-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

HET LIJDEN VAN CflEISm

EENE LEERSCHOOL

DICIl

vooi-naainste 3gt;e»igcleii.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

fe/p

HET 5^2)

LIJDEN VAN CHRISTUS.

EENE LEEBSCHOOL

DER

VOORNAAMSTE DEUGDEN,

DOOR

F. BETERS,

REnEMPTOniST.

Tweede Druk.

MET KERKELIJKE GOEDKEURING.

GULPEN.

SNELPERSDRUK VAN M. ALBERTS amp; ZONEN, UITGEVERS.

1891.

-ocr page 8-

Door den Hoogwaardigon Pater Generaal onzer Congregatie , Nicolaus Mauron, daartoe gemachtigd, staan wij toe dat liet werkje: «Het lijden van Christus, eene leerschool .der voornaamste deugden, door den Eerw. Pater Peters, C. SS. R.» gedrukt worde, servatis servandis.

AMSTERDAM, 15 October 1885.

P. OOMEX, C.SS.R.

J. M. SCHOLTIS, Par.-Dec.

ad hoc delegatus.

Galopiae, 20 Octobris 1885.

EIGENDOM DES SCHRIJVERS.

-ocr page 9-

y w i»r iifrT*r Mt W' ^'ww^'^WWw'at

OPDRACHT.

0! Allerheiligste Verlosser ! te weinig zijt Gij gekend, te weinig bemind. Doe U door allen kennen, opdat allen ü beminnen. Het is genoeg U te kennen om ü lief te hebben. Die U niet beminnen , kennen U niet. Hoe anders is het mogelijk een God uit lietde tot de menschen gegeeseld, met

~ O 7

K

i

doornen gekroond , en aan een schandig hout geslagen niet te beminnen. De bruid der gezangen kende ü , immers toen men haar vroeg: hoedanig is uw welbeminde V gaf zij tot antwoord: mijn Welbeminde is wit en rood. Wit ter oorzake zijner Godheid; rood ter oorzake zijner menschheid, en het ter liefde van ons vergoten bloed. Zij beminde U dan ook zóó zeer, dat zij in waarheid zeggen kon: mijn Welbeminde is aan mij, en ik aan Hem. Moge dit. mijn onbeduidend boek, dat U, mijn dierbare Verlosser, zij toegewijd, er iets toe bijdragen dat Gij meer gekend , inniger bemind wordet en allen uwe voetstappen mogen di ukken, dan is mijn vurigste wensch voldaan.

'Tbürs

-ocr page 10-
-ocr page 11-

VOORBERICHT.

Zeer veel is en wordt er nog gestadig over 's Hee-ren bitter lijden geschreven. Doch nimmer kan er genoeg van gesproken, genoeg over geschreven worden. Lesschen ook inillioenen hunnen dorst aan deze heilzame bron, nimmer droogt zij op. Hebben ook duizenden over deze stof geschreven, nimmer is zij uitgeput-Hoe oud zij moge zijn, altijd vindt men er iets nieuws. Hoe dikwijls men ook dat Lijden overwege , altijd laat het opnieuw een zaligen indruk achter. Door het lezen van Christus' lijden, zooals de H.H. Evangelisten het verhalen, worden wij reeds opgewekt Dengene te beminnen die uit liefde tot ons zooveel geleden, zulken pijn- en smaadvollen dood gestorven is. Deze wederliefde van onzen kant moet dan ook hij steeds ten doel hebben, die in zijne geschriften over het lijden van Christus handelt. Doch aangezien wij beminnen moeten, niet met woorden en de tong, maar met de daad en in waarheid, heb ik over verschillende deugden gesproken, waarvan Christus ons het voorbeeld of wel do geschiedenis van Christus' lijden ons aanleiding geeft^ om door het beoefenen dier deugden onze wederliefde te toonen. Vele godvruchtige schrijvers hebben 's Hee-ren bitter lijden meesterlijk beschreven, en op eene treffende wijze uiteengezet, zoodat men bij het lezen

-ocr page 12-

vin

zicli voelt aangespoord Dengene lief to hebben, die .zoo veel voor ons gelerten heeft; Doch over de wijze, Waarop wij onze wederliefde moeten toonen, wordt vaak minder breedvoerig gehandeld. Ik heb derhalve gemeend, dooide voornaamste deugden wat meer uiteen te zetten, dengenen een dienst te doen, die gaarne het lijden van Christus overwegen. Mogen deugdzame personen in de. wereld, en zij die aan de wereld verzaakt hebben, door het beoefenen dier deugden hunne wederliefde aan den lijdenden Jezus bewijzen! Voor dezen vooral heb ik mij de moeite getroost deze regelen te schrijven.

Ik heb dit werk in 3 deeltjes verdeeld. In het isle heb ik Christus beschouwd in don hof van Olijven; in hot S116 Christus voor de rechters, en in het 3de Christus naar en op Golgotha. Mijn doel i§ niet het lijden en den dood van Christus te bcfchrijven , met alle hiermede gepaard gaande omstandigheden, maar ik hob mij tot de voornaamste trekken bepaald. De H. Thomas (Catena anrea), de H. Bonaventura , en de H. Alphonsus, zijn de voornaamste Kerkleeraren die ik geraadpleegd heb. Als ik don H. Alphonsus aanhaal, dan bedoel ik de fransche uitgave van den E. P. Dn-jardin. Bij elk hoofdstuk hob ik een kort gebed gevoegd om die deugd te bekomen, waarover gehandeld is. Mogen zij, die deze woorden lezen, in hun gebod ook mijner indachtig zijn.

-ocr page 13-

INLEIDING.

Over het lijden van Jezus in het algemeen.

Er zijn lielaas, vele dwaze en uitzinnige mensclien in de wereld. Hun getal is ontzaglijk groot, onmogelijk zijn ze te tellen (I). Men vindt ze in alle standen. Geen levensweg wordt bewandeld, of men treft er personen aan, die minder of meer onder liet getal dei-dwazen moeten worden gerangschikt. Zij wenden zicli af van God hun Schepper, en keeren zich tot het schepsel. God, hun hoogste goed, wordt vergeten, zelfs miskend , en in het schepsel zoeken zij hun laatste einde. Dit is ongetwijfeld de grootste dwaasheid, de onbe-grijpelijkste uitzinnigheid. Wat mag toch wel de oorzaak zijn, dat men zoovele dwazen aantreft? Er wordt in onze dagen veel geschreven en gelezen; wij zijn getuigen van vele nieuwe uitvindingen; groote plannen en stoute ondernemingen komen tot stand. Schier op elk terrein vindt men wetenschappelijke mannen, wier namen algemeen bekend zijn. — JDe reden waarom hot getal der dwazen, zelfs onder hen, die overigens voor geleerden doorgaan, zoo ontzettend groot is, moet onder anderen gezocht worden inde keuze dor boeken. Men doorbladert gansche boekdoelen, maar het voornaamste, ja

(l) Eccle. I. 15.

LIJDEN V. CHRISTUS.

I

-ocr page 14-

2

het eenigste boek, waarin alle wijsheid ligt opgesloten, blijft liun onbekend, en zij gewaardigen zich niet het in te zien. Dit zoo treffelijk, zoo schoon, zoo goddelijk boek is 's Heeren bitter lijden. Dit boek is eene onnitput-telijke bron van wijsheid. De H. Thomas van Aquinen vroeg eens den H. Bonaventura uit welke boeken hij toch zijne wetenschap putte. Deze nu toonde hem een crucifix, dat hij schier voortdurend aan zijne lippen drukte, en sprak: ziedaar mijn boek. Dit boek is geschreven met bloedige letters op Golgotha's kruin. Iedereen kan het lezen bij dag en bij nacht, en zou men niet in staat zijn een enkel boek te lezen, dit boek kan eenieder lezen, zelfs de ongeletterdste. Ja, het beeld des gekruisten Verlossers was hot bij uitstek geliefkoosde boek der heiligen; zij droegen het altijd bij zich, en voortdurend lag het open voor hunne oogen.

Vandaar dat zij uitschitterden in wijsheid, en als zoo lt;

vele lichten flikkerden in Gods Kerk. De Apostel Paulus lt;

putte uit dit boek eene meer dan gewone wijsheid; hij lt; verkondigde liet den heidenen, en zij werden, dwaas , j

als zij waren, wijs en verstandig, dat is, van zondaren {

werden zij gerechtvaardigd; want in de zonde ligt det j

dwaasheid, in de deugd de wijsheid opgesloten. Gave z

God dat de dwazen dezer wereld dit goddelijk boek {

een.s wilden inzien en bestudeeren! Weldra zouden zij «

wijs worden, de zonde verlaten en de deugd beoefenen. z

Doch onder hen, die voor wijs en deugdzaam door- c gaan, vindt men er ook velen, wier godsdienstige ijver

nog veel te wenschen overlaat. Niet alleen in de wereld, V

maar zelfs binnen de gewijde muren van het stille t

klooster worden zulke lauwe zielen gevonden, die den c goeden God wel beminnen, maar wier liefde alles behalve vurig is. Zij zijn gelijk aan een kind, dat zijnen

-ocr page 15-

vader volgenderwijze toespreekt: «Vader ik bemin u, maar ik beperk mijne liefde hiertoe, dat ik u geen leed veroorzake, om hetwelk ik mijn erfdeel zou kunnen verbeuren; doch verder zal ik er mij niet over bekommeren of u dit behage of dat bedroeve.» Zoo spreken die lauwe zielen wel niet met den mond, maar met de daad. Zij willen voor niets ter wereld eene doodzonde plegen, waardoor zij van hun recht op den hemel beroofd worden, de dagelijksche zonde echter vermijden zij niet; hiertoe willen zij zich zelfs niet eene kleine moeite, eene geringe inspanning, een onbeduidend offer getroosten ; en zoodoende bedroeven zij voortdurend het hart van hun hemelschen Vader. Om nu uit zulk een gevaarvollen staat van lauwheid op te staan, is er geen beter middel dan den wijnkelder binnen te treden, waarvan de Bruid der Gezangen spreekt, wanneer zij, op haren goddelijken Bruidegom doelende, zegt: «Hij «heeft mij den wijnkelder binnengeleid.» (1) Door dezen geheimzinnigen wijnkelder verstaat de H. Kerkleeraar Alphonsus (2) het bitter lijden onzes Heeren Jezus Christus, die, zooals de Profeet Isaias zegt, (3) de wijnpers alleen getreden heeft, -waarom zijn kleed rood, zijne kleeding gelijk was aan hen, die de wijnpers treden. De Bruid kende Hem, wanneer zij uitriep: «mijn «welbeminde is wit en rood.» (4) Wit ter oorzake van zijne Godheid, rood ter oorzake van zijne menschheid en het ter liefde van ons vergoten bloed.

Treden wij dan in den geest den hof van Olijven binnen. Wij zien daar een God bedroefd tot den dood toe, zijn kleed is rood , geheel en al doortrokken van een bloedig zweet, dat rondom hem de aarde bevoch-

(l) Cant. 2. 4. -— (2) Edit. Dujardin T. 5. p. 41. —

(3) Isaias 63. 3. — (4) Cant. 5. 10.

-ocr page 16-

4

tigt. Gedreven door eene grenzenlooze liefde tot de» gevallen mensch, heeft Hij zich willen beladen met al onze zonden. Door dien zwaren last van ontelbare zonden, werd Hij als verpletterd, en zoodanig geperst, dat het bloed uit zijn gezegend lichaam op de aarde afdroop. Welk hart zou bij het beschouwen van dien met droefheid overstelpten Zaligmaker, de zonde, zelfs de geringste, niet van ganscher harte verfoeien, wetende dat het de zonde is, die Hem dat bloed deed zweten? Wie zou dat goddelijk Hart nog door eene enkele zonde durven bedroeven? Welk hart zou niet ontvlamd worden van wederliefde? Wie onzer zou niet met den Apostel Paulus (1) uitroepen: «de liefde van «Christus dwingt ons.» Die liefde dwingt ons tot wederliefde, en daar Christus de zonde alléén verfoeit en haat, zal een hart, dat van wederliefde klopt, ook elke zonde verafschuwen en haten; en dit niet alléén, maar hot zal zich beijveren door het beoefenen der deugden aan dat goddelijk hart meer en meer gelijkvormig te worden. In één woord, eene ziel, die den hof van Olijven binnengaat, en daar dien doodstrijd van onzen Verlosser overweegt, zal weldra van lauw vurig, van vurig heilig worden. De heiligen zijn niet heilig geboren, zij zijn heilig geworden door de liefde, waarin de volmaaktheid bestaat. En waar werd hun hart door den pijl der liefde getroffen ? Op den berg van liefde, want zóó noemt de H. Kerkleeraar Franciscus van Sales, den berg van Calvarië. Daar werpt een God van liefde vurige liefdepijlen in de harten zijner kinderen. Van zulken liefdepijl was het hart eener H. Maria Magdalena de Pazzis getroflen, toen zij met een kruis in de hand

(i) II ad Corinth. 5. 14.

-ocr page 17-

door de gangen van haar klooster liep en uitriep: Ö liefde! o liefde! o liefde! Ook het hart van den H. Fran-ciscus van Assislë was gewond door dien zoeten pijl der liefde; hij kon zijne tranen niet weerhouden, en slaakte luide kreten bij de beschouwing van zijnen, ter liefde van hem, gewonden en bebloeden Jezus.

Met de bruid der gezangen zochten zij hunnen welbeminde, doch, hetzij zij Hem vonden in den hof van Olijven, of op Golgotha's kruin, zij vonden Hem overdekt met bloed; en de gedachte; het is ter liefde van mij, dat Hij zijn bloed vergiet, wondde dermate hun hart van wederliefde, dat zij niets vuriger wenschten dan bloed met bloed te vergelden, en ook hun bloed ter liefde van Jezus te kunnen vergieten. Dat ik sterve ter liefde van U, zoo riep de H. Franciscus van As-sisië uit, die gestorven zijt ter liefde van mij. En de gelukzalige de Suso nam op zekeren dag een scherp ijzer, sneed hiermede den naam van Jezus op zijn hart; gansch bebloed wierp hij zich neder voor een crucifix en riep uit: O Jezus! hoe gaarne zou ik uw zoeten naam nog dieper in mijn hart willen snijden, maar het is mij niet mogelijk. Doch geene liefde evenaarde die van de bruid der gezangen. Door haren goddelijken Bruidegom, dien geheimzinnigen wijnkelder binnengeleid , was zij zóó ontstoken van liefde, dat die heilige liefdevlammen haar rein en maagdelijk hart als verteerden, en zij uitriep: «ondersteunt mij met bloemen, «versterkt mij met het sap der vruchten, want ik kwijn «weg van liefde.» (1)0! indien vurige en godminnende zielen haren beminden Zaligmaker steeds in den geest vergezelden én in den hof Gethsemane én op Golgotha,

(i) Cant. 2. 5-

-ocr page 18-

6

dan zouden zij weldra elke aardsclie genegenheid uit liaar hart verbannen. Zij zouden voortaan voor Dengene alleen leven, die, na voor den mensch zoo veel geleden te hebben, zulken wreeden dood gestorven is.

Door het gestadig overwegen van 's Heeren bitter lijden, zal alzoo eene dwaze ziel weldra wijs worden, zij zal haar zondig leven vaarwel zeggen, en het enge pad der deugd bewandelen; eene lauwe, maar overigens toch Godminnende ziel, zal zich beijveren uit haar hart alles te verbannen, wat Gode mishagen kan; en eene ziel, reeds vurig in den dienst van God, zal met rassche schreden vooruitgaan op den weg der volmaaktheid, en hare heiligheid bewerken. Met dit doel zullen wij de voornaamste trekken van 's Heeren lijden door-loopen en de ons aangewezen deugden ter beoefening voorstellen.

-ocr page 19-

EERSTE DEEL

HOOFDSTUK I.

Christus in den hof van Oiijveii.

Haec cum dixisset Jesus, egressus est cutn discipuüs suis trans torrentem Cedron, ubi erat hortus, in quem introivit ipse, et disci-puli ejus. Joan. XVIII. 1.

Nadat Jezus dit gezegd had, ging hij uit met zijne leerlingen over de beek Cedron, alwaar een hof was, dien Hij inging. Hij en zijne leerlingen.

De liefdevolle Zaligmaker, zegt de H. Evangelist Joannes, (1) heeft, na de zijnen, die in deze wereld waren, bemind te hebben, hen ten uiterste lief gehad. Hij wilde, alvorens de zijnen te verlaten en den wree-den dood des kruises te gaan sterven, zich zoo nauw, zoo innig mogelijk met hen vereenigen, stelde daarom het aanbiddelijk Sacrament in van zijn lichaam en bloed, en gaf zich zeiven aan zijne beminde leerlingen tot spijs en drank. Vervolgens zond Hij den lofzang hemelwaarts. Volgens het grieksch werd deze lofzang door Christus gezongen. Waarschijnlijk was het, zegt Beelen, (2) een lofzang, bestaande uit eenige Psalmen, waarmede de Joden gewoon waren het eten van hun Paaschlam te besluiten. Doch de geleerde Car-thagena (3) houdt het voor meer waarschijnlijk, dat Christus dien lofzang zong om zijn hemelschen Vader

(ï) Cap, XIII, i. — (2) Beelen Math. XXVI, 30. — (3) 1.: X, hom. III.

-ocr page 20-

8

te bedanken dat nu zijn uur gekomen was, dat uur, waarnaar Hij zoo vurig verlangde, wanneer Hij zeide: «. ik moet een doopsel ontvangen, en hoe zeer word ik «geprangd, totdat het volbracht zij» (i);dat is, ik moeteen bloeddoop ondergaan; en o! hoezeer word ik geprangd door het verlangen naar het oogenblik, waarop door mijnen kruisdood het werk van 's menschen verlossing volbracht worde. (2) Door dezen lofzang wilde Christus een bewijs geven van zijne bereidvaardigheid, en doen zien, dat Hij vrijwillig en met liefde voor ons ging lijden en sterven.

Daarna verliet de Zaligmaker de stad Jeruzalem om in de stille eenzaamheid zich tot hot gebed te begeven. Izaak, een figuur of type van Christus, begaf zich, zooals wij lezen, (3) tegen den avond naar het veld om te mediteeren of te bidden. Bedroefd over den dood van zijne moeder, zocht hij in die hemeische beschouwing troost en opbeuring voor zijn bedrukt gemoed. Ook Christus, bitter bedroefd over den ellendigen dood van zijne moeder de Synagoge en de verblindheid van zijn uitverkoren volk, ging buiten de stad om te bidden, niet om in liet gebed getroost te worden, maar om zich aan eene onbeschrijfelijke en ongehoorde droefheid over te geven.

En welken weg sloeg Christus in toen Hij Jeruzalem verliet? Denzelfden, dien David gevolgd had, toen hij vluchtte voor zijn zoon Absalon. Was Absalon, die hangende aan een boom den dood vond, een figuur van den rampzaligen Judas den Iskarioter, die zich zelf het leven benam, hangende aan een boom; David

(i) Luc. XII, 50. — (2) Beelen ibid Luc. XII, 50. — (3) Gen. XXIV, 63.

-ocr page 21-

9

was een figuur van den Verlosser der wereld. Ook Christus werd vervolgd en ter dood gezocht, en Hij sloeg denzelfden weg in, dien David gevolgd had, niet om zijne vijanden tc ontvluchten, maar om zich door hen te doen vinden; want Hij wist, dat Judas dien weg kende en Hem aan het hoofd eener snoode bende achtervolgen en verraden zou. Van dat alles was hij zich volkomen bewust, en toch begeeft Hij zich naar die plaats, gedreven door eene matelooze liefde tot den mensch. Welke edelmoedigheid!

Indien trage en lafhartige zielen dit goddelijk voorbeeld niet zoo vaak uit het oog verloren, zouden zij zich schamen over hare geringe en onbeduidende offervaardigheid in den dienst van dien goddelijkon Meester. Dan Christus geeft ons niet slechts een voorbeeld van edelmoedigheid. Hij leert ons tevens de wijze, waarop wij tegen onze vijanden moeten strijden. Ter plaatse, waar Sa ten als zijn zetel had opgeslagen, en hem tallooze olfers werden gebracht, daar wilde de Verlosser hem aanranden. Nabij de beek Cedron stond een afzichtelijk afgodsbeeld, genaamd Moloch. (1) Dit was een metalen beeld, dat zijne armen hield uitgestrekt en ganscli gloeiend werd gemaakt. Ontaarde en gruwzame moeders legden hare schuldelooze kinderen op die glooiende armen, welke weldra zich bogen , en liet zoo gemarteld kind in eenen kuil vol vuur lieten neêrvallen. Op deze wijze werden aldaar den duivel duizenden offers gebracht. Was de beek Cedron zoolang getuige geweest van zulke gruwelijke offers, thans aanschouwde zij een ander offer, dat van Christus nl., die zich ging opofferen aan zijn hemelschen Vader, om alle

(I) Corn, a Lap, Joan. XXVIII. I.

-ocr page 22-

10

kinderen der menschen te verlossen van de slavernij des duivels en ze te vrijwaren voor het eeuwige vuur. Hij randde den duivel aan in zijn hart, ontrukte hem zijne heerschappij, en stiet hem van zijn troon. Zou de oude Adam nog over ons heerschen, dan moeten wij van Christus leeren, hem aan te randen in zijn hart. —

Kdelinocdighcid.

Onze goddelijke Verlosser wist zeer goed, welk bitter lijden, welken vreeselijken doodstrijd Hij in den hof van Olijven zou moeten verduren, en toch begaf Hij zich met de grootste bereidvaardigheid naar die plaats, om er den bitteren kelk des lijdens te drinken, en te ledigen tot den bodem toe. «Vele wateren konden zijne liefde niet blusschen.» (1) Zijne matelooze liefde «tot den mensch deed Hem geen lijden, geene smarten, geen doodstrijd vreezen. Indien wij eenigermate aan die overgroote liefde willen beantwoorden, dan moeten wij voor geene moeilijkheid, voor geen lijden terugdeinzen om Jezus te volgen. Niets moet in staat zijn, om ons op den eenmaal ingeslagen weg der deugd terug te houden; geene onaangenaamheid, geene moeilijkheid, geen lijden moet ooit onze liefde doen verkoelen, maar zelfs nog meer ontvlammen.

Vele personen leiden een deugdzaam leven, en men vindt er in de wereld zoowel als in de kloosters, die zich op de volmaaktheid toeleggen, maar ook sommigen maken weinig vorderingen. Waaraan moet men zulks toeschrijven? Aan middelen ontbreekt het hun niet, aan goede voorbeelden evenmin. De voornaamste, zoo niet

(i) Cant. 8, 7.

-ocr page 23-

11

de eenige reden is: gebrek aan edelmoedigheid. Men wil wel vooruit gaan op den weg der deugd, maar hierbij blijft het ook. Men wil, en men wil niet, dat is, de wil is niet werkdadig. Men koestert een verlangen, doch het blijft steeds werkeloos. Op dezulken kan men in geestelijken zin de woorden des H. Geestes toepassen: «De begeerten dooden den luiaard.» (1) Indien het oprecht gemeend is met onzen geestelijken vooruitgang, herinneren wij ons dan de woorden van den godvruchtigen Thomas van Kempen, «gij zult «vooruitgaan, naarmate gij u zelve geweld zult hebben «aangedaan.» (2)

Wij zouden nederig willen zijn zonder vernederin-gen; geduldig zonder lijden; gehoorzaam zonder dwang.! Wij zouden in de verdienste dei' armoede willen deelen, indien wij alles in overvloed hadden; wij zouden de deugd der naastenliefde willen bezitten, mits wij maar nimmer met lastige en driftige personen behoefden om te gaan. Gaarne zouden wij bidden, indien het ons aan geen geestelijken troost ontbrak. De arbeid zou ons niet vervelen, mits het werk volgens onze natuurlijke neiging ware. Wij zouden op den berg der volmaaktheid willen zijn zonder klimmen; rozen willen plukken zonder doornen, vele verdiensten vergaderen voor den hemel zonder moeite. Deze is de gesteltenis eener lafhartige ziel. Zij begrijpt niet, of liever zij wil niet begrijpen, hetgeen alle schrijvers over het geestelijk leven ons voortdurend leeren, dat wij in de deugd geene vorderingen maken, dan naarmate wij ons zei ven geweld zullen aandoen.

Gansch anders is de gesteltenis eener grootmoedige

(l) Prov. 21, 25. — (2) 1. 1. c. 25.

-ocr page 24-

12

ziel. «Zij slaat, zegt tie Paus Bened. XIV (1), de hansden aan het werk, en geeft geen moed verloren om «datgene ten uitvoer te brengen, hetgeen zij met ver-«trouwen heeft ondernomen.» Eene edelmoedige ziel, «zegt de H. Franciscus van Sales (2), heeft gestadig de «woorden van den Apostel Paulus in den mond; «ik kan «alles in Dengene, die mij versterkt» (3). Vandaar zegt de H. Bonaventura (4), dat eene sterke ziel zich boven alle moeilijkheden en onaangenaamheden verheft. En de H. Prosper (5), sprekende over het beschouwend leven, zegt ons, dat eene sterke ziel, te midden van moeilijkheden en tegenkantingen van allerlei aard niet alleen onverschrokken haar werk voortzet, maar zich ook door geene aanlokkelijke genoegens Iaat verleiden. De H. Gregorius doet ons nog breedvoeriger zien, wat eene sterke ziel te doen staat, wil zij dien naam waardig dragen ; «zij overwint de begeerlijkheden «des vleesches, weerstreeft haren eigen wil, verafschuwt «de gemakkelijkheden des levens; om de eeuwige beloo-«ning des hemels bemint zij alle ongemakken van deze «wereld, veracht het bekoorlijke van den voorspoed en «onderdrukt de vrees voor tegenspoed» T)). Zij heeft geen rust, totdat zij over alle fouten heeft gezegevierd, en is zij er met Gods hulp in geslaagd eene fout uit te roeien, dan is zij op hare hoede, om ze weder onmiddellijk te bestrijden, zoodra zij zich vertoont, want, zegt de H. Prosper (7), zij rekent het zich tot eene grootere schande, door die fouten op nieuw overwonnen te worden, welke zij reeds overwonnen had. Zij houdt

(l) De serv. Dei beatif. et beator Canoni 1. III. c. XXIV. ss. III. — (2) Entret. V. — (3) Philip. 4, 13. —(4) Edit. Vivèz t. V, p. 123. — (5) De vita contempl. cap. XX, p. 92. — (6) Lib. VII, Moral. 1. XXI, coll. 221. — (7) t. a. p.

-ocr page 25-

13

geen vrede met eene enkele fout, want zij meent niets gedaan te hebben, zoolang zij aan ééne fout onderworpen blijft. Zij doet niet, zooals eenige lafhartige zielen, die op den eenmaal ingeslagen weg der deugd, niet vooruit-, maar ook niet achteruit willen gaan, want zij begrijpt zeer goed, zooals de H. Bernardus zegt, dat zulks onmogelijk is. Ziehier hetgeen deze heilige kerkleeraar hieromtrent schrijft in een zijner brieven aan een kloosterling gericht: en deze woorden zijn op eenieder toepasselijk die naar de volmaaktheid streeft. «Een gestadige ijver om vooruit te gaan, en een «voortdurend streven naar de volmaaktheid, is de vol-«maaktheid. Indien dan het streven naar de volmaakt-«heid, volmaakt zijn is, dan is het niet streven achter-«uitgaan. Waar zijn zij dan die plegen te zeggen: het «is ons voldoende, wij willen niet beter zijn dan onze «voorgangers? O gij wilt niet vooruitgaan? Neen. Wilt «gij dan achteruitgaan? Geenszins. Wat wilt gij dan? «Ik wil, antwoordt gij, nog zóó blijven leven en blijven «staan, waar ik sta, slechter wil ik niet worden, maar «ook niet beter. Dan wilt gij iets wat onmogelijk is» (1). En hij bewijst het volgenderwijze: «Wat blijft er staan «in deze wereld? En vooral betrekkelijk den mensch «staat er geschreven: bij vlucht als eene schaduw, en «blijft nimmer in denzelfden staat: Onze Heer stond «op om zijn weg te doorloopen als een reus. Derhalve • «haalt hij den loopende niet in, die op zijne beurt niet «loopt. Indien dan de Heer loopt en gij stil blijft staan, «nadert gij niet tot Christus, maar verwijdert gij u al «meer en meer van Hem. En gij hebt te vreezen het-«geen David zegt: zie! zij, die zich van U o Heer ver-

(l) Epist. 254 ad Garium.

-ocr page 26-

u

«wijdcren, zullen verloren gaan. Indien men dus niet «vooruitgaat, tenzij men loope, dan staat liet niet loepen «en het niet vooruitgaan gelijk. Hieruit blijkt alzoo «duidelijk, dat, niet willen vooruitgaan, achteruitgaan «is.» Verder wijst hij ons op de geheimzinnige ladder van Jacob, waarop geen Engel bleef stilstaan; de eenen klommen op, de anderen daalden af, als wilde de Heilige Geest daardoor te kennen geven, dat er in dit sterfelijk leven geen midden bestaat, men gaat voor-of achteruit. Willen wij alzoo niet verllauwen in het geestelijk leven, dan moeten wij steeds vorderingen maken op den weg der deugd. Doch hiertoe wordt eene groote edelmoedigheid vereischt. Den heiligen j heeft dat evenveel moeite gekost, ja, zij zijn niet heilig 1 geworden, dan juist omdat zij edelmoedig waren. Zij wisten zeer goed hetgeen geschreven staat (1): «Door «vele kwellingen moeten wij het rijk der hemelen «binnengaan.» Sommigen geven zich wel eenige moeite, om den berg der volmaaktheid te beklimmen, maar zoodra zij op hunnen weg eenige doornen ontmoeten, in plaats van er doorheen te worstelen, blijven zij stilstaan, en gaan dan van zelf reeds achteruit. Onze goddelijke Verlosser wist zeer goed, zoo als wij reeds gezegd hebben, hetgeen Hem in den hof van Olijven te wachten stond, en toch bleef Hij niet stilstaan, maar met de grootste bereidvaardigheid begaf Hij zich naar die plaats, terwijl Hij ieder onzer toeroept, «volg mij.»

Zeker schriftgeleerde naderde tot Jezus en zeido Hem: «Meester, ik zal U volgen, waar Gij ook moogt «heengaan» (2). Hoogstwaarschijnlijk was die man op

(i) Act. Apcst. 14, 21. — (2) Matheus 8, 19.

-ocr page 27-

15

tijdelijk voordeel bedacht, zooals wij uit liet antwoord van Jezus kunnen opmaken: »De vossen hebben holen «en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des «menschen heeft niets, waar Hij liet hoofd kan neder-«leggen.» Tot zulke armoede en onthechting zal hij niet hebben kunnen besluiten, want wij lezen niet, dat hij den Heer gevolgd heeft. Laten wij dan, met het oog op het geestelijk voordeel, voor geene moeilijkheid terugdeinzen, en een besluit opvatten, vaster dan ooit, om Jezus te volgen, waarheen Hij ook moge gaan. En indien wij Hem met den H. Petrus zouden vragen, «Heer, waar gaat Gij heen,» (1) dan antwoordt Hij ons, «Ik ga naar Gethsemane, alwaar mij een bloedige «doodstrijd wacht; daar zal Judas mij aan mijne vijanden «overleveren, en Ik zal mij voor u gaan slachtofieren.» (2) Dit is de taal van Jezus, de Krootmoedigheid zelve.

'O O

Hoe ver zijn wij van zulke edelmoedigheid verwijderd! Wij willen Christus wel volgen naar Thabor's kruin, maar om Hem te volgen op den lijdensweg naar Gethsemane, ontbreekt ons den moed. Wij zijn wel bereid om een klein ofler te brengen, mits het den ouden Adam niet te zwaar valle. Nu en dan zullen wij een werk verrichten, dat niet ten eenenmale strookt met onze natuurlijke neiging, maar van die heilige onverschilligheid omtrent elke bezigheid van welken aard dan ook, blijven wij steeds verstoken. Zou het • eenige moeite kosten, iets aan onzen overste of biechtvader te openbaren, dan meenen wij reeds een grooten stap gedaan te hebben, indien wij ons in dit punt overwinnen; geldt het echter eeue zaak die ons diep vernedert, dan kunnen wij hiertoe niet beslui-

(i) Joann. 13. 36. — (z) Brev. Rom. feria V. hebd. Sanct.

-ocr page 28-

16

ten. Gelioorzaam in gemakkelijke zaken, of aan een overste, wiens karakter met het onze overeenstemt, valt in den regel niet zwaar, doch als de uitvoering van het gebod veel moeite en inspanning vergt, of uitgaat van een overste, tegen wien wij een afkeer gevoelen, dan geven wij aanstonds blijken van onze ontevredenheid, en van edelmoedigheid is geen spraak.

^Somtijds treft men personen aan. die edelmoedig schijnen te zijn, maar worden zij ziek, of hebben zij lichamelijke pijnen te verduren, dan zijn zij lafhartig, zij klagen van den morgen tot den avond, en willen dat eenieder hen beklage, in plaats van hun lijden met eene voorbeeldige edelmoedigheid Gode op te ofleren. Anderen houdt men, volgens hunne gesprekken te oor-deelen, voor zeer edelmoedig, doch worden zij vernederd of gelasterd, dan geven zij zicli aan moedeloosheid over, en laten zicli soms zeer liefdeloos uit over henT door wie zij vernederd of gelasterd worden, in plaats van kwaad met goed te vergelden, zooals edelmoedige zielen plegen te doen. Is er spraak van heilige voornemens, dan maken lafhartige personen alléén die, welke aan de bedorven natuur niet voel kosten; eene edelmoedige ziel daarentegen randt den duivel aan iR zijn hart, slaat de bijl aan den wortel, maakt een vast besluit om juist datgene uit te voeren, waarvan de oude Adam het meest afkeerig is, en waartegen hij zich vooral verzet. Zij steunt niet op hare eigene krachten, maar indachtig het woord des Heeren, «zonder «mij kunt gij niets doen,» (1) roept zij met den Apostel uit, «ik kan alles in Dengene die mij versterkt» (2) of wel met den Profeet David, «door mijnen God stap ik

(l) Joan. 15. 5, — (2) Philip, 4. 13.

-ocr page 29-

47

heen over muren.» (1) Door eenen muur verstaat meu, zegt een geleerd schrijver (2), elke hindernis, elk beletsel, dat ons, op onzen weg naar den hemel, door het vleesch, door de wereld en door den duivel, voor de voeten geworpen wordt. Dat dan eenieder, die naar de volmaaktheid streeft, met eene groote edelmoedigheid uitroeper ik wil en ik zal vooruitgaan op den weg der volmaaktheid; door mijn God gesterkt, door zijne genade ondersteund, zal ik over alle moeilijkheden, van welken aard dan ook, heenstappen; ik zal loopen en blijven loopen om den palmtak der overwinning te behalen, en dien graad van heerlijkheid te bereiken, welken de Goede God voor mij bestemd heeft.

GERED.

O Heer Jezus! verheven toonbeeld van edelmoedigheid! ik ben beschaamd bij het zien van mijne kleinmoedigheid en vreesachtigheid om mij te overwinnen. Hieraan alleen heb ik het te wijten, dat ik in plaats van vooruit, werkelijk achteruit gegaan ben op dea weg der deugd. Het heeft mij niet aan middelen ontbroken, maar ik was te traag om ze te benutten. Goede voorbeelden had ik steeds onder de oogen, doch ik had geen moed genoeg om ze te volgen; de liefde tot den ouden Adam, tot den zinnelijken menscli hield mij hiervan terug. Bemint Gij, zooals uwe groote dienares de H. Theresia zegt, edelmoedige zielen, dan kan ik, traag en onverstorven als ik ben, geen aanspraak maken op uwe bijzondere liefde. Ik dank U, dat Gij zoolang geduld met mij gehad hebt. Ik vraag U ootmoedig om vergeving voor mijne zoo merkbare traag-

(i) Psalm. 17. 30. — (2) Le Blanc in Psalm. 17. LIJDEN V. CHRISTUS. 2

-ocr page 30-

18

lieid. Doch nu moet er een eind aan komen. Heb ik tot dusverre op den weg der volmaking gekropen als eene slak, thans wil ik, wat het mij ook moge kosten, met reuzenstappen vooruitgaan. Geef mij hiertoe uwe genade! O mijne goede Moeder Maria, verkrijg mij eene groote edelmoedigheid.

HOOFDSTUK II.

Et ipse avulsus est ab eis , quamtum est jaclus lapidis. Luc. XXII. 41.

En Hij scheidde zich van hen af een steenworp ver.

Onze goddelijke Verlosser, na Jeruzalem verlaten en de plaats nabij de beek Cedron, alwaar Satan talloozo ofl'ers werden gebracht, door zijne goddelijke voetstappen geheiligd te hebben, begaf zich in de stille eenzaamheid. Aan den voet van den Olijfberg lag een hof Gethsemane of hof van Olijven genaamd. Dezen trad Hij binnen, doch den leerlingen beval Hij aan den ingang te blijven wachten. Drie der zijnen, Petrus, Joannes en Jacobus, die op Thabor's kruin getuigen waren geweest van zijne heerlijke gedaanteverandering, nam Hij echter met zich in den hof. Maar ook van dezen scheidde Hij zich af een steenworp ver. (1) De H. Evangelist Lucas schrijft, (2) dat Hij zich naar den Olijfbeig begaf «volgens gewoonte» en de H. Joannes (3) leert ons, dat Jezus aldaar dikwijls was samengekomen met zijne leerlingen. Hieruit zien wij, dat Christus, ons voorbeeld, niet eens, maar meermalen zich afzonderde in de stille eenzaamheid. Reeds in dea stal te Bethlehem leert Hij ons de eenzaamheid liefhebben. Zijn

(l) Luc. 22. 41. — (2) t, a. p, v. 39. —- (3) Joan. 18. 2.

-ocr page 31-

19

langdurig verblijf in eene grot te Heliopoiis in Egypte, zijne woning tot aan zijn dertigste jaar in het huisje te Nazareth, zijn veertigdaagsch verblijf in de woestijn en zijne herhaalde afzondering gedurende zijn openbaar leven, is dit alles niet een duidelijk bewijs van zijne liefde tot de eenzaamheid? Geeft Hij ons hierdoor niet duidelijk te verstaan, dat ook wij, niettegenstaande onze drukke bezigheden, ons van tijd tot tijd in de eenzaamheid moeten begeven? «De Heer en onze Zaligmaker,» zegt de H. Paus Gregorius, «vermaant ons nu eens «door woorden, dan weder door daden. Immers zijne «handelingen zijn voorschriften: want als Hij stilzwij-«gend iets verricht, dan geeft Hij ons te kennen, wat «wij moeten doen.» (1) Vooraleer Hij zijn openbaar leven begon, trok Hij zich eerst terug in de eenzaamheid , en alvorens Hij den bitteren kelk des lijdens drinken, den bloedigen doodstrijd ondergaan, het werk der verlossing voltooien zou, begaf Hij zich wederom in de eenzaamheid, om zich in die stille afzondering door het gebed tot den strijd uit te rusten. Voor Hem zeiven was die eenzaamheid en dat, gebed niet noodzakelijk, maar die goddelijke Leeraar wist, waaraan wij behoefte hebben en daarom wijst Hij ons op den weg naar de eenzaamheid.

Willen wij derhalve gewichtige ondernemingen met het beste gevolg bekroond zien, steeds als overwinnaars uit den strijd te voorschijn komen, het werk onzer volmaking meer en meer voleindigen, dan is de weg, dien wij moeten inslaan, door CKristus ons aangewezen. Hij wacht ons iti de eenzaamheid, om ors te verlichten in de duisternis, te sterken in den strijd, de volharding

(i) Hom. 17 in Evang.

-ocr page 32-

20

te schenken in het goede, en ons zijne machtige hand toe te reiken, om den berg der volmaaktheid te beklimmen. Daar zal Hij ons gezelschap houden als Vriend, ons voeden als Herder, ons opbeuren als wij gevallen, ons genezen als wij gewond zijn. Hij zal spreken tot ons hart, en zeggen wat wij doen en laten moeten. clt;0, zalige eenzaamheid! O woestenij! de dood der zon-«den, het loon der deugden.» (1)

lie afzondering.

Doorbladeren wij de H. Schrift, slaan wij het leven der Heiligen open, dan zien wij, dat, wanneer God zich openbaarde, Hij zulks meestal deed aan personen, die zich in de stille eenzaamheid hadden teruggetrokken. «Doorzoeken wij de H. Schrift,» zegt Hugo de S,0Vic-tore, (2) «en wij zullen bevinden, dat God zelden of «nooit gesproken heeft in het midden eener drukke «menigte; maar zoo dikwijls Hij den menschen iets «kenbaar wilde maken, heeft Hij zich geopenbaard, « niet aan de menigte of aan de volken, maar aan af-«zonderlijke personen, of weinig in getal, en van den «gewonen omgang der menschen verwijderd, hetzij in «de nachtelijke stilte, hetzij in de velden of op een-«zame plaatsen, op de bergen of in de valleien. Zoo «heeft Hij gesproken met Noë, met Abraham, met «Izaak, met Jacob, met Mozes, met Daniël, met David «en alle Profeten.» «En waarom,» zoo vraagt diezelfde schrijver, «spreekt God altijd in de eenzaamheid? Waar-« om anders, dan om ons in de eenzaamheid te roepen?» Overtuigd van deze' waarheid, hebben de Heiligen steeds

(i) S. Bern. Sermo in Parabol. — (2) Libr. 4. de Area Nog cap. 4.

-ocr page 33-

21

naar de eenzaamheid verlangd. Eenigen zonderden zich geheel en al af van eiken omgang met de menschen, en brachten hun leven door in eene dorre woestenij. Anderen onderhielden zich gedurende een geruimen tijd met God, op eenzame en gansch afgezonderde plaatsen, zooals een H. Franciscus van Assisië op den berg van Alverne, een H. Ignatius in de grot van Manrese, en de H. Alphonsus in de grot te Scala; daar zochten en vonden zij God; daar in de beschouwing verslonden, spraken zij vertrouwelijk met God, en God openbaarde zich aan hen. Aan alle Heiligen en dienaren Gods was het echter, uithoofde van hunne menigvuldige bezigheden, niet gegund, langen tijd in do eenzaamheid te verwijlen. Hun verlangen om zich met God in de eenzaamheid te onderhouden was vurig, maar hun ijver om aan het zielenheil te werken nog vuriger. Zij beminden de eenzaamheid, maar, zegt de H. LaurentiUs Justi-nianus (1), moet men ze altijd liefhebben, men moet er toch niet altijd in blijven. In de eenzaamheid leerden zij de liefde, den naaste verschuldigd, kennen, en onder de menschen brachten zij haar in beoefening. Hoe verheven hunne bediening, hoe heilig hun arbeid was, toch trokken zij zich van tijd tot tijd in de eenzaamheid terug, om met vreugde water te putten uit de bronnen des Zaligmakers, (2) en dan over de menschen weer uit te storten. Zij hadden het voorbeeld van den god-delijken Verlosser steeds voor oogen, die zijne leerlingen meermalen van de volksschare afzonderde. Toen de Apostelen van hunne zendingsreis teruggekomen, hun Goddelijken Meester alles verhaalden, wat zij gedaan en geleerd hadden, zeide Jezus tot hen: «Komt

(l) De casto connub Verbiet animae. C. 6. —(2) Isaias 12. 3.

-ocr page 34-

22

«afzonderlijk naar eene eenzame plaats, en rust een «weinig uit.» (1) Zij moesten hunne gewone werkzaamheden staken, niet om zich aan werkeloosheid over te geven, maar, terwijl zij hun lichaam eenige rust gunden, bleef hun geest rusteloos, zij luisterden naar de lessen, die Jezus hun gaf in de afzondering. Dit voorbeeld hebben apostolische mannen, en kloosterlingen, die zich met geestelijke of lichamelijke werken van barmhartigheid onledig houden, steeds gevolgd. Gedreven door een vurigen ijver voor het heil huns naasten, verloren zij hunne eigene volmaaktheid niet uit het oog, maar, na met Martha voor Jezus gewerkt te hebben, verlangden zij ook met Maria eenige dagen te rusten aan de voeten van Jezus. Overtuigd dat Godr vooral in de eenzaamheid tot eene ziel spreekt, waren zij, na aan anderen over God te hebben gesproken, ook zelf begeerig op hunne beurt Gods woord te hoo-ren, en onttrokken zich daarom aan de menigte, ten einde met Samuël te bidden: Spreek Heer, uw dienaar luistert (2), zich met Gods woord te voeden, zich door Gods woord te sterken, zich door Gods woord te doen verlichten. De Stichters der verschillende Orden, overtuigd van de noodzakelijkheid, eenige dagen in het jaar de gewone bezigheden te staken, om zich meer uitsluitend met zijne geestelijke belangen bezig te houden, hebben dan ook aan hunne geestelijke kinderen eene jaarlijksche afzondering voorgeschreven.

De menschen in de wereld blijven meestal van zulke genade verstoken, doch hidden zij het geluk eenige dagen in de stille eenzaamheid zich met hun God te onderhouden, velen zouden een meer stichtend leven

(i) Marcus 6. 31. — (2) I. Reg. 3. 9.

-ocr page 35-

23

leiden, de belangen van hun huisgezin en die hunner kinderen vuriger ter harte nemen, en hunne zaligheid beter verzekeren. Het is waar, somtijds maakt deze of gene gebruik van de gelegenheid, die door vele kloosters tot dat einde verleend wordt. Doch dit zijn uitzonderingen, en met den besten wil zijn allen hiertoe niet in staat. Maar wat belet, dat men zich minstens elk jaar twee of' drie dagen meer uitsluitend met zijne geestelijke belangen bezig houdt ? Men kieze hiervoor, bijv. de laatste dagen der goede week. Immers deze dagen herinneren ons aan het lijden van onzen Verlosser, en aan den bitteren en smaadvollen dood, dien Hij ter liefde van ons heeft willen ondergaan. Zij doen ons denken aan de waarde onzer ziel, vrijgekocht door het bloed van een God. Ik zou, zoo sprak God weleer tot de H. Theresia, meermalen spreken tot het hart der menschen, maar ter oorzake van het gewoel der wereld hooren zij mijne stem niet. Afgezonderd van de wereld treedt men in zijn binnenste op het voorbeeld van den verloren zoon, die aan geen opstaan dacht, zoo lang hij zich in het midden der vermaken, in den kring zijner vrienden bevond; maar nauwelijks had hij ze verlaten, of hij kwam tot inkeer; hij zag zijne diepe ellende in, en kwam tot bewustzijn van zijne schuld. God, die hem van de vrienden der wereld had afgezonderd, sprak nu tot zijn, tot dusverre verstokt, gemoed, en stelde hem zijne grenzenlooze barmhartigheid voor oogen. Tot haar nam hij nu zijne toevlucht en hij vond genade. Hoe velen, die nu ver van God verwijderd leven, zouden bij God genade vinden en barmhartigheid erlangen, indien zij zich van hunne wereldsche beslommeringen, al was het ook maar eenige dagen, onttrokken! Zij zouden de vaderlijke stem des Heeren hooren, die

-ocr page 36-

24

niet den dood des zondaars wil, maar dat hij zich be-keere en leve. Eene lauwe ziel, hetzij in de wereld, hetzij in de stille eenzaamheid des kloosters, ziet in de afzondering haren gevaarlijken toestand beter in, en haast zich dien te verlaten. In het kloosterleven doet zich de gelegenheid telken jare voor, want krachtens hunne regelen zijn de kloosterlingen elk jaar tot zulke afzondering verplicht. Eene kloosterzuster, met name Bonaventura, zoo verhaalt ons de H. Alphonsus, bleef in haar proefjaar met don geest der wereld bezield, maakte zich aan vele fouten schuldig tot ontstichting barer medezusters, en verdiende met recht den naam van eene lauwe religieuze. De tijd der afzondering was daar, en de overste hoopte, dat zij in die dagen van stille afzondering tot inkeer komen en van leven veranderen zou. Hoe moeilijk doorgaans ook de bekeering is eener lauwe ziel, werd zij nochtans in hare verwachting niet te leur gesteld; want, o krachtvolle werking der genade in de dagen der afzondering! een geheele omkeer had plaats in haar hart, zij verliet dien zoo ge. vaar vollen staat, legde zich voortaan met ijver op de volmaaktheid toe, en, na verloop van acht maanden stierf zij in geur van heiligheid. Anderen, door God tot eene hoogere volmaaktheid geroepen, hebben in de afzondering den grondslag gelegd voor hun geestelijk gebouw, dat zij later, door Gods genade, tot eene aanzienlijke hoogte hebben opgetrokken. Vol verwondering over zulke heilzame gevolgen der afzondering, roept de H. Alphonsus (1) uit: «O eenzaamheid, waarin God met ede zijnen vertrouwelijk spreekt en gemeenzaam omgaat.» Met recht zegt dan ook de H. Laurentius Justinianus, (2)

(i) Tom I2.pag. 108. édit. P.Dujardin. — (2) De vit. sol. c. II.

-ocr page 37-

25

«de eenzaamheid is eene rustige liave, van liet gewoel, «der wereld verwijderd; zij verdrijft de zonden, voedt de «genaden, is de deur des hemels, de plaats van het «gebed, en de moeder der heilige zielesmarten.» Zij is de plaats voor het gebed, en dit heeft Christus ons door zijn voorbeeld getoond.

GEBED.

O! mijn liefdevolle Zaligmaker! ter liefde van mij, hebt Gij U te Gethsemane in de eenzaamheid begeven, en daar voor mij tot uwen hemelschen Vader gebeden om mij een voorbeeld te geven. Zeer zeker zou ik mij aan zoo vele fouten en zonden niet schuldig gemaakt hebben, indien ik mij, van tijd tot tijd, aan mijne weroldsche beslommeringen en gewone bezigheden zooveel doenlijk onttrokken had, om met allen ernst aan mijne geestelijke belangen te denken. Had ik zulks gedaan, dan zou mijn hart thans zoo onverschillig, zoo koud niet zijn. Meermalen hebt gij tot mij gesproken, maar helaas! Ter oorzake-van mijne uitgestortheid en gejaagdheid in de gewone werkzaamheden, heb ik uwe stem versmaad. Ik verdien niet meer, dat Gij tot mij spreekt, maar ik bid en smeek U, zwijg toch niet. (1) Ik zal in het vervolg meer in mijn binnenste treden ; nu en dan mij gansch afzonderen van mijne verstrooiende bezigheden, om mij meer uitsluitend met mijne geestelijke belangen bezig te houden. En zou ik hierin ■ traag zijn, trek mij dan tot U, om in de stille afzondering mij met U te onderhouden, naar uwe stem te luisteren, fin mijn leven daarnaar te regelen, opdat ik van zondig rechtvaardig, van lauw ijverig, van vurig eenmaal heilig moge worden. O! goede Moeder Maria, gelieve dit voornemen te zegenen, opdat ik er aan getrouw blijve.

(i) Ps. 38, 13.

-ocr page 38-

26

HOOFDSTUK III.

Et positis genibus orubat. Luc. XXII, 41.

En neergeknield zijnde, bad hij.

«Het Woord is vleesch geworden en heeft onder «ons gewoond.» (1) Jezus Christus, gedreven door eene matelooze liefde tot den mensch, is zelf mensch geworden , om ons te verlossen van de slavernij des duivels, en ons tevens door zijn voorbeeld den weg naar den hemel te toonen. Dit goddelijk voorbeeld moeten wij steeds voor oogen houden, om ons leven naar het zijne te regelen. Als wij nu het leven van onzen goddelijken Verlosser doorloopen, dan zien wij Hem herhaalde malen in het gebed verslonden. Nu en dan verwijderde Hij zich van zijne leerlingen, om in de eenzaamheid zijnen liemelschen Vader te bidden, zelfs den nacht, zooals de H. Lucas (2) zegt, bracht Hij soms door in het gebed. Do berg van Olijven was hiervoor zijne geliefkoosde plaats, «want,» zegt de H. Bouaventura, (3) «het was zijne ge-«woonte op dien berg te bidden.» Derwaarts begaf Hij zich dan ook, toen het uur van zijn bitter lijden geslagen had. Aan den voet van dien berg lag een hof, Gethse-mane of ook wel hof van Olijven genaamd. Dien hotquot; trad Jezus binnen om te bidden. Daar viel Hij op zijn aangezicht, bad en smeekte zijn liemelschen Vader: (4) «Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze kelk «mij voorbijgaan, nochtans niet gelijk ik, maar gelijk «gij wilt.» Hij bad ten tweeden, ten derden male, dezelfde woorden zeggende. Hier leert Jezus ons door zijn

(l) Joan. I. 14. — (2) Luc. 6, 12. — (3) Exposit. 22. •— (4) Matth. 26, 39.

-ocr page 39-

27

voorbeeld, te volharden in het gebed, en te bidden met volkomen onderwerping aan Gods heiligen wil. «Niet «slechts door woorden,» zegt de H. Cyprianus, (1) «maar «ook door daden heeft de Heer ons geleerd te bidden, «daar Hij zelf dikwerf bad en smeekte, en ons doorzijn «voorbeeld toonde, wat wij moeten doen.» Christus, mensch en tevens God, had niet noodig voor zich zeiven te bidden, «Hij baden vroeg,» zegt dezelfde H. Cyprianus, (2) « niet voor zich zeiven,» want wat zou de onschuldige voor zich zeiyen afsmceken? maar voor onze misdaden, zooals Hij zelf verklaart, wanneer Hij tot Petrus zegt: «Simon! Simon! zie, de Satan heeft ulieden zeer begeerd, «om u te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gc-«beden, opdat uw geloof niet bezwijke.» (3)

Zond alzoo de Heer Jezus ten onzen behoeve zijne !gt;: gebeden tot den hemelschen Vader op; het was tevens, om ons, die er zoozeer behoefte aan hebben, een voorbeeld te geven. Christus , zegt de H. Bonaventura, (4) «heeft gebeden, om een voorbeeld te geven, om name-«lijk zijne leerlingen, en bijgevolg ook anderen uit te «noodigen, zich toe te leggen op het gebed, want door «het gebed vooral wordt onze tegenstander overwonnen,» daarom zeide de Heer aan zijne leerlingen: «waakt en « bidt opdat gij niet in bekoring komt.» Christus voorzag den strijd, dien wij tegen onze vijanden moeten voeren en hoe hevig en langdurig deze strijd zijn zou. Zijn vurigst verlangen is ons steeds ie zien zegepralen, en omdat het gebed een onmisbaar wapen is om te kuu-nen zegevieren, daarom heeft Hij ons én door zijne woorden én door zijn voorbeeld aangespoord, ons altijd van dat zoo noodzakelijk middel te bedienen. Beschou-

(i) De orat. dom. — (2) t. a. p. — (3) L. 22. 31. 32. — . (4) Sentent. dist. 17. Art. 2. qu. I

-ocr page 40-

28

■wen wij dit sterk en noodzakelijk wapan meer van nabij.

Het Gebed.

God, onze Zaligmaker, zegt de Apostel Pauliis (1), wil dat alle menschen zalig worden. Voor allen ook is Christus gestorven (2). Allen, zonder uitzondering, zijn geschapen voor den hemel. Nochtans niet allen worden zalig. Velen, ja de meesten gaan verloren; want Christus, de onfeilbare waarheid zelve, heeft gezegd: (3) «Gaat in «door de enge poort! want wijd is de poort, en ruim «is de weg, die ten verderve leidt; en velen zijn zij, die « daarlangs ingaan. Hoe eng is de poort, en hoe nauw «de weg, die ten leven leidt; en hoe weinigen zijn zij, «die hem vinden!» Hoe komt het dan, dat niet allen in den hemel komen ? Omdat zij den weg niet willen bewandelen , die ten eeuwigen leven leidt. En welke is die weg? Christus heeft het geleerd aan den jongeling, die Hem vroeg: (4) «Goede Meester, wat goeds zal ik «doen, opdat ik het eeuwig leven hebbe?» En het antwoord was: «Indien gij tot het leven wilt ingaan, « onderhoud de geboden.» Het onderhouden der geboden is alzoo volstrekt noodzakelijk, om eenmaal het eeuwig leven te erlangen. Nu velen zijn er, die de geboden overtreden, want hoe vele onmatige, onrechtvaardige, onzuivere, in één woord, hoe vele zondige menschen worden er in de wereld gevonden! Men treft ze aan in alle landen, in alle standen, in eiken staat, in eiken leeftijd. Doch nu is de vraag: waarom zijn er zoo velen, die de geboden overtreden? Behoort het dan

(l) I. ad Timoth. 2. 4. —(2) II. adCor. 5. 15. — (3) Matth. 7. 13. — (4) Matth. 19. 16.

-ocr page 41-

29

tot de onmogelijkheid ze te onderhouden? Luther beweerde zulks. Het is volstrekt onmogelijk, zoo leerde hij, dat de menschen, ter oorzake van de zonde van Adam de wet Gods kunnen onderhouden. Dan hij dwaalt. God is geen dwingeland, die den mensch een last oplegt, welken hij niet torsen kan. Hoe! God, die teedere Vader, zou ons eene wet voorschrijven, die wij niet kunnen nakomen, en ons dan ter helle veroordeelen, omdat wij ze niet onderhouden! Welke godslastering! Hoor, wat de Apostel Paulus zegt: (l) «God nu is getrouw, en Hij zal niet toelaten, dat gij beproefd wordt boven uw vermogen, maar Hij zal met de beproeving ook de uitkomst geven, opdat gij haar verdragen kunt.» In zijne al wijze beschikking laat God wel toe, dat gij bekoord, en soms zeer hevig bekoord wordt, maar het zal nimmer boven uwe krachten zijn. Anderen, en de Heiligen niet het minst, worden ook door hevige bekoringen aangevallen, en toch zegepralen zij in den strijd. Zou God misschien toelaten, dat dezen niet boven hunne krachten bekoord worden, anderen integendeel wel? Al zou er slechts één enkel persoon zijn, die boven zijn vermogen beproefd wordt, dan zou God immers ten opzichte van dezen een dwingeland zijn! Allen, zonder uitzondering, kunnen en moeten Gods geboden onderhouden. «God,» zegt de H. Kerkvergadering van Trente, (2) «beveelt niet het onmogelijke.» Het is waar! de mensch aan zich zeiven overgelaten, kan alle geboden niet onderhouden, alleen staande in den strijd moet hij soms bezwijken. Maar is hij daarom zonder schuld.' Volstrekt niet. En zie hier het geheim opgelost. Door ons zijne geboden voor

(i) I Corinth. 10. 13. — (2) Sess. 6, c. 11.

-ocr page 42-

30

te schrijven, beveelt God twee zaken, zooals dezelfde Kerkvergadering leert: «bevelende waarschuwt Hij én «te doen hetgeen gij kunt, én te vragen hetgeen gij «.niet kunt: en Hij helpt, opdat gij zoudt kunnen.» Door eene vergelijking zal het u duidelijk worden. Een vader beveelt zijn zoon, een zwaren last te verplaatseni er bijvoegende: indien het u niet mogelijk is, dan moet gij mij roepen, terwijl ik hier in de nabijheid blijf, en ik zal u helpen, want in alle geval, die last moet worden verplaatst. De vader gaat heen. De zoon nu wendt hiertoe eenige poging aan; maar, ziende dat het hevel voor hem onuitvoerbaar is, blijft hij daar onbewegelijk en sprakeloos tevens staan. Na eene korte poos komt de vader terug, en de last ligt nog op dezelfde plaats. Is nu die zoon schuldig? Wel zeker: niet omdat hij dien last niet verplaatst heeft, immers hij had hiertoe de macht niet, maar omdat hij zijn vader niet geroepen heeft, zooals hem bevolen was, deze zou hem geholpen hebben. De last is niet verplaatst en de zoon draagt de schuld. Derhalve zijn er velen, die Gods geboden daar ze hun te zwaar toeschijnen, niet onderhouden, dan geschiedt zulks, omdat zij tot God hun Vader niet om hulp roepen, zooals God het hun bevolen heeft: omdat zij niet bidden. Dit is duidelijk en de ondervinding leert het. Vraagt hot slechts aan de menschen, die daar in de wereld in zonden voortleven; of liever doe geen noodeloozen stap, gij weet reeds zeker, dat zij niet of weinig bidden. De zonde en het gebed, zegt de H. Theresia, gaan niet gepaard. Een van beiden heeft plaats, of wel men houdt op met zondigen, of met bidden. Die het gebed niet bemint, zegt de Gelukz. Margaretha Alacoque, is gelijk aan een soldaat zonder wapenen. Wat moet er geworden van een soldaat, die

-ocr page 43-

31

in het midden van den strijd, zijne wapens wegwerpt? Onvermijdelijk wordt hij een kind des doods. Deze wereld nu is een uitgestrekt slagveld, en wij zijn de soldaten van Christus, die ons uitrust met het wapen des gebeds. Liggen er thans duizenden, ja millioenen, dood naar de ziel, op het slagveld verspreid, zij hebben het zich zeiven te wijten, zij hebben van hun wapen geen gebruik gemaakt. Vandaar dat de H. Alphonsus, zooals wij lezen in zijn leven, (1) niet ophield gedurig de woorden te herhalen, «dat hij die bidt, zeker zalig, «en hij die niet bidt, veroordeeld zal worden. Al degenen «die in den hemel zijn, zijn in den hemel door middel «van het gebed, en zij die verloren zijn, zijn in de hel «omdat zij niet gebeden hebben.» Hij riep dan ook gestadig uit: wie bidt wordt zalig, en wie niet bidt gaat verloren. O! ware het mogelijk, deze woorden voortdurend te herhalen, op eene wijze dat iedereen ze kon en moest hooren! Konden ze gegrift worden met on-uitwischbare letters op de deur van elke woning! stonden ze te lezen op ieders voorhoofd! dan zouden die zondige personen toch wel eens begrijpen, dat, willen ze zalig worden, zij bidden moeten.

Kan de mensch, zonder de genade Gods, dio hij alleen door het gebed erlangt, geene zware bekoring overwinnen, dit geldt vooral in de bekoring tot de onzuiverheid. Deze strijd is de hevigste en de langdurigste tevens; allen, de Heiligen zelfs niet uitgezonderd, hebben tegen dezen huiselijken vijand voortdurend te kampen. Doen wij wat wij kunnen, dan zal God doen wat wij niet kunnen, onder deze voorwaarde, dat wij zijnen bijstand afsmeeken door het gebed. Dit hebben de

(l) Tannoja T. I. p. 72,

-ocr page 44-

32

Heiligen ondervonden. De H. Thomas van Aquine bevond zich, ondanks zich zeiven, in groot gevaar de zuiverheid te verliezen. Zijn eenig redmiddel was het gebed; hierdoor gesterkt, sloeg hij het schaamteloos schepsel met een brandend hout op de vlucht, maakte hiermede een kruis op den muur, viel op zijne knieën, en dankte God, die hem de overwinning had geschonken. Denzelfden bijstand des hemels ondervond een 11. Cry-santhus (1) Zijn heidensche vader, die hem aan Jezus Christus wilde doen verzaken, meende hiertoe het beste middel te hebben gevonden, door hem eerst de zuiverheid te doen verliezen. In eene kamer met eenige zede-looze personen opgesloten, greep hij aanstonds naar het wapen des gebeds, en bleef ongedeerd in het midden der vlammen. Metaphrastus voegt er bij, dat God hun een diepen slaap overzond, en zij niet ontwaakten, vooraleer zij uit de kamer verwijderd waren. Met recht noemt dan ook de H. Laurentius Justinianus (2) het gebed de sterkte der kuischheid. Zoudt ook gij dooiden onzuiveren geest worden aangevallen, neem aanstonds het wapen des gebeds in de hand, als het eenigste maar ook het zekerste middel om te zegevieren. Ik zeg het zekerste middel; want de godgeleerden verklaren, dat, wanneer eene overigens brave ziel, zich herinnert in de bekoring te hebben gebeden, zij zeker zijn kan. God niet zwaar te hebben beleedigd.

Het gebed is alzoo een noodzakelijk, en tevens een algemeen wapen. Algemeen, want allen zonder eenige uitzondering moeten zich hiervan bedienen. Algemeen betrekkelijk iedere bekoring; want men kan onder elke bekoring, tegen welke deugd dan ook, bezwijken. «Indien

(i) Ribadeneira 25 Oct. — (2) De dlsciplina monast. c. XVIII,

-ocr page 45-

33'

«gij» zegt de H. Bonaventura, (1) «met geduld den te-« genspoed wilt verdragen, wees een mensch van gebed. «Indien gij de bekoringen en de kwellingen wilt over-«winnen, wees een mensch van gebed. Indien gij over « de verkeerde neigingen wilt zegevieren, wees een mensch «van gebed. Indien gij de listén van Satan wilt kennen, «en zijne strikken vermijden, wees een mensch van «gebed. Indien gij de zonden wilt uitroeien, en met «deugden bekleed worden, wees een mensch van gebed.» ^ quot;t g'j' '''e deze regelen leest, vorderingen maken op den eenmaal ingeslagen weg der deugd, wees gij dan ook een mensch van gebed. De H. Aloysius van Gon-zaga zeide, zooals wij lezen in zijn leven, (2) «de on-«verstorvenheden, de ongerustheden des geestes, de on-«i'ust der ontevredenheid, die wij bij eenige religieuse «personen bespeuren, spruiten alléén hieruit voort, omdat «zij het in- en uitwendig gebed verwaarloozen.» De H. Theresia zegt in haar leven, door haar zelve op bevel des biechtvaders geschreven: «het gebed is de eenige «deur, waarlangs mij al die bijzondere genaden zijn ge-«worden, waarmede onze Heer mij heeft verrijkt, en in-«dien men die deur gesloten houdt, dan begrijp ik niet op «welke wijze Ilij de zielen hiermede begunstigen kan, niet-«tegenstaande zijn vurig verlangen, daar hem de toegang «gesloten blijft.» Op eene andere plaats van datzelfde lioek door haar geschreven, zegt zij: «ik houd het voor «zeker, dat, als eene ziel volhardt in het gebed, de Heer «Jezus haar ten slotte de haven des heils zal binnen leiden, «ondanks de zonden, de bekoringen, en de misstappen «haar door den duivel veroorzaakt,» want zegt zij «de «zonde en het gebed kunnen niet gepaard gaan.». Laat ik

(i) Meditat. vitae Christi c. 36. — (2) Cepari, leven van den H. Aloys.

LIJDEN V. CHRISTUS. 3

-ocr page 46-

34

alios in weinige woorden samenvalten. Zoudt gij in zonde zijn, bid en blijf bidden. Nooit heeft een zondige ziel zich bekeerd zonder te hebben gebeden; een Saulus bekeerde zich, doch eerst had hij gebeden. (1) «Heer! wat « wilt gij dat ik doen zal.» Een moordenaar bekeert zich aan het kruis, doch niet dan nadat hij gebeden had. (2) «Heer! gedenk mijner, als gij in uw Rijk zult ge-«komen zijn.» Zoo ook zult gij uw leven niet veranderen, tenzij gij begint te bidden. Zoudt gij echter hiertoe kunnen besluiten, dan schenkt God u ook zeker de genade der bekeering, mits gij in het gebed volhardt. Behoort gij tot het getal der lauwen, bid en blijf bidden, en gij wordt een ijverige ziel. Zoudt gij het echter reeds zijn, ga dan voort met vurig te bidden, en, gesteund door de genade, zult gij alle moeilijkheden te boven komen, en alle beletselen uwer volmaking verwijderen, want het gebed is de brandende oven, waar het vuur der goddelijke liefde ontvlamt, de bron van alle genaden, en de eenige weg om tot de heiligheid te geraken. Weinig en zeker niet genoeg heb ik over het gebed gesproken, want het is deze deugd, waaraan wij het meest behoefte hebben, en van deze deugd vooral heeft de lijdende Jezus ons een voorbeeld gegeven.

GEBED.

Heer Jezus! ik dank U, dat Gij mij de genade verleend hebt van te kunnen bidden. Ban helaas! ik heb aan deze genade al zeer slecht beantwoord. Met hoevele genaden zoudt Gij. mij verrijkt, en hoe gaarne ze mij verleend hebben. Maar ik hield de deur, waarlangs zij mij moeten geworden, voor U gesloten. Weinig heb ik gebeden, en dan nog met vele vrijwillige verstrooidhe-

(i) Act. apost. 9, 6. — (2) Luc. 23, 42.

r

SÉÉMSa

-ocr page 47-

35

ide den en gejaagdheid om te eindigen. De gemeenscliap-ziel pelijke gebeden heb ik met nalatigheid, en de mij ) voorgeschrevene, met overhaasting verricht. Zelden, o mijn lieve Jezus! heb ik gedurende den dag mijn hart tot U verheven. O! van boe vele genaden ben ik ver-■j stoken gebleven en dat door mijn eigene schuld, omdat ge- ik ze U niet gevraagd beb. Hieraan moet oen einde •en, komen, zóó mag het niet langer duren. Vergeef mij, un- door de verdienste van uw dierbaar bloed, mijne overi-ade ; gens onvergeeflijke nalatigheid. Vuriger wil en zal ik )ort bidden. Indachtig dat ik tot de goddelijke Majesteit 1 zelve spreek, zal ik mij beijveren, om alle andere gedachten gedurende mijne gebeden te verzetten. Meermalen daags zal ik mijn hart tot U verheffen, overtuigd dat het gebed de eenige bron is van alle genaden, die mij dan in overvloed zullen verleend worden. Gelieve, Heer Jezus, dit vaste voornemen te zegenen. Heilige Maagd Maria, leer mij bidden.

HOOFDSTUK IV.

Tristis est anima mea usque ad mortem. Marc. XIV, 34.

Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe.

Nauwelijks was de goddelijke Verlosser met zijne leerlingen den hof van Olijven binnen gegaan en had Hij zich een steenworp ver van dezen verwijderd om te bidden, of Hij riep, diepe zuchten slakende uit: «mijne «ziel is bedroefd tot den dood toe.» Geene droefheid kan met die des Zaligmakers worden vergeleken. Want, zegt de H. Thomas, (1) «Christus was niet alleen bedroefd | «wegens hot verlies van het tijdelijk leven, maar ook

(l) 3 p. qu. 46. a. 6, ad 4quot;'

-ocr page 48-

30

«ter oorzake van de zonden van alle anderen; en deze «droefheid ging alle droefheid te boven, zoowel omdat « zij voortkwam uit eene grootere kennis en liefde, waar-«door de smart der droefheid vermeerderd wordt, als, «omdat Hij bedroefd was over alle zonden te zamen.» Zijn hemelsche Vader had Hem, zoo als Isaias zegt, (1) .beladen met de ongerechtigheid van ons allen, en voor alle zonden wilde Hij voldoen. Christus, zegt dezelfde H. Tliomas (2) «wilde het menschelijk geslacht verlossen «niet alleen door zijne macht, maar tevens door zijne «rechtvaardigheid. Daarom lette Hij niet alleen op de «krachtvolle uitwerking zijner droefheid, ter oorzake van «de vereenigde Godheid, maar ook in hoe verre zijne « droefheid volgens de menschelijke natuur voor zulke vol-«doening toereikend zou zijn.» Christus, waarlijk mensch en waarlijk God, voorzag alle zonden, en elke zonde m het bijzonder. De zonden van alle menschen, die van Adam af geleefd hebben, en nog leven zullen tot aan het einde der wereld, waren allen te gelijk, en, volgens den H. Bernardinus van Senen, (3) ieder afzonderlijk voor zijne oogen. Met al deze zonden had Hij zich vrijwillig beladen; en onder deze vracht van boosheden was Hij als verpletterd. Al de onrechtvaardigheden, de godslasteringen, de heiligschennissen, de onzuiverheden van allerlei soort, in één woord alle gruwelen drukten loodzwaar op zijn goddelijk Hart «en zijn zweet werd «als druppels bloed, dat ter aarde afdruipt.» (4) De droefheid van den Zaligmaker was onbeschrijllijk groot, grcoter, zegt de H. Thomas, (5) dan ooit die van oen bcrouwhebbenden zondaar geweest is. En toch lezen wij dat eenigen hunner van loutere droefheid over

wa no'

Cl) Isaias 53. 6. — (2) t. a. p.— (3) T. II. 55. 56. a. 1.— 4) Luc. 22. 44. — (5) 3' qu. 46. a. 6.

I

-ocr page 49-

37

tle/.e 'iunn0 gepleegde zonden zijn gestorven. Een jonge nd-it dochter, zoo lezen wij in het leven van den H. Vin-centius Ferrerius, beladen met vele zonden van on-

een ezeu over

aar-

a|i. zuiverheid, en als een zedeloos meisje alom bekend, en» I werc') terwijl deze heilige priester preekte, door zulk . ^j berouw getroffen, dat zij met een vernederd en vennor-V001. ; zeld hart dood ter aarde zeeg. Eenigen beschouwden alfde '''en p'otselijken dood als een straf voor hare zonden. Doch do heilige was van een ander gevoelen; hij noemde

issen

zijne ' 'iaar gelukkig en verklaarde haar zalig. Eene stem van p de l'el1 hemel bevestigde zijn gevoelen, dewijl men deze , van troostvolle woorden hoorde: bidt niet meer voor haar, iijne m!iar bidt opdat zij voor u bidde. De droefheid des har-vo]_ ten had haar het eeuwig leven geschonken. De geschied-nsch ■ sclquot;'yvor van zijquot; leven verhaalt ons nog het volgende: le Iemand liad eene zware zonde gepleegd met een pervan soon van zÜne fam'l'e- Niet langer in den staat van aan zoquot;(le willende voortleven, ging hij bij den H. Vincen-vol- ^118 zÜne biecht spreken. Deze legde hem eene boete ider- 0P van zeven jai'en. Zou ik, zoo was het antwoord van zich lt;^en boeteling» zonder andere boete nog zalig kunnen eden worden? De heilige, eene zoo groote droefheid bespeu-j c|e rond, antwoordde: ja, eene kleinere boete is zelfs vol-eden doende, en hij gaf hem voor boete, drie dagen te kten vasten op water en brood. Hoe! mijn Vader! riep hij werd quot;'t' 2011 zuquot;i 66,1 booswicht met zulke kleine boete ) De ''e eeuwige vlammen kunnen ontkomen? Zeker; mijn root. zoo»! al zoudt gij slechts drie Onze Vaders bidden. Vol verwondering over Gods goedheid, die hij toch zoo zwaar beleedigd had, begon hij het Onze Vader te bidden, maar kon het niet voleindigen. Zijne droefheid | was te groot, al biddende gaf hij den geest. Men zou nog meer voorbeelden kunnen aanhalen van personen,

-ocr page 50-

38

wier droefheid, bij liet overwegen der beleediging den oneindig goeden God door do zonden aangedaan, zoo hevig werd, dat zij den dood ten gevolge had. Hoo onuitsprekelijk groot moet dan de droefheid des Zaligmakers geweest zijn, die zich beladen zag met alle zonden, niet van dezen of genen in het bijzonder, maar met die van alle menschen! Zijn er alzoo van loutere droefheid gestorven, en was die des Verlossers heviger dan die van welken boeteling ook, dan mag men veronderstellen met den H. Alphonsus, (I) dat de menschheid van Christus door zijne Godheid gesteund werd, om onder die droefheid niet te bezwijken. Doch waarom liet de Zaligmaker toe, dat zulke bittere droefheid zijn hart overstelpte? Om voor ons die droefheid des harten te erlangen, zonder welke vergeving onzer persoonlijke zonden onmogelijk is. Om ons door zijne verdiensten die bovennatuurlijke droefheid te schenken, waarvan de Apostel Paulus (2) spreekt, als hij zegt; «dedroef-«heid, die naar God is, werkt bekeering tot bestendige zaligheid.» De mensch is, ter oorzake van den val van Adam, zoo ellendig, dat hij over zijne gepleegde zonden geen waar berouw kan hebben, zonder de genade, en het is deze genade, die do liefdevolle Verlosser voor ons verdiend heeft door zijne onbeschrijfelijke droefheid in den hof van Olijven. Ten gevolge van die verdiensten zal God een vermorzeld en vernederd hart dan ook nimmer versmaden. Duizenden boetelingen hebben het ondervonden; zij verkondigen thans Gods barmhartigheid tot aan het einde der eeuwen. Hun hart, waaruit al hunne zonden voortsproten, werd, door de verdiensten van den lijdenden Jezus, veranderd in eene bron van rouwmoedige tranen, waardoor al (i) T. 5. p, 476. — (2) II Ad Corinth. 7. lo.

-ocr page 51-

39

hunne misdaden werden afgewassclien. O droefheid des harten! O driewerf heilige schat! Moge zij steeds ons aandeel zijn!

ne droefheid des harten.

Het kan niet anders, men ontmoet vele bedrukte en bedroefde harten. Immers deze wereld is een did van tranen. Eenigen slaken bittere zuchten, die uit een hart opwellen, geslagen dooi' diepe wonden. Andereu slijten hunne dagen met een beklemd gemoed, met een hart overstelpt van droefheid. Soms is hunne smart zóó hevig, zóó grievend, dat zij, indachtig de woorden des H. Geestes, (1) «de dood is beter dan een bitter «leven,» al klagende uitroepen: ik wenschte, dat de goede God een einde maakte aan mijn bedroefd leven. Kan hunne droefheid soms gegrond, hun verlangen rechtmatig zijn? Daarover is hier geen spraak, evenmin als over zulke droefheid zelve.

De H. Bonaventura, (2) de droefheid beschouwende als deugd, onderscheidt verschillende graden. «Een vergheven graad van droefheid is, van harte bedroefd zijn «over elk lichamelijk leed des naasten; een verhevener «graad is, bedroefd zijn over elk geestelijk ongeluk, dat «den naasten overkomt; maar de verhevenste graad is, «bedroefd zijn over elke beleediging Gode aangedaan.» Deze laatste droefheid wordt hier bedoeld, vooral met betrekking tot onze eigene zonden, waardoor wij dien goeden God beleedigd hebben. Deze zalige droefheid, zegt de H. Augustinus, (3) heeft alsdan plaats, wanneer bij de overweging onzer zonden, het hart door innig

(l) Eccli 30. 17. • spirit, et anim. c. 50.

(2) De gradibus vivt. c. 29. — (3) De

-ocr page 52-

40

leed wordt getrofl'en. De H. Isidorius (1) noemt zulke droefheid eene ootmoedigheid des geestes, die zich uit in tranen voortvloeiende uit de herinnering aan de zonde en uit de vrees voor het oordeel. Zulke inwendige droefheid over de gepleegde zonden, zegt de H. Thomas, (2) moet blijven duren tot aan het einde van ons leven; want, wie God eenmaal heeft beleedigd, moet altijd zulke daad betreuren. Immers op het oogenblik zelf dat wij ons daarover verheugen zouden, I j wordt die beleediging hernieuwd. Wij zien dan ook in de levens der heiligen, dat zij hunne vroegere zonden niet genoeg beweenen konden, niettegenstaande de goede God ze hun vergeven had. David was diep gevallen, en ofschoon de Profeet Nathan hem verzekerde, dat God ze hem had kwijtgescholden, hield iiij niet op niet zuchten en weenen over zijne gepleegde misdaad. Eiken nacht besproeide hij zijne rustplaats met bittere tranen, terwijl hij, tot God verzuchtende, uitriep; (.'!) «wasch mij meer en meer van mijne ongerechtigheid, en reinig mij van mijne zonde.» Magdalena had uit den mond des Zaligmakers zeiven vernomen, dat de zonden haar waren vergeven, en toch bleef zij dertig jaren lang, tot aan haren dood, een treffend voorbeeld van eene ware boetelinge. In de stille eenzaamheid, waarin zij zich begaf, stortte zij onder vele verzuchtingen, boetplegingen en gebeden steeds een vloed van tranen. Ook Petrus was gevallen, hij had zijn godde-lijken Meester tot drie malen toe verloochend; Jezus echter wierp op hem een blik van barmhartigheid, en hij begreep, dat zijne misdaad hem vergeven was; maar nimmer hield hij op hierover bitter te treuren.

(l) Isid. Hispal. 1. II de summo bono c. 12. — (2) P. 3quot; Supplem. qu. IV. — (3) Psalm. 50. 4.

-ocr page 53-

41

T

Zooals de H. Clemens verhaalt, stond Ijij eiken, nacht op, zoodra hij den haan hoorde kraaien, viel dan op zijne knieën en barstte los in tranen, zoodat, zegt Xi-cephorus, (i) zijne oogen, ter oorzake van dat aanhoudend weenen, als met bloed besprenkeld waren. Maar zware zonden, groote misdaden waren niet alleen de oorzaak van dat bitter leed, den Heiligen na hunne bekeering zoo eigen. Wij lezen, dat heilige zielen ook steeds bitter treurden over de gepleegde dagelijksche zonden, al konden /.ij zich slechts ééne enkele herinneren. De H. Paula, zoo verhaalt de JI. Hieronv-mtls, (2) weende zoozeer over hare dagelijksche zonden, alsof' zij aan de grootste misdaden plichtig ware. En als zij, zoo voegt hij er bij, door ons meermalen gewaarschuwd werd hare oogen te sparen om het heilig Evangelie te kunnen lezen, gaf' zij ten antwoord: «Dit aangezicht, dat ik zoo dikwijls tegen Gods gebod, «geblanket heb, moet mismaakt, dit lichaam, dat zoovele «genoegens gesmaakt heeft, moet gekastijd worden. » Do il. Aloysius van Gonzaga herinnerde zich in latere dagen, dat hij, nog kind zijnde, een weinig buskruit van zijn vader had weggenomen zonder verlof, en hierover alleen was hij immer bedroefd. Die droefheid des harten bleef' den IJ. Macarius gestarlig bij tot in zijne oude dagen, omdat hij als jongen eene der vijgen had opgeraapt en opgegeten, die andere jongens gestolen en verloren hadden. Evenzeer bleef' de IJ. Catharina van Siena treuren, omdat zij onder het gebed naar haar broeder had omgezien, die daar voorbijging.

Vanwaar die buitengewone droefheid des harten, welke wij bij zoo vele heiligen aantreffen? Zij was eene

(i) L. II. c 37. — (2) Epitaphium S,ae Paulae.

ie

lit

le

1-

H.

m

d,

et

n,

in

en

fle e-

e,

et

s-

et

t-

h-

ad

ie

ig ld

n-

m

0-

tis

rt.

s;

ÏH.

3a

-ocr page 54-

42

gave Gods; want niet iedereen lieeft de gave van tranen. Indien wij echter meermalen de belecdiging, dien liefdevollen Zaligmaker, den teedersten Vader, door onze zonden aangedaan, met allen ernst overwogen , dan zou ons hart niet altijd zoo gevoelloos blijven. En zeg niet: wie kan altijd zoo bedroefd zijn? Wie kan altijd treuren? zoo te leven is niet uit te houden! dan zou men nooit een genoegen kunnen smaken! Weet gij dan niet, dat de H. Barnardus uitriep: «Heer, ik wist niet, dat het zoo zoet was voor «U te schreien?» O vergis u niet! zulke droefheid des harten, die innige zielesmart gaat altijd gepaard met eene inwendige voldoening. Zij vervult, zegt de H. Ephrem, (1) eene ziel, die hiermede door God verrijkt is, met eene onuitsprekelijke vreugde. En de H. Thomas (2) zegt, dat zulke zielesmart wel niet met eene vreugde volgens de wereld overeen te brengen is, maar dat zij eene vreugde, die van God komt, geenszins buiten sluit. Die droefheid des harten, zegt de H. Joannes Climacus, (3) is wel zekere wroeging des gewetens, maar gaat tocli met eene zoete verkwikking gepaard, als wij rouwmoedig voor God De ondervinding leert dan ook,

len, die onder een vloed van belijden, zich tevens zoo getroost en gelukkig gevoelen. Evenals een kind, dat aan de voeten zijns Vaders, dien het beleedigd heeft, in tranen wegsmelt, door dezen opgebeurd, getroost en aan het vaderlijk hart geliefkoosd wordt, zoo ook weet onze Vader, die in de hemelen is, zijn rouwmoedig kind te troosten, en een ge-genoegen te doet» smaken boven dat, wat ooit de wereld

(i) De Jud. extr. —■ (2) P. 3il Supplem. qu. 5. — (3) Scala myst. Gr. 7. N0 5,

onze schuld belijden, dat rouwmoedige zie-tranen hunne zonden

-ocr page 55-

sclienken kan. Gij ziet alzoo dat zulke rouwmoedigheid zeer goed gepaard kan gaan met eene inwendige vreugde. Wat meer is: terwijl liet hart van een rouwmoedig persoon die innerlijke vreugde smaakt, wordt de ziel tevens met vele deugden verrijkt. Want, zegt dezelfde H. Joannes Climacus, (1) « de deugden dier hei-(lt; li ge rouwmoedigheid eigen, zijn de matigheid, het stil-«zwijgen, de zachtmoedigheid, het vergeten der aan-«gedane beleedigingen, de ootmoedigheid, de dorst naar «vernederingen, de honger naar het lijden, eene liefde, « die niet slechts hen niet veroordeelt, die zondigen, maar «zelfs innig medelijden heeft met hunne zwakheden.» Uit dit alles leiden wij af, dat dc droefheid des harten veel overeenkomt met het berouw. Het berouw wordt dan ook eene droefheid des harten genoemd, maar zegt de H. Bonaventura, (2) deze strekt zich verder uit dan het berouw. Men kan eigenlijk geen berouw hebben over de zonden van anderen, maar wel bedroefd zijn over de beleedigingen door anderen Gode aangedaan. Met deze rouwmoedige liefde waren de heiligen bezield. Een H. Cajetanus treurde zóó bitter over de be-leediging, die God in de 17,lc eeuw, tijdens den opstand te Napels werd aangedaan, dat hij van droefheid stierf. Ook de H. Theresia en de H. Maria Magdalena de Pazzi weenden bitter over de menigvuldige zonden, die werden gepleegd. Hierover moeten wij niet verwonderd zijn. Want veronderstelt eens: een kind heeft zijn vader innig lief; doch zijne broeders en zusters houden niet op dien liefdevollen vader te bedroeven; kan nu zulk goedgeaard kind onverschillig en gevoelloos blijven, bij het zien van die beleedigingen zijn vader

fi) t. a. p. — (2) Sent. 1. IV. dist. 16, p. i.

-ocr page 56-

44

aangedaan? Zal liet hierover niet menigmaal zuchten en schreien? En wij, wij zouden ongevoelig kunnen blijven, als zoovelen onzer broeders en zusters in de wereld voortdurend het vaderhart van onzen geliefden Zaligmaker door zoovele en afschuwelijke zonden bedroeven? Wie onzer zou dan niet zuchtende uitroepen: «Wie zal aan mijn hoofd water, en aan mijne oogen « eene bron van tranen geven?» (1) Maar zou zich die J droefheid des harten nog verder uitstrekken? Bij de heiligen minstens was dit het geval. Ziende, dat zoo-velen weinig vordering maken op den eenmaal ingeslagen weg der volmaking: dat sommigen zoo slecht beantwoorden aan de overvloedige genade hun geschonken; dat allen God niet beminnen, zooals Hij verdient ■ bemind te worden, vonden zij voortdurend nieuw voedsel voor hunne rouwmoedige liefde. Maar hunne persoonlijke fouten en onvolmaaktheden waren en bleven immer de voornaamste oorzaak van hunne rouwmoedige stemming. En om deze, zoo ver de menschelijke zwakheid het gedoogt, te vermijden, beijverden zij zich om in alles Gods heiligen wil te volbrengen. Deze gelijkvormigheid aan den aanbiddelijken wil des Heeren was hun voornaamste deugd. Niets anders te willen, dan hetgeen de goede God wil, moge dit voortaan ook ons rusteloos streven zijn.

GEBED.

Ziehier, lieve Jezus! een zondig schepsel aan uwe voeten. Ik heb gezondigd, ik beken het voor hemel en aarde. Ik bid U met allen ootmoed, wil toch de zonden mijner jeugd niet meer gedenken, die ik zoo herhaalde

(l) Jeremias 9. I.

i.

-ocr page 57-

45

malen in mijne onwetendheid gepleegd heb. O God! ware het hierbij gebleven! maar helaas! tot overmaat van boosheid heb ik gezondigd in het volle licht: ik wist, dat ik U, oneindige goedheid, beleedigde, en toch heb ik de zonde niet gestaakt. Ik ben tot heden toe immer voortgegaan U, nu door deze dan door gene zonde te bedroeven. Maar op dit oogenblik zijn zij mij bitter leed. Kon ik met mijne tranen, Ja met mijn bloed, die plaatsen reinigen, waar ik het ongeluk heb gehad U te mishagen. Ik vertrouw, steunende op uwe oindelooze barmhartigheid, dat zij mij vergeven zijn; maar reinig mij meer en meer van mijne ongerechtigheid, en zuiver mij nog altijd meer van mijne zonden. Te laat, o mijn Jezus, heb ik U gekend! te laat heb ik U bemind! Thans, nu ik het geluk heb U beter te kennen, en, zooals ik vertrouw, vuriger te beminnen, wil ik U nimmer meer bedroeven. O! ware het mij vergund U door allen te doen kennen en beminnen! hiervoor heb ik alles veil, en geef ik mijn leven ten beste. Is dit niet mogelijk, zullen er altijd menschen zijn, die U beleedigen, ik minstens zal dan niet ophouden , uw vaderlijk hart, zoo veel in mijn vermogen is, te troosten en genoegen te schenken, üewaardig U dit besluit, vaster dan ooit, te zegenen, en mij hiertoe uwe genade te verleenen. Lieve Moeder Maria, bewaar mij voor de zonden, en verkrijg mij een waar berouw over de door mij gepleegde ongerechtigheden.

f

-ocr page 58-

46

HOOFDSTUK V.

Pater mi, si possibile est. transeat a me calix iste. Verumtamen, non sicut ego volo, sed sicut tu. Matth XXVI. 39.

Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk van mij voorbijaaan : nochtans niet gelijk ik , maar gelijk gij wilt.

□ et lag van allo eeuwigheid in Gorls raadsbesluit, den gevallen menscli te verlossen, op ecne wijze, dat aan Gods rechtvaardigheid zon worden voldaan. Het eeuwig Woord des Vaders zou zelf die laak op zich nemen. Het zou vleesch worden, zich beladen met al de zonden der menschen, in dat vleesch voor die zonden boeten, en de rechtvaardigheid zijns Vaders bevredigen. In den persoon van Christus, dat vleeschgeworden Woord, hebben de rechtvaardigheid cn de vrede elkander omhelsd (1); want schonk Hij aan den mensch den vrede, zijn Vader gaf Hij voldoening. Die goddelijke Verlosser moest derhalve lijden en sterven , omdat Hij zelf het alzoo wilde. Vurig zelfs verlangde Hij naar dat lijden. Hij haakte haar het oogenblik, waarop Hij zijn bloed vergieten zou, zoodat Hij uitriep: (2) «Ik moet «een doopsel ontvangen, en hoezeer word ik geprangd, «totdat het volbracht zij!» Hij bedoelde zijn bloed-doop aan het kruis. Maar indien de Heer Jezus zoo vurig verlangde naar den dood, waarom bidt Hij thans: «Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat deze kelk «mij voorbijgaan?» immers door dezen kelk wordt hier zijn vvreede dood bedoeld. De H.H. Vaders, onder anderen do H. Leo (3), do II. Joannes Chrysostomus (4), de H. Ambrosius (5) geven ten antwoord: Christus bad

fi) Psalm 84. 11. — (2) Luc. 12. 50. —• (3) Serm. 9 et 7. (4) Hom. 84 in Matth. — (5) 1. 10. in Luc.

-ocr page 59-

47

T

hier als menscb. Omdat zij, voor wier verlossing Hij in deze wereld gekomen was, geen Engelen, maar mensclien zijn, moest Hij, zooals de natuur der zaak vorderde, aan ons, in alles wat tot de mensclielijke natuur, als zoodanig behoort, gelijk worden; en derhalve ook kunnen lijden en sterven. De mensch nu heeft oen natuurlijken afkeer van het lijden, en nog veel meer van den dood. Dit ondervond de Zaligmaker als mensch, en daarom bad Hij, die kelk zou Hem, indien het mogelijk ware, voorbijgaan. Maar zijne liefde tot God en de menschon was zóó groot, dat Hij, ten koste van zijn leven. God voldoen en ons verlossen wilde. En van deze bereidvaardigheid gaf Hij het bewijs, door er bij te voegen: «Niet gelijk ik, maar ge-dijk Gij wilt.»

Door dezen natuurlijken weerzin van het lijden en den dood, wilde Christus ons doen zien, dat Hij geen schijnlichaam, zooals eenige dwaalleeraars het later durfden beweren, maar een waar en wezenlijk lichaam had aangenomen, in alles aan het onze gelijk, de zonde alléén uitgenomen. Van persoonlijke zonden kan er geen spraak zijn, als het onzen Goddelijken Verlosser geldt; doch, daar Hij zich met onze zonden beladen had, moest Hij voor deze boeten en lijden. Hij wilde zelf bij ondervinding weten wat lijden is; «want,» zegt do H. Paulus (1), «daardoor, dat Hij zelf geleden heeft «en beproefd is geworden, kan Hij ook hun, die beproefd «worden, te hulp komen.» En hiertoe is Hij bereid. Immers zonder mededoogen kan Hij ons niet zien lijden. «Want,» zegt wederom dezelfde H. Apostel (2), «wij «hebben geen Hoogepriester, die geen medelijden kan

(l) Hebr. 2.

(2) t.

p. 4. 15.

-ocr page 60-

48

«hebben met onze zwakheden, maar een die, om aan « ons gelijk te zijn, in alles beproefd is geworden, de zonde | «uitgenomen.» Als mensch gevoelde Christus een natuurlijken weerzin van dien kelk des lijdcns, maar, terwijl Hij dien weerzin bestreed en overwon, greep Hij dien kelk vast en sprak: «Niet mijn, maar uw wil geschiede,»(1) S en zich overgevende aan den wil zijns Vaders dronk en ledigde Hij dezen tot den bodem toe. Door zijn voorbeeld wilde de goddelijke Verlosser ons loeren, den kelk des lijdens niet te vreezen, hoe bitter hij soms moge zijn. Hij is gelijk aan een medelijdend geneesheer, die, om den zieke aan te sporen een bittere en walgelijke medicijn in te nemen, ze zelf eerst proeft. Maar al hadden wij ook dat goddelijk voorbeeld voor oogen, toch zouden wij den moed niet hebben, deu ons aangeboden kelk des i lijdcns te drinken, tenzij ons hiertoe de kracht en sterkte van boven worde geschonken. Welnu, dezen goddelijken bijstand heeft de Zaligmaker, door het drinken van dien bitteren kelk, voor ons verdiend. Door die verdiensten gesterkt, hebben de martelaren den dood, de maagden den strijd, en de belijders de vervolging niet gevreesd. De kelk des lijdens was voor hen, als mensch, zeer bitter, doch, gesterkt door het voorbeeld van Jezus en geholpen door de genade, was hunne leuze: «God «wil het; niet mijn, maar zijn wil geschiede;» en met eene heilige gretigheid brachten zij dien aan hunne lippen, en bleven hem drinken zoolang het God behaagde. Gods heiligen wil te volbrengen was hun een troost, en was de kelk, dien Jezus hun te drinken gaf, ook nog zoo bitter, toch achtten zij zich gelukkig, hunne lippen te mogen zetten aan denzelfden kellv, dien hun

(l) LllC. 22. 42gt;

-ocr page 61-

49

goddelijken Meester gedronken en geledigd had tot den bodem toe. Mogen ook wij in al ons doen en laten niets anders beoogen, dan Gods aanbiddelijken wil te volbrengen! Want naarmate onze wil gelijkvormig zal zijn aan den wil des Heeren, zullen wij vorderingen maken op den weg der deugd en heiligheid.

lie oiiderwcriiing aim (««Mm heMi^cn wil

Onze goddelijke Verlosser is in deze wereld gekomen, om in alles den wil zijns hemelschen Vaders te volbrengen, zooals Hij zelf het ons verklaart; «Ik ben van « den hemel nedergedaald, niet om mijnen wil te doen, «maar den wil van Hem, die mij gezonden hoeft.» (1' Dien wil des Vaders heeft Hij in alles volbracht, zooals Hij zelf getuigt: «En die mij gezonden heeft, is met «mij; en Hij heeft mij niet alleen gelaten, omdat ik «altijd doe wat Hem behagelijk is» (2). Behaagde het zijn hemelschen Vader niet den kelk des lijdens te verwijderen. Hij was bereid dien te drinken. Want toen Petrus zich van het zwaard bediende, om zijn Meester te verdedigen tegen de aanvallen zijner vijanden, zeide Jezus: «Steek uw zwaard in de schede! Den «kelk, dien de Vader mij gegeven heeft, zou ik dien «niet drinken?» (3) Den wil zijns Vaders te volbrengen, was alzoo het eenig streven van onzen goddélijken Verlosser.

Christus had zijn Vader innig lief, en'de wereld moost hiervan ten volste overtuigd worden. 0[i welke wijze? Door zijne volmaakte onderwerping aan den wil zijns Vaders, zelfs iti die zaken, waarvan de menschelijke natuur een afschrik heeft, zooals van lijden eu sterven,

(i) Joan. 6. 38. — (2) t, a. p. 8, 29. — (3; t. a. p. iS. n. —

1.IJDEN V. CHRISTUS. 4

-ocr page 62-

50

en daarom zeide Hij tot zijne leerlingen: «Opdat do «.wereld erkenne, dat Ik den Vader liefheb en zóó doe, «gelijk de Vader mij geboden heeft, — staat op, laat «ons van hier gaan» (1). «En waarheen?» vraagt de H. Augustinus. (2) «Naar die plaats, waar Hij ter «dood zou worden overgeleverd.» Aan deze zoo bereidvaardige onderwerping aan den wil zijns Vaders, die van Hem het olïer zijns levens eischte, zon de wereld zijne liefde tot den Vader erkennen, en tevens weten, dat in die volkomen onderwerping en alles omvattende gelijkvormigheid aan den wil Gods, de hoogste, de verhevenste graad van heiligheid en volmaaktheid gelegen is. Vele Christenen, en zelfs Godgewijde personen, vormen zich een vreemd denkbeeld van de ware deugd en wezenlijke volmaaktheid. De eenen doen ze bestaan in dikwijls te naderen tot de HH. Sacramenten; anderen in vele gebeden, gepaard met eene gevoelige godsvrucht; sommigen in het verrichten van vele boetplegingen, en eenigen in het beoefenen van vele liefdewerken, zooals het onderrichten van kinderen, het verplegen van zieken. Dan in dit alles bestaat de eigenlijke volmaaktheid niet; het zijn doorgaans middelen om er toe te geraken. Wat meelis: al die werken, hoe nuttig, hoe heilzaam, hoe lieilig ook op zich zeiven , zijn Godo niet aangenaam, dan in zooverre zij met zijn H. wil overeenstemmen. Is dit het geval niet, en zou men dit alles met den grootsten ijver verlichten, maar in strijd met de verschuldigde gehoorzaamheid , en derhalve tegen den wil Gods, dan zal men hierdoor niet alleen geene vorderingen maken op den weg der volmaaktheid, maar op dat een-

(i) Joan. 14. 3, — (2) In Joan. 14.

-ocr page 63-

51

maal ingeslagen pad met rassche schreden achteruitgaan. Gij, die deze woorden leest, wilt, zooals ik veronderstel, den goeden God beminnen, en dit verlangen is goed, zelfs noodzakelijk. In de liefde immers bestaat de gansche volmaaktheid. Nochtans vergeet dit niet: de volmaaktheid der liefde, zegt de H. Alphonsus, (1) bestaat in de vereeniging van onzen wil met dien van God. «Want,» zegt de H. Dionysius Areopagita, (2) «het voornaamste uitwerksel der liefde, is, de harten «te vereenigen van hen, die elkander beminnen, zoodat «zij een en denzelfden wil hebben.» De overeenstemming met den wil van God, is alzoo de maatstaf onzer liefde. Hieruit volgt dat zij die veel lezen, veel studee-ren, vele liefdewerken verrichten, veel boete doen in strijd met den wil der oversten, en bijgevolg met dien van God, geene deugd beoefenen; integendeel, God wendt zijne oogen af van al die schijndeugden. Hij verfoeit, Hij straft zo. Evenmin kunnen Gode die werken, ofschoon goed in zich, behagen, welke, wat tijd, plaats en wijze betreft, niet overeenstemmen met zijn heiligen wil; en ook deze zullen niet strafleloos blijven. Veronderstelt twee dienstboden: de eene werkt gestadig, zij verricht harden en slavelijken arbeid, waarvoor zij zich menig offer getroost, menig nachtelijk uur veil heeft; maar zij volgt in dat alles haar eigen zin, ondanks «Ie bevelen #an haar overste. De andere doet in evenredigheid zeer weinig; met lichten arbeid, gemakkelijke werkzaamheden houdt zij zich den ganschen dag onledig, alleen omdat haar overste het zoo wil. Zal deze laatste door hare meesteres niet bemind, geprezen en beloond, de eerste niet berispt, bestraft en op den

de loe, laat do ter boers, de ens lies do vol-od-seld Do de ard er-beten dit «ijn eer ilif;: in dit ten ^dc Jan na-en-

(i) T. II. p, 379. — (2) De div. nom. c. 4.

-ocr page 64-

52

duur verwijderd worden? Het is wel treurig, èn in de wereld, èn in de kloosters vele personen aan te treden, die zeer ijverig zijn in hunne werkzaamheden, maar met terzijdestelling van den wil Gods hun eigen wil steeds involgen; want zaaien zij in het zweet huns aanschijns, slechts doornen zullen zij maaien.

Zij echter, die zich het meest beijveren om in alles gelijkvormig te zijn aan den wil des Heeren, vergaderen den rijksten schat van verdiensten. Christus is allerhoogst verheven, met de hoogste eer en heerlijkheid gekroond, omdat ïlij altijd deed hetgeen zijn Vader behagelijk was. «Hij vernederde zich zeiven,» zegt de H. Paulus, (1) «daar Hij gehoorzaam was tot «den dood, en wel tot den dood des kruises. Daarom « heeft ook God Hem verheven, en Hem een naam ge-«schonken, die boven alle namen is; opdat voor den «naam van Jezus alle knie zich buige van die in den «hemel, op aarde, en onder de aarde zijn, en alle tong « belijde, dat de Heer Jezus is in de heerlijkheid van «God den Vader.» Aan zijne onderwerping en gelijkvormigheid aan den wil van God , heeft Christus zijne heerlijkheid als rnensch te danken. «Als wij,» zegt de II. Alphonsus, (2) «van een tweevoudigen wil (dien «van God en den onzen) slechts één wil maken, zoodat «wij niets willen, dan hetgeen God wil, ofwel dat «Guds wil alléén blijve en de onze zij, dan is het top-« punt dor volmaaktheid bereikt.» Het is alzoo duidelijk , dat zij in den hemel de hoogste heerlijkheid genieten , die op aarde het best het voorbeeld van Jezus gevolgd hebben, door van den wil Gods hun wil te maken. De gelukzalige Stephanie van Soncino, zoo ver-

(i) Diilip. 2. S.—li, — (2) T. 2. 383.

-ocr page 65-

ê3

liaalt de H. Alphonsus, (1) werd in eene verschijning ton liemel gevoerd, waar zij verscheidene personen, die zij op aarde gekend had, onder liet getal der Soraphij-nen geplaatst zag, terwijl haar tevens werd veropenbaard , dat zij dien verheven graad van heerlijkheid bereikt hadden, door de volmaakte vereeniging van hun wil met dien van God, tijdens hun sterfelijk leven. De o-oede God vraagt niet van allen, dat zij den verhe-vensten staat omhelzen, dezelfde werkzaamheden verrichten , dezelfde offers zich getroosten, maar wel dat zij met een bereidvaardig hart bidden: «Uw wil ge-«schiede, gelijk in den hernel, zoo ook op aarde.» (2) Willen wij derhalve, welken staat wij dan ook mogen beleven, rijk in verdiensten en hooggeplaatst worden in den hemel, dan moet de gelijkvormigheid van onzen wil met dien van God, ons rusteloos streven zijn; tot dot doel moeten al onze werken, al onze verlangens, al onze meditatiën, al onze gebeden gericht worden. Men hoort soms eenige menschen, die zelfs tot de godvruchtige klasse willen behooren, bitter klagen: ik kan niet vasten, want ik ben te zwak; ik kan niet veel werken, want ik ben te ziek; ik kan niet dikwijls naar de kerk gaan, want mijne dringende bezigheden laten het niet toe; doch ik vraag hun: waarom zoudt gij dat alles willen doen ? Is het om aan God te behagen ? Maar als het niet overeenstemt met Gods H. wil, dan behaagt het Gode ook niet, en al dat klagen is een teeken, dat gij Gods wil niet zoekt, maar alleen uwe eigene voldoening, en door uwe handelwijze toont gij het Onze Vader niet goed te verstaan, want in plaats van te bidden: Uw wil geschiede, zegt gij: mijn

(l) T. 2. p. 3S1. — (2) Matth. 6. 10.

-ocr page 66-

54

wil geschiede. Wilt gij den Heer behagen, en dierbaar zijn aan zijn goddelijk hart, denkt dan aan koning David, van wien God dit lollelijk getuigenis aflegde: «Ik heb David gevonden, Jesse's zoon, een man naar «mijn hart, die in alles mijn wil doen zal.» (1) quot;Wilt gij zelfs een waar broeder, eene ware zuster, ja de moeder van Jezus worden, vergeet dan de woorden niet, welke Hij sprak toen iemand hem zeide: clt; Zie, uwe «moeder en uwe broeders staan buiten, en verlangen « naar U ».... « Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne « broeders ? En zijne hand naar zijne leerlingen uitstrek-«kende, zeide Hij: Ziedaar mijn moeder en mijne broe-«ders! want al wie den wil doet van mijn Vader, die «in den hemel is, hij is mijn broeder, en zuster, en «moeder.» (2) «Het zou,» zegt de H. Thomas, (3) «de moeder van Jezus niets baten moeder te zijn, in-«dien haar de deugd ontbroken had.» Evenzoo zal het ons tot niets dienen , broeders en zusters van Jezus te zijn geworden in den H. Docp , zonder de deugd te beoefenen; maar eene handeling is dan alleen deugd, wanneer zij met Gods wil overeenstemt. Derhalve, om den naam van ware en oprechte broeders en zusters van Jezus te verdienen, moeten wij ons beijveren, op het voorbeeld van Jezus, onzen Broeder, in alles den wil van zijn hemelschen Vader te volbrengen. Vele vrouwen, zegt de H. Joannes Chrysostomus; (4) hebben de Allerheiligste Maagd Maria zalig genoemd, en ge-wenscht zulke moeder te worden. Welnu, zegt hij, èn voor de mannen èn voor de vrouwen, bestaat hiervoor ruime gelegenheid. Christus zelf verklaart, dat zij, die den wil zijns Vaders doen, ook zijne moeder zijn.

(i) Act. Apost. 13. 22. —(2) Matth. 12.47—50- — (3) Cat. aurea. c. 12. in Matth.— (4) Hom. 45.

-ocr page 67-

55

Op welke wijze? Het is buiten allen twijfel, dat zij, die in alles Gods H. wil zoeken te volbrengen, een deugdzaam leven leiden. Door hun stichtend voorbeeld, werken zij krachtdadig mede aan het heil der zielen, want wekken do woorden, de voorheelden trekken. «Door hun vromen wandel,» zegt de H. Gregorius, (I) «trekken zij de harten van hunne naasten, tot den dienst «van den almachtiger» God, en doen hem aldaar als «geboren worden.» (2) En aangezien nu, zooals de H. Leo (3) zegt, voorbeelden krachtdadiger werken dan woorden, en men beter door daden dan door woorden onderwijst, lijdt het geen twijfel of de heiligen hebben meer hekeoringen bewerkt door hun voorbeeld, dan menig missionaris door zijne preeken. Vele priesters, die Gods woord verkondigen , vele ouders , die hunne kinderen het goede voor oogen houden, vele kloosterlingen , die kinderen onderwijzen in den godsdienst, zieken en stervenden door hunne liefdevolle bediening, heilzame wenken en troostvolle woorden weten bij te staan en op te beuren, kunnen als zoovele moeders van Jezus worden beschouwd, indien zij dit alles doen, omdat God het wil, en zooals God het verlangt.

Wij moeten ons derhalve met vurigen ijver toeleggen op deze gelijkvormigheid van onzen wil met dien van God. Herinneren wij ons de woorden van de H. The-resia : (4) «Alles wat men bij de beoefening des gebeds «moet zoeken, is zijn wil met dien van God te vereeni-ii gen »; en men zij ervan overtuigd dat daarin de hoogste volmaaktheid bestaat; wie in deze oefening het meest zal uitmunten, zal ook van God de grootste gaven ontvangen, en in liet inwendige lev2n de meeste vorde-

(i) In lib. II Reg. — (2) Hom III. in Evang. — (3) Senn. de Nat. S. Laur. — (4) Chat. int. 82. chap. 1.

-ocr page 68-

56

ringen maken. Nemen wij de gewoonte aan, in alle kruisjes en wederwaardigheden, aanstonds te zeggen: Heer uw wil geschiede! Als ons vernederingen aangedaan, werkzaamheden of' bedieningen opgelegd, aan- of bloedverwanten door den dood aan onze zijde weggerukt, door ziekten aangetast, door den naderenden dood bedreigd worden, zeggen en herhalen wij dan: «Heer «uw wil geschiede!» De/e woorden, met een altijd en tot alles bereidvaardig hart uitgesproken, of wel die van den Profeet David: (1) «Mijn hart o God! is bereid, «mijn hart is bereid,» of die dei- H. Maagd: (2) «Zie-«hier de dienstmaagd (de dienstknecht) des Heeren; «mij geschiede naar uw woord,» maken waarlijk heilig. Deze oplettendheid en nauwkeurige waakzaamheid, om al onze gedachten, woorden en werken met den aan-biddelijken wil des Heeren te doen overeenstemmen, moge voortaan onze eenigste bezigheid zijn!

GEBED.

«Heer Jezus! Gij, die in deze wereld gekomen zijt, «om den wil te doen, van dengene, die U gezonden «heeft, leer mij uwen wil volbrengen.» (3) Helaas! in zaken, strijdig met mijn bedorven natuur, heb ik dien heiligen wil meermalen weerstreefd. Metterdaad heb ik vaak gezegd: mijn wil geschiede! in plaats van mij aan uwe vaderlijke verordeningen, die toch steeds mijn welzijn beoogen, volkomen te onderwerpen. Dikwijls heb ik over uwe alwijze beschikking geklaagd, anderen ontsticht, door mij aan uwe bevelen te willen onttrekken. Anderen kunnen getuigen, hoe ik meer dan eens mijne ontevredenheid getoond, en gemord heb, wan-

(l) Psalm, 107, 1, — (2) Luc. I. 38. —(3) Psalm. 142. 10.

-ocr page 69-

57

«eer mij iets onaangenaams overkwam, of iets moeilijks werd opgelegd. Ter liefde van dien bitteren kelk, dien Gij, om den wil uws Vaders te volbrengen, gedronken hebt, vergeef mij mijne weerspannigheid. Het is mij bitter leed uw Goddelijken wil, zoo vaak te hebben weerstreefd. Doe voortaan met mij, zooals U belieft, zend mij alles over hetgeen U behaagt, beschik over al wat ik ben en heb, volgens goedvinden; mijn hart is bereid, mijn hart is bereid ; niet mijn, maar uw wil geschiede in tijd en eeuwigheid. II. Maagd Maria, doe mij den wil van uw Goddelijken Zoon altijd en in alles volbrengen.

HOOFDSTUK VI.

Vigitate, et orate , ne intretis in tentationcm. Spiritus quidem promptusest, caro autem infirma. Mattli. XXVI. 41.

Waakt en bidt, dat gij niet in bekoring komt. De geest is wel gewillig, doch liet vleesch is zwak.

De inwendige smarten zijn veel heviger, dan het uitwendig lijden. Christus, door allo zonden dor men-schen als tot de zijnen te maken, leed in zijn hart onbeschrijfelijke smarten. Er was in den hof nog geen soldaat, die Hem bond, geen beul, die Hem geeselde, geen doorn die Hem stak, en toch, der vreeselijkste zielesmart ten prooi, ligt Hij daar plat ter aarde, als zwemmende in zijn bloed. In dien ontzettenden angst en die grievende smart verloor Hij zijne leerlingen niet uit het oog. Hij bad, zegt do H. Bonaventura, (1) tot zijn Vader met eene allervurigste godsvrucht, en waakte tevens met de grootste bezorgdheid over zijne

(i) In St. Luc. C. 22.

-ocr page 70-

58

leerlingen. Vooraleer Hij zich van de drie leerlingen, Petrus, Jacobus en Joannes, die Hij met zich in den hof had medegenomen, een steenworp ver verwijderde, had Hij hun gezegd, dat zij zouden waken, «blijft hier «en waakt met mij.» (1) Ook beval Hij hun te bidden. «Bidt dat gij niet in bekoring komt.» (2) Daar Hij wist, welk gevaar hun te wachten stond, gaf Hij hun het middel aan de hatid, waarvan zij zich moesten bedienen, om in dien strijd niet te bezwijken, en dit eenig en zeker middel, was: waken en bidden. Dan, helaas! in plaats van op hunne hoede te zijn, waren zij ingeslapen, en liet gebed bleef achterwege. Verstoken van den bijstand huns Goddelijken meesters, wiens hulp zij, zich aan den slaap overgevende, hadden verzuimd in te roepen, zouden zij weldra door eene droevige ondervinding, van hunne uiterste zwakheid overtuigd worden. Jezus, ondanks zijn bitter lijden en bloedig zweet, waakte over zijne leerlingen. Hij staakt vcor eenige oogenblikken zijn gebed, en begeeft zich tot hen, om ons te leeren, dat wij. bij de menschen wel eens onzen troost mogen zoeken, ofschoon die doorgaans bij hen niet te vinden is. quot;Wij zien het in het voorbeeld van Christus. Want wat gebeurt? Hij vindt zijne leerlingen slapende. Hen uit den slaap te wekken , en nogmaals tot waken en bidden aan te sporen , was vooral de reden, waarom Hij tot hen kwam! Petrus had zich boven de andere leerlingen beroemd op zijne getrouwheid, hij had tot zijn Meester gezegd: «Al wierden ook allen aan U ge-«ërgerd, ik, ik zal nimmer geërgerd worden.» (3) Christus spreekt dan ook rechtstreeks Petrus aan, maar zijne woorden zijn toch tegelijk gericht tot de overige leer-

(i) Matth. 26. 38. — (2) Luc. 22. 40. — (3) Matth. 26.33.

-ocr page 71-

59

lingen: «Zoo vermocht gij dan niet één uur met mij «te waken? Waakt en bidt dat gij niet in bekoring «komt! De geest is wel gewillig, doch het vleescli «is zwak.» (1) Dit was van den kant des Zaligmakers een zacht, maar toch welverdiend verwijt over hunne geringe deelneming in zijn toestand; want door zich | oenig geweld aan te doen, hadden zij wel wakker kun-i nen blijven. En daar Jezus hen op het dreigend gevaar van Hem ontrouw te worden gewezen had, was het liun plicht, door waken en bidden, zich tot dien strijd voor te bereiden, om in het oogenblik van het gevaar niet te bezwijken. Zullen zij, minstens nu, door hun goddelijken Meester vermaand, met vernieuwden moed den slaap bestrijden, waken en bidden? Geenszins. Want, toen Jezus, na zijn Vader wederom te hebben gebeden, voor den tweeden maal bij hen kwam, vond Hij zo op nieuw slapende. Is het dan te verwonderen, dat zij in | het gevaar hun meester verlieten? Hun geest was wel gewillig Jezus te volgen tot in den dood, maar zij waren der menschelijke zwakheid nog onbewust. Ook i voor ons zijn er gevaren te duchten. Onze geest is misschien eveneens gewillig; vergeten wij echter niet, | dat wij zwakke kinderen Adams zijn. Daarom moeten wij de zwakheid en de ongetrouwheid dier leerlingen •| indachtig, ons steeds de woorden van Jezus herinneren, die voor ons geschreven zijn: «Waakt en bidt.» Over liet gebed is in het III|Ilt;: Hoofdstuk reeds gesproken. Thans een woord over de waakzaamheid.

lie WiiakKnamlioiil.

De waakzaamheid, zegt do H. Thomas, (2) maakt deel uit van eene der Cardinale deugden: de voorzich-(l) t. a. p. v. 41. — (2) 2. 2. qu. 47. a. 9.

-ocr page 72-

60

tigheid. Zij bestaat in de behoedzaamheid tegen al de aanvallen van de vijanden onzer zaligheid. Met recht zegt dan ook Richardus a S10 Victore, (l) dat hij de waakzaamheid uit het oog verliest, die zich zeiven verwaarloost, en niet denkt aan zijne zaligheid. In de wereld treft men ei* duizenden, ja millioenen aan, die aan alles denken, alles gadeslaan, maar aan hunne onsterfelijke ziel wordt niet gedacht. Om hunne eer, hun geld, hunne gezondheid te bewaren, ontbreekt het hun aan geene oplettendheid, is er echter spraak van hunne ziel te bewaren, dan zijn zij roekeloos in den hoogsten graad, en nochtans, niets van alles wat men in de wereld hoogschat, kan met de waarde eener ziel vergeleken worden. Hoe kostbaarder eene zaak is, des te meer moeite geven zich de dieven, om zich die te kunnen toeeigenen; de dieven onzer ziel zijn do duivel, de wereld en het vleesch. Deze vijanden moeten wij altijd mistrouwen. «Eenieder,» zegt Paus Innocentius III, «moet op elke plaats tegen de duivels, de wereld en het vleesch op zijne hoede zijn.» «Zoozeer als de vijand er op uit is,» zegt de II. Augustinus, (2) «om ons te benadeelen, zoozeer moot een Christen waken om hein te overwinnen.» En daar nu onze tegenstander gestadig rondloopt als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden, en nooit rust, nimmer slaapt, moeten ook wij altijd waken. «Uw vijand,» zegt de II. Augustinus, (3) «waakt; en gij? slaapt gij?» Dan hoe! zal iemand vragen, mag ik dan nooit slapen.' Dit is onmogelijk. Zeer zeker heeft de mensch behoefte aan slaap. De goede God heeft het zoo geregeld, dat de mensch aan zijne afgematte ledematen op zijn tijd rust gunne,

(i) Part. 2. I. I. c. 9. super Apoc. — (2) Hom. 46. — (3) Super Psalm. 65.

-ocr page 73-

01

om door don slaap versterkt, uitgerust en verkwikt met vernieuwden moed zijne bezigheden te hervatten. Ik zeg: op zijn tijd, dat is, op den tijd, door de voorschriften der oversten, door de gehoorzaamheid of redelijkheid daarvoor bestemd. Wordt Gods woord verkondigd, bevindt men zich in het gebed, of in Gods huis, dan is het zeker de tijd niet van slapen, en men zou alsdan het verwijt des Zaligmakers verdienen: slaapt gij? Kunt gij geen uur met mij waken? Maar van den slaap volgens het lichaam, is hier slechts spraak in het voorbijgaan; de slaap der ziel wordt hier bedoeld, iu tegenoverstelling van het waken onzer vijanden.

Men denkt nooit of zelden aan zijn God, men verliest zijne alomtegenwoordigheid uit het oog; dat Hij als rechtvaardige rechter ons eenmaal strenge rekenschap zal vragen van onze handelingen, wordt vergeten; dat Hij ons ieder oogenblik voor zijn rechterstoel kan dagen, hieraan wordt niet gedacht, en in dit geval slaapt de ziel. Want, «zijn God vergeten,» zegt de H. Augustinus, (i) «dit is de slaap der ziel.» Üok «traag zijn in het beoefenen der deugd, wordt door den «H. Joannes Chrysostomus een slaap genoemd. (2) «Dat «niemand onzer inslape, niemand traag zij om de deugd «te beoefenen, want dit bedoelen de Heilige S.;hriften «door den slaap.;» Wij moeten derhalve steeds waken onder een tweevoudig opzicht; eerstens om onze ziel niet te verliezen, en tweedens om ze met deugden te versieren. Wat het eerste punt betreft, allen zijn aan dat gevaar blootgesteld, zoo wel kloosterlingen ais wereldlijke personen, Geen stand, geen staat, geene plaats.

(i) In Psalm. 62. — (2) In Epist. I, aJ Thessal. c. I.

-ocr page 74-

62

geen leeftijd is zonder gevaren. Ons leven zelfs is een voortdurend gevaar; immers het is een aanhoudende strijd, en uit dien hoofde mogen wij nimmer slapen. «Eene groote behoedzaamheid is voor ons noodzakelijk,» zegt de H. Joannes Chrysostomus, (1) «omdat de oor-«log nimmer ophoudt.» Wee den zorgelooze en roeke-looze die op het slagveld verschijnt, zonder behoorlijk-tot den strijd te zijn uitgerust. Hiertegen waarschuwt de Apostel Paulus (2) met de volgende woorden: «Doet de wapenrusting Gods aan, opdat gij bestand «kunt zijn tegen de belagingen des duivels. Want wij «hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, tegen azwakke menschen, zegt Beelen, maar tegen de over-«heden en de machten, tegen de wereldbeheerschers «dezer duisternis, tegen de booze geesten in den lucht-«hemel.» Maar van welk wapen moeten wij ons bedienen? Christus heeft ons reeds in den H. Doop met die wapens uitgerust, toen het geloof, de hoop en de liefde in onze harten werden uitgestort. Het harnas van geloof en liefde, en de helm van de hoop der zaligheid, ziedaar onze wapenrusting. Geloof en liefde, zegt Beelen, (3) beschutten ons verstand en hart, terwijl het blijde uitzicht der hope standvastigheid geeft aan onzen moed.

Het geloof moet onzen geest verdedigen tegen de booze geesten, even als een schildwacht, die op zijn post staat; hij moet altijd waken, en mag nimmer slapen. Is hij ingeslapen, dan loopt hij groot gevaar door den vijand verrascht en een man des doods te worden. Wij zijn omgeven van tallooze booze geesten, die in de lucht zweven. Zij zijn listig, en hebben de

(i) C. I. Gen. hom. 3. — (2) Ephes. c. 6. II. 12. — (3) Ad Thessal. in c. 5. 8.

-ocr page 75-

63

natuurlijke hoedanigheden der Engelen door hunnen opstand tegen God niet verloren. Ons belagen, ons overal listen en lagen spannen om ons te bemachtigen, is hun rusteloos werk. Is nu liet geloof als een getrouwe schildwacht niet op zijne hoede, is het ingeslapen, dan loopen wij gevaar in hun gespannen strikken te vallen, door een dier brandende pijlen te worden getroffen, die ze gestadig op ons afwerpen. Het geloof is dan slapende, als wij de waarheden van onzen heiligen godsdienst, die wij wel gelooven, uit het oog-verliezen. Wij gelooven dat de oversten, de biechtvaders de plaats van God bekleeden, dat God ons door hunnen mond beveelt en waarschuwt, maar in de praktijk, vooral als het zaken geldt in strijd met onze bedorven natuur, dan worden hunne bevelen en waarschuwingen alleen met het mensehelijk oog beschouwd, en vaak aan verkeerde inzichten hunnerzijds toegeschreven ; men zoekt zich aan hunne voorschriften te onttrekken, en men zet hunne bedreigingen ter zijde. Deze booze geest weet dit oogenblik te benutten, ziende het geloof, dat onzen geest moet bewaken, als ingeslapen, brengt hij verwarring in onze gedachten, en vischt in troebel water. In elke bekoring van welken aard dan ook, is het eerste werk van dien sluwen geest, ons geloof als in slaap te wiegen; slaagt hij hierin, dan geven wij hem gewonnen spel. Het geloof is een licht in de duisternis. Wie, beladen met een kostbaren schat, duistere en onbekende wegen moet doorkruisen, zorgt voor een lantaarn, om de afgronden te vermijden en hinderlagen te ontdekken; zoo doet een waar godsdienstig Christen. Te midden der duisternis die hem omgeeft, draagt hij zorg, dat de fakkel des geloofs immer helder brandt, om niet in hinderlagen van den Satan te vallen, en zijne

-ocr page 76-

64

ziel dien onvergelijkelijken schat te bewaren. Zijn wij derhalve waakzaam, stellen wij steeds liet geloof als eene wacht voor onzen geest, terwijl de liefde ons hart steeds bewaken moet.

Een leeuw is bevreesd voor het vuur, en blijft op een afstand. Ziet de helsche leeuw een hart branden van het vuur der goddelijke liefde, dan durft hij niet naderen, doch is dat vuur bijna uitgedoofd en als verbolgen onder de asch, zooals dit bij lauwe zielen het geval is, dan nadert hij, tracht het geheel en al uit te dooven en een ander vuur, het vuur der begeerlijkheid te doen ontbranden, waarin hij zoo gaarne toeft. «Stel mij,» zoo spreekt de goddelijke Bruidegom tot zijne bruid, «stel mij a!s een zegel op uw «hart.» (1) «God is liefde,» zegt de H. Joannes, ('2) en met dit goddelijk zegel moet ons hart verzegeld zijn. Wie zou het durven schenden? Wie zal het niet bewaken !

Opdat echter het geloof noch de liefde, die geest en hart beschutten moeten, insluimeren ter oorzake van de inspanning en vermoeienis, moet de helm der hoop ons hoofd bedekken. Wanneer de Apostel Paulus (3) ons wijst op den lijdenden Jezus, als op ons voorbeeld, dan stelt hij ons ook den verheerlijkten Jezus voor oogen, ter rechterhand van Gods troon gezeten, opdat wij niet moede worden, nimmer den moed verliezen zouden. Vestigen wij de oogen, zooals dezelfde Apostel ons vermaant, op den Stichter en Voltooier des geloofs, op Jezus, die, om de vreugde (dat is, zegt de geleerde Beelen, om mot eer en heerlijkheid gekroond te worden) Hem voorgesteld, het kruis heeft

(i) Cant. S.-6. — (2) I. Epist. e. 4. 8. — (3) Ilebr. 12.—

-ocr page 77-

verdragen, de schande verachtend. Laat ons dan met Christus lijden, opdat wij met Hem verheerlijkt worden. Laat ons lijden, gelijk Christus geleden heeft; geduldig en standvastig alles verdragen wat wij, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings, om Christus wil te lijden hebben, opdat wij, en zulks zij onze bedoeling bij het lijden, met Hem verheerlijkt worden. (1)

Moge derhalve liet geloof onzen geest tegen de dwaling, de liefde ons hart tegen de verleiding beschutten, en de helm der hoop ons hoofd bedekken! Mogen wij hierop immer achtgeven! Dan voorzeker zullen wij onze ziel, dien onwaardeerbaren schat, niet alleen niet verliezen, maar door het strijden zonder moede te worden, door het lijden zonder te klagen, haar met alle soorten van deugden versieren, en verrijken met een schat van verdiensten. Herinneren wij ons ten slotte aan de woorden des Zaligmakers: (2) «Ziet toe, waakt en bidt! want gij weet niet, wanneer «de tijd daar is. Gelijk een mensch, die buitenslands «vertrokken, zijn huis verliet, en aan zijne dienstknechten « de macht gaf tot alle werk, en den deurbewaarder ge-«bood, dat hij waken zou, zoo gebied ik u ook. Waakt «dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes «komt: des avonds laat, of te middernacht, of mét het «hanengekraai, of des morgens), opdat hij niet, wan-« neer hij onvoorziens gekomen is, u slapende vinde. En «wat ik tot u zeg, zeg ik tot allen: Waakt.» Indien wij altijd waken, zal de dag des Hoeren ons niet onverhoeds overvallen, noch onvoorbereid wegvoeren. Eens zal die dag komen, doch waken wij, dan zal hij, zegt de H. Joannes Chrysostomus (3), niet ko-

(l) Cfr. Beelen ad Rom. c. 8. 17. — (2) Mare. 13. 33—37. (3) In Epist. ad Thess. hom. I.

I.1JÜEN V. CHRISTUS. O

-ocr page 78-

G6

men als een dief, onverwachts, maar als een bode des Konings, om ons tot de ons voorbereide plaats uit te noodigen, alwaar wij te hooger verheven zullen worden , naarmate wij, overtuigd van onze nietigheid en groote ellende ons zeiven mistrouwd en voor God diep zullen vernederd hebben.

GEBED.

O mijn dierbare Jezus, zoo herbaalde malen hebt Gij mij bevolen te waken, en ik ondankbare heb zoo vaak uw gebod versmaad. Vervoerd door mijne hartstochten , heb ik niet gelet op den afgrond, die mij dreigde. U verloor ik uit het oog, en ik was, toen ik de zonde pleegde, als met blindheid geslagen. Ware uw dag toen gekomen, hij zou mij onvoorbereid, als een dief in den nacht overvallen, en weggevoerd hebben naar de rampzalige eeuwigheid. Ik huiver nog, als ik er aan denk. Het scheelde weinig of mijne ziel was reeds begraven in de hel. Ik dank U uit den grond mijns harten dat Gij zoolang hebt uitgesteld, en mij niet hebt laten sterven in mijne zonden. Voortaan wil ik beter waken dan ooit. Vast heb ik besloten in het vervolg nauwkeurig te letten op mij zeiven, en met omzichtigheid acht te geven op de strikken, die de booze geest mij overal spant, opdat Gij, als Gij komt, mij steeds wakende moget vinden. Zoo zij het! O Maria, onbevlekte Maagd, maak dat ik, na niet zonder vlek te hebben geleefd, minstens vlekkeloos moge sterven!

-ocr page 79-

G7

HOOFDSTUK VII.

Surgite, eamus: ecce appropinquavit qui me tradet. Matth. XXVI. 4«.

Staat op, laat ons gaan ! zie, die mij verraden zal, is nabij.

«Het begin van elke zonde,» zegt de 11. Geest, «is «de hoovaardigheid.» (1) De duivel is de hoovaardigheid zelve; tot die zonde bekoorde hij onze eerste ouders. «Uwe oogen zullen opengaan: en gij zult als goden «zijn, kennis dragende van het goed en het kwaad.» (2) Adam viel, en God hief hem op. Adam stortte in den afgrond door zijne hoovaardigheid, Jezus, de tweede Adam, redde hem door zijne diepe nederigheid. De Apostel Paulus zegt ons, wijzende op die nederigheid van Jezus: «Die in Gods gedaante zijnde, het geenen «roof achtte aan God gelijk te zijn, maar zich zeiven «ontledigde, de gedaante van een dienstknecht aanne-«mende, verschijnende in gelijkheid aan menschen, en «in zijn uiterlijk bevonden wordende als mensch; Hij «vernederde zich zeiven, daar Hij gehoorzaam was tot «den dood, en wel tot den dood des kruises.» (3) En met welke bereidvaardigheid onderwierp Hij zich aan elke vernedering, door wien dan ook Hem aangedaan. «Hij heeft zich zoozeer vernederd,» zegt de H. Ansel-mus, (4) «dat Hij zich niet dieper vernederen kon.» De Profeet David zag Hem reeds in den geest in dien diep vernederden toestand, en sprak in den persoon van Christus: «Ik bon een worm en geen mensch, de «schande der menschen, en de verachting des volks.» (5)

(i) Eccli. io. 15. — (2) Gen. 3. 5, — (3) Philip. 2. 6—8. (4) In Philip., 2. — (5) Ps. 21. 7.

-ocr page 80-

68

«Met verguizingen zal Hij verzadigd worden,» zoo had reeds de Profeet Jeremias (l) van Hem voorspeld. En Jezus wilde het zóó. Hij zocht de vernedering, Hij dorstte naar de verachting en versmading van allerlei soort. Toen het volk Hem tot koning wilde uitroepen na die wondervolle vermenigvuldiging der brooden, nam Hij de vlucht. (2) Maar thans, nu zij Hem willen gevangen nemen, boeien, ais een misdadiger slenren voor de rechters en tot een spotkoning maken, vlucht Hij niet. Hij wist dat zijne vijanden in aantocht waren; Judas één van de twaalf, was met eene bende met zwaarden en stokken gewapend nabij. En wat doet Jezus? Vlucht Hij? Verbergt Hij zich? Volstrekt niet; Hij staat op, en met een bleek gelaat, nog druipende van een bloedig zweet, gaat Hij naar zijne leerlingen, en sprak: c staat «op, laat ons gaan! zie, die mij zal overleveren is nabij» en met deze woorden ging Jezus, gevolgd door zijne leerlingen, den verrader te gemoet. Door het gebed tot zijn hemelschen Vader, tot driemaal herhaald, aangemoedigd, en dooi' eeu Engel gesterkt, stond Hij op als-een reus om zijn weg te volgen, den weg der vernedering, versmading en verguizing, waarmede Hem zijne vijanden weldra zouden overladen. Hij wilde, dat de leerlingen zijn voorbeeld volgen, en met Hem de vernederingen beminnen zouden, en daarom sprak Hij tot hen: «slaat op en laat ons gaan,» niet om geëerd, verheven of verheerlijkt, maar om veracht en versmaad to worden. Eerst moesten zij doelen in zijne vernedering, om later deelachtig te kunnen worden aan zijne heerlijkheid. Ook wij, willen wij eenmaal met Christus verheerlijkt worden, dan moeten wij de vernedering

(l) Th ren. 3. 30. — (2) Joan. 6. 15.

