ocr page 1

/ó W_zr ir

j

KANTTEEKENINGEN

OP DE BROCHURE:

„DE OPLEIDING DER COMPAGN

VAN'

a. jr. iPKirvH.

Kapitein bij het 4'ilquot; Regiment Infanterie,

DOOK

J. J. G. Baron V.4i\ VOORST TOT VOORST,

Bataljmis-Adjudanfc I»ij litt lieg'imeïit Oroiiftdiers ph ■)iiquot;'^rr

'S-GK A V E X n A a K ,

DE GEBROEDERS VAN CLEEF. 1 8 8 8.

ocr page 2
ocr page 3

yó^ /c9samp;7f /37

KANTTEEKENINGEN

OP DE BROCHURE:

.DE OPLEIDING DER COMPAGNIE

TAN

a.. j. r iixiv.s,

Kapitein bij liet 4Jc Regiment Infanterie,

DOOI;

J. J. G. Baron VAIV VOORST TOT VOORST,

Bataljons-Adjudant lnj het Regiment Grenadiers en Jagers.

'S-GRAVEXHAGE,

DE GEBROEDERS VANquot; CLERP, 1 88 8.

ocr page 4
ocr page 5

Na liet lezen der brochure over de opleiding der compagnie door den Kapitein A. J. Prins werd door ons de vraag gedaan : Was het onderwijs dat de laatste jaren bij de Regimenten Infanterie gegeven werd dan werkelijk zoo onvoldoende, dat • door de gevolgde methode niet meer voldaan kan worden aan de eerste alinea's der recrutenschool? Of waren er belemmerende bepalingen welke in dezen de handen bonden van hen bij wie de verantwoordelijkheid berustte? Wij gelooven dit niet, want ware dit zoo, dan zou in den herdruk der hier genoemde school van dit jaar met de daarin opgenomen wijzigingen ook zeker het volgende zijn weggelaten :

„De Regimentscommandant is verantwoordelijk voor het „onderricht der onder zijne bevelen staande Officieren, onder-„officieren en manschappen, alsmede voor den behoorlijken „staat van slagvaardigheid, waarin het Regiment te allen tijde „moet worden onderhouden. Hij regelt de instructie en zorgt „daarbij, dat aan allen, op wie ten deze verantwoordelijkheid „rust, de noodige tijd en gelegenheid tot zelfstandig handelen „worden gegeven, om zich van die verantwoordelijkheid te „kunnen kwijten, en hij vordert van hen die uitkomsten, welke „door oordeelkundig onderricht en ijver kunnen worden verkregen.quot; Alzoo geeft dit reglement den Regiments-Commandant de vrijheid om voor zijn Regiment die methode van opleiding

ocr page 6

4

te volgen , welke daarvan de slagvaardigheid bevordert en kan van ieder zijner ondergeschikten die met eenige opleiding, van welken aard ook, belast is, of door hem daarmede belast wordt, die uitkomsten vorderen, welke een oordeelkundig onderricht, gepaard aan ijver,'kunnen geven. De Bataljons-Adju-danten geven volgens de recrutensehool het onderricht aan de recruten quot;Waren nu do resultaten dier opleiding niet goed, voldeden zij niet aan de eischen welke van een oordeelkundig onderricht gevorderd konden worden, dan waren óf do betrokkenen onberekend voor hun taak óf wel de opleidingswijze deugde niet. Yolgens onze meening zouden, zoo dit laatste hot geval was, de Regiments-Commandanten, om de slagvaardigheid van hun Regiment te bevorderen, al sinds jaren hierin verandering hebben uitgelokt, en zoo het eerste voorkwam, ook wel handelend hebben weten op te treden.

Maar is het onderricht dan niet slecht of minder doelmatig, waartoe dan de brochure van den Kapitein Prins? Wij gelooven werkelijk dat er in die brochure veel is wat aanbeveling, navolging, althans stellig overweging verdient, doch wij gelooven ook dat wel wat te veel rekening wordt gehouden met hetgeen in den vreemde gezien is en daardoor het goede, dat in eigen omgeving aanwezig is, miskend wordt. Dat men het goede neemt waar men het krijgen kan ; dat men bijvoorbeeld, nu de Compagnie het Bataljon als gevechtseenheid verdrongen heeft, streeft naar meerdere samenhang in de Compagnie en die reeds bij de eerste opleiding zoekt aan te kweeken, dat alles is even natuurlijk als plichtmatig. Maar dat men daarbij redenen opgeeft welke minder waardeerend zijn voor hen, die tot nu toe een bepaald stelsel van opleiding volgden; dat men daarbij te hooge verwachtingen opwekt, waarvan de teleurstellingen niet zullen uitblijven, dat alles is noch billijk, noch gewenscht. Overdrijving schaadt altijd en door dit te veel te doen streeft men het doel voorbij. Naar onze bescheiden meening zoo ook hier. Alvorens de brochure in hoofdzaak, voor zooverre zij den werkkring van den Bataljons-Adjudant behandelt, te

ocr page 7

.)

