.
fa' zamp;yz yj/, j.
De taak des Evangeliepredikers,
INTREEREDE
VAN
P. VAN DER VEEN.
Uitgesproken in de Ev. Luth. Oude Kerk te Amsterdam, den 3den Juli 1892.
LEID EN,
A. H. ADRIAN1. 1892.
Gezongen liederen:
48 vs. 1 en 3.
160 , 1 â 3.
235 â 2.
9.
Mijne Hoorders,
âDaar zijn in 't leven van die vriendelijke dagen,
âDie ons de koude borst verwarmen door hun gloed,quot;
zogt de dichter. En tot zoodanige dagen rekent hij dau o. a. tlie, wanneer de geest met erkentelijkheid en liefde in het verleden terug en hoopvol en opgewekt naar do toekomst vooruitblikt.
Zulk een zonnige dag nu, Zustoren en Broederen, zulk een dag van terug- en vooruitzien, van herinnering en hope, kwam thans voor mij. Bij monde der meerderheid uwer ofticieele vertegenwoordigers hebt gij mij waardig gekeurd de in uw midden open gevallen predikantsplaats te vervullen. Kan het anders of dit blijk van vertrouwen wordt hoog, zeer hoog door mij gewaardeerd; en zulks te meer nu do
Gemeente, welke mij beriep, is de meest uitgebreide van ons Kerkgenootschap, en gevestigd te Amsterdam: onze aloude en beminde hoofdstad !
Amsterdam. â Ziet, dezen naam heb ik slechts uit te spreken en terstond doemen voor mij op mijn jeugd, mijn knapenleeftijd, mijn jongelingsjaren, welke alle ik hier mocht doorbrengen! En niet waar ? die beide eerste jarentientallen van ons leven, hoe rijk â vooral op afstand gezien â hoe rijk zijn zij aan lust en aan licht, aan zon en aan zegen! Van alles dan ook, wat een mensch vergeet, vergeet hij het laatst de periode zijner jonkheid. Mij mede ontschoot ze niet. En was zij geenszins enkel rozengeur en maneschijn, zooveel bloemen toch en zooveel glans had zij wel, dat steeds met dankbare ingenomenheid ik aan haar terugdenk, en dat zij mij Amsterdam voor goed onvergetelijk heeft gemaakt.
En nu â dank uwer roepstem! â ben na lange afwezigheid ik ter vaderstede, nog altoos het woonoord mijner beminde moeder, teruggekeerd. Wat ik ternauwernood durfde hopen is daadzakelijke werkelijkheid geworden: Amsterdam zal mij weder tot woonplaats zijn; te Amsterdam zal ik het heerlijk ambt, dat ik de eer heb te bekleeden, mogen bedienen.
Wat dunkt U, is wel vreemd dat hoog in den boezem het hart mij klopt; en dat ik dezen 3t,en Juli onder de
5
hoogtijdsdagen van injjii loven een plaats heb toegekend ? . ...
Of' evenwel deze vriendelijke dag niet ook zijn weemoeds-toneu heeft? Of' niet in mijn ziel ook sombere snaren trillen? Hoe ware het tegendeel mogelijk!.... Immers, moet niet als vanzelf' de huidige oogenblik mij, zoowel als U, hem herinneren, tot wriens werk ik sta in te gaan, en die in de rij uwer voorgangers jaren lang zulk een eervolle plaats innam? Eerbiedigen wij natuurlijk de redenen, welke den ijverlgen Böhringer hebben genoopt zijn arbeid hier neder te leggen, dit belet niet dat thans met verdubbelden nadruk zich aan ons opdringt, hoeveel gij in hem verloort en hoeveel ik TJ zal te vergoeden hebben.
Voorts, wat meer uitsluitend mijzelf' betreft, hoe bij mogelijkheid zou ik mijn nieuwe taak in uw midden kunnen aanvaarden, zonder eerst â zij het dan ook maar vluchtig â nog eens naar de pas afgebrokene omgezien te hebben! Al is de weg, waarlangs men treedt, nog zoo schoon, en het doel, waarnaar men voortschrijdt, nog zoo aantrekkelijk; zonder pijn verlaat men oude, diere plekken, ontknoopt men hechte, teedere banden niet.
