-â
L
STUDIÃN,
01' HET GEIUEÃ VAN
Menschkunde, Godsbegrip en Zedenkunde
r â â ' \
ccn Vijf-cii-;evcnfigj a rigc. Kfe,--quot;'!
;ri â¢
BREDA
P. B. N I E UWtKNHUIS, 1889.
jStudicn.
1. De oneindige ruimte niet cle stoffelijke voorwerpen, die zij bevat, wordt Heelal geheeten, of Cosmos, sieraad, doelende op zijne stralende pracht.
2. De grootendeels hypothetische wetenschap van de vormverandering der doelen en van hot ontstaan van den ons bekenden toestand van het Heelal wordt Cosnioyenie genoemd.
3. Cosmoloyie heet de kennis van het Heelal, van don vorm zijner deolen en van de wetten hunner beweging.
4. Het Heelal is oneindig en eeuwig, heeft begin noch einde in ruimte en tijd; zoowel onwaarneembaar als ondenkbaar zijn zijne grenzen.
5. Eene schepping van het Heelal uit het niet is, zoo al denkbaar, in strijd met de als natuurwet erkende onveranderlijkheid der stof, en aan de voorstelling van de schepping naar eene bijbellegende kan alleen eene, zij het ook hooge, dichterlijke waarde worden toegekend.
⢠G. De oorspronkelijke, onvergankelijke, eeuwig werkzame kracht, die de doelen van het Heelal in werking en tegenwerking houdt, wordt Natuur genoemd; ze is, als de openbaring van het ontstaan en bestaan, het wijsgeerig beginsel van het godsbegrip, volgens 't welk de natuur
4
afhankelijk is van een haar naar willekeur beheerschende, hoogere bovennatuurlijke macht.
7. Kracht is al wat beweging wekt of wijzigt; Stof of Materie is al wat zich beweegt; beide zijn onafscheidelijk verbonden; zij worden gekend uit de natuurverschijnselen, die verklaard worden geacht zoo zij tot beweging, hoe samengesteld ook, zijn teruggebracht.
8. In de onwrikbare opeenvolging en wederzijdsche bepaling der verschijnselen spiegelt zich, als Natuurwet, de aard van kracht en stof af.
9. De kennis der natuurwetten is het doel der Xa-tuurwetenschap; de verklaring der verschijnselen, door die wetten, hare werkzaamheid, waarneming en proefneming zijn hare methode; afleiding, deductie, van het onbekende uit het bekende hare leidende gedachte.
10. In alzijdige, enge aansluiting tot de natuurwetenschap, tracht de wijsbegeerte licht te verspreiden over den aard en het doel van al het bestaande.
11. Eene hoogere openbaring der natuur is het leven, eigen aan dier en plant, gekenmerkt door de stofwisseling, waardoor ze zich van de levenlooze voorwerpen onderscheiden.
12. Stofuisseling is een samengesteld proces, dat het, na stofverlies gestoorde, voor het leven noodzakelijke, schommelende evenwicht herstelt, door opname en omzet--ting van andere stotfen.
13. Het is de taak van de hioloyie, levensleer, de wetten na te sporen, die de verschijnselen van het leven
5
beheerschen; de verbanuing uit haar gebied van eene afzonderlijke levenskracht, door de erkening van de geldigheid der krachten en wetten van de levenlooze voorwerpen voor de levende, is het eigenlijke wezen van haar bestaan en geeft haar het recht den overgang van levenloos tot levend (generatio spontanea), alleen in de toekomst ontraadseld, te verwachten.
14 Tot vervulling der door de stofwisseling gestelde levensvoorwaarden en onder haren invloed ontstonden, naar de natuurwet, de arbeidsdeeling, door differentiatie-werktuigen of onjanvn, het kenmerk der lichamen, dieren en planten, wier deelen met elkander in noodzakelijken samenhang zijn.
15. ZintuKjen zijn de organen van niet-vegatieven aard, door welke de buitenwereld met het enkel-organisme, het individu, in betrekking treedt; de door hen ontvangen prikkels worden in de hersenen als indrukken opgenomen en door dit orgaan, op niet gekende wijze, in bewuste voorstellingen omgezet.
1(3. Het nog weinig verklaard samenstel der in wisselwerking en ontwikkeling begrepen bewuste voorstellingen en onbewuste indrukken of gevoelens wordt onderscheiden als ijeest of ziel van het lichaam, met zijne vegetatieve (voeding, ademhaling) en animale verrichtingen (beweging en voortplanting).
17. Lichaam en ziel, die zich te samen ontwikkelen, te samen leven, elkander wederkeerig bepalen, te samen sterven, zijn afzonderlijk onbestaanbaar; men noemt ze geassocieerd; zelfs acht men, naar de localisatieleer, de verschillende eigenschappen en verrichtingen der ziel gebonden aan bepaalde deelen der hersenen.
6
18. De organische wezens zijn, in den loop van eene langdurige tijdruimte, door langzame verandering en overerving ontstaan uit enkele oorspronkelijke vormen, gelijk dit wordt aangetoond in de evolutieleer, ingeleid door Goethe en Lamarck (180!)).
19. Het Darwinisme (1859) gaf aan de evolutieleer, nu tot descendentieleer geworden, nieuwe kracht, door de natuurlijke teeltkeus, dat is het ondergaan van ongeschikte, het voortbestaan van de aan de omstandigheden passende organismen, als de mechanische oorzaak van de soortverandering en afstamming, ook tot den mensch uitgebreid, aan te wijzen.
