ocr page 1
ocr page 2

Nederl.

duod.

295

ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

VERSPREIDE NOVELLEN

DOOR

JUSTUS VAN MAURIK

328 4878

AMSTERDAM

VAN HOLKEMA amp; WARENDORF

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

ocr page 6
ocr page 7

inhoud.

br. adz .

„kromme krisjequot;....................................i

eene heel lieve verrassing \.......32

v-v-' J'''i

„ALS 'T grafquot; . ...... • 51

*. *\K •• • 'f

„oude zeeluiquot;.....; v ...............63

een verkoudheid (een kerstsprookje)..............73

„grog americainquot;................................86

een journalistenstreek.............i iq

hans......................i32

mijn lezing te boschwijk . ...........139

bij 't opruimen..................165

„de ooievaar komtquot;..............169

ocr page 8
ocr page 9

„KROMME KRISJE.quot;

I.

Zóó heette zij. Soms sprak men kortweg van haar als van „de krommequot;, maar nog nooit had zij haar doopnaam hooren noemen, zonder een toespeling op haar gebrekkelijkheid.

Dat zij heel mooie, staalgrijze oogen, een rijkdom van goudblond haar, een goed besneden mond en over 't geheel genomen, geen onregelmatig gezichtje had, merkte niemand op. — „Kromme Kris van vrouw Blokquot;, onder dien naam kende de gansche buurt haar. — „Kromme Krisquot;, zóó heette zij bij vader en bij zus Mietje; zelfs „moederquot; noemde haar zóó.

Arm kind! Ze had geen flauw begrip van wat een moeder kan, wat een moeder behoort te zijn.

Voor haar vertegenwoordigde die naam een grove, been-derige vrouw, met erg groote en harde handen; voor haar was die teedere naam alleen een bron van angst en vrees, een klank, die haar werktuiglijk den gebogen arm voor het bleeke, angstige gezichtje deed opheffen om zich te verweren tegen de slagen, die zij dagelijks ontving, — omdat zij nooit iets goeds kon doen in „moedersquot; oogen.

Vader sloeg ook, maar alleen dan, als hij dronken was — moeder altijd, maar toch was zij, — de buren zeiden het — een knappe vrouw, die nooit een droppel proefde en eerbied had voor d'r godsdienst.quot;

Daarom had zij het kind dan ook niet op de stadsschool

i

ocr page 10

„KROMME KRISJE.quot;

willen hebben. „Ze leere d'r niet genoeg van God en z'n gebod en dat kan een Christemensch niet verantwoorde, want als je d'r jong geen godsdienstigheid inbrengt, is 't later maar 'n oordeel voor de ouwers,quot; zei vrouw Blok. Derhalve was Kromme Kris, door bemiddeling van eenige dames, die in haar buurt huisbezoek deden, op „'n pattekliere schoolquot; gekomen, waar „Gos Woordquot; onderwezen werd, en vanwaar de kinderen met Kerstmis ten minste „nog iesquot; t'huis brachten; „al was 't dan ook niet veul voor zulke dames, 't was alevel beter dan niks.quot;

Aanvankelijk had zij op school geen reden tot klachten gegeven, leerde vlugger dan de meeste kinderen en kon spoedig lezen, schrijven en vrij goed rekenen, voor haar leeftijd.

Met de teksten en Bijbelsche vragen echter, die zij leeren moest, lag zij altijd overhoop ; maar toen, zooals vrouw Blok zei: „d'r zondige natuur heelemaal bovenkwamquot;, had zij zich de geestelijke en lichamelijke zegeningen der „pattekliere schoolquot; eensklaps voorgoed onwaardig gemaakt, en wel door een „schandalige pertaligheidquot; tegenover den bovenmeester.

't Was zóó gekomen :

Toen Krisjes vader was gestorven, hij viel dood van een steiger, omdat hij 's morgens vroeg „al topzwaar was geweest van de borrelsquot;, zooals de maats zeiden, had een van de schoolkameraadjes aan 't kind gevraagd, waarom zij niet bedroefd was, en waarom ze niet huilde, zooals haar moeder, die door haar weegeklag de geheele buurt in opschudding bracht, en Krisje had geantwoord: „Waarom mot ik nou huile? 't Kan me niks schelen hoor! dat ie dood is; 't spijt me alleenig maar, dat ie moeder nou niet meer afrosse kan.quot;

„De kinderenquot; verklikten natuurlijk de vreeselijke woorden, die van zulk een bitteren haat en wrok getuigden, terstond aan den meester en wachtten daarna met huiverend genot de dingen af, die komen moesten.

„Heb jij dat gezegd. Krisje Blok?quot; vroeg de meester, met een onheilspellend gelaat er bijvoegend: „de waarheid, Be-lialskind!quot; en toen het Belialskind de volle waarheid zei en: „Ja, meesterquot; antwoordde, werd zij onmiddellijk te pronk gezet vóór het bord, en terwijl sommige kleine huichelaars met „de handjes aan den randquot; elkander onder de bank heimelijk schopten, hief de rechtzinnige opvoeder zijn magere, witte

2

ocr page 11

„KROMME KRISJE.quot;

handen en fletse oogen omhoog en hield een héél lange rede over „het godvergeten kind, wier lamp uitgebluscht zou worden in de duisternis, wijl ze haar vader en moeder gevloekt had.quot;

Het godvergeten kind luisterde toe met een smadelijken lach om den mond en uitdagende oogen, niets begrijpend van dat vroom gewauwel.

Zij had volstrekt niet gevloekt, ,/t was nietesquot; en „wat vertelde ie van een lamp; wat meende die suffe vent toch? Zij had nog nooit 'n lamp gehad.quot; Zij zag hem met stijgende verwondering aan, en toen de onderwijzer zich ten slotte meer en meer opwond en in een soort van extase de oogen zóó vreemd en grappig verdraaide, dat Krisje zich niet kon voorstellen, dat die ooit weer in orde zouden komen, barstte zij eensklaps in een helderen, onbedwingbaren schaterlach uit.

Dat was te veel; met oogen, die plotseling hun gewonen stand aannamen, schoot de boetprediker, ziedend van heiligen toorn, op haar toe en haar bij den schouder vattend, riep hij uit: „Ga weg! uit mijn oogen, verstokte zondares, opdat ik in toornigheid mijn handen niet aan je moge bezoedelen.—Laat je moeder bij mij komen, dan zal ze weten welk een verdorven kind ze heeftquot; — en tot een kweekeling: „Jansen, laat dat schepsel de deur uit, en dat ze nooit dezen drempel weer betrede! quot;

Het kleine meisje was geslepen genoeg, om niets van het gebeurde aan moeder te vertellen, maar ging 's ochtends als naar gewoonte de deur uit en zwierf eenige dagen lang, in plaats van naar school te gaan, langs grachten en straten, totdat „Krisje's pertaligheidquot; door eenige buurtkinderen welwillend aan vrouw Blok werd oververteld.

Aan de school vernam zij het gruwelijke feit nog eens, met alle geuren en kleuren van den meester, die ten slotte op zalvenden toon zei:

„Vrouw, ik heb mijn Christenplicht aan dat verdorven schepsel vervuld — ik beklaag je, dat je haar moeder bent — mijn taak is ten einde; ik kan zoo'n kind onmogelijk op school houden, want één doode vlieg maakt de zalf des apothekers stinkende. Op u rust thans de dure plicht, om 't verdoolde lam terecht te brengen; ik raad u ernstig aan, het meisje flink onderhanden te nemen.quot;

O

ocr page 12

„KROMME KRISJE.quot;

„Flink onderhanden nemen!quot; Vrouw Blok vatte dat op haar eigenaardige manier op, door Krisje, die onbewust van hetgeen haar wachtte 's middags thuis kwam, onverhoeds aan te grijpen en door elkaar te schudden.

Een regen van slagen en stompen viel neer op 't tengere lichaam der kleine, die als verklaring van dien plotselingen aanval de lieflijke woorden in haar ooren hoorde gonzen:

„Wacht, leelijke stukkiesdraaister, dat zal ik je betaald zette — kromme slenterkat! — daar! daar 1 — dat 's voor je bedriege, valsch dier! — mot jij zóó over je dooie vader spreke — daar! — daarl — daar!quot;

Eerst toen haar armen moe en haar stem schor werden, hield vrouw Blok met „het onderhanden nemenquot; op, en joeg

Krisje met een laatsten schop de straat op.

* *

*

Achter een handkar, die in een gang tusschen twee naburige pakhuizen stond, kroop ze weg, en wreef zich, kreunend van pijn, de magere armen en schouders. Zij had geen traan gelaten, terwijl haar moeder haar mishandelde;'t eenige, wat zij gedaan had was, dat zij, toen die laatste schop haar op straat joeg, had geroepen; „En 't heit me toch niks geen zeer gedaan!quot; maar nu ze alleen was, stroomden de tranen haar over de wangen; zij balde de kleine vuisten, strekte ze uit in de richting van moeders kelder, en fluisterde heesch tusschen de tanden door; „O dier! valsch dier, ik wou dat jij ook dood was.quot;

Zóó was Kromme Krisje van school gegaan.

» *

*

„Vollik! quot; roept een burgerman, terwijl hij in de kelderwoning, waar de weduwe Blok, „'n negotie van brandstoffen, enz. doetquot; een blikken kan op de ruw houten toonbank neerzet.

„Een kan peterléum!quot; zegt hij tot het kleine, scheefgegroeide meisje, dat min of meer hinkend uit den donkeren achterkelder komt. •

„Maar één kan, baas Krijnse?quot; vraagt Krisje.

„Zoo hinkeldepinkie, ben jij daar? — Ja vandaag heb 'k

4

ocr page 13

„KROMME KRISJE.quot;

niet meer noodig; hè! hè! wat is 't koud!quot; en terwijl hij dit zegt, wrijft de man zijn rimpelige paarsige handen, en warmt ze dan, kruiselings over elkaar geslagen, onder zijn armen, terwijl hij van den eenen voet op den anderen trappelt.

„Heel koud, baas!quot; antwoord het kind, dat inmiddels de blikken kan uit de groote bus, die op het einde der toonbank staat, vult, en even opziende vraagt: „Nog ies anders, baas ?quot;

„Voor vijf cente vuurmakers, een paar doossies lucifers en 'n bos hout. Nou kind, je valt me mee, dat je al zóó helpe kan; je wordt 'n heele meid, hoor!quot;

Een vroolijk blosje vervangt voor een oogenblik de ziekelijke tint van het kindergelaat, en er schiet een korte flikkering van genoegen door de treurige grijze oogen, terwijl ze den kooper de vuurmakers voortelt: „Da's tien, vijftien, achttien en twee is twintig. Nou de lucifers.quot;

Op haar teenen staande, tracht zij een plank aan den muur te bereiken, waarop eenige min of meer gebarsten stopflesschen staan, met lucifers, griffels, en andere kleine artikelen gevuld.

Door de moeite die zij doet, om de „lucifersquot; te grijpen, wipt de plank, die te hoog voor haar kleine gestalte is, even op, en valt een flesch met kaartjes, garen, band, en knoopen, op den grond aan stukken.

„Kromme stommert! ben je weer aan den gang!quot; schreeuwt eensklaps de ruwe stem van Krisjes moeder, die op het gerinkel der glasscherven ijlings naar voren komt.

Vrouw Blok is een lange, grof gebouwde, slordige vrouw, met een vuile, witte muts op en een kleinen zwarten omslagdoek over de schouders. Haar vinnige oogen zien onheilspellend naar Krisje, die één oogenblik als beteuterd, met een vinger aan den mond, bij de gebroken flesch staat, en dan plotseling, met een behendige beweging langs haar moeder heenglipt, zoodat de opgeheven hand haar doel mist. Zij tuimelt, door de wending, die zij maakt, tegen de opeengestapelde bossen hout, voelt even met haar hand aan haar voorhoofd, en hinkt dan haastig de steenen keldertrap op naar de straat — haar toevluchtsoord.

„Hoe vin je nou zoo'n meid; ze deugt toch letterlijk voor niks — zoo'n kromme lastpost. — Au! — Ai! daar snij ik me ook nog. — Wat zou ze lache, als ze 't zag!quot; zegt vrouw

5

ocr page 14

„KROMME KRISJE.quot;

Blok, terwijl ze haar duim in den mond steekt en op één knie liggend, de glazen scherven van den steenen vloer raapt.

„Nou, nou, vrouw Blok, zóó erg sel 't met Krissie wel niet weze; je mot altijd bedenke, dat ze voor d'r eige toch ook een ongelukkig wurm is!quot; antwoordt half verwijtend de klant, die intusschen de saamgeknoopte punt van zijn rooden zakdoek losmaakt, om er eenig geld uit te nemen.

„Dat komt, omdat jij d'r niet kent; ze houdt teugens andere d'r eige mooi, en je mot toch bekenne, dat zoo'n kind 'n kruis is voor 'n weduwvrouw, die d'r plezier toch wel opken — mot je ook zwavelstokken, baas?quot;

„Vandaag niet, alleen nog 'n bos hout.quot;

„Assieblief! — As ik d'r zoo aanzie, dan denk ik wel ereis: wat heb ik nou wel gedaan, dat de lieve God mijn met zóó'n kind mos straffe — da's dertien een te — of mos je een dubbele bos hebbe ? quot;

„Nee, zoo is 't goed — hum! een lot uit de loterij is zoo'n hinkeldepinkie nou juist niet — dat vat ik ook wel, maar wat zal je d'r aan doen!quot; is 't wijsgeerige antwoord.

„Och ja! je mot 't neme, zooals God 't blieft te geve.quot;

„Dat zeg je wèl — geef me meteens nog 'n paar heiboênders — groote.quot;

„Die ken je kiijge, baas!quot; herneemt de praatzieke vrouw en zuchtend voegt ze erbij:

„An me andere dochter had ik nou eigenlijk ook niet veul rareteit. 'k Heb d'r om zoo te zegge nooit hartelijkheid van gehad. Ze is 'n paar maande geleje met d'r manna Amerika gegaan.quot;

Baas Krijnse denkt bij zichzelf; „Als je haar niet beter behandeld hebt, dan Krisje, is't waarachtig ook geen wonder,quot; maar hij zegt het niet, hij is bang voor den grooten mond van vrouw Blok, en daarom schudt hij op alles beteekenende wijze het hoofd, terwijl hij een zacht; „'s Jonges!'sJonges!quot; doet hooren.

Daama zwijgen beiden een oogenblik, en zien elkander aan, terwijl ze hun gedachten ieder voor zich houden.

Plotseling zegt Krisjes moeder op een toon, alsof haar dat juist nu zoo inviel — in waarheid heeft zij er al eenige weken vroeger over gedacht;

„Zeg es, Krijnse, zou jij Kris niet kenne gebruike in je loods, om vodde en zoo uit te zoeke; as ze wil, is ze handig genogt.quot;

6

ocr page 15

„KROMME KRISJE.quot;

„Hm! 'k heb zelf teugeswoordig werk, dat ik 'r kom.quot;

„Jij? — laat nou na je kijke —jij ken d'rgoed bij, Krijnse, dat weet iedereen — en je hoeft 'r ommers niet dadelijk 't meeste te betale; je ken altijd opkomme.quot;

„Nou!quot; antwoordt de voddenbaas, die eigenlijk wel ooren heeft naar dat voorstel, maar het verstandiger oordeelt, om dit niet al te gauw te toonen. „Ze zou misschien ouwe Gerrit wel 'n handje kenne helpe — maar je begrijpt, 't zou toch in de eerste weke prebere weze en . .. .quot;

„Jawel dat spreekt van eiges — 'n paar weke voor niks en dan?quot;

„Nou! dan na — venant dat ze doet....quot;

„Goed! dan bin ik d'r kwijt, want nou ze van school af is, zit ze me hier al twee maande in de weg — ze is nou ruim twalef, en 'n paar cente ken je d'r al gauw late verdiene

— die haal jij d'r makkelijk uit.quot;

„Nou! we zelle reis kijke!quot; antwoordt de kooper, terwijl hij vertrekt.

„Wel t'huis, baas — pas op de treeje; ze binne glibberig

— zeg, denk d'r nog ereis over!quot; roept vrouw Blok den man na, die op straat zich nog even omdraait en terugknikt als wilde hij zeggen: „Dat komt wel in orde.quot;

II.

„Napoléo-hon waar zijt gij gebleve,

Napoléo-hon waar is uwe macht;

Eertijds waart gij Kei-heizer van Frankrijk Terwijl gij nu op een ei-heiland versmacht.quot;

Een oude, krakende, maar toch nog luide en vroolijke ■mannenstem, zingt met een sterk betoonde h in enkele woorden, waarvoor de melodie te slepend is, dit eentonige, ou-derwetsche liedje.

't Klinkt over het open erf achter de loods van Krijnse, waar „Ouwe Gerritquot; die sedert jaren knecht bij den vodden-baas is, vodden en oud papier zit te sorteeren.

Gerrit, in de buurt meestal alleen met den naam van „den ouwequot; aangeduid, zit onder het geteerde planken afdak, dat tegen den achtergevel van de loods is aangebracht en gesteund

7

ocr page 16

„KROMME KRISJE.quot;

wordt door een achttal verweerde houten kolommen, die met haar eertijds vergulde kapiteelen er niet uitzien, alsof zij ooit bestemd waren, om door ruwe planken aan haar basementen samengehouden, hokken te vormen, waarin allerlei oude rommel en gebroken huisraad ligt te verweeren en te beschimmelen.

De zon — 't is even na den middag en warm, echt warm zomerweer — werpt tusschen de snijdingen der muren van de belendende hooge pakhuizen en over de roode pannen daken van een paar lage huisjes heen, een vroolijke plek helder licht op de klinkertjes, waarmede het erf is bestraat. Aan eene zijde teekent het licht op den grond, met donkere schaduw, den top van een schoorsteen of een dak af en nieuwsgierig gluurt het door de reten der geteerde planken, naar de witte en bonte vodden, die op een hoop voor Gerrit liggen; het kaatst, met tintelende kracht vonkend, terug op enkele stukjes blik, die tusschen de lompen zijn verdwaald geraakt, en spiegelt zich met duizendkleurig-weerschijnende schakeeringen in de verweerde glasscherven, die tegen den muur van een der belendende pakhuizen opgehoopt liggen.

Langs de klep van Gerrit's stoffige pet danst een glimlichje, een zonnestraaltje, heen en weer, en zoodra hij zijn hoofd even opheft, glijdt het langs de punt van zijn min of meer gebogen neus tot in zijn baard en verlicht voor een oogenblik die bijna spierwitte haren, om dadelijk daarop weer te verdwijnen en zich te hechten aan de vingertoppen van zijn gerimpelde, stramme handen, die zich regelmatig naar links en rechts bewegen, als zij de papieren en lappen, die Gerrit sorteert, in de naast hem staande manden werpen.

Nu en dan staakt hij even zijn arbeid en zijn liedje, om een naast hem op den grond zittend meisje toe te voegen: „Uitkijken, Krissie — je gooit verkeerd, meid; — pampier bij pampier en wit bij wit, hoor!quot;

Een aantal brutale musschen zit boven in de schaduw van het afdak, op de latten, die de bovenranden der kolommen aan elkaar verbinden, en de vogels zien met hun kleine zwarte, schrandere oogjes en schuin gehouden kopjes, nieuwsgierig naar den ouden man, die zingend voortwerkt. Zij wachten op de kruimels van Gerrits brood, en schijnen te weten, dat het niet lang meer zal duren, vóór „de ouwequot; zijn middagboterham gaat eten — en zij zijn gewoon hun

8

ocr page 17

„KROMME KRISJE.quot;

deel van dat karig maal te komen eischen en ... . te ontvangen.

't Is alsof de eene vogel aan den anderen vertelt: „Bij Gerrit moet je wezen — hij heeft wat voor een arm dier over! quot; want eiken dag komen er meer tafelschuimers om bij zijn „lunchquot; tegenwoordig te zijn. Enkele, die hem lang kennen en goed met hem bevriend zijn geraakt, durven zelfs de vrijheid nemen, om op zijn houten been, dat hij meestal als een staak recht voor zich uitstrekt, te gaan zitten.

Ze blijven doodkalm op hun plaats en vliegen eerst weg als hij de houten stelt heen en weer beweegt en hun, in zijn baard lachend, toevoegt: „Brutaal tuig! wil jelui mijn loopstok wel ereis met rust late?quot;

Toen Krisje die uitdrukking voor 't eerst hoorde, keek zij verwonderd op, maar schoot vervolgens in een helderen, vroolijken lach, omdat „de ouwequot;, haar met een ernstig gelaat aanziende, er bijvoegde: „Weet je, Krissie! dat kan ik niet vele —• dat kriebelt me zoo op m'n poot!quot;

Gerrit is oud, heel oud — maar, zooals hijzelf zegt: „nog niet van koekquot; en al heeft hij nu en dan last van „rimme-tiekquot; en „trekkigheidquot; in zijn armen en rug, „hij mag d'r nog wel wezen,quot; zegt de geheele buurt. Volgens zijn eigen bewering heeft hij nog een jong hart, en kan hij „makkelijk honderd jaren worden, als 't God maar blieft en hij me een stuk brood geeft.quot;

Nu! gezond is hij, al heeft hij maar één been en een vinger te . weinig aan de linkerhand.

„Mijn ééne poot is bij vergissing bij Leuven voor de for-tifikazie blijve ligge en m'n vinger hebbe ze me bij Waterloo afgehakt; maar 'n mensch kan daarom toch wel leve en oud worde, dat zie je!quot; zegt hij opgeruimd, als men er hem naar vraagt.

Gerrit vertelt graag van „Napoleon en den Franschen tijdquot; en over 't jaar '30 is hij nooit uitgepraat.

„Zie je die schram over m'n neus en m'n wang?quot; vraagt hij dikwijls. „Dat 's een presentje van een kozak, die wou me effe om zeep helpe, maar Gerrit was d'r zelf bij, hoor-ie? Ik zei: ho maar, leelijke hottentot! en 'k schoot 'm met m'n spuit 'n gat in z'n maag, dat ie z'n leve lang geen ratjetoe meer binne kon houwe.quot;

Als hij zoo aan 't vertellen ging, had iedereen schik in

9

ocr page 18

„KROMME KRISJE.quot;

den ouden, vroolijken man, die zoovéél had ondervonden en zoo jolig en opgeruimd kon praten over de ontberingen en vermoeienissen in den harden tijd, dien hij had beleefd.

„Ik heb kou geleje aan de Beresina — kou, dat 's nachts m'n neus an me voete vastvroor, zoowaar ik nooit lieg! quot; zei hij lachend. „Ze hebbe me te Moskou bijna gepiept als 'n kastanje, en in het jaar '30 ben ik een halve dag lang in 't water gesopt als een papbeschuit, maar toch leeft Gerrit nog — arm, oud en vroolijk — dat komt omdat ie nooit z'n kop liet hange. Ik heb altijd maar gedocht: 't Kon nog erger en — lutje leeft nog!quot;

Dan schoof hij zijn pet achterover, zoodat zijn glimmende kale schedel een oogenblik zichtbaar werd, stak „een krom-mertjequot; op, drukte met zijn voorvinger de brandende tabak stevig aan in den kop, blies een dikke rookwolk uit en zong;

„Bij Waterloo heb ik gestreên Voor Nederland en voor den Koning.

Te Leuven kreeg ik mijn houten been En een pensioen voor mijn belooningquot; (bis).

Deze variant op het oude liedje had hijzelf gemaakt, misschien wel uit blijdschap, dat hij een pensioentje had gekregen van ƒ175.— per jaar. 't Was wel een klein inkomen, maar in ieder geval toch „een appeltje voor de dorst,quot; zei de oude man en meesmuilend voegde hij er bij: „Je mot 't metale kruis er bij rekene; die dinge koste duur — en een been is waarachtig ook niet meer waard, want m'n vinger ken je niet meer meêtelle, dat's maar toegift.quot;

Getrouwd was Gerrit nooit geweest. „Dat's de grootste gekheid, die 'n mensch doen kan,quot; hield hij vol, „en je hoeft daarom toch niet als een kluizenaar te leve; ik heb in m'n jonge jare genogt last van de vrouwtjes gehad, maar ik had ze in de gate; ik nam ze voor lief, zooals ze ware.quot; — Dan knipoogde hij op zijn manier guitig en voegde er bij: „Trouwe? niet noodig! — geöbelesseerd, merci! — Als je eenmaal gewend bent aan je vrijigheid, ken je zoo'n knorrig huismeubel best misse.quot;

Zóó kwam het, dat hij kind noch kraai bezat — neen! een kraai had hij wel en nog wel een kraai die, evenals hij, „invalidequot; was.

IO

ocr page 19

„KROMME KRISJE.quot;

De vogel was eenmaal met een gebroken poot op het erf komen vliegen en Gerrit, medelijdend van aard als hij was, had haar zoo goed hij kon verbonden en gekoesterd, daarna gekortwiekt en bij zich gehouden.

Wanneer hij in de loods bezig was, zat „Kaquot;, zoo had de oude man de kraai gedoopt, omdat de vogel, gelijk hij beweerde, „d'r eigen naam riep,quot; in zijn nabijheid en keek deftig van een of andere verhooging naar beneden. Wanneer er niemand was, waarmee Gerrit spreken kon, was „Kaquot; het, tot wie hij het woord richtte, en het scheen bijna alsof de kraai hem verstond, want met ernstig knikken of op en neer wippen en hevige snavelhouwen op een of ander voorwerp, beantwoordde zij de gezegden van haar meester.

Was Gerrit aan 't sorteeren van papier, en vond hij soms een oude rekening of kwitante daar tusschen, dan zei hij; „Kijk, Ka ! dat's iemand die meer cente had dan je baas,quot; en de vogel keek wijsgeerig, schuin naar 't papier, fladderde op Gèrrit's schouder, wreef zijn snavel tegen dien groezelige jas en riep: „Ka! Ka! Ka!quot; als lachte zij over die aardigheid.

Als 't tijd van uitscheiden was, en Gerrit zich gereedmaakte, om naar zijn kamertje te gaan, zat „Kaquot; hem reeds bij de deur van de loods op te wachten en maakte bij wijze van groet een wippende buiging. Dan pakte „de ouwequot; den vogel beet, met de woorden: „Wou je meê naar de slaapzaal ? Komaan dan maar ! je bent toch ook een oude mank-poot, zonder pensioen — voorwaarts marsch! quot;

„Gerrit en Kaquot;, de buurt noemde die twee namen in eenen adem, omdat de man en de vogel altijd bij elkaar waren, maar toen Krisje van vrouw Blok, voorgoed bij „den ouwequot; kwam, sprak de buurt van Gerrit, Kris en Ka, want het kleine meisje werd plotseling „de derde in het verbond.quot;

„Ouwe Gerritquot; was dadelijk haar vriend geworden, toen baas Krijnse haar bij hem in de loods bracht en zei: „Daar heb je Kromme Kris van vrouw Blok — zet 'i maar bij je aan 't sorteere; we kenne nog wel 'n handreiking gebruike.quot;

Bedeesd stond het kind voor „den ouwe,quot; dien zii zeer goed kende, en met andere kinderen uit de buurt dikwijls had geplaagd, of in 't ootje genomen. Zij zag hem schuw en van ter zijde aan, als vroeg zij zonder te spreken: „Wat zeg

ocr page 20

„KROMME KRISJE.quot;

je daar wel van?quot; maar vol kinderlijk vertrouwen sloeg zij de oogen naar hem op, toen zijn vriendelijke oude stem haar toevoegde;

„Zoo! zoo! kom jij ons gezelschap houwe, kleine Satan?quot;

Maar in dat „kleine Satanquot; klonk iets zoo goedigs en vriendelijks, dat het kind onmiddellijk als bij instinct gevoelde, dat de oude man, die er zoo stoffig en vies uitzag, zoo geheel in overeenstemming met zijn omgeving, oud en verschoten was, beter voor haar zou zijn dan „moederquot;, die eiken dag meer en harder schold en sloeg.

Nauwelijks een maand later had „Ouwe Gerrit een verovering gemaakt,quot; waarover de jonge knappe soldaat van 't groote leger, in zijn lijd, hartelijk zou gelachen hebben.

Kromme Kris namelijk was letterlijk niet van hem „af te slaan.quot; Zij volgde hem als zijn schaduw; ze keek hem naar de oogen, en zou voor één vriendelijk woord van den Ouwe door een vuur zijn gevlogen.

Kwam hij 's morgens in de loods, zijn bankje stond gereed; greep hij naar zijn pijp, Krisje gaf hem die, gestopt en wel, aan en zijn koffie, die hij vroeger altijd zelf bij de koffievrouw haalde, stond dampend voor hem eer hij er nog om had gevraagd.

Wanneer hij bij 't sorteeren, in de loods of onder het afdak zittend, zong, van :

„Napoléo-hon waar zijn uw soldate,

Napoléo-hon waar is uwe kroon;

Nu zijt gij alleen en verla-ha-ate Verstoo-hote van rijk en van troon.quot; (bis)

hing kleine Kris als 't ware aan zijn lippen; zoodra hij ophield met zingen, vroeg ze : „toe ouwe, — nog 'n versie, toe!quot; en glimlachend voldeed de zanger aan dat verzoek.

Dankbaarder toehoordster had „de ouwequot; nog nooit gehad, voor zijn verhalen van „'t jaar '30 en de Belsekers.quot; Zij keek hem voortdurend met glinsterende oogen en open mond aan; een omstandigheid die hem herhaaldelijk deed zeggen: „Kom an, kleine meid, doe je menageketel dicht en maak voort — prate en breie, anders schei ik er uit, hoor!quot; Die bedreiging was voldoende, om haar met verdubbelde snelheid te doen werken; dan vlogen de lappen en papieren in de verschil-

12

ocr page 21

„KROMME KRISJE.quot;

lende manden, dat het een lust was om te zien, en Ka hipte rond bij den hoop of sprong op den rand der mand en hakte met haar snavel naar de papieren, die voorbijvlogen.

Gerrit kon ook zoo „allemenschelijkquot; aardig vertellen van die blauwkielen en slaapmutsen van Belsekers, die zoo afge-razend den spat zetten als er geroepen werd; „Allo, verdikke ! doar komen de Ollanders oan.quot;

„'t Is of je er bij bent,quot; dacht Krisje, als haar vriend verhaalde, hoe „Napoléon bij Waterloo op z'n bobbert kreegquot; en „dat de Prins van Oranje een jonge van Jan de Wit was, die zooveel in de melk te brokke had, dat ie alle dage 'n flesch wijn op z'n tafel vond.quot;

Hoe dikwijls hij ook van de „Beresinaquot; of van den „groote brandquot; vertelde, zij hoorde het telkens weer met het grootste genot aan. 't Klonk ook zoo wonderlijk mooi, als de ouwe zei:

„Zie je, Kris — Napoléon had zooveel als ie maar hebbe kon, maar toen stakken 'm de broodkrummels, vat je? In Rusland wou ie ook de baas gaan spele, maar dat was mis! Onze lieve Heer zei: „Ho maar! Napoléon — niet alles,, maat! — Een ander ook wat van de stokvischveile — en toe liet Hij 't vrieze, dat je je lache kon houwe. Zie je, dat deê Hij nou om de Russe 'n handje te helpe, want soldate.... Nee! dat ware ze niet •— dat ware wij!quot;

Wanneer ouwe Gerrit dat woord „wijquot; uitsprak, tintelden zijn oude oogen en richtte hij zich nog met zooveel fierheid op, dat men duidelijk kon zien, dat hij eenmaal „'n Schoone kaerelquot; moest zijn geweest.

„Zie je, kind! die Kozakke ware eigenlijk meer wilde Hottentotte; ze hadde niet eens 't benul van d'r paarde te late beslaan en Brrr! wat 'n goor volk, ze ate kaarse, zóó maar 'n dikke zes, an de pit gehouwe in d'r lui mond en dan gleed ie na binnen — geoblesseerd — smakelijk ete! — dat zou jou niet smake, hè vlaskop ? quot; Soms hield hij dan een oogenblik' zijn hand op Krisjes hoofd, en 't was een paar keer gebeurd, dat het meisje plotseling die hand eenige malen met haar magere vingers aaide; een beweging die Gerrit verwonderd deed vragen: „Wat doe je nou, kleine Satan! veeg je m'n hand af?quot;quot;

Indien vrouw Blok slechts eenige opmerkingsgave had

13

ocr page 22

„KROMME KRISJE.quot;

bezeten, zou zij hebben kunnen merken, dat in het gemoed van haar dochtertje langzaam aan eene verandering ten goede kwam, want Krisje verdroeg, geduldiger dan vroeger, moeders slecht humeur en scheldwoorden; klappen kreeg zij niet meer zoo dikwijls, omdat zij minder in den kelder was en elke week een paar centen meer t'huis bracht.

't Kind was stiller geworden dan vroeger; 't hielp mee aan de negotie als 't thuis was, maar 's avonds. Zondags en ook in de week, zoodra zij er slechts even kans toe zag, zat zij stil in een hoekje te lezen, in oude boeken en fragmenten van boeken, die Gerrit voor haar in den rommel in de loods had opgezocht. „Ze leien er toch voor niemendal,quot; zei de ouwe. „Ga jij dus je gang maar, kind; haal je hartje maar ereis op — ik was in m'n jonge jare ook een liefhebber, maar nou heb ik 't 's avonds met men oogen te kwaad en ga ik liever bijtijds „den poetszakquot; in.

Wat Krisje las, daarom bekommerde hij zich weinig, en 't was ook volgens zijn meening van geheel ondergeschikt belang. „Een boek is een boek en de leuges, die er in staan, benne allemaal eve en 't zelfde — da's net as met de krante,quot; zei Gerrit, die zich nóch om de „polletiekquot; nóch om de „rede-naasies van de groote luiquot; bekommerde; „'t kon hem — allemaal geen zier schele. Hij was tevreden als ze hem maar met rust zijn pensioentje lieten houwen en geen oorlog meer maakten,quot; want beweerde hij: „oorlog mot je van dichte bij hebbe gezien, om te wete dat het een ergere bezoeking is dan de pokke.quot;

* *

*

Krisjes moeder was plotseling overleden; wat haar gescheeld had wist eigenlijk niemand, maar op een morgen — bijna een jaar nadat het meisje bij den voddenbaas was gekomen, vond zij haar moeder dood op het armoedige bed.

Vrouw Blok had zeker „een tak van 'n broerte gehadquot; zeiden de buren en hoofdschuddend voegden zij erbij: „Krissie is d'r niet eens door veraltereerd of bedroefd — wat 'n kind! wat een kind!quot;

Neen! smart kon „Kromme Krisquot; niet voelen over 't heengaan van een moeder, die- de schrik van haar kindsheid was geweest; wel voelde zij een zekere leegte, toen zij er aan

14

ocr page 23

„KROMME KRISJE.quot;

dacht, dat die kijvende stem, waaraan zij gewend was geraakt, als aan iets dat bij 't woord „t'huisquot; behoorde, zich nu nooit meer zou verheffen. Zij had nü geen thuis meer, ze was alleen, „heelemaal alleen.quot; „Ze was wel een onverschillige; riëel schande!quot; zeien de buren, en niemand bekommerde zich om 't kind, dat met droge oogen de gasthuis-mand, die het lijk van haar moeder inhield, zag wegdragen. De kelder was gesloten geworden, en de sleutel aan den huisbaas gebracht, die natuurlijk beslag op 't beetje winkelvoorraad en 't weinige huisraad zou leggen voor de achterstallige huur.

Krisje zelf was dien dag als naar gewoonte naar de loods gegaan. „De Ouwequot; had haar alleen gezegd: „Hm! Hm! is je moeder dood, kind; dat 's gauw gebeurd, hoor!quot; en had verder zwijgend zijn werk gedaan, totdat baas Krijnse kwam.

„Da's een dankzegging voor d'r waard!quot; beweerde deze, vrij cynisch tot Gerrit, en met een hoofdwenk naar 't meisje, dat op 't erf met sorteeren bezig was, zei hij: „Nou zal hinkeldepinkie naar 't weeshuis motte, en wij zitte weer zonder — Afijn! voor haar 'n ander, maar 't is jammer; ze begon jou al aardig in de hand te werke.quot;

„Nou, dat mag je wel zegge — ik zal d'r erg misse, baasquot; antwoordde de Ouwe, „want 't is een heele gezelligheid voor me — ik ben nou goed an d'r gewend — vief is ze ook — en uwe krijgt zoo gauw geen andere duvelstoejager, die zoo voortmaakt voor 'n paar centequot; en meteen knipoogde hij tegen den baas, alsof hij zeggen wou .... „en jij betaalt niet graag veel.quot;

„Ouwe Gerritquot; bleef na dat gesprek den ganschen dag in zichzelf gekeerd; hij sprak bijna geen woord tot Krisje, die eveneens zwijgend voortwerkte. De kraai zat op een verroeste kolomkachel en keek op haar slimme vogelmanier, met schuingehouden kop, op beiden neer, als peinzend over wat die twee toch wel dachten.

't Werd tijd van ophouden; Kris stond op, schudde langzaam stof en prullen van haar voorschoot en bleef toen dralend toeven; besluiteloos zag „de ouwequot; haar aan.

Eindelijk zei hij: „Kom és hier, Krissie!quot;

Zij kwam en bleef zwijgend, met haar armen in haar boezelaar gerold, voor hem staan.

15

ocr page 24

„KROMME KRISJE.quot;

Met zijn rechterhand haar scherp kinnetje opheffend, vroeg hij zacht en meewarig; „En waar zal jij nou belande, kind ?quot;

„Dat weet ik niet, ouwequot; — 't meisje haalde, met een moedeloozen zucht, de schouders op.

„Hm! Hm! dat ziet er gek voor je uit.quot;

„Ja, ouwe, maar ik kan 't niet helpe.quot;

„Nee, waarachtig niet — zeg! wil je bij mijn komme in m'n kamertje, je weet wel, daar,quot; — hij wees met zijn duim achter zich — „daar naast de . . ..quot;

Hij kon niet uitspreken, want eensklaps had Kromme Kris zich tegen hem aangedrukt, haar beide magere handjes grepen zijn linkerhand en zachtjes zei ze: „Ja! Ja! — assieblief.quot;

Wat waren die grijze kinderoogen plotseling mooi geworden, door de dankbare glans die er uit straalde, toen zij naar hem opzagen, terwijl de kleine mond nogmaals zei: „O! — Assieblief! — Wat ben jij-toch goed, Ouwe!quot;

„Stil! 'k ben maar een ouwe, smerige kerel, vat je? maatje kent bij me bivakkeere, kind, op de grond, 't Ken niet anders, maar honger of kou zal je ten minste niet lijequot; — hij klopte haar op de wang — „we benne ommers al zoolang goeie maatjes, dat we 't samen wel zelle rooie.quot;

„Ja! Ja!quot; Krisje begon eensklaps te schreien.

„Wat weerga, huil jij -— dat's wat nieuws, dat heb ik nog niet van je gezien. Allo! gauw, hijsch je trane op •— daar hou ik niet van.

„O, ouwe!quot;

„Koest nou! ik doe 't ommers alleen voor m'n gezelligheid. Stil dan! geen nattigheid! daar heb ik genogt van gehad in 't jaar dertig — kijk! nou lach je weer hè, malle meid! — je bent persies 'n weerhaan — ja, 't is goed, hoor! — laat me hande nou assieblief met rust.quot;

Daar fladderde de kraai op den schouder van den ouden man, en alsof' zij om inlichting verzocht, sloeg ze haar snavel tegen zijn oor aan, zacht krassend: „Ka! Ka! Kaka —quot;

„Weet je wat ze me daar vraagt. Kris?quot; zei Gerrit, met een oolijken glimlach op zijn goedig oud gezicht.

„Nee, wat dan?quot; klonk het kinderlijk terug.

„Ze wil wete of je wel breie kan, want ze heit van morge gezien, dat m'n kous de tering krijgt.quot;

i6

ocr page 25

„KROMME KRISJE.quot;

Een frissche, hartelijke kinderlach daverde door de loods, langs den gebroken en bestoven rommel, en zelf nog glimlachend nam de knecht van den voddenbaas ziin kleine gast bij de hand.

„Sakkerloot!quot; riep hij, „nou zal 't deftig worde hij ouwe Gerrit, nou ie n' huishoudster krijgt. Bataillon voorwaarts, marsch! — Ka! hou je balans! Eén, twee, één twee!quot;

Zoo ging het drietal naar „huisquot;.

III.

Het „huisquot; van den ouwe was niet meer dan een klein kamertje met een bedstede er in, en een berghok, samen een kleinen stal vormend, die aan de loods was uitgebouwd.

Baas Krijnse, die zelf een eind verder in de straat, in zijn oud-roestwinkel woonde, had jaren geleden, toen Gerrit in zijn dienst kwam, dat schamele verblijf kosteloos aan hem afgestaan, maar die gunst bij het bepalen van het weekloon, ruim genoeg in aanmerking genomen.

De oude man had die kleine ruimte 200 goed en kwaad als 't ging tot een menschelijk verblijf ingericht, waar hij trouwens niet veel anders deed dan slapen, want den ganschen dag en een groot deel van den avond was hij aan 't werk in de loods. Toen Krisje bij hem kwam, begreep hij echter dat zijn woning wel wat al te eenvoudig was ingericht. „We zelle an de slag motte, kleine Kris,quot; zei hij vroolijk „want nou ik n dame in huis heb, mot 't fijner bii me worde.quot; J J

Hij haalde alles, wat hem nog eenigszins bruikbaar scheen, en op huisraad geleek, uit de loods en bracht het in zijn kamer; Gerrit had destijds, èn wat de kleur van zijn kleeding èn wat zijn doen en laten betrof, iets van een ouden rat, die alles, wat hem begeerlijk voorkwam, in zijn nest sleepte.

Kromme Kris hielp dapper mee. 't Kind was handiger en vindingrijker dan men van haar zou hebben verwacht, en vond menig bruikbaar artikel, dat door hem over 't hoofd was gezien.

Na verloop van een paar weken had het kamertje een

17

ocr page 26

„KROMME KRISJE.quot;

geheel ander aanzien gekregen; de vloer was goed geschrobd ; het eenige venster, dat op het erf uitzag, had weer heldere, groene ruitjes gekregen, en in het berghok had Gerrit een oude potkachel geplaatst, die trotsch zijn, uit ongelijksoortige einden samengestelde pijp uit het dak stak. En op die kachel stonden eindelijk in een ijzeren pan wortelen, uien en aardappelen te koken. „Ze zouë nou maar d'r eigen menage gaan doen!quot; had de oude man tot Krisje gezegd, en zijn „marketensterquot;, zoo noemde hij schertsend het meisje, had in de handen geklapt van pleizier, toen zij 't hoorde.

Sedert jaren had „de ouwequot; of alleen met brood, of in de gaarkeuken zijn middagmaal gedaan, maar nu zou hij „prebeeren of 't ging met de cantine.quot;

Op dien eersten middag, dat ze samen hun hutspot aten, zei Gerrit met vollen mond, genoegelijk glimlachend :

„Weerlichsche kleine Satan, je valt me razend mee — je zal me verwenne — ik word op m'n ouwe dag nog 'n Pachaquot; en met welgevallen leunde hij achterover in den ouden leunstoel, dien Krisje uit den rommel had opgezocht en waarvan zij de ontbrekende zitting had vervangen door een plank, bedekt met een kussen, uit oude lappen en een wollen doek, een erfstuk van vrouw Blok, vervaardigd.

„Zit je nou lekker, ouwe?quot; vroeg Krisje, haar mond afvegend.

„As en koning, kind.quot;

„Wil je nog wat?quot;

„Ik heb genogt — en jij?quot;

„'k Heb ook genogt.quot;

„Zoo! —• doe dan je hande same en zeg: „Dankie onze lieve heer!quot;

Verwonderd keek Krisje hem aan.

„Nou! — is 't je niet de peine waard ? — och kind! ik heb dat stukkie ouwerwetsche vromigheid nog uit 't Weeshuis overgehouwe, en 't heit me nooit in de weg gezete. Zie je, ik vergat het vroeger wel ereis, maar nou ik hier zoo op me gemak zit, komt 't weer bove.quot; — Gerrit nam zijn pet af, hield die een oogenblik voor de oogen, en zag, toen hij die weer opzette, dat Krisje de saamgevouwen handen op tafel hield en de gesloten oogen opende.

„Zoo is 't goed, meid — wat heb ie gezegd?quot;

„Dankie onze lieve heer!quot;

i8

ocr page 27

„KROMME KRISJE.

„Dat's ook genoeg — Hij weet wel hoe je 't meent,quot; Krisje bleef voorovergebogen, met de gevouwen handen op tafel geleund zitten, en zag Gerrit vragend, met heléere oogen, aan: ,if!

„Wou je wat, meid?quot; V

„Ben jij in 't weeshuis geweest, ouwe?quot; - —,-,.1

.Ja — 'k heb m'n vader en moeder nooit gekendquot;--hij

wachtte even — „Zie je, 't eenige wat ik wel zou -llebbe

wille wete is____quot; i

„Wnt?quot; .

„Hoe ze d'r uitzage.quot; .

„Och!quot; A-

„Ja! want de vader van 't weeshuis zei altijd,; .dat 't zulke knappe, fetsoenlijke mensche ware. — Afijn misschien kom ik ze te avond of morge wel ereis in de Hemel, tege, als ik er ten minste ook kom — maar hoe ik ze zal herkenne, mag Joost wete.quot; ^'-h

„Zou ik me moeder dan ook in de Hemel weerom ziep?quot; vroeg Krisje met een zekeren angst in haar stem. -

„Nee, kind, daar is geen nood voor, hou je maar gedekt, hoor! — die zal je niet meer afkloppe.quot;

„Maar....quot; V quot;';Ir

„Nou?....quot; ' '

„Jou zie ik wel, hè?quot; -

„Mijn — wat bedoel je, Kris?quot;

„Jij komt wel in de hemel, want jij bent goed, oiwe; — heel goed en de meester op school zei altijd. ...quot;

. «Wat die meester zei, kan me niet schele, want ik heb nog niks geen lust om te gaan verkasse; 'k heb 't nou goed en alle verandering is geen verbetering. — Zeg! Kris . ^ -kij poosde even en zag 't meisje oplettend aan.

„Ouwe?quot; '

; „Je ziet er al veel beter uit dan vroeger — je knapt op, kind; t is waarachtig of je groeit. Zeg, marketenster, hoe komt dat ?quot;

Gerrit leunde achterover in zijn stoel, stak zijn krommeitje op en keek, over den dampenden pijpekop heen, naar Krisje, die met haar grijze, glinsterende oogen hem een oogenblik vlak in t vriendelijk lachende gelaat zag, vóór zij zachtjes antwoordde:

19

„Ik ben hier ook zoo gelukkig, ouwe.quot;

* * *

ocr page 28

„KROMME KRISJE.quot;

„Gelukkig!quot; — 't Is toch een volkomen betrekkelijk begrip, dat van gelukkig zijn, want Krisje voelde zich gelukkig op een plaats, in eene omgeving, die menigeen met afschuw zou hebben vervuld.

't Was waarlijk geen benijdenswaardig verblijf dat dompige kamertje, door de kleine tafel, een kastje, den stoel van Gerrit en een bankje, Krisje's zitplaats, bijna geheel ingenomen.

Het meisje sliep op een stroomatras, die „als ze bivakkeerdequot; werd neergelegd; zij dekte zich slechts met een ouden deken toe, maar zij sliep gerust, daar onder die molmende tafel; ze werd niet meer opgeschrikt uit haar slaap door ruwe scheldwoorden of een schop tegen haar tengere ledematen.

't Hinderde haar niet dat de houtworm boven haar hoofd zijn vernielingswerk voortzette; zij hoorde zijn boien niet; zij voelde ook het witte poeierige stof niet, dat in kleine hoopjes op haar gelaat viel; zij sliep immers den vasten slaap der jeugd, zonder droomen, zonder zorg, want — ze Wcis „gelukkig.quot;

En0Gerrit0— hij was nog opgeruimder geworden; zijn tachtig jaren drukten hem in 't minst niet; hij voelde ze nauwelijks, in elk geval minder dan vroeger, want — zoo zei hij zelf tegen baas Krijnse: „Ik merk nou, dat ik 't vroeger toch eenzelvig had; die kleine meid is dan ook zoo weergaasch handig; wil je wel geloove, dat zij er nou al de slag van heit, om me 's morgens m'n loopstok an te schroeve — daar had ik vroeger altijd 't meeste last mee.quot;

Krijnse haalde de schouders op en lachte heimelijk, alsof hij dacht; „Ouwe man, je wordt kindsch,quot; maar hij liet Gerrit begaan en knorde er zelfs niet over, dat nu en dan een stuk oud huisraad of „rommelquot; uit de loods verhuisde naar „'t hoofdkwartier en de can tine, zooals Gerrit, sedert Krisje bij hem was, zijn verblijf noemde.

De eenige die iets minder gelukkig scheen dan de anderen, was „Ka'° die haar warme slaapplaats voor een mandje in de loods had moéten ruilen. „Die Ka maakt hier 's nachts m'n boel te vuil; ze mot weg! zei Krisje, en Gerrit antwoordde, even aan de klep van zijn pet tikkend: „Zoo as je 't kommandeert, is 't goed, k'rnel.quot; , „

quot;Vroeger ging „de ouwequot; altijd „met de kippen op stok, want „'t was de peine niet waard om voor hem alleen licht op te steken,quot; maar nu had hij een kleine petroleum-

20

ocr page 29

„KROMME KRISJE.quot;

lamp aangeschaft en liet zich 's avonds de krant voorlezen. Al waren 't kranten van, de hemel mocht weten welken dag, er stond toch altijd wel iets in van 'n moord, 'n ongeluk of 'n ander nieuwtje en — Krisje las die zoo graag — hem kon 't minder schelen.

Soms vielen, terwijl ze hem voorlas, Gerrits oogen langzaam toe en zakte 't hoofd hem zachtjes op de borst; dat merkte Krisje dan wel, maar ze bleef voortlezen, nu en dan steelswijze opziende, of hij „doorpoeierde,quot; dat noemde hij zelf zoo. Als dc ouwe dan goed en wel was ingedut, hief zij de oogen op, en zag lang, met wonderlijk zachten trek op haar gelaat naar den slapenden man. Zij keek naar zijn grijzen baard en den goedigen trek om zijn mond, naar zijn borstelige witte wenkbrauwen en naar zijn kaal, glimmend hoofd, waarop 't lamplicht een warmen, geligen schijn goot. Dan stond ze eindelijk stilletjes op, ging naast hem zitten zonder dat hij 't merkte, lei voorzichtig, zacht, haar hoofd tegen zijn arm en zag naar hem op, met een uitdrukking in haar oogen, als van een trouwen hond, die zijn slapenden meester bewaakt.

Zoodra „de ouwequot; slechts een beweging maakte, of half ontwakend zuchtte, was zij weer op haar plaats en las verder, totdat hij wakker wordend haar met lodderige oogen aanzag.

„Heb je lekker geslape, ouwe?quot; vroeg zij dan.

„Ik — waarachtig niet; 'k heb alles gehoord •— alles; 't was heel mooi, maar ik deê m'n oogen dicht voor 't licht, — Kom Krissie! nou motte we taptoe make -— morge is weer 'n dag —quot; en opstaande zette hij dikwijls de holle hand voor den mond, lachte en toeterde er doorheen: „Ta — ta — ta — ta — naar bed, naar bed ! —quot; de melodie van de taptoe.

IV.

Vier jaren zijn verloopen; ouwe Gerrit en Kris hebben het gedurende dien tijd opperbest samen kunnen vinden; zij hebben met elkaar gewerkt en zijn, voor hun doen, gelukkig geweest.

21

ocr page 30

„KROMME KRISJE.quot;

Menigmaal zegt „de Ouwequot; tegen baas Krijnse: „ k Heb 'n góeie ouwe dag gekrege door die kleine Kris; ze is bij de hand voor drie, ze attakeert het werk, dat t n lust is en ze verdient de hemel an mijn.quot;

Het hoofdkwartier is nog zooals het was, oud en vaal, maar toch bewijzen een paar heele stoelen, een betere tafel en een behangselpapier door Krisje eigenhandig op de houten'-wanden geplakt, dat de firma „Gernt en Kris niet ach-tèruit is gegaan.

