mBmmmW:
iït^spj f. - 1
â ; â nmnTiMi II
% â *J T{r4 â \ quot;J
' | - â â
- : ONDER DE MILITAIREN
IPSI
v^V
WiWS0!féMm
J Â¥AN BÃIJEEEN,
quot;⢠' ' ⢠:r quot; :. â¢' ;-c . ⢠l...quot; â gt;â¢â¢ : , â â â¢â¢ :gt; Divpctfiw WLVi het TeJiuift vooi* Militctivsti
M^-vw. Xyy/V*AVV9 â ,y\A/wv wwv ., isrvtmi't_gt; x, - V^VK* TSWV
door
'⢠â â lt;e 'e-Gravenhage.
i . !
r lt;t 'C -H
Ãëü%
) ⢠,', ' -
vr^, . lt;â ,- ;
4m^c* üi5
itf
quot;M-''' ï
wm
op 20,
22 Novemher 1893.
â¢W-Sv
^â r i®S
â â¢'-v:;V'vX', ïfr^d
SOLà »10 GLOKIA, , :
â¢â¢ââ-..............âquot; , ,
ÃP:
^Â¥r;:
r\-l, :
%.-n
l'v ,. i '
lï .?;â¢
⢠^
..........T 1 â â ' '
' - 's-GnAVENHAGE,' 1
V;: ' ⢠Firma H. J. CxEREETSEN. ^ - 1894.
% yp'
m
iSiSi
1
NA VIJF-EN-TWINTIGJARIGE EVANGELISATIE ONDER DE MILITAIREN
EN
VERDERE EVANGELISCHE WERKZAAMHEDEN
DOOR
J. VAN BEIJEREN,
Directeur van het Tehuis voor Militairen te ,s- Gra venhage.
A.
Ter gedachtenis aan onze Feestdagen op 20, 21 en 22 November 1893.
S o li Deo Gloei
i.-quot;, - ,
v .'V' quot; ⢠- .
- V' quot; gt;â -»
I
Ã/BtlOT; l
'S-GR.wexhagk: , ' quot; ------'
FIRMA H. J. GERRETSEN,
1894.
__S . .
4 £
I i
schenking uit dü. bibliotheek, van â¢p m. de koningin
I.E1UEN: STOOMDRUKKERIJ VAN L. VA.N NIFTERIK 11Z.
Vriendelijke Lezer!
In den schoonen 103lt;len rijmpsalm staan de woorden, zoo vaak door ons gezongen: »
âVergeet niet één van Zijn weldadigheden.
Vergeet ze niet, 't is God die ze u bewees.quot;
En zoo ooit, nu vooral, is het mij eene behoefte des harten, de weldadigheden Gods, mij bewezen, dankbaar te gedenken, nu mij het groote voorrecht is geschonken geworden, om te mogen herdenken, wal God gedaan heeft, gedurende de laatste vijfentwintig jaren, door onzen geringen dienst in het Evangelie.
Ik meende niet beter te kunnen doen, dan al wat op onze feestdagen gedaan, gesproken en gezongen werd, voor zoo ver het mij mogelijk was, op schrift te stellen, opdat hetgeen door velen met belangstelling werd gehoord, ook door meerderen nog met zegen moge worden gelezen. Dat God door veler dankzegging verheerlijkt moge worden, is de hoogste â wensch en de hartelijke bede van uw broeder in Christus.
J. VAN BEIJEREK
INHOUD.
1. Om te doen gedenken..........
2. Gredacliteniswoord aan den avond van 20 No
vember 1893 ............
3. Mijn jubileum als Evangelist onder de Militairen
op 21 November 1893.........^
4. Eene bloemlezing uit de geschiedenis der Mili
taire Vereeniging..........45
5. Herinnering aan den feestdag van liet vijfentwin
tigjarig bestaan onzer Zondagsscliool, 22 November 1893 ............^
Om te doen gedenken.
Een vroom Christen lag op zijn sterfbed en straks zou hij eene vrouw met twee kinderen broodeloos achterlaten, maar geloovende in de trouw zijns Gods zeide hij tot zijne vrouw: Grod zal voor u en de kinderen zorgen, maar beloof my dat gij het altijd zult vertellen als God u heeft uitgeholpen, want God heeft in Zijn woord gezegd; roept mij aan in den dag der benauwdheid, en ik zal er u uithelpen, en gij zult mij eeren.
Onthoud dan God nooit de eer die Hem rechtmatig toekomt, dan zegent Hij u ook weder opnieuw en alles zal welgaan. Dat woord is na den dood van dien broeder waarheid bevonden, en ik heb het nooit kunnen vergeten. Het is dan ook alleen om God de eere te geven, die Hem toekomt, dat ik mij nederzet om dit gedenkboek te schrijven, in de hoop dat het geschreven woord nog eene goede plaats mag vinden en ten zegen mag zijn. En waar ik nu al het goede ga herdenken door God ons bewezen op 21 en 22 November 1893, moge het u zoowel als mij stemmen om God te danken voor zijn heerlijk werk in de redding van zondaren door onzen geringen dienst, nu vijf en twintig jaren, onder Militairen, en Zondagsschoolkinderen; maarte voren óók reeds door colportage-arbeid, en gedurende
6
een veerliental jaren ook als Evangelist der Nedeiiandsch Evangelisch Protestantsche Vereeniging. Hoewel nu veel goeds en belangrijks ook daarvan zou mede te deelen zijn, moet ik my nu bij onze feestdagen bepalen, waaraan zoovele herinneringen verbonden waren, en waaraan zoo lief-lyke herinneringen verbonden werden.
Donderdag 16 November 18C8 in 's Gravenhage gekomen zijnde, begon op dien datum onze feestweek. Allerlei toebereidselen werden gemaakt door onze kinderen en door de Militairen. De eersten zaten vlijtig slingers te maken van goud- en zilver sits en de laatsten herschiepen de groote benedenzaal door het ophangen van vlaggen, groen en bloemen, waar de slingers door heen werden gebracht, in eene groote loofhut. Beiden hebben eer gehad van hun werk, door zoovelen aanschouwd en geprezen, het was dan ook een genot om te zien; vooral toen catheder en orgel achter een haag van planten en bloemen verdwenen, waartusschen alleen de Staten-Bijbel, (een erfstuk van de familie van Manen) te voorschijn kwam. Deze laatste versiering was aangebracht en gerangschikt door twee oudleerlingen der zondagsschool, wier ouders mij ook nog eene vergulde mand met schoone planten en bloemen ten geschenke zonden, en eenige hangplanten om op de consoles te plaatsen in de zaal. Zoo begon zich de dankbaarheid te openbaren. De eerste vaderlijke vriend die mij bij mijn komen in den-Haag hart en huis ontsloot en mij vele jaren gesteund heeft met gebed en gaven was wylen Jhr. van den Beech van Heemstede, en de eerste geluk wen sch met ons feest was die van Mevrouw de Douairière van den Beech van Heemstede, dat deed ons hart zoo goed. Druk waren we bezig ruimte te maken, en plaatsen te beschikken, en daarna om vrienden en belangstellenden uit te noodigen, tot wie we zoo gaarne een woord van erkentelijkheid wilden spreken na zoo vele
7
jaren hulp en steun voor ons werk; maar óók, en vooral, om te zamen God te danken, en Zijnen zegen te vragen aan den vooravond van onzen feestdag.
De avond van 20 November was gekomen, in den kring van mijn gezin zat ik nog een oogenblik neder, toen een mijner kinderen kwam zeggen dat er eenige Heeren naar boven waren gegaan die mij wenschten te spreken; en in de voorkamer gekomen zijnde stond daar onze trotiwe Vriend en Leeraar Ds. E. W. Heinecken in wiens komst reeds één onzer gebeden werd vervuld, dat liet liem mogelijk zou zijn te kunnen komen; en rondom hem stonden een kring van vrienden en medearbeiders in Grods Koninkrijk waaraan we door zoovelerlei banden ons reeds tal van jaren gebonden gevoelden.
Onze waardige Leeraar nam het woord en zeide: Broeder van Beijeren, met de Heeren die rondom u staan ben ik hier gekomen om een oogenblik te deelen in uwe feestvreugde, door God u bereid. Wij hebben gehoord, met belangstelling gehoord van de belangrijke dagen die ge tegengaat, en we hebben gemeend dat die dagen ook onzerzijds niet onopgemerkt mochten voorbijgaan, en daarom hebben we ons tot eene Commissie vereenigd, en als zoodanig ziet ge ons tot u komen. Laat mij u mogen zeggen wat we gedaan hebben; We hebben eigenlijk niets bijzonders gedaan, we hebben uwe vrienden en bekenden op deze feestdagen opmerkzaam gemaakt, en aan allen die u een blijk van liefde, vriendschap, dankbaarheid of belangstelling wilden geven hebben wij ons beschikbaar gesteld die te ontvangen en u die gezamenlijk aan te bieden. Die kennisgeving was zoo eenvoudig mogelijk gesteld en is bij niemand terug gehaald, wie iets wilde doen moest dat geheel vrijwillig doen, en velen hebben van die gelegenheid om u hunne sympathie te bewijzen gebruik gemaakt. Ik had nooit gedacht dat ge
8
zooveel vrienden bezat, het heeft mij vaak aangegrepen zooveel belangstelling als er getoond werd. De aanzienleken hebben hunne gaven niet teruggehouden, en burgervrienden en zelfs minder gegoeden hebben zich gehaast hunne be-, langstelling te toonen. Enkele brieven hebben we terug ontvangen met het opschrift; reeds overleden. We willen hier nu niet op ingaan, maar anders zou ik zeggen, indien zij die boven zijn deelen in ons geluk, dan zullen die ontslapenen voor wie gij ten zegen hebt mogen zyn, nu voorzeker zich ook verheugen in uwe vreugde. We weten, dat ge veel te schrijven hebt, en daarom meenden we het best te doen, met u uit naam van al de vrienden, wier namen ge straks in dit album zult vinden, u dit inktstel aan te bieden. Zet het niet in de kast omdat het mooi is maar gebruik het lang en dagelijks voor uwe drukke correspondentie. Wat er verder voor u werd bijeengebracht zult ge ook in dit album vinden. En wat zal ik nu nog meer zeggen ? Zal ik met u een blik terug slaan, en u herinneren aan al, wat daar achter ligt, ik zal het niet doen. We weten dat een ander dezen arbeid heeft aangevangen en dat gij dien later hebt opgevat en voort mogen zetten tot op dezen dag. Ik weet dat ge voor velen ten zegen mocht zijn die u op dezen dag gaarne zouden danken, maar ik weet ook dat gij dan met hen zoudt opzien naar boven om allen dank alleen te brengen aan uwen Heer en Zender. Zal ik nu met u een blik slaan in de toekomst? Maar de toekomst is voor ons verborgen, en we laten die gerust over aan de trouw, de zorg en de leiding van onzen God, die ook verder alles wel zal maken.
Alleen wil ik u uit aller naam hartelijk gelukwenschen met het voorrecht u geschonken. Moge God u nog lang sparen en kracht en bekwaamheid schenken voor den arbeid waarin we weten dat uw hart leeft. God zegene u en stelle
9
u nog voor velen ten zegen. En laat mij nu, óók om des tijds wille met liet oog op den arbeid die zoo straks u nog wacht, hiermede mogen eindigen. Ik kan niet blijven, en heb door dezen uitgang reeds het verbod van don geneesheer overtreden, maar heb dat in vrede voor dit oogenblik gewaagd, en hoop dat mij zulks ook geen hinder zal doen. De Heer zegene u ook op het verdere van dezen avond en gedurende geheel uwe feestviering.
