds alhier gevestigde Hollandsclie gezinnen wordt er ook een gezegend gebruik van gemaakt. Onze beroemde Hertogen-boschenaar Dr. Molenschott thans Senator en hoogleeraar te Rome, en verdienstelijke predikanten, in Nederland, zijn leerlingen van het Kleefsch gymnasium, en voor onderscheidene Duitsche geleerden was het de Alma mater. Het schoolgeld bedraagt f 60. — 's jaars. Op 1 Febr. 1887 waren er 191 leerlingen en 14 leeraren. Door de oprichting van onze quot;VVageningsche landbouwschool, heeft die van Kleef natuurlijk geleden; toch zijn er nog twee leerlingen uit Holland en twee uit Java en in het geheel 121 leerlingen, waarvoor 12 onderwijzers. Het schoolgeld bedraagt 30 — 54 gulden; de daaraan verbonden „Ackerbauschulequot; kost f 24 per jaar. Het gymnasium is van het Rijk; de landbouwschool van de stad, met een ruime subsidie van het rijk. De laatste inrichting bezit een zeer doelmatig kabinet, de eerste in de aula een zeer goed beeld, uit vroegeren

ocr page 26

24

tijd, van Eumenius den rhetor uit de derde eeuw, waarvan de sage zegt dat hij in Kleef, dat toen nog niet bestond, eene school zoude opgericht hebben. Dit beeld moet uit het laatsce van de 15e Eeuw zijn, eerst op het slot gestaan hebben, en van 1820 In genoemde aula.

Ook moet men niet verzuimen op de kleine markt een koffiehuis te bezoeken, dat eens aan de groote keurvorst behoorde; daar zal men in de gelagkamer een zeldzaam plafond vinden, voorstellende de geschiedenis van Simson enz.; de gipsen beelden, die het voorstellen, zijn soms een voet en meer van de zoldering afhangende. Duizenden guldens is daarvoor geboden, doch men ziet nog geen middel om het er af te nemen en te vervoeren. Van Ivofflhuizen gesproken, recht gezellig komen Hollanders in dat onder het raadhuis bijeen. Bovendien kan het, behalve in tie hotels, ook zeer gezellig zijn bij Gaspari in de Bollensteeg, Bollinger op het hoogste punt van de Cavarinestraat, Kannegiesser, in de ïiergar-tenstraat, het Lohengrinkoftiehuis, en de Bruijn Ouboter op de kleine markt, Stiebels bij het slot en Oberman (de brave Dores) op de Haag-schen straat tegenover de stechbahn. Horion, op de groote markt enz. En wil men even buiten de stad een goed glas bier of een kop koffiy drinken, dan geniet men tevens prachtige uitzichten, op Adolphslust, op den Bresserberg en bij Grunewald (zie de kaart); wil men in het bo'sch een gulle praatster genieten, dan zoeke men de waardin in den laatsten stuiver op; verkiest men een betuwsch uitzicht, ga dan naar de restauratie „de stille winkelquot;, dat tevens een hulpstation van den Nijmeegschen spoorweg is. Bij de gelegenheden op verderen afstand, dié reeds hiervoor gemeld zijn, kan men dan nog, met bevrediging kennismaken met de wirthschaft het,, Waldschloschenquot; bij Donsbmggen, dat een half uur buiten de stad ligt.

Dan is het voor de langerverblij venden eene groote geruststelling dat er voor ziekenverpleging twee uitmuntende gelegenheden bestaan. Het voornaamste is het rijke klooster waar nonnen verplegen. Men vindt daar circa 100 bedden. Verscheidene Hollanders zijn daar opgenomen, die het zeer prijzen. Door groote erfmakingen is dat gesticht op eenen ruimen voet ingericht. Heb gebouw is prachtig, en ligt op een geheel vrij terrein. Die „barmhartige zustersquot; zijn niet verdreven geweest in de onteerende cultuurkampf. Zij gaan ook aan de huizen der inwoners kranken verplegen. Het vroegere klooster bij de daar nevenstaande kerkbehoo-rende, heeft tot andere doeleinden moeten dienen en is later verkocht Van het tegenwoordige klooster uit, worden door de Vincentius-Vereeniging. het armbestuur en de Kloosterdirectie zelve, 's winters minstens 17000 porties heerlijke erwtensoep uitgedeeld.

