NEDER LA NDSCHE STAATSWETTEN
SCHÃUïlMAN'S-EDITIE N0. 28.
W E T
van den Sclen Junij 1875, S. 110,
TOT
VASTSTELLING VAK LEPALINGEN bij het voorkomen van
HONDSDOLHEID
ZOOALS DIE WET
bij de wetten van 15 April 1886, S. 64 en 15 April 1891 , S. 80, is gewijzigd,
MET
A A K ï E E K E N i X E S,
BESLUITEN TER UITVOERING
EX
ALPHABETISCH REGISTER,
DOOK
Bibliotheek der Btyktuaiversitdt te UtiacBt
2911 934 8
WET
van den 5d©n Juny 1875, S 110 ,
TOT
VASTSTELLING VAN BEPALINGBN bij hét voorkomen van
HONDSDOLHEID,
ZOOALS DIE quot;WET
bij de wetten van 15 April 1886, S. 64 en 15 April 1891, S. 80, is gewijzigd,
aantEekemnuen. BESLUITEN TER UITVOERING
EN
ALPHABETISCH REGISTER,
P. H. J O R D E N S,
Commies Ier Prov. griffie van Overijssel.
DERDE DRUK,
bijgewerkt tot Mei 1895.
Biblioih..--! :er B^buniversjuU te Utïeci!;
Aü DJetgeaeeskuade
Z W O 1 1 Ã,
W. E. J. TJEENK WILLTNK,
5 Ju
27 /
VERKORTINGEN :
C. V. Luttenhery's Chronologische Verzameling.
S. Staatsblad.
3 Ji
W. v. 't R. WeeJcllad van 't Recht.
25 3
t - Hh
T N H O LI D.
Bladz.
5 Junij 1875, S. 110. Wet, tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid. {Zooals die wet hij de wetten vein 15 April 1886, S. 64 en 15 April 1891, S. 80, is gewijzigd.) 5
BIJ L A G EN.
27 Julij 1875. Besluit van den Minister van Binnenlandsche Zaken, houdende vaststelling van het model van den muilkorf voor de honden, (zooals dit besluit bij dat van 20 September 1887 is gewijzigd en aangevuld.) .... 12
3 Augustus 1886. Missive van den Commissaris des Konings in Overijssel aan de gemeentebesturen in die provincie, betreffende hondsdolheid.....l i
24 Julij 1890. Missive van den Minister
van Binnenlandsche Zaken aan de Commissarissen des Konings der aan Duitsch-land grenzende provinciën, houdende mededeeling eener overeenkomst tusschen de Nederlandsche en Dnitsche Regeering, betreffende maatregelen in zake hondsdolheid ...........15
25 Mei 1891. Missive van den Minister
van Binnenlandsche Zaken aan de districts-veeartsen, betreffende opzending van cadavers van dolle of van dolheid verdachte honden enz. naar Rijks veeartsenijschool te Utrecht . ... 19
Het wetsontwerp met memorie van toelicMhtf-werd der Tweede Kamer der Staten- Generaal aan-geboden bij Kon. boodschap van 26 October 1874 (Bijl. Handel. 2e Kamer, n0. 65. zitting 1874/75).
Het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs (id. n0. 65. 5). De memorie van beantwoording met gewijzigd ontwerp (id. n0. 65. 6).
Het verslag der commissie van rapporteurs op het gewijzigd ontwerp (id. n0. 65. 10).
Memorie van beantwoording daarop met nota van wijzigingen (id. n0. 65. 11 en n0. 65. 12).
Eindverslag (id. nquot;. 65. 13).
Amendementen (id. uquot;. 65. 14).
Het ontwerp werd behandeld in de zittingen der Tweede Kamer van 18 en 19 Mei 1875 (Handel, bladz. 1344) en het nader gewijzigd ontwerp, dat den 20 Mei 1875 inkwam, in de zitting van 21 Mei 1875 (Handel, bladz. 1381), in welke het ontwerp werd aangenomen met 40 tegen 15 stemmen.
Het aangenomen ontwerp kwam bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal in den 24 Mei 1875 (Handel. 1874/75, bladz. 243).
Het voorloopig verslag der commissie van rapporteurs is te vinden op bladz. 255 cn het eindverslag , dat tevens de memorie van beantwoording der Regering bevat, op bladz. 272.
Be beraadslaging had plaats op 2 Junij 1875 {bladz. 296). In die zitting werd het ontwerp aangenomen met 19 tegen 8 stemmen.
Zie omtrent de wijzigingswet van 15 April 1891, S. 80:
Bijl. Handel. 2e Kamer 1890/91, n0.120, 1â6. Handel. 2e Kamer 1890/91, 'oladz. 1035. Handel. le Kamer 1890/91, bladz. 291â316.
WE T
van den 5 Junij 1875 , S. 110,
tot
VASTSTELLING VAN BEPALINGEN bij het voorkomen van
HONDSDOLHEID.
