fir. /m jry i.
DE INTERPELLATIE
VAN
in Heer F, DÃIELft IIEIIIE
NAAE AANLEIDING VAN
de WERKSTAKINGEN in de VENEN
door
een STAATSMAN in ruste.
vooi itkawxwQf va-yi bamp;vi Scfjtiyvsct.
/ ^Tfr^
Tweede , Herziene Deuk. ; /
i- i â
Vr
'lt;fw' ^
te 's GRAVENHAGE, bij M. van der BEEK, 1888.
VOOR DEN' TWEEDEN DRUK.
Aan deze uitgave, in welke hier en daar eenc toevoeging is aangebracht, verbinden ivij gaarne den ivensch dat de toestanden in de venen de ALGEMEENE belangstelling mogen opwekken!
De iuterpollatie door den Hoor Domela Nieü-wenudis aangekondigd in de Tweede Kamer der Staten-Geueraal , â nadat, met uitzondering van den Heer Keucheniüs , niemand het zich ten plicht gerekend had den Afgeyaardigde uit Schoterland mot een toekon van belangstelling te verwaardigen , maar integendeel een ieder het er op schoen te hebben toegelegd hem stelselmatig te ignoreeron, â welke den IMen Mei plaats had, is één van die goede werken geweest door de Natie mot welgevallen begroet.
])e Handelingen dor Staten-Geueraal boezemden, in de laatste tijden, hij bet Volk veel te weinig belangstelling in dan dat oen optreden, als het hier bedoelde, met stilzwijgen zou mogen worden voorbijgegaan. En hot is te betreuren dat aan die interpellatie in de Kamer niot oen andor onthaal to beurt viel dan thans bij monde, zoo van don Minister van Justitie, als van de Heoren van dek Feltz en Oppe-dijk daaraan wedervaren is. Immers de man die, gedurende het laatste tiental jaren, â zij hot ook niot zelden met grooto woorden en langs don weg van overdrijving, door zijne schilderijen met de donkerste kleuren af te tinten , â zich het lot van den werkman heeft aangetrokken , bewees door die- interpellatie dat het hem ernst is , om aan het door hem gesproken woord, de krachtige en machtige daad tot oplossing van moeilijkheden te verbinden. Want dat dit op treden , eene DAAD moet worden genoemd , zal niemand in twijfel trekken.
Keeds dadelijk verviel de Kegcering in een gevaar
lijken misslag â daarin govolgci door de kamerleden, die over de interpellatie hot woord voerden â om het gebruikelijke epitheton ornans «geacht» achterwege te houden. Dergelijke afwijking veroordeelt zich zelve â verhoogt de achtbaarheid van hot College , waarin eene dusdanige tactiek wordt in toepassing gebracht, zeer zeker niet â en laat een ongunstigen indruk na, niet het minst op de kiezers, die den Afgevaardigde van Schoterland met hun vertrouwen vereerden.
Heft het Centrum , misschien ook , naar aanleiding van deze «kleine» houding al den juichtoon aan dat «deMinister van Justitie den interpellant, met blijkbare instemming van de geheele Kamer nagenoeg «in donker liet zitten» zoo voortgaande kon de tijd wel eens aanbreken dat vooral het volk achter de kiezers aan de Kamer hetzelfde lot deed wedervaren. Want zoo ooit do gelegenheid om liefde voor dat volk te toonen gunstig was â dan was dit hier het geval. En zoo ooit die gelegenheid met eene zekere miskenning van het werkelijke van den toestand werd bejegend â hier geschiedde het. Begreep dan niemand der «geachte» sprekers dat de zaak der veenarbeiders , door den Afgevaardigde van Schoterland op het tapijt gebracht, met den persoon van den Heer Dümel.i Nieuwexhuis niet in het minste verband stond? Zoo niet, dan zal men luiten de kamer allicht tot de onderstelling geraken dat het met het onderscheidingsvermogen daarbinnen al zeer treurig geschapen staat. Dat overigens dergelijke manccuvres op niets anders uitloopen dan om de zoo gevreesde populariteit van den Heer Domela Nieuwenhuis in de hand te werken is zoo duidelijk dat een kind het vatter. kan. Bovendien wordt door dergelijke «kleinachting» schade toegebracht aan het ambt. En dat door ambtgenooten in eigen persoon â het kan gaan! Eerst dan alleen zou zulk eene wijze van handelen kunnen gebillijkt worden indien den Heer Domela Nieuwenhuis een cn ander kon te laste gelegd worden wat, op zijne waardigheid als Afgevaardigde, eene smet geworpen had. Maar te dien aanzien is zijn verleden
zoo vlekkeloos rein dat hij , tegenover de meesten zijner ambt-geuooten , in een hoogst benijdenswaardigen toestand verkeert.
