ocr page 1
ocr page 2
ocr page 3

.113

LINDEN, CUiJK, BEERS en GASSEL.

ocr page 4
ocr page 5

33.113

I:

' ^

\'2

WATERSCHAP

Uy\X

J)

IE EiOT ÜIDEiSCIE SLIIS.quot;

GELEGEN ONDER DE GEMEENTEN

j — —'

LINDEN, CUIJK, BEERS en GASSEL.

^.1

I werkelijke 628.0827 Hectaren. I belastbare 527.1134

Personeel van het Waterschapsbestuur op I Januari 1894:

Voorzitter, H. CRUIJSEN, te Linden. Lid, P. H. THIJSEN, te TW.v.

Grootte van het Waterschap

H. VERSTRAATEN, te UiL » R. LANGE, te Linden. Secretaris-Penningmeestek, W. CRUIJSEN, te Linden.

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

1198 0418

ocr page 6

DIJKEN ONDER BEHEER VAN HET WATERSCHAP:

Geene.

KUNSTWEGEN IN ONDERHOUD BIJ HET WATERSCHAP

Geene.

VOORNAAMSTE WATERLEIDINGEN;

De Drulsehe Loop en de Heeswijksche Kampen. '

De Rooyaarfsehe Loop en , 6191 Meter de Ley- en Sluisgraaf. '

BRUGGEN:

Geene.

SLUIZEN:

De Groot Lindensche Sluis.

ocr page 7

jnjtKawf Rechtsgeschiedenis

Jler Rijksuniversiteit te Ütr**iii

WATERSCHAP

„De Groot Lindensche Sluis.quot;

Bij Gedeputeerde Staten der provincie zijn ingekomen de volgende twee adressen ;

A.

Het Gemeentebestuur van Linden geeft eerbiediglijk te kennen :

Dat uit een besluit van Heeren Gedeputeerde Staten van den 24 October 1856, G. no. 89, Afdeeling Politie, resulteert:

„Dat de Grootc Sluis in den zoogenaamden Sluispolder „onder Linden, strekt ten behoeve der landerijen van den „zoogenaamden Sluispolder onder Linden; dat een gedeelte der onder dien naam bekende landerijen steeds „met het onderhoud dezer sluis zijn belast geweest en „dat hoezeer door het Gemeentebestuur van Linden de „kosten van dit onderhoud zijn omgeslagen, en door de „eigenaren vrijwillig gedragen, de thans noodzakelijk ge-

ocr page 8

— 4 —

„wordene herstellingen der sluis niet kunnen geacht worden, „als behoorende plaats te hebben in het algemeen belang „der Gemeente Linden, ten gevolge waarvan dit Gemeente-„bestuur wordt uitgenoodigd, om met de eigenaren der „landerijen, welke van oudsher in het onderhoud dier sluis „hebben voorzien, tot daarstelling van een bestuur over „den bedoelden Sluispolder in overleg te treden, en daartoe „aan deze Vergadering het vereischte voorstel te doen.quot;

Naar aanleiding dier beschikking en tengevolge van een nader dienaangaande betrekkelijke missive van Uw collegie in dato 2 December 1856, G no. 61, Afdeeling Politie, heeft deze vergadering uit haar midden eene commissie benoemd, om te onderzoeken, welke landerijen bij het behoud dier sluis, in redelijken zin, kunnen geacht worden belang te hebben.

Door den lagen waterstand van vorige jaren heeft de commissie om met juistheid te kunnen werken, vertragingen ondervonden gehad.

Toen die oorzaak ophield te zijn, heeft zij zich onmiddellijk de haar opgedragen taak aangetrokken, die met alle nauwgezetheid onderzocht en daarvan het resultaat aan het Gemeentebestuur bij den hiernevens copijelijk ge-voegden staat medegedeeld.

Dat het Gemeentebestuur, hetwelk zich met den uitslag der bemoeiingen van de commissie ten volste mag vereenigen, de zekerheid heeft, dat de eigenaren, die zoo wel vertegenwoordigen hen, welke van oudsher hebben bijgedragen, als degenen, welke evenzeer, naar het oordeel der commissie geacht worden belang te hebben, toe te treden, om ten aanzien der meerbedoelde Groote Sluis in den Polder te Linden, een Polderbestuur, waterschap

ocr page 9

— 5 —

of wat van dien naam ook op te richten onder de gebruikelijke voorwaarden.

Dat het Gemeentebestuur alzoo om bovengemelde redenen, te rade geworden is, U, Mijne Heeren, te verzoeken, bij Heeren Provinciale Staten, te bevorderen, dat bedoeld waterwerk een eigen beheer erlange, onder dien vorm, als U Mijne Heeren, denkt te behooren, en onder gelijke voorwaarden als zulks gebruikelijk is.

B.

De ondergeteekenden, allen grondeigenaren onder de gemeente Linden, geven eerbiediglijk te kennen, dat onder de gemeente Linden de zoogenaamde Groote Sluis in eenen allergebrekkigsten toestand verkeert en dan ook niet meer in staat is tot keering voor het water van diverse eigendommen.

Dat het Gemeentebestuur minder genegen is tot herstelling dier sluis, als voorgevende dit te zijn particulier of waterschapsbelang. Dat de ondergeteekenden dU niet geheel kunnen tegenspreken en dan ook bevonden is, dat 530.9580 Bunders belang bij die sluis hebben.

Dat de vroegere kosten welke het onderhoud van dit waterwerk hebben veroorzaakt, ook steeds door de belanghebbende landerijen zijn gedragen geworden.

Redenen,waarom de ondergeteekenden alle belanghebbende eigenaren van dit waterwerk en te zamen vertegenwoordigende circa 300 bunders, zijn te rade geworden zich tot uw college te wenden met het verzoek bij de Provinciale Staten te willen bevorderen, dat de zoogenaamde Groote

ocr page 10

Sluis te Linden tot een Waterschap worde verklaard en aan de gewone regelen daaraan eigen, als zoodanig worden opgericht.

Linden, 16 October 1860.

{■was gel.) J. BARDOEL en 24 anderen.

Gedeputeerde Staten hebben naar aanleiding van die adressen in verband met een schrijven van den Hoofdingenieur van den Waterstaat in het ()de District, opgaaf gevraagd aan het Gemeentebestuur van de perceelen, welke bij de oprichting van het waterschap belang hebben, welke opgaaf ook aangeduid op eene kaart, is verstrekt en bewerkt geworden door Arnoldus Cruijsen, wethouder, en Hendrikus Cruijsen, gemeente-secretaris, beiden te Linden.

Hierna is door Gedeputeerde Staten het volgend ontwerp-besluit opgemaakt, welk ontwerp — na gehoord te hebben den Hoofdingenieur, die blijkens zijn schrijven van 14 September 1861, No. 2482, instemde met de oprichting van een waterschap — behoorlijk heeft ter inzage gelegen voor belanghebbenden, zonder dat daartegen bezwaren zijn ingebracht:

ocr page 11

— 7 —

De PROVINCIALE STATEN van NOORDBRABANT, hebben besloten als volgt :

Artikel 1.