De huishoudster doet haar plicht en houdt aan alles de hand, dat bewijst de glimmend geschuurde koffieketel, zoowel als- 't koperen tabakskomfoor, dat, op tafel prijkend, iederen lichtstraal met gouden glans weerkaatst. ïn de „cantine heeft Gerrit reeds lang geleden een bedstee getimmerd; hij héefï er schik in gehad, dat hij, zoo oud als hij was, nog zöo'iï „timmerasiequot; kon maken en toen ze klaar was. Krisje met haar nieuwe slaapplaats verrast en deftig front voor haar makend gezegd: „Marketenster! we breke 't bivak op je krib -is klaar.quot; j

De kraai is sedert een paar jaar dood. „Jammer voor t stomme dier,quot; zei de Ouwe, toen hij ze met Krisje in een hèek Van 't erf onder den grond stopte, en ernstig voegde hij-er' bij: „Dat's de eerste van ons drieë, die de kraaiëmarsch blaast; nou ben ik 't eerst aan de beurt.quot;

'Kromme Kris is grooter geworden; wel is zij klein en tenger voor zeventien jaar, maar het smalle, bleeke gezichtje met de ernstige groote oogen doet haar, als ze zit, ouder schijnen datV ze werkelijk is.

',',Zè verdiende de hemel aanhèmlquot; had ouwe Gerrit tegen den vóddenbaas gezegd en dat was zoo, vooral sinds hij nagenoeg blind was geworden.

Voor twee jaren reeds was de oude over zijn oogen gaan klagen : „'k Weet niet wat 't is, meid — maar ik zie alles door een mist, en de „fokquot; helpt me niemendal — als 'k maar niet blind mot worde op m'n ouwe dag.quot;

't Werd hoe langer hoe erger, en eindelijk was zijn gezicht zoozeer afgenomen, dat hij nog slechts in de loods of op t erf alleen kon loöpen en op 't gevoel eenig werk doen.^

!/:.,Hij wordt stekeblind, daar is niets aan te verhelpen!quot; had de '^dokter tegen Krisje gezegd, toen zij met dikke tranen op de wangen en een flauwe hoop in 't hart voor hem stond en

ocr page 31

„KROMME KRISJE.quot;

vroeg: „Als ie nou eris 'n heele beste dure bril kreeg ?quot; Maar 't antwoord was geweest : „Voor chorioiditis helpt geen bril, kind?quot; — Krisje wist niet wat die naam beduidde, maar ze begreep dat het zelfs niet zou baten, al besteedde zij ook het weinige geld, dat ze bespaard had, aan de duurste, beste bril, die er bestond en daarom zuchtte zij in stilte: „Och! arme, goeie Ouwe!quot;

Baas Krijnse bromde in 't eerst: „Hm! hij wordt sukkelig; hij doet z'n werk maar half — dat heb je er van, als je mensche te lang in je dienst houdt!quot; maar toen Gerrits oogen al erger en erger werden, zei hij op een Zaterdagavond bij 't afrekenen tegen Krisje: „'t gaat zóó niet langer met den ouwe: hij mot maar gedaan neme.quot;

„Gedaan neme?quot; vroeg 't meisje, „Hij?quot;

„Wie anders? Ik kan toch geen blinde knecht houwe?quot;

„Maar baas, wou je den ouwe dan maar zóó opeens ...quot;

„Gedaan geve? — Natuurlijk! ik hou 'm niet voor me pleizier en . . . hij heit ommers z'n pensioen.quot;

„Maar hij is bijna vijf en tachtig. .

„Dat weet ik wel.quot;

„En hij is zoo heel lang bij je geweest.quot;

„Daar mag ie blij om weze; hij heit al die tijd 'n goed stuk brood bij me gehad.quot;

Een verachtelijke blik trof Krijnse, toen Krisje antwoordde: „En wou je 'm dan nu maar zóó an den dijk zette?quot;

„Nou! — Hm! — Hij kan misschien wel in 't gesticht komme . . . .quot;

„Nee baas! dat kan je niet meene.quot;

„Wis en waarachtig wel — 'k zal 'm strakkies zegge, dat....quot;

Plotseling ging Krisje vlak voor den baas staan, zag hem met een zonderlinge, vastberaden uitdrukking op het gelaat in de oogen en met beide handen greep zij Krijnse bij den arm, terwijl ze smeekend zei: „Nee, nee! je zal 'm niks zeggen, niks! — Och ! doe nou eris 'n goeie daad en stuur „de Ouwequot; niet weg — hij is hier zoo gewend ; hij weet overal alleen de weg en .. . .quot;

„Maar hij doet geen steek ; ik kan 'm toch niet voor niemedal betale.quot; Krijnse haalde weifelend de schouders op.

Er kwam een glimlach op Krisje's gelaat en in haar oogen lichtte een straal van hoop, terwijl zij Krijnse de hand op

23

ocr page 32

„KROMME KRISJE.quot;

den arm lei en bijna vroolijk vroeg; „Is 't dat alléén? — O! dan zijn we geholpen; hou dan zijn weekgeld maar in.quot;

„Hè; wat bedoel je?quot;

„Dat je z'n weekgeld houe kan — ik zal wel rondkomme met 't mijne, als je ons dan maar voor niemedal laat wone.quot;

„Hum! nou! daar zal ik ereis over denke.quot;

„O nee! je mot 't nou dadelijk zegge; ik zal wel zorge dat je d'r geen scha bij hebt. Ik kan vlug genoeg werke...quot;

Krijnse zag besluiteloos en verwonderd het voor hem staande meisje aan en zei toen op eens: „Nou! omdat ie zoolang bij me is geweest, zal ik dan maar ereis goed over 'ém denke. Jelui ken blijve wone, maar ik zal 'm zegge, dat ie geen cent. . . .quot;

„Nee! Nee! Als je 'm zoo ies zeit maak je 'm dood. Hij mag niet wete wat we gesprake hebbe.quot;

De blinde behield zijn plaatsje in de voddenloods en — dank zij Kromme Kris — verweet Krijnse hem nooit, dat hij „voor niemendal woonde.quot;

* *

*

„Krissie, ben je daar?quot;

„Ja, Ouwe!quot;

„Is 't mooi weer — schijnt de zon?quot;

„Ja! ■— wou je naar 't erf?quot;

„Och ja! ik kan 't zonnetje wel niet meer zien, maar als ik buite zit, voel ik 't; dat doet me zuiver goed en ik heb hier in „'t hoofdkwartierquot; ook niksquot; te doen. Stil zitte ken 'k niet goed, dat weet je . . . .quot;

„Kom dan maar mee — zóó! geef me maar 'n arm.quot;

„Waar ben je dan ... O! nou heb 'k em; vooruit maar! Dat's nou de verkeerde wereld geworde; jij pressenteert je cavaljee 'n arm. Toen 'k nog in m'n jonge dage was, had ik de meissies an m'n groene zij . . . hè! hè! hè! hè!quot;

De ouwe lacht, terwijl hij langzaam met zijn geleidster naar 't erf gaat; hij lacht opgeruimd en tevreden en toch is hij nu al sedert twee jaren stekeblind.

Onder 't afdak doet Krisje hem op zijn gewone bankje plaats nemen, zet links en rechts een paar manden naast hem, leidt zijn hand, totdat hij den hoop vodden voelt, die vóór

24

ocr page 33

„KROMME KRISJE.quot;

hem ligt en zegt: „Ziezoo! nou zit je goed, hé! — Voel je de mande? — Ja? — Ga dan je gang maar — zoek't papier er maar uit, — dat ken je wel voele?quot;

„Dankie, kind! Ja! ik heb ze — zóó! nou verdivertieveer ik me ten minste nog en ik doe wat voor de kost — 'n blind mensch is anders maar last en narigheid voor andere.quot;

„Kom! Kom!quot;

,/k Weet wel Krissie, dat ik jou niet te veel ben, meid. 'k Heb 't nog zoo goed, en al ben ik nou blind, zie je — 'k ben anders gezond als 'n visch en hè! hè! hè! hé! — jelui ken nog lang genoeg pleizier van me hebbe.quot;

„Dat wille we hope, ouwe!quot;

„We? — Hè! hè! hè! hè! — Krijnse zou toch niet rouwig weze, als ik maar opkraste, want wat ik uitvoer is toch als je 't goed beschouwt niet de peine waard en dat ie me nog altijd betaalt, m'n volle weekgeld, is weêrgaasch mooi van 'm. — Hum! zoo zie je, kind, hoe je je in 'n mensch ver-gisse kan, — ik had altijd gedacht, dat ie me welaan de dijk zou hebbe gezet, 't Is waarachtig rejaal van Krijnse, is't niet?quot;

„Ja zeker!quot; en Krisje, die hem van dit onderwerp wil afleiden, vervolgt: „Zeg ouwe, haal nog ereis op van Napoléon?quot;

„Ik kan vandaag niet zinge, kind!quot;

„Waarom niet? Kom prebeer 't maar 'reis; ik hoor 't zoo graag.quot;

Ouwe Gerrit schraapt zijn keel een paar maal, schuift zijn pet een eindje achterover en begint dan bevend en heesch:

„Napolé-on-hon waar zijt gij geblé-heve Napolé-on-hon waar is uwe — Hum! hum!quot;

„Kindlief 't gaat niet, dat hoor je wel — ik ben te schor vandaag en ik heb pijn in mijn nek ook — 't wordt zeker slecht weêr —- dat heb 'k nog altijd overgehouwe uit 't jaar '3° — je weet wel, toen ze 's nachts men tent hadde ope gelate, toen heb ik zoo'n stijve nek gehad; die komt nog telkens weerom.quot;

't Meisje glimlacht; zij heeft dat verhaal reeds zoo dikwijls gehoord, maar toch zegt ze: „Ja, dat's ook lastig voor je!quot;

De oude grabbelt in den voddenhoop rond, bevoelt en

25

ocr page 34

„KROMME KRISJE.quot;

betast de lompen en zucht nu en dan: „Och Kris! kijk je ereis — is dat grauw of wit? 't Voelt als grauw; dat mot er uit, anders heb jij dubbel werk later.quot;

„Leg 't maar op zij zoolang — 'k zal strakkies wel kijke; 'k mot me nou reppe, anders kom ik te laat voor me krante.quot;

„Och meid! ik wou dat je daar niet mee begonne was. Al dat loope deugt niet voor je — je bent 's avonds bek-af; 'k hoor je zoo dikwijls hoeste, als je 'thuis komt. We hebbe 't ommers niet noodig; we benne altijd rond gekomme met wat we hadde en ...

„'k Wil 'n potje make, ouwe, en 't hindert me niks niet.quot;

„Dat doet 't wel, kind.quot;

„Nee! zeg ik.quot;

„Marketenster!quot; de oude richt zich eensklaps op, zoo recht als hij kan, wendt de doffe oogen naar den kant waar Krisje staat en over zijn gelaat glijdt een glimlach, die de dreigend gesproken woorden: „Geen insubordinatie versta je — anders

leit je rooie paspoort klaarquot; — volkomen weerspreekt.

* *

*

Ze hadden het wel degelijk noodig, maar dat wist Gerrit niet, en toen baas Krijnsen, die toch inderdaad beter was, dan hij zich wel voordeed, Krisje aan een courantombrenger, als loopster, had aanbevolen, was dat baantje dankbaar door haar aangenomen. Om zes uur was het werk in de loods toch gedaan en daarom kon zij dat krantenwijkje er best bij waarnemen.

Van zes tot acht 's avonds trippelde zij nu reeds sedert geruimen tijd door de straten en toen zij haar weg zóó gewoon was geworden, dat ze dien ten laatste wel met gesloten oogen had kunnen gaan, volgde zij het voorbeeld van andere krantenbrengsters, om, terwijl ze haar wijk afliep, te breien, 't Ging best, met haar handen wist ze anders toch geen raad, en hoe weinig 't ook opbracht, alle „beetjesquot; konden voor haar en haar „Ouwequot; helpen.

Kwam zij 's avonds 'thuis, dan zat Gerrit gewoonlijk op zijn stoel te dutten, maar Krisje's opgewekt: „Goeien avond,quot; maakte hem dadelijk wakker en met een zucht van verlichting zei hij dan: „Goddank dat je weerom bent, kind; als jij er niet bent, is ouwe Gerrit maar 'n half mensch.quot;

20

ocr page 35

„KROMME KRISJE.quot;

„Dan zulle we gauw make, dat je weer 'n heele kerel wordt,quot; klonk dan haar vroolijk antwoord en een oogenblik later was het „krantenmeisjequot; veranderd in de „Marketensterquot;

die in de „cantinequot; voor de „ménagequot; zorgde.

* *

*

„Ouwe Gerrit is hard ziek — hij komt er niet van op,quot; vertellen de buren elkander, en Krisje ziet het ook wel; — de „ouwequot; gaat sterven.

Lang heeft hij zich goed gehouden, zoo blind als hij was, maar nu eenmaal het verval gekomen is, nadert het einde ook met rassche schreden.

Krisje is bedroefd, zielsbedroefd, omdat ze weet dat haar eenige vriend, die trouwe opgeruimde man, haar onherroepelijk gaat verlaten.

Veel nachten heeft zij reeds bij den zieke doorwaakt. Overdag slaapt ze wat op een matras op den grond, vlak vóór zijn bedstee, om dadelijk bij de hand te kunnen zijn als hij wat noodig heeft.

Verschillende buren hebben nu en dan hun medelijden getoond, door kleine versnaperingen te brengen. Enkelen hebben zelfs aangeboden, om een nacht voor Kris te waken, maar zij heeft voor alles vriendelijk „bedanktquot; .... ze is ook zoo lang met den „ouwequot; alleen geweest — een vreemde zou hem misschien onrustig maken — en zij wil hem zoo kalm mogelijk houden. In den beginne heeft de oude man zware koortsen gehad en is lang buiten kennis geweest; af en toe dwaalt zijn geest nog wel eens af, maar meestal is hij helder en ligt dan met de uitgebluschte oogen open of gesloten, onbewegelijk en stil, slechts nu en dan iets vragend of zeggend.

„Zóó kan het nog dagen, nog weken duren,quot; heeft de dokter gezegd, „maar zoo kan hij ook, op eens, zonder pijn

of smart, in een andere wereld overgaan.quot;

* *

*

't Is een grauwe najaarsmiddag; de grijswitte hemel zonder eenigen zonneschijn, zendt een kil, mat licht in het kleine vertrekje, waar Gerrit ligt. Het oude groensaaien gor-

27

ocr page 36

„KROMME KRISJE.quot;

dijn, gedeeltelijk vóór de bedstede geschoven, werpt halverwege een schaduw over zijn vervallen trekken, die door zijn verpleegster angstvallig worden bestudeerd, Krisje tobt over iets wat zij „van morgenquot; gehoord heeft.

Toen ze om vuur en heet water kwam, had de koffievrouw haar gevraagd: „Heb jij Gerrit nou wel gezeid, dat ie ieder oogenblik opgeroepen ken worde? Zie je, 'n mens mag toch niet zoo onvoorbereid voor z'n God en rechter verschijnequot;, en een juffrouw die doove kolen haalde, had er ernstig en ongevraagd aan toegevoegd, dat zij „zoo ies voor geen geld van de wereld op d'r gewete zou wille hebbe.quot;

Die woorden hadden Krisje getroffen en toen de dokter eenige uren later kwam, had zij hem meegedeeld wat haar gedachten bezig hield en gevraagd: „Wat denkt u, dokter-— zou ik er met 'm over spreke of wil 'k liever 'n dominee hale?quot;

„Neen ! — laat 'm rustig liggen, meisje,quot; was 't antwoord geweest; „'t loopt hier langzaam at.quot;

„Maar, dokter, zou ik 'm dan niet zegge dat. . . .quot;

„Wel neen! praat nergens over; waarom zou je dien ouden man zijn laatste beetje leven nog vergallen door hem angstig te maken — de doodsstrijd komt altijd vroeg genoeg.quot;

Ze heeft dus gezwegen en staat nu peinzend bij het bed; ze is 't toch nog niet met zich zelve eens — of Gerrit wel zóó mag heengaan. Besluiteloos dwalen Krisje's oogen van den zieke af en, als om raad vragend, staart zij door het kleine venster naar den somberen hemel, waarlangs de wind ijle, zwarte wolken voortjaagt.

Als haar blikken weer terugkeeren naar het gelaat van „Ouwe Gerritquot;, ligt deze kalm, met open oogen. 't Is alsof hij haar aanziet, daarom buigt zij zich naar hem over en fluistert voorzichtig: „Slaap je, ouwe?quot;

„Nee, kind, ik heb niet geslape; 'k hield m'n ooge maar dicht, omdat ik lag te prakkezeere,quot; antwoordt de ouwe, met zachte, maar niet onduidelijke stem. „De taptoe wordt haast geblaze voor ouwe Gerrit.quot;

„O, kom! je wordt misschien nog wel beter; je bent om-mers al veel erger geweest dan nou.quot;

„Nee, meid! de olie is op en dan gaat de lamp zoetjes-an uit — ik voel 't wel. — 't Is nou gedaan met Kees!quot;

„Zeg, ouwe!quot; — Krisje wacht even, weifelt en haalt een

28

ocr page 37

„KROMME KRISJE.quot;

paar maal diep adem vóór zij vervolgt: „Zeg? Ben — ben — je ook bang om dood te gaan ?quot; De laatste woorden heeft zij snel en bijna onhoorbaar aan Gerrits oor gezegd en zenuwachtig bevend legt zij daarbij haar hand op de zijne.

Even glijdt een glimlach over de ingevallen trekken van Gerrit, als hij kalm antwoordt;

„Och! hoe zal ik je dat nou uitlegge — 'n ouwe soldaat is eigelijk nooit bang, zie je? — En dan, onze lieve Heer heit me in m'n leve altijd zoo trouw geholpe, dat ik niet denke kan, dat ie me nou bij m'n dood in de steek zou late •— dat zou niet eerlijk van 'm weze. Ik heb onze lieve Heer altijd beschouwd als 't beste wat er is — Kris! — ik kan 't je zoo niet zegge, maar je begrijpt me wel, hè ? quot;

„Ja, ouwe,quot; antwoordt het meisje, terwijl zij de enkele dunne vlokjes wit haar, die langs zijn slapen onder de muts te voorschijn komen, van zijn gelaat verwijderd en dan met den rug van haar hand liefkoozend over zijn wang strijkt.

„Geef me je hand, meid — 'k wou zoo graag dat'k je nog ereis zien kon — maar zóó is 't ook goed — hou m'n hand vast — zóó; luister nou ereis na me — ik wou je alleen nog zegge, dat je nou niet huile mot, als ik afmarcheer — daar hou ik niet van, hoor! Je mot maar tevrede weze, dat we zóó lang bij mekaar ware — en zal je nog 'reis an den ouwe denke, als ie d'r niet meer is?quot;

„O, God! ja — Ja!quot;

„En zal je dan niet huile? — en zal je me netjes in de kist leggen en . ..

„O! ouwe. O! .. ..quot;

„Halt nou! ik hoor dat je gaat griene, en dat wil 'k niet. Je bent altijd een heel beste meid voor me geweest en daar dank ik je voor, hoor Kris! Hartelijk dank, meid!quot;

„O, ouwe, jij bent toch ook zóó goed, zoo best voor mij geweest; als ik jou niet had gehad dan...

„Stil! — ik word weer benauwd — ik. . ..quot;

Zijn bevende handen drukken nog herhaaldelijk de hare. Vermoeid zwijgt de oude man, zijn oogen sluiten zich weer, terwijl hij eenige onverstaanbare woorden prevelt en zwaar adem haalt.

Met een tip van haar schort in den mond, om haar snikken te onderdrukken, zit Krisje bij het bed en neigt het hoofd op de gelapte katoenen deken. Gerrit wordt kalmer en schijnt in

29

ocr page 38

„KROMME KRISJE.quot;

te slapen — hij geeft geen antwoord meer, als zij hem iets-vraagt.

De avond begint al vroeg te vallen; meer en meer wijkt het flauwe daglicht en laat het kamertje over aan de schaduwen,, die zich uit de hoeken schijnen los te maken.

Zachtjes is Krisje opgestaan; zij gaat de kleine lamp aansteken, want ze moet straks weer weg, om de kranten rond te brengen, 't Is de eenige tijd van den dag, waarop ze den „ouwequot; aan de zorg van een buurvrouw overlaat, want baas Krijnse heeft, zoolang Gerrit ziek is, voor Kris een noodhulp genomen.

Terwijl zij voorzichtig en zonder gedruisch kapje en glas van de lamp neemt, klinkt plotseling, luider en doordringender dan anders, de stem van den zieke.

Hij ijlt: „Wat 'n kou — overal sneeuw, niks as sneeuw— m'n voete bevrieze!quot;

„Hij is in Rusland,quot; zegt het meisje in zichzelf, en met het lampeglas in de hand blijft ze even staan luisteren.

„En avant — en avant!quot; klinkt de stem uit de bedstede, nu zwakker; „Vooruit, kameraad! — die kosakke — die duivels — zitte ons op de hiele — ik kan niet meer loope. Sergeant! — zoo koud — m'n voete en zóó ....quot;

De stem wordt onduidelijk — een kort, zacht reutelend geluid en — vóór Krisje het glas heeft neergelegd en 't bed is genaderd, heeft de oude soldaat Rusland verlaten en is voor immer heengegaan.

En dien avond wachtten verschillende menschen tevergeefs

op hun nieuwsblad; het kromme krantenmeisje kwam niet.

* *

*

Krisje's leven was weer eenzaam geworden, maar somber of droevig werd zij daardoor niet. Ouwe Gerrit had haar een erfenis nagelaten, „de herinnering aan zijn blijmoedige levensbeschouwing.quot; Hij had in het hart van 't verwaarloosde kind een kostbaar zaadje gelegd; de kiem van een tevredenheid die aan alles een lichtzij ziet.

Zij verliet het „hoofdkwartierquot; en de „cantinequot;, die na den dood van „den ouwequot; alle aantrekkelijkheid voor haar misten, waarin zij zich al te eenzaam voelde.

Bij een knappe werkmansfamilie nam ze haar intrek; zij

3°

ocr page 39

„KROMME KRISJE.quot;

vond daar voor weinig geld, kost, inwoning en daarbij „gezellig verkeerquot;, door de aanwezigheid van zes gezonde spruiten.

Nog eenige jaren kon men haar, als het eentonig dagwerk bij baas Krijnse verricht was, door de straten zien scharrelen, altijd vlug breiend, de karabies vol kranten aan den arm. En als soms iemand haar, met een blik op haar scheeve gestalte vroeg: „Zeg, Kris, word je niet erg moe van dat loopen?quot; dan antwoordde zij met een luimigen trek om den mond: „Wel neen ik — 'kheb ommers de heele dag gezete — nou rust ik eerst uit!quot;

Haastig trippelde zij dan weer verder; de stalen breipennen klitterden zachtjes voort en vroolijk wipte de kluw op en neer in de karabies. „'t Gaf nog een duitje, dat breien, en ze kon het zoo best doen onder de hand; 't verkortte den weg,quot; meende ze. Menig kinderkousje echter, al loopend afgebreid, bracht haar niets anders op dan een hartelijk „dankiequot; of een dankbaar: „O! ze zitten zoo lekker warm. Kris!quot;

Het zestal van „de menschen waar ze 'thuis was,quot; droeg „tantequot; — zoo noemden zij haar —• op de handen, want sedert „tante Krisquot; bij hen te huis was, hadden ze dikwijls een extratje. De kinderen stonden haar 's avonds reeds op te wachten, omdat zij veelal een paar appels of een prent meebracht, die ze voor enkele centen hier of daar had gekocht.

Ze hielden meer van haar dan van moeder, die ondeugende jongens, wien ze door haar tusschenkomst menigmaal een pak slaag van vader bespaarde — terwijl ze aan haar eigen, droevige jeugd dacht.

Oud is Krisje niet geworden; zij stierf nog vóór haar dertigste jaar. En toen zij begraven werd — eenvoudig, maar niet van den arme — omdat ze bijtijds in een „dooiefondsquot; was gegaan, kwamen al die kinderen, waarvan enkelen intusschen „menschenquot; waren geworden, om haar vriendelijk, tevreden gelaat nog éénmaal te zien, vóór ze weggebracht werd naar de plaats, waar „Ouwe Gerritquot; haar was voorgegaan, en de naam, dien zij haar toefluisterden bij het „vaarwelquot; was niet meer „Krommequot; — maar „goeie Kris!quot;

31

ocr page 40

EENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„Annéme!quot;

„Asjeblieft meneer.quot;

„Nog een halfje licht oranje en de editie! — is meneer Willems er al?quot;

„Neen meneer, die komt altijd op 't nippertje, dat weet u wel.quot;

„Ja, bekend, als hij komt zeg hem dan dat ik hier zit!quot;

„Best meneer Klaassen.quot;

Met zijn beenen op een stoel voor 't raam van 't café restaurant Royal, zit de heer Klaassen op zijn uiterste gemak de editie te lezen en wisselt zijn lectuur nu en dan af met een teugje licht oranje. Klaassen is een jong mensch van even drie en twintig jaar, eerste bediende op een kantoor in koloniale waren, waar hij behalve het vertrouwen van zijn patroons een vrij goed salaris geniet, dat hem in staat stelt en garcjon te leven. De rente van een klein sommetje geld, dat hij eens van een neef uit Indië erfde, veroorlooft hem zich netjes te kleeden en na den eten een fijne sigaar te rooken. Hij houdt er van 't zich zoo gemakkelijk mogelijk te maken, wanneer hij niets te doen heeft en leeft dan, zooals men 't noemt zoo lekker mogelijk.

Onder de jongelui, waarmede hij omgaat is hij nog al „getapt,quot; want Klaassen is goedhartig van natuur, kan een grapje velen en is voor zoover zijn middelen het toelaten, royaal.

ocr page 41

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

Zijn eenige fout is een zekere zucht om „een heerquot; te zijn d. w. z. zich chic en gentlemanlike voor te doen. Over zijn familie spreekt hij nooit, waarschijnlijk omdat zijn vader zaliger de eerzame maar eenvoudige betrekking van menisten dorpskoster bekleedde, en dat zijn moeder tijdens haar leven een winkeltje deed in kleingoed en Friesche beschuit. Zusters of broers heeft hij nooit gehad, en over 't legio tantes en nichten, dat het noodlot hem schonk, te praten, heeft niet het minste doel. Alleen verhaalt hij nu en dan, als 't te pas komt van den neef, die in Indië hoofd-controleur is geweest en die juist zoo heette als zijn vader. Zijn kennissen vragen ook verder niet naar zijn familie en daarom leeft Klaassen voort in de meening, dat niemand weet dat zijn wieg op een boerendorp tusschen beschuittrommels en boterbiesjes heeft gestaan. Sommigen zijner vrienden beweren zelfs, dat Klaassen van fijne kom-af is, en aangezien hij ze nooit tegenspreekt, blijven ze in dat geloof.

Sedert ruim zes maanden is hij geabonneerd op de table d'hote in 't Restaurant Royal en eet daar met eenige kennissen, zeer naar zijn genoegen, in abonnement voor den matigen prijs van ƒ 2 met een halve flesch. De table d'hote kost voor niet-abonnés /2.50.

Terwijl hij daar zit, en zich, na de editie te hebben gelezen, vermaakt met het gezicht op de massa tentoonstellingsbezoekers, die de tramwagens vullen of nu en dan voor de deur van 't restaurant afstappen, komt Willems, zijn tafel-vriend „par excellence,quot; binnen met een:

„Zoo ben je er al, Klaassen?quot;

„Zooals je ziet Willems; willen we nog een halfje nemen vóór 't diner?quot;

„Dat was niet kwaad — Annéme! — Wat een n enigte menschen, hé ? een hoop provincialen; ik heb me h;; If slap gelachen over die runderen; kijk daar houdt de tram we :r stil.quot;

„Wat?quot;

„Zes, zeven, acht, negen dames — blikslagers, K aassen, dat 's zeker gezelschap, dat pot verteert. — Ze komen hier in. Jongens! die dikke tante met dat varkensprofiel zal 't benauwd hebben met dat weer.quot;

„Dat 's bepaald de kloek en de andere acht de kuikens.quot;

„Neen! daar is nog een oudje bij — Ha! Ha! Ha! dat is

33

3

ocr page 42

EENE HEËL LIEVE VERRASSING.

de ménagère — zie je wel wat een mooie karabies ze er op na houdt? allemachtig wat een trommel heeft die andere; die kloek bedoel ik.quot;

Klaassen wordt plotseling bleek en draait zijn hoofd zoo ver mogelijk van 't open venster af.

Willems merkt het niet en gaat voort:

„Ze komen hier binnen!''

Klaassen wordt nog bleeker.

De dame met het varkensprofiel nadert het buffet en vraagt luid, terwijl ze haar trommel vrij hardhandig op de marnieren, plaat neerzet:

„Is meneer Klaassen hier ook?quot;

Voor dat Klaassen iets zeggen of doen kan, heeft de keliner reeds op hem gewezen met de woorden: „Daar zit meneer!quot;

Willems kijkt zijn vriend verwonderd aan en zegt zachtjes: „Dat's visite voor jou.quot;

Met de eene hand de trommel weer opnemend en omhoog houdend en met de andere wenkend, roept de dame tot de overige dames, die nog besluiteloos bij de deur staan: „Ik heb hem, neef is hier! Kom maar binnen,quot; en op Klaassen die werktuigelijk is opgestaan, toegaande, zegt ze:

„Heb ik je dan eindelijk gevonden, neef? Wel! wel! hoe gaat het,quot; en voor dat neef recht weet wat met hem gebeurt, heeft hij op iedere wang een zoen van 't varkensprofiel beet en een slag in den nek met haar trommel.

„Dat's een verrassing voor je hé? komt meisjes, geeft neef een hand, je moogt hém wel kussen ook, 't is eigen bloed. En daar is nu tante Mietekootje ook,quot; zegt ze op de juffrouw met de karabies wijzend, „die drie zijn van haar — dat's Jet, dat's Jans, dat's Koos, en dat zijn de mijnen Heinebetje, Sientje en Pietje, en dat's een vriendinnetje van ons, juffrouw Liesje van Bokkel.quot;

Tante Mietekootje legt haar karabies op tafel en maakt zich nu zonder plichtpleging van Klaassen meester om hem plotseling met een klappenden kus de woorden toe te voegen: „Klaas, mijn jongen wat ben je knap geworden — vindt je ook niet meisjes?quot; De ongelukkige Klaassen wenscht zich zelf duizend mijlen onder den grond en de tantes en nichten minstens driemaal zoo ver.

Willems staat zich te verkneukelen van plezier en de overige

34

ocr page 43

EENE HEEL LIEVE VERRASSING.

bezoekers van 't café lachen luidkeels of grinniken verscholen, achter hun kranten en illustraties — de juffrouw in 't buffet giert 't uit van pret en de kellner draait zich om, teneinde zijn hilariteit te verbergen.

„We zijn van morgen bij je aan huis geweest Klaas,quot; zegt tante Mietekootje. „We hadden je willen afhalen om mee naar de tentoonstelling te gaan, maar de juffrouw zei, dat je den geheelen dag op 't kantoor was, maar 's middags hier in dit logement at en toen zei je tante Fietje — is 't niet zoo Fie? — weet je wat Mietekootje, zei ze, laten we den jongen stil aan zijn werk laten, dan gaan wij met elkander naar de tentoonstelling en we verrassen hem van middag, dan gaan we samen met hem eten — in zijn restaurant — waar hij eet zal 't wel niet te duur wezen, — en daar zijn we nu. Vindt je dat nu niet erg aardig: je zult de meisjes welhaast niet meer kennen, ze zijn je ontgroeid, hé?quot;

De kellner heeft intusschen de dames van stoelen voorzien en als een paar hanen in een kippenhok zitten de ongelukkige Klaassen en zijn vriend Willems tusschen haar in.

Eindelijk is Klaassen zoover van zijn schrik bekomen dat hij met een gezicht als een oorworm zeggen kan: „'k Vind 't een heel aardige verrassing tante,quot; en Willems fluistert hem tusschen de tanden toe: „Jij bent ingerekend man,quot; waarop Klaassen, als wraakneming, zijn vriend aan de dames voorstelt met de woorden:

„Mijn vriend Willems, commies bij de posterijen.quot; De zeven jonge meisjes griffelen, grinniken, knikken elkander toe, blozen en giechelen — en tante Fietje zegt droogweg —-

„Zoo, is dat je vriend Willems?quot;

Tante Mietekootje knikt hem goedig toe en vraagt: „Is u getrouwd?quot;

Met een wantrouwenden blik op 't zevental, antwoordt Willems: „Nog niet mevrouw! quot;

„Mevrouw! — zegt maar gerust juffrouw! — mevrouwen bennen we niet — of zeg ook maar tante, dat is nog gemakkelijker. — Meisjes, wil jullie ook iets drinken?quot;

Plotseling begrijpt Klaassen, dat hij erg lomp is geweest, roept „annémequot; en vraagt: „Dames, wat mag ik u offreeren?quot; 't Zevental giechelt en kakelt als een hoop kippen. „Nou, neef een tikje advocaat dan,quot; zegt Mietekootje, en

35

ocr page 44

EENE HEEL LIEVE VERRASSING.

nichtje Jet, die onder de jongeren de brutaalste is, vraagt: „Een glaasje anisette asjeblieft?quot; Tante Fietje prefereert tot ergernis van Klaassen „bier met suiker,quot; de overige nichtjes nemen verschillende likeurtjes, terwijl het vriendinnetje, juffrouw Liesje van Bokkel, standvastig elke verlokking weerstaat en zelfs onvatbaar blijft voor Willems dringende bede „och toe juffrouw van Bokkel, één druppeltje „Parfait d'amour,quot; een omstandigheid, die Jetje verleidt om snibbig tot Heinebetje te zeggen —

„Die Lies is altijd en eeuwig aan 't kokketeerenquot; — waarop Heinekootje met een zuur gezicht antwoordt: „Ja en daar strakjes had ze zoo'n dorst, zei ze.quot;

Willems maakt, terwijl hij zijn vriend Klaassen medelijdend aanziet, de opmerking, dat hij nog zelden een minder aantrekkelijk zestal jonge dames heeft ontmoet dan deze nichtjes. Jetjes vooruitstekend kinnetje vergelijkt hij bij een fonteinbakje en haar spits neusje boezemt hem weinig sympathie in. Heinebetje is min of meer corpulent en bij 't zien van haar roode wangen en stompen wipneus, denkt hij onwillekeurig aan een paradijsappeltje, waarin twee pitten gestoken zijn voor oogen, terwijl 't steeltje als neus dienst doet. Jansje is een tweede Jetje, alleen heeft ze grooter fonteinbakje en telt ze een jaar of drie meer. Koos is een staalkaart van beide, maar met bijvoeging van een groot aantal zomersproeten en rood haar in plaats van blond.

Sientje en Pietje komen hem voor als twee onschuldig nuchtere wezentjes, die lachen omdat ze niets te zeggen weten en blauwe oogen hebben, omdat ze even blond zijn als haar nichtjes en blauw en blond in den regel samengaan. Juffrouw Liesje van Bokkel maakt een gunstige uitzondering, want ze heeft lange zwarte krullen, een blozend gelaat, donkere oogen, die hem guitig aankijken en kuiltjes in de wangen. Al is haar mond wat groot, toch zou Willems er niets tegen hebben om haar een kus in deugd en eere op de roode lippen te drukken. — De tantes gaat Willems in gedachte met stilzwijgen voorbij — alleen is een bruin behaarde wrat op Tante Mie-tekootjes linkerwang hem opgevallen, en vergelijkt hij Fietjes profiel met klimmend succes bij dat van 't nuttige dier, hetwelk ons karbonade en ham schenkt.

Ringelingelingelingeling! klinkt plotseling in de gang de schel, die de habitués en gasten töt de table d'hote roept.

36

ocr page 45

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„Heer in Den Haag! wat is dat?quot; vraagt Tante Fietje. Met een voorkomenden glimlach antwoordt Willems: „Dat is de schel voor de table d'hote. Dames, 't is tijd om tedineeren.quot; Klaassen verschiet van schrik, als hij ziet dat tante Fietje opstaat en tot de overigen zegt: „Komaan, kindertjes, dan moeten we ons niet laten wachten; — ik heb wel trek — na zoo'n wandeling op de tentoonstelling.quot;

„Mag ik de dames dan maar eens voorgaan,quot; vraagt Willems beleefd; hij begint er schik in te krijgen om zijn vriend Klaassen met dat negental aan de table d'hote te zien.

Lachend en grinnikend van plezier volgen de jonge meisjes en tante Mietekootje stommelt met haar trommel en parapluie in de hand achter hem de trap op, terwijl tante Fietje haar karabies torst en halverwege de trap staande, hardop roept: „Mietekootje! we hebben nog niet eens geïnformeerd wat 't kostquot; — en tot Klaassen zich omwendend, vraagt ze: „Hoeveel kost het hier wel, neef?quot;

Klaassen krijgt verschrikkelijk het land, want hij heeft juist een groet en een handdruk gewisseld met een paar oude; tafelvrienden, die te gelijk met hem de trap opgaan.

Er zitten reeds verschillende gasten aan tafel, als de dames binnenkomen, en verwonderd zien eenigen hunner naar den trommel en de karabies.

De Oberkellner nadert tante Mietekootje en biedt haar een stoel aan met de woorden: „Wil u hier maar gaan zitten, vier naast meneer Klaassen en aan den overkant vijf plaatsen naast Meneer Willems.

Tante Fietje heeft nog geen plaats genomen, maar maakt achter haar stoel staande, allerlei telegraphische teekenen, die zooveel beteekenen moeten als: „Weet je wel wat of 't kost?quot;

Eindelijk begrijpt Mietekootje haar en vraagt bijna luid aan Klaassen, die reeds naast haar zit: „Neef, wat kost hier het eten?quot;

De arme Klaassen krijgt het benauwd; hij zou wel willen zeggen: „Tante! ik inviteer u met al de anderen,quot; maar hij denkt plotseling: 9X/2.50 — is ƒ22.50 —, 't kwartaal is bijna om — mijn portemonnaie heeft door de tentoonstelling veel geleden en daarom zegt hij fluisterend: „Een rijksdaalder, tante, met een halve flesch.quot;

37

ocr page 46

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„Heer in den Haag, een rijksdaalder? — Dat kun je begrijpen — zeg Fietje,quot; roept Mietekootje eensklaps uit, „een rijksdaalder kost het!quot;

Klaassen ziet met angst rond of iemand zijner kennissen dien noodkreet ook hoort!

„Wat zeg je Mietekootje? dat is niet mogelijk!quot;

Willems krijgt hoe langer hoe meer plezier in 't geval en zegt vriendelijk; „'t Is heusch zoo, maar 't is niet te duur, want de table d'hote is goed, zeer goed.quot;

„Neen, hoor! ik zou je danken, daar treden we niet in; een rijksdaalder de persoon — komt, kinderen, staat op, we gaan weer heen; dat is niet om te doen voor burgermenschen,quot; zegt tante Fietje.

„Maar Fie, dat gaat toch niet,quot; antwoordt Mietekootje, die begrijpt dat zij moeielijk weer heen kunnen gaan nu het zoover gekomen is. „Weet je wat, we zullen ieder een halven biefstuk nemen of zoo iets . . . .quot;

„Hè! moeder,quot; valt Jet eensklaps in, „laten we nu voor een enkelen keer eens table d'hote eten,quot; en Jansje vraagt: „Toe, doe 't maar eens, moe; 't is zoo prettig -----quot;

Mietekootje weifelt, maar tante Fietje houdt voet bij 't stuk en roept: „Neen! ik doe 't niet, nooit; in geen geval, 't is afzetterij, een rijksdaalder! — jij kunt doen wat je wilt, Mietekootje, maar ik ga met mijn meisjes heen. Kom, Heinebetje! kom Pietje, Sientje, Liesje! — wij gaan .... als jij je geld wilt weggooien, is 't mijn zaak niet. Een rijksdaalder! 't is bespottelijk.quot;

„Hè moe! Liesje is bij ons, wij hebben haar meegevraagd.quot; — zegt Koosje, terwijl ze Mietekootje aan de mouw trekt.

Klaassen transpireert van verlegenheid, want tantje Fietje staat op en met haar het drietal spruiten. Liesje van Bokkel weet niet of ze opstaan moet of blijven zitten, maar ze doet't laatste, want Willems voegt haar zachtjes toe; „'t Is al te gek om op te staan, juffrouw!quot;

„Maar, tante,quot; zegt Klaassen eindelijk, met een vrij benauwde stem, „'t is toch zoo erg niet voor één keer; de meisjes wilden zoo graag eens table d'hote eten. . . .quot;

„Ja, voor jou is 't niets, neef, jij bent een man in bonus, die in de verdienste is, maar als je, zooals ik, een weduwe bent, die met drie dochters met eere door de wereld wil komen, moet je een dubbeltje driemaal omdraaien, eer je 't

38

ocr page 47

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

uitgeeft, en als je eens een enkelen keer uitgaat, moet 't walletje bij 't schuurtje blijven.quot;

„Maar Fietje, je kunt toch niet heengaan zonder iets te gebruiken . ..

„Je hebt jnooi praten, Mietekoo; jouw man leeft nog en jij hebt geen krimp. God bewaar me dat ik zeggen zou, dat ik krimp heb, dat niet, maar .... Wat is dat, een bord soep ? ik dank je wel, man! ik heb geen soep besteld.quot;

Verwonderd blijft de kellner met de twee borden soep in de handen staan en zegt: „Ik dacht, dat mevrouw mee dineerde.quot;

„Neen! neen! waarachtig niet, ik wou met mijn meisjes maar zoo'n beetje eten, een biefstuk of een pannekoek of zoo iets.quot;

„O zoo! Mevrouw! maar dan hadt u beneden moeten gaan in de restauratie.quot;

„O! 't is maar omdat ik bij mijn neef en mijn zuster en de anderen blijven wou, weet u? en daarom ben ik hier gaan zitten, maar ik kan ook wel weer naar beneden gaan — komt, kinderen!quot;

Onderdrukte hilariteit bij de overige gasten.

Klaassen zegt zachtjes een paar woorden tot den kellner en deze wendt zich nu zeer beleefd tot tante Fietje met de woorden;

„Als mevrouw hier wil blijven en a la carte dineeren, dan kan 't voor dezen keer wel geschikt worden, ik wist niet dat u familie van meneer Klaassen is.quot;

Tante Mietekootje heeft zonder verdere tegenspraak het bord soep aanvaard en zij, evenals haar drietal smult met juffr. van Bokkel aan een heerlijke potage a la tortue.

De kellner heeft intusschen aan tante Fietje een spijskaart gegeven — die zij echter zonder bril niet lezen kan.

Ze tuurt er quasi op en zegt: „Breng maar eens eerst 4 halve biefstukken.quot;

„'t Spijt mij, mevrouw, maar 's middags geven we geen halve.quot;

„Breng dan 2 heele.quot;

„Best, mevrouw! en voor de andere dames?

„Voor de andere dames? wel, we zullen ze deelen.quot;

Klaassen wordt bleek van ergernis over die schrielheid en fluistert haar toe: „Tante, u kan 't wezenlijk niet doen. U moet minstens voor ieder persoon iets bestellen.quot;

39

ocr page 48

EENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„Wat kost hier een biefstuk?quot; vraagt ze den achter haar wachtenden kellner.

„Met aardappelen, mevrouw?quot;

„Nu nog mooier; eet jij dan biefstuk zonder aardappelen ?quot;

Grinnikend antwoordt de Jan: „fi.20, mevrouw.quot;

„Wablief?quot;

„Een gulden twintig!quot;

„Dat 's afzetterij,quot; wil de verontwaardigde Fietje zeggen, maar een blik op Klaassen, die haar vol benauwdheid over tafel heen in den arm knijpt, doet haar zwijgen bij; 't woordje „afzetterijquot; houdt ze binnen, en zegt in plaats daarvan: „In Gods naam dan, maar geef er wat sla bij.quot;

„Best, mevrouw! ook een paar eieren er over?quot;

„Wat een wonderlijke boel is dat hier,quot; denkt Fietje, „sla zonder eieren is immers geen sla.quot;

„Eieren er over?quot; vraagt nogmaals de kellner. Fietje knikt, Klaassen herademt en Jan gaat naar 't buffet, om daar te bestellen: 4 maal biefstuk met ei en sla.

Liesje van Bokkel is in druk gesprek geraakt met Willems, die de halve flesch voor haar administreert.

„Overheerlijke soep, meneer?quot;

„De croquetjes zijn ook goed, vindt u niet?quot;

„Erg lekker, 'khad ze nog nooit gegeten,quot; voegt ze er naïef bij.

„O Sientje, ze zijn zoo lekker,quot; zegt ze over de tafel heen tot de ongelukkige Sientje, die met begeerige blikken naar haar nichtjes ziet, welke zich de soep, de croquetten en de ossenhaas, die er op volgt, uitmuntend laten smaken.

De oogen van Jansje en Jet blijven met begeerigen blik rusten op de borden van de nichtjes aan de andere zijde der tafel. Haar fonteinbakjes komen hoe langer hoe meer vooruit, en haar neuzen worden hoe langer hoe spitser door de beweging der kaakspieren. Koosje vraagt goedig: „Wil jelui vast eens proeven van 't vleesch? 't Is zoo malsch als boter.quot;

't Water loopt in Heinebetjes, Pietjes en Stientjes monden samen, maar met een vinnigen blik op de goedaardige Koosje antwoorden zij als uit eenen mond: „We krijgen zelf biefstuk!quot; Willems amuseert zich met de naïeveteit van Liesje, die niets begrijpt van 't geen op de menu staat en vraagt: „Moeten we dat allemaal nog eten wat er op staat?quot; of zachtjes zegt: Hé! daar staat filet de boeuf a la maitre d'hotel, en 't is gewone ossenhaas.quot;

4°

ocr page 49

EENE HEEL LIEVE VERRASSING.

Heinebetje en Sientje gluren met zure gezichten naar haar overbuurtje en Pietje stoot Sientje aan, terwijl ze fluisterend zegt: „Lies is weer bezig, ze heeft 't altijd met de heeren, ze denkt zeker, dat ze zoo mooi is.quot; De twee anderen trekken met een smadelijken glimlach haar schouders op en plukken aan het broodje, dat op haar bord ligt.

„Heer in den Haag, wat duurt dat hier lang,quot; pruttelt tante Fietje, als ze bemerkt dat haar overburen reeds kalfsgehakt met kapucijnders voor zich hebben en zij en haar geslacht nog op de ledige borden staren. — „Toe neef, vertel dien Jan eens, dat hij wat voortmaakt — 't is toch wat te zeggen, dat ze iemand zóó laten wachten — 't spijt mij dat

ik niet beneden gebleven ben, maar---wacht, kinderen,

ik heb nog een paar saucijsenbroodjes in mijn karabies, die kunnen we eerst opeten,quot; en voordat Klaassen 't schrikkelijk feit verhoeden kan, staat de reusachtige karabies op tafel en grabbelt tante Fietje uit derzelver diepte een drietal saucijsenbroodjes samen, waarvan zij een half zelf houdt en de andere twee en een half eerlijk onder de meisjes verdeelt — met de woorden: — „Dat 's eigen gebak, neef, dat's heel wat anders dan die petieterige dingetjes, die ze hier op de tentoonstelling verkoopen, en nog wel voor drie stuivers. Worst zit er haast niet in, 't is meest allemaal deeg. Ik heb de saucijsen zelf bij den slager laten halen en — wat wil je toch. Pietje? —wat heb je toch ? —- zit toch stil — — toen heb ik deeg gemaakt van zuiver blom met boter, goed gekneed en gerold . . . wat is er dan toch, Pietje . . . . ? O ! is 't anders niet, ga dan maar even; geneer je niet — vraag maar aan die juffrouw in 't buffet — toen de saucijsen er in gerold, en zachtjes aan in den oven gebakken. — Wat wil jij nu weer, Heinebetje? — of je ook mee mag? ja wel zeker kind, ga je gang maar...quot;

De toestand van Klaassen is onbeschrijfelijk, als hij ziet hoe Jet en Jansje giegelend de tafel verlaten en na eenige oogenblikken weer binnenkomen, bijna te gelijk met den kellner, die den biefstuk brengt, maar hij is der wanhoop nabij als plotseling, na de terugkomst der nichten, de jonge dames Jansje en Koosje, na met haar een fluisterend gesprek over de tafel heen te hebben gevoerd, oprijzen en denzelfden weg gaan als Heinebetje en Pietje.

Willems verslikt zich een paar maal aan zijn glas Medoc en tante Mietekootje zegt luid en vergoelijkend tot Klaassen en Willems:

41

ocr page 50

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„'t Is menschelijk!quot; Groote hilariteit onder de overige gasten: wanhoop van Klaassen.

„Wat zal mevrouw drinken?quot; vraagt de kellner als hij de biefstukken op tafel zet.

„Heb jelui dorst, kinderen?quot;

„Ja, moe!quot; roepen drie monden te gelijk.

„Breng dan maar wat bier.quot;

„We geven alleen Engelsch bier aan tafel, mevrouw.quot;

„Dat is me 't zelfde, Engelsch of Hollandsch, als 't maar goed is — breng maar een flesch.quot;

„Oogenblikkelijk!quot;

„Dat is bepaald lekker bier,quot; zegt voldaan tante Pietje, als zij het glas Burton-ale, na een zucht van wellust, bijna ledig op tafel zet. In een oogenblik is de flesch uitgedronken en vragen de meisjes: „Moe, mogen we nog wat bier?quot;

Willems, die er plezier Jn heeft, dat tante Fietje met 't Engelsch bier er in loopt, wenkt den knecht en weldra is een tweede flesch onderhanden.

„Die biefstuk is niet groot, 'k heb honger gekregen. Lust jelui ook nog wat, meisjes, hier eet eerst die kruimeltjes aardappel nog op; lust jelui nog iets?quot;

„He ja, moe, wat graag!quot;

„Komaan, dan zullen wij 't er vandaag maar eens van nemen; wil jelui een pannekoek toe?quot;

„Asjeblieft moe !quot;

„Annemen, Jan!quot;

„Mevrouw!quot;

„Breng eens een paar pannekoeken of flensjes.quot;

„'t Spijt me, mevrouw, maar die kunnen we u op 't oogenblik niet geven.quot;

„Niet? dat's raar.quot;

„Wil mevrouw soms een omelet?quot;

„Hè ja, moe, een omelet!quot; roepen de drie meisjes te gelijk.

„Goed dan, een omelet.quot;

„Aux fines Herbes?quot;

„Wablief? dat ken ik niet.quot;

„Wat confituren dan?quot;

„Is dat even duur?quot;

„Dat scheelt 10 cents. Mevrouw.quot;

„Nou, dat's niet de peine waard — dan maar met confituren.quot;

42

ocr page 51

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„Asjeblieft!quot; —

„Zeg Jans,quot; vraagt Sientje, die door de ale eenigszins opgewonden geworden is, „wat heb jij daar op je bord ?quot;

Jansje weet het waarlijk niet, maar lekker is het; zij ziet Willem vragend aan en deze antwoordt;

„Galantine.quot;

„Is dat lekker?quot; vraagt Sientje.

„Proef maar eens —quot; Jansje reikt haar bord over en Sientje pikt met haar vork een stukje galantine. „Laat mij ook eens proeven, Sien,quot; zegt Heinebetje, en zusterlijk deelt de aangesprokene haar van 't gevraagde mede — terwijl ze vraagt: „Hoe vind je 't?quot; — een vraag die Heinebetje met de bekende handbeweging beantwoordt.

„Kan ik u ook dienen met een stukje?quot; vraagt Willems spottend aan tante Fietje, terwijl hij haar zijn bord voorhoudt.

„U is erg beleefd, maar ik wil u niet berooven.quot;

„O! er is nog meer, zie maar, er staat nog een groot stuk op tafel.quot;

„Dan maakt 't een onderscheid; hou dan maar wat je hebt, meneer Willems, dan zal ik een paar stukjes van den schotel nemen,quot; en tot schrik van Klaassen en heimelijke vreugde van zijn vriend, bemachtigt tante Fietje den schotel, neemt een paar groote plakken galantine, proeft, smakt met de lippen en zegt: „Overheerlijk! Komt, kinderen, er is nog genoeg op, 'k zal jelui ook wat geven; dat is iets wat een burger-mensch niet alle dagen eetquot; — en zonder verdere plichtplegingen bedient zij haar kroost duchtig van galatine de veau aux truffes.