Niemand dan ook zal mij euvel duiden dat thans, onder herboren schrijnend scheidingswee, ik Leiden gedenke: Leiden, welks Luthersche Gemeente ik ruim zes jaren
6
mocht dienen, en waar ik zoovele trouwe harten, zoovele eerlijke zielen, zooveel medewerking, zooveel sympathie, zooveel vriendschap, zooveel liefde vond. Neen, rozen zonder doornen, wel zonder woe, had men ook daar niet. Desondanks evenwel heb ik er in menig opzicht hoogst gelukkige jaren gesleten. En ik weet dat vele geestverwanten daar dezen oogenblik in gedachten hier zullen zijn; gelijk ik niet kan nalaten op den dorpel van mijn nieuwen werkkring althans met een enkel woord de verklaring af te leggen, dat ik Leiden wel verliet, doch nimmer vergeet.
Maar genoeg. Niet langer terug, maar in overeenstemming met den eisch van liet heden, vooruit zij het oog gericht! Wat zullen wij â gij en ik â wederzijds aan elkander hebben? Zal de ons bindende band misschien aanstonds een zwaar hangende boei worden, of zullen wij tot in lengte van dagen met dankbare blijdschap op dit uur mogen terugzien ? . . ..
Zietdaar vragen, welke ieder, die belangstelt in liet welvaren dezer Gemeente, nu hoofd en hart vervullen!
liet rechte antwoord evenwel â â wie zal het geven! Immers, wat al verschillende omstandigheden niet kunnen in deze van invloed zijn!.... Daarom ons niet verdiept in ijdele bespiegelingen! Werken willen wij en wachten, loo-pen en hopen!
7
Opdat cvoiiwel gij tcu minste eenigerniate zult weten in welke richting ik wenseh te arbeiden, dunkt mjj niet ongepast bij dit ons eerste ontmoeten U in kennis te brengen niet wat mjj voorkomt het mandaat, de last van don gods-dienstleeraar te zijn. Laat mij vergund wezen hierbij voorop te stollen een woord, bewaard in het laatste Hoofdstuk van Marcus, nader: het vijftiende vers: âPredikt het Evangelie!quot;
Wij vragen, als thans minder aan de orde, nu niet: wanneer, naar luid van Marcus, Jezus aldus zal gesproken hebben; evenmin, of wel de echtheid van dit gedeelte dezes bijbelboeks boven alle bedenking verheven is. Wij plaatsen genoemd woord slechts voorop, dewijl het ons lijkt in korten greep voldoende aan te geven waartoe de voorganger der Gemeente is geroepen.
âPredikt het Evangelie!quot; â En daar rijst het mij voor den geest het bekoorlijk Galilea, zooals, vóór omtrent negentien eeuwen, het zich zal vertoond hebben niet zijn heerlijke natuur, met zijn dichte bevolking en mot zijn druk leven! Hier het bedrijvig Kapernaüm! Daar het heerlijk Gennesa-ret! Ginds het in het groen verscholen Chorazin! Voorts, daar zijn Bethsaïda en Magdala en Xazaret; daar is zij, die
8
gansche breedc rij van steden en dorpen, in bonte verscheidenheid als gestrooid langs de oevers van het meer, op de hellingen der heuvelen, en in de diepte der valleien!
âWelk een schoon land!quot;.... Ja; doch ook: hoe beklagenswaardig zijn toenmalige bewoners! . ...
Ge kent hun lot. Prat op zijn afkomst van Abraham en op zijn deel aan Israël, boog men niet dan onwillig onder het ijzeren Romeinsche juk, en zag met brandend verlangen uit naar de verschijning dier teekenen, welke de nadering der âToekomende eeuwquot; moesten aankondigen. Dan zou de Messias optreden; en met zijn komst een tijdvak aanbreken van vrijheid en blijheid, van recht en gerechtigheid, van heil voor Jacobs zonen, van wee voor Rome's knechten. Thans echter was het zoover nog niet: men wachtte en men zuchtte nog.
En naast dezen last,' waaronder men als Rome's onderdanen gebukt ging, welk een overstelpende vracht van door de Rabbi's nog dagelijks vermeerderde wetsbepalingen! Wat een kruis, bijzonderlijk voor de groote menigte! Wie in staat al deze voorschriften te kennen en na te komen! Moest niet onvermijdelijk, telkens en telkens opnieuw, men zich verontreinigen! En onrein te wezen, wat anders was het dan verwerpelijk te zijn in het oog van Grod; verachtelijk in de schatting van de mannen der Wet; onbekwaam om aan het toekomstig heil deel te erlangen ?!....
