-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

]e Blinde^-Inrichti^ te Utrecht

EN

HAAR BESTUUR

in. 1S88_

Mededeelingen en Ophelderingen

DOOR

y. THÖE SCHWARTZENBERG EU HÖHENLftNSBEBG,

vcotwxaC'ici cocylituz iCih.

-fe=gt;..c

GEDRUKT TER „ÜTRECIITSCHE STOOMDRUKKERIJquot; — UTRECHT.

-ocr page 4-
-ocr page 5-

VOORBERICHT.

Deze brochure, in September jl. door mij geschreven, was aanvankelijk bestemd alleen voor vrienden en bekenden, in de meening zijnde, dat de zaak, daarin besproken, aan anderen te weinig belang zoude inboezemen om daaraan eene meer algemeene publiciteit te geven. Zij trok evemuel de aandacht ook in ruimeren kring en wel in hooge mate. Herhaalde malen werden mij exemplaren er van gevraagd, zoo dat de eerste oplage thans is uitgeput.

Deze groote belangstelling die mijn schrijven mocht ondervinden, eene belangstelling die ik niet genoeg kan waardeeren, en de voortdurende vraag om een exemplaar er van te mogen ontvangen, doet eene hernieuwde oplage gewenscht, ja noodzakelijk zijn.

Des te gereeder ga ik daartoe over omdat dit mij de gelegenheid geeft, daarin te wijzen op een allerbelangrijkst stuk, vervat in een Juridisch blad, het Weekblad van het Recht No. 5811, waarin, niet helderheid en op wetenschappelijke gronden, de plaats gehad hebbende veroordeeling wordt bestreden , en aangetoond, dat vrijspraak had moeten volgen.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VOORBERICHT,

Deze brochure, in September jl. door mij geschreven, was aanvankelijk bestemd alleen voor vrienden en bekenden, in de meening zijnde, dat de zaak, daarin besproken, aan anderen te tveinig belang zoude inboezemen om daaraan eene meer algemeene publiciteit te geven. Zij trok evenwel de aandacht ook in ruinieren kring en wel in hooge mate. Herhaalde malen werden mij exemplaren er van gevraagd, zoodat de eerste oplage thans is uitgeput.

Deze groote belangstelling die mijn schrijven mocht ondervinden, eene belangstelling die ik niet genoeg kan waar deer en, en de voortdurende vraag om een exemplaar er van te mogen ontvangen, doet eene hernieuwde oplage gewenscht, ja noodzakelijk zijn.

Des te gereeder ga ik daartoe over omdat dit mij de gelegenheid geeft, daarin te wijzen op een allerbelangrijkst stuk, vervat in een Juridisch blad, het Weekblad van het Recht No. 5811, waarin, met helderheid en op wetenschappelijke gronden , de plaats gehad hebbende veroordeeling wordt bestreden , en aangetoond, dat vrijspraak had moeten volgen.

-ocr page 8-

Dat stuk, door ecu bekwaam Jurist geschreven, is ongetwijfeld van groote beteekcnis en zal gewis niet weinig bijdragen om, ook -wat de juridische zijde betreft, licht te doen schijnen en veel duisters op te helderen.

Moge deze tweede oplage evenzeer licht verspreiden, als de eerste zoo in ruime mate reeds heeft verspreid.

Schw.

Utrecht, Februari 1890.

-ocr page 9-

Het is mij meermalen gebleken dat maar weinigen op de hoogte zijn van het conflict met de gevolgen daarvan, dat, eenige maanden geleden, tusschen het Bestuur der Blinden-in-richting alhier en mij heeft plaats gehad en dat daardoor soms dienaangaande de ongerijmdste denkbeelden gekoesterd worden.

Heb ik een oogenblik gedacht, ter wille der waarheid, het gebeurde in een der vele nieuwspapieren te publiceeren, ik ben daarvan teruggekomen omdat, wel beschouwd, de zaak zelve van weinig of geen publiek belang is en alzoo voor menigeen een onverschillig iets. Trouwens, ook aan het oordeel van een groot deel van het couranten lezend publiek, dat dikwerf meer haakt naar sensatie gevende berichten, dan naar eene eenvoudige mededeeling op waarheid gegrond, is mij minder gelegen, maar wat mij niet onverschillig is, is het oordeel van vrienden en bekenden die, onbevooroordeeld een open oor en een open oog hebben voor waarheid en recht, die, welwillend en goed gezind, nochtans zich maar geene voorstelling kunnen maken van de zaak, niet recht weten waaraan zich te houden uit onbekendheid met hare ware toedracht en tengevolge daarvan, soms opvattingen hebben, ongerijmd en bezijden de waarheid. Eene eenvoudige mededeeling van het gebeurde, met toelichting waar die noodig mocht zijn, kan, dunkt mij, voor dezulken niet anders dan een dienstbetoon en hun welkom zijn.

Geachte Heer of Mevrouw, ongetwijfeld behoort ook gij —

-ocr page 10-

6

en allen grond heb ik om dit te verwachten — tot degenen , wien het te doen is om waarheid, in alles de waarheid, en die er prijs op stelt licht te ontvangen, daar waar voor u in deze nog veel duisters en onbegrijpelijks mocht zijn. Vergun mij daarom deze letteren tot u te richten. Het is een eenvoudig woord zonder langwijlige beschouwingen en redeneeringen. Slechts een kort verhaal van het voorgevallene, de kwalificatie en de beoordeeling van het medegedeelde aan uw gezond verstand en eerlijk hart overlatende.

Tot recht begrip van hetgeen ik ga mededeelen een paar opmerkingen vooraf. Ik stel dan voorop;

1°. Dat ik gedurende de 16 jaren, waarin ik als penningmeester optrad, nooit of te nimmer de hand in de boeken der Vereeniging heb gehad, nimmer een enkel cijfer daarin heb geschreven en dat mij ook niet is opgedragen dit te doen, noch om de boeken zelf te houden, hetgeen ik trouwens ook niet op mij zou hebben genomen.

2°. Dat, hoewel optredende als penningmeester, ik nooit in al die jaren eenig geldelijk bedrag in handen heb gehad, uitgezonderd alleen legaten en hoogst zelden eene enkele gift, welke ik dan altoos onraiddelijk ter hand stelde aan Barneveld , die meest altijd de giften ontving. Behalve de aangekochte effecten, die bij mij in bewaring waren, en de tijdelijk in de crediet- en deposito-kas gedeponeerde gelden, waren waarden altoos in handen van Barneveld die daarover het beheer hadi die ook de contributien enz. ontving, en die dit alles deed met medeweten en instemming van het Bestuur.

3°. Dat Barneveld, niet slechts met medeweten, maar ook met volkomen instemming en waarschijnlijk destijds wel met medewerking van het Bestuur, van der eerste beginne af en reeds vóór mijn optreden heeft gefungeerd als boekhouder en de boeken der Vereeniging hield, wat ook door de rechtbank als bewezen is aangenomen, welke toestand bij mijne aankomst is bestendigd zonder dat daarover ooit een woord gesproken is.

-ocr page 11-

7

Dat het Bestuur Barneveld als boekhouder der Vereeniging beschouwde, verantwoordelijk aan dat Bestuur, dit blijkt duidelijk, zoo het nog noodig ware daarvoor bewijzen aan te voeren, o. m. uit de omstandigheid, dat toen het in April 18S8, dus vóór er nog iets was voorgevallen , voor het nazien der jaarrekening 1887, de boeken der Vereeniging verlangde, het die niet aan mij vroeg, maar ze, buiten mijn weten om, van Barneveld eischte en later die, ook buiten mijn weten, door hem heeft doen bijwerken. Al wat hij daarin boekte is mij onbekend en is buiten mij om geschied. Het was de Voorzitter die Barneveld aanschreef de boeken aan de Commissie tot onderzoek ter hand te stellen bij schrijven van 4 April 1888, welk schrijven in mijn bezit is.

Om voorts nog een bewijs aan te voeren, herinner ik, dat bij mijne aftreding en overdracht van geldswaarden enz., op 25 Mei 1888, door het Bestuur gecne bijwerking (ze waren op dat tijdstip niet bijgewerkt) noch afsluiting der boeken werd verlangd. Men heeft er geen oogenblik aan gedacht, daar dit behoorde tot de functien van Barneveld. Ook werd er toen niet de minste notitie genomen van de gedane ontvangsten en uitgaven van 1°. Januari tot uitquot;. Mei 1888, noch van de bij Barneveld aanwezige gelden, noch van diens gestie, noch van zijne schrifturen, neen, — van niets dienaangaande. Dat betrof mij niet. — Mij werd alleen gevraagd wat ik inbracht; om de rest bekommerde men zich niet, dat ging Barneveld als boekhouder aan.

Zoo er kwestie was van opname van een nieuwe blinde dan werd aan Barneveld gevraagd of de finantien der Vereeniging dit toelieten, niet aan mij.

4°. Eindelijk dat Barneveld niet van mij de opdracht tot fungeeren had ontvangen en ook niet door mij was aangesteld, noch door mij werd gesalarieerd, dat hij niet in mijn dienst was en ook volstrekt niet als mijn ondergeschikte was te beschouwen voor wiens daden ik verantwoordelijk zoude zijn.

-ocr page 12-

8

Al deze toestanden hierboven vermeld, hadden hunnen oorsprong daarin, dat de Inrichting, in den beginne van zeer weinig beteekenis, onder het beheer van Barneveld langzamerhand is toegenomen en van lieverlede zich heeft uitgebreid. Men liet evenwel de oude verhoudingen blijven. Daar men Barneveld vertrouwde, achtte men een beheer door hem in goede handen en het Bestuur verleende hem in allen deele de meest mogelijke vrijheid van handelen. Daardoor was hij eigenlijk de man waar alles op draaide. Dit is algemeen bekend.

Na deze voorafgaande bemerkingen, die ik noodig oordeelde, ga ik over tot mijne eigenlijke mededeelingen.

Zoo als ik hierboven reeds zeide, gedurende 16 jaren ben ik lid geweest van het Bestuur der Vereeniging tot ondersteuning enz. van blinden alhier, daarbij tevens als penningmeester optredende. Daar de inrichting in hooge mate mijne sympathie wegdroeg, zoo wijdde ik mij daaraan met hart en ziel, gelijk trouwens bekend is. Steeds kenmerkte de verhouding der verschillende bestuursleden onderling zich door welwillendheid en eensgezindheid en getuigde die van wederzijdsche waardeering. De houding van ién der leden, in het begin van 1888, bracht daarin eensklaps stoornis. Of diens grenzelooze heerschzucht of het werkelijk belang der inrichting daarvan de drijfveer was, laat ik buiten beoordeeling, doch de zoo onheusche, ja lompe en grievende bejegeningen die ik, plotseling en onverwacht, moest ondervinden, waren van dien aard, dat zij mij genoegzame aanleiding gaven om, hoe smartelijk mij dit ook viel, mijne functien neêr te leggen. Jk deed dit schriftelijk op 18 Mei 1888, daarbij verzoekende dat mij mocht worden medegedeeld waar en wanneer ik de onder mij berustende stukken en geldswaarden zou kunnen overdragen.

Ik ontving daarop een bestuursschrijven dd. 22 Mei 1888, met uitnoodiging om mijne rekening en verantwoording af te leggen tot en met uitquot;. Mei 1888, in handen eener daartoe benoemde commissie, bestaande uit de H.H. Wolbers en Verhoeff,

-ocr page 13-

9

en aan deze de onder mij berustende geldswaarden enz. der Vereeniging over te dragen.

Dit geschiedde op 25 Mei 1), in eene vriendschappelijke samenkomst, ten huize van den Heer Wolbers , bij welke gelegenheid ik niet anders dan blijken van welwillendheid en waardeering ontving en waarbij de Heer Wolbers mij nog zeide dat hij hoopte dat ik niet de minste ongunstige gedachte mij aangaande bij hem zoude veronderstellen. De stukken en geldswaarden werden nagezien en in orde bevonden, doch finale de'charge werd mij niet verleend, omdat de Commissie, zooals zij zeide, daartoe niet bevoegd was. Wel werd mij kwitantie verleend voor de overgenomen bescheiden en geldswaarden. Zonder eenig bezwaar berustte ik daarin, volkomen overtuigd dat alles in orde was en de goede trouw van het Bestuur niet betwijfelende, verwachte ik niet anders dan de gevraagde décharge den volgenden dag te zullen ontvangen.

Weinig vermoedde ik wat mij boven het hoofd hing en wat er zou beraamd worden.

Ruim drie weken later en wel op 22 Junij ontving ik, in plaats van de verwachte décharge, eene brief van het Bestuur, houdende eene yordering, zooals ik mij zeer goed meen te herinneren, ad pl. m. ƒ2655, die ik, naar men beweerde, nog aan de inrichting verschuldigd zoude zijn. Het doet mij ontzettend veel leed dat ik geen volledig afschrift van dezen brief kan overleggen, ik had dit gaarne gedaan, maar zij werd bij de plaats gehad hebbende huiszoeking in beslag genomen en ik heb die niet teruggekregen. Ter griffie vroeg ik die terug, doch te vergeefsch.

Zoo als ik zeide, bedroeg de vordering in totaal pl. m./2655. De bedragen der onderdeden kan ik mij niet allen meer met

1) Dit kon toen reeds en vóór het einde der maand, omdat Barnevelü als boekhouder der Vereeniging de boeken hield, bleef houden, ook het betrekkelijk geldelijk beheer voerde en bleef voeren. Die toestand onderging dus geene verandering.

-ocr page 14-

10

genoegzame zekerheid herinneren om die te durven vermelden, alleen weet ik, maar dit met zekerheid, daar ik daarvan eene aanteekening heb gevonden, dat er o. a. een bedrag van ƒ719.62 werd geeischt, welk bedrag ik, hoe ik ook op toelichting aandrong, nooit opgehelderd heb kunnen krijgen. Ik heb nooit van het Bestuur te weten kunnen komen waarvoor die som gevorderd werd en ivaarop die sloeg, zoodat ik eindelijk den indruk kreeg dat men het zelf niet wist, trouwens dit bleek ook later, want men heeft dien eisch stil laten varen.

Voorts eene eisch tot terugbetaling van een mij verleend zoogenaamd bedrijfskapitaal ad ƒ2500, een eisch, waarvan men later de onjuistheid heeft moeten erkennen, — alsmede nog van ƒ600 zijnde, zooals men zeide, door den Directeur Barneveld aan mij voorgeschoten gelden, die ik moest teruggeven. Waarom werd niet gezegd. Al deze bedragen, na aftrek van het nadeelig saldo over 1887 ad /quot;1410.24 (zie nadeelig saldo op blz. 14, dat stelde men toen op ƒ 2262.371)'

De ontvangene brief beantwoordde ik door te zeggen dat ik de gedane vordering niet begreep, dat b. v. het cijfer van ƒ719.62 mij een raadsel was, bovendien dat ik mij niet bewust was aan de Vereeniging iets verschuldigd te zijn en allea verantwoord had wat ik moest verantwoorden, ook het mij verleend zoogenaamd bedrijfskapitaal dat evenwel niet bedroeg ƒ2500, zooals men eigendunkelijk goedvond en zonder eenige grond te beweren, maar ƒ2464,37 en eindelijk dat het voorschot van Barneveld ad ƒ 600 mij niet aanging, daar ik niet verantwoordelijk was voor zijne daden, allerminst wanneer die geheel buiten mijne voorkennis waren verricht.

Wat te verwachten was, mijn schrijven gaf niets, evenmin als daarop volgende besprekingen.

Men wilde niet overtuigd zijn en men bleef bij de eenmaal gedane eisch volharden zonder iets te bewijzen.

Doch het bleef er niet bij.

Veertien dagen later en wel op Zaterdag 7 Juli, dus juist 6

-ocr page 15-

weken na de van zooveel welwillendheid getuigende samenkomst met den Voorzitter en Vice-Voorzitter, de H.H. Wolbers en Verhoeff, ten huize van eerstgenoemde en zonder dat er nader eenige verschuldigdheid was gebleken noch bewezen, vervoegden zich ten mijnen huize de H.H. Geelkerken en Van Meerlant om mij, namens het Bestuur, te kennen te geven, dat zoo ik niet binnen 4 dagen, dus voor Donderdag 12 Juli e. k. (gij ziet men was haastig), de gevorderde som ad pl.m. ƒ2655 betaalde, men bij den officier van Justitie eene aanklacht tegen mij zou indienen wegens verduistering van gelden.

Natuurlijk verontwaardigd, betuigde ik over een en ander mijne bevreemding en gaf ik andermaal te kennen dat ik mij niet be wust was eenig bedrag, hoe gering ook, aan de vereeniging schuldig te zijn of niet te hebben verantwoord, terwijl ook het Bestuur geen bewijs van verschuldigdheid had geleverd. Ik bleef derhalve weigeren te betalen wat ik niet schuldig was.

Nadat het onderhoud hierover afgeloopen was, nam de Heer Geelkerken, — de voormelde bedreiging was door den Heer Van Meerlant gedaan, — het woord en wel om te zeggen dat hij mede de opdracht had om, namens het Bestuur, mij mede te deelen, dat zoo ik, nu of later, het waagde het geringste, wat het ook zij, ten nadeele van het Bestuur te zeggen of in ongunstige zin mij over hetzelve uit te laten, men onmiddellijk ook daarvan eene aanklacht bij den officier van Justitie tegen mij zou indienen. — Inderdaad een merkwaardig woord, een woord dat teekent.

Ik treed hier niet in beschouwingen, en de vraag of hij die eene zuivere zaak voorstaat, die eenen nobelen strijd voert voor recht en eerlijkheid, vrees koestert voor openbaarheid of ongunstige getuigenissen, ja of neen, Iaat ik geheel in het midden, maar dit alleen meen ik te mogen zeggen: door die bedreiging sprak het Bestuur zijn eigen vonnis uit.

Op de bedreiging volgde de daad.

Vier dagen later en wel op Donderdag 12 Juli, had het Bestuur

-ocr page 16-

12

den treurigen moed de aanklacht bij den officier van Justitie in te dienen en onverwijlde vervolging aan te vragen. Genoemde Heer officier van Justitie (Mr. S. J. Van Geuns), rechtvaardig en humaan als altoos, gaf te kennen dat hij de zaak ernstig zoude onderzoeken en in overweging nemen om daar naar te handelen.

Dit antwoord was eene teleurstelling en in niet geringe mate. Eene onverwijlde en strenge vervolging toch was bedoeld, ge-wenscht.

Daar alle minnelijk overleg thans onmogelijk was geworden, stelde ik de zaak in handen van den advokaat Mr. A. A. Pit alhier, om voor mij op te treden en deponeerde ik tevens op eene neutrale plaats, en dit met en onder goedvinden van het Bestuur, een bedrag ad ƒ 2700 aan effecten tot waarborg en zekerheid van de beweerde, maar nog onbewezen schuld, daardoor het bewijs leverende dat het mij niet te doen was om het gevorderde geldelijk bedrag en om mij aan de betaling daarvan te onttrekken bij werkelijke verschuldigdheid, maar enkel om mijn goed recht.

De besprekingen, thans door tusschenkomst van den advocaat Mr. Pit, continueerden, doch zonder eenig resultaat. De bewijzen dat ik de gevorderde f 2655 verschuldigd zou zijn, kwamen maar niet te voorschijn. Instelling eener civiele actie, wat ongetwijfeld de meest natuurlijke weg zoude geweest zijn, vooral nu het geldelijk bedrag door het deponeeren van geldswaarden verzekerd was, om daardoor eene rechterlijke uitspraak uit te lokken, en alzoo een einde te maken aan het conflict, dorst men blijkbaar niet aan en. . . . zeer begrijpelijk, zeer natuurlijk ook — want men was zelf te zeer overtuigd van de groote moeielijkheid, of liever van de onmogelijkheid om voor den civielen rechter de gedane vordering te bewijzen.

Zoo verliep er eenigen tijd. Men ging voort met heftigheid te eischen, doch men bewees niets. Ik diende eindelijk eene nota in om den werkelijken stand van zaken eens duidelijk te maken. Ongelukkigerwijze was in die nota eene fout ingeslopen, maar zij

-ocr page 17-

was niettemin het Bestuur in niet geringe mate welkom, ja eene ware uitkomst, want schermde het vroeger met cijfers uit de lucht gegrepen en was men totaal verlegen, niet wetende wat te eischen, nu kwam er licht opdagen en had men eene leiddraad, een grond, zoo men meende.

Dat was verrukkelijk.

Eene contra nota, niets gelijkende op de eerste mij toegezondene, bleef dan ook niet uit en weldra, ik meen in September, ontving ik die, als grondslag eener nieuwe vordering.

De vorige, waar men zoo positie mede was aangekomen en waarvan men de juistheid en de deugdelijkheid zóó had volgehouden, zoozeer dat men daarom eene vervolging, ja zelfs eene strafrechtelijke vervolging noodzakelijk (!!) had geacht, werd los gelaten en gansch nieuwe cijfers kwamen opdagen. Van den eisch ad f 719,62, waaromtrent ik zoozeer om inlichting had gevraagd, niets meer, evenmin van den eisch ad ƒ2500. Waaromniet? — Wijselijk begrepen de HH. dat het zaak was daar niet meer van te gewagen en die cijfers maar stil te laten rusten. Langs eene anderen weg was het beoogde doel toch ook wel te bereiken.

De nieuw ingediende vordering, zoo plotseling en geheel ongemotiveerd circa f 640 lager, liep thans over een geheel ander cijfer en bedroeg nu f 2016,045. ^an vordering

ben ik in staat een afschrift over te leggen, 'tgeen ik dan ook hieronder doe.

Ik bleef protesteeren, volhoudende niets aan de Vereeniging schuldig te zijn en diende andermaal mijne nota in, thans verbeterd, ter wederlegging van de ontvangene. Een afschrift daarvan leg ik hierbij over.

De nota's van beide partijen hieronder opgenomen loopen over 1888. De rekeningen toch van vroegere jaren, ook die van 1887, waren goedgekeurd en afgedaan.

-ocr page 18-

63

NOTA VAN HET BESTUUR.

dd. September 1888.

NOTA VAN MIJ ZELF.

06

63

/5OI9 2535

/t;ooo ^2535

/24S,

43

/2464

37

» 2400

In de Crediet- en Deposito-kas op 1° Januari 1884 aanwezig Af aankoop van effecten.....

rest

Inbreng aan legaten

enz..............ƒ2400,—

Rente van gedeponeerde gelden in de Cred. en Dep. kas van 1883—-1888... » 123,25

Gestort in de Cred. en Dep. kas in December 1883 en op i0

Januari 1884 aanwezig.....

Af aankoop van effecten.....

rest

Inbreng aan diverse legaten enz......................

» 2523

25

68

/5006

/4864 »1504

» 620

te zamen

Met het saldo van ult9 Mei 1888 heeft de heer Schvvartzenberg niets te maken. De laatst door hem overgelegde maandstaat loopt tot uit0 April 1888. Het nadeelig saldo dier maandstaat was........ƒ 2262,37®

Waaraf het bedrag in het dienstjaar 1887 te weinig verantwoord (zie ■•aarstaat 1887 en maandstaat Januari 1888)........»11642,26

te zamen

Af nadeelig saldo op uil0 Mei volgens Kasboek..........

