amp; ï/V/X
TYPEIÃ EN SCHETSEN
UIT DE
ZEEUANS WERELD.
Sneltehsdkuk. â Langeveld amp; de Roou. â Texel.
mbmbb
HOLLANDSCHE ZEELUI.
v/;..
m S(sljijêt§©ijii
UIT DE
Drukkerij Texelsche Courant. â Texel.
I.
Oude Toon.
Langer dan vijftig jaren had hij gezwalkt. Nauwelijks 10 jaar oud, had hij er al op uit gemoeten. Zijne moeder was gestorven, toen Toon nog heel jong was, en zijn vader, die zelf weêr den blauwen zak inmoest, toen de moeder begraven was, had den kleinen Toon bij een broeder, die visscher was, uitbesteed.
De knaap had een hard leven, dat er niet beter op werd, toen zijn oom hem, nadat er sedert drie jaren van Toon's vader taal noch teeken was gekomen, dagelijks te vergeefs aanporde met hem te gaan visschen. De jongen had er niets âgeen senieigheidquot; in, ofschoon hij volstrekt niet bang voor 't water was, tot groot verdriet van zijn oom's oude huishoudster, wie hij zeker zes natte pakjes per week bezorgde om te droogen. Visscher worden, dat nooit! dan liever nog't zeegat uit, meende de jongen.
âWelnou dan,quot; had de liefderijke oom gezegd, die niets vuriger verlangde dan van den knaap te worden ontslagen, âdan den blauwen zak maar in. Of je met Kerstmis verz.... of met Nieuwjaar, scheelt maar een week.quot;
Zoo was Toon zijn loopbaan begonnen. Hij heeft het nooit verder dan tot matroos kunnen brengen, om de eenvoudige reden, dat hij in zijn jeugd volstrekt geen onderwijs genoot en later geen lust meer had, als hij
4
eenige weken aan wal was, om bij den schoolmeester aan te monsteren.
Gedurende die dagen hield hij zich liever onledig met 't vervaardigen van touwen matten, in welk werk hij eene groote vaardigheid had verkregen.
Na zijn tweede reis, was hij niet meer bij zijn oom geweest, maar verbleef den tijd, dien hij binnenslands was, in een kosthuis.
Mocht Toon zeer weinig geleerd hebben, geloof daarom niet dat hij er minder zeeman om was.. Waar hij stond, behoefde geen zijner maats te komen, en den naam van âde dubbelde,quot; hem door kapiteins en stuurlui, met wie hij gevaren had, gegeven, was dubbel en dwars verdiend.
Vroolijk en opgeruimd van natuur, rondborstig en eerlijk in al zijn doen en laten, spotlustig en gaarne deelnemende aan een grap, was Toon de lieveling van superieuren en kameraden.
Nauwelijks twintig jaar oud, begon Toon er reeds aan te denken, om bij gelegenheid eens een deuntje te gaan trouwen.
Op de dochter zijner kostvrouw had hij 't oog laten vallen en was vast besloten meteen maar hoogte en breedte te nemen, dan wist hij waar 't end vast zat.
Daarom had hij 't meisje op zij geklampt en gezegd: Hoor eens Trui, je bent een mooi brikje, je tuigt als een adviesjacht en je weet, al zeg ik 't zeivers, dat ik een jongen ben van zessenklaar. Zeg ereis, 'k wil er maar niet lang mee tamtaaien. Hoe zou je 't vinden als wij eens met elkaar onder zeil gingen?
Trui had erg gebloosd en precies gekeken als een hofmeester, die met een stapel borden op den arm door een stortzee de kajuitskap af in de kerk wordt gekwakt.
5
Ze begreep echter heel goed, wat koers hij op wilde en draaide al heel gauw bij. Drie maanden later behoorden Toon en Trui tot de gehuwde menschheid.
Bij zijn binnenkomst na die gebeurtenis klaagde Truitje steen en been, en Toon zei: ik begrijp er alles van, dat jij en je oude moeder van mijn gage niet veel capriolen kunt maken en stijf bij den wind moet sturen-'t Zou me spijten, als je aan lager wal geraakte, en om dat te voorkomen, moeten wij van koers veranderen. quot;Wij moeten naar de stad Trui en daar een tapperij zien te huren. Als jij er op die manier wat bij verdient, is er geen lager meer en onder een staand zeiltje is het goed roeien.
Aan de plannen der jonggehuwden werd gevolg gegeven; maar 't was of Toon geboren was om steeds tegen wind en stroom op te kruisen. Ter nauwernood was het standje betrokken, of Trui's moeder werd ziek. 't Werd een sukkelpartij van belang, die vooral op Toon's beurs aankwam.
De oude vrouw mocht niet lang van het stadsleven genieten; de stumper overleed.
In die roezemoezige dagen werden de zorgen nog vermeerderd door de bevalling van Toon's vrouw, die 't leven schonk aan een meisje. De vader kruiste in den Indischen Archipel, toen al die belangrijke gebeurtenissen voorvielen. Met vreugde vernam hij drie maanden later te Batavia de gelukkige bevalling van zijn Truitje, hoewel 't hem leed deed, tevens te moeten vernemen, dat de oude vrouw afgebrast was.
Inmiddels waren den flinken zeeman nog geenszins alle beproevingen ten deel gevallen. De veranderde levenswijs, de dood der moeder en eindelijk de kraam-historie hadden Truitjes krachten ondermijnd, en ook
6
zij stierf, voor dat ze nog 't geluk had mogen smaken den vader hun kind te toonen.
Toon was kapot, toen hij die ramp vernam en snelde, zoodra 't schip langs de kade was vastgemeerd, zoo spoedig hij kon naar huis, om een hulpeloos wicht, dat er precies uitzag als de goede moeder eenmaal, aan 't hart te drukken.
Een gedienstige buurvrouw had het kind ter verzorging tot zich genomen, maar de tapperij was geheel verloopen. Al die averijtjes hadden Toon, zooals hij zich eigenaardig uitdrukte, op nul graden en stinkende minuten gebracht.
Gaarne ook zou hij een betrekking aan den wal gezocht hebben, om te kunnen waken, dat zijn kind althans beter opvoeding zou genieten, dan hij ooit gehad had. Doch hij had noch geld om zoolang aan wal te blijven, totdat hij iets gevonden had, noch vrijmoedigheid en bekendheid om eene betrekking te zoeken. Daarom moest hij er maar weer op uit, omdat hij nu voor zijn kind had te zorgen. De buurvrouw bleef zich met de moedertaak belasten, waarvoor Toon zijn halve gage afstond.
Dit duurde geregeld voort, totdat het meisje 10 jaren was en de vader twee derden van zijn gage voor haar onderhoud moest voldoen. Hij deed het gaarne, want het kind groeide lekker en zag er allerliefst uit. Toen Truitje zeventien jaar oud was, ging ze dienen, en wel in een koffiehuis. Daar had zij een voordeeligen dienst en kon de bijdragen van den vader missen. Toon's oude vroolijkheid scheen teruggekeerd, maar aan hertrouwen dacht hij blijkbaar niet meer, nadat hij van de eerste reis zoo bekaaid was afgekomen.
Zijn dochter was zijn oogappel; zijn lust en leven.