-ocr page 81-

09

niet vreezen, deze immers is de weg der verheerlijking. Toen Lazarus stierf, bevond zich Jezus met zijne leerlingen ongeveer tien uren van Bethanië verwijderd; en Hij zeide tot hen: «Laat ons tot hem gaan.» (1) De leerlingen naar het schijnt, beducht voor hun eigen leven, aarzelden om hun Meester naar Judea te vergezellen, alwaar de Joden Hem hadden willen steenigen; doch Thomas moedigde hen daartoe aan, zeggende:

O ' DO

«Laat ook ons gaan, om met Hem te sterven.» (2) Zeer vele katholieken in de wereld, en zelfs Godgewijde personen worden er gevonden, die aarzelen om Jezus, hun broeder, hun bruidegom en hun God te vergezellen op den weg der vernedering! Doch moedigen wij elkander hiertoe aan op het voorbeeld van Thomas, want eene wederzijdsche aansporing doet den moed herleven. Zeggen wij met een oprecht gemoed, met een onverschrokken hart: laat ook ons gaan, om met Jezus hier op aarde miskend, veracht, bespot en op alle mogelijke wijze vernederd te worden; en (is het overeenkomstig met zijnen aanbiddelijken wil) met Hem in vernederingen te sterven, om later des te ruimer in zijne heerlijkheid te deelen; zooals dit het geval was met den II. Joannes van het Kruis, den H. Joseph van Cala-sanze, en den H. Alphonsus, die, diep vernederd tot in den dood, thans hoog verheven zijn in den hemel.

Me verneilcringon niet vreezen.

De hoovaardigheid heeft van Engelen duivels gemaakt. Zij wilden zich verheffen tot het hoogste der hemelen, on zijn geworpen in het diepste der hel. Ik zal, sprak Lucifer, mijn troon opslaan naast dien des Allerhoog-

(l) Joan. II. 15. — (2) t. a. p. v. 16.

-ocr page 82-

70

sten, Hem zal ik gelijken, en als een bliksem viel hij uit den hemel en stortte in den afgrond neder. Andere geesten spoorde hij aan tot den opstand tegen God, en hij sleurde ze met zich naar de diepte der hel. Hiermede niet tevreden, wil hij ook den mensch doen deelen in zijne zonde, en later in zijn lot. Wat de zonde betreft, hierin slaagde hij; maar voor dat eeuwig rampzalig lot wilde God den mensch bewaren. «Wij weten,» zegt Cassiodorus, (1) «dat Christus de Heer door zijne «nederigheid de hoovaardigheid des duivels heeft overwon-« nen.» Door zijne nederigheid ontrukte Christus den duivel zijne prooi. «Den mensch,» zegt de H. Augustinus, (2) «aan wien de duivel zich vertoonde ter navolging zijner «hoovaardij, heeft Christus zich voorgesteld, opdat hij «zijne nederigheid zou volgen.» Wien willen wij volgen, den hoovaardigen Lucifer of den ootmoedigen Jezus? Dien hoovaardigen geest volgen zij, die hun verstand aan het geloof niet onderwerpen, hun wil naar de geboden niet buigen, met andere woorden, zij, die de dwaling hardnekkig aankleven of de geboden moedwillig blijven overtreden. Dezen scharen zich aan de zijde van Satan en kunnen aan de verheerlijking van Jezus geen deel hebben. Willen wij Jezus volgen in zijne heerlijkheid, dan moeten wij eerst van Hem de nederigheid leeren beoefenen. Immers de ootmoedigheid is een noodzakelijk vereischte, om na den dood verheerlijkt te kunnen worden. De leerlingen van Jezus hadden onderling over den voorrang getwist: dit kon hun nederige Meester niet ongemerkt laten voorbijgaan. Wat deed Hij? Jezus riep een kind tot zich, stelde het in hun midden, en zeide: «Voorwaar ik zeg u: indien gij u niet bekeert

(l) Sup. Ps. II. c. i. — (2) Lib. II. de lib. arbitr. c. 25.

-ocr page 83-

71

«en wordt als kinderen, zult gij liet Rijk der Hemelen «niet ingaan.» (1) Hij berispte alzoo den hoogmoed en de eerzucht zijner Apostelen, en leerde hun hoe volstrekt noodzakelijk de ootmoedigheid is, om de zaligheid van het Rijk der Hemelen te kunnen beërven; zij moesten •worden gelijk kleine kinderen, die van rang noch eerzucht weten. Met recht zegt daarom de H. Gre-gorius: (2) «Het duidelijkste teeken der verworpelingen «is de hoovaardigheid. »

De H. Abt Antonius, zoo verhaalt de H. Antoninus, (3) zag in het gebed de wereld vol strikken onderling verbonden, en riep uit: wie zal deze strikken vol gevaren kunnen vermijden? En hem werd geantwoord, alleen de ootmoedigheid. Maar wat is dan de ootmoedigheid? De H. Thomas van Aquine (4) zegt: «De ware ootmoedigheid bestaat hierin , dat men zich «op zijne eigene krachten niets Iaat voorstaan, maar «alles verwacht van de kracht Gods,» «De ootmoedig-«heid,» zegt de H. Bernard us, (5) «is eene deugd, waar-« door de mensch, ten gevolge van de ware zelfkennis, «in zijn eigen oog verachtelijk wordt.» De ware kennis van zich zeiven is alzoo de grondslag der ootmoedigheid. Hoe beter iemand zich zeiven kent, dos te ootmoediger zal hij zijn. Om zich zeiven te kennen, moet men niet bij zich zei ven te raden gaan, want ieder mensch is in den regel ingenomen met zich zeiven, en deze vooringenomen liefde belet hem de waarheid duidelijk in te zien. De waarheid moeten wij leeren van Dengene, die gezegd heeft; «Ik ben de waarheid.» (6) Wat zegt nu Jezus, die de waarheid zelve is? «Zonder

(i) Matth. i8. 2. 3. — (2) L. 34. Mor. c. l8. — (3) Part. I. tit. V. c. 5. — (4) Tem. I. Opsuc. VII. super Pater Noster. —-(5)156 12 Grad. Humil. — (6) Joan. 14. 6.

-ocr page 84-

72

«mij kunt gij niets doen.» (1) Zonder den invloed zijner genade kunnen wij volstrekt niets doen, dat verdienstelijk is voor het eeuwig leven. De Geest dei' waarheid zegt ons daarenboven nog door den mond van den Apostel Paulus: (2) «Indien iemand meent iets te zijn, «ofschoon hij niets is, bedriegt hij zich zeiven.» Derhalve, wij kunnen niets, wij hebben niets, wij weten niets, wij zijn niets. De volle overtuiging hiervan is de ootmoedigheid des geestes, welke voortspruit uit de waarheid. Is er dan nog eene andere ootmoedigheid.' Die des geestes moet voorafgaan, doch deze zal weinig baten, indien niet die des harten er bij komt. Deze heeft de liefde tot grondslag en bestaat hierin, dat men ter oorzake van die zelfkennis ook waarlijk zich zeiven veracht. «Zoo iemand,» zegt Richardus a S10 Victore, (3) «is ootmoedig, ootmoediger echter is hij, «die duldt door anderen veracht te worden, en de oot-« moedigste is degene, die de verachting hem aangedaan, «niet alleen veracht, maar zelfs verlangt.» Hieruit zien wij, dat er verschillende graden van ootmoedigheid bestaan, of liever, verschillende akten, de een verhevener dan de andere, welke den graad dier deugd uitmaken, mits zulke akten gewoonte zijn geworden. Laat ik hier eenige dier akten aanstippen:

Zich zeiven mistrouwen. Wij zelf zijn voor ons de grootste vijand, en een vijand kan men niet vertrouwen.

Zich zelf als den geringste van allen beschouwen. De H. Franciscus van Assisië noemde zich den grootsten zondaar der wereld, en wanneer men hem vroeg: hoe kunt gij zoo spreken, daar er toch zoovelen zijn,

(lquot;) Joan. 15. 5. — (2) Gal. 6, 3. — (3) 1. II. de erud. hom. int. c. 32.

-ocr page 85-

73

die zich aan de gruwelijkste zonden schuldig maken, was het antwoord. Ü! indien God hun zoovele genaden schonk als mij, zouden ze beter dan ik er aan beantwoorden. Zou iemand ook in een afgrond van zonden gedompeld liggen, toch kan hij zich nog bekeeren en een heilige worden, en ik, ik kan diep vallen en verloren gaan.

Zich de hemelsche gunsten onwaardig oordeelen. ])e heiligen achtten zich onwaardig, dat de aarde hen droeg, zooals eene H. Maria Magdalena de Pazzis; eu wij, die ver vim de heiligheid verwijderd zijn, zouden aanspraak durven maken op de gunsten des hemels? «Wij hebben aan de barmhartigheid des lleeren te «danken, dat wij niet verdelgd zijn.» (1) Hoe menigmaal zijn wij ontrouw geweest aan de genade! Wij verdienen geen genade meer, veel minder bijzondere gunsten.

De loftuitingen der menachen van zich afwenden. Indien iemand zich met zekere vrees en hoogachting tot den Abt Macarius wendde als tot oen heilige, om een stichtend woord te hooren, dan bewaarde de heilige het stilzwijgen, en gaf hierdoor te kennen, dat hem zulke achting niet beviel. Sprak echter iemand hem aan, alsof hij hem verachtte, met deze woorden: Abt Macarius! wanneer gij kameeldrijver waart en zout-steen wegnaamt, werdt gij toen niet, op diefstal betrapt, door uwe meesters geslagen? Alsdan antwoordde liij met vreugde op alles wat men hom vroeg. (2) En wij, die met recht berisping en kastijding verdienen, wij zouden willen geëerd en geprezen worden?

De versmading verlangen. Uat deed de H. Joannes van het Kruis. Toen de Heer Jezus hem eens van het

(i) Thren. 3. 22. — (2) Migne Vitae Patrum 1. 7. c. 12.

-ocr page 86-

74

kruis met de volgende woorden toesprak: «Joannes «wat verlangt gij van mij,» was het antwoord: «Heer! «lijden en veracht worden ter liefde van U.» De H Phi-lippus Nerius trachtte zich op allerlei wijze bespottelijk en verachtelijk te maken. Den heiligen nochtans komt eer, en ons verachting toe; waarom zouden wij dan niet verlangen naar hetgeen ons toebehoort?

Gaarne zijne fouten bekennen. De eerbiedwaardige Joannes de Naïn zegt: nooit verheugt zich de vijand onzer ziel zoozeer, dan wanneer hij er in slaagt, een woestijnbewoner zijne gedachten voor zijn overste geheim te doen houden. (1) De H. Dorotheus, die het niet van zich kon verkrijgen, een enkele gedachte voor zijn overste te verbergen, smaakte hierdoor eene volmaakte kalmte en rust. Een kloosterling uit Egypte, begon in de tegenwoordigheid van den abt Zenon in Syrië, zich van zijne gedachten te beschuldigen. Hierover zeer 7;: ' gesticht antwoordde die eerbiedwaardige grijsaard: De Egyptenaren verbergen de deugden, die zij bezitten en openbaren de fouten, waaraan zij niet plichtig zijn. De Syriërs integendeel verkondigen deugden, die zij niet beoefenen, en houden de zonden geheim, die zij plegen ? Mogen wij in dit punt niet den Syriërs, maar den Egyptenaren gelijken 1

Vernederende werkzaamheden zoeken. Legt de gehoorzaamheid een meer verheven bediening op, dan onderwerpt zich eene ootmoedige ziel, want de gehoorzaamheid is eene akte van ootmoed. maar zij geeft de voorkeur aan een vernederenden arbeid, zooals kamers vegen, zieken verplegen en zoo verder; en uit deze bezigheden zoekt zij nog de meest vernederende,

(1) Vies des P. P. du désert 1. 7. c. 27.

-ocr page 87-

75

die het minst strooken met de eigenliefde. Carloman de oom van Karei den Groote, hoedde het vee, bearbeidde een tuintje en was den kok behulpzaam, die hem met woord en daad mishandelde, zonder met een enkel woord zich te rechtvaardigen. Jezus, de koning-der koningen, verricht den meest vernederenden arbeid in het huisje te Nazareth, en wascht de voeten dei-Apostelen ! Wie zou, na zulk voorbeeld, niet bij voorkeur werkzaamheden zoeken, welke het meest op den ootmoedigen Jezus doen gelijken!

Hel stilzwijgen bewaren als men terecht of ten onrechte beschuldigd wordt. De eerbiedwaardige broeder Gerardus Majella, van onze Congregatie, werd door den H. Alphonsus verdacht, eene zware zonde tegen de heilige zuiverheid gepleegd te hebben. Bewust van zijne onschuld, sprak hij echter geen enkel woord ter zijner verdediging, en onderging inmiddels blijmoedig de hem opgelegde boete. Toen zijne onschuld eindelijk aan den dag kwam, steeg hij merkelijk in achting bij den heilige, die van nu af een grooten dunk opvatte van de heiligheid des broeders. De H. Basilius (1) verhaalt het volgende: In een klooster van 400 religieuzen bevond er zich eene, die voor krankzinnig doorging. In de keuken was haar werk; daar nam zij een weinig voedsel, want niet ééne wilde met haar eten, daar ook moest zij menige beleediging verduren. Pvoterius, een man alom bekend wegens zijne heiligheid, werd door een Engel verwittigd haar, die hem in heiligheid ver overtrof te bezoeken. Aan een kroon op haar hoofd zou hij haar erkennen. Hij zag alle religieuzen, doch geen kroon. Verwonderd vroeg hij, of er nog niet eene was; ja eéne

(l) Migne. Vitae Patrum 1. V. libel. l8.

-ocr page 88-

76

werd hem gezegd, maar zij is krankzinnig. Zij werd ontboden, en toen hij op haar hoofd die schoone kroon zag, waarvan de Engel hem gesproken had, viel hij op zijne knieën en vroeg haar den zegen, dien zij op hare beurt neergeknield ootnioedie: vrees. Na sinaen den

O O O o O

religieuzen de oogen open; zij, die voor krankzinnig-wilde doorgaan, werd de wijste en heiligste in aller oog. In haar eigen oog was en bleef zij even nietig. Allen waren opgetogen van vreugde zulken schat van heiligheid in haar midden te bezitten. Zij alléén was bedroefd, en vluchtte onmiddellijk alle eerbewijzing. Waar alzoo blijft het woord des Heeren: «Wie zich «vernedert, zal verheven worden.» (1) Is het niet altijd hier beneden, dan toch zeker in den hemel. Mogen wij zulke voorbeelden van verre navolgen, door ons niet te verontschuldigen als wij berispt of aangeklaagd worden! Ziedaar eenige akten van eene meer of minder verheven deugd van ootmoedigheid.

Jtleer dan alle deugden moeien wij van onzen god-delijken Zaligmaker de nederigheid leeren. Als ik Christus slechts noem, zegt de II. Augustimis, wordt reeds de ootmoedigheid aanbevolen. Maar wat gedaan, om nederig te worden? Om deze deugd te bekomen moet men zeker veel bidden, en zich vooral tot Maria wenden, het nederigste aller schepselen, de uitdeelster aller genaden, zonder welke wij niets vermogen. Doch wij moeten meer doen. Om de ootmoedigheid des geestes te erlangen, is het noodig zich steeds zijn niet en zijne diepe ellende te herinneren. Volgen wij hierin den raad-dien de II. Franciscus Xaverius aan een der Paters gaf, zooals wij in zijn leven lezen. «Voor alles moet

(i) Luc. 14. 11

-ocr page 89-

77

«frij vooiidiireml uwe nietiglicid voor oogen hebben; «tracht hiervan zoo iloordrongen te zijn, tlat tie ver-«acliting van n zeiven n nimmer verlate.» Om echter tot de ootmoedigheid des harten te geraken, moeten wij do vernedering niet vreezen. «Indien gij,» zegt de H. Bernardus, (1) « naar de deugd dor nederigheid streeft, «dan moet gij de vernedering niet vluchten, want gij «kunt tot de nederigheid niet geraken, tenzij gij duldt «vernederd tc worden.» «De nederigheid,» zegt Car-dinaal Hugo, (2) «wordt door de versmadingen ge-«voed.» Maken wij derhalve een vast besluit, het een oog gevestigd op ons niet, hot ander op den vernederden en gekruisigden Jezus, ons nimmer te verontschuldigen, de vernederingen met geduld te verdragen en te bidden voor ieder, dio ons vernedert. De ijverigen gaan verder: zij beminnen, zij zoeken, zij vragen de vernedering, overtuigd van het woord des Heeren. «Wie «zich vernedert, zal verheven worden.» Meer dan een wereldling dorst naar eer, dorsten wij naar vernedering, deze waarheid indachtig: aan een graad van nederigheid beantwoordt een graad van heerlijkheid.

GEBED.

O mijn Jezus! hoe is het mogelijk dat ik, zondig en höovaardig mensch , niet de minste beleediging kan verdragen ter liefde van U, terwijl Gij, ter liefde van mij, zoovele versmadingen hebt willen verduren! Vanwaar toch zulke hcovaardigheid ? Ach! verleen mij, door rle verdiensten dier verachting voor ons geleden, do genade van alle beleedigingen met geduld en zelfs met liefde te verdragen. Ik maak een vast voornemen, mot den bijstand uwer genade, mij nimmermeer aan eenigen

(l) Epist. S7 ad Ogorum. — (2) Super Ezech. c. 22.

-ocr page 90-

78

wrevel over te geven, en met liefde alle vernederingen te verdragen, welke ook. Ik verdiende wel andere vernederingen, ik, die uwe goddelijke Majesteit veracht, en de eeuwige pijnen en versmadingen der hel verdiend heb! En Gij, mijn dierbare Verlosser, hebt Gij mij de beleedigingen niet zoet en beminnelijk gemaakt, door zoovele versmadingen ter liefde van mij te willen verduren ? Om U te behagen, neem ik het besluit van alle goed te doen aan dengene, die mij veracht, of minstens goed van hem te spreken, en voor hem te bidden. Op dit oogenblik bid ik U al degenen met weldaden te overladen, van wie ik eene beleediging ontvangen heb. Gelieve hen te zegenen, alsmede dit gemaakt besluit, om langs den weg der vernedering, eindelijk tot de deugd der nederigheid te geraken. H. Maagd Maria, door uwe nederigheid de Moeder van een God geworden, verkrijg voor mij die kostbare deugd.

HOOFDSTUK VIII.

Ave Rabbi! Et osculatus est eum, Matth.

XXVI, 49.

Wees gegroet Rabbi! en hij kuste Hem.

De eerwaardige grijsaard Simeon had tot Maria, toen zij haar goddelijk Kind in den tempel te Jeruzalem opdroeg, onder anderen gezegd: (1) «Zie, deze is «gesteld tot val en tot opstanding van velen in Israël,» dat is, volgens Beelen, tot hun geestelijk heil of onheil. Tot heil van degenen, die Hem voor den belooofden Messias erkennen en in Hem gelooven, doch tot ondergang en onheil voor dezulken, die Hem in hun ongeloof

(i) Luc. 2. 34.

-ocr page 91-

79

verwerpen zouden. Deze voorzegging kon niet onvervuld blijven. Zij treedt reeds in werking bij gelegenheid dat Jezus zijn vriend Lazarus opwekte van de dooden. Velen uit de Joden, die er getuigen van waren, geloofden in Jezus, «maar sommigen uit hen gingen tot de Piiari-«zeeërs, en zeiden hun wat Jezus gedaan had.» (l) Hierdoor wil de Evangelist, naar het schijnt, te kennen geven, dat die sommigen, ondanks liet schitterend wonderwerk, voor hunne oogen door Jezus verricht, in hun ongeloof volhardden, en daarom, zeker niet met een goed oogmerk, aan de Phariseërs gingen zeggen wat Jezus te Bethanië gedaan had. «De Opperpriesters «en de Pharizeeërs dan vergaderden den Raad en zeiden : «wat staat ons te doen, daar deze mensch vele teekenen «doet!» (2) In dezen raad werd de dood van Jezus uitgesproken. «Van dien dag at' dan waren zij er op be-«dacht Hem te dooden.» (3) Maar hoe zouden zij het aanleggen om hun snood plan te volvoeren? Judas de Iskariother, één der twaalf stond hun ter zijde; hij zou Jezus in hunne handen overleveren. Uit eigen beweging, of' liever, gedreven door den vervloekten gouddorst, vertoont hij zich den priesters en sprak: «Wat wilt gij «mij geven, opdat ik Hem u overlevere?» (-4)0, welke vreugde bezielde op dit oogenblik, zegt de H. Alphon-sus, (5) de Joden, vol haat tegen Jezus, ziende dat een van zijn eigen leerlingen Hem wilde verraden, en overleveren in hunne handen. Do H. Lucas (6) zegt dan ook, dat zij verblijd waren, en zich verbonden hem geld te geven. Maar, o Judas! roept hier de H. Alphon-sus uit, daar gij uw God verkoopen wilt, beding dan

(l) Joan. II. 46. — (2). t. a. p. 47. — (3) t. a. p. 53. — (4) Matth. 26. 15. — (5) T. V. p. 163. — (6) Luc. 22. 5.

-ocr page 92-

80

minstens den prijs, ilien Hij waard is; Ilij is een oneindig goed, een eindeloozen prijs waard! Dun neen, zij beloofden hem dertig zilverlingen. Volgens den griekschen teks zou men het woord belocma ook kunnen overzetten door: zij wogen hem toe, dat is, zij telden hem toe. Hoogst waarschijnlijk ontving Judas op dat oogenhlik die dertig zilverlingen (1), eene som tusschen de 30 en 40 gulden. Hiermede was de rampzalige leerling tevreden. «En van toen af zocht hij eene goede gelegenheid «om hem over te leveren.» (2) Het teeken des verraads was een kus. « Wien ik kussen zal,») had hij gezegd, «die «is het; grijpt Hem, en leidt Flem behoedzaam weg.» (3) Welke verblindheid! Welke boosheid! Zijn meester had hem reeds doen verstaan, dat Hij zeer goed wist, wat er in zijn bedorven hart omging, maar de hartstocht verblinde hem. Een teeken van vriendschap zou bij voorkeur het teeken zijn des verraads! welke afschuwelijke schijnheiligheid! welke ontzettende boosheid! want, ter oorzake van dit uitwendig teeken van vriendschap, zoo meende de rampzalige, zou zijn goddelijke Meester, niets kwaads vermoedende, niet vluchten of zich onzichtbaar maken; en opdat Jezus des te zekerder in hunne handen zou vallen, voegde hij er bij: «grijpt «Hem, en leidt Hem behoedzaam weg.» De verrader wist dat Jezus menigmaal den nacht doorbracht in het gebed, aan den voet van den Olijfberg. Om nu geen oproer te verwekken, koos hij die plaats in den nacht uit, om zijn snood verraad te plegen. Hij begaf zich dan derwaarts aan het hoofd van eene gewapende bende, naderde zijn Meester en drukte zijne ecrlooze lippen op

(l) Beelen in Matlh. c. 26. 15. — (2) Matth. 26. 16. — (3) Mare. 14. 44.

-ocr page 93-

81

liet aanscliijii van zijn God, zeggende: «Wees gegroet «Rabbi!» Jezus weigerde dien kus niet, maar zeide: «Vriend! waartoe zijt gij gekomen.'» (1) als wilde Hij zeggen: gij zijt wel niet in mijne vriendschap, maar wanhoop niet; een vermorzeld en vernederd hart zal ik niet' versmaden. Om dat verstokte hart te vermurwen, gaf Jezus hem te verstaan, dat Hij zijn binnenste doorgrondde, zeggende: «Judas! levert gij den Zoon «des menschen met een kus?» ('2) Vervoerd door den hartstocht stortte hij zich, gevoelloos voor alles, van den eenen afgrond in den anderen, van den afgrond der zonde in den afgrond der hel. Na het gruwzaam verraad- te hebben gepleegd, verviel hij in eene nog zwaardere zonde, die der wanhoop. Deze vertwijfeling zette het zegel op zijne verdoemenis; hij maakte een einde aan zijn rampzalig leven en zijne ziel ging naar de ongelukkige eeuwigheid. Ziedaar het gevolg van een hartstocht, niet bijtijds bestreden. Zijn hartstocht was de geldzucht. Daar hij het geld bewaarde, hetgeen voor het onderhoud van zijn Meester en de andere Apostelen noodig was, eigende hij zich eenig geld toe, want, zegt de H. Evangelist, hij was een dief. (3) Hoe diep kan iemand vallen! Een Apostel wordt een verrader, een heiligschenner, een wanhopige, een zelfmoordenaar, een rampzalige! Trekken wij hieruit ons voordeel, en laat ons van den beginne af, eiken hartstocht krachtdadig bestrijden.

Xijne liartstoohlS'n van den beginne at' bestrijden.

Een hartstocht, zegt de 11. Joannes Damascenus (4) is eene beweging, eene overhelling of genegenheid der

(l) Matth. 26. 50. — (2) Luc. 22. 48. — (3) Joau. 12. 6.— (4) L. II. Iklei. Orth. c. 22.

l.IJDEN V. CHRISTUS. G

-ocr page 94-

82

gevoelige begeerlijkheid tot iets wat slecht of goed is, en als zoodanig ons door de verbeelding voorgesteld. Hieruit zien wij dat de hartstochten in zich zeiven beschouwd niet slecht zijn, want de Zaligmaker zelf, die in alles aan ons gelijk heeft willen worden, de zonde alléén uitgezonderd, heeft er zich van bediend; immers in den hof van Olijven was Hij bevreesd en bedroefd. Is het dan goed hartstochten te hebben? «In zich zel-« ven beschouwd,» zegt de H. Thomas, (1) «ligt in de «driften geen zedelijk goed of kwaad opgesloten.» Zij zijn alzoo onverschillig, maar alles hangt af van de wijze, waarop wij ons betrekkelijk hen gedragen. Laten wij ons door de booze hartstochten vervoeren en be-heerschen, dan storten zij ons in het verderf. Integendeel, weten wij ze te beteugelen en te onderwerpen aan de rede, dan dienen zij tot onzen geestelijken vooruitgang. Men kan ze vergelijken met een paard. Dit dier bewijst den mensch gi oote diensten, mits het beteugeld worde, anders holt het toomloos A'oort, en de ruiter valt of wordt in een afgrond geworpen. Evenzoo is de wind nuttig, ja noodzakelijk voor den zeevaarder, doch overgegaan tot een orkaan, slaat hij het schip tegen de rotsen of doet het stranden. Zoo gaat het met de hartstochten. Dezen zijn ons dienstig en helpen ons om reuzenstappen te doen op den weg der deugd en volmaaktheid, mits wij ze weten te beteugelen, zoo niet, dan werpen ze ons in een afgrond van boosheden, en reddeloos zijn wij verloren; Indien het mogelijk ware geen driften te gevoelen, dan zouden wij ons hierover niet behoeven te verblijden, veel minder verhoovaar-digen, want, waar geen strijd is, daar is ook geen

(l) I. 2. qu 24. a I.

-ocr page 95-

83

overwinnirg, geen kroon, den overwinnaars weggelegd. Ik zeg: indien het mogelijk ware, «want,» zegt de H. Franciscus van Sales, (l) «wij zullen nimmer van «hartstochten bevrijd zijn.» Zoolang wij ons in deze wereld bevinden, is er van dien kant nimmer eene volkomen rust voor ons te verwachten. In zonde zijn wij ontvangen, en ofschoon van die zonde in den H. Doop gereinigd, hebben wij nog altijd met de begeerlijkheid tot zonde te strijden. Die begeerlijkheid heeft wel niets doemwaardigs in zich, doch, zegt de Kerkvergadering van Trente, zij is den mensch ten geestelijken strijde gelaten. Vandaar dat dezelfde H. Franciscus van Sales (2) zegt; «De hartstochten zijn «iets natuurlijks, ze te gevoelen is geen zonde.» De driften, zegt de Abt Abraham, een Vader der woestijn, sterven niet in ons, de heiligen zelfs zijn er niet vrij van, maar zij houden ze in bedwang. Men hoort soms personen, die het overigens oprecht met den goeden God meenen, klagen, dat zij zoovele hartstochten hebben, dit maakt hen neerslachtig en vaak moedeloos. Maar zijn zulke klachten niet het gevolg van een verborgen eigenliefde.' Meenen zij wellicht, dat men hier op aarde een onverstoorbare rust genieten kan? Willen zij nu reeds, terwijl hnn hart bedorven is, het leven leiden van een Engel? Zouden zij dan geene hartstochten meer willen ontwaren, waarvan de heiligen zelfs niet \rij zijn gebleven? Behoort gij tot dit getal, wees dan niet meer verwonderd, staak uwe klachten, en wacht u voor moedeloosheid; want er staat geschreven: «Geef uw hart niet over aan de «droefgeestigheid, maar verdrijf haar ver van u,» (3)

(i) Serm. de Circonc. — (2) t. a. p. — (3) Eccli 38. 21.

-ocr page 96-

84

«de droefgeestigheid heeft er velen gedood.» (1) De H. Joannes Chrysostoinus (2) beweert, dat al degenen, over wie de duivel zegeviert, door de droefgeestigheid overwonnen worden. De neerslachtigheid is eone hartstocht, die men, even als de anderen moet bestrijden, en wel van den beginne af, volgens het bekend spreekwoord: weersta in het begin, want voor eene verouderde kwaal helpen geene medicijnen meer. Als men een vonkje vuur niet aanstonds uitdooft, kan het een vreeselijken brand veroorzaken. Wordt in een onbeduidend lek van een schip niet bijtijds voorzien, dan gaat het eindelijk ten gronde, al bevindt het zich ook in de haven. Zoo gaat het niet een ontluikenden hartstocht, wordt deze niet aanstonds beteugeld, dan wordt rnen, door denzelven medegesleept, in onverbreekbare boeien gekluisterd, en alle menschelijke hulp schiet te kort om er ons van te ontdoen. Zoodra een drift zich doet gevoelen, kost het in den regel weinig moeite, die te onderdrukken; is men echter hierin nalatig, dan gaat zulks van dag tot dag met meer moeite gepaard. Deinst men in het begin voor eenige moeite terug, later zal men nog veel minder inspanning bezigen, en middelerwijl schiet de hartstocht diepere wortelen; hij wordt gewoonte, en de gewoonte is een tweede natuur. Dit bracht een woestijnbewoncr van uitstekende deugd, zooals de H. Dorotheus (3) verhaalt , zijnen leerlingen opde volgende wijze duidelijk onder de oogen. Op eene plaats gekomen, die mot groote en kleine hoornen beplant was, gebood hij een zijner leerlingen een boompje uit den grond te trekken; dit deed hij zonder moeite. Hij beval hem een

(i) Eccli 30. 25. — (2) Ad Stagirium 1. 3.— (3) Marin. Vie des Pères du desert 1. 8. chap. 30.

-ocr page 97-

85

tweede uit te rukken, dat wat grooter was, en ook hierin slaagde hij, doch met meer moeite. Nu gelastte hij hem een nog zwaarderen boom omver te halen. Hiertoe moest hij al zijne krachten inspannen. Eindelijk toonde hij hem een boom nog dikker en grooter dan de vorigen en beval hem ook dezen te ontwortelen, hierin kon de leerling niet slagen dan met hulp van een ander. Nu sprak de eerbiedwaardige grijsaard: die boompjes zijn een zinnebeeld der hartstochten; een ontluikende drift is gelijk aan het eerste boompje; zonder veel moeite komt men deze te boven; laat men haar echter wortel schieten, dan wordt er veel arbeid vereischt haar uit te roeien, en hoe langer men wacht des te grootere inspanning is er noodig, totdat eindelijk al onze krachten te kort schieten, ik zeg niet om haar volkomen uit te roeien, dit immers is onmogelijk, maar zelfs te bedwingen, zooals het behoort. De rampzalige Judas liet zich vervoeren door de hebzucht, en wij weten wat er het gevolg van was. Zijn de gevolgen van het niet tijdig bestrijden zijner driften niet altijd zoo vreeselijk als bij dien verrader, toch zijn ze vaak allerbetreurenswaardigst. Dezelfde H. Dorotheus (l) verhaalt nog het volgende: Een broeder kwam zich bij mij beschuldigen dat hij eenige etenswaar had weggenomen. De heilige gaf last aan den econoom des kloosters, dien broeder alles te geven wat hij hem zou vragen. Kort daarna herviel hij in dezelfde fout. Indien gij, zoo sprak de Heilige hem toe, beschaamd zijt het den econoom te vragen, kom dan tot mij en ik zal u alles geven, wat gij verkiest. Ook dit kon niet baten, want hij kwam op nieuw zich bij den overste beschuldigen. Zeg mij eens, vroeg

(l) Marin. Vie des Pères du desert 1. 8. chap. 30.

-ocr page 98-

86

«Ie H. Dorotlieus, wat doet gij toch met al die eetwaren, die gij in het geheim wegneemt? En het antwoord was: ik geef ze aan eenquot;ezel. En in waarheid, hij had zulke drift tot stelen, dat men onder zijn bed en op andere plaatsen des huizes eetwaren vond, en als hij niet meer wist wat er meê doen, wierp hij ze weg, of gaf ze aan het vee. Hij liet zich, zegt de Heilige, door die drift zoover vervoeren, omdat •'Ü haar in den beginne niet bestreden had, en er een slaaf van geworden was. Hoe gevaarlijk het is aan een opkomenden hartstocht toe te geven, ondervonden zelfs de heiligen, ofschoon de goede God hen toch voor dieperen val bewaarde. De H. Augustinus verhaalt het volgende van zijne moeder de H. Monica: De dienstboden in haar ouderlijk huis namen nu en dan een flesch wijn weg, en spoorden Monica aan mee te drinken, misschien wel opdat zij het niet openbaren zou. In het begin dronk zij met weerzin, doch het duurde niet lang, of zij dronk met graagte. In een oogenblik van opgewondenheid werd haar zulks door eene der dienstmaagden verweten ; dat bitter verwijt gevoelde zij, maar tevens ook de wroeging van haar geweten. Getrouw aan de stem der genade, werd zij voortaan een voorbeeld van matigheid. Had de H. Teresia in haren jeugdigen leeftijd niet bijtijds eene al te natuurlijke gehechtheid aan eene vriendin bestreden, nooit ware zij eene heilige geworden. Wat meer is. God toonde haar later de voor haar bestemde plaats in de hel, indien zij zich door die genegenheid had laten vervoeren.

Indien alzoo een hartstocht, door eene overigens ijverige en godminnende ziel niet tijdig onderdrukt, zulke noodlottige gevolgen kan hebben, met welken ijver en spoed moeten wij dan niet elke drift, van welken aard

-ocr page 99-

87

ook, bestrijden! Hoe heviger de hartstocht is, des te grooter, gewold moeten wij ons aandoen. Het kan dan gebeuren, dat, tengevolge van dien heldhaftigen strijd, de hartstocht, door Gods genade voor goed overwonnen is, zoodat wij hiermede schier niet meer te kampen hebben. Zou echter eene drift ons overmeesterd hebben, verliezen wij daarom den moed niet, maallaat ons den strijd met verdubbelden moed hervatten. Herinneren wij ons hetgeen een Engel tot den H. Mar-tinus zeide, toen deze bedrukt nadacht over eene fout, die het geweten hem verweet, «hervat moed, uit vrees «van uwe zaligheid zelve in gevaar te stellen.» Doen wij gelijk iemand die een berg bestijgt; glijdt hij uit, of struikelt hij over een steen, dan wordt hij wel voorzichtiger, maar laat daarom den moed niet zinken. De H. Franciscus van Sales heeft 20 jaren gestreden tegen den hartstocht van gramschap en werd een toonbeeld van zachtmoedigheid. «Vallen,» zegt de H. Alphonsus, (1) «maar aanstonds opstaan, zich hierover vernederen, «en erkennen dat men slecht gehandeld heeft, recht-«vaardigt ons, en verblijdt het hart van Jezus Christus. «Indien.de fout Hem mishaagt, die akte van nederig-«heid behaagt Hem des te meer. Die zich na de zonde «vernedert, verdient nieuwe genaden om niet te her-« vallen. Het groote kwaad is, vrede te sluiten met de «fouten.» Dit zij alzoo ons vast besluit: eiken hartstocht in zijn opkomst onmiddellijk te onderdrukken, zou hij echter de overhand krijgen, dan in geen geval den moed te verliezen. Hervatten wij den strijd, en de goede God, voor wien wij ons diep vernederen, zal ons door zijne genade versterken, en ons over onze driften doen

(i) Sa vie, par Tannoja. T. I p. 5S4.

-ocr page 100-

88

zegevieren, terwijl wij dan ook Hem alleen de eer en glorie hiervan geven zullen.

GEBED.

O! mijn dierbare Verlosser! wanneer zai ik eens voor goed de handen slaan aan het werk der volmaaktheid ? Ondanks zoovele genaden, waarmede Gij mij, ondankbaar schepsel, overladen hebt, heb ik weinig of geen vordering gemaakt op den weg der deugd. Anderen , ofschoon minder door U begunstigd, gaan mij vooruit, en stichten door hun voorbeeld, en ik helaas! ben en blijf' altijd dezelfde. De eenige reden hiervan is, dat ik mij zeiven geen geweld aandoe. Ik ben zeer nalatig in het bestrijden mijner hartstochten en vooral in het onderdrukken van mijne hoofddrift. Dientengevolge gevoel ik mijn geweten bezwaard met eene menigte zonden. Dat Gij mij zulks doet inzien, beschouw ik als een teeken uwer ontferming. Die zonden zijn mij van harte leed, ik wil ze niet meer plegen, en daarom maak ik thans een besluit vaster dan ooit, om eiken hartstocht, zoodra hij zich vertoont, onmiddellijk te bestrijden. Hiertoe behoef ik uwe genade, gelieve mij die te verleenen door de verdiensten van uw bitter lijden, en de grievende smart, die Judas U aandeed door zijn snood verraad. Mijne goede Moeder Maria, help uw zwak en ellendig kind.

-ocr page 101-

89

HOOFDSTUK IX.

Quem quaeritis. Joan. XVIII, 4.

Wien zoekt gij.

De rampzalige leerling, door den vervloekten gouddorst voortgezweept, had liet verraad gepleegd, en zijn Meester door een kus aangeduid. Hier doet zich de vraag voor: waarom sloeg de bende niet aanstonds de handen aan Jezus? Waarom Hem niet onmiddellijk vastgegrepen en geboeid? Eenigen zeggen: Judas, die aan het hoofd der bende stond, was haar eenige schreden vooruitgegaan, en na den verraderlijken kus te hebben gegeven, trok hij zi.;h terug en voegde zich weder bij Jezus' vijanden. Inmiddels verloren dezen Jezus uit het oog, misleid door de duisternis; de fakkels en lantaarnen gaven wellicht geen genoegzaam licht om Hem te midden der leerlingen in het oog te houden. Dit echter is, mijns inziens, niet de eigenlijke reden, want toen Jezus hun vroeg: «wien zoekt gij?» konden zij Hem aan zijne stem, die zij zoo vaak gehoord hadden, erkennen, minstens zeer zeker Judas, die voortdurend in zijn gezelschap geweest was, en die zich nu in het midden dier bende bevond; want, zegt de H. Joannes, (1) «ook Judas, die Hem overleverde, «stond bij hen.» De ware reden moeten wij zoeken in de woorden door Christus zelf vroeger gesproken : « nie-emand beneemt mij liet (leven), maar uit mij zeiven «leg'Ik het af.» (2) Christus wilde niet als een machte-looze in de handen zijner vijanden overgeleverd worden; niet door dien verraderlijken kus des snooden leerlings

(i) Joan. 18. 5 — (2) Jcun. 10. 18.

-ocr page 102-

00

zou hij in hunne handen vallen, maar omdat Hij het zoo wilde. Hij zelf zou uit eigen beweging, geheel vrijwillig zich overleveren. Dit moesten zij weten. En daarom, zegt de H. Joannes Chrysostomus, (1) sloeg Jezus hen met blindheid, zoodat zij Hem, die voor hen stond, niet konden zien. Een dergelijk wonder had God weleer verricht op het gebed van zijn Profeet. De koning van Syrië had soldaten afgezonden om Elizëus gevangen te nemen; God echter sloeg hen met blindheid, zoodat zij met hem spraken en hem niet erkenden. (2) Ook Jezus sprak met zijne vijanden, die gekomen waren om Hem gevangen te nemen, maar eene goddelijke kracht, die van Jezus zelf uitging, bond hun de handen, om ze naar Hem uit te steken, en sloot hun de oogen om Hein te kunnen zien. Vóór dezen tijd, hadden de Phariseërs en Schriftgeleerden meermalen mannen afgezonden, om Jezus gevangen te nemen, doch het was hun niet gelukt Hem in handen te krijgen, omdat Jezus het niet wilde. Thans echter slagen zij in hunne afschuwelijke onderneming, niet door Judas' verraad, niet omdat Hij zwichtte voor de gewapende macht, welke zij tot Hem hadden afgezonden, maar omdat Jezus, volgens den wil zijns Vaders, nu verlangt overgeleverd te worden. Zij zoeken Jezus om Hem in handen te krijgen, en Jezus zoekt hen om in hunne handen te vallen; want Hij trok hen vrijwillig Ie gemoet. Jezus kende ten volle het doel hunner komst. Hij wist zeer goed dat zij gekomen waren om Hem aan de rechters over te leveren, en terwijl Hij zich van zelf aanbiedt, vraagt Hij hun: «wien «zoekt gij?» en het antwoord luidde: «Jezus den Naza-«rener,» en Jezus zeide: «Ik ben het» en toch was er

(i) Hom. 82. — (2) IV. Reg. 6. 18.

-ocr page 103-

91

niet één van die woeste bende, die zijne hand naar Jezus uitstak, om Hem te vatten. De almacht van Hem, die voor hen stond, maakte hen voor dit oogen-blik nog machteloos.

«Wien zoekt gij?» Ziedaar eene vraag, welke Jezus den menschen nog doet. Velen, volgelingen der Phari-zeërs, kinderen Belials, zoeken Jezus om Hem te bespotten, te verguizen en te kruisigen, en hadden zij Hem in handen, hunne helsche razernij zouden zij naar hartelust botvieren. Inmiddels zoeken zij hunne wraaklust te koelen aan de door Jezus gestichte Kerk. Het getal van zulke goddeloozen is helaas! in onze dagen grooter dan men wellicht denkt. Wat ons betreft, indien wij Jezus met een oprecht hart en cene zuivere meening zoeken, dati zullen wij Hem ook zeker vinden. De Bruid der Gezangen zocht en vond Hem, «ik heb dengene «gevonden, dien mijne ziel liefheeft.» (1) Velen, naar het uitwendige te oordeelen, zoeken Jezus; zij naderen dikwijls tot de H.H. Sacramenten, bidden veel. leggen zich toe op liefdewerken, in één woord, zij beminnen de deugd, en willen streven naar de volmaaktheid, en toch vinden zij Jezus niet, die bij hen is. De reden hiervan, is soms eene beproeving. God verbergt zich nu en dan opdat zij Hem vuriger zoeken, en inmiddels meer verdiensten zouden vergaderen. Maar ook dikwerf is het een gevolg van hunne eigenliefde. Door deze verblind, zien zij Jezus niet. In hunne werken van godsvrucht zoeken zij, niet Jezus, maar zich zeiven. Hunne meening is niet zuiver, en om God te zien moet men zuiver van harte zijn. Zonder die zuiverheid van meening kunnen wij Jezus niet vinden.

(l) Cant. 3. 4.

-ocr page 104-

92

lie zuivere inccnin^.

Er zijn zondige, onverschillige en goede werken. Een zondige daad is en blijft immer zonde. Een goede bedoeling kan soms dengene verontschuldigen, die ze te goeder trouw verricht, maar ondanks de goede bedoeling houdt de daad niet op zondig te zijr. Met de zuiverste bedoeling, zegt de H. Augustinus, (1) is het nimmer geoorloofd eene in zich zondige daad te stellen. Wie zou durven zeggen, vraagt de Heilige: ontnemen wij den rijken, om den armen te kunnen geven? Eene leugen alzoo, om beters wil, zooals men zich uitdrukt, is en blijft zonde. Verkeerd derhalve handelen zij, die eene leugen doen om onaangenaamheden te voorkomen, iets heimelijk wegnemen om het den armen te geven; uit nederigheid of uithoofde der verstrooiingen aan een werk verbonden, zich aan de gehoorzaamheid onttrekken.

Daden nu, die in zich geen zonden zijn, worden zondig of verdienstelijk, zegt dezelfde Kerkleeraar, (2) naar gelang de meening, waarmede zij verricht worden. Wordt een goed werk, bijv. het geven eener aalmoes, zonde, als het met eene slechte bedoeling geschiedt, zooals alle godgeleerden verklaren, dan zeker ook eene op zich zelf onverschillige daad, als men ze met een boos inzicht pleegt. «Indien uw oog,» zegt de Zaligmaker, «kwaad is, dan zal geheel uw lichaam duister «wezen.» Door dat oog verstaat de H. Augustinus (3) de meening, en door het lichaam onze werken. Indien

(i) Contra mendac. c, 7. — (2) t. a. p. — (3) De Serm. Dom. 1. 2. c. 21.

-ocr page 105-

93

ons oog (onze bedoeling) kwaad is, dan zal ons licliaam (onze wei ken) duister zijn ; dat wil zeggen zondig. Zouden echter, zoo gaat die heilige leeraar voort, onze werken geschieden met eene zuivere meening, dut is, uit liefde, dan zijn ze zuiver en Gode behagelijk. Met hoevele werken, onverschillig in zich, houdt men zich niet dagelijks bezig; eten, drinken, slapen, wandelen, zich ontspannen en zoo verder! Het grootste gedeelte van ons leven gaat in zulke oefeningen voorbij, jammer, wanneer zij, bij gebrek aan eene zuivere meening, zonder verdiensten zouden ziju voor den hemel. Ik zeg: bij gebrek aan eene zuivere meening, dat is, een bovennatuurlijk inzicht, steunende op het geloot, ontleend aan de liefde. Want is de meening gegrond op eene natuurlijke beweegreden, zooals eene ualnioes geven louter uit medelijden met den hehoefiigen toestand, waarin iemand zich bevindt; een ander een dienst bewijzen alléén omdat men zich hiertoe door een medelijdend hart voelt getrokken , zonder onze meening tot God te verhellen, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings, dan noemt men zulke handelingen natuurlijke deugden; doch aangezien men in dit alles niet Gods wil of welbehagen, maar alleen zekere bevrediging des harten zoekt, kan ook God zulke daden niet loonen in den hemel. Waarom dat alles niet gedaan met een verhevener inzicht aan het geloof ontleend ? God, wil dat wij eten en drinken om ons te versterken, slapen, ons nu en dan ontspannen, om met vernieuwde krachten de ons opgelegde werkzaamheden te verrichten, te bidden en te werken aan het heil der zielen. Indien wij alzoo Gods heiligen wil, Gods verheerlijking zoeken, dan wordt God door dat alles geëerd. Immers de Apostel Paulus leert ons uitdrukkelijk: «Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt.

-ocr page 106-

94

«hetzij gij iets anders doet, doet alles ter cere van «God.» (1)

De kloosterlingen zijn in dit punt onder menig opzicht zeer bevoorrecht. «Want,» zegt do IJ. Bonaven-tura, (2) « hun, die zich in den beginne uit liefde hebben «opgeofferd, om het juk des kloosterlevens te dragen, « wordt elke daad, die met de onderhouding daarvan in «verband staat, verdienstelijk voor het eeuwig heil, «krachtens die eerste meening, tenzij, wat God verft hoede, deze worde herroepen. » Anders is echter het geval met die daden, welke in geene verhouding staan met het kloosterleven zelve, zooals de II. Bonaventura tevens opmerkt, omdat die eerste meening zich niet tot deze uitstrekt. Ten opzichte dier handelingen staat een kloosterling met iemand in de wereld op dezelfde lijn. De staat van genade, die trouwens altijd vereischt wordt, opdat een werk verdienstelijk zij, is volgens de leer van vele en voorname godgeleerden niet voldoende, on al onze werken in dien staat verricht, als verdienstelijk te doen gelden voor den hemel. Vandaar het godvruchtig gebruik, eiken morgen al zijne werken Gode op te dragen, zijne dagelijksche en gewone bezigheden met eene zuivere meening te beginnen. Maar raadzamer en voordecliger zou het wezen, die goede meening door den dag van tijd tot tijd te hernieuwen, vooral wanneer men een ander werk gaat beginnen, opdat zoo vele werken, onverschillig in zich, niet voor den hemel verloren gaan.'

Wat nu de werken van deugd betreft, zooals het beoefenen der versterving, het verrichten van geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid, het storten

(l) I. ad Corinth. IQ. 31. — (j) Disp. 46. a. I. qu. 3.

-ocr page 107-

95

van gebeden en zoo verder, opdat ook deze verdienstelijk zijn voor den hemel, wordt eene goede bedoeling vereischt. Want geschiedt zulks om door anderen te worden geprezen, of opdat anderen een goeden dunk van ons zouden opvatten, of om andere redenen waarvan de eigenliefde alleen de drijfveer is, dan heeft men zijn loon reeds ontvangen. Dit immers leert ons de Zaligmaker uitdrukkelijk: «Ziet toe, dat gij uwe ge-«rechtigheid niet doet voor de menschen, om van hen «gezien te worden; anders zult gij geen loon hebben « bij uwen Vader, die in den hemel is. Wanneer gij dan «eene aalmoes geeft, bazuin het niet voor u uit, gelijk « de huichelaars doen in de Synagogen en op de straten, «om door do menschen geëerd te worden; voorwaar ik

«zeg u: zij hebben hun loon al ontvangen.....En als gij

«bidt, zult gij niet zijn gelijk de huichelaars, die in de «Synagogen en op de hoeken der straten staande «bidden, om van de menschen gezien te worden; voor-«waar zeg ik u, zij hebben hun loon. al ontvangen.» (1) Ten tijde van Christus waren er personen, die bij het goed dat zij deden, de eer der menschen beoogden; zij ontvingen hetgeen zjj zochten, en daarmede hield hunne verdienste op. Zoekt men derhalve zijn loon bij de menschen door voor hen te werken, dan kan men geen aanspraak meer maken op loon bij God. Dit is duidelijk: want veronderstelt eens: een werkman heeft de gansche week voor een heer gewerkt; bij wien zal hij zich op het einde der week dan aanmelden om zijn verdiend loon te ontvangen? Bij u? maar vriend! zult gij antwoorden: gij vergist u: gij hebt niet voor mij gewerkt, ga tot dien heer, voor wien gij

(i) Math. 6. v. i. 2. 5.

-ocr page 108-

96

gearbeid hebt, hij moet u betalen. Hoe wilt gij dan, dat tie goede God u loone voor al die werkzaamheden, welke gij niet voor Hem, maar voor de menschen verricht hebt? Gaat tot de menschen, zal Hij zeggen, dezen moeten u loonen. Dan hoe vaak wordt men niet in zijne verwachting bij dezen te leur gesteld! De eer die men najaagt, wordt ons niet altijd gegeven, integendeel, men maakt zich doorgaans bespottelijk in hun oog. Men zou zulke personen met kinderen kunnen vergelijken, die een zeepbel naloopen, die uiteenspat, als ze meenen dezen te vatten. Hoe dwaas en uitzinnig! bij al zijne goede werken, die soms met veel moeite en groote oilers gepaard gaan, den lof te zoeken bij oversten, medebroeders, medezusters of' anderen! Want, zooals de Profeet Aggaeus (1) zegt, zij storten ze iigt; een zak die gescheurd is, alles valt er weer uit. Op zulke personen zijn de woorden van den Apostel Petrus toepasselijk: «Meester! den ganschen nacht hebben wij «gearbeid en niels gevangen.» (2) Immers hun leven lang hebben zij den fakkel des ge'.oofs bij hunne werkzaamheden niet ontstoken; hunne inzichten waren niet ontleend aan het geloof, en onder dit opzicht kan zulk leven met den nacht vergeleken worden. In het duister hebben zij gearbeid, bij deu nacht zich afgetobd, en wanneer die nacht komt, waarin niemand werken kan (3), hebben zij ten slotte niets gevangen, niets | verdiend voor den hemel. Maar worden er zulke dwazen gevonden? Zeker, in de wereld ontmoet men zulke schijnheiligen, die hunne booze inzichten onder het masker van deugd verbergen. Bij de godvruchtige klasse zelfs, is het geial van hen niet gering, die bij eene

(l) Aggaeus I. 6. — (2) Luc. 5. 5, — (3) Joan. 9. 4.

-ocr page 109-

97

menigte van godvruchtige werken hunne blikken alleen naar de menschen wenden. Groot is het getal zielen, zegt de H. Kerkleeraar Alphonsus, (1) die dagelijks naar het vagevuur gaan ter oorzake der eigenliefde, en onder deze noemt de heilige niet slechts leeken , maar ook priesters en kloosterlingen. De eigenliefde, waarvan 'smenschen bedorven hart vol is, spant den kinderen Adams voortdurend hare strikken, zelfs bij de heiligste zaken, om al onze geestelijke oefeningen, zoo niet geheel en ai, minstens gedeeltelijk van verdiensten voor den hemel te berooven. Zou men een in zich verdienstelijk werk ook al niet verrichten om door anderen geprezen, door de oversten met een welwillend oog beschouwd te worden, dan is het toch soms opdat anderen een boteren dunk van ons opvatten, en ons voor verstorven, nederig, in één woord, deugdzaam zouden aanzien. Al begint men ook een goed werk met de zuiverste bedoeling, men laat zich toch somtijds nog door een ijdel zelfbehagen medesleepen. Zou men dit zelfbehagen, ik zeg niet, niet gevoelen, hetgeen trouwens onvermijdelijk is, maar hetzelve niet inwilligen, dan kan het nog gebeuren, dat bij ons, voldaan over ons eigen werk, een heimelijk verlangen opkomt, dat het door anderen gezien worde. De H. Pacomius (2) beval dat elk zijner onderdanen dagelijks ééne mat zou maken; die matten werden alsdan verkocht om in het onderhoud der kloosterlingen te voorzien. Één dier broeders had zóó vlijtig gearbeid, dat hij er op één dag twee vervaardigde. Hij had te veel eigenliefde om zo den overste aanstonds te toonen, doch legde zo

7 O

opgerold voor diens cel, zooals dit de gewoonte was,

(2) Surius. vita S'i Pao.

(l) Tanuoja, p. 553. — I.IJDEN V. CHRISTUS.

-ocr page 110-

98

«lenkeiule: de abt zal wel navraag doen, wie toch die twee matten gemaakt heeft in plaats van ééne. Dit gebeurde ook, en de broeder werd bekend. Wat deed nu de H. Pacornius? Hij beval den broeder ze naar eene jilaats te brengen, waar alle kloosterlingen vergaderd waren. Misschien vleide deze zich reeds met de zoete gedachte van voor en door allen te zullen geprezen worden. De heilige dacht er echter anders over. Na hem eene geduchte boete te hebben opgelegd, zond hij hem heen, en liet die matten in tegenwoordigheid van allen verbranden, er bijvoegende: deze broeder heeft een ganschen dag voor den duivel gewerkt. Dit was een goede les voor dien broeder, mogen ook wij ze niet vergoten!

Dat steeds eene zuivere meening al onze goede werken voorafga, vergezelle en volge! Het middel hiervoor is: die goede meening dikwijls te hernieuwen. «Het is moeilijk,» zegt de H. Hieronymus, (l) «bij het «verrichten van een goed werk, met het getuigenis vau «God alleen tevreden te zijn.» Doch daarom moeten wij die goede werken niet achterlaten, integendeel, juist omdat de eigenliefde er dikwijls veel van verloren doet gaan, moeten wij er des te meer beoefenen, opdat, terwijl ieder werk toch eene kleine verdienste oplevert, deze verdiensten te zamen, aanzienlijk mogen zijn. Doen wij gelijk iemand, die vruchten koopt, welke gedeeltelijk bedorven zijn; juist omdat zij zóó zijn, doet hij er des te meer op. Zijn wij van goeden wil, dan zal de H. Geest ons door zijne genade meer en meer verlichten en ondersteunen,' om God en God alléén te zoeken en alzoo rijk te worden in verdiensten.

(i) Adv. Luciferianos.

-ocr page 111-

99

GEBED.

Heer Jezus! ondanks zoovele godsdienstige oefeningen en liefdewerken, ik moet het volmondig en in de volle overtuiging mijns harten bekennen, ben ik arm, zeer arm in verdiensten. Niet tevreden, dat Gij alleen van mijne goede werken getuige waart, moesten ook anderen ze kennen. In plaats van loon bij u, zocht ik den lof der menschen. Wat heb ik hierbij gewonnen? Zeg ik beter, wat heb ik hierdoor niet verloren? Mijn goeden naam, want bij hen, die mij van nabij bespieden, ga ik door voor een ijdel en hoovaardig mensch, en voor den hemel helaas! zijn schier al mijne verdiensten verloren. In plaats van loon heb ik straf verdiend. In de achting der menschen, wier lof ik zocht, ben ik gedaald, en hiervoor betuig ik U mijn innigen dank, want dit leert mij in het vervolg met een meer verheven en zuiver inzicht handelen. Ach! dierbare Verlosser! ik bid U, wil mij het onrecht, Uaangedaan, vergeven. Voortaan, en dit is mij van harte gemeend, wil ik in al mijne werkzaamheden en godvruchtige oefeningen, U, en U alleen zoeken, ter liefde van U alleen wil ik alles verrichten. Verleen mij hiertoe uwe genade. Heilige Maagd Maria, maak dat ik in al mijne werken Jezus en Jezus alleen moge zoeken.

HOOFDSTUK X.

Ut ergo dixit eis: Ego sum, Abierunt retrorsum et cc-ciderunt in terram. .loan. XVIII. G.

Als Hij dan tot hen zeide : Jk ben het, weken zij achterwaarts, èn vielen ter aarde.

De goddelijke Verlosser werd ondanks het vriend-schapsteeken van Judas, door die woeste bende niet er-

-ocr page 112-

100

kencl. Een goddelijke kracht, die van Jezus uitging, liad hen met blindheid geslagen. Het uur, waarop Hij, volgens het eeuwig raadsbesluit zijns Vaders, zijn leven voor het heil der menschen zou ten offer brengen, was nabij, en daarom bood Hij zich zei ven vrijwillig aan. Dat hij gansch vrijwillig hiertoe overging, zoude én Judas én de soldaten én allen die hen vergezelden, op eene gevoelige wijze nogmaals ondervinden. Jezus stond vóór hen en zeide: «Wien zoekt gij?» «Jezus den Na-«zarener» zoo klonk hun woeste kreet. «Ik ben het,» antwoordde Jezus met eene heldere stem vol van majesteit. Eu op datzelfde oogenblik gevoelden zij de kracht van dat woord, want het was het woord van een God. Als door den bliksem getroffen, sloeg de gansche bende, en met haar Judas, zegt de H. Joannes Chrysostomus, (1) achterover, en viel ter aarde. Waar is nu, roept hier de H. Augustinus ('i) uit, de bende soldaten, waar die schrikwekkende menigte, waar dat gewapend volk/ Eén woord slaat dien van haat woedenden en sterk ge-wapenden troep, één woord drijft hen achteruit, één woord werpt hen ter aarde. Want een God schuilt in het vleesch. Hij, die zoo iets doet, terwijl Hij komt om geoordeeld te worden, wat zal Hij doen, zoo vraagt dezelfde Kerkvader, als Hij komt om te oordeelen ? Maar waarom, vraagt de H. Gregorius, (3) vallen de goddeloozen achterover, de deugdzamen en rouwmocdi-gen op hun aangezicht? Wie achterover valt, zegt hij, ziet niet waar hij valt, en dit is het geval met de zondaars. Verblind door hunne hartstochten, zien zij niet in, of liever, willen zij' niet inzien, wat hun na dit leven te wachten staat; de dood komt en zij vallen in

(i) Hom. 83. — (2) Tract. 112. — (3) Super Ezech. hem. 9.

-ocr page 113-

101

een poel van onuitbluschbaar vuur. De braven en rouw-moedigen echter vallen hier beneden voor den Heer op hun aangezicht, om hierboven te worden opgericht. Zij weten waar /.e vallen: voor 's Heeren aanschijn, het hart overstelpt van droefheid, en de barmhartige Jezus beurt hen op, en drukt hen aan zijn vaderlijk hart. Zóó vallen die rouwmoedigen hier op aarde, om later verheerlijkt uit de aarde op te staan. Was dan die woeste bende door de kracht van dat goddelijk woord ter aarde geworpen, niet veranderd in een rouwmoedig volk? O! verregaande uitzinnigheid, roept de H. Joannes Chrysostomus (1) uit, één woord verslaat hen, en ondanks die goddelijke kracht, van Jezus uitgegaan, bekeeren zij zich niet. Zij liggen daar machteloos ter aarde. Van den grond opstaan kunnen zij niet; hunne zonden verlaten willen zij niet. God gaf hun, onder den indruk van dat machtig woord, dat hen ter aarde sloeg, nog eenige oogenblikken om tot inkeer te komen. Alles wat voldoende was, zegt de H. Chrysostomus, (2) om hen tot andere gevoelens te brengen, had Jezus reeds gedaan, maar hun hart bleef verstokt, en daar zij in hunne boosheid volhardden, en geene verontschuldiging meer konden bijbrengen, gaf de Heer zich in hunne handen over. Hij vroeg hun dan voor de tweede maal, wien zoekt gij? «Hardnekkig, niet bekeerd, zegt «de H. Bonaventura, (3) en in hunne boosheid volhar-«dende, zeiden zij; Jezus den Nazarener.» Jezus antwoordde: «Ik heb u gezegd, dat Ik het ben. Indien gij «dan Mij zoekt, laat dezen gaan.» (4) Het oogenblik der genade hadden zij niet benut, en nu, niet meer door

(i) t. a. p. — (2) t. a. p. — (3) In S. Joan. c. 18. 7. — (4) Joan. 18. 8.

-ocr page 114-

102

Jezus' almacht teruggehouden, wierpen zij zich op den thans vrijwillig machteloos geworden Zaligmaker, om Hem te boeien. « Heden, zoo gij zijne stem hoort, ver-«hard uwe harten niet,» (1) vooral wanneer gij een zondig of lauw leven leiden zoudt. Die stem is de stem der genade. Och, of gij hieraan altijd beantwoorden, den tijd der genade steeds benutten moget!

Hen tijd der genade benutten.

In het II'Ic Deel, Hoofdstuk X, wordt over het involgen der goede inspraken gehandeld, om met rassche schreden vooruit te gaan op den weg der deugd en volmaaktheid. Hier ter plaatse heb ik vooral zondige en lauwe zielen op het oog, die ondanks zoo vele stichtende voorbeelden, waarvan zij getuigen zijn, in weerwil van zoo dikwijls herhaalde vermaningen en ernstige wenken, die hun van zoovele zijden geworden, geen ernstige pogingen aanwenden tot verbetering huns levens. Geve de goede God, dat gij, die deze regelen leest, niet tot dezen moget behooren! Zou dit echter helaas! wel het geval zijn, dan hebt gij u door uw eigen toedoen, tot dien ongelukkigen staat gebracht. Daaruit weder opstaan kunt gij niet uit u zeiven; hiertoe hebt gij de genade Gods noodig. Vallen kunt gij, maar God moet u oprichten. God steekt zijn vaderlijke hand tot u uit, doch gij moet die reddende hand met beide handen vastgrijpen. Hiertoe zelfs zijt gij niet in staat, zonder dat Hij, die u zijne hand toereikt, u ter hulp kome. Beroofd van. de hulp Gods kunt gij in de orde der natuur uwe hand niet bewegen; evenmin in de orde der genade om die behulpzame hand des Heeren

(l) Hebr. 3. 15.

-ocr page 115-

103

te vatten. In zijne grenzenlooze barmliartigheid verleent liij u zijne hulp, om de erbarmende hand te kunnen grijpen, welke hij u toereikt, vooral als gij Hem smeekt u die kracht te schenken. Als de goede God u dan zijne behulpzame hand aanbiedt, dat is, door zijne genade u verlicht omtrent uwen deerniswaardigen staat, eh u inwendig aanspoort daaruit op te staan, dan beveelt hij u te doen, hetgeen gij kunt, en hem te vragen hetgeen gij niet kunt, en dan helpt hij u, opdat gij het kunt. God is Heer en Meester zijner genaden. Jezus heeft ze verdiend door het vergieten van zijn goddelijk bloed op Golgotha's kruin; Hij kan er volgens goedvinden over beschikken, zonder iemand rekenschap verschuldigd te zijn van zijne handelingen. Den eenen schenkt God meer, den anderen minder genaden, zooals het Hem belieft. «Wat zullen wij dan zeggen?» vraagt de Apostel Paulus. (1) «Is er onrechtvaardigheid «bij God? dat zij verre! Want tot Mozes zegt Hij; Ik «zal mij ontfermen over wien ik mij ontferme, en «barmhartig zijn jegens wien ik barmhartig wezen «zal. Derhalve hangt het af, niet van hem, die wil, noch « van hem, die hóópt, maar van God, die zich ontfermt.» De genade aan het menschdom in Jezus Christus geschonken, is allerovervloedigst, « want,« zegt de IJ. Paulus , (2) « waar de zondequot; overvloedig werd, daar is de «genade allerovervloedigst geworden,» «zóodat u geen «enkele genade ontbreekt.» (3) De genade alzoo om uit uwen zondigen staat op te staan of dien der lauwheid te verlaten, zal u niet ontbreken, en zeer zeker niet als gij hierom bidt. Doch het staat u altijd vrij aan die genade te beantwoorden of weerstand te bieden,

(i) Rom. 9. 14. 15, 16. — {2) Rom. 5. 20. — (3) I. Cor. c. 1.7.

-ocr page 116-

104

gedwongen wordt gij niet. Is het u echter oprecht gemeend dien ongelukkigen staat te verlaten, dan moet gij met de genade medewerken. Dat samenwerken van de genade Gods en 's menschen vrijen wil wordt ons door de woorden van den Apostel Paulus duidelijk aangetoond: «Door Gods genade ben ik wat-ik ben; en zijne « genade is in mij niet vruchteloos geweest; maar overvloe-« diger dan gij allen heb ik gearbeid; niet ik echter, maar «de genade Gods met mij.» (1) Hieruit ziet gij, dat gij niets kunt zonder de genade, maar de genade alleen zonder uwe medewerking zal eveneens niets uitwerken.

Indien gij dan heden de stem des Heeren hoort, de stem der genade, die u tot verandering van leven aanspoort, sluit dan uw hart niet, want gij weet niet of gij morgen die stem nog liooren zult. Hoort gij ze heden, dan is dit een teeken, dat God zich uwer wil erbarmen, dat Hij u zijne reddende hand aanbiedt om uit uwen ongelukkigen staat op te staan. Welke verregaande dwaasheid zou het dan wezen te willen wachten zelfs tot morgen, wanneer gij misschien vruchteloos naar die weldoende hand zoudt uitzien! Immers, na dat gedurig uitstellen komt een tijd, wellicht niet ver meer verwijderd, dat God op zijne beurt zal zeggen: «Omdat Ik geroepen heb en gij weerstand geboft den hebt... zal Ik ook met uwen ondergang lachen «en den spot drijven.» (2) Duizenden en nogmaals duizenden door de stem der genade tot verbetering huns levens geroepen, bleven weerstand bieden en ijdel was voor hen de tijd der genade. Sommigen echter hebben dien benut, met innige dankbaarheid de hand des Heeren, die hen redden wilde, vastgegrepen, en zijn van zondig

(i) I. Cor. 15. 10. — (2) Trov. 1. 24. 26.

-ocr page 117-

105

rechtvaardig, van lauw ijverig geworden. Getuige een Saulus. Op den weg naar Damaskus sloeg voor hem liet uur der genade: «Saulus, Saulus! waarom vervolgt gij «mij?» (1) klonk de stem. «Heer! wat wilt Gij dat ik « doen zal,» was het antwoord, en de hand, welke de Heer hem toereikte, greep hij met beide handen vast, en werd een Apostel, de leeraar der Heidenen. Had hij dien tijd der genade niet benut, wie weet wat er van hem zou geworden zijn? Op het einde der ■13cle eeuw leefde in Italië een alom bekende of liever om haar zedeloos gedrag beruchte jonge dochter. Ook voor deze was er een tijd van genade, waaraan zij aanstonds beantwoordde, door zich oprecht te bekeeren. Ziehier van welke gelegenheid zich de goede God bediende om tot haar hart te spreken. Op zekeren dag trok de hond des huizes haar met het kleed, als wilde iiij haar te kennen geven hem te volgen. Zij deed het, en nu bracht hij haar op een eenzame plaats, alwaar hij met zijne pooten eenige bladeren verwijderde. Welk vreeselijk schouwspel!. daar zag zij het ontzielde lichaam van een jongeling door het zwaard zijns vijands doorboord. En wie was hij? Degene aan wien zij haar hart geschonken had; het voorwerp barer ongeregelde liefde. Terwijl zij hem als verstomd aanschouwde, wierp God een genaden Mik op haar. Een diepe zucht ontvlood haar hart bij .de gedachte: thans ligt hij misschien in de hel, en dat door mijne schuld! Groote God! ware ik in dezen zondigen staat gestorven , waarin ik leef, voor eeuwig ware ik verloren. Zij dankte God uit den grond baars harten, dat Hij haar tot nu toe gespaard had. Op datzelfde oogenblik klemde zij zich vast aan de reddende

(l) Act. Apost. 9. 4,

-ocr page 118-

106

hand des Heeren, haar voornemen was gemaakt; geen zonde meer in eeuwigheid. Zij benutte dat oogenblik der genade, leefde en stierf als een heilige. Het is de H. Maigaretha van Cortona. Ware zij op dien tijd der genade ontrouw gebleven, dan had zij wellicht later die vreeselijke stem gehoord; ik heb u geroepen, en gij boodt weerstand; ik zal lachen en den spot drijven met uwen ondergang. Weshalve, als gij heden de stem des Heeren hoort, wil uw hart niet sluiten. Die stem hoorde een ijdele en wereldsgezinde Norbertus, toen de bliksem vóór het paard sloeg, waarop hij was gezeten: het wierp hem op den grond, en hij viel neder in het slijk. De gedachte, dat de dood hem gespaard en God hem nog tijd verleend had, orn tot inkeer te komen, maakte een diepen indruk op zijn ijdel hart. Hij had de stem der genade gehoord en wist ze te benutten; een heilig leven en een zalige dood waren er het gevolg van. Zoo maakte de H. Norbertus zich den tijd der genade ten goede. Hetzelfde deed een gehuwd man. Deze was zeer driftig van inborst, en zijn brave vrouw had dientengevolge menig bitter verwijt te verduren. De goede God wilde zich zijner erbarmen, en hem zijne vaderlijke hand toereiken. Op zekeren dag thuis komende, was het maal nog niet gereed; hij ontstak in gramschap, zijne vrouw gaf hem inmiddels een boek om te lezen; maar door drift vervoerd, wierp hij het weg. Nadat zijne vrouw zich onmiddellijk had verwijderd, nam hij, wat bedaard geworden, het boek weder op; het was het leven, van de H. Maria van Egypte. Nu was er voor hem een tijd van genade. Terwijl hij het leven las van die weleer zoo groote zondares, en later een voorbeeld van eene ware boetelinge, hoorde hij de stem des Heeren, die hem tot verbetering zijns levens

-ocr page 119-

107

riep. Getrouw aan de genade, veranderde hij zijn leven, maakte zelfs het besluit, indien zijne vrouw vóór hem zou sterven, zich geheel en al den Heer toe te wijden. Dit gebeurde dan ook; hij werd priester en een groot missionaris, leidde voortaan een heilig leven, en stierf den dood der gelukzaligen. Het is de H. Joannes Ca-pistranus.

Zoudt gij misschien, terwijl gij deze regelen leest, op uwe beurt de stem des Heeren hoeren, wil dan toch niet uitstellen hieraan te beantwoorden, onzeker of gij later die stem nog hooren, den tijd der genade nog erlangen zult. De goede God doet den zondigen en lauwen mensch zijne stem hooren volgens welbehagen; nu eens als Hij dezen of genen door een plotselijken dood wegrukt aan onze zijde, dan weder als de bliksem flikkert en ons dreigt met den dood; op een anderen tijd bij het lezen van een godvruchtig boek, bij het zien van een verstorven en heilig persoon, of als wij bezocht worden door tegenspoed, armoede of ziekten. Doch vooral schept de Gever aller genaden er zijn genoegen in, deze in ruime mate uit te storten over hen, die eene missie, eene retraite of geestelijke afzondering bijwonen. Buitengewone genaden worden hun in die dagen meestal verleend; getuigen zoovele wondervolle bekeeringen, die dan vaak plaats hebben; maar blijft men in dien voor zoo velen zaligen tijd der genade weerstand bieden, dan gebeurt het niet zelden, dat later aan dezulken geen tijd meer geschonken wordt, om zich tot de eeuwigheid voor te bereiden, een plotselijke dood maakt een einde aan hun zondig leven. Ook als de goede God iemand in de afzondering roept, doet Hij meestal zijne stem hooren. Verlicht door de genade, ziet die lauwe ziel haren quot;e vaar vollen staat beter

o

-ocr page 120-

108

in, en bijgestaan door de genade voelt zij zich aangespoord van leven te veranderen. Tijdens de afzondering sprak God tot eene lauwe kloosterlinge: Gehoorzaam aan de genade, verfoeide zij uit ganscher harte liet verleden, werd van lauw zoo ijverig, dat zij na verloop van korten tijd stierf in geur van heiligheid. Hadde zij dien tijd der retraite, dien tijd van genaden niet benut, dan ware zij van verdere genaden beroofd, in een bedorven wereld teruggekeerd, en aan duizenden gevaren blootgesteld, wellicht den dood dei- rampzaligen gestorven. Zoudt gij ongelukkigerwijze tot het getal dei-zondige of lauwe zielen behooren, en den goeden God bij gelegenheid van een plotselijk sterfgeval, van een naderend onweder, van het hooren eener preek, van het lezen van een goed boek, van het bijwonen eener missie of retraite, of op welke wijze dan ook, hooren spreken tot uw hart, zegt dan met een oprecht gemoed , met een ernstigen wil uw leven te veranderen: «Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid.» (1) Sla dan aanstonds de handen aan het werk, neern die reddende hand des Heeren onmiddellijk aan, opdat gij door den barmhartigen en medelijdenden Zaligmaker gered. Hem voortaan moget dienen, om met Hem verheerlijkt worden in den hemel, na met Hem zijn Vader te hebben verheerlijkt op aarde.

GEBED.

O, Heer Jezus! ik verdien geen genade meer. Uit louter goedheid hebt Gij er mij eene menigte geschonken, en ik heb ze gestadig versmaad. Dikwijls, om niet te zeggen, bijna aanhoudend hebt Gij tot mijn hart

(i) Psalm. 56, 8.

-ocr page 121-

10!)

gesproken, en ik bleef steeds doof voor die stem der genade. Zou er nog genade zijn voor mij, die uwe erbarmende liand zoo dikwijls afgeslagen, uwe vaderlijke stem zoo vaak versmaad heb? Ik verdien ze niet, maar Gij zijt oneindig barmhartig. Gij hebt mij niet gestraft zooals ik verdiende. Tot heden hebt Gij hiermede gewacht, om U mijner te erbarmen. «Heer Jezus zwijg «toch niet. Heer Jezus ga niet weg van mij.» (1) Mij dunkt ik hoor nog uwe stem, ik zie nog uwe vaderlijke hand. Gij wilt den dood des zondaars niet, maar dat hij zich bekeere en leve. Bekeeren wil en zal ik mij met uwe genade, van heden, van dit oogenblik af zeg ik vaarwel aan mijn zondig leven. Zeg mij wat ik doen moet, tot alles ben ik bereid, geen moeite zal mij te groot, geen oll'er te zwaar zijn. Voor u wil ik voortaan leven, voor u wil ik sterven. Mijn besluit is genomen, hetzij ik leef, hetzij ik sterf, den Heere wil ik behoo-ren. Heer Jezus help mij, zondig mensch als ik ben, en zegen het voornemen van een tot hiertoe zondige ziel, maar die voortaan beter leven, en U geheel en al wil toebehooren. Moeder van Jezus, en mijne Moeder sta mij bij.

(i) Psalm 34. 22.

-ocr page 122-

110

HOOFDSTUK XI.

Simon erso Petrus habens Rladium eduxit eum, et percus-sit pontilicis servum; et abscidit auriculam ejus. Joan. XVIII. 10.

Simon Petrus dan, daar hij een zwaard liad, trok liet uit, en sloe;; den dienstknecht des Hoogepriesters, en hieuw hem liet rechter oor af.

Muntte lt;le H. Joannes onder al de Apostelen zoo uit in liefde tot Jezus, dat hij de leerling genoemd wordt dien Jezus liefhad, en rusten mocht aan zijn hart; de vurige ijver van Petrus loopt onder dien der overige Apostelen steeds in het oog. Ziende, dat hun goddelijke meester op het punt stond in de handen zijner vijanden te vallen, werden zijne leerlingen, zegt de H. Bonaventura (1), door een ijvervolle liefde jegens Christus ontstoken, om hem tegen den aanval dier vijanden te verdedigen; vandaar riepen zij uit: «Heer! willen wij toeslaan met het zwaard?» (2) Zij stonden echter in twijfel wat te doen, voegt dezelfde Kerkleeraar er bij, indachtig de les huns meesters, die hun geleerd had het geduld te beoefenen, wanneer Hij hun zeide, «geen weerstand te bieden aan den «kwaaddoener, maar mocht iemand u op de rechter «wang geslagen hebben, keer hem ook de andere toe.» (3) Doch Petrus, zoo gaat diezelfde H. Vader voort, was zóó ijverig, zóó vurig, dat hij zulke vraag zelfs niet deed, noch het antwoord van Christus op de door de anderen gestelde vraag afwachtte, maar aanstonds zijn zwaard trok, en hij hieuw den dienstknecht des Hoogepriesters het rechter oor af. Drie Evangelisten verhalen dit feit, maar verzwijgen den naam van Petrus; /.ij

(i) In Luc. e. 22. — (2) Luc 22. 49, — (3) Malth. 5. 39.

-ocr page 123-

m

doen zulks, zegt de H. Bonaventura, (1) uit eerbied voor Petrus. Marcus, zegt Tlieophylactus, ('2) laat den naam van Petrus weg, om den schijn te vermijden van zijn Meester wegens diens ijver te prijzen. Joannes alléén noemt Petrus, om zijn vurigen ijver te doen zien. Wat nu de daad zelve van Petrus aangaat, hieromtrent zijn het de geleerden niet eens. De H. Augnstinus (3) noemt ze oene zonde, cn vergelijkt ze met die van Mozes, toen deze den Egyptenaar doodde, die een zoon Israels sloeg. Beiden, zegt hij, overtraden den regel door de rechtvaardigheid voorgeschreven, wel niet door eene verfoeilijke wreedheid, maar eene vurigheid, die te wenschen overlaat. Op eene andere plaats (4) echter, zegt hij, « Het was geoorloofd hem leed aan te doen, maar « niet hem te dooden. » De H. Bonaventura (5) zegt: « Zijn «ijver, maar niet de daad zelve wordt geprezen.» Anderen integendeel vinden die daad niet berispenswaardig. De H. Paus Leo (6) zegt: « De Heer wilde niet, dat die « vrome handeling des ijverigen Apostels tot verdere dasden leidde____Hij gispte .hem niet, alsof hij eene

(.(slechte daad gepleegd, maar omdat hij niet volmaakter «gehandeld had.» Wat er ook van zij, de II. Hierony-mus (7) is van gevoelen, dat de daad afkeurenswaardig in zich, tocii Petrus niet als eene zonde kon worden aangerekend, ter oorzake van zijne goede bedoeling. De. H. Augnstinus (8) en de geleerde Bellarminus (9) verklaren ons, dat Petrus zóó handelde uit liefde voor zijn goddelijke» Meester. Petrus was steeds bezield met een vurigen ijver voor do belangen van Jezus, Hij kon

(ij In Luc. 22. 47. — (2) Sup. verba Accessit Judas. — (3) Contra Faustam 1. 22. c. 70. — (4) Quaest. 104 de V. et N. T. — ^5) t. a. p. (6) In Serm. de Pass. — {7) Sup. c. 20. Matth. — (8) L. c'e agone Christi. — (9) L. de Rom. Pont. c. 28.

-ocr page 124-

112

niet dulden, dat iets gezegd of gedaan werd, strijdig met de eer zijns Meesters, voor wien liij altijd en in alles ijverde. Op het voorbeeld van Petrus, hebben niet alleen zijne opvolgers, de Pausen van Rome, maar ook alle heiligen en allen, die Jezus liefhadden, voor Hem gestreden. Zij verdedigden de leer door Jezus verkondigd, de Kerk door Jezus gesticht, de geboden door Jezus gegeven. Geen moeite was hun te veel, geen offer te zwaar, geen gevaar te groot, als het de eer van hun goddelijken Zaligmaker gold. Onverschrokken in den strijd, standvastig in het lijden, hadden zij hun goed en bloed veil voor de eer van Jezus. Mogen ook wij, immer bedacht om Jezus zooveel mogelijk te verheerlijken , voor geen moeite terugdeinzen, voor geen menschelijk opzicht zwichten, om dat zoo edel, zoo verheven, zoo heilig doel te bereiken! Dat de ijver voor Gods glorie ons steeds ontvlamme! dat een vurige, een heilige ijver, door de liefde ingegeven, door de voorzichtigheid geleid, door de bescheidenheid geregeld, ons in alles en ten allen tijde beziele!

IJver voor Goils glorae.

Iemand vereeren, zegt de H. Antonius, (1) is eene zekere getuigenis alleggen van zijne verdiensten. De deugd alléén kan aanspraak maken op verdiensten, en daarom voegt die heilige er bij: «De eer bestaat in «den eerbied, dien men iemand betoont tot bewijs zijner «deugd.» God is de heiligheid, de goedheid zelve, ja «niemand is goed dan God alléén.» (2) Met den Apostel Paulus (3) moeten wij dan uitroepen: «Den Koning nu

(l) Part. 4, Tit. 5. de justitia. — (2) Lhc. iS. 19. — (3) I. Tiinoth. 1. 17.

-ocr page 125-

der eeuwen, den onsterfelijken, den onziclitbaren, den eenigen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid! Vóór alle eeuwen is Hem eer en heerlijkheid gegeven van wege het eeuwig Woord, door den H. Pau-lus «de lichtglans zijner heerlijkheid» (1) genoemd. Dezelfde Apostel noemt dan ook God; «Vader der heer-«lijkheid,» (2) «dat is,» zegt de H. Thomas, (3) «van «Christus, die zijne heerlijkheid is.» Gaf het goddelijk Woord zijnen Vader eer en heerlijkheid vóór den tijd, als God; mensch geworden heeft Het zijn Vader verheerlijkt in den tijd. Gedurende de 33 jaren, welke die Godmensch Jezus Christus op aarde doorbracht, heeft Hij niets anders gedaan, dan zijn Vader verheerlijkt. In al zijne werken heeft Hij niet zijne verheerlijking maar die zijns Vaders gezocht. «Ik heb U verheerlijkt «op aarde,» (4) zoo sprak Hij tot zijn Vader. Heeft de Heer Jezus zijn Vader verheerlijkt, toen Hij nog onder de menschen verkeerde. Hij zal het blijven doen tot aan het einde der wereld, en dat niet alleen in Judea, alwaar Hij zich tijdens zijn sterfelijk leven bevond, maar ook op zoo vele plaatsen als er katholieke kerken zijn; daiir offert Hij zich dagelijks honderd duizenden malen door de handen des priesters zijnen hemel-schen Vader op. Hij brengt Hem hetzelfde offer als op Golgotha, niet op dezelfde, maar op eene onbloedige wijze. En door dat offer geeft Hij zijn Vader meer eer, dan alle Engelen en heiligen Hem in de gansche eeuwigheid geven kunnen; want die eer is eindeloos.

Hetgeen Jezus gedaan heeft op aarde, en nog voortdurend doet in het aanbiddelijk Sacrament des Altaars,

(i) Hebr. i. 3. — (2) Ephes. 1. 17. — b- — (4) Joan. 17. 4.

MJDEN V. CHRISTUS.

(3) I. Ephes. lect. 8


-ocr page 126-

114

doen ook de Engelen en Heiligen in den hemel, alhoewel er immer een grenzenloos onderscheid is tusschen de eer door de schepselen en die door Jezus bewezen, daar Hij een oneindig wezen is. Dat de Engelen en Heiligen in den hemel God gestadig eeren en verheerlijken, verzekert de H. Joannes op verschillende plaatsen in zijne Openbaring. Zelfs de redelooze en levenlooze schepselen verheerlijken God allen op hunne eigenaardige wijze, «De hemelen,» zegt de Profeet, «verkondigen de «heerlijkheid Gods.» (1) Zou dan de mensch, dat edel en verheven schepsel der natuur, dat wonder van Gods almacht, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, slechts een weinig beneden de Engelen geplaatst, vrijgekocht door het bloed van een God, zich niet beijveren zijn God, zijn Schepper, zijn Verlosser te verheerlijken Zou vooral een Christen dat niet doen, hij, een aangenomen kind Gods.' «De zoon,» zoo spreekt God door den mond van zijn Profeet Malachias, (2) «eert zijn «vader, en de dienstknecht zijn heer: indien ik dan Vader «ben, waar is mijne eer?» Zijn wij onzen vader op aarde eer verschuldigd, die hem dan ook een deugdzaam kind niet weigeren zal, met hoeveel meer recht moeten wij dan onzen Vader, die in den hemel is, eeren en verheerlijken? «Als gij den Heer verheerlijkt,» zegt de H. Geest, (3) «zooveel in uw vermogen is, zal Hij nog «verdienen meer geëerd te worden.» Dc Heiligen hebben dan ook steeds, met verachting van hunne eigen eer, dooi' hen steeds als ijdelheid beschouwd, in alles Gods glorie gezocht, om Hem te verheerlijken hebben zij gewerkt, geleden en zijn zij gestorven. Volgen wij dan de voetstappen van Jezus, die zijn Vader heeft ver-

(i) Ps. l8. i. — (2) Malach. I. 6. — (3) Eccli. 43. 32

-ocr page 127-

115

heerlijkt op aarde, en het voorbeeld der Heiligen, dooiden ijver voor Gods glorie als verslonden.

Onteeren de goddeloozen den liefderijken Verlosser, zooals eertijds de Joden, gelijk Christus het hun verweet, (1) de deugdzamen verheerlijken Hem. Door het beoefenen der deugd wordt God verheerlijkt, want de heiliging is het werk der genade, waarvan alle eer aan God alléén toekomt. Wilt gij derhalve God verheerlijken, legt u dan op de deugd toe, hierdoor wordt gij als een parel aan de kroon van den onsterfelijken Jezus. De martelaren, aan de hevigste folteringen prijsgegeven, baden: «Heer Jezus, zegepraal in uwen dienaar, «zegevier in uwe dienares.» Zij bekenden luide, aan zich zeiven overgelaten, niet in staat te zijn, zulke gruwzame folteringen te verduren, maar Jezus zou in en door hen over de wreedheid der beulen zegevieren, Hem alleen behoorde de zegepraal. O! hoe verheerlijk-ien die martelaren Jezus hun Verlosser, voor het oog der heidenen! Ware kinderen Gods, die hun Vader op zulke wijze vereerden! De H. martelaar Alexander, gemarteld te Lyon onder keizer Antonius, riep uit, toen men hem die vreeselijke pijnen wilde besparen, mits hij zijn geloof verzaakte, «ik ben Christen, ik ben het «altijd geweest, en tot Gods verheerlijking zal ik het «immer wezen.» Allicht niet door ons bloed uit liefde tot Jezus te vergieten, zullen wij Hem verheerlijken; dit overgroot geluk zal wellicht nimmer ons deel zijn, maar door te lijden uit liefde tot Jezus, die ter liefde van ons zooveel geleden heeft, zullen wij Hem eeren en verheerlijken. Martelaren, zegt de H. Bernardus, moeten wij allen zijn, zoo niet door het zwaard van den

(l) Joan. 8. 49.

-ocr page 128-

116

beul, dan minstens door te lijden met geduld. Elk kruisje, zoo niet met liefde, dan toch met geduld gedragen, geeft eer aan God, van Wien alléén ons dat geduld moet geworden. Hebben de Heiligen God verheerlijkt, door, hetzij rechtstreeks, hetzij zijdelings te werken aan het heil der zielen, het geven van aalmoezen, het onderwijzen der jeugd en het beoefenen van liefdewerken, wij moeten ons beijveren hen na te volgen. Zeer zeker werken de Priesters en Missionarissen veel voor Gods glorie; zij doen Hem kennen door de ongeloovigen, beminnen door de in zonden gevallen zielen, die dan Gods goedheid loven, Gods barmhartigheid alom verkondigen en verheerlijken. Maar de onderrichting in den godsdienst gaat hunne bekeering vooraf, en door wie wordt hun vaak dat onderricht gegeven? Zijn het niet de religieuzen, die in de vreemde landen den Missionarissen trouw ter zijde staan? Zijn zij het niet, die zich de moeilijke en voorbereidende werkzaamheden van onwetenden te onderwijzen moeten getroosten? De arbeid eens priesters zou vaak te kort schieten, zonder dat voorafgaand onderricht. Hoe zouden zondige zielen zich bekeeren, zonder de herinnering aan het godsdienstig onderwijs, dat Priesters, Ouders haar gegeven hebben, alsmede kloosterlingen, wier scholen zij in de kinderjaren bezocht, onder wier leiding zij een groot gedeelte der jeugd doorgebracht hebben. Veel en wellicht meer dan zij denken, bevorderen zij door liet godsdienstig onderwijs de verheerlijking Gods.

Evenzeer strekken die verschillende liefdewerken, door jiersonen van eiken stand en leeftijd, en vooral door de religieuzen verricht, Gode ter verheerlijking. Is het niet in de gasthuizen, dat vele zieken, arm naar het lichaam en vaak armer nog naar de ziel, zich oprecht met God

-ocr page 129-

417

verzoenen? Ziende die zelfopoffering, waarmede zij verpleegd worden door personen, die in de wereld tot den fatsoenlijken en deftigen stand beliooren, en getuigen van zulke zachtmoedige en liefdevolle behandeling, overtuigd dat zij zich al die offers alléén ter liefde Gods getroosten, beginnen zij dien God van liefde te kennen en te beminnen. Zij danken Jezus, den liefdevollen Samaritaan bij uitstek, die door de handen zijner bruiden olie giet in hunne wonden. Aangemoedigd door de troostvolle woorden, en gesterkt door het gebed van die bruiden des Heeren, koesteren zij de hoop, dat Hij, die tie wonden des lichaams geneest, ook die der ziel zal heelen. Het gebed, tot dusverre verwaarloosd, wordt hun eene behoefte, en het duurt niet lang of zij ondervinden Gods grenzenlooze goedheid, die hen reinigt in zijn goddelijk bloed, en wiens barmhartigheid zij prijzen en verheerlijken in tijd en eeuwigheid. Zijn allen verplicht, God hun Schepper en Verlosser te verheerlijken, niet allen evenwel doen dit op dezelfde wijze. Velen houden zich onledig met hunne gewone, huiselijke en in zich onbeduidende zaken, welke, gepaard met eene zuivere meening Gode tot eere strekken, «hetzij gij dan eet, «hetzij gij drinkt, hetzij gij iets anders doet, doet alles «tot eer van God.» (1) De eerste Christenen hadden do gewoonte zeer dikwijls te zeggen; «Eere zij den Vader, «en. den Zoon, en den H. Geest,» en bijna bij elk werk teekenden zij zich met het teeken des kruises; willende hierdoor te kennen geven, zooals Tertullianus bemerkt, dat zij dat werk verrichtten tot verheerlijking der allerheiligste Drieëenheid, en van onzen Heer Jezus Christus, den gekruisigde. Zou het soms gebeuren, dat onze goddelijke Verlosser door dezen of genen beleedigd wordt, (l) I. Corinth. 10, 31.

-ocr page 130-

118

dan vergt de eer Hem verschuldigd, dat wij de zaak van onzen goddelijken Meester verdedigen. Wordt Hij aangerand in zijne Kerk, in zijne leer, in zijne wonderen of Heiligen, dan moeten wij ons, volgens ons vermogen, tegen zulke ergerlijke taal verzetten, en voelen wij ons onbekwaam tot eene degelijke wederlegging, dan minstens is het onze plicht, zulke handelwijze op welke wijze dan ook, af te keuren, om door eene lalïe toegevendheid niet medeplichtig te worden, indachtig de woorden van den Heer Jezus, (1) «wie zich «over mij en mijne woorden zal geschaamd hebben, over «dien zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer «Hij komen zal in zijne heerlijkheid, en die des Vaders, «en die der heilige Engelen.» Evenmin mogen wij een liefde of zedenkwetsend woord in onze tegenwoordigheid dulden, indien de eer Gods ons het handelen of spreken zou opleggen. Dit geldt vooral hen, die in overheid geplaatst zijn; dezen moeten de eer verdedigen van Hem wiens plaats zij bekleeden. Geene uitzondering van personen, geene vrees van iemand leed te doen, mag hen weerhouden van de noodige opmerkingen te maken, te vermanen, te berispen of te straffen volgens tijd en omstandigheden. Kunnen en moeten wij alzoo God verheerlijken op verschillende wijzen, vergeten wij dan niet, dat ook het openhartig belijden van onze zonden en fouten Gode tot eere strekt. Dit zien wij in het voorbeeld van Achan, zooals wij lezen in het boek Josuë. (2) Israël had gezondigd, het aangegane verbond met God verbroken, aan onrechtvaardigheid en leugentaal zich schuldig gemaakt en het gestolene verborgen. Het lot wees Achan aan als den schuldige. Toen sprak

(i) Luc. 9. 26. — (2) Josue 7.

-ocr page 131-

119

Josuë hem toe: «mijn zoon, geef den lleere God Israels «eer, en beken, en zeg mij wat gij gedaan hebt, ver-«berg niets.» Hieruit zien wij, dat, indien wij God be-leedigen door de zonden, de belijdenis onzer zonden Hem verheerlijkt. Zouden wij dan soms misdoen, en wie is zonder zonden? zijn wij dan openhartig tegenover onze ouders of oversten, bekennen wij rondborstig onze fouten; hierdoor zullen wij niet alleen God verheerlijken, maar zelfs de achting en toegenegenheid der oversten winnen, ons zeiven geruster gevoelen, en opnieuw genaden bekomen om in die fouten niet meer te hervallen. «Ik zal,» zoo spreekt God door den mond van «Isaïas den Profeet, «mijne glorie niet aan een ander «geven.» (1) Hem ook alléén behoort alle eer en heerlijkheid. Ver van ons, bij welk werk dan ook, onze eigene eer te zoeken. De zonde en het niet, ziedaar ons eigendom; wie zou hierop durven roemen? God eeren, God verheerlijken, moet, bij al ons doen en laten, steeds ons streven zijn. Herhalen wij dikwijls: geheiligd zij uw naam. Dat die goddelijke naam gekend, geëerbiedigd, verheerlijkt worde over de gansche wereld. « Geef niet aan ons, Heer, niet aan ons, maar aan uwen «naam de heerlijkheid.» (2) Glorie zij den Vader en den Zoon en den H. Geest. Amen.

GEBED.

O! liefderijke Verlosser! het verwijt dat Gij weleer den Phariseërs deedt: «gij echter onteert mij,» heb ik zoo menigmaal verdiend, ter oorzake van mijn zondig leven, en toen anderen U onteerden, had ik den moed niet uwe eer te verdedigen. Herhaalde malen ben

(i) Isaias 42, 8. — (2) Psalm. 113. 9.

-ocr page 132-

120

ik te kort gebleven aan mijnen plicht van de noodige opmerkingen te maken en liefdevolle vermaningen te geven. Daarenboven heb ik, bij liet weinige goed door uwe genade verricht, mij zeiven hiervan de eer toegekend, die U en U alleen toekomt. Rede- en levenlooze schepselen verheerlijken U, en ik, een redelijk schepsel Gods, geschapen naar uw beeld en uwe gelijkenis, zou U niet eeren? Helaas! ik heb liet niet immer gedaan, ik beken het openhartig. Ware ik altijd maar oprecht geweest, en hadde ik mij zoo vaak niet verontschuldigd, dan minstens zou die openhartigheid U tot eer verstrekt hebben. Gewaardig U, die oneer U aangedaan, mij te vergeven, ik vraag het U ootmoedig, door de verdiensten van Uw dierbaar bloed. Voortaan zal U te verheerlijken steeds mijn eenig streven zijn; dit besluit is genomen, gelief mij te versterken, opdat ik U eenmaal moge verheerlijken in den hemel. Geen schepsel heeft God zóó verheerlijkt op aarde als Gij, o Maria! bid voor mij, opdat ik immer in al mijn doen en laten de verheerlijking Gods beooge.

HOOFDSTUK XII.

Et cum tetigisset auriculam ejus, sanavit eum. Luc XXII, 51

En Hij raakte het oor van den mensch aan, en genas hem.

Petrus ziende dat zijn goddelijke Meester op het punt stond door de woeste bende te worden aangegrepen , trok, altijd even vurig om de belangen zijns meesters te verdedigen, aanstonds het zwaard, en hieuw den dienstknecht des hoogepriesters, met name Malchus, het rechteroor af; waarschijnlijk stond deze vooraan

-ocr page 133-

121

in de rij dier bende, en was hij wellicht de eerste die zijne handen tot Jezus uitstak. Christus wendde dermate het zwaard van Malchus af, dat Petrus hem niet het hoofd doorkliefde, maar slechts het rechteroor afhieuw; dit echter liet de Zaligmaker toe. En waarom? Een geleerd en godvruchtig schrijver (1) zegt, dat eertijds bij vele volken de gewoonte bestond, den roovers tot straf de ooren af te snijden. Wie was nu een grooter roever dan Malchus, die Christus den boom des levens, uit den hof van Olijven wilde wegnemen? Als roover had hij dien slag van Petrus dus wel verdiend. Hij voegt er nog een tweede reden bij. Als in het Oud Verbond een slaaf geen gebruik wilde maken van zijne vrijheid, hem in het jubeljaar aangeboden, dan bleef hij slaaf ten allen tijde, en tot teeken zijner slavernij werd hem het oor doorboord (2). De joden weigerden de vrijheid der kinderen Gods, door Christus hun aangeboden, te benutten, en daarom zouden zij ten einde toe onder eene zware slavernij gebukt gaan. Tot teeken hiervan werd hun in den persoon van Malchus het oor afgehouwen. Men zou hier kunnen vragen: waarom wierp die woeste bende zich niet aanstonds op de leerlingen des Verlossers, en op de eerste plaats op Petrus, die het zwaard getrokken had? Christus liet zulks niet toe. Hij had tot zijne vijanden gezegd: «Indien gij dan «mij zoekt, laat dezen gaan» (3). Door zijne almacht hield Hij hen tegen, en duldde niet, dat men zijnen leerlingen leed zou aandoen. Maar ook dezen mochten niet verder gaan. « Steek uw zwaard op zijne plaats,» (4) zeide Jezus tot Petrus, «den kelk, dien de Vader «mij gegeven heeft, zou ik dien niet drinken?» (5)

(i) Carthagena 1. 10. hom. 6. de Pass. Dom. — (2) Exod. 21. 6. — ^3) Joan. 18. 8. — (4) Matth. 26. 52. — (5) Joan. 18. 11.

-ocr page 134-

122

«Meent gij, dat ik mijnen Vader niet kan bidden, en «dat Hij mij niet terstond meer dan twaalf legioenen «Engelen zal verschaffen?» (1) De goddelijke Verlosser wilde derhalve door zijne leerlingen niet tegen zijne vijanden verdedigd worden, Hij had hen niet noodig. Hij wilde lijden. Hij wilde sterven, al zijn bloed zou Hij uit liefde tot de menschen en zelfs voor zijne vijanden aan het kruis vergieten. Middelerwijl kon die liefderijke Zaligmaker, ofschoon zijn kleed reeds doortrokken, en de aarde bevochtigd was met zijn bloedig zweet, het bloed van zijn vijand zelfs niet zien vloeien. Nog eens wilde Hij door een schitterend wonder zijne almacht toonen, en doen zien wie Hij was, vooraleer zij de handen aan Hem sloegen. «Hij raakte het oor van dien «raensch aan en genas hem.» (2) Ook in dit feit ligt een geheim opgesloten. Waren de joden doof gebleven voor de stem van hun lang verwachten Messias, eenmaal zal er, volgens de voorzegging, een tijd komen, dat Israël zal luisteren. Bij de komst van Elias zullen de Israëlieten de oogen openen, hun oor leenen voor de hun verkondigde waarheid , Jezus als hun Messias erkennen en zich bekeeren. Dit, zegt Theophylactus, wordt hier vooraf beteekend door de genezing van het oor des dienstknechts. (3)

Ook voor ons bevat die liefdevolle handelwijze des vreedzamen Verlossers eene schoone les, zegt de H. Joannes Chrysostomus (4). Wij moeten naar dit voorbeeld van Christus ons eigen leed als vergeten, om de smarten van anderen te lenigen. Hij vergat als het ware de beleedigingen Hem aangedaan, en ofschoon zelf nog

(i) Matth. 26. 53.— (2) Luc. 22. 51. — (3) Vrg. St. Thom. Cal. aurea in Joan. 18. — (4) Hom. 83.

-ocr page 135-

123

overgoten van een bloedig zweet, doet Hij een wonder van liefde, en geneest zijn vijand van eene bloedige wonde. Door dit wonder, zegt de H. Joannes Chrysos-tomus (1) wilde Christus ons ook leeren, dat wij goed moeten doen, aan hen die ons kwaad willen. Het ons aangedane kwaad moeten wij met goed vergelden; goed wenschen aan hen, die ons ongeluk beoogen , zegenen die ons verwenschen en bidden voor lien die ons vervolgen; dan zullen wij het voorbeeld navolgen des godde-lijken Zaligmakers, die gezegd heeft: «Hebt uwe vijanden «lief, doet wel aan die u haten, en bidt voor hen die u «vervolgen en lasteren;» (2) zoo zullen wij zijn voorbeeld volgen, die door een wonder het oor genas van zijn vijand.

Kwaad met goed vergelden»

Jezus Christus moet ons in alles tot voorbeeld strekken. Hij is dat goddelijk model, volgens hetwelk wij ons moeten vormen en daarom moet gij, die dit overweegt, op Christus steeds uw oog gevestigd liondeii. De H. Kerk, uwe moeder, draagt u in haren schoot, koestert u op hare armen, onderwijst u «totdat Christus «in u gevormd zij.» (3) Christus is de weg, dien wij moeten bewandelen. «Ik ben de weg,» (4) zegt hij, en «die mij volgt, wandelt niet in de duisternis.» (5) De vraag doet zich alzoo voor: hoe heeft Christus zich jegens zijne vijanden gedragen? Met geduld en gelatenheid verdroeg Hij al de beschimpingen, al dc spotternij, al de beleedigingen, waarmede Hij overladen, en zooals de voorzegging luidt (6), verzadigd werd. Hij was op geen wraak bedacht, integendeel Hij doorreisde het

(i) T. a. p. — (2) Matth. 5. 44. — (3) Galat, 4. 19. — (4) Joan. 14. 6. — (5) Joan. 8. 12. — (6) Thren. 3. 30.

-ocr page 136-

124

land overal weldoende. En van die weldaden bleven zijne vijanden niet verstoken, ook dezen omvatte hij in zijne weldoende liefde. Wij zien liet in liet wonder ter genezing van Malchns gewrocht. Hadden zijne vijanden dorst naar zijn bloed, zij zouden niet rusten vooraleer Hij aan het kruis ware gestorven. Hij echter schonk hun zijn gezegend lichaam en zijn goddelijk bloed tot spijs en drank in zijn aanbiddelijk Sacrament. Kwaad met goed vergelden, zeide de H. Franciscus Xaverius, is zich wreken op eene goddelijke wijze, want zóó heeft Jezus, God en mensch, zich tijdens zijn sterfelijk leven gewroken. Dit voorbeeld van Christus hadden de Heiligen, die in ruime mate deelden in de versmading hun goddelijken Meester aangedaan, en wier leven soms eene aaneenschakeling van vervolging was, steeds voor oogen, en zijn goddelijk woord indachtig «doet «wel aan die u haten,» (1) hebben zij kwaad met goed vergolden. Van ganscher harte hunne vijanden te vergeven, was hun niet genoeg, zij wilden hen met weldaden overladen, en vurig voor hen bidden. Dit immers deed Stephanus, toen hij gesteenigd werd. «Nederknie-«lende, riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze «zonde niet toe» (2.) Hij bad, zegt de H. Fulgentius (3) voor hen, die hem steenigden, opdat zijne vervolgers niet zouden gestraft worden. Onder dezen muntte vooral Saulus uit. «Gij hebt immers gehoord,» «zoo «schreef hij later aan de Galatiers, » (4) van mijnen wandel eertijds in het jodendom, dat ik de Kerk Gods uitermate vervolgde en haar verwoestte, en dat ik boven velen van mijnen ouderdom onder mijn volk in het

(i) Matth. 5. 44. •— (2) Act. Apost. 7. 59. —■ (3) Serm. St. Steph. — (4) Gal. I. 13.

-ocr page 137-

125

jodendom uitmuntte. Hij was bij de steeniging van Stephanus tegenwoordig, want, de getuigen legden liunne kleederen neder aan de voeten van een jongeling, Saulus genaamd. (1) Op deze wijze was hij allen be-liulpzaam, en bediende zich van aller handen om Stephanus te steenigen. Ook voor dezen jongeling nog bad Stephanus, en misschien op eene gansch bijzondere wijze, want men houdt het er voor dat de bekeering van Saulus, het gevolg was van zijn vurig gebed; immers de H. Fulgentius (2) zegt: «Stephanus, gesteund «door de kracht zijner liefde, heeft Saulus, zijn wreeden «vervolger, overwonnen, en verdiend dengenen in den «hemel als deelgenoot te hebben in zijne heerlijkheid, «dien hij tot vervolger had op aarde.» Hetgeen de eerste martelaar Stephanus deed, heeft ook de Apostel Jacobus, de eerste bisschop van Jeruzalem, gedaan. Van het hoogste punt des tempels geworpen, brak hij beide boenen, en halfdood ter aarde liggende, stak hij beide handen ten hemel en bad voor hun aller heil: Heer, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen. Meer dan eens hebben de martelaren voor hunne wreede vervolgers niet alleen gebeden, maar hun zelfs uitstekende diensten bewezen. De landvoogd Eusebius had den H. Basilius voor zijne rechtbank gedaagd, en reeds bevel gegeven hem te geeselen en met ijzeren haken te verscheuren, toen het volk op hem aanviel om hem te dooden; de martelaar verdedigde hem, vroeg om genade en redde door zijne tusschenkomst den dwingeland van een gewissen dood. De landvoogd Timotheus veroordeelde den H. Januarius en zijne gezellen ter dood. Tot straf zijner wreedheid werd hij met blindheid ge-

(i) Act. Apost, 7. 57. — (2) t. a. p.

-ocr page 138-

126

slagen, doch aan het gebed door den heilige voor hem ten hemel gezonden, had hij het te danken, dat hij het gezicht terug ontving. Wat -wij lezen in het leven van den heiligen martelaar Sabinus, bisschop van Spo-leto, doet ons zien hoe diep de liefde tot zijne vijanden in het hart des heiligen was gegrift. Venustianus, gouverneur van Toscane, had reeds de beide diakens des bisschops den dood doen sterven en hem zeiven de beide handen doen afkappen, maar op hetzelfde oogenblik kreeg hij zulke hevige pijn aan de oogen, dat hy zich tot den martelaar wendde om van zijne ondragelijke pijn te worden bevrijd. De Heilige stak zijne armen, waaruit het bloed met golven spatte, ten hemel , bad en verkreeg voor hem bij den almachtigen God, de genezing des lichaams en die der ziel, want nu erkende hij Jezus Christus als God, en zijne bekeering was een verkwikkende balsem op de wonden des heiligen. Mili-tius. Patriarch van Antiochië, verdedigde den gouverneur dier stad, die hem in ballingschap medevoerde, tegen de aanvallen des volks, hij bedekte hem met zijn mantel, zoodat niemand meer een steen durfde werpen, uit vrees van den geliefden bisschop te kwetsen. Zulke voorbeelden, die men niet zelden in het leven der heiligen en vooral in dat der martelaren aantreft, doen ons zien, dat üod niet het onmogelijke van ons vergt, wanneer hij zegt: «doet wel aan die u haten.» Hetgeen de Heiligen, menschen zooals wij, gedaan hebben, kunnen en moeten ook wij met Gods genade doen. Het is wel niet waarschijnlijk, dat voor ons zich ooit de gelegenheid zal voordoen, om dengenen goed te doen, die ons ter wille van ons geloof zal folteren, want lioogst-waarschijnlijk noch gij die deze regelen leest, noch ik die ze schrijf, zullen het geluk hebben voor het geloof

-ocr page 139-

127

ons bloed te vergieten. Maar wij kunnen ons soms in omstandigheden bevinden, waarin de Heiligen zich geplaatst zagen, en van hen leeren op welke wijze wij onze vijanden moeten beminnen en hun weldoen. Er bevond zich in het gasthuis te Siena, zoo lees ik in liet leven van de H. Catharina van Siena, (1) eene arme zieke vrouw door de melaatschheid zóó misvormd en afzichtelijk, dat eenieder er eeti walg van had. Eene schoone gelegenheid voor de Heilige, om een verheven liefdewerk te verrichten. Eiken morgen en avond ging zij de zieke bezoeken, verzorgen en van het noodige voorzien. Zij deed zulks met de grootste oplettendheid en den diepsten eerbied, omdat zij, zegt de schrijver van haar leven, den persoon van Christus in haar beschouwde. In weerwil van de haar bewezen diensten, en ondanks den eerbied, waarmede zij bejegend werd, toonde zij zich, in plaats van dankbaar, zeer aanmatigend. Zij verbeeldde zich dat het, van den kant der Heilige, niet meer dan plicht was, haar zulke diensten te bewijzen. In plaats van te verzoeken, gaf zij haar bevelen, en kwam de Heilige slechts een weinig later dan het gewone uur, dan werd zij berispt en niet zelden bespot en grof beleedigd. En hoe wreekte zich de Heilige? Door hare liefde, bezorgdheid, voorkomendheid en haren eerbied te verdubbelen. Ware die zieke hare moeder geweest, zij had haar niet beter kunnen oppassen en verplegen. De dood alléén dier arme vrouw maakte een einde aan dat zoo verheven liefdewerk, zeg ik liever, hare begrafenis, want met alles wat hiertoe behoort, belastte zicli de Heilige zelve. In dergelijke omstandigheden bevinden zich soms degenen, die zieken

(l) Surius 19 April,

-ocr page 140-

128

verplegen, zooals gasthuiszusters, en zusters van liefde. Onder de zieken die daar, of soms in Imn eigen huis door zusters bediend en verpleegd worden, vindt men elke soort van menschen, en somwijlen zeer lastigen, die zich het recht aanmatigen orders te willen geven. Gevoelloos voor den plicht van dankbaarheid, wordt eene zuster, die zich dag en nacht aftobt ten hunnen behoeve, door hen aangeklaagd, alsof zij hare bediening verwaarloosde en onderscheid maakte tusschen personen, en bij zulke aanklachten ontbreekt het vaak niet aan lastertaal. Wat zal in zulk geval eene ware religieuze of ziekenverpleegster doen, die Christus in den persoon der zieken aanschouwt? Gevoelloos voor alle beleedigingen, zal zij, uit vrees van uit wraakzucht te handelen en vooral om Jezus meer te gelijken, kwaad met goed vergelden, hare zorgen verdubbelen, en met eene gansch bijzondere voorkomendheid hen bedienen. Evenzoo moeten zij handelen, die den kinderen onderwijs geven, wanneer deze hen valschelijk beschuldigen of aanklagen. Tegenover zulke kinderen moeten zij van eene bijzondere voorkomendheid blijken geven, terwijl zij hun tevens met alle liefde voor lastertaal waarschuwen. Zijne weldoeners liefhebben, zijne vrienden beminnen, hiervoor wordt niet veel deugd vereischt; zulke liefde vindt men onder de heidenen en ongeloo-vigen, maar zijne vijanden beminnen is eene deugd den Christenen eigen. Christus immers heeft ons zulks geboden, «bemint uwe vijanden.» (1) Indachtig de woorden van den II. Joannes: (2) «laat ons niet liefhebben «met woord of tong, maar met daad en waarheid.» moeten wij den vijanden onze liefde toonen door daden.

(i) Matth. 5. 44. — (2) I. Joan. 3. iS.

-ocr page 141-

129

Zou het soms gebeuren dat een behoeftig mensch u beleedigt, veracht, lastert, in één woord zich tegenover u als een vijand gedraagt, onthoud hem de noodige aalmoes niet, maar gedenk de woorden van den Apostel Paulus: (1) «Wreekt u zei ven niet, geliefden, maar « geeft den toorn plaats,» (dat is, zegt de geleerde Beelen, de vergelding voor het aangedane kwaad moeten wij overlaten aan den toorn Gods, aan zijne straflende gerechtigheid), «want er staat geschreven: Aan mij «de wraak! Ik zal vergolden, zegt de Heer. Maai- zoo «uw vijand honger heeft, geef hem te eten; heeft hij «dorst, geef hem te drinken; want dit doende, zult gij «kolen vuurs op zijn hoofd vergaderen,» dat is, hem een gevoelige smart aandoen, een smart van beschaming, een heilzame smart, die hem wellicht tot inkeer zal brengen en tot berouw over het ongelijk u aangedaan. (2) «Laat u,» zoo besluit de Apostel, «door het «kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door «het goede.» Wat de H. Paulus hier voorschrijft heeft hij zelf beoefend, zooals wij lezen in zijnen brief aan de Korinthiërs, (3) «Wij worden gevloekt, en wij zesgenen; vervolgd, en wij verdragen het; gehoond en «wij geven goede woorden.» «Ook wij,» zegt de H. Petrus, (4) «zijn als Christenen geroepen om te zegenen, «geen kwaad met kwaad, noch schelden met schelden, «maar integendeel met zegenen vergeldende; want «daartoe zijt gij geroepen, opdat gij zegen beërft.» Laat ons derhalve dit heilig besluit maken, voortaan kwaad met goed te vergelden, te bidden voor hen, die ons vervolgen, hen te zegenen die ons vloeken, goed

(i) Rom. 12.19. 20. — (2) vgl. Beelen. — (3) I. Corinth. 4. 13. (4) I Petr. 3. 9.

LIJDEN V. CHRISTUS. «J

-ocr page 142-

130

te gunnen aan hen, die ons verwenschen, goed te spreken van hen, die ons lasteren, diensten te bewijzen aan hen, die ze ons weigeren, opdat wij kinderen mogen zijn van onzen Vader, die in den hernel is, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden, en regenen doet over rechtvaardigen en zondaars, (1) opdat wij eenmaal als ware kinderen Gods, den zegen der hemeische goederen beërven.

GEBED.

Mijn Heer en mijn God! hoe ver ben ik nog verwijderd van de ware liefde, die ik als Christen mijnen vijanden verschuldigd ben! Hoe menigmaal heb ik mij het recht aangematigd mij te wreken op hen, du-mij vervolgden en lasterden, een recht dat U alléén toekomt. Hoe dikwijls heb ik mijnen wraaklust nog willen koelen, ware ik in de gelegenheid geweest zulks te kunnen doen! Van elk ijdel woord dat men spreekt, moet men rekenschap afleggen in het oordeel, ik weet het, en ondanks dit alles, heb ik rnij zoovele liefdelooze woorden, veroorloofd, ten gevolge van mijnen niet genoeg bedwongen wraaklust. In plaats van U, bij de mij aangedane beleediging, blijken te geven van mijne liefde, heb ik U bedroefd. Die liefdeloosheid is mij van gan-scher harte leed, ootmoedig vraag ik U om vergeving door de verdiensten van al de versmadingen, die Gij ter liefde van mij hebt willen verdragen. Mijn besluit is gemaakt; nimmer tneer zal ik mij wreken, tenzij op de wijze der heiligen, door te bidden voor mijne vijanden, en goed te doen aan hen, die mij haten. Lieve Moeder Maria, sta mij bij, om aan dit voornemen getrouw te blijven.

(i) Malth. 5. 45-

-ocr page 143-

i'M

HOOFDSTUK XIII.

Calicem quem dedit mihi Pater, non bibam ilium? Joan. XVHI. 11.

Den kelk, dien de Vader mij gegeven heeft, zou ik dien niet drinken ?

«Nadat de Heer Jezus veertig dagen in de woestijn «doorgebracht en de bekoringen des Satans had afge-«slagen, verliet Hem de duivel, en de Engelen dienden «Hem» (■!). En na zijn Vader te hebben gebeden in den Hof, «verscheen Hom een Engel van den hemel, «die Hem versterkte.» (2) Christus wilde alzoo door de Engelen bediend, door een dier geesten versterkt, maar door niet één tegen de aanvallen zijner vijanden verdedigd worden. Dit nochtans had Hem weinig moeite gekost, want zoo sprak Hij tot Petrus: (3) «Meent gij, «dat Ik mijn Vader niet kan bidden, en dat Hij mij «niet terstond meer dan twaalf legioenen Engelen zal «verschaffen?» Dat Christus door een Engel versterkt werd, gebeurde, zegt de eerbiedwaardige Beda, (4) om onzentwille. Dat Hij door de Engelen niet wilde verdedigd worden, geschiedde eveneens ter wille van ons; want van alle eeuwigheid had het eeuwig Woord des Vaders besloten, voor ons mensch te worden, te lijden en zich in de handen zijner vijanden over te leveren om gekruisigd te worden. In zijn goddelijk bloed zouden wij gereinigd worden. Dit alles hadden de Profeten voorspeld, en die voorzeggingen moesten worden verwezenlijkt. Dit gaf Christus te kennen toen Hij, zijn Vader niet willende bidden, om te zijner verdediging

(i) Matth. 4. II. — (2) Luc. 22.43. — (3) Matth. 26. 53,— (4) C. 22 in Luc.

-ocr page 144-

432

Engelen te zenden, de volgende woorden sprak: «Hoe, «zullen dan de Schriften vervuld worden, jdie zeggen, «dat het zóó geschieden moet?» (1) Als wilde Hij zeggen: indien ik mij door Engelscharen laat verdedigen, hoe zullen dan de voorzeggingen, de heilige Schriften aangaande mijn lijden en sterven in vervulling gaan? Door geen zijner leerlingen, dooi- geen dier hemelsche geesten wilde Christus verdedigd worden; vrijwillig zou Hij zich aan zijne vijanden overleveren. En die overgave in de macht zijner vijanden, geschiedde «naar «Gods bepaalden raad» (2) dat is, ingevolge van het eeuwig raadsbesluit des drieëenigen Gods dat Christus een geweldigen dood zoude sterven tot verlossing en zaligmaking van het gevallen menschdom (3). In alles was Christus zijn Vader gehoorzaam; Hij zelf zegt het ons: «Ik doe altijd wat Hem behagelijk is.» (4) In leven en dood was de wil zijns Vaders het richtsnoer zijner handelingen. Als niensch ontving Hij het gebod des Vaders om voor het gevallen menschdom te lijden en te sterven, en Hij gehoorzaamde er aan; Hij volbracht dit gebod door de kracht zijner goddelijke natuur, niet vrije gehoorzaamheid. Hij deed dat niet gedwongen, maar gewillig. Toen dan de tijd daar was, dat Hij den kelk zijns lijdens drinken zou, zeide Hij tot Petrus en die Hem verdedigen wilden; «Den kelk, «dien de Vader rnij gegeven heeft, zou ik dien niet drin-«ken?» Als wilde hij zeggen: Petrus verdedig mij niet tegen die woeste bende. Het is de wil mijns Vaders, dat Ik den vijanden worde overgeleverd om te lijden en te sterven, en ik zal gehoorzaam zijn tot mijn dood. Ik

(i) Matth. 26. 54. — (2) Act. Apost. 2. 23. — (3) Beelen t. a. p. ■— (4) Joan. S. 29.

-ocr page 145-

133

zal mij laten bespotten, geeselen, kronen met doornen, veroordeelen tot den schandelijken dood des kruises. Het zijn niet zoozeer de Schriftgeleerden door hunne afgunst Judas door zijn verraad. Petrus door zijne verloochening, Pilatus door zijne veroordecling, die mij den kelk des lijdens doen drinken, want aan dat alles kan Ik mij onttrekken, maar mijn Vader biedt mij dien kelk aan, en omdat het de wil des Vaders is, zal Ik hem drinken. Hij dronk hem dan ook tot den bodem toe, «en «alhoewel Hij Gods Zoon was, leerde Hij, door zijn lijft den de gehoorzaamheid.» (1) Door zijne gehoorzaamheid aan den Vader tot den dood des kruises, kreeg Hij de ondervinding, hoe zwaar het valt te gehoorzamen. (2) Is Christus alzoo ter liefde van ons gehoorzaam geweest tot den dood des kruises, ofschoon Hem als mensch zulke gehoorzaamheid zeer zwaar viel, laten wij dan ook ter liefde van Jezus aan onze oversten gehoorzamen, en niet alleen in kleine maar ook in moeielijke zaken. Beschouwen wij zulk gebod als een kelk, dien God ons aanbiedt, en zeggen wij dan naar het voorbeeld van Jezus, «zou ik den kelk, dien de Vader mij gegeven «heeft, niet drinken?»

Grhoorxjiamheiil.

«O, wat is het eene schrikkelijke ondeugd,» roept de H. Augustinus uit, (3) «hetgeen strijdt tegen de «gehoorzaamheid; hierdoor heeft de duivel den hemel, «de mensch het paradijs, Saul het rijk, Salomon de liefde «Gods verloren.» Tengevolge hunner ongehoorzaamheid,

(i) Hebr. $. S, — (2) Beelen in Hebr. — (3) Serm. 7.

-ocr page 146-

134

zijn onze eerste ouders uit het paradijs verdreven, want zegt de H. Thomas (1), de eerste zonde van den menscli ■was de ongehoorzaamheid, niet uit hoofde van de uitwendige daad, maar met betrekking tot de inwendige beweging der hoovaardij, waardoor hij Gods gebod wilde overtreden. Voor zijne ongehoorzaamheid heeft Adam geheel zijn leven moeten boeten; en niet alleen hij, maar zijn gansch nageslacht gaat nog steeds onder de noodlottige gevolgen zijner weerspannigheid gebukt. Alle rampen dezer wereld zijn er een gevolg van. Zijne ongehoorzaamheid heeft een aangenamen lusthof in een dal van tranen veranderd. Wat het ergste is, ter oorzake van zijne ongehoorzaamheid worden wij allen in zonde ontvangen, en komen wij als kinderen der goddelijke wraak in deze wereld. Dan door Gods gren-zenlooze goedheid verschijnt Christus, de tweede Adam in deze wereld, en herstelt overvloedig door zijne onderwerping aan den wil zijns Vaders, hetgeen de eerste Auam door zijne ongehoorzaamheid misdreven heeft, «.want,» zegt de Apostel Paulus ('2), «gelijk door de « ongehoorzaamheid van den éénen mensch (Adam) velen «zondaars gemaakt zijn, zoo zullen ook door de gehoor-«zaamheid van dien éénen Christus velen rechtvaardig «gemaakt worden,» en voegt hij er bij: «waar de «zonde overvloedig werd, daar is de genade allerover-«vloedigst geworden.» «Christus,» zegt dezelfde Apostel in zijn brief aan de Hebreërs, (3) «is voor allen, die «hem gehoorzamen, oorzaak van eeuwige zaligheid ge-«worden.» Letten wij op de woorden des Apostels: die Hem gehoorzamen, want om deelachtig te worden aan de eeuwige zaligheid, die Christus voor ons

(i) Ad Rom. c. 5. Lect. 5. — (2) Rom. 5. 19. — (3) Hebr. 5. 9.

-ocr page 147-

435

door zijne gelioorzaamlieid verdiend heel't, moeten wij eerst hier op aarde dienzelfden Christus gehoorzamen. De eerste Adam at de verboden vrucht van den boom dei-kennis van goed en kwaad, en hij maakte zich zeiven en zijn nageslacht des doods schuldig. De tweede Adam heeft een anderen boom geplant, dien des kruises; de vrucht van dien boom zijn de genaden. Maar zonder ladder kunnen wij die vrucht niet plukken, en die ladder is de gehoorzaamheid. Derhalve niet willen gehoorzamen is geen belang stellen in de vrucht van Christus lijden, geen voordeel willen doen met de genaden door Christus ons verdiend; het lijden, het bloed, den dood van Christus minachten. Te vergeefs zou men werken van barmhartigheid beoefenen, hoe verheven dan ook, liefdewerken verrichten, strenge boete plegen, zich lijf kastijdingen opleggen, zoodra dit alles in strijd is met de gehoorzaamheid, kan God hierin geen genoegen vinden. Dit gaf de Profeet Samuël den ongehoorzamen koning Saül te verstaan, die tegen Gods gebod het vee, op de Amalecieten buit gemaakt, den Heer als een offer wilde opdragen. «Wil de Heer dan brand-«en slachtoffers, en niet veelmeer dat gehoorzaamd «worde aan de stem des Heeren? want gehoorzaamheid «is beter dan offers, en de volgzaamheid beter dan « ofl'ervet van rammen; want verzet en weerspannigheid «tegen God is als het ware de misdaail van afgoderij.» (1) Immers niet te willen gehoorzamen, is zijn wil stellen boven dien van God, en als tot afgodsbeeld maken. Dat de gehoorzaamheid boven offers uitmunt, zooals Samuël zeide, blijkt hieruit, zegt de H. Augustinus (2) dat door de oflers een ons vreemd vleesch , maar door

(l) I. Keg. 15. 22. 23. — (2) Serm. 7. ad fratres in erem.

-ocr page 148-

136

de gehoorzaamheid ons vleesch en onze wil geofferd wordt. Niets is den mensch zoo dierbaar als zijn eigen wil, maar ook geen offer Gode zoo aangenaam, den duivel zoo verschrikkelijk, als het offer van zijn wil; want geeft men zijn wil, dan geeft men alles, men geeft den ganschen mensch, men behoort zich zei ven niet meer, maar alleen dengenen, die ons namens God gebieden, van wier bevelen wij volkomen afhankelijk zijn. De gehoorzaamheid, zegt de H. Joannes Clima-cus, (1) legt den eigen wil in het graf en doet de ootmoedigheid verrijzen. Zij is een vrijwillige dood, een waarborg in het gevaar en een wettige verontschuldiging als men voor Gods rechterstoel geroepen wordt; zij bespaart ons de vrees voor den dood, bezorgt ons een veilige scheepvaart op deze wereldzee, verschaft ons eene aangename reis, die men als slapende aflegt. Op reis laat men zich geleiden door den kapitein of den conducteur. Ons leven is in hunne handen, doch onbezorgd, zonder de minste tegenspraak laat men den geleider begaan, totdat men het einde der reis bereikt heeft. Waarom zouden wij ons dan niet laten geleiden op onze reis naar de eeuwigheid door hem, dien God ons tot leidsman gegeven heeft. Zonder veldheer, zegt de H. Laurentius Justinianus, (2) kan men zich de overwinning niet verzekeren, en zonder stuurman de haven niet bereiken, zoo ook is het onmogelijk de zee dezer wereld zonder de gehoorzaamheid over te steken, tenzij met gevaar van schipbreuk te lijden. Vandaar dat de H. Aloisius van Gonzaga, de gehoorzaamheid een schip noemt, dat ons'de haven van het hemelsch Jeruzalem zal binnen leiden.

(I) In grad. 4, 3. — (2) Lign. vit. c. 3.

-ocr page 149-

137

Verbeelden wij ons eene groote menigte menschen op reis naar hun vaderland; zij staan voor een brecde en onstuimige rivier, die zij moeten overtrekken. Nu ligt er wei eene sterke brug over dat bruischend water, maar zij schijnt door den sterken stroom medegesleept te zullen worden. Tot geruststelling der vreesaclitigen, geeft men hun de verzekering, dat die brug er sedert eeuwen ligt, en dat allen, die er overgaan, gelukkig in hun vaderland zijn aangekomen; zij echter, die zulks geweigerd hebben uit eigenzinnigheid of ijdele vrees, zijn door wilde dieren verscheurd geworden; en dit alles staaft men door duidelijke en degelijke bewijzen. Zou het nu geen verregaande dwaasheid en onvergeeflijke schuld zijn van hen, die zulke brug niet willen overtrekken? Welnu, die reizigers zijn wij, ons vaderland is de hemel, die onstuimige rivier is 's menschen veel bewogen leven, die brug is de gehoorzaamheid. Allen, die zich aan het wettig gezag onderwerpen, en de bevelen, door hunne oversten als plaatsbekleeders van Christus gegeven, stipt vervullen, gaan het land der levenden, dat is den hemel binnen. Verlangt gij bewijzen? «Een gehoorzaam mensch zal van overwin-«ning spreken,» zegt de H. Geest (1), dat is, zegt de H. Alphonsus, hij zal over al de aanvallen zijner vijanden zegevieren, want, voegt hij erbij, het is billijk, zooals de H. Gregorius zegt, dat zij, die gehoorzamen, alle bekoringen der hel overwinnen; immers door hun wil aan anderen uit gehoorzaamheid te onderwerpen, verheffen zij zich boven de duivelen, die door hunne ongehoorzaamheid duivelen zijn geworden. De H. Augus-tinus (2) over de verdienste, de kracht der gehoorzaam-

(l) Prov. 21. 28. — (2) Serm. 3. ad fratr. in erem.

-ocr page 150-

138

heid sprekende, roept uit: «O eerbiedwaardige, heilige «gehoorzaamheid! gij zijt het heil van alle geloovigen; «gij bewaart alle deugden, gij opent den hemel en «sluit de hel.» Gaan wij derhalve vol vertouwen, zonder de minste vrees over de brug der gehoorzaamheid, en aan de overzijde der rivier, dat is aan gene zijde des grafs, vinden wij den hemel, ons dierbaar vaderland. Zij echter, die deze brug niet willen overtrekken en weigeren te gehoorzamen, worden een wild dier ten prooi; dat is liet slachtoffer van hun eigen wil. Immers de H. Bernardus (1) noemt den eigenwil een wreedaardig en afschuwelijk dier, een roofzuchtigen wolf, een woedenden leeuw. Zijn wij op onze hoede, 7.00 zegt hij elders (2), tegenover onzen eigenwil als eene gevaarlijke en giftige slang. Op eenieder die den hemel, zijn vaderland niet binnengaat, moet men in waarheid de woorden van den aartsvader Jacob met betrekking tot zijn zoon Jozef toepassen: «Een wild « dier heeft hem verslonden.» (3)

Innig overtuigd van die waarheid, hebben allen, wier vurigst verlangen was hunne onsterfelijke zielen niet slechts te redden maar ook te volmaken, zich steeds beijverd hun eigen wil te verzaken, om dien van hunne oversten te volgen, wier bevelen zij als den wil Gods beschouwden; zelfs dan, als er twijfel bestond of ia het gehoorzamen niet eene zonde ware gelegen. Want in zulken twijfel, zegt de II. Alphonsus, (4) is de ondergeschikte nog gehoorzaamheid verschuldigd. Dan alleen zou men die moeten weigeren als het gebod of verbod zeker zonde ware. In dergelijk geval

(l) Sermo 3 Pasch. — (2) Serm. de dupl. bapt. —- (3) Gen. 37- 33- — (4) T. 10.. p. 161.

-ocr page 151-

139

waren de Heiligen onverzettelijk; getuigen zoovele vervolgingen , die zij uit dien hoofde moesten verduren. Voor moeilijkheden echter, die niet zelden met de gehoorzaamheid gepaard gingen, deinsden zij niet terug, al waren deze zelfs met gevaar van hun leven vergezeld. Een Pater onzer Congregatie, met name Alexander de Meo, een geleerd en ijverig missionaris, keerde vermoeid en afgemat van eene missie naar zijn klooster terug. Bestemd om aanstonds weèr eene andere missie te gaan geven, maakte hij zijnen overste, den H. Al-phonsus zijne vermoeienis en lichte ongesteldheid bekend. Het antwoord des Heiligen luidde: «een goed soldaat «sterft op het slagveld.» Alexander boog het hoofd en begaf zich naar de missie. Als een kloek soldaat, vreesde iiij het slagveld niet, al moest hij er zijn leven laten, hetgeen dan ook gebeurde. Nauwelijks had hij den preekstoel beklommen, «het zwaard des Geestes, het-«welk is Gods woord,» (1) getrokken, of hij gaf den geest. Dat zulk offer Gode aangenaam was, werd door een wonder bevestigd. Eene vrouw, door eene erge kwaal aangetast, werd oogenblikkelijk genezen, na zich met het water te hebben gewasschen, waarvan men zich bediend had om den iloode te reinigen. Moge ons het bevel ooit gegeven worden, om hen te verzorgen, die door eene besmettelijke ziekte zijn aangetast, too-nen wij ons dan als kloeke soldaten van Jezus Christus, die door de oversten ons gebiedt.