/4386

/3359

go'

» 2900

verschuldigd

In Mei is niets anders of meerder verantwoord dan de f 1100,— waarvoor kwitan-tiën zijn afgegeven. Het ingebrachte is dus slechts....

alzoo verschuldigd

Verantwoord in Februari volgens Kasboek.....f 1200,—

Idem April idem. .. » 600,— Idem Mei idem... » 1100,— Idem 25 Mei aan contanten aan de commissie bij aftreding overgedragen.....»

400,-

» 33°°

/ 59

90

* 70

S2

»

»

/1486

blijft

56»

Af abusieve optelling .

_7?5

2 047

/1416

De heer S. blijft dus schuldig Waaraf wegens abusieve optelling....................

blijft

Waarbij komt de door den directeur aan den penningmeester voorgeschoten sommen ad f 600,—..........

» 600

/2OI604

RECAPITULATIE.

Ingebracht................/33005—

Verschuldigd .. ƒ Af abusieve op-

telliug.......» 70,52

-- » 3289,38'


meer ingebracht f 10,616

-ocr page 19-

15

De verschillen van beide nota's vallen in het oog.

Vergun mij die duidelijk te maken.

Het Bestuur, op gansch andere wijze dan vroeger en met nieuwe cijfers aankomende, begint met op te nemen als door mij verschuldigd, een bedrag op iquot; Januari 1884 in de crediet en deposito-kas alhier aanwezig ad f 5019,06, na aftrek van de som van f 2535,63 voor gekochte effecten, dus ad f 2483,43 (t. w. f 2464,37 19,06 — 2483,43).

Dit cijfer ad f 19,06 is foutief. In de crediet en deposito-kas werden nimmer andere gelden gestort dan geboekte en reeds verantwoordde, tijdelijk niet benoodigd. Het bedrag ad ƒ 19,06, restant van meer, op 10 Januari 1884 in genoemde kas aanwezig, was derhalve reeds verantwoord vóór genoemde dagteekening en vóór de storting. Dit nu wederom en dus voor de tweede maal in rekening te brengen zoude gelijk staan met eene dubbele storting en mij dunkt daartoe kan ik wel niet verplicht zijn. Bleef het Bestuur zich zelf gelijk, dan zoude het ook nog van mij moeten vorderen de vele honderden guldens bij tijd en wijle ntl 10 Januari 1884 tot uit. Mei 1888 in de crediet en deposito-kas tijdelijk gedeponeerd, evenals genoemde f 19,06. En dat doet men niet. Waarom het Bestuur juist het saldo op iquot; Januari 1884 uitpikt en niet b. v. dat van 1882 of 1883 of 1885 enz. heb ik nooit begrepen.

De saldo's op 1° Januari 1884 tot en met 10 Januari 1888 aanwezig, bedroegen als volgt:

1° Januari 1884 f 19,06 f 2464,37 (restant v. ontv. legaat) 1885 „ 2326,03 1S86 „ 2037,65

1887 „ 776,68

1888 „ 376,68

Waarom nu zou ik het saldo van 1° Januari 1884 verschuldigd zijn en andermaal moeten storten en de andere saldo s niet? Deze toch staan daarmede volkomen gelijk behalve de bedragen.

-ocr page 20-

Ik begrijp zoo iets niet. Eene zoodanige cijfering behoort zeker tot eene hoogere financier-kunst die een gewoon menschenverstand niet vatten kan en waarvan de twee Notarissen Geelkerken en van Meerlant en de Directeur der Utrechtsche Credietbank Jhr. J. van Asch van Wijck, leden der Commissie van onderzoek , alleen de sleutel hebben.

De storting ad ƒ 5000,— (ontvangen legaat) en enkel die som, was om toenmaals goedgevondene redenen eene uitzondering geweest op den algemeenen regel en een niet geboekt bedrag dat later moest worden verantwoord. Zoo als gezegd is, voor een deel er van werden effecten aangekocht en wel ad ƒ 2535,63. Het overschot komt voor op mijne nota.

Voorts trekt het Bestuur uit als nog door mij verschuldigd f 123,25 aan rente voor in de crediet en deposito-kas gedeponeerd geweest zijnde gelden.

Dit is ten onrechte. Die rente, welke door de administratie van genoemde kas, jaarlijks op de rekening-courant werd bijge-boekt, is door mij in de maand Januari 1888 aan Barneveld ter verantwoording ter hand gesteld te gelijk met meerdere gelden en wel per cheque op die kas.

Deze cheque was groot ƒ376,68 en bevatte het laatst aldaar aanwezige bedrag, zoodat natuurlijk de rente er onder begrepen was.

Deze chêque is door Barneveld ingecasseerd, dit kan onmogelijk ontkend worden.

Zie tot opheldering onderstaande opgave.

Rekening- Crediet- en Depositokas.

1. Januari 1884. tot 1. Januari 1888.

Ingebracht. Rente. Totaal.

in 1884 f 8661,06 -|- f 42,60 = f 8703,66

in 1885 „ 2650,--1- „ 36,62 r= „ 2686,62

in 1S86 „ 1S75,--\- „ 44,03 = „ 1919,03

in 1887 „ 400,--h „ —= „ 400 —

Totaal f 13586,06 -f „ 123,25 — „ 13709,31

-ocr page 21-

1?

Uitgenomen.

in 1884 ƒ 6377,63 in 1885 „ 2975,—

in 1886 „ 3180,—

in 1887 „ 800,—

Totaal ƒ 13332,63

Balans.

ingebracht ƒ 13709,31 zijnde aan inbreng / 253,43 uitgenomen „ 13332,63 aan rente „ 123,25

Saldo aanwezig op

1° Jan. 1888 ƒ 376,68 te zamen / 376,68

Welk saldo ad / 376,68, waaronder de rente ad f 123,25, in de maand Januari 1888 aan Barneveld is ter hand gesteld per cheque op de crediet en depositokas, die dat bedrag heeft afgehaald, zooals zooeven gezegd werd, en als boekhouder heeft behooren te verantwoorden. Heeft hij dat niet gedaan, waar is dat bedrag dan gebleven?

Een derde verschil betreft het af te trekken nadeelig saldo. Dit nadeelig saldo was, zooals meermalen gebeurde, hoofdzakelijk ontstaan door betalingen van grondstoffen. Het Bestuur trekt af het nadeelig saldo op uit. April.

Ook dit is foutief en moet zijn het bedrag op uit. Mei, aangezien ik tot zoo lang fungeerde, d. i. tot zoo lang ontvangsten heb gehad en betalingen heb gedaan. Ik heb tot dit tijdstip mijne rekening afgelegd op verlangen en op uitnoodiging van het Bestuur zelve dat mij de uitnoodiging daartoe toezond bij aanschrijving dd. 22 Mei 1888, thans nog in mijn bezit, luidende als volgt: „Het Bestuur noodigt u uit uwe rekening van ontvangst en uitgaaf over „het tijdperk 1° Januari tot uit. Mei 1888, vóór het einde der loopende „maand te willen doen toekomen aan de benoemde Commissie bestaande „uit de HH. WOLBERS en VERHOEFF.quot;

Het Bestuur der Vereeniging enz.: Utrecht, {get)- Julien Wolbers, Voorzitter.

22 Mei 1888. J. J. van Asch van Wijck, Secretaris.

2

-ocr page 22-

l8

Bovendien heeft het Bestuur aan al de begunstigers der inrichting in den lande eene gedrukte circulaire verzonden van den volgenden inhoud:

„Aan de vrienden en begunstigers van de Vereeniging tot „ondersteuning en zedelijke ontwikkeling van Hulpbehoevende „Blinden te Utrecht wordt bij dezen medegedeeld dat de heer „U. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg met uit. „Mei heeft opgehouden Penningmeester van genoemde Ver-„eeniging te zijn.

„Allen, die de inrichting met legaten, schenkingen of giften „wenschen te verblijden , worden daarom vriendelijk uitgenoodigd, „deze te zenden of te doen toekomen aan een der leden van „het Bestuur, of aan den Directeur der Inrichting.

Het Bestuur:

Julien Wolbers, Voorzitter. J. C. Verhoeff, Vice-Voorzitter.

W. van Teylingen van Kamerik.

Utrecht, 31 Mei 1888.

W. A. van Rijn.

H. van Meerlant.

N. G. Geelkerken.

J. J. van Asch van Wijck, Secretaris.

Er kan dus geen kwestie zijn of, wijl men aftreding en aflegging van rekening verlangt met uitquot;. Mei, ook rekening moet worden gehouden met het nadeelig saldo op die datum en niet met dat van een maand vroeger. Dit is duidelijk en klaar. Nochtans, behalve Ds. Verhoeff, die ter terechtzitting verklaarde dat ik tot het laatst van Mei had gefungeerd, spreekt het Bestuur dit tegen en zegt ronduit dat ik met de maand Mei niets te maken heb, — N.B. ik vroeg eerst op 18 Mei om ontslagen te mogen worden, — en dat met het nadeelig saldo op uitquot;. Ajjril moet gerekend worden.

Tot staving van dit zonderling beweren heeft men er dit op uitgevonden en als reden opgegeven dat ik geen maandstaat over

-ocr page 23-

t9

Mei had ingediend. Alsof dit iets afdeed en alsof ik dit ooit deed of gedaan had. Inderdaad men staat verba quot;sd over zoo iets en men moet wel gelijk willen hebben hoe dan ook, om met zoodanig argument te durven aankomen. Nog nooit gedurende de 16 jaren dat ik als penningmeester optrad, heb ik eenige maandstaat ingediend en ook nooit is die indiening voorgeschreven noch ook verzocht. In de notulen der gehouden vergaderingen zal men ook nergens eenig voórschrift of verzoek tot indiening vinden. De gedachte zelf is nimmer bij mij opgekomen om dir te doen. Wel zond Barneveld in de laatste jaren uit eigen beweging, geheel buiten mij om en geheel buiten mijn weten en voorkennis, eenen door hem opgemaakten en onderteekenden staat, wat ook door de rechtbank als bewezen is aangenomen, eenige oogenblikken vóór de bestuursvergaderingen aan den voorzitter en aan mij, doch die staat had hoegenaamd geen officieel karakter, hoegenaamd geen bewijskracht, niets geen comptabele waarde. Dat weet het Bestuur uitnemend goed en, eerlijk zijnde, zal het ook moeten erkennen er nooit de minste waarde aan te hebben toegekend. Bedoelde staat was niets anders dan een officieuse mededeeling van Barneveld aan het Bestuur, niets meer, die louter voor kennisneming werd aangenomen en na inzage eenvoudig werd ter zijde gelegd.

Doch al was de bewering van het bestuur naar waarheid, zij zoude hier niets afdoen wijl het zelf, èn bij aanschrijving, èn bij gedrukte circulaire, uitquot;. Mei als tijdstip van aftreding en afrekening had aangewezen.

Van het nadeelig saldo, dat later terugvloeit, trekt het Bestuur af de som van f 1642,26, een bedrag dat door mij verschuldigd zoude zijn als te weinig verantwoord over 1887, volgens jaarstaat over gemeld jaar.

Veel woorden om dit te weerleggen zijn overbodig. Het zij voldoende te melden en er op te wijzen, dat ik in het bezit ben van een schriftelijk bewijs van goedkeuring der jaarstaat over 1887, door het Bestuur onderteekend en ik kan

-ocr page 24-

fiovendien heeft het Bestuur aan al de begunstigers der inrichting in den lande eene gedrukte circulaire verzonden van den volgenden inhoud:

„Aan de vrienden en begunstigers van de Vereeniging tot „ondersteuning en zedelijke ontwikkeling van Hulpbehoevende „Blinden te Utrecht wordt bij dezen medegedeeld dat de heer „U. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg met uit. „Mei heeft opgehouden Penningmeester van genoemde Ver-„eeniging te zijn.

„Allen, die de inrichting met legaten, schenkingen of giften „wenschen te verblijden , worden daarom vriendelijk uitgenoodigd, „deze te zenden of te doen toekomen aan een der leden van „het Bestuur, of aan den Directeur der Inrichting.

Het Bestuur:

Julien Wolbers , Voorzitter. J. C. Verhoeff, Vice-Voorzitter.

W. van Teylingen van Kamerik. W. A. van Rijn.

H. van Meerlant.

N. G. Geelkerken.

J. J. van Asch van Wijck, Secretaris.

Er kan dus geen kwestie zijn of, wijl men aftreding en aflegging van rekening verlangt met uitquot;. Mei, ook rekening moet worden gehouden met het nadeelig saldo op die datum en niet met dat van een maand vroeger. Dit is duidelijk en klaar. Nochtans, behalve Ds. Verhoeff, die ter terechtzitting verklaarde dat ik tot het laatst van Mei had gefungeerd, spreekt het Bestuur dit legen en zegt ronduit dat ik met de maand Mei niets te maken heb, — N.B. ik vroeg eerst op 18 Mei om ontslagen te mogen worden, — en dat met het nadeelig saldo op uitquot;. April moet gerekend worden.

Tot staving van dit zonderling beweren heeft men er dit op uitgevonden en als reden opgegeven dat ik geen maandstaat over

Utrecht , 31 Mei 1S88.

-ocr page 25-

»9

Mei had ingediend. Alsof dit iets afdeed en alsof ik dit ooit deed of gedaan had. Inderdaad men staat verbaasd over zoo iets en men moet wel gelijk willen hebben hoe dan ook, om met zoodanig argument te durven aankomen. Nog nooit gedurende de 16 jaren dat ik als penningmeester optrad, heb ik eenige maandstaat ingediend en ook nooit is die indiening voorgeschreven noch ook verzocht. In de notulen der gehouden vergaderingen zal men ook nergens eenig voórschrift of verzoek tot indiening vinden. De gedachte zelf is nimmer bij mij opgekomen om dit te doen. Wel zond Barneveld in de laatste jaren uit eigen beweging, geheel buiten mij om en geheel buiten mijn weten en voorkennis, eenen door hem opgemaakten en onderteekenden staat, wat ook door de rechtbank als bewezen is aangenomen, eenige oogenblikken vóór de bestuursvergaderingen aan den voorzitter en aan mij, doch die staat had hoegenaamd geen officieel karakter, hoegenaamd geen bewijskracht, niets geen comptabele waarde. Dat weet het Bestuur uitnemend goed en, eerlijk zijnde, zal het ook moeten erkennen er nooit de minste waarde aan te hebben toegekend. Bedoelde staat was niets anders dan een officieuse mededeeling van Barneveld aan het Bestuur, niets meer, die louter voor kennisneming werd aangenomen en na inzage eenvoudig werd ter zijde gelegd.

Doch al was de bewering van het bestuur naar waarheid, zij zoude hier niets afdoen wijl het zelf, èn bij aanschrijving, èn bij gedrukte circulaire, uitquot;. Mei als tijdstip van aftreding en afrekening had aangewezen.

Van het nadeelig saldo, dat later terugvloeit, trekt het Bestuur af de som van f 1642,26, een bedrag dat door mij verschuldigd zoude zijn als te weinig verantwoord over 1887 , volgens jaarstaat over gemeld jaar.

Veel woorden om dit te weerleggen zijn overbodig. Het zij voldoende te melden en er op te wijzen, dat ik in het bezit ben van een schriftelijk bewijs van goedkeuring der jaarstaat over 1887, door het Bestuur onderteekend en ik kan

-ocr page 26-

20

ét aan toevoegen dat het onderzoek van dezen staat niet oppervlakkig maar met de meeste nauwgezetheid heeft plaats gehad, zooals ook ter terechtzitting bij monde van Ds. Ver-hoeff openlijk is verklaard, die er nog heeft bijgevoegd dat ik zelf aan de Commissie een meest nauwgezet onderzoek had gevraagd.

Een ander punt van verschil in de nota's betreft den inbreng. Ik wees aan /'3300, het Bestuur slechts ƒ2900, bewerende dat ik voor de maand Mei ƒ 400 te veel opgaf en dit bedrag niet had ingebracht.

Men beweerde doch leverde geen beivijs. Om mijne opgave te rechtvaardigen toonde ik aan dat het kasboek aanwees en daarin geboekt stond, eene inbreng van f noo met bijvermelding, achter het cijfer, van 15 Mei en dat ik op 25 Mei f 400 had ingebracht.

Het Bestuur bestreed mijn betoog, bewerende dat de door mij op 25 Mei ingebrachte f 400, opgenomen waren bij en een deel uitmaakten van de geboekte f 1100 door mij genoemd. Nimmer gewoon geweest om voor elk der door mij ingebrachte bedragen kwitantiën te nemen, was het mij moeielijk terstond met cijfers het tegendeel aan te toonen, al pleitte de wijze van boeking in het kasboek voor de juistheid mijner opgave. Het kasboek, verscheidene weken ten achteren, was eerst na mijne aftreding en geheel buiten mij om bijgewerkt, ik wist dus niets van de boeking af en kon daardoor voor 't oogenblik niet anders doen dan constateeren de boeking aldaar, van de genoemde som ad f 1100 op de vermelde wijze, zooals dit bij latere inzage der boeken mij gebleken was, en eene inbreng op 25 Mei ad ƒ400, welke inbreng nimmer is tegengesproken, noch tegengesproken kunnen worden.

Een nader onderzoek was derhalve noodig, doch daartoe kwam het niet en werd geene gelegenheid gegeven, zelfs werd dit onderzoek voor mij onmogelijk gemaakt daar aan Barneveld , de eenige die mij had kunnen inlichten, werd verboden eenige

-ocr page 27-

gemeenschap met mij te hebben, zooals hij mij deed weten bij schrijven van 5 October 1888 nog in mijn be/-it.

Uitgemaakt is de kwestie dezer f 400 dan ook nooit, want terwijl de besprekingen daarover plaats hadden gaf het Bestuur plotseling de strijd over de geldelijke aangelegenheden op om met gansch andere vervolgingen aan te komen.

Het laatste punt van verschil is het cijfer van f 600, welke som, naar het Bestuur zegt, Barneveld aan mij zou hebben voorgeschoten en ik moet teruggeven , (men zoude zeggen dus eene zaak tusschen Barneveld en mij) en nu is het Bestunr, tuk als het is om mij maar geld te laten betalen, bereidvaardig om als makelaar, (met of zonder provisie?) voor Barneveld op te treden.

Zeker zeer welwillend voor deze, maar of er de minste grond voor bestaat om aan mij zoodanige vordering te doen dit is een tweede, althans ook hier wederom hoegenaamd geen bewijs, —• louter een zeggen, een beweren zonder grond. Ik kan er dit nog bijvoegen, dat ik gerust kan betuigen dit wanneer ik eene of andere betaling te doen en geld noodig had, ik mij dan toch niet tot Barn eveld zou gewend hebben om mij dit voor te schieten en ik er nimmer aan gedacht heb hem zoo iets te vragen. Dit zal een ieder wel begrijpen. De vordering is dan ook het toppunt van dwaasheid.

Heeft het Bestuur misschien bedoeld, wat evenwel niet gezegd wordt, dat Barneveld aan de inrichting een voorschot gedaan had, dat ik zou moeten restitueeren , dan antwoord ik daarop dat mij dit niemendal aangaat daar Barneveld niet in mijne dienst geweest is, noch door mij aangesteld en gesalarieerd werd en niet mijn ondergeschikte was. Er kan alzoo geen kwestie zijn van aansprakelijkheid mijnerzijds voor zijn doen en laten, en onmogelijk kan ik verantwoordelijk geacht worden voor zijne daden, allerminst wanneer die gansch en al zonder mijnen last en geheel buiten mijn weten en voorkennis zijn geschied, wat hier het geval was.

Van het gansche voorschot weet ik niets af. Alleen kan ik

-ocr page 28-

22

mij herinneren dat B^rneveld mij eens gezegd heeft, ik meen in Januari 1888, sprekende met mij over een voorschot door mij gedaan: ,,Ik ben ook ƒ 500 in voorschotwaarop ik hem geantwoord heb: dat moogt gij niet zijn, uwe finantieele positie laat dat niet toe, doe mij nadere opgaveten einde het te kunnen verrekenen. — Die opgave kwam nooit, evenmin als eenige mededeeling wanneer, waarom en waarvoor dat voorschot zou zijn gedaan.

Dat er in deze iets raadselachtigs is, ik kan dit niet van mij afzetten en onwillekeurig komt de vraag, al zoude ik die zoo gaarne willen ter zijde stellen , bij mij op; Wat is er van dit voorschot ? — Waarom voorgeschoten ? — 16 jaren lang heeft Barneveld met mij te doen gehad, zelf, zeide hij, met mij altoos op zoo vertrouwelijke voet om te gaan, — 16 jaren lang heeft bij zich geregeld en altoos tot mij gewend zoo er geld benoodigd was en steeds ontving hij dit terstond. Nog in het tijdperk I Jan.—25 Mei 1888, dus van vijf maanden vóór mijne aftreding ontving hij van mij, onmiddelijk op zijne aanvrage, en de aanvragen zijn nog in mijn bezit, verschillende bedragen als b.v. om maar eenige te noemen, op 7 Januari ƒ 400, op 10, 18, 25 en 28 Februari respectievelijk f 400, 400, 150, 700,

op 24 Maart f 100, op 21 April /quot;500. Waarom dan in.....?

Ja wanneer? dat heb ik nooit vernomen, gelden voorgeschoten terwijl hij die zoo menigmaal vroeg en steeds onmiddelijk ontving? — Waarom in plaats van voor te schieten mij niet gevraagd , zooals hij jaren lang altoos deed , bij de stellige wetenschap die te zullen bekomen? — Waarom toen ik hem in Mei f 700 ter hand stelde om in de crsdiet en deposito kas te storten , mij niet verzocht er zijn voorschot van te mogen afhouden? — Waarom in Januari 1888 aan mij genoemd f 500 en aan het Bestuur f 600 ? — Ziet daar is iets duisters in, — doch laat ik er niet verder in doordringen en dan ook niet stil staan bij de onwaarheid van Barneveld, ter terechtzitting openlijk uitgesproken , waar hij verklaarde maanden lang bij mij te hebben aangedrongen en mij dringend te hebben versacht hem zijn

-ocr page 29-

23

voorschot te restitueeren en dat altoos te vergeefsch, zoodat hij eindelijk zich tot Ds. Vfrhoeff heeft moeten wenden om die restitutie te erlangen. Die verklaring, onder eede afgelegd, is voor zijne rekening. — Ik laat die daar en denk er het mijne van.

Nog dén woord over deze voorschot-kwestie. — De genoemde som ad ƒ600, heeft (2.ie blz. 44) het als makelaar optredend Bestuur ontvangen, doch nimmer heb ik van dat Bestuur eene kwitantie van Barneveld bekomen. Ik blijf dus ongedekt.

Dit is inderdaad vreemd en opmerkelijk. Het is toch vrij algemeen de gewoonte dat men kwitantie ontvangt van den persoon aan toien men verschuldigd geld betaald, 't Schijnt wel dat er bestuursleden zijn die daar niet aan doen en daaromtrent eigenaardige beschouwingen hebben, of staat dit in verband met het niet kunnen bewijzen der vordering?