Zooals die wet bij de wetten van 15 April 1886, S. 64 en 15 April 1891, S. 80 is gewijzigd. (1)
Wu WILLEM itt, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groothertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salnt! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid vast te stellen;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Art. 1. Zoodra zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen , of zoodra een dezer dieren door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, behoort de eigenaar, houder of hoeder dien hond of die kat terstond af te maken of te doen afmaken, of vast te leggen en op te sluiten, of te doen vastleggen en opsluiten. Hij geeft van zijne bevinding en van het
1
Naar aanleiding eener missive van den Min. van Binnenlandsche Zaken van 9 Augustus 1875, n0. 61, afd. 9, Medische politie, C. V. 12 Augustus 1875, zijn door de Commissarissen des Konings in de provinciën, voorschriften gegeven tot uitvoering dezer wet.
door hem of van zijnentwege verrigte onverwijld kennis aan den burgemeester of aan den commissaris van politie zijner woonplaats. Tot die kennisgeving is hij ook verpligt, wanneer het hem niet mogelijk is geweest den hond of de kat te doo-den, op te sluiten of vast te leggen. .
2. Zoodra bij den burgemeester of commissaris van politie aangifte is gedaan of hem op andere wijze gebleken is, dat zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen, of dat een hond of eene kat door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, doet hij met den meesten spoed door den districts-veearts, of, een districts-veearts-plaats ver vanger, of, bij afwezigheid van beiden, door een geëxamineerden veearts, dien hond of die kat, of, indien zij gedood of gestorven zijn, hunne overblijfselen onderzoeken.
De veearts, die met het onderzoek belast werd, brengt de uitkomst daarvan onverwijld ter kennis van den burgemeester of commissaris van politie.
Indien het blijkbaar gevaarlijk is den hond of de kat in leven te laten, kan afmaking plaats hebben buiten de aanwezigheid en vóór l et onderzoek van den veearts.
3. Wordt bij dit onderzoek de hord of de kat dol of door een dol dier gebeten bevonden, of wordt deswege door den veearts twijfel uitgedrukt.
(3) alinea 1. Wel bepaalt art. 147 (151) der Grondwet dat niemand van zijn eigendom kan ontzet worden dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstelling, en dat beginsel is steeds gehandhaafd waar het de voorkoming van andere ziekten van dieren geldt, maar bij hondsdolheid kan van voorafgaande onteigening geen sprake zijn; die ziekte wettigt geheel de afmaking bij wijze van politiemaatregel: 1°. om het groote en onmiddellijke gevaar dat die ziekte en dus het bezit van een daaraan lijdend dier voor menschen en dieren oplevert, en 2°. omdat een dolle hond of kat geen res in commercio kan zijn, het dier heeft alle geldswaarde verloren. (Mem. v. Toelichting).
â Bij missive van den Minister van Binnen-landsche Zaken van 25 Mei 1891, onder de bijlagen opgenomen, zijn voorschriften gegeven betrelFende opzending van cadavers van dolle of
dan wordt liet dier terstond op bevel en door de zorg van den burgemeester of van den commissaris van politie afgemaakt.
De burgemeester der gemeente, in welke een geval van bondsdolheid is voorgekomen, beveelt bij een bevelschrift, dat hij onverwijld doet afkondigen, dat gedurende vier maanden, te rekenen van den dag der afkondiging, alle honden die zich buiteu woningen of vaartuigen (geene openbare middelen van vervoer zijnde), in de gemeente bevinden en niet binnen een afgesloten erf aan een ketting liggen, moeten voorzien zijn vaneen muilkorf, volgens een model door onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen.
Van dit bevel geeft de burgemeester onverwijld kennis aan de burgemeesters van alle aangrenzende gemeenten, die dan onmiddellijk gelijk bevel voor f^Tiunne gemeenten kunnen uitvaardigen.
Dezelfde bevoegdheid hebben de burgemeesters
van dolheid verdachte honden enz. naar 's Rijks veeartsenijschool te Utrecht.
â alinea 2. Dc termijn van 120 dagen berust op de jongste waarnemingen van de meest gezag hebbende veeartsen. Volgens de beste schrijvers over dit onderwerp, â het is bekend dat in de laatste jaren zeer wetenschappelijke werken, gegrond op waarnemingen van uitstekende mannen in dit vak zijn uitgekomen, ik noem Fleming, Bouley, Hartwig, â is het incubatietijdperk met veiligheid op vier maanden te stellen. De voorbeelden van langeren duur zijn uitermate zeldzaam. (Redev. Min. van Binn. Zaken, Handel. le Kamer.)
â Het model van den muilkorf is vastgesteld bij besluit van den Minister van Binnenlandsche Zaken van den 27 Julij 1875, gewijzigd en aangevuld bij besluit van 20 September 1887. Dat besluit is onder de bijlagen opgenomen.
â alinea 2 en 3. Bij missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 24 Julij 1890, aan de Commissarisen des Konings der aan Duitsch-land grenzende provinciën, is mededeeling gedaan van eene overeenkomst tusschen de Neder-landsche en Duitsche Regeering, betreffende maatregelen in zake hondsdolheid. Die missive is onder de bijlagen dezer wet opgenomen.
-â alinea 3. Deze alinea is aldus nader vastgesteld bij de wet van 15 April 1891. S. 80.