20. De ontwikkeling der organische wereld wordt slechts wetenschappelijk verklaard door de hypothese der descendentie- of afstammingsleer, terwijl alle andere hypothesen den stempel dragen van het wonderengeloof en dus zonder wetenschappelijk karakter zijn.
21. Als hoogste openbaring der Natuur kent men de dieren, wezens met bewustzijn, aan welker spits zich de Mensch bevindt.
22. Uit de hoogere dieren ontstaan en van deze onderscheiden door eene ver voortgezette ontwikkeling der zintuigen, als waarnemende organen, en der hersenen, als gewaarwordend orgaan, met het daaraan verbonden bezit van geestelijke eigenschappen, voert de Mensch heerschappij over al het levende.
2;-{. Werd, door de vergelijkende studie van mensch en dier, 's menschen onbekende afkomst, in den zin der des-
7
cendentie, ontdekt, zoo geeft de paleonthologie, dat is de kennis der fossielen, in verband met de geologie, ons antwoord op de vraag naar den ouderdom van het menschelijk geslacht, welke, met terugwijzing van den zesduizendjarigen leeftijd naar het nevelachtig gebied der mythen, bij honderdduizenden van jaren moet worden geschat.
24. De leer van 's menschen wezen, van de wetten van zijn bestaan en van zijne lichamelijke en geestelijke verrichtingen heet anthropologie, welke, als psycholoyie (natuurleer van den inensch), de eigenschappen van het vegetatief-animale lichaam, de voorwaarden van instandhouding en voortplanting, tot onderwerp heeft, en, nXspsycholoyie (zielenleer van den mensch), in verband met de leer van hersenen en zintuigen, de geestelijke eigenschappen van den mensch onderzoekt (empirische psychologie) en tracht te verklaren (speculatieve psychologie).
25. In het dierlijk organisme heerscht een kracht, yeed genaamd, die den eigeaaardigen drang naar ontwikkeling bepaalt en waardoor de mensch geraakt tot bewustzijn van zijne eigenaardige persoonlijkheid en van het vermogen om zijne handelingen naar eigen inzicht te bepalen, zelfbewustzijn.
26. De geestelijke eigenschappen van den mensch, dat is de eigenschappen der ziel of de functiën der hersenen, in verband met die der zintuigen, zijn: a. de Geiraanror-diny, dat is het ontstaan van indrukken, door de prikkeling der aan de actie van de buitenwereld blootgestelde zintuigen; h. de ruontfelliii /. dat is het als begrip tot het bewustzijn komen van den inhoud der indrukken; c. deher-In.'iering, het geheugen, dat is het vermogen om ontvangen indrukken en voorstellingen vast te houden en weder in het bewustzijn terug te roepen; d. de iri/, dat is het ontstaan van terugwerking op gewekte voorstellingen, in bewust
8
bepaalde volgorde, de aanstoot tot iedere handeling; e. de verheeldiiKj, fantasie, dat is liet vermogen om voorstellingen, gedachten en combinatiën des geestes, ook al zijn ze niet zinnelijk waargenomen, in zinnelijk waarneembare beelden voor te stellen.
27. Als de hoogste functie van den menschelijken geest kennen wij het verstand of oordeel, welks werkzaamheid is liet denken, dat is, door het vergelijken van voorstellingen, eene nieuwe voorstelling, gedachte, scheppen. De wetten van dit proces zijn neergelegd in do Logica, de kennis van het zuivere denken.
28. Het min of meer standvastige complex van 'smen-schen geestelijke eigenschappen, kenbaar uit den aard van zijne meeningen en handelingen ten opzichte van zichzelven en van zijne medemenschen op zedelijk gebied, zijne beslistheid in het handelen, de blijvende richting van den wil ten goede noemt men het karakter van den mensch. Karaktervastheid en karakterloosheid zijn de polen, tusschen welke een karakter, voor den invloed van veelvuldige ervaring vatbaar, zich behoort te bewegen.
29. De eigenschappen en verrichtingen van den mensch onderstellen zekere voorwaarden, wier vervulling noodzakelijk is voor zijn voortbestaan; deze eischen van liet bestaan kent men als behoeften.
30. De behoeften, in hare verschillende nuanceeringen, komen, als begeerte, tot het bewustzijn; zij zijn, door het streven naar overeenstemming van voorstelling en gevoel, dat is bevrediging, de prikkels tot zelfbewust leven.
31. De meest overheerschende behoeften van den mensch worden samengevat als honger en liefde; de drang naar hunne
9
bevrediging, aan welke liet echter den mensch onmogelijk is weerstand te bieden, is instinctmatig.
32. De leidende kracht in bet organische wezen, de in gevoelsuitingen zich openbarende natuurlijke aandrang tot voldoening en bevrediging van zijne begeerten, de grond van zijn handelen zonder bewustzijn en wil, heet instii'd; ze is, als geestelijk, het zuiverst kenbaar in de scheppingsaandrift van den kunstenaar.
;53. Hartstocht is de, aan den invloed van rede en oordeel zich onttrekkende, geweldige drang tot handelen, een gevolg van sommige overheerschende, sterk ontwikkelde eigenschappen en behoeften; algemeen is die der sexueele liefde.
34. De voldoening aan eene behoefte, de bevrediging van eene begeerte, wekt liet gevoel van h(*t; het tijdelijk ontbreken van begeerten, dat van ri'rzalt;Hlt;jinj; het uitblijven der bevrediging dat van leed.