Klaassen zit als op kolen, want de meesten der overige gasten beginnen 't uit te proesten van lachen, en Willems wordt zoo rood als een kreeft, omdat hij, met geweld, zijn vroolijkheid onderdrukt. Tante Mietekootje is geheel vervuld met de gedachte, dat ze nog nooit zooveel verschillende zaken op één middag gegeten heeft, en let niet op Tante Fietjes wederrechtelijke annexatie, totdat zij Klaassens stem hoort, die haar zachtjes toevoegt: „Och, doe me plezier en zeg

toch eens aan tante Fietje dat ze, hm!.....dat ze van de

schotels afblijven moet; 't komt niet te pas, weet u!quot;

„Fie,quot; roept Mietekootje derhalve vrij luid: „Fie! Neef Klaassen zegt, dat je er afblijven moet; jij hebt immers omelet besteld.quot;

43

ocr page 52

EENE HEEL LIEVE VERRASSING;

„He, neef, dat dacht ik niet van je, datje zoo'n schrok waart. Gunst nog toe, er is nog zat over.quot;

„'t Is niet, omdat ik 't u niet gun, tante, maar . ...quot;

„Maar?. ... O! daar komt de omelet — nu wees maar tevreden, dan mag jij van onze omelet eens meeproeven — Wat is dat? .... vier omeletten?quot;

„Die heeft u besteld, mevrouw!quot;

„Ik? man! je bent in de war; 'k heb bedoeld één, 't was maar om nog zoo' klein hapje na te hebben.quot;

„'t Spijt me, mevrouw! maar ze zijn nu eenmaal gebakken, en 't is moeilijk om ....

„Hé, moe! houdt u ze nu maar, 't zijn zulke kleine dingetjes,quot; zegt Heinebetje begeerig naar de omelet ziende.

„O! moe, we kunnen ze best op,quot; roepen Pietje en Mietje.

De kellner heeft op den aanmoedigenden wenk van Willems de vier omeletten gediend en de meisjes hebben niets beters weten te doen dan ze dadelijk onder 't mes te nemen.

„Zeg Mietekootje, drink jij dien wijn niet op, je flesch is nog driekwart vol?quot;

„Ik heb geen ergen dorst, Fie; maar heb jij er trek in, dan kun je hem krijgen.quot;

„Wel ja! als jij hem niet drinkt, betaald wordt hij toch — hier! schenk 't maar in mijn bierglas — 't komt toch in één maag.quot;

Willems neemt deze gelegenheid te baat om zijn glas te vullen en de meisjes tegenover hem te vragen: „Mag ik de dames een glas wijn aanbieden?quot;

Het drietal grinnikt, kijkt moederlief vragend aan, en deze, die juist haar neus in 't bierglas met wijn steekt, knikt met 't glas voor den mond herhaaldelijk: „Ja.quot;

„Asjeblieft meneer, wat graag,quot; antwoordt Sientje mede uit naam der anderen.

Willems wenkt den kellner, maar vóór hij tijd heeft gehad een flesch te bestellen, roept tante Fietje:

„Wou je een nieuwe bestellen, meneer? gekheid! dat moet je niet doen; de meisjes hebben haar flesschen nog maar half leeg. Jet en Jans hebben nog maar twee glaasjes gedronken en Koos nog maar een. Komt, meisjes, deelt jelui wijn eerlijk met mekaar; 'tis zonde als er wat overblijft, botje bij botje; ik heb ook nog wat. .

O, schrik, daar verschijnt eensklaps de karabies weer op

44

ocr page 53

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

tafel en delft tante er een massa klapbessen uit op, die zij bij handen vol aan de meisjes uitdeelt.

„Daar, Jet! daarjans! Meneer Willemse kan ik u ook dienen, neef Klaassen ook een handje vol? Ze bennen als suiker, uit 't tuintje van tante Mietekoo.quot;

„Dank u.quot;

„Kom aan, geneer je niet.quot;

„Dank u, wezenlijk ik houd er niet van.quot;

„Heer in den Haag, neef! lust je ze niet meer; nu dan ben je wel veranderd, vroeger kon je er wat aan doen hoor! als je onder den struik mocht zitten, ik heb ze jewel zien eten, dat je den riem van je hes moest losmaken. Ja, jongen! je kon in dien tijd eten als een wolf.quot;

Willems accepteert een handje vol klapbessen en na de glazen volgeschonken te hebben, zegt hij:

„Lieve dames! mag ik het genoegen hebben op uw aller gezondheid te drinken; het is me een bijzonder groot genoegen om kennis te hebben mogen maken met de familie van mijn vriend Klaassen; ik wist waarlijk niet, dat hij zoo gelukkig is om twee zulke waardige tantes en zes zoo beminnelijke nichten te hebben. Ik drink op uw aller welzijn, dames — en nog speciaal op mijn lieve buurvrouwtje, juffrouw Liesje.quot;

„Ze hebben 't altijd op die Lies begrepen,quot; zegt Jet nijdig tot Jansje.

„Dank je wel, meneer Willems. —quot;

„Geobligeerd, meneer!quot;

Een dozijn monden giegelen en prevelen iets wat naar een: „dank uquot; of „op uw gezondheidquot; gelijkt.

Willems vervolgt: „Klaassen, ik feliciteer je met 't bezit van zoo'n familie.quot;

„De gelukkige neef' trekt een gezicht, waarop vertwijfeling, woede en ergernis te lezen zijn, en tusschen zijn tanden smoort hij een verwensching, als hij het glas aan de lippen brengt.

Van drie verschillende zijden der tafel klinkt het nu plotseling :

„Klaassen, mag ik je eens zien? ik hou me aan 't geen Willems gezegd heeft.

„Klaassen, man! daar ga je.quot;

't Zijn de andere tafelvrienden, die nu verspreid zitten, een gevolg van de invasie der tanfes .... „Klaassen! je weet 't wel!quot;

45

ocr page 54

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

Drie glazen worden tegen den ongelukkige opgeheven, drie hoonende glimlachen treffen hem als dolksteken, en driemaal vervloekt hij inwendig zijn noodlot en zijn lieve familie, maar hij vervalt schier tot razernij, als tante Mietekootje haar stem verheft en,-zich tot Willems wendend verhaalt: „dat neef toen hij klein was, zoo'n „snoesquot; van een jongen was, en dat zijn vader zaliger altijd gedacht had, dat hij dominé zou worden, omdat hij, als vader de kerk schoonmaakte of aanveegde, altijd op den preekstoel ging staan en net ging doen of hij preekte.quot;

De ongelukkige krijgt het klamme zweet op 't voorhoofd, als tante met zekere aandoening vertelt, dat zijn moeder altijd gehoopt had, dat de jongen in de kleingoedbakkerij van haar oom zou gekomen zijn, maar dat zij nog vóór haar dood had gezegd, dat zij zich toch nu grootsch op haar jongen gevoelde, omdat hij zoo'n stadsche heer geworden was, en dat kleingoed bakken toch maar kleingoed bakken was. „Och, meneer Wil-lemsen,quot; valt nu tante Fietje in, die de rest van Mietekootjes wijn genuttigd heeft en daardoor nog iets spraakzamer wordt, „u moest neef eens klein gekend hebben, 't Was zoo'n aardig kereltje, zoo rond als een tonnetje en met een paar bolle wangen om er in te bijten, en altijd was zijn broek stuk van 't klimmen ; is 't niet zoo, neef?quot;

„'k Wou, dat je de.....,quot; denkt neef, die 't allerongelukkigst gelaat van de wereld vertoont, maar toch nog lacht, als een boer die kiespijn heeft, terwijl hij antwoordt: „Ja, kleine kinderen worden groot en die tijden zijn voorbij,

alles verandert, hm! hm ! en.....quot;

„Zeker, en 't is je tot eer aan te rekenen, dat jijjezelven zoo vooruit geholpen hebt in de wereld,quot; zegt tante Mietekootje. Met een bewonderenden blik laat zij er op volgen: „Mijn man, je oom, zei verleden week nog: Hij had toch voor mijn affaire niet gedeugd; de jongen zijn handen staan niet naar de verfkwast. Weet u, meneer Willems ? omdat wij maar alleen meisjes hebben, had mijn man er wel eens over gedacht om neef in de schilder- en glazenmakersaffaire op te leiden, maar . . . .quot;

„Tante, wil u nog een glas wijn?quot; vraagt de ongelukkige Klaassen om haar afleiding te geven.

„O, neen, dank je wel, ik voel het nu al in mijn hoofd.quot;

46

ocr page 55

EENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„Als je 't overlaat neef, geef 't dan maar hier, dan lusten Pietje of Heinebet 't wel.quot;

„Met plezier, tante.quot;

„Dankje! ja, jij kunt er goed van leven, jij hebt goed lachen, een goede betrekking en dan nog dat erfenisje van neef Klaassen, die in de Oost kleermaker geweest is.quot;

Klaassen wordt opeens vuurrood, als Willems doodleuk vraagt: „Was hij dan niet hoofd-controleur ? quot;

„Controleur? wel neen; we hebben nooit geen controleur in de familie gehad, is 't wel Mietekootje ? quot;

„Dat ik weet niet, Fie.quot;

Gelukkig duurt deze marteling voor Klaassen niet langer, want de table d'hote is afgeloopen en de gasten verwijderen zich.

't Slaat zeven uur en eensklaps roept tante Fietje: „Goeie hemel, al zeven uur; we moeten ons reppen, want de trein gaat om kwartier over achten.

Neef schept adem.

„O! dan heeft u meer dan genoeg tijd,quot; zegt Willems, op zijn horloge ziende, „met de tram is u in tien minuten aan 't spoor.quot;

„Met de tram? wel neen, dat is zonde van 't geld; we kunnen best loopen: de meisjes hebben jonge beenen en wij hebben hier uitgerust. Komt, meisjes, we moeten gaan.quot;

Terwijl de dames opstaan, ziet tante Fietje een schoteltje met amandelen en rozijnen, dat nog onaangeroerd op tafel staat. In een oogwenk is de karabies open en glijdt de inhoud van 't schoteltje er in bij de woorden: „'t Is jammer als 't niet gebruikt wordt; de meisjes kunnen ze onderweg wel opknabbelen.quot;

„Zou u er die biscuitjes niet bijnemen ?quot; vraagt Willems spottend, en in zijn oog tintelt iets duivelachtigs als hij er bijvoegt ; „Och Klaassen, geef die biscuitjes eens aan je tante.quot;

Intusschen is de oberkellner genaderd en rekent af; tante Mietekootje betaalt ƒ12.50 voor de vijf couverten en hoewel zij 't zuchtend doet, moet ze toch erkennen, dat zij nog nooit zooveel en zoo lekker gegeten heeft.

„Nu zullen wij ook maar afrekenen, Jan,quot; roept Fietje en haalt haar knipbeursje te voorschijn en vraagt, „hoeveel is het ? quot;

47

ocr page 56

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

De kellner schrijft op zijn bloc-note:

„Viermaal biefstuk met een ei a / 1.40 — maakt ƒ5.60.quot;'

„WSblief ƒ1.40 — en je kameraad zei; biefstuk kost ƒ1.20.quot;

„Accoord, mevrouw, maar twee eieren ƒ1.40.quot;

„Maar man! die eieren waren voor die sla.quot;

„Pardon, mevrouw, de sla is apart, ik had ze haast vergeten, dank u! dus viermaal sla a 20 cents, maakt 80 cents.quot;

„Heer in Den Haag! kost dat beetje sla twee dubbeltjes, de persoon ? quot;

„Vindt u dat zoo duur? quot;

„Mietekootje! Mietekbotje !....quot;

„Wat is er?quot;

„Hij rekent 80 cents voor dat prikje sla.quot;

Mietekootje haalt de schouders op, en praat verder met, Klaassen, die inwendig kwaadaardig is, maar eigenlijk toch plezier heeft, in de verontwaardiging van een zijner kwelgeesten.

„Dan viermaal omelet aux confitures a 60 cents, is/2.40.quot;

„Maar, mensch, ben je gek, zoo'n voddig omeletje met wat pruimenconserf er in, twaalf stuivers?quot;

„Dat is de gewone prijs, mevrouw! dan twee flesschen bier, Burton-ale, a 8o ct. is ƒ1.60.quot;

„Neef! neef! kom eens hier, die vent wil me beetnemen. Hij rekent zestien stuivers voor een fiesch bier, dat is ongehoord ; 1 bij ons kost een flesch best Haantjesbier maar 20^ centen.quot;

„U heeft echt Engelsche ale gehad, mevrouw, die kost nooit minder,quot; antwoordt de Oberkellner, die moeite heeft om zijn lachlust te bedwingen.

„'t Is hier een afzettersboel, zoo iets heb ik nog nooit beleefd. Neef Klaassen! hoor dan toch eens even? .. ..quot; Klaassen is Oost-Indisch doof.

„Alzoo ƒ5.60 en 80 met ƒ2.40 is ƒ8.80, de twee Burton-ale a ƒ1.60 is ƒ10.40.quot;

„'t Is beestachtig hoor! schandalig!quot;

Met onverstoorbare kalmte gaat de kellner voort; „Dan heeft u en de jonge dames galantine genomen, dat zullen we voor dezen keer maar voor drie porties rekenen a 70 cents, maakt ƒ2.10; alles en alles te zamen ƒ 12.50.quot;

Tante Fietje's oogen worden zoo groot als biljartballen bij die laatste woorden, en met een harden slag haar karabies. op tafel zettend, roept ze op bepaalden toon uit:

48

ocr page 57

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

„Dat betaal ik niet, nooit in der eeuwigheid niet?quot;

„Maar u hebt het toch gegeten, mevrouw! quot;

„'t Bleef immers toch over van de anderen! quot;

„Pardon, mevrouw ! de andere heeren en dames waren al gediend ; — 't was een zoo goed als volle schotel, die op tafel stond.quot;

„Zeventig cents per persoon voor zoo'n paar plakjes gehakt, want anders was het niet.....maar neef ! hoor dan

toch eens even, hij wil veertien stuivers hebben voor dat beetje gehakt, 't was niet eens lekker — — — —quot;

„'t Was getruffeerd, mevrouw,quot; merkt lachend de kell-ner aan.

„Daar heb ik geen verstand van — 't is eenvoudig afzetterij hier; /12,50 zeg je, maar dan hebben wij met zijn vieren net zooveel verteerd als zij met hun vijven, dan hadden we warempel ook wel table d'hote kunnen eten. —quot;

„O! zeker, dat was u veel voordeeliger uitgekomen.quot; „Waarom heb je mij dat dan niet gezegd, man ?quot; „Mevrouw wou absoluut a la carte eten.quot;

„Dat had ik moeten weten — waarde neef! luister dan toch eens — och kom eens even hier, roep dien heer eens — asjeblieft. . . .quot;

„Och, mevrouw, dat helpt u toch niet. Meneer Klaassen is hier habitué en weet wel, dat bij ons alles naar een vast tarief is geregeld; — ik krijg twaalf gulden en vijftig cents van u. Service laat ik aan uw beleefdheid over.

„Service, wat bedoel je?quot;

„'t Fooitje voor den kellner.quot;

„Nog een fooi bovendien? ja, dat kun je aan je hart voelen; daar heb je in Godsnaam ƒ12.50 maar zeg aan je patroon, dat 't hier een afzetterstroep is.quot;

„Dank u, mevrouw; 'k zal de boodschap doen.quot; Lr.chend verwijdert ^ zich de kellner en laat tante Fietje, gansch verslagen, alléén.

Klaassen en Willems zijn met de anderen reeds op straat en wandelen langzaam naar het station.

Zenuwachtig van 't kibbelen en het loopen, haalt tante Fietje de wandelaars eindelijk in en geeft haar overkropt gemoed lucht in keur van leelijke namen als; „rooversbende, afzetters, enz. enz.quot;

Neef Klaassen geniet, want hij is gewroken.

49

4

ocr page 58

BENE HEEL LIEVE VERRASSING.

Willems verzekert haar doodleuk, dat aan table d'hote eten eigenlijk de goedkoopste manier van dineeren is.

Tante Mietekootje zegt: „Fie wil je wel gelooven, dat ik te veel gegeten heb; 't was bepaald te overvloedig, ik kan haast niet loopen,quot; een verzuchting die door de ongelukkige Fietje alleen beantwoord wordt met de woorden: „/12.50 voor ons vieren, 't is om razend te worden, en dat alleen voor biefstuk en een omelet; — ik had het moeten weten!quot;

Dicht bij 't station valt het Klaassen plotseling in, dat hij noodzakelijk nog op 't kantoor moet zijn, en Willems herinnert zich, dat hij naar de post dient te gaan.

Hij neemt dus met een: „Tanten, nichtjes, neemt me niet kwalijk, dat ik u hier verlaat,quot; afscheid, en Willems buigt hoffelijk bij de woorden:

„Dames! het is mij een groote eer geweest, met de familie van mijn vriend kennis te maken, -— rechtuit, rechtuit en al maar rechtuit, dan komt u vanzelf aan 't station.quot;

Klaassen is een week lang niet in 't Café restaurant Royal aan tafel verschenen, en toen hij eindelijk weer kwam eten, keken de tafelvrienden hem, naar 't hem toescheen, min of meer medelijdend en ironisch aan en Willems vroeg droogweg : „Heb je al bericht van je familie gehad of ze goed tehuis zijn gekomen?quot;

Klaassen antwoordde knorrig: „Ik weet 't niet,quot; en bleef verder dien geheelen middag uit zijn humeur, omdat zijn vriend er nog bijvoegde:

„'t Waren erg hartelijke menschen; 'k vond het een heele lieve verrassing voor je.quot;

5°

ocr page 59

„ALS 'T GRAFquot;.

Lapjesdag bij Sinkel. 't Is vol, in 't warm en dompig riekend magazijn; een menigte burgervrouwen en juffrouwen, met en zonder kinderen, stuwt, hortend heen-en-weer stootend, lachend, babbelend, dringend en kijkend, tusschen de met restanten stofjes en katoentjes bedekte toonbanken, voor en achteruit. De bedienden en winkeldochters prijzen luidkeels, in haastige zinnetjes, de keurige en nooit zóó weer voorkomende spotkoopjes aan of kibbelen goedlachs, met de altijd afdingende vrouwen.

Juffrouw Smids, haar man is eerste bediende in een galanteriewinkel, en op haar zelf is, zie dat niet aan te merken, is met haar dochtertje, een schraal, slungelig meisje aan 't winkelen, zooals zij dat noemt. Zij heeft bij een kruidenier reeds een en ander gekocht, dat in haar handtasch — een mandje staat zoo erg ordinair — geborgen is en gaat nu een kijkje nemen bij Sinkel, „omdat 'n burger mensch op zoo'n lappiesdag nog'reis schappelijk terecht komt.quot; Eerst drentelt ze, schommelend van dikheid, tusschen de bezoeksters door, duwend en geduwd, tot ze vlak voor de toonbanken komt; bevoelt hier met zaakkundige hand een stofje, en wrijft daar een restantje linnen, tusschen de vingers. Eindelijk wordt zij het, na lang loven en bieden, met den gefriseerden, boven-landschen bediende eens over een coupon wollen stof, juist geschikt voor een jurkje, voor de zich naast haar vervelende Fietje. Ze verovert, na een hartige woordenwisseling met een

ocr page 60

„ALS 'T GRAF.quot;

bijdehandte winkeljuffrouw, een paar lapjes katoen, voor bijna geen geld, en verlaat dan puffend en blazend, maar innerlijk voldaan, het magazijn. Haar tasch draagt ze in de eene hand, onder den arm een groot pak en aan de andere hand trekt Fietje, die twee kleinere pakjes draagt en graag op straat wil.

Op de stoep ontmoet zij juffrouw Maassen, die schuins tegenover haar, twee hoog, boven den spekslager woont. Ze kennen elkander slechts oppervlakkig en houden geen bepaalde vriendschap, maar om elkaar nu zóó hondsch, zonder boe of ba, voorbij te loopen, gaat toch niet aan, — vooral niet omdat juffrouw Maassen plotseling haar lange gestalte en mager, bleek gezicht tot haar overbuigt en met een zoetsappig lachje om den breeden mond, fleemend zegt:

— Heerejé uwes ook hier juffrouw Smids? In geen eeuw gezien m'n lieve ziel — in geen eeuw; hoe vaart u ? — Man ook wel? — Kindertjes gezond?

— Dank u, superber. Fietje zeg jij niemendal?

— Fietje knikt, kleurt even, haalt hoorbaar haar neusje op en steekt dan haar linkerhandje uit. Ze laat terwijl een der pakjes vallen en zegt zachtjes: — Dag juffrouw!

— Kijk me nou zoo'n kind, — neen! je rechterhand Fie! — O Heere! wat 'n stoethaspel, daar leit 't andere pakkie ook al voor den grond.

— Och, kind, kijk dan toch uit — en met een vinnigen ruk de pakjes aanvattend — geef hier, ik zal ze wel dragen, neem jij de tasch maar.

Terwijl juffrouw Smids de stoffige pakjes zorgvuldig afveegt, vraagt juffrouw Maassen:

— 'Reis wezen kijken; naar de lappies?

— Och ja, 'n paar jurkjes gekocht voor Fie en Toos; te geef m'n goeie mensch, te geef! — Juffrouw Smids klopt op 't pak onder haar arm — acht el drie verrel, voor zes en twintig stuivers.

— Gut mensch! dat 's voor niemendal — is d'r nog meer van.

— Geen snars — nou maar ik heb 'm ook z'n hart uit z'n lijf gepingeld, hoor!

— Ja, uwes is niet van gisteren, dat zeg ik altijd — en hoe is 't met je jochie?.... Heere! ziet uwe dat?

— Wat?

— Wie daar uit den hoedenwinkel hierover komt.

52

ocr page 61

„ALS 'T GRAF.quot;

— Dat 's juffrouw Vermeulen, die onder u woont. — Stil Fietje, slinger zoo niet met de tasch. — Wat ziet ze d'r opgedirkt uit. Ze komt hierin . . . Sjuut! . . . .

De twee vrouwen knikken even, als antwoord op een knikje van juffrouw Vermeulen, die, langs haar heen den winkel binnengaat. Als door één ingeving gedreven keeren zij zich beiden te gelijk om en oogen juffrouw Vermeulen na totdat zij tusschen de koopsters verdwijnt.

Juffrouw Maassen schudt haar puntig hoofd een paar maal heen en weer, knipt de oogleden, als een katuil, over de groenige oogjes, schokt haar opgeheven rechterhand, met korte beweging heen en weer en zegt dan fluisterend tot juffrouw Smids: „Nou dat is 't hoedje wèl — heere, heere! wat 'n veer zit er op en blommen, niet zuinig! een dame van de Keizersgracht hoeft er zich niet voor te schamen.

— 'tls een echte veer, dat zag ik direkt, minstens van een gulden of drie.

— Drie? — zeg maar gerust zeven, m'n lieve ziel! Kijk maar reis bij Mars voor de ramen, daar hangen ze precies dito eender en 't zelfde.

— Wat zeit u?

— Sicuur hoor 1 Ik moest mijn man niet om zoo'n hoed komen; hij kost met elkaar wel vijftien gulden.

— Hoe komt zoo'n mensch aan zoo'n duur stuk ? Daar zijn d'r man's verdiensten toch niet naar.

— Ik geloof, dat ie achttien gulden in de week verdient.

— Ja, juffrouw Maassen dat vraag ik me ook af, ze is toch net zoo goed een burgerjuffrouw als wij.

— Nou, hé? — niks meer en niks beter en dan zoo'n hoed, en vlak bij juffrouw Smids oor fluisterend, vraagt zij: — kan uwe zwijgen ?

— Ik? — Als 't graf! — Toe Fie, ga jij hierover 'reis naar die poppetjes kijken. En de kleine een duw vooruit gevend: — alia, toe dan, pas op de tasch — kleine potjes hebben groote ooren, weet u?

— Nou! ze hoeven niet alles van d'r evennaaste te weten, kinderen babbelen zoo gauw.

— Persies ! — maar wat wou uwe van juffrouw Vermeulen zeggen ?

— Zoodra d'r man 's morgens naar 't stadhuis is — hij schrijft daar, weet u — gaat zij de deur uit en even voor hij

53

ocr page 62

„ALS 'T GRAF.quot;

t'huis komt maakt ze dat ze weer binnen is — soms komt ze laat in den avond t'huis, heel laat, dan loopt ze op kousen en voeten; zeker bang dat ik d'r hooren zal, ik woon vlak boven d'r — God zal me bewaren dat ik iets kwaads van d'r zeggen zou — maar wie loopt er nou op z'n kousen hè ? En komt soms over elven t'huis, dat doe je toch zoo niet.

— En d'r man?

— Die? dat's een sufïert, die merkt niemendal of hi, hi! hi! hi! hij wil misschien niets merken — ze schijnen anders goed met mekaar overweg te kunnen, 'n stil huishouwen, d'r is nooit kwestie.

— Och, och, wat hoor je toch rare dingen en ze komt zoo fatsoenlijk voor — zoo! hm! zoo.....

— Jawel, zoo mevrouwerig, 'n fijne dame. Hum! ik zeg maar zoo'n hoed heb je niet voor niemendal — en d'r man is veel ouwer dan zij en geen kinderen — afijn! ze is knap van gezicht en.....

— Ja, dat is ze, hè! hè! hè! hè! Juffrouw Smids lacht kortademig en stootend. — Uwe denkt toch niet, dat ze ... .

— Ik ? — Ik denk niemendal, maar er zijn toch voorbeelden van, niet waar? Och God! ik zou wel de laatste wezen om iets kwaads van 't mensch te veronderstellen, maar ze is me te veel op d'r eigen; je weet niet wat je aan d'r hebt. Ze zeit gemorgen en genavend en meer niks; je hoort nooit reis van d'r, wat ze uitvoert — nooit!

— Dus, stiekum?

— Erg! ze gaat en ze komt, zonder spraaks — afijn! dat is nou ook haar zaak en als zij zoo'n dure veer op d'r hoed durft zetten moet ze 't zelf weten, maar dat 't iedereen opvalt is natuurlijk.

— Ze is anders altijd vrindelijk, dat zei m'n man verleden week nog, die komt d'r dikwijls tegen.

— Och, dat 's casuweel, uwes man ook al? quot;Wel, wel! de mijne zei onlangs nog: wat heb jij toch tegen juffrouw Vermeulen ? 't Vrouwtje is altijd even vrindelijk — en terwijl langs juffrouw Maassens spitsen neus en grooten mond, een leelijke valsche trek glijdt, zegt ze, met den mond bijna in 't oor van juffrouw Smids; — Ze kijkt altijd en eeuwig naar de mannen, let maar eens op als je d'r eens op straat tegenkomt — maar zwijg in Godsnaam d'r van — ik wil de zegsman d'r niet van wezen.

54

ocr page 63

„ALS T GRAF.

— Nou! en ik niet!

—• Ik zeg 't ook maar alleen aan uwo in vertrouwen, want ik bijt liever m'n tong af dan dat ik bij anderen iemand in zijn reputaasje zou benadeelen, dat begrijp u!

Spreekt vanzelf; 't zou ook heel onchristelijk en zondig wezen, want ieder mensch heeft immers fouten en gebreken. — Kom Fie-ie-tje! — wèl thuis juffrouw.

— Van 't zelfde juffrouw Smids — dag kind, zorg jij maar goed voor je tasch — adjuus juffrouw .... en denk er om!

Terwijl juffrouw Maassen, Sinkels magazijn binnengaat, draait ze zich nog even om, en legt met opgetrokken wenkbrauwen en ernstig knikkend den rechter voorvinger op de vooruitgestoken dunne lippen.

Juffrouw Smids knikt geruststellend en zegt zachtjes: Als 't graf.

*

Met Fietje aan de hand gaat juffrouw Smids huiswaarts maar het toeval wil, dat, juist terwijl zij de deur van haar bovenwoning wil ingaan, de vrouw van den drogist, die in het huis woont, op de stoep komt om een luchtje te scheppen. 't Is dus niet meer dan natuurlijke burenplicht, dat ze even een praatje houdt over 't weer, de affaire, de kindertjes en honderd andere belangrijke zaken meer, die twee praatgrage burgerjuffrouwen kunnen bezighouden.

Fietje is met de tasch naar boven gestuurd en weer beneden geweest om de pakjes te halen, ze heeft al een tik gehad omdat ze zoo drensde van; — Moe, kom u nou bove ? maar er is zooveel te behandelen, dat de buurtjes nog niet ophouden kunnen met praten. Intusschen steekt, tegenover haar, juffrouw Vermeulen den sleutel in het slot en verdwijnt door de trapdeur.

De drogistvrouw heeft haar gezien en met breed getrokken mond, vriendelijk knikkend gegroet; dan zegt ze tot juffrouw Smids: — 'n nette vrouw, die van Vermeulen!

— Hum! — ja-ja erg net, hum heel erg!

— O, zoo! — vindt u soms, dat ze niet.. .?

— Ikke, — gut mensch — ik zeg niemendal, ik vind 'r alleen maar, hum! 'n beetje al te gekleed.

55

ocr page 64

„ALS 'T GRAF.quot;

— Hoezoo ?

— „Nou, heb u dat fijne kiepie niet gezien, dat ze op heeft, — 'n duur hoedje, hoor! echte veer, fijne pik!

— Niet op gelet, juffrouw Smids.

— Heere! en 't valt iedereen op, dat zij zóó. . . .

Weer komen twee vrouwenhoofden bij elkaar, al dichter en dichter, ze schudden beurtelings heen en weer of knikken, plechtig, ernstig, deftig.

De woorden: zwijgen — hoed — achttien gulden — man verdient maar zestig gulden 's maands, vrouw altijd de hort op — vliegen als giftige pijlen uit juffrouw Smids mond in 't oor der winkelierster — en als de dikke verhaalster eindelijk schommelend en steunend de trap van haar woning opgaat, schudt de drogistvrouw meewarig het hoofd, terwijl ze aan haar man, die met alle aandacht een pijp laurierdrop, op een hakbord, tot fijne kleine schijfjes snijdt, in vertrouwen meedeelt ■wat haar bovenbuur zeker en heilig weet.

Een oogenblik later komt een goede vriendin, die ook zwijgen kan, in het opkamertje achter den winkel zitten, drinkt veel kopjes slappe koffie en hoort, met half open mond en gretige ooren, een verhaal aan, van een hoed van vijf en twintig gulden, die op het hoofd prijkt van een juffrouw wier man maar vijftig gulden 's maands verdient — en jawel! nu de winkelierster het zegt, is het haar ook opgevallen, dat de bewuste juffrouw, namen noemt ze niet, God zal d'r bewaren, maar ze woont één hoog boven den varkensslachter — zoo 'n straatmadelief is — Hum! Hum! Ja zeker nu herinneren de beide vriendinnen het zich eensklaps duidelijk, ze hebben haar dikwijls tusschen licht en donker met een heer zien loopen, een heer op leeftijd, net van voorkomen; 'n sjentelman, hum! hum!

Een paar dagen later, terwijl, boven den drogistwinkel, juffrouw Smids naaimachine onafgebroken snort en 't bespottelijke koopje in een jurkje verandert, wordt voor de toonbank beneden, juffrouw Vermeulens hoed reeds op dertig gulden getaxeerd, terwijl de winkelierster, aan een buurvrouw, die zoo dicht is als een pot, in vertrouwen meedeelt, dat zij dat spul niet vertrouwt, omdat de vrouw van een winkelbediende, die misschien maar veertig gulden 's maands heeft, toch zoo'n duur stuk niet zelf kan betalen. Vóór dat het jurkje van Fietje zoover af is dat het gepast kan worden, is de sjentel-

56

ocr page 65

„als 't graf.quot;

man een ouwe, rijke, gemeene vent geworden en juffrouw Vermeulens man, een nul, een loeris die — afijn! die z'n oogen in z'n zak heeft. De banketbakkersvrouw van den hoek zou, een dag of wat daarna er meer van kunnen vertellen dan ze bij den drogist heeft gehoord, maar zij houdt niet van praten. Zij is geen vrouw die een ander beschendt en daarom verwijst zij liever de belangstellende, die er naar vraagt, naar de vrouw uit de water- en vuurnering, die er alles van kan weten omdat zij alle dagen aan juffrouw Vermeulen vuur en water levert.

De water en vuurvrouw is evenwel zoo stom als een visch; juffrouw Maassen heeft het zelf ondervonden, want toen zij er haar naar vroeg kreeg ze ten antwoord: — m'n goeie mensch ik kan je geen uitsluitsel daaromtrent geven, bovendien bemoei ik me nooit met de ab- en dependensies van m'n klantjes, want ik moet van allemaal leven; ik zeg niemand iets na, 't zij ten goeie of ten kwaaie — maar ik voor mijn, — zieje, persoonlijk voor mezelf, ik heb 't niet op 'n vrouw, die zich zoo opdrilt — en die soms zoo bij nacht en ontijen t'huis komt — maar ik zal wel de laatste wezen die over 'n mensch praat, bovendien wat je van juffrouw Smids hoort, kunje nog zoo grif niet aannemen, want zonder 't goeie mensch te willen affronteeren; d'r tongetje is, hm ! — met breed op elkander geknepen lippen en loerende oogjes schudt de vrouw haar hoofd — en dat u 't eerst van haar gehoord heb, juffrouw Maassen, verwondert me niks niet, want uwe is de persoon niet om van je evennaaste het ergste te denken, of te vertellen; dat weten we allemaal!

Als 't jurkje voor Fie bijna gereed is gaat juffrouw Smids in den garen- en bandwinkel van juffrouw Kwebbel 't een en ander halen en terwijl zij, omdat er toch niemand anders in den winkel is, met de eigenares een praatje houdt, hoort zij de verrassende tijding, dat Vermeulen van zijn vrouw gaat scheiden.

Juffrouw Kwebbel weet 't positief en als ze er niet secuur van was zou ze 't ook niet vertellen, want alle men-schen bennen niet zooals Juffrouw Smids, die d'r mond kan houwen.

— En waarom scheien ze dan ? vraagt de koopster, zoodra ze kans ziet om een vraag tusschen Juffrouw Kwebbels woordenstroom te zetten.

57

ocr page 66

„ALS 'T GRAF.quot;

— Waarom ? hum ! — ik zou 't u haarfijn kunnen vertellen, maar 't is zoo'n misselijke historie, dat 'n fatsoenlijke vrouw, en vooral een ongetrouwde, zcoals ik, die van zulke dingen niets afweet, der liever niet over spreekt, want de menschen mochten 'reis denken, dat ik hum! hum! — Och God! je moet 'r toch nog beklagen, want een vrouw, die slecht is moet toch door een man die nog slechter is worden overgehaald. —

Juffrouw Kwebbels wipneus en bolbleeke wangen, komen hoe langer hoe dichter bij 't gelaat van Juffrouw Smids, die ze met kleine glinsterende drupjes bestuift, terwijl haar dikke blauwige lippen, over de vooruitstekende groenige tanden heen, in voortdurende versnelde beweging komen als ze den armen Vermeulen beklaagt, die voor veertig gulden in de maand z'n eigen op 't stadhuis uit mekaar moet schrijven en toch niet bij machte is om zoo'n pronkster tevreden te stellen. O, juffrouw Kwebbel zou nog heel wat meer kunnen vertellen, als ze niet zoo bang was om iemand in zijn eer te grijpen of te kwetsen en daarom zwijgt ze liever, dan heeft ze ook niets te verantwoorden maar — dat wil ze toch nog zeggen, dat zij, als die madam met 'r mooie hoed voor haar fatsoenlijke toonbank komt, geen conversaasje voor d'r over heeft, maar d'r zonder boe of ba zal helpen aan 't geen ze komt koopen.

Zondags, veertien dagen nadat het spotkoopje is aangeschaft, heeft Fietje voor 't eerst haar nieuwe jurk aan en wandelt met vader en moeder voorbij Vermeulens woning, waar de gordijnen zijn neergelaten.

Als juffrouw Smids naar boven kijkt, zegt ze tot haar man : — Alles dicht, zij is bepaald weer uit; 'k heb d'r man, een half uurtje geleden thuis zien komen, die sukkel! Je moest hem eigenlijk waarschuwen, dat hij zoo . . .

— Ik dank je! — ik bemoei me niet met een andermans zaken; ik hou niet van praten-

— Neen! dat weet ik en 't is vervelend genoeg; jij vertelt niets, en van jou hoor ik nooit wat, al zou je de Hemel weet wat weten.

— Zoo!

— Ja — jijlui praten in 't koffiehuis anders genoeg!

— Och!

— Meer dan wij misschien.

58

ocr page 67

„ALS T GRAF.

— Hum!

— Maar wij vrouwen hebben den naam.

O, zoo laat je me aanpraten, best! dan zwijg ik ook.

Een schuinsche blik en een ironisch glimlachje van mijnheer Smids doen zijn vrouw inderdaad een poos verstommen.

* *

*

Juffrouw Vermeulen is echter wèl thuis, evenals haarman.

Ze zijn in de achterkamer.

Hij loopt, zwijgend, met de handen op den rug, 't hoofd voorover gebogen, de kamer op en neer en zij zit bij de tafel, schreiend.

Eindelijk staat Vermeulen stil, zucht een paar maal diep, en zegt: 't Is Godgeklaagd! en weet je niet. wie je dat gebakken kan hebben?

— N-neen! ik heb nooit iemand kwaad gedaan, niemand beleedigd, — 'k heb de oudste werkster wel een paar maal onderhanden genomen, omdat ze zoo luierde, maar____

— Huil niet vrouw! ik zal er verhaal opzoeken, dat verzeker ik je, want 't gaat maar zóó niet om een fatsoenlijke vrouw de kroon van 't hoofd te nemen. Kom! wees bedaard, —• hij buigt zich tot zijn vrouw over en zoent haar hartelijk.

— Kom ! ik ken je toch door en door, ik weet dat 't allemaal leugens, verdomde, gemeene leugens bennen.

Hij neemt een stoel en gaat naast haar zitten. Word nou eens bedaard Marie, snik zoo niet, ik weet immers, dat je een goeie vrouw voor me bent, dat je even hard werkt als ik, tot 's nachts toe, als 't druk is op 't atelier, maar dat madam 't gelooft, dat begrijp ik niet van haar; ze kent je toch ook niet van gisteren, maar ik ga er heen, morgen den dag en ik zal....

— Och, 't helpt toch niets, ze lacht er om en... weer begint juffrouw Vermeulen te schreien, zóo hartstochtelijk, dat haar man een glas water haalt en 't haar met een zacht;

— bedaar nou toch; vertel me liever geregeld hoe 't was — laat uitdrinken.

Eindelijk kalmeert zij een weinig en verhaalt haar man, in korte afgebroken zinnetjes, nu en dan met een snik of een

59

ocr page 68

„ALS 'T GRAFquot;.

zenuwachtig schokje, hoe ze al eenige dagen lang gemerkt had, dat de meisjes op 't atelier haar nu en dan spottend aankeken, de hoofden bij elkaar staken en gniffelden, elkander aanstootten en 't blijkbaar over haar hadden.

Dikwijls hoorde zij, in de gang, hoe ze in 't atelier lachten, en giegelden; soms meende ze haar naam te verstaan en als ze dan weer binnenkwam zwegen eensklaps allen en keken haar grinnikend of brutaal aan.

Een aanmerking, die ze, vrij kras, de oudste werkster, een leelijke, lange, luie meid, over herhaald slordig werk had gemaakt, was met een brutaal ontkennend gezegde beantwoord en toen juffrouw Vermeulen eindelijk zei: — Jij moest liever zorgen, dat je op je tijd hier was, had de werkster haar de woorden; — „En jij moest liever op je eigen gedrag lettenquot; onbeschaamd in 't gezicht geslingerd. — De andere meisjes hadden stiekum gefluisterd en spottend gekeken, terwijl zij schijnbaar verbazend hard doorwerkten, 't Eene woord lokte 't andere uit en juffrouw Vermeulen gaf de oproerige haar ontslag.

In 't middaguur, terwijl de werksters haar boterham aten, kwam een der meisjes, in de andere kamer, bij haar en zei met een hoogroode kleur, min of meer stotterend eerst, later in een veel te vlug tempo; — dat zij heusch de juffrouw altijd graag had mogen lijden en dat zij daarom niet velen kon, dat er zóó over de juffrouw werd gesproken en dat madam — de hoedenmaakster was een fran^aise — 't ook al wist, maar dat die brutale Jet 't niet had moeten zeggen, want dat 't toch wel niet waar zou wezen, omdat de juffrouw een fatsoenlijk mensch was en dat zij 't al tegengesproken had zooveel en waar ze kon omdat zij van de juffrouw hield en .... verschrikt had juffrouw Vermeulen haar gevraagd: — maar kind! wat vertellen ze dan toch van me; wat ? — en 't geen zij toen hoorde klonk haar zóó verbazend vreemd, zóó onzinnig, dat ze in een helderen lach schoot, maar onmiddellijk daarna woedend werd, toen zij 't slot der mededeeling hoorde: — en nou zegt iedereen: dat u van je man gaat scheien, omdat u een ander heeft____ en dat weet de heele buurt.

Ontsteld, zenuwachtig en verdrietig, klopte juffrouw Vermeulen aan de deur van 't bovenmagazijn waar Madame Robinol, een korte, dikke, veertigjarige Fran9aise, bezig was bloemen uit te zoeken.

6o

ocr page 69

„ALS 'T GRAF.quot;

Madame stond bij een zwart gelakte monsterkist en draaide, met een der inlegbakken in beide handen, haar dik bovenlijf op de breede heupen half om en vroeg toen ze haar „premiere ouvrièrequot; in de kamer zag komen; — Eh bien?

Juffrouw Vermeulen zweeg, slikte, de stem stokte haar in de keel; dat korte: „Eh bien!quot; had haar van streek gebracht.

„Quy a-t-il ? — Watte isse er? herhaalde madame terwijl zij den bloemenbak neerzette; — des fieurs?

— N— neen! madam, ik kom u een ophelderins: vragen, ik----

— Oppe-elderienge ? comprends-pas — watte isse kebeurt, jij bleek, kroot keskrikt, peut-être?

— Ik wou u vragen madam, waarom u mij niet gewaarschuwd heeft, toen u wist dat er zulke schandelijke praatjes over mij in omloop waren; schandelijken laster!

— Skand ? de Fran9aise lachte en schudde haar reeds peper- en zoutkleurige coiffure eens heen en weer — mais c'est trop fort! — die mens noemt ier so kauw skand.

— Maar u wist toch madam, dat men mij belasterde en u zei 't me niet. U gelooft toch niet dat ik .... ?

Madame keek, met een spottend glimlachje om haar dikke vleezige lippen, uit de hoekjes van haar zwarte, glinsterende oogjes naar juffrouw Vermeulen, die met de handen zenuwachtig aan haar werkschort plukkend voor haar stond; toen greep ze langzaam een camelia uit de doos en nam met een klein gilzuchtje plaats op de tabouret achter haar, die even kraakte en piepte. Langzaam de fiuweelige camelia tegen het zwartige dons onder haar kleinen wipneus wrijvend vroeg ze luchtig:

— En datte maak u 'uil ma petite Marie ? — ne vaut pas la peine, ha! ha!

— Maar Madam, denkt u dan ...quot;

— Ikke denke alleen: trés trés naturel — ikke bekrijp eele koet; ce n'est pas sérieux, maar alleene une petite liaison, pour se distraire.

— Groote God, Madam I ik verzeker u toch, dat ik een eerbare vrouw ben, dat ik ... .

— Certainement! 9a n'empeche pas — eele mooi kezeg, maar ikke ken die wereld ; mei, j'ai vecu moi meme un peu, aha, ha, ha, ha!

ocr page 70

„ALS 'T GRAF.quot;

En terwijl madame de camélia, met een elegante handbeweging, weer in de doos wierp, schaterde ze zachtjes, met guitige oogknipjes en de rechterhand als vermanend op en neer bewegend;

— Ha, ha, ha, ha! nous connaissons 9a — seulement soijez plus prudente Marie! — en plotseling ernstig wordend: — Mare, ikke zal tok zek aan die ouvrières, datte zij plus discrètes moet zijn.

— Maar Mevrouw, ik kan hier toch niet blijven als u me verdenkt, dat....

— „Kekheid, allemale kekheid, je suis trés contente de vous, u werke isse koet enne de vos affaires particulières, ikke mij niette bemoei.

— Madam! geloof me dan toch, 't is alles leugen, laster en ....

Lachend haalde de Frangaise de vette schouders op, knipoogde een paar maal schalks en zei toen droogjes;

— Naturellement, dat begrijpe ik eel koet!

*

:te

Toen de buurt hoorde en zag dat Vermeulen en zijn vrouw niet gingen scheiden, maar eendrachtig voortleefden zonder iets aan hun gewoonten te veranderen, zei men; — dat hij wèl een erge lummel moest wezen of dat 't misschien toch niet waar was geweest, — „God weet, de menschen zeggen zooveel!quot; maar niemand dacht er aan om de afgebroken reputatie van 't jonge vrouwtje weer op te bouwen; iedereen zweeg — „als 't grafquot;.

02

ocr page 71

„OUDE ZEELUI.quot;

't Is nacht en ruw weer!

In de Prins-Hendrik-Stichting te Egmond aan Zee brandt nog licht; 't beschijnt een aantal oude, verweerde, gerimpelde gezichten.

Ze konden nog niet besluiten om naar bed te gaan, die oude Zeelui, want als 't waait en stormt buiten, zooals nu, spreekt de wind tot hen van vroeger jaren, toen ze nog jong waren, veerkrachtig en sterk. Dan komen allerlei herinneringen bij hen op en praten ze samen over den ouden tijd.

„'t Wordt proestig buiten,quot; zegt Manus, een bijna tachtig jarig scheepstimmerman, die wel kreupel, maar overigens kras en gezond is. Zijn tanden heeft hij nog en daardoor klinkt zijn stem forscher dan die der anderen. Met den steel van zijn pijp naar de vensters wijzend, voegt hij er bij; „Over een uur hebben we vliegend weer.quot;

„Dat kan best wezen,quot; bromt ouwe Jan, den oudste der verpleegden, en tot een naast hem zittend, ineengedoken man, roept hij: „Dries, jong! — hoor je buiten den wind niet?quot;

„Hè, wat is er?quot; antwoordt Dries even opziende.

„Hij hoort 't niet, 't kuiken wordt hoe langer hoedoover; d'r is niks meer aan hem an. Zuig jij maaropjepijpie, jongquot; en tot den scheepstimmerman vervolgt ouwe Jan; „Zeg, Manus, door den wind kwamen we van 't apperpo af, waar was je ook weer gebleven?quot;

ocr page 72

„OUDE ZEELUI.quot;

Manus drinkt zijn kom koffie uit en antwoordt: — „Ik zei dan, dat ik Arie Knoester zou gaan begraven.

„Juist. Juist! en dat je samen afgemonsterd was.quot;

„Accoord! toen Arie en ik van boord kwamen, hadden we een aardige duit op zak en was 't krek kermis te Amsterdam.

„Dat trof jelui, dan zullen de duiten wel gedanst hebben.quot;

„Ja, ouwe, en wij ook — we gingen d'r van door, dat 't 'n lust was, en ik ben in een dag of acht niet heelèmaal bij m'n positieven geweest.quot;

„Ha! Ha! Ha! jelui waren een paar beste jongens.quot;

„Accoord! — we hebben tenminste niet als monniken geleefd. Nou moet jelui weten, dat in die dagen — ik spreek nou van 'n goeie vijftig jaar geleden. — Arie Knoester bij een oome van hem, een slaapbaas in de Anjeliersstraat, verzeild was geraakt, en ik lei bij Manke Janus in de Wieringer-straat voor anker. We hadden samen van alles gedaan, hoorie! — gedanst, naar de komedie geweest met 'n paai aardige dingetjes, die we onderweg hadden opgepikt; hoe ze heeten wisten we niet, maar 't was goed soort, hè hè hè! —

„Kijk zoo'n ouwe hulk! — zeg, 't is goed dat 't toen was, nou zouen ze je bedanken, als ze je zagen met je kale knikker.quot;

„Afijn! we hadden effectief plezier gehad en omdat mijn duiten zoo goed als op waren, zei ik tegen Arie: nou moet ik noodzakelijk 'ris 'n paar dagen naar m'n familie te Haarlem. Hij bracht me aan de schuit en ik zei: — Ajuus, zachtjes an hoor maat. Toen ik een week later weer bij mijn slaapbaas kwam, zei die: Manus d'r is een dooie-briefje voor je bezorgd en hij gaf me een pampier met 'n zwarte rand erom. Lees jij 't maar manke, zei ik, want met gedrukt schrift heb ik nooit al te best overweg kunnen komen — en zoo las ie dan : te Amsterdam is op den 25 September overleden Arie Knoester, UEd. wordt Donderdag om 12 uur ter begraving verzocht met mantel en bef.

Wat is dat nou, vroeg ik aan Janus, met mantel en bef?— Nou, zei die, dat is zooveel als voor de nettigheid en 't fatsoen; je kan je maat toch niet in je hemdsmouwen gaan begraven.quot;

„Jawel!quot; valt ouwe Jan in. „Zeker! dat was in dien tijd zoo de mode, zoo heb ik m'n ouwe mensch — men vaar heb ik nooit gekend — ook nog helpen begraven. Ja toen ter tijd

64

ocr page 73

„OUDE ZEELUI.quot;

werd 'n mensch nog netjes en christelijk door z'n bloedeigen naar z'n graf gedragen. Nou ga je met huurspul in een koets weg; 't is mooier — maar niet zoo hm!... Zoo hartelijk zie je . . . .quot;

„Zooals gezeid, ik zou dan meegaan den volgenden dag en afijn! ik was d'r toch een beetje beroerd van, dat m'n maat d'r zoo in eens was uitgedraaid, daarom had ik 's avonds met den Manke al zoo 't eene glaassie na 't andere genomen, om Arie zooveel als te betreuren, vat je?quot;

„Jawel, jawel, dat begrijp ik.quot;

„Den anderen dag, was ik 'n beetje melig en om me wat op te frisschen nam ik vóór ik naar die begraving ging een paar ferme oorlammen en raakte weer aan de praat over Arie, zoodat 't bijna elf uur was voordat ik er aan dacht, dat ik nog zoo'n uitmonstering, zoo'n suikerjurk moest gaan huren. — Janus wees me een rouwwinkel in de buurt van 't sterfhuis en aangezien d'r 'n fatsoenlijke herberg naast was, draaide ik daar even in om 'n hartversterking te nemen vóór ik in die zwartigheid dook. Zie je, 't was ook zoo'n raar geval om aan den wal je maat over de fokkeschoot te laten —; dat ik rondeman gezeid 't land had.

Ik ging dien rouwwinkel binnen.

„Goeie morgen,quot; zei ik tegen de juffrouw, die d'r in stond — „m'n maat Arie, bootsmaat van de Zeehond is dood; je moet z'n groetenis hebben en aangezien ik 'm er vandaag moet helpen ondermoffelen, moet jij me 'reis netjes optuigen. Kijk maar op 't pampiertje daar staat op, wat ik hebben moet.quot;

„Mantel en bef?quot; vroeg de juffrouw — 't was 'n ouwbakkie, maar anders 'n vrindelijk mensch, — „daar zal ik uwé aan helpen.quot; Ze haalde zoo'n lange zwarte purgeerjurk voor den dag, en zei: „Past uwé die maar 'reis aan, uwé is nogal lang van postuur, die zal wel goed wezen.quot; Toen hing ze me een soort van 'n bovenbramzeil onder men kin en zei; „Nou ziet uwé d'r netjes uit, — maar wat heeft uwé op?quot; Wel! riep ik, m'n toppie — maar zij vond dat niet passelijk, niet hoog fatsoenlijk-zie je en ze zei: „U moest d'r 'n steek bij nemen, dat 's fijn en maar acht stuivers extra.quot; Vooruit maarManus! dacht ik, t is toch 't laatste wat je voor Arie doen kan — en ik zei dus: Geef dan maar op; maar 'n mooie; al kost ie'n gulden.

Daar haalt me dat mensch zóó'n groote schuine zesriems-barkas voor den dag en wil me die op m'n knikker zetten.

65

5

ocr page 74

„OUDE ZEELUI.quot;

Vastdraaien! roep ik, dan zal ik toch liever bij m'n toppie blijven; met zoo'n ding op word ik topzwaar en ga kopsijsen, maar d'r hielp niks an; 't toppie wou zij niet, — ik wou die schuine barkas niet en daarom werden we 't eindelijk eens over een hoogen hoed met 'n zwarten wimpel er an.quot;

„Dat zal jou wel aardig hebben gestaan, Manus!quot;

„Nou! Toen ik op straat kwam keken de lui me an. Een paar jongens riepen me wat achterna; ik verstond het niet. Afijn! 't kon me ook niet veel schelen — dat was kinderen-spul — maar toen d'r een kerel kwam die me vierkant in men gezicht uitlachte, smeet ik hem mijn hoed vlak in zijn tronie en ze: Zóó! dat 's je waarschuwing, — ga nou uit m'n koers of ik zal je d'r een voor je kluisgaten geven — en toen lieten ze me verder met rust.

Op den hoek van de Anjeliersstraat was weer 'n fatsoenlijke herberg, daar liep ik nog even binnen en terwijl ik'n bittertje nam zei de kastelein; „Je moet zeker bij de begrafenis wezen hier in de straat, je mag je wel reppen, want de baar staat al voor de deur. — Kijk maar!quot; 't Was zoo — ik d'r naar toe.... 'k moest nog een heel eind de straat in.

