ocr page 1
ocr page 2

'Bibliotheek der Rijk*ua*versitUt te^Utwcat

m

; I

■ f ';•*

ocr page 3

BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT

2911 904 1

ocr page 4

BETREFFENDE :

Veeartsenijkundig Staatstoezigt en de veeartsenijkundige politie;

■

itoefening der veeartsen ijk unst;

Onderwijs in de veeartsenijkunde en van de voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts;

eeartsenijkundige politie ten opzigte van paarden van het leger;

ijzondere bepalingen tot beteugeling der , longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands;

j MET

AANTEEKENINGEN \1tesluiten ens. ter uitvoering

EN

ALPHABETISCH REGISTER

DOOR

P. H. JORDENS

Commies ter Prov. griffie van Overijssel.

VIJFDE DRUK

bijgewerkt tot December 1896.

z w o L L E W. E. J. TJEENK WILLINK.

Biblioihss;k der

BgkauuivcrsitiAt te UtmclR AM, Dftagefieakabde

ocr page 5

VERKORTINGEN:

Handel. Uandelhiyeu van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

Bijl. Bijlagen tan het Verslay der Handelingen van de Tweede Kamer der Sta ten- Generaa l.

M. v. T. Memorie van Toelichting, hekoorende bij hei wets-ontwerp.

M. v. B. Memorie van Beantwoording van het voorloopig

verslag.

C. V. Luttenherg's Chronologische Verzameling S. Staatsblad.

ocr page 6

INHOUD.

Bladz.

20 Julij 1870, S. 131. Wet, tot regeling van het veearlsenijkundig Staatstoezigt en de veeartsenijkundige politie. {Zooals die wet is gewijzigd bij de wetten van 1 Augustus 1880, S. 123,15 April 1886, S. 64 en 15 April 1896, S. 68.) . . 7 8 Julij 1874, S. 98. Wet, tot regeling van de uitoefening der veeartsenijkunst. {Zooals die wet is gewijzigd hij de wetten van 4 April 1875, S. 37 en 15 April

1886, S. 64.)........31

8 Julij 1874, S. 99. Wet, tot regeling van liet onderwijs in de veeartsenijkunde en van de voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts.....38

2 Jimj 1875, S. 94. Wet, houdende bepalingen betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzigte van paarden van het leger, in verband met de wet van 30 Julij 1870, S. 131. {Zooals die wet is gewijzigd bij de wet van 15 April

1886, S. 64.).........43

8 Augustus 1878, S. 115. Wet, houdende vaststelling van bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands. {Zooals die wet is gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, S. 64.) .... 47

BIJLAGEN.

8 December 1870, S. 194. Besluit, houdende verbod van in- en doorvoer van buiten 's lauds van rundvee, schapen, bokken, geiten, versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klaau-wen en hoornen, alsmede van allen afval van genoemde dieren......49

ocr page 7

IV

Bladz.

14 December 1870. Missive van den Minister van Binncnlandsclie Zaken, betreffende de toepassing van de artt. 5, 14, 16, 17, 19, 21 en 25 der wet van 20 Julij

1870, S. 131.........50

23 December 1870. Missive van den Minister van Binnenlandsclie Zaken, betreffende de uitvoering van de artt. 24 en 36 der wet van 20 Julij 1870, S. 131. . 52 28 Mei 1871, S. 42. Besluit, houdende verbod van inlading van vee in een schip,

naar buiten 's lands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van een veearts van Regeringswege daartoe aangesteld. {Zooals dat besluit is aangevuld bij be-sluit van 18 Maart 1878, S. 20.) . . 54 11 Julij 1871, S. 75. Besluit, waarbij de burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van roerende goederen , voor rekening van het rijk wegens besmettelijke ziekten

onteigend enz..........55

6 Julij 1873. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betreffende de zegel- en registratiekosten van 't procesverbaal van verkoop van vleesch en huiden , afkomstig van longziek vee . . 57 11 Julij 1874, S. 109. Besluit, waarbij de burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Julij 1870, S. 131 ... . 57 21 Junij 1875. Missive van den Minister van Binnenlandsche^Zaken, betrekkelijk de invoering der wet van 2 Junü 1875, S. 94, houdende bepalingen betxeffende de veeartsenijkundige politie ten opzigte

van paarden van het leger.....58

25 Februarj 1877. Besluit, houdende op-dragt aan de ambtenaren bij 's Rijks belastingen om te waken voor de nakoming

ocr page 8

V

Blad/.

der verordeningen betreffende maatregelen tot wering der veeziekte . . . . 59 1 Mei 1877. Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, betrekkelijk liet honden van verkoopingen van vleeseh en hniden, afkomstig van onteigend vee. 60 17 Augustus 1878 , S. 128. Besluit, lion-dende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder liet rundvee, aangevuld en gewijzigd bij bet besluit van 9 Januarij 1879, S. 2. . 61 16 Jun'yj 1883. Missive van den Minister van Binnenlandsebe Zaken, betreffende de benadering van slachtvee krachtens dispensatie ingevoerd......65

9 Junij 1885, S. 125. Besluit, houdende

voorschriften betreffende het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens de wet van den 20 Jul ij 1870, S. 131, afgemaakt, aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht vee, of volgens de wet van 5 Junij 1875, S. 110, afgemaakte honden en katten, en van andere voorwerpen en de ontsmetting van stallen en andere gebouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten. . 66 26 Mei 1888, S. 86. Besluit, waarbij, met herziening van het Kon. besluit van 16 November 1884, S. 223, bepalingen worden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en met schepen, en de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen. {Zooals dit besluit is gewijzigd hij besluit van 5 September 1890, S. 152.) ... .76 14 Augustus 1888, S. 142. Besluit, houdende verbod van in- en doorvoer van buitenslands van varkens, van versch en gezouten varkensvleesch en van onge-smolten vet, klauwen, mest en verderen afval van varkens.......78

10 Julij 1889. Missive van den Minister

van Binnenlandsche Zaken, houdende

ocr page 9

VI

Bladz.

nadere inlichtiug bij de missive van 14 Dec. 1870 verstrekt, omtrent detoe-passing der artt. 14, 16,17, 19, 21 eu 25 der wet van 20 Julij 1870, S. 131. . 80 1 December 1889, S. 173. Besluit, betreffende vervoer, merking en visitatie van vee in nabij de grenzen gelegen gemeenten ...........81

3/6 Mei 1892. Besluit van de Ministers van Binnenlandsclie Zaken en van Financiën, betreffende in- en doorvoer van van vee afkomstige artikelen . . . . 84 25 Mei 1894, S. 65. Besluit, tot vaststelling van een reglement voor 's Rijks

veeartsenijschool........86

22 December 1894. Besluit van den Minister van Binnenlandsclie Zaken, houdende nadere vaststelling der kenteeke-nen, bedoeld in art. 17 der wet van

20 Juli 1870, S. 131......102

10 Juli 1896, S. 104. Besluit, waarbij nader wordt bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden en welke der, in de wet van 20 Juli 1870, S. 131, genoemde, maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast

worden...........103

19 Augustus 1896. Besluit van den Minister van Binnenlandsclie Zaken, betreffende de schadeloosstelling te verkenen voor de huid van een dier, dat, aan eene besmettelijke ziekte lijdende, is gestorven en verbrand, begraven of op andere wijze onschadelijk gemaakt . 131 12 October 1896. Beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken, houdende vaststelling van voorschriften en modellen in zake voorschot-declaratiën, voortvloeiende uit de toepassing der wet van 20 Juli 1870, S. 131, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 S. 68............133

x-

ocr page 10

WET

vuil den 20sten Julij 1870, S. 131,

tot regeling van het

VEEARTSENIJKÜNDIG STAATSTOEZIOT

en de

VEEARTSENIJKUNDIGE POLITIE.

(Zooals die wet is gewijzigd bij de wetten van

1 Aug. 1880, S. 123, 15 April 1886, S. 64 en 15 April 1896, S. 68.)

Zie ten aanzien der wet van 20 Juli 1870, S. 131:

Bijl. Hand. 2e Kamer 1869/70, bi adz. 120— 128, 1579—1583, 1625—1629, 1739, 1740, 1833, 1834.

Hand. id. 1869/70, bladz. 10, 55, 1399, 1783—1801, 1805—1833, 1836—1850.

Hand. le Kamer 1869/70, bladz. 470, 474— 479, 481, 490, 491, 500, 506—508, 512—516.

Wij quot;WILLEM III, bij de giiatie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen y salnt! doen te weten :

Alzoo Wij in overweging genomen li ebben, dat het noodzakelijk is het veeartsenijkundig Staats-toezigt en de veeartsenijknndige politie bij de wet te regelen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. Van het veeartsenij kundig Staat stoezigt.

Art. 1. Het veeartseniikundig Staatstoezigt omvat:

a. het onderzoek naar den algomeenen gezondheidstoestand van den veestapel en, waar noodig.

ocr page 11

— 8 —

de aanwijzing en bevordering van middelen ter verbetering;

h. de liandhaviDg van de wetten en verordeningen in bet belang van den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel vastgesteld.

2. Het is onder Onzen Minister van Binnen-landsebe Zaken opgedragen aan districtsveeartsen. Zij worden door Ons benoemd nit personen, die de akte van bevoegdheid als veearts van Rijkswege ontvangen hebben. Zij kunnen door Ons worden geschorst en ontslagen.

Hunne standplaatsen, alsmede de kringen, waar binnen zij werkzaam zijn, worden hun door Onzen Minister van Binneulandsche Zaken aangewezen.

Voor iederen districtsve.'arts worden door Ons één of meer plaatsvervangers benoemd, die, bij volstrekte verhindering van dien ambtenaar, zijne betrekking waarnemen.

3. Bij de aanvaarding hunner betrekking leggen de districts veeartsen en de plaatsvervangende districtsveeartsen den volgenden eed (belofte) af in handen van Onzen Commissaris in de provincie:

„Ik zweer (beloof), dat ik de verpligtingen, ver-„bonden aan de betrekking van districtsveearts „(plaatsvervangend districtsveearts), getrouw ver-„ vullen zal.

„Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig. (Dat „beloof ik)!quot;

4. Bij schorsing van districtsveeartsen bepaalt het besluit of dit geschiedt met behoud, dan wel met geheel of gedeeltelijk verlies der bezoldiging gedurende den tijd der schorsing. Onze Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt op welke wijze, gedurende den tijd der schorsing, in de dienst zal worden voorzien.

5. De districts veeartsen zijn bevoegd binnen den kring, waarin zij werkzaam zijn, onder ver-

(2) Bij besluiten van 27 December 1870, n0. 25 en 28 Julij 1890, n0. 29, is vrijstelling verleend van briefport tusschen de districts veeartsen en hunne plaatsvervangers en de daarbij vermelde autoriteiten en ambtenaren.

(5) Ten einde aan een der bezwaren tegen dit artikel te gemoet te komen, is thans bepaald dat de ambtenaren de in het artikel genoemde plaatsen

ocr page 12

toon des gevorderd van hunne akte van aanstelling, bij het aanwezig zijn van eene besmettelijke veeziekte of wanneer die vermoed wordt, de bij deze wet aan hnn toezigt onderworpen erven, weiden, stallen en andere verblijfplaatsen van vee, slagt-huizen, winkels of bergplaatsen van vleesch en spek, alsmede diergaarden, tentoonstellingen van vee, vilderijen, penserijen en dergelijke werkplaatsen, zelfs ondanks den wil der bewoners of gebruikers, tusschen zons op- en ondergang binnen te treden. Zij moeten daarbij voorzien zijn van een'schriftelijken last van den burgemeester of den kanton-regter en dien des gevorderd vertoonen.

6. De districtsveeartsen zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen in het belang van den veestapel proces-verbaal op te maken, op den eed bij de aanvaarding hunner bediening afgelegd.

Zij zenden de processen-verbaal aan het openbaar ministerie.

alleen tusschen zons op- en ondergang mogen binnentreden. Zeer juist is opgemerkt dat art. 10 der wet van 19 April 1867 {Staatsblad n0. 30) verder ging en, zoover bekend is, heeft dat artikel nooit tot eenige moeijelijkheid aanleiding gegeven.

Eene besmettelijke ziekte dreigt, wanneer zij zich in het buitenland vertoont, vooral wanneer zij de grenzen nadert. Dit kan door de Regering bekend gemaakt worden.

Vleeschwinkels enz. zijn in dit artikel opgenoemd, omdat het noodig kan zijn uit het onderzoek van vleesch het beslaan eener besmettelijke veeziekte te herkennen. Ook kan zich het geval voordoen dat de districtsveearts, op het spoor zijnde van een aan besmettelijke ziekte lijdend stuk vee, verneemt dat het geslagt is. In dat geval is onderzoek van het geslagte dier noodzakelijk. Voor deze en dergelijke gevallen moet hij de bevoegdheid hebben om bergplaatsen van vleesch binnen te treden. Tentoonstellingen zijn uitdrukkelijk genoemd om aan te toonen dat de districtsveearts het regt heeft in de gevallen bij het artikel voorzien , daar binnen te treden, ook zonder betaling en dat hij niet geweerd mag worden.

Zonder noodzaak zal een burgemeester niet ligt de gevraagde magtiging verleenen; hij moet haar zelfs kunnen weigeren en hierin bestaat voor den veehouder een voldoenden waarborg tegen mogelijke willekeur van den districts veearts. (M. v. T.)

ocr page 13

— 10 —

7. De dis tri ets veeartsen genieten eene vaste bezoldiging uit 's lands kas, benevens vergoeding voor bureau, reis- en verblijfkosten.

Zij oefenen de veeartsenij kunst niet uit en be-kleeden zonder Onze toestemming geene andere bediening.

De plaatsvervangende districtsvee.irtsen zijn bevoegd de veeartsenijkunst uit te oefenen. Zij ontvangen geene bezoldiging, maar vergoeding voor reis- en verblijfkosten en vacatiegelden.

8. Jaarlijks geven de districtsveeartsen voor den Isten April aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken een verslag van de werkzaamheden van liet veeartsenijkundig Staatstoezigt over bet afgeloopen jaar in hunnen kring. Zij zenden van dit verslag een afschrift aan Ged. Staten der provincie of der provinciën waarin zij gestationneerd zijn.

9. De districtsveeartsen houden, binnen den kring waarvoor zij zijn aangesteld, een naauw-keurig toezigt op den eezondheidstoestand van den veestapel en op de handhaving der wetten en verordeningen, in het belang van den vsestapel vastgesteld, en viseren kosteloos de diplornata en de bewijzen van bevoegdheid der veeartsen.

(7) Een klein getal ambtenaren zal in gewone tijden voldoende zijn om behoorlijk toezigt te houden, maar dan moeten zij zich geheel daaraan kunnen wijden en niet alleen de veeartsenijkunst niet uitoefenen maar ook in den regel geene andere bedieningen bekleeden. Mogten de huisgenooten van den districtsveearts een of ander bedrijf uitoefenen waardoor de zelfstandigheid van dien ambtenaar gevaar loopt, dan kan daartegen door de Regering gewaakt worden. Art. 2 geeft daartoe het middel in handen. (M. v. T.)

— De reis- en verblijfkosten van de districtsveeartsen en hunne plaatsvervangers, worden berekend naar de 3e klasse van het besluit van 5 Januari 1884, S. 4.

— laatste alinea. De beide laatste woorden zijn aan deze alinea toegevoegd bij de wet van 1 Augustus 1880, S. 123. Het vacatiegeld is bij besluit van 19 Augustus 1880, n0. 3, bepaald op ƒ 3 per dag.

(9) alinea 2. Het zoo veel mogelijk bezoeken van veemarkten sluit niet in zich dat altijd alle markten door den districtsveearts bezocht behoeven te worden. (M. v. T.)

ocr page 14

Zij bezoeken zooveel mogelijk de markten, waar handel in vee wordt gedreven, alsmede de plaatsen waar openbare verkoopingen van vee worden gebonden en gelasten de inbeslagneming en afzondering van aldaar aanwezig, aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee.

10. Bij bet ontstaan eener de gezondheid van den veestapel bedreigende of buitengewone sterfte veroorzakende, of eener voor den menscb schadelijke ziekte onder bet vee, of wanneer er vrees bestaat dat zoodanige ziekte van buiten 's lands zal worden overgebragt, geven zij daarvan onmiddellijk berigt aan Onzen Minister van Binnenland-sche Zaken, aan den Commissaris of de Commissarissen des Konings van de provincie of de provinciën waarin zij gestationneerd zijn en aan de districts veeartsen in de aangrenzende kringen. Zij maken zich, wanneer zich zulk eene ziekte in hunnen kring vertoont, persoonlijk bekend met den aard daarvan en stellen den burgemeester der betrokken gemeente de maatregelen voor, die dadelijk tot stuiting der ziekte te nemen zijn.

Van het voorkomen van voor menschen gevaarlijke veeziekten geven zij ook berigt aan den geneeskundigen inspecteur in den kring waarin zij gevestigd zijn, en treden met bem in overleg over de voor te stellen maatregelen.

11. Bij het uitbreken van besmettelijke veeziekten kunnen door Ons tijdelijk buitengewone dis-trictsveeartsen worden aangesteld.

Zij genieten bezoldiging en vergoeding voor bureau-, reis- en verblijfkosten uit 's lands kas, door Ons te bepalen, en hebben, zoolang zij in dienst zijn, dezelfde bevoegdheden en verpligtingen als de gewone districtsveeartsen.

Ze mogen echter de veeartsenijkunst blijven uitoefenen.

12. Onze Minister van Binuenlandsche Zaken

(11) Wanneer het toezigt in gewone tijden op voldoende wijze is geregeld, zal het zelden noodig zijn buitengewone ambtenaren te benoemen. Het is evenwel mogelijk dat de omstandigheden tijdelijke vermeerdering van ambtenaren noodzakelijk maken; in dat geval behoort de Regering daartoe de magt in handen te hebben. (M. v. T.)

ocr page 15

- \2 —

geeft Ons jaarlijks een verslag van de bevindingen en handelingen van het veeartsenijkundig Staats-toezigt. Dit verslag wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal medegedeeld en door den druk openbaar gemaakt.

§ 2. Bepalingen omtrent de veeartsenij kundige politie.

13. Wanneer zicli bij eenig stuk vee verschijnselen van eene besmettelijke ziekte openbaren, is de houder of hoeder verpligt daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het vee zicli bevindt.

14. Een stuk vee, dat verschijnselen eener besmettelijke ziekte vertoont, moet onmiddellijk

(13) Wanneer de veehouder of de hoeder in twijfel verkeert omtrent den aard van een ziektegeval , kan hij of een veearts raadplegen of aangifte doen dat zijn beest ziek is. Zonder zoodanige bepalingen zou toezigt op besmettelijke veeziekten onmogelijk zijn. (M. v. T)

— Degeen die het vee onder zijn onmiddellijk toezigt heeft, is de verantwoordelijke persoon.

Ziekteverschijnselen openbaren zich wanneer zij merkbaar zijn; in dat geval behoort aangifte te geschieden. (M. v. B.)

— De bedoeling is in het vervolg aangifte van vee, lijdende aan eene gewone ziekte, niet meer verpligtend te stellen, ten einde de vrijheid van de landbouwers niet noodeloos te belemmeren. (Redev. Min. van Binn. Zaken, 2e Kamer.)

— Laatstelijk is bij besluit van 10 Jiilijl896, S. 104, onder de bijlagen opgenomen, o. a. bepaald, welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden.

(14) Raadpleging van een geëxamineerd veearts. Zie hieromtrent de missive van den Minister van Binnenlandsclie Zaken van 14 December 1870 en 10 Julij 1889, onder de bijlagen opgenomen.

— Geëxamineerde veearts. Hier en overal waar in de wet gesproken wordt van geëxamineerd veearts, aan wie in spoedeischende gevallen, bij afwezigheid van den districtsveearts of zijn plaatsvervanger werkzaamheden kunnen worden opgedragen, wordt met geëxamineerde veearts bedoeld, zij die een diploma als zoodanig bezitten, waartoe de personen die krachtens art. 15 of 16 der wet van 8 Julij 1874, S. 99, een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijknust wordt uitge-

ocr page 16

door den eigenaar, houder of hoeder van het overige vee worden verwijderd en zoolang afgezonderd ge-liondeu worden, tot dat daaromtrent door den burgemeester, in overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met eenen geëxam in eerden veearts overeenkomstig de bepalingen dezer wet zal beslist zijn.

15. Wanneer, bij het ontstaan, binnen of buiten 's lands, eener besmettelijke veeziekte, de zorg

reikt, niet behooren. (Missive van den Minister van Binnenl. Zaken van 8 September 1874, n0. 52, afd. IX.)

— Het bedrag der belooning voor de geëxamineerde veeartsen is bij besluit van26Junij 1890, C. V., bepaald op ƒ 3 per dag, waarop zij bij afwezigheid van een districtsveearts of een districts-veearts-plaatsvervanger diens taak overnemen. Zij behooren overigens voor reis- en verblijfkosten tot de 3e klasse van het besluit van 5 Janu-arij 1884, S. 4.

(15) Het voorbehoud bij art. 1 der wet van 17 October 1865, S. 121, gevoegd, krachtens hetwelk de verordeningen van provinciale- en gemeentebesturen, voor zoo ver die met de voorschriften der wet niet in strijd waren, van kracht bleven is bij ondervinding gebleken tot niets dan tot verwarring aanleiding te geven. Bij het in werking treden van deze wet zouden provinciale of plaatselijke verordeningen bovendien geheel overbodig zijn. (M. v. T.)

— Men moet niet uit het oog verliezen dat het hier niet geldt eene bepaling in gewone omstandigheden, maar dat alleen wanneer, binnen of buiten 's lands, eene besmettelijke veeziekte bestaat, de genoemde bepalingen door den Koning zullen worden in het leven geroepen, en dan zal de provinciale en plaatselijke wetgever zich van regeling moeten onthouden. (Redev. Min. van Binn. Zaken, 2e Kamer.)

— De bij dit artikel aan der» Koning voorbehouden magt om bij het bestaan buitenslands van besmettelijke veeziekte, invoer van vee te verbieden en verbods- en andere bepalingen vast te stellen omtrent aangifte, verkoop, behandeling en visitatie, brengt mede de bevoegdheid om beambten aan te wijzen aan wie het toezigt op de naleving van die bepalingen zal zijn opgedragen. (Arrest van den Hoogen Raad van den 27 Junij 1892, W. v. 't R. 6215, C. V.)

— De besluiten van 8 December 1870,8.194

ocr page 17

voor het behoud van den veestapel en voor de gezondheid der ingezetenen het vereischt, kunnen door Ons in- en doorvoer van huiten 's lands, en vervoer hinnen 's lands van levend en dood vee, vleesch, huiden, haar, wol, mest en verderen afval , veevoeder, gereedschappen en voorwerpen, die hij de behandeling van vee gebruikt worden, en het houden van markten , verkoopingen , tentoonstellingen en andere vereenigingen van vee verboden, en verbods- en andere bepalingen vastgesteld worden omtrent aangifte, verkoop, behandeling en visitatie van alle in dit artikel genoemde voorwerpen, alsmede op de middelen, waarmede zij vervoerd worden, een en ander onverminderd de door provinciale en gemeentebesturen vast te stellen reglementen en verordeningen, voor zooverre zij met Onze voorschriften niet in strijd zijn.

16. Bij aangifte eener besmettelijke veeziekte door den eigenaar, houder of hoeder, of wanneer

en 14 Augustus 1888 , S. 142, bevatten verbod lot in- en doorvoer van buiten 's lands van vee enz. Het besluit van 28 Mei 1871, S. 42, gewijzigd bij dat van 18 Maart 1878, S. 20, houdt verbod in tot inlading van vee in een schip, naar buiten 's lands bestemd, zonder voorafgaande visitatie van een veearts van Regeringswege daartoe aangesteld. Het besluit van 17 Aug. 1878, S. 128, heeft betrekking op vervoer enz. uit de kringen door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen. Het besluit van 26 Mei 1888, S. 86, gewijzigd bij dat van 5 September 1890, S. 152, bevat bepalingen nopens het vervoer langs spoor-en tramwegen en met schepen en de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen. Het besluit van 1 December 1889, S. 173, houdt bepalingen in betreffende vervoer, merkiug en visitatie van vee in nabij de grenzen gelegen gemeenten.

Al deze besluiten zijn onder de bijlagen opgenomen.

(16) Bij dit artikel wordt aan den veeartsenij-kundigen ambtenaar niet meer magt toegekend dan dringend noodig is. Hij is de deskundige die te beslissen heeft, de burgemeester moet verpligt worden zijn advies te volgen, hetgeen te minder bezwaar heeft omdat de districtsveearts bij het geven van dit advies gebonden zal zijn aan de voorschriften van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur bij art. 34 bedoeld. (M. v. T.)

— Zie de aanteekening op art. 14.

ocr page 18

een stuk vee vermoed wordt door cene besmettelijke ziekte te zijn aangetast, doet de burgemeester onverwijld door den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger , in spoedeiscbende gevallen door eenen geëxamineerden veearts het zieke vee, of dat vermoed wordt ziek te zijn, onderzoeken. Deze geeft daarvan aan den burgemeester schriftelijk verslag, en, zoo het geval hem blijkt van een besmettelijken aard te zijn, brengt hij daarbij advies uit omtrent de te nemen maatregelen tot beteugeling der ziekte, aan welk advies de burgemeester verpligt is, overeenkomstig de bepalingen dezer wet, onverwijld gevolg te geven, behoudens zijn beroep op Onzen Minister van Binnen-landsche Zaken.

In gevallen van twijfelachtigen aard wordt aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken terstond kennis gegeven. Deze beveelt e^n onderzoek en schrijft alle de bij de wet toegelaten maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

17. Op last van den burgemeester wordt, zoo mogelijk na overleg met den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen met eenen geëxamineerden veearts, de hoeve, het erf, de stal of weide, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, door of in tegenwoordigheid van een' politiedienaar duidelijk kenbaar gemaakt; de kenteekeuen, daartoe gebezigd, blijven daar geplaatst gedurende een tijd, dooiden burgemeester, na overleg met den districtsveearts te bepalen, doch niet langer dan honderd dagen na het einde van het laatste geval.

18. De stof, vorm en grootte van deze kenteekeuen worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld en door middel der Staatscourant ter openbare kennis gebragt.

(17) Zie de aanteekening op art. 14.

(18) De kenteekeuen zijn laatstelijk vastgesteld bij besluit van den Minister vau Binnenlandsche Zaken van 22 December 1894, ouder de bijlagen opgenomen.

ocr page 19

— 16 —

1 9. De burgemeester is verpligt om, op advies van den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen van eenen geëxami-neerden veearts, vee door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, of nadat het hersteld is, van een merkteeken te doen voorzien.

20. De werktuigen tot het merken van vee en de kenteekenen, bedoeld in art. 17, zijn voor Rijksrekening in iedere gemeente aanwezig.

21. Vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht, is verboden.

Wanneer echter dit vervoer noodzakelijk is, kan de burgemeester, den districtsveearts of, bij afwezigheid van dezen en van een districtsveearts-plaatsvervanger, in spoedeischende gevallen den geëxamineerden veearts gehoord, het vervoer doen plaats hebben onder de door dezen aan te wijzen voorzorgmaatregelen.

22. Het vee wordt verdacht gehouden, wanneer de districtsveeartsen daaraan kenteekenen meenen te bespeuren van eene besmettelijke ziekte, wanneer het door smetstof bezoedeld kan zijn, zich met aan eene besmettelijke ziekte lijdend vee in dezelfde verblijfplaats bevindt of sedert een termijn , voor elke ziekte in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur volgens art. 34 te bepalen, bevonden heeft, of daarmede in onmiddellijke aanraking is geweest.

De beide laatste bepalingen gelden echter alleen voor vee, dat voor dezelfde ziekte vatbaar is, waaraan het vee lijdt, waarmede het in dezelfde verblijfplaats is of geweest is, of waarmede het in onmiddellijke aanraking is gekomen.

(19) Volgens herhaalde beslissingen van den Minister, worden de kosten van het merken, niet door het Rijk vergoed.

— Zie de aanteekening op art. 14.

(21) alinea 2. De burgemeester kaa natuurlijk alleen ontheffing van dit verbod verleenen voor zooveel de gemeente betreft. Is vervoer naar eene andere gemeente wenschelijk, dan zal de burgemeester van die gemeente zijne toestemming moeten geven. (M. v. T.)

— Zie de aanteekening op art. 14.

ocr page 20

— 17 -

23. Onverminderd de bepalingen der wet van 28 Augustus 1851 {Staatsblad n0. 125) vooralle andere gevallen van onteigening dan die van besmetting bij veeziekten, wordt, wanneer afmaking van vee noodig is, het besluit daartoe genomen door den burgemeester. Het vermeldt den eigenaar van het vee of houdt de verklaring in, dat de eigenaar den burgemeester onbekend is, en omschrijft het vee; het beveelt de onmiddellijke inbeslagneming daarvan en moet berusten op het verslag van den districtsveearts, in art. 16 bedoeld.

24. De afmaking geschiedt niet dan na voorafgaande onteigening.

Alvorens tot onteigening ter afmaking over te gaan, benoemt- de burgemeester een deskundige om het vee te waarderen, waarbij moet worden in acht genomen , dat voor verdacht vee de volle waarde, voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, ten minste de helft en ten hoogste het volle bedrag der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend, met dien verstande, dat in den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 34, voor elke besmettelijke ziekte, waarbij afmaking plaats heeft, de maatstaf bepaald wordt, naar welken het bedrag voor vee, door die ziekte aangetast, wordt berekend.

De toestand van ziek of verdacht wordt, wat

(23) In art. 23 is nu, even als in art. 1 der wet van 19 April 1867, S. 30, verwezen naar de wet van 28 Augustus 1851, S. 125, welke voor alle andere gevallen van onteigening, die dan van besmettiug bij veeziekten van kracht blijft. De bepalingen van de onteigeningswet zijn bij het heerschen der runderpest gebleken te langzaam te werken. De daarvoor in de plaats gestelde bepalingen der wet van 19 April 1867 hebben nooit tot ernstige moeijelijkheden aanleiding gegeven, niettegenstaande de ruime ondervinding die men daaromtrent heeft kunnen opdoen. (M. v. T.)

\24) alinea 2. Men wil de volle waarde voor verdacht vee geven, opdat zoo spoedig mogelijk de aangifte geschiede. Bij aanneming van het amendement zou die prikkel niet bestaan. Immers als de veehouder niet weet welke waarde voor zijn verdacht vee wordt gegeven, zal hij in den regel de aangifte zoo lang mogelijk uitstellen, zonder

Veeartsenïjk.y 5 e dr. 2

ocr page 21

de vergoeding betreft, beoordeeld naar liet oogen-blik dat het vee in het bezit van den burgemeester overgaat.

Wanneer de burgemeester of de eigenaar of beiden geen genoegen nemen met de waardering (van welke omstandigheid de burgemeester in zijn straks te noemen proces-verbaal melding maakt), benoemt de kantonregter terstond bij eenvoudige beschikking, op een verzoek van den burgemeester, twee deskundigen, die met den eersten deskundige beslissen bij meerderheid.

De, hetzij volgens het tweede of volgens het vierde lid van dit artikel, getaxeerde prijs wordt den eigenaar aangeboden en, bij weigering of ontstentenis van den eigenaar, in handen van den gemeente-ontvanger gedeponeerd. Voor het doen der in dit artikel vermelde aanbieding, zijn de vormen, voorgeschreven bij het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Regtsvorde-ring, niet toepasselijk; de aanbieding wordt, even als de andere in dit artikel genoemde handelingen des burgemeesters of die, waarbij deze tegenwoordig is, geconstateerd bij proces-verbaal van den burgemeester op zijn ambtseed opgemaakt.

Zoowel de burgemeester als de eigenaar kan vorderen, dat de deskundige of ieder der deskundigen , alvorens te waarderen, den eed of de belofte aflegge van naar zijn beste weten de waardering te zullen doen. Deze eed of belofte wordt in handen van den burgemeester afgelegd.

Bij afwezigheid van den eigenaar, wordt hij,

nog te vervallen in de strafbepalingen. Weet hij daarentegen die waarde, hij zal spoedig aangifte doen en de autoriteit zal maatregelen kunnen nemen. (Redev. Min. v. Binn. Zaken, 2C Kamer.)

— Alinea 2 is aldus nader vastgeste.d bij de wet van 15 April 1896, S. 68.

— alinea 6. Het schijnt wenschelijk het afleggen van een eed door den schatter niet verpligtend te maken. In het algemeen toch verdient het al te zeer vermenigvuldiging van eedsafleggingen geen goedkeuring. (M. v. T.)

— Zie omtrent de uitvoering van art. 24 de missive van den Min. van Binnenlandsche Zaken van 23 December 1870, onder de bijlagen opgenomen.

ocr page 22

-lO-

ten opzigte der bepalingen van dit artikel, vervangen door zijnen gemagtigde ter plaatse waar het vee zieh bevindt, of zoo deze ontbreekt, door den houder of hoeder van het vee. De koopprijs wordt evenwel ten behoeve van afwezige eigenaars altijd gedeponeerd bij den gemeente-ontvanger.

25. Wanneer tot afmaking moet worden overgegaan, of ziektegevallen zijn voorgekomen, die daartoe aanleiding hadden kunnen geveu, is de burgemeester verpligt te onteigenen en te vernietigen de voorwerpen, door den districtsveearts of bij afwezigheid van dezen en van een d i str iets veeartsplaatsvervanger, in spoedeischende gevallen door eenen geëxamlneerden veearts aan te wijzen. Deze onteigening geschiedt op de wijze in art. 24 vermeld. Het besluit daïirtoe wordt genomen op gelijke wijze als dat in art. 23 bedoeld, en daarbij kan de inbeslagneming der voorwerpen bevolen worden.

26. De eigenaar van volgens deze wet afgemaakt vee of van onteigende voorwerpen in art. 25 genoemd, die den aangeboden prijs niet heeft aangenomen, kan dien nog gedurende z£5 maanden bij den gemeente-ontvanger in ontvang nemen.

