HST BEN?
UIT HET EXGELSCH
DOOR
U O K S
A. A. W. BOLL A X 1)
BO EK H AXDEti A A lï.
UIT HET ENGELSCH
DOOR
GOES
A. A. W. BOLLAND
BOKKHANDELAAR.
•ymm
i
Dr uk
c o e s.
I
De hier volgende bladzijden zijn de vertaling van het eerde artikel uit de Banner of Light (1) van 2!) Dec. ISS8. Ut is slechts een uit de ontelbare menigte van even belangrijke artikelen, die week aan week in dit hlad te lezen gegeven ivnrden.
Ik vertaalde het en geef het in het licht, omdat het in hoofdzaak mijne eigene ondervindingen en overtuigingen wéér geeft.
De inleiding heh ik de vrijheid genomen een weinig te veranderen, en wel omdat de schrijver, die zich den naam van Spiritualist geeft, er zinspelingen in maalt op dien naam in onderscheiding van dien van Spiritist, en het mij voorkomt dat hij in het woord Spiritualist een bcteekenis legt, die anderen aan het woord Spiritist hechten.
De spraakverwarring, die in het gebruik van deze woorden bestaat, zou door de letterlijke vertaling van de inleiding nog vermeerderd zijn geworden.
Ik heb om die reden, volgens mijn gewoonte, ook hier de termen Spiritist en Spiritisme gebruikt in den algemeenen zin dier woorden, en wenschte wel dat dit door allen geschiedde, opdat aan het hieromtrent heerschende misverstand een eind mocht komen.
OueSj Febr. '89. i», huet.
Banner of SpirUnalis'isch Weekblad, 8 payg., ijruot folio,
uitge'/even bij Colby ami Rii.-li. ttostm, Ma-f. U S. N. America. Vrijs 3 dollars. Bestaat reeds :J2 jaren, kun niet gemrg w .rden aanbrvolen
Vóór ik deze vraag beantwoord, is het noodig eerst met enkele woorden te omschrijven wat ik door Spiritist versta. En dan weet ik niet beter te doen dan door te zeggen: »Een Spiritist is iemand, die overtuigd is van de mogelijkheid en werkelijkheid van de gemeenschap met de geesten van. afgestorvenenquot;. Dit sluit noodzakelijk verschillende stellingen in zich, nl. 1° dat de mensch in werkelijkheid een geest of een geestelijk wezen is, 2° dat iiij, als geest, in staat is den dood van zijn stoffelijk lichaam te overleven, 3° dat hij als een zelfbewust wezen kan voortleven, en 4° dat hij dit doen kan in een wereld of toestand die, ofschoon onzichtbaar, niet ver verwijderd is van ons aardsche bestaan.
Aldus omschreven, is het duidelijk dat het Spiritisme eenvoudig een questie is van een feit, bewijsbaar op even duidelijke en redelijke gronden als do feiten van de sterrekunde, scheikunde of telegraphic. En een Spiritist in dien zin is iemand, die van dit feit overtuigd is geworden, afgezien eu onafhankelijk van eenig godsdienstig geloof, theologisch leerstuk of zedekundig stelsel, van welke soort ook. Evenwel is het waar dat dit onderwerp in zoo nauw verband staat met den godsdienst en de zedelijkheid beiden, dat de overtuiirinc
quot; ' O Ö
van dit groote feit, met de nieuwe kennis en de versche toe-strooming van inzichten die er uit voortvloeien, allicht eenige wijziging - ot op liet minst eenige verruiming van vroeger
fi
gekoesterde gevoelens op godsdienstig en misschien ook op zedelijk gebied tengevolge zullen hebben. Niets ongewoons is het van menschen zonder veel geest des onderscheids, zoowel onder erkende Spiritisten als onder hunne tegenstanders, om de bijzondere stellingen of gevoelens (hetzij godsdienstige of ongodsdienstige, theïstische of atheïstische, redelijke of onredelijke, fijne en geestelijke of ruwe en grove), die sommige Spiritisten zijn toegedaan, voor wezenlijke bestanddeelen van het Spiritisme aan te zien. Vooral tegenstanders zijn in bijzondere mate vatbaar voor deze dwaling, voornamelijk waar het iets geldt dat hun verkeerd en stuitend toeschijnt. Maar eerlijke onderzoekers, die deze bladzijden lezen, zullen, hoop ik, in aanmerking nemen dat een Spiritist te zijn, in den algemeen gebruikelijken zin des woords, niets meer beteekent dan eenvoudig een geloovige te wezen in de werkelijkheid van de gemeenschap met de zoogenaamde »doodenquot;, of nauwkeuriger uitgedrukt, met geëxcarneerde (1) menschelijke wezens. Het is niet noodzakelijk verbonden met eenig godsdienstig stelsel. Behalve het eenvoudige feit van erkende gemeenschap met de geesten, zijn alle godsdienstige leeringen, alle godgeleerde leerstellingen, alle vraagstukken betreffende het bestaan van God, den duivel, Christus, den Bijbel, de schepping, de zaligheid, de verzoening, de reïncarnatie, den toestand en de bestemming der geesten, en alle onzekere vragen op zedekundig gebied, zoovele onderwerpen, waaromtrent de Spiritisten het evenmin eens zijn als andere menschen. leder zelfstandig denker heeft zijn eigen gevoelens, veelszins afhangend van zijn vroegeren toestand, van zijn vatbaarheid om zulke onderwerpen te behandelen, van zijn voorliefde voor de een of andere leer en van de daarmede samenhan-
Geëxcarneerd, buiten hel vleesch, buiten het stoiïclijke lichaam bestaande
gende hoogte of sfeer der hem omringende bewoners van de geestenwereld.
