ocr page 1

LEERREDE

/. ULjfc

uitgesproken den 26sten April 1891, in de Domkerk

te Utrecht

DOOR

D1'. J. J. P. YALEÏON Jr.

Hoogleeraar.

U T RECHT,

C. H. E. B RE IJ EK. 1891.

SiBLIOTHEEK DE!* RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

ocr page 2
ocr page 3

JEZUS CHRISTUS DE GEKRUISIGDE.

ocr page 4
ocr page 5

/. Zamp;y/ J77 .

Jezus Christus de Gekruisigde.

LEERREDE

uitgesproken den 26sten April 1891, in de Domkerk

te Utrecht

DOOR

Dr. J. J. P. VALETON Jr.

Hoogleeraar.

UTRECHT,

C. H. E. BREIJER. 1891.

BIBLIOTHEEK DEff

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT.

ocr page 6

TYP. ZÜID-HOLL. ROEK- EK HANDELSDRUKKERIJ.

ocr page 7

Gednrende 16 maanden moest ik mij met het oog op mijne (jesondheid er van onthouden in eene openbare Godsdienstoefening alhier voor de Gemeente op te treden. OoJc het ouderlingschap der Gemeente legde ik in dien tusscJientijd neer. Des te meer stel ik het voorrecht op prijs thans weder eene predikbeurt te hehhen kunnen 'waarnemen. Het was mijn wensch, tuat ik bij die gelegenheid sprak, aan vrienden, geestverwanten en leerlingen, ook huiten Utrecht, aan te bieden. Vandaar deze uitgave.

Geve God op het geschrevene, zoowel als op het gesprokene woord Zijnen zegen !

J. J. P. VALETON Jr.

Utrecht.

ocr page 8

Voorzang Psalm 103 ; 1.

Gelezen werd Efeze I : 3—14.

Na liet gebed werd gezongen Psalm 118 : 11.

Tusschenzang Gezang 44 : 1, 2.

Na de dankzegging werd gezongen Gezang 127 : 5.

ocr page 9

1 Corinthe II : 2.

w ant ik heh niet voorgenomen iets te weten onder ?/ dan Jezus Christus en dien (/ekruisü/d.

91uj ne cf'Coovdex.»,

v Ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus en dien gekruisigd.quot; In die woorden geeft Paulus aan de gemeente van Corinthe, wat men tegenwoordig zou noemen zijn yrograrnma.

Te Corinthe waren er, die voor alles vroegen naar loijsheid. Het waren de Grieken. En Paulus weet dat ia hunne oogen zijne prediking dwaasheid is. Anderen waren er, wien het te doen was om teekenen. Het waren de Joden. En Paulus weet dat voor hen die gekruisigde Jezus eene ergernis is. Maar noch door het een noch door het andere laat hij zich afbrengen van wat zich hem bewezen heeft te zijn de kracht Gods en de wijsheid Gods.

ocr page 10

Bovendien, in de gemeente van Corinthe waren er die zich noemden, de een naar Paulus, en de andere naar Apollos, en de derde naar Cefas. Is dan Christus, zoo vraagt hij, gedeeld? zijn er drie Christussen? of is Paulus voor u gekruist? of zijt gij in Paulus' naam of in dien van een ander b. v. van Apollos gedoopt? Immers niets van dat alles. De gemeente van Corinthe is eene Christelijke gemeente, d. i. eene gemeente van Christus; en daarom wil hij, die haar wenscht uit te breiden en op te houwen en verder te brengen in geloof en liefde en heiligmaking, onder haar ook niets anders weten dan wat de grond is van haar bestaan, hare kracht en haar leven, Jezus Christus en dien gekruisigd.

M. H. Wij leven in gansch andere tijden dan Paulus, en ik acht het niet noodig op dezen oogenblik a bezig te houden met wat in die dagen de geesten bewoog. In den strijd toen gestreden tusschen Heidendom, Jodendom, Christendom, is het laatste gebleken het sterkste te zijn. ïn den strijd tusschen wijsgeerige stelsels, Joodsche wetsprediking en het Evangelie van Christus heeft het laatste de zege behaald. Philosophiën zijn opgekomen en weder verzonken; Jeruzalem's tempel is in vlammen opgegaan, en aan het Joodsche volksbestaan is voor goed een einde gemaakt. Maar het kruis werd allerwege

ocr page 11

9

geplant , en nog staat het. Achttien eeuwen zijn voorbijgegaan, en nog is er eene zich steeds uitbreidende Gemeente, die roemt in het kruis. En tot die Gemeente behoort gij, behoor ik. Welnu, wat gij allen weet, ik wensch het u in deze ure nog eens te herinneren. Het is dit: Gemeente van Christus: wat u doet zijn wat gij in beginsel reeds zijt, maar altoos meer worden moet; wat u reden geeft van bestaan en u voor den ondergang waarborgt; wat u kan doen zijn tot een zout, tot een kracht, tot een licht in de wereld, nu nog even goed als in de dagen van Paulus; het is dit, dat gij staat, maar dan ook, dat gij u met altoos meer beslistheid stelt onder het programma van Paulus: „ik heb niet voorgenomen in de wereld iets te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigdquot;.