Waarom ontving ik geene kwitantie van Barneveld? Mij dunkt dat ware niet anders dan zooals behoorde.

Nog iets alvorens van deze geldelijke aangelegenheden af te stappen. — Nog iets dat de aandacht verdient en waarop met nadruk zij gewezen.

Op 22 Juni 1888 doet het Bestuur aan mij eene vordering volgens mijne herinnering, daar ik de brief niet meer bezit, zie bl. 9, ad pl. m. / 2655, gevolgd, toen ik niet betaalde, door eene aanklacht bij de Justitie wegens verduistering van gelden tot het gevorderde bedrag.

Ter terechtzitting op 13 December verklaart Jhr. Jan van Asch van Wijk, onder eede, dat de toen door het Bestuur gedane vordering en waarvoor men de strafrechtelijke vervolging eischte bedroeg / 2209.36s.

In September daaropvolgende doet dat zelfde Bestuur mij eene andere vordering en wel ad / 2016.04'.

Circa eene maand later en wel op 17 October, wederom eene andere doch nu ad / 2014.04'.

De H.H. Geelkerken en van Meerlant noemden ter terechtzitting ruim / 2000,

-ocr page 30-

24

Alzoo zeer verschillende cijfers. De bewijzen van deze verschillende vorderingen zijn in mijn bezit, alleen van de eerstgenoemde niet meer, zooals ik hierboven zeide.

Voorwaar kan er sterker bewijs zijn, dat genoemd Bestuur hoegenaamd geen grond had voor de gedane vorderingen, ja, zelfs niet eens wist wat te vorderen? — En is het wonder dat bij het opmerken van dit feit, een gevoel van verontwaardiging niet te weerhouden is en men komt tot de vraag: Wat was toch de drijfveer tot zoodanige handelingen, handelingen door niets te rechtvaardigen ?

De nota's besproken en toegelicht hebbende, ga ik door met mijne mededeelingen.

Na de indiening der nota hadden andermaal onderhandelingen plaats, mijnerzijds door tusschenkorast van den Advokaat Mr. Pit, doch ook wederom zonder eenig resultaat. Aangaande niet een punt was toenadering mogelijk, het scheen wel dat men niet wilde overtuigd zijn. Men hield vol, maar bewijzen bleven achterwege. Toch voelde het Bestuur blijkbaar grond onder de voeten wegzinken. Niet in staat om mijne argumenten te weerleggen en evenmin deugdelijke gronden kunnende aanvoeren tot staving van eigen sustenuen begon men, en het is niet gewaagd dit te zeggen, vrees te koesteren voor de houdbaarheid der gedane vorderingen en . ... men gaf den strijd voor het geldelijk bedrag op.

Evenwel niet toegegeven. Neen,— maar men wist raad. Men veranderde van tactiek. — De vordering laat men rusten en laat men achterwege. — Wat doet die trouwens er ook toe. Ziende dat men daarmede niet slagen kon, slaat men, plotseling, eene gansch anderen weg in.

In stilte en onder de meest mogelijke geheimhouding ^ dient men bij den Officier van Justilie, maar thans bij den Substituutofficier, Mr. N. de Ridder, tegen mij eene aanklacht in wegens valschheden in geschrifte, enz. Geene waarschuwing vooraf neen, al durft het Bestuur nog zoo brutaal beweren dit gedaan

-ocr page 31-

25

te hebben, niets er van, alles in stilte. Èn Voorzitter en Vice-Voorzitter, de HH. Wolkers en Verhoeff, de laatste had Jhr. van Asch van Wijck even te voren gesproken, spreek ik ampel over de zaak, daags na de indiening der aanklach'; en vier dagen vóór de inhechtenisneming, van hen geen enkel woord, neen, — niets over de zoo vreeselijke daad door hen toen reeds begaan, (zie blz. 31).

De diepste geheimhouding.

Het was dan ook eerst de dag na de inhechtenisneming dat ik de eigenlijke reden er van vernam, want toen eerst werden de eerste beschuldigingen aan mij beteekend.

De beschuldigingen tegen mij ingebracht betroffen nu niet meer verduistering van gelden zoo als in Juli, — dat durfde men niet meer aan , — maar waren thans de volgende:

Opzettelijk in het begin van Maart 188S een te hoog en geheel verzonnen cijfer in het kasboek in uitgaaf te hebben doen boeken waardoor volgens dat kasboek het nadeelig saldo verhoogd werd en zulks met het oogmerk om het aldus op mijnen last vervalschte kasboek of zelf te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Eene jaarstaat over 1887 te hebben ingediend op welke staat in ontvangst eene post aan rente van belegde gelden te laag en in uitgaaf eene post betreffende aankoop van effecten te hoog waren gebracht ten einde door overlegging van dezen staat als ware die onvervalscht definitieve vaststelling van de jaarrekening en dus ook van het saldo te erlangen uit welk gebruik nadeel kan ontstaan.

Op een door de Commissie ad hoe, de HH. Wolbers en Verhoeff, verleend ontvangbewijs voor op 25 Mei overgenomen geldswaarden enz., valschelijk de beschrijving te hebben gedaan „van contanten f 400quot; met het oogmerk om van die valsche vermelding gebruik te maken uit welk gebruik nadeel kon ontstaan.

Eindelijk uit boven bedoeld ontvangbewijs een extract te hebben genomen en van dat extract gebruik te hebben gemaakt.

-ocr page 32-

24

Alzoo zeer verschillende cijfers. De bewijzen van deze verschillende vorderingen zijn in mijn bezit, alleen van de eerstgenoemde niet meer, zooals ik hierboven zeide.

Voorwaar kan er sterker bewijs zijn, dat genoemd Bestuur hoegenaamd geen grond had voor de gedane vorderingen, ja, zelfs niet eens ztnst wat te vorderen? — En is het wonder dat bij het opmerken van dit feit, een gevoel van verontwaardiging niet te weerhouden is en men komt tot de vraag: Wat was toch de drijfveer tot zoodanige handelingen, handelingen door niets te rechtvaardigen ?

De nota's besproken en toegelicht hebbende, ga ik door met mijne mededeelingen.

Na de indiening der nota hadden andermaal onderhandelingen plaats, mijnerzijds door tusschenkomst van den Advokaat Mr. Pit, doch ook wederom zonder eenig resultaat. Aangaande niet een punt was toenadering mogelijk, het scheen wel dat men niet wilde overtuigd zijn. Men hield vol, maar bewijzen bleven achterwege. Toch voelde het Bestuur blijkbaar grond onder de voeten wegzinken. Niet in staat om mijne argumenten te weerleggen en evenmin deugdelijke gronden kunnende aanvoeren tot staving van eigen sustenuen begon men, en het is niet gewaagd dit te zeggen, vrees te koesteren voor de houdbaarheid der gedane vorderingen en ... . men gaf den strijd voor het geldelijk bedrag op.

Evenwel niet toegegeven. Neen, — maar men wist raad. Men veranderde van tactiek. — De vordering laat men rusten en laat men achterwege. — Wat doet die trouwens er ook toe. Ziende dat men daarmede niet slagen kon, slaat men, plotseling, eene gansch anderen weg in.

In stilte en onder de meest mogelijke geheimhouding, dient men bij den Officier van Justitie, maar thans bij den Substituutofficier, Mr. N. de Ridder, tegen mij eene aanklacht in wegens valschheden in geschrifte, enz. Geene waarschuwing vooraf neen, al durft het Bestuur nog zoo brutaal beweren dit gedaan

-ocr page 33-

25

te hebben, niets er van, alles in stilte. Én Voorzitter en Vice-Voorzitter, de HH. Wolbers en Verhoeit, de laatste had Jhr. van Asch van Wijck even te voren gesproken, spreek ik ampel over de zaak, daags na de indiening der aanklacht en vier dagen vóór de inhechtenisneming, van hen geen enkel woord, neen, — niets over de zoo vreeselijke daad door hen toen reeds begaan, (zie blz. 31).

De diepste geheimhouding.

Het was dan ook eerst de dag na de inhechtenisneming dat ik de eigenlijke reden er van vernam, want toen eerst werden de eerste beschuldigingen aan mij beteekend.

De beschuldigingen tegen mij ingebracht betroffen nu niet meer verduistering van gelden zoo als in Juli, — dat durfde men niet meer aan, — maar waren thans de volgende:

Opzettelijk in het begin van Maart 1888 een te hoog en geheel verzonnen cijfer in het kasboek in uitgaaf te hebben doen boeken waardoor volgens dat kasboek het nadeelig saldo verhoogd werd en zulks met het oogmerk om het aldus op mijnen last vervalschte kasboek of zelf te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Eene jaarstaat over 1887 te hebben ingediend op welke staat in ontvangst eene post aan rente van belegde gelden te laag en in uitgaaf eene post betreffende aankoop van effecten te hoog waren gebracht ten einde door overlegging van dezen staat als ware die onvervalscht definitieve vaststelling van de jaarrekening en dus ook van het saldo te erlangen uit welk gebruik nadeel kan ontstaan.

Op een door de Commissie ad hoe, de HH. Wolbers en Verhoeff, verleend ontvangbewijs voor op 25 Mei overgenomen geldswaarden enz., valschelijk de beschrijving te hebben gedaan „van contanten f 400quot; met het oogmerk om van die valsche vermelding gebruik te maken uit welk gebruik nadeel kon ontstaan. Eindelijk uit boven bedoeld ontvangbewijs een extract te hebben genomen en van dat extract gebruik te hebben gemaakt.

-ocr page 34-

26

Eene breedvoerige wederlegging van deze beschuldigingen, die ik hier niet wil kwalificeeren , zal zeker niet door u verlangd worden, en het komt mij ook tamelijk overbodig voor u daarmede te vermoeien. Voldoende zal het zijn er op te wijzen, wat trouwens bekend is, dat de rechtbank de eerstgenoemde beschuldigingen ongegrond heeft bevonden en daarvoor geen termen tot veroordeeling aanwezig oordeelde, zoodat het niet schuldig daarover is uitgesproken met volkomen vrijspraak van alle rechterlijke vervolging. En natuurlijk ook, want ze waren zonder eenige grond.

Alleen de laatste handeling heeft zij strafbaar geoordeeld. Deze vereischt eenige toelichting. Vergun mij nog een enkel oogenblik uwe welwillende aandacht daarvoor te vragen en wil mij die schenken, zonder vrees voor critiek op het vonnis, want daartoe heb ik geen plan.

Daar de laatste beschuldiging in zoo nauw verband staat met de voorafgaande, is het onvermijdelijk noodig eerst deze met een enkel woord te bespreken. Deze betreft een bijschrijven van f 400 op eene verleende kwitantie. Laat ik, tot recht begrip hiervan, het gebeurde hier eenvoudig mededeelen. Nadat ik op den avond van 25 Mei 1888 de geldswaarden enz. aan de HH. Wolbers en Verhoeff overgedragen had, vroeg ik, na afloop daarvan, volledige décharge voor mijn beheer onder overlegging van eene op zegel geschreven inventaris. Genoemde HH. gaven mij te kennen, zooals ik reeds mededeelde op blz. 9, geen mandaat te hebben om décharge te verleenen ook voor mijne gestie in de eerste maanden van 1888, maar dat zij bereid waren kwitantie te geven voor de overgenomen bescheiden en waarden. Ds. Verhoeff, hij heeft dit ook ter terechtzitting openlijk verklaard, wilde toen de door mij op het gezegeld exemplaar der inventaris reeds geschrevene décharge daarvan afscheuren, om die te vervangen door eene eenvoudige kwitantie. Ik zeide daarop tot hem: Wel doe dat niet, 'tis jammer van het zegel, het stuk kan later dienen, hier heb ik mijn klad, er zijn wel onderscheidene'Veranderingen

-ocr page 35-

27

en doorhalingen in, doch we kennen malkaêr van ouds, zoo de HH. dat stuk voor ontvang willen teekenen dan ben ik er mee tevreden, 't is maar om iets te hebben, over een paar dagen ontvang ik toch de décharge, op zegel, geteekenc! terug.

Dit geschiedde, de HH. teekenden op het klad voor ontvang.

Finale décharge echter ontving ik niet, wel, zooals bekend is, eene vordering. Nadat heel wat besprekingen over die vordering hadden plaats gehad, vroeg ik, teneinde mij te vergewissen van de juistheid van de boeking der door mij ingebrachte bedragen, inzage van het kasboek der Vereeniging en vond daarin geene boeking van f 400 op 25 Mei. Te huis gekomen, mijn klad-inventaris tevens kwitantie opzoekende, zie ik daarin staan f 400 per kwitantie aan Bakneveld dd. 25 Mei. Stellig wetende dat ik dat bedrag, het restant dat ik in kas had, op 25 Mei gestort had, en die som niet geboekt vindende, was mijne eerste gedachte; O dan heb ik die som zeker niet aan Barneveld gegeven en niet zijne kwitantie overgelegd, maar heb ik die in contanten 's avonds aan de Commissie overgedragen en is verzuimd dit aan te teekenen op het klad. Zonder er veel over na te denken, neem ik eene pen op, haal een streep door de woorden „per kwitantie aan Barneveldquot; en zet er duidelijk en zichtbaar boven „aan contantenquot;, het cijfer f 400 latende staan.

Dus geene bijschrijving, waarvan het Bestuur goed vond mij te beschuldigen, maar eene doorhaling van het eene om er wat anders voor in de plaats te stellen. Geene vermeerdering gelijk het beweert, waardoor zou verkregen worden ƒ400 4- 4°° = f800. Niets er van. De geschreven f 400 bleef onveranderd staan, onaangeroerd, alleen had plaats eene verandering van de aanwijzing waar of hoe op 25 Mei dat bedrag gestort was, werden doorgeschrapt de woorden „per kwitantie aan Barneveldquot; en er boven geschreven „aan contantenquot; zonder dat deze verandering van eenige invloed was op het cijfer, dat bleef zooals het was. Dat bleef f 400 en van 2 maal f 400 geen sprake. Ter terechtzitting is, bij zijne verklaring onder eede. de verandering in dier voege

-ocr page 36-

28

ook door Ds. Verhoeff geconstateerd. Het stuk zelf is tot mijn spijt niet meer aanwezig.

In de zeer stellige meening verkeerende een abuis te herstellen en niet anders denkende bij de vele doorhalingen en verbeteringen die op dat stuk reeds hadden plaats gehad of deze was vergeten, dacht ik geen oogenblik er aan iets ongeoorloofds te doen en die gedachte kon ook niet bij mij opkomen, immers het stuk was geen officieel stuk, niet dan een klad, ongezegeld, een privaat eigendom, mij alleen toebehoorende, waarop door de HH. Wolbers en Verhoeff slechts eene voorloopige kwitantie was gesteld.

En waarom zou ik die daad opzettelijk en met verkeerde bedoelingen hebben bedreven, zooals het bestuur beweert en mij met zooveel heftigheid heeft ten laste gelegd? Ik had er niet het minste belang bij, want het was mij volkomen gelijk of ik bij mijne nota de inbreng aantoonde van ƒ400 per kwitantie van Barneveld of ƒ400 aan contanten. Het cijfer bleek gelijk, altoos ƒ400, onveranderd. „De rechtbank mij vrijsprekende van dit mij ten laste gelegde feit gaf daardoor blijk dienaangaande ook niet anders te denken.

Hare vrijspraak luidde woordelijk aldus:

„Overwegende dat het niet wettig en overtuigend is bewezen, „dat de beklaagde, op het oogenblik dat hij de bedoelde door-„haling en bijvoeging heeft gedaan, de wetenschap heeft gehad „dat die verandering door hem werd gedaan in strijd met de „waarheid en dat hij op den 2ssten Mei geen ƒ 400 aan contanten „had betaald, zoodat die bijschrijving valschelijk door hem geschiedde, en althans niet wettig en overtuigend is bewezen dat „beklaagde toen hij de genoemde verandering in het stuk aan-„bracht de bedoeling heeft gehad om zich te eeniger tijd van „dat stuk te bedienen, daar de rechtbank het toch niet onaan-„nemelijk acht dat beklaagde's opgave waar is, dat hij in de „meening heeft verkeerd dat die zoogenaamde kladstaat slechts „eene voorloopige décharge inhield, die door hem slechts voor

-ocr page 37-

29

„zijne eigene herinnering behoefde te worden bewaard en later „door eene definitieve décharge zoude worden vervangen.

„Overwegende dat mitsdien niet wettig en overtuigend bewezen „is hetgeen aan de beklaagde sub 3 is ten laste gelegd.

„Oordeelt dat hij ook daarvanbehoortte worden vrijgesproken.quot;

Het mij ten laste gelegde feit, door de rechtbank strafbaar geoordeeld, betreft:, het nemen vnn een extract uit het bekende ontvangbewijs en het gebruik maken van dat extract.

Zooals ik reeds zeide, ik zal niet treden in beschouwingen over dat vonnis, noch dit critiseeren. — Neen — dit vonnis, dat zeer de aandacht van bekwame juristen heeft getrokken, blijve door mij onbesproken. Ik laat aan meer bevoegden over zich daaromtrent uit te spreken en het te toetsen aan de beginselen der rechtswetenschap. — Het leed geen twijfel dat dit zou plaats hebben en dat critiek van juridische zijde niet zou achterblijven.

Geschiedt is dit dezer dagen. Het Weekblad van het Recht van 17 Januari 1890, No. 5811, bevat eene allerbelangrijkste beschouwing over bedoeld vonnis.

In dat stuk, van de hand van een hoog geacht jurist van erkende bekwaamheid en rijk aan ervaring, die eenmaal eene eervolle plaats bekleedde bij de Magistratuur, wordt op wetenschappelijke gronden de strafbaarheid voor het mij ten laste gelegde feit bestreden als in strijd met de beginselen der rechtswetenschap, en aangetoond op overtuigende wijze dat er geen qrond bestond tot veroordeeling, maar algeheele vrijspraak had moeten volgen.

Genoemd Jurist dit vonnis daarin besprekende eindigt met de navolgende conclusie, luidende woordelijk aldus:

„Wie onbevooroordeeld van voormeld vonnis kennis neemt, doet „hulde aan dc nauwkeurigheid waarmede in eene ingewikkelde „zaak het onderzoek geleid is en de rechter zijne uitspraak gevestigd heeft; toch mag men vragen of niet eene volledige „vrijspraak op alle punten van aanklacht had behooren gevolgd

-ocr page 38-

„ie zijn. Hei misdrijf van valschheid in geschrift in de plaats „aan den bek/, ten laste gelegd, was niet dat van materieele „valschheid, waarvan hij reeds bij punt nquot;. 3 was vrijgesproken, „maar van intellectueele valschheid ^ onwaarheid van den inhoud „van hetgeen de beid, geschreven had. Valt dit in de termen „van art. 225 Strafrecht? Het echte stuk kon de bestemming „hebben om tot bewijs te dienen, niet eene vermelding welke de „behl. zelf in geschrift gebracht had, ook niet „althans administratief zooals de rechter meent' de bekl. was als penning-„meester eener v ere enig ing geen openbaar ambtenaar^ dit kon te „minder in aanmerking komen, daar hij, toen het geschrift gesmaakt is, als penningmeester afgetreden was; niemand kan zich „zeiven een titel scheppen tot zijne bevrijding, zelfs al ware hij „administratief ambtenaar of dit geweest. Het geschrift kon dus ,£eene bestemming hebben om tot bewijs te dienen; uit het geschrift als zoodanig kon geene bevrijding van schuld ontstaan, 1) „zelfs het gebruik er van had niet als opzettelijk gebruik van een „valseh geschrift kunnen aangemerkt worden.quot;

Heeft, vreemd genoeg, de rechtbank het gebruik maken van bedoeld extract strafbaar geoordeeld, dat gebruik maken was niet anders dan een natuurlijk gevolg van de door mij ter goeder trouw, eene goede trouw die door de rechtbank als bewezen is aangenomen, gemaakte verandering hierboven besproken, die door haar niet strafbaar was geoordeeld. — Ik nam over, anders niet, zonder aan eenige verandering te denken. — Op mijne op blz. 14 bedoelde nota den inbreng van ƒ400 willende aan-toonen, wijs ik aan door een uittreksel uit de bekende gewijzigde klad-inventaris, eene inbreng tot dat bedrag in contanten, op 25 Mei, in handen gesteld van de H.H. Wolbers en Verhoeff,

1) Memorie van Toelichting op art. 225 Strafrecht, Smidt dl. II, bl. 249. „Het valsche of vervalschte stuk moet of onmiddellijk een bron van rechten wezen, of althans tot bewijs van eenig feit kunnen dienen. De bepaling sluit zich aan bij art. 1902 T». W.

-ocr page 39-

3i

in plaats van eéne inbreng op 25 Mei, per kwitantie van Ba.ii-neveld, zooals later bleek dat had moeten zijn. Het was geene vermeerdering, en of ik den aanbreng dier som in contanten of per kwitantie van Barneveld aanwees, was voor mijne bedoeling zooals ik reeds zeide, volkomen gelijk en onverschillig, zoodat, ware de ongelukkige verandering niet geschiedt, ik stellig en zeker per kwitantie van Barneveld mijne inbreng sou hebben aangetoond. Mijne nota veranderde daardoor niet maar bleef gelijk, en de kwestie der /'400, waarnaar alle onderzoek onmogelijk was gemaakt, zoo als hierboven gezegd is, werd niet door deze beschuldiging uitgemaakt.

Ik heb het van den beginne af gezegd. Het zoude eveneens zijn geweest, immers het was mij enkel te doen om den inbreng van ƒ400 op 25 Mei aan te toonen en dit niet, hier dient wel degelijk op te worden gelet, op een comptabel stuk, ook niet voor eene afrekening, maar enkel en alleen bij eene ö/zgeteekende nota toegezonden tot toelichting aan de H.H. Jhr. Jan van Asch van Wijck , Geelkerken en Van Meerlant, leden der Commissie tot onderzoek , met het doel en anders niet om die H.H., zegge die H.H., te overtuigen, van de juistheid mijner cijfers.

Ik herzeg: niet voor eene afrekening maar tot toelichting.

Er is nog iets waarop dient te worden gelet en waarop ook met de meeste nadruk dient te worden gewezen.