Toch is liet recht hierbij op te merken dat, aangezien het woord Spiritist ons doet denken aan geesten, aan den geest, aim dat wat afgescheiden is van het stoffelijke, dus het geestelijke, het verfijnde, het gelouterde, het heilige, het goddelijke, het derhalve onbehoorlijk en onbetamelijk is deze benaming te geven aan gevoelens of handelwijzen van een grof, ongeestelijk of zinnelijk karakter. JFenschen, die alleen in geesten en in hunne werkingen gelooven, die het hoofd vol hebben van wonderen, die steeds aangrijpende nieuwigheden najagen, of die zich hoofdzakelijk met de verschijnselen en met de wetenschappelijke zijde van de zaak bezig houden, onverschillig omtrent den zedelijk reinigenden en verheffenden invloed, die er van mag uitgaan — van welke beide klassen er in groeten getale zijn —• mogen zich Spiritisten noemen, maar Spiritisten in den waren hoogeren zin des woords, geestelijk gezinden, zijn zij niet.
In den hoogeren zin behoort de naam Spiritist alleen aan zulke personen, die, behalve de erkenning van Int bestaan der geesten, van hun tegenwoordigheid en van de ge-meenschap met hen, leeringen toegedaan zijn van een verheffende, reinigende, geestelijk makende strekking en die trachten dezelve in hunne gezindheden en in hun leven in praktijk te brengen, er naar strevende om de gemeenschap met de geesten aan dit hooge doel dienstbaar te maken. Znlk een streven leidt er toe om te zien achter de oppervlakte, om onderzoek te doen naar de oorzaken, de verborgen bedoelingen en de werkelijkheid der dingen, om alle stelsels van godsdienst, wijsbegeerte en zedelijkheid meer naar den geest dan naar de letter te verklaren, en om het heelal meer uit het standpunt des geestes dan uit dat der letter te beschouweiv
— S —
In den aldus omschreven zin noem ik mijzelven een Spiritist en ben nu bereid om duidelijk en uitvoerig uit een te zetten waarom ik dit ben.
1. Omdat ik meer dan vijf en dertig jaren lang het voorrecht genoten heb van, soms gemakkelijker soms minder gemakkelijk, nu eens veelvuldiger dan eens minder, in den kring van mijn eigen huisgezin, omgang te hebben en samen-sprekingen te houden met voor mij onzichtbare wezens, zich uitgevende voor geëxcarneerde menschelijke geesten -— en daaronder met vele betrekkingen en persoonlijke vrienden, mij wel bekend in hun aardsche leven — en die mij afdoende bewijzen geleverd hebben van te zijn degenen waarvoor zij zich uitgeven.
2. Omdat door dezen omgang en door de openbaringen en ondervindingen, die er mede gepaard zijn gegaan, ik gebracht ben tot inzichten omtrent het heelal, zoowel het stoffelijke als het geestelijke, omtrent de Godheid en de Goddelijke Yoorzienigheid, omtrent de geestenwereld en hare betrekking tot deze wereld, omtrent den mensch, zijn roeping en bestemming, kortom, omtrent alles dat behoort, tot het gebied van godsdienst, wijsbegeerte en zedekunde, inzichten die, in mijne oogen, niet slechts in hooge mate redelijk zijn, maar hartverruimend, verheffend, geestelijke gezindheid bevorderend, en zinlbevredigend, boven alles wat ik in staat geweest ben uit andere bronnen te verkrijgen.
Om het eerste gedeelte van dit antwoord te rechtvaardigen is het noodig eenige mededeeling te doen van de feiten en bewijzen, die mij van de werkelijkheid der gemeenschap met de geesten hebben overtuigd, maar de beperkte ruimte waarover ik te beschikken heb, laat mij zelfs niet toe te beproeven om een uitvoerig verhaal te geven van wat in het tijdsverloop van zoovele jaren heeft plaats gehad. Noch ook zou het van zoo veel nut zijn, daar het onmogelijk is om
in koude letters, aan lezers, die niet betrekking tot zulke zaken onverschillig of twijfelzuchtig zijn, eenig juist denkbeeld te geven van de kracht van bewijs betreffende de werkelijke persoonlijkheid van de zich openbarende geesten, welke verkregen wordt door een vrije saraenspreking en gedachtenwis-seling met afgestorven vrienden en betrekkingen. Geen er buiten staand persoon kan een bevoegd rechter in zulke zaken zijn. Men houde in het oog dat ik mij tot taak gesteld heb om aan te toonen waarom i k een Spiritist ben, en niet om de bewijzen te leveren voor anderen om Spiritist te worden. In zulk een gewichtige zaak is het wen-schelijk, dat ieder voor zich zeiven ondervinde en wete, en dan zal zijn geloof op geen onzekeren grond rusten. Ik houd mij overtuigd, dat geen mensch van gezond verstand, na het ontvangen van dergelijke bewijzen of zelfs van een tiende gedeelte er van, tot andere gevolgtrekkingen zou kunnen komen als ik zelf. Toch moeten mijne overtuigingen niet vooreen ander gelden.
Maar het is misschien niet ongepast kortelijk iets te verhalen van de stappen, waardoor ik tot mijn tegenwoordige overtuigingen gekomen ben, en tevens den aard aan te duiden van de bewijzen waarop deze overtuigingen rusten.