In kleine en gemakkelijke zaken te gehoorzamen, is niet zonder verdienste. Immers de H. Gregorins zegt, (2) «het is verdienstelijker te eten uit gehoorzaamheid, « dan te vasten uit eigen beweging.» Met meer verdien-

(l) Eph. 6. 17. — (2) In I Reg. 1, 2. c. 4.

-ocr page 152-

140

sten gaat de gehoorzaamheid gepaard in zaken, die den ouden Adam zwaar vallen. Maar men bereikt het toppunt der verdiensten, als men uit liefde tot Jezus voor de gehoorzaamheid zijn leven veil heeft. Een waarlijk gehoorzame ziel geeft geen acht op hetgeen geboden wordt, het gebod moge licht of zwaar zijn, het is haar om het even. Evenmin beschouwt zij hare oversten als menschen , maar als vertegenwoordigers van Cluistus. De H. Franciscus van Assisië beloofde aan zijn reisgezel te zullen gehoorzamen, en was hem stipt onderworpen. Hij zeide dat hij evengaarne aan een broeder, die pas het kleed der orde ontvangen had, wilde gehoorzamen; in geval hij hem tot overste gegeven was, als aan den oudsten en verstandigsten zijner broeders. Maar allen gehoorzamen niet op dezelfde wijze. Wat ons aangaat, zijn wij aanstonds gehoorzaam, en wachten wij ons eene bloem aan te bieden als zij reeds gedeeltelijk ver-flensd is. De H. Pacomius beval aan den tuinier, met name Jonas, een vijgenboom om te hakken, die den jongeren broeders tot bekoring strekte. Na eene opmerking van den broeder tuinier, zeide de Heilige: wilt gij dat de boom beter gehoorzame dan gij? Den volgenden dag was de boom verdord. Zijn wij ook stipt in het volbrengen der gegeven orders en laten wij de ons opgelegde taak niet ten halve achterwege. Een kloosterbroeder, wiens bediening het was eene kamer te vegen, reinigde alles tot in het kleinste hoekje. Een ander maakte hem de opmerking dat niemand het daar zou zien, doch hij antwoordde: God ziet het.

Willen wij onze oversten niet doen zuchten, want «dit is u niet nuttig» zegt de Apostel Paulus (1), dat

(l) Hebr. 13. 17.

-ocr page 153-

141

dan onze gehoorzaamheiJ blijmoedig zij. Meent men, ter verontschuldiging, redenen te hebben den oversten onbekend, dan is het niet in strijd met den geest dei-gehoorzaamheid , dezen te openbaren, maar wel, ze te willen opdringen, en met een bedrukt of gramstorig gelaat zich te verwijderen. Opdat onze gehoorzaamheid ten slotte volmaakt zij, volgen wij dan blindelings en met liefde de door onze oversten ons opgelegde bevelen, brengen wij het ofler én van onzen wil én van ons verstand. Laat ons niet redeneeren over de verordeningen onzer oversten, en veel minder hen veroordeelen, overtuigd dat ze redenen hebben om zoo te handelen, die ook wij alleszins zouden billijken, ware het dat de liefde of de voorzichtigheid hen niet verbood ze ons te openbaren. Mogen alle onderhoorigen zich steeds herinneren en in beoefening brengen de woorden, die een eerbiedwaardig woestijnbewoner reeds sprak: «ik heb «nooit mijn eigen wil gedaan.»

GEBED.

O mijn goddelijke Zaligmaker! ter liefde van mij hebt Gij gedronken den bitteren kelk des lijdens, dien de Vader U gegeven had. Gedreven door eene grenzen-looze liefde tot mij zondig mensch, zijt Gij gehoorzaam geweest tot den dood en wel tot den dood des kruises. Wat, is billijker dan dat ik U gehoorzame door stipt na te komen do bevelen van hen, die uwe plaats bc-kleeden? En nochtans heb fk zoo menigmaal tegen do gehoorzaamheid misdaan: onder nietige voorwendsels heb ik mij er aan onttrokken. Werd mij iets opgelegd, dat niet strookte met mijne eigenliefde ot natuurlijke voldoening, dan bediende ik mij van allerlei uitvluchten, en werden deze niet aangenomen, dan liet ik mij

-ocr page 154-

142

door droefgeestigheid vervoeren; anderen gaf ik ontstichting, en van de mij opgelegde taak kweet ik mij nauwelijks ten halve. O Jezus! door de verdienste van uwe gehoorzaamheid tot den dood toe, vraag ik U met een oprecht leedwezen, ootmoediglijk om vergeving. Die menigvuldige overtredingen zijn mij van harte leed. Voortaan wil ik geheel en al in de handen zijn van hen, die mij besturen. Tot hen zal ik zeggen met een bereidvaardig hart, hetgeen Gij zeidet tot uwen he-melschen Vader: «niet mijn, maar uw wil geschiede.» Heer Jezus, geef mij hiertoe uwe genade. Lieve Moeder Maria, die uwe moeder Anna nooit door een enkelen trek van uw gelaat bedroefd hebt, verkrijg mij de genade ook mijnen oversten nimmer door mijne ongehoorzaamheid verdriet aan te doen.

HOOFDSTUK XIV.

Sed haec est hora vestra, et polestas tenebrarum. Luc. XXII. 53.

Maar dit is uw uur, en dit de macht der duisternis.

Jezus, dat zachtmoedig Lam Gods, ja de goedheid zelve, die, zooals Isaias zeide (1), het geknakte riet niet zou verpletten, spaarde toch het hardnekkig en ongeloovig volk niet, en veel minder de Pharizeërs en Schriftgeleerden, wier huichelarij en ondeugden Hij voor het volk ontmaskerde. Dit verwekte hun toorn. Meermalen wilden zij zich van den in hun oog zoo on-verdragelijkcn Jezus den Nazarener meester maken. Te Nazareth, zijne vaderstad, stonden allen, die in de Synagoog waren, tegen Hem op, dreven Hem buiten

(i) Is. 42. 3.

-ocr page 155-

143

de stad, en voerden Hem naar de kruin des bergs, waarop hunne stad gebouwd was, om Hem van boven neder te werpen (1). Misschien zou deze of gene kunnen denken: hoe komt het dan dat zijne vijanden er niet in konden slagen Hem, dien zij ter dood zochten, uit den weg te ruimen ? Jezus toch vertoonde zicli in liet openbaar, Hij predikte in hunne synagoge, zij hoorden en zagen Hem schier eiken dag. Om de eenvoudige reden dat Christus het niet wilde. En wat vermogen de menschen tegen God! Door de kracht zijner Godheid maakte Jezus te Nazareth zich los uit de handen der joden, op eene wijze welke de H. Schrift niet te kennen geeft, en ging midden door hen heen, zonder dat iemand Hem verder konde of durfde aanraken. En toen sommigen uit Jeruzalem Hem zochten te vatten , sloeg niemand de hand aan Hem. üe uitvoering van hun goddeloos inzicht werd door de goddelijke tusschenkomst verhinderd, omdat zijn imr, de tijd van zijn lijden en sterven nog niet gekomen was. (2) Dit uur door Christus hier ter plaatse zijn uur genoemd, wordt bij den H. Lucas (3) ook het uur van Jezus' vijanden geheeten, want op het oogenblik dat Jezus in den hof van Olijven zich aan die woeste bende zou overleveren om geboeid voor de rechters te worden gesleurd, zeide Hij: «dit is uw ure, en dit de macht «der duisternis.» Als wilde Hij zeggen: tot dusverre kondet gij uwe handen niet uitstrekken om mij te vatten, omdat Ik het niet wilde, omdat mijn uur van lijden en sterven, en uw uur van mij te kunnen vatten, nog niet gekomen was, maar nu is de ure gekomen, waarin God het wil toelaten, dat gij uw

(i) I.uc. 4. 29. — (2) Joan. 7. 30. — (3) Luc. 22 53.

-ocr page 156-

144

boos opzet volbrengt; de macht der duisternis, Satans macht, wiens werktuigen gij zijt, is thans vrijgelaten. Na deze woorden liet Jezus zich gevangen riemen en wegvoeren naar het huis van den Hoogepriester, alléén omdat Hij het zoo wilde; de macht hiertoe, zegt de H. Cyrillus, (1) was in dit uur aan de duisternis, dat is, den duivel en den Joden gegeven.

Daar nu de dienstknecht niet beter is dan zijn heer, zoo gebeurt het ook somtijds dat de goede God den duivel toelaat, brave en deugdzame personen op eene meer dan gewone wijze te kwellen, hetzij Satan zelf' die zielen bestormt door hevige bekoringen, hetzij hij zich van booze menschen bedient om hen te vervolgen en te doen lijden. God zelf bekoort niemand. Zou de heiligheid zelve iemand tot het kwade kunnen aansporen? «God,» zegt de H. Jacobus, (Li) «is geen bekoor-« der tot liet kwade, en Hij zelf bekoort niemand;» toch gebeurt het niet zelden dat de goede God zelf de zijnen beproeft. Eenigen worden door eene hevige, langdurige of walgelijke ziekte aangetast, anderen ondergaan een aanzienlijk verlies in hunne tijdelijke zaken, sommigen wordt de gevoelige troost ontnomen, en zij zijn eene geestelijke dorheid troosteloos ten prooi, weder anderen vallen bij hunne oversten, vrienden of weldoeners in ongenade, en gaan soms jaren lang onder zulk kruis gebukt. Indien ook wij hevig door den duivel aangevallen, door de boozen vervolgd worden, dat ons dan de moed niet ontzinke; denken wij, dit is de macht der duisternis, God laat zulks toe, maar vergeten wij ook niet in zulk geval, en evenmin als de goede God ons beproevingen overzendt, te denken: dit is mijne ure,

(i) In catena Graecorum. — (2) Epist. I. 13.

-ocr page 157-

145

de ure van lijden maar van verdiensten tevens, o|iilat al dat lijden van welken aard dan ook, strekke tot ho-schaming onzer vijanden, tot verheerlijking Gods, tot heil en zaligheid onzer ziel.

Standvastigiieifl in du bcproeviiig'.

Er is goud en klatergoud in de wereld. In het vuur kan men liet een van het ander onderscheiden. Er zijn soldaten in naam en soldaten in waarheid, echte kloeke strijders. In den oorlog leert men hen kennen. Zoo zijn er ook personen, die zeer deugdzaam schijnen, en anderen, die het in werkelijkheid zijn. Ten tijde der bekoring ontwaart men al spoedig of iemand deugdzaam is alleen in schijn of in waarheid, of hij zwak dan wel sterk is in de deugd, met andere woorden, of de deugd diepe wortels geschoten heeft in zijn hart of niet. Ue bekoringen kunnen komen van den kant des duivels, of van den kant van God, niet in dien zin dat God den mensch tot het kwaad kan aanzetten, maar, zooals Hugo a St. Victore (1) zegt, om te beproeven, de duivel echter, wiens zaak het is, gelijk do H. Thomas van Aquino leert, (2) de menschen te bekoren, doet zulks om hen te misleiden. Indien God ophoudt te beproeven, zegt de H. Augustinus, (3) houdt de meester op te onderwijzen. God bekoort, dat is beproeft, om te onderwijzen, do duivel bekoort om te bedriegen. «Van welke «zijde de kwellingen ook komen wij moeten door vele «verdrukkingen het rijk Gods ingaan.» (4) «Allen ook, die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen ver-

(i) In I. ad Cor. qu. Sr. — (2) In I. ad Thess. c. III. lect. I. — (3) Senn. II. feria IV post Dom. I quadr. — (4) Act. Apost. 14. 21.

I-IJDEN V. CHRISTUS. •] 0

-ocr page 158-

140

« volging lijden.» De duivel door Christus aan liet kruis overwonnen, is woedend, en nu hij tegen Jezus niets vermag zoekt hij zijnen wraaklust te koelen aan de zielen, door Jezus goddelijk bloed vrijgekocht. Vandaar dat hij, zoouls de H. Petrus zegt, (1) rondgaat als een brullende leeuw, zoekende wien hij zai verslinden. Wie onzer zou niet verslonden worden, tenzij de goede God Satans woede bedwong en hem belette ons boven onze krachten aan te vallen.' Nochtans laat God soms toe, zooals wij lezen in de levens der Heiligen, dat de mensch op vreeselijke wijze door den duivel gekweld wordt. Daar 's menschen leven op aarde een voortdurende strijd is, zijn de bekoringen onvermijdelijk; wie gij zijt en op welke plaats gij u bevinden moogt, overal kunnen bekoringen u overvallen. «De «mensch,» zegt de H. Laurentius Justinianus ('2), «kan «zonder bekoring niet tot de volmaaktheid geraken; «zonder bekoord te worden zich zelven niet leeren ken-«nen; niet gekroond worden, tenzij hij overvvinne; niet «overwinnen, tenzij hij strijde; niet strijden tenzij er «een vijand zij, die hem bekoort.» Om redenen echter, God alleen bekend, maar die toch allen Gods verheerlijking en 's menschen heil en volmaking ten doel hebben, wordt den duivel soms toegestaan, dezen of genen op eene meer dan gewone wijze aan te vallen, en vooral, zegt dezelfde H. Laurentius Justinianus, (3) degenen, die zich ijverig op de deugd toeleggen, alsmede hen, zegt de H. Isidorus (4), die aan bet heil van anderen met vrucht kunnen werken, opdat, terwijl zij bestormd, anderen verhinderd worden voordeel te doen met hunne onderrichtingen. Zijn wij derhalve niet verwonderd dat

(I) I. Petr, 5. 8, — (2) De ligno vitoe tr. V. — (3) t. a. p. (4) Lib. III. de summo bono c. 5. sent. 19.

-ocr page 159-

147

zelfs de Heiligen nu en dan vreeselijk tegen de heilige deugd van zuiverheid bekoord werden, b. v. een H. Ber-nardus, die zich in den winter in ijskoud water, een H. Bsnedictus, die zich in de doornen wierp, en eene H. Maria Magdalena van Pazzis, die gedurende vijfjaren onder den druk der bekoringen zuchtte. Zou de goede God toelaten, dat ook wij door deze of gene bekoring hevig worden gekweld, laat ons dan nimmer moedeloos worden, indachtig de troostvolle woorden van den H. Joannes Climacus, (1) «er is geen zekerder bewijs, dat «de duivelen door ons overwonnen zijn, dan wanneer «zij ons allerhevigst aanvallen.» Denken wij: dit is de macht der duisternis, dit is voor ons de ure van lijden, maar ook de ure van verdiensten.

Tot verheerlijking zijner almacht en tot geestelijken voortgang zijner dienaren, laat God somwijlen toe, dat dezen, hetzij in hun lichaam, hetzij in hunne tijdelijke bezittingen door den duivel worden geplaagd, zooals wij zien in het leven van den H. man Job. Deze zeer rijk in vee, waarin destijds meestal de rijkdom der oosterlingen bestond, bezat de heilige vroeze des Heeren. Om hem van het pad der deugd af te voeren en tot ongeduld te brengen, vroeg de duivel aan God verlof hem in zijne tijdelijke goederen te treilen. Met toelating Gods, bracht hij Job tot volslagen armoede. Hiermede niet tevreden, sloeg hij, altijd met 's Heeren verlof, dien armen man, van het hoofd tot aan de voeten met afschuwelijke zweren. Dit was de macht der duisternis, en voor Job het uur des lijdens en der verdiensten tevens. Job wist die harde beproeving te verdragen , en door alle eeuwen heen strekt hij allen tot

(i) Gracl. XXVI de different, quielis.

-ocr page 160-

148

een voorbeeld van geduld. Zoo wij ook soms merkelijke schade zouden lijden in onze aardsche goederen, dooide booze handlangers van Satan ons berokkend, dan moeten wij ook deze beproeving weten te verdragen, en met Job zeggen: «God heeft gegeven, God heeft «genomen, de naam des Heeren zij gezegend» en zoo zal die ure en die macht der duisternis, voor ons eene ure van verdiensten zijn.

Evenals God zijn welbeminden Zoon den bitteren kelk des lijdens te drinken gaf, en toeliet dat llij gevangen, geboeid, gegeeseld, met doornen gekroond en gekruisigd werd, zoo laat God ook meermalen toe, dat zijne welbeminde kinderen, door de dienaren Satans worden vervolgd, gefolterd en ter dood gebracht. Dit zien wij reeds gebeuren ten tijde der Apostelen, wij vinden daarvan voorbeelden in de levens der Heiligen, en in de geschiedenis der martelaren. Hetgeen ten allen tijde geschied is, en immer zoo zijn zal, gebeurt ook in onze dagen, want de Kerk van Jezus is hier op aarde een lijdende Kerk. Getuigen zoo vele kloosterlingen, die, hier uit hunne woning, daar uit hun land gejaagd, jaren lang hun leven in ballingschap moesten doorbrengen. Het zijn zware beproevingen, het is een bittere kelk, dien Hij zijne vrienden te drinken geeft, het is de ure waarop den duivel en zijnen handlangers do macht verleend is, de dienaren Gods te vervolgen, die daardoor in de deugd gesterkt, en in do gelegenheid gesteld worden om veel voor den hemel te verdienen. Zouden ook wij eenmaal het slachtoffer worden van den haat der goddeloozcn, hetzij door verbannen, hetzij door gekerkerd te worden, laten wij dan het land der ballingschap met vreugde, den kerker met liefde begroeten. Het is de macht der duisternis, het is eene zware beproeving.

-ocr page 161-

149

Maar God, die weleer tot Jozef in den kerker nederdaalde, zal het zijnen dienaren niet aan troost laten ontbreken, of is het niet reeds een zoele troost te denken: het is voor mijn lieven Jezus dat ik lijd, voor Hem die zoo veel voor mij geleden heeft en uitdrukkelijk zegt: (1) «zalig zij, die vervolging lijden om de recht-«vaardigheid, want hunner is het rijk der Hemelen.»

Is het waar dat God dengene tuchtigt, dien hij liefheeft, zooals de H. Geest verklaart, dan moeten wij niet verwonderd zijn de Heiligen nu en dan zwaar beproefd en in de diepste smart gedompeld te zien. God had zijn dienaar Abraham lief, en toch beval hij hem zijn land en 'zijne maagschap te verlaten, en wat zijn vaderhart het meest moest grieven, hij moest Gode een offer brengen, en welk offer? Izaak, zijn eenigen zoon, moest hij met eigen hand Gode als slachtoffer opdragen. Vreeselijk werd zijn vaderhart geschokt, maar het was slechts eene beproeving, liet offer werd niet volbracht; God wilde zulks niet. Hij wilde Abraham beproeven of hij den Heer vreesde. Het kan gebeuren dat de goede God ook van ons een offer vergen zal, wel niet zóó smartvol als dat van Abraham, maar toch een offer, dat wellicht tranen kost. Iemand die ons dierbaar is, wordt dooiden dood aan onze zijde weggerukt; uit gehoorzaamheid-moeten wij onze woning verlaten, misschien wel naar een vreemd land ons begeven, zulke en dergelijke beproevingen vallen niet 'zelden zwaar, doch brengen wij dan dat offer, naar het voorbeeld van Abraham, met een bereidvaardig hart. Tobias, een man, die den Heer vreesde, vele aalmoezen gaf en zijn maal

(i) Matth. 5. 10.

-ocr page 162-

150

onderbrak om een liefdewerk te verrichten, werd zwaar beproefd. Met gevaar van zijn leven begroef iiij 's nachts de dooden. Ter oorzake van dit werk van barmhartigheid werd hij door den koning Sennacherib ter dood veroordeeld, en van al zijne goederen beroofd. Door zich 45 dagen te verbergen redde Tobias zijn leven, want na verloop van dien tijd werd de koning, die de kinderen Israels vervolgde, door zijn eigene zonen gedood. De deugdzame Tobias, wien de ontnomen goederen teruggegeven werden, zette zijn liefdewerk voort. Zijne naastbestaanden berispten hem, zeggende: «om «deze reden heeft men reeds eenmaal bevolen u te «dooden en nauwelijks zijt gij het gevaar des doods ont-«kornen, of gij begraaft weder de dooden.» Maar Tobias, die God meer dan den koning vreesde, nam de lichamen der terechtgestelden weg, verborg ze in zijn huis en begroef zc te middernacht. Opdat hij, evenals Job, voor het nageslacht een voorbeeld zou zijn van geduld, liet God toe dat hij blind werd. In plaats van hem te troosten, dreven bloedverwanten en naastbestaanden den spot met hem, zeggende: «waar is uwe hoop, «die ii aalmoezen geven en dooden begraven deed?» Tobias echter morde niet tegen God, hij bleef onwrikbaar in de vreeze des Heeren, dien Hij al de dagen zijns levens dankte. (1) Die beproeving was vreeselijk, doch evenals die van Job van een voorbij-gaanden aard latei-, werden beiden door God gezegend, en sleten in vreugde hunne overige jaren. De H. Theresia zegt daarom met recht, dat God gewoon is een goed werk met een kruisje te beloonen. Wees dus niet verwonderd, veel minder moedeloos, als gij, na veel voor

(i) Tobias, c. 2. 14.

-ocr page 163-

God en uwen naaste gedaan en geleden te hebben, door ben bespot en door God beproefd wordt; /eg niet, zooals cenigen, als God toelaat dat /.ij ainn, blind, doof, gebrekkig of door eene andere kwaal bezocht worden: «waardoorheb ik toch zoo iets verdiend?» Doe veeleer zooals de godvreezende Tobias; hij morde niet tegen God, wat meer is, hij dankte Hem al de dagen zijns levens. Hond u overtuigd dat God, die toch oneindig goed is, u zulke beproeving overzendt tot uw geestelijk welzijn, want het lijdt geen twijfel of velen, op dergelijke wijze beproefd, leven in staat van genade, die zonder zulke beproeving, wellicht diep in zonden zouden liggen.

Eene smartvolle beproeving, en voor godminnende zielen wel de vreeselijkste van allen, is, wanneer. God om eene ziel meer en meer in den smeltkroes der kwelling en benauwdheid te zuiveren en te volmaken, haar zijn inwendigen troost voor een tijd lang onttrekt. Alsdan gebeurt het, dat die ziel niet alleen kond en gevoelloos blijft zelfs bij de heiligste zaken, zooals Mis hooren en communiceeren, maar zij ontwaart eene onverklaarbare verveling in al hare godsdienstige oefeningen, die vroeger haren troost uitmaakten. Zij is in zulke duisternis gewikkeld, dat zij schier niets weet te onderscheiden, zij zoekt God en vindt Hem niet, en zij weet zelfs niet waar zij Hem zoeken moet. Is zij in Gods vrienschap, of heeft God haar wellicht verlaten Zij durft hieromtrent niets veronderstellen. Zij meent geen geloof, geene hoop, geene liefde meer te bezitten. In haar eigen oog, gaat zij door voor een schijnheilige, die niets meer gelooft en geen enkele deugd bezit. In één woord, zij meent door God verlaten en tot de hel veroordeeld te zijn; in dien staat

-ocr page 164-

152

van verlatenheid wordt zij daarenboven door allerlei bekoringen bestormd. Kon zij maar veronderstellen, dat het een tijd van beproeving was! Dan neen, altijd meenende in de bekoring toe te stemmen, geeft zij zich zelve de schuld van alles, en beschouwt zich als door God verstoeten. Men herinnert haar de woorden van den H. Franciscus van Sales: (1) «als men «besloten heeft, geenc zonde hoe klein dan ook te ple-«gen, heeft men een bewijs van in staat van genade te «zijn,» maar dit kan ze weder op haar zelve niet toepassen; zoo dik is de duisternis, die haar omgeeft, zoo groot de moedeloosheid waarin zij gedompeld is. Zulke toestand, zegt de 11. Alphonsus, (2) is onder alle in- en uitwendige kwellingen, de bitterste smart. Zon deze u treilen, weet ze dan ook . te verdragen, verneder u voor God , en luister naar hen die zijne plaats be-kleeden. Zeggen zij u dat het slechts eene beproeving is geloof hen dan, en wees overtuigd, zoo als nog de II. Alphonsus zegt, dat het een bewijs is dat God u veel bemint, en u eene plaats in den hemel bereid heeft.

Dit hoofdstuk over het verdragen der beproeving door toelating van God of door God ons toegezonden, kan ik niet beter sluiten, dan door de woorden van den H. Paiilus aan te halen: (3) «Mijn zoon I minacht de «tuchtiging des Heeren niet, cn wordt niet moedeloos, «als gij van Hem bestraft wordt, want de Heer tuch-«tigt, dien Hij lief heeft, en Hij kastijdt iederen zoon, «dien liij aanneemt. Volhard onder de tuchtiging! God «behandelt u als zonen, want welke zoon is er, dien

(i) Geest van den H. Franc, van Sales p. 5.ch 4. — (2) T. III. p. 493. — (3) Hebr. 12. s —12.

-ocr page 165-

153

«de Vader niet tuchtigt? maar indien gij zonder tnch-«tiging zijt, die aan allen ten deel is gevallen, dan «zijt gij bastaarden, en niet zonen. Voorts, hebben wij «de Vaders onzes vleesches tot tuchtmeesters gehad, «en hadden wij ontzag voor hen; zullen wij ons dan «niet veel meer onderwerpen aan den Vader des gees-«ten, en leven? Genen tuchtigden ons voor een tijd «van weinige dagen, naar hun goeddunken, maar Ilij «tot ons nut, opdat wij zijne heiligheid verkrijgen. Allo «tuchtiging nu schijnt wel voor het tegenwoordige geene «zaak van vreugde te zijn, maar van droefheid, doch «daarna zal zij hun, die dooi' haar geoefend zijn, een «vredevolle vrucht van gerechtigheid geven.»

GEBED.

O God! Gij wilt dat wij U Vader noemen, en hoe zoet is dit woord Vader! Geen vader zoo goed als Gij, en helaas! geen kind zoo snood als ik. Gij hebt mij gekastijd, omdat ik het verdiende. Gij hebt mij getuchtigd, omdat Gij een Vader zijt die mij lief hebt. In plaats van U dankbaar te zijn, heb ik mij over mve liefdevolle handelwijze beklaagd. Als een onverbeterlijk kind, voor hetwelk eene kastijding voortaan nutteloos is, verdiende ik geene kastijding meer, maar aan mijn eigeu lot te worden overgelaten. Maar, o mijn God!, mijn goede Vader! straf mij toch niet op die wijze, want door U niet meer getuchtigd te worden, zon voor mij onder alle straffen, de grootste zijn. Wil mij dat klagen, dat morren waaraan ik mij zoo dikwijls schuldig heb gemaakt vergeven door de verdiensten van onzen Heer Jezus Christus. Het is mij bitter leed U hierdoor zoo vaak te hebben beleedigd. Behandel mij dan weer als uw kind, spaar de roede niet. Geef mij

-ocr page 166-

154

do kracht om alle beproevingen met geduld te verdragen, om na beproefd te zijn geworden, de kroon des levens te ontvangen, die Gij belooft hebt aan hen die IJ liefhebben. O Maria! die mijne moeder zijt, verkrijg mij die genade van God mijn Vader.

HOOFDSTUK XV.

Tune discipuli omncs , relicto eo, fugerunt. Matth. XXVI, 5«.

Alsdan namen al de leerlingen , Hem verlatende, de vlucht.

Na met zijne leerlingen het paaschlam gegeten, hen met zijn vleesch en bloed gesterkt, en den lofzang gezegd te hebben, ging Jezus met de zijnen naar den Olijfberg. Onder weg zeide Jezus tot hen (1): «Allen « zult gij in dezen nacht aan mij geërgerd worden ; want «er staat geschreven: ik zal den herder slaan en de «schapen der kudde zullen verstrooid worden.» Deze voorzegging van den Profeet Zacharias zou na eenige uren in vervulling treden. De herder, Christus zou geslagen, gestooten en geboeid, de schapen, de leerlingen zouden verstrooid worden, niet omdat dat alles voorspeld was, maar het was voorspeld omdat het gebeuren zou. Die voorzegging viel den Apostelen zwaar, die op dat oogenblik met de vurigste en beste bedoelingen bezield waren, en daarom juist niet konden ge-looven, dat die voorspelling hen betrof. Wat er ook moge gebeuren, zij zouden zich aan hun Meester niet ergeren, maar Hem tot den dood getrouw blijven.

(i) Matth. 26. 31

-ocr page 167-

155

Petrus vooral, zegt de H. Hilarius, (I) werd zoozeer door zijne genegenheid en liefde tot Christus vervoerd, dat hij geen aciit sloeg op de zwakheid des vleesches, noch op de woorden des Heeren; vandaar dat hij uuriep: «al werden ook allen aan u geërgerd, ik, ik zal nim-«mer geërgerd worden.» «Wat zegt gij, o Petrus,» roept hier de II. Joannes Chrysostomus uit (2). De Profeet zegt: «de schapnn zullen verstrooid worden, en Christus «heeft zulks bevestigd, en gij zegt: geenszins. Toon hij «zeide; een van u zcd mij overleveren, vreesdet gij, de «verrader te zullen zijn, ofschoon gij van zoo iets niet «bewust waart, en nu hij duidelijk verklaart dat gij «allen geërgerd zult worden, spreekt gij liet tegen. Doch «omdat hij nu bevrijd was van do onrust, die hem be-«zielde aangaande het verraad, meende hij veilig te «zijn voor het vervolg en zeide: ik zal nimmer geërgerd «worden.» Wat meer is. Petrus betuigde dat hij bereid was met zijn meester te sterven. Dit voorbeeld werd door al de andere Apostelen gevolgd; ook zij verklaarden bereid te zijn hun Meester tot in den ilood te volgen. Doch evenals Petrus verloren zij hunne zwakheid uit hot oog, zij stolden te veel vertrouwen op den goeden wil, die hen op dat oogen-blik bezielde. Hadden zij, overtuigd van hunne zwakheid, zich aan de voeten van hun goddelijken Meester geworpen. Hem ootmoedig om bijstand gebeden. Hij, die gezegd heeft: «vraagt en gij zult verkrijgen,» zou lien met zijne genade geholpen, en voor de schandelijke vlucht behoed hebben. Dan neen, vertrouwende op bun eigen kracht, begrepen zij te laat hunne vermetelheid. Want, ziende dat Christus zich vrijwillig in de handen

(i) Can. 30. in Matth. (2) Hom. S3, vrg. Cat. aurea. c. 26. in Matth.

-ocr page 168-

156

zijner vijanden overgaf, werden zij met zulke vrees, van ook met Hem tc worden gebonden, bevangen, dat zij, hun Meester verlatende, de vlucht namen. De moed ontzonk hun zoodanig, dat zij het vertrouwen op den bijstand huns goddelijken Meesters verloren, die toch den vijanden bevolen had hunne handen nief. te slaan aan zijne leerlingen. Immers Hij had hun gezegd: «In-culieii gij dan mij zoekt laat dezen, ()lt;! leerlingen, gaan.» Waren zij nu eenvoudig heengegaan, dan kon men denken: zij deden vvat hun Meester gezegd had. Doch de H. Evangelist zegt: «Zij namen de vlucht,» en uit die woorden kan men afleiden, dat zij in het uur des gevaars op het woord van Christus niet meer vertrouwden. Zelfs ingeval hun Meester die woorden niet luidde gesproken, moesten zij Hem nog niet den rug koeren, maar zooals zij vroeger verklaard hadden, bereid zijn met Hem te lijden en te sterven. Die schandelijke vlucht griefde liet Hart van Jezus uitermate. Immers het waren zijne leerlingen, ouder duizenden uitverkoren, die Hij met onnoemelijke weldaden had overladen. Beleedigd te worden door iemand, die ons onder menig opzicht vreemd is, valt altijd zwaar, maar bitter is de smart als de belecdiging ons door hen wordt aangedaan, die wij met gunsten en weldaden verrijkt hebben. Toen de leerlingen hun Meester verzekerden. Hem getrouw te zullen blijven, meenden zij het oprecht, doch uit hun voorbeeld, zegt de H. Joannes Chrysostomus (1), loeren wij eene' groote waarheid: 's menschen verlangen is niet voldoende, tenzij Gods hulp hem verleend worde. Ook wij willen den liefderijken Verlosser steeds getrouw blijven; deze wil

(i) Cat. aurea in Matth. 26

-ocr page 169-

-157

is goed, maai- om dien le verwezenlijken, moeten wij noodzakelijk ons zeiven mistrouwen.

Sioli ze Ivo ti niistroiiweiu

Iemand neemt plaats in een Ijioos vaartuig. Onbekend met de richting die liij nemen moet en onbekwaam liet roer te sturen, waant bij zich ondanks dat alles, in staat, den onstuimigen golven der zee weerstand te bieden en aan gene zijde van den oceaan eene veilige haven binnen te loopen. Zou eenieder dien vermetele geen gewissen dood voorspellen? /ou bij men-schelijkerwijze aan schipbreuk kunnen ontkomen? Niemand zal het durven beweren. Welnu, die vermetele persoon zijt gij, indien gij op u zeiven vertrouwt. Hoe zal uwe ziel de haven van het hemelscb Jeruzalem binnen zeilen, daar zij zich bevindt in een vaartuig broos als uw lichaam? Uw verstand moet u de richting aanwijzen maar het is met blindheid geslagen: uw wil moet het besturen, doch hij is voor dat werk te zwak, en dan, het hart is zoo veranderlijk; nu eens is het kalm, dan weder onstuimig als de baren der zee. Zou het dan geen wonder zijn, indien gij alléén vertrouwende op uw lichaam, dat zoo broos, op uw verstand dat zoo blind, op uw wil, die zoo zwak, op uw hart, dat zoo veranderlijk is, geen schipbreuk leedt? Met recht zegt dan ook de woestijubewonc-r Xan-tbias: (1) «Wee hen, die op hunne eigene gerech-i'tigiieid vertrouwen want wij zien, dat al degenen, «die vertrouwen stelden op zich zeiven, diep gevallen «zijn.» De II. Dorotheus zeide (2); «ik voor mij ken geen

(i) Veuillot. Vie des pères. T. II. p. 332. — (2) Vie desP, i'. du desert. 1. VI. eh. 29.

-ocr page 170-

158

«andere oorzaak van den val van velen, dan hot ver-«trouwen, dat zij hadden in hun verstand, en zoo gij «hoort, dat iemand van den waren weg is afgeweken, «weet dan dat hot zelfvertrouwen er de oorzaak van is.» De H. Geest waarschuwt ons dan ook togen dat zelfvertrouwen, het gevolg van een hoovaardigen geest, wanneer Hij zegt, (1) «vervloekt zij de mensch, die op «den mensch zijn vertrouwen stelt, en steunt op zijn «vleesch als op zijn arm.» Hij, die zulks doet, is gelijk aan iemand, die steunt op het zwakke riet, dat hem dc hand zal doorboren, als hij er op leunt. Zoudt gij hem niet als een dwaze beschouwen, die op het zwakke riet dat hem ondersteunen moet, vertrouwt. Welnu, even dwaas handelt gij, indien gij op u zeiven vertrouwt. Het getal van zulke roekeloozen is helaas! maar al te groot, maar ook groot het getal der wonden, die zij hunne ziel toebrengen, en vaak zijn ze doodelijk. Wat is het gevolg van zulk vermetel zelfvertrouwen, waartegen zij soms te kampen hebben, die rijk in deugden zijn? «Dikwijls,» zegt de H. Gregorius, (2) «is « verheven deugd voor sommigen oorzaak van val, daar «zij, te veel vertrouwende op hunne eigene krachten, «tengevolge van hunne zorgeloosheid, onverhoeds in « zware zonde vallen.» En de H. Joannes Chrysostomus zegt: (3) «Eenieder, die op zijne eigene werken «vertrouwt en roomt, waant zich veilig; die veilig «is vreest niet; die niet vreest, neemt zich niet in «acht; die zich niet in acht neemt, wordt, zonder er «aan te denken, door den duivel overvallen en over-«wonnen.» Die op zich zeiven vertrouwt is gelijk aan

(i) Jerem. iquot;. 5. — (2) Tast. p. 4. c. 1. — (3) Hom. 5. oper. i.nperf. super Matth.

-ocr page 171-

i59

oen kind, dat de hand zijner moeder weigert, om te toonen dat het alleen kan loopen, doch nauwelijks heeft liet een paar schreden gezet ot' het valt. Evenals een steen, dien men in de hand heeft, ter aarde valt, als men hem loslaat, zoo vallen wij in een afgrond van zonden, als de goede God zijne hand van ons aftrekt. «Zonder mij,«zegt Christus, « kunt gij niets «doen.» (1) «Gelijk de rank geen vrucht kan dragen «uit zich zelf, indien zij niet aan den wijnstok blijft, «zoo ook gij niet, indien gij niet blijft in mij.» De zegepraal over eene lievige bekoring is een heerlijke vrucht voor het eeuwig leven, maar buiten Christus, zonder den invloed zijner genade, kunnen wij zulke vrucht niet voortbrengen, en brengen wij die vrucht niet voort, dan treedt de zonde in de plaats. Derhalve kunnen wij uit ons zeiven niets doen dan vallen en zondigen. Hoe zouden wij dan toch op ons zei ven kunnen vertrouwen ? te meer daar ons lichaam die huiselijke vijand, een vijand is, met wien wij nimmer een waren vrede sluiten kunnen; bij de eerste gelegenheid de beste valt hij ons aan, en dat op de verraderüjkste wijze. Meent men dat deze vijand machteloos, en dat er bijgevolg geen gevaar meer is, dan juist loopt men dikwijls het grootste gevaar. Een tijger, door een schot getroffen, valt soms machteloos ter aarde, doch wee den poekelooze die hem durft naderen! stuiptrekkend slaat het dier zijne klauwen in het rond. en de vermetele is oen man dos doods. Zoo gebeurt het ook meer dan eens, dat men zijn huiselijken vijand machteloos waant, hetzij ter oorzake van de slagen, door de versterving hem toegebracht, hetzij ton gevolge der

(l) Joan. 15. 5.

-ocr page 172-

■I GO

jaren, die hem zijne kracht ontnamen. Elk gevaar schijnt geweken, en de vermetele tlie zich laat voorstaan zijn vijand ten onder gebracht te hebben en hierop wellicht roem draagt, wordt door dien machteloos gewaanden vijand aangegrepen en met den dood der ziel boet liij zijne roekeloosheid. Met recht zegt dan ook de H. Paulus: «wie meent te staan, zie toe «dat hij niet vallc.» Deze woorden indachtig, hebben de Heiligen, in het oog van velen het moest beveiligd, zich zeiven toch meer dan anderen mistrouwd. De H. Petrus van Alcantara, mistrouwde steeds zich zeiven, hij, een voorbeeld van versterving, vertrouwde zijn, door de boete uitgemergeld lichaam niet; zelfs in zijne laatste ziekte vreesde hij telkenmale, als de broeder, die met zijne verpleging belast was, hem verzorgen moest. Als een lioilig priester, met name Ursisinus, reeds stervende was, naderde eene ziekenverpleegster, om te hooien of hij nog adem haalde, maar hij, die zich zeiven steeds mistrouwd had in zijn leven, vertrouwde dien Imiselijken vijand nog niet toen hij stervende was, want liij riep uit met eene reeds gebroken stem: «verwijder het stroo, het vuur is nog niet ten «eenenmale gebluscht.» Mistrouwden de Heiligen zich in dier mate, wie onzer zou dan in zulk broos vaartuig, als ons lichaam is, zich veilig wanen op deze wereldzee, te meer daar wij vaak niet weten welke richting wij moeten inslaan.

Het verstand, onze gids, is met blindheid geslagen. Zouden wij ons zeiven willen besturen, dan leidt de eene blinde den anderen, en beiden vallen in de gracht. Be H. Geest waarschuwt ons tegen zulk vermetel ver-

(i) I Corinth. 10. 12.

-ocr page 173-

161

trouwen in eigen wijsheid «wil niet wijs zijn bij u «zeiven» (1). Wij zouden tot liet getal dergenen beboeren, van wie staat gescbreven, «voor wijzen zicb «uitgevende, zijn zij dwazen geworden.» (2) Al zouden de heiligste bedoelingen ons ook bezielen, ze mogen niet de eenigste drijfveer onzer handelingen zijn, immers de bedoeling kan zuiver en bet werk onvoorzichtig en laakbaar zijn. Zoudt gij het beleid van een Mozes, bet doorzicht van een Petrus bezitten, dan nog kan men onvoorzichtig te werk gaan, en daarom mag men goede wenken niet versmaden; zij werden Mozes door zijn schoonvader Jethro, Petrus door Paulus gegeven, en beiden namen ze aan met een ootmoedig en dankbaar hart. God alléén heeft geen raad noodilt;r

ïquot;5

«Wie,» roept de Profeet Isaias uit, «beeft 's Heeren «geest geholpen, of wie is zijn raadgever geweest, en «heeft Hem getoond wat Hij doen moest.» (3) Zoudt gij ook eene buitengewone wijsheid bezitten, en een wonder van geleerdheid zijn, toch zijt en blijft gij steeds een mensch, en zult gij den raad van anderen behoeven. Niets is zoo gevaarvol op den weg der deugd als zich door eigen zienswijze te laten geleiden; al zeer spoedig vertoont zich de duivel onder tie gedaante van een engel des lichts; zijn booze ingevingen, onder den dekmantel van deugd verborgen, worden als inspraken des hemels beschouwd, en Satan thans onze geleider geworden, voert ons van den eenon afgrond naar den anderen. Met recht zegt daarom de H. Dorotheas (4), «de duivel, die niets dan ons ongeluk zoekt, «beschouwt hen als zijne vrienden, die zicb door hun

(3} Isaias 40. 11

(i) Prov. 3. 7. — (2) Ad Rom. I. 22. — 13- — (4) Veuillot. Vie des Pères T. 2 p. 33.

LIJDEN V. CHRISTUS.

-ocr page 174-

162

«eigen verstand laten geleiden, omdat zij hem behnlp-«zaam zijn in zijne plannen, en met hem zich zeiven «strikken spannen.» Het leven van de vaders dei-woestijn levert ons meer dan één verschrikkelijk voorbeeld dier verblindheid des geestes. Een hunner, met name Heron, deed de voornaamste deugd in het vasten bestaan. Halsstarrig aan zijne zienswijze gehecht, oefende hij een streng en overdreven vasten. Weldra werd liij het slachtofler van zijne eigenzinnigheid, want de duivel deed hem gelooven, dat hij tot zulke verhevene volmaaktheid was gekomen, dat hij geene raadgeving van wien dan ook meer noodig had, en niet meer verplicht was te gehoorzamen. God alléén zou zijn gids wezen. Maar het was ook aan God dat hij rekenschap moest geven van zijne dwaze hoovaardige handelwijze, want tot aan zijn dood bleef' hij in zijne dwaling volharden. Evenzeer als de woorden van den H. Geest hierboven aangehaald, moet zulk voorbeeld onder duizenden voldoende zijn om ons verstand, onze eigene zienswijze steeds te wantrouwen. Waarlijk, die zul-ken gids kiest, kan zich op een wissen dood verwachten.

Niet minder loopt hij gevaar, die op de onstuimige baren der zee eenen zwakke het roer van het schip in handen geeft. Welnu dit zoudt gij doen , als gij aan uwen zwakken wil uw lichaam, dat broos vaaituig, toevertrouwt. Dat nu onze wil uiterst zwak is, zien wij in het voorbeeld der Apostelen. Petrus en de overige Apostelen met hem warou van goeden wil; vast hadden zij besloten zich aan hun goddelijken Meester niet tc ergeren, tot aan den dood zouden zij Hem getrouw blijven, en kort daarna lieten zij Hem alleen in de handen zijner vijanden en namen schandelijk de vlucht.

-ocr page 175-

-103

Hoeft ons de droevige ondervinding niet geleerd, dat wij op onzen wil, hoe sterk overigens ook, niet kunnen vertrouwen? Hebben wij niet herhaalde malen beloofd, deze of gene fout te vermijden? Was ook het voornemen niet oprecht gemeend, toen wij aan de voeten des biechtvaders beterschap beloofden ? Eu wat is er gebeurd ? O, de mensch is zwak, zegt gij; ik geef u volkomen gelijk, de mensch is de zwakheid zelve, maar daarom ook kunt gij op dien zwakken wil niet steunen. Is dit juist niet do reden geweest van uw gedurig hervallen in dezelfde fouten, dat gij vertrouwende op uw gemaakt voornemen, niet vurig gebeden hebt, opdat God door zijne genade dien zwakken wil versterken zou? De H. Philippus Nerius, innig overtuigd dat het krachtigste voornemen zonder de hulp Gods niet voldoende ; is om staande te blijven in de bekoring, bad eiken morgen: «O God! sta mij helen bij, anders val ik in | «doodzonde.» Sprak een Heilige zoo, die toch liever duizendmaal wilde sterven, dan zelfs eene vrijwillige dagelijksche zonde te plegen; dan wordt het ons duidelijk, dat wij niet in staat zijn het roei- van dat brooze vaartuig des lichaams te sturen, indien de stevige hand ■ eens Heilige zich hiertoe machteloos gevoelde. Wee den vermetele, die steunende op zijne krachten, den golven weerstand durft bieden.

Dat het in 's menschen hart soms onstuimig toegaat, weet en voelt eenieder. Wie is er die niet somwijlen heen en weer geslingerd wordt door de woedende hartstochten? Wie ziet zich niet vaak een vingerbreed verwijderd van een gapenden afgrond? Wie gevoelt zich niet dikwijls getrokken naar de diepte, evenals een i schip iu een draaikolk? Spoorloos verdwijnen wij inde diepte, indien de hand des Ileeren ons niet tegenhoudt.

-ocr page 176-

164

Op dien bijstand des hemels mogen en moeten wij vertrouwen; maar God wil, dat wij ons zelvon mistrouwen, en wat is er redelijker dan ons lichaam een zoo broos vaartuig, ons verstand een zoo blinden gids, onzen wil een zoo zwakken stuurman, ons hart, dikwerf eene onstuimige zee, te wantrouwen. Wee den vermetele, die oj) zulke ellendige uitrusting alléén vertrouwende , den oceaan dezer wereld wil oversteken ! Doch gelukkig hij, die met Petrus gestadig uitroept; «Heer! «behoed ons, wij vergaan.» (1) Dit gestadig roepenis, èn voor de menschen in dc wereld, èn voor de kloosterlingen het eenige middel om de haven van het he-melsch Jeruzalem behouden binnen te zeilen. Een zorgeloos kloosterling, die dat roepen nalaat, zal, ofschoon hij op stille wateren vaart, vergaan en de wereldling den woesten golven ten prooi, blijft door dat gestadig roepen behouden. Ue H. Syncletica wees hare zusters op dat gevaar, wanneer zij zeide: «Zus-«ters, wij varen in het onzekere, want ons leven is «aan eene zee gelijk. Eenige plaatsen op zee zijn vol «gevaren , anderen zijn kalm. Wij religieuzen varen in «die stille wateren, de wereldlingen dobberen op on-«stuimige golven. Wij varen bij dag, terwijl dc zon «der gerechtigheid ons den weg aanwijst, de anderen in «den nacht der onwetendheid. Maar het gebeurt soms, «dat de wereldlingen, die bij nacht, den woedenden «baren prijsgegeven, vol vrees tot God roepen en waken, «behouden blijven, terwijl wij in de stille wateren «schipbreuk lijden, ter oorzake van onze zorgeloosheid.» Derhalve zalig de mensch die gedurig vreest (2), want tie vrees doet hem bidden, en het gebed zul hem redden.

(i) Malth. 8. 25. — (2) Prov. 28. 14.

-ocr page 177-

4(55 GEBED.

Heero Jezus! de Apostelen hebben U eens verlaten, omdat zij vertrouwden op hunne eigene krachten, en ik, ik heb U herhaalde malen den rug gekeerd! Een vermetel zelfvertrouwen was er de oorzaak van. Onwrikbaar was mijn besluit U nimmermeer te beleedi-gen; doch ik verloor mijne zwakheid uit het oog; steunende op zulk voornemen, meende ik onwankelbaar te blijven iu den strijd, maar eene droevige ondervinding-heeft mij het tegendeel geloerd. Moge de innige overtuiging van mijne zwakheid mij dan immer bijblijven, opdat ik op de zee dezer wereld steeds mijne oogen ten hemel sla, vanwaar mij alle hulp moet geworden. Hadde ik het altijd gedaan, dan zou ik zoo diep niet gevallen zijn. Maar nu roep ik uit de diepte tot U, lleere, Heere! verhoor mijne stem. Vermetel ben ik geweest, dwaas heb ik gehandeld, zwaar heb ik U be-leedigd, dit grieft mij bitter; wil toch een vermorseld en vernederd hart niet verstoeten. Than.quot; is mijn besluit gemaakt U immer getrouw te blijven, en in de gevaren vooral tot U te roepen: «Heer! behoed ons, «wij vergaan.» Gelief, Hoor Jezus! dit voornemen, mij zeiven steeds te mistrouwen, en tot U mijne toevlucht te nemen door een aanhoudend gebed, Ie zegenen. Lieve Moeder Maria verkrijg mij deze genade.

-ocr page 178-

166

HOOFDSTUK XVI.

Cohors ergo, et tribunus, et ministri judjcorum compre-henderunt Jesum, et ligaverunt eum. .loan. XVlll. 12.

De bende dan, en de hoofdman, en de dienaren der Jodeu namen Jezus gevangen, en bonden Hein.

De Profeet David, die 's Heeren bitter lijden en wreeden dood, met zoovele, hiermede vergezeld gaande omstandigheden heeft voorspeld, zag in de verte zijn Verlosser op het oogenblik d;it Ilij door zijne vijanden werd omsingeld. Ilij vergelijkt dezen met stieren om hunne verwoedheid, met leeuwen om hun bloeddorst. In zijn 21stcn Psalm legt hij Christus de volgende woorden in den mond: «Menigte van ossen hebben mij om-«ringd, vette stieren mij omsingeld. Zij sperren den crmiiil op tegen mij, als een verscheurende en brullende «leeuw.» Deze voorzegging zien wij vervuld bij de gevangenneming van Christus in den hof van Olijven. «Zie, « o mensch, » roept hier de H. Bonaventura uit: (I) « met «welke woede, die bloedhonden zich werpen op het «schuldeloos lam, en het tor slachtbank sleuren, de «een grijpt het aan, een tweede bindt, een derde «stoot, een vierde slaat het.» En, zegt de H. Alphon-sus, (2) «het goddelijk Lam tracht niet te vluchten, «roept geen hulp in, beklaagt zich niet, en vraagt niet «waarom het zoo deerlijk mishandeld wordt. Het opent «den mond niet, geen enkele klacht vloeit van zijne lip-«pen. Het laat zich binden, en ter slachtbank voeren; «als een slachtofler wil het aan de goddelijke rechtvaar-« digheid voldoen.» « Hemelen! » zoo gaat de H. Kerkleer-raar voort, «wat zie ik? een God gebonden! door wie?

(i) Med. vit. Chr. c. 75. — (2) T. 5. p. 174.

-ocr page 179-

1(37

« Door mensclien, door aarthvomieii, die Hij zelf gosclia-«pcn lieeft! Engelen des hemels! wat zegt gij er van? «En Gij, mijn Jezus! waarom laat (jij U binden?)) Wat hebben, vraagt de II. Bernardus, de ketenen der slaven en booswichten gemeen met U, die de Heilige der heiligen, de Koning der koningen, de Heer der heeren zijt? Indien de mensclien U in boeien slaan, waarom verbreekt Gij deze niet? Waarom verlost Gij U niet van die folteringen, en den dood waartoe zij U bestemmenDe 11. Marcus (1) zegt, dat de verrader Judas den vijanden van Jezus een teeken gegeven had, zeggende: Wien ik kussen zal, die is het; grijpt hein en leidt hem behoedzaam weg. De vrees alzoo diit Jezus weder uit hunne handen ontsnappen zon, verklaart waarom zij Hem zoo sterk en wreedaardig geketend hebben. Maar zou een God zich van die banden, die ketenen, hoe vast, hoe sterk dan ook, niet kunnen ontdoen? Was Hij het niet die aan Samson de kracht gaf, nu eens twee nieuwe touwen, dan weder zeven natte pezen, als een stroohalm te verbreken ? Was God het niet door wiens kracht hij de poorten der stad Gaza op zijne schouderen droeg en ze plaatste op den top eens bergs? O! het waren die stoffelijke banden niet, die Christus boeiden en machteloos maakten. Er was een andere, een sterke, een onzichtbare band, een band sterk genoeg om quot; een God, de almacht zelve, te binden. De liefde bindt de liefde. De liefde tot de mensclien, is de band waarmede God, de liefde zelve, gebonden was. Hij laat zich in boeien slaan, om ons te ontbinden van de zware ketenen der zonden. Als een zondig slaaf, laat Hij zich ketenen, om ons, slaven der zonden, slaven van Satan, de

(i Mare. 14. 44.

-ocr page 180-

168

vrijheid te schenken. Hij, die alleen een vrije is onder de dooden, laat zich binden, om ons dooden liet leven te schenken, en met het leven de vrijheid, den kinderen Gods eigen; deze vrijheid ondervonden misschien eenigen onder hen, zegt de H. Augustinus, (1) die nu den Zaligmaker boeiden, en later zelf' door Hem van de ketenen der zonden ontdaan, uitriepen: Gij hebt mijne banden verbroken, U wil ik een offer van lof opdragen. (2) Het was den goddelijker! Verlosser niet voldoende, ons eenvoudig van de ketenen der zonde te ontbinden, Hij wilde ons binden tevens, maar op eene zachte wijze, te weten door den zoeten band der liefde. Met zulken band was zeker de Apostel Paulus gebonden, die uitriep: «de liefde van Christus «dringt ons,» (3) en zich zeiven noemt: «de gevan-«gene van Christus Jezus.» (4) Moge de Zaligmaker, die gezegd heeft: «wanneer Ik van de aarde zal opge-«heven zijn, zal Ik alles tot mij trekken,» (5) ooi; ons van de aarde tot zich trekken door den zoeten band zijner liefde! Christus verlangt niets vuriger. Maar dan moeten wij ons beijveren, ons van alles te onthechten, wat Goil niet is, immers deze onthechting is noodig om in werkelijkheid van de aarde tot den hemel te worden getrokken.

God, wiens natuur goedheid is, heeft ons, zooals Hij door den mond van den Profeet Jeremias (6) verklaart, met eene altijddurende liefde bemind. Hij wil het ook toonen in den tijd. II; wil de menschen

(;) Tract. 112. — (2) Psal. 115. 16. 17. — (3)11 Corinth. 5. 14.— (4) Ephes. 3. 1. —(5) Joan. 12. 32. —(6) Jerem. 31. 3.

-ocr page 181-

10!)

zegt Hij bij den Profeet Osée, (1) tot mijne liefde trekken dooi' die banden , waarmede de menschen zich laten boeien, te weten door dc banden dei-liefde; daar Hij wist dat de menschen zich door weldaden laten boeien, heeft Hij dit middel gebruikt om onze liefde te winnen. ('2) Onnoemelijk zijn de weldaden, talloos de gunsten, waarmede Hij ons heeft overladen. Doch God, een oneindig Wezen, wiens liefde oneindig is, geeft ons ook een eindeloozen sJuit, en die schat is zijn eenige Zoon, «want,» zegt de H. Joannes, (3) «zóó lief heeft God de wereld gehad, dat Hij «zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft.» Deze, rnensch geworden, laat zich binden, om ons te ontbinden. Want zoolang wij geketend waren door de boeien der zonde, kon er geen sprake zijn van wederliefde. Eenmaal ontdaan van de ketenen der zonde, worden wij door Hem opnieuw gebonden, doch mot den zoeten hand dei-liefde. Met dezen sterken en tevens zachten band houdt Hij niet op ons tot zich te trekken, opdat wij zoo innig mogelijk met Hem vereenigd mogen worden. En zeg niet: ik voel geen band, ik gevoel mij niet getrokken; want dan hebt gij het aan u zeiven te wijten; wordt gij niet getrokken, zegt de H. Augusti-nus, (4) bid dan, opdat gij getrokken wordt, en Hij, die gezegd heeft: vraagt en gij zult verkrijgen, zal u trekken. Nochtans zijn er eenigen , die bidden en veel bidden, en ondanks hun veelvoudig gebed, worden zij niet getrokken, althans niet zóó, dat zij dichter tot God naderen, en inniger door den band van liefde met Hem vereenigd worden. Wat mag hiervan wel

(i) Os. ii. 4.—(2) H. Alphons. T. 6. p. 282. — (3) Joan. 3- 16. - - (4) Tract. 26.

-ocr page 182-

170

de oorzaak zijn? Do gelieclithcid aan het aardsche. Willen wij werkelijk door God getrokken en inniger met Hem vereenigd worden, dan moeten wij ons door zijne genade losmaken van alles wat God niet is. Het baat een vogel niet vleugelen te hebben, en ze te gebruiken om zich van de aarde te verheffen, zoolang hij met een koordje gebonden is, kan hij niet hemelwaarts vliegen. Zoo ook zijn al onze gebeden, onze verstervingen, de schoonste en verhevenste liefdewerken niet voldoende, om ons van de aarde op te tillen en God meer nabij te komen, zoolang ons hart aan een schepsel gebonden is. Een hart, dat eene aardsche genegenheid bewaart, kan nimmer, zegt de H. Alphonsus (1) geheel en al aan God zijn. Eenige zielen, zoo voegt de Heilige er bij, klagen God niet te vinden, daar zij Hem toch zoeken. De H. Theresia (2) antwoordt haar: «ont-«hecht uw hart van alle zaken, en zoekt dan God, gij «zult Hem vinden.» Doch wat verstaat men door die gehechtheid aan het geschapene; men kan toch niet beletten eenige genegenheid voor eene persoon, plaats, of' bediening te gevoelen? De gewaarwording dier genegenheid is op zich zelve nog geenc gehechtheid: zij wordt het echter als men, ondanks den wil des Heeren, door de omstandigheden, door den mond der oversten o(' des biechtvaders ons aangeduid, hiervan het offer niet zou willen brengen: en hoe dikwijls helaas! is zulks het geval niet. Dooi- onvoorziene omstandigheden is men genoodzaakt eene plaats te verlaten, eene woning te ontruimen, eene bediening te laten varen, den omgang met dezen of genen te staken; in plaats nu van zijn geestelijk voordeel

(l) Tem 6. p 395. — (2) Avis 36.

-ocr page 183-

171

hieruit te trekken, en deze nooclzakelijkheid als eene deugd te benutten, is men ontevreden, men klaagt, men mort, en doet vaak liefdelooze verwijtingen. Een teeken dat hier wel degelijk spraak is van gehechtheid. Dooi' onze oversten wordt ons eene bediening ontnomen, een vriend of eene vriendin verplaatst, een plaatselijke overste verwijderd? Zulke verordening gevoelen, hierover zelfs zóó aangedaan zijn, dat men zijne tranen niet kan weerhouden, is op zich zelve nog geen teeken van geheelitlieid, immers, men is niet bij machte het gevoel der natuur te onderdrukken, maar geeft men zich dientengevolge aan mismoedigheid over, of gispt men de handelwijze der oversten, of laat men dagen voorbijgaan, zonder bijna een enkel woord te spreken, dan mag men zijn geweten wel eens onderzoeken en zien of dit alles niet voortspruit uit gehechtheid aan zulke bediening of aan zulke personen. Verbiedt uw biechtvader u, om hem bekende redenen, den omgang met zekere persoon, het bezoeken van eene plaats, het lezen van een boek, hot spelen van dit of dat spel, en zijt gij hiertoe niet te bewegen, dan kunt gij u overtuigd houden, dat zulke weigering uit zekere gehechtheid voortspruit. In één woord: eene gehechtheid is: een persoon, eene plaats of eene zaak zoodanig aankleven , dat men zich veeleer aan eene zonde zou schuldig maken dan er het offer van brengen. Eene genegenheid kan plaats hebben zonder zonde, niet zoo eene gehechtheid. En, in weerwil van zulke beleediging Gode aangedaan, treft men eene menigte personen aan, én in de wereld én in de stille eenzaamheid, die niet kunnen besluiten hun hart van dit alles te onthechten. Deze gehechtheid aan het vergankelijke is voor velen in do wereld de bron van vele zonden, en de oorzaak

-ocr page 184-

172

van huil eeuwig ongeluk , terwijl zij voor overigens godminnende zielen een beletsel is om vorderingen te maken in de deugd, en zich inniger met God te vereenigen. Hoevelen vindt men er niet in de wereld, zoodanig gehecht aan hun geld, dat zij, ondanks het uitdrukkelijk gebod des Heeren, den armen weigeren van hunnen overvloed mede te deelen. Eén voorbeeld onder duizenden. Een welhebbende, om niet te zeggen rijke weduwe, was in geweten verplicht eene teruggave te doen van honderd gulden. Tijdens eene missie en de hernieuwing hiervan, die liet volgend jaar plaats had, bleet' zij aan die buitengewone genade weerstand bieden. Thans was de maat van hare zondige gehechtheid vol; veertien dagen na de Ileruieuwine: vond men haar 's

O O

morgens dood. De H. Geest waarschuwt ons dan ook tegen die gehechtheid aan aardsche goederen door deze zoo duidelijke woorden; «vloeit u rijkdom toe, hecht uw «hart er niet aan.» (1) Eu de Apostel Paulus(2) van de noodzakelijkheid dier onthechting sprekende, drukt zich volgenderwijze uit: adat zij die koopen zijn als bezaten «zij niets, en die deze wereld gebruiken, als gebruikten «zij haar niet; want de gedaante dezer wereld vergaat.» Hiermede, zegt de geleerde Beeleu, waarschuwt de Apostel tegen eene te groote gehechtheid aan het tijdelijke: voorspoed noch aardsch geluk mag den Christen verhinderen, zijne hemelsche bestemming gedurig voor oogen te houden. Met de genegenheid zijns harten mag hij niet als verkleefd zijn aan zijne bezittingen ; zijne goederen mogen voor hem niet als zoovele ketenen worden, die hij niet zonder geweld zou kunnen verbreken. En nochtans worden er onder de

(i) Ps. 6i. ii. — (2) Corinth. 7. 30. 31.

-ocr page 185-

173

Christenen gevonden, die zoozeer aan eene winstgevende betrekking gehecht zijn, dat zij ondanks de stem van hun geweten, in weerwil van de gevaren, die hunne zielen bedreigen, hetzij ter oorzake van de betrekking-zelve, hetzij om hunne omgeving, maar niet kunnen besluiten, er vaarwel aan te zeggen. En zoo gebeurt het dat de gehechtheid aan aardsche goederen, voor velen do bron wordt van vele zonden, en de deur des hemels sluit.

Maar het getal van overigens godvreezende zielen ^ die aan kleine en nietige zaken gehecht, weinig of' geene vorderingen maken op den weg der volmaaktheid, en nimmer tot die innige vereeniging met God zullen geraken , is ook ontzaglijk groot. Eenigen zijn zoodanig gehecht aan een boek, aan een geschenk, aan een voorwerp van godsvrucht, dat zij buitengewone voorzorgen nemen om het niet te verliezen, en treft hun dit ongeluk, dan maken zij eene vreeselijke beweging tot ontstichting van velen. Zij doen niet als zeker woestijnbewoner, die niets dan een evangelieboek bezat. Een arme vroeg hem eene aalmoes. Ziehier zijn antwoord: ik bezit niets dan dit boek, en wat anders zou dit boek mij loeren, dan mij van alles te onthechten? Ziedaar, ik schenk het u, verkoop het, en gij hebt eene aalmoes. Hier valt echter op te merken, dat het bezit alleen van tijdelijke goederen geen beletsel is voor die nauwe vereeniging met God, want koningen en keizers vindt men onder het getal der Heiligen , en lioe dierbaar was .fob, een dier rijke oosterlingen, niet aan God! Was koning David niet een man naar Gods hart! De gehechtheid echter aan tijdelijk goed, hoe luttel ook, aan een eenvoudig en nietswaardig-voorwerp, deze belet ons inniger met God vereenigcl

-ocr page 186-

174

te worden. Zoo kan liet gebeuren, dat hij, die eon groot fortuin bezit, armer van geest en bijgevolg Godc ■welgevalliger is, dan een arm kloosterling en behoeftig kluizenaar. Wij zien zulks in het volgend voorbeeld. Een woestijnbewoner bezat niets dan oen houten bakje om water te scheppen; nu kwam hij hem de gedachte op, zou er wel iemand in de wereld armer zijn dan ik.' Docli God liet hem zien, dat de II. Paus Gregorius, die destijds leefde, veel armer van geest was dan hij; immers deze was meer gehecht aan zijn houten bakje, dan de Paus aan al zijne bezittingen.

Dan niet alleen de gehechtheid aan stofïelijke zaken, is voor eenigen de oorzaak van hun geestelijken dood voor anderen van achteruitgang op den weg der volmaaktheid, maar ook de gehechtheid aan personen is vaak de reden waarom eenigen niet zalig, anderen niet volmaakter worden. Velen in de wereld zijn door de banden eener verderfelijke vriendschap zóó vast geketend, dat zij zich liever het verlies des hemels getroosten, dan het offer te brengen van zulken vertrouwelijken omgang. Anderen, door God tot een verhevener levensstaat geroepen, hebben den moed niet de banden des bloeds te verbreken, en stellen zich liever aan het gevaar bloot hunne zaligheid zelfs te verliezen, volgens de woorden des Zaligmakers: «.Wie vader of moeder «meer bemint dan mij, is mijner niet waardig.» (1) Sommigen hebben door Gods genade, met eene groote edelmoedigheid, die banden reeds verbroken, maar toch is de al te groote gehechtheid aan bloed- of aanverwanten voor hen een hinderpaal dier innige vereeniging en omgang met God. Zeer zeker moeten wij onze ouders.

(ï) Matth. io. 37.

-ocr page 187-

IT.j

broeders, zusters, aan- en bloedverwanten beminnen, om en in God, zooals deugdzame personen in de wereld en ware kloosterlingen doen, maar niet in zoo verre dit een beletsel zon worden om Christus meer van nabij te volgen. Een beilige woestijnbewoner, met name Pemen, meer te bewonderen dan na te volgen, zag op zekeren dag zijne moeder aan de dear zijner cel, die bij gesloten bield. Moeder, zoo sprak bij, wat verlangt gij, mij bier in liet voorbijgaan te zien, of' elkander te ontmoeten in den liemel? Maar ben ik dan zeker u in bet andere leven te zullen zien? was baar antwoord. Ja, moeder, zeide bij, indien gij nu aan God liet offer wilt brengen van dien troost, waarnaar gij zoo vurig verlangt. Tevreden met liet antwoord, ging zij getroost been, en verzekerd baar zoon in den be-niel te zullen zien, bracht zij volgaarne dat oll'er. Zulk voorbeeld moet lien , die reeds aan de wereld vaarwel gezegd hebben, minstens aansporen, zieb in acht te nemen voor die overdrevene bezorgdheid wat familiezaken betreft, voor het al te vurig verlangen naar overigens noodelooze brieven of bezoeken.

Nog (quot;éne onthechting, en wel de voornaamste zal men zich moeten getroosten, wil men tot die innige vereeniging met God geraken. Men verloochene zich 'doen, men brenge zijn wil ten offer als de overste spreekt, men boude zich niet altijd stijfhoofdig vast aan zijne'manier van zien, evenmin aan zijne wijze van handelen. Men verloochene die zucht, dat streven naar de gemakken des levens, dat koesteren van den ouden Adam. Men verzake aan de al tc groote bezorgdheid voor de gezondheid des lichaams, die soms aan hot belachelijke grenst, indachtig het gezegde van de H. Theresia; «Ik «ben nooit gezonder geweest, dan wanneer ik niet dacht

-ocr page 188-

170

«aan mijne gezondheid.» Zondt gij de onthechting nog volmaakter, om niet te zeggen op de volmaaktst mogelijke wijze willen beoefenen, wees dan niet gehecht aan uw leven, zoodat gij het veil hebt om uw naaste naar lichaam of ziel behulpzaam te zijn, indachtig de woorden des Zaligmakers: «Niemand heeft grooter liefde dan «wie zijn leven geeft voor zijne vrienden.» (1) Ofschoon men zulke personen, die waarlijk onthecht zijn, soms in de wereld vindt, moet men ze tocli vooral zoeken onder de Godgewijde maagden, in do hospitalen en aan het sterfbed van besmettelijke zieken. Hunne geestelijke oefeningen brengen zij des noods ten ofler, overtuigd dat men ook hieraan niet gehecht mag zijn, evenmin als aan den gevoeligen troost, dien men in het gebed zou smaken. Zijt gij tot zulke volkomene onthechting gekomen, dan bezit gij die vleugelen eener duif, waarnaar, volgens den H. Alphonsus ('2) de Profeet David zoo vurig verlangde, wanneer hij uitriep: «Wie zal tnij de « vleugelen geven eener duif, en ik zal vliegen eu rus-aten.» (:gt;) Dan kunt gij met de bruid der gezangen zeggen: «Mijn welbeminde is aan mij, en ik aan hem.» (i)

GEBED.

O mijn welbeminde Zaligmaker! Gij hebt al hot mogelijke gedaan om mij ellendig schepsel met U te vereenigen; duizenden malen hebt Gij mij getrokken door de zoete aanlokselen uwer liefde, aanhoudend hebt Gij mij uitgenoodigd U meer nabij te komen , en, helaasI ik ben nog zoo ver van .U verwijderd. Aan mij alleen heb ik het te wijten, immers aan menigvuldige gena-

(i) Joan. 15. 13. — (2) T. 6, p. 39S. — (3) Ps. 54. 7. — (4) Cant. 2. 16.

-ocr page 189-

177

den lieoft liet mij niet ontbroken. Ik kon, of ze^- ik beter, ik wilde mij niet ontdoen van zoo vele banden, die mij aan de schepselen boeiden. Do gehechtheid vooral aan de gemakken des levens, aan dat voortdurend streven om in alles mijne voldoening te zoeken, is tot dusverre het eenig beletsel geweest dier innige veree-niging met U. Zal er dan nimmer een einde komen aan die voor mij zoo noodlottige verkleefdheid? Wanneer zal ik mij voor goed van die gehechtheid aan duizenden nietigheden ontdoen? Heer Jezus! hieraan moet een einde gesteld worden, maar ik gevoel mij zoo machteloos; versterk mij door uwe genade, ik bid er U om door de verdiensten van de boeien, waarmede Gij U ter liefde van mij hebt laten binden. Geef mij een vuriger liefde, opdat de vlammen van dat liefdevuur al de handen verteeren, die mij aan het vergankelijke hechten. U alléén kome hiervan de eer toe, U dan ook zal ik mijn innigen dank betuigen en uitroepen met den Profeet: «Gij hebt mijne banden verbroken, «.U wil ik een oller opdragen. O mijne Moeder Maria, «neem mij, uw machteloos kind, zoo sterk vast met «uwe moederlijke hand, dat alle banden aan hot ge-«schapene verbroken worden!» Amen.

B E S L U I T.

■Wij hebben dan den hof van Olijven doorloopen. Hij is voor Jezus geweest het begin van zijn lijden; •lozus heeft dien voor ons gemaakt tot eene school van deugden. Geene daad van den Godmensch, die niet eene deugd verkondigt. Geen woord of het wijst op eene zijner verheven volmaaktheden. Onze plicht is het die deugden te overwegen en na te volgen. Zouden wij wel

LIJDEN V. CHRISTUS. 12

-ocr page 190-

-178

ware Christenen zijn, indien wij door de navolging zijner deugden ons niet beijverden op Christus te gelijken.' Zouden we waardig zijn leerlingen, broeders van Christus genoemd te worden, indien wij zijne leer niet omhelsden, zijne voetstappen niet drukten? Christus zou ons niet erkennen voor zijn hemelsehen Vader, indien wij weigerden Hem te erkennen voor de rnen-schen. De Heiligen zouden ons niet beschouwen nis hunne broeders, wanneer wij ons niet naar hun voorbeeld edelmoedig schaarden om de banier van Jezus, ten einde met Hem te lijden en te strijden op aarde, te zegevieren in den hemel.

Geheel het leven van Jezus is een spiegel van volmaaktheid, maar het schijnt, dat Hij de voorbeelden van deugd heeft willen vermeerderen, naarmate het einde zijns levens naderde. Zoo is de hot' van Olijven een school van deugden geworden. Dit hebben wij u willen toonen, lezer. Gelukkig gij, zoo gij u door God laat onderwijzen en naar zijne lessen luistert!

EINDE VAN HET EERSTE DEEL.

-ocr page 191-

mm deel.

HOOFDSTUK I.

Christus voor de Itrchturs.

Et adduxerunt Jcsum ad summum sacerdotem: et convencrunt omnes sacerdotes , et scrib;e , et seniores. Marc. XIV. 53.

En zij leidden Jezus weg naar den hoogepriester, en daar kwamen bijeen al de priesters, en de schriftgeleerden , en de ouderlingen.

Uit alles wat rooils voorafgegaan is, mag men opmaken, dat liet reeds zeer laat in den avond was, toen Jezus, dat allerzachtmoedigst Lam, door zijne vijanden, als zoovele bloedhonden, naar Jeruzalem werd gesleurd, door dezelfde poort, zooals sommigen beweren, waarlangs hij vóór vijf dagen in zegepraal de stad binnentrad. Wat bad de arme Jezus onder weg van die onmenschelijke beulen niet te verduren! Onder vloeken en verwenschingen en spotternijen van allerlei aard werd Hij voortgesleurd, terwijl de een Hem sloeg, een tweede duwde, een derde schopte, een vierde bespuwde, en allen zich om het meest beijverden. Hem met versmadingen en do gruwzaamste beleedigingen te overladen. De lucht weergalmt van den helschen kreet, die uit de woeste bende opsteeg, omdat zij nu eindelijk Dengene in handen hadden, wien zij een doo-delijken haat toedroegen. Houdt hem goed vast, riep de een, past op dat bij niet ontsnappe, gilde een

-ocr page 192-

180

tweede, ofschoon de lijdende Zaligmaker zoo sterk gebonden, en do koorden zoo sterk toegehaald w.iren, dat hij vreeselijke pijnen te verduren had. Afgemat tengevolge van het waken en bidden, vooral echter van het bloedig zweet, dat zelfs, zooals de H. Lucas zegt, overvloedig ter aarde afdroop, kon do Verlosser, van alle kanten met koorden gebonden, nauwelijks gaan, en toch gunden zij Hem geen oogenblik rust. In de stad zaten de priesters, schriftgeleerden en ouderlingen met ongeduld op zijne aankomst te wachten, om naar hartelust hun haat tegen Hem bot te kunnen vieren; geen wonder dan ook, dat de gerechtsdienaren, zooals de H. Bonaventura zegt (1), zich haastten om den gevangen Jezus aati hen te ver-toonen, zeker, van door den hoogepriester en de leden van den hoogen raad, geprezen, toegejuicht en wellicht goed beloond te worden. Nochtans gunden die booswichten zich den tijd, zooals vele geleerden inee-nen, den gebonden Zaligmaker van de brug, die over de beck Cedron lag, in het water te stooten, en onder hoongelach en bespotting met dc touwen weer op te halen. Maar de middernacht nadert, en daarom werd er spoed gemaakt. Met verdubbelde woede dreven zij den reeds van vermoeienis uitgeputten Jezus met stok- en zweepslagen vooruit. Als men de stad naderde, liepen eenigen vooruit, om die, voor de snoode ouderlingen zoo blijde tijding, aan te kondigen; van mond tot mond werd ze ras alom verspreid, zoodat de straten weldra wemelden van eene ontelbare menigte nieuwsgierige en Jezus vijandig gezinde menschen. Dio valsche profeet roept deze, die

(i) Medit. vitce Chr. c. LXXXV.

-ocr page 193-

181

bedrieger schreeuwt gene, waar is liij? En mon stuwt elkander voort langs de straat, die naar het huis ■van den hoogepriester leidt, want derwaarts zou men Hem voeren. De gevangene nadert, en de woede des volks verdubbelt; men ziet Hem in de verte en hunne razernij stijgt ten top. Omstuwd van deze woeste menigte, die vóór eenige dagen was opgetogen van blijdschap den Messias in haar midden te zien, maar thans door de schriftgeleerden en priesters misleid en tot haat en wraak aangehitst, Hem als een bedrieger beschouwde, werd Jezus voor den hoogepriester, dat is, zegt de eerbiedwaardige Beda (1), voor Caiphas gebracht, alwaar de priesters, de schriftgeleerden on ouderlingen vergaderd waren. Doch eerst werd Jezus als in het voorbijgaan, zooals do M. Cvrillus (2) zegt, aan Annas vertoond; omdat deze aan Judas het geld beloofd had, of wel, gelijk de H. Joannes Chrysostomus (3) bemerkt, om hem eenvoudig aan Annas voor te stellen, alsof zij eene groote zegepraal hadden behaald, of wel, volgens den II. Au-gustinus (4), omdat Caiphas, zijn schoonvader, het zoo gewild had. Dij Caiphas echter waren de hoofden des volks vergaderd: door dezen, bekleed met de rechterlijke macht in hoedanigheid van hoogepriester werd Jezus ondervraagd, zooals do H. Cyrillus (5) en de H. Alphonsus (ti) verklaren. Wat hebben de god-deloozen niet over, welk offer getroosten zij zich niet, om hunne booze hartstochten te kunnen bevredigen! Door afgunst gedreven brengen de priesters, schriftgeleerden en ouderlingen mot vreugde eenige uren van de nachtrust ten offer, om den gevangen

(i) Super. Et addnxerunt yesum. — (2) L. 11. c. 37. — (3) Hom. 2S. —(4) In Joan, tract. 113. — (5) t. a, p. —(6)T. 5- p. 177. 4IS-

-ocr page 194-

18-2

Jezus te zien, te beleedigen en te bespotten. En welke offers laten wij ons welgevallen, om dienzelfden Jezus blijken te geven van onze liefde? Om ons inniger met Hem aan te sluiten?

IJver voor ojizen geestelijken vooriiitg;niig.

Gaan hemel en aarde voorbij, de woorden van Christus zullen niet voorbijgaan. Hetgeen de eeuwige waarheid gezegd heeft, is, en blijft waar in eeuwigheid. Vóór meer dan 18 eeuwen heeft hij eene waarheid verkondigd, die wij nog dagelijks, in alle landen, steden en dorpen bevestigd zien. AVij behoeven slecht een blik te werpen, op hetgeen wij rondom ons zieu gebeuren, om hiervan ten volle overtuigd te zijn. Welke is dan deze verkondigde waarheid? «De kinderen dezer wereld «zijn, in hun geslacht, omzichtiger dan de kinderen «des lichts.» (1) Hier stelt Christus de handelingen van de kinderen der duisternis, dat is, zegt Theopliylactus, (2) van hen, die vol van wereldsche genoegens, deze gestadig najagen en willen genieten, tegenover de handelwijze van de kinderen des lichts, dat is, van hen, die zich ter liefde Gods op geestelijke en godsdienstige werken toeleggen. Aan deze laatsten doet Jezus een verwijt: immers Hij vergelijkt hen met de kinderen dezer wereld of der duisternis, en van dezen verklaart Hij dat zij in hun cjeslacht, dat is in hunne soort, in hunne sfeer als wereldlingen, omzichtiger zijn in het behartigen hunner belangen, dan algemeen gesproken, de kinderen des lichts in het ter harte nemen van de belangen hunner ziel. De kinderen der wereld, beijveren

(i) Luc. 16, 8. — (2) Super Filii kujus saec.

-ocr page 195-

183

zicli om de wereld en al wat de wereld hun kan aanbieden, te genieten als liun hoogste goed, hun laatste einde, en daarom worden /ij ook met recht, kinderen der duisternis genoemd. Immers zij doen de werken voor den Vorst der duisternis, en, zegt Beda, wiens werken iemand verricht, diens kind wordt hij genoemd. Zij stellen zich de genoegens des vleesches, de gemakken des levens ten doel, en in het beraadslagen, in het streven naar dat doel, geven zij zich in den regel meer moeite, getroosten zij zich groo-tere offers, dan anderen die naar geestelijke goederen haken.

Wat tobt men zich in de wereld at', otn aardsche schatten to vergaderen! menig nachtelijk uur brengt men hiervoor ten offer, en geldt het eene aanzienlijke som gelds, dagen en nachten zal men rusteloos zwoegen om ze in zijn bezit te krijgen. Is er in de wereld, liet moge dan ook nog zoo ver verwijderd zijn, een goudmijn ontdekt, men rukt zich los uit do armen van de naaste aan- en bloedverwanten, men lijdt honger en dorst, men trotseert de golven eener onstuimige zee, en men stelt zich bloot aan do stralen der brandende zon, om in een woest en onherbergzaam land, een weinig goud te rapen. Valt eene winstgevende betrekking open, men schrijft, men reist, men legt bezoeken af, bij dezen en genen, om aller gunst te winnen, en om de voorspraak van invloedrijke personen te erlangen, getroost men zich gaarne eenige offers. Is er een tijd, waarin weinig te verdienen valt, men bidt en smeekt, men bedelt en klopt aan ieders deur en men is blijde, zoo men ten koste van zvvaren arbeid, en ongehoorde inspanning een tijdelijk voordeel kan behalen. In één woord, alles; arbeid, nachtwaken, on-

-ocr page 196-

184

aangenaamheden, teleurstellingen, grove beleedigingen zelfs, laat men zich welgevallen om aardsche en vergankelijke schatten te vergaderen. Doch is er sprake van geestelijke, hemelsche en eeuwige goederen, dan is vaak de geringste moeite te veel, het onbeduidendste oll'er te zwaar. Een godsdienstig onderwijs gegeven, een liefdewerk verricht, eene vernedering aangenomen, een kruis gedragen ter liefde Gods, zijn als zoovele kostelijke muntstukken, waarmede men onvergankelijke goederen koopt, en toch zijn er zoovele, overigens deugdzame personen, die zulke munt niet hegeeren, en wordt ze hun aangeboden, dan gewaardigen zij zich niet die aan te nemen. Worden zij echter hiertoe genoodzaakt, dan onderwerpen zij zich, omdat het niet anders kan, en tot overmaat van dwaasheid werpen zij in hunne kwade luim die geldstukken weg, en verdienen zoodoende niets voor den hemel. Veel minder nog zullen zij naar zulke gelegenheden zoeken. Wat maakt een wereldsch mensch den godvruchtige vaak beschaamd! duizendmaal meer zal gene doen orn aardsche, dan deze om hemelsche schatten te vergaderen. Den trage op godsdienstig gebied, op den weg der volmaking, zou men zelfs op de mier wijzen, en hem met de volgende woorden kunnen toespreken: «Ga tot de mier, o lui-«aard, beschouw hare wegen, en leer wijsheid ! zij heelt «noch aanvoerder, no.;h opperhoofd, en toch schaft zij «zich in den zomer hare spijs aan, en vergadert in den «oogsttijd haar voedsel. Hoe lang nog zult gij daar «nederliggen, o luiaard! wanneer zult gij toch eens «opstaan uit uwen slaap? Gij slaapt nog een weinig, «gij sluimert nog een weinig, gij legt nog voor een «oogenblik de handen over elkander om uit te rusten; «en dan overvalt u het gebrek als een reiziger, en de

-ocr page 197-

185

«armoede als een gewapend man.» Door deze woorden, zegt de H. Ambrosius, (1) waarschuwt ons de H. Geest tegen de geestelijke traagheid, en spoort Hij ons op het voorbeeld der mier tot grooten ijver aan. Dat dan geringe krachten, of zwakte des lichaams, zegt die H. Kerkvader, geen beletsel zijn voor onzen geestelijken vooruitgang, noch ons terughouden gevolg te geven aan onze goede voornemens. De mier, zoo gaat die heilige voort, is klein, en tocli onderneemt zij zelfs meer dan hare krachten het toelaten; zij wordt niet tot den arbeid gedwongen, zij staat onder geene heerschappij, maar door hare natuur hiertoe gedreven, vergadert zij voedsel voor latere dagen, waarop zij niet werken kan. Mogen ook wij den kostbaren tijd benutten, die ons verleend is, om verdiensten te vergaderen voor den hemel. «Laat ons,» zegt de H. Paulus, (2) «in het «goede te doen niet moede worden; want te zijner tijd «zullen wij maaien, indien wij niet moede worden.» Laat ons ijverig zijn in liet zaaien op den akker des geestes, door het verrichten van goede werken, opdat de dood, die de wereld rondreist, ons niet in een' volgens de ziel armoedigen staat, maar rijk in verdiensten moge aantreffen.

Doch vestigpn wij weder tot onze beschaming onze aandacht op de wereldschgezinde menschen. Om eene liooge en eervolle betrekking te erlangen , een hooge-ren rang in de maatschappij te bekleeden, zal men zich soms voor dezen of genen diep vernederen, velerhande gegronde of niet gegronde beoordeeling getroosten en onbevreesd zijn door velen in een ongunstig daglicht te worden geplaatst. Hooger stijgen in eer en aanzien.

(i) L. 6. ITexam. c. 4. -— (2) Gal. c. 6. 9.

-ocr page 198-

-186

hoogere eerambten bekleeden is vaak hun rusteloos streven. En wat doen wij, welke moeite, welk oller getroosten wij ons, om een lioogeren graad van heerlijkheid te erlangen, terwijl toch het lijden dezer wereld niet opweegt tegen een enkelen graad van glorie in het rijk der hemelen! Als ik maar in den hemel kom, als ik maar een plaatsje heb achter de deur, zooals zij zich uitdrukken, dan ben ik tevreden. Is het onverschilligheid of traagheid die hen zoo doet spreken? Is het onverschilligheid, dan vraag ik, of die taal niet beleedigend is voor Christus, die zoo veel gedaan en geleden, ons zoo vele middelen gegeven heeft, om zelfs een Heilige te worden? Is het geestelijke traagheid, dan vraag ik of het geen verregaande dwaasheid is den tijd die ons gegeven is om te verdienen zoo werkeloos to laten voorbijgaan? Wat meelis, zoudt gij dan geen gevaar loopen zelfs niet zalig te worden? Want als gij 11 zoudt tevreden stellen met den geringsten graad van heerlijkheid, en uw gedrag daarnaar regelen, dan vraag iilt; u nogmaals, indien gij dien graad niet bereikt, wat dan? Dan is er voor u geen plaats meer over, en in plaats van den geringsten graad van heerlijkheid, ontvangt gij ter oor-zake uwer traagheid eeuwijre schande. Vandaar dat de

o O

11. Chantal zeide: «Een hart, dat niet streeft naar de «volmaking, en zich deze niet aanmatigt, wandelt lang-«zaam voort op den weg des verderfs.» En de 11. Philippics Nerius zeide: «Hij, die den geestelijken weg der «deugd bewandelt, moet zich niet tevreden stellen met «eene middelmatige deugd, maar een hoogen, zoo hoog « mogelijken trap van volmaaktheid trachten te bereiken.» O, dat een eerzuchtig mensch, die zich zooveel moeite geeft voor aardsche grootheid en vergankelijke eer, ons

-ocr page 199-

-187

toch niet beschame, die streven naar eenc onsterfelijke kroon van heerlijkheid! De Apostel Paulus (i) om ons tot ijver aan te sporen, wijst ons op de wodloopcrs bij de Grieken door deze woorden: a Elk wedstrijder nu «onthoudt zich van alles; en zij doen dit om eene ver-«gankelijke kroon te ontvangen, maar wij om eene «onvergankelijke.» Als wilde hij zeggen, indien de wedloopers zich aan eene strenge levenswijze onderwerpen, zich allerlei ontberingen getroosten, om een vergankelijke lauwerkroon te verkrijgen, dan moeten wij met nog meer recht ons op de zelfverloochening en de verstervingen toeleggen, om eene onvergankelijke kroon te erlangen, eene kroon van heerlijkheid, die eeuwig duurt. Dan helaas! waar is die strenge levenswijze, waar zijn die ontberingen, welke wij ons getroosten ? Een klein ofl'er is te veul, een weinig arbeid te zwaar. Wie onzer moot met Esdras (2) niet uitroepen: «Mijn «God, ik ben beschaamd, en verlegen mijn aanschijn «tot ü te richten;» wanneer zal ik uit dien geestelijken slaap van traagheid ontwaken!

De kinderen der booze wereld zijn reeds lang aan hun werk, en roepen ons gestadig toe: staat op, ontwaakt, slaat de handen aan het werk, wij dienen de wereld eu gij ziet, hoe wij ons onledig houden, en gij, wat doet gij voor den hemel'! En wat is dat werk, waarmede de wereld zich bezig houdt? De schraapzuch-tigen sparen geen moeite om zich te verrijken, de eerzuchtigen geen offer om zich boven anderen te verheffen, de behaagzieken geld noch ongemakken om

aller oogen tot zich te trokken. Het is schier onaie-1 • •

loofelijk, welke sommen gelds men ten offer brengt.

(i) I. Cor, 9. 25. - (2) I. 9. 6,

-ocr page 200-

-188

om eene mode te kunnen volgen, welke ontberingen men zich getroost, om door kleederpracht aller aandacht tot zich te trekken! Behaagzieke personen laten zich vele ongemakken des levens en des lichaams gewillig en met vreugde welgevallen, om die behaagzucht te bevredigen. Al zou eene mode nog zoo hinderlijk, zelfs schadelijk voor de gezondheid zijn, tocli onderwerpen zij zich volgaarne aan dien eisch, mits zij slechts behagen kunnen. En welk ofler, wat lijden hebben wij over, om Gode behagelijk te worden? Waar is onze ijver, waar onze bezorgdheid, om het kleed der heilig-makende genade immer schooner en schooner te doen blinken, en ons steeds welgevalliger te doen worden in het oog van God ? üe H. Ephrem zag eens een dier behaagzieke personen, wier zedig gedrag trouwens veel te wenschen overliet. Zij was rijk uitgedost, met ju-weelen omhangen, en omringd van eenige jonge lieden, even wereldschgezind als zij. Wat doet nu die heilige man? Wordt hij boos? O neen! dit ware wellicht nutteloos geweest, maar hij barstte los in tranen, en sprak: O God! wat tijd heeft zij niet besteed om zich op te schikken! welke moeite heeft zij zich hiervoor gegeven! wat offers heeft zij gebracht om aan de menschen te behagen! en ik, ik ellendig mensch doe zoo weinig om aan mijn God, mijn Schepper te behagen! wat maakt die persoon mij beschaamd! Indien een Heilige zoo sprak, wat moeten wij dan zeggen bij het zien van zoo veel moeite, die wereldsche menschen zich geven, van zooveel tijd, dien zij besteden, van zoo vele ongemakken, die zij verduren, om aan de wereld te behagen! Moeten wij niet met Esdras uitroepen: «Mijn God, ik «ben beschaamd, en verlegen mijn aangezicht tot U te «wenden.» O, indien wij het honderdste gedeelte voor

-ocr page 201-

189

God en den liemel deden cn leden , van lietgeen men in de wereld doet en lijdt, om zich te verrijken, te verheffen en zich behagelijk te maken, wij zouden weldra heilig zijn. Dan hetgeen wij nu niet zijn, kunnen en moeten wij met Gods genade nog eens worden. Immers de Zaligmaker heeft gezegd: «Woest volei: maakt, gelijk uw hemelsche Vader volmaakt is.» (1) Deze woorden bevatten volgens Cornelius a Lapide eene raadgeving cn een gebod tevens. Eene raadgeving met betrekking tot de evangelische raden, een gebod ten opzichte van elk geloovige, die in zijn staat naar de volmaking moet trachten. En de H. Joannes Chrysos-tomns (2) leert ons hetzelfde. De geboden van Christus, zegt hij, verplichten èn de menschen in de wereld èn de kloosterlingen, or. daarom moeten beiden zich op de volmaaktheid toeleggen, eenieder volgens zijn staat en rang. Doch zonder ijver voor onzen geestelijken vooruitgang zullen wij er nimmer toe geraken. Dat dan de kinderen der wereld ons in hunnen ijver aansporen om den onze te verdubbelen: zij beoogen tijdelijke, wij eeuwige schatten; zij eene voorbijgaande, wij eene altijddurende verheffing; zij eene vergankelijke, wij eene onverwelkbare kroon, eene kroon des te schooner, naarmate onze ijver grooter zijn zal. Moge deze eenmaal ons loon zijn !

GEBED.

O mijn Heer en mijn God I ik ben beschaamd en verlegen om mijne oogen tot U te wenden. Do kinderen der wereld beschamen mij. Ik zie hen iederen dag aan

(i) Matth. 5. 48. — (2) L. UT. contr. Vituperationem vitae monast.

-ocr page 202-

100

den arbeid, zij gunnen zicli geen rust, sparen geene moeite, deinzen voor geen offers terug, om liet aardsche te genieten. Gestadig verwijten zij mij mijne geestelijke traagheid. Zij dienen de wereld, en met welken vuri-gen ijver! En ik, ik dien U, mijn God, maar helaas! met welke traagheid! Waar is mijn ijver in uwen dienst? Ik hen ijveriger, ik heken het rondborstig, om mijne eigene voldoening te zoeken, dan uw heilig welbehagen , om aan de menschen dan om aan U te behagen. O God! wanneer zal er een einde komen aan mijne geestelijke traagheid? Ik heb nog zoo weinig-verdiensten vergaderd voor den hemel, en wie weet hoe weinig tijd mij nog overblijft. O mijn Jezus! vergeef mij toch deze traagheid, waarmede ik U tot dusverre gediend heb. Ik wil niet langer meer uitstellen, vandaag nog wil ik beginnen U vuriger dan ooit te dienen. Maar wat vermag ik zonder uwe genade! Gij wilt dat ik volmaakt worde, geef mij dan de genade dat ook ik het werkdadig wille. Maak van mij traag en ellendig schepsel een Heilige. O mijne Moeder Maria, gij kunt mij heilig maken, ik verwacht het van uwe goedertierenheid. Amen.

HOOFDSTUK II.

Unus assistens ministrorum dedit alapam Jesu, Joan, XVIII 22.

Ken der dienaren die daarbij stond, gaf Jezus een kaakslag.

Eenigen beweren, dat Jezus in het huis van Annas ondervraagd werd, en daar den wreeden kaakslag ontving, maar met Carthagena (1), Cornelius a Lapide (2)

(i) L. io. hom. 7. de Pass. Dom, — (2) In Joan. 18.

-ocr page 203-

191

en ilon H. Alplionsus (1) veronderstel ik, dat zulks voor Caiphas geschiedde. Hier waren de priesters, schriftgeleerden en ouderlingen vergaderd. Caiphas, de Hoogepriester, ondervroeg Jezus over zijne leerlingen en zijne leer. Jezus antwoordde hem: «Ik heb openlijk tot «de wereld gesproken. Ik heb altijd geleerd in de sv-«nagoog en in den tempel, waar al de Joden samen-«komen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken. «Waarom ondervraagt gij mij? Ondervraag hen, die «gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb: zie «dezen weten wat Ik gezegd heb.» (2) Op de vraag aangaande zijne leerlingen, antwoordde Christus niet, wel op die betreflende zijne leer; deze moest Hij verdedigen, want het was de leer zijns Vaders, wiens gezant Hij was, zooals Hij weleer gezegd had, sprekende als mensch; «Mijne leer is de mijne niet, maar van «Hem, die mij gezonden heeft.» (3) Om het ware dezer leer te bevestigen, roept Hij zijne vijanden tot getuigen, want zijne vijanden tot getuigen roepen, zegt de H. Joannes Chrysosiomus (4), is een doorslaand bewijs der waarheid. Immers uit alles wat zij gehoord hadden, konden zij niet met eenigen schijn van billijkheid of waarheid tegen Jezus getuigen, dat Hij schuldig en strafwaardig was. En op dit zoo wijs, zoo rechtvaardig en zoo zachtmoedig antwoord, gaf één der dienaren, die daarbij stond, Jezus een kaakslag, zeggende: «Moet gij zóó aan den Hoogepriester antwoorden?» De H. Joannes Chrysostomus (5) roept hier uit, «dat «de hemel zich ontstelle, de aarde beve bij het zien «van dien kaakslag aan een God gegeven!» O En-

(i) Tom. 5. p. 65. 177. 415. _ (2) Joan. 18, 20. 21. — (3) Joan, 7. 16. ■ - (4) Hom. 82. — (5) t. a. p.

-ocr page 204-

192

gelen, tlie het aanschomvt, hoe kunt gij zwijgen, hoe kunt gij uwe handen weerhouden ? Waarom antwoordt gij niet voor uwen lieer? Doet gij hot wellicht niet, omdat zulke onbeschaamdheid, en zulke zachtmoedigheid, zulke wreedheid en zulk geduld u als verstomt.' Smaad vol en pijnlijk tevens was deze slag, want dezelfde H. Kerkvader zegt, (1) dat die snoode dienaar Malchus was, dezelfde, wiens oor Christus in den hof genezen had, en daarom griefde die versmading Hem des te meer. De H. Bcrnardus (2) getuigt, dat deze slag gegeven werd met een ijzeren handschoen, zoodat voL gens den H. Vincentius Ferrerius (3) Jezus ter aarde stortte, en volgens andere godvruchtige schrijvers het bloed uit zijn mond vloeide, en een loodkleurig gezwel ontstond (4). Toen Oza zijne hand naar de ark des Heeren uitstak, werd hij ter plaatse zelve door God met den dood gestraft (5), en waarom wordt hij niet gestraft, die Christus, de geheimzinnige ark, welke alle schatten Gods bevat, durft slaan? Indien de Engelen Heliodorus vreeselijk geeselden, toen hij den tempel te Jeruzalem onteerde (6), waarom vertoonen zich nu de Engelen niet, om dien snoodaard naar verdienste te kastijden? De hand, die Jeroboam uitstak, om een Profeet Gods te doen grijpen, verdorde op dat oogenblik zelf: waarom verstijft de hand niet van dien onbeschaamden dienstknecht op het oogenblik, dat hij die gruwelijke heiligschennis durft plegen? De hand van Jeroboam was die eens konings, en hier is het de hand van een verachtelijken slaaf, opgeheven, niet tegen een Profeet, maar. tegen den Heer der Profeten;

(i) t. a. p. — (2) Serm. lie Pass. — (3) de Pass. — (4) Vrg. Carthagena. 1. 10. hom. 7. de Pass. — (5) II. Reg. 6, 7. — (6) II. Mach. 3 26.

-ocr page 205-

193

niet om Hem aan te wijzen, maar om Hem een kaakslag te geven. De H. Augustinus (i) antwoordt: «waarom «zou de Heer, door wion de wereld gemaakt is, dit «alles niet kunnen bevelen? Hij wilde ons liet geduld «leeren, waardoor de wereld overwonnen wordt.» Jezus nu antwoordde: «Indien Ik kwalijk gesproken hel), ge-«twig van het kwade; maai'heb Ik wel gesproken, waarom «slaat gij mij ?» (2) Niets is meer overeenkomstig met de waarheid, met de rechtvaardigheid en met de zachtmoedigheid, dan dit antwoord, zegt do H. Augustinus (3). Dezelfde vraagt tevens, waarom Christus de andere wang-niet aanbood, zooals Hij ons zelfgeleerd heelt, en hij antwoordt: dit gebod moeten wij niet verstaan volgens de letter, maar volgens don geest. Wij moeten mot een kalm en bedaard gemoed de beleedigingen verdragen, bereid om liever de andere wang aan te bieden, dan boos te worden of op wraak bedacht te zijn. Door zulk zachtmoedig antwoord leerde Christus ons nog beter de zachtmoedigheid, dan door te zwijgen, want had Hij gezwegen, dan zou men hieruit hebben kunnen afleiden, niet alleen, dat Hij zich schuldig bevond aan oneerbiedigheid jegens den Hoogepriester, maar ook, dat Hij inwendig verontwaardigd was over zulke beleediging, en alleen zweeg uit vrees voor den Hoogepriester. Doch door kalm en bedaard zulk zacht antwoord te geven, geeft Jezus ons een voorbeeld van zachtmoedigheid. Hij bood niet alleen de andere wang, maar zijn geheel lichaam aan om gegeeseld en gekruisigd te worden. Mogen wij het voorbeeld van Jezus steeds voor oogen hebben, en nimmer boos worden, zelfs dan niet, wanneer ons do zwaarste beleediging wordt aangedaan.

(i) Tract. 113, in Joan. — (2) Joan. 18. 23. — (3) t. a. p. LIJDEN V. CHRISTUS. 13

-ocr page 206-

'194

Sgt;e Kaehtinoedighciil.

Hoe rneer gelijkvormigheid er bestaat tussclien Christus, ilat goddelijk voorbeeld, en ons, zijne leerlingen, des (e grooteren waarborg hebben wij voor het eeuwig leven. Daarom is het voor ons van het allerhoogste belang, dat wij steeds op Jezus, den stichter en voltooier des geloofs, onze oogen gevestigd houden, ten einde ons gedrag naar het zijne te regelen. Ten allen tijde heeft God heilige mannen opgewekt, wier leven ons tot voorbeeld strekt, doch hiermede niet tevreden, zendt Hij Zijn eenigen Zoon op aarde. Deze wandelt 33 jaren inquot; deze wereld rond, om allen door zijne leer en zijn voorbeeld den weg naar den hemel te toonen. Derhalve verplicht ons, niet slechts ons eigenbelang, maar ook de liefde en de dankbaarheid jegens Christus, zooveel de menschelijke zwakheid het gedoogt, zijne voetstappen te drukken, .le/us nu heeft zich vernederd tot den dood des kruises, doch in het midden der gruwzaamste beleedigingen, verzadigd van versmadingen, als een worm vertrapt, vloeide geen enkel woord van tegenspraak van Zijne goddelijke lippen, zoodat Hij met recht kon zeggen: «leert'van Mij zachimoedig en ne-«derig van harte te zijn.» (1)

Wat is de zachtmoedigheid? Volgens den II. Joannes Climacus (2) is zij eene gemoedsgesteltenis, waardoor wij dezelfde gelijkheid van inborst bewaren, hetzij wij geprezen of versmaad worden. Zij bestaat hierin, voegt hij er hij, dat .wij van ganscher harte en met oprechtheid bidden voor hen, die ons verontrusten, zonder zelf verontrust te worden, /ij is eene rots ge-

(i) Matth. li. 29. — (2) Gracilis S.

-ocr page 207-

195

lijk, waartegen lt;lo golven worden gebroken, zonder dat deze in liet minst bewogen wordt, üe geest van zachtmoedigheid is alzoo een kalme, vreedzame en geduldige geest, die alle bitterheid, ontsteltenis en wraakzucht buitensluit. Met dezen moeien wij bezield zijn, want de geest van Christus is een geest van zachtmoedigheid. i)e Profeet Sophonias (1) gaf reeds de zachtmoedigheid al.s eene eigenschap aan van den toekomstigen Verlosser, den zachtmoedige bij uitnemendheid, «zoekt «den zachtmoedige.» Inderdaad als wij het leven van Jezus op aarde doorloopen, dan zien wij (én in zijne woorden én in zijne daden, de allergrootste zachtmoedigheid uitschijnen. Hoe onwetend en hoe onvolmaakt zijne leerlingen ook waren, Hij onderrichtte ze met alle geduld en berispte ze met alle zachtmoedigheid. «Ik ben de goede herder,» ('2) zeide Hij, en met een teeder hart, dat van liefde klopt, ging Hij het verloren schaap overal zoeken, en had Hij het gevonden, met welke liefde, met welke blijdschap nam Hij het dan op zijne schouders! Waren zondige personen ook nog zoo diep gevallen, zoodra zij zich tot dien goeden Herder wendden met een rouwmoedig hart, wist Hij hen te troosten en op te beuren, geen enkel hard woord vloeide van Zijne lippen. Als de ware Samaritaan goot Hij olie in hunne wonden, en met de allerteederste liefde wist Hij die te heelen. Herinneren wij ons hier de Samaritaansche, de overspelige vrouw en Magdalena. Verraden door Judas, sprak Hij dezen nan met den naam van vriend. «Vriend, waartoe zijt gij gekomen?» (3) Bespot, verguisd, gegeeseld, met doornen gekroond, gekruisigd, deed Hij geen verwijt, maar zweeg; als een

(i) Soph. 2. 3. —(2) Joan. 10. 11. — (3) Matth. 26. 50.

-ocr page 208-

196

lam otuler de hand van hem, die het scheert, liet Hij zich slaan, geeselen en kruisigen. Waar is onze zachtmoedigheid , die den waren leerling van Christus zoo eigen zijn moet? Het is niet noodig, dat men ons slaat met roeden; een enkele slag met de tong is soms genoeg om in gramschap te ontsteken. «Indien iemand,» zegt de H. Cyrilius, (1) «zich een woord tegen ons laat «ontvallen, in plaats van het als eene menschelijke «zwakheid over het hoofd te zien, kunnen wij ons met «duizend woorden van verwijtingen niet tevreden stel-«len, en in plaats van onze gramschap te onderdruk-« kon, zijn wij op wraak bedacht, en wij vestigen onze «oogen niet op Jezus.» Deden wij zulks, als iemand ons beleedigt, wij zouden niet driftig worden, en het ras vergeten, zooals er geschreven staaat: «wil u geen «enkele beleediging des naasten herinneren.» (2) Met recht zegt dan ook de H. Joannes Chrysostomus: (3) « onder deze voorwaarde zullen wij leerlingen van Christus «zijn, indien de geest van zachtmoedigheid ons bezielt.»

Is do geest van Christus een geest van zachtmoedigheid, evenzeer geeft zijne Bruid, de H. Kerk, ten allen tijde doorslaande bewijzen van teederheid en zachtrnoodigheid. Met welk geduld verdraagt die goede Moeder niet het wangedrag harer kinderen? Welke zachte middelen gebruikt zij niet om hen tot betere gevoelens to brengen? Hoe lang wacht zij niet, vooraleer zij straft? Niet, dan nadat alle middelen zijn uitgeput , bedient zij zich van de roede. En met welke teederheid ontvangt zij haar rouwmoedig kind! met welke liefde drukt zij het aan haar moederlijk hart!

(i) L. 12 in Joan. — (2) Eccli 10. 6. — (3) Hom. 59 in Joan.

-ocr page 209-

VAj neemt geen wraak over de aangedane beleediging, zij bidt en doet liare priesters bidden voor hare vervolgers. Al hare kinderen heeft zij gewonnen, niet door liet geweld der wapenen, maar door de teederste banden van liefde heeft zij hen tot zich getrokken. Want, zegt de H. Augustinus, (1) door de zachtmoedigheid heeft het lichaam van Christus, dat is de Kerk, hare vijanden overwonnen. Zij heeft zulks geleerd van haar hoofd en stichter, die de zachtmoedigheid zelve is. Wij zijn door Gods genade kinderen der Kerk. Toonen wij dan door onze daden waardige kinderen dier Kerk te zijn, en volgen wij het voorbeeld van onze goede Moeder. ff Houd op,» zegt de H. Geest, «met uwen toorn, «en laat af van uwe grimmigheid; vergram u niet, om «kwaad te doen.» (2) Beijveren wij ons steeds om als zachtmoedige kinderen meer te gelijken op God , die onze Vader, op do Kerk, die onze Moeder is.

Christus zond zijne Apostelen om zijne leer over de gansche aarde te verspreiden, Hij zond hen naar onbeschaafde , woeste en wreedaardige volkeren, aan roofzuchtige wolven gelijk. Van welk wapen moesten zij zich bedienen om die wreede wolven te temmen en in lammeren te veranderen? Hun eenig wapen was de zachtmoedigheid « Zie, ik zend u als schapen te midden «van wolven.» (3) «Zij moesten,» zegt de H. Joannes Chrysostomus, «in het midden der wolven zich als «zachtmoedige lammeren gedragen.» (4) En dit hebben zij ook immer gedaan, terwijl de dwaal leeraars hunne valsche leer met geweld verspreiden, onder vreeselijke vervolging aan het volk opdringen, om het te dwingen

(i) In Psal. 151. — (2) Ps. 36. 8. — (3) Mattli. 10. 16. (4) Hom. 34,

-ocr page 210-

198

de ware leer to verlaten en de hunne aan te kleven. Wij zien dit in den Apostel Paulus. Toen liij nog Saulus heette, een groot ijveraar was der joodsche wet en van Christus noch van zijn leer iets wilde weten, ademde hij steeds bedreiging en moord, en zijne grootste voldoening was, de aanhangers van Christus' leer geboeid naar Jeruzalem te voeren. Maar Christus, dat goddelijk Lam, door de wolven gedood, zooals de H. Augustinus (I) zich uitdrukt, maakt wolven tot lammeren. Paulus, een apostel geworden, werkt meer dan de anderen om de leer van Christus alom te verkondigen , niet als een roofzuchtige wolf, maar als-een zachtmoedig lam; zijn wapen is het geduld en de zachtmoedigheid. Geen wapen zoo sterk; want, zegt de II. Joannes Chrvsostomus (2), niets is machtiger, niets sterker dan de zachtmoedigheid. Van dit wapen bediende zich Paulus. Hoort hoe hij spreekt tot die van Corinthe: (3) «Wij worden gevloekt, en wij «zegenen; vervolgd, en wij verdragen het; gehoond, «en wij geven goede woorden; wij zijn als het nit-«schot der wereld, aller uitvaagsel geworden.» Hij, die in zulken graad de deugd van zachtmoedigheid bezat, kon haar ook met alle recht aan anderen leeren. «Een dienstknecht des Heeren nu moet niet twisten, «maar vriendelijk zijn jegens allen, gereed om te on-« derrichten, geduldig, met zachtmoedigheid hen terecht-«wijzende, die zich tegen de waarheid verzetten,» zoo schreef hij aan zijn leerling Timotheus (4). En in zijne gevangenschap schreef hij aan die van Ephese (5); «Ik smeek u dan, ik de gevangene in den Heer, dat

(i) Serm. 14 de SS. — (2} Hom. 34. — (3) I. Cor. 4. 12. 13. — (4) II. Tim, 2. 24, 25. — (5) Ephes, 4. 1—3.

-ocr page 211-

190

«jiij wandelt der roeping waardig, waartoe gij geroepen «zijt; met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met «lankmoedigheid, elkander in liefde verdragende, u «beijverende om de eenheid des geestes te bewaren in «den band des vredes.»

Het voorbeeld van Christus, van zijne Kerk, en van de Apostelen hebben de Heiligen steeds gevolgd. Do H. Franciscus van Sales, ofschoon vroeger driftig van karakter, was een voorbeeld van zachtzinnigheid. Hij bekeerde 72000 dwaalleeraren, meer door zijne innemendheid en zachte manier van spreken en handelen, dan door zijne preeken. Hij had een verbond aangegaan met zijne tong, om er zich nimmer van te bedienen, als hij zich ontroerd gevoelde. Hij placht te zeggen; «Men vangt meer vliegen met een druppel honig, dan «meteen gansch vat azijn. » Hij wilde hierdoor te kennen quot;even, dat men door een zacht woord meer harten zal

O '

winnen, dan door duizend ruwe en bitse woorden. Eenieder heeft gaarne te doen met zachtaardige personen; dezen winnen en vervoeren de harten. Dit leert ons de 11. Geest, «minzame taal maakt ons veie vrienden» (l) en de ondervinding bevestigt zulks. Beproeft het, ouders, oversten, meesters en i;ij allen, die op welke wijze ook boven anderen geplaatst zijt. Spreekt uwe kinderen met zachte woorden toe, gebiedt of berispt uwe onderdanen met beleefdheid, vriendelijkheid en zachtheid, onderwijst de kinderen, aan nwe zorgen toevertrouwd, met geduld en lankmoedigheid, en zij zullen bereidvaardig uwe bevelen nakomen, uwe vermaningen met meer eerbied en volgzaamheid aannemen, uwe lessen met meer aandacht en leerzaamheid aanhooren. Hierdoor zult gij

(l) Eccli, 6. 5.

-ocr page 212-

200

hunne genegenheid winnen, hun hart tot wederliefde stemmen, en uw voorbeeld zal een zoo heilzamen indruk op hen maken, dat zij zich zullen haasten u na te volgen, üecn beter middel om de harten zelfs van onbeschaafde en verwilderde volken te winnen, dan de zachtmoedigheid. Wij zien dit in liet voorbeeld van den E. P. Fernandez van bet Gezelschap van Jezus. Terwijl hij in Japan het Evangelie verkondigde, spuwde een heiden hem in het aangezicht. Zonder een enkel woord te zeggen nam hij zijn zakdoek, veegde zich af en zette zijne preek voort, alsof er niets gebeurd ware. Dit maakte zulk een indruk op de gemoederen der aanwezigen, dat hij ze voor Christus won. Zondt gij met opvliegende en toornige mensehen te doen hebben, werpt dan geen olie in het vuur; dat is, wordt niet driftig tegen hen, want, zegt de 11. Geest, «schampere taal «hitst den toorn aan,» (1) maar beantwoordt hun scherpe taal en bittere verwijtingen met zachte woorden. Hierdoor zult gij hen tot kalmte brengen. De II. Geest immers heeft gezegd, «een zacht antwoord «doet de gramschap bedaren.» Zoo doen wijze en verstandige personen, overtuigd dat de gramschap bij dwazen t' huis hoort, zooals er geschreven staat: (3) «De gramschap rust in den schoot des dwazen.» Indien uw broeder een splinter in het oog heeft, dan moet gij, zegt de II. Joannes Climacus (4), n niet van een zwaar of plomp werktuig bedienen om dien er uit te halen, zooals ruwe woorden en een driftige behandeling, immers op deze wijze zoudt gij dien splinter er nog dieper doen indringen, maar gebruik een lijn middel, eene zachte vermaning, eene liefdevolle terechtwijzing;

(i) Prov. 15. 1. — (2) t. a. p. — (3) Eccle. 7. 10. — (4) Grad. 8.

-ocr page 213-

201

lt;lit is liet beste middel otn dien splinter te verwijderen, dat is, hom van zijne fouten cn grammoedigheid te genezen. Moeten wij als dienaren Gods, zooals de Apostel Paulus aan zijn leerling Timotheiis schreef, zachtmoedig zijn jegens allen, dan toch vooral jegens onwetenden, die wij onderwijzen, jegens zieken, die wij verplegen, jegens huisgenooten, met wie wij dagelijks verkeeren moeten. Menschen van weinig begrip, domme kinderen zuchten reeds onder hunne hardleerendheid, wilt hun kruis door ongeduld of harde woorden niet verzwaren. Zieken lijden reeds veel, en slaken vaak diepe zuchten onder hunne smarten; wilt ze toch niet vermeerderen dooi- een stroef gelaat, harde woorden of ruwe behandeling, maar giet, op het voorbeeld van den Samaritaan, olie in hunne wonden, en tracht deze door uwe vriendelijkheid en teedere deelneming:, zoo niet te o-e-nezen, dan tucli als door een pijnstillenden balsem te verzachten. Eenieder heeft zijn eigenaardig karakter, eenigen zijn uitgelaten, anderen ernstig, dezen gejaagd, genen traag en langzaam in hunne manier van handelen, en het kan niet anders of men heeft van elkander iets te verdragen; nu eens de luimen van dezen, dan weder de grillen van genen. Zonder de deugd van zachtmoedigheid kan alzoo geen goede verstandhouding bestaan tusschen familieleden of huisgenooten, en het anders zoo stille en aangename familieleven verliest aï zijne bekoorlijkheden. Zou het echter gebeuren, dat gij u een driftig woord Hot ontvallen, want wij zijn en blijven toch immer zwakke kindoren Adams, wordt dan niet boos op uzelven, omdat gij boos geweest zijt, want dan zoudt gij de eene fout door eene tweede willen bestraffen, maar verneder u aanstonds voor God, vat weer onmiddellijk moed, opdat u niets ergers over-

-ocr page 214-

korae en uw Engelbewaarder, getuige van den strijd, zal uwen moed en uw geduld bewonderen. Ketenen wij de gramschap, zooals de H. Joannes Climacus zegt, dien woedenden vijand met de banden der zaclitmoe-digheid, maar zóó vast, dat hij immer geketend blijve, opdat de woorden van Christus op ons kunnen worden toegepast: «Zalig zijn de zachtmoedigen ; want zij zullen «de aarde, dat is het land der levenden, bezitten» (1).

GEBED.

O mijn zachtmoedige Jezus! Gij zijt de onschuld en de heiligheid zelve, en toch verdraagt Gij de gruwzaamste onteering. Een ellendig slaaf slaat U in het aangezicht; die smaad- en pijnvolle beleediging ontvangt Gij kalm en bedaard, zonder klagen. En ik, die ter oorzake van mijn zondig leven eeuwigen smaad eu pijn verdiend heb, kan het minste niet verdragen. Een enkel beleedigend woord ontsteekt mij in gramschap, eu allerlei verwijtingen vloeien van mijne lippen. Ter oorzake van mijne grammoedigheid hel) ik helaas! anderen, die mij omgeven, vaak bitter bedroefd, zonder eenige schuld van hunnen kant. Ik heb mij zeiven hatelijk on het leven van anderen verdrietelijk gemaakt. Wanneer zal ik mijn opkomende drift van gramschap eens voor goed beteugelen? het is meer dan tijd. Jk bedank U, liefdevolle Zaligmaker, dat üij zoovele jaren met mij geduld hebt gehad. Door de verdienste van dien wreeden kaakslag bid en smeek ik u om vergeving. Het is mij innig leed, dat ik U, zachtmoedige Jezus, door mijne gramschap duizenden malen beleedigd

(i) Matth. 5. 4.

-ocr page 215-

203

heb. Voortaan zal ik mijn uiterste best doen, om door lichtgeraaktheid en gramstoriglieid anderen niet moeite bedroeven, U niet meer to beleedigen en mijne /iel niet meer te bezoedelen. O Jezus! o Lam Gods, geef' mij hiertoe uwe genade. O mijne goede Moeder Maria! sta mij bij en verkrijg mij de deugd der zachtmoedigheid.

HOOFDSTUK III.

Petrus autem sequebatur eum a Jonge.

Mattli. XXVI. 58.

En Petrus volgde bcm van verre.

Treden wij in den geest het gerechtshof binnen, waar Caiphas, de priesters en ouderlingen vergaderd zijn. Christus, de rechter van levenden en dooden, de heiligheid zelve, staat daar als een boosdoener en bedrieger voor de snoode rechters. Hij staat daar, de handen, zoo menigmaal uitgestoken om blinden eu zieken te genezen, met koorden gebonden, door vermoeienis en het bloedig zweet schier uitgeput van krachten, met een loodkleurig, bleek en door dien wreeden kaakslag gezwollen gelaat. Zeer veel had de Zaligmaker reeds in zijn gezegend lichaam geleden, maar thans wordt zijn hart met biltere droefheid vervuld, eene grievende smart wordt Ifem aangedaan, des te grievender, omdat ze veroorzaakt wordt niet door een ellendig slaaf', niet door een dier vijandige rechters, maar door een zijner leerlingen, door een Apostel en wel door Petrus, den prins der Apostelen. Evenals de andere leerlingen had Petrus in den hof' de vlucht genomen, en zijn meester in de handen zijner

-ocr page 216-

'204

vijanden achtergelaten. Doch de liefde, die hij nog voor Jezus koesterde, deed hein terugkeeren en eenigermate de vrees overwinnen. Ik zeg eenigermate; want uit vrees van herkend te worden als een leerling van Jezus en als degene, die Malchus het ooi- had afgehouwen, volgde hij zijn meester van verre. Zijn hart klopte nog van liefde voor Jezus, maar niet meer zoo vurig als vroeger; zijne liefde was werkelijk verkoeld, en hel duurde niet lang, of van louw werd hij koud, en viel in zware zonden. Op de stem eener dienstmaagd, loochende Petrus in tegenwoordigheid van uilen, dat ook hij met Jezus was. Na eenmaal zijn meester te hebben verloochend, viel hij al dieper en dieper. Wederom door eene andere dienstmaagd als een leerling-van Jezus aangeduid, maakte hij zich op nieuw aan verloochening zijns meesters schuldig, en bekrachtigde zijn gezegde met een eed. Voor de derde maal als een leerling van-Jezus beschouwd door hen, die daar stonden, en, op de aanwijzing eener dienstmaagd, toetraden, begon Petrus, in het nauw gebracht, zich zeiven te vervloeken en te zweren, dat hij dien mensch niet kende. Zoo werd bewaarheid hetgeen Jezus gezegd had; «Eer de haan zal kraaien, zult gij mij «driemaal verloochenen.» Petrus, na zijn goddelijken meester zoo plechtig getrouwheid beloofd, en zoo even uit diens handen zijn vleesch en bloed te hebben ontvangen , valt reeds bij het eerste woord eener dienstmaagd, hij valt tot driemaal toe, en zoo diep dat hij zijn God verloochent.

Wie onzer zou niet vreezen? Zouden wij ook jaren lang evenals Petrus, den fleer Jezus vurig bemind hebben, en op zijn voorbeeld vast besloten zijn, in geen geval dien goddelijken Zaligmaker ontrouw te

-ocr page 217-

205

worden; loch mogen wij niet zonder vreeze leven, indachtig de woorden van den H. Paulus: (1) « Wie «meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.» Petrus zag niet toe, en daarom is hij gevallen. Hij zag niet in, hoe zwak de raensch, en hoe gevaarlijk de gelegenheid is voor oen zwak kind van Adam. Had hij, met liet oog op zijne machteloosheid, de handen tot Jezus uitgestoken en bijstand afgesmeekt, dan zou de liefderijke \erlosser hem de hand toegereikt en voor den geestelijken dood gevrijwaard hebben, zooals Mij hem weleer, wandelende op zee, van den lichamelijken dood gered had. Dan Petrus was niet in de nabijheid van zijn goddelijken meester, hij volgde Jezus wel, maar van verre. Had hij Hem van nabij aangehangen, zegt Remigius (2), dan had hij den Heer niet kunnen verloochenen. Petrus, zegt de H. Alphonsus (3) wilde Jezus niet verlaten, maar volgde Hem slechts van verre. Zoo ook zijn er vele Christenen, die zonder zich van Jezus te willen scheiden door de doodzonde, Hem wel volgen, maar van verre door het plegen van dage-lijksche zonden , en velen onder hen vallen ten laatste, evenals Petrus, in de doodzonde.

lu het hart van Petrus waren vrees en liefde met elkander in strijd; de liefde overwon de vrees in zooverre hij Christus volgde, maar in het 'gevaar kreeg- de vrees de overhand, omdat zijne liefde reeds verflauwd was. Want, zegt de 11. J'onaventura, (i) is eenmaal het vuur der liefde Gods verkoeld, dan wordt de menscli geneigd zijn God te verloochenen, en alle kwaad to plegen. Zoolang derhalve onze liefde tot God

(i) I Corinth. lo. 12. — (2) v. r. g. Cat. aurea in Matth. 2^- (3) T. IO- 36. — (4) In Luc. c. 22. v. 54.

-ocr page 218-

206

vurig blijft, hebben wij niets, is zij lauw, alles te vree-zen. Een vurige liefde vereenigt ons met God, en God houdt ons staande; een verflauwde houdt ons van God verwijderd, zoodat wij Hem ten laatste geheel en- al uit het oog verliezen, en van lauw wordt de liefde koud. Vreezen wij dus de lauwheid.

Me vrees voor la.uwliciil.

Zonder eene buitengewone genade Gods kunnen wij alle onvolmaaktheden niet vermijden, zooals bijv. een ijdel woord, eene verstrooidheid in het gebed. Aan dergelijke onvolmaaktheden zijn wij allen onderworpen. Bestond hierin de lauwheid, dan waren wij allen lauw. Zou men, om niet lauw te zijn, vele zoetigheden in den dienst des Ileeren, vele vertroostingen in het gebed moeten smaken, dan waren vele heiligen, gedurende het grootste gedeelte huns levens lauw geweest. Moeten zij onder het getal dor lauwe zielen gerangschikt worden, die nu en dan in eene dagelijksche zonde vallen, dan zou het getal der niet lauwen al uiterst gering zijn. Ware het hervallen in de dagelijksche zonden een teeken van lauwheid, dan zou het getal der lauwen ontzaglijk groot wezen. Hetzelfde zou ook het geval zijn, wanneer hot plegen van menigvuldige dagelijksche fouten ons tot lauwe zielen maakte. Het zijn niet zoozeer de fouten, als wel de gehechtheid aan die overtredingen, die het vuur der liefde doet verkoelen, en ons tot den staat dei lauwheid brengt. (fDe ware lauwheid,» zegt de H. Al-phonsus, (1) Cf is do slaat van hen, die met voorbedachten rade, met volle kennis fouten plegen, en.

(i) T. ii. 218.

-ocr page 219-

207

«daar zij die niet tellen, zidi weinig moeite geven, om «zich te beteren.» «Een lauwe ziel, gt;) zegt hij, op oene andere plaats, (I) «vreest wel in doodzonde te vallen, «maar stoort zich weinig aan de dagelijksche zonden, «zelfs aan die, welke zij moedwillig pleegt, en waarvan «zij niet tracht zich te beteren.» Een lauwe ziel is gelijk aan een kind , dat zijn vader volgenderwijze toespreekt: «mijn vader, ik zal u beminnen en gehoorza-«men op eene wijze, dat ik niet van mijne erfenis «beroofd worde, maar of u dit behaagt, of niet, hier-«aan zal ik mij niet storen; aan uwe bijzondere «liefde hecht ik geene waarde, op uwe vaderlijke ge-«negen heid jegens mij stel ik geen prijs.» Op dergelijke wijze spreekt een lauwe ziel, zoo niet door woorden, dan toch dooi' hare daden: «mijn God en «mijn Vader! zeer zeker zal ik U dienen en geboorza-«men, want ik ben bevreesd voor de hel; eraarne

' ' O

«zou ik in den hemel komen, en ik zal wel zorgen «n\v erfgenaam, en de medeerfgenaam van uw Zoon «te blijven, maar aan uwe bijzondere gunst is mij «weinig gelegen: of ik dicht bij U, of van U verwij-«derd ben, hierover bekreun ik mij niet; aangaande «uwe goede gezindheid jegens mij, ben ik vrij onver-«schillig; mijne liefde jegens ü moge vurig of koel «zijn, dit neem ik niet ter harte, mits de hand der «liefde niet verbroken worde.» Dat deze de taal is eener lauwe ziel begrijpt eenieder, want zoolang de gebecbtlieid aan de dagelijksche zonden blijft bestaan, hondt zij niet op het hart van Jezus te bedroeven. Maar wie onzer ziet dan niet in, dat zulke liefde koel is, en weldra geheel en al zal worden uit-

(l) T. 2. 154.

-ocr page 220-

208

gedoofd? De band der liefde is maar een draadje meer, en weinig is er noodig om het te verbreken.

De sterke band der liefde wordt niet op eens verbroken; volgens het oude spreekwoord: niemand wordt eensklaps een booswicht. Warm water wordt niet plotseling koud, eerst lauw en dan koud. Eene ziekte, vooraleer zij doodelijk is, begint met cent ongesteldheid. Eene verwaarloosde onpasselijkheid heeft vaak eene doodelijke ziekte ten gevolge, evenals een vonkje vuur, dat niet onmiddellijk wordt uitgedoofd, eenen vree-selijken brand zou veroorzaken. Verwaarloost men een klein lek in een schip te stoppen, dan gaat het eindelijk ten gronde. Zoo is het voldoende volgens de II. Theresia , dat men de deur zijns harten een weinig laat openstaan, opdat de duivel zich er meester van make, en de ziel zich stoite in een afgrond van zonden. Eene doodzonde zal men zelden plegen, tenzij do gewoonte van dagelijkschezonden te bedrijven, voorafga. Men begint, zegt de H. Bernardus, (1) kleine zonden te doen, en later valt men in groote. De duivel zal daarom godvreezende personen niet aanstonds tot eene zware zonde bekoren, wel wetende dat zij voor zulken gruwel terugdeinzen, en hij hierin vooreerst niet slagen zal. Doch wat de dagelijksche zonden betreft; deze weet hij hun als onvermijdelijk en onbeduidend voor te spiegelen. Het vagevuur stelt hij voor als eene plaats, die zij onmogelijk vermijden kunnen, en waar men overigens met geduld en liefde lijdt. Is hij er eenmaal in geslaagd, aan eene tot dusverre ijverige ziel, de vrees voor de dagelijksche zonden Ie benemen, dan gaat hij langzaam verder. Vooreerst worden er

(i) De orcl. vit. c. n.

-ocr page 221-

209

nog eciie menigte zonden gepleegd, die wel zwaarder maartocli immer nog dagelijksche zonden zijn. Van dag tot dag wordt de ziel al zwakkeren zwakker, verstoken als zc blijft van bijzondere genaden des Heeren, die zij zich door bare lauwheid onwaardig heeft gemaakt. Als hij eindelijk de lauwe ziel van zulke genaden en dien bijzonderen bijstand Gods beroofd ziet, bekoort hij haar, door ecne rechtvaardige toelating des Heeren, heviger dan ooit tot eene doodzonde, die hij, tegen de stern des gewetens in als twijfelachtig voorstelt. Is nu die zonde eenmaal gepleegd, dan tracht Satan die ziel zoo veel mogelijk gerust te stellen, wijst haar op de hevigheid der bekoring, waaraan zij niet in staat was wederstand te bieden, als zijnde boven hare krachten, en in hare verblindheid denkt zij niet aan het woord des Apostels: «God nu is getrouw, en Hij zal niet toelaten, dat «gij beproefd wordt boven uw vermogen.» (1) En zou zij ook soms de stem des gewetens hooren , dan zegt de duivel: 0! er zijn er zoovelen, die dezelfde en nog grooter zonden plegen, en God is te goed om hen allen te verdoemen; daarenboven wijst hij de ziel op eene menigte andere personen, die zich later bekeerd hebben, en fluistert haar in, dat haar de tijd niet ontbreken zal. Middelerwijl gaat hij voort die ziel opnieuw te bekoren dooi' haar allerlei zinnelijkheden voor te stellen, om ze al vaster en vaster te binden, zoodat zij ten slotte in zware ketenen der zonden gekluisterd ligt. De gewoonte van dagelijkse he zonden vrijwillig te plegen blijft ze behouden, nu er sprake is van doodzonden. Na herhaalde malen, om niet te zeggen aanhoudend, de stem des gewetens versmaad te hebben, trotseert ze

(i) I. Corinth. 10. 13. I IJKEN V. CHRISTUS.

14

-ocr page 222-

210

deze eveneens in den staat van doodzonde, indien zij haar nog hooren zou; want soms laat God toe, dat zij. ter oorzake van haar lauw en zondig leven, die stem niet meer lioort en zich gerust gevoelt. Dit is eene vreeselijke straf'; immers, hoort men in zijn zondig leven ten laatste de stem niet meer van een barmliar-tigen God, dan heeft men alle reden te vreezen van weldra te zullen vallen in de handen van een verbolgen God. Dit alles heeft eene lauwe ziel te vreezen, die voor de gevolgen harer lauwheid niet bevreesd is. Wat meer is, de H. Gregorius (1) wanhoopt aan de bekeering van zulke onbevreesde ziel. Haar gesteltenis is gelijk aan die eens teringlijders, zegt de H. Alphon-sus. (2) Nauwelijks wil hij gelooven, dat hij de tering heeft, men kan hem van het gevaarlijke dier ziekte maar niet overtuigen, en toch sleept ze hem naar het graf. Evenzoo wil eene lauwe ziel de noodlottige gevolgen harer lauwheid maar niet inzien, nauwelijks gelooft zij lauw te zijn, en toch sleurt deze geestelijke ziekte haar van den afgrond der zonden, naar den afgrond der hel.

De doodzonde is de grootste ramp, die den menseh kan treffen; deze maakt hem onder alle opzichten, in den waren zin des woords, diep ongelukkig. Eene ziel met zulke zonde beladen, wordt eene vijandin van God, eene slavin des duivels. De deur des hemels is voor haar gesloten, en zij bevindt zich plichtig aan het eeuwig vuur. Ondanks dit alles is iemand, die onder eene hevige bekoring eene doodzonde heeft gepleegd, in zekeren zin, niet zoo ongelukkig als eene ziel, die in staat van lauwheid verkeert. Wat is hiervan de reden.' Door eene doodzonde wordt de band der liefde geheel

(i) Past. p. 3. adm. 35. — (2) T. 10. 115.