Na verloop van dezen termijn wordt de som in de kas der geregtelijke en vrijwillige consignatiën gestort. Het bewijs van uitbetaling aan den regt-hebbende of van storting in de consignatiekas wordt door den gemeente-ontvanger aan de Alge-meene Rekenkamer gezonden.

Voor het overbrengen der gelden naar de consignatiekas zijn de vormen, voorgeschreven bij art. 1442 van het Burgerlijk quot;Wetboek, niet toepasselijk.

De onteigende kan zich, gedurende vijf jaren na de consignatie, aan de consignatiekas aanmelden om alsnog de som te ontvangen. In dat geval worden hem de kosten van overbrenging in consignatie , door het Rijk voorgeschoten, gekort.

Na verloop van deze vijf jaren is de vordering

(25) Het scheen niet raadzaam de voorwerpen op te noemen waarvan onteigening noodig is. De bepaling daarvan blijve aan den districts veearts. (M. v. T.)

— Zie de aanteekening op art. 14,

ocr page 23

— 20 —

van den eigenaar verjaard en vervalt de som aan het Rijk. De kosten blijven in dat geval ten laste van liet Rijk.

27. De aanspraak op vergoeding wegens de onteigeningen krachtens de artt. 24 en 25 vervalt, wanneer de bij art. 13 voorgeschreven aangifte of de bij art. 14 voorgeschreven afzondering is verzuimd, of wanneer de eigenaar binnen den verboden termijn vee heeft gebragt of doen brengen op stallen, hoeven of weiden, waar eene besmettelijke ziekte heeft geheerscht, of op eenige andere wijze zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebragt of doen brengen.

Tn geval van bevinding van een dezer strafbare feiten, wordt de vergoeding wel volgens art. 24 en 25 bepaald, maar bij den gemeente-ontvanger gesequestreerd tot na afloop van die strafzaak.

Tn geval van vrijspraak of ontslag van regts-vervolging begint de termijn, vermeld in de eerste alinea van art. 26, van de uitspraak van het eindvonnis.

In dat geval zendt de gemeente-ontvanger met

(27) alinea 1. Er is gevraagd of de beoaling , dat de eigenaar geen aanspraak heeft op vergoeding van het vee ten aanzien waarvan hij in overtreding is bevonden, op geheel den koppel slaat, dan wel op die stnks vee, waaromtrent de overtreding eigenlijk heeft plaats gehad. Dit zal van de omstandigheden afhangen. Is het besmette stuk vee wel afgezonderd geworden, maar is alleen de aangifte verzuimd, dan is de eigenaar of houder alleen in overtreding ten opzigte van het besmette vee. Heeft hij daarentegen ook de afzondering nagelaten, dan is hij ook daaromtrent in overtreding. Dergelijke gevallen hebben zich bij de toepassing der wet van 19 April 1867 reeds voorgedaan en dan is steeds in den zooeven vermelden zin beslist.

Er is opgemerkt dat het bij afwezigheid van den eigenaar, te hard zou zijn dezen te straffen voor eene niet door hem gepleegde overtreding. Die hardheid vervalt wanneer men in ao.nmerking neemt , dat hij aan den hoeder of houder van zijn vee gedurende zijne afwezigheid voorschriften kan geven hoe in geval van besmetting gehandeld worden moet. (M. v. T.)

— alinea 2. De woorden „strafbare rei tenquot; zijn in de plaats gekomen van het woord „misdrijvenquot; bij art. 10mo. 26 der wet van 15 April 1886, S. 64.

ocr page 24

de quitantie van den onteigende een ongezegeld afschrift van liet eindvonnis, waarbij de strafzaak in diens voordeel is uitgewezen, aan de Algemeene Rekenkamer.

28. De schadevergoeding wordt uit de gemeentekas voorgeschoten, waartoe aan den burgemeester, met de onteigening belast, op zijne aanvraag het vereischte bedrag door den gemeente-ontvanger tegen quitantie wordt ter hand gesteld. Het voorschrift der tweede zinsnede van art. 114 der wet van 29 Junij 1851 {Staatsblad n0. 85) geldt daarbij niet.

Zoo de burgemeester ten genoegen van Onzen Commissaris in de provincie aantoont, dat de kas der gemeente ontoereikend is voor de betaling of aanbieding, bedoeld in artt. 24 en 25, worden hem de daarvoor benoodigde gelden ter goede rekening uit 's Rijks schatkist verstrekt.

Deze verstrekkingen zijn niet aan de voorafgaande verevening der Algemeene Rekenkamer onderworpen. Evenmin is de bepaling van art. 51 der wet van 5 October 1841 {Staatsblad n0. 40) daarop van toepassing.

De burgemeester is niet gehouden deswege borg-togt te stellen, doch verpligt van de ter goede rekening ontvangen gelden binnen twee maanden na de dagteekening van het stuk, waarop hem die zijn uitbetaald, rekening te doen aan de Algemeene Rekenkamer, overeenkomstig de bepalingen der in de vorige zinsnede aangehaalde wet.

Van iedere verstrekking wordt door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aan gemeld collegie mededeeling gedaan.

Dit artikel is ook toepasselijk op alle onkosten, waartoe de onteigening aanleiding geeft, zoomede op de kosten van aanschatling van kalk, brandstof of andere zelfstandigheden, die bij het begraven, verbranden of onbruikbaar maken van afgemaakt of gestorven vee worden aangewend, alsmede op

(28) Uit de te verstrekken gelden ter goede rekening, mogen geene andere uitgaven worden gekweten dan die, welke bepaaldelijk in dit artikel zijn aangewezen. (Missive van den Min. v. Binn. Zaken van 12 April 1893 , C. V.)

ocr page 25

— 22 —

de kosten tot zuivering en ontsmetting van stallen en andere gebouwen.

29. Wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, worden besmette hoeven of weiden, zoo noodig met inbegrip der naast aangelegen landerijen of erven, op last van den burgemeester, die daartoe de hulp van de militaire magt kan inroepen, afgesloten.

Vervoer uit en naar het in dien afgesloten kring besloten terrein van de voorwerpen, bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34 aangewezen, is verboden.

Uitzonderingen op dit verbod kunnen in zeer bijzondere gevallen door Onzen Commissaris in de provincie worden verleend.

De kleederen der personen, die het bovengemelde terrein verlaten, worden vooraf ontsmet.

30. Bij het heersehen van besmettelijke veeziekten, kan, in de gevallen aan te wijzen bij den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, bedoeld in art. 34 , het vastleggen of vasthouden van honden worden geboden in de gemeente of een gedeelte der gemeente waar de ziekte voorkomt, en des noodig in naburige gemeenten.

De burgemeester brengt op advies van den districtsveearts het ingaan van dit gebod ter openbare kennis, en kondigt evenzeer de opheffing van het gebod aan, 30 dagen nadat het laatste geval van ziekte zich heeft voorgedaan.

(29) alinea ]. Zoo noodig. Het voorschrift is dus niet imperatief en het zal alzoo afhangen van het oordeel van den districtsveearts en van den burgemeester of ook tot de afsluiting van da aangrenzende landen of erven moet worden overgegaan. (Redev. Min. van Binnenl. Zaken, 2e Kamer.)

— De aanwijzing en afsluiting van een verboden kring, behoeft zich niet te bepalen tot besmette hoeven of weiden, maar kan, waar dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, ook de naast aangelegen landerijen of erven omvatten. (Arrest van den Hoogen Raad van 24 Junij 1895, W. v. 't R. 6701.)

(30) De bepaling dat in sommige gevallen de honden vastgelegd moeten worden, wordt thans beperkt tot de gemeente die besmet is of een gedeelte daarvan Dit schijnt inderdaad voldoende. (M. v. T.)

ocr page 26

Losloopende honden in die gemeenten of gedeelten van gemeenten kunnen door de ambtenaren van politie worden gedood.

Van de verpligting om honden vast te leggen of vast te houden kan Onze Commissaris in de provincie, den burgemeester en den districts veearts gehoord, in gemeenten of gedeelten van gemeenten ontheffing verleenen.

31. Omtrent de verpligting tot en de plaats en wijze van begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens deze wet afgemaakte of aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee, en van andere voorwerpen en de ontsmetting der stallen en andere gebouwen en onschadelijkmaking van mestvaalten, worden de voorschriften gevolgd, door Ons gegeven of te geven.

De ontsmetting heeft plaats ten koste van het Rijk op aanwijzing en onder toezigt van den districtsveearts.

De ontsmetting behoort afgeloopen te zijn binnen 14 dagen nadat het laatste ziektegeval is geconstateerd. Deze termijn kan door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, waar dit noodig blijkt, worden verlengd.

Wanneer de begraving of de verbranding door eenige omstandigheid onmogelijk is op het erf of het land, waar het stuk vee gestorven of afgemaakt is, en geen erf in de gemeente voor den burgemeester beschikbaar is, doet deze de begraving plaats hebben ter naaster lage en vergoedt de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

Wanneer het vee in een stal oi? eene schuur is gestorven of afgemaakt en geen gemeentegrond beschikbaar is, wijst de burgemeester een terrein aan voor de begraving of verbranding op minstens 50 meters van stallen, woningen of drinkwaterputten gelegen en vergoed de daardoor eventueel veroorzaakte schade aan den eigenaar van den grond.

Bij verschil over het bedrag der schade, in de beide vorige zinsneden bedoeld, wordt deze door

(31) alinea 1. De hier bedoelde voorschriften zijn laatstelijk gegeven bij besluit van 9 Junij 1885, S. 125, onder de bijlagen opgenomen.

ocr page 27

— 21 —

den kantonregter begroot bij beschikking op verzoek van de meest gereede partij, zonder hooger beroep.

32. In gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, hetwelk aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft, mag geen vee gebragt worden gedurende een termijn, voor elke ziekte te bepalen in den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld.

33. De burgemeester, al of niet vergezeld van het door hem noodig gekeurde personeel, is bevoegd de weiden, stallen en woningen der eigenaars, houders of hoeders van vee, zelf zonder hunne toestemming, tusschen zonsop- en ondergang binnen te treden ter uitvoering van de bepalingen dezer wet, of van de krachtens deze wet uitgevaardigde besluiten.

34. Door Ons wordt bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur, eene commissie van deskundigen gehoord, aangewezen welke ziekten van het vee voor besmettelijk worden gehouden, waarbij tevens wordt vastgesteld, welke der in deze wet genoemde maatregelen bij het heerschen of bij het dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

§ 3. Strafbepalingen.

35. Belemmering of verhindering van hetgeen

(34) Die aanwijzing en vaststelling is laatstelijk geschied bij besluit van 10 Ju lij 1896, S. 104. Het besluit is onder de bijlagen opgenomen.

(35) Met wijziging van de eerste alinea van dit artikel zooals het nu luidt, is art. 35 gehandhaafd bij art. 10 n0. 26 der wet van 15 April 1886, S. 64.

— Zie omtrent de toepassing van alinea 2 de missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 24 Augustus 1894, C. V.

— Bij missive van den Minister van Justitie van 25 April 1888, C. V., zijn de ambtenaren van het openbaar ministerie uitgenoodigd om de kennisgeving van den afloop der strafvervolgingen, bedoeld in de circulaires van dien Minister van 25 September 1875, 3e afd., n0. 124 en in die van 29 September 1886, afd. 2, n0. 93, voortaan behalve aan de Algemeene Rekenkamer en aan den gemeenteontvanger, ook te doen toekomen aan den burgemeester, door wien krachtens

ocr page 28

- 23 —

geschiedt tot uitvoering van deze wet of van Onze krachtens de artt. 15, 31 en 34 te geven voor-scliriften, het geheel of gedeeltelijk opgraven van hegraven vee, vleesch, heen deren of overblijfselen daarvan, het vervoer van een of meer der in art. 29 bedoelde voorwerpen, in strijd met dat artikel, of met den algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 34 bedoeld, naar of uit het in een afgesloten kring gelegen terrein; het opzettelijk in verdachten toestand brengen of doen brengen van vee ; het zonder voorafgaande ontsmetting van kleederen verlaten van dat terrein, overtreding der artt. 14, 21 en 32 dezer wet, en van hetgeen door Ons krachtens de artt. 15, 31 en 34 wordt vastgesteld, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste één jaar of geldboete vag ten hoogste vijf honderd gulden.

Roerende voorwerpen, waarin of waarmede de overtreding heeft plaats gehad, worden aanstonds of zoodra mogelijk in beslag genomen en door den regter bij veroordeeling verbeurd verklaard, en, voor zooveel in het belang der gezondheid of ter wering van besmetting noodig, wordt de vernietiging of het onschadelijk maken daarvan bevolen. Vernietiging of onschadelijkmaking wordt gelijkerwijze bevolen bij vrijspraak of ontslag van regts-vervolging, wanneer het algemeen belang dit raadzaam maakt, tegen schadeloosstelling bij het vonnis door den regter te bepalen.

36. Wanneer de in beslaggenomen voorwerpen

het Kon. besluit van 11 Julij 1874, S. 109, de verkoop van vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet, plaats vindt.

— Bij missive van den Minister van Justitie van 15 Mei 1893, O. V., is aangedrongen op het tijdig berechten van overtredingen ter zake van besmettelijke veeziekten.

— alinea 2. In deze alinea is de verbeurdverklaring van roerende voorwerpen, waarin of waarmede de bedoelde overtredingen hebben plaats gehad, niet beperkt tot voorwerpen, welke den veroordeelde toebehooren. Hierin is geen verandering gebracht door art. 33 van het Wetboek van Strafrecht. (Arrest van den Hoogen Raad van 24 Junij 1895, W. v. 't R. 6704.)

(35. 36) Ingeval van inbeslagneming van ziek

ocr page 29

- 26 —

uit hoofde van gevaar van besmetting niet ter bewaring geschikt zijn, worden deze, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, op last van den ambtenaar, die de voorwerpen in beslag beeft genomen, dadelijk vernietigd of onschadelijk gemaakt.

De geldsom, vertegenwoordigende de waarde van hetgeen vernietigd is, wordt aan den gemeenteontvanger in bewaring gegeven. Zij wordt, in geval van vrijspraak of ontslag van regtsvervolging aan den eigenaar van de vernietigde voorwerpen uitgekeerd.

37. Levend vee wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, na te zijn gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, vrijgegeven, wanneer daarvoor binnen 8 dagen na de inbeslag-

en verdacht vee, dat onteigend en afgemaakt wordt met depot der geschatte waarde bij den gemeenteontvanger kunnen , ingeval van vcroor-deeling, niet de opbrengst van de overblijfselen van het onteigende vee verbeurd verklaard worden, doch moet dit geschieden met het bij den gemeenteontvanger gedeponeerd bedrag. (Arrest van den Hoogen Raad van 10 Junij 1895 , quot;W. v. 't R. 6086.)

(36) Dit artikel is gehandhaafd bij art. 10 n0. 26 der wet van 15 April 1886, S. 64.

— Zie omtrent de uitvoering van dit artikel de missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 23 December 1870, onder de bijlagen opgenomen.

(37) Dit artikel is gehandhaafd bij art. 10 n0. 26 der wet van 15 April 1886, S. 64.

— Bij besluiten van 11 Julij 1871, S. 75, en 11 Julij 1874, S. 109, zijn de burgemeesters of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd verklaard tot het honden van openbare verkoopingen. Bij eerstgenoemd besluit van roerende goederen voor rekening van het Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend enz. en bij laatstgenoemd besluit van in beslag genomen vee of goederen in art. 37 bedoeld.

Op deze verkoopingen hebben betrekking de missives van den Minister van Binnenl. Zaken van 6 Julij 1873 en 1 Mei 1877, met de bovengenoemde besluiten onder de bijlagen opgenomen.

— Bij arrest van den Hoogen Raad der Ned. van 11 Mei 1885 , C. V., is beslist dat uit het verband van art. 37 alinea 1, met art. 35 alinea 2 volgt, dat wanneer in strijd met de wet ingevoerd

ocr page 30

neming liet bedrag der waarde, benevens hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, bij den gemeente-ontvanger gestort wordt.

Na dien tijd wordt het, op magtiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht.

In beslag genomen voor bederf vatbaar goed wordt, wanneer er geen gevaar van besmetting bestaat, eveneens op magtiging van den kantonregter, te stellen op het proces-verbaal en vrij van zegel en registratie, zoodra mogelijk in het openbaar verkocht, ten ware het bedrag, gewaardeerd op de wijze in art. 24 dezer wet vermeld, onmiddellijk bij den gemeente-ontvanger mogt worden gestort.

In de gevallen, bedoeld in het 2de en 3de lid van dit artikel, wordt de opbrengst van den verkoop aan den gemeente-ontvanger in bewaring gegeven. Uit die opbrengst worden de kosten van onderhoud van het vee sedert den dag der inbeslagneming tot aan den verkoop gekweten.

Het zuiver overschot der opbrengst wordt in geval van veroordeeling in 's Rijks schatkist gestort, in geval van vrijspraak of ontslag van regtsver volging aan den eigenaar van het vee of ander goed, dat in beslag genomen was, uitgekeerd.

38. Is, in de gevallen bij de twee vorige artikelen bedoeld, de eigenaar niet in het Kijk te vinden, en wordt het te zijner beschikking liggende door hem niet binnen zes maanden na het eindvonnis gereclameerd, dan zijn de vier laatste alinea's van art. 26 en de laatste van art. 27 van toepassing.

39. Overtreding van art. 13 wordt gestraft met geldboete van f 25 tot ƒ 75.

Het laten losloopen van honden in de gemeen-

vee, overeenkomstig het bij eerstgenoemd wetsvoorschrift bepaalde, wordt vrijgegeven, alsdan bij veroordeeling niet dat vee, maar het gestorte bedrag der waarde daarvan behoort te worden verbeurd verklaard.

(38) Dit artikel is gehandhaafd bij art. 10 n0. 26 der wet van 15 April 1886, S. 64.

(39) De beide eerste alinea's van dit artikel

ocr page 31

— 28 —

ten of gedeelten van gemeenten en binnen den tijd, bedoeld bij art. 30, wordt gestraft met eene geldboete van ƒ 10 tot f 25.

Wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar het namaken of het bedriegelijk gebruik maken van de in deze wet vermelde ken-of merkteekenen.

40 en 41. Vervallen,

zijn gehandhaafd bij art. 10 n0. 26 der wet van 15 April 1886, S. 64.

Op de geldboete is van toepassing art. 11 dier wet, waarbij het minimum is gesteld op vijftig cents.

De derde alinea van dit artikel is, met wijziging dier alinea zooals ze thans luidt, van blijvende kracht verklaard bij art. 12 n0. 1 der genoemde wet; de daarin bedoelde feiten worden volgens het laatste lid van art. 12 beschouwd als misdrijven.

(40 en 41) Art. 40 luidde: „Zoo, in geval van overtreding van eenig voorschrift, hetwelk krachtens deze wet tijdelijk is gegeven, dat voorschrift opgehouden heeft te gelden op het oogenblik dat de zaak voor den regter, hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep of in cassatie, wordt behandeld, is art. 52 der wet op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving niet van toepassing.

De strafbepaling, zoo als zij geldt op het oogenblik dat het misdrijf gepleegd wordt, blijft daarop toepasselijkquot;.

Dit artikel is niet bij de wet van 15 April 1886, S. 64, gehandhaafd. Bij de behandeling dezer wet wenschte de Regering het in hoofdzaak te behouden. De commissie van rapporteurs achtte het behoud niet wenschelijk; zij koesterde de vrees niet dat de regter art. 1 van het Wetboek van Strafrecht zou toepassen, daar in genoemd artikel sprake is dat bij verandering van wetgeving, na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor den verdachte gunstigste bepalingen worden toegepast. De commissie was dan ook van oordeel dat wanneer eene verbodsbeoaling die tijdelijk is gegeven, afloopt, daardoor geene verandering in de wetgeving ontstaat en dus tegen de toepasselijkheid van art. 1 volstrekt niet door eene bijzondere bepaling behoeft te worden gewaakt. Het amendement dier commissie om art. 40 uit n0. 26 van art. 10 te doen vervallen werd door de Regeering overgenomen.

Art. 41 is, als behelzende toepassing van verzachtende omstandigheden, met de invoering van het Wetboek van Strafrecht, vervallen.

ocr page 32

§ 4. Slotbepalingen.

42. In deze wet wordt verstaan :

1°. door vee : de eenhoevige en de herkaauwende dieven en de varkens;

2°. door vleescli: alle zachte bestanddeelen van bovengemelde dieren afkomstig, onverschillig of zij al dan niet en hoe zij zijn bewerkt of vermengd, mitsdien ook gezouten, gerookt, enhoofd-vleesch, spek, hammen, worst, enz.

De bepalingen van deze wet kunnen door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur ook van toepassing worden verklaard op andere in deze wet niet genoemde dieren, wanneer de zorg voor den veestapel dit vereischt.

Schorsing van veemarkten, sluiting van diergaarden en soortgelijke inrigtingen kan door Ons in zoodanig geval worden bevolen. Het daartoe strekkend besluit bepaalt den tijd, gedurende welken de inrigting gesloten blijft. Zoo noodig kan die termijn door Ons worden verlengd.

43. De stukken, krachtens deze wet opgemaakt en waaromtrent geene afzonderlijke bepaling in deze wet voorkomt, zijn vrij van zegel- en regis-tratieregten en uitvoerbaar ook vóór dat zij zijn geregistreerd.

Deze vrijstelling van zegel- en registratieregt geldt echter niet ten aanzien der akte van aanstelling, in art. 5 dezer wet bedoeld.

44. Met het in werking treden dezer wet zijn vervallen de wet van 19 April 1867 {Staatsblad n0. 30), de wet van 19 December 1807 {Staatsblad n0. 126), de artt. 459, 460 en 461 van het Strafwetboek, de artt. 19 van den 1 sten titel 4de sectie en de artt. 13 en 23 van den 2den titel der wet van 6 October 1791, artt. 39 en 40 van het Keizerlijk decreet van 18 Junij 1811 voor zooveel het onderwerp betreft, bij deze wet geregeld, en artt. 5 en 6 der wet van 9 Juli 1842 {Staatsblad n0. 21).

45. Voor zoover de toepassing dezer wet dit vordert, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur bijzondere bepalingen vastgesteld met betrekking tot den accijns op het geslagt.

ocr page 33

— 30 -

46. Deze wet treedt in werking op den Isten Januarij 1871.

Lasten en tevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegicn en Ambtenaren , wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de^hand zullen houden.

Gegeven te 's Gravenhage, den SOsten Jnlij 1870. (get.) WILL !•] M.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, {flet.) Pock.

(Vitgeg. 5 Aug. 1870.)

ocr page 34

WET

van den 8sten Jnlij 1874, S. 98,

tot regeling van de

uitoefening der veeartsengkunst.

(Zooals die wet is gewijzigd bij de wetten van 4 April 1875 , S. 37 en 15 April ] 886 , S. 64.)

Zie omtrent de wet van 8 Jnlij 1874, S. 98:

Bijl. Rand. 2e Kamer 1873/74, n0. 98, 3—9.

Hand. id. 1873/74, lladz. 819, 833, 1439, 1563—1578, 1580—1583.

Hand. le Kamer 1873/74, bladz. 241, 243, 244, 245 , 261, 262, 263, 292—295, 297.

Wij WILLEM III, bij de ghatie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Lüxesiburg, enz., enz., enz.

Allen, die deze znllen zien of hooren lezen, salnt! doen te weten :

Alzoo Wij in overweging genomen Lebben, dat bet noodzakelijk is de uitoefening der veeartsenij-kunst bij de wet te regelen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

§ 1. algemeene bepalingen.

Art. 1. Uitoefening der veeartsenijkunst, waaronder de wet het verleenen van genees- en heel-

(1) Bij de wet van 11 Julij 1884, S. 139, is eene overeenkomst goedgekeurd, gesloten tusschen Nederland en België den 5 Maart te voren, tot wederzijdsche toelating in grensgemeenten van veeartsen voor de uitoefening der veeartsenijkunst.

ocr page 35

— 32 -

kundigen raad of bijstand voor vee als bedrijf verstaat, is alleen geoorloofd aan hen, die, na afgelegd examen hier te lande, eene akte van bevoegdheid tot die uitoefening hebben verkregen.

Uitoefening der verloskunst van het vee en het doen van heelkundige operatiën op gezond vee zijn, met uitzondering van inenten, aan ieder geoorloofd.

2. quot;Wij behouden Ons voor, personen, die na afgelegd examen in een ander Rijk de bevoegdheid tot uitoefening der veeartsenijkunst in haren ge-heelen omvang hebben verkregen, tot uitoefening daarvan hier te lande toe te laten. De bepalingen dezer wet zijn alsdan op hen van toepassing.

3. Zij, die eene akte van bevoegdheid als veearts bezitten, zijn bevoegd, ten behoeve van vee, de geneesmiddelen, door Onzen Minister van Bin-nenlandsehe Zaken volgens art. 30 der wet van 1 Junij 1865 {Staatsblad n0. 61) aangewezen, ook beneden de hoeveelheid te verkoopen, daarbij voor elk dier middelen bepaald.

Behalve ten behoeve van het door hen behandelde vee, verkoopen zij geene vergiftige zelfstandigheden dan aan veeartsen of op hun voorschrift, of wel op schriftelijke en onderteekende aanvraag, aan andere, doch bij hen bekende, personm.

De vergiftige zelfstandigheid wordt afgeleverd in een verzegeld voorwerp, waarop, nevens den naam, het woord vergift duidelijk staat uitgedrukt.

§ 2. VAN DE VEEARTSEN.

4. Alvorens de praktijk uit te oefenen, doen de veeartsen hunne akte van bevoegdheid viseren door den districts-veearts in den kring, waar binnen zij zich wenschen te vestigen. Dit visum wordt kosteloos verleend.

Zij geven, op vertoon van de geviseerde akte van bevoegdheid, aan de burgemeesters der gemeenten, waarin zij praktijk wenschen uit te oefenen, kennis van hun voornemen.

5. Zij, die gebruik maken van de bevoegdheid hun bij art. 3 verleend, voorzien de voorwerpen.

(3) Laatstelijk aangewezen bij beschikking van 15 October 1889.

ocr page 36

waarin zij geneesmiddelen afleveren, van een door hen onderteelcend en gedagteekend opschrift, houdende aanwijzing van den eigenaar, houder of hoeder en van de soort van het dier, waarvoor het middel bestemd is. De wijze van gebruik wordt daarbij vermeld met bijvoeging van het woord vergift, wanneer het geneesmiddel vergiftige bestanddeelen bevat. Tn dit geval wordt het opschrift op rood papier geschreven.

6. Zij schrijven in een register elke aflevering van geneesmiddelen in art. 3 bedoeld, met vermelding van den dag waarop, en van den persoon ten behoeve van wiens vee de aflevering is gedaan.

De distri ets-veearts is bevoegd van des morgens 7 tot des avonds 9 uur de woningen van de veeartsen in zijn district binnen te treden, ten einde inzage te nemen van dit register, dat, des gevorderd door den veearts aan hem vertoond moet worden.

Het wordt gedurende twintig jaren bewaard en bij overlijden van den veearts door zijne erfgenamen aan den districts-veearts gezonden, die voor de verdere bewaring zorg draagt.

7. Zij, die gebruik maken van de bevoegdheid hun bij art. 3 verleend, bewaren de vergiften , door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken , krachtens art. 7 der wet van 1 Junij 1805

blad n0. 61) aangewezen, in ('ene of meer voor de bewaring van vergiften uitsluitend bestemde en afgesloten kasten. Op deze zoowel als op de voorwerpen, waarin vergiften bevat zijn, moet het woord vergift duidelijk vermeld worden. Een sleutel van die kasten berust bij den eigenaar; een tweede verzegelde sleutel is steeds ten zijnen huize voorhanden.

Bij overlijden van of bij het verlaten der praktijk door een der in dit artikel bedoelde veeartsen worden de sleutels der vergiftkas binnen 24 uren door de erfgenamen of den bewindvoerder of bij ontstentenis van dezen door de huisgenooten ter hand gesteld aan den burgemeester der gjmeente.

Wordt de vergiftkas door een anderen veearts

(7) eerste alinea. Laatstelijk aangewezen bij beschikking van 15 October 1889.

Veeartsenjk., 5e dr. 3

ocr page 37

— 34 —

overgenomen, dan worden dezen de sleutels ter hand gesteld.

8. Bij het verkoopen in het opeuhaar van de in art. 3 dezer wet bedoelde geneesmiddelen, mogen de vergiftige zelfstandigheden alleen worden verkocht aan apothekers, aan geneeskundigen tot het leveren van geneesmiddelen bevoegd, en aan veeartsen.

De verkoop geschiedt niet, dan na minstens vijf dagen voorafgegane schriftelijke kennisgeving aan den districts-veearts.

9. De in art. 7 dezer wet bedoelde vergiften moeten, des gevorderd, door den veearts aan den districts-veearts worden vertoond, die bevoegd is te dien einde tusschen 7 uur des morgens en 9 uur des avonds de woningen van de veeartsen in zijn district binnen te treden.

10. Blijkt bij onderzoek dat niet voldaan is aan eene of meer der bepalingen van de artt. 6, 7 of 8, dan maakt de districts-veearts daarvan proces-verbaal op.

11. De veeartsen zijn verpligt onverwijld aan den districts-veearts in den kring waar binnen hunne woonplaats gelegen is, en aan den burgemeester der gemeente, waar het geval plaats had, kennis te geven van alle door hen opgemerkte veeziekten, die besmetting van vee of van menschen kunnen veroorzaken of op andere wijze gevaarlijk voor den gezondheidstoestand van den mensch of van den veestapel kunnen worden.

§ 3. STKAFBEPALTNGEN.

12. Oveitreding van het tweede of derde lid van art. 3, van de artt. 4, 5, 6, 7, 8, 9, 11,

(.12) Dit artikel bestond oorspronkelijk uit drie alinea's. De eerste alinea is krachtens art. 3, litt. dy der wet van 15 April 1886, S. 64, vervallen, aangezien in de strafbepaling dier alinea is voorzien bij art. 436 van het Wetboek van Strafrecht.

De tweede en de derde alinea — thans het geheele artikel — zijn gehandhaafd en aldus gewijzigd bij art. 10 n0. 28 der bovengenoemde wet.

Volgens art. 11 dier wet worden de feiten beschouwd als overtredingen ; het minimum der geldboete gesteld op ƒ 0.50; de gevangenisstraf ver-

ocr page 38

18 of 19 dezer wet, wordt gestraft met geldboete van ƒ 5 tot ƒ 50.

Bij herhaling van eene der in de vorige zinsnede bedoelde overtredingen, binnen twee jaren na de eerste veroordeeling, kan de boete tot het dubbele gebragt of eene gevangenisstraf van 3 tot 8 dagen opgelegd worden.

13. {Vervallen.)

§ 4. OVERGANGSBEPALINGEN.

14. Zij, die vóór het in werking treden dezer wet een diploma van veearts aan de Rijks-veeart-senijschool hebben verkregen, blijven bevoegd tot uitoefening der veeartsenijkunst.

15. Aan allen, die gedurende de laatste 10 jaren vóór het in werking treden dezer wet een patent hadden als veearts, zonder een diploma van veearts te bezitten, blijft de uitoefening der veeartsenijkunst vergund, indien zij zich binnen drie maanden na het in werking treden dezer wet met een daartoe strekkend verzoekschrift tot Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken wenden. Bij dit verzoekschrift moeten zij een bewijs overleggen, dat zij gedurende den in de eerste zinsnede van dit artikel vermelder termijn een patent als veearts hebben gehad.

Daarna wordt hun een bewijs van toelating tot de uitoefening der veeartsenijkunst uitgereikt.

16. Zij, die, zonder een diploma als veearts te bezitten, voor 1° Februarij 1875 als veearts gepatenteerd zijn, of vóór dien dag aanvrage om patent

vangen door hechtenis met een minimum van één dag en de aanvangstijd van den termijn voor de herhaling vastgesteld wanneer tijdens het plegen van de overtreding nog geen vijf jaren zijn ver-loopen sedert de vroegere veroordeeling van den schuldige onherroepelijk is geworden of de op de overtreding gestelde geldboete vrijwillig is betaald.

(13) Dit artikel is met de invoering van het quot;Wetboek van Strafrecht vervallen. Het verklaarde art. 463 van het afgeschafte Wetboek van Straf-regt en art. 20 der wet van 29 Junij 1854, S. 102, toepasselijk op de misdrijven voorzien bij art. 12.

(16) Dit artikel is aldus gewijzigd bij de wet van 4 April 1875, S. 37.

V

ocr page 39

— se

als veearts hebben gedaan, blijven tot de uitoefening der veeartsen ij kunst tot den Isten Januarij 1877 bevoegd.

Om tot de verdere uitoefening dier kunst in haren geheelen omvang vergunning te bekomen, moeten zij met goed gevolg het nader te verm3lden examen hebben afgelegd.

Bij hunne aanvrage tot het afleggen van dit examen moeten zij een bewijs overleggen, dat zij voor den Isten Februarij 1875 een patent als veearts hadden, of daartoe voor dat tijdstip aanvrage gedaan hebben.

Het examen wordt afgenomen door eene commissie, waarvan de leden en uit dezen de voor. zitter en de secretaris door Onzen Minister van Binneulandsche Zaken worden benoemd. Het programma van dit examen, alsmede de plaats waar en de tijd wanneer het zal worden afgenomen, wordt door Onzen Minister van Binneulandsche Zaken vastgesteld.

Het examen loopt hoofdzakelijk over de ziekteen geneesleer der besmettelijke veeziekten, alsmede over de middelen, waardoor hare verspreiding kan worden tegengegaan. Aan hem , die dit examen op voldoende wijze afgelegd heeft, wordt een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenij kunst uitgereikt.

17. Het bepaalde in de artt. 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en 11 is ook van toepassing op hen, die volgens art. 14 bevoegd zijn tot uitoefening der veeartsenijkunst of volgens de artt. 15 en 16 tot die uitoefening zijn toegelaten.

18. Zij, die bij de invoering van deze wet een diploma van veearts bezitten of dit kracht3ns het bepaalde in art. 16 der wet, regelende het onderwijs in de veeartsenijkunde en de voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts, verkrijgen, zijn verpügt op straffe van verlies hunner bevoegdheid dit binnen drie maanden te doen viseren door den districts-veearts in den kring, waarin zij wonen, en verder te voldoen aan het bepaalde bij art. 4 dezer wet.