De tweede gelegenheid is het evangelische „Stiftquot; onder het

ocr page 27

■25

toezicht van den oudsten predikant. Tevens is het een oude mannen-en vrouwen-, en weeshuis; van de eerste zijn er weinige, van de laatste 32; men kan daar ook koude en warme baden bekomen. Van dat alles is, afgescheiden een gedeelte, dat weer voor de helft een goedkoop hotel-gaxni is, waar men nette inwoning en verpleging kan bekomen, heeren zoowel als dames, voor f 1,50 per dag; de andere helft is hospitaal, waar alles goed ingericht is; het gebouw even als de kamers zijn zeer ruim; een der voornaamste artsen practiseert daar; ook worden daar de zieke protestantsche militairen verpleegd. Jammer dat geen rijk geloofsgenoot er aan denkt deze inrichting geldelijk flink te steunen. Ook daarin geven de Katholieken een beschamend voorbeeld. Dooiden ijver en de spaarzaamheid van den predikant-curator gaat de inrichüng langzamerhand vooruit. Dit huis ligt voor en achter in eenen grooten tuin, die ruim een hectare groot is. Beide inrichtingen vormen eene verlichting voor de stadskas; daar bovendien het stadsarmenhospitaal, tevens oude mannen- en vrouwen- en weeshuis, in het voormalige muntgebouw, door vele giften en gaven gesteund, aan de stad betrekkelijk weinig kost. ') Het stedelijk budget is ook slechts 15244Ü Mark uitgaven, bij een ontvangst die 26,882 hooger is; zoo sluit ook de stadsarmenkas met een batig saldo van 8266 Mark, bij eene ontvangst van 84.263 Mark. De burgemeester is dan ook een zuinig en correct administrateur. Die man is de vriendelijkheid zelf, ook voor Hollanders. Ijverig is hij dagelijks acht uren op het stadhuis en voor een ieder te spreken, een elk geduldig aanhoorende.

Een ander vriendelijk man is de baron von Hövell, stamver-

') Mot een waar genot bezocht ik laatstgemelde inrichting, die bij de Kle-verianen weinig bekend, en daardoor te weinig ondersteund wordt. Eene vriendelijke priorin, van de orde van den heiligen Borromeus (ook in 's Hertogenbosch bestaat daar een afdeeling van), die aan het hoofd van tien nonnen staat, leidt daar rond. Alles is net en helder en frisch. 73 oudemannen en vrouwen, 51 weezen van beiderlei geslacht, en behalve de zieken uit die oudjes, werden er nog zes bovendien verpleegd. Vier krankzinnigen, waarvan twee cellulair opgesloten, vermeerderen nog bovendien de zorgen der zusters. Opmerkelijk is het haak- en borduurwerk der jongens. Ue zuster leermeesteres verzekerde mij, dat de jongens er meer geschikt voor waren als de beste onder de meisjes. Eene keurige kapel, zoo als men er niet vele vindt, waarin muurschilderingen van den beroemde Kevelaarschen schilder Stümmel bekroont het geheel. Dr. Scholten leest de mis en predikt daar. Te hopen is het, dat de stad spoedig wat te kosten legt aan uitbreiding van het gebouw; niet alleen de ongelukkigen, maar ook de devotie dier zusters is het waard. Eenige dames trekken zich het lot aan dier inrichting, maar die moesten tlinker gesteund worden. Dezer dagen zal eene loterij, door hen gevormd, nog meer steunen.