35. De hoogste lust ondervindt de mensch als irellunf, bij de bevreding der geslachtelijke behoeften; de wellust heft tijdelijk het bewustzijn van al het andere op.
36. Gelid- is, nis de toestand van bevrediging van alle of van eenige overheerschende begeerten, 's menschen hoogste levensdoel ; ⢠do moraal stelt zich ten doel het zoeken van het geluk door ontwikkeling der geestelijke vermogens.
37. De (feestelijke Mioefteu van den mensch zijn ontwikkeling en leiding door onderwijs, aanschouwing en oefening, door gedachtenwisseling, kunst en studie.
38. Beoefening van logica en wiskunde scherpt het meest
10
liet verstand; de wil wordt door licliamelijke oefening liet krachtigst ontplooid en eene rationeele oefening der zintuigen ontwikkelt gewaarwording en voorstelling.
39. Het geheel van tallooze geestelijke behoeften, die, nog niet als begeerte volkomen tot het bewustzijn gebracht en, gemengd mot als aandoeningen en gevoelens gekende vage voorstellingen, desniettemin leiden tot bepaalde handelingen, wordt gemoed geheeten.
40. De ontwikkeling van 's menschen lichamelijke en geestelijke eigenschappen worden beheersclit door wetten van overerving, gewoonte en oefening.
41. De mensch gaat met zijne natuurgenooten velerlei verbintenis aan, hoofdzakelijk beheersclit door het sexueel instinct, den kinderlijken staat, de bloedverwantschap, liet gezellig instinct en het gemeenschappelijk belang.
42. Op het sexueel instinct berust liet JunceUjk; de kinderlijke staat leidt tot de vorming van liet gezin; de bloedverwantschap vlecht den fam'tUeband; het ' gezellig instinct en liet gemeenschappelijk belang nopen tot samenleving in stam en iiKiatschappij.
43. Liefde, het meest menschelijke in al wat mensch heet, het kapitale verschijnsel in elk gemoedsleven, vindt, met zinnelijkheid als doorgangspunt, de hoogste uiting in de ineensmelting van begeerten, in het grootsche samenleven, dat slechts geluk vindt in dat van den geliefde.
44. Voorwaarden tot liefde van eenigen duur zijn: overeenstemming en wederkeerige aanvulling van geestelijke eigenschappen, zoowel voortspruitende uit liet karak-
11
ter als uit de uitwendige omstandigheden (maatschappelijke positie) der beide individuen.
45. Gedragen door geslachtelijke liefde, is het Huwelijk, als yereeniging van man en vrouw tot een leven van innige gemeenschap met elkander, de verhevenste en meest gewenschte vorm van geluk.
46. Gevoel van eigenwaarde, gepaard aan behoorlijke zelfkennis, dwingt .tot eene keuze van man en vrouw, die nu, in hunne vereeniging, den hoogsten vorm van liet huwelijk, als monoyaniie, bevestigen, een toestand, die, als product van beschaving, het lot der vrouw aanzienlijk verbeterende, haar verhief van slavin tot gezellin des mans.
47. De monogamie ontwikkelde zich in historischen gang uit de polygamie, een toestand in Oostersche landen inheemsch, welke, zelfs bij aanwezigheid van veelzijdige edeler neiging, voert tot gebrekkige karakterontwikkeling en, door prikkeling dor zinnelijkheid, schadelijk is aan lichaam eu geest.
48. Niettegenstaande het huwelijk eene vereeniging is van het hoogste belang en de vereischten daarvan zijn overeenstemming van liet echtpaar van gevoel en begeerten, gelijkheid der echtelingen in intellectueele ontwikkeling, gezindheden, levensbeschouwing en maatschappelijke positie, bij genoegzame menschenkennis, wordt het meestal zonder inachtneming van die vereischten, aangegaan.
49. Het huwelijk is, bij liet ontstaan van voor zijne instandhouding belemmerende verhoudingen, meestal het gevolg van gebrek aan overeenstemming der echtelingen, krachtens de persoonlijke vrijheid der verbintenis, voor ontbinding, echtscheiding, vatbaar; aanvankelijk onbelem-
12
merd, ondervond ecliter de echtscheiding, tot voorkoming van de vele mishrniken, waartoe zij aanleiding kan geven, den invloed van liet geestelijk gezag en verklaart de Eoomsche Kerk het door haar bekrachtigd huwelijk onontbindbaar. De Protestantsche Kerk deelt die zienswijze, uitgenomen enkele bijzondere omstandigheden, terwijl ook de burgerlijke wetgeving bezwaren in den weg legt aan de echtscheiding, waartoe, vooral met het oog op de in het huwelijk geboren kinderen, niet dan na rijp beraad mag worden overgegaan.
50. De kinderlijke staat eischt, door de onvoltooide ontwikkeling van den zuigeling, de moederlijke zorg; de bloedverwantschap brengt de opvoeding der kinderen aan de ouders; het recht over de uitoefening der ouderlijke macht behoort aan den staat, tot bescherming der natuurlijke rechten van het zwakke individu.
51. De zwaarst te vervullen taak der opvoeding is de verklaring en beteugeling der ontwakende geslachtsdrift, vooral met het oog op de latere verhouding tusschen man en vrouw; eene ten dezen opzichte veelvuldig voorkomende valsche schaamte sticht veel onheil.