Zij, die volgens artt. 15 of 16 een bewijs van toelating tot uitoefening der veeartsenijkunst hebben verkregen, doen, alvorens de praktijk uitteoefe-

ocr page 40

neii, hun bewijs van toelating viseren door den districts-veearts in den kring, waarin zij zicli wenschen te vestigen.

19. Allen, die volgens de artt. 15 of 16 toegelaten zijn tot uitoefening der veeartsenij kunst, geven onder vertoon van hunne geviseerde bewijzen van toelating, aan de burgemeesters der gemeenten, waarin zij praktijk wensehen uit te oefenen, kennis van hun voornemen.

§ 5. slotbepalingen.

20. Door het woord vee worden in deze wet aangeduid eenhoevige en herkaauwende dieren, de varkens en honden.

21. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wiens zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Montreux, den 8sten Jul ij 1874. {ff et.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandseke Zaken, {get.) Geeuïsema.

{JJiUjeff. 17 Jnlij 1874.)

(21) Bij besluit van 10 Augustus 1874, S. 118, bepaald op 1 September 1874.

ocr page 41

WET

van den 8sten Julij 1874, S. 99,

tot regeling van het

onderwijs in de veeartsenijkunde en van de

voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts.

Zie betreffende deze wet:

Bijl, Hand, 2e Kamer 1873/74, n0. 98, 1, 2, 4, 5.

Hand. id. 1873/74, bladz. 819, 833, 1439, 1561—1563.

Hand. le Kamer 1873/74, bladz. 241—245, 261, 262, 263, 292.

Wij WILLEM III, bij de gratie Gods , Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg , enz. , enz. , enz.

Allen, die dezen znllen zien of hooren iezen , salnt! doen te weten :

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is het onderwijs in de veeartsenijkunde en de voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts bij de wet te regelen;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verslaan bij deze:

§ 1. van de rijks-veeartsenijschool.

Art. 1. Er wordt van Staatswege onderwijs gegeven in de veeartsenijkunde aan eene Rijksveeartsenijschool. Deze school is bestemd tot opleiding van veeartsen.

De kosten komen ten laste van het Rijk, de baten worden in 's Rijks schatkist gestort.

2. Aan de Rijks-veeartsenijschool wordt onder-wijs gegeven in :

1°. natuurkunde;

2°. scheikunde;

ocr page 42

— 39 —

3°. natuurlijke historie (plant-, dier-, delfstof-en aardkunde);

4°. kennis der voeler-, vergift- en artsenij-planten en artsen ij warenkennis ;

5°. ontleedkunde der huis lieren;

6°. weefselleer en physiologic der huisdieren;

7°. natuurlijke historie, leer van het uitwendig voorkomen (zoogenaamd exterieur) en raskennis der huisdieren;

8°. gezondheidsleer der huisdieren en veeteelt;

9°. kennis van den ho^f en het hoefbeslag;

10°. ziektekundige ontleedkunde der huisdieren ;

11°. algemeeue en bijzondere ziektekunde en geneesleer der huisdieren;

12°. heelkundige ontleedkunde, heelkunle , operatie- en verbandleer der huisdieren en leer der hoefziekten;

13°. verloskunde der huislierea;

14°. veeartsen ij kundige geneesmiddelleer en ver-giftleer;

15°. veeartsenij kundige kliniek en artsenijmeng-kunde;

16°. geregtelijke veeartsenijkunde eu veeartsenij-kundige politie;

17°. geschiedenis en litteratuur der veeartseng-kunde.

3. Het bepaalde in de artt. 5, 13, 14, 17, 29, 31, 32 en 33 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131) is niet van toepassing op het terrein van 's Rijks veeartsenijschool.

4. Het onderwijs wordt gegeven door leeraren en onderwijzers. De geheele cursus duurt vier jaren. In de vakken, waarover het bij art. 9 vermelde natuurkundige examen loopt, wordt onderwijs gegeven in de twee eerste en in die, waarover het bij art. 10 bepaalde veeartsenij kundig examen loopt, wordt onderwijs gegeven in de twee laatste studiejaren. De geschiedenis en litteratuur der veeartsenijkunde worden in het laatste studiejaar behandeld.

Niemand wordt als leerling tot 's Rijks veeart-

(4) Laatste alinea. De algemeeue maatregel is laatstelijk uitgevaardigd bij besluit van 25 Mei 1894, S. 65. Dit besluit is onder de bijlagen opgenomen.

ocr page 43

— 40 —

senijschool toegelaten, die niet bij examen de blijken heeft gegeven de voorbereidende kundigheden te bezitten, vereischt om met vrucht de lessen te kunnen bijwonen. De vakken, waarover dat examen loopt, de verdere vereisehten tot toelating van leerlingen, de regeling van het onderwijs en de verpligtingen van de leeraren en de onderwijzers, alsmede de werkkring en bevoegdheid van den directeur en van den raad van bestuur, hunne betrekking tot het overige personeel en de inwendige regeling der school, worden bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur geregeld.

5. liet bestuur dfer school is opgedragen aan eenen directeur en eenen raad van bestuur, zamen-gesteld uit de leeraren der school.

6. De directeur, de leeraren en onderwijzers worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen. Zij genieten eene jaarlijksche bezoldiging uit 's, Rijks kas ; de directeur geniet daarenboven vrije woning of ontvangt eene schadeloosstelling, daarvoor door Ons te bepalen.

7. Voor den directeur en de leeraren komt, voor de berekening van hun pensioen, als diensttijd mede in aanmerking de tijd, dien zij, krachtens eene vaste aanstelling van Ons, Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken of van een gemeentebestuur ontvangen, als onderwijzer bij eene inrig-ting van openbaar onderwijs hebben doorgebragt.

§ 2. VAN DE VOORWAARDEN TOT VERKRIJGING VAN HET DIPLOMA VAN VEEARTS.

8. Het diploma van veearts wordt verkregen door het met goed gevolg afleggen van:

a. een natuurkundig examen, en

ö. een veeartsenijkundig examen.

9. Het natuurkundig examen betreft zoowel de theorie als de praktijk. Het theoretisch gedeelte betreft de vakken, genoemd in art. 2, onder 1, 2, 3, 5,6, 7, 8 en 9; het praktisch gedeelte

de vakken, genoemd in art. 2, onder 4, 5 en 9.

10. Het veeartsenijkundig examen betreft zoowel de theorie als de praktijk. Het theoretisch gedeelte betreft de vakken, genoemd in art. 2, onder 10, 11, 12, 13, 14 en 16 ; het practisch

ocr page 44

gedeelte de vakken, genoemd in art. 2, onder 12 13 en 15, en toegepaste leer van het uitwendig voorkomen (exte'rieur) der huisdieren, benevens de voederkennis.

Om tot het veeartsenijknndig examen te worden toegelaten, wordt gevorderd, behalve het bewijs dat de candidant het natuurkundig examen met goed gevolg heeft afgelegd, eene verklaring van den directeur der Rijks-veeartsenijschool of van een tot uitoefening van de veeartsenijkunde bevoegden persoon, dat de candidaat gedurende minstens twee' jaren de genees- en heelkundige behandeling van zieke dieren gevolgd heeft, alsmede dat hij, in tegenwoordigheid van een veearts, bij de grootere huisdieren (paard of rund) minstens tien gewone verlossingen bijgewoond en minstens twee buitengewone verlossingen verrigt heeft.

11. Vrijgesteld van het examen :

1°. in de vakken, genoemd in art. 2, onder 1 en 2, zijn zij, die het getuigschrift bezitten van met goed gevolg afgelegd examen, vermeld in art. 57 van de wet van 2 Mei 1862 {Staatsblad n0. 50);

2°. in de vakken, genoemd in art. 2, onder 1, 2 en 3, en van dat in artsenij warenkennis, zij, die met goed gevolg het natuurkundig examen hebben afgelegd volgens art. 4 der wet van 1 Junij 1865 {Staatsblad n0. 59), of die volgens art. 8 derzelfde wet de bevoegdheid van hulpapotheker bezitten, alsmede zij, die aan eene Nederlandsche hcogesehool dtn graad van candidaat in de geneeskunde hebben verkregen;

3°. in de vakken, genoemd in art. 2, onder 1, 2 , 3 en 4, zij, die volgens art. 9 der wet van 1 Junij 1865 {Staatsblad n0. 59) de bevoegdheid van apotheker bezitten.

12. Het natuurkundig examen wordt ten minste eenmaal 'sjaais afgencmen door dtn directeur en de Iceraien van 'sRijks veeartsenijschool. Deze kunnen zich daarbij door de onderwijzers doen bijstaan.

Het vtcaitscnijkundig examen[ wordt ten minste eenmaal 's jaars afgencmen door eene commissie, waarvan de leden, en uit dezen de voorzitter en de secretaris, voor drie achtereenvolgende jaren door Ons worden benoemd.

ocr page 45

— 42 —

Voor ieder lid wordt door Ons een plaatsvervanger benoemd.

De leden van deze commissie genieten reis- en verblijfkosten en vacatiegeld door Ons te bepalen.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt den tijd en de plaats van het zamenkomen der commissie.

13. Aan hem, die met goed gevolg het examen volgens art. 9 heeft afgelegd, wordt kosteloos een diploma uitgereikt. Voor het diploma van veearts, verkregen na met goed gevolg afgelegd examen volgens art. 10, wordt in de schatkist gestort ƒ20.

14. De examens worden in het openbaar gehouden, met uitzondering van die in de verloskunde, de operatieleer en de kliniek, welke alleen kunnen bijgewoond worden door hen, die daartoe vergunning bekomen van den voorzitter der commissie met het afnemen vau het examen belast.

15. De commissie van examen zendt uiterlijk binnen eene maand na afloop harer werkzaamheden een verslag van haren arbeid aan Onzen Minister van Binnenlaudsche Zaken.

§ 3. overgangsbepaling.

16. Aan de leerlingen, die vóór het in werking treden dezer wet tot 's llijks veeartsenijschool zijn toegelaten, kan, op hun verlangen, na een met goed gevolg afgelegd examen op de tot dusver gevolgde wijze, een diploma als veearts worden uitgereikt.

§ 4. SLOTBEPALING.

1 7. Deze wet treedt in werking op een nader door Ons te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te Montreux, den 8sten Julij 1874. {get.) WILLE M.

De Min. van Binnenl. Zaken) {get.) Geertsema.

(TJitgeg. 17 Julij 1874.)

(17) Bij besluit van 10 Augustus 1874, S. 118, bepaald op 1 September 1874.

ocr page 46

WET

van den 2den Junij 1875, S. 94, HOUDENDE BEPALINGEN

betreffende de

veeartsenijkundige politie ten opzigte van paarden van het leger, in verband met de wet van 20 Julij 1870 (Staatsblad n0 131.)

(Zooals die wet is gewijzigd bij de wet van

15 April 1886, S. 64.)

Zie omtrent de wet van 2 Junij 1875, S. 94: Bijl. Hand. 2e Kamer 1874/75, n0. 92', 1—9. Hand. id. 1874/75, bladz. 658, 766, 795, 1146—1158.

Hand. le Kamer 1874/75, bladz. 242, 243, 249, 250, 251, 263—269.

Wij quot;WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz. , enz. , enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is om, met behoud overigens der algemeene voorschriften van de wet van den 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131), bijzondere bepalingen vast te stellen voor de behandeling van door besmettelijke ziekten aangetaste of daarvan verdachte paarden van het leger;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord , en met gemeen overleg der Stateu-Gene-raal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1. Bij het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de tot het leger behoorende paarden, officierspaarden, voor zooverre zij zich bevinden in stallen, bestemd voor paarden van het leger, of met dezen te zamen weiden, daaronder begrepen, treedt, voor de toepassing van de artt. 13, 14, 16, 17, 19, 21 , 22, 23, 24, 25, 26, 27, alinea 1, 2 en 3 van art. 31 en art. 33 der wet van 20 Julij iülü {Staatsblad n0.131),

ocr page 47

— 44 —

de plaatselijke of garnizoeus-kommandant, daar waar de paarden zicli bevinden, in de plaats van den burgemeester en de hoogste in rang aanwezige militaire paardenarts in de plaats van den districts-veearts.

Doet zich het ziektegeval voor bij een paard , tijdens den troep, waarbij het behoort, gekampeerd of ingekwartierd is, dan wordt de ter plaatse bevelvoerende officier voor de toepassing van deze wet gelijk gesteld met den garnizoens-kommandant.

Bij ontstentenisquot; van een militairen paardenarts wordt de wet door den burgemeester en den districts-veearts toegepast.

quot;Wanneer de districts-veearts of die hem vervangt, of de in dit artikel bedoelde paardenarts de onteigening noodig oordeelt van een paard of van voorwerpen, toebehoorende aan den ter plaatse kommanderenden officier of aan gemelden paardenarts zeiven, geschiedt de onteigening door den burgemeester.

2. De militaire paardenartsen, die ten tijde van het in werking treden dezer wet in dienst zijn, leggen binnen een maand na dat tijdstip, — zij, die later als zoodanig in dienst komen, bij de aanvaarding hunner betrekking — in handen van Onzen Commissaris in de provincie hunner garnizoensplaats den volgenden eed (belofte) af:

„Ik zweer (beloof), dat ik de verpligtingen, mij als militairen paardenarts bij de wet betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzigte van paarden van het leger opgedragen, getrouw vervullen zal.quot;

„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig (dat beloof ik)!quot;

3. De militaire paardenartsen zijn bevoegd van overtredingen der wetten en verordeningen betreffende veeartsenijkundige politie, gepleegd ten opzigte van tot het leger behoorende paarden en dienstpaarden van officieren, proces-verbaal op te maken, op den eed, door hen krachtens art. 2 afgelegd.

(3) laatste alinea. De woorden „strafbaar feitquot; zijn in de plaats gel omen van het woord „misdrijfquot; bij art. 10 n0. 26 der wet van 15 April 1886, S. 64.

ocr page 48

— 45 —

Zij zenden de processen-verbaal aan den ambtenaar of officier, die voor de vervolging van bet strafbaar feit heeft te zorgen.

4. De in art. 1 vermelde kommanderende officier doet, wanneer een of meer paarden door eene besmettelijlve ziekte zijn aangetast of daarvan verdacht worden, bier van binnen 24 nren nadat dit te zijner kennis is gekomen, mededeeling aan den burgemeester der gemeente, waarin de paarden zicb bevinden, met opgave van de ziekte en van bet getal der aangetaste of verdachte paarden.

5. In gevallen van twijfelachtigen aard of bij verschil van gevoelen tnsschen den in art. 1 bedoelden kommanderenden officier en den militairen paardenarts, geeft eerstgemelde terstond daarvan kennis aan Onzen Minister van Oorlog. Deze beveelt een onderzoek en schrijft alle de bij de wet bedoelde maatregelen voor, welke door hem noodzakelijk worden geacht.

6. Bij de onteigeningen ter zake van het voorkomen van eene besmettelijke ziekte onder de paarden, op welke art. 1 toepasselijk is, hunne afmaking, begraving, verbranding ofonschadelijk-making en bij de zuivering of ontsmetting van stallen en andere gebouwen, waarin zich die paarden bevonden hebben, is art. 28 der wet van 20 Jul ij 1870 {Staatsblad n0. 131) niet van toepassing.

Alle kosten van onteigening van dienstpaarden en voorwerpen van officieren, alle kosten van ontsmetting en alle verdere uitgaven, welke gedaan worden ten gevolge van het voorkomen van besmettelijke ziekten onder de tot het leger behoo-rende paarden, de dienstpaarden van officieren daaronder begrepen, komen ten laste van het Rijk en worden geleden op het hoofdstuk der Staats-begrooting voor het departement van Oorlog.

7. Geen tot het leger behoorend aan het Rijk in eigendom toebehoorend paard wordt verkocht of ten verkoop aangeboden, tenzij :

(4) Zie de missive van den Minister van Bin-nenlandsche Zaken van 21 Junij 1875, onder de bijlagen opgenomen.

(6) Zie het besluit van 9 Junij 1885, S. 125, onder de bijlagen opgenomen.

ocr page 49

— 46 —

1°. door den Commandant van het corps waartoe Let behoort, ten minste acht dagen te voren aan den burgemeester der gemeente, waar de verkoop geschieden zal, schriftelijk kennis is gegeven van den dag, het uur en de plaats der verkoo-ping, en

2°. aan dien burgemeester verstrekt is eene, hoogstens tweemaal 24 uren te voren, door den hoogst in rang aanwezigen paardenarts, ter plaatse waar de verkoop geschiedt, onderteekende schriftelijke verklaring, houdende dat het paard door hem is onderzocht en bevonden aan geene besmettelijke ziekte te lijden , en dat hij geen reden heeft om te vermoeden dat het in aanraking of in dezelfde verblijfplaats is geweest met een paard, lijdende aan eene besmettelijke ziekte.

Wanneer ter plaatse, waar de verkoop geschiedt, geen paardenarts is, wordt eene met de sub 2°. bedoelde gelijkstaande verklaring, van den districtsveearts, binnen wiens ressort de verkooping geschiedt, vereischt.

8. Jaarlijks, voor den Isten April zendt de inspecteur van de geneeskundige dienst der landmagt aan Onzen Minister van Oorlog een verslag van hetgeen door de militaire paardenartsen ter toepassing van deze wet is verrigt en van hunne bevindingen daarbij, van welk verslag te gelijker tijd een afschrift wordt gezonden aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, ten einde daarvan gebruik te maken voor het aan Ons uit te brengen verslag, bedoeld in art. 12 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131).

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 2den Junij 1875. {get.) WILLE M.

Be Minister van Binnenlandsche Zaken , {get) Heemskekk.

De Minister van Oorlog, {get.) Enderlein.

(Uitgeg. 10 Junij 1875.)

ocr page 50

WET

van den 8sten Augustus 1878, S. 115,

houdende vaststelling van

bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee in bepaalde deelen des lands.

(Zooals die wet is gewijzigd bij de wet van 15 April 1886, S. 64.)

Zie ten aanzien der wet van 8 Aug. 1878, S. 115 :

Bijl. Hand. 2e ^^1877/78, n0.188,1—6.

Hand. id. 1877/78 , bladz. 1221, 1277, 1321, 1390—1392.

Hand. 1« Kamer 1877/78, bladz. 212, 223, 227, 229, 232—235.

Wu quot;WILLEM III, bij deguatie GODS, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz. , enz. , enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo quot;Wij in overweging genomen hebben, dat bet noodzakelijk is bijzondere bepalingen tot beteugeling der longziekte in bepaalde deelen des lands vast te stellen;

Zoo is bet, dat Wij, den Raad van State geboord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. 1. Door Ons kan worden bevolen, dat het rundvee in bepaalde gedeelten van het Rijk, door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, aan te wijzen, moet worden ingeënt en gemerkt of een van beide.

(1) Zie het besluit van 17 Augustus 1878, S. 128, aangevuld en gewijzigd bij het besluit van 9 Januarij 1879, S. 2, onder de bijlagen opgenomen.

ocr page 51

- 48 —

Weigert de eigenaar of houder van dat vee die inenting of dat merken toe te laten, dm wordt dat vee door den burgemeester in beslag genomen en zorgt deze, dat de inenting of het merken ten koste van den eigenaar behoorlijk geschiedt.

Is, ten gevolge van eene volgens dit artikel ondergane inenting, een stuk rundvee, volgens verklaring van den distri ets-veearts of zijn plaatsvervanger, gestorven, dan wordt aan den eigenaar de volle waarde van dat rund in gezonden toestand vergoed.

2. Eigenaars of hoeders van vee in de gedeelten van het llijk, in het vorig artikel bedoeld, zijn verpligt den districts-veearts of zijnen plaatsvervangers en den door Onzen Minister, met de uitvoering dezer wet belast, daartoe aangewezen opzigters in de stallen, weiden of bewaarplaatsen van vee toegang te verleenen tusschen zonsop- en ondergang, op vertoon, desgevorderd, van hunne acte van aanstelling.

3. 4. {Vervallen.)

5. De bepalingen der wet van 20 Julij 1870 {Staalsblad n0. 131) en van de krachtens die wet door Ons genomen besluiten blijven, na het in werking treden dezer wet, onverminderd van kracht.

6. Deze wet verbindt met den dag harer afkondiging.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren , wien zulks aangaat aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo, den 8sten Augustus 1878. {get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandse he 'Zaken, {get.) Kappeyne.

(TJitgeg. 11 Aug. 1878.)

(3, 4) Deze artikelen zijn vervallen. Art. 3 krachtens litt. d van art. 3 der wet van 15 April 1886, S. 64, als zijnde in de strafbepaling voorzien bij art. 184 van het Wetboek van Strafrecht. Art. 4 hield toepasselijkverklaring in vau art. 463 van het afgeschafte Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van 29 Junij 1854, S. 102, (verzachtende omstandigheden) welke ingetrokken zijn.

ocr page 52

B IJ L A G E N.

Besluit van den üsten December 1870, S. 194, houdende verbod van in- en doorvoer van buitens 's lands van rundvee, schapen, bokken, geiten, versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klaauwen en hoornen, alsmede van allen afval van genoemde dieren. Wij WILLEM III, enz.

Overwegende:

dat op 31 December 1870 de wet van 17 October 1865 (Staatsblad n0. 121) en daarmede Onze besluiten van 10 en 20 September 1870 {Staatsblad n0. 160 en 163) hare verbindende kracht verliezen;

dat echter de uitbreiding van den veetyphus in naburige rijken maatregelen tot voortdurende afwering voor alsnog noodzakelijk blijft maken;

Gezien art. 15 der wet van 20 Jul ij 1870 {Staatsblad n0. 131), welke wet op 1 Jan nar ij 1871 in werking zal treden;

Op de voordragt van Onze Ministers van Bin-nenlandsche Zaken en van Financiën, van 17 October 1870, n0. 246, 9de afdeeling, en 28 daaraanvolgende, n0. 126;

Den Raad van State gehoord (advies van den 29sten November 1870, n0. 6);

Gelet cp het nader gemeenschappelijk rapport van Onze voornoemde Ministers, van den 3/6den December daaraanvolgende, n0. ^71' 9(je aftlcehng

0 77, 1. Li. 11. en Ace- '

Hebben besloten en besluiten;

Art. 1. De in- en doorvoer van buiten 's lands van rundvee, schapen, bokken en geiten en van versche huiden, versch en gezouten vleesch, ongesmolten vet, mest, onbewerkte wol, onbewerkt haar, klaauwen, hoornen en van allen afval van genoemde dieren is verboden. (1)

1

Veeartsenijk., 5e dr. 4-

ocr page 53

2. Dit verbod is uiet van toepassing op ge-zouten vleesch, wol, haar, hoornen en Idaanwen, regtstreeks aangevoerd uit landen buiten Europa.

3. Wanneer bijzondere redenen eene afwijking van dit verbod noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Binnenlandsche Zaken zoodanige afwijking toestaan, onder de noodige voorzorgen tegen overbrenging der besmetting, en met medewerking van Onzen Minister van Financien. (1)

4. Dit besluit treedt in werking op 1 Janu-arij 1871.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dut in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den Ssten December 1870.

{get^ WILLEM.

De Min. van Binnenlandsche Zaken, {get.) Fock. De Minister vUn Financiën, {get.) va;st Bosse.

(TJitgeg. 20 Dec. 1870.)

Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 14 December 1870, bet'effende de toepassing der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131).

Zie de missive van 10 Julij 1889, n0. 2136, afd. M. P.

Zoo als U bekend is treedt op 1 Januarij 1871 de wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131), tot regeling van het veeartsenijkundig Staatstoezigt en de veeartsen ijk nndige politie in werking met de naar aanleiding daarvan vastgestelde Konink-

welk besluit bij dat van 21 Maart 1884 toepasselijk is verklaard op alle ambtenaren van 's Rijks belastingen, zijn aan de ambtenaren dor rijks- en gemeentepolitie, belast met of bevoegd tot het toezigt op den verboden invoer van levend vee uit het buitenland, de daarvoor vastgestelde pre-miën toegekend voor het vee door hen aangehaald.

(1) Zie het besluit der Ministers van Binnen], Zaken en Financiën van 3/6 Mei 1892.

ocr page 54

— 51 —

lijke besluiten van 4 DecamLer jl. {Staatsblad n0. 190 en 191). (1)

Daar de medewerking van de hoofden der gemeentebesturen voor de handhaving van de daarin vervatte wettelijke voorschriften onmisbaar is, heb ik de eer U in overweging te geven de aandacht van de burgemeesters in Uwe provincie op een en ander te vestigen. Gestrenge handhaving dier voorschriften toch is zoowel in het belang van den veestapel als van 's Rijks schatkist.

Ik acht het niet ondienstig bij deze gelegenheid te wijzen op enkele bepalingen, die welligt voor verschillende opvatting vatbaar zijn en dus eene nadere uitlegging schijnen te vorderen.

1°. In art. 5 der aangehaalde wet is bepaald dat de districts-veeartsen de in dat artikel genoemde plaatsen en gebouwen niet mogen binnen treden zonder voorzien te ziju van een schriftelijken last van den burgemeester of den kantonregter. Deze last zal, zoo noodig, met spoed moeten verstrekt worden en wel op zoodanige wijze, dat de bedoeling des wetgevers die aan dit onderzoek niet alleen een repressief maar ook kennelijk een preventief karakter heeft willen geven, niet worde miskend.

2°. In de artt. 14, 16, 17, 19, 21 en 25 is bepaald dat bij afwezigheid van deu districts-veearts en van een districts-veearts-plaatsvervanger een geëxamineerd veearts (2) in spoedeischende gevallen kan geraadpleegd worden. Beide omstandigheden worden te zamen vereischt oin het inwinnen van het advies van een gecxamiueerden veearts buiten het veeartsenijkundig Staatstoezigt staande te regt-vaardigen. De burgemeester kan dezen niet raadplegen dan na de zekerheid bekomen te hebben dat zoowel de districts-veearts als zijn plaatsvervanger verhinderd zijn over te komen en bovendien moet het geval, waarover raad gevraagd wordt, spoed eischen.

(1) Eerstgenoemd besluit is laatstelijk vervangen door dat van 10 Julij 1896,8.104, en laatstgenoemd besluit bij dat van 9 Junij 1885, S. 125.

(2) Met geëxamineerd veearts wordt bedoeld, hij die een diploma als zoodanig bezit. (Zie de aant. op art. 14 der wet van 20 Julij 1870, S. 131.)

4*

ocr page 55

3°. De laatste zinsnede van art. 16 bepaalt dat in gevallen van twijfelaclitigen aard aan den Minister van Binnenlandsche Zaken wordt kennis gegeven. Gevallen van twijfelaclitigen aard zijn die waarin bij den districts-veearts twijfel bestaat omtrent den aard der ziekte of omtrent de aan te wenden maatregelen.

De overige bepalingen der wet schijnen geene nadere toelicbting te vorderen.

Mogt deze echter noodig blijken, dan ben ik bereid die te geven.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get.) Fock.

Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 23 December 1870, betrekkelijk de uitvoering van artt. 24 en 36 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131).

Even als in art. 14 der wet van 19 April 1867 {Staatsblad n0. 30), wordt in art. 36 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0.131), regelende het veeartsenijkundig Staatstoezigt en de veeartsenij-kundige politie, bepaald dat „in beslag genomen „voorwerpen, die uit hoofde van gevaar van be-„smetting niet ter bewaring geschikt zijn. na te „zijn gewaardeerd op de wijze, in art. 24 der „wet vermeld, dadelijk worden vernietigd of onschadelijk gemaakt op last van den ambtenaar „die de voorwerpen in beslag heeft genomen.39

De voorschriften tot uitvoering dier bepaling, gegeven bij missive van mijn' ambtsvoorganger van 1 Februarij 1868, n0. 200, blijven ook voor het vervolg van kracht. Bovendien zijn ten dezen, zooveel noodig in overleg met miju* ambtgenoot van Financiën, de volgende voorschriften vastgesteld.

quot;Wanneer bevoegde ambtenaren (der ra- en uitgaande regten of andere) vee of andere voorwerpen, wegens overtreding der bepalingen tot wering van veeziekten hebben in beslag genomen (1) en ter beschikking stellen van den burgemeester der

(1) Zie de missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 16 Junij 1883.

ocr page 56

— 53 —

gemeente waarin de aanhaling is geschied, wordt door dien burgemeester allereerst gezorgd dat het aangehaalde geheel afgezonderd blijve en, zoo noodig, onder bewaking worde gesteld. Hij wint vervolgens onverwijld het gevoelen van den dis-triets-veearts in over de vraag of er gevaar van besmetting bestaat en of het vee moet worden afgemaakt. Zoo ja, dan moeten ook ia die gevallen de voorschriften, gevoegd bij het Koninklijk besluit van 4 December 1870 {Staatsblad n0.191), (1) gevolgd worden en wijst de districts-veearts bij zijn antwoord bepaaldelijk aan, welke dier voorschriften op het vee en de verdere voorwerpen moeten worden toegepast. Wordt door den districts-veearts vernietiging of onschadelijkmaking noodig geacht, dan geven vervolgens de ambtenaren, die de voorwerpen in beslag hebben genomen, den daartoe vereischten last. Yoor de uitvoering van dien last en van de verdere maatregelen, door den districts-veearts volgens't bovenstaande aanbevolen, zorgt de burgemeester, met inachtneming in de daartoe leidende gevallen van art. 24 der aangehaalde wet. De last der ambtenaren en de uitvoering, daarvan gegeven, worden in het proces-verbaal van den burgemeester vermeld.

Wanneer de districts-veearts de vernietiging onnoodig acht, wordt gehandeld overeenkomstig het bepaalde in art. 37 der meergenoemde wet.

Een en ander doet echter niet te kort aan de verpligting van burgemeester en ambtenaren, om te zorgen voor de dadelijke vernietiging of onschadelijkmaking in die gevallen, waarin kennelijk gevaar voor besmetting bestaat en de gelegenheid ontbreekt om het aangehaalde voorloopig geheel afgezonderd te houden.

De kosten van het afzonderen en van het onderhoud (opstallen, bewaken enz.) zijn kosten van justitie, over wier voldoening de burgemeester zich zal moeten verstaan met den officier van justitie, behoudens evenwel 't bepaalde omtrent de kosten van onderhoud in de gevallen, bedoeld bij het 2e en 3e lid van art. 37. Aan den oflicier

(1) Thans gevoegd bij het Koninklijk besluit van 9 Junij 1885, S. 125.

ocr page 57

— 5i —

van justitie moeten ook de declaration der belanghebbenden worden gezonden wegens de vervoermiddelen, die op last van den burgemeester kunnen worden gebezigd, wanneer de ambtenaren de goederen niet zelf vervoeren kunnen (art. 9 van bet Keizerlijk decreet van 18 Junij 1811, Bulletin des Lois n0. 377). (1)

Door mijn ambtgenoot van Financiën zullen, wat de ambtenaren der in- en uitgaande regten en accijnsen betreft, in gelijken geest de noodige bevelen worden gegeven.

Ik beb de eer U te verzoeken de burgemeesters in uwe provincie met de bovenstaande voorschriften bekend te maken.

De Min. van Binnenlandsche Zaken, {get.) Fock.

Besluit van den ttsten Mei 1871, S. 42, houdende verbod va n inlading van vee in een schip, naar buiten 's lands bestemd , zonder voorafgaande visitatie van een'veearts, van Regeringswege daartoe aangesteld. {Zooals dat besluit is aangevuld bij besluit van 18 Maart 187S, S. 20.)

Wij quot;WILLEM III, enz.

Overwegende, dat in strijd met art. 21 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. ]31) vervoer heeft plaats gehad van longziek vee naar stoombooten te Rotterdam, met bestemming naar het buitenland, en dat visitatie van het ten uitvoer bestemde vee vóór de inscheping derhalve noodzakelijk is;

Gelet op de artt. 15 en 21 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131);

Op de voordragt van Onzen Minister van Staat en van Binnenlandsche Zaken, van 9 Mei 1871, n0. 169, 9de afd., en van Onzen Minister van

(1) Achter „bewaken enz.quot; in deze alinea kwamen oorspronkelijk voor de woorden: „en van het vernietigen of onschadelijk maken van het vee of de voorwerpen waarmee is overtreden.quot; Deze woorden zijn ingevolge de missive van den Minister van Binnenl. Zaken van 4 Julij 1882, n0. 908, afd. M. P., vervallen.

— Het keizerlijk decreet van 18 Junij 1811 is ingetrokken bij de wet van 18 April 1874, S. 66.

ocr page 58

Financiën, van den 12den daaraanvolgende, n0. 42, I. U. R. en Ace.;

Den Raad van State gehoord (advies van den 23 Mei 1871, n0. 6);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 25 Mei 1871, litt. C.;

Hehhen besloten en hesluiten:

Art. 1. Het is verboden in een schip, naar buiten 's lands bestemd, vee te laden of vee ter inlading aan te bieden, zonder voorafgaande visitatie van een' veearts, van Regeringswege daartoe aangesteld. (1)

De visitatie geschiedt niet dan bij dag, tusschen zons op- en ondergang.

Van laatstgemelde bepaling kan door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken tijdelijk ontheffing verleend worden. (2)

2. Ons besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State. Het Loo, den 28 Mei 1871.

{(/et.) WILLE M.

Be Minister van Staat en van Binnenl. Zaken,

{get,) Thoubecke.

De Minister van Financiën, {get.) Blusse.

(JJitgeg. 31 Mei 1871.)

Besluit van den Wden Julij 1871, S. 75, waarbij de burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare verkoopingen van roerende goederen, voor rekening van het Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend, enz.

(1) Bij beschikking van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 7 Januarij 1889, n0. 4670, Med. Pol., is voor de hierbedoelde keurmeesters eene instructie vastgesteld.

(2) Deze alinea is aan het artikel toegevoegd bij besluit van 18 Maart 1878, S. 20.

ocr page 59

— 56 —

Wtj quot;WILLEM UI, enz.