Ik werd geboren en opgevoed onder don invloed van het Amerikaansch Puritanisme van de strengste soort, zooals het zestig jaren geleden bestond, en nam op jeugdigen leeftijd het geloof van mijne vaderen in algeineenen zin aan. Ik werd lid van een orthodoxe Congregationalistische kerk, en wijdde mij met ijver aan den arbeid der gemeente. Evenwel, mijn geest was zoo gesteld, dat ik geen leerstuk noch gebod kon aannemen, zoolang ik er geen in mijne oogen, redelijken grond voor zag. De geloofsbelijdenis van de kerk waarmede ik verbonden was, bleek mij naderhand bijzonder ruim te zijn, en grootelijks afwijkend van do oude belijdenisschriften, dank
10
huh den invloed van een leeraar, die meer uitmuntte door praktisch gezond verstand dan door sectarischen ijver. Het duurde dan ook niet lang of ik ontdekte dat ik vele van de leerstellingen op mijn eigene wijze geloofde, terwijl ik er andere niet gelooven kon en langzamerhand geheel verwierp.
Wat betreft het geloof in een toekomstig leven, dit liad ik als waar aangenomen, voornamelijk krachtens mijne eerste opvoeding en als een gedeelte van de algemeene christelijke leer. Maar naarmate ik ouder werd en in aanraking kwam met ontwikkelde menschen, die het voortbestaan na den dood in twijfel trokken, heb ik mij dikwijls verwonderd over de geringe mate van stellig bewijs hieromtrent, ofschoon ik mij niet herinner het voor mijzelven ooit ernstig betwijfeld te hebben. Maar het kwam mij voor, dat indien alle mensche-lijke wezens die geleefd hebben, voort blijven leven als zelfbewuste wezens, er eenig afdoend bewijs moest zijn boven dat van de meer dan achttien honderd jaren oude bijbelsche verhalen. Indien geesten en engelen toen de aarde bezochten, waarom niet nu? Om die reden las en overdacht ik steeds met vurige belangstelling alle berichten, die ik op mijnen weg ontmoette, van onderstelde verschijningen uit de onzichtbare wereld, of van visioenen van die wereld, of van de inwoners er van, als b. v. bij de nadering van den dood, enz. Maar slechts weinige zulke verhalen kwamen mij op mijnen weg tegen, en geene er van waren zeer voldoende, vooral raet het oog op het heerschend vooroordeel, waarmede al zuike zaken beschouwd worden zoowel in de kerk als in »de wereldquot;. Ik wist toen nog zoo goed als niets van de massa bewijzen, die zich hebben opgehoopt gedurende den loop der geschiedenis en in alle volkeren bij welke eene letterkunde gevonden wordt, maar die in discrediet gebracht en op groote schaal onderdrukt zijn door de materialistische richting van den nieuweren tijd.
11
Toen in 1848, het aangrijpend gerucht zicii verbreidde dat te Hydesville en te Rochester een onzichtbaar wezen, zich uitgevende voor den geest van een mensch, het middel had gevonden om door teekenen modedoelingen te doen uit de zwijgende wereld, veroorzaakte dit bericht een trilling van hoop dat het mocht blijken waar te zijn. Maar toen ik bevond dat de openbaringen, die gegeven werden omtrent den aard en de toestanden van het volgend leven, niet overeenstemden met de voorstellingen die mij geleerd waren, kwam ik van zelve tot de slotsom, dat de geheimzinnige »klopperquot;, als het al waarlijk een geest was, een »booze en verleidende geestquot; moest zijn.
Eenige maanden later braken de vreemde «kloppingenquot; uit in Boston, waar ik destijds mijn verblijf hield. Een verstandelijk goed ontwikkeld heer, met wien ik in zaken geassocieerd was, en dien ik hoogachtte, zeide mij dat die kloppingen plaats hadden in het huisgezin van een zijner buren, en dat de »mediumsquot; waren eene vrouw van geringen stand maar van een eenvoudig en eerlijk karakter, met hare jonge dochter. Dag aan dag bracht mijn vriend mij mededeelingen van hetgeen waarvan hij getuige was en van de tijdingen die hij ontving in samenkomsten met dit huisgezin. Ik bemerkte spoedig dat hij niet alleen volkomen overtuigd werd, dat die verschijnselen en tijdingen afkomstig waren van geesten, maar, dat hij, tot mijne ontroering, naar ik vreesde, op weg was om wat zijn godsdienstige gevoelens betreft, op gevaarlijke dwaalwegen gevoerd te worden. Ik gevoelde dat hij op de een of andere wijze het slachtoffer zijn moest van een misleiding, maar zag dat de eenige weg om hem te redden, was om met hem te gaan, het bedrog uit te vinden en het hem te doen zien. Uit dien hoofde nam ik zijn uitnoodiging aan om hem naar een samenkomst te vergezellen.
Laat het voldoende zijn te zeggen, dat ik spoedig bevond
dat mijn vriend krachtige redenen had voor zijn geloof in de geestes-afkomst van deze vreemde verschijnselen, en in plaats van in staat te zijn om hom van een ijdele misleiding te verlossen, stond ik zelf van aangezicht tot aangezicht tegenover een raadsel, dat om verstandige en moedige oplossing vroeg. Er was duidelijk verstand achter de geheimzinnige kloppingen, en ik had op het minst één bewijs dat dit verstand niet geheel boos gezind was.