Ten behoeve van de perceelen in de bij dit besluit ge-gevoegde tabel kadastraal aangeduid, gelegen onder de gemeenten Linden, Cuyh, Beers en Gasset, wordt een Waterschap opgericht onder de benaming van de Groole Lindensche Sluis.

Art. 2.

Het Bestuur van dit Waterschap, waaraan de zorg voor de instandhouding der Groote Lindensche Sluis bijzonder is aanbevolen, zal bestaan uit eenen Voorzitter en twee leden, benevens eenen Secretaris-Penningmeester, te benoemen door stemhebbende ingelanden.

De eerste benoeming zal echter geschieden door Gedeputeerde Staten van Noordhrabant voor eenen termijn van twee jaren, in te gaan met den dag der afkondiging van dit besluit in het Provincüud Blad.

De gedurende dien termijn openvallende plaatsen worden op gelijke wijze aangevuld.

Art. 3.

De lijst der stemhebbende ingelanden wordt binnen drie maanden na de dagteekening van het besluit, houdende benoeming der leden, door het Waterschapsbestuur opgemaakt en gedurende veertien dagen ter secretariën van de gemeenten Linden, Curk, Beers en Gasset ter inzage van belanghebbenden nedergelegd. Van deze nederlegging geschiedt openbare kennisgeving.

ocr page 12

Art. 4.

De belanghebbenden zijn bevoegd om binnen veertien dagen na deze kennisgeving, hunne bezwaren tegen gemelde lijst, welke den naam en de voornamen van ieder stem-hebbenden ingeland, het aantal bunders hetwelk hij bezit en het aantal stemmen, hetwelk hij het recht heeft uit te brengen, moet vermelden, bij verzoekschrift, door de noodige bewijsstukken gestaafd aan het Waterschapsbestuur mede te deelen.

Art. 5.

Het Bestuur beslist omtrent de geopperde bezwaren binnen ééne maand nadat zij zijn ingebracht, stelt de lijst, indien daartoe termen zijn, verbeterd vast, en geeft van zijne beslissing met redenen omkleed, terstond kennis aan de belanghebbenden.

Art. 6.

Gedurende acht dagen, te rekenen van den dag waarop deze beslissing ter hunner kennis is gebracht, kunnen belanghebbenden, die in het besluit van het Bestuur niet berusten, hunne bezwaren bij verzoekschrift vergezeld van de noodige bewijsstukken en van een afschrift der beschikking van het Bestuur, bij Gedeputeerde Staten inbrengen.

Art. 7.

Deze beslissen zoodi'a mogelijk en deelen hun met redenen omkleed besluit, zoowel aan het Bestuur als aan de belanghebbenden mede. — De daarbij bevolene wijzigingen worden door den Voorzitter van het Bestuur onmiddellijk in de vastgestelde lijst gebracht.

ocr page 13

Art. 8.

Door het Waterschapsbestuur worden na verhoor van de vergadering van stemhebbende ingelanden, omtrent de wijze, waarop de omslag der bijdragen in de kosten van het Waterschap zal plaats hebben, zoodra mogelijk de noodige voorstellen gedaan aan Gedeputeerde Staten, aan welke de beslissing daaromtrent wordt overgelaten.

Art. 9.

Op dit waterschap zijn overigens van toepassing de Alge-meene Reglementen voor de Waterschappen in de provincie Noordbrabant.

Aldus ontworpen door Gedeputeerde Staten van Noordbrabant, den 27 September 1861.

In de zitting der Staten van 5 November 1861 is dit ontwerp ter tafel gebracht, en met de daarbij behoorende stukken verzonden aan de speciale commissie voor de reglementen op de waterschappen, welke commissie in de zitting van 9 November d. a. v. verslag uitbracht, waarin wordt voorgesteld het ontwerp behoudens kleine aangegeven redactie-wijzigingen vast te stellen.

In diezelfde zitting is het ontwerp-besluit met de door de commissie aangegeven redactie-wijzigingen vastgesteld.

ocr page 14

— 10 —

Bii den Minister van Binnenlandsche Zaken bestonden bedenkingen om het besluit aan '3 Konings goedkeuring te onderwerpen, vermits, zoo bleek uit zijn brief aan Gedeputeerde Staten d.d. 9 December 1861 letter D., in art. 2 van het besluit aan het bestuur van het waterschap de zorg voor de instandhouding der Sluis, niet aanbevolen maar opgedrac/en had behooren te zijn; voorts zei de Minister, dat, indien men het besluit tot oprichting tevens wil beschouwd hebben als het bijzonder reglement, dat voor elk waterschap moet worden vastgesteld, het besluit alsdan onvolledig is, en dat, indien het moet strekken om te verklaren, dat de daarin bedoelde gronden tot een waterschap zullen vereenigd worden, het stuk daarentegen te veel bevat, want dat daarin niet te huis behooren de artt. 3—8, welke betrekking hebben op onderwerpen, die in het algemeen reglement hunne regeling vinden.

In de zitting der Staten van 1 Juli 1862 zijn deze bedenkingen medegedeeld bij brief van Gedeputeerde Staten van 25 Juni bevorens G. no. 88, onder toevoeging van een nieuw ontwerp-besluit tot oprichting.

Gesteld in handen der speciale commissie voor

ocr page 15

— 11 —

de reglementen op de waterschappen, bracht die commissie omtrent dat ontwerp verslag uit, gedag-teekend 8 Juli 1862 en onderteekend door Dijkholï, voorz., R. Middelkoop, Oomen, Koene en G. van de Koppel, rapp., en het voorstel bevattende tot vaststelling van het ontwerp.

Hierna is in de zitting der Staten van 10 Juli 1862 het volgende besluit vastgesteld:

»De Provinciale Staten van Noordbrabant.

»Hebben besloten als volgt:

»Artikel 1. De perceelen in de bij dit be-»sluit gevoegde tabel, kadastraal aangeduid, »gelegen onder de gemeenten Linden, Cuijk, »Beers en Gassel, worden tot een Waterschap gt; opgericht, onder de benaming van de Groote » Lmideiische sluis.

»Art. 2. Gedeputeerde Staten nemen de »voorzieningen, die tot het in werking bren-»gen van dit besluit vereischt worden.

»Zij benoemen binnen ééne maand na de »afkondiging dezes in het Provinciaal Blad gt;van Noordbrabant, een voorloopig bestuur

ocr page 16

— 12 —

«bestaande uit eenen voorzitter en drie leden, »bijgestaan door eenen secretaris-penningmees-»ter, hetwelk in bediening blijft, totdat het »overeenkomstig het voorschrift van art. 102 »van het algemeen reglement voor de Water-»schappen in Noordbrabant van 9 November »1861, zal zijn vervangen.

»In de vervulling der inmiddels openvallende «plaatsen wordt eveneens door Gedeputeerde »Staten voorzien.