Op de gemeen schappelijke voordragt van Onzen Minister van Staat en van Binnenlandsclie Zaken, van 24 Mei 1871, n0. 218, 1ste afd., en van Onzen Minister van Justitie, van den Sisten daaraanvolgende, n0. 133, 2de afd. A;

Gelet op art. 1 der wet van 22 Plnviose, jaar VII {Bulletin des Lois n0. 258), op de arrêtes van 12 Frnctidor, jaar IV, en 27 Nivose, jaar V {Bulletin des Lois n0. 72 en 101), den openbaren verkoop van goederen betreffende, alsmede op art. 81 der wet op het notarisambt van 9 Julij 1842 {Staatsblad n0. 20);

Willende, ter uitvoering van art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII, de ambtenaren aanwijzen, bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van de na te melden aan het Rijk toebehoorende roerende goederen;

Den Raad van State gehoord (advies van den 27 Junij 1871, n0. 6);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 1 Julij 1871, n0. 231,1ste afd., en van den 7den daaraanvolgende, n0. 169, 2de afd. A;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

De burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, zijn bevoegd tot het houden van openbare verkoopingen van roerende goederen, voor rekening van het Rijk wegens besmettelijke ziekten onteigend, of voor Rijksrekening aangeschaft om tot ontsmetting, waarschuwing of afzondering in die ziekten te dienen, doch voor Rijksdienst niet meer noodig.

Onze Ministers van Binnenlandsclie Zaken en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Financiën en aan den Raad van State.

Het Loo, den 11 den Julij 1871.

{get.) WILLEM.

De Minister van Staat en van Binnenl. Zaken, {get?) Thoi?becke.

Be Minister van Justitiei {get.) J. A. Jolles.

{Uitgeg. 18 Julij 1871.)

ocr page 60

Missive van den Minister van Binnenlandsclie Zaken, van 6 Julij 1873, betrekkelijk de zegel-en registratiekosten der processen-verbaal van verkoop van vleeseh en liniden afkomstig van longziek rundvee.

Zie ook de circulaire van 1 Mei 1877.

Van eenige burgemeesters in Uwe provincie worden bij mijn departement nog declaratiën ontvangen wegens zegel- en registratiekosten der processen-verbaal van verkoop van vleeseh en huiden, afkomstig van onteigend vee, in zake de besmettelijke longziekte, welke voorschotten tot dusverre bij wijze van subsidie zijn en worden gerestitueerd.

Ten einde restitutie dier uitgaven, op die wijze voor het vervolg te voorkomen, verzoek ik U de ambtenaren, ook met verwijzing naar sub 7 der circulaire van dit departement dd. 12 Maart 1872, n0. 116, aan te schrijven, voortaan bij verkoo-pingen van dien aard, opcenten te bedingen tot goedmaking der daarop vallende uitgaven. De zegel- en registratie en alle verdere kosten tot den verkoop betrekkelijk, kunnen dan — door verantwoording der geheven opcenten — bij de rekening en verantwoording wegens de opbrengst aan de Algemeene Rekenkamer af te leggen, in uitgaaf worden gebragt.

De Minister van Binnen lamhche Zaken, (lt;7^.) Geertsema.

Besluit van den Welen Julij 1874, S. 109, waarbij de burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, bevoegd worden verklaard tot het houden van openbare ver-koopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131).

Wij WILLEM III, enz.

Op de gemeenschappelijke voordragt van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van 22 Mei 1874, n0. 233, 9de afdeeling, eu van Justitie, van den 30sten daaraanvolgende, u0. 147, 2de afdeeling a;

Gelet op art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VII

ocr page 61

— 58 —

{Bulletin des Lois n0. 258), op de arrêtes van 12 Fructidor, jaar TV, en 27 Nivose, jaar V {Bulletin des Lois n0. 72 en 101), den openbaren verkoop van roerende goederen betreffende, alsmede op art. 81 der wet op het notarisambt, van 9 Jul ij 1842 {Staatsblad n0. 20);

Willende, ter uitvoering van art. 1 der wet van 22 Pluviose, jaar VTT, de ambtenaren aanwijzen, bevoegd tot liet houden van openbare verkoopin-gen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131);

Den quot;Raad van State gehoord (advies van 23 Junij 1874, n0. 13);

Gezien het nader rapport van Onze voornoemde Ministers van 26 Junij 1874, n0. 185, 8ste af-deeling, en 3 Julij daaraanvolgende, n0. 161;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen :

De burgemeesters, of die hen als zoodanig vervangen, zijn bevoegd tot het honden van openbare verknopingen van in beslag genomen vee of goederen, bedoeld in art. 37 der wet vai 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131).

Onze Ministers van Binnenlandsehe Zaken en van Justitie zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan Onzen Minister van Financiën en aan den Raad van State.

Montreux, den llden Julij 1874.

{get.) WILLE M.

Be Minister van Binnenlandsehe Zaken, {get^ Geeiitsema.

Be Minister van Justitie, {get?) de Vries.

(Uiig eg. 21 Julij 1874.)

Missive van den Minister van Binnenlandsehe Zaken, van 21 Junij 1875, betrekkelijk de invoering der wet van 2 Junij 1875 {Staatsblad n0. 94), houdende bepalingen betreffende de veeartsenijkundige politie ten opzigtevan paarden van het leger.

Ik heb de eer U te verzoeken de burgemeesters

ocr page 62

— 59 —

in Uwe provincie te herinneren, dat op 30 dezer de wet van 2 Jnnij 1875 {Staatsblad n0. 94), houdende bepalingen betreffende de veeartsenij-kundige politie ten opzigte van paarden van het leger, in verband met de wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131), in werking treedt, en dat derhalve, te rekenen van dien dag, hunne be-moeijing ten opzigte van de in die wet bedoelde paarden, bij het verschijnen van eene besmettelijke ziekte daaronder, ophoudt in al die gevallen, waarin zij de toepassing der wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131) aan den plaatselijken of garnizoens-kommandant of met dezen gelijk gestelde officieren opdraagt.

Indien volgens art. 4 dier wet de burgemeester van den commanderenden officier berigt ontvangt van het verschijnen eener besmettelijke ziekte ouder militaire of officierspaarden, behoort hij, ingeval andere paarden in de gemeente met besmette of verdachte militaire paarden in aanraking zijn geweest of er om andere redenen gevaar van verbreiding van besmetting is te duchten, het advies van den districtsveearts in te winnen omtrent de daartegen te nemen maatregelen. Van de volgens dat artikel ingekomen berigten behoort hij in elk geval kennis te geven aan den districtsveearts. Evenzoo behoort de burgemeester aan dien districtsveearts kennis te geven van voorgenomen verkoopingen van militaire paarden, zoodra hij van den korps-commandant daarvan berigt heeft ontvangen.

Gelief deze voorschriften aan de burgemeesters mede te deelen en hun stipte naleving daarvan aan te bevelen.

De Minister van Binnenlandse he Zaken, {get.) Heemskerk.

Besluit van 25 Februarij 1877, houdende opdragt aan de ambtenaren bij 's Rijks belastingen om te waken voor de nakoming der verordeningen betreffende maatregelen tot wering der veeziekte.

Zie de missive van den Minister van Binnenlandse he Zaken van 16 Jnnij 1883.

ocr page 63

— 60 —

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat de uitbreiding van besmettelijke veeziekte in een naburig Rijk strenge handhaving eischt van de tot afwering genomen maatregelen ;

Op de voordragt van Onze Ministers van Justitie, van Binnenlandsche Zaken en van Financiën, van

22 Februarij 1877, 3e afd., n0. 112 B, van

23 Februarij 1877, lett. P, IXe afd. en van den

24 Februarij 1877, n0. 44, In- en Uitgaande Regten en Accijnsen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen: 1°. aan alle ambtenaren van 's Rijks belastingen wordt opgedragen om te waken voor de handhaving van de maatregelen genomen of nog te nemen ter bestrijding der besmettelijke veeziekte;

2°. van elke overtreding van de tot die ziekte betrekkelijke verordeningen wordt door hen procesverbaal opgemaakt op den eed bij den aanvang hunner bediening afgelegd.

Dit besluit treedt dadelijk in werking. (1) Onze Ministers van .Justitie, van Binnenilandsche Zaken en van Financiën zijn, ieder voor zooveel hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan de algemeene Rekenkamer tot informatie, 's Gravenhage, 25 Februarij 1877.

{gei) WILLEM.

De Minister van Justitie, {get.) van Lijnden van Sandenburg. De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) Heemskerk.

De Min. van Financiën, {get.) H. J. v. d. Heim.

Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 1 Mei 1877, betrekkelijk het houden van verkoopingen van vleesch en huiden, afkomstig a'an onteigend vee.

Door de algemeene rekenkamer is mijne aan-

(1) Zie betreffende dit besluit het arrest van den Hoogen Raad van 27 Junij 1892, aangetee-kend op art. 15 der wet van 20 Julij 1870, S. 131.

ocr page 64

— 61 —

dacht gevestigd op verkoopingen van vleescli en huiden, afkomstig van. onteigend vee, die op last van burgemeesters in eenige gemeenten door notarissen of deurwaarders plaats hebben, waardoor de daarmede gepaard gaande onkosten zeer hoog worden opgevoerd.

In sommige dier gemeenten schijnt zelfs de gewoonte te bestaan, om in de rekening slechts dp opbrengst en niet de geheven opcenten te verantwoorden ; de op die verkooping vallende kosten worden dan uit de opcenten gekweten en het daarvan soms nog aanzienlijk overblijvende bedrag wordt als salaris door den notaris of deurwaarder genoten. Het houden van verkoopingen op die wijze is niet alleen zeer ten nadeele van 's Rijks schatkist, maar bovendien in strijd met de voorschriften, laatstelijk o. a. gegeven bij de circulaire van mijn departement d.d. 6 Julij 1873, n0. 1.

Naar aanleiding daarvan heb ik de eer IT te verzoeken de burgemeesters in Uwe provincie op te merken, dat zij tot het houden van die verkoopingen bij Koninklijk besluit van 11 Julij 1871 {Staatsblad n0. 75) zijn bevoegd verklaard, dat, zoo de hulp van een notaris of deurwaarder daarbij volstrekt noodzakelijk is, omtrent het daarvoor toe te kennen salaris naar billijkheid vooraf mondeling is overeen te komen, terwijl in allen gevalle de geheven opcenten door de burgemeesters in hunne rekening moeten worden verantwoord.

Be Minister van Binnenlandsche Zaken, Voor den Minister, Be Secretaris-Generaal, {get.) Hubrecht.

Besluit van den VIden Augustus 1878, S. 128, houdende vaststelling van nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee.

Wij quot;WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het noodzakelijk is nadere bepalingen tot beteugeling der longziekte onder het rundvee vast te stellen;

Gezien art. 15 der wet van 20 Julij 1870

ocr page 65

- 62 —

{Staatsblad n0. 131) en art, 1 der wet van 8 Augustus 1878 {Staatsblad n0. 115);

Op de voordragt van Onzen Minister van Bin-nenlandsclie Zaken, van 6 Augustus 1878, n0. 6, afd. Medische politie;

Den Raad van State gehoord (advies van den 13 Augustus 1878, n0. 11);

Gelet op het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 14 Augustus 1878j litt. K, afd. Medische politie;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1. Het is verboden uit de kringen, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, rundvee te vervoeren zonder vergunning van den burgemeester der gemeente, waarin zich het vee bevindt. Deze aanwijzing wordt door jjlaatsing in de Staatscourant ter algemeene kennis gebragt.

2. De in art. 1 vermelde vergunning wordt niet gegeven dan na verhoor van den districtsveearts en op diens verklaring dat hem, na onderzoek, van de noodzakelijkheid van het vervoer is gebleken en hij daartegen geene bedenking heeft.

De burgemeester verleent deze vergun.iing door afgifte van een vervoerbiljet. Dit biljet moet voorzien zijn van het wapen der gemeente; het vermeldt de namen en de woonplaats van den aanvrager, het advies van den distriets-veearts, alsmede de namen en de woonplaats van hem, aan wien het rundvee verzonden wordt, omschrijft het vee naauwkeurig door opgave van geslacht, ouderdom, kleur en blijvende bijzondere kentee-kenen en wordt afgegeven aan den vervoerder, die zorgt dat het uiterlijk twaalf uren na aankomst op de plaats van bestemming bij den burgemeester wordt ingeleverd.

Indien het aldus vervoerde vee niet voor de slagtbank is bestemd zendt de burgemeester afschrift van het vervoerbiljet aan den districts-veearts in zijnen kring.

3. Het aldus vervoerde vee mag niet met ander vee in aanraking worden gebragt en zonder schriftelijke toestemming van den burgemeester, den districts-veearts gehoord, niet levend van het erf, waarop het zich bevindt, worden verwijderd binnen drie maanden na aankomst aldaar. Bij den dood

ocr page 66

— 63 -

van het vee of na verloop van drie maanden na het in de vorige artikelen vermeld vervoer, wordt het vervoerbiljet door de zorg van deu burgemeester vernietigd.

4. Het is de ondernemers van openbare middelen van vervoer verboden uit een volgens art. 1 afgesloten kring rundvee te vervoeren anders dan in een afgesloten wagen of afgesloten gedeelte van het vervoermiddel op zoodanige wijze, dat het niet in aanraking gebragt worde met ander vee of andere goederen.

De wagen of het afgesloten gedeelte, waarin zich zoodanig rundvee bevindt, moet voorzien zijn van het opschrift: vee uit afgesloten lering. Het vee mag daaruit niet worden verwijderd dan ter plaatse zijner bestemming. Het is verboden het aldaar te lossen anders dan onder toezigt der rijks-veldwacht of der plaatselijke politie.

Het is verboden het vervoermiddel van de plaats van aankomst te verwijderen alvorens het onder toezigt der rijksveldwacht of der plaatselijke politie en ten koste der ondernemers ontsmet zij.

Op deze ontsmetting is Ons besluit vau 4 December 1870 {Staatsblad n0. 191) toepasselijk. (1)

5. Uitvoer van het vee uit volgens art. 1 afgesloten kringen naar buiten 's lands kan, behoudens het bepaalde in Ons besluit van 28 Mei 1871 {Staatsblad n0. 42), zonder vergunning geschieden. Tn dat geval is het bepaalde in de eerste zinsnede van art. 3 slechts van toepassing tot het tijdstip der inlading in de vervoermiddelen waarmede de uitvoer plaats heeft. Uit deze vervoermiddelen mag geen vee op Nederlandsch gebied worden gelost. Indien het vervoer per spoorweg geschiedt, moeten de wagens, waarin het vee zich bevindt, gesloten zijn.

6. Al het rundvee, hetwelk zich in volgens art. 1 afgesloten kringen bevindt, wordt door ge-examineerde veeartsen, daartoe tijdelijk door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, ingeënt en door de zorg van den burgemeester

(1) Dit besluit is ingetrokken en laatstelijk vervangen door dat van 9 Junij 1885, S. 125, onder de bijlagen opgenomen.

ocr page 67

— 64 —

voorzien van een brandmerk met de letter V op de regterdij beneden het heupgewricht. Evenzoo wordt al het rundvee, hetwelk in voormelde kringen wordt ingevoerd, binnen drie dagen na aankomst ter plaatse van bestemming door een der daarmede belaste veeartsen ingeënt en tusschen den 7deu en lOden dag na de inënting door de zorg van den burgemeester van voormeld brandmerk voorzien. Voor dat deze merking heeft plaats gehad, mag het niet met gemerkt rundvee in aanraking worden gebragt. (1)

7. De met de inenting belaste veeartsen ontvangen uit 's Rijks schatkist eene maandelijksche belooning, waarvan het bedrag door Ons wordt bepaald.

8. Ingeval, krachtens art. 2, vergunning tot vervoer van niet voor de slagtbank bestemd vee gegeven is, wordt het voor den uitvoer ten tweeden male met de letter V gebrand, naast het eerste brandmerk.

9. Het op eenigerlei wijze onkenbaar of minder duidelijk herkenbaar maken van het in art. 6 vermelde brandmerk is verboden.

De eigenaar, houder of hoeder van rundvee in een der volgens art. 1 afgesloten kringen, die in het bezit gevonden wordt van rundvee waarbij het in art. 6 vermelde merk niet duidelijk zigt-baar is, wordt alleen dan geacht niet in overtreding te zijn , wanneer hij bewijst dat het vee binnen de drie laatste dagen in den afgesloten kring is ingevoerd en hij van dien invoer binnen 12 uren aan den burgemeester kennis heeft gegeven.

10. Het is verboden buiten den volgens art. 1 afgesloten kring, in het bezit te zijn van niet voor de slagtbank bestemd rundvee, gemerkt met eene V

(1) Bij besluit van 9 Jan narij 1879, S. 2, is bepaald dat met ingang van 1 Februarij 1879 het merkteeken in dit besluit genoemd, in den regter-hoorn gebrand of, bij gemis vau dezen, in den linkerhoorn, of bij gemis van beide hoorns in den hoef van het regter voorbeen; dat art. 9 van het besluit ten opzigte van dit brandmerk verbindend is en dat runderen bij welke, bij het besluit van 9 Januari 1879, S. 2, het brandmerk op de regterdij duidelijk zigtbaar is, van het brandmerk op den regterhoorn zijn vrijgesteld.

ocr page 68

— 65 —

of, indien niet het in art. 2 vermelde vervoer-biljet bij den burgemeester is ingeleverd met VV.

Indien het vervoerbiljet, krachtens art. 3 wegens het verstrijken van den termijn van drie maanden na het vervoer, vernietigd wordt, geeft de burgemeester hiervan aan den eigenaar, houder of hoeder eene verklaring af.

11. Bij opheffing van de in art. 1 bedoelde kringen wordt al het zich daarin bevindende rundvee vooraf door de zorg van den burgemeester met een tweede brandmerk, bestaande in een omgekeerde V (A), naast het eerste gemerkt. Het aldus gemerkte vee mag vrij vervoerd worden.

12. Kalveren worden niet ingeënt eer zij den leeftijd van drie maanden bereikt hebben.

13. Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant y.d.\ worden geplaatst, en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 17den Augustus 1878.

(f/et.) WILLE M.

Be Minister van Binnenlandsche Zaken, {get.) Kappeyne.

(Uitgeg. 23 Aug. 1878.)

Missive van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van den KSden Juni 1883, betreffende de benadering van slachtvee krachtens dispensatie ingevoerd.

Het geval heeft zich voorgedaan dat door de ambtenaren der belastingen een stuk slachtvee benaderd is, dat krachtens dispensatie uit Duitsch-land is ingevoerd onder de voorwaarden U H.E.G. medegedeeld bij schrijven van 22 Juni 1882, n0. 859.

Daar de slachter het stuk vee weder teruggekocht heeft van de ambtenaren, is het rund door hem geslacht. Maar nu vraagt de betrokken burgemeester hoe door de politie gehandeld moet

Veeartsenijk., 5e dr. 5

ocr page 69

— 6rgt; —

worden, wanneer de slachter het stuk vee niet terug koopt en de benaderende ambtenaren liet willen vervoeren. Daarop heb ik geantwoord dat in zoodanig geval de ambtenaren beschouwd moeten worden als de personen, aan wie de dispensatie verleend is; deze zullen dan de voorwaarden hebben na te komen, die aan de vergunning verbonden zijn. Het benaderde stuk vee zal dan naar de door de ambtenaren der belastingen aan te wijzen slachtplaats of den zich daarbij bevindenden stal gebracht mogen worden en blijft tot de slachting onder politietoezicht.

Ik heb mijn ambtgenoot van financiën verzocht daaromtrent de noodige voorschriften te geven, waaronder ook zal moeten behooren het voorschrift dat de ambtenaren, die het stuk vee benaderd hebben, van die benadering onverwijld kennis geven aan den burgemeester, opdat het vervoer onder politietoezicht plaats hebbe.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get.) Heemskerk.

Besluit van den 9de?i Juni 1885, S. 125, houdende voorschriften betreffende het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van het volgens de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) afgemaakt, aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht vee, of volgens de wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n0. 110) afgemaakte honden en katten, en van andere voorwerpen en de ontsmetting van stallen en andere gebouwen en het onschadelijk maken van mestvaalten.

Wij WILLEM III, enz.

Op de voordracht van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van 20 April 1885, n0.1018, afdeeling Medische Politie;

Gelet op art. 31 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) en op art. 6 der wet van 2 Juni 1875 {Staatsblad n0. 94);

ocr page 70

— 67 —

Den Raad van State gehoord (advies van den 26 Mei 1885, n0. 9);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 3 Juni 1885, n0. 1795, afdeeling Medische Politie;

Hebben besloten en besluiten :

Art. 1. Omtrent het begraven, verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Julij 1870 {Staatsblad n0. 131) afgemaakt vee, van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode of volgens de wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n0. 110) afgemaakte honden en katten en van besmette voorwerpen; het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleederen van personen, en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen, en het onschadelijk maken van mestvaalten, gelden de bij dit besluit gevoegde voorschriften, die geacht worden daarmede een geheel uit te maken.

2. Onze besluiten van 4 December 1870 {Staatsblad n0. 191) en 6 April 1882 {Staatsblad n0. 49) zijn ingetrokken.

3. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant, waarin het geplaatst is.

Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Nederlandsche Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Karlsbad, den 9den Juni 1885.

{get.) WILLE M.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get?) Heemskerk.

(Uitgeg. 3 Juli 1885.)

5*quot;

ocr page 71

— 68 —

VOORSCHRIFTEN betreffende :

1°. het hegraveni verbranden of op andere wijze vernietigen van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte geslacht of volgens de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) afgemaakt vee en gedeelten van zulk vee i van aan dolheid gestorven of wegens dolheid gedoode, of volgens de wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n0. 110) afgemaakte honden en katten, en van besmette voorwerpen;

2°. het ontsmetten van stallen en andere gebouwen, van huiden van dieren, van kleederen van personen en andere voorwerpen» alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramvjegen;

3°. het onschadelijk maken van mestvaalten.

f 1. Het vernietigen van vee, van gedeelten van vee, van honden en katten en van besmette voorwerpen door begraven, verbranden of op andere wijze.

a. Verbrand moeteu bij voorkeur worden: vee dat aan miltvuur lijdende gestorven of gedood is, vee dat aan veepest lijdende afgemaakt of gestorven is, de horst- en buiksingewanden van runderen, die aan besmettelijke longziekte lijdende afgemaakt of gestorven zijn; besmet strooisel, drooge mest, hooi, stroo, riet; besmette en door gebrekkige gesteldheid en geringe waarde niet voor ontsmetting geschikte stalgereedschappen, tuigen, dekkleeden van vee, kleederen van mensehen en gedeelten van houtwerk uit stallen en andere gebouwen.

Aan het verbranden van het bovengenoemde moet bepaald de voorkeur boven he^ begraven gegeven worden in alle gevallen, waar de gesteldheid van den bodem het op behoorlijke diepte begraven niet toelaat en waar voor liet begraven van aan miltvuur gestorven vee geen ander terrein dan wei-, bouw- of moesland ter beschikking is. Indien wegens gevaar voor de veiligheid van nabijzijnde gebouwen of gewassen, of wegens een te groot aantal te vernietigen dieren, of wel door andere omstandigheden het

ocr page 72

verbranden niet op voldoende wijze geschieden kan, heeft begraving plaats.

Na verbranding wordt bet niet geheel door vunr verteerde overschot begraven, zoo mogelijk één meter diep.

h. Waar de gelegenheid bestaat, om, zonder te groote kosten of andere bezwaren, van vervoer enz., dood vee of gedeelten daarvan te vernietigen door inwerking van kokend water of stoom in gesloten ruimten, moet hieraan de voorkeur gegeven worden boven het verbranden in de open lucht.

c. Bij het begraven van vee worden te voren de huid en het vleesch geheel onbruikbaar gemaakt door elkander kruisende inkervingen, die tot diep in het vleesch moeten indringen en waarin gegoten worden ruw carbolzuur of wel koolteer en petroleum. Het vee, de honden en katten en de mede te begraven voorwerpen worden in den kuil overgoten met carbolwater (waarvan de samenstelling in § 2 voorgeschreven is), daarna gelijkmatig bestrooid met cene één decimeter dikke laag gebrande kalk en vervolgens met eene één meter dikke laag aarde bedekt.

Waar zulks door den burgemeester in overleg met den districtsveearts noodig wordt geacht, moet de begraafplaats onmiddellijk na de begraving door eenc stevige omheining, die voor vee ondoordringbaar is, afgesloten en gedurende een jaar afgesloten gehouden worden.

Het binnentreden van de omheinde begraafplaats of het ontsluiten der omheining is binnen dat tijdperk verboden, behalve met verlof of op last van den burgemeester.

§ 2. Het ontsmetten van huiden, van stallen en andere gebouwen, van Ideeder en van personen en andere voorwerpen, alsmede van veewagens en ladingsterreinen van spoor- en tramwegen.

A. De ontsmettingsmiddelen.

Als ontsmettingsmiddelen worden uitsluitend de volgende, gebruikt:

a. Hitte, en wel:

1. Vuur, als gloeiend of vlammend vuur, om

ocr page 73

— 70 —

vuurvaste metaleu voorwerpen een-lichten graad van roode gloeihitte te doen ondergaan, of als de vlam eener blaas- of schroeilamp om de oppervlakte van voorwerpen af te zengen of te schroeien (zoogenaamd flambeeren).

2. Sloom.

3. Kokend water.

b. Scheikundig werkende stoffen, en wel:

4. Sublimaat (kwikchloride, chloretum hydrar-gyricum) als sublimaatwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel op 5000 deelen water of 1 gram per 5 liter water.

5. Carbolzuur als carbolwater, waaronder voor dit doel verstaan moet worden eene oplossing van 1 deel ruw carbolzuur, dat ongeveer 50 pCt. carbolzuur bevat, in 10 deelen water, of wel eene oplossing van 1 deel zuiver carbol- of phenylzuur in 20 deelen water.

6. Chloorkalk in den vorm van poeder, van chloor kalkmelk, gemaakt door vermenging van 1 deel chloorkalk met 10 deelen water, en ter bereiding van chloorgas door vermenging van 1 gewichtsdeel chloorkalk met 1.[ gewichtsdeelen ruw zoutzuur.

7. Zwavelig zuur gr as, bereid door verbranding van pijpzwavel in stukjes bevochtigd met methylalcohol.

8. Gebrande kalk in den vorm van stukjes en grof poeder en van kalkmelk, de laatste gemaakt door vermenging van 1 deel gebrande kalk met 10 deelen water.

c. Voorafgaande reiniging van te ontsmetten voorwerpen. ____

Om de uitwerking der ontsmettingsmiddelen, inzonderheid der scheikundige, zoo volledig mogelijk te maken, moet aan de aanwending daarvan eene reiniging voorafgaan, wanneer hetgeen ontsmet moet worden bedekt is met vuil of aanklevende dierlijke stof, die eene grondige ontsmetting bemoeilijkt of verhindert.

.Behalve het verwijderen der onreinheden door afvegen, afschuren, afkrabben, afschaven, enz., en door afwasschen, afschuieren, afschrobben enz. met koud of met heet water, worden als reinigingsmiddelen gebruikt:

ocr page 74

Groene zeep, opgelost in heet water tot een sterk zeepsop, eu potaschloog of so daloog, bereid door 1 deel ruwe potasch of ruwe soda op te lossen in 20 deelen kokend water, er onder te roeren 1 deel gebrande kalk, die te voren door bevochtiging met water tot poeder uiteengevallen is, en na bezinking der kalk de oplossing af te gieten.

Ingeval van ziekten van dieren, die voor den tnenscli door besmetting gevaar kunnen opleveren, moet reiniging met ontsmetting gepaard gaan.

B. De ontsmettingswijzen.

1. Stallen en andere gebouwen en zich daarin bevindende voorwerpen.

Uit de stallen en andere gebouwen worden eerst verwijderd en met de noodige voorzorgen tegen verspreiding van smetstof vervoerd: mest, strooisel, voeder en alle andere te verbranden of te begraven voorwerpen, alsmede het grove vuil, dat van de zoldering, wanden en vloer afgenomen en daarna onverwijld met een der scheikundige ontsmettingsmiddelen in ruime hoeveelheid vermengd moet worden.

Muur-, steen- en pleisterwerken, houtwerk en houten stalgereedschappen, ijzer- en ander metaalwerk worden gereinigd met heet zeepsop of wel met heete potaschloog of sodaloog en ontsmet met sublimaat water of carbolwater.

Los ijzerwerk behoeft enkel gegloeid te worden.

Het nauwkeurig en sterk afzengen of afschroeien (flambeeren) is op zichzelf voldoende ter ontsmetting van houtwerk of metaalwerk.

Dekkleeden, touwwerk enz. worden door stoom ontsmet of wel met heet sterk zeepsop of heete verdunde sodaloog (1 deel loog op 8 deelen water) gereinigd en met sublimaatwater of carbolwater ontsmet. Lederwerk wordt met warm zeepsop of koude verdunde sodaloog gereinigd en met ter halve sterkte verdunde chloorkalkmelk of met sublimaat water ontsmet.

Haren kussens mogen enkel ontsmet worden door kokend water of stoom.

ocr page 75

- 72 —

Aarden vloeren worden minstens 20 c.M. diep uitgegraven, de bodem met sublimaatwater, carbol water, chloorkalk of gebrande kalk ontsmet en daarna ter dikte der uitgegraven laag met nieuwen grond bedekt, die vast wordt aangestampt.

Losse steenen vloeren worden opgebroken en de ondergrond als aarden vloer behandeld, met reiniging en ontsmetting van de weder te bezigen steenen, of wel in de voegen diep uitgekrabd, door afschrobben met heet sterk zeepsop of met heete potaschloog gereinigd en met sublimaatwater of carbol water ontsmet.

Gemetselde en cementvloeren worden na reiniging op de genoemde wijze met sublimaatwater of carbol water begolen of wel dik bestreken met chloorkalkmelk of kalkmelk.

Houten vloeren worden opgebroken, de ondergrond als aarden vloer behandeld en het niet verbrande of begraven houtwerk op de gewone wijze gereinigd en ontsmet.

Goten, groppen, vaste roosters, zinkgaten, riolen en putten tot afvoer of verzameling van uitwerpselen , stalwater enz. worden gereinigd met kokend water en kokend heete potaschloog en, na ruime doorspoeling, met sublimaatwater of carbolwater ontsmet. Goten enz., wier wanden niet geheel dicht zijn, worden behandeld als losse steenbevloering.

Ten slotte wordt de stal of het gebouw berookt met chloor of met zwaveligzuur. Voor berooking met chloor is voor elke 10 M3. ruimte benoo-digd minstens 3 hectogram chloorkalk. De chloorkalk moet aangewend worden in kommen of schalen, die elk { tot hoogstens 1 kilogram mogen bevatten. Voor berooking met zwaveligzuur is voor elke 10 M3. ruimte benoodigd minstens 1^ hectogram pijpzwavel. De pijpzwavel moet aangewend worden in vlakke schalen, die elk hoogstens | kilogram mogen bevatten. In den stal of het gebouw moeten voor den aanvang der berooking de lucht en de wanden en voorwerpen zoo vochtig mogelijk gemaakt worden. Zij blijven tijdens de berooking 24 uren gesloten en worden na dien twee dagen goed gelucht.

ocr page 76

- 73 —

Afzonderlijke standplaatsen vaii vee in stallen en andere gebouwen worden, met uitzondering van de berooking, op overeenkomstige wijze ontsmet. Daarbij behooren echter tot de standplaats van een stuk vee medegerekend te worden de gedeelten van daaraan grenzende standplaatsen, die voor besmet zijn te bonden.

Toepassing dezer voorschriften bij bepaalde besmettelijke ziekten.

De ontsmetting van stallen en andere gebouwen en van standplaatsen volgens de vorenstaande voorschriften is alleen geboden ingeval van veepest,, longziekte, schaapspokken, kwaden droes, huid-worm en miltvuur. Bij miltvuur moet inzonderheid de vloer met de meeste zorg ontsmet worden, maar blijft berooking achterwege.

Ingeval van mond- en klauwzeer is het voldoende goed te reinigen met heet water, voor zooveel noodig met heet zeepsop of heete verdunde sodaloog of potaschloog, en daarna het muurwerk, het houtwerk en den vloer te overgieten of te bestrijken met chloorkalk melk of kalkmelk. Berooking van den stal mag alleen geschieden als deze van vee geheel ontruimd is.

Ingeval van dolheid kan gehandeld worden gelijk voor mond- en klauwzeer bepaald is, maar blijft berooking achterwege.

2. Huiden.

De huiden worden ontsmet door indompeling gedurende 12 uren in sublimaat water of carbol water of gedurende minstens 24 uren in versch bereide kalkmelk, die met hoogstens vijfmaal zooveel water verdund mag worden.

3. Voertuigen.

Voertuigen alsmede schuiten, waarmede vee, besmette voorwerpen en mest vervoerd zijn, worden onverwijld gereinigd en ontsmet op de wijze als voor hout- en ijzerwerk derstallen voorgeschreven is.

4. Kleederen.

Het ontsmetten van kleederen zal zich in den regel bepalen tot de bovenkleederen, waarbij het

ocr page 77

— li —

schoeisel bijzondere zorg vereiscbt. Zijn ook de onderldeederen besmet, dan worden deze in de ontsmetting begrepen. Kleederen, die met van vee afkomstige stoffen zooals bloed, slijm, enz. verontreinigd zijn, worden door stoom ontsmet of na onderdompeling in kokend water of bevocbti-ging, met zwaveligzimr of chloor berookt. Schoeisel wordt nauwkeurig gereinigd door afwasschen met heet zeepsop en daarna ontsmet met sublimaatwater of carbol water.

5. Veewagens, gereedschappen en ladingsterreinen van sjwor- en tramwegen.

De veewagens worden ontledigd van strooisel , mest, voeder enz. en door afkrabben en uitvegen van het grove vuil ontdaan.

Daarna worden de wanden en vloer met water afgeschrobd en vervolgens begoten, of bespoten, totdat zij geheel rein zijn. Voor zooveel noodig moet het afschrobben geschieden met sterk zeepsop of met verdunde sodaloog of potaschloog (1 deel loog op 3 deelen water) en moeten de genoemde vochten heet worden aangewend. Wandbeklcedingen van leder of linnen worden met warm zeepsop of zoo noodig met warme verdunde sodaloog afge-wasschen.