â fi â
door hem of van zijnentwege verrigte onverwijld kennis aan den burgemeester of aan den commissaris van politie zijner woonplaats. Tot die kennisgeving is hij ook verpligt, wanneer het hem niet mogelijk is geweest den hond of de kat te doo-den, op te sluiten of vast te leggen. .
2. Zoodra bij den burgemeester of commissaris van politie aangifte is gedaan of hem op andere wijze gebleken is, dat zich bij een hond of eene kat verschijnselen van dolheid voordoen, of dat een hond of eene kat door een dol of van dolheid verdacht dier gebeten is, doet hij met den meesten spoed door den districts-veearts, of, een districts-veearts-plaats ver vanger, of, bij afwezigheid van beiden, door een geëxamineerden veearts, dien hond of die kat, of, indien zij gedood of gestorven zijn, hunne overblijfselen onderzoeken.
De veearts, die met het onderzoek belast werd, brengt de uitkomst daarvan onverwijld ter kennis van den burgemeester of commissaris van politie.
Indien het blijkbaar gevaarlijk is den hond of de kat in leven te laten, kan afmaking plaats hebben buiten de aanwezigheid en vóór .liet onderzoek van den veearts.
3. Wordt bij dit onderzoek de hond of de kat dol of door een dol dier gebeten bevonden, of wordt deswege door den veearts twijfel uitgedrukt.
(3) alinea 1. Wel bepaalt art. 147 (151) der Grondwet dat niemand van zijn eigendom kan ontzet worden dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstelling, en dat beginsel is steeds gehandhaafd waar het de voorkoming van andere ziekten van dieren geldt, maar bij hondsdolheid kan van voorafgaande onteigening geen sprake zijn; die ziekte wettigt geheel de afmaking bij wijze van politiemaatregel: 1°. om het groote en onmiddellijke gevaar dat die ziekte en dus het bezit van een daaraan lijdend dier voor menschen en dieren oplevert, en 2°. omdat een dolle hond of kat geen res in commercio kan zijn, het dier heeft alle geldswaarde verloren. (Mem. v. Toelichting).
â Bij missive van den Minister van Binnen-landsche Zaken van 25 Mei 1891, onder de bijlagen opgenomen, zijn voorschriften gegeven betrelfende opzending van cadavers van dolle of
dan wordt het dier terstond op bevel en door de zorg van den burgemeester of van den commissaris van politie afgemaakt.
De burgemeester der gemeente, in welke een geval van hondsdolheid is voorgekomen, beveelt bij een bevelschrift, dat hij onverwijld doet afkondigen, dat gedurende vier maanden, te rekenen van den dag der afkondiging, alle honden die zich buiten woningen of vaartuigen (geene openbare middelen van vervoer zijnde), in de gemeente bevinden en niet binnen een afgesloten erf aan een ketting liggen, moeten voorzien zijn van een muilkorf, volgens een model door onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen.
Van dit bevel geeft de burgemeester onverwijld kennis aan de burgemeesters van alle aangrenzende gemeenten, die dan onmiddellijk gelijk bevel voor f^hunne gemeenten kunnen uitvaardigen.
Dezelfde bevoegdheid hebben de burgemeesters
van dolheid verdachte honden enz. naar 's Rijks veeartsenijschool te Utrecht.
â alinea 2. De termijn van 120 dagen berust op de jongste waarnemingen van de meest gezag hebbende veeartsen. Volgens de beste schrijvers over dit onderwerp, â het is bekend dat in de laatste jaren zeer wetenschappelijke werken, gegrond op waarnemingen van uitstekende mannen in dit vak zijn uitgekomen, ik noem Fleming, Bouley , Hartwtg, â is het incubatietijdperk met veiligheid op vier maanden te stellen. De voorbeelden van langeren duur zijn uitermate zeldzaam. (Redev. Min. van Binn. Zaken, Handel. le Kamer.)
â Het model van den muilkorf is vastgesteld bij besluit van den Minister van Binnenlandsche Zaken van den 27 Julij 1875, gewijzigd en aangevuld bij besluit van 20 September 1887. Dat besluit is onder de bijlagen opgenomen.
â alinea 2 en 3. Bij missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 24 Julij 1890, aan de Commissarisen des Konings der aan Duitsch-land grenzende provinciën, is mededeeling gedaan van eene overeenkomst tusschen de Neder-landsche en Duitsche Regeering, betreffende maatregelen in zake hondsdolheid. Die missive is onder de bijlagen dezer wet opgenomen.
â¢â alinea 3. Deze alinea is aldus nader vastgesteld bij de wet vau 15 April 1891. S. 80.
bij het voorkomen van hondsdolheid in naburige buitenlandsche gemeenten.
Aan Onzen Commissaris in iedere provincie, in welke de betrokken gemeenten liggen, wordt afschrift van elk bevelschrift gezonden.
Deze kan gelijk bevelschrift uitvaardigen en terstond doen afkondigen voor de geheele provincie of een deel daarvan.
Van het uitvaardigen der in dit artikel bedoelde bevelschriften geeft hij onverwijld kennis aan zijne ambtgenooten in de aangrenzende provinciën.