7
Voor haar wilde hij sparen, om haar, als ze onder den lap ging, goed te kunnen uitrusten.
Na maanden zwervens haar weer te zien en 't mooie kind eens flink te pakken, om haar dan meteen de fraaiste geschenken toe te stoppen, dat was Toon's hemel op aarde. Zeer verklaarbaar dus, dat zijn smart onbeschrijfelijk was, toen hij op zekeren dag tot de ontdekking kwam, dat Trui in een verkeerde koers stuurde.
't Onervaren kind was gevallen. Waarom niet liever gestorven? zuchtte de verbrijzelde zeeman. Maar toen hij zijn kind ontmoette, die hij eens terdege op haar voorman zou zetten, verdronk de rechtmatige toorn des vaders in den tranenvloed der nog altijd beminde dochter.
Als zij hem beloven wou met God en met eere te leven in 't vervolg, zou Toon haar een maandceel schenken, om voor zich, en waarvoor ze verder te zorgen mocht krijgen, 't noodigste te kunnen bekomen. Zij had alles beloofd, waarbij 't aan tranen niet ontbroken had. Zoo was Toon er weer met nieuwen moed op uitgegaan.
Hij had weer een heilig doel, waarvoor hij werkte, worstelde, ontbeerde en met de elementen kampte. Arme Toon!
Trui verviel van kwaad lot erger en was in 't eind zoo'n ellendig vaarwater opgegaan, dat de vader 't zelf niet waagde haar na te koersen.
Met haar kind, een aardig knaapje, had hij zielsmedelijden; maar wat vermocht hij, de arme zeerob,tot redding of tot behoud te doen! Was de jongen slechts 8 jaren oud geweest, in plaats van 2, dan zou Toon hem meegenomen hebben om er een zeeman van te maken, zooals er maar ooit een tusschen de kromhouten te vinden was geweest.
8
Nu was er geen denken aan en meende de zeeman niet beter te kunnen doen dan alles en alles in den vreemde te gaan vergeten. Daartoe monsterde hij op een Engelsch klipperfregat aan.
De matroos was ook aan boord van dien bodem wegens zijn flinkheid bijzonder gezien, hoewel men hem zijn eenzelvigheid niet geheel kon vergeven. Er had eene algeheele omkeering met Toon plaats gehad. De robuste, vroolijke matroos van vroeger was een stil, sombei', diep ernstig man geworden. Er was trouwens reden voor.
Acht jaren voer Toon met den Engelschman en redde in dien tijd, met groote onverschrokkenheid en doodsverachting, drie equipages, die op mastelooze schepen, tijdens 't woeden van een storm, in hun koerslijn werden aangetroffen. Zijn kapitein had voor die reddingen fraaie geschenken met mooie inscripties gekregen, en ook Toon werd niet vergeten. Drie zilveren médailles en twaalf pond sterling vielen hem ten deel. Hij rolde alles in een lap zeildoek en borg het pakje in een vergeten hoekje van zijn kist.
Eindelijk leed de schuit, waarop hij voer schipbreuk; zoowel de bemanning als hare goederen werden gered, doch 't schip was verloren. Dit vond plaats aan de Kaap de Goede Hoop, en dewijl zich daur juist een Hollandsche bark bevond, waar een paar matrozen over boord geslagen waren, monsterde Toon zich op dat schip aan. Ook daar aan boord waardeerde men spoedig algemeen in hem den nobelen zeeman.
, Nog altijd was hij stil en afgetrokken, antwoordde vriendelijk op alles wat men hem vroeg, maar zei anders boe nog ba, en scheen geen hooger genot te kennen, dan voor op den boeg op den uitkijk te zitten en zijn pruim van bakboord naar stuurboord te boegseeren.
9
Van zijn verleden sprak hij liefst nooit en had het land, als men er naar vroeg.
Ook repte hij er nooit van, wat heldendaden hij reeds verricht had, en de belooningen, voor dat alles verkregen, kwamen nimmer uit de verborgen plaats te voorschijn. Eindelijk landde Toon, na een afwezigheid van bijna 10 jaren, weer op vaderlandschen bodem. Zijn eerste werk was om, geheel onder de roos, naar zijn dochter te informeeren.
quot;Wat hij er van hoorde verheugde hem wel niet, maar smartte hem evenmin. Zij was dood.
Ook naar haar kind poogde hij poolshoogte te nemen, maar niemand scheen hem voldoende te kunnen ophelderen, waar de jongen gebleven was. Hij liet derhalve voorloopig alle onderzoek varen en ging opnieuw met hetzelfde schip naar zee.
De kapitein hield veel van hem, en 't beviel Toon goed aan boord, zoodat hij zich telkens maar weer op dezelfde kast liet aanmonsteren. Varen moest hij toch, dat stond vast, varen, zoolang hij den top van den grooten mast zien kon.
Als hij aan wal was, verteerde hij bijna niets en hield dus elke reis heel wat geld over. Dat geld werd met het Engelsche geld, dat hij reeds jaren lang in zijn kist had liggen, op zekeren dag mee naar wal genomen. Toen hij weer aan boord kwam, haalde hij een klein boekje van tusschen zijn wollen hemd te voorschijn en borg dit boekje heimelijk in den zeildoekschen lap bij de drie medailles.
Inmiddels telde Toon nu ruim zestig jaar. De beste puntjes waren er af, dachten zijn maats, en zeiden 't ook wel eens.
Toon's kapitein had den aap binnen en was aan wal
10
gaan leven. Een andere gezagvoerder, een jong voortvarend man, was hem opgevolgd. Hij kende Toon's verleden niet, maar zag wel, dat de man zijn tijd gehad had.
Zijn plan was dus gemaakt: den ouden rob niet op nieuw te monsteren, als 't schip in het vaderland terugkwam.
De jonge maats van den âouden brommer,quot; zooals Toon nu algemeen aan boord genoemd werd, wisten daar alles van en kwelden den grijzen matroos er steeds mee. âNu zal je gauw moeten opdoeken, oude doorrooker,quot; zei de een, en een ander voegde er bij: âoude schepen moeten niet varen, maar gesloopt worden.quot;
Als men 't wat . al te bond maakte, bromde Toon half in zijn baard: âde duivel is oud,quot; of; âals je niet oud wilt worden, laat je dan jong opknoopen.quot;
Met dit al werd de oude zeeman somberder dan ooit. Slechts één was er, die zich om den grijzen zeerob bekommerde en hem dikwijls tegen de ruwe grappen en liefdelooze uitvallen der jongere matrozen in bescherming nam. Voor stuurman Willem, zoo heette de tweede stuurman, die zich over den ouden Toon steeds ontfermde, had trouwens de geheele bemanning respect. Vandaar dat Toon, die met hem op één wacht geplaatst was, veel van den goeden jongen hield. Daar hij slechts over alledaagsche onderwerpen met Toon sprak en deze zelf korter van stof was dan ooit te voren, was de kennismaking zeer oppervlakkig.
Zelden werden dan ook vele woorden tusschen de beide zeelieden gewisseld. Alleen 's avonds, als ze de wacht samen hadden en de tweede van den boeg af, naar 't dartel spel van den âboer met z'n varkensquot; keek, die 't water door zijn springen als een vuurpoel deed opflikkeren, keuvelden zij samen wat over wind en weer.