De goed gereinigde wanden en vloer worden ontsmet door witten met kalkmelk of chloorkalk-melk, of door bestrijken met carbol water of sublimaat water, of door stoom van minstens 2 atmospheeren (120° C.) op alle te ontsmetten plaatsen van nabij in een straal te doen inwerken, of doorstoom van minstens 6 atmospheeren (160° C.) in den dicht gesloten wagen te doen instroomen.

Op overeenkomstige wijze worden gereinigd en ontsmet loopplanken , voederbakken , emmers, touwen en andere voorwerpen, waarmede het vervoerde vee in aanraking geweest is.

Op de terreinen van in- en uitlading worden mest, gebruikt strooisel, enz. zorgvuldig bijeen-geveegd, de aarden bodem met water afgespoeld en de bestratingen en houtkleedingen met water afgeschrobd. Zoo noodig wordt, na reiniging, de bodem met carbol water of sublimaat wat er begoten.

De uit de wagens en van de voorwerpen ver-

ocr page 78

wij derde en de op de terreinen bij eenge veegde stoffen worden naar eene daarvoor bestemde bergplaats vervoerd en aldaar met gebrande kalk bestrooid of met carbol water of sublimaat water bevochtigd.

§ 3. Het onschadelijk maken van mestvaalten.

Het onscbadelijk maken van mestvaalten geschiedt bij voorkeur door den mest naar bouwland te vervoeren en onmiddellijk onder te ploegen, of anders door overgieten met sublimaat water of carbolwater of bestrooien met eene laag chloorkalk of gebrande kalk.

§ 4. Algemeens bepalingen.

De districtsveearts beslist in overleg met den burgemeester of het onschadelijk maken van dood vee in plaats van door begraven geschieden zal door verbranden of op andere wijze.

Voor elk bijzonder geval wordt door den districtsveearts of door den veearts, die hem vervangt, bepaald en aangewezen welke middelen ter ontsmetting aangewend zullen worden, en op welke wijze, voor zoover deze voorschriften verschillende wijze van handelen toelaten.

De aanwending van sublimaat water als ontsmettingsmiddel mag uitsluitend plaats hebben in tegenwoordigheid van den districtsveearts, of van den veearts, die hem vervangt.

Voor zooveel noodig worden bijzondere regelen, die bij de uitvoering dezer voorschriften inacht-genomen moeten worden, door dm Minister van Binnenlandsche Zaken bij nadere instructie vastgesteld.

Behoort bij Koninklijk besluit van 9 Juni 1885

{Staatsblad n0. 125).

Mij bekend,

Be Minister van Binnenlandsche Zaken y {get.) Heemskerk.

ocr page 79

— 76 —

Besluit van den %§sien Mei 1888, S. 86, waarbij, met herziening van Let Koninklijk besluit van 3 6 November 1884 {Staatsblad n0.223), bepalingen worden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en met schepen, en de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen. {Zooals dit besluit is gewijzigd bij dat van 5 September 1890, S. 152).

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat Ons besluit van 16 November 1884 {Staatsblad n0. 223), waarbij bepalingen worden vastgesteld omtrent het vervoer van vee langs spoor- en tramwegen en de ontsmetting van veewagens, herziening behoeft;

Gelet op art. 15 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij art. 10, sub 26, van de wet van 15 April 1886 {Staatsblad n0. 64);

Op de voordracht van Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van Financiën en van Waterstaat, Handel en Nijverheid, van 24 Maart 1888, n0. 972, afdeeling Medische Politie, van 26 Maart 1888, n0. 71; Invoerrechten en Accijnzen, en van 27 Maart 1888, litt. B, i.fdeeling Handel en Nijverheid;

Den Baad van State gehoord (advies van den 1 Mei 1889, n0. 9);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 12 Mei 1888, n0. 1498, afdeeling Medische Politie, 17 Mei 1888, n0.11, Invoerrechten en Accijnzen, 22 Mei 1888, n0. 58, afdeeling Handel en Nijverheid;

Hebben goedgevonden en verstaan;

Art. 1. Vervoer van vee langs spoorwegen, behalve langs die bedoeld in art. 2 der wet van 28 October 1889 {Staatsblad n0. 146), mag alleen in daartoe uitsluitend bestemde wagens geschieden. (1)

2. De besturen van spoor- en tramwegondernemingen zijn verplicht wagens, waarin vee is

(1) Dit artikel is aldus gewijzigd bij besluit van 5 September 1890, S. 152.

ocr page 80

vervoerd, na elk gebruik te doen reinigen en ontsmetten.

De gezagvoerders van schepen zijn verplicht hunne vaartuigen of de afgezonderde gedeelten van die vaartuigen, waarin vee is vervoerd, na elk gebruik te doen reinigen en, waar en voor zooveel als dit door den districts veearts noodig wordt geacht, te doen ontsmetten.

De reiniging en ontsmetting geschieden met inachtneming van de voorschriften, door Ons vastgesteld of vast te stellen krachtens art. 31 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131). (1)

Dezelfde verplichting bestaat ten opzichte van alle voorwerpen, waarmede het vee op de terreinen van den dienst der onderneming in aanraking is geweest, als : hokken, loopplanken , emmers, voederbakken, touwen, enz. en van het terrein waar de in- en uitlading plaats heeft.

Ter voorziening in de kosten dier reiniging en ontsmetting kunnen de ondernemers van hen, wier vee zij vervoeren, esne geldelijke bijdrage vorderen.

De ondernemers der spoorwegen, in het vorige artikel bedoeld, nemen daarbij de bepalingen van hoofdstuk Til der wet van 9 April 1875 {Staatsblad n0. 67) in acht.

3. quot;Wagens, waarin vee is vervoerd, uit den vreemde binnenkomende, worden aan het grensstation door de zorg van de spoor- of tramweg-ondernemers gereinigd en met inachtneming van de voorschriften, vermeld in het derde lid van art. 2, ontsmet.

De plaatsen, waar vee gestaan heeft aan boord van vaartuigen, uit den vreemde binnenkomende, worden door de zorg van de ondernemers gereinigd en, waar en voorzooveel dit door den districtsveearts wordt noodig geacht, met inachtneming van de voorschriften, vermeld in het derde lid van art. 2, ontsmet.

4. De bepalingen van de artt. 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op het vervoer van tot het leger behoorende paarden.

Van de bepalingen van de artt. 1 en 2, voor

(1) Laatstelijk vastgesteld bij besluit van 9 Juni 1885, S. 125.

ocr page 81

— 78 -

zooveel de spoorwegdiensten betreft, kan door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, onder daarbij door hem te bepalen voorwaarden, afwijking worden toegestaan voor liet vervoer van jong of klein fokvee in manden, kooien, hokken of zakken.

5. Ons besluit van 16 November 1884 llad n0. 223), wordt ingetrokken.

6. Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en de Staatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken, van Financiën en van Waterstaat, Handel en Nijverheid zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staats-courant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 26sten Mei 1888.

{get.) WILLEM.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get?) Mack ay.

De Minister van Financiën, {get.) Godin de Beaufort. De Min. van Waterstaat, Handel en Nijverheid, {get.) Havel aar.

(IJ Hg eg. 9 Juni 1888.)

Besluit van den lamp;den Augustus 1888, S. 142, houdende verbod van in- en doorvoer van buitenslands van varkens, van versch ongezouten varkensvleesch en van ongesmolten vet, klauwen, mest en verderen afval van varkens.

Wij WILLEM III, e.\z.

Overwegende dat in het buitenland besmettelijke ziekten onder de varkens voorkomeu, weshalve Ons besluit van 9 April 1884 {Staatsblad xP. 4amp;) herziening behoeft;

Gelet op art. 15 van de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij art. 10, sub 26, van de wet van 15 April 1886 {Staatsblad n0. 64);

Op de voordracht van Onze Ministers van Bin-

ocr page 82

nenlandsche Zaken en van Financiën van den 7 Juli 1888, n0. 19663, afdeeling Medische Politie, en van 14 Juli 1888, n0. 90, afdeeling Invoerrechten en Accijnzen;

Den Raad van State gehoord (advies van den 31 Juli 1888, n0. 7);

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 8 Augustus 1888, n0. 2643, afdeeling Medische Politie, en van 10 Augustus 1888, n0. 109, afdeeling Invoerrechten en Accijnzen;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Art. 1. De in- en doorvoer van buitenslands van varkens, van versch en gezouten varkens-vleesch en van ongesmolten vet, klauwen, mest en verderen afval van varkens is verboden.

2. quot;Wanneer bijzondere redenen eene afwijking van dit verbod noodzakelijk maken, kan Onze Minister van Binnenlandsche Zaken, met medewerking van Onzen Minister van Financiën, zoodanige afwijking toestaan, onder de noodige voorzorgen tegen overbrenging van besmetting. (I)

3. Ons besluit van 9 April 1884 {Staatsblad n0. 48) wordt ingetrokken.

4. Ons tegenwoordig besluit treedt in werking op den vijfden dag na dien der dagteekening van het Staatsblad en van de Staatscourant 3 waarin het geplaatst is.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Het Loo, den 14den Augustus 1888.

{get.) WILLEM.

Dc Min. van Binnenl. Zaken, {(jet.) Mackay.

De Minister van Financiën, {get.) Godin de Beaufort.

(Uitgeg. 20 Aug. 1888.)

(1) Zie het besluit van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en Financiën van 3/6 Mei 1892.

ocr page 83

- 8J —

Mtsstve van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 10 Juli ]889, houdende nadere inlicliting bij de missive van 14 December 1870 verstrekt, omtrent de toepassing der artt. 14, 16, 17, 19, 21 en 25 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131). In de artt. 14, 16, 17, 19, 21 en 25 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) is bepaald, dat bij afwezigheid van den districts-vee-arts en van een districts-veearts-plaatsvervanger lt;;en geëxamineerd veearts (1) in spoedeischende gevallen kan geraadpleegd worden. In de circulaire van mijn ambtsvoorganger van 14 December 1870, n0. 171, afdeeling IX, wordt tot verklaring daarvan gezegd dat de burgemeester een geëxamineerd veearts niet kan raadplegen, dan na de zekerheid bekomen te hebben dat zoowel de distri ets-veearts als zijne plaatsvervangers verhinderd zijn over te komen.

Deze woorden, die op zichzelf juist zijn, hebben aanleiding gegeven tot eene opvatting die het te lang uitblijven van de veeartsen ij kundige ambtenaren in grooten spoed eischende gevailen, vooral van varkensziekte, heeft tengevolge gehad. Tot recht verstand der bedoelde wetsbepalingen en tot voorkoming van de genoemde moeielijkheid, diene het volgende:

Een plaatsvervangend dislricts-veearts mag alleen optreden bij volstrekte verhindering van den dis-tricts-veearts, en bij afwezigheid van beiden in spoedeischeude gevallen, een ander geëxamineerd veearts. Is een geval spoedeischend, dan behoort de burgemeester zich zoo spoedig mogelijk te overtuigen of de districts-veearts in staat is spoedig ter plaatse aanwezig te zijn voor het onderzoek van het geval. De districts-veearts behoort dan onmiddellijk zich naar de plaats te begeven of, kan hij niet spoedig genoeg ter plaatse aanwezig zijn, daarvan onverwijld kennis te geven. Daarna behoort de burgemeester een plaatsvervangenden districts-veearts te ontbieden of, is deze niet zoo

(1) Met geëxamineerd veearts wordt bedoeld, hij die een diploma als zoodanig bezit. (Zie de aant. op art. 14 der wet van 20 Juli 1870, S. 131.)

ocr page 84

— 81 —

in de nabijheid dat liij spoedig ter plaatse aanwezig kan zijn, een ander geëxamineerd veearts.

Echter bestaat er, naar mij voorkomt, geen wettelijk bezwaar tegen dat burgemeesters van gemeenten, die niet spoedig genoeg van uit de standplaats van den districts-veearts te bereiken zijn en geen snelwerkend coa^nunicatiemiddel, als een telegraaf e. d., te hunner beschikking hebben, reeds daaruit in bijzonderen spoed eischende gevallen besluiten tot de volstrekte verhindering van tien districts-veearts om tijdig ter plaatse aanwezig te zijn en alsdan een plaatsvervanger of, kan ook deze niet spoedig genoeg ter plaatse aanwezig zijn, een ander geëxamineerd veearts ontbieden. Dit laatste moet echter uit den aard der zaak uitzondering blijven.

Ik heb de eer U H.E.G. te verzoeken dienovereenkomstig de burgemeesters in Uwe provincie, voor zooveel noodig, in te lichten.

De Minister van Binnenlandsck e Zaken {get.) Mackay.

Besluit van den \sten December 1889, S. 173, betreflende vervoer, merking en visitatie van vee in nabij de grenzen gelegen gemeenten.

Wij WILLEM III, enz.

Overwegende, dat het heerschen van besmettelijke veeziekten in het buitenland maatregelen noodig maakt tot het verzekeren van de handhaving van Onze besluiten van 8 December 1870 {Staatsblad n0. 194) en van 14 Augustus 1888 {Staatsblad n0. 142);

Gelet op de artikelen 15 en 35 van de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij art. 10, 26°, der wet van 15 April 1886 {Staatsblad n0. 64);

Op de voordracht van Onze Ministers van Bin-nenlandsche Zaken en van Financiën, van 12 November 1889, n0. 4684' , afdeeling Medische Politie, en van 12 November 1889, n0. 58, Invoerrechten en Accijnzen ;

Den Raad van State gehoord (advies van 22 November 1889, n0. 6);

Veeartsentjk., 5e dr. ^

ocr page 85

— 8-2 —

Gelet op het nader rapport van Onze voornoemde Ministers, van 27 November 1889, n0. 4914, afdeeling Medische Politie, en van 28 November 1889, nquot;. 65, Invoerrechten en Accijnzen.

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

Art. 1. In de dcay Onzen Minisler van Binnen-landsche Zakt n aangewezen nabij de grenzen gelegen gemetnten of gedeelten daarvan is het vervoer van de mede door hem aan te wijzen soort van vee verboden , wanneer het niet op de in artikel 2 van Ons tegenwoordig besluit bedoelde wijze is gemerkt.

De aanwijzing dier gemeenten of gedeelten van gemeenten en van de veesoorten wordt, door plaatsing in de Siaatscovrani en zoo mogelijk in een plaatselijk nieuwsblad , ter algemeene kennis gebracht.

2. Het merken geschiedt voor rekening van het Rijk door veeopzichters op de wijze, door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen.

Deze opzichters worden benoemd en ontslagen door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.

Bij de aanvaarding zijner bediening legt ieder veeopzichter in handen van den burgemeester der gemeente, die hem als standplaats is aangewezen den volgenden eed of belofte af:

„Ik zweer (beloof) dat ik de verplichtingen, verbonden aan de betrekking van veeopzichter, naar behooren vervullen zal.

„Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig!quot; (Dit beloof ik.)

3. De merking geschiedt niet, dan nadat de inschrijving op de in artikel 4 van Ons tegenwoordig besluit bedoelde lijsten heeft plaatsgehad.

4. Hit in artikel 1 bedoelde vee van eiken eigenaar afzonderlijk, wordt onverwijld na de in dat artikel bedoelde aanwijzing van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken op daartoe in duplo aangelegde lijsten door de veeopzichters opgeschreven.

Op deze lijsten wordt het vee genummerd en beschreven. De lijsten worden door de eigenaars of bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien geteekend;

ocr page 86

indien zij opgeven niet te kunnen of te willen onderteekenen, maakt de veeopzichter daarvan melding op de lijsten.

Een exemplaar van iedere lijst wordt aan den burgemeester toegezonden.

5. De opzichters zijn gehouden al het vee, vermeld op de door hen opgemaakte lijsten, ten minste eenmaal 's weeks te visiteeren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen worden, met inachtneming van artikel 6 van Ons tegenwoordig besluit, onverwijld op de lijsten aangeteekend en door de eigenaars, houders of hoeders voor gezien geteekend.

Behalve bij de wekelijksche visitatie kunnen de opzichters, op dezelfde wijze en met inachtneming van artikel 6 van Ons tegenwoordig besluit, veranderingen op de lijsten aanteekenen op verzoek van den eigenaar, houder of hoeder van het vee.

6. Een veeopzichter schrijft geen stuk vee op eene lijst bij, waarvan hij vermoedt dat het met overtreding van Ons besluit van 8 December 1870 {Staatsblad n0. 194) of van dat van 1-1 Augustus 1888 {Staatsblad n0. 142) uit het buitenland is ingevoerd.

In zulk een geval roept hij de beslissing van den burgemeester in. Bezwaren tegen de uitspraak van den burgemeester worden beslist door Onzen Commissaris in de provincie.

7. De veeopzichters geven van elke verandering op een lijst onverwijld kennis aan den burgemeester, die daarvan aanteekening houdt op het onder hem berustend exemplaar der Hjst.

8. Het verbod , vermeld in artikel 1, geldt niet:

a. voor vee dat van buiten de in dat artikel bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten, in die gemeenten of gedeelten daarvan wordt in gevoerd, zoolang de opschrijving van dit vee op de in artikel 4 bedoelde lijsten nog niet heeft kunnen plaats vinden;

b. voor vee, afkomstig uit gemeenten of gedeelten daarvan, niet in de aanwijzing volgens artikel 1 begrepen, dat tijdelijk in de bij dit artikel bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten aanwezig is wegens doorvoer naar huiteiu-

6*

ocr page 87

— 84 —

lands of naar ecne Nederlandsche gemeente of gedeelte daarvan, niet begrepen in de aanwijzing van artikel 1.

9. De bij artikel 8 bedoelde in- en doorvoer Leeft plaats met een vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester ter plaatse van herkomst en vermeldende eene nauwkeurige besebrijving van het vee door opgave van het geslacht, ouderdom, kleur en blijvende kenteekenen, benevens den tijd waarbinnen volgens de in het vervoerbiljet vermelde route, de uitvoer naar buitenslands of het vervoer naar de bestemmingsplaats moet zijn volbracht.

10. Op vee, per spoor of tramweg of per schip doorgevoerd door de in artikel 1 bedoelde gemeenten of gedeelten van gemeenten, zijn de bovengeDoemde bepalingen niet van toepassing.

11. Dit besluit treedt in werking op den vijfden dag na de afkondiging in het Staatsblad en in de Staatscourant.

Onze Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën zijn belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad en gelijktijdig in de Staatscourant zal worden geplaatst, en waarvan afschrift zal gezonden worden aan den llaad van State.

Het Loo, den Isten December 1889.

{getï) WILLE M.

Be Minister van Binnenlandsche Zaken, {get?) Mackay.

J)e Minister van Financiën, {get.) Godin de Beaufort.

(TJitgeg. 4 Dec. 1889.)

Besluit van de Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën, van 3/6 Mei 1892, betrelfende in- en doorvoer van van vee afkomstige artikelen.

De Ministers van Binnenlandsche Zaken en van Financiën;

Gelet op de koninklijke besluiten van 8 December 1870 {Staatsblad n0. 194) en van 14 Augustus 1888 {Staatsblad n0. 142);

Gelet op de bekendmaking van de Ministers,

ocr page 88

- 85 -

van Binnenlaudsclie Zaken en van Financiën van 11 Maart 1885 (opgenomen in »le Nederlandsche Staatscourant van 12 Maart daaraanvolgende n0.60) en op die van den Minister van Binnenlandsche Zaken van 21 Augustus 1888 (opgenomen in de Nederlandsche Staatscourant van 23 Augustus daaraanvolgende n0. 199);

Brengen ter kennis van belanghebbenden: dat ten aanzien van de vraag tot den Commissaris der Koningin van welke provincie belanghebbenden zich moeten wenden tot verkrijgen van eene der in bovengenoemde bekendmakingen bedoelde vergunningen , voortaan de volgende regelen zullen gelden : 1°. op verzoeken om vergunning tot invoer van de van vee afkomstige artikelen, genoemd in de Koninklijke besluiten van 8 December 1870 (iS7a:«£y-hlad n0. 194) en van 14 Augustus 1888 [Staatsblad n0. 142), wordt, indien de plaats van bestemming daarbij wordt opgegeven, beschikt (voor zoover daartoe machtiging is verleend) door den Commissaris der Koningin in die provincie, waarin de plaats van bestemming der in te voeren artikelen ligt;

2°. in de beschikking van den Commissaris der Koningin wordt de plaats van bestemming vermeld; wordt de plaats van bestemming bij het verzoek niet opgegeven, dan wordt daarop beschikt door den Commissaris der Koningin in die provincie, waarin de verzoeker (persoon of vennootschap, al of niet rechtstreeksch belanghebbende) gevestigd is;

3°. is de verzoeker buiten's lands gevestigd dan moet bij het verzoek steeds de plaats van bestemming worden opgegeven, opdat daarop worde beschikt overeenkomstig het bepaalde sub 1°.;

4°. blijkt uit de stukken, die bij den invoer worden vertoond, dat de artikelen bestemd zijn tot invoer in eene andere provincie dan die welker Commissaris de vergunning heeft verleend, dan wordt de vergunning als niet geldig beschouwd;

5°. op verzoeken om vergunning tot doorvoer van bovenbedoelde artikelen, wordt beschikt dooiden Commissaris der Koningin in die provincie, waarin het kantoor van invoer ligt;

6°. een verzoek om een der bovenbedoelde ver-

ocr page 89

— 86 —

guuuingen, kan worden gedaan door personen of vennootschappen (al of niet rechtstreeks belanghebbende bij den in- of doorvoer) en kan worden gesteld op ongezegeld papier.

Vroegere beslissingen omtrent een der bovengenoemde punten, worden, voor zoover zij met het bovenstaande in strijd zijn, ingetrokken, 's Gravenhage, 3/6 Mei 1892.

Be Minister van Binnenlandsche Zaken, {get.) Tak. vax Poortvliet.

De Minister van Financiën, {get.) Pieuson.

De

F

§

8

va

ee:

le(

ui

d(

di

Ic d

v h t

\ i

Besluit van den Hosten Mei 1894, S. 65, tot vaststelling van een Reglement voor 's Rijks Veeartsenijschool.

Ix naam van H. M. WILHELMINA, enz.

Wij EMMA, enz.

Op de voordracht van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 11 April ]894, n0. 1577, afdeeling Medische Politie;

Gelet op de wet van 8 Juli 1874 {Staatsblad n0. 99), tot regeling van het onderwijs in de veeartsenijkunde en van de voorwaarden tot verkrijging van het diploma van veearts:

Den Raad van State gehoord (advies van den 8 Mei 1894, n0. 6);

Gelet op het nader rapport van den Minister van Binnenlandsche Zaken, van 22 Mei 1894 , n0. 2062, afdeeling Medische Politie;

Hebben goedgevonden en verstaan :

I. vast te stellen het bij dit besluit behoorend Reglement voor 's Rijks Veeartsenijschool;

II. te bepalen, dat dit Reglement in werking zal treden op 1 September 1894 en met dat tijdstip het Reglement, vastgesteld bij Koninklijk besluit van 2 September 1874 (Staatsblad n0.125) en gewijzigd bij Koninklijk besluit van 26 Mei 1889 {Staatsblad n0. 71), zal vervallen;

III. te bepalen, dat op hen die voor het schooljaar 1894—1895 als leerling aan 's Rijks Veeartsenijschool wenschen te worden toegelaten, niet toepasselijk zijn de bepalingen omtrent den leeftijd, voorkomende in art. 20, eerste lid, en in arti

kel

hooi

toej;

leaf

gelei

I

last Sta zil

ocr page 90

kei 23, eerste lid, van het bij dit besluit be-hoorend Reglement, maar dat op dezen alsnog toepasselijk zal zijn het bepaalde omtrent den lesftijd in artikel 22, eerste lid, van het thans geldend Reglement.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatsten waarvan afschrift zil worden gezonden aan den Raad van State.

Soestdijk, den 25sten Mei 1894.

{get.) EMMA.

De Min. van Binnenl. Zaken, {get.) van Houten.

(Vitgeg. 8 Juni 1894.)

Reglement voor 's Rijks Veeartsenijschool.

§ 1. Van den directeur en van den raad van bestuur.

Art. 1. O vereenkomstig artikel 5 der wet van 8 Juli 1874 {Staatsblad n0. 99) is het bestuur van 's Rijks Veeartsenijschool opgedragen aan eenen directeur en eenen raad van bestuur, samengesteld uit de leeraren der school.

2. De directeur is voorzitter en, is hij tevens leeraar, ook lid van den raad van bestuur.

De secretaris wordt jaarlijks door den raad uit zijn midden gekozen.

Stukken, van den raad uitgaande, worden door den voorzitter en den secretaris onderteekend.

3. De raad vergadert zoo dikwijls hij door den directeur wordt samengeroepen.

De samenroeping moet geschieden indien twee leden schriftelijk het verlangen daartoe aan den directeur te kennen geven.

De voorzitter en ieder lid van den raad is bevoegd in die vergaderingen zoodanige onderwerpen, het onderwijs en de school betreffende, ter sprake te brengen als hij zal goedvinden .

4. De directeur stelt, voor zoover daarin niet volgens een der volgende artikelen op andere wijze moet worden voorzien, na overleg met den raad van bestuur, onder nadere goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken, zoodanige voorschriften vast, als ter uitvoering van dit reglement noodig worden bevonden.

ocr page 91

- 88 -

5. Hij heeft het algemeen toezicht over de ge. houwen, verzamelingen, werkplaatsen en meubelen en zorgt voor het hehoud en onderhoud van het materieel.

Hij voert de huishoudelijke administratie.

6. Hij draagt jaarlijks voor den Isten Juni aan den Minister van Binnenlandsche Zaken eene he-grooting voor van uitgaven ten hehoeve van het volgende jaar, voor zoover betreft de kosten van het ouderwijs overeenkomstig art. 35 in overleg met den raad van bestuur; alsmede eene raming der inkomsten, welke gedurende dat tijdvak uit het beheer der inrichting voortvloeien.

7. De invorderingen verantwoording der inkomsten , voor zoover deze niet vallen in de termen van artikel 5 van het Koninklijk besluit van 31 December 1847, n0. 10G, is hem opgedragen.

8. Hij is verplicht zich naar de bepalingen, bij het reglement op het rekenplichtig beheer vastgesteld of nog vast te stellen, te gedragen en tot verzekering der richtigheid van zijn beheer borg te stellen tot het bedrag en op de voorwaarden, door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen.

9. Hij heeft het algemeen toezicht op het onderwijs en is bevoegd de lessen en practische oefeningen zoo dikwijls bij te wonen als hij noodig oordeelt.

10. Hij regelt de leefwijze der inwonende leerlingen buiten den tijd der lessen en waakt voor hunne gezondheid en zedelijkheid.

11. Hij benoemt en ontslaat de bedienden der school, waarvan het aantal door den Minister van Binnenlandsche Zaken bepaald wordt.

Hij regelt de werkzaamheden van de beambten en de bedienden, behoudens het bepaalde bij artikel 19 en bij artikel 45, 1ste lid.

12. Hij doet jaarlijks vóór den laatsten November aan den Minister van Binnenlandsche Zaken een uitvoerig verslag van den staat der school gedurende het afgeloopen schooljaar.

13. Hij is verplicht te woner. in het daarvoor bestemde huis op het terrein der school.

14. Hij mag zich, zonder verlof van den Minister van Binnenlandsche Zaken, niet langer dan drie dagen verwijderen. Bij het verleenen van

ocr page 92

— 89 —

zootlanig verlof belast de Minister een der leeraren met de waarneming van het directeurschap.

Bij ongesteldheid of afwezigheid van den directeur gedurende ten hoogste drie dagen wijst hij een der leeraren aan, die hem, op zijne verantwoordelijkheid, vervangt. Bij ontstentenis van den directeur of zoo deze door plotselinge ongesteldheid of eenig ander geval in de onmogelijkheid verkeert om aan dit voorschrift te voldoen, treedt de oudste leeraar der school voorloopig in zijne plaats en geeft deze ten spoedigste van het geheurde kennis aan den Minister van Binneu-landsche Zaken, die alsdan in de waarneming van het directeurschap voorziet.

§ 2. Van de leeraren s de onderwijzers, de adsis-ienien, de beambten en de bedienden der school.

15. De leeraren, de onderwijzers en de adsis-tenten mogen geen andere dan consultatieve praktijk uitoefenen.

Zij behoeven de vergunning van den Minister van Binnenlandsche Zaken tot het bekleeden van openbare of bijzondere betrekkingen en het geven van privaat onderwijs.

In zaken, die op de schooltucht of op de inwendige huishouding der school betrekking hebben, gedragen zij zich naar de beslissing van den directeur, behoudens beroep op den Minister.

16. Is een der leeraren of onderwijzers door ongesteldheid of andere wettige reden verhinderd onderwijs te geven, dan verwittigt hij daarvan aanstonds den directeur, die eveneens in kennis wordt gesteld van het ophouden van de reden van verhindering.

Om geen andere reden dan de in het eerste lid van dit artikel genoemde, mag het onderwijs worden nagelaten zonder vergunning van den directeur.

Voor eene afwezigheid van een leeraar of onderwijzer gedurende langer dan eene week wordt de vergunning van den Minister van Binnenlandsche Zaken gevorderd, welke door tusschenkomst van den directeur wordt gevraagd.

17. Worden door een leeraar of onderwijzer

ocr page 93

lessen gegeven ter vervanging van die, welke hij verhinderd was te geven, dan geschiedt dat op uren, in overleg met den directeur te bepalen.

Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van een leeraar of van een onderwijzer gedurende langer dan eene week, kan, in overleg met den raad van bestuur, overeenkomstig artikel 35, door den directeur tijdelijk het onderwijs aan een of meer anderen, leeraren, onderwijzers of adsistenten, worden opgedragen. Hiervan wordt onmiddellijk kennis gegeven aan den Minister van Binnen-landsche Zaken.

18. De adsistenten en de beambten (waaronder de prosector anatomes) der school worden benoemd en ontslagen door den Minister van Binnenlandsche Zaken na voordracht van den directeur, voor zoover betreft de adsistenten en de bij het onderwijs behulpzame beambten, overeenkomstig artikel 35 op te maken in overleg met den raad van bestuur.

19. De instructies van de adsistenten, van den prosector anatomes en van de verdere bij het onderwijs behulpzame beambten worden, onder goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken, vastgesteld door den directeur, overeenkomstig artikel 35 in overleg met den raad van bestuur.

Zoo de prosector anatomes tevens custos der kabinetten is, treedt de leeraar, bij wiet hij werkzaam is, omtrent de verdeeling van diens functiën met den directeur in overleg.

§ 3. Van de leerlingen en de toehoorders.

20. Zij, die verlangen als leerling te worden toegelaten, moeten op 1 September van het jaar hunner toelating den leeftijd van 17 jaar bereikt hebben en bij examen doen blijken, goed leesbaar te kunnen schrijven en voldoende kennis te bezitten van :

a. de gronden van de spraakkunst der Neder-landsche taal;

h. de beginselen van de Hoogduitsche en de Fransche taal, zoodat de adspirant ook op het eerste gezicht uit ieder dier talen in het Neder-landsch kan overbrengen;

ocr page 94

— (JI —

c. de beginselen der algemeene en vaderlandsche geschiedenis;

d. de beginselen der aardrijkskunde;

e. reken- en stelknnde, met inbegrip van vergelijkingen met meer dan eón onbekende, vergelijkingen van den 3deii graad, reken- en meetkunstige reeksen en het practisch werken met logarithmen ;

f. meetkunde: de planimetrie;

bovendien wordt verlangd , dat de adspirant, ook al is hij niet bekend met den geheelen omvang van hoek-, driehoeks- en lichaamsmeting, toch de voornaamste formules kan toepassen, welke dienen voor de oplossing van recht- en scheefhoekige platte driehoeken en ter berekening der oppervlakken en inhouden van prisma, pyra-mide, kegel, cylinder, bol, bolvormig segment en sector.

21. Dit examen wordt jaarlijks voor den aanvang van het schooljaar door de leeraren der school in het openbaar afgenomen. De directeur is voorzitter der examen-commissie, welke zich door deskundigen kan doen bijstaan.

De regeling van het examen geschiedt, overeenkomstig artikel 35, door den directeur in overleg met den raad van bestuur.

Zij, die verlangen te worden toegelaten, melden zich aan bij den directeur met overlegging van hunne geboorteakte, een bewijs van hun goed gedrag, afgegeven door het gemeentebestuur hunner woonplaats, en eene verklaring van een geneeskundige , dat zij met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken hebben ondergaan of aan de natuurlijke kinderpokken (variolae) hebben geleden.

22. Vrijgesteld van het afleggen van een toelatingsexamen — indien zij niet overeenkomstig artikel 24, eerste lid, wenschen mede te dingen naar plaatsing als inwonend leerling — zijn zij, die bij een schriftelijke aan den directeur te richten aanvraag om toelating als leerling, behalve de in artikel 21 gevorderde stukken, overleggen een getuigschrift, waaruit blijkt, dat zij bevoegd zijn tot het afleggen van de examens, bedoeld in artikel 84 van de wet van 28 April 1876

ocr page 95

- 92 —

{Staatsblad n0. 102) tot regeling van liet liooger onderwijs, of liet getuigschrift verkregen door het met goed gevolg alleggen van het eindexamen voor de hoogere burgerscholen met vijfjarigen cursus, bedoeld in artikel 57, of van het examen A, bedoeld in art. 59 der wet van 2 Mei 1863 {Staatsblad n0. 50) houdende regeling van het middelbaar onderwijs.

23. Zij, die op 1 September van het jaar hunner toelating deu leeftijd van 21 jaar bereikt hebben, mogen niet behalve onderwijs tevens als inwonende leerlingen huisvesting en verpleging in de school ontvangen.

De inwonende leerlingen betalen jaarlijks als bijdrage voor onderwijs, huisvesting en verpleging f 350, te voldoen in twee gelijke termijnen op de dagen, dat de winter- en de zomercursus een aanvang nemen (eerste Dinsdag in September en 1 Februari).

24-. Indien er zich voor inwonend leerling meer ad spiranten aanmelden dan er kunnen geplaatst worden, zullen zij, die bij het toelatingsexamen het meest hebben voldaan, de voorkeur genieten.