Op 6 October, dus 4 dagen vóór de inhechtenisneming, vervoegde ik mij bij de H.H. Verhoekf en Wolkers om hen te vragen of ik werkelijk op 25 Mei hun geen f 400 in contanten had afgedragen (Ds. Verhoeff heeft ter terechtzitting breedvoerig het toen gehouden gesprek medegedeeld). Op hune verzekering van neen, maar wel /quot;400 per kwitantie van Barneveld, heb ik terstond betuigd: „dan moet ik mij erg hebben vergist, ik „meende zoo stellig en zeker die som in contanten te hebben „afgedragen. Is dit niet zoo, gelijk gij zegt, dan heb ik, „evenwel ter goeder trouw, gedwaald en trek ik mijne verklaring, „zooals ik die op mijne nota gedaan heb, in, om daarvoor in

-ocr page 40-

32

„plaats te stellen, per kwitantie van Barneveldquot;, de H.H. ver-„zoekende dit abuis als niet gedaan te beschouwen.quot;

Zeker een bewijs dat ik niets verkeerds bedoelde. De H.H. Verhoeff en Wolbers, mijne intrekking aanhoorende en mijn leedwezen over de begane vergissing vernemende, hadden het in handen om mij voor vervolging voor dit feit te bewaren. — Met een enkel woord hadden zij dit kunnen doen en de reeds gedane aanklacht kunnen intrekken. Zij hadden het toen nog in hunne macht. — Deden zij er iets aan? — Neen niets, hoegenaamd niets. — Zelfs Ds. Verhoeff niet, van wien men dit waarlijk zou hebben verwacht. — Vervolgd moest ik worden, vervolgd met de meeste gestrengheid. — Dat was besloten. Dat stond vast. — Een gansch gezin daardoor ten prooi te doen zijn van naamlooze ellende dat was niets. — Neen. — Stilzwijgend en met verzaking van ieder christelijk beginsel ging men door.

Mijne taak spoedt ten einde. Den loop van het gebeurde hebbende medegedeeld, hoop ik dat het mij gelukt moge zijn u eene duidelijke voorstelling te hebben gegeven van hetgeen er ten aanzien dezer zaak is voorgevallen, alsmede een helder inzicht omtrent haar.

Gewis komt dan ook de vraag bij u op waarom, — wijl een ■waarborgsom was gestort en de inrichting was gedekt, — waarom dan eene crimineele vervolging ingesteld , terwijl het conflict bij civiele actie was uit te maken? — Ook bij de rechtbank is die vraag gerezen en ter terechtzitting op 13 December 1888 is door den Voorzitter aan tegenpartij die vraag gedaan en gevraagd: „Waarom toch hebt gij deze vervolging ingesteldquot;?

Zonder blikken of bloozen, zonder eenige schaamte, gaf daarop Jonkheer Jan van Asch van Wijck woordelijk dit antwoord, dit ontzettend antwoord: „Om bang te maken anders niet. Geenc vervolging was bedoeld, zoadat men zeer verwonderd was op den morgen van 11 October de inhechtenisneming te vernemen.quot;—Welke verklaring , — in alle nieuwsbladen hebt gij die kunnen lezen, — openlijk is afgelegd, in bijzijn en ten aanhoore van al de leden

-ocr page 41-

33

van het Bestuur, die deze verklaring hebben aangehoord en er niet tegen op zijn gekomen, — zoodat zij hebben getoond er zich mede te vereenigen en er zich mede homogeen te verklaren. Immers niemand laat zich eene zoodanige vreeselijke daad aanrekenen zoo hij er geen deel aan heeft gehad.

Alzoo, — volgens eigen verklaring van het gansche Bestuur, crimineel, — zegge crimineel aangeklaagd, niet uithoofde van geschonden recht, — niet om eenig misdrijf waardoor de belangen der inrichting zouden kunnen benadeeld worden, neen , zonder vervolging te bedoelen, alleen om bang te maken, bang te maken, anders niet. — Daarom mij, mijne vrouw en kinderen die toch waarlijk niets misdreven hadden, ja een gansch huisgezin, mee-doogenloos blootgesteld aan schande en ellende , aan een vree-selijk lijden, — enkel om bang te maken, en dit zonder voorafgaande waarschuwing, juister zij gezegd met opzettelijke geheimhouding. — Kan het erger? ■—- Kan het vreeselijker? — Bestaat er een tweede voorbeeld van zoodanige handeling in onze iq' eeuw ?

Verschuldigdheid betvijzen, — kon men niet, beschuldiging wegens verduistering van gelden, om aan het geëischt bedrag te komen, dat ging niet, daar slaagde men niet mede, — daarom een ander middel beproefd en door bang maken getracht het beoogde doel te bereiken.

Geen ontkennen is hier mogelijk. De bekentenis is er.

En wie zijn die mannen tot zoodanige daad in staat ? Wie waren het die deze daad durfden bedrijven en de aanklacht deden ?

Het zijn mannen, leden van het Bestuur eener christelijk-philantropische Vereeniging, mannen die hunne samenkomsten steeds en altoos beginnen en eindigen onder aanroeping van den naam des Heeren biddende om wijsheid en licht, om zijne bijstand en zijnen zegen, bij hunne beraadslagen, op hunne besluiten en op hunne handelingen.

Het zijn.....hunne namen dienen voor vergetelheid bewaard.

3

-ocr page 42-

34

De toenmalige Voorzitter der Vereeniging, de heer Julien Wolbers i).

J. C. Verhoeff, Vice-Voorzitter der Vereeniging, bedienaar des goddelijken Woords, geroepen om een bode des Vredes te zijn , om te prediken het Evangelie van liefde en genade , een man van hoogen leeftijd met wien ik 16 jaren lang in het Bestuur heb gezeten.

Jhr. Jan J. van Asch van Wijck, Secretaris der Vereeniging, lid der Provinciale Staten, in het vertrouwen op zijn Christenzin nog pas onlangs gekozen van antirevolutionaire zijde.

N. G. Geelkerken, Notaris en Ouderling bij de Nederduitsche Gereformeerde Kerk, mede antirevolutionair lid der Provinciale Staten.

H. van Meerlant, eveneens Notaris.

Jhr. Mr. W. van Tevlingen van Kamerik.

W. A. van Rijn.

Allen mannen, steeds vooraan op christelijk gebied.

Ik oordeel, ik kwalificeer hier niet. Wat zij deden, het is een afscheidsgroet aan hun voormaligen mede-bestuurder wien zij zoo jaren lang, enkelen 16 jaren lang, en nog zoo kort te voren, den broederhand toereikten en met wie zij in al die jaren zoo dikwerf zich in den gebede vereenigden om zich te stellen voor Gods aangezicht en zijnen zegen af te smeeken èn op de inrichting èn op hare bestuurderen; het is, — doch laat ik niet gekscheren, de zaak is te droevig, is te ernstig en ook.....van te

veel beteekenis, ja, van beteekenis in zooverre zij kenschetst èn de personen die de daad bedreven èn de bedoelingen waarom zij bedreven werd.

En zal ik het hierbij laten en hiermede eindigen? Neen, — dit is mij niet geoorloofd. Mij voorgenomen hebbende, zooals

l) De heer wolbers overleed tijdens deze geschreven werd. Daarom aangaande hem niet anders dan waartoe ik onvermijdelijk verplicht ben als eerlijk en getrouw verslaggever van het voorgevallene.

-ocr page 43-

35

ik hierboven reeds gezegd heb, om in alle deele de waarheid en de volle waarheid te zeggen, zoo rust op mij de verplichting om dan ook niets te verzwijgen wat licht zou kunnen geven.

Er zijn nog mededeelingen te doen die niet zonder beteeke-nis zijn.

Laat mij daartoe overgaan.

In de eerste plaats en om een begin te maken, wijs ik u op de zeer vreemde getuigenis van Ds. Verhoeff ter terechtzitting, waar hij openlijk en onder eede verklaarde, zooals ik bewijzen kan: „dat hij de aan den voet van bedoelde kladstaat gegevene „kwitantie niet als een voorloopig ontvangbewijs heeft beschouwd „en dat er geen sprake van was dat die door eene latere kwitantie zou worden vervangenquot;, terwijl hij op 25 Mei zelf had verklaard, toen ik er hem om vroeg, onder aanbieding eener inventaris aan den voet waarvan eene décharge was gesteld, geenc definitieve kwitantie of décharge te kunnen geven omdat hij daartoe niet bevoegd was, 't geen hij ook ter terechtzitting heeft herhaald. Alzoo volgens Ds. Verhoeff, zou ik het moeten doen zonder finale décharge mijner gestie en moeten tevreden zijn met eene kwitantie voor eenige overgedragen bescheiden en waarden, op ongezegeld papier en op eene klad geschreven, zonder meer en zonder vermelding mijner aftreding en afrekening.

Nog wijs ik u op zijne eveneens niet minder vreemde (om het zachtste woord te bezigen) verklaring ter terechtzitting, t. w. dat hij altoos aan mijne onschuld geloofd had, maar sinds hij de krasse décharge door mij geschreven op de aangeboden inventaris gelezen had, hij aan het wankelen was geraakt en ongunstige vermoedens had gekregen. In waarheid zeer merkwaardig. En wat was die krasse décharge? Eene formule, ietwat vrij gevolgd, bij de administratie der belastingen bij overdrachten in gebruik, die ik mij als oud-ambtenaar bij die administratie nog herinnerde en neergeschreven had. — Omdat ik die gebruikte daarom was ik verdacht. — Eene nieuwe leer.

Voorts nog op zijne ter terechtzitting onder eede afgelegde

J

-ocr page 44-

36

verklaring, waarvan bewijs in mijne handen is, dat ik gedurende lo a i2 jaren en tot in het laatst van Mei jl., als penningmeester fungeerde, terwijl hij zelf bij de nota ingediend door het Bestuur, waarvan hij Vice-Voorzitter was, (zie afschrift dezei nota op blz. 14) verklaart Jat ik met de maand Mei niets te maken heb, maar dat er moet gerekend worden met het nadeelig saldo tot uitquot;. April, dus, — alsof ik maar tot dien datum had gefungeerd.

Tot dusverre Ds. Verhoeff.

In de tweede plaats heb ik te wijzen op de zoo onwaardige, neen, ergerlijke houding van het Bestuurslid N. G. Geelkerken, nog wel notaris, die, blijkbaar om mij in een ongunstig daglicht te stellen, zich ter terechtzitting niet ontzien heeft, en dat onder eede, om zonder eenige noodzakelijkheid daartoe en zonder er iets van te weten noch te kunnen weten, openlijk en ten aan-hoore van een groot publiek mijne finantieele positie te bespreken op de ongunstigste wijze en met de donkerste voorstellingen, onzinnige betoogen daarvoor aanvoerende, en wel in die mate dat ik mij ter terechtzitting niet weerhouden kon den Heer Voorzitter te verzoeken den Heer Geelkerken ter verantwoording te willen roepen omtrent zijne onware voorstellingen en beweringen.

Alsmede ook heb ik te wijzen op de eveneens ergerlijke verklaring van diezelfde Notaris Geelkerken , toen hij in een der Bestuursvergaderingen, gehouden in de maanden October ot November des vorigen jaars, verklaarde, volgens mededeeling van een Bestuurslid aan mijne familie, dat mijne finantiën zoo ongunstig stonden dat ik nog weinige dagen vóór mijne inhechtenisneming een zwaar hypotheek op mijn huis te Utrecht genomen had en dit pand daardoor tot het uiterste toe bezwaard was, welke mededeeling mijne familie natuurlijk zeer verontrustende, geleid heeft tot een onderzoek van harentwege, door één mijner zwagers ten kantore van den bewaarder der Hypotheken alhier, waaruit is gebleken, dat de in die vergadering afgelegde verklaring eene leugen was en er toen geen hypotheek was genomen.

Voorts nog op de houding in den aanvang van het conflict

-ocr page 45-

van dien zelfden heer Geelkerken , lid der Commissie tot onderzoek mijner rekening over 1S87 met de H.H. Jhr. J. van Asch van Wijck en van Rijn. — Op de samenkomst tot dat einde gehouden op 14 April geeft hij, benevens de heer van Rijn, aan mij te kennen aan het Bestuur te zullen adviseeren de rekening goed te keuren , evenwel in de eerstvolgende Bestuursvergadering op 27 April brengt hij een uitgebreid rapport uit in afkeurende zin. Na afloop der vergadering die met hem verlatende zeg ik tot hem op straat gekomen, ik herinner mij dit uitnemend goed, het was op de Viebrug dat het gesprek gehouden werd: Wat hoorde ik vreemd op je rapport ;n afkeurenden zin te vernemen, gij toch, en ook de heer van Rijn, hadden mij op de samenkomst op 14 April ten uwen huize gezegd aan het Bestuur te zullen adviseeren de rekening goed te keuren. „Ja, antwoordde hij mij, met dezelfde woorden, dat is ook zoo, ik had ook goedkeuring willen voorstellen, maar van Asch van Wijck wilde niet.quot;

Commentaar hierover onnoodig.

Het is eene kleinigheid, maar eene kleinigheid van beteekenis, eene omstandigheid die licht verspreidt 1).

Dan nog zij gewezen op de volgende verklaring door Jhr. Jan J. van Asch van Wijck, openlijk en onder eede ter terechtzitting op 13 December 18S8 afgelegd, t. w.:

„dat het hem bij onderzoek der rekening is gebleken dat van „de f 3000 aan effecten, die bij de firma Oortman amp; Zn. beleend „waren, reeds een bedrag van f 2000 in den zomer van 1887 „was beleend, hetgeen aan het Bestuur niet bekend was, terwijl „de beklaagde zonder voorkennis en goedkeuring van het Be-„stuur geen effecten in beleening mocht geven.quot;

l) Ten overvloede zij hier nog bijgevoegd dat na het afkeurend rapport van genoemde Commissie eene andere Commissie is benoemd geworden, die na zorgvuldig onderzoek der rekening en redres van begane vergissing hare goedkeuring heeft voorgesteld, waarmede het Bestuur zich heeft ver-eenigd en de rekening heeft goedgekeurd.

-ocr page 46-

3S

Welke verklaring, waarvan ik het afleggen kan bewijzen, is in strijd met de waarheid, zijnde de waarheid aldus:

In de maand Juli 18S7 begaf ik mij voor 3 weken naar het buitenland en deelde dit vooraf mede aan Barneveld. Deze vroeg mij toen: Mijnheer, hoe moet het wanneer er in dien tusschentijd wissels komen en ik geen geld heb om die te betalen? — Na overleg en bespreking met hem was mijn antwoord : begeef u in dat geval ten kantore van de firma Oortman amp; Zn. en vraag daar om geld, dan zal ik bij die firma effecten depo-neeren en afspreken het benoodigde bedrag te verstrekken. Dit geschiedde. De firma Oortman amp; Zn. verstrekte geld tegen onderpand van aan de Vereeniging toebehoorende effecten. Zij betaalde in mijne afwezigheid, zooals ik meen mij nog te herinneren, 0. a. aan de Lange amp; Hoek pl. m. f 1400, aan D. Bijleveld pl. m. f 100.

Van mijne handelingen in deze gaf ik kennis in de eerstvolgende Bestuursvergadering, ik meen in die in de maand September gehouden, met mededeeling tevens dat, hoewel er niet toe gemachtigd en geene machtiging tijdig hebbende kunnen aanvragen, ik gemeend had zoo te moeten handelen als ik gehandeld had, in het welbegrepen belang der inrichting, omdat alle stagnatie moest vermeden worden en ook het crediet bewaard, en ik hoopte dat mijne handelingen de goedkeuring van het Bestuur mochten wegdragen, — Unaniem en zonder dat er een woord over gesproken werd, werden mijne handelingen in deze toegejuicht en goedgekeurd en tevens onmiddelijk daarop mij machtiging verleend, bij eventueele geldbehoefte, tot opneming van gelden tot een onbeperkt bedrag.

Tot staving van dit aangevoerde zij dood eenvoudig verwezen, en dit zal wel afdoende zijn, naar den inhoud der notulen van de gehoudene vergadering in de maanden September of October 1887, door Jhr. Jan van Asch van Wijck zelf gesteld en geschreven, waarin, zoo al niet zijn opgenomen al de bijzonderheden alhier door mij vermeld, wat ik mij niet met genoegzame zekerheid kan

-ocr page 47-

39

herinneren, clan toch stellig en zeker de machtiging tot opneming van gelden tot een onbeperkt bedrag.

Die notulen logenstraffen de afgelegde verklaring van Jhr. van Asch van Wijck op de meest stellige wijze en zoo duidelijk mogelijk. Wat blijft er nu van zijne verklaring onder ecder

Een ander bewijs voor de waarheid van het door mij aangevoerde en dus voor de onwaarheid van de verklaring van Jhr. van Asch van Wijck , zijn de betalingen door de firma Oortman amp; Zn. gedurende mijne afwezigheid gedaan en bij mijne terugkomst verrekend, immers wanneer ik geene machtiging tot opneming had bekomen, zoude ik het Bestuur wel hebben moeten vragen om (niddelen ten einde in de bedoelde betalingen te kunnen voorzien, want beleeningen zonder machtiging behoefde het niet te erkennen.

Ik deed dit niet omdat het Bestuur mijne handeling bovengenoemd goedkeurde en mij machtiging tot opneming van gelden verleende, zooals de notulen aanwijzen.

Doch er zijn meerdere verklaringen, ter terechtzitting op den 13 December 1S88 afgelegd, die ik niet onopgemerkt mag laten, b.v., om enkele te noemen, die betreffende de ingediende maandstaten. Die maandstaten, waarvoor met zooveel ijver en aandrang, met zooveel heftigheid werd gestreden, waaromtrent zooveel moeite werd gedaan om te betoogen dat ik die had ingediend, met wel overlegde bedoelingen die evenwel duidelijk zijn te doorzien en blijkbaar om, bij gemis aan bewijzen daarmede eigen sustenuen te zien te staven, zijn nivuner door mij ingediend, maar door Barneveld , die ze ook altijd ondertee-kende. Op blz. ig heb ik dit reeds betoogd. Evenwel ter terechtzitting verklaart Jhr. Jan van Asch van Wijck onder eede, en ik bezit daarvan bewijs, het volgende:

„dat ik elke maand eene maandstaat over de afgeloopen „maand in duplo in de Bestuursvergaderingen indiende, welke „staten waren opgemaakt en geschreven door den Directeur „Barneveld uit de door hem gehoudene klad-aanteekeningen en

-ocr page 48-

40

„die, na goedkeuring door het Bestuur, door genoemden Direc-„teur in het kasboek werden ingeschreven , terwijl ieder jaar „door mij eene rekening werd afgelegd, zijnde eene samentrek-„king van de maandstaten.quot;

De H. H. Geelkerken en Van Meerlanï verklaarden eveneens, dat (ik in het begin van elke maand eene staat van ontvangsten en uitgaven over de afgeloopen maand indiende, de eerste zeide in duplo.

Barneveld legde de navolgende verklaring af, waarvan ook bewijs in mijn handen is:

„dat de maandstaten uit de aanteekeningen in zijn kladboek „getrokken door hem in duplo werden opgemaakt, dat één „exemplaar door hem aan den president van het Bestuur werd „gezonden, terwijl ik het andere exemplaar kreeg om het in de „Bestuursvergadering in te dienen, waarna hij die staten goed-„gekeurd terug ontving, om ze in het netboek in te schrijven.''

Welnu, behalve het reeds aangevoerde op blz. 19, zij gezegd, dat reeds de uitdrukking van indiening in duplo door de H. H. Van Asch van Wijck en Geelkerken gebezigd, een tastbaar bewijs is voor de onwaarheid der bewering dat ik de staten indiende. Want zoo Barneveld al één exemplaar van zijn staat aan den Voorzitter toezond, waar was dan het tweede? Mijn van Barneveld ontvangen exemplaar heb ik nooit ingediend, gaf ik nooit af en hield ik steeds onder mij. Ik heb die nog in mijn bezit voor zooverre ik ze niet verscheurd heb.

De bewering van Barneveld dat ik de staten van hem kreeg om die in te dienen is onzin. Ik heb hem nimmer opdragen die op te maken en ik had toch geen order van Barneveld te ontvangen om ze in te dienen. Gelaste hij mij die indiening dan ben ik al zeer ongehoorzaam geweest want ik heb de van hem ontvangen staten altoos onder mij gehouden. Het feit alleen dat ik, even vóór de vergadering eene staat, luiten mij om opgemaakt, aan mij zou doen toezenden om die, niet door mij onderteekend, eenige oogenblikken later, als een officieel en

-ocr page 49-

4i

comptabel stuk in te dienen, teekent genoeg dan dat het noodig zou zijn met veel woorden die bewering verder te wederleggen.

De bewering van Jhr. Jan van Asch van Wijck , dat bedoelde maandstaten door mij ingediend, na goedkeuring, door Barnev.eld in het kasboek werden ingeschreven, is even zeer onzin.

Staten die ik heette in te dienen, maar nooit heb ingediend, werden onderzocht en goedgekeurd en vervolgens door Barneveld in het kasboek ingeschreven! — Ziedaar iets nieuws dat ik ter terechtzitting voor het eerst heb moeten hooren. Men moet aldaar maar komen om wat nieuws te vernemen. In al die 16 jaren dal ik bestuurslid was heb ik van eenig onderzoek of toezending van maandstaten aan Barneveld nooit iets vernomen en heeft men mij er rooit iets van medegedeeld. Én onderzoek, én toezending hadden dan wel in stilte plaats en met de meest mogelijke geheimhouding, dat ik er in al die jaren niets van bemerkte.

En hoe kwam Barneveld aan de staten ? — Wie zond ze hem toe ? — Hij verklaart dat hij ze terug ontving, maar mijne staten lagen bij mij te huis en liggen er neg en het exemplaar van den Voorzitter werd door deze na voorlezing, en nog in de vergadering, altoos gesteld in handen van den Secretaris ter bewaring in het archief der Vereeniging, hoe kwam Barneveld er dan aan ? en dan nog wel aan goedgekeurde staten ? — En wat gebeurde er zoo die staten eens niet goegekeurd werden ?

Zeer vreemd en duister, althans voor mij. — Begrijpen doe ik het niet.

Die goedgekeurde (?!) staten dan, zegt men, ontving Barneveld, onbekend van wie, en nu wordt hem opgedragen, ook al onbekend door wie, om die goedgekeurde staten netjes in zijn netboek, zooals hij hierboven zijn kasboek noemde, in te schrijven en daarmede is die zaak afgeloopen. Ook al vreemd en raadselachtig. — In al die jaren hoorde ik nooit iets daarvan.

Doch, Jhr. van Asch van Wijk zegt in zijne verklaring, dat ieder jaar door mij eene jaarrekening werd afgelegd, eene jaar-

-ocr page 50-

42

rekening zijnde, zooals hij zich uitdrukt, eene samentrekking van de goedgekeurde maandstaten. — Nu nog mooier. Ik dien in, zoo vertelt men 12 maandstaten, ik ontvang die niet terug, want Barneveld ontving ze, zoo zegt hij, onbekend van wie, en nu moet ik die 12 maandstaten, zoogenaamd goedgekeurd, die ik niet terug ontving en zelfs nooit goedgekeurd zag of gezien heb, samentrekken om er eene jaarstaat van te formeeren.

Dat is mij te geleerd. — Dat gaat mijne bevatting te boven.

Maar ik zou wel eens willen vragen waarom, zoo de jaarstaat is eene samentrekking van de goedgekeurde maandstaten, wat Jhr. J. van Asgh van Wijk met duidelijke woorden zegt in zijne verklaring voor de rechtbank, waarom, heeft hij zelf dan bij het nazien der rekening over 1887 waartoe hij gecommitteerd was, evenmin als een der andere leden der beide Commissiën van onderzoek, er in de verste verte niet aan gedacht, evenmin als dit in vroegere jaren geschiedde, om die zoogenaamde goedgekeurde maandstaten op te vragen ten einde de beweerde samentrekking te kunnen verifieren, die toch onmisbaar waren om de deugdelijkheid dier samentrekking en dus ook, huns inziens, der jaarstaat te constateeren ?