ocr page 28

'2ó

want van de familie hier te lande, die zicli van de reformatie af, verkeerdelijk van Hüevell spelt. Hij vertegenwoordigt de katholieke lijn van dat geslacht, en woont op een der fraaiste buitengoederen, tien minuten van Robbers af, Gnadenthal geheeten. Het vroegere klooster van dien naam stond eenige meters zy-waarts; dit werd in 1590 door de troepen van Prins Maurits vernield; van de overbiyfselen er van is voor een gedeelte het Prinsenhof gebouwd. Gemelde baron bezit een uitnemende verzameling van schilderijen, marmeren bustes, porselein enz.; het eerstgenoemde telt zeker wel een paar honderd stuks, bijna alles van de oude Vlaamsche en Hollandsche school. Een zeldzaam juweeltje er van is eene aanbidding der wijzen, op paneel; de vervaardiger er van is onbekend, doch bekend er van is de zeer hooge waarde die het stuk bezit. Wanneer men belet vraagt, ontvangt de baron met veel welwillendheid de waarachtig belangstellenden. Ook vindt men er nog enkele stukken uit de tweede Kleefsche school.

De schoone kunsten zijn hier altyd goed vertegenwoordigd geweest. Reeds in 1880 had men Hinrieüs, in 1390 Bernardus, in 1450 Hendrik Kremer, in 1503 Rutger en in 1530 ïylman, Haene en Paulus als verdienstelijke kerkenschilders.

25 Jan. 1615 werd hier de beroemde (iovert Flinck geboren. Deze werd wel een leerling van Rembrandt, doch hij bleef altijd de eerste Kleetsche school volgen, waar men zich veel op portretten vooral van regenten, groepen, vergaderingen, schuttersgilden (denk aan Flincks beroemd schilderij in Amsterdam) toelegde.

De tweede Kleefsche school was die van B. G. Koekkoek, die ons de hoogst verdienstelijke J. B. Klombeek, Anna van Sandick (beiden nog in Kleef), ïjarda van Starkenborgh en J. (j. Vogel doet bewonderen. Ue fraaie omstreken van Kleef lokten steeds goede kunstschilders. Ook beeldhouwkunst werd hier vroeg beoefend. Men heeft als „Byldensnijdersquot;, steeds in herinnering gehouden, Johan Steinacker (1481), Andreas van Cleve (1495), Bas-tian (1500), Wessel Holthuis (1528) en Jeromino (1507).

De rubriek „schoone kunstenquot; mag niet afgedaan worden, voor men hulde brengt aan den onvermoeiden en verdienstvollen musicus, den heer Fiedler, die met zijn aanvallige dochter, de uitnemende sopraanzangeres, ook elders bekend, de ziel uitmaken van de muzikale wereld in Kleef. Hij dirigeert in liet gemengd koor, dat jaarlijks drie a vier oratoriums ten gehoore brengt, en de liedertafel Concordia, die op eene beduidende hoogte staat, en die ik op den laatsten Zondag voor de Vasten van dit jaar eene uitvoering heb hooren geven, die een grootere zaal waardig was en niet beneden de Berlijnsche productiën staat. En zulke uitvoaringen kosten slechts 1 en 14|2 Mark. De heer Fiedler heeft tevens een

ocr page 29

„Muaik-Institutquot; opgericht, waar onderricht wordt gegeven op piano, en harmonium en theorie, in emsemblespel en het zingen, en dat slechts /'9, /'15 en /'18 per kwartaal kost. Het koor in de groote kerk is zeer verdienstelijk onder de leiding van den Leeraar Koenings. En die het noorden van de Rhijnprovinciën kent, weet ook de verdiensten van den heer Vos en zijne dochter, de pianiste, eu niet het minste van Mej. W. Sauberg, wier klavierspel met roem bekend is, op de rechte waarde te schatten. Zeer goede gelegenheid om piano's te huren is bij de heeren Rovvold pianofabriekant, en, bij het Cak-ar-depot van piano's van de heeren gebr. Neüheüs, beiden alhier.