Uitwonende leerlingen, die bij huunt toelating wegens gebrek aan plaats niet overeenkomstig hun verlangen inwonend konden worden , kunnen nadien, indien er gelegenheid, voor hunne -nwoning ontstaat, inwonend worden, mits daartegen bij den directeur, na overleg met de leeraren, geen bezwaar bestaat wegens onvoldoenden studieijver, gebrekkige vorderingen of berispelijk gedrag.

Moet een inwonend leerling meer dan twee jaren in hetzelfde studiejaar blijven, dan wordt hem zijne verdere inwoning en verpleging in het gebouw ontzegd.

Het staat hem dan vrij als uitwonend leerling van het onderwijs gebruik te maken.

25. De uitwonende leerlingen (d. i. zij die geen huisvesting en verpleging in de school ontvangen) betalen jaarlijks als bijdrage voor onderwijs ƒ 100, te voldoen in twee gelijke termijnen op de dagen, dat de winter- en de zomercursus een aanvang nemen.

26. De leerlingen moeten zich, ter goedkeuring van den directeur, voorzien van de noodige boe-

ocr page 96

ken en instrnmenten ; de inwonende bovendien van de noodige kleederen en linnengoed.

Ieder leerling ontvangt bij zijne komst aan de school een uittreksel uit dit reglement, vermeldende datgene, wat daarin voor hem van belang is.

27. Wie, behalve de leerlingen, het onderwijs in enkele vakken als toehoorder wenscht bij te wonen, moet daartoe vergunning verkrijgen van den directeur. Die vergunning wordt niet verleend tenzij de belanghebbende vooraf:

a. overlegge zijne geboorteakte, een bewijs van goed gedrag, afgegeven door het gemeentebestuur zijner woonplaats, en eene verklaring van een geneeskundige, dat hij met goed gevolg of meer dan eens de inenting der koepokken heeft ondergaan of aan de natuurlijke kinderpokken (variolae) heeft geleden;

h. betale voor het onderwijs in de kennis van den hoef en het hoefbeslag per halfjarigen cursus ƒ 5 en voor een der overige vakken bedoeld in artikel 32 per halfjarigen cursus ƒ 15, te voldoen op den dag, dat hij het onderwijs begint bij te wonen.

28. De leerlingen en toehoorders zijn verplicht zich gedurende de lessen ordelijk te gedragen.

Indien zij de orde storen, moeten zij zich op bevel van den leeraar verwijderen.

De leeraar geeft van het voorgevallene onmiddellijk kennis aan den directeur.

29. Bij herhaald onordelijk gedrag gedurende de lessen of bij onzedelijk of onbetamelijk gedrag en bij wederkeerende ongehoorzaamheid aan de reglementaire voorschriften in het algemeen, kan de raad van bestuur aan den Minister van Binnen-landsche Zaken voorstellen, eenen leerling van de school te verwijderen, kan de directeur eenen toehoorder de verdere bijwoning van lessen ontzeggen en kan de directeur aan den Minister voorstellen aan eenen in wonenden leerling zijne verdere inwoning en verpleging in de school te ontzeggen.

Ieder leerling is verplicht voor den directeur of voor den raad van bestuur te verschijnen, wanneer hij daartoe van den directeur eene oproeping ontvangen heeft.

30. Leerlingen en toehoorders kunnen in geen

ocr page 97

— 9i —

geval terugbetaling der reeds gestorte bijdragen voor onderwijs of verpleging vorderen.

§ 4. Vafi het onderwijs en van de examens.

31. Aan 's Rijks Veeartsen ij school wordt, ingevolge artikel 2 der wet van 8 Juli 1874. {Staatsblad n0. 99), onderwijs gegeven in:

1°. natuurkunde;

2°. scheikunde;

3°. natuurlijke historie (plant-, dier-, delfstot-en aardkunde);

4°. kennis der voeder-, vergift- en artsenij-planten en art sen ij warenkennis;

5°. ontleedkunde der huisdieren;

6°. weefselleer en physiologic der huisdieren;

7°. natuurlijke historie, leer van het uitwendig voorkomen (zoogenaamd extérieur) en raskennis der huisdieren;

8°. gezondheidsleer der huisdieren en veeteelt;

9°. kennis van den hoef en het hoefbeslag;

10°. ziektekundige ontleedkunde der huisdieren;

11°. algemeene en bijzondere ziektekunde en geneesleer der huisdieren;

12°. heelkundige ontleedkunde, heelkunde, operatie- en verbandleer der huisdieren en leer der hoefzickten;

13°. verloskunde der huisdieren;

14°. veeartsenijkundige geneesmiddelleer en vcr-giftleer;

15°. veeartsen ijkundige kliniek en artsenijmeng-kunde;

16°. gerechtelijke veeartsen ij kunde en veeartse-nijkundige politie;

17°. geschiedenis en litteratuur der veeartsenijkunde.

Practisch onderwijs wordt, behalve de kliniek, gegeven in;

1°. scheikunde;

2°. plantkunde;

3°. microscopie;

4°. ontleedkunde;

5°. extérieur;

6°. hoefbeslagleer;

70. artsenijmengkunde;

8°. operatie- en verbandleer;

ocr page 98

9°. verloskunde;

10°. voederkennis.

Theoretiscli en praetiscli onderwijs wordt gegeven in vleeschkearing.

32. Het onderwijs wordt over vier studiejaren verdeeld als volgt:

Eerste studiejaar.

THEORETISCH O N D E R W IJ S.

Wint er cursus.

Natuurkunde;

onbewerktuigde scheikunde;

diei'kunde;

ontleedkunde.

Zomercursus.

Natuurkunde;

onbewerktuigde scheikunde;

' aard- en delfstofkunde;

plantkunde;

natuurlijke historie;

leer van het uitwendig voorkomen (zoogenaamd extérieur) en raskennis der huisdieren; ontleedkunde.

PRACTISCH ONDER W IJ S.

Wint erctcr sus.

Ontleedkunde;

hoefbeslag ;

artsenijmengkunde.

Zomercursus.

Ontleedkunde;

hoefbeslag;

artsenijmengkunde;

plantkunde.

Tweede studiejaar.

THEORETISCH ONDER W IJ S.

Wintercursus.

Ontleedkunde;

weefselleer en physiologic;

ocr page 99

— 96 —

bewerktuigde sclieikuncle;

artsenij warenkennis;

artsenijraengkunde.

Zomercursus.

Ontleedkunde;

weefselleer en pliysiologie;

bewerktuigde scheikunde;

kennis der voeder-, artsenij- en vergiftplanten;

leer van den hoef en van het hoefbeslag;

gezondheidsleer;

veeteelt;

artsen ijmengkunde.

P R A C T T S C H ONDER W IJ S.

IVintercursus.

Ontleedkunde;

hoefbeslag;

artsenijmengkunde;

plantkunde;

scheikunde.

Zomercursus.

Ontleedkunde;

hoefbeslag;

artsenijmengkunde;

plantkunde;

scheikunde;

microscopie.

Derde studiejaar.

THEORETISCH ONDERWIJS.

Winter cursus.

Algemeene ziektekunde en ziektekundige out-leedkunde;

heelkundige ontleedkunde;

verloskunde.

Zomercursus.

Algemeene geneesleer;

bijzondere ziektekunde, ziektekundige ontleedkunde en geneesleer;

heelkunde;

ocr page 100

— 97 —

! i

operatieleer;

i

geneesmiddel- en vergiftleer;

verloskunde;

leer der hoefziekten.

•

PRACTISCH ONDERWIJS.

Wintercursus.

ten;

Ontleedkunde;

|

hoefbeslag;

i

!;

microscopie;

;

kliniek;

1

heelkundige operatiën en verbanden;

behandeling van zieke dieren;

toegepast extérieur;

artsenij mengkunde.

Zomercursus.

Kliniek;

heelkundige operatiën en verbanden;

,

verloskunde;

,1;

behandeling van zieke dieren.

Vierde studiejaar.

THEORETISCH ONDERWIJS.

Wintercursus.

Bijzondere ziektekunde, ziektekundige ontleed

kunde en geneesleer;

heelkunde;

operatieleer;

geneesmiddel- en vergiftleer.

Zomercursus.

Gerechtelijke veeartsenijkunde;

)nt-

veeartseuijkundige politie;

vleeschkeuring;

geschiedenis en litteratuur der veeartsenijkunde;

geschiedenis der epizoötische ziekten.

t

PRACTISCH 0 N D E R W IJ S.

ed-

Wintercursus.

1

Kliniek;

|

heelkundige operatiën en verbanden;

Veeartsenij 1c., 5c dr. 7

ocr page 101

— 98 —

toegepast extérieur eii rasken nis der huisdieren;

voederkennis;

behandeling van zieke dieren.

Zomercursus.

Kliniek;

heelkundige operatien en verhanden;

behandeling van zieke dieren ;

vkeschkeuring;

artsenij mengkunde.

33. De leeraren geven aan het onderwijs de meest doelmatige, vooral practische richting met het oog op de toekomstige bestemming der leerlingen.

34. De directeur doet zich, zoo dikwijls hij zulks noodig oordeelt, door de leeraren en onderwijzers schriftelijk verslag geven van den toestand van het hun opgedragen onderwijs en van de vorderingen der leerlingen.

Deze verslagen, benevens een soortgelijk verslag van den directeur, indien hij tevens leeraar is, worden ten minste éénmaal 'sjaars in eene vergadering van den raad van bestuur door den directeur medegedeeld en door den raad overwogen; vóór 1 November van elk jaar moet dit geschied zijn ten aanzien van de verslagen, betrekking hebbende op het afgeloopen schooljaar.

35. De regeling van het onderwijs geschiedt door den directeur, in overleg met den raad van bestuur.

Bij verschil van gevoelen tusschen den direteur en den raad onderwerpt de directeur de door hem in den raad gedane voorstellen, met het gevoelen van den raad, aan den Minister van Binnenlandsche Zaken.

36. Ieder jaar in de maand Jüi wordt het programma der lessen voor het volgend schooljaar in eene vergadering van den raad van bestuur vastgesteld en vóór 30 Juli aan de goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken onderworpen.

Het programma vernield het getal lesuren wekelijks aan elk vak te wijden, de namen der leeraren en onderwijzers die het onderwijs geven, en de daarbij te gebruiken boeken.

ocr page 102

— 99 —

Het programma wordt tijdig gedrukt; ieder leeraar eu onderwijzer ontvangt vóór den aanvang van liet schooljaar een exemplaar daarvan, benevens eene lijst van de leerlingen en toehoorders, die zijne lessen zullen bijwonen.

Teder leerling ontvangt bij den aanvang van het schooljaar een gedrukt exemplaar van het programma.

Bij het programma wordt een door den directeur overeenkomstig artikel 35 in overleg met den raad van bestuur vastgestelde rooster der lessen gevoegd,

37. Het schooljaar vangt aan op den eersten Dinsdag in September en is, met betrekking tot die vakken, welke niet gedurende het geheele schooljaar onderwezen worden, verdeeld in een wintercursus, die den laatsten Januari eindigt, en een zomercursus, die van 1 Februari tot 15 Juli loopt.

Er zijn jaarlijks drie vacantiën, eene van 15 Juli tot den aanvang van het volgend schooljaar, eene met Kerstmis en eene met Paschen , elke van ten hoogste 17 dagen, met inbegrip van Zon- en feestdagen.

Deze bepaling geldt niet voor den leeraar belast met de praktijk; zijne vacantie gaat in op deu eersten Dinsdag in September en duurt vier weken.

De directeur bepaalt, overeenkomstig artikel 35 in overleg met den raad van bestuur, den dag waarop de Kerst- en Paaschvacantiën aanvangen.

38. J3ij het einde van het schooljaar wordt door de leeraren der school, onder voorzitterschap van den directeur, van de leerlingen van het 1ste en van het 3de studiejaar een examen afgenomen, om daarnaar te beoordeelen of zij respectievelijk tot het 2de en het 4de studiejaar kunnen overgaan.

Indien de leerling aan het examen geen deel neemt of daarbij geene blijken van voldoende bekwaamheid geeft, blijft hij in hetzelfde studiejaar.

Tot het 3de studiejaar worden alleen toegelaten de leerlingen, die, na met goed gevolg het natuurkundig examen te hebben afgelegd, het diploma volgens artikel 13 van de wet van 8 Juli 1874 {Staatsblad n0. 99) verkregen hebben.

39. De examens worden geregeld als volgt:

7*

ocr page 103

— 100 —

bij het einde van het 1ste studiejaar: examen in alle theoretische vakken van dit studiejaar;

bij het einde van het 3de studiejaar; examen in alle theoretische vakken van dit studiejaar; bovendien practisch examen in heelkundige ontleedkunde.

Overigens geschiedt de regeling van de in artikel 38 bedoelde examens, overeenkomstig artikel 35, door den directeur in overleg met den raad van bestuur, voor zoover daarin niet — wat het natuurkundig examen betreft — is voorzien bij de wet van 8 Juli 1874i {Staatsblad n0. 99).

§ 5. Van de hulpmiddelen voor het onderwijs en van de kliniek.

40. De directeur verschaft den leeraren en onderwijzers binnen de lokalen der school het vrije gebruik van de verzamelingen en andere hulpmiddelen voor het onderwijs, welke de inrichting bezit.

Hij staat hun, tegen bewijs van ontvangst en voor een daarop bepaalden tijd, ook buiten de school het gebruik van hulpmiddelen voor het onderwijs toe.

De leeraren en onderwijzers zijn aansprakelijk voor het behoud van hetgeen aldus te hunner beschikking is gesteld.

41. De zorg voor en het gebruik van de bibliotheek der school worden geregeld bij een reglement, door den directeur, in overleg met den raad van bestuur, onder goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken vast te stellen.

42. Voor den aanvang van elk dienstjaar, nadat de Minister van Binnenlandsche Zaken heeft bericht, welke gelden voor kosten van het onderwijs in dat jaar beschikbaar zijn, wordt door den directeur, in overleg met den raad van bestuur overeenkomstig artikel 35, het bedrag vastgesteld, te bestemmen voor de verzamelingen, werkplaatsen en andere hulpmiddelen, dienende voor elk van de onderscheidene vakken van onderwijs.

43. Aankoop of bestellingen van wege de school

ocr page 104

— 101 —

worden niet gedaan zonder machtiging van den directeur.

De directeur gaat met de leeraren , wien het aangaat, te rade over de noodzakelijke vermeerdering der hulpmiddelen voor het onderwijs; ter zake van de aanschaffing van buitengewoon kostbare hulpmiddelen wordt overleg gepleegd met den raad van bestuur en bij verschil van gevoelen overeenkomstig artikel 35 gehandeld.

44. De leiding bij de oefeningen in de apotheek en het toezicht over de bereiding der geneesmiddelen wordt opgedragen aan ecu deskundige, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aan te wijzen.

45. De directeur voorziet, in overeenstemming met de leeraren, wien dit aangaat, in den dienst der ziekenstallen, in de ontleedkundige oefeningen en in het practisch hoefbeslag.

De directeur is bevoegd ten behoeve der kliniek, aan leerlingen van het 3de en éde studiejaar diensten op te leggen; met hun goedvinden ook op vrije dagen gedurende de Kerst- en Paasch-vacantiën en een gedeelte der groote vacantie.

46. De behandeling van zieke dieren in de stallen der school en de uitoefening der kliniek buiten het terrein der school zijn ter verantwoording van de leeraren die daarmede belast zijn.

De leeraren dragen zorg, dat de directeur kennis drage van hetgeen er buitengewoons ter zake van de verpleging en behandeling van dieren in de inrichting voortvalt.

Van elke kennisgeving, die, ingevolge artikel 11 der wet van 8 Juli 1874 {Staatsblad n0. 98) aan den districtsveearts en aan den burgemeester door de leeraren gedaan wordt betreffende ziektegevallen, die in de kliniek van de school door hen zijn opgemerkt, zenden zij onverwijld een afschrift aan den directeur.

Behoort bij Koninklijk besluit van 25 Mei 1894 [Staatsblad n0. 65).

Mij bekend.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, {get?) van Houten.

ocr page 105

— 102 —

Besluit van deu Minister van Binnenlandsche Zaken van den HQs ten December 1894 , houdende nadere vaststelling der kenteekenen bedoeld in art. 17 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131).

De Minister van Binnenlandsche Zaken;

Gelet op art. 18 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131);

Heeft goedgevonden :

Met intrekking der beseliikking van 24 December 1870 {Staatscourant van 25/26 December 1870) te bepalen:

1°. dat de kenteekenen, gebezigd om, volgens artikel 17 dier wet, hoeven, erven, stallen of weiden aan te wijzen, waar zich door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdacht vee bevindt of bevonden heeft, zullen bestaan uit borden van ruw hout, aan ééne zijde glad geschaafd.

Deze borden zullen den vorm hebben van een rechthoek, waarvan de lange zijde eene lengte heeft van acbt decimeters, de korte van vier decimeters. Op de glad geschaafde zijde wordt met zwarte verf de nainn der ziekte geplaatst.

De letters moeten eene lengte hebben van één decimeter en eene dikte van ten minste twee en ten hoogste drie centimeters.

Wanneer de districts-veearts het noodig acbt worden boven den naam der ziekte de woorden: „verdacht veequot; op het bord geplaatst;

2°. dat de sub 1°. bedoelde borden op zoodanige plaatsen, als door den burgemeester, na overleg met den districts-veearts, zullen worden aangewezen, ter hoogte van ten minste twee en een hal ven meter boven den beganen grond, met spijkers zullen worden vastgehecht zoo mogelijk aan daartoe geschikte voorwerpen of, zoo de gelegenheid daartoe ontbreekt, aan houten palen, die te dien einde in den grond worden geplaatst.

Deze beschikking treedt in werking op 1 Januari 1895 en zal in de Staatscourant worden geplaatst.

's Gravenhage, den 22sten December 1894. {get.) van Houten.

ocr page 106

— 103 —

Besluit van den lOden Juli 1896, S. 104, waarbij uader wordt bepaald, welke ziekten van bet vee voor besmettelijk worden gebonden en welke der, in de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) genoemde, maatregelen bij bet beerscben of bij bet dreigen van elke dier ziekten moeten toegepast worden.

In naam van H. M. WILHELMINA, enz.

Wij EMMA, enz.

Overwegende, dat bet noodzakelijk is te herzien bet Koninklijk beskuit van 27 Maart 1888 {Staatsblad n0. 67), waarbij nader wordt bepaald, welke ziekten van bet vee voor besmettelijk worden gebonden en welke der, in de wet van den 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) genoemde, maatregelen bij bet dreigen of beerscben van elke dier ziekten moeten toegepast worden, gewijzigd door bet Koninklijk besluit van 12 Mei 1889 {Staatsblad n0. 62) en aangevuld door de Koninklijke besluiten van 9 October 1889 {Staatsblad n0. 128, 20 Mei 1890 {Staatsblad n0. 92) en 17 November 1892 {Staatsblad n0, 254);

Gezien de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), tot regeling van bet veeartsenijkundig Staatstoezicht en de veeartsenijkundige politie, aangevuld bij de wet van 1 Augustus 1880 {Staatsblad n0. 123) en gewijzigd bij de wetten van den 15 April 1886 {Staatsblad n0. 64) en 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68);

De Commissie van deskundigen, benoemd bij Koninklijk besluit van 14 April 1894, n0. 2, geboord.;

Op de voordracht van den Minister van Bin-nenlandscbe Zaken van 23 Mei 1896, n0. 1777, afdeeling Medische Politie;

Den Raad van State gehoord (advies van den 23 Juni 1896, n0. 11);

Gelet op het nader rapport van den voornoemden Minister van 7 Juli 1896, n0. 2183, afdeeling Medische Politie;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen:

§ 1. De ziekten van het vee, welke voor besmettelijk worden gehouden.

Art. 1. Voor besmettelijk worden gebonden de volgende ziekten van het vee:

ocr page 107

— 104 -

1°. de veepest der lierkauwende dieren;

2°. de longziekte (pleuro-pnenmonia contagiosa) der runderen;

3°. liet mond- en klauwzeer (besmettelijke blaar-uitslag van den mond en de klauwen) bij de herkauwende dieren en de varkens;

4°. de kwade droes en huidworm bij de eenhoevige dieren;

5°. de schurft (sarcoptes-schurft en dermato-coptes-schurft) bij de eenhoevige dieren en de schapen; #

6°. de schaapspokken bij de schapen en de geiten;

7°. het rotkreupel der schapen;

8°. de vlekziekte der varkens;

9°. de trichinenziekte bij de varkens ;

10°. het miltvuur bij alle vee;

11°. de hondsdolheid bij alle vee.

§ 2. Maatregelen, welke tegen elke der besmettelijke veeziekten toegepast moeten of kunnen worden.

2. Onverminderd de verplichte aangifte, voorgeschreven in artikel 13, en de verwijdering en afzondering, voorgeschreven in artikel 14 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), zijn bij elke der, in artikel 1 van dit besluit genoemde , veeziekten de volgende, in de daarbij vermelde artikelen der aangehaalde wet genoemde, maatregelen toepasselijk:

1°. het plaatsen der kenteekenen (artikel 17);

2°. wanneer dit door den districts veearts uoo-dig wordt geoordeeld, het merken van ziek of verdacht of hersteld vee (artikel 19);

3°. het verbod van vervoer van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan; verdacht, behoudens vergunning van den burgemeester (artikel 21);

4°. wanneer dit door den districtsveearts noo-dig wordt geoordeeld, de afsluiting van besmette hoeven of weiden en der naast aangelegen landerijen en erven en de ontsmetting van de kleederen der personen, die het afgesloten terrein verlaten (artikel 29);

5°. ontsmetting volgens de, bij algemeeue maat-

ocr page 108

— 105 -

regel van bestuur gegeven of te geven, voorschriften (artikel 31);

6°. het verbod van gedurende een termijn, bij dit besluit voor elke besmettelijke ziekte bepaald, vee te brengen in gebouwen of op weiden, erven /f hoeven, waar vee staat of gestaan heeft, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdt of geleden heeft (artikel 32).

3. Indien een, aan eene besmettelijke ziekte lijdend, stuk vee is gestorven, is de houder of hoeder verplicht daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het gestorven dier zich bevindt. (1)

Vee en overblijfselen van vee, dat aan eene besmettelijke ziekte lijdende is gestorven, mogen zonder vergunning van den burgemeester niet vervoerd worden en moeten door de zorg en — behoudens het bepaalde in het derde lid van dit artikel — op kosten van den eigenaar zoo spoedig mogelijk na de, in het vorige lid bedoelde kennisgeving, binnen een, door den burgemeester te bepalen termijn, worden verbrand, begraven of op andere wijze , door den districts veearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

De brandstoffen en andere benoodigdheden voor het verbranden te bezigen, de, bij het begraven te gebruiken, ontsmettingsmiddelen benevens — voor zooveel dit noodig is — hulp en opzicht bij het verbranden of begraven worden den eigenaar op Rijkskosten ter plaatse verstrekt.

Schadeloosstelling voor het gestorven dier of de overblijfselen daarvan wordt niet gegeven, behoudens :

a. dat in gevallen en naar den maatstaf, door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen , door den burgemeester op Rijkskosten eene gedeeltelijke schadeloosstelling wordt gegeven voor de huid van het dier; (2)

lt;1) Zie betreffende deze alinea, die gelijkluidend is aan de eerste alinea van art. 3 van het ingetrokken besluit van 27 Maart 1888, S. 67, het arrest van den Hoogen Raad van 19 December 1892, W. v. 't R. 6288, C. V.

(2) Bepaald bij besluit van 19 Augustus 1896, hierna opgenomen.

ocr page 109

— 106 —

Jj. dat de Minister van Binnenlandsche Zaken in bijzondere gevallen eene, door hem te bepalen, scliadeloosstelling uit 's Rijks kas kan toekennen aan den eigenaar van een dier, dat is ingeënt en binnen een, door den Minister gestelden tijd is gestorven, volgens de verklaring van een ge-examineerdeu veearts, lijdende aan de ziekte, waartegen het was ingeënt.

4. Indien een stuk vee, dat, naar luid van artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), van eene besmettelijke ziekte verdacht wordt gehouden, is gestorven, mag dit zonder vergunning van den burgemeester niet vervoerd worden en is de houder of hoeder verplicht hiervan onmiddellijk kennis te geven aan den burgemeester der gemeente, waar het gestorven dier zich bevindt.

Deze doet onverwijld door den districtsveearts het gestorven dier onderzoeken. Als bij dit onderzoek niet duidelijk blijkt, dat het dier niet door eene besmettelijke ziekte aangetast was, moet het gestorven dier of moeten de overblijfselen daarvan worden onschadelijk gemaakt, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 van dit besluit.

§ 3. Maatregelen tegen de veepest der herkauwende dieren.

5. De zieke en de verdachte dieren moeten ten spoedigste worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen , onschadelijk gemaakt.

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0 131) wordt gesteld op 15 dagen.

6. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

7. De stal of het gebouw en, wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein, waar zich zieke of verdachte dieren hebben bevonden, moeten worden ontsmet.

ocr page 110

— 107 —

De op het erf of op de hoeve aanwezige mestvaalt moet worden onschadelijk gemaakt.

8. In stallen en gebonwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke of verdachte dieren gestaan hebben, mag geenerlei vee gebracht worden gedurende een termijn van 30 dagen, te rekenen van den dag waarop de ontsmetting van die stallen, gebouwen en terreinen eu de onschade-lijkmaking van de mestvaalten geheel is afge-loopen.

9. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkauwende dieren, honden, katten en pluimgedierte en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren en varkens en van melk, vleesch, onbereide huiden, horens, klauwen, haar, wol, vederen, beenderen, ongesmolten vet, van mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stalgereedschap.

10. Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van het geen bepaald is bij artikel 30 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131).

11. Binnen de door den Minister van Binnen-landsche Zaken bij aankondiging in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen, aan te wijzen plaatsen of streken, is het verboden rundvee, schapen of geiten te vervoeren of te doen vervoeren, behoudens het in artikel 12 van dit besluit bepaalde omtrent vervoer:

1°. van vee naar de slachtbank;

2°. bij verhuizing van den eigenaar of houder van vee;

3°. door den kooper van vee op eene openbare verkooping;

4°. van vee naar de weide en uit de weide naar den stal.

12. Vervoer van vee in de aau het slot van van artikel 11 van dit besluit bedoelde gevallen kan, den districtsveearts gehoord, plaats hebben met bijzondere vergunning van den Commissaris der Koningin in de provincie; deze kan ook den

ocr page 111

— 108 -

burgemeester der gemeente maclitigen tot het ver-leenen van die vergunning.

13. Het in artikel 12 van dit besluit bedoelde vervoer mag alleen plaats hebben met een vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester der gemeente waar liet vee zich bevindt.

Het vervoerbiljet vermeldt het getal, de soort en het signalement van het te vervoeren vee, den weg die tot aan de plaats van Festemming gevolgd moet worden, alsmede den tijd gedurende welken het biljet geldig is.

Wanneer de districtsveearts het noodig acht, moet het te vervoeren vee van een merkteeken worden voorzien.

Indien het vervoer naar eene andere gemeente plaats heeft, zendt de burgemeester, die het vervoerbiljet heeft afgegeven, een afschrift daarvan aan den burgemeester der gemeente, werwaarts het vervoer geschieden zal.

14. De slachting van het vee, bedoeld aan het slot van artikel 11, sub 1°., van dit besluit, geschiedt onder toezicht der politie binnen den tijd, door den burgemeester der gemeente, waar het vee zich na het vervoer bevindt, te bepalen.

15. Het houden van markten en openbare ver-koopingen van alle vee is verboden in gemeenten, waarvan de aanwijzing door den Minister van Binnenlaudsche Zaken, door plaatsing in de Staatscourant, en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen, ter algemeene kennis zal worden gebracht. De aanwijzing geschiedt voor een tijdvak van ten hoogste 3 maanden; op gelijke wijze kan die aanwijzing worden hernieuwd, telkens voor een niet langer tijdperk, alsmede worden ingetrokken of gewijzigd, zoo daartoe termen zijn.

Openbare verkooping van vee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een, door dezen daarbij te bepalen, termijn, nadat de districtveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

ocr page 112

— 109 —

§ 4. Maatregelen tegen de longziekte {pleuropneumonia contagiosa) der runderen.

16. De zieke en de verdachte dieren moeten ten spoedigste worden afgemaakt.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 4 maanden.

De Minister van Binnenlandsche Zaken kan de afmaking van Regeeringsvvege van verdachte dieren voor bepaalde plaatsen of streken en bepaalden tijd doen staken.

17. Van de afgemaakte zieke dieren alsmede van de afgemaakte verdachte dieren, waarvan na de afmaking blijkt, dat zij door de ziekte waren aangetast, moeten de borst- en buikingewanden verbrand of begraven en de huiden ontsmet worden.

18. Wanneer de afmaking van verdachte dieren van Regeeringswege niet plaats heeft, zijn de eigenaars daarvan bevoegd deze, met inachtneming van de, door den districtsveearts voor te schrijven, maatregelen van voorzorg, te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

Indien na het slachten van verdachte dieren blijkt, dat zij door de ziekte waren aangetast, moeten de borst- en buikingewanden verbrand of begraven en de huiden ontsmet worden.

19. Totdat de zieke en de verdachte dieren afgemaakt of geslacht worden, moeten zij afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

20. Indien zieke of verdachte diereu mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden dieren door de ziekte waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld, met dien verstande, dat de onschadelijkmaking beperkt is tot de borst- en buikingewanden.

21. De stal of het gebouw en, wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein, waar zich zieke of verdachte dieren bevonden hebben, moeten worden ontsmet.

22. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben,

ocr page 113

— 110 —

mogen geene runderen gebracht worden gedurende een termijn van 30 dageu, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door dood, afmaking of slachting is geëindigd, en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

23. Bij afsluiting van besmette weiden, erven of hoeven, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van runderen en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen, van onbereide of niet ontsmette huiden, hoornen, hoeven en klauwen van herkauwende dieren, van mest en allen anderen afval, hooi, stroo en ander veevoeder.

24. Het vastleggen of vasthouden van honden kan worden geboden, met inachtneming van hetgeen bepaald is bij artikel 30 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131).

25. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, rundvee te vervoeren of te doen vervoeren en uit of binnen die kringen de, door voornoemden Minister nader aan te wijzen, iu artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad u0. 131) bedoelde, voorwerpen.

In bijzondere gevallen, wanneer di: door den districtsveearts uoodig wordt geoordeeld, kan binnen de, in het eerste lid van dit artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van rundvee door den burgemeester verboden worden.

26. In de in artikel 25 bedoelde kringen wordt door veeopzichters al het rundvee iu daartoe aangelegde lijsten opgeschreven.

Deze opzichters worden benoemd ea ontslagen door den Minister van Binnenlandsche Zaken. Bij de aanvaarding hunner bediening leggen zij in handen van den burgemeester der gemeente, die hun als standplaats is aangewezen, den volgenden eed (of belofte) af:

„Ik zweer (beloof), dat ik de verplichtingen, verbonden aan de betrekking van opzichter van het vee, naar behooren vervullen zal.

Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig. (Dit beloof ik).'quot;'

27. Op de, van het rundvee van eiken eigenaar

ocr page 114

— 1tl —

afzonderlijk door de opzichters in duplo op te maken, lijsten wordt dat vee genummerd en beschreven. De lijsten worden in dubbel gehouden en door de eigenaars of, bij ontstentenis van dezen, door de houders of hoeders van het vee voor gezien onderteekend; indien zij opgeven niet te kunnen of te willen onderteekenen, maakt de veeopzichter daarvan melding op de lijsten. exemplaar van iedere lijst wordt aan den burgemeester toegezonden.

28. Van elke verandering in het, op de lijsten aangeteekend, getal van het rundvee door geboorte, sterven, slachting of verplaatsing binnen dekringen, volgens artikel 25 van dit besluit aangewezen, en van elke verwisseling van een der, op de lijsten beschreven, runderen met een ander geeft de eigenaar, houder of hoeder binnen 24 uren kennis aan den burgemeester, die daarvan aan-teekening houdt op het, bij hem berustend, exemplaar der lijsten.

29. Onmiddellijk of uiterlijk binnen 12 uren na het sterven of na de slachting van een stuk rundvee, geeft de eigenaar, houder of hoeder daarvan kennis aan den opzichter, die het gestorven of geslachte dier binnen. 24 uren na de aangifte moet visiteeren.

Zoolang deze visitatie niet heeft plaats gehad, is het verboden de longen los te maken of eenig deel van het stuk vee te vervoeren.

30. De opzichters zijn gehouden al het rundvee, vermeld op de, door hen opgemaakte , lijsten, ten minste éénmaal 's weeks te visiteeren en met de lijsten te vergelijken. Veranderingen, als in artikel 28 zijn vermeld, worden onverwijld op de lijsten aangeteekend en door de eigenaars, houders of hoeders voor gezien onderteekend.

Vermoeden de opzichters bij deze visitatie of bij die, in artikel 29 vermeld, dat een stuk rundvee aan longziekte lijdt of geleden heeft, of ontdekken zij eene verandering in de getalsterkte of eene verwisseling van het rundvee, waarvan niet, ingevolge de beide voorgaande artikelen, is kennis gegeven, zoo geven zij in het eerste geval daarvan onverwijld kennis aan den burgemeester, die handelt als in de wet van 20 Juli 1870

ocr page 115

— 112 —

{Staatsblad ii0. 131) is voorgesclireveii, en in de beide andere gevallen maken zij op bunnen ambtseed proces-verbaal op van de overtreding.

31. Wanneer dit door den districts veearts noodzakelijk wordt geacbt, moeten de veebouders bun rundvee, dat zich in weiden of andere opene plaatsen bevindt, op last van den burgemeester opstallen of opbokken.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandscbe Zaken.

Voor de, uit bet opstallen of opbokken voortvloeiende , buitengewone kosten van veevoeder kan door den Minister van Binnenlandscbe Zaken uit 's Rijks kas eene gedeeltelijke schadeloosstelling worden toegekend.

32. Het houden van markten, openbare ver-koopingen, tentoonstellingen en andere vereeni-gingen van rundvee is verboden in gemeenten of gedeelten van gemeenten, door den Minister van Binnenlandscbe Zaken aangewezen.