»Art. 3. Het bij de artt. 1 en 104 van het «algemeen reglement voor de Waterschappen »in Noordbrabant, bedoeld bijsonder regle-»ment, wordt door het voorloopig bestuur ont-»worpen binnen drie maanden, nadat het in «bediening zal zijn getreden.quot;

De tabel is van den volgenden inhoud: Gemeente Linden.

Sectie A. no. 3, 4, 5, 6, 7, 10, 11, 12, 13, 18, 19, 20, 21, 235, 236, 22, 237, 238, 239,

ocr page 17

— 13 —

240, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 217, 218, 204, 206, 207, 208, 209, 2JO, 36,37,38,39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 229, 230, 231, 232, 47, 49, 50, 51, 52, 53, 54, 55, 56, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 219, 69, 215, 70, 196, 197, 198, 199, 72, 73, 74, 76, 77, 78, 80, 81, 82, 83, 84, 91, 92, 98, 99, 133, 241, 243, 151,

153, 128, 156, 157, 158, 159, 160, 161, 164,

154, 165, 168, 169, 172,173,177,176, 202, 203.

Sectie B. no. 134, 135, 515, 514, 146, 147, 151, 155, 157, 156, 338, 339, 340, 341, 485, 486, 343, 344, 345, 346, 347, 504, 349, 503, 350, 351, 352, 353, 354, 355,356,357,358, 359, 360, 361, 362, 363, 305, 298, 295, 468. 369, 473.

Sectie C. no. 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 127, 1.

Sectie D. no. 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30, 31, 33, 34. Sectie A. no. 211, 212.

Sectie D. no. 35, 36, 39, 145, 146, 138, 139, 140, 40, 91, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 53, 155, 82, 83, 84, 85, 88, 90,

ocr page 18

— 14 —

87, 92, 94, 95, 96, 97, 98, 99, 100, 101, 102, 103, 161, 162, 163, 164, 149, 150, 147, 152, 182, 176, 177, 178, 168, 167, 133, 136, 137,

175, 173, 81, 148, 151, 56.

Gemeente Cuijk.

Sectie B. no. 23, 16.

Sectie A. no. 449, 448.

Sectie B. no. 28, 40, 41, 581, 582.

Sectie A. no. 124, 125, 126, 127, 128, 129, 130, 131, 132, 133, 134, 135, 137, 136, 138, 139, 140, 141, 142, 143, 144, 145, 146, 147, 148, 149, 150, 151, 152, 153, 154, 155, 156, 157, 158, 532, 161, 162, 163, 164, 165, 166, 167, 168, 169, 170, 209, 212, 211,218,172,

176, 173, 174, 175, 177, 178, 179, 180. 187, 182, 183, 533, 180.

Gemeente Beers.

Sectie B. no. 500.

Sectie A. no. 364, 363, 2, 3, 4, 369, 5, 6, 7, 351, 370, 77, 78. 80, 79, 81.

ocr page 19

— 15 —

Gemeente Gassel.

Sectie A. no. 12, 13, 14, 15, 16, 17, 296.

Sectie B. no. 47, 290, 289, 33, 34, 31, 291, 46.

Dit besluit, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van den 19en Juli 1862 No. 65, is opgenomen in het Provinciaal Blad 1862 onder No. 7.

Bij brief van 22 October 1867 No. 29 ontvingen Gedeputeerde Staten van het Waterschapsbestuur een staat, vermeldende de wijzigingen in de per-ceelen, welke het besluit tot oprichting van het Waterschap behoort te ondergaan, vergezeld van de volgende Memorie van toelichting, gedagteekend 5 October 1867 :

Ofschoon men bij de oprichting van het Waterschap de Groote Lindensche Sluis heeft vermeend, dat alle landerijen naar behooren zijn aangeslagen geworden, is dat evenwel niet het geval geweest, omdat destijds de Beersche Maas niet zoo regelmatig als dit jaar geloopen heeft.

Bij eene nadere herziening is duidelijk gebleken, dat eenige landerijen in dit Waterschap te hoog en andere te laag zijn aangeslagen geworden en dat eenige hierin niet behooren, terwijl andere daarin dienden gebracht te worden.

ocr page 20

— 16 —

Uit den hierbij gevoegden staat van wijziging blijkt, dat een getal van 26,0250 bunders te hoog zijn aangeslagen geweest en dat 11,1470 bunders uit het Waterschap zijn weggevallen, een totaal van 37,1720 bunders, terwijl 15,5541 bunders hooger en 8,7500 bunders opnieuw zijn aangeslagen geworden, te zamen 24,3041 bunders, zoodat het Waterschap eene vermindering van 12,8679 bunders ondergaat.

Deze stukken zijn door Gedeputeerde Staten in handen gesteld van den Hoofdingenieur van den Waterstaat in het 6de district (Rose), die bij brief van 8 Februari 1872 No. 317/234 het volgende mededeelt:

»Zoo als bekend is, gaf de zeer slechte toestand dei-Groot Lindensche Sluis in 1860 en de weigering van sommige belanghebbenden om tot de herstelling bij te dragen, alsmede van het gemeentebestuur van Linden, om voor de herstelling te zorgen, aanleiding tot de oprichting van dit waterschap.

Er werd een lijst geformeerd der perceelen, welke geacht konden worden bij het onderhoud der sluis belang te hebben en die gronden in kaart gebragt, waarna de oprichting van het Waterschap volgde, bij besluit der Staten van 10 Juli 1862, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 19 Juli 1862, no. 65.

Het Waterschap bestaat dientengevolge uit de perceelen en gedeelten van dien in genoemde lijst voorkomende, en

ocr page 21

— 17 —

die bij het besluit der Staten behoort, hoewel niet in het provinciaal blad opgenomen. Het voorloopig bestuur stelt thans eene wijziging in die lijst voor, derhalve eene wijziging van het oprichtingsbesluit. Uit de gewisselde stukken blijkt niet, van welk beginsel men is uitgegaan bij het vaststellen der oorspronkelijke lijst; welke regels men daarvoor heeft aangenomen. De voordracht tot wijziging was evenwel zonder de kennis van dat beginsel niet te beoordeel en.

Bij onderzoek is gebleken, dat men op het terrein heeft nagegaan, welke landen bij gesloten sluis na eene werking der Beersche Maas geïnundeerd waren. Deze landen zijn toen alle perceelsgewijs vermeld met opgaaf voor elt van de oppervlakte, die onder water werd bevonden. De omtrek dezer kortstondige inundatie nam men alzoo als grens van het Waterschap, op grond dat alleen voor de geïnundeerde landen de sluis onmisbaar is, terwijl al wat buiten dien omtrek ligt, ook zonder sluis zou zijn droog geloopen.

Daaruit verklaart zich de mededeeling in de memorie van toelichting, dat de% werking der Beersche Maas in 1867 de mindere nauwkeurigheid der eerste lijst heeft doen zien en de noodzakelijkheid eener wijziging heeft aangetoond.