Hij en de andere Commissiën vroegen alleen de boeken en anders niet.

Maar nog eens teruggekomen op de verklaring van Barneveld waar hij onder eede verklaart dat hij de maandstaten goedgekeurd terug ontving ter inschrijving. Hoe zonderling. — Van zijne in duplo ingezondene staten lag het eene exemplaar in de portefeuille van den Secretaris en het andere exemplaar bij mij aan huis, toen hij in Maart of April 1888 zijn kasboek, dat ten achteren was, bijwerkte. Hoe kon hij dan die staten en die nog wel goedgekeurd inschrijven? — Neen, ik tart Baeneveld uit, eenige toezending aan hem te bewijzen, ëén goed of afgekeurd exemplaar te vertoonen wat hij, zoo zijne bewering waarheid bevat, natuurlijk kan doen, daar hij de goedgekeurde staten voor zijne eigen verantwoording wel diende te bewaren.

-ocr page 51-

43

Doch genoeg over deze maandstaten. Genoeg om de waarde der ten hare aanzien afgelegde getuigenissen te kunnen beoordeelen.

Ik zeide zoo even, men moet maar ter terechtzitting op 13 December 1888 komen om wat nieuws te vernemen.

Zoo steeg mijne verbazing ten top toen ik aldaar voor het eerst van mijn leven het feit vernam waarvan Barneveld getuigenis aflegde, toen hij onder eede verklaarde:

„dat hij de boeken der Vereeniging hield volgens de gegevens „die ik , in hoedanigheid van Penningmeester, hem verschafte.quot; Hoe is het mogelijk dat men zoo iets kan betuigen!

Want hoe zou ik gegevens kunnen verschaffen, ik die geenerlei geldelijk beheer voerde en niet anders deed dan enkele legaten ontvangen? En dat zegt nog wel hij, die uitsluitend in het bezit was der vereischte gegevens en het beheer voerde over al de ontvangsten en uitgaven.

En dan nog legde Barneveld deze verklaring af, ook onder eede, „dat hij gewoon was aan het einde van elke maand mij „eene kwitantie te geven voor het gezamenlijk bedrag van de „over die maand van mij ontvangen gelden-quot;

Ja, ik wenschte wel dat hij dat gedaan had. Maar kan Barneveld zich er dan niets meer van herinneren dat, in al die 16 jaren hij nooit, zegge nooit, mij eenige kwitantie voor ontvangen gelden gaf of heeft gegeven, uitgenomen alleen over de vijf eerste maanden van 188S, als wanneer ik mij die heb doen geven? — Deze verklaring is mij even raadselachtig als de voorgaande. — Kwalificeeren doe ik die niet en evenmin doe ik de vraag waarom en met welke bedoeling die werden afgelegd. — Ik deel ze slechts meê en laat de beide verklaringen, waarvan ik de bewijzen bezit, voor wat ze zijn, het beneden mij achtende die verder te bespreken. Ik acht mijn taak volbracht.

Ik heb mij voorgesteld een op waarheid gegrond verslag te doen van het gebeurde, betreffende het plaats gehad hebbend conflict en een overzicht te geven van het voorgevallene, ter

-ocr page 52-

44

verspreiding van licht voor zoo menigeen die, zooals ik in den aanvang dezes zeide, de zaak niet begreep of, verkeerd ingelicht, zich een onjuist oordeel er over had gevormd.

Mocht ik daarin geslaagd zijn, mijn doel ware bereikt en van harte zou ik mij er in verheugen.

De waarheid heb ik willen mededeelen , — de volle waarheid en anders niet, — en den aandrang om daarvan getuigenis te geven heeft het mij eene plicht doen achten deze tot U te richten en alzoo tevens op te komen tegen zoo menige scheeve voorstelling en onwaarheid, met of zonder bedoeling verspreid. — Ik had geen ander doel. — Ik mocht alhier niet zwijgen.

Ik deelde mede, anders niet.

Voor het oogenblik zij het thans medegedeelde genoeg. Ik wensch verder mijnen weg te gaan in het vertrouwen op een almachtig en rechtvaardig God die regeert en voor wien niets verborgen is, en ik kan dit in deze te gemakkelijk doen omdat ik mij bewust ben dat, wat de blinden-inrichting betreft, ik rein en zuiver sta voor Hem, den Alwetende, die de harten der men-schen kent en doorgrond, die weet wat er in hen omgaat, ook welke de meeste geheime beweegredenen hunner handelingen zijn en die ook weet wat ik, zoo vele jaren lang, voor de inrichting geweest ben.

Eenmaal zal alles openbaar worden. Dat staat vast en ook hier geldt een woord der Schrift: „Want er is niets verborgen dat niet geopenbaard zal wordenquot; (Marc. IV: 2 2a).

De zonder grond van mij gevorderde gelden, gelden die het Bestuur heeft durven in ontvangst nemen, tijdens ik machteloos was den gedane eisch te blijven bestrijden, voxfexïk. vooralsnog niet terug, hoe gegrond mijne terugvordering ook zoude zijn.

Het is mij niet te doen en ook nooit te doen geweest om het geldelijk bedrag, dit heb ik steeds gezegd, maar om mijn goed reehi.

Daarvoor kwam ik op en was ik verplicht om op te komen, en moge nu al, volgens het betrekkelijk verslag in het Utrecht-sche Dagblad dd. 16 December 1888 Nquot;. 347, de Substituut-

-ocr page 53-

45

officier van Justitie, Mr. N, de Ridder, goedgevonden hebben, bij gemis van betere argumenten tegen mij, ter terechtzitting op 13 December 1888, mij schraapzucht ten laste te leggen en dien smet op mij te werpen, hij zal moeite hebben om daarvan het geringste bewijs te leveren en ik tart hem bij deze openlijk daartoe uit.

Waren er overigens onder de medegedeelde feiten die eene aanklacht bij de Justitie mijnerzijds zouden wettigen, ik denk er niet aan dit te doen.

Een Christen klaagt zijn medemensch, eenmaal zijn medebestuurder eener Christelijk philantropische inrichting, bij den wereldlijken rechter niet aan. — Die dat doet, toont geen Christen te zijn. —■ Die dat doet geeft zichzelf een getuigschrift dat hij al zeer weinig doordrongen is van werkelijk Christelijke beginselen, ja, niet het geringste besef heeft van die beginselen.

Niemand zal dit tegenspreken.

Ik eindig, geachte lezer of lezeres, U mijnen dank betuigende voor uwe welwillende aandacht aan dit mijn geschrift gewijd. Mocht ik U voldoend hebben ingelicht, mijne moeite zou niet te vergeefsch zijn geweest.

Uw Dw.

U. THOE SCHWARTZENBERG

lJTRECHT' EN HOHENLANSBERG.

September 1889.

-ocr page 54-
-ocr page 55-
-ocr page 56-

anae f/oaen dwi r/en e/w/vet.

7

Het is mij meermalen gebleken dat maar zeer weinigen op de hoogte zijn van het conflict met de gevolgen daarvan, dat, eenige maanden geleden, tusschen het Bestuur der Blinden inrichting alhier en mij heeft plaats gehad en dat daardoor soms dienaangaande de ongerijmdste denkbeelden gekoesterd worden.

Heb ik een oogenblik gedacht, ter wille der waarheid, het gebeurde in een der vele nieuwspapieren te publiceeren, ik ben daarvan teruggekomen omdat, wel beschouwd, de zaak zelve van weinig of geen publiek belang is en alzoo voor menigeen een onverschillig iets. Trouwens, ook aan het oordeel van een groot deel van het couranten lezend publiek, dat dikwerf meer haakt naar sensatie gevende berichten, dan naar eene eenvoudige mededeeling op waarheid gegrond, is mij bitter weinig gelegen, maar wat mij niet onverschillig is, is het oordeel van vrienden en bekenden die, onbevooroordeeld een open oor en een open oog hebben voor waarheid en recht, die, welwillend en goed gezind, nochtans zich maar geene voorstelling kunnen maken van de zaak, niet recht weten waaraan zich te houden uit onbekendheid met hare ware toedracht en tengevolge daarvan, soms opvattingen hebben, ongerijmd en bezijden de waarheid. Eene eenvoudige mededeeling van het gebeurde, met toelichting

-ocr page 57-

2

waar die noodig mocht zijn, kan, dunkt mij, voor dezulken niet anders dan een dienstbetoon en hun welkom zijn.

Geachte Heer of Mevrouw, ongetwijfeld behoort ook gij — en allen grond heb ik om dit te verwachten — tot degenen, wien het te doen is om waarheid, in alles de waarheid, en die er prijs op stelt licht te ontvangen, daar waar voor u in deze nog veel duisters en onbegrijpelijks mocht zijn. Vergun mij daarom deze letteren tot u te richten. Het is een eenvoudig woord zonder langwijlige beschouwingen en redeneeringen. Slechts een kort verhaal van het voorgevallene, de kwalificatie en de beoordeeling van het medegedeelde aan uw gezond verstand en eerlijk hart overlatende.

Tot recht begrip van hetgeen ik ga mededeelen een paar opmerkingen vooraf. Ik stel dan voorop:

1°. Dat ik gedurende de 16 jaren, waarin ik als penningmeester optrad, nooit of te nimmer de hand in de boeken der Vereeniging heb gehad, nimmer een enkel cijfer daarin heb geschreven en dat mij ook nooit is opgedragen dit te doen, noch om de boeken zelf te houden, in welk geval trouwens ik de betrekking van penningmeester niet zou hebben aanvaard.

20. Dat, hoewel optredende als penningmeester, ik nooit in al die jaren eenig geldelijk bedrag in handen heb gehad, uitgezonderd alleen legaten en hoogst zelden eene enkele gift, welke ik dan altoos onmiddelijk ter hand stelde aan Barneveld , die meest altijd de giften ontving. Behalve de aangekochte effecten, die bij mij in bewaring waren, en de tijdelijk in de crediet- en deposito-kas gedeponeerde gelden , waren alle waarden altoos in handen van Barneveld die daarover het beheer had, die ook de contributien enz. ontving, en die dit alles deed met medeweten en instemming van het Bestuur.

3°. Dat Barneveld, niet slechts met medeweten, maar ook met volkomen instemming en waarschijnlijk destijds wel met medewerking van het Bestuur, van der eerste beginne af en reeds vóór mijn optreden heeft gefungeerd als boekhouder en

-ocr page 58-

3

de boeken der Vereeniging hield, wat ook door de rechtbank als bewezen is aangenomen, welke toestand bij mijne aankomst is bestendigd zonder dat daarover ooit een woord gesproken is.

Dat het Bestuur Barneveld als boekhouder der Vereeniging beschouwde, verantwoordelijk aan dat Bestuur, dit blijkt duidelijk , zoo het nog noodig ware daarvoor bewijzen aan te voeren, o. m. uit de omstandigheid, dat toen het in April 1888, das vóór er nog iets was voorgevallen , voor het nazien der jaarrekening 1887, de boeken der Vereeniging verlangde, het die niet aan mij vroeg, maar ze, buiten mijn weten om, van Barneveld eischte en later die, ook buiten mijn weten, door hem heeft doen bijwerken, ik meen tot ult° April, om nog later, naar ik meen, andermaal ze hem ter bijwerking ter hand te stellen. Al wat hij daarin boekte is mij onbekend en is buiten mij om geschied. Het was de Voorzitter die Barneveld aanschreef de boeken aan de Commissie tot onderzoek ter hand te stellen bij schrijven van 4 April 1888, welk schrijven in mijn bezit is.

Om voorts nog een bewijs aan te voeren, herinner ik, dat bij mijne aftreding en overdracht van geldswaarden enz., op 25 Mei 1888, door het Bestuur ge ene bijwerking (ze waren op dat tijdstip niet bijgewerkt) noch afsluiting der boeken werd verlangd. Men heelt er geen oogenblik aan gedacht, daar dit behoorde tot de functien van Barneveld. Ook werd er toen niet de minste notitie genomen van de gedane ontvangsten en uitgaven van iL'. Januarij tot uitquot;. Mei 1888, noch van de bij Barneveld aanwezige gelden, noch van diens gestie, noch van zijne boeken, neen, — van niets dienaangaande. Dat betrof mij niet. Mij werd alleen gevraagd wat ik inbracht; om de rest bekommerde men zich niet, dat ging Barneveld als boekhouder aan.

4°. Eindelijk dat Barneveld niet van mij de opdracht tot fungeeren had ontvangen en ook niet door mij was aangesteld, noch door mij werd gesalarieerd, dat hij niet in mijn dienst was en ook volstrekt niet als mijn ondergeschikte was te beschouwen voor wiens daden ik verantwoordelijk zoude zijn.

-ocr page 59-

Al deze toestanden hierboven vermeld, hadden hunnen oorsprong daarin, dat de Inrichting, in den beginne van zeer weinig beteekenis, onder het beheer van Barneveld langzamerhand is toegenomen en van lieverlede zich heeft uitgebreid. Men liet evenwel de oude verhoudingen blijvën. Daar men Barneveld vertrouwde, achtte men een beheer door hem in goede handen en het Bestuur verleende hem in allen deele de meest mogelijke vrijheid van handelen. Daardoor was hij eigenlijk de man waar alles op draaide. Dit is algemeen bekend.

Na deze voorafgaande bemerkingen. die ik noodig oordeelde, ga ik over tot mijne eigenlijke mededeelingen.

Zoo als ik hierboven reeds zeide, gedurende 16 jaren ben ik lid geweest van het Bestuur der Vereeniging tot ondersteuning enz. van blinden alhier, daarbij tevens als penningmeester optredende. Daar de inrichting in hooge mate mijne sympathie wegdroeg, zoo wijdde ik mij daaraan met hart en ziel, gelijk trouwens bekend is. Steeds kenmerkte de verhouding der verschillende bestuursleden onderling zich door welwillendheid en eensgezindheid en getuigde die van wederzijdsche waardeering. De houding van één der leden, in het begin van 1888, bracht daarin eensklaps stoornis. Of diens grenzelooze heerschzucht of het werkelijk belang der inrichting daarvan de drijfveer was, laat ik buiten beoordeeling, doch de zoo onheusche, ja lompe en grievende bejegeningen die ik, plotseling en onverwacht, moest ondervinden, waren van dien aard, dat zij mij genoegzame aanleiding gaven om, hoe smartelijk mij dit ook viel, mijne betrekking van penningmeester neêr te leggen. Ik deed dit schriftelijk op 18 Mei 1888, daarbij verzoekende dat mij mocht worden medegedeeld waar en wanneer ik de onder mij berustende stukken en geldswaarden zou kunnen overdragen.

Ik ontving daarop een bestuursschrijven dd. 22 Mei 1888, met uitnoodiging om mijne rekening en verantwoording af te leggen tot en met ult°. Mei 1888, in handen eener daartoe benoemde commissie, bestaande uit de H. H. Wolhers en Verhoeff,

-ocr page 60-

5

en aan deze de onder mij berustende geldswaarden enz. der Vereeniging over te dragen.

Dit geschiedde op 25 Mei 1), in eene vriendschappelijke samenkomst, onder een glas wijn, ten huize van den Heer Wolbers , bij welke gelegenheid ik niet anders dan blijken van welwillendheid en waardeering ontving en waarbij de Heer Wolbers mij nog zeide dat hij hoopte dat ik niet de minste ongunstige gedachte mij aangaande bij hem zoude veronderstellen, terwijl bij het uiteengaan de Heer Verhoefk mij nog toevoegde: „gij zult van het Bestuur nog wel . een bedankje ontvangen voor uwe toewijding aan de inrichting.quot; De stukken en geldswaarden werden nagezien en in orde bevonden, doch finale décharge werd mij niet verleend, omdat de Commissie, zooals zij zeide, daartoe niet bevoegd was. Wel werd mij kwitantie verleend voor de overgenomen bescheiden en geldswaarden. Zonder eenig bezwaar berustte ik daarin , volkomen overtuigd dat alles in orde was en de goede trouw van het Bestuur niet betwijfelende, verwachtte ik niet anders dan de gevraagde décharge den volgenden dag te zullen ontvangen.

Weinig vermoedde ik wat mij boven het hoofd hing en wat er zou beraamd worden.

Eenige dagen later en wel op 22 Junij ontving ik , in plaats van de verwachte décharge , eene brief van het Bestuur houdende eene vordering, zooals ik mij zeer goed meen te herinneren, ad pl. m. ƒ 2655, die ik, naar men beweerde, nog aan de inrichting verschuldigd zoude zijn. Het doet mij ontzettend veel leed dat ik geen volledig geschrift van dezen brief kan overleggen , ik had dit gaarne gedaan, maar zij schijnt bij de plaats gehad hebbende huiszoeking in beslag te zijn genomen en ik heb die niet teruggekregen.

1) Dit kon toen reeds en vóór hel einde der maand, omdat Barneveld als boekhouder der Vereeniging de boeken hield, bleef houden, ook het betrekkelijk geldelijk beheer voerde en bleef voeren. Die toestand onderging dus geene verandering.

-ocr page 61-

6

Zoo als ik zeide, bedroeg de vordering in totaal pl. ni. /quot;2655. De bedragen dér onderdeelen kan ik mij niet allen meer met genoegzame zekerheid herinneren om die te durven vermelden , alleen weet ik, maar dit met zekerheid, daar ik daarvan eene aanteekening heb gevonden, dat er o. a. een bedrag van ƒ719.62 werd geëischt, welk bedrag ik, hoe ik ook op toelichting aandrong , nooit opgehelderd heb kunnen krijgen. Ik heb nooit van het Bestuur te weten kunnen komen waarvoor die som gevorderd werd en waaraf die sloeg, zoodat ik eindelijk den indruk kreeg dat men het zelf niet wist, trouwens dit bleek ook later, want men heeft dien eisch stilletjes laten varen.

Voorts eene eisch tot terugbetaling van een mij verleend zoogenaamd bedrijfskapitaal ad f 2500, een eisch, waarvan men later de onjuistheid heeft moeten erkennen, — alsmede nog een van f 600 zijnde, zooals men zeide, door den Directeur Barnevelb aan mij voorgeschoten gelden, die ik moest teruggeven. Waarom werd niet gezegd. Al deze bedragen na aftrek van het nadeelig saldo over 1887 ad f 1410.25 (zie nadeelig saldo op blz. 10, dat stelde men toen op /quot;2262.37^).

De ontvangene brief beantwoordde ik door te zeggen dat ik de gedane vordering niet begreep, dat b. v. het cijfer van f 719.62 mij een raadsel was, bovendien dat ik mij niet bewust was aan de Vereeniging iets verschuldigd te zijn en alles verantwoord had wat ik moest verantwoorden , ook het mij verleend zoogenaamd bedrijfskapitaal dat evenwel niet bedroeg ƒ2500, zooals men eigendunkelijk goedvond en zonder eenige grond te beweren, maar f 2464,37 en eindelijk dat het voorschot van Barneveld ad f 600 mij niet aanging, daar ik niet verantwoordelijk was voor zijne daden, allerminst wanneer die geheel buiten mijn weten en buiten mijne voorkennis waren verricht.

Wat te verwachten was, mijn schrijven gaf niets, evenmin als daarop volgende besprekingen.

Men wilde niet overtuigd zijn en men bleef bij de eenmaal gedane eisch volharden zonder iets te bewijzen.

-ocr page 62-

Doch het bleef er niet bij.

Veertien dagen later en wel op Zaterdag 7 Juli, dus juist 6 weken na de van zooveel welwillendheid getuigende samenkomst met den Voorzitter en Vice-Voorzitter, de H.H. Wolbers en Verhoeff, ten huize van eerstgenoemde en zonder dat er verder iets bijzonders was voorgevallen noch bewezen, vervoegden zich ten mijnen huize de H.H. Geelkerken en Van Meerlanï om mij, namens het Bestuur, te kennen te geven, dat zoo ik niet binnen 4 dagen, dus vóór Donderdag 12 Juli e. k. (gij ziet men was haastig), de gevorderde som ad pl. m. ƒ 2655 betaalde, men bij den officier van Justitie eene aanklacht tegen mij zou indienen wegens verduistering van gelden.

Natuurlijk verontwaardigd, betuigde ik over een en ander mijne bevreemding en gaf ik andermaal te kennen dat ik mij niet bewust was eenig bedrag, hoe gering ook, aan de Vereeni-ging schuldig te zijn of niet te hebben verantwoord, terwijl ook het Bestuur geen bewijs van verschuldigdheid had geleverd. Ik bleef derhalve weigeren te betalen wat ik niet schuldig was.

Nadat het onderhoud hierover afgeloopen was, nam de Heer Geelkerken, — de voormelde bedreiging was door den Heer Van Meerlant gedaan, — het woord en wel om te zeggen dat hij mede de opdracht had om, namens het Bestuur, mij mede te deelen, dat zoo ik, nu of later, het waagde het geringste, wat het ook zij, ten nadeele van het bestuur te zeggen of in ongunstig en zin mij over hetzelve uit te laten, men on-middelijk ook daarvan eene aanklacht bij den officier van Justitie tegen mij zou indienen. — Inderdaad een merkwaardig woord , een woord dat teekent.

Ik treedt hier niet in beschouwingen, en de vraag of hij die eene zuivere zaak voorstaat, die eene nobelen strijd voert voor recht en eerlijkheid, vrees koestert voor openbaarheid of ongunstige getuigenissen, ja of neen, laat ik geheel in het midden, maar dit alleen meen ik te mogen zeggen; door die bedreiging sprak het Bestuur zijn eigen vonnis uit.

-ocr page 63-

8

Op de bedreiging volgde de daad.

Vier dagen later en wel op Donderdag 12 Juli, had het Bestuur den treurigen moed de aanklacht bij den officier van Justitie in te dienen en onverwijlde vervolging aan te vragen. Genoemde Heer officier van Justitie (de Heer Van Geuns) rechtvaardig en humaan als altoos, gaf te kennen dat hij de zaak ernstig zoude onderzoeken en in overweging nemen om daar naar te handelen.

Dit antwoord was eene teleurstelling en in niet geringe mate. Eene onverwijlde en strenge vervolging toch was bedoeld, gewenscht.

Daar alle minnelijk overleg thans onmogelijk geworden was, stelde ik de zaak in handen van den advocaat Mr. A. A. Pit alhier, om voor mij op te treden en deponeerde ik tevens op eene neutrale plaats, en dit met en onder goedvinden van het Bestuur, een bedrag ad f 2700 aan effecten tot waarborg en zekerheid van de beweerde, maar nog onbewezen schuld , daardoor het bewijs leverende dat het mij niet te doen was om het gevorderde geldelijk bedrag en om mij aan de betaling daarvan te onttrekken bij werkelijke verschuldigdheid, maar enkel om mijn goed recht.