Maar gelegenheid om persoonlijk het onderzoek onder gunstige omstandigheden voort te zetten was er weinig, en ik had geen haast. Alles wat met betrekking tot de zaak op mijn weg kwam, in hot licht van mijn vroegere opvoeding lezende en overwegende, kwam het mij voor dat de stelling dat »booze en verleidende geestenquot; zoekende waren om langs dezen nieuwen weg het menschdom te misleiden, de meest waarschijnlijke verklaring er van was. Toch was ik met deze verklaring niet geheel bevredigd. Konden niet mijne denkbeelden omtrent de toestanden van de zoogenaamd »ge-storvenenquot; verkeerd zijn? Alles wat ik in staat geweest was over dit onderwerp te leeren uit den Bijbel en van mijne godsdienstige onderwijzers, was, dit kon niet ontkend worden, onbestemd en onvoldoende. Sommige van de nieuwe inzichten die zich aan mij voordeden, schenen op 't minst redelijk en waardig waar te zijn. Zonder meerdere bekendheid er mede, kon ik niet tot een beslissing komen.
Eindelijk kwam ik in do gelegenheid om een bezoek te brengen aan de welbekende Mevrouw Hayden, in wier tegenwoordigheid de bewijzen veel duidelijker waren. Zij was mij geheel onbekend en ik haar, maar hare eerlijkheid werd mij door bevriende personen op krachtige wijze verzekerd. Aan hare tafel gezeten, na alle voorzorgmaatregelen genomen te hebben tegen bedrog, werd ik begroet door een wezen bewerende mijn vader te zijn, toen sinds twintig jaren over-
l;
leden, en die verschillende bijzonderheden verhaalde betreffende zichzelven, welke mij bekend waren, alsmede eene, betreffende de oorzaak van zijn dood, die mij onbekend was, maar die ik later vernam zonder twijfel juist te zijn. Tot zoo lang had ik altijd een soort van onbestemde meening dat de feiten op deze wijze medegedeeld, op de een of andere wijze uit iemands eigen brein geput werden, misschien door helderziendheid of gedachten lezing van do zijde van het medium, of door listige onzichtbare wezens en door zekere verborgen werking in de kloppingenquot; geopenbaard. Maar deze verklaring kon niet langer volgehouden worden.
De geluiden gaven daarop een sterke begeerte te kennen om zich verder aan mij mede te deelen, en toen ik op de gebruikelijke wijze het alphabet en hot potlood wilde gebruiken, was ik verwonderd een van zelf komende mededeeling voor mijn oogen te zien verschijnen, van letter tot letter op het papier groeiende, eene mededeeling niet slechts gloeiend van ouderlijke liefde, maar tevens een verheven godsdienstigen toon ademend, gansch eigenaardig en mijnen vader waardig, van wien zij beweerde te komen. Zij verschilde van alles wat ik tot nu toe uit deze bron had gezien of gehoord, daar de mededeelingen gewoonlijk magere antwoorden waren op vragen, en wel van een lichtzinnigen en soms zelfs van een stuitend ongodsdienstigen aard.
Waarom zou ik deze boodschap niet ontvangen als afkomstig van mijn geëerden vader? Het bewijs voor het bestaan van een verstandig wezen van buiten deze wereld, scheen mij, zoowel in dit geval als in zoovele andere, onbetwistbaar. Toch had de mogelijkheid en het gevaar van misleid te worden door listige en bedriegelijke wezens, of door een wezen van «onpeilbaar verstand en onpeilbaar be-diog , zooals een beroemd leeraar het eens had genoemd, zulk een diepen indruk op mijn gemoed gemaakt, dat ik
— 14
langen tijd aarzelde. Het was gezegd dat »de Satan zelve zicli veranderen kon in de gedaante van een engel des lichtsquot;.
Maar, dacht ik, waarom zouden alleen »booze en verleidende geestenquot; toegang hebben tot het menschdom, terwijl liefdevolle ouders, betrekkingen en heilige wezens uitgesloten zouden blijven? Het scheen mij ongeloofelijk dat dit zoo zijn zoude. Dezelfde Bijbel die waarschuwde tegen bedriegelijke geesten, leerde ook dat »de engel des Heeren zich legert rondom degenen die Hem vreezenquot;, en dat «gedienstige geesten gezonden worden ten dienste van degenen die de zaligheid beërvenquot;. Dezelfde Bijbel leerde dat wij »de geesten moeten beproeven of zij uit God zijnquot;, daarin duidelijk insluitende dat de laatstgenoemden tot ons komen kunnen en dat het binnen onze macht en binnen ons bereik ligt om beide klas- «
sen te onderscheiden, om tegen de listen van de boezen te waken en om van de hulp der goeden gebruik te maken.
Dezelfde Bijbel leerde ons ook om »herbergzaamheid te beoefenen, omdat sommigen dit doende onwetend engelen hadden geherbergdquot;.
Derhalve, in plaats van lafhartig bevreesd te wezen voor eenige aanraking met deze bewoners van de onzichtbare wereld of voor eenig onderzoek omtrent hen, gelijk ik vond dat mijne mede-christenen in het algemeen gezind waren om te doen, scheen het mij duidelijk toe mijn plicht te zijn om mijzelven te bekwamen om hen te onderscheiden, en gekleed in de wapenrusting van zelfbewuste oprechtheid, bezield door de hoogste liefde tot de waarheid en reinheid van bedoeling,
deze boden te gemoet te gaan, die uit de onzichtbare oorden gehoor bij ons kwamen vragen, hunne hoedanigheden en bedoelingen op de proef te stellen, en gebruik te maken van wat goeds zij mij wellicht brengen mochten. En het kwam mij ook voor billijk te zijn, dat de proet waaraan ik hun karakter zou toetsen, niet blootelijk zijn zou oen beleden geloof
in algemeen voor «rechtzinnigquot; gehouden leerstellingen — daar het toch voor bedriegers een gemakkelijke zaak is om allerlei geloof te belijden — maar veeleer praktische vruchten en de in het oog springende richting van hun invloed en leeringen.