besproken, relevceren wij hetgeen door ons in don Militairen Spectator den 25 April 1885 geschreven werd, om te doen uitkomen dat ook wij voorstanders der zoogenaamde Compagnies-Instructie zijn. quot;Wij schreven o. a. toch: „De manschappen „eener zelfde Compagnie moeten o. i. weten, dat zij hunne „militaire vorming danken aan de Officieren en het verdere „kader hunner Compagnie; zij moeten gevoelen, dat hun kapitein „en hunne luitenants door hunne persoonlijke eigenschappen „de geschiktheid hebben om hen aan te voeren; zij moeten „het denkbeeld met zich dragen , dat zij , als zij aanvoerders „moesten kiezen, de keuze op hunne officieren zouden laten „vallen enz. En al die moreele invloeden, die noodzakelijke samenhang wordt niet verkregen, als de troep van daag exerceert onder „commando van Kapitein A, morgen onderwezen wordt in de „dienstvoorschriften door Kapitein B enz. Maar wel ontwikkelt zij „zich gaandeweg, wanneer de miliciens van af het oogenblik hunner „indiensttreding steeds bij alle diensten in aanraking komen met „het kader hunner compagnie. Juist omdat voor vele compa.gniën „zulk een zelfstandige werkkring is weggelegd, moetin vredestijd „alles gedaan worden om haar moreele kracht tot een maximum „op te voeren. De onderlinge band, die uitsluitend zijn ontstaan „dankt aan het Reglement van Krijgstucht, wordt te velde „spoedig, bij rampspoeden zeer zeker verbroken, enz.quot;

Hieruit blijkt duidelijk, dat ook wij de miliciens van af den dag hunner inlijving geheel aan hunne natuurlijke leiders wen-schen te zien toevertrouwd. Wij wenschen dit echter niet omdat, zooals de Kapitein Prixs zegt, door eene tweehoofdige leiding — Compagnies-Commandant en Bataljons-Adjudant — eene zorgvuldig opvoeding van den man zooal niet belet, dan toch geenszins in de hand wordt gewerkt; wij wenschen dit evenmin omdat de uitkomsten, zelfs die van de recrutenschool, daardoor worden geschaad en wij wenschen dit allerminst omdat die uitkomsten in denzelfden tijd minder moeten zijn dan bij éénhoofdige leiding mogelijk is (blz. 41), — maar wij wenschen dit ter verhooging van de moreele kracht, van den innigen

ocr page 8

O

samenhang van de compagnie, van de meerdere kennis welke Officieren en kader van hunne ondergeschikten opdoen.

quot;Wij wenschen dit omdat het ons voorkomt een natuurlijk recht te zijn, dat aan den Compagnies-Commandant onthouden wordt. Niet do kwestie van betere resultaten , niet het breed uitmeten der veelhoofdige leiding, maar alleen omdat de compagnie als gevechtseenheid kunnende optrede n, er niemand meer belang bij heeft dan de Compagnies-Commandant om in alle opzichten zijne ondergeschikten te kennen, — hun aanleg, ijver en karakter te leeren beoordeelen. Hij moet weten op wie hij in alles en onder alle omstandigheden kan rekenen. Alleen herhaald persoonlijke aanraking met zijne compagnie leert hem dit. Geldt dit den Kapitein, niet minder is zulks van toepassing op het overige kader der compagnie. Eu wanneer leert men don man beter kennen dan in zijn reerutentijd ?

Gaan wij nu na wat de geachte schrijver zegt over de opleiding. Op bladz. 37 wordt onder A gezegd:

Waarin de opleiding volgens de bestaande voorschriften bestaat en hoe zij is geregeld?

„Van oudsher wordt hot zoogenaamde „afexerceer enquot; als het „einde van den reerutentijd beschouwd.

„Volgens de Inleiding der Recrutenschool houdt de man dan „ook feitelijk op recruut te zijn, zoodra de Regiments-Com-„mandant op voordracht van den Bataljons-Adjudant beslist, „dat hij in die school genoegzaam is onderwezen om in de „compagnieschool over te gaan. Of hier do lste Afdceling „alleen, dan wol ook de 2de Afdeeling dier school wordt „bedoeld, is niet recht duidelijk.quot;

Hierop teekenon wij aan, dat die duidelijkheid, nl. het onderwijs in de gehoele compagnieschool, o. i. blijkt uit een aantal bladz-jien der hier genoemde Afdeeling; steeds wordt daarin van reenden gesproken. Het zoogenaamde afexerceeren wil, volgens onze meening, dan ook niet zeggen , dat de recruut

ocr page 9

I

eon bruikbaar infanterist is geworden maar alléén dat hij de noodige ontwikkeling beeft gekregen, om met vrucht de nog niet beoefende reglementen en voorschriften te kunnen volgen. Hij hl ij ff recruut, al heeft hij bij den Bataljons-Adjudant de recruten-school doorloopen. Juist de 2(le Afdeeling compagnieschool pleit voor deze opvatting.

In punt 1 (bl. 38) wordt er een soort grief van gemaakt, dat de Bataljons-Adjudant ook veelal het onderricht in het salueeren geeft, niettegenstaande dit tot de taak van den Compagnies-Commandant behoort. Daargelaten dat juist in den beginne, wanneer de recruut zich in het openbaar vertoont, hij al dadelijk dezen eersten militairen plicht zal te vervullen hebben, kan een wederzijdsch steunen, bij de tot heden gevolgde opleiding, niet anders dan gewenscht zijn. Verder breekt het het eentonige (bl. 49) der oefening.

Punt 2 wijst op de Algemeene hepalingen der Handleiding voor de gymnastische oefeningen, waarin gezegd wordt dat de recruten daags één uur gymnastiek onder den Compagnies-Commandant moeten beoefenen, terwijl de Bataljons-Adjudant, volgens de Inleiding der Ilecrutenschool, ook bij den aanvang der exercitiën in die school eenige gymnastische oefeningen, doch zonder commando's, moet doen uitvoeren. Ook hierdoor verkrijgt men een gewenschte afwisseling en worden spieren en gewrichten geoefend. Twee-of meerhoofdige leiding zullen hierbij niet schaden. Compagniescommandant en Bataljons-Adjudant handelen toch volgens hetzelfde voorschrift en van dezen laatsten is toch niet te verwachten , dat hij bij zijn onderricht den eersten zal tegenwerken.