11
Overigens wisten zij niets verder van elkaar, dan dat de een Toon en de ander Willem heette; dat de een al lang als matroos voer en de ander zijn eerste reis als tweede stuurman deed.
Eens op een donkeren avond dat de oude Toon op zijn lievelingsplek zat te soezen en er ernstig over nadacht of 't maar niet beter voor hem was om zich te verdrinken, dan straks als een gestrand vaartuig te worden gesloopt, had ook de tweede stuurman weer op den boeg post gevat, 't Schip zeilde voor den wind met stijve bramzeilskoelte. De visschen speelden weer hun vroolijk spel in de zwarte diepte. Toon wist niet, dat er iemand was, die 't dartel spel der zeebewoners in zijne nabijheid gadesloeg. Zwart was 't voor den boeg, zwart aan den bewolkten hemel, zwart in zijn gemoed.
Alleen 't opspattend schuim voor den steven en de phosforglans door de visschen in beweging gebracht, deelden eenig licht mee aan den zwarten chaos. Eensklaps weerklonk er een kreet in de duisternis en zag Toon een man van den boeg te water vallen. Een ongekend gevoel drong hem door merg en been; de oude gloed was in den grijzen zeeman ontwaakt. Of't vriend of vijand was, die daar in de zwarte diepte verdween, wist hij niet, maar dacht er trouwens evenmin aan. Zoo snel zijn stramme leden 't toelieten, had hij zich over den boeg gewerkt en liet zich neerploffen, zoodat hij bijna gelijktijdig met den man, dien hij had zien vallen, te water kwam. Dat het onzinnig was zich bij stikdonkeren nacht van een zeilend schip in den oceaan te storten, om een mensch te redden, daaraan dacht Toon volstrekt niet.
De overige manschappen, die de wacht aan dek hadden, bespeurden ternauwernood dat er iets onklaar was, of
12
een luid geschreeuw van âman over boord,quot; dat door tal van monden herhaald werd, en akelig door de duisternis weerklonk, riep in een ommezien âalle hendsquot; aan dek.
âKlaar om te wenden!quot; riep de gezagvoerder, en ineen ommezientje was 't roer gedraaid, de voorzeilen tegen gebrast en ging 't schip over stag.
Op goed geluk had men inmiddels een paar reddingboeien, die voor de hand hingen, van af de campagne over 't hek heen in zee geworpen.
âWaar is stuman Willem toch?quot; vroeg men achteruit. âZou de oude brommer zen eigen ook verdaan hebben!quot; hoorde men vooruit zeggen. De bootsman had een flambouw ontstoken en lichtte daarmee voor van den boegspriet, terwijl sommigen bezig waren een boot klaar te maken. Onbeweeglijk tuurde de bootsman voor 't schip uit.
Was dat niet een hoofd, daar beneden hem, vlak bij 't waterstag. Ja, hij bedroog zich niet. Met een end om zijn middel, door eenigé matrozen vast gehouden, daalde hij tot op 't water néér en zag, bij 't rijzen van 't voorschip op 't zeetjè niét één maar twee hoofden. De oude Toon hing daar, met den linkerarm om het waterstag geklemd en in den rechtervuist stuman Willem vasthoudende. Of ze nog leefden?
Snel had de bootsman den stuurman een end om 't lijf gestoken en halen! klonk 't uit zijn mond. Bewusteloos werd de tweede stuurman aan dek gebracht. Toen volgde dezelfde handeling met den ouden Toon. 't Was een geluk boven duizenden dat men beiden te pakken gekregen had.
Ieder dacht, dat de oude brommer zen eigen had willen verdoen en door den wakkeren stuurman was nagespron-
13
gen. Zooveel was er toch aan dien ouden matroos met zen eeuwig gebrom niet verbeurd, meende ieder, om daar je hachje voor te wagen.
Dat 't juist andersom was, zou spoedig blijken. Stuurman Willem, die na een minuut of vijf zijn bewustzijn herkreeg, vertelde hoe de vork in den steel zat. Maar waar was zijn redder en hoe was 't met hem gesteld?
Allen drongen om Toon heen. Of de oude dood of bewusteloos was, wist men nog niet, ofschoon de oude (kapitein) met de stuurlui druk met den ouden zeerob aan 't kun-stelen waren. Met stille bewondering staarde men op dat kalm, eerbiedwaardig matrozengelaat, en ieder was in gedachten verdiept, maar ieder maakte voor zich toch de opmerking: wat een kerel! Inmiddels was men onver poosd bezig, om te beproeven de levensgeesten weer op te wekken. Ten einde beter te kunnen zien en ook de medicijnkist bij de hand te hebben, liet dé kapitein den drenkeling in de kerk brengen en .was met stuman Willem, bijgestaan door de andere stuurlui en den Kof meester, ijverig in den weer om den ouden waterrot zoo mogelijk tot het leven terug te roepen.
Na een halfuur de doelmatigste behandeling te hebben aangewend, slaagde men. De bewustelooze opende de oogen en zag vreemd om zich heen. Willem poogde heimelijk een paar dikke tranen te verbergen, die hem uit de oogen rolden bij 't zien herleven van zijn redder.
Tegen wil en dank bracht men Toon in een der hutten naar kooi, doch hij bad bij herhaling hem tenminste een pruimpje negrohead te geven, om wat op te frisschen.
Hij was gewoon een zeer zwaar soort te gebruiken, waarvan een flinke voorraad in zijn kist geborgen was. Stuurman Willem had reeds in Toon's natte plunje den sleutel van diens kist gezocht en ging zonder verlof te
14
hebben gevraagd de pruimtabak halen. Bij 't zoeken er naar kreeg hij in 't half donker, waarin 't volkslogies was gehuld, een zeildoeksch pakje in handen, en meent^ 's dat daarin het gezochte verborgen was, sloeg Willem bij 't licht eener lantaarn de lap open. Wie beschrijft echter de ontroering, toen hem daar drie zilveren medailles, vereerd aan Toon Zaling, in 't oog vielen en een spaarbankboekje ten name van Willem Zaling, dus op zijn naam.
Die oude koene zeeman, door het volk den brommer genaamd, was Willem's grootvader.
De ontdekking had voor Toon belangrijke gevolgen. Achteruit werd men in 't geheim ingewijd, maar Janmaat wist niet beter of stuman Willem's genegenheid voor den ouden menschenredder, zooals Toon later genoemd werd aan boord, vloeide alleen voort uit dankbaarheid.
Yoor 't zeevaren was de oude matroos te oud geworden, maar 't portiersbaantje aan een scheepstimmerwerf, dat b\j door bemiddeling van zijn kleinzoon en diens kapitein, na behouden binnenkomst, verkreeg, verschafte hem een rustigen ouden dag.
Blij, innig blij was hij er om, toen Willem het na eenige jaren tot gezagvoerder bracht. Bij het huwelijk zijns kleinzoons was hij als getuige genoodigd en voelde zich bij die plechtigheid gedwongen om ook een woordje te spreken. Hij maakte 't kort en zei: âGod geve, mijn jongen, dat je gelukkiger moogt varen dan ik.quot;
De oude Toon, wiens levensmorgen en middag zoo duister waren voorbijgegaan, smaakte toch nog het genot van een langen, zonnigen levensavond.
II.