Na het vertrek van Ds. E. W. Heinecke werd het geschenk bezichtigd en het album geopend, en iedere bladzijde bracht ons nieuwe verrassingen en herinnerde ons vrienden en vriendinnen uit vroeger en later jaren, en uit geheel ons Vaderland, van den Dollart tot de Schelde, die allen hunne belangstelling hadden getoond, waarvoor sommigen expres naar den Haag waren gekomen, zelfs van het Eiland Marken, waar zoo vele banden door God zijn gelegd voor de eeuwigheid. Maar de tijd was daar om ons gedachteniswoord te gaan spreken, en in de benedenzaal waren jeugdige vrienden en vriendinnen, militairen, burgers en aanzienlijken met de leden der Commissie reeds bijeen. Het is mij een genoegen, al wat daar het verdere van den avond gesproken en gezongen werd, zooveel mogelijk weder te geven in de volgende bladzijden.
Gedachteniswoord aan den avond van 20 November 1893.
Waarde feestgenooten, Dames en Heeren, Broeders en Zusters in Christus, jongelingen en jongedochters, en gij allen, die tal van jaren uwe zeer gewaardeerde belangstelling getoond hebt in de Evangelisatie onder Militairen! die mij zoo menig jaar in staat hebt gesteld om de kinderen mijner Zondagsschool rondom den Kerstboom gezeten te kunnen verblijden, U allen heet ik liartelijk welkom in dit uur aan deze plaats.
Dank, hartelijk dank! voor uw vriendelijk gehoor geven aan mijne uitnoodiging.
Ik kon dit samenzijn niet op morgen avond stellen omdat de militairen dan hunnen feestavond hebben, en Woensdag is het jubileum mijner zondagsschool. Zoo moest ik u wel vragen te willen komen aan den avond vóór mijn feestdag.
Het was mij eene behoefte des harten eene ure van samenzijn te hebben met vrienden en belangstellenden, aan wie ik zooveel te danken heb, maar óók, en vooral, om te zamen God te danken, die alle dingen genadig alzoo gemaakt heeft als ze in deze ure zijn. Daarom nog eenmaal hartelijk welkom in dit uur van samenzijn, hetwelk wij
11
aanvangen in den Naam van den Heere Jezus Christus! Amen. Wil met mij G-ods lof zingen uit Psalm 103 vers 1.
Loof, loof den Heer, mijn ziel! met alle krachten;
Verhef zijn Naam, zoo groot, zoo heilig te achten.
Och of nu al, wat in mij is, Hem preez!
Loof loof den Heer, den hoorder der gebeden,
Vergeet nooit éen van zijn weldadigheden;
Vergeet ze niet; 't is God, die ze u bewees!
Na het zingen van dit lied door alle aanwezigen, en na dankzegging en gebed werd er nog een lied gezongen door den korporaal der jagers W. van Loon en Mejuffrouw M. de Niet ; getiteld:
BOVEN DE STEREEN.
Boven de starren zal 't licht ons eens dagen,
Daar is ons zuchten en hopen volend;
Daar wordt ons lijden, daar 't kruis hier verdragen,
Als een beschikkende liefde gekend,
Als een beschikkende liefde gekend.
Boven de starren wijkt twijfel en vreezen.
Wordt voor ons hart ieder raadsel onthuld;
Daar Gods genade met danklied geprezen,
Eu ons verwachten voor eeuwig vervuld,
En ons verwachten voor eeuwig vervuld.
Boven de starren aanbidden, hereenigd,
Vrienden voor altijd gescheiden door 't lot.
Daar, waar het weerzien de scheidenssmart lenigt.
Dankt voor dat leed ook ons harte zijn God,
Dankt voor dat leed ook ons harte zijn God.
Boven de starren, daar wuiven ons palmen,
Sabbatsrust toe, na den strijd dezer aard.
Bust, die ons danklied in feesttoon doet galmen,
Waar zij Gods liefde, in haar volheid, verklaart,
Waar zij Gods liefde, in haar volheid, verklaart.
12
Voor dit sclioon gezongen lied ook hier nog eenmaal dank aan onzen vriend en vriendin. â Na dit lied werd het volgende gesproken.
Looft den Heere mijne ziel, en al wat binnen in mij is Zijnen heiligen ÃTaam. Looft den Heere mijne ziel en vergeet geene van Zyne weldaden.
Zóó mag op dezen dag wel mijne betuiging zijn; want het is God de Heer, die mij heeft believen te sparen in het leven, te dragen in zijne lankmoedigheid, te bekwamen tot het werk, waartoe Hij mij riep. Hij heeft mij willen zegenen, en o groote genade! ten zegen doen zijn; en waar Hij nn in Zijne groote goedheid dit feestuur voor mij deed aanbreken, wil ik gaarne vertellen wat God gedaan heeft door de Evangelisatie onder Militairen in de laatste vijf-en-twintig jaren. â Want niet mijn werk, maar Gods werk moet worden herdacht en verheerlijkt, en daarom verblijd ik mij aan deze plaats tot u te mogen spreken.
Het is mijn grootste voorrecht God te hebben mogen dienen in dit deel van Zijnen wijngaard. â Er is toch een tijd geweest, waarin niemand zich met de militairen bemoeide, de eerste persoon, van wie ik in 1867 hoorde, dat zij iets voor de militairen deed was eene Engelsche dame wier afbeelding ik bezit, staande voor haar Tehuis omringd door eenige godvreezende militairen.
Sta mij toe uwe gedachte een oogenblik tot dat jaar 1867 terug te voeren.
In Amsterdam werden de vergaderingen gehouden der Evangelische Alliantie, onvergetelijk voor allen die dezelve hebben mogen bijwonen.
Onder de Christenen en Christinnen uit alle lauden van Europa daar bijeengekomen, behoorde ook Miss Daniels uit Alderschot. Zij was mot de generaals Alexander en Walker naar Amsterdam gekomen om mededeelingeu te doen van
13
haren arbeid onder de militairen, wier moederlijke vriendin zij trachtte te zyn; en God had hare pogingen heerlijk gezegend. â Nu, in Nederland zijnde, wilde zij ook de Neder-landsche krijgslieden een goed woord toespreken en onder het geleide der twee generaals werd het haar toegestaan te Amsterdam en ook hier te 's-Grravenhage. Ik heb hier hare toespraak die toen door Ds. Adama van Scheltejia vertaald is geworden.
De toespraken, door deze dame gehouden, werden bijgewoond door den nu zaligen Heer Johax Willem vam Manen, gepensioneerd Kapitein van het Regement Grenadiers en Jagers Genoemde Heer was tot bekeering gekomen door het lezen van de in dien tijd veel verspreide boekjes van âRijlequot;; en nu hij hoorde wat God door Miss Daniels te Alderschot gedaan had, hesloot hij zijne laatste levensdagen te wijden aan het heil der militairen, hier te 's Gra-venhage in Garnizoen.
De toenmalige armeninrichting op de Heerengracht werd gehuurd, de militairen werden uitgenoodigd te komen, en op den 19'ieii November 1867 werd de Militaire Vereeniging aangevangen met 30 bezoekers, welk getal op 31 Maart 1868 tot 80 was geklommen.
In den Evangelist Wilkens vond de Heer van Manen een trouwe hulp om Bijbellezingen te houden in de Kazerne, en zeli stond de Heer van Manen eiken Zondag aan de Garnizoenskerk met een bundel tractaten en nitnoodigings-biljetten, en hy verheugde zich wanneer er door die opwekkingen des Zaterdagsavonds weder eenige militairen in de armeninrichting kwamen of later in het gebouw van de Vereeniging tot verbreiding der waarheid. Torenstraat No. 8. Daar werden de militairen telkens onthaald, daar werden hun groote platen vertoond of eene voorstelling met de tooverlantaarn gegeven van de Christen-reis van Bunjan; daar
â
14
konden zij telkens een lied zingen tot eer van Grod en een goed woord hooren uit de Heilige Sclirift. â Toen ik den 12'len October 1868 in 's (xravenliage kwam, sprak de Heer van Manen mij over zijn arbeid onder de militairen, en noodigde mij uit hem daarin een weinig ter zijde te willen staan.
Nadat ik dan ook 16 Nov. 1868 voor goed in 's Grraven-hage gekomen was, bezocbt ik op Zaterdag 21 November voor het eerst de Militaire Yereeniging.
Ik mocht daar een woord tot de mannen spreken, en twee daar toen aanwezig, zijn nu nog als levende getuigen in ons midden, en zouden kunnen verhalen van de goede uren daar vaak doorgebracht.
Ik gevoelde mij tot dat werk aangetrokken, en menigmaal werd ik uitgenoodigd de vergaderingen te leiden, en later was ik wel genoodzaakt het alleen te doen.
De Heer van Masen leed aan eene kwaal waardoor hij ook plotseling werd weggenomen, maar niet voor dat hij de voldoening had gesmaakt om het Tehuis voor Militairen op de Veenlaan No. 9 geopend te zien. En aangezien ik het bovenhuis in huur had kon ik mij eiken dag aan dien arbeid wijden.
Het Tehuis op de Veenlaan werd nu gesteld onder het Bestuur van den Heeren van Manen, Kolonel RoosmalE Nepveu, W. A. Baron van Palland, K. T. Baron van Lijnden en Ritmeester L. C. Quables van Umord.
Al deze mannen zijn reeds voor den troon van Grod in den hemel, alleen Kolonel Roosmale Nepveu arbeidt nog ijverig voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk op aarde.
Het Tehuis op de Veenlaan voldeed aan eene groote behoefte. Immers in het Lokaal Torenstraat No. 8 konden de militairen alleen des Zaterdagsavonds bijeenkomen, en van 1 Januari 1869 tot 3 Juli 1871 konden zij nog wel twee
15
of drie avonden per week in mijn lokaal op liet Visscliers-dijk vergaderen, maar dat was tooli ook geen ïeliuis. Dat vonden zij eerst van 3 Juli 1871 tot 22 April 1881 op de Veenlaan No. 9, en van dien tyd af aan tot op lieden, hier in de Heemskerckstraat.
Een ïeliuis is geheel iets anders dan eene vereeniging. Het Tehuis staat altijd open, eene vereeniging slechts eenige uren per week. In het Tehuis vinden zij eene conversatiezaal, eene schrijfkamer, en eene leerkamer. Zij vinden gelegenheid tot lezen, schrijven, spelen, zingen, muziek, gymnastiek; 7,ij hebben hunne eigene Bijbellezing en voordrachtenavond, hunnen eigen bidstond en jongelingsvereeniging. Zij ontvangen gratis pijpen en tabak, papier en enveloppen, en kunnen ook voor kleinen prijs aan onzen huiselijken disch zich komen verkwikken. â Drie dingen slechts worden in het Tehuis verboden, namelijk: het spelen om geld, het spreken van onbetamelijke woorden, en het hier komen onder den invloed van sterken drank. Verder kunnen de bezoekers doen of zij thuis zijn en zij doen het ook.
quot;Wij zien hen liefst als vrome en vroolijke jongelingen, niet als jeugdige grijsaards met een gelaat zoo strak of er eene boete staat op het lachen.
Zulke jongelingen vinden zich hier zoo min thuis als een visch op het drooge.
Toch is er nooit over lichtzinnigheid in het Tehuis te klagen, de bezoekers gedragen zich zoo behoorlijk mogelijk, omdat allen het wel gevoelen dat het Evangelie de spil is, waar alles om draait, ook al wordt er nimmer een preek gehouden.