Ook de Voorzitter der Kamer, die door hot bekleeden van dat ambt en dat van Minister-Eesident bij de Transvaal-sche Republiek zoo luchthartig over het bekleeden van tegenstrijdige ambten denkt dnt hij er niet tegeu opziet persoonlijk in de eerste plaats dc'cdrdoor buiten do orde te zijn, was we] wat haastig gebakerd om, toen de Heer Domela Nieuweniiuis het offioieële rapport van den Amerikaanschon arbeidorskommissa-ris ter sprake bracht, eerstgenoemde tot de orde te roepee.
Wij haddon onze beschouwing in de eerste uitgave nog een weinig kunnen uitbreiden door er op te wijzen dat de Voorzitter der Tweede Kamer niet alleen evongonosmde betrekking bij de ïransvaalsche Republiek bekleedt maar ook . .. referendariè op non-activiteit, dus bezoldigd ambtenaar is ; evenwel or zal misschien later wel gelegenheid zijn deze en zoovele andere , aan bedenking onderhevige, cumulation van betrokkiagen, aan oone afzonderlijke beschouwing te onderwerpen.
De Ministek, van Justitie , daarentegen , mocht over tal van wetten, in Engeland, Duitschland en België van kracht, ter beteugeling van het misbruik van gedwongen winkelnering, uitweiden. Hij bleef toch in de orde. Kwam door deze tegenstrijdige handelwijzen de partijdigheid niet te zeer voor het voetlicht ? Is het waar dat de vragen reeds veroordeeld waren om don persoon , die ze deed â dat hier niet de vraag gold: « wat wordt er gezegd?» maar wel «wie zegt het ? » dan zal niemand met grond beweren dat dergelijke opvatting ook zelfs do geringste aanbeveling verdient. En waar de Heer van deb Feltz en, op diens voetspoor, de Heer Oppedijk don Heer Domela Nieuweniiuis voor oogen hielden dat het raadzamer is om hot land door te gaan goed doende â door de bevolking op te wekken tot (eigen?) krachtsinspanning, tot ingetogenheid, matigheid en spaarzaamheid dan tot de werkstakers te zeggen: « uwe werkstaking is gerechtvaardigd» â daar komt men er onwillo-
â 6 â
keurig toe beiden woordvoerders deu raad te geven zelf tot dit aangeprezen middel de toevlncht te nemen.
Maar de Heer van der Feltz is als Baron misschien minder in staat tot do gewone volksklasse af te dalen en de Heer Oppedijk door zijn liebaamsgestel verhinderd om lange redevoeringen te houden. Beiden juist niet de aangewezene personen om datgene te verrichten wat zij den Heer Domela Nieutvenhuis zoo gaarne zagen doen.