Ik zal niet treden in eene vergelijking tusschen onzen tijd en dien, waarin dit woord voor het eerst werd uitgesproken. Eén ding is zeker: de kring van menschelijke wetenschap en kennis heeft zich sinds dien tijd op inderdaad verbazingwekkende wijze uitgebreid. Vooral in den laatsten tijd was dat het geval. Verschillende gebieden, waarvan het bestaan nog niet lang geleden ter nauwernood werd ver-

ocr page 12

10

moed, hebben voor den wetenschappelijken onderzoeker hnnne geheimen ontsluierd. In wetenschappelijk opzicht stapelen met ongekende snelheid ontdekkingen zich op ontdekkingen; en de resultaten van wetenschappelijk onderzoek worden bij den dag in steeds ruimeren kring verbreid. De sterrenhemel boven ons, en de aarde onder onze voeten; het leven der natuur tot in hare geheimste schat-kameren, en dat der geschiedenis tot in het verste verleden; de wetten, die de stofwisseling beheer-schen, en die welke zijn op te merken in het maatschappelijk leven; het grootste en het kleinste; de verst verwijderde deelen der schepping, zoowel als de bestanddeelen van het eigene bloed; het is alles het voorwerp geworden van het onderzoek van den mensch. Men heeft geheel de schepping doorploegd; men heeft gevorscht en beproefd en gedacht; men heeft verbonden en weder gescheiden; men heeft alles en alles gewaagd. En nog is het terrein van onderzoek niet gesloten, en heeft de kennis des menschen haar hoogtepunt niet bereikt. Men gaat onvermoeid voort; grenzen schijnen niet te bestaan; het einde kan alleen het oneindige zijn.

En toch geeft dat alles den mensch geen zekerheid. Er is zeker nooit een tijd geweest, waarin men zooveel wist als tegenwoordig, maar wellicht ook nooit

ocr page 13

11

een tijd, waarin zooveel werd getwijfeld en waarin zooveel onzekerheid heerschte. Met ongehuichelde waarheidsliefde worden tegenwoordig op ieder gebied onderzoekingen ingesteld van wetenschappelijken aard; maar het is alsof in dezelfde mate, waarin deze vermeerderen, ook de stemmen luider en talrijker worden, die vragen, maar zonder ooit op een antwoord te wachten: „wat is waarheid? is er waarheid? wat is goed? is er goed?quot;

Onze tijd heeft wetenschap, maar er is niets wat haar zoozeer ontbreekt als yeloof. En toch zonder geloof is er geen zekerheid. Daarmee bedoel ik niet, dat wij onze zekerheid zouden hebben te zoeken bij de eene of andere geloofsleer, of dat wij om tot vastheid te komen onze toevlucht zouden hebben te nemen bij deze of gene voorstelling van wat men gewoonlijk noemt de „godsdienstige waarheidquot;. Maar dit bedoel ik, en ik geloof niet dat iemand het mij zal tegenspreken, dat om voor zichzelven eenigszins vast te staan in den maalstroom van meeningen, inzichten, voorstellingen, beschouwingen, die aan alle zijden rondom ons opbruisen, die elkander tegenspreken, en die toch allen invloed oefenen op ons leven en onze gedragingen, er beginselen noodig zijn, levensbeginselen. Eu beginselen zijn eene zaak des geloofs.

ocr page 14

12

Welnu, heeft het niet dikwijls den schijn alsof men inderdaad met „beginselenquot; afgedaan had? Hoe dikwijls krijgen wij den indruk, niet het minst helaas onder onze jonge menschen, alsof alles, wat men zou kunnen zeggen over de grondslagen van waarheid, zedelijkheid, recht eenvoudig „meeningquot; is, en niets anders dan „meeningquot;. En is niet de eene „meeningquot; de andere waard? Ik denk aan onze hedendaagsche letterkunde: als een boek maar boeiend geschreven is, als het de zinnen maar treft en maar aandoeningen wekt, wat vragen duizenden bij duizenden ook in onze omgeving dan naar de beginselen, die er in worden voorgestaan? Heeft het niet dikwijls den schijn, alsof men bij meerderheid van stemmen zou willen laten beslissen wat waar en wat recht is? En als dan straks de meerderheid zich verplaatst, welnu, dan is het ook weder goed. Hoe is alles losgewoeld, op huiselijk, op maatschappelük, om niet eenmaal te spreken van staatkundig en kerkelijk terrein! En dan niet het minst op het gebied van het persoonlijke leven. Wat is nog heilig? Zou er wel zoo iets zijn als „'persoonlijke. verantwoordelijkheid'''' ? Mag men eigenlijk nog wel spreken van „schuld'quot;? Maar is dan niet alles gevolg van omstandigheden, op zijn hoogst van geboorte en opvoeding?