Gedurende al die jaren heb ik des Zondagsavonds Bijbellezing mogen houden en Grods zegen heeft daar merkbaar in heerlijke mate op mogen rusten.
Niemand is verplicht eenige vergadering van godsdien-
16
stigen aard by te wonen. We leven in een vrij land, die komen wil, hy komt, en is welkom. Wie wil blijven sclirij-ven of leeren, hij doet liet; er werden dit jaar tot nu toe reeds meer dan 3000 brieven op de schrijf kamer geschreven, en de leerkamer is ten dienste geweest van velen die hun examen deden als korporaal of sergeant; enkelen deden twee examens tegelijk voor sergeant, en voor fourier. Gewoonlijk werd een tiende deel van de bezoekers van het Tehuis bevorderd.
De gewone gang van het leven in het Tehuis wordt door menigen feestdag afgewisseld, dat wekt opnieuw weer op tot trouw bezoek. â Wij vieren getrouw den Waterloo-dag, de verjaardagen van onze geëerbiedigde Koningin-Eegentes en onze beminde Koningin Wilhelmina. Dan den afscheidsavond bij het vertrek van de lichtingen, den verjaardag van den Directeur; den Kerstavond, en den Oudejaarsavond. Dan gaan we biddend en dankend het oude jaar uit en het nieuwe jaar in.
De feestavonden zijn waarlijk vroolijk, maar de vroolijkste samenkomsten blijven toch stichtelijk en tot eer van God, die immers de God is der blijdschap en aller verheuging in Christus Jems? En waar Hy de God is der blijdschap, daar is Hij ook de God der orde. Daarom verblyd ik my dat dit gebouw van 1 Mei 1890 het eigendom is geworden van de Militaire Vereeniging; âYreest God, eert den Koningquot;, want als God mij nu oproept naar boven, zullen mijn werk en dit Tehuis toch blijven voortbestaan. God gaf mij het voorrecht 20 jaren onder de militairen te kunnen arbeiden zonder dat de Militaire Vereeniging my voor dien arbeid behoefde te salariëeren; de laatste jaren is dat nu echter wel het geval, en voor het Bestuur nu ook wel een bezwaar. Maar God leeft en Hij zorgt, en Hij zal het ook verder wel maken tot eer van Zijnen grooten Xaam; en
17
waar de gemeente van Christus deze dingen nu weet, zal het ook wel anders en heter worden.
Het geacht Bestuur moet niet zuchtende dezen arbeid behoeven te besturen, daar toch immers het Tehuis in zulk eene groote behoefte voorziet, door steeds meerderen wordt bezocht, en voor velen ten eeuwigen zegen is geworden.
In het laatste jaar werden niet minder dan 727 bezoekers ingeschreven, en over de 25 jaren staan er 7000 namen van bezoekers in het boek, en hoevelen kwamen er nog wier namen niet zijn opgeschreven, omdat ik het altijd aan de aangezichten moet zien wie nieuwe bezoekers zijn, hetgeen bij het opkomen eener lichting niet altijd uit elkander te houden is, omdat er dan zoovelen te gelijk naar het Tehuis komen. Ik heb gezegd dat gewoonlijk een tiende gedeelte van de bezoekers in den dienst wordt bevorderd, dat is een bewijs van het goed gedrag onzer mannen in de kazerne, maar ook een bewijs van het nut van onze leerkamer waar zy hebben zitten blokken. â Dit is zeker, nuchtere mannen worden het eerst bevorderd, en voor de militairen die vooruit willen komen in den dienst geldt het allereerst: Sluit Schiedam.
Wy hebben onze eigene Militairen-Onthoudersbond. De leden daarvan zijn hier in de stad, maar ook in andere garnizoensplaatsen van ons land, en velen ook in Indië; maar allen trachten ten zegen voor hunne medekrijgslieden te zijn, door hen niet in de eerste plaats voor de geheelonthouding, maar eerst voor Christus, en daarna voor de geheel-onthouding te winnen.
Mag ik den onthouders die hier aanwezig zijn wel verzoeken ons het lied te doen hooren;
Reeds spreekt het blauw Als beeld der trouwe.
2
18
Zij zullen mij er een genoegen mede doen en zeker meerderen met my.
Hierop werd door jongelingen en jongedooliters vierstemmig het volgende lied aangeheven: dat werd geapplaudiseerd.
Reeds spreekt het blauw, als beeld der trouwe,
Luide in ons hart: âStrijd met moedquot;!
Ziet hoe alom nog drinklust rouwe,
Armoe en strijd heerschen doet.
Toch zal 't geloof zegepralen,
Sterk ziende op 't kruis van den Heer,
Nooit liet zijn macht zwakken falen,
Hij is hun kracht! Hera zij de eer.
Koor. Niet voor den sterke is de kroning,
Niet aan den vlugge beidt de eer;
God vraagt naar trouw j Kaar betooning Schenkt eens haar eerkroon de Heer.
Heft uw banier, zwaait haar kloekmoedig.
't Is niet uw zaak, die gij dient;
Christus de Heer maakt ons voorspoedig!
Is niet zijn naam; Zondaarsvriend?
Reikt dan uw hand, waar verloornen Omzien naar hulp in hun nood,
Redt door gena uitverkoornen,
Hen, die vergaan, van den dood.
Koor. Niet voor den sterke is de kroning.
Niet aan den vlugge beidt de eer;
God vraagt naar trouw; Haar betooning Schenkt eens haar eerkroon de Heer.
Hij die verwon, Hij zal verwinnen.
Tot eens voor Hem '1 al zich buigt.
En met vernieuwd gemoed en zinnen 't Al van zijn trouw luid getuigt.
Eens zullen, Heer, uw belijders Juichen om uw troon geschaard;
Gij gingt vooraan, en uw strijders
Schenkt ge eens uw kroon hun bewaard.
Koor. Niet voor den sterke is de kroning.
Niet aan den vlugge beidt de eer;
God vraagt naar trouw, Haar betooning Schenkt eens haar eerkroon de Heer.
19
Ten zegen te zijn, ten eeuwigen zegen, dat is het doel van de Evangelisatie onder de Militairen.
Een zeer groot aantal van onze bezoekers zijn in die 25 jaren voor Christus gewonnen, velen zijn reeds in den Heer ontslapen, maar zeer velen ook zijn medearbeiders in Gods Koninkrijk geworden. â Om geschiedenissen mede te deel en ontbreekt mij de tyd, ik hoop dat later te doen, door eene bloemlezing te geven uit de verslagen der Militaire Vereeniging. Laat mij alleen dit u mogen mededeelen; Zes jongelingen die het Tehuis bezocht hebben arbeiden nu als Evangelist of godsdienstonderwijzer, een ander is Predikant in Amerika geworden, na eerst veel goeds in ons Vaderland te hebben gedaan. Behalve deze zijn nog eenigen bij ons thuis geweest gedurende hunnen proeftijd als Evangelist.
Velen werden ijverige tractaatverspreiders, anderen werden Zondagsschool-onderwijzers, helpers op Zondagsscholen of bestuurders van jongelings- of jongelieden-vereenigingen.
Broeder van Balen werd zendeling onder de Papoea's, twee anderen werden dienende broeders onder de Epileptischen. Een ander studeerde voor Predikant, maar ging reeds jong naar den hemel, en zal daar wel een arbeidstaak gevonden hebben.
Een ander vertaalde het boekje van Professor Christlieb: Het Evangelie van Mara, hetwelk driemaal in het Hollandsch is herdrukt, en waarvan nu in zes talen meer dan 105.000 exemplaren zijn uitgegeven.
Van vijf-en-twintig verschillende boekjes en dichtbundeltjes door mij uitgegeven zijn 13.800 exemplaren verkocht, en van menig exemplaar zou ik eenen schoonen zegen kunnen mededeelen. En waar zou ik eindigen wanneer ik wilde spreken over de Tractaat- en Bijbelverspreiding gedurende al die jaren? alleen van één militair wil ik zeggen dat hij in eene week voor 50 gulden aan Christelijke lectuur in de
20
verschillende kazernes bracht, en man voor man het een of ander bezorgde; de een kreeg een tractaat, de ander een Nieuw Testament, de derde een boekje, de vierde een Chris-telyk lied. Men kan zich denken wat zulk een belijder van den Heiland hooren en ervaren moest, maar men behoeft geen medelijden te hebben met zulke mannen, want zij hebben het met zich zeiven ook niet.
Rust roest, en het is beter overdekt met slijk en wonden bij den Heiland te komen dan met verroeste wapenen.
Bg de vermelding van den gezegenden invloed van het Tehuis hier in 's-Grravenhage behoort ook dit, dat het werk hier begonnen, elders navolging heeft gevonden. £r zijn broeders gekomen uit Leiden, Arnhem, Delft, den Helder, Nijmegen enz. én in al die garnizoensplaatsen zijn Tehuizen ontstaan, vooral na de oprichting van den Militairen-Bond. Uit Berlijn, Lion, en de Kaapstad, uit Zwitserland en Rusland zgn er Christenen geweest om het Tehuis te zien. Grod geve dat de Christenen uit onze eigene omgeving bedenken mogen dat het hier gaat om het eeuwig heil van duizenden jongelingen die gered kunnen worden, gered moeten worden, en die dan zelf tot een zegen worden voor ons land en ons volk. â Jaren lang hield ik een boek verborgen vol portretten van mannen die hun Heiland hier vonden; met al die mannen blijf ik correspondeeren, en schreef dan ook de beide laatste jaren 960 en 1020 brieven.
Velen komen ook het Tehuis bezoeken nadat zij uit dienst zyn, we zijn zelden zonder logees. Waar ik kan worden de oud-bezoekers gaarne door mg geholpen met raad en daad, en zoo mogelijk ook aan eene betrekking. Indien dit huis hun een Bethel ja een Pniël werd, is het immers geen wonder dat ze na jaren nog schreven: Och laat mij nog een dagje in het Tehuis mogen zijn, ik verlang zoo er nog eens een avond door te brengen.
21
Drie onzer oud-leden zijn mi zendingskweekelingen, bidt God met my dat zij goede zendelingen mogen worden.
Drie anderen gingen vrijwillig als Koloniaal naar Indië om daar onder hunne kameraden te kunnen werken, en Grod stelt hen tot een zegen.
Een onzer mannen haalde, tijdens zijn in dienst zyn, acte voor het onderwijs en is nu Hoofdonderwijzer in Amsterdam.
Een j ongeling die moedeloos was omdat hij niet was geslaagd in zijn onderwijzers-examen, en daarbij nu was ingeloot, wilde in die moedelooze bui maar voor 6 jaar bij-teekenen. Ik vroeg hem of dat het loon zijner ouders moest zijn die hem voor het Christelijk onderwijs hadden laten opleiden. Ik raadde hem zijn Frieseh hoofd er eens flink voor te zetten en zijn tijd voor studie te gebruiken. Hij heeft mijn raad gevolgd en flink gewerkt; hij is geslaagd in zijn tweede examen en spoedig ook geplaatst, en de goedertierenheid Gods leidde hem tot bekeering. Toen heb ik hem gezegd; ik wil gaarne gelooven in iemands bekeering indien ik hem iets zie doen voor den Heere Jezus.
Hij sloot zich aan by de Jongelingsvereeniging en is nu secretaris, hij richtte eene Zondagsschool op die flink wordt bezocht, en hij verspreidt nu elke week 60 exemplaren van De blyde boodschap van Ds. de Jonge, Hoeveel goeds is nu toch de vrucht van de redding van dezen eenen jongeling, en zoo zyn er zoovelen waarvan we eene schoone geschiedenis zouden kunnen verhalen Gode tot eer.