De vraag rijst bij ons op: «is de interpellatie wel toegelicht met dien eenvoud en die beknoptheid, welke gewoonlijk het meest geschikt zijn tegenstanders te overtuigen en te ontwapenen en om er eene Tiegeering toe te leiden aan een onhoudbareu toestand hetzij verbetering aan te brengen, hetzij algeheele bevrediging te schenken ? jgt; Op deze vraag kunnen wij niet bevestigend antwoorden. Waarom niet ? Omdat het niet noodig is, ter liefde van een afzonderlijken tak van nijverheid, een tafereel van ellende ten tooneele te voeren dat, niet alleen in de veenderijen , maar ook in alle andere takken van nijverheid , is te aanschouwen. Voornamelijk niet als men zich daartoe bedient van te gunstig gekleurde toestanden , die als aanwezig worden voorgesteld bij de veenbazen en daarentegen het lot der veenwerkers mot te donkere tinten afmaalt. En nu mogen wij ons de eigenaardige positie van het ééne lid der sociaal-democratische partij in de Tweede Kamer voor oogeu stellende â den Afgevaardigde van Schoterland daarover wel niet hard vallen , beknoptheid en soberheid van voorstelling der arbeidersellende in de venen zouden zeker geene schade hebben toegebracht aan de beschamende indrukken, die door de interpellatie in zoo ruime mate zijn opgewekt.
Het meest welsprekende gedeelte misschien, bet meest afdipende zeker, is de volgende opgave:
«Tien pond roggebrood kosten in den winkel van den
werkbaas 39 cent, bij anderen 32 cent; een pond meel 8 cent, bri anderen 7 cent; een kop grauwe erwten 12 cent, bij anderen 9 cent; bruine boonen 14 , bij anderen 10 cent; een half kilo spek 39 , in andere winkels 31 cent; rijst 10 en 7 cent. Voor een totaal van Æ2.02 bij den veenbaas kan hetzelfde verkregen worden in den gewonen winkel voor /1.50, dat is 52 cent meer, dus 25 pot. (1) Do winst, eeu ieder zal het toestemmen, is veel te groot , wanneer men in aanmerking neemt dat, volgens de berekening, de gewone winkelier 10 pet. winst neemt. Hieruit volgt dat de veenbaas van zijn winkelnering 35 pet. krijgt. Er zijn arbeiders geweest die 20 , zelfs 25 pet. van hun loon wilden laten vullen, wanneer zij niet gedwongen waren om in de winkels te koopen.» En iets later lozen wij : «Op andere artikelen , manufacturen bij voorbeeld, wordt zelfs eene winst genomen tot 100 pet.»
Deze cijfers zijn niet wederlegd. Waar de veenbazen zulke tvinsteh maken , daar moet men hen , die turven maken, wel diep beklagen! Het zal later als eene der grootste grieven tegen deze Kamer worden beschouwd , wanneer ze zich onmachtig verklaren mocht dergelijke afzetterijen, waartegen woekerwinsten als in het niet verzinken , den kop in te drukken , en den Heer Domel.v Nieuweniiuis ter onvergankelijke eere verstrekken het licht te hebben doen opgaan over een afpersingsstelsel naar hetwelk niet, iu de 19e eeuw, maar in de middeneeuwen , niet in Nederland maar eer in Siberië, niet bij landgenooten tegenover laudgcnoolen, maar bij zee-roovers tegenover schipbreukelingen zou worden gezocht.
1
Men lirelt onze aandacht gevestigd dat de som dei- aangehaalde cij'ers niet f2.02 maar uitmaakt. Dit was ons volstrekt niet
ontgaan maar hetzij dat do interpellant bij de becijfering een of meerdere postjes over het hoofd hoeft gezien, dao wel dat hem een totaal voor den geest stond gevormd door bedragen , lie nog andere levensbehoeften vertegenwoordigen â wij hebben ons van vitterijen zorgvuldig wenschen te onthouden. Dat do winsten , voortspruitende uit de gedwongen winkelnering, overigens veel te hoog zijn, loopt nit de hier meêgedeelde staaltjes genoegzaam in het oog.
Evenwel hier waren juist beknoptheid en soberheid van voorstelling de krachtigste bondgenooten om over dergelijke toestanden wee en ach te roepen.