4. Ambtenaren van politie, waaronder, voor de uitvoering van deze wet, ook worden verstaan de door den burgemeester of den commissaris van politie met het vatten, opvangen of afmaken van een hond of eene kat belaste personen, zijn, ter uitvoering van dien last, bevoegd de erven, woningen of andere gebouwen en vaartuigen, zelfs zonder toestemming van den eigenaar of bewoner, tusschen 7 uur des morgens en 9 uur des avonds binnen te treden, mits voorzien van eene schriftelijke lastgeving van dén burgemeester of commissaris van politie.
5. Overblijfselen van honden of katten, die aan dolheid gestorven, of in een der gevallen, in artt. 1, 2 of 3 bedoeld, afgemaakt zijn, worden , voor zoover dit niet reeds door of van wege belanghebbenden is geschied, door de zorg van den burgemeester op Rijkskosten verbrand of begraven, overeenkomstig de voorschriften, door Ons krachtens art. 31 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131) gegeven.
Voorwerpen, welke met zoodanige honden of katten in aanraking zijn geweest, worden overeenkomstig dezelfde voorschriften op Rijkskosten door de zorg van den burgemeester gereinigd en ontsmet, of, indien de districts-veearts, of die hem vervangt, dit noodig oordeelt, verbrand, des noods na onteigening.
Bij deze onteigening zijn de bepalingen van art. 24 der hierboven aangehaalde wet toepasselijk.
(5) alinea 1. Die voorschriften zijn laatstelijk gegeven bij besluit van 9 Junij 'l885, S. 125. â Zie de tweede aant. op art. 3 alinea 1.
6. De eigenaar, houder of hoeder van honden, die het bevelschrift van den burgemeester of van Onzen Commissaris, in art. 3 bedoeld, overtreedt, is strafbaar met eene geldboete van Æ 3 tot / 10.
Bij ontdekking van deze overtreding wordt de hond in beslag genomen, of, indien daartoe geene gelegenheid is, of blijkbaar gevaar bestaat, afgemaakt en alsdan met de overblijfselen gehandeld, zooals in art. 5 is voorgeschreven.
Bij het veroordeelend vonnis wordt de hond verbeurd verklaard , indien hij nog in wezen is.
In ieder geval kan bij het vonnis de afmaking van den in beslag genomen hond worden bevolen.
Ingeval de eigenaar, houder of hoeder het maximum der boete betaalt, beslist het hoofd der politie of de hond hem kan worden teruggegeven of moet worden afgemaakt.
Is de eigenaar, houder of hoeder onbekend, dan wordt de hond, die bevonden wordt zonder muilkorf rond te loopen, door of van wege de politie afgemaakt.
7. Honden en katten, die zonder opzigt rond
(6) Met uitzondering van een oorspronkelijk vijfde lid van dit artikel â dat is weggelaten â is dit artikel gehandhaafd bij art. 10, n0. 33 der wet van 15 April 1886, S. 64, met bepaling, bij art. 11 dier wet, dat het feit moet worden beschouwd als overtreding en dat het minimum der geldboete wordt gesteld op vijftig cents.
â Omtrent de toepassing van dit artikel zijn beschouwingen medegedeeld bij missive van den Minister van Justitie van 22 October 1889, C. V.
â Bij missive van den Minister van Justitie van 15 Januarij 1889, C. V., is voorgeschreven dat de ambtenaren van het openbaar ministerie aan de distri ets-veeartsen mededeeling moeten doen van het gevolg dat is gegeven aan de processen-verbaal, opgemaakt wegens overtredingen dezer wet.
(7) Een oorspronkelijk eerste lid van dit artikel is bij de wet van 15 April 1886, S. 64, niet gehandhaafd, als zijnde in de strafbepaling voorzien bij art. 254 van het Wetboek van Strafrecht.
â Bij arresten van den Hoogen Raad van
â 10 â
loopende, zich op een vreemd erf bevinden, mogen straffeloos door of van wege den bewoner of brniker worden gedood.
8. Verzuim van de in art. 1 voorgeschreven kennisgeving, wordt gestraft met geldboete van Æ 25 tot Æ 75 of gevangenis van drie tot zeven dagen.
9. Vervallen.
10. Deze wet is niet toepasselijk op het terrein van 's Rijks veeartsenijschool. De voorzorgen, aldaar te nemen, bij het onderzoek van dolle of van dolheid verdachte dieren, worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, den directeur der school gehoord, geregeld.
11. Provinciale en plaatselijke verordeningen, be-treffende het onderwerp bij deze wet geregeld, zijn verbindend, voor zooverre zij niet in strijd zijn met de bepalingen dezer wet.
Onder hetzelfde voorbehoud kunnen nieuwe verordeningen worden vastgesteld.
25 October 1880, W. v. 't R. 5469, C. V., 25 Junij 1888 , W. v. 'tR. 5590 en 7 Junij 1892, W. v. 't R. 0195, is beslist dat aan het woord erf, de engere beteekenis van aanhoorigheid van eene woning moet worden toegekend.