Het in punt 3 aangegevene, n.1. het werktuigelijk tirailleeren (signalen), wordt bij de Eegimenten Infanterie verschillend opgevat. Er zijn er die, nadat de recruten bij den Bataljons-Adjudant in de recrutenschool zijn afgeëxerceerd, voor dezen Officier eenige namiddagoefeningen bestemmen voor dit onderwijs.

Er zijn er echter ook die dit onderricht vóór het afexerceeren doen geven. O. i. doet dit echter niets ter zake.

Het zijn toch recruten, die al of niet afgeëxerceerd, dit

ocr page 10

8

onderwijs krijgen. Ter wille der afwisseling en om der volledig-heidswille worden de signalen vrij algemeen door den Bataljons-Adjudant, staande het onderricht, onderwezen.

Over de punten 4, 5 en 6 als geldende het onderwijs dat uitsluitend door den Compagnies-Commandant gegeven wordt, treden wij niet in beschouwingen, evenmin over het resumé van bl. 39, als zijnde in hoofdzaak eene nadere beschrijving van het in de voorgaande bladzijden geschrevene. Het volgende is eene opgave van hetgeen de man na afgeëxerceerd, alvorens bruikbaar te zijn, nog leeren moet. Ook dit geldt den Bataljons-Adjudant niet rechtstreeks, vandaar dan ook, dat wij komen op;

B. Wat zijn de gebreken dier regeling en waaraan zijn ze te wijten?

1°. „Dat door de tweehoofdige leiding eene zorgvuldige opvoeding van den man zooal niet belet, dan toch geenszins in „de hand gewerkt of verzekerd, in ieder geval de invloed van „den natuurlijken chef op de vorming van zijne onderhebbenden „beperkt wordt; dat die vorming niet geheel in de macht van „den Compagnies-Commandant is, hij er daarom niet voor ver-„antwoordelijk is te stellen, in zekeren zin zelfs eene onbillijkheid tegenover hem wordt begaan.

„Na al hetgeen wij dienaangaande bij onze beschouwingen „over de opvoeding van den man hebben opgemerkt, vooral „wat betreft den invloed, dien de recrutentijd — de practische „instructie — daarop oefeufc, schijnt verder betoog dezer stelling „geheel overbodig.quot;

Wat hier door tweehoofdige leiding bedoeld wordt is ons niet recht duidelijk. AVanneer erb. v. van onderwijs in de Algemeene geschiedenis sprake was dan zouden wij ons twee onderwijzers kunnen deuken, waarvan de een den leerling vele jaartallen en namen laat leeren, om hem later de feiten , zooals zij werden opgeteekend, gemakkelijker te doen onthouden, terwijl de andere uoch aan namen, noch aan jaartallen waarde hechtende, slechts het oog gevestigd

ocr page 11

O

heeft op de groote maatschappelijke ontwikkeling, op vorsten en volken alleen lettende, voor zooverre zij daarop van i nvloed waren. Overtuigde men zich dan na zekeren tijd van de resultaten van dit onderwijs, dan zou tweehoofdige leiding, als wij het zoo eens noemen mogen, zeer zeker blijken. Maar hier, waar het het onderwijs in de recrutenschool geldt, vinden wij het betoog over do tweehoofdige leiding meer gezocht dan steekhoudend.

Na een zeker tijdstip moet de recrutenschool, hetzij alléén, hetzij met meer reglementen en voorschriften, met vrucht beoefend blijken te zijn. Op dat tijdstip moet dan een bepaald reglement op zeer bepaalde wijze worden uitgevoerd. Over de wijze van uitvoering is geene opvatting denkbaar, zij is reglementair voorgeschreven.

Nu kan men, door eigen ondervinding geleerd, of zich die van anderen benuttende, do eene paragraaf of het eene artikel wat vroeger of later onderwijzen; in hetgeen onderwezen moet worden is echter geene verandering te brongen. De positie van den reernut blijft de positie, onverschillig of de Compagnies-Commandant, de Rekruten-Officier of de Bataljons-Adjudant de leider is. Wat de, in het zelfde punt bedoelde, beschouwingen over de opvoeding of vorming van het moreel betreft, hier loopen onze wegen al dadelijk samen. Met veel, wij zouden haast zeggen met onverdeeld genoegen lazen wij de misschien wat al te ideale wenken welke de schrijver hier voor de opvoeding of vorming van het moreel geeft. Toch, hoe meer do man in dien zin wordt onderwezen, hoe meer hij in eenvoudigen, be-vattelijken vorm zijne zedelijke plichten leert, hetzij men ze hem vertelt, hetzij ze hom worden voorgelezen en toegelicht, des te eer zal hij zoo al geen liefde voor, dan toch berusting in zijn stand hebben. En het is stellig waar dat de minder ontwikkelden vatbaarder voor indrukken van moreelen aard zijn, naarmate deze hun met meerder overtuiging gegeven worden.

Keeren wij nu terug naar het 2de punt, dan vinden wij daar gezegd: „dat ook de uitkomsten van alle oefeningen, zelfs van

ocr page 12

10

„die in de recrutenschool, door de tweehoofdige leiding worden „geschaad; dat die uitkomsten in denzelfden tijd minder moeten „zijn dan bij éénhoofdige leiding mogelijk is.quot;

Behalve het moreel en den ijver wordt, tot staving van het in punt 2 beweerde betoogd, dat gelijdelijke, stelselmatige ontwikkeling van het physiek, hoogst gunstig werkt op het vermogen, de geschiktheid van den man, het loeren en uitvoeren van lichaamsbewegingen als exerceeren, enz.

Wie zal hier niet gaarne met den schrijver meegaan, waar deze de geleidelijke physicke ontwikkeling verlangt als voorafgaande aan, of gelijken tred houdende met het onderricht in het. exerceeren.