Want daargelaten èn het verstrekken van zoovele détails â daargelaten de al of niet juistheid der cijfers , die de loonen aangeven , waaromtrent wij ons van een beslissend oordeel wenschen te onthouden â naardien vooral ten aanzien van het laatste punt nog al een ernstig verschil ook bij deskundigen bestaat â zoo ware het reeds voldoende geweest de aandacht der Kegeering uitsluitend te vestigen lo op het niet uitbetalen der arbeidsloonen in gangbare Nederlandsche munt 2o op het demoraliseerende misbruik waartoe eene winkelnering leidt wanneer de arbeider , hetzij door materieelen dan wel door moreelen dwang er toe gedreven wordt zijne
levensbehoeften te koopen bij den.....werkgever. Deze
beide afkeurenswaardige toestanden, â in het licht der waarheid voorgesteld â zijn op zich zelf reeds genoeg van be-teekenis dan dat het noodig ware het betoog te leveren dat de Heer van dek Feltz de loonen in Hoornsterzwaag te hoog stelde en de Heer Domela Kieuwenhuis zijne gegevens ontleende aan waarschijnlijk juiste berekeningen hem verstrekt uit Munnekenburen of wel Scherpenzeel.
Het is overigens zeer twijfelachtig of de Heer van der Feltz wel recht heeft tot spreken van arbeiders die «gedurendei het halve jaar en dikwijls langer loven van de vruchten van eigen grond » , daar waar ze de veldproducten , zooals aardappels , verkrijgen van c.en door hen gehuwden grond. Bovendien gaat de vergelijking van het gedwongen winkelnering stelsel met den vrijen ruilhandel van de producten des land-mans tegen de waren des winkeliers volstrekt niet op en zijn de woorden «Geheel hetzelfde dus als een gedwongen winkelnering» zoo ondoordacht mogelijk. Waar nu van de zijde der bestrijding, en nog wel van iemand, die tegenover den geachten interpellant zulk een hoogen toon aansloeg als bij monde van den Heer van dek Feltz geschiedde, zulke grove onjuistheden als waarheden verkondigd werden, onjuistheden
welke door de Kamer ook zonder tegenspraak aangenomen zijn â daar zullen wij den Afgevaardigde van Scboterland er geen te zwaar verwijt van maken dat bij, hier en daar een ietwat schel licht op sommige toestanden deed vallen , ook omda.t ervaring en geschiedenis beide ons leeren dat overdrijving schier onmisbaar is om bedorvene toestanden ni gezonde te hervormen.
En hoedanig was tegenover de Interpellatie de houding der Eegeering ? Ingelicht en â naar men veronderstellen mag â ook voldoende voorbereid op hetgeen den 14deu Mei , in 's Lands eerste wetgevend lichaam der Natie te hooren zou worden gegeven , had men mogen verwachten dat het Bewind â uit de rechterzijde voortgekomen , uit den boezem eener partij , die er steeds zoo hartroerend van gewaagde dat het noodig was aan de nooden van het verdrukte deel des volks te gemoet te komen â de interpellatie zoo welwillend mogelijk zou hebben beantwoord. Eu wel in zoo beslisten geist en in zulke ondubbelzinnige bewoordingen dat elke twijfel uitgesloten bleef of het Nederlandsche volk van een Kabinet Mackay-Keuchenius wel volkomen verwijdering te verwachten had van grieven door een even bekwamen als gevreesden Volkstribuun uiteengezet, grieven weêrgegeven in ecne rede , zoo onberispelijk van inhoud als aantrekkelijk van vorm. In eene rede , die van liefde voor den minderen man slag op slag de duidelijkste blijken droeg. En wat deed de Eegeering ? Hoe luidde bet antwoord bij monde van den Minister van Justitie? De Eegeering hengelde naar een woord van hulde en lof er op wijzende dat zij, door het zenden van soldaten en rijksveldwachters de orde had weten te handhaven , zoodat er ... . geeue dooden waren gevallen. Wij zullen de laatsten zijn om ons over dien maatregel een afkeurend oordeel te veroorlooven maar waar men wanorde tracht te voorkomen daar zou een onderzoek naar de grieven, die daartoe de aanleiding opleverden, alleszins op zijn plaats geweest zijn. Voorzeker zou de verwijdering der oorzaken tot ontevredenheid, waarbij bet vrees aanjagen door bajo-
â 10 â