De besprekingen, thans door tusschenkomst van den advocaat Mr. Pit, continueerden, doch zonder eenig resultaat. De bewijzen dat ik de gevorderde f 2655 verschuldigd zoude zijn, kwamen maar niet te voorschijn. Instelling eener civiele actie, wat ongetwijfeld de meest natuurlijke weg zoude geweest zijn, vooral nu het geldelijk bedrag door het deponeeren van geldswaarden verzekerd was, om daardoor eene rechterlijke uitspraak uit te lokken en alzoo een einde te maken aan het conflict, dorst

men blijkbaar niet aan en.....zeer begrijpelijk, zeer natuurlijk

ook — want men was zelf te zeer overtuigd van de groots moeielijkheid, of liever van de onmogelijkheid om voor den civielen rechter de gedane vordering te bewijzen.

Zoo verliep er eenigen tijd. Men ging voort met heftigheid te eischen, doch men bewees niets. Ik diende eindelijk eene nota

-ocr page 64-

9

in om den werkelijken stand van zaken eens duidelijk te maken. Ongelukkiger wijze was in die nota eene fout ingeslopen, maai zij was niettemin het bestuur in niet geringe mate welkom, ja eene ivare uitkomst, want schermde het vroeger met cijfers uit de lucht gegrepen en was men totaal verlegen, niet recht wei'.nde wat te eischen, nu kwam er licht opdagen en had men eene leiddraad, een grond, zoo men meende.

Dat was verrukkelijk.

Eene contra nota, niets gelijkende op de eerste aan mij toegezondene, bleef dan ook niet uit en weldra, ik meen in September, ontving ik die, als grondslag eener nieuwe vordering.

De vorige waar men zoo positief mede was aangekomen en waarvan men de juistheid en de deugdelijkheid zóó had volgehouden, zoozeer dat men daarom eene vervolging, ja zelfs eene strafrechtelijke vervolging noodzakelijk (!!) had geacht, werd los gelaten en gansch nieuwe cijfers kwamen opdagen. Van den eisch ad f 719,62, waaromtrent ik zoozeer om inlichting had gevraagd, niets meer, evenmin van de eisch ad ƒ 2500. Waarom niet? Wijselijk begrepen de HH. dat het zaak was daar niet meer van te gewagen en die cijfers maar stil te laten rusten. Langs eene anderen weg was het beoogde doel toch ook wel te bereiken.

De nieuw ingediende vordering, zoo plotseling en geheel ongemotiveerd circa f 640 lager, liep thans over een geheel ander cijfer en bedroeg nu f 2016,o^. Van deze vordering ben ik in staat een afschrift over te leggen, 't geen ik dan ook hieronder doe.

Ik bleef protesteeren, volhoudende niets aan de Vereeniging schuldig te zijn en diende andermaal mijne nota in, thans verbeterd , ter wederlegging van de ontvangene. Een afschrift daarvan leg ik hierbij over.

De nota's van beide partijen hieronder opgenomen loepen over 1888. De rekeningen toch van vroegere jaren, ook die van 1887 , waren goedgekeurd en afgedaan.

-ocr page 65-

63

NOTA VAN MIJ ZELF.

ƒ5019

06

»2535

63

/2483

43

/5000 » 2535

ƒ2464

37

» 2400

» 2523

ƒ4864

37

ƒ 5006

46'

1504

620

/3359

90s

/4386

56'

600,— 1100.—

» 2900

ƒ1486

56 =

» 70

52

ƒ1416

046

» 3300

/ 59 » 70

901 52

te zamen

Methet saldo van «//quot;iVi?/' 1888 heefl de heerSchwartzenberg niets te maken. De laatst door hem overgelegde maandstaat loopt tot uit0. April 188S. Het nadeelig saldo dier maandstaat was .ƒ2262,37' Waaraf het bedrag in het dienstjaar 1887 te weinig verantwoord (zie jaarstaat 1887 en maandstaat Januari 1888) . . . ,gt; 1642,26

verschuldigd

In Mei is niets anders of meerder verantwoord dan de /1100,— waarvoor kwitan-tantiën zijn afgegeven. Het ingebrachte is dus slechts .

De heer S. blijft dus schuldig Waaraf wegens abusieve optelling ........

blijf;

NOTA VAN HET BESTUUR.

dd. September 188S.

In de Crediet- en Deposito-kas op lquot; Januari 1884 aanwezig Af aankoop van effecten . .

rest

Inbreng aan legaten

enz....../2400,—

Rente van gedeponeerde gelden inde Cred. amp; Dep. kas van 1883—1888 .» 123,25

Verantwoord in Februari volgens Kasboek . ./1200,— Idem April idem .»

Idem Mei idem . »

Idem 25 Mei aan contanten aan de commissie bij aftreding overgedragen . ,»_

Gestort in de Cred. en Dep kas in December 1883 en op 1° Januari 1884 aanwezig . . Af aankoop van effecten . .

rest

Inbreng aan diverse legaten enz..........

Af nadeelig saldo op uilquot; Mei volgens kasboek . . . .

Af abusieve optelling

alzoo verschuldigd

400,-

blijft

Waarbij komt de door den directeur aan den penningmeester voorgeschoten sommen ad f 600,— . . . .

« 600 /201(1

04'

RECAPITULATIE.

Ingebracht.......ƒ 3300,—

Verschuldigd . /3359^9°'

Af abusieve optelling ...» 70.52

- »3289,38^


meer ingebracht ƒ io.ói5

-ocr page 66-

11

De verschillen van beide nota's vallen in het oog.

Vergun mij die duidelijk te maken.

Het Bestuur, op gansch andere wijze dan vroeger en met nieuwe cijfers aankomende, begint met op te nemen als door mij verschuldigd, een bedrag op i° Januari 1884 in de crediet en deposito-kas alhier aanwezig ad ƒ 5019,06, na aftrek van de som van ƒ 2535,63 voor gekochte effecten, dus ad / 2483.43 (t. w. / 2464,37 19,06 — 2483,43).

Dit cijfer ad / 19,06 is foutief. In de crediet en deposito-kas werden nimmer andere gelden gestort dan geboekte en reeds verantwoordde, tijdelijk niet benoodigd. Het bedrag ad ƒ 19,06, restant van meer, op uit. December 1883 in genoemde kas aanwezig, was derhalve reeds verantwoord vóór genoemde dagteekening en vóór de storting. Dit nu wederom en dus voor de tweede maal in rekening te brengen zoude gelijk staan met eene dubbele storting en mij dunkt daartoe kan ik wel niet verplicht zijn. Bleef het Bestuur zich zelf gelijk dan zoude het ook nog van mij moeten vorderen de vele honderden guldens bij tijd en wijle na iquot; Januari 1884 tot uit. Mei 1888 in de crediet en deposito-kas tijdelijk gedeponeerd, evenals genoemde / 19,06. En dat doet men niet. Waarom het Bestuur juist het saldo van uit. December 1883 uitpikt en niet b. v. van 1882 of 1881 of 1884 enz. heb ik nooit begrepen.

De saldo's op 1° Januari 1884 tot en met 1° Januari 1888 aanwezig, bedroegen als volgt:

1° Januari 1884 ƒ 19,06 -j-ƒ 2464,37 (restant v. ontv.legaat)

1885 „ 2326,03

1886 „ 2037,65 „ 1887 „ 776,68

1888 „ 376,68

Waarom nu zou ik het saldo van 1° Januari 1884 verschuldigd zijn en andermaal moeten storten en de andere saldo's niet? Deze toch staan daarmede volkomen gelijk behalve de bedragen.

-ocr page 67-

I 2

Ik begrijp zoo iets niet. Eene zoodanige cijfering behoort zeker tot eene hoogere financier-kunst die een gewoon menschenverstand niet vatten kan en waarvan de twee Notarissen Geelkerken en van Meerlant en de Directeur der Utrechtsche Credietbank Jhr. J. van Asch van Wijck, alleen de sleutel hebben.

De storting ad f 5000,— (ontvangen legaat) en enkel die som, was om toenmaals goedgevondene redenen eene uitzondering geweest op den algemeenen regel en een niet geboekt bedrag dat later moest worden verantwoord. Zoo als gezegd is, voor een deel er van werden effecten aangekocht en wel ad /2535,63. Het overschot komt voor op mijne nota.

Voorts trekt het Bestuur uit als nog door mij verschuldigd f 123,25 aan rente voor in crediet en depositokas gedeponeerd geweest zijnde gelden.

Dit is ten onrechte. Die rente, welke door de administratie van genoemde kas, jaarlijks op de rekening-courant werd bijge-boekt, is door mij in de maand Januari 1888 aan Barneveld ter verantwoording ter hand gesteld te gelijk met meerdere gelden en wel per cheque op die kas.

Deze chêque was groot f 376,68 en bevatte het laatst aldaar aanwezige bedrag, zoodat natuurlijk de rente er onder begrepen was.

Deze chêque is door Barneveld ingecasseerd, dit kan onmogelijk ontkent worden.

Zie tot opheldering onderstaande opgave.

Rekening- Crediet- en Depositokas.

1° Januari 1884 tot 1° Januari 1888.

Ingebracht.

in 1884 ƒ 8661,06 -f- ƒ 42,60 = ƒ 8703,66

in 1885 „ 2650,— -{- „ 36,62 = „ 2686,62

in 1886 „ 1875,--1- „ 44,03 = „ 1819,03

in 1887 „ 400,--1- _

Totaal ƒ 13586,06 -j- / 123,25 = / 13709,31

-ocr page 68-

Uitgenomen.

in .'884 / 6377,63

in 1885 „ 2975,—

in 1886 „ 3180,—

in 1887 „ 800,—

Totaal / 13332,63

Balans.

ingebracht ƒ 13709,31 zijnde aan inbreng ƒ 253,43

uitgenomen „ 13332,63 Saldo aanwezig op

1° Jan. i883 / 376,68

aan rente „ 123,25

te zamen ƒ 376,68

Welk saldo ad f 376,68, waaronder de rente ad f 123,25 begrepen is, in de maand Januari 1888 aan Barneveld ter verantwoording is ter hand gesteld per cheque op de crediet en depositokas tot datzelfde bedrag, die dat bedrag heeft afgehaald , wat hij niet ontkennen kan.

Een derde verschil betreft het af te trekken nadeelig saldo. Dit nadeelig saldo was, zooals meermalen gebeurde, hoofdzakelijk ontstaan door betalingen van grondstoffen. Het Bestuur trekt af hel nadeelig saldo op uit. April. Ook dit is foutief en moet zijn het bedrag op uit. Mei, aangezien ik tot zoo lang als Penningmeester heb gefungeerd d. i, tot zoo lang ontvangsten heb gehad en betalingen heb gedaan. Ik heb tot dat tijdstip mijne rekening afgelegd op verlangen en op uitnoodiging van het Eestuur zelve dat mij de uitnoodiging daartoe toezond bij aanschrijving dd. 22 Mei 1S88, thans nog in mijn bezit, luidende als volgt: ,,Het Bestuur noodigt u uit uwe rekening van ontvangst en uitgaaf over „het tijdperk 1quot; Januari tot uit. Mei 1888 , vóór het einde der loopende „maand te willen doen toekomen aan de benoemde Commissie bestaande „uil de HH. WOLBERS en VERHOEFF.quot;

Utrecht, 22 Mei 1888.

Het Bestuur der Vereeniging enz.: iget?) Julien Wolkers, Voorzitter.

J. J. van Asch van Wijck, Secretaris.

-ocr page 69-

14

Bovendien heeft het Bestuur aan al de begunstigers der inrichting in den lande eene gedrukte circulaire verzonden van den volgenden inhoud:

„Aan de vrienden en begunstigers van de Vereeniging tot „ondersteuning en zedelijke ontwikkeling van Hulpbehoevende „Blinden te Utrecht wordt bij dezen medegedeeld dat de heer „U. Baron thoe Sckwartzenberg en Hohenlansberg met uit. „Mei heeft opgehouden Penningmeester van genoemde Ver-„eeniging te zijn.

„Allendie de inrichting met legaten, schenkingen of giften „wenschen te verblijden, worden daarom vriendelijk uitgenoodigd , „deze te zenden of te doen toekomen aan een der leden van „het Bestuur, of aan den Directeur der Inrichting.

Utrecht , 31 Mei 1888.

Het Bestuur:

Julien Wolbers, Voorzitter.

J. C. Verhoeff, Vice-Voorzitter.

W. van Teylingen van Kamerik.

W. A. van Rijn.

H. van Meerlant.

N. G. Geelkerken,

J. J. van Asch van Wijck, Secretaris.

Er kan dus geen kwestie zijn of, wijl men aftreding en aflegging van rekening verlangt met uitquot;. Mei, ook rekening moet worden gehouden met het nadeelig saldo op die datum en niet met dat van een maand vroeger. Dit is duidelijk en klaar. Nochtans, behalve Ds.Verhoeff, die ter terechtzitting verklaarde dat ik tot het laatst van Mei had gefungeerd, spreekt het Bestuur dit tegen en zegt ronduit dat ik met de maand Mei niets te maken heb, — N.B. ik vroeg op 18 Mei pas ontslagen te mogen worden, — en dat met het nadeelig saldo op uitquot;. April moet gerekend worden.

Tot staving van dit zonderling beweren heeft men er dit op uitgevonden en als reden opgegeven dat ik geen maandstaat over

-ocr page 70-

Mei had ingediend. Alsof dit iets afdeed en alsof ik dit ooit deed of gedaan had. Inderdaad men staat verbaasd over zoo iets en men moet wel gelijk willen hebben hoe dan ook, om met zoodanig argument te durven aankomen. Nog nooit gedurende de 16 jaren dat ik als penningmeester optrad, heb ik eenige maandstaat ingediend en ook nooit is die indiening voorgeschreven noch ook verzocht. In de notulen der gehoudene vergaderingen zal men ook nergens eenig voorschrift of verzoek tot indiening vinden. De gedachte zelf is nimmer bij mij opgekomen om dit te doen. Wel zond Barneveld in de laatste jaren uit eigen beweging, geheel buiten mij om en geheel buiten mijn weten en voorkennis, eenen door hem opgemaakten en onderteekenden staat wat ook door de rechtbank als bewezen is aangenomen, eenige oogenblikken vóór de bestuursvergaderingen aan den voorzitter en aan mij, doch die staat had hoegenaamd geen officieel karakter, hoegenaamd geen bewijskracht, niets geen comptabele waarde. Dat weet het Bestuur uitnemend goed en , eerlijk zijnde, zal het ook moeten erkennen er nooit de minste waarde aan te hebben toegekend. Bedoelde staat was niets anders dan een officieuse mededeeling van Barneveld aan het Bestuur, niets meer, die louter voor kennisneming werd aangenomen en na inzage eenvoudig werd ter zijde gelegd.

Doch al waren deze beweringen van het Bestuur naar waarheid, zij zouden hier niets afdoen wijl het zelf, èn bij aanschrijving, èn bij gedrukte circulaire, uit0. Mei als tijdstip van aftreding en afrekening had aangewezen.

Van het nadeelig saldo, dat later terugvloeit, trekt het Bestuur af de som van / 1642.26, een bedrag dat door mij verschuldigd zoude zijn als te weinig verantwoord over 1887, volgens mijn jaarstaat over gemeld jaar.

Veel woorden om dit te weerleggen zijn overbodig. Het zij voldoende te melden en er op te wijzen, dat ik in het bezit ben van een schriftelijk bewijs van goedkeuring van genoemden door mij ingedienden jaarstaat over 1887 , door het Bestuur

-ocr page 71-

i6

onderteekend en ik kan er bijvoegen dat het onderzoek van dezen staat niet oppervlakkig maar met de meeste nauwgezetheid heeft plaats gehad, zooals ook ter terechtzitting bij monde van Ds. Verhoeff openlijk is verklaard, die er nog heeft bijgevoegd dat ik zelf aan de Commissie een meest nauwgezet onderzoek had gevraagd.

Een ander punt van verschil in de nota's betreft den inbreng. Ik wees aan ƒ 3300, het Bestuur slechts ƒ 2900, bewerende dat ik voor de maand Mei ƒ 400 te veel opgaf en dit bedrag niet had ingebracht.

Men beweerde doch leverde geen bewijs. Om mijne opgave te rechtvaardigen toonde ik aan dat het kasboek aanwees en daarin geboekt stond, eene inbreng van f 1100 met bijvermelding, achter het cijfer, van 15 Mei en dat ik op 25 Mei f 400 had ingebracht.

Het Bestuur bestreed mijn beloog. bewerende dat de door mij op 25 Mei ingebrachte ƒ 400, opgenomen waren bij en een deel uitmaakten van de geboekte ƒ1100 door mij genoemd. Nimmer gewoon geweest om voor elk der door mij ingebrachte bedragen kwitantiën te nemen, was het mij moeielijk terstond met cijfers het tegendeel aan te toonen, al pleitte de wijze van boeking in het kasboek voor de juistheid mijner opgave. Het kasboek, verscheidene weken ten achteren, was eerst na mijne aftreding en geheel buiten mij om bijgewerkt, ik wist dus niets van de boeking af en kon daardoor voor 't oogenblik niet anders doen dan constateeren de boeking aldaar, van de genoemde som ad f 1100 op de vermelde wijze, zooals dit bij latere inzage der boeken mij gebleken was, en eene inbreng op 25 Mei ad ƒ400 , welke inbreng nimmer is tegengesproken, noch tegengesproken kunnen worden.

Een nader onderzoek was derhalve noodig, doch daartoe kwam het niet en werd geene gelegenheid gegeven, zelfs werd dit onderzoek voor mij onmogelijk gemaakt daar aan Barneveld , de eenige die mij had kunnen inlichten, werd verboden eenige

-ocr page 72-

17

gemeenschap met mij te hebben, zooals hij mij deed weten bij schrijven van 5 October 1888 nog in mijn bezit.

Uitgemaakt is de kwestie dezer f 400 dan ook nooit, want terwijl de besprekingen daarover plaats hadden gaf het Bestuur plotseling de strijd over de geldelijke aangelegenheden op om met gansch andere vervolgingen aan te komen.

Het laatste punt van verschil is het cijfer van f 600, welke som, naar het bestuur zegt, Barneveld aan mij zou hebben voorgeschoten en ik moet teruggeven, (men zoude zeggen dus eene zaak tusschen Barneveld en mij) en nu is het Bestuur, tuk als het is om mij maar geld te doen betalen, bereidvaardig om als makelaar, (met of zonder provisie ?) voor Barneveld op te treden.

Zeker zeer welwillend voor deze, maar of er de minste grond voor bestaat om aan mij zoodanige vordering te doen dat is een tweede, althans ook hier wederom hoegenaamd geen bewijs, — louter een zeggen en beweren zonder grond. Ik kan er dit nog bijvoegen, dat ik gerust kan betuigen dat wanneer ik eene of andere betaling te doen en geld noodig had, ik mij dan toch niet tot Barneveld zou gewend hebben om mij dit voor te schieten en ik er nimmer aan gedacht hebt hem zoo iets te vragen. Dit zal een ieder wel begrijpen. De vordering is dan ook het toppunt van dwaasheid.

Heeft het Bestuur misschien bedoeld, wat evenwel niet gezegd wordt, dat Barneveld aan de inrichting een voorschot gedaan had, dat ik zou moeten restitueren, dan antwoord ik daarop dat mij dit niemendal aangaat daar Barneveld niet in mijne dienst geweest is, noch door mij aangesteld en gesalarieerd werd en niet mijn ondergeschikte was. Er kan alzoo geen kwestie zijn van aansprakelijkheid mijnerzijds voor zijn doen en laten, en onmogelijk kan ik verantwoordelijk geacht worden voor zijne daden, allerminst wanneer die gansch en al zonder mijne last en geheel buiten mijn weten en voorkennis zijn geschied, wat hier het geval was.

Van het gansche voorschot weet ik niets af. Alleen kan ik

2

-ocr page 73-

mij herinneren dat Barneveld mij eens gezegd heeft, ik meen in Januari 1888, sprekende met mij over een voorschot door mij gedaan: „Ik ben ook f 500 in voorschot,quot; waarop ik hem geantwoord heb: dat moogt gij niet zijn, uwe finantieele positie laat dat niet toe, doe mij nadere opgave ten einde het te kunnen verrekenen. — Die opgave kwam nooit, evenmin als eenige mededeeling wanneer^ waarom en waarvoor dat voorschot zou zijn gedaan.

Dat er in deze iets raadselachtigs is, ik kan dit niet van mij afzetten en onwillekeurig komt de vraag, al zoude ik die zoo gaarne willen ter zijde stellen, bij mij op: Wat is er van dit voorschot? — Waarom voorgeschoten? — 16 jaren lang heeft Barneveld met mij te doen gehad, zelf, zeide hij, met,mij altoos op zoo vertrouwelijke voet om te gaan,— 16 jaren lang heeft hij zich geregeld en altoos tot mij gewend zoo er geld benoodigd was en steeds ontving hij dit terstond. Nog in het tijdperk 1 Jan.—25 Mei 188S, dus van vijf maanden vóór mijne aftreding ontving hij van mij, onmiddellijk op zijne aanvrage, en de aanvragen zijn nog in mijn bezit, verschillende bedragen als b.v. om maar eenige te noemen, op 7 Januari f 400, op 10, 18, 25 en 28 Februari respectievelijk ƒ400, 400, 150, 700,

op 24 Maart f 100, op 21 April ƒ500. Waarom dan in.....?

Ja wanneer? dat heb ik nooit vernomen, gelden voorgeschoten terwijl hij die zoo menigmaal vroeg en steeds onmiddellijk ontving? — Waarom in plaats van voor te schieten mij niet gevraagd, zooals hij jaren lang altoos deed, bij de stellige wetenschap die te zullen bekomen? — Waarom toen ik hem in Mei f 700 ter hand stelde om in de crediet en deposito kas te storten, mij niet verzocht er zijn voorschot van te mogen afhouden ? — Waarom in Januari 1888 aan mij genoemd f 500 en aan het Bestuur f 600 ? — Ziet daar is iets duisters in, — doch laat ik er niet verder in doordringen en dan ook maar niet stil staan bij de onwaarheid van Barneveld, ter terechtzitting openlijk uitgesproken , waar hij verklaarde maanden lang bij mij tc hebben

-ocr page 74-

19

aangedrongen en mij dringend te hebben verzocht hem zijn voorschot te restitueeren en dat altoos te vergeefsch, zoodat hij eindelijk zich tot Ds. Verhoeff heeft moeten wenden om die restitutie te erlangen. Die verklaring, onder cede afgelegd, is voor zijne rekening. — Ik laat die daar en denk er het mijne van.

Nog één woord over deze voorschot-kwestie. — De genoemde som ad f 600 is, door mijne vrouw, buiten mij om , aan het als makelaar optredend Bestuur betaald , doch nimmer heb ik van dat Bestuur eene kwitantie van Barneveld ontvangen. Ik blijf dus ongedekt.

Dit is inderdaad vreemd en opmerkelijk. Het is toch vrij algemeen de gewoonte dat men kwitantie ontvangt van den persoon aan wien men verschuldigd geld betaald, 't Schijnt wel dat er bestuursleden zijn die daar niet aan doen en daaromtrent eigenaardige beschouwingen hebben, of staat dit in verband met het niet kunnen bewijzen der vordering?

