GERG. SUB. N®
BREED GESCHETST
DOOR
W- ■ ■ ■
TWEEDE, HERZIENE DRUK.
LEIDEN, S. C. VAN DOE8BÜRGH.
7 1895.
i
|
-5 set CHRISTELIJKE ZEDELEER. |
BIBLIOTHEEK j NEO. HERV. KE9X |
LEIUEN: STOOHBOEKDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.
BREED GESCHETST
DOOR
A
TWEEDE, HERZIENE DRUK.
•«aaao—-
LEIDEN, S. C. VAN DOESBURQTI.
1895.
Had ik mijne breed geschetste Christelijke zedeleer, ten vorigen jare verschenen, bewerkt onder strenge inachtneming van beknoptheid, duidelijkheid en eenvoud, thans heeft vrees, dat de beknoptheid soms te streng is uitgevallen, mij bewogen om — in eenen herzienen druk — aan mijne schets eenige uitbreiding te geven. Tevens herhaal ik, dat ik by de behandeling van het onderwerp geheel mijn eigen weg ben gegaan.
Nu volge eene opmerking betreffende de hedendaagsehe gemeenschapsmoraal, altruïsme — leven voor anderen. Dat en waarom ik haar, in weerwil van haren goeden klank, niet kan huldigen, heb ik in het Theologisch Tijdschrift (Jaarg. 1804) aangetoond. Voor de wijze, waarop ik in mijne schets de Altruïsten te pas breng, heb ik deze reden, dat sommigen hunner werkelijk onze betrekking met Grod loochenen, terwijl anderen, die dit niet doen, haar toch ter zijde stellen, door den godsdienst alleen te aanvaarden als eenen wel machtigen factor van de zedelijke ontwikkeling, maar in zoover hij dient tot voltooiing van de zedelijke werking, tot aanvulling van anders ontoereikende zedelijke kracht. Voorts worde bedacht, dat het Altruïsme, waardoor de persoonlijkheid ten minste gekortwiekt wordt, niet is te verwarren
of te vereenzelvigen met het solidariteitsbeginsel van Jezus (Mattli. 7 : 12), waarbij de persoonlijkheid gansch onverlet blijft. Ook is het Altruïsme niet zoo nieuw als het doorgaans wordt voorgesteld, daar het reeds in de voor-Chris-telijke Oudheid langen tijd heeft gebloeid als een leven voor den Staat.
Met het oog op hetgeen ik in mijne schets heb gezegd over eene werking in ons gemoed, die wij begrijpen als de werking eener hoogere, ons dragende en bezielende macht, en wier drang ons in het geweten kenbaar wordt als een onvoorwaardelijk gebod: „Doe het goede,quot; moet mij eene verklaring van het hart. Ik geef haar met woorden van Eauwenhoff {Wijshegeerte van den godsdienst, blz. 341): „Ik wil gaarne toestemmen, dat er velen zijn, die dit (deze werking) niet zoo in zich zeiven waarnemen; maar ik durf beweren, dat de reden daarvan geene andere is dan dat zij zich zelven niet waarnemen. Van iemand die slaapt zal ik ook niet zeggen, dat hij dat „gij moetquot; (dit onvoorwaardelijk gebod) in zijn binnenste hoort. En men kan slapen met open oogen. Het is mogelijk, het is zelfs een zeer gewoon verschijnsel, dat een mensch zich zelven verliest in allerlei dingen, waaraan hij zich geheel overgeeft. Dat kan gebeuren met de onbeduidendste nietigheden van het dagelijksch leven, de meest gewone en algemeene vorm van idiotisme. Het kan ook voorkomen bij een leven zoo uitsluitend aan de belangen van bedrijf of beroep gewijd, dat er geen tijd of ruimte overblijft voor eenige gedachte aan iets anders. Het geval doet zich ook voor bij ingespannen werkzaamheid
van den geest, dat het onderwerp van de studie zoo geheel beslag legt op den mensch, dat hij voor niets anders hart heeft dan voor zijne literatuur, zyn natuuronderzoek of wat het zijn moge. Hoe eerbiedwaardig uit een ander oogpunt zulk eene toewijding aan eenig doel soms ook moge zijn, men maakt zoo toch zich zeiven alleen tot het werktuig, dat voor de bereiking van dat doel gebruikt moet worden, en wat de andere zijden van het zieleleven betreft slaapt men in. Geheel op dezelfde manier, waarop de slaapwandelaar uitgaat op het zoeken van hetgeen waarvan hij gedroomd heeft, en op het bereiken van dat doel als het ware zijne geheele ziel samentrekt, zoodat hij zelfs geen oog heeft voor de gevaren, waaraan hij zich op den weg daarheen waagt. Aan zulke slaapwandelaars is onze realistische tijd bijzonder rijk; en is het dan wonder, dat velen dat „gij moetquot; in hun binnenste slechts zelden en slechts flauw vernemen? Maar men moet aan hen die wakker zijn ten goede houden, dat zij het slaapwandelen als een ziekteverschijnsel beschouwen.quot;
Vraagt iemand, of ik niet in mijn denken eenen sprong neem, door onzen gemoedsdrang terug te brengen tot de werking eener bijzondere hoogere macht (God), dan antwoord ik, in aansluiting by Rauwenhotf (blz. 267): „Indien onze dagelijksche ervaring het ons niet als iets zeer gewoons deed voorkomen, wij zouden ons over niets meer verwonderen dan over die zonderlinge dupliciteit in ons wezen, waardoor wij telkens, als het ware, tegenover ons zeiven komen te staan. Het is ons telkens, alsof er in ons twee mensehen
met elkander in strijd waren, van wie de een neigingen wil inwilligen, terwijl de ander de hand aan hem houdt, hem zgnen plicht voor oogen brengt, en hem dwingt met een „gij moetquot;, alsof het een geheel ander persoon ware dan hij zelf. Wij kunnen hot debat tusschen die twee in ons zeiven volgen, alsof wij toeschouwers waren van iets dat in ons voorviel en waarbij wij den een,» den zede-meester in ons, gelijk geven en het'betreuren «als de ander uit zwakheid toch zijn eigen, verkeerden weg opgaat. Dan plaatst zich het bewustzijn tegenover beiden; maar de gewone vorm onzer zelfwaarneming is, dat wij ons verêen-zelvigen met dengenen die onder tucht moet gehouden worden, en dat degene die de tucht uitoefent een ander is. Hiertoe brengt ons — althans mij — het geuytenquot; Toe--^ lichting van het schijnbaar dualistische mijner zienswijze is te vinden in mijn geschrift: Over wijsbegeerte van Men godsdienst, 1893, blz. 47—52. * . *
Deze schets heb ik vervaardigd voor eigen gebruik, ter opleiding van godsdienstonderwijzers. Bij de uitgave dacht' ik ook aan ontwikkelde Catechisanten en ■ aankomende Theologanten.
S. *
§ 1. Begrip.....................11-15.
§ 2. Beschrijving....................15—32.
§ 3, Algemeene wijsgeerige beschouwing......... 32—42.
§ 4. Bijzondere wijsgeerige beschouwing.........43- 49.
§ 5. Besluit.........................52
Onder „Christelijke zedeleerquot; versta ik eene beschrijving van het zedelijk leven, zooals het den Christen betaamt. Tot grondslag voor deze beschrijving dienen de schriften des N. T.'s, niet — naar eene nog gangbare zienswijze — om hetgeen zij in het algemeen aangaande het zedelijk leven bevatten, maar om hetgeen zij iu hot bijzonder aangaande Jezus' beginselen getuigen; want hierin ligt het richtsnoer voor quot;s Christens zedelijk bewustzijn, de maatstaf ter bepaling van het vereischte gehalte der Christelijke zeden. Heeft een voornaam wijsgeer van onzen tijd (Ed. von Hartmann) het moderne streven, om den godsdienst te verhellen tot een leven in Jezus' geest, verward met een herleiden van het Christendom tot Jezus' leer, dan is hot misschien niet overbodig te verklaren, dat nu ook het woord „beginselenquot; niet in den zin van „leerquot; gebruikt wordt. Beginsel en leer staan tot elkander in soortgelijke verhouding als, in de bouwkunde, grondslag en opstal. De wijze, waarop de beginselen van Jezus door de Christenheid, reeds
12
door'de schrijvers van het N. T., zijn begrepen en toegepast, behoort tot de geschiedenis des Christelijken levens. Mijn onderwerp bindt mij aan de drie eerste (de Synoptische) Evangeliën, om hun historisch karakter ten aanzien van Jezus' prediking: welk karakter aan het vierde, als een geestelijk Evangelie, ontbreekt. Ik weet wel, dat streng genomen niet is uit te maken, of en hoe de Evangelische traditie eigen uitspraken van Jezus wedergeeft; doch ik meen voor echt te mogen houden wat hot kenmerk van oorspronkelijkheid draagt en bovendien wat, in andere opzichten, geenen gegronden twijfel wekt. Zielkundig beschouwd moet alvast aangenomen worden, dat de gedachte: „God onze Vader, de mensch Gods kindquot;, (Matth. 5:45«; G: 9 a) aan een bepaald historisch persoon te danken is, en ik weet geene reden om dezen persoon niet te vereenzelvigen met Jezus van Nnzaret. Dat was eene grootsche gedachte, waardig om er voor te lijden en te sterven, omdat er de geheele zedelijke herschepping van de oude menschenwereld in besloten lag; omverwerping van de hooge scheidsmuren tus-schen volken en volken en tusschen volksgenooten onderling; vestiging van eene innige, heilige levensbetrekking, onttrokken aan allo bijzondere wettelijke en staatkundige banden. En vermits in deze gedachte een hart sprak, een rein kinderlijk hart — „de grootsche gedachten komen uit het hart voortquot; — zoo moet zij gerijpt zijn in eenen persoon, in wien zulk een hart klopte. Ware zij in haren oorsprong niet iets persoonlijks geweest, zij zou er in het beloop harer werking de blijken van gedragen hebben; eenmaal in hel leven geroepen, zou zij beter dan geschied is in het leven bewaard zijn. Waar toch of hoedanig komt zij voor onder de Christenheid'? Reeds bij Paulus, die het kindschap Gods tot den Christen beperkte (Rom. 8:14—16; Gal.