ocr page 15

13

O M. H., men kan bij het bedenken van deze dingen soms huiveren. In welken tyd leven wij, brengen wij onze kinderen groot? Zie dat laatste vooral: onze kinderen. Wat zullen wij hun mede-geven? Ook zy zullen al deze dingen hebben door te maken en, wie twijfelt er aan? zij zullen daarbij ook weder dingen te voorschijn brengen, waaraan wij nog niet denken, en die meer nog dan de tegenwoordige getuigenis zullen afleggen van de macht van den menschelijken geest. Maar zullen zij aan dat alles iets hehbenl Zullen zij daarbij zichzelf niet verliezenWaar is op de groote levenszee, met hare hooggaande golven, bun, ons kompas^.

M. H. Laat ons over deze vraag de schouders niet ophalen, en niet zeggen, dat dat alles zich wel zal schikken, daar het er toch maar op aan komt veel te onderzoeken en veel te lueten. Men kan veel weten en toch nog lichamelijk en zedelijk te gronde gaan. Men kan kostbare paarlen opduiken uit de diepte der zee, en, ze thuis willende brengen, met zijn scheepke schipbreuk lijden op verborgene klippen. Men kan — maar waartoe meer? De electrische vonk, van zoo ontzaglijke beteekenis in den dienst der wetenschap, hoe vele rampen heeft zij niet ook reeds te weeg gebracht? Het dynamiet, dat dezen winter onze ijsdammen springen deed, hoe

ocr page 16

14

vele misdaden zijn er niet ook door gepleegd?

Onze tijd — gelijk trouwens alle tijden, die vóór ons geweest zijn, en die na ons zijn zullen -— heeft behoefte aan geloof, d. i. aan persoonlijke verzekerdheid, aan een beginsel dat eenheid geeft aan het leven, aan een draad, die wij vasthouden kunnen ieder persoonlijk, al is het ook. Goddank, elkander steunende en helpende en dragende, en waaraan wij veilig kunnen voorttreden, al gaat het dan ook door de branding heen.

Heerlijke roeping, die daarin voor de Gemeente van Jezus Christus weggelegd is! Zij belijdt; ik geloof. De Gemeente van Jezus Christus doet niet mede aan de onzekerheid, die overal heerscht. Wil dat zeggen, dat zij meent het antwoord te hebben op al de vragen van onzen onderzoekenden en twijfelenden tijd? of ook dat zij in koude zelfgenoegzaamheid aan die alle voorbijgaat, ze veroordeelende, zonder iets te gevoelen van den drang in het mensehelijk hart, die tot vragen en tot twijfelen noopt? Voorwaar, zoo is het niet. O het moge zoo zijn, dat in naam van deze of gene Kerk niet zelden op dergelijke wijze gesproken en gehandeld is, en dat men gemeend heeft door encycliek of verkeerd gebruikt belijdenisschrift een einde te kunnen maken aan allerlei geestesstroomingen, die gevaarlijk waren

ocr page 17

15

voor hare rust. De Gemeente van Jezus Christus, die zich bewust is van haar geloof in den Heiland, doe dat niet. Maar, staande als in het midden eener bruisende zee, spreke zij het uit met. kracht, met beslistheid en moed: „ menschenkind, gij voelt u heen en wedergeslingerd door allerlei wind van leering, en gij weet niet waarhenen gij gaat, welnu, er is een houvast; ik weet in wien ik geloof'. Dat kan de Gemeente, M. H., dat moest ook kunnen ieder van ons. Maar dat kunnen wij alleen, indien en in zooverre ook wij voor onze rekening genomen hebben het programma van Paulus: „ ik heb niet voorgenomen iets in de wereld te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigdquot;.

„Ik heb niet voorgenomen iets in de wereld te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd^ Laat ons niet blijven staan bij den ontkenncnden vorm van dat woord. Er ligt onder die ontkenning iets zeer stelligs, dit nl. dat men Jezus Christus den Gekruisigde kent. M. H. Laat ik het uitspreken; „er behoort in onze dagen moed toe, de moed des geloofs, om dat te durven verklaren. Of is ook niet de persoon van Jezus Christus een voorwerp van wetenschappelijk onderzoek? Wetenschappelijke mannen komen ons verzekeren, met tal van bewijzen en met groote geleerd-