Die verdomde, lange zwarte jurk, zwabberde tusschen men beeneh en m'n wimpel raakte telkens onklaar, maar afijn I ik kwam toch voor de deur bij een hoop kraaien.

Een van die leelijkers zei : „Gaat u maar naar bovenquot; en ik enterde de trap op.

Op een voorkamer stond de last — heel mooi en deftig — een stuk of vier mannen stonden er bij en drie juffrouwen waren d'r ook. Zeker kennissies of koffiemaats van Arie, dacht ik, waar ie 't laatst mee uit is geweest.

Ze keken me raar an toen ik fatsoenlijkerwijs mijn hoed afnam en zei: „Goeie middag samenquot; — en een van die mannen ging net naar me toe of ie wat vragen wou — maar juist op dat oogenblik kwam de opperkraai de kamer in en vroeg: „Blieven de vrinden de overledene ook nog te zien?quot;

Een paar van die meissies begonnen zoo'n beetje te janken — 't is beroerd dat er altijd zooveel huilerigheid bij dooien is — maar ik zei: „Wel zeker vader, laat jij maar 'reis kijken.quot; Toen deê die opperste het deksel open. Iedereen keek er op z'n beurt in en begon te grienen — waarachtig de kerels oamp;k! — 't liep de spuigaten uit.

Nou was 't mijn beurt en omdat ik rampzalig van'm schrok.

66

ocr page 75

„OUDE ZEELUI.quot;

zei ik zoo rondeman weg: „Kristes, Aria, wat ben'jij veranderdquot; en meteen vroeg ik aan een van die meissies: „waarom heb jelui 'm geschoren — dat 's jammer, hij had zoo'n mooie baard.quot;

Daar had je de poppen aan 't dansen, ik dacht dat ze me allemaal te lijf wouwen en de juffrouwen vielen in der zenuwen.

„Wat zegje!quot; riep een van de kerels en ging vlak voor me staan; „Geschoren? — Tante Krissie geschoren? Wat beduidt dat?quot;

Nou, hou je maar gedekt, zei ik — is 't je tante ? Dat maakt 'n different — ik dacht, dat 'k m'n maat Arie Knoes-ter zag.

„Knoester! maar dat 's de slaapbaas uit de Anjeliersstraat,quot; gilde een van de meissies, die weer uit de zenuwen kwam en ik zei — Accoord, is dat dan hier niet?

„Wel neen, man, je bent hier in de Tuinstraat, de naam staat toch op 't bordje aan den hoek; zag je dat dan niet?quot;

Ja wel, zei ik, maar met gedrukt schrift kan ik niet te best overweg.

Toen begonnen ze weer op te spelen en te parlementeeren, dat 't zooveel als schande was en dat ik me schamen moest en meer van die tierelantijntjes. Stop! riep ik toen — vast 'reis even — was je tante een „braaf wijf?quot;

„Dat was ze!quot; zei die eene juffrouw en de anderen begonnen allemaal in eens; „Nou! — 'n godvreezende vrouw!quot;

Ferm, zei ik, dat doet me plezier, — ik heb nou toch de spulletjes d'r voor an — dan zal ik je tante helpen begraven — Gooi nou maar los den boel — en — vooruit! —

't Leek wel of ze dol werden toen ze dat hoorden, want ze drongen ineens allemaal op m'n boddij — ik raakte haast onder den voet en hoe ik die trappen afgekomen ben, kan ik me niet best meer herinneren, maar ik was in een oogen-blik op straat en ik had een juffrouwenhoed in m'n hand.

„En hoe liep 't met Arie af?quot; vraagt Jan heel ernstig, terwijl de anderen lachen.

„Manjefiek! — toen ik 's avonds 'n heel klein beetje sikker in m n slaapstee kwam, zat ie al, met 'n grokkie voor 'm, op me te wachten en....quot;

„He? — Wat? — Die dooie Arie?quot; klinkt het van drie kanten te gelijk.

67

ocr page 76

„OUDE ZEELUI.quot;

„Wel neen! hij was niet dood, dat had ik dadelijk in de peiling —quot;

„Maar dat bekendmaking-briefje?quot;

„Nou, dat was van z'n oome, de siaapbaas uit de Anjeliersstraat, die heette net als hij.quot;

„Maar Manus, had je dat dan niet gezien aan den ouderdom, die staat toch op zoo'n brieve,quot; vraagt Jan.

Wel ja! we hadden daar naar al die dingsigheden gekeken, we waren al blij dat we samen den naam wisten.

„O, o, o, o!quot;

De storm wordt heviger, de wind buldert in den schoorsteen — de ruiten trillen.

Manus luistert even, zegt hoofdschuddend naar de deur ziende; „Jonges, jonges,quot; en vervolgt dan; „Arie had van wegens, dat 't zoo hoorde bij de fatsoenlijkheid en doordien ie m'n maat was, me ook zoo'n begravingsreceppie gestuurd; en omdat ik niet gekomen was, kwam hij 'reis zelf poolshoogte nemen. — Jonges jonges — wat begint 't nou buiten te blazen — hoor 't 'reis fluiten. — Afijn — Arie had 'm leelijk om — dat merkte ik, want hij werd lastig omdat ik z'n oome d'r niet onder had geholpen. — Hij zei dat ik hèm daardoor veroneerd had, maar toen hij verder spul met me zocht, kwam de siaapbaas tusschen beiën. We zouen 't mekaar anders op de stoep gaan uitleggen.

Ik had m'n baaitje al uit en Arie ook — maar de baas bracht 'm an z'n verstand, dat ie als 'n koekebakker dee, want dat 't krek eender en 't zelfde was of ik z ij n oome of 'n ander zijn tante begraven had en toen werden we weer maats — bliksem! nou is 't meenens buiten — we hebben 't afgedronken en 's avonds laat hebben we samen nog 'n danssie gemaakt in de Fontein.

Een hevige windstoot doet het gebouw trillen, de glasruiten geven een klagenden toon en de deur springt open. 't Is noodweer geworden!

Allen zwijgen. Manus schudt het hoofd, een van de anderen doet de deur dicht en ouwe Jan zegt eindelijk; „Luister, je kunt hier de branding hooren — 't is dan erg van nacht, daar gaat weer menig brave jongen mee naar de haaien.quot; Langzaam neetnt hij zijn pet af en zachtjes voegt hij er bij;

„God zij d'rlui arme zielen genadig.quot; Een paar van de maats zeggen binnensmonds „Amenquot; en allen nemen de pet-

68

ocr page 77

„OUDE ZEELUI.quot;

ten af; alleen doove Dries kijkt onverschillig voor zich uit.

„Zeg! aap van een jongen, kun jij geen asem geven,quot; bromt de negen en tachtigjarige, en een tamelijk krachtige duw tegen de schouders van zijn buurman doet dezen opzien en vragen: „Hè, wat is er?quot;

„Doe je pet van je kalebas, zooals de anderen! Och, maar

je verstaat me niet, hè? Nou dan zal ik 't voor je doenquot;____

De pet wordt een oogenblik door ouwe Jan van des dooven schedel gelicht en als deze verwonderd vraagt; „Wat moet dat nou?quot;, antwoordt hij: „'t Is al goed, hou je gemak maar!quot;

De overige zeelieden lachen om dit zonderlinge voorval en een hunner schreeuwt zoo hard hij kan: „Je vaar wil je fatsoen leer en, Dries!quot;

„Net alsof aan die aap fatsoen te krijgen is,quot; pruttelt ouwe Jan en, zich omwendend, vraagt hij; „Heb jelui 't ooit zoo gezien, vaar en zoon in één gesticht, aardig hè ? Ja, 't is een casuweel geval!quot;

„Hoe ben jelui toch zoo samengekomen, hier in de stichting?quot; vraagt Manus, die met beide ellebogen op de tafel leunt. „Zeg! 't is nou toch een aangebroken achtermiddag, ouwe Jan, vertel 't reis.quot;

„Ja! zegt een ander, die naast den doove zit en meteen schreeuwt hij dezen in 't oor: „Ze hebbeji't over jou, Dries!'

„Zoo! — vraag 't maar aan mijn vaar!quot; is 't vrij onverklaarbare antwoord.

„Jawel, zoo gaat 't altijd,quot; bromt ouwe Jan. „Vraag't maar aan m'n vaar, — daarmee maakt die snuiter zich van alles af, maar afijn! 't Is nou eenmaal zóó en daarom joggie!.....

De oude man klopt zijn zestig-jarigen zoon goedig op den schouder, „daarom zal ik 't maar doen; je bent nou eenmaal zoo'n ongelukkige doove narigheid geworden en.....quot;

„Waar heb jelui 't toch over?quot; vraagt Dries, en als hij naar zijn vader opziet, is het aan zijn doffe, roode oogen duidelijk te bemerken, dat hij weinig of niets onderscheiden kan.

„Over jou, joggie!quot; schreeuwt ouwe Jan.

„O zoo! ga je koers maar. . . . 'k heb slaap.quot;

„'k Zal je temet naar kooi brengen!quot;

„Hm!quot; de doove knikt en rookt.

„'t Gaat toch al wonderlijk in de wereld,quot; zegt nu ouwe Jan tot de anderen. „Toen die rakker nog met zijn bloote beenen in moeders schoot lag en schreeuwde als een speenvar-

69

ocr page 78

„OUDE ZEELUI.quot;

ken, zei m'n wijf dikwijls: „Och, Jan! leg jij 't wurm eens in zijn wieg, bij jou is hij stil.quot; Nou! ik deed 't met plezier; ik pakte hem op, och heere! quot;t was of je niks niemendal in je handen had, en 'k lei hem op zijn bultzak — en nou op mijn ouwen dag moet ik hem waarachtig weer te kooi leggen, omdat hij alleen geen koers houen kan —niet waar joggie?quot;

„Hij mag van geluk spreken, dat jij 'm nog loodsen kunt,quot; zegt een van de maats die tegenover Dries zit en, tot de overigen zich wendend, vervolgt hij: „|an mag er nog wel wezen, hij is waarachtig nog de kraste van ons allemaal.quot;

Eenigszins gevleid door dit gezegde, antwoordt de oude man: „quot;k Geloof, dat ik jelui nog één voor één in je want kon nemen, als 't noodig was, maar daar niet van. — Nou! zooals ik zei, ik heb altijd met den jongen opgetobt zoolang hij klein was, maar toen hij over mazeltjes en pokkies heen was, groeide hij als kool.

'k Heb hem als zwabber meê naar boord genomen en ik ben jandori zelf z'n zeevader geweest — aardig hè ? — Maar lang heeft 't niet geduurd; toen werd 't 'n misse boel, m'n wijf ging dood — jammer! want ze was best — 'n mirakel van goeiigheid — afijn! 't was niet anders — maar wij hadden geen t'huis meer aan wal en ieder stuurde nu zijn eigen koers.

We hebben mekaar af en toe wel ereis gezien, maar er verliepen soms jaren, dat we niet in mekaars kielwaters liepen, 't Was of 't spul sprak, was hij in de Oost, dan was ik in de West, en eindelijk wisten we niks meer van elkaar af. Driemaal heb ik schipbreuk geleden en ieder keer was ik m'n hebben en houwen kwijt, maar telkens kwam ouwe Jan zelf weer boven water, nakend als een rot en met honger voor drie, hoor je!

Ik heb altijd moed gehouwen en gevaren zoolang ik kon, maar den laatsten keer dat ik aanmonsteren wou, kijk! toen heb ik m'n nagels in m'n handen moeten zetten om niet te gaan huilen als een oud wijf, want toen zeiën ze me: „Jan! je bent te oud om te varen.quot;

Te oud! o! dat is zoo bedroefd om te hooren, vooral als je voelt dat je handen nog aan je lijf zitten, — maar 't was m'n borst, zie je? Die lapte 't me; die vermoerde kortademigheid heeft me verlakt!

Jantje, dacht ik, — nou kun je met een orgel gaan loopen.

7°

ocr page 79

„OUDE ZEELUI.

Afijn! ik ben als een lekke barkas door 't leven gesukkeld; ik heb van alles gedaan, en 't soms beroerd genoeg gehad, maar ik heb toch gegeten, al was 't er dan ook naar — geen spek in de balie, hoor je! En 'n oorlam ? Ho, maar!

Je moet zien, dat je in de bedeeling komt of in 't Diaconiehuis, zei een nicht van me, die een koomenijswinkel hield; ze mocht me nog al lijden en was de eenigste die me zoo nu en dan ereis aan den bak vroeg. Zij gaf me 't adres van den Dominee, die er over te zeggen had.

Ik naar 'm toe. 't Was 'n aardige kerel met 'n buik als 'n oorlogsschip en een ongetuide presenning om z'n hals.

Dominee! vroeg ik, ken jij me niet in 't Diaconiehuis stoppen, je zou me een allemachtig groot plezier doen. Maar hij kon niet, 't speet hem wel, „ik was geen lidmaat van de gemeente en niet bedeeld geweestquot; en meer van die aardigheden, zei die. Ik snapte 't wel niet goed maar — afijn! dat kon de goeie man niet helpen ; 't ging hem aan zijn hart, dat kon ik aan 'm zien.

Kort daarop kwam die nicht van me te sterven, en ik had daardoor niemand meer, waar ik ereis aan boord kon komen, 't Werd 'n benauwde boel; van Dries had ik in jaren niets gehoord en ik dacht al zoo bij me zelf; 'tjoggie heeft zeker een buikie vol zeewater gekregen en genacht gezeid.

Op een klein zolderkamertje in een nauwe steeg heb ik toen een heele tijd zitten koekeloeren en matjes gevlochten, die ik niet verkoopen kon — en als ik dan koud was en honger had, dacht ik: Jan! je wordt te oud, beste jongen ! — magere Hein schijnt jou te vergeten, zou je hem maar niet een eindje te gemoet zeilen? Maar. . . hm! — ik bleef toch waar ik was en 't is heel goed geweest ook, want op een mooier, dag kom ik een ouwen baksmaat tegen, goed opgetuigd en met een gevulde tronie. Hij was in de Stichting — nou is hij ongelukkig al dood — die heeft gemaakt dat ik hier voor anker ben gaan liggen. Zie je maats! als je zoo van lager wal weer 'n beetje vlot raakt dan begin je ook zoo over een en ander te prakkezeeren en daardoor kwam het danr dat ik weer aan mijn Dries begon te denken.

Ik piekerde zoó bij mezelf: God weet hoe die jongen — hij loopt nou ook al naar de zestig, — 't in de wereld heeftr als hij niet... Hm! aardig hé! dat je zoo 't vaste idéé kan krijgen, hij is niet naar de haaien, 'n Oud mensch kan alevel

71

ocr page 80

„OUDE ZEELUI.quot;

zoo z'n eigen prakkezasies hebben en ik had er nou een over m'n Dries; ik dacht maar aldoor: 'k wou dat die jongen hier ook was ... en op 'n mooie morgen zit ik in 't zonnetje voor de deur; ik piekerde weer zoo over alles en nog wat, daar komt een van de heeren met een ouwen halfblinden kerel aanzeilen. Ik weet niet hoe 't kwam, maar 't was net of iemand me in m'n nek sloeg en zei: „Jan! daar is ie. — Kijk 'm ereis goed in zijn vóórsteven — 'tis Dries!quot;

En 't was 'm — niet waar joggie? ik praaide je dadelijk... Zeg! Dries, slaap je? Waarachtig hij is onder zeil hoor! — Nou ! laat hem maar slapen.

Veel spraaks heeft hij niet over voor 'n ander, maar zooveel heb ik wel van hem gehoord, dat hij zoo ongeveer 't zelfde toertje door de wereld heeft gemaakt als z'n vaar, en daarom ben 'k blij dat ik hem hier aan zijn boddy nog eens goed kan doen. — Ik zal 'm nou maar wakker, maken. — Kom, slaapos! — 't Wordt tijd om te kooi te gaan. — Hei! — Ho! Sta je nou studdij ? — Vooruit dan! — Hou je maar aan je vaar vast.

Geeuwend en zich uitrekkend staat de doove op. Oude Jan zegt: „Genacht maatsquot;, en brengt hem naar de slaapzaal. De anderen volgen en weldra is alles in de stichting in rust.

Buiten neemt de storm steeds in hevigheid toe, groote witgrijze wolken voor zich uitjagend en de branding opzweepend tot één schuimmassa. Woedend slaat hij neer op 't vlakke strand, wild huilend over de duinen.

De oude zeelui kennen den storm wel: als lichtmatroos, als jongen floot hij reeds om hen heen, als ze hoog op de ra's de zeilen moesten reven. Meer dan één kameraad heeft hij weggevaagd; weg! in één oogenblik, het donkere water, de vraatzuchtige haaien tegemoet. Ze zijn gewend aan zijn brullende stem, hun leven lang; maar toch heft nu en dan een der ouden het hoofd nog eens op in den nacht, droomend dat hij het noodschot hoort — en als een tweede ontwaakt spreken ze zacht over den wind, die weer zooveel menschen-levens komt halen en ... . dan dommelen ze zachtjes weer in.

Alleen de storm blijft aan het woord. Woedend loeit hij voort over land en zee, gierend langs de muren der stichting, maar de oude zeelui kan hij niet meer deren; ze rusten uit van hun moeitevol leven in de veilige haven.

72

ocr page 81

EEN VERKOUDHEID.

Ben Kerstsprookje.

't Was in de donkere dagen vóór Kersttijd.

Regen en wind, mist en sneeuw wisselden elkander af en maakten de lucht grauw en zwaar. Langs de gevels van de huizen dropen treurig en langzaam de waterstralen en in de straten was het glibberig, nat en vuil.

De bewoners bleven, als ze het eenigszins konden, te huis, schikten dichter bij den haard of zochten, vroeger dan gewoonlijk, een schuilplaats in het warme dons.

' Huiverend en kil, rillend en vochtig, waarde een eenzame geest, zoo oud als de wereld, door het stadje.

't Was de geest der verkoudheid.

Welk een armoedig wezen was dat: koud en klam, akelig hoestend en kuchend, sloop hij rond. Versleten zakdoeken dienden hem als gewaad en tot hoofddeksel had hij een getornde slaapmuts, zonder pluim.

Wanneer hij aankwam, blies eerst een kille wind voor hem uit en een scherpe tocht omgaf hem als hij naderde. Zijn gelaat was duister als een grauwe wolk en zijn baard van ijspegels smolt nooit, zelfs niet in den zomer. Wanneer hij sprak, klonk het als niezen en als hij rond zag met zijn roode oogen, snuffelde hij te gelijk geweldig met zijn verstopten neus, zoodat de schrik den menschen om 't hart sloeg.

Overal waar hij kwam, trachtte men hem zoo snel mogelijk te verjagen of nam bij zijn nadering de vlucht, als 't nog eenigszins mogelijk was.

ocr page 82

EEN VERKOUDHEID.

Toch beproefde hij het, om hier of daar herberg te vinden en drong nu eens in een groote, dan weer in een kleine woning binnen, maar overal verwenschte men hem.

Arme geest! hij werd er zwaarmoedig van.

„Dat je de duivel hale,quot; riep de een. „Ellendige verkoudheid! hoe raak ik je kwijt,quot; bromde een ander, „'t Is om razend te worden, dat die verkoudheid me alweer plaagt,quot; klaagde kuchend of niezend een derde, 't Was voor den geest om wanhopend te worden, want niet alleen dat groote men-schen zoowel als kinderen, hem verwenschten en verfoeiden,, neen! men kwelde hem onophoudelijk door hem bloot te stellen aan de lucht van kamille en vlier of zoethout en drop; geuren die hij haatte en waar hij volstrekt niet tegen kon. Was hij bij iemand in huis geslopen, aanstonds begon men strijd tegen hem te voeren, door 't aanbrengen van allerlei soort van warmte en juist die hitte, door warme doeken en kruiken uitgestraald, maakte hem het leven ondragelijk. Daarvoor nam hij gewoonlijk de vlucht, vooral omdat hij vreesde dat zijn baard van ijspegels zou smelten en een geest zonder baard is immers geen geest met eere, dat weet zelf 't kleinste kind!

Hij bleef daarom in waarheid een ongelukkig wezen, want slecht was hij inderdaad niet. 't Was een verschoppeling, een rampzalige, die slechts boosaardig werd, omdat mensch en dier hem haatte en van zich stiet. In werkelijkheid had de ver-koudheidsgeest geen kwaad hart; er sluimerde in hem toch,, evenals in zoovele andere wezens, die uiterlijk geene aantrekkelijkheid hebben, iets goeds, een verborgen edeler gevoel, dat slechts door de omstandigheden verhinderd werd zich te openbaren. Ik weet het, want ik ben zeer goed met hem bekend; hij bezoekt mij dikwijls en meestal langer dan mij eigenlijk lief is, maar toch ben ik juist daardoor wat vertrouwelijker met hem geworden dan anderen en heeft hij mij een blik doen slaan in zijn binnenste.

Een auteur is toch een bevoorrecht wezen, want zelfs de verkoudheid ontsluit voor hem het kille gemoed en doet hem op den bodem van zijn hart, een zacht, warm gevoel ontdekken. Ik zal u daarom eens oververtellen wat de verkoudheid-geest mij in een vertrouwelijk oogenblik heeft verhaald en wel de geschiedenis van zijn vriend.

Lacht niet, wanneer ge dit leest. — Ja, 't is inderdaad

74

ocr page 83

EEN VERKOUDHEID.

zoo geweest, al klinkt het wonderlijk, „de verkoudheidquot; had eenmaal een vriend, maar die vriend was dan ook .... een apteker!

De sympathie van den apteker deed hem goed, de arme geest was zoo blij, dat er tenminste iemand in 't heelal was, die hem niet dagelijks verfoeide, en daarom gluurde hij altijd, als 't eenigszins mogelijk was, door de ruiten van den winkel om naar zijn vriend te zien, binnengaan durfde hij niet, uit vrees voor de lucht van kamille, vlier en andere kruiden. Maar aangezien een geest overal door kan dringen als hij wil, hinderde het hem niet, dat er een muur of glasruiten tusschen hem en den sterveling waren. Hij hoorde toch alles, zag iedere beweging, die zijn vriend maakte en verkneukelde zich in stilte over de welvaart, die hij middellijk aan den apteker verschafte.

II.

Van der Stok, de voornaamste apteker van het kleine stadje Dubbelburg, stond, met zijn zwart fluweelen mutsje op, achter de toonbank en behagelijk schommelde de zijden kwast langs zijn peper- en zoutkleurig haar, terwijl hij Ipecacuanha en Saccharum albi, Syrupus altheae en Succ. Liquir dooreen-mengde in een mortier.

„Gezegende verkoudheid!quot; dacht Van der Stok, al draaiend en wrijvend, „dat is mijn weertje. Ha! Ha! de heele stad heeft 't beet; dat geeft groot en klein geld in de ladequot; — en eventjes hield hij op om te gaan roeren in de kookpan met ijslandsche mos en daarna zijn magere handen duchtig samen te wrijven; „ik wou dat 't zóó een jaar lang voortging, danquot; — plotseling werden zijn gedachten afgeleid, want een kleine jongen kwam de apteek binnen met een recept in de hand.

De apteker steunde beide handen op de toonbank en boog zich voorover naar het jonge heertje, dat hem min of meer beschroomd aanzag.

„Wel ventje?quot;

„Compliment van Pa en of u dit recept dadelijk wil klaarmaken ? '

„Zeker mannetje, — familie wel? Hm!quot; Hij las „Murias morphine — hm! Aqua Lauro — Hm ! Pa is zeker wat verkouden hè ? Wat hoestend of 'n beetje astmatisch — is 't niet zoo ?quot;

75

ocr page 84

EEN VERKOUDHEID.

„O, meneer, Pa hoest zen eigen haast uit mekaar.quot;

„Uitstekend! uitstekend!quot; grinnikte Van der Stok.

„Wat blieft u?quot; De jongen keek met verwondering hem aan.

„'k Bedoel 'n uitstekend middel — dat zal Pa wel spoedig weer opknappen — 'n doosje drop, ventje?quot;

„Asjeblieft meneer Van der Stok.quot;

„Ziedaar! en wèl de complimenten t'huis.quot;

„Dank u vriendelijk!quot;

„'k Zal 't oogenblikkelijk laten bezorgen. — Dag jongeheer !quot;

De geest der verkoudheid, die natuurlijk onzichtbaar dit tafereel bijwoonde, grijnsde van genoegen toen hij des apte-kers woorden hooide, en maakte van plezier plotseling een hevigen tocht vlak voor den winkel, zoodat de voordeur te gelijk met de gangdeur openvloog.

„Sakkerloot! dat is om ziek te wordenquot; en met een boos-klinkende stem schreeuwde Van der Stok; „Hou toch asjeblieft achter de plaatsdeur dicht; je wordt hier opgenomen van den tocht...quot; Toen sloot hij de glazen tusschendeur en voor hij de straatdeur dicht deed, keek hij een oogenblik naar buiten en rilde eventjes terwijl hij pruttelde : „Hè wat 'n wind.quot;

Toen de geest zijn vriend zoo in zijn onmiddellijke nabijheid zag, kon hij niet nalaten hem van vreugd eens flink te omarmen.

„ Atchi! Atchi!quot; niesde de apteker en terwijl een huivering hem over den rug liep, bromde hij: „Satansche tocht! ik geloof waarachtig, dat ik 'tal beetkrijg,quot; en nogmaals niesde de brave man zoo erg, dat hem het water in de oogen kwam en de kwast van zijn mutsje een luchtsprong maakte.

„Je krijgt het beet, vader!quot; riep van uit de binnenkamer, zijn vrouw, die met haar dochter Bertha aan de theetafel zat.

„Dat is waarachtig ook geen won—atchi!—der; 't is jelui schuld: eeuwig en altijd staat die pla—pla—atchi!—aatsdeur ook open; ik voel 't in eens door mijn heele corpus! — hè wat? lach je daarom Bertha? Ja — 'khoor't wel — atchi! — maar — je krijgt ook je beurt nog door die trekkerigheid hier in huis, wacht maar.quot;

„Snuif maar gauw wat kamfer op, papa!quot; riep de lieve Bertha lachend en keek guitig om het hoekje van de kamerdeur.

76

ocr page 85

EEN VERKOUDHEID.

„Dat is een verduiveld ondeugende meid,quot; dacht de geest, die het buiten hoorde, want van alle reukjes en luchtjes was kamfer hem 't hinderlijkst en meteen sloop hij door een reet van de deur, zijn neus dichthoudend, voorzichtig en snel door den winkel, tot binnen in de kamer om eens met die kleine duivelin kennis te maken. Och! een geest zelfs is nieuwsgierig, als hij een lieve stem hoort, om te weten of de mond, waaruit die komt, even lief en rond is. Bijna was een der ijspegels van zijn langen baard gesmolten, toen hij het lachende en blozende gelaat van Bertha zag — en onwillekeurig verschool hij zich in een hoekje van de kamer om ongehinderd dat lieve kind eens op te kunnen nemen.

„Wat heeft zij fluweelige oogen, welk mooi kastanjebruin haar, wat 'n heerlijk jong, rond figuurtje en wat is zij blank en poezelig van tint. Drommels 't is een dotje,quot; dacht de oude geest.

Terwijl hij die gedachten had, vergat hij zijn boosheid over het woord kamfer en werd warm van binnen. Als dat gebeurde, was hij onschadelijk en daarom hinderde het Bertha ook niet, dat hij naderend rondom haar heen dwarrelde. Onwillekeurig vergaf hij haar den aanslag op zijn eigen ik en keek haar vergenoegd aan.

Bertha merkte, zooals vanzelf spreekt, niets van zijn tegenwoordigheid, maar lachte en snapte vroolijk voort met haar moeder, een goede, vriendelijke oude vrouw, die ijverig breide en nu en dan steelsgewijze een welgevalligen blik op haar dochtertje wierp.

Daar trad de provisor, een neef van den apteker, die voor Van der Stok buitenshuis iets te doen had gehad, de apteek binnen en ging in de kamer om zijn hoed en jas op te bergen.

„Kijk! kijk!quot; dacht de geest, toen hij zag, dat Bertha plotseling een klein maar hevig kleurtje kreeg, omdat de provisor haar aanzag. En nogmaals zei hij in zich zeiven: „Ei! ei!quot; toen de jongeling — want Van der Stok had, voorzeker een bijzonderheid, een knappen blonden jonkman met een keurig kneveltje als factotum — heel eventjes tegen Bertha lachte.

Daar moet ik meer van weten, want die twee schijnen elkaar goed te mogen lijden; ik zal toch eens even in hun harten kijken, overlegde de geest in stilte.

77

ocr page 86

EEN VERKOUDHEID.

Wat zag hij daar ? In Bertha's hartje een zuivere, onschuldige genegenheid voor den jongen man, maar diep, erg diep in een hoekje van 't hart verborgen. In des provisors binnenste een vurige liefde, bescheiden verscholen achter bewondering en vereering en in toom gehouden door het bewustzijn, dat hij een onbemiddeld jongmensch was, die aan zijn oom, den apteker, dankte, dat hij het tot zoover had gebracht.

Hij zag zelfs, dat hij noch zij er zich eigenlijk van bewust waren dat zij elkander liefhadden. Zij waren al jaren lang^ te zamen geweest en samen groot geworden en Bertha had Karei altijd beschouwd als een broer, totdat er een tijd kwam, dat ze het onaangenaam vond als de een of ander schertsend zei: „Karei, 't wordt nu toch haast tijd voor je om een vrouwtje te zoeken;'' dat kon zij niet goed velen en waarom wist zij niet. Karei bloosde onwillekeurig als men zoo iets zei. Dan had hij 't land en vermeed het Bertha aan te kijken.

Het deed den killen kouden geest goed dit alles te zien, want hij dacht: nu kan ik toch ook eens in mijn leven een goed werk doen. En hij besloot de jongelieden gelukkig te maken.

Hoe hij het deed? — Eenvoudig zoo!

Hij dwarrelde weer naar voren in de apteek en kuste den ouden apteker, zonder dat deze er iets van merkte nog eens duchtig op de lippen.

„Atchi! Uche! Uche! de duivel zal die verkoudheid halen,quot; bromde Van der Stok en snoot zich zoo heftig den neus, dat de potjes en fleschjes op de planken een toon van zich gaven en de jongen, die bezig was om befjes uit te knippen, van schrik zijn schaar liet vallen.

„Kijk uit, lomperd! — Wel verbazend, ik kan haast niet meer uit mijn oogen zien van verkoudheid, 't Is me toch een last; ik wou dat de duivel... Karei, jongen! — ik moet nolens volens naar binnen. Je moet maar zien dat je den boel klaar krijgt, — ik kan niet meer!quot;

De geest schurkte van plezier zijn vochtig omhulsel heen en weer, omdat hij zijn vriend zoo'n poets speelde en lette bijna niet op den hatelijken geur van Ammonia liquida, die zich plotseling in den winkel ontwikkelde, doordien Van der Stok aan de groote flesch met „vliegopquot; rook, om wat lucht in zijn hoofd te krijgen.

De provisor nam de verdere bezigheden over en de oude

78

ocr page 87

EEN VERKOUDHEID.

heer ging in de kamer bij de theetafel zitten klagen over zijn verkoudheid. Nog nooit was Van der Stok zoo uit zijn humeur geweest: hij dronk 't eene kop thee na 't andere, en bij ieder slokje, dat hij nam, verwenschte hij den tocht en die nare verkoudheid en toen zijn vrouw lachend zei: „Ja, vader, zoo gaat het in oe wereld, nu je 't zelf beet hebt, ga je aan als een oordeel en anders roep je: gezegende verkoudheid! — Oudje! denk er voor 't vervolg om: wat gij niet wilt dat u geschiedt, wensch dat ook aan een ander niet...!quot;

„Loop jij naar de Franschen!quot; bromde hij en opstaande: „Laat kamillen en vlier voor mij trekken; ik ga naar bed.quot;

De verkoudheid lachte in zijn hoekje en dacht: als je kamillen gaat drinken, poets ik de plaat; maar 't speet hem, want hij begon zich al aardig tehuis te gevoelen in die gezellige binnenkamer — en als hij 't lieve meisje aanzag en opmerkte hoe zij telkens door de ramen, die in den winkel uitzicht gaven, heimelijk naar neef Karei keek en soms heel eventjes, maar ook maar heel erg eventjes, zuchtte, dacht hij er bij : „'t zou jammer zijn als ik nu heen moest gaan, vóór ik mijn plan geheel kan uitvoeren.quot;

Plotseling zag hij iets dat hem .deed besluiten te blijven en zelfs de gehate reukjes moedig te trotseeren, namelijk dit: Van der Stok stond op, vouwde de krant samen, waarin hij gelezen had, en zei: „Wel te rusten, ik ga naar boven, nacht, vrouw! genacht kind!quot; en kuste de lieve Bertha op haar roode, vriendelijke lippen, die zij hem bood.

Toen hij dat gewaar werd, drong hij zich dadelijk tusschen vader en dochter in, en omarmde en kuste het blozende kind, dat argeloos en vroolijk haar papa toeriep: „Slaap wel papa, beterschap!quot;

III.

Een dag of wat daarna was Bertha zoo verkouden, dat ze bijna niet zien kon; 't water liep haar uit de fluweelige oogen en ze snuffelde met haar aardig neusje even erg als een oude jongejuffrouw, die snuift uit een peperhuisje vol rappé.

„Dacht ik het niet,quot; riep de oude Van der Stok, die met een dikke wollen das om, weer in den winkel was gaan staan helpen. —■ „Dacht ik het niet. Beste meid! ik had je dien avond geen nachtzoen moeten geven, nu ben jij minstens

79

ocr page 88

EEN VERKOUDHEID.

even erg verkouden als ik. — Ja! ja! de doctoren mogen zeggen wat ze willen en er over twisten of een verkoudheid aanstekelijk is of niet, ik beweer nu — ik, Van der Stok — dat ze contagieus is, en zeg uit eigen ondervinding: het is wèl zoo; verkoudheid steekt aan en voornamelijk door kussen. — Ik heb hier 't duidelijkste bewijs aan en door mijn eigen kind.quot;

Bertha's moeder lachte en zei: „Maak je maar niet warm over dat punt, vader! dat is zoo bekend als de weg naar Kralingen; denk maar eens aan 't oude rijmpje:

Die op verkouden lippen kust Slaapt geen drie nachten meer gerust.

„Dat is alles goed en wel vrouw! maar ik heb spijt als haren op mijn hoofd, dat ik Bertha zoende — dat arme kind, ze kan haast niet zien van .. ..quot;

„ Kom! kom! vadertje, 't is zoo erg niet en wat helpt al 't pruttelen, 't zal wel weer overgaan voor ik oud ben, — 't is alleen maar wat lastig.quot;

„Lastig? — Neen! satansch vervelend, ellendig — om des duivels te . . . .quot;

„Man! man! wat ga je aan. Foei!quot;

„Vadertje, vadertje, zoo uit je humeur? kom geef me maar gauw een dikken zoen — nu hindert 't toch niet meer.quot;

„Dat is toch aardig,quot; dacht de rillende geest, die zich eerst een dag of wat verwijderd had, daarna weer teruggekomen was en toevallig in de binnenkamer rondsloop, toen het drietal zoo met elkaar sprak. „Dat is nu de eerste keer in mijn leven, dat men mij niet met krasse woorden verwenscht en vervloekt. Dat 's een engel van een meisje — haar zal ik gelukkig maken, het kost wat het kost,quot; en hij zweefde naar den winkel waar de provisor, neef Karei, een drankje gereed maakte.

Wel hinderde hem de medicijngeur geweldig, maar hij bleef er toch, want hij zag eensklaps in Karel's hart een angstig gevoel om Bertha. — Hij hoorde hem denken: „Ze hoest zoo erg, als zij er maar niets van krijgt. God! wat zou ik beginnen als zij eens ziek werdquot; en toen hij nogmaals duidelijk in neef Karel's hart die stille liefde voor zijn nichtje zag, voerde hij zijn plan geheel en al uit. Hij pakte den blonden jongeling beet, blies zijn adem over hem heen en ... . twee dagen daarna was er niemand zoo erg verkouden in het huis van Van der Stok als de provisor.

8o

ocr page 89

EEN VERKOUDHEID.

't Was juist op Kerstavond, een avond dat 't vroor dat 't kraakte en 't maantje helder op de sneeuw scheen, dat Karei het zoo erg beetkreeg en toen hij den volgenden morgen opstond, kon hij bijna niet spreken; onophoudelijk wischte hij zijn oogen af of wreef met den zakdoek langs zijn blonde knevels, terwijl hij verlangend naar buiten in 't winterzonnetje keek.

Toen de brave apteker — hij was veel beter — op Kerstmorgen als naar gewoonte gereed staande om naar de kerk te gaan, zijn provisor zag, riep hij plotseling: „Wat drommel, jij ook al! Hoe kom jij aan die verkoudheid? Hij knipte met de oogen, streek met de hand herhaaldelijk langs zijn kin, zag Bertha met een min of meer spotachtige tinteling in zijn oogen aan en herhaalde langzaam en met klem op ieder woord : „Hm ! hm ! hoe kom jelui nu op eens allebei verkouden — hm! hm! dat 's verdacht. Bertha! — dat 's erg verdacht. Karei! dat is heel erg verdacht — hm! hm! Ei Ei! — dag kinderen.quot; Verder zei hij niets, maar ging de deur uit en onderweg sprak hij met zijn vrouw, die altijd met hem kerkte, heel zachtjes, heel glimlachend en heel lang, zoodat ze bijna de kerk waren voorbijgeloopen. Zoo druk hadden die twee oudjes het.

_ Bertha was thuis gebleven en zat als naar gewoonte in de binnenkamer. Zij zei niets, en keek nu en dan naar Karei. Hij deed zwijgend zijn werk — maar hij kon toch niet nalaten om nu en dan een oogenblikje er van op te zien naar 't meisje dat, evenals hij, die zonderlinge woorden van vader Van der Stok had gehoord.

Ze begrepen of neen! ze trachtten, niet te begrijpen wat de oude heer met die Hm, hm's en Ei! ei's had bedoeld en juist daardoor was er iets in hun binnenste, waaraan zij geen naam konden geven, iets waardoor ze elkander niet zoo vrij en frank als anders in de oogen durfden te zien. Geen van beiden had iets op 't geweten, niet het minste — maar toch klonk hun dat: 't Is heel erg verdacht! zoo vreemd in de ooren, dat Bertha het schreien nader stond dan het lachen en Karei in zich zeiven zei: „Ik heb het land en waarom weet ik eigenlijk niet.quot; Wonderlijk! als ze elkaar's blikken toevallig opvingen, lachten ze beiden een oogenblik en bloosden ze beurtelings om 't hardst omdat ze gelachen hadden. Hoe kwam dat ?

8l

6

ocr page 90

EEN VERKOUDHEID.

De oude geest wist het wel en zij ook wel, maar.... ze durfden 't zich zeiven nog niet bekennen.

't Was over twaalven, toen Van der Stok en zijn vrouw uit de kerk terugkwamen. Zij hadden beiden met stichting het: „Vrede op aarde en in de menschen een welbehagenquot; gehoord en 't was waarlijk alsof er iets van dat welbehagen op beider gelaat was achtergebleven, zóó vriendelijk lachte moeders mond, zóó grappig zag de ernst en de knorrigheid op des aptekers gelaat er uit, toen hij onder het koffiedrinken, zich eensklaps tot Karei wendend, zei:

„Drommelsche jongen, hoe kom jij toch aan die verkoudheid ?quot;

„Ik weet het heusch niet, oom!quot;

„Je weet het wèl, je wordt rood, je krijgt een kleur.quot;

„Ik?quot;

„Vrouw, krijgt hij een kleur of niet?quot;

„Ja Karei, je krijgt een kleur!quot;

„Och!quot;

„Zeg nu geen och! — geef me de eieren even, Karei — en maak geen praatjes.quot;

„Ik oom? Asjeblieft! — ook zout?quot;

„Dankje — en nu zal ik je eens zeggen hoe jij aan die verkoudheid komt: je hebt Bertha gezoend! Vrouw! geef me nog een kopje koffie.quot;

Een vuurroode blos overtoog des provisors gelaat, toen hij bijna stamelend zei: „Ik — kik — God bewaar me.quot;

„Ei! Ei!quot; riep moeder er quasi boos tusschen, „dat's wat moois, om God bewaar me te zeggen.quot;

„Ik bedoel tante, dat. .nu werd de arme jongen bleek.

„Nu wordt je bleek, Karei,quot; riep de onbarmhartige apteker.

„Word ik bleek?quot;

„Vrouw?quot;

„Ja Karei, je wordt bleek!quot;

„Och!quot; — en Karei werd eensklaps weer rood.

„ Bertha, ik kom met hem geen zier verder; zeg jij me dan de waarheid. Heeft hij jou of heb jij hem gezoend?quot; viel met een oolijkknorrig gelaat haar vader in.

„Maar vader, papa!quot; stotterde Bertha, die met neergeslagen oogen en een traantje op de wangen het gesprek had aangehoord en van verlegenheid niet wist wat te doen of te laten.

„Kom kindlief! zeg me de waarheid — wie van jelui is begonnen. Kom aan! Bertje, biecht eerlijk op.quot;

82

ocr page 91

EEN VERKOUDHEID.

„Heusch niet papa, hij heeft me nog nooit gezoend,quot; en 't meisje begon plotseling te quot;schreien.

„Wel allemachtig!quot; riep Van der Stok quasi boos, „daar zitten mij die beiden goedsmoeds voor te liegen — denk je dat ik dat geloof. Mekaar nog nooit gezoend? ha! ha! ha!quot;

„Vader! vader! maak 't niet te erg,quot; fluisterde verwijtend moeder Van der Stok.

De apteker gaf haar heimelijk een teeken, dat zij zwijgen moest en vervolgde: „Ik geloof jelui geen van beiden; je kunt zeggen wat je wilt, de verkoudheid speelt hier den verrader ; die brengt het aan 't licht, foei! foei! wat moet ik beleven,quot; en in tegenspraak met zijn woorden, tintelde louter vriendelijkheid en liefde in zijn oog.

„Waarachtig niet, oom!quot;

„Heusch niet, heusch niet papa!quot;

„In Godsnaam! dan moet ik jelui gelooven. Maar — 't spijt me — verbazend erg, want ronduit gezegd kinderen, ik had zoo'n stille hoop dat jelui mekaar graag mocht lijden; dat je van mekaar hield als — hm! . . . en daarom dacht ik: Ze zullen wel eens een zoentje in eere — hm! ik heb ook zoo gedaan, niet waar moeder? Zeg oudje, weet je nog wel toen ik pas bij jelui aan huis kwam, dat ik je dikwijls stiekum achter den lessenaar van den ouwen heer in 't kantoortje heb gepakt, ha! ha! ha! zoo'n gestolen zoentje, daar is aroma aan. — Och, och! wat zijn die tegenwoordige jongelui toch saaie hannessen en . . .quot;

„Vader! Vader!quot;... glimlachte de oude vrouw verwijtend.

„Neen vrouw! laat me uitspreken. Och man! dan was ik anders toen ik jouw jaren had; heb jij dan karnemelk in je aderen Karei? In onzen tijd, niet waar vrouw? zeiden we — jeugd heeft geen deugd en . . . wat sapperloot 1 Bertha ga je nu schreien? Kindlief! 'twas maar zoo'n gedachte van mij en . . . maar je hoeft niet, waarachtig niet!quot;

„Vader! vader!quot; vermaande moeder van der Stok opnieuw.

De apteker gaf zijn vrouw een kleinen wenk en lachte: „Ha! ha! ha! Karei, wat zet jij een verbluft gezicht, je ziet er bespottelijk uit, zoo — weetje hm! — zoo nuchter...quot;

„Ik?quot;

„Vrouw ?quot;

„Ja Karei, oom heeft gelijk, je kijkt verbazend onnoozel.quot;

83

ocr page 92

EEN VERKOUDHEID.

„Maar beste oom, tante; zoo plotseling, ik dacht dat u... och God! ik weet niet wat ik zeg — en . .

Bertha keek, voorovergebogen met hoogroode wangen, onafgebroken op haar bord en langs haar trillende neusvleugels gleden een paar heldere druppels, die op 't witte tafellaken neervallend er een donker sterretje plekten.

Moeder zag het en kreeg medelijden met het meisje, dat sneller en sneller begon adem te halen; daarom fluisterde ze kort en duidelijk: „Vader, nu is 't genoeg.quot;

De apteker knikte even toestemmend en ging, nu ernstig sprekend, voort.

„Zie je kinderen, ik had zoo gedacht: Ik word langzaam aan een dagje ouder, ik wou wel met moeder buiten gaan wonen en als jij nu zin had gehad in Bertje, dan was 't zoo heerlijk te vinden geweest als 't maar kon; dan had ik jou de apotheek gegeven met een vrouwtje er bij en dan ...quot;

Daar stond eensklaps de blozende Bertha op en viel haar vader om den hals met den uitroep: „Och! wat ben je toch een innig lieve papa,quot; en terwijl ze dat zei, keek zij Karei, over vaders schouder heen, met een stralend gelaat aan en stak hem, achter vaders hals om, haar handje toe. Toen hij 't vatte, drukten zij elkander voor 't eerst de hand zóó geheel anders als wanneer zij bij 't ontbijt elkaar „goeden morgenquot; wenschten.

Karei scheen plotseling zijn stem te hebben teruggekregen, hij wist nu wel wat hij zei. — Hoewel zijn stem nog beefde, riep hij uit: „Oom, je bent een nobele kerel; tante je bent een tante uit duizenden —■ ik had het nooit durven hopen, veel minder zeggen. Waarlijk niet! Waarlijk niet!quot;

„Dat begreep mijn oudje ook,quot; riep de apteker met tranen in de oogen, „en daarom was zij 't die vroeg, toen we van morgen naar de kerk gingen: „Vader, maak jij de kinderen gelukkig! . .. God geve dat ik het in waarheid doe.quot;

„Moeder, lieve moeder?quot; vroeg Bertha zacht, terwijl ze zich aan den boezem der oude vrouw vleide, „wist u dan dat ik hem liefhad ? . . .

„Al lang kindlief! al lang — ja! ja! al heb ik een bril noodig om te kunnen zien; dat kon ik met gesloten oogen wel waarnemen! Och kind! dat voelt eene moeder.quot; —

Glimlachend keek Van der Stok zijn goede vrouw aan en zei met een guitig vonkje in zijn oogen „Kijk me zoo'n oud

84

ocr page 93

EEN VERKOUDHEID.

mensch eens aan, die wil er nu alle eer alleen van hebben. — Dacht je niet, dat ik 't ook had gemerkt, mijn jongen,quot; en met hartelijkheid klopte hij Karei op den schouder bij die woorden: „Ik had 'tal lang in de ramen, ventje! Je stond soms met een recept omgekeerd in je hand en je keek zoo, hm! zoo! — Och! zooals ik ook keek, toen ik zin kreeg in dat oude mensch daar — ja vriend! al dacht je mij ook soms van de wijs te helpen, ik wist er alles van, maar niemand gun ik haar — Karei! 't is zoo'n engel — liever dan jou. Houd haar in eer.quot;

„Beste oom ! ik .. kik — ikquot; — De provisor kon weer niet uit zijn woorden komen, zijn gemoed schoot vol, maar toch zei hij zacht: „Nu heb ik u in waarheid ook alles — alles! te danken.quot;

„Dat's minder, dat breekt den kop niet. Kom vrouw, laat Bertha nu los en geef haar aan Karei.quot;

„Daar kinderen, daar heb jelui mekaar.quot;

„Vrouw droog je oogen af en geef me een zoen, oudje, op 't heil van die twee. . . nog eens! — Zóó, ferm hoor! En nu kinderen, aan jelui de beurt, kus mekaar nu eens dat we 't zien — moeder en ik — zóó .... flink gedaan. Komaan! Repetatur! nu hindeit 't niet meer, jelui hebt 't nu toch allebei even erg beet,quot; schertste Van der Stok en knip-oogend voegde hij er bij: „en ga nu dadelijk naast elkaar zitten, dat hoort zoo bij geëngageerde luidjes. Is 't niet zoo moeder?quot;

„Gezegende verkoudheid!quot; riep Karei verheugd; hij kuste Bertha dat 't klapte, en moeder Van der Stok zei glimlachend: „Wat leert die jongen gauw aan.quot;

De oude geest zag van uit zijn schuilhoek het prettige tafereeltje en hij werd zoo warm van binnen, dat bijna al de ijspegels van zijn baard begonnen te smelten —- daarom nam hij ijlings de vlucht naar buiten en dwarrelde van vreugde en plezier, door alle straten van 't stadje, jarenlang. Hij omarmde iedereen, dien hij tegenkwam en verheugde zich er over, dat Karel's apotheek de beste en rijkste werd die ooit had bestaan. Geregeld bracht hij alle jaren een bezoek aan Karei of aan zijn vrouw, maar nooit of nimmer hoorde hij hen schelden of klagen. Altijd hielden zij zijn naam in eere en zegenden de verkoudheid, die hen gelukkig maakte.

85

ocr page 94

„GROG AMERICAIN.quot;

't Is zondagmorgen en zóó stil in het kleine stadje Binnendijk, als het in een provinciestadje, vóór kerktijd, slechts wezen kan.

De herfstzon schijnt nog krachtig en warm en speelt, tus-schen de gele bladeren van de iepenboomen door, tegen den vervelend stijven, gelijkgevoegden baksteenen gevel van het perceel, waarvan de familie Pietersen het bovenhuis bewoont.

In het benedenhuis houdt de eigenaar, de heer van Opwijk, een winkel in kousen en gebreide goederen, die nu — omdat 't Zondag is — gesloten blijft, want van Opwijk is zeer behoudend en bovendien ouderling der gemeente.

Hij ziet er uit, evenals zijn huis: glad, ouderwetsch, hecht, sterk en goed onderhouden; met een gelaat, dat zelfs door een slaapmuts met een pluimpje niets van zijn deftigheid verliezen zou. Zijn vrouw is lichamelijk minder weldoortimmerd, hecht en sterk, want de slankheid van haar figuur doet aan een slijpplank denken, en het beenige gezicht, dat uit een zwarte rouwmuts kijkt, mocht wel eens een verfje hebben.

Hoe lichamelijk verschillend ook, in geestelijken zin zijn de echtgenooten elkander volkomen gelijk, want beiden vallen — zooals men wel eens zegt — om van fatsoen en braafheid.

Mijnheer en juflrouw van Opwijk zitten achter den winkel in de opkamer te ontbijten; ze zijn vandaag ter eere van den Sabbat, iets later dan anders opgestaan en zullen naar de elfuurskerk gaan. Juffrouw van Opwijk's kerkboek, met gouden slot, ligt al boven op haar witten zakdoek en naast haar flacon gereed.

ocr page 95

„GROG AMERICAIN.quot;

Om de beurt zien de beide echtelingen hoofdschuddend naar de grijze zoldering, omdat er „boven weer zoo'n onbehoorlijk leven is.quot;

„Dat's niet om uit te houden,quot; zegt van Opwijk, met zijn mooiste ouderlingsstem, en sluit dan zijn emstigen mond met de helft van een saamgeknepen kadetje met komijne-kaas, en met vollen mond laat hij volgen: „Eerst dat gelach en gejoel van die kinderen en nu dat verbazend harde heen en weer loopen, foei!quot;

„'tls meer dan schande op Zondag,quot; teemt de juffrouw, die nooit moederweelde heeft gekend.

„Ja! en uiterst onpassend,quot; antwoordt de kousenkoopman.

„Gruwelijk! Je moet er toch eens wat van zeggen, van Opwijk.quot;

„Natuurlijk! — geef me nog een eitje, vrouw? — 'k Sprak gisteren den nieuwen dominee, die met Januari hier komt; hij had zoo'n ergen zin in de woning en ... .quot;

„'k Zou veel liever een dominee op mijn bovenwoning hebben, dan zoo'n assurantie-man, — hier is nog 'n gesmeerd broodje . . ..quot;

„Dankje.quot;

„Pietersen's huur loopt met November af en .. . hoor nu dat heen en weer loopen eens !....quot;

„Ja! — mag ik de kaas even!... ik kan van den dominee ook vijftig gulden meer krijgen — neen! dankje voor beschuit ...quot;

„Wil je nog thee? — hè! wat dreunt dat! — wie stampt er toch zoo?quot; — Juffrouw van Opwijk ziet zuchtend omhoog en zeurend zegt ze: „In mijn tijd hadden we t'huis niet moeten probeeren om op Zondag zóó rumoerig te wezen; we waren bepaald naar de middag- en avondkerk gestuurd om te leeren stilzitten.quot;

„O, 't was wenschelijk, dat die Pietersen's 'n beetje kerk-scher waren en ... . neen! maar nu wordt 't toch té erg — hoor die kinderen nu weer eens joelen! — ik zal morgen ernstig met die lui gaan spreken — 'k wil nog wel een eitje — dankje!quot; — hoofdschuddend lepelt van Opwijk zijn eitje leeg en de juffrouw zucht er bij, als wilde zij een steen vermurwen.