13
3: 26; vgl. Joh. 1: 12; 1 Joh. 3 : 1 vlg.), trad op den voorgrond, wat lang te voren veler geest bezighield en door Jezus eene nieuwe, van alle nationaal vooroordeel gezuiverde, beteekenis had verkregen, het denkbeeld van het K o-n i n k r ij k Gods. Dit werd nu een koninkrijk, door God aan den Christus overgegeven, totdat hij al de vijanden onder zijne voeten zou gelegd hebben. Daarbij nam het allengs den vorm aan van eene zichtbare Kerk, onder het stedehouderschap der opvolgers van Petrus. En de Kerk geloofde niet aan de zedelijke waarde onzer menschennatuur. Voor dit geloof stond in haar stelsel geene plaats open. „Wat de eerste mensch boven zijne natuurlijke geestesgaven nog als genadige gift van God had ontvangen, heiligheid en onsterfelijkheid, heeft hij, en in hem het gansche menschen-geslacht, door den zondeval verloren.quot; Kind van God te zijn, en eeuwig te leven, is alleen het voorrecht des geloo-vigen. Wel stelde de Kerk belang in de menschen. Zij gevoelde zich bezield door het bevel van den Christus: „Predik het Evangelie aan alle creaturenquot;; daarom strekte zij de armen noodigend ook naar Jood en Heiden uit: maar met een moederlijk, niet met een zusterlijk gevoel. Zij kende geene menschenwaarde, die niet aan betrekking met den Christus, d. i. met haar, als zijne Kerk, ontleend werd. Heeft de Hervorming aan de grootsche gedachte van aller kindschap Gods boter recht laten wedervaren? Hier is voor de zichtbare kerk de onzichtbare in de plaats gekomen: een hemelrijk dat met den hemel tevens de aarde omvat, uitsluitend onder beheer van den Christus. Dit rijk is niet toegankelijk voor d n onrechtvaardige, den zondaar. En de mensch? „God heeft hem — zoo luidt het in den Heidel-bergschen Catechismus (Zondag 3) — goed en naar Zijn beeld geschapen, d. i. in ware gerechtigheid en heiligheid;
14
maar uit den ral en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders Adam en Eva, in het paradijs, is onze natuur alzoo verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden.quot; Volgens deze verklaring heeft de mensch de oorspronkelijke gerechtigheid, niet de onsterfelijkheid, verloren. Wat hem nu bijzondere waarde geeft, is niet zijne kinderlijke betrekking met God, maar zijne onsterfelijke ziel, die voor het hemelrijk moet gered worden. En wat de belangstelling in hem verhoogt, is de genade door God hem bewezen, het offer door Jezus ter wille van zijner ziele zaligheid gebracht. Ook hier wordt het kindschap Gods niet tot alle mensohen uitgebreid. De Christen van den Heidel-bergschen Catechismus (Zondag 9) zegt: „dat God om Zijns zoons Christi wille mijn God en Vader is.quot; Was er voor den Roomsch-Katholiek geen heil buiten de Kerk met hare genademiddelen, voor den Protestant niet buiten het Kerkelijk geijkt geloof. Dientengevolge werd het leven en streven van den eerste door de kerk zelve beheerscht, dat van den laatste door het kerkelijk leerstelsel.
Als het historisch oorspronkelijke in de prediking van Jezus erken ik alzoo bij uitnemendheid; de idee van Gods vaderlijke liefde, en hare keerzijde; de wijding van de men-schen tot Gods kinderen. Wat Jezus betreffende een gedrag overeenkomstig deze wijding te zeggen had, gaf hij niet als voorschrift of gebod, maar als het in zijne schatting noodwendige kenmerk van haren invloed. Vgl. in de dusgenoemde bergrede, Matth. 5: 22, het niet mogen zeggen van „rakaquot; en „dwaasquot;; 29 vlg., het uittrekken van het ergerend oog en het afhouwen van de ergerende hand; 39—41, het aanbieden van de linkerwang aan wie ons op de rechter slaat, het toegeven van den mantel aan wie ons den rok ontneemt, het gaan van twee mijlen met wie ons voor éene mijl prest:
15
hier toch hebben wij niet te doen met eene bepaling van de wijze waarop, maar met eene teekening van den geest waarin moet gehandeld worden. Het leven volgens de beginselen van Jezus is niet van wettischen aard.
Zedelijkheid is plichtsbetrachting, in den zin van toewijding aan het goede. Zij vindt haren grond niet — zooals beweerd wordt — in de bewustheid van betrekking, en wel tot de menschengemeenschap, maar in die van verplichting, van zedelijke eischen, aan het men-schenleven in elke betrekking verbonden. Bij Jezus begrepen in de beoefening van den godsdienst, als betrekking met God, heet zij gerechtigheid (Matth. 5; 6, 20); d. i. een zijn gelijk het voor God behoort. Te dezer zake heeft hij geene leer gegeven, die zich stelselmatig laat uiteenzetten, maar beginselen, die in den vorm van eenen alge-meenen regel aldus luiden (Matth. 22:37—39): „Hebt God lief met geheel uw hart en met geheel uwe ziel en met geheel uw verstand, en uwen naaste als u zeiven.quot; Hiermede sloot Jezus, als Israëliet onder Israël, zich aan bij den godsdienst zijns volks, hoewel dan bij hetgeen voor hem daarvan de kern uitmaakte, het gebod der liefde; en dit gebod zuiverde hij van zijn streng Jahwistisch en even streng nationaal gehalte. Het O. T. vordert liefde tot Jahwe boven alles in dezer voege, dat men alle heidenen uit het land uitroeit en broeder of zuster of dochter of vrouw of vriend, die tot afval van Jahwe aanspoort, doodslaat (Deut. C : 5;
16
7:2; 13:6—11). Ook vordert liet, op Goddelijke straf, liefde tot den naaste als tot zich zelven (Lev. 19: 18), doch met uitsluiting van den volksvijand en, in het algemeen, van den vreemdeling als niet-Israëliet (Deut. 6:19; 23 :19 vlg.). Alleen de vreemdeling, die in Israel's „poortenquot; verkeerde, moest in het genot van die liefde deelen(Lev. 19:34), mits hij den sabbat vierde (Exod. 20: 10), geene bloedige spijs at (Lev. 17 : 12) en zich onthield van hetgeen onder Jahwe's volk een gruwel was (Lev. 18:26). Wat alzoo in het O. T. in twee afzonderlijke geboden, zonder innerlijk verband, gesplitst voorkomt, werd door Jezus tot éen geheel bijeengevoegd; en beteekende voor Israël het liefhebben van God en den naaste: van harte doen wat Jahwe ten aanzien van zich zeiven en van de samenleving zijns volks gebood, voor ons beteekent het: kinderlijk zich geven aan God en broederlijk aan de menschen. De liefde tot God en die tot den naaste zijn hier — juist zooals Paulus (Gal. 5:14) te kennen geeft — éen: de laatste is een noodwendig gevolg en daarmede ook een afdoend blijk der eerste. Maar dan wordt zij door de eerste bepaald als eene heilige liefde. De eenig passende drijfveer voor ons gedrag in de samenleving is: „opdat gij moogt zijn kinderen uws hemelschen Vaders (Matth. 5:45 a.).quot; Onze kinderlijke betrekking met God sluit in zich de werkelijkheid van eenen geestelijken menschenadel, die ons geheele geslacht in zijnen oorsprong onderscheidt en ons stempelt tot wezens van de verhevenste soort. En als nu Jezus zegt: „Hebt uwen naaste lief als u zeiven,quot; dan bedoelt hij: broederlijke erkenning van elkanders menschenwaarde; geene oplossing van het Ik, d. i. van de persoonlijkheid, maar zedelijke gelijkstelling van ieder ander Ik met dat van zich zeiven. Zelfverloochening (Matth. 16 : 34) beteekent bij hem: verzaking
17
van een egoïstisch., uitsluitend zich. zelf zoekend Ik; onver -deelde toewijding aan datgene waartoe onze betrekking met God ons leidt. Tegenover de liefde, als het eigenlijke kenmerk of het wezen des Christelijken levens, staat het egoisme, de zelfzucht, als het wezen der zonde. Egoisme is in zekeren zin ook liefde, maar eene onheilige, die den mensch doet opgaan in het eigen-Ik, alsof hij met al zijne begeerten en lusten slechts voor zich zeiven bestond. Wie daarentegen het ware Ik des menschen, als lid van een Grodsgeslacht, als kind van God, in zich liefheeft, zal het evenzeer liefhebben in ieder ander. Wat ik in dit opzicht mij zeiven waard gevoel, bepaalt voor mij ook de waarde van mijnen evenmensch.
De toepassing van onze liefde tot den naaste wordt aangegeven in den bijzonderen regel (Matth. 7 :12); „Alle dingen, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo.quot; Deze regel, in zijnen stelligen vorm, zegt veel meer dan een van elders bekende dergelijke, in ont-kennenden vorm: „Wat gij niet wilt, dat u geschiede, doet dat ook niet aan anderen.quot; Hier vinden wij een voorschrift van humaniteit, van onderlinge welwillendheid; bij Jezus een beginsel van solidariteit, van onderlinge verplichting. Als trekken van de handelwijze, waardoor zich ons verkeer met den naaste moet onderscheiden, worden (Matth. 5) genoemd:
a. Zachtmoedigheid (vs. 5). De zachtmoedige ontziet zich iemand te kwetsen. Zelfs voor schuldigen is hij niet hard in zijn oordeel. Naar achterklappen en kwaadspreken luistert hij niet. Aan opwellingen van drift geeft hij niet toe. Tegenover booze bejegening, die hem persoonlijk wedervaart, bedwingt hij zijne gevoeligheid. Zoo handelt hij, en kan hij eerst in ernst handelen, krachtens eenen echt
2
18
broederlijken zin, waardoor hij tevens vrij blijft van den toorn, dien Jezus volstrekt afkeurde. In vs. 22 heeft onze Statenvertaling bij „toornig zijnquot; het toevoegsel „ten onrechtequot;, dat als onecht moet geschrapt worden. Dat Jezus den toorn op den broeder, d. i. op den persoon, niet wilde, is begrijpelijk: want achter dezen, tot heftige gemoedsbeweging gestegen, onlust wegens geleden onrecht schuilt altijd iets egoistisch, gekwetste majesteit. Zoo beschouwd is het ondoenlijk, naar Eph. 4: 2G, te toornen en niet te zondigen. Doch er bestaat ook „heilige toornquot;, d. i. verontwaardiging, waarin niet iets persoonlijks zich mengt, over ergerlijke praktijken die wij waarnemen; vgl. de verontwaardiging van Jezus over het bedrijven van koophandel in den tempel (Matth. 21: 12 vlg.).
b. Barmhartigheid (vs. 7): werkdadig mededoogen met het lot van armen en behoeftigen, lijdenden en treurenden. Hierbij worde acht genomen op het gezegde (6:3): „Als gij aalmoes doet, zoo laat uwe linkerhand niet weten wat uwe rechter doet.quot; Dit beteekent niet: Geef in den blinde, maar, blijkens het verband: Geef zonder vertoon. Wie in den blinde aan iederen vrager geeft, kan daardoor veel kwaads bevorderen; en wie in den blinde het zijne weggeeft, kan daardoor aan zijne bijzondere rechtmatige verplichtingen tekort doen. Zou Jezus de arme weduwe, uit Mare. 12 : 42—44, toch geprezen hebben, indien zij — zooals de kunst haar, in afwijking van den tekst, heeft voorgesteld — met de zorg voor kinderen belast, haren gansehen leeftocht aan den tempel had geschonken?
c. Het stichten van vrede (vs. 9). Wie aan deze taak arbeidt, betoont zich eenen ijveraar tegen krakeel-, twist- en pleitzucht, en niet minder tegen de gewoonte van menigeen om halsstarrig op zijn stuk te staan. Evenzoo tegen
19
partijzucht, al kan hij zelf bij ernstige quaestiun niet onpartijdig blijven. Wat lietn drijft, is de macht eener liefde, die niet ongeschikt handelt, die wil dat men geduld hebbe met elkanders zwakheden en gebreken, en dat men, bij verschil van inzicht, andersdenkenden verdraagt, d. i. in hunne waarde laat.