ocr page 18

16

heid, dat er onder de berichten hem aangaande, bitter weinig is, dat vertrouwen verdient. Anderen maken zich op hen te bestrijden. Zal nu de Gemeente niet moeten afwachten, wat de resultaten zijn van dezen strijd? Men heeft het dikwijls zoo voorgesteld; men heeft zich door zijne wetenschap willen laten voorschreven of en wat men gelooven mocht, en men is er door verward geraakt op al de kronkelpaden, die deze, by al haren voortgang ook op dit gebied, toch noodzakelijk maakt. O zeker, onze geloofsovertuiging, en bepaald de helderheid van ons geloof, heeft aan haar veel te danken. De geschiedenis is daar om te doen zien, hoe ook in de kringen der geloovigen ten slotte achteruitgang en versterving intreedt, wanneer niet mede van deze door God geschonken gave wordt gebruikt gemaakt; en ik voor mij , ik dank er God voor, dat Hij mij in staat gesteld heeft van hare vorderingen kennis te nemen, en zij het ook slechts op een bescheiden terrein daaraan mede te werken. Maar toch, God beware u en mij er voor, dat onze kennis van Jezus Christus alleen op dezen bodem zou rusten of daarvan afhankelijk zou zijn. Dan is zij geen levende kennis, en toch dat moet zij zijn, en dat kan zij ook zijn. De Gemeente is het lichaam van Christus; het is één leven dat Hem en haar doorstroomt, en voor zoo

ocr page 19

n

velen wij Christenen zijn, is dat leven ook in ons. En daarom, de kennis, die de Gemeente heeft van den Heer, is niet eene kennis. als die de wetenschap leert; maar het is eene kennis, als die het lichaam heeft van het Hoofd. De Gemeente kent zich zelve niet, en niemand onzer kent zich zei ven als Christen, tenzij hij Jezus Christus kent, door wien hij is wat hij is. De Gemeente is niets zonder Hem. Jezus Christus staat niet buiten den Christen, en de Christen niet buiten den Heer; maar voor zoover hij werkelijk Christen is, leeft Jezus Christus in hem, en is hij in Christus geplant. Eu daarom kent de Gemeente, op straffe van haar eigen bestaan te ontkennen, den Heer.

Daarvoor is zij Gemeente, maar ook daardoor is zij het. Maar wat spreek ik van de Gemeente'? het geldt ii, het geldt mij. Wat maakt ons tot Christenen? Toch niet louter uitwendige dingen. Een Christen, d. i. een geloovige, loopt, kleedt zich, eet en drinkt, verricht zijne dagelijksche bezigheden, arbeidt — toch niet noodzakelijk anders dan een niet-Christen, een niet-geloovige. En toch er is onderscheid. Welnu laat mij het u nog eens mogen herinneren: er is slechts één ding dat de Gemeente tot Gemeente, den Christen tot Christen maakt; en dat is: de ■gemeenschap met Jezus Christus den Heer.

2

ocr page 20

18

De Gemeente kent haren Heer. Hoe kent zij Hem ? M. H. Ik treed daarover niet in bijzonderheden. Wij zijn zoo licht geneigd, om, wanneer wij geluisterd hebben naar eene beschrijving van den persoon en het werk des Reeren, daarbij te blijven staan, en daarover te gaan redetwisten, en daarby te vergeten, dat het toch niet te doen is, om wat deze of gene, zij het de beste onder ons, van Hem zegt, maar om Hem zelf.

En daarom, indien er onder ons zijn, die Jezus Christus nog niet kennen, gaat in uwe binnenkamer en knielt daar voor Hem neer. Laat het u er om te doen zijn een indruk te kragen van Zijn persoon. Ziet op Zijn beeld, gelijk het voor ons geteekend is in de H. Schrift. Het kan den indruk maken van onder zoovele verschillende staalbrekingen voor ons gesteld te zijn, dat wij er een oogenblik niet wijs uit kunnen worden. Laat het ons niet afschrikken, maallaat ons blijven zien op den Heer. En vooral, laat ons bidden. God hoort het gebed. Er is eene Gemeente , die het ondervonden heeft; er zijn menschen in wier leven Jezus Christus leeft. Hoort hare, hoort hunne belijdenissen, zeer verschillend, maar toch allen gericht op één doel. Dikwijls schijnen zij elkander uit te sluiten, en toch zijn zij allen van één leven doordrongen, en allen willen zij uitdrukking

ocr page 21

19

geven aan het onuitsprekelijke, dat toch is en dat werkt. Hoort hunne lofliederen; weest getuige van hunne worstelingen, hunne overwinningen, ook, ach dat wij dat er bij moeten voegen, van hunne nederlagen, en ziet wat dat alles u zegt van den Heer! En dan, dan zal ook in u. God Zijnen Zoon openbaren. Menige trek van Zijn goddelijk beeld zal ook dan wellicht nog voor u in nevelen gehuld zijnen van lang niet alles Hem betreffende, zult gij rekenschap geven kunnen, zooals gij dat wenschen zoudt, en zooals het eisch der wetenschap is. Maar onder dat alles zal Zijn persoon toch ook voor uw leven beteekenis erlangen. Gij zult u gedragen gevoelen door Zijn woord als tot u ook gesproken: , weest niet ongeloovig, maar geloovig.quot; En terwijl Zijn vredegroet u door de ziele ruischt, zult ook gij iets bespeuren van het blazen Zijns adems: „ ontvangt den Heiligen Geest.quot; En dan, M. H., dan hebt gij mijne beschrijving niet noodig, noch die van iemand anders. Dan hebt gij zekerheid, en zijt nooit zonder kompas.