Een ongeluksvogel.
't Was heusch zijn schuld niet, dat hij zoo'n ongeluks-rogel was, en dat hij er een was, wist bijna de geheel© koopvaardijvloot. Van de honderd zeelieden was er nauwelijks één die wist, dat de matroos eigenlijk Joost Stampers heette.
Alleen als er van den ongeluksvogel gesproken werd, wist iedereen, wie er bedoeld werd.
Toen hij nog kind was, scheen het ongeluk hem reedis te vervolgen, zoodat hij ook in de ouderlijke woning meermalen met den naam van ongeluksvogel had kennis gemaakt.
Zijn vader was visscher en had twee zonen, Kees en Joost.
De man kon slechts een -der knapen op zijn vaartuigje gebruiken. De andere moest zijn fortuin zoeken en de wereld in.
Eees telde ruim dertien en Joost even twaalf jaren, toen de vader, door moeielijke omstandigheden gedrongen, besloot een der beide jongens naar zee te zenden.
Wie zou *t echter zijn? Kees was zeer bevattelijk en even oppassend als zijn broeder, die al op zoo'n jeugdigen leeftijd zich in alles een kind der zee toonde.
't Was een belangrijk vraagstuk voor den vader, dat hem reeds vele slapelooze nachten had gekost, alvorens hij er zijne zonen mee bekend maakte.
Toen ontstond er een edele wedstrijd tusschen de
16
broeders. Zij drongen er allebei op aan, om't zeemansvak te kiezen.
Ten einde raad, stelde de vader voor, dat zij er om zouden loten.
Twee stukjes hout, waarvan 't een iets langer was dan het andere, werden door den vader aan zijne jongens toegestoken, maar zoodanig, dat zij alleen het eene eind der houtjes konden zien. Wie 't kortste stukje trok was de toekomstige zeeman.
Kees bleef visscher en Joost moest den blauwen zak in. Hij zag er volstrekt niet tegen op, maar zijn vader was van' gevoelen,- dat de trekking niet anders had kunnen uitvallen, dan in het nadeel van den ongeluksvogel.
Welgemoed nam de jongen afscheid van vader en broeder en zeilde weldra met een Oost-Indievaarder naar zee.
De knaap had een harde school. Alleen om zijne gewilligheid ontzag hem menigmaal een schepeiing, die den ongeluksvogel wel eens eene tuchtiging had toegedacht.
't Duurde niet lang of aan boord kende niemand hem anders dan als âde ongeluksvogel.quot;
Had het volk gewasschen en hing het waschgoed te droogen, gewoonlijk waaiden er een of meer kleeding-stukken van Joost over boord. Zat er een hier of daar in het tuig te lapzalven, en kwam er eens een plompje teer naar omlaag, tien tegen één, of Joost bevond zich precies op de plek, waar de bruine vloeistof neerviel.
Veroorloofden zich de ratten aan boord eens aan het leerwerk der manschappen te komen, dan was het zoo goed als zeker, dat het schoeisel van Joost 't ontgelden moest.
Wilde ik al de rampen en ongelukken vermelden, die den ongeluksvogel in zijn veelbewogen leven troffen, ik zou boekdoelen moeten vullen, waartoe ik al even
17
weinig lust gevoel als ik bij den lezer tot het lezen er van mag veronderstellen.
Pas was de knaap eenige dagen in de Oost geweest, of daar bracht de post de vreeselijke tijding, dat een geweldige storm, die in het moederland geheerscht had, de visschersvloot deerlijk had geteisterd.
Het huikje, waarmee zijn vader en broeder langs de kust vischlen, was in de branding omgeslagen en beiden hadden een graf in de golven gevonden.
Joost, de twaalfjarige scheepsjongen, stond door die ramp geheel alleen op de wereld. Voortaan zou hij geheel voor zich zeiven moeten zorgen.
Moedig ving hij den strijd aan, nadat de eerste smart over zijn droevig verlies door kalme berusting was vervangen.
Het bedrijvige, luchthartige leven aan boord werkte daartoe bijzonder mee.
Ondanks allerlei kleine rampen, waarmee Joost zoo dikwerf had te worstelen, ontwikkelde de jongen zich flink.
Bijzonder vlug leerde hij het scheepswerk en was er spoedig achter als de bootsman of een der matrozen een knoop maakte of een splitsing legde die Joost nog nooit gezien had. Daarenboven was hij jegens iedereen even welwillend en vriendelijk, zoodat men van lieverlede eenigszins van hem begon te houden.
Twee jaar voer het schip in de indische zeeën, van de eene kustplaats naar do andere en werd eindelijk met eene lading suiker en koffie bevracht naar eene Nederlandsche haven.
Joost was inmiddels een flink zeeman geworden en belast met het werk van lichtmatroos, ofschoon hij wegens zijn jeugdigen leeftijd daarvoor nog niet de volle gage trok.
18
Bij was flink uit de Muiten gewassen en tot een pootigen jongen opgegroeid.
De meeste schepelingen verheugden zich in het vooruitzicht eerlang naar het oord te zullen vertrekken, waar zij geliefde betrekkingen hoopten weer te zien.
't Was Joost geheel onverschillig in welke streek hij zich bevond. Hij had daar ginds in 't vaderland immers alleen eenige kennissen onder de jeugdige visschers in het dorp, waar hij geboren was.
Maar Joost zou de terugreis niet meemaken met de bark, waarop hij zijne eerste reis deed. Op zekeren morgen, moest hij met andere schepelingen naar boven om nieuwe zeilen aan te slaan*
Als een haantje de voorste was hij 't eerst boven, maar ook weer 't eerst omlaag. Door 't breken van een der paarden, onder de ra, stortte Joost naar beneden.
Met een geweldigen smak viel de arme jongen op het dek neer. Iedereen dacht dat de jeugdige zeeman morsdood was; maar toen men toesprong om hem te helpen, kwam men tot de ontdekking, dat hij er met een paar gebroken ribben was afgekomen.
Zijn kapitein vond evenwel de kwetsuren van te ernstigen aard om er aan boord goede genezing van te verwachten. Voorzichtig werd de gekwetste dus in een prauw gelegd en naar wal in het hospitaal gebracht. De overigens gezonde knaap genas bijzonder vlug, en scheen na zijne herstelling even vlug en sterk te zijn als ooit te voren.
Ruim een maand na het vertrek van de bark, waarmede hij was uitgezeild, verhuurde Joost zich als lichtmatroos op een groot fregat, om daarmede naar Nederland te zeilen.
Ook aan boord van dien bodem waren allerlei rampen
19
en onheilen zijn deel, en gaf hem de bemanning al spoedig den bijnaam van âongeluksvogel.quot; Evenwel hield men spoedig van den jongen zeeman, die altijd goedsmoeds, gedienstig, hulpvaardig en beleefd was. Rond en eerlijk was zijn leus, rechtschapen zijn karakter.
De oudste zeerobben voorspelden, dat er in dien jongen een zeeman stak van den ouden stempel, een kerel daar land mee te bezeilen was. Alleen vond men het jammer, dood jammer van den borst, dat hi] in allerlei opzichten zoo'n vervloekte ongeluksvogel was.
Gelukkig had hij er zelf minder erg in en scheen te meenen dat het zoo behoorde.