netten bad kunnen achterwege blijven , op veel grooteren lof hebben aanspraak gemaakt dan kan opgesloten liggen in het applaus dat van allo banken in de Kamer, op 's Ministers woorden volgde. Het gewapend optreden werd in hot district Schoterland niet mot onverdeelde toojuicbingen begroet, waar alles bij het oude bleef en hot, volgens veler gevoelen, volstrekt onnoodig was. Waar, zooals hier, gegronde grievende oorzaak der werkstaking uitmaakten, daar bad de Minister van Justitie den Heer DomEL.v Nieuwexjiuis vóór behooron te zijn in het ten uitvoer brengen van eeno taak, die wij thans van laatstgenoemde te gemoet zien. De Minister betuigde wel is waar aan den gespannen toestand in de veenderijen (en mogen we ook veronderstellen aan do verhouding tusschen werkgevers en arbeiders in het algemeen ?) zijne aandacht te willen schenken maar omtrent het indienen van eeno WET, welke de verplichtingen en rechten tusschen werkgevers en arbeiders zou regelen, werd geeno rechtstreeksche verzekering afgelegd. Terwijl de Minister zinspeelde op de wetenschap van de meeste, leden der kamer, ten aanzien van den weg, welken eene wetsvoordracht moet doorloopen eer deze de Kamer bereikt , brak hij tegelijkertijd den staf over de gebrekkigheid en achterlijkheid van ons wetgevend vermogen. De breedvoerige bespreking, welke aan de Engelsche-, Duitsche- en laatstelijk ook Belgische wetgevingen werd gewijd, leverde een bewijs dat men, met de regeling der soeiale toestanden in die lauden, reeds vrij wat verder gevorderd was dan hier. In die wetten was de stof aanwezig, lag de gelegenheid ter navolging voor de hand. Het wapen , dat de Minister tot uitstel wilde han-teeren, keerde zich ten slotte tegen de door hem voorgestane zienswijze. Volkomen te recht ontleende de Heer Domela Nieuwenhuis aan deze uitweidingen de opmerking, dat de Heer Oppeoijk dwaalde toen deze interpellants beschouwingen met socialisme en communisme in verband bracht. Want de Minister had reeds, door zgne aanhalingen van wetgevingen in verschillende landen, aangetoond dat hier volstrekt geen socialistisch beginsel aanwezig was, tenzij men mocht aan-
-li
nemen dat do Eegeeringeu dier landen reeds zoover op den weg van het socialisme gevorderd zijn .... dat zij bezig zijn dit in praktijk te brengen. Zoo ziet men dat de spijs, door don Minister aangeboden â door den Heer Oppeüijk van eene geprikkelde saus voorzien â ganscb niet overeenkomstig het recept van het parlementaire keukenboek was , waarvan de NIEUWE ROTTEEDAMSCHE COURANT nog altijd in gebreke bleef titel en uitgever te noemen. Wat ons dan ook niet weinig teleurstelde is dat eeno Regeering, het ernstige van een ceconomischen toestand erkennende , niet den moed schijnt te bezitten tot het afleggen van eene belofte, om zoodra mogelijk aan dien ernstigen toestand ecu einde te maken.
Bestaat sr alzoo weinig kans dat. van Regeeringswege, door middel van eene wet, maatregelen zullen worden genomen voor hotgeen door de interpellatie van den Hoer Dome-la Nieüwenhdis werd bedoeld , van den laatste mag, zooals wij reeds opmerkten , ecu wetsontwerp worden verwacht, hetwelk recht geeft op de ouderstelling dat zijne tegenwoordigheid in de Tweede Kamer alles behalve met eeno overtolligheid is gelijk te stellen â waardoor hij al wederom zich van niet weinigen zijner Ambtgenooten guustlg onderscheidt. Het doet ons leed dat eene Regeering, opgetreden met het bewustzijn van de uitspraak en het karakter dat zich aan de stembus van den 6tieu en den 20steii Maart openbaarde , zich waarschijnlijk die taak uit de handen laat nemen van eene zijde, van welke het, naar veler meening, beter ware geweest dat hot initiatief niet ware uitgegaan. Legt het van moed en bewustzijn van kracht getuigenis af, wanneer men den Minister van Justitie hoort verklaren « dat het eene bepaalde onmogelijkheid is te voldoen aan de eischen door den inter-pollant gesteld ?» Is eeue noodwet dan zoo geheel en al een hors J'ceuvre'? Ja, het is gemakkelijker eene gelegenheids wet, in een tijd van omwenteling uitgevaardigd , uit de stof der vergetelheid op te rakelen en, op grond barer verouderde bepalingen, iemand te veroordcelen voor hetgeen door oen ander geschreven werd.