Het was niet lang nadat ik tot een beslissing gekomen ■vvas omtrent mijn plicht van gastvrijheid jegens deze bezoekers van de onzichtbare wereld, dat hunne tegenwoordigheid zich begon te openbaren in mijn eigen huis, door middel van een lid van mijn eigen gezin, en in uren van stille afzondering. Zij maakten hunne tegenwoordigheid bekend langs verschillende wegen, maar op onmiskenbare wijze. Een opmerkelijke gebeurtenis, die in den eersten tijd plaats greep, was de volgende. Ten gevolge van een hevige en pijnlijke krankheid, werd mijne echtgeuoote, naar het scheen, zeer dicht nabij de poort des doods gebracht. Een avond, toen ik haar wilde verlaten om een weinig rust te nemen, zeide zij mij vaarwel, nauwlijks verwachtende den nacht te overleven. Spoedig daarop voelde zij zichzelve het lichaam verlaten en boven hetzelve zweven, er op nederziende gelijk het op de legerstede nederlag. Daarop was het haar alsof zij opwaarts genomen werd, gaande door wat haar toescheen een atmosfeer van golvende muziek te zijn, en werd zij gevoerd door een verlichten gang in een ruim amphitheater, waarin een verzameling was van wat een «ontelbare schare van engelenquot; scheen te zijn, die uitbarstte in een lied van welkomst. Onder dezen werd zij spoedig herkend en begroet door betrekkingen en vrienden, die «vooruit gegaanquot; waren — met haar eigen vader, die een teeder jeugdig kindje droeg, dat zij eenige jaren te voren verloren had, in hun midden. Een van hen werd tot haar gebracht, en voorgesteld als m ij n vader, dien zij in dit leven nimmer gezien had, en van wien zij later in staat was oen merkwaardig juiste beschrijving te geven, zoo-
1()
als zij hem zag. Gedurende het onderhoud, dat hierop volgde en dat eenige uren kan geduurd hebben, daar de bewaakster in slaap was gevallen en er niemand was ora op den tijd te letten, zag en hoorde zij eene menigte zeer belangrijke en leerrijke dingen, dienende om raadselen op te lossen, die langen tijd haar eigen geest en den mijnen gekweld hadden, maar die hier niet kunnen vermeld worden. Eindelijk werd haar gezegd dat zij tot haar lichaam moest terugkeeren, maar zij was daartoe zeer onwillig, daar zij zich zoo gelukkig gevoelde aan al de smarten en ellenden der aarde ontkomen te zijn. Het werd haar gezegd dat er nog belangrijke plichten voor haar op aarde te vervullen waren en dat, wanneer die verricht waren, deze hemelsche woning haar wachtte. De gedachte aan haar gezin en aan haar zuigeling, die zij nog hier had, verzoende haar met den terugkeer, en langs denzelfden weg, waarlangs zij opgestegen was, scheen zij terug te keeren. Zij vond zichzelve weer in het lichaam, maar tot haar verwondering en vreugde, waren d e p ij n en de k r a n k-h e i d geheel verdwenen, en spoedig herkreeg zij hare gewone kracht en gezondheid. Maar het vermogen om in den geestelijken staat (dat is de staat van levend gemaakte of ontsloten geestelijke waarneming, waarin geestelijke wezens gezien en gehoord worden) over te gaan, is haar sedert dien tijd altijd bijgebleven en kan doorgaans, wanneer zij dit wil, worden gebruikt, mits er geen verhinderende invloed tusschen beiden kome.
Dat deze ondervinding geen gewone doellooze droom was, is niet noodig aan te toonen, en dat het zien en hooren van geesten, of de helderziendheid en helderhoorendheid, die er op gevolgd zijn, geen abnormale of ziekelijke werking zijn van de zenuwen, gelijk sommigen mogen onderstellen, wordt bewezen door het feit, dat een goede mate van gezondheid noodig blijkt voor het gebruik maken van dit vermogen, en met
17
de hoogste mate van gezondheid ook het beste gebruik er van gepaard gaat. Jaren van ondervinding hebben er de werkelijkheid van op de proef gesteld en iets geleerd van de wetten, volgens welke het moot beoefend worden.
Doch, om mijn verhaal voort te zetten, de geest, die zeide mijn vader te zijn, openbaarde later groote volharding in zijn pogingen om al mijne twijfelingen betreffende zijn persoonlijkheid weg te nemen. Langzamerhand verkreeg hij, en blijkbaar ook anderen, kracht om met hare vergunning de hand van mijn vrouw te gebruiken zonder eenige wilsoefe-ning van hare zijde, alsmede om gebruik te maken van hare spraakorganen, om te spreken en gesprekken te voeren, ter-wijl zij altijd door haar volkomen zelfbewustheid behind en zich bewust was, dat het schrijven en het spreken niet van haar waren, maar van een ander persoon, die gewoonlijk bij het naderen door haar werd gezien en herkend. Zoo groot was evenwel mijn twijfelzucht, dat er maanden verliepen eer de opeenhooping van bewijzen mij noodzaakte om mij volkomen bevredigd te verklaren. Toen ik eindelijk toestemde dat al mijn twijfelingen waren weggenomen, sprak mijn vader mij door de organen van mijne vrouw, wat den hoofdinhoud betreft, met de volgende indrukwekkende woorden toe;
»Mijn zoon, ik ben aldus volhardend geweest in mijn pogingen om u te overtuigen dat ik het ben, met een gewichtig dool. Het is niet geweest om nieuwsgierigheid te bevredigen ot om door wonderbare dingen uw verbazing te wekken, maar om n gewichtige onderwijzingen te brengen. Toen ik in hot lichaam was, leerde ik u de lessen van godsdienst en oprechtheid naar mijn beste vermogen. Maar nadat ik de geestenwereld ingekomen ben, heb ik spoedig bemerkt dat ik met betrekking tot vele zaken in dwaling verkeerde. Helderder licht is over mij opgegaan, en ik ben zeer verlangend geweest om het aan u en aan mijne andere kinderen mede
— IS -
te deelen. Voortdurend hob ik een beschermende zorg over u uitgestrekt, on iieb uw geest vatbaarder bevonden voor mijn invloed dan vele andoren zijn. In vele dingen heb ik u geleid, zonder dat gij het u bewust waart, en thans nu gij mijne tegenwoordigheid erkent, kan ik u naderbij komen en u krachtiger bijstaanquot;, enz.