Eindelijk in het vaderland weergekeerd, ging hij van boord met eene afmonstering van ruim vijftig gulden. Op het kantoor der reederij van de bark, waarmee hij zijne uitreis gemaakt had, zou hij zijne gage van dertig maanden kunnen ontvangen, ten bedrage van ruim honderd en vijftig gulden.
Alweer had het ongeluk hem een leelijke streep dooide rekening getrokken. Het kantoor toch waarvoor hij gevaren had, was door de rechtbank in staat van kennelijk onvermogen verklaard en had juist eenige dagen te voren zijne betalingen gestaakt.
Joost troostte zich bij zijn financieel verlies alleen met de gedachte: âwaarvoor heb ik eigenlijk geld noodig?,,
't Speet hem echter, toen hij in zijne geboorteplaats was weergekeerd, dat hij over zoo weinig geld beschikken kon. Dezelfde storm toch, die hem zijn vader en broeder ontnomen had, was de oorzaak van den dood van een menigte visschers geweest. Met een pijnlijk gevoel betrad Joost weer de plek, waar hij zijn kinderjaren had gesleten. Nauwelijks de helft zijner oude bekenden vond hij weer. Overal heerschte droefheid en armoede. In
20
menig gezin liet Joost iets van zijne geringe gage achter.
Toen hij pas een etmaal in het dorp had doorgebracht, , was hij nauwelijks meer in het bezit van tien gulden. Gelukkig was zijne uitrusting flink in orde.
De jonge zeeman spoedde zich naar de koopstad, waar hij was afgemonsterd, zocht en vond aldra een andere huur en trok opnieuw naar verre kusten.
Overal, waar hij vertoefde, scheen hem het ongeluk te vervolgen. Nu eens leed hij schade aan zijne bezitting, dan weer bekwam hij verwondingen en kwetsuren. Gelukkig leed zijn humeur onder dat alles niets. Hij bleef steeds dezelfde rustige, kalme Joost.
Om zijn bedaarden moed, zijne buitengewone lichaamskracht, maar bovenal om zijn hulpvaardigheid en prettigen omgang, was hij de lieveling van het scheepsvolk.
Ook voor de bewoners van zijn visschersdorp was de eenvoudige matroos een weldoende engel. Alles, wat hij maar missen kon van zijne gage, strekte tot ondersteuning der arme visschersgezinnen; die in den storm van hunne verzorgers waren beroofd.
Van lieverlede was Joost een bevaren zeeman geworden, een wakker matroos en een type van den echten Janmaat.
Hij vergenoegde zich met ziine eenvoudige betrekking en dacht er zelfs nooit aan om te gaan leeren. Evenmin scheen het schoone geslacht eenigen invloed van betee-kenis op den zeeman te hebben, althans Joost bleef ongehuwd. Hij leefde voor zich zelf heel eenvoudigjes, vnaar kende geen grooter genoegen dan anderen goede diensten te bewijzen met de spaarpenningen welke hij overhad.
Reeds twintig jaren had hij de zee in allerlei richtingen doorkruist, tweemalen schipbreuk geleden, ettelijke verwondingen bekomen en eens zijne geheele bezitting
21
verspeeld. Toen had 't gespannen, 't Schip was vreeselijk lek geworden en zonk langzaam weg. De bemanning zou het in twee sloepen verlaten.
Een moeielijke zee maakte het uitzetten der booten zeer bezwaarlijk, maar toch slaagde men met dit werk. Toen werden de kisten en kooien overgescheept. Alles was beredderd; alleen de kist van Joost stond nog op de luiken.
Terwijl hij met een makker zijn plunje zal halen, rolt een stortzee dwars over het schip en sleurt de kist van den ongeluksvogel in de diepte mee. Beide mannen moesten zich maar reppen van boord te komen, want geen twee minuten later verdween ook het schip.
De schipbreukelingen werden door een houtsleper overgenomen. Daar er op dien bodem juist een matroos mankeerde, verhuurde Joost zich, en bleef aan boord, onderwijl zijn makkers in eene Engelsche haven aan land werden gezet.
't Beviel hem goed in zijne nieuwe omgevingen weldra was hij de goede vriend van alle schepelingen geworden.
Zijn buitengewone lichaamskracht deed hier meermalen goede diensten, omdat het vaartuig maar licht bemand was.
Achteruit had hij zich den bijnaam van âdommekrachtquot; verworven, terwijl de onheilen en kleine rampen, die hem nu en dan te beurt vielen, hem vooruit weer den ouden bijnaam van âongeluksvogelquot; bezorgden.
Dewijl het schip korte reizen deed en slechts gedurende eenige dagen in het vaderland bleef, had Joost een paar jaren achtereen geene gelegenheid gehad om zijn dorpje te bezoeken, 'e Winters deed het schip eene reis naar Amerika, zoodat hij ook in dien tijd de goede oude kennissen niet eens kon opzoeken.
Inmiddels nam zijne bezitting' van maand tot maand toe en had de matroos bijna vijfhonderd gulden in zijn kist bij elkaar gespaard. Dat zou een mooi duitje zijn, meende Joost, om eenige zijner arme dorpelingen aan een eerlijk stuk brood te helpen.
Toch zou hij zijn dorp nooit weerzien.
Op de terugreis van Eiga, werd het schip op de Noordzee door een geweldigen storm beloopen.
Twee der schepelingen, die met elkaar aan het stuurrad hadden gestaan, waren over het rad geworpen en konden in de eerste dagen geen scheepswerk verrichten.
Joost bood zich aan om dan maar voor drie man den roertorn waar te nemen.
Gretig maakte zijn kapitein van dit aanbod gebruik.
Evenwel bleef de storm voortwoeden en rolde meermalen een breker over, die dan een deel van den deklast meenam.
Uren achtereen bleef Joost onvermoeid aan het roer, en wees ieder af, die aanbood hem eens te vervangen.
Door zijne krachtige vuisten bestuurd, ontliep het schip meermalen een geweldige golf, die, bij mindere oplettendheid en kracht van den roerganger, zeker meerdere schade zou hebben aangericht.
Af en toe bracht de scheepskok, een der beste vrienden van Joost, hem eene verfrissching aan het roer. Toen de man zich weer met dat doel naar den roerganger spoedde, brak juist een vervaarlijke stortzee over het achterschip, wierp Joost over het stuurrad en sleurde in hetzelfde oogenblik den armen kok mede ver over het schip in zee.
Alsof de Oceaan bevredigd was met dat offer, begon de storm langzamerhand te bedaren. Joost was zeer ernstig gekwetst. De kapitein had hem in zijn eigen kooi in de kajuit doen brengen.
23
Zoodra het weer het maar eenigszins toeliet, was de kapitein onophoudelijk bij den gekwetsten zeeman.
't Was maar al te zeker, dat Joost den nacht niet zou halen. Daarom besloot de gezagvoerder nog eens een ernstig woord met den koenen matroos te spreken.
Zoodra hij op het ergste van den toestand had gewezen en met ronde woorden zijne bezorgdheid te kennen gaf, deed Joost alle moeite zich eenigszins op te richten en beproefde eenige woorden terug te spreken.