9
Mot waar, wat ook ons bevreemde, wel niet dat deze in elk opzicht zwaar beladen schare met graagte het oor leende aan do blijde boodschap diens predikers, welke daar optrad met een âZalig de armen!quot; en âZalig die treuren!quot; Zy zalig!?.... En zij dringen zich om hem heen; en zij hangen aan zijn lippen, opdat de sleutel tot deze heilspellende, doch niet minder raadselvolle zegenspraak hun niet ontga.
En ja, al spoedig blijkt dat deze jonge, geestdriftige Na-zarener niet alleen woorden heeft, maar ook kracht: olie voor hun wondon, balsem voor hun striemen.
Hoe dor al vaak de wijsheid der wijzen, en hoe weg-sleepend schoon de vertellingen en gelij kenissen, waarin deze ongeletterde profeet ziju gedachten giet! Wat oen verschil tusschen het âRaak niet, smaak niet, roer niet aan!quot; van de bewakers der Wet, en zijn vrij en zelfstandig: âNiet wat den mond ingaat, verontreinigt den mensch.quot; Welk een afstand tusschen de eindeloos vermeerderde rustdagsbepalingen der schriftgeleerden, en zijn kort en bondig: âDe sabbat om den mensch, niet de mensch om don sabbat.quot;
Zal hij zijn hoorders een blik op do Godheid gunnen, dan â als anderen â verhaalt hij niet van Mirjam, wier aanmatiging met melaatschheid werd gestraft, of van Uzza, die zelfs een uit welwillendheid geboren vergrijp met den dood moest bekoopen, neen! maar dan vertelt hij van een gaardenier, die ook do aan vrucht arme boomen niet ver-
O 7
10
geet; dau spreekt hij van zeker koning, die het hem verschuldigde wist kwijt te schelden; dan herinnert hij aan een vader, die zelfs het wederspannig kind blijft gedenken, blijft liefhebben.
Ik bid ü, Mijne Toehoorders, was wel vreemd dat wie zoo dacht en dichtte zijne prediking âEvangeliequot;, âBlijde Boodschapquot; noemde? En kan wel verbazen dat de opgetogen menigte geestdriftig jubelde: âEen groot profeet is onder ons opgestaan, en God heeft zijn volk bezocht!quot;?
Wat de milde regen is voor het uitgedroogde land; wat het nieuwe licht is voor wie den langen poolnacht doorleefden; wat de nakende reddingboot is voor do in duizend vreezen worstelende schipbreukelingen; dit en nog meer was des Nazareners verlossende prediking voor zijne op allerhande wijzen bezwaarde volksgenooten. Het Evangelie bracht hij hun, d. w. z. vrijheid: vrijheid van vrees voor God, vrijheid van den dwang der quot;Wet. Het Evangelie bracht hij hun, d. w. z. blijdschap: blijdschap door het bewustzijn kinderen des Hemelschen Vaders, zustereu en broederen te zijn. Het Evangelie bracht hij hun, d. w. z. vroomheid: een lamp op het pad en een staf in de hand.
Of Jezus' Evangelie ook een Evangelie was! ....
Ach, ware het dit gebleven! Docli helaas! ... . Maai' onnoodig het bekende te herhalen. Ieder weet wat joodsche
11
en heidenscho invloeden, ook misverstand en heerschzucht, hier hebben gewrocht. De liefderijke Hemelvader werd onttroond en do wrekende God des Ouden Testaments andermaal ten eerezetel gesteld. Vrijheid week voor gebondenheid. In stede van de door den Meester gewekte blijdschap drongen Israëlietische vrees eu oostersche ascese wederom binnen. En voor do vrome gezindheid kwamen het goede werk en de rechtzinnige be 1 ijdeuis in de plaats.
Ai, hoe was het door Galilea's profeet ontstoken licht verbleekt; hoe het door hem verkondigd Evangelie ontzield en verkracht!....