Openbare verkooping van rundvee van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en tinnen een, door dezen daarbij te bepalen, termijn, nadat de districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

33. De, in de artikelen 25 en 32 bedoelde, aanwijzingen worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen, die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

De intrekking of wijziging van de, in de artikelen 25 en 32 bedoelde, aanwijzingen worden op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebracht.

§ 5. Maatregelen tegen het mond- en klauwzeer {besmettelijke blaaruitslag van den mond en de klamoen) bij de herkamvende dieren en de varkens.

34. De zieke en de verdachte dieren moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

ocr page 116

-113 —

Wanneer, naar het oordeel van den districtsveearts , liet afgezonderd honden van enkele dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van de besmetting van den geheelen koppel of wanneer er geene gelegenheid bestaat tot afzondering van een geheelen verdachten koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districtsveearts, vergunning de zieke dieren in den verdachten koppel te laten verblijven of verdachte dieren niet af te zonderen.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 15 djigen.

35. In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, kan afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen. Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

De huiden, hoornen, hoeven en klauwen der afgemaakte zieke of verdachte dieren moeten worden ontsmet. De borst- en buikingewanden en, wanneer dit door den districts veearts noodig wordt geacht, ook de koppen der afgemaakte zieke of van ziekte verdachte dieren moeten worden verbrand of begraven.

36. Eigenaars van zieke of verdachte diereu zijn bevoegd deze, met inachtneming van de,-door den districtsveearts voor te schrijven, maatregelen van voorzorg, te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

In dit geval zijn de voorschriften van het 2de lid van artikel 35 van toepassing.

37. De stal of het gebouw, waarin zich zieke of verdachte dieren bevonden hebben, moet na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

38. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene herkauwende dieren en varkens gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel of dood is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogeublik, waarop deze termijn voor het

Veeartsenijk., (je dr, 8

ocr page 117

— 114 —

geval van herstel begint te loopen, wordt dooiden districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting van de stallen en gebouwen wederom herkauwende dieren en varkens daarin gebracht mogen worden.

39. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden : invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van herkauwende dieren en varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden, hoornen, hoeven en klauwen van herkauwende dieren, van wol, van mest en allen anderen afval en van hooi, stroo en ander veevoeder, touw, koedekken en stalgereedschap.

40. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, te vervoeren of te doen vervoeren herkauwende dieren en varkens en uit of binnen die kringen de, door voornoemden Minister nader aan te wijzen, in artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) bedoelde, voorwerpen.

In bijzondere gevallen, wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, kan binnen de, in het eerste lid van dit artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van herkauwende dieren en varkens door den burgemeester verboden worden.

41. Wanneer dit door den districts veearts noodzakelijk wordt geacht, moeten de veehouders hun vee, dat zich in weiden of andere cpene plaatsen bevindt, op last van den burgemeester opstallen of opbokken.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearxs de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Voor de, uit het opstallen of opbokken voortvloeiende, buitengewone kosten van veevoeder kan door den Minister- van Binnenlandsche Zaken uit 's Rijks kas eene gedeeltelijke schadeloosstelling worden toegekend.

ocr page 118

— 115 —

42. Het houden van markten, openbare ver-koopingen, tentoonstellingen en andere vereeni-gingen van herkauwende dieren en varkens is verboden in gemeenten of gedeelten van gemeenten, door den Minister van Binnenlandsehe Zaken aangewezen.

Openbare verkooping van herkauwende dieren en varkens van denzelfden eigenaar of behoorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een, door dezen daarbij te bepalen, termijn, nadat de districtsveearts verklaard heeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

43. In de, door den Minister van Binnenlandsehe Zaken aangewezen, gemeenten of gedeelten van gemeenten, gelegen langs of in de nabijheid van de grenzen van eenen kring, waaruit door den genoemden Minister, krachtens artikel 40 van dit besluit, vervoer van herkauwende dieren en varkens is verboden, is het vervoer van de, eveneens door den genoemden Minister aan te wijzen. soorten van vee verboden, tenzij de vervoerder in het bezit zij óf van eene schriftelijke vergunning, waarbij hem, met inachtneming van de voorschriften, gegeven krachtens artikel 44, tweede lid, van dit besluit, afwijking van het verbod van vervoer uit den afgesloten kring ten behoeve van het vee, dat hij vervoert, is toegestaan, óf van een vervoerbiljet, afgegeven door den burgemeester van de plaats van herkomst van het vee en bevattende eene nauwkeurige beschrijving van het vee door opgave van geslacht, leeftijd, kleur en blijvende bijzondere kenteekenen, eene opgave van de plaats van herkomst en de plaats van bestemming en van den tijd, gedurende welken het biljet geldig is, alsmede de verklaring van den burgemeester, dat het vee zich na het inwerkingtreden van de, krachtens dit artikel gedane, aanwijzing niet in den afgesloten kring heeft bevonden.

44. De , in de artikelen 40, 42 en 43 bedoelde , aanwijzingen worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

ocr page 119

— 116 —

Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen, die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

De intrekking of wijziging van de, in de artikelen 40, 42 en 43 bedoelde, aanwijzingen worden op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebracht.

$ 6. Maatregelen tegen den kwaden droes en huidworm hij de eenhoevige dieren.

45. De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

46. In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, kan afmaking van dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen, worden bevolen. De afmaking van zieke dieren kan, op advies van den districtsveearts, buiten toepassing blijven.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsjhe Zaken.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 3 maanden.

47. Zieke dieren of dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen, moeten, zoo lang als zij niet worden afgemaakt, afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

48. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden diereu door de ziekte waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

49. De plaats in den stal of het gebouw, waar een ziek of wegens ziekteverschijnselen verdacht dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, moet ontsmetting plaats hebben ook van andere gedeelten van den stal of het gebouw of van den geheelen stal.

50. In stallen en gebouwen of op weiden.

ocr page 120

— 117 —

erven of hoeveii, waar zieke of wegens ziekteverschijnselen verdachte dieren gestaan hebben, mogen geene eenhoevige dieren gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door dood of afmaking is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

51. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren.

§ 7. Maatregelen tegen de schurft {sarcopies-

schurft en clermatocoptes-schurft) bij de eenhoevige dieren en de schapen.

52. De zieke of verdachte eenhoevige dieren moeten van de overige eenhoevige dieren afgezonderd worden gehouden.

53. De zieke schapen moeten van de overige schapen afgezonderd worden gehouden.

In bijzondere gevallen kan de burgemeester, op advies van den districts veearts, toestaan, dat de zieke schapen in de aangetaste, mits afgezonderd gehouden, kudde verblijven.

De zieke en de verdachte schapen mogen zich niet bevinden op plaatsen, waar dit door den burgemeester, op advies van den districts veearts, ter voorkoming van besmetting, verboden is. De eigenaar, houder en hoeder zijn verplicht te zorgen , dat dit verbod wordt nageleefd.

54. De termijn , bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 15 dagen.

55. Eigenaars van zieke of verdachte dieren zijn bevoegd deze te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

De huiden der geslachte dieren moeten worden ontsmet of, volgens aanwijzing van den districtsveearts, op andere wijze onschadelijk gemaakt.

56. De plaats in den stal of het gebouw, waar een ziek eenhoevig dier, en de stal of het gebouw, waarin zieke schapen gestaan hebben, moeten worden ontsmet.

ocr page 121

— 118 —

57. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen onderscheidenlijk geene schapen of eenhoevige dieren gebracht worden gedurende een termijn van 5 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood of slachting is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den gebeden afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting van de stallen en gebouwen wederom schapen en eenhoevige dieren daarin gebracht mogen worden.

58. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: bij schurft van eenhoevige dieren, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van eenhoevige dieren en uitvoer uit den afgesloten kring van met ontsmette huiden van eenhoevige dieren; bij schurft van schapen, invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden van schapen en van ruwe wol die niet verpakt is m gesloten zakken.

' § 8. Maatregelen tegen de schaapspokken bij de schapen en de geiten.

59. Zieke dieren of dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen, moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

60. Dieren, die, zonder ziekteverschijnselen te vertoonen, van besmetting verdaclit zijn, moeten door den districtsveearts, of op aanwijzing en onder toezicht van den districtsveearts, door een geëxamineerden veearts zoodra mogelijk worden ingeënt (geovineerd). De inenting (ovinatie) heeft niet- plaats indien de dieren geslacht wor-

ocr page 122

— 119 —

den binnen 7 dagen, nadat zij in verdachten toestand zijn geraakt.

Totdat de dieren worden ingeënt of geslacht, moeten zij van de overige afgezonderd worden gehouden.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 15 dagen. Dieren, waarbij de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, moeten tusschen den 8sten en 12den dag na de inenting herent (gereovineerd) worden. De inenting en de her-enting geschieden op kosten van het Rijk. De in-geënte dieren worden geacht door schaapspokken te zijn aangetast, totdat de entpokken verdwenen zijn en, ingeval geene entpokken merkbaar worden, gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag der inenting of der herenting.

De inenting van niet verdachte dieren is verboden.

61. Van de verplichting tot inenting en herenting kan, in bijzondere gevallen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken vrijstelling worden verleend.

In dat geval moeten de, bij artikel 60 van dit besluit bedoelde, verdachte dieren afgezonderd worden gehouden.

Wanneer geene vrijstelling van de inenting of herenting is verleend, zijn de eigenaars, houders en hoeders der dieren verplicht toe te laten, dat die inenting of herenting, overeenkomstig artikel 60 van dit besluit, plaats hebbe.

62. In bijzondere gevallen, ter beoordeeling van den districtsveearts, kan afmaking van zieke of verdachte dieren worden bevolen.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districts veearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

De afgemaakte dieren moeten worden verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

De bepaling van het 3de lid van dit artikel geldt niet ten aanzien van dieren, die zonder ziekteverschijnselen te vertoonen , van besmetting verdacht zijn.

ocr page 123

- 120 -

63. Tudien zieke of, bij artikel 59 van dit besluit bedoelde, verdachte dieren mochten zijn geslacht, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

Van deze bepaling kan door den burgemeester, op advies van den districtsveearts, vrijstelling worden verleend ten opzichte van de ingeënte dieren, bedoeld bij het 3de lid van artikel 60 van dit besluit.

64. De stal of het gebouw, waarin zich zieke dieren bevonden hebben, moet na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

65. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben , mogen geene schapen of geiten gebracht worden gedurende een termijn van 15 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dool of afmaking is geëindigd en wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschen-komst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

66. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen en geiten en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette huiden en klauwen, onbewerkte wol, van mest en allen anderen afval en, behoudens vergunning van den burgemeester, op advies van den districtsveear^s, de uitvoer van melk en versch vleesch van schapen en geiten.

67. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Binnenlandsche Zaken aangewezen, te vervoeren of te doen vervoeren schapen en geiten en uit of binnen die kringen de, door voornoemde Minister nader aan te wijzen, in artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) bedoelde, voorwerpen.

ocr page 124

lu bijzondere gevallen, wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, kan binnen de, in bet eerste lid van dit artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van scbapen en geiten door den burgemeester verboden worden.

68. Het bonden van markten, openbare ver-koopiugen, tentoonstellingen en andere vereeni-gingen van scbapen en geiten is verboden in gemeenten of gedeelten van gemeenten, door den Minister van Binnenlandscbe Zaken aangewezen.

Openbare verkooping van schapen en geiten van denzelfden eigenaar of beboorende tot de nalatenschap van een overledene blijft geoorloofd met schriftelijk verlof van den burgemeester en binnen een, door dezen daarbij te bepalen, termijn van ten boogste 7 dagen, nadat de districtsveearts verklaard beeft, dat daartegen geen bezwaar bestaat.

69. De, in de artikelen 67 en 68 bedoelde, aanwijzingen worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen, die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

De intrekking of wijziging van de, in de artikelen 67 en 68 bedoelde aanwijzingen worden op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebraebt.

$ 9. Maatregelen tegen hei rotkreapel der schapen.

70. De zieke en de verdachte schapen moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, naar bet oordeel van den districtsveearts, bet afgezonderd houden van enkele zieke dieren geen nut meer kan opleveren ter voorkoming van de besmetting van den geheelen koppel, geeft de burgemeester, op advies van den districtsveearts, vergunning de zieke dieren in den verdachten koppel te laten verblijven of verdachte dieren niet af te zonderen.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 15 dagen.

71. Eigenaars van zieke of verdachte dieren

ocr page 125

— 122 —

zijn bevoegd deze te slachten, na aangifte bij den burgemeester en onder toezicht der politie.

Van de geslachte dieren moeten de huiden ontsmet en de klauwen verbrand worden.

72. Plaatsen, waar zieke of verdachte dieren gestaan hebben, worden ontsmet, volgens aanwijzing van den districtsveearts.

73. In stallen of kooien, op erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mogen geene schapen gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel of dood is geëindigd en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen , wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring die door tusschen-komst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting wederom schapen in de stallen, kooien, erven of hoeven gebracht mogen worden.

Op weiden, waar zieke dieren zich bevonden hebben, mogen gedurende een termijn van 30 dagen geene schapen gebracht worden, tenzij de districtsveearts een korteren termijn, die evenwel ten minste 10 dagen moet zijn, voldoende mocht achten.

74. Bij afsluiting van besmette hoeven , erven of weiden, ingevolge het in art. 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden ; invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van schapen en uitvoer uit den afgesloten kring van niet ontsmette klauwen en van mest van schapen.

§ 10. Maatregelen tegen de vlekziekte der varkens.

75. De zieke dieren moeten van de overige afgezonderd worden gehouden.

De verdachte dieren moeten van de gezonde afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, naar het oordeel van den districtsveearts, het afgezonderd houden van enkele zieke dieren geen nut meer kan opleveren ter voorko-

ocr page 126

— 123 —

miug van besmetting van de overige, waarmede zij bijeen zijn , kan de burgemeester verlof verkenen om de zieke dieren bij de aldus verdacht geworden dieren te laten verblijven.

De termijn, bedoeld bij artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 10 dagen.

76. Eigenaars van zieke of verdachte dieren, die deze slachten, moeten vóór of onmiddellijk na het slachten hiervan kennis geven aan den burgemeester der gemeente, waar de zieke of verdachte dieren zich bevinden.

De ingewanden der geslachte zieke of verdachte dieren, alsmede de gestorven dieren en de overblijfselen van zoodanige dieren moeten verbrand of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt worden.

Ten aanzien der kosten, vallende op deze verbranding of onschadelijkmaking, geldt het bepaalde bij het 3de lid van artikel 3 van dit besluit.

Indien het slachten plaats heeft vóór dat het, in art. 16 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) voorgeschreven, onderzoek verricht is, moeten de ingewanden der geslachte dieren door den eigenaar voor dat onderzoek bewaard worden.

77. In bijzondere gevallen ter beoordeeling van den districtsveearts, kan de afmaking van zieke öf verdachte dieren worden bevolen.

Ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid volgt de districtsveearts de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken.

Het voorschrift van het 21e lid van artikel 76 van dit besluit is in deze gevallen van toepassing.

78. Het kot of de plaats in het gebouw, waar zieke dieren zich bevonden hebben, moet na afloop van het laatste ziektegeval worden ontsmet.

79. In kotten of gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren zich bevonden hebben, mogen geene varkens gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood of slachting is geëindigd, en, wat

ocr page 127

— m —

de kotten en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den gelieelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor bet geval van herstel begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschen-komst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

In bijzondere gevallen kan de districtsveearts bepalen, dat terstond na afloop der ontsmetting van de kotten en gebouwen wederom varkens daarin gebracht mogen worden.

80. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van varkens-vleesch, strooisel, mest en allen anderen afval uit varkenskotten.

81. Inenting van varkens tegen c.e vlekziekte is alleen geoorloofd als de eigenaar, houder of hoeder van de in te enten dieren daartoe eene schriftelijke vergunning bekomen heeft van den burgemeester der gemeente, waar de inenting zal plaats hebben.

De vergunning wordt verleend op advies van den districtsveearts en onder de, door dezen te stellen, voorwaarden.

De ingeente dieren worden voor ziek gehouden, totdat de uitwerking der inenting afgeloopen is en, ingeval de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, gedurende 10 dagen na de inenting.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is bevoegd in bijzondere gevallen de inentiug op Rijkskosten te doen plaats hebben.

§ 11. Maatregelen tegen de trichinen ziekte hij de varkens.

82. Dieren, wier vleesch trichinen bevat, moeten, zoo dit nog bij hun quot;.even ontdekt wordt, worden afgemaakt; de gestorven of ge-doode dieren, die trichinen blijken te bevatten, of de overblijfselen van zoodanige dieren worden verbrand of op andere wijze, dooi den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

ocr page 128

— 125 —

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van varkens.

83. Dieren, die verdacht zijn van trichinen te bevatten, moeten worden afgemaakt en daarna onmiddellijk door den districts veearts of, in overleg met dezen, door een ander deskundige op trichinen worden onderzocht. Indien bij dit onderzoek blijkt, dat zij trichinen bevatten, wordt met de dieren of de overblijfselen der dieren gehandeld, zooals in art. 82 van dit besluit is voorgeschreven.

In elk geval moeten van de verdachte dieren de ingewanden worden verbrand.

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van varkens.

84-. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden dieren trichinen bevatten, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

85. Het kot of het gebouw en, wanneer dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, ook het terrein, waar zich trichineuse dieren bevonden hebben, moeten worden ontsmet en aldaar gevonden ratten benevens ander ongedierte worden gedood en verbrand.

Eveneens moeten, volgens aanwijzing van den districtsveearts, worden ontsmet slachthuizen, winkels en bergplaatsen van vleesch en spek mitsgaders inrichtingen tot bewerking daarvan, waar besmet vleesch en besmette voorwerpen zijn aangetroffen.

86. In kotten en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zich trichineuse dieren hebben bevonden, mogen geene varkens gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop de ontsmetting van die kotten, gebouwen en terreinen geheel is afge-loopen.

87. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van levende varkens en uitvoer uit den afgesloten kring van

ocr page 129

— 126 —

doode varkens en vavkensvleesch, tenzij, volgens schriftelijke verklaring van den burgemeester, door den districtsveearts of, in overleg met dezen, door een ander deskundige onderzocht en vrij bevonden van trichinen.

Uitvoer van mest en allen anderen afval is toegelaten met inachtneming der voorschriften, door den districtsveearts zoo noodig te geven.

88. Het is verboden uit, naar of binnen de kringen, door den Minister van Biunenlandsche Zaken aangewezen, varkens te vervoeren of te doen vervoeren en uit of binnen die kringen de, door voornoemden Minister nader aan te wijzen, in artikel 15 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) bedoelde, voorwerpen.

In bijzondere gevallen, wanneer dit door den districtsveearts noodig wordt geoordeeld, kan binnen de, in het eerste lid van d:.t artikel bedoelde, kringen ook verplaatsing van varkens door den burgemeester verboden worden.

89. De, in artikel 88 bedoelde, aanwijzing, wordt door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht. Daarbij worden tevens voorschriften gegeven omtrent uitzonderingen , die op het uitgevaardigde verbod zullen worden toegelaten.

De intrekking of wijziging van de, in artikel 88 bedoelde, aanwijzing wordt op dezelfde wijze ter algemeene kennis gebracht.

§ 12. 'Maatregelen tegen het miltvuur bij alle vee.

90. De zieke dieren moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden.

Insgelijks moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden dieren, welke verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, die zij vertoonen.

De termijn, bedoeld bij art. 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), wordt gesteld op 10 dagen.

91. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht of indien eerst na het slachten blijkt, dat niet voor ziek of verdacht gehouden dieren door de ziekte waren aangetast, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 8 en 4 van dit

ocr page 130

besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

92. De plaats in den stal of liet gebouw, waar zicb zieke dieren bevonden hebben, moet onmiddellijk worden ontsmet.

Waar de districts veearts het noodig oordeelt, moet ontsmetting plaats hebben ook van andere gedeelten van den stal of het gebouw of van den geheelen stal alsmede van andere besmette plaatsen.

Eveneens moeten, volgens aanwijzing van den districtsveearts, worden ontsmet slachthuizen, winkels en andere plaatsen, waar besmet vleesch en besmette voorwerpen zijn aangetroffen.

93. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven, waar zieke dieren gestaan hebben, mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn van 10 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door herstel, dood óf afmaking is geëindigd, en in elk geval eerst na den geheelen afloop der ontsmetting.

Het oogenblik, waarop deze termijn voor het geval van herstel begint te loopen, wordt dooiden districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschen-komst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

94. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: .invoer in en uitvoer uit den afgesloten kring van vee; daar waar en zoolang en voor zoover als dit door den districtsveearts noodzakelijk wordt geacht, is verboden: uitvoer van melk uit den afgesloten kring en uit besmette, niet afgesloten hoeven, erven of weiden.

95. Inenting is alleen geoorloofd als de eigenaar van de in te enten dieren daartoe eene schriftelijke vergunning bekomen heeft van den burgemeester der gemeente, waar de inenting zai plaats hebben.

De vergunning wordt verleend op advies van den districtsveearts onder de, door dezen te stellen, voorwaarden.

De in geënte dieren worden voor verdacht gehouden , totdat de uitwerkimr der iuentinir afsre-

ocr page 131

loopen is en, ingeval de inenting zonder merkbare uitwerking blijft, gedurende 10 dagen na de inenting. Waar de districtsveearts het noodig oordeelt, beeft ontsmetting plaats volgens artikel 92 van dit besluit.

De Minister van Binnenlandscbe Zaken is bevoegd in bijzondere gevallen de inenting op Rijkskosten te doen plaats bebbeu.

§ 13. Maatregelen tegen de hondsdolheid hij alle vee.

96. De zieke dieren moeten worden afgemaakt en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districtsveearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Totdat de dieren worden afgemaakt, moeten zij afgezonderd worden gehouden van alle ander vee.

97. Dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen , welke zij vertoonen, moeten van het overige vee afgezonderd worden gehouden.

Wanneer, op advies van den districtsveearts, de burgemeester het noodig oordeelt, wordt met deze verdachte dieren gehandeld, als in het vorige artikel omtrent de zieke dieren is voorgeschreven.

98. Indien zieke of verdachte dieren mochten zijn geslacht, gelden de bepalingen, die bij de artikelen 3 en 4 van dit besluit ten aanzien van gestorven vee zijn vastgesteld.

99. De plaats in den stal of het gebouw, waar een afgemaakt of gestorven dier gestaan heeft, moet worden ontsmet.

100. In stallen en gebouwen of op weiden, erven of hoeven , waar zieke dieren gestaan hebben , mag geen vee gebracht worden gedurende een termijn van 3 dagen, te rekenen van den dag, waarop het laatste ziektegeval door dood of afmaking is geëindigd en, wat de stallen en gebouwen betreft, in elk geval eerst na den ge-heelen afloop der ontsmetting.

101. Bij afsluiting van besmette hoeven, erven of weiden, ingevolge het in artikel 2, sub 4°., van dit besluit bepaalde, is verboden: uitvoer uit den afgesloten kring van vee, honden en katten, alsmede van melk, afkomstig van zieke

ocr page 132

- m —

diereu en van dieren, die verdacht zijn wegens ziekteverschijnselen, welke zij vertoonen.

De honden en katten, binnen dien kring aanwezig, moeten worden gedood en de overblijfselen daarvan verbrand, begraven ot' op andere wijze door den districts veearts te bepalen, onschadelijk gemaakt.

Door de bepalingen van deze paragraaf wordt in geen opzicht tekort gedaan aan de voorschriften der wet van 5 Juni 1875 {Staatsblad n0. 110) betreffende de hondsdolheid.

§ 14. Algemeene bepaling en.

102. Vee, dat door den districtsveearts wegens kenteekenen, die hij daaraan meent te bespeuren, volgens artikel 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), gehouden wordt voor verdacht {van ziekte verdacht vee), blijft verdacht, totdat die kenteekenen opgehouden hebben te bestaan of de districtsveearts op eenigerlei wijze de overtuiging heeft verkregen, dat het vee niet aan eene besmettelijke ziekte lijdt.

Het ophouden van den toestand van verdachtheid van aan eene besmettelijke ziekte te lijden wordt door den districts veearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tusschenkomst van deu burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

103. Vee, dat zonder kenteekenen eener besmettelijke ziekte te vertoonen, door den districtsveearts, volgens art. 22 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), gehouden wordt voor verdacht {van besmetting verdacht vee) , blijft verdacht gedurende een termijn van:

bij longziekte (pleuro-pneumonia

contagiosa).........4 maanden.

bij mond- en klauwzeer . . .15 dagen, bij kwaden droes en huidworm . 3 maanden.

bij schurft........15 dagen.

bij schaapspokken.....15 „

bij rotkreupel.......15 „

bij vlekziekte.......10 „

bij miltvuur.......10 „

bij hondsdolheid van runderen . 6 maanden, bij hondsdolheid van eenhoevige

dieren..........4 „

VeeartsemjJc., 5e dr. 9

ocr page 133

— 130 —

bij iiondsdolheid van schapen,

geiten en varkens......2 maanden.

Alle termijnen zijn te rekenen van den dag, waarop liet vee, naar liet oordeel van den districtsveearts, liet laatst in de gelegenheid is geweest om besmet te worden.

De dag, waarop deze termijn begint te loopen, wordt door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring die door tnsschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

De termijn, gedurende welken het in het eerste lid van dit artikel bedoelde, vee verdacht wordt gehouden van besmetting, eindigt zoodra de districtsveearts op eenigerlei wijze de overtuiging heeft verkregen, dat het vee niet besmet is. In dat geval wordt het ophouden van den toestand van verdachtheid van besmetting door den districtsveearts vastgesteld bij schriftelijke en gedagteekende verklaring, die door tnsschenkomst van den burgemeester aan den belanghebbende kosteloos wordt uitgereikt.

104. Wanneer vee, Jour eene besmettelijke ziekte aangetast of daarvan verdaehb, ingevolge liet in artikel 2, sub 2quot;., van dit besluit bepaalde , van een merkteeken is voorzien, doet de burgemeester, op advies van deu distiictsveearts, dit merkteeken zooveel mogelijk onkenbaar makeu, als de reden voor bet merken opgehouden heeft te bestaan.

105. De maatstaf, naar welken, ter uitvoering van artikel 24 der wet van 20 Juli 1870 (Süta/x-blad n0. 131), de waardeering van vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, geschiedt, bedraagt bij veepest, longziekte, kwaden droes en huid-worm, schaapspokken, vlekziekte, trichinenziekte en hondsdolheid 50 pCt. en bij mond- en klauwzeer 90 pCt. der waarde, die het vee in gezonden toestand zou hebben.

106. Waar in dit besluit gesproken wordt van den districtsveearts wordt daarmede ook bedoeld de districtsveearts-plaatsvervanger of de geëxaini-ueerde veearts, die hem vervangt volgens de voorschriften van de wet van 20 Juli 1870 [Staatsblad n°. 131).

ocr page 134

— 131 —

107. De maatregelen, welke krachtens dit besluit bij liet lieerscben of bij bet dreigen van de, in artikel 1, sub 3°. en 8°. genoemde, ziekten toegepast moeten worden, kunnen door den Minister van Binnenlandscbe Zaken geheel of gedeeltelijk buiten toepassing worden gesteld daar, waar wegens de uitbreiding der ziekten van de handhaving der voorgeschreven maatregelen geen voldoend nut meer is te verwachten.

De uitvaardiging der daartoe te nemen beschikking alsmede hare intrekking of wijziging worden door plaatsing in de Staatscourant en zoo mogelijk in een of meer plaatselijke nieuwsbladen ter algemeene kennis gebracht.

108. De Koninklijke besluiten van 27 Maart 1888 {Staatsblad n0. 67), 12 Mei 1889 {Staatsblad n0. G2), 9 October 1889 {Staatsblad n0. 128), 20 Mei 1890 {Staatsblad n0. 92), 27 Juni 1892 {Staatsblad n0. 167), 17 November 1892 {Staatsblad n0. 254), en van 13 September 1894 {Staatsblad n0. 150) worden ingetrokken.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

Soestdijk, den lOden Juli 1896.

{ff et.) EMMA.

De Min. van Bimienl. Zaken, {(jet.) van Houten.

(JJityeg. 28 Juli 1896.)

Besluit van den Minister van Binnenlandsche Zaken , van den 19den Augustus 1896, betreffende de schadeloosstelling te verleenen voor de huid van een dier, dat, aan eene besmettelijke ziekte lijdende, is gestorven en daarna verbrand, begraven of op andere wijze onschadelijk is gemaakt.

De Minister van Binnenlandsche Zaken;

Gelet op artikel 3, laatste lid van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 {Staatsblad n0.104) waarin onder a is bepaald, dat in de gevallen en naar den maatstaf, door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen, door eenburge-

9*

ocr page 135

- 132 -

meester op Rijks kosten eeue gedeeltelijke scliade-loosstelling wordt gegeven voor de huid van een dier, dat, aan eene besmettelijke ziekte lijdende, is gestorven en daarna verbrand, begraven of op andere wijze, door den districts-veearts te bepalen, onschadelijk gemaakt is;

Heeft goedgevonden, te bepalen:

1°. dat aan een eigenaar van een dier dat, aan miltvuur lijdende, is gestorven en daarna verbrand , begraven of op andere wijze onschadelijk is gemaakt — wanneer hij de te dezer zake volgens wet of wettelijk voorschrift op hem rustende verplichtingen naar behooren heeft nagekomen — door den burgemeester op Rijks kosten eene gedeeltelijke schadeloosstelling voor de huid van dat dier zal worden gegeven, bedragende het twee-derde gedeelte van de waarde waarop die huid door den districts-veearts wordt geschat;

2°. dat dit bedrag door den burgemeester van het Departement van Binnenlandsche Zaken kan worden teruggevorderd, overeenkomstig de „Voorschriften aangaande de verrekening der kosten, voortvloeiende uit de toepassing der wet van 20 Juli 1870 {Staalshlad n0. ISl)quot;, behoudens dat bij de desbetreffende declaratie ook moet worden overgelegd de verklaring van den districts-veearts, waaruit blijkt, of de eigenaar van het dier de ter zake van het ziektegeval volgens wet of wettelijk voorschrift op hem rustende verplichtingen naar behooren heeft nagekomen en op welk bedrag de districts-veearts de waarde van de huid van het dier heeft geschat;

3°. dat deze beschikking ook van toepassing-zal zijn voor de gevallen van miltvuur, die voor hare dagteekening zijn voorgekomen;

4°. dat bij andere besmettelijke veeziekten dan miltvuur, de beslissing over de toepassing van het in den aanhef dezer beschikking genoemde voorschrift voor elk geval in het bijzonder blijft voorbehouden.

Deze beschikking zal in de Staatscourant worden geplaatst en in afschrift aan de Algemeene Rekenkamer worden medegedeeld

's Gravenhage, den 19den Augustus 1896.

[get?) van Houten.

ocr page 136

— 133 —

Beschikking van den Minister van Binnenlanclsche Zaken, van den Vamp;den October 1896, houdende vaststelling van voorscliviften en modellen , in zake voorschot-declaratiën, voortvloeiende uit de toepassing der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131) laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68).

VOORSCHRIFTEN aangaande de verrekening der kosten, voortvloeiende uit de toepassing der wet van 20 Juli 1870 (Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd hij die van 15 Jprit 1896 (Staatsblad n0. 68), tot voorziening tegen besmettelijke veeziekten, voor zoover die kosten ten laste van het Rijk komen, en aangaande de verantwoording van de opbrengst van uit krach te van die wet te houden verkoopingen.

De ziekten van het vee, welke voor besmettelijk worden gehouden en waarop de wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij die van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68) van toepassing is, zijn, volgens het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 {Staatsblad n0. 104) de volgende :

1°. de veepest der herkauwende dieren;

2°. de longziekte (pleuro-pnenmonia contagiosa) der runderen;

3°. het mond-en klauwzeer (besmettelijke blaar-uitslag van den mond en de klauwen) bij de herkauwende dieren en de varkens;

4°. de kwade droes en de huidworm bij de eenhoevige dieren;

5°. de schurft (sarcoptes-schurft en dermatocoptes-schurft) bij de eenhoevige dieren en de schapen;

6°. de schaapspokken bij de schapen en de geiten;

7°. het rotkreupel der schapen;

8°. de vlekziekte der varkens;

9°. de trichinenziekte bij de varkens;

10°. het miltvuur bij alle vee;

11°. de hondsdolheid bij alle vee.

ocr page 137

— 13 i —

Dat Tjesluit bevat tevens de maatregelen die bij het dreigen of heersehen van elk dier ziekten moeten worden toegepast.

Uitgaven.

§ 1. De uitgaven, die een gevolg zijn van de toepassing van bovenbedoelde maatregelen, komen, voor zoover uit gemeld besluit het tegendeel niet blijkt, ten laste van het Rijk.