-ocr page 223-

on al verbroken, en sterft men in dien staat, dan is men verloren. Dit is waar, doch voor eene ziel, die zich aan doodzonde schuldig gemaakt heeft, bestaat meer iioop van bekeering dan voor eene lauwe. En dit gaf de H. Geest door den mond van den Apostel Joannes aan den Engel, dat is, liet geestelijk opper-lioofd van de gemeente te Laodicéa te kennen, toen hij den Laodicéers, door hun Bisschop vertegenwoordigd, hunne lauwheid verweet, er bijvoegende: «Och, of gij «koud waart of heet! maar omdat gij lauw zijt en noch « koud noch heet, zal ik u uitspuwen uit mijn mond.» (1) De H. Alphonsus (2) verklaart volgenderwijze deze woorden: « Het ware beter, dat gij geheel en al van « mijne genade beroofd waart, want dan zoudt gij meer «hoop hebben van te genezen. Indien gij echter in uwe «lauwheid voortleeft, zijt gij aan grooter gevaar « blootgesteld van verloren te gaan, want gij zult ge-«makkelijk van den staat der lauwheid tot dien der «doodzonde geraken, mot weinig hoop van daaruit op «te staan.» Vandaar zegt de gelukzalige Beda (3), dat het moeilijker is lauwe Christenen te verbeteren dan heidenen. De H. Joannes Chrysostomus (4) is ook van gevoelen, dat wij de gewoonte van dagelijksche zonden te plegen in zekeren zin meer moeten vreezen dan de doodzonden, die natuurlijkerwijze meer afschuw inboezemen, terwijl de dagelijksche fouten, beschouwd als iets van weinig aanbelang, de ziel zoo zorgeloos maken, dat zij kleine zonden niet telt, en er eindelijk toe komt, ook met zware geene rekening te houden. Hetzelfde geeft ons de goddelijke Zalig-

(i) Apoc. 3. 15. 16. — (2) T. 10. 114. — (3) Prov. verbo Tepide. —• (4) In Matth. hom. 87.

-ocr page 224-

212

maker als liet ware met deze woorden te kennen: «Wie in het geringe onrechtvaardig is, is ook in liet «grootere onrechtvaardig.» (i) Wee de ziel! roept de H. Alphonsus uit (2), die in vrede leeft met de zonde, al was het slechts eene dagelijksche. Zij loopt groot gevaar van verloren te zullen gaan. De H. Kerkvergadering van Trente (3) veroordeelt hen, die durven beweren, dat men zonder eene bijzondere hulp Gods hi den staat van genade kan volharden. Dezen bijzonderen bijstand, zegt wederom de H. Alphonsus (4-), zal God met recht weigeren aan dengene , die met voorbedachten rade dikwijls dagelijksche zonden pleegt, zonder acht er op te slaan. Laat ons dan , roept de H. Joannes Chrysostomus uit (5), de kleine zonden vluchten, want zij hebben zware ten gevolge. Zoo deden ook de Heiligen. De H. Calharina van Genua placht te zeggen, dat zij zich liever in eene zee van vuur zon werpen, dan eene dagelijksche zonde bedrijven. Die Heiligen begrepen beter dan wij. wat het is, een God te beleedigen door de minste zonde; deze, zeide de H. Theresia, kan ons moer kwaad berokkenen dan de gansche hel.

Indien eene ziel, die nu en dan uit zwakheid eene dagelijksche zonde pleegt, dikwijls ernstig overwoog, aan welk groot gevaar van eeuwig verloren to gaan, eene lauwe ziel is blootgesteld, zou zij uit vrees van lauw te worden, nimmer vrede sluiten met hare fouten, ze onmiddellijk verfoeien en God om vergeving smeeken met een vast besluit ze niet meer te plegen. Dit gevaar verliezen, helaas! maar al te velen uit liet oog, en

(i) Luc. 16, io. — (2) '1'. 2. 323. — 13) Sess. 6. can. 22. (4) t. a. p. — (5) In c. 7 ad Rom.

-ocr page 225-

213

daarom juist treft men in menigte personen aan, die een godvruchtig leven willen leiden, dikwijls naderen tot de HH. Sacramenten, en toch zoo weinig maken uit de dagelijksche zonden. Groot is ook het getal dei-lauwe zielen ; men vindt ze in de wereld, en gave God dat men er geen vond in de stille eenzaamheid! Ten tijde van den H. Eernardus waren eenige kloosterlingen van lauw vurig geworden. De Heilige zulks vernemende, riep uit: O, ware het mij gegeven, naar de plaats tc kunnen gaan waar gij zijt, om dit nieuwe wonder te aanschouwen, want gij moet weten, mijne broeders, dat het hervatten van uw vroegeren yver eene niet minder groote genade is, dan uwe intrede in 'net klooster. Eene lauwe ziel, die zich bekeert en in deugd toeneemt, is een zeldzame vogel op aarde. (1). Een lauwe kan derhalve met de genade Gods vurig worden. Maar dan moet men volgens den 11. Alphonsus, een vast en onwrikbaar besluit nemen, van voor goed een einde te maken aan de lauwheid, en zou men zulk verlangen niet gevoelen, dan is men verplicht door een vurig gebed zulk verlangen van God af te smce-ken. Men beijvere zich zijne hoofddrift te kennen, en aanhoudend te bestrijden, totrlat ze volkomen overwonnen is. Men vermijde tevens de gelegenheid, die ons doet vallen, en voege bij dat alles een voortdurend en vurig gebed. Zoudt gij, die deze regelen leest, door Gods genade niet tot de lauwe zielen behoo-ren, vermijd dan uit al uw vermogen de dagelijksche zonde, en zoudt gij uit zwakheid er in gevallen zijn, verneder u dan voor God, verfoei ze uit den grond uws harten, en wees wel op uwe hoede, van nimmer

(i) Vie du Pèrc Alvarez, par Dupont. ch. 17.

-ocr page 226-

214

den moed te verliezen. Blijft gij ze bestrijden, ondanks het hervallen in dezelfde fouten, dan zult gij door Gods genade nimmer tot dien staat van lauwheid geraken.

GEBED.

Ziehier, mijn Jezus! een dier ongelukkige zielen aan uwe voeten. Ter oorzake van den ellendigen staat van lauwheid, waarin ik reeds zoovele jaren geleefd heb, verdiende ik door U verlaten, van uw licht en uwe genade beroofd te worden. Maar ik zie, dat Gij TJ nog gewaardigt mij op dit oogenblik te verlichten, een teeken dat Gij mij nog niet verlaten hebt. Ik wil dan ook niet meer ondankbaar zijn. Gij wilt mij alle ondankbaarheden, alle beleedigingen, U door mijn lauw leven aangedaan, vergeven, mits deze mij leed zijn. Ja, lieve Jezus! ik verfoei cn verafschuw die uit gansch mijn hart, meer dan alle rampen der wereld. Mijn eenigst verlangen is U voortaan vurig te beminnen. Gelief dit verlangen steeds te vermeerderen, alsmede het licht, waardoor ik thans mijne ondankbaarheid zoo duidelijk inzie. O Jezus! doe U beminnen door eene arme zondige ziel, die Gij zoo zeer bemind, en wier ondankbaarheid Gij zoovele jaren met geduld verdragen hebt. Steunende op uwe verdiensten en uwe eindelooze barmhartigheid, hoop ik door eene vurige liefde mijne lauwheid te herstellen, U in dit en in het ander leven uit geheel mijn hart te beminnen. O Maria, mijne Moeder, deze genade, dit licht, dit verlangen hebt gij mij door uwe voorspraak geschonken. Blijf steeds voor mij bidden, opdat ik nimmermeer tot mijne vroegere lauwheid terugkeere, maar uw Zoon Jezus immer vuriger

-ocr page 227-

215

en vuriger moge liefhebben, totdat ik eindelijk moge worden, zooals Gij verlangt, geheel aan Jezus. Amen.

HOOFDSTUK IV.

Summi vero sacerdotes et ornne consilium qujr-rebant adversus Jesum testimonium, ut eum morti traderent Marc XIV. 55.

De opperpriesters nu en geheel de raad zochten eene getuigenis tegen Jezus, om Hem ter dood te brengen.

Terwijl de rampzalige Judas aan het hoofd eener bende soldaten was uitgegaan, om Jezus in hunne handen over te leveren, had Caiphas de schriftgeleerden, ouderlingen en priesters bijeengeroepen. Zij vormden den Raad, waarvoor Christus zou verschijnen, om aanstonds gevonnisd en veroordeeld te worden. Allen droegen Jezus een doodelijken haat toe, en verbeidden met ongeduld het oogenblik, waarop zij hunne wraaklust konden koelen. Jezus zou sterven, dit was reeds lang afgesproken, want allen dorstten naar het bloed van dengene, die hun zoo vaak hunne zonden verweten, en hen voor het volk ontmaskerd had. Van wraaklust mocht geen sprake zijn, maar hun zondig en moorddadig plan moest, in het oog des volks , ijver voor de wet schijnen. Zij zouden optreden als rechters, als leden van het Sanhedrin, om Jezus voor het volk als een overtreder der wet, als een godslasteraar te brandmerken en ter dood te veroordeelen. Over den behoorlijken vorm van procesklachten en het noo-dige vereischte voor eene onpartijdige rechtbank bekommerden zij zich niet, veel minder over de degelijkheid der aanklacht zelve. Gerust mochten de getuigen

-ocr page 228-

216

valsche beschuldigingen inbrengen; zij wisten immers zeer goed, dat zij niets ten laste konden leggen aan Hem, die hen -weleer had uitgedaagd door deze woorden; « Wie uwer zal mij van zonde overtuigen ? » (1) Daarom waren alle getuigen welkom, mits hun getuigenis slechts een schijn van waarheid bevatte. Doch onder de vele getuigen, die zich aanboden, was er niet één, die met een schijnbaren grond van degelijkheid zijne aanklacht kon staven, zoodat die snoode rechters, hoe laag overigens ook om ieder getuigenis tegen Jezus te doen gelden, genoodzaakt waren ze af te wijzen. Bij al deze aanklachten had Jezus het stilzwijgen bewaard, hierdoor te kennen gevende, dat zij geen antwoord verdienden. Caïphas dan geen getuigen vindende, die eene afdoende beschuldiging leverden, zocht nu Jezus uit zijne eigene belijdenis te veroordeelen. Hij bezweert Hem bij den levenden God, dat is, zegt Bee-len (2), eischt van Hem, dat Hij den levenden God, den eenig waren God, tüt getuige nemende der waarheid van hetgeen Hij antwoorden zal, voor den Hoogen Raad verklare of Hij de Christus, de Messias, de Zoon Gods is. Caïphas verwachtte een bevestigend antwoord op zijne vraag, en zijn oogmerk was, Jezus om dit antwoord, als iemand, die zich met God gelijk stelde, en derhalve als een godslasteraar ter dood te veroordeelen. Zooals de Hoogepriester verwachtte, geschiedde het. Jezus, ondervraagd in den naam van God, legt voor den Hoogen Raad de ondubbelzinnigste verklaring af van zijne Godheid en antwoordt den Hoogepriester: «Gij hebt het gezegd;» rret andere woorden: Ja, ik ben het. In plaats nu van neder te knielen, en Jezus,

(i) Joann. 8. 46. — (2) In Matth. c. 26. 63.

-ocr page 229-

217

den waren Messias , den Zoon van den levendon God , te aanbidden, scheurt Inj, in schijn uit verontwaardiging, zijne kleederen, zooals de Joden deden op het hooren van eene godslastering; doch in zijn boosaardig hart was hij verheugd, immers nu hadden zij geen getuigen meer noodig. Hij riep dan ook uit, nadat Jezus zijne vraag bevestigd had: «Hij heeft C4od gelasterd! «wat hebben wij nog getuigen van noode? Zie, nu hebt «gij de godslastering gehoord. Wat dunkt u? En zij «antwoordden en zeiden; Hij is des doods schuldig.» (1) Wel mag men dan met den H. Joannes Chrvsosto-mus (2) zulken Raad eene verpestende bijeenkomst noemen, wier leden met verkrachting van alle recht en billijkheid, niet dorstten dan naar het onschuldig bloed van Jezus. Om echter hunne wraaklust voor het volk te verbergen, wilden zij voor ijveraars der wet doorgaan , en in die hoedanigheid veroordeelden zij Jezus ter dood als overtreder der wet, omdat Hij God gelasterd had. Duizenden malen had Jezus èn door zijne woorden èn door zijne wonderen duidelijke bewijzen gegeven zijner Godheid. Door de opwekking van Lazarus, die reeds vier dagen overleden was, had Hij nog voor eenige dagen hiervan een doorslaand bewijs geleverd. Doch ziende waren zij blind, hoerende doof'. Zij gaven zich zelfs de moeite niet, om te onderzoeken of Hij waarlijk God gelasterd had. Des doods is Hij schuldig, ziedaar de eenige kreet van hun boosaardig hart, van hun bloeddorstig gemoed. Had Jezus hen vroeger als schijnheiligen gebrandmerkt, thans stijgt hunne schijnheiligheid ten top. Afgunstig, wraakgierig, bloeddorstig gelijk ze waren, wilden zij doorgaan als ijveraars voor de

(l) Matth. 26. 65. 66. — (2) Hom. 85,

-ocr page 230-

'218

wet, en hunne lage liartstocliten verbergen onder den mantel der gerechtigheid. Welke afschuwelijke schijnheiligheid ! en toch hebben zij hunne navolgers gehad, die onder den schijn van edele bedoeling, van belangstelling in het zielenheil, Christus en zijne Kerk vervolgd hebben. Zoo worden er ook nog in onze dagen gevonden, die het involgen hunner driften voor ijver of deugd willen doen doorgaan, minstens willen zij , ofschoon met vele ondeugden behebt, voor deugdzaam worden aangezien. Hebben wij ons hieromtrent niets te verwijten? —

l»c afkeer van schijnlieiliglieid.

«De Zoon des menschen is gekomen, om te zoeken «en zalig te maken hetgeen verloren was.» (1) Hiervoor gaf Hij zich ongelooflijke moeite, Hij getroostte zich het gezelschap der zondaren om hunne zielen te winnen, en ging als een goede Herder gestadig rond om het verloren schaap te zoeken. Had hij het gevonden, dan nam Hij het met vreugde op zijne schouderen, en met de teederste liefde werd het behandeld. Bleef Jeruzalem doof voor zijn goddelijk woord, dan barstte Hij los niet in harde verwijtingen , maar in bittere tranen; zijn teeder hart werd om de liefde, die Hij het volk toedroeg, door innig medelijden als gebroken. Ondanks zijn meer dan vaderlijke goedheid, zien wij Hem toch hoogst verontwaardigd, en hooren wij Hem vreeselijke verwijtingen en schrikkelijke bedreigingen doen. Maar tot welke zondaars werden zij gericht? Tot de schriftgeleerden en de Phariseers. En waarom vooral tot dezen? Omdat zij schijnheiligen waren in

(i) Luc. 19. 10.

-ocr page 231-

219

den hoogsten graad. Onder den schijn van deugd misleidden zij het volk, terwijl zij aan de schandelijkste ondeugden onderworpen waren. Met den mantel van godsvrucht bedekten zij hunne lage en afschuwelijke hartstochten. Zij deden zich voor als ijveraars der wet cn der overlevering, en met dat al schaamden zij zich niet de wet des Heeren te overtreden. De goddelijke Zaligmaker noemt ze dan ook; blinde leidslieden, dwazen en blinden, gelijk aan gepleisterde grafsteden, slangen, adderengebroed en huichelaars. Ten tijde des Zaligmakers waren er vele zondaren, en onder dezen waren de Phariseërs wel de grootste. Niet alleen waren zij kinderen Satans, maar zij wilden daarenboven voor vroom, verstorven en mannen van gebed doorgaan, cn als zoo-

O O quot;

danig door het volk geprezen en geëerbiedigd worden. Dit kon Jezus niet dulden, Hij rukte hun het masker af en toonde aan het volk, na de steenen van die gepleisterde grafsteden te hebben weggenomen, hoezeer hun hart vol was van onreinheden. O! hoe verfoeilijk moet in hot oog van Christus de schijnheiligheid zijn, vooral wanneer men zich hiervan bedient, om zijne booze hartstochten des te beter bot te kunnen vieren, en anderen gemakkelijker te misleiden. Geheime zonden voor het oog der wereld verbergen, is geen huichelarij; dit, is meestal raadzaam en bijna altijd verplichtend, om anderen niet te ontstichten. Zijne gedachten niet aan eenieder te openbaren, vergt vaak de voorzichtigheid, want er staat geschreven: «Het hart der dwazen is in «hun mond, maar de mond der wijzen is in hun hart.» (1) lloch huichelen is altijd zonde en verschilt van veinzen. Geveinsdheid, zegt de H. Thomas, (2) is een soort van

(i) Eocli. 21. 29. — (2) 2. 2. Qu. CXI.

-ocr page 232-

220

leugentaal waarbij men door eene daad of uitwendige houding iets te kennen geeft en iets anders, ja zelfs het tegenovergestelde, in de plooien zijns harten verbergt. Elke geveinsdheid, zegt die H. Leeraar, is geen huichelarij, maar elke huichelarij is geveinsdheid, en de huichelarij bestaat hierin, dat men zich als een ander persoon aanstelt, zooals wanneer een zondaar zich voordoet als een rechtvaardige. Deze soort van menschen, talrijker dan men wellicht meenen zou, noemt men schijnheiligen. En indien, zooals de H. Bonaventura zegt, (1) hij zelfs onder het getal der schijnheiligen moet gerekend worden , die beter wil schijnen dan hij inderdaad is, wie onzer begrijpt dan niet, dat er vele schijnheiligen gevonden worden, niet slechts in de wereld, maar misschien zelfs onder hen, die in stille afzondering hunne dagen slijten. Hiervan zullen wij ons gemakkelijker overtuigen , als wij zien, hoe de H. Bonaventura verder over de schijnheiligheid spreekt: «Schijnheiligheid is «het als men onder een bedriegelijken schijn voor heilig «wil doorgaan, en in het geheim zich slecht gedraagt, «hetzij door de daad, hetzij door zijne bedoeling,» (2) «zij is eene onder den mantel van deugd verborgene «ondeugd, (3) een veinzen van iets goeds, dat niet «bestaat.» (4) Verlangt gij te weten, wat de H. Prosper van de schijnheiligen zegt, en zien of gij hiervan iets op u zeiven kunt toepassen? Hoor dan hoe hij ze kenmerkt: (5) «zij preeken groote, verhevene zaken, maar «doen ze niet; zij vallen uit tegen de ondeugden, doch «ontdoen er zich niet Van; in het openbaar verfoeien «zij, hetgeen ze plegen in het geheim; zij willen groot

(l) De parad, adimie p. 2. De vitiis c. 17. — (2gt;l Part. 1. Centiloquii sect. 18. — {3) t. a. p. sect. 30. — (4) In speculo anim. c. I. — (5) L. 11. de vit. contempl. c. 4.

-ocr page 233-

221

«schijnen; prijzen hen, door wie zij verlangen geprezen, «te worden; zij vasten, om hun bleek aangezicht voor «verderfelijke loftuitingen te verkoopen: zij zijn vaardig «om anderen te berispen, maar dulden niet, dat iemand, «wie dan ook, hen in hen minste lake, zij veinzen «geduldig te zijn en in hun hart is het gift der «gramschap verborgen; om iemand te schaden zijn zij «altijd bij iedere gelegenheid bereid; over hunne per-«soonlijke daden bekommeren zij zich niet, terwijl zij «de handelwijze van anderen met de stoutste vrijheid «gispen.»

Zulke schijnheiligen zou men met den H. Joannes Chrysostomus (1) kunnen toespreken: «Zeg mij, schijn-«heilige, indien het goed is slecht te zijn, waarom wilt «gij dan niet schijnen te zijn, hetgeen gij zijt? Want «hetgeen een schande is te schijnen, is nog meer schande «te zijn; hetgeen schoon staat te schijnen, is ook schoon «te wezen. Derhalve wees hetgeen gij schijnt te zijn, «of ook toon hetgeen gij zijt.» Zeer velen zou men ook in onze dagen kunnen vragen: zeg mij eens, gij schijnt zoo godvruchtig, zoo ingetogen, zoo verstorven, maar zijt gij dat alles in werkelijkheidIs uw hart zóó rein, zóó zuiver als uwe daden het te kennen geven? Zou God u oordeelen, gelijk gij verlangt dooi' de rnenschen geoordeeld te worden? Volgens uw uitwendige te oordeelen, zijt gij zoo voorkomend, zoo liefdevol, zoetsappige woorden vloeien steeds van uwe lippen; doch is bij dat alles uw hart niet vaak liefdeloos gestemd ? Men bemerkt dat gij vast, men ziet dat gij u in eten en drinken versterft, maar gebeurt het niet, dat gij in het geheim den ouden Adam hiervoor schadeloos stelt? In

(i) Hom. 45. in oper. imperf.

-ocr page 234-

222

één woord, is godvreezender, verstorvener, heiliger te schijnen dan gij zijt, niet dikwijls uw streven? Het is echter waar, dat sommigen voor schijnheiligen gehouden, en als zoodanig aangewezen worden, die toch in geenen deele dien naam verdienen. Maar door welke personen? Door hen, die niet voor lastertaal, maar wel voor het beoefenen der deugd terugdeinzen. die in het goed voorbeeld van anderen eene terechtwijzing zien van hunne eigene onverstorvenheid, en hun eigen berispelijk gedrag. Dezulken zouden willen , dat eenieder hunne fouten, zij mogen nog zoo ergerend en menigvuldig zijn, onopgemerkt laat voorbijgaan, doch stilzwijgend vermaand door het goed voorbeeld van anderen , mogen dezen, alsof zij geen kinderen Adams waren, in niets misdoen, of men houdt hen voor schijnheiligen? Mogen zulke godvreezende personen zich aan dien laster nimmer storen!

Schijnheiligen echter van de ergste soort zijn zij, die onder den schijn van deugd anderen trachten te misleiden om hunne eigene hartstochten te bevredigen. Eeni-gen, hun juk der gehoorzaamheid en der onderdanigheid moede, doen zich voor als ij veraars der wet en der tucht, gispen het gedrag der oversten, alsof zij niet in staat zijn naar behooren te besturen, om zich zoodoende aan het wettig gezag van dezen of genen te onttrekken. Anderen, om hunne eerzuchtige plannen béter te doen slagen, beijveren zich door hunne belangstelling en mee-doogendheid, de harten van anderen te winnen, om dezen, bij gelegenheid eener verkiezing, eener voordracht of benoeming tot deze of geene bediening, ten hunnen gunste te stemmen; of wel zij doen zich vromer bij hunne oversten, nauwkeuriger in alles voor dan zij in werkelijkheid zijn, met het doel om bij het benoemen

-ocr page 235-

22.1

tot eene bediening, waardiglieid of ambt, zich op den voorgrond tc plaatsen. Dezen zou men oogendienaren en dienaressen kunnen noemen. Sommigen, die zich overigens, vooral in het geheim, al heel weinig bekommeren om de voorschriften stipt na te komen, en tevens, wat de naastenliefde betreft, zoo nauw niet zien, dienen onder voorwendsel van ijver en liefde voor de instandhouding der orde en tucht, tegen anderen klachten in; louter wraakneming om hen in de achting der overheid te doen dalen. Nog anderen keuren de handelwijze af van iemand, die met eene bediening belast is, ot' eene waardigheid bekleedt; zij ontkennen in hem de noodige bekwaamheid, spaarzaam overleg, en om hunne beweringen beter ingang te doen vinden , prijzen zij in hem of haar de eene of andere goede hoedanigheid. Dit alles gebeurt natuurlijk in het belang van de goede zaak, hiervan minstens hebben hunne woorden al den schijn, innerlijk echter worden zij door jaloersch-heid hiertoe aangezet.

Ondanks de verhevene leer door Christus verkondigd en zijne openbare wonderen zonder tal, waren er Joden, die in Hem niet wilden gelooven, en tot dezen zeide de Zaligmaker; « Gij, gij hebt den duivel tot vader, en «wilt de lusten uws vaders doen.» (1) Alsof hij zeide; gij, die voor geestelijke kinderen Gods wilt gehouden worden, gij hebt inderdaad den duivel tot vader, en ais echte kinderen, die 's vaders geaardheid en inborst vertoonen, wilt gij ook gaarne dingen doen, waaraan liij lust had, te weten, liegen en moorden. Immers na eerst te hebben gelogen, doodde hij de zielen onzer eerste ouders. Op dit werk van Satan zijn zij belust, die

(l) Joan. 8. 44.

-ocr page 236-

224

eene valsche leer verkondigen. De leugen, onder den schijn van waarheid verborgen, zoeken zij te verspreiden, en ingang te doen vinden om zielen te dooden, hierin het voorbeeld volgende van den duivel hun vader, want, zegt de Apostel Paulus, (1) «Satan zelf neemt de ge-«daante aan van een Engel des lichts.» Terwijl hij een engel is der duisternis, dat is, van leugen en zonde, doet hij, in zijne aanvechtingen en bekoringen zich als een goeden engel voor, als een dienaar des lichts, dat is, van waarheid en gerechtigheid. De duivel is derhalve de verpersoonlijkte huichelarij, en do grootste en afschuwelijkste huichelaars, die ooit op aarde geweest is of zijn zal. De antichrist, wordt door den H. Antoninus (2) genoemd, het hoofd der huichelaars. Ofschoon de goddelooste aller menschen, zal hij door zijne drogredenen en schijn wonderen als de deugd zelve geëerbiedigd, en als een God willen aanbeden worden. Wij zien hieruit, dat zij, die door schijndeugden anderen trachten te misleiden, om hen in hun gevoelen te doen deden, min of meer met den geest Satans bezield zijn, wat alleen voldoende moet wezen om ons een groo-ten afkeer in te boezemen van alle huichelarij of schijnheiligheid, en hen te mistrouwen, die door de H. Schrift hunne verkeerde handelwijze trachten te rechtvaardigen. Laat ons ook voorzichtig zijn in den omgang met hen, die eene waarheid luide verkondigen, waaruit zij verkeerde gevolgtrekkingen afleiden, b. v.: God is goed, zeggen zij, ol Hij is een zoo teedere vader! Hij kent 's menschen zwakheid; en de slotsom is; Hij zal u dit of dat niet kwalijk nemen; doch dat die goede God, ook een rechtvaardig rechter is, dit voegen zij er

(l) II. Corinth. II. 14. — (2) Pars. 2. tit. 4. c. 7.

-ocr page 237-

225

niet bij. Men moet de angstvalligheid bestrijden, zeggen weer anderen, en dit is waar. Hiermede echter hebben zij nauwgezette personen op het oog, die zeer stipt de hun opgelegde bevelen volbrengen, om deze door hun waarschuwen tegen de angstvalligheid, tot nalatigheid en plichtverzuim aan te sporen. Moeten wij alzoo op onze hoede zijn tegen de huichelaars, zorgen wij dan vooral, nimmer tot hun getal te behooren. Beijveren wij ons in werkelijkheid zoo te zijn, als wij willen schijnen, opdat wij in den laatsten dag des oordeels, als een ieder het masker zal worden afgenomen, niet met schande overladen worden. Niemand matr men,

O quot;

wel is waar, ontstichten, maar waartoe dient het heiliger te willen schijnen dan men is, tenzij om anderen te sterken in hunne fouten, die ze ons zien plegen? Zou het soms gebeuren, dat men ons voor zeer deugdzaam ja voor heilig aanziet, wel verre van hen in de meening te sterken, moeten wij ons diep vernederen en denken: gave de goede God dat liet zoo ware! en ons tevens met een ijver, vuriger dan ooit, op de deugd toeleggen, opdat de schijn van deugd ras werkelijkheid worde, en op den grooten dag des Heeren zij niet teleurgesteld en wij niet beschaamd worden. Gave God, dat zij, die slecht en bedorven zijn, zich niet verbergen onder den mantel van godsvrucht om anderen te misleiden, en zij die godvreezender schijnen dan zij zijn, weldra mogen zijn, zooals zij schijnen!

GEBED.

Gij waart, o liefdevolle Zaligmaker! met recht verbolgen op de Pharizeërs, die snoode huichelaars, die gepleisterde grafsteden, welke door hunne schijndeugden

I JJDEN V. CHRISTUS, 45

-ocr page 238-

het volk misleidden. O liefderijke Jezus! ik bid en smeek U, wil op mij niet vertoornd zijn, die hier lig aan uwe voeten, ofschoon ik het wel verdien. Ondanks mijne groote armoede en diepe ellende, heb ik mij voorgedaan als rijk in deugden. Mijne woorden waren, en mijne daden schenen die van een heilige, en ik ben de ellendigste van allen. Door deugdzaam te schijnen, heb ik heimelijk mijne hartstochten van wraakneming en jaloerschheid zoeken te bevredigen. Welke boosheid! Omdat ik den moed niet had het stichtend voorbeeld van anderen te volgen, heb ik hen met den naam van schijnheiligen bestempel!, een naam, dien niemand meer verdient dan ik, want, om hen door mijne woorden des te beter in achting te doen dalen, heb ik mij in den mantel van godsvrucht gehuld. Door mijne schijnheiligheid heb ik helaas! veel goed belet, veel kwaad gesticht. Hadden de Pharizeërs zich voor U, mijn Jezus, vernederd, hadden zij U oprecht om vergeving gebeden. Gij, die niemand buitenwerpt van degenen, die tot U komen, zoudt hen in uwe genade hebben opgenomen. Hetgeen zij niet gedaan hebben, doe ik op dit oogen-blik. Ootmoediglijk vraag ik U om vergeving dooide verdiensten van uw bitter lijden. Voortaan wil ik mij uit al mijne krachten beijveren om in werkelijkheid zóó te zijn, als ik tot dusverre heb willen schijnen. Hiertoe echter behoef ik uwe genade. Gelief mij deze door de verdiensten van uwe diepe vernedering te verleenen. Heilige Maria, uw luister, die van 's Konings dochter, is inwendig en uwe heiligheid ver verheven boven hetgeen Gij uitwendig vertoondet. Bid vurig voor mij, opdat ik in het vervolg minder heilig wille schijnen, maar inderdaad heiliger mog.3 worden.

-ocr page 239-

227

HOOFDSTUK V.

Ego sum. Marc. XIV. 62.

Ik ben liet.

Wij hebben gezien, dat rle beschukligingen tegen Jezus ingebracht, zelfs in liet oog der snoode rechters, hoezeer ook genegen om elk getuigenis aan te hooren, onvoldoende waren. Valsche getuigen mochten gerust optreden en hunne beschuldigingen doen geldon, maar zij waren voor eenieder zóó valsch, zij verminkten de waarheid zoozeer, dat hunne verklaringen ontoereikend en ongegrond werden bevonden. Nu zochten zij Jezus tot spreken te noodzaken, om uit zijne eigene woorden eene beschuldiging tc kunnen afleiden. De ongeloovigen begrepen niet, dat do eeuwige Wijsheid zelve in hare woorden niet tc vangen is. De hoogepriester Caïphas vroeg Jezus dan: cfZijtgij de Christus, de Zone Gods, des «Gezegenden ?» Hij stelde deze vraag, zegt Theophylac-tus, (1) niet om te worden onderwezen en alsdan te ge-looven, maar, ware het mogelijk, om Jezus tegen zich zei ven te doen getuigen. Want zou Jezus ontkennend die vraag beantwoorden, dan kon hij hem zeggen, waarom hebt Gij U dan bij het volk als don Zoon Gods uitgegeven?

Tl• • O O

Hij kon Ih m vervolgens als een valsch profeet veroor-deelen, die, ofschoon hij slechts een mensch was, zich de godheid aanmatigde. Zou Jezus echter de vraag bevestigen, dan ware hij als Hoogepriester verplicht Jezus als een godslasteraar des doods schuldig te verklaren. In elk geval, zoo dacht die op wraak beluste en naar bloed dorstende rechter, kan ik Hem, wat Hij ook moge antwoorden, ter

(i) Super: Ille tacebat.

-ocr page 240-

228

dood veroordeelen, hetzij als valsch profeet, hetzij als godslasteraar. Uit het voorgaande weten wij reeds welk antwoord Jezus gaf. Doch hier zou men de vraag kunnen stellen, waarom Jezus, terwijl Hij zweeg bij het aanhooren der valsche getuigen, thans een antwoord geven wilde. Hij deed zulks; eerstens, zooals de H. Al-phonsus zegt (1), uit eerbied voor God, in wiens naam de Hoogepriester Hem ondervroeg. Tweedens, om aan de hoogepriesterlijke waardigheid, waarmede hij, die ondervroeg, bekleed was, verschuldigden eerbied en gehoorzaamheid te bewijzen. De H. Joannes Chrysostomus voegt er een derde reden bij. Opdat namelijk die goddelooze rechters in den dag des oordeels zich noch bij de menschen noch bij God, wegens hun ongeloof en hun moordlust verontschuldigen konden en zeggen: wij hebben Jezus gerechtelijk in den vollen Raad ondervraagd of Hij de Christus was, en daar Hij zweeg of minstens geen duidelijk antwoord gaf, waren wij niet verplicht Hem als den Christus aan te nemen, en in Hem te ge-looven. Om deze redenen antwoordde Jezus, en zijn antwoord was duidelijk: «Ik ben het,» en om te doen zien, dat Hij, de Zoon des menschen, die daar voor hen stond, waarlijk de Zoon Gods was, voegde Hij er onmiddellijk bij : «En gij zult den Zoon des menschen zien, «gezeten ter rechterzijde der kracht Gods, en komende «met de wolken des hemels.»

Christus, ofschoon verheven boven alle gezag, eerbiedigt liet tijdelijk gezag door de Hem gedane vraag te beantwoorden. Hij, die harten en nieren doorgrondt, wist zeer goed, dat zij Hem niet gelooven, maaide door Hem afgelegde waarheid beantwoorden zouden

(i) T. 5. 65.

-ocr page 241-

229

met dienbloeddorstigenkreet: « Hij is des doods schuldig.» Moge dit voorbeeld van Jezus ons aansporen om ons nimmer van eene vrijwillige leugen te bedienen; al zouden ons ook de diepste vernederingen, de vreeselijkste misliandelingen, ja de dood zelf te wachten staan. In de wereld ziet men vaak niet op een leugen, maar de leuze van godvreezende zielen , die niet slechts deugdzaam schijnen, maar het in werkelijkheid zijn willen, moet steeds wezen: liever sterven dan mijn geweten met eene enkele leugen te bezwaren. Mogen wij voortaan immer het gezag eerbiedigen, door zonder geveinsdheid, zonder dubbelzinnigheid, op de door onze wettige oversten gestelde vragen te antwoorden. Geen stilzwijgen, geene ontwijking, geene dubbelzinnigheid mag ons wapen zijn, om, zoodra een wettig overste ondervraagt, eene dreigende straf af te weren. Laat ons immer waarheidlievend zijn jegens eenieder, en oprecht tegenover onze wettige oversten.

Ite liefde voor fte wnarhcid»

Het is, helaas! maar al te waar, dat men onder de godvruchtige personen nog al een vrij aanzienlijk getal aantreft, die er weinig uit maken eene vrijwillige da-gelijksche zonde te plegen, en zich aan eene leugen schuldig te maken. Sommigen laten zich hiertoe misschien misleiden door het alom verspreide en alledaagsch gezegde: «Een leugen om bestwil is geen kwaad.» Dezen moeten dan vooreerst weten, dat het nooit geoorloofd is, om welke redenen ook, kwaad te plegen, opdat hieruit goed voortspruite. Wijl dus eene leugen zonde is, kan de goede bedoeling of het goede, dat men bij eene leugen beoogt, haar nimmer rechtvaar-

-ocr page 242-

230

digen. Dit is eene door alle godgeleerden bevestigde waarheid. Soms mag men zich wel van een woord bedienen, dat eene tweevoudige uitlegging toelaat, of van eene uitdrukking, die, wel is waar leugenachtig schijnt, maar toch in de bedoeling van dengene, die ze bezigt, overeenkomt met de waarheid; bijv. men wordt lastig gevallen om iets mede te deelen hetgeen men niet mag openbaren; in dit geval zou men kunnen antwoorden: ik weet het niet, met er bij te denken: om het u te vertellen. In dien zin zeide de goddelijke Zaligmaker: «Van dien dag des oordeels »of die ure weet niemand, ook de Engelen des hemels «niet, ook de Zoon niet, maar de Vader» (1). Hij zeide dit als leeraar en godsgezant, en werd als zoodanig naar dien dag en die ure door zijne apostelen ondervraagd. In deze hoedanigheid nu wist de Zoon alleen datgene, wat Hem van den \ader bevolen was aan de wereld te verkondigen, en kon alzoo, gevraagd naar iets wat Hij niet verkondigen moest, voor antwoord geven, dat Hij het niet wist. Zoo ook is, volgens den H. Augustinus, figuurlijk of overdrachtelijk spreken geen leugen, evenmin met scherts ot overdrijving spreken, zoodat eenieder de bedoeling begrijpt. Ziehier zijne woorden; «Alles wat figuurlijk «geschiedt of gezegd wordt, is geen leugen (2). Woor-«den, schertsenderwijze gesproken, moet men niet als «leugens beschouwen, want, ofschoon hetgeen men zegt, «zooals de woorden luiden, niet waar is, blijkt toch «uit de wijze van spreken en de schertsende karakter-«trekken van dengene, die zoo spreekt, zeer duidelijk ) «dat zijne bedoeling niet is, iemand te misleiden» (3).

(I) Mare. 13. 32. — (2) De mendacio c. 5. — (3^ t. a. p. c. 2.

-ocr page 243-

231

Ook moet men onderscheid maken tusschen liegen en onwaarheid spreken. Elke leugen bevat onwaarheid, doch elk woord in strijd mot de waarheid is geen leugen. Immers, terwijl men onwaarheid spreekt, kan men toch in den waan verkeeren, dat het gezegde met de waarheid overeenstemt, en dan is het slechts eene vergissing. Een leugen echter is, spreken tegen zijn gemoed, of wel, zooals de H. Thomas zegt (i), uitwendig iets willen doen gelooven, hetgeen in strijd is met de waarheid. Zoo iets geschiedt meestal door woorden, ofschoon men ook liegen kan door daden. Ter oorzake van bezwarende omstandigheden, waarmede eene leugen gepaard gaat, kan deze soms eene doodelijke zonde worden, maar in zich is zij slechts eene dagelijksche zonde, ofschoon niet van de geringste soort. Niet één leugen, zegt de H. Isidorus (2), is geoorloofd, elke leugen is zonde. Beweren dat eenige leugens althans kunnen gewettigd worden, is, volgens den H. Augusti-nus (3), hetzelfde als zeggen, dat eenige zonden kunnen gerechtvaardigd worden.

De eerste dagelijksche zonde, waaraan de kinderen zich gewoonlijk schuldig maken, zegt de geleerde Bellarmi-nus (4), is de leugen, en gave God dat de leugens den kinderen vaak eigen, nimmer door personen in jaren gevorderd, gepleegd werden! Hij, zegt Dionysius de Karthuiser (5), is op eene bijzondere wijze door de genade begunstigd, die nooit, hetzij uit dienstvaardigheid, hetzij uit kortswijl eene leugen gedaan heeft. En bleef het nu maar bij ééne, bij twee, bij drie of een tiental leugens. Dan helaas! men vindt personen, die schier

(l) 2. 2. qu. 93. a. I. — (2) L. 2. de synom. — (3) De mendacio c. 15. —(4) Sup. Ps. $7. 3. — ($) Sup. Apoc. c. 14,

-ocr page 244-

232

aanhoudend liegen, nu eens om anderen te bedriegen, dan weder om niet bedrogen te worden. Want, zegt de H. Prosper(1), het is niet te gelooven, dat hij, die liegt om anderen te misleiden, geen leugen doen zal om zelf niet misleid te worden. Zij echter, die onder de godvruchtigen willen gereken worden, en zich van leugens bedienen, doen zulks meestal uit hoovaardigheid of wel uit vrees van gestraft en vernederd te worden. Doch, ontkomen zij hierdoor ook de straf der oversten, *iie van een rechtvaardigen God kunnen zij niet ontgaan, en die straf zal des te zwaarder wezen, naarmate zij de gewoonte van liegen minder tegengaan. Zoolang zij aan eene leugen gehecht blijven, wordt die zonde niet vergeven, en zoolang zij niet vergeven is, kan er geen sprake zijn van kwijtschelding der tijdelijke straffen. Derhalve blijven deze aan die leugens verbonden, en voor de andere wereld weggelegd. Vreeselijk en langdurig tevens zullen zij dan nog moeten lijden in het vagevuur, terwijl zij op deze aarde de welverdiende straffen reeds ondervonden hebben. Of is het wellicht geene straf, dat men door zulke gewoonte alle gezag verliest, dat menigeen ons veracht, en men het voorwerp wordt van veler spotternij? quot;Waut ellendig en ongelukkig is hij, zegt de H. Ephrem (2), die de gewoonte heeft van liegen, zijne woorden hebben geen gezag meer, door allen wordt hij miskend, door allen uitgelachen. Dit komt overeen met hetgeen er geschreven staat (3): «Verachtelijk is het gedrag der «leugenaars, en hunne schande vergezelt hen onophou-«delijk.» Zoo gebeurt het, dat men diegenen niet meer

(l) Sent. 253. — (2) De mendacio T. I. p. 33. — (3) Eccli. 20. 28.

-ocr page 245-

233

gelooft en hun het vertrouwen weigert, die men op een leugen betrapt. Vandaar dat, zooals de H. Geest zegt (1), de rechtvaardige de leugentaal verfoeit. Salomon bad God om twee zaken (2): «Om twee dingen « bid ik U, weiger mij dit niet, eer ik sterve (d. i. zoolang «ik leve), ijdelheid en leugentaal houd ze verre van mij.» Waarom zouden ook wij niet hierom bidden? Hadden wij er vuriger om gebeden, dan zou wellicht een leugenachtig woord niet zoo herhaalde malen over onze lippen zijn gekomen, wij zouden dientengevolge meer vertrouwen verdienen bij onze overheid en meer achting verwerven bij onzen evenmensch, wie hij ook zijn moge. Dit laatste ondervond de H. Joannes Kantius. Op zijne reis naar Rome door roovers overvallen, en van zijn geld beroofd, werd hem gevraagd of hij nog meer bij zich had; zonder aan iets te denken, gaf hij een ontkennend antwoord. Nauwelijks hadden zij zich verwijderd, of hij bemerkte, niet een leugen, immers deze zou hij voor niets ter wereld doen, maar onwaarheid te hebben gesproken, want hij herinnerde zich thans nog eenige in zijn mantel verborgene goudstukken. Om deze onwaarheid, zoo mogelijk, nog te herstellen, riep hij do reeds vluchtende roovers terug, terwijl hij hun die goudstukken toonde en aanbood. Deze waren zoo getrofl'en door de oprechtheid en de milddadigheid tevens van dien heiligen man, dat zij hem het reeds ontnomen geld wedergaven.

Zeide ik hierboven, dat men zich om billijke redenen soms mag bedienen van een woord, voor eene tweevoudige beteekenis vatbaar, of van een uitdrukking, die leugenachtig schijnt, maar volgens de bedoeling met de

(l) Trov. 13. 5. — (2) t. a. p. 30. 7—8.

-ocr page 246-

234

waarheid overeenstemt, dit is het geval niet, wanneer wij door onze wettige oversten ondervraagd worden in zaken, die tot hunne bevoegdheid behooren. Te hunnen opzichte moeten wij elke dubbelzinnigheid vermijden. Ware het ons geoorloofd, ook in dit geval, de ons gestelde vraag te ontwijken, dan zou elk gezag verijdeld worden. Immers de redenen, waarom men tegenover hen niet openhartig zou zijn, zijn meestal onbeduidende voorwendsels, die juist het tegenovergestelde ten gevolge hebben van hetgeen men door zijne terughoudendheid beoogt. Sommigen vreezen gestraft te zullen worden, indien zij de waarheid bekennen, maar er is geen beter middel om de straffende hand der overheid te ontwapenen, dan de openhartigheid. Eene rouwmoedige bekentenis zijner schuld stemt het hart der oversten tot medelijden, en de straf , wordt zij ook al niet geheel en al kwijtgescholden , zal toch geringer wezen, want, zegt Thomas van Kempen (1), niemand wordt meer verontschuldigd dan hij, die schuld bekent en zich vernedert. Integendeel hij, die gecne schuld wil bekennen, zijne zonden verontschuldigt in plaats van ze te belijden, begrijpt niet, zooals de H. Augustinus leert (2), dat hij veeleer de vergiffenis dan de straf van zich weert. Anderen meenen hunne onoprechtheid eu verontschuldiging te kunnen billijken met te zeggen: beken ik zonder de minste achterhouding de oprechte waarheid dan zal het vertrouwen, dooi' mijne oversten tot dusverre in mij gesteld, er merkelijk door lijden. Doch zij begrijpen niet, dat daardoor hun vertrouwen meer en meer geschokt wordt. Immers, wanneer de oversten bemerken, dat gij allerlei uitvluchtsels zoekt en met loosheid

(i) De fid. dispens, c. I. 154. — (2) De continentia. c. 5.

-ocr page 247-

235

of sluwheid te werk gaat, dan kan het niet anders of zij beginnen achterdocht te koesteren, en onttrekken u het u weleer geschonken vertrouwen. En denk niet, dat zij, die met uwe leiding, opvoeding of bewaking belast zijn, uwe geheimzinnigheid niet bemerken of althans niet gissen zullen. Zij houden u inmiddels met meer oplettendheid in het oog, en terwijl zij uwe wijze van spreken en handelen meer van nabij gadeslaan, worden zij in hun mistrouwen te uwen opzichte al-lengskens gesterkt. Zoudt gij er ook in slagen hen een geruimen tijd te verschalken, vroeg of laat wordt gij ontmaskerd, en dan is uwe vernedering des te grooter. Vernederd worden valt den mensch , uit zijne natuur hoovaardig, zeer zwaar; vandaar dat hij moeilijk besluiten kan in alle oprechtheid schuld te bekennen, wat hij als eene vernedering beschouwt, te meer om dat hij beducht is, dat hem na de bekentenis nieuwe vernederingen te wachten staan. Dan in dit punt vergist hij zich, want is misdoen eene schande, zijn misslag bekennen, is eervol. Dit is eene schoone akte van deugd, waaraan verdiensten en genaden verbonden zijn. Verdienste voor den hemel en genade om in het vervolg niet meer in die fout te hervallen. Betreuren uwe oversten met u, dat gij verkeerd gehandeld hebt, toch zullen zij uwe nederige bekentenis bewonderen, en inmiddels stijgt gij in hunne achting.

Het is echter niet te verwonderen, dat Adams kinderen zich zoo vaak verontschuldigen, want hunne stamouders hebben hun het voorbeeld gegeven. Adam wierp de schuld op Eva, en zijdelings op God zeiven, door er bij te voegen: «die Gij mij gegeven hebt» en Eva gaf de schuld aan de slang. Doch het kon hun niet baten, de straf bleef niet uit. Het is den kinderen

-ocr page 248-

236

van zulke ouders als aangeboren tot verontschuldigingen hunne toevlucht te nemen. Deze geschieden, zegt de H. Bernardus (1), op velerlei wijzen; de een zegt: ik heb het niet gedaan; een tweede , ik heb het wel gedaan, maar het is toch goed; een derde, indien het slecht is, dan is het toch niet erg; een vierde, indien het erg is, ik heb het toch met geene slechte bedoeling gedaan; een vijfde, ik kon het niet helpen; een zesde, ik heb het niet geweten ; een zevende, het is mijne schuld niet, die en die is er de oorzaak van, en zoo weet de een deze, de ander gene verontschuldiging bij te brengen, en de duivel zal hun hierin wel behulpzaam zijn. Hij immers is in de waarheid niet staande gebleven; hij heeft eene innerlijke afgekeerdheid van de waarheid; de leugen is zijn middelpunt; van aard en in waarheid is hij een leugenaar, en daarbij de vader der leugen, de uitvinder der leugen. Hij dus, die een leugen verzint, is in dit opzicht met Satans geest bezield. Verontschuldigt zich iemand, of zoekt hij op slinksche wijze de waarheid te ontduiken, als hij door het bevoegd gezag ondervraagd wordt, dan geschiedt zulks op ingeving Satans. Deze weet zeer goed, dat eene wond, die men voor den geneesheer tracht te verbergen, moeilijk te genezen is, en daarom spoort hij den mensch aan om zooveel mogelijk de geestelijke wonden des harten niet te openbaren. De vorst der duisternis, Satan, een dief, een moordenaar van den beginne af, spant gaarne zijne strikken in het duister, en verwijdert zich vaak, zood'ra de dageraad aanbreekt, evenals een dief wanneer het dag wordt, dat is, zoolang hij in het geheim werkt, weet hij zijn slag te slaan.

(l) De 12 grad. humil. grad. 8

-ocr page 249-

237

maar de bekoring is nauwelijks geopenbaard, of hij laat zijn snood plan van verleiding varen, zijne woede wordt gebreideld en de ziel vindt hare kalmte weder.

Laten wij alzoo een vast besluit nemen, nimmer een leugen te doen, indachtig de woorden des H. Gees-tes: «Schaam u niet om uwer ziele wil do waar-«heid te zeggen,» «spreek geen leugentaal tot schade «uwer ziel.» «spreek volstrekt geen leugentaal» (1), want een leugen is in elk geval zonde en door de zonde wordt God beleedigd. Zijn wij steeds openhartig voor onze wettige oversten; door de vernedering, die wij ons hiervan getroosten, zal God verheerlijkt, onze oversten zullen gesticht, onze verdiensten vermeerderd en do duivel beschaamd worden. Door de waarheid lief te hebben, zal Hij ons inniger liefhebben, die de waarheid zelve is.

GEBED.

O God! Gij, die de waarheid zelve zijt, en do waarheid innig liefhebt, niet uw geest, maar die des duivels, den vader der leugen, bezielde mij, toen ik leugens pleegde, vooral in mijne kinderjaren en mijn jeugdigen leeftijd. «Gedenk de zonden mijner jeugd en mijne «onwetendheden niet. Gedenk mijner naar uwe barrn-«hartigheid om uwer goedheid wil, o Heer» (2). Om mij eene vernedering te besparen, heb ik U zoo vaak beleedigd, die U tor liefde van mij zoo diep vernederd hebt. Om eene geringe boete te ontwijken, heb ik uw vaderhart zoo herhaalde malen bedroefd. De leugens, waaraan ik mij schuldig gemaakt heb, zijn U alléén

(l) Eccli, 4. 24. 26; — 7. 14. — (2) Ps. 24. 7.

-ocr page 250-

238

bekend. Hoe dikwijls ik mij aan onoprechtheid heb plichtig gemaakt, zelfs tegenover mijne overheid, is mij onbekend. Wie zal mijne door zoovele zonden bevlekte ziel knnnen reinigen? Gij, mijn Jezus! en Gij alléén, mits zij mij leed zijn. Ja, mijn liefderijke Verlosser, door uwe genade gevoel ik hierover een innig leedwezen, zuiver mijne ziel van 'zoo menigvuldige overtredingen. Voortaan zal ik mij nimmermeer, al mogen mij ook straf en vernederingen wachten, van een leugen bedienen, oprecht wil ik met mijne oversten omgaan, uit liefde tot U, die de waarheid zelve zijt. Hiertoe behoef ik uwe genade, gelief mij die te ver-leenen. O goede Moeder Maria, bid voor mij , opdat ik steeds de waarheid liefhebbe, mijn mond en alzoo mijne ziel bewaren moge.

HOOFDSTUK VI.

Et coeperunt quidam conspuere eum, et velare fa-ciem ejus, et colaphis eum caedere, et dicere ei: Propheliza: et ministri alaphis eum caedebant. Mare. XIV. 65.

En eenigen begonnen Hem te bespuwen, en zijn aangezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan, en lot Hem te zeggen ; Profeteer! en de dienaren gaven Hem kaakslagen.

Nauwelijks had de Hoogepriester, en op zijn voorbeeld de geheele Raad, het doodvonnis tegen Jezus uitgesproken, of eenige leden van dien Raad en de gerechtsdienaren begonnen Hem op de allersmadelijkste wijze te behandelen, dewijl eenieder zich gerechtigd waande, den thans veroordeelden Jezus te beschimpen , te ver-wenschen en te vervloeken. Men beijverde zich om liet meest hem alle verwenschingen en vervloekingen naar het hoofd te slingeren, als ware Hij een bedrieger, een

-ocr page 251-

239

booswicht, ja het uitvaagsel der wereld. Wat men hoorde was één vloek al vloek, wat men zag één smaad al smaad. De grootste versmading, de schandelijkste verachting, de gruwzaamste onteeringen werden Hem niet bespaard. «Zij spuwden Hem in het aange-«zicht.» O groote God! waar heeft men de gewoonte te spuwen? Is het niet op de vuilste plaats? En dat goddelijk aanschijn, schoon boven dat van de kinderen der menschen, dat de Bruid der gezangen zoo vurig wenschte te zien, dat de Engelen verlangen te aanschouwen, werd met het vuilste speeksel als bedekt. Kon men Hem wel grooteren smaad aandoen? Dan, hot bleef bij de versmading alleen niet. Met den mond dier beulen werd Jezus bespuwd, met hunne handen geslagen, met hunne vuisten gestooten. Met hunne sterk gespierde vuist stieten zij Jezus nu eens in den hals, dan oji zijn hoofd, dan weder in den rug, en dat zoo ruw en wreed mogelijk ; met de vlakke hand sloegen zij Hem in het aangezicht, nog bebloed en gezwollen ten gevolge van den wreeden kaakslag , Hem met een ijzeren handschoen even te voren gegeven. Anderen, zooals de [I. Alphonsus (1) bemerkt, rukten den reeds zoo versmaden en pijnvollen Zaligmaker met geweld den baard uit. Dit alles had de Profeet Isaïas in den persoon van Christus reeds voorspeld met deze woorden; elk gaf mijn lichaam aan hen, die mij stieten, en mijne «wangen aan hen, die mij plukten; Ik wende mijn aan-«gezicht niet af van hen, die mij beschimpten en be-«spuwden» (2). Bij deze gruwzame mishandeling bewaarde Jezus een diep stilzwijgen, dat zachtmoedig Lam Gods liet zich slaan en stooten naar believen.

(i) T. 5. 6f. — (2) Isaïas 50. 6.

-ocr page 252-

240

Thans bonden zij Hem een doek voor de oogen. Was dit misschien uit vrees van door zijne minzame en tee-dere blikken tot medelijden bewogen te worden? O neen, hunne verstokte gemoederen waren voor geen mede-doogen vatbaar: Jezus, aan de laagste spotternij prijsgeven, was hun éénige voldoening. Jezus, waarlijk de groote Profeet door Mozes voorspeld, werd nu door hen spottenderwijze als een Profeet voorgesteld. Met een doek voor de oogen werd HU achtereenvolgens nu door dezen dan door genen in het aangezicht geslagen, terwijl zij Hem toeriepen: « Profeteer, wie is hij, die U geslagen « heeft ?» Vermoeid en afgemat waren zij thans met hunne versmading en mishandeling ten einde, doch hunne wraaklust was nog niet voldaan. Zij wierpen Hem, volgens den H. Bonaventnra (1), in een onderaardschen kerker, en na Hem aan een steenen kolom te hebben gebonden, werd de reeds zoo verguisde en gemartelde Zaligmaker aan eene gewapende bende ter bewaking overgeleverd, die zich gedurende de nog overige uren van den nacht met allerlei spotternij en verwenschingen onledig hield. De godvruchtige Tauler (2) zegt, dat volgens den H. Hieronymus, al die smaad en al die mishandeling, door Jezus in dien nacht verduurd, niet zullen gekend worden dan in den laatsten dag des oordeels. Wie onzer, roept hier de H. Bonaventura (3) uit, zal zich in het vervolg door smaadheden gekrenkt gevoelen, nadat Jezus zoodanige geleden heeft? Om ons een voorbeeld te geven, voegt hij er bij, heeft Christus ze willen verduren. Leeren wij dan, met het oog op den ter liefde van ons zoo mishandelden, miskenden en

(i) Medit. Vit. Chr. c. 75. — (2) De vit. et pass. Salv. c. 17-(3) In Luc. c. 22. 63.

-ocr page 253-

241

onder alle opzichten zoo verongelijkten Jezus alle ongelijk, dat ons wordt aangedaan, zoo niet met liefde, minstens met geduld te verdragen.

Aniiguilaan ongelijk snet geduld verdragen.

Ten tijde der Apostelen waren de hebreeuwsche Christenen, dat is, tot het Christendom bekeerde Joden, aan menigvuldige plagerijen en vervolgingen blootgesteld. Om hen te sterken en iot standvastigheid aan le moedigen, wees de II. Paulus hen op eene menigte geloofshelden, die, na zelf veel geleden te hebben , thans hunnen strijd aanschouwen; vooral echter op Jezus, die liet kruis heeft gedragen, de schande verachtende, en thans ter rechterhand van God gezeten is. Hem mochten zij niet uit het oog verliezen. Vandaar dat hij hun schreef: «^)enkt aan Hem, die zulk eene «tegenspraak van de zondaars tegen zich verdragen «heeft, opdat gij niet moede wordt, in uwe zielen be-«zwijkende» (1). Ook wij moeten steeds onze oogen op den lijdenden en versmaden Jezus gevestigd houden. Ook wij hebben soms wel niet zoo hevige, maar toch eenige tegenspraak van de zondaars te verduren. Want de menschen, die ons ongelijk aandoen, zijn in dit opzicht zondaren. Zij worden in menigte gevonden, de een verongelijkt ons op deze, een ander op gene manier. Doch dooi' wien en op welke wijze ook tegen ons onrecht gepleegd wordt, geduld hebben wij noodig. De mensch bezit drie soorten van goederen; het fortuin , liet lichaam en den goeden naam, en in verband met 'lit drievoudig goed, kan hem ongelijk worden aange-

(i) Hebr. 12. 3. I IJDEN V, CHRISTUS.

•10

-ocr page 254-

242

daan. In zijn tijdelijke goederen kan hij door zijn naaste benadeeld, in zijn lichaam gepijnigd, in zijn goeden naam gekrenkt worden. Op drie manieren, zegt de H. Bernardus (1), wordt ons geduld op de proef gesteld ; door beleedigende woorden, door verlies van tijdelijk goed en door het verwonden des lichaams. Al ons geduld, voegt hij er bij, bestaat in het verdragen van dit drievoudig onrecht, dat men ons aandoet. Benadeeld worden in zijn tijdelijk goed, valt zwaar, in zijn lichaam gekwetst, gewond of gepijnigd worden valt in den regel zwaarder, maar gekrenkt worden in zijne eer of goeden naam valt doorgaans het zwaarst. Wat nu het fortuin betreft, hierin kan men op verschillende ■wijzen worden benadeeld; door diefstal, bedrog, ver-valsching, wanbetaling, bedriegelijk bankroet, onrechtvaardige beboeting, opgelegde schatting tn zoo verder. Wordt ons op deze of dergelijke wijze schade berokkend, dan moeten wij in plaats van te morren en verwijlingen te doen, ons spiegelen in het voorbeeld van den H. Man Job, dat toonbeeld van geduld. Plotseling arm geworden, zeide hij: aDe Heer heeft gegeven, de Heer heeft «ontnomen, de naam des Heeren zij gezegend» (2). De Sabeërs hadden hem zijne ossen en ezelinnen, de Chal-deërs zijne kameelen ontroofd, en toch zeide hij: «de «lieer heeft genomen»; want hij wist, dat den mensch niets kan overkomen, tenzij door toelating des Heeren. Het ongeduld, dat men in dergelijk geval laat blijken, is een gevolg van de gehechtheid aan het aardsche, waaraan de kinderen der wereld hun hart geschonken hebben. Dezen, na de vreeze des Heeren uit hunne harten verbannen te hebben, achten zich tot elk middel

(i) Serm. 2 de conv. S. Pauli. — (2) 1. 21.

-ocr page 255-

243

om zich te verrijken gerechtig.1. Van omkooperij, laster, valsche getuigen, onrechtvaardige rechtspleging, onbillijke schatting, overtollige en onrechtmatige belasting, is men in de wereld vaak getuige. De Katholieken, en onder dezen de kloosterlingen, zijn er meestal het slachtoffer van, zooals de geschiedenis getuigt, en de ondervinding leert. Dit is nu eenmaal zoo; Christus heeft gezegd : «In de wereld zult gij verdrukking heb-»ben» (1). Maken wij dan.van de noodzakelijkheid eene deugd, door met geduld en onderwerping elk tijdelijk nadeel te verdragen. Zou men zich echter aan morren en ongeduld overgeven, dan wordt men in zekeren zin gelijk aan iemand, die, door een roover van zijn geld beroofd, hem tevens zyn kleed of mantel toewerpt. Handelt zoo iemand niet dwaas? Welnu, nog dwazer zoudtgij handelen, zoo gij, in het tijdelijke benadeeld, door ongeduld en beleedigende woorden, uwe geesle-lijke belangen prijsgeeft, wat, helaas! maar al te dikwijls gebeurt. Men treft zelfs personen aan, die hoe onschuldig en in geringe mate dan ook, door bedienden of dienstboden benadeeld , aanstonds niet slechts ongeduldig worden, maar in hunne drift zich tot allerlei verwijtingen laten vervoeren, en toch geschiedt hun geen groot onrecht, uit hoofde der schuldeloosheid, waarmede de schade wordt veroorzaakt. Het schijnt, dat dezulken hunne zielen niet bezitten, want zegt Christus: (2) «Door uwe lijdzaamheid zult gij uwe zielen bezitten.» Is deze noodig als ons onrecht aangedaan wordt in het fortuin, zeer zeker ook als zulk onrecht het lichaam geldt.

Lijdt de mensch in zijn lichaam, dan wordt hij niet

(i) Joan. i6. 33. — Luc. 21. 19.

-ocr page 256-

244

zelden ongeduldig, en wie dit lijden zonder klagen verdraagt, geeft blijken van deugd. Maar wordt ons het lijden door anderen niet schuldeloos of bij ongeluk, doch vrijwillig met voorbedachtzaamheid aangedaan, dan heeft men eene grootere deugd noodig om met kalmte en gelatenheid dat onrecht te verdragen. De gramschap van den eene, de wraakzucht van den andere kan de oorzaak zijn van ons lijden, en alsdan wordt ons geduld in niet geringe mate op de proef gesteld. Het stipt vervullen van de verplichtingen aan onze bediening verbonden, het nauwkeurig onderhouden van de geboden Gods en die der H. Kerk, geven soms aanleiding tot die grammoedigheid en wraakneming. Is dit zoo, dan lijden wij ter wille van de gerechtigheid. Van den beginne af hebben brave Katholieken zeer veel te verduren gehad, men heeft hen vervolgd, gegeeseld, met millioenen gemarteld. En de vervolging, alhoewel niet altijd in dien hevigen graad, zal niet ophouden vóór het einde der wereld. Of zijn wij geen getuigen geweest van die vervolging in Duitschland, waar men priesters en bisschoppen in de gevangenis heeft geworpen, in Frankrijk, waar men kloosterlingen op straat gezet en tot armoede gebracht heeft? Heeft men daar geen onverlaat aangetroflen, die dorstend naar bloed , een priester wreedaardig vermoordde, alléén omdat hij priester was? En wie weet wat den braven Katholieken nog boven het hoofd hangt? Christus heeft immers gezegd: «Hebben zij Mij vervolgd , «ook ii zullen zij vervolgen» (1), en om ons tot lijdzaamheid aan te moedigen, spreekt Hij ons de vol-o-ende troostvolle woorden loe: «Zalig zij, die vervol-

O

(i) Joan. 15. 2C.

-ocr page 257-

245

«ging lijden otn de rechtvaardigheid, want hunner is «het rijk der hemelen» (1). Aan deze woorden mogen zij zich in onze dagen, minstens in eenige landen, wel herinneren, wier plicht het is, volgens waarheid en recht te getuigen, te oordeclen en te veroordeelen. Wat meer is, de Zaligmaker leert ons, dat wij ons moeten verblijden in de vervolging ter wille der gf-rechtigheid. »Zalig zijt gij, als zij u beschimpt en ver-«volgd, en, al liegende, van allerlei kwaad zullen be-« schuldigd hebben om mijnentwil; verheugt en verblijdt «u, omdat uw loon groot is in den hemel: want zóó «hebben zij de Profeten vervolgd, die vóór u geweest «zijn » (2). Doch zonder eigenlijke vervolging kan het toch gebeuren, dat deze of gene ons ten onrechte lichamelijk leed aandoet, hetwelk wij niet keeren kunnen. De eerbiedwaardige broeder Gerardus Miijella, van de Congregatie des allerheiligsten Verlossers, werd op zekeren dag, toen hij een weg insloeg, zonder te weten dat deze verboden was, door een woestaard aangegrepen en vreeselijk geslagen. Sla maar, sla maar, riep de gelaten broeder hem toe; ik heb het verdiend. Daardoor werd die wreedaar d zoo getroffen, dat hij zuchtend uitriep: Ik heb een heilige geslagen! De gelukzalige Pater Clemens Hofbauer, van dezelfde Congregatie, trad een herberg binnen, om voor behoeftige zusters eene aalmoes te vragen. Een der aanwezigen sloeg hem in het aangezicht. Kalm en bedaard antwoordde hij; dit is voor mij, maar krijg ik nu ook iets voor de zusters? Dit zacht antwoord trof hem zoodanig, dat hij den Pater alles gaf, wat hij bij zich had. Het beoefenen van zulke heldhaftige deugden is eenieder

Matth. 5. 10. — (2) t. a. p. 11. 12.

-ocr page 258-

246

niet gegeven , maar het geduld bewaren is toch eenieders plicht, ook dan, wanneer wij in onze eer of goeden naam gekrenkt worden.

«Een goede naam,» zegt de H. Geest (1), «is beter «dan veel rijkdom, en goede gunst verkieslijker dan «zilver en goud.» Bewaart men dit met zorg, meer nog zijn goeden naam, wat de H. Geest ons trouwens leert: « Draag zorg voor een goeden naam; want die «blijft u langer bij dan duizend kostelijke en groote «schatten, Een goed leven duurt een zeker aantal dagen, «maar een goede naam duurt in eeuwigheid» (2). Vandaar dat verreweg de meesten meer prijs stellen op hun goeden naam dan op hunne bezittingen, [liervan door bedrog of geweld beroofd worden, verdragen zij soms, in hunne eer gekrenkt worden, maar zelden met gelatenheid. Nochtans zijn er, die zich ook dit onrecht getroosten ter liefde van Jezus, die zulke tegenspraak van de zondaren verdragen heeft. Jezus, de heiligheid zelve, wordt gehouden voor een bezetene, de wijsheid voor een uitzinnige, de waarheid voor een leugenaar. Als een godslasteraar, een booswicht wordt Hij ter dood veroordeeld. Dit goddelijk voorbeeld hadden de Apostelen steeds voor oogen. Zij werden als het uitschot der wereld, het uitvaagsel van allen, op allerlei wijze gehoond en gevloekt, maar verdroegen het met geduld en gaven hun zelfs goede woorden (3). Het oog op den ter liefde van hen versmaden Jezus gevestigd, leden de Heiligen met geduld, als zij onder de afschuwelijkste lasteringen gebukt gingen. Wat is zwaarder voor een rein gemoed dan

-ocr page 259-

247

belasterd worden in eene zaak zoo teeder als do kuisch-heid ? Zulken laster nochtans hebben een H. Romualdus, een eerbiedwaardige broeder Gerardus Majella en anderen met geduld verdragen. Anderen, die voor niets ter wereld zich met het goed van een ander zouden willen verrijken, worden van onrechtvaardigheid beschuldigd ; door dezen, dat zij ongerechtigheid plegen in den handel, door genen, dat zij hunne schulden niet betalen en dit alles is laster. Voor een eerlijk hart schijnt zulke lastertaal onuitstaanbaar, en toch moeten wij door ons geduld hierover zegevieren. Ook hebben wij het geduld noodig, als wij door vuigen laster van eene bediening ontslagen, uit eene woning verwijderd, f achter anderen gesteld worden , wanneer er sprake is van eene winstgevende of eervolle betrekking. Laat de goede God toe, dat zijne Heiligen door lastertaal, valsche aanklachten, onrechtvaardige uitspraken vervolgd worden, opdat zij alzoo veel kunnen verdienen voor den hemel, vroeg of laat wordt hunne onschuld in een duidelijk daglicht gesteld, en zij stijgen in achting. Werd de kuische Su-zanna van trouweloosheid beschuldigd, en als eene ontrouwe echtgenoote ter dood veroordeeld. God wist zijne getrouwe dienstmaagd te redden, en hare deugd werd met nieuwen luister bekroond. Werd de kuische Jozef door de vrouw van Putiphar valschelijk aangeklaagd en in den kerker geworpen. God daalde in zijn kerker af, en wist hem boven allen te verheffen. Zou God in zijne alwijze Voorzienigheid toelaten , dat eenige Heiligen onder zware verdenking van deze of gene ondeugd ten grave dalen, Hij weet hun graf te verheerlijken, zooals het geval was met den H. Al-phonsus en den H. Jozef Calasantius. Nemen wij derhalve een edelmoedig besluit om het ons aangedane

-ocr page 260-

248

ongelijk met geduld te verdragen, om het even of ons hierdoor tijdelijke schade berokkend, lichamelijk leed aangedaan of de goede naam benomen wordt. Zij, die, onder den laster gebukt, hunne oogen vestigen op den ter liefde van hen versmaden Jezus, en hunne smee-kende handen tot Hem verheflen, zullen door Hem op aarde gesterkt, en met Hem des te meer verheerlijkt worden in den hemel.

GEBED.

O mijn liefderijke Verlosser, wie onzer zou zich ooit durven beklagen over het hem aangedane ongelijk? Wie onzer zou U door zijn ongeduld durven bedroeven, daar Gij ter liefde van ons de schande der menschen en de verachting des volks zijt geworden? En toch heb ik dit gedaan. Niet het minste ongelijk kon ik onopgemerkt laten voorbijgaan; uren ja dagen lang ben ik hierdoor lastig en wrevelig geweest, en nochtans beteekende het mij aangedane onrecht niets, in vergelijking van die grove beleedigingen, die diepe verachting , welke gij ter liefde van mij geleden hebt. Wat nog erger is, ten onrechte waande ik mij verongelijkt, en, met deze gedachte bezield, maakte ik mij boos en ontevreden. Ach lieve Jezus, wat zal er van mij geworden? Ik verdiende, ter oorzake mijner zonden, door eenieder miskend en veracht te worden, en het minste, dat men mij aandoet, stemt mij reeds tot droefgeestigheid, en maakt mij moedeloos. Wanneer zal ik het mij aangedane onrecht met geduld verdragen? Ware ik lijdzamer geweest, dan had ik veel voor den hemel kunnen winnen, en nu heb ik door mijn ongeduld nog straf verdiend, waarvoor ik hier of hiernamaals moet boeten. Ach, lieve Jezus, gelief mij dat onge-

-ocr page 261-

249

duld te vergeven, het doet mij leed U daardoor zoo vaak te hebben beleedigd. Voortaan wil ik elk ongelijk, dat men mij aandoet, met lijdzaamheid verdragen, de versmadingen steeds indachtig, waaraan Gij U ter liefde van mij hebt onderworpen. O Maria, grievend waren uwe smarten, toen uw Zoon Jezus zoo versmaad werd. Door de verdiensten dier smarten bid ik u om de genade, van elk ongelijk, dat men mij in het vervolg zal aandoen, zoo niet met liefde, dan toch met gelatenheid te verdragen.

HOOFDSTUK VII.

Et conversus Dominus respexit Petram. Luc. XXII. 61.

En de Heer, zich omkeerende, zag Petrus aan.

De Heer Jezus, door leden van den hoogen Raad, gerechtsdienaren en soldaten, als zoovele bloedhonden omgeven, door hen bespot, versmaad, als een aardworm met voeten getrapt, door kaakslagen gemarteld, met vuisten gestooten en op allerlei wijze mishandeld, scheen, in het midden dier folteringen en smaadheden, zijn .eigen lijden als het ware te vergeten, om aan l'etrus, zijn zoo diep gevallen leerling, te denken, want «zich omkeerende zag Hij Petrus aan» en wilde zich zijner erbarmen. Uit het hart komen alle zonden voortv en om hiervan gereinigd te kunnen worden, moet dat hart door het berouw verbrijzeld, vermorzeld wezen. Dit nu is het werk van het goddelijk Hart, dat zich over den zondaar ontfermt. Jezus dan gewaardigde zich een blik te werpen in het hart van zijn zondigen leerling

-ocr page 262-

250

en waar Hij, die liet liclit der wereld is, een genade-blik werpt, verdwijnt de duisternis en treedt een helder licht in de plaats. Tot nu toe was Petrus als in dikke duisternis gehuld. De haan had reeds gekraaid, doch Petrus werd uit den slaap der zonde niet opgewekt; de voorzegging zijns meesters kwam hem niet te binnen. Ontsteld, gejaagd, door den angst gedreven sloeg hij geen acht op dat gekraai. Op den blik van dien barmhartigen Jezus gaan zijne oogen open, hij ziet den diepen afgrond, waarin hij zich bevindt; hij erkent zijne misdaad, beseft zijne ondankbaarheid, en zijne driedubbele verloochening drukt hem loodzwaar op het geweten. Uit zijn vermorzeld hart voelt hij tranen opwellen, die hij niet kan bedwingen, eu om zich zeiven niet te verraden, haast hij zich naar de buitendeur. Daar barst hij los in tranen, en zijne oogen werden als twee fonteinen, waaruit voortdurend tranen vloeiden. David, zijne zonden indachtig, besproeide, zooals hij zelf getuigt, eiken nacht zijne legerstede met tranen van berouw, en Petrus, volgens hetgeen zijn leerling de H. Clemens verhaalt, viel eiken nacht, zoodra hij den haan hoorde kraaien, op zijne knieën, en begon bitter te weenen over zijne gepleegde, ofschoon reeds vergeven, zonde. Hij leidde voortaan een boetvaardig leven, want, volgens den H. Gregorius van Nazianzen (l), bestond zijn voedsel uit een soort van erwten van zeer bitteren smaak. Zijn leven was eene aaneenschakeling van kwellingen en vervolgingen, totdat hij het eindigde aan een kruis, ter liefde van Hem, dien hij weleer verloochend had. Zóó werd door een weideenden blik des meesters, de leerling verlicht, in het hart getrot-

(i) Orat. de amore pauperum.

-ocr page 263-

251

fen en tot boete gestemd. Zag Jezus weleer met medc-delijden Petrus aan, tlians werpt Hij een blik van welbehagen op Petrus' tranen. Petrus biedt ze Hem aan, Jezus aanvaardt ze; Petrus weent, en Jezus geeft hem den kus des vredes. Welke onmiddellijke gevolgen had die teedere blik des Zaligmakers! Zooeven was Petrus een zondaar, dooi- verstokte zondaren omgeven,doch nauwelijks heeft Jezus, hetzij door een openstaande deur, hetzij in het voorbijgaan, toen men Hem naar een onderaardschen kerker sleurde, een blik op hem geworpen, of hij wordt van een loochenaar een belijder van Christus, van koud eensklaps warm en vurig, van zondaar een heilige. Welk onderscheid tusschen Petrus en Judas! Beiden waren Jezus' leerlingen. Judas leverde zijn meester over. Petrus verloochende Hem ; op het verraad van Judas volgde de wanhoop, op de verloochening van Petrus het leedwezen; Judas ging verloren. Petrus wordt een heilige. Had Judas zich niet aan wanhoop overgegeven, maar zijn meester om vergeving'gebeden, toen deze hem nog met den naam van vriend toesprak: «Vriend waartoe zijt gij gekomen?» dan ware hij weer een vriend van Jezus geworden. Dan neen, bij al zijne zonden voegde hij nog een veel grootere, die der wanhoop, want deze is na den haat Gods de zwaarste aller zonden. Petrus echter, hoe diep ook gevallen, wanhoopte niet. Hij wist, dat de barmhartigheid zijns goddelijke!) meesters geen grenzen kent, en dat Hij altijd bereid is den rouwmoedigen zondaar in zijne liefde op te nemen, immer verheugd het verloren schaap op zijne schouders te kunnen dragen. Ook wij weten zulks, en overtuigd van deze waarheid moeten wij aanstonds elke opkomende gedachte van wanhoop bestrijden. Voor de deur der hel staat de barmhartigheid, al wie tot haar

-ocr page 264-

252

zijn toevlucht neemt, zal niet verloren gaan. De zonde slaat ons in boeien, de barmhartigheid verbreekt ze; de zonde sluit de deur des hemels, de barmhartigheid maakt haar open. Mishaagt den goeden God de zonde, het vertrouwen behaagt Hem. Hebben wij Hem belee-digd door onze zonden, geven wij Hem dan genoegen door ons vertrouwen; zijn onze beleedigingen groot geweest, groot ook moet ons vertrouwen wezen.

Het vertrouwen.

Volgons den H. Thomas (T is de hoop eeue zekere verwachting der zaligheid. Zulk eene hoop is voor allen noodzakelijk, zoowel voor de zondaren, als voor de rechtvaardigen. Om onze zwakheid te ondersteunen, zegt de H. Theresia, is het vertrouwen hoogstnoodzakelijk. Doch, hoe kan eene zondige ziel met zulk vertrouwen bezield zijn, terwijl de hemel voor baar gesloten is? Voor de rampzaligen alleen, die reeds tor helle gedoemd zijn, is en blijft hij gesloten in eeuwigheid, maar voor den hier op aarde berouwhebbenden zondaar kan en zal hij weder geopend worden. De ziel, in eene zware zonde gevallen, moet vast vertrouwen, dat God haar weder in zijne genade zal opnemen, zoodra zij leedwezen heeft over de gepleegde misdaad, en na deze te hebben hersteld, moet zij ook vast vertrouwen, dat God haar die zonden heeft vergeven. De rechtvaardige ziel vertrouwe onwrikbaar, dat haar de noodige genade zal worden verleend, om den eenmaal ingeslagen weg der deugd niet alleen niet te verlaten, maar daarop vorderingen te maken. Het vertrouwen alzoo is noodig voor den zondaar om niet

(l) In 3 sent. d. 26.

-ocr page 265-

253

wanhopig te worden, voor den rechtvaardige om in den strijd niet te bezwijken.

De zonde en voornamelijk de doodzonde is de eenigc ware ramp, die den mensch kan treilen, en gave God dat wij hiervoor, en hiervoor alléén bevreesd waren! Vóór de zonde, in de bekoring namelijk, moeten wij vreezen in de zonde te zullen sterven, zooals dit bij anderen geschied is, die, onmiddellijk na de gepleegde zonde, door God met den dood gestraft zijn. Doch is de zonde eenmaal gepleegd, hebben wij reeds schipbreuk geleden, dan moeten wij ons vastklemmen aan het anker der hoop, om niet spoorloos in de diepte te verdwijnen. «Indien ook iemand mocht gezondigd heb-«ben,» zegt de H. Joannes (1), «wij hebben een voorsspreker bij den Vader,' Jezus Christus, den rechtvaar-«dige, en Hij zelf is de voldoening voor onze zonden, «en niet alleen voor de onze, maar ook voor die van «geheel de wereld.» Op Jezus, door het offer van zijn bloed, de verzoening van een vergramden God met het gevallen menschdom geworden, moet de in zonde gevallen ziel hare oogen vestigen, en van Hem vergeving verwachten. De woorden, de daden en het lijden van dien Jezus, mogen ons in dat vertrouwen niet doen wankelen. Welke troostvolle woorden heeft de Heer Jezus niet gesproken? Noemt Hij zich niet den goeden iierder? «Ik ben de goede Herder» (2). En wat doet lt;lie goede herder? Hij spaart geone moeite, om het verloren schaap te vinden, Hij zoekt voortdurend, en gin:) zich geen rust, totdat Hij het gevonden heeft. Van blijdschap opgetogen neemt Hij het op zijne schouders, «Mi uoodigt allen uit om zich met Hem te verblijden.

(i) I Joan. c. 2. i. 2. — (2) Joan. ic. n.

-ocr page 266-

254

Verzekert Hij ons niet, dat de Engelen ii» den hemel zich meer verheugen over één zondaar, die boetvaar-digheid doet, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die geene bekeering noodig hebben (1)? Zegt Hij ons niet: «Hem, die tot mij komt, zal ik niet buiten «werpen» (2)? Wie hij ook moge zijn, met welke en hoevele zonden hij ook beladen moge zijn, hij kome tot Jezus met een waar leedwezen des harten , nimmer zal hij verstoeten, maar met liefde ontvangen worden. Dit geeft de Zaligmaker ons duidelijk te kennen, als Hij ons in zijn H. Evangelie meldt (3), hoe liefderijk de verloren zoon door zijn vader ontvangen, en hoe teeder hij aan dat vaderhart gedrukt werd, zoodra hij tot hem wederkeerde. Hetgeen Jezus zeide, heeft Hy ook gedaan. Petrus, Maria Magdalena zijn getuigen. Wij lezen niet, dat Jezus hun een enkel hard woord toegesproken, een enkel verwijt, hoe zacht dan ook, gedaan heeft. Hebben de overspelige en de samaritaansche vrouw ook niet de goedheid, de teederheid van Jezus' goddelijk Hart ondervonden? En zou hij, die gevallen is, niet tot den medelijdenden Jezus durven gaan, die de zondaars ontvangt, en met hen aan tafel aanzit, hij nadere dan tot den lijdenden, en voor de zondaars stervenden Jezus. Hij beschouwe dien mond, bereid om den kus des vre-des te geven, dat Hart, geopend om te beminnen, die armen, uitgestrekt om te omhelzen, hij verberge zich in zijne nog gapende wonden. Hoe zou Jezus eene rouwmoedige ziel kunnen verstooten. Hij, die aan het kruis hangende, zijn hernelschen Vader voor de zondaren bad? Zou Hij zijn aanschijn van liaar afwenden, dat Hij aanbood om kaakslagen te ontvangen? Zou

(i) Luc. 15. 7. — (2; Joan, 6, 37. (3) Luc. 15.

-ocr page 267-

255

Hij haar afwijzen met de handen, waarin Hij haar met zijn bloed geschreven heet't? Dit alles overwege de zondige ziel, die, gebukt onder den zwaren zondenlast, hare oogcn tot Jezus niet zou durven verheffen, veel minder Hem om vergeving smeeken, en dan zullen hare ongerechtigheden, juist omdat zij menigvuldig zijn, voor haar eene beweegreden ter verhooring worden, als zij om vergeving bidt. Met David zal zij uitroepen: «om «. uwen naam, omdat Gij goed en barmhartig ge-«noemd wordt, gelijk Gij het in waarheid zijt, O «Heer, vergeef mij mijne zonde, want zij is groot» (1).

Is de zonde dan ook waarlijk groot, zij is toch niet te groot; roept de zonde om wraak, het bloed van Jezus roept om genade, en zóó luid, dat de stem der zonde niet meer wordt gehoord. Roept niet eene, maar eene menigte zonden om wraak, al do wonden van Jezus roepen, als zoovele monden, genade en barmhartigheid af. Is Jezus als God almachtig, kan Hij alles, een vermorzeld en vernederd hart verstooten kan Hij niet, evenmin als zijn gegeven woord ontrouw worden. Zoudt gij,« die deze woorden leest, weleer misschien een zondig-

' O

schepsel. God met eon waar leedwezen des harten om vergeving gebeden, uwe ziel in het H. Sacrament der boete gewasschen, en de priester, Gods plaatsbekleeder, ii gerust gesteld hebben, wil dan aan het voorgaande niet.meer denken, vertrouw dan vast, dat uwe zonden zijn kwijtgescholden. Vrees, dat de duivel van een moedelooze stemming gebruik zal maken, om u opnieuw to bekoren en weder tot zonde te brengen. Heeft God zelf door den mond van zijn Profeet Ezechiël (2) niet gezegd: «Indien de goddeloozo over al zijne ongerech-

(i) Psalm. 2S. II. —

(2) Ezech. iS. 21. 22.

-ocr page 268-

'256

«tighcilen boete gepleegd, al mijne geboden onderhou-«den, recht en billijkheid zal betracht hebben, zal hij «het leven leven, en niet sterven. Al zijne ongerech-«tigheden, die hij gepleegd heeft, zal ik niet meer «gedenken?» Welnu dan, als de goede God er niet meer aan denkt, waarom zoudt gij ze blijven gedenken? Had een engel u verzekerd, dat uwe vroeger gepleegde misdaden vergeven waren, dan wellicht ware uwe ongerustheid geweken, doch wie geeft u dan de verzekering, dat deze geen engel der duisternis geweest is? Het woord des biechtvaders moet n tot grooteren waarborg strekken, dan dat eens engels.

Denk niet, dat de goede God u daarom minder liefheeft, omdat gij Hem vroeger beleedigd hebt. Waar staat dit geschreven? Op welke wijze heeft God dit getoond? Wel heeft Hij, juist omdat zij, die gevallen waren, zich zoo diep vernederden, blijken gegeven van liet tegenovergestelde. Was het Maria Magdalena niet, aan wie de verrezen Zaligmakei' na zijne goddelijke .Moeder het eerst verscheen? Heeft Christus na zijne verrijzenis aan Petrus zijne verloochening verweten ? Heeft Hij hem, ondanks zijn diepen val, niet aan het hoofd der Apostelen en der gansche kudde geplaatst? Ging de goede God niet vertrouwelijk om met eene H. Margareta van Cortona, vroeger eene zoo groote zondares? Schonk Hij haar zelfs niet de gave van harten te doorgronden, van dooden tot het leven te roepen? Wat meer is, haar lichaam, weleer een werktuig der zonden, maar waarin zij voor de zonde bootte, Verspreidt, tot op den huidigen dag onbedorven bewaard, een aangenamen geur. Maar de duivel, die zich van de IJ. Schrift bediende om Christus te bekoren in de woestijn, zal soms datzelfde middel beproeven, om

-ocr page 269-

257

zwaarmoedige zielen, zoodra zij zich door hot vertrouwen willen opbeuren, in de diepste moedeloosheid te dompelen. Christus sloeg den bekoorder met zijn eigen wapen. Satan durfde gebruik maken van de woorden der H. Schriftuur, en door het woord Gods werd hij als door den bliksem getroffen. Zou de duivel Gods geschreven woord durven aanwenden om u te bekoren, en tot gedachten van wanhoop te brengen, dan heeft God er ook duizenden opgeteekend, die u het grootste vertrouwen moeten inboezemen. Doe gelijk de H. Alphonsus, die, in zijne oude dagen tot. wanhoop bekoord, zich herhaalde malen van Gods woord bediende, om den aanval Satans telkens af te slaan. «Op «U, o Heer, betrouw ik, laat mij nimmer beschaamd «worden» (1); zoo riep de heilige gestadig uit, en de kalmte keerde weder. Zoudt gij mij zeggen, niemand weet of hij liefde of haat waardig is, dan antwoord ik u: niet eene onfeilbare, maar eene zedelijke zekerheid van in Gods genade te zijn bezit gij, wanneer gij, u niet bewust van eene doodzonde, eenigo liefde voor God gevoelt, en bereid zijt liever te sterven dan nog ooit eene vrijwillige doodzonde te plegen, en deze moet li voldoende wezen. Doch is het oordeel, dat, wij over ons vellen, feilbaar, Gods woord; «Zalig hij, die op «den Heer vertrouwt» (2), is onfeilbaar. Voeg hier nog bij hétgeen ik lees in het leven van de H. Theresia (3). Zij hoorde uit den mond van Jezus zeggen, dat niemand zal verloren gaan, zonder het te weten, en dat men in de dwaling niet kan blijven, zonder het te willen.

(O Ps. 70. 1. — (2] Prov. 16. 20. — (3) Vie. acldit. Vrg. H. Alphons. T 6. p. 485.

I.IJDEN V. CHRISTUS. 17

-ocr page 270-

258

Ik vertrouw dan ook, dat mijne zonden mij vergeven zijn, zal misschien uw antwoord wezen, maar wie kan mij de verzekering geven, dat ik zal volharden ? God alleen kan u zulks verzekeren, want de genade der volharding kunt gij niet verdienen, en toch, hij alléén, die volhard zal hebben tot het einde, zal zalig worden. Dit is zeker, maar het is ook zeker dat, wanneer gij standvastig bidt om de volharding, God in zijne grenzenlooze goedheid ze u schenken zal. Deze genade, zegt de H. Augustinus, verleent God niet, tenzij aan hen, die daarom bidden, en de H. Alphonsus herhaalt in zijne werken gedurig deze woorden: Wie bidt, wordt zalig. Vertrouw op de woorden van dien H. Kerkleeraar, die tevens steunen op het woord van God. Ondanks uwe hevige bekoringen en de aanhoudende aanvallen der hel, moet gij immer blijven vertrouwen, niet op ii zeiven, niet op uwe gemaakte voornemens, maar op God alléén, en met den H. Paulus zeggen: «Alles ver-«mag ik in Hem, die mij versterkt» (1); geen strijd zoo hevig, geene bekoring zoo aanhoudend, of, met Gods genade, kan en zal ik zegevieren. Heb ik het aan Gods barmhartigheid alleen te danken, dat ik nog niet verloren, en op dit oogenblik mij niet bewust ben van eene zware zonde, dan moet mij dit tot waarborg strekken, dat de goede God zijn werk, het werk mijner zaligheid, zal voltooien, mits ik niet ophoude Hem hierom te bidden. Alles komt dus hierop neder, dat gij blijft bidden. Dan zult gij zeker niet bezwijken, en, houdt God u door zijne genade staande, dan blijft gij niet alleen staan op den weg der deugd, maar gij gaat vooruit, gij maakt zelfs groote vorderingen op dien weg,

(i) Philipp. 4. 13.

-ocr page 271-

259

des te grooter, naarmate de bekoring heviger, en langduriger is. Werp u dan, met betrekking zoowel tot uwe volharding als tot uwen geestelijken vooruitgang, al biddende in den oceaan van Gods eindelooze goedheid , dompel u diep in dien peilloozen afgrond, want evenals de oceaan op zekere diepte kalm en rusiig is, zoo blijft gij in die diepte, terwijl de storm loeit, vol vertrouwen op God, kalm en onbeweeglijk als een rots. Verhef vandaar met een onbeperkt vertrouwen uwe stem tot God, en zeg: Uit de diepte roep ik tot U, o Heer; Heer, geef gehoor aan mijne stem. Laat uwe ooren luisteren naar de stern mijner smeeking. Indien Gij de ongerechtigheden gadeslaat, o Heer, wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving, en ter oorzake van uwe wet, o Heer, vertrouw ik op U. Mijne ziel vertrouwt op uw woord, mijne ziel hoopt op U, o Heer. Van den dageraad af tot in den nacht toe, hoop ik op den Heer. Want bij U, o Heer, is barmhartigheid en overvloedige verlossing. Gij zult mij verlossen van al mijne ongerechtigheden, en uwe barmhartigheid zal ik loven in eeuwigheid.

Maar ons vertrouwen mag zich niet beperken tot onze geestelijke aangelegenheden alleen, het moet zich tot alles uitstrekken. God is onze Vader, Hij heeft ons tot zijne kinderen aangenomen, en geen vader zoo goed, zoo teeder, zoo bezorgd als onze Vader, die in de hemelen is.

Wat het tijdelijke aangaat, «werp uwen kommer «op den Heer, en Hij zal voor u zorgen» (1). Herinner u de woorden van den Psalmist: «Ik ben een jongeling geweest, en ben ook oud geworden, doch nooit zag ik

(i) Ps. 54. 23.

-ocr page 272-

260

«den rechtvaardige verlaten, of zijne kinderen brood «bedelen») (1). De H. Alphonsus, bezield met zulk vertrouwen, werd niet teleurgesteld. Bij gebrek aan brood begaf hij zich naar de kerk, klopte aan het tabernakel, en bad den goeden God er in te voorzien. Nauwelijks had hij zulks gedaan, of er werd gebeld. Een onbekende, wellicht een Engel, belde aan de deur, en voorzag ruimschoots in alles, waaraan hij en zijne Paters behoefte hadden. Nu ik van kloosterlingen spreek, herinner ik mij, dat een oude Pater, in geur van heiligheid gestorven, zeide: indien er slechts één brood in de wereld was, zou God aan hen, die ter liefde van Hem alles verlaten hebben, en Hem getrouw dienen, de helft er van geven.

Zoudt gij u soms in een of ander gevaar bevinden, vertrouw dan op de almachtige hand des Heeren, indachtig hetgeen er geschreven staat; «Omdat hij op «Mij vertrouwd heeft, zal Ik hem redden» (2). Evenzeer moet gij met het volste vertrouwen bezield zijn, dat de goede God, als Hij u door de stem der wettige overheid tot ecne bediening roept, de noodige genade schenken zal, om de verplichtingen hieraan verbonden , nauwkeurig te vervullen. Dit wil echter niet zeggen, dat God wonderen doen zal, als wij de natuurlijke middelen verzuimen. Is het noodig, dan zal God, om dengene, die op Hem vertrouwt, door zijne almacht wonderen wrochten, maar «wees niet als «iemand, die God op de proef stelt» (3). Doe èn betrekkelijk het tijdelijke-èn betrekkelijk het geestelijke hetgeen gij kunt, en God zal doen hetgeen gij niet kunt. In Dengene die u versterkt, vermoogt gij alles;

(l) Ps. 36. 25. — (2) Ps. go. 14. —- (3) Eccli. 18. 23.

-ocr page 273-

261

vertrouw op Hem, en in eeuwigheid zult gij niet beschaamd worden.

GEBED.

O barmhartige Jezus, wat zal ik U wedergeven voor al de weldaden, die Gij mij verleend hebt? Gij hebt mij niet laten sterven in mijne zonden, zooals ik verdiend had. Herhaalde malen hebt Gij mij geroepen, toen ik van U verwijderd leefde. O geduld van mijn Jezus, ik bewonder U en loof U tevens. Doe mij, o Jezus, die troostvolle woorden hooren, waarme de Gij weleer Maria Magdalena zoozeer troosttet: «Uwe zon-«den worden u vergeven.» Ja, Heer Jezus, Gij hebt mij reeds door den priester, uw plaatsbekleeder, die woorden toegesproken. Ik vertrouw dan ook, dat Gij ze mij vergeven hebt, doch in mijne zwakheid kan ik weder vallen. Gelief mij voor dit allergrootst ongeluk te bewaren, want uit mij zeiven vermag ik niets. Ééne zaak echter troost mij, dat ik alles vermag in U, die mij versterkt, en versterken zult Gij mij, indien ik U hierom vurig bid. Met uwe genade zal ik dan voortdurend blijven bidden, vol vertrouwen van altijd verhoord te zullen worden. Met uw dienaar Job zal ik U toeroepen: «Plaats mij aan uwe zijde, en dat elke hand «tegen mij strijde.» Moge de strijd nog zoo hevig, nog zoo langdurig zijn, nimmer zal ik den moed laten zinken , maar tot mij zeiven zeggen: «Waarom zijt gij «bedroefd, mijne ziel, en waarom ontrust gij mij? Be-«trouw op God.» Ja, lieve Jezus, ik betrouw op U. Gelief dit betrouwen te vermeederen. Op U heb ik mijn betrouwen gesteld, in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden. Ook op uwe machtige voorspraak, o

-ocr page 274-

2(32

Maria, mijne goede Moeder, vertrouw ik. Gij zijt mijne hoop, in de eeuwen der eeuwen zal ik niet beschaamd worden.

HOOFDSTUK VIII.

Et ipse non introïerunt in praelorium , ut non contaminarentur, sed ut manducarent Pascha. Joan. XVIII. 28.

En zij zeiven gingen niet binnen in het rechthuis , om niet ontreinigd te worden, maar het Pascha te kunnen eten.

Toen het nu reeds zeer laat, welliclit na middernacht geworden was, gunden de leden van den hoogen Raad zich eenige rust. Doch opdat Jezus hun gedurende die weinige uren niet ontsnappen zou, sloten zij Hem, zooals de H. Bonaventnra (1) aanmerkt, in een onder-aardschen kerker op, en bonden Hem aan een steenen kolom, terwijl eenige gewapende mannen Hem moesten bewaken. Door dezen werd de onschuldige Jezus bespot, gekweld, vervloekt en gemarteld tot zeer vroeg in den morgen. «En toen liet dag geworden was, kwamen de ouderlingen des volks en de opperpriesters en de schriftgeleerden bijeen, brachten Hem in hunne vergadering en zeiden: «Indien Gij de Christus zijt, zeg «het ons» (2). Dit was het tweede verhoor, dat Christus onderging, want het eerste vonnis, des nachts geveld, was, volgens een voorschrift der rechtspleging bij dn Joden, niet wettig. Zij wilden Christus in dit verhoor, toen het dag geworden was, doen bevestigen hetgeen Hij in het eerste verklaard had. De eerste vraag, die

(i) Med. vit, Christi c. 75. (2) Luc. 22. 66.

-ocr page 275-

263

men Hem stelde, was deze: «Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons.» Waarom voegden zij er niet bij: de zoon van den ievenden God? Omdat zij Hem door een Romeinschen landvoogd wilden doen veroordeelen. Deze nu was een heiden, die in vele goden geloofde, en daar hij ongetwijfeld veel had hooren spreken van de wonderen door Jezus gewrocht, kon bij hem wel eens de gedachte opkomen, dat Hij tot het getal of de familie der goden behoorde, zooals dit later het geval was met Paulus en Barnabas. Deze werd door de heidenen, getuigen van hunne wonderen, voor Jupiter, en gene voor Mercurius gehouden (1). Zij durfden alzoo Jezus bij Pilatus niet beschuldigen, dat Hij zich den Zoon Gods genoemd, maar wel dat Hij zich de koninklijke waardigheid aangematigd had. Deze aanmatiging zou Pilatus beschouwen als eene den Cesar aangedane beleediging, die-gewroken moest worden. Christus kende zeer goed hunne booze bedoeling, en antwoordde daarom «Indien ik het u zeg, zult gij mij niet gelooven, «en zoo ik u ook ondervraag, zult gij mij geen antwoord « geven, noch mij loslaten,» als wilde Hij zeggen: indien Ik niet alleen bevestig, dat Ik de Christus, de Messias ben, maar door u vragen voor te stellen, ook de bewijzen er van lever, zult gij mij toch niet gelooven, want het is u niet te doen om de waarheid te kennen maar alleen eene beschuldiging te zoeken, om mij ter dood te kunnen brengen. De Zaligmaker antwoordde derhalve niet rechtstreeks op hunne vraag, maar legde toch door zich den Zoon des menschen te noemen, de verklaring af, dat Hij de Christus, de beloofde Messias was. Hij voegde er immers bij: «Doch van nu af zal

(l) Act. Apost. 14. 11.

-ocr page 276-

2G4

«de Zoon des menschen gezeten zijn ter rechterzijde der «kracht Gods,» (1) met andere woorden, dat Hij de Zoon Gods was. Zoo begrepen het ook de leden van den Raad; want, zoodra Jezus dit gezegd had, vroegen zij allen: «Zijt Gij dan de Zoon Gods?» en Hij zeide: «Gij zegt «het, want Ik ben het.» (2) Dit antwoord was hun voldoende, want zij haastten zich, uit hoofde van het Paasch-t'eest, Jezus voor Pilatus te brengen, en Hem door dezen ter dood te doen veroordeelen. Daarom zeiden zij: «Wat behoeven wij nog getuigenis? Wij zeiven hebben het uit « zijn mond gehoord.» «En de gansche menigte, geheel « het Sanhedrin stond op, en leidde Hem tot Pilatus » (3). Zij hadden Christus de handen gebonden, en een ijzeren ketting om den hals gedaan. Hij was, zegt de

H. Basilius (4), om den hals gebonden, en vandaar draagt de Priester aan het altaar een stool om den hals. Bij Pilatus gekomen bleven zij buiten het gerechtshuis. «En «zij ze)ven gingen niet binnen in het rechthuis van Pi-«latus, om niet, door het binnentreden in eene heidensche «woning, ontreinigd te worden, maar het Pascha te kun-«nen eten.» Bij deze woerden roept de H. Augustinus (5) uit: «O goddelooze verblindheid! door het rechthuis «van een heidensch rechter vreezen zij ontreinigd te «worden, maar zij deinzen niet terug, het bloed van een «onschuldigen broeder te vergieten.» Het was hun, gelijk Jansenius, Bisschop van Gent, bemerkt, door geen enkele wet, op straf van ontreiniging, verboden het huis eens heidens binnen te gaan, maar het was een overlevering der Pharizeërs. Tot het nakomen van zulke overlevering, door de wet niet voorgeschreven, waren zij niet ge-

(i) Luc. 22. 69. — (2) t. a. p. 22. 70. — (3) t. a. p. 23

I. — (4) Mystagogia Eccles. •—■ (5) Tract. 114.

-ocr page 277-

265

houden, en daarenboven gold het hier slechts eene wettelijke ontreiniging. Terwijl zij hiervoor op hunne manier angstvallig waren , aarzelden zij niet hun geweten met de schrikkelijkste zonde te bezoedelen, door den dood te eischen van den onschuldigen Jezus.|£Men vindt personen, die hun in dit punt eenigcrmate'gelij-ken, wel niet in dien zin, dat zij eene zware zonde zouden willen plegen, maar zóó, dat zij, zekere angstvalligheid niet tegengaande, zich aan eene menigte dagelijksclie zonden plicbtig maken. Zij vreezen waar geene reden tot vrees bestaat, en inmiddels blijven zij eigenzinnig en ongehoorzaam, met gevaar zelfs van vroeg of laat in eene doodzonde te zuilen vallen. Hen wil ik waarschuwen , zich nimmer te laten leiden door een angstig gevoel, dat het richtsnoer niet mag zijn van ons gedrag, maar altijd door het geloof.

Ito nngstviilliglioid boüitrijden.

De angstvalligheid, waarvan hier spraak is, wordt door den H. Alphonsus eene ziekte genoemd. In waarheid doet zij de ziel kwijnen, en maakt haar ongeschikt tot gi'oote vorderingen op den eenmaal ingeslagen weg der deugd en volmaaktheid. Evenals een ziek lichaam zich zeer langzaam op den weg voort-sleurt, zoo ook gaat eene ziel, der angstvalligheid ten prooi, zóó weinig op het ptid der deugd vooruit, dat het nauwelijks zichtbaar is. Zou zulke ziel niet bijtijds krachtige middelen gebruiken om die ziekte tegen te gaan , dan kan deze, behalve de ondermijning der lichamelijke krachten, ook nog den dood der ziel ten gevolge hebben. De angstvalligheid is derhalve een gevaarlijke ziekte der ziel. Eene lichamelijke ziekte heeft

-ocr page 278-

266

meermalen een gunstig uitwerksel voor de ziel. «Eene zware ziekte houdt de ziel wakker» (1), zegt de H. Geest, en wij zien zeer dikwijls bij personen, die gezond naar het lichaam, maar ziek, om niet te zeggen dood zijn naar de ziel, de ziel herleven of sterker worden, zoodra het lichaam door eene zware ziekte wordt aangetast. Is echter de ziel lijdende aan deze geestelijke kwaal, dan wordt het lichaam er nimmer sterker door; integendeel, het kwijnt en wordt al zwakker en zwakker. Om meer dan eene reden is men verplicht de angstvalligheid tijdig te bestrijden. Vooreerst het lichaam gaat er onder gebukt, men is vaak niet meer in staat om de gewone en door de gehoorzaamheid opgelegde werkzaamheden naar behooren te verrichten. Twee-dens, de geest lijdt er door; weldra is men niet meer bij machte om zijne studiën geregeld voort te zetten of onderwijs te geven, de geest wordt door dat aanhoudend denken en onderzoeken des gewetens dermate verstompt dat men schier niets meer begrijpt en gevaar loopt krankzinnig te worden. Velen zouden op dit oogenblik nog zeer vele diensten kunnen bewijzen, hadden zij die ziekte vroegtijdig bestreden, terwijl zij thans oen werkeloos leven slijten, anderen tot last strekken, en voor zich zelven ongelukkig zijn. Derdens, de ziel, beroofd van degelijk voedsel, wordt immer zwakker, want gehoorzamen wil ze niet, communiceeren durft ze niet, zich vernederen zoekt ze niet, en het bidden verveelt haar. Wat is hiervan soms het gevolg?' Wordt zij niet tot wanhoop vervoerd , dan zoekt ze vaak in do zinnelijkheid hare voldoening.

(l) Eccli. 31. 2.

-ocr page 279-

267

Maar waarin bestaat dan deze ziekte der ziel? Volgens den H. Alphonsus (l) bestaat zij in eene ijdele vrees van te zondigen, ontstaan uit vorkeerde opvattingen, die geen redelijken grondslag hebben. Men moet echter onderscheiden tusschen angstvalligheid en nauwgezetheid; deze is eene schoone deugd, en bijgevolg zeer prijzenswaardig; gene is eene eigenzinnigheid, het kenmerk van een bekrompen en hoovaar-digen geest, en daarom in hooge mate verfoeielijk. Er zijn personen, die, uit vrees van voor angstvallig gehouden te worden, zich veel veroorloven, dat niet kan worden goedgekeurd. Om niet angstvallig te schijnen , zijn zij alles behalve nauwgezet in het stipt vervullen van hunne plichten. Kleine overtredingen van de hun opgelegde bevelen, van de hun voorgeschreven verordeningen tellen zij niet; hunne tong bedwingen op den tijd en de wijze als de naastenliefde dit vergt, doen zij niet; zich versterven en de minsten zijn, willen zij uiet. Zij beweren luide niet angstvallig te zijn, en zij toonen het helaas! maar al te duidelijk. Dezulken moeten gerangschikt worden onder het getal der lauwe zielen, die in allerlei kleine zaken eigen voldoening zoeken in strijd met de haar opgelegde verplichtingen. Zonder nu tot zulke strafwaardige nalatigheid over te slaan, moeten angstvallige personen die ijdele en ongegronde vrees van te zondigen ter zijde stellen, en zich niet door het gevoel laten leiden. Do verbeelding der angstvallige zielen, doorgaans levendig, maakt op haar een verkeerden indruk. Door hun gedrag hiernaar te regelen, zegt de H. ïheresia, geraken zij tot zulken staat, dat zij niet meer bij machte zijn

(i). T. ii. p. 38.

-ocr page 280-

268

een enkelen stap te doen op den weg der volmaking. Lieten zij zich nu eenvoudig geleiden op hun weg, dan zouden zij, ondanks liet onrustig gevoel, dat haar kwelt, reuzenstappen doen op den weg der deugd. Dan neen, voortgestuwd door die onrustige gewaarwordingen, wil eene angstvallige ziel, dengene, die haar leidt op een weg brengen, die, volgens hare wijze van zien, alléén de ware is, met andere woorden, in plaats van zich te laten leiden, wil ze zelve een ander leiden. Zij is gelijk aan een zieke, die den geneesheer ontbiedt, en hem vol-genderwijze toespreekt; ik heb u tot mijn dokter gekozen , en daar ik mij niet wel gevoel, ontboden, en nu zal ik u zeggen op welke wijze gij mij behandelen moet; ik ken mijn toestand beter dan gij, niemand weet beter dan ik zelf welke geneesmiddelen mij moeten voorgeschreven worden; gij behoeft mij niet te zeggen of ik binnen blijven dan wel frissche lucht genieten, dit of dat gebruiken of laten moet, ik zelf gevoel zeer goed, wat voor mij noodig is. Zou zulk geneesheer, dit hoorende, niet antwoorden: wel dan hebt gij mij niet noodig, genees u zeiven? Zou hij zulken zieke niet aan zijn lot overlaten en zich verwijderen? Welnu, eene persoon, door angstvalligheid, die ongelukkige ziekte der ziel, gekweld, doet nagenoeg hetzelfde. Zij gaat naar den geneesheer harer ziel, houdt hem een geruimen tijd bezig met allerlei verklaringen, die zij haarlijn toelicht, en waarop zij wil dat de geneesheer al zijne aandacht vestige, ofschoon ze niets ter zake afdoen. Zou hij zich inmiddels met andere zaken bezig houden, of haar gedachteloos aanhooren, dan wordt ze ontstemd en moedeloos, alsof er geene genezing voor haar mogelijk ware. De geestelijke dokter of biechtvader bemerkt al aanstonds, zonder gevaar van zich te ver-

-ocr page 281-

269

gissen, dat hare ziekte de angstvalligheid is. Maar hiervan wil de zieke niet hooren, zij is volstrekt niet angstvallig. Ware ik het maar, denkt ze. Dan neen, zij is in haar eigen oog doodelijk ziek, en daar de biechtvader, evenals zij denkt, haar niet kent, durft ze ook zijne voorschriften niet volgen. Nu een tweede, dan een derde geneesheer, maar helaas! niet één wil haar ge-looven, zijzelve.wil het beter weten dan alle doctoren te zamen. Wat volgt hieruit ? Dat niemand haar gaarne behandelen wil, en zeer zeker niet één haar genezen kan. Zoolang zij niet gelooven, haar verstand niet onderwerpen wil, is er geen redding mogelijk. Vandaar dat er zoovelen zijn, die jaren en jaren aan zulke ziekte lijden, zij willen altijd, dat de biechtvader de door hen aangehaalde redenen als gegrond, en hen niet als angstvallig beschouwe. Want, zeggen zij, angstvallig ben ik niet. Hierop antwoordt de H. Alphonsus (1): «Nietéén «krankzinnige verbeeldt zich krankzinnig te zijn, want «daarin juist bestaat zijne krankzinnigheid, dat hij «meent zijn verstand niet te hebben verloren.» Welke dwaasheid! welke hoovaardigheid, personen aan te treffen, die nauwelijks goed lezen en schrijven kunnen, en toch alles, zelfs de godgeleerdheid, die ze nooit bestudeerd hebben, beter willen kennen dan de biechtvaders. Zij zijn gelijk aan een blinde op onbekende wegen, die niet geleid wil worden, ja zelfs den ziende den weg wil wijzen. Blind zijt gij, angstvallige ziel, op den smallen weg, die ten hemel leidt, en van het pad der deugd en volmaking ziet gij niets.

De goede God, die Saulus tot Ananias zond, van wien hij vernemen zou, wat hij doen moest, wil dan

(i) T. ii. p. 47.

-ocr page 282-

270

ook niet, dat gij u zeiven bestuurt. Hij geeft u een leidsman, van wien Hij zelf zegt: Wie naar hem luistert, luistert naar mij. Dus een onfeilbaar geleider, die u den weg aanwijst, dien gij bewandelen moet; en gij zoudt u zeiven willen geleiden ? Weet gij dan niet, dat, wanneer de eene blinde den andere leidt, ze beiden in de gracht vallen? Op reis vertrouwt gij het leven des lichaams toe aan een koetsier, op het spoor aan een machinist, op de boot aan een kapitein. Immers gij zegt hun niet, hoe zij rijden en sturen moeten, veel minder zult gij uwe handen aan het roer of aan de leidsels slaan. Toch zou u een ongeluk kunnen overkomen. Maar laat gij u eenvoudig geleiden door uw geestelijken leidsman , die de piaats van God bekleedt, dan kan er van gevaar geen sprake zijn. Zou dus de biechtvader u gerust stellen, en u verzekeren, dat uwe zonden u vergeven zijn, denk dan dat God zelf u die verzekering geeft, en Hij zal u in het oordeel hierover geene rekenschap afvragen, maar wel uwe gehoorzaamheid beloonen. De heiligen, hoe heilig dan ook, hebben zich steeds aan het oordeel des biechtvaders onderworpen, en ik veronderstel, dat die groote dienaren Gods vrij wat beter in het geestelijk leven ervaren waren dan gij. De H. Catharina van Boulogne was zeer angstvallig van geweten, maar in alles aan haar biechtvader onderworpen. Soms bevreesd om tot de H. Tafel te naderen, was een enkel teeken van hem voldoende, om aanstonds, ondanks hare vrees, te com-municeeren. Hetzelfde deed de H. Ignatius. Na zijne bekeering werd hij in den beginne erg met angstvalligheid gekweld, doch hij beloofde aan God, zijn biechtvader stipt te zullen gehoorzamen; hetgeen hij ook getrouw nakwam. Hierdoor werd hij niet slechts bevrijd

-ocr page 283-

271

van zijne onrust, maar zelfs een uitstekend meester in liet geestelijk leven. De H. Theresia was zóó gehoorzaam aan haar biechtvader, dat zij zelfs eene openbaring Gods aan zijne beslissing onderwierp. Eens openbaarde God haar eene zaak, doch haar biechtvader was van een ander gevoelen. Wat nu gedaan? Kon zij wellicht denken, dat zulke openbaring slechts in hare verbeelding bestond ? O neen, zij wist zeker dat het eene openbaring van God was, en toch onderwierp zij zich aan haar biechtvader. Nu sprak God tot haar; Theresia, gij hebt goed gedaan, met u aan hem te onderwerpen, maar ga nu terug, ik zal hem inlichten, en hij zal het met mij eens zijn, hetgeen dan ook gebeurde. Die eenvoudige en kinderlijke onderwerping aan den biechtvader is den goeden God zóó aangenaam, dat Hij, zooals de H. Alphonsus zegt (Ij, op zekeren dag aan de gelukzalige Stephanie van Soncino zeide: Aangezien gij uwen wil in de handen des biechtvaders, die mijn persoon vertegenwoordigt, hebt neergelegd, zal u elke genade geworden, die gij Mij vraagt. De H. Paus Gre-gorius (2) verhaalt ons van eene heilige weduwe, met name Galla, het volgende. Zij was eene dochter des lichts, zoodat gedurende den nacht altijd twee brandende kaarsen naast hare rustplaats stonden. Op zekeren nacht verscheen haar de H. Petrus, en het eerste, wat zij hem vroeg, was: Heer, zijn mijne zonden mij vergeven? Zij zijn u kwijtgescholden, was het antwoord. Indien nu de 11. Petrus, die toch de sleutels van het rijk der hemelen draagt, u eens diezelfde verzekering kwam geven, o, wat zoudt gij u gerust gevoelen! Edoch, daar de duivel soms de gedaante aanneemt van

(i) T. II. p. 44. — (2) Dialog. 4.

-ocr page 284-

272

een engel des lichts, wie zou u de verzekering kunnen geven, dat hij, die u verschijnt in waarheid de H. Petrus is? Spreekt echter uw biechtvader, en geeft hij u de geruststelling dat uwe zonden u vergeven zijn, dan kunt gij, door hem te gelooven, u niet vergissen, want niet een Petrus, maar God zelf spieekt door zijn mond. Slaat gij geen geloof aan zijne woorden, dan vraag ik u, waar is uw geloof, waar uwe liefde? Gelooft gij dan niet meer het woord van een God: die u hoort, hoort mij? Wat meer geloof en liefde tevens komt u te stade, want, door u niet gerust te stellen óp het woord des biechtvaders, zoudt gij een van beide veronderstellen moeten, of wel hij is onwetend of zondig. Onwetend, dat hij namelijk geene voldoende kennis bezit om biechtvader te zijn, en zoodoende zoudt gij den Bisschop veroordeelen, die hem bekwaam bevonden en goedgekeurd heeft Welke verwaandheid? Zondig, omdat hij door u toe te staan, ja te gebieden de H. Communie te ontvangen, eene schrikkelijke heiligschennis zou plegen. Welke liefdeloosheid? Wegens dat gebrek aan geloof en liefde, zoudt gij u niet verontrusten? Dan neen, zegt gij, ver van mij zulke gedachte, ik geloof, dat hij de plaatsbekleeder van Christus is, en een heilig leven leidt, maar ik kan of mag mij niet verklaren. Indien hij alles wist, en mij zoo goed kende, als ik mij zeiven ken, zou hij anders spreken. Dus gij meent u zeiven te kennen, welke vermetelheid! Gij meent het alzoo verder gebracht te hebben dan de heiligen, die hun eigene manier van zien mistrouwden, overtuigd dat zij zich zeiven niet kenden? Maar, antwoordt gij wellicht, ik zie de hel voor mijne voeten open, als ik niets mag zeggen en toch communiceeren moet. Hoe komt dit dan? Omdat

-ocr page 285-

273

gij blind zijt, kent gij geen weg. De weg naar den Iiemel is de gehoorzaamheid, en gij beschouwt den weg, dien de biechtvader u aanwijst, als den weg der hel. Wat zoudt gij zeggen van een blinde, die, uit vrees van in het vuur te loopen, zijn trouwen leidsman niet meer volgen wil? Laat hem staan, zegt gij, indien hij onwillig is. Maar dan is het te vreezen, dat hij, die een vuur wil ontwijken, dat alleen in zijne verbeelding bestaat, in een wezenlijk vuur zal vallen. Welnu, gij verbeeldt u, omdat gij blind zijt, het vuur der hel te zien, en gij wilt niet vooruitgaan, gij gaat terug. Dit is juist hetgeen de duivel beoogt. Niet vóór, maar achter u is het vuur der hel, want, laat men de hand los van dengene, die ons als Gods vertegenwoordiger moet geleiden, dan biedt de duivel zijne hand, die men in zijne verwarring aangrijpt, en eenieder weet, waarheen hij ons voeren wil. Wat moet dan ten slotte eene ongeruste en angstvallige ziel doen? Zij moet niet onderzoeken of zij angstvallig is, want, zooals wij hierboven zeiden, zij meent altijd het niet te zijn. Stelt zij waarlijk belang in haren geestelijken vooruitgang, .ja zelfs in hare zaligheid, dan moet zij zonder den minsten twijfel haren geestelijken leidsman gelooven, zoodra deze haar de verzekering geeft, dat zij in dit ot' dat punt angstvallig is. Eenigen immers zijn angstvallig in sommige, en alles behalve in andere zaken, bijv. in de wijze van biechten, doch geenszins in Inmnc manier van spreken en handelen. Heeft de biechtvader haar nu opmerkzaam gemaakt op de angstvalligheid, in welk punt dan ook, dan blijft haar slechts één middel over om van die ziekte te worden genezen, cn dit is: eene blinde gehoorzaamheid. Bidden is goed, maar bidden alléén is niet voldoende. De goede God

I.TJDEN V. CHRISTUS. 18

-ocr page 286-

274

heeft nu eenmaal vastgesteld, dat mon zich door zijn plaatsbekleeder moet laten leiden, en hierin brengt Hij geene verandering, al zoudt gij uw gansche leven in het gebed doorbrengen. Zijt gij hem echter onderworpen, dan is uwe genezing onfeilbaar zeker, al zou ook zulk ongerust gevoel niet aanstonds verdwijnen. God laat het soms voortbestaan, opdat gij door dat kruis te dragen en de gehoorzaamheid te beoefenen, veel voor den hemel zoudt kunnen verdienen. Dit echter kan ik u wel verzekeren: vóór uw sterven zal dan uwe ongerustheid ophouden, en met kalmte zult gij den dood zien naderen, die u overbrengt naar de eeuwige rust.

GEBED.

O mijn dierbare Verlosser, sedert jaren lijd ik aan angstvalligheid. Deze ongelukkige ziekte doet mij kwijnen op den weg der deugd en volmaking, terwijl zij mijn lichaam ondermijnt. Door dat aanhoudend denken, onderzoeken en tobben, ben ik in de deugd niet vooruitgegaan; integendeel, ter oorzake van mijne eigenzinnigheid heb ik mij aan vele fouten schuldig gemaakt, en ongehoorzaamheden gepleegd zonder tal. Thans zie ik duidelijk, dat er een einde aan gemaakt moet worden, op gevaar af van anders mijne zaligheid zelve wellicht te zullen verliezen. Ach, lieve Jezus, wanneer zal ik eens voor goed al mijn tobben staken? Duizenden malen is het mij verboden, en telken male liet ik mij door eene ongeruste gewaarwording medeslepen. Het gevoel mag liet richtsnoer niet zijn van mijn gedrag, ik Meet het, en toch heb ik mij hierdoor laten leiden. Gelief', door de verdiensten van uwe verlatenheid aan het kruis,

-ocr page 287-

mijne eigenzinnigheid en die onnoemelijke fouten, welke er het gevolg van waren, te vergeven. Mijn besluit is genomen, en thans, ik vertrouw het, onwrikbaar. Als een blinde, zal ik mij door uw plaatsbekleeder laten geleiden, ondanks duizenden ongerustheden. Overtuigd dat deze de ware en eenige weg is, dien ik moet inslaan, wil ik van mijne zoo verderfelijke ziekte genezen worden. Gelief dit vast en voor mij zoo noodzakelijk besluit te zegenen. O allerheiligste Maagd en Moeder Gods Maria, kom mij spoedig te hulp.

HOOFDSTUK IX.

Quid est Veritas? Joan. XVIII. 38.

Wat is waarheid ?

De Romcinsche landvoogd, Jezus gebonden ziende, begreep hieruit aanstonds, dat Hij door den joodschen iioogen Raad ter dood veroordeeld was, en dat de leden van het Sanhedrin bekrachtiging van hun vonnis verlangden. Pilatus, niet tevreden met de alge-meene aanklacht der joden; «Indien deze geen boos-«doener ware, zouden wij Hom niet aan u hebben «overgeleverd» (1) vergde, dat zij Hem breedvoeriger beschuldigen, en bepaalde feiten tegen Hem inbrengen zouden. Wel wetende, dat zij zich tegenover een heiden bevonden, en te doen hadden met een stedehouder van den César daar te lande, moesten zij beschuldigingen tegen Jezns aanvoeren, die bij hem gemakkelijk ingang zouden vinden, zooals die, welke met oproerigheid en verzet tegen het tijdelijk gezag in ver-

(l) Joan. 18 30.

-ocr page 288-

276

T

band staan. Zij zeiden dan: «Wij hebben bevonden, «dat deze ons volk verleidt, verbiedt schatting te bestalen aan den Keizer, en zegt, dat Hij zelf de Chris-«tus, de Koning is» (1). Zij luidden alzoo tegen Jezu^ eene drievoudige aanklacht. Vooreerst dit Hij het volk verleidde, waardoor zij wilden te kennen geven, dat Hij een oproermaker was, en het volk opruide tegen het wettig gezag. Hoe valsch deze beschuldiging was, blijkt hieruit, dat Christus, in plaats van oproer te verwekken , het volk geleerd had zijne vijanden zelfs te beminnen, en zich aan het wettig gezag te onderwerpen. En toen iemand Hem zeide: «Meester, zeg aan «mijn broeder, dat hij de erfenis met mij deele,» antwoordde Jezus: «Mensch, wie heeft mij tot rechter ot' «erfdeeier over ulieden aangesteld» (2)? Even valsrh was de beschuldiging, dat Hij verbood schatting te betalen, daar Hij gezegd had, dat zij den keizer zouden geven wat hem toekomt. De derde aanklacht, dat Hij zich een aardsch koningschap aanmatigde, in den zin waarin men dat in den regel opvat, was evenzeer ongegrond; want, toen men Hem, na de wondervolle vermeerdering der broeden, tot koning wilde uitroepen, nam Hij de vlucht en verborg zich. Immers zijn rijk is niet van deze wereld. Jezus bekent wel zijdelings zijn koningschap, maar verklaart tevens, dat zijn koningschap van een geheel anderen aard is dan de koninkrijken dezer wereld. Zijn rijk, zegt de H. Joannes Chrysosto-mus (3), is geen mensclielijk, geen vergankelijk rijk. het duurt fot aan liet einde der wereld, Pilatns nu wilde uit Jezus' mond de verklaring hooren, in welken zin Hij zich dnti een koning noemde, en vroeg daarom

(l) I-UC,

(2) Luc. 12. 13-14. — (3) Hom. 82.

-ocr page 289-

277

«Gij zijt dus een koning? Jezus antwoordde: Gij zegt «liet, Ik ben een koning. Hiertoe ben Ik geboren, en «in de wereld gekomen, om getuigenis te geven aan «de waarheid. Al wie uit de waarheid is, hoort naar «mijne stem. Pilatus zeidc tot Hem: Wat is waarheid? «En toen hij dit gezegd had, ging hij wederom bui-sten» (1). Pilatus, zooals de H. Bonaventura (2) aanmerkt, zou, gelijk het schijnt, geloofd hebben, indien Christus hem verklaard had, wat de waarheid is, doch de Zaligmaker deed zulks niet, en waarom niet? Volgens den H. Joannes Chrysostomus (3) vergde zulke verklaring der waarheid nog al tijd, en Pilatus had geen geduld om het antwoord af te wachten. Volgens dén H. Anselmus was Pilatus onwaardig de waarheid uit Jezus' mond te vernemen. Hoe het ook moge zijn, zeker is het, dat die heidensche landvoogd zich verwijderde en daardoor te kennen gaf, hoe weinig hem aan de waarheid gelegen was. Dit gedrag van Pilatus vindt helaas bij velen navolging. Er zijn er, die de waarheid liefst niet vernemen, uit vrees van hunne handelingen dan daarnaar te moeten regelen, en liever in hunne schuldige onwetendheid willen voortleven. Anderen zijn te hoovaardig om eene voor hen vernederende waarheid aan te hooren, en houden zich van hen verwijderd, uit wier mond zij de waarheid zouden hooren. Zij beminnen meer de vleierij dan de waarheid; die hen vleien, zoeken ze, die hun de waarheid zeggen, vluchten zij. Moeten zij soms de waarheid hooren, dan slaan zij er geen acht op. Dientengevolge zullen zij zich zeiven nimmer leeren kennen, en blijven

(l) Joan. l8. 37—39. — (2) In Evang. S. Joan 18 38. — (3) Hom. 83, alias. 84.

-ocr page 290-

278

zij met allerhande fouten behept. Willen wij tot een grootere kennis van ons zeiven geraken, en alle fouten verbeteren, laten wij clan liefde hebben voor de waarheid , hooren wij haar met nederigheid en dankbaarheid.

met liefde de waarheid aaniiooreii.

De mensch, van natuur hoovaardig, is altijd genegen gehoor te geven aan woorden, die zijne eigenliefde streelen, van wien zij ook mogen komen. Zoudt gij nu aanleiding geven tot zulke vleiende woorden, door te laten merken dat zij u behagen, dan zullen er altijd zijn, die uwe ijdelheid voeden, hetzij uit kortswijl, hetzij uit zelfbelang. Ten uwen koste zullen zij zich vermaken, of een dienst van ti begeeren. Dit is in den regel het doel van hunne vleiende gesprekken. Zij zijn geen oprechte maar valscho vrienden, want in hun hart zijn zij overtuigd van het tegenovergestelde. Van dezulken moet gij de waarheid niet leeren, noch luisteren naar huiine vleierij, want er staat geschreven: «Eene valsche tong houdt niet van «waarheid, en een gladde, een mond die vleit, brengt «onheil aan» (I). Immers de lof, dien zij u toezwaaien, bedwelmt u als het ware; de weinige ootmoed, dien gij nog bezitten zoudt, wordt u ontroofd; de geringe wijsheid u ontstolen, en in plaats van ootmoedig en verstandig wordt gij hoovaardig en dwaas. Dit moge u dan tot regel strekken: leer de waarheid niet van vleiers, en luister evenmin naar hunne woorden. Zou men u prijzen ter oorzake van eene liefdedaad door

(i) Prov. 26. 28,

-ocr page 291-

279

u verricht, ontken dan de daad niet, daar zij waar is, doch weiger de eer, die u niet toekomt. God alléén , zonder wien wij niets vermogen, moet geloofd, geëerd on geprezen worden. Dit deed ook de allerheiligste Maagd Maria, toen zij door Elizabeth gcpre-2en werd.

Bij wereldschgezinde personen is het meestal vruchteloos over eene waarheid uit het geestelijk leven te spreken ; immers «de zinnelijke mensch verstaat niet wat «van den geest Gods is» (1). Zij, in wie het leven der zintuigen de overhand heeft, en die het hoogere of geestesleven op het gebied van godsdienst en zedelijkheid onderdrukken, nemen niet op hetgeen van den geest Gods komt, wat de H. Geest ons van Gods wijsheid geopenbaard heeft. Duizenden leugenachtige stellingen lioort men hen dan ook alom verkondigen. Ook moet gij hen niet gelooven, als konden zij waarheid spreken in zaken, waarvan zij niets begrijpen, en in het algemeen hen niet, die hunne opvatting in zaken, die de hartstochten vleien en de zinnen streelen, als waarheid willen opdringen. Verlangt gij echter de waarheid te booren op godsdienstig terrein, en wie zou niet dorsten naar die waarheid? Dan moet gij u tot hen wenden, die u de waarheid zeggen in naam van de waarheid zelve. Zoo dezen u onderrichten, terechtwijzen of vermanen aangaande zaken, die uw geestelijk welzijn betrelïen, leen dan al uwe aandacht, zorg dat geen woord, voor uw heil gesproken, verloren ga. Het strookt niet altijd niet onze eigenliefde de waarheid te booren; soms zegt men ons harde waarbeden, welke baar een zeer gevoeligen slag toebrengen.

(I) I. Corinth. 2. 14.

-ocr page 292-

280

Hoe gedraagt zich bij zulke gelegenheid eene hoovaar-dige, hoe eene ootmoedige ziel? De H. Gregorius (1) antwoordt, dat deze hare fout erkent en belijdt, terwijl gene, en dit is eene ondeugd des menschelijken geslachts, de geheime fout ontkent, en wordt ze duidelijk bewezen, die nog vergroot door zich te verdedigen. En geen wonder. Want eeti hoovaardig mensch, die zich in den geest boven anderen verheft, kan niet dulden dat hij, wanneer de waarheid aan het licht komt, beneden anderen geplaatst wordt. Daarom is hij een vijand van de waarheid, daarom kan hij haar niet hooren. Een ootmoedige ziel heeft hare ellende steeds voor oogen, en, overtuigd van menigvuldige fouten, anderen beter dan haar zelve bekend, beaamt zij niet slechts ten volle, hetgeen Gods plaatsbeklee-ders haar zeggen, als het hare gebreken geldt, maar loont zich zelfs dankbaar. En dit is niet meer dan billijk, want hoe zouden wij het onzen oversten ten kwade kunnen duiden, indien zij ons opmerkzaam maken op onze fouten? Is dit niet hun plicht? Moeten zij geen rekenschap geven van hunne onderhoorigen? En gij zoudt kunnen verlangen, dat zij hun geweten bezwaren door de waarheid voor u verborgen te houden! Daarenboven moet gij wel weten, dat het voor uwe oversten een alles behalve aangename taak is, u soms eene harde waarheid te moeten zeggen, en gaarne zouden zij zich die moeite besparen, mits zij het voor God konden' verantwoorden. Derhalve verdienen zij medelijden, als zij zich van zulken onaangena-men plicht moeten kwijten. Dit mag een onderdaan niet uit het oog verliezen.

(l) L. 60. ir.oral.

-ocr page 293-

281

Van ganscher harte beklaag ik de oversten, die hunne onderdanen niet de waarheid mogen zeggen, zonder aanstonds opwerpingen en tegenkantingen te ontmoeten; maar duizendmaal meer beklaag ik zulke onderhoorigen zeiven. Want wat zal er geworden van een onderdaan, die uit den mond zijns oversten de waarheid niet hooren wil, de hem gemaakte opmerkingen als eene onverdiende en misplaatste vernedering beschouwt, en toeschrijft aan eene verkeerde opvatting, aan valsche aanklachten of wel aan eene afgekeerdheid, welke de overste tegen hem zou hebben opgevat, in één woord, die, om welke redenen dan ook, geen geloof slaat aan hetgeen Gods plaatsboklee-ders hem zeggen, zoodra het eene waarheid geldt, die hem vernedert? Om erger te voorkomen blijven de opmerkingen, die den onderdaan alléén betreffen, in het vervolg meestal achterwege, en hij, verblind door de eigenliefde, waant zich onberispelijk, zijne hoovaardigheid stijgt ten top, en zijn diepe val is nabij. Zoo gebeurd het dat zij, die, zich eene kleine vernedering willende besparen, naar de waarheid niet luisteren, dieper dan ooit vernederd worden. Was dit liet geval niet met vele koningen van Israël en Jiula, die de woorden van de Profeten, door God hun gezonden , in den wind sloegen? Herinneren wij ons aan Saül, aan Achab en anderen. Pilatus wilde zelfs de waarheid niet hooren uit den mond van Christus, de waarheid zelve, en toen desniettemin de waarheid zich duidelijk aan hem vtrtoonde, deed de vrees, door den Keizer vernederd te worden, hem de waarheid verachten. Diep werd hij vernederd , toen hij van zijn ambt ontzet, in ballingschap een einde maakte aan zijn leven. Willen wij derhalve op den weg naar den hemel

-ocr page 294-

282

ons niet slechts vrijwaren voor diepe afgronden, die ons van alle kanten omgeven, maar met reuzenstappen vooruitgaan, dan is liet volstrekt noodzakelijk, dat wij op geestelijk gebied, zonder eenig vooroordeel, ben gelooven, die in Gods plaats ons bestnron, en onze handelwijze daarnaar inrichten. Het is niet genoeg de waarheid eenvoudig aan te booren, wij moeten haar ook liefhebben, en die liefde door daden toonen. Wat meer is, wij moeten met een vurig verlangen bezield zijn, om dikwijls de waarheid van hen te booren, en ze altijd met een dankbaar hart aan te nemen.