â Voor de toepasselijkheid van dit artikel is het voldoende dat een hond op het oogenblik van het dooden buiten toezigt van zijn meester was, zonder dat behoeft te blijken dat de hond als zwervende zou kunnen worden aangemerkt. (Arrest van den Hoogen Raad van 27 Oct. 1890, W. v. 't R. 5957).
(8) Dit artikel bevatte oorspronkelijk strafbepalingen , waarin bij art. 184 van het Wetboek van Strafrecht is voorzien. Zooals het nu luidt is het gewijzigd en gehandhaafd bij art. 10, n0. 32 der wet van 15 April 1886, S. 64.
Volgens art. 11 dier wet wordt het feit beschouwd als overtreding, het minimum der geldboete gesteld op vijftig cents en de gevangenisstraf vervangen door hechtenis met een maximum van gelijken duur en met een minimum van één dag.
â Zie de laatste aant. op art. 6.
(9) Dit artikel is vervallen bij de invoering van het Wetboek van Strafrecht; het bevatte toepassing van verzachtende omstandigheden.
â It â
12. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegiën en Ambtenaren, wiens zulks aangaat, aan de naauwkenrige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven op het Loo, den 5den Junij 1875. {get) WILLEM.
Be Minister van Binnenlandsche Zaken, {get.) Heemskerk.
(JJlfgeg. 17 Junij 1875.)
(12) Bij besluit van 17 Julij 1875, S. 137, bepaald op 1 September 3 875.
B IJ L A G E N.
Besluit van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 27 Jidij 1875, houdende vaststelling van het moiel van den muilkorf voor de honden. {Zooals dit besluit bij dat van 20 September 1887 is gewijzigd en aangevuldï)
De Minister van Binnenlandsche Zaken;
Gelet op art. 3 der wet van 5 Jnnij 1875 {Staatsblad n0. 110), tot vaststelling van bepalingen bij het voorkomen van hondsdolheid; Heeft goedgevonden te bepalen:
dat de muilkorven, waarvan honden moeten voorzien zijn in de gevallen in voormelde wet vermeld, moeten zijn ingerigt naar het model, dat, na de invoering van voormelde wet op 1°. September e. k., ter secretarie van elke gemeente des Rijks voor ieder te bezigtigen zai zijn en waarvan de beschrijving luidt als volgt:
Een enkelvoudige stalen of koperen band omgeeft den hals van den hond. De uiteinden van den band worden met behulp van een vastzittend of hangend slot zóó bevestigd, dat afnemen van den korf zonder sleutel of zonder doorsnijding van den band onmogelijk is.
Aan weerszijde van het verticale middel vlak en evenwijdig daaraan zijn aan het nekgedeelte van den band twee sterke metalen draden vastgeklonken , die over het aangezicht van den hond loopen, den neus tusschen zich opnemen, naar beneden buigen en aan de keelzijde van den band opnieuw zijn vastgeklonken. De aldus afgesloten ruimte moet toelaten, dat het dier de onderkaak binnen den korf kan openen.
In dwarse richting zijn, naar gelang van de grootte van den korf, meerdere metaaldraden
- 13 â
aangebracht, wier uiteinden eveneens aan den band zijn vastgeklonken.
Het aantal in dwarse richting loopende draden en de dikte van alle draden, moeten evenredig zijn aan de lengte van den muilkorf, gemeten van den voorrand van het nekgedeelte van den halsband, in rechte lijn tot aan het meest naar voren gelegen gedeelte der draden.
Dat aantal en die dikte moeten minstens bedragen:
|
Bij eene korflengte van: |
Aantal in dwarse richting loopende draden. |
Draaddikte. |
|
Minder dan 15 cM. . |
3 |
2 mM. |
|
15 tot 18 â . . |
4 |
idem. |
|
18 â 21 â . . |
5 |
2.5 â |
|
21 â 24 â . . |
fi |
idem. |
|
24 â 27 â . . |
7 |
3 * |
|
27 en meer . . |
8 |
idem. |
(Het bestaande standaard-model vertegenwoordigt de grens van het kleinste type dezer schaal.)
Bovendien moeten de in dwarse richting loopende draden op zoodanigjn ouderlingen afstand geplaatst zijn, dat zij beletten dat tanden naar buiten uitsteken.
De metaaldraden der korven moeten verbonden worden door uitvijlen der draden en opvolgend soldeeren, zoodanig dat er volstrekt geen scherpe of uitstekende punten aanwezig zijn.
Zij moeten vervaardigd zijn van ijzerdraad.
Het is geoorloofd de metaaldraden te bedekken met een laagje zink, tin, nikkel, zilver, goud of ander voor bedekking geschikt metaal en den band om den hals en den metaaldraad boven den kop, maar met de gedeelten voor, om of onder den neus en den bek, met een zachte stof te bekleeden.
's Gravenhage, 27 Julij 1875.
(getï) Heemskerk.
-14-
Missive van den Commissaris des Konings in Overijssel van 3 Augustas 1886, aan de gemeentebesturen in die provincie, betreffende hondsdolheid.