Als er bezoekers van het Tehuis ziek zijn bezoek ik hen in het Hospitaal, dan is een bezoek en een boek, een sigaar of wat tabak, wat papier en wat teekengereedschap hun zoo welkom, en anderen die dit zien, komen later als zij quot;beter zijn, mede naar het Tehuis.
Voor deze dingen, boeken, bijbels, tractaten, liederen, onthouders-geschriften enz. was gedurende al die jaren veel
geld noodig, maar vele lieve broeders en zusters in Cliristus hebben dat wel begrepen en mij krachtig geholpen; daarom betaamt het mij ook zeer dankbaar te zgn voor al de hulp, voor al het vertrouwen, mij deze vijf-en-twintig jaren geschonken. Want veel, zeer veel, is mij toevertrouwd voor de Evangelisatie onder Militairen, voor mijne Zondagsschool, en Kerstfeestvieringen, voor de opleiding van jongelingen voor het Evangelie, voor mijne vroegere weesinrichting, voor ondersteuning van arme weduwen en om over te maken aan andere gestichten en vereenigingen.
Dank, ja hartelijk dank voor dat alles te zamen. En weest verzekerd, dat ik nog veel dankbaarder zal zijn indien mijn Geacht Bestuur, dat voor zooveel te zorgen heeft, ook krachtig mag worden gesteund. God geve dat dit de vrucht van deze ure mag zijn.
Mijn Geacht Bestuur heb ik dank te zeggen voor al de vriendelijkheid mij voortdurend bewezen. Hoe ik Graaf van Limbüiig Stirum moet danken weet ik wezenlijk niet, want God alleen weet wat hij voor mij was en deed, nu reeds meer dan vijftien jaren. Wat ik vroeger in Jhr. van den Bebch van Heemstede verloor, schonk God mij in Ritmeester Qüahles van ui'L'ord weder, en wat ik in den goeden Ritmeester moest missen heeft God mij in Graaf van Limbüeg Stirum terug geschonken. Maar God weet ook dat iedere polsslag van mijn leven een gebed is voor zijn geluk.
En indien ik nu iets goeds mocht doen in deze gemeente, bij zooveel gebrekkigs, bij zooveel tekortkomingen, bij zooveel zondigs waarvan ik mij zeiven bewust ben; welnu de gemeente danke dat alles dan naast God aan haren Leeraar Charl. John. Bruce, want hij was het middel in Gods hand tot mijne bekeering toen ik als jongeling bijna aan geen Godsbestuur geloofde. Hij was de oorzaak dat ik in liet Evangelie mocht arbeiden, hij was het die mij heeft
23
aanbevolen als Evangelist by de Xederlandsch-Evangelisch-Protestantsclie-Vereeniging waardoor ik in den Haag werd geplaatst. Hij zegende mijn huwelijk in, en doopte en onderwees later mijne kinderen; hij was mij bijna 30 jaren tot een vriend, te Aarlanderveen, te Alphen, te quot;s Graven-hage. God zegene hem in zijne grijze dagen, en geve dat het werk van zijn bekeerling hem een bloem zij op zijn levenspad. En voorts, aan allen dank die mij vriendschap hebben betoond, aan onze Leeraren inzonderheid, óók voor zoo menigen zegen door hun dienst en woord.
Dat God hen zegene en de gemeente zegene! God zegene ons dierbaar vaderland en onze geliefde Koninginnen. God zegene de krijgsmacht van den Staat en al den arbeid der Christenen onder de Militairen! Hij zegene genadig ook mg en stelle mij op uwe gebeden, om Jezus Christus wil, nog tot een zegen. En nu. â Aan God alleen zij de eer! Hulde aan den Stichter der Militaire Vereeniging! Zegen over mijne goede Bestuurders! Dank hartelijk dank aan al mijne vrienden; en heil aan de militairen aan wier heil mijn leven is gewijd.
Wil met mij zingen uit Gezang 2 vers 1:
Den Hoogen God alleen zij eer en wat daar verder volgt.
Na het zingen van dit lied ontving Broeder Wilkens het woord. Hij van wien ik vele jaren zeide: Ik heb maar één vriend en dat is Wilkens, wist wel dat ik zulks nu niet meer zou kunnen zeggen bij de vriendschap mij door zoovelen betoond, maar hij bleef toch mijn oudste vriend, tot wien ik het eerst kwam by mijne komst in den Haag, met wien ik raadpleegde, samenwerkte, en aan wien ik alles toevertrouwde, die altijd eerlijk met mij omging en zeide waarop het stond in elke levensomstandigheid; hij was een mijner getuigen bij mijn huwelijk, bij geboorte of sterfgeval
24
mijner kinderen, en ik evenzoo bij de zijnen, samen vierden we menig feest, koperen bruiloft bij mij, koperen en later zilveren bruiloft bij hem; maar samen gingen we ook vaak een droeven gang naar den Gods akker, ook onze familiën waren altijd te zamen bij verjaardagen enz., en nooit werd onze vriendschap verstoord, ook niet bij broederlijke vermaning, zoo noodig. Dat alles werd herdacht, ook den zegen door God geschonken over den arbeid van zoovele jaren, en voor dit alles werd God door hem zoo hartelijk gedankt.
Het was zoodoende tgd geworden om te eindigen, maar nog eenmaal klonk een heerlijk lied door de zaal, gezongen door de jongelingen en jongedochters, en het zal blijven naklinken, ja nog lang naklinken in onze harten:
Vrede zij met u, tot wederziens;
Moog, nu vrienden, waar -wij scheiden,
's Vaders hoede u veilig leiden,
Vrede zij met u tot wederziens.
Gaat in vreê, gaat in vreê!
Gaat in vreê, gaat in vreê!
Hoore God die zegenbeê;
Zijn gena, Zijn gena,
Zijn gena, Zijn gena
Deele ons in volheid zijn vrede meè.
Vrede zij met u tot voor den troon!
Christus gena zal eens kronen,
Wie trouw tot den dood betoonen;
Vrede zij met u tot voor den troon,
Voor den troon, voor den troon,
Voor den troon, voor den troon Schenkt Itnmanuël zijn kroon.
En ons lied, en ons lied.
En ons lied, en ons lied Dankt, looft Hem eeuwig op jubeltoon.
Zoo eindigde een der schoonste avonden in mijn leven ; zegene God allen die medearbeiders geweest zijn aan onze blijdschap, en allen die daar zoo vriendelijk in wilden deelen Amen.
Mijn jubileum als Evangelist onder de Militairen.
De 21ste November was nauwelijks aangebroken of tal van brieven werden bezorgd, bloemen gebracht, kaartjes bezorgd en bezoeken ontvangen. Ten 10 ^ uur kwamen twee mijner bestuurders, Mr. Th. Baron Mackay, President, en Mr. O. J. H. Graaf van Limburg Stlrum, Secretaris-Penningmeester der Militaire Vereeniging. Laatstgenoemde in het midden van den storm, die zooveel onheilen aanbracht, overgekomen, om dezen dag toch in het Tehuis te zgn; beide Heeren, de overige Heeren van het Bestuur vertegenwoordigende. In de meest vriendelijke bewoording wenschte de geachte voorzitter ons geluk met dezen feestdag, met de beste wenschen voor den arbeid, en den arbeider onder de militairen. Terwijl deze wenschen vergezeld werden door een geschenk in zilver, bood Graaf van Ldibueg Stirüji mij uit naam van het gansche Bestuur een exemplaar aan van de gedichten van âBilderdijkquot;, bestaande uit 16 deelen, ingebonden, met fraaie titels, en bovenop verguld op snede. Men moet aan de voeten gezeten hebben van Da Costa of zooals ik eenige jaren het voorrecht had bij Dr. A. Capadoze, om Bilderdijk naar waarde te schatten, den man die in Gods hand het middel geweest
26
ia tot de bekeering van deze twee der edelste zonen van Israël. Hoe zal ik uitspreken hoezeer mij dat geschenk heeft verblijd, terwijl mij tevens vrijheid gegeven werd aan het einde van den dag al de bezoekers van het Tehuis een feestavond te bereiden. Moge Bilderdijk lang dienst doen om onze voordrachtavonden te veraangenamen, en de militairen alzoo even als ik zelf veel genoegen hebben van dit geschenk, dat straks door andere geschenken van andere vrienden werd gevolgd. Tal van vrienden, broeders, en oud-bezoekers van het Tehuis wisselden elkander af tot aan den avond toe, en aan het einde van den dag kwamen, van hier en elders, oud-bezoekers en belangstellenden samen met Bestuurders en bezoekers der Militaire Vereeniging. Zooveel in mijn vermogen is hoop ik het gebeurde van dien avond te kunnen wedergeven tot gedachtenis voor allen die toen te zamen waren in het Militaire Tehuis.
Na het zingen van Psalm 138 vers 1 en gebed, werd gelezen 1 Timoth. 1 : 15, 16 en 17 en daarna door mij het volgende gesproken.
Aan het einde van dezen feestdag is het mgn plan niet, mijne vrienden! eene schriftbeschouwing voor u te houden over de gelezen Schriftwoorden, die spreken voor zich zelve; het was mij eene behoefte dezelve uit te spreken, als den diepsten grondtoon van mijn hart; en voorts wil ik in dit oogenblik een blik terug slaan op hetgeen God voor, en onder, en door de militairen gedaan heeft, waardoor u de waarheid zal big ken van de woorden der Schrift: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken.
Er was eenmaal een tijd dat dit Tehuis hier niet stond, dat er geene Militaire Vereeniging in Nederland was te vinden; maar hulde zij dc nagedachtenis van den man die
27
dit werk heeft aangevangen .en tot aan den dag van zijn dood heeft voortgezet.
Joïïan Willem van Maxen stierf op 66-jarigen leeftijd 5 Januari 1876 en werd den 8sten Januari daaraanvolgende op de algemeene begraafplaats ter aarde besteld. Op zijn graf staan de woorden: âIk weet in wien ik geloofd heb.quot; Zoo eenvoudig, zoo zonder ophef, maar ook zoo beslist was zijn leven, en terwijl hij even sliep, nam Grod hem van deze aarde weg.
Met zijn heengaan scheen het Tehuis te moeten vallen, maar door den dood heen kwam het tot een nieuw leven, en bestaat Gode zij dank nog tot op dezen dag. Eerst was er geen Tehuis, slechts eene vereeniging die ik het eerst bij woonde en mocht voorgaan op 21 November 1868. Daar werden zielen gewonnen voor Christus en zij die gered, waren verlangden meer dan eenmaal in de week samen te kunnen komen. Toen stond ik hun mijn lokaal op het Visschersdijk af voor nog een paar avonden per week, maar het was half werk, en duur ook. Zelf woonde ik op het midden van het Kortenbosch, in de hooge rei huizen in welks midden de steen geplaatst is met het opschrift:
Men bouwt en breekt de wereld rond,
Maar alles op een wrakken grond,
Die ons toch eenmaal zal begeven.
Maar hij die bouwt op Zion's steen,
Heeft 't ware fundament alleen,
Dat blijft tot 't eeuwig zalig leven.