d. Een leven tot stichting voor anderen (vs. 16). Is de macht van het voorbeeld, de invloed van ons gedrag op anderen, niet te miskennen, zoo komt het voor ons, tot verbreiding van Gods eer onder de menschen, aan op onze persoonlijkheid, dat wij ons waardig betoonen lichten voor de menschen wereld, het zout der samenleving genoemd te worden (vgl. vs. 13 vlg.). Nu vereischt onze betrekking met God, wat onze persoonlijkheid betreft, reinheid van hart (vs. 8): een zedelijke toestand, die eerst het kweeken van heilige liefde mogelijk maakt. Bij dezen eisch worde gelet op 's Christens roeping tot de heiligste gemeenschap met den hemelschen Vader (vgl. vs. 48); want ook de vrome Israëliet dacht aan een rein hart (Ps. 51; 12). maar dan eenvoudig aau zijne, door den heiligen Jahwe bewerkte, reiniging van schuld, de uitdelging van zijne overtreding (vgl. vss. 3, 4, 9, 11). In het bijzonder wordt nog door Jezus nadruk gelegd op eenen ernstigen zedelijken zin, die zelfs de onreine begeerte doet schuwen (vs. 28): de uitspraak, „dat wie eene vrouw aanziet, om haar te begeeren, aireede overspel in zijn hart met haar gedaan heeftquot;, ontleent eene hooge zedelijke beteekenis aan het zielkundig feit, dat de begeerte, onder de macht der zinnelijkheid, kan stijgen tot dierlijken hartstocht; en in dierlijkheid kan de mensch het dier zelf overtreffen, omdat hij verstandelijk overleg tot zijne beschikking heeft. Het tegendeel van stichten is, reeds zijdelings, zulk eene behan-
20
deling van anderen ■waardoor zij in zedelijk verval kunnen geraken (vs. 32: voor het zedelijk bewustzijn van Jezus maakte een -willekeurig verstooten van de vrouw liet huwelijk niet wettig ontbonden; vgl. 19:6—9; Mare. 10 : 9—12), maar rechtstreeks het geven van ergernis, als aanleiding voor zwakke zielen tot afval van de goede zaak (18: 6).
e. Gezindheid tot verzoening (vs. 24); d. i. om bestaande veeten of gerezen oneenigheid uit den weg te ruimen. Er zijn echter karakters die, in onhandelbare stugheid, daartoe geen enkelen, laat staan den eersten, stap doen zullen. Aan de gezindheid tot verzoening is verwant vergevensgezindheid, die van ganscher harte den schuldenaar de schuld niet wil toerekenen (vgl. 6:12; 18:35). Dit vergeven sluit in zich vergeten, dat namelijk ons hart vergeet, al mocht ons verstand eene onvergetelijke les van voorzichtigheid, bij het schenken van ons vertrouwen, ontvangen hebben. Vergeven zonder vergeten getuigt nog van zekeren wrok, een begin van wraakzucht, als lust tot het betaald zetten van eenige beleediging, waarbij de werkelijk wraakzuchtige door haat wordt gedreven. Haat is zulk een hartstochtelijke afkeer ten aanzien van iemand, die ons onlust verwekt, dat wij hem zouden kunnen vernietigen. Aan den haat grenst n ij d, als onlust over hetgeen een ander boven ons geniet (vgl. 20:12). Al geldt deze hartstocht niet bepaald den persoon des bevoorrechten, maar zijn voorrecht zelf, toch kan haat tegen den persoon er het gevolg van zijn.
f. Waarheidsliefde (vs. 33—37). Van hetgeen hier tegen het zweren — uit ergernis over spitsvondig spelen met eeden (vgl. 23: 16—22)? — gezegd wordt is de hoofdzaak deze: wij moeten zoo waar zijn, dat ieder ons eenvoudig op ons woord kan gelooven. Wie gewoon is, zijne woor-
21
den te bezweren, wekt verdenking van zijne oprechtheid. Het tegendeel der waarheid is de leugen, als opzettelijke onwaarheid. Hiertoe behoort niet slechts elke valsche verklaring, met inbegrip van laster, maar ook elke opzettelijke dubbelzinnigheid, alle geveinsdheid, trouweloosheid, zwetserij, bedriegerij, huichelarij, meineed. De leugen sticht onnoemelijk veel kwaad: als de oorzaak van allerlei verwikkelingen en wanverhoudingen is zij het groote bederf der samenleving. De werkelijkheid van het practische leven leidt tot het maken van zekere uitzondering met de zoogenoemde „edele leugenquot;, als zij aan niemand schade berokkent, bijv. toen de Hebreeuwsche vroedvrouwen den Egyptischen Pharao belogen, om zijns ondanks het leven der pasgeboren Hebreeuwsche knechtkens te redden (Exod. 1: 1G—19), en toen David's vrouw, Michal, haren vader, Saul, beloog, om tegen zijne aanslagen de veiligheid van haren man te verzekeren (1 Sam. 19; 11—14). Desgelijks met de zoogenoemde „noodleugenquot;, als een verzwijgen of bedekken van de waarheid voor kinderen, wien ze om hunnen leeftijd niet kan, en voor kran-ken, wien ze om hun gestel niet mag gezegd worden; ook als eene krijgslist tegenover kwaadwilligen, om aan hunnen toeleg te ontsnappen. Dit laatste kan soms zijne bedenkelijke zijde hebben. Tijdens de Fransche Revolutie werd aan veroordeelde vrouwen en jonkvrouwen schorsing van haar vonnis verzekerd, indien zij verklaarden in staat van zwangerschap te verkeeren: maar de jonge, nog ongehuwde prinses Monaco wilde liever sterven, dan door zulk eene smadelijke verklaring haar gevoel van eerbaarheid verloochenen. Voorts is niet te ontkennen, dat in het gezellig verkeer onbescheidenheid van den een, prikkelbaarheid van een ander, ons vaak het zuiver waar zijn uiterst moeilijk kan maken. En wie meent aan ieder, gelijk men het noemt, de waar-
22
heid te moeten zeggen, vrage eerst zich zeiven af, in hoever hij met den eisch der wellevendheid rekening heeft te houden, en luistere bovendien naar Jezus' uitspraak betreffende het oordeelen over den broeder en de verhouding tusschen splinter en balk (7: 1—5).
g. Grootmoedigheid (vs. 39—41): die gezindheid, die ons tegenover anderen boven alle kleingeestige gehechtheid aan onze rechten verheft en ons, volgens de bijbelsche spreuk (Spr. 25:22; vgl. Rom. 12:20), zelfs kolen vuur op het hoofd onzes vijands doet hoopen, m. a. w. die hem over zijne vijandigheid beschaamd zal maken.
Ti. V ij andsliefde (vs. 44). Opmerking verdienen de drie verschillende typen van gedrag jegens vijanden, die de bijbel teekent in de drie verschillende tijdperken zijner geschiedenis van de menschheid. 1. Onder de oudste menschen wraakzucht (Gen. 4 : 23): Lamech, die eenen man doodsloeg om eene wond en eenen jongeling om eene buil. Dus; „Ik sla ii dood, als gij mij eene wond of maar eene buil slaat.quot; 2. Onder Israël wedervergelding (Exod. 21: 24; Lev. 24 : 20): „oog voor oog, tand voor tand.quot; Hiervan werd soms afstand gedaan, bijv. door Salomo ten gunste van den schuldigen Adonia (1 Kon. 1 :50—53). Dan was bij Jahwe vergeving in dezen zin, dat hij soms van zijn recht op straffende wedervergelding geen gebruik maakte. 3. Eerst Jezus predikte vijandsliefde, die ook in den vijand den broeder erkent en waardeert. Vgl. den barm-hartigen Samaritaan (Luc. 10:30—35). Dan is bij God vergeving in dezen zin, dat Zijne liefde, ondanks onze zonden, onveranderlijk dezelfde blijft; de hemelsche Vader houdt niet op ook in den zondaar Zijn kind lief te hebben. Vgl. den vader van den verloren zoon (Luc. 15).
Eindelijk wordt ons geheele gedrag uitdrukkelijk aan onze
23
betrekking met God verbonden in de slotsom (vs. 48): „Weest dan gij volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is.quot; In deze slotsom teekent Jezus het z e d e 1 ij k ideaal, waaraan wij ons moeten spiegelen: volmaaktheid in de liefde. Dit geldt onze bestemming, als gelegen niet buiten maar in ons, in zelfvolmaking, in eens zedelijke ontwikkeling waardoor wij Gods naam heiligen (6:96), d. i. God als „onzen Vaderquot; in eere houden.
Voor deze zelfvolmaking, die tevens ons leven stichtelijk voor anderen maakt, komt bij Jezus nog iets bijzonders in aanmerking. Zoo oorspronkelijk als hij zich betoonde in zijne idee van 's menschen kinderlijke betrekking met God, zoo eenig betoonde hij zich in zijne opvatting van Gods Koninkrijk, een bij de toenmalige Joden reeds bekend artikel. Bij hen gold het de heerschappij van hunnen God o v e r den mensch. Zij zagen er de voltooiing van te gemoet in een tijdperk, waarin ook het Heidendom Jahwe als God zou erkennen en al zijne vereerders zich door hartelijke gehoorzaamheid aan zijne wet zouden onderscheiden. Dus: een staatkundig-zedelijk rijk, met burgers in het volle genot van Jahwe's zichtbare zegeningen. Bij Jezus gold het eene heilige gemeenschap, waarin Gods kinderen ook don wil des hemelschen Vaders doen (7 : 21), m. a. w. de ver-eeniging dergenen i n wie God heerscht, zoodat zij voor hun gemoedsleven den vollen zegen hunner innige betrekking met Hem genieten — een rein-zedelijk rijk, welks voltooiing in „de toekomst van den Zoon des Menschenquot; te verwachten was. Nu komt echter de uitdrukking „Gods Koninkrijkquot; ook voor in eeneii gewijzigden zin. Als Jezus (G: 33 a) den zijnen het zoeken van dat rijk aanbeveelt, bedoelt hij blijkbaar iets persoonlijks, iets waarvan hun eigen godsdienstige gesteldheid afhing; Avant zij kon-
24
den wel het lidmaatschap der vereeniging zoeken, d. i. trachten te verwerven, maar niet de vereeniging zelve. Dan gold het datgene wat het Godsrijk in zijne burgers onderstelt, wat hen tot zijne burgers maakt: het kinderlijk doen van Gods wil, de heerschappij Gods in hun hart. Wij — om in het algemeen te spreken — moeten ons leeren overgeven aan God als den Koning onzes harten, als de bezielende macht van al wat in ons hart omgaat en van daar uitgaat. Vergelijken wij nog Luc. 17:21: „Gods Koninkrijk is niet hier of daar, maar binnen u.quot; Ook hier valt niet aan eene vereeniging te denken, al mocht Jezus met het slot van den zin bedoeld hebben: het Godsrijk b e-vindt zich onder u of in uw midden. Maar ditzelfde slot bevat eene tegenstelling, en deze komt niet tot haar recht tenzij aldus verklaard: het Godsrijk behoort in uw binnenste tehuis. Het heeft hier de waarde van ons, reeds verkrijgbaar, hoogste goed.