Naar mij voorkomt, is het niet twijfelachtig, dat elke werking der Beersche Maas onjuistheden in de lijst zal aanwijzen, dat bij eene beperking van dien overlaat of belangrijke wijziging in den bovenmond, de lijst geheel zal moeten worden omgewerkt, en dat, zoo het ooit tot eene sluiting van den overlaat komt, aan het bestaan van dit waterschap geen basis ontvalt.

Had men uitsluitend gelet op hetgeen eenmaal bestond en zoo juist mogelijk nagegaan, welke perceelen van oudsher

ocr page 22

— 18 —

met het onderhoud der sluis belast waren, zoo had men althans den onaantastbaren grondslag eener voortdurende verplichting tot de instandhouding van een gezamenlijk daargesteld werk gehad.

Het nieuwe aangenomen beginsel mist, naar mijne overtuiging, een redelijken zin; het is niet meer een beginsel van waterlozing, maar van waterkeering door de hooge gronden langs de Maas, die eene sluis vorderden, wilde men niet de minder hooge gronden telkens aan inundatie blootgesteld zien. Zoowel de hooge als de lage gronden lozen door de Sluis, de hooge gronden zijn eerder droog omdat zij op de lage afwateren. Maar ook het water der lage gronden loopt zonder sluis weg, zoodra de watertoestand in de Maas genoegzaam gedaald is, en met eene sluis geen oogenblik eerder.

Het waterschap opgericht voor het onderhoud en beheer der sluis, heeft zich echter al dadelijk de schouw over de waterleidingen naar die sluis aangetrokken en 8 Juli 1863 daarvoor een keur gemaakt.

Daardoor heeft men blijkbaar aan eene dringende behoefte willen voldoen, doch de keur door een daartoe onbevoegd Bestuur gemaakt en dus rechtens zonder waarde, kan ook na de instelling van een definitief Bestuur niet verder werken dan de grenzen van het waterschap, zoodat het meerendeel der waterleidingen zonder beheer en toezicht blijven.

Dit is eene voorname reden om de grenzen van het Waterschap uit te breiden.

Daarbij voegt zich, naar ik geloof, nog een andere diepere grond.

Meer en meer tracht men waterschappen op te richten

ocr page 23

— 19 —

met het bepaalde doel, om natuurlijke waterleidingen te verbeteren en te onderhouden. Men stuit daarbij op het gebrek aan medewerking van de eigenaars der hooger gelegene gronden. Zij meenen, dat voor hen het recht van de hoogere om op de lagere gronden af te wateren voldoende is, en dat deze laatste derhalve alleen belang hebben bij eene verbetering der leidingen.

Dat recht is echter in art. 673 B. W. nog al belangrijk beperkt. Het water moet van de hoogere gronden natuurlijk afloopen zonder dat zulks door menschenhanden bevorderd wordt, en de eigenaar van het hooger gelegen erf mag niets te werk stellen, waardoor de toestand van datgeen dat lager ligt, verzwaard wordt.

Zoodra men van den natuurlijken toestand afwijkt en dit is onmiskenbaar noodig, wil het land goede vruchten dragen, houdt het recht op.

De Romeinsche wetten, deze aangelegenheid regelende, waarvan genoemd artikel slechts in korte trekken het hoofdbeginsel aangeeft, vermeldden voor verschillende gevallen wat recht is en maken het in den regel voor het hooger gelegen erf wel degelijk van belang, zich met het lager gelegene te verstaan ter gemeenschappelijke verbetering der waterlossing.

Vereenigt men nu de lage erven tot een waterschap, dan schept men voor het vervolg een oorzaak van strijd met de hooger gelegene gronden. Bij het belang om te •zorgen voor eigen afwatering voegt zich al spoedig het belang om zoo min mogelijk water van hooger gelegene erven te ontvangen.

Sterk door de vereeniging van een staatsrechtelijk lichaam en met de wet in de hand, kunnen de zoo zamen ge-

ocr page 24

— 20 —

stelde waterschappen de ontginning van gronden zeer be-nadeelen en de ontwikkeling der provincie belangrijk vertragen.

Hoofdzakelijk op dezen grond acht ik het onraadzaam dit waterschap volgens de oorspronkelijke inrichting in stand te houden en geloof ik, dat het niet tot stand komen van het bijzonder reglement en de voorgestelde wijziging in de lijst der perceelen aanleiding moeten geven, om het oprichtingsbesluit te herzien en een waterschap daar te stellen op een breedere basis.

Het beginsel, dat gediend heeft bij de zamenstelling der lijst, kan des noods dienen voor de classificatie der gronden, zeker niet tot de bepaling der grenzen van het waterschap.

Mijn voorstel zou alzoo zijn tot het Waterschap van de Groot Lindensche Sluis te brengen alle gronden, die door die sluis uitwateren, behoudens eene classificatie naar mate van het belang bij de afwatering in het algemeen.

Daar dit waterschap voorshands slechts ten doel heeft, onderhoud en beheer der afwateringswerken, behoeven de thans bestaande waterschappen, die hun water mede aan genoemde sluis brengen, er niet in opgenojnen te worden. De zuidelijke grens dient tengevolge van een onderzoek op het locaal in te stellen, te worden bepaald.quot;

Nadat dat onderzoek is afgeloopen schrijft de Hoofdingenieur bij brief van den 16 Mei 1872, No. 1323/234 aan Gedeputeerde Staten:

ocr page 25

— 21 —

Ik heb de eer mede te deelen, dat tengevolge van een ingesteld onderzoek de grenzen van het waterschap in algemeene trekken als volgt zouden voorgesteld kunnen worden ;

„Aanvangende bewesten de Groot Lmdensclie Sluis „aan de hoogen randen langs de Maas, volgt de grens „de scheiding tusschen de landen die op deze sluis en die „welke afwateren naar de Gasselsche of Balkgraafsche „sluis, over de Voort langs Groote Geest en Dommelsvoort „langs de Dommelsvoortsche straat tot aan den provincialen weg beoosten Beers.

„Van daar loopt de grens langs den Leuvertschen dijk „en de kade langs het Geutgat tot de baan van Grave „naar Boxmeer; verder langs deze baan en den grintweg, „die van Haps langs de Kalkhof naar Cuijk gaat, tot „de bekading onder Cuijk en deze volgende langs Nieuw-„fVinkel tot aan den grintweg van Cuijk naar Katwijk. „Eindelijk langs laatstgenoemden grintweg, de bedijking van „de Nielt, de hooge gronden van Klein en Groot Linden „en den hoogen rand van de Maas nabij de Groot Lin-„densche Sluis.quot;

Deze beide rapporten zijn door Gedeputeerde Staten ter kennisneming toegezonden aan het waterschapsbestuur, hetwelk bij brief van 1 Augustus 1872 no. 38 antwoordt, dat het de zienswijze van den Hoofdingenieur niet deelt, waar die Hoofdambtenaar zegt, dat het bestuur niet eene wijziging der lijst had moeten voorstellen, maar

ocr page 26

— 22 —

uitsluitend had behooren te letten, welke perceelen van oudsher in de sluis betrokken waren om tot grens van het watersschap te dienen. Het behoeft geen betoog, zegt het waterschapsbestuur, dat van oudsher hooge gronden, die geen het minste belang bij de sluis hadden, onder belanghebbenden niet begrepen zijn.