52. Het gezin is, in zijne uitbreiding als familie, de grondvorm der maatschappelijke samenleving, de beste school Aroor de harmonische ontwikkeling en vorming van het. karakter en voor hot verkrijgen van de noodzakelijke men-schenkennis.
53. De wetenschap van de inrichting, de samenstelling, den vorm, de ontwikkeling en de verbetering van den toestand der maatschappelijke samenleving, heet xucioloyir, leer der samenleving.
54. Tot vervulling der levensvoorwaarden, noouig tot
13
een ongestoord volksbestaan en tot voldoening aan llcha-melijke en geestelijke behoeften, laat de mensch tegenover zijnen natuurgenoot gelden een eiscli van eerbied voor elk belang, dat in overeenstemming is met de algemeene harmonie, recht geheeten.
55. Het criterium, het kenmerk der juistheid, de toetssteen van het recht, is hel goede, dat, in overeenstemming met en voldoende aan 's m: nschen zinnelijke, geestelijke en maatschappelijke behoefte, het gevolg er van is.
56. Het dingen van allen naai' recht tot leven voor ieder doet den strijd om het bestaan ontbranden; in ruimeren zin omvat deze âstruggle for lifequot; ook de arbeidzame pogingen tot beheersching en benuttiging van de buiten de menschen gegeven levensvoorwaarden.
57. De strijd om het bestaan, meedoogenloos gevoerd, zet den mensch aan tot steeds verhoogde inspanning; daardoor en door den ondergang der zwakkeren komen de enkelen en allen tot hoogere ontwikkeling.
58. De strijd om het bestaan, gevoerd tegen de dooide natuur gestelde beperkende en nadeelige omstandigheden, Avekte het streven naar kennis, gegrond op de ervaring, dat alleen deze tot beschaving leiden kan.
50. Vermeerdering van kennis, ontwikkeling van wetenschap en uitbreiding van hare toepassing op het praktisch leven zijn het kenmerk van voortschrijdende beschaving, die echter niet denkbaar is zonder verscherping van den strijd om het bestaan.
GO. De ervaring leert, dat eene hoogere beschaving, aan minder ontwikkelden kunstmatig opgedrongen, lum onder-
14
gang bewerkt; het verdwijnen van het Amerikaansch men-schenras en de nadeelige invloed der zending geven hiervan het overtuigend en droevig bewijs.
61. Gevolg van vroegere overheersching, willekeur, ongelijkheid van krachten, met name miskenning van den evenmensch, door eene slechte regeling van den individueelen arbeid, hebben de armoede uitgebreid en hare ellende verscherpt.
62. Gelijk het individu tegenover de massa zijn recht doet gelden, zoo legt de massa aan het individu den plicht op, te voldoen aan de begeerten en behoeften van hem en de zijnen, op eene wijze, die anderen niet belemmert, naar bet eeuwenoude voorschrift: âwat gij niet wilt, dat u geschiedt, doet dat ook aan een ander niet.quot;
63. Het vermogen van den mensch, om zijne handelingen te toetsen aan het, bij inspanning van al zijne krachten, door hem bereikbare, en zijne gedragingen jegens zijne medemenschen te beoordeel en naar hun standpunt van recht, noemt men het yeweten.
64. De werkzaamheid van het oordeelend geweten ligt in 's menschen gevoel van eenheid met zijne natuurgenooten.
65. De ervaring van voordeel en nadeel, den onont-wikkelden natuurmensch gebracht door de hem omgevende natuurverschijnselen, wekte in hem het gevoel van afhankelijkheid jegens die natuurmachten, en noopte hem dat tot vreezen en om genade smeeken eenerzijds, danken en hulp vragen anderzijds, en ontstond daaruit de oudste natuur-vereering, natuurdienst.
15
66. Als de machten in de natuur, aan welke de grootste invloed op 's menschen voor- en tegenspoed moest worden toegekend, werden, van af den oudsten tijd, zon, maan en sterren beschouwd en geëerd; als de kern van alle mythologiën der meer ontwikkelde heidenen, hield de eere-dienst der hemellichamen, tiabeisme gelieeten, zich in ge-wijzigden vorm langen tijd staande.
67. Aan het vuur, als den gevreesden verwoester, is door alle onbeschaatde volken eer gebracht (pyrolatrie); de nog heden ten dage in enkele landen der beschaafde wereld ontstoken paaschvuren zijn overblijfselen van den oud-Ger-maanschen vuurdienst.
68. Door de onderscheiding van de voorwerpen in levende en levenlooze kwam de mensch tot de voorstelling van een yeest, die, onzichtbaar en ontastbaar, de verborgen oorzaak en kracht was der dingen en ging men zelfs zoo ver, van aan tc nemen, dat, door het eten van die voorwerpen, de eigenschappen van de in dezelve gestelde geesten konden overgaan in of invloed uitoefenen op den gebruiker en werd het voorwerp fetis, toovermiddel, het geloof Fetlschisme gelieeten.
69. Bij de aanneming van het aanwezig zijn in de voorwerpen van een geest, door welke alles werd te weeg gebracht en verkregen kon worden, sloeg men over tot het geloof, dat door die voorwerpen bescherming, hulp en redding konden aangebracht worden, werden aan die voorwerpen menschelijke eigenschappen toegekend (aidhropomorphisme) en werd vervolgens aan dezelve, onder den naam van (joden, in den vorm van beelden (idolatrie), vereering toegekend. De vereering van die vele goden heet jMlyfheisme.