Daarop noodigde hij mij uit om vrijelijk tot hem te komen met vragen en twijfelingen, gelijk ik zou gedaan hebben als hij nog in het lichaam was, en dan zou hij zijn best doen om mij te helpen om tot een oplossing te komen. Natuurlijk volgde hier een zeer vrije omgang op, al naarmate de gelegenheid zich voordeed, en veel dat mij nieuw was en belangrijkfc en van groote waarde, werd op die wijze verkregen. Evenwel, niet langen tijd daarna, toen ik hem om licht vroeg omtrent een moeilijk vraagstuk, dat iu mijn geest was opgekomen, verwonderde hij mij door te zeggen;
»5Iijii zoon, laat mij u raden om, wanneer gij wijsheid begeert omtrent eenige belangrijke zaak, n te koeron tot do Groote Bron van Wijsheid, God, on hot aan Hem over te laten ze u te zenden door wien Hij wil. G-ij zijt gewoon geworden mij aan te roepen, en daardoor brengt gij een geestelijk rapport mot mij tot stand, waardoor anderen buitengesloten word •n. Xiu er zijn menigten van geesten in deze sfeer, die veel wijzer zijn dan ik, in vergelijking van wie ik slechts oen kind in het verstand ben. Het is beter j?een personen aan te roepen, maar uw geest in zuivere begeerte voor den Oneindige te openen, en het antwoord zal u gezonden worden door het kanaal, dat het meest geschikt is om u te helpenquot;.
Deze raadgeving kwam mij voor zoo uitnemend wijs en juist te zijn, dat ik er mij sedert dien tijd doorgaans aan gehouden heb, en de uitkomsten zijn dan ook zeer bevredigend geweest. Zelden worden persoonlijke geesten tot ecnig doel
lil
aangeroepen, ofschoon minder gevorderde vrienden dikwijls verzoeken dat dit geschieden moge, en slechts zelden heeft er een geschikte gelegenheid van rust en afzondering plaats zonder dat een of meerdere van deze hemelsche bezoekers hun tegenwoordigheid bekend maken en eenige belangstellende, liefdevolle of leerzame mededeeling, eenige gave van geestelijk licht, of eenige versterking van lichamelijke kracht of gezondheid, overeenkomstig de behoeften van hot oogenblik, komen aanbrengen.
De bovengenuemde ontsluiting van de geestelijke zintuigen, helderziendheid en helderhoorendheid bij mijne vrouw, is gepaard gegaan met de ontwikkeling van een scherp waarnemingsvermogen, of macht om de aura's of atmosfeeren vim verschillende personen, geesten zoowel als stervelingen, te onderscheidtn, waardoor een onmiddellijke eu innerlijke bekendheid met hun wezenlijke hoedanigheden en karakters werd verkregen (psychometrie). Dit schijnt een voldoend beveili^ingsmiddel te wezen tegen de nadering of listigen invloed van verkeerd gezinde of van bedriegelijke geesten, zich voorgevende te zijn wat zij niet zijn. De bezoekers waarvan ik spreek, worden niet altijd gezien, aangezien het vermogen van helderzien niet altijd in werking is, maar zij worden altijd gevoeld, en op deze wijze wordt hun aard altijd bekend. Oude vrienden en bekenden worden natuurlijk gemakkelijk herkend, en zijn dikwijls onze bezoekers. Vreemden geven somtijds hun namen, en somtijds een schets van hun levensgeschiedenis, als er naar gevraagd wordt, en langs dezen weg hebben wij menige belangwekkende verrassing ontvangen; maar meestentijds wordt geen naam gegeven, of wordt hij, wanneer er naar gevraagd wordt, geweigerd, omdat, gelijk de bode zegt, zijn last volkomen onpersoonlijk en officieel is, en hij komt iu gehoorzaamheid aan een gezag boven hem, en om dat zijn boodschap haar eigen bew ijs van geloofwaardigheid moet medebrengen.