In strijd echter met het geschrevene, veroorloven wij ons te constateeren, dat, althans wat het Regiment Grenadiers en Jagers aangaat, wel degelijk rekening wordt gehouden met de gymnastische oefeningen, als het middel, om het exerceeren gemakkelijk te leeren. Niet alleen vóór den aanvang der oefeningen in liet exerceeren, maar om de 10 a 15 minuten tijdens de exercitiën hebben de stelselmatige oefeningen van spieren en gewrichten plaats. In de eerste week van het onderwijs gebeurt dit in nog meerdere mate en wordt de zoogenaamde hanenpas als voorbereiding van den reglementairen pas beoefend. Zuivere gymnastiek dus. Dat de recruten hierbij in klassen van 6 a 10 man zijn ingedeeld zal toch aan de waarde der gymnastische oefeningen niets afdoen. De onderwijzer doet hetgeen door hom verlangd wordt voor, en ieder tracht het voorgedane na te doen. Is liet niet begrepen, dan wordt het weer voorgedaan enz. Gelijkheid wordt niet gevorderd, alleen liet ving vooruit brengen van het gestrekte been, liet plat neerzetten der voeten op de plaatsen waar zij, na vooruitgebracht te zijn, wijzen; geen stampen dat buiging der knieën vordert en daardoor den pas minder veerkrachtig doet schijnen, doch het onderwijs alleen gericht naar de uitvoering van den voorgeschreven pas, welke na de gymnastische voorbereiding in hot einde van de week dan ook al dadelijk in den daarvoor vastgestelden tijdmaat en

ocr page 13

11

bepaalde lengte kan onderwezen worden. Alsdan tracht men den pas te doen maken zooals de schrijver hem op blz. 63 en 64 beschrijft en zooals de velen, die met ons in 1364 en later hunne opleiding bij liet Instructie-Bataljon ontvingen zich zullen herinneren, hoe hij toen reeds onder leiding van een Rekruten-Officier door don Sergeant Smit (algemeen bekend onder den naam van „Oude Peutquot;) van de korporaals-titulair, onderwijzers der jongelingen, bij liet onderwijs gevorderd werd.

Wij stemmen volkomen toe dat, zoo men afgeëxerceerde manschappen (hoeveel tijd is er sinds dat afexerceeren verloopen) ieder afzonderlijk voor zich laat defileeren men dan ontwaren zal dat houding en gang bij velen aanmerkelijk te wenschen overlaten. Maar niemand zal toch meenen in 3 of 6 maanden een blijvend sierlijke houding te kunnen verzekeren aan menschen, die tot hun 20stc jaar geloopen hebben in allerlei maatschappelijk gareel. En aangenomen dat dit kou, dan behoort aanhoudend toezicht haar te bewaren. De instructietijd is met hot oog ook hierop als het ware een verjongingskuur voor het geheele kader. Dat defileeren dus van afgeëxerceerde manschappen, ieder op zich zelf, bewijst niets. Laat een geheel Regiment, man voor man achter elkaar voorbijtrekken en allen, zonder onderscheid, zullen, zoo zij dezen flankmarsch uitvoeren, bjj het afexerceeren, de knie gestrekt houden, de punt van den voet naar beneden en den voet plat op 75 cM. neerzetten; doch laat ieder man van datzelfde Regiment u afzonderlijk tegenkomen dan is er geen een, die den reglemen-tairen pas uitvoert. Noch gymnastiek-onderwijzers, noch wie ook, zullen in natuurlijken gang het, als 't ware kunstmatig beoefende, overnemen. Tn rij en gelid krijgt men dit gemakkelijk gedaan, bij den enkelen man echter niet langer dan de wil van den meerdere dit verlangt.

Het ligt in den lichaamsbouw van den mensch om het eerst den hiel op den grond te zetten, terwijl de punt van den voet te eerder den grond zal raken, naarmate de hakken van

ocr page 14

12

zijn schoeisel kleiner zijn. Ik heb nog nooit iemand gezien — militair of burger — die in zijn natuurlijken gang de ge-heele voet plat en vlak neerzette en wanneer men zicli de moeite wil geven hierop te letten, kan men zich van deze waarheid overtuigen.

Zij die op sloffen loopen komen den natuurlijken gang het meest nabij en toch raakt de hiel nog het eerst den grond. Juist omdat de heer Prins — en terecht — zooveel waarde hecht aan den pas, bleven ook wij daarbij zoo lang stil staan. Niet aan de wijze van onderricht, maar aan den natuurlijken gang van den mensjh (een gevolg van diens lichaamsbouw), welke opvoeding en onderwijs kunnen verbeteren doch niet veranderen, meenen wij den grief dos schrijvers te moeten wijten.

Aangezien de opmerkingen op blz. 44 ook zijdelings den Bataljons-Adjudanten raken, releveeren wij ook deze. De schrijver toch zegt: „welken indruk moet het ook op denman „maken als de twee leiders daarbij (eerste oefeningen in het „aanleggen enz.) verschillende eischen mochten stellen?quot;

Wij kennen geone andere eischen dan de voorgeschreven. De recrutenschool en het voorschrift betreffende de wapenen en schietoefeningen zijn hier zoo bepaald mogelijk. Hoe dan ook de onderwijzer, of leider, of hoe men den met het onderricht belasten noemen wil, iets anders kan onderwijzen dan hot voor-geschrevene, is ons onverklaarbaar. Wij kunnen ons derhalve van dien indruk moeielijk eene voorstelling maken. En waaraan die tweehoofdige leiding, iets verder weer de te weinige afwisseling, wordt geweten, meenen wij, voor zooverre ook weer het Regiment Grenadiers en Jagers betreft, te moeten opmerken, dat daarbij, bij alle Bataljons steeds naar afwisseling gestreefd wordt; eene afwisseling welke bij eene oordeelkundige toepassing der recrutenschool, gymnastiek, groeten en rusten wel degelijk te verkrijgen is.