70. Uit de veelheid der tot nu toe gekende goden en
16
op grond van den strijd, die, uit linnnen aard voortvloeiende, tnsschen hen werd gevoerd, nam de mensch, gedreven door een zucht naar eenheid en geleid door het besef der noodzakelijkheid van een niachtigste onder allen, het bestaan aan van een eenigen almachtigen, in de natuur als Opperbouw-hoer zich openbarenden, god (inonotheisme).
71. De kennis van god woj-dt door de geloovigen, als godsleer, tot in de kleinste bijzonderlieden, doginatisch op het praktisch leven in gezin en samenleving toegepast en wordt de eenige almagtige god gesteld onzichtbaar, alomtegenwoordig, alwetend te zijn, te heerschen over al het geschapene en den grond van zijn bestaan in zichzelven te hebben, desniettemin met persoonlijkheid en alle mensche-lijke eigenschappen in zich vereenigende, den mensch go-biedende te leven naar zijne voorschril'ten, door eene bovennatuurlijke openbaring hem bekendgemaakt, en te beloonen met eene eeuwige zaligheid, in zijne naaste omgeving, en te straffen met eene eeuw ige pijniging, na den licliamo-lijken dood.
72. Bij de aanneming in het veelgodendom, dat de hoogere geesten eene wereld bewoonden, algescheiden van die der menschen, achtte men tusschenpersonen, ghuiumaim, geestenzieners, profeten, noodig, die op hunne Avijze de smee-kingen der menschen vertolkten en de gezindheid der geesten bekend maakten.
73. Later werden zij, die, door hunne geheele toewijding aan de kennis en vereering van god, reeds op aarde zijn gunst mogten verwerven, alsbemiddelaars tusschen God en de menschen, gesteld; hun steeds aangroeiend getal zonderde zich als priesterkaste, geestelijkheid, af, en oefende deze, zoowel krachtens hare gestelde goddelijke roeping als door hare voorspiegeling van hemel en hel, groote, veeltijds onbeperkte macht uit.
17
74. Het onderzoek in zake de gwlheid en de goddelijke ding-en, de leer aangaande god, wordt theologie geheeten; ze bestaat uit kerkgeschiedenis, die een deel is van de geschiedenis der beschaving; uit kerkrecht, tot het gebied der rechtsgeleerdheid behoorende; uit bijbelleer en bijbel-uitlegkunde, die behooren tot de Hebreeuwsche en Griek-sche litteratuur; uit dogmatiek, die de leer is van de stellingen der kerken en secten, en uit pastoraal, die ten doel heeft het africhten tot het beroep van godsdienstleeraren.
75. De theologie berust niet op wetenschap; ze laat bovennatuurlijke krachten, alleen in de verbeelding bestaande, ingrijpen in den natuurlijken loop der dingen. I)e meeniiig, dat er ecne wetenschap van cn leer over de godheid bestaat of mogelijk is, begint hoe langer zoo meer tot het verledene te behooren, en wat men voorheen theologie noemde of nog met dat woord aanduidt, heeft zich gesplitst eensdeels in letterkundige en geschiedkundige, anderdeels in zielkundige en zedenkundige studiën.
76. Het godsgeloof wordt opgevat als theïsme, dat is het geloof aan een persoonlijken god, schepper en regeerder der wereld; als deïsme, dat is het geloof aan god, niet als menschvormig wezen, maar als oorzaak der wereld, als grond der dingen, en als pantheïsme, dat is het geloof, aan natuurstudie ontleend, dat het goddelijk wezen de ziel is van de wereld, dat god is het eenige wezen, door zichzelven bestaande, waarvan al het bezielde en onbezielde verschillende openbaringen zijn.
77. Het godsgeloof en de godsvereering zijn gegrond op de aanneming van een dogma, leerstelsel, dat min of meer ongerijmd, verbonden is met een zedenleer, die meer of minder zuiver is, â met een cultus, uiterlijken eeredienst, waarvan de opvatting, hoorbaar en zichtbaar gemaakt, binnen het bereik der zinnelijke waarnemingen wordt gebracht,
18
en niet een clerus, tot verkondiging van liet dogma; alle, welke deelen voor den geloovige eene onomstootbare eenheid vormen, tot bevrediging van zijn gemoed, zijn verstand, zijn sclioonheidsziu, zijne begeerten en zijne vermogens.
78. Aan liet geloof in het godsbestaan en aan de vereering van god wordt de naam van yodsdienst gegeven, als begrip van zelfovergave aan het machtige en verhevene. Het woord godsdienst sluit echter in zich een ongerijmd denkbeeld, dat namelijk aan liet almachtig wezen, god genaamd, dat geen hulp kan behoeven, diensten zouden kunnen bewezen worden.
79. Aan het begrip van godsdienst wordt gelijkgesteld dat van religie, dat is de door het geloof gevormde ideale band tusschen het menschdom en de godheid.
80. De religie heeft het ontstaan gegeven aan het kerk-genootschappelijk leven, gegrond op de meening, dat de zedelijke waarheid in de kerk, eene omschrijving in het bijzonder van do vereeniging der Christenen, is bewaard en dat slechts in do kerk bevrediging is te vinden van de behoefte aan hoogere geestelijke ontwikkeling eu van de begeerte naar het meerder niensch worden en volkomenheid van het gemoedsleven.