87

ocr page 96

„GROG AMERICAIN.quot;

In een achterkamer van het bovenhuis zit, omstreeks dienzelfden tijd, een vijftal kinderen, de jongsten met witte slabbetjes voor, rondom de ontbijttafel.

Mevrouw Pietersen, een nog jonge, frissche vrouw, met vriendelijke, blauwe oogen en een gezellig lachenden mond, heeft de jeugd van de noodige boterhammen en melk voorzien, neemt den kinderbijbel van „von Schmidtquot; die op tafel lag, in de hand, en slaat hem open bij 't leesteeken, dat ze er den vorigen dag heeft ingelegd.

De oudste der kinderen, een jongen van ongeveer tien jaar, steekt, steelsgewijze, een reepje van zijn boterham in den mond en het zusje, dat op hem volgt in jaren, plukt zonder dat mama het oplet, 't roggebrood van de hare.

Eensklaps trekt de kleine meid haar vingertjes terug, want mama heeft opgekeken en zegt: „Eerst bidden, kinderen.quot;

Al de spruiten van het huis Pietersen buigen eensklaps het hoofd. Het „Heere zegen deze spijs en drank, amen!quot; klinkt vijfmaal, telkens onduidelijker en sneller, naar gelang van den ouderdom der kinderen door het vertrek.

't Is het sein tot den algemeenen aanval geweest; de vijf monden komen in beweging en de driejarige jongste zoon propt zich zelfs zoo vol, dat zijn oogjes groot worden van inspanning.

„Janneman! wat prop je — Paulientje, zit niet zoo krom!quot; waarschuwt Mevrouw, en terwijl ze naast een nog ledig bord een ei in een dopje neerzet, zegt ze:

„Kareltje, ga jij eens vragen of Pa nog niet klaar is met aankleed en en kom dan dadelijk weerom.quot;

Karei, de oudste, neemt nog gauw een hap brood, spoelt dien weg met een slokje thee en verlaat de kamer. Zijn moeder maakt intusschen aanstalten, om haar kinderen, bij het lichamelijk voedsel, ook het geestelijke van „von Schmidtquot; toe te dienen.

Een oogenblik later komt Karei terug en gaat zonder iets te zeggen weer aan 't eten.

„Nu?quot; vraagt Mevrouw.

„Pa staat in zijn borstrok!quot;

„Zoo! En wat zei Pa?quot;

„Snij uit!quot; Kareltje grinnikt even, al etend.

„Hum! Zoo!quot; — Kinderen, zit nu stil en luistert.

Mevrouw Pietersen schenkt nog een kopje thee in, zet dat

88

ocr page 97

„GROG AMERICAIN.quot;

naast het ei, en begint dan voor te lezen van de kinderen Israëls, die in Egypte verdrukt werden onder Pharao.

„Kun jij je ook herinneren, Marie, of ik je gisterenavond, toen ik t'huis kwam, dadelijk iets heb gezegd?quot; vraagt mijnheer Pietersen, plotseling in een los ochtendjasje binnentredend.

„Ik?.. . Maar manlief, we zijn net aan 't lezen.quot;

Mijnheer geeuwt een paar maal, strijkt met zijn hand eenige keeren over de oogen en herhaalt dan min of meer kortaf:

„Herinner jij je niets, Marie?quot;

„Volstrekt niet!quot; klinkt 't verwonderd en Mevrouw legt haar theelepeltje zoolang op 't boek, om te weten waar zij gebleven is.

„De kinderen Israëls nu waren midden in de Roode Zee,quot; waren de laatste woorden, die zij las, en de kinderen Israëls komen niet verder, want Mevrouw ziet glimlachend naar haar echtvriend, die eensklaps zijn zakdoek voor den dag heeft gehaald en haar de saamgeknoopte punt ervan toont, terwijl hij gemelijk herhaalt: „Herinner jij je in 't geheel niets ? Zie je, ik vraag het daarom,quot; en hij beweegt den knoop in zijn zakdoek voor haar oogen heen en weer: — „Weet je er waarachtig niets van ?quot;

„Hoe zou ik dat weten, Guus! ik was allang te bed, toen je uit de societeit kwam.quot;

Mevrouw leest verder.

„Maar ik heb je toch bepaald iets gezegd, toen ik thuiskwam,quot; zegt eensklaps mijnheer, die gedurende de lectuur onafgebroken, met starenden blik, den knoop in zijn zakdoek heeft beschouwd.

„Maar Guus, luister nu toch ook even naar het voorlezen,quot; en met opgetrokken wenkbrauwen en een kleine vermaning in de oogen, wenkt zij, bijna onmerkbaar, met het hoofd naar de kinderen, die voor hun ledige bordjes zitten en met de vingertoppen nu en dan een achtergebleven kruimeltje opnemen. — Zij gaat voort: „Want als de wateren wederkeerden, zoo bedekten zij de wagens en de ruiters van het gansche heir van Pharao., dat hen nagevolgd was in de zee, en daar bleef niet één van hen overig en . . .quot;

„Wat duivel! ik heb hem toch gisterenavond er ingelegd,quot; zegt Pietersen nogmaals.

„Maar manlief!quot; — en lezend: „de Egyptenaren nu...quot;

89

ocr page 98

„GROG AMERICAIN.quot;

„Och! wat gaan mij die Egyptenaren aan!quot; roept mijnheer, allengs knorriger wordend; „ik wil weten wat die knoop be-teekent!quot;

Het vijftal kinderen, dat zich tot dusver voorbeeldig stil en ordelijk heeft gedragen, begint plotseling te giegelen en te grinniken, want hun vader beweegt zóó grappig den knoop van den witten zakdoek boven de tafel, dat het zevenjarig Lientje naïef opmerkt: „Pa vertoont de poppenkast!quot;

De kinderen gieren 't uit van plezier en stooten elkander aan. Ontstemd sluit Mevrouw het boek en zegt met een zweem van ongeduld: „Toe dan maar, kinderen — staat maar op en gaat naar achter in de speelkamer.quot;

In een oogwenk zijn de kinderen luid joelend en lachend naar achter gestormd en Mevrouw loopt hen na, roepend: „Kinderen! Kinderen! maakt toch niet zoo'n leven! ■— denk om de buren beneden !quot;

Mijnheer gaat met dreunende stappen de kamer op en neer en Mevrouw, die weer is binnengekomen, begint het theegoed af te wasschen. Zij kijkt min of meer ontstemd en zegt:

„Maar Guus! hoe kun je nu toch zoo wezen? je weet hoeveel moeite ik heb, om de kinderen rustig te houden, zoolang ik voorlees.quot;

„Kon ik ook maar bedenken, wat 't geweest is! „Mijnheer stampt ongeduldig met den voet op den vloer. „Sakkerloot! ik weet toch dat 't iets was, wat ik jou dadelijk moest zeggen.quot;

„Mij ?quot;

„Ja, jou Marie!.... Hum ! .. . . 't Is toch om duivelsch te worden!quot;

„Maar beste Guus, ga liever een oogenblik zitten; de kamer dreunt van je stappen; denk om de van Opwijks, die men-schen klagen zoo gauw!quot;

„Laat 't dreunen — laat ze klagen! — ik kan't niet velen, dat ik me niet herinneren kan, waarom ik dat ding...quot; Pietersen beweegt, voor de tafel staande, den ongelukkigen knoop heftig heen en weer.

„Och, lieve man, hou dien zakdoek toch stil — 't is om zeeziek van te worden.quot;

„Je hebt mooi praten — wanneer 't me te binnen schiet, als het te laat is, zeg je: En waarom heb je me dat niet

9°

ocr page 99

„GROG AMERICAIN.quot;

gezegd? — Zoo'n satansch ding! — daar! —- daar — daar!quot; —• Met kracht slaat mijnheer den knoop herhaaldelijk op tafel.

Lachend vraagt zijn eega: „Guuslicf, die zakdoek kan't toch niet helpen, wel?quot;

„Neen! dat weet ik waarachtig even goed als jij ... hè! 'k heb hoofdpijn . . . hoe is 't nu mogelijk, dat 'k me er geen jota of tittel van herinner . .

Met een fijn glimlachje antwoordt Mevrouw: „Je bent heel laat thuisgekomen, Guus.quot;

„Hum! — En je sliep! — hoe weet je dat dan?quot;

„'k Ben zelf pas om half een naar bed gegaan en. .

„Ja! .. . och!. . . 't was een beetje later geworden dan gewoonlijk, maar niet veel, Marie!quot;

„Neen, dat geloof ik ook niet, en 't wordt Zaterdags ook al vanzelf laat op de Soos — niet waar?quot; is 't goedig antwoord, maar toch speelt er weer een fijn, sarcastisch lachje om haar lieven mond, als ze heel gewoon en onschuldig vraagt;

„Had je ook iets meer gebruikt dan anders?quot;

„Ben je mal, Marie — geen kwestie van!quot;

„Neen? Dat dacht ik ook wel, maar 't kon soms wezen.quot;

„O, geen idéé; 'k was zoo frisch als een hoentje!quot;

„Ja, dat begrijp ik ... maar hoe kwam je er dan zoo toe, om je hoed in de lampetkom te zetten?quot;

„Hè?quot;

„Hij stond van morgen in 't waschwater, dat ik voor je klaar had gezet; hij hangt nu op zolder te drogen.quot;

Guus zet een paar groote oogen op en kijkt dan erg op zijn neus, terwijl hij, zachtjes zijn keel schrapend, mompelt:

„Dat's al heel wonderlijk!... hum! — 'k heb hem zeker in 't donker ...quot;

„Ja, dat kan wel; 't nachtlichtje brandde ook niet zoo helder als gewoonlijk; daardoor heb je ook zeker niet gemerkt, dat je je horloge in 't zeepbakje, inplaats van ophetbedde-tafeltje hebt gelegd.quot;

„Zóó-oo!quot;

„Maar er is niets aan bedorven; 'twas alleen maar blijven stilstaan; je hadt vergeten 't qp te winden; dat heb ik van morgen gedaan.quot;

„Hum! —■ Jantje is er zeker weer met zijn vingers aan geweest; die jongen kan ook nergens afblijven.quot;

91

ocr page 100

„GROG AMERICAIN.quot;

„Och! kinderen zijn kinderen! — maar zeg, je ziet'n beetje bleek en je oogen zijn rood — je bent toch wel?quot;

„'k Word verkouden, dat voel ik,quot; antwoordt Pietersen, even kuchend, en tusschen de tanden mompelt hij: „haarpijn is 't — 'k ben niet meer gewend aan ...quot;

„Zei je wat ?quot;

„Neen, Marie! maar bedenk je asjeblieft nog eens goed; ik geloof toch zeker, dat ik je dadelijk iets verteld heb, toen ik t'huiskwam, misschien heb je 't niet verstaan, omdat je half sliep!quot;

„Dat kan óók best wezen, maar doe me één plezier en wandel niet meer zoo onophoudelijk door de kamer. Toe, ga nu bedaard op de canapé zitten en overdenk eens kalm, wat je gisterenavond gedaan en gesproken hebt; dan kom je er vanzelf op.quot;

„Goed! maar je moet toch toegeven, dat 't om dol en razend te worden is, dat zoo'n ding je zóó temteert! — hij slaat den knoop van den zakdoek met kracht tegen de canapé.

„Dat geeft niemendal, vent, of je die canapé al slaat!quot; Mevrouw begint te lachen.

„Jawel, hou jij me maar voor den gek — dat moet er nog bijkomen — je staat daar te grinniken en me aan te kijken met een gezicht, alsof je in jezelf denkt dat ik.....quot;

„Nu?quot;

„Niet heelemaal kaarsschoon was, toen ik t'huiskwam.quot;

„Wel heerebewaarme!quot;

„Enfin! gedachten zijn tolvrij, maar dat sarcastisch lachen kan ik niet velen, Marie!quot;

„Ik kijk alweer ernstig, vent! Toe, wees nu kalm en....quot;

„Wat drommel, ik ben kalm, — doodkalm!quot;

„Best! — maar blijf dan ook zitten en bedenk je: je ging om negen uur van huis.quot;

„Neen, 't was al half tien.quot;

„Goed, om half tien dan — toen ging je naar de societeit; wien sprak je daar 't eerst?quot;

„O ! een massa heeren; 't was bijzonder vol gisterenavond — Bikkels, Kareis, Allinga, Wikman, van Bergen waren er____quot;

„Was van Dam er niet?quot;

„Sjuut! ik ben er! — van Dam kwam later. Sakkerloot, ja! die was 't. Waarachtig nu kom ik er op; van Dam — hé, wat klopt 't in mijn achterhoofd. ..quot;

92

ocr page 101

„GROG AMERICAIN.quot;

„Wil je wat Eau de Cologne?quot;

„Nu niet — strakjes. . . Jawel, van Dam is 't geweest; die zei... Groote hemel! wat is die hoofdpijn vervelend; nu weet ik bepaald niet meer wat van Dam zei.'

„Zal ik een doek met water om je hoofd doen?quot;

„Neen, stil nu — Toen kwam Langenhof — wacht even; ik geloof dat ik er op kom — Langenhof was laat; je weet wel, hij is altijd in den late — hij is een plakker en. ...quot;

„Nu ja, 't is een celibatair, die heeft t'huis niets te verzuimen en. . .quot;

„Dat hoef je nu op zoo'n toon niet te zeggen.quot;

„Maar, vent!quot;

„Neen! windt er nu maar geen doekjes om; je bedoelt er mee, dat...quot;

„Ik bedoel er heusch niets mee; 'k wou alleen maar zeggen. ...quot;

„Dat ik ie laat t'huis ben gekomen.... O! dat voel ik best, heel goed; maar ik zal eenvoudig t'huiskomen wanneer 't me goeddunkt en ik verwacht van niemand eenige aanmerking daarover; van niemand, begrepen?quot;

Mevrouw ziet kalmpjes haar echtgenoot aan, haalt even, bijna onmerkbaar, de schouders op en gaat zwijgend het ontbijtgoed in de kast zetten.

Eenige oogenblikken spreekt geen van beiden; dan zegt Pietersen: „O, zoo! negeer je eenvoudig wat ik zeg; heel goed, ik kan ook zwijgen — 'k wil alleen maar weten, of je me begrepen hebt ?quot;

„Zeker!quot;

Het humeur van den heer des huizes wordt hoe langer hoe slechter, en daar zijn geduldige vrouw hem niet meer tegenspreekt, heeft hij geen andere wrijfpaal voor zijn onaangename prikkelbare stemming dan den zakdoek, dien hij in elkaar draait en op den grond gooit, met de woorden:

„Daar ligt 't lamme ding dan; 't brengt mijn heelen dag in de war. 'k Heb geen rust, vóór ik weet, wat't geweest is!quot;

Met een kwalijk verholen lach vraagt Mevrouw nogmaals: „Kom, Guus! ik zou me niet zoo boos maken; 't is heusch de moeite niet waard.quot;

„'t Is wèl de moeite waard, dat is 't 'm juist... 't Was iets van belang; waarom zou ik anders een knoop in mijn zakdoek hebben gelegd?quot;

93

ocr page 102

„GROG AMERICAIN.quot;

„Om niet te vergeten, wat je onthouden wou!quot;

Mijnheer raapt den zakdoek weer op en ziet Mevrouw eensklaps aan, alsof hij wilde zeggen; „hou je me nu met opzet voor den gek,quot; en antwoordt hakkelend van kwaadheid;

„Da . .. dat weet ik waarachtig ze-zelf wel, voor de . .. den. .

Eensklaps schiet zijn vrouw in een helderen lach en zegt; „Je lijkt de Wit wel, zoo stotter je.quot;

„De Wit!quot; roept Pietersen en zijn gelaat klaart even op; „juist, die was 't; die is er bij geweest, nu rappeleer ik het me — wacht eens! hij kwam om half twaalf nog aanzetten,

en toen hebben we Grog-Americain gedronken,.....hum!

wat blikslager, hoe kwamen we zoo aan Grog-Americain . . . ?quot;

„Ja, dat zou ik ook zoo zeggen; 'tis immers gewoonte, bij jelui in de Soos, dat de jarige Champagne geeft.quot;

„Die hebben we ook gedronken, en . .

„O ! . .. Zoo ... en toen grog — hum ! .. .quot;

„Ja, toen grog — daarom hoefje niet te hummen, Marie !quot;

De toomader op Pietersen's voorhoofd begint weer te zwellen; zijn vrouwtje ziet dat, en om een storm te voorkomen zegt ze goedig. „Maar Guus, je was nu zoo goed op weg — dwaal nu niet weer af; wat heeft de Wit gezegd?quot;

„Dat is 't juist — wat ik me niet herinneren kan, maar hij is zoo'n Jantje secuur, dat hij wel gezegd zal hebben; „leg'n knoop in je zakdoek, anders vergeet je nog om ...quot;

„Wat zal die arme de Wit gehakkeld hebben bij dat woord „kn-kn-knoop. ..quot; lachend bootst Mevrouw Pietersen de Wit na.

„Sakkerloot! nu had ik 't op mijn lippen om 't te zeggen en nu breng je me weer van de wijs af... hou je dan toch even stil, asjeblieft.quot;

„Nu, ik zwijg al. Foei, wat 'n booze bui van morgen.quot;

„Ja, ja, de Wit is er bij geweest. . . Brr! 'k ben niets lekker; mijn maag is zeker van streek; 'k heb bepaald kou gevat op mijn maag — 'k heb erge dorst ook.quot;

„Wil je Eau des Carmes?quot;

„Neen! 'k zal wel even bij den apteker aanloopen en 'n beetje natron nemen.quot;

„Ga je dan uit?quot;

„Natuurlijk! ik weet hu zeker, dat de Wit er bij was; ik ga even naar hem toe — hij moet me zeggen wat... .quot;

94

ocr page 103

„GROG AMERICAIN.quot;

„Maar Guus, hij zal je uitlachen.quot;

„Laat 'm lachen!quot; Pietersen wandelt op en neer.

„'t Is Zondag — hij is bepaald naar de kerk; hij is immers collectant.quot;

„Collectant of geen collectant — ik ga hem spreken.quot;

„Maar man!quot;

Fietersen hoort niet meer; hij is reeds de kamer uitgesneld de trap op naar de slaapkamer. Als hij daar binnen wil gaan, stoot hij, door de haast waarmee hij loopt, zijn scheenbeen tegen den kameremmer, die vlak voor de deur staat.

„Au! sakkerloot, au! dat's raak!quot; op één been springt hij naar een stoel en bromt: „wie zet nu zoo'n ding precies in den weg, dat's allemachtig stom!quot; Hij bevoelt zijn scheen, en de meid, die aan 't bedden opmaken is, vraagt doodkalm :

„Heit meneer z'n eigen bezeerd?quot;

„Natuurlijk! als jij daar zoo'n emmer neerzet moet men er wel tegen aanloopen — je bent 'n stommeling!quot;

„Noe, dat's ook niet netjes van m'neer, om mien zoo veur niks uutteschelden!quot;

„Ezelsveulen van Japan! hoort die emmer dan daar? Sakkerloot wat doet me dat 'n pijn!quot;

„Da'je pien heb, wil 'k wel geleuven, moar 'k loat mien niet uutschelden; 'k bin 'n fatsoenlijke meid, en 't is toch mien schuld niet, dat meneer met 'n dolle kop noar boven is 'eloopen. Dan mot meneer maar uutkieken!quot;

„Hou je mond! Ga Mevrouw roepen.quot;

„Joa, Mevrouw za'k wel roepen, dat's 'n goed mins; die moakt niet geliek zoo'n grooten mond as meneer.quot;

„Praat je nog tegen? Als jij dien emmer niet vlak bij de deur had gezet, dan ...quot;

„Dan had meneer z'n eigen niet gestooten; da's kloar !quot;

„Allo! maak dat je naar beneden komt en vraag om wat Engelsche pleister. Hè! 't vel is er afgeschaafd. — Ben je nog niet weg?quot;

„Joa, 'k loat mien daar kommandeeren als een hond; meneer mot moar eiges goan — 'k mot noe de bedden op-moaken.quot;

„Marie! Marie! kom eens boven!quot; schreeuwt meneer, die, met één uitgetrokken kous in de hand, de beschadigde scheen steeds bevoelend, op 't portaal is gehinkt; „Marie! .... kom

95

ocr page 104

„GROG AMERICAIN.quot;

eens boven, gauw! — 'k heb me zoo bezeerd!quot; en tot de meid: „En jij zoekt maar een anderen dienst, hoor! — brutale tante!quot;

„Wel joa! 'k bin doar om 'n dienst verlègen!quot; De meid zet de annen in de zijden, laat haar werk rusten, ziet meneer met een uitdagenden blik aan en schreeuwt nijdig: „Za 'k oe's wat zeggen: ie bint niet goed uutesloapen — mit 't verkeerde been uut bed 'estapt...quot;

„Wel allemachtig!quot;

„Meneer most 's nachts, as ie t'huuskomt, liever niet zoo stommelen op de trap; 'k bin er wakker van 'worden.quot;

„Nu ga je op staanden voet — onmiddellijk, —marsch!quot;

„'kZal toch eerst nog zeggen, wa 'kwil!quot;

„Geen woord meer! De kamer uit! — gauw!quot;

„Lieve Guus! wat gebeurt hier?quot; vraagt Mevrouw, haastig binnenkomend. „Goeie hemel! ik ben er van geschrokken ; ik schaam me voor de buren — denk er toch om, dat de ramen openstaan, en dat 't zoo gehoorig is. 't Is schande, zoo'n leven op Zondag.quot;

„Marie, die meid is bepaald gek, die moet. .. .quot;

„Weljoa, 'kbin doar gek! dat loat 'k mien goar niet zeggen, Mevrouw!quot;

„Gerritje, ga naar beneden asjeblieft; we zullen later met elkaar spreken.quot;

„Noe! veur Mevrouw za'k goan,quot; zegt Gerritje kalmer wordend, „moar veur hum, — doe 'k 't niet.quot;

„Foei, Gerritje! dat komt niet te pas; je bent brutaal — ga nu heen!quot;

„Joa, Mevrouw da 'k bertoal bin, is zien schuld; ie bint 'n goed mins — hi! hi! hi! — moar meneer heit mien ook zoo lèlijk verschandaliseerd — ik bin eerlijke luu's kind; 'k kan niet vélen, dat ie zeit da'k van Japan bin... hi! hi! hi!quot;

„Marsch!quot;

„Guus, wees bedaard . .. Gerritje meent 't immers zoo kwaad niet — wel ?quot;

„Neen, as meneer goed is, is 't 'n beste man, maar as ie mien uutscheld, word ik vergiftig niedig; 'kbin driftig van natuur Mevrouw; maar 'k bin niet kwoad — en van dien emmer had meneer toch ongeliek.quot;

„Kom, ga nu maar naar beneden, Gerritje!quot;

„Neen, waarachtig niet — de deur uit, onmiddellijk!quot;

96

ocr page 105

„GROG AMERICAINquot;.

„Maar, Guus!quot; — Als mijnheer zich weer bukt naar't beschadigde been, wenkt zijn vrouw zwijgend met het hoofd en Gerritje verdwijnt. Dan zoekt zij een stukje Engelsche pleister in haar toilettafel.

„'t Wordt hier 'n mooie boel in huis, als jij tegen je man partij neemt.quot;

„Manlief, je bent heusch onredelijk geweest.quot;

„O, zoo! ben ik onredelijk — nu, 'tis goed — ik groet je — neen, dank je voor die pleister; 'k zal me wel bij den apteker laten verbinden.quot; Mijnheer trekt zijn kous aan.

„Laat ik je nu toch even helpen, Guus!quot;

„Merci!quot; hij slaat zijn pantalon neer.

„Toe, wees nu niet zoo kinderachtig?quot;

„Ik zeg je, dat 't niet meer noodig isquot; — de bottine wordt aangetrokken.

„Kom! hier heb ik 'nbeetje spijkerbalsem ook.quot;

„Neen — ik dank je — Adieu!quot;

Mevrouws lippen beginnen te trillen en een klein, weerbarstig droppeltje komt in het hoekje van haar oog, als ze, zich goed houdend, zegt: „Guuslief, je humeur is van morgen bepaald ondragelijk; wees nu asjeblieft toch rechtvaardig en ....quot;

„Met onrechtvaardige lui hoef je niets te maken te hebben, als ik weerom kom, wil ik die brutale meid niet meer zien. Salut!quot;

„Maar Guus....!quot;

Mijnheer vertrekt en Mevrouw begint te schreien, als ze hoort, hoe hard haar man de huisdeur achter zich dichttrekt.

Op de stoep ontmoet hij mijnheer en juffrouw van Opwijk, gereed om gearmd naar de elfüurskerk te gaan.

Het echtpaar ziet hem eerst een oogenblik verwijtend aan, vóór van Opwijk langzaam zegt: „Een woordje asjeblieft, meneer!quot;

„Ik heb niet veel tijd; wat wenscht u?quot;

Dat korte, min of meer korzelig gegeven antwoord lokt een vrij stevige drukking uit van juffrouw van Opwijks knokige hand op de lakensche mouw van haar echtvriend, en als deze, tengevolge daarvan, zijn reeds geopenden mond bijna hoorbaar weer dichthapt, zegt zij, zoo zoetzappig mogelijk tee-mend: „We kunnen het waarlijk niet uithouden door 't

97

7

ocr page 106

„GROG AMERICAIN.quot;

leven, dat de kinderen voortdurend boven ons hoofd maken. Vooral op den Zondag is zoo iets hinderlijk voor men-schen, die. ...quot;

„Die geen kinderen gewend zijn — dat begrijp ik, juffrouw;quot; Pietersen bedwingt zijn humeur en vervolgt: „'k zal 't ze eens zeggen — had u verder nog iets?quot;

„Hm! ja,quot; van Opwijk kucht even: „van morgen was er nog een zeer hinderlijk iets, dat voortdurend heen en weer loopen, namelijk, is op den duur niet te verdragen.quot;

„Zoo! — Ei! — en sedert wanneer staat er in ons huurcontract, dat op de woning niet mag heen en weer worden geloopen?quot;

„Dat staat er niet in, meneer Pietersen, maar nu u toch van de huurceel spreekt, wou ik u meteen maar zeggen, dat ik met November het huurcontract niet meer denk te hernieuwen.quot;

„Wablief ?quot;

„U zult u dus tegen Februari van een andere woning moeten voorzien.quot;

„Komaan, dat's plezierigquot; — Pietersen voelt, dat hij weer driftig wordt, maar tracht zich zooveel mogelijk te beheer-schen en vraagt schijnbaar kalm: „En is dat heen en weer loopen het eenige motief, dat u noopt om...quot;

„Hum! — hum! — hum!quot; van Opwijks lippen trekken bedenkelijk naar beneden.

„Och, Opwijk, kom er maar rond voor uit, — de waarheid en niets dan de waarheid is toch altijd 't beste, — zeg maar gerust aan meneer Pietersen, dat 't eigenlijk de ruzie van daareven is, die onsquot; — weer knijpt ze haars echtvriends arm — „die ons noopt om de woning niet meer aan meneer te verhuren.quot;

„O, — is dat de oorzaak?' Pietersen wordt onheilspellend rood, maar hij blijft nog bedaard.

„Ja,quot; lijmt van Opwijk, „we kunnen niet goed velen, dat op Zondag, den dag des Heeren, zoo'n ergerlijke woordenwisseling ...quot;

„Loop naar de hel met jelui gefemel — 'k zal me wel van een andere woning voorzien,quot; barst Pietersen nu eensklaps uit, en terwijl het echtpaar van Opwijk zijn fatsoen bewaart, door niets te zeggen, maar zuchtend het hoofd te

98

ocr page 107

„GROG AMERICAIN.quot;

schudden, bijt de huurder hen toe: „Je kunt zeker van den een of anderen vromen broeder 'n beetje meer huur krijgen — ik ken jelui knepen; — Bonjour, veel stichting!quot;

„Ziezoo, dat konden we daar juist mooi waarnemen,quot; fluistert juffrouw van Opwijk haar man in, terwijl ze samen heel deftig, heel langzaam en heel tevreden naar de Groote Kerk wandelen.

Pietersen gaat met groote passen verder en denkt onderweg: „'n Mooie historie! Verhuizen midden in den winter; dat is fataal, de woning beviel me best, er staat hier in Binnendijk niet veel goeds leeg in den winter, 't is me een koopje!quot; Onwillekeurig steekt hij zijn hand in den zak van zijn jacquet en voelt daar den knoop in den zakdoek.

„Dat satansche ding is oorzaak van alles,quot; mompelt hij, en met een soort van zenuwachtige wreedaardigheid knelt hij den onschuldigen knoop tusschen zijn vingers.

Eindelijk staat hij voor 't huis van de Wit en schelt aan.

Er is niemand thuis.

Onverrichter zake gaat Pietersen dus de stoep af, brommend over de stijfheid, die hij in zijn bezeerd been voelt. Terwijl hij, zonder bepaald doel, in gedachten voortloopt, roept een bekende stem hem van de overzijde der straat toe: „Bonjour!quot;

Het is zijn vriend Menteling, die gisterenavond met hem aan de trekjestafel heeft gezeten, en nu met een paar logeetjes een wandeling maakt.

Pietersen snelt naar hem toe en met een haastig: „Pardon, dames! één oogenblikjequot;, trekt hij Menteling ter zijde, haalt eensklaps den zakdoek voor den dag en toont den knoop: „Was jij er soms bij, toen ik gisterenavond dat ding in mijn zakdoek lei; 'k ben bepaald overtuigd, dat ik iets — en wel dadelijk — aan mijn vrouw moest zeggen; maar ik kan me geen steek ervan herinneren; dat maakt me zóó zenuwachtig, dat ik. ...quot;

Met verbazing ziet de heer Menteling even naar den zakdoek, dien Pietersen hem voorhoudt en antwoordt dan lachend : „Beste vrind, hoe kan ik dat weten? — ik ben heengegaan, toen ons partijtje uit was; je schijnt wat te lang aan de praattafel te hebben gezeten — steek dat gekke ding toch in je zak; de menschen kijken er naar, dat je er zoo raar mee doet.quot;

„Hum, ja! ons partijtje was vroeg uit, hé?quot;

99

ocr page 108

„GROG AMERICAIN.quot;

„Om elf uur al.quot;

„Heb jij geen champagne meegedronken?quot;

„Weineen!quot;

„En die grog dus ook niet?quot;

„Amice! je bent niet lekker, dat zie 'k duidelijk — je herinnert je niets meer na 't partijtje — O, grappenmaker! Zeg!quot; en terwijl Menteling weer naar zijn dames gaat, stoot hij zijn vriend even met den elleboog aan en lacht: „Wat zei moeder de vrouw van morgen wel — had ze de bokken-pruik op?quot;

„Neen!quot; denkt Pietersen opeens, „waarachtig niet; ze was even lief en goed als altijd . .. hum! 'k ben toch bepaald van nacht niet heelemaal bij m'n positieven geweest en daardoor ... Sakkerloot! wat was 't dan toch — ik heb er geen flauw idéé meer van.quot;

Met loome schreden gaat hij nu huiswaarts, loopt onderweg-bij den apotheker in, gebruikt een dosis natron en legt een goudvliesje op zijn scheen.

Hij moet de societeit voorbij. „Wacht! misschien zit er wel een van de vrienden te lezen. Even inwippen en kijken!quot; In de leeszaal vindt hij niemand, in de biljartkamer slechts een paar jongelui, die carambole spelen. „Dan in 's hemelsnaam maar naar huis.quot;

't Is kwart voor twaalven; om half een moet hij koffiedrinken, dus is er nog tijd genoeg, om de Nieuwe Rotterdammer even in te zien. Zonder dat hij 't zichzelf bekennen wil, voelt hij toch dat hij niet erg plezierig voor zijn omgeving is geweest en daarom aarzelt hij met 't naar huis gaan. In een gemakkelijken stoel leest hij de krant; de letters dansen hem voor de oogen, de regels schijnen kris en kras door elkaar gedrukt en worden hoe langer hoe onduidelijker. Gemengd nieuws, telegrammen, laatste berichten, beursnoteering, alles warrelt dooreen, tot één zwarte zonderlinge massa. Zijn oogen vallen dicht; het dagblad ontzinkt zijn handen; zijn kin zakt hem op de borst.

Als de groote pendule op den schoorsteenmantel half twee slaat, wordt Pietersen wakker, wrijft zich de oogen en komt eerst langzaam tot het bewustzijn, waar hij is; hij heeft een rustig slaapje gedaan, en ziet nu om zich heen; er is nog niemand in de „Soos;quot; 'tis het zoogenaamde doode uur.

IOO

ocr page 109

„GROG AMERICAINquot;.

Geeuwend rekt hij zich uit en staat op; werktuigelijk steekt hij zijn hand in den jaszak en voelt daar onmiddellijk zijn kwelgeest, die, hoe hij hem ook knijpt en martelt, niet zwijgen wil en hem halfluid de verzuchting doet slaken:

„Hoe is 't godsmogelijk, dat ik 't me nu nog niet herinner !quot;

Langzaam wandelt hij naar zijn woning en ziet naar boven; de jaloezieën zijn neergelaten; er schijnt niemand t'huis te zijn. Hij opent de deur en gaat binnen; 'thuis is als uitgestorven. In de voorkamer vindt hij op tafel een papier, waarop zijn vrouw geschreven heeft; „Lieve Guus, ik ben met de kinderen gaan wandelen — als je nog weer uitgaat, kom dan niet te laat thuis. Gerritje moet naar de avondkerk.quot;

„O, God! wat 'n ellendige Zondag,quot; bromt Pietersen in zich zelf, terwijl hij een glas water inschenkt; hij voelPzich opnieuw slaperig worden, door de loome, warme stilte, die in de kamer hangt. Voor den spiegel blijft hij een oogenblik staan; kijkt naar zijn min of meer rood aangeloopen oogen en bleek gelaat en pruttelt dan in zich zelf: „God! wat zie ik er katterig uit!quot;

De canapé lokt hem met haar zachte kussens tot rusten: hij trekt zijn jas en bottines uit, maakt het zich recht gemakkelijk, en slaapt weldra in.

„Pa! — Pa! 'tis al haast vijf uur; de soep staat al op tafel en u krijgt eendvogel en rijstpudding — of u komt eten,quot; roept kleine Karei, terwijl hij zijns vaders hand op en neer beweegt.

„Hè! — Wat? 'k slaap niet, wat is er?quot; vraagt Pietersen, eensklaps verschrikt wakker wordend en met verwilderde oogen rondziende.

„Of u komt eten. Pa?quot;

„Eten?quot;

„Ja Pa — we zitten allemaal te wachten.quot;

„Wat zeg je; is 't dan al zóó laat? Och! Ja, ik kom; ga maar vast naar achteren.quot;

Min of meer stijf staat Pietersen van de canapé op, ziet Kareltje de deur achter zich sluiten, wrijft zijn oogen goed uit en komt dan, na een paar huiveringen, tot de ervaring, dat hij heelemaal is opgeknapt. Zijn hoofdpijn is geheel ver-

IOI

ocr page 110

„GROG AMERICAIN.quot;

dwenen en hij heeft grooten trek in eten. Haastig loopt hij in de gang, verfrischt zich even aan 't fonteintje en komt dan met opgeruimd gelaat de eetkamer in waar zijn vrouw de soep reeds heeft gediend en de kinderen hem met een vroolijk „dag Pa!quot; begroeten.

Een oogenblik kijkt hij Mama aan met een licht gevoel van berouw, maar als hij haar opgeruimd, lief gezicht ziet en haar vriendelijk: „wel vent, dat zal je goed hebben gedaan,quot; verneemt, lacht hij haar, half 'verlegen, half oolijk toe en zegt: „'kben waarlijk heelemaal opgefrischt; geef me nu maar gauw wat eten — 'k heb erg trek.quot;

't Middagmaal verloopt zeer gezellig en de kinderen hebben pret, want Pa is bijzonder vriendelijk en maakt allerlei grapjes.

Alleen Gerritje kijkt boos, als zij binnenkomt en de schotels opbrengt, en Pietersen bromt, terwijl hij haar ziet: „zoo'n brutale meid.quot;

Na den eten, tegen half zes, gaan de kinderen met het kindermeisje nog wat naar 't bosch, en Mevrouw haalt op de voorkamer de jaloezieën omhoog, omdat ze daar zullen gaan theedrinken. Terwijl zij dat doet, zegt ze eensklaps tot haaiman, die reeds in den luierstoel zijn sigaar rookt: „Hé, kijk ! daar loopt mijnheer Arendsen uit Amsterdam, aan den overkant van de gracht. Wist jij, dat hij hier was?quot;

Zoodra Pietersen den naam Arendsen hoort, springt hij op en zegt: „God allemachtig, dat was 't!quot; De sigaar valt uit zijn hand en brandt een gaatje in 't tapijt. Mevrouw kijkt verschrikt om, zet haastig haar voetje op de brandwond en legt de sigaar op 't aschbakje. Verwonderd ziet zij, hoe haaiman afwisselend bleek en rood wordt en als zij hem hoort zeggen: „Nu weet ik 't; 'k heb hem gisterenavond, voor van middag te dineeren gevraagd,quot; antwoordt zij verwijtend: „Maar Guus, dat's vreeselijk — nu hebben we 't net op. Hoe kon je dat nu vergeten?quot;

„Ja, 't is ijselijk; afzeggen kan ik hem niet, 't is een van mijn beste patroons — hij is zoo kwaiijknemend, dat weet je.quot;

„Neen, dat gaat niet. . .quot;

„God! God! wat 'n historie en zoo iets moet juist mij overkomen .. . Daar, hij ziet ons al — kijk! hij groet naar boven. — Dag meneer Arendsen! — groet dan toch ook, Marie! — God! wat 'n ding!quot;

Marie, voor 't venster, nijgt vriendelijk lachend het hoofd.

I02

ocr page 111

„GROG AMERICAIN.quot;

terwijl ze zegt: „Hrj is vlak bij de brug, hij zal zóó hier zijn — hou je goed, Guus, ik weet raad; binnen een half uur heb je een diner, dat klinkt als een klok.quot;

„Maar kindlief, hoe zul je .. . ?quot;

„Sjuut! daar schelt hij al; hou hem maar even aan de praat, hoor! ik ben dadelijk terug!quot;

Mevrouw snelt naar de keuken en houdt Gerritje tegeigt;, die op 't punt staat te gaan opendoen. Zenuwachtig haastig-vraagt ze: „Meidlief, wil jij me uit den brand helpen van middag? Naar de kerk kun je niet gaan, maar later krijg je een heelen vrijen dag — loop dadelijk naar 't Hotel den Doelen — en een fooi krijg je ook.quot;

„Och, Mevrouw, dat's niet neudig, veur oe hé'k wel wat óver,quot; valt Gerritje in; „'k bin wel driftig, moar....quot;

„Ja! ja! 't is goed, je bent 'n beste meid. Loop zoo gauw-je kunt en zeg in den Doelen, dat ze dadelijk voor drie personen diner bezorgen, maar goed en direct, hoor — en dek dan weer gauw de tafel met 't beste servies.quot;

„Moar!quot;... Gerritjens oogen worden onnatuurlijk groot, „goa ie noe alweer éten? Mins woar laat ie 't?':

„Vraag me niets, maar maak voort en doe nu open.quot;

Intusschen heeft Pietersen de voordeur reeds geopend en is mijnheer Arendsen, een asthmatiek, dik, kort heertje, met een gouden bril op en een rood, warm gelaat, hijgend en blazend boven gekomen. In 't portaal blijft hij even staan, om zijn glimmenden, kalen schedel met een zijden zakdoek af te wisschen en een paar maal diep adem te halen, eer hij de kamer binnengaat,

„Warm, hè, Pietersen,quot; zegt hij binnenkomend, „hum ! moet beginnen met excuus te maken, dat ik zóó laat — hum! — kan niet helpen dat ...quot;

„O! geen excuus valt Pietersen hem in de rede: „we hebben niet gewacht.quot;

„O! volstrekt niet,quot; vult Mevrouw, die inmiddels weer uit de eetkamer komt, aan. „Ga zitten, meneer Arendsen; hoe maakt u 't — altijd wel geweest?quot;

„Dank u, superber, maar warm — last van kortademigheid — ben inderdaad verlegen — dat hum! — wel wat laat om...quot;

„Wel, meneer, wij dïneeren nooit vóór zes uur; we wonen hier wel in de provincie, maar in dat opzicht zijn we Amster-damsch.quot;

ocr page 112

„GROG AMERICAIN.quot;

Arendsens gelaat is, van rood, min of meer violet geworden, en herhaaldelijk met zijn zakdoek wuivend, zegt hij met een tint van verlegenheid in zijn stem: „Natuurlijk —dat begrijp ik — hum! — zes uur gewone klok, maar toch, hum! — meen, dat ik toch te laat kom — om hum! . . .

„O, neen! in 't geheel niet; ik heb er op gerekend; want toen van morgen mijn man mij vertelde, dat u . . .

„Uche! Uche!quot; hoest Guus onwillekeurig.

„ . . . . Dat u ons de eer zou aandoen, zei hij dadelijk : tegen zes uur of kwart over zessen; is 't niét zoo, Guus?quot;

Pietersen knikt met een gezicht, alsof hij zelf gelooft, dat zijn vrouw de waarheid spreekt.

„U zult echter nog een klein oogenblikje geduld moeten hebben; want onze meid is vandaag een beetje laat . . . O! 't is tegenwoordig dan sukkelen met de boeien — 'n glaasje port?quot;

„Dank u! — Heb al gebruikt!quot;

„Sherry dan?quot;

„Neen, neen! geobligeerd, — niets!quot;

„Is u zoo matig? — Enfin, zooals u wil.quot;

Een oogenblik ziet het drietal elkander zwijgend aan; er zweeft als 't ware plotseling een soort van benauwende verlegenheid om hen heen, die op mijnheer Arendsen's voorhoofd en schedel telkens nieuwe glinsterende pareltjes doet ontstaan.

Pietersen humt en kucht, totdat zijn vrouw met tact het gesprek weer aan den gang helpt, en haar gast verzekert nogmaals: „Inderdaad — confuus over — allervriendelijkste ontvangst, maar toch, hum !quot; — Min of meer sukkelend loopt het gesprek een groot kwartier lang over allerlei banaliteiten, die niets anders zeggen, dan dat geen van drieën eigenlijk iets te zeggen heeft. Heimelijk slaken allen een zucht van verlichting, als Gerritje eindelijk de deur opent en heel deftig aankondigt: „Mevrouw, de soep staat op toafel.quot;

„Mag ik u dan maar verzoeken, mijnheer Arendsen?quot;

Hoffelijk buigend, maar hijgend, biedt hij haar den arm en geleidt haar, voorafgegaan door Pietersen, die de deur opent, naar de huiskamer.

Daar staat de tafel keurig gedekt en Gerritje, als een meid, die weet hoe 't hoort, met een onberispelijk wit boezelaar voor, bij 't buffet.

I04

ocr page 113

„GROG AMERICAIN.quot;

Mevrouw dient de soep, en terwijl zij haar gast het gevulde bord toereikt, zegt ze: „U moet het eenvoudige maar voor lief nemen — schildpadsoep — u houdt daar immers van?quot;

„Zeker! delicieus — maar te veel — mag 'k verzoeken — wat minder ?quot;

„Zooals u wil — passeer u 't dan maar aan Guus asjeblieft.quot;

Guus neemt met een zucht het volle bord aan; hij durft niet weigeren, maar de lucht ervan is hem al te veel.

't Diner begint zwijgend, zooals goede diners gewoonlijk aanvangen; alleen 't getik van de lepels op de borden is hoorbaar.

Gerritje presenteert madera en verdwijnt dan op een wenk van Mevrouw, om dadelijk terug te keeren met croquettes au riz de veau.

„'n Croquetje, meneer Arendsen ?quot;

Vóórdat Arendsen „dank uquot; kan zeggen, hebben de vlugge vingertjes van Mevrouw de vork reeds gevat en ligt een geurig croquetje op 't bord van den gast.

„Guuslief, neem jij er geen ? Je houdt er anders zooveel van,quot; en terwijl zijn vrouw dit zegt, glijdt over haar lief gelaat een klein ondeugend lachje en op Guus' bord een croquet. Pietersen zucht en begint te eten; maar 't kost hem moeite, geen wonder! nog geen half uur geleden heeft hij tweemaal appelmoes genomen en driemaal eendvogel.

„Komaan, mijnheer Arendsen! drink eens!quot; Pietersen heft zijn glas wijn op, klinkt met zijn gast en zegt: „dat we nog dikwijls het genoegen mogen hebben, u bij ons te zien.quot;

„Uw gezondheid, meneer Arendsen!quot;

„Dank u. Mevrouw! Pff! warm vandaag, hè! —croquetten waren goed — Pff!quot;

„En laat ik u nu eens van de ossenhaas bedienen — ik geloof, dat ze malsch is.quot;

„O, neen! dank u inderdaad — al te beleefd.quot;

„Wat, geen ossenhaas? — O! wat is u matig — ik begin te gelooven, dat 't u hier niet smaakt.quot;

„Integendeel — uitstekend — maar...'

„Dat doet me plezier; dan weigert u ook niet; — 'n beetje worteltjes of snijboontjes er bij ?quot;

ocr page 114

I06 ' „GROG AMERICAIN.quot;

Arendsen knikt en blaast; hij schijnt het hoe langer hoe warmer en benauwder te krijgen; hij eet blijkbaar met lange tanden en langzaam, maar 't helpt niet. Mevrouw Pietersen is een te oplettende gastvrouw; nauwelijks heeft hij 't laatste stukje vleesch genuttigd, of zij biedt hem den schotel opnieuw aan, vriendelijk noodend:

„Laat me u nog een klein, malsch stukje geven?quot;

„O merci — is voortreffelijk — eet graag ossenhaas, maar____quot;

„Toe, geneer u niet.quot;

,0! dank u!quot;

„'n Klein stukje, om mij plezier te doen.quot;

„Hum! — dat klinkt als bevel. Mevrouw!quot; Hoffelijk maar pijnlijk lachend houdt Arendsen zijn bord op, en terwijl de gastvrouw een paar stukjes vleesch er op legt, zegt hij: „maar Pietersen — ongezellig eter — doet uw tafel geen eer — slecht gedresseerd echtgenoot — hè! hè! hè! pff! — warm hier — Pff!quot;

„O, neen!quot; antwoordt haastig de gastheer — zijn bord opnemend; „ik houd u gezelschap, maar ben zoo gewend, dat Marie me bedient — 't Is warm hier, u heeft gelijk — 'k zal 't andere venster ook open zetten.quot; Hij staat even op en als hij weer gaat zitten, staart hij met benauwden schrik op een tweede portie ossenhaas, worteltjes en snijboonen en denkt aan de rijstpudding, die hij na den eendvogel gebruikte. 't Zweet breekt hem aan alle kanten uit, maar hij moet zich goed houden en — eet.

Mevrouw Pietersen speelt haar rol voortreffelijk; zij is geheel aux petits soins voor beide heeren en zegt herhaaldelijk : „maar Guus, je vergeet heelemaal je gast in te schenden,quot; of „toe, meneer Arendsen, laat ik eens met u klinken.quot;

Soms ziet Guus haar smeekend aan, als zij doodonschuldig vraagt: „smaakt het je niet, manlief?quot; maar zij wil hem niet begrijpen en denkt: „een klein beetje straf mag je wel hebben voor je vergeetachtigheid.quot;

De ossenhaas is afgenomen, de borden zijn verwisseld en Gerritje komt binnen met een vol-au-vent aux champignons.

Arendsen zet .groote oogen op, en als de gastvrouw hem vraagt; „'n stukje vol-au-vent?quot; zegt hij hijgend: „Onmogelijk, Mevrouw! — te copieus ossenhaas gebruikt.quot;

ocr page 115

„GROG AMERICAIN.quot;

„O foei, nu jokt u, 't was een futje wat u at; kom?quot;

„Nog een glas bourgogne, meneer Arendsen?quot;

„Dat wel — asjeblieft! dorst gekregen — hum!quot;

„Hè! nu is u niet galant; nu refuseert u mij.quot;

„Nu dan! maar weinig — heel weinig!quot;

Mevrouw dient gast en echtgenoot en neemt dan zelf een microscopisch stukje. Zij heeft zoo de honneurs waargenomen, dat ze van de vorige gerechten bijna niets heeft gebruikt en dus zonder bezwaar van dit wat eten kan.

Pietersen is met mannenmoed aan de vol-au-vent begonnen en Arendsen proeft er even van, blazend als een Noordkaper, 't Dmer wordt gedurende eenige minuten zwijgend voortgezet. Het gelaat van den dikken gast wordt onrustbarend vurig; 't glimt als een tomaatappel en zijn oogjes worden klein en rood. De oude Chambertin is ook overheerlijk en 't schijnt alsof de goede man dien krachtigen wijn noodig heeft, om de spijzen naar binnen te doen glijden, want hij drinkt haastig en bijna na iedere bete. De arme Guus heeft reeds in 't geniep den trekker van zijn vest losgemaakt, maar 't helpt niet veel en 't wordt hem benauwd om 't hart, als hij Gerritje opnieuw ziet binnenkomen, ditmaal met lamscoteletten.

Zoodra Arendsen dat ziet komt een trek van afgrijzen over zijn rood gelaat; hij laat den zijden zakdoek, waarmee hij juist zijn schedel liefkoosde, op zijn bord en zichzelf achterover in zijn stoel vallen, terwijl hij de raadselachtige woorden steunt;

„'t Is waarachtig pront 't zelfde; — kan — niet — meer.quot;

„Watblief?quot; vraagt Mevrouw verschrikt.

„Hè?quot; zegt Pietersen.

„Pff! Water asjeblief! ben benauwd — kan niet meer — geen stuk meer — weet wat er nog komt — Pff — Lams-vleesch met snijboontjes — kip met peren — Pff — Zalm — Pff — pudding — dessert — Pff.quot; —

Mevrouw, die hem een glas water heeft ingeschonken, ziet hem zóó verbaasd aan, dat de dikke man, pijnlijk lachend, vervolgt;

„Wil liever alles opbiechten! Pff! dank u — 't wordt al beter. — Had pas gegeten in den Doelen; 't zelfde menu — vóór ik hier kwam ...quot;

„Wa-a-at?quot; vraagt Guus.

„Arme man!quot; zegt Marie, Arendsen wat Eau de Cologne

ocr page 116

„GROG AMERICAIN.quot;

gevend, omdat hij er uitziet, of hij dadelijk een beroerte zal krijgen.

„Wil eerlijk bekennen — Pff! nog wat water asjeblieft? — Had schandelijk de afspraak vergeten — kwam hier om excuses te maken...quot;

„Hè?quot; roept de gastheer.

„Ja! door die Grog-Americain en die champagne van gisterenavond — 'n beetje laat opgestaan — haarpijn — dof in 't hoofd — glad vergeten hier geïnviteerd — Pff!quot;

Mevrouw proest het even uit, maar herstelt zich dadelijk en zegt medelijdend; „Beste meneer Arendsen, had u dat maar dadelijk gezegd ...quot;

De dikkert ziet zijn gastvrouw min of meer schaapachtig, met uitpuilende oogen aan en antwoord afgebroken: „U begreep me niet — 'k was gegèneqrd — wou niet onbeleefd wezen. Eerst na 't diner in ^t Hotel schoot 't me te binnen.quot;

„Neen! maar die is verduiveld goed,quot; valt Pietersen uit, „en wij hebben...quot; dan houdt hij plotseling op, door een snellen wenk van Mevrouw, die hem daardoor belet alles te verraden, en met vrouwelijke behendigheid vult zij aan: „Ja! en wij hebben u nog al zóó geanimeerd om te eten,quot;

„Dat maakte me benauwd — genoeg,quot; steunt de vuurroode vleeschmassa.

Op de trap klinkt plotseling gelach en gejoel; het zijn de kinderen die t'huis komen, met de kindermeid, en vóór Marie zich omkeeren kan, wordt de deur geopend, door Paulientje, terwijl over haar schouders heen Kareltje en de kleinen zichtbaar zijn.