Verder wordt gezegd: „Tot welke dwaze toestanden men „dan ook thans door het stelsel van twee leiders kan geraken, „blijkt uit de bepaling van het vroegere schietvoorschrift,

ocr page 15

13

„evenals in Duitschland, een deel van de morgenoefening „aan voorbereidende schietoefeningen te wijden, zoodra de „recruten de lading hadden beoefend. In vele garnizoenen „moesten nu de Compagnies-Commandanten de recruten, die „27, uur recrutenscliool hadden beoefend, aan de kazerne op-„waehten, om die vermoeide manschappen 'Z» a 1/4 uui onder-„riclit te geven in de belangrijkste van allen — de voorbereidende „schietoefeningen. Welke ijver daarbij van kader en recruten „was te wachten , ligt voor de hand.quot;

Wij vinden dit een minder gelukkig gekozen voorbeeld. Zulke toestanden kunnen, onder welk stelsel ook. uit gemakzucht, onoordeelkundige opvatting, weinig takt enz., dagelijks voorkomen. Zij die zoo handelden, als de Kapitein Pkixs dit beschrijft, zouden, wanneer zij in alles aan zich zelf werden overgelaten, zeker geen goed geoefende Compagnie comman-deeren. Het geeft mij, hoewel ongevraagd, de gelegenheid om te wijzen op het verkeerde, dat cr in gelegen is, in de reglementen en voorschriften wijzigingen op te nemen, waarover zij, die met de uitvoering belast zijn, niet van te voren zijn geraadpleegd (1). Dat de man, die 8 a 10 maanden lang tweemaal daags 2 a 22/J uur achtereen recrutenscliool exerceert, in zekeren zin afgestompt en tot machine gemaakt wordt, is (blz. 46) wol mogelijk, vooral als er niet of weinig voor afwisseling wordt gezorgd, doch tusschen 8 a 10 maanden zooals in Duitschland en 10 weken (bij de Grenadiers en Jagers 7 a 8) is nog al veel verschil. Afstomping bij ons vreezen wij dan ook volstrekt niet. Vóór dit ziekteverschijnsel zicli kan voordoen is de patient reeds lang naar zijne haardstede teruggekeerd, of maakt zich

1

veel harder dan vroeger plaats heeft. De pink evenals de vingers van de rechterhand werkten vroeger remmend, nu niet meer!

2

Wij denkon hier 1). v. aan de 3de beweging van het afzetten van het geweer uit de positie van op schouder of over.

ocr page 16

14

misschien al haast weer gereed om voor de herhalingsoefeningen terug te keeren. Neen, wij zijn overtuigd dat de minder gunstige resultaten, vooral in den beginne hij den velddienst, niet aan afstomping, evenmin aan onvoldoenden ijver of takt van de onderwjjzers, te wijten zijn. Vooreerst wijten wij dit aan de weinige zelfstandigheid van den man — een gebrek zoo velen eigen, — die bij den velddienst al dadelijk in liet oog valt; zoolang de betrokkene toch het lesje kent, gaat het, doch zoodra als iets daar buiten staat, is het mis.

Veel oefening en veel welwillendheid verminderen dit gebrek gaandeweg. Er is echter meer. De taal welke de onderwijzers spreken, wordt dikwijls niet voldoende begrepen. Vooral geldt dit de eerste paar weken van het onderwijs. Aanhoudend komt het gedurende dien tijd dan ook voor, dat men bij den man aan onwil zou denken. Na echter oen paar maal met andere woorden tot hem gesproken te hebben, blijkt het dat hij de bedoeling verkeerd begrepen had.

Wij stellen ons dan ook weinig van bet onderwijs in den velddienst en in hot verspreide gevecht voor, zooals in punt 6 blz. 74 in de 1ste week van den recrutentijd al onderwezen moet worden. Behalve de stedelingen en de recruten uit de Hollandsche provinciën, zullen vele boerenjongens den onderwijzer niet begrijpen. Doet men hem echter eene beweging voor, b.v. het „rechtsom keertquot; maken, dan kan hij dat zien en leert al gaandeweg met de exercitie tevens de taal. Men schatte die „taalquot; vooral niet gering. Ons zijn voorbeelden van ontwikkelde jongelieden bekend (zij waren 8 dagen in dienst), die door een meerdere zeer onaangenaam bejegend werden, omdat zij niet in front zaten, noch den looppas aannamen, toen dit gelast werd. De uitdrukking „in front zittenquot; was even onverstaanbaar voor den betrokkene, als de beteekenis van het woord „looppasquot;. Dat dit onverstandig van den meerdere was spreekt van zelf, maar het bewijst dat het kader bij den mindere de beteekenis van vele uitdrukkingen als bekend veronderstelt, waarvan later het tegendeel blijkt. En nooit