Bij onwaarheid evenwel leeft op den duur de menseh niet. âAl ligt do waarheid in het graf; al wat haar drukt, dat moet er af.quot; Onze ziel â naar hot zinrijk woord van Tertullianus â is christinne van nature. Ontbrak het nooit ofte nimmer geheel aan wie Jezus' âBlijde Boodschapquot; wel verstonden en goed begrepen; vooral de laatste veertig jaren is de som hoog dergenen, die vrij en frank, wars van kerkelijke heerschzucht en dogmatische bandon, weder terug-koeren tot het oude, maar altoos nieuwe, tot het o zoo eenvoudige, doch tevens o zoo diepe Evangelie des Menschen-zoons. Hier wordt het âZalig! zalig!quot; weder vernomen. Hier is wederom plaats voor vrijheid en voor blijheid. Hier wordt vroomheid weder een lust, een heil, een zegen: het zout des levens. Hier i. e. w. is Jezus' Evangelie een Evangelie weer.
12
Dit Evangelie nu te prediken, ziedaar, Gemeente, wat mij dunkt do taak des godsdienstleeraars, wat mij schijnt ook mijn mandaat in uw midden te wezen!
âPredikt hot Evangelie!quot; â Maar is het eigenlijk geen dwaasheid dit woord te beschouwen als eenen ook ons nog geldenden last? Is inderdaad de tijd der Evangelieprediking niet lang voorbij?.... Velen, die hot meenen; hieronder ook ernstige mannen; en op de zoodanigen alleen en uitsluitend heb ik thans het oog.
âStaak tochquot; â zoo roepen dezen ons toe ââ âstaak toch uw ijdelo evangelieverkondiging! Laat toch de lessen der Geschiedenis niet nutteloos U in do ooren ruischen! Of' is misschien niet waar dit woord des dichters:
Uw naam is ecuwen lang geprezen,
Maar is uw heil'ge wil volbracht V Het licht scheen aan de kim verrezen,
Maar 't klaaglied ruiseht: ââNog heerscht de nacht.quot;quot;
âHoort ge wel: ââNog heerscht de nacht!quot;quot; â Maar ik bid U, wat ter wereld dan toch heeft die eeuwen heugende en hooggeloofde Evangelieprediking uitgewerkt? quot;Welke vrucht wierp zij af? Welken oogst deed zij binnenhalen? Wolken oogst?.... Zij heeft de mcnschen verdeeld en verbitterd. Zij heeft do hoofden verhit en de harten verkild. Zij heeft kerkers doen vullen en schavotten doen oprichten.
13
brandstapels doen vlammen en ooiiogsfakkels doen rooken. Kortom, zij heeft scheuring gebracht, twist gezaaid en broederbanden â neen, niet gelegd â maar geslecht. â Lees do jaarboeken van do historie der Christenheid! zie rond in de wereld, waarin ge leeft! en de oogen zullen U opengaan ; en uw nuttelooze prediking zult ge het zwijgen opleggen. â Wat dan ook onze tijd behoeft is ganseh iets anders. Wij hebben noodig meer gevoel vau verwantschap, meer wederzijdsche waardeering, meer eenvoud, moor nederigheid, meer helpende handen, meer warme harten, meer reddende zelfverloochening, meer alles dragende liefde. De kleine moet geheven, de zwakke gesteund, de gevallene gebeurd, de naakte gekleed, de hongerige gespijzigd worden. Zul niet door haar wanverhoudingen onze lijdende samen-loving ten gronde gaan, dan is hervorming gebiedend noodzakelijk. Daarom, laat varen uw tweedracht zaaiende Evangelieverkondiging, en sla met ons mede ter reformatie de hand aan den ploeg!quot; â â â
Aldus werpt men ons tegen. En wat zullen wij antwoorden? â â â
Wat anders dan dat die onderlinge waardeering, die wederzijdsche hulpvaardigheid, die warme liefde, welke men â en terecht â onmisbaar rekent, juist langs den weg der Evangelieprediking de menschen bereiken en de harten verwinnen moeten. Of dit Evangelie, verkondigt het niet
14
het algcmeene kindschap Gods? Leert het niet: âGij allen zijt broederen!quot;? Vermaant het niet; âEen nieuw gebod geef ik U dat gij elkander liefhebt!quot;? Verklaart hot niet: âIn het Christendom is Jood noch Griek, dienstknecht noch vrije, man noch vrouw, want in Christus Jezus zijt gij allen een.quot; ?
En niet zonder vrucht voorwaar. Immers, wat ook de annalen der christelijke wereld doen zien, zeker mede dat humaniteit grond heeft gewonnen; dat de broederkring is uitgebreid; dat der liefde heerschappij is toegenomen.