Op het Visschersdijk had ik mijn lokaal in huur en nog een huisje voor de vrouw die het lokaal schoonhield. Ik moest dus driemaal huur betalen; en de vereeniging betaalde huur in de Torenstraat, en ook huur voor het orgel als het gebruikt werd, en het was altijd loopen van de lokalen naar huis en van huis naar de lokalen. Aan den
28
morgen van 16 November 1870 zat ik aan het ontbijt met mijne vrouw en zuster, en besprak hoe goed het zou zijn als er voor al die huur bij elkander eens een huis kon worden gehuurd, waarin wij Zondagsschool en Bijbellezing konden houden en 'onze jongelieden-vereeniging, waar de militairen eiken dag zouden kunnen komen, en waarin wij dan ook zelf zouden kunnen wonen. Mijne vrouw deed de vraag: zou de Heer ons zulk een groot huis willen geven ? En in het Duitsche dagboekje waarin wij eiken dag lazen stond het antwoord op die vraag, want de dagtekst was: âIk wil het doen.quot; Dien zelfden dag werd ik uitgenoodigd door den heer van Manen om met hem een groot huis met eenen grooten tuin er voor te gaan zien; dat huis was als het ware voor het doel gebouwd, het werd terstond gehuurd, en het Tehuis voor Militairen heeft er 10 jaren bestaan.
God heeft daar wonderbaar gezegend, wat noodig was is er altijd gekomen en vele zielen zijn daar gered, waarvan de eeuwigheid zal getuigen, en waarvan we ook hier op aarde reeds de schoonste bewijzen hebben ontvangen.
Maar in het jaar 1880 werd het ons onmogelijk langer in Veenlaan N0. 9 te blijven wonen, en God heeft gemaakt dat we hier konden bouwen, en vergeet het nooit inyne vrienden, het begin van dit groote gebouw is geweest een gevonden halve centje, daarna drie gevonden centen, en een gevonden dubbeltje. Daar is bijgekomen van Broeder van Dis te Fijnaart tweemaal f5.â en toen van Jhr. Lyclama a Neyeiiolt te Beesterzwaag een Certificaat Nationale Schuld Nominaal f 200.â en zoo is het spaarpotje voor een eigen gebouw aangegroeid tot f 2000 en met een gift van f2000 die juist ter goeder ure kwam, hadden we genoeg om bouwgrond te koopen. Toen de koopsom en de overdrachtskosten betaald waren hielden we in kas over f O.IO1,^. Maar God heeft alles zoo gemaakt dat 22 April 1881 dit
29
Imis gereed stond om de militairen te ontvangen. En nu zeggen we nogmaals; God heeft ons gezegend, en ook hier zyn veel zielen gered voor het Koninkrijk Gods, vooral in het oiivergetelyke jaar 1888.
Hadden we in 1872 op de Veenlaan eene opwekking gehad onder de militairen, in 1888 werden niet minder stroomen des Heiligen Geestes uitgestort en eene schare van zielen gewonnen voor God's zaligen hemel.
En laat my nu God verheerlijken door u eene bloemlezing als het ware aan te bieden uit de sehoone geschiedenissen aan de Evangelisatie onder de Militairen en de beide Tehuizen op de Veenlaan en hier in de Heemskerck-straat verbonden.
En dan denk ik in de eerste plaats aan een brigadier der huzaren die 's nachts op wacht stond en dacht: Wat kan ik nu het beste doen? Komaan de heer van Manen geeft zich zooveel moeite om zielen tot onze vereeniging te trekken, ik wil trachten hem te helpen, en God bidden, dat de Heer ons mannen wil toezenden die begeerig zijn naar zijn woord. En nauwelijks van de wacht gekomen in de kazerne, zyn daar twee huzaren die nooit blijk hadden gegeven aan iets degelijks behoefte te hebben, die hem de vraag deden waar hij toch altijd des Zaterdagsavonds heen ging; en toen hij het hun zeide begeerden zij mede te gaan, en ze zyn gekomen en gebleven, en recht vrome mannen geworden.
In het verslag over het jaar 1872 kon door het Bestuur worden geschreven: ons huis was goed bezocht, en waarlijk niet alleen door vrome jongens, neen, grove dronkaards en losbandige uitspatters werden tot ons getrokken om andere menschen te worden. Men zou ons wel van overdrijving beschuldigen zoo we alle bewijzen wilden opnoemen van het aantal militairen die dit jaar door middel van het Tehuis,
30
van den breeden weg des verderfs op den weg des vredes werden gebracht, zoodat wij moeten uitroepen: Heer mijn God! gij hebt uwe wonderen en gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij u verhalen.
In dat jaar alleen was het my vergund 7000 tractaten en 200 Bijbels en Nieuwe Testamenten, Psalm- en Gezangboeken uit te reiken.
Twee gedegradeerde korporaals kwamen in het Tehuis; de bezoekers dachten: deze losbollen zullen wel niet blijven. Een der mannen zeide tot hen : Nu wie ik hier ook verwacht had, u beiden het allerminst; en hun antwoord was: Wij moeten wel, willen we onze strepen terug krijgen. En ze kregen eerst een nieuw hart en een nieuw leven, en daarna ook hunne strepen terug, die later in gouden strepen zyn veranderd.
Een jager ontving het verzoek eener moeder om te zien dat haar zoon die huzaar was toch ook naar het Tehuis kwam. Hij ging naar de cavalerie-kazerne en bracht niet één maar acht huzaren mede; en een eenvoudige vrome jongen met grooten yver voor het Tehuis, bracht op een avond 20 kameraden mede naar de vereeniging. Een ondeugende jongen, zooals zijn vader hem noemde, had een onzer bezoekers tot slaapkameraad, en later toen de ondeugende jongen een recht vrome jongen geworden was, zeide hij; ja maar ik kon ook niet anders want Oterhuis evangeliseerde mij eiken dag.
Een oud-soldaat kwam bij my en vroeg; Mynheer hebt u er om gedacht? Waarom mijn vriend? Om hedenmorgen 11 uur. Toen was het juist een jaar geleden dat ik teekende voor de afschaffing. Maar wat u nog niet weet; ik was toen een verloren zondaar, ik was op het oogenblik toen ik teekende meer dan half dronken. Ik zocht naar vrede en kon ze niet vinden voor die hinderpaal was weg-
31
genomen. Grode zij dank het is nu geheel anders geworden.
Op eenen Oudejaarsavond kon ik allen die het niet bezaten een Nieuw Testament aanbieden, het was een geschenk van een vroegeren bezoeker van het Tehuis die zoo zijnen dank wilde betoenen, voor den zegen door hem in het Tehuis ontvangen. Toen het twaalf uren sloeg lagen wij allen geknield en gingen dankend en biddend het oude jaar uit en het nieuwe jaar in. Zoo doen we eiken oudejaarsavond.
Een jongmensch van goede familie, maar die niet had willen deugen, zoodat hem zelfs de ouderlijke woning was ontzegd, kwam in het Tehuis tot inkeer en werd, als de verloren zoon, weder met liefde door zijne ouders aangenomen. Twee anderen daarentegen, zijn omdat zij Christenen werden door hunne familie verstooten; en geen wonder, de een was Katholiek, de ander Israëliet geweest. Beide waren sergeants, ik mocht hun zelf onderwijzen, en door Ds. GrEETH van Wijck werd de Israëliet gedoopt en werden beide bevestigd. Het is de eenige Katholiek en de eenige Israëliet niet gebleven, er zijn er meer voor den Heer gewonnen in het Tehuis.
Een oud militair, vroeger in Atjeh geweest, erkende een slecht leven te hebben geleid; in het Tehuis gered voor den Heer, ging het beter in zijn dienst; hy werd spoedig korporaal en kwam later met de gouden strepen. Zoo geeft Grod genade en eer.
Een man, die in het begin van zijn diensttijd een flesch jenever kon drinken zonder dat men dronkenschap aan hem bespeurde, kwam geheel van den drank af en vond na het verlaten van den dienst eene goede betrekking in de nabijheid van de stad, en heeft altijd een goed getuigenis behouden wat zijn gedrag aangaat.
Een ander was voor zijn diensttijd onderwijzer aan eene
32
openbare school. Voor Jezus gewonnen ging hij bij het Christelijk onderwijs over ; en een ander, nu ook Christelijk onderwijzer, werd tijdens zyn dienst van zyn twijfel en ongeloof verlost, en beleidt nu met vreugde zijn Heiland.
Een grenadier werd het middel in Grods hand tot de bekeering van een zijner kameraden en van de dienstbode der familie waar hij oppasser was; en een ander mocht zijn moeder en zijn meisje en twee zijner kameraden voor den Heiland winnen.
Zoo heeft God niet alleen veel goeds voor maar ook dooide bezoekers van het Tehuis gedaan.
Na vier jaren werd ons den zegen bekend door God geschonken op een woord, geschreven in een uitgereikt Nieuw Testament. Na vier jaar hoorden we hoe een vroeger bezoeker in vrede gestorven was, tot het einde toe met zyn moeder sprekende over het Tehuis. En eenmaal kwam ik na vier jaren te weten, hoe twee jongelingen uit dezelfde gemeente eenen onvergetelijken zegen hadden ontvangen in het Tehuis door het spreken van een kort woord over Psalm 25 : 2 de laatste woorden:
Want Gij Zijt mijn heil o Heer,
'k Blijf U al den dag verwachten.
Een Christelijk opgevoed jongeling werd in dienst tamelijk onverschillig, maar het gelukte mij een gesprek met hem te krijgen, en ik liet hem gaan met eene besliste levensvraag. Eenige weken waren voorby gegaan, toen hij mij zeide: Wat heeft Mijnheer my onlangs een moeilijke week bezorgd. Eén nacht kon ik niet slapen, en de geheele week was ik als een gejaagde. En waarom waart gy dan zoo gejaagd? quot;Wel ik dacht; als ik nu zoo stierf was ik voor eeuwig verloren ; maar ik heb niet gerust voor ik vrede vond en nu is alles in orde.
33
Een ander getuigde; Ik heb hier leeren gelooven dat Jezus Christus voor mij gestorven is, en dat geeft mij rust en vrede. Zie, dan is waarlijk alles in orde als we dat weten.
Op een afscheidsavond meenden sommige bezoekers dat zij tot 11 uur tijd hadden, maar het bleek dat zij om 10 uur in de kazerne hadden moeten zijn. De sergeant die met hen naar de kazerne was gegaan gaf de noodige opheldering van de onwillekeurige vergissing, en niemand werd gestraft.
Toen den volgenden dag door anderen daarop aanmerking werd gemaakt, zeide één onzer mannen tegen een echte drinkehroêr! Ja het is zoo, maar de sergeant heeft ook nog nooit tegen één van ons behoeven te zeggen: Kerel keer je om, want ik kan je dranklucht niet uitstaan. Wij zijn nu niet gestraft en gij wel, maar wij komen ook anders nooit te laat en gij telkenmale.
Dat was een woord op zijn pas gesproken. En onze mannen weten ook wel eens een woord van dank te spreken by het heengaan uit den dienst; en zij weten ook hun dank wel te toonen.
De stoel waar ik op zit; de Bijbel met platen, waaruit ik lees; de vork en lepel, waar ik mede eet; de schilderdoos die, ik 's morgens gebruik; zijn mij door hen geschonken als bewijzen van dankbaarheid, en bij al die geschenken zijn lijsten met namen van bezoekers, die ik nooit vergeet, en die ook het Tehuis niet vergeten kunnen.
In de Blikken in de Openbaring van Dr. J. H. (jUnnixg staan een achttal namen op het eerste blad, namen van menschen, die konden getuigen: God heeft groote dingen aan ons gedaan, dies zijn wij verblijd.