Van de grensscheiding zoo als die door den Hoofdingenieur wordt gewild, kan naar het oordeel van het Waterschapsbestuur geen sprake zijn, daar het maar al te goed bekend is welken tegenstand men zoude ontmoeten in de gemeenten Beers. Cuijk, Hays.

Het eindrapport over deze aangelegenheid, ge-dagteekend 11 Juni 1875, no. 622 P. van den Hoofdingenieur van den Waterstaat in het 6de district (van Opstall) luidt :

Reeds voor geruimen tijd ontving ik aangaande deze zaak het bericht van den betrokken arrondissementsingenieur, dat ik de eer heb in afschrift hierbij over te leggen.

Een ingesteld plaatselijk onderzoek in verband met eene nauwgezette studie der kwestie en de bespreking daarvan met de belanghebbenden, hebben mij tot geheel andere in-

ocr page 27

— 23 —

zichten gebracht dan die in dat bericht voorgedragen, hoofdzakelijk gegrond op de opvatting in deze van mijn ambtsvoorganger.

Ik heb allen eerbied voor de opvatting van mijn ambtsvoorganger ten aanzien van waterschaps-aangelegenheden, tot dusverre heb ik met betrekking tot alle aangelegenheden van dien aard, waarin ook hij betrokken is geweest, althans in hoofdzaak zijne meening kunnen deelen; bij de onder-werpelijke kwestie is dit echter niet het geval en beschouw ik zijne opvatting als onjuist en daarentegen die van het waterschapsbestuur, zoo al niet in beginsel, dan toch feitelijk als volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor het waterschap bestaat.

Reeds de naam : „Waterschap van de Groot Lindensche Sluisquot; duidt aan, dat men hier te doen heeft met een waterschap van bijzonderen aard.

Het voorname zoo niet het eenige doel van dit waterschap is de instandhouding van de Groot Lindensche Sluis.

Dit waterschap is niet zoo als mijn voorganger aanneemt: „eene vereeniging van gronden lol gemeenschappelijke waterontlasting verbonden.quot; Voor de waterontlasting van de streek achter die Sluis bestaat volstrekt geen belang bij het behoud daarvan; uitsluitend met het oog op die waterontlasting zou het beter zijn, dat de Sluis niet bestond en de waterleiding geheel open was.

„Het is ook niet in absoluten zin, „eene vereenigingvan gronden tot gemeenschappelijke waterkeering verbondenquot; want de daartoe behoorende gronden zijn onbedijkt en loepen onder zoodra de rivier buiten hare oevers treedt.

Het kan dus ten slotte niets anders zijn dan „eene ver-eeniging van gronden verbonden voor een gemeenschappelijk

ocr page 28

— 24 —

belang bij het bestaan en de instandhoudingvan de Groot Lindensche sluis.quot;

De tweeledige vraag die zich thans voordoet is: .,Welk is dat belang ? Welke zijn die gronden ?

De Groot Lindensche Sluis bevindt zich aan de uitmonding in de Maas, van de waterleiding genaamd de Sluis Graaf.

Onmiddellijk boven die sluis vormt de linker Maasoever den beneden mond van de Beersche Maas.

Zoodra en zoolang die zijdelingsche ontlasting werkt hetgeen plaats heeft bij een waterstand van ongeveer 11 M, boven A. P. te Cuijk, heeft de Groot Lindensche Sluis voor niemand eenig belang.

Het overstortende water ontlast zich voor het grootste gedeelte dadelijk door het bed der Beersche Maas in de richting van Grave.

Houdt echter die werking en dus ook de ontlasting in de richting van Grave op, dan blijft nog over een meer of minder uitgebreide met water bedekte oppervlakte in deze verder door A aangeduid, waarvan het water niet anders kan afloopen dan door de Sluis Graaf direct op de Maas. Ook voor het afloopen van dit water heeft de sluis geen nut; het zou even goed zoo niet beter plaats hebben, indien de sluis niet bestond.

Intusschen is de grens van deze oppervlakte A door het waterschapsbestuur aangenomen als de grens van het waterschap.

Ofschoon mijns inziens deze aanname feitelijk juist zij, is zij dit niet met het oog op de grondslagen, door het waterschapsbestuur daarbij op den voorgrond gesteld.

Bestond de Groot Lindensche Sluis niet, dan zou bij

ocr page 29

— 25 —

wassende rivier het water in de Sluis Graaf oploopen, zich gaandeweg langs de oevers van die waterleiding verspreiden en ten slotte ook zonder dat de rivier buiten hare oevers trad, eene meer of minder uitgebreide oppervlakte land onder water zetten.

Even vóór dat de Beersche Maas begint te werken bijv. bij een stand van 10,95 M boven A. P. te Cuijk, zou die oppervlakte juist dezelfde zijn, als die, welke bij denzelfden stand onmiddellijk na het opnouden der werking van de Beersche Maas met water overdekt is, en die hierboven door A is aangeduid.

Indien nu de Maas te Cuijk den stand van 10,95 M. boven A. P. bereikt en de Beersche Maas niet werkt, dan geraakt de oppervlakte A. niet onder water ten gevolge van het bestaan der Groot Lindensche Sluis en van de in verband daarmede aanwezige aansluitingskade.

Alleen de oppervlakte A heeft dus belang bij de Groot Lindensche Sluis NIET ALS MIDDEL TOT WATERONTLASTING van de daaronder begrepen gronden na de werking der Beersche Maas, zooals het waterschap aanneemt, maar als MIDDEL TOT WATERKEERING voor die gronden tot op het oogenblik, dat de Beersche Mans begint te wei-ken.

De omstandigheid, dat ook een gedeelte van de Sluis Graaf door het waterschap wordt onderhouden, doet hier mijns inziens niets ter zake; dit is een natuurlijk gevolg van het bestaan dier sluis en niet het doel waarom het waterschap bestaat; dit is en blijft naar mijne overtuiging het bestaan der sluis als waterkeering in den bovenaan-gegeven zin.

De door het waterschapsbestuur voorgestelde grensom-schrijving is die van de oppervlakte A zooals zij in 1867

ocr page 30

— 26 —

onmiddellijk na het ophouden van de werking der Beersche Maas is waargenomen. Zij omvat dus al de gronden, die door het bestaan der Groot Lindensehe Sluis van overstrooming zijn bewaard gebleven tot op het oogenblik, dat de rivier buiten hare oevers is getreden. Zij is dus naar het mij voorkomt juist en geschikt om in het bijzonder reglement te worden opgenomen.