2(1
De onderwerpen van deze boodschappen en samen sprekingen zijn eindeloos verschillend, en er eenigszins naar waarde een overzicht van te geven, zou boekdeelen vereischen. Onze bezoekers schijnen een intieme bekendheid te hebben met al onze belangen en zelfs met onze gedachten. Zij betoenen een liefderijke en waakzame belangstelling in onze lichamelijke gezondheid, dikwijls middelen aanwijzend om ze te bewaren, of geneesmiddelen om ze te herstellen, en brengen vaak een dadelijk genezende kracht mede met bewust onmiddellijk goed gevolg. Zij hebben ons de werkelijkheid geleerd van de »gave der gezondmakingquot;, gelijk die vroeger werd uitgeoefend, zij hebben ons de redelijke uitlegging er van gegeven en ons in talrijke voorbeelden geleerd die met goed gevolg te beoefenen. Zij hebben ons bewaard voor dreigende gevaren. Bij eene gelegenheid hebben ze ons leven gered door ons te verhinderen om plaats te nemen in een stoomboot, waarop een vreeselijk ongeluk plaats vond, nl. dat zij die het vertrek, dat wij er in gehuurd hadden maar niet in bezit hadden genomen, verbrand zijn. Somtijds geven zij ons ongevraagd goeden raad betreffende stoffelijke belangen. En ofschoon, om redenen die hier niet volkomen kunnen uit een gezet worden, wij het noch verstandig noch veilig achten om den raad van de geesten te vragen en op te volgen in dingen die niet tot hun eigen sfeer behooren, is toch vrijwillig geschonken raad, komende van een klaarblijkelijk goedgezinde en verstandige bron, waard om ter harte genomen te worden. Zij hebben ons, we! is waar, niet bewaard voor a 1 de smarten en beproevingen van het leven, en waarschijnlijk is het ook het best dat zij zulks niet doen, aangezien de tucht des lijdens zonder twijfel voor een groot deel liet doel dezes levens uitmaakt. Maar hunne diensten hebben zelfs de donkerste ondervindingen verhelderd door het licht van hoop en vertrouwen in de Eeuwige Goedheid, welker onkreukbare
21
trouw op overtuio-encle wijze wordt betoond en op redelijken grond geloofwaardig wordt gemaakt door deze bedieningen van engelen.
Maar de voornaamste sfeer van de ons door ben bewezen diensten is de zedelijke, godsdienstige en geestelijke, in den besten zin des woords. Zij hebben zich het ernstigst betooml in het bevorderen van onze persoonlijke verbetering, van een oprecht karakter, ran het overwinnen van al onze fouten, in het opwekken tot het edelste en het beste, en in het in praktijk brengen in de maatschappij van die hooge beginsels en drijfveeren, rechtvaardigheid en broederlijke liefde, die alleen onze wereld znllen verlossen van hare overvloeiende ellenden en »het koningrijk der hemelenquot; op aarde brengen. Vooral hebben zij den aard en de waarde duidelijk gemaakt van de ^inspiratie , zoowel als van andere sgeestelijke gavenquot; van de vroegere tijden. Maar over dit belangrijk gedeelte van het onderwerp kan hier niet langer worden uitgeweid. Laat het genoeg zijn om te zeggen, dat onze geestelijke onderwijzers ons er niet toe gebracht hebben om (zoo als sommige zoogenaamde Spiritisten geneigd schijnen te doen) allen godsdienst, noch ook dien vorm van godsdienst bekend als het Christendom, te verwerpen, maar integendeel dat zij ons geholpen hebben om tot een veel hooger besef te komen van wat de godsdienst is in zijn wezen, om te zien wat van waarde en blijvend is in alle godsdiensten — en om veel dieper zin te erkennen in de woorden en in het leven van den Christus van Judea dan de kerk ooit heeft verklaard — en dien de spottende wereld zeker niet zal ontdekken.
Ik had gehoopt nit mijn aanteekeningsboek eenige voorbeelden te geven van de eenvoudige en praktische, zachte en geheiligde lessen, van dag tot dag nit deze bron ontvangen, maar de ruimte laat het mij niet toe. Noch ook kan ik anders dan slechts zinspelen op de algemeene levens- en we-
rddbeschomving, welke deze ondevwijzei'S voor ons ontsloten hebben en die in alle opzichten even redelijk is als waarlijk geestelijk. Laat mij slechts dit zeggen, dat zij nimmer trachten te lieerschen ot' te regeeren, maar dat zij iemands verstandelijke en zedelijke vrijheid ten volle eerbiedigen, /ij wekken op tot nadenken, zij sporen aan tot ondezoek, en zoeken te onderwijzen, te verlichten, en op te heffen.
In al deze openbaringen en bedieningen uit de hoogere wereld is niets ^bovennatuurlijksquot; in eenigen bedenkelijken zin van het woord. »NatuurIijkquot; (afgeleid van nat us) wil zeggen dat wat geboren i s. Indien de mensch waarlijk een geestelijk wezen is, dan is hij aldus geboren, en wordt hij in verloop van tijd geboren uit hot hinderlijke vleesch tot een geestelijker wijze van bestaan. Voorts, indien de liefde eenig deel uitmaakt van zijn geestelijk bestaan, moet hij natuurlijk en noodzakelijker wijze met belangstelling en zorg vervuld zijn met betrekking tot degenen die hij achtergelaten heeft, nog «worstelend in het aardsche slijkquot;, en zal hij trachten hun van dienst te zijn als hij kan. De dienst der engelen is aldus h o o g e r - natuurlijk, niet o n - natuurlijk, en in plaats van iets innerlijk onwaarschijnlijks en onmogelijks te zijn, iets om tot het uiterste te bestrijden en tegen te staan, zoo als een beroemd geleerde eens zeide: »het laatste waaraan ik zou gelooven, zijn geestenquot;, is het iets gansch natuurlijks en redelijks en te verwachten in een heelal, waarin liefde eenig deel heeft en waarin een God, die liefde is, regeert.
Indien iemand meent dat het afdoet van den eerbied, dien wij aan het Opperwezen verschuldigd zijn. om de werkzaamheid te erkennen van tusschen God en ons staande wezens, die gebruikt worden om ons te leeren en goed te doen. dan moet men bedenken dat het juist het goede, of God in hen is, dat hen tut dien liefdedienst dringt. De Ou-
eindige Geest van het goede immers woont in alle Hem go-trouwe wezens, en het is door zijn persoonlijke werking dat Hij overal tegenwoordig is om te «willen en te doenquot;. Dit geeft een redelijke en verstaanbare, mij dunkt, de eenig redelijke en verstaanbare voorstelling van de Goddelijke Overal-omtegenwoordigheid en Voorzienigheid.