ocr page 17

15

komt dit meer uit dan gedurende de eerste 14 dagen van het onderricht. Nu zijn wij verder de moening toegedaan dat niets zoo zeer de discipline bevordert dan de stramme exercitie. In het gelid toch voelt de man steeds het oog van don meerdere onafgebroken op zich gevestigd ; geen duim te veel voor of achter, geen schouder te hoog of te laag, geen heup te veel uitgestoken , geen oog te ver of te nabij op den grond gevestigd, of' het scherpziend oog van den onderwijzer heeft het ontdekt; bij de verbetering in de houding is tevens de zoo noodige berisping gevoegd. Nergens wordt hij meer aan zijne ondergeschiktheid herinnerd dan in het gelid en nergens ook moet hij onverwjjl-der het gegeven bevel — (commando natuurlijk) — opvolgen. En datde Duitscliers het ook zoo schijnen begrepen te hebben, blijkt daaruit, dat zij, in weerwil van de lam te benjjden oorlogsondervinding, eerst nu, de gedurende 8 a 10 maanden (tweemaal daags 2 a 2Vj, uur) beoefende „recrutenschool-exercitiequot; laten varen; dit alles pleit niet voor de aanprijzing van het door den Kapitein Prins gewilde. Waren de inenschcn te veel afgestompt, dan zou men reeds veel eerder met de tot nu toe gevolgde oefenings-wijze gebroken hebben. Wij beschouwen dan ook de exercitie als het krachtigste middel om de krijgstucht te bevorderen en hopen dan ook dat zoo de Compagnies-Instructie, ook wat het onderricht in de recrutenschool betreft, in alle consequentie zal worden doorgevoerd, iedere Compagnie Infanterie zich zal mogen verheugen in eenen Rekruten-Officier die juist met het oog op 't gevecht, voornamelijk liet drillen (blz. 40) als een zeer voornaam gedeelte van zijnen werkkring zal beschouwen. Waar gezegd wordt, dat volgens de thans gevolgde methode der recrutenopleiding, in den eersten tijd na't afexerceeren, houding en détails der excercitiën op onvoldoende wijze worden onderhouden , wensciien wij de vraag te stellen: wat draagt hiervan de schuld, toch zeker niet de tweehoofdige leiding?

Wij beweren dat om eenen recruut exercitie te leeren, een eindeloos geduld wordt gevorderd. Duizend- en meermalen worden aan dezelfde menschen, dezelfde op- en aanmerkingen

ocr page 18

1«

gemaakt en altijd moeten zij op nieuw door den onderwijzer herhaald worden. Nu heeft bijvoorbeeld de Bataljons-Adjudant bepaald dat, om te kunnen voldoen aan de positie van „op de plaats rustquot;, § 58 Recrutenschool, de man altijd de uitgestrekte rechterhand op den geweerriem houdt. Let men hier niet op, dan blijft de rechtervoet niet meer voor, dan rust al spoedig de hand of arm op de tromp van hot geweer, dan wordt de schako afgenomen en wordt het spoedig rustende schutterij, die voor het eerst onder de wapens komt. Wordt nu, nadat de recruten afgeëxerceerd zijn, door de onderwijzers niet op dergelijke kleine zaken gelet, dan is dit, aan do opvattingswijze van den leider te wijten. Let hij er nu niet op, heeft hij er vroeger niet op gelet dan zal hij er evenmin op letten wanneer do recruut onder zijne leiding de recrutenschool beoefent. Het is niet het gevolg van de tweehoofdige leiding, maar wel — laten wij het maar eerlijk bekennen — omdat er niet altijd de hand aan gehouden wordt. Alsb. v. de korporaal steeds eischt dat de soldaat, wanneer hij tot hem spreekt, cene flinke houding aanneemt, de onderofficieren dit van de korporaals en manschappen vorderen, en de Officieren hen ter verantwoording roepen als zij zien dat hier niet streng do hand aan wordt gehouden, dan kan men zeker wezen dat de gedurende den recrutentijd met moeite en inspanning verkregen houding bewaard zal blijven. Meestal wordt, en dit geldt het jongere kader vooral, tegen de moeite opgezien om altijd en altjjd aanmerkingen te maken. Het weinige oudere personeel, dat de miliciens der jongste lichting bij ons in de Compagnie vindon , toont dikwijls niet de militaire begrippen te hebben, welke don jongeren ten goede moeten komen. Stonden, zooals in Duitscbland , de nieuw aangekomenen tot de oudere mantschappen der Compagnie als 1: 2, dan was dit heel iets anders. Het voorbeeld der ouderen zou dan mede gunstig werken. Nu moet die werking bijna uitsluitend van het kader komen. Wij hebben ons meermalen de vraag gestold waarom het uiterlijk voorkomen, do groet, de houding van de bereden

ocr page 19

17

Artillerie dikwijls zoo gunstig afsteekt bjj de luf'auterie. Behalve den langoren diensttijd schijnen de velerlei oefeningen waarvan de man veelal dadelijk het nut kan begrijpen, en do verantwoordelijkheid van den Batterij-Commandant, die, omdat hem het volkomen gezag gelaten wordt, deze verantwoordelijkheid kan dragen (Compagnies-instructie dus), hiervan de oplossing te kunnen geven. Dat hierdoor ook de ernst, die bjj iedere oefening moet heerschen, op ongekunstelde wijze verhoogd wordt zal wel niet weersproken worden Na deze korte uitwijding herhaal ik; houdt ieder meerdere de hand aan de houding enz. enz. van zijne ondergeschikten, roept men ze ter verantwoording wanneer zij ook buiten dienst, hetzij in de kazerne, hetzij daarbuiten, op welke wijze dan ook, te kort zijn gekomen , dan wordt het geleerde onderhouden.