Met de verhouding, waarin Jezus ons tot Gods Koninkrijk plaatst, hangen samen: zijne opwekking om ons schatten in den hemel to vergaderen (Mattb. C:20); zijne waarschuwing tegen bezorgd zijn (vs. 25 vlgg.); zijne vermaning tot eerbied voor het heilige (7: 6).
Dat do Christen zich schatten in den hemel moet vergaderen mag niot, in don smaak dor latere Dogmatiek, verklaard worden als eene opwekking om voor den hemel te leven, ten einde eens in den hemel te komen. Van zulk eene opwekking zouden de discipelen niets begrepen hebben, daar zij niet anders dachten of de Christus zou in zijne heerlijkheid komen en blijven op aarde, om ook zijne ge-loovigen voor eeuwig op aarde in die heerlijkheid te doen deelen. Jezus spreekt hier van den hemel, niet als de plaats onzer bestemming, maar, overeenkomstig het volksgeloof, als
25
de woonplaats van God (vgl. Ps. 115:16). Bij God moet ons hart zijn; en zal ons hart zijn waar onze schat is, zoo moeten wij ons schatten vergaderen bij God, bij wien ze goed en veilig geborgen zijn, ofschoon altijd toegankelijk, altijd onmiddellijk te genieten, door het zoeken van Gods Koninkrijk. Deze schatten bestaan alzoo in hetgeen, voor ons gemoed, uit de rechte betrekking met God voortvloeit. He-melschgezindheid, die den godsdienst tot h e in e 1 d i e n s t maakt, is als onzedelijk te veroordeelen, omdat, ook onbewust, haar oorsprong schuilt in egoisme.
De waarschuwing van Jezus tegen „bezorgd zijnquot; betreft niet, wat de gewone opvatting stelt, het kweeken van angstige bekommernis, maar het zwoegen om een begeerd voorwerp. Hij waarschuwde tegen een tobberig leven in dienst van het lichamelijk of zinnelijk bestaan. Hij had het oog, niet op eene eigenaardige gemoedsstemming onder de ervaring van een kommerlijk lot, maar op eene eigenaardige levensrichting, zooals hij die bepaald aan de heidenen toekende (vs. 32a); — eene richting, die eten en drinken en kleeding verhief tot do alles overwegende voorwerpen harcr zorg. Schijnt toch hot gezegde (vs. 336); „Al deze dingen — voedsel en deksel — zullen u toegeworpen worden,quot; de gewone opvatting te begunstigen, dan is dit slechts schijn; want werkelijk doet zich daar alleen de taal der bezieling, der geestdrift hooren, eene stoute taal, soms zeer stout, maar daarom nog geen onzin. Jezus wilde in de zijnen zulk eene geloovige toewijding aan het hoogste, dat zij wisten heen te stappen over alle lagere zorgen, in vertrouwen op den hemelschen Vader (vs. 26, 30, 326), op wien zij die zorgen veilig werpen konden. Wat het zwaarste was, moest hun het zwaarst wogen. De zijnen moeten „eerst,quot; d. i. niet met verwerping van al het andere, maar boven
26
al het andere, zich ingenomen betoenen met het Godsrijk. Hierin bestaat de ware levenswijsheid, het wij s z ij n in het goede (vgl. Eom. 16: 19).
Als Jezus zegt; „Geeft het heilige den honden niet,quot; dan vermaant hij, in dezen sprcukmatigen vorm, tot eerbied voor het heilige, d. i. het zedelijk reine. E e r b i e d beteekent zedelijke waardeering. In denzelfdon zin wordt vaak het woord ontzag gebezigd, doch minder juist, omdat het eigenlijk niet hetzelfde uitdrukt. Ontziet een slaaf zijnen meester, dan bewijst dit wel dat hij hem vreest, maar nog niet dat hij hem zedelijk waardeert. Het heilige, dat aan het Godsrijk behoort, moet door ons in zijne zedelijke waarde gehandhaafd, niet aan onwaardigen gegeven worden.
Tot dusver het zedelijk leven volgens de beginselen van Jezus. In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat de trekken, waarmede het geschetst wordt, volkomen passen bij zijne idee van 's menschen kinderlijke betrekking met God, benevens die van Gods Koninkrijk. Dan moet ik er nog éenen trek bijvoegen, ontleend aan zijne persoonlijkheid, zooals zij zich Matth. 11 : 29 (vgl. 19 : 17« : „Wat noemt gij mij goed ? Niemand is goed dan een, namelijk Godquot;) aan ons voordoet. Leeren wij hem daar kennen als „nederig van hartquot;, zoo stemt hiermede samen, dat in het N. T., zelfs met zekeren nadruk (1 Petr. 5:5; zie voorts Hand. 20:19; Eph. 4:2; Phil. 2:3; Col. 3:12), ootmoed wordt gepredikt. Deze deugd bestaat in rechte zelfwaardeering, met het oog op het zedelijk ideaal volgens Matth. 5: 48. Zij is onder de Christenen ten allen tijde hoog geroemd, niet zonder reden: want evenals de liefde, in hare reinheid, sluit zij het egoisme, de liefde tot het eigen-Ik, geheel buiten, omdat deze soort van liefde in eiken graad den mensch blind maakt voor eigen zedelijk gebrek. De nederige belijdenis van den vol-.
27
ledig gehoorzamen dienstknecht, in Luc. 17 :10, is bijzonder gericht tegen de loonzucht der Joden op hun wettisch standpunt: de slaaf, die alles doet wat hem bevolen is, heeft op niets bijzonders aanspraak, daar hij slechts zijnen schuldigen plicht doet. Tegenover ootmoed staat hoogmoed, eene buitensporige zelfwaardeoring, die uit de hoogte, met voorname minachting, op anderen doet nederzien (vgl. Luc. 18:11). Met den ootmoed is niet in strijd gevoel van eigenwaarde, fierheid van karakter, geboren uit het besef van hetgeen mensch te zijn beteekent: als menschen, als kinderen Gods, moeten wij ons te hoog rekenen voor al wat laag, gemeen, onzedelijk is. De caricatuur van dit gevoel is ij d e 1 h e i d, kinderachtige zelfvergoding, een hunkeren naar hulde, hetzij om gewaande of overschatte verdiensten, hetzij om iets dat tot 's menschen innerlijke waardij niets afdoet.
Dat onze hoogste zedelijke kracht in Jezus' beginselen ligt, heeft Paulus gevoeld, toon hij ons heil van deelgenootschap aan den geest van Christus afhankelijk stelde (Kom. 8:9). Immers is onder geest te verstaan: een hooger levensbeginsel; iets dat in ons, volgons Gal. 5:22, als vrucht afwerpt „liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matig-lieid.quot; Vgl. met deze meest passieve deugden de actieve, volgens Phil. 4:8: „Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wél luidt, zoo er eenige deugd is en zoo er eenige lof is, bedenkt dat.quot; Ik breng hier Paulus ter sprake, om op deze niet onbelangrijke bijzonderheid te wijzen, dat hij „geloofquot; tot de Christelijke deugden rekent, ofschoon Jezus daarvan, naar de bestaande oorkonden, niets heeft te kennen gegeven. Mare. 16: 10 behoort tot een on-
28
echt slot des Evangelies. Wel is voor den mensch in 's levens strijd geloof eene onmisbare zedelijke kracht, vroom geloof ia zich zei ven, in de macht der waarheid, in de zegepraal van het goede; een geloof, dat blijkbaar ook Jezus bezielde en inderdaad als eene vrucht des Geestes mag gewaardeerd worden; doch hierover handelt de 'Synoptische traditie niet, tenzij zinnebeeldig onder het aldaar aangeprezen vertrouwen op wondermacht, die God verleent tot het volvoeren van grootsclie daden (bijv. Mare. 11: 22 vlg.), of die bij Jezus beschikbaar is tot het verkrijgen van ge-wenschte zegeningen (bijv. Matth. 9:22). Overigens vernemen wij alleen, dat Jezus bij zijne discipelen gemis van geloof aan Gods zorg voor hun lot en leven bestreed, als iets waarvan zij zeiven het onredelijke of, anders gezegd, het onbillijke gevoelen moesten (Matth. 6 : 26, 30; 7 : 11; 10 : 31). De nadruk, door Paulus gelegd op geloof als zede-lijk levensbeginsel (Rom. 1:17; Gal. 3:11; vgl. Habak. 2: 4amp;), valt bij Jezus op reinheid van hart (Matth. 5:8; vgl. met 12 : 35). Voorts zij nog bij „matigheidquot;, door Paulus genoemd, aangeteekend, dat in de streng vrome (ascetische) onthouding, in Col. 2 :21 gekenschetst als een „raak niet en smaak niet en roer niet aanquot;, de geest werkt van Johannes den Dooper, die kwam „noch etende, noch drinkendequot; (buitengewoon vastende) en zich in de woestijn van de samenleving afzonderende; terwijl Jezus kwam „etende en drinkendequot; en zich aan het gezellig verkeer niet onttrekkende (vgl. Matth. 11 :18 vlg.). In den geest van Jezus sprak Paulus van „de wereld gebruiken, als niet misbruikende (1 Cor. 7:31) quot;
Heeft Jezus zijn eigen beginselen altijd streng in het oog gehouden ? Deze vraag stel ik met zekere vrijmoedigheid, naar aanleiding eener hem toegekende uitspraak, die mij doet twijfelen.
29
Ik begrijp de stoute taal der geestdrift, als ik hoor zeggen ; „Wie vader of moeder, zoon of dochter, liefheeft boven mij, is mijns niet waardig (Matth. 10 : 37; vgl. 12 : 48—50).quot; Wat het zwaarste is, moet het zwaarst wegen. Zelfs de liefde tot de naaste verwanten is eene onheilige, als zij aftrekt van dat hoogste goed, het Godsrijk, waaraan Jezus zich wijdde. Maar ik begrijp niet, hoe hij kon zeggen: „Zoo wie zal verlaten hebben — onder meer — öf vrouw, of kinderen, óf akkers, om mijns naams wil, die zal honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven beërven (19:29).quot; Zoo sprak hij, die anders den echt als heilig eerbiedigde, die in het handhaven van de menschenwaarde der vrouwen en der kinderen voorging! (5:32; 18:10; 19:4, 6, 14). In deze beide trekken ligt immers een kenteeken van Gods Koninkrijk, weshalve het iets tegenstrijdigs zijn zou, daarop ten bate van dat rijk eenige uitzondering te moeten maken. Bedoelde Jezus in het algemeen het opofferen van bezit en genot, en sloot hij zich nu op populairen voet aan bij het toenmalige Joodsche rechtsbegrip, dat vrouw en kinderen eigenlijk nog rekende tot de levende have des mans, dan vraag ik, of niet die aansluiting de discipelen met de toepassing van zijne beginselen in de war moest brengen. Ook betwijfel ik, dat hij zich zoo sterk eudaemonistisch, zóo verlokkend voor de loonzucht, zou uitgedrukt hebben. Heeft hier misschien een onbekende naar eigen inzicht eene minder krasse uitspraak des meesters wedergegeven ? Zooals zij nu luidt, is ze voor ons niet bruikbaar. Volgens een humaner, meer Christelijk gevormd rechtsbegrip rusten op den man jagens vrouw en kinderen verplichtingen, die hij niet mag schenden, of hij handelt gewetenloos, soms strafbaar voor de wet. Beiden hebben rechten op hem; hij mag hen niet, om persoonlijke beweegredenen, aan hun lot overlaten:
30
de man en vader van een gezin heeft niet meer vrijmachtig over zich zeiven, ook niet over zijne goederen, te beschikken. In naam der rechtvaardigheid worde dit laatste, bij de quaestie over persoonlijke zelfopoffering voor anderen, niet uit het oog verloren; behalve wanneer ook de huisvader, door zijn beroep als militair, arts enz., plichtmatig tot die opoffering gehouden is.