Terwijl mijn overtuigingen hoofdzakelijk gegrond zijn op feiten van de hierboven beschreven soort, plaats vindend in den rustigen kring van mijn eigen huisgezin, en door middel van iemand die nimmer eenige betaling er voor gekregen heeft, en dus ook geen de minste reden had om bedrog te plegen, gesteld dat bedrog mogelijk ware, wat ik in het minsteniet toestem, ben ik tegelijkertijd van nabij bekend met verschijnselen van allerlei andere soort, voortgebracht door talrijke andere personen, waarschijnlijk even vertrouwbaar, en. waardoor dezelfde algemeene waarheid op overvloedige wijze wordt bevestigd. Ik ben natuurlijk niet onbekend met de verschillende, vaak geleerde en in hooge mate vernuftige theo-riën, zoo van «wetenschappelijkequot; als van niet wetenschappelijke menschen, om op onderscheidene gronden deze feiten te verklaren of weg te redeneeren. Ik heb het mij tot een taak gesteld gedurende al deze aan gebeurtenissen zoo rijke jaren, om nauwkeurig op te teekenen en te overwegen al het belangrijke wat ingebracht werd tegen de overtuiging die zich aan mij opgedrongen heeft, maar ik ben genoodzaakt te zeggen, wel bewust van de volle beteekenis mijner woorden, dat geene ^verklaringquot;, die er van gegeven is, geen theorie van »auto-matische (onwillekeurige) of onbewuste hersemverkingquot;, van sziekeiijke of abnormale hersenaandoeningquot;, van «afgescheiden werking van de hersen-kwabbenquot;, van «hypnotische hallucinatiequot; (door bedwelming verkregen visioenen) «zelfmisleidingquot;, of wat niet al, voortgebracht van de ééne zijde, of van «zich vermommende en verleidende geestenquot;, «daemonenquot;. «astraal-
- 24 —
geestenquot;, enz. gelijk door anderen wordt voorgesteld, ook slechts eenigszins de zaak oplost. Hoe vernuftig of aanmatigend deze uitleggingen ook zijn mogen, of op hoe schijnbaar aannemelijke wijze zij de zaak ook mogen voorstellen, een enkele samenkomst met een van deze hemelsche bezoekers onder gunstige omstandigheden, is voldoende geweest om deze nietige redeneeringen weg te blazen en eiken twijfel, dien zij hebben mogen opgewekt, in het niet te doen verdwijnen. Het is verstandelijk onmogelijk om de werkelijke buiten het lichaam bestaande persoonlijkheid van deze geestelijke wezens in twijfel te trekken. En hen allen zonder onderscheid als bedriegers en boosdoeners of als half-bewuste, «elementairequot; (nog niet tot ontwikkeling gekomen) geesten te verwerpen, zou inderdaad niet anders zijn dan aan onze zedelijke natuur geweld plegen, in waarheid, niet anders dan »lasteren tegen den Heiligen Geestquot;.
Evenwel, het feit mag niet ontkend worden, bewezen gelijk het is door overvloedige ervaring, dat onwijze en verkeerde omgang met de onzichtbare wereld vol gevaren is. Lichtzinnigheid, onoprechtheid, of eenig slecht, hebzuchtig of zelfzuchtig doel, trekt, ten gevolge van de wet der geestelijke verwantschap, de tegenwoordigheid van soortgelijke wezens, met welke elke gemeenschap onnuttig is en gevaarlijk zijn kan. Gemeenschap met de geesten moet alleen gezocht worden met de hoogste en waardigste bedoelingen, en alleen in ernstige liefde tot het ware en goede. Maar over dit rijke onderwerp kan hier niet uitgeweid worden. Voor den wijze is een enkel woord voldoende.
Om te besluiten, uit het bovenstaande zal men gezien hebben dat ik een Spiritist ben, tengevolge van bewijzen, door mijzelven persoonlijk ondervonden, en wel zoo krachtige, dat al ware er niemand in de wereld die zoo iets geloofde, ik toch genoodzaakt zijn zou bij dit geloof te blijver. Maar het
feit, dat er millioenen van andere menschen zijn, in alle dee-len van de beschaafde wereld, en onder dezen sommige vaa de helderste hoofden en van de meest wetenschappelijke mannen die deze eeuw heeft voortgebracht, die binnen weinige jaren door soortgelijke bewijzen, door hen zeiven verkregen, wat de hoofdz-iak betreft, tot dezelfde overtuiging zijn gebracht, is zek.T niet in stmit ora mijn verzekerdheid te verzwakken.
Noch ook heeft het feit dat een Vereeniging van erkende mannen van wetM-vhap, handidende onder de bescherming van een achtingswaanli^f Hoogeschool, {''') en van welke mannen sommieren in bijzondere vakken van het onderzoek uitmunten — na eenige weinige verkeerd aangelegde pogingen met zekere betaalde mediums—pogingen, die vooral merkwaardig waren door wat er niet gebeurde — op deftige wijze hebben verkondigd dat zij niets ontdekt hebben dan bewijzen van misleiding; en bedrog, de allergeringste waarde in dit geval. Zelfs al werd het bewezen, dat alle mediums van beroep gewetenlooze bedriegers waren — wrat nauwlijks meer bewijsbaar schijnt dan dat menschen van elk ander beroep even onbetrouwbaar zijn — zou zulk een feit niets hoegenaamd wegnemen van de in deze bladzijden uitgesproken overtuigingen.
E. NEWTON.