Waarom ontving ik geene kwitantie van Barneveld ? Mij dunkt dat ware niet anders dan zooals behoorde.

Nog iets alvorens van deze geldelijke aangelegenheden af te stappen.

Op 22 Juni 1888 doet het Bestuur aan mij eene vordering volgens mijne herinnering, daar ik de brief niet meer bezit, zie bl. s, ad pl. m. f 2655, gevolgd, toen ik niet betaalde, door eene aanklacht bij de Justitie wegens verduistering van gelden tot het gevorderde bedrag.

Ter terechtzitting op 13 December verklaart Jhr. Jan van Asch van Wijck dat de toen door het Bestuur gedane vordering en waarvoor men de strafrechtelijke vervolging instelde, bedroeg f 2209,36.

In September daaropvolgende doet dat zelfde Bestuur mij eene andere vordering en wel ad f 2016.04'.

Circa eene maand later en wel op 17 October, wederom eene andere en wel ad f 2014.04s.

De H.H. Geelkerken en van Meerlant noemden ter terechtzitting ruim f 2000.

-ocr page 75-

20

Alzoo zeer verschillende cijfers. De bewijzen van deze verschillende vorderingen zijn in mijn bezit, alleen van de eerstgenoemde niet meer, zooals ik hierboven zeide.

Voorwaar kan er sterker bewijs zijn, dat genoemd Bestuur hoegenaamd geen grond had voor de gedane vorderingen , ja, zelfs niet eens wist wat te vorderen ? En is het wonder dat bij het opmerken van dit feit, onwillekeurig verschillende gedachten oprijzen en als een natuurlijk gevolg daarvan, als 't ware van zelve, ook de vraag: Wat was toch wel de drijfveer van dat alles?

De nota's besproken en toegelicht hebbende ga ik door met mijne mededeelingen.

Na de indiening der nota hadden andermaal onderhandelingen plaats, mijnerzijds door tusschenkomst van den Advokaat Mr. Pit, doch ook wederom zonder eenig resultaat. Aangaande niet een punt was toenadering mogelijk, het scheen wel dat men niet wilde overtuigd zijn. Men hield vol, maar bewijzen bleven achterwege. Toch voelde het Bestuur blijkbaar grond onder de voeten wegzinken. Niet in staat om mijne argumenten te weerleggen en evenmin deugdelijke gronden kunnende aanvoeren tot staving van eigen sustenuen begon men, en het is niet gewaagd dit te zeggen, vrees te koesteren voor de houdbaarheid der gedane vorderingen en .... men gaf den strijd voor het geldelijk bedrag op.

Evenwel niet toegegeven. Neen, —maar men wist raad. Men veranderde van tactiek. — De vordering laat men rusten en laat men achterwege. — Wat doet die trouwens er ook toe. Ziende dat men daarmede niet slagen kon, slaat men, plotseling, eene gansch anderen weg in.

In stilte en onder de meest mogelijke geheimhouding, dient men bij den Officier van Justitie, maar thans bij den Substituutofficier, tegen mij eene aanklacht in wegens valschheden in geschrifte, enz. Geene waarschuwing vooraf, neen, al durft het Bestuur nog zoo brutaal beweren dit gedaan te hebben, niets er

-ocr page 76-

21

van, alles in stilte. En Voorzitter èn Vice-Voorzitter, de HH. Wolbers en Verhoeff, de laatste had Jhr. van Asch van Wijck even te voren gesproken, spreek ik ampel over de zaak, daags na de indiening der aanklacht en vier dagen vóór de inhechtenisneming, van hen geen enkel woord, neen, — niets over de zoo vreeselijke daad door hen toen reedsbegaan, (zie blz. 26).

De diepste geheimhouding.

Het was dan ook eerst de dag na de inhechtenisneming dat ik de eigenlijke reden er van vernam , want toen eerst werden de 3 eerste beschuldigingen aan mij beteekend.

De beschuldigingen tegen mij ingebracht betroffen nu niet meer verduistering van gelden zoo als in Juli, — dat durfde men niet meer aan , — maar waren thans de volgende:

1°. Opzettelijk in het begin van Maart 18S8 een te hoog en geheel verzonnen cijfer in het kasboek in uitgaaf te hebben doen boeken waardoor volgens dat kasboek het nadeelig saldo verhoogd werd en zulks met het oogmerk om het aldus op mijnen last vervalschte kasboek of zelf te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

2°. Eene jaarstaat over 1887 te hebben ingediend op welke staat in ontvangst eene post aan rente van belegde gelden te laag en in uitgaaf eene post betreffende aankoop van effecten te hoog waren gebracht ten einde door overlegging van dezen staat als ware die onvervalscht definitieve vaststelling van de jaarrekening en dus ook van het saldo te erlangen uit welk gebruik nadeel kan ontstaan.

3°. Op een door de Commissie ad hoe, de HH, Wolbers en Verhoeff, verleend ontvangbewijs voor op 25 Mei overgenomen geldswaarden enz., valschelijk de beschrijving te hebben gedaan „van contanten f 400quot; met het oogmerk om van die valsche vermelding gebruik te maken uit welk gebruik nadeel kon ontstaan.

4°. Van uit boven bedoeld ontvangbewijs een extract te hebben genomen en van dat extract gebruik te hebben gemaakt.

-ocr page 77-

22

Eene breedvoerige wederlegging van deze beschuldigingen) die ik hier niet wil kwalificeeren, zal zeker niet door u verlangd worden, en het komt mij ook tamelijk overbodig voor u daarmede te vermoeien. Voldoende zal het zijn er op te wijzen, wat trouwens bekend is, dat de rechtbank de drie eerste beschuldigingen ongegrond heeft bevonden en daarvoor geen termen tot veroordeeling aanwezig oordeelde, zoodat het niet schuldig daarover is uitgesproken met volkomen vrijspraak van alle rechterlijke vervolging. En natuurlijk ook, want ze waren zonder eenige grond.

De laatste handeling heeft zij strafbaar geoordeeld. Deze ver-eischt eenige toelichting. Vergun mij nog een enkel oogenblik uwe welwillende aandacht daarvoor te vragen en wil mij die schenken, zonder vrees voor critiek op het vonnis, want daartoe heb ik hoegenaamd geen plan.

Daar de laatste beschuldiging in zoo nauw verband staat met de voorafgaande, is het onvermijdelijk noodig eerst deze met een enkel woord te bespreken. Deze (sub 3) betreft een bijschrijven van f 400 op eene verleende kwitantie. Laat ik, tot recht begrip hiervan, het gebeurde hier eenvoudig mede-deelen. Nadat ik op den avond van 25 Mei 1888 de geldswaarden enz. aan de HH. Wolbers en Verhoeff overgedragen had, vroeg ik, na afloop daarvan, volledige décharge voor mijn beheer onder overlegging van eene op zegel geschreven inventaris. Genoemde HH. gaven mij te kennen, zoo als ik reeds mededeelde op blz. 5, geen mandaat te hebben om décharge te verleenen ook voor mijne gestie in de eerste maanden van 1888, maar dat zij bereid waren kwitantie te geven voor de overgenomen bescheiden en waarden. Ds. Verhoeff, hij heef dit ook ter terechtzitting openlijk verklaard, wilde toen'de door mij op het gezegeld exemplaar der inventaris reeds geschrevene décharge daarvan afscheuren, om die te vervangen door eene eenvoudige kwitantie. Ik zeide daarop tot hem: Wel doe dat niet, 'tis jammer van het zegel, het stuk kan later dienen, hier heb ik mijn klad, er zijn wel onderscheidene veranderingen

-ocr page 78-

23

en doorhalingen in, doch we kennen malkaAr van ouds, zoo de HH. dat stuk voor ontvang willen teekenen dan ben ik er meê te vreden, 't is maar om iets te hebben, over een paar dagen ontvang ik toch de décharge, op zegel, geteekend terug.

Dit geschiedde, de HH. feekenden op het klad voor ontvang.

Finale décharge echter ontving ik niet, wel, zoo als bekend is, eene vordering. Nadat heel wat besprekingen over die vordering hadden plaats gehad, vroeg ik, ten einde mij te vergewissen van de juistheid van de boeking der door mij ingebrachte bedragen, inzage van het kasboek der Vereeniging en vond daarin gcene boeking van f 400 op 25 Mei. Te huis gekomen, mijn klad inventaris tevens kwitantie opzoekende zie ik daarin staan f 400 per kwitantie aan Barneveld dd. 25 Mei. Stellig wetende dat ik dat bedrag, het restant dat ik in kas had, op 25 Mei gestort had en die som niet geboekt vindende, was mijne eerste gedachte: O dan heb ik die som zeker niet aan Barneveld gegeven en niet zijne kwitantie overgelegd, maar heb ik die in contanten 's avonds aan de Commissie overgedragen en is verzuimd dit aan te teekenen op het klad. Zonder er veel over na te denken, neem ik eene pen op, haal een streep door de woorden „per kwitantie aan Barneveldquot; en zet er duidelijk en zichtbaar boven „aan contantenquot;, het cijfer f 400 latende staan.

Dus gcene bijschrijving, waarvan het Bestuur goed vond mij te beschuldigen, maar eene doorhaling van het eene om er wat anders voor in de plaats te stellen. Geene vermeerdering gelijk het beweert, waardoor zou verkregen worden f 400 -f- 400 = f 800 Niets er van. De geschreven f 400 bleef onveranderd staan, onaangeroerd, alleen had plaats eene verandering van de aanwijzing waar of hoe op 25 Mei dat bedrag gestort was en werden doorgeschrapt de woorden „per kwitantie van Barneveldquot; en er boven geschreven „aan contantenquot; zonder dat deze verandering van eenige invloed was op het cijfer, dat bleef zooals het was. Dat bleef f 400 en van 2 maal f 400 geen sprake.

-ocr page 79-

24

Ter terechtzitting is, bij zijne verklaring ondereede, de verandering in dier voege ook door Ds. Verhoeff geconstateerd. Het stuk zelf is tot mijn spijt niet meer aanwezig.

In de zeer stellige meening verkeerende een abuis te herstellen en niet anders denkende bij de vele doorhalingen en verbeteringen die op dat stuk reeds hadden plaats gehad of deze was vergeten, dacht ik geen oogenblik er aan iets ongeoorloofds te doen en die gedachte kon ook niet bij mij opkomen, immers het stak was geen officieel stuk, niet dan een kladgt; ongezegeld, een privaat eigendom mij alleen toebehoorende waarop door de H.H. Wolbers en Verhoeff slechts eene voorloopige kwitantie was gesteld.

En waarom zou ik die daad opzettelijk en met verkeerde bedoelingen hebben bedreven, zooals het Bestuur beweert en mij met zooveel heftigheid heeft ten laste gelegd? Ik had er niet het minste belang bij, want het was mij volkomen gelijk of ik bij mijne nota de inbreng aantoonde van f 400 per kwitantie van Barneveld of f 400 aan contanten. Het cijfer bleef gelijk, altoos ƒ400, onveranderd. „De rechtbank mij vrijsprekende van dit mij ten laste gelegde feit gaf daardoor blijk dienaangaande ook niet anders te denken.

Hare vrijspraak luidde woordelijk aldus:

„Overwegende dat het niet wettig en overtuigend is bewezen, „dat de beklaagde, op het oogenblik dat hij de bedoelde door-,,haling en bijvoeging heeft gedaan, de wetenschap heeft gehad „dat die verandering door hem werd gedaan in strijd met de „waarheid en dat hij op den 2 5sten Mei geen f 400 aan contanten „had betaald, zoodat die bijschrijving valschelijk door hem geschiedde en althans niet wettig en overtuigend is bewezen dat „beklaagde toen hij de genoemde verandering in het stuk aanbracht de bedoeling heeft gehad om zich te eeniger tijd van „dat stuk te bedienen, daar de Rechtbank het toch niet onaannemelijk acht dat beklaagde's opgave waar is, dat hij in de „meening heeft verkeerd dat die zoogenaamde kladstaat slechts

-ocr page 80-

25

„eene voorloopige décharge inhield, die door hem slechts voor „zijne eigene herinnering behoefde te worden bewaard en later „door eene definitieve décharge zoude worden vervangen.

„Overwegende dat mitsdien niet wettig en overtuigend bevezen „is hetgeen aan de beklaagde sub 3 is ten laste gelegd.

„Oordeelt dat hij ook daarvan behoort te worden vrijgesproken.quot;

Het mij ten laste gelaste gelegde feit, door de rechtbank strafbaar geoordeeld, betreft, het nemen van een extract uit het bekende onvangbewijs en het gebruik maken van dat extract.

Ik zal niet treden in beschouwingen over dat vonnis, veel minder de geringste critiek daarop uitoefenen, neen, ik wensch dit vonnis te eerbiedigen. De daad ontkennen dat doe ik niet, in geenen deele, dat heb ik ook nooit gedaan. Het gebruik maken in kwestie was niet anders dan een natuurlijk gevolg van de door mij tar goeder trouw, eene goede trouw die door de rechtbank als bewezen is aangenomen, gemaakte verandering hierboven besproken. — Ik nam over, anders niet, zonder aan eenige verandering te denken. — Op mijne op blz. 10 bedoelde nota den inbreng van f 400 willende aantoonen, wijs ik aan door een uittreksel uit de bekende gewijzigde klad-inventaris, eene inbreng tot dat bedrag in contanten, op 25 Mei, in handen gesteld van de H.H. Wolbers en Verhoeff, in plaats van eene inbreng op 25 Mei, per kwitantie van Barneveld, zooals later bleek dat had moeten zijn. Het was geene vermeerdering, en of ik den inbreng dier som in contanten of per kwitantie van Barneveld aanwees, was voor mijne bedoeling, zooals ik reeds zeide, volkomen gelijk en onverschillig, zoodat, ware de ongelukkige verandering niet geschiedt, ik stellig en zeker per kwitantie van Barneveld mijne inbreng zou hebben aangetoond. Mijne nota veranderde daardoor niet maar bleef gelijk, en de kwestie der f 400, waarnaar alle onderzoek onmogelijk was gemaakt, zoo als hierboven gezegd is, weid niet door deze beschuldiging uitgemaakt..

Ik heb het van den beginne af gezegd. Het zoude eveneens

-ocr page 81-

20

zijn geweest, immers het was mij enkel te doen om den inbreng van f 400 op 25 Mei aan te toonen en dit niet, hier dient wel degelijk op te worden gelet, op een comptabel stuk, ook niet voor eene afrekening, maar enkel en alleen bij eene ö/zgeteekende nota toegezonden tot toelichting aan de H.H. Jhr. Jan van Asch van Wijck, Geelkerken en Van Meerlant, leden der Commissie tot onderzoek, met het doel en anders niet om die H. H., zegge die H. H., te overtuigen, van de juistheid mijner cijfers.

Ik herzeg niet voor eene afrekening maar tot toelichting.

Er is nog iets waarop dient te worden gelet en waarop met nadruk dient te worden gewezen.

Op 6 October, dus 4 dagen vóór de inhechtenisneming, vervoegde ik mij bij de H.H. Verhoeff en Wolbers om hen te vragen of ik werkelijk op 25 Mei hun geen ƒ 400 in contanten had afgedragen (Ds. Verhoefk heeft ter terechtzitting breedvoerig het toen gehouden gesprek medegedeeld). Op hunne verzekering van neen, maar wel f 400 per kwitantie van Barneveld, heb ik terstond betuigd: „dan moet ik mij erg hebben vergist, ik „meende zoo stellig en zeker die som in contanten te hebben „afgedragen. Is dit niet zoo, gelijk gij zegt, dan heb ik, „evenwel ter goeder trouw, gedwaald en trek ik mijne verklaring, zooals ik die op mijne nota gedaan heb, in, om daarvoor „in plaats te stellen, „per kwitantie van Barneveldquot;, de H.H. „verzoekende dit abuis als niet gedaan te beschouwen.quot;

Zeker een bewijs dat ik niets verkeerds bedoelde. De H.H. Verhoeff en Wolbers, mijne intrekking aanhoorende en mijn leedwezen over de begane vergissing vernemende, hadden het toen in handen om mij voor eene vervolging voor dit feit te bewaren. — Met een enkel woord hadden zij dit kunnen doen. Zij hadden het toen in hunne macht. Deden zij er iets aan? — Neen niets, hoegenaamd niets. —Zelfs Ds. Verhoeff niet, van wien men dit waarlijk zou hebben verwacht. — Vervolgd moest ik worden, vervolgd met de meeste gestrengheid. ~ Dat was be-

-ocr page 82-

27

sloten. Dat stond vast. — Stilzwijgend en met verzaking van ieder christelijk beginsel ging men door.

Mijne taak spoedt ten einde. Den loop van het gebeurde hebbende medegedeeld, hoop ik dat het mij gelukt moge zijn u eene duidelijke voorstelling te hebben gegeven van hetgeen er ten aanzien dezer zaak is voorgevallen, alsmede een helder inzicht omtrent haar.

Gewis komt dan ook al ras de vraag bij u op waarom, — wijl een waarborgsom was gestort en de inrichting was gedekt^ — waarom dan eene crimineele vervolging ingesteld, terwijl het conflict bij civiele actie was uit te maken ? — Ook bij de rechtbank is die vraag gere/en en ter terechtzitting op 13 December 1888 is door den Voorzitter der rechtbank aan de tegenpartij die vraag gedaan en gevraagd: „Waarom toch hebt gij deze vervolging ingesteld'7?

Zonder blikken of bloozen, zonder eenige schaamte, gaf daarop Jonkheer Jan van Asch van Wijck woordelijk dit antwoord, dit ontzettend antwoord: „Om bang te maken anders niet. Gecnc vervolging was bedoeld, zoodat men zeer verwonderd was op den morgen van 11 October de inhechtenisneming te vernemenr —Welke verklaring, — in alle nieuwsbladen hebt gij die kunnen lezen, — openlijk is afgelegd, in bijzijn en ten aanhoore van al de leden van het Bestuur, die deze verklaring hebben aangehoord en er niet tegen op zijn gekomen, — zoodat zij hebben getoond er zich mede te vereenigen en er zich mede homogeen te verklaren. Immers niemand laat zich eene zoodanige vreeselijke daad aanrekenen zoo hij er geen deel aan heeft gehad.

Alzoo, — volgens eigen verklaring van het gansche Bestuur, crimineel, — zegge crimineel aangeklaagd, niet uithoofde van geschonden recht, — niet om eenig misdrijf waardoor de belangen der inrichting zouden kunnen benadeeld worden, neen, zonder vervolging te bedoelen, alleen om bang te maken, bang te maken daarom mij, mijne vrouw en kinderen die toch waarlijk niets misdreven hadden, ja een gansch huisgezin , meêdoogenloos blootgesteld aan schande en ellende, aan een vreeselijk lijden

-ocr page 83-

28

enkel om bang te maken, en dit zonder voorafgaande waarschuwing, juister zij gezegd met opzettelijke geheimhouding. — Kan het erger? — Bestaat er een tweede voorbeeld van zoodanige handeling in onze 19c eeuw?

Verschuldigdheid bewijzen, — kon men niet, beschuldiging verduistering van gelden, om aan het geëischt bedrag ie komen, dat ging niet, daar slaagde men niet mede, — daarom thans een ander middel beproejd en door hang maken getracht het beoogde doel te bereiken.

Geen ontkennen is hier mogelijk. De bekentenis is er.

En wie zijn die mannen tot zoodanige daad in staat? Wie waren het die deze daad durfden bedrijven en de aanklacht deden ?

Dat zijn mannen, leden van het Bestuur eener christelijk-philantropische Vereeniging, mannen die hunne samenkomsten steeds en altoos beginnen en eindigen onder aanroeping van den naam des Heeren biddende om wijsheid en licht, om zijne bijstand en zijnen zegen, bij hunne beraadslagen, op hunne besluiten en op hunne handelingen.

Dat zijn, .... hunne namen dienen voor vergetelheid bewaard. De toenmalige Voorzitter der Vereeniging, de heer Julien Wolbers 1).

J. C. Verhoeff , Vice-Voorzitter der Vereeniging, bedienaar des goddelijken Woords, geroepen om een bode des Vredes te zijn, om te prediken het Evangelie van liefde en genade, een man van hoogen leeftijd met wien ik 16 jaren lang in het Bestuur heb gezeten.

Jhr. Jan J. van Asch van Wijck , Secretaris der Vereeniging, lid der Brovinciale Staten, in het vertrouwen op zijn Christenzin nog pas onlangs gekozen van antirevolutionaire zijde.

N. G. Geelkerken, Notaris en Ouderling bij de Nederduitsche

1) De heer Wolbers overleed tijdens deze geschreven werd. Daarom aangaande hem niet anders dan waartoe ik onvermijdelijk verplicht ben als eerlijk en getrouw verslaggever van het voorgevallene.

-ocr page 84-

29

Gereformeerde Kerk, mede antirevolutionair lid der Provinciale Staten.

H. van Meerlant, eveneens Notaris.

Jhr. Mr. W. van Teylingen van Kamerik.

W. A. van Rijn.

Allen mannen, steeds vooraan op christelijk gebied.

Ik oordeel, ik kwalificeer hier niet. Wat zij deden, het is een afscheidsgroet aan hun voormaligen mede-bestuurder wien zij zoo jaren lang, enkelen 16 jaren lang, en nog zoo kort te voren, den broederhand toereikten en met wie zij in al die jaren zoo dikwerf zich in den gebede vereenigden om zich te stellen voor Gods aangezicht en zijnen zegen af te smeeken èn op de inrichting èn op hare bestuurderen; het is, — doch laat ik niet gekscheren, de zaak is te droevig, is te ernstig en ook . . . . van te veel beteekenis, ja, van beteekenis in zoo verre zij kenschetst èn de personen die de daad bedreven èn de bedoelingen waarom zij bedreven werden.

En zal ik het hierbij laten en hiermede eindigen? Neen, — dit is mij niet geoorloofd. Mij voorgenomen hebbende, zooals ik hierboven reeds gezegd heb, om in alle deele de waarheid en de volle waarheid te zeggen, zoo rust op mij de verplichting om alles mede te deelen wat op deze zaak betrekking heeft en niets te verzwijgen wat licht zou kunnen geven.

Er zijn nog mededeelingen te doen die niet zonder beteekenis zijn.

Laat mij daartoe overgaan.

In de eerste plaats en om een begin te maken, wijs ik u op de zeer vreemde getuigenis van Ds. Verhoeff ter terechtzitting, waar hij openlijk en onder eede verklaarde, zooals ik bewijzen kan: „dat hij de aan den voet van bedoelde kladstaat gegevene „kwitantie niet als een voorloopig ontvangbewijs heeft beschouwd „en dat er geen sprake van was dat die door eene latere „kwitantie zou worden vervangenquot;, terwijl hij op 25 Mei zelf had verklaard, toen ik hem er om vroeg, onder aanbieding eener inventaris aan den voet waarvan eene décharge was gesteld,

-ocr page 85-

geene definitieve kwitantie of décharge te kunnen geven omdat hij daartoe niet bevoegd was, 't geen hij ook ter terechtzitting heeft herhaald. Alzoo volgens Ds. Verhoeff, zou ik het moeten doen zonder finale décharge mijner gestie en moeten te vreden zijn met eene kwitantie voor eenige overgedragen bescheiden en waarden, op ongezegeld fiapier en op eene kladstaat geschreven, zonder meer en zonder vermelding mijner aftreding en afrekening.