Aangaande het zedelijk leven zij nog opgemerkt, dat het in den Heidelbergschen Catechismus (vr. 86) wordt voorgesteld als het leven van „vernieuwden tot het evenbeeld van Christus door zijnen Heiligen Greest, opdat zij met hun gansche leven Grode dankbaarheid voor Zijne weldaden bewijzen.quot; Het vloeit mitsdien niet onmiddellijk uit hunne vernieuwing voort, maar volgt er van hunne zijde op, als een leven van dankbaarheid. Dan wordt de zedeleer, naar toenmalige gewoonte, aan de Tien Geboden vastgeknoopt, waarbij de Catecheet den inhoud van elk gebod in zijne bijzondere kenmerken ontleedt (vr. 91—115). Later werd de zedeleer behandeld als eene leer of een stelsel van plichten, naar de woorden van Matth. 22 : 37—39 aldus ingedeeld: 1. plichten jegens God; 2. plichten jegens ons zeiven; 3. plichten jegens den naaste. Door deze indeeling werd in drieën gesplitst wat bij Jezus éen is; en door het zedelijk leven te binden aan stelselmatige bepalingen van gedrag behield het, wat het in anderen vorm ook bij den Catecheet had, een wettisch karakter, altijd in strijd met Jezus' bedoeling, soms ook met den aard van het onderwerp. Zóo werden eerbied voor, vertrouwen op en liefde tot God beschreven als plichten; geheel ten onrechte. Dit zijn gevoelens die zich, als gevolgen van indrukken, niet laten gebieden of voorschrijven. In waarheid kan er geen eerbied voor God bestaan, zonder eenigen indruk van Zijne heiligheid; even-
31
zoo geen vertrouwen op, geene liefde tot Hem, zonder innige gewaarwording van hetgeen Hij voor ons is. Een vast vertrouwen op Zijn bestuur, d. i. op de zegepralende macht van het zedelijk goede, kan niet gekoesterd worden, tenzij onder ervaring van die macht in eigen innerlijk leven. Van Jezus hebben wij geene uitspraak over eerbied voor God, en de liefde tot God stelde hij eenvoudig als kenmerk des godsdienstigen levens; maar in Matth. G: 26, 30; 7:11; 10: 29—31, vinden wij eene proef van zijne handelwijze, als het hem bij zijne discipelen om vertrouwen op de zorg des hemelschen Vaders te doen was: dan trachtte hij het te wekken door eenen, daartoe leidenden, indruk (vgl. boven, blz. 28). Voorts worde bedacht, dat het zedelijk handelen nooit stelselmatig in bijzonderheden te bepalen is. Wie daarvoor een vast programma wil volgen, streeft zeker menigmaal zijn doel voorbij; menigmaal zal hij ontdekken, dat de omstandigheden, ook de menschen met wie hij in aanraking komt, zich niet naar zijn programma schikken. Alleen beginselen zijn te bepalen, regelen aan te geven, maar dan moet, zooals vooral opvoeders ondervinden, de uitvoering met oordeel des onderscheids geschieden. Wat op zich zelf geoorloofd is, is soms als voorbeeld niet oorbaar (vgl. 1 Cor. 10:23); en de geringste onhandigheid bederft soms den edelsten toeleg. Zachtmoedigheid ga nimmer zoo ver, dat zij noodige tucht tegenhoudt; en barmhartigheid vergete nimmer, dat gevoelen in zekere mate nuttig kan zij a voor wio niet hooren wil. Wachten wij ons daarom voor „beginselruiterijquot;, het maken van beginselen tot een stokpaard, waarop men, zoodra het hunne toepassing geldt, door dik en dun voortholt; een verschijnsel, dat toch is te veroordeelen als van egoistischen aard, als teeken eener overmoedige, zich zelve verheerlijkende beginselvastheid. Zelfs komt nog somtijds de
32
les te pas: „Zijt voorzichtig, gelijk de slangen, en oprecht, gelijk de duivenquot; (Matth. 10 :16). Hebt gij de beginselen van Jezus zoo in uw hart opgenomen, dat zij de innerlijke drijfkracht mvs levens uitmaken, doet dan veilig, naar den raad van Paulus (Rom. 14; 5), gelijk gij in uw eigen gemoed ten volle verzekerd zijt. Bij dit laatste denke men niet aan iets onverschilligs; wat reeds door de bijgevoegde voorwaarde wordt buitengesloten. Uit een zedelijk oogpunt zijn alleen zulke handelingen onverschillig, die van geene zedelijke overwegingen, noch van ons karakter, afhangen. Anders behoort niemand iets te doen of te laten, tenzij in de vaste overtuiging, dat hij ten minste niet onbetamelijk handelt.
§ 3. Algemeene wijsgeerige beschouwing.
Met het zedelijk-godsdienstige leven, door Jezus tegenover het wettisch-godsdienstige der Joden aan het licht gebracht, komt ook onze geestelijke natuur, in hare eigenaardigheid, tot haar recht.
Het innerlijke der menscheunatuur, of wat wij den men-schelijken geest noemen, vormt éen geheel. Het bevat drie, wel bijzondere, maar onderling samenhangende vermogens: gevoels-, denk- en wilsvermogen (gevoel, verstand en w 11). Door ons gevoel ontvangen wij indrukken, die wij desbewust door middel van ons verstand begrijpen, en die, zooals ze begrepen worden, onzen wil in beweging brengen. Van het gevoel, als vermogen, onderscheiden wij het g e-
33
moed, als zotol van onze innerlijke aandoeningen (lust cn onlust, vreugde en droefheid, hoop en vrees) en gevoelens (welwillendheid, meewarigheid, dankbaarheid enz.); ook van onze ontvankelijkheid voor indrukken, die onze verhouding tot de sfeer van het zinnelijke te boven gaan. Dat met het bestaan dier aandoeningen en gevoelens in ongelijken graad het hart gemoeid is, zij hierbij aangestipt.
Onze innerlijke natuur is niet oorspronkelijk gelijk „een onbeschreven bladquot; of „een ledig vlakquot;. Haar geheele wezen wordt eigenaardig bepaald door eene werking, die wij, zooals zij ons gemoed doordringt, waarnemen en begrijpen als de werking eener hoogere, ons dragende en bezielende macht. Onder den indruk dezer gemoedservaring —■ de voornaamste grond voor ons geloof aan God — wordt onze wil gewekt, om ons dienovereenkomstig met die macht in betrekking te stellen. Aldus ontstaat godsdienst, waarbij God in ons zeiven gevonden wordt. Godsdienst verschaft ons eerst voldoening voor onze, door het gemoed werkzame, behoefte aan iets verhevens en verheffends dat wij kunnen aanbidden, m. a. w. waaraan wij onzen eerbied en ons vertrouwen en onze liefde kunnen geven. Eu deze gevoelens, als gevolgen van indrukken (vgl. boven, blz. 30 vlg.), nemen toe in kracht, hoe inniger onze godsdienst wordt; want des te meer ervaren wij, in ons gemoed, wat de Macht onzes levens voor ons beteeken t. De neiging tot aanbidding is zóo natuurlijk en daarmede zoo algemeen onder de menschen, dat zelfs zij, die van God niet willen weten, zich onwillekeurig iets tot hunnen god maken, bijv. gold, roem, kunst, of wat zij anders, naar hunne geaardheid, het hoogst schatten.
Komt het voor den godsdienst aan op ons gemoed, dat wij ons door God aangetrokken gevoelen, voor de beoefening
3
34
van den godsdienst komt liet aan op onzen wil, dat wij naar Gods werking in ons gemoed ons zeiven bepalen. Dit maakt het godsdienstig leven tot zedelijk leven in zijne volle kracht, als een gewillig doen van datgene waartoe God ons dringt, het goede: zoodat hier, evenals bij Jezus (vgl. boven, blz. 15), godsdienst en zedelijkheid onafscheidelijk éen zijn. Er moet gebroken worden met de zeer gewone meening, dat het godsdienstig leven in strekking afzonderlijk tot ons verkeer met God, en het zedelijk leven evenzoo tot ons verkeer met en onder de menschen behoort. Hetgeen God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet. De rechte betrekking met Hem neemt, met onze persoonlijkheid, ons geheele bestaan in, heiligt daarom voor ons ook elke bij -zondere betrekking waarin het leven ons plaatst, die van huisgenoot, lid der maatschappij en staatsburger: want Gods drang betreft al het goede, dat wij, in welk opzicht ook, te doen vinden. Nu kan — gelijk door sommigen (Altruïsten) geschiedt — onze betrekking met God geloochend of ter zijde gesteld worden, terwijl er toch zedelijk leven overblijft, waarbij alleen onze betrekking tot huisgezin, maatschappij en staat erkend wordt en dus alleen het beantwoorden aan hare eischen in aanmerking komt. Tegenover de ruime vraag: „Waartoe ben ik verplicht jegens God?quot; rijst dan de beperkte vraag: „Waartoe ben ik verplicht jegens anderen, jegens de gemeenschap?quot; Dit geeft zedelijkheid zonder of ten minste buiten samenhang met godsdienst: eene zedelijkheid op zwakke voeten! Zijn wij door een ingeschapen trek tot sociaal verkeer, tot samenleving onder verdeeling van arbeid, van nature gemeenschapswezens, hieruit volgt, dat voor de bevrediging van onze behoeften, voor onze geheele vorming en ontwikkeling, samenleving het onmisbare middel is. Daarom heeft de gemeenschap, die door de samen-
35
leving ontstaat, aanspraak op ons aller levendige belangstelling. Strekt zij ons tevens tot werkkring, zoo moeten wij ons best doen om tot hare nuttige leden te behooren, om haar te steunen en te helpen in hetgeen zij voor het menschenleven beteekent. Doch, al erken ik ten volle het recht van den socialen plicht, hoe zal hij mij, zooals zijne ernstige vervulling vordert, heilig worden? Door gemeenschapszin? Deze zin zal dan te verklaren zijn uit de werking van het sociaal instinct in redelijke wezens, die de ordelijke samenleving, waartoe het reeds bijen en mieren drijft, desbewust voortzetten. Ligt hierin iets heiligends, eenig beginsel, hooger dan de natuurlijke aandrift, dat mij dien plicht voor mijn bewustzijn onschendbaar maakt? Laat zich in elk geval het kweeken van dien zin met goeden grond verwachten, waar de gemeenschap, door velerlei aanleiding tot verwijdering en vervreemding tusschen hare leden, daartoe niet medewerkt? Gevoel ik mij echter bovenal verbonden aan die macht, die zich in mijn gemoed als den God mijns levens doet gelden, dan gevoel ik mij onmiddellijk, zelfs van gemeenschapszin onafhankelijk, gebonden door haren drang om het goede te plegen, ook, zonder aanzien van personen, jegens mijne medemenschen. Eerst met dit gevoel is degelijke zedelijkheid, zoowel in gezindheid als in gedrag, mogelijk.