Dan zijn er in Kleef twee stedelijke inrichtingen onder óune directie, waarvan de eene, de waterleiding, eene werkelijke kennismaking van uit Nederland waard is. De andere inrichting is de gasfabriek, die uit Hiberniakolen in het atgeloopen jaar 281218 kub. meter gas leverde, die 18 pfenningen per kub. meter kostte, dat zeker niet goedkoop is, doch welke prijs eenigermate wordt verholpen, daar voor kook- en fabriekgebruik slechts 12 pfenningen wordt betaald. Maar de waterleiding is een juweeltje. Vooreerst om het heerlijke welwater, dat uit twee zuivere bronnen wordt opgepompt, zoo zuiver dat een deskundig professor in Bonn verklaarde nooit zulk zuiver water te hebben aangetroffen: men kan het dus ongeftltreerd drinken. De laatste jaarrekening geèft aan, dat er 298.066 kub. meter water was geleverd. Ih den Kleefscheh berg is een reservoir, van 10U0 kub. meter inhoud, gebouwd. In het pomphuis zijn twee keurige stoommachines werkzaam, 'waarvan do eene löüu en de andere 1000 kub. meter per dag oppompt. In den zomer wordt een dubbele hoeveelheid water verbruikt als in den winter ; dit komt doordat dan de tuiniers en de tuinbezittenden en andere neringdoenden veel water tot begieten, als anderszins, noodig hebben.

Van neringdoenden gesproken, daarvan moeten zeer de winkels genoemd worden, vooral in de (jroote-. Haagsche-, Markt- en Cavarinusstraat en op de kleine markt, waarvan vele de Amster-damsche Kalverstraat tot een sieraad zouden kunnen strekken.

Noch in de geschiedenis van Kleef, noch in de uitgebreide litteratuur die over deze oude stad bestaat, wil ik mij verdiepen, daar mijn opstel dan wel driemaal zoo groot zoude worden dan dat wat voor mij ligt. Wil men van het eerste goed en grondig op de hoogte komen, men koope dan voor tien Mark de geschiedenis van de stad Kleef, of voor M. 3.30 de Kleefsche Kroniek, beide van Dr. Scholten, die leeraar is aan het Gymnasium en voorzitter van de „Verschönerungs-Verein,quot; en voege daarbij een bezoek aan dezen man, die voor geschiedenis en kunst leeft; behalve dat men bij hem een keurig kabinetje van schilderijen

ocr page 30

28

kan zien, leert men in hem iemand kennen van groote minzaamheid, die bij veel geleerdheid de gaaf bezit de uitingen daarvan steeds ten beste te geven in den vorm van nederigheid, eenvoudigheid, en blijkbare zucht van zelf nog veel te willen leeren.

Van de verdere litteratuur over Kleef, wil ik nog alleen twee geschriften vermelden; het eene beschrijft een tocht in 1797 door de gravinnen van Rechteren uit Utrecht gemaakt, onder geleid van den hoogleeraar Heringa, benevens zijne gade en moeder. Dat ging toen, om het zware zand, in een rijtuig met vier paarden bespannen, over Rhenen, het Leksheveer, verder over Hemmen een zoo naar Nijmegen, waar men overnachtte; men logeerde alhier in het hotel Robbers.

Het tweede draagt den titel van; „Amusements des eaux de Cleve oder Vergnügungen und Ergötzlichkeiten beij denen Wassern zu Cleve, enz. entworflen von einem Mitgliede der Brunnen Gesellschaft. Lemgo 1748. Het is in het Nederduitsch vertaald door I. de Beijer, onder den titel „Kleefsche waterlustquot; enz. het is waarschijnlijk middellijk of onmiddellijk van de hand van den eersten baddoctor, den heer Schutte, die de bron in 1742 in gang heeft gebracht.

Eindelijk over de bron en hare werking een woord.