Waar toch op bladz. 52 gezegd wordt: „Met te korten tijd „voor recrutenoefeningen beschikbaar, doch gebrek aan methode, „de twee verschillende Leiders bij de oefeningen, de mindere „zorg aan do vorming der Onderwijzers besteed, hot mindere „toezicht, dat één Officier, in vergelijking van 4 a 8 Officieren, „op een bataljon miliciens kan oefenen, de mindere ervaring „van sommige Bataljons-Adjudanten, wien geheel ten onrechte „de gewichtigste tak der opleiding als het ware, geheel zelfstandig is toevertrouwd, in al die redenen ligt o. i. do oorzaak „dat, in zekeren tijd steeds mindere resultaten, dan mogelijk „zijn, moeten worden verkregen.quot; Juist de zekere mate van zelfstandigheid waarin do Bataljons-Adjudanten zich mogen verheugen doet ons beweren dat hierdoor eer betere, dan mindere resultaten verkregen zullen worden. Vooreerst toch waarborgt de wensch van don Bataljons-Commandant om zijn Bataljon zoo geoefend mogelijk te zien, evenals de verantwoordelijkheid van den Regiments-Commandant om de slagvaardigheid van het Regiment te bevorderen, dat men als Bataljons-Adjudant personen aanwijst, waarvan men meent den waarborg te hebben, dat zij zich zullen beijveren om van die zelfstandigheid een goed oordeelkundig gebruik te maken.

ocr page 20

18

Ten andere neemt men bij voorkeur Officieren, die eenige jaren den Luitcnantsrang bekleeden. De jongste Bataljons-Adjudant, voorkomende in de Ranglijst dor officieron voor 1888, is bijna 10 jaar Luitenant. In dat tijdvak, om van geen langer te spreken, hebben verschillende chefs dezen officier kunnen beoordeelen. Vroeger was men in 10 jaar al kapitein.

Waarom dan ook door den schrijver met zekere geringschatting en weinig waardering over den werkkring van don Bataljons Adjudant als leider bij het recruten-onderwijs gesproken wordt, kunnen wij , het spijt ons dit te moeten zeggen, van den gewezen Kapitein-Adjudant niet begrijpen. Meent de schrijver dan dat door den Bataljons-Adjudant ook niet met het kader dat bij het recrutenonderricht dienst zal doen (en dat is reeds veelal de Sectie-Commandant als hoofd-, de Escouade-Comman-dant als hulponderwijzer), vóór de opkomst der miliciens, het onderricht wordt besproken en de behartigenswaardige wenken, voorkomende in de boekjes vau de Kapiteins Jhr. van der AVijck (1) en va.\ der Meer, (2) worden toegelicht? Van mindere zorg (blz. 52) is dus geen sprake. De kader-exercitiën evenals de veelvuldige keeren, dat gedurende den winter het kader ter beschikking van den Bataljons-Adjudant wordt gesteld , zijn ook waarlijk voldoende tot practische voorbereiding.

Wij willen volstrekt niet beweren dat de Kapiteins, bij het onderwijs in de recrutenschool enz. voortaan mindere resultaten zullen krijgen, maar wij houden vol, dat, zoo de resultaten verkregen worden in den zelfden tijd waarover nu de Bataljons-Adjudant mag beschikken, o. i de leiders zeer tevreden kunnen zijn. Zij die nimmer recruten in de recrutenschool enz. africhtten, zullen ondervinden, dat dit belangrijke gedeelte der militaire vorming hoogst moeilijk is. Van betere resultaten

(1) van der AVijck, Leiddraad voor dou onderwijzer bij de exercitie der Recruten van liet Wapen der Infanterie.. Breda, ükoese amp; 0°., 1885.

(2) van der Meer, Methodisch onderricht in de Kecrutenschool der Infanterie, met aanduiding der lessen, 'sGravenhage, de Gebroeders van Cleef, 1886.

ocr page 21

19

zwijg ik voorloopig, daar 't oordeel van den schrijver, behalve op redeneering, in hoofdzaak steunt op hetgeen hij in geschriften van onze buren las en deze pas sinds korten tijd verandering in hunne opleidingswijze brachten.

Wij zijn genaderd tot blz. 55.

„C. Hoe de recrutenoefeningen kunnen worden geregeld, „als hot hoofdbezwaar daartegen — de oefening onder den „Bataljons-Adjudant — is opgeheven, en welke beginselen bij „de opleiding dienen te worden gevolgd.quot;

Aangezien veel van het in dit punt genoemde voor bespreking vatbaar is, meeneu wij dit te moeten laten rusten, in aanmerking nemende dat liet geschreven werd voor den Compagnies-Commandaut. Hij het lezen ervan kwam ons echter meermalen de vraag op de lippen: Is het dan bi j ons geen regel, dat de recruut, zoo hij dienstdoende wordt gebracht, kan voldoen aan de eischen door den Kapitein Pkins gesteld? Zoo neen, aan wien is dit da:i te wijten ? Volgens onze bescheiden meening aan hen, die met den Bataljons-Adjudant de zorg der opleiding deelden. Isiet liet stelsel, niet de twee- of veelhoofdige leiding, maar de ernstige opvatting van de niet minder ernstige taak geven de resultaten door den Kapitein l'iuns voorgesteld. Wij beweren dat bijna iedere methode goed is, zoo zij maar oordeelkundig, consequent en met onverflauwden ijver wordt opgevat en uitgevoerd.

Eu het zal bij de steeds bestaande gedachtenwisseling aan dezen of genen gelukken om hier of daar wat meer of minder den klemtoon te doen vallen; men zal heden wat meer waarde aan het schieten, morgen wat minder hechten aan het mar-cheeren, men kan overmorgen aan den velddienst of pionierdienst wat meer tijd willen besteden, maar wat men ook wil en hoe men het ook opvat, zoo het niet met ernst wordt uitgevoerd zal het beste stelsel blijken niet te voldoen. Men keerde dan ook dikwijls tot het oude terug omdat de ondervinding dan leerde, dat het nieuwe (dat waar de klemtoon op gelegd werd) niet goed en het goede niet nieuw was. Wij zijn het met den

ocr page 22

20

schrijver eens dat de richting welke de recruut in den r eenden-tijd krijgt, de gewichtigste is van den gelieelen diensttijd. quot;Wijt hij echter aan de tot heden gevolgde richting de veelal op redeneeruicj gegronde tekortkomingen , wordt ook hier weer aan tweehoofdige leiding schuld geweten, dan meenen wij hiertegen te moeten opkomen.