Haar oogjes worden groot van verbazing, als zij de aangerechte tafel ziet en met kinderlijke vrijmoedigheid, terwijl de anderen haar opstuwen, begint zij: „O! Ma! gaan we nu alweer é . . ..quot;

Haar stemmetje wordt gesmoord door de hand, die mama haar eensklaps op den mond legt, en het troepje voor zich uit op het portaal drijvende, de deur haastig sluitend, brengt zij ze naar boven, waar veel beloften worden gewisseld, om zoet naar bed te gaan en morgen wat lekkers te krijgen, want als ze weer beneden komen, valt op hun geheimhouding niet te rekenen.

Mijnheer Arendsen blijft theedrinken en trekt langzamerhand bij, maar neemt toch vroeg afscheid met veel excuses.

io8

ocr page 117

„GROG AMERICAIN.quot;

Als hij vertrokken is naar den Doelen, waar hij logeert, zegt Pietersen, die een heel andere man is, dan hij van morgen scheen, op trouwhartigen toon:

„'t Is een lamme dag voor je geweest, Marie, maar je hebt je kranig gehouden.quot;

Marie lacht, terwijl ze hem zijn hartelijken zoen teruggeeft en met een tikje op zijn schouder antwoordt ze:

In die Grog-Americain zit een duiveltje. Drink ze maar nooit meer, vent!quot;

ocr page 118

EEN JOURNALISTENSTREEK.

't Is 's morgens, tusschen elf en twaalf uur.

De heer Biommers, 2e Redacteur binnenland, van 't Morgenblad is zooeven opgestaan en komt in chambercloak en op pantoffels, langzaam uit de alkoof in de voorkamer die, vroolijk verlicht door de helder schijnende zon, een aller-prettigsten indruk maakt, 't Is half Maart en de grillige maand toont nog haar vroolijkst gelaat.

— Wat is 't hier toch een aangename kamer, denkt hij, terwijl hij voor 't venster gaat staan, en zich in de reeds vrij krachtige zonnestralen koesterend, op straat ziet.

— 'n Mooi uitzicht hier op de Heerengracht! Hè, 't zonnetje doet mij goed. Hij rekt zich behagelijk een paar malen uit en gaat eindelijk bij de ronde tafel zitten, om het ontbijt, dat reeds eenigen tijd op hem heeft staan wachten, te gebruiken.

Nauwelijks heeft hij zijn eerste kopje thee ingeschonken en een kadetje, met een vlugheid, als ware het een telegram, opengesneden of er wordt aan zijn kamerdeur geklopt.

— Binnen!

Juffrouw Albers, de eerzame matrone, die, gemeubileerde kamers verhurend, door 't leven sukkelt, treedt binnen.

— Morgen meneer, wèl gerust?

— Dank je juffrouw, 't schikt vrij wel, — u komt mij zeker 't weekboekje brengen?

—- Dat juistement niet, meneer Biommers, — hm ! hm!... De wed. Albers hoest en kucht een paar maal verlegen, strijkt haar zwart merinos boezelaar herhaaldelijk glad, ziet haar

ocr page 119

EEN JOURNALISTENSTREEK.

commensaal iet of wat schuchter van ter zijde aan en zegt eindelijk; — 'k wou u eigenlijk ereis over iets gesproken hebben.

— Zóó juffrouw, komaan! dan treft u het — ik ben thuis op 't oogenblik.

Grinnikend antwoordt de juffrouw: — U is toch altijd even komiekig; ja ! ja! die heeren krantenschrijvers hebben altijd zoo iets over zich. Ik kwam eigenlijk, weet u? — ik zou .... ik wou u zeggen dat, — 't spijt me warempel dat ik 't zeggen moet, maar u begrijpt, een mensch moet op zijn eigen voordeel bedacht zijn en als verstandig man, zal u kunnen denken dat.... Een verschrikkelijk vermoeden rijst in Blommers ziel: — ze wil mijn kamerhuur opslaan. Hij monstert de juffrouw met een donker dreigenden blik en denkt: —Hebzuchtige matrone, hoeveel dan ? maar hij antwoordt zeer zoetsappig:

— Natuurlijk juffrouw; maar 't komt mij toch voor dat ik ....

Verder komt hij niet, want plotseling overstelpt hem juffrouw Alber's welsprekendheid, als zij vervolgt:

— U woont nu circa 4 jaar hier en tot mijn genoegen, dat moet ik eerlijk zeggen; 'k heb zie dat niet — zij brengt den nagel van haar rechterduim even aan den mond — op u aan te merken. Dat u soms erg laat thuis komt, nou dat is tot daaraantoe, dat is de nachtdienst, dat brengt uw vak mee en u is altijd bekwaam in huis gekomen, daar dus niet van, maar....

— Groote hemel! denkt Blommers, 't is erger dan ik dacht; ze zal mij de huur opzeggen, en daarom valt hij haar in de rede met de vraag: — Wil je mij soms laten verhuizen?

— Gunst nog toe meneer, ik zou er waarentig niet aan denken, wanneer u me zelf niet op die gedachte had gebracht.

— Ik, juffrouw ? Blommers oogen worden grooter.

— Ja, meneer! zeker, u schreef verleden week zoo'n mooi stuk in de krant over de aanstaande tentoonstelling en de woningsnood die er dan heerschen zal, dat ik dacht....

— Wat dacht je ?

— Ik las zoo van die hotels, weet u! Dat er hier in de stad eigenlijk veel te weinig kamers en bedden zijn en zóóveel vreemdelingen komen, en dat er apperentie op is, dat ze op straat zullen moeten bivakkeeren en daarom ....

Ill

ocr page 120

EEN JOURNALISTENSTREEK.

Blommers huivert, hij begrijpt reeds alles.

— En daarom, vervolgt de matrone, dacht ik: deze kamei is zoo riant gelegen, ik heb ze verleden najaar pas laten schilderen en behangen ....

— Daar heb ik den last van gehad, denkt Blommers.

— Ik geloof dat ik goed gedaan heb, haar aan 'tVreem-delingen-Bureau- als disponibel op te geven; er is op die manier nog wel eens een extraatje te verdienen.

— Gisteren zijn er, toen u uit was, een paar heeren geweest, zoo'n soortement makelaars, die hebben me dadelijk getaxeerd op ie klasse, /9 per dag met ontbijt. En daarom, begrijpt u, zou ik u wel beleefd willen verzoeken met Mei te verhuizen. Ik ben een weduwvrouw en dus ....

Blommers verslikt zich aan zijn kopje thee en roept eensklaps :

— Harpagon in vrouwenkleeren!

— Wat blieft u?

— Geen woord meer, juffrouw! of.....

— Heere mensch! maak u niet boos meneer, u hebt nog rijkelijk een maand tijd om naar een andere kamer uit te zien, ik waarschuw u fatsoenlijk vooruit en ....

— 'k Was hier zoo naar mijn genoegen! klaagt Blommers, plotseling weemoedig gestemd.

— Dat wil 'k waarlijk wel gelooven; 't is ook maar geen lieve kamer, kijk me zoo'n riant uitzicht eens aan, en wat een gemakken. Bijvoorbeeld, hier die hangkast — de juffrouw opent de deur er van — en dan zoo'n kostelijk buffet.

Blommers ziet haar, verwonderd over die brutaliteit, in 't gelaat maar zwijgt. — Nooit last van rook, lekkasie of anderszins en zindelijk! — nou dat weet u zelf 't best.

— Hou op juffrouw!

— De makelaar zei gisteren dadelijk: die kamer is eerste klas, je kunt er op rekenen juffrouw, dat ze direct bezet wordt. Ik was erg in mijn schik. Och! als 'k zoo nadenk, moet ik zeggen: 't kan toch al raar in de wereld loopen. Dat ik nu juist door uw geschrijf op 't idee moest komen; 't is toch casuweel — en terwijl de juffrouw dit zegt, schudt ze het hoofd heen en weer en glimlacht vergenoegd. — Ik mag u nog wel bedanken, dat u er mij op hebt attent gemaakt.

— O fatum! o fatum! roept Blommers eensklaps zóó luid, dat juffrouw Albers een paar pas terug gaat en eenigszins ha-

112

ocr page 121

EEN JOURNALISTENSTREEK.

perend zegt: — Nou meneer, dat's du safgesproken, met Mei verhuist u. — 't Spijt mij waarentig, maar u begrijpt....

— Ik begrijp alles, lage ziel! barst de ongelukkige huurder eensklaps uit en met 't beboterde mes in de hand opstaande en op de juffrouw toegaande, vervolgt hij : — Heb ik daarvoor vier jaar lang je onverkwikkelijke phsyionomie geduld en je oudbakken kadetjes helpen opeten!

— Wat zeit u daar? — oudbakken! antwoordt de verontwaardigde hospita. Ik zal hier op deze plaats dood blijven staan als . . .

— Dat gave de hemel! maar zoo barmhartig is hij niet. Ruk uit juffrouw, of je brengt me tot het uiterste. Nogmaals doet Blommers dreigend een pas vooruit en de matrone verdwijnt als met een tooverslag.

In de gang staande denkt ze: — Hij is toch niet zoo net en fatsoenlijk als ik dacht, 't Is een geweldenaar; 'k ben eigenlijk blij, dat ik hem met Mei kwijt raak. Negen gulden per dag, 't is een kapitaal!

Handenwrijvend daalt zij de trappen af en gaat in haar keuken nog eens narekenen hoeveel de tentoonstelling haar wel op kan brengen, wanneer ze behalve meneer Blommers' kamer, ook de twee kleinere bovenkamers, die ze zelve bewoont, ter beschikking van het Vreemdelingen-Bureau stelt.— Ik kan wel een paar maanden in de keuken huizen, zegt ze in zich zelve, 't Is wel wat vochtig, maar in den zomer kan 't best.

II.

Een paar dagen later begon de heer Blommers reeds uit te zien, naar een geschikt verblijf, waar hij, na Mei, zijn vermoeid joumalisten-hoofd zou kunnen ter ruste leggen.

't Werd hem hoe langer hoe duidelijker, dat nog nooit een zijner artikelen zóóveel uitwerking op het publiek had gehad, want iedereen die kamers disponibel had, of tegen Mei dacht te hebben, aasde op den toevloed van vreemdelingen, die men tegen de zomermaanden verwachtte.

't Sprak vanzelf, dat hij er de man niet naar was om in de Goudsbloemstraat of Tuindwarsstraat te gaan wonen, of wel in de Jonker- of Ridderstraat een asyl te zoeken, en toch de gedachte bevestigde zich bij hem meer en meer, dat hij

quot;3

8

ocr page 122

EEN JOURNALISTENSTREEK.

ten slotte er toe zou moeten komen, wilde hij ten minste na Mei niet in de open lucht verblijf houden. Overal waar hij vermoeden kon dat kamers te huur waren, klopte hij aan, overal werd hem opengedaan, maar ook overal kreeg hij bijna hetzelfde antwoord: met Mei ? — neen meneer, daar treden we niet in, u begrijpt, met het oog op de aanstaande tentoonstelling hebben we onze kamers ter beschikking gesteld van . .. Gewoonlijk liet Blommers de menschen niet eens uitspreken, want de naam Vreemdelingen-Bureau begon hij te haten met al den haat, dien zijn, anders zoo vredelievend, journalistenhart kon voeden. Een paar maal reeds was hij in een hotel gegaan en had getracht den eigenaar voor een kamer te verschalken, maar ontzetting greep hem aan bij 't hooren van den prijs, dien men voor een eenvoudige kamer met alkoof vorderde. Alles zou nog wel te schikken zijn, dacht hij, wanneer het Morgenblad ook naar rato de salarissen, gedurende den tentoonstellingstijd, verhoogde, maar daar was geen sprake van. Integendeel, de werkzaamheden zouden zeker toenemen en daardoor, indirect, de salarissen lager worden.

Hij begon de stad in alle richtingen te doorkruisen.

Zag hij hier of daar een bordje staan met 't opschrift: Kamers te huur, dan kon hij ook zeker zijn, dat ze bij nader onderzoek slechts tot ultimo April te krijgen waren.

Zag hij een huis, dat verbouwd werd en vroeg hij: — wat wordt er van dit perceel? — tien tegen een durfde hij wedden, dat 't antwoord was: „— een hotel meneer! Met

het oog op de a. s. tentoonstelling meent de eigenaar dat----quot;

O! dat ellendige met het oog op de a. s. tentoonstelling, 't vervolgde hem als de nachtmerrie; het maakte hem half krankzinnig. Soms echter moest hij, niettegenstaande zijn boosheid, lachen als hij van de gouden bergen hoorde, die de menschen zich van 't kamers verhuren voorstelden.

— Het zal een opkomst voor de stad zijn, zei hem o. a. de eigenaar van een verbrand perceel, die bezig was het puin en de afbraak te doen wegruimen. — Denk eens aan, meneer, 'k heb mijn terrein voor drie maanden verhuurd aan iemand, die er tenten op laat slaan, voor menschen, die een goedkoop logies willen hebben.

— Ik ga mijn huis uit, hoorde hij van een ander, — 'k verhuur het gemeubileerd voor een enormen prijs, aan den

114

ocr page 123

een journalistenstreek.

eeu of anderen rijken Engelschman of Amerikaan, gedurende de tentoonstellingsmaanden.

Hij lachte om die utopiën, de goede Blommers, maar inwendig kookte hij toch en zon op wraak.

— 't Is bespottelijk, neen ergerlijk! riep hij herhaald, — de menschen lijken hier wel dol; misschien brengt die tentoonstelling hen nog op het denkbeeld om in 't vervolg niet meer te schrijven: A0 Domini, zus of zooveel: maar, 't Jaar I na de tentoonstelling. En ik, ezel der ezelen, heb nog een handje, neen, veel handjes geholpen om die kamerverhuurders totaal gek te maken. O, onzalig uur, waarin ik dat artikel schreef! — Had juffrouw Albers het ten minste maatniet gelezen; kon ik haar maar aan 't verstand brengen, dat 't niets meer dan een krantenartikel was en dat. . . halt! ik ben er. Een straal van licht brak eensklaps door 't donkere wolkenfloers zijner gedachten. Hij ijlde naar zijn bureau, nam een pen en begon te schrijven, 't Was een feuilleton voor het Morgenblad.

DE TENTOONSTELLING.

Een blik in de toekomst,

door faNTASIO.

De wereldtentoonstelling was geopend.

Uit alle oorden der wereld stroomden reizigers naar Nederland. Amsterdam was plotseling een wereldstad geworden. Amerikanen, Indiërs, Chineezen, Japanners en Eskimo's, Turken, Afrikanen en Australiërs kwamen, op de vleugelen van den stoom, aangevlogen.

Als een heir van sprinkhanen verspreidden zich plotseling al die vreemdelingen over Amsterdam; aan alle stations verdrongen zich de aankomende passagiers. Herhaaldelijk reeds waren op de perrons menschen in 't gedrang bezweken en nog immer voerden extra en gewone treinen nieuwe duizendtallen aan.

De aapjes reden totdat de paarden er bij neervielen; de Rijtuigmaatschappijen hadden het getal hunner véhikels verzesdubbeld en de Trams reden treinsgewijze.

De particuliere stalhouders hadden alles wat wielen had, tot het vervoer van passagiers ingericht. Oude, half vermolmde toesleden waren uit de hoeken gehaald en werden dooi

II5

ocr page 124

een journalistenstreek.

magere knollen over de keien gezeuld, maar menigeen dankte den Hemel nog voor zulk een vervoermiddel.

Enkele stalhouders bezigden waardelooze lijkkoetsen, die zij, orn haar't sombere uiterlijk eenigermate te ontnemen, met wimpels, groen en vlaggen hadden versierd en met banken voorzien, als omnibussen van en naar de stations.

In de grachten stoomden onophoudelijk havenbootjes heen en weer en tal van sleepbooten, die steunend en hijgend met passagiers bemande schuiten achter zich sleepten, deden aan reusachtige waterslangen denken. Een geregelde bagagedienst, tusschen de stations en de hotels, was door de dienstverrichting georganiseerd, en onafzienbare rijen karren en kruiwagens, beladen met koffers, kisten en hoedendoozen, ratelden onafgebroken door de hoofdstraten der stad.

De hotels waren tot berstens toe gevuld; geen biljart was er in de stad te vinden, dat niet beslapen werd en in de cafés werden 's nachts hangmatten aangebracht.

En immer hooger steeg de woningsnood!

Alle beschikbare kamers in de stad waren tot fabelachtige prijzen verhuurd en voor den ingang van een der hoofdkerken kon men, avond aan avond honderden menschen queue zien maken, om een nachtverblijf te vermeesteren.

Men sliep wel niet gemakkelijk in de houten banken der dignitarissen of ouderlingen, men knikkebolde onaangenaam op de stoelen in doophek of ruim, maar men was onder dak en dat zei reeds veel in den tentoonstellingstijd. De kerkmeesters hadden lang geaarzeld eer ze hun toestemming gaven om menschen van allerlei geloof en gezindte in een Gods-huis nachtverblijf te geven, maar hun gemoedsbezwaren konden het niet uithouden tegen de argumenten van een hunner, een bijzonder liberaal en geleerd man, die bewees, dat 't niets ongewoons was, dat in een kerk geslapen werd en dat de kleine vergoeding, die men voor het nachtverblijf betaalde, financieele voordeelen opleverde, die tot Christelijke doeleinden konden gebezigd worden.

Een vernuftig schuitenvoerder was op 't lucratieve denkbeeld gekomen een vloot van zolderschuiten in de Keizersgracht te varen, ze met geteerd zeildoek te overdekken en onder die beschutting aan iedereen, die zich aanmeldde, matrassen te verhuren a /2.50 per stuk, alléén uitzonderend lieden in kennelijken staat en dames zonder geleide.

ii6

ocr page 125

EEN JOURNALISTENSTREEK.

Extra nachttreinen reden onophoudelijk op alle spoorlijnen heen en weer, om de stad te proviandeeren. De broodfabrieken werkten dag en nacht met dubbel personeel; de slachters konden zich de weelde van 't naar bed gaan niet meer veroorloven en de bierbrouwerijen moesten nolens-v o 1 e n s het watergehalte van haar brouwsels vermeerderen. Wijnkoopers en distillateurs hadden reeds tot allerlei surrogaten hun toevlucht genomen en de roomboterfabrieken leverden slag aan de melkinrichtingen en melkslijters, om demelk, die, bij een ongewoon laag peil, door de buitenboeren buitengewoon hoog werd verkocht, meester te worden.

De paardenslachters aasden op de dood gereden vigelante-en aapjespaarden en de restaurateurs vochten er om wie 't eerst er van zou worden bediend.

't Was reeds een paar maal voorgekomen, dat 's morgens in de vroegte, bakkers- en komenijswinkels waren opengebroken en geplunderd door hongerige benden en daarom waren ter beveiliging van het bijzonder eigendom der ingezetenen, bij iederen bakker of handelaar in comestibels, schutters ingekwartierd, die, met heldenmoed en geladen geweer, dood en verderf dreigden aan een ieder, die 't wagen dorst de maatschappelijke orde willekeurig te verstoren.

Voor de grootste broodfabrieken waren stukken geschut geplant en hielden artilleristen dag en nacht een wakend oog, terwijl bij de voornaamste vleeschhouwers een sterke politiemacht de rust bewaarde.

De eerste koffiehuizen werden door detachementen infanterie bewaakt en herhaaldelijk moesten voor Mille Colonnes en Krasnapolsky door de cavalerie charges worden gemaakt, om den geweldig aandringenden hongerige-menschenstroom in bedwang te houden.

De schouwburgen gaven drie voorstellingen per dag, 's morgens, 's middags en 's avonds, en toch hunkerden nog steeds duizenden naar kunstgenot, 't Panopticum was dag en nacht geopend en in Natura Artis Magistra kon men niet anders dan voetje voor voetje loopen door de menigte, die den geheelen tuin met verwoesting dreigde.

Nu en dan vielen in de restaurants kellners en Jannen van uitputting neer, om nooit weer op te staan, en hier en daar zag men in schaftkelders de fijnste, chicste lieden elkander gebakken schol, leverbeuling in 't zuur, scharren en kommen koffie betwisten.

II7

ocr page 126

Il8 EEN JOURNALISTENSTREEK.

En nog immer stroomden de vreemdelingen de Amstelstad binnen.

Ook juffrouw Albers, de eerzame weduwe, die 't geluk heeft op de Heerengracht een toehuisje te bewonen, deelt in de algemeene welvaart. Zij heeft drie kamers verhuurd, een groote en twee kleinere.

De groote kamer is ingenomen door een Engelschman, Mr. Geo. Browning, de gelukkige uitvinder van de Zelf-werkende-Electrische-Puddingvorm, een apparaat dat 2000 cabinetpud-dingen per dag kan afleveren. De groote machine heeft hij op de tentoonstelling geëxposeerd en een kleinere op zijn kamer laten brengen.

't Schijnt een royaal man, die Mr. Browning, want hij heeft dadelijk gezegd:

— Allright 'I'll take the room; ƒ 12 a day with breakfast, quite well!

De juffrouw wrijft zich in de handen en denkt: dat is een buitenkansje; ze verhuurt daarom de ééne kleinere kamer voor slechts / 9 p. dag aan Monsieur Contesine, een virtuoos, die gedurenden den Expositietijd concerten komt geven. Men moet voor de kunst iets over hebben!

De tweede kleine bovenkamer is ingenomen door Iwanoff Prszynskow, een Russisch werktuigkundige, die een gloednieuw schietwerktuig heeft uitgevonden.

— Negen-en-twintig gulden per dag zegt juffrouw Albers, op innig tevreden toon, tot haar zuster Chrisje die, zoolang de tentoonstelling duurt, haar helpster is. — 't Is prachtig Chrisje! daar kan ik wat van overhouden; ik ben nu heel wat beter af, dan toen Meneer Blommers nog bij me woonde, 't Is waar, ik heb de twee bovenkamers nieuw moeten laten behangen en er kleeden laten leggen, maar dat heb ik er gauw genoeg uitgehaald.

— Ja Betje, dat geloof ik ook, vooral als de weekboekjes er bij komen en ze wat verteren.

— 't Schijnen alle drie bedaarde menschen te zijn, 'k heb ze haast nog niet weer gezien, sinds ze eergisteren zijn gekomen.

— Die schijnen den geheelen dag uit te blijven, Bet!

— Ze zullen op de tentoonstelling zijn, dat 's natuurlijk. Hé! wordt daar niet gescheld, Chrisje?

ocr page 127

EEN JOURNALISTENSTREEK.

Betje staat op, om te gaan zien wie er is en komt terug met een verbaasd gezicht en de woorden:

— Daar is een kruier met een mand eieren, twee vaatjes krenten, een kist oranjesnippers, een doos sucade en twee zakken meel.

— Die is hier niet terecht!

— Dat heb ik ook al gezegd.

De kruier houdt tegen juftrouw Albers stijf en strak staande dat hij wèl terecht is en toont een adres: Mr. Geo. Browning, inventor.

— Groote hemel moet die heele rommel hier zijn?

— Jawel juffrouw! 'k moet alles dadelijk op meneer's kamer brengen.

— Hier?

— Om u te dienen.

— Maar man, 't is niet mogelijk!

Terwijl de juffrouw nog aan 't woordenwisselen is, komt Mr. Browning thuis en brengt haar, in bijzonder gebroken Hollandsch, slecht Duitsch en goed Engelsch door elkaar, aan 't verstand, dat hij al die artikelen noodig heeft, om op zijn kamer eenige proeven te nemen met zijn Gepatenteerden Electrischen Puddingvorm, voor huishoudelijk gebruik.

— In Godsnaam! breng 't dan maar boven, man!

De vaatjes krenten beschadigen op gruwelijke wijze de trapleuning en de manden krabben langs de gewitte muren ; de zakken meel maken portaal en trappen stoffig wit en als de kruier ze eindelijk, blij dat hij boven is, van zijn schouder, op het tapijt in de kamer neersmijt, vliegt een witte wolk door 't vertrek en is in één oogwenk alles bestoven.

— Groote genadigheid! dat zal me een boeltje geven, zegt juffrouw Albers, als ze ziet hoe Mr. Browning zijn jas uittrekt en de doos met sucade op haar mahoniehouten tafel zet.

— Dat geeft krassen, zegt ze op de mand wijzend, tot den Engelschman.

— Never mind! de uitvinder neemt een vaatje krenten en zet 't op de canapé.

— Pas op, 't beschadigt zoo erg, weet uwé ?

— Never mind!

— En mijn kostelijke tapijt! dat meel gaat er nooit weer uit, en dan die kleverige krenten.

— Oh! Doesn't matter! — I want a couple of pails.

liq

ocr page 128

EEN JOURNALISTENSTREEK.

— Wat zegt uwé?

— Pails!

De juffrouw schudt haar hoofd; Mr. Browning gaat doodbedaard naar zijn koffer, haalt er een dictionnaire uit, zoekt een poos en zegtlaconisch: emmers two! hij steekt twee vingers op.

— Waarvoor?

— Wherefor? well to prepare the — hij zoekt weer inde dictionnaire — beslag, en met de hand maakt hij de beweging van iemand, die pannekoeken-deeg in een pot beslaat.

— Maar meneer! ik wil hier geen koekbakkerij hebben, verstaat u ? U ruwineert men heele kamer met dien morsboel, zegt de juffrouw vrij heftig, als ze ziet hoe haar huurder het vaatje krenten openslaat en een gedeelte van den inhoud op de kleine, gladde theetafel, die voor 't raam staat, uitstort om er met aandacht in rond te voelen of er ook steentjes in zijn. — Die tafel bederft totaal, meneer!

— Never mind! want the . . . emmers, make haste please.

— Wat wil hij toch met dat never mijnd, hij gaat zijn gang maar en stoort zich aan niets; dat 's een akelige vent! En 't miserabelste is nog dat ik hem niets aan zijn verstand kan brengen. Chrisje kan hem misschien beter verstaan, pruttelt juffr. Albers, als ze naar beneden gaat, om de verlangde emmers te halen en met haar zuster te beraadslagen hoe zij 't best haar kamer voor algeheelen ondergang behoeden kan.

Intusschen pakt Mr. Browning zijn electrische apparaten uit en maakt aanstalten, om binnen eenige minuten zijn eerste cabinetspudding af te leveren.

In een oogwenk is de kamer in een laboratorium herschapen, en als eindelijk juffrouw Albers met haar zuster en de emmers boven komt, ziet ze tot haar verwondering, dat Mr. Browning in zijn overhemd staat, de dekens van 't bed geworpen heeft en op 't beddelaken de sucade sorteert.

— I want a hatchet mistress, zegt hij, als zij binnenkomen.

— Wat zeit uwé ?

Browning maakt met de hand de beweging van snijden en hakken en wijst op de sucade met de woorden: — to mince the candied melons.

De twee vrouwen zien elkander verwonderd aan en vrij onvriendelijk vraagt de wed. Albers, op 't bed wijzend; — Op 't beddelaken? dat gaat niet. No! no! meneer! Ze schudt heftig haar hoofd.

120

ocr page 129

EEN JOURNALISTENSTREEK.

— Never mind, I'll cut it on the table.

— Op mijn mahoniehouten tafel, ik zou je danken, ik zou u wel beleefd willen verzoeken om die ijzeren dingen er af te zetten, -vervolgt ze en raakt onnadenkend een toestel aan, dat in vorm veel overeenkomst heeft met een groot petroleum-kooktoestel.

Met een schreeuw springt juffrouw Albers plotseling op. — O Heere! Chrisje, dat 's een electriek, gilt ze, aan alle ledematen bevend op een stoel neervallend, terwijl de Engelsch-man doodkalm opmerkt:

— Take care Mistress, for the electric apparatus could kill you.

Ruim acht dagen reeds ergerde de eerzame weduwe zich over haren huurder, die onophoudelijk proeven nam en op de meest onbarmhartige wijze haar nette kamer mishandelde. Tot walgens toe had zij met haar zuster cabinetspudding gegeten. 's Morgens, 's middags en 's avonds pudding, want Mr. Browning verzuimde niet van ieder baksel een proefje aan de dames te vereeren, en of ze ook pruttelden tegen die mildheid, de Engelschman bleef onverstoorbaar en bracht puddingen naar beneden.

Dat Mr. Browning een gemakkelijke huurder was kon zij niet bepaald beweren, want prompt om vier uur 's morgens stond hij op, was in vijf minuten aangekleed en schelde, for his tea, of zei lakonisch: — I should like a beefsteak. Soms wisselde hij 't af met ham and eggs of a chop.

— Dat's effetief niet uit te houden, zei juffr. Albers herhaaldelijk tot haar zuster, — 'k heb geen nachtrust meer en waar haal ik 's morgens zoo vroeg vandaan, wat hij eten wil. Gisterenmorgen om half vijf wou hij absoluut lamsco-teletten hebben; 'k wou dat ik hem met schik kwijt was, 'k ben dood op.

't Zou evenwel nog erger worden. Monsieur Contesini, die tot dusverre zeer bescheiden en rustig op zijn kamer had geleefd en alleen 's morgens tegen twaalf uur chocolaad en beschuitjes verlangde of 's avonds voor 't naar bed gaan, beleefd om een bouillon a l'oeuf vroeg, werd onrustig. Op een nacht wekte de Engelschman zijn hospita en zei in 't Hol-landsch dat hij zich had weten eigen te maken: — You come boven please ? .

121

ocr page 130

EEN JOURNALISTENSTREEK.

— Ik meneer? Groote goedheid! 't is half twee.

— Never mind, I can not slapen for the noise boven, of the Frenchman.

Nolens-volens moest juffrouw Albers zich komen overtuigen, dat de Fransche musicus, met dreunende stappen, in zijn kamer op en neer liep, verschillende melodieën zong, nu en dan even stilhoudend, om dadelijk daarop zijn eentonige wandeling te hervatten.

— Do you hear it?

— Jawel meneer, hij kuiert in de kamer heen en weer.

— Yes he is kuiering! very troublesome. You must tell him, ophouden.

Bescheiden klopte de matrone aan de deur van Mr. Con-tesini, om hem beleefd te verzoeken zijn nachtelijke wandelingen te staken, maar ze kreeg geen antwoord. Eindelijk na herhaalde vergeefsche pogingen om zich verstaanbaar te maken, opende zij de deur. De virtuoos trad plotseling op haar toe en vroeg op zeer ontevreden toon:

— Que voulez vous Madame?

— Vous aller au lit monsieur, pas promener. Juffrouw Albers had in haar jongen tijd een mondjevol Franschgeleerd, dat haar nu goed te pas kwam. — Taisez vous, je compose, allez dormir, vieille carcasse, antwoordde de componist erg onbeleefd en wierp haar de deur voor den neus dicht.

De beide oude juffrouwen kwamen hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat het niet alles was om met zulke vreemde snaken vrede te houden en het hun naar den zin te maken.

Reeds verschillende malen waren zij, midden in den nacht, als bemiddelaarsters opgetreden tusschen Mr. Browning en Monsieur Contesini, die niet verkoos zijn nachtwandelingen te staken dan na herhaalde aanmaningen van zijn hospita en 't geweldig protest van den Engelschman.

— 't Is bepaald een zegen, dat de Russische instrumentmaker een paar dagen op reis is om zijn bagage te halen, zei de goede juffrouw Albers, na een doorwaakten nacht tot haar zuster, die slaperig in de keuken zat te knikkebollen. — Wie weet wat hij ons gedaan had, die Russen zijn zoo driftig.

— Och God! 't wordt nog moord en doodslag hier in huis, als hij weerom komt en die Franschman niet slapen wil.

Gedurende een paar dagen was 't rustig; de Engelschman

122

ocr page 131

EEN JOURNALISTENSTREEK.

fabriceerde kalm zijn puddingen en Mr. Contesini zat doodbedaard aan tafel muziek te schrijven.

Die kalmte evenwel was de voorbode van een storm, want op zekeren dag werd er aan 't adres van Mr. Contesini een geweldig groote, zonderling gevormde kist bezorgd.

Met ontzaglijke moeite sleepte een kruier het gevaarte naar boven, en iederen keer als de kist een stuk kalk van den muur afstootte of een splinter van de trap brak, riep Mr. Contesini, die boven in zijn deur stond:

— Tout doucement! tout doucement! Ne heurtez pastrop fort mon instrument.

Nieuwsgierig en verwonderd staarden de juffrouwen de wonderlijke kist aan en verdiepten zich in allerlei gissingen, wat ze wel bevatten mocht.

Spoediger dan zij dachten zou hun verlangen bevredigd worden, want dienzelfden nacht nog, ongeveer tegen half twee, werden zij uit haar eersten slaap opgeschrikt, door een zonderling geluid, dat haar door merg en been ging. 't Was een grommen en brommen, soms een brullen, als van een wild dier, dan weer een snerpend gillen, dat allerakeligst klonk in 't holle van den nacht.

Het is een natuurkundige waarheid dat vensterruiten, onder zekere voorwaarden van spanning in trilling komen, rinkelen en meewarig steunen, terwijl dezelfde voorwaarden kopjes en glazen, die in de kamer zijn, doen opspringen, sidderen en beven, zoodat ze een onrustig geluid in 't leven roepen.

— Groote goedheid, wat is dat, Chrisje? — klinkt verschrikt Betjes stem uit de bedstede.

— Ik weet het niet, Betje!

Juffrouw Albers verbleekt onder haar nachtmuts, als een kolossale luchttrilling in den vorm van de lage E uit een contrabas, haar oor bereikt.

Plotseling verschijnt de Engelschman boven aan de trap en roept; — Joeffrouw, the Frenchmen is gek! You bovenkomen, dadelijk, immediately!

Bevend van ontsteltenis ijlt de ongelukkige kamerverhuurster de trap op naar Contesini's kamer. Ze tikt aan, maar een akelig brommen is 't eenig antwoord. Ze opent de deur en ziet Mr. Contesini, die met echte virtuositeit zijn bas bespeelt. Nu eens liefkoost en aait hij het kolossale instrument, dat daarbij tonen uitstoot als een verliefde kater in Maart, dan

123

ocr page 132

EEN JOURNALISTENSTREEK.

weer haalt hij met den strijkstok over de snaren zoodat de bas een geluid maakt, als een Nijlpaard dat behagelijk snorkt.

Contesini fantaseert!

Hij merkt niet dat er iemand binnenkomt. — Monsieur vous être fou? vraagt juffrouw Albers.

— Je fais mes études pour mon premier concert. Een streek over de dikste bassnaar doet het huis tot in zijn grondvesten sidderen.

— Mais monsieur, zoo midden in den nacht, muziek pas permis, savez vous ?

— Quoi done, pas permis? isse mijn kamer, ikke doen als ikke wil!

— Maar meneer! de buren .... die bas !...

— Isse mon instrument, ikke speel quand je veux.

Een menigte zestienden, een passage uit de symphonie pastorale, het onweer voorstellende, brengen den Engelsch-man tot wanhoop, die plotseling in nachtgewaad de trap opstormt en met Mr. Contesine een polyglottische woordenwisseling gaat houden, die, onder andere omstandigheden, zeker allervermakelijkst zou zijn geweest.

De woordenwisseling wordt heviger en heviger; de Fransch-man zoekt onder zijn papieren naar zijn naamkaartje en Mr. Browning zet zich in postuur om te boksen.

Vóór dat de twee nationaliteiten echter slaags raken, doet een geweldige slag, een ontploffing in de kamer onder hen, zich hooren en met den uitroep;

— Oh! dear me, that's the reservoir! snelt de Engelsch-man, zijn haat tegen den bassist plotseling vergetend, de trap af, gevolgd door juffrouw Albers, die doodelijk verschrikt met hem naar binnen gaat.

't Is stikdonker en doodstil in zijn kamer, alleen de overspringende blauwachtige electrische vonk van de puddingmachine gaat onverstoord en knetterend haar weg. Regelmatig, zachtjes, tikt de stroomverbreker.

Een kleverige massa regent van de zoldering af op juffrouw Albers handen en gelaat; nu en dan voelt ze dat stukjes van een hardere zelfstandigheid haar nachtmuts treffen.

't Ruikt onheilspellend zoetachtig, min of meer wee, in het vertrek, en als de juffrouw een pas voorwaarts doet, glijdt ze uit, in een onbeschrijfelijke, weeke, papperige zelfstandigheid. Eindelijk na herhaalde mislukte pogingen heeft Mr.

124

ocr page 133

EEN JOURNALI STENSTREEK.

Browning de uitgedoofde petroleumlamp weer aangestoken.

Ontzetting grijpt de zindelijke huisvrouw aan als ze tot de ontdekking komt, dat het groote beslagreservoir der puddingmachine gesprongen is.

Krenten, sucade, eierschuim, beslag en snippers zijn met onbegrijpelijke kracht door de kamer geslingerd. Overal heeft de kleverige massa zich in- en tusschen gedrongen; langs 't behangsel, van de zoldering en de staatsiegordijnen zakken, langzaam en treurig, stukken sucade en krenten af, terwijl de snippers zich als wormen in de bleekgele zelfstandigheid kronkelen. Mr. Browning staat versteend en juffrouw Albers zucht: — O! Heere! Heere! wat een smeerboel.

Daar klinkt eensklaps boven hun hoofd, als een saterlach een wilde melodie, 't Is een Hongaarsche Czardas, voor contrebas gearrangeerd. De flageolettonen, duizelingwekkend snel elkander opvolgend, door Mr. Contesini met onnavolgbare vaardigheid aan het reusachtig instrument ontlokt, doen elke zenuw der hoorders pijnlijk trillen en de zware grondtonen brengen hen tot wanhoop.

De Engelschman is woedend; hij wil zich wreken, maar hoe? eensklaps krijgt hij een idéé, echt Engelsch; hij grijpt de groote ijzeren plaat waarop zijn toestel rust, trekt ze met inspanning van alle kracht, onder de puddingmachine uit, en begint haar, ze aan 't einde stevig vasthoudend, met kracht heen en weer te schudden. Nimmer hoorde men op't tooneel natuurlijker den donder nabootsen, dan op dat oogenblik in juflr. Albers vreedzame woning.

't Geluid is onbeschrijfelijk, de vensterruiten trillen tot berstens toe; alles in de kamer rinkelt. En boven klinkt de Czardas steeds in wilder tempo; razend, gillend, snorrend en steunend vereenigen zich de basnoten met den donder van Mr. Browning's kachelplaat.

En bij al dat helsche leven, vervolgt 't afdruipend beslag langzaam zijn treurigen loop.

Meer dood dan levend verlaat juffrouw Albers het vertrek en ze meent te bezwijken, als plotseling de huisschel, krampachtig bewogen, haar metalen tong in het helsche duo mengt.

Eenige buren staan voor de deur en teekenen heftig protest aan tegen 't afschuwelijke concert, dat hen uit den slaap houdt. Gelukkig vluchten ze, bij het zien van juffrouw Albers in nachtgewaad; zij 't uit kieschheid of uit den aard der ver-

125

ocr page 134

EEN JOURNAL1STENSTREEK.

schijning zelve, genoeg, ze gaan heen. Beneden in de keuken ligt Chrisje in onmacht; ze heeft 't op de zenuwen en slaat, met armen en beenen, als ze weer bijkomt.

En altijd wilder klinkt de Czardas, altijd harder dondert de plaat.

Eindelijk geeft de bas het op. Nog een ratelslag van den Engelschman, alsof 't onweer ergens in was geslagen, en 't wordt stil, — de stilte des doods.

Mr. Browning valt uitgeput te midden van embryonische puddingen neer en Mr. Contesini zet zich aan tafel om een nieuwe fantasie voor contrebas te schrijven; een Czardas met donder effect voor de E-snaar; arpeggio's in A-mineur.

— C'est magnifique, mompelt hij, eet Anglais mélomane vaut son poids en or! ....

Nog was de lijdensbeker van de Wed. Albers niet tot den boorde toe gevuld, want toen, een paar dagen later, de Russische instrumentmaker terugkwam, had ze geen rust of duur meer. Hij bracht een kistje mede, dat hij met de uiterste zorgvuldigheid zelf de trappen opdroeg, behoedzaam neerzette bij 't raam en der juffrouw aanwees met de woorden, in gebroken Duitsch gezegd; — Serr gefahrlick, nikt anrühren, dynamiet.

Doodsbleek was de juffrouw beneden gekomen en had met haperende stem, fluisterend aan haar zuster vertelt: — dat die Rus een ondier, een nihilist was.

Geen oog konden ze meer luiken, die arme vrouwen, sedert zij wisten wat haar boven het hoofd hing. In gedachten zag juffrouw Albers reeds haar dak openbarsten, — zij meende de vreeselijke ontploffing van het dynamiet al te hooren, ze voelde als 't ware reeds haar lichaam vaneen rijten en voor haar geest verscheen plotseling het beeld van de politie, die den nihilist kwam arresteeren.

De politie in haar eerzaam huis; die gedachte alléén reeds maakte haar half krankzinnig. Chrisje viel van het eene zenuwtoeval in 't andere, en de buren, die van het kistje dynamiet gehoord hadden, maakten er werk van bij de stedelijke overheid.

Gelukkig liet de Rus zich bewegen, goedschiks te verhuizen, natuurlijk zonder de verschuldigde huurpenningen te betalen, pn toen de juffrouw en haar zuster, na zijn vertrek, de kamer

120

ocr page 135

EEN JOURNALISTENSTREEK.

aan kant maakten, durfden zij nauwelijks de achtergebleven papieren en rommel opredderen, uit vrees, dat hier of daar nog ontplofbare zelfstandigheden schuilden.

— 't Is een dankzegging waard, dat hij weg is Betje, zei juffrouw Chrisje, terwijl ze voorzichtig het bed, dat de Rus beslapen had, afhaalde, 'k Had geen gerust uur meer gehad als die vent. . . plotseling hield ze verbleekend stil en wees met uitgestrekten vinger op een klein bruin diertje, dat vrij snel over 't beddelaken liep. — Groote Hemel, Betje!

— Wat is er?

— Kijk eens, ken jij die beestjes? Chrisje gebruikte het meervoud, want een tweede insekt zocht met spoed zijn makker in te halen. Juffrouw Albers naderde behoedzaam, keek met uitgerekten hals naar 't vreemdsoortige diertje en liet zich eensklaps moedeloos op een stoel neervallen, terwijl ze de gedenkwaardige woorden sprak:

— Groote hemel! Nu zal 'k insectenpoeier moeten laten halen, dat is nog 't verschrikkelijkst van alles.

Een maand was voorbijgegaan, Mr. Browning had prompt zijn huur betaald, maar de geleverde cabinetspuddingen behoorlijk a ƒ 1. — per stuk in tegenrekening gebracht.

Juffrouw Albers had wel is waar verklaard, dat zij noch haar zuster er dol op waren, maar ze alleen gegeten hadden om meneer plezier te doen, 't hielp haar niet; zij moest ze betalen, want Mr. Browning zei doodkalm: — You eat them, you must pay, I also pay when I eat your cookery.

't Argument was logisch en zij troostte zich met de gedachte, dat zij den Engelschman niet volgens haar laagste tarief van consumabel, had laten betalen.

Wat Monsieur Contesini betreft, hij had, na den noodlottigen avond van 't duo, in voortdurende onmin met den Engelschman geleefd en was op een avond eindelijk met zijn instrument vertrokken om elders concert te geven. Tevergeefs wachtte juffrouw Albers op zijn terugkomst;—twee, drie dagen bracht zij tusschen hoop en vrees door: Zou hij terugkomen? Zou hij niet terugkomen ? Hij kwam niet en toch stond zijn groote, koffer nog op zijn kamer. O, jammer! toen de juffrouw er eindelijk toe overging de twee sloten te doen opensteken, kwam die koffer den smid al zoo erg licht voor en bleek de inhoud te bestaan uit een paar halfsleten sokken, een stukje colophonium en een minder zindelijk halfhempje.

127

ocr page 136

EEN JOURNALISTENSTREEK.

— En de rest is Fransche wind! riep zuchtend de wed. Albers toen zij tot de ontdekking kwam, dat ze nooit meer last zou hebben van Mr. Contesini's contrabas.

— „Dat 's een bankroetje,quot; zei Chrisje — zoo'n kale jakhals ! en die gebruikte nogal chocolaad en bouillon, 't is godgeklaagd. Je mocht willen Betje, dat je die goeie meneer Blommers maar gehouden had, dat was een fatsoenlijk man en als de Bank voor zijn geld.

Zwijgend stond de eerzame juffrouw Albers, als 't beeld der verslagenheid, in haar ontredderde kamer; tranen van berouw en spijt biggelden over haar eenmaal gladde wangen. Ze zuchtte diep en een opmerkzaam toehoorder zou uit die zucht den naam Blommers hebben kunnen verstaan.

De Tentoonstelling bloeide en groeide, de verschillende gebouwen weerstonden nauwelijks het gedrang der bezoekers, die onophoudelijk naar binnenstroomden. De hitte in de lokalen werd schier ondragelijk.

't Overheerlijkst weder begunstigde voortdurend de onderneming. Als een metalen boog welfde zich het uitspansel over de oude Amstelstad — Phoebus lachte vroolijk over de menschenmassa en zengend schoot hij zijn stralen in de straten, die als met gloeiende keien geplaveid schenen.

En de transpireerende menschen riepen eindelijk als uit éénen mond:

— 't Is te erg, veel te erg!

De Hemel had dien noodkreet vernomen en verstaan, want plotseling verduisterde een kleine wolk een gedeelte van den horizon. De wolk werd grooter en grooter en de klare Julihemel nam allengs een loodgrauwe kleur aan. Een vochtige westenwind stak op, een regenbui volgde en verfrischte de amechtige menschenkinderen!

— Heerlijk! verrukkelijk! goddelijk! een zegen! riep een ieder en gretig zoog de aarde de verkwikkende druppels in.

Een tweede regenbui kwam, een derde en een vierde werd door een vijfde en zesde gevolgd. Eindelijk, als om het evenwicht in de natuur te herstellen, regende het een maand lang zonder ophouden.

— Te veel! —- veel te veel! riep een ieder, — te nat! zuchtten bezoekers en exposanten. — Afschuwelijk! klaagden de ondernemers, maar tevergeefs, Jupiter Pluvius had bezit

128

ocr page 137

EEN JOURNALISTENSTREEK.

genomen van den geheelen westelijken hemel en onthaalde het aardrijk op steeds milder gaven.

't Was einde Augustus en nog altijd stroomde de regen in dikke stralen neder.

't Werd onheilspellend stil in Aemstels straten. Het tentoonstellingsterrein bood een echt zondvloedelijk schouwspel. De hoofdgebouwen waren slechts door middel van vletten of jollen te bereiken. De Commissie was voortdurend, voorzien van zwemgordels en reddingstoestellen, op 't terrein aanwezig. Hier en daar bezweek eensklaps een der bijgebouwen en zag men allerlei artikelen, in wilde wanorde, half drijvend, half in den moerassigen grond verzonken.

De tourniquets aan den ingang waren weggezakt en de suppoosten had men van Boyton-pakken voorzien.

De enkelen, die het nog waagden het tentoonstellingsterrein te bezoeken, liepen op stelten of waterschoenen en pagaaiden zich door de zalen.

Reeds waren enkele menschenlevens te betreuren en nog hield Jupiter Pluvius zijn zegen niet terug.

In de straten, op de pleinen, overal begon een diepe, sombere, natte, doodsche stilte te heerschen. Voor de koffiehuizen stonden de eigenaars en loerden op den argeloozen vreemdeling,' die 't nog waagde in hun nabijheid te komen. Somtijds schoten drie of vier restaurateurs te gelijk op zulk een onvoorzichtige toe en 't was meer geluk dan wijsheid, indien zoo iemand er zonder kleerscheuren afkwam.

Menige buitenman werd schier vaneengereten door de radelooze bierhuishouders, die elkander den laatsten vreemdeling betwistten.

De Kamerverhuurders sloegen bordjes aan hun huizen. Reusachtige letters vermeldden gelegenheid en groote prijsvermindering. Helaas! niemand sloeg er acht op en de regen wischte de letters zachtkens af. De hoteliers staakten vooreen groot deel hun betalingen en de Tentoonstellingscommissie overpeinsde welke financieele maatregelen zij nemen kon.

De stad was als uitgestorven. Eindelijk vertrok ook de laatste vreemdeling, 't Was een parapluie-fabrikant, die geëxposeerd had en zijne expositie tot fabelachtige prijzen had uitverkocht.

Juffrouw Albers was doodziek; de Engelschman was reeds

I29

9

ocr page 138

EEN JOURNALISTENSTREEK.

lang vertrokken, haar als gedachtenis een onuitsprekelijken haat tegen cabinetpudding achterlatend.

De eerzame weduwe was aan den rand des grafs. Moeraskoortsen sloopten haar deugdzaam ik, want de keuken waar zij, om de andere kamers te kunnen verhuren, zoo lang had gehuisd, was ongezond; een sousterrain, gedeeltelijk onder A.P.

Chrisje, hoewel zelf door cattharale aandoeningen, bijna tot een geraamte uitgeteerd, verpleegde haar zuster liefderijk en als de arme zieke in wilde koortsvlagen ijlend riep:

— O! Blommers! O! beste brave Blommers! waarom heb ik je laten heengaan, och! was je nog maar mijncommesaal! zei ze troostend: — Ja Bet, wèl mocht je dat wenschen. 't Was een man als de Bank; dat komt er nu van als je't onderste uit de kan wilt hebben.

Eindelijk bezweek ze, en toen 't arme slachtoffer der wo-ningsnoodmanie ten grave was gedragen, schreef mijnheer Blommers uit oude kennisschap haar lijkrede in 't Morgenblad, besloot die met de aandoenlijke woorden :

Zij bezweek in den bloei haars levens.

De woningsnood Gaf haar den dood Resquiescat in pace.

— Zie zoo! zei mijnheer Blommers, terwijl hij zijn pen afwischte en Jaapje, den zettersjongen, riep om het laatste stuk kopij naar de zetterij te brengen.

— Zie zoo! daar kan ze het vooreerst wel mee doen. De hemel geve, dat het evenveel indruk op haar maakt als mijn eerste stuk.

Een dag of wat later zit Blommers kalm te ontbijten, als het bekende likje van juffrouw Albers' knokkel op zijn kamerdeur hoorbaar wordt.

— Binnen!

— Morgen meneer Blommers, wèl gerust?

— Superber, dank u! Wat is er van uw dienst?

Tuffrouw Albers ziet haar huurder glimlachend aan, kucht

ocr page 139

EEN JOURNALISTENSTREEK.

even en zegt, terwijl ze de kranten, die zijn feuilletons behelzen, van onder haar boezelaar te voorschijn haalt:

— U heeft 't wel wat al te erg gemaakt!

— Hoezoo juffrouw?

— Nou meneer, zoo ellendig zal 't toch wel niet wezen. Hè! mijn zuster en ik hebben er kippenvel van gekregen.

— Ei!

— Gunst meneer, ik ben er waratje van geschrokken, toen ik mijn naam zoo publiek in de krant las, dat 's niet mooi van u, . . . . maar alles wel overwogen ....

— Nu?

— Wou ik u verzoeken of u maar wil blijven wonen, mijn zuster is ook van opinie dat 't beter is om 't sicure voor 't onsicure te nemen, — met u als huurder heb ik meer vastigheid; u is een stil, ordentelijk mensch en dus ....

— Blijf ik wonen; accoord! maar als u er niets op tegen hebt juffrouw, zullen w-e nu een klein huurceeltje opmaken. — Enkel voor de vastigheid, juffrouw!

— Zooals u wil meneer, 't Is mij goed, maar doe me plezier en zet mijn naam en dien van Chrisje niet weer zoo publiek in de krant, de menschen zullen ons op straat aankijken, 'k geneer me er voor . . , .

— O, juffrouw maak je daarover niet ongerust; de namen Albers, Chrisje, Betje en Blommers komen alléén in uw krant voor. — in de overige exemplaren staan andere namen.

Tot op heden begrijpt juffrouw Albers nog niet hoe dat mogelijk is geweest, en daarom zegt ze altijd, als ze van meneer Blommers spreekt, met een zekeren eerbied:

— - 't Is wonderlijk volk, die krantenschrijvers; ze doen dingen, waar je geen hoogte van kan krijgen — je moet er voorzichtig mee wezen!

ocr page 140

HANS.

't Waren slechts drie armoedige menschen, een kreupel paard cn een vervelooze kar, waar ik iederen morgen even naar keek als ik voor mijn venster het langgerekte woord : „Skil—lè !quot; hoorde roepen.

Steven de schilleman riep het altijd aan het begin, op het midden en aan het einde der gracht, en de klemtoon op „lèquot;, benevens de scherpe K verrieden onmiddellijk hun Willem-straatschen oorsprong.

't Was een bijzonder typig groepje, groezelig en vaal als een grauwe Novemberdag; een schilderijtje, geheel in toon gehouden dat, wanneer de zon er op scheen, stoffig en rossig leek en niet in harmonie was met den dag.