âIk gevoel het maar al te goed, kapitein,quot; dus sprak hij in afgebroken zinnen, âdat ik de groote reis ga maken. Ik zie er niets tegen aan, dat ik afbrassen moet; want was ik al een ongeluksvogel, ik sterf gerust, omdat ik nooit iemand kwaad gedaan heb voor zoover-ik mij herinneren kan. Alleen ben ik droevig gestemd om het lot van den armen kok. Hij laat een vrouw met vijf kinderen achter. Kaptein, met de gage die ik gedurende deze reis verdiende mee, heb ik 'n kleine zeshonderd gulden bij elkaar. In mijn kist kan u alles vinden. Ik laat niemand achter en heb geene familie. Nu heb ik nog éen verzoek, en dat is om met mijn geld de weduwe van den kok aan een zaakje te helpen, waarmee zij haar broodje kan scharrelen!quot;
Afgemat zonk de matroos, na deze woorden met groote moeite geuit te hebben, op het bed terug.
Twee uur later was hij niet meer.
Twee dagen na zijn overlijden liep het schip binnen. De begrafenis van den ongeluksvogel had met eene plechtigheid plaats, zooals maar zelden een zeeman te beurt valt. Allo Hollandschè schepen in de haven vlagden halfstok.
24
De laatste wil van den zeeman werd stipt uitgevoerd. Met de spaarpenningen van den ongeluksvogel, was de weduwe en haar kroost voor broodsgebrtk beveiligd.
Lang nog bleef de herinnering aan den ongeluksvogel bewaard. De kapitein meende echter, dat het zoo erg niet was, een ongeluksvogel te heeten, als men opzijn sterfbed de getuigenis kon afleggen van nooit iemand kwaad te hebben gedaan.
III.
De Zeevader.
âWat heeft de bootsman 't weer druk met zijn kweekeling.quot;
â âJa, die man heeft een geduld om te bewonderen.quot;
âIk begrijp niet, hoe hij z'n eigen zooveel aan zoo'n
jongen gelegen kan laten liggen; 't is zeker al voor de zevende maal, dat hij hem nu dien knoop voordoet.quot;
â âO, hij houdt niet op, vóór de jongen er achter is en den knoop even goed kan maken als de bootsman zelf.quot;
âDie man verdient ten volle den naam van zeevader, dien de matrozen hem gegeven hebben.quot;
â âWeet je wel, wanneer hij zoo dol op jongens geworden is?quot;
âNeen, dat weet ik niet.quot;
â âNu dan, je moet weten, dat de bootsman zelf een jongen heeft gehad, een flinke, aardige, leerzame jongen.
â't Ventje had er niet lang pleizier van. Op de terugreis beliep ons op het Kaapsche rif een storm, die lang niet van stroo was. We kregen er leelijk van langs, en tot overmaat van ramp, nam een stortzee kleine Kees, zoo heette het zoontje van bootsman Dirk, mee over boord.
âEer wij 't goed en wel in de gaten hadden, was de jongen al voor de haaien.
âJe begrijpt, dat z'n ouwe er van kapot was.
26
âHij zag er tegen op als tegen z'n dood, om alleen bij zijn vrouw te komen, zonder zijn zoontje, dat zij niet had willen laten gaan.quot;
âDat kan ik mij begrijpen.quot;
â âNu, van dien tijd af, trekt de bootsman zich het lot van de jongens bijzonder aan.
âKomt er een nieuwe jongen aan boord, dan klampt de bootsnan hem al gauw op zij, en als dan de jongens willen, zooals hij wil, dan bezweer ik je, dat er flinke zeelui uit groeien, zoo goed als Dirk zelf.
âAls 't in het begin niet schipperen wil, en het ovelden eenen boeg niet gaat, dan probeert de bootsman het over den anderen boeg. Ziet hij echter, dat er met zoo'n jongen geen land te bezeilen is, dan laat hij 'm slippen, maar reken er dan ook op, dat de knaap voor de haaien is en er nooit wat van terecht komt.quot;
Terwijl dit gesprek tusschen twee matrozen gevoerd werd, zat de breedgeschouderde held van hun praatje met een scheepsjongen op het grootluik, om den knaap onderricht te geven in het maken van allerlei knoopenen splitsen.
Bootsman Dirk gevoelde zich bijzonder tot dezen jongen, die zoowel uiterlijk als innerlijk zooveel geleek op zijn verdronken zoontje, aangetrokken.
Ofschoon de knaap Martinus heette, noemde de bootsman, en in navolging van hem ook het scheepsvolk, den jongen altijd Kees.
Kapitein en stuurlieden lieten de bootsman gaarne met den jongen rondspringen, omdat zij wisten, dat de door en door practische zeeman er flinke bruikbare menschen van maakte.
Menig zeeman, die zich reeds tot stuurman had opgewerkt dankte zijne practische kundigheden aan den on vermoeiden bootsman.
27
Dirk, die al een beetje naar de vijftig liep, was'altijd even bedaard, en wist in moeielijke oogenblikken door zijn kortswijl en luchtige bespreking van de dingen, het sobeepsvolk in een goed humeur te houden.
Gemakkelijk was hij echter voor zijne discipelen niet.
Aan luieren had hij geducht het land en wie niet al te zindelijk was, wist hij het wel in te peperen.
Kwam echter iemand anders zijne beschermelingen maar even wat hardhandig aan boord, dan trok Dirk gewoonlijk hun partij, althans wanneer hij zeker wist dat de jongens niets van beteekenis hadden misdaan.
Waren de knapen echter aan dit of dat schuldig, dan hield hij niet op vóór zij hunne fouten hadden verbeterd of hun misdrijf was goed gemaakt.
Ofschoon de jongens hem dus wel wat vreesden, hielden zij aan den anderen kant toch ook weer veel van hem.
Ook Martinus, dien wij met den bootsman maar Kees zullen noemen, ondervond in ruime mate, dat Dirk wel een geduldig maar volstrekt geen zachtaardig leermeester was.
Eens had de knaap wat teer gemorst op het dek. âSchuren,quot;gebood de bootsman, âschuren, hoor, en niet ophouden voor dat er van die vlek geen lor meer te ontdekken is!quot;
De jongen waagde 't niet het werk te staken vóór alles in orde was.
âKijk nou in 't vervolg beter uit,quot; vermaande Dirk daarna; 't is beter een averijtje te voorkomen, dan zich zelf last en moeite te berokkenen door onoplettendheid.quot;
Op een anderen keer was het nog erger.
Kees die met den bootsman op de hondenwacht was, had zich nabij het ankerspil gemakkelijk neergezet en was in vasten slaap geraakt.
28
âDat zal ik je voor goed afleeren,quot; zei de bootsman zacht. Met een puts water in de hand, trad hij bijna onhoorbaar vlak naast den knaap en goot hem het koele water boven op het hoofd.quot;
âHulp, hulp!quot; gilde de jongen verschrikt, in de meening dat hij te water was geraakt.
âStop een beetje,quot; zei Dirk, âhier, ik zal je wel helpen schreeuw maar zoo niet.
âKijk eens,quot; vervolgde de bootsman, die inmiddels een eind touw had gegrepen, âkijk eens, maatje! nu heb ik je nat gemaakt, maar als ik je ooit op den uitkijk weer zie zitten slapen, zal ik je hienneê afdrogen, zooals je nog nooit afgedroogd bent.quot;
Toen hét hij het touw vallen en zei op ernstig bestraf-fenden toon: âje moest je schamen. Kees! Weetje wel, dat door jou onachtzaamheid schip, volk en lading naaiden kelder kon gaan?