Maar wat dan toch lastert men alsof de prediking des Evangelies, in plaats van goed, kwaad zou gedaan hebben!... Zeker â in het voorgaande werd het mede door ons herinnerd â de zich noemende christelijke wereld wist helaas! en weet nog heden maar al te veel van hoogmoed en hardheid, van twist en verdeeldheid, van onverdraagzaamheid en ketterjacht. Doch, wat ik U bidden mag, schrijft toch niet op rekening van het Evangelie wat nergens anders thuis behoort dan op het schuldregister van hen, die dat Evangelie hebben ontadeld en verkracht! Wat goeds is er dat men niet ook misbruiken kan!... Welnu, op dezen regel maakt ook Jezus' âBlijde Boodschapquot; geen uitzondering.
Daarom, indien voor mij iets vast staat, dan wel dat do verkondiging van Gods Vaderliefde en der menschen broe-derschap: do prediking van âhot eeuwig Evangeliequot; nim-
15
#
mer verouderen zal, laat staan: nu reeds verouderd zou zijn. Zal ooit hot beter worden met onze terecht âkrankquot; geheeten samenleving; zal ooit sociale gerechtigheid, sociale liefde de huidige maatschappelijke wanverhoudingen doen verdwijnen; het kan alleen geschieden wanneer de geest des Evangelies, de geest des Menschenzoons, de geest van Christus in steeds meerdere harten woning maakt. Doch hoe zal dit kunnen, indien men van hem niet hoort? en hoe zal men van hem hooren indien hij niet wordt verkondigd ?. Derhalve, niet daar schuilt de fout dat het Evangelie wordt gepredikt, doch hier, dat â gevolg van misverstand, waanwijsheid en onverschilligheid â aan deze prediking te weinig het luisterend oor wordt geleend. Wat mij betreft, ik verwacht alle heil der toekomst van het oude, doch uiet minder altoos jonge Evangelie. Dit moet de harten vernieuwen; dit de handen ten arbeid zetten; dit do wereld hervormen.
âEn tochquot; â dus van andere zijde hoor ik mij tegemoet voeren â âen toch hoopt gij tevergeefs. Zeker, het Evangelie zal de wereld herscheppen; doch niet liet Evangelie zooals gij het opvat. Dit Evangelie is het Evangelie niet. Onder do aanraking uwer geestverwanten is het van zijn kern beroofd. liet hart heeft men het uitgesneden. Zijn zout heeft men het doen verliezen. Gijlieden â door ter-
*
IG
zjjdestelling van al liet bovennatuurlijke in Jezus' geschiedenis en daden â hebt onzen hoog verheven godsdienst naar omlaag getrokken: wat uit den Hemel homelsch was uit de aarde aardsch gemaakt. Vanhier de betreurenswaardige toestand, waarin wij verkeoren. Vanhier al die twisten en verdeeldheden. Vanhier dat do kerkgebouwen ledig blijven. Vanhier dat er worden gevonden in staat te meenen dat onze de-eeuwen-overlevende godsdienst zijn tijd zou gehad hebben. Daarom, wilt gij het Evangelie prediken â â wol U! Doch laat het het oude en lovende, niet het nieuwe en ontzielde zijn!quot; â â â
In dezer voege, Mijne Hoorders, wordt gesproken: ook â ik weet het â door niet weinige leden dezer Gemeente.
Het lust mij niet, ook do tijd zon ontbreken, thans in den breede het goed recht te verdedigen der richting, waarvan ik de eer heb een, zij het dan ook nederig, vertegenwoordiger te zijn. Ik kan nu eenmaal de zaken niet anders zien en niet anders verstaan dan rede en geweten mij haar doen zien en doen verstaan. Eu in deze overtuiging herhaal ik het woord uit den eersten Korintherbrief: âMij is het minst dat ik door u wordt geoordeeld, of door eenig men-schelijk oordeel; ja ook mijzelven oordeel ik niet, maar die mij oordeelt is de Heer.quot;
Dit evenwel moet mij van liet hart. Wie â tenzij de onbevoegde â kan iu ernst meenen dat wat voor en na
17
over Jezus' persoon en geschiedcuis werd gephilosopheerd en gedicht van liet Evangelie deel uitmaakt? â Weet ge waarom de historie der christelijke wereld een aaneenschakeling van verdeeldheden is? Weet ge waarom in den loop der eeuwen de prediking des Evangelies niet die vruchten heeft gedragen, welke â menschelijkenvijs gesproken â- zij deed verwachten? Weet ge waarom zoovelen Kerk en Christendom niet welgezind zijn?.... Dit alles word en wordt veroorzaakt juist doordat men het eenvoudig Evangelie als heeft verdronken in een zee van zoogenaamde ge-loofs- en heilswaarheden.