81. De christelijke religie, in Eoomsch en Protestantsch kerkgenootschap onderscheiden, is de meest heerschende van de beschaafde wereld. Door de prediking van liefde onder de menschen, als kinderen van ééncn vader, de maatstaf voor onderlinge verhouding, is het Christendom, door hoogen luister omgeven, veelvuldig echter verduisterd door dweeperij en eenen tot haat overslaanden hartstocht, bij verschil in eigen boezem.
82. De christelijke eeredienst, gelijk die door de kerk
19
van Rome wordt geleerd, is een product van geleidelijke ontwikkeling van den zonnedienst en bevat overblijfselen van Fetischisme, in de leer der transsubstantiatie, van Shammanisme, in de leer van een onfeilbaren paus, en van Idolatrie, in het aanbidden van wonderdoende heilige beelden.
83. Van onberekenbaren invloed is de kork van Rome op het karakter van persoon en samenleving, vooral te verklaren uit de voortreffelijke organisatie van hare geestelijkheid, uit de kracht, die door biecht en huisbezoek ontleend wordt aan de uitgebreide kennis van de velerlei behoeften en begeerten der menschen, maar overal wegens den invloed van hare poesie op het dagelijksch leven vereenzelvigd met de half-goden der Eoomsche mythologie en zonder te denken aan dogma's, maar steeds geloovende, leeft de Eoomsche met de heiligen en gaat hij met deze om.
84. De vooruitgang der wetenschap ondermijnt steeds meer den invloed der dogma's van het geloof op de samenleving en op de beoordeeling van goed en kwaad, door de erkenning van de cauMilifrit, oorzakelijkheid, als eenige almacht, slechts door ervaring in hare uitingen te kennen, en van de humaniteit, als eenig doel van het menschelijk leven, afgescheiden van alle hoop op een onsterfelijk voortbestaan.
85. De kerk ontleent hare grootste kracht aan de on-nadenkendheid der massa en de onwetendheid der geloovigen.
80. Het AtlieiKine, de ontkenning van ieder godsbestuur, dat naar willekeur ingrijpt in het lot der menschen, ligt op den weg der wetenschap; slechts in de wijsbegeerte is plaats voor het onschuldig jKinthekuie, dat de geheele natuur slechts ésne openbaring van liet wezen god noemt.
87. Het wetenschappelijk onderzoek, volgens vaste re-
20
gelen of methoden, naar den grond en liet doel, den regel en den samenhang der zoowel zinnelijk-waarneembare als bovenzinnelijke dingen is weggelegd in de wijsbegeerte, die onderscheiden wordt m de oudere en nieuwere. De oudere is die van Plato, geb. 429 v. Chr., gegrond op Int idee der godheid, en die van Ar is to tel es, geb. 384 v. Chr., gegrond op de wetenschap der ervaring en uitgaande van het onderzoek der natuur. De nieuwere is die van Da co, geb. 1561, en zijne volgelingen Hobbes,geb. 1588; Locke, geb. 1 (i32; Vo 11aire, geb. 1 (gt;94, van Descartes, geb. 159(5, en zijne volgelingen Bossuet, geb. 1G27; Spinoza, geb. 1632; Fenelon, geb. 1651, die, met verwerping van het gezag der kerk, de wijsbegeerte onafhankelijk stelden van de theologie.
88. Onafhankelijk van de kerk, bestaat, met vertakkingen over de geheele wereld, eene vereeniging van mannen, van verschillende rangen, geloofsbegrippen en standen, die, dooiden baud der liefde zich aan de menschheid verbonden gevoelende en niet een geloof eischende maar een zelfstandig onderzoek om tot het meest positieve weten te komen en iedereen vrijlatende ten aanzien van zijn geloof, de zedelijke reinheid van den mensch tot ideaal heeft eu zich ten doel stelt de veredeling en het geluk van den mensch, door het beoefenen der zedenkunde en het aankweeken van maatschappelijke deugden: (/r BdikI ntn \'rijjiicf*elarcit.
8Ã. De meest belangrijke kennis voor den mensch is die van het leven, waartoe te geraken is door ervaring, waarneming, onderzoek en oordeel.
90. Het oordeel omtrent de beteekenis en het doel van het menschelijk leven en omtrent zijne plaats te midden van, zijne betrekking tot al het overig bestaande, noemt men
21
levensbesclwuiritKj, die de redelijke grond behoort te zijn van 's nienschen besluiten en handelingen in het praktisch leven.
91. Men kent drieërlei levensbeschouwing, in nauw verband met de mate van 's menschen verstandelijke ontwikkeling: de theologische, de metaphymche en de positieve.
92. De theologische levensbeschouwing,'de oudste en meest gezaghebbende en steunende op goddelijke openbaring aangaande den oorsprong en liet wezen der dingen, stelt den mensch onder het gezag van een godsbestuur en zijn geluk afhankelijk van het gehoorzamen aan goddelijke en kerkelijke wetten.
93. De metaphysische of bovennatuurlijke levensbeschouwing. zich plaatsende boven de ervaring of wel deze aanvullende, zoekt eene verklaring van den oorsprong, het wezen en het doel der dingen door liet logisch onderzoek der rede. De uitkomsten van dit onderzoek zijn zeer uiteenloopend en hebben nimmer de massa des volks bevredigd.
94. De positieve levensbeschouwing, de nieuwste en hoogst ontwikkelde, door August le Comtegegrondvest,vraagt niet naar het doel van het leven, maar bepaalt zich tot de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek; door haren praktischen zin is eene groote populariteit haar verzekerd.