Gezang 44 : 1, 2.

„Ik heb niet vooryenomen iets te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd'1''^ Die Jezus Christus kent,

ocr page 22

20

heeft daaraan genoeg. Paulus verklaart, dat hg niets anders wil weten dan Hem. Dat hehhen niet alle Christenen, dat hebben ook wij niet allen en niet altijd hem nagezegd. En toch M, H., voor wie werkelijk levensverzekerdheid hebben wil, ligt de kracht in dat niets anders dan Hem. Wie daarvan afwijkt , wijkt af van het gebied der persoonlijke levenservaring, om zich te begeven op een gebied, waar redeneering den boventoon voert. Zoo menigmaal heeft de Kerk dat gedaan. Zoo menigmaal is zij — met de beste bedoelingen; wij zullen de eersten zijn om het toe te stemmen, — van hare geestelijke hoogte afgedaald, en heeft zij zich begeven in een strijdperk, waarvoor zij in geenen deele berekend was, en waarin zij de wapenen ontleenen moest aan hare tegenpartij. Tal van nederlagen waren daarvan het gevolg. De Gemeente van Jezus Christus doe dat niet. Zij hebbe, — zij heeft genoeg aan haar Heer.

Wil dat zeggen dat zij met minachting mag neder-zienopwat de wetenschap leert? Helaas, men heeft het dikwijls gedaan. In dommen hoogmoed heeft men gemeend zich van haar te kunnen afmaken met een beroep op het woord van den Heiland: „Vader, ik dank U dat Gij deze dingen (de dingen van het Koningrijk Gods) voor de wijzen en ver-

ocr page 23

21

standigeu verborgen hebt, en hebt ze den kinder kens geopenbaardquot;, en in naam van het Christendom heeft men op menschelijke kennis gesmaald. God beware ons voor zoo snood eene ondankbaarheid! Er zijn weinig heerlijker gaven, dan die den mensch geschonken zijn in het vermogen wetenschap en kennis te vergaderen. Gij kent den8stei1 psalm: „Wat is de mensch, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des menschen, dat Gij hem bezoekt1? Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem gekroond met heerlijkheid en eer. Gij doet hem heerschen ever de werken uwer handen; Gij hebt alles onder zijne voeten gesteld,quot; enz.. Hoe kan de lijst van wat daar wordt opgenoemd als den mensch onderworpen, worden uitgebreid tot in het oneindige. En wat anders dan zijne kennis en zijne wetenschap zijn daartoe het door God verordende middel geweest? Inderdaad, als Paulus in dezen zelfden brief aan de Corinthiërs het koninklijke woord uitspreekt: „alles is het uwequot;, dan mogen wij daartoe ook brengen de resultaten der wetenschap. En als straks de menschheid, door Jezus Christus verlost, in diepen ootmoed aan de voeten van haren Heiland neder-legt hare talenten, gaven en kronen, M. H., dan zijn daaronder, voorwaar, die niet de minsten, die wetenschap en kennis haar hebben verschaft.

ocr page 24

22

En toch de Gemeente van Jezus Christus heeft deze dingen niet noodig voor hare zekerheid. Hare, onze zekerheid, onze zekerheid als Christenen, onze levenszekerheid, die richting geeft aan ons leven, en die ons tot iets anders maakt dan tot drijfhout op de golven der zee, Goddank, zij hangt daarvan niet af.

M. H. Laten wij ons daarvan wel rekenschap geven. Het is vooral in onze dagen van zoo heel groot belang. Wij spraken over de toenemende onzekerheid, die tegenwoordig overal heerscht. Er is zooveel dat losraakt, en daaronder ook zooveel dat losgelaten moet worden wat het ook kost. Dat kan pijn doen; dat kan geliefde overtuigingen raken; dat kan ons óf om ons zelf öf om anderen aan het harte gaan en ons een gevoel geven van geestelijke berooving; ten slotte — wat komt het er op aan, wanneer wij deze zekerheid hebben: Jezus Christus, onze Heiland en Heer? Al het andere is bijzaak, al het andere valt weg. Hoe menigmaal hebben ook wij het niet reeds ondervonden: „ wat ons de wijzen als wijsheid verkonden, straks komt een wijzer die 't weg redeneertquot;. Maar Jezus Christus, gekend als onze persoonlijke Verlosser, valt niet in, valt niet weg.