Wat kostbaar werk, en dat door zoo weinigen te zamen gebracht, het is toch om nooit te vergeten. â En wat kan God ons verrassen. In een tijd, toen ik meende dat er
3
34
weinig zegen was, omdat alles zoo stil doorging, kwam een grenadier by my en zeide: Mynheer wat is liet toch een genot om te zien den zegen die er rust op uw werk.
Ik antwoordde: Wel myn vriend ik bemerk er tegenwoordig niets van. Toen zeide hij: en V. d. W. dan ? Zijn ouders hadden veel met hem te stellen, en zyn baas ook, en hij is nu waarlyk één der trouwste en der vroomste bezoekers van het Tehuis geworden, en hij schaamt zich voor niemand in de kazerne.
Een ander kwam mij vragen, met hem het gebed te willen doen, en bracht mij een boek terug waaruit hij een versje van Ds. P. Huët had overgeschreven, getiteld:
VEEES VOOR STEEVEN.
Neen, de dood komt mij halen,
Waar ik hijg om te zijn,
Slechts één wenk en de band is gebroken En de ziel vlucht voor eeuwig,
Ontheven van pijn,
Waar geen Satan haar ooit kan bestoken.
Uit de smart in de vreugd Uit deez' aard, bij mijn Heer,
Zou dit mij verschrikkelijk wezen ?
Daar ontmoet ik hen allen Die ik hier minde weêr.
Bode Gods! waarom zou ik ü vreezen?
In dienzelfden nacht werd die jongeling nog naar het hospitaal getransporteerd, en den anderen dag 's morgens 11 uur kwam men mij zijn dood berichten. Moge het by ons allen eenmaal zijn: Uit de smart, in de vreugd, dan is ook de dood niet te vreezen. Een onzer mannen werd tydens zyn dienst eerst brigadier, later wachtmeester, ook werd hy meester op alle wapenen; hij stond bekend door zynen christelyken wandel, en één zyner officieren zeide: ik heb nooit vromer soldaat gezien maar ook nooit flinker militair.
35
Zoo behoort het te zijn. De man is nu Eijks- en Gemeenteveldwachter, en die man houdt Zondagsschool en is medebestuurder eener jongelingsvereeniging. Zeer eigenaardig voor een veldwachter; maar zoo eigenaardig was zijne bekeering ook, want hij is bekeerd bij het schaakspel, door het zien eener plaat, voorstellende een duif, die door den slangenblik betooverd de slangenmuil binnenvloog. Daar zaS hij zijn eigen beeld in. â Vijf jongelingen werden voor den Heer gewonnen op het gebed der gemeente in \ ij vcr-dal, en vijf zielen zijn voor den Heer gewonnen uit eene familie; er juichen er al van voor den troon en zy wachten ons daarboven. Laat ons zorgen gereed te zijn, maar ook zorgen er nog wat mede te brengen. Wij moeten niet ledig bij den Heere Jezus komen. .
Ik moet eindigen met spreken, maar waar zal ik eindigen met danken voor de goedheid van God, voor de genade mij bewezen, de trouw mij betoond, de hulp mij geschonken. En dan, al de vriendelijkheid der menschen mij bewezen en betoond. Ik kan het alles niet uitspreken, ik kan God alleen bidden allen te zegenen met het beste uit zijn Goddelijk liefdehart. En dan â mij aanbevelende in uwe voorbede, wensch ik meer dan ooit te voren mij te wijden aan het werk Gods, en aan het heil der zielen. Moge Gods genade mij in staat stellen Hem te v crliee i'l ij keu, die ui ij verzoende in Zijn bloed en bekwaamde door Zijn Geest.
Uit mij zeiven ben ik niets, maar Zijne genade aan mij bewezen is niet onvruchtbaar geweest, Hem zij alleen en eeuwig de eer en dank voor Zijne genade in Christus mij bewezen. Amen. â
Nu zouden de militairen worden onthaald, en anderen het woord nog voeren, maar eer ik daartoe kon laten overgaan trad onze trouwe bezoeker, korporaal van den Dool op, en zeide; Dat de militairen zich zeer verheugden in den zegen
36
door God mij geschonken om dezen feestdag te mogen beleven. Evenals al myne vrienden wilden zij gaarne in die vreugde deelen, en God bidden dat Hij nog menig jaar mocht toevoegen aan het leven van den jubilaris. Een leven waaraan zoovele militairen zooveel te danken hadden voor tyd en eeuwigheid. Dien dank wilden zij niet alleen uiten, maar ook betoonen, en het was daarom dat hg my uit naam van al de tegenwoordige bezoekers een boekwerk aanbood gebonden in prachtband: De gelijkenissen uit den Bijbel, door wijlen Ds. C. E. van Koetsveld; terwijl stonden allen op en zongen uit Psalm 134 vers 3:
Dat 's Heeren zegen op u daal, enz.
Na diep bewogen dank voor zooveel vriendelijkheid mij bewezen, werden onze mannen onthaald door myne huisge-nooten, terwijl vele vrienden gereed waren onze militairen en oud-bezoekers van een en ander te dienen. Dank ook nu nog voor deze vriendelijke hulp. Daarna trad Mr. Th. Baron Mackay, President der Militaire Vereeniging, op voor de feestgenooten, en werd het volgende door ZEd. gesproken.
Mannen, het is eene belangrijke feestdag die ons hier samenbrengt, en het is een groot voorrecht door den Heere aan Broeder van Beueren geschonken om dezen dag te mogen beleven. Terwijl zoovelen met wie hij mocht samenwerken in die vijf-en-twintig jaren reeds zijn heengegaan, mag hij zich nog onder u bewegen en u nog voortdurend voorgaan in de bespreking van Gods woord, en we hebben het gehoord hoe die arbeid van God gezegend is geworden. quot;We wenschen Broeder van Beueren van harte geluk met dezen dag, met het voorrecht en den zegen hem geschonken, we hebben dat van morgen ook als Bestuurders reeds gedaan en willen het gaarne met u herhalen. Geve de Heere hem nog langen tijd onder u in dit Tehuis, en onder het
37
Bestuur dezer Vereeniging werkzaam te zijn, met al den yver en toewijding die we voortdurend in hem opmerken en waardeeren.
Maar waar we hem gelukwenschen, daar mogen we het u niet minder doen, want Grod heeft u in Broeder van Beijeren een trouwen vriend en leidsman geschonken die gaarne alles voor u doet wat in zijn vermogen is, en die werkelijk uw heil altijd op het oog heeft. En waar wij u gelukwenschen, daar mogen we het ook als Bestuurders ons zeiven wel doen, en ons gelukkig achten dat God ons in hem zulk een man voor dit werk heeft geschonken, en hem ons zoolang heeft doen behouden. Voor elke goede zaak is, zal ze blijven bestaan, ook de geschikte persoon noodig, en dat hij dat is voor dit werk heeft hij al die jaren bewezen. Het is ook eene goede gedachte van Broeder van Beijeeen geweest om ons dezen avond eens te herinneren, niet alleen aan de geschiedenis der Vereeniging, maar ook aan de groote dingen die God hier gedaan heeft, want het is niet te ontkennen. God heeft hier groote dingen gedaan, en menigeen heeft hier een zegen voor tijd en eeuwigheid ontvangen. We zyn gewoon zoo maar in de dingen voort te leven, maar als straks dit feest voorbij is gegaan, is er voor Broeder van Beijeren een deel van zijn leven, een belangrijk deel ook van onze geschiedenis afgesloten, en er begint dan een geheel nieuw tijdperk, eene nieuwe bladzijde als het ware in zijn levensboek. Daarom is het goed dat we eens stilstaan, en waar we nu weten dat zoovelen hier behouden zijn, dat we ook ons zeiven eens ernstig afvragen, hoe wij zelf staan tegenover Gods Woord en tegenover de eeuwigheid. Ons aller leven spoedt voort, en voor een ieder komt eenmaal een einde aan zyn levensweg, en dan moeten we weten dat we in Christus geborgen zijn, en daarom moeten we ook niet
38
rusten yoor we dat weten, want dan alleen kunnen we gerust de toekomst tegen gaan. Van harte lioop ik dat gij allen, en velen nog met en na u, veel nut en veel zegen hier in het Tehuis zult vinden, en dat Broeder van Beije-iien nog lang voor het Tehuis, voor het Bestuur, voor de bezoekers, en voor het Koninkrijk Grods in het algemeen gespaard mag bleven, en met lust en opgewektheid mag voortgaan u den weg des levens te wijzen, en ik houd mij overtuigd dat gij allen met mij zult instemmen met den wensch ; Lang leve mijnheer van Beueeen !
Met veel enthousiasme werd die wensch eenige malen herhaald; waarna Mr. O. J. M. Graaf van Limburg Stibum optrad, en het volgende uitsprak: Waar onze geachte President Broeder van Beueeen, en het Bestuur, en de bezoekers van het Tehuis heeft gelukgewenscht, waar ik gaarne in deel; mag ik nu mij zeiven wel gelukwenschen. Dat klinkt nu wel vreemd, en eischt eenige opheldering; en die zal ik u ook geven.
Ik was in Engeland, maar myn geweten zeide mij dat op dezen dag mijn plaats hier in uw midden was, maar ik moest daartoe overkomen te midden van een vreeselijken storm, en ik mag Grod wel danken, en mijzelven gelukwenschen, dat ik goed en wel hier in uw midden ben gekomen. Ik kan nu wel niet zoo ernstig spreken als Baron Mackaij maar we verschillen ook nog al wat in jaren, en het is daarom niet minder goed gemeend. Dat weet Broeder van Beheren ook wel, want het is al meer dan vijftien jaren dat we met elkander ons bewogen hebben onder de militairen; en nu had ik een Psalmversje in mijn hart dat ik had willen laten zingen, maar onze vriend Van ben Doot, heeft my het gras voor de voeten weggemaaid door daar straks Psalm 134 vers 3 te laten zingen; en nu zeg ik nog eens, al is het nu niet even ernstig, het is daarom niet
39
minder goed gemeend, als ik u nu voorstel met elkander te zingen :
Lang zal hij leven Lang zal hij leven Lang zal hij leven In de Gloria.
Nadat hieraan voldaan was, en met een driemaal herhaald Hoera was besloten, trad een oud-bezoeker, vroeger wachtmeester by de veldartillerie, op met het volgende door hem vervaardigde gedicht, ten opschrift dragende:
Opgedragen aan mijn geliefden Vriend en Broeder J. van Beijeeen, bij de herdenking van zijnen 25-jarigen arbeid onder de Militairen.
Tot u mijn vriend, in blijdschap weer aanschouwd, Op 't zilveren feest, dat wij thans met u vieren,
Is heden 't woord; opdat gij 't weten zondt Hoe groot een vreugd uw vrienden komt versieren.
't Is ons een voorrecht, dat wij hier te zaam,
Al is het ook met stamelende klanken,
Dien God, die u tot eere van Zijn Naam Gebruiken wou, nog met u mogen danken.
O! welk een schat ontvingen we uit Zijn hand,
In u, o vriend, wanneer wij thans herdenken,
Wat God door u den militairen stand Bijzonder Hollands leger wilde schenken.
't Is toch zoo vreemd als men het Ouderhuis,
Met allen die ons lief zijn heeft verlaten;
En 't garnizoen met al zijn woest gedruisch. Dan binnentrekt, en komt bij de soldaten.
Veel meesters krijgt men daadlijk, dat is goed.
Die heeft je dit, die heeft je dat te zeggen;
Maar heeft men druk, of weedom in 't gemoed,
't Is God alleen voor wien ge 't bloot kunt leggen.