- 12 â
I I
Of zijn er bij buitengewone omstandigheden geene buitengewone maatregt4en te nemen, wanneer een Volksvertegenwoordiger met klem van redenen aandringt op voorzieningen , waarmede, te goeder ure , het buitenland ons reeds op schitterende wijze voorging? Waarin ligt dan de raisou d'etre van dit Kabinet â opgetreden om de stoffelijke- en zedelijke belangen van een Volk , waaraan door vroegere Regeeringen zooveel schade heet toegebracht te zijn, te bevorderen â quot;ii
wanneer het niet beantwoordt aan het programma op 1 Mei uitgesproken ? Is vertrouwen in dit Kabinet goed geplaatst wanneer van eene zoo bevriende zijde als die van zijn beschermheer Dr. Schaepman wordt verklaard, dat uit het onderzoek der enquête gebleken was dat de Xederlaudsclie Re-geering niets wist omtrent den toestand der Nederlandsche arbeiders â eene verklaring waarop ten aanzien van de pas opgetredene Kegeering geene uitzondering werd gemaakt?
Waar tegen dergelijke ontboezemingen geen bezwaar wordt geopperd, daar schijnt de vraag geoorloofd of het Kabinet zich wel voldoende rekenschap gaf van de taak, die het zich op de schouders legde, toen het, op den Isten Mei, tot de ' *
Natie een woord richtte waaruit men mocht afleiden dat het zich voor de uitvoering van die taak volkomen berekend achtte ?
Wij willen niet onbillijk zijn. Wij hebben niet verwacht en ook niet verlangd dat deze Regeering bij haar optreden eene staalkaart van wetten zou indienen, die eene dergelijke taak zoude verwezenlijken. Maar, moge ook een dusdanige eisch ongegrond zijn , het Xederlnndscbe Volk had recht te verwachten dat waar, den eersten Mei, zoo bemoedigend gesproken werd , op den 14ileii daaraanvolgende het antwoord van den Minister van Justitie eenigzins andera luiden zou dan thans het geval is geweest. Een antwoord hetwelk het zegel drukt op de insinuatie , door den geachten interpellant, in deze woorden weergegeven: « dat er tusschen plechtige verzekeringen en hare uitvoering dikwijls een zeer groote afstand bestaat. gt; Wij erkennen dat die woorden ons
V
â 13 â
onaangenaam iu de ooren klonken maaiquot;, na het antwoord van den Minister te hebben overwogen, kunnen we bezwaarlijk volhouden dat de Heer Dom f,ia Nieuweniiuis heeft misgezien. En wij zonden dit toch zeer bejammeren omdat wij dit Kabinet, zdo gaarne langen tijd, het roer van Staat zagen besturen. Hopen we met dat al â ne déplaise het Centrum, j dat geene groov.e bijbelvastheid verried door van den dorsten
den (bijna schreven wij dorstigen) os te gewagen â den Heer Domela. Nieuwenhuis nog dikwijls als spreker in de Tweede Kamer te zien optreden.