Ik heb de eer uwe vergadering te raden, om indien zij zich met bovenstaande opvatting kan vereenigen, het Waterschapsbestuur daarmede bekend te maken en dit uit te noodigen in verband daarmede het concept bijzonder reglement, na zooveel noodig te zijn herzien, ter definitieve vaststelling in te zenden.quot;

Het Waterschapsbestuur met dit schrijven in kennis gesteld heeft na herhaalde briefwisseling met Gedeputeerde Staten en den Hoofdingenieur, bij brief van 27 April 1876 No. 6'3, een bereids ter inzage van belanghebbenden gelegd ontwerp bijzonder reglement ingezonden, luidende:

BIJZONDER REGLEMENT voor het Waterschap «de Groot Lindensehe Sluis» onder de gemeenten Linden, Cuijk, Beers en Gasset.

De Staten der provincie Noo/vl-Bi iihniif, hebben besloten vast te stellen het navolgende Bijzonder Reglement voor het Waterschap «de Groot Lindensehe Sluis.»

ocr page 31

— 27 —

Artikel 1.

De grens van het Waterschap wordt bepaald door de aaneengesloten buitengrens der perceelen in de gemeenten Linden, Cuijk, Beers en Gasset, vermeld in de tabel, bedoeld in art. 1 van het besluit der Staten van Noord-Bmhanl van 10 Juli 1862, goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 19 Juli 1862 No. 65.

De binnen die grens gelegen perceelen of gedeelten daarvan, die niet zijn vermeld in bovengenoemd besluit der Staten van Noord-Brabant van 10 Juli 1862 zijn niet aan het Waterschap schuldplichtig en vrijgesteld van alle lasten.

De eigenaren van die perceelen treden ook niet op als stemgerechtigde ingelanden en zijn ook niet benoembaar als leden van het bestuur.

Art. 2.

Het , bestuur van het Waterschap bestaat uit een Voorzitter en drie Leden, onder de benaming van een Dijkgraaf en drie Heemraden, benevens een Secretaris-Penningmeester.

Art. 3.

De jaarwedde van den Voorzitter bedraagt ƒ 30.—, die van de Leden van het Bestuur ieder f 10.— en die van Secretaris-Penningmeester f 40.—.

Art. 4.

Wegens het voeren der schouwen genieten de Voorzitter, de Leden van het Bestuur en de Secretaris-Penningmeester ieder eene schadeloosstelling van f 2.50 daags; het geza-

ocr page 32

— 28 -

menlijk bedrag dier schadeloosstelling mag echter eene som van /' 40,— in het jaar niet te boven gaan.

Art. 5.

De huishoudelijke kosten van het Bestuur, welke in rekening mogen gebracht worden, worden bepaald op een bedrag van hoogstens / 30.—, de bureau- en schrijfbehoeften van den Secretaris-Penningmeester op een bedrag van hoogstens f 10.—.

Art. 6.

De uittevoeren w en leveringen, waarvan de vermoedelijke kosten eene som van f 50.— te boven gaan, worden in het openbaar aanbesteed.

Art. 7.

De vergaderingen van stemgerechtigde ingelanden worden gehouden in de gemeente Linden.

Art. 8.

Dag en uur, waarop de vergaderingen van stemgerechtigde ingelanden zullen gehouden worden, alsmede de onderwerpen in die vergadering te behandelen, worden ter kennis gebracht van stemgerechtigde ingelanden door aanplakking en aflezing in de gemeenten Lindfn, Cuijk, Beers en Gcissel ter plaatse, waar zulks door het Gemeentebestuur aldaar geschiedt, benevens in het Weekblad voor de Stad en het Kanton Grave.

ocr page 33

— 29 —

Art. 9.

Van die vergaderingen, waarin de begrooting, de rekening, voorstellen tot het aangaan van geldleeningen of tot aanleg van belangrijke nieuwe werken zullen behandeld worden, wordt bovendien aan stemgerechtigde ingelanden kennis gegeven door gedrukte biljetten, welke hun kosteloos worden toegezonden en die behalve den dag en het uur der te houden vergadering nog vermelden de voornaamste posten der begrooting en rekening, het bedrag en de renten der aantegane geldleening, de wijze van aflossing, de hoegrootheid van de omslagen per hectare, de omschrijving der uittevoeren werken en de middelen, om in die uitgaven te voorzien.

Art. 10.

De dagen, waarop de schouw zal gevoerd worden, worden aan de ingelanden bekend gemaakt op de wijze in Art. 8 bepaald.

Art. 11.

De stukken, welke bestemd zijn ter inzage van ingelanden, worden tot dat einde nedergelegd ten kantore van den Secretaris-Penningmeester; van dat ter inzage leggen geschiedt openbare kennisgeving, op de wijze in Art. 8 bepaald.

Woont de Secretaris-Penningmeester niet in de gemeente, waar de vergaderingen van stemgerechtigde ingelanden gehouden worden, dan zal het Waterschapbestuur de plaats aanwijzen, waar in die gemeente de stukken ter inzage zullen gelegd worden.

ocr page 34

— 30 —

Art. 12.

De omslagen worden volgens de kadastrale grootte hectaresgewijze gedragen door alle binnen de grenzen van het Waterschap gelegen pereeelen, die tot betaling van polderlasten verplicht zijn.

Art. 13.

Eene begrooting van zoodanige gewone uitgaven, welke jaarlijks tot een vast of genoegzaam gelijk bedrag terug-keeren en van de middelen, om in die uitgaven te voorzien, wordt telkens voor een termijn van drie jaren vastgesteld.

In die begrooting wordt gebracht:

1°. Onder de uitgaven :

a. de jaarwedde van den Voorzitter, van de Leden van het Bestuur, van den Secretaris-Penningmeester en van de verdere beambten en bedienden, alsmede eene som voor de schadeloosstellingen voor het voeren der schouwen toegekend.

Igt;. de huishoudelijke kosten van het Bestuur en de kosten voor bureau- en schrijfbehoeften van den Secretaris-Penningmeester.

c. de kosten der stukken, die ten behoeve van het Waterschap gedrukt worden.

el. de renten, cijnsen en andere op het Waterschap rustende lasten van dien aard.

e. de kosten van gewoon jaarlijksch onderhoud van tot het Waterschap behoorende werken, daarmede niet begrepen kosten van buitengewoon herstel wegens winterschade, voor zooverre in de kosten van dit herstel voorzien wordt op de wijze bepaald in Art. 15.

ocr page 35

— 31 —

Onder de bedoelde werken zullen nimmer begrepen worden de zoodanige, waarvan tot dusverre het onderhoud is geweest ten laste van gemeenten of particulieren, als het onderhouden en des noods vernieuwen van bruggen, duikers enz., alsmede het in schouwbaren staat onderhouden van dijken en waterleidingen.

f. een post voor onvoorziene uitgaven.

2°. Onder de inkomsten ;

a. de vermoedelijke opbrengst der eigendommen van het Waterschap.

h. het bedrag, dat hectaresgewijze over de tot het Waterschap behoorende gronden omgeslagen wordt en de vermoedelijke opbrengst dier omslagen.

c. de vermoedelijke opbrengst van de geldboeten, verbeurdverklaringen enz.

d. de vaste bijdragen van gemeenten, van waterschappen en van buiten het waterschap gelegen gronden in de kosten van werken door het Waterschap aangelegd.