Heeft eens de hertog van Bourgondie op zijn oorlogstocht in 1702 langs Kleef trekkende, gezegd dat zijn meester. Bodewijk XIV, er wel 80 millioen livres voor zoude hebben willen geven als hij de omstreken van Kleef bij zijn park te Versailles kon verplaatsen, wat zoude het hem dan wel waard zyn geweest als hij had geweten, wat 40 jaren later werd ontdekt, namelijk dat de bodem daar eens in vloeibaren staat genezing zoude verbreiden. Van alle zijden werd de bron bezocht, zoowel ook door Engelschen, die toen zoover niet reisden, verder door een waarschijnlijk nog grooter aantal Nederlanders. De lijst van badgasten, die het gemelde boek opgeeft, doet dat genoegzaam kennen. De werking van de Kleefsche bron komt de Pyrmontsche het meeste nabij, en men verkoos haar boven die van Aken of Spa, en de gemakkelijkere manier van reizen deed de gezonde tevens naai Kleef stroomen; en gingen de zieken verder, dan was het meer de speelzucht die velen naar elders lokte, want er was bijna geen badplaats zonder speelbank; van Norderney tot in Savoye, van Spa tot Carlsbad was het „rouge et noirquot; de magneet die aantrok. Kleef heeft zich daarvan vrij gehouden, en hare wateren werkten en werken daardoor nog des te beter, omdat de gestellen hier de kuur niet afwisselen met overspanning en nachtbraken. Opwindende bals of concerten heeft men hier niet; vóór het badhotel heeft men dagelijks muziek, driemaal in de week zijn bij de drie andere groote hotels ook concerten, en bestaat er

ocr page 31

29

lust en gelegenheid toe, dan eindigt men den avond wel eens met een geïmproviseerd dansje. Dat maakt een badkuur in Kleef dan ook niet duur. En werd het bad voor anderhalve eeuw geprezen; zijn lof is er niet op verminderd nu de beroemde Munchensche hoogleeraar Dr. Oertel onlangs gezegd heeft; „(Jieve ist leichs am als ein Ort zu betrachten, der vorzüglich tür die erste Kraftigung des Herzmuskels sich als geeignet erweisen durfte.quot; Het is juist de ligging van Kleef, het innig gezonde (het getal inwoners, dat hier boven de 80 en 90 jaren oud wordt, is legio) dat, gepaard met de werking van de bron, de genezing-zeer bevordert; bj de bronnenkuur heeft men alzoo ook de „Terrainkurquot; — zoo als een ander geleerde het uitdrukt. De herstellende van het vorig jaar leden aan bleekzucht, bloedarmoede, overvetheid, verzwakking door overspanning enz. Een collega van Professor Oertel heeft ook reeds vroeger geschreven „Clever Biider sind ganz vorzüglich insbesondere für die Bohandlung der Kreislauistörungen,hervorgerufen durch Schwache des Herrmuskels, (Fettherz und Fettsucht, Klappenfehler, Beeintrachtigung kleinen KreisLiufes durch Lungen-Emphysem, chronische interstitielle Pheumonie und Bronchiectase, durch Verkrümming der Wirbel-saule, durch den Druck pleuritischer Exsudate u. a. m.)quot;

Nevens de staalbron worden slikbaden, zwavelbaden, dennen-naaldbaden enz. enz. gegeven, en heeft men eene goede specialiteit voor Massage, het product der laatste jaren. Het drinken in de drinkhalle is gratis. De badarts is niemand minder dan de koninklijke Kreis-physicus {Dr. Geronne), eene post die onze geneeskundige raden vervangt; tot hem moet men zich in de eerste plaats wenden; hij is een bekwaam en vriendelijk man. De drinkhal, de badlokalen en het badhotel vormen één geheel; het „Pension a Person und Tagquot; beloopt daar slechts /' 3, en; „avec le ciel on a des accommodementsquot;; ik verbeeld mij dat het bij langer verblijf, voor een gezelschap of gezin nog goed-kooper wordt; in alle geval verschilt het veel met de prijzen in de groote hotels op de groote, d. w. z. meer bekende badplaatsen. Jammer dat van die badinrichting en van Kleef in het geheel niet meer in de Hollandsche couranten geannonceerd wordt, zooals dat van andere badplaatsen bijna dagelijks geschiedt.