Daarom, naar. mijn innigste overtuiging, hebben niet zij het Evangelie ontadeld, die â teruggekeerd tot Jezus â het hebben ontdaan van al het wonderbaarlijk bijwerk, vroeger en later aangebracht. Zij juist hebben het in oere hersteld; zij juist getoond hoe diep maar tevens hoe klaar, hoe waarachtig-goddelijk, maar tevens hoe echt-menschelijk hot is.
En waar, Mijne Hoorders, ik als prediker des Evangelies tot U kom, daar zal, daar mag dit Evangelie geen ander zijn dan de zielvolle, verlossende, hervormende verkondiging der Blijde Boodschap, eenmaal door Galilea's heuvelen herhaald: der Blijde Boodschap van Grods Vaderliefde en der menschen broederschap.
âPredikt het Evangelie!quot; â Waar sprake is van predi-
18
kiug, daar vanzolf denkt men voor alles aan verkondiging door middel van hot woord. Duidelijk echter is dat niet slechts hot woord, maar ook de daad, ook het leven kunnen prediken. En tot deze prediking allereerst is ieder, die den naam christen draagt, met nadruk geroepen. Heel zijn wandel moot christelijk wezen. Onder voor- on tegenspoed, bij wel en woe, in de woning der rouwe als in het huis der maaltijden, moet zich openbaren wien hij tot Meester koos, welke beginselen hom sturen, van welken geest hij drager wil zijn. En zoo van éene dan van deze prediking is heil te verwachten: âleeringen wekken, doch voorbeelden trekken.quot; O verder, veel verder zouden wij zijn: meer gevorderd op de baan der godsdienstig-zedelijke ontwikkeling, dichter bij de geheiligde samenleving van het Koninkrijk Gods, ware â de eeuwen door â deze prediking met de d a a d maar wat minder veronachtzaamd! â â â
Waartoe elk christen is geroepen, dat zeker zal wel in de eerste plaats den voorgangers tot plicht zijn. Of nu, wat mij betreft, tot het nakomen van dezen eisch in al zijn omvang ik in staat zal wezen ? ... . Hoe meer onze jaren klimmen, hoe dieper wij doordrongen worden van het besef onzer zwakheid, en â dientengevolge â hoe spaarzamer wij zijn niet beloften. Derhalve, opdat geen teleurstelling volgo, ik voorzeg niets. Wat echter ik wel wil uitspreken met heel mijn hart en met allen nadruk?.... Dat van
19
ganscher ziele ik wensch te mogen zijn wat als mensch, als christen, als voorganger ik wezen moet. Geve God, dat bij het willen het kunnen, bij het tasten het grijpen niet ontbreke!
Alvorens deze mijn intreetoespraak als geëindigd te mogen beschouwen, rest mij eerst nog de aangename taak een woord van erkentelijkheid te richten tot U, Eerwaarde Hoeren, leden van den Grooten Kerkeraad. Door mij herwaarts te roepen, schonkt gij mij een blijk van vertrouwen, dat door mij op zeer hoogen prijs wordt geschat. Aanvaardt mijn diepgevoelden dank er voor, en neemt van mij aan de verzekering dat ik ernstig wil trachten uw geloof niet te beschamen! Wordt mijn wensch vervuld dan zult gij wat gij van mij verwacht ook in mij vinden.
Natuurlijk begrijp ik dat in een stad als deze do betrekking tussehen Kerkeraad en Predikanten, uit den aard der zaak, eene geheel andere moet wezen dan zulks in kleinere gemeenten het gevul is. Doch wat desniettemin ik hope?.... Dat ik onder U vele vrienden, vele geestverwanten, niet liet minst vele medearbeiders moge vinden. Zullen wij wel niet iu alles eensdenkend zijn, eensgezind toch kunnen wij wezen. Ten slotte immers bedoelen wij allen hetzelfde: het waarachtig heil der Gemeente, do bevordering van het Koninkrijk Gods. Letten wij dan veel op wat ons vereenigt, wei-
nig op wat ons verdeelt! on slaan wij, waar mogelijk, broederlijk de handen ineen! Eendracht maakt macht. Verdeeldheid baart zwakte.