Had de schrijver met de hem eigen, gemakkelijke betoogtrant een pleidooi geleverd voor de opleiding van de recruten hij de Compagnie, omdat hij dit als een recht aanmerkt, dan hadden wij ons dadelijk aan zijne zijde geschaard. De ondervinding zou dan leeren of deze zoo gewenschte toestand uitvoerbaar was. De mogelijkheid blijft toch bestaan, dat hij zich zelf kan veroordeelen. Door evenwel de gevolgde onderwijs-richting af te breken en dit meestal te doen op grond van redeneeringen en bij voorbaat te zeggen dat de toekomstige resultaten beter zullen en moeten zijn, dan meenen wij reeds nu tegen overdreven verwachtingen te moeten waarschuwen. In beginsel juichen wij de Compagnies-Instructie toe, al zien wij de vele bezwaren niet over het hoofd, welke zij met zich brengt. Zelfs in groote garnizoenen kost hare consequente doorvoering reeds veel moeite. Meermalen was de Kapitein alleen beschikbaar, om de vele en velerlei diensten welke men toch liefst aan Officieren toevertrouwt, te kunnen waarnemen. Krijgsraad, Cursus en Voorbereidende School, veelvuldige detacheeringen zooals bij de Schietschool, Geweerwinkel, bij de Genietroepen . in Oldebroek enz. enz. zullen met de wacht, het piket, ziekte en verlof zich steeds doen gelden, terwijl de Krijgsschool en andere instellingen, die, bij detacheering. Officieren soms jaren van het korps gevoerd houden, steeds hunnen invloed bij de Compagnies-Instructie zullen doen gevoelen.

Resumeerende hetgeen door ons in de voorgaande bladzijden werd aangetoond, komen wij tot de volgende conclusie:

a. Dat het beginsel om de geheele opleiding der recruten, althans als proef, bij de Compagniëii te laten niet anders

ocr page 23

21

(Lm billijk is. Zonder eenige beleininerende bepaling zouden do Compagnies-Commandanten over hunne Compagniën gedurende b.v. 3 a 4 maanden moeten kunnen beschikken ; na dien tijd moet alsdan aan de van hoogerhand te stellen eischen voldaan kunnen worden. Noch het volgen van een bepaald voorschrift, noch het toepassen eener vastgestelde methode zijn voorgeschreven.

De Compagnies-Commandant moet o. i. in alles vrij zijn; eerst dan kan men over de bruikbaarheid en deugdelijkheid eener nieuwere onderwijs-richting oordeelen.

h. Dat de schrijver aan het woord aleïerceeren eene volstrekte beteekenis hecht, wanneer dit voor zijn betoofr (meestal de onvoldoende, eentoonige, tweehoofdige leiding) te pas komt, terwijl dan weer dit woord in zijne betrekkelijke beteekenis dienst moet doen, wanneer dit, zooals b.v. in de laatste alinea blz. 70, nuttig wordt geacht. (1)

c. Dat wij, om de mindere waardering en geringschatting van bet onderwijs, door don Bataljons-Adjudaquot;*■ tregoven , ons — en dit tevens naar wij gissen uit naam der collega's Bataljons-Adjudanten — hebben meenen te moeten verdedigen, niet uit zucht tot tegenspraak, noch uit betweterij, evenmin uit geringschatting voor het geschrevene, maar alléén, omdat wij overtuigd zijn, dat ook op meer waar-deereude wijze met de tot nu toe gevolgde richting van onderwijs kan gebroken worden. Of de resultaten alsdan , over het algemeen genomen , werkelijk boter zullen zijn, inoet nog blijken. Reden eer r n gen toch geven ons, evenmin als Dnitsche of Fransche citaten (al klinken zij ook nog zoo fraai), reeds nu die zekerheid.

'sHaye, 27 Juni 1888.

1

De Kapitein van der Meer vijst in het Methodisch onderricht in de recruten school der Infanterie blz. 14 ook op het quot;\voord „afexercerenquot;.

ocr page 24
ocr page 25
ocr page 26
ocr page 27

.

. .

.

.

_

ocr page 28

UITGAVEN VAN DE GEBROEDERS VAN CLEEF,

Zakboekje voor den Otllcier te velde, door W. Rooseboom. / 2.90

Ycldzakboekje voor de Cavalerie, door W. E. A. Wuppebmans. ƒ 1

Vademecum voor Offleiereu van alle wapenen, door

.1. H. Kromhout . . ...............,/'4.50

Gids voor Militie- en Scliutterij-Offlciereu der Infanterie, door

W. L. DE Petit en H. C. Buandt. Met kaarten en platen, ƒ 1.80

Gids voor dei; Milicien der lufauterie, door VV. L. de Petit

en tl. C. Brandt. Vierde verbeterde druk.......J 0.50

Veldwerken en Forten Handleiding bij het ouderwijs in de versterkingskunst, door 0. (t. Kamerling, Iweede vermeerderde druk.................ƒ 0-30

Het vervaardigen van Terreinschetsen op het oog en den pas,

door C. ft Kamerling.............J

Dienst der Infanterie als Fortbezetting door 1 H. A.

nlekstrasz................ • • ./ 0-30

Methodisch Onderricht in de Uecrutenschool der Infanterie,

door Jac. van dhr Meer............ƒ 0.20

De Artillerie-Cursus te Delft en de Militaire School te

Haarlem, toegelicht door de Directeuren dier [nriclitingeu. ƒ 0.30

gt;