In Kleef wonende, kan men in het Badhotel ook gewone warme baden bekomen a 36 cent het bad; daar wordt veel gebruik van gemaakt; bij abonnement is dat minder; die daarbij in de drinkhal een glas staalwater wil drinken, is alzoo zeer goedkoop uit. Van daar dat hier ook nog eene kleine honderd Hollanders wonen; na genezing en door sterfgevallen en om andere redenen was in de laatste jaren dat getal zeer verminderd; voor een

ocr page 32

tvviniig jaren, was de halve Lindenallee Hollandsch; daar zag men een achttal équipages, die alle verdwenen zijn.

Wil men oud worden en goedkoop leven, dan is Kleef het neusje van den zalm. De huishuur is gemiddeld de helft van die in Nederland, en dan heeft men het genot van de heerlijke waterleiding. En de menschen zijn hier goed te spreken en dienstvaardig. Voor een prachtige ossenrib betaalt men 36 cent het pond, en zoo alles naar evenredigheid. Alleen de stedelijke belasting is er hoog, dat intusschen weer eenigszins vergoed wordt door het geringer bedrag van de Rijksbelasting. Eéne deugd heeft intusschen de Duitsche l ierekening der gemeentelasten, die partijdige berekening onmogelijk maakt, namelijk dat men zooveel malen-het bedrag van de rijksbelasting neemt, als voor gemeentebehoefte noodig is. Kleef berekent alzoo 250 pet. van de rijksbelasting. Nu is het opmerkelijk dat de gemeenten in den regel zeer behoeftig zijn. In Berlijn betaalt men honderd percent, en dat is niet veel, meestal is dat elders meer; Dusseldorf had eens een jaar van 700 percent.

Noch eene andere goede inrichting kent hier het bestuur van het land, door eene goede gelijkmatige vertegenwoordiging in het bestuur van de Kreis. De Kreistag is hier de vergadering die de Kreis bestuurt, die toch slechts 51.182 inwoners telt. Die vergadering bestaat uit 30 leden, namelijk 10 uit de steden Kleef en Uoi-h, 10 uit de groote, en 10 uit de kleine grondbezitters, dit groot en klein wordt gesplitst door zij die meer, en zü die minder dan 220 Mark grondbelasting betalen. De verkiezingen zijn direct. De voorzitter is de landraad. Mogelijk komt er nog eens een tijd dat deze bijgestaan, door de reeds bestaande Ortsvorsteher de landelijke burgemeesters onnoodig maakt. Het zoude voor de gemeenten eene goede bezuiniging zijn, want de burgemeesters worden hier beter betaald dan in Nederland.

Doch hoe oud men ook in Kleef wordt, geeft de goede (iod echter de teugels van het bestuur niet uit handen: de ure des doods is ook hier gewis. Op het fraaie kerkhof, waar ik menigmaal onder den lommer der boomen neerzit, vindt men menige zerk met Hollandsche namen, doch de dragers er van waren dikwijls reeds „op'.' toen zy kwamen, of oud, zeer oud, toen zij heen gingen. Het is een weemoedig genot, dat men zooveel Hollandsche namen vindt, wier bezitters hier hun laatste rustplaats hebben gevonden. Van die namen noteerde ik Angelbeek, Banning, Baumhauer, Beguin, Bichon, de Bie, Bosquet, de Salve de Bruneton, Bussemaker, Centen, Collet, Dozy, van Dam tot Brakel, Delprat, v. d. Dobbelsteen, Doorninck, Drabbe, Falck, Fundter, (jheel Gildemeester, de Groot, d'Harvent, Herfst, Har-zeele, Heslmsius, Hogerwerf, 't Hooft, Hooft Hasselman, Horsting,

ocr page 33

M

de Jonge van Dreischor, Kluijtenaar, Kraai, v. Lang, Leendertz, van Lynden, Mathijssen, Mauvillon, Mulder, Nagel, van Oos, de Bruijn Ouboter, v. Pelt, Plemp, Pool, v. d. Putt, Kanzow, Remy, Roos, Rudolfs, v. Sandick, Schade van Westrum, Scholten, Schoorn, Sinkel, (') ïavenraat, Toenij, ïrautman, Hoogenhouck Tulleicen ïwiss, v. Veen, Verlegh, Visser, v. d. Vijver, van quot;Wassenaar, Weinhageu, Wille, van der Wijck, enz.