Geen andren vriend of raadsman heeft men daar; 't Kazerne-leven staat zoo spoedig tegen;
Men maakt er heel veel drukte en misbaar Doch den recruut toont men zich niet genegen.
40
liet Woord van God, vol troost voor eiken dag, Hoort men in de kazerne niet weerklinken,
Integendeel; schoon 't naar de wet niet mag, Van hoog tot laag vaak vloeken; en veel drinken.
Doch de Opperheer die alles hoort en ziet,
Wilde in die duisternis het licht doen rijzen.
Hij die 't Heelal door zijne kracht gebiedt,
Heeft den soldaat ook uitkomst willen wijzen.
Ook in de Hofstad kwam er een Tehuis,
Voor hen, die na den dienst van d' aardschen koning.
Hun tijd niet spillen, en des Heilands kruis Niet achten als een ijdele vertooning.
Het was reeds veel wat ons Gods goedheid gaf. Ja, waardig om Zijn Naam er voor te loven,
Maar bij dat alles schonk Hij ons een vriend,
Die al dat goede ver nog ging te boven.
Want wie hier kwam, en raad of hulpe vroeg. Hij was bereid in onzen nood te deelen;
En als hij Gods getuignis opensloeg,
Kwam menig woord dat onze wond kon heelen.
't Werd menigmaal wel niet op prijs gesteld, Het Evangelie dat hij ons kwam brengen;
Maar toch, wij weten dat zijn arbeidsveld Niet al het zaad zag door de zon verzengen.
Reeds prijken er aan Jezus Midd'laarskroon Als paarlen, door zijn dienst en woord gevonden;
Ja meer dan een kreeg als verloren zoon Hier in dit huis berouw van zijne zonden.
ü zij de dank o Vader toegebracht,
Voor al den zegen ons in hem geschonken;
Dat Uwe hand ons zoo in gunst gedacht,
Dat Uwe liefde zóó heeft uitgeblonken.
En u o vriend! zij heden ook betuigd:
Wij brengen u den dank voor al uw streven;
En wenschen u, waar onze danktoon juicht. Des Heeren zegen voor uw verder leven.
Ook dank aan haar, die d' arbeid met u deelt,
Voor al de goedheid ons zoo vaak bewezen;
Dat God u saam met zegen rijk bedeel'
Opdat Zijn Naam en grootheid wordt geprezen.
Hij spare u lang, Hij kioone uwe taak
41
Met liefde en gunst, en stelle uw woord ten zegen,
Opdat nog menig jongeling hier smaak Hoe groot een goed is in Gods vrees gelegen.
Gij mannen die thans dit Tehuis bezoekt.
Draagt onzen vriend steeds op in uw gebeden,
Gedenkt zijn werk, ofschoon de zondaar 't vloekt,
En vrees den Heer, zoo waard te zijn beleden.
Dan siert u wis 't gewaad van uw vorstin,
Als er de dienst van God aan is verbonden.
En keert ge weêr terug in uw gezin.
Dan is de tijd niet roekeloos verslonden.
De oud-bezoeker van het Tehuis voor Militairen en dankbare vriend van den directeur.
(was geteekend) A. Janse.
Zoo wisselden onder verschillende versnaperingen, den bezoekers aangeboden, verschillende sprekers elkander af.
Broeder W. Boomsma, beambte der directie der zaken van weldadigheid van H. M. de Koningin, die ons des morgens reeds had verblijd met eene verrassing waar de woorden op prijkten: âOudbezoeker van het Militair Tehuis 1878â1893quot; en die ons ook reeds des morgens had bezocht en geluk gewenscht, had ook nu behoefte om een getuigenis af te leggen tot Grods eer. Hij herdacht zijn bezoek aan het Tehuis gedurende zijne dienstjaren, al het genoegen in het Tehuis gesmaakt, al den zegen daar ontvangen. Inzonderheid was hem onvergetelijk een zendingfeest op Boekenrode waar heen hij met den Directeur en twaalf kameraden gegaan was, en die dag was het keerpunt in zijn leven geworden. Maar behalve voor dezen hoogsten zegen, had hij zooveel te danken ook voor zijne maatschappelijke loopbaan; en zijne ervaring en den zegen door God hem geschonken in het Tehuis, drongen hem de militairen op te wekken tot trouw bezoek van het Tehuis, en boven al tot een
42
vroeg zoeken naar den Heiland, dien we in onze jongelingsjaren zoo zeer behoeven, maar dan ook zeker vinden, en waarvan we dan ook levenslang ervaren dat Hij trouwe houdt, en zegen sclienkt, en kracht verleent, en alles met zijn volk wel maakt voor tijd en eeuwigheid.
Daarna sprak broeder A. L. J. Schmal van Voorburg. In de Jongelingsbode vau 10 November had hij reeds op dit jubileum gewezen, nu kwam hij in onze vreugde deelen en tegelijkertijd de medeleden zyner Vereeniging vertegenwoordigen, hunne groeten en heil wcnschen overbrengende. Hij zeide: ik sta hier midden tusschen het groen en ben ook op het gebied van den arbeid onder de militairen zoo groen, dat ik, zoo als de studenten het noemen, wel noodig zou hebben ontgroend te worden.
Maar ik sta hier dan ook niet op mijn plaats, maar op de plaats door den geachten jubilaris reeds zoovele jaren eervol ingenomen; en nu denk ik, al dit groen ziende, aan een woord van den Psalmdichter: De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, dat is, ook groeien onder de verdrukking, en hij zal wassen als de cederboom, die niet haastig opschiet, maar wiens hout zoo kostbaar is omdat het de eeuwen trotseert.
Die in het huis des Heeren geplant zijn, dien zal gegeven worden te groeien in de voorhoven onzes Grods; in den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen, zij zullen vet en groen zijn, om te verkondigen dat de Heere recht is. Hij is mijn rotssteen, en in Hem is geen onrecht.
Van harte hoopte hij dat God dit woord aan den jubilaris mocht waarheid maken, on hem in grijzen ouderdom nog mocht geven vruchten te dragen, vet en groen te zijn, ja steeds groener te worden. Tot dat het groen als beeld van jeugd en leven, zou hebben plaats gemaakt voor het groen der eeuwige jeugd en der eeuwige lente, waar de feesturen
43
nooit ten einde spoeden, maar duren tot in eeuwigheid.
Daarop volgde als spreker, broeder C. Spoeistra, theologisch candidaat. Zijn hart drong hem een woord te spreken, dat allereerst een woord van dankbaarheid moest zijn, voor alles wat de jubilaris voor hem geweest was en gedaan had, gedurende tal van jaren. Het eerst was hij met hem in kennis gekomen op een jongelingsfeest te Xeder-hemert, in 1880, waar de jnbilaris toen als een der sprekers was opgetreden.
Later was hij hier huisgenoot geworden, en in zijne mate ook mede-arbeider, tot de tijd aanbrak dat hij zich aan de studie voor de theologie kon wijden. Was iemand aan den jubilaris verplicht, hij zeker meer dan anderen, maar niemand kon dan ook meer Gods besten zegen voor huis en hart hem toewenschen op zijn verderen levensweg dan hij dat wenschte te doen. En waar hem nu het woord gegeven was, verzocht hij de vrijheid om ook de bezoekers nog een woord te mogen toespreken, en wel naar aanleiding van het devies der Vereeniging; Hebt de broederschap lief, vreest Grod, eert den Koning. Hij wenschte, ofschoon daar dooiden Auditeur militair ook in den loop van dit jaar over was gesproken op zoo uitnemende wijze, nog eens op te wijzen, omdat door dat devies eene prediking tot ons komt zoo juist voor dezen tijd geschikt. Hij zag in het woord âVreest Godquot; een zon, en de andere woorden werden voor hem de stralen die van deze zon uitgaan. Do vreeze Gods is werkelijk een zon die ons hart verwarmt, ons pad verlicht, ons hart verblijdt, ja een zon in wier licht wij wandelende, gelukkig worden voor tijd cn eeuwigheid. En waar we dat woord âVreest Godquot;, recht verstaan en in ons leven beoefenen, daar is het gevolg dan ook dat wij de Broederschap liefhebben, en tot die broederschap rekenen we dan niet alleen degenen die behooren tot onze kerk of
44
onze richting, maar de gansche gemeente van Christus over de gansche wereld, en we zullen die liefde niet alleen bespreken maar ook beoefenen. En als de vreeze God door om gekend en beoefend wordt, dan eeren we ook den Koning, en alle over ons gestelde machten, en strijden niet onder de leuze: vrijheid, gelijkheid en broederschap, omdat we telkens zien en hooren dat die leuze eigenlijk beteekent: vrijheid van God en godsdienst en van alle maatschappelijke banden. Vrijheid, ja maar niet de vrijheid die Christus schenkt, en broederschap die eigenlek beteekent: het uwe is het mijne, maar niet het mijne het uwe, en indien ge dat niet goed vindt onthaal ik u op een dynamietbom, of ik stuur u eene helsche machiene thuis. Tegenover de socialistische en anarchistische en nihilistische woelingen met hunne schoone leuzen en zoo treurige toepassing daarvan, houden wij vast aan de leuze; Hebt de broederschap lief, vreest God, eert den Koning! en we scharen ons met die leuze in het hart dichter rondom den troon, met het oude Wilhelmuslied op de lippen, met vernieuwde trouw aan het stamhuis van Oranje, en een vurig gebed voor onze jeugdige Koningin en hare vorstelijke moeder. Leve de Koningin! Leve de Koningin-Regentes! hetwelk door alle aanwezigen met geestdrift werd herhaald.
Voor velen was het uur van heengaan reeds aangebroken, anderen konden nog blijven en het aangenaam samenzijn onder velerlei genot voortzetten, totdat ook voor hen het uur van scheiden sloeg, nadat we met dankzegging aan God voor al het goede van den dag, dezen avond besloten, die menigeen in aangename herinnering zal blijven, en waarop wij allen met dankbare blydschap terug zullen zien.
Eene bloemlezing uit de geschiedenis der Militaire Vereeniging.
Eenige jaren geleden werden door de Hulpzendings-veree-niging te dezer stede een duizendtal maandblaadjes verspreid ten opschrift dragende: Evangelisatie onder Militairen.
In dat blaadje werd de geschiedenis medegedeeld van een der bezoekers van het Tehuis. Het was een man die uit een vreeselijken poel van ellende gered was, maar na zijne bekeering werd hij ook een ijveraar voor Gods Koninkrijk zoo als er weinigen worden gevonden. Hij had een aantal huisgezinnen, die hij geregeld bezocht om er den Bijbel te lezen en te bespreken, vooral voor oude en zieke mensohen had hij een hart en hen bezocht hij het meest.
Elke week ging hij met een bundel tractaten naar het strand te Scheveningen, en eiken avond nam hij er eenige mede om ze in de kazerne te verspreiden. Eiken middag hield hij Bijbelsche les met kinderen die de openbare school bezochten, en voor die les besteedde hij vaak zijn wacht. Nooit gunde hij zich boter of kaas op zijn brood, om toch als de maand om was maar eenig geld te hebben om weg te zenden, voor de zending onder de Joden, de zending onder de Heidenen, en voor de weezen te Neêr-
46
bosch. Om zijne ouders met zijn handgeld uit den nood te kunnen helpen ging hij later naar Atjeh. Voor hij weg ging kwamen vele burgers en militairen in het Tehuis en nederknielende heeft hij met hen gebeden en werd toen door velen begeleid naar het station. Na zyn vertrek vonden we op een stuk papier de woorden door hem geschreven;
Sterk maar in mij Het onverwrikt geloof,
En steun me in 't leed O mijn getrouwe God.