Hoe is het geloof over den ganschen aardbodem anders verspreid dan door het verkondigen der waarheid? Hoe zouden èn Joden èn Heidenen hunne oogen voor de waarheid geopend hebben, zoo deze hun niet ware medegedeeld! Is het aanhooren der waarheid nog niet immer eene vereisebte voorwaarde, opdat de afgedwaalden hunne dwaling, de zondaars hunne misdaden , de godvreezenden hunne fouten inzien? Wat zou er van eene Rpomscb-Katbolieke gemeente geworden , indien haar de waarheid niet meer verkondigd werd? Welk goed zou men van kinderen kunnen ver-verwaebten, zoo de ouders hun de waarheid niet leerden? Hoe zouden de leden van eene geestelijke ver-eeniging op den weg der deugd vooruitgaan, zoo de oversten hun de waarheid niet zeiden? Wij zien dan ook dat Katholieken, kinderen, kloosterlingen in deugd aangroeien, naarmate zij verlangen de waarheid te hooren van hunne herders, ouders en oversten , door God daartoe aangesteld. Zij, die het oprecht meenen met hun geestelijken vooruitgang, verzoeken dan ook met alle nederigheid, dat de oversten hen niet sparen, noch vreezen zouden hun soms harde waarbeden te

-ocr page 295-

283

zeggen, die zij immer met dankbaarheid zullen aan-hooren. Niet alsof zij gevoelloos zijn bij het vernemen dier voor hen vernederende waarheid. Neen, maar uit liefde voor de waarheid en voor hun geestelijk welzij^ weten zij zich boven die gevoeligheid te verheffen, zonder zich hieraan in het minste te storen. Zouden de oversten in wetenschap en ondervinding hen niet kunnen evenaren, toch onderwerpen zij zich, als het opmerkingen en terechtwijzingen geldt, overtuigd dat anderen, vooral de oversten, die door den H. Geest bijzonder verlicht worden, hen beter kennen, dan zij zich zeiven.

Hieruit volgt echter niet, dat zij, die in overheid gesteld zijn, zich zeiven daarom kennen en geene opmerking behoeven. Geeft do H. Geest hun bijzondere kennis om anderen te besturen, niet zoo, als het hun eigen persoon betreft. Zien zij soms duidelijk, wat er bij anderen omgaat, in hun eigen hart heerscht meestal duisternis. Zien en weten zij veel, toch niet alles, en om hen in de ootmoedigheid te bewaren, laat de goede God soms toe, dat zij de waarheid moeten leeren van hunne onderhoorigen. Wij zien het in Mozes, den geleider van Israels volk. Zijn schoonvader Jethro maakte hem eene bemerking. Mozes zag het redelijke, om niet te zeggen het noodzakelijke hiervan in, en even ootmoedig als groot, maakte hij zich aanstonds die bemerking ten nutte, en stelde anderen aan om met hem den zwaren last, die op zijne schouderen rustte, te deelan. Iemand, die alzoo in overheid geplaatst is, en belang stelt in liet goede bestuur en in zijne volmaking, behoeft zich wel niet aan elk gezegde te storen. Het spreekwoord zegt: «zooveel hoofden « zooveel zinnen. » Doch hij wachte zich ook elke be-

-ocr page 296-

'284

merking met zekere verontwaardiging van de hand te wijzen. Dat ware een teeken van hoovaardigheid, wijl God den kleinen, den nederigen vaak openbaart, hetgeen Hij voor den verwaande verborgen houdt. Gij dan, die boven anderen geplaatst zijt, acht het niet beneden u, de waarheid van wie dan ook te hooren, want de H. Augustinus (1) zegt: «Door wien ook de «waarheid gezegd wordt, zij wordt niet gezegd, tenzij «door de gave van Hem, die de waarheid zelve is.» God heeft meer dan eens aan zijne Heiligen, ofschoon in het oog der wereld onwetend, en in waardigheid ver beneden anderen geplaatst, zaken geopenbaard, voor de overigen verborgen, en voor degenen, die ze betroffen, een geheim. Doch dit is eene zeldzaamheid. De algemeene regel is en blijft, dat God hen, die ambtshalve anderen moeten onderrichten, op eene meer bijzondere wijze verlicht, om zich, naar behooren, van hunne taak te kunnen kwijten. Naar hen moeten wij luisteren, omdat zij ons in zaken, die onze geestelijke belangen betreflen, de waarheid zeggen. Dan helaas! het gebeurt soms, dat men personen aantreft, die halsstarrig weigeren te gelooven hetgeen hun door Gods plaatsbekleeders gezegd wordt. Zou men op deze niet de woorden moeten toepassen van den H. Augustinus (2) «kinderen des duivels worden zij genoemd, die de «waarheid niet gelooven?»

Wat u betreft, beijver u steeds een kind Gods te zijn, en gij zijt het, indien gij de waarheid vindt en werkdadig bemint. Want «waar ik de waarheid heb «gevonden,» zegt de H. Augustinus (3), «heb ik God ge-

(i) L. 4. c. 24. de lib, arbitr. — (2) Contra Adimant c 15. (3) t a. p.

-ocr page 297-

285

«vonden.» Is de duivel de leugen, God is de waarheid. Hebt gij de waarheid lief, dan hebt gij God lief, en de waarheid zal u vrij maken, vrij van alle banden, die u aan het geschapene binden. Zij zal u vrijwaren voor alle gevaren, behoeden voor alle moeilijkheden, veilig geleiden op den weg ten hemel, om eindelijk God de waarheid zelve te bezitten. « Zou de waarheid «niet behagen,» zegt de H. Augustinus (1) «dat u dan «de vrijheid behage,» de vrijheid den kinderen Gods eigen. Doch vergeten wij het niet, de weg tot deze vrijheid is de weg der waarheid. Deze moet gij, laat ik het in weinige woorden herhalen, niet zoeken bij hen die u vleien, ook niet bij hen, die een zondig leven leiden, of u alles maar voorhouden wat zingenot verraadt, maar bij degenen, die tot u spreken in den naam van God, wiens plaats ze bekleeden. Luister met alle oplettendheid naar elke waarheid, die zij u leeren, en wees er dankbaar voor, opdat men u gaarne de waarheid zegge. Toon uwe dankbaarheid door die waarheid op te volgen. Deze is de weg der zaligheid, de weg der volmuking.

GEBED.

O mijn goddelijke Verlosser, Gij, die zelf de waarheid verkondigd, en den 11. Geest gezonden hebt, om uwe Apostelen alle waarheid te leeren, opdat zij deze op hunne beurt alom verkondigen zouden. Gij hebt mij uit de duisternis geroepen tot een wonderbaar licht, een licht van godsdienstige kennis en gerechtigheid. Had ik steeds in dit licht der waarheid gewandeld, dan zou ik zoovele zonden en misslagen niet begaan

(i) De verbo Dni. serai. 48.

-ocr page 298-

286

hebben. Ik wamielde in de duisternis, niet omdat het mij aan licht ontbrak, maar omdat ik mijne oogen voor het licht der waarheid sloot. Hielden uwe plaats-bekleeders mij het licht der waarheid voor oogen, dan wendde ik ze hiervan af, en heb hen door zulke dwaze en verkeerde handelwijze, doen zuchten en mij zeiven bezondigd. Ik verdiende de waarheid niet meer te hoo-ren; maar wat zou er dan helaas! van mij geworden? Ach Heere Jezus, houd niet op mij de waarheid te leeren door hen, die mij in uwen naam besturen moeten, cn schenk mij tevens een leerzaam hart, opdat ik voortaan de waarheid immer moge volgen. Ootmoedig-lijk vraag ik U mijne halsstarrigheid en eigenzinnigheid te vergeven. Het doet mij innig leed U hierdoor zoo vaak te hebben beleedigd. Ik heb vast besloten in het vervolg steeds leerzaam te zijn, en door mijne volgzaamheid te toonen, dat ik de waarheid liefheb. O goede Moeder Maria, verkrijg voor mij een leerzaam hart en eene werkdadige liefde voor de waarheid.

HOOFDSTUK X.

Nihil invenio culpae in hoe homine. Luc. XXIII, 4.

Ik vind geene schald in dezen mensch.

Pilatus zag zeer goed in, dat de leden van den hoogen joodschen Ilaad Jezus een doodelijken haat toedroegen. quot;ij begreep ,. dat niet de liefde voor de gerechtigheid hen bezielde, maar een vree.selijke wrok. dien zij koelen wilden. En daarom sloeg hij weinig acht op de menigvuldige beschuldigingen, die zij tegen Jezus inbrachten. De aantijging alléén van het

-ocr page 299-

287

aanmatigen eens koningschaps wilde hij, als stede-houder des Keizers, niet onopgemerkt laten voorbijgaan , wellicht om den Joden geene aanleiding te geven hem bij den Keizer als een verrader des vaderlands aan te klagen. Hij meende de gunst der Joden noodig te hebben , om zich in zijn ambt als landvoogd te kunnen handhaven, en wilde die daarom dan ook niet verbeuren. Van den anderen kant, wilde hij Jezus, wiens onschuld hij erkende, niet ter dood veroordeelen, na Hem zeiven te hebben ondervraagd; te meer daar van een koningschap, in den gewonen zin des woords, hier geen spraak was. Hij ging dan naar buiten tot de Joden , niet om Jezus voor goed vrij te pleiten en buiten elke vervolging te plaatsen, maar om verslag te geven van zijn onderhoud met den beschuldigde. Het antwoord luidde: «Ik vind geene schuld in dezen mensch.» Als wilde hij zeggen: ik, voor wien gij Jezus gebracht hebt, om Hem te vonnissen en tot den dood te veroordeelen, heb Hem ondervraagd, en bevonden, dat Hij zich geen aardsch koningschap, dat inbreuk maakt op de macht en de rechten des Keizers, aanmatigt, daar zijn rijk niet van deze wereld is; ik verklaar derhalve geene schuld in Hem te vinden. Door deze openlijke en plechtige verklaring bracht hij hulde aan Jezus' onschuld maar verder ging hij niet , en ondanks deze verklaring hield hij Jezus nog gevangen. Welk gemoedelijk rechter zou er niet bijgevoegd hebben: daar ik dezen alzoo onschuldig verklaar, laat ik Hem los, schenk Hem de vrijheid, en waarschuw u tevens, een onschuldige niet verder te vervolgen, ik neem Hem a!s zoodanig onder mijne bescherming, cn gelast u Hem ongehinderd te laten, opdat ik, zooals het mijn plicht is, u niet op mijne beurt vervolge, en als strafwaardig veroordeele.

-ocr page 300-

288

Dan neen , zóó durfde de landvoogd niet spreken. Zijn geweten zeide het hem wel, maar de vrees van de gunst der Joden te verliezen, weerhield hein. De stem der woeste menigte, die immer voortging Jezus te beschuldigen , smoorde de stem zijns gewetens. Na den onschuldig verklaarden Jezus allerlei vernederingen, en pijnvolle versmadingen te hebben aangedaan, gaf hij, tegen zijn geweten in en ondanks de waarschuwing zijner huisvrouw; «Bemoei u niet met dien rechtvaar-«dige,» Hem aan den wil der Joden over om gekruist te worden, zooals wij later zien zullen. Het is waar, zooals de H. Augustinus (1) bemerkt, dat de Joden, en vooral de leden van den hoogen Raad, den landvoogd als het ware dwongen, het doodvonnis tegen Jezus uit te spreken, maar daarom was hij, ofschoon minder plichtig dan zij, toch niet onschuldig, verre van daar. HU kende Jezus' onschuld, en als rechter was hij wel degelijk verplicht den onschuldige voor verdere vervolging te vrijwaren. Het ontbrak hem niet aan goede inspraken, maar hij gaf er geen gevolg aan. Zoo vindt men er helaas! nog velen, die, is het niet in zulke allergewichtigste, dan toch in meer of minder belangrijke zaken doof blijven voor de stem des gewetens. Tenzij men tot dien graad van boosheid zou gekomen zijn, dat God van iemand als zijne hand terugtrekt, en hem aan de versteendheid zijns harten overlevert, houdt de H. Geest niet op door de stern zijner genade, nu eens deze aan te sporen om op te staan uit den staat der lauwheid, of zich van eene fout te beteren dan weder anderen, om een stap vooruit te gaan op den eenmaal ingeslagen weg der volmaking.

(i) Sup, Ps. 63.

-ocr page 301-

289

Wie nu zulke inspraken der genade voortdurend weigert op te volgen, zou gelijk zijn aan een blind en machteloos kind, dat weigert een stap vooruit te zetten aan de hand van den leider. Zoo ook wij, indien wij ons aan de leiding des H. Geestes onttrekken. Zelfs, door zich slechts eenmaal te verzetten tegen die weldoende stem der genade, zou niet alleen onze volmaking, maar daarenboven nog onze zaligheid gevaar kunnen loopen. Deze eerste ongetrouwheid kan oorzaak worden van meer en grootere trouweloosheid. Beijveren wij ons dan steeds, met eene heilige vreeze bezield, elke inspraak der genade aanstonds en stipt te beantwoorden.

Itc goede iiis|irakcii opvolgen.

In het tiende hoofdstuk van het eerste deel is gesproken over het benutten van den tijd der genade. Ik had daarbij liet oog op hen, die verstoken zijn van de lieiligmakende genade , opdat zij hunne bekeering niet zouden uitstellen, maar zich het oogenblik van Gods liefdevolle roeping tot verandering des levens zouden ten nutte maken. In dit hoofdstuk spreek ik over het beantwoorden aan de genade, of over het opvolgen van de inspraken des H. Geestes, zoowel om de heilig-makende genade niet te verliezen, als om haar te vermeerderen. De H. Kerkvergadering van Trente (1) leert uitdrukkelijk, dat wij de heiligmakende genade kunnen verliezen, maar ook kunnen vermeerderen. Zoowel om haar te bewaren, als om haar steeds te vermeerderen, behoeven wij Gods hulp; zonder de genade des H. Geestes is dit onmogelijk. Doch de ge-

(l) Sess. 6, can. 23. 24. I.IJDEN V. CHRISTUS.

■19

-ocr page 302-

290

nade alléén is niet voldoende. Waartoe dient het licht indien ik mijne oogen sluit? Waartoe eene vermaning, indien ik mijne ooren stop ? De mensch kan der genade weerstand bieden, zooals de H. Kerk leert en gave God dat het nimmer geschiede! Doet hij zulks, dan wordt hij plichtiger en verdient des te grootere straf. Zou dan de H. Geest ons met dadelijke genaden, waarvan hier spraak is, verrijken, dan wil Hij ook, dat wij met die genade medewerken. « God,» zegt de H. Thomas (1), «stort niet alleen zijne genade in ons uit, «opdat onze werken aangenamer en verdienstelijker worgden , maar beweegt ook om van de ingestorte genade «een goed gebruik te maken, en dit wt rdt medewerkende «genade, genoemd.» God geeft alzoo den mensch zijne genade zonder welke hij niets verdienstelijks kan verrichten , maar de genade alléén zal ook niets goeds uitwerken. De genade komt op de eerste plaats, maar 's menschen vrije wil moet hare werking volgen. Doch waarin bestaat die dadelijke genade des H. Geestes? Hierin, dat God ons verstand verlicht cn onzen wil beweegt om de zonde te vermijden, het goede te willen en te volbrengen. De mensch is zóó ellendig en hulpbehoevend, dat hij zonder God niets vermag, zelfs niet het goede te willen, naar luid van den apostel Paulus(2): «Het is God, die in u werkt èn het willen èn het vol-«brengen, om zijne goedwilligheid.» Hierdoor wil hij zeggen, dat God, niet om eenige verdienste van onzen kant, maar uit zuivere genade, uit vrije goedwilligheid van zijnen kant, in onze zielen voortbrengt èn het willen èn het werken. Onze wil wordt, om mij zoo uit te drukken, door God als uit den slaap opgewekt, doch eenmaal

(l) In I. ad Cor. c. 15. lect, I. —■ (2) Ad Philipp. 2. 13.

-ocr page 303-

291

gewekt en bewogen, kan en moet hij met de genade medewerken. Is de goddelijke genade een hemelsch licht, bestemd om het verstand van den rnensch te verlichten, is zij eene geheimvolle stem, die de kracht bezit om den wil tot de beoefening van liet goede te bewegen en van het kwade af' te houden; dan moet de mensch het oog zijns geestes voor dit licht werkelijk openen, hij moet aan deze opwekkende, waarschuwende, gebiedende of verbiedende stem het oor zijns harten leenen; hij moet van zijn kant met de hulp der leidende, vergezellende genade datgene willen en volbrengen, waartoe de voorkomende genade hem aanspoort. Anders strekt de genade des H. Geestes hem niet tot heil, maar zal zij veeleer de verantwoording aan God zwaarder en de straiïen strenger maken.

Verschillende redenen moeten ons aansporen, om krachtig en werkdadig met de genade mede te werken. Eerstens, de vrees voor de lauwheid. Velen worden er gevonden, die de dagelijksche zonden weinig of niet tellen, veel minder zich aan kleine fouten of onvolmaaktheden storen. Ik wil veronderstellen dat gij, die dit leest, niet tot het getal dier lauwen behoort en ook nimmer behooren wilt. Maar gebeurt het niet, dat gij soms bekoord wordt tot deze of gene fout, denkende: het is eene kleinigheid; de goede God zal het mij zoo kwalijk niet nemen; wie kan ze alle vermijden? Zoudt gij u nu hieraan schuldig maken, ondanks het licht der genade, waardoor gij beter inziet, wat het is een God te beleedigen door welke fout dan ook, en niettegenstaande de beweging dierzelfde genade om ze niet te plegen, dan zult gij u bij eene volgende bekoring reeds zwakker gevoelen, en u de genade onwaardiger maken. Zoudt gij nu bij een helderder licht des gees-

-ocr page 304-

292

tcs en eene sterkere beweging des harten toch de bekoring inwilligen, dan is het te vreezen, dat gij zeker zult toegeven, wanneer het licht flauw, de beweging-zwakker is. Zoo gebeurt het, dat zij, die in den beginne een grooten afschuw hadden van de lauwheid, ten gevolge van het niet beantwoorden aan eene genade, van lieverlede tot den staat der lauwheid geraken. Evenzeer is dit het geval, als er spraak is van eene genade, waardoor wij tot eene hoogere volmaking, of het beoefenen eener deugd worden aangespoord. Blijft men bij deze gelegenheid doof voor de stern der genade, dan kan het zeer goed gebeuren, dat de goede God zich meer en meer van ons verwijdert, de duivel meer macht op ons erlangt, en wij in plaats van volmaakter immer onvolmaakter worden; van de onvolmaaktheden tot de lauwheid, en van de lauwheid tot den staat der zonde vervallen. Hieruit ziet men van hoeveel belang het is, eene inspraak des H. Geestes nimmer te weerstreven, maar spoedig en met ijver op te volgen, hetzij het gelde eene fout te vermijden o.' eene deugd te beoefenen. En hoe dikwijls ontwaart men niet zulke goede inspraken? Nu eens zegt ons de H. Geest onze zinnen te versterven, dit of dat woord niet te zeggen, naar dit of dat niet oin te zien; dan weder deze of gene spijze niet of in mindere hoeveelheid te nemen, ons te vernederen, openhartig te zijn voor onze oversten, een liefdewerk te verrichten, onze nieuwsgierigheid te bedwingen, en zoo verder. Nauwelijks gaat er een dag, een uur voorbij of wij ontwaren die inwendige stem der genade. Het kan den H. Geest niet onverschillig zijn of wij aan zijne uimoodiging al dan niet gevolg geven. Want de fl. Alphonsus zegt (1): «De genaden, die God (i) t. 2 i6i.

-ocr page 305-

293

ons schenkt, de verlichtingen, uitnooJigingen, goede gedachten, kortom, alles is de prijs van het bloed van Jezus Christus. Hij dan, die aan de ge iade niet beantwoorden wil, schijnt den eindeloozen schat van Jezus' bloed niet genoeg te waardeeren, en maakt zich hierdoor meer en meer onwaardig daaraan deel te hebben. Op de eerste trouweloosheid volgt een tweede, op de tweede een derde, en zoo wordt het weerstand bieden aan de stem der genade, eene gewoonte. Is men nu gewoon der genade ontrouw te zijn, als zij ons opvoeren wil tot hoogere volmaking, dan zal men al ras er weinig uitmaken, indien zij hare stem doet hooren om ons van dagelijksche zonden terug te houden. En zoo wordt de ziel ten slotte lauw, onze zaligheid loopt gevaar, en dit is eene tweede reden, waarom wij aan de stem der genade geen weerstand mogen bieden, hetzij deze ons aanspore, om eene fout te vermijden otquot; roepc tot eene hoogere volmaaktheid.

Hoe velen hebben hunne zaligheid verloren, die door God tot een meer verheven levensstaat geroepen, niet konden besluiten de banden des bloeds, die hen aan hunne familie kluisterden, te verbreken, het offer te brengen van hunne vrijheid, en te verzaken aan de gemakken dos levens! Anderen, na de stem des II. Geestes, die hen uit de wereld riep, te hebben opgevolgd, zijn in later dagen de genade, die hen tot grooter heiligheid- wilde brengen, ontrouw geworden, en hebben door de wereld te verlaten, den hemel niet erlangd. Zou men zich met zekeren graad van deugd tevreden stellen, en geen hoogen verlangen, of wel den berg der volmaaktheid slechts tot zekere hoogte willen bestijgen, zonder hooger op te klimmen, ondanks de inspraak der genade, dan loopt men gevaar

-ocr page 306-

294

den reeds verkregen graad te verliezen, of, in plaats van hooger te stijgen, van de reeds bereikte hoogte naar beneden te storten. Door het beantwoorden aan de genade, dat is, door gevolg te geven aan de inspraken des H. Geestes, zal men deugdzaam en volmaakter worden; dit immers is het doel, waartoe God ons zijne genade schenkt. Zou men zich nu tegen die inspraken verzetten, en aan de hand des Heeren, die ons op den berg der volmaking hooger wil opvoeren, ontwringen, dan kan het zeer goed gebeuren, dat de II. Geest, onze weerspannigheid moede, zijne hand terugtrekt, en dat wij, door de zwaarte van ons bedorven lichaam naar beneden getrokken, in een afgrond van zonden vallen, waaruit wij niet dan door een wonder van Gods eindelooze barmhartigheid kunnen opstaan. Moet men den diepen val van velen, die weleer door hunne deugden als zoovele sterren aan het uitspansel schitterden, wel aan iets anders toeschrijven, dan aan hunne ongetrouwheid aan de genade?

Vele meesters van het geestelijk leven vergelijken de genade met een keten, die uit den hemel op de aarde reikt, om ons hemelwaarts te trekken. Als de H. Geest ons genaden schenkt, werpt [lij ons als zoovele schakels toe, welke wij moeten opnemen om met die keten verbonden te worden. Naarmate wij ons hierin beijveren, zal God ons dichter tot zich trekken. Ontbreekt er nu eene schakel, dat is, zijn wij der genade ééns ontróuw, en niet bezorgd om éénc schakel met de keten te verbinden, dan kan God ons een tweede, een derde schakel toewerpen; maar het kan ook gebeuren, dat hij, die door liet beantwoorden aan de genade reeds een lange keten gevormd heeft,

-ocr page 307-

295

bij het verzuim van een nieuwe schakel te grijpen, spoorloos in de diepte verdwijnt.

Wie weet, of gij die de/.e regelen leest, niet tot eene groote heiligheid geroepen zijt. Zoudt gij in dit geval dien weg niet inslaan, dan loopt gij gevaar uwe zaligheid zelve te verbeuren, want de H. Grego-rius, volgens de aanhaling van den H. Alphonsus (1), zegt, dat hij, die geroepen is om als een heilige te sterven, zelfs niet zalig zal worden, tenzij hij zich heilige. En onze goddelijke Verlosser zeide op zekeren dag aan de gelukzalige Angela van Foligno, gelijk de H. Alphonsus op dezelfde plaats verhaalt: «Degenen, die «Ik verlicht om hen den weg der volmaaktheid te doen «bewandelen, en die, hunne ziel verlagende, den gewo-«nen weg volgen, zullen door mij verlaten worden.» Geen wonder dan, dat de heiligen zich zoo beijverden om elke inspraak des H. Geestes aanstonds en getrouw op te volgen. Eu om die inwendige stem der genade beter te kunnen waarnemen, beoefenden zij steeds de ingetogenheid, en beschouwden de al te groote uitgestortheid als een beletsel der genade, overtuigd van hetgeen de Heer Jezus eens zeide aan de H. Theresia: «Ik zou wel meer willen spreken tot het hart van mijne «dienaren, maar de wereld maakt zooveel gedruisch , «dat zij mijne stem niet hooren.» Bevreesd van die stem der genade, zonder welke zij geen stap konden zetten op den weg van hunnen geestelijken vooruitgang, niet meer, of minstens zoo vaak niet meer te zullen hooren, baden zij God: «Uwe stem klinke in mijne ooren, «waut uwe stem is zoo zoet, — doe mij uwe stem «hooren.» Hadden zij nu eenmaal duidelijk de stem des

(i) T. io p. ioo.

-ocr page 308-

296

Heeren gehoord, dan gaf de liefde hun vleugelen om over de grootste moeilijkheden als over zoovele bergen heen te vliegen.

Veronderstellen wij echter, dat door het niet beantwoorden aan de genade, geen gevaar bestaan zou van lauw of zondig te worden, dan moet de liefde alléén, die wij zulken liefderijken Zaligmaker verschuldigd zijn, voldoende wezen om aan zijne zoo liefdevolle uitnoo-diging gevolg te geven. Immers deze spruit voort uit zijne grenzenlooze liefde tot ons, zij is eene genade, en elke genade is de vrucht van zijn goddelijk bloed. Hij dus, die weigeren zou aan die uitnoodiging des Heeren, die stem der genade te gehoorzamen, al zou het slechts éénmaal zijn, verbeurt misschien eene reeks van bijzondere gunsten, welke hem anders zouden geschonken worden. Doch zeker is het, dat wij voor den hemel niets verdienen kunnen zonder aan de genade te beantwoorden, en dit moet eene laatste beweegreden zijn om haar nimmer ontrouw te worden.

Zoolang wij leven valt er te verdienen voor de eeuwigheid. Maar wie weet hoeveel tijd ons nog overblijft? Zullen wij die stem der genade nog dikwijls hooren? Wie zal het ons zeggen? Laat ons daarom niet moede worden het goede te doen, waartoe de genade ons aanspoort. Wij moeten den zaaitijd benutten, het goede zaad, dat God ons schenkt, op den akker onzer harten uitwerpen, om te geschikter tijd te maaien, mits wij niet moede worden. En valt het soms zwaar aan onze bedorven natuur, denken wij dan aan de woorden van den Psalmist (1): «Die met «tranen zaaiden, zullen maaien met gejuich» en aan

(i) Ps. 125. S-

-ocr page 309-

297

het alom bekende spreekwoord: na lijden komt verblijden.

GEBED.

O God, oneindig goed, oneindig barmhartig jegens allen, en bijzonder jegens rnij. Duizenden malen hebt Gij mij uwe stem doen hooren, en ik gewaardigde rnij niet te luisteren. Hoe dikwijls ik der genade ontrouw geweest ben, is U alleen bekend. Ik verdien dan ook niet meer uwe stem te hooren, die ik zoo vaak versmaad heb. Maar wat zal er dan met mij gebeuren ? Door de verdiensten van uw bitter lijden, bid en smeek ik (J, mij de ongetrouwhedeu te vergeven, waardoor ik uw goddelijk Hart zoo dikwijls bedroefd heb, en wel des te meer, naarmate Gij mij uwe stem duidelijker deedt hooren. Groot is mijne ondankbaarheid, ik beken het volgaarne. Meer dan anderen hebt Gij mij met weldaden overladen, genaden in overvloed hebt Gij mij geschonken, en helaas! is er wel iemand, die der genade zoo aanhoudend weerstand heeft geboden, als hij, die hier aan uwe voeten ligt? Trek toch uwe hand niet terug, zooals ik verdiende. Zeg mij. Heer Jezus, wat Gij van mij verlangt, en, ondanks alle moeilijkheden, wil ik U gehoorzamen. Geene genade wil ik meer onbeantwoord laten. O mijne goede Moeder Maria, aan elke inspraak des Heeren immer getrouw, bid vurig voor mij, opdat ik in het vervolg elke genade moge benutten.

-ocr page 310-

298

HOOFDSTUK XI.

Sperabat signum aüquod videre ah eo fieri. Luc. XXIII. 8.

Hij hoopte eenig wonderteeken door Hem te zien gescliiedcn.

Pilatus, aan een hevigeu inwendigen strijd ten prooi, was als radeloos. Van den eenen kant kon liij vooralsnog niet besluiten liet doodvonnis uit te spreken over Jezus, wiens onschuld hem duidelijk gebleken was; en van den anderen kant stelde hij te veel prijs op de genegenheid en de gunst der Joden, om den schulde-loozen Jezus voor goed vrij te spreken. Wel verklaarde hij voor al het volk, geene schuld in den aangeklaagde te vinden, maar daarbij liet hij het. Toen echter de Opperpriesters en de scharen bleven aandringen op zijne veroordeeling, zeggende: «Hij ruit het volk op, door «geheel Judea leerende, na begonnen te hebben van «Galilea, tot hier toe,» kroeg Pilatus een in zijn oog gunstigen inval. Om zich van den onschuldigen Jezus te ontdoen, zou hij Hem namelijk naar Herodes zenden.

Jezus, ofschoon te Bethlehem, een stadje van Judea, geboren., was toch te Nazareth, dat tot Galilea behoorde, opgevoed. In Galilea verbleef' Hij dan ook voortdurend, totdat Hij zijn openbaar leven begon. Pilatus had geen rechtsgebied in Galilea, waar Herodes Antipas als Tetrarch of Viervorst regeerde. Deze was een zoon van Herodes den Grooten, die zijne handen doopte in het schuldeloos bloed der onnoozele kinderen. Reeds had hij den H. Joannes den Dooper doen onthoofden. Als jood bevond hij zich thans in zijn paleis te Jeruzalem om het Paaschfeest te vieren. Tot dezen

-ocr page 311-

'299

wreeden en wulpsclien vorst werd Jezus door Pilatus gezonden, om geoordeeld te worden.

Tot nu toe had er vijandschap bestaan tusschen Herodes en Pilatus, misschien, zooals de fl. Antonius bemerkt (i), omdat deze in eene of andere zaak de vorstelijke rechten van genen geschonden had, doch thans werden zij vrienden, omdat Herodes wellicht dat zenden van Jezus voor zijne rechtbank als eene openlijke hulde door den stedehouder hem bewezen, beschouwde. Hoe het ook moge zijn. Herodes verheugde zich over de handelwijze van Pilatus, toen Jezus gevolgd door de Opperpriesters en het volk, naar zijn rechtbank gesleurd werd. Te meer verblijdde hij zich, omdat hij sedert lang begeerig was Hem te zien, van wien hij veel gehoord had, en wien hij .eenig wonder-teeken hoopte te zien verrichten. Herodes ondervroeg Hem met vele woorden, doch Jezus antwoordde niets. Vreeselijk zag die trotsche vorst zich teleurgesteld, daar hij zich verbeeldde dat Jezus, die voor het eenvoudig volk eene menigte teekenen gewrocht had, voor hem. Viervorst van Galilea, zeer zeker wel een wonder zou verrichten. Dan neen, Jezus bewaarde het stilzwijgen, en geen woord vloeide van zijne gezegende lippen om de ijdele niewsgierigheid van dien vorst te bevredigen. Deze, in zijn verwachting teleurgesteld, sloeg-overtuigd van zijne onschuld, verder geen acht op de beschuldiging, die men tegen Jezus inbracht, maar verachtte Hem, als een nietigen en onnoozelen mensch. Bij deze diepe verachting voegde hij nog de bitterste spotternij. Immers na Jezus een wit kleed omgedaan te hebben, om Hem voor een krankzinnige te doen

(l) Tit. V. C. VI Dj Christo ante Pil. co ist.

-ocr page 312-

300

doorgaan, «bespotte hij Hem, en zond Hem naar Pila-«tus terug.» Hierom is ook de priester, die aan het altaar den Zaligmaker voorstelt, in eene albe of wit kleed gehuld. Wie onzer is niet verontwaardigd over die verregaande verwaandheid van Herodes? Die wulp-sche en hoovaardige koning verbeeldde zich, dat Christus in zijne tegenwoordigheid wel een ilier wonderen zou verrichten, waarvan hij zooveel had hooren spreken, hij, die zelfs niet verdiende, een enkel woord uit zijn goddelijken mond te hooren. Maar worden er onder hen, die zich op het geestelijk en inwendig leven toeleggen, ook niet gevonden, welke zulken goeden dunk van zich zeiven hebben opgevat, dat zij zich inbeelden , God zou te hunnen believe, ook wel het een of ander wonderteeken kunnen doen? Zij hebben gelezen van de gave van tranen, van de gave van voorzegging en andere buitengewone gaven, en er ontstaat soms bij hen een heimelijk verlangen om met dit of dat buitengewoon wonder der genade begunstigd te worden. Meenen zij het leven der heiligen na te volgen, dan gelooven zij, wel geen aanspraak te kunnen maken op eene dier buitengewone gaven, maar laten zich toch wel eens meeslepen door de gedachte, wie weet of God ook niet iets buitengewoons in mij zal uitwerken. Op zulke gedachte volgt soms een heimelijk verlangen, door den H. Geest op buitengewone wegen geleid te worden. Zijn wij hieromtrent op onze hoede.

Wiet vcrltMige» naai- Imitcngewone gaven.

Als wij de levens der Heiligen lezen, dan zijn wij meestal verbaasd over de grooto wonderen, die de H.

-ocr page 313-

301

Geest in en door hen uitwerkt; over de wondergaven, waarmede Hij hen verrijkt. Eenigen, zooals de H. Petrus hadden de gave van tranen; anderen, zooais de Apostelen en de H. Franciscus Xaverius, die der talen; weer anderen, en hun getal is groot, die van voorzegging. De H. Catharina van Siëna kende vaak de geheimen des harten. De H. Alphonsus bevond zich somwijlen op twee plaatsen te gelijk. De H. Jozef Cupertinus verhief zich meer dan eens van de aarde, en bewoog zich als een vogel, op de kleinste takken van een boom; ook de H. Franciscus van Assisië steeg soms zoo hoog hemelwaarts, dat men hem als uit het oog verloor. En wat het verrichten van wonderen betreft, wellicht is er niet één heilige, of hij heeft er gedaan. Gij, die dit leest zijt hoogstwaarschijnlijk nooit van zulke wondervolle gaven getuige geweest, en veel minder zult gij ze in uw persoon hebben ondervonden. Nochtans zou bij dezen of genen soms de bekoring kunnen ontstaan, van ook aan zulke buitengewone gaven deelachtig te willen worden, zooals bijv. aan eene geestverrukking tijdens het gebed. Daarom heb ik gemeend, u tegen zulk heimelijk verlangen te moeten waarschuwen. Ik herinner mij niet, in de levens der heiligen te hebben gelezen, dat zij naar zulke buitengewone wondergaven verlangden; zij waren te ootmoedig; zij waren zóó doordrongen van hun niet, van hunne diepe ellende en onwaardigheid, dat zij zulke gedachte geen toegang verleenden tot hun hart. Men zou dan ook oen al te goeden dunk van zich zeiven moeten hebben, om, zelfs in de verste verte, dergelijke gaven te kunnen verhopen. Zulk verlangen spruit voort uit hoovaardigheid en wij weten dat God den hoovaardigen weerstand biedt. Den ootmoedigen echter schenkt Hij zijne genade,

-ocr page 314-

302

en voor dezen alléén blijven zulke wondervolle gaven weggelegd. Zij worden verleend aan personen, die, ten volle overtuigd van hunne nietigheid en zondigheid, zich onwaardig beschouwen, dat God een genadebhk op hen werpe. Iaat staan, hen met zulke buitengewone gaven verrijke. De Heiligen, die met dergelijke gaven begiftigd werden, hadden dan ook, in den regel, eerst vele vernederingen, verlatenheden en beproeving van allerlei soort te verduren. Derhalve staat het verlangen naar zulke gaven als gelijk met het verlangen om vernederd , beleedigd, verdrukt en verlaagd te worden; zich koud, dor en verlaten te gevoelen door God en de menschen, daar deze beproevingen meestal zulke genadegaven voorafgaan. Wie een doel wil bereiken, moet ook de middelen aanwenden. Omdat men nu van middelen, als ik zooeven noemde, doorgaans niet wil weten, blijkt liet, hoe vermetel zulk verlangen zijn zou. Wat meer is: het verlangen zelf naar zulk doel, is juist een middel om het nimmer te bereiken.

Veronderstel eens: God zou n, die reeds zóózeer ingenomen zijt met u zeiven, dat gij zulk verlangen durft koesteren, slechts ééne dier buitengewone en in het oog loopende genaden schenken, wat al gevaar zou hieruit voor uwe zaligheid kunnen ontstaan! Anderen, verrijkt met wondervolle gaven en veel ootmoediger wellicht dan gij, zijn diep gevallen; hunne hoovaardig-heid stortte hen in den afgrond. Hebt gij nu reeds zooveel te kampen tegen velerhande bekoringen van hoo-vaardigheid, welken strijd zoudt gij dan niet moeten doorstaan, indien u eene dier in het oog loopende genadegaven geschonken werd? De duivel, de hoovaardig-heid zelf, zou u zoo vreeselijk bekoren door hoogmoedige gedachten, dat gij moet vreezen des te dieper te

-ocr page 315-

30:3

vallen, naarmate gij boven anderen in deugd en heiligheid verheven schijnt. Om zijne leerlingen tegen de hoovaardij te waarschuwen, wees de Zaligmaker hen op den val van Satan. «De twee en zeventig» zoo lees ik bij den H. Evangelist Lukas (1), «keerden terug met «blijdschap en zeiden: Heer, ook de booze geesten zijn «ons onderworpen in uwen naam.» En Hij antwoordde: «Ik zag den Satan, als een bliksem uit den hemel «vallen.» Zij schenen, zegt de H. Cyrillus (2), zich meer te verheugen, omdat zij wonderen deden, dan wel omdat zij Gods woord verkondigden. Om nu in hunne har-liarten de ijdele zelfvoldoening te onderdrukken, wees Christus hen, zooals de H. Gregorius (3) zegt, op den val van dien hoovaardigen geest, opdat zij uit het voorbeeld van dengene, van wien alle hoogmoed voortkomt, de zelfverheffing zouden vreezen. Daarom zeide Hij; «Ik zag den Satan, als een bliksem uit den hemel validen,» en voegde er bij: «verblijdt u niet daarover, dat «de geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u, dat «uwe namen opgeschreven zijn in den hemel.» (i)

De gave van wonderen, voorzeggingen, en andere wondervolle genadegaven, schenkt God ons niet immer, omdat wij door onze deugden hierop eene soort van aanspraak hebben. Hij geeft ze tot zijne verheerlijking en het welzijn der menschen. Hij, die hiermede begaafd zou zijn, is daarom geen heilige. Wonderen te kunnen verrichten, zegt de H. Hieronymus (5), is niet altijd een teeken van verdiensten, maar het aanroepen van den naam van Christus bewerkt ze tot welzijn van anderen. Was Balaam, de toovenaar, een heilige om-

(i) Luc. io. 17. iS. — (2) In catena Graecorum i'P, — (3) Moral, super Job 32. — (4) I.uc io. 20. — (5)Saper Matth. c. 7.

-ocr page 316-

304

dat hij voorzeggingen gedaan heeft? Was Judas de Iskariother heilig, omdat hij wonderen verrichtte? Muntte Caïphas in heiligheid uit, omdat hij eene voorzegging deed? Waren zulke wondergaven noodig, om heilig te worden, hoevelen zou dan de moed ontzinken! Troost u echter. Wij lezen niet, ofschoon het toch mogelijk is, dat de H. Jozef met zulke gaven verrijkt is geweest. Hoeveel duizenden martelaren en martelaressen treft men niet aan, van wie niets dergelijks staat opgeteekend. «Men komt in den hemel,» zegt de H. Joannes Climacus (1), «zonder veropenba-«ringen, zonder de gave van voorzegging of van won-«deren; maar niemand wordt zalig zonder de ootmoe-«digheid.» Velen zelfs, die bevoorrecht werden met zulke wondervolle gaven, zullen in den dag des oordeels veroordeeld worden, zooals de Zaligmaker zelf verklaart met deze woorden: «Velen zullen op dien dag tot mij «zeggen: Heer! Heer! hebben wij niet door uwen naam «geprofeteerd, en door uwen naam vele wonderen ge-«daan? En dan zal Ik hun betuigen; Nooit heb Ik 11 «gekend; gaat weg van Mij, gij werkers van onge-«rechtigheid (2).»

Het is derhalve onze plicht, geen heimelijk verlangen te koesteren naar zulke buitengewone gaven. Wel verre van daardoor heiliger te worden, zijn wij aan grooter gevaar blootgesteld van door de eigenliefde en de hoovaardij vervoerd, in een diepen afgrond te vallen. Daarenboven is het somtijds zeer moeilijk wonderen van schijnw'onderen, openbaringen des Hee-ren van ingevingen Satans te onderscheiden; «want,» zegt de Apostel Paulus (3), «do Satan zelf neemt

(quot;i) Grad. 25. N. 55. 56. .— (2) Matth. 7. 22. 23. — (3) II. ad Corinth. 11. 14.

-ocr page 317-

305

«de gedaante aan van een Engel des lichts,» dat is, van een goeden Engel, een dienaar des lichts, namelijk van waarheid en gerechtigheid. De duivel, zegt de H. Thomas (1), vertoont zich nu eens als een Engel Gods, dan weder als Christus; nu eens op eene zichtbare, dan weder op eene onzichtbare wijze. Herhaalde malen vertoonde hij zich zóó, dat men hem duidelijk zag met de oogen des lichaams, en wel onder verschillende gedaanten, zooals aan den H. Martinus, den H. Alphon-sus, den eerbied waardigen broeder Gerardus Majella en vele anderen, met geen ander doel dan om hen te misleiden; en, zegt de H. Thomas, op deze wijze heeft hij er velen bedrogen. Meermalen echter vertoont hij zich niet aan het oog des lichaams, maar aan den geest, en tracht zijne ingevingen voor openbaringen Gods te doen doorgaan. Hij stelt datgene, wat slecht is, als goed voor, volgens hetgeen er geschreven staat (2): «Er is een weg, die iemand toeschijnt recht te zijn, «maai- het einde daarvan voert heen ter dood.» Op deze wijze, voegt de engelachtige Leeraar er bij, bedroog de duivel een monnik. De duivel gaf hem in, dat zijn vader overleden was en groote schatten had achtergelaten; hij ging dus naar de stad om deze den armen uit de deelen, maar keerde helaas! niet naar zijne cel terug, en stierf in zonde. Satan trachtte ook den H. Eranciscus van Assisië te misleiden, en hem zijn boetvaardig leven te doen staken. In het gebed verslonden, hoorde hij tot driemaal toe eene stemi die hem bij zijn naam noemde, en toeriep: Er is geen zondaar zoo vervloekt, wien God niet vergeven zal, als bij zich bekeert; maar voor hem, die tengevolge van

(l) In II. ad Corinth, c. II. lect. 3. — (2) Prov. 14. 12. I.IJDEN V. CHRISTUS. 20

-ocr page 318-

306

boetplegingen zich zeiven het leven beneemt, is geene barmhartigheid.

Wie onzer zou dan nog durven haken naar buitengewone vegen, waarop men vaak gevaar loopt door den Satan, onder de gedaante van een Engel des lichts, misleid te worden? En at zou men voor zulk gevaar behoed blijven, vergeet dan niet dat zulke buitengewone gunsten in den regel door buitengewone vernederingen en beproevingen van allerlei soort, voorafgegaan en vaak vergezeld zijn. Lees bijv. het leven van een H, Jozef Cupertinus, en gij zult hem zien van de aarde opgeheven, maar een oogenblik daarna aan de vreeselijkste bekoring ten prooi. De H. Paulus was tot den derden hemel verheven, maar wie zal de schrikkelijke en zoo vernederende bekoringen beschrijven, die er het gevolg van waren? Hoor hem zeil spreken: «En opdat de grootheid der openbaringen mij «niet verhelTe, is mij een prikkel mijns vleesches ge-«geven, een engel Satans om mij te slaan» (1). Hij bad den Heer tot tweemaal toe, doch kreeg geen antwoord. Op zijne derde bede zeide hem de Heer Jezus: «Mijne genade is u genoeg; want de kracht wordt in «zwakheid volkomen;» doch de bevrijding van dien Satansengel werd hem geweigerd; die beschamende, vernederende prikkel des vleesches was nuttig om hem voor hoogmoed to bewaren.

Verlangt dus niet naar zulke wondervolle genadegaven , want duur, zeer duur zult gij ze betalen. «Tracht veeleer,» zooals de H. Paulus zegt ('2), «naar «de beste genadegaven;» dat is, zegt de H. Thomas (3),

(quot;l) II. ad Corinth. 12. 7. — (2) I. ad Corinth. 12. 31, —-(3) In I. ad Corinth, c. 12. Icct. 3.

-ocr page 319-

307

verlangt naar betere zaken. En wat is beter daa tie liefilo? Deze bedoelt dan ook de Apostel, als liij er bijvoegt: «En nog wijs ik u een voortreffelijker weg aan.» Waartoe zouden ons die buitengewone genadegaven baten zonder de liefde? Zouden wij zelfs de talen der menschen en der Engelen spreken, de gave van voorzegging bezitten, ons vermogen tot spijs voor de armen uitdeelen, en ons lichaam overgeven „om verbrand te worden, dat alles kan ons niet baten, om namelijk, zegt de H. Thomas (1), het eeuwig leven te verdienen, dat alleen beloofd wordt aan degenen, die God liefhebben. God beminnen moet steeds ons eenig verlangen zijn, en zulk verlangen kan nimmer te vurig wezen. Beijveren wij ons die liefde te toonen, door veel en met geduld voor God te lijden, door ons ter liefde van Hem alle vernederingen te getroosten, en alle soort van beproevingen te laten welgevallen. Naar zulke werkdadige liefde moeten wij verlangen en gestadig smachten. Deze zal ons, ook zonder die buitengewone genadegaven, zonder een enkele openbaring, zonder een enkele geestverrukking toi de heiligheid en volmaaktheid brengen.

GEBED.

O God, Gij zijt wondervol in uwe heiligen, bewonderenswaardig in uwe genadegaven. Een al te goede dunk van mij zeiven, want, ik beken het, hoovaardig ben ik, deed bij mij wel eens een heimelijk verlangen ontstaan om aan zulke genadegaven deelachtig te worden, alsof ik reeds een heilige ware. Niet aanstonds heb

(i) T. a. p. c. 13. lect. 1.

-ocr page 320-

308

ik zulke hoogmoedige gedachte van mij zeiven bestreden, hierover vraag ik U ootmoedig om vergeving. Schenk uwe wondervolle gaven aan wie het U behaagt, zij alleen zullen mij niet heiligen, wellicht zou ik nog hoo-vaardiger worden dan ik reeds ben. Schenk mij alleen uwe liefde, hiervoor bid en smeek ik Ü door de verdiensten van uw bitter lijden. Deze zal mij in mijn oog steeds verachtelijker, en aan U dierbaarder doen worden. Aan haar alleen zijn de verdiensten verbonden, zij alleen opent mij den hemel. Lieve Moeder Maria, schenk mij door uw alvermogend gebed een vurig verlangen naar de liefde Gods, en gelief die steeds in mij te vermeerderen.

HOOFDSTUK XII.

Telle hunc, et dimitte nobis Barabbam. Luc. XXIII. 1H.

Maak dezen van kant, en laat ons Barab-bas los.

De Romeinsche landvoogd Pilatus, aan eene vree-selijke wroeging ten prooi, daar hij Jezus' onschuld kende, had gemeend zich van Hem te kunnen ontdoen door Hem naar het gerechtshof van Herodes te zenden. Deze nu, zegt de H. Bonaventura ('1), verachtte Hem als een machtelooze, omdat Hij geen wonder deed, als een onwetende, omdat Hij het stilzwijgen bewaarde, als een dwaze, omdat Hij zich niet verdedigde. Nadat hij bij deze verachting de laagste bespotting gevoegd had. liet hij zich met Jezus verder niet in, maar zond Hem

(i) In Matlh. c. 23.

-ocr page 321-

309

naar Pilatus terug. Deze heidensche rechter, altijd dobberend tussclien de stem zijns gewetens en de vrees den Joden te misliagen, meende nu althans een middel te hebben gevonden, om beiden te doen zwijgen, en de stem zijns gewetens èn die der woedende joden. Na nogmaals voor het volk, doch zonder het gewenschte gevolg, verklaard te hebben, dat hij geen schuld in Jezus vond, en dat ook Herodes getoond had, Hem voor schuldeloos te houden, nam hij het volgend middel te baat.

Het was bij de Joden een gewoonte, bij gelegenheid van het paaschfèest, aan liet volk een gevangene los te laten. Pilatus maakte hiervan gebruik, met het doel om Jezus aan de woede van de leden des hoogen Raads te onttrekken. Daarom nam hij een bernchten boosdoener, een roover en moordenaar, met name Barab-bas, en liet het volk de keuze tusschen dezen afschuwelijken booswicht en den onschuldigen Jezus, in de overtuiging dat het volk zonder de minste bedenking, de voorkeur zou geven aan Jezus. Hij zeide dan tot het volk. «Wie van de twee wilt gij, dat u losgelaten «worde» (1)? «Wilt gij, dat ik u den koning der Joden «loslate» (2)? Het was juist op dit oogenblik, dat hij de volgende boodschap ontving van zijne huisvrouw: «Bemoei u niet met dien rechtvaardige, want ik heb «heden veel in den droom geleden om Hem» (3), en van deze korte tusschenpoozing maakten de leden van den joodschen Raad gebruik, om het volk tegen Jezus op te hitsen. «Want,» zegt de H. Matthaeus (4); «de Op-«perpriesters en de ouderlingen overreedden het volk,

(i) Matth. 27. 21. — (2) Joan. 18. 39. — (3) Matth. 27. 19. — (4) C. 27. 20.

-ocr page 322-

310

«dat zij Barabbas zouden eisclien, maar Jezus zouden «doen omkomen.» Het voorstel van Pilatus, voor den onschuldigen Zaligmaker zoo diep vernederend, daar Hij met zulk een booswicht werd gelijk gesteld, word door geheel de schare beantwoord met den afschuwe-lijken kreet: «Maak dezen van kant en laat Barabbas «los. «O verblindheid der Joden,» roept de H. Augusti-nus uit (1), «O verwoedheid der dolzinnigen! Wat an-«ders zegt gij, dan dat Hij gedood worde, die de dooden «levend maakt, en dat de roover worde losgelaten, opdat «hij de levenden doode.» Zien wij in deze diepe verachting niet vervuld de woorden, die Jezus weieer sprak door den mond van David: «Doch Ik, Ik ben een worm en «geen mensch, de smaad der menschen en de voiks-«verachting» ('2).' Werd Jezus niet als een worm onder de voeten vertreden? Was ereene afschuwelijker verachting denkbaar, dan met een roover, een moordenaar, een berucht boosdoener niet alleen vergeleken, maar achter hem geplaatst te worden? Met het oog op die verregaande boosheid van zijn volk Israël, kon Jezus met recht al zuchtende uitroepen: «Hemelen luistert, «en aarde leen uwe ooren— Ik heb kinderen opgevoed, «Ik heb ze verheven; zij echter hebben Mij veracht» (3). Ditzelfde verwijt verdienen zij, die, door den H. Dooi) aangenomen kinderen Gods geworden, Jezus achter den zondigen Adam stellen, den zondigen mensch de vrijheid geven, en Jezus willen kruisigen in hun hart. Mogen wij toch nimmer tot,dat getal behooren! En zouden wij in het verleden den liefderijken Zaligmaker achter eene zondige voldoening hebben geplaatst, stellen wij Hem thans boven alles, boven allen, ja boven ons leven.

( Ij Tract, 15, sup, Joan, — (2) Ps. 21. 7, — (3) Isaïas 1, 2,

-ocr page 323-

3H

Beminnen wij Jezus des te vuriger, naarmate wij Hem vroeger miskend hebben, minstens met eene boven alles hoogschattende liefde.

Ood li cm innen met ecne boven alles lioog-schattcnilc liefde.

«Gods liefde,» zegt de H. Paulus (l), «is in onze «harten uitgestort, door den H. Geest, die ons gegeven «is.» Deze liefde Gods, bij den M. Doop in ons uitgestort, blijft in ons, zoolang wij God boven alles blijven beminnen. Doch, zoodia wij iets, wat God niet is, boven God beminnen, kan er geen spraak meer zijn van Gods liefde. De liefde tot het schepsel, als schepsel, treedt in hare plaats, en zulke liefde is de dood der ziel. Door zulke liefde laat hij zich vervoeren, die eene doodzonde pleegt. Hij stelt Jezus achter het schepsel, zooals de Joden Hem plaatsten achter Barabbas. De H. Al-phonsus (2), de boosheid overwegende der Joden, wanneer zij uitriepen: «Niet dezen, maar Barabbas» , legt de volgende woorden in den mond eener zondige ziel; «Ziedaar, mijn Jezus, hetgeen ik zelf gedaan heb, tel-«kenmale als ik zondigde. Daar ik moest kiezen tusschen «U en eene ellendige voldoening, heb ik aan deze de «voorkeur gegeven, en, liever dan hieraan te verzaken, «heb ik er in bewilligd U te verliezen, die een oneindig «goed zijt». Ook zóó moet ik spreken, als ik ooit het ongeluk gehad heb eene doodzonde te plegen, toen immers stelde ik Jezus achter het schepsel.

De eerste graad alzoo van die boven alles hoogschattende liefde is: liever alles opofferen, al de goederen der wereld, mijn fortuin, mijne eer, mijne gezond-

(l) Rom. 5. 5. — (2) T. 5. p. 461.

-ocr page 324-

312

heid en mijn leven, dan van God gescheiden worden door de zonde. Op deze -wijze zijn wij allen verplicht God te beminnen, zooals wij trouwens belijden bij het bidden van eene akte van berouw. Wij zeggen onder anderen: Mijn Heer, en mijn God, ik maak een vast voornemen mijn leven te beteren, liever te sterven, dan U nog ooit met eene enkele doodzonde te belee-digen. Godminnende zielen staven hunne woorden door daden. Zie den dienaar Gods, Thomas Morus. Hij bekleedde een der hoogste posten in Engeland onder Hendrik VIII. Hij was tot de waardigheid van kanselier of minister van financiën verheven. Om nu zijn God niet ontrouw te worden, bracht hij, ondanks de smeekingen zijner vrouw, én dien post en zijn leven ten offer. De keuze werd hem gelaten, te blijven leven als kanselier, of te zuchten in de gevangenis, en te sterven op het schavot. Hij, die zijn God beminde met eene alles opofferende liefde, koos het laatste. Met dezelfde liefde hebben alle martelaren en martelaressen God bemind. Herinner u het leven van de H. Perpetua. Ondanks haar pasgeboren kind, dat zij aan haar moederhart drukte, ondanks de tranen, het zuchten en het kermen van een ouden vader, stelde zij God boven haar leven, dat zij voor Hem ten beste gaf. De H. Su-zanna had, reeds in hare prilste jeugd, eeuwige zuiverheid aan God beloofd. Zij schitterde te Rome door hare hoogadellijke afkomst, en door zulke uitstekende gaven van lichaam en geest, dat Keizer Diocletiaan haar aan zijn mederegent Galerius ten huwelijk wilde schenken. Haar vader Gabinus moest haar hiertoe het voorstel doen. «Mijne dochter,» zoo sprak hij haar toe, «hebt gij de waarde en liet voorrecht van eene bruid «van Christus te zijn, wat gij werkelijk zijt, goed be-

-ocr page 325-

313

«grepen? «Ik begrijp die zóó goed,» antwoordde zij, «dat, volgens mijn gevoelen, alle kronen der wereld, «daarmede vergeleken, niets beteekenen.» «Gij oordeelt «juist» hervatte Gabinus, «maar als de Keizer u eens «bestemd had tot gemalin van Galerius, zou dan de «waardigheid van Keizerin niet met de liefde van uwen «gekruisigden Bruidegom in vergelijking komen? Of in-«dien gij eens kiezen moest tusschen de kroon eener «Keizerin en den dood om Christus' wille?» «Ach, mijn «vader,» riep nu Suzanna in heilige vreugde uit, «hoe «gelukkig zou ik zijn, als hot mij vergund werd, mijn «leven te geven uit liefde tot dien goddelijken Bruide-«gom, die, om mij te verlossen, zijn allerheiligst bloed «gestort heeft! Geen purper verblindt mij, geene mar-«teling schrikt mij af!» De edele vader, diep getroffen door zulk antwoord, moedigde nu zijne dochter aan tot den strijd, dien zij weldra moest ondergaan. Suzanna beantwoordde allo aanlokkingen en bedreigingen met onwrikbare standvastigheid, en zelfs de wreedaardigste folteringen vermochten niet, haar slechts een oogenblik in de trouw jegens haren goddelijken Bruidegom} en in haar heilig geloof te doen wankelen. Met de dubbele kroon van het martelaarschap en den maagdom versierd, vloog zij na korten tijd als overwinnares in de eeuwige omhelzingen van den Koning der koningen ^ Jezus Christus. De H. Kerk viert haar feest op den 'l lden Augustus (1). Dit noem ik God beminnen met eene boven alles hoogschattende, eene alles opofferende liefde.

Met betrekking tot zulke liefde moet ik eene tweevoudige bemerking maken. Vooreerst is het niet noodig zulke liefde te gevoelen. Eenige personen maken zich

(l) Cfr. Deharbe Dankelman , III D. bladz, 15.

-ocr page 326-

314

ongerust, al.s zij meer liefde gevoelen voor een vriend, eene vriendin otquot; een hunner bloedverwanten. Bij het verlies van een hunner zullen zij tot tranen storten, en hebben zij God verloren door de zonde, dan blijven zij gevoelloos. Ondanks eene oprechte en rouwmoedige biecht, en de geruststelling des biechtvaders, verbeelden zij zich, uit dien hoofde. God niet boven alles te beminnen. Ook schijnt het hun toe, dat zij meer bedroefd zouden zijn bij het verlies van een schepsel, dan bij dat van hun Schepper. Eene gevoelige liefde wordt niet vereischt. Zulk gevoel is niet in onze macht. Men kan God zeer goed boven alles beminnen, zonder het te gevoelen. Verbeeld u eene zeer godvreezende moeder; hartstochtelijk bemint zij haar eenig kind; de gedachte alleen van het te kunnen verliezen, bevochtigt hare oogen met tranen, en bij de gedachte een God te kunnen verliezen, gevoelt zij zich koud en onverschillig. Daarom alleen bemint zij haar kind niet meer dan God. Hoogstwaarschijnlijk heeft Abraham voor God niet die teedere liefde gevoeld, welke hij voor Izaiik, zijn eeni-gen zoon, steeds koesterde, en toch beminde hij God meer dan den hem zoo dierbaren Izaiik, daar hij hem Gode ten offer bracht.

De tweede bemerking is deze. Men moet zich niet bezighouden met de gedachte: wat zou ik doen, indien men mij van den eenen kant alles verzekerde, wat men in de wereld verlangen kan, en van den anderen kant met de vreeselijkste martelingen bedreigde, en mij de keuze werd gelaten, alles te genieten wat de wereld schenken kan, mits ik mijn God ontrouw worde, ol wel de onmenschelijkste folteringen te verduren, indien ik den dienst van mijn God niet zou willen verlaten.' Zou ik in dit geval niet bezwijken? Zou ik den moed

-ocr page 327-

315

hebben om die pijnen te verduren, waarvan de gedachte alleen mij doet sidderen? Zulke gedachten doen vaak onrust en vrees ontstaan in 's menschen hart. Zonder de genade Gods zou zeker eenieder bezwijken. Zulke genade hebt gij niet op dit oogenblik, omdat ze nu niet noodig is, maar, zoudt gij u ooit in dergelijk geval bevinden, dan zal God ze u schenken, indien gij ze Hem vraagt. Derhalve, indien de duivel u soms plagen zou met deze gedachte: wat zoudt gij in dit of dat geval doen? Antwoord dan eenvoudig: met Gods genade, wat Gode behaagt.

De tweede graad van deze boven alles hoogschattende liefde is: liever alles te lijden, ja te sterven, dan «ene vrijwillige dagelijksche zonde te plegen. Na do doodzonde is de dagelijksche zonde de grootste ramp, die ons treffen kan. Veronderstel: iemand, die schatrijk is, wordt eensklaps doodarm, door eene walgelijke en pijnvolle ziekte aangetast, van eenieder verlaten en veracht, in één woord hij wordt den man Job in zijnen ellendigen toestand gelijk. Welke ramp! en toch is het in zich geen ramp, want de ziel lijdt er geen schade door; veeleer wordt zij dientengevolge gezuiverd en geheiligd, en, wat hot voornaamste is. God wordt niet beleedigd, veeleer verheerlijkt. Beter en wensche-lijker ware het, dat alle menschen in zulk lot moesten deelen, ja dat de ganschc wereld verging, dan dat God door do minste zonde zou worden beleedigd. God, de grootste aller weldoeners, de teederste aller vaders. God, die de liefde, de goedheid, de schoonheid zelve is, in één woord, die allo volmaaktheden in einde-loozen graad bezit. Zulken God te beleedigen, was voor de heiligen het vreeselijkste van alles wat er op aarde te vreezen is. Een dier godminnende zielen zeide:

-ocr page 328-

316

Indien eene dagelijksche zonde mij tegenkwam, en ik ze niet vermijden kon, dan door mij te verbergen in een brandenden oven, ik zou mij geen oogenblik bedenken; dat vuur zou mij minder schrik inboezemen dan de zonde. Wat meer is, indien de Heiligen in den hemel eens moesten kiezen, (hetgeen overigens tot de onmogelijkheden behoort) van de hemelsche geneugten beroofd, in het vuur der hel te branden, of God in het minst te beleedigen, in één oogenblik zou de hemel ontruimd zijn. En hadden de Heiligen op aarde, die toch altijd Adams kinderen waren, het ongeluk God door eene enkele dagelijksche zonde te beleedigen, dan was hun gemoed met de bitterste droefheid overstelpt. De H. Aloïsius van Gonzaga had, als-kind van vijf jaren, een weinig buskruit van een soldaat weggenomen, en van de soldaten een onbetamelijk woord gehoord, dat hij, zonder het te begrijpen, herhaalde. Over deze twee fouten treurde hij gansch zijn leven. Evenzoo betreurde de H. Catharina van Siëna een begane fout. En wat had zij gedaan? Onder het gebed had zij opgezien naar haar broeder, die voorbijging. De H. Abt Macarius pleegde zware boete, omdat hij in zijne kinderjaren eene vijg had opgegeten, welke andere kinderen gestolen hadden, en al vluchtende lieten vallen.

Helaas! hoe gering is het getal van hen, die voor de dagelijksche zonde, meer dan voor elke andere ramp beducht zijn! Uit vrees voor eene vernedering, uit zucht naar eene kleine voldoening, om dezen of genen te believen , om niet te worden uitgelachen, deinst men voor eene beleediging van God niet terug. O hoe goed begrepen de heiligen, wat het is, een zoo liefderijken God te beleedigen! Mogen wij het toch ook eens

-ocr page 329-

317

beseffen! zoodat, noch het aanbod van alle goederen en genoegens der wereld, noch de bedreiging der vreese-lijkste martelingen ooit in staat zijn, om ons eene kleine zonde met voorbedachten rade te doen plegen! Maar, de heiligen, en wie hunne voetstappen willen volgen, bepalen zich niet bij het erlangen van dezen tweeden graad der boven alles hoogschattende liefde, zij streven gestadig naar den derden en hoogsten graad.

Deze is hierin gelegen, dat wij ter liefde Gods bereid zijn, om ondanks alle moeilijkheden en veelvuldige offers, ondanks de weerbarstigheid van onze bedorven natuur, elke goede inspraak op te volgen, en datgene te doen, wat Hij ons wel niet geboden heeft, maar wat wij toch weten Hem aangenaam te zijn. Niet slechts de wil, maar het welbehagen Gods moet op den voorgrond staan, hiervoor moet alles onderdoen. Heeft men eenmaal de verzekering dat dit God welge-valliger is dan dat, dan moet den ouden Adam geen rust meer gegund worden; doen zal hij, wat Jezus, de tweede Adam, gaarne ziet gebeuren. Eenige Heiligen hadden zich door gelofte hiertoe verbonden. De H. An-dreas Anvellinus (1) deed de gelofte, zijn eigen wil immer te verzaken en altijd vooruit te gaan op den weg der christelijke volmaking. De H. Theresia, wier hart zóó brandde van het vuur der liefde Gods, dat zij uit loutere liefde stierf, had zich door eene gelofte verplicht, immer datgene te doen, wat haar het volmaaktste toescheen. Evenzoo deed de H. Joanna Fran-cisca van Chantal, biechtelinge van den H. Franciscus van Sales, en medestichteres van de orde der Visitatie. Ook deze verbond zich, door eene bijzondere ge-

(i) Brev. lo Nov.

-ocr page 330-

318

lofte, om altijd en in alle gevallen datgene te doen, wat zij als het volmaaktste zou e.kennen. Tot zulke gelofte zijn wij zeker niet gehouden, en het zou vaak niet raadzaam zijn zich door deze te verbinden, uit hoofde van de menigvuldige ongerustheden, waardoor men later zou gekweld worden. Men neme zich dus in acht, van in een oogenblik, waarop men eene vurige godsvrucht zou ontwaren, zulke gelofte af te leggen. Niet dan na rijp beraad en ernstige overweging, raadplege men hieromtrent zijn biechtvader, aan wiens oordeel men zich blindelings moet onderwerpen. Edoch, het is in elk geval voorzichtig, u nimmer door zulke gelofte te verplichten, dan voor zoo langen tijd als uw biechtvader het goedvindt, zoodat hij u elk oogenblik hiervan kan ontslaan. Dit wat die gelofte betreft.

Overigens is het toch niet meer dan billijk, steeds rusteloos te streven naar den hoogsten trap van deze alles opoflerende liefde. De liefde, welke Jezus ons heeft toegedragen in zijn bitter lijden en smaadvollen dood; de liefde, die Hij ons voortdurend bewijst in zijn aanbiddelijk Sacrament van liefde, moot de drijfveer zijn van dat gestadig streven. Treft men in de wereld men-schen aan, die groote ofiers brengen om een nietig schepsel te believen, welke beschaming zou dit voor ons zijn, indien wij ons geene offers wilden getroosten, om God steeds welgevalliger te worden. Wie anders verdient onze liefde, dan Hij, die de liefde zelf is? Hij moge steeds het eenige voorwerp onzer liefde zijn, Hem te bedroeven door de minste zonde, onze eenige vrees. Hem in alles en ten allen tijde steeds welgevalliger te worden, ons eenig doel, ons eenig streven!

-ocr page 331-

319

GEBED.

Heer Jezus, de Joden, die U achter Barabbas plaatsten , hebben slechts éénmaal dien gruwel gepleegd. En ik zondig mensch, ik heb U niet slechts ééns, maar herhaalde malen achter eene zondige voldoening gesteld, zoo dikwijls als ik U zwaar beleedigde. Ontferm U mijner volgens uwe groote barmhartigheid. Gij hebt U reeds mijner erbarmd, en mij, zooals ik vertrouw, vergifl'enis geschonken: vanwaar anders dat innig leed hetgeen ik gevoel over mijne gepleegde zonden? Dit immers is het werk uwer genade. Doch zeker is het: eenmaal was er een tijd, waarop ik U niet beminde.. Wil dan de zonden mijner jeugd niet meer gedenken. Thans nu ik vertrouw in uwe vriendschap te zijn, en de gepleegde zonden bitter betreur, maak ik het onwrikbaar besluit, liever te sterven, ik meen het uit den grond mijns harten, dan U nog eens door eene zware zonde te beleedigen. Zou mij zulk ongeluk nog eens treflen, o, dan bid ik U, doe mij liever nu sterven, terwijl ik hoop in uwe genade te zijn. Maar, lieve Jezus, na zulke liefde van uwen kant, mag noch wil ik mij hiermede tevreden stellen. Dat mij dan alle rampen treilen, liever wil ik deze verduren, dan mij moedwillig aan eene dagelijksche zonde schuldig maken. En, daar Gij mijn hart gewond hebt door den pijl uwer liefde, wil ik U ook in alles behagen. Doe mij niet slechts uwen wil, maar ook uw verlangen kennen. Het is mij voldoende te weten dat het een U welgevalliger is dan het ander, om aanstonds te doen hetgeen U het meest behaagt. O, mijn dierbare Jezus, geef mij hiertoe uwe Senade. Onbevlekte Maagd en Moeder Gods Maria,

-ocr page 332-

320

Gij zijt geheel schoon en in U is geene vlek, verkrijg mij de genade, om na zoovele zonden te hebben gepleegd , minstens van nu af, zoover de menschelijke zwakheid het toelaat, zonder zonden te leven, en altijd te doen wat uw zoon Jezus het aangenaamste is.

HOOFDSTUK XIII.

Sciebat enim quod per invidiam tradidissent eum summi sacerdotes Marc XV. 10.

Want hij wist dat de opperpriesters Hem uit nijd hadden overgeleverd.

De eisch des volks, door de Opperpriesters en ouderlingen opgeruid, den booswicht Barabbas los te laten, verbaasde en ontstelde den Romeinschen landvoogd, en maakte iiem radeloos. Ongetwijfeld had hij hooren spreken van het heilig en wondervol leven van Jezus, en dit gerucht boezemde hem zekere vrees en ontzag in voor Dengene, dien hij gevangen hield. Niet weinig had hiertoe bijgebracht het bijzonder verhoor, dat hij Jezus had doen ondergaan, alsmede de boodschap zijner huisvrouw, die hem smeekte zich toch te wachten van iets ten nadeele van dien Rechtvaardige te doen. Hij zelf erkende dan ook spoedig Jezus' onschuld, en beantwoordde hun eisch, dat hij Hem ter dood zou ver-oordeelen, met de vraag: «Wat kwaads heeft Hij dan «toch gedaan (1)?» Hierop bleven zij het antwoord schuldig. En terecht. Hoe zouden zij Hem van kwaad kunnen beschuldigen? Hij, die de bezetenen van de booze geesten verlost, de zieken en melaatschen genezen, den doovcn het gehoor, den stommen de spraak,

(l) Matth. 27. 23.

-ocr page 333-

321

den blinden het gezicht, den dooden het leven gegeven had? Wel beschuldigden zij Jezus op oneerbiedigen toon over den tempel gesproken, Goil gelasterd, zicli het koningschap aangematigd, en het volk opgeruid te hebben, doch niets van dat alles konden zij bewijzen, alles was louter laster. Dit begreep ook Pilatus.

Getuige van de woede, den haat en de helsche razernij, waarmede de leden van den hoogen Raad bezield waren, zag hij zeer goed in, dat geen ijver voor hunne wet, geen liefde voor de gerechtigheid, geen verlangen om do beleediging Gode aangedaan te wreken, de drijfveer was van hunnen eisch, maar dat zij ouder den schijn van ijver eu deugd een lage hartstocht verborgen hielden. «Hij wist», zegt de H. Matthaeus, «dat zij Hem «uit nijd hadden overgeleverd» (I). Jezus was in achting bij het gewone volk, waarvan het nog vóór vijf dagen, toen Hij in zegepraal Jeruzalem binnentrok, de ondub-belzinnigste blijken gegeven had. Hij was dan ook door eeue groote schaar steeds omgeven. Doch dit stak die huichelaars de oogen uit, dit kouden zij niet dulden, hunne afgunst ontbrandde en bracht hen tot het uiterste. Kost wat kost, Hij zou den dood sterven. Zij konden niet ontkennen, dat Jezus aanhoudend wonderwerken verrichtte, maar wel verre vau in Hem een Godsgezant te 'erkennen, en Hem als den Messias, hun vaderen beloofd te huldigen eu te aanbidden, beraadslaagden zij, door den nijd vervoerd, hoe zij zich het best van Hem konden ontdoen, terwijl voor het oog des volks hun plan als eeue ware belangstelling in het welzijn van het volk zelf moest doorgaan. «Als wij Hem zoo laten begaan,» zeiden zij, «zullen allen in Hem gelooven, eu de Ro-

(l) Matth. 27. 18.

I.IJDEN' V. CHRISTUS.

21

-ocr page 334-

322

«meiiien zullen komen en onze plaats en ons volk ne-«men» (1). Zij wilden hiermede zeggen: liet volk zal Hem als koning uitroepen, en dan komen de Romeinen, onze overheerschers, ons als oproeriger straffen, en onze stad en natie verdelgen. Was liun dit gemeend? Neen, zegt de H. Joannes Chrysostomus (2), het was van hunnen kant slechts veinzerij; zij hadden dit verzonnen, om het volk vrees aan te jagen, en tevens hunnen hartstocht te verbergen. De afgunst is eene dui-velsche zonde, immers door den nijd van Satan is de dood in de wereld gekomen (3). Geen wonder dan ook, dat zij, die den duivel tot vader hadden, de zonde des duivels pleegden. De duivel was een menschenmooider van den beginne af, en het was de nijd, die hein daartoe aanspoorde. Gedreven door de afgunst wilden ook zij de lusten huns vaders doen, wilden ook zij moorden, en daarom zochten zij Jezus te dooden. O, welke vree-selijke hartstocht is de afgunst! Zij sluit den Joden de oogen voor die menigvuldige en groote wonderen door Jezus gewrocht, en in plaats van Hem te aanbidden als hun Verlosser, deden zij de lucht weergalmen van dien bloeddorstigen kreet: «Laat ons Barabbas los.» Hoevelen laten zich nog, helaas! in onze dagen door den nijd vervoeren! Aan hoevele zonden maakt men zich plichtig, omdat men dien opkomenden hartstocht niet van den beginne af bestrijdt! Willen wij door dien hartstocht vervoerd, het lot niet deelen van hen, die na op aarde de afgunst niet te hebben bestreden, thans met den duivel hun vader, eeuwig afgunstig zijn op de vreugde der gelukzaligen, vatten wij dan een grooten afschuw op tegen de zonde van afgunst.

(i) Joan. II. 48 — (2) Hom 64. — (3) Sap, 2. 24.

-ocr page 335-

323

Dc afgunst oniniAdcIlijk bestrijden.

De duivel, een loutere geest, pleegt geene zonde van overdaad, aan zinnelijke voldoening maakt hij zich niet plichtig. Zillke zonden worden bedreven door den mensch, die uit lichaam en ziel bestaat. Er zijn echter personen, die eene zonde plegen, den Satan eigen, de afgunst namelijk; want, de H. Augustinus zegt (1): «De afgunst is de zonde van Satan.» Deze gedachte alleen moet ons een grooten afschrik inboezemen voor die duivelsche zonde.

Vooreerst dan moeten wij weten waarin de afgunst bestaat. Zich bedroeven over eens anders voorspoed, uit vrees dat hierdoor ons zeiven of anderen op eene onrechtvaardige wijze kwaad berokkend wordt, is geen afgunst. Want, zegt de H. Gregorius (2), het gebeurt dikwijls, dat men zich zonder de liefde te verliezen, verheugt, over het ongeluk van een vijand, niet omdat hij onze vijand is, maar omdat daardoor anderen uit hun ellendigen staat gered worden, en dat men zich bedroeft over zijn voorspoed, zonder daarom afgunstig te zijn, omdat men bevreesd is, dat hij hiervan misbruik maken zal, om anderen onrechtvaardig te onderdrukken. Men kan ook bedroefd zijn over het goed van een ander, niet omdat hij het bezit, maar omdat het ons ontbreekt, en ook hierin is geene afgunst gelegen. Nog minder als er sprake is van geestelijke goederen dan wordt zulke droefheid veeleer voor een prijzens-waardigen ijver gehouden, bijv.: men gevoelt zich droevig gestemd bij het zien hoe anderen reuzenstappen doen op den weg der volmaking, terwijl wij krui-

(l) Epist, 48. Contra Vincent. — (2) Moral. 1. 22 c. II.

-ocr page 336-

324

pen als slakken. Evenmin kan men iemand van afgunst beschuldigen, die een ander een onverdiend goed misgunt, waarvan hij, zooals men meent, misbruik maken zal tot nadeel zijner ziel, bijv.: men is bedroefd dat iemand eene groote som gelds geërfd heeft, die hij, zooals het te vreezen is, tot een slecht doel besteden zal. Hij echter maakt zich schuldig aan de zonde van afgunst, die zich bedroeft over liet goed zijns naasten, voor zoovere hij zich laat voorstaan, dat zulk goed hern kwaad berokkenen eti zijn goed verminderen zal (1). Ook hij, zegt de H. Thomas, is plich-tig aan deze zonde, die zich over het goed van een ander bedroeft, in zooverre hij hierin door hem overtroffen wordt (2).

De H. Bonaventura (3) geeft drie trappen aan van de afgunst. Zich bedroeven over het geluk van een ander, en dit is erg; zich verheugen over zijn ongeluk, en dit is erger, maar het ergste is, het geluk van een ander tegenwerken of hem kwaad berokkenen. Hij beschrijft den afgunstige volgenderwijze (4): «Het for-«tuin van anderen maakt hem bedroefd, hun voorspoed «verbittert hem, hun welslagen slaat hem ter neder, «hun overvloed doet hem mager worden, hunne gezondsheid maakt hem ziek, hun leven veroorzaakt zijn dood.» Dit bewijst een geleerd schrijver (5) door het volgend voorbeeld. In een dorp in Frankrijk woonde voor eenige jaren oen welgezeten landman. Ofschoon hem niets ontbrak wat het tijdelijke .betreft, was hij diep ongelukkig. Dat het anderen goed ging, kon hij niet dulden , hun voorspoed deed zijn nijd ontbranden: hen

(l) S. Thom. 2. 2. qu. 36 a, I. Vrg. H. Alph. T. 10. p. 376. 377- — (2) t. a. p. a. 2. — (3) Super Ps. 130. — (4) Tit. 1. Diactae c. 4. — (5) D'Hauterive T. 8. p. 69.

-ocr page 337-

325

lasteren was hem eene gewoonte, hun te kunnen be-nadeelen een genoegen geworden. Verteerd door dien vreeselijken hartstocht, vermagerde hij op eene in het oog loopende wijze. Toen nu een zijner buren eene groote erfenis werd geschonken, maakte de afgunst een einde aan zijn leven. Dat iemand door zulken hevigen nijd verteerd wordt, dat de dood er liet gevolg van is, zal wel niet vaak gebeuren, maar het slachtoffer worden van een afgunstige behoort niet tot de zeldzaamheden. «Want,» zegt de II. Cyrillus van Alexaudrië (1), «de afgunst eindigt dikwijls met een moord.» Sedert door de afgunst van Satan de dood in de wereld is gekomen, zijn de slachtoffers der afgunstigen niet te tellen. Wie heeft Abel gedood? Zijn afgunstige broeder Caïn. Wie heeft Jozef aati de Ismaëlieten verkocht? Zijne afgunstige broeders. W:ie heeft Daniël in den leeuwenkuil geworpen? De afgunstige hovelingen van koning Darius. Wie heeft de onnoozele kinderen vermoord ? De afgunstige Herodes. Wie heeft eindelijk Christus aan het kruis geslagen? De afgunstige leden van den joodschen hoogen Raad. «De afgunst,» zegt de H. Joannes Chrysostomus (2), «is de pijl des duivels.» «De «duivel,» voegt hij er bij (3), «heeft haar uitgevonden.» Na zich hiervan te hebben bediend, om onze eerste ouders te dooden, reikt hij dien pijl den kinderen Adams toe, om op hunne beurt anderen hiermede te wonden en te dooden.

Wondt een afgunstig mensch den een of anderen soms in zijn lichaam, duizenden worden door den pijl van een afgunstige getroffen in hunne eer en goeden

(i) Super Gen. c. I. de Joseph. — (2) Hom. 3. super Gen. — (3) Hom. 46.

-ocr page 338-

326

naam. Zootlra eenigen geacht, geëerd worden, en in aanzien staan bij de menschen en hunne oversten, gebeurt het niet zelden dat de hoogachting hun benijd wordt. Wat doen nu zulke wangunstigen om hen in de achting der menschen te doen dalen? De H. Prosper (1) zal het ons zeggen: «Nu eens weigeren zij ge-doof te slaan aan het goede, dat men van hen vertelt, «dan weder, indien ze het niet kunnen ontkennen, leg^ «gen zij het slecht uit. Vertelt men iets slechts van «deugdzame peisonen, al is het ook in strijd met de «waarheid, dan gelooven zij het aanstonds, alsof zij «er getuigen van waren, en worden boos op al dege-«nen, die de deugd des naasten in bescherming nemen. «Zij veronderstellen hen, op wie ze afgunstig zijn, «plichtig aan alle zonden, worden bedroefd, wanneer «ze hen zien slagen in hunne werken, en juichen, «wanneer zij iets verkeerds doen.» De leugen is den afgunstige meestal eigen; want, vervoerd door zijne hartstochten, ontziet hij zich niet te liegen en te lasteren om zijn naaste in achting te doen dalen. Met zulke ondeugd ziet men somwijlen hen behept, die zich overigens toeleggen op een deugdzaam en godvruchtig leven. Een der woestijnbewoners, zooals Cassianus (2) verhaalt, kon niet dulden dat de H. Paphnutius om zijn heilig leven door de anderen zoo geacht en geëerbiedigd werd. Wat deed hij nu om zijne afgunst te koelen? Op een zondag, toen alle broeders de H. Mis bijwoonden , ging hij zijn boek in de cel van Paphnutius heimelijk verbergen. Na het einde der godsdienstoefeningen, deed hij bij den H. Abt Isidorus zijn beklag. Deze deed op zijn verzoek allen in de kerk blijven, en

(l) De vit. contempl. 1. 3. c. 5. — (2) CoII. iS. c. 15.

-ocr page 339-

:i27

middelerwijl zouden drie der oudsten alle cellen gaan onderzoeken. Men vond het in die van Paplinutius onder eene mat verborgen. De heilige kon noch wilde zich rechtvaardigen, maar bracht in zijn hart Gode zijn leed ten offer, terwijl hij zich diep vernederde. Na eenige weken liet God toe, dat die afgunstige lasteraar door don duivel bezeten, en gedwongen werd hulde te brengen aan de onschuld van Paplinutius. Het woord van den H. Hieronymus (1): «De deugd is altijd bloot-«gesteld aan de afgunst,» bevat alzoo waarheid. De H. Bonaventura (2) daarenboven zegt: «Indien beleedigin-«gen u geen vijand maken, afgunst bezorgt er u velen.» En in waarheid, het gebeurt maar al te dikwijls, dat men personen aantreft, aan wie men nooit kwaad maar altijd goed gedaan heeft, en die ons toch niet kunnen lijden, alléén daarom, omdat wij eene meer verheven bediening waarnemen, meer geacht worden door onze oversten, of in het een of ander boven hen uitmunten. Worden wij van ons ambt ontzet, dalen wij in achting bij onze oversten, kwijten wij ons niet goed van de ons opgelegde taak, vergissen wij ons omtrent deze of gene voorgestelde vraag, in één woord, worden wij, op welke wijze dan ook, vernederd, dan kunnen zij hunne inwendige vreugde niet bedwingen, deze staat dan op hun gelaat te lozen, en straalt door al hunne woorden heen.

De Heiligen en ware dienaren Gods hebben zich ten allen tijde, gansch anders gedragen. Werden eenigen door God met bijzondere talenten begiftigd, met uitstekende gaven verrijkt, dan was hun dit een genoegen, en zij dankten den Heer, die hun, tot zijne verheerlijking en het welzijn des naasten, zoo milddadig'ijk be-

(i) T. i. epist. 8. ad Demetriad. — (2) L. 2. Pharetrae c. 8.

-ocr page 340-

3-28

giftige! had. Zoo deed Mozes. Toen een knaap kwam aangeloopen, en liem de lijding bracht dat twee mannen, Eldad en Medad genaamd, in het kamp profeteerden, sprak Jozue, Mozes dienaar: «Meester, verbied «.het hun» (1). En wat antwoordde Mozes? «Wat ijvert «gij voor mij? Wie geeft, dat al het volk profeteere, oen de Heer hun zijn Geest geve!» Üok de H. Joannes de Dooper, wel verre van bedroefd te zijn, verheugde zich buitenmate, toen men hem zeide: «Meester, die «bij u was over de Jordaan, van wien gij getuigenis ge-«geven hebt, zie, deze doopt, en allen komen tot Hem» (2). Dien grooten toeloop benijdde hij geenszins, integendeel zijne blijdschap was volkomen geworden. Het is dan ook de duivel alléén en zijne geestverwanten, die anderen 's Heeren gaven benijden. Diepe wortelen moet de afgunst reeds in 's menschen hart geschoten hebben, om zulken graad van boosheid te bereiken; want, zegt de H. Thomas (3), treuren niet slechts over 's naasten goed, maar over de vermeerdering zelve van Gods genade, moet onder de zwaarste zonden gerekend worden. Het is cene zonde tegen den H. Geest, voegt de H. Leeraar er bij, omdat zulk afgunstig mcnsch, in zekeren zin den H. Geest zelf benijdt, die in zijne werken verheerlijkt wordt. Maar wat stoort zich oen afgunstige aan zonden? Wat is hem aan zijn eigen ongeluk gelegen? Om zijne drift te kunnen koelen heeft hij vaak alles veil. «Hij maakt zich zeiven ongelukkig,» zegt de 11. Joannes Chrysostomu.s (4) «om anderen ongelukkig «te kunnen maken.» Dit leert ons het volgend voorbeeld dat sommigen wellicht ongelooflijk voorkomt, maar toch

(l) Num. II. 28. — (2) Joan. 3. 26. — (3) 2. 2. qu. 36. a. -j.. — (4) Hom. 54. super Joan.

-ocr page 341-

329

lt;loor den H. Vincentius Ferrerius bevestigd wordt. In eene stad woonden een gierigaard en oen afgunstige, beiden als zoodanig alom bekend. De koning ontbood hen en sprak: Vraagt mij hetgeen gij wilt, ik beloof u het te zullen geven, omler voorwaarde, dat de tweede liet dubbele krijgt van hetgeen de eerste vraagt. Beiden waren in groote verlegenheid. Do gierigaard dacht: dat de ander maar liet eerst vrage, dan krijg ik eens zoo veel, en hij zweeg. De nijdige op zijne beurt bewaarde ook het stilzwijgen, want hij kon niet dulden, dat de ander het dubbele bekomen zou. De koning, dat zwijgen moede, deed den afgunstige liet eerst spreken. En wat vroeg hij nu.' Men zou hem één oog uitrukken, opdat de ander beide oogen verliezen zou. Met recht zegt dan ook de H. Petrus Chrysologus (1) dat de afgunstige zijn eigen beul is.

Laat een afgunstige zich zelden dermate door zijne drift vervoeren, toch is en blijft hij een diep ongelukkig mensch én naar ziel én naar lichaam. Zonder van de zonde der afgunst zelve te spreken, bezwaart hij doorgaans zijne ziel door liefdelooze gesprekken, leugens en lastertaal. Volgens het lichaam gevoelt hij zich ongelukkig; zijn lichaamsgestel wordt vaak geschokt dooiden vergiftigen worm der afgunst, die gestadig aan zijn hart knaagt. Van opgeruimdheid is geen sprake, de droefgeestigheid is hem eigen, en deze ondermijnt zijne krachten, want er staat geschreven: «Gelijk de mot «kwaad doet nan het kleed, en de worm aan het hout, «zoo is iemands droefheid nadeelig voor zijn hart (2)». Deze droefheid neemt toe telkenmale, als voor eene boogere bediening een ander benoemd wordt, vooral

(:) Serm. 23. — (2) Prov. 25. 20.

-ocr page 342-

330

wanneer die persoon jonger in jaren is, of rnet minder uitwendige talenten schijnt begaafd te zijn. Evenzoo, wanneer anderen in hétzelfde huis of in dezelfde betrekking geplaatst worden, wier begaafdheden de zijne in de schaduw stellen. En zoo gebeurt het, dat een afgunstig persoon, terwijl hij zijn eigen beul wordt, tot last strekt aan anderen, en zijn omgang schier ondragelijk is.

Beijver u derhalve uit al uw vermogen, om deze opkomende drift onmiddellijk te bestrijden, laat ze toch nimmer wortel schieten in uw hart. Denk dat een afgunstige het meest gelijkt op den duivel, wiens lidmaat hij is, zooals de II. Isidorus zegt (I), en die niets vuriger verlangt dan dat hij eenmaal met hem het geluk der hemelingen benijde in eeuwigheid.

Het beste middel om die drift nimmer toegang te

O O

verleenen tot uw hart, is het gebed, maar vooral het gebed voor hen, op wie men afgunstig is. Worden zij u voorgetrokken in eene bediening, munten zij boven u iiit in kunde en begaafdheden, zeg dan, zoodra gij de afgunst voelt naderen: mijn God ik dank U, dat Gij hem of haar voor die bediening benoemd, en zulke begaafdheden geschonken hebt. Het hart meent er misschien niets van, maar dat is de stern van het bedorven hart, deze moet gij doen zwijgen, en zeggen: God zij geloofd voor die benoeming, voor die aan hem of haar geschonken talenten. Doet gij zulks bij eiken aanval der afgunst, nimmer wordt gij een afgunstige, en het duurt niet lang of de duivel gaat heen, en laat u verder gerust.

(») L, 3. de Summo Bono c. 25 sent 3.

-ocr page 343-

331

GEBED.

Heer Jezus, ik heb gezondigd, ik heb misdaan, ongerechtigheid gepleegd. Herhaalde malen heb ik de liefde mijns naasten gekwetst. Nu eens sloeg ik onvoorwaardelijk geloof aan alles, wat men mij ten nadeele van anderen vertelde, dan eens vergat ik mij zeiven zoover, dat ik een ander valsch beschuldigde, en zijne fouten merkelijk vergrootte, niet, omdat men mij leed aangedaan of mij in mijne eer gekrenkt had, maar omdat mijn oog boos, mijn hart door de afgunst als verteerd was. Terwijl ik anderen, van een onberispelijk gedrag en een heiligen levenswandel, bitter bedroefde,

CO O

heb ik mij zeiven veel kwaad en onheil berokkend. Doch wat mij nu het meeste spijt, en waarover ik thans bitter bedroefd bon, is, dat ik U, mijn goede Jezus, zoo dikwijls bedroefd heb door mijne zonde van afgunst. Hadde ik U toch nooit beleedigd! maar helaas, de zonde is gepleegd. Ik bid U, door de verdiensten van uw bitter lijden, wil ze mij vergeven. Thans heb ik, dooi' uwe genade verlicht, beter dan ooit de afschuwelijkheid van do zonde van afgunst ingezien, en, gesterkt door dezelfde genade, een onwrikbaar besluit genomen, elke opkomende afgunstige gedachte onmiddellijk met alle kracht te bestrijden, en door een kort schietgebed U te danken, als Gij een ander met uwe gunsten en gaven verrijkt. Hiertoe echter behoef ik uwe genade, ik bid U, gelief ze mij te scheuken. O Maria, Moeder van Jezus, en mijne Mooder, sta mij, ofschoon ik het niet verdien, steeds bij in elke bekoring, vooral als de duivel mij afgunstig zou willen maken. Amen.

-ocr page 344-

332

HOOFDSTUK XIV.

ïurKï ergo apprehendit Pilatus Jesum , et flagellavit.

Joan XIX. 1.

Toen dan nam Pilatus Jezus, en geeselde Hein.

Pilatus, zooals wij reeds gezien hebben, was ten volle overtuigd van Jezus' onschuld; hij wist, dat de Joden Hem hadden overgeleverd, niet uit ijver voor hunne wet, niet om de oneer, Gode door eene godslastering aangedaan, zooals zij voorwendden, te wreken, maar uit loutere afgunst. Als een rechtvaardig rechter was hij dan ook in geweten verplicht, Jezus vrij te spreken, los te laten en Hem tegen de woede der Joden te beschermen. Maar laf en zwak, durfde hij uit vrees voor de Joden, geen rechtvaardig vonnis vellen. Wel had hij, om Hem niet tot den dood te veroordeelen, en alzoo de verwijtende stem zijns gewetens eenigermate te sussen, den onschuldige naar de rechtbank van Herodes gezonden, om zich van Hem te ontdoen. Doch evenmin als dit middel was hem het tweede gelukt, want het volk eischte dat niet Jezus, maar de zoo beruchte booswicht Barrabas, zou worden losgelaten. Thans beproefde hij een alleronrechtvaardigst, vernederend en wreedaardig middel. «Ik zal Hem dan,» zoo sprak hij tot de Joden, «kastijden en loslaten» (1). Dat is, ik zal Hem laten geeselen, en daarna loslaten. Pilatus begreep, zegt de H. Bonaventura (2), dat ech afgunstig gemoed, zooals dat der Joden, niet vatbaar is voor de réde, en dat het kastijding vergt. Daarom liet hij Jezus geeselen, in de hoop, dat zij dan niet

(i) Luc. 23. 16. — (2) In Luc. c. 23. v. 22.

-ocr page 345-

333

verder op zijn doodvonnis zouden aandringen, en hem in dit geval, zegt dezelfde H. Bonaventura (1), niet van toegevendheid konden beschuldigen. Volgens den H. Augustinus (2) had Pilatus bij deze geeseling geen ander doel, dan de bloeddorstige Joden, bij het zien van die stroomen bloeds, welke van alle kanten uit Jezus' lichaam vloeiden, zóó te verzadigen, dat zij zijn dood niet meer eischen zouden.

Het was de gewoonte bij de Romeinen, den ter dood veroordeelde eerst te geeselen. Deze geeseling, volgens den H Hieronymus (3) niet zoo wreed, werd veel verschrikkelijker, wanneer het doodvonnis niet uitgesproken was. Dit was hier het geval. Op het bevel der beulen ontdeed zich Jezus van zijne kleederen, en legde zijne gezegende handen op een steenen kolom, ter hoogte van drie palmen, waarop een ijzeren ring was geslagen, om den schuldige vast te binden (4). Deze kolom was in het huis des rechters, en bevindt zich thans in de kerk van de H. Praxedis te Rome. Zij was met opzet zoo laag gemaakt, opdat de geesel-slagen het lichaam overal konden trclTeii. Hieraan vastgebonden , werd het alleronschuldigst, allerheiligst en allerteederst vleesch des Hoeren, op de vreeselijkste en gruwzaamste wijze gegeeseld, verscheurd, doorkerfd en door duizenden slagen als vaneengcreten, zoodat men zijne ribben kon zien, van alle vleesch ontdaan, gelijk aan de H. Brigitta geopenbaard is geworden. Dit laat zich eenigszins begrijpen, als wij aannemen, wat waarschijnlijk is, dat Jezus gegeeseld werd, ('n met roeden Van doornen gevlochten, én met koorden, én met

(O T. a. p. v. 16. — (2) Tract. 116. 1. — (3) In Matth, T. 9. — (4)' Vrg. Carthrgena de Pass. Dni. 1. 10. hom. 12.

-ocr page 346-

334

ijzeren kettingen, zoodat bij eiken slag niet slechts het bloed uit zijn gezegend lichaam spatte, maar het vleesch zelf' werd weggerukt, en dat, volgens den H. Alplionsus (1), een gedeelte er van door de roeden op een afstand werd geslingerd. Dit duurde zoolang, zegt de H. Bonaventura (2), totdat én de beulen én de toeschouwers verzadigd waren.

Onder deze onmenschelijke folteringen had Jezus, zooals Cornelius a Lapide (3) en de H. Laurentius Jus-tinianus (4) bemerken, moeten bezwijken, want, bevreesd dat Pilatus Hem na de geeseling los zou laten, wilden de Joden Hem doen geeselen tot den dood. De immer zoo geduldige Jezus was dan ook gelijk een melaatsche, van het hoofd tot de voeten één wond. Doch zijne Godheid steunde zijne menschheid, om uit liefde tot ons nog meer te lijden. De liefde had Hem met wonden overdekt, en door zijne wonden worden wij genezen. Om onze zonden is Hij verbrijzeld geworden. Om de zonden van zijn volk heeft de Vader Hein geslagen. Om voor onze zonden, vooral voor die van onzuiverheid te boeten, zegt de H. Alplionsus (5), heeft Jezus zijn maagdelijk vleesch aangeboden, om het door de allergruwzaamste geeseling te laten verscheuren. De aan eene kolom gebonden, en door geeselslagen verscheurde Jezus, zij hun steeds voor oogen, wier zinnelijke genoegens Hem tot dien erbarmelijken staat gebracht hebben, om hunne tranen van leedwezen met het bloed van Jezus te mengen, en spore allen aan, om hun vleesch te bedwingen, en in dat vleesch een leven te leiden den Engelen gelijk.

(i) T. 5. p. 76. — (2) De medit. vit. Chr. c. 76. —■ (3) In Matth. c. 27. — (4) De tract. Chr. c. 14. — (S) T. 5. p. 420.

-ocr page 347-

335

De zuivcrlieid.

«De zuiverheid,» zegt de H. Bonaventura (1), «is eene «deugd van liemelschen oorsprong.» Christus is haar in zijne menschelijke natuur komen leeren op aarde. Het stond vast van alle eeuwigheid , dat Gods eenige Zoon, uit liefde tot de menschen , mensch zou worden. Als een klein Kind zou Hij zijne intrede doen in deze wereld. Doch wie zou zijne Moeder zijn ? De profeet Isaïas had het reeds verkondigd. «Zie,» zoo sprak hij, «eene maagd zal ontvangen, en een Zoon baren, en zijn «naam zal Emmanuel genoemd worden» (2). Zijne Moeder zou dus eene maagd zijn. Deze, en geone andere gewone vrouw , koos Hij uit tot zijne Moeder. Daar de gelukzalige Maria, zegt de H. Joannes Chrysostomus ,'3), boven gansch het menschelijk geslacht de zuiverheid bewaarde, daarom heeft zij Christus den lieer in haren maagdelijken schoot ontvangen. God deed alzoo een groot wonder op aarde. Maria werd Moeder van een God, zonder op te houden maagd te zijn. God vereenigde in Maria het goddelijk moederschap met de maagdelijke reinheid. Maar deze Moedermaagd moest volgens Gods besluit, een maagdelijken bruidegom erlangen, die tevens de voedstervader zou zijn van haar goddelijk Kind. Deze onder duizenden bevoorrechte pleegvader is de kuische Jozef. Op geen andere dan op kuische armen wilde het goddelijk Kind gedragen, aan geen ander dan een zuiver hart gekoesterd worden. In het midden dier twee zoo welriekende en zoo verrukkend schoone leliën vond

(i) L. 2. de perf. relig. c. 52. — (2) 7. 14. — (3) Brev. in Festis B. M. V.

-ocr page 348-

330

Het zijn genoegen. Later was het aan één der leerlingen gegund le mogen rusten aan het maagdelijk Hart zijns goddolijken Meesters en het te hooren kloppen van liefde. Wie was die zoo bevoorrechte leerling? üe maagdelijke Joannes, de leerling, dien Christus liefhad, wien Hij de verhevenste geheimen openbaarde. Niet één der Apostelen, bezig met vis-schen in het meer Genezareth, herkende zijn Meester, die aan het strand stond; alléén de maagd Joannes, zegt de H. Hieronvmus (1), herkende den maagdelijken Jezus. Niet één hunner wist wien Jezus bedoelde toen Hij zeide : «.Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: één van u «zal mij overleveren» (2), doch op een wenk van Petrus, die, zooals dezelfde H. Hieronymus zegt, na gehuwd geweest te zijn, het zelf niet durfde vragen, vroeg Joannes, die aan het Hart zijns Meesters lag. Hem stillekens: «Heer, wie is het?» en aanstonds ontving hij tot antwoord: «hij, wien Ik het brood, ingedoopt, czal toereiken. En toen Hij het brood had ingedoopt, «gaf Hij het aan Judas Iskarioth, Simons zoon» (3). Voor wien der leerlingen lag de toekomst schier bloot? Wie wierp een blik in de toekomstige eeuwen? Wie schreef het boek der Openbaringen vol van de verhevenste geheimen? De maagd Joannes, wien zij in eene geestvervoering op het eiland Patmos werden geopenbaard. W:ie van de vier Evangelisten neemt do hoogste vlucht bij het schrijven van het H. Evangelie? Joannes. De drie andere Evangelisten , zegt de H. Au-gustinus (4), wandelen met Christus als mensch op deze aarde, en hebben weinig van zijne Godheid gesproken,

(i) L. i. contra Jovin, — (2) Joan, 13 zi. — (3) (. a. p. 25. 26. — (4) In Evang, S. Joan, tract. 36

-ocr page 349-

337

maar het was alsof Joannes zich verveelde op aarde, en daarom verhief hij zich boven de aarde, boven liet uitspansel, boven de Engelen en alle onzichtbare machten tot Hem, door wien alles gemaakt is, en begint zijn Evangelie met deze verhevene woorden: «In den «beginne was het Woord, en het Woord was bij God, «en het Woord was God ... en het Woord is vleesch «geworden en heeft onder ons gewoond.» Heeft nu Jezus tijdens zijn verblijf op aarde veel van de men-schen te verduren gehad; heeft men Hem op alle mogelijke wijze gelasterd, zoo zelfs, dat Hij nu eens voor een krankzinnige, dan weder vooreen dronken en met den boozen geest bezeten mensch gehouden werd; nooit echter duldde Hij, dat men Hem iets in strijd met de heilige deutrd der zuiverheid ten laste legde. Deze deugd

o i-» o o

beminde Hij te zeer, en door zijne almacht dwong Hij zijne vijanden in dit punt tot stilzwijgen.

Uit dit alles zien wij hoe dierbaar de zuiverheid is aan zijn goddelijk Hart, en hoe Hij op eene gansch bijzondere wijze hen verlicht, die de maagdelijke reinheid liefhebben. En geen wonder. Want is de zuiverheid volgens den H. Joannes Climacus (l), eene voor Christus aangename verblijfplaats, en rust Christus, volgens den H. Joannes Chrysostomus ('i), in een zuiver hart, dan kan het niet anders of daar, waar het Licht dei-wereld rust, wordt het licht, en hij, die Christus zulk aangenaam verblijf verschaft, wordt op eene bijzondere wijze door dat goddelijk licht bestraald. Meermalen neemt Satan de gedaante aan van een Engel des lichts (3), en menigeen wordt op deze wijze door hem misleid.

(i) Grad. 15. — (2) Hom. c!e Praeparat. adv. Dni. - ■ (3) II. ad Corinth. 11. 14.

Lijden v. ciiristus. 22

-ocr page 350-

338

Wie zullen hem liet best in zijne ware gedaante herkennen? Wie zijne strikken het eerst ontdekken? Wie het duidelijkst inzien wat eene bekoring, wat een inspraak der genade is? Zij in svier hart de lelie der zuiverheid het schoonste bloeit en den heerlijksten glans verspreidt. In het midden der leliën toch vindt Hij zijn genoegen, die het licht der wereld is, en die iederen mensch verlicht, komende in deze wereld (1). Is een zinnelijk mensch ook nog zoo ervaren in het regelen van zaken, in handelsbetrekkingen, in talen en wetenschappen: wat het godsdienstige betreft, is hij in den regel onwetend. Niet zoo eene kuische ziel; want de H. Augustinus zegt (2): «De zuiverheid verheft den «mensc'.i ten hemel, en vereenigt hem met de heilige «Engelen.» Geen wonder dan ook, dat eene zuivere ziel, zoo innig met die hemelsche geesten vereenigd, in ruime mate deelt in het glansrijk licht, dat hen omstraalt. Met recht wordt de zuiverheid de engelachtige deugd genoemd. De H. Ambrosius (3) zegt: «De zuiverheid «maakt Engelen: die haar bewaart is een Engel.» Een zuiver mensch, zegt de II. Bernardns (4), en een Engel verschillen wel onderling in geluk, maar niet in deugd; de zuiverheid eens Engels is gelukkiger, die des menschen sterker. Dat een Engel zuiver leeft, is geen wonder, hij heeft vleesch nog bloed, maar de mensch , die in zijn bedorven vleesch een kuisch leven leidt, is in zekeren zin boven de Engelen verheven.

In die schoone deugd der zuiverheid, den Engelen eigen en 's menschen schoonste sieraad, schept de H. Geest een bijzonder welbehagen, en Hij roept ais in

(l) Joan. 1. 9. —• (2) Serm. 65. ad fratves in eremo, — (3) Lib. 1. do Virginitale. — f4) Epist. 42.

-ocr page 351-

339

verrukking uit: «O hoe schoon is een kuisch geslacht met luister! want onsterfelijk is zijne gedachtenis, de-«wijl het in aanzien is, zoowel bij God als bij de men-«schen» (1). Bij God, dit hebben wij reeds gezien, maar ook de menschen, hoe zinnelijk overigens ook, hebben toch zekeren eerbied voor een kuisch persoon. Zij bewonderen en waardeeren bij anderen die deugd, welke zij zeiven den moed niet hebben te beoefenen. Vandaar dat zij steeds rnet lof spreken van hen, wier zeden onberispelijk zijn, en wier reinheid schittert als eene witte lelie in het midden van zooveel onkruid. Met ontzag naderen zij hen, met eerbied groeten zij hen, met alle achting bejegenen zij hen. Zij zijn in aanzien èn bij God èn bij de menschen.

Is de zuiverheid eene bij uitstek schoone deugd, maakt zij den mensch den Engelen gelijk; schittert zij onder de deugden als het fijnste diamant onder de edelgesteenten, zij is ook tevens de tcederste deugd. Weinig is er noodig om den glans dier schoone lelie te benevelen. Zij is gelijk aan een spiegel, die dooiden minsten adem beslagen wordt. De zuiverheid is een kostbare schat, doch vergeten wij niet, dat wij dien dragen in aarden vaten, en derhalve alle omzichtigheid gebruiken, alle middelen moeten aanwenden, opdat de duivel ons dien niet ontroove. Doen wij hetgeen in ons vermogen is, dan zal God door zijne genade dezelve in ons bewaren. De middelen echter, die wij door de genade Gods kunnen en moeten gebruiken, zijn veelvuldig. Over eenige alleen wil ik een weinig-uitweiden, die door vele schrijvers óf in het geheel niet óf slechts terloops worden aangestipt. Een vurig

(l) Sap. 4. I.

-ocr page 352-

340

en aanhoudend gebed vooral in de oogenblikken der bekoring, het dikwijls naderen tot de HH. Sacramenten , het vluchten der gelegenheden, het mistrouwen van zich zeiven, het bewaken zijner zintuigen, zijn zeker noodwendige middelen, doch hierover wordt veel gesproken en geschreven. Ik bepaal mij alleen bij drie middelen: de gehoorzaamheid, de waakzaamheid op de beweging zijns harten en het tegengaan van eene overtollige vrees of angstvalligheid.

«Een man die gehoorzaamt,» zegt de H. Geest (1), «zal van zegepralen spreken». Is dit waar als er sprake is van eene overwinning op den trotschen Satan en de hoovaardige wereld, evenzeer zien wij deze waarheid verwezenlijkt bij hen, die met den huiselijken vijand te kampen hebben. Zoolang onze eerste ouders gehoorzaam waren, was het vleesch onderworpen aan den geest. «Maar», zegt de H. Gregorius (2), «Adam ver-«loor de macht, die hij over zijn lichaam •«litoefende, «omdat hij zijn Schepper niet onderdanig wilde zijn. En «zoo gebeurt het nog, dat die kinderen Adams doorgaans «het hevigst door dezen vijand worden aangevallen en «vaak bezwijken, welke zich tegen het gezag verzetten «en limine oversten de verschuldigde gehoorzaamheid «weigeren, terwijl zij, die zich kinderlijk onderwerpen, «in de gehoorzaamheid een machtigen steun vinden om «staande te blijven in den strijd.» «Wanneer de zie!,» zegt de H. Bernardus (3), «over het lichaam wil heer-«schen, dan moet zij zelve aan haar overste onderwor-«pen zijn, want hare ledematen zullen zich gedragen «gelijk zij zich gedraagt tegenover hare overheid: im-

(i) Prov. 21. 28. — (2) Lib. Moral, c. 13. (3) Serni. in Testo omnium Sanct.

-ocr page 353-

341

«mers het schepsel wapent zich om de beleediging den «Schepper aangedaan te wreken. Daarom moet de ziel «die den tegenstand des vleesches ontwaart, weten, dat «zij zelve, minder dan het behoort, aan de waarheid on-«derworpen is. Dat zij Gode onderdanig zij, en tevens «aan hare oversten, die Gods plaats bekleeden, en aan-«stonds zal zij haar lichaam gehoorzaam en onderworpen «vinden.» Ook de H. Augustinus (1) spreekt over de gehoorzaamheid als ecu noodzakelijk vereischte, om de zuiverheid te bewaren. Hij drukt zich volgenderwijze uit: «Erken de verordening, zoek den vrede.» Als wilde hij hierdoor zeggen: den vrede zult gij vinden in het naleven van de vastgestelde verordening. En welke is die? «Gij (gehoorzaamt) aan God en het vleesch ge-«hoorzaamt aan u. Wat is rechtvaardiger, wat schooner? «Gij aan Dengene die boven u is, en aan u hetgeen «onder u is. Gij dient Hem, die u gemaakt hoeft, opdat «u diene hetgeen om u gemaakt is. Deze regeling: het «vleesch onderworpen aan u en gij aan God kennen «wij niet en kunnen wij niet aanbevelen, maar gij aan «God en het vleesch aan u.» Hierdoor wil die H. Kerkvader doen verstaan, dat, wil men over het vleesch zegevieren, eerst de geest Gode onderdanig moet zijn, want hij voegt er bij: «Indien gij God niet dienen wilt, «dan zult gij nimmer bewerken, dat het vleesch u on-«derdanig is. Indien gij den Heer niet gehoorzaamt, zult «gij door den slaat' gekweld worden.... Vooreerst dus «moet gij Gode onderdanig zijn, en dan strijden, ter-«wijl Hij u leeren en helpen zal.» Staat God ons bij, «dan kunnen wij met H. Paulus ('2) uitroepen: «Als «God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?» Of wel met

(i) In Psalm. 43. — (2) Rom. 8. 31.

-ocr page 354-

342

den H. man Job (1): «Plaats mij aan uwe zijde en dat «elke hand tegen mij strijde.» De onderdanigheid aan hen, die Gods plaats bekleeden, is voor de onderhoorigen een sterk wapen, waarmede zij de aanvallen van den hui-

selijken vijand kunnen afwenden. Werd dit wapen meer gebruikt, dan zou het getal der gewonden ook kleiner zijn.

Velen echter zijn zelf de schuld van soms hevig door dezen vijand te worden aangevallen, omdat zij hun hart niet spoedig en met geen zorg genoeg bewaren tegen eene genegenheid, die zij voor iemand ontwaren. «Bewaak uw hart,» zegt de H. Geest (2), «met «de grootste zorgvuldigheid.» Dat men voor iemand eenc genegenheid gevoelt, kan men niet beletten, daar wij menschen geea Engelen zijn. Maar iets anders is het zulke geneigdheid te gevoelen, iets anders haar te voeden. Iets anders met, iets anders uit genegenheid handelen. Evenals een vuur weldra zal uitgaan, indien men er niets meer oplegt, zoo zal eene genegenheid spoedig ophouden, indien men haar niet voedt. Zou men haar echter voeden door nuttelooze gesprekken, onnoodige bezoeken, wederzijdsche blikken of herhaalde liefdebetuigingen, dan kan het niet anders of het vuur, dat in ons binnenste brandt, zal wel verre van te verdooven, immer feller branden. Zulke verkeerde genegenheid, op deze of dergelijke wijze gevoed, is dan ook dooi gaans de oorzaak dat velen, zelfs zij, die reeds jaren lang den weg der deugd en volmaaktheid bewandelden, diep gevallen zijn. Het spreekwoord zegt: «er schuilt een adder «in het gras,» wees daarom op uwe hoede, want in geen gras koestert de vergiftige adder zich zoo gaarne, als in dat van eene bijzondere vriendschap. Menig on-

(i) C. 17. 3- — (2) Prov. 4 2J.

-ocr page 355-

3-43

voorzichtig cn vooral jeugdig persoon wordt door zulke teedere vriendschap en zulken vertrouwelijken omgang een prooi der helsche slang. De H. Syncletica ( l) zegt, dat er woes tij nbewoners geweest zijn, die na alle sooi-ten van bekoringen te hebben overwonnen, eindelijk gevallen zijn ter oorzakc van te vele geestelijke gesprekken met godvruchtige personen. Van de vele voorbeelden, die wij hieromtrent vinden opgeteekend, wil ik er slechts één aanhalen. Wij lezen in de kerkelijke geschiedenis, dat eene godvreezende dame de gewoonte had, do lijken der martelaren 'snachts te begraven. Nu gebeurde het, dat zij er nog een in leven vond. Dezen te verplegen en te verzorgen was hare eerste gedachte. Zij nam dien met wonden overdekten man in haar huis, en verpleegde hem met zulke liefdevoile zorg, dat de wonden weldra geheeld waren. Doch niet genoeg op hunne hoede tegen de adder, die schuilt in dat gras, ontstond er bij hen eene weder-zijdsche genegenheid, en bet gevolg hiervan was, dat zij, die ter liefde Gods den dood trotseerden, door eene ongeregelde liefde overwonnen en naar de ziel gedood werden. Bewaak alzoo uw hart met de grootste zorgvuldigheid. Maar verban ook daaruit eene overtollige vreeze.

Wij allen moeten vreezen, want de 11. Geest zegt (2): «Gelukkig de mensch, die gestadig vreest.» Maar eene overdreven vrees maakt iemand soms onbekwaam om zich behoorlijk van eene bediening te kwijten, en leidt vaak tot hevige bekoring. Als de gehoorzaamheid ons eene bediening oplegt, die aanleiding zou kunnen

(i) Vies des Pères clu Désert par Marin. T. 2. chap. 29. — (2) Prov. 28. 14.

-ocr page 356-

344

geven tot de bekoring, houden wij ons dan vast overtuigd, dat God, die ons met eene taak belast, ons ook met zijne genade zal vergezellen bij het vervullen dier taak, en dat zij, die uit gehoorzaamheid eene bediening waarnemen, minder gevaar loopen, dan anderen, die in strijd met de gehoorzaamheid zich hieraan onttrekken. De duivel spoort soms vreesachtige personen aan om niet of minstens met weerzin te gehoorzamen , door hen bevreesd te maken voor de bekoring. Hij werkt op hunne verbeelding, die vaak levendiger wordt, naarmate men zich meer dan het behoort aan die vrees overgeeft. Ziedaar slechts eenige middelen, waarvan men zich met goed gevolg bedienen zal in den strijd tegen den huiselijken vijand. Geen bloem zoo schoon, zoo welriekend als de lelie, maar ook geen bloem zoo teeder. Omgeven wij ze met doornen en laat ons Jezus, den bruidegom onzer zielen vurig bidden, opdat Hij dooide voorspraak van zijne Moeder Maria, de reinste der maagden, deze lelie ongeschonden moge bewaren in den tuin onzes harten.

GEBED.

O mijn God , zoolang mijn lichaam en mijne ziel hier op aarde vereenigd zijn, zal mijn vergankelijk lichaam mijne ziel bezwaren (1). Uit hebben uwe heiligen, en Paulus uw Apostel niet het minst ondervonden, zoodat hij al zuchtende uitriep: «Mij ellendig «mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes «doods» (2)? Hij bad U tot driemaal toe, om van die lastige en zoo vernederende bekoring bevrijd te mogen worden, en Gij antwoorddet hem: «Mijne genade is u

(i) Sap. 9. 15. — (2) Rom. 7. 24.

-ocr page 357-

345

«genoeg» (1). Ik vertrouw dan ook dat Gij mij uwe genade niet weigeren zult. Ik , de ejlendigste onder de ellendigen, bid en smeek U door de verdiensten en de zoo bloedige geeseling van uwen Zoon, onzen Heer Jezus Christus, mij de genade te verleenen, om altijd over de aanvallen van den huiselijken vijand te zegevieren , opdat op mij toepasselijk mogen zijn de woorden, weleer van uwe gezegende lippen gevloeid : « Zalig «zijn zij, die zuiver van harte zijn, want zij zullen God «zien» (2). Vlekkelooze Maagd Maria, maak door uw alvermogend gebed, dat ik nimmer onder de bekoring bezwijke. Amen.

HOOFDSTUK XV.

Et milites plectentes coronam de spinis, imposuerunt capiti ejus. Joan. XIX. 2.

En de krijgsknechten vlochten eene kroon van doornen, en zetten die op zijn hoofd.

Verbeelden wij ons eenige meesters die hunne bloedhonden wijzen op een teeder lam , en hen aanzetten om het aan te vallen. Ziet, hoe die bloeddorstige honden het arme dier met tanden en nagels verscheuren. Van hunne woede verzadigd, keeren zij met bloed besmeurd, naar hunne meesters terug. Dezen, nog niet verzadigd van dat bloedig schouwspel, hitsen hen weder aan tegen dat stervend lam. Welke wreedheid! en nochtans is het slechts een redeloos schepsel, dat verscheurd wordt. Hier echter zien wij niet een redeloos, niet een redelijk schepsel, maar den Schepper zeiven bekleed met de menschelijke natuur, den Zoon Gods,

(i) II. Corinth. 12, 9. — (2) Matth. 5. 8.

-ocr page 358-

346

liet Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, door de beulen, als bloedhonden, gelijk David (1) hen noemt, op aanhitsen van hunne meesters, leden van den hoogen Raad, door de gruwzaamste geeseling verscheurd. Verzadigd door het zien van zooveel bloed, komen zij weer bij hunne meesters, die nog immer onverzadigd blijven. De beulen, weder aangehitst en omgekocht door de Joden, zooals de H. Joannes Chry-sostomus (2) zegt, werpen zicli opnieuw op het met bloed bedekte en verscheurde Lam, en doen het nieuwe folteringen verduren.

Daar Jezus gezegd had, dat Hij koning, maar zijn rijk niet van deze wereld was, werd Hij als spotkoning behandeld. Men ontdeed Hem opnieuw van zijne kleederen, zegt de H. Alphonsus (3), en men begrijpt al aanstonds wat de Zaligmaker hierdoor wederom te lijden had. De kleederen, reeds aan de wonden vastgekleefd, werden met ruw geweld losgerukt, hetgeen vreeselijke pijnen veroorzaakte. Vervolgens hing men Hem eeu stuk van een versleten purperen mantel om de schouders, gaf Hem een rietstok bij wijze van schepter in de hand, terwijl zijn goddelijk hoofd door eene van doornen gevlochten kroon van alle kanten doorstoken werd. Bij deze onmenschelijke marteling voegden zij de bitterste spotternij, den verregaandsten smaad. «En «voor Hem op de knieën vallende, dreven zij den spot «met Hem, zeggende: Wees, gegroet koning der Joden! «En zij spuwden op Hem, namen den rietstok en sloe-«gen op zijn hoofd)) (4). Met hunne handen konden zij de doornen niet diep genoeg, volgens hun verlan-

(l) Ps. 21. 17. — (2) Vrg. II. Alph. T. 5. p. 83. — (3) t. a p. — (4) Matth. 27, 29- 30.

-ocr page 359-

347

gen, in het hoofd drukken, daarom namen zij den rietstok, en sloegen hiermede de doornen al dieper en dieper in zijn gezegend hoofd, en wet zóó diep, dat zij, volgens den H. Petrus Damianus (1), den H. Lauren-tius Justinianus (2) en den H. Antonius (3), tot aan de hersenen doordrongen. Door een wonder van God alleen was Hij in staat om zulke gruwzame pijnen te verduren, zonder te sterven. Zijn hoofd, zijn baard, zijne haren waren dan ook één bloed al bloed. Zijn gelaat was niet meer dat gelaat, schoon onder de kinderen der menschen, maar geleek, volgens den H. Bo-naventura, door den H. Alphonsus (4j aangehaald, op dat van een ontvelden menseh.

Christus, zegt de eerbiedwaardige Dionysius do Kar-thuizer (5), wilde gekroond worden met doornen op aarde, om ons eene onvergankelijke kroon in den hemel te verwerven. Hij leed die onbeschrijfelijke pijnen in zijn hoofd, om voor onze zondige gedachten te voldoen. «Onze zonden , onze slechte gedachten, ziedaar,» roept de H. Alphonsus uit (6), «de vervloekte doornen, die «het hoofd van .lezus doorboorden.» O zondige gedachten der menschen ! gij zijt het, die den Verlosser deze pijn veroorzaakt hebt. Ja mijn Jezus, wij zijn het, die door onze vrijwillige slechte gedachten, uwe doornenkroon gevlochten hebben (7). Is dit zoo, dan moeten wij ons, ter liefde van Jezus, beijveren, om elke slechte gedachte onmiddellijk te bestrijden; daarom laat ons waken over onze gedachten.

(i) Serm. 47.— (2)'Tr. de Chr. agon. c. 14.—(31 De Chr. ante Pil. c. 6. tit 5. § 56. — (4) t. a. p. — (5) In Joan, 17.— (6) t. a. p. p. 86. — (7) t, a. p. p. 190.

-ocr page 360-

348

W nkcn 051 xijne gcdnehtrn.

Wanneer het waar is, dat verkeerde gedachten ons van God scheiden (1), dat de 11. Geest zich verwijderd houdt van dwaze gedachten ■'il, dat onze gedachten ons dooden, zooals de H. Isidorus zegt (3), en altijd tot het kwade geneigd zijn, dan is het van het hoogste belang, zijne gedachten steeds te bewaken. Wij zijn, zegt de 11. Augustinus (4\ geen meester van onze gedachten , die onvoorziens onzen geest en ons hart verontrusten, ons tot wereldsche zaken roepen, liefde voor de wereld inboezemen, zinstreelende genoegens ingeven en allerlei bekoorlijkheden voorstellen. Maar, kan niemand beletten, dat eene gedachte hem in den geest kome, toch staat het eenieder vrij, deze in te willigen of te bestrijden. Zondige gedachten kwellen, maai- wonden niet, bestormen maar dooden ons niet, tenzij in zooverre wij den wil hebben van gewond of gedood te worden. De wil alléén veroorzaakt de zonde, niet de gedachte. Zoolang deze ons mishaagt, wordt er geene zonde gepleegd. Wat meer is, wij verdienen, zegt de gelukzalige Beda (5), zoo dikwijls eene kroon in den hemel, als wij aan slechte gedachten weerstand bieden op aarde. Wij moeten niet verwonderd zijn door allerlei booze gedachten bestormd te worden; want, zegt de H.Bernar-dus (6), het is den duivel eigen, ons zondige zaken voor den geest te brengen. Hij is het, die gestadig brandende pijlen op ons afschiet, zooals de H. Paulus zegt (7), en die zinstreelende gedachten , zegt de H. Joannes Chry-sostomus (8), zijn als zoovele pijlen. Tegen deugdzame

(1) Sap. 1. — (2quot;) t a p. —(3) De summo bono. c. 25. sent. 4. — (4) L. 4. contra duas epist. Pelag c. II. — (5) T. 2. in quot;Proverb. — (6) In Medit. c. 14. — (7) Ephes. 6. 16. — (8) Hom. 3 super Gen.

-ocr page 361-

349

en godvreezende personen zijn deze meestal gericht. Kan de duivel hen niet brengen tot zondige werken, dan tracht hij hen te kwellen, te folteren, af te matten en moedeloos te maken. Den ouderdom eeren kent Satan niet, want ouden van dagen valt hij vaak nog lastig, wetende dat hem slechts weinig tijd meer overblijft, en in een door jaren uitgeput en machteloos lichaam, heeft de geest soms nog een hevigen strijd te verduren. Personen, vergrijsd in het beoefenen der deugd en der versterving, worden evenmin door den Satan gespaard. Getuige onder anderen de H. Alphonsus, die op meer dan tachtigjarigen leeftijd door zondige gedachten bestormd werd. Zal die booze geest zich misschien verwijderd houden van de gezegende muren eens stillen kloosters, waar heilige zielen, als zoovele bruiden des Heeren, met de Engelen Gods lof verkondigen? Volstrekt niet, men moge zich vrij verbergen voor het oog der menschen, voor den Satan is men niet verborgen, voor hem, die de heilige plaatsen binnendringt, ook daar zijne brandende pijlen op 's Heeren bruiden afwerpt, en voor wien niemand buiten schot is. Maar in het huis des Heeren, waar Jezus, die hem verslagen heeft, in het tabernakel rust, zal hij toch hen niet durven achtervolgen, die daar liggen neergeknield en hun hart tot God verheden.' O, die onbeschaamde geest houdt ook daar zijn boog gespannen, en mikt op de biddende menigte, om te wonden en te dooden.

Dan, hoe aanhoudend de gedachten, hoe levendig de verbeelding, hoe afschuwelijk de voorstellingen ook mogen zijn, waarmede de duivel onzen geest bestormt, immer moeten wij bedaard en kalm blijven. Richten wij ons hart tot God, en doen wij een kort schietgebed, of roepen wij slechts de namen van Jezus en Maria

-ocr page 362-

350

aan ; overtuigd dat ons de genade niet ontbreken zal. Eenigen zijn vaak bevreesd door zulke gedachten ot voorstellingen den goeden God te beleedigen, omdat zij hen, ondanks hunnen goeden wil van ze te verwijderen, steeds bijblijven. Dezen moeten echter weten, dat de langdurigheid der bekoring geen tee-ken is van inwilliging. Omdat een koopman u zijne waren wil opdringen en ze met dat doel uren lang voor de deur van uw huis uitstalt, hebt gij daarom iets gekocht? Integendeel, haddet gij iets gekocht dan ware hij reeds lang heengegaan. Anderen verontrusten zich, omdat dat alles hun zoo behagelijk toeschijnt, maar elke bekoring komt 's menschen bedorven hart behagelijk voor, anders ware het geene bekoring. Genegenheid tot het kwaad gevoelen is geen zonde, de wil alleen maakt ons plichtig. Anderen wederom zijn, als zulke gedachten ophouden, ongerust, en twijfelen of zij God daardoor niet beleedigd en daarin behagen genomen hebben. Ik veronderstel, dat zij overigens godvreezende personen zijn, en tot de godvruchtige klasse behooren, zooals dit in den regel het geval is, en dan hebben zij geene redenen tot ongerustheid. Want eene doodzonde, zooals de II. Alphon-sus (1) en met hem vele godgeleerden en schrijvers over het geestelijk leven ons leeren, is een monster, dat geen bezit van ons hart kan nemen, zonder dat wij het weten. Derhalve moeten deze personen zich overtuigd houden, dat zij zeer zeker geene zware zonde o-epleegd hebben, zoodra er bij hen twijfel bestaat ot' zij in die gedachten' hebben toegestemd. Dientengevolge zijn zij ook niet verplicht eerst te biechten vooraleer zij

(i) Theol. moral. 1. 6. N. 450. 476-

-ocr page 363-

351

tot de H. Communie naderen. Zij moeten niet nazoeken hoe die gedachten ontstaan zijn, welke die gedachten waren en hoe zij zich tijdens die gedachten gedragen hebben. Immers hierdoor brengen zij zich zulke verbeelding opnieuw voor den geest, en worden weder ongerust, niet over de eerste gedachte, maar omdat zij hierover hebben nagedacht. Dit nadenken is hoogst af te keuren; omdat zij eerstens, noodeioos hun tijd verspillen, tweedens, hierdoor toch niet geruster worden, derdens, afgetrokken worden van het gebed, of van andere bezigheden hunner bediening, welke zij alsdan slordig verrichten, en vierdens, zich aan het gevaar bloot stellen van opnieuw bekoord te worden. Gij zoudt den beet eener vergiftige slang gevoelen, en den doodelijken beet der helsche slang niet ontwaren? In geval van twijfel heeft ze u niet gebeten. Ook zijn er velen, die meenen bij slechte gedachten of voorstellingen zwaar gezondigd te hebben, omdat zij zich vrijwillig hiermede bezig hielden. Dit is altijd niet het geval. Men kan aan zondige zaken vrijwillig denken met en zonder zonde, naar gelang die zaak ons wordt voorgesteld met of zonder besef van zonde. Zou men in eene gedachte genoegen nemen, die wel is waar zondig is, maar zoo dat men op dat oogenblik geen besef heeft van de zonde, die er in gelegen is; met andere woorden: denkt men vrijwillig aan zondige zaken, maar denkt men in dat oogenblik niet aan de zonde, die men hierdoor pleegt, dan worden zulke gedachten ons niet als eene zware zonde aangerekend. Door een gelijkenis wordt het duidelijk. Iemand eet op een vastendag vleesch, hij doet zulks vrijwillig, in dien zin dat er geen geweld gebruikt wordt. Dat eten bevalt hem, en met smaak en genoegen gaat hij voort. Dit kan tot hier-

-ocr page 364-

352

toe nog geschieden zonder zonde, omdat hij niet denkt aan de vasten, en bij gevolg niet aan de zonde, waarmede zijne handeling gepaard gaat. Dan eerst wordt hem die daad als zonde aangerekend, als hij, ondanks de gedachte dat hij zonde pleegt, dat vleesch eten niet onmiddellijk staken zou. Zóó is het met slechte gedachten en zinnelijke voorstellingen gelegen. Zoolang men de gedachte niet krijgt, dat het zonde is zich met zulke zaken bezig te houden, is men vrij, minstens van doodzonde. Dan alleen pleegt men een zonde, als, niettegenstaande de gedachte, dat men hierdoor zonde pleegt, men toch vrijwillig in zulke slechte gedachten blijft verwijlen. Dit moet do overigens godvreezende personen in hunne ongerustheden troosten. Op dezen heb ik vooral bij het schrijven van deze woorden het oog gevestigd. Want zij, uit wier hart de vreeze des Heeren verbannen is, en die de gewoonte hebben zich in zondige verbeeldingen te verlustigen, gaan in den regel hiermede voort, al zouden zij zich ook herinneren bierdoor een God te beleedigen.

Eindelijk zijn er nog eenigen, die, zoodia hen zondige gedachten bestormen, onrustig, gejaagd en zenuwachtig worden; zij slaken diepe zuchten, roepen om hulp van den hemel alsof zij den Satan reeds ter prooi waren , terwijl schrik en angst op hun gelaat te lezen staan. Voor zulke beweging is de duivel niet bevreesd; de storm zal hierdoor niet bedaren , wel heviger woeden ; de verbeelding niet gematigd, wel levendiger worden. Immers «de duivelen noch dc Engelen,» zooals de H. Thomas leert (1), «kennen de gedachten der harten, tenzij door openbaring of in zooverre zij deze door

(i) In. 2. Sent, distinct. 8. a. 4.

-ocr page 365-

353

«uitwendige teekenen bemerken.» Tengevolge dan van die ontsteltenis en uitwendige beweging of' gelaatsverandering, merkt de duivel al aanstonds, welken indruk die gedachten op n maken, en hoezeer zij u hinderen, en, aangezien hij er genoegen in vindt den mensch te kwellen , zal hij zijn best doen om u nog meer te folteren. Derhalve moet gij bij slechte gedachten, van welken aard ook, steeds kalm en bedaard blijven, zoodat de duivel niet ziet, wat er inwendig in uw hart omgaat; dan zal hij zich des te spoediger verwijderen. Daarenboven is de duivel een hoovaardige geest, die niet dulden kan, dat gij hem veracht, en door u aan zijne ingevingen niet te storen, veracht gij hem. Waarom ook zich zoo bevreesd maken? De duivel is gelijk aan een hond, die aan een zvvaren ketting ligt gebonden, hij kan wel blaffen maar niet bijten, tenzij men het wille.

De regels zijn toepasselijk op alle soorten van slechte gedachten hetzij tegen de zuiverheid, hetzij tegen het geloof of welke deugd dan ook. Sommigen worden vaak gekweld door godslasterende gedachten, zoodat godslasterende woorden hun steeds op de lippen schijnen te zweven. Laten zij in het midden van dien storm, zich kalm houden en bedaard blijven, en weldra zal de booze geest zich verwijderen. Ook gebeurt het, dat men angstvallige personen aantreft, die schier niets kunnen hooren, hoe onschuldig, niots kunnen zien, hoe zedig ook, al geldt het do heiligste zaken, of aanstonds komen hun slechte gedachten voor den geest. Dezulken zouden goed doen mot zich hieraan niet in het minst te storen, zonder daarom hunne oogen van die overigens stichtende voorwerpen at te wenden. Want het gevolg daarvan zou zijn, dat zij later volstrekt Lijden v. Christus. 23

-ocr page 366-

354

niets meer zouden durven zien. Het is voldoende, dat zij inwendig tegen die invallende gedachten zich verzetten. Doch aangezien de tnensch in het punt van zuiverheid zeer zwak is, moet men in den regel op zijne hoede zijn, en geen toegang verleenen aan die gedachten, welke in zich wel niet slecht zijn, maar gevaarlijk kunnen worden. Daar zij aanleiding geven tot onzedige voorstellingen, zooals dit vooral het geval is, in zaken, die met eene bijzondere vriendschap of zinnelijke genegenheid tot een persoon in verband staan, zou men zich wagen op een glibberig pad, waarop men gemakkelijk struikelt.