Wat ons recht geeft, om van zulk eenen drang Gods in het gemoed te spreken, is het geweten, waarin die drang ons kenbaar wordt als een onvoorwaardelijk gebod: „Doe het goede.quot; In dit gebod bestaat de ongeschreven zedewet, de algemeene natuurlijke regel voor ons willen en handelen. Met geweten bedoelen wij: het bewustzijn van de verhouding onzer zedelijke gesteldheid tot die wet. Het staat, als het ware, tusschen God en ons in. Het is een mede-
36
weten (conscientie), namelijk een medeweten met of een vreten van ons zeiven, in betrekking tot iets bindends, een „gij moetquot;, voor onze persoonlijkheid. In deze betrekking doet het ons een waardeeringsoordeel vellen, niet enkel over onze daden, maar reeds over onze voornemens. Daarom is het voor ons tegelijk Gods tolk en onze rechter. Als Gods tolk heeft het steeds éene stem, dat éene onvoorwaardelijke: „Doe het goedequot;; maar zijne rechtspraak, uitgedrukt in ons eigen waardeeringsoordeel, verschilt, naarmate ons inzicht in het feitelijk goede zich wijzigt. Wat in bijzonderheden goed is, zegt het geweten ons niet. Dit moeten wij leeren in de school der samenleving, onder de leiding van ons zedelijk gevoel, d. i. ons gevoel onder de macht der indrukken van goed en kwaad. Dit gevoel lost zich dus niet op in eene bloote aandoening, maar werkt met een bepaald karakter. Het strekt om ons zelfstandig te doen onderscheiden, of hetgeen de samenleving met hare goed- of afkeuring stempelt werkelijk dien stempel verdient. Evenzeer als het ons in staat stelt tot waardeering van het goede, belet het ons de aanvaarding van wat ons eenen kwaden indruk geeft. Het betoont zich niet in allen even fijn, noch ten allen tijde even levendig. Bij de meerderheid verheft het zich niet boven het peil der heerschende zeden. Doch wat het voor het zedelijk leven kan beteekenen, blijkt genoegzaam in onzen tijd door den nadruk waarmede het zich uitspreekt tegen het voeren van oorlog anders dan tot zelfverdediging, tegen alle willekeurige uitoefening van gezag, tegen elk bewijs van zedeloosheid. Ontwikkeling van het zedelijk gevoel, zij het ook binnen engeren kring, is de oorzaak, dat vergoelijking van zedelijk kwaad, met aanzien van den persoon, minder dan vroeger voorkomt. Denken wij hier ook aan Jezus. Toen hij, tegenover hetgeen tot of
37
door de Ouden gezegd was, zijn; „Ik zeg uquot;, liet hoeren, deed zijn zedelijk gevoel hem zoo spreken (Matth. 5: 21 vlg.; 27 vlg.; 31 vlg.). Met het geweten staat in verband plichtbesef, het levendig gevoel van gebondenheid, een „ik moetquot;, ten aanzien van alles wat wij als plichtmatig of behoorlijk leeren eerbiedigen. Het belang van dat besef voor 's menschen zedelijke vorming vind ik opgemerkt in het gezegde (Luc. 12:48): „Wie den wil zijns heeren niet geweten heeft, en gedaan heeft dingen die slagen waardig zijn, zal met weinig slagen geslagen wordenquot;; dit verklaar ik, in onze termen, aldus: „Den mensch, die in onbekendheid met zijnen, anders kenbaren, plicht zondigt, moet toch met zekeren nadruk het bestaan van dien plicht aan het verstand gebracht worden.quot; Plichtmatig, d. i. zedelijk goed, noemen wij over het geheel wat voor het menschen-leven, in zijne hooge beteekenis, past. Doch nu volgt de vraag, hoe deze beteekenis wordt begrepen. In het bewustzijn dor Oudheid stond de nationaliteit bovenaan. De persoon ontleende al zijne waarde aan het volk, waartoe hij behoorde, en aan de plaats, die hij onder zijne volksgcnooten innam. De beschaving droeg toen een nationaal, en niet — gelijk later onder den invloed des Christendoms — een meer internationiaal, karakter. Bijv. do Israëliet mocht niet zijnen naaste, den volksgenoot, berooven (Lev. 19 :13), maar wol den Egyptenaar (Exod. 3:22); aan den vreemde zou hij woekeren, maar aan zijnen broeder zou hij niet woekeren (Deut. 23 : 20); ook moest hij — gelijk wij (blz. 10) reeds gehoord hebben — den naaste liefhebben als zich zeiven (Lev. 19:18), maar den vreemdeling alleen, wanneer en zoolang deze, onder voldoening aan zekere godsdienstige voorwaarden, in Israel's poorten verkeerde (Lev. 19:34). Wel geloofde de Israëliet, sinds de ballingschap.
38
dat zijn Jahwe, de Heer des hemels en der aarde, bestond als de schepper van alle menschen, maar tevens, reeds volgens de groote profeten, dat Israël door Jahwe uit alle menschen tot zijn eigen volk verkoren was. Van de zedelijke menschenwaarde, voortvloeiende uit eene algemeene hoo-gere betrekking met God, had hij, ook als kind van zijnen tijd, geen begrip. Eerst een profeet als Jezus zou haar lee-ren, met al de daarbij passende gezindheden. Kortom, de opvatting van de beteekenis des menschenlevens, en bijgevolg die van het feitelijk plichtmatige, hangt af van het gehalte der beschaving, waartoe de mensch gekomen is. Hierdoor wordt zijn z e d e 1 ij k bewustzijn bepaald, namelijk zijne bewustheid van hetgeen hij, in de practijk des levens, als goed of als kwaad heeft te beschouwen. Er is derhalve een standpunt van ontwikkeling denkbaar, waarop uit een zedelijk beginsel eene den mensch onwaardige, maar nog niet als zoodanig begrepen, daad kan gepleegd worden. Vgl. het verhaal aangaande Abraham, zooals hij, uit gehoorzaamheid aan God, zijnen zoon ging otteren (Gen. 22).
Het begrip van plicht betrof altijd iets dat ten uitvoer gebracht moest worden. Dienvolgens leid ik het woord af van plegen, ten uitvoer brengen, en niet, met anderen, van plegen, gewoon z ij n, al onderstel ook ik, dat het zedelijk leven primitief in het naleven van gewoonten bestond. Nu is het voor onze plichtsbetrachting niet hetzelfde, hoe wij haar aanvaarden. Doen wij wat het geweten, als Gods tolk, ons gebiedt, niet omdat wij het ook willen, maar als gedwongen door het gezag van dat gebod, dan is onze zedelijkheid slechts w e 11 e 1 ij k h e i d. Hierbij mogen wij niet berusten; het gemoed dringt ons verder, tot inniger betrekking met onzen hoogsten wetgever. Wij moeten handelen, niet uit plichtbesef, omdat wij ons ge-
39
bonden gevoelen, maar gewillig olgens dat besef; m.a. w. wij moeten uit eigen aandrift, in overeenstemming met ons plichtbesef, ons zeiven bepalen. Deze overeenstemming is voor ons handelen altijd en volstrekt noodig, om het tot iets zedelijks te wijden; en die aandrift moet zoo sterk zijn, dat bijkomende invloed van medewerkende drijfveeren (gevoel van lust, uitzicht op voordeel) overbodig, die van tegenwerkende drijfveeren (gevoel van onlust, vrees voor nadeel) krachteloos is. Dan houdt het gebod voor ons op een gebod te zijn, maar wordt en blijft het de uitdrukking van de leus onzes harten. Deugd is het goede, voor zoover de mensch het zich desbewust eigen heeft gemaakt. Zij wortelt derhalve niet in neiging, in iets dat ons blindelings drijft, maar in gezindheid, in eene besliste richting van den wil, waartoe het hart dringt: want gezindheden worden in het hart gekweekt. Een goedig mensch is nog niet een zedelijk goed mensch; zonder zedelijke gezindheid bestaat er geene deugd in den waren zin des woords. Men verwarre niet, zooals sommigen schijnen te doen, gezindheid met bedoeling. Do deugdelijke gezindheid houdt zich stipt aan recht en gerechtigheid, waarop de goede bedoeling niet altijd bedacht is. Toch kan het eene onrechtmatige handeling nooit goed maken, dat ze met zulk eene bedoeling werd verricht. Zekere „Nuttigheidsmoraalquot; (van J. Stuart Mill), die den menschen het grootst mogelijk geluk, d. i. genoegen met afwezigheid van smart, wil bezorgen, leert dat het voor ons, om iemands leven te redden, plicht kan zijn te stelen, of iets dergelijlis te doen. Maar deze Moraal wordt practisch immoreel: want stelen, althans in den gewonen zin van roeven, is en blijft eene daad, die tegen elk redelijk begrip van recht indruischt. In het
40
gestelde geval zou het zijn: den reddenden engel spelen, ten nadeele van derden.
Er zijn evenwel dusgenoemde natuurlijke deugden, waartoe de mensch niet door zijne gezindheid, maar door zijn natuurlijk gestel of temperament gedreven wordt. Al missen ze daarom het merk van een zedelijk gevormd karakter, toch zijn ze voor het onderling verkeer niet te versmaden. Zoo de goedwilligheid en vrijgevigheid van het galachtig (cholerisch), do bezonnenheid en verdraagzaamheid van het koelbloedig (p h 1 e g m a t i s c h), de opgewektheid en vroolijkheid van het bloedrijk (sanguinisch), de ernst en trouw van het zwartgallig (melancholisch) gestel. Op deze „deugden valt echter nooit te rekenen: want de temperamenten doen zich in niemand zuiver elk op zich zelf voor en zijn bovendien met 's menschen leeftijd aan wisseling onderhevig. Een kerkvader der eeuw (Augus-tinus) en een Schoolsch godgeleerde dor 12ile eeuw (Petrus Lombardus) maakten ook onderscheid tusschen m o r e e 1 e deugden, die tot de eischen des gewonen levens behooren, en theologische, die rechtstreeks op God betrekking hebben. Tot de eerste soort brachten zij dit viertal: wijsheid, rechtvaardigheid, matigheid, dapperheid; tot de tweede dit drietal: geloof, hoop, liefde. De moreele, tot dat viertal beperkte, deugden worden ook philosophise he genoemd, omdat zij aan eonen wijsgeer (Plato) ontleend zijn; en tegen de theologische meen ik te moeten aanmerken, dat het drietal, zooals het bij Paulus (1 Cor. 13: 13) voorkomt, niet een dengdenstelsel vormt, maar veeleer een kort begrip des godsdienstigen levens opgevat als een geloofsleven (vgl. boven, blz. 28), met dé heerlijkste hoop verbonden en door de liefde werkzaam. Dan is do liefde tot God te beschouwen niet als eene bijzondere deugd, maar —
41
wat ook die Sclioolsche godgeleerde wilde — als de bron van alle deugden, vermits zij in de praetijk op liefde tot het goede neerkomt. Spraken wij van karaktervorming, sommige Moralisten (o. a. Schopenhauer) willen er niet van hooren, omdat zij het karakter onveranderlijk en dus voor vorming onvatbaar achten: maar dan verwarren zij het met n a t u u r 1 ij k e n aard. Karakter is datgene waartoe de mensch, door standvastig willen, innerlijk zich zeiven maakt, terwijl de richting van den wil op het goede aan het karakter zedelijke waarde geeft. Onze natuurlijke aard, die wortelt in het zinnelijke bestanddeel onzer natuur, blijft, met dit bestanddeel, onveranderd, nochtans zonder eenig moreel bezwaar op te leveren. Boven al het bijzondere, dat ons eigen is, staat onze menschennatuur in haar geheel, indien nu maar hare goede, geestelijke kern zich ontwikkelt en in ons de overmacht verkrijgt: dan wordt ook de werking van den natuurlijken aard daardoor beheerscht.