Wij hebben eenigen tijd laten voorbijgaan alvorens over de interpellatie het woord op te vatten. Eene tijdruimte draagt er vaak veel toe bij om op de zaak , die men aan zijne beschouwingen wenscht te onderwerpen, een geheel ander licht te doen vallen dan zich aanvankelijk aan de oogen voordeed. Maar onze hoofdgedachte, ten aanzien van dit Kabinet, onderging geene verandering. En deze geven wij in de volgende bewoordingen terug, «dat het Kabinet MACKAY-â '(* KEUCHENIUS zich toch niet verdiepe in het volgen van
eene staatkunde, die afgetrokkene en onzienlijke begrippen en beginselen raakt, maar zoo spoedig mogelijk blijken geve van te kunnen voorzien in de stoifelijke en onstoffelijke uooden van het Volk.» Een Volk dat door de rechterzijde, te recht of ten onrechte onder een liberaal of semi-liberaal regeering-stelsel, ten eenemale heet verdrukt te zijn geworden. Er moet dus eene practische staatkunde gevolgd worden en daartoe behoort gebroken â zal het inderdaad blijken dat de rechter-de kunst van regeeren beter verstaat dan de linkerzijde â met de tradition der laatst op- en afgetredene Eegeeringen. Het gaat niet aan altijd te jammeren over eene onevenredige verdeeling van belastingplicht en nochtans het oor te sluiten voor eiken voorgestelden maatregel van hervorming. Het gaat niet aan het hoofd meewarig te schudden over hooge budgetten maar nochtans geene pogingen tot bezuiniging aan te wenden. Het gaat niet aan steeds op recht en wet te wijzen en niettemin voort te gaan op een weg , die het onrecht be-
V
â 14 -
stendigt. Hot gaat niot aan om de lasten, aan de verdediging van het Vaderland verbonden, bij uitsluiting te laten drukken op de schouders der mingegoeden. Het gaat niet aan het recht om onbelast te lever, te onderwerpen aan bepalingen, die dat recht tot eene hersenschim verlagen. Welnu, waar een en ander sedert jaren den toestand van vrede en van vroegere welvaart ontsiert, daar is deze Regeeriug met haar programma van 1 Mei aangewezen en gehouden om dat onrecht door recht te vervangen.
Reeds een- en andermaal werd de Heer van der Feltz door ons bespi'okeu. Als censor van den Afgevaardigde van Schoterland opgetreden , verviel hij in eene lofrede toen hij het benijdenswaardig lot van arbeiders afschilderde , die des Zaterdags met Æ 30 a Æ 40 te huis Iswamen. Men zou er bijna toe geraken , do venen in de noordelijke provinciën als valleien in het poëtisch Arcadië , zich voor den geest te too-veren. Vele arbeiders althans in Hoofd- en Hofstad zullen wellicht door eene voorstelling als deze, worden opgewekt om zich onder do turf makers te begeven , al verzekerde do interpellant ook dat «er bloed kleeft aan de turf, die wij gebruiken , om onze leden te verwarmen. » Wat van een en ander ook zij â zeker paste niet, in bet kader der beschouwingen van den Heer v.vn der Feltz , de onomwondene verklaring dat waar uien den winkelier de verplichting oplegt om den arbeid in specie te voldoen, hij (n. 1. de winkelier) deze zal nakomen en hot gold op de toonbank uittellen. Maar wanneer de arbeider het geld opstrijkt, zal do winkelier eenvoudig zeggen : «Ik heb geen werk meer voor je.» Waarlijk indien aan de ongunstige voorstelling dor feiten van den Heer Domeia Nieuwenhuis nog iots ontbrak dan werd deze aangevuld door do illustratie van den Heer van der Feltz in eigen persoon.