De Minister van Binnenlandsche Zaken heeft aan de inspecteurs en adjunct-inspecteui-s voor het geneeskundig staatstoezicht een schrijven gericht in zake de opzending van door dolle honden gebeten personen naar de inrichting tot inenting van prof. Pasteur te Parijs.
Daarin komt o. a. voor, dat indien bij het door ' genoemde ambtenaren zoo spoedig mogelijk in te stellen onderzoek naar den toestand van gebeten personen de noodzakelijkheid of wenschelijkheid der inenting mocht blijken en deze niet ongenegen zijn zich daaraan te onderwerpen, doch zich onvermogend verklaren om de kosten, welke door den Minister voor een volwassen persoon geschat worden op Æ 150, te dragen, het de taak van den burgemeester is eene verklaring af te geven, of de persoon behoeftig is en zoo ja, of hij door liefdadigheid zal worden geholpen. Mochten er geen middelen ten dienste staan, dar,, kan , zoo wordt er bijgevoegd , de belanghebbende of zijne naaste betrekkingen bij request op zegel aan 's Ministers departement hulp vragen.
Bij dat request moeten alsdan worden overgelegd:
1°. eene akte van onvermogen, afgegeven door den burgemeester der gemeente, waar de patient gedomicilieerd is;
2°. een verklaring van den districts-veearts of plaats ver vangenden districts-veearts, dat de hond, die de beet toebracht, aan dolheid lijdende was of, zoo hij dit niet zeker weet, dan een opgave der redenen, die dit met grond doen vermoeden;
3°. eene verklaring van den inspecteur of adjunctinspecteur van het geneeskundig staatstoezicht, dat hij de opzending van den patient noodzakelijk acht en deze bereid is zich daaraan te onderwerpen.
Die stukken behooren met den meesten spoed te worden opgezonden.
Aan het slot van den brief worden de inspecteurs en adjunct-inspecteurs aangezocht om, indien opzending door hen wordt aanbevolen, ook den burge-
- 15 â
meester der gemeente, waar de lijder gedomicilieerd is, daarvan gelijktijdig mededeeling te doen.
Voorts zijn door genoemden lieer Minister de districts-veeartsen aangesclireven om zoo mogelijk het kadaver en anders den kop van eiken dollen of van dolheid verdachten hond, die menschen geheten heeft, onmiddellijk naar 's Rijks veeartsenijschool op te zenden (1), zich, wanneer zij van een geval van hondsdolheid bericht krijgen, steeds te overtuigen of door het zieke of verdachte dier menschen zijn verwond en zoo ja, onmiddellijk daarna hij de voorgeschreven kennisgeving aan den geneeskundigen ambtenaar opgave te doen van de namen, voornamen en woonplaats van de verwonden.
In voldoening aan Zijner Excellenties verzoek heb ik de eer U van het bovenstaande, ter bevordering vau gewenschte samenwerking en snel handelen bij de toepassing der opgenoemde voorschriften, in kennis te stellen.
De Comm. des Konings in de prov. Overijssel, {get.) Geeiitsbma.
Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 24 Julij 1890 , aan de Commissarissen des Konings der aan Duitschland grenzende provinciën, houdende mededeeling eener overeenkomst tusschen de Neder-landsche en Duitsche Regeering, betreffende maatregelen in zake hondsdolheid.
Tusschen de Nederlandsche en de Duitsche Regeering is het volgende overeengekomen:
I. Telkens wanneer de maatregelen, voorgeschreven in § 38 van de Duitsche Rijkswet van 23 Juni 1880, betreffende de besmettelijke veeziekten {Ueichs Gesetzblaif, bladz. 153), zie bijlage A hierna), zullen zijn toegepast in een aan Nederland grenzend politiedistrict (âOrts-poliaeibezirkquot;) zullen de ambtenaren der plaatse-
(1) Zie de missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 25 Mei 1891 hierna opgenomen.
â 16 â
lijke politie (âOrtspolizeibehördequot;) daarvan onverwijld kennis geven aan de Burgemeesters der aangrenzende Nederlandsche gemeenten, met opgave van de Nederlandsche gemeenten, gelegen binnen den kring, die volgens § 20 van de Instrnctie van den Dnitschen Bondsraad van 12 Februari 1881 {Central-hlatt für das Deutsche Reich, bladz. 36), (zie bijlage B hierna), als besmet wordt besehouwd.
Behalve de afdeelingen van politie in de steden, worden nog onder den naam âOrtspolizeibezirkquot; verstaan,
in de provincie Hannover; de âKreisequot; en het âAmtsbezirkquot; Nenenhaus in de kreis Bentheim; in de provincieWestphalen: de âAmtsbezirke^, en in deRhijnprovincie: de Bnrgemeisterei-Bezirkequot;. 11. Telkens wanneer de maatregel, genoemd in het tweede en derde lid van art. 3 van de wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n0. 110), toegepast zal zijn in eene aan Dnitschland grenzende gemeente, zal de Burgemeester dier gemeente daarvan onverwijld kennis geven aar de âGemeinde-Vorsteherquot; der Duitsche grensgemeenten, voor zooveel de provincie Hannover betreft:
of aan de âOrtspolizeibehördequot; in de aangrenzende â Ortspolizeibezirkequot;, voor zooveel de provincie Westphalen en de Rhijnprovincie betreft; met aanwijzing van de gemeente waarin de aanwezigheid van den hond, die aanleiding gaf tot den maatregel, zal zijn geconstateerd.