Steven, „de baasquot;, een klein, oud mannetje, met één oog en een gelaat even groenig-grijs als de aardappelschillen, die door Kaatje, zijn half suffe dochter, en Koos, een blinden neef, aan de huizen werden opgehaald, liep naast het paard; de neef achter hem, met zijn hand aan de kar, en Kaatje sukkelde stoep op, stoep af om aan te schellen.

Dag aan dag kwamen ze zóó voorbij.

Hans, het paard, bleef altijd vanzelf voor mijn stoep stilstaan en wendde zijn kop even om, teneinde naar de deur te zien. Het dier was gewend bij mij een paar korsten brood te krijgen en hunkerde naar die versnapering, als een klein kind naar een koekje.

„'tWas ook zoo'n eigenaardig wijs beest!quot; Steven zei't me met een zekeren trots, en als hij van zijn paard begon te vertellen, was hij niet gauw uitgepraat. Ik geloof dat hij nog

ocr page 141

HANS.

meer met Hans ophad, dan met zijn dochter of met den ongelukkigen neef, die zich, aan de hand van het meisje, de dwarsstraten liet intrekken en daar de schillen, die zij aan de huizen in ontvangst nam, in een grooten zak verzamelde. Was de zak vol, dan droeg Koos dien, als een geduldige blinde pakezel, naar den baas, die langs de grachten zijn dagelijkschen weg vervolgde. De zak werd leeggestort in de kar. Steven zei: „Vooruit Koos!quot; en de blinde liet zich verder gewillig door de straten leiden, terwijl Hans de kar langzaam voorttrok.

„En wil uwe nou wel gelooven VIat ie menschenverstand heit?quot; vroeg Steven op een morgeii dat ik hem zelf eenig overgebleven brood voor 't paard gaf. „Kijk ! nou ziet ie dat er wat vreemds is — uwes meissie kent ie. Ja Hans! je hebt nou wat van meneer zeivers gekregen, daar proef maar ereis ouwe jongen!quot; De schilleman zocht uit het brood — 'twaren korstjes en restjes van verschillenden leeftijd — de beste, minst oudbakken stukken, en voegde er verklarend bij: „Die goeie brokken doe ik in 'n zak, die eten we 's avonds. Ik krijg nogal veel oud brood voor Hans, maar 't is zonde en schande om alles aan 't beest te geven, daarom sorteer ik 't zoo'n beetje, ziet u? 't Is nog een heele vervulling; 'k heb nog vier kinderen thuis; tien gehad meneer! en toch laat getrouwd met 'n zwakkelijke vrouw; 't kan al casuweel loopen in de wereld. Dat meissie dat daar ankomt is m'n oudste; 'n goed schaap, maar sufferig, niet zoo heelemaal goed bij 't hoofd en niet sterk van inhoud.quot;

De blinde en 't meisje kwamen de straat uit en naar de kar. „Ziet uwe, daar is ze!quot; herhaalde Steven. „Zij lacht maar altijd, — hè Ka? — Geef de zak maar hier Koos. Aho! huup! — dat 's een volle geweest. Zóó, nou maar weer vooruit! — Ja, 't kind heit nooit kunnen leeren lezen en schrijven en Hans heit meer verstand dan zij.

Koos is sterk en zoo'n zak is voor hèm maar een peulschilletje; 't is een neef van me, van moeder's kant, sjouwer geweest van z'n vak, maar stekeblind geworden door 'n ziektestof op z'n oogen. Hij was zonder broodwinning; in 't gesticht konden ze hem niet hebben en toen heb ik me maar over 'm ontfermd; ik weet wat 't is als je niet goed ziet. Hij kan nou tenminste z'n kost ophalen — ho Hans! we praten nog een beetje met meneer! — hij is niet gewend om zoo

133

ocr page 142

HANS.

lang stil te staan, weet u? — 'k Hoef hem nooit niets te zeggen, hij weet alles, ja 1 als ik Hans niet had dan kwam ik er niet; 'k word oud, dat voel ik, — ho dan, jongen! wat heb ie vandaag een haast? Hj is een dragonder geweest, maar afgekeurd voor den dienst, omdat hij een wond aan zijn poot had gekregen' en kou gevat, daarvan is ie dampig en kramperig nu en dan. Och ja! 't stomme dier is zeker geboren in 't hoekie waar de slagen vallen, hij heit altijd ie vers wat, hè Hans ?quot;

Hans spitste zijn ooren; 't was waarlijk alsof het dier wist dat er over hem gesproken werd. Steven ging naast hem staan, klopte hem op den hals en terwijl hij met een soort van teederheid het paard bekeek, zei hij: „We hebben al heel wat doorgemaakt, we zijn ook al zoo lang samen geweest.quot; Hij gaf hem nog een broodkorst en vervolgde: „Daar! geef je tanden nog maar ercis wat te doen en laat meneer zien wat je ken; geef ereis 'n poot?quot;

Goedig lichtte Hans den linkerpoot op en wreef zijn neus tegen Stevens schouder. „Neen! neen! je rechter! je hebt toch opvoeïng gehad; denk er om dat je gediend hebt! Zie je wel meneer! dat ie 't verstaat! Ja! dat heit ie nou uit z'n eigen geleerd, toen ie zoo sukkelde met z'n zeere poot. Och! als ik je vertellen wou wat 'n gedoe dat is geweest om dien stumperd te genezen, had 'k wel een dag werk. 'k Ben verscheiden malen met 'm bij den veearts geweest, maar die had er geen gezicht op. 't Duurde me ook veel te lang, de wond ging maar niet dicht en eindelijk kwam er wild vleesch in; toen heb ik 't zei vers uitgebrand met 'n gloeiend ijzer dat deed 'm goed!quot;

't Paard schudde plotseling zijn kop heftig heen en weer en onwillekeurig moest ik lachen over die toevallige beweging. Steven zag het en zei ernstig: „Neen! dat's nou maar casu-weel, omdat de vliegen hem hinderen. Hij weet heel goed ^ dat 't gebeuren moest en dat ie anders niet te helpen was. Toen heb ik hem verder gecureerd met water en azijn, en zoo is ie, op 'n beetje kreupeligheid na, weer in orde ^gekomen. Hij zit ook niet slecht in z'n want hè, meneer ?quot; en met zijn hand langs de flank van het paard strijkend, voegde hij er bij : „dat komt omdat ie goed voer krijgt, ja! voor men ouwe dragonder moet er 'n beetje haver af; heel vief is ie anders niet, maar dat 's nou natuurlijk, nietwaar? Als

134

ocr page 143

HANS.

uwe nou, zal 'k ereissies stellen, wat aan je poot mankeert, maak je toch ook geen kromme sprongen. Nou zeggen sommige menschen bij mij in de straat: je bent te goeiig met hem, je moet 'em meer lange haver geven, dan zal ie wel kwieker worden, maar dat 's onzin! — dat maakt me nijdig. M'n Hans, die me zoo goed kent, sla ik niet; 'k zou veel liever die schreeuwers ereis over d'r ribben strijken. Hij zou 't niet kunnen verdragen, hij staat op z'n ponteneur, net als 'n mensch, meneer! en voor 'n goed woord doet ie alles.

Als 't glad is en we moeten samen een sluis op, dan helpen we mekaar, niewaar ouwe jongen ? En als ik dan zeg: „hoe is 't nou Hans! moet de baas nou alleen werken, kan je dat nou van je hart krijgen?quot; dan is 't kompleet of ie me verstaat en in z'n eigen denkt: waarachtig niet! Dan zet ie z'n zei vers schrap en trekt wat ie kan.

'n Zweep heb ik bij me omdat 't zoo hoort, maar hij leit altijd in de kar, onder de schillen.quot;

Terwijl Steven sprak proestte en kuchte het paard een paar maal; de baas klopte hem zachtjes onder tegen den buik en zei op meêwarigen toon: „'k geloof dat ie 't weelbeet krijgt. Hij heit dikwijls last van de krampkoliek; soms moet ik er 's nachts om twaalf uur nog uit om 'n maatje lavas ') voor 'm te halen; dat knapt 'm gewoonlijk gauw op. Vroeger gaf ik 'm bier met stroop gekookt, maar lavas is beter — en dan maar voortdurend z'n buik wrijven met olie en terpentijn. Hij houdt ons soms leelijk uit den slaap, niet Hans ? Maar 't beest kan 't niet helpen en als 'k 'm dan goed gewreven heb dan begint ie te hinniken, net of ie zeggen wil: dankie wel baas, dat heit me goed gedaan, en dan trekt ie 's ochtends eens zoo vief als anders.

135

En dan de nachtmerrie! Daar heit ie 't ook danig mee te kwaad gehad. Neen! kijkt uwe nou maar niet zoo ongeloovig, want 't is sicuur waar; m'n vrouw heit me 's nachts wat dikwijls aangestooten en wakker gemaakt met dat ze zei: „Steven! hoor je het? We zullen d'r weer uit moeten, want Hans gaat zoo an. Dan stond ie in 't stalletje, dat we voor 'm op 't plaatsje getimmerd hebben, te trappen en te stampen dat je d'r miserabel akelig van werd en als we dan bij 'm

,) Een scort van anisette.

ocr page 144

HANS.

kwamen lei — met uwes permissie. — het zweet op z'n snoet en hij stond te trillen op z'n beenen en — uwe mag daar nou om lachen of niet, maar 't is zuiver waar — zijn manen waren zóó netjes gestrengeld dat 'n dame 't niet mooier had kunnen doen.

We hebben d'r uit aardigheid 'reis quot;n buurvrouw bij geroepen — ons stiek menschen is natuurlijk voor dag en dauw op — en die sloeg d'r handen in mekaar omdat zoo'n simpel beest z'n eigen toch zóó niet opknappen kan, en de kaartlegster uit de Potgang zei: dat 't zooveel was als een duvel of een booze geest, die 'm 's nachts bezocht en dat we maar 'n schaap of 'n geit bij 'm moesten nemen. Dan heitie gezelschap zei ze en dan durft de nachtmerrie den stal niet in. — Nou! 'n schaap dïit was te graveelig, weet u? Maar'n geitje hebben we toch voor Hans gekocht en nou heit ie er geen last meer van — dat moet uwe maar onthouwen, als 't uwe ooit zelvers overkomt.

Daar staat Koos met den zak al aan de andere straat — 'k zou m'n tijd verpraten, — kom Hans! hort, jongen! — we moeten weer verder! Och ja meneer! zóó gaat het nou maaamp; altijd door eiken dag, dien God geeft!quot; En Hans op den nek kloppend, voegde hij er verder gaande bij: „Wij kunnen niet meer buiten mekaar, hè? Wij moeten maar samen verslijten.quot;

Eenige maanden later, 't was nog vroeg in den ochtend, zag ik Steven met zijn kar aankomen, 't Scheen mij toe dat hij meer gebogen liep en langzamer voortging dan anders, en toen ik den ouden man aansprak, schrikte ik van zijn gelaat; 't had een veel valer en witter tint dan anders en onder zijn oogen lagen dikke, blauwe wallen; hij hoestte lang en benauwd.

,'k Ben niks niemendal goed meneer!quot; zei hij als antwoord op mijn vraag: „Ben je niet wel Steven?quot; en met een diepen zucht voegde hij er bij: „De baas begint te krukken meneer; de beenen slepen me na en 'k heb zoo'n zware pijn in m'n rug en hoesten en opgeven, 't is bar! — maar wat 't ergste is. Hans is ook niet in orde, hij heeft 't heel erg te pakken, zijn poot is weer open en aldoor last van kramp: waar moet dat heen?quot; Steven ging vermoeid en hijgend op een stoep zitten, Hans kuchte en proestte.

ocr page 145

HANS.

„We hebben 't allebei 's nachts te kwaad, hé ouwe jongen? Jij met je buik en ik met m'n borstquot; en tot mij gewend: „Uwe begrijpt meneer, ik moet de hand aan 'em houwen — m'n vrouw heit er geen slag van om 'em te helpen, dus moet de baas d'r maar uit, hé Hans? Och ik kan toch niet slapen door 't aangaan van m'n borstquot; —• hij haalde een paar maal kort en moeilijk adem en zuchtte: „maar effectief moe, en slappies ben 'k geworden. Afijn als 'k Hans d'r maar weer bovenop haal zal alles wel losloopen — aan mij is niet veel verbeurd, meneer! ik ben maar 'n ouwe halfblinde kerel — maar hijquot; — moeilijk stond Steven op, streek met de hand over den kop van zijn paard en liet het een oogenblikje op zijn vingers zuigen, — hij moet den kost verdienen voor ons allemaal, niewaar ouwe dragonder? 't Paard lichtte even zijn rechterpoot op. — „Neen! laat je poot nou maar staan, 'k kan er nou toch niks meer aan doen. Van avond hoor! dan zal ik je weer helpen.

Brood meneer? — Och neen! nou heit ie geen trek — dank uwe wel; hij is net als de baas, als ie niet lekker is, vreet ie niet. — Kom Hans! we moeten weer voort. Koos staat al weer te wachten, Hort!quot;

't Is morgen, 't waait en regent, de lucht is kil en guur, een echte herfstdag; nu en dan openen zich de zware grijze wolken om een stu!:je van den treurigen, vaalwitten hemel te doen zien.

Aan het einde der gracht zie ik de schillekar aankomen, 't Paard ziet er, naar het mij voorkomt, weer wat flinker uit; zijn kop is niet zoo diep gebogen en hij stapt minder kreupel voort.

Gedurende eenige dagen heb ik mijn vriend Hans en zijn baas gemist, daarom ga ik even naar de keuken om wat brood te halen, en als ik op de stoep kom nadert de kar. Nu eerst zie ik dat de blinde de leidsels houdt; met de uitgedoofde oogen doelloos voor zich uitstarend, recht op, eenigszins achterover zelfs, loopt hij voort met den slependen tred aan blinde menschen eigen, half voortgetrokken door Hans, die den weg en de klanten beter kent dan hij. 't Half suffe meisje draaft de stoepen op en af om de bakken en mandjes met schillen in ontvangst te nemen.

137

ocr page 146

HANS.

Hans staat, oudergewoonte, voor mijn stoep stil en wendt zijn kop naar de deur; ik geef hem zijn dagelijksch rantsoen en vraag aan den blinde, die onbewegelijk als een steenen beeld, de leidsels slap in de handen houdend, naast de kar stilstaat: „Is Hans weer heelemaal opgeknapt, is zijn poot weer beter en heeft hij geen kramp meer — en hoe is 't met den baas?quot; — Voor hij antwoorden kan, sloft het meisje naar mij toe, slaat even haar fletse, kleurlooze oogen op en, terwijl ze den bak met schillen van de meid overneemt, glijdt er iets als een flauw glimlachje over haar wezenloos gelaat en zegt ze op doffen, zonderlingen toon; „Hans is heelemaal weer beter, meheer! — maar vader is dood !quot;

„Hort, Hans!quot; roept de blinde en de kar gaat.weer voort.

ocr page 147

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

„Bosclwvijk!quot; riep de conducteur en opende met een ruk het portier van mijn coupee.

„Boschwijk! — Boschwijk !quot; klonk zijn stem, langs de wagens, zich verliezend in de verte.

Met een lichten schrik werd ik wakker, gestoord in een aangenamen droom, en ik moest me een kort oogenblik bedenken waar ik was.

De vinnige kou en de scherpe wind, die, te gelijk met de stem van den conducteur, tot mij doordrongen, brachten mij echter oogenblikkelijk tot de werkelijkheid terug: ik was aan het station van Boschwijk, een welvarend dorp, waar ik dien avond een Nutslezing zou gaan houden.

Nog eenigszins doezelig van het slapen, stapte ik uit, luisterde even naar het geluid van de electrische seinklok, hoorde de drie korte slagen op de afluidbel en zag werktuigelijk den trein na, die gillend en snuivend verder stoof.

Toen keek ik rond, of ik ook iemand ontwaarde, die er uitzag alsof hij vanwege het Nutsdepartement was „geordineerdquot; of „gecommitteerdquot; om den lezer af te halen. — Niemand!

Ik stond alleen op het slecht verlichte perron; 'k zag den man, die de bel had geluid, en een paar andere beambten, met hoog opgetrokken schouders en haastige passen een deur binnengaan, waarboven „Verboden toegangquot; stond en achter de bevroren glasruiten van 't verlichte telegraaf bureautje vertoonde zich het schaduwbeeld van een heer, die zat te schrij-

ocr page 148

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

ven — anders niets. Daarom wendde ik mij naar den uitgang, in de hoop iemand te vinden, die mij het gebruikelijke: „'t plezier m'neer van Maurik te zien ? — Goeie reis gehad ?quot; zou toevoegen.

Niemand! — Alleen een man in dikken dufiel en op klompen, met een lantaarntje voor de borst, strekte zwijgend de hand naar mij uit, liet 't licht van zijn lantaarn een seconde op het kaartje vallen, deelde het eerlijk met mij en zei van achter zijn wollen bouffante een verkouden: „Goeienavond.quot; Waarschijnlijk was hij zoo beleefd, omdat ik de eenige reiziger was, die hem dien avond iets te doen gaf en aan wien hij het tipje van zijn neus — verder was er van 's mans gelaat niets ■ te onderscheiden — kon laten zien.

Daar stond ik nu als een moderne Robinson Crusoë, niet op een onbewoond eiland, maar voor een onmetelijk groot veld, waarvan de vlakte door geen huis of schuur, zelfs door geen enkele ontbladerde boom of struik werd afgebroken.

Vóór mij een lange, rechte weg, grauw tusschen de witte sneeuwvlakte zich verliezend in de duisternis en heel ver in de verte, een paar roodachtig-schemerende lichtjes, vermoedelijk uit de eerste huizen van Boschwijk schijnend.

Plotseling overviel mij een allerakeligst gevoel van verlatenheid ; ik huiverde van kou en luisterde met een zekeren angst naar 't loeien en huilen van den wind over 't vlakke veld. Brrr! wat 'n weer! Hagel en sneeuw sloegen mij onbarmhartig in 't gelaat en een hevige windvlaag rukte mij bijna den hoed van 't hoofd, terwijl zij, gierend door de telegraafdraden langs den weg, mij spottend scheen toe te roepen: „Phie-ie-ie-ier! — wat doe je hier? — Kom je hie-ie-ier ? — Phie-ie-ie-ier!quot;

„Neen!quot; dacht ik, „'k ben waarachtig niet voor mijn plezier uit, met zulk weer, en als 'k de lezing niet vast had aangenomen dan . . . .quot; 'k Kreeg heimwee naar mijn gezellige studeerkamer en mijn heerlijke vulkachel. Daar vóór mij dien eenzamen landweg op te gaan? Neen! ik kon er niet toe besluiten; waarom zonden zulke.... hum!.... zulke Nutsbestuurderen

ook geen rijtuig____ Foei! is me dat een ontvangst voor een

christelijk lezer? — In stilte wenschte ik het Boswijksche Nutsbestuur, mitsgaders al de onschuldige leden naar een veel warmer klimaat dan het onze, maar wat hielp mij dat; ik moest toch tot een besluit komen, mijn horloge wees — 'k had moeite om de wijzers en cijfers te onderscheiden — half zeven, en om acht uur zou de lezing beginnen.

140

ocr page 149

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

„De hemel weet hoever 't dorp van 't station ligt!quot; dacht ik bij mijzelf en overlegde wat ik in de gegeven omstandigheden doen kon. — Wandelen ? — een verkoudheid oploopen, slecht lezen, fiasco maken — of de barmhartigheid inroepen van den stationschef; misschien wist die een middel om.... daar zag ik eensklaps in de verte twee vurige oogen, die mij aanstaarden; ze kwamen nader, werden al grooter en grooter en bewogen zich nu eens langzamer, dan weer sneller op en neer. Neen! ik bedroog mij niet; 't was een naderend rijtuig, ik hoorde al spoedig het geluid der wielen, en een zucht van verlichting ontsnapte mij, toen ik, eenige minuten daarna, een oliewagentje, vóór 't station, naast mij zag ophouden; als bij ingeving wist ik, dat het voor mij bestemd was.

„Ho Kloas! we benne d'r, jong!quot; klonk 't uit den wagen; 't paard stond stil en schudde een paar malen met den kop op en neer, als wilde het zeggen: „Ja, ja, — daar zijn we nu!quot;

„Is de trein van zeuven ure d'r al?quot; vroeg dezelfde grove stem.

„Al lang!quot; antwoordde ik min of meer bibberend.

„Zoo, nou dan is ie duvels vlug 'geweest van oavend! En is ie meekomen?quot;

„Wablief?quot;

„Of-'t-ie-d'r is?quot;

„Hè?quot;

„Of die vent uut Amsterdam d'r is?quot;

„O ja, die is d'r, die staat hier naast je te bibberen, goeie vriend!quot;

„Wat zeg ie? Woarzoo?quot;

„Wel, hier! — ik ben zelf die vent; 'k ben hartelijk blij dat je komt, want 'k sta hier heusch niet voor m'n plezier.quot;

„Nou dat zou :k wel 'looven, hoor! 't Is venienig koud van oavond — 'k bin 'n beetien loat 'komen zie je — dat komt umdat. . .

„Ja, dat kan me eigenlijk minder schelen, hoe 't komt, want je bent er nu — zal 'k maar instappen?quot;

„Goa je gang heerschap!quot;

„Zeg, voerman — hoe ver is 't nog van Boschwijk ?quot;

„Nou! 'n stief kertiertje als de weg goed is.quot;

„Zoo! — en als ie slecht is?quot;

„'n Klein halfuurtjen, moar van oavond za'k 't wel in

141

ocr page 150

MIJN LEZING TE E0SCHW1JK.

twintig minuten doen — doar stoat 'n warme stoof in, die 's voor meneers koude voeten; — kruup d'r noe in, astoeblief?quot;

Met een dankbaar hart voor die warme attentie „kroop ik d'r inquot; en zag tot mijn vreugd, dat 't wagentje van voren niet open, maar met een glasraam gesloten was; 't rook wel erg naar den stal en naar de stoof, doch dat was minder; ik zat tamelijk goed en riep dus: „Vooruit maar, koetsier!quot;

De voerman klapte met de tong, trok de leidsels even aan en bromde: „Allo Kloas, hot!quot;

„Kloasquot; begreep natuurlijk, dat hij naar stal terugging, hinnikte zachtjes, toen hij keert maakte en draafde weldra lustig voort.

't Sneeuwde en hagelde nog heviger dan te voren en de wind blies zóó onhebbelijk en verraderlijk tegen ons wagentje, dat de voerman zich onder 't rijden omkeerde, met den knop van zijn zweep tegen het glas tikte en me toeriep: „meneer is toch niet bang, hè? 't Bloast brutaal van oavond; we woaien temet van den diek af, moar 't is gauw an 'n end; doar is de kruusweg al.quot;

„Hoe lang nu nog?quot; riep ik luidkeels terug.

„Noe! 'k denk, nog 'n stief kertiertjen, meneer! — kom, huup — hu! vort Kloas!quot;

De weg Vas donker, doodsch en lang; de lichtjes, die ik in de verte had gezien, naderden meer en meer. 't Was geen schijnsel van de huizen van Boschwijk, maar dat van een paar petroleum-lantaarns, die bij den kruisweg aan den kant der vaart stonden. Terwijl wij daar voorbijreden, haalden wij een donkere vrouwelijke gedaante in, die groote moeite had om tegen de sneeuwjacht en den feilen wind in, voorwaarts te komen. Met de kap van haar regenmantel over 't hoofd, een dichtgeslagen ontredderde parapluie, half voor 't gelaat drukkend, om niet door de fijne sneeuwkristallen gepijnigd te worden, ging zij langzaam en voorovergebogen voort.

Dat kon ik niet aanzien; een mensch en nog wel een vrouw, in zulk hondenweer, onbeschermd op een eenzamen weg te laten loopen, terwijl ik gemakkelijk in een wagentje zat, waarin nog drie onbezette plaatsen waren .. . neen! dat mocht ik, dat kon ik niet over mijn hart verkrijgen. Ik tikte dus tegen 't raampje en riep: „Stop eens even!quot;

„Wat hèt meneer?quot; hij keek even om.

„Ophouden!quot;

142

ocr page 151

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

„Hè?quot;

„Op-hou-den!quot;

„O, zoo! —• joa, 'k kon meneer niet verstoan deur den wind —quot; hij hield intusschen reeds sdl, sloeg 't raumpje neer en vroeg: „Wat is d'r oan de hand?quot;

„Heb je die vrouw zooeven gezien?quot;

„Joa, wat zou dat? die mot zeker ook noar Boschwiek.quot;

„Vraag haar of ze mee wil rijden!quot;

„Maar 't ken wel 'n schooister wèzen — d'r is veul kwoad volk bie den weg •— 'n landloopster.quot;

„Dat doet er niet toe, 't is een mensch — en er is plaats in 't wagentje.quot;

„Maar 'k bin alleenig voor meneer besteld en . . . .quot;

„Zeur niet, man, anders stap ik zelf uit — daar komt ze al aan — Goeie God! 't mensch kan haast niet voort; is 't nog ver naar 'tdorp?quot;

„Nou! 't kan nog een stief kertiertje wezen!quot;

„Nog altijd 'n kwartier?quot;

„Joa, zoo om en de bie — doar is ze, 't liekt een oud mins; zeg, moeder mö je mee rieden?quot;

't Antwoord stierf weg in wind en sneeuw, maar een oogenblik daarna had ik een vis-a-vis en de wagenmat een groote, natte, plek gekregen, 't Was stikdonker in 't oliewagentje, slechts nu en dan als we over een hobbelige stee in den weg rolden, gleed, door het schokken van den wagen, uit de lantaarns een schuinsche lichtstraal naar binnen, die, evenals 't weerlicht, één kort oogenblik het inwendige van den wagen verlichtte, om dadelijk daarna de duisternis des te zwarter te doen schijnen. Ik zag dus niets anders van mijn medereizigster dan haar omtrekken tegen 't glasraam vóór mij — maar 't kwam mij toch voor, dat zij niet bepaald „'n oud minsquot; moest zijn, en ik kreeg onmiddellijk de zekerheid, dat zij een jonge dame was, toen ik een heldere, aangename stem, nog eenigszins haperend door den pas door-gestanen strijd tegen weer en wind, hoorde zeggen:

„Och, meneer, wat ben ik dankbaar, dat u me opgenomen heeft; 'k weet heusch niet hoe ik anders te Boschwijk zou gekomen zijn.quot;

„Alle drommels!quot; dacht ik, bij 't vernemen van dat lieve stemmetje — „dat 's bepaald een beschaafde jonge dame, die er niet kwaad uitziet.quot;

143

ocr page 152

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

Ik was er bijna zeker van, maar ik behoor ongelukkig niet tot hen die „gelooven zonder te hebben gezienquot; en daarom nam ik mijn doosje Zweedsche lucifers uit den zak, deed een „tandstickorquot; ontvlammen en zei: „Mag ik zoo vrij zijn om eens even van aangezicht tot aangezicht met u kennis te maken?quot;

Een heldere lach klonk mij tegen en ik zag, grillig verlicht, een rij gezonde witte tanden en een paar heldere oogen, die mij vriendelijk aankeken. Een tweede lucifer liet mij een alleraardigst meisjesgelaat zien, dat zeer voordeelig afstak bij de grauwe capuchon, die 't omgaf, en de derde verlichting van mijn vis-a-vis deed mij onwillekeurig uitroepen : „dat noem ik geluk hebben om in 't donker zoo'n reisgezelschap te vinden!quot;

„U is wèl beleefd, mijnheer! maar in 't donker zijn alle poesjes grauw — mag ik mezelf maar eens aan u voorstellen?quot;

„Gaarne.quot;

„Juffrouw Bergmans, onderwijzeres te Veldstad.quot;

„Zeer veel eer, en ik ben . . .'

Mijn overbuurtje lachte even en viel mij in de rede met: „O! U ken ik wel, u is meneer van Maurik; u leest van avond te Boschwij k. °

„Zie je,quot; dacht ik eensklaps, „daar heb je nu een van de schaduwzijden der populariteit; zelfs op een eenzamen, be-sneeuwden landweg, in een donker oliewagentje, loop je in den kijker,quot; maar oogenblikkelijk herinnerde ik mij, dat het tête-a-tête, dat ik nu met een jonge dame had, al mocht dat 't daglicht ook niet zien, toch van de alleronschuldigste soort was.

„Ik was juist op weg naar uw lezing,quot; vervolgde mijn reisgenootje... „en...quot;

„Wat zegt u daar? Door zulk weer, zoo'n eind te loopen en dat voor een lezing van mij — juffrouw, dat is bepaald een te groote eer voor uw onderdanigen dienaar.quot;

„Ik heb u vóór verleden jaar ook eens gehoord!quot;

„Juffrouw, de eer wordt hoe langer hoe grooter.quot;

„En nu wou 'k nog eens van uw voordracht profiteeren.quot;

„Juffrouw, de eer neemt reusachtige afmetingen aan en ik bewonder uw moed; 't is geen kleinigheid om heel van Veldstad te komen loopen om...quot;

„Om te Bosch wijk mijn zwager en zuster te ontmoeten, uw lezing te hooren, en dan...quot;

144

ocr page 153

MIJN LEZING TE BOSCIIWIJK.

„Juffrouw, de eer krimpt een weinig!quot;

.....en dan samen met hen naar Hastendam te gaan;

mijn zwager is daar dokter. Ik had al lang beloofd, om weer eens bij hen te komen logeeren, en nu ik vacantie heb, kon ik twee vliegen in één klap slaan, begrijpt 11?quot;

„Volkomen! En ligt Hastendam ver van Boschwijk?quot;

„'n Goed half uur rijdens; mijn zwager komt met zijn rijtuig en na afloop der lezing gaan we samen naar hun huis, — hé! 'k verlang er zoo naar om nog eens bij mijn zus te zijn.quot;

„Juffrouw, de eer is weer geheel op de normale grootte gekomen.quot;

„Vindt u?quot; lachte het meisje en opnieuw trof mij het muzikale en prettige van haar lach — daarom vroeg ik: „Is u altijd zoo vroolijk?quot;

„Zeker! Waarom niet?quot;

„Gelukkige jeugd!quot;

„O, goeie hemel! wat 'n zucht! u is toch ook nog geen Methusalem?quot;

„Neen! maar erg op weg om...quot;

„Om te Boschwijk te lezen, ha! ha! ha!quot;

„Ho Kloas!quot; klonk eensklaps de zware stem van onzen voerman en 't wagentje hield stil.

„Meneer is d'r. Wil meneer d'r nou moar uutkomen, astoeblief!quot;

Door ons gesprek hadden nóch mijn vis-a-vis, nóch ik zelf, er op gelet, dat we de dorpsstraat waren ingereden en met eenige verwondering keken wij elkander bij dat „astoeblief' aan.

Wij stonden voor de deur van een soort logement of gemeentehuis — heel goed was 't niet te zien — waaruit ons een helder licht tegenstraalde. Een verward mengelmoes van stemmen klonk uit de geopende deur, en toen ik mijn reisgezellin uit het wagentje hielp, zag ik eenige menschen, die in de gelagkamer bezig waren, zich van hun overjassen en mantels te ontdoen.

Nu verwachtte ik toch stellig, uit den mond van één of meer deftige heeren, het gebruikelijke: „Welkom hier, mijnheer van Maurikquot; te hooren, maar niemand nam eenige notitie van ons.

Op den drempel vroeg ik: „Juffrouw mag ik het genoegen hebben, om u even in de zaal te brengen?quot;

145

10

ocr page 154

MIJN LEZING TE BOSCHW1JK.

„Gaarne.quot;

„En dan zult u mij moeten excuseeren, want het Eestuur zal zeker op mij wachten.quot;

„Welk bestuur?quot; vroeg juffrouw Bergmans.

„Wel, 't Nutsbestuur!quot;

„Hé — en hier is geen nut.quot;

„Niet?quot;

„Geen kwestie van!quot;

„Daar begrijp ik niets van, juffrouw!quot;

We waren inmiddels in de ruime gelagkamer gegaan, waar een groote dikke man, met een zwart zijden vest aan en in hemdsmouwen, naar mij toekwam. Over zijn grof, maar goedig gelaat gleed een min of meer verlegen lachje, terwijl hij mij een harde vereelte hand toestak en met de oogen knippend uitriep: „Nou man! 'k ben blied da'j komen bint, 't is gemeen weer, hè? •— Goat d'r inquot; — hij wees naar een deur links — „en is dat oe vrouw, hei je die 'res meebracht?quot;

Juffrouw Bergmans lachte hartelijk, maakte een kleine spotachtige hoofdneiging en zei: „Dat 's nu weer te veel eer voor mij, meneer!quot; en tot den logementhouder: „Neen, Jansen! ik ben maar een landloopster, die meneer, uit barmhartigheid, onderweg heeft opgenomen.quot;

De waard trok zijn borstelige wenkbrauwen ongeloovig op, grinnikte iets als : „Joa, je zult mien beethebbenquot; en bleef haar vragend aanzien, tot zij er bijvoegde:

„Ik ben de schoonzuster van dokter Brink uit Hastendam.quot;

„O, zoo — neem me dan niet kwalijk juffer, goa dan moar in de zoal; d'r benne drie ploatsen voor 'm besproken. Za 'k oe ês binnenbrengen? d'r komt al veul volk.quot;

Ik liet me natuurlijk het genoegen niet ontnemen, de juffrouw naar de gereserveerde zitplaatsen te geleiden; de logementhouder volgde en vroeg, toen we op den drempel stonden:

„Nou, wat zeit meneer d'r van? 't Ziet er goed uut, hè ? joa, 'k heb van de zoal 'maakt wat 'k kon!quot;

Die zaal was, nota bene, niet meer of minder dan een gewone boeren-kolfbaan, waarin een groot aantal stoelen, afgewisseld door kleine tafeltjes, was gezet, vóór een kleine verhevenheid, waarop één muzieklessenaar stond, die mij als katheder zou dienen. Er heerschte een allesbehalve frissche

146

ocr page 155

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

lucht, die nog dikker en benauwder werd door wolken van tabaksrook, die boven de reeds bezette stoelen opstijgend, het achterste gedeelte van 't lokaal in nevelen hulde.

„Moet ik hier lezen?quot; vroeg ik en de angstige toon waarop ik dit zei noopte mijn reisgenootje mij te hulp te komen met een verwijtend: „Laat je hier van avond rooken?quot;

„Joa juffer, dat kennen de luu hier niet loaten!quot;

„Zoo! nu dan kan ik niet lezen, goeie vriend!quot; Ik zei 't tamelijk scherp.

„Heb je dan last van je borst?quot;

„Neen, dat gelukkig niet, maar . .

„'tls lang met netjes,quot; fluisterde juffrouw Bergmans, mij te hulp komend, tot Jansen, en toen zij er bijvoegde: „meneer gaat bepaald weer heen, als je dat niet verandert,quot; zette de herbergier eensklaps zijn stem bovenmatig uit en schreeuwde:

„Segoaren en piepen uut! hie kan d'r niet teugen — a je rooken, goat ie weer hèn!quot;

Ik was reeds op het punt iets onaangenaams te zeggen, maar die welwillende waarschuwing van Jansen werkte zoo weldadig op mijn gemoed, dat ik mij, zonder juffrouw Bergmans voor haar tijdige tusschenkomst te bedanken, ijlings naar de gelagkamer, waar intusschen weer nieuwe bezoekers binnenkwamen, terugtrok.

„Zoo, nou zullen ze wel ophouden,quot; zei Jansen, toen hij weer bij mij kwam en de deur van zijn huiskamer met een herhaald; „Goat er dan toch in,quot; opende.

Een leunstoel, die er nogal gemakkelijk uitzag, stond bij een ronde, met een rood kleedje bedekte tafel en nam mij gastvrij in zijn armen. De petroleumlamp op tafel brandde flauwtjes en verlichtte spaarzaam het vertrek. Jansen draaide de pit wat omhoog, lichtte het kapje aan mijn kant iets op zoodat hij in de schaduw, ik in 't volle licht zat en zei, terwijl hij over mij ging zitten, dom goedig lachend; „Loat 'k noe es kieken — is meneer boos 'worden?quot;

Ik verbeet mijn lachen en zette een knorrig gezicht, feitelijk was ik ook niet erg in mijn humeur.

„Boos! — hm! dat nu juist niet, maar ik vind de wijze van ontvangst hier nogal vreemd.quot;

„Nou a' je 't niet goed genogt heb, mo' je 't moar geliek zeggen — wil je wien?quot;

„Wijn? — neen, dankje!quot;

147

ocr page 156

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

„Bier? — Best Heinekens bier?quot;

„Dankje!quot;

„Wil je dan koffie of sukkeload?quot;

„Dankje! geef me strakjes een kop thee, maar vertel me eerst eens, hoe hier de vork eigenlijk aan den steel zit. — Waar is 't Bestuur?quot;

De kastelein zag mij een oogenblik min of meer bedremmeld aan, kuchte en hemde een paar keer, liet zijn beide ellebogen op tafel rusten, na de kap der lamp weer recht te hebben getrokken en zei toen zachtjes: „A'je noe niet kwoad worden, za 'k 't oe zeggen.quot;

„Nu ?quot; — ik begreep niets van zijn zonderlinge verlegenheid.

„Wie hebben hier geen Nutsdepartement en d'r is ook geen bestuur — moar da' je hier 'komen bint is zooveul als 'n par-tekeliere onderneming van mien.quot;

Een oogenblik schoot 't bloed mij naar 't hoofd; ik sprong op en zei: „Dus heb jij me eigenlijk ..

„Blief nou zitten astoeblief; 'k zal oe doadelijk thee brengen.quot;

„Ik heb je thee niet noodig, maar ik wil weten waarom je...'

„Heb 'k niet 'dacht, da' je kwoad worden zou — heb 'k niet 'dacht? En meesters Boarend zei nogal: Jansen, zeidie, hie wordt niet kwoad, werechtig niet, 't is 'n veuls te goeie vent.quot;

Die naieve verzuchting deed mij onwillekeurig glimlachen — 't is ongelukkig, dat ik zóó goedlachs ben — en daarom zei ik :

„Nu, laat dan eens hooren, wat heb je te zeggen?quot;

„Wie hadden al zooveul van je 'hoord en hier in 't leesgezelschap hebben wie al je boeken — zie je, ik ben d'r geen liefhebber van, 'k geef niks om die flauwe moppies, 'k lees alleenig de krant, moar ze worden hier toch veul 'lezen, en 'n paar notoabelen en meester en de notoaris, hadden al zoo voak 'zegd: „Jansen, je moeten zien, da we dien Maurik ook 'reis hier kriegen.quot; Dominee zei mien nog: „Je kunt 't perbieren, moar 'k geloof niet, dat ie bie kasteleins komt,quot; en toen is meester zien zoon op 'n idéé komen.quot;

„Wel! Wel! — Dat schijnt een aardige jongen te zijn.quot;

„Nou! dat zal woar wèzen; 'n duuvelsch biedehand jong; die heit oe eigenlijk den brief 'schreven.quot;

„Zoo! maar er stond toch duidelijk, „Secretaris van 't Nutquot; als onderteekening.quot;

148

ocr page 157

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

„Juust, juust! — dat heit Boarend uut slimmigheid 'doan, want ie zei: as ie dat nou lezen, zal ie wel komen — en dan moak ie nog bepaald 'n goeien oavond; dat zeidie.quot;

„Ei! Ei! dat 's pleizierig!quot;

„Joa, moar 't honderoarium hê 'k al kloar liggen — of 'k er noe an profiteer of bieleg da' mo'k noe nog es zien — en goed zul ie 't bie mien hebben ook — lust meneer rolpens? — En 'n dankbaar publiek heb je ook.quot;

„Hm! dus per saldo heb jelui me hier er in laten loopen !quot;

„Nou a' je dat nou zoo noemen wilt, joa! — moarquot; — en hierbij klopte Jansen mij, over de tafel heen, goedig op den schouder — „anders hadden we je hier ook niet 'kregen, man Iquot;

„Ja! Daar was veel kans voor geweest!quot;

„Dat wist meesters Boarend ook wel, doarom is 't heel wies 'weest, dat ie 't zoo 'doan heit, en a' je 't noe goed beldeken, heit ie ook niet 'jokt.quot;

„Zoo!quot;

„Wie hebben hier 'n reciteerk'lesie „Nut en Genoegenquot;, doar is Boarend secretaris van, en als zoodoanig heit ie je dan ook 'schreven, moar ie heit 't deksels leep 'doan!quot;

Ik had toevallig den brief nog in mijn zak, en zag, toen ik dien te voorschijn haalde, dat „Meester's Boarendquot; heel onder.aan den brief zijn naam had gezet en daaronder had gekrabbeld, „Secretaris van Nutquot; — de woorden: „en Genoegenquot; stonden aan de keerzijde. Ik had ze niet gezien, evenmin dat vóór „Nutquot; de T apostrophe ontbrak. Ik moest inwendig lachen over dien slimmen dorpsdiplomaat en zei: „Dat 's een veelbelovend jongmensch hoor! ik moet strakjes zijn kennis eens maken.quot;

„Hie zit al van zeuven uur af in de zoal; hie was d'r 't eerst, moar hie komt niet bie oe; dat kun je begriepen!quot; Jansen zei dat doodleuk.

Plotseling begon ik luid te lachen — mijn goede luim keerde terug — en ik gevoelde mij waarlijk eenigermate gevleid door al de moeite, die de brave menschen zich getroost hadden om mij te Boschwijk te krijgen.

Mijn gastheer lachte meê, sloeg met de vlakke hand op tafel, dat de lamp er bijna van omviel en riep : „Kiek ereis an, nou bin ie weer 'n verstandig mins. — Wel joa 1 lach d'r moar èns om — en wat wil ie nou gebruuken. Wien ? — 'k heb

149

ocr page 158

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

beste rooie wien, hoor! — o, neen! — ie wilt thee hebben — doadelik!quot;

Hij stond op, haalde een blaadje met theegoed uit een kastje, zette 't voor mij op tafel, nam 't trekpotje en de melkkan mee en zei: „nou za 'k 't wief es bie oe sturen, die motje toch ook ens zien; ze heit 't nou zoo alleroakeligst druk, want hoor ie wel hoeveel volk d'r komt. — Joa! 't is allemenselijk goed opnomen, da' je hier komt lezen ; ze komen met rietuug uut den omstreek en altemoal goed riek volk; joa, 'k zal d'r oe honderoarium van oavend wel dubbel en dwars uuthoalen.quot; — grinnekend ging hij heen.

't Geval begon mij inderdaad te vermaken; ik lachte hartelijk uit, toen Jansen was vertrokken, stak een sigaar op, zette mij op mijn gemak weer in den armstoel en keek de kamer eens rond. 't Was een nogal huiselijke, tamelijk yer-steedschte hoerenkamer, laag van verdieping en nieuwmodisch behangen; links was een bedstee, aan den wand tegenover mij prijkten een tweetal wonderbaarlijk gekleurde lithographieën in lijsten en aan een kapstok hingen eenige manskleederen en een regenmantel. Terwijl ik daar zat en mijn lezing nog eens vluchtig doorkeek, kwam de voerman, die mij gereden had, naar binnen en bracht mij de thee. Hij zette 't trekpotje naast mij neer op den theeketel, keek even in den suikerpot, wischte, vóór hij het neerzette, met de vlakke hand het melkkannetje van onderen af en zei: „D'r is van alles; meneer kan zien gang goan!quot; — Toen klopte hij kletsend op zijn knieën en dijen en bromde; „Duuvels, duuvels wat ben'k nat 'worden in 't woagentje, 'k mot efkes 'n andere bokse oandoen.quot;

„Dat 's verstandig van je -— je zou anders gauw last van rheumatiek kunnen krijgen.quot;

„Dat kan 'k wel 'looven — 'k heb al 'es ens rimmetiek 'had, 'n miseroabel ding, pienlik!quot; -— Zonder plichtplegingen nam hij naast mij plaats op een stoel, ontdeed zich van het natte kleedingstuk, wandelde doodkalm in zijn onderbroek door de kamer naar den kapstok, nam daar een broek af, en terwijl hij zijn onderdanen er mee bekleedde, knikte hij mij toe en zei; „'k zal dien ouden boks van den boas moar zoolang oantrekken; 'k heb noe geen tied om noar huus te goan, want 'k mot bedienen van oavend!quot;

„Qui se gêne est gêné,quot; dacht ik en dronk inmiddels een kop thee, die waarlijk goed was.

ocr page 159

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

Nauwelijks was de voerman vertrokken, toen een zonderling geluid mijn oor trof; 't was alsof in mijn onmiddellijke nabijheid een kind zachtjes begon te schreien. Ik luisterde oplettender en na een oogenblik van stilte vemam ik hetzelfde geluid opnieuw, 't Was me nu duidelijk, dat 't uit de bedstee kwam. Ik ontdeed de lamp van haar kapje en toen het licht de kamer voldoende bescheen, zag ik een allerliefst kinderkopje dat, met een helder wit mutsje op, tus-schen de groensaaien bedsteegordijnen te voorschijn kwam. In de oogjes, die mij aankeken en op de fris.sche koontjes, glinsterden een paar traantjes en van een paar bevende lipjes hoorde ik de woorden; „'k kan niet sloapen, 'k wol 'ens drinken!quot;

„Wel, liefje?' vroeg ik opstaande: „lig jij daar zoo in bed te schreien en kun je niet slapen?quot;

„Neen! 'k wil d'r uut!'

Terwijl ik naderde, lachte het aardige kind, een allerliefst meisje van ongeveer vier of vijf jaren, door haar traantjes heen, stak mij de beide armpjes toe en vroeg: „Uutnèmen ! woater drinken ?quot;

Voor ik het kindje uit bed nam keek ik nog even rond naar een karaf of een lampetkan, maar geen van beide was in het vertrek aanwezig — „drinken, astoeblief!' herhaalde de kleine en toen ik haar uit de hooge bedstee tilde, spartelde zij met haar lieve, kleine, bloote voetjes en riep: „Eerst kousies oan?quot;

„Lieve heer!quot; dacht ik, „waar haal ik nu kousen vandaan?quot; — ik lei 't schaapje weer in bed, ging in de deur, die naar de gelagkamer leidde, staan en riep: „Aannemen!quot;

Geen antwoord volgde, want alles was druk in de weer om de menschen, die binnen kwamen, bij het afleggen van hun goed te helpen. De heer Jansen — mijn impressario ■— stond aan de deur der kolfbaan en riep onophoudelijk: „Astoeblief! oe koarten, doames en heeren!quot;

Waar al die menschen vandaan kwamen, begreep ik waarlijk niet.

„Uutnèmen?quot; vroeg 't kind opnieuw en begon weer half te schreien.

■ „Ja liefje! — ik kom!quot; —ik riep nogmaals „aannemen! — hè, zeg! jij daar vriend, kom eens even meequot; —■ ik tikte den voerman-kellner, die juist voorbijstoof met een blad vol

ocr page 160

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

koppen koffie, even aan — „'t kind wil er uit; 't moet kousen hebben en . .

„'k Heb geen tied! — 'k mot bedienen!'

„Juffrouw!quot; dit zei ik tegen een groote, logge boerenmeid, die een paar dames-notabelen haar natte mantels hielp afdoen — „kom eens even binnen, de kleine schreit en . .

„Loat 'r moar drijnen, — dat went wel — da's niks!quot;

Mijn stem ging verloren in het gedruisch en ik retireerde tot op den drempel der kamerdeur. De logementhouderbureaulist zag mij staan, knikte mij toe, hield een paar kaarten in de hoogte en riep: „'t Goat goed — 'k heb oe hon-deroarium d'r al uut. — Hoal moar wa' je noodig hebt van 't buffet, — 'tis alles tot meneer's dienst!quot;

Plotseling voelde ik iets achter aan mijn jas trekken en omkijkend zag ik het kleine meisje op haar bloote voetjes achter mij staan.

„Ben zelf uut bed 'kropen! 'k Wil bie meneer kommen,quot; zei 't kind en drong zich tegen mij aan.

Ik nam het bijdehandte drommeltje op den arm, greep in-tusschen den regenmantel van den kapstok, wikkelde haar voetjes daarin en zégt;t een oogenblik later met het kind op mijn schoot, bij de tafel, 'k Liet haar wat melk drinken, en zij, als wilde zij voor die lafenis bedanken, stak mij haar fris-sche lipjes toe, trok me gevoelig aan mijn knevel, drukte zich vertrouwelijk tegen mij aan, keek mij erg vriendelijk en onbeschroomd in de oogen en vroeg: „Geef mien 'n hapjen suuker.quot;

„Welzeker, liefje — daar! Hoe heet je?quot;

„Mieke!quot;

„En hoe oud ben je?quot;

„Vief joar! — 'k heb een hondje en de poes heet Piet!quot; Ze stak haar vingertjes in mijn thee en proefde; ik hield haar polsje vast, want hoe welgevormd de kleine handjes ook waren, overmatig zindelijk schenen ze mij niet; toen vroeg ik:

„Zoo! — en hebben ze jou zoo in bed gelegd en kon je niet slapen?quot;

„Neen! — d'r was zoo'n leven — doar!quot;

„Dat 's niet lief van je moesje, hè?quot;

„Moeke is bie onzen lieven Heer/' zei 't kind en stak haar wijsvingertje in den suikerpot.

„HumJ — Zooiquot;

152

ocr page 161

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

Zij knikte zeer wijsgeerig, terwijl zij haar vingertopje afzoog en liet er aanstonds op volgen: „Omoe heit mien in bed 'brocht!quot;

„En waar is je vader — daar?quot; ik wenkte met 't hoofd naar de gelagkamer.

Mieke deed een aanval op hel melkkannetje, haalde 't naar zich toe, keek aandachtig in de melk en zei: „voader is ook bie onzen lieven Heer!quot;

„Hm!quot;

't Aardige blonde kindje, dat ik op mijn schoot had, was dus een weesje en onwillekeurig zei ik medelijdend: „Arm schaap, heb jij geen vader en moeder meer.quot;

Ze trok mijn horloge uit mijn zak, hield het aan haar oortje en vroeg: „Moak 't es open?quot;

„Zie dan maar! — mooi, hè?quot;

„Joa! en zal 'k oe nou es kussen?quot; Zij richtte zich op mijn schoot omhoog, gaf me een zoen, liet zich daarna „te paardquot; op mijn knie vallen en kommandeerde: „peerdrieden !quot;

Mieke lachte en schaterde van de pret, terwijl ik haar op en neer deed wippen en riep herhaaldelijk: „Toe dan moar — nog èns! — nog èns!'

„Wel heiligen Hendrik! heb ik mien leven zóó wat'zien!quot; klonk het op eens vlak naast mij, en omziende ontwaarde ik een kleine, gezette vrouw, met een gerimpeld, maar toch nog kleurig en frisch gelaat, dat door het gouden oorijzer en de witte muts voordeelig uitkwam. Een paar levendige blauwe oogen zagen mij vriendelijk aan en toen het meisje lachend „Omoe!quot; riep, antwoordde de boerin: „Nou, Mieke, dat heb ie troffen; ie hebben 't goed bie meneer,quot; en tot mij: „Heit meneer d'r Mieke 'es uutnomen?quot;

„Ze kon niet slapen, juffrouw!quot;

„Fij, fij! da's stout van Mieke — kom, loat Omoe oe moar gauw weet in bed leggen en dan goa ie lekker sloapen; mo' je meneer noe zóó lastig wezen?quot;

„Bie m'neer blieven!quot; riep 't kind en liet 't lipje hangen.

„Neen! altemoal gekheid; toe gauw, geef meneer 'n tuut-jen en dan één, twee, drie d'r weer in!quot; En de daad bij 't woord voegend, nam; zij 't kind van mijn schoot en bracht het in de bedstee.

Alsof we reeds oude kennissen waren, kwam de boerin tegenover mij aan tafel zitten, lichtte het deksel van den theepot en vroeg: „Heb ie wel thee genóg?quot;

153

ocr page 162

154 mijn lezing te bosch wijk.