Het boekje dat 'k hierboven vermeldde, in Lemgo gedrukt, geeft ook op dat het Kleefsche bronwater de onvruchtbaarheid der vrouwen wegneemt. Dit is een der kluchten die den schrijver verkoopt, even als zijn beweren dat Claudius Clvilis door zijne tijdgenooten in Nflmegen, uit afkeer tegen de taal der Romeinen, „Klaas Burgersquot; werd genoemd, en dat er in den Kleefschen berg goud en diamanten waren gevonden. Dit boekje heeft anders veel goeds; de versjes, o. a. ook van onzen Langendijk en Claas Bruins en de overgemoedelijke toon maken het wel eens vervelend.

[k sprak daar straks van pl. m. honderd Hollanders die hier wonen. Zü vormen echter geen zoogenaamde kolonie, zoo als in grootere buitenlandsche steden; dat komt vooral daardoor dat men, wanneer men hier komt wonen, niet verwelkomd wordt, een volgen van de min of meer onheusche Duitsche methode, die men meent te moeten naapen. Enfln! het maakt de zaak, voor hen die zelfgenoegzaamheid genoeg bezitten, goedkooper, doch het belet de aansluiting. Was het eene kolonie, dan benoemden wij zeker een eere-president, en die zoude dan niemand anders zijn dan de 7lt;gt;jarige, maar nog altijd werkzame, geleerde, de beroemde Dr. Hasskarl, door wiens moed, doorzettenden ijver, en behendigheid om bij de vasthoudendheid en geheimzuchtigheid eener Amerikaansche republiek, de kinascheuten los te krijgen, geheel de beschaafde wereld aan zich verpligt heeft, een man, die door de Nederlandsche regeering niet genoeg gewaardeerd is geworden.

Ten slotte nog dit. Ik heb steeds Kleef geschreven, omdat men het dan in Nederland het beste kent, doch ik voeg er den raad bij, als men naar Kleef schrijft, er altijd (Rheinprovinz) bij te vermelden, zelfs is dat noodig wanneer men Cleve op het adres zet, want, zonder dat, kon het wel eens naar Ulefen verzonden worden, zooals de Duitschers, het Lombardysche Chiavenna noemen. Ik maak mij over de spelling van het woord noch warm noch koud; de Pranschen zeggen natuurlijk Gleves, doch in de Duitsche conversationslexicon vind ik de stad mijner inwoning

ocr page 34

op de K. vermeld, even als onze Slichtenhorst van graaf Jan van Kleff spreekt. De beide couranten alhier schrijven het met een C., mogelijk beweren zij met anderen dat het van het Latijnsche Clivus komt.

Ten allerlaatste slotte eindelijk de verzuchting, die helaas! voor de werkelijkheid geen waarde meer heeft, en die alle hoop uitsluit. Waarom, vraag ik mij telkens, heeft het Weener Congres van 1815, toen de meeste grenzen andere lijnen bekwamen, onze Oostergrenslijn niet van Winterswijk regelrecht op Venlo getrokken, dan was het grondgebied meer afgerond; het heuvelachtige Kleef was een sieraad voor ons vlak land geworden, en Duitschland als equivalent Limburg, zuidelijk van Venlo verworven hebbende, zoude een goede ruil gedaan en aan Maastricht eene onoverwinbare vesting tegenover de Pranschen gehad hebben? Want nog is de physionomie van Ivleef eene Hollandsche. En al is Kleet ook nooit Hollandsch grondgebied geweest, dan toch was er steeds een verbond tusschen den Utrechtschen bisschoppelijken zetel en Kleef en omstreken, die wel niet nauwer kon. De tol op den Rhijn, die toen langs Smithuizen (3/4 uur van Kleef) vloeide was een leen van den Utrechtschen bisschop. Ook stond de kerk van Kleef op deze wijze in verband met meer dan een der kapittelen van Utrecht; zelfs bouwde een prior van de Mariakerk te Utrecht in 1450 het klooster Gnadenthal. Holland voorziet Kleef van koloniale waren en de eerste groenten. De Hollandsche taal, niet te snel geuit, wordt door een ieder verstaan en door de meesten gesproken.Eene schat van geboren Kleverianen, hebben of Hollandsche ouders, of andere Hollandsche verwanten, en daar het voorzetsel v o n in Duitschland een bewijs van adeldom is, hebben de inwoners van Kleef, die zelf of hunne ouders of grootouders de woorden van ol van der voor hunne namen medebrachten, die onvertaald gelaten. Doch daarom niet getreurd, nu blyven de Kleverianen goede Pruissen en even goede buren van de Hollanders.