95. Tot eene juiste levensbeschouwing wordt ver-eischt eerstens geestelijke zelfstandigheid, dat is liet zien uit eigen oogen, het spreken uit eigen bewustheid, welke zelfstandigheid veeltijds wordt bemoeilijkt door de opvoeding, die men genoten heeft en waarbij aan den geest eene richting is medegedeeld, die op verstand en gemoed een overwegenden invloed uitoefent, en ten andere levenservaring, dat is de som van de indrukken,
22
door liet leven, met al wat het in elk opzicht biedt, in het gemoed achtergelaten.
9(5. In do levensbeschouwing neemt liet gehik, dat men zoekt, dat is de vreugd van datgene te bezitten, waarnaar men gewenscht heeft, eene voorname plaats in.
S)7. Aan de vestiging van het gezin werd al aanstonds in de kindschheid der menschheid, verbonden de aanneming van gewoonten, als levensregeling, door de leden van het gezin in acht te nemen en op te volgen, en kwam die levensregeling, naar omstandigheden gewijzigd en uitgebreid, ook van toepassing op de samenleving.
98. De als goed aangenomen regelingen van verhoudingen en betrekkingen der menschen onderling noemt men zedm; de samenvatting dier regelingen heet zedenleer, moraal; de kennis en studie dier regelingen vormen het wezen der zedenkunde; de inachtneming van hetgeen als goed is erkend wordt zedelijkheid geheeten.
99. Het besef van 's menschen eenheid met allen; het begrip, dat niemand slechts voor zichzelven, voor zijne familie, voor zijn volk leeft, maar dat allen elkander toebe-hooren; de erkende solidariteit der soort, dat is de tusschen de menschen bestaande wederkeerige verantwoordelijkheid, die een grondtrek van het menschelijk bewustzijn vormt en tot de organische drijfveeren zijner daden behoort, is de bron van de moraal.
100. Yoor dat de mensch gedachte had van wetenschap of wijsbegeerte werd het oordeel over goed en kwaad overgelaten aan de openbare meening, aan welke men ieder individu onderworpen achtte. Uit die openbare meening.
23
zijn gewoonten aangenomen en regelen vastgesteld met strafbepalingen tegen derzei ver overtreders, welke regelen, Keffen genoemd, daarstelden de positieve moraal, waaruit wederom het posifieve recht is gevormd.
101. Het fundamenteel beginsel van de moraal is dat van het recht en het goede, dat, den mensch van nature eigen, afhankelijk is van den graad zijner ontwikkeling en meer volkomen wordt naarmate van de toeneming in beschaving, en zijn al de bepalingen der moraal afhankelijk van dat beginsel.
102; Gegrond op de sociale betrekking der menschen onderling, vindt de moraal haren grootsten steun in de openhure meeniny, die als 't ware de spiegel is van het geestelijk leven van een volk.
103. Het ideaal van de moraal is de waardigheid, het geluk en de verbroedering der menschheid en de vermindering van hare ellende.
104. De moraal is afhankelijk van de wijze, waarop de mensch zich zelf beschouwt ten opzichte van het hem omringende en is zij, als zoodanig, een onderdeel van zijne wijsbegeerte. Ofschoon niet afhankelijk van, noch in tegenspraak of in strijd met do geloofsleer, ondervond zij, in den loop van den geestelijken vooruitgang der menschheid, den invloed der zich uit elkander ontwikkelende geloofsbegrippen en wijsgeerige stelsels.
105. De zedenleer heeft tot onderwerp den aard van goed en kwaad, bereikbaar door eene ontleding van het geweten (theoretische moraal), krachtens welks uitspraak, zij den mensch, in zijne verschillende omstandigheden, een plicht voorschrijft (praktische moraal).
106. De opvatting van goed en kwaad is gegrond op
24
liet begrip eener betrekking tot iets of iemand op een gevoel van iets, dat aangenaam is of onaangenaam, en bestaat goed en kwaad slechts door de betrekking der zaken en hunne verhouding tot een bevredigd of onbevredigd bewustzijn, dat geheel afhankelijk is van 's menschen intellectu-eele en aesthetische vorming. Goed wordt geacht dat, wat, algemeen toegepast, het menschdom in gunstige omstandigheden zou brengen; /.-iraad wat, algemeen toegepast, het leven der soort zou bedreigen of bemoeielijken.
107. Deuyd is 'smenschen voortdurend beheerschende wil en kracht ten goede, de gewoonte van het goede.
108. Plicht is de inwonende noodzakelijke verhouding van den subjectieven wil van den mensch tot de wet, den vorm der handelingen ten goede voorschrijvende.
109. Deugd onderstelt eene zedelijke kracht, die eigen begeerte, strijdig met het moraal ideaal onderdrukt en uenharts-tocht beheerscht, en een zedelijken moed, die zich verzet tegen den dwang der massa, bij groot verschil van zedelijk besef.
110. De meest grootsche niting van zedelijken moed is het martelaarschap uit overtuiging, waarbij het individu geluk en leven opoffert voor hetgeen zijn geest als waar, zijn geweten als goed erkent. Naast het martelaarschap staat de zelfopoffering uit liefde.
111 Het hoofdbeginsel van 's menschen handelingen, allen levenden schepselen aangeboren, uitgaande van het Ik en terugkeerende tot het Ik, en gegrond op den drang tot leven en de zuclit naar zelfbehoud, is het eigenbelang, dat zich vertoont als eene krachtige ontwikkeling van het individu.