'i

„Plenty!quot;

„Wat zeit meneer?quot;

„Genoeg, moeder! — 'n aardig lief kind!quot;

„Och joa, wie bint er ook wat gek mee! — heur moeder is verleden joar 'storven, de voader 'n joar vroeger .... Wil ie geen beschuutjen bie de thee?quot;

„Dankje! — is 't je eenigste kleinkind?quot;

„'t Is geen kleinkind; wie hebben vief kinders 'had, moar altemoal jong 'storven — za'k oe nog ens inschenken ? — Mieke bestoat ons nimmendal.quot;

„Ei! dus een aangenomen kind?quot;

„Joa! zoo kun ie 't noemen, — wie hadden hier op 't dorp, sedert 'n poar joar, 'n oakelig armoeïg huushouden; de man was vroeger 'n heer 'weest en de vrouw, 'n zwak minse, ging hier en doar uut noaien, moar ze kreeg 't slim op de oogen, doardeur kon ze niet meer. — Toen is hie 'storven en de vrouw bleef achter zonder 'n cent geld; ze liep toen 'n bitjen met den bollenkorf, moar op 't loatst werd ze te miseroabel ziek en toe 'k es bie d'r kwam, um eten te brengen, moalde dat kind d'r al maor deur de hersens, en om d'r toen wat te bedoaren, zei ik: Wees moar stille, a'je dood bint zullen wie Mieke wel némen. — Zie je, meneer! dat mins kon nou bepoald niet sterven deur 't idee, dat 't schoapien noar 't gesticht Veenhuuzen zou moeten. — Toen is ze op 'ens rustiger 'worden en 'storven en wie hebben 't kind bie ons 'nomen.quot;

„Je bent een goed wijf, hoor!quot; zei ik eensklaps, en de oude vrouw met haar rimpelige koonen lachte mij vriendelijk toe, terwijl ze zei: „Meneer houdt veel van kinders, hé ?quot;

„Veel!quot;

„Ben ie ook 'trouwd?quot; vroeg zij, zich vertrouwelijk naar mij overbuigend.

„Zeker!quot;

„Ook kinders?'

„Twee!quot;

„Dat's zuunig voor zoo'n grooten vent, hoor!quot;

„Twee jongens!quot;

„Zoo! noe dan heit meneer ten minste voor den stoat 'zorgd •— en goat meneer noe iederen oavend zoo uut lezen?quot;

„Nu, 'k sla ook wel een enkelen keer over.quot;

ocr page 163

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

Eensklaps lei ze, over de tafel heen, haar hand op mijn arm en vroeg: „Heb ie wel eten 'had veur ie van huus ging — Heerinkl Heerink! doar denk 'k nou eerst oan!quot;

„Welzeker!quot;

„Nou, dan is 't goed! — en kan meneer nou zoo met lezen zien kost ophoalen, of schrief ie ook in de krant ?quot;

Ik moest eens even lachen over mijn gastvrouw, die me als een rechter van instructie zat te ondervragen en zei: „Ook al, maar overdag doe ik in sigaren.quot;

Plotseling barstte zij in lachen uit en riep, „kun je begrie-pen, in sigoaren!quot;

„'t Is heusch waar!quot;

„Och neen! meneer is toch geen sigoarenmoaker?quot;

„Fabrikant, waarachtig.quot;

„Zoo ! — nou dan moet Jansen oe ook moar 'ens 'n poar kistjes afkoopen; heb ie ze ook van de zes, moar goeie?quot;

„Waarachtig, heele beste!quot;

„Trekken ze goed?quot;

„Overheerlijk!quot;

„En branden?quot;

„Als pek en zwavel!quot; \

„Noe, dan krieg ie de klandisie, hoor! —- wie verkoopt d'r Zundags wel vieftig.quot;

„Sakkerloot!quot;

De vrouw leunde nu achterover in haar stoel, zag mij knipoogend aan en zei: „Meneer is niks niets trotsch — en kan meneer nou ook zoo goed lezen, als ze zeggen? De roep is er wel van, maar 't kan soms erg miseroabel tegenvallen, begriep ie?quot;

„Natuurlijk!quot;

„Wie hebben hier verleden joar op recommandoasie van anderen ook 'n goocheloar 'had, moar dat was niks nimmen-dal — je kon 't allemoal begriepen, wat ie dee ! We zullen noe es kieken hoe meneer 't moakt.quot;

„'k Hoop u te voldoen, juffrouw! quot;

„Nou! 'k zal es goed luusteren, moar je moeten al'n boas wezen, a'je 't beter doen dan meester's Boarend. Mins! Mins! als die 's Zundags oavend hier in 't klésie reciteert heit, is ie 's anderendoags zoo schor, da' je 'm niet verstoan kunt. Joa! Boarend kan d'r wat mee!quot;

„ 'k Zal heusch mijn best doen, juffrouw !quot; beloofde ik ernstig.

155

ocr page 164

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

„En meneer moet ze van oavend moar 'es goed loaten lachen, want ik heb op'merkt, dat ze 's oavends in 't k'lesie niet half zoo veul verteren als d r noarigheid veur'droagen wordt, — van dooien en zoo — moar als 't kemieke stukken bint, dan komt er heel wat wien op toafel. Meneer mot 'n beetje om mien buffet denken. — O! doar is dominee! n'oavend, dominee! doar zit meneer Maurik; wie hebben al soamen kennis 'moakt. Nou mot dominee moar 'es met 'em proaten; 't is een heel gemeen mins...quot;

Vóór ik vrouw Jansen voor haar goede meening bedanken kon, was zij verdwenen en zei de dominee lachend: „Zij bedoelt gemeenzaam ; dat begreep u zeker wel ?quot;

„Natuurlijk!quot;

De predikant, een eerwaardige oude heer, min of meer verboerscht door het lange verblijf te Boschwijk, maar met een joviaal oud gezicht, dat mij dadelijk sympathie inboezemde, werd op den voet gevolgd door den burgemeester, een middelding tusschen een heereboer en een turfschipper. „Oangenoam oe hier te zienquot; en „Oakelig weer,quot; waren de eenige volzinnen, die ik dien avond uit zijn edelachtbaren mond hoorde.

De schoolmeester — in zijn soort een kostelijk type; 't was ook al een oudje — kwam achter hem aan, begroette mij met een tamelijk linksche buiging en zei, erg heesch: „Meneer zal wel van Jansen hebben gehoord dat, ahem! ahem! — ik spreek wat onduidelijk, want ik heb zieke mangelen — ahem!quot; — hij wees op zijn keel — „Ahem! U zal wel vernomen hebben, dat mijn jongste zoon Barend zich eigenlijk een vrijheid heeft veroorloofd, die — ahem! — niet te pas kwam, maar — 't prikt zoo van binnen, weet u! — maar we hopen, dat u niet boos is geworden. — Ahem! 't is lastig, wanneer je mangelen niet in orde zijn — heeft u er nooit last van? — Ahem! ahem!quot;

De brave onderwijzer was blijkbaar verlegen, hoe hij den diplomatieken zet van zijn zoon zou verontschuldigen en zei dus: „Afijn! hij heeft ons in allen gevalle het genoegen van uw bezoek bezorgd.quot;

„Juist!quot; bevestigde de dominee, „wij zijn hem daarvoor dank schuldig, al was de wijze waarop hij 't deed dan ook ...

„'n Beetje zonderling! maar 't is nogal aardig van hem

ocr page 165

MIJN LEZING TE BOSCH WIJK.

gevonden,quot; viel ik lachend in, om den goeden meester te hulp te komen. „Ik wil in de pauzeering wel eens kennis maken met uw veelbelovenden zoon.quot;

„O!quot; hernam de meester. — „Ahem! de jongen is eigenlijk 'n beetje geniaal, weet u ? — Ahem! — die vervloekte mangelen — hij is een minnaar van de letteren en een van uw warmste vereerders en — Ahem! Ahem!. . . . U kan heusch niet gelooven, hoe lastig 't is ... .quot; de onderwijzer tikte met beide voorvingers tegen de onderkanten van zijn karbonade-vormige bakkenbaardjes en slikte een paar maal met opgetrokken wenkbrauwen een denkbeeldig iets op.

Ik begreep 's mans toestand volkomen en vond het echt christelijk van den dommee, dat hij opstaande glimlachend zei: „'t Is al wel meester — meneer begrijpt 't nu — 't is tien minuten over achten, wanneer 't u goed is, geachte spreker, kan de lezing beginnen.quot;

„Ik ben gereed!quot;

't Was stikvol en erg warm; en toen ik de verhooging betrad, werd ik door het publiek, welks gehalte mij verbazend meeviel, met een langdurig applaus en getrappel verwelkomd, en midden in de zaal riep iemand: „Leve van Maurik!quot; Ik geloof zeker, dat het „Meesters Boarendquot; was, die zijn geweten op deze luidruchtige wijs tot zwijgen wilde brengen.

Intusschen had ik mijn boek op den muzieklessenaar geplaatst en een blik van verstandhouding gewisseld met juffrouw Bergmans, die op de derde rei, naast twee ledige stoelen zat.

Met mijn oogen en een lichten hoofdwenk naar de onbezette plaatsen vroeg ik haar: „Komen uw zwager en zuster niet?quot;

Zij haalde, als antwoord, glimlachend de schouders op.

Terwijl ik de gebruikelijke woorden: „Geachte dames en heeren!quot; zei, ontwaarde ik op een der achterste plaatsen het vroolijk gelaat en den bruinen krullebol van mijn vriend Bram Dorsman, die, met de hand boven zijn hoofd wuivend, mij lachend toeknikte en een gezicht trok, als wilde hij mij toeroepen: „Wat zeg je daar wel van, dat ik hier in Boschwijk verzeild ben?quot;

Gedachtig aan vrouw Jansen's buffet, droeg ik een grappige

157

ocr page 166

158 MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

vertelling voor en de notabele jongere en oudere dames, die vooraan zaten, keken daarbij eerst elkander aan, toen naar de vrouw van den dominee en van den notaris, en daar zij bemerkten dat die twee dames zich de weelde van 't lachen veroorloofden, vatten zij moed en lachten in alle toonaarden mede, soms zelfs zóó luid, dat men achter in de zaal nu en dan een „chut!quot; deed hooren.

De stoelen naast mijn reisgenootje bleven intusschen ledig en hoe verder mijn vertelling vorderde, hoe onrustiger juffrouw Bergmans er begon uit te zien. Zij begreep er blijkbaar niets van, dat haar familie niet kwam en telegrapheerde mij herhaaldelijk van onder hare lange wimpers; „ik ben niets op mijn gemak.quot;

In den letterlijken zin des woords, verdiende ik dien avond in 't zweet des aanschijns mijn honorarium en was hartelijk blij dat ik kon pauzeeren.

't Publiek ging, in opgewekte stemming, de kolfbaan uit, om zich wat te verfrisschen, en ik zag mijn vriend Bram naar mij toekomen, terwijl 'k juffrouw Bergmans aansprak.

„Ze zijn niet gekomen, zooals u ziet,quot; zei ze, en in haar stem klonk een weinigje angst, toen zij vervolgde: „als er maar niets gebeurd is met het rijtuig; 't is zulk slecht weer en moeilijk rijden op den dijk door de sneeuw.'

„Kom! 'k zou me maar niet ongerust maken; uw zwager zal zeker plotseling bij een zieke zijn geroepen.quot;

„Wel mogelijk, maar dan was mijn zuster toch gekomen en . .

„Misschien zien we hen strakjes nog — wilt u niet zoolang bij mij in de kamer komen en wat gebruiken ? U zit hier anders zoo alleen.quot;

„Gaarne!quot; zij stond op.

Daar was Bram.

„Wel ouwe jongen!quot; zei hij hartelijk en gaf me een krach-tigen vriendschapsslag op den schouder, „je hadt niet verwacht, mij hier in dit nest te ontmoeten; 'k was voor zaken te Kalk-hoven en ben met een klant, die naar je lezing ging, meegereden, omdat ik dacht: „jij bent allicht amusanter dan de boeren te Kalkhoven en . . .quot;

„Dankje voor je preferentie — mag ik je eens even voorstellen aan mijn reisgenoote, juffrouw . . . .quot;

„Mina Bergmans!quot; riep Bram eensklaps, toen hij haar

ocr page 167

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

aanzag. „Juffrouw Bergmans U hier?' herhaalde hij op een toon vol blijde verrassing, „hoe is dat mogelijk?quot;

„Door uw vriend!quot; antwoordde zij hoffelijk en toen: „Hoe gaat het u, mijnheer Dorsman?quot; Zij reikte hem haar handje, dat hij, naar 't mij voorkwam, veel langer in de zijne hield dan noodig was.

„Ik zal je dat wonder verklaren. Bram, als je meegaat naar mijn „foyerquot; want ik heb een verbazenden dorst. — U kent dus mijn vriend?quot;

„We hebben elkaar in Amsterdam 'n paar maal ontmoet.quot;

„En,quot; viel Bram op eens in, even kleurend, „'k heb na dien tijd 't genoegen niet meer gehad, u te ontmoeten, ofschoon ik dikwijls genoeg . . . .quot;

„Kom! we kunnen daarbinnen veel beter praten; vooruit Bram ! — mag ik het genoegen hebben ?quot; — ik bood juffrouw Bergmans mijn arm.

„Pardon! dat genoegen zul je aan mij moeten laten, amice! — ga jij maar als éclaireur vooruit.quot;

Een oogenblik later zaten we bij een glaasje wijn in Jan-sen's huiskamer te keuvelen. Bram met juffrouw Bergmans, ik met den dominee. De meester kwam bij ons zitten en vertelde, ondanks zijn „zieke mangelenquot;, dat Barend niet te vinden was, maar dat hij probeeren zou, of hij hem na de lezing ook aan mij zou kunnen voorstellen.

Ik hield intusschen een oogje op mijn vriend Bram en juffrouw Bergmans, die zóó druk met elkander babbelden, dat geen van beiden er aan dacht het glas wijn, dat vóór hen stond, te ledigen/

Buiten loeide de wind en kletterend sloegen de hagel-steenen tegen de ruiten.

„Bar weer!quot; zei dominee.

„Om geen hond of kat naar buiten te jagen,quot; vulde meester aan.

„Hoe kom ik nog naar Hastendam,quot; zuchtte de juffrouw : „ik begrijp er niets van, dat mijn zwager niet komt!quot;

„Bepaald uitgeroepen!quot; troostte ik.

„Als ze niet komen zit er niet anders op, dan dat ik hier blijf logeeren en morgen ochtend naar Hastendam ga — 't is hier immers een logement?quot;

„Zeker! 't is het verstandigst wat u doen kan,quot; beweerd^

159

ocr page 168

l6o MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

de predikant. „U kan hier een goed bed krijgen — nietwaar Jansen?quot; dit laatste tot den herbergier, die binnen was gekomen met de tijding, „dat 't publiek alweer in de zoal zat en dat meneer Maurik nog moar ens 'n allemachtig oardig moppie moest veurdroagen.quot;

„Kan ik hier logeeren, Jansen?quot;

„Welzeker, juffer! — 'k zal 't doadelik oan de vrouw zeggen; moar misschien komt dokter nog wel; in allen gevalle zullen wie d'r op rekenen, da' je blieven!quot;

Terwijl we ons gereed maakten om weer naar de zaal te gaan, kwam Bram even bij mij staan, dronk haastig zijn glas wijn uit en vroeg: „Kerel! is dat nu geen allemachtig lieve meid? — 'k ben weergaasch blij, dat 'k haar weerom zie;'k had een paar maal met haar gedanst. — Vent! ze danst ais een engel, en zóó onderhoudend is ze, hum! d'r zit wat in! zie je, geen alledaagsch, geen oppervlakkig meisje — en een verduiveld gezellig gezichtje, hé?quot;

„Bram!quot;

„Nu?quot;

„Moet ik haar mijn arm presenteeren of. . .quot;

„Neen, leukert! — ik! — Pardon, dominee, ik heb de juffrouw hierheen geleid, 't is dus ridderplicht, dat ik haar ook weer...quot;

„Op haar plaats breng, natuurlijk!quot; en terwijl Bram haar met een halfluid „mag ik?quot; zijn arm bood, keerde de oude dominee zich glimlachend tot mij en zei zachtjes ; „dat jonge volkje is toch overal 't zelfde.quot;

Het tweede deel van de lezing begon: ik trachtte weer zoo grappig mogelijk te zijn.

't Publiek had plezier, maar juffrouw Bergmans en Bram, die natuurlijk dadelijk een van de ledige stoelen naast haar in gebruik had genomen, keken min of meer ernstig. Bram fluisterde haar dikwijls, heel zachtjes, iets toe en zij stootte hem dan even dikwijls, haast onmerkbaar, aan, met een korte, bijna geïrriteerde beweging, en op haar gelaat las ik duidelijk de verzuchting: „Och, hou je toch asjeblieft stil, wat moet van Maurik wel van ons denken? 't Is net of we hem voor den gek houden.quot;

Dan zette Bram eensklaps een zóó ernstig gezicht en staarde mij plotseling met zooveel nagemaakte oplettendheid aan, dat ik de grootste moeite had, om mijn lachen te be-

ocr page 169

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

dwingen, maar ik hield mij goed en merkte op, dat hij, na zoo'n vlaagje van quasi-belangstelling, zijn joviaal gezicht weer in de gewone plooien bracht en haar scheen toe te fluisteren: „Hij merkt er niets van!quot;

Maar!... van Maurik merkte het wel degelijk en toen hij eindelijk zei: „Dames en Heeren, ik heb gezegd!quot; en 't publiek opstond, om naar huis te gaan, kon hij niet nalaten, het oogenblik, dat juffrouw Bergmans bukte, om haar fichu op te rapen, waar te nemen, om vermanend den wijsvinger op te heffen tegen zijn vriend Bram, die hem met 't nuchterste gelaat van de wereld poogde aan te zien, maar wiens oogen duidelijk zeiden : „Ouwe jongen, liou je maar kalm, je zult later wel meer van me hooren!quot;

„En met dit glas wijn zeg ik den geachten spreker dank voor zijne lezing en veroorloof mij den wensch te uiten, dat dit wel de eerste, maar niet de laatste maal moge zijn, dat hij ons met zijn tegenwoordigheid vereert,quot; zóó toastte, na de lezing, de dominee, die zeer waarschijnlijk de eer van Boschwijk tegenover mij wilde ophouden.

Hij dronk zijn glas wijn uit, reikte mij de hand en vertrok met den meester, die mij zeer hartelijk verzekerde, dat hij „ontzaggelijk veel plezier had gehadquot; maar met een kuchje er bijvoegde: „dat Barend nergens was te vinden.quot;

Daar kwam vrouw Jansen binnen, warm en rood van al de drukte : zij stak mij trouwhartig de hand toe en toen ik die aannam, gaf zij er met haar linker een fermen slag op, terwijl ze zei: „Nou! meneer heit 't heel best 'moakt; 't is me erg toegevallen. Ik heb er 't fiene wel niet van begrepen, moar 'k heb toch mien buuk vasthouden van 't lachen, omdat ie zoo miseroabel lèlike gezichten trokken. Meneer mot oanstoanden winter moar 'es weeromkomen .... En noe za'k 'es gauw wat brood veur oe kloar zetten; 'k heb krek 'n best stuk gebroaien ossenvleesch op schotel, doar kan meneer zooveul afsnieden, als meneer zelf wil en . . . .quot;

Glimlachend viel ik in: „Neen moeder! zóó kom je er niet af, Jansen heeft me rolpens beloofd!'

„Joa! dat kan Jansen makkelijk zeggen, moar wie hebben nou geen tied om ze te bakken, begriep ie? D'r zit nog veul jong volk in de zoal, doar motten wie't van hebben, die goan

161

ii

ocr page 170

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

nou eerst recht achter de wienflesschen en de broodjes zitten — a' je es weeromkomen krieg ie rolpens hoor!'

„Die rolpens gaat je neus voorbij, Amice!' lachte Bram, die inmiddels met juffrouw Bergmans was binnengekomen en daarna tot vrouw Jansen zei: „Heb je een kamer voor de juffrouw gereed gemaakt?quot;

„Joa meneer! — Wil de juffer 'ens kieken?quot;

„Ik vind het allernaarst dat mijn zwager niet gekomen is, 'k ben toch zoo ongerust; 'k wou dat ik nog naar Hastendam kon komen — 'k zal toch geen oog dicht doen van nacht.quot;

Het meisje zag er onmiskenbaar angstig uit, haar lippen trilden en met haar mooie oogen zag zij beurtelings Bram en mij smeekend aan.

„Heb je geen rijtuig, vrouw Jansen?quot; vroeg Bram.

„Neen, meneer! wat wie hebben is al lang besproken — ie begriepen met 't slechte weer ...quot;

„Dat oliewagentje, waar ik meê van't station ben gehaald ?quot;

„O, dat's allang vort met drie heeren uut Middelwiek — kom, juffer! laat 'k oe 't bed moar 's wiezen — a' je sloapt, goat de angst wel veurbie.quot; Zij deed een pas vooruit naar een deur achter in de kamer. „Kom juffer, goa 'es mee, de koamer is hier doadelik achter en a' je er noe 't eerste bint, heb ie ook de keus.quot;

„Waarvan?quot; vroeg juffrouw Bergmans.

„Wel, van de bedden! — 't zal meneer Maurik wel 't zelfde wezen, of ie in 't ledikant of in de bedstee sloapt; zoo'n groote, dikke vent kan overal wel teugen. Kom, juffer!quot;

„Hè?quot; vroeg ik.

„'t Is 'n ruume koamer,quot; ging ze voort, „en als meneer noe in de bedstee sloapen wil, kan de juffer 't ledikant kriegen.quot;

Met groote verschrikte oogen zag mijn reisgenootje de herbergierster aan en vroeg, verlegen blozend: „Maar heb je dan voor mij geen aparte kamer?quot;

„Neen, juffer! wie hebben moar één loseervertrek, moar ruum en kostelike bedden.quot;

Bram snelde eensklaps lachend de deur uit. Juffrouw Bergmans keek ijselijk beteuterd en stotterde: „ja, maar — è — ziet u — è hum! — zou er niets anders op te vinden zijn?quot;

„Joa, als de juffer bie mien sloapen wil, dan moet Jansen van nacht moar in den stal.'

„Zou de juffrouw niet bij den dominee of bij den meester kunnen logeeren?quot; vroeg ik.

102

ocr page 171

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

„Heerink! Heerink!quot; riep vrouw Jansen, de handen verwonderd opheffend, „wat moaken die stadsminsen toch 'ri viezevoazen over zoo'n kleinigheid — ie zult mekoar toch niet bieten!'

„Alles in orde!' klonk het eensklaps uit de geopende kamerdeur. Bram kwam haastig binnenloopen en zei: „Juffrouw Bergmans, ik heb er wat op gevonden; ik zal u naar Hastendam brengen — 't is maar een half uur rijden. Mijn klant uit Kalkhoven zal hier nog 'n uurtje blijven plakken en leent me zijn rijtuig. U ziet er toch niet tegen op, om op een tilbury te zitten?'

„O, neen! volstrekt niet!quot; Een warme, dankbare blik beloonde mijn vriend Bram, die zich op de lippen beet om niet te lachen, toen „de vrouwquot; knorrig zei: „'t Is nog al lekker weer om op zoo'n open woagentje te zitten — noe, meneer Maurik dan heb ie de ruumte!quot;

Een half uur later — 'k had met smaak wat brood en ossen-vleesch a discrétion genuttigd, ging ik in de ijzig koude, verbazend groote logeerkamer te bed en juist wilde ik bibberend onder de kille lakens kruipen, toen, zonder voorafgaand tikken, de deur openging en de groote, zware boerenmeid binnenkwam. Zij droeg iets in haar zwart wollen voorschoot, nam in het minst geen notitie van mijn onvolmaakt toilet en zei: „de vrouw het mien 'zegd, da'k 'n kruukske in oe bed leggen zol, omdat 't zoo koud is — 'k had 't door de drukte vergeten, hier is 't, en dan mo'k meteen de lamp wegnèmen. Bin ie kloar, kruup d'r dan moar in; 'k zal 't oe wel oan de voeten leggen.'

„O, heilige eenvoud!quot; dacht ik, terwijl ik me te bed begaf en tegelijk de onverdragelijke koeienlucht waarnam, die mijn „bonnequot; uitwasemde.

„Za'k oe ook nog 'n déken overgooien?quot;

„Neen dankje! — 'tis al heel wel zóó.'

„Nou, dan genacht, meneer! wel te rusten!quot; Zij nam de lamp van tafel en vertrok.

Goeie hemel! wat was dat bed koud; ik rilde onder die onuitgewasemde lakens; zelfs de heete kruik was niet in staat mij warm te maken. Eerst kon ik den slaap niet vatten, maar eindelijk dommelde ik toch in, om dadelijk weer klaar

ocr page 172

MIJN LEZING TE BOSCHWIJK.

wakker te worden door een zonderling geschuifel en getrappel, dat mij, vermengd met de onmelodische tonen van een viool en een klarinet, de ooren verscheurde. Nu was 't met slapen voorgoed gedaan; ik sprong uit bed, trok mijn jas, die op den stoel er voor lag, haastig aan, en ging op den tast, de kamer door. Ik wilde stilte gebieden, opspelen, vloeken, razen — ik wist zelf niet wat ik wilde, want ik was heel boos.

Eindelijk vond ik de deur, natuurlijk de verkeerde, opendie die en stond eensklaps achter in de kolfbaan in het vo\e licht, vlak voor het buffet, waar Jansen druk bezig was met inschenken.

„Wat is dat nu?quot; vroeg ik nijdig.

„Ik 'loof dat 't den blauen Donau is,quot; antwoordde hij doodleuk, zonder op te zien, en een paar boerenjongens, die voor 't buffet stonden, draaiden zich om, sloegen plotseling met de handen op hun knieën en brulden vol pleizier: „O, Heerink! Heerink! wat ziet meneer d'r noe oardig uut!quot;

„Loop jelui naar de...quot; ik bereikte met één sprong de deur, met een tweeden mijn bed en wat ik toen onder de dekens heb gebromd, zal ik hier maar niet herhalen.

Op „am schonen blauen Donauquot; volgden een schotsche drie, een wals en een mazurka; bij de quadrille daarna hoorde ik. Goddank! het geschuifel en de muziek hoe langer hoe onduidelijker en doffer, en toen ik eindelijk, dank zij „het kruukskequot; door-en-door warm geworden, insliep, droomde ik van het Bal. Ik zag den meester met zijn zieke mangelen in wilden galop, achter Barend aan, door de zaal razen. De zwijgende burgemeester kommandeerde de quadrille, dominee danste tegenover vrouw Jansen een erg gedéga-geerde „cavalier seulquot; en toen er „a la guerre!quot; werd geroepen, holden allen de tilbury na, waarin Bram en juffrouw Bergmans eensklaps door de zaal reden. Het rijtuigje rolde pijlsnel voort, door den wand heen, den straatweg op; ik alleen kon het volgen, al de anderen bleven achter. Eindelijk zag ik — 'n auteur ziet al wonderlijke zaken als hij droomt — hoe Bram en Mina vertrouwelijk, dicht tegen elkander aangedrukt, op het kleine karretje over den besneeuw-den weg reden, en hoe een klein, blond, geblinddoekt min-negodje eensklaps in de tilbury sprong en met hen meereed.

164

ocr page 173

BIJ 'T OPRUIMEN.

— Nu ben je heusch een lieve man, dat je me helpt opruimen, hoor!

— Wel zeker, vlei me maar; — je hebt nu immers je zin, Mina.

— Maar 't was toch wel hoog noodig, dat je eens opreddering hield in je kleerkast, Herman, en ik kan nu voort met den schoonmaak — gebruik je dien ouwen hoed nog?

— Hum, neen! die is caduc — geef dien maar weg!

— Gunst! wat ben je scheutig vandaag; dat 's al 't vierde stuk waar je afstand van doet, — twee bottines, een broek, een vest. . .

— Nu daar heb je er dan een jasje bij, lacht Herman en gooit zijn vrouw, die de afgedankte kleeren op een stoel, naast de tafel, legt, een dikke, zware overjas toe, die voor haar op den grond valt.

— Noem je dat een jasje') 't Is een echte schanslooper. Goeie hemel! wat is dat ding zwaar en wat is ie beschimmeld. Och heer! de kast zal toch niet vochtig zijn geworden. De zorgzame huisvrouw gaat de diepe muurkast in, voelt met haar blanke handjes langs de wanden en keert dan tot de tafel terug met de overtuiging dat de kast gortdroog is.

— Hè, daar schrikte ik van, zegt ze, — verbeeldje, vocht in de kast, maar hoe komt die jas zoo uitgeslagen ?

— Wel, Minalief, door 't lange hangen — ik heb 'em in geen drie jaar aan gehad ....

— O! wat 'n verkwister; die jas is nog wat best voor 's avonds.

ocr page 174

BIJ 'X OPRUIMEN.

— Och, 't ding zat me altijd onpleizierig en was me te zwaar, daarom kocht ik een andere — en kijk eens, versleten is ie ook, aan de mouwen — maak er Dirk maar gelukkig mee, kind!

— Dirk de oppasser? Maar die verdrinkt in jouw jas, vent.

— Nu! dan moet hij 'em maar laten verkleinen.

— Dus — afgedankt, zonder genade!

— Fort mit schaden! zegt Herman en bekijkt dan met alle aandacht een pantalon, die er zóó zóó uitziet — en hem daardoor, nu hij in een weggeefbui is, tot overwegen stemt.

Mina heeft intusschen een voor een de zakken van de oude overjas nagevoeld. — Er kon soms nog iets inzitten, Herman is niet van de netste, denkt ze, en haalt achtereenvolgens een beschimmelde sigaar, een potloodje en een witten zakdoek te voorschijn.

Lachend plaagt ze: — Zoo meneer! zorg jij zoo voor je zakdoeken? — 't Is wat moois — en nog wel een linnen.

— Wees maar blij dat je 'em terughebt, voel nog maar eens, misschien zit er nog wel meer in, maar geen geld, daar pas ik wel op!

— Ik ben al bezig: daar — 'n tramkaartje ook — terwijl zij de jas opvouwt en glad strijkt, voelt ze aan het ondereind iets hards tusschen de voering, dat haar doet zeggen: — Wat zit daar? 't Is hard en......

— Misschien een verloren rijksdaalder, Mina. Haal 'em er uit!

— Hé, wat ben je toch een sloddervos, in dien eenen zijzak is een heel gat, waarom zeg je zoo iets niet; 't is een oogenblik werk om 't te repareeren — foei! ik kan er met met mijn heele hand door.

— Ja, als je den boel openscheurt!

— Hè!

— En ik hoor 't. Dat doet je nieuwsgierigheid, vrouwtje!

— En ik heb 't nog niet eens, 't zit heelemaal onderaan, maar wat is 't toch. Heer, wat voelt 't raar en ... . kijk! 'tis een tinnen soldaatje, een ruitertje. Zij haalt een klein, ietwat verbogen, tinnen ruitertje te voorschijn en zet het midden op tafel. — Hoe komt dat in je zak. Herman? Haar gelaat wordt ernstig, min of meer bleek en zachtjes zegt ze: 't is een soldaatje van Kareltje.

— Wat zeg je? Haar man komt bij de tafel, neemt het

ocr page 175

BIJ 'T OPRUIMEN.

stukje speelgoed in de hand, bekijkt het met aandacht en zet het dan behoedzaam weer neer, na 't wat recht te hebben gebogen, zoodat de ruiter zijn arm — de sabel ontbreekt — weer dreigend vooruitsteekt. Even zuchtend zegt hij. — Ja :t is zoo; van hèm.

Beiden zwijgen en zien naar het kleine voorwerp op tafel.

En in dat oogenblik komt eensklaps voor hen — als door een grauwe wolk — de herinnering aan een winterdag, een groote ziekenkamer en een klein ledikantje met een jongske er in, dat rusteloos 't brandende hoofdje verlegt op 't kussen, angstig vragend: drinken, drinken?

Het kleine, tinnen ruitertje op tafel zien ze niet meer alleen staan, plotseling zijn er twee vingertjes bij gekomen, die het opnemen en groote sprongen laten doen over 't laken en de deken — en in hun oor klinkt, als uit de verte, een heesch, gebroken stemmetje dat — hop! hop! tracht te roepen. Een gillende, benauwde hoestbui volgt ; 't kleine, lieve gezichtje vertrekt, de oogjes worden onnatuurlijk groot, blauwrood 't blanke gelaat en koude zweetdroppels doen de blonde krulletjes vastkleven aan voorhoofd en slapen. Dan nog een lange, heesche, gorgelende hoest, een snik en dan — niets meer.

't Ruitertje staat nog altijd, met zijn dreigend opgeheven arm vóór hen op tafel; langs 't blanke tinnen paardje glijdt een lichtstraal. Voor hen wemelt die zilverachtige schijn, omdat hun oogen vochtig worden, nu ze terugdenken aan dien somberen dag. Ze hadden niet begrepen, dat hun kind zóó gevaarlijk ziek was. Op dien middag scheen 't zelfs tieriger dan anders en Herman stond met overjas en hoed, zóó van 't kantoor gekomen, voor zijn bedje en speelde mee met de soldaatjes. . .en toen gebeurde het plotseling. Zóó speelde hij nog, zóó was hij dood! Ze hadden 't eerst niet kunnen, niet willen gelooven, maar de woorden: 't Is gedaan! van den dokter, die in allerijl was gehaald, gaven hen de verpletterende zekerheid dat hun ventje was heengegaan.

Als uit een droom ontwakend, slaat Mina diep zuchtend de oogen op en terwijl de tranen over haar frissche wangen vloeien, zegt ze zacht: — Hij was toch zoo lief, hè?

— Hij zou nu al acht jaar zijn geweest.

167

ocr page 176

BIJ 'T OPRUIMEN.

— Is 't dan al drie jaar geleden?

— Ja! in November al; ik herinner me nu, dat ik het soldaatje uit zijn handje heb genomen, toen hij zoo benauwd werd.

— En ik had het hem gegeven, omdat hij zoo zoet in bed bleef.

— God! wat is 't toch jammer, zoo'n heerlijken jongen.

Mina drukt haar zakdoek voor de oogen en haar man bijt

even op zijn onderlip, terwijl hij langzaam 't hoofd schudt en een paar maal slikt.

Achter hen wordt zachtjes de kamerdeur opengestooten, en, zonder dat zij 't merken, dribbelt een bijna driejarig meisje haastig naar binnen.

Plotseling voelt Mina aan haar rokken trekken en hoort zij een vleiend stemmetje; — Maatiel maatie, Ika bij maatie tommen.

Half verschrikt, half blij, draait zij zich om en neemt het kind op haar arm: — Lieveling, ben jij daar, hoe kom je hier zoo boven?

— Tap op, maatie!

— Schat, engel! krabbel jij alleen al die trappen op, foei! niet weer doen, hoor! Geef me maar gauw een zoen. En het meisje innig aan haar borst drukkend en kussend, vraagt ze: Lijkt ze niet sprekend op hém, Herman ?

— Sprekend! — Lieveling, krijg je paatje nu niets?

„'t Kind laat zich van moeders arm op tafel glijden en springt naar Herman toe, die het opvangt en hartelijk zoent.

— Pak pa maar eens goed, hoor!

— Zoete paatie, vleit de kleine en slaat beide armpjes om Hermans hals.

— O, o! drukt me niet dood, ondeugd, lacht papa en zet haar vóór zich op tafel.

't Kleine, tinnen ruitertje is omgevallen en glinstert in 't licht, 't Kind ziet het, grijpt er naar en zegt met blijde oogjes:

— Dat's voor Ika!

Herman en Mina zien elkander aan, weemoedig, dankbaar, zwijgend.

ocr page 177

„DE OOIEVAAR KOMT.quot;

Er zweeft overal in liet nette, comfortabele huis iets vreemds, iets geheimzinnigs in de lucht. Ieder huisgenoot, van de bedaagde keukenprinses af, tot het loopmeisje toe ademt onwillekeurig moeilijker; het is alsof de naderende komst van den ooievaar de atmosfeer in de woning drukkend en zwaar doet worden.

Reeds is zijn vleugelslag in huis gehoord en zijn verwijderd geklepper vernomen; het doet de stemmen der dienstboden in de keuken dalen. Zij spreken op gedempten toon over wat er te wachten is; iedereen meent zeker te weten, of een jongen dan wel een meisje in het keurig nette wiegje, dat in de achterkamer staat, zal komen te rusten en allen zijn het er over eens, dat 't een heele verandering zal zijn voor de booien, want dat zoo'n schaapie heel wat drukte en omslag met zich medebrengt.

De schoonmaakster, die later dan gewoonlijk gebleven is, omdat alles er als een brand uit moet zien, nu de baker in huis komt, staat met haar avondboterham in den zak en een kliekje groenten en vleesch in een schaaltje onder haar omslagdoek, gereed om te vertrekken.

— Ziezoo, Mietje, zegt ze, nou kan die madam nergens haar neus aan stooten; die bakers bennen toch allevel zoo bedillerig. Ik wil jelui groeten — n'avend Daatje, n'avend Mietje.

— 'k Zal je uitlaten, antwoordt de keukenmeid en staat op.

Met haar schoenen in de hand loopt de schoonmaakster

ocr page 178

DE OOIEVAAR KOMT.

op haar kousen door de gang. Bij de deur van de achterkamer houdt zij even stand, brengt den middenknokkel van den wijsvinger der rechterhand vooruit, als wilde zij aankloppen en ziet, met een vragenden blik om naar Mietje, die achter haar aansloft. — Niet kloppen! ga maar door, Jaantje, ik zal mevrouw wel van je genacht zeggen; de baker is binnen, ze is een uurtje geleden gekomen en meneer is naar den stalhouder, om te zeggen, dat hij een viegelant klaar houdt voor 't geval dat...

— Wie is jelui meester? vraagt op gedempten toon de werkvrouw, terwijl zij de deur nadert.

— Meneer de Wit.

— Zoo ! nou die kan het wel; 'n knappe siruzijn, genacht Mie; 't beste met Mevrouw!

Met één voet reeds op de stoep, keert zij zich nog eens om en zegt: — Als 't een jongen is, moet hij zeker naar meneer heeten. Ik hou allevel nog vol dat 't een jongen wordt, want...

— Och ga nou heen, hè?

— Jawel! nou, wel te rusten dan. Ik wou maar zeggen: als 't een meissie most wezen dan had Mevrouw niet zoo voortdurend idéé gehad in 't zitten. Och heere! 't goeie mensch zat, waar ze zat; maar afijn! daar niet van, zoo'n jong vrouwtje is voor den eersten keer ook ...

Mietje doet de deur dicht.

— Wat een zeur, zegt ze, en gaat terug naar de keuken. Terwijl zij nu, op haar beurt, de deur der achterkamer voorbijgaat, komt de gedachte bij haar op: 'k zou toch wel eens even willen zien, hoe die baker er uit ziet. Voordat zij 't zelf weet is ze teruggegaan en heeft aangeklopt.

— Binnen! klinkt het zachtjes, en Mietje komt in het vertrek.

In de gezellige achterkamer, matig verlicht door 't getemperde gaslicht, rust in een gemakkelijke fauteuil, achterover liggend, met het hoofd op een sluimerrol, de vrouw des huizes, een mooi jong vrouwje. De sierlijke peignoir, die zij draagt en het keurige négligé-mutsje, dat het volle, tot éen dikke vlecht gestrengelde haar, in bedwang houdt, bewijzen met het kleine geborduurde pantoffeltje, dat even van onder den rand der rok op het voetenbankje zichtbaar is, dat zij smaak heeft en zich ook dan weet te kleeden, als zij ongekleed is.

lyo

ocr page 179

DE OOIEVAAR KOMT.

Het sierlijk gevormde handje, waarvan de ringvinger met een eenvoudige, gladde alliance versierd is, houdt zij tegen den vollen boezem gedrukt en met het andere wijst zij op een keurig mandje, waarin kleine, aardige kleertjes, als witte wolkjes van borduursel, kant en lint, tegen een blauw satijnen hemel uitkomen.

Voor de tafel staat een dikke, plompe vrouw in een lichtkleurige katoenen japon, met een zwart zijden boezelaar voor en een kornet op, die de strengste critiek kan doorstaan; haar handen woelen in het mandje en nu en dan houdt zij, tusschen duim en vinger, een grappig klein stukje lijfgoed omhoog, terwijl ze, zoetelijk glimlachend, zegt: — Och heere wat snoezig! Wat lekker, mevrouw!

Bewonderend beweegt zich haar kornet heen en weer, als zij eindelijk een wonderlijk miniatuur-pluimmutsje vertoont en uitroept: — Honnig! — Nou Mevrouw! 't ziet er dan maar reintjes en illegant uit; ik zeg maar de jongeheer zal ermee uitzien als een prins. Heere, Heere! wat een lief jurkie, met tusscheri-zetsels en kiepuur! — Och! is dat door uwes zus gemaakt ? 's Jongens, 's jongens! die kan het. Mevrouw! Grut, nog toe, wat een sjarmante sokkies. Wat zeit uwé ? Zeivers gebrejen. Wel! Wel! — Zit uwé wel gemakkelijk? — Zoo! zachtjes maar an; een beetje geduld hoor! — alles komt terecht. Wat blief, werd er geklopt? 'k Had het niet gehoord. O! is dat de keukenmeid. Zoo! zoo! — Met een genadig hoofdknikje begroet Baker de oude Mietje, die, haastig haar opgestroopte mouwen neerslaande, vraagt:

— Mevrouw ?

— Wat wou je. Mietje?

— Als uwe soms liever had, dat ik van nacht opbleef, dan heeft u 't maar te zeggen ...

Vertoornd ziet Baker om en een minachtende trek speelt om haar min of meer bedonsde lippen, als zij op vrij stel-ligen toon, Mevrouw in de rede valt, door te zeggen: — Geen kwetsie van! Neen meissie ! ga jij maar gerust op één oor liggen; asjeblieft geen onnoodige drukte voor niemendal, als jij maar zorgt, dat je een ketel met warm water overhangt en 't vuur nakijkt, ben ik mans genoeg om voor de rest te zorgen.

— Ik zei't maar, omdat ik dacht dat ik misschien helpen kon als 't noodig was. En een vernietigende blik treft de dikke vrouw.

171

ocr page 180

DE OOIEVAAR KOMT.

Een knorrig : — „Kun je begrijpen,quot; van de baker doet de keukenmeid schoorvoetend vertrekken.

Op haar terrein teruggekeerd, zet zij langzaam haar voeten weer op de warme stoof, onder de tafel en zegt tot Daatje, die half zit te dutten: — Je zou je bedoen om zoo'n baker, die kijkt me aan met een gezicht, alsof ze me wou opeten. Wat denkt zoo'n mensch wel! — Omdat zij nou getrouwd is geweest en misschien, God beter 't, uit armoe baker is geworden, zou ze een fatsoenlijke meid affronteeren. Hè 1 ik heb nou men bekomst al van haar. — Je zal zien en beleven dat ze aap wat heb je mooie jongen met mevrouw speelt en dan liggen wij achter de bank; 't is nou al koek en ei met mekaar; dat zag ik direct.

Terwijl Mietje verzuchting en ergernis in haar dikken avond-boterham verbijt, vraagt, binnen in de kamer, Baker met een dood leuk gezicht aan Mevrouw: — Uwé heeft dat meissie zeker al lang.

— Hoe zoo. Baker ?

— Omdat ze zoo vrij met uwe is, zoo erg eigen, zoo hm! — weet u, zoo familjaar; en in stilte denkt ze: — die meid kan mij gestolen worden.

Eenige oogenblikken later komt de heer des huizes terug, hangt jas en hoed aan den kleerenstander in de gang en komt dan de kamer in, met de woorden: — Alles in orde, wijfjelief! Nu kan de jongen gerust zijn intocht houden.

Hij neemt plaats naast zijn vrouw, vat haar kleine zachte hand in de zijne en terwijl hij haar vol liefde en bezorgdheid in de vriendelijke, nu wel wat opgewonden schitterende oogen ziet, vraagt hij: Hoe is 't nu, kind ?

— Goed, manlief, goed!

Plotseling verbleekt zij en na een oogenblik van stilte, klinkt het zenuwachtig uit haar mond; — God ! Willem, als ik eens ....

— Mevrouwtje! mevrouwtje! valt de baker met een ernstig, hoogwijs gelaat in, — uwe moet je niet opwinden en uwes meneer, u moet nou niet telkens vragen: Hoe is 't? — 't Is immers alles zoo manjefiek mogelijk. Mevrouw is een ef-fetief gezond, frisch mensch, als melk en bloed. Uwe zal ereis waarnemen, wat de jongeheer later een kosthuis aan haar heeft, meer dan volop hoor! dat assereer ik u — en als ik me niet vergis, dan zal ik uwe morgen vroeg wel filli-siteere met den kroonprins.

— Zou je heusch denken, baker, dat 't een jongen ..?

172

ocr page 181

DE OOIEVAAR KOMT.

— Nou, mevrouw! niets vaster dan dat.

Mijnheer glimlacht en een hoopvol, gelukkig lachje glijdt over het afwisselend bleeke en dan weer zich plotseling sterk kleurende gelaat der jonge vrouw: in stilte, als waren zij nog een paar schuchtere, pas geëngageerde jongelui, drukken zij elkander onder de tafel de hand.

Baker merkt het niet!

De jonge man wendt geen oog van zijn vrouwtje af en blijft voortdurend met haar praten of schertsen. Hij doet het met een opgeruimd gelaat maar met kloppend hart, want 't wordt hem hoe langer hoe duidelijker dat de vadernaam voor hem zeer nabij is.

Met een uiterst gewichtige uitdrukking op haar gezicht, dribbelt baker heen en weer door de kamer, schikt hier of daar een paar stoelen terecht, ziet naar de vuurmand en 't wiegje, die in de alkoof staan en zet zich nu en dan, voor enkele oogenblikken, neder naast de vrouw des huizes, die dan haastig haar hand grijpt.

— Kom, meneer! zegt zij eindelijk op beslisten toon, — nou moest uwé de vrijigheid nemen en zoolang in de zijkamer gaan; ik heb een-woordje met mevrouw te spreken.

— Goed, baker, antwoordt op onderworpen toon de jonge man, want hij gevoelt het levendig: voor een korte spanne tijds, beteekent hij niets en baker alles. Zijn mannelijke wil moet ditmaal buigen voor dien der corpulente vrouw, die voortdurend onverstoorbare kalmte tegenover zijn zenuwachtigheid stelt.

Toch waagt hij instinctmatig nog een poging, door op weifelenden toon te vragen: — Maar baker, mijn vrouw heeft misschien liever dat ik hier blijf en. . .

— Lieverkoekjes bakken we van avond niet, meneer! En zonder verdere toelichting van haar machtspreuk, opent zij de kamerdeur met de woorden: Assieblieft, meneer, ik zal uwe dadelijk roepen als .. .

Zwijgend kust de heer des huizes zijn eega op het licht bedauwde voorhoofd, drukt haar de hand en als hij reeds in den deurpost staat, werpt hij nog een langen, bezorgden blik op zijn vrouwtje, dat hem heldhaftig glimlachend tracht aan te zien en flauwtjes zegt: Toe, beste Willem, ga nu maar; toe!

173

ocr page 182

DE OOIEVAAR KOMT.

In de zijkamer brandt een heerlijk vuurtje — 't is buiten ook al koud en guur — toch is mijnheer rillerig en huiverig als hij voor den open haard staat. Hij begint heen en weer te loopen. Vreemd is 't, maar ziften kan hij niet en toch ziet alles in de kamer er zoo prettig uit, zoo kalm, zoo uitlokkend tot rusten. Op de tafel, door 't helder brandend gaslicht beschenen, staat een flesch wijn met eenige glazen op een Japansch blaadje, een kistje sigaren en een aschbakje er naast; de krant ligt er bij. Zijn vrouw heeft in den vooravond alles zoo netjes en keurig gerangschikt.

Werktuigelijk grijpt hij naar de krant en gaat zitten. Zijn blik valt juist in den spiegel tegenover hem. Hij springt weer op, doet een paar passen naar den spiegel toe en zegt in zichzelf : Ik zie bleek, geloof ik, — waarachtig! ik zie bleek . . . Hoorde ik daar niets ? Ik dacht dat ze mij riep — neen ! 't is verbeelding geweest.

Hij loopt heen en weer tusschen de deur en den haard — Maar ik hoor toch . .. neen! toch niet. Hij luistert opmerkzaam bij de deur — 't is doodstil in huis, want de dienstboden zijn reeds lang te bed; alleen de pendule hoort hij tikken en de staande klok in de gang.

Hij overlegt of hij maar niet liever naar de achterkamer zal teruggaan, maar een onverklaarbaar ontzag voor de neepjesmuts doet hem aarzelen en blijven, waar hij is.

— Kom 't is dwaasheid geweest, alles is doodstil, mompelt hij, en glimlachend over zijn zenuwachtigheid, zet hij zich neer bij de tafel en neemt een sigaar. Als hij die aansteken wil, beeft de lucifer in zijn hand. — Hm, dat's gek . .. plotseling legt hij de sigaar neer en luistert aandachtig, 't was me nu bepaald alsof de baker mijn naam riep . . . 'k hoor toch niets, zou ik me weer vergist hebben ? 't schijnt zoo. Hij ontvouwt de krant en wil lezen. Hoe wonderlijk! de letters dansen voor hem op en neer; hij wrijft zich de oogen, 't wordt er niet beter door, want nu ziet hij politiek en stadsnieuws als door een dichten nevel. — Bespottelijk ! fluistert hij in zich zelf, — ik zie niets dan de geboorteberichten. Hm! 't is toch ook zoo zonderling te moeten denken, dat morgen om dezen tijd in datzelfde blad zal staan: — Bevallen van een zoon, Maria Zomer, geliefde echtgenoote van....

— Meneer! de stem der baker stoort hem eensklaps in zijn gepeins en haar eerwaardig hoofdtooisel wordt lang-

174

ocr page 183

DE OOIEVAAR KOMT.

zamerhand om het hoekje der deur zichtbaar. Was hij ingedommeld daar bij die krant ? Is hij zoo diep in zijn gepeins verzonken geweest, of is de baker zoo onhandig binnengekomen, dat hij plotseling bleek en ontdaan opspringt en stotterend vraagt: — Wat is er?

Koel en kalm klinkt het antwoord: — Wil uwé nou den meester maar gaan halen ?

— Wordt 't meenens, Baker?

Een knikje van de kornet doet hem, als met gevleugelde schreden, naar den stalhouder snellen.

Twee uur later staat de jonge man met vochtige oogen bij de sponde van zijn vrouw, die, zalig glimlachend, maar met trillende lippen en een zachte, matte stem, waarin nog duidelijk een toon van angst en zenuwachtigheid nabeeft, zijn hoofd tot het hare trekt en met een kus hem toefluistert: — Beste Willem, ik kan het heusch niet helpen, dat 't èen meisje is, maar 't is toch ook welkom, niet waar; ons kind ?

De jonge vader weet nauwelijks wat hij zeggen moet; hij is verbluft over zijn nieuwe waardigheid; daarom lacht hij eventjes en antwoordt alleen; — ons kind! wat klinkt dat wonderlijk, maar heel aardig, — ons kind.quot;

De baker is, als ieder rechtgeaarde van haar soort, verrukt over het prachtige gezonde kind, een wolk van een meid, als uit meneer's fiselomie gesneden en die bewondering neemt nog toe door het goudtientje, dat haar in de hand wordt gestopt, als de jonge vader het onoogelijke, roode, schreeuwende wezentje dat op den breeden bakerschoot spartelt, nieuwsgierig bekijkt. Met een meer of min schaapachtig gelaat ziet mijnheer de baker aan, als zij grinnikend vraagt: — Wat zeit uwé ei van, meneer? Kan uwe je nou wel verbeelden, dat dat wurrempie uwes eigens vleesch en bloed is, neen he? En toch is 't zoo. Wat 'n lief kindje,'t zal net uwes oogen krijgen — ja! ik dacht dadelijk wel, dat 't een meissie zou wezen, maar ik wou niets zeggen, om mevrouw niet te contrariëeren, vat uwé ? Wij menschen hebben er al gauw een kijkkie op, wat 't worden zal; dat doet de ondervinding, weet uwé. Nou meneer! nogmaals van harte gefilisiteerd met je dochter. Nog vele na deze, en dat ik ze dan bakeren raag.

Als mijnheer een poos later met den medicus in de zijkamer een glas wijn drinkt tot afscheid en dan een sigaar

175

ocr page 184

DE OOIEVAAR KOMT.

176

opsteekt, beeft de lucifer weer in zijn hand — maar nu is 't door vreugd. Weer loopt hij heen en weer door de kamer, maar thans met fleren tred en krachtig blaast hij de geurige

rookwolkjes naar het plafond.

De jeugdige vrouw sluimert in haar ledekant. Een onbeschrijfelijk liefelijke uitdrukking, zalige kalmte ligt over haar gelaat verspreid en om haar lippen speelt een lachje, vol weelde en zelfbewustheid — zij sluimert voort, totdat de ochtendzon nieuwsgierig tusschen de franje van de neergelaten gordijnen komt gluren en als haar stralen warm en vriendelijk op het wiegje vallen, waarin de rijkdom, de vreugd en de hoop van een jong huisgezin rust, ontlokt een zwakke kreet aan de ontwakende jonge moeder een lach en brengt hij een tinteling in haar oog, schooner dan de stralen van het jonge licht.

ocr page 185
ocr page 186
ocr page 187
ocr page 188