Die Jezus Christus den Gekruisigde kent, heeft

ocr page 25

23

een houvast, een kompas. Er is daarover zooveel te zeggen: ik wil slechts wijzen op twee dingen, die er in liggen opgesloten; ik vat ze samen onder de woorden: heiligheid en liefde.

Er is in ons leven en in onze maatschappij zooveel betrekkelijks. Wat wij opmerken in onze omgeving — laten wy ze nemen zoo ruim als wij kunnen — maakt nooit den indruk van te zijn zuiver licht of gausch en al nacht. En hoe ruimer onze Wik wordt, hoe minder dat het geval is. Wij vinden goed en kwaad overal vermengd. Het eene, zoo zeggen wij, komt nooit voor zonder het andere, en wat zullen wij dan beslissen, waar de grensscheiding ligt?

Maar zie nu den Heer. Hoe is Zijn leven ééne in-daling van het heilige in het onheilige, ééne worsteling van het licht met de duisternis. Hebt gij wel eens in eene zwak verlichte kamer, op eenmaal een helle felle lichtstraal zien binnenvallen? Hoe werd bij het licht daarvan, ik kan het niet anders uitdrukken , de duisternis zichtbaar; het was alsof het donker op eenmaal nog donkerder werd. Welnu, die zelfde invloed in de geestelijke wereld gaat er uit van den Gekruisigde! In Hem is alles licht. Zal ik wijzen op Zijne onschuld door vijanden, getuigen en

ocr page 26

24

rechter om het zeerste gestaafd, op Zijn gebed voor Zijne vijanden te midden van de vreeselijkste smarten, op Zijne liefde, die zich geen oogenblik verloochent, op Zijne overgegevenheid aan den wil des Vaders, op ... ? Maar wat doe ik, als ik al deze dingen zoo noem? Zal men van het licht gaan betoogen dat zijne stralen licht zijn? En is het anders met Hem? Zie Hem een oogenblik aan. Durft gij nog zeggen, dat ook hier alles slechts betrekkelijk is, een meer of minder, verschil van inzicht of opvatting? Slaan wij de oogen niet neer? Hier is licht, maar een licht dat niet alleen verlicht, maar dat ook oordeelt, en veroordeelt, u en mij.

En nu: „ik heb niet voorgenomen iets te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigdquot;. Dat is: over hoeveel ik ook nog in het onzekere zijn moge, dit weet ik: er is een kruis, en aan dat kruis is de zonde openbaar geworden, en is gebleken, dat er heiligheid is. Er is goed, er is kwaad.

Die dat heeft leeren erkennen, heeft een houvast, maar het is een houvast dat verteert. Er is in de heiligheid iets dat niemand onzer doorstaan kan: „wie zal wonen bij een verterend vuur; wie verblijven bij een eeuwigen gloed?quot; Goddank, dat ik er iets anders aan kan toevoegen. Er daalt van het kruis nog eene andere zekerheid af dan die der

ocr page 27

25

heiligheid] het is die eener liefde, die haars gelijke niet heeft.

Er wordt in de wereld veel over liefde gesproken, maar hoe weinig is er dat dien naam werkelijk verdient. Hoeveel zelfzucht schuilt onder het masker der liefde; tegen hoe weinig is wat wij liefde noemen, vaak bestand; hoe veel uitwendige steunsels heeft het noodig om te blijven bestaan.

En zie nu nog eenmaal den Heer. Hoe is Zijn leven één liefhebben, maar daardoor ook één lijden; één liefhebben onpeilbaar in diepte, onbegrensd in omvang, onuitputtelijk in haar betoon! Jezus Christus heeft liefgehad. Zie M. H., wanneer ik dat zeg, dan schijn ik mij zeiven gelijk te zijn aan denman die zou willen betoogen dat water nat is, en dat vuur warmte verspreidt. Of heeft niet ieder die Jezus Christus ook maar eenigszins kent, Zijne liefde aan het hart ervaren? en weet hij niet, ook zichzelven, niettegenstaande al zijne zonde, het voorwerp daarvan? Jezus Christus heeft liefgehad allen, altijd, overal. Hij heeft liefgehad de schijnbaar meest waardigen en de alleronwaardigsten; de diepstgezonkenen zoowel als ongelukkigen en bedroefden; rijken en armen; klein en groot. Hij heeft liefgehad tot den einde toe, ondanks het kruis.