ocr page 35

Üitgaven van A. RÓSSING te Amsterdam.

Leo Graaf Tolstoï, Mijn geloof . . . f 2.75 Geb. f S.50 Leo Graaf Tolstoï, Mijne gedenkschriften. Kindsheid-,

Jeugd- en Jongelingsjaren, 2 dln. . . . . . „ 4.50 Lko Graaf Tolstoï, De Kozakken. Tafereelen uit het

beleg van Sebastopol . ....... . ■„ 3^25

F. M. Dostojewsky, Schuld en Boete, 3 dln. . . , . 7.90

F. M. Dostojewsky, Arme menschen ...... „ 2. —

J. A. Gontscharow, Oblomow. Russische Roman. 2 dln. „ 5.75 Detlefp Stern, De Roos van Tirnova. Bulgaarsche

roman. 2 dln. ............„ 4.50

J. Hendrik van Balen, Dona Carmen......„ 2.50

Julius Stxxoe, Woudnovellen ..../' 1.50 Geb. „ 1.90 Fbits Mauthnee, Een Aturiér op de bovenwereld.

Vert, door W. (j. van Nouhuys......„ 1.90

E. Ahlgren, Geld, uit het Zweedsch door Ph. Wijsman. „ 2.90

Jules Claretie, Zij a Excell. de Minister. 2 dln. . . „ 4. —

Hermann Heiberg, De Gouden Slang . f 2.50 Geb. „ 2.90

Bbet Harte, Jeff. Brigg's roman........a 1.25

Jonah Lie, De Rutland. Een Zeemansvertelling. . . „ 2.50 (Een uitmuntend Jongensboek.)

■ C. van Kempe Valk, Dichterlijke verhalen, navolgingen van F. Coppée, George Eliot, L. de Ronchaud, John Keats,

/' 1.60 feeb. f 2.25

Inhoud; Coppée, Het Wrakhout; G. Eliot, De Legende van Jubal, L. de Ronchaud, De Pleegzoon van den Dood; J. Keats, Hyperion.

Louis Couperus, Orchideëen, Een bundel

poëzie en proza......1 /' 1.90 geb. f 2.50

Louis Couperus, Een Lent van Vaerzen. „ 1.60 „ „ 2.25 Mr. H. Cosman, Nosca. Een gedicht . . „ 1.90 „ „ 2.50 Mr. H. Cosman, Wilde Halmen. Een bundel Vaerzen. ......1.40 „ „ 1.95

Albert Verwey, Persephone en andere

gedichten...... . . . . „ 1.25 „ „ 1.90

F. Coppée, De Schipbreukeling . . . . 0.35

Leo Graaf Tolstoï, De Macht der Duisternis, Drama . ƒ, 1. —

Mendes Da-Costa, Zijn Model, Tooneelspel . . . . 1. -

Heneik Ibsen, Nora, Tooneelspel...... . . „ 1. —

Hen rik Ibsen, Een Vijand des volks, Tooneelspel. . „ V.50

Labiohe, De Moord in de Plantage, Blijspel .... „ 0.60

Be compleet»' Cutalogas der Tooneel-ultgaveu van A. Rösslng, is op franeo nanvriiHf? gratis verkrij^Imar.

ocr page 36

t