Mede U mijn dank, hooggeachte ambtgenooton, met wie samen ik de belangen dezer Gemeente zal te behartigen hebben, voor de welwillendheid, waarmede gij allen â⢠allen zonder onderscheid â mij zijt tegemoet gekomen. Een eer en een voorrecht is het mij met U te mogen samenwerken. Dringend beveel ik mij in uw vriendschap aan. Onthoudt mij de voorlichting en de hulpe niet, welke in zoo menig geval ik zal behoeven!
Met name komt mijn dank U toe, waarde vriend Meiners, die, bereidvaardig als steeds, op mijn verzoek terstond gereed waart de leiding der plechtigheid van heden morgen op U te nemen en mij aan de Gemeente voor te stellen! Ontvang de betuiging mijner erkentelijkheid voor Uw hartelijke woorden, ook voor zoo menig ander blijk van vriendschap en hulpvaardigheid den laatsten tijd weder van U ondervonden! Mogen wij veel aan elkander hebben, veel voor elkander zijn!
Ook in uw belangstelling beveel ik mij aan. Hooggeleerde Hoeren, Professoren van ons Seminarium. Liggen wel onze arbeidsvelden ver uit elkaar: beweegt, natuurlijkerwijs, gij U meer op wetenschappelijk gebied, terwijl mijn werkzaamheden meer van practischen aard zijn, toch zullen
21
uw meerdere kennis en uw helderder blik menigmaal door mij te hulp geroepen worden. Zij het mij daarom vergund reeds nu mijzelf in uw welwillendheid te reeomman-deeren!
Onder de vele bewijzen van belangstelling, de laatste drie maanden mij geworden, waren niet do minst aangename die, welke van uwentwege mij bereikten, zeer geachte collega's, die, schoon niet in dezelfde Gemeente, toch in deze zelfde stad werkzaam zijt! Aanvaardt mijn dank voor uwe tegemoetkomende vriendelijkheid! Neemt als een der uwen mij in uw midden op! En moge, onder Gods zegen, ook mijn in zwakheid volbracht werk iets bijbrengen tot de zegepraal der ons allen dierbare zaak van godsdienst en deugd, van vroomheid en vrijheid!
Alzoo dan, Gemeente, aanvaard ik mijn arbeid in uw midden. Dat hij gezegend zij! Wat ik U hoop te brengen, heb ik gezegd. En hoe ik het zal brengen?.... Naar ik wensch, in waarheid en eenvoud. Ik verlang niet de som te vermeerderen dergenen, die in de eerste plaats erop uit zijn âmooiquot; te preeken. Doch wat ik wel wensch?.... Uit te spreken wat ik denk en wat ik gevoel, en zulks te doen zoo goed als ik het vermag.
Gij nu, van uwen kant, neemt mij aan: in elk geval, veroordeelt mij niet zonder mij te kennen! En voorzoover gij mijn geestverwanten zijt, betoont ü dit dan ook! Schenkt
22
mij uw belangstelling! Onthoudt mij uw medewerking niet! Niets afmattender, niets meer ontzenuwend dan waar zij, in wie men meende geestgenooten te mogen begroeten, ons alleen laten staan.
Zegene de TIemel onze verbintenis! En worde in uwe en in mijne herinnering deze dag immer meer een goede dag!
Bij A. H. Adiitant, te Leiden, verschijnt in g'oedkoo^e uitgaaf:
JEZUS VAN NAZARET
Historische ïloinan. van. PATJIj ADOR IJewcrkl door Ds. P. VAN DEK VEEN Tweede, herziene druk.
Prijs: Æ 2.40, geb. Æ 2.90.
âNatnurlyk dat er zijn â en niet alleen onder de orthodoxen â die er zich aan zullen ergeren en zullen roepen: âDaarheen gaat liet nu! Jezus een romanheld!quot; Maar zoo wordt niet geoordeeld door hen, die weten hoe juist door den historischen roman zooveel kennis, zooveel juist begrip wordt verspreid van zekeie tijdvakken of voorvallen uit de geschiedenis. En zoo mogen wij althans niet oordeelen over dezen r o m an, d i e o n t e g e n-z egge lijk uit ernst is geboren en niet uit een zeker streven om wat anderen heilig is te verlagen.