Is het zedelijk loven onmiddellijk aan onze betrekking niet God verbonden, dan bestaat er, wat ook Jezus (Matth. 7:21) te kennen gaf, eigenlijk maar éen plicht: gehoorzaamheid aan God; het doen van Gods wil, gelijk wij dien in ons binnenste vernemen; oen leven voor het zedelijk goede. Zóo beschouwd valt er niet, met Moralisten van vroegercn en latcren tijd, in ons practisch loven aan oenen s t r ij d van plichten te denkon. De Casuïstiek, de leer waarin deze strijd werd behandeld, hield zich bezig met de regelen volgens welke gevallen (c a s u s), die bezwaar voor het geweten opleverden, te beslissen waren. Dit verwekte nu een redeziftend goochelen met de toepassing van algemeene voorschriften op allerlei bijzondere toestanden. De Jezuïeten zijn er sterk in geweest, daar zij er
42
een middel in vonden tot beheersching van de gewetens. De aanhanger van eene wettelijke zedelijkheid kan nog altijd in eenen strijd van plichten geraken, als omstandigheden hem gebieden wat hij door God verboden acht. Voor hem daarentegen, die door zijne gezindheid boven dar wettelijke standpunt verheven is, kan geene enkele omstandigheid tot zulk eenen strijd aanleiding geven; zijne gezindheid strekt hem steeds tot een veilig geleide. Heeft hij bv. te doen met eenen kranke, die ter wille van zijn gestel met zijnen waren, gevaarlijken toestand onbekend moet blijven, en wordt hij door dezen over zijnen toestand ondervraagd, dan weet hij, dat hij onbarmhartig, dus onzedelijk, zou handelen door de waarheid te zeggen; dan verbergt of ontwijkt hij voor den betrokken persoon de waarheid, niet met leugenachtig opzet, maar uit een groot, voor hem overwegend, zedelijk beginsel, uit liefde. Komen hem soms gevallen voor, waarin hij het over de beste manier van handelen niet terstond met zich zeiven eens kan worden, dan raakt dit slechts den vorm zijner plichtsbetrachting: bijv. in genoemd geval, als hij toch dien kranke moet aanraden, orde op zijne zaken te stellen. Daarbij komt het aan op tact.
Tot aanbeveling voor een leven aan het zedelijk goede gewijd kan nog dienen, dat het, als zijne vrucht, z e d e-1 ij k e goederen voortbrengt. Hiertoe behooren; een onergerlijk geweten of gemoedsvrede, een onwankelbaar vertrouwen op de macht van het goede, volharding onder beproeving en standvastigheid tegenover verzoeking, innige levenslust en stervensmoed, ook het bezielend gevoel van nut te stichten.
43
§ 4. Bijzondere wijsgeerige beschouwing.
Na deze algemeene beschouwing van onze geestelijke natuur, in verband met het zedelijk leven volgens de beginselen van Jezus, komen nog een paar belangrijke zielkundige bijzonderheden in aanmerking: het bestaan van zonde en onze zedelijke verantwoordelijkheid.
1. De macht, die zich in ons gemoed als hoogste wetgevende macht doet kennen, handhaaft zich ook in wat wij de zedelijke wereldorde noemen. Onder deze orde verstaan wij: de onveranderlijke samenwerking van alle dingen in de menschenwereld tot een zedelijk doel. Volgens deze orde is de wereldgeschiedenis tevens het wereldgericht; draagt al het goede en kwade in het leven der volken zijne eigenaardige vrucht; zoekt elk verbroken evenwicht, elke misstand op sociaal en politiek gebied herstel, zelfs tot den prijs van volkswoelingen en omwentelingen. Volgens deze orde ontstaat er in ons zonde, als een toestand van gestremde ontwikkeling, in strijd met onze zedelijke bestem-ming, en dan dient wederkeerig de zonde, door hare jammerlijke gevolgen, vooral door hare pijnlijke werking in ons gemoed, om ons de oogen te openen voor hetgeen wij werkelijk geworden zijn. Door zulke gevolgen straft de zondo zich zelve, werkt zij, ondanks zich zelve, aan haar eigen vernietiging, aan de bevordering van het goede. Do zonde heeft geene bijzondere kiem in den mensch. Als levend wezen heeft hij instinctmatig het leven lief. Zijne bewegingen en handelingen richten zich aanvankelijk op levensbehoud, weldra ook op levensgenot, op hetgeen hem, voor zijn nog onbewust zelfgevoel, aangenaam aandoet, al betreft
44
het vooreerst uitsluitend het zinnelijke, als de sfeer waarin zijn aanzijn begint. Naarmate de mensch in bewustzijn toeneemt, wekt dat instinctmatige zijnen wil, waarbij hij dan geheel wordt geregeerd door begeerten en lusten, aan zijn streven naar eigen levensbehoud en levensgenot verbonden. Eenmaal komt hij echter tot de ontdekking, dat hij ook met anderen rekening heeft te houden, dat zijn willen van hetgeen hem zeiven drijft hem in strijd brengt met eischen, die zijne omgeving hem stelt. Hierdoor ontwaakt in hem besef van geoorloofd en niet geoorloofd, goed en kwaad. Naar dit besef moet hij zijn willen regelen. Is hij tot zóo veel nog niet bij machte, schiet zijne innerlijke ontwikkeling daarvoor tekort, zoo vervalt hij tot wat haren vereischten voortgang stuit, tot zelfzucht, en is in hem, met deze zedelijke ontaarding van zijn zelfgevoel, het bestaan van zonde beslist. Dan blijft hij de speelbal zijner begeerten en lusten, en leidt hij voor zijn eigen persoon een leven — gelijk het Rom. 8; 12 heet — naar het vleesch. Wel is hij van nature daartegen gewapend: wel bezit hij in zijn zedelijk gevoel het vermogen, om op die begeerten en lusten terug te werken: maar ooJi dit vermogen moet zich ontwikkelen.
Vindt do zonde haren oorsprong in stremming van onze zedelijke ontwikkeling, dan vormt zij eenen toestand, die bij k r a n k h e i d, als abnormale lichamelijke toestand, mag vergeleken worden, en troft deze vergelijking samen met de bijzonderheid, dat Jezus den zondaar als eenen zedelijk kranke beschouwde en behandelde (Matth. 11: 5). Ook is er dan eigenlijk maar i'eno z o n d e, namelijk die ziekelijkheid, die troebele gesteldheid dos harten, waaruit, volgens Jezus (Mare. 7 : 21), voortkomen „kwade gedachten, overspel, hoererijen, doodslag, dieverijen, gierigheid, boosheden, bedrog, ontucht.
45
een boos oog, lastering, hoovaardij, onverstand,quot; kortom, alle mogelijke, ook de ergste zonden.
Jezus sprak (Matth. 12:31 vlg.) van eene volstrekt onvergeeflijke zonde: lastering tegen den Heiligen Geest. Hij had toen het oog op Farizeërs, die eene kracht, blijkbaar tegen den „duivelquot; gekeerd, en dus heilig, nochtans aan de werking des duivels toeschreven. De waarheid zijner uitspraak is voor ons deze: wanneer men niet iets edels kan zien verrichten, zonder het moedwillig op rekening van onedele beweegredenen te stellen, dan bewijst men slechts zijn eigen zedelijke verdorvenheid.
2. Als redelijke, d. i. in den ruimeren zin des woords, zelfbewuste wezens behooren wij ons rekenschap te geven van alles wat in ons hoofd en hart omgaat, om te weten of het ons past, of hetgeen wij denken en ge%Toelen en willen onzer, in onze hoogere menschelijke hoedanigheid, waardig is. Reeds daarom zijn wij ook verantwoordelijk voor ons gedrag: wij moeten weten wat wij doen. Deze zedelijke verantwoordelijkheid onderstelt in het algemeen onze wilsvrijheid, dat namelijk anderen ons niet kunnen dwingen om iets te willen of niet te willen; in het bijzonder ontleent ze haren diepsten grond aan het, door ons (blz. 44) reeds aangewezen, zielkundig feit, dat wij innerlijk zijn toegerust met een weerstandsvermogen tegen alle zedelijke invloeden en drijfveeren, die ons met onze menschenwaarde in strijd brengen. Laten wij dit vermogen nog onbeproefd, of denken wij er niet aan hot te oefenen, dan zijn wij alsof wij het niet bezaten en geldt ons de wonderspreuk (Matth. 13:12): „Wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft.'' Toch blijft rechtens, wegens dat aangeboren vermogen, onze verantwoordelijkheid onver-
46
dacht. Alleen maken, sommige omstandigheden, zooals zwakheid van geestvermogens, het opgroeien in eene slechte omgeving, den zedeloozen mensch minder toerekenbaar. De quaestie van den v r ij e n wil raakt eigenlijk de vrijheid van den persoon bij zijn willen: wantin werkelijkheid bestaat er geen wil als een bijzonder iets, wel een willend wezen. Dit past — terloops opgemerkt! — evenzeer op ons gevoel en verstand (rede, als denkvermogen): in hetgeen beide, ook bij wijze van ingeving of van intuïtie, ons schijnen te zeggen uiten wij immer, hoewel dan onbewust, ons zei ven als gevoelende en denkende wezens. Wat nu 's men-schen willen aangaat, hierbij is hij nooit vrij in dezen zin, alsof hij willekeurig, op een en hetzelfde oogenblik, bij twee tegengestelde gegevens, zich evenzeer tot het éene als tot het andere kon bepalen. Mist zijn karakter nog alle vorming, dan valt er zeker, bij eene keus van zedelijken aard, geen enkel oogenblik op hem te rekenen, vermits het telkens de vraag is, in welk eene luim hij verkeert: maar intusschen wordt hij door luim bestuurd. Ons willen heeft altijd zijne oorzaak; de richting, die het neemt, hangt altijd en in alle opzichten af van onze persoonlijke gesteldheid, naarmate wij lichamelijk of geestelijk op invloeden endrijf-veeren terugwerken. De lichamelijk kranke weigert het voedsel, dat hij anders vraagt. De zedelijk kranke heeft gee-nen lust tot het goede. Vandaar het, ook door Jezus gehandhaafde, recht, om uit iemands kenmerkende handelwijze te besluiten tot zijne zedelijke geaardheid (Matth. 7 : 16—20). Wij zijn zedelijk vrij, wanneer wij innerlijk zóo gesteld zijn, dat geen tegenwerkende invloed ons kan aftrekken van het voldoen aan de zedewet in ons; m. a. w. z e d e 1 ij k e vrijheid bestaat in de zedelijke, door strijd en oefening verworven, macht, om met onkreukbare trouw onze heilige
47
roeping te volgen. Wie tegenover zijne zinnelijke neigingen en driften zich. zeiven meester weet te zijn, is vrij. Wie zich. door dat zinnelijke laat overmeesteren, is slaaf, valt in de noodlottige macht van den hartstocht. Hartstoc ht is eene duurzame begeerte, zuo sterk geworden dat zij 's menschen willen beheersclit. Zijne noodlottige macht betoont zich. hierin, dat zij elke hoogere richting van ons willen in de geboorte verstikt: denken wij aan de woorden (Rom. 7: 19): „Het goede, dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.quot; Hij verhit de verbeelding, zoodat hij ons kalme bezonnenheid en een onbevangen blik op de wereld ten eenenmale ontrooft, ofschoon hij voor eigen gebruik het verstand scherpt. Wordt de hartstocht niet gebreideld, dan bewerkt hij onbekeerlijkheid, eenen toestand van zedelijke verharding; zijne macht is de dood voor onze zedelijke kracht. Toch stelde Jezus zich ten doel, bij het genezen van zedelijk kranken, ook zedelijk dooden op te wekken (Matth. 11:5). Dan moet de gemoedsdrang, die tot God voert, zóo sterk in ons gewekt worden, dat er herleving van onze zedelijke kracht mede gepaard gaat. Inmiddels dient ons voor ons zeiven het gebed, als tolk van diep gevoelde behoefte aan gemeenschap met Grod, aan Zijne heerschappij in ons hart.