En deze liefde staat evenmin als Zijne heiligheid

ocr page 28

26

op zichzelf. Zijne liefde is heiligheid, Zijne heiligheid liefde. Er is in Jezns Christus den Gekruisigde zoo iets wonder tegenstrijdigs. Zijne heiligheid werpt neder, en Zijne liefde richt op. Hij is tot een oordeel in de wereld gekomen, — en Zijn kruis is dat oordeel — opdat de zonde openbaar worden zou; en Hij is de genadige, die niet oordeelt maar redt. Wij zinken neer bij Zijn kruis; wij buigen er bet aangezicht in het stof, wij vinden er de verzoening met God. Wat zal ik over deze dingen meer zeggen? Wij leeren verstaan wat het zeggen wil: genade, ontferming om niet.

Welnu, M. H., die omdat hij Jezus Christus den Gekruisigde kent, heeft leeren verstaan wat deze woorden beteekenen: zonde, genade, diens leven is niet meer zonder richting of koers.

Er zijn velen onder ons die nog staan als aan den ingang des levens. Jonge menschen, bedenkt het: er zijn oogenblikken, waarin uwe ouders en vrienden, waarin ieder die belang stelt in ons vaderland en in onze maatschappij, u niet zonder bekommering aanziet, en waarin zich de vraag aan ons opdringt: hoe zullen deze staande blijven bij den wassenden vloed? Laat de Gemeente van Jezus Christus, laat ook ik u in dezen oogenblik mogen toeroepen: er

ocr page 29

27

is zekerheid, levensverzekerdheid, ook voor een ieder van u! Neen, ik zal u niet zeggen: geeft u over aan deze of' gene partij, zoekt nwe zekerheid in eene leus. Integendeel: weest vrij, onderzoekt, door-vorscht, neemt kennis van alles; en laat met onbe-nevelden blik u bestralen door het licht dat men-schelijke kennis ontsteekt. Maar onder dat alles, ach dat, ziende op Jezus Christus den Gekruisigde, deze overtuiging u altoos beheerschte: er is goed, er is kwaad; er is eene liefde waarvan ook ik het voorwerp ben.

Maar wat spreek ik, als gold het jonge menschen alleen? Zie, het moge zoo zijn, dat als men ouder wordt, de vragen en twijfelingen een ander karakter verkrijgen; men komt anders tegenover de dingen te staan. Zou het ook waar zijn, dat de vragen verminderen? en dat men minder behoefte heeft aan een houvast? Wij weten wel beter. Er is in onze dagen zooveel dat ons allen onrustig maakt, dat ons aan alle kanten doet heen en weder zien, dat ons drukt, met het oog op ons zeiven en de onzen, ook met het oog op onze omgeving in engeren en ruimeren kring. Wij kunnen de toekomst vaak zoo donker inzien; hoe zal het hiermee en daarmee gaan? En bij die vragen des levens, komen de vragen des doods. Wie zal ze oplossen? Deedt gij het alreeds, ouden

ocr page 30

28

van dagen 6n die staat aan den rand van liet graf? Roept ook gij niet nog uit: „op honderd vragen niet één antwoordquot; ? en is het niet waar wat gezegd is. mysterie het leven en raadsel de dood 3

M. H. Die Jezus Christus den Gekruisigde kent, klaagt over deze dingen niet. Hij weet dat er o. a. ééne les is die hij leeren moet, eene les niet gemakkelijk , en die iederen dag van nieuws af moet worden bestudeerd; deze: te luisteren ook voor zich zelf naar het woord, dat eenmaal tot Petrus gezegd werd:

„wat gaat het u aan? volg gij Mij!quot; Die Jezus Christus den Gekruisigde kent, heeft zekerheid; deze zekerheid: van te hebben een Vriend en Leidsman, een Heiland, die hem nooit in den steek laat, maar die hem voeren zal èn door het leven èn door den dood. Maar wat vreest gij dan nog? Die ons den Gekruisigde gaf, zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken? Wat zal ons scheiden van de liefde Gods welke is in Christus Jezus den Heer?

Heerlijke zekerheid, die daarin ons deel is! M. Br. en Z., is zij de uwe? Laten ook wij ons stellen onder het programma van Paulus: „ik heb niet vooi genomen iets te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd . Maar laat ons dan ook weten, dat dat te doen wel begint in de binnenkamer, maar dat het alleen in het dagelijksch leven zijne uitvoering vindt. Jezus

ocr page 31

29

Christus te kennen, het is met Hem te rekenen, overal en altijd: het is, gelijk het genoemd wordt, Hem te hennen op al onze wegen; het is Hem vast te houden, en door Hem te worden vastgehouden, waar wij ook gaan. Eu — Hij is de Gekruisigde. Paulus legt nadruk op dat laatste: „ en dien gekruisigdquot;. Laten ook wij het doen.