Bij wraaknemende gedachten zende men een kort gebed ten hemel voor de vijanden. Bij gedachten van afgunst danke men den goeden God, hem of haar die gunst te hebben verleend. Ziet de duivel tegen hem dat zoo vreeselijk wapen des gebeds gericht, dan gaat hij heen, want, in plaats van iets te winnen, zou hij er bij verliezen. Wordt men door liefdelooze gedachten geplaagd, men denke dat de H. Geest ons toeroept; «Wat oordeelt gij uwen broeder? of gij, wat «veracht gij uwen broeder» (1)? Men herinnere zich het spreekwoord: gissen doet missen: of wel: God alléén kent de gedachten en bedoelingen van eenieder. Wat de verstrooiende gedachten aangaat, waarmode duizenden tijdens het gebed te kampen hebben, deze trachte men bedaard te verwijderen, zoodia men ze bemerkt, en dit telkenmale als ze terug komen , indachtig hetgeen de H. Theresia zegt, dat men goed bidt, al zou men tijdens het gebed niet anders doen dan strijden tegen de verstrooidheid. Men herhale zulke gebeden

(i) Rom. 14. 10,

-ocr page 367-

355

niet, zelfs die niet, welke ons als boete zijn opgelegd. Dat onze nietigheid en diepe ellende ons steeds voor den geest zweven, bij hoovaardige, en Gods eindelooze barmhartigheid, bij moedelooze gedachten. Om echter minder door kwade gedachten te worden geplaagd, moet men zijn schat in den hemel zoeken; want waar onze schat is, daar zal ook ons hart en onze gedachten zijn. Zoeken wij dan wat boven is, waar Christus is zittende aan Gods rechterhand: zinnen wij op wat boven, niet op wat op aarde is (i), opdat wij met den H. Paulus kunnen zeggen: «onze wandel is in den «hemel» (2). Stijgen wij vaak in den geest ten hemel; daar is ons vaderland, daar onze schat, daar Christus, daar de plaats door Hem ons bereid, daar onze woning in eeuwigheid.

GEBED.

De woorden. Heer Jezus, die Gij weleer tot uwe Apostelen gesproken hebt; «Waakt en bidt, dat gij «niet in bekoring komt» (3), zijn ook tot mij gericht. Dan helaas! ik heb ze niet genoeg behartigd. Mijne zintuigen heb ik bij vele gelegenheden niet voldoende bewaakt, mijne gedachten en mijne verbeelding heb ik vaak toomloos op vele zaken gevestigd, en door mijne nalatigheid U alzoo herhaalde malen beleedigd. Aan hoevele hoovaardige, liefdelooze en verstrooiende gedachten in het gebed ik mij schuldig heb gemaakt, is U alléén bekend. Ootmoediglijk vraag ik U hiervoor om vergeving. Gelief, door de verdiensten van uw bitter lijden, en vooral van die vreeselijke pijnen,

(i) Coloss. 3. 2. — (2) Philip. 3. 20. — (3) Matth. 2ö. 41.

-ocr page 368-

356

■welke Gij te verduren hadt, toen men uw goddelijk hoofd met scherpe doornen doorboorde, mij al de zondige gedachten en zinnelijke verbeeldingen, waaraan ik mij overgaf, te vergeven. Ik ben het, die door mijne zondige gedachten die kroon van doornen gevlochten, en uw aanbiddelijk hoofd gewond heb. Ik verfoei en verafschuw ze thans uit geheel mijn hart. Hadde ik U, mijn dierbare Verlosser, mijn liefdevolle Jezus, toch nooit beleedigd! Nu Gij echter, zooals ik vertrouw, mij vergeven hebt, wil ik U ook vuriger dan ooit beminnen, en mij steeds de liefde herinneren, die Gij mij door uw lijden bewezen hebt. O, Maria, mijne Moeder, gij moet mij uw Zoon Jezus leeren beminnen, en zorgen, dat de gekruiste Jezus steeds zij in mijne gedachten. Ik hoop van u deze genade te bekomen. O Maria, verhoor mij.

HOOFDSTUK XVI.

Ecce homo. Joan. XIX. 5.

Ziedaar de mensch.

De heidensche rechter Pilatus, de stem van zijn knagend geweten immer ten prooi, had reeds verscheidene middelen aangewend, om zich van Jezus to ontdoen, zonder daarom de Joden, die hij vreesde, te verbitteren. Hij had plechtig verklaard, geen schuld in Jezus te vinden; doch dit kon niet baten, het volk bleef op het doodvonnis aandringen. Toen zond hij Hem naar Hcrodes, opdat deze het vonnis over Hem zou uitspreken, zoodoende meende hij van Hem ontslagen te zijn; dit middel baatte hem evenmin. He-

-ocr page 369-

357

rofles Eond Jezus naar Pilatus terug. Nu liet liij den Joden de keuze tussclien Jezus en den beruchtcn moordenaar Barrabbas; een van beiden zon bij hnn loslaten, doch ook nu werd hij in zijn verwachting teleurgesteld. «Laat ons Barrabbas los,» schreeuwde het volk. Al deze middelen, om zich van Jezus te ontdoen, konden den Romeinschen landvoogd niet baten, en dienden alleen tot grootere verachting, diepe vernedering en lagere bespotting van den Zaligmaker. Ten einde raad, wendde hij eene laatste poging aan, om het woedende volk te bedaren en te doen afzien van Jezus' dood te eischen. Hij liet Hem vreeselijk geeselen om de menigte tot medelijden op te wekken. Het gezegende lichaam des Heeren was thans een wond al wond. Het hoofd, grootendeels door de roeden gespaard, was met scherpe doornen gekroond, zoodat het één wond was; van zijn hoofd tot aan de voetzolen zag men niets dan bloed en wonden, zoodat Hij onkennelijk en een me-laatsclie gelijk was geworden.

In de verwachting, dat het volk, Jezus in dien deerniswaardigen toestand ziende, nu bevredigd en van bloed verzadigd zou zijn, leidde Pilatus Hem naar buiten. Op zijn bevel moeten twee gerechtsdienaren, ieder van een kant het pui-peren kleed, waarmede de Zaligmaker omhangen was, oplichten, opdat het volk dat zoo misvormde en verscheurde lichaam des te beter konde zien. «Ziedaar de inensch,» zeide hij, als wilde hij zeggen: om u te voldoen heb ik Hem, ofschoon in mijn oog onschuldig, laten geeselen; ziet hoe zijn lichaam verscheurd en als vaneengereten is, hoe Hij tot zulke machteloosheid en uitputting gebracht is, dat Hem slechts weinig tijd te leven overblijft. Wilt nu niet verder op zijn doodvonnis aandringen, want van zijn koning-

-ocr page 370-

358

schap kan geen sprake meer zijn. «Toen dan de Opper-«priesters en de dienaren Hem (Jezus) zagen, schreeuwden «zij : Kruisig Hem, kruisig Hem» (1)! Welke zwarte ondankbaarheid ! den dood eischen van Dengene, die het land doorreisde al weldoende, en allen genezende, die door den duivel onderdrukt waren (2), die de honge-rigen spijsde, den zieken de gezondheid, den dooden het leven gaf. Geen afschuwelijker ondankbaarheid kan er worden uitgedacht, dan den Gever van alle goed zoeken te dooden. Dan helaas! deze bloeddorstige kreet: Kruisig Hem, kruisig Hem, die weleer van der Joden lippen vloeide, toen zij Jezus door de geescls verscheurd, aanschouwden, wordt vaak in onze dasen door ongeloo-vigen en zondaars herhaald. Tot hoevelen zou Jezus kunnen zeggen, hetgeen Hij weleer tot Saulus zeide: waarom vervolgt gij mij? Zulke ondankbaarheid zij verre van ons! Aanschouwen ook wij den ter liefde van ons zoo vreeselijk misvormden Jezus, maar met een gevoel van innige dankbaarheid. Openen wij de oogen des geloofs, en wij zullen in Dengene, dien Pilatus aan het volk vertoonde onzen Verlosser en Zaligmaker erkennen, die onze zonden in zijn lichaam heeft gedragen, die om onze ongerechtigheden door de geeselslagen als verbrijzeld wilde worden. Met den H. Bernardus zullen wij dan uitroepen: hoe meer misvormd, des te dierbaarder is mij mijn Jezus, des te vuriger zal ik Hem beminnen, zooals de dankbaarheid zulks van ons vergt. De hemelsche Vader wijst ons op dezen duren plicht, terwijl ook Hij uit den hemel óns toeroept: «Ziedaar «de mensch!» Aanschouw, o mensch, dien mensch; Hij is mijn eenige Zoon, dien ik zoozeer bemin als mij

(i) Joan. 19. 6. — (2) Act. 10. 38.

-ocr page 371-

359

zeiven. Hij is de Verlosser, dien ik u beloofd hel). Zie hoe Hij, de edelste, de onschuldigste, de schoonste onder de kinderen der menschen, met smaad en schande overladen, met wonden overdekt is. De liefde tot u heeft Hem tot dien ellendigen staat gebracht. Beschouw, bemin en dank Hem. Indien Zijn goddelijke eigenschappen ii niet treilen, dat dan minstens deze pijnen en versmaadheden, die Hij ter liefde van u verduurt, u aansporen tot wederliefde en oprechte dankbaarheid. Laat ons dart den Heer onzen God danken. Wat is billijker, wat rechtvaardiger, wat heilzamer dan dengene dankbaar te zijn, door wien wij het loven hebben eu overvloediglijk hebben, door wien ons alle genaden zijn geworden. Dank, eeuwigen dank zijn wij den Heer Jezus verschuldigd.

l»c iI.-miEil);inrliei)l.

Dat men dankbaar moet zijn voor ontvangen weldaden, behoeft niet te worden bewezen. Het is niet noodig hiertoe bewijzen aan te voeren, getrokken uit de H. Schrift, uit de boeken der HH. Vaders, of uit de rede; immers eenieder gevoelt het. 's Menschen hart is zoo geschapen, dat het aanstonds den plicht van dankbaarheid voelt opwellen voor genoten weldaden, en vaak zóó sterk, dat men ongaarne van zekere personen een geschenk aanneemt, omdat men zich genoodzaakt ziet het met een ander te vergelden. Men behoeft geen geloovige, geen geleerde te zijn, om dien plicht van dankbaarheid te gevoelen. Een barbaar, een heiden zijn hiervan bewust. Wij zien het in het leven van een heilig woestijnbewoner met. name Sabas. Deze had eenige Saracenen, door den honger gekweld.

-ocr page 372-

300

door zijn kleinen voorraad van kruiden voorzien. En wat gebeurde? Eenige dagen later brachten zij hem uit dankbaarheid' brood en kaas. Dit ziende, riep hij uit: Wee mij ongelukkige! voor een geringen dienst zijn die barbaren mij zoo dankbaar, en wat zijn wij dan Gode niet verschuldigd voorde weldaden zonder tal (1)? Men was, zoo lezen wij in de kerkelijke geschiedenis (2), op het punt, een jongeling van eene hoogte gevallen en dien men reeds dood waande, te begraven. Door het gebed van den H. martelaar Tiburtius werd hij eensklaps genezen en aan zijne heidensche ouders weergegeven , alsof er niets gebeurd ware. Erkentelijk voor die weldaad antwoordden dezen: voortaan zal onze zoon uw slaaf zijn, en met hem geven wij n al onze goederen, want hij is onze eenige zoon, dien gij tot het leven hebt terug geroepen; ook wij willen uwe slaven worden en verlangen het te zijn, indien gij ons hiertoe waardig moogt bevinden. Ziedaar hoe een barbaar, hoe een heiden den plicht van dankbaarheid begrepen. Zouden dan wij , Katholieken, die in het licht des ge-loofs de groote weldaden beschouwen, waarmede wij verrijkt zijn, onzen duren plicht van erkentelijkheid niet beseflen? Eenieder, zegt de II. Bonaventura (3), kan bij zichzelven nagaan, hoe verfoeilijk de ondankbaarheid is; want van anderen geen of weinig dank ontvangen voor een bewezen weldaad vindt men hatelijk. Nemen wij ons derhalve in acht voor datgene, wat wij in anderen verfoeien , en toonen wij ons steeds dankbaar voor genoten weldaden.

De graad van de verschuldigde dankbaarheid hangt af van den persoon, die de weldaad bewijst, van de

fl) Marin. Vies des PP. du désert. 1. 7. c. 19. —(2) Rohr-bacher. T. 7. 1. 36. — (3) De Profectu Religios. c. 53-

-ocr page 373-

361

weldaad zelve, die men ontvangt, en van den persoon, wien ze wordt gesclionken, Is iiij, die weldaden schenkt, een verheven en hooggeplaatst persoon, en tevens vol goedheid, zoodat hij ze met liefde bewijst; is daarenboven de bewezen weldaad van quot;roote waarde, hoogst nuttisr voor

o 'O O

dengene, die ze ontvangt, en veelvuldig in haar soort; wordt zij ten slotte aan een nietig en onwaardig mensch geschonken, dan begrijpt men, dat de dankbaarheid nimmer te groot, nimmer te vurig zijn kan. Dit alles nu heeft plaats betrekkelijk de weldaden in de bovennatuurlijke orde, waarvan hier alleen sprake is. Die verheven persoon, welke ons met weldaden verrijkt, is eindeloos in waardigheid, is God zelf. Ontvangt iemand een gedenkpenning uit de hand van een koning of keizer, dan stelt men doorgaans hierop grooten prijs, niet om de zaak zelve, maar om den persoon. En wat zijn alle koningen en vorsten der aarde vergeleken bij God ? Zij zijn alsof ze niet bestonden. Want zoo staat er geschreven, «de «gansche wereld is voor U als de beweging eener «weegschaal, en als een druppel morgendauw, die neer-«valt op de aarde» (1). Reikt de H. Vader in persoon iemand eene medaille toe, met welke erkentelijkheid wordt ze niet ontvangen ? Hoe innig moet dan onze dankbaarheid zijn, als God zelf ons een geschenk toereikt! Het zou reeds, zegt de H. Bonaventura, een groote gunst zijn, indien God zich gewaardigde aan ons te denken, laat staan ons met een geschenk te begiftigen. Dit nochtans heeft Hij gedaan, en wel met zulke liefde, dat gedurende de gansche eeuwigheid, het verstand van alle heiligen en Engelen des hemels te kort schiet om ze te kunnen begrijpen.

(i) Sap ii. 23.

-ocr page 374-

362

Vergeten wij liet toch niet! dat ons hart steeds kloppe van dankbaarheid bij deze gedachte: een God, een oneindig Wezen, Hij zelf heeft ons zoo innig lief, dat Hij ons met eene wcergalooze en matelooze liefde, liet kostbaarst geschenk aanbiedt, waartoe de almacht zelve in staat is! En deze alles overtreflende gave, is zijn eenige Zoon, in wien Hij zijn welbehagen schept, en dien Hij liefheeft als zich zelf «want zóó lief heeft «God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren Zoon «gegeven heeft» (1). Op dezen zijnen Zoon wijst Hij ons. zeggende; «ziedaar de mensch.» Hij, dien gij daar ziet, met doornen gekroond, met een stuk van een purperen mantel omhangen, als de laagsle der menschep, het uitvaagsel der wereld bespot en verguisd, Hij is mijn eenige Zoon, dien ik u geschonken heb, u is Hij gegeven; zijn lijden, zijne smarten, zijne wonden, zijn bloed behooren u, en met Hem heb ik u alles gegeven. O, welken dank zijn wij Gode niet verschuldigd! welk recht heeft Hij niet op onze erkentelijkheid! «Hij, «die zelfs zijn eigen Zoon niet heeft gespaard, maar « Hem voor ons allen heeft overgeleverd» (2). Kan ons met dien Zoon eenige genade ontbreken? «Hoe» roept de H. Pauius uit, «heeft Hij ons ook niet alles met «Hem geschonken?» Is het dan niet voor ons een dure plicht met dienzelfden Apostel, God, den Vader van Jezus Christus, onzen innigen dank te betuigen, en met hern te zeggen: « Gezegend zij God en de Vader van « onzen Heer Jezus Christus, die ons met allen geestelijken «zegen in den hemel gezegend heeft in Christus» (3).' Immers, welke genaden zijn ons door Christus niet geschonken? Door zijn lijden heeft Jezus ons van een

(i) Joan. 3. 16. — (2) Rom 8. 32. — (3) Ephes I. 3.

-ocr page 375-

363

eeuwig lijden gered. Hij heeft onze zonden gedragen in zijn lichaam, «Hij zelf is de verzoening voor onze zengden» (1), zonder Hem waren wij ongelukkig in eeuwigheid. Veronderstel eens: iemand had ons ten koste van zijn leven voor een gewissen dood behoed, en wij waren in het bezit van zijn portret; zouden wij dan niet dikwijls onze oogen er op vestigen, het drukken aan ons hart, het besproeien met warme tranen van dankbaarheid, en zuchtende uitroepen: O mijn redder, ten koste van im leven hebt gij mijn leven gered, ach, kon ik het n vergelden. Doch wat is het leven des li-chaams vergeleken bij dat dor ziel? Wat een mensch vergeleken bij God? Onze ziel is gered, onze ziel leeft, omdat een God voor haar zijn leven ten beste heeft gegeven. Zeggen wij dan ook dikwijls tot ons zeiven, onze oogen op een Ecce homo, of een kruisbeeld gevestigd: ziedaar mijne ziel, ziedaar uw Verlosser; bemin Hem, en zend de teederste dankbetuiging ten hemel, waar Hij aan de rechterhand des Vaders is gezeten.

Dan, wij zijn niet slechts verlost door den Zoon Gods, dien de Vader aan de wereld geschonken heeft; die Zoon heeft ons daarenboven van den Vader, den H. Geest gezonden (2), die ons gerechtvaardigd , geheiligd en tot kinderen Gods gemaakt heeft, «want de Geest zelf be-«tuigt aan onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn» (3). Door Christus alzoo, den Zoon Gods, zijn wij kinderen Gods geworden. De Vader, zegt de H. Paulus (4) «heeft «ons voorbeschikt ter aanneming tot kinderen door Je-«zus Christus» door de verdiensten van den Godmensch Jezus Christus. God, zegt de H. Augustinus (5), zond

(l) I. Joan. 2. 2. — (2) Joan. IS. 26.—(3) Rom. 8. 16. — (4) Ephes. I. 5. — (5) In Joan. II. 2.

-ocr page 376-

364

zijn eenigen Zoon, opdat Hij niet alléén zou zijn, maar aangenomen broeders hebben zou. Zijn wij dan door Christus kinderen Gods geworden, dan is Hij onze broeder, en wij zijn zijne erfgenamen, indien wij nochtans mede lijden, opdat wij ook mede verheerlijkt worden (1). Wie zou dan zoo ondankbaar zijn, met Jezus onzen broeder niet te willen lijden, om met Hem te worden verheerlijkt, wat Hij toch zoo vurig van ons verlangt? Indien een rijk, een machtig heer, die een eenigen zoon heeft, eon ellendig slaaf tot zijn kind zou aannemen, en hem zeggen: Ik neem u aan tot mijn zoon; gij zult mijn erfgenaam zijn en met mijn zoon medeërven, mits gij met hem den arbeid deelt? Wat zou die slaaf dankbaar en vlijtig zijn! met liefde zou hij den zoon bijstaan en met hem het lijden verduren! Zouden wij dan, aangenomen kinderen Gods, zoo ondankbaar zijn met den Zoon Gods niet te willen lijden, opdat een God ons erfdeel zij in eeuwigheid ?

Tot onderpand van dit goddelijk erfdeel heeft Christus ons zijn lichaam tot spijs, zijn bloed tot drank gegeven, want, sprekende van de instelling van het H. Sacrament zeide Hij: «Wie dit brood eet, zal in «eeuwigheid leven» (2). O wonder van Gods liefdel Vóór ruim 1800 jaren daalde de eenige Zoon Gods uit den hemel in den vlekkeloozen schoot van Maria, op hetzelfde oogenblik toen zij deze woorden sprak: «zie «de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw «woord.» En op do woorden van een Priester daalt diezelfde Zoon Gods uit den hemel om in zijne handen en dan in zijn hart te komen rusten. Op de innigste

(l) Rom. 8. 17. — (2) Joan. 6. 59.

-ocr page 377-

305

wijze wil Hij zich in de H. Communie met zijne broeders en zusters vereenigen, zoodat zij in hun lichaam hetzelfde goddelijk lichaam van Jezus hun broeder dragen, dat weleer Maria zijne Moeder gedragen heeft; waarom de H. Cyrillus van Jeruzalem (1) hen dan ook noemt Christusdragende personen, met wie Christus alsdan volgens den H. Cyrillus van Alexandrië ('2) zoo nauw vereenigd is als twee stukken was, die men in elkander smelt. O, is üods liefde onuitputtelijk, dan is zij toch, na zich zeiven aan den dood overgeleverd en vervolgens aan ons in de H. Communie geschonken te hebben, als het ware uitgeput, zoodat Hij met recht kan zeggen: wat had ik meer kunnen doen dan ik gedaan heb? En aan wie heeft de goede God zulke onschatbare weldaden bewezen? Aan nietige aardwormen, aan ellendige schepselen, die niet alleen zulke gunsten niet verdienen, maar zelfs onwaardig zijn het geringste blijk van liefde te ontvangen. Na zulke weldaden, aan zulke schepselen, moeten wij met David uitroepen: «Wat «zal ik den Heer vergelden voor al de weldaden, die «Hij mij bewezen heeft?» (3)

Dankbaarheid zijn wij Gode verschuldigd, zooals ons hart getuigt , en de H. Paulus ons met deze woorden beveelt: «Weest dankbaar» (4). Ook ons geestelijk en eeuwig welzijn vordert het, «want» zegt de H. Geest «de hoop des ondankbaren, zal als winterrijm versmel-«ten, en als onnuttig water vervlieten» (5). Een geleerd uitlegger (0) der H. Schrift zegt bij deze woorden : «wij moeten God danken voor de omvangen weldaden; «en hij, die het niet doet, sluit voor zich de bron der

(i) Catcch. mystagog. 4. — (:) L. 4. in Joan. c. 17. — (3) Ps, 115. 3. — (4. Coloss. 3. 15. — (S) Sap. 16. 29, — (ö) Menochius in Sap. 16.

-ocr page 378-

366

«der genaden, die hij vruchteloos hoopt te bekomen,» Rust op allen de dure plicht der dankbaarheid, vooral toch op ons. Katholieken, die, door den H. Doop in het geheimzinnig lichaam van Christus ingelijfd, met vreugde putten uit de bronnen des Zaligmakers,quot; en onder dezen op de eerste plaats zij, die tot den kloosterlijken staat geroepen zijn, want, zegt de H. Maria Magdalena van Pazzi (1), «na het H. Doopsel is de roeping tot het religieus leven de grootste genade, die God aan eene ziel bewijzen kan.»

Maar hoe zullen wij God, op eene Hem waardige wijze, onze innige dankbaarheid vergelden ? Tobias bood zijnen gids de helft aan van hetgeen hij door hem verkregen had, doch de Engel verlangde niets. Wij hebben alles van God ontvangen; zullen wij Flem dan ook de helft van alles aanbieden? Hiermede is God niet tevreden, Hij vraagt en aanvaardt alles. En maken zij zich schuldig aan eene zwarte ondankbaarheid, die van de weldaden Gods een schandelijk misbruik maken om hun weldoener te beleedigen, zij, die zich van de tijdelijke en lichamelijke goederen bedienen om den Gever van alle goed te verheerlijken, doen niet meer dan hunnen plicht. De dankbaarheid vergt het, en God is zoo goed en milddadig, dat Hij het den mensch in ruime mate zal vergelden, als deze de goederen Gods aan God zeiven aanbiedt, dat is, tot Gods verheerlijking aanwendt. Maar God heeft ons met de stoffelijke en lichamelijke goederen ook een hart gegeven, in staat Hem lief te hebben, en dit.hart, dat is, onze liefde vraagt Hij van ons «Schenk mij, mijn zoon, uw hart» (2). En wie zou Hem dit hart durven weigeren? De ondankbare

C

(i) Vrg. H. Alph. T. lo. p. 28. —- (2) Prov. 23. 26.

-ocr page 379-

367

alléén is hiertoe in staat. Dan, eene werkelooze liefde is geen ware liefde; werkdadig moet ze zijn, en daarom laat God op die zooevcn aangehaalde woorden volgen «en laat uwe oogen letten op mijne wegen» dat is, houd bestendig de plichten, die ik u voorschrijf, voor oogen. Waarom anders dan om ze te vervullen? Christus heeft gezegd; «Die mijne geboden heeft, en ze «bewaart, die is het, die mij liefheeft» (I). Heeft onze liefde deze eigenschap, dan ook hebben wij ons van onzen plicht van dankbaarheid gekweten. Want met een dankbaar hart indachtig hetgeen Jezus voor ons geleden en hoe hij ons bevrijd heeft uit de slavernij des duivels, zullen wij met vreugde zijn juk op onze schouders nemen, wandelen als kinderen Gods, onzer roeping waardig, waartoe wij geroepen zijn. Wij zullen niets vuriger verlangen dan ons dikwijls met dien liefdevollen Jezus door de H. Communie te vereenigen, totdat wij, rnedeerfgenamen van Jezus en erfgenamen van God, God ons erfdeel, bezitten mogen in eeuwigheid , en in de eeuwen der eeuwen doen hetgeen wij thans gestadig moeten doen op aarde: God danken en beminnen.

GEBED.

O God, wend uw aanschijn niet van mij af; verwerp mij niet van uw aangezicht, zooals ik, ondankbare, het verdiende. Groot en menigvuldig is de ondankbaarheid, waarmede ik U vergolden heb. Met bijzondere weldaden hebt Gij mij verrijkt, en op eene bijzondere wijze ben ik U mijnen dank verschuldigd. Maar helaas! is er wel iemand zoo ondankbaar als ik? Zeker is het,

(l) Joan. 14. 21.

-ocr page 380-

308

dat ik, ondankbaar schepsel, geene genade meer verdien, ik heb mij alles onwaardig gemaakt. Maar, o God, werp uwe blikken op het aangezicht van uwen Zoon. Ziedaar de mensch, ziedaar uw Zoon; zie hoe Hij lijdt, en onder de foltering dier doornenkroning diepe zuchten slaakt. Ter liefde van dien zoo lijdenden Jezus, vergeef mij mijne ondankbaarheid. Ik wil mijn leven beteren, en ik zoo ondankbaar als ik tot dusverre ge-

' O

weest ben, zoo erkentelijk wil ik zijn in het vervolg. Maar hoe zal ik U mijne dankbaarheid toonen? Wat kan ik ü wedergeven voor ai hetgeen Gij mij gegeven hebt? Slechts eene zaak, en hiermede stelt Gij U tevreden. Gij vraagt mijn hart, en hoe zou ik het U kunnen weigeren? Aanvaard dan dit zondig hart, ik schenk het U geheel en al, zonder eenig voorbehoud. De aarde moge openscheuren en mij verzwelgen voor dat het ophoude te kloppen van liefde tot U. Zoo ik U mijn goddelijken weldoener vergete, dan worde veeleer mijne rechterhand vergeten; mijne tong kleve aan mijn verhemelte, liever dan dat ik Uwer niet zou gedenken. O God, geef mij een dankbaar hart, ik vraag het U door het bitter lijden van uwen Zoon, onzen Heer Jezus Christus. Maria, indien gij u gewaardigt, uwen goddelijken Zoon mijn hart aan te bieden, dan kan Hij niet weigeren het aan te nemen, en het zal Gode voor immer toebehooren. Mijne Moedor, schenk mij deze genade.

-ocr page 381-

309

HOOFDSTUK XVII.

Cum ergo vidissent eum Pontifices et ministri, clarnabant dicentes: Crucifige, crucifige eum. Joan. XIX. 6.

Toen dan de Opperpriesters en de dienaren Hem zagen, schreeuwden zij : Kruisig, kruisig Hem !

Telkens als Pilatus een middel verzon om Christus uit de handen der Joden te bevrijden, zag hij zich teleurgesteld, en elke poging had voor Jezus hevigere foltering en dieper vernedering ten gevolge. Pilatus zelf droeg hiervan de schuld ; immers hij had het als landvoogd, in zijne macht Jezus los te laten. Doch, volgens den H. Augustinus v'l) was hij minder plichtig dan de Joden , die niet ophielden den dood van Jezus te eischen. Als een zwaard hadden zij hunne tongen gescherpt, om Jezus te dooden , toen zij als razenden uitriepen: Kruisig, kruisig Hem! Waren het de Opperpriesters, die het volk opstookten, zooals de H. Marcus ons verhaalt (2), om loslating van Barrabbas te eischen, zij ook waren de eersten, die schreeuwden dat Christus, zou worden gekruisigd. Uit het verhaal der Evangelisten blijkt, dat de Opperpriesters, do schriftgeleerden en de leden van den hoogen Raad altijd op den voorgrond treden, aan de spits dier woedende menigte staan, en liet volk tegen Jezus ophitsen. Het gewone volk bewonderde Jezus, volgde Hem soms dagen lang, en hing aan zijne goddelijke lippen , als Hij sprak. Dit konden de Opperpriesters, de Pharizeërs en de leden van den Raad niet langer verdragen. «Als wij Hem zoo laten begaan, zeiden zij , zullen «allen in Hem gelooven» (3), en in den Raad werd

(l) In Psalm. 63. — (2) Mare. 15. 11. — (3) Joan. II. 48. Lijden v. Christus. 24

-ocr page 382-

370

beslist, Jezus te dooden, en tevens beraadslaagd over de wijze, waarop zij hun moordbesluit het best zouden kunnen ten uitvoer brengen. Van de Opperpriesters en de Pharizeërs ging nu het bevel uit, dat, zoo iemand wist waar Jezus was, hij daarvan kennis zoude geven, om Hem gevangen te nemen (1). Het volk echter hield Jezus voor een Profeet, en toen Hij, korten tijd na Lazarus van den dood te hebben opgewekt, Jeruzalem binnentrad, snelde Hem eene groote schare te gemoet. Toen nu die snoode leden van den Raad zagen, hoe die volksscharen Jezus als Israels Koning huldigden, zeiden zij tot elkander: «Merkt gij «wel, dat wij niets vorderen.' Zie, de heele wereld is «Hem nageloopen» (2); met al onze maatregelen om het volk van den Nazarener af te houden, komen wij geen stap vooruit. Zie eens wat een volksdrom daar bij Hem is; zij storen zich niet aan ons bevel. Zoo spoedig mogelijk moet Hij van kant gemaakt worden. Met vreugde namen dan ook de Opperpriesters het aanbod aan van Judas den Iskariother, Jezus in hunne handen te zullen overleveren. En toen het oogenblik daar was, waarop Judas Jezus zou gaan overleveren, waren het weder de leden van den Raad, die den verrader door eene krijgsbende deden vergezellen. Uit dit alles zien wij, dat de Opperpriesters, de schriftgeleerden en Pharizeërs, juist degenen, die het volk moesten stichten, het tegen Jezus opruiden. Niet tevreden Jezus gegeeseld, met doornen gekroond en schier tot het uiterste gebracht te zien, schreeuwden zij, immer dorstend naar zijn bloed, als razende honden: kruisig, kruisig Hem. Door omkooping, bedreigingen en valsche aanklachten hadden zij het

(l) Joan. II. 56. — (2) Joan. 12. 19.

-ocr page 383-

371

eindelijk zoo ver gebracht, dat liet volk met hen instemde, Jezus als een bedrieger beschouwde, en met hen luide schreeuwde: Kruisig, kruisig Hem.

Vreeselijke verantwoording, waarmede die snoode leden van den Raad hun geweten bezwaarden! In plaats van door hun voorbeeld het volk tot Jezus te brengen,

O '

Hem te huldigen als den Messias en te aanbidden als hun God, waren zij der menigte een steen des aanstoots. Zij sleepten hen met zich in het verderf, sloten hun de oogen voor het licht der wereld, en maakten hen naar ziel en lichaam diep ongelukkig. Hoevelen zijn er nog in onze dagen, die door hun ergerlijk gedrag de oorzaak zijn van eene menigte zonden! Zij •denken niet aan het vreeselijk woord van Jezus: «Wee «den rnensch door wien de ergernis komt» (t ). Dat het slecht voorbeeld een verderfelijker! invloed uitoefent op het zwakke hart van vele kinderen Adams, lijdt geen twijfel, wie onzer heeft het niet ondervonden ? Maar het goed voorbeeld, waarvan men getuige is, houdt ook velen staande op den weg der deugd, en moedigt hen aan, hunne schreden op den eenmaal ingeslagen weg te verhaasten. Moge deze gedachte ons aansporen, om in alles en aan allen steeds een stichtend voorbeeld te geven.

Cioeil voorbeeld.

De H. Geest wijst ons in de H. Schrift op verscheidene voorbeelden van deugd door heilige en godvreezende personen ons achtergelaten, opdat zij ons tot toonbeeld zouden strekken van een godsdienstigen levenswandel. Welk schoon voorbeeld van kuischheid vinden wij niet

(i) Matth. 18. 7.

-ocr page 384-

37'2

in Jozef, toen de vrouw van Putipliar hem van flion schat berooven wilde; van de huwelijkstrouw in Su-zanna, wanneer snoode grijsaards hare zuiverheid belaagden; van geduld in den man Job, als hij van zijne tijdelijke bezittingen beroofd, met zweren overdekt op eenen misthoop was gezeten! Doorbladeren wij verder de H. Schriftuur, dan vinden wij voorbeelden opge-teekend van de verhevenste deugden. Door zulke voorbeelden gevoelen wij ons opgewekt de voetstappen dier dienaren en dienaressen Gods te drukken. Evenzoo is het gelegen, als wij de levens der heiligen lezen. Deze waren menschen gelijk wij, zwakke kinderen Adams gelijk wij; zij leefden in eene bedorven wereld gelijk wij, hadden heviger te strijden dan wij, met meer moeilijkheden en wederwaardigheden te kampen dan wij, en ondanks dat alles zijn zij heilig geworden, doch niet zonder zich een heilig geweld te hebben aangedaan. Als wij nu zulke voorbeelden van geduld, van edelmoedigheid en zelfopoflering voor oogen hebben, dan verwijten wij ons zeiven onze kleinmoedigheid, onverstorvenheid en geestelijke traagheid, terwijl eene inwendige stem ons toeroept: waarom zoudt gij met Gods genade niet kunnen doen hetgeen zij gedaan hebben? Ontbreekt ons hiertoe de moed, dan toch zouden wij vuriger bidden en ons meer kunnen versterven , daar zij zoo vurig gebeden en zich zoo edelmoedig verstorven hebben. Het lezen van het leven eener heilige met name Maria van Egypte, van eene diepgevallen zondares later eene heilige geworden, maakte op een gehuwd man, Joannes Capistranus genaamd, zulken diepen indruk, dat hij van datzelfde oogenblik af geheel en al van leven veranderde: van driftig en opvliegend werd hij geduldig

-ocr page 385-

373

en zachtmoedig als een lam. Hij wijdde zich den dienst des Hceren, werd na het overlijden zijner vrouw, Priester, Missionaris en een groot heilige. Met recht zegt dan ook de H. Nilus (1): «Onze ziel voedt zich «door de lezing van godsdienstige onderrichtingen, wekt «zich op en moedigt zich aan tot het beoefenen der «deugd, door het voorbeeld der heiligen, die ons zijn «voorgegaan, tot een heiligen naijver, en hun voorbeeld «dient ons tot richtsnoer van een godsdienstig leven.» Men behoeft soms slechts te hooren spreken van iemands deugd, om zich aangetrokken te gevoelen hem of haar na te volgen. Dit ondervond weleer de H. Au-gustinus. Als hij Simplicius hoorde spreken van de deugden van Victorinus, gevoelde hij zich ontvlamd van verlangen hem na te volgen. De H. Athanasius zegt, dat het verhaal alleen der deugden van den H. Abt Antonius tallooze bekeeringen ten gevolge had (2). Indien alzoo het lezen of hooren lezen van stichtende voorbeelden, de gemoederen tot godsvrucht stemt, welken zaligen indruk brengen dan dezulken niet te weeg, waarvan men getuige is!

De standvastigheid en lijdzaamheid der martelaren in het midden der vreeselijkste folteringen, maakten op de gemoederen der heidenen soms zulken zaligen indruk, dat zij de goden afzwoeren en zich Christen verklaarden. Eenige belijders, om het geloof verbannen, stemden door hun stichtend voorbeeld de harten der heidenen, in wier midden zij zich bevonden, zoodanig ten goede, dat deze hunne oogen openden voor de waarheid en voortaan in Christus geloofden. Een heidensch

(i) Marin. Vie des PP. du désert. T. 4. 1. 6. chap. 5. — (2) Veuillot. Vie des PP. T. I. p. 63.

-ocr page 386-

374

volk nabij de Zwarte Zee, Iberieërs genaamd, hadden op hunne strooptochten eene arme jonge dochter als slavin meegevoerd. Haar zedig en stichtend leven maakte zulken goeden indruk op de harten dier barbaarsche volken, dat zij van leven veranderden. Niemand begreep beter de heilzame uitwerking van het goed voorbeeld dan Christus zelf, en daarom vermaande Hij zijne leerlingen door hunne godsdienstige werken de volken te stichten. «Zóó schijne uw licht,» zeide Hij, «voor de «menschen, opdat zij uwe goede werken zien, en uwen «Vader, die in den hemel is, verheerlijken» (1). Do Heer Jezus verlangt alzoo, zegt de H. Alphonsus (2), dat anderen getuigen zijn van onze werken, opdat zij aangemoedigd worden die na te volgen en God te verheerlijken. Niet u komt hiervan de eer toe, maar Hem, door wien ze verricht, en zonder wien gij niets kunt doen. Ook de Apostel Paulus begreep, hoe noodzakelijk het goed voorbeeld is om anderen te bekeeren, en schreef daarom aan zijn leerling Timotheus; «Wees «een voorbeeld voor de geloovigen, in woord, in wan-«del, in geloof, in kuischheid» (3). Hiertoe vermaande hij eveneens zijn leerling Titus met deze woorden: «Betoon u zeiven in alles een voorbeeld van goede «werken» (4). De H. Paulus mocht met alle recht zóó schrijven; immers hij zelf strekte allen tot zulk voorbeeld , dat hij zeggen kon: «Weest mijne navolgers, «gelijk ik het ben van Christus» (5). Gave de goede God, dat allen, die in overheid geplaatst zijn, zoo konden spreken, weldra zouden zij over het gedrag hunner onderdanen niet meer behoeven te klagen.

(l) Matth. 5. 16. — (2) T. II. p. 100. — (3) I. Timoth. 4. 12. — (4) Tit. 2. 7, — (5) I. Corinth. 11. 1.

-ocr page 387-

375

Het spreekwoord: «woorden wekken, voorbeelden quot; «trekken,» blijft altijd waar, zóó waar, dat de H. Joannes Chrysostomus niet aarzelt te zeggen : « De wer-« ken ran deugd overtuigen beter dan wonderen» (1). De H. Vincentius van Paulo, hiervan (en volle overtuigd, placht te zeggen: «Hetgeen het oog ziet, treft «ons veel meer dan hetgeen het oor hoort, en wij «gelooven veeleer aan een goed werk, dat wij zien «verrichten, dan aan hetgeen wij hooren verkondigen. «Ofschoon het geloof is uit de prediking, maken toch «de deugden, die wij zien beoefenen, meer indruk op «ons, dan die, welke men ons leert. Indien gij inge-«togen met God bezig zijt, zult gij reeds door uwe «tegenwoordigheid alléén de harten treflen, zonder een «woord te spreken» (2). Dit zien wij reeds bevestigd in het leven van den H. Abt Antonius. De Arianen, die. de Godheid van Christus loochenden, waren ten zijnen tijde wreede vervolgers der Kerk, vooral in Egypte. Xu verliet die heilige man, uitgemergeld dooi' boetvaardigheid de dorre woestijn, en begaf zich naar Alexandria. Dat boetekleed waarin hij gehuld was, dat eerbiedwaardig voorkomen, dat streng en boetvaardig leven, in één woord, zijn geheele persoon, maakte zulken zaligen indruk op de ingezetenen dier stad, dat, zooals de

H. Athanasius, bisschop dier stad, getuigt, in dien korten tijd er zich meer bekeerden dan anders in een gansch jaar (3). De H. Joannes Chrysostomus zeide in een zijner preeken, dat er weldra geen heidenen meer zouden zijn, indien alle Christenen leefden, zooals het betaamt. En het lijdt geen twijfel of ook in onze dagen

(l) Paneg. S. Babylon, mart. — (2) Abelly. Vie du Saint

I. I. chap. 26. — (3) Vrg. Veuillot. t. a. p. T. 1. p. 47.

-ocr page 388-

076

zouden vele afgedwaalden van het geloof zich bekeeren, indien alle katholieken zich gedroegen gelijk het behoort. Ook vele katholieken zouden niet zoover van hun God verwijderd leven, ware het dat zij meer stichtende voorbeelden voor oogen hadden. Het slecht voorbeeld van weinigen brengt velen tot val, daar 's men-schen hart altijd ten kwade geneigd is, en een kind van Adam eer een zinnelijk dan oen deugdzaam leven volgen zal. Doch het goed voorbeeld van velen zal in evenredigheid weinigen tot de deugd aanzetten, daar tot het beoefenen hiervan altijd inspanning geëischt wordt. Hieruit volgt, dat men zeer omzichtig moet zijn om niemand te ontstichten, want niets is zoo in strijd met de liefde den naaste verschuldigd dan het slecht voorbeeld, dewijl een deugdzame levenswandel een der voornaamste middelen is om zich van den plicht der naastenliefde behoorlijk te kwijten. En zouden velen het goed voorbeeld niet volgen , dan hebben wij toch van onzen kant ons van onze verplichting gekweten. Maar wij behoeven niet te weten, wat goed men sticht tengevolge van een voorbeeldig gedrag. De goede God houdt het vaak voor ons verborgen, om door een ijdel zelfbehagen de verdiensten niette verliezen; doch altijd blijft waar hetgeen de H. Gregorius zegt: «Als een «zondig mensch een rechtvaardige ziet, dan beschuldigt «en veroordeelt hij zich zeiven» (1). «Zij,» zegt hij elders, «die het voorbeeld geven van goede werken, verft spreiden een geur, die de zieken geneest» ('2). Het goed voorbeeld van één. is, volgens den 11. Ambrosius (3), soms voldoende om velen tot inkeer te brengen.

(O Moral L. 29. c. 9. — (2) Sup. cant. c. 7. — (3) Lil). 5. sup. Lucam.

-ocr page 389-

377

Velen zijn niet in staat Gods woord te verkondigen, en missen daarvoor ook de noodige bevoegdheid. De H. Maria Magdalena van Pazzis, blakende van ijver voor het heil der zielen, verlangde zulks wel vurig, maar moest zich bij dien vromen wensch bepalen. Eenieder nochtans kan en moet preeken op de wijze van den H. Franciscus van Assisië. Op zekeren dag beval hij een broeder hem te vergezellen om te preeken. Na een kleine wandeling keerde hij weder huiswaarts. Die bloeder zeide hem nu: «Ik meende dat gij moest «preeken; «Welnu,» was het antwoord, «wij hebben «reeds gepreekt door ons voorbeeld.» Zulke preeken maken altijd meer indruk, volgens het aloude spreekwoord: «Woorden wekken, voorbeelden trekken. «Helderder,» zegt de H. Laurentius Justinianus, «klinkt de stem van «het voorbeeld, dan die des woords» (1). Een preek is men helaas! vaak ras vergeten, maar een stichtend voorbeeld, dat men steeds onder de oogen heeft, is eene aanhoudende, op eene zachte wijze verkondigde, en dieptreffende preek, die zelfs na den dood een heilza-men indruk achterlaat op allen, die het geluk hadden zulke preek te hebben bijgewoond. Vooral als het ouders, oversten, meesters en meesteressen geldt, die op zulke wijze hunnen kinderen en onderdanen Gods woord verkondigd hebben. Is het voor eenieder plicht zijnen naaste door een goed voorbeeld te stichten, dengenen, die in overheid geplaatst zijn, wordt het een dure plicht, hunne woorden en verordeningen door hun voorbeeld kracht bij te zetten. Bevelen is gemakkelijk, doen moeilijk. Doch indien een overste als regel aanneemt niets te gebieden dan hetgeen hij zelf eerst in praktijk ge-

(i) Lib. de conflict.

-ocr page 390-

378

bracht heeft, dan wordt het geven van zulke bevelen moeilijk, doch het gehoorzamen valt in zulk geval minder zwaar. Want, zegt de H. Gregorius (1), een onderdaan wordt dooi' het voorbeeld van zijn overste geholpen, om datgene te doen wat hem bevolen is. Iedereen, die in overheid geplaatst is, moest tot zijne onderdanen kunnen zeggen, hetgeen do Apostel Paulus aan die van Corinthe schreef: «VVeest mijne navolgers, gelijk ik «het ben van Christus» (2).

Laat ons dan het goed betrachten, niet alleen voor God, maar ook voor alle menschen zonder onderscheid, opdat zij, in wrer midden wij leven, als zoovele getuigen van onzen geestelijken vooruitgang. God onzen Vader, die in de hemelen is, mogen verheerlijken op aarde. Gezegend zij door God, zoo roept de H. Euse-bius (3) uit, die ziel wier voorbeeld van nederigheid eene hoovaardige ziel beschaamt; wier geduld de gramschap des naasten stilt; wier gehoorzaamheid de traagheid van een ander heimelijk berispt; wier ijver den lauwen tot spoorslag dient om don zoo gevaarvollen staat der lauwheid te verlaten! Zouden wij echter door onze ontstichting weleer den val van eenigen berokkend hebben, dan is er geen beter middel om het verleden te herstellen, dan door een stichtend voorbeeld de opstanding van velen te bewerken. Is echter onze levenswandel steeds godsdienstig geweest, zoodat hij onzen naaste tot voorbeeld strekte, dan staat ons voorzeker een overgroot loon te wachten, dengene weggelegd, die door zijn goed voorbeeld God verheerlijkt en zoo krachtdadig aan het heil der zielen gewerkt zal hebben.

(l) II. Past. 1. 3. —(2) I. ad Corinth. 4. 16. —(3) S. Eus. Emdos. hom. 7. ad monach.

-ocr page 391-

379

GEBED.

O mijn dierbare Verlosser, voor de zaligheid der zielen hebt Gij onbeschrijfelijk veel geleden en uw goddelijk bloed ten beste gegeven. In plaats van volgens mijn zwak vermogen mede te werken aan het heil dor onsterfelijke zielen, ben ik door mijne ontstichting voor velen een steen des aanstoots geweest. Het doet mij van harte leed mijnen naaste onder vele opzichten een slecht voorbeeld te hebben gegeven en oorzaak geweest te zijn, dat anderen U beleedigden. Kon ik het verledene herstellen! maar, helaas! het kwaad is geschied, en daarom bid en smeek ik U om vergeving. Wat ik echter door uwe genade vermag, wil ik doen. Bevreesd om in het oordeel rekenschap te geven voor mijne persoonlijke zonden, reeds zoo menigvuldig, heb ik vast besloten mij door mijne ontstichting niet meer plichtig te maken aan die van anderen. Geef mij de genade om voortaan door mijne gehoorzaamheid, zachtmoedigheid, zedigheid, in één woord, door liet beoefenen der deugden steeds te stichten. Ik vraag voel; maar uw ter liefde van mij vergoten bloed is mijne hoop. O Maria, Moeder van Jezus en mijne Moeder, bid voor mij en help mij!

-ocr page 392-

380

HOOFDSTUK XVIII.

Non habemus rcgem nisi cjesarem ! Tune ergo tradidit eis illuin ut erueiflgeretur. Joan e. XIX. v. 13 1(5.

WjJ hebben geenen koning 'Jan den keizer! Dan gaf hij Hem hun om gekruisigd te worden.

In plaats van medelijden te hebben, mot den voor ben staanden misbandelden en met doornen gekroonden Jezus, riepen de Opperpriesters en dienaars onmededoo-gend uit: «kruisig, kruisig liem.» Pilatus, verbitterd om zijne mislukte pogingen tot redding van Jezus, voegde hun met .bespotting toe: «Neemt gij Hem en kruisigt «Hom, want ik, ik vind in Hem geene schuld.» Het recht van leven en dood was den Joden door de Romeinen ontnomen, en in geen geval mocht Pilatus hun de alge-meene vrijheid geven om de doodstraf' aan een misdadiger te voltrekken. De leden van den hoogen Raad, bevreesd, dat Pilatus eindelijk Jezus nog zou vrijspreken, klaagden dezen nu aan, als een, die God gelasterd had, door zich tot Zoon van God te maken; en volgens hunne wet was een godslasteraar des doods schuldig. Tegen hunne verwachting in, was Pilatus na zulke beschuldiging nog meer bevreesd, Jezus tc veroordeelen, vermoedende in zijn heidensch bijgeloof, dat Jezus wellicht de zoon was van een of andoren God, wiens toorn hij in dat geval op zich zoude laden. Om nu te weten wat hij van dat goddelijk zoonschap te denken had, ondervroeg Pilatus Jezus zelven, aangaande zijne afkomst. Doch een antwoord werd hem niet gegeven, omdat, zooals de H. Joannes Chrysostornus bemerkt (1),

(i) Hom. 83.

-ocr page 393-

381

Christus het hem vroeger reeds verklaard had door deze woorden: «Mijn rijk is niet van deze wereld» of wel omdat .lezus wist, wat Hij hem van zijne goddelijke afkomst ook zeggen mocht, Hij toch niet geloofd zou worden, en op Pilatus' handelwijze geen invloed zou hebben. Verwonderd, beschaamd, en teleurgesteld over het stilzwijgen van Jezus, wilde Pilatus altijd nog bevreesd, Jezus mocht eens de zoon van een God zijn, Hem tot spreken dwingen, door Hem te doen gevoelen, dat zijn leven van hem afhing. Daarom voegde hij Hem toe: «Spreekt Gij niet tot mij? weet gij niet, dat ik macht «heb om U te kruisigen, en macht heb om U los te lasten.'» O onrechtvaardige rechter! waarom maakt gij dan geen gebruik van de u verleende macht om Jezus, wiens onschuld gij zoo herhaalde malen verklaard hebt, vrij te spreken? De vrees den Joden te mishagen weerhield hem zijn plicht als een rechtvaardig rechter te vervullen. Wel deed hij nog eene laatste poging om Jezus los te laten, die hem verklaart had, dat alle macht van boven komt. Hij gaf dan meer rechtstreeks aan het vergaderde volk te kennen, dat hij voornemens was Jezus los te laten. Maar de Joden riepen, zeggende: «zoo gij «Dezen loslaat, zijt gij geen vriend des keizers; want al «wie zich tot Koning maakt, verklaart zich tegen den Kei-«zer» (1). Door deze woorden gaven zij Pilatus ook zijdelings te verstaan, dat zij hem bij den reeds zoo arg-wanigen keizer Tiberius zouden aanklagen, in geval hij Jezus zou durven loslaten. Deze bedreiging had bij den zoo vreesachtigen rechter, het, door hen zoolang verwachte uitwerksel. Gezeten op zijn rechterstoel, riop hij hun als wanhopende Jezus uit hunne handen te

(i) Joan. 19 12.

-ocr page 394-

382

redden, spottenderwijze toe: «ziedaar uwen koning!» maar zij riepen: weg, weg met Hem! kruisig Heml «Pilatus zeide tot hen : zal ik uwen Koning kruisigen? «De Opperpriesters antwoordden: wij hebben geenen «koning dan den keizer! Toen dan gaf hij Hem hun over, «om gekruisigd te worden.»

Welk onrechtvaardig vonnis! de rechter erkent voor het gansche volk de onschuld van Jezus, en toch veroordeelt hij Hom ter dood. De vrees, den Joden te misnoegen, was de oorzaak, waarom hij Hem niet, ondanks de knagende stem zijns gewetens, had losgelaten. Misschien zou ten slotte nog het geweten over die vrees hebben gezegevierd, maar nu de vreeze er bij kwam, in ongenade van den keizer te vallen, vreesde hij niet meer zijn geweten te trotseeren en Jezus te veroordeelen. Een jaar later door den keizer naar Vienne in Gallië verbannen, vreesde hij niet de handen aan zich zeiven te slaan, en zoo stierf die snoode rechter, welke, uit vrees voor de menschen den sc'auldeloozen Jezus ter dood veroordeelde. Velen, helaas! worden er in onze dagen gevonden, die, uit vrees voor de menschen, Christus op nieuw kruisigen in hun hart. Andoren bedroeven vaak het goddelijk Hart van Jezus en eene menigte wordt van het goede teruggehouden alléén uit menschelijk opzicht. Laten wij derhalve dat voor velen zoo rampzalig menschelijk opzicht onder de voeten treden, en alleen Dengene vreezen, die ons eenmaal zal oordeelen.

'Airh niet store», nnn ijilclc mensclieiivrecs.

De Apostel Paulus schreef aan zijn leerling ïimotheus, dat hij te Antiochië, te Iconië en elders veel had moeten verduren, maar hij liet er op volgen: «Allen ook.

-ocr page 395-

383

«die godvruchtig willen leven in Christus Jezus, zullen «vervolging lijden» (1). Dit woord des Apostels zien wij ten allen tijde bewaarheid, en van de vervulling dier voorzegging zijn wij eiken dag nog getuigen. Evenals destijds Isrnael, de zoon van Agar, Izaak den zoon van Sara, vervolgde zoo vervolgen de ongeloovigen, de god-deloozen, Belial's kindoren, nog immer de kinderen Gods. Zijn wij hierover niet verwonderd, «want wat deelge-«nootschap heeft de gerechtigheid met de ongerechtig-«heid? Of wat gemeenschap heeft het licht met de «duisternis?» (2) Zij, die gerechtigheid beoefenen en al-zoo wandelen in het licht, willen het tegenovergestelde van hen, die, der ongerechtigheid prijsgegeven, wandelen in de duisternis. Derhalve zal de deugdzame, die niet wil doen, wat de booze wereld doet, door deze veracht, bespot en vervolgd worden. De Heer Jezus, die alles voorzag, waarschuwde zijne leerlingen en troostte hen tevens. «Indien de wereld u haat» sprak Hij, «zoo «weet, dat zij mij eer dan u heeft gehaat.» Dezen haat der booze wereld zouden zijne leerlingen zich moeten laten welgevallen, maar tevens zich troosten met de gedachte, dat de wereld Hem, hunnen Heer en Meester, allereerst gehaat en vervolgd had. Het moest hen dus niet bevreemden, en zij behoefden het zich niet tot eene schande aan te rekenen. «Indien gij van de wereld «waart,» zoo voegde Christus er bij, «de wereld zou het «hare liefhebben: doch, omdat gij van de wereld niet «zijt, maar Ik u uit de wereld hebt uitverkoren, daarom «haat de wereld u. Gedenkt mijn woord, hetwelk Ik «tot u zeide: een dienstknecht is niet meer dan zijn «heer. Hebben zij mij vervolgd, ook u zullen zij ver-

(i) II Timoth. 3. 12. — (2) II Corinth. 6. 14.

-ocr page 396-

384

«volgeii» (1). Als wilde Flij hun zeggen: indien de wereld ii haat, en haten zal ze u, troost u dan, daar dit voor li een duidelijk bewijs is, dat gij geen deel uitmaakt van de wereld der boozen, dat gij niet der wereld, maar mij behoort, dat gij mij en niet de wereld dient. Want zouden uwe gezindheden en daden met die der wereld overeenstemmen, zoudt gij de booze wereld aanhangen, denken, spreken en handelen gelijk do kinderen der wereld, deze zou u niet haten, maar liefhebben.

Derhalve, als wij een go.lvreezend leven leiden, in strijd met dut der booze wereld, zal deze ons uitlachen, bespotten en vervolgen, dit is zeker, maar ook zeker is het, dat wij hierin een doorslaand bewijs vinden, dienaren van Christus te zijn. Met recht zeide dan ook de H. Hie-ronymus: «ik dank mijn God, dat ik waardig ben, door «de wereld te worden gehaat» ('2). Ik zeg, met recht; immers Jezus Christus verklaarde zijne leerlingen gelukkig, indien de menschen, dat is, de booze wereld hen haten zoude : «Zalig zult gij wezen» zoo sprak Hij, «wangneer de menschen u gehaat, en wanneer zij u afge-«scheiden, en smadelijk bejegend, en uwen naam als «een boozen verworpen hebben, om den Zoon des men-«schen; verblijdt u te dien dage, en juicht, want zie, «uw loon is groot in den hemel» (3). En op eene andere plaats sprak Hij hun volgenderwijze toe: «Zalig «zijt gij, als zij u beschimpt en vervolgd, en, al liegende, «van allerlei kwaad beschuldigd zullen hebben, om «mijnentwil; verheugt en verblijdt u, omdat uw loon «groot is in den hemel; want zóó hebben zy de Profesten vervolgd, die vóór u geweest zijn» (4).

(i) .loan. 15. 16—20. (2) — Epist. ad Asellam. —- (3) Luc. 6. 22, 23. — 14) Matth. 5. 11, 12.

-ocr page 397-

385

Niemand onzer zij dan verwonderd dat brave en deugdzame rnenschen, die zicli stipt van hunnen plicht als christen kwijten het mikpunt zijn van de verachting, de spotternij en de vervolging dergenen, die de wereld dienen en een wereldsch leven leiden. Hetgeen ten allen tijde geschiedde, gebeurt nog alle dagen, en zal tot het einde der wereld plaats hebben. De godde-looze Caïn vervolgde zijn schuldeloozen broeder Abel; de door God gezonden Profeten werden door de Joden miskend, veracht en gedood; de Apostelen werden om Jezus' wil gegeeseld; millioenen martelaren en martelaressen zijn door de kinderen der duisternis, door Satans knechten, gemarteld, vreeselijk gefolterd en op de gruwzaamste wijze ter dood gebracht. En wordt thans het bloed der martelaren niet meer met stroomen vergoten zooals in den beginne der Kerk, toch hebben brave katholieken in den regel nog veel te verduren. De naam van Roomsch katholiek is voor sommigen zóó hatelijk, dan zij dien niet dan met verachting noemen, en als een boozen en afschuwelijken naam verfoeien. Iemand, die als een braaf katholiek te boek staat, behoeft slechts eeji dier kinderen der booze wereld te ontmoeten, of hij wordt met een blik van verachting, die zijnen innerlijken haat verraadt, begroet. De onge-loovigen, zij die aan het geloof schipbreuk geleden hebben , men moge ze vrijdenkers of liberalen noemen , in één woord, de zoo genoemde mannen van den vooruitgang, sluiten hem uit van hunne gemeenschap en verkeering, behandelen hem als een mensch, dien men vluchten moet.

Dan niet alleen van hen, die door hun zondig leven het geloof verloren hebben, heeft een deugdzaam katholiek veel te verduren; maar ook onder degenen die Lijden v. ciiristus, 25

-ocr page 398-

380

prijs stel I on op den naam van katholiek, en hunne kerkelijke plichten uitwendig vervullen, worden er helaas! maar al te veel gevonden, die door hunne spotternijen en smaadredenen, den braven en oprechten katholiek veel leed veroorzaken. Worden ei in een gezelschap zedenkwetsor.de woorden gesproken, dan worden zij, die hunne afkeuring hierover, al is het slechts door hun stilzwijgen te kennen geven, uitgelachen en als fijnen en angstvalligen bespot. Is er in eene bijeenkomst sprake, van den tijd met een onwelvoegelijk en gevaarvol spel te slijten, dan wordt hij of zij, die hierin gewetensbezwaren ziet, vaak bespot en met bijtende scherts toegesproken : wat doet gij in de wereld, als gij niet met de wereld meedoet; waarom gaat gij niet naar een klooster? Daar hoort gij thuis. En zoo gebeurt het, dat een katholiek, die zijn geweten niet trotseeren wil, in het midden van katholieken, iets wat bitter te betreuren is, soms veel te lijden heeft. Wat meer is, er behoeft nog geene sprake te zijn van zonden, indien iemand slechts meermalen nadert tot de HH. Sacramenten, den kruisweg verricht, lid is van eene godsdienstige vereeniging of broederschap, dan wordt met zijnen vromen levenswandel vaak de spot gedreven. En het gevolg hiervan is, dat velen, uit vrees van bespot en uitgelachen te worden, daden plegen, die zij in hun hart verfoeien, en godsdienstige werken nalaten, waartoe de genade Gods hen aanspoort. Ook zij die de wereld verlaten en het kloosterleven aanvaard hebben, moeten zich wapenen tegen deze zoo verderfelijke men-schenvrees; want, volgens den H. Bernardus, treft men in de kloosters nu en dan lauwe zielen aan, die den ijverigen en nauwgezetten tot ontstichting en een steen des aanstoots dienen. Nu eens spreken zij tegen de

-ocr page 399-

387

liefde, den naaste, dan eens tegen den eerbied en de gehoorzaamheid hunnen Oversten verschuldigd, dan weder verbreken zij het stilzwijgen op plaatsen en tijden iloor den regel hun voorgeschreven. Zij zouden willen, dat anderen het met hen eens waren, en den regel overtraden. Doen ijverige, naar de volmaaktheid strevende personen zulks niet, zooals bet trouwens hun plicht is, dan worden zij soms minder vriendelijk bejegend en angstvallig of scrupuleus genoemd.

Zoudt gij, die deze regelen leest, als katholiek be-leedigd, gehoond en vervolgd worden, herinner u dan de woorden des Zaligmakers: «Weest niet bevreesd «voor hen die het lichaam dooden, doch de ziel niet «kunnen dooden; maar vreest veeleer Hem, die én ziel én «lichaam kan verderven in de hel.» (1) En «zalig zijn «zij die vervolging lijden om de rechtvaardigheid, want «hunner is bet rijk der hemelen.» ('2) Zouden de godde-loozen u vloeken. God zal u zegenen. Hebt gij als een godvreezend persoon van slechte eti plichtvergetende katholieken die u omgeven, veel te verduren, wordt gij, omdat gij uwen plicht betracht, en in hunne overtredingen niet deelen wilt, een voorwerp van verachting en bespotting, blijf dan onwrikbaar, en laat u niet, door dat, voor zoo velen rampzalig menschelijk opzicht medesleepen, indachtig de woorden van Christus: «Wie «zich over mij en mijne woorden zal geschaamd heb-«ben, over dien zal de Zoon des menschen zich schamen, «wanneer Hij komen zal in zijne heerlijkheid, en die «des Vaders, en die der heilige Engelen» (3), dat is, de Heer .Jezus, zal zich over hem, als een ondcugenden dienstknecht schamen, hem van zich stooten, en van

(i) Matth, io. ;S. — (2) Ibid. 5. 10. — (3) Luc. 9. 26.

-ocr page 400-

388

het gezelschap der braven uitsluiten (1). Hoe! roept hier de tl. Joannes Chrysostonuis uit, «gij wilt door «uw metgezel niet uitgelachen, maar door uw God ge-«haat worden?» ('2) Is het niet duizendmaal beter door God bemind, en door de wereld gehaat, dan door de wereld bemind, maar door God gehaat te worden? Het moet ons voldoende zijn, zegt de H. Aïphonsus, (3) door God, door de Koningin des Hemels, door de Engelen, de Heiligen en allo brave menschen te worden geprezen. Dat de booze wereld /egge, wat ze goedvindt, gaan wij slechts voort datgene te doen, wat Gode aangenaam is. Eenmaal komt de tijd, dat God ons in het andere leven beloonen zal, en des te overvloediger, naarmate wij ons geweld zullen hebben aangedaan, om de tegenspraak der menschen te verachten. Zeker, er moet geweld gebruikt worden, om liet rijk der hemelen in te nemen, en vooral niet weinig als het personen van aanzien geldt, die ons aan hunne ongerechtigheden medeplichtig willen maken; maar ook aan dezulken mag men zich niet storen, ook hen niet te vreezen is onze dure plicht. «Laat u,» zegt de H. Geest, «door geen «aanzien van personen besturen tot nadeel van u zel-«ven,» (4) dat is, laat u met door aanzien van personen tot zonde verleiden. Indien wij aan de menschen, ten nadeele onzer ziele, zoeken te behagen, dan zijn wij geene dienstknechten van Christus. Ieder onzer moet met den H. Paulus zeggen: «ik schaam mij niet over «het Evangelie.» (5) Door Gods genade zijn wij katholiek, schamen wij ons dus niet over God, die onze Vader, over Jezus, die onze Broeder, over de Kerk, die

(i) Vrg. Hugo a S10 Charo in Luc. 9. — (2) In Act. Apost. hom 41. — (3) Serm. 27. —'^4) Eccli. 4. 26.— (jj) Rom. 1. 16.

-ocr page 401-

389

onze Moeder is. Laten wij Ue leer van Christus en die der Kerk vrijmoedig belijden, niet door woorden alléén maar met de daad, de ons gegeven geboden stipt onderhouden, wat deze of gene ook van ons denken of zeggen moge; want, zegt de H. Cyrillus, (1) «hoe wil «hij zich Christen wanen, die vreest zich als zoodanig te «gedragen. Door vele kwellingen moeten wij het rijk «der hemelen binnengaan; dit is nu niet anders, en «allen ook, die godvruchtig willen leven in Christus «Jezus, zullen vervolging lijden.» (2) Doch eenmaal zullen zij, die nu met godvreezende personen den spot drijven, en hen als waanzinnigen beschouwen, hunne eigene dwaasheid inzien. Als ze hen, die ze thans verachten, onder het getal der gelukzaligen zien, zullen zij hun hulde brengen, en als wanhopenden uitroepen: «Dezen zijn het, die wij eertijds uitlachten en tot een «voorwerp maakten van ons spotlied. Wij dwazen, wij «hielden hunnen levenswandel voor uitzinnigheid en hun «uiteinde zonder eer.» (3)

Beijveren wij ons de voetstappen der Heiligen te lt;lrukken, die door geene menschenvrees zich van het goede lieten terughouden. De H. Joannes de Dooper vreesde den koning Herodes niet, hij hield hem zijn zondig leven voor oogen. De H. Maria Magdalena, zooals de H. Alphonsus zegt, (4) moest zich veel geweld quot;aandoen om het menschelijk opzicht, de afkeuring en de spotternijen der wereld te trotseeren, toen zij, iu de tegenwoordigheid van vele in bet huis van Simon den Phariseër vergaderde personen, zich aan de voeten van Jezus wierp, die daar aan tafel zat, ze besproeide met hare tranen en ze afdroogde met bare haren. Het

(i) De Lapsis. — (2) II. ad Tim. 3. 12. —• (3) Sap. 5, 3. 4. — (4) Serm. 27.

-ocr page 402-

3f)0

was op deze wijze, voegt de Heilige er bij, dat zij zich heiligde, Jezus haar de zonden vergaf, en hare vurige liefde prees. Ook de H. Franciscus van Borgia trad, ondanks den weerzin dien hij in zijn binnenste ontwaarde , het menschelijk opzicht onder de voeten. Op zekeren dag bracht hij vleeschsoep in eenen pot onder zijnen mantel verborgen, naar de gevangenen. Op weg ontmoette hij zijn zoon te paard met een prachtigen stoet omgeven. Hij, die vroeger jaren lang aan het hof van Karei V geleefd liad, was een oogenblik beschaamd over hetgeen hij droeg; maar ras spotte hij met dat menschelijk opzicht, nam den onder zijn mantel verborgen pot te voorschijn en plaatste hem op zijn hoofd. Voorwaar een schoon voorbeeld voor hen, die tot de gegoede klassen behooren, en thans ter liefde Gods zieken verplegen, arme kinderen onderwijzen en vernederenden arbeid verrichten. Dat het voorbeeld der Heiligen , die met zulke edelmoedigheid het menschelijk opzicht trotseerden, ons tot richtsnoer diene! Dat de vrees, den menschen te mishagen, ons nimmer tot het kwaad verleide, nimmer van het goede terughoude! Mogen eenigen ons dan ook vervolgen, anderen bespotten, sommigen minder liefderijk bejegenen, en velen minder gunstig beoordeelen, zeggen wij dan met den H. Paulus: «Ik, ik hecht er zeker weinig aan, dat ik «van ulieden beoordeeld worde ... die mij beoordeelt is «de Heer» (1). Mits de Heer ons gunstig beoordeele, dan mogen de menschen vrij hun gang gaan. Lijden wij als Christen, zegt de H. Petrus (2); worden wij als brave katholieken, die hunnen plicht doen, uitgelachen, als ijverige kloosterlingen, die hunnen regel onderhou-

(i) I. Corinth 4 3. 4. — (2) I. Petr. 4. 16.

-ocr page 403-

391

den, door do lauvven liefdeloos behandeld, hierover moeten wij ons niet schamen, immers alsdan verheerlijken wij God, die ons eenmaal in zijne heerlijkheid zal doen deelen.

GEBED.

O Heer Jezus! even als Pilatus U don vijanden overleverde om gekruisigd (o worden , uit vrees de gunst des keizers te verliezen, zoo zijn or nog velen, die uv.o vriendschap prijsgeven om die der hooze wereld te genieten. De vrees, don rnenschen le mishagen, sluit hun de oogon voor uwe heilige vreezo. Ook ik helaas! was eertijds zoo dwaas, mij door nienschenvrees te laten beheerschen. Hot moiischelijk opzicht, voor velen eene oorzaak van menigvuldige overtredingen, heeft mij vaak, niet slechts van het goodo teruggehouden , maar ook vele zonden doen plegen. Dwaas, uitzinnig heb ik gehandeld, immers, niet do wereld, maar Gij moet mij oordoelen, en wat baat hot mij dat de gansche wereld mij prijze, indien Gij mijn opperste Rechter, mij veroordeelt? Dit had ik wol verdiend, maar nu het mij innig leed doet, U zoo herhaalde malen to hebben be-leedigd, vertrouw ik dan ook, dat Gij door do verdiensten van uw bittor lij-ion mij vergeven, en mijne menigvuldige overtredingen niot moor gedenken zult. Gij hebt mij tot hiertoe gespaard, en waarom .' Opdat mij voortaan goene vreeze dan die van U te mishagen moge bezielen. De wereld, en zij, in wier midden ik mij bevind, mogen voortaan zeggen en denken wat zij goedvinden, ik zal mij hieraan niot meer storen, als er sprake is U te boleedigen of godvruchtige werken achterwege te laten ; dit minstens is mijn vast besluit. Maar ach! wat wil ik zwak en zondig monsch beginnen zonder U! Daarom bid en smeek ik U , dooi- do

-ocr page 404-

392

verdiensten van die oneer U aangedaan, toen Pilatus U uit menschenvrees ter dood veroordeelde mij boven alle vrees der menschen te verheffen , over het men-schelijk opzicht te doen zegevieren, opdat het mij, met uwe zalige vreeze bezield, moge welgaan in mijn uiterste, en ik ten dage van mijn verscheiden moge worden gezegend. H. Maagd Maria! bescherm mij tegen allo menschenvrees, en verberg mij onder uwen mantel. BESLUIT.

Wij hebben dan den goddelijken Rechter bcschouwd, staande voor aardsche en wel voor de snoodste rechters. Wij hebben overwogen hoe Hij, de heiligheid zelve, die eenmaal allo menschen zal oordeelen, dooide menschen geoordeeld en veroordeeld is geworden. Dit alles geschiedde, omdat Hij het wilde, cn Hij wilde het, omdat Hij ons liefhad. Liefde vraagt wederliefde. Maai- eene liefde waarvan men bewijzen geeft niet door woorden alleen, maar door daden. Werkdadig moet onze liefde wezen. Door het beoefenen der deugden, waarover gehandeld is, zullen wij eenigermate aan die grenzenlooze liefde vaneen God beantwoorden. Ik noem ze grenzenloos, en zij is het in waarheid. Immers een God, een oneindig Wezen, lijdt in het vleesch, en meer dan ooit een mensch geleden heeft. Dan Hij lijdt niet alleen, maar Hij wil ook sterven en wel den vernede-rendsten en smaadvolsten dood, dien des kruises. Wij zullen Hem dan beschouwen, beladen met een schandig hout, om, uit liefde voor ons er aan te sterven. Moge zulke liefde , ons gelijk den H. Paulus dringen tot wederliefde, die wij door daden toonen, dat is, door het beoefenen van die deugden, waarover in het derde deel zal gesproken worden.

-ocr page 405-

9

P.

I

DERDE DEEL.

Christus naar cn oji 4noSgotlingt;

HOOFDSTUK I.

Et bnjulans sibi crucern , exivit in eum , qui dicilur Calvsu-iae locum, hebraice autein Golgotha. Jujin. XIX. 17.

ICn Hij, zijn kruis dragende, ging uit naar de plaïits, die genoemd wordt schedelplaats (Calvarië) in liet hebreeuwsch Golgotha.

Dat Jezus sterve: zoo klonk liet op aarde. Dat Jezus sterve : zoo klonk liet in den hemel. Pilatus veroordeelde Jezus als een bedrieger, de liemelsche Vader, wiens rechtvaardigheid voldoening eisclit, veroordeelt zijn eeni-gen Zoon als beladen met do zonden van alle menschen. En Jezus zelf, wat deed Hij? Met kalmte en gelatenheid aanhoort Hij het over Hem gevelde vonnis, Hij had de zonden van allen op zich genomen en Hij zou ze thans in zijn lichaam dragen op het hout des kruises, opdat wij der zonden afgestorven, voor de gerechtigheid zouden leven ('1\ Wel verre van zich aan den zoo gruwzamen dood des kruises te onttrekken, laat Hij zich geen enkel woord van tegenspraak ontvallen. Met schaamte bedekt, boog Hij zijn hoofd tot teeken van onderwerping, en met de diepste nederigheid aanvaart Hij den dood, waartoe zijn liemelsche Vader Hem veroordeelt. Wat meer is, vurig had Hij verlangd den bloeddoop te ondergaan, en hoezeer werd Hij, volgens

(i) I. Petr. 2. 24.

-ocr page 406-

39-4

zijn eigen getuigenis (1) geprangd door het verlangen naar liet oogenblik, dat door zijnen kruisdood het werk van 's menschen verlossing zou volbracht worden. Dat oogenblik was daar, cn zijn goddelijk Hart door den pijl van liefde gewond, dorstte naar zijn dood, gelijk een dorstend hert naar eene frissche waterbron. En de Joden wat deden zij, toen Pilatus hun Jezus overgaf? Een woeste vreugdekreet steeg op uit hunne van afgunst brandende harten, aan het gejubel was geen einde, toen hun, als aan zoovele uitgehongerde en bloeddorstige bloedhonden het Lam zonder vlekken ter slachting werd overgeleverd. Onmiddellijk sloegen zij de handen aan het werk, deels om het nabij zijnde Paaschfeest, deels om hunnen dorst raar zijn bloed te stilllen. Met geweld rukten zij Hem nu den scharlaken roqden soldatenmantel van zijne schouderen af, en deden Hem zijne kleederen aan. Waarom? De fl. Ambrosius (2) geeft ten antwoord: «Opdat Hij des te beter door allen «zou erkend worden: immers daar zijn aangezicht bc-«bloed en misvormd, en Hem die aanblik van glans en «majesteit ontnomen was, kon men Hem van de twee «moordenaars, die ook hun kruis droegen, nietgemakke-«lijk onderscheiden.» Met groote haast namen zij twee ruwe balken, sloegen ze ineen in don vorm van een kruis, en legden ze Hem op do schouderen. Dan neen, zegt de H. Thomas van Villanova (3), Jezus wachtte niet, dat Hem dat zware kruis op de schouderen werd gelegd; met blijdschap stak Hij zijne armen uit naar het kruis, omhelsde h.et, drukte het aan zijn Hart, dat brandde van begeerte om er aan te sterven, en legde

(l) I.UC. 12. 50 — una mart c 3.

(2) Lil). 10 in Luc c. 99

- (3) De

-ocr page 407-

395

het vervolgens zelf op zijne bebloede scbouderen, zeggende: «Kom, o dierbaar kruis, 33 jaren heb ik naar « u verlangd, kom, aan u zal ik mijn laatsten druppel « bleeds uit liefde tot den menseh vergieten.»

Beschouwen wij in den geest dat vreeselijk schouwspel. Jezus, een God, die de hemelen en de aarde draagt in zijne handen, draagt den zwaren last des kruises! Jezus, een God, die de heiligheid zelve is, wordt gerekend onder de boosdoeners! Jezus, de ware Samaritaan, die olie giet in de wonden, is van het hoofd tot aan de voeten één wond! en op die verscheurde en nog bloedende schouderen draagt Hij twee ineen geslagen ruwe balken. Ondanks zijne uiterste zwakte, ter oor-zake van het reeds uitgestaan lijden en zooveel vergoten bloed, zoodat Hij nauwelijks kon staande blijven , en in weerwil dat hut hout des kruises gestadig drukte tegen de doornen kroon die Hij droeg op en in zijn hoofd, werd Hij, zooals de H. Alphonsus zegt (1): door een beul roet een koord naar Golgotha voortgetrokken. De H. Bernardiis (2) roept hier uit: «Wat hebt «Gij, alleronschuldigste Zaligmaker gedaan, om zóó ver-« oordeeld te worden? Wat hebt Gij bedreven?» En hij antwoordt: «Uwe zonde is uwe liefde.» Uwe misdaad, o Jezus, zegt de H. Alphonsus (3), is de overmaat van liefde, die Gij den menschen toedraagt, deze, en niet Pilatus veroordeelt U tot den dood. Ik zie, voegt de H. Bonaventura (4) er bij, geene andere oorzaak van uwen dood, o mijn Jezus! dan de al te groote teeder-heid uwer liefde. Liefde moet door wederliefde vergolden worden. En hoe zouden wij beter blijken kunnen geven

(i) L. 5. p. 100. — (2) In Cant. c. 20.— (3) T a p. 95.— (4) Slim. ama die. p. I. c. 2.

-ocr page 408-

;in(i

van onze liefde , dan door te lijden uit liefde tot Hem, die zooveel voor ons geleden lieef't. Heeft Hij hot zware kruis gedragen, omdat Hij ons lief had, nemen wij dan ons kruis met blijdschap op onze schouileren om Hem te volgen.

VAjn Jir.six met liefile draden.

Wanneer Jezus zijnen leerlingen den dood van Lazarus bekend maakte, zeide Hij hun: «Doch laat ons «tot hem gaan» (I). Bij hot hooren dezer woorden schenen de leerlingen, beducht voor hun eigen leven, te aarzelen hun goddelijkeu Meester naar Judea te vergezellen, waar vele Joden zeer vijandig tegen Jezus gestemd waren. Doch Thomas moedigde zijne medeleerlingen aan om hun Meester te volgen, en, zoo noodig met Hem te sterven. «Laat ook ons gaan,» zeido hij, «om met Hem te sterven.»

Jezus, beladen met den zwaren last des kruises op zijne bebloede en verscheurde schouders, slaat den weg in naar Golgotha om daar te sterven uit liefde tot ons. Laat ons dan ook gaan en hem volgen, doch met het kruis op onze schouderen, dit is noodig om Hem te kunnen volgen; immers Hij roept ons toe: «Indien iemand «mijn volgeling wil wezen, hij verloochene zich zeiven, «neme zijn kruis op en volge mij» (2). Wij allen zonden Jezus gaarne willen volgen in zijne heerlijkheid, maaide weg die derwaarts leidt, is de weg naar Golgotha; dezen heeft Jezus bewandeld , en hen alleen , die Hij daar ontmoet, erkent' Hij voor zijne leerlingen. Zou iemand Jezus volgen, doch den weg naar Golgotha vermijden willen, dan verliest hij Hem uit het oog, en

(l) Joan. II. 15. — (2) Matth. 16. 24.

-ocr page 409-

397

vindt Hem niet in zijne heerlijkheid. Met andere woorden: die zijn kruis niet dragen wil, wordt door Jezus niet als zijn leerling beschouwd; Hij immers zegt het ons uitdrukkelijk: «Wie niet zijn kruis draagt en achter «mij komt, kan mijn leerling niet zijn» (quot;l). En, als de Apostel Paulus zegt, dat wij erfgenamen van God, en medeërfgenamen van Christus zijn, laat hij er op volgen: «Indien wij nochtans mede lijden, opdat wij ook «mede verheerlijkt worden» ('2). Hij echter, die lijdt met ongeduld, al klagende en morrende, lijdt niet met Christus, zooals Christus leed, en kan dus met Christus niet verheerlijkt worden, en zoo lijden de goddeloozen.

Twee zaken worden er alzoo vereischt om met Christus te worden verheerlijkt. Eerstens een kruis, tweedens het dragen, zooals het behoort. Met betrok-kir g tot liet kruis zelve, zou men hen voor de ongelukkigste menschen der wereld moeten beschouwen, die van een kruis verstoken zijn. Geen kruis te hebben, was voor de Heiligen het zwaarste van alle kruisen. Velen echter denken er niet zoo over, en daarom zorgt de goede God, die wil dat allen zalig worden, dat ook allen hun kruis hebben. Vandaar het spreekwoord: «Geen huisje zonder kruisje.» Zouden dezen of genen, zooals het schijnt, ook geen kruis te dragen hebben, omdat zij gezond, door de fortuin begunstigd, en bij allen hoog aangeschreven zijn, herinneren wij ons dan het andere spreekwoord: «Schijn bedriegt.» Immers ziekte, armoede en miskenning zijn niet de eenigste kruisjes, waarmede men bezocht wordt. Met personen van een lastig karakter dagelijks te moeten omgaan ; kinderen, aan- of bloedverwanten het pad der zonden

(l) Luc, 14 27. —• (2) Ad Rom. S. 17.

-ocr page 410-

398

te zien bewandelen, ondanks alle vermaningen; gebukt gaan onder eene vreeselijke lastering, zijn kruisen, vaak zwaarder, dan die waaronder een zieke of behoeftige zucht. Met allerlei bekoringen te kampen hebben, door vreeselijke angstvalligheden betrekkelijk de biecht, de inwilliging der bekoring, den strijd tegen de tee-derste der deugden voortdurend bestormd te worden, in een toestand verkeeren, waarin het schijnt dat men geen geloof, geene hoop, geene liefde meer bezit, eu dat God ons verlaten heeft, zijn kruisen, die, overigens godminnende zielen tegen elk ander kruis, hoe zwaar dan ook, volgaarne zouden ruilen. Onmogelijk is het, alle soorten van kruisjes aan te stippen, veel minder ze te beschrijven. Zij zijn daarenboven betrekkelijk; hetgeen voor dezen wel een kruis is, is het daarom nog niet voor een ander; voor sommigen is een kruis licht, voor anderen zwaar. Dan, licht of zwaar; onvermijdelijk is het. De goede God draagt zorg, dat eenieder zijn kruisje hebbe, en Hij wil dat ieder het zijne drage. «Indien iemand mijn volgeling wil wezen,» zegt Christus, «hij verloochene zich zeiven, en neme zijn kruis «dagelijks op, en volge mij» (1). Hij zegt, «:zijti kruis,» dat is, hetgeen God van alle eeuwigheid voor ieder onzer bestemd heeft, en ons overzendt, omdat Hij ons lief heeft. Dit kruis, en niet een ander moeten wij dragen.

Sommigen zouden in een oogenblik van vurigen ijver linn vaderland willen verlaten, om aan gene zijde des oceaans den wilden volken het Evangelie te verkondigen , en hen in de leer van Christus te onderwijzen, in liet midden van alle ontberingen en der gruw-

(i) Luc. 9. 23.

-ocr page 411-

399

zaamste mishandeling soms ten prooi. Maar Ho vraag is: wil God ook dat gij dal kruis draagt? Waarscliijnlijk niet, inmiddels echter is liet zeker zijn aanbiddelijke wil, dat gij uwen medebroeder of uwe medezuster, ter oorzake van hun lastig karakter zoowel voor u als voor anderen een zwaar kruis, verdraget. Dit is thans uw kruis, dit meet gij dragen. Anderen zouden uit liefde tot Jezus willen gefolterd en verbannen worden, als oen belijder lijden, als een martelaar sterven; zulk offer vergt God niet van eenieder, maar wel dat gij een liefdeloos woord verdraagt, en als de gehoorzaamheid het vergt, uwe bediening of uwe woning verlaat, dit is een kruis, dat gij vaak ontmoet, en nog allerlei anderen. Hoedanig uw kruis ook moge zijn, omhels het, druk het aan uw hart en neem het op uwe schouderen, liet is echter niet voldoende een kruis te dragen, immers de moordenaars, die met Christus gekruisigd werden, waren met het hunne beladen, en op de schouderen van duizenden ligt nog heden een ontzaglijk groot kruis, dat zij torsen moeten; maar de wijze, waarop men het draagt, heiligt de eenen, en verdoemt de anderen. Daarom zeide Christus, dat wij ons kruis moeten opnemen, als wilde Hij hierdoor^de bereidvaardigheid beteekenen, waarmede wij het kruis moeten aannemen. Twee redenen moeten ons aansporen, ons kruis met bereidwilligheid te aanvaarden , met geduld te dragen, ja met liefde te torsen; de liefde en de belooning. Jezus draagt het kruis ter liefde van ons, wie zou dan het zijne niet willen dragen ter liefde van Hem? Jezus is door liet kruis als mensch verheerlijkt in den hemel; om Hem-daar te kunnen volgen, moeten wij den weg naar Golgotha bewandelen. Om met Hem te worden verheerlijkt in den hemel, moeten wij eerst

-ocr page 412-

400

deden in zijn lijden op aarde. Het kruis is de sleutel des hemels, wie zou er geen prijs op stellen, wie niet met vreugde het aan zijn hart drukken? Dit minstens hebben de Heiligen gedaan.

Aan den voet des kruises door den pijl van liefde gewond , werden zij voor dwazen gehouden. Het lijden en de kruisen beminnen, dat lief te hebben, hetgeen men in de wereld het meeste vlucht, en schier door allen als een ongeluk beschouwd wordt, is in het oog der wereldlingen eene verregaande dwaasheid. En hoe kan het anders? Is een gekruisigde Christus, zooals de H. Paulus zegt (1) den heidenen eene dwaasheid, geen wonder dat zij, die zulken Christus trachten te gelijken, door ongeloovigen en menschen met den geest der wereld bezield, voor dwazen gehouden worden. Dan wat lag den Heiligen aan het oordeel der wereld gelegen! Een God, ter liefde van hen beladen met een kruis, maakte hen als dronken van liefde, en in hunne heilige vervoering omhelsden zij het kruis met eene vreugde, die aan het waanzinnige grenst. Of lijden of sterven, l iep de H. Theresia uit. Als wilde zij zeggen: mijne eenige gehechtheid aan het leven is het lijden, in geval ik niet meer zou kunnen lijden, dat dan de dood mij treffe. Sterven ! roept de H. Maria Magdalena van Pazzis uit, dat niet, maar lijden. En is somwijlen een kruis zóó zwaar, dat het ondragelijk schijnt, voor de heiligen door de liefde als verslonden, was het. nimmer te zwaar.

Op zekeren dag had de H. Felix van Cantalicië hevige krampen in . zijne ingewanden te verduren. De geneesheer raadde hem aan , hij zoude God bidden om genezing. «Om genezing,» riep hij uil; «ik verzeker u

(i) I. Corinth, i. 23.

-ocr page 413-

401

dat ik ze niet zou vragen, al had ik de verzekering ze te bekomen. Het zijn gunsten, die God mij overzendt, «wilt gij dan dat ik ze verstoote?» En nu begon hij God voor die gunst zoo vurig, zoo hartelijk te danken, dat allen die tegenwoordig waren verbaasd stonden. Somtijds begon hij in liet midden der hevigste pijnen, een godsdienstig lied te zingen. Hij noemde zijtie ziekten, rozen des hemels (1). De H. Franciscus van Assisië aan hevige smarten ten prooi, deed den broeder, die hem bijstond een vrij hard verwijt, omdat hij hem den raad gegeven had. God te bidden die smarten fe lenigen. Indien ik uwe eenvoudigheid en de oprechtheid uws harten niet kende, zeide hij, dan zou ik van dit oogenblik een afschuw hebben van bij u te blijven. Hoe! gij zoudt Gods oordeel over mij durven afkeuren? En ondanks de uitputting zijner krachten, wierp hij zich ter aarde, kustte den grond, en sprak tot God: «Heer «ik dank U voor de pijnen, die ik te lijden heb, en ik «bid U ze honderd malen te vermeerderen, indien U «zulks welgevallig is. Het zal mij altijd zeer aangenaam «zijn, te zien dat Gij mij kastijdt, zonder mij te sparen; «want de zoetste troost, dien ik smaken kan is, dat uw «heilige wil geschiede» (2). Hoe de gelukzalige Amedeus, hertog van Savoië over de vallende ziekte dacht, waaraan hij leed, is zóó treilend, zóó stichtend, dat wij, wier kruis wellicht zoo zwaar niet is, ons diep vernederen moeten. Toen zijne vrouw hem eens zeide: «in-«dien gij minstens cene andere kwaal bad, clan zou ze «dragelijk zijn, gaf hij een antwoord, eenen heilige waardig: «Indien wij de kruisen konden kiezen, dan

(i) Zijn leven door Ribadeneira 18 Mei Chalippe 1. 5.

Lijden v. christus.

— (2) Sa vie par 20


-ocr page 414-

402

«zouden wij er niet een verlangen; wat God ons over-«zendt is altijd het beste. Hij, die goede Vader, weet «beter dan wij, wat ons voordeelig is. Eenieder be-«schouwt zijn kruis als liet zwaarste; wat mij betreft, «ik kan God niet genoeg danken voor deze gunst. Ik «gevoel mij meer verplicht, zijne goddelijke goedheid to «bedanken, voor deze ziekte, die Hij mij overzendt, dan «door mij op den troon van Savoië geplaatst te hebben. «Veel liever zou ik mijne kroon als hertog verliezen, «dan mijne zoo kostbare kwaal, deze immers is geld, «waarmede men den hemel koopen kan.»

O! indien wij het kruis en lijden altijd met de oogen des geloofs beschouwden, dan zouden wij ongetwijfeld een grooten schat er in ontdekken. Immers het kruis is de weg naar don hemel. Alle Heiligen hebben dien bewandeld, en het is geen geringe troost zich op dien weg geplaatst te zien, welken Jezus met zijn bloed, zijne lieve Moeder Maria met hare tranen bevochtigd hebben en waarlangs zij de heerlijkheid zijn binnengegaan. Een kruis met de oogen des lichaams beschouwd, heeft niets aantrekkelijks, veeleer zal eenieder het ontvluchten. Open ik echter de oogen des geloofs, dan wordt hot mij dierbaar. Veronderstel eens: men biedt u tegen den avond als het reeds donker wordt, op uwen weg naar huis, iets ten geschenke aan, zoo zsvaar, dat liet een steen gelijkt. Bij zulk aanbod wendt gij u, in deze veronderstelling, met eene zekere verontwaardiging van zulkea weldoener af. Doch er valt niet te redeneeren, buigen moet gij voor het geweld, dat men u aandoet, gij moet het dragen. Nu vervolgt gij met dien last, al morrende en klagende uw weg. Eensklaps valt het licht uit een huis, dat gij voorbij gaat op den last, dien gij draagt. En o vreugde! gij ziet dat die last, welken gij

-ocr page 415-

403

oen steen waandet, een klomp goud is. Nu zourlt gij wel willen, dat hij nog zwaarder was, om des te beter uwe schulden te kunnen betalen en u van het noodige te voorzien. Wordt gij alzoo op den weg naar de eeuwigheid, gedwongen een kruis te dragen, beschouw het dan, niet met uwe oogen des liciiaams als een ruwen balk, maar niet de fakkel des geloofs als een kostbaren schat, waarmede gij uwe gemaakte schulden betalen en den hemel koopen kunt. Handel drijvende of neringdoende personen verdienen gaarne veel, en hoe meer zij winnen des te vroolijker zijn ze gestemd; hunne klanten zullen zij steeds met alle voorkomendheid en vriendelijkheid bejegenen. Welnu, zegt de H. Joannes Chrysostomus (1), als wij met geduld een kruisje dragen, dat God ons overzendt, dan wordt Hij onze schuldenaar, die het achterstallige, op zijn tijd, duizendvoudig betalen zal. Met welk vriendelijk gelaat, met welk dankbaar hart moeten wij dan de komst van den Heer Jezus begroeten, als Hij ons een kruisje aanbiedt! dan immers laat Hij ons veel verdienen. Het is niet altijd in onze macht, elke gemoedsaandoening te onderdrukken , onze tranen te weerhouden, als wij de zwaarte des kruises gevoelen, maar inwendig toch smaakt hij eene zoete vreugde, die met do oogen des geloofs het kruis beschouwt. Hij aanvaardt het, als een middel om zijne wederliefde te toonen aan den goeden Jezus, die ter liefde van hem zulk zwaar kruis gedragen heeft, en als eene ladder, waarlangs hij ten hemel stijgt. Onder een vloed van tranen, en met oen hijgend hart. Stamelt hij toch, deze Godc zoo aangename en voor hem zoo verdicnstvolle woorden; «Gode zij dank.» Maken

(i) In Ephes. hom. 8.

-ocr page 416-

404

wij ons gewoon bij elk kruisje dat de hemel ons overzendt, aanstonds te zeggen: «God zij dank», overtuigd dat wij hierdoor meer verdienen dan door het honderd malen te zeggen in den voorspoed. Laten wij derhalve met liefde ons kruis opnemen, dat is, dat kruis, hetwelk de goede God ons toezendt, dat immers is het onze; en slaan wij alsdan den weg iu naar Golgotha, waar Jezus ons vooruitgaat. Als de moedeloosheid ons bestormt, en wij ons machteloos gevoelen, o dan moeten wij tot Jezus roepen. Hij zal ons de hand toereiken, en helpen den top bestijgen. En even gelijk Jezus zich daar nederlegde op zijn kruis en stierf aan zijn kruis, zoo moeten wij, na met en door Jezus ons kruis te hebben gedragen, eindelijk op een bed van smarten als op ons kruis ons nederleggen, daar het kruis omhelzende sterven, om daarna met Jezus te worden verheerlijkt in den hemel.

GEBED.

O mijn Jezus! Gij hebt tijdens uw sterfelijk leven zoo vele blinden genezen, genees ook nu een armen blinde, die hier aan uwe voeten ligt. Ik ben met eene geestelijke blindheid geslagen veel noodlottiger dan die des lichaams. In mijne blindheid ben ik van den waren weg afgeweken, en als een verloren schaap heb ik rondgedoold. Ik heb U gezocht, doch niet gevonden. Verblind gelijk ik was, zocht ik U buiten den waren weg. Op den weg, des kruises zou ik U gevonden hebben. Ik dank ü dat Gij mij reeds de oogen hebt geopend. Ik zie U thans, maar beladen met een kruis op den weg naar Golgotha. En Gij noodigt mij uit ü te volgen. Hebben mijne zinnelijkheid en zelfvoldoening

-ocr page 417-

405

mij tot dusverre hiervan teruggehouden, thans, verlicht en geholpen door uwe genade, neem ik met een bereidvaardig en dankbaar hart, liet kruis uit uwe handen aan , en ondanks den weerzin van mijne bedorven natuur druk ik liet aan mijn hart. Nu zie ik beter dan ooit, welken blik van welbehagen Gij U gewaardigt te werpen op hen, die uit liefde tot U hun kruis dragen en U volgen. Hun loon zal overgroot zijn in den hemel. Daarom bid ik U met uwen grooten dienaar den H. Franciscus van Assisië mij niet te sparen in mijn leven. Tevens bid en smeek ik U door de verdiensten van uw lijden op den weg naar Golgotha, mij mijne zonden te vergeven, die ik door mijne ontevredenheid en mijne klaagtonen bij het dragen van mijn kruis gepleegd heb. Van dit oogenblik af' aanvaard ik reeds alle kruisen, die het U behagen zal mij toe te zenden. Geef' mij de genade, o zoete Jezus, van ze immer met vreugde te dragen. O Maria, Moeder der smarten, bid voor mij, opdat ik uit liefde tot Jezus, met liefde lijde, om met Hem in den hemel te worden verheerlijkt. Amen.

HOOFDSTUK II.

Exeuntes aulem invenerunt hominem Cyrenaeum, nomine Simonem , hunc angariaverunt üt tolleret crucem ejus. Matth. XXVII : 32

Toen zij nu uitgingen, vonden zij eenen mensch van Gyrene, met name Simon, dezen dwongen zij om zijn kruis te dragen.

Ter oorzake van het veelvuldig bloedverlies, en het vreeselijk lijden was de goddelijke Verlosser zoodanig afgemat, en de krachten hadden Hem dermate begeven, dat Hij niet in staat was dat zware kruis tot op

-ocr page 418-

406

Golgotha's kruin te torsen op zijne schouderen. Voor het huis van Pilatus had Hij met liefde het kruis omhelsd, op zijne schouderen genomen, en door de straten van Jeruzalem tot buiten de poort dier stad gedragen; immer met eene koord om den hals door de beulen met den grootsten spoed voortgetrokken. De vrees, dat Pilatus, die ondanks de erkende onschuld van Jezus, Hem, door de Joden als gedwongen ter dood veroordeeld had, zijn eenmaal geveld vonnis zou herroepen, had hen hunne schreden doen verhaasten. Daar nu het kruis, volgens den H. Bonaventura (1) 15 voeten lang was, kunnen wij ons eenigermate de vreeselijke pijnen verbeelden, die Jezus te verduren had, telken male als het achterste gedeelte des kruises over een oneffen grond werd voortgesleept. Geen wonder dan ook, dat Hij uitgeput van krachten onder dien zwaren last bezweek, en, volgens eene godvruchtige overlevering, plat ter aarde nederviel. De goddelijke Voorzienigheid, die alles regelt, had een man, met name Simon, op dat oogen-blik aan de poort der stad gebracht; deze werd thans door de Joden gedwongen om het kruis van Jezus te dragen. Deze Simon was volgens den H. Ambrosius, den H. Hilarius en den H. Leo, zooals Jansenius (2) bemerkt, geen Jood, hij vertegenwoordigde de heidenen, die zich later bekeeren en Christus volgen zouden; immers niet één der Joden zou het kruis zelfs hebben willen aanraken, laat staan van het te dragen, indachtig hetgeen er geschreven staat: «vervloekt is een iegelijk «die aan het hout' hangt» (3). Van Christus, die, zooals de H. Paulus zegt (4), een vloek geworden is voor ons,

(l) Med. vit. Christi c. 77. — (2) In Matth. c. 27. -(3) Deut. 21. 23. — (4) Gal. 3. 13.

-ocr page 419-

407

om ons van den vloek der wet vrij te koopen, wilden zij niets weten, en daarom juist wildon zij Hem tot den kruisdood veroordeeld zien, opdat men zijn naam als dien van een gevloekte nimmer meer indachtig zou zijn. Simon, die vreemdeling, was Imn dus welkom, hij zoude gedwongen worden liet kruis van Jezus te dragen.

Was het uit medelijden met den zoo lijdenden en van krachten uitgeputfen Jezus, dat zij Hem het kruis van de schouderen namen? Was hun tot hiertoe verstokt gemoed, eindelijk getroflen op hot zien van dien deernisvvaardigen staat, waartoe zij Jezus, gebracht hadden? O neen! meedoogenloos wierpen zij een blik van verachting op den schier zieltogendcn Jezus, die daar lag aan hunne voeten. Maar, zegt do II. Antoninus (1), omdat zij zagen dat Christus, dien zij zoo spoedig mogelijk aan het kruis wilden slaan, slechts langzaam kon vooruitgaan, en zij nog altijd bevreesd waren, zooals ook de H. Bonaventura (2) beweert , dat Pilatus Hem nog het leven zou schenken; daarom moest een ander zijn kruis opnemen. De H. Alphonsus (3) echter zegt, dat de Joden , ziende dat Jezus op het punt stond den geest to geven, begonnen te vreezen dat Hij onder den weg zou sterven, en dat zij alsdan het genoegen niet konden smaken, Hem den schandelijksten dood des kruises te zien sterven, en daarom den Cyrener dwongen het kruis na Jezus te dragen. Hier doet zich de vraag voor: heeft Simon alléén of met Jezus het kruis gedragen? De H. Alphonsus (4) zegt duidelijk, dat men don Zaligmaker het kruis afnam,

(i) De Christi pass. c. 6. tit. 5. ss. 6. — (2) Medit. vit, Christi c. 77. — (3) T. 5. p. 202. — (4) ibid.

-ocr page 420-

408

en het op de schouderen van Simon legde. En op eene andere plaats (1) spreekt hij nog uitdrukkelijker. Dit gevoelen, zegt hij, volgt duidelijk uit de woorden van den H. Lucas 23, 26. en uit die van den H. Mattheus 27, 32. en is ook het waarschijnlijkste. De II. Bonaven-tura (2) beweert, dat Christus eerst, en daarna Simon het kruis gedragen heeft. En de H. Augustinus, de H. Arnbrosius, de H. Alhanasius, de H. Hieronymus zeggen, dat Simon het kruis alléén gedragen heeft (3). Christus ging vooruit, en de Cyrener volgde Hem met het kruis. Ware dit niet zoo, dan kunnen wij moeilijk begrijpen, hoe Hij, volgons den H. Lucas, zich tot do vrouwen kon keeren.

Wie onzer, daar wij dien Christus voor don God van hemel en aarde erkennen, zou zich niet gelukkig achten, don Verlosser der wereld te kunnen helpen en zijn kruis te mogen dragen! Hetgeen Simon godwon-gen deed, moeten wij met liefde verrichten in den persoon van allen , die lijden. Immers de diensten die wij onzen hulpbehoevenden broeders, en onze hulpaf-smeekenden zusters, ter liefde Gods bewijzen, zal Jezus beschouwen, alsof wij ze Hem zeiven bewezen hadden. Werd aan Simon, die in deu beginne het kruis met weerzin, later met liefde droeg, de gave des geloofs geschonken, alsmede aan zijne zonen Alexander en Rufus, dan zullen zeer zeker, de aan onzen naaste bewezen diensten hunne beiooning niet missen. Laat ons dan, een ieder volgens zijne krachten, uit liefde tot God onzen naaste behulpzaam zijn.

(l) T. 5. p. 79. — (2) In Joan. c. 19. — (3quot;) Cfr. Cornet, a Lapid. in Matth. 27. et Carthagena de Pass. Christi L. 10. hom. 20.

-ocr page 421-

409

lgt;c beliiil|tzaninhci(l.

Er vv'orcU, in onze dagen vooral, veel over mcnscli-lievendheid of phtlantropie gesproken en geschreven. Velen ook doen zich als zeer mensclilievend voor. Nauwelijks lieeft er ergens eene overstrooming, een brand of eene aardbeving plaats gehad, of gelden worden ingezameld , commissiën gevormd om den noodlijdenden behulpzaam te zijn. Wie zou zulke daad in zich kunnen of durven afki-uryn ? Worden die gelden goed beheerd, dan vinden duizenden verlichting in het zware kruis, dat zij loisen moeten. Doch daarom kan men nog niet van hen zeggen , dat zij Christus in den persoon dier noodlijdenden, zijn kruis helpen dragen. Velen immers willen van Christus niets weten, wiens Godheid zelfs door sommigen onder hen geloochend wordt. En daarom is de moeite, die zij zich geven, het offer, dat zij zich getroosten, met het doel alléén om den naaste te ondersteunen , niets meer dan eene natuurlijke deugd, waarvoor God, die rechtvaardig is, hen loont in dit leven. Wij moeten derhalve niet verwonderd zijn, als wij de goddeloozen vaak in voorspoed hun leven zien slijten, daar zij in het andere leven geene belooning te wachten hebben. Opdat Christus onze hulpvaardigheid, in het lenigen der smarten van onzen even-mensch beschouwe als aan Hem zeiven betoond , moet de liefde tot Jezus de drijfveer zijn onzer handelingen, en dan wordt zulk liefdewerk eene ware of bovennatuurlijke deugd, waaraan vele verdiensten voor den hemel verbonden zijn , mits men zich in den staat van genade bevinde.

Terwijl nu eenieder een kruis te dragen hoeft, doet zich de gelegenheid van onze behulpzaamheid te toonen.

-ocr page 422-

410

niet zelden voor. De armoede is een zwaar kruis, dat velen dragen moeten ; «de armen toch,» zegt Christus, «hebt gij altijd bij u» (1). Dezen kan men alzoo altijd de behulpzame hand bieden; niet eenieder, maar toch zeker hij, die door de fortuin begunstigd, tot de gegoede klasse behoort. De gedachte alleen: ik kan den Heer Jezus in den persoon der armen door eene aalmoes behulpzaam zijn in het dragen van zijn kruis, is voor hen die gelooven wel in staat om hen te bewegen, zich milddadig te toonen jegens de armen. Wij weten immers, dat Christus zulke daad, uit liefde tot Hem den arme betoond, zal beschouwen, alsof wij ze aan Hem verricht hadden. In den laatster» dag des oordeels zal Hij tot de gezegenden zijns Vaders zeggen: «Ik had honger, «en gij gaaft mij te eten; Ik had dorst, en gij gaaft mij «te drinken; Ik was een vreemdeling, en gij naamt mij «op; Ik was naakt, en gij bedektet mij; krank, en gij «bezocht mij; Ik was in de gevangenis, en gij kwaamt «tot mij» (2). Christus zal hun niet zeggeti: de behoeftige had honger, en gij gaaft hem te eten; maar Ik had honger, en gij gaaft mij te eten , en zoo verder. Waarom dat? Christus verklaart het door de volgende woorden: «Voorwaar zeg ik u,» zóó zal Hij hun toespreken, «voor zooveel gij dit aan één van deze mijne, «geringste broeders gedaan hebt, deedt gij het aan « mij » (3). Van deze waarheid, die Jezus ten aanhoore van alle kinderen Adams in dien grooten dag luide zal verkondigen , wilde Hij reeds den H. Martinus blijken geven. Een arme en. schier naakte man vroeg hem in den naam van Christus eene aalmoes; daar hij echter niets had dan de wapenen en de kleederen die hij

(l; Joan. 12. 8. •—(2) Matth. 25. 35. 36. — (3) Ibid. v. 40.

-ocr page 423-

411

droeg, sneed hij met zijn zwaard een stuk van zijn mantel en gaf liet liem. Den volgenden nacht verscheen hem Christus met de helft van den mantel gekleed en sprak: «Martinus de geloofsleerling heeft mij met dit «kleed gedekt.»

De Heiligen beschouwden dan ook steeds Christus in den persoon der armen, vandaar dat zij hen altijd met den meesten eerbied bejegenden. Carolus, graaf van Vlaanderen, bijgenaamd de Goede, in het jaar 1127 te Brugge in de kerk van den H. Donatianus gedood, begon altijd den dag met het uitdoeion van aalmoezen ; doch uit eerbied voor Jezus Christus, dien Hij in de armen vereerde, deed hij het blootsvoets, terwijl hij de hand van den behoeftige kuste, die de aalmoes ontving. Hij wordt dan ook iu zijn land als een Heilige vereerd (I). Geen geringeren eerbied koesterden eene H. Elisabeth, eene H. Margaretha, koningin van Schotland, en duizenden anderen jegens de armen. Indien men altijd met zulk levend geloof bezield was, dan zou het lot der armen en dat der rijken vaak verbeterd worden, genen zouden getroost en opgebeurd, dezen rijker worden in verdiensten. Terwijl zij Jezus in den persoon der armen zijn kruis hielpen dragen. zouden zij Hem dichter naderen en van Hem, gt;:ooals Simon de Cyrener met genaden verrijkt worden.

Dan niet alleen het spijzen der hongerigen, bet laven der dorstigen, en het kleeden der naakten zal Christus beschouwen als diensten Hem betoond , maar ook die, welke wij uit liefde tot Hem den zieken bewijzen. «Ik was ziek,» zal Hij tot de rechtvaardigen «zeggen in het oordeel, en «gij bezocht mij.» Troostvolle

(i) Cfr. Rohrbaeher T. 8. p. 148.

-ocr page 424-

•412

gcdaclite voor hen wier taak het is , zieken te bezoeken, zieken te ondersteunen, zieken te verplegen, zooals trouwe leden tier Vincentius' vereeniging, dames der ver-eeniging van de []. Elizabeth, en de liefdezusters of andere religieuzen in de hospitalen voortdurend doen. Hoe bemoedigend is het, wanneer wij aan de deur der zieken kloppen, te denken: het is de Heer Jezus dien ik in die kranken bezoek ! Deze gedachte voert ons op de vleugelen der liefde langs straten en stegen, naar ver afgelegene huizen, naar armoedige woningen, waar wij lastige en hooge trappen beklimmen, om in den persoon dier zieken den lijdenden Jezus te troosten, te verkwikken en op te beuren. De hitte, de koude, het gure en onstuimige weder houdt ons hierom niet terug; immers het geldt een bezoek aan den kranken Jezus, die met des te grooter welgevallen op zulk bezoek zal nederzien, naarmate de moeite die wij ons geven, het olfer dat wij ons getroosten om het te kunnen brengen, grooter zijn. In welke eerbiedige houding zullen wij hen alsdan bejegenen! en wel verre van door ruwe en bitse woorden hun kruis te verzwaren, zullen wij ons beijveren door eene zachte behandeling, door innemende manieren, door eene medelijdende belangstelling en door troostvolle woorden hen op te beuren onder het kruis, dat hen pijnigt en loodzwaar op de schouderen drukt. In het gezelschap van dien lijdenden Jezus vinden zij eene talrijke schare van Engelen, die hunne schreden tellen, hunne liefderijke woorden bewaren zullen, om ze den Allerhoogste. aan te bieden, van Wien hun zegeningen , genaden en belooning zullen geworden.

Naarmate het geloof levend is, zullen de dames van de H. Elizabeth's vereeniging getrouw zijn de vergaderingen bij te wonen, om de belangen der arme zieken te be-

-ocr page 425-

413

spreken en uit liefde tot den lijdenden Jezus een klee-dingstuk te vervaardigen. Der armoede ten prooi zijn, is reeds een zwaar kruis, maar zwaarder, ja schier ondragelijk wordt liet, als ziekte met de armoede gepaard gaat. Dat lijden, door goede en warme kleeding verzachten , is Jezus als behulpzaam zijn in het dragen van zijn kruis. Wie zou het geluk niet benijden der Allerheiligste Maagd Maria, die met hare maagdelijke handen voor haar goddelijk Kind een kleed kon wevenI Dan, o grenzenlooze goedheid van een God! Hij wil ons doen deelen in dat geluk, door de arme zieken vertegenwoordigd worden, en uit onze handen het kleed aanvaarden, dat wij gemaakt of gekocht hebben, en den balsem, dien wij hierdoor op de wonden der zieken leggen, beschouwen, ais een dienst Hem zeiven bewezen. Hoe werkdadig helpen dezulken Jezus, in den persoon der zieken zijn kruis te dragen.

Een verrukkend schouwspel echter voor God en do mènschen zijn die edelmoedige jonge dochters, welke, na aan alles wat de wereld hun aanbood te hebben verzaakt, zich niet voor eenige jaren, maar voor gansch het leven den dienst der zieken toewijden. Men ziet ze den ganschen dag en menigmaal geheele nachten aan het ziekbed van de meest verlaten personen , aan wie zij de vernederendste en meest walgelijke diensten bewijzen, ondanks de grove bejegeningen die zij vaak te verduren hebben. Uitzondering van personen maken zij niet, allen hebben dezelfde aanspraak op dezelfde liefderijke behandeling, en wel op de eerste plaats zij, die het meest verlaten, het meest lijdend, en aan de meest walgelijke ziekte onderworpen zijn. Immers in allen beschouwen zij den persoon van Christus; vandaar die bezorgdheid, die minzaamheid, ja zelfs die eerbied

-ocr page 426-

414

waarmede zij allen bejegenen. Geen lof, geene dank-betniging, geene aardsche belooning is de drijfveer barer handelingen; deze trouwens zouden onvoldoende zijn, om ben tot bot brengen van zulke offers te bewegen; maar den lijdenden Jezus in den persoon dier kranken te troosten, te verzorgen en iJem zoo doende zijn kruis te helpen dragen, is haar eenigst doel. Niet deze of gene zieke, maar de lijdende Zaligmaker houdt hen aan bet bed der zieken gekluisterd. Van Hem en van Hem alléén wachten zij de belooning.

Het is waar, eenieder kan den arme niet bijstaan, de zieken niet verplegen; edoch er doen zich eene menigte andere omstandigheden voor, waarin men blijken geven kan van zijne behulpzaamheid. Uwe bezigheid is bij voorbeeld niet van dien aard, of gij kunt u gemakkelijk kwijten van uwe taak, zoo zelfs, dat gij ten behoeve van anderen soms over een uur of minstens over eenige oogenblikken kunt beschikken. Anderen integendeel zijn met werkzaamheden overladen, en gaan onder den arbeid ais onder een zwaar kruis gebukt. Zij roepen uwe dienstvaardigheid in, en gij zijt overtuigd , dat zij uwe behulpzame hand, die gij hen aanbiedt, met dankbaarheid zullen aannemen. Waarom zou men in zulk geval zijne handen niet slaan aan het kruis, dat de Heer Jezus, onze broeder, torst? Hem immers bewijzen wij eenen dienst, daar Hij dien als aan Hem zeiven bewezen, beschouwen, en als zoodanig beloonen zal. Op deze wijze kan eenieder, op het voorbeeld van Simon den Cyrener, Jezus in den persoon van onze broeders en zusters, zijn kruis helpen dragen; immers hiertoe doet zich de gelegenheid schier eiken dag voor èn in do huisgezinnen èn in de gasthuizen, ja in elke woning waar meerderen te zamen wonen. Eeu

-ocr page 427-

415

stichtend voorbeeld van deze zoo liefdevolle behulpzaamheid zien wij in een woestijnbewoner, met name Theodorus. Op zekeren dag bezig in de bakkerij om het brood te bereiden, kwam daar een broeder, die zijne hulp noodig had. Onmiddellijk liet hij zijn werk staan om zijn broeder te helpen. Daarna kwam er een tweede, en ook dezen bood hij eene behulpzame hand, en zoo bewees hij aan zes broeders die elkander opvolgden, aan den een na den anderen denzelfden dienst, en dat met de grootste minzaamheid (1). Maar gaat de hulp die men verleent, met ongeduld en een onvriendelijk voorkomen gepaard, dan zou ze veel van hare waarde en verdienste verliezen, en gebrek aan een levend geloof verraden. Om dit geloof, waardoor wij Christus in den persoon van onze, op welke wijze dan ook lijdende bloeders en zusters beschouwen, te verlevendigen , en te beloonen tevens, heeft God meer dan eens een Engel gezonden in de gedaante van een .arrn en verlaten mensch.

De woestijnbewoners maakten veelal matten, die zij dan in de naastbij gelegen stad verkochten, om in hun onderhoud te voorzien. Toen nu de abt Agathon zich met dat doel daarheen begaf, ontmoette hij op zijn weg een lamme, die hem vroeg, of hij de goedheid wilde hebben hem op do schouderen te nomen en naar de 5tad te dragen, Met de grootste liefde toonde hij zich hiertoe bereid. Naarmate Agathon van zijne waren verkocht, vroeg de lamme hem dit en dat trn zijnen be- , hoeve tekoopen; ook hierin bevredigde hij dien bedelaar. Ten slotte vroeg hij nog een liefdewerk, dat wij wellicht als eene groote onbeschaamdheid zouden beschou-

(i) Vie des Pères du désert par Marin. T. 4. p. 29.

-ocr page 428-

416

wen; en wat was dan zijne bede? Dat Agatlion hem naar dezelfde plaats zou terug dragen, waar hij hem gevonden had. Een ander, met een minder levend geloof bezield, zou wellicht zulke stoute bede afgeslagen hebben; maar Agathon bedacht zich geen oogenblik, en zonder de minste verontwaardiging voldeed hij met liefde aan zijn verzoek. Nabij de plaats gekomen, riep de lamme uit: «Gezegend zijt gij, o Agathon door God, «in den hemel en op de aarde,» en hij verdween (1). Beschouwde Agathon hem als een Engel? het is wel waarschijnlijk; doch in elk geval had hij in den persoon van dien lamme Christus beschouwd, door wien hij dan ook gezegend werd. Waren ook wij altijd met zulk levend geloof bezield, wij zouden niet zoo vaak de van ons gevraagde diensten van de hand wijzen. In onze lijdende en hulpbehoevende broeders en zusters zouden wij Christus zien, beladen met zijn kruis, en ons haasten Hein dien zwaren last te helpen dragen. Dan zou menige zucht gestaakt, menige traan afgedroogd, menige wond geheeld, in één woord het kruis voor velen dragelijker, en onze verdiensten grooter worden.

GEBED.

O mijn liefderijke Verlosser! ik, die mij gelukkig zou geacht hebben uw kruis te mogen dragen, ben vaak zoo onwillig U in den persoon der lijdenden behulpzaam te zijn. Gestadig verklaar ik met mijn mond U te beminnen, maar als er sprake is van mijne liefde door daden te toonen, dan is er niemand trager, niemand nalatiger dan ik. Om dezen of genen ter liefde

(i) Vie des Pères du désert. T. 4. chap, 5. pag. 446.

-ocr page 429-

447

van U zijn kruis niet te helpen dragen, heb ik nu dit dan dat nietig voorwendsel, en bewijs ik ook soms een dienst, dan gaat het vaak met ongeduld en onvriendelijkheid gepaard. Ik zie het en ik beken het volmondig, dat mijne liefde niet veel beteekent; ware zij vuriger geweest, dan zou ik mij bereidvaardiger en voorkomender getoond hebben in het bezoeken, het ondersteunen en het verplegen Van armen, zieken en lijdenden. In plaats van hun lijden te verzachten, heb ik door bitse woorden, ruwe manieren en mijn stroef gelaat hun lijden verzwaard. O mij ongelukkige! wat heb ik gedaan? U beleedigd, mijn naaste bedroefd en mij zeiven vergeten. Alle zonden, zeide uwe groote dienares de H. Theresia, spruiten voort uit gebrek aan geloof; ik beken het volgaarne. Ware mijn geloof meer levend geweest, hadde ik U in den persoon dier lijdenden beschouwd, ifan zou hun lijden niet zoo erg. mijne liefdeloosheid niet zoo groot geweest zijn. Ik bid U, mijn Jezus! om de liefde waarmede Gij uw kruis gedragen hebt, mij die liefdeloosheid te vergeven, waarmede ik mijn naaste bejegend heb. Ik heb thans vast besloten mijn evenmensch, wie hij ook moge zijn, ter liefde van U behulpzaam te zijn in het dragen van zijn kruis, telkenmale als de gelegenheid zich voordoet. Gelieve dit voornemen te zegenen. H. Maagd Maria! verkrijg mij do genade uwen Zoon Jezus in den persoon der lijdenden steeds de behulpzame hand te bieden. Amen.

27

Lijden v. Christus.

-ocr page 430-

418

HOOFDSTUK III.

Sequebatur autem ilium inulla turba populi, et mulierum, quae plangebant, et lamentabantur eum. Luc. XXIII. 27.

En Hem volgde eene groofe schare van het volk ook van vrouwen, die Hem beklaagden en beweenden.

Op den weg naar Golgotha werd onze goddelijke Verlosser door eene groote menigte volks vergezeld, die de vreeselijkste verwenschingen tegen Hem uitbraakte. Ondanks zijn mateloos lijden, inoest Hij de bitterste spotternij en den grievendsten smaad verduren. Volgens eene godvruchtige overlevering, door den H. Bonaven-tura (1) bevestigd, ontmoette Hij er ook zijne bedrukte Moeder. Door den H. Joannes begeleid sloeg Maria, volgens dienzelfden H. Kerkvader, een korteren weg in, om op den hoek dier straat haren Zoon te zien voorbijtrekken. Uit hoofde der groote menigte en den spoed waarmede zij hun weg vervolgden, was liet hun niet gegund een enkel woord te kunnen wisselen; het bleef bij een wederzijdschen blik. Doch deze kortstondige blik op zijne zoo dierbare en thans zoo smartvolle Moeder, veroorzaakte dien teerminnenden Zoon, door het diepste medelijden getrolfen, hevigere smarten, dan alles wat Hij in zijn gezegend lichaam door de beulen te verduren had. O, die teedere en medelijdende blik op die zoo bedrukte Moeder, goot een balsem in zijne bloedige wonden, maar sloeg zijn goddelijk Hart met de diepste wond, die ooit een hart kan worden toegebracht.

Den grievendsten smarten ten prooi vervolgde de van smarten als uitgeputte Jezus zijn lijdensweg, terwijl

(i) Med. vit. Chr. c. 77.

-ocr page 431-

419

lt;le lucht weergalmde van de schromelijkste godslasteringen en helsche jubelkreten. Onder die duizenden, die Jezus niet uit het oog verloren, waren er waarschijnlijk wel eenige mannen, bijv. een Nicodemus, een Jozef van Arimathea, innig bewogen met den erbarmelijker! toestand, waartoe zij Jezus gebracht zagen, maar hun medelijden toonen, durfden zij niet. Op de vrouwen echter die Jezus volgden werd minder acht geslagen; deze konden schier ongestoord den vrijen loop aan hare tranen geven, hetgeen zij dan ook deden, want, zegt de H. Lucas, zij beklaagden en beweenden Jezus. Maar waarom? Beschouwden zij Jezus misschien als den aan hunne vaderen beloofden Verlosser? Of meenden zij wellicht, dat Hij minstens onschuldig ter dood verwezen was? «Neen,» zegt de H. Alphonsus (1), «de vrouwen deelen «meestal in het gevoelen van hare mannen, en daarom «oordeelden ook zij Jezus schuldig; doch daar Hij na «die vreeselijke geeseling zich in zulken deerniswaardigen «staat bevond, dat Hij hen zelfs tot klagen dwong, die «Hem haatten, konden deze vrouwen, getroffen door het «zien alleen van dien zoo lijdenden Jezus, zich niet ont-«houden van tranen te storten en diepe zuchten te sla-«ken.» «Doch Jezus,» zegt de H. Lucas, «keerde zich «tot haar en zeide; Dochters van Jeruzalem! weent niet «over mij, maar weent over u zelven en over uwe «kinderen.» Christus, zegt de H. Bonaventura (2), gispte het gedrag dier vrouwen niet, omdat zij door medelijden bewogen. Hem beweenden; maar omdat zij dor moedeloosheid ten prooi waren. Weleer zeide Christus ook tot de weduwe van Naïm: «Wilt niet weenen,» alsof Hij wilde zeggen: vrouw, houd op met weenen,

(i) T. 5. p. 79. — (2) In Luc. e. 23.

-ocr page 432-

420

•want uw zoon zal ik tot het leven terugroepen. Even zoo zeide Hij tot die vrouwen: «weent niet over mij,» als wilde Hij zeggen, Ik sterf niet voor mij, door mijn dood zal ik over den dood zegevieren, en over hem die den dood bewerkt heeft, en Ik, Ik zal uit de dooden opstaan en leven in eeuwigheid. Deze is de zin, dien de eerbiedwaardige Beda (1) geeft aan die woorden van Christus.

Het weenen werd haar alzoo niet verboden; doch de bron, waaruit die tranen ontsproten, was niet rein. Een louter natuurlijk medelijden bezielde haar. En daarom zeide haar de Zaligmaker: «Weent over u zeiven en «over uwe kinderen.» O, hadden zij geweend over hare zonden en die harer kinderen, dan zouden zij Christus getroost hebben; immers de zonden waren de oorzaak van al die vreeselijke smarten, en die tranen waren voor haar tevens eene bron geweest van genade en barmhartigheid voor den dag dor wrake, welke Christus haar aankondigde door deze woorden: «Indien zij dit «doen aan het groene hout, wat zal dan aan het dorre «geschieden!» Christus, zegt de H. Bonaventura (2), is het groene hout. Hij is de boom des levens, rijk in vruchten; het dorre hout, dat geene vruchten draagt, is de zondige mensch. Indien derhalve Hij, die vrij is van elke zonde, niet zonder lijden de wereld verlaat, welk lijden staat dan hun te wachten, die aan het dorre hout gelijk, geene vruchten voortbrengen. Willen wij alzoo den toekomstigen toorn ontvlieden en op den dag des gerechts niet als een onvruchtbare boom uitgehouwen en in het vuur geworpen worden, dan moeten wij ons bij tijd beijveren onder de schaduw van

(i) Super Luc. L. 6. c. 93. — (2) In Luc, c. 23.

-ocr page 433-

421

Christus, die de boom des levens is, vruchten voort te' brengen, maar vruchten der bekeering waardig, ware vruchten van boete, geëvenredigd aan den duur en de zwaarte der zonden.

II Bootvnnrdigheid.

Die zonden pleegt, moet voor de zonden boeten en voldoen aan Gods rechtvaardigheid. Hiertoe zijn wij allen verplicht; immers wij allen hebben gezondigd. «In-«dion wij zeggen,» zoo spreekt de H. Joannes (1), «dat «wij geene zonde hebben, zoo misleiden wij ons zeiven, «en de waarheid is niet in ons,» want waarheid is het wat de H. Jacobus leert (2); «In vele dingen struikelen «wij allen.» En de H. Kerkvergadering van Trente (3) veroordeelt dezulken, die zeggen, dat de mensch, na eens gerechtvaardigd te zijn, zijn gansche leven lang alle zonden, ook de dagelijksche zonden, vermijden kan, tenzij door een bijzonder voorrecht hem van God geschonken , welk voorrecht de Kerk houdt, dat aan de H. Maagd is verleend geworden. «Indien wij dan zeg-«gen, dat wij niet gezondigd hebben,» zoo besluit de H. Joannes, «dan maken wij Hem (God) tot leugenaar, «en zijn woord is niet iti ons.» Hebben wij allen zonder uitzondering, gezondigd, wij allen moeten dan ook boete doen, de eene meer, de andere minder, naarmate men gezondigd heeft.

De boetvaardigheid, zegt de H. Thomas (4), is eene bijzondere deugd, waardoor de mensch zich beijvert de gepleegde zonde uit te wisschen en te verfoeien. Maar wie zal ons de verzekering geven, dat al onze onge-

(i) I. Episl. c. i. v. 8. — (2) Jac. c. 3. v. 2. — (3) Sess. 6. can. 23. — (4) Summ, part. 4. qu. 85. art. 2.

-ocr page 434-

422

rechtigheden teneenenmale uitgewischt zijn ? Hebben wij ze met een rouwmoedig hart beleden aan den biechtvader en de ons opgelegde boete verricht, dan kunnen en moeten wij vastelijk vertrouwen, dat God in zijne eindelooze barmhartigheid ze ons allen vergeven heeft, hoe zwaar en menigvuldig zij ook mochten geweest zijn. Doch blijven er dan geene tijdelijke straffen meer over? Of meent, gij wellicht, dat na het volbrengen dier geringe boete, u niets meer te boeten overblijft? Al heeft een vader zijn kind de overtredingen vergeven en het in zijne vriendschap weder opgenomen, daarom is het nog niet ontslagen van elke straf. Het gebeurt wel eens, dat de goede God eene rouwmoedige ziel, ter oorzake van haar buitengewoon berouw, alle zonden en de door dezen verdiende straffen geheel en al kwijtscheldt; maar wie durft hierop voortgaan? Zeker niet de ware boetelingen; dezen meenen, dat zij nimmer boete genoeg kunnen plegen voor de beleedigingen der goddelijke Majesteit aangedaan. Zou men iemand onder het getal van zulke rouwmoedige personen kunnen rangschikken, wier harten door den rouw als vermor-seld en verteederd waren, dan zijn het zeker: een David, een Petrus, eene Maria Magdalena, eene Maria van Egypte, eene Pelagia, eene Margarita van Cor-tona en andere heilige boetelingen, die gestadig uitriepen : «Wie zal aan mijn hoofd water, en aan mijne «oogen eene bron van tranen schenken, en dag en nacht «zal ik weenen» (1), of zeg ik beter, wier oogen reeds als twee fonteinen 'waren, waaruit voortdurend tranen van leedwezen vloeiden, waarmede zij in het stille van den nacht zoo vaak den vloei' besproeiden, waarop

(i) jerem. 9. J.

-ocr page 435-

423

zij waren gelegen. En toch, welke boete hebben zij niet gepleegd ? In een heiligen haat ontstoken tegen hun lichaam, dat werktuig der zonden, gunden zij het geene rust, en met de striemen der geeselslagen was het vaak als overdekt.

De H. Joannes Climacus (1) beschrijft de levenswijze van eenigen dier heilige boetelingen, als volgt: «Ik zag «ze in lompen gehuld, de borst door slagen bebloed «en verscheurd, bleek, uitgeteerd en misvormd, aan «wandelende geraamten gelijk. Eenigen waren aan do «brandende stralen der zon blootgesteld, anderen versduurden de felste koude, sommigen versmachtten van «dorst, namen een druppel water, alleen voldoende om «hen van dorst nog meer te doen branden; nog ande-«ren ramen eene bete broods, terwijl zij het overige «lieten liggen, zich onwaardig achtende het voedsel der «redelijke schepselen te nutten, na als onredelijke we-«zens te hebben geleefd. Allen brachten de dagen en «de nachten in verzuchtingen en tranen door, terwijl «zij hartverscheurende kreten slaakten, in staat de «rotsen te vermurwen.» Hij roemt dan ook een boetvaardig mensc'n, die zich alle lichamelijke vertroosting ontzegt, en elke kastijding gewillig verdraagt, en ze zich zeiven aandoet. O hoe zeer verschilt het leven dier ware boetelingen van dat van velen in de wereld, die na vroeger vele en zware zonden te hebben gepleegd, thans nog zulk gemakkelijk en onverstorven leven leiden! Van boete te doen voor hunne zinnelijkheid van weleer, is geen sprake. Niets mag hun ontbreken, alles willen zij volop genieten, en gestadig zetten zij hunne zinnen op alles, wat het leven kan veraangenamen.

(i) Grad. s.

-ocr page 436-

424

Konden zij zich minstens nu en dan , met gelatenheid, eenige ontberingen getroosten in den geest van boetedoening! Dan neen, als zij niet alles hebben, zooals zij het verlangen, zijn ze ontevreden en lastig voor anderen. Helaas! zij die misschien honderd malen de hel verdiend hebben, kunnen zich de geringste ontbering, het minste lijden niet getroosten. Hun lichaam, eenmaal het werktuig der zonden, wordt nog immer gekoesterd. En toch ware het beter, nu wraak te nemen op dat zondig lichaam, dan zich aan de wrake des Heeren over te leveren; immers eene boete, die men zich zeiven in dit leven vrijwillig oplegt, zuivert veel meer, zegt de H. Thomas (1), dan wanneer men hiermede wachten zou tot na dit leven. Ach, mochten zij zich steeds herinneren aan de woorden van den Apostel Paulus: «Gelijk gij namelijk uwe leden hebt over-«gegeven, om der onreinheid en der ongerechtigheid «dienstbaar te zijn ter ongerechtigheid, geeft evenzoo «ook uwe loden over om der gerechtigheid dienstbaar «te zijn tot heiliging» ('2), dan zouden zij misschien, is het niet boete doen, minstens hun lichaam niet zóó koesteren als zij tot dus verre gewoon zijn.

Er zijn er die, na vele gepleegde zonden, de wereld verlaten en het kloosterleven omhelsd hebben, om daar in de stille eenzaamheid over hunne misdaden te zuchten , en hun lichaam aan eene strenge boete te onderwerpen, en het gebeurt niet zelden, dat zij, ter oorzake van hunne diepe nederigheid, waarmede zij zich in den geest van boete de zwaarste en vernederendste werkzaamheden getroosten, andere, ofschoon overigens onschuldige personen in deugd en heiligheid ver overtref-

(11 Opusc, de humanit. Christi. —- (2) Rom. c. 6. [9.

-ocr page 437-

425

fen. Docli ■wellicht zijn er ook, die na aan de wereld Vferzaakt en met vurigen ijver een leven van opofTerin-gen omhelsd te hebben, zulke levenswijze weldra moede, zich geen offer meer getroosten, en door allerlei uitzonderingen een betrekkelijk goed leven zoeken te leiden, onder den uiterlijken schijn van eene strenge en boetvaardige levenswijze. En het gevolg hiervan is, dat zij, die veel te boeten hebben, zich soms niet eene onbeduidende en met hunne gepleegde zonden, niet evenredige boete kunnen getroosten, welke de on-schuldigsten met de grootste liefde en bereidwilligheid zich laten welgevallen, en dat zij hunnen staat des levens als eeti ondragelijk kruis beschouwen, dat zoo velen met liefde torsen. Na de zonde geene boete te willen doen is eene onbillijkheid en dwaasheid tevens, immers het spreekwoord zegt: «die iets verdient, moet «iets hebben» , en door zich zeiven eene kleine straf op te leggen, kan men eene zware voorkomen. Maar onder den schijn van boetedoening elke boete weigeren is daarenboven nog eene verregaande schijnheiligheid, waardoor de verdiende straf niet verminderd, wel vermeerderd wordt.