Art. 14.

Jaarlijks wordt op den derden Vrijdag der maand Juni rekening en verantwoording gedaan van de ontvangsten en uitgaven over het afgeloopen dienstjaar.

Art. 15.

In de vergadering, bedoeld in het vorig artikel, wordt aan de stemgerechtigde ingelanden aangeboden de begrooting van uitgaven, welke noodig geacht worden om te voorzien:

a. in het herstel van winterschade aan dijken, sluizen en andere in het belang van het Waterschap bestaande

ocr page 36

— 32 —

waterstaatswerken en om die werken in een voldoenden staat van onderhoud te brengen.

h. in de kosten van nieuwe en buitengewone werken.

c. in de kosten van al zoodanige werken en uitgaven, welke uit den aard der zaak niet in de begrooting, bedoeld in Art. 13 kunnen opgenomen worden.

Art. 16.

Ingelanden en zonen of schoonzonen van ingelanden mogen tot leden van het Bestuur worden benoemd uf voorgedragen, mits zij de overige in het algemeen reglement gevorderde vereischten bezitten.

Aangaande dit ontwerp schrijft de Hoofdingenieur van den Provincialen Waterstaat bij brief van 22 Mei 1876 No 678 W. S. aan Gedeputeerde Staten :

Tegen het ontwerp Bijzonder Reglement voor het I J a-lerschap de. Groot Lindensche Sluis, zooals het thans bij missive van 27 April jl. no. 62, door het Waterschapsbestuur aan uwe Vergadering is ingezonden, bestaan bij mij geen bezwaren.

Reeds sinds 1867 is dit Reglement in behandeling.

De grensomschrijving in verband met het doel van het Waterschap, waaromtrent aanmerkelijk verschil bestond tus-schen den Hoofdingenieur in het 6e district en het waterschapsbestuur, is thans op voorstel van den Hoofdingenieur van Opstall, op alleszins rationeele wijze geregeld.

ocr page 37

— 33 —

Bij het bepalen dier grensregeling, is als grondslag aangenomen, dat het doel van het Waterschap is, het vereenigen van die gronden, die belang hebben bij het bestaan en de instandhouding van de Grool Lindensche Sluis, als middel lot waterkeering tot op hel oogenblik, dat de Beersche Maas begint te werken.

Ik kan mij hiermede geheel vereenigen, en heb mitsdien de eer uwe Vergadering voor te stellen, het ontwerp reglement ter vaststelling aan de Vergadering van H. H. Provinciale Staten aan te bieden.

Gedeputeerde Staten zonden bij brief van 1 Juni 1876 G no. 79, het ontwerp bijzonder reglement aan Provinciale Staten, vergezeld van al de daartoe betrekkelijke stukken.

In de zitting der Staten van den 4en Juli 1870 zijn de stukken ter tafel gebracht en is besloten af te wachten het verslag van de bijzondere commissie van de waterschappen, welke commissie het volgende verslag uitbracht ;

's-Herlogeiibosch, 16 October 1876.

Bij missive van H.H. Gedeputeerde Staten van 20 Juni dezes jaars, G. No. 79, derde afdeeling, werd ten fine van rapport in handen uwer bijzondere commissie tot onderzoek der waterschapsreglementen gesteld, een ontwerp besluit

3

ocr page 38

— 34 —

tot vaststelling van het bijzonder reglement voor het Waterschap de Groot Lindensche Sluis met daartoe betrekkelijke stukken.

Uit de stukken blijkt, dat het ontwerp behoorlijk gedurende veertien dagen ter inzage van ingelanden heeft gelegen zonder dat er bezwaarschriften zijn ingekomen, terwijl ook de hoofdingenieur van den Waterstaat in het 6e district en de hoofdingenieur van den Provincialen Waterstaat blijkens hunne bij de stukken voorhanden missives geene bezwaren tegen het ontwerp hebben.

Ook bij uwe Commissie bestaan geene principieele bezwaren ; alleen is het haar opgevallen, dat in dit concept reglement in de artt. 8 en 9 aanmerkelijk wordt afgeweken van den gewonen vorm van bekendmaking der vergaderingen van stemgerechtigde ingelanden, aangenomen in de meeste tot hiertoe vastgestelde bijzondere waterschapsreglementen welke vorm, zoover het der Commissie bekend is,

nimmer tot klachten aanleiding gaf en waardoor de belangen der buitengeërfden, naar hare bescheiden meening meer zijn verzekerd, dan door de in dit reglement voorgedragen wijze van bekendmaking. ,

In de stukken is geene opheldering te vinden voor deze exceptioneele bepaling, zoodat Uwe Commissie het raadzaam acht eene veranderde redactie van art. 8 en weglating van art. 9 voor te stellen, en wel in dier voege, dat art. 8 dan zal luiden:

„De bijeenroeping tot bijwoning der vergaderingen van „stemgerechtigde ingelanden geschiedt door aflezing en „aanplakking in de gemeenten Lnulcu, Cu ijk, Bccr.i en „Gussel ter plaatse, waar dit van gemeentewege gebruike-

ocr page 39

— 35 —

„lijk is door briefjes aan iederen ingeland of zijnen gemachtigde te bezorgen.''

Door de weglating van art. 9 verkrijgen de volgende artikelen een ander nummer, terwijl, tengevolge der wijziging in art. 8, in het nieuwe artikel 9 en de eerste zinsnede van art. 10 de woorden; op de wijze in art. 8 bepaald, zullen moeten vervangen worden door: door aflezing en aanplakking Op de wijze bij art. 8 bepaald.

Uwe Commissie heeft mitsdien de eer aan Uwe vergadering voor te stellen met bovenstaande wijzigingen het ontwerp bijzonder reglement aan te nemen en daarop 's Konings goedkeuring te vragen.

De bijzondere Commissie tot onderzoek der Waterschapsreglementen.

(get.) R. MIDDELKOOP. Voorzitter, J. DE LA COURT.

J. H. VAN MIERLO.

A. VERHEIJEN van ESTVELT,

In de zitting der Staten van den 8en November 1876 is het volgend reglement vastgesteld.

gt;gt; BIJZONDER REGLEMENT voor het Water-»schap de Groot Lindensche Sluis onder »de gemeenten Linden, Cuijk, Beers en « Gassel.

ocr page 40

— 36 —

»De Stalen der Provincie Noord-Brabant, »hebben besloten vast te stellen het volgende »Bijzonder Reglement voor het Waterschap »De Groot Lindensche Sluisquot;.

»Artikel 1. De grens van het Waterschap »wordt bepaald door de aaneengesloten buiten-»grens der perceelen in de gemeenten Linden, »Cuijk, Beers en Gassel, vermeld in de tabel, »bedoeld in Art. 1 van het besluit der Staten »van Noord-Brabant van 10 Juli 1862, goed-»gekeurd bij Koninklijk besluit van 19 Juli »1862 No. 65.