Met onze zedelijke verantwoordelijkheid hangen samen de aandoeningen van schuldgevoel, berouw, wroeging. Schuldgevoel is het gevoel, dat men schuld heeft aan, oorzaak is van iets kwaads; dat men voor zijn eigen geweten onverantwoordelijk heeft gehandeld, in strijd met hetgeen men had behoor en te doen. B e r o u w — niet te verwarren met s p ij t, omdat wij iets kwaads hebben gedaan; dus enkel leedwezen over de gepleegde daad — is, in zuiver zedelijken zin, het gevoel van onlust, van smart,
48
omdat wij hebben kunnen misdoen, omdat onze zedelijke toestand er ons toe in staat stelde. Beide, schuldgevoel en berouw, maken al zoo niet het begin van innerlijke bekeering, d. i. van zinsverandering, uit, maar bewijzen, dat deze inderdaad reeds begonnen is. De zinsverandering openbaart zich uiterlijk door terugkeer van den boozen weg; en de bekeering wordt voltooid in, war het N. T. (Rom. C : 22; 1 Thess. 4:3; Hebr. 12 :14) noemt, heiligmaking (heiliging), d. i. duurzame toewijding aan God. Wroeging betreft een misdrijf dat niet meer is goed te maken; zij ontstaat in den nog niet verstokten menschdoor eene terugwerking van zijn beleedigd zedelijk gevoel, soms zoo machtig dat hij tot vertwijfeling komt (vgl. Judas Is-cariot en tegenover hem Petrus).
Wij sluiten dit gedeelte met de vraag, welk eene toekomst wij voor het zedelijk leven mogen verwachten. Letten wij op de teekenen van zedelijke verwildering, die ons omringen, dan zinkt onze verwachting: maar zij rijst, als wij denken aan de zedelijke wereldorde, wier werking onder het mensch-dom op vooruitgang in zedelijke ontwikkeling gericht is, en aan het onloochenbare feit, dat de mensch, door het eigenaardige zijner geestelijke natuur, op zedelijk leven aangelegd, d. i. tot zelfontwikkeling ten goede bestemd (vgl. boven, blz. 23), is. Op onzen zedelijken aanleg, op 'smen-schen vatbaarheid voor zedelijke vorming, werd ook gerekend in de gelijkenis van den vijgeboom (Luc. 13 : 6—9). Doet deze aanleg zich nog niet in ieder gelden, toch is hij in ieder aanwezig en in niemand gansch werkeloos. Dit blijkt uit de algemeenheid van het plichtbesef, waarvan zelfs bij den verdorvensten mensch sporen te ontdekken zijn. „Pleeg jegens hem eenig geweld, waartegen hij zich niet kan verweren, dan is dit voldoende om van hem te
49
vernemen: dat moogt ge niet! Wil hij van geenen plicht hooren, toch zal hij nog altijd op zijn recht staan; en wat is dit anders dan dat hij bij anderen eenen plicht te zijnen opzichte onderstelt? (Rauwenlioiï)quot;. De algemeenheid van het plichtbesef geeft ons recht tot de verwachting, dat 's menschen aanleg, waardoor het wordt bewerkt, zich ook zal handhaven. Deze aanleg vervalt evenmin als de mensch ophoudt van nature een redelijk wezen te zijn.
Met het oog op den heerschenden tijdgeest is het misschien niet overbodig op te merken, dat de beginselen van Jezus hem niet drongen om zich met enkel civiele of dito politieke quaestiën in te laten: vgl. Luc. 12:14, over het verdeelen van eene erfenis, en 20: 22 vlgg., over het betalen van schatting aan den Keizer. Ook is het misschien, bij het hedendaagsch geroep om „een menschwaardig bestaan,quot; niet ongepast te herinneren, dat volgens Jezus dit bestaan niet is te verkrijgen door eten en drinken en kleeding. Hij erkende onze lichamelijke nooddruft in haren ganschen omvang (Matth. G: 326). In het „Onze Vaderquot; heeft hij zelfs eene bijzondere bede om ons dagelijksch brood opgenomen (6: 11). Hij deed dus niets tekort aan de waarheid, dat zoogenaamd stoffelijk welvaren voor het
4
50
leiden van een waardig menschenleven geenszins iets onverschilligs is. Maar dit leven zelf stelde hij eerst bestaanbaar door het zoeken van Gods Koninkrijk. Men vergete niet, dat stoffelijk welvaren, ofschoon beter raadsman dan honger en gebrek, volstrekt geenen waarborg voor zedelijk welvaren oplevert. Zijn met het Christendom van Jezus de armen en noodlijdenden nog niet, of niet terstond, geholpen, toch zijn er bij voorbaat mede geholpen wie in ernst willen bouwen aan een en menschelijken heilstaat: want daarvoor is geen degelijker grondslag te vinden dan in den geest van Jezus, als een geest van matigheid en rechtvaardigheid en godzaligheid (vgl. Tit. 2; 12). Deze geest brach t ook mede, dat hij barmhartigen zalig sprak en het lot der samenleving verbond aan de toepassing van dezen tweevou-digen regel: „Hebt uwen naaste lief als u zeiven; alle dingen, die gij wilt dat u de menschen zouden doen, doet gij hun ook alzoo.quot; De grootsche gedachte van Jezus, het alge-meene kindschap Gods, sloot in zich zedelijke waardeering van elkander; de vorming van eene samenleving, gegrond op de onderlinge hoogere verwantschap harer leden, en mitsdien ook van een familieleven, gegrond op zulk een monogamisch huwelijk, waarin de vrouw rechtens de wederhelft des mans is: maar tot het sociale, reeds onvermijdelijk met verdeeling van arbeid samenhangende, onderscheid van rang en stand strekte zij zich niet uit. Wint deze gedachte veld, dan wordt de menschenwereld niet gemaakt tot een tooneel van den strijd om het bestaan, zooals die in de dierenwereld woedt; dan zoekt niemand zijne sterkte in de verzwakking van anderen, maar zullen de sterkeren de zwakkeren steunen en schragen, om hen te bewaren voor den ondergang. Deze gedachte wekt alvast dat solidariteitsgevoel (vgl. boven, blz. 17), dat, tegenover de maatschappelijke nooden, voorde
51
Kaïnsvraag: „Ben ik mijn broeders hoeder?quot; (Genes. 4:9) en voor den Gallioosgeest, „die zich deze dingen niet aantrektquot; (Hand. 18; 17), geene plaats meer openlaat. Het Christendom, volgens de beginselen van Jezus, wil slechts éenen strijd onder ons, den wedstrijd om het meest in heilige liefde uit te munten. Het dient niet tot controle voor sociale theorieën, tenzij ze op zedelijke beginselen betrekking hebben. Voor zoover de oplossing van eenig sociaal vraagstuk met staathuishoudkunde te doen heeft, ligt zij niet in het Christendom, doch niet daarbuiten, voor zoover zij met de menschen te doen heeft. Daarbuiten werkt elk middel, ook de loiïelijkste inrichting, tegen zedelijk verval van den naaste slechts als een palliatief, niet als een medicament. De beste mensch, en bijgevolg in zedelijk opzicht de beste huisgenoot en het beste lid der maatschappij en de beste staatsburger, is de zoodanige, die in elke levensverhouding zijn licht laat schijnen, door eenen handel en wandel in Jezus' geest. De sociale „hervormer,quot; die het Christendom wel erkent, maar enkel uit politieke overwegingen betreffende het algemeen belang, bijv. wegens bruikbaarheid als kerkelijke macht ter beteugeling van de groote menigte, maakt het tot een sociaal fetisisme, den eeredienst van een geestelijk behoedmiddel, waarbij het zijn rein zedelijk gehalte inschiet.
De sociale waarde der zedelijke beginselen van Jezus bestaat alzoo hierin, dat zij de oorzaak van alle maatschappelijk kwaad, voor zoover die in de menschen zeiven schuilt, wegnemen. Daarom dienen zij niet, om het menschen-leven voor zekere tijdsomstandigheden te regelen, maar om het voorgoed te beheerschen. Zij wachten nog altijd, reeds achttien eeuwen lang, op degelijke practische waardcering. Willen wij hiermede beginnen? Zoolang die waardeering
52
achterwege blijft, komt het niet te pas, ze als onbruikbaar af te wijzen, of zelfs hunne deugdelijkheid in twijfel te trekken. Dit strekke tot antwoord op veler vraag, wie voor het nieuwere menschengeslacht het wachtwoord des heils spreken zal.
|
Biz „ 19:18......16, 37 1 Sam. 19:11-14 .... 21 |
Biz. „ 5:8.....19, 28 „ 5:22......14, 18 „ 5:32 ...... 20, 29 „ 5:39—41. . . . 14,22 rgt; • 44 22 „ 5:48.....19,23,26 |
54
|
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
55
|
KI;:. |