Wat nu den Heer Oppedijk betreft, wanneer men zoo als hij, opgetreden is als Volksvertegenwoordiger dan behoort, zelfs waar men op een zwak lichaamsgestel wijst, de wapenrusting van beter allooi te zijn dan die waarmede, op don
â 15 -
14den Mei, de Afgevaardigde van Harlingen 'zich had aangegord. Drukten wij de hoop uit dat de Heer Domela. Nieuwenhuis als spreker nog dikwijls in de Kamer zou optreden â hetzelfde kunnen wij niet van den Heer Oppedijk zeggen te wiens aanzien, een toehoorder van zijn maidenspeech , den wensch uitte, dat zijn physieke toestand hem voortaan ten eenemale verbieden zou het woord te voeren. Dit klinkt hard, maar ik vraag U of de Heer Oppedijk zachtmoediger was toon hij , zijn steun zoekende in aanhalingen uit het boek der hoogste liefde , de leerstellingen van den Man der Smarten » zoo jammerlijk verloochende ? Wij begeeren in waardeering van den Bijbel bij den Heer Oppedijk niet achter te staan, maar vinden het wat al te naief om citaten uit Gods woord als pleisters te doen strekken voor de wouden van ons maatschappelijk leven. Bovendien bevatten de door hem voorgelezene woorden evenzeer eene ernstige vermaning , zoowel tot de heer en als tot de dienstkuechten â tegen welke min gelukkige aanhaling de interpellant even gevat als waar het voorschrift van de wet van Mozes stolde : «Een dorschenden os zult gij niet muilbanden. » De, door den Hoer Oppedijk stoutweg afgelegde verklaring, dat de door hem herinnerde woorden de oplossing der sociale kwestie aan de hand geven is eene van die machtspreuken , zooals wij hopen dat niet wederom van zijne lippen in de Tweede Kamer zullen wcêr-klinken en die hij beter deed in de venen te gaan verkondigen. Te recht herinnert DE STANDAARD dat de Heilige Schrift «in de hardste en sterkste bewoordingen allo onderdrukking afkeurt en veol meer nog voor den kJeinen man tegen den grooten , dan voor den grooten bij don kleinen opkomt»
De Heer Oppedijk staat echter eerst aan het begin van zijne parlemontaire loopbaan in de Tweede Kamer. Wij zouden hem niet gaarne zekere eigenaardige , goede qualiteiten betwisten. Hier in Holland is de Friesche Afgevaardigde minder onbekend dan hij misschien zelf wel vermoedt. Zijne ervaring in tal van zaken , waarmede do Staten vau Friesland meer-
â 16 â
malen voordeel wisten te doen, kan ook in de Tweede Kamer nog zeer wel goede diensten bewijzen. Daartoe verzoeken wij hem , bij voorkeur het schoone beeld van den dorschenden os, die niet mag gemuilband worden , zich voor den geest te stellen en do stoffelijke nooden des Volks niet bevredigd te gelooven door aanhalingen zelfs uit den Bijbel, daar dezo toch moeilijk kunnen worden gebezigd als een panacee voor alle maatschappelijke kwalen.
Laat ons evenwel den moed niet te spoedig verliezen. Wij dragen het pas opgetreden kabinet een te goed hart toe dan dat wij den wensch kunnen terughouden het alsnog bereid te vindon om do handen aan don ploog te slaan. Doet het dit niet â en betoont het zich alzoo ongezind en onbekwaam om tot de oplossing der sociale kwestie mede te werken â dan zouden er wel eens dagen kunnen aanbreken waarin het zijn «laissez aller » in grooto mate betreurde. Dat zou om velerlei reden te bejammeren zijn, niet het minst omdat dit Kabinet althans één man bozit zooals zeer zelden aan de regeoringstafel plaats nam. Wij hebben hier natuurlijk het oog op hem van wion niet mag ondersteld worden dat hij aan zijne liefde voor recht, aan zijn afkeer van onrecht , ooit ontrouw zal worden bevonden , en waar talrijke blijken voorhanden zijn dat de Javaan hem steeds als een oven welsprekenden woordvoerder ter behartiging zijner belangen , zoowel als een machtigen beschermer ter handhaving zijner rechten mocht zien optreden â daar koesteren wij goeie verwachting dat vooral do kleine luiden in Nederland door hem niet zullen worden teleurgesteld â op hem, wiens groote bekwaamheden en ongetivenaarde werkkracht verre boven onzen lof verheven zyn â op den Christen-Staatsman wion , aan don avond zijns levens, het quot;Bestuur over onze Koloniën werd toevertrouwd â wij bedoelen den Heer KEUCHENIUS.
.......