Tot die waarvan de betaling plaats vindt door tusschenkomst der gemeenten behooren o. a.:

1°. de schadeloosstelling voor onteigend vee en onteigende voorwerpen;

2°. de kosten van taxatie van onteigend vee en voorwerpen;

3quot;. de kosten van het afmaken en verbranden of op andere wijze vernietigen van onteigend vee en die van het verbranden of op andere wijze vernietigen van onteigende voorwerpen ;

•i0. schrijfloon van hoogstens f 2 per onteigening, indien het schrijfwerk niet docr den burgemeester is verricht;

5°. de kosten der werktuigen voo:' het merken van vee en van de ken teekenen bedoeld in art. 17 der wet;

6quot;. de kosten van ontsmetting en afrastering;

7°. de kosten voor aanschaffing quot;an brandstoffen en andere benoodigdheden voor het verbranden van aan eene besmettelijke ziekte gestorven vee en van de bij het begraven te gebruiken ontsmettingsmiddelen, benevens de kosten voor verleende hulp en gehouden toezicht bij dat verbranden en begraven;

8°. de kosten van vernietiging van zieke en verdachte dieren, die door den eigenaar geslacht zijn, van niet voor ziek of verdacht gehouden dieren, waarvan na slachting blijkt, dat zij door eene besmettelijke ziekte waren aangetast, in beide gevallen wanneer het vleesch voor consumtie niet geschikt geoordeeld wordt, zoomede van de overblijfselen van zoodanige dieren die voor consumtie zijn goedgekeurd;

9°. de door den Minister van Binnenlandsche Zaken, op voorstel van den districtsveearts, te bepalen gedeeltelijke schadeloosstelling voor de

ocr page 138

— 1.35 —

huid van het dier, dat aan cene besmettelijke ziekte is gestorven;

10°. vergoeding aan den eigenaar, in bijzondere gevallen, tot een door den Minister van Binnen-landsche Zaken, op voorstel van den districtsveearts, te bepalen bedrag voor een dier, dat is ingeënt en binnen een door den Minister gestelden termijn is gestorven aan de ziekte waartegen het was ingeënt, volgens de verklaring van een ge-examineerden veearts;

11°. de door den Minister van Binnenlandsche Zaken krachtens de artt. 31 en 41 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 {Staatsblad n0. 104) toe te kennen gedeeltelijke schadeloosstelling voor de, uit het opstallen of ophokkeu van vee voortvloeiende, buitengewone kosten van veevoeder;

12°. bij inbeslagneming van vee en voorwerpen, de kosten van taxatie, en zoo vernietiging heeft plaats gehad, ook de kosten dier vernietiging;

13°, de schadevergoeding voor het gebruik van grond voor het begraven of verbranden van aan eene besmettelijke ziekte gestorven of wegens zoodanige ziekte afgemaakt vee, indien de begraving of verbranding onmogelijk is op het erf of op het land waar het dier gestorven of afgemaakt is, of indien het in een stal of in eene schuur is gestorven of afgemaakt en geen gemeentegrond voor het verbranden of begraven beschikbaar is;

14°. de kosten voortvloeiende uit het optreden van den kantonrechter bij verschil omtrent het bedrag der vorenbedoelde schadevergoedingen.

§ 2. Ter betaling van gemelde uitgaven worden aan den burgemeester op zijne aanvrage de noodige gelden uit de gemeentekas voorgeschoten.

Ter terugbekoming daarvan zendt de burgemeester zoo spoedig mogelijk een voorschot-declaratie , volgens model A, in triplo aan 's Konings Commissaris in de provincie. Twee exemplaren dier declaratie worden, na door 's Konings Commissaris van eene verklaring van onderzoek en goedkeuring te zijn voorzien, gezonden aan het Departement van Binnenlandsche Zaken.

Indien de burgemeester ten genoege van 's Konings Commissaris aantoont, dat de gemeentekas ontoe-

ocr page 139

— 136 -

reikend is tot liet doen der bij sub 1°.—4°., 6°., 7°. en 13°. van § 1 bedoelde betalingen, dan worden liem de daarvoor noodige gelden ter goede rekening uit 's rijks kas verstrekt (art. 28 der wet). Na ontvang van liet zooeven bedoeld berielit van den burgemeester, zendt 's Konings Commissaris aan den Minister van Binnenlandsche Zaken een aanvrage om crediet, vermeldende de som die benoodigd is en de gemeente die het geldt, 's Konings Commissaris ontvangt daarna zoo spoedig mogelijk van genoemden Minister bericht, dat het crediet is geopend ten kantore van den betrokken betaalmeester, waarna door 's Konings Commissaris aan den burgemeester een mandaat van betaling wordt uitgereikt. Van zoodanige verstrekking van geld wordt door den burgemeester binnen twee maanden rekening en verantwoording afgelegd, rechtstreeks aan de Algemeene Rekenkamer bij aanvrage om décharge, in triplo opgemaakt, volgens model lft. B' , met overlegging van een verzamel staat, model la. B2, hier bijgevoegd. Zijn niet alle ter goede rekening ontvangen gelden gebruikt, dan is het overschot bij den betaalmeester te storten, en de deswege te ontvangen quitantie van storting in de aanvrage in uitgaaf te brengen en daarbij over te leggen.

Door 's Konings Commissaris wordt elke maand aan den Minister van Binnenlandsche Zaken opgave gedaan van de in de vorige maand gedane verstrekkingen.

§ 3. Bij declaratiën of aanvragen om décharge, uitgaven bevattende in zake onteigening, moeten worden overgelegd:

1°. het advies in origiuali van den districtsveearts of van een zijner plaatsvervangers of bij ontstentenis van dezen van een geëxamineerden veearts, tot onteigening en de verder te nemen maatregelen;

2°. het besluit van den burgemeester tot onteigening, dat tot benoeming van den deskundige en het proces-verbaal van beëediging (modellen K C, D en E);

3°. de verklaring van laxatie (model la. F);

4°. het proces-verbaal van aanbiedingen genoegenneming (model la. G);

ocr page 140

— 137 —

5°. de quitantie der betaalde scliadeloosstelling (model la. H);

6°. eene verklaring van den burgemeester of van een gemeentebeambte (model ln. I) waaruit blijkt, dat met liet onteigende is getandeld overeenkomstig het advies van den districtsveearts of van hem door wien hij vervangen is;

7°. bijaldien desinfectie is voorgeschreven, eene verklaring van den districtsveearts of van zijn plaatsvervanger, waaruit blijkt, dat de desinfectie behoorlijk heeft plaats gehad;

8°. de qnitanticn tot staving der uitgaven;

9°. bij niet genoegenneming met de taxatie de stukken (modellen la. J en K) benevens de benoeming van deskundigen door den kantonrechter.

Mocht de uitbetaling der schadeloosstelling niet kunnen plaats hebben, omdat de eigenaar van het onteigende den getaxeerden prijs bij aanbieding heeft geweigerd of omdat de eigenaar afwezig is (in welk geval hij, ten opzichte der bepalingen van art. 24 der wet, vervangen wordt door zijnen gemachtigde of zoo deze ontbreekt door den houder of hoeder van het vee) of op grond van overtreding van bepalingen der wet, hetzij wegens verzuimde aangifte of afzondering, hetzij dat de eigenaar zijn vee opzettelijk in verdachten toestand heeft gebracht of doen brengen, dan wordt de getaxeerde waarde tegen quitantie bij den gemeenteontvanger gedeponeerd en die som op de declaratie in rekening of in de aanvrage om décharge in uitgaaf gebracht.

Vervolgens wordt in vorenbedoelde gevallen gehandeld overeenkomstig het daaromtrent bepaalde in de artikelen 26 en 27.

Bij overtreding van de bepalingen gesteld bij de artikelen 13 en 14 der wet, moet niet alleen de schadeloosstelling voor het vee waarmede de overtreding heeft plaats gehad bij den gemeenteontvanger worden gesequestreerd, maar ook die voor daarmede samenhangende onteigeningen, zoowel van vee als van goederen van denzelfden eigenaar.

§ 4. Bij inbeslagneming van voorwerpen en vee moet in de gevallen, in de artt. 36 en 37 der wet genoemd , de waarde worden getaxeerd.

ocr page 141

— 138 —

Worden in beslag genomen vee of voorwerpen vernietigd, dan wordt de getaxeerde waarde, uit de gemeentekas voorgesclioten, bij den gemeenteontvanger in bewaring gegeven en het bedrag voorts bij declaratie aan het Rijk in rekening gebracht.

Ingeval het vee of de voorwerpen worden vrijgegeven tegen betaling door den eigenaar van de getaxeerde waarde, en van hetgeen voor het onderhoud van het vee besteed is, dan wordt het bedrag daarvan bij den gemeenteontvanger gedeponeerd.

De kosten van taxatie, vernietiging en desinfectie worden, op de wijze als hier voren ter zake van onteigening is voorgeschreven, van het Rijk teruggevorderd.

Bij declaratiën wegens uitgaven in zake inbeslagneming zijn over te leggen: afschrift van het procesverbaal van inbeslagneming; het advies van den districts veearts, van diens plaatsvervanger of van een geëxamineerd en veearts, hoe met het in beslag genomene gehandeld moet worden; de verklaring van taxatie; zoo de waarde in rekening wordt gebracht, de qnitantie van den gemeenteontvanger, en zoo vernietiging heeft plaatsgehad eene verklaring van den burgemeester of van een gemeentebeambte, waaruit zulks blijkt.

§. 5. Bij het houden van verkoopingen van vleesch en huiden, afkomstig van onteigend en in beslag genomen vee, en van onteigende en in beslag genomen voorwerpen, uit krachte der Koninklijke besluiten van 11 Juli 1871 {Staatsblad n0. 75) en 11 Juli 1874 {Staatsbladti0.109), is daarvan geen aangifte noodig bij den ontvanger der registratie en domeinen.

De verkoopingen worden zoo mogelijk in het openbaar gehouden. Van de verkooping wordt opgemaakt een proces-verbaal , waarvoor is te bezigen gezegeld papier van minstens 50 cents in hoofdsom.

Is eene openbare verkooping, om welke reden ook, niet gewenscht, dan geschiedt de ouderhand sche verkoop bij een gezegelde en geregistreerde overeenkomst, en zoo geen schriftelijke overeenkomst kan worden gesloten, dan wordt de

ocr page 142

verkoop en de opbrengst daarvan door den burgemeester geconstateerd bij eene verklaring, onder aanbod van eede, welk stnk vrij is van zegel en van de formaliteit van registratie. Die verklaring is in te richten volgens model la. L.

In alle gevallen worden tot goedmaking der kosten opcenten op de hoofdsom bedongen.

Van alle verkoopingen moet door den burgemeester rechtstreeks aan de Algemeene Rekenkamer rekening en verantwoording worden afgelegd, volgens bijgevoegd model la. M, in te zenden in triplo.

Ten aanzien van de opbrengst van in beslag genomen vee en voorwerpen is te handelen overeenkomstig de voorschriften vervat in de artikelen 36, 37 en 38 der wet. Bij die artikelen is tevens bepaald hoe gehandeld moet worden met de getaxeerde waarde, die aan den gemeenteontvanger in bewaring is gegeven.

Indien de eigenaar van in beslag genomen en verkocht vee en in beslag genomen en verkochte voorwerpen, na vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, het te zijner beschikking liggende geld niet heeft opgevorderd, is van toepassing het voorschrift van art. 38 der wet.

§ 6. Uitgaven in zake onteigening en die in zake verkoop mogen niet vermengd worden, zoodat in declaratiën of aanvragen om de'charge niet mogen worden in rekening gebracht kosten, die op den verkoop betrekking hebben, en daartegenover ook niet in de rekening en verantwoording wegens verkoop, kosten in zake onteigening.

Bewijzen van uitgaaf.

§ 7. De in declaratiën in rekening en in aanvragen om décharge en rekening en verantwoording in uitgaaf gebracht wordende uitgaven van ƒ 3 en daarboven wegens leverantiën of bewezen diensten, moeten door quitantiën worden gestaafd.

Bij het gebruik van een plakzegel voor quitantiën boven de f 10 moet de handteekening over het zegel worden geschreven en is tevens daarop te stellen het tijdstip waarop het is gebruikt, door vermelding van dag, maand en jaar.

ocr page 143

Quitantiën eii alle andere stukken moeten door belanghebbenden onderteekend worden. Indien belanghebbenden niet kunnen schrijven en de uitbetaling de som van ƒ 300 te boven gaat, dan moet de betaling, zoomede de minnelijke schikking bij schadeloosstellingen, ten koste der belanghebbenden bij notariëele akte plaats hebben.

Beloopt de schadeloosstelling ƒ 300 of minder dan kan de handteekening door een -f- merk worden vervangen, gesteld in tegenwoordigheid van en gewaarmerkt door twee personen, vreemd nan de aanbieding en betaling.

Bij onderteekening van stukken door derden moet eene gezegelde, gelegaliseerde en geregistreerde procuratie worden overgelegd, waaruit de bevoegdheid tot teekenen blijkt.

Quitantiën wegens leverantiën of werkzaamheden zijn steeds zoodanig te specificeeren met vermelding van eenheidsprijzen, dat het in rekening gebrachte bedrag voor verificatie vatbaar is; het jaar waarin en de dagteekening waarop de leverantiën of werkzaamheden zijn gedaan, is mede in die stukken te vermelden.

Eene getrouwde vrouw kan zonder bijstand van haar man geen bewijs van kwijting geven, behoudens de uitzonderingen bij het Burgerlijk Wetboek gesteld.

In schrift mag geen rature plaats Inbben en geene veranderingen worden gemaakt, tenzij met behoorlijke waarmerking.

Elke declaratie moet bevatten alle tot het daarin bedoelde onderwerp betrekkelijke uitgaven.

De stukken krachtens de wet van 20 Jnli 1870 {Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij die van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68), opgemaakt, zijn vrij van zegel- en registratierecht; onder die vrijstelling zijn echter niet begrepen de processen-verbaal en onderhandsche overeenkomsten in zake verkoopingen en evenmin quitantiën wegens bewezen diensten en gedane leverantiën, indien zij het bedrag van ƒ 10 te boven gaan.

ocr page 144

Model A.

DECLARATIE van

Burgemeester der gemeente ten laste van het Rijk, wegens gedane voorschotten uit de gemeentekas, uit krachte van de wet van den 20 Juli 1870 (Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd hij die 15 Afrril 1896 (Staatsblad n0. 68).

betaald:

Aau {a)

wegens schadevergoeding voor aan hem bij besluit van den onteigend (^) en voor

werpen, blijkens bijlage n0. . . Aan

wegens waardeering van voormeld ih) en voorwerpen, blijkens qnitantie bijlage n0. ....

Te zamen . . . f

Aldus opgemaakt door mij Burgemeester dei-gemeente tot een bedrag

van , verklarende ondergetee-

kende deze declaratie te zijn deugdelijk en onvergolden , zoomede dat

, den 18

Be Burgemeester voornoemd,

Bovenstaande declaratie gezien en na onderzoek goedgekeurd tot een bedrag van

door mij Commissaris des Konings in de provincie den 18

[a) Naam en woonplaats.

(Ji) Vee of paarden.

ocr page 145

Model b1.

Departement van Binnenlandsche Zaken.

Hoofdstuk V.

dienst 18 Aanvrage om Décharge.

Art. ___

(1)

(2)

erkent ter goede rekening ontvangen te hebben tot liet doen van uitgaven tot afwering van het gevaar, waarmede besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen, de Assignatie nquot;.

groot.............ƒ

Dienst (3)

Totaal bedrag der ontvang ƒ Terwijl de door hem gedane uitgaven, gespecificeerd op bijgaande verzameling ingevolge de bijgevoegde bewijzen, bedragen..........f

(*) Quitantie van storting . . „ dd. n0.

Zoodat is ... . Quitto. 18

(4)

N0. Dienst 18 Hoofdstuk V.

Art.

De Algemeene Rekenkamer ontlast den rendent, tengevolge der bovenstaande aanvrage en op grond der overgelegde bewijzen, voor de som van

's Gravenhage, 18

De Algemeene Rekenkamer, Ter ordonnantie van de Kamer,

In te vullen:

(1) Naam.

(2) Kwaliteit.

(3) Dienstjaar.

(4) Onderteekening.

(*) NB. Indien niet het geheele verstrekte bedrag is gebruikt, moet het overige gedeelte worden gestort bij een der betaalmeesters en de quitantie van storting worden overgelegd, zooals hier blijkt.

ocr page 146

— U3 —

Model Bl.

VERZAMELSTAAT van uitgaven tot afwering van het gevaar, waarmede de besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen, en gekweten uit ter goede rekening ontvangen gelden.

aard dek voudertng.

nummer der 1 quitantie.


Totaal.

Aldus opgemaakt door mij, Burgemeester der gemeente

Model C.

De BURGEMEESTER der gemeente Overwegende, dat hem uit liet verslag van den veearts gebleken is

dat («)

toebelioorende aan

van beroep veehouder, wonende te

ten aanzien van welk vee aan de bij artt. 13 en

14 der wet gegeven voorschriften omtrent aangifte en afzondering is voldaan.

Gelet op de wet van den 20 Juli 1870 (ófowAy-hlad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij die van

15 April 189G {Staatsblad n0. 68);

Besluit en beveelt tevens, boven omschreven (^)

te onteigenen,

onmiddellijk in beslag te nemen en te doen afmaken.

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

(#) door b.v. longziekte aangetast of van longziekte verdacht is (omschrijving van het vee of de paarden).

{b) vee of paarden en, zoo er voorwerpen moeten worden onteigend, ook deze te noemen.

/

ocr page 147

— Mi —

Model B1.

Departement van Binneniandsche Zaken.

Hoofdstuk V.

dienst 18 Aanvrage om Décharge. Art. ---

(1)

(2)

erkent ter goede rekening ontvangen te hebben tot bet doen van uitgaven tot afwering van het gevaar, waarmede besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen, de Assignatie u0.

groot.............ƒ

Dienst (3)

Totaal bedrag der ontvang f Terwijl de door hem gedane uitgaven, gespecificeerd op bijgaande verzameling ingevolge de bijgevoegde bewijzen, bedragen..........ƒ

(*) Quitantie van storting . . „ dd. n0.

Zoodat is ... . Qnitto. 18

(4)

N0. Dienst 18 Hoofdstuk V.

Art.

De Algemeene Rekenkamer ontlast den rendent, tengevolge der bovenstaande aanvrage en op grond der overgelegde bewijzen, voor de som van

's Gravenhage, 18

Be Algemeene Rekenkamer, Ter ordonnantie vtai de Kamer,

In te vullen:

(1) Naam.

(2) Kwaliteit.

(3) Dienstjaar.

(4) Onderteekening.

(*) NB. Indien niet het geheele verstrekte bedrag is gebruikt, moet het overige gedeelte worden gestort bij een der betaalmeesters en de quitantie van storting worden overgelegd, zooals hier blijkt.

ocr page 148

Model Bl.

VERZAMELSTAAT van uitgaven tot afwering van het gevaar) waarmede de besmettelijke veeziekten den veestapel bedreigen y en gekweten uit ter goede rekening ontvangen gelden.

aard dek vokdehtxg.

nummer der quitantie.


Totaal.

Aldus opgemaakt door mij, Burgemeester der gemeente

Model C.

De BURGEMEESTER der gemeente Overwegende, dat liem uit liet verslag van den veearts gebleken is

dat {a)

toebelioorende aan

van beroep veehouder, wonende te

ten aanzien van welk vee aan de bij artt. 13 en

14 der wet gegeven voorschriften omtrent aangifte en afzondering is voldaan.

Gelet op de wet van den 20 Juli 1870 blad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij die van

15 April 1896 {Staatsblad n0. 68);

Besluit en beveelt tevens, boven omschreven (]))

te onteigenen,

onmiddellijk in beslag te nemen en te doen afmaken.

, den 18

De Burgemeester voornoemd,

{a) door b.v. longziekte aangetast of van longziekte verdacht is (omschrijving van het vee of de paarden).

(£) vee of paarden en, zoo er voorwerpen moeten worden onteigend, ook deze te noemen.

ocr page 149

— 144 —

Model D.

De BURGEMEESTER der gemeente Gezien zijn besluit van heden, waarbij {a)

daarin genoemd en

toebehoorende aan

te onteigend:

zij n 0

Gelet op art. 24 der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), zooals dat is gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68); Benoemt als deskundige den persoon van te

om genoemd {b)

te waardeeren en daarbij in acht te nemen:

1°. dat voor verdacht . vee de volle waarde wordt berekend;

2°. dat voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, overeenkomstig artikel 105 van het Koninklijk Besluit van 10 Juli 1896 {Staatsblad n0. 104) 50 pCt. en bij mond- en klauwzeer 90 pCt. der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

Gedaan te , den

De Burgemeester voornoemd 3

{a) het vee, de paarden en voorwerpen. {b) vee, paarden en voorwerpen.

Model E.

PROCES-VERBAAL

van beëediging van eenen deskundige.

Op heden 18

is voor mij, Burgemeester der gemeente verschenen

bij besluit van den benoemd als

deskundige om {a)

ter afmaking en vernietiging, te waardeeren, die, ter voldoening aan art. 24 der wet van den 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68), in mijne handen heeft afgelegd {b) , var. naar zijn beste weten die waardeering te zullen doen.

En is hiervan het tegenwoordig proces-verbaal opgemaakt ten dage en jare als boven.

Be Burgemeester der gemeente,

{a) het vee of de paarden , en de voorwerpen. {])) den eed of de belofte.

ocr page 150

— H5 —

Model F.

De ondergeteekende als deskundige daarvoor door den Burgemeester der gemeente benoemt, verklaart op

heden te hebben gewaardeerd, overeenkomstig de bepalingen van art. 24 der wet van den 20 Juli 1870 [Staatsblad n0. 131), zooals dat is gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 [Staatsblad n0. 68), en met inachtneming van het bepaalde bij art. 105 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 [Staatsblad n0. 104), het navolgende [a)

vee, als;

quot;

welk [c) , toebehoorende

aan , veehouder

te volgeus besluit van den Burge

meester van den -4?- onteigend

zij u ^

en in beslag genomen, om te worden afgemaakt en vernietigd.

, den

[a) door (benaming der ziekte) aangetast, van ( „ „ » ) verdacht.

Bij de waardeering moet worden in acht genomen , dat voor verdacht vee en de onteigende voorwerpen de volle waarde en voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, overeenkomstig art. 105 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 [Staatsblad n0. 104), 50 pCt. en bij monden klauwzeer 90 pCt. der waarde, die het in gezonden toestand zou hebben, wordt berekend.

[b) de navolgende voorwerpen, als :

[c) vee of paarden, of

vee en voorwerpen of paarden en voorwerpen.

10

Vecartsenijk., 5e dr.

ocr page 151

— 1-iG —

Model G.

PROCES-VERBAAL.

De BURGEMEESTER der gemeente heeft op heden aan den veehouder wonende te , overeenkomstig art. 24

der wet van den 20 Juli 1870 {Staatsblad n0.131), zooals dat is gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 {Staatsblad nquot;. 68), aangeboden de som van {a) , en zulks voor aan hem bij besluit van den onteigend {b) als:

1°. geschat op ƒ

Voor de navolgende onteigende voorwerpen, als: 1°. geschat op

Makende te zamen de genoemde som van f zijnde {c) der waarde van

en het volle bedrag van de waarde der voorwerpen, waarop zij door den daartoe benoemden deskundige bij proces-verbaal van den zijn geschat,

met welke aanbieding de ondergeteekende heeft verklaard genoegen te nemen.

, den

De Veehouder, De Burgemeester ,

w

{d) Het bedrag in letters uit te drukken.

(£) Aantal stuks vee of paarden.

(c) Het volle bedrag of 50 of 90 pCt.

V(

ocr page 152

- 147 —

Model H.

Ik ondergeteekende van beroep veehouder, wonende te verklaar bij deze te hebben ontvangen van den Burgemeester der gemeente eene

som van

in voldoening van de (a) waarde van

stuks en van de volle waarde

op dat bedrag geschat door (ö)

welk als {c)

{d)

en afgemaakt volgens besluit van den Burgemeester van den , dienende deze tot kwitantie zonder reserve.

, den

{a) volle of 50 of 90 pCt. der {h) den deskundige de deskundigen

de eerste daartoe door den Burgemeester , de beide laatsten daartoe door den Kantonrechter te benoemen.

(lt;?) door (benaming der ziekte) aangetast.

van ( „ „ „ ) verdacht. (d) met de boven omschreven voorwerpen (zoo die er zijn).

Model I.

De ondergeteekende, v^^cMcrr d-ergemeen^e verklaart op den eed bij den aanvang zijner bediening gedaan, dat op heden in zijne tegenwoordigheid {a)

welk vee en voorwerpen toebehoord hebben aan

veehouder te , en door Burge

den 0

10*

ocr page 153

— 148 —

meester dezer gemeente bij besluit van den

18 , op grond der wet van 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), laatstelijk gewijzigd bij die van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68), zijn in beslag genomen en onteigend.

, den 18

{a) Tn te vullen op welke wijze vee en voorwerpen zijn vernietigd.

Model J.

De BURGEMEESTER der gemeente

Overwegende, dat te geen genoegen beeft genomen

met de waardeering van bet bij besluit van den onteigend en ter afmaking en vernietiging in beslag genomen {a)

toebeboorende aan van beroep veehouder, wonende te zijnde {b)

Gelet op art. 24 , 4de lid, der wet van den 20 Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), zooals dat artikel is gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68);

Verzoekt den Kantonrechter te te willen benoemen twee deskundigen, om met den door hem, Burgemeester, aangewezen deskundige bij meerderheid te beslissen over de waarde van bovenbedoeld vee. , den 18 De Burgemeester voornoemd,

{a) door (benaming der ziekte) aangetast, van ( „ „ 9gt; ) verdacht.

(^) omschrijving van het vee en de voorwerpen.

ocr page 154

— 149 —

Model K.

De oudergeteekende als deskundige daarvoor door den Burgemeester der gemeente en de mede-onder-

geteekenden

als deskundigen daarvoor door den Kantonrechter te benoemd, verklaren op heden te

hebben gewaardeerd, overeenkomstig de bepalingen van art. 24 der wet van den 2Csten Juli 1870 {Staatsblad n0. 131), zooals dat is gewijzigd bij de wet van 15 April 1896 {Staatsblad n0. 68) en met inachtneming van het bepaalde bij art. 105 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 {Staatsblad n0. 104), het navolgende {a)

vee, als:

I i

O*)

welk {c) , toebehoorende

aan

veehouder te , volgens besluit

van den Burgemeester van den 1^-

0 Zij»

onteigend en in beslag genomen, om te worden afgemaakt en vernietigd.

, den

{a) door (benaming der ziekte) aangetast.

van ( » » jj ) verdacht. Bij de waardeering moet worden in acht genomen, dat voor verdacht vee en de onteigende voorwerpen de volle waarde en voor vee, door eene besmettelijke ziekte aangetast, overeenkomstig art. 105 van het Koninklijk besluit van 10 Juli 1896 {Staatsblad n0. 104), 50 pCt. en bij monden klauwzeer 90 pCt. der waarde, die het in gezondeu toestand zou hebben, wordt berekend. {b) de navolgende voorwerpen, als:

{c) vee of paarden, of, vee en voorwerpen, of, paarden en voorwerpen.

ocr page 155

— 150 —

Modei, L.

De BURGEMEESTER dev gemeente verklaart op den eed bij den aanvang zijner bediening afgelegd, dat {omschrijviug van heigeen

verkoeht is) door hem uit de hand verkocht

zijn

voor eene som van

, den 18

(Handteekening.)

Model M.

REKENING EN VERANTWOORDING

welke bij deze aan de Algemeene Rekenkamer is doende

(1)

Burgemeester der gemeente (2)

wegens den verkoop (3)

(4)

In te vullen:

(1) Naam van den Burgemeester.

(2) Naam der gemeente.

(3) Hetgeen verkocht is.

(4) quot;Waarvan afkomstig.

ocr page 156

— 151

r be-

igeen. iocht

3

cn . r S ïf

gt;•

r~j Ö

OHquot;

03

^£3 O

cn pJ=l ^

O «

^ O 0)

■quot;Ö

g ^

PQ

ocr page 157

— 152 —

BORDEREL.

ONTVANG UITGAAÏ

f f De ontvaug bedraagt ƒ „ uitgaaf „ „

Dus gelijk.

Verklarende ik ondergeteekende, op den eed bij de aanvaarding mijner bediening aan den lande gedaan, dat in deze rekening is in ontvang gebracht al betgeen door mij is ontvangen of moeten ontvangen en verantwoord worden, zonder te dezer zake iets te bebben verzwegen of acbtergebotiden; dat verder in deze rekening niets wordt in uitgaaf gebraebt ter kwader trouw of betgeen niet alzoo werkelijk door mij is uitgegeven ; terwijl ik verder verklaar, voor de gedane betalingen geen giften of gaven te bebben genoten of te zullen genieten, directelijk of indirectelijk, maar zoodanig te bebben betaald, als zulks volgens de orders van den lande behoort te geschieden.

, den 18

(Handteekening.)

ocr page 158

ALPHABETISCH REGISTER o p de wette n.

De cijfers duiden de bladzijden aan.

Aanbieding van den getaxeerden prijs voor afgemaakt vee. 18.

Aangifte eener besmettelijke ziekte. 13. 14.

Aanspraak op vergoeding voor afgemaakt vee. 17.19.

Acte van bevoegdlieid der veeartsen. 32.

Afmaking van vee. 17. 45.

Afsluiting van hoeven of weiden. 23.

Afzondering van vee, dat aan besmettelijke ziekte lijdt. 13.

Begraven, verbranden of vernietigen van vee en voorwerpen. 33.

Benoeming van districts veeartsen en hunne plaatsvervangers. 8.

Bergplaatsen van vleesch en spek. Binnentreden door districts veeartsen. 9.

Bezoeken der markten door de districts veeartsen. 11.

Bezoldiging enz. der districtsveeartsen. 10.

Binnentreden van erven enz. door de districtsveeartsen enz. 9. 34. 48.

Boeten. Zie Strafbepalingen.

Buitengewone districtsveeartsen. 11.

Bureau- reis- en verblijfkosten der districtsveeartsen. 10. 11.

Consigneren van gelden, welke niet zijn aangenomen, 19.

Deskundigen voor de waardering van af te maken vee. 18.

Diergaarden. Binnentreden door districtsveeartsen. 9.

ocr page 159

— 154 —

Diergaarden enz. Sluiting. 29.

Diploma van veearts. Voorwaarden tot verkrijging. 38. 40.

Districtsveeartsen en plaatsvervangers. 7—11.

„ Buitengewone — 11.

Doorvoer van vee. 14.

Eed voor de districtsveeartsen en plaatsvervangers. 8 „ van deskundigen tot waardering van af te maken vee. 18.

Erven. Binnentreden door districtsveeartsen. 9. 48.

„ Afsluiting. 22.

Examens veeartsenijschool. 41.

Geëxamineerde veeartsen. 13—19. Geneesmiddelen. Levering van — 32.

Hoeven. Afsluiting. 22.

Honden. Vastleggen of vasthouden. 22. Inbeslagneming van vee enz. 17. 47.

Inenting en merking van aan longziekte verdacht vee. 47.

In- en doorvoer van vee enz. Verbod tot — 14. Kennisgeving van besmettelijke ziekte aan den

burgemeester. 12.

Kenteekenen aan hoeve, erf, stal of weide, waar zich besmet of verdacht vee bevindt. 15. Kringen waar binnen de districts veeartsen werkzaam zijn. 10.

Longziekte. Bijzondere bepalingen tot beteugeling der — 47.

Maatregelen van inwendig bestuur. 23. 24. 29. 47.

Markten enz. Bezoek door de districtsveeartsen. 11.

„ Verbod van — 14.

Merkteekenen van verdacht, besmet, hersteld vee. 16. Militaire paardenartsen. 44.

„ paarden. Verkoop van — 45.

Onderwijs in de veeartsenijkunde. 38—40. Onderzoek naar den algemeenen gezondheidstoestand van den veestapel. 7 „ van ziek of daarvan verdacht vee. 15. Onteigening van vee enz. 17—20.

Ontslag van districtsveeartsen. 8.

Ontsmetting, 22—24. 45.

Openbare verkoopingen van vee. 15. 45. Overgangsbepalingen. 35, 42.

Overtredingen. Proces-verbaal. 9. 24.

ocr page 160

— 155 —

Paarden van het leger. Veeartsetijkundige politie, 43.

Penserijen. Binnentreden door districtsveeartsen. 9. Plaatsvervangers districts veeartsen. 8—11. Politie. Veeartsen ijkundige — 12—24. Proces-verbaal van overtredingen. 9.

„ van aanbieding van den prijs van afgemaakt vee. 18.

Reglementen. Provinciale en plaatselijke — 14, Reis- en verblijfkosten van districtsveeartsen en

plaatsvervangers. 10.

Scliatters. Zie Deskundigen.

Schorsing van districtsveeartsen. 8.

„ van veemarkten. 29.

Slagthuizen. Binnentreden door districtsveeartsen. 9.

Slotbepalingen. 29. 37. 42.

Staatstoezigt. Veeartsenijknndig — 7—12.

Stallen. Binnentreden door districtsveeartsen. 9.24.

„ Ontsmetting van — 22—24. 44. Standplaatsen der districtsveeartsen. 8. Strafbepalingen. 24—28. 34.

Tentoonstelling van vee. Toegang door districtsveeartsen. 9.

„ Verbod. 14.

Termijn voor ziekte van vee. 23.

„ voor het brengen van vee in besmette gebouwen enz. 24.

Terrein voor verbranding of begraving van vee. 23. Uitoefening der veeartsenijkunst. 31.

„ verboden aan de districtsveeartsen. 10. „ aan de plaatsvervangende en buitengewone districtsveeartsen geoorloofd. 10. 12. Vee. Wat daaronder verstaan wordt. 29. Veeartsen. Van de — 32.

Veeartsenijkundige politie. 12—24. Veeartsenijkunst enz. Uitoefening der — 31. Veeartsenijschool. Van de Rijks — 38.

Verbod van markten enz. 14.

Verbranden van gestorven of afgemaakt vee enz.

23. 45.

Verdacht vee. 16.

Vergoeding voor onteigend vee. 17. enz.

„ van schade voor grond tot begraving enz. 23. Verkoop van militaire paarden. 45.

ocr page 161

J) Sc./O 7*-# -156-

Verslag der districtsveeartsen. Jaarlijksch — 10. „ van den Minister. 12.

Vervoer van vee enz. Verbod tot — 14. 16. 22.

Vildergen. Binnentreden door districtsveeartsen. 9.

Viseren der diplomata van veeartsen. 10.

Vleesch. Wat daaronder verstaan wordt. 29.

Voorzorgsmaatregelen bij noodzakelijk vervoer van besmet of verdacht vee. 16.

Voorschot van schadevergoedingen uit de gemeentekas. 21.

quot;Waardering van vee. 18. 26.

Weiden. Binnentreden door districts veeartsen. 9.

Weigering van aangeboden gelden voor onteigend vee. 18.

Werkplaatsen, penserijen en dergelijke. Binnentreden door distri ets veeartsen. 9.

Wetten. Vervallen. 29.

Winkels van vleesch. Binnentreden door districtsveeartsen. 9.

Zegel- en registratieregten. Vrijstelling. 26. 27. 29.

Ziekte van vee. Termijn. 17.

ocr page 162
ocr page 163
ocr page 164
ocr page 165