Ik heb de eer ÃH.E.G. te verzoeken, hiervan kennis te geven aan de Burgemeesters van de aan Dnitschland grenzende gemeenten Uwer provincie , en hun op te dragen:
a. na het ontvangen van eene mededeeling als hierboven onder I wordt bedoeld, daarvan onverwijld kennis te geven aan UH.E.G., aan de Burgemeesters der aangrenzende Nederlandsche gemeenten en aan den d istri ets veearts, en voorts in overleg met den districtsveearts of een districtsveearts-plaatsvervanger of, bij afwezigheid van beiden, een geëxamineerden veearts, onmiddellijk alle de door de wet geoorloofde maatregelen te treffen om de insleeping dei hondsdolheid in Nederland te beletten ;
â 17 â
h. bij toepassing van liet tweede of derde lid van art. 3 der wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n0. 110) in hunne gemeente daarvan onverwijld de kennisgeving, hierboven bedoeld onder IT, aan de Duitsche autoriteiten te doen.
UH.Ed.Gestr. gelieve overigens toe te zien, dat de bepalingen der wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n0. 110) in de nabij de grenzen gelegen gemeenten streng en nauwgezet worden gehandhaafd, opdat, indien zich een geval mocht voordoen dat hondsdolheid uit ons land in Duitsch-land was overgebracht, dit niet aan verzuim in dat opzicht te wijten zij.
Naar aanleiding van het hierboven onder a bedoelde, doe ik opmerken dat de wet vooralsnog den burgemeester niet de bevoegdheid geeft, op grond van het voorkomen van hondsdolheid in eene naburige Duitsche gemeente, het bevelschrift tot het muilkorven van honden uit te vaardigen. Evenwel vlei ik mij dat hiertoe spoedig door eene wijziging der wet gelegenheid zal worden gegeven. (1)
De Minister van Binnenlandse he Zaken, {ffet.) de Savoknin Lottman.
dsche
Bijlage A.
GESETZ betreffend die Abwehr und TJnter-drüchung von Vieliseuchen, voni 23 Juni 1880 ervan (Reie/is-Gesetzblatt S 153).
in de
pro- ^ 38. 1st ein wuthkranker oder der Seuche ver-dachtiger IIund frei umhergelaufen, so musz für ig als ^auer ^er Gefahr die Festlegung aller iu mver- ^em Bezirke vorhandenen Hunde
n de P^izeilich angeordnet werden. Der Festlegung ist das Führen der mit einem sichern Maulkorbe r^s verschenen Hunde an der Leine gleich zu erachten. Wenn Hunde dieser Vorschrift zuwider frei um-herlaufend betroffen werden, so kann deren Lellijk S0^01^Se Tödtung polizeilich angeordnet werden, en te j
id jn : (1) De bedoelde wijziging heeft plaats gehad !bij de wet van 15 April 1891, S. 80. Uond.vlolheul, 3p dr. ^
â ts â
Bijlage B. -VI|SSIV
Z
INSTRUCTION zur Ausführung der § 9 Vl
his 29 des Ges et zes vom 23 Juni 1880, y
betreffend die Abwehr und Un terdrückung e
von Viehseuchen {Central-Blatt fiir das Nati
Deutsche Reich S 36). jen ^
§ 20. 1st ein wuthkranker oder ein der Seuche omtre vevdiichtiger Hund frei nmhergelaufen, so inusz von wijze, der Polizeibehörde sofort die Festlegung (Auket- verda( tung oder Einsperrang) aller in dem gefillirdeteu tot m Bezirke vorhandenen Hunde für eiuen Zeitraum worde von 3 Monaten augeordnet werden (§ 38 der ietgee Gesetzes). deparl
Der Festlegung gleicliznacliten ist das Fiihren en 2. der mit einem sicheren Maulkorbe versehenen dat h Hunde au der Leine; jedoch diirfen die Hunde Op ohue polizeiliche Erlaubnisz aus dem gefiirhdeten alleen Bezirke nicht ausgefiihrt werden.
Als gefiilirdet gelten alle Ortschaften, in welchen der wutlikranke oder der Seuelie verdachtige Hund gesehen worden ist und die bis 4 Kilometer von diesen Ortschaften entrernten Orte eintschliezlich der Gemarkungen derselben.
Die Benutzung der Hunde zum Ziehen ist unter der Bedingung gestattet, dasz dieselben test angeschirrt, mit eiuen sicheren Maulkorbe versehen und auszer der Zeit des Gebrauchs festgelegt werden.
Die Verwendung von Hirtenhunden zur Be-gleitung der Herde, von Fleischerhunden zum Treiben von Vieh und von Jagdhunden bei der Jagd kann unter der Bedingung gestattet werden,
dasz die Hunde auszer der Zeit des Gebrauchs (auszerhalb des Jagdreviers) festgelegt oder, mit einem sicheren Maulkorbe versehen, an der Leine gefiihrt werden.