âPas in 't vervolg beter op en kom mij anders niet meer onder de oogen!quot;
Na die ontboezeming, liet hij Kees aan zich zelf over en ontdekte tot zijn vreugde al spoedig, dat het lesje geholpen had.
De reis werd gelukkig volbracht, en toen het schip andermaal naar zee ging, vroeg de knaap om weêr als jongen in het kabelgat te mogen worden aangemonsterd.
Ook Dirk was met dit blijk van vertrouwen zeer ingenomen en nam gaarne den knaap opnieuw onder zijne hoede.
Kees bleek zijn zeevader geen oneer aan te doen, want toen het schip weer huiswaarts voer, kende de jongen alle knoopen en splitsen even goed als de bootsman zelf.
29
Van het tuig en den romp van een schip was hij tot in de kleinste bijzonderheden uitstekend op de hoogte.
âAls je weêr naar zee gaat,quot; sprak de bootsman, âdan monster je als licht matroos, en dan moet je meteen zien de stuurmanskunst te leeren.
âJe moet vooruit! Bootsman te wezen, is wel mooi, maar als je wat beters kunt worden, is het nog veel mooier. Doe dus goed je best en maak dat je met een jaar of tien, twaalf al je examens achter den rug hebt.quot;
Dat denkbeeld lachte den schranderen knaap wel toe, en hij spande zich zoo mogelijk nog meer in dan vroeger om zijn zeevader eer aan te doen.
quot;Weer spoedde de reis ten eind en naderde de bodem de vaderlandsche kust.
In het Engelsch kanaal had men dagelijks met onstuimig weêr te worstelen
De manschap kwam bijna niet uit de kleeren, en sedert het laatste etmaal was het zoo stormachtig geworden, dat alle man voortdurend aan dek had moeten zijn.
De storm nam hand over hand toe.
Geweldige buien joegen onophoudelijk langs de kokende baren en rukten het doek van de dichtgereefde zeilen uit de lijken.
De bootsmansjongen was allesbehalve op zijn gemak.
In de twee reizen, die hij gemaakt had, had hij zoo iets verschrikkelijks nog niet bijgewoond.
Dirk trachtte den knaap zooveel mogelijk op te beuren en sprak op zulk een luchtigen toon, alsof er in het geheel geen kwaad te duchten was.
âIk hoop maar, dat je goed kunt zwemmen kameraad!quot; voegde hij den jongen toe, want dat kan misschien nog wel te pas komen.quot;
30
Erg opwekkend was dat vermoeden niet voor Kees.
't Stemde hem ook vreeselijk neerslachtig, toen hij uit een gesprek, dat de kapitein met den loods voerde, vernam, dat het schip onmogelijk het stranden zou kunnen ontkomen, als de storm nog eenige uren aanhield.
Eenige stormzeilen die men zoo goed en kwaad als het ging, had aangeslagen, waren de vorige zeilen gevolgd en als rag uit elkaar gewaaid.
Af en toe rolde een breker met donderend geweld over het gehavend schip, dat in bijna reddeloozen toestand meegesleurd werd naar den lagerwal.
Alles, wat gedaan kon worden om een stranding te voorkomen, werd in het werk gesteld.
't Was alles vergeefsche moeite.
Na een paar uren worstelens, te midden van hemel hooge zerön en het donderend stormgeraas, zag men branding in lij vooruit.
âNu zijn de rapen gaar, maatje,quot; zei Dirk, onderwijl hij een versche pruim tabak in den mond stopte.
âNu den kop er bij houden, mijn jongen; als 't God blieft, krijgen de haaien ons nog niet te pakken.quot;
In alleiijl werden de booten gereed gemaakt, om te beproeven daarin het strand te bereiken, als het schip niet ergens een zeegat of haven te zien kreeg, vóór men in de branding kwam.
Sedert een paar etmalen had men geen waarnemingen kunnen doen en was men dus in het onzekere op wat hoogte het schip zich bevond.
Waar iets te doen viel, was de bootsman de eerste man en hij spoorde zijn kweekeling onophoudelijk aan de handen uit de mouwen te steken en zich een kerel te toonen zoolang hij nog een lid verroeren kon.
31
Met een beklemd gemoed vervulde de jongen alles wat Dirk van hem verlangde, maar het was hom zeer goed aan te zien, dat hij zich niet lekker gevoelde.
Eindelijk brak het gevreesde oogenblik aan.
Een geweldig schuimende zee hief de kast hoog op en smeet haar daarna zoo woedend op de buitenste bank van het strand, dat alles kraakte en schudde en het roer uit de haken sloeg.
Weer rees een schrikbarende zee omhoog, nam het schip weer mee en wierp het mot nog geweldiger gekraak op de tweede bank, waar het onbewegelijk bleef vastzitten.
Telkens als een zee aanrolde werd de bark door een berg schuim bedekt.
De manschap was in het want gevlucht. Dirk had Kees in den kraag gegrepen en hem toegeschreeuwd: âkom mee, 't is hier niet secuur!quot;
Toen waren ook zij in 't want gesprongen en een stuk omhoog geklommen.
Gelukkig waren de booten niet weggeslagen en stonden nog stevig gesjord op het dek.
Het ebgetij was pas ingevallen.
Hield het schip zich nog een uur of wat goed, dan was er kans op redding.
Viel daarentegen het tuig over boord, of brak het vloedgetij wat vroeg in, dan was het ergste te duchten.
Met een onbeschrijflijk gevoel van verlichting bespeurde de bemanning, dat de storm van lieverlede bedaarde en de buien lang zoo hevig niet meer waren als te voren.
Echter raasde de zee nog altijd zoo geweldig, dat de schepelingen zich jegens elkaar nauwelijks verstaanbaar konden maken, al schreeuwden zij nog zoo hard.
Nadat men een paar uren in het want had doorge-
32
bracht, ontdekte men dat de zee bijna niet meer over het dek heenspoelde, althans niet zoo hevig, of men kon er werkzaam zijn.
Nu was het tijd om de booten klaar te maken en de landing te beproeven.
Het strand kon men duidelijk zien.
Langs den waterkant stonden groepjes kustbewoners naar het gestrande schip te turen.
Heel in de verte zag men eenige paarden voor een wagen, waarop een boot geplaatst was.
Eer die boot, waarmede de kustbewoners de redding wilden beproeven, aan boord kon zijn, wat misschien niet eens zou gelukken, zouden zeker nog wel een paar uren moeten verloopen.
De kapitein achtte het dus raadzamer zelf maar te zien, wat men met de eigen booten kon doen.
Hij zelf met den loods, de stuurlieden en de helft der matrozen zou in de groote boot naar land trachten te komen.
Den bootsman werd het bevel over de kleine boot toevertrouwd, waarin de rest der manschap zou plaats nemen.
Toen de verschansing, die op verscheidene plaatsen was weggeslagen, nabij de sloepen, met de stutten was weggeruimd en alles met het lijfhout gelijk gemaakt, werd de groote boot eerst te water gelaten.