Nog wijs ik u op zijne eveneens niet minder vreemde (om bet zachtste woord te bezigen) verklaring ter terechtzitting, t. w. dat hij altoos aan mijne onschuld geloofd had, maar sinds hij de krasse décharge door mij geschreven op de aangeboden inventaris gelezen had, hij aan het wankelen was geraakt en ongunstige vermoedens had gekregen. In waarheid zeer merkwaardig. En wat was die krasse décharge ? Eene formule, ietwat vrij gevolgd, bij de administratie der belastingen bij overdrachten in gebruik, die ik mij als oud-ambtenaar bij die administratie nog herinnerde en neergeschreven had. •— Omdat ik die gebruikte daarom was ik verdacht. — Eene nieuwe leer.

Voorts nog op zijne ter terechtzitting onder eede afgelegde verklaring, waarvan bewijs in mijne handen is, dat ik gedurende io a 12 jaren en tot in het laatst van Mei jl., penningmeester was geweest, terwijl hij zelf bij de nota ingediend door het Bestuur, waarvan hij Vice-Voorzitter was, (zie afschrift dezer nota op blz. 10) verklaart dat ik met de maand Mei niets te maken heb, maar dat er moet gerekend worden met het nadeelig saldo tot uitquot;. April, dus, — alsof ik maar tot dien datum had gefungeerd.

Tot dusverre Ds. Verhoeff.

In de tweede plaats heb ik te wijzen op de zoo onwaardige, neen, ergerlijke houding van het Bestuurslid N. G. Geelkerken , nog wel notaris, die, blijkbaar om mij in een ongunstig daglicht te stellen, zich ter terechtzitting niet ontzien heeft, en dat onder eede, om zonder eenige noodzakelijkheid daartoe en zonder er iets van te weten noch te kunnen weten, openlijk en ten aan-

-ocr page 86-

3i

hoore van een groot publiek mijne finantieele positie te bespreken op de ongunstigste wijze en met de donkerste voorstellingen, onzinnige betoogen daarvoor aanvoerende en wel in die mate dat ik mij ter terechtzitting niet weerhouden kon den Heer Voorzitter te verzoeken den Heer Geelkerken ter verantwoording te willen roepen omtrent zijne onware voorstellingen en beweringen.

Alsmede ook heb ik te wijzen op de onware verklaring van diezelfde Notaris Geelkerken , toen hij in een der Bestuursvergaderingen , gehouden in de maanden October of November des vorigen jaars heeft verklaard, volgens mededeeling van een Bestuurslid aan mijne familie, dat mijne finantiën zoo ongunstig stonden dat ik nog weinige dagen vóór mijne inhechtenisneming een zwaar hypotheek op mijn huis te Utrecht genomen had en dit pand daardoor tot het uiterste toe bezwaard was, welke mededeeling mijne familie natuurlijk zeer verontrustende, geleid heeft tot een onderzoek van harentwege, door één mijner zwagers ten kantore van den bewaarder der Hypotheken alhier, waaruit is gebleken, dat de verklaring van den Heer Geelkerken, in die vergadering afgelegd, eene leugen was en er toen geen hypotheek was genomen.

Voorts nog op de houding in den aanvang van het conflict van dien zelfden heer Geelkerken, lid der Commissie van onderzoek mijner rekening over 1887 met de HH. Jhr. J. van Asch van Wijck en van Rijn. — Op de samenkomst tot dat einde gehouden in het begin van April geeft hij, benevens de heer van Rijn, aan mij te kennen aan het Bestuur te zullen adviseeren de rekening goed te keuren, evenwel in de eerstvolgende Bestuursvergadering op 27 April brengt hij een uitgebreid rapport uit in afkeurende zin. Na afloop der vergadering die met hem verlatende zeg ik tot hem op straat gekomen, ik herinner mij dit uitnemend goed, het was op de Viebrug dat het gesprek gehouden werd: Wat hoorde ik vreemd op je rapport in afkeurenden zin te vernemen, gij toch, en ook de heer van Rijn, hadden mij op de samenkomst op 27 April ten uwen

-ocr page 87-

32

huize gezegd aan het Bestuur te zullen adviseeren de rekening goed te keuren. „Ja, antwoordde hij mij, met dezelfde woorden, dat is ook zoo, ik had ook goedkeuring willen voorstellen maar van Asch van Wijck wilde niet.quot;

Commentaar hierover onnoodig.

Het is eene kleinigheid, maar eene kleinigheid van beteekenis, eene omstandigheid die licht verspreidt, i)

Dan nog zij gewezen op de houding van Jhr. Jan van Asch van Wijck, toen deze winter een hem bekend persoon, hem verweet de behandeling mij aangedaan. — Wat was toen zijn antwoord? — Men zou verwacht hebben, al was het maar tot zelfverontschuldiging, eene verwijzing naar een gepleegd bedrog, naar het niet verantwoorden van eenige aan de inrichting toe-behoorende gelden, naar begane valschheden in de schrifturen, of zoo iets. — Niets er van, hij wist zeer goed dat dit hier niet opging. — Neen , blijkbaar onthutst, gaf hij dit antwoord: „Ja , ik heb hem hard behandeld!'' Ja ik, zoo zegt hij, en legt daarmede de bekentenis af, — dat hij de man was die de vervolging heeft op touw gezet, — dat hij de man was die de zoo vreeselijke handelingen doordreef, — hij de tnan die zijne medebestuurders er toe aanzette om mij op zoo ongehoorde wijze te vervolgen en dat niet ter wille van geschonden recht, zooals hij zelf openlijk verklaarde, zie blz. 27, ook niet in het belang der inrichting, want hij wist dat door de storting der waarborgsom ad f 2700 in ieder opzicht hare belangen volkomen waren

verzekerd, — maar om......doch laat ik niet uitspreken wat

er bij mij omgaat, en liever zwijgen.

Dat ik is uitgesproken en dat ik zegt veel — Het is eene bekentenis die niet kan weersproken worden.

I) Ten overvloede zij hier nog bijgevoegd dal na het afkeurend rapport van genoemde Commissie eene andere Commissie is benoemd geworden, die na zorgvuldig onderzoek der rekening en redres van begane vergissing hare goedkeuring heeft voorgesteld, waarmede het Bestuur zich heeft ver-eenigd en de rekening heeft goedgekeurd.

-ocr page 88-

33

Ook nog op de volgende verklaring door Jhr. Jan J. van Asch van WijcKj openlijk en onder eede ter terechtzitting op 13 December 1888, afgelegd, t. w.:

„dat het hem bij onderzoek der rekening is gebleken dat van „de /'3000 aan effecten, die bij de firma Oortman amp; Zn. beleend „waren, reeds een bedrag van f 2000 in den zomer van 1887 „was beleend, hetgeen aan het Bestuur niet bekend was, terwijl „de beklaagde zonder voorkennis en goedkeuring van het Be-,,stuur geen effecten in beleening mocht geven.quot;

Welke verklaring, waarvan ik het afleggen kan bewijzen, is in strijd met de waarheid, zijnde de waarheid aldus:

In de maand Juli 1887 begaf ik mij voor 3 weken naar het buitenland en deelde dit vooraf mede aan Barnevei.d. Deze vroeg mij toen; Mijnheer, hoe moet het wanneer er in dien tusschentijd wissels komen en ik geen geld heb om die te betalen? — Na overleg en bespreking met hem was mijn antwoord; begeef u in dat geval ten kantore van de firma Oortman amp; Zn. en vraag daar om geld, dan zal ik bij die firma effecten depo-neeren en afspreken het benoodigde bedrag te verstrekken. Dit geschiedde. De firma Oortman amp; Zn. verstrekte geld tegen onderpand van aan de Vereeniging toebehoorende effecten. Zij betaalde in mijne afwezigheid, zooals ik meen mij nog te herinneren, o. a. aan de Lange amp; Hoek pl. m. f 1400, aan D. Bijleveld pl. m. f 100.

Van mijne handelingen in deze gaf ik kennis in de eerstvolgende Bestuursvergadering, ik meen in die in de maand September gehouden, met mededeeling tevens dat, hoewel er niet toe gemachtigd en geene machtiging tijdig hebbende kunnen aanvragen , ik gemeend had zoo te moeten handelen als ik gehandeld had, in het welbegrepen belang der inrichting, omdat alle stagnatie moest vermeden worden en ook het crediet bewaard gt; en ik hoopte dat mijne handelingen de goedkeuring van het Bestuur mochten wegdragen. — Unaniem en zonder dat er een woord over gesproken werd, werden mijne handelingen in deze

-ocr page 89-

34

toegejuicht en goedgekeurd en tevens onmiddelijk daarop mij machtiging verleend, bij eventueele geldbehoefte, tot opneming van gelden tot een onbeperkt bedrag.

Tot staving van dit aangevoerde zij dood eenvoudig verwezen, en dit zal wel afdoende zijn, naar den inhoud der notulen van de gehoudene vergadering in de maanden September of October 1887 , door Jhr. Jan van Asch van Wijck zelf gesteld en geschreven, waarin, zoo al niet zijn opgenomen al de bijzonderheden alhier door mij vermeld, wat ik mij niet met genoegzame zekerheid kan herinneren, dan toch stellig en zeker de machtiging tot opneming van gelden tot een onbeperkt bedrag.

Die notulen logenstraffen de afgelegde verklaring van Jhr. van Asch van Wijck op de meest stellige wijze en zoo duidelijk mogelijk. Wat blijft er nu van zijne verklaring onder eede?

Een ander bewijs voor de waarheid van het door mij aangevoerde en dus voor de onwaarheid van de verklaring van Jhr. Van Asch Van Wijck, zijn de betalingen door de firma Oortman amp; Zn. gedurende mijne afwezenheid gedaan en bij mijne terugkomst verrekend, immers wanneer ik geene machtiging tot opneming had bekomen, zoude ik het bestuur wel hebben moeten vragen om middelen ten einde in de bedoelde betalingen te kunnen voorzien, want beleeningen zonder machtiging behoefde het niet te erkennen.

Ik deed dit niet omdat het Bestuur mijne handeling bovengenoemd goedkeurde en mij machtiging tot opneming van gelden verleende, zooals de notulen aanwijzen.

Doch er zijn meerdere verklaringen, ter terechtzitting op den 13 September 1888 afgelegd, die ik niet onopgemerkt mag laten, b.v,, om enkele te noemen, die betreffende de ingediende maandstaten. Die maandstaten, waardoor met zooveel ijver en aandrang, met zooveel heftigheid werd gestreden, waaromtrent zooveel moeite werd gedaan om te betoogen dat ik die had ingediend, met wel overlegde bedoelingen die evenwel duidelijk zijn te doorzien en blijkbaar om, bij gemis aan bewijzen,

-ocr page 90-

35

daarmede eigen sustenuen te zien te staven, zijn nimmer door mij ingediend, maar door Barneveld, die ze ook altijd ondertee-kende. Op blz. 15 heb ik dit reeds betoogd. Evenwel ter terechtzitting verklaart Jhr. Jan van Asch van Wijck onder eede, en ik bezit daarvan bewijs, het navolgende:

„dat ik elke maand eene maandstaat over de afgeloopen „maand in duplo in de Bestuursvergaderingen indiende, welke „staten waren opgemaakt en geschreven door den Directeur „Barneveld uit de door hem gehoudene klad-aanteekeningen en „die, na goedkeuring door het Bestuur, door genoemden Direc-„teur in het kasboek werden ingeschreven, terwijl ieder jaar „door mij eene rekening werd afgelegd, zijnde eene sarnentrek-„king van de maandstaten.quot;

De H. H. Geelkerken en Van Meerlant verklaarden eveneens , dat ik in het begin van elke maand eene staat van ontvangsten en uitgaven over de afgeloopen maand indiende, de eerste zeide in duplo.

Barneveld legde de navolgende verklaring af, waarvan ook bewijs in mijn handen is:

„dat de maandstaten uit de aanteekeningen in zijn kladboek „getrokken door hem in duplo werden opgemaakt, dat één „exemplaar door hem aan den president van het Bestuur werd „gezonden, terwijl ik het andere exemplaar kreeg om het in de „Bestuursvergadering in te dienen, waarna hij die staten goed-„gekeurd terug ontving, om ze in het netboek in te schrijven.quot;

Welnu, behalve het reeds aangevoerde op blz. 15, zij gezegd, dat reeds de uitdrukking van indiening in duplo door de H. H. Van Asch van Wijck en Geelkerken gebezigd, een tastbaar bewijs is voor de onwaarheid der bewering dat ik de staten indiende. Want zoo Barneveld al één exemplaar van zijn staat aan den Voorzitter toezond, waar was dan het tweede? Mijn van Barneveld ontvangen exemplaar heb ik nooit ingediend, gaf ik nooit af en hield ik steeds onder mij. Ik heb die nog in mijn bezit voor zooverre ik ze niet verscheurd heb.

-ocr page 91-

36

De bewering van Barneveld dat ik de staten van hem kreeg om die in te dienen is onzin. Ik heb hem nimmer opgedragen die op te maken en ik had toch geen order van Barneveld te ontvangen om ze in te dienen. Gelaste hij mij die indiening dan ben ik al zeer ongehoorzaam geweest want ik heb de van hem ontvangen staten altoos onder mij gehouden. Het feit alleen dat ik, even vóór de vergadering eene staat, huilen mij om opgemaakt, aan mij zou doen toezenden om die, niet door mij onderteekend, eenige oogenblikken later, als een officieel en comptabel stuk in te dienen, teekent genoeg dan dat het noodig zou zijn met veel woorden die bewering verder te wederleggen.

De bewering van Jhr. Jan van Asch van Wijck , dat bedoelde maandstaten door mij ingediend, na goedkeuring, door Barneveld in het kasbank werden ingeschreven , klinkt allerzonderlingst.

Staten die ik als Penningmeester heette in te dienen, werden onderzocht en goedgekeurd en vervolgens door Barneveld in het kasboek ingeschreven! — Ziedaar iets nieuws dat ik ter terechtzitting voor het eerst heb moeten hooren. Men moet aldaar maar komen om wat nieuws te vernemen. In al die 16 jaren dat ik als Penningmeester fungeerde, heb ik van eenig onderzoek of toezending van maandstaten nog nooit iets vernomen en heeft men mij er nog nooit iets Van medegedeeld. En onderzoek, èn inschrijving hadden dan wel in alle stilte plaats en met de meest mogelijke geheimhouding, dat ik er in al die jaren nooit iets van bemerkte.

En hoe kwam Barneveld £.an de staten? — Wie zond ze hem toe ? — Hij verklaart dat hij ze terug ontving, maar mijne staten lagen bij mij te huis en liggen er nog en het exemplaar van den Voorzitter werd door deze na voorlezing, en nog in de vergadering , altoos gesteld in handen van den Secretaris ter bewaring in het archief der Vereeniging, hoe kwam Barneveld er dan aan ? en dan nog wel aan goedgekeurde staten ? — En wat gebeurde er zoo die staten eens niet goedgekeurd werden?

-ocr page 92-

37

Zeer vreemd en duister, althans voor mij. — Begrijpen doe ik het niet.

Die goedgekeurde (?!) staten dan, zegt men, ontving Barneveld, onbekend van wie', en nu word hem opgedragen, ook al onbekend door wie, om die goedgekeurde staten eens heel netjes in zijn netboek, zooals hij hierboven zijn kasboek noemde, in te schrijven en daarmede is die zaak afgeloopen en in 't reine.

Ook al vreemd. — De Penningmeester weet van dat alles niets, 't Schijnt wel dat dit zaken zijn die hem niet aangaan.

Maar neen, Jhr. van Asch van Wijck zegt in zijne verklaring, dat ieder jaar door mij eene jaarrekening werd afgelegd, eene jaarrekening zijnde, zooals hij zich uitdrukt, eene samentrekking van de goedgekeurde maandstaten. — Nu nog mooier. Ik dien in, zoo vertelt men, 12 maandstaten, ik ontvang die niet terug, want Barneveld ontving ze, zegt hij, onbekend van wie, en nu moet ik die 12 maandstaten, zoogenaamd goedgekeurd, die ik niet terug ontving en zelfs nooit goedgekeurd zag of gezien heb, samentrekken om er eene jaarstaat van te formeeren.

Dat is mij te geleerd. — Dat gaat mijne bevatting te boven.

Doch ik zou wel eens willen vragen waarom, zoo de jaarstaat is eene samentrekking van de goedgekeurde maandstaten, wat Jhr. J. van Asch van Wijck met duidelijke woorden zegt in zijne verklaring voor de rechtbank, waarom, heeft hij zelf dan bij het nazien der rekening over 1887 waartoe hij gecommitteerd was, evenmin als een der andere leden der beide Commssiën van onderzoek, er in de verste verte niet aan gedacht, noch toen, noch in vroegere jaren, om die zoogenaamde goedgekeurde maandstaten op te vragen ten einde de beweerde samentrekking te kunnen verifieren, die toch onmisbaar waren om de deugdequot; lijkheid dier samentrekking en dus ook, huns inziens, der jaarstaat te constateeren ?

Hij en de andere Commissiën vroegen alleen de boeken en anders niet.

Maar nog eens teruggekomen op de verklaring van Barneveld

-ocr page 93-

38

waar hij onder eede verklaart dal hij de maandstaten goedgekeurd terug ontving ter inschrijving en dus hetzelfde zegt als bovengenoemde HH. — Hoe zonderling. — Van zijne in duplo inge-zondene staten lag het ééne exemplaar in de portefeuille van den Secretaris en het andere exemplaar bij mij aan huis, toen hij in April 1888 zijn kasboek, dat ten achteren was, bij werkte. Hoe kon hij dan die staten en die nog wel goedgekeurd inschrijven? Neen, ik tart Barneveld uit, eenige toezending aan hem te bewijzen, één goed of afgekeurd exemplaar te vertoonen wat hij zoo zijne bewering waarheid bevat natuurlijk kan doen , daar hij de goedgekeurde staten voor zijn eigen verantwoording wel diende te bewaren.

Doch genoeg over deze maandstaten. Genoeg om de waarde der ten hare aanzien afgelegde getuigenissen te kunnen beoordeelen.

Ik zeide zoo even, men moet maar ter terechtzitting op 13 December 1888 komen om wat nieuws te vernemen.

Zoo steeg mijne verbazing ten top toen ik aldaar voor het eerst van mijn leven het feit vernam waarvan Barneveld getuigenis aflegde, toen hij onder eede verklaarde:

„dat hij de boeken der Vereeniging hield volgens de gegevens „die ik, in hoedanigheid van Penningmeester, hem verschafte.'' Hoe is het mogelijk dat men zoo iets kan betuigen!

Want hoe zou ik gegevens kunnen verschaffen , ik die geenerlei geldelijk beheer voerde en niet anders deed dan enkele legaten ontvangen ? En dat zegt nog wel hij, die uitsluitend in het bezit was der vereischte gegevens en het beheer voerde over al de ontvangsten en uitgaven.

En dan nog legde Barneveld deze verklaring af, ook onder eede, „dat hij gewoon was aan het einde van elke maand mij „eene kwitantie te geven voor het gezamenlijk bedrag van de „over die maand van mij ontvangen gelden.quot;

Ja, ik wenschte wel dat hij dat gedaan had. Maar kan Barneveld zich er dan niets meer van herinneren dat, in al die 16 jaren mijner gestie, hij nooit, zegge nooit, mij eenige

-ocr page 94-

39

kwitantie voor ontvangen gelden gaf of heeft gegeven, uitgenomen alleen over de vijf eerste maanden van 18S8, als wanneer ik mij die heb doen geven r — Deze verklaring is mij even raadselachtig als de voorgaande. — Kwalificeeren doe ik die niet en evenmin doe ik de vraag waarom en met welke bedoeling die werden afgelegd. — Ik deel ze slechts meê en Iaat de beide verklaringen^ waarvan ik de bewijzen bezit, voor wat ze zijn, het beneden mij achtende die verder te bespreken.

Ik eindig en acht mijn taak volbracht.

Ik heb mij voorgesteld een op waarheid gegrond verslag te doen van het gebeurde, betreffende het plaats gehad hebbend conflict en een overzicht te geven van het voorgevallene, ter verspreiding van licht voor zoo menigeen die, zooals ik in den aanvang dezes zeide, de zaak niet begreep of, verkeerd ingelicht, zich een onjuist oordeel er over had gevormd.

Mocht ik daarir geslaagd zijn, mijn doel ware bereikt en van harte zou ik mij er in verheugen.

De waarheid heb ik willen mededeelen, —■ de volle waarheid en anders niet, — en den aandrang om daarvan getuigenis te geven heeft het mij eene plicht doen achten deze tot U te richten en alzoo tevens op te komen tegen zoo menige scheeve voorstelling en onwaarheid, met of zonder bedoeling verspreid. —• Ik had geen ander doel. — Ik mocht alhier niet zwijgen.

Ik deelde mede, anders niet.

Niet aan mij om meer te doen. Ik wensch in stilheid mijnen weg te gaan in het vertrouwen op een almachtig en rechtvaardig God die regeert en voor wien niets verborgen is, en ik kan dit in deze te gemakkelijker doen omdat ik mij bewust ben dat, wat de blinden-inrichting betreft, ik rein en zuiver sta voor Hem, den alwetende, die de harten der menschen kent en doorgrondt, die weet wat er in hen omgaat, ook welke de meest geheime beweegredenen hunner handelingen zijn en die ook weet wat ik , zoo vele jaren lang, voor de inrichting geweest ben.

Eenmaal zal alles openbaar worden. Dat staat vast en ook

-ocr page 95-

40

hier geldt een woord der Schrift: „Want er is niets verborgen dat niet geopenbaard zal wordenquot; (Marc. IV : 2 2a).

Waren er wellicht onder de medegedeelde feiten die eene aanklacht bij de Justitie mijnerzijds zouden wettigen, ik denk er niet aan dit te doen.

Een Christen klaagt zijn medemensch, eenmaal zijn medebestuurder eener Christelijk philantropische inrichting, bij den wereldlijken rechter niet aan. — Die dat doet, toont geen Christen te zijn. — Die dat doet geeft zichzelf een getuigschrift dat hij al zeer weinig doordrongen is van werkelijk Christelijke beginselen , ja, niet het geringste besef heeft van die beginselen.

Niemand zal dit tegenspreken.

Ik eindig, geachte lezer of lezeres, U mijnen dank betuigende voor uwe welwillende aandacht aan dit mijn geschrift gewijd. Mocht ik U voldoend hebben ingelicht, mijne moeite zou niet te vergeefsch zijn geweest.

UTRECHT,

September 18S9.

Uw Dw.

U. THOE SCHWARTZENBERG

en HOHENLANSBERG.

-ocr page 96-
-ocr page 97-