25
112. Door eene zedelijke opvoeding wordt liet eigenbelang veredeld tot liefde jegens den naaste, die zich oplost in de zorg voor en de toewijding aan anderen.
113. Een welbegrepen eigenbelang is noodzakelijk voor den goeden gang der maatschappij; het egoisnie daarentegen, dat zich niet a£.n den medemensch of aan de menschheid verbonden acht, dat onverschillig is voor de hoogere belangen der menschheid, verstoort het ware evenwicht der wereld, belemmert den ontwikkelingsgang der menschheid en ontneemt den menschengeest alle idealen, waarvan hij moet leven.
114. Onmisbaar voor 'smenschen zedelijkheid is het gevoel van eigenwaarde en is eigen vorming en ontwikkeling de eerste voorwaarde om iets voor de vorming en ontwikkeling der samenleving te kunnen doen.
115. De machtigste hefboom van 'smenschen zedelijke volkomenheid is de zelfkennis, dut is do juiste schatting van eigen krachten, die voor teleurstelling behoedt, en het volle besef van eigen halfheden en gebreken, die aanmatiging buitensluit; zonder de kracht tot zelfbeheersching en zelfontwikkeling mist zij echter haar doel. Van haar is afhankelijk de vorming van het karakter, de keuze van de levenstaak, de deugdelijkheid van opvoeding, anderen te geven, de opvatting van 's levens kwellingen, de levendigheid van moed, de bekrooning van alle pogen.
HG. 's Menschen handelingen moeten gegrond zijn op de wetenschap, dat alle menschen door de natuur dezelfde rechten op het leven hebben en aan dezelfde teleurstellingen onderworpen zijn; dat alle menschen, tot instandhouding van hun leven, elkander uoodig hebben; dat ze in staat zijn wederkeerig macht over elkander uit te oefenen, en
26
dat liet einddoel van alle handelingen moet zijn elkanders geluk te bevorderen.
117. Het hoogste voorschrift in de zedenleer is dat alle menschen, zonder onderscheid van geloofsbegrip, zich in den omgang met elkander moeten erkennen en dat men anderen moet behandelen zooals men zou wonschen zelf behandeld te worden.
118. De zedenleer is niet afhankelijk van godsbegrip; ze is gegrond op wetenschap, terwijl het godsbegrip gegrond is op geloof, eu volgt hieruit dat er geen .Toodsche, Mahomedaansche of Christelijke zedenleer is, maar slechts ééne, die van allen.
119. 's Menschen hoogste zedelijke kracht is de wil, dat is het vermogen om voorstellingen, gedachten en de daaruit voortvloeiende handelingen, in vooruit bepaalde opvolging, te doen plaats grijpen; hij is echter van vele invloeden afhankelijk.
120. De zedelijke waarde der handelingen ligt niet in de handeling zelve, maar in den wil, waarmede ze volbracht is, in het motief der handeling.
121. Het besef van gemeenschap tusschen alle menschen, het uit ervaring en waarneming afgeleid beginsel, volgens 'tAvelk ieder individu slechts beteekenis heeft als eeneva-rieteit in de ontwikkelingsreeks der menschheid, stelt daar het begrip van Ihmaniteif.
122. De Humaniteit, die in den vorm een uitvloeisel is van de positieve levensbeschouwing, schrijft den mensch broederliefde en erkenning der eischen van anderen als plicht voor.
27
123. In naam der Humaniteit, onderwerpt de deugdzame mensch eigen belang en eigen genot aan dat van de samenleving, en spant hij al zijne krachten in tot verhooging van beschaving, vermeerdering van kennis en verheffing van den algemeenen geluksstaat.
124. Het stelsel, dat ten doel heeft door maatschappelijke samenwerking de verhoudingen der burgers van den Staat, op den grondslag van het recht, inzonderheid met het oog op den toestand der lagere klassen, te regelen, heet socialisme.
125. De vraag naar de meest doelmatige wijze van aanwending en toepassing der krachten, die de maatschappij, vooral met het oog op eene doelmatige verhouding tusschen de vruchten van arbeid en kapitaal, bewegen en voortstuwen, en welke vraag het eerst in 1870, door de uitroeping der Commune te Parijs, onder de leus van sociale vervorming, aan de orde is gekomen, wordt sociale kvestie geheeten.
12(j. De sociale kwestien zullen, als nimmer uitgeput en zich altijd vernieuwende, nooit op te lossen zijn.
127. De bewering van recht van onderhoud voor hem, die dat door zijnen arbeid niet kan verwerven, is in strijd met de wet zoowel van de natuur, die zelve in haar onderhoud voorziet, als van de rede, die zegt, dat men niet een gezin kan aanleggen, zonder het te kunnen onderhouden.
128. Terwijl de moraal haren grond en grootsten steun vindt in de openbare meening, is de hoogte van geestelijke ontwikkeling van een volk te kennen aan de openbare meening; zij toch belieerscht de Staatswet, de openbare zedelijkheid, het gehalte der voortbrengselen van kunst en wetenschap, de eischen, die aan handel en nijverheid wor-
28
den gesteld en neemt zij toe in juistheid, naarmate zij wint aan algemeenheid.
129. Als orgaan en vertolking van de openbare meening, oefent de pers in de moderne beschaving van beteekenisvolle werkzaamheid uit en geeft zij aan de maatschappij meer karakter, dan al liare wonderbare technische uitvindingen.