't Was een moeielijk werk, maar 't gelukte boven verwachting. Haastig ging de kapitein met zijne manschappen aan boord, de vanglijn werd gekapt en eenige minuten later was de groote boot behouden aan het strand.
âNu onze beurt, jongens!quot; sprak de bootsman kalm. âPast allemaal goed op je tellen. Ons notedopje is
33
klein genoeg, maar met overleg zullen we 't er ook wel goed afbrengen.quot;
âKijk eens,quot; vervolgde hij tot Kees, âzie je die heeren wel in den raad zitten met grijze pruiken op ?quot;
De doodelijk beangste knaap begreep er niets vanen zag onwillekeurig naar de menschen op het strand.
âBegrijp je me niet,quot; ging Dirk voort, âik meen de branding, vrindje.quot;
âHier, pak stijf, daar heb je een kruik olie; zoodra ik nou zeg âslakenquot; dan moet jij die heeron de pruiken eens zalven.quot;
âSlaken?quot; vroeg Kees verbaasd, âmaar wat is dat bootsman?quot;
âJe moet nog een boel leeren, maat! Slaken is olie in zee laten loopen, uit een kruik, of een ander ding. Dat is nu alles, zie je, dus gemakkelijk genoeg.quot;
Hoe luchthartig de bootsman ook sprak, 't bleef Kees steeds maar even benauwd om het hart.
't quot;Was of hem de keel werd dichtgeschroefd.
Ook de kleine boot kwam goed te water. Zoodra de golven haar naar het strand slingerden riep Dirk den jongen, die naast hem achter in de sloep had plaats genomen, toe: âslaken!quot;
Daar vloeide de olie met een dikke straal uit de kruik.
De uitwerking was verrassend.
De geweldig schuimende baren bleven wel is waar golven, maar braken niet meer en toonden zich zoo glad, dat er nauwlijks een rimpeltje meer zichtbaar was.
't Duurde niet lang of de zee woelde weer even geweldig als vroeger, doch het duurde lang genoeg om de branding te beletten over het boord der kleine sloep te rollen.
Dank zij dien maatregel van den koenen bootsman,
34
kwam ook de kleine boot behouden aan het strand en had nog veel mindei' water ingekregen dan de groote boot.
âZiezoo, mijn jongen, dat is weer achter den rug,quot; sprak Dirk tot zijn beschermeling.
â âJa, Goddank bootsman,quot; antwoordde de jongen met een diepen zucht, maar dat zal mij nooit weer gebeuren.quot;
âDat is zoo zeker niet,quot; zei de bootsman; âals je nu rentenier was, dan zou ik 't niet zeggen.quot;
â âMaar ik kom nooit weer op zee, bootsman.quot;
âHoud je grootje voor den gek, malle jongen: hoe
durf je 't in je hersens te halen!
â âNeen, heusch niet, bootsman, ik waag mij er nooit weer aan.quot;
âZoo, en wat wou jij dan? Misschien lanterfanten aan den wal? Zijn er geen doodeters genoeg?quot; â âMaar bootsman, ik geloof, dat ik toch wel op een kantoor geplaatst zou kunnen worden.quot;
âOm daar dood te kwijnen en met een kaal jasje en een misselijke kleur een dwars in den weg te worden; als je nog eens zulke dolhuistaai durft spreken, laat ik je voor *t rooster binden, zooals ze vroeger bij de Marine deden.quot;
â â't Mag wezen zoo het wil, maar varen ga ik niet meer,quot; sprak de jongen beslist.
De bootsman hielp even de sloepen wat hooger ophalen en liet den jongen aan zich zelf over met de gedachte: âals hij eerst eens goed geslapen heeft, zal hij wel wêer verstandiger denken.quot;
't Bleek echter dat de knaap bij zijn besluit bleef volharden.
Toen Dirk een maand later weêr naar zee ging, had Kees eene betrekking als kantoorbediende gevonden.
De bootsman was er zoo boos om, dat hij den jongen
35
niet eens wou komen vaarwel zeggen, toen hij vertrok.
Dirk wijdde zich aan boord weêr geheel aan zijn lievelingsbezigheid: het drillen van pas beginnende jongens.
Men noemde hem ten slotte aan boord niet anders dan met den naam van zeevader.
Meermalen dacht de bootsman aan den leerling, van wien hij zooveel pleizier had gehad, maar die latei-niet meer varen wou.
Dit hinderde hem nog te meer, omdat hij vóór noch na dien tijd, zulk een prettigen, leerzamen kweekeling had aangetroffen.
Ongeveer 15 jaren later was Dirk eveneens een landrot geworden. Zijn vrouw was lang ziek geweest en had tengevolge der ziekte het gezicht verloren.
Om de hulpbehoevende nu zoo lang alleen te laten, kon de goedhartige zeeman niet over zich verkrijgen.
Voor zijne spaarpenningen kocht hij zich een zolderschuit. Hij had dan tenminste iets, dat hem dikwijls met schepen en zeelieden in aanraking bracht.
De schuit was echter zeer oud en wrak. Men had den onergdenkende bootsman beetgenomen.
Eens, dat hij tusschen twee groote schepen was gehaald, om eenige vaten op zijn schuit te laden, brak de strop en viel een der vaten door zijn broos vaartuigje heen, zoodat het in een oogwenk zonk. Zoo snel hij met zijn verstramde leden maar kon, werkte de bootsman zich bij een der hooge schepen op.
De kapitein van het schip, welks boord hij beklom, had het ongeval met leedwezen gezien en was juist toegeschoten om den bejaarden schipper te redden.
Toen de mannen nu vlak tegen over elkaar stonden, keken zij elkander verbaasd aan.
âHa, vader Dirk!quot; sprak de kapitein, âleef je nog!
36
dat doet mij pleizier; ik heb al zooveel onclerzoek naar je gedaan en niemand scheen te weten, dat je schipper was geworden.
âMaar kapitein,quot; hernam Dirk, âwat drommel, als ik niet beter wist, zou ik zeggen je bent Kees, . . . och, ik meen Martinus van Hoevenaar.quot;
â âGoed geraden, oude vriend! Kom mee in de kajuit.
Dirk volgde, en daar vertelde de kapitein hem uitvoerig, hoe hij 't als kantoorbediende had geprobeerd, maar na een half jaar landrot te zijn geweest, den blauwen zak weer was ingegaan.
â'k Wist wel, dat ereenkaptein uit jou groeien kon.quot; sprak de man met van vreugde stralende oogen. 't Scheen of hij bij al die oude herinneringen zijn zwaar verhes van zoo even had vergeten.
â âMaar ik wist niet,quot; lachte de kapitein, dat er uit jou een schipper zou kunnen groeien. Toch is dit gebeurd.
âNu je ouwe schuit echter voor de haaien is, moet er een nieuwe wezen. Daar zal ik voor zorgen en dat zal toch zeker wel goed zijn, niet waar, beste zeevader?quot;
Dankbaar en bewogen nam de oude bootsman het geschenk van zijn voormaligen kweekeling aan.
Telkens als de kapitein weer in 't vaderland arriveert of de lading voor de uitreis aan boord moet nemen is vader Dirk met zijn schuit behulpzaam.
Dat dan- nog weer eens alle oude herinneringen worden besproken en vooral de stranding van hun schip, behoeft wel niet te worden verhaald.
£^4