De Heiligen waren met een gansch ander gevoelen bezield. Zij waren overtuigd nimmer boete genoeg te kunnen plegen over hunne fouten, al waren zij zich niet eene zware zonde bewust. De geringste dagelijksche zonde maakte hen in hun eigen oog zóó strafwaardig, dat zij elke boete voor onbeduidend beschouwden, in vergelijking van hetgeen zij meenden door die zonde verdiend te hebben. Dit verklaart ons eenigszins de strenge boetvaardigheid, die ze pleegden, zelfs zij die een onschuldig en engelachtig leven leidden; want allen beschouwden zich als zondaars, allen wisten, dat alle

-ocr page 438-

426

zonden tot do kleinste toe, niet zonder een bijzonder voorrecht van God kunnen vermeden worden. Hun leven brachten zij door met vasten, waken, bidden en liet beoefenen van allerlei verstervingen. De 11. Petrus van Alcantara bewoonde eene kleine cel, waarin hij niet rechtop kon staan, zij was te laag, evenmin rechtuit kon liggen, zij was niet lang genoeg. Hiermede nog niet tevreden, maakte hij in den zomer het venster dicht, in den winter open. De H. Rosa van Lima bond soms hare haren aan een nagel vast, en stond op die wijze gedurende den nacht eenige uren tegen den muur te slapen; zij gunde haar maagdelijk lichaam dag noch nacht eenige rust. Doorlees het leven der Heiligen, en gij zult ze allen met welke soort van roede dan ook, gewapend vinden om hun lichaam te kastijden. Meestal legden zij zich eetie boete op overeenkomstig met de door hen gepleegde fout. Waren zij weleer wat ijdel geweest in hunne kleeding, de grofste en meest versleten kleedercn waren hun later het dierbaarste. Hadden zij hunne oogen niet genoeg bewaard, de oogen moesten boeten, en zoo verder. Zoo lezen wij, dat de H. Arsenius, een woestijnbewoner, slechts eens in het jaar het water veranderde, waarin hij eene soort van biezen bewaarde om matten te maken, zoodat er een verpestende damp uit opsteeg. Dit is, zeide hij, tot boete van de reukwerken, waarvan ik mij in de wereld bediende (l). De H. Sabas, ook een woestijnbewoner, zag, toen hij in den tuin werkzaam was, schoone appelen hangen. Onder de bekoring was hij reeds zoo ver bezweken , dat hij er eenen geplukt had om op te eten. Doch nu herinnert hij zich den val van Adam; hij

(l) Migne, T. 73. p. 865.

-ocr page 439-

m

werpt den appel op don grond, en treedt hem onder de voeten. Maar nog zou hij boeten voor die overtreding. En welke boete legde hij zich zei ven op? Al de dagen zijns levens at hij nimmer meer zulke vrucht. Deze boete was Gode zoo aangenaam, dat hij voortaan door de genade Gods, van eene tweevoudige bekoring, even lastig als vernederend bevrijd bleef; met het vleesch en den slaap was zijn strijd ten einde (1). De H. Paula, zooals de H. Hieronymus ons verhaalt, beweende dermate hare kleinste fouten , dat men haar plichtig zou wanen aan de zwaarste misdaden, en als die heilige vader haar opmerkzaam maakte, dat zij, tengevolge van dat gestadig weenen, het gezicht verliezen en niet meer in staat zou zijn Gods geschreven woord te kunnen lezen, gaf zij tot antwoord: dit aangezicht, dat ik weleer zoo dikwijls blankette, moet misvormd, dat lichaam, dat zoo vele genoegens smaakte, gekastijd, dat gestadig en bovenmate lachen door tranen vergoed, die weeke en zijden kleeding door een boetekleed vervangen worden.

Welk onderscheid tusschen het leven dier Heiligen en het onze. Zij waren Heiligen, zult gij zeggen, en waar is het, dat zij in vele zaken meer verdienen bewonderd dan nagevolgd te worden; eenieder heeft zulke genade niet, en ook God vergt van allen zulke strenge boete niet. Maar moeten wij met verbazing het leven beschouwen van Heiligen, die zulke boete deden, niet, dan met medelijden kunnen wij onze oogen vestigen op hen, die er geene doen. Indien zij, voor hunne weinige fouten zoo zwaar geboet hebben, dan mogen wij, voor onze zoo vele en zware fouten, ons toch wel eene

(l) Marin. Vie des Pèies du clésert. 1. 7. chap. 19.

-ocr page 440-

4'28

liclite boete opleggen. Is dit niet meer dun billijk.' Zou ons echter de moed ontbreken, om na een zondig, thans een boetvaardig leven te leiden, overeenkomstig met liet getal der zonden, en den graad van boosheid waarmede wij ze pleegden, laten wij dan minstens in den geest van boete, ons behoorlijk kwijten van de plichten aan onzen staat verbonden, welker stipte vervulling vaak met vermoeienis, afmatting en ofTers gepaard gaat. Wordt een armoedig leven ons lot, een zwaar kruis gelegd op onze schouderen, eene pijn ons veroorzaakt, zeggen wij dan tot ons zei ven: «die iets «verdient, moet iets hebben» en laat ons dat alles in den geest van boete verdragen. Want, zegt de H. Bo-naventura (1), het is een hooge graad van genoegdoening, de zonden door almoezen, een hoogere door goede werken, de hoogste door kastijding des lichaams, te voldoen, maar voegt hij er bij, het is volmaakter, al wat ons hindert met geduld te verdragen, dan zich met goede werken onledig te houden. De gelegenheid van boete te kunnen doen, zal ens niet ontbreken ; geve God dat wij ze steeds mogen benutten, dan zal, naarmate wij ons zeiven straffen, de straf geringer en de verdienste grooter zijn.

GEBED.

O mijn liefdevolle Zaligmaker! Gij hebt mijne zonden gedragen in uw lichaam, Gij hebt voor mijne ongerechtigheid zoo ontzettend veel geleden. Wanneer zal ik de billijkheid en rechtvaardigheid inzien, dat ook ik voor mijne persoonlijke zonden, helaas! zoo menigvuldig in getal, moet boeten ? Geldt het mijne onderdanen, dan

(i) De grad. virt. c. 24.

-ocr page 441-

429

laat ik geene beleediging ongestraft, en mij zeiven straf ik niet, ofschoon ik U duizend malen beleedigd, en meer dan iemand straf verdiend heb. Door mij zeiven eene geringe boete op te leggen, door de kruisjes met geduld te dragen, door mij met ijver te kwijten van de plichten aan mijn staat verbonden , had ik zoo gemakkelijk voor mijne gepleegde fouten kunnen voldoen, en, wat erger is, zonder voor de reeds bedre-vene te boeten, heb ik door mijn ongeduld er nieuwe bijgevoegd. Dagelijks het getal mijner fouten te ver-grooten , en voor niet ééne te willen boeten, dat mag zoo niet langer duren, en daarom aanvaard ik nu reeds tot voldoening mijner zonden, al de moeilijkheden en onaangenaamheden, die mij in hot waarnemen mijner bediening staan te wachten, en al de kruisen, o mijn Jezus, die Gij in uwe goedheid mij schenken zidt. Kastijd mij , o God, in den tijd, maar spaar mij in de eeuwigheid. Door al hetgeen Gij. o mijn dierbare Verlosser, geleden hebt in uw gezegend lichaam, bid ik U, mij do ongeregelde liefde tot mijn lichaam te vergeven. Voortaan moet het een ofler zijn, ü door de boetvaardigheid gebracht. Geef mij hiertoe uwe genade. 0 mijne goede Moeder Maria, help mij door uwe alvermogende voorspraak, om de overige dagen mijns levens in boetvaardigheid door te brengen, opdat mijn goddelijke Rechter mij op den dag der vergelding genadig zij.

-ocr page 442-

430

HOOFDSTUK IV.

Et dederunt ei vinum bibere cum felle mistum. Et cum gustasset, noluit bibere. Matth. XXVII. 34.

En zij gaven Hem wijn te drinken met gal gemengd; en geproefd hebbende wilde Hij dien niet drinken.

Den weg, dien een door den pijl getroffen hert is ingeslagen, kan men gemakkelijk kennen aan het bloed, dat uit de gapende wond gespat, de aarde bevochtigt. Zoo ook was het niet moeielijk den weg te vinden, dien Jesus van het huis van Pilatus tot op Calvarië gevolgd had. Gewond door den pijl van liefde tot de menschen, had Hij op zijn weg overal sporen achtergelaten van zijn bloed, dat gestadig uit zijne wonden vloeide, vooral uit zijn gezegend hoofd dat Hij , als van schaamte overladen steeds voorover hield gebogen, en waaraan de doornen, waarmede het omvlochten was, steeds nieuwe en diepere wonden maakten, hetzij door het kruis zelve, hetzij door het vallen op den weg, hetzij door het ruwe geweld dat men ten zijnen opzichte pleegde. Met het volste recht wordt dan ook deze weg, de lijdensweg des Heeren genoemd. Doch is thans die weg ten einde, het lijden van Christus is nog niet ten einde. Op Golgotha gekomen, schaarde de woeste bende zich rondom dat goddelijk slachtoffer. Als een lam, dat men ter slachtbank leidt, laat Jezus zich door die onmen-schelijke beulen mishandelen, volgens hun goedvinden. Altijd dorstend naar het bloed dos Lams, en altijd verlangend Het met nieuwe wonden overdekt te zien, rukken de beulen den reeds zoo lijdenden Jezus zijne kleederen uit. Doch daar volgens den H. Joannes (l),

(i) Joan. 19. 23.

-ocr page 443-

431

■de rok dien Jezus droeg, zonder naad was, van boven' tot onder één weefsel, kon dat kleed, van den hals tot de voeten gaande, niet dan over het hoofd worden uitgetrokken. Het hoofd echter was omvlochten met eene kroon van doornen, deze nu moest eerst verwijderd worden, en het laat zich begrijpen, wat de arme Jezus leed, of zeg ik beter: onbegrijpelijk waren de smarten, toen die onmenschelijke beulen, zonder eenig medelijden, op do ruwste wijze die doornen, reeds diep in zijn hoofd gedrongen, er uitrukten. Zijne kleederen, zegt de H. Alphonsus (1), en dit laat zich begrijpen, waren aan zijn lichaam, door de wreede geescling één wond geworden, zóó vast geplakt, dat men met de kleederen ook tevens het vleesch van zijn lichaam rukte. En was het, zooals de H. Antonius (2) bemerkt, een gebruik bij de Joden, den zwakken, die ter dood geleid werden, besten wijn te geven om hen te sterken. Jezus werd deze drank niet gegund, dan nadat zij denzelven, uit spotternij en tot grootere smart met gal gemengd hadden. Deze drank wordt door den H. Marcus (3) ge-xnirrede wijn genoemd. Volgens den H. Alphonsus (4) diende hij om de pijn te verzachten. Beelen (5) zegt: het was een bittere drank, die eene bedwelmende eu de zinnen verdoovende kracht had. Men gaf dien bij de Joden, aan ter dood veroordeelde misdadigers, om daardoor hunne pijniging minder smartelijk te maken. Hoe het ook moge zijn, Christus wilde dien niet drinken, omdat Hij, zegt de H. Alphonsus, wilde sterven zonder de minste verzachting. Dat Christus, na zulke afmatting en na het vergieten van zoo veel bloed,

(l) T. 5. p. 203. — (2) De Christi pass. c. 6. tit. 5. ss. 6- — (3) Mare. 15. 23. — (4) T. 5. p. 203. — (5) In Matth. c. 27. v. 34.

-ocr page 444-

432

hevig door den dorst gekweld werd, laat zicli gemakkelijk begrijpen, en hoe bitter die drank ook was, toch zou hij den van dorst versmachtenden Zaligmaker, wellicht eenigszins althans verkwikt hebben; doch ook voor de onmatigheid, eene zonde waaraan zoo velen zich schuldig maken, wilde Hij voldoen, en ons een voorbeeld geven van versterving in eten en drinken; want volgens Tertullianus (1), diende de gal tot voedsel, de wijn tot drank, daar zij, zooals Euthymius (2) meent, stukjes verdroogde gal als voedsel iii den wijn geworpen hadden. Men pleegde, zegt hij, in den wijn, brood te werpen, opdat de veroordeelden, na gedronken te hebben, ook desverkiezende, konden eten, en op deze wijze zou de voorzegging van David «en zij gaven «mij gal tot spijze» (3) vervuld zijn geworden. Waren onze eerste ouders onverstorven in den smaak, en zou deze zinnelijkheid door eene tallooze menigte van hunne-nakomelingen worden opgevolgd, Christus, die alles wist en alles voorzag, wilde voor allen en voor alles lijcfen, en door zijn lijden ons de genade verwerven om onze begeerlijkheid te bedwingen. Zoude dan bij ons de bekoring opkomen, om onzen smaak te streelen op eene wijze, die met de versterving in strijd is, denken wij dan aan die bittere gal, onzen goddelijken Verlosser aangeboden, en leggen wij er ons op toe, om zulke zinnelijkheid te bestrijden.

llc versterving van dun smaak.

«De gulzigheid» zegt de H. Bonaventura (4), «moeten « wij op de eerste plaats bestrijden; want zoolang deze

(i) L, contra JucIeeos. c. io. — (2) In Matth. c. 27. v. 34. — {3) Psal. 68. 22. —- (4) De pugna spirit, c. 1.

-ocr page 445-

433

«ondeugd ons beheersclit, kunnen wij de andere, meer «verborgene ondeugden, die wij evenzeer bestrijden «moeten, niet ontdekken. Velen, zooals de H. Grego- ' «rius zegt, beginnen soms groote en moeilijke zaken; «maar, omdat zij de gulzigheid niet overwinnen, ver-«liezen zij met schande, hetgeen zij reeds met moed «verricht hebben. Die in zijn eigen land, dat is in zijn «lichaam, niet weet te strijden, hoe zal hij in een verft wijderd land zegevieren?» Als wilde hij zeggen: hij, die de begeerlijkhewt tot eten en drinken niet weet te beteugelen, is niet bestand te strijden tegen hetgeen zijn oog bekoren, zijn oor streelen, zijti hart veroveren kan, hij wordt als machteloos tegen de verleiding der wereld en de aanvallen Satans. «De gulzigheid,» zegt dezelfde FI. Kerkleeraar, «is eene ongeregelde en bui-«tensporige begeerlijkheid tot eten.» Hiertegenover plaatst hij do matigheid. «Eene deugd, waardoor wij «van het, voor het lichaam benoodigde voedsel, zonder «overdrevenheid gebruik maken.» Heeft de matigheid, zooals de H. Thomas (1) zegt, betrekking op de genoegens der andere zintuigen, meer toch op dat van den smaak; dezen moeten wij dan ook vooral versterven.

Men kan, volgens den H. Gregorius (2) en den H. Thomas (3), op vijf verschillende wijzen tegen de matigheid misdoen: 1° als men den gewonen tijd van eten vervroegt, wel te verstaan, zonder redenen. Hierdoor legt men eene zekere begeerlijkheid tot het eten aan den dag, daar men zich niet een uurtje versterven kan met te wachten. Tusschen de gewone maaltijden, zonder dat ziekte of welvoegclijkheid zulks vergt, iets

(l) 2. 2. qu. 141. art. 5. (3) 2. 2. qu. 148. art. 4. Lijden v. ciiristus.

(2) Moral. 1. 30. c. 13. — 28


-ocr page 446-

434

te gebruiken, verraadt in den regel eene soort van gulzigheid. De H. Philippus Nerius kon niet dulden, dat een zijner onderlioorigen zich veroorloofde iets buiten de gewone maaltijden te gebruiken, en hij zeide tot oen hunner, die het nog al dikwijls deed; «gij zult «nimmer een geestelijk mensch worden, indien gij u niet «van deze ondeugd betert» ^1). Zulks is in den regel eene soort van gulzigheid, maar er is geen regel zonder uitzondering. De Abt Macarius, een heilige woestijnbewo-ner, mag men zeker niet van gulzigheid beschuldigen, en toch dronk hij een glas wijn, als men het hem aanbood, hetgeen trouwens zeer zelden geschiedde, want zijn gewone drank was water. Om echter niet tegen de wellevendheid le misdoen, of dengene niet te bedroeven, die hem den wijn aanbood, of missciiien ook om zijn verstorven leven voor anderen te verbergen, nam hij den wijn mot dankbaarheid aan, doch dit was voor hem eene groote versterving; immers bet was dan bij hom een vastgestelde regel den volgenden dag niets, zelfs geen water te drinken (2). Ware het, dat wij ons zolven de verplichting oplegdenquot;, van een dag te vasten zoo dikwijls wij buiten don gewonen tijd van eten, iets gebruikten zonder voldoende redenen, dan zon weldra do bekoring tot gulzigheid geweken zijn.

2° Men zou eveneens tegen de matigheid kunnen misdoen, als men, met het gewone voedsel niet tevreden , naar kostbare en zeldzame spijzen verlangen, of tegen hot geweten in zich hiervan bedienen zou. Vergt echter de gezondheid, een gast of een feest meer dan gewone spijzen te gebruiken, dan zou men, zegt do

(l) Vie traduite des Bollandistes par 1'Abbé P. chap. 21. — (2) Vgl. Migne 1. 73 p. 867.

-ocr page 447-

435

geleerde Billuart, zich niet aan gulzigheid schuldig maken ; dit is dan ook trouwens een gebruik én in de wereld én in de kloosters. Heilige stichters van orden of vereenigingen hebben zoo iets vaak in hunne regels voorgeschreven, en in het leven van de vaders der woestijn lees ik, dat de goede God eens zijne Engelen zond, om hun met het Paaschfeest een meer dan gewoon voedsel te bezorgen, voldoende voor acht weken, dat is: tot aan het einde van den paaschtijd. Zij echter zouden blijken geven van eene groote onverstorvenheid, die bij zulke gelegenheid zich schier uitsluitend aan zulke spijzen zouden vergasten; iets wat zelfs met de welgemanierdheid niet strooken zou. Dat zij met recht den naam van gulzigen verdienen, die geene uitgaven sparen, om zich oen welsmakend en kostelijk voedsel te bezorgen, dat den smaak streelt, behoeft geen betoog. Dezen zouden goed doen, zich het rampzalig lot van den rijken vrek te herinneren, die in zijn leven kostelijke maaltijden hield, en thans te vergeefs om een druppel water bedelt, die hem in eeuwigheid niet zal worden gegund. Om echter in dit punt geen verkeerd oordeel te vellen, moet men den stand niet uit het oog verliezen dien iemand beleeit; immers, wat voor de eenen een buitensporig voedsel zou zijn, is het daarom niet voor de anderen, evenmin de streek, die men bewoont, alwaar iets tot het gewone voedsel behoort, wat in andere streken voor zeldzaam en kostelijk zou doorgaan. Een druiventros, in zekere landen een gewoon iets, was toch voor de woestijnbewoners in hun oog iets buitengewoons. Den abt Macarius werd cr een gegeven, omdat hij er eene zekere genegenheid toe gevoelde, doch hij kon niet besluiten er van te eten. Hij zond hem naar een zijner broeders, die er wellicht

-ocr page 448-

430

meer behoefte aan had; deze zond hem op zijne beurt weder .naar een anderen, en zoo deed die tros de ronde, totdat hij eindelijk bij Macarius weder teruggebracht werd. Deze bedankte den goeden God, dat er zulke versterving en liefde onder de broeders heerschte (1).

Waarlijk een stichtend voorbeeld om hen te beschamen, die, wanneer zij iets bijzonders hebben, het voor zich bewaren, en als er iets dergelijks op tafel staat, het grootendeels of althans, wat het beste is, voor zich zeiven nemen. Evenzeer mogen zij zich in dat voorbeeld spiegelen, die hunnen snoeplust door allerlei lekkernijen trachten te bevredigen.

3° Eveneens is het in strijd met de matigheid, als men, zonder afdoende redenen, de spijzen met buitengewone zorg voorbereiden en met velerlei specerijen mengen zou, alléén om den smaak te voldoen. De Heiligen deden in dit punt geheel anders, dan de meeste kinderen Adams. Een H. Alphonsus bediende zich in plaats van specerijen, van bittere kruiden, die hij onder zijn gewoon voedsel mengde, om zoodoende zich in den smaak te versterven, en vaak was zijn eten zoo bitter, dat de huisdieren weigerden er van te gebruiken. De H. Bernardus had dermate zijn smaak verstorven, dat hij soms niet wist of hij olie of wel water dronk. En als de godvruchtige Pater Alvarez in zijne ziekte een bitteren of walgelijken drank moest innemen, dan deed hij zulks zoo langzaam mogelijk. De Heiligen zijn, wel is waar, in vele zaken meer te bewonderen dan na te volgen; maar zeker is het ook, dat zij in dat punt van versterving hun voorbeeld niet genoeg volgen, die nu dit dan dat niet believen; omdat het niet volgens hun-

(i) Vie des Pères du Dés. par Veuillot. T. i. p. 423.

-ocr page 449-

437

nen smaak is voorbereid; zij toonen zich ontevreden, en weten schier aanhoudend iets af te keuren van hetgeen men hun aan tafel voordient. Is liet echter iets wat hun aanstaat, dan wordt er aan geene versterving gedacht, zoodat men vaak de welgemanierdheid zelve uit het oog verliest. Laten wij minstens in den geest van versterving met datgene tevreden zijn, wat men ons geeft, zonder door woorden of daden ooit blijken te geven van ontevredenheid. Dat wij ons ook wel wachten van uit zinnelijkheid over smakelijk eten en drinken te spreken, want waarvan het liauèr vol is, spreekt de mond.

4° Wat nu de hoeveelheid betreft der spijzen, die men nuttigt, ook in dat punt kan men blijken geven van gulzigheid. Nochtans moeten wij op onze hoede zijn van maar aanstonds iemand die veel eet, van gulzigheid te beschuldigen. Ten tijde van den H. Paulus meenden eenige bekeerden onder de Joden, tot het onderhouden der Mozaïsche voorschriften aangaande het derven van zekere spijzen verplicht te zijn, en vergenoegden zich met moeskruiden. Anderen integendeel stoorden zich hieraan niet, en vandaar dat de eenen de anderen veroordeelden. Paulus schreef hun: «Die eet «verachte hem niet, die niet eet; en die niet eet, oordeele «hem niet, die eet» (1), dat is: van de door de oude wet verboden spijzen. Op de vraag aangaande de hoeveelheid van voedsel dat men nemen mag, zou ik in het algemeen kunnen antwoorden: veroordeelt hen niet die veel eten, evenmin hen die weinig eten. Veel hangt van omstandigheden af. Men moet den leeftijd, de lichaamsbehoeften en den arbeid niet uit het oog ver-

(i) Rom. c. 14. 3.

-ocr page 450-

438

liezen. Want wat voor den eene te veel is, kan voor den andere te weinig zijn. «Omtrent de hoeveelheid in «het gebruik van voedsel», zegt de H. Bonaventura (1) « kan men moeilijk een zekeren regel bepalen, tenzij; «men houde den middelweg, of gelijk het spreekwoord «zegt: de deugd in het midden. Neem niet zóó weinig, «dat ii de krachten ontbreken, en gij onbekwaam wordt «voor den gemeenschappelijken arbeid ; eveneens moet «gij niet zóóveel eten, dat gij daarna niet kimt bidden, « of lezen, of niet vlug zoudt zijn, om datgene te ver-«richten wat bevolen wordt. De ondervinding, gepaard «met een goeden wil is, in dat punt, de beste leer-«meesteres.» Zou men echter, zegt de H. Thomas (2), de hoeveelheid overschreden hebben, niet uit begeerlijkheid, maar omdat men het noodig achtte, dan is het geene gulzigheid, maar eene soort van onervarenheid. In het algemeen zijn er meerderen, die te veel, dan die te weinig eten, waardoor zij hun lichaam en hunne ziel verzwakken. Men vindt er echter ook , die, hetzij uit eigenzinnigheid, omdat ;;ij niet willen gehoorzamen, hetzij uit hoovaardigheid, om verstorven te schijnen, to weinig voedsel gebruiken. Welke dwaasheid! welke uitzinnigheid! vasten om den duivel genoegen te doen! immers, door zulke onthouding wordt God beleedigd. f Beter is het te eten uit gehoorzaamheid, dan te vasten (^uit gehechtheid aan zijn eigen oordeel. Wat dan de hoeveelheid van voedsel betreft, zij dit ons besluit: nimmer van tafel op te staan zonder ons in het een of ander te hebben verstorven; nimmer zóó veel te gebruiken , of men zou altijd met smaak nog wat meer

(i) De instit. Novit. Part. i. c. 8. — (2) 2. 2. qu. 148. art. 1.

-ocr page 451-

439

kunnen nemen, zich nimmer ontevreden toonen over hetgeen men ons voorzet, en nimmer te spreken over datgene, wat den smaak in den regel streelt.

5° Ten laatste kan men misdoen tegen de matigheid en welgemanierdheid tevens, door de wijze, waarop men eet, namelijk, door eene te groote begeerigheid. Men loopt vooral gevaar hierdoor te zondigen, al^ het eene spijze geldt, die volgens onzen smaak is. Lang zijn dan reeds de oogen daarop gevestigd, men verlangt er naar met een zeker ongeduld, en op gevaar af van de wellevendheid te kwetsen, wordt met gretigheid er van gegeten, met het doel om zich een tweede maal te kunnen bedienen. Het is waar, zulke gretigheid quot;is vooral den kinderen eigen ; maar er worden ook grootere personen gevonden, zelfs onder hen, die zich op het geestelijk leven toelegden, welke in dit punt althans den kinderen vaak gelijken. De H. Geest heeft zeker de kinderen alléén niet bedoeld, wanneer Hij zegt: «Wil niet onverzadelijk zijn bij eenig gastmaal, en val «niet gulzig aan op eenige spijze. Want veel eten maakt «iemand ongesteld. .. Door onmatigheid stierven velen; «maar die matig is verlengt zijn leven» (1).

Om de begeerlijkheid in het eten te bestrijden, is het goed zich te herinneren, dat Innocentius XI den ( '2 Maart 1G79 het gevoelen van hen heeft veroordeeld, die beweerden, dat er geene zonde is gelegen, in het v eten en drinken alléén uit zinnelijkheid. Het is den inensch eigen, eene zekere voldoening bij het eten te ontwaren, en ook hierin bestaat geene fout, maar wel,

zegt de H. Alphonsus (2), als men die voldoening alléén zou zoeken, zonder eene goede meening, zoodat

(i) Eccli. 37. 32—34- — (2) T. 10. p. 250,

-ocr page 452-

440

men, bij het nuttigen van een gewoon voedsel zicli aan eene fout kan schuldig maken , terwijl een ander, die zich met eene uitgezochte spijze voedt, zulks doen kan zonder fout, omdat deze een zuiver, gene een zinnelijk doel heeft.

Wij tr.oeten ook niet vergeten, dat, ter oorzake der onmatigheid, de kuischheid, zooals de H. Alphonsus zegt, groot gevaar loopt. Hot is onmogelijk, zegt Cas-sianus, geene bekoringen tegen die teedere deugd te ontwaren, als men zich aan onmatigheid overgeeft. Vandaar dat de Heiligen, om de zuiverheid te bewaren, er steeds op uit waren, den smaak te versterven. En de H. Thomas zegt, dat de duivel den mensch niet aanzet tot onzuiverheid, als hij in do bekoringen tot gulzigheid verslagen wordt li).

Denken wij in de bekoring tot onmatigheid, dat onze eerste ouders door het eten van de verboden vrucht diep gevallen zijn, en dat wij nog dagelijks do treurige gevolgen van hun val ondervinden moeten, opdat wij, door hun voorbeeld afgeschrikt, de versterving van den smaak steeds beoefenen mogen.

GEBED.

O mijn allerbeminnelijkste Jezus ! wie zou zich niet gaarne eene versterving in den smaak ter liefde van U getroosten, ziende dat men U gal tot spijze gaf, en in uwen dorst U met edik drenkte. Uwe Heiligen hebben het steeds gedaan, en die U vurig beminnen doen het nog. Ik helaas! moet het bekennen tot mijne schande, ik ben een diergenen, die zich in het eten en drinken weinig of niet versterven. Dikwijls zeg ik met

(O St. Alphonse T. 10. p. 241.

-ocr page 453-

441

mijn mond, dat ik U bemin, maar zelden toon ik het ■door mijne daden. Ik gevoel zeer goed, en mijn gewe-'ten zegt het mij, dat ik zeer onverstorven ben in het gebruik van spijs en drank. Ik maak vaak een voornemen mij in dit punt meer te versterven, doch als de gelegenheid zich voordoet, vergeet ik het gemaakte voornemen, en telkens ais er iets naar mijn smaak is, laat ik mij door de zinnelijkheid medesleepen. Ik dank U, o mijn Jezus! voor het geduld, dat Gij tot dusverre met mij gehad hebt. 1'oor de verdiensten van uw lijden , dat Gij ter liefde van mij doorstaan hebt, bid ik U, mij mijne zinnelijkheid in eten en drinken te vergeven, want zij is mij leed, en door diezelfde verdienste smeek ik U mij de genade te verleenen, van mij in het vervolg hierin meer te versterven dan ik tot dusverre gedaan heb. O mijne goede Moeder Maria, help mij, zwak cn trouwloos kind, opdat ik ^voortaan getrouw blijve aan mijne gemaakte voornemens, en mijn smaak steeds versterven moge.

HOOFDSTUK V.

Et postquam venerunt in locum , qui vocatur Calvarijc, ibi crucifixerunt cum. .Luc. XXIII, 3o.

En toen zij gekomen waren aan de plaats, de pchedelplaats genoemd, kruisigden zij Hem aldaar.

Calvarië! o iioe trilt ons hart van aandoening en liefde, bij het hooren van dien naam! Van aandoening; want daar wordt de Schepper door zijne schepselen, een God door onmenschen gekruisigd. Van liefde; immers daar sterft Jezus, die het leven is, om door zijnen dood ons het leven te schenken. Calvarië beteekent

\

-ocr page 454-

442

schedelplaats. Want vele HH. Vaders, onder anderen de H. Atlianasius, do H. Basilius, de H. Augustinus, de H. Cyprianus, alsmede, Anastasius, Euthymius en Theopliylactus, zeggen, dat Adam daar ter plaatse begraven was (1). De II. Augustinus (2) zegt, dat men niet zonder grond gelooft, dat daar dc geneesheer aan het kruis is opgeheven, waar de zieke lag, en het betaamde, dat zich daar de barmhartigheid toonde van een God, waar de mensch door de hoovaardigheid gevallen lag. Omdat Adam uit den mond van God deze woorden had gehoord: «gij zijt van aarde en tot aarde «zult gij wederkeeren», daarom, zegt de H. Athanasius, lag hij daar ter plaatse, opdat de Heer hem aldaar van de vervloeking bevrijden, en hem, tot wien Hij weleer gezegd had «gij zijt van aarde en tot aarde zult gij «wederkeeren», thans zou kunnen zeggen: «ontwaak, «gij die slaapt, en sta op van de dooden, en Christus «zal u verlichten» (3). Volgens den geleerden Carthagena, zegt de H. Hieronymus in zijn brief aan Marcella, dat het hoofd van den eersten mensch op Calvarië begraven lag, opdat het bloed van den twee Jen Adam, dat daar vloeide van het kruis, den daar liggenden eersten Adam van zijne zonde reinigen zou.

Calvarië, in onze taal schedelplaats, in het he-breeuwsch Golgotha genaamd, was een kleine berg buiten Jeruzalem; dezelfde, zegt de HL Augustinus (4), waarop God aan Abraham bevolen had zijnen zoon Isaak te offeren. Op dezen berg bracht Jezus, door Isaak voorafgebeeld,. voor het heil der menschen, zijn leven aan hot kruis ten offer.

(l) Vgl. Carthagena 1. 10. hom. 21. — (2) Serm de oblat. Isaac. — (3) Ephes. c. 5. v. 14. — (4) Sei-.n. 71.

-ocr page 455-

443

De kruisdood was de meest smaad- en pijnvoUe dood. Jezus wilde dien smaad ondergaan, want er staat geschreven: «vervloekt is een iegelijk die aan het hout «hangt» (i). Hij wilde een vloek worden voor ons, om ons van den vloek der wet, aan welken wij als overtreders der wet onderworpen waren, vrij te koopen. Maar hij wilde ook tevens, om ons de overmaat zijner liefde le toonen, den allerpijnlijksten dood sterven. Geen dood, zegt de H. Augustinus (2), kan in pijnen met dien des kruises vergeleken worden. Jezus, die zich als een lam ter slachting Iaat behandelen, strekt zich uit op het kruis, zegt de H. Alplionsus (3), en biedt den beulen zijne handen en voeten aan, om ze met stompe nagelen te laten doorboren, waarvan die onmenschen, om Hem nog meer te doen lijden, zich wellicht bedienden. Daar nu, zooals de H. Thomas (4) bemerkt, de handen en voeten grootendeels samengesteld uit zenuwen, pezen en aderen, en bijgevolg zeer gevoelig zijn voor pijn, laat het zich eenigszins begrijpen, welke ontzettende pijnen de welbeminde Zaligmaker aan het kruis te verduren had. Of men zich van drie of vier nagelen bediend heeft, hieromtrent zijn de Heiligen en geleerden het niet eens, en de H. Kerk laat het aan de godvruchtige overweging der geloovigen over. Volgens den H. Gregorius van Tours, den H. Cyprianus, den H. Augustinus, Innocentius III, en Gulielmus Lyndanus heeft men voor de kruisiging vier nagelen gebruikt, een gevoelen, dat door afbeeldingen van de vroegste tijden, en door de openbaring aan de H. Birgitta bevestigd wordt (5). Hoe het ook moge zijn, altijd blijft

(l) Deut, 21. 23. arl Gal. 3. 13. — (2) Tract. 36. in Joan. — (3) T. 5. p. 104. — (4) T. 3. qu 46. art. 6. — (5) Vgl. Carthagena 1. 10. hom. 22.

-ocr page 456-

444

het waar, dat geen dood dien des kruises in pijnen evenaart, en dat de liefde van den Gekruisigde eene liefde zonder mate is. Hoe zullen wij nu liet best aan zulke liefde beantwoorden? Niet met de tong en de woorden alleen; maai1 met de daad en in waarheid. Hij bemint in waarheid, die ter liefde van den gekruisigden Jezus, den ouden Adam kruisigt, en alléén voor Jezus, den tweeden Adam, leeft.

Xelfver loochening.

«Weet gij niet», zoo roept de Apostel Paulus uit, «dat zoo velen wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij «tot zijnen dood zijn gedoopt» (1). Om dit beter te begrijpen, moeten wij weten, dat in vroegere eeuwen do doop werd toegediend door indompeling. Door deze indompeling, of de afwassching, zooals het thans geschiedt, is het alsof de doopeling den dood ingaat en begraven wordt. Doch deze uiterlijke, zinnebeeldige handeling, waarmede hij Christus' dood en begrafenis navolgt, verbeeldt ook tegelijk het sterven en begraven worden van den ouden mensch in den doopeling; en hetgeen dan uiterlijk aan hem beteekend wordt, geschiedt ook innerlijk in hem, door de genade van het H. Sacrament. Zijn wij dan door den doop aan den gestorven en begraven Jezus gelijk geworden, dan ook moeten wij den verrezen Jezus gelijken, en gelijk Hij eenmaal verrezen, niet meer sterft, zoo ook moeten wij, die in den doop, der zonde afgestorven en verrezen zijn, niet meer den dood der zonde sterven, maar leven voor God, en in geenen deele voor den ouden mensch; deze immers, de

1

Rom. 6. 3.

-ocr page 457-

445

oude Adam, is met Christus, den tweeden Adatn gekruisigd, opdat het lichaam der zoude vernietigd zijnde, wij der zonde niet meer dienen zouden.

Is dan de oude Adam gekruisigd, dan moeten wij hem zijn afgestorven, dood zijn voor hem, hij ons en wij hem gekruisigd zijn, zonder ooit van welke verzoening dan ook met hem, te willen hooren. Wij moeten hem haten, zoo zeer wij Christus, den tweeden Adam beminnen mceten, en wij zullen Dezen beminnen, naarmate wij den ouden haten. Den ouden mensch verloochenen , verzaken, verachten en haten, zoodat wij met hem niets te doen willen hebben, en al zijne aanzoeken met verontwaardiging van de hand wijzen; ziedaar de ware zelfverloochening. Zich zeiven verloochenen, zegt de EI. Alphonsus (1), is sterven voor Jezus, dat is, zich die voldoeningen weigeren, welke men zich niet geven kan, zonder Jezus Christus te verloochenen, want, voegt hij er bij, men loochent Christus niet alleen, als men het geloof verzaakt, maar ook, wanneer men weigert Hem te gehoorzamen, in hetgeen Hij van ons vergt, zooals onzen naaste te vergeven, eenen gemeenzamen omgang te vermijden, die onze ziel het naast in gevaar brengt. De zelfverloochening alzoo, verplichtend voor allen, waartoe allen zonder onderscheid gehouden zijn, bestaat hierin, dat wij den ouden Adam gestadig weerstand bieden, als hij iets van ons vergt, waarin wij hem niet kunnen inwilligen, zonder het leven in Christus, liet leven der genade te verliezen. Volgen wij zulke begeerlijkheid in, dan kunnen wij Christus niet volgen in zijne heerlijkheid.

Doch evengelijk elke deugd hare graden heeft, zoo

(i) T. 5. p. 347.

-ocr page 458-

440

ook de zelfverloochening. De eenen beoefenen deze deugd op eene volmaaktere wijze dan de anderen. Naarmate men den ouden Adam datgene weigert, wat hij begeert, zal men ze in een meer verheven graad bezitten. En ik weet niet of iemand ze volmaakter zou bezitten dan hij, die overal, en in alles, en ten allen tijde, zijn ik, zijn verstand, zijn hart verzaakt, telken male als dat ik in strijd is met Gods wil, wet of verlangen, en derhalve niets vrijwillig zou denken, niets zeggen, niets doen, van al wat hij weet niet overeenkomstig te zijn met Gods wet, wil of verlangen; in één woord, die alleen voor Christus den tweeden Adam leeft, en voor wien de oude Adam met zijne begeerlijkheden gekruisigd is. Was dit niet het geval met den H. Paulus, die in zijn brief aan de Galatiërs (1) schreef: «met Christus ben ik gekruisigd, en levend «ben ik niet meer, maar in mij leeft Christus,» De H. Thomas (2) logt deze woorden volgender wijze uit: Waarop de niensch hoofdzakelijk zijne genegenheid gevestigd heeft, en waarmede hij zich vooral vermaakt, daarvoor leeft hij. Als iernand een groot genoegen vindt in de studie of in de jacht, dan zegt men, do studie is zijn leven, hij leeft voor de jacht. Ieder mensch, zoo gaat die Heilige voort, heeft eene zekere genegenheid, die hem eigen is, en gedreven door deze neiging, zoekt hij het zijne. Wanneer iemand in zijn leven, zijn eigenbelang zoekt, dan leeft hij voor zich alleen. Omdat nu Paulus, de Apostel, door het kruis van Christus, zijne eigene geneigheid had afgelegd, verklaarde hij dood te zijn voor de persoonlijke neiging, en dat wel door deze woorden: «met Christus ben ik gekruisigd,»

(i) Gal. 2. 19. — (2) In Gal. c. 2. lect. 6.

-ocr page 459-

447

dat is, door het kruis van Christus is ran mij mijiie eigene of persoonlijke geneigdheid verwijderd. En als Paulus er bijvoegt: «ik leef en levend ben ik niet meer», dan wil hij hierdoor zeggen: wat mij ten goede strekt, mijn eigen goed beoog ik niet meer, hiertoe gevoel ik geene neiging, «maar in mij leeft Christus», dat is, Christus alléén is het voorwerp mijner genegenheid. Christus zeifis mijn leven. «Voor mij», zoo schreef hij aan die van Philippen (1), «is het leven Christus.» Voor Paulus namelijk was Christus alles, Christus geheel het doel van zijn leven. Hem zijn leven ganschelijk toegewijd.

De oorzaak van deze verhevene zelfverloochening in den H. Paulus, vinden wij in zijne liefde tot Christus, «want», zoo zegt hij, «de liefde van Christus dringt «ons» (2). «Hij heeft mij liefgehad, en is voor mij ge-«storven» (3). Zulke matelooze liefde van oen God wilde Paulus met wederliefde vergelden. Hoe! zuo dacht hij, een God sterft aan het kruis, in eene zee van smarten gedompeld, ter liefde van mij, een zondig mensch, en waardig om, als een nietig aardworm, onder de voeten te worden vertreden! en voor zulke liefde zou ik gevoelloos blijven? O! neen zij dringt mij om voortaan aan alles, wat Hij niet is, af te sterven, ook aan mij zeiven, en alleen te leven voor Hem, die uit liefde tot mij gestorven is. Moge deze gedachte ons allen bezielen! immers, ieder onzer moet met Paulus zeggen, het oog naar het kruis gekeerd; Hij heeft mij l'efgehad, en is voor mij gestorven. En waarom? Opdat wij, die leven, niet meer voor ons zeiven zouden leven, maar voor

(l) Philipp. I. 21. — (2) II. Corinth. 5. 14. — (3) Gal. 2. 20.

-ocr page 460-

448

Hem, die voor ons gestorven is. «Omdat Christus voor ons gestorven is,» zegt de H. Thomas (1), «moeten wij «aan ons zeiven sterven, dit is, ons zeiven voor Hem «verloochenen, en alleen voor Christus leven,» dat is, «zegt hij, «ons gansch leven tot den dienst en de ver-«heerlijking van Christus besteden.»

Doch laten wij de zelfverloochening wat meer iiabijr in de praktijk of beoefening beschouwen. Indien gij begrijpt, zegt de H. Joannes Chrysostomus (2), wat het wil zeggen, een ander verzaken, dan zult gij beter verstaan wat het is: zich zei ven verzaken. Zou hij, die een ander verloochend heeft, bijv. zien, dat deze geslagen, in de boeien geklonken of hem door een ander leed aangedaan wordt, dan snelt hij hem niet te hulp, door geen medelijden wordt hij bewogen, hij doet alsof hij met dien persoon niets uit te staan had, en hij gaat hem voorbij. Die persoon nu is de oude tnensch; wordt deze, dat is, dat zondig lichaam, geslagen, gestooten, gebrand of wordt hem eene andere pijn aangedaan; omdat de ziel den tweeden Adam niet verzaken wil, dan moet men zijn lichaam in geenen deele sparen, evenmin als de martelaren zulks deden, onder anderen de H. Agnes. Mijn lichaam moge vergaan, zeide zij, dat met de oogen kan gezien, doch waarmede ik niet wil bemind worden, en zij gaf baar lichaam ter slachting, alsof zij reeds gestorven ware (3), zóó weinig liet zij zich aan haar lichaam gelegen liggen. Zij wist geene leerlinge van Christus te kunnen zijn, zonder haar eigen leven te haten.

Niet allen sterven den dood der martelaren, en toch, zegt de H. Bcrnardus, moeten wij allen martelaren

(i) In II ad Corinth, c. 5. lect. 2. — (2) Hom. 5. 6. — (3) Brev. 21. Jan.

-ocr page 461-

449

zijn. Eenieder moet zijn eigen beul zijn, in den zin door den H. Paulus bedoeld, wanneer hij zegt: «die «aan Christus toebehooren, hebben hun vleesch met zijne «ondeugden en begeerlijkheden gekruisigd» (1). Die den geest Gods hebben, zegt de H. Thomas (2), hebben hun vleesch, den wortel der ondeugden gekruisigd, niet zóó, dat zij het natuurlijk leven vernietigen; maar in zooverre het der wet weerspannig is, hebben zij het gekastijd en in bedwang gehouden, om de zonden niet in te willigen, en de begeerlijkheden, dat is, den hartstochten, waardoor de ziel tot de zonden overhelt, weerstand te bieden. Ik wil gaarne veronderstellen, dat gij, die deze regelen leest, met den geest Gods bezield zijt; zoo ja, dan zult gij ook uw vleesch kruisigen, aan die zinnelijke en al te groote liefde tot uw lichaam ■verzaken, en uwe hartstochten bedwingen, indachtig hetgeen er geschreven staat: «Volg uwe lusten niet «op, en keer u af van uwe begeerlijkheid. Indien gij «uwe ziel in hare lusten toegeeft, dan zal zij u ten spot «maken van uwe vijanden (3).» Do Apostel Paulus, dat schoon en verheven toonbeeld der zelfverloochening, zeide dan ook van zich zeiven: «ik kastijd mijn lichaam «en maak het dienstbaar» (4), dat is, mijnen vleesche-lijken mensch met zijne zondige driften en begeerlijkheden.

Wij moeten onze begeerlijkheid behandelen als een kind, dat aanhoudend van moeder vele zaken vergt, die tot zijn nadeel strekken. Eeno verstandige en deugdzame moeder, die haar kind waarlijk liefheeft, blijft onwrikbaar in hare weigering volharden, en later zal

(i) Gal. 5. 24. — (2) In Gal. c. 5. lect. 7. — (3) Eccli. 18. 30. 31. — (4) I. Corinth. 9. 27.

Lijden v. ciiristus. 20

-ocr page 462-

450

I -

het zijne moeder dankbaar zijn. Docli helaas! menige moeder bederft haar kind, door het zijn zin te geven, en deze handelwijze strekt in latere dagen tot ongeluk én van de moeder én van liet kind. Een kind heeft geen verstand en verlangt alleen naar datgene, wat zijn oog bekoren, zijne zinnen streelen kan. Eenc zorgvuldige moeder bewaakt het voortdurend en telken male als het iets schadelijks vergt, weigert zij het te voldoen. De begeerlijkheid ook redeneert niet, zij verlangt slechts hetgeen den ouden Adam goed doet. Wij moeten dus met haar niet redetwisten, maar alles weigeren, wat nadeelig is. Immers het lichaam in alles te voldoen, strekt én de ziel, die het beheerschen moet, én het lichaam tot hun ongeluk, even als de toegevendheid eener moeder haar zelve en haar kind ongelukkig maakt. Wanneer het te laat is, ziet zulke moeder harê verkeerde handelwijze in, en zoo gebeurt het, dat de ziel, op het punt van het lichaam te verlaten, bitter treurt over de voldoening aan hetzelve geschonken en hare zoo bereidvaardige inwilliging in alles wat de zinnen streelt.

Door den heiligen doop zijn wij naar den ouden, den aardschen, den wereldschen mensch gestorven. Den ouden Adam moeten wij dus als dood beschouwen, en even gelijk een doode geen voedsel gebruikt, zoo moeten wij den ouden mensch datgene gestadig weigeren, waarmede hij zich pleegt te voeden. Hij voedt zich met alles, wat de zinnen streelt en die ongelukkige zelfzucht bevredigen kan. Verzadigd is hij nimmer, hoe meer men hem gcéft, hoe onbeschaamder hij wordt. En ten slotte wil hij heerschen over de ziel. Het leven van Christus, den tweeden Adam, in ons uit te dooven, is zijn rusteloos streven. Hij wil, dat wij hem alleen

-ocr page 463-

451

.gehoorzamen, hem alleen voldoen, in één woord, voor hem alleen zouden leven. Hij is derhalve onze grootste -vijand, dien wij zullen haten, naarmate wij hem leeren kennen. Vandaar dat de H. Augustinus zich tot God wendde met deze bede: «dat ik mij kenne, opdat ik «mij hate.» Door den haat, dien de Heiligen den ouden mensch toedroegen, gaven zij blijken van hunne liefde jegens den tweeden Adam. Met recht zeide dan ook de gelukzalige Egidius, die met den H. Franciscus van Assisië leefde: «indien gij waarlijk wilt beminnen, haat. «dan u zeiven.» De spreuken van dienzelfden Egidius, met betrekking tot de zelfverloochening zijn zoo eigenaardig, zoo schoon en diepzinnig tevens, dat ik er eeni-gen wil aanstippen.

«.indien gij goed wilt zien, ruk uwe oogen uit en «wees blind». Als wilde hij zeggen: sluit uwe oogen voor allen en voor alles, wanneer de oude Adam u aanspoort hun alle' vrijheid te geven, dan zult gij met de oogen des geloofs, allen en alles beter beschouwen. Indien gij goed wilt hooren, wees doof. Luister niet naar hetgeen gij volgens den ouden mensch gaarne hoort, en gij zult de stem der genade duidelijk hooren. Wilt gij goed spreken, wees stom. Zwijg, als de eigenliefde de drijfveer is uwer gezegden, en de taal dei-liefde Gods wordt u eigen. Wilt gij goed wandelen, houw u de voeten af. Weiger aan uwe voeten den dienst, dien de oude Adam vraagt, en op het pad der deugd zult gij wandelen. Wilt gij goed werken, kap u de handen af. De eigenwil, noch de eigenliefde mogen het richtsnoer zijn van uwe werkzaamheden. Verricht met eene zuivere meening, de bezigheden, die de gehoorzaamheid of de plichten van uw staat ver-eischen, en gij werkt goed. Verlangt gij goed te leven,

-ocr page 464-

452

versterf u dan. Wees dood aan den ouden mensch, en Christus zal in u leven. Wilt gij veel winnen, leer dan verliezen. Zou iemand met u redetwisten, en geldt het de liefde Gods noch die des naasten, geef het hem gewonnen, en gij wint voel voor den hemel. Wilt yij rijk zijn, wees arm. Bemin de deugd der armoede, en gij wordt rijk in verdiensten. Wilt gij verheven worden, verneder u. Immers, die zich vernedert, staat er geschreven, zal verheven worden. Wilt gij geëerd worden, veracht u zeiven, en eer die u verachten. Hierdoor zult gij God verheerlijken, en door God eenmaal verheerlijkt worden. De dwaze en wereldschgezindc men-schen begrijpen niets van zulke zelfverloochening. Laat ons minstens wijs zijn door een gestadig streven naar deze verheven deugd, hierdoor zullen wij de leer van Christus belijden, en Flij zal ons belijden voor zijn Vader, die in den hemel is.

GEBED.

O Heer Jezus! verlicht door uwe genade, zie ik duidelijk, dat mijne ongeregelde liefde tot den ouden Adam , de oorzaak van mijne menigvuldige fouten en het eenige beletsel is van mijnen geestelijken vooruitgang. Tenzij ik al het geschapene en mij zeiven tevens verloochene, kan er van eene innige vereeniging met U, mijn hoogste goed, geene sprake zijn. En toch moet xe mijn eenigst doel op aarde wezen, en mijn eenigst geluk uitmaken in tijd en eeuwigheid. Gij zijt ter liefde van mij geslagen aan het kruis, opdat ik, die leef, niet meer leve voor mij zeiven, maar voor U, die voor mij gestorven zijt. Wat is redelijker, wat billijker? Maar ach! wat ben ik toch een ondankbaar mensch! Ge-

-ocr page 465-

453

voelloos voor uwe liefde, mij aan het kruis bewezen, volgde ik steeds de begeerlijkheden van den ouden Adam. Door de verdiensten van uw bitter lijden aan den galgenboom des kruises, bid en smeek ik U, mij mijne ondankbaarheid en die ongeregelde liefde tot mij zeiven te vergeven. Voortaan wil ik alleen leven voor U, die voor mij geleefd, voor U werken, die voor mij gewerkt, voor U lijden, die voor mij zooveel geleden hebt, ja, sterven voor U, die voor mij gestorven zijt. Doe mij ü kennen, opdat ik U beminne, doe mij mij zeiven kennen, opdat ik mij hate. Ik wil sterven aan alles wat Gij niet zijt, opdat ik worde, hetgeen ik niet geweest ben. Van een ellendigen slaaf mijner begeerlijkheden , wil ik een ware dienaar worden van een, ter liefde van mij gekruisigden God. Hiertoe behoef ik echter uwe genade, en ofschoon ik ze niet verdien. Gij hebt ze voor mij verdiend aan het kruis, en ik vertrouw op uwe eindelooze goedheid. Vlekkelooze Maagd Maria, Gij hadt geene booze hartstochten te bestrijden, verkrijg mij de genade, om over de mijne steeds te zegevieren, en voor Jezus, uw goddelijken Zoon steeds te leven, opdat ik waarlijk met den H. Paulus kunne zeggen; «voor mij is het leven Christus, en het sterven «een gewin» (1).

(l) Philip. I. 21.

-ocr page 466-

454

HOOFDSTUK VI.

Pater, dimitte illis, non enim sciunt quid faciunt. Luc. XXIIL 34.

Vader! vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.

Christus aan het schandelijk hout des kruises genageld te zien, en alzoo in hun oog een voorwerp van vervloeking geworden, wiens naam zelfs niet meer zou worden genoemd, was de vurigste wensch der Joden. Om dezen vervuld te zien, hadden zij alle pogingen aangewend, do hatelijkste beschuldigingen te baat genomen, de grievendste onrechtvaardigheid gepleegd , en thans konden zij Jezus aan het kruis geklonken aanschouwen. Nu, zou men meenen, is hun-hartstocht van afgunst bevredigd, hunne wraaklust gekoeld. Dan neen, zij blijven meedoogenloos en met de grootste verachting houden zij niet op, met den lijdenden en stervenden Jezus den spot te drijven, en Hem allerlei smaad- en schimpwoorden naar het hoofd te slingeren. «Die voorbij gingen, lasterden Hem, hunne «hoofden schuddende, en zeggende: Ha! Gij, die den «tempel Gods afbreekt, en dien in drie dagen weder «opbouwt, verlos u zeiven , indien Gij Gods zoon zijt, «kom dan af van het kruis. Desgelijks bespotten Hem «ook de Opperpriesters met de Schriftgeleerden en de «Ouderlingen, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, zich «zeiven kan Hij niet verlossen! Is Hij Israels Koning, «dat Hij nu afkomé van het kruis, en wij gelooven aan «Hem. Hij heeft op God vertrouwd! die verlosse Hem «nu, indien Hij welgevallen aan Hem heeft! Hij zeide «immers: Ik ben Gods Zoon. Gelijkerwijze beschimpten «Hem ook de roovers, die met Hein gekruisigd wa-

-ocr page 467-

455

«ren» (1). Hunne tong hadden zij als een zwaard gescherpt, hunnen boog hielden zij voortdurend gespannen; taster, en niets dan lasterwoorden waren hunne pijlen. «Door den nijd des duivels kwam de dood in de wereld. «En die hem, den duivel, toebehooren, volgen hem «na» (2). Wij zien het in de Opperpriesters en Schriftgeleerden, die den duivel tot vader hadden. Door den nijd vervoerd, hielden zij niet op, dien snooden hartstocht aan den gekruisigden en reeds stervenden Jezus door den bittersten spot te koelen. Spreekt de mond uit den overvloed des harten, dan zien wij, uit die vreeselijke smaad- en schimpwoorden, hoezeer hun hart branden moest van nijd.

Jezus, die zich als een lam ter slachtbank had laten voeren, bleef ten einde toe een lam gelijk. Hij deed zijn mond niet open, om te klagen over die wreede mishandeling, veel minder om de zoowel verdiende straf over zijne vijanden af te smeeken, maar wel om te bidden. Noë, bespot door zijn zoon Cham, vloekt deszelfs nageslacht. Jezus, als dronken en uitzinnig van liefde tot den mensch , en op het punt van den dood in te slapen, wordt door zijne kinderen, de kinderen Israels, gehoond en gelasterd; doch geen vloek, wel eenn bede vloeit van zijne stervende lippen. Elias door Achab vervolgd , deed het vuur van den hemel vallen, om de tot hem afgezonden soldaten te verdelgen. Jezus, vervolgd tot den dood door den Opperpriester, die soldaten had afgezonden, om Hem gevangen te nemen en ter dood te brengen, verlangde niets vuriger, dan dezen ontstoken te zien van het vuur der goddelijke liefde. « Vader», zoo sprak Hij, als wilde Hij zeggen : ik wend

(i) Matth, 27. 39 — 44. — (2) Sap. 2. 24. 25.

-ocr page 468-

456

mij tot U, niet als Rechter, om over mijne vijanden een allerstrengst oordeel te vellen, niet als Koning, om hen als opstandelingen en schuldig aan majesteitsschennis te beteugelen en te strafTen; rnaar als tot een allergoe-dertierensten Vader, opdat Gij, dien zoeten naam indachtig, en der liefdevolle gehoorzaamheid, die ik U steeds bewezen heb, hun vergeving schenket. «Vergeef «hun» , opdat zij, voor wier zaligheid Ik ga sterven aan dit kruis, niet voor eeuwig verloren gaan, « want «zij weten niet wat zij doen.» Uit deze woorden, zegt de gelukzalige Beda (1), zien wij, dat Christus niet bad voor hen , die, ofschoon zij wisten , dat Hij Gods Zoon was. Hem als zoodanig niet wilden belijden; doch alleen voor de heidensche soldaten, en diegenen onder de Joden, welke, door een valschen ijver en de opruiing der ouderlingen verblind. Hem geenszins als den waren Messias erkenden. Hier doet zich de vraag voor: waarom zeide Christus niet, daar Hij toch God is: ik vergeef u? Maria Magdalena en anderen had Hij de zonden vergeven, waai om bidt Hij thans zijn hemelschen Vader, opdat Deze hun vergeven zou ? De H. Joannes Chry-sostomus (12) antwoordt: «De Heer had gezegd ; bidt «voor hen, die u vervolgen, en dit deed Hij aan het «kruis: Vader vergeef hun : niet omdat Hij zelf hun niet «vergeven kon; maar om ons door woord en daad te «leeren bidden voor hen, die ons vervolgen.» Als wij dan Christus aan het kruis liooren bidden voor hen, die Hem ki'uisigden , wie onzer zou dan ooit de ons aangedane beleedigingeii' durven wreken? Wie onzer zou dan niet uit ganscher harte hun allen vergeven, die, op welke wijze dan ook, ons mochten beleedigd hebben.

1

C. 94. — (2) In Matth. c. 5.

-ocr page 469-

457

He Vcrgeviiig»ngczindheiit.

Zich wreken of op wrake bedacht zijn, is lijnrecht in strijd met de vergevingsgezindheid. Doch niet elke wraakneming is zondig. Ik bedoel alzoo niet eene wel verdiende kastijding, door een gezag hebbend persoon den schuldige opgelegd, opdat deze zich betere of minstens nalate, de rust van anderen te storen. Immers het gezag moet geëerbiedigd en gehandhaafd worden. Evenmin bedoel ik eene heilige verontwaardiging, of een vurigen ijver, waarvan men blijken geeft, om de beleedigingen Gode of den naaste aangedaan, op die wijze te wreken. Maar ik veronderstel eene zondige wraakneming, die, volgens den H. Thomas (I), voortspruit uit een zekeren wrevel des harten, tegen den-gene, die tegen ons misdaan heeft. De oorzaak van zulke wrake is niet de liefde des naasten , maar eene persoonlijke veete, die men door het leed van een ander tracht te bevredigen. En zou men het leed beoogen alleen van dengene, die ons kwaad berokkend heeft, daarom , zegt de H. Thomas, is men niet verontschuldigd, evenmin, wanneer men slechts hen zou haten, die ons haten; want, zoo gaat die H. Leeraar voort, men mag niet tegen een ander misdoen, omdat deze het eerst tegen ons misdaan heeft; in dit geval zou men zich door het kwade laten overwinnen, hetgeen de Apostel Paulus uitdrukkelijk verbiedt: «Laat «u niet door het kwade overwinnen» (2).

Zich wreken op iemand, wie hij ook moge zijn, welk leed hij ons ook moge berokkend hebben, is ons dooiden H. Geest verboden. Het doet er niets toe, waarin

(l) 2. 2. qu ioS a. i. (2) Rem. 12. 21.

-ocr page 470-

458

die wrake bestaat, hetzij in woorden, hetzij in daden. «Wreekt u zei ven niet, geliefden! maar geeft den toorn «plaats, want er staat geschreven: aan mij de wraak, «ik zal vergelden, zegt de Heer» (1). Door deze woorden leert ons de H. Paulus uitdrukkelijk, dat men zich niet mag wreken, maar de vergelding voor het aangedane kwaad moet overlaten aan de straffende gerechtigheid des Heeren, die op zijn tijd, en op do wijze, zooals Hij het goedvindt, het kwaad zal weten to wreken. Het aangedane kwaad te wreken is derhalve niet de zaak van hem of haar, die verongelijkt is; maar, zegt God, het is mijne zaak: Ik zal vergelden. De Heer is de Rechter, Hij zal oordeelen. Wachten wij ons dan, ons oen recht aan te matigen, dat God alleen toekomt. «Gedenk aan geen ongelijk, n door uwen naaste aangedaan, en doe hem niets ongerechtigs (2), «zoek geen kwaad met kwaad «te vergolden.» Immers, er staat geschreven : «Wie wraak «wil nemen, zal de wrake des Hoeren ondervinden, en «de Heer zal zijne zonden niet vergeten» (3). Deze woorden mogen zij zich wel herinneren, die, wel niet werk-dadig wraak uitoefenen, hetzij uit vrees, hetzij uit onmacht, maar zich toch verheugen over het leed, een ander overkomen, dien zij vijandig gezind zijn, te meer daar de H. Geest ons zulks verbiedt. «Als uw vijand «valt, verblijd u dan niet; en laat uw hart zich niet «verheugen over zijnen ondergang» (4). «En die zich «verblijdt over eens anders ramp, zal niet ongestraft blij-«ven» (5). Dit zien wij onder anderen verwezenlijkt in Aman, den aartsvijand der Joden. Reeds verheugde hij zich over het doodvonnis der Joden, door Assuerus on-

(i) Ibid. v. 19. — (2) Eccli. 10. 6. — (3) Ibid, 28, i. — (4) Prov. 24. 17. — (5) Ibid. 17. 5.

-ocr page 471-

459

derteekend, hij wierp reeds een blik van welbehagen op de galg, die hij voor Mardocheus had laten oprichten, en een oogenblik later hing hij zelf er aan (1).

Werpen wij een blik in de wereld, dan ontwaart men, helaas! maar al te dikwijls dat menigeen, die tegen zijn naaste een wrevel koestert, ter oorzake vair eene aangedane beleediging, zich verblijdt over het leed, dat hem wedervaren is. Gebeurt liet niet vaak, dat men zich verheugt over eene beleediging hem aangedaan , die ons beleedigd, zich verblijdt over het kwaad, dat men van hem spreekt, die ons gelasterd, zijne vreugde niet verbergen kan, als hij van eene bediening ontzet wordt, die er ons van beroofd heeft? Door de wraakzucht, dien vreeselijken hartstocht verblind , geeft men zich zelden de moeite van te onderzoeken, of men ons waarlijk verongelijkt heeft. Men verbeeldt zich maar al te dikwijls, dat iemand ons ongelijk aandoet, ofschoon zijne handelwijze in plaats van afkeurenswaardig, alleszins billijk en rechtvaardig, ja zelfs soms verplichtend is; bijv. als wij ons van de ons opgelegde taak niet kwijten, zooals het behoort, of wel onze bediening niet waarnemen, zooals het ver-eischt wordt, hetzij omdat wij onkundig of onhandig, hetzij onwillig zijn. Een medebroeder of eene medezuster meent in geweten verplicht te zijn, de Oversten die toch niet alles weten, hiervan te verwittigen. En nu gebeurt het niet zelden, dat wij een wrevel opvatten tegen dengene, dien wij vermoeden de zaak te hebben overgebracht, en bij gelegenheid willen wij het hem of haar doen gevoelen, die de Oversten hiervan in kennis gesteld heeft. In vele omstandigheden is een

(i) Esther. 7. 10.

-ocr page 472-

460

Overste verplicht het kwaad te beletten, een onderdaan het over te dragen, en hij, die het kwaad pleegt, acht zich hierdoor beleedigd, en is op wraak bedacht; is er wel iets zoo onredelijk en zoo onrechtvaardig? Een Overste moet soms iets weigeren, wat hem gevraagd wordt, en nu zou een onderdaan zich beleedigd wanen, en door zijne stilzwijgendheid, stuurschheid, en zijn zuur gezicht op den Overste zich willen wreken, is dit geene zonde? Is dit niet hen navolgen, die de deugd-zamen doen lijden? Zouden wij alzoo, ter oorzake van eene ware of ingebeelde beleediging, eene zekere wraakzucht is ons hart ontwaren, beijveren wij ons dan aanstonds deze te onderdrukken; wat meer is, toonen wij ons altijd toegevender, inschikkelijker, vriendelijker en dienstvaardiger tegenover hen, door wie wij meenen verongelijkt te zijn, uit vrees van uit wraakzucht te handelen.

Zich wreken op wie en op welke wijze dan ook, op wraak bedacht zijn, zich verheugen over het leed onzen vijanden wedervaren, of zich bedroeven over hun geluk en hunnen voorspoed, is, als in strijd met de liefde en de vergevingsgezindheid, ons verboden; integendeel, de ons aangedane beleedigingen van ganscher harte te vergeven en te vergeten, geboden. «Gedenk,» zegt de H. Geest, «aan geen ongelijk, u door uwen «naaste aangedaan (1). Vergeef uwen naaste het on-«gelijk, dat hij u aandeed, dan zullen ook u, als gij «daarom bidt, uwe zonden vergeven worden. Hoe! Een «mensch wil zich niet verzoenen met zijnen evenmensch, «en hij vraagt genezing van den Heer! Hij erbarmt «zich niet over een mensch, die zijns gelijke is, en hij

(i) Eccli. lo. 6.

-ocr page 473-

461

«bidt om vergiffenis voor zijne eigene zonden! Hij, die «vleesch is, wil zich niet verzoenen, en hij vraagt «vergiffenis van God! quot;Wie zal voor hem vergiffenis «verkrijgen van zijne zonden?» (1) Wij verlangen zoo vurig, dat God ons onze zonden, helaas! zoo menigvuldig in tal, vergeve; en daarom bidden wij Hem onophoudelijk : «Vergeef ons onze schulden.» Doch hiervan kan geene sprake zijn, tenzij wij eerst onzen naaste van harte vergeven. Christus verklaart het uitdrukkelijk: «Indien gij den menschen niet vergeeft, dan zal ook «uw Vader u uwe misdrijven niet vergeven» (2). «Hij», roept hier de H. Augustinus uit (3), «die bij het hooren «dezer woorden niet ontwaakt, slaapt niet, maar is dood.» Met den mond zijnen evenmensch te vergeven, zegt dezelfde Kerkvader (4), is niet voldoende. «God weet «op welke wijze gij het zegt; de mensch hoort uwe «stem. God kent uw geweten.» Te vergeefs zou men zich vleien met deze gedachte: in de laatste oogenblik-ken mijns levens zal God zich mijner wel erbarmen, en vergeving schenken; zoo iemand, zegt wederom de H. Aug ustinus, zou zich bedriegen. In zijn leven, noch in zijn dood zal God dengene vergeven, die zijn naaste de vergiffenis weigert, al zou hij ook den dood der martelaren willen sterven. Dit zien wij in het voorbeeld van den priester Sapricius. Een leek, met name Nice-phorus had hem herhaalde malen om vergeving gesmeekt, doch te vergeefs. Toen hij zag dat Sapricius voor liet geloof tor dood veroordeeld, op het punt stond van onthoofd te worden, smeekte hij hem nogmaals om vergeving, doch ze werd hem wederom geweigerd.

(i) Eccli. 28. 2—5. — (2) Matth, 6, 15. — (3) Enchiricl c. 73. — (4) De verbis Dni. Serm. 15.

-ocr page 474-

462

En wat gebeurt er: Sapricius werd een afvallige en offerde den goden, en Nicephorus stierf den dood dei-martelaren (1).

Zou misschien eene beleediging niet zóó groot, zóó afschuwelijk kunnen zijn, dat de beieediger of de be-Jeedigster geene vergeving verdiene, en wij niet verplicht waren die te schenken? Niet ééne; want tusschen de beleedigingen die wij God, en de rnensdien ons aandoen, is een eindelooze afstand, en toch vergeeft God een oneindig Wezen, zonden, duizenden in getal en van de ergste soort, en wij zonden eene kleine beleediging ons aangedaan niet vergeven? Hoe, «Christus,» zegt de H Bernardus (2), «met roeden gegeeseld, met «doornen gekroond, met spijkers doorboord, aan een «kruis gehecht, vergeet al die beleedigingen en zegt; «Vader, vergeef hun,» en wij ellendige en zondige men-schen die onder de voeten van eenieder vertrapt, nog niet het door onze zonden verdiende loon ontvangen, wij zouden eene ons aangedane beleediging niet willen vergeven? Herinneren wij ons de schoone gelijkenis van het H. Evangelie. Een koning had niet slechts geduld met een zijner dienaren, die hem twintig talenten, (eene zeer groote som gelds, ruim twintig millioenen gulden) schuldig was, maar schold hem alles kwijt. Deze dienaar echter weigerde zijn mededienaar honderd denariën, eene geringe som, nog geen vijf en twintig gulden, kwijt te schelden. «Toen riep de Heer hem en «zeide tot hem; gij booze dienaar! de geheele schuld «heb ik u kwijtgescholden, dewijl gij mij gesmeekt «hebt; moest ook gij u dan niet ontfermen over uwen «mededienaar, zooals ik mij over u ontfermd heb? En

(i) Rohrbaclier. T, 5. 1. 29. p. 438. — (2) Serm 4 de Pass.

-ocr page 475-

4Ö3

«zijn Heer vertoorn»! zijnde, gaf hem over aan de pij-«nigers, totdat hij al liet verschuldigde zoude betalen. «Aldus zal ook mijn hemelsche Vader u doen, indien «gij niet, een iegelijk zijnen broeder, van harte zult «vergeven hebben» (1). Dus geene vergilTenis bij God voor dengene, die de beleedigingen, hem door zijnen broeder aangedaan, hoe zwaar en afschuwelijk zij ook .zijn mogen, niet van harte vergeeft en zich niet met hem verzoent. Vooraleer Grod ons vergeve, stelt Hij als voorwaarde, dat wij onzen naaste reeds vergiffenis geschonken hebben. Is dit niet het geval, dan spreken wij als onze eigene veroordeeling uit, wanneer wij bidden: «Vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven «onzen schuldenaren.» God, zegt de H. Augustinus ('2), sluit met den mensch als een verbond, «indien gij vergeeft, vergeef Ik u, indien gij niet vergeeft, vergeef Ik evenmin.»

Aan de vergeving zijns naasten had de 11. Joannes Gualbertus zijne zaligheid en heiligheid te danken. Te Florentië uit een adellijk geslacht geboren, nam hij, om aan het verlangen zijns vaders te voldoen, dienst bij het leger. Op zekeren dag ontmoette hij Ugo, den moordenaar van zijn eenigen broeder op een smallen weg. Reeds lang op wraak bedacht, kon hij thans, gewapend gelijk hij was, en van soldaten vergezeld, zijne wraaklust op den ongewapenden Ugo koelen. Deze, daar het juist goede vrijdag was, maakte met zijne armen een kruis. Indachtig dat Jezus voor zijne vijanden bad aan het kruis, en uit eerbied voor dat teeken, schonk hij niet alleen den moordenaar vergiflenis, maar nam hem zelfs aan tot zijn broeder. Nu trad hij eene

(i) Matth. i8. 32—35. — (2) Enrich. 73.

-ocr page 476-

464

kerk binnen om te bidden. Voor een kruisbeeld neergeknield, zag hij hoe het hoofd zich tot hem boog, als wilde de Zaligmaker hierdoor te kennen geven, hoe zeer Hem die daad behaagde. Door dit wonder getroffen , wilde hij voortaan God alleen dienen. Hij verliet de wereld, en stierf als een heilige (1). Een moordenaar van een eenigen broeder tot broeder aan te nemen , is eene heldendaad. God vergt deze niet van ons, maar wel, dat wij zulken boosdoener vergeving schenken, even als aan allen die ons, op welke wijze ook, beleedigd hebben, en dit niet slechts eens; maar telken male als men tegen ons misdoet. Christus heeft het ons bevolen. «Heere!)) zoo zeide Petrus tot zijn godde-lijken Meester, «Heere! hoe menigmaal zal mijn broeder «tegen mij zondigen, en ik hem vergeven? tot zeven-«maal toe? Jezus zegt tot hem: Ik zeg u niet tot «zevenmaal, maar tot zeventigmaal zevenmaal,» dat wil zeggen, zooals de leeraren deze woorden verklaren: altijd. Zou het waar zijn, vraagt de H. Augustinus (2), dat men niet meer verplicht is te • vergeven, indien iemand ons zeventigmaal achtmaal zou beleedigd hebben? En hij antwoordt: indien uw broeder u ook zeventigmaal honderdmaal beleedigd heeft, en nog meermalen , altijd moet gij hem vergeven. Soms zegt men «vergeven zal ik, maar de beleediging vergeten, kan «ik niet.» Wil men hierdoor te kennen geven, dat het ons aangedaan ongelijk steeds voor den geest zweeft, dan moeten wij deze gedachte als eene bekoring beschouwen, die op zich zelve gcene zonde is, doch nemen wij ons in aciit zulke gedachte te voeden, ons met die beleediging bezig te houden, uit vrees dat het niet

(l) I'rev, 12 Julii. — (2) Sup. Ps. .31

-ocr page 477-

465

vergeten, door het niet vergeven gevolgd worde. Laat ons liever bidden voor hem of haar die ons misdaan heeft, telkens als de duivel ons de beleediging wil doen herinneren, en het zal niet lang duren of de bekoring is voor goed geweken. Dit is tevens een krachtig middel om groote vorderingen te maken in de deugd. Eene heilige maagd, zoo verhaalt ons de geleerde en godvruchtige Taulerus, ondervraagd, hoe zij tot zulke verhevene volmaaktheid gekomen was, gaf dit schoone antwoord: «hen, die mij last aandeden en beleedigden, «heb ik altijd met eene bijzondere liefde bemind, en «hun, die mij verongelijkten, heb ik altijd een bijzonederen dienst bewezen, dien ik mij anders niet zou ge-«troost hebben» (1). Zijn wij dus altijd het woord van den H. Paulus indachtig: «Weest minzaam jegens eikeander, meedoogend, elkander vergevende, gelijk ook «God in Christus u vergeven heeft» (2).

Wie wraak neemt is gelijk aan een hond, die in den steen bijt, dien men hem toewerpt; hij doet zich zeiven en niet den steen pijn aan. Hij matigt zich het recht toe, dat God alleen toekomt, die zich in zijn tijd op den wreker of de wreekster zal weten te wreken. Wie zijn naaste niet vergeeft, wil niet dat hem vergeven worde. Indien wij echter wraak willen nemen, wreken wij ons dan op den duivel, onzen eenigen vijand, met hem te beschamen door onze openhartigheid; wreken wij ons op ons lichaam door het te versterven; doch op onzen naaste moeten wij, gelijk do H. Paulinus zegt, eene hemelsche wraak nemen, die hierin bestaat, dat wij voor onze vijanden bidden en hun goed doen, opdat wij kinderen mogen zijn van onzen Vader die in

(ï) Vgl a Lapide Matth 5. 43. — (2) Ephes. 4. 32. Lijden v. Christus. 30

-ocr page 478-

46(5

den hemel is, die zijne zon doet opgaan over goeden en kwaden, en regenen doet over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, en als brave kinderen eenmaal van Hem het loon mogen ontvangen in den hemel.

GEBED.

O mijn liefderijke Verlosser, Gij hebt aan het kruis voor uwe vijanden gebeden, die TJ, de onschuld zelve, zoo vreeselijk mishandelden, en ik zou niet willen bidden voor de mijnen die mij, wel is waar eenigermate beleedigden, maar in verre niet zooals ik het verdiende. Ik zou genoegen nemen in hunne vernedering, en mij verblijden over hun ongeluk? Mij bedroeven als hun eenig goed wedervaart? Duizenden fouten hebt Gij mij vergeven, en ik zou niet van ganscher harte hun vergeven die mij beleedigen? Gij hebt mij geleerd te bidden, «vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven «onzen schuldenaren.)) Ja Heere Jezus! ik vergeef allen, die mij op welke wijze ook, ooit mochten beleedigd hebben, erbarm U hunner en zegen hen. En nu durf ik U dan ook met vertrouwen bidden, mij mijne zonden te vergeven, vooral die met de naastenliefde in strijd zijn. Ik maak het vaste besluit elke wraakzuchtige gedachte aanstonds te bestrijden, door een kort schietgebed voor mijne vijanden te bidden, en mij aan U te herinneren, die voor uwe vijanden hebt gebeden aan het kruis. Lieve Moeder Maria, herinner mij steeds aan dat voorbeeld van uwen goddelijken Zoon, en verkrijg mij de genade, dat. ook ik in plaats van mij op mijne vijanden te wreken, steeds hun van harte vergeve en voor hen bidden moge.

-ocr page 479-

467

HOOFDSTUK Vil.

Hodie mecuin eris in paradise. Luc. XXIII. 43.

Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs.

Terwijl Jezus voor zijne vijanden bad, gingen dezen voort Hem te bespotten en te lasteren. «Hoe! Gij die «den tempel Gods afbreekt, en dien in drie dagen «weder opbouwt, verlos U zeiven: indien Gij Gods Zoon «zijt, kom dan af van het kruis» (1). Door deze woorden, zegt de H. Joannes Chrysostoimis, wilden de Joden Christus als een bedrieger voor allen doen doorgaan (2), daar Hij, die zich Gods Zoon noemde , zich zeiven van het kruis niet kon losmaken. Ook onderling hielden zij niet op met Hem den spot te drijven, zeggende: an-«deren heeft Hij verlost, zichzelven kan Hij niet verlos-«sen; is Hij Israels Koning, dat Hij mi afkome van het «kruis, en wij gelooven aan Hem, Hij heeft op God «vertrouwd, die verlosse Hem nu, indien Hij welgeval-alen aan Hem heeft! Hij zeide immers: Ik ben Gods «Zoon.« Zulke spotternij had David reeds voorspeld met deze woorden: «Allen die mij zien, bespotten mij, zij «spreken met de lippen, en schudden het hoofd» (3). Deze voorzegging moest worden vervuld, evenals die van den Profeet Isaïas: «Onder de boosdoeners is Hij ge-«teld» (4). Immers er werden toen met Hem twee «roovors gekruisigd, één ter rechter- eu één ter linker-«zijde (5), Jezus, de heiligheid zelve, in het midden van «twee booswichten, alsof Hij de grootste was!»

De H. Mattheus (6) zegt dat, even gelijk do Opperpriesters, met de Schriftgeleerden en Ouderlingen Jezus

(i) Matth. 27. 40. — (2) In Matlh. hom. 88. — (3) Ps. 21. 8.— (4) Isaïas 53. 12.— (5) Matth. 27. 38. -— (6) Ibid. v. 44.

-ocr page 480-

468

bespotteden, Hem ook gelijkerwijze de roevers beschimpten, die met Hem gekruisigd waren. Deze H. Evangelist gebruikt hier misschien het meervoud in de plaats van het enkelvoud, zooals hij vroeger deed: «zij «zijn gestorven, die het Kind zochten te dooden,» ofschoon hij diuir Herodes alleen bedoelde. En de H. Au-gustinus (1) zegt, dat het eene spreekwijze is, het meervoud dikwijls voor het enkelvoud te gebruiken, bijv. die onbeschaafde menschen lasteren mij, ofschoon er slechts één is die het doet. Daarenboven, voegt hij er bij, de H. Mattheus zegt niet: heide roovers. Anderen echter, zooals de H. Hieronymus (2), de H. Joannes Chrysostomus (3), de H. Hilarius (4) zeggen, dat beide roovers Christus in den beginne lasterden; maar dat de eene zich bekeerde en de andere volhardde in zijne boosheid. De naam van dezen zoo gelukkigen roover, door Christus zelf heilig verklaard, is volgens eene godvruchtige overlevering, Dismas, zoo ook noemt hem de H. Alphonsus (5).

Volgens den H. Anselmus (6) had deze roover de H. Familie op hare vlucht naar Egypte goed behandeld en zelfs gehuisvest. Zulke daad bleef niet onbeloond. Christus, die zoo even voor zijne vijanden had gebeden verlichtte door zijne goddelijke genade zijn verstand en raakte zijn hart. En zie, van een roover wordt hij een belijder. Toen hij den anderen roover Christus hoorde 4asteren, zeggende: «indien Gij de Christus zijt, verlos «U zeiven en ons,» (7) berispte hij hem, zeggende: «Vreest «ook gij God niet, daar gij dezelfde straf lijdt? en wij «wel met recht, want wij ontvangen loon naar werken,

(l) De conc. Evang. 1. 3. c. 16. — (2) In Matth. c. 27. —■ (3) Ibid. — (4) Cant. 23 in Matth..— (5) T. 5. p. 286. — (6) Cfr. Guerin. Petits Bollandistes 25 Mars. — (7) Luc. 23. 39.

-ocr page 481-

469

«maar Deze heeft niets kwaads gedaan.» Welke verhevene deugden beoefent hij door deze weinige woorden. Arnoidus van Chartres (I) verklaart ze volgender wijze: «Hij gelooft, vreest den Heer, heeft berouw, pleegt «boete, belijdt zijne schuld, preekt, bemint, vertrouwt «en bidt.» «Heere!» zoo sprak hij tot Jezus, «gedenk «mijner, als Gij in uw rijk zult gekomen zijn!» en Jezus zeide tct hem: «voorwaar zeg Ik u, heden zult «gij met mij in het paradijs zijn.» (2) En nog op den-zefden dag aanschouwde hij Gods aanschijn, (3) niet in den eigenlijken hemel, immers Christus steeg eerst den 40stequot; dag na zijne verrijzenis hemelwaarts, maar in de plaats waar de gelukzaligen des Ouden Verbonds, de komst van Jezus verbeidden.

Een booswicht, een roover, die ziju leven in zonden had doorgebracht, bekeert zich in de laatste oogenblik-ken zijns levens, en sterft als een heilige; welke redenen heeft men niet, om op Gods eindelooze barmhartigheid te vertrouwen! Dit voorbeeld leert ons nimmer te wanhopen, met welke en hoevele zonden wij zouden beladen zijn. Maar met hem, aan de andere zijde van Jezus hing ook een roover, en deze sterft zooals hij geleefd heeft, hij sterft als een zondaar. Geeft gene ons redenen om te vertrouwen, deze om te vreezen. Nimmer mogen wij wanhopen, nimmer vermetel zijn. Beide klippen, die der wanhoop en die der vermetelheid moeten wij vermijden, om eenmaal de haven van het hemelsei» Jeruzalem te kunnen bereiken. Met andere woorden, wij moeten onze zaligheid bewerken tusschen hoop en vrees.

(l) De 7 verbis. — (2) Luc. ibid, v, 40—43. —• (3) Cfr. Carthagena. De 7 Verbis, 1. 11. hom. 4. et S. Alph. T. 5. p. 286.

-ocr page 482-

470

Zijne zaligbcid bewrrkeii tiisschen hoop en vrees.

De H. Paulus, die in zijn brief aan de Philippiërs ons aanspoort met vreeze te werken aan onze zaligheid, met deze woorden: «Arbeidt aan uwe zaligheid met «vreezen en heven» (1), wil ook, dat wij nimmer moedeloos worden, noch het vertrouwen verliezen. «Verliest «dan,» zoo schrijft hij aan de Hebreërs, «uw vertrouwen «niet, hetwelk ocne groote boiooning heeft» (2). God is rechtvaardig, «die eeniegelijk vergelden zal naar zijne «werken; hun, die door volharding in goede werken «heerlijkheid en eer en onbcderfelijkheid zoeken, het «eeuwige leven; maar hun, die wederspannig en onge-«hoorzaam aan de waarheid, gehoorzaam zijn aan de «ongerechtigheid, toorn en verbolgenheid» (3). Derhalve moet altijd, eene heilige vreeze ons bezielen, van eens vroeg of laat dooi- een rechtvaardigen God te worden gestraft, indien wij Hem beleedigen, of na Hem be-leedigd te hebben, geene boete zouden plegen. De zonde en wel de doodzonde is het eenige beletsel onzer zaligheid, welnu «de vreeze des Heeren verdrijft de «zonde» (4). Zij echter die de zonde plegen, hebben die vreeze uit hunne harten verbannen. Immers zoolang men den Heer vreest, zal men der bekoring weerstand bieden. «Wie den Heer vreest, dien zal geen kwaad «overkomen, maar in de beproeving zal God hem beswaren en van het kwade bevrijden» (5). «Doch wie «die vreeze mist, kan niet gerechtig zijn, wijl de he-«vigheid zijns toorn hem ten val brengt.» Aangezien

fi) Philip. 2. 12. — (2) Hebr. io. 35. — (3) Rom 2. 6—8.— (4) Eccli. 1. 27. — (5) Ibib. 33. 1.

-ocr page 483-

471

's menschen hart altijd ten kwade geneigd, en de bekoring soms hevig is, moeten wij ons van een sterk wapen bedienen, om niet onder de aanvallen des vijands te bezwijken, en ons overtuigd houden, «dat er niets «beter is dan de vreeze des Heeren» (1). Ik heb personen gezien, zegt de H. Joannes Climacus (2), die door de vreeze des Heeren niet terug worden gehouden om te gaan stelen, doch, toen de honden begonnen te blaffen, werden zij bevreesd en verwijderden zich. Hoe! zou dan de vrees, door een rechtvaardigen en alrnach-tigen God te worden gestraft ons niet veeleer van het kwaad terughouden, dan de vrees, door een hond te worden gebeten? Maar het ongeluk van velen is, dat zij die vreeze Gods uit het oog verliezen. Door de menschen te worden gestraft, vreest men schier aanhoudend, door God, zelden. Een kind, voor de roede in de hand zijns vaders bevreesd, doet wat bevolen, laat wat verboden wordt. Welnu, zegt dezelfde H. Joannes Climacus (;5), de vreeze Gods is eene geestelijke roede, die ons bestuurt op den weg naar den hemel, eenmaal daar aangekomen, verlaat ze ons. Doch zoolang wij in deze wereld ronddwalen, houdt ze ons in bedwang en doet ons de geboden onderhouden. Zalig hij, zoo spreekt liij verder (4), die den goddelijken Rechter niet minder vreest, dan de boosdoeners den wereldschén. Duizenden worden weerhouden van het kwaad te plegen, uit vrees van in handen des gerechts te vallen; maar «vreeselijk is het, te vallen in de handen van den le-«venden Godo (5).

«O hoe groot is hij,» zegt de H. Geest, die kennis

(l) Eccli. 23. 37. — (2) Schala Parad. grad. I. —(3) Grad. 26. schol. 14. — (4) Ibid. 30. — (5) Hebr. 10. 31.

-ocr page 484-

472

«en wetenschap verkregen heeft! maar hij staat niet «boven dengene, die den Heere vreest. De vreeze des «Heeren gaat alles te boven» (1). Zou iemand uitmunten in geleerdheid; in alle vakken van welenschappen te huis, ja eene vraagbaak zijn voor eenieder, daarom is hij nog niet gelukkig. Immers deugd en geleerdheid gaan niet altijd gepaard. Men vindt geleerden met allerlei soorten van zonden belieft en ongeletterden, die in deugd en heiligheid uitmunten, en daar het de ondeugd is, die, zooals de li. Geest zegt de volkeren ellendig maakt, zijn dezen, ofschoon in vele zaken onwetend, toch gelukkig en genen met al hunne geleerdheid diep ongelukkig. De vreeze des Hoeren alzoo maakt den mensch gelukkig, daar zij de zonde verdrijft (3). Trouwens de H. Geest zegt het uitdrukkelijk: «Gelukkig «de mensch, wien het gegeven is de vreeze Gods te «hebben; die haar bezit met wien kan men hern gelijk «stellen?» (4) Als wilde Hij zeggen, niemand kan er worden gevonden, als zijnde evenzoo gelukkig. Daarenboven wordt zijne sterkte en onverschrokkenheid door niema id overtroflen. «Rijkdom en lichaamskrachten ver-«hefTen het hart,» maken den mensch kloekhartig en onbeschroomd, «maar meer nog dan beide, de vreeze «des Heeren. Waar de vreeze des Heeren is, daar is «geen mangel, en met haar behoeft men naar geene «hulp om te zien» (5). De goede God heeft steeds zijne oogen gevestigd op hen, die Hem vreezen, Hij, de almacht zelve, is hun verdediger, en als God voor hen is, wie zal tegen hen zijn? Vandaar dat er geschreven staat: «Wie den Heer vreest, schroomt voor niets, en

(i) Eccli 25. 13. 14. — (2) Prov. 14. 34 — (3) Eccli. I. 27. — (4) Ibid. 25. 15. — (5) Ibid. 40. 26. 27.

-ocr page 485-

473

«zal niet beducht zijn, want hij is zijne hoop. Gelukkig «de ziel desgenen die den Heer vreest. Op wion ver-«laat hij zich, en wie is zijne sterkte? Des Heeren «oogen zijn gericht op die Hem vreezen; Hij is hun «een machtige verdediger, een sterke steun, een scherm «tegen de hitte, en een beschutsel togen de zon op «den middag, eene behoeding voor het struikelen, en «eene hulp bij het vallen; Hij verheft de ziel en «verlicht de oogen, Hij geeft genezing, en leven en «zegen» (I).

Laat ons dan altijd vreczen, niet meer te vreezen. Die heilige vreeze is als de grondslag van ons geestelijk gebouw. Wordt eene woning ondermijnd, dan stort ze in, even zoo blijft er van ons huis der volmaking niets meer staan, als wij van de vreeze des Heeren verstoken zijn. Kinderen, voor geene straf van den kant huns vaders beducht, dienstboden zonder vrees, door hunnen meester bestraft te worden, geven zich al spoedig aan luiheid en vadzigheid over. Zoo ook verkoelt alras de ijver van die dienaren Gods, welke Gods rechtvaardigheid uit het oog verliezen; de vreeze Gods maakt plaats voor eene noodlottige geestelijke traagheid, die bij de eerste zware beproeving vaak den geestelijken dood der ziel ten gevolge heeft. De Heiligen waren dan ook steeds bezield met eene groote vreeze des Heeren, deze sterkte de martelaren in het midden hunner folteringen; beter is het, dachten zij, hier voor een korten tijd, dan hiernamaals eeuwig te lijden. De vrees van eeuwig te moeten branden in de hel, sterkte den H. Martinianus in eene vreeselijke bekoring tot onzuiverheid. Met recht zegt dan ook de H. Joannes

(i) Eccli. 34. 16—20.

-ocr page 486-

474

Chrysostomns (l): «waar de vrecze des Heeren isT «daar is ook de kuischheid, zonder de vreeze is er «geene sprake van de reinheid.» Is er geene vreeze des Heeren, zegt de H. Bernardus (2), dan is er verderf der ziele, ongebondenheid, en een overvloed van zonden. Waren de menschen meer van deze vrees doordrongen, duizenden zouden staande blijven in den strijd, die nu helaas! bezwijken. En hoe velen leven thans onbevreesd in hunne zonden voort, die niet toeven zouden tot Gods barmhartigheid hunne toevlucht te nemen, ware het, dat zij Gods rechtvaardigheid steeds voor oogen hadden. De gedachte dat God zijne engelen, plichtig aan ééne zware zonde niet heeft gespaard, dat Hij in zijne rechtvaardigheid gehouden is, eene ziel voor eeuwig van zijn aanschijn te verstoeten, als deze beladen met ééne doodzonde voor het oordeel verschijnt, deed de Heiligen vreezen, en hen uitroepen: «Indien Gij de on-«gerechtigheden gadeslaat, o Heer! wie Heere zal be-«staan» (3).

Het gewicht der vreeze, zegt de H. Gregorius (4), is het anker des harten. Dit anker moeten wij, zoolang wij dobberen op de onstuimige baren dezer wereldzee altijd gereed hebben, en het onmiddellijk uitwerpen als een storm opdaagt, opdat wij geene schipbreuk lijden, en eenmaal de eeuwige haven van het hemelsch Jeruzalem mogen binnen zeilen. In deze verwachting zullen wij dan niet te leur gesteld worden. De H. Geest verzekert het ons; «Laat toch uw hart de zondaars «niet benijden, maar wees ten alle dagen in de vreeze «des Heeren; want gij zult in 't eind verkrijgen wat

fl) Hom. I. de opere imperf. sup. Matth. — (z) Serm. 4. ad Soror. — (3) Ps. 129. 3. — (4) Moral. 1. 6. c. 17.

-ocr page 487-

475

«gij gehoopt hebt, en uwe verwachting zal niet ver-«ijdelcl worden» (1). En, «wie den Heer vreest, dien «zal het welgaan in zijn uiterste, en hij zal gezegend «worden ten dage van zijn verscheiden» (2). Dat wij dan nimmer in het bewerken onzer zaligheid de woorden des H. Geestes uit onze gedachte verliezen: «Blijf «in de vreeze Gods, en wordt er grijs in» (3).

Is het noodzakelijk, den Heer te vreezen, dan moeten wij Hern zóó vreezen, zegt de H. Prosperus (4), dat wij van Hem tot Hem onze toevlucht nemen. Is God rechtvaardig. Hij is ook barmhartig. Zijne rechtvaardigheid moeten wij vreezen, op zijne barmhartigheid vertrouwen. Indien wij Gods rechtvaardigheid steeds indachtig waren, zonder aan zijne goedheid en barmhartigheid te denken, dan zou onze ziel weldra in ecne voor haar noodlottige moedeloosheid gedompeld worden. Staat er geschreven, «gelukkig do ziel van hem die «den Heer vreest», ook «zalig hij. die op den Heer «vertrouwt» (5). God vreezen en tevens op God vertrouwen moet gepaard gaan. De vreeze Gods moet ons voor de vermetelheid, het vertrouwen op God voor de moedelooslieid bewaren. Naarmate wij den Heer vreezen zal ons vertrouwen vast en degelijk zijn; immers tot een waar vertrouwen wordt gevergd, dat wij van onzen kant ons beijveren de zonden te vluchten ot' minstens er uit op te staan, indien wij er in gevallen zijn. Daar nu de vreeze Gods ons voor de zonde bewaart, en een allerkrachtigst middel is, om ze uit onze harten te verbannen, volgt er uit dat zij, die den Heer vreezen alle redenen tot vertrouwen hebben. «Die den

(l) Prov. 23. 17. 18. — (2) Eccli. I. 13. - (3) Ibid. c. 2. 6. — (4) Sent. 77. -— (5) Prov. 16. 20.

-ocr page 488-

476

«Heer vreezen, zegt de Profeet, vertrouwen op den «Heer; hun helper en hun beschermer is Hij» (1). De H. Geest moedigt dan ook hen tot een groot vertrouwen aan, die God vreezen, met deze woorden: «O! Gij «die den Heere vreest, hoopt op Hem en zijne barrn-«hartigheid zal u vreugde aanbrengen» (2). «Beschouwt, «kinderen», zoo voegt Hij er bij, «de geslachten der «menschen, en gij zult bevinden, dat niemand vertrouwde «op den Heer, en beschaamd werd gemaakt (3). O! hoe welgevallig is Gode eene ziel, die op Hem vertrouwt. Hij zal haar van alle kanten door zijne barmhartigheid omgeven. «Die op den Heer vertrouwt, dien zal goe-«dertierenheid omringen» (4), zoodat de vurige pijlen des boozen hem niet treffen zullen. «Die op den Heer «hun vertrouwen stellen», zegt de Profeet Isaias (5), «zullen van kracht veranderen; de goede God zal tel-«kens hunne sterkte hernieuwen; hen met nieuwen «.moed bezielen; zij zullen de vleugelen nemen eens' ade-«laars, loopen en niet moede worden, wandelenen zich «niet afmatten.» Kruipen de kleinmoedigen op den weg der deugd en volmaking als eene slak, zij die vertrouwen, vliegen op dien weg als een arend. Derhalve «weest «moedig, en dat uw hart zich versterke, o gij allen, die «hoopt op den Heer» (6).

Wat ons betreft: hebben wij redenen, met het oog op onze menigvuldige zonden en fouten zonder tal, voor Gods rechtvaardigheid bevreesd te zijn, wij hebben nog meer redenen op Gods eindelooze barmhartigheid en grenzelooze goedheid te vertrouwen. «Laat ons dan», zegt de H. Paulus (7), «met vertrouwen toetreden tot

(l) Psal. 113. II. — (2) Eccli. 2. 9. — (3quot;) Ibid. v. II. — (41 Psal. 31. 10. —■ (5) Isaias 40. 31. — (^6) Psal. 30. 25. — (7) Hebr. 4. 16.

-ocr page 489-

All

«den troon der genade, 'opdat wij barmhartigheid mo-«gen verkrijgen et) genade vinden in hulp te bekwa-«mer tijde.» Die troon der genade, zegt de H. Alphon-sus (1), is het kruis, waar Jezus als op een troon is gezeten, om zijne genaden en barmhartigheden aan allen uit te deelen, die hun toevlucht tot Hem nemen. Haasten wij ons dat kruis te omhelzen, en doen wij het, zegt dezelfde heilige, met groot vertrouwen. Aanschouwt, zegt de H. Augustinus, de wónden van Jezus, die daar hangt aan het kruis; deze zijn als zoo vele toevluchtsoorden voor allen die Hem vreezen, daarin verborg zich de tot dan toe zondige Dismas, en hij werd met welwillendheid in Gods vriendschap opgenomen. Slaan wij onze oogen op het bloed van Jezus, die daar sterft aan het kruis; dit bloed spreekt beter dan het bioed van Abel; want Abels bloed riep tot God om wraak; Jezus' bloed verkondigt genade en vergeving. En Hij, wiens wonden daar gapen aan, en wiens bloed daar met stroomen vloeit van het kruis. Hij zelf is het die ons moet oordeelen. Doch om ons niet te veroordeelen ten eeuwigen dood, veroordeelt Flij zich zeiven tot den dood des kruises. Ziet Hem daar; zijn hoofd heeft Hij gebogen, om ons den kus des vre-des te geven, zijne handen uitgestrekt om ons in liefde te ontvangen, zijn Hart geopend om ons eene schuilplaats te bezorgen. Zal Hij ons veroordeelen, die ons doemvonnis aan het kruis gehecht, en met zijn bloed heeft uitgewischt? Zal Hij zijn aanschijn van ons afwenden, Hij , die het aanbood om mot vuisten te worden geslagen? Zal Hij het vreeselijk vonnis «gaat weg «van mij» over ons uitspreken. Hij, die bad aan het kruis:

(i) T. 6. p. 309.

-ocr page 490-

478

«Vader, vergeef hun» en liiermede niet tevreden, thans, nu Hij aan de rechterhand Gods is gezeten, nog immer voortgaat voor ons te bidden? «Wij hebben», zegt de H. Joannes, «een Voorspreker bij den Vader, Jezus «Christus, den Rechtvaardige» (1).

Waartoe zou het dan dienen, zich af te matten met deze noodelooze vraag: zou mijn naam opgeteekend staan in het bock des levens? God houdt zulks verborgen voor ons welzijn, opdat wij ons beijveren zouden door werken van deugden onze zaligheid meer en meer te verzekeren. Doch weten wij niet of onze naam geschreven staat in het boek des levens, God heeft ons toch geschreven in zijne handen (2). Wij weten ook, dat zij die den Heer vreezen, in hun uiterste zullen gezegend worden, en dat niemand, die op den Heer vertrouwt, beschaamd zal worden. Zorgen wij maar, dat door Gods genade, onze vreeze nimmer in moedeloosheid, ons vertrouwen in vermetelheid ontaarde. En deze genade moeten wij gedurig afsmeeken door een vurig gebed, en ze zal ons geworden. Vreest gij voor uwe zaligheid, bid veel, en God zal u het vertrouwen schenken ; hiermede bezield zult gij niet te leur worden gesteld. Zoo wij dan met den Profeet bidden: «doornagel «mijn vleesch met vreeze voor U, want ik ben beducht «voor uwe oordeelen» (3), vergeten wij niet er bij te voegen: «mijne ziel vertrouwt op U, en onder de «schaduw uwer vleugelen neem ik mijne toevlucht» (4). Vleien wij ons neder onder de schaduw des kruises, het oenc oog op den onboetvaardigen roover gevestigd, opdat de vreeze Gods ons steeds beziele, het andere op

(l) I. Joan. 2. I. — (2) Isaias 49. 16. — (3) Psal. 118. 120. — (4) Psal. 56. 2.

-ocr page 491-

479

dien heiligen boeteling, om nimmer het vertrouwen,te verliezen. In het midden van die twee roovers vinden -wij Jezus. Indien wij dan altijd in het midden blijven, en noch naar den rechterkant door vermetelheid, noch naar de linkerzijde door moedeloosheid overgaan, dan blijven wij altijd bij Jezus, in tijd en eeuwigheid.

GEBED.

O God! doorboor mijn vleesch met vreeze voor U, want ik ben beducht voor uwe oordoelen! Te weinig ben ik, tot hiertoe, uw oordeel indachtig geweest. Uwe rechtvaardigheid, die eenieder volgens zijne werken vergelden, de braven eenmaal loonen, de zondaren eenmaal straflen zal, heb ik, bij het plegen mijner zonden te veel uit het oog verloren, en daarom door mijne hartstochten mij maar al te dikwijls laten medesleepen. Herinner mij altijd in de bekoring aan uwe tegenwoordigheid, voor wiens rechterstoel ik eenmaal verschijnen moet, opdat uwe vreeze mij van het kwaad weerhoude. Vele zonden heb ik gepleegd, en indien Gij de ongerechtigheden gadeslaat, o lieer! wie Heere! zal bestaan? Doch groot, oneindig groot is uwe barmhartigheid, vooral jegens hen die U vreezen. Ben ik voor uwe rechtvaardigheid niet bevreesd geweest, zooals het betaamde, daarom wil ik toch uwe goedertierenheid niet mistrouwen , opdat ik niet dieper valle. Ontferm U dan mijner volgens uwe groote barmhartigheid, en naar de menigte uwer ontfermingen, delg mijne zonden uit. Schenk mij, door de verdiensten van uw bitter lijden aan den galgenboom des kruises, uwe vreeze, opdat deze mijn hart voor nieuwe zonden sluite. Bewaar mij , o mijn Jezus! voor elke moedelooze gedachte , en

-ocr page 492-

■480

herinner mij steeds aan uwe matelooze barmhartigheid. Behoed mij tevens voor eamp;ne strafwaardige vermetelheid, opdat ik uwe rechtvaardigheid indachtig, U vreezé en vertrouwende op uwe barmhartigheid, deze moge ondervinden in den tijd, en loven in de eeuyvigheid. O Maria, mijne Moeder, wijs mij altijd op uwen rechtvaardigen Zoon, opdat ik Hem vreeze, op uwen goedertieren Zoon, opgt;dat ik Hem beminne. Leid mij tus-schen hoop en vrees in deze wereld, opdat aan de deur des hemels mij de vreeze verlate, en mijne liefde tot U en uwen Zoon dan blijve in eeuwigheid.

HOOFDSTUK VHI.

Muiier, ecce filius tuus. Deinde (licit discipulot Ecce Mater tua. Joan. XIX. V. 26. 27.

Vrouwe, ziedaar uwen Zoon ! Daarop zeide Hij, tot den leerling: Ziedaar uwe Moeder.

Gedreven door eene matelooze liefde tot den menschr wordt het eeuwig Woord des Vaders mensch en woont onder de menschen. De mensch, gedreven door den' toomloozen hartstocht van afgunst, maakt jacht op Hem als op een roover, rekent Hem onder de boosdoeners, en slaat Hem in het midden van twee roovers aan het kruis. Geklonken aan dat schandig hout, vergeet Hij al zijn lijden, en is alleen bezorgd voor het heil der menschen. Hij bidt zijn Vader, dat Hij hun moge vergeven. En ziet, nauwelijks heeft Hij gebeden, of een dier roovers komt tot inkeer, zijne zonden worden hem vergeven, en hij sterft als een heilige, met de hem door Christus gedane belofte: «heden zult gij

-ocr page 493-

481

met Mij zijn in h^t Paradijs. Spreekt de mond uit den overvloed des harten, zooals Christus zelf had gezegd (1), dan getuigen die twee eerste woorden, hoe zijn goddelijk Hart brandde van liefde tot den mensch, doch niet minder het derde.

Als een stervende vader vergadert Christus voor het laatst zijne kinderen rondom zijn bed van smarten, Joannes in persoon, en ons allen in den geest, en maakt zijn testament. Maar hoe! mijn dierbare Jezus, kunt Gij dan nog over iets beschikken? Arm /.ijt Gij geboren, arm hebt Gij geleefd, en nu zijt Gij in de uiterste armoede gedompeld, waarover zoudt Gij thans beschikken? Nog twee dierbare panden waren te zijner beschikking: Maria en Joannes. Aan Maria gaf' Hij Joannes tot zoon, en ons allen, door Joannes vertegenwoordigd, tot hare kinderen, met deze woorden: «Vrouwe, «ziedaar uw zoon,» en aan Joannes, zoomede aan ons allen. Maria tot Moeder, met de woorden: «ziedaar uwe «Moeder.» Maria en Joannes, zegt de H. Alphonsus (2), stonden dichter bij het kruis, dan de andere vrouwen, en daarom konden zij, ondanks het geschreeuw des volks, de woorden van Jezus beter verstaan, en zijne blikken gadeslaan. Terwijl Hij tot zijne Moeder sprak: «Vrouwe, «ziedaar uw zoon», duidde Hij, zegt diezelfde heilige, met zijne oogcn Joannes aan, die naast haar stond, na eerst, volgens eene aan de H. Birgitta gedane openbaring, door eene sterke drukking zijner oogleden, het bloed er uit verwijderd te hebben. Joannes wordt niet genoemd, alleen wordt Hij aangeduid door den leerling dien Jezus lief had. Hij wordt leerling genoom I, zegt mede de H. Alphonsus, om aan te toonen dat Maria

(i) Matth. 12. 34. — (2) T. 5. p. 291. Lijden v. Christus.

31

-ocr page 494-

482

niet aan Joannes alléén, maar aan alle geloovigen tot Moeder wordt gegeven.

Maar -waarom spreekt Jezus Maria toe met den naam van Vrouwe eü niet met den naam van Moeder? De H. Joannes Chrysostomus stelt zich dezelfde vraag met deze woorden: «O goede Jezus, hebt Gij U «over uwe Moeder geschaamd, die U zoo zorgvol op-« gekweekt, zoo eerbiedig behandeld, zoo zacht gevoed « heeft, dat Gij haar zoo hard toespreekt, met het woord : «Vrouwe!» En hij antwoordt: «Het is geschied, zooals «ik vermeen, opdat Gij door den naam van Moeder, hare «smart niet vermeerderen zoudt» (1). Do H. Bonaven-tura (2) is van hetzelfde gevoelen. Volgens den H. Al-phonsus (3) noemde Jezus zijne Moeder, Vrouwe, om ons te doen verstaan, dat zij die vrouw is bij uitnemendheid, in het boek der Schepping reeds aangeduid, welke den kop der slang verpletten zou (4). «Vrouwe, «ziedaar uw zoon!» zeide Jezus tot Maria, en deze woorden , zegt de H. Bernardus (5), waren meer dan een zwaard, dat haar hart doorboorde. Welke ruiling! voor Jezus wordt haar Joannes, voor den Heer een dienaar, voor den Meester een leerling, voor den Zoon Gods de zoon van Zebedeüs, voor den waren God een louter mensch gegeven! Het is waar; Joannes nam Maria, zijne Moeder geworden, op in zijn huis, zooals de H. Al-phonsus zegt, stond haar bij, en diende haar al de dagen van haar leven; doch tusschen Jezus en Joannes was de afstand te groot, dan dat Maria's smart, bij het verlies van haren goddelijken Zoon niet weergaloos ware. Maria wederkeerig was voor Joannes eene Moe-

(li Hom. 83. in Joan. — (2) Medit. Vitas Chr. c. 79. — (3) Ibid. p. 293. — (4) Gen. 3. 15. — (5) Serm. super signum magnum.

-ocr page 495-

483

der zonder voorbeeld. En daar ook wij de kinderen «ijn geworden van Maria, heeft God haar ook de eigenschappen geschonken van eene Moeder in den verhe-vensten graad, zoodat de liefde, de bezorgdheid van alle moeders te zamen slechts eene geringe schaduw is bij die liefde, welke Maria koestert voor ieder onzer. Gelukkig, driewerf gelukkig zijn wij de Moeder van Jezus tot Moeder te hebben. Immer zal Zij toonen dat Zij onze Moeder is, mogen ook wij ons steeds jegens Haar als ware kinderen gedragen!

De godsvrucht tot IVIaria.

Is Maria de Moeder Gods, door een God ons tot Moeder gegeven, wat is er dan natuurlijker, dan dat wij als kinderen tot Haar in alle onze noodwendigheden onze toevlucht nemen ? Tot wie wendt zich een kind als het achtervolgd wordt, . als het ziek , als het bedroefd , als het lijdend, als het hongerig, als het in gevaar is ? Op de eerste plaats tot zijne moeder. Immers tot haar gevoelt het zich getrokken, het weet-dat geen hart zóó medelijdend, zóó dienstvaardig , zóó liefderijk is als een moederhart. Geene hand zal de wonden des harten met meer voorzichtigheid en zachtheid heelen dan die eener moeder. Geene woorden doen met meer spoed de tranen opdroogen van een kind, dan die zoete en toedere woorden, welke vloeien van de lippen eener teerminnende moeder. Beminde Maria ons meer dan alle Heiligen en Engelen te zamen vooraleer zij onze Moeder werd; na ons in do bitterste smarten aan den voet des kruises te hebben gebaard, kan hare liefde alleen door die van een God worden overtroffen. Onmogelijk kunnen wij ons, wel verre van een volledig.

-ocr page 496-

484

eenig denkbeeld vormen van die overgroote en alle begrip overtrefiende liefde, welke Maria ons allen toedraagt. De hoogte, de diepte, de lengte, de breedte dier liefde kan geen schepsel meten. Toen Jezus ons zijne Moeder Maria tot Moeder gaf, stortte Hij in dat moederlijk hart zulke overmaat van liefde dat Hij, om er nog meer liefde in te kunnen storten, een ander hart hadde moeten scheppen, ruimer dan dal van Maria.

Danken wij God, zegt de H. Bernardus, dat Hij ons Maria tot Moeder heeft gegeven. Zij is de Moeder van een God, en dit zegt alles. In allen nood moeten wij ons tot haar wenden, als tot de teederste aller moeders. Valt de duivel ons aan, Zij heeft hem den kop verpletterd; gaat hij gestadig rond als een brie-schende leeuw, zoekende wien hij zal verslinden, Zij loopt, ja vliegt voortdurend rond, zoekende wien Zij zal beschermen. Zijn wij ziek. Zij is het behoud der kranketi en zal ons genezen. Is ons hart bedroefd, Zij is de troosteres der bedrukten, Zij zal ons troosten en opbeuren. Heeft onze ziel behoefte aan genaden. Zij is de Moeder der goddelijke genade, en zal ze ons in ruime mate schenken. Ontstaat er een storm op deze wereldzee, en hoe vaak gebeurt het niet! waarin wij gevaar loopen van om te komen. Zij is de ster der zee. Zij zal ons voor eene gewisse schipbreuk bewaren. In één woord. Zij is, zegt de IJ. Bernardus (1), alles voor allen; voor de wijzen en onwetenden heeft Zij zich als eene schul-denares gemaakt; voor allen opent Zij den schoot harer barmhartigheid, en allen ontvangen van haren overvloed: de gevangene verlossing, de zieke genezing, de bedroefde troost, de zondaar vergeving, de rechtvaar-

(i) Serm. de Assump. B. M. V.

-ocr page 497-

485

dige genaden ; zoo brandend is haar hart van liefde, dat er niemand is of hij gevoelt den gloed der liefde. Tallooze zielen zijn, koud gelijk zij waren, door den gloed van het vuur der liefde dat Maria's maagdelijk hart verteert, warm geworden. Ondragelijk is de hitte van het vuur harer liefde, in dien zin, dat, wanneer eene zondige ziel tot Maria nadert, en haar begroet met den naam van Toevlucht der zondaren, de last der zonden haar ondragelijk wordt, en zij zich haast, zich van de ketenen der zonden te ontdoen, waarin zij, bijgestaan door Maria, aanstonds slagen zal. De Heiligen hebben een zoo medelijdend hart, dat zij niet gevoelloos kunnen blijven bij het zien van do rampen huns naasten, en zou het ooit kunnen gebeuren, het hart van Maria kan nimmer meedoogenloos zijn met de ellende barer kinderen. Deden de Heiligen wonderen om de smarten van hunnen evenmensch te lenigen, Maria, die zelf eeti wonder van liefde is, zal wonderen weten te wrochten zonder tal voor ben, door God aan hare moederlijke zorgen toevertrouwd.

Door de schaduw van den H. Petrus werden de zieken genezen. Immers wij lezen in de Handelingen der Apostelen (1), dat men de kranken uitdroeg op de straten en op bedden en matrassen legde, opdat wanneer Petrus kwam, ten minste zijne schaduw iemand hunner beschaduwen mocht, en zij van hunne krankheden bevrijd wierdon. Indien dan de schaduw van een Apostel zoo veel vermocht, wat zal dan de schaduw van de Koningin der Apostelen niet uitwerken? Zij is die geheimzinnige Plataan , onder wiens schaduw niet slechts de zieken de genezing, maar zelfs de dooden het

(_!) Act. 5. 15.

-ocr page 498-

48G

leven vinden. Nauwelijks zal hij, die dood is volgens de ziel, zich plaatsen in de schaduw van Maria, voor haar beeld zich nederwerpen met een vurig verlangen, dat zijne ziel herleven moge, of Maria zal zijne bekeering bewerken en zijne ziel doen leven. De H. Joannes zag, dat aan de vrouw twee vleugelen van den grooten adelaar werden gegeven, om naar de woestijn te vliegen, naar hare plaats (1). Maria vliegt gestadig de woestijn dezer wereld rond, met cene snelheid , welke die eens arends overtreft, om hare kinderen onder de vleugelen harer barmhartigheid te beschermen. Onder de schaduw dier groote vleugelen is het veilig rusten. Hadden de ouders hunne kinderen, de meesters en meesteressen hunne leerlingen van jongs af aan, voortdurend in de schaduw dier weldoende vleugelen geplaatst, velen, nu ziek, zouden gezond zijn, vele dooden leven. En nog is het niet te laat. Zoudt gij misschien, die deze regelen leest, uwe zielsziekte hopeloos wanen, hetzij dat gij niet besluiten kunt ze den geestelijken geneesheer te openbaren, hetzij dat gij u machteloos gevoelt aan een schepsel te verzaken; herinner u dan de woorden van tien godvruchtigen Bernardinus de Bustis: «O zondaar, «wie gij zijn moget, wanhoop niet, maar neem uwe «toevlucht tot Maria; wees zeker door haar geholpen «te zullen worden; gij zult haar vinden met de handen «vol van barmhartigheid en genaden» (2) en die des H. Bonaventura, van Maria sprekende: «die wanhoopt, «stelle in U zijn vertrouwen» (3). Mag alzoo niemand onzer twijfelen aan de overgroote liefde van Maria als onze Moeder, evenmin aan hare macht als Moeder van een God. Door haar moeten ons alle genaden geworden.

(l) Apoc. iz. 14. — (2) Cfr. H. Alph. Bezoek. 19. -— (3) Su-per Salve Regina.

-ocr page 499-

487

«Als de tarwekorrel,» zeide Christus, «niet in de «aarde valt en sterft, zoo blijft hij alleen; maar indien «hij sterft, brengt hij veel vrucht voort» (1). Voor ruim achttien eeuwen is er nabij Jerusalem, op Golgotha's kruin oen kostbare tarwekorrel gezaaid, het bloed van een God ; dit heeft dc heerlijkste vruchten voortgebracht. Hij, die het gezaaid heeft, is er de Heer en Meester van. Hij kan naar goedvinden er over beschikken. Pharai» deed het graan van Egypte, waarvan hij de meester was, in schuren verzamelen, en door de handen van Jozef alléén zou het den behoeftigen worden uitgereikt. Zoo heeft do Heer Jezus de genaden, als zoo vele vruchten van dien goddelijken tarwekorrel, in de handen van zijne Moeder Maria vergaderd, om ze aan ons hare kinderen, die er zulke behoefte aan hebben, mede te deelen. Maria beschikt over de vruchten van Golgotha volgens goedvinden ; zij is, zegt de H. Bonaventura, de verzamelplaats dor genaden, zoodat God, volgons het gevoelen van den H. Anselmus, den H. Bernardus en vele andere Heiligen besloten heeft, den menscben geene genaden te schenken tenzij door Maria; hetgeen de H. Alphonsus wijdioopig bewijst in zijn nooit genoeg geprezen boek: «üe üeerlijkliedoa van Maria.» Kan eene moeder aan haar hongerig kind nimmer het noodige voedsel weigeren, veel minder Maria, zulke rijke Moeder, aan ons, zulke behoeftige kinderen. Tot aan het einde dei-wereld zal nimmer iemand de handen van Maria, die schatbewaarster der genaden, ledig vinden. Aanhoudend deelt Zij de vruchten van dien goddelijken tarwekorrel mede, en zij verminderen niet. Zij is eene bron van genaden, die niet zal opdroogon, zoolang de wereld bestaat.

(l) Joan. 12. 24. 25.

-ocr page 500-

488

De H. Kerk begroet Maria met den titel van: Ster der zee. Zij is eene ster, welke door haren glans allen verlicht, die in de duisternis en de schaduw des doods zijn gezeten. Eene ster, die den zeevarenden de rotsen en klippen aanwijst, om geen schipbreuk te lijden. Eene ster, die schittert in het midden der dikste duisternis en den weg aantoont, die naai' de eeuwige haven leidt. Eene ster, zegt de II. Bonaventura (1), die zóó flikkert, dat het onmogelijk is onder haar geleide te vergaan. Eene ster, voegt hij er bij, die door geene wolk beneveld wordt, tenzij men het zou willen. Eene ster, welke zulke verbazende aantrekkingskracht bezit, dat ze hen boven water houdt, tot wier mond het reeds gestegen is, en die zich in het uiterst gevaar bevinden van te zullen verstikken ; wat meer is, zij heeft eene zoo wondervolle kracht, dat zij den drenkeling optrekt uit de diepte der zee, hem op de kruin der golven plaatst en van daar de haven binnen leidt. Zouden wij ons ooit in zulk dreigend gevaar bevinden, dat onze toesfand hopeloos schijnt, dat wij in de vreeselijkste benauwdheid met David moeten uitroepen: «Ik steek in liet «slijk der diepte, en heb geen vasten grond» ('2), al zouden wij in de hooge zee geraken en de vloed ons overstroomen, wei-pen wij dan een blik op die ster dei-zee, en wij zullen hare macht ontwaren, waaraan de gansche hel geen weerstand bieden kan. Dat wij ons dan dikwijls op de onstuimige baren dezer wereldzee tot Maria wenden, vooral wanneer er een storm opstijgt, en wel met deze woorden : O Ster der zee, red ons, want wij vergaan, en wij zijn gered.

De H. Kerk wendt zich ook tot Maria met de vol-

(i) Super Ave Maria. — (2) Ps. 68. 3.

-ocr page 501-

489

genie woorden: «Toren DavüJs, bid voor ons.» Maria is een sterke toren met duizenden wapenschilden voorzien, en oninnemelijke bolwerken omgeven; allen, die zich -daarin bevinden, zijn in veiligheid. Toen Abimelech de stad Thebes belegerde, namen allen, mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards hun toevlucht tot een hoogen en sterken toren. Toen die veldheer de poorten van dien toren in brand wilde steken, wierp eene vrouw een steen naar beneden en verpletterde het hoofd van Abimelech. Doen ook wij zoo, als de duivel ons hart belegert, en hoe vaak gebeurt het niet! Nemen wij dan aanstonds onze toevlucht tot Maria, die sterke Toren Davids. Tot dezen durft hij niet naderen; immers door dezen is hem de kop verpletterd. Eeuwen lang hebben zij, die strijden onder het vaandel Satans, met alle mogelijke werktuigen der hel, dien Toren bestormd, en altijd staat hij in het midden van Jezus' Kerk, even onbewegelijk, in zijne volle sterkte en zijn onvergankelijke schoonheid. Allen, die zich in dezen sterken Toren ophouden, zoolang de strijd op aarde duurt, zullen door niet één vijand verslagen worden, over alle aanvallen zegevieren, en na den strijd zal hun het verborgen manna gegeven worden, waarvan de U. Joannes spreekt wanneer hij zegt; «Wie overwint, dien zal ik het verft borgen manna geven» (1).

Sprak Job tot God «stel mij aan nwe zijde, en dat «elke hand togen mij strijde» ('2); wij kunnen ons met dezelfde woorden tot Maria wenden; immers ook Zij is alvermogend, niet uit hare natuur, zooals God haar Zoon, maar door haar gebed, waaraan God geen weerstand bieden kan. Was Hij op aarde zijne Moeder steeds

(i) Apoc. 2. 17. — (2) Job 17. 3.

-ocr page 502-

490

onderdanig, thans in den Hemel wil Hij liet gebed zijner Moeder, als ware het een gebod, beschouwen; zoodat Hij haar niets weigeren kan». Indien Jezus zelf gezegd heeft: «vraagt en gij zult verkrijgen,» zal Hij dan aan Maria iets kunnen weigeren. Hij die beloofd heeft, zelfs ons te zullen verhoeren? Indien de Heiligen door hun gebed schier alles vermochten bij God, wat vermag dan niet het gebed van de Moeder van een God? Indien de heiligen wonderen op wonderen verrichtten, is er dan wel een wonder dat Maria niet bewerken kan? Hoe! zij is Koningin des hemels en der aarde , denkt dan toch niet dat dit een loutere titel is. Als Koningin zijn alle levenlooze, redelooze en redelijke schepselen haar onderdanig, den boozen geesten breidelt Zij de macht, op een harer wenken nemen zij de vlucht, Zij ontrukt den duivelen hunne prooi. Zij gebiedt aan alle geesten des hemels, en alle Engelen staan haar ten diensten. Met volle handen put Zij uit den eindeloozen schat van verdiensten haar.s Zoons, in één woord, Zij kan wat zij wil. Jezus haar Zoon is almachtig, en door haar gebed gebiedt Zij als het ware aan Hem, die de almacht zelve is. Eén woord van Maria weegt bij God zwaarder, dan de gebeden van alle Heiligen en Engelen te zameu. En wat vermag niet het gebed van één Heilige! Josuë bad en de zon stond stil; Mozes bad en de Amalekieten werden verslagen; Haniel bad en de leeuwen legden hunne wreedheid af; de H. Gregorius de wonderdoener bad en een betg week terug; de H. Fran-ciscus Xaverius bad. en de dooden stonden op. Dit zijn wonderen in de orde der natuur; Maria doet veel groo-tere in die der genade. Zij bidt en de zou der goddelijke gerechtigheid blijft ons bestralen; Zij bidt en onze vijanden, de duivel, de wereld en het vleosch worden

-ocr page 503-

491

verslagen; Zij bidt en onze hartstochten worden aan banden gelegd en onschadelijk gemaakt; Zij bidt en do beletselen onzer zaligheid, die ons als bergen toeschijnen, verdwijnen als sneeuw voor de zon; Zij bidt en de dooden staan op uit het graf der zonden.

Maria, de Moeder van een God, en onze Moeder, is rijk in macht en liefde tevens. Willen wij haar vereeren ; en welk kind zou zulke Moeder niet eeren! laat ons dan nimmer hare macht en liefde mistrouwen, maar als teerminnende kinderen ons hart uitstorten in dat van onze Moeder. Dat ieder onzer onwankelbaar blijve in zijn vertrouwen op Maria, en jubelend uitroepe: Maria, de Moeder des fleeren, en mijne Moeder! Zij is mijn licht en mijn heil, voor wien zou ik vreezen Zij is de beschermster mijns levens, voor wien zou ik beven? Als er booswichten tegen mij opkomen, om mij te verslinden, mijne ziel te dooden, zij zeiven, mijne vijanden, die mij verdrukken, zij zeiven zullen bezwijken en vallen. Indien eene krijgsbende van booze geesten zich tegen mij legert, mijn hart zal niet vreezen. Barst ei' een oorlog tegen mij uit, toch zal ik vertrouwen. Eén ding vraag ik van den Heer, dat begeere ik, te wonen in bet liefdevolle hart van mijne Moeder Maria al mijne levensdagen, om de liefelijkheid van 's Heeren Moeder te genieten, hare goedheid en moederlijke toegenegenheid te- ondervinden, al de dagen mijns levens, vooral in mijn sterfuur, om dan hare goedertierenheid te gaan prijzen in den hemel.

GEBED.

. Wees gegroet Maria! maar ach! wat doe ik? hoe durf ik ellendig en zondig schepsel het wagen U, Moe-

-ocr page 504-

492

der van een God, toe te spreken; welke vermetelheid uw naam zelfs te durven noemen. Maar Gij, die mijn hart gewond hebt, zijt er de oorzaak van, die liefde die ik U toedraag, doet mij den eerbied, U verschuldigd, als uit het oog verliezen, en deze wordt vervangen door een kinderlijk vertrouwen. Wees dan gegroet, o Koningin, onder uw bestuur wil ik -strijden, neem mij aan tot uwen dienaar. Gij kunt mij zulks niet weigeren, want Gij zijt mijne Moeder; mijne gepleegde zonden kunnen geen beletsel zijn, immers Gij zijt eene Moeder van barmhartigheid. Gij zijt mijn leven. Gij die het leven der heerlijkheid gedragen hebt, hebt mij het leven der genade geschonken. Door uwe zoetheid hebt Gij mijn hart geroofd en het als dronken gemaakt van liefde. Gij zijt mijne hoop, na Jezus mijne eenige hoop. Tot U roep ik om hulp, haast U mij te helpen, mij ongelukkigen balling en ellendig kind van Eva. Altijd ben ik ten kwade geneigd en spoor, zooals Eva Adam deed, anderen vaak tot zonden aan. En na de zonden volg ik niet zelden mijne eerste moeder na, door mij te verontschuldigen. Tot U dan, mijne tweede Moeder, zend ik mijne verzuchtingen, terwijl ik zucht over mijne zonden, en schrei op het zien van mijne ellenden in dit dal van tranen. O mijne Voorspreekster, wend toch uwe barmhartige oogen op mij, door Jezus aan U tot kind gegeven. Gelukkig zij, op wie Gij uwe oogen vestigt. Door een uwer oogen hebt Gij het Hart van uw welbeminde gewond, werp het andere op mij. Een enkele blik van uwe wondervolle oogen wekt mij op tot liefde en vertrouwen. Met vertrouwen verwacht ik van U dat Gij mij Jezus, de gezegende vrucht uws lichaams, na deze ballingschap zult toonen. Op U o goedertierene, o meedoogende, o zoete Maagd Maria, heb ik mijn

-ocr page 505-

493

vertrouwen gesteld, in eeuwigheid zal ik niet beschaaixid worden.

HOOFDSTUK IX.

Eli, Eli. lamma sabnctani I hoc est: Deus meus Deus meus ut quid dereliquisti me? Matth. XXVII, 46.

Eli, Eli. lamma sabnctani! dat is : mijn God , mijn God l waarom hebt Gij mij verlaten ?

Indien Jezus zijne Moeder, staande onder het kruis, na eerst door het persen zijner oogleden het geronnen bloed uit zijne oogen verwijderd te hebben, zooals de H. Maagd aan de H. Birgitta openbaarde (1), konde zien, dan kan men hieruit afleiden, dat de zon op dat oogenblik nog haar licht over de aarde verspreidde; doch «van de zesde uur at', dal is, naar onze wijze «.van tellen, van twaalf uren op den middag, kwam «er eene duisternis over de gansche aarde tot de ne-«gende ure» dat is, tot drie uren na den middag. Deze duisternis was niet eene natuurlijke zonsverduistering of zoneklips, die bij volle maan, zooals zij toen was, niet kan plaats hebben, maar eene buitengewone daad van Gods almacht, waardoor de zon drie uren lang verhinderd werd, haar gewoon licht aan de aarde mede te deelen. Nadat deze duisternis een geruimen tijd geduurd , en zooals licht te begrijpen is, onder het volk eene zekere ontsteltenis en huivering veroorzaakt had, riep Jezus omtrent de negende ure met luider stem: «mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten.» Hij liep met luider stem, om een bewijs te geven van zijne Godheid; immers een gewoon mensch, die

(i) Rev. 1. 4. c. 70.

-ocr page 506-

494

uitgeput van krachten, op het punt is den geest te geven, is niet in staat met luider stern te roepen, zooals Jezus deed. Door dezen zoo luiden kreet wilde Jezus, zooals de H. Alphonsus zegt (1), ons ook doen verstaan, dat de Godheid zijne menschheid niet belette te lijden, en ons tevens de hevigheid beduiden van die vreeselijke smart, die Hij verduurde. Geen mensch heeft ooit zulk smartvol sterfuur gehad. De martelaren hadden zeker veel te lijden; maar goddelijke vertroostingen ondersteunden hen. Jezus echter, de Koning der martelaren, wilde sterven zonder den minsten troost van den kant zijns hemelschen Vaders, en aan de goddelijke rechtvaardigheid voldoen in al hare gestrengheid. Toen Hij werd gebonden sprak Hij geen woord, bij zijne onmenschelijke geeseling en de folterende kroning met doornen, klaagde Hij niet, en wanneer men Hem vastklonk aan het schandig hout des kruises deed Hij, even als een lam dat men ter slachtbank leidt, zijn mond niet open; doch nu, als Hij zich van zijn Vader verlaten zag, niet in dien zin dat de Godheid Hem verlaten had, maar dat de Vader niet een enkelen droppel troost aan zijn zoo diep bedroefd Hart wilde schenken, riep Hij, overstelpt van de bitterste smart, al klagende uit: «mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?» De goddelooze Calvijn durft Jezus hier van wanhoop beschuldigen; doch is er wel eene godslasterlijke taal grooter dan deze? Hoe, zegt de H. Alphonsus, zou Christus de zonden kunnen uitboeten door eene nog grootere zonde? De H. Bonaventura (2) legt die woorden van Jezus gehéel anders uit; het is alsof Jezus zeide: Vader, zóó zeer hebt Gij de wereld liefgehad,

(i) T. 5. p. 295. — (2) Medit. Vit. Ch. c. 79.

-ocr page 507-

495

dat Gij mij, die mijn leven voor de wereld geef, schijnt verlaten te Lebben. Immers den troost, dien Gij uwen dienaren zoo dikwijls schenkt weigert Gij thans aan uw Zoon. In dezen zin verklaren de H. Hieronymus, de H. Joannes Chrysrostomus, en nog vele andere uitleggers deze woorden van Jezus, die dezen klagenden toon aansloeg, niet uit wanhoop; maar om ons te doen beseffen, dat zijn hemelsche Vader, aan wiens rechtvaardigheid Hij voldoening wilde geven voor aller zonden, Hem allen troost onttrok, en Hij zich ter liefde van ons de grievendste smart getroostte. Deze verlatenheid, zegt de H. Alphonsus, was van alle smarten, die Jezus in den loop van zijn lijden te verduren had, de allerhevigste, en ging met vele tranen en gebeden vergezeld (1).

Doch waarom wilde Jezus zich zelfs van den ge-ringsten gevoeligen troost zoo verstoken zien ? Was het om aan de goddelijke rechtvaardigheid op de strengst mogelijke wijze te voldoen? Zeer zeker, maar om deze reden niet alleen. Zijn oog, het oog van een God, doordrong de toekomstige eeuwen, en Hij voorzag, dat velen zijner dienaren bij het naderen van den dood ontsteld en bevreesd zouden zijn. Oro ons nu in den dood niet door zijn Vader verlaten te zien, wilde Hij door Hem verlaten zijn; om ons in dat benauwde oogenblik te troosten, wilde Hij sterven zonder troost. Velen, overigens godvreezende personen, zijn erg benauwd, als zij maar denken aan den dood. Zoudt gij, godvruchtige ziel, die deze regelen leest, tot dat getal behooren, geef u niet over aan zulke overtollige vreeze. Om u alsdan te vrijwaren voor moedeloosheid en wanhopende

(l) T. 5. pag 298.

-ocr page 508-

496

gedachten en een zachten en troostvollen dood te verwerven, heeft Hij troosteloos willen sterven. En zoude het als bij uitzondering gebeuren, dat ,de goede God a in die laatste oogcnblikken, één druppel liet proeven uit dien bitteren kelk van smarten, dien Jezus in zijne verlatenheid aan het kruis, met volle teugen dronk, verbeeld u daarom niet door God te zijn verlaten. Onttrok de hemelsche Vader zijn Zoon allen gcvoeligen troost, daarom hield Hij niet op Hem te beminnen. Dat god-vreezende en angstvallige zielen op hun sterfbed ongerust, benauwd en bevreesd zijn, behoort tot de zeldzaamheden ; maar gedurende hun leven moeten zij vaak den gevoeligen troost ontberen en zich hierin aan Gods heiligen wil weten te onderwerpen. Verkeerd zelfs zouden zij handelen, indien zij dezen immer wilden smaken.

De» geestelijken troost weten te ontberen.