Ik voor mij heb by de lezing van dezen roman zooveel genoten, dat ik niet anders zon kunnen getuigen of bij dezen schrijver heeft voorgezeten hooge, heilige ernst. Het was er hem inderdaad om te doen, den profeet uit Nazaret te teekenen als hy moet geweest zijn ; hem te plaatsen in de lijst van zij11 tijd, opdat daardoor zou blijken hoe hy juist in en door dien t y d zoo geworden is.
Daar is veel in, waarover wij gaarne met den schrijver nog eens van gedachten zouden wisselen; veel ook, dat wij zeker op zijn plaats niet zoo zouden gezegd hebben; maar de algemeene indruk is bepaald gunstig, en wie het gelezen heeft, die kreeg zeker een in menig opzicht juist begrip van den toestand van het Joodsche volk en zyn godsdienst, maar vooral die heeft iets leeren begrijpen van wat er moet zyn omgegaan in het gemoed van den grooten Nazaroner, voor hij tot zijn arbeid zich aangordde, in ook terwijl hij daar zijn woord liet hooren, dat zoo gansch nieuw was. Er wordt eerbied voor hem in ons gewekt, eerbied voor dien eenvoudigen zoon des volks, zoo diep gevoelend, zoo lijn besnaard, zoo met zyn gansche hart zoekend naar vrede en gemoedsrust. En haast onzes ondanks wordt er machtige sympathie in ons gewekt voor hem wiens droevige tragedie ons hier wordt verhaald, van den aanvang af tot aan de sombere ontknooping op Golgotha. Ik wensch dezen roman in veler handen, bepaaldelijk van die âbeschaafdenquot;, die hiernaar nooit vragen en hiermede zich nooit bemoeien, omdat zy zich Jezus
niet anders kunnen voorstellen dan als de wonderdoende prediker, van wien de Evangeliën allerlei ongeloofelijke dingen vertellen, en daardoor niets weten van wat zijn eigenlijke kracht was; van die onverschilligen die niets van hem kennen dan dat gebrekkig en verwrongen beeld â wellicht dat Ador's arbeid hen overtuigt dat er toch reden is eerbied te gevoelen voor dien machtige.
Ondanks aanmerkingen en bedenkingen die zeker te maken zijn, heeft de lezing van dezen roman mij r ij k genot verschaft; toen ik cr eens mede begonnen was, hield ik ook niet op voor ik beide deelen had doorlezen; en omdat ik velen den zelfden goeden indruk toewensch, dien ik zelf daarvan ontving, daarom wensch ik dat boek in veler handen. Het Nederlandsch gewaad, waarin Van dek Veen den roman stak, laat dien goed uitkomen. Het is een vertaling in schoon en flink Hollandsch; er zijn zelfs zeer schoon gestileerde stukken in, en er is reden Van der Veen dank te zeggen dat liij dezen arbeid ter hand nam. Hij deed er een goed werk mee. De kennis van het Christendom en daardoor de zuivere waardeering kunnen er slechts door winnen.quot;
J. Herman ue Eiodeb Jr.
JUDAS
EEISTE :P A. S S I E lt;3-IE S Cf H I E ID E HST I S
VAA'
TOR T-IEDBERGr
Met toestemming van den Schrijver uit het Xiceedsch
DOOK
MARGARET HA A. S. ME IJl! OOM Prijs: Æ 1.90, geb. f 2.50.
â âJudasquot; is een schoon boek, een boek, dat gelezen moet worden, een boek, dat niet nalaten kan diepen indruk te maken op al wie een zin hebben voor wat waar is en schoon en goed; een boek, dat ons aangrijpt en niet meer loslaat; een stichtelijk boek eindelijk in den goeden zin des woords, bevattende eene onwillekeurige aanbeveling van en een eerbiedige hulde gebracht aan Jezus' persoon en geest.
Het zal niemand berouwen het te koopen, het te lezen en te herlezen. Het is het dubbel waard.quot;
Jb. van dek Ven.
A. IT. Adkiani to Leiden ziet mede liet licht
DE SCK ETDTNGSURE.
REDE
VAN
i'. VAN DEI! V E E gt;.
Uitgesproken den 26ston Juni 1892 in de E. L. Kerk te Leiden.
Prijs Cents.