Die Polizeibehörde hat anzuordnen, dasz Hunde,
vvelche der Vorschrift dieses Paragraphen zuwider innerhalb des gefiihrdeten Bezirks frei umher-laufend betroffen werden, sofort zn tödten sind.
1°. naar wet a heid door 2°. den aan door mens Bi
gehei opge: plaat moei inho alvoi verzi ruin de i geen zege
â 19 â
Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 25 Mei ]891, aan de districtsveeartsen , betreffende opzending van cadavers van dolle of van dolheid verdachte honden enz. naar 's Rijks veeartsenijschool te Utrecht.
Naar aanleiding van herhaalde klachten van den directeur der llijks veeartsenijschool te Utrecht omtrent de onvoldoende en dikwijls gevaarlijke wijze, waarop cadavers van dolle of van dolheid verdachte dieren of deelen daarvan verpakt en tot nader onderzoek naar de Rijks veeartsenijschool worden opgezonden, heb ik, met intrekking van hetgeen te dier zake is bepaald in de brieven van mijn departement van 27 April en 1 Juli 1886, n08.1341 en 2155afd. M. P., de eer U te berichten, dat het volgende moet worden in acht genomen.
Opzending naar de Rijks veeartsenijschool wordt alleen gewenscht:
1°. van eiken hond en van elke kat, die, naar het oordeel van den veearts, die het bij de wet voorgeschreven onderzoek verrichtte, aan dolheid heeft geleden, indien het bekend is, dat door dat dier één of meer menschen zijn gebeten;
2°. van eiken hond en van elke kat, die dooiden veearts voor verdacht wordt gehouden van aan dolheid te hebben geleden, onverschillig of door het verdachte dier al of niet één of meer menschen zijn gebeten.
Bij opzending van zulk een dier behoort het geheele cadaver (niet enkel de kop) te worden opgezonden. Organen, welke door u of uwen plaatsvervanger bij het onderzoek uit het cadaver mochten zijn genomen, moeten, met hunnen inhoud, weder in het cadaver worden geplaatst alvorens dit ter verzending wordt ir.gepakt. De verzending moet plaats hebben in eene niet te ruime, zeer stevige, dichtgespijkerde kist, waarvan de planken overal goed tegen elkaar sluiten en geene openingen bezitten. De kist moet verzegeld zijn en voorzien van het volgend adres: Aan de Rijks Veeartsenijschool te Utrecht. Inhoud: Cadaver van een dollen (van dolheid verdachten) hond (kat).
Afgezonden den .... uit .... door ....
â -20 â
Gelief hel bovenstaande in aeht te nemen en toe te zien, dat het worde in aeht genomen door uwe plaatsvervangers, aan wie gij van dit sehrijven kennis behoort te geven.
Door tusscheukomst van de Commissarissen des Konings doe ik den burgemeesters verzoeken, van hunnentwege geen opzending van dolle of van dolheid verdachte dieren naar 's Rijks veeartsenijschool tc doen plaats hebben, dan na advies van den veearts, die het dier onderzocht heeft, die dan tevens heeft toe te zien, dat het boven medegedeelde worde in acht genomen.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
Voor den Minister, Dc Secretaris-Generaal, {gei.) i luis recht.
Aan Afmi Ami Bes Bevi
Bini
Boe Bui Coi
Cor
Di: Er Ge Hlt; Ho In K
ALPHABETISCH REGISTER.
D«; cijfers zijn de artikelen der wet. Aangifte. 1.
Afmaken van Londen enz. 1. 2. 3. 6. Ambtenaren van politie. Uitvoering der wet. 4. Beslagneming van honden. In â 6. Bevelschrift om de honden van een muilkorf te voorzien. 3.
Binnentreden van woningen enz. door de ambtenaren. 4.
Boeten en straffen. 6. 8.
Burgemeester. 1â5.
Commissaris van politie. 1â4.
Commissaris in de provincie. Ontvangt kennisgeving van den burgemeester. 3. Districts-veearts. 2. 3. 5.
Erven. Zie Binnentreden.
Gebouwen. Zie Binnentreden.
Honden zonder muilkorf. 6.
Honden en katten zonder opzigt op vreemd erf. 7. Inwerkingtreding. 12.
Kennisgeving aan burgemeester of commissaris van politie. 1.
â jian de burgemeesters van aangrenzende gemeenten. 8.
ueii eni n door I hrij ven
Model muilkorf. 3.
Muilkorf. Honden zonder â 6.
Onbekende eigenaar enz. Houden van â 6. Onderzoek door veeartsen. 2.
Opsluiten van honden enz. 1.
Overblijfselen van honden enz., gestorven of afgemaakt. 5.
Plaatselijke verordeningen. 11.
Provinciale verordeningen. 11.
Vaartuigen. Zie binnentreden.
Vastleggen van honden enz. 1.
Veearts. Zie Districts-veearts.
Veeartsenijschool. Uitzondering. 10. Verbeurdverklaring van honden. 6. Verordeningen. Provinciale en plaatselijke â 11. Voorwerpen met gestorven of afgemaakte honden enz. in aanraking geweest. 5.