De kleine kinderen worden gevoed met melk en op zoetigheden zijn zij erg gesteld. Vaste spijzen kunnen zij niet verdragen, welke hun dan ook vooreerst nog niet gegeven worden. Naarmate zij onder en sterker zijn, geeft men hun een meer degelijk voedsel. Zoo handelt de goede God in den regel met personen, die nog kinderen zijn in het geestelijk leven. Na eene goede en oprechte biecht gesproken en zijn geweten door het H. Sacrament der boete gezuiverd te hebben, na dooide genade tot een nieuw leven, het leven der genade te zijn herboren, smaakt men een troost, verkieselijk boven alles wat de Wereld schenken kan, een troost, niet zelden met tranen gepaard, en die ons doet uit-roepen met den H. Bernardus: O Jezus! ik wist niet dat het zoo zoet was, aan uwe voeten tc schreien! een

-ocr page 509-

497

troost, die ous het walgelijk voedsel doet vergeten waarop de booze wereld al hare zinnen heeft gesteld. In één woord: O men gevoelt zich zoo gelukkig. Slaat men vervolgens den weg in des inwendigen levens, dan schijnt hij bezaaid met rozen, en bestrooid met allerlei zoetigheden, waarop men zich werpt mot eene gretigheid, om niet te zeggen, met eene gulzigheid, den kinderen eigen. Men is dan ook uitermate tevreden en opgeruimd, zoolang men, om mij zoo uit te drukken, als een troetelkind behandeld wordt. Pleegt God doorgaans op deze' wijze degenen te behandelen, die zich pas op het geestelijk leven toeleggen, niet zoo hen, die zich daarin reeds eenigen tijd geoefend hebben. Van lieverlede verwelken de rozen , terwijl de doornen zich doen voelen. Te vergeefs zoekt men naar zoetigheden, zij zijn weggesmolten als de sneeuw voor de zou. Nu en dan vindt men nog iets wat er op gelijkt; doch naarmate men dichter nadert tot God, de zon der gerechtigheid, blijft er vaak geen spoor meer van over.

God, zegt de H. Alphonsus (1), is gewoon eene ziel, die zich op het inwendige leven toelegt, met inwendigen troost te overladen, om haar van de genoegens der wereld te onthechten ; doch is zij eenmaal op dit geestelijk terrein voldoende gevestigd, dan trekt Hij zijne vaderlijke hand terug, om hare liefde te beproeven, en om te zien of zij Hem waarlijk dient en oprecht lief heeft, en niet veeleer de gevoelige godsvrucht beoogt, waarmede Hij hen dikwijls reeds op aarde beloont, die het pad der volmaaktheid bewandelen. Derhalve is hot leven der waarlijk godminnende zielen eene afwisseling van gevoelige en gevoellooze godsvrucht. In

(I) T. 2. p 404. Lijden v. Christus.

32

-ocr page 510-

498

den beginne smaken zij meestal een grooten inwendigen troost, dien zij in latere dagen doorgaans wedervinden, doch na eerst een tijd van minderen of langoren duur in dorrigheid, ongevoeligheid en troosteloosheid te hebben doorgebracht. De Heiligen smaakten, ondanks de ellende dezer wereld, van tijd tot tijd een inwendigen troost, den wereldling teneenenmale onbekend. Zij gevoelden in die mate het vuur der liefde dat hun hart verteerde, dat zij door eene koude lucht of het koude water dien inwendigen gloed van het liefdevuur zochten te matigen en af te koelen. Als de Bruidegom hunner ziel zijne zoete stem deed hooren, smolt hunne ziel als het ware weg, en smachtende met de IBruid der gezangen riepen zij al zuchtende uit: «Ondersteun mij met bloemen en «versterk mij met het sap der vruchten, want ik kwijn «weg van liefde» (1). Een H. Franciscus Xaverius werd in het midden zijner apostolische werkzaamheden met zulken hemelschen troost vervuld, dat hij zeide: genoeg. Heer! genoeg. Maar zij wisten ook van troosteloosheid te spreken. Alle Heiligen, zegt de H. Alphonsus (2), hebben dorrigheden ondervonden, eene geestelijke verlatenheid ontwaard, en hij zelf was soms der diepste verslagenheid ten prooi. Zij ondervonden zelfs voor het meerendeel meer dorrigheden, dan wel geestelijke vertroostingen. De H. Theresia genoot, gedurende achttien jaren, niet den minsten troost gedurende hare overweging of haar inwendig gebed. En den H. Bernardus hooren wij al klagende zeggen: «Welke hardvochtigheid on-«dervind ik toch ! ik heb geen smaak meer in de gees-«telijke lezing, ik bemin de overweging noch het gebed!» Doch wel verre van den moed te verliezen, en hunne

(i) Cant. 2. 5. — (2) T. 2. p. 405.

-ocr page 511-

499

gewone godvruchtige oefeningen achter te laten, vonden zij in het midden dier dorrigheden wel geen gevoeligen troost, maar toch eene bovennatuurlijke voldoening, overtuigd dat zij in dien toestand vooral , Gode blijken konden geven van hunne liefde en hunne ziel verrijken met vele verdiensten, zoodat de troosteloosheid het voedsel was van hunnen troost. Zij hebben, zegt wederom de H. Alphonsus , tijdens hun leven altijd verlangd en gezocht, niet eenen gevoeligen ijver in de geestelijke vertroosting, maar een geestelijken ijver in de troosteloosheid. Vandaar dat de eerbiedwaardige Joannes van Avila, een groot leermeester in het geestelijke leven, zeide : «Het ia veel beter in het midden «van dorrigheden en bekoringen met Gods wil, te leven, «dan een verheven graad van beschouwing te erlangen, «zonder dat God het wil.»

Indien wij nu het leven der Heiligen met het onze vergelijken, dan zullen wij wellicht een groot onderscheid bespeuren, èn wat de oorzaak betreft van die dorrigheden gepaard met eene zekere verlatenheid, èn wat de wijze aangaat, waarop zij zich, dier troosteloosheid ten prooi, gedroegen. Van de geestelijke verlatenheid bestaat eene tweevoudige oorzaak; niet in dien zin, dat God er niet altijd de bewerker van is; maar bij dezen spruit ze voort, omdat zij in de volmaaktheid reeds ver gevorderd, bij genen, omdat zij der geestelijke traagheid onderworpen zijn. Gevoelden de Heiligen, ondanks den vurigen ijver die hen bezielde, en in weerwil van hunne stipte nauwgezetheid in het vervullen hunner plichten en bedieningen, zich als van God verlaten, dan was het, omdat God, die hen zoo innig lief had, hen wilde beproeven en eene gelegenheid verschaffen om veel voor Hem te lijden, en voor zich

-ocr page 512-

500

zeiven vele verdiensten te vergaderen voor den hemel, waarvan zij dan ook een goed gebruik wisten te maken, door zich met gelatenheid aan den wil van God te onderwerpen. Streelde God hen, als een teedere Vader zijn dierbaar kind, met de eene, en duwde Hij ze later als een verontwaardigde Meester met de andere hand ver van zich, in beide gevallen erkenden zij de hand des Heeren, en zij kusten zoowel zijne linker- als rechterhand met een innig gevoel van dankbaarheid.

Op het pad der deugd en der volmaaktheid, dat is, onder personen die zich op het inwendige leven schijnen toe te leggen, worden er vurigen en tragen gevonden. Deze laatsten zijn in den regel meer op gevoeligen troost gesteld dan de eersten. Zij derhalve, die zich het meest die inwendige voldoening en die geestelijke zoetigheid in den dienst des Heeren onwaardig maken, haken er naar met eene vurigheid, die schier nimmer te bevredigen is. Ontbreekt hun die gevoelige godsvrucht, dan zijn ze ontevreden, bedroefd en klagen met tranen in de oogen hun nood, zij die het minst van allen reden tot klagen hebben. Immers zelden treden zij in zich zeiven. De oningetogenheid is hun eigen, en in plaats van hun hart voor God ia het gebed uit te storten, zoeken zij afleiding in veelvuldige gesprekken, en geldt bet eene Gode toegewijde ziel, dan laat het stilzwijgen veel te wenschen over. En wij zien bewaarheid hetgeen de H. Bonaventura zegt (1): «De goddelijke «troost wordt dikwijls geweigerd, ter oorzake van veel-«vuldige gesprekken.» Hoe zou ook de Schepper zich gemeenzaam onderhouden met hen, die zoo gaarne de schepselen aanspreken? «Kostbaar,» zegt de H. Ber-

(i) In regula Nov. c. 15.

-ocr page 513-

501

nardus (1), is de goddelijke troost, doch hij wordt hun geweigerd, welke dien der menschen zoeken. «Hij ech-«ter is,» volgens den Kardinaal Hugo (2) «der god-«delijke vertroosting waardig, die zich boven alle vol-«doeningen der wereld verheven heeft.» Ook zijn er die, begeerig naar eene gevoelige godsvrucht, ze vaak van God afsmeeken door een vurig gebed, zij willen dat de goede God hen spoedig verhoore; doch als God hun iets vraagt of een klein offer vergt, dan zijn ze niet zelden doof. Is zulk verzoek om dien inwendigen troost wel billijk en rechtvaardig? Anderen zijn al te aanmatigend, zij willen de voldoeningen van den ouden Adam niet ontberen, en tevens den troost des nieuwen Adams genieten ; dit is hoogst onbescheiden. In geval gij u derhalve van deze geestelijke vertroosting verstoken ziet, treed dan in u zeiven, onderzoek uw geweten om te zien of gij zelf niet de oorzaak zijt, dat God u zijn troost onttrekt.

Zoudt gij u ook geene geestelijke traagheid, geenc werkelijke nalatigheid in het vervullen van uwe plichten, geene slordigheid in het waarnemen van uwe bedieningen te verwijten hebben, dan kan uwe geestelijke dorrigheid toch nog eene andere oorzaak hebben. Velen zoeken in hunne godvruchtige oefeningen, in hunne gebeden en hunne overweging den troost van God, in plaats van den God des troostcs, en zij vergeten dat, wanneer zij een werk van godsvrucht verrichten, alléén met het doel om eene inwendige voldoening te smaken en een gevoeligen troost te genieten, zij reeds hun loon ontvangen hebben. Schenkt de goede God ons eene troostvolle gewaarwording of eene zoete zielsaan-

(l) In declam. super Ecce nos. — (2) Super Ezech. c. 2.

-ocr page 514-

502

doening, dan mogen wij deze als eene gunst des Heeren niet versmaden, doch men neme ze aan met een dankbaar hart, terwijl men zich diep vernedert en als een kind beschouwt in het geestelijk leven , dat nog aan melk en zoetigheden behoefte heeft. Maar vindt God goed ons vaste spijzen te geven, om ons in de deugd te versterken en met reuzenschreden den weg der volmaking te doen bewandelen, dan zou eene moedelooze stemming, die wij niet bestrijden, eene geestelijke zinnelijkheid verraden, waaraan wij ons niet mogen hechten, en juist daarom wordt ons die gevoelige vertroosting onttrokken. Hoe velen zijn er echter èn in de wereld èn in de kloosters, die zoo zeer op de gevoelige godsvrucht gesteld zijn, dat zij, niet slechts bitter klagen als deze hun ontbreekt, maar zelfs hunne godvruchtige oefeningen, zooals de versterving, de overweging en het gebed, is het niet achterlaten, minstens toch zeer nalatig en onnauwkeurig verrichten! Voorwaar een teeken, dat zij bij dat alles niet zoo zeer Gods welbehagen , dan wel hunne eigene voldoening zoeken. Ik wil niet ontkennen dat het een kruis is voor eene ziel, die het geestelijk leven bemint, als zij in het gebed niet den geringsten inwendigen troost ontwaart, het verricht zonder eenige voldoening, zich koud gevoelt in de liefde tot God. Zwaarder wordt dat kruis, als dit alles gepaard gaat met eene groote vreeze, dat God haar misschien verlaten heeft. Doch ondragelijk schijnt het, wanneer zij, hare vroegere zonden indachtig, zich inbeeldt, zeker door God verlaten te zijn, en de duivel, door toelating Gods, zoodanig op hare verbeelding werkt, dat zij als in de dikste duisternis gehuld, de deur des hemels voor zich gesloten waant. Zulk kruis drukte loodzwaar op de schouderen van den H. Franciscus van

-ocr page 515-

503

Sales, die daarom Gode niet minder dierbaar was, maar door zijne gelatenheid en onderwerping aan Gods heiligen Wil, Gode een welbehagelijk offer bracht va» allen gevoeligen troost.

Hoogst waarschijnlijk zult gij, die deze regelen leest, u nimmer in dien graad van allen troost verstoken zien, en dit is eene reden te meer om u de berooving van die zoete zielsaandoening van tijd tot tijd te getroosten. Ik zeg: van tijd tot tijd, want gaat gij in het midden der dorrigheden met denzelfden vuriger) ijver voort uwe geestelijke oefeningen te verrichten, dan verdwijnt na verloop van tijd die duisternis der ziel. Niet altijd is de lucht betrokken, niet immer schuilt de zon achter de wolken. Heb geduld, op zijn tijd trekt de zon den nevel op, en gij koestert u in hare' verwarmende stralen, dat is. God, de Zon der gerechtigheid verdrijft de duisternis uit uwen geest, ca uw hart, koud gelijk het was, wordt warm, en vloeit van geneugte over. Doch altijd willen genieten , altijd eene inwendige vertroosting en gevoelige godsvrucht verlangen te ontwaren, is een voedsel begeeren, deti kinderen alleen weggelegd. Wilt gij dan altijd een kind blijven in het geestelijk leven? Ik wil vooruitgaan, is uw antwoord, op den weg der volmaaktheid, ik wil van dag tot dag sterker worden in de deugd; maar dan is het noodig, dat gij het voedsel der kinderen weet te ontberen, en u mot vaste spijzen voedt. Is het niet vreemd, om niet te zeggen treurig, dat men personen aantreft, die jaren en jaren zich in de volmaaktheid geoefend hebben, die reeds grijs zijn geworden in het geestelijk leven , en nog geene vaste spijzen verdragen kunnen ? Zou men zich hiermede niet willen voeden, ja altijd klagen en ontevreden zijn, indien de goede

-ocr page 516-

504

God ons de zoetigheden ontneemt, en versterkend voedsel geeft, dan wil men den weg niet inslaan, dien de Heiligen bewandeld hebben.

Hoe! gij klaagt en zucht, zoodra de goede God zijn aanschijn verbergt, en gij u verlaten gevoelt, al is het maar één dag, en do H. Joanna van Chantal zag zich gedurende veertig jaren van dien inwendigen troost verstoken. Nadat de H. Maria Magdalena van Pazzis vijf jaren lang, tot zelfs de geringste voldoening des harten en alle mogelijke opbeuring had moeten missen, bad zij nog haren goddelijken Bruidegom, dat Hij haar voortaan elke gevoelige godsvrucht weigeren zou. Zij waren Heiligen, is uw antwoord. Maar wilt gij dan geen heilige worden? of op eene andere wijze, als zij het geworden zijn? Neen zegt gij, maur God onttrok den Heiligen zijnen troost, omdat zij heilig warefi. Hij behandelde hen als zijne vrienden, mij echter weigert Hij die zoete zielsgesteltenis, omdat ik een zondig schepsel ben, Hij behandelt mij als zijn vijand. Waardoor beleedigt gij Hem dan? verwijt het geweten u eene zekere zonde, deze of gene fout, dan moet gij u hiervan beteren met zijne genade. Zijt gij u echter hiervan niet bewust, bid dan met den Profeet: «De «zonde wie kent ze? Reinig mij van mijne verbor-«gene» (1). Immers de mensch is soms zoozeer met zich zeiven ingenomen, zoo verblind, dat hij zijne fouten niet inziet. En wie weet of God u daarom zijn troost niet weigert, opdat gij in u zeiven treden en uwe fouten ontdekken zoudt.

Wat ook de reden moge zijn van die geestelijke verlatenheid, waardoor uw hart als het ware ineen-

(i) Ps. 18. 13.

-ocr page 517-

505

krimpt, trek er in alle geval uw geestelijk voonleel uit en neem u in acht ooit moedeloos te worden, veel minder het gebed te staken. Zou de hoovaardige gedachte u plagen dat gij reeds onder het getal der Heiligen behoort, en daarom dezen troost moet missen, verneder u dan, denkende dat uwe menigvuldige, bekende en onbekende fouten er de oorzaak van zijn. Inmiddels «wacht op den Heer; wees moedig, en dat «uw hart zich yersterke, en hoop op den Heer» (1). Zou echter de goede God u in zijnen dienst een zoeten troost doen smaken, en u drenken uit den stroom zijner geneugten, ook dan moet gij u vernederen, en u als een kind beschouwen in het geestelijk leven, dat aan zulk voedsel nog behoefte heeft. Neem dan die zoete aandoening aan met een dankbaar hart, evenals een kind, wanneer het zoetigheden krijgt, zonder nochtans u er aan te hechten. Beijver u inmiddels om zulke vorderingen te maken op den eenmaal ingeslagen weg der volmaking, dat de troosteloosheid het voedsel worde van uwen troost, ik wil zeggen, dat gij u getroost gevoelt ondanks de troosteloosheid, omdat gij alsdan meer verdienen en Gode meer blijken van uwe liefde geven kunt. Op deze wijze zal het u nimmer aan troost ontbreken, en de God des troostes zal eenmaal uw deel zijn in eeuwigheid.

GEBED.

v O mijn gekruiste Jezus! ter liefde van ü heb ik aan alles verzaakt, dit is het werk uwer genade, en na alles te hebben verlaten om U te bezitten, gevoel ik mij ook door U verlaten. Maar wat zeg ik toch, o

(i) Ps. 26. 14

-ocr page 518-

506

mijne liefde! Vergeef mij zulke taal; ik spreek zoo niet, doch mijne overgroote zwakheid, doet mij van elke zoete zielsaandoening verstoken, deze bittere zuchten slaken. Ik beken het volgaarne, uithoofde van mijne menigvuldige zonden en ongetrouwheden zonder tal, ben ik die geestelijke vertroostingen onwaardig, ik heb er volstrekt geene aanspraak op, en ik zie de onbillijkheid mijner klachten in. Behaagt het U uit loutere goedheid, mij een hemelschen troost in uwen dienst te doen smaken, dan zal ik U innig dankbaar zijn. Onttrekt Gij mij echter uwe zoete en troostvolle tegenwoordigheid, en gevoel ik mij als van U verlaten, hoe zou ik dan durven klagen? Helaas! ik heb het toch zoo vaak gedaan, niet door mijn bedrukt gemoe voor U uit te storten, dat immers duidt Gij mij niet ten kwade, maar ik gaf mij aan moedeloosheid over, en klaagde buitenmate mijnen nood. Door de verdienste van uwe verlatenheid aan het kruis, bid ik U om vergeving. Van nu af aanvaard ik alle dorrigheden, en de berooving van alle gevoelige godsvrucht, en verklaar U altijd te willen zegenen en beminnen, ondanks alle verlatenheid. Beroof mij van alles, gelijk het U behage, doch niet van uwe liefde. O Maria! troosteres der bedrukten, houd niet op voor mij te bidden, Gij zijt mijn troost in mijne troosteloosheid. Verkrijg mij de genade, uw Zoon Jezus nimmer ontrouw te worden. Maak dat de dorrigheden en de inwendige verlatenheid nimmer een beletsel mogen zijn voor mijnen geestelijken vooruitgang, maar een middel om spoediger de heiligheid te erlangen.

-ocr page 519-

507

HOOFDSTUK X.

Sitio. Joannes XIX, 28.

Ik heb dorst.

Vetl, om niet te zeggen alles, hadden do Profeten reeds vóór eeuwen, aangaande liet gruwzaam lijden van den allerheiligsten Verlosser voorspeld, vooral Isaïas en David. Zij verhalen de gebeurtenis van 's Heeren lijden, als geschiedschrijvers, die gepleegde feiten te boek stellen. Al die voorzeggingen waren reeds in vervulling getreden. Eéne, die betrekking heeft op den versmachtenden dorst, dien Christus lijden zou, moest nog verwezenlijkt worden. «Opdat de schrift», zegt de H. Joannes, «zon volbracht worden, zeide Jezus: Ik heb «dorst.» David had dien dorst voorspeld als hij in den persoon van den beloofden Messias sprak: «en in mijnen «dorst drenkten zij mij met edik» (1).

De beulen hadden den goddelijkcn Verlosser met wonden overdekt. Hem tot eene wond geslagen, zijn gezegend hoofd niet gespaard, en zijne handen en voeten doorboord. Bij zulke vreeselijke mishandeling bewaarde hij het stilzwijgen, maar nu de dorst Hem kwelt, zegt Hij: «Ik heb dorst.» Waarom geeft Hij dien dorst te kennen? Omdat, zegt een godvruchtige schrijver (2), al het overige wat Jezus leed, genoegzaam bekend en zichtbaar was; wat Hij echter aan zijne tong en verhemelte leed wist men niet. Hij, die gekomen was om voor de zonde van Adam te voldoen, met den mond gepleegd wegens het eten der verboden vrucht, wilde ook hierover eene volledige voldoening

(i) Psal. 68. 22. — (2) Carthagena. De 7. Verbis. 1. 11. hom. 7.

-ocr page 520-

508

geven, en Hij gaf het lijden aan zijne tong en verhemelte te kennen, door de woorden: «Ik heb dorst. »De dorst dien Jezus leed was vreeselijk, want sedert daags te voren had Hij gegeten noch gedronken, en men weet bij ondervinding, dat een overvloedig zweet een versmachtenden dorst gewoonlijk ten gevolge heeft, en welk zweet kan met dat bloedig zweet des Zaligmakers in den hof van Olijven vergeleken worden? Daarenboven had Hij ontzettend veel geleden, en ontzaglijk veel bloed vergoten, waardoor Hij uitgeput en de dorst bovenmate vermeerderd was, zoodat zijne tong aan zijn verhemelte kleefde. David deed Hem reeds volgender wijze spreken: «Mijne kracht is als een potscherf ver-«droogd, mijne levenssappen zijn verdroogd: ik ben «.geworden als een potscherf, waaruit alle vochtigheid «.geweken is; en mijne tong kleeft aan mijn verhe-«melte» (1). Dit woord «Ik heb dorst» trof het, met een zwaard reeds doorboorde hart van zijne Moeder met eene nieuwe smart; immers Zij was niet in staat dien dorst te lesschen, en de meedoogenlooze Joden weigerden Hem de geringste verzachting in zijn lijden. Wel was er één van hen, die daar stonden , één van die Romeinsche soldaten zegt Beelen, en deze nam eene spons, en vulde haar met azijn, en hij slak ze op een riet, en gaf Hem te drinken (2). Hij die zijn volk drenkte met frisch water uit de steenrots, wordt met een zuren en bitteren drank gelaafd!

Leed Christus een natuurlijken dorst, grooter was nog zijn geestelijke dorst'zooals de H. Alphonsus zegt (3). Deze bestond in een allervurigst verlangen om voor den mensch nog meer te lijden, eu hem de overmaat zijner

(i) Ps. 21. 16. — (2) Matth. 27. 48. — (3) T, 5. p. 301.

-ocr page 521-

509

brandende liefde te toonen; doch vooral in eene weer-galooze begeerte naar ons aller heil. Hij dorste naar ons, zegt de IJ. Laurentius Justinianus (1). Hij verlangde vurig onze zielen zalig te maken en ons met Hem gelukkig te zien in eeuwigheid. Maar eerst moeten wij met Christus lijden, willen wij later deel hebben in zijne verheerlijking. Met en voor Christus lijden, is lijden zooals het behoort, en dit geschiedt niet tenzij door de verdiensten van Christus' lijden. Dezen tot allen uit te strekken, in dezen de martelaren en allen, die lijden ter zijner oorzake te doen deelen, was zijn vurigst verlangen; dit was, zegt de H. Antonius (2), de dorst, die Christus aan het kruis verslond. Ware het noodig geweest nog meer en nog langer te lijden, al ware liet slechts om ééne ziel te redden, dan was de liefde van Jezus groot genoeg, om voor die ééne ziel niet drie uren, niet drie dagen, maar zelfs drie eeuwen te blijven hangen aan het kruis, de vreeselijkste smarten ten prooi. O, indien wij die matelooze liefde van Jezus voor de zielen ernstiger overwogen, wij zouden ons wel in acht nemen, ooit voor anderen eene gelegenheid te zijn tot hunnen geestelijken val, ooit eene ziel hetzij door woorden, hetzij door werken, of op welke wijze dan ook te ergeren, zooals het helaas! in de wereld voortdurend geschiedt. Integendeel, wij zouden ons aanhoudend beijveren om zielen te winnen voor den hemel, en op deze wijze den dorstenden Jezus te laven.

Eïe zielenijver.

Zonder twijfel heeft de Heer Jezus aanspraak op onze erkentelijkheid, Hij, die ons met onnoemelijke wel-

(l) De Chr. agon. c. ig. —(2) De Chr. Pas. Tit. 5. c. 6. ss. 6.

-ocr page 522-

510

daden, tallooze gunsten overladen, en voor ons zoo veel geleden en den gruwzaamsten dood aanvaard heeft. Zulke matelooze liefde moeten wij met wederliefde vergelden. Immers, «indien iemand», zegt de H. Paulus, «onzen Heer Jezus Christus niet bemint, hij zij ver-«vloekt» (1). Doch is het geloof zonder de werken dood, eene werkelooze liefde verdient den naam van liefde niet. «Laat ons niet liefhebben», zegt de H. Joannes, «met woord of tong, maar met daad en waarheid» (2). Zij dan, die God waarlijk beminnen, hebben ook hunnen naaste lief. Op het voorbeeld van Christus dorsten zij naar het heil der zielen. Zij stellen zich niet tevreden met God alleen te beminnen, zonder zich over anderen te bekommeren, indachtig de woorden van den H. Au-gustinus: «indien gij God bemint, maakt dan dat allen «Hem liefhebben» (3). «De zielenijver is een uitwerksel «der liefde, derhalve die geen ijver heeft voor het heil «dor zielen, bemint ook niet» (4). Wij zien dan ook, dat alle Heiligen vurig verlangden, allen heilig te zien. Overtuigd dat Gode niets zoo aangenaam is, zooals de H. Joannes Chrysostomus getuigt (5), als de zielenijver en dat, volgens den H. Gregorius (6), geen ofler Gode zóó aangenaam is, als datgene, wat men zich voor het zielenheil getroost, hebben zij, door alle middelen die hun ten dienste stonden, aan de zaligheid der zielen gewerkt; do eenen zooals de Priesters, door het verkondigen van Gods woord en het toedienen der HH. Sacramenten, de anderen door de jeugd in den godsdienst te onderrichten , en allen door hun stichtend voorbeeld en een vurig gebed.

fi) I. Corinth, 16. 22. — (2) I. Joan. 3. 18. — (3) In Psal. 33. — (4) Contra Adimant. c. 13. — (5) In Gen. hom. 3. -— (6) Psalm, poenit. in Psal. 4.

-ocr page 523-

511

Brandend van ijver om de zielen voor den hemel te winnen, waren de Heiligen tot elk ofl'er bereid. Ik wenschte, zeide de H. Rosa van Lima, dat men mijn lichaam nam en het als een net voor de poort der hel spande, opdat er niemand langs kon. Hetzelfde verlangde de H. Catharina van Siëna met deze woorden: ik wilde dat men met mijn lichaam de deur der hel kon sluiten. De H. Bonaventura (1) verzekert ons, dat hij zóó dikwijls had willen sterven als er zondaars in de wereld waren, om ze allen te kunnen redden. De H. Ignatius verlangde zoo zeer zielen voor - den hemel te winnen dat hij zeide: indien ik door nu te sterven zeker ware van mijne zaligheid, dan zou ik nog liever aan het heil der zielen blijven werken, zelfs in de onzekerheid of ik later wel zalig zou worden. De H. Pau-lus, die niets zoo vurig verlangde dan allen te bekee-ren, en om dat doel te bereiken geen honger, geen dorst, geene vervolging, geene roede, geen kerker vreesde, en bereid was om zich de grootste offers te getroosten, schreef aan de Romeinen de volgende woorden: «Waarheid spreek ik in Christus, ik lieg niet — «mijn geweten geeft mij getuigenis in den H. Geest. «— Dat ik grootere droefheid heb, en mijn hart aan-«houdende smart lijdt. Want ik zou wel wenschen, zelf «een vloek en van Christus gescheiden te zijn voor mijne «broeders, mijne aanverwanten naar het vleesch» (2). Hij leed ongeloofelijke smarten, omdat zijn volk, de Joden, voor het grootste gedeelte niet deelachtig waren geworden aan het heil van den Messias, en om hun dit geluk te bezorgen, hadde hij wel voor een tijd van Christus willen gescheiden zijn, zooals de H. Alphon-

(2) Rom. 9. I -3.

(i) Stim. div. amor. p. 2. c. 11. —

-ocr page 524-

512

sus (1), en de uitleggers der H. Schrift die woorden verklaren. Ziende wat Jezus om de zielen te redden gedaan en geleden heeft, en waartoe-Hij, zoo noodig, bereid ware geweest, om eene enkele ziel le redden, ontvlamden de dienaren en dienaressen des Heeren van ijver, om ook op hunne beurt aan het heil des naasten te arbeiden. Doch velen hunner moesten zich tot dien vromen wensch bepalen, omdat het hun niet gegeven was, meer werkdadig hun heil te bevorderen, zooals de priesters doen kunnen, wier geluk zij als benijdden. De H. Theresia, die het leven der martelaren en dat van heilige Missionarissen las, benijdde meer dezen dan genen, omdat zij, door de bekeering der zondaren te bewerken, God zoo zeer verheerlijken. De H. Catha-rina van Siëna kuste de aarde door Priesters betreden, die zich geheel en al opofferden voor het wTelzijn der zielen, indachtig hetgeen er geschreven staat: «Hoe be-«hagelijk zijn de voeten dergenen, die vrede boodschap-«pen, die goede dingen boodschappen» (2).

Werken aan het heil der zielen is geen geringe arbeid. Behalve de vermoeienissen,-moeilijkheden en onaangenaamheden, waarmede die arbeid gej)aard gaat, moet men zich menig offer getroosten. Bedrijvig is het leven van een waardigen herder, die zich steeds rusteloos onledig houdt met de schapen aan zijne zorg toevertrouwd, met de goeden te versterken, de zwakken te ondersteunen, en de afgedwaalden op te sporen. Afmattend is het leven van een missionaris, die aanhoudend tegen de zonden zijne stem verheft, een groot gedeelte zijns levens in den biechtstoel slijt, als een dappere soldaat op hot slagveld strijdt, en bereid is, er een

(') T- 13- P- 153- — (2) Rom. IO. 15.

-ocr page 525-

513

roemvollen dood te sterven. Zwaar is de taak voor wie personen, den dienst des Heeren door de gewone geloften toegewijd, hun leven te slijten in het midden van arme verlaten kinderen, om hen in den godsdienst te onderwijzen, en hunne jeugdige harten naar Christus' leer te vormen. Voor de natuur is het zeker hoogst onaangenaam, dagen en nachten in de gasthuizen door te brengen, omgeven van zieken en gewonden die gestadig moeten verpleegd worden, en toch ontmoet men daar tal van Gode toegewijde maagden, die, terwijl zij de lichamen verzorgen, de zielen niet uit het oog verliezen, en zich beijveren, door hun geduld, hunne liefderijke behandeling, en een vurig gebed de wonden der ziel te lieden, om ze voor den hemel te winnen. Waar echter vinden alle dezen de noodige kracht en den steun in hunnen zoo moeielijken arbeid? In een vurig en levend geloof. Het geloof zegt hun, dat Christus voor de zielen zijn goddelijk Bloed vergoten heeft, en zij achten zich gelukkig tot hetzelfde doel hun zweet met het bloed van een God te kunnen vereenigen. Verlicht door het geloof weten zij, dat er niets volmaakter en Gode aangenamer is dan de voetstappen te drukken van den Heer Jezus op aarde, die ons in alles een voorbeeld heeft gegeven. Welnu, het sterfelijk leven van Jezus had het heil der zielen ton doel. Om ons menschen en orn onze zaligheid, zegt de H. Kerk, is Hij uit de hemelen neergedaald. Bad Hij, werkte Hij, leed Hij, stierf Hij, dit alles deed Hij om de zielen te redden, üit voorbeeld hebben zij steeds voor oogen, die aan het heil der zielen werken.

De H. Franciscus van Assisiö was in twijfel of hij zich op het beschouwend dan wel op het werkend leven zou toeleggen. Wat raadt gij mij,.zoo sprak hij tot zijne Lijden v. Christus. 83

-ocr page 526-

514

eerste broeders : zal ik mij met liet gebed onledig houden, of zal ik gaan preeken ? Ik ben een renvoudig rnensch, die niet weet te spreken, de gave die ik ontvingen heb van het gebed is grooter dan die der sprake. Daarenboven, men wint veel door het gebed, dit is de bron dei-genaden. Het gebed zuivert onze harten en onze genegenheden, vereenigt ons met liet alleen ware en hoogste goed. Het preeken is een werk dat verstrooit, en aanleiding geeft tot verslapping der tucht. In het gebed sproken wij tot God, wij luisteren naar God, en wij gaan om met de Engelen, alsof wij het leven der Engelen leidden. Als men preekt dan moet men veel toegevendheid gebruiken ; want terwijl men onder de menseheii verkeert, moet men in zekeren zin, zien, hooren, spreken en denken als zij. Doch ééne zaak schijnt mij voor God zwaarder te wegen dan alle andere. De eenige Zoon des Vaders is uit den hemel neergedaald, om de zielen te redden, om de menschen door zijn voorbeeld en woord te onderwijzen, cn hen te verlossen door zijn bloed. Daar ik nu verplicht ben alles te doen volgens het model, dat Hij ons in zijn persoon getoond heeft* schijnt het meer overeenkomstig met zijn goddelijken wil, dat ik mijne rust ten offer brenge om te werken aan de zaligheid van anderen. Om zich echter nog beter van den wil des Heeren in dezen twijfel te vergewissen, zond hij twee kloosterlingen naar broeder Silvester op den berg van Assisië aanhoudend in het gebed verzonken, met het bevel, hij zoude God omtrent dien twijfel raadplegen. Tevens zond hij aan Clara en hare geestelijke dochteren dezelfde boodschap. Bij de terugkomst dier twee kloosterlingen, zette Eranciscus zich op de knieën en sprak met ontbloot en gebogen hoofd, de handen kruiselings over de borst: «leert mij het-

-ocr page 527-

515

«geen mijn Heer Jezus mij beveelt te doen.» «Mijn zeer «dierbare broeder, en mijn vader!» zeide broeder Mas-séo, «Silvester en Clara hebben van onzen Heer Jezus «Christus juist hetzelfde antwoord ontvangen: ga en «preek.» In den naam des Heeren, antwoordde Fran-ciscus, laat ons gaan. Ontvlamd van een vurigen ijver voor het heil der zielen, stond hij op , en overtuigd van Gods H. wil bracht hij zijne rust voor het zielenheil ten offer (1).

Uit dit alles zien wij welk verheven en Gode aangenaam werk zij verrichten, die zielen voor den hemel trachten te winnen; immers zij drukken de voetstappen van den Godmensch op aarde. En ondanks de verstrooiingen en menigvuldige fouten van ongeduld en eigenliefde waaraan zij blootgesteld zijn, kunnen zij Gode geen aangenamer offer brengen. Ik moet zorgen voor mijne eigene ziel, zult gij wellicht zeggen, en dan, antwoord ik u met den H. Bernardus (2), gij doet goed; maar beter nog, wanneer gij ook anderen behulpzaam zijt, in het bewerken hunner zaligheid, iets waartoe de gelegenheid zich zoo dikwijls voordoet. Vooreerst kunt gij altijd stichten door uw goed voorbeeld, en dit is de beste preek die iemand doen kan, deze dringt door tot het hart. Zoudt gij echter het voorrecht genieten, kinderen, vooral in den godsdienst te onderwijzen, dan zouden de Engelen Gods als het ware uw geluk benijden. Wat is er verhevener dan God den Schepper en Verlosser door de kleinen te doen kennen en beminnen, in wier midden de Heer Jezus zich zoo gaarne bevond.' Wat is er verdienstelijker dan in de harten van onwetende, onleerzame en vaak ondankbare kinderen de

(i) Rohrbacher T. 9. p. 192—193. — (2) In Cant. 8. 12.

-ocr page 528-

510

eerste beginselen van den godsdienst te prenten, welke zulken heilzamen indruk in venleren leeftijd achterlaten, en zoo diep ingrijpen in hun toekomstig lot? Hoe eervol is liet, als zoo vele engelbewaarders aan de zijde geplaatst te zijn van schuldelooze kinderen om hen voor de zonden te bewaren! Indien het eene beloonings-waardige daad is, zegt de H. Gregorius (1), iemand van den dood te bevrijden, dien hij toch eenmaal moet ondergaan; hoe verdienstelijk moet het dan niet zijn, eene ziel die nimmer sterven moet, van den eeuwigen dood te verlossen ! Maar nog beter is het, eene ziel voor de zonde te bewaren, die haar van het geestelijk leven berooft, en dit doen zij, die, én door hun godsdienstig onderricht én door hunne waakzaamheid de onschuld der kinderen in bescherming nemen. Hoe vele kinderen hebben aan de zorg en waakzaamheid van Gode toegewijde maagden, die hen ter liefde Gods onderwezen en bewaakten, hunne eeuwige zaligheid te danken! En zouden er in verdere jaren, eenigen van het pad der deugd afwijken, dan komen zij niet tot inkeer dan tengevolge van het godsdienstig onderwijs, dat zij vroeger genoten hebben. Immers zonder godsdienst en zonder geloof is de verbetering des levens hopeloos.

Niet minder zwaar, maar ook niet minder verdienstelijk is de arbeid van hen, die, na alles in de wereld te hebben verlaten, de zieken en gewonden in (ie gasthuizen verplegen. Gerukt uit het midden der wereldsche genoegens, gescheiden van hunne slechte vrienden en vriendinnen, geworpen op een bed van smarten, bevinden zij zich in eene .geheel andere omgeving. Getuigen quot;van die zoo belanglooze opodering, welke de zusters

(i) Moral. I. 9. c. 16.

-ocr page 529-

517

zich getroosten, de zoo zachte en liefdevolle behandeling welke zij ondervinden, en gesteund door een vurig gebed van haar, door wie zij worden verpleegd, gaan hun niet zelden de oogen open. Zij zien hunnen onge-lukkigen toestand in, en op den rand der eeuwigheid treden zij in zich zeiven. Zij begrijpen den erbarmelij-ken toestand hunner ziel, en deze te redden, wordt hunne voornaamste, zoo niet cenige zorg. Men vindt er duizenden, die hoogstwaarschijnlijk in het midden dei-wereld een rampzaligen dood zouden gestorven zijn, waren zij niet met eene ziekte behept, in de gasthuizen door de handen van Gode toegewijde maagden verpleegd geworden. Deze waren voor hen als zoo vele reddende engelen, die, terwijl zij hun lichaam verzorgden, zich beijverden hunne zielen te winnen voor den hemel.

Dan, eenieder is niet geroepen, om door kinderen te onderwijzen of zieken te verplegen, het zielenheil te bevorderen. Maar in dit geval staan ons nog andere middelen ten dienste, om met goed gevolg aan de zaligheid des naasten te arbeiden. Door werkend lid, of door eene jaarlijksche bijdrage eerelid te zijn van de Vincentius' vereeniging of die van de H. Elisabeth, kan men veel kwaad voorkomen en het gepleegde herstellen ; als lid van de broederschap der kindsheid , of van die des H. Franciscus Xaverius voor menig kind de deur des hemels openen, en de Missionarissen krachtig ondersteunen in de verbreiding des géloofs onder de heidenen. Doch er is een middel en een allerkrachtigst middel om vele zielen voor den hemel te winnen, en dit zoo heilzaam middel is het gebed. Een middel wat eenieder bezigen kan, en waarvan de Heiligen zich steeds bediend hebben, ook zij die onder de apostolische werkzaamheden als gebukt gingen, zooals een H. Francis-

-ocr page 530-

518

cus Xaverius, een H. Franciscus Regis en vele anderen. Ondanks hun zwaren arbeid en menigvuldige bezigheden, vonden zij nog den tijd, al ware het ook bij nacht, om God te bidden voor de bekeering dor zondaren-Overtuigd, dat hij die plant, noch hij die begiet iets is, maar God, die den wasdom geeft, hielden zij niet op den goeden God te smeeken, dat Hij hunnen arbeid zegenen, het goddelijk woord dat zij verkondigden, als een kostelijk zaad in de harten zou doen ontkiemen, en het honderdvoudig vruchten zou voortbrengen. God wil dat zijne dienaren zijn wijngaard bewerken; maar Hij wil ook gebeden worden, opdat de dauw des hemels denzelven bevochtige. De Priesters kunnen preeken, maar God moet door zijne genade de harten treffen. En daarom bidden vrome zielen veel voor de bekeering der zondaren, vooral zij die der wereld afgestorven, in de stille eenzaamheid een beschouwend leven leiden. Men vraagt soms wel eens in de wereld: waartoe dienen toch die kloosters, waar men een louter bespiegelend leven leidt; zooals de Karmalietessen, Clarissen, Redemptoristinnen en anderen doen? Het zou er nog veel ellendiger uitzien in de wereld, indien zulke Gode dierbare zielen, zijne straffende- hand niet tegenhielden, en door een schier onafgebroken gebed, den dauw der genade over de werkzaamheden der Priesters deden af-druppelen. Eene H. Theresia, eene H. Calharina van Siëna en vele andere heilige maagden hebben meer zielen bekeerd, dan menige Priesters. Wat nut stichten de religieuzen die een streng slot onderhouden, zoo spreken soms eenige Katholieken, waarom geven zij geen onderwijs of verplegen zij geene zieken? Deze vraag beantwoord ik met eene andere vraag; Waarom bleven Mozes, Aron en Hur op de kruin eens heuvels, terwijl

-ocr page 531-

519

Josuc en het volk tegen Amalek streed? Waarom ver-eenigden zij zich niet met hot strijdende volk? Wat deed Mozes op dien heuvel? Hij behaalde de overwinning. Niet door eene groote menigte legerscharen wordt de overwinning in den oorlog behaald, maar de sterkte komt van den hemel (1); dit wist Mozes, en daarom verhief hij zijne handen ten hemel, en zoo lang hij zulks deed, overwon Israël ('2). Hetgeen Mozes deed, doen nog in onze dagen zoo vele dienaren en dienaressen des Heeren; zij verheften hunne handen ten hemel en God schenkt aan duizenden geloovigen de overwinning in den strijd tegen de booze geesten. Zij zijn als zoo vele bliksemafleiders, die de ratelende donderslagen eens verbolgen Gods van de zondige wereld afleiden.

Dat ieder onzer zich dan beijvere om met alie middelen, die hem ten dienste staan, de zaligheid der zielen te bewerken, en overgroot zal ons loon zijn. De zielen door ons, met Gods genade gered, eenmaal in den hemel, zullen hunne weldoeners op aarde niet vergeten. Zij bidden voor ons, tot dat ook wij het geluk des hemels genieten. «Het geluk te hebben», zegt de H. Alphon-sus (3), «var; aan de bekeering der zondaren te werken, «is een schitterend teeken van voorbestemming en dat «onze naam staat opgeteekend in het boek des levens.» Toen de H. Philippus Nerins ten hemel steeg, zond God hem al de zielen te gemoet, door zijne bediening en bemiddeling gered. Welke vreugde! Zullen zij wellicht ons allen niet te gemoet snellen, die door onze werkzaamheden en gebeden den hemel hebben erlangd, zij zullen dan toch als zoovele schoone paarlen zijn aan onze onvergankelijke kroon van heerlijkheid.

(i) 2 Machab. 3. 19. — {2) Exod. 17. — (3) Tom. 13. p. 157.

-ocr page 532-

520

GEBED.

O goddelijke Zaligmaker! wie zou de waarde begrepen hebben van éene enkele ziel, ware het, dat Gij door uw bitter lijden en uwen gruwzamen dood ze ons niet geleerd haddet. Uw bloed is de prijs, dien Gij voor onze zielen betaald hebt. Gij hebt niet gemeend, ze voor zulken prijs te duur te koopen En daar Gij, wiens blik niets ontgaat, vooruit wist, dat velen dien prijs niet waardeeren, en hunne zielen, voor een kortstondig genot, verkoopen zouden, smachttet Gij van dorst tiaar de zaligheid van allen. Velen beijveren zich om zielen voor ü te winnen, en alzoo uwen dorst te laven; maar helaas! ook niet weinigen zijn door hun ergerlijk gedrag de oorzaak dat vele zielen verloren gaan. Zijn deze als zoo vele dienstboden Satans, van wien zij hun loon te wachten hebben, ik minstens wil U dienen. En daar ik weet dat U niets zoo aangenaam is, als te werken aan het heil der zielen, is het mijn vast en onwrikbaar besluit, door alle middelen, die mij ten dienste staan, vooral door een stichtend voorbeeld en vurig gebed te arbeiden aan de bekeering der zondaren. Gelieve dit mijn voornemen door uwe genade te ondersteunen. Mijne goede Moeder Maria, zoolang ik leef, wil ik volgens mijn zwak vermogen medewerken aan het heil der zielen, maar Gij moet mij helpen, en leeren op welke wijze ik zulks met vrucht kan doen. Ik vertrouw op uwen bijstand.

-ocr page 533-

521

HOOFDSTUK XI.

Consunimntuin est. Joan. XIX. 30.

Het is volbracht.

Het oogenblik nadert, waarop de goddelijke Verlosser het offer van zijn leven gaat voltooien. Nog slechts twee woorden zullen van zijne gezegende lippen vloeien, vooraleer Hij den geest geeft. Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide Hij: «Het is volbracht!» liet werk der Verlossing van het raenschelijk geslacht, waartoe Ik in de wereld gekomen ben, is volbracht. Hij herinnerde zich alles, hetgeen de Profeten aangaande den Messias voorspeld hadden. Dat Hij door honger en dorst gekweld, den heidenen overgeleverd, door ver-smadingen verzadigd, onder de boosdoeners gerekend, gegeeseld, gekroond en gekruisigd zou worden, dit alles, zelfs tot de kleinste omstandigheid was voorzegd, en thans vervuld. Nu kon Hij dan ook zeggen: «Het «is volbracht!» Alsof Hij zeide, zooals de H. Bonaven-tura (1) zich uitdrukt: «Vader, het bevel dat Gij Mij «gegeven hebt, heb Ik volmaakt volbracht. Vader! be-«veel nu aan Mij Uw Zoon, alles hetgeen U behaagt, «Ik ben bereid alles te vervullen, hetgeen nog te ver-«vullen overblijft. Doch alles, wat er aangaande Mij ge-«schreven staat, is vervuld. Vader! indien het U behage, «roep Mij dan thans tot U.» «Het is volbracht.» Behaald is de overwinning over het rijk der zonde, het rijk Satans, het rijk des doods. Hunne nederlaag is volkomen, het is eene volbrachte zaak. «Het is volbracht!» De macht, den Joden gegeven om tegen Christus hun

(i) Med. Vit. Chr c. 79.

-ocr page 534-

522

haat bot te kunnen vieren, hunne ure en de macht der duisternis is ten einde. Hun wraaklust is gekoeld. Thans.zijn ze machteloos geworden, zij hebben hun doel bereikt en verdere macht is hun ontnomen, hunne snoodheid is volbracht. «Het is volbracht!» Vurig had Christus begeerd een bloeddoop te ondergaan, hevig werd Hij geprangd door het verlangen naar het oogen-blik, dat door zijn kruisdood het werk van de verlossing der menschen zou worden volbracht. Zijn vurig verlangen was bevredigd, zijn wensch volbracht. «Het is vol-«bracht!» Aan Gods rechtvaardigheid is voldaan, de zondige wereld met een vergramden God verzoend, de rechtvaardigheid en de vrede hebben elkander omhelsd; zijn dood schenkt den menschen het leven. Alles wat noodig is om de menschen overvloedig te verlossen, is thans volbracht.

«Het is volbracht!» zeide Christus tot zijn hemelschen Vader, die Hem der wereld had gegeven; Vader! «Ik «heb het werk volbracht, dat Gij mij gegeven hebt om «te doen» (1). «Het is volbracht!» zoo sprak Hij ook tot ons. Ik ben gekomen, opdat gij het leven hebben en overvloediglijk hebben zoudt. Gij waart kinderen dei-goddelijke wrake, kinderen dcs'cloods. Door mijn dood schenk Ik n liet leven. Adam had zich zeiven en u menschen, zijne kinderen, door het eten van de ver-bodene vrucht den dood berokkend. Ter liefde van u heb Ik dezen boom des kruises geplant, eet nu van deze vrucht, en gij zult leven in eeuwigheid. Mijn- tijd op aarde is voorbij, nu wordt hot uw tijd, die tijd, dat gij mij bemint, die u het grootste bewijs mijner liefde geschonken heb. «Niemand heeft grootere liefde dan

(i) Joan 17. 4.

-ocr page 535-

523

«rdeze is, dat iemand zijn leven geeft voor zijne vrien-«den» (1). Maar Ik, Ik geef mijn leven voor u mijne vijanden, opdat gij mijne vrienden wordet. Mijne al-maclit is als uitgeput, en het is mij niet mogelijk nog iets meer te verrichten, om Mij door u te doen beminnen. Weigeren wij dan onze liefde niet aan een God, die uit liefde tot ons den dood des kruises sterft. Door wederliefde gedreven, hebben ook velen zich met drie geestelijke spijkers, dat is, door de drie kloosterlijke geloften aan het kruis gehecht, en ondanks de stem der booze wereld en die der bedorven natuur: «kom af van het kruis,» daaraan volhard. Aan eenieder is het niet gegeven, op deze wijze met Christus aan het kruis te sterven; maar, dewijl in het H. Sacrament des Doopsels onze oude menseh met Christus gekruisigd is, opdat bet lichaam der zonde vernietigd werd, en wij de zonde niet meer zouden dienen (2), moeten wij Hem aan het kruis doen blijven tot aan onzen dood. Is Christus ter liefde van ons gehoorzaam geweest tot aan den dood, en tot den dood des kruises, dan vergt de Hem verschuldigde wederliefde, dat wij Hem gehoorzamen, eti Hem dienen tot den laatsten snik des levens, opdat ook wij alsdan kunnen zeggen: «het is «volbracht:» ik heb Gods geboden onderhouden, mij van mijne plichten als Katholiek gekweten, met Christus heb ik geleden, met Christus hoop ik dan verheerlijkt te zullen worden, en dit zal geschieden, mits wij niet moede worden en volharden tot het einde toe.

Ite Volharding.

«Prijst niemand vóór zijnen dood» (3), zegt ons de (l) Joan. 15. 13. — (2) Rom. 6. 6. — (3'! Eccli. II. 30,

-ocr page 536-

524

H. Geest. Zou men ook weten wat iemand is, men weet niet wat hij worden kan. De Apostelen waren bevestigd in de genade; wij echter, al zouden wij ook de heiligmakende genade bezitten, wij kunnen ze verliezen. En daarom mag men lien niet zalig noemen, die versierd met de schoonste deugden, in den dienst des Heeren grijs geworden zijn. Hoe volmaakt een mensch ook moge zijn, zegt de H. Bonaventura (1), daarom mag hij nog niet geprezen worden, vooraleer hij al het goede wat hij begonnen heeft, tot een goed en gelukkig einde brenge. Wat baat het dat een boom met bloesem beladen en de vrucht reeds gezet is, indien deze niet tot rijpheid kome? Een deugdzaam mensch belooft veel, en het laat zich aanzien, dat hij vele vruchten voor het eeuwige leven vergaderen zal, mits de volharding ze voor het bederf beware. Indien de tarwe in vollen bloei staat, de aren zelfs, goed gevuld zijn, daarom kan men het nog niet in de schuren vergaderen; eerst moet het rijp zijn. Willen wij in den oogsttijd, dat is, in het oordeel, als tarwe in de graanschuur, dat is, zegt de H. Hieronymus (2), in den hemel worden overgebracht; dan moeten wij der rijpe tarwe gelijken, hetgeen zonder de volharding niet geschieden kan. Om rijpe vruchten voort te brengen, moeten de ranken aan den wijnstok verbonden zijn; zoo ook zullen wij, zonder met Christus den waren wijnstok door de liefde vereenigd te zijn, geene vruchten dragen, en zou, ten tijde van den oogst, dat is in het sterfuur. God ons gescheiden zien van den waren wijnstok, dan worden wij als nuttelooze ranken, waaraan geene rijpe vruchten staan, in het vuur geworpen om te branden

(l) De Perfect, vit. ad Soror. c. 8. — (2) Super. Qui seinin. sem. bon.

-ocr page 537-

52r)

Velen beginnen goed, maar, zonals het spreekwoord zegt: (diet einde kroont hot werk.» Sniil begon goed, immers hij was onschuldig als een kind van één jaar toen hij begon te regeeren, maar hij stierf een ellen-digen dood op den berg Gelboc. Ten tijde van Paus Eugenius III leefde er een leekebroeder, die vele wonderen deed, en zoo heilig leefde, dat de Paus hem tot zich ontbood, om in liet bestuur der Kerk, bij dengenen steun te vinden, dien hij met zulke rijke gaven des hemels begiftigd zag, en helaas! deze vroeger zoo heilige broeder stierf als een ongelukkige in de gevangenis te Napels. Allen die de wereld verlaten, om zich in de stille eenzaamheid Gode toe te wijden, zijn in den regel met een vurigen ijver voor hunne volmaking bezield, waarvan zij dan ook een meer of minder gerui-men tijd de duidelijkste blijken geven. Maar allen volharden niet in hunnen eersten ijver. De H. Basilius (1) schreef aan zekeren woestijnbewoner met name Chilon het volgende: «Velen beginnen met genoegzamen ijver, «maar weinigen eindigen op dezelfde wijze. Het is noch-«tans niet voldoende in den beginne blijken van moed «te geven, op het einde zijns levens wordt men eerst «beloond. Gij moet alzoo reeds van den beginne af al «uwe krachten inspannen, om liet doel te bereiken dat «gij u hebt voorgesteld. Men is niet volmaakt, omdat «men goed begonnen heeft, men moet het oordeel van «God afwachten, dat Hij aan het einde van het leven «vellen zal» (quot;2). «De liernel», zegt de H. Bernardus (3), «wordt beloofd aan allen, die een deugdzaam leven be-«ginnen te leiden, maar wordt gegeven aan hen, die in

(i) Epist. i. — (2) Cfr. Marin. Vie des PP. du désert. T. 9 p 22. — (3) De modo bene viv. 55. ó.

-ocr page 538-

526

«de deugd volharden.» «De volharding,» zoo schreef hij aan de ingezetenen van Genua, «is eene deugd, die de «kroon zet op alle anderen, en die het karakter uit-«maakt der helden» (1). Zij is, zegt de Abt Isidorus, onze zegepraal (2). Zoolang de vijand niet onschadelijk gemaakt is, kan men op geene overwinning roemen; want een oogenblik later kunnen zij op hunne beurt de overhand bekomen. Al zouden wij dan ook in den strijd tegen de vijanden onzer ziel herhaalde malen gezegepraald hebben, daarom treden wij nog niet als overwinnaars uit het strijdperk. De kroon der overwinning staat wel boven, maar nog niet op ons hoofd. Er kan nog een tijd komen, dat wij klagende moeten uitroepen: «De kroon is van ons hoofd gevallen» - (3). Een reiziger, die, na in vreemde landen ten koste van veel arbeid, groote schatten vergaderd te hebben, zich reeds op zee bevindt om naar zijn vaderland terug te keeren, kan nog met al zijne schatten spoorloos in de diepte verdwijnen, zelfs in de haven nog schipbreuk lijden. Zoolang hij geen voet aan wal heeft gezet, is het gevaar van te vergaan, niet geweken. Meer dan eens heeft zich zulk gevaar verwezenlijkt, en verloren waren de offers, die hij gebracht, verloren de schatten, die hij vergaderd had. Wij allen zijn reizigers in deze wereld, de hemel is ons vaderland. Velen beijveren zich, houden zich oidedig met goede werken, en laten zich vele moeilijkheden en ontberingen welgevallen, om schatten te vergaderen voor den hemel, waarin zij dan ook met Godes hulp geslaagd zijn. Zou het nu niet een hartverscheurend iets zijn, een hunner, zoo rijk in verdiensten en reeds op het punt de eeuwige haven van het

(l) Rohrbach, T. 8. p. 192. édit. Vivez. —- (2) Marin, ibid. 1. 4. chap. 6. — (3) Thren. 5. 16.

-ocr page 539-

527

hemelsch Jeruzalem binnen te zeilen, schipbreuk to zien lijden, en hem van rijk zooals hij was, in de diepste armoede gedompeld te zien, zoodat hom in eeuwigheid geen droppel water gegeven wordt! En dit is nochtans het geval van zoo velen, die na jaren en jaren lang een verdienstvol leven te hebben geleid, in de deugd niet volharden; immers, dan is alles verloren, en verloren voor de eeuwigheid. Niet hij, die zijne jeugdige jaren in onschuld en deugd heeft doorgebracht, niet hij, die ter liefde Gods alles zal hebben verlaten, niet hij, die grijs geworden is in den dienst des Heeren, «doch wie volhard zal hebben ten einde toe, die zal «zalig worden» (1).

Niet de strijd, maar het einde wordt gekroond, de volharding alléén plukt de vrucht van alle deugden, zoo schreef de Paus Honorius lil aan den H. Üominicus; wij bidden en vermanen u dan, zoo schreef hij verder van ii allijd meer en meer in den dienst des Heeren te versterken (2). Volgens den H. Thomas, den leerling bij uitstek van den H. Dontinicus: is de volharding eene bijzondere deugd, waardoor de mensch, voor zooverre zulks noodig is, de goede werken blijft beoefenen (3). De lof der volharding, voegt hij er bij, bestaat hierin, dat iemand niet van het goede afwijke ter oorzake van langdurige moeielijkheden, en een aanhoudenden arbeid (4). Eene voorbijgaande moeilijkheid te overwinnen , al is zij ook groot, valt in den regel zoo zwaar niet, als eene van mindere beteekenis, welke zich aanhoudend voordoet. Een zwaar kruis voor korten tijd te torsen, is dragelijker, dan een klein, dat voortdurend

(l) Matth. lo, 22. — (2) Vgl. Rohrbach. T. 17. 1. 72. p. 434. Edit, Lardinois 1846. — (3) 2. 2. qu. 137. a. 1. —- (4) Ibid, qu. 138.

-ocr page 540-

528

op de schouderen drukt. Maar zijne zinnon versterven, de bekoring overwinnen, der aanlokselen tot liet zingenot weerstand bieden, is soms eene zware taak en dit blijven doen is eene heldendaad. De Apostel Paulus, hiervan overtuigd, hield niet op, in zijne brieven de ge-loovigen tot volharding aan te sporen. «Laat ons», zoo schreef hij aan de Galatiërs, «in het goede te doen niet «moede worden, want te zijner tijd zullen wij maaien, «indien wij niet moede worden» (1). Hij vermaande hen om te blijven zaaien in den geest, dat is, niet moede te worden in het doen van goede werken, maar daarin ijverig fe volharden, totdat de tijd gekomen ware, door God voor den oogst bepaald; dan, maar dan eerst zouden zij maaien, wat zij op den akker des geestes gezaaid hadden, namelijk het eeuwig leven, mits zij niet moede werden, niet verflauwden, maar standvastig bleven in het beoefenen van goede werken. In zijn brief aan de Korinthiërs schrijft hij: «Weet gij niet, dat die «in de renbaan loopen, allen wel loopeti, doch dat één «den kampprijs ontvangt? Loopt gij alzoo, opdat gij «dien inoogt verkrijgen» (2). Hij vermaant de gemeente van Korinthe, met allen ernst en aanhoudende inspanning hunne zaligheid te behartigen. Hij wijst hen op een kampspel, wedloop genaamd, bij de Grieken in gebruik. In zulke renbaan loopen allen, om de lauwerkroon aan het einde der loopbaan opgehangen, te erlangen ; doch één slechts behaalt den prijs. Nu moet gij, wil de Apostel zeggen, zoo vurig loopen en blijven loopen op den eenmaal ingeslagen weg der deugd, dat gij , dien éénen gelijkend, aan het einde van de loopbaan de lauwerkroon erlangt; en zulke kroon kunt gij

(i) Gal. 6. 9. — (2) I. Corinth 9. 24.

-ocr page 541-

529

allen, in de loopbaan van het geestelijk leven bekomen, rnits gij loopt en blijft loopen, zooals bet behoort. Geven zij zich vele moeiten die in de renbaan loopen om oene vergankelijke lauwerkroon te bekomen, welken arbeid moeten wij ons dan niet getroosten, welke offers ons niet laten welgevallen, om de kroon des eeuwigen levens te erlangen, die niet, tenzij aan het einde van onzen geestelijken loopbaan gegeven wordt! Deze schoone, onverwelkbare en eeuwige kroon, wordt helaas! te vaak uit het oog verloren, en daarom laten eenigen, na reeds een geruimen tijd op den weg der deugd te hebben geloopen, eindelijk den moed zinken. Laat ons, minstens die overheerlijke kroon steeds voor oogen houden die God in zijne goedheid ons heeft voorbereid, terwijl Hij ons toeroept: «Wees tot den dood toe ge-«trouw, en Ik zal u de kroon des levens geven» (1).

Om niet te verflauwen wijst ons de H. Paulus oigt; de belooning die ons staat te wachten, wanneer Hij zegt: «Derhalve, geliefde broeders, weest standvastig en on-«beweeglijk, altijd overvloedig in het werk des Heeren, «wetende dat uw arbeid niet ijdel is in den Hoer» (2) dat is, niet vruchteloos, maar eenmaal, zal hij in de andere wereld door God beloond worden, üok de Apostel Joannes spoort ons aan tot de volharding, opdat wij de reeds verkregen verdiensten niet verliezen, maar het eeuwig leven erlangen zouden. «Ziet toe op u zeisven,» zegt hij, «opdat gij uwen arbeid niet verliest, «maai' een vol loon moogt ontvangen» (3). 7\ls wilde hij zeggen, zorgt toch dat gij de vrucht van uwen geestelijken arbeid niet verliest, maar volhardt standvastig, opdat gij, de rijke belooning der eeuwige zaligheid,

(l) Apoc. 2. IO. — (2) I. Corinth. 15. 5S. — (3) II. Joan. v. 8. Lijden v. christüs. 34

-ocr page 542-

530

weggelegd voor lien i'ie ten einde toe volharden, moogt, ontvangen. Met welke zorg tracht men in de wereld, de zoo duur verdiende penningen niet alleen te bewaren, maar z^lfs te vermeerderen in de zoete hoop van hunne oude ciagen niet in gebrek behoeven te slijten! En toch zijn ze niet zeker die ooit te zullen beleven, immers de dood kan hun in een oogenblik van al die gelden berooven, in elk geval nemen zij van dat alles niets mede naar de eeuwigheid. Indien men zich zoo vele moeite geeft om aardsche schatten te bewaren, waarvan men slechts voor een korten tijd gebruik kan maken, welke ijver moet ons dan bezielen de geestelijke schatten te behouden en ze van dag tot dag te vermeerderen, die ons volgen aan gene zijde des grafs, en dan ons bijblijven in eeuwigheid. De vrees alzoo van de reeds verworven verdiensten voor altijd te verliezen, en de hoop op de hemelsche belooning, wel ka hun die goed beginnen beloofd , en hun die volharden gegeven wordt, moet ons doen besluiten, geen middel tot volharding onbeproefd te laten.

Laat ons niet zoo verwaand zijn, steunende op onze krachten en goede voornemens uit te roepen: '(in eeu-«wigheid zal ik niet wankelen» (1). Anderen hebben, is het niet zoo gesproken, minstens toch zoo gedacht, en daarom juist zijn ze gevallen. Alle menschelijke in-spanning, alle mogelijke omzichtigheid, alle uiterste behoedzaamheid, is niet toereikend ons de volharding te verzekeren. Zij is eene gave Gods, die, wij mogen en moeten het vertrouwen. Hij ons schenken zal, indien wij van onzen kant doen wat wij kunnen. Doch daar wij uit ons zeiven niets kunnen, blijft ons slechts één

(l) I's. 29. 7.

-ocr page 543-

531

middel over, namelijk te vragen, opdat wij kunnen. 'Het gebed, ziedaar liet groote en het eonige, maar ook het zekerste middel, dat ons de volharding kan waarborgen. De volharding, zegt de H. Alphonsus (1) woidt, volgens de HH. Vaders, niet geschonken, tenzij aan dengene, die er om Liilt. «Na het doopsel», zegt do IJ. Thomas (2), «is een aanhoudend gebed voor den mensch «noodzakelijk om den hemel te kunnen binnengaan.» Het is waar, wij kunnen de genade der volharding, ondanks de grootste oll'ers, die wij ons getroosten, de strengste boetplegingen, die wij verrichten zouden, niet verdienen; zij is eene loutere genade Gods, maar Hij die gezegd heeft: «vraagt en gij zuil verkrijgen,» zal ze ons niet weigeren, wanneer wij ze Hem gestadig vragen. Vandaar dat de geleerde Suarez zegt, dat de volharding, onfeilbaar door het gebed geschonken wordt, hetgeen de H. Augustinus ons reeds vóór hom verzekerde met deze woorden: «deze gave Gods kan door «het gebed verdiend worden» (3). Is het gebed derhalve het eenige middel om de volharding te bekomen; hoe, zullen zij dan volharden, die dat eenige middel verwaar-loozen? Zij die niet volhard hebben in de deugd, men kan het voor zeker houden, hebben ook niet volhard in het gebed. Van het oogenblik dat iemand het gebed, dit groote middel ter zaligheid, en dit zoo noodzakelijk vereischte ter volharding, minder behartigt, ontstaat er reeds eene niet ongegronde vrees voor zijne volharding, welke vreeze toeneemt, naarmate hij voortgaat het gebed te verzuimen, totdat ten slotte die vreeze verwezenlijkt wordt. Verre zij echter van ons deze ge-

(i) T, i, p. 6. — (2) r. 3. qu. 39. a. 5. — (3) De dono persev. c. 6. vgl. S. Alph. ibid.

-ocr page 544-

532

lt;iachte: «wie vvoet of ik vollmnlen zal: misschien ga «ik ondanks de moeite, die ik mij geef, de goede weieken, die ik verricht, toch verloren, wellicht staat mijn «naam niet opgeteekend in het hoek des levens:» Zulke gedachten zijn vaak hevige bekoringen Satans, waaronder menige ziel soms zwaar gebukt gaat. Stellen wij deze zwarte gedachten ter zijde, overtuigd dat wij volharden en zalig zullen worden, mits wij blijven bidden. In dit geval, zullen wij op ons sterfbed kunnen zeggen : «het is volbracht», ik heb Gods geboden onderhouden, mij van mijne plichten gekweten, «den goeden «strijd gestreden, den loop voleindigd, het geloof be-«waard. Voorts is mij weggelegd de kroon der gerech-«tigheid, welke de Heer, de rechtvaardige Rechter, mij «te dien dage geven zal» (1).

GEBED.

O eeuwige God ! ik dank U dat Gij mij geschapen, door Jezus Christus verlost, toe het ware geloof geroepen , na zoo vele zonden zoolang verdragen en op mijne bekeering gewacht hebt. Eindelooze goedheid! thans bemin ik U meer dan mijne ouders, meer dan mij zeiven, in één woord boven alles. Al mijne zonden zijn mij bitter leed, en ik verfoei ze uit den grond mijns harten. Ik vertrouw vastelijk dat Gij ze mij dooide verdiensten van Jezus Christus hebt vergeven, maar het gevaar van in de zonde te hervallen is niet geweken. De vijanden mijner ziel slapen niet, en het is U alleen bekend aan welke hevige bekoringen ik nog blootgesteld zal zijn. Doch Gij zijt mijne hoop; door de verdiensten van Jezus uw goddelijken Zoon , bid ik U om

(i) II. Timoth. 4. 8.

-ocr page 545-

533

lt;le heilige volharding-. Gij kent mijne zwakheid! Ach Heer! help mij, laat niet toe dat ik ooit van U gescheiden worde! doe mij liever duizend malen sterven, dan dat het ongeluk mij overkome, uwe genade te verliezen. O Maria, mijne Moeder! na Jezus mijne eenige hoop, toon mij na deze ballingschap Jezus, de gezegende vrucht uws lichaams, want op U heb ik gehoopt, in eeuwigheid zal ik niet beschaamd worden.

HOOFDSTUK XII.

Et damans voce magna Jesus ait: Pater in ma-nus tuas commendo spiritum meum. Luc. XXIII. 4«?.

En Jezus, met luider stemme roepende, zeide : Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest!

Na, nit liefde tot deti mensch uit den hemel te zijn nedergedaald, na 33 jaren in deze wereld als mensch onder de rnenschen geleefd, en hun doorzijn voorbeeld den weg naar den hemel getoond te hebben, is eindelijk het uur geslagen, het oogenblik aangebroken, waarop Hij deze aarde gaat verlaten. Nog één woord zal vloeien van zijne gezegende lippen, nog één met luider stem gesproken woerd, zal do, op Golgotha's kruin thans heerschende stilte onderbreken, nog één, maar ook het laatste woord zal het ecuwig Woord des Vaders op aarde spreken, en dat woord is: «Vader, in Uwe hansden beveel Ik mijnen geest!» Hij sprak dit woord met luider stemme, al roepende. Wie is de mensch, die op het punt van te sterven, uitgeput van krachten, luide roepen kan? Met alle oplettendheid kan men ternauwernood het laatste woord eens stervenden met gebroken stemme gesproken opvangen, en dikwijls is een zieltogend mensch zóó machteloos, dat hij niet in staat

-ocr page 546-

534

is een enkel woord te uiten, sprakeloos moet hij clan van aan- en bloedverwanten afscheid nemen. Doch op Golgotha sterft de Schepper van het heelal, de Heer en Meester van loven en dood, een God inensch geworden, een Godmensch. Dit moest eenieder weten. Van laar dat roepen met luider stem, waartoe een God alleen in staat is. Hij, die over leven en dood zijn schepter zwaait. Allen inoeslen klaarblijkelijk inzien, dat zijn weleer gesproken woord: «Niemand neemt het «leven mij af, maar uit mij zalven leg Ik het af; en Ik «heb macht om het af te leggen, en macht heb ik om

. OO quot;

«het weder aan te nemen» (1), waarheid is. Hij, die door de Godheid zijne menschheid, in den hof van Olijven tot den dood toe bedroefd, ondersteunde. Hij, die door zijne goddelijke almacht onder de gruwzaamste folteringen in leven bleef, kon ook nu den dood ver van zich verwijderd houden. En als bij gaat sterven, dan is het niet omdat Hij ter ooizake der kruisiging sterven moest. Immers door eene enkele verklaring zijns wils, zouden al zijne wonden spoorloos verdwenen zijn, en Hij hadde gezond en in volle kracht naast zijne teerbeminde Moeder gestaan, maar dat wilde Hij niet. Hij wilde sterven, dit moest eenieder weten, en daarom zegt do H. Joannes Chrysostornus ('2), riep Hij ook met luider stemme. Doch vooraleer Hij den dood liet naderen, wendde Hij zich nog eens tot zijn Vader: «Vader «in Uwe handen beveel Ik mijnen geest.» Hij noemt God zijn Vader, om te toonen dat Hij Gods Zoon is. Had Hij zijn vader verheerlijkt in zijn leven, Hij wilde Hem eeren in zijnen dood. Daar Hij wist dat God, dooreen kinderlijk vertrouwen, dat nimmer wankelt in het mid-

^i) Joan io. i8. — (2) In Matth. hom. 89.

-ocr page 547-

535

den der beproevingen, vereerd wordt, wilde Hij -Hem door die laatste woorden nogmaals verheerlijken, zooals Hij trouwens gansch zijn leven gedaan had.

Door zich zeiven aan zijn Vader aan te bevelen, zegt de H. Athanasins (1), beval Hij Hem tevens alle geloovigen, die door zijn lijden en dood het eeuwig heil erlangen zouden. Immers, het hoofd en de ledematen vormen één lichaam. Jezus wilde in dit oogenblik het gebed herhalen dat Hij reeds vroeger tot zijn Vader richtte; «Heilige Vader! bewaar hen in uwen naam, «die Gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, gelijk «wij» (2). Eu «Vader, ik begeer, dat, waar Ik ben, ook «zij, die Gij mij gegeven hebt, met mij zijn, opdat zij «mijne heerlijkheid aanschouwen, die Gij mij gegeven «hebt» (3). Troostvol is alzoo het laatste woord door Jezus aan het kruis gesproken, maar ook leerzaam tevens. Immers Christus wilde ons hierdoor leeren, dat wij ons in leven en dood aan Gods heiligen wil moeten onderwerpen. Het was, zegt de H. Alphonsus (4), alsof Hij zeide: Mijn Vader! Ik heb geen wil. Ik wil leven noch sterven. Behaagt het U dat ik nog langer lijde aan het kruis, dan ben Ik hiertoe bereid; Ik beveel mijn geest in uwe handen, handel met mij volgens uw goedvinden. Wat zouden wij gelukkig zijn, indien ook wij uit de volheid des harten zóó konden spreken, wanneer een zwaar kruis ons op de schouderen drukt. In-lt;lien wij ons in alles aan zijn aanbiddelijken wil onderwierpen , en door zijne vaderlijke hand lieten geleiden! Hierin toch bestaat, volgens den H. Franciscus van Sales, al onze volmaaktheid. Is eenmaal voor ons het

(i) De Orat. Chr. — (2) Joan. 17. 11. — (3) Ibid. v. 24.— (4) T. 5. p. 215.

-ocr page 548-

536

laatste uur des levens aangebroken, dan vooral moeten wij ons volkomen aan Gods H. wil overgeven, opdat Hij over ons naar goedvinden bescliikke. Willen wij echter in dat uur zulks doen, zooals het behoort, dan moeten wij, zegt de H. Alphonsus, die heilige overgeving aan Gods alwijze beschikking dikwijls in ons leven beoefenen, en in alle omstandigheden vaak herhalen: «Uw wil geschiede gelijk in den hemel, zóó ook «op aarde» (1).

lie Gelijkvormigheid aan Goils II. Wil.

Ik ga van de veronderstelling uit, dat gij die deze regelen leest, met een vurigen geest bezield zijt, om groote vorderingen te maken op den weg der deugd en volmaking. In deze veronderstelling moeten wij steeds onze oogen gevestigd houden op Dengene, die in deze wereld gekomen is, niet slechts om ons te verlossen uit de slavernij des duivels, maar oók den weg te toonen die ten eeuwigen leven leidt, op Dengene die gezegd heeft, «ik ben de weg,.) op Jezus Christus, het volmaaktste toonbeeld van alle deugden, om ons leven volgens dat goddelijk model te regelen. Het leven van dien Godmensch op aarde, kan men in deze weinige woorden samenvatten: «Hij deed altijd, hetgeen zijn «Vader behagelijk was.» Bij zijn intreden in de wereld sprak Hij, zooals de Apostel Paulus (2) getuigt, tot zijn hemelschen Vader: «Slachtoffer en offerande wildet «Gij niet, maar een lichaam hebt Gij mij toebereid; «brandoffers voor de zonden behaagden U niet! Toen «sprak Ik: Zie, Ik kom.... om uwen wil te doen, o «God!» Tijdens zijn sterfelijk leven heeft de Heer Jezus

Matth. 6, lo. — (2) Hebr. 10. 5—7.

-ocr page 549-

537

dan ook meermalen verklaard, dat de wil zijns Vaders het eenigste richtsnoer was van al zijne handelingen. «Ik ben,» zoo sprak Hij, «van den hemel nedergedaald, «niet om mijnen wil te doen, maar den wil van Hem, «die mij gezonden heeft.» (1). En «mijne spijs is, dat Ik «den wil doe van Hem, die mij gezonden heeft, dat Ik «zijn werk volbrenge» (2). De mensch gebruikt voedsel om te kunnen leven, immers het doet hem leven. De geestelijke spijs waarmede Christus zich voedde, was de wil zijns Vaders; deze was als het leven van zijn leven. Nam Hij zijn leven, omdat zijn Vader het zoo verlangde, Hij legde het ook af, omdat het zijn Vader zoo behaagde; in alles wat Jezus deed, in alles wat Hij zeide en in alles wat Hij leed, was het volbrengen van den wil z jns Vaders zijn eenigst doel. Is hij onder de Heiligen de heiligste, wiens leven het meest op dat van Jezus gelijkt; dan bestaat ook al zijne heiligheid in de gelijkvormigheid van zijn wil met den wil van God. Het is waar, al onze volmaaktheid bestaat in de liefde Gods, maar do volmaaktheid der liefde zelve, is gelegen in do gelijkvormigheid met Gods aanbiddelijken wil. Immers het voornaamste uitwerksel der liefde, is volgens den H. Dionysius den Aréopagiet, hen die elkander beminnen zoodanig te vereenigen dat zij slechts één hart en één wil hebben. Willen wij derhalve op de innigste wijze met God vereenigd worden, dan moet er tusschen God en ons slechts een wil bestaan, en dit kan niet anders geschieden dan dat wij Gods wil tot den onzen maken, zoodat wij niels anders willen dan hetgeen God wil. De wil Gods is als het zegel waarmede al onze goede werken, al onze deugden moeten gestempeld zijn, an-

(l) Joan. 6. 38'. — (2) Joan. 4. 34.

-ocr page 550-

538

ders hebben zij geene waarde. «Stel mij als een zegel «op mv hart, als een zogel op uwe armen» (1), zoo spreekt de goddelijke Bruidegom tot zijne bruid. Hij wil dat al hare genegenheden, al hare verlangens, waarvan het hart.de zetel is, al hare beziglie.len en werkzaamheden, waarvan de armen het werktuig zijn, den stempel dragen van zijn wil, zoo niet, dan worden zo als onechte munt beschouwd, waarmede men nie(s voor den hemel koopen kan. Derhalve zijn al onze goede; ■werken, al onze boetplegingen, al onze commniiiën, al onze aalmoezen en liefdewerken slechts Gode behagelijk on verdienstelijk voor ons, in zooverre zij met Gods H. wil overeenstemmen. Zeer dwaas handelen dientenge-volge zij, die lichamelijke boetplegingen of' lijfkastijdingen verrichten, liefdewerken beoefenen, op de studie zich toeleggen, zelfs Jezus bezoeken in zijn aanbiddelijk Sacrament, tegen den wil des biechtvaders of dien dei-Oversten ; want daar dezen de plaats van God beklee-den, handelen zij in strijd met 's Heeren wil, zij besteden hunnen tijd en geven zich vele moeiten om onechte munt te vervaardigen, waarmede zij niets kunnen doen; wat meer is, zij zijn strafwaardig als valsche munters op geestelijk gebied.

Den Heiligen ging niets zoo zeer ter harte, dan in alles, zelfs in de onbeduidendste zaken, Gods wil te kennen en hunne handelingen daarnaar te regelen. Met den Profeet David baden zij gestadig: «Leer mij uwen «wil te doen , want Gij zijt mijn God» (2). In het inwendige gebed en hunne geestelijke beschouwingen, was steeds hun rusteloos'streven Gods welbehagen te kennen, en het in alles te volbrengen. Was hun eenmaal

(i) Cant. 8. 6. — (2) Ps. 142. 10.

-ocr page 551-

53!)

•Gods wil bekeml, lietzij door duidelijke inspraken des H. Geestes, hetzij door hun ziel bestierder, hetzij door den natuurlijken loop van omstandigheden door de Voorzienigheid verordend, dan brachten zij alles ten ofl'er om dien te volbrengen. De H. Franciscus Xaverius, zooals wij lezen in zijn leven (1), sprak aanhoudend van den aanbiddelijken wil Gods, en iiij eindigde bijna al zijne brieven met den wensch dien te kennen en in praktijk te brengen. Alles bracht hij Godes welbehagen ten oller, zelfs zijn vurigst verlangen, zijn bloed voor Jezus te vergieten. Hij smachtte naar het martelaarschap, doch daar hij wist dat zoodanige dood Gode niet welgevallig is, tenzij Gods alwijze beschikking zulks vergt, vreesde hij meer Gode te mishagen, dan hij wenschte als martelaar te sterven. Hij stierf dan ook gelaten en tevreden in eene arme hut, ofschoon hij op het punt stond het H. Evangelie in liet onmetelijk rijk van China te gaan verkondigen, zoodat men van hem zeggen kan, dat Hij aan Godes welbehagen niet alleen zijne eigene voldoening, maar zelfs de verheerlijking van Jezus' naam ten oller bracht. Een schoon voorbeeld voor hen, die ondanks hunnen vurigen ijver om rechtstreeks te arbeiden aan het heil der zielen, door hunne Oversten voor andere werkzaamheden bestemd worden; alsmede voor hen wier hart van zielenijver brandt, maar die uit hoofde van hunne onbekwaamheid of hunnen zieke-lijken toestand, zich in de onmogelijkheid geplaatst zien, hun verlangen te bevredigen. Dezen moeten zich met dien vromen wensch vergenoegen, waarmede God zelf zich tevreden stelt. Hunne vurige begeerte om zielen voor den hemel te winnen, is goed en Gode beha-

(l) Par le R. P. Bouhours, p. 522.

-ocr page 552-

540

gelijk, maar zich aan Gods tf. wil onderwerpen, beter en verdienstelijker. Een Pater Redemptorist, Constanzo genaamd, die ten tijde van den H. Alphonsus leefde, beschouwde het verlangen des H. Stichters als het welbehagen Gods, en nam daarom, ondanks zijnen vurigen ijver voor het heil der zielen, de taak op zich den studenten onderwijs te geven. De Heilige schreef hem een brief van den volgenden inhoud: «Gij hebt mij «grootelijks getroost, door de bediening van de jongere «studenten te onderwijzen, te aanvaarden. Ik weet niet «hoe zij, die zulks geweigerd hebben, in vrede kunnen «leven met God, wetende dat het toch zijn H. wil was. «Ik zegen u, ik dank u, en bid God dat Hij uwe on-«derwerping met veel troost moge beloonen» (1). Elk verlangen, hoe heilig het ook moge schijnen, moeten wij steeds mistrouwen, wanneer het niet overeenkomstig is mot den wil van hen, die ons in God.s plaats besturen, anders loopen wij gevaar door Satan, die vaak de gedaante van een Engel des lichts aanneemt, misleid te worden. Dit ondervond een leerling van den H. Colombanus, Agrestinus genaamd. Zooals hij voorgaf, brandde hij van begeerte om het H. Evangelie den afgodendienaars te gaan verkondigen. Zijn Overste, de H. Eustachius wilde hem hiervan terughouden, doch kon er niet in slagen. Eu wat gebeurde er? Hij predikte in Beieren, doch zonder de minste vrucht, en eenigen tijd daarna werd hij door zijn slaaf met eene bijl gedood, omdat hij zijne vrouw tot trouweloosheid verleidde (2). Velen worden nog, indien zij hurne handelwijze i::ct toetsen aan Go Is H. welbehagen, onder

(i) Tannoja. T. 3. p. 250 — (2' Rohrbachcr. T. 10. 1. 48. p. 117.

-ocr page 553-

541

den scliijn van deugd en ijver door den vorst der duisternis misleid, is liet niet met zulke noodlottige dan toch voor hunne zielen altijd nadeelige gevolgen.

Niets willen dan hetgeen de goede God wil, wanneer en zooais flij het wil, is een üode hoogst aangenaam en voor ons zeer verdienstelijk offer. David wordt in de H. Schrift genoemd: «een man naar Gods hart» (1) en waarom werd hij door den H. Geest met zulken roem vollen naam betiteld? Omdat hij al lijd bereid was datgene tc doen wat God verlangde. «Mijn hart is be-«reid, o God!» zoo sprak hij, mijn hart is bereid» (2). Hij vroeg ook niets anders, dan Gods 11. Wil te kennen. «Leer mij uwen wil te doen, want Gij zijt mijn God» (3). De Heer deed dan ook van hem de volgende goede getuigenis: «Ik heb David gevonden, Jesse's zoon, een «man naar mijn hart, die in alles mijnen wil doen zal» (4). Hij die Gods wil tot zijn wil maakt, kan Gode geen grooter, ja zelfs geen ander offer meer brengen, hij geeft zijn Schepper den geheelen menscli, zoodat hij niet meer leeft, maar Christus leeft in hem'. Het is dan ook van zulke personen, dat de goede God zich bedient, om groote en verhevene zaken tot stand te brengen. Aan welk schepsel heeft de Machtige groote dingen gedaan? Is het niet aan Maria, aan haar die zeide : «Ziehier de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede «naar uw woord» (5)? Van het oogenblik dat ook wij zoo konden spreken, niet met woorden alleen, maar in daad en in waarheid, zou God insgelijks door zijne genade groote dingen in ons uitwerken. Van lauw zouden wij vurig, van vreesachtig edelmoedig, van

(i) I, Reg. 13. 14, — (2) Psal. 56. S. — (3) Psal. 142. 10. — (4) Act. Apost. 13. 22. — (5) Luc. I. 38.

-ocr page 554-

542

zwak sterk, van zondig heilig worden. Do daad van eene volmaakte onderwerping aan Gods H. Wil, is zóó vol verdiensten, zegt de H. Alphonsus (1), dat zij voldoende is om een heilige van ons te maken. Met recht zegt dan ook de H. Theresia: (2) «Alles wat «men in het gebed moet zoeken, is zijn wil aan dien «van God gelijkvormig trachten te maken, en men «houde zich wel overtuigd, dat daarin de hoogste vol* «maaktheid bestaat. Die hierin het meest uitmunt, «zal van God de rijkste gaven ontvangen, en de grootste «vorderingen maken in het inwendige leven.» Het doel van al onze gebeden, zegt de H. Alphonsus (3), moet zijn, van God de genade te erlangen, stipt te volbrengen hetgeen iJij van ons vraagt.

God vraagt van ons, niet alleen dat wij zijne geboden getrouw onderhouden, maar zoo volmaakt mogelijk ook berusten in alle voorvallen des levens, door de goddelijke Voorzienigheid aldus geregeld. Men spreekt van een of ander toeval, doch bij God bestaat geen toeval. Hij voorziet. Hij weet en bestuurt alles. Zijne Voorzienigheid strekt zich uit tot de onbeduidendste zaken; alles, zonder uitzondering, staat onder haar bestuur. Zonder de kennis en den wil of de toelating van God geschiedt er niets, en het geringste vogeltje valt zelfs niet dood ter aarde neder. «En van ulieden,» zoo sprak Jezus, zijn de hoofdharen allen geteld» (4), dat is, gij zijt het voorwerp van eene bijzondere Voorzienigheid Gods; uw leven niet alleen, gelijk dat eener muscli, maar het geringste zelfs, dat aan' u is, staat onder zijne hoede. Derhalve in alles wat ons overkomt,

(i) T. i. p. 401. — (2) Chateau int. chap, i. — (3) Ibid.— (4; Matth. 10. 30.

-ocr page 555-

54:1

moeten wij Gods II. wil erkennen. Zou ons ecliter doör een ander leed worden aangedaan, of wij zolf' er de oorzaak van zijn, dan wil God niet de zondige daad, waardoor ons leed berokkend wordt, immers zoo iets kan God niet willen, maar Hij laat zulks toe, en bijgevolg is liet zijn wil, dat wij ons zoo volmaakt mogelijk onderwerpen aan alles wat Hij toelaat. Dit zij bier, in het voorbijgaan aangestipt, vooral met het oog op hen die lijden met ongeduld, omdat zij zich zeiven de schuld geven van hun ongeluk.

Zoudt gij ziek of te zwak zijn om zekere werkzaamheden te verrichten, wees dan niet ongeduldig, zooals vaak het geval is bij eenigen, die nog niet ver in de volmaaktheid gevorderd zijn. Men boort ben zeggen : ik klaag niet over mijne ziekie, maar ik kan niet meer werken, niet meer bidden, niet meer in de kerk komen, de gemeenschappelijke oefeningen niet moer bijwonen, en ik strek allen tot last. Voorwaar een nietig voorwendsel, dat van eene grove onvolmaaktheid getuigt.

' O O O

Weet gij dan niet dat al onze volmaaktheid bestaat in de gelijkvormigheid aan Gods H. Wil. De Heiligen, en de ware dienaars des Heeren beschouwden de ziekten als een middel ter heiliging, door don goeden God hun geschonken, overtuigd, dat men zooals de H. Franciscus van Sales zegt, God beter dient door te lijden dan te werken. Een in jaren gevorderde woestijnbewoner, was dikwijls ziek en kwijnend. Na een jaar lang van zijne ziekte bevrijd te zijn geweest, begon bij te weenen en zeide: «o Heer! Gij hebt mij verlaten, en gedurende «het gansche jaar niet willen bezoeken» (1). Een andere eerbiedwaardige grijsaard sprak zijn zieken leerling vol-

(i) Migne Vita PP. 1. 7. c. 20.

-ocr page 556-

544

geuderwijze toe: «Mijn zoon bedroef u niet ter oorzake «van uw lichamelijk lijden. Immers het is eene verhe-«vene deugd, God te danken in zijne ziekte.» «Indien gij «ijzer zijt, dan verliest gij door het vuur, het roest; «zijt gij goud, dan gaat gij door het vuur in deugd «vooruit. Maak u niet ongerust, mijn zoon, want indien «God u pijnigt in uw lichaam, wie zijt gij dan, dat gij «Gods wil zoudt durven weerstreven en u ontevreden «toonen. Verdraag alzoo dat lijden, en bid God dat Hij «u overzende hetgeen Hem behaagt» (1). De abt Isaak, een woestijnbewoner, zeide tot den broeder die hem in zijne ziekte oppaste: Moge het den goeden God beha-«gen, dat ik 30 jaren lang ziek blijve, ik zou het van «ganscher harte verlangen» (2). Moge God ons cene ziekte, hoe pijnlijk en walgelijk dan ook, overzenden, dan is het niet verboden, ja vaak plicht, de natuurlijke geneesmiddelen te gebruiken, zooals God het wil, maar wel geboden onzen wil met dien des Hecren te vereenigen, op het voorbeeld van Galla, eene heilige weduwe, die zooals de H. Gregorius ons verhaalt, aan oen vreeselijken kanker leed. De H. Petrus verscheen haar, verzekerde dat hare zonden vergeven waren, en zij na drie dagen in den hemel zou zijn (3). Ook betrekkelijk den tijd en de wijze van sterven, moeten wij doen gelijk de H. Gertrudis, die wel verlangde de laatste H. H. Sacramenten te ontvangen , doch liever Gods H. Wil ook in dit punt wilde volbrengen.

In den last, den ouderdom eigen, in lichamelijke gebreken, zooals doofheid, blindheid, lamheid en slaperigheid , moeten wij ons beijveren om volmaakt in Gods

(l) Migne vita TP. 1. 7. c. 20. — (2) Veuillot. Vie des Pères. T. 1. p. 445. — (3) Breviarium 5 Oct.

-ocr page 557-

545

H. Wil te berusten, die ons dat alles overzendt tot ons welzijn. Eveneens als het seizoen niet gunstig, het weder niet naar onzen zin is, dan moesten wij met oprechtheid kunnen zeggen : het is juist een weder zooals ik verlang, omdat God het zoo wil. Toen de H. Franciscus van Borgia op zekeren avond de deur zijner woning gesloten vond, en hij den ganschen nacht in eene sterke sneeuwbui doorbracht, beschouwde hij de sneeuw als door God op hem geworpen , en boog kalm zijn hoofd. Zou iemand, die ons dierbaar is, door den dood aan onze zijde worden weggerukt, zeggen wij dan met den H. man Job : «de Heer heeft mij hem of «haar gegeven, de Heer heeft hem of haar weggeno-«meu, zijn naam zij gezegend.» Welken schat van verdiensten zouden wij vergaderen, welken hoogen trap van heiligheid bereiken, welke kalmte en rust genieten, indien wij steeds van ganscher harte streefden naar die gelijkvormigheid aan Gods H. Wil! De gelukzalige Stephanie van Soncino, kloosterzuster der orde van den H. Dominicus, zag in eene geestverrukking eenige personen die zij gekend had, onder de Serafijnen geplaatst , en op hare vraag waarom zij zoo hoog verheven waren, werd haar geantwoord, dat het was ter oorzake van de gelijkvormigheid en de volmaakte ver-eeniging van hunnen wil met dien van God tijdens hun verblijf op aarde (1). De volmaaktheid der liefde Gods, is alzoo gelegen in de gelijkvormigheid aan den wil van God. Laat ons dan steeds op aarde streven uit al onze krachten naar die volmaaktheid, om ze eenmaal te bezitten in den hemel.

(l) St. Jure. Amour et conn, de N. S. J. c. 1. 3. chap. 8. Lijden v. christus.

-ocr page 558-

546

GEBED.

O mijn Jezus! mijn welbeminde Verlosser! als ik mij mijn voorgaand leven herinner, clan ben ik beschaamd , zoo herhaalde malen uwen goddelijken wil weerstreefd , zoo dikwijls geklaagd to hebben over de beschikking uwer vaderlijke Voorzienigheid , die toch niets dan mijn welzijn beoogde. Haddc mij eene tijdelijke of lichamelijke ramp getroffen, dan zon mij dit minder leed veroorzaken , dan ik thans gevoel over de beleediging die ik U, znlken teederen Vader, hierdoor heb aangedaan. Straf mij zooals Gij goedvindt, doch beroof mij niet van uwe liefde, en doe vervolgens met mij alles wat U behaagt. Ik bemin U, mijn God , en omdat ik U bemin, wil ik voortaan alles doen wat Gij van mij verlangt. O wil van mijn God , Gij zijt mijne liefde. O bloed van Jezus, gij zijt mijne hoop, door u vertrouw ik steeds vereenigd te leven met den wil van God, deze zal steeds mijn gids, mijn verlangen, mijne liefde en mijne vrede zijn. In alles wat mij overkome, zal ik altijd zeggen: Mijn God, Gij hebt het zoo gewild , en ook ik wil het zoo; ik wil niets dan hetgeen Gij wilt, dat uw wil geschiede! Hiertoe echter behoef ik uwe genade. Door uwe verdiensten, mijn Jezus! bid ik U, om de genade, van aanhoudend tot U te kunnen zeggen : niet mijn, doch uw wil geschiede ! niet gelijk ik, maar gelijk Gij wilt, zóó geschiede het. O Maria, mijne Moeder ! wat zij't Gij gelukkig altijd en in alles den wil van God te hebben volbracht, ik bid u mij de genade te verkrijgen van voortaan niets te willen , dan dat Gods II. Wil in mij geschiede. Amen.

-ocr page 559-

547

HOOFDSTUK XIII.

Et inclinato capite, tradidit spiritum. Joan, xix 30.

En Hij boog het hoofd, en gaf den geest.

Nauwelijks had de Heer Jezus deze laatste woorden «Vader in uwe handen beveel ik mijnen geest» gesproken of Hij boog het hoofd, tot teeken, zegt de H. Alphonsus (I) dat Hij uit de hand zijns Vaders den dood aanvaardde met eene volmaakte onderwerping, waardoor zijne nederige gehoorzaamheid ten top gestegen was. De dood, zegt de H. Athanasius ('2) durfde Dengene die allen het leven geeft niet naderen om Hem het leven te benemen , eerst moest hij worden geroepen, en dat deed Jezus; door zijn hoofd te buigen gaf Hij den dood een teeken, dat hij naderen zou. Immers niet na, maar vóór zijn dood boog Hij zijn hoofd. De dood door een God geroepen, nadert liet leven, en de Bewerker des levens geeft zijn leven. De Engelen omzweven, van aandoening en ontroering als bevende het bloedig kruis, waaraan hun God gestorven is. De hemelsche Vader werpt zijne oogen op Golgotha, en erkent nog altoos in dat zoenoffer voor den mensc.h zijnen eenigen en welbeminden Zoon, terwijl Maria, de Moeder van Jezus, hare schreiende oogen steeds op haren dooden Zoon gevestigd houdt. Wat de gevoelens betreft, die op dit oogenblik den Vader, de Engelen en de Moeder van Jezus bezielen , dit laat zich niet begrijpen veel minder beschrijven. Hadden de menschen, Jezus hun Redder en Verlosser, tot in zijn doodstrijd toe, gehoond en gelasterd , thans treuren de levenlooze

(l) T. 5. p. 308. — (2) Interpr. par. qu. 41.

-ocr page 560-

548

wezens over de beleedigingen door de redelijke schepselen hun Schepper aangedaan.

De zon treurt en heeft reeds drie uren lang haar gelaat verborgen. Het Heiligdom treurt en vertoont zijne gescheurde kleederen, immers op eens scheurt het voorhangsel des tempels van boven tot beneden. De aarde treurt en beeft van aandoening tot in het diepste des afgronds; en deze treurt op zijne beurt en geeft zelfs dooden terug, ten bewijze dat hel en dood zijn overwonnen.

Dat Jezus de dood zou zijn des doods had de Profeet Oseiis reeds voorspeld met deze woorden : «Ik zal «hen uit de hand des doods bevrijden, den dood zal Ik «hen ontrukken ; o doo 1! Ik zal uw dood zijn; o hol ! «Ik zal uw ondergang wezen» (1). Door zijnen dood heeft Christus ons uit de handen des doods gered, dat is, zegt de 11. Alphonsus (2), van de hel, alwaar men een eeuwigen dood ondergaat, en sterft zonder ooit te kunnen sterven. De Apostel Paulus den dood van Christus overwegende, zegt: «De dood is verslonden tot over-«winning. Waar, is, o dood! uwe overwinning? Waar is «o dood ! uw prikkel?» (3) Door zijnen dood heeft Christus de zonde vernietigd, die de oorzaak is van onzen dood, en dengene te niet gedaan, die de heerschappij des doods had, dat is, den duivel, die de macht had alle kinderen Adams, bevlekt met de zonde, den tijdelijken en eeuwigen dood te berokkenen. Door zijnen dood heeft Christus ons het leven geschonken, het leven der heerlijkheid, zoodat de dood voor hen, die Hem beminnen, geen dood meer is, maar het begin van een eeuwig leven. O matelooze liefde!

(i) Os, 13. 14.— (2) T. 5. p. 309- —(3) I Cor. 15. 54. 55.

-ocr page 561-

549

Dat beven der aarde, dat verduisteren der zon, .dat splijten dei- rotsen, dat scheuren van het voorhangsel des tempels, maakte ongetwijfeld op velen, zoo niet op allen een diepen indruk. De hoofdman getuige van dit alles verheerlijkte God, zeggende: «Waarlijk, deze «mensch was rechtvaardig» (1). Hij «en die met hem «waren, Jezus bewakende, toen zij de aardbeving zagen «en wat er geschiedde , werden zeer bevreesd en zei-«den: Waarlijk, deze was Gods Zoon» (2). «En geheel «de schare van hen, die bij dit schouwspel samen «tegenwoordig waren en zagen wat er geschied was, «keerden weder huiswaarts, slaande op hunne borsten» (3) van berouw over hunne misdaden en vrees voor Gods wraak, daar zij hadden toegestemd in Jezus' dood. Verplaatsen ook wij ons in den geest op Golgotha's kruin, en vragen wij Hem die de rotsen doet splijten en de aarde beven, dat ook ons zondig hart moge scheuren van leedwezen, daar de zonden alleen de oorzaak zijn van Jezus' dood, en Hij een vernederd en vermorseld hart niet versmaden zal. En is ons hart eenmaal door het leedwezen van de zonden gereinigd, dan mogen wij Golgotha daarom niet verlaten. Steeds moeten onze oogen naar dien berg van liefde zijn gericht, om ons de liefde te leeren , die wij Dengene verschuldigd zijn, die daar op het kruis ligt uitgestrekt als op een brandstapel van liefde om er te sterven uit liefde tot ons (4). Al de bekenden van Jezus, zegt de H. Evangelist Lucas (5), ook vrouwen, die Hem uit Galilea gevolgd waren , stonden van verre dit schouwspel aan te zien. Zij konden hunne oogen niet afwenden van het eenige

(i) Luc. 23. 47. •— (2) Matth. 27. 54. — (3) Luc. ibid, v. 48. — (4) St. Franc, de Sales. Am. de D. 1. 7. chap. 8. —-('5) Luc. ibid. v. 49.

-ocr page 562-

550

voorwerp hunner liefde. Moge de ter liefde van ons gekruisigde Jezus dan ook steeds zijn in onze gedachten , diep gegrift in ons hart, opdat het immer moge kloppen van liefde, en één en hetzelfde vuur den Schepper en zijn nietig schepsel verteere.

De liefde tot den gckriiisigdru .lezus.

Laten wij eens de veronderstelling maken. Wij waren op het punt van na in de handen van roovers te zijn gevallen, een vreeselijk lijden te moeten verduren en dan den gruwzaamsten dood te sterven. Een onbekende ziet het dreigend gevaar waarin wij ons bevinden , hij snelt ons te hulp en rukt ons uit hunne handen, maar met het ofler van zijn leven, hij zelf sterft na eene ongehoorde mishandeling, den smaad- en pijnvolsten dood. Zouden wij ooit zulken liefdevollen redder kunnen vergeten? Zou hij ons niet steeds zweven voor den geest, en zijn aandenken niet met on-uitwischbare letteren diep gegrift zijn in ons hart? Indien men ons zijn portret zou toonen, ware het dan wel mogelijk onze tranen te weerhouden? Zou ons hart niet trillen van aandoening? Zouden wij die beeltenis niet besproeien met warme tranen van dankbaarheid, ze drukken aan ons hart, en al zuchtende uitroepen : O mijn redder! o mijn verlosser! Veronderstelt verder. Niet het portret, maar de redder zelf, door Gods almacht tot het leven teruggeroepen, stond voor onze oogen. Wie onzer zou zich niet haasten hem den har-telijksten dank te betdigen ! hem de verzekering te geven dat hij immer op onze warme dankbaarheid, innige verknochtheid en duurzame liefde rekenen kan ! Die roovers zijn de duivels in wier klauwen wij ons

-ocr page 563-

551

bevonden, die Verlosser is de Heer Jezus , ons niet onbekend, zijn portret is het kruisbeeld. Hoe is het dan mogelijk een blik te werpen op liet beeld van Dengene die ons verlost heeft zonder een gevoel van de innigste dankbaarheid! Moet ons hart niet kloppen van de tee-derste liefde, als wij het beeld aanschouwen van een ter liefde van ons gekruisten God die ons, toen wij zijne vijanden waren, gered heeft uit de macht van den duivel, die ons niet voor een tijd maar eeuwig folteren zou, en dat ten koste van zijn leven ? Is onze Verlosser gestorven om ons te doen leven. Hij is ook verrezen , Hij leeft en leeft in eeuwigheid. In eeuwigheid moet Hij dan ook, het eenige voorwerp zijn van onze liefde. Maar om Hem eeuwig te kunnen beminnen in den hemel, moeten wij Hem thans liefhebben op aarde.

Velen zijn zeer gevoelig, wanneer hun door een schepsel een gering bewijs van belangstelling en liefde gegeven wordt, en zij blijven koud en gevoelloos voor een God, die ofschoon almachtig hun geen grooter bewijs van liefde schenken kan. Immers, «niemand heeft «grooter liefde, dan deze is, dat iemand zijn leven «geeft voor zijne vrienden» (1). Dan het was niet voor zijne vrienden, maar voor zijne vijanden dat Jezus stierf, en toch wordt Hem door velen weinig wederliefde betoond. Wat mag hiervan wel de reden zijn ? Zij blijven te ver van Golgotha verwijderd. In de school leert men lezen, op Golgotha beminnen. Als een kind zich een geruimen tijd uit de school verwijderd houdt, dan maakt het niet alleen geene vorderingen in de wetenschappen, maar vergeet zelfs grootendeels het weinige dat het geleerd heeft. Dit is ook het geval met

(i) Joan. 15. 13.

-ocr page 564-

552

ons die kinderen Gods zijn bij aanneming. Kalvarië is die goddelijke school waar wij leeren beminnen. De weinige liefde, die wij toch vertrouwen te bezitten, hebben wij daar geleerd. Zouden wij nu verzuimen die school van wijsheid te bezoeken waar de liefde zelve is gezeteld, dan zal onze liefde niet vuriger , wel flauwer worden. Ziedaar de oorzaak, waarom het vuur der liefde niet in aller harten brandt. De vurige pijlen van liefde, welke de liefdevolle Zaligmaker voortdurend werpt van het kruis , kunnen hen niet treffen die op zulken afstand er van verwijderd blijven dat zij het uit het oog verliezen. Aan de voeten des kruises daar wordt het hart door den pijl van liefde getroffen, zoodat de van liefde kwijnende ziel met David uitroept; «Wat heb ik in den hemel, en wat verlang ik op aarde «buiten U! Mijn vleesch bezwijkt en mijn hart; de God «mijns harten, en mijn deel is God voor eeuwig... het «is mij goed Gode aan te kleven» (1). Evenals een afgejaagd en vermoeid hert door een pijl getroffen smacht naar eene frische waterbron, zoo dorst de ziel, aan den voet des kruises door de liefde gewond, naar Dengene die levend water te drinken geeft, en roept, onder het slaken van diepe zuchten uit: «Gelijk een hert naar «waterbronnen smacht, zoo smacht mijne ziel naar U, o «God ! Mijne ziel dorst naar den machtigen, den levensden God ; wanneer zal ik komen, en verschijnen voor Gods aangezicht» (2).

De dienaren der wereld hebben de Heiligen en de dienaren Gods steeds als dwaze en uitzinnige menschen beschouwd. Mogen wij het zoo overgelukkig genoegen smaken tot het getal Van deze laatsten te behooren,

(i) Ps. 72. 25—28. — (2; Ps. 41. 2, 3.

-ocr page 565-

553

dan zullen de eersten niet nalaten ook ons voor dwazen te houden. Doch ons antwoord is gereed : «indien gij «het geheim des kruises kendet!» Zijn wij dwaas dan hebben wij dit van de eeuwige Wijsheid zelve geleerd. Immers de H. Laurentius Justinianus, overwegende de matelooze liefde van een God, die uit lietde voor de menschen heeft willen sterven aan een kruis, zegt: «Wij hebben de Wijsheid zelve, door de overmaat zijner «liefde dwaas zien worden» (1). De H. Maria Magdalona van Pazzis zegt hetzelfde. In eene geestverrukking nam zij een houten kruisbeeld in de hand en zeide: «ja mijn Jezus! Gij zijt uitzinnig van liefde. Ik zeg «het, en ik zal het altijd zeggen. Gij zijt uitzinnig van «liefde mijn Jezus» (2). Zulke overmaat van liefde deed den H. Franciscus van Paula door wederliefde vervoerd, terwijl hij zijn oog op een Christusbeeld vestigde, uitroepen: O liefde! o liefde ! o liefde! Indien een God als uitzinnig wordt van liefde tot den mensch, zou het dan wel een wonder zijn als de mensch uitzinnig wordt van liefde tot zijn God ? Is het niet veeleer een wonder, maar een bedroevend wonder, dat er nog menschen gevonden worden die alles beminnen; een God ter liefde van hen gekruisigd, alléén uitgezonderd ? En van dat treurig wonder zijn wij helaas! zoo vaak getuigen. Willen wij voor godminnende zielen nimmer een verdrietig wonder wezen van ondankbaarheid, dan moeten wij trachten met den H. Abt Stephanus te kunnen zeergen: «dag noch nacht aanschouw ik niets anders dan

OO O

«den Heer Jezus Christus hangende aan het kruis.» O indien wij ons gewoon maakten Jezus aan het kruis te aanschouwen, en de liefde te overwegen, die Hij ons

(i) Serm. de Nat. D. — (2) Vgl. St. Alph. T. 6. p. 287.

-ocr page 566-

554

toedraagt, dan zou liet vuur der liefde weldra alle koorden verbranden, waarmele wij aan de schepselen of aan iets wat God niet is, gehecht zijn, en onze harten als door de vlammen verloeren. De H. Dona-ventura (1) zegt, dat de wonden van Jezus de ver-steendste harten treilen, en de koudste gemoederen ontvlammen. Uit die goddelijke wonden komen pijlen van liefde voort, die de verstoktste harten doorboren , uit het van liefde brandend Hart van Jezus vlammen, die de koudste harten van liefde ontsteken, en uit de zijde van Jezus ketenen, die de teugellooste harten boeien.

«De liefde van Christus dringt ons» zegt de Apostel Paulus (2), als wilde hij zeggen: aan de lietde die Christus aan het menschdom door zijnen verlossingsdood bewezen heeft, kan ik geen weerstand bieden, zij dwingt mij in zekeren zin tot wederliefde, om in alles, wat ik doe , Gods eer, en ingevolge van Gods wil, de zaligheid der menschen te beoogen. Werd hij , omdat hij Jezus lief had , en dientengevolge Jezus predikte , gegeeseld , dan kuste hij de roede die hem sloeg, en was hij opgetogen van vreugde, liefde met wederliefde te kunnen vergelden, en voor den naam van Jezus te mogen lijden. Gedrongen door diezelfde liefde hebben de martelaren de wreedste folteringen als voor niets geteld en hun vurigst verlangen was bloed met bloed te vergelden, door hun bloed voor Jezus te vergieten. Door het goddelijk liefdevuur ontvlamd hebben jeugdige personen met de schoonste hoedanigheden begaafd, en die de wereld met open armen zou ontvangen, der wereld den rug gekeerd om in de stille eenzaamheid in de schaduw des kruises te rusten , aan de voeten

(i) Stim. div. ara p i. c. i. — (2) II. Corinth. 5. 14.

-ocr page 567-

555

van hun gekruisten Jezus, den eeuigen Bruidegom huns harten. Door hetzelfde liefdevuur ontstoken, hebben door de fortuin niet karig begunstigde personen aan hunne aardsche schatten verzaakt, om in de armoede van Jezus te deelen. Andere hooggeplaatste personen, zelfs van koninklijken bloede, hebben, door de liefde van Christus gedrongen, hun leven in vergetelheid, met het verrichten der vernederendste werkzaamheden willen slijten. En waartoe heeft de liefde van Christus , tot dusverre ons gedrongen ? De gelukzalige Henricus Suzo sneed mei een scherp ijzer den naam van Jezus op zijn hart. Gansch bebloed wierp hij zich voor een kruisbeeld neder en sprak: O mijn Jezus ! hoe gaarne zou ik uw naam diep willen griffen in mijn hart, maar hiertoe ben ik niet in staat. Do tl. Joanna van Chantal brandde dien goddelijken naam met een gloeiend ijzer op haar hart, tot teeken dat het haren goddelijken Bruidegom alleen behoorde. Zoo iets geschiedde op eene bijzondere ingeving des hemels, en van ons wordt zulks niet gevergd , maar wel dat wij door Christus liefde gedrongen, eene ongeregelde liefde tot de gemakkelijkheid des levens uit ons hart verbannen, dat hart niet hechten aan onbeduidende voorwerpen , en de vernederende werkzaamheden door de gehoorzaamheid opgelegd, of aan de ons opgedragene bediening eigen , ons laten welgevallen.

Zou de liefde van Christus ons nog niet tot dezen graad van liefde gebracht hebben, dan moeten wij nogmaals Golgotha bestijgen , en met meer oplettendheid den daar ter liefde van ons gekruisigden Jezus beschouwen. De godsvrucht tot den gekruisten Zaligmaker, zegt de H. Alphonsus (1), is van alle geeste-(i) T. 6. p. 291.

-ocr page 568-

55(3

lijke oefeningen de voordeeligste, de teederste en de Gode aangenaamste. Deze is het die de zondaars het meest troost, en de reeds minnende zielen het vurigst van liefde ontvlamt. De lijdende en aan het kruis van liefde stervende Jezus was voor de Heiligen immer het geliefkoosde onderwerp hunner overwegingen. Hierdoor werd de H. Franciscus van Assisiö een Serafijn. Eens vond men hem in tranen weggesmolten, terwijl hij diepe zuchten slaakte. Ondervraagd naar de reden hiervan , gaf hij tot antwoord : «Ik ween over de smarten «en de beleedigingen van mijn goddelijken Meester, en «wat mij het meest bedroeft, is, dat de menschen, voor «wie Hij zoo veel geleden heeft, er niet aan denken.» Dit zeggende barstte hij opnieuw in tranen los, zoodat hij, die hem ondervraagd had, evenzeer begon te vvee-nen. Ziek zijnde raadde men hem aan , zich een godvruchtig boek te doen voorlezen. Mijn boek, antwoordde hij , is de gekruisigde Jezus. Op het voorbeeld van den H. Paulus, die meende onder de ingezetenen van Ko-rintlie geene andere kennis aan den dag te moeten leggen dan Jezus Christus, en dien gekruisigd voor de verlossing en zaligheid der menschen, was ook de H. Franciscus van oordeel, niets beter te kunnen doen dan zijne broeders aan te sporen, het lijden en den dood van Jezus aanhoudend te overwegen. Zijn geestelijke zoon bij uitstek, de H. Bonaventura, die den gekruisigden Verlosser steeds voor oogen had en een Christusbeeld schier aanhoudend aan zijne lippen drukte, dat hij met warme tranen van liefde besproeide, zegt dan ook, dat geene godsvrucht meer ge-schik t is om ecne ziel te heiligen dan de overweging van 's Hoeren lijden, dat hij aanraadt eiken dag te overdenken, indien wij vorderingen willen maken in de liefde totGod(l). (i) Vgl. St. Alph. T. 6. p. 292.

-ocr page 569-

557

Om nu te weten of en hoever wij in de liefde tot den gekruisigden Jezus gevorderd zijn, moeten wij zien in welken graad onze liefde die eigenschappen bezit, waarvan de meesters van het geestelijk leven gewagen. Deze zullen ons tevens doen zien wat er nog aan onze liefde ontbreekt, en wat er nog bij moet komen opdat zij vuriger worde. Eene godminnende ziel is vreesachtig. Zij vreest, niet de menschen, niet het oordeel der men-schen , niet het gemis van tijdelijke goederen , niet het verlies van gezondheid, eer of aanzien , maar alleen Gode te mishagen. Zij is edelmoedig. Vol vertrouwen op Gods bijstand, durft zij alles voor Godes eer te ondernemen, ondanks haren natuurlijken weerzin , en ten trots van alle schier onoverwinnelijke hinderpalen. De liefde schenkt haar vleugelen waarmede zij over alle moeielijkheden als zoo vele bergen henenvliegt. Zij is sterk. Den bedorvendsten neigingen biedt zij weerstand» de hevigste bekoringen bestrijdt ze met moed ; de geweldigste aanvallen slaat zij af met eene meer dan gewone onverschrokkenheid ; en uit de diepste moedeloosheid richt zij zich op. Zij is gehoorzaam. Op de stem van den Beminde haars harten luidt het: Heer, hier ben ik , wat wilt Gij dat ik doen zal, en daar zij de stem van God erkent in die van hare oversten, aanvaardt zij gewillig, ja met liefde de haar opgelegde taak zonder acht te slaan op de stem van den ouden mensch. Zij is zuiver. God alléén bemint zij en heeft zij haren naaste lief, hare liefde heeft God als oorsprong, en stelt zich God ten doel. Met den H. Fran-ciscus van Sales, zegt zij : «ware er een vezeltje in «mijn hart niet voor God, aanstonds zou ik het. er uit-«rukken.» Zij is vurig. Alle harten te ontvlammen van hetzelfde liefdevuur dat haar als verteert, is steeds

-ocr page 570-

558

haar rusteloos streven. Kan men een vuur niet verbergen , evenmin zij den gloed van hare vurige liefde , aan allen wil ze die mededeelen. Zij is gevoelloos voor alle aardsche dingen, hare zintuigen schijnen te slapen, maar zij is des te oplettender om aan haren Jezus te behagen , en overtuigd dat de volmaaktheid der liefde bestaat in eene nauwe vereeniging van onzen wil met dien van God, is niets te willen dan hetgeen God wilr steeds haar eenig en rusteloos streven. Eindelijk doet zij , de door haren pijl getroffen ziel, gestadig zuchten naar de komst van haren goddelijken Bruidegom , om zich volmaaktelijk met Hem te vereenigen in het rijk der gelukzaligen. Hoe vuriger hare liefde wordt, des te diepere zuchten slaakt zij in' haar ballingschap , en kwijnende van liefde roept zij uit: «Wee mij, dat mijn «vreemdelingschap zoo lang duurt» (1). «Voer mij uit «don kerker, om uwen naam te loven, de vromen wach-«ten af, dat Gij mij zult vergelden» (2).

Gelukkig, driewerf gelukkig de ziel die op Kalvarië dien berg der minnaars , hare woonstede vestigt. Eén dag daar door te brengen , is haar verkieselijker dan duizend in de tenten der goddeloozen te wonen. Met de H. Maria Magdalena houdt zij de voeten van haren Welbeminde omkneld. Haar hart, door den pijl van liefde getroffen, stort zich uit als water, zoodat de oude mensch wordt uitgeworpen , en Jezus, die het alsdan vervult met zijne liefde, wordt als een goddelijk zegel op dat hart geplaatst. Voortaan is Hij alléén de Heer en Meester van dat hart, waaruit alle vreemde liefde verbannen is. Op Golgotha's kruin leert men beminnen en haten; haten den ouden, beminnen den tweeden

(i) Ps. 119. s. — (2) Ps. 141, 8.

-ocr page 571-

559

Adam. Men Jecrt er leven en sterven, sterven aan alles wat God niet is, leven voor een' ter liefde van ons gekruisigden God. Daar leert eene ziel op niets te roemen, dan op liet kruis van onzen Heer Jezus Christus, door Wien de wereld haar gekruisigd is, en zij dei-wereld. Daar kwijnt zij van liefde , en sterft zij niet van liefde , zooals eene H. Theresia, minstens toch in de liefde , om dan eeuwig te beminnen in den hemel, alwaar geen geloof meer is, omdat men ziet, geene hoop meer is , omdat men bezit, maar de liefde is en blijft in eeuwigheid.

GEBED.

O mijn beminnelijk en minnend Hart van Jezus! ongelukkig het hart dat U niet bemint. Uit liefde tot de menschen, zijt Gij, mijn dierbare Verlosser, na een mateloos lijden , gestorven aan het kruis, hoe kunnen er dan nog menschen gevonden worden, die U niet beminnen ! O liefde van een God! O ondankbaarheid der menschen! Zijn er velen wier hart niet klopt van liefde tot U, het is , omdat er velen niet denken aan U. Zij brengen zich alles voor den geest, behalve uw bitter lijden dat Gij ter hunner liefde verduurd, en den pijnen smaadvollen dood , dien Gij met zoo veel liefde ondergaan hebt. O mij ongelukkige, die zoo vele jaren heb laten voorbijgaan zonder bijna te denken aan U, mijn Jezus! daarom heb ik U ook zoo weinig bemind. Thans bemin ik U, doch ik bemin-U niet genoeg, Gij noch ik zijn tevreden met mijne liefde, geef mij meer liefde. O smarten van Jezus! o smaad van Jezus ! o wonden van Jezus! o dood van Jezus! o liefde van Jezus! blijft steeds in mijn hart, maakt dat uw aan-

-ocr page 572-

560

denken daar immer leve , dat het gestadig door liefde-pijlen gewond, van liefde ontvlamme. Ik bemin U, mijn Jezus! ik bemin U, mijne liefde, mijn AI, en ik wil U altijd beminnen. Ik wil U geheel en al toebehooren, ik vraag U deze genade door de verdiensten van uwen dood. Voor U wil ik leven, voor U wil ik sterven. H. Maagd Maria, Moeder van Jezus, en r.iijne Moeder, ik vraag U slechts eene gunst. Maak dat ik Jezus altijd liefhebbe, en Hem moge toebehooren in tijd en in eeuwigheid. Deze genade verwacht ik van [', en dan ben ik rijk genoeg. Bid voor mij, opdat ik altijd kunne zeggen in daad en in waarheid, mijn Jezus ! ik bemin U, het moge herhalen in mijn sterfuur, mijn Jezus! ik bemin U. en het eeuwig kunne zeggen in den hemel, mijn Jezus, ik bemin U. Amen.

-ocr page 573-

INHOUD.

Bladz,

Opdracht .......... v

Voorbericht . . . . . . . . . vu Inleiding .......... I

IDteeX®

Vhvlfiins iii «lesi hot van 01ijiTckii.

HOOFDSTUK I.

Egressus est cum discipulis suis trans tonentem Cedron, ubi erat Iv.rtus, in quern intioivit ipse et discipuli ejus. Joan, xvili. i.

Hij ging uit met zijne leerlingen over de beek Cedron, al

waar een hof was, dien II ij inging, li ij en zijne leerlingen 7 De edelmoedigheid . . . . . . . .10

HOOFDSTUK IT.

Et ipse avulsus est ab eis , quantum est jaclus lapidis. Luc xxii 41.

En Hij scheidde zich van hen af een steenworp ver . .18 De afzondering . . . . . . . . .20

HOOFDSTUK III.

Et positis genibus orabat. Luc xx 11 41.

En neergeknield zijnde , bad hij ..... 26

Jlet Gebed.........28

HOOFDSTUK IV.

Tristis est ani.na mea usque ad mortem. Marc. xiv. 34.

Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe . . . -35 De droefheid des harten . . . . . . »39 Lijden v. christus. ^ 36

-ocr page 574-

56-2

HOOFDSTUK V.

Pater mi, si possibile est, transeat a me calix iste. Verum-tamen non sicut ego volo, seel sicut tu. Matth. XXVI. 39.

Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk Mij voorbijgaan , nochtans niet gelijk ik wil, maar gelijk gij 46

De onderwerping aan Gods //. wil . . . . . 49

HOOFDSTUK VI.

Vigilate et orate, ne intretis in tentationem. Spiritus qui-dem promptus est, caro autem infirma. Matth. xxvi. 41.

Waakt en bidt, dat gij niet in bekoring komt. De geest is wel gewillig, doch het vleesch is zwak ....

De waakzaamheid ........

HOOFDSTUK VII.

Surgite, eamus: ecce appropinquavit, qui me tradet. Matth.

xxvi. 46.

Staat op, laat ons gaan! zie, die Mij verraden zal, is nabij 67

De vernederingen niet yreezen ...... 69

HOOFDSTUK VIII

Ave Rabbi: Et osculatus est eum. Matth. XXVI. 49.

Wees gegroet. Rabbi! en hij kuste Hem . . . .78

Zijne hartstochten van den beginne af bestrijden . .81

HOOFDSTUK IX.

Quem queeritis? Joan. xvin. 4.

Wien zoekt gij?

De zuivere meening ....

HOOFDSTUK X.

Ut ergo dixit eis; Ego sum, abierunt retrorsum , et cecide-runt in terrain. Joan. xvm. 6.

Als Hij dan tot hen zeide ; Ik ben het, weken zij achterwaarts, en vielen ter aarde ...... 99

Den tijd der genade benutten , . . . . .102

HOOFDSTUK XI.

Simon ergo Petrus habens gladium eduxit eum : et percus-sit Pontificis servum; et abscidit auriculam ejus dexteram. Joan. xvm. 10.

Simon Petrus dan, daar hij een zwaard had, trok het uit.

S7 59

. 89 . 92

-ocr page 575-

563

en sloeg den dienstknecht des Hoogepriesters, en hieuw . hem het rechter oor af . . . . . . .110 lyver voor Gods glorie . . . . . . .112

HOOFDSTUK XII.

Et cum tetigisset auriculam ejus, sanavit eum. Luc. XXII. 51. En Hij raakte het oor van dien mensch aan en genas hem. 120 Kwaad mei goed vergelden . . . • . .123

HOOFDSTUK XIII.

Calicem quem dedit mihi Pater, non bibam ilium. Joan. XVIII. 11.

De kelk dien de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik dien

niet drinken? . . . . . . . -IS1 Gehoorzaamheid . . . . . . . • gt;33

HOOFDSTUK XIV.

Sed htec est hora vestra, et potestas tenebrarum. Luc. xxn 53.

Maar dit is uw uur, en dit de macht der duisternis . .142 Standvastigheid in de beproeving . . . . -MS

HOOFDSTUK XV.

Tunc discipuli omnes, relicto eo, fugerunt. Matth. XXVI 56. Alsdan namen al de leerlingen , Hein verlatende, de vlucht 154 Zich selven mistrouwen . . . . . . ■ '57

HOOFDSTUK XVI.

Cohors ergo, et tribun us , et ministri judïeorum comprehen-

derunt Jesum, et ligaverunt eum. Joan. xviu. 12.

De bende dan, en de hoofdman , en de dienaren der joden

namen Jezus gevangen, en bonden Hem . . .166 Onthechting , . . . . . . . .168

Doel,

Christus voor de Rccliters.

HOOFDSTUK I.

Et adduxerunt Jesum ad summum sacerdotem: et convene-runt omnes sacerdotes, et scriba:, et seniores. Mare. xiv. 53.

En zij leidden Jezus weg naar den Hoogepriester, en daar kwamen bijeen al de Priesters, en de Schriftgeleerden ,

en de Ouderlingen . . . . . . 179

ly-jer voor onzen geestelijken vooruitgang . . . .182

-ocr page 576-

5G4

HOOFDSTUK II.

Unus assistens ministrorum dedit alapam Jesu. Joan. xvnr. 22.

Een der dienaren die daarbij stond, gaf Jezus een kaakslag 190

De zachtmoedigheid . . . . . . .194

HOOFDSTUK III.

Petrus autem sequebatur eum a longe. Matth. xxvi. 58.

En Petrus volgde Hem van verre ..... 203

De vrees voor de lauwheid ...... 20G

HOOFDSTUK IV.

Summi vero sacerdotes et omne consilium qucerebant adversus Jesum testimonium, ut eum morti traderent. Mare. xiv. 55.

De Opperpriesters nu en geheel de Raad zochten een getuigenis tegen Jezus, om Hem ter dood te brengen . .215

De af he er van de schijnheiligheid . . . . .218

HOOFDSTUK V.

Ego sum. Marc. xiv. 62.

Ik ben het ......... 227

De liefde voor de waarheid . . . . . .229

HOOFDSTUK VI.

Et cceperunt quidam conspuere eum, et velare faciem ejus, et colaphis eum oeclere, et dicere ei: prophetiza: et mi-nistri alapis eum ccedebant. Mare. xiv, 65.

En eenigen begonnen Hem te bespuwen, en zijn aangezicht te bedekken en Hem met vuisten te slaan , en tot Hem te zeggen: Profete r! en de dienaren gaven Hem kaakslagen ..........238

Aangedaan ongelijk met geduld verdragen . . . .241

HOOFDSTUK VII.

Et conversus Dominus respexit Petrum Luc. xxn. 61.

En de Heer, zich omkeerende, zag Petrus aan . . . 249

Het vertrouwen . . . . . . . . .252

HOOFDSTUK VHI.

Et ipsi non introïerunt in pr.cetorium, ut non contamina-rentur, sed ut manducarent Pascha. Joan. xvni. 28.

En zij zeiven gingen niet binnen in het rechthuis, om niet ontreinigd te worden, maar het Pascha te kunnen eten . 262

De angstvalligheid bestrijden ...... 265

-ocr page 577-

565

HOOFDSTUK IX.

Quid est Veritas? Joan. xvm. 38.

Wat is waarheid ? . . . . . . . .275

Met liefde de waarheid aanhoor en . . . . .278

HOOFDSTUK X.

Nihil invenio culpce in hoe homine. Lue. xxin. 4.

Ik vind geene schuld in dezen mensch . . . .286 De goede inspraken volgen . . . . . .289

HOOFDSTUK XI.

Sperabat signum aliquod videre ah eo fieri. Luc. xxiii. 8. Hij hoopte eenig wonderteeken door Hem te zien gebeuren 298 Niet verlangen naar buitengewone gaven . . . .300

HOOFDSTUK XII.

Tolle hunc, et dimitte nobis Barrabbam. Luc. xxin. iS.

Maak Dezen van kant, en laat ons Barrabbas. los . . 308 God beminnen met eene boven alles hoogschattende liefde . 311 HOOFDSTUK XIII.

Sciebat enim quod per invidiam tradissent eum summi sacerdotes. Marc. xv. 10.

Want Hij wist dat de Opperpriesters Hem uit nijd hadden overgeleverd . . . . . . . . .320

De afgunst onmiddellijk bestrijden . . . . .323 HOOFDSTUK XIV.

Tune ergo aporehendit Pilatus Jesum, et flagellavit. Joan. xix. ï.

Toen dan nam Pilatus Jezus , en geeselde Hen . .332

De zuiverheid . . . . . . . . -335 HOOFDSTUK XV.

Et milites plectentes coronam de spinis , imposuerunt capiti ejus. Joan. xix. 2.

En de krijgsknechten vlochten eene kroon van doornen, en

zetten die op zijn hoofd ...... 345

Waken op zijne gedachten . . . . . . .348

HOOFDSTUK XVI.

Ecce homo. Joan. xix. 5.

Ziedaar de mensch . . . . . . . .. 359 De dankbaarheid . . . . . . . -359

-ocr page 578-

566

HOOFDSTUK XVII.

Cum ego vidissent eum Pontifices et ministri, clamabant

dicentes: Crucifige, crucifige eum. Joan. xix. 6.

Toen dan de Opperpriesters en de dienaren Hem zagen,

schreeuwden zij: Kruisig, kruisig Hem .... 369 Goed voorbeeld . , . . . . . . • 37'

HOOFDSTUK XVIH.

Non habemus Regem, nisi Caesarem! Tune ergo tradidit eis

illum ut crucifigeretur. Joan. xix. 15. 16.

Wij hebben geenen koning dan den keizer! Dan gaf hij

Hem hun om gekruisigd te worden .... 380 Zich niet storen aan ij dele tnenschenvrees . . . .382

Christus iiaar cu op Golgotha.

HOOFDSTUK I.

Et bajulans sibi crucem, exivit in eum, qui dicitnr Calvariae

locum, hebraice autem Golgotha. Joan. XIX. 17.

En Hij , zijn kruis dragende, ging uit naar de plaats, die genoemd wordt schedelplaats i CalvariS) in het hebreeuwsch Golgotha ......... 393

Zijn kruis met liefde dragen ...... 396

HOOFDSTUK II.

Exeuntes autem invenerunt hominem Cyrenseum, nomine Simonem; hunc angariaverunt ut tolleret crucem ejus. Matth. xxvii. 32.

Toen zij nu uitgingen, vonden zij een mensch van Cyrene, met

name Simon, dezen dwongen zij om zijn kruis te dragen 405 De behuljtzaamheid ........ 409

HOOFDSTUK III.

Sequebatur autem illum multa turba populi, et mulierum,

quae plangebant, et lamentabantur eum. Luc. xxill. 27. En Hem volgde eene groote schare van het volk, ook van

vrouwen, die Hem beklaagden en beweenden . .418 De boetvaardigheid . . . .. . . . .421

HOOFDSTUK IV.

Et dederunt ei vinum bibere cum felle mistum. Et cum gustasset, noluit bibere. Matth. xxvn, 34.

-ocr page 579-

567

En zij gaven Hem wijn te drinken met gal gemengd, en _

geproefd hebbende wilde hij dien niet drinken . . 430 De versterving van den smaak . . . . . • 432

HOOFDSTUK V.

Et postquam venerunt in locum, qui vocatur Calvarise, ibi

crucifixerunt eum. Luc. xxm. 33.

En toen zij gekomen waren aan de plaats, de schedelplaats

genoemd, kruisigden zij Hem aldaar .... 441

Zelfverloochening ........ 444

HOOFDSTUK VI.

Pater, dimitte illis: non enim sciunt quid faciunt. Luc. XXIII. 34.

Vader! vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen . 454

De vergevingsgezindheid . . . . . . -457

HOOFDSTUK VII.

Hodie mecum eris in paradiso. Luc. XXIII. 43.

Heden zult gij met Mij zijn in het paradijs . . . 467 Zijne zaligheid bewerken tusschen hoop en vrees . . 470

HOOFDSTUK VIH.

Muiier, ecce filius tuus. Deinde dicit discipulo: Ecce Mater

tua. Joan, XIX. 26, 27.

Vrouwe, ziedaar uw Zoon! Daarop zeide hij tot den leerling: Ziedaar uwe Moeder ..... 480

De godsvrucht tot Maria ....... 4^3

HOOFDSTUK IX.

Eli, Eli, lamma sabacthani! hoc est: Deus meus. Deus

meus ut quid dereliquisti me? Matth. XXVII. 46.

Eli, Eli, lamma sabacthani! dat is : mijn God , mijn God!

waarom hebt Gij Mij verlaten? ..... 493 Den geestelijken troost weten te ontberen .... 496 HOOFDSTUK X.

Sitio. Joan. xix. 28.

Ik heb dorst S07

De zielenijver . . . . . . . . . S09

HOOFDSTUK XI.

Consummatum est. Joan. xix. 30.

Het is volbracht . . . . . . . • S21 De volharding . . . . . . . ■ • S23

-ocr page 580-

508

HOOFDSTUK XII.

Et damans voce magna Jesus ait: Pater, in manus tuas

commendo spiritum meum. Luc. xxm. 46.

En Jezus, met luider stemme roepende, zeic-e: Vader, in

uwe handen beveel Ik mijnen geest . • . . 533 De gelijkvormigheid aan Gods IJ, Wil . . . . 536

HOOFDSTUK XIII.

Et inclinato capite, tradidit spiritum. Joan, xix, 30.

En Hij boog het hoofd , en gaf den geest . . »547 De liefde tot den gekruisigden Jeztis . , . .55°

-ocr page 581-
-ocr page 582-