Jezus Christus is de Gekruisigde, d. w. z. de dooide wereld verworpene, die gerekend is geworden met de misdadigers, en voor wien er in de wereld geen andere plaats was dan aan het kruis. Welnu, M. H., die een gekruisigden Heer heeft, heeft ook zelf den kruisweg te gaan. Zoo de Meester, zoo de discipel; zoo het Hoofd, zoo de leden des lichaams. Er is tusschen de wereld en de Gemeente eene klove, en die klove is ondempbaar, want in het midden daarvan staat, wat de wereld eene dwaasheid en eene ergernis is, een kruis. Er is niets meer gewoon dan de poging het ondemphare van die klove uit den weg te ruimen, en een van de meest gewone middelen daartoe is: die klove allengs te verleggen, zoodat zij niet gaat door de meest innerlijke roerselen van het eigene hart, maar dat zij alleen nog maar raakt uitwendige dingen, namen, woorden, gewoonten, misschien wel den snit van het kleed en den klank van de stem. En och dan valt het

ocr page 32

30

zoo makkelijk het kruis er uit weg te nemen; en achter die klove, die men toch en niet zonder ophef zooveel mogelijk aanhoudt, zet men zich vast, en richt er zich behagelijk in. En de wereld, waarmede men in zijn hart niet gebroken heeft, keert ook daar weer terug.

Wie Jezus Christus den Gekruisigde kent, doet dat niet. Het is hem te doen, niet om de klove als zoodanig; deze is alleen een gevolg, zij het ook een noodzakelijk gevolg; maar om het kruis, d. i. om den Gekruisigde zelf. En diens kruis — M. H. behoef ik het aan iemand uwer te herinneren ? raakt niet alleen bijzaken, niet enkel uitwendige dingen, die zichten slotte wel door anderen laten vervangen, maar diens kruis raakt ons zelf.

En zoo staan wij dan hier voor eene beslissende keuze. Jezus Christus plaatst ons tegenover ons zelt. Wien kiest gij ? u zelf of den Heer? Die Jezus Christus kiest, kiest de heiligheid, en die de heiligheid kiest in deze onheilige wereld en met het onheilige hart, die kiest voor zich zeiven het kruis. 0. M. H., hoe dikwijls zijn wij daarvoor teruggeschrikt, en bracht dat er ons toe om te doen als kenden wij Jezus Christus den Gekruisigde niet. En geen wonder, want wij gaan met dat kruis in den dood, en vleesch en bloed deinzen daarvoor terug. En toch — M. Br.

ocr page 33

31

en Z., ziedaar onze weg! Ach, laat ons hem gaan! Laat ons niet zeggen, dat wij het niet Jamnen, want dat het immers voor den mensch niet te doen is, om den dood te doorstaan. Dat is het zoel, niet uit ons zelf, maar door Hem, die voor ons gekruisigd en — opgestaan is. Goddank ook dat laatste!

Jezus Christus te kennen als den Gekruisigde, het is ook hem te kennen als den Opgestane. Beiden be-hooren bij een. Het kruis zonder de opstanding, M. H. kan er iets wanhopigers worden gedacht? Het zou zijn de heilige Liefde ondergegaan in het graf, de zonde, die de overwinning behaalt. Maar nu, de Gemeente kent haren Heer als die leeft. Zij zou Hem niet kennen, ook niet als den Gekruisigde, ware dit niet het geval. Maar nu, zij kent Hem. Zij heeft de krachten der opstanding in zich. Haar leven is een leven dat den dood achter zich heeft. M. H., zoo moet het ook zijn, zoo worden van dag tot dag meer, met een ieder van ons. Wij kunnen gaan in den dood; wij kunnen het magen met de heiligheid, ons overgevende aan Hem die ons leven geworden is, en dien wij kennen als onzen Heiland en Heer. Wij kunnen ernst maken met het woord: „ weest heilig, want Ik ben heiligquot;. Wij kunnen ons laten verteren door het vuur des gerichts. Want ons Hoofd leeft; en die voor onze zonden gestorven is, isopge-

ocr page 34

32

wekt om ouze rechtvaardigmaking. Hem kennende, omdat wij ééne plant met Hem geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zullen wij Hem ook kennen in de gelijkmaking Zijner opstandig. Zoo laat ons Hem dan volgen, nu in lijden en strijden en dood; dan zullen wij het ook eenmaal doen in de heerlijkheid, die Hij ons bereid heeft. Heerlijk vooruitzicht en dat alle lijden vergoedt! De gekruisigde Heer is verhoogd. Hij roept Zijne Gemeente, Hij wacht Zijne discipelen, gezeten aan de rechterhand Gods. Wat willen wij anders en meer? Die Hem hennen, zij zullen Hem zien, in al Zijne heerlijkheid, daar waar geen onzekerheid meer heerseht, waar alle raadselen zijn opgelost, en waar één loflied alles vervult. En in dat loflied zullen ook zij instemmen met hartgrondigen, innigen dank. Moge het ook kunnen zijn de dank onzer zielen!

AMEN.

ocr page 35
ocr page 36