»De binnen die grens gelegen perceelen of »gedeelten daarvan, die niet zijn vermeld in »bovengenoemd besluit der Staten van Noord-* Brabant van 10 Juli 1862 zijn niet aan het »Waterschap schuldplichtig en vrijgesteld van »alle lasten.

»De eigenaren van die perceelen treden ook »niet op als stemgerechtigde ingelanden en »zijn ook niet benoembaar als leden van het »Bestuur.

»Art. 2. Het bestuur van het Waterschap »bestaat uit een Voorzitter en 3 Leden, onder »de benaming van een Dijkgraaf en 3 Heem-

ocr page 41

— 37 —

»raden, benevens een Secrelaris-Penning-»me es Ier.

»Art. 3. De jaarwedde van den Voorzitter »bedraagt f 30.—, die van de Leden van het »Bestuur ieder f 10.— en die van den Secre-»taris-Penningmeester

»Art. 4;. Wegens het voeren der schouwen »genieten de Voorzitter, de Leden van het »Bestuur en de Secretaris-Penningmeester ieder ))eene schadeloosstelling van/quot;2.50 daags ; het »gezamentlijk bedrag der schadeloosstelling »mag echter eene som van ƒ 40 in het jaar »niet te boven gaan.

«Art. 5. De huishoudelijke kosten van hel «Bestuur, welke in rekening mogen gebracht »worden, worden bepaald op een bedrag van «hoogstens /quot;30.—, de bureau- en schrijfbe-«hoeften van den Secretaris-Penningmeester «op een bedrag van hoogstens /quot;10.—

«Art. 6. De uittevoeren werken en leve-«ringen waarvan de vermoedelijke kosten eene «som van f 50.— te boven gaan, worden «in het openbaar aanbesteed.

«Art. 7. De vergaderingen van stemge-

ocr page 42

— 38 —

»rechUgde ingelanden worden gehouden in de »gemeente Linden.

«Art. 8. De bijeenroeping tot bijwoning der «vergaderingen van stemgerecbligde ingelanden «geschiedt door aflezing en aanplakking in de «gemeenten Linden, Cuijk, Beers en Gassel, ter «plaatse, waar dit van gemeentewege gebrui-«kelijk is en door briefjes aan iederen stem-»gerechtigden ingeland of zijnen gemachtigde «te bezorgen.

»Art. 9. De dagen, waarop de schouw »zal gevoerd worden, worden aan de Ingelan-«den bekend gemaakt door aflezing en aanplakking op de wijze in Art. 8 bepaald.

«Art. 10. De stukken, welke bestemd zijn «ter inzage van Ingelanden, worden tot dat «einde nedergelegd ten kantore van den Se-«cretaris-Penningmeester; van dat ter inzage «leggen geschiedt openbare kennisgeving door «aflezing en aanplakking op de wijze in Art. 8 «bepaald.

«Woont de Secretaris-Penningmeester niet «in de gemeente, waar de vergaderingen van «stemgerechtigde ingelanden gehouden worden, «dan zal het Waterschapsbestuur de plaats

ocr page 43

— 39 —

»aanwijzen, waar in die gemeente de stukken wier inzage zullen gelegd worden.

))Art. 11. De omslagen worden volgens «de kadastrale grootte hectaresgewijze gedra-))gen door alle binnen de grenzen van hel «Waterschap gelegen perceelen, die tot beta-»ling van polderlasten verplicht zijn.

«Art. 12. Eene begrooting van zoodanige «gewone uitgaven, welke jaarlijks tot een vast «of genoegzaam gelijk bedrag terugkeeren en «van de middelen, om in die uitgaven te voor-«zien, wordt telkens voor een termijn van drie «jaren vastgesteld.

«In die begrooting wordt gebracht: »lo. Onder de uitgaven;

«rt. de jaarwedde van den Voorzitter, van «de Leden van het Bestuur, van den Secretaris-»Penningmeester en van de verdere beambten «en de bedienden, alsmede eene som voor »de schadeloosstellingen voor het voeren der «schouwen toegekend.

de huishoudelijke kosten van het Bestuur »en de kosten voor bureau- en schrijfbe-))hoeften van den Secretaris-Penningmeester. »c. de kosten der stukken, die ten be

ocr page 44

— 40 —

^hoeve van hel Waterschap gedrukt worden.

de renten, cijnsen en andere op het «Waterschap rustende lasten van dien aard.

ygt;e. de kosten van gewoon jaarlijksch on-»derhoud van tot het Waterschap behoorende »werken, daarmede niet begrepen kosten van «buitengewoon herstel wegens winterschade, «voor zooverre in de kosten van dit herstel «voorzien wordt op de wijze bepaald in Art. 15.

«Onder de bedoelde werken zullen nimmer «begrepen worden de zoodanige, waarvan tot «dusverre het onderhoud is geweest ten laste «van gemeenten of particulieren, als het onder-«houden en desnoods vernieuwen van bruggen, «duikers enz., alsmede het in schouwbaren «staat onderhouden van dijken en waterlei-« dingen.

«/. een post voor onvoorziene uitgaven. »2o. Onder de inkomsten : »a. de vermoedelijke opbrengst der eigen-«dommen van het Waterschap.

«fc. het bedrag, dat hectaresgewijze over «de tot het Waterschap behoorende gronden «omgeslagen wordt en de vermoedelijke op-«brengst dier omslagen.

ocr page 45

— 41 —

»c. de vermoedelijke opbrengst van de »geldboeten, verbeurtverklaringen enz.

)-gt;d. de vaste bijdragen van gemeenten, van «waterschappen en van buiten het waterschap «gelegen gronden in de kosten van werken «door het Waterschap aangelegd.

«Art. 13. Jaarlijks wordt op den derden «Vrijdag der maand Juni rekening en verant-«woording gedaan van de ontvangsten en uit-«gaven over het afgeloopen dienstjaar.

«Art. 14. In de vergadering, bedoeld in «het vorig artikel, wordt aan de stemgerech-«tigde ingelanden aangeboden de begrooting «van uitgaven, welke noodig geacht worden «om te voorzien :

«a. in het herstel van winterschade aan «dijken, sluizen en andere in het belang van «het Waterschap bestaande waterstaatswerken «en om die werken in een voldoenden staat «van onderhoud te brengen.

ygt;b. in de kosten van nieuwe en buitengewone werken.

«c. in de kosten van al zoodanige werken «en uitgaven, welke uit den aard der zaak

ocr page 46

*

— 4:2 —

»niet in de begrooting, bedoeld in Art. 13 »kunnen opgenomen worden.

))Art. 15. Ingelanden en zonen of schoon-»zonen van ingelanden mogen tot leden van whet Bestuur worden benoemd of voorgedra-«gen, mits zij de overige in het algemeen re-»glement gevorderde vereischten bezitten.

Dit besluit, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van den 14en December 1876, No. 14, is opgenomen in het provinciaal blad 1876 onder No. 31.

4«f RijksunlversU'tit. te

ocr page 47
ocr page 48
ocr page 49
ocr page 50