Want veel leed had hij, daar zijn vader hem had bedrogen en zyn groote armoede had voorgewend om door Johannes geld te krijgen om te kunnen drinken. Maar'God heeft zijn gebed verhoord en hem geholpen tot zijn jeugdig einde.
Hij evangeliseerde te Meester Cornells in de kazerne met Nieuwe Testamenten en tractaten, zoo deed hij ook in de Kraton van Atjeh waar we hem nog driemaal een pak met boeken en tractaten deden geworden.
Eenmaal schreef hij ons, dat hij zulk eene wonderbare droom had gehad. Hij zag in dien droom het Tehuis, en in het Tehuis het Bestuur der vereeniging, zijne vrienden, mij en mijn gezin, en wilde er heen loopen, maar daar lag in het midden van den tuin eene breede kali of sloot en daar kon hij niet over. Toen zeide ik: dat is zijn dood. En het was zoo, we kregen geen brief meer, van een vriend vernamen we later dat Johannes de cholera had gekregen en aan de gevolgen daarvan in zij ne armen in vrede was ontslapen.
Een ander bekeerling van het Tehuis heeft veel gedaan voor het Evangelie in de hospitalen te Malang en Padang; ala sergeant-ziekenvader is hij in Indië overleden. Een onzer bezoekers werd na zijne bekeering eenigen tijd gede-
47
tacheerd te Katwijk aan Zee. Bij een bakker thuis zynde begon hij met diens verlof voor eenige mensclien Bijbellezing te houden en was voor twee menschen ten zegen; teruggekomen werd hij door de typhus aangetast, en stierf als een die vroeg rij p was voor den hemel.
Een man die 20 jaren een dronkaard was geweest, werd een voorbeeldig huisvader, en zgne vrouw en twee dochters volgen hem nu op den weg naar den hemel waar hij hun is voorgegaan. Een ander militair, die 36 jaren had gediend en tengevolge zijner dronkenschap vaak was gestraft en nooit eenige bevordering had gemaakt, kwam tot inkeer door het woord: Er is geen zondaar te groot voor Jezus. Later won hij als scherpschutter den hoogsten prijs; omdat toen zgne hand niet meer beefde kon hij goed mikken, en spoedig had ik 56 gulden van hem in bewaring die hij goed heeft besteed voor zyn gezin en voor een arme zuster.
Toen Broeder van Balen voor Christus gewonnen was wilde hij naar de slechtste menschen gaan die op de wereld zyn. Ik het hem een boekje lezen getiteld; De Papoea's aan de Geelvinksbaai, en na te Utrecht vlijtig gestudeerd te hebben is hg werkelijk zendeling onder de Papoea's geworden, en mag nu op Windessie, eiken Zondag aan ruim honderd Papoea's het Evangelie verkondigen.
Een milicien die hier den übeae Jezus had leeren kennen begon toen hij thuis was in de woning zijner zuster eene Zondagsschool. Het was wat vreemds in het doodige dorp waar niets was dan modernisme, maar onze vriend ging er op uit om de kinderen uit te noodigen, en schreef mij later; De kinderen komen trouw, ik heb er al twintig, en dat twintigtal is naar ik meen wel al honderd en twintig geworden.
Toen begon hij de ouders te vragen een avond in de week bij hem te willen komen, en de Bijbelbespreking begon; en er kwam leven en opwekking in de gemeente.
48
Ik schreef hem; houd de Kerk in het oog opdat er van \iwen kring in den Kerkeraad komen. Het is geschied, en toen de moderne Predikant zijn emeritaat aangevraagd had, kwam er een geloovig Loeraar die zich bij dezen vriendenkring aansloot: De dood is door het leven overwonnen.
Zoo was er een ander jongeling die in het Tehuis een zegen had ontvangen en in zijn ouderhuis ten zegen werd voor zijn vader en moeder en broeder.
De drank ging de deur uit en Gods Woord kwam er in, en de beide broeders zijn nu leden, werkzame leden van de jongelingsvereeniging geworden.
In het verslag over 1885â86 na de vermelding van eenen feestavond op Eeigersbergen en een gezegenden afscheidsavond in het Tehuis, kon het Bestuur het volgende mede-deelen; Een grenadier, vroeger een kruis voor zijne ouders, is hun nu tot vreugde. Als lid eener jongelingsvereeniging en helper op eene Zondagsschool, tracht hij anderen nu nuttig te zijn.
Een ander schreef in een zijner brieven: Het hing my zóó aan toen ik het Tehuis moest verlaten dat ik geen woord kon spreken, maar nooit kan ik er God. genoeg voor danken dat ik in het Tehuis ben geweest.
Twee broeders, beiden in dienst, leerden beiden God vreezen ; en een ander, eertijds een vloeker, hoorden we later voorgaan in het gebed.
Een grenadier uezocht langen tijd geregeld het Tehuis, maar toch gebeurde het ook dat li IJ zich nog eens weer in een bierhuis liet vinden. Beginselvastheid ontbrak hem nog. Zyn diensttijd eindigde, hij zocht een kosthuis en eene betrekking; het eerste vond hij spoedig, het andere ging niet zoo glad, en hij besloot in vredesnaam maar weêr in dienst te gaan, doch nu bij een ander wapen in eene andere stad. Hij deed dit en vond ook in die garnizoensplaats een
49
Militair Teliuis, maar er was gecne Evangelisatie aan verbonden. Dat bevreemdde hem, en hij deelde aan de overige bezoekers mede dat liij in den Haag anders gewoon was geweest zijne Zondagavonden te besteden, dan alleen met praten, rooken en spelen.
Daar werd altijd een gedeelte van Grods Woord besproken, waarvan hij zieh menig onderwerp herinnerde en waarvan hij toen ook eenige mededeelingen deed.
Die mededeelingen vielen in goede aarde, men wilde meer daar van hooren, en tegen wil en dank werd onze vriend hier Evangelist, maar evangeliseerde daarbij zich zeiven met den rijksten zegen, zoodat hij van den Heere Jezus getuigende, zelf tot de zekerheid kwam den Heeue Jezus toe te behooren. Hg had enkele mijner boekjes in zijn bezit en ook de traotaten door wijlen den Heer J. W. van Manen uitgegeven. Deze begon hij voor te dragen, ving met gezang en gebed de samenkomst aan en maakte zoodoende den Zondagavond stichtelijk voor de bezoekers, wier getal gedurig toenam.
In zyne brieven bleek ook de ontwikkeling van zijn eigen geestelijk leven voortdurend. Later kwam liy ons nog eens enkele dagen bezoeken en toen hebben wij veel te zamen gesproken en gebeden.
Grod gaf hem bij genade ook eere, want hij werd eerst korporaal, later sergeant en meester op alle wapenen. Als schermmeester won hij twee medailles, en werd door allen geacht. Door zijne bemiddeling kwamen goed gezinde Predikanten het Tehuis bezoeken en daar een woord spreken. Hij zelf genoot hun onderwijs gedurende twee jaren, en nog in dienst zy tide, deed hij examen voor het godsdienstonderwijs, en werd terstond na afloop van zijnen diensttijd als Evangelist-Godsdienstonder wij zer geplaatst
In het jaar 1888 was er eene opwekking onder de Mili-
4
50
tairen, waarin een groot aantal voor Ciuustus werden gewonnen, waarvan nu reeds velen medearbeiders zijn geworden in Gods Koninkrijk. Vele schoone geloofsgetuigenissen zouden uit dien tijd zijn mede te deelen die hier allen nu geen plaats kunnen vinden, maar een der belangrijkste bekeeringen in het Tehuis is wel die van een jongeling, die in de plaats zijner woning lid was van een club of soort jongelingsvereeniging waar elk die zich aansloot f2.50 entree moest betalen, welk bedrag dan evenals alle boetegelden aan brandewijn werd besteed. Onze vriend heeft niet alleen met alle drankgebruik gebroken, maar is eene leesbare brief van Chbistüs geworden.
Zijn leven kan men samenvatten in drie woorden: vriendelijk, vroom en vroolijk; zoo moet het zijn bij ieder christen. Hij is als wachtmeester uit dienst gegaan, en is nu een gelukkig huisvader.
Een jongeling die in zijn burgerleven eene betrekking had, die velen hem benijd zouden hebben, kwam door loszinnigheid in dienst, maar kwam, in dienst, zijnde tot een beter leven, waartoe Grod een Bijbellezing over Psalm 32 gezegend heeft.
Zelf nu door God gezegend trachtte hij ook anderen ten zegen te worden, en bracht twee mannen onder het Evangelie, waarvan een vooral een treurig verleden achter zich heeft. Maar de Heere sprak ook tot dezen mensch zijn âLazarus kom uitquot; en de doode is levend geworden en getuigde later in het midden zijner kameraden van de liefde van God, sprekende over de woorden: Strijd en vrede.
Een jongeling wilde zelf dienen tegen den zin zijner ouders. Spottend en vloekend kwam hij naar den Haag, maar nu mogen die ouders zich verheugen over hunnen zoon en de vader schreef: Och Douwe, wat is de Heere goed voor u in den Haag. Gij moet nu maar een getrouw
51
getuige van Christus zijn, en de Naam des Heeben voor uwe kameraden belijden, want wat had het met u toch ook anders kunnen wezen. Gezegend, gezegend zij zulk een vader!
Als een wanhopige stond een huzaar in mijn kamer en zeide: God alleen weet hoe slecht ik ben, ik heb nooit willen deugen! O, myn moeder, mijn goede moeder, zoolang ik leef heeft zij voor mij gebeden. Wat dunkt u, mijne vrienden, werd het gebed van die moeder niet verhoord? Moeders bidt toch voor uwe zonen. God zal hooren; en er is geen zondaar te slecht voor Jezcs. Zij kunnen worden gered.
Twee vrienden zijn in ons huis gewonnen voor den Heer zoodra zij in het Tehuis waren, en hoe plotseling hunne bekeering ook was, jaren bewijzen nu reeds de oprechtheid van hunne keuze voor God.
Ik mag niet vergeten mede te deelen hoe een bezoeker van ons Tehuis, en een ijveraar voor Gods eer, in dienst eerst korporaal, en daarna sergeant, in zijn burgerleven wedergekeerd scheepsbouwmeester werd, en latei- ook Eeeder geworden, één zijner schepen âGroen van Prinstererquot; heeft gedoopt, zoodat de naam van den ontslapen christenstaatsman niet alleen door ons land maar ook op zee in herinnering wordt gehouden.
Een oud soldaat kwam tot Christus en getuigde met groote vrijmoedigheid van de liefde van God, en ging hier vaak voor in het gebed. In een zyner brieven schrift hy : God, den Vader zij dank dat ik in het Tehuis geweest ben. Wat heb ik nu veel verloren in die heerlijke en gezegende avonden onder Gods woord doorgebracht die ik nu mis. Wij zijn nu ver van elkander, maar wat is het goed dat God overal is, en in Hem hetzelfde leven en dezelfde vreugde, in Zijnen lieven zoon Jezus Christus. Maar ik moet nu niet aan de brieven beginnen, want dan werd dit
52
boekje een boekdeel, want er zijn zoovele kostelijke brieven, die wij bewaren.
Bij al de dingen die ik nu reeds genoemd laeb, is ook dit een zegen als reeds geloovig geworden mannen worden opgebouwd, als twijfelenden worden vastgesteld, als af-gedwaalden getuigen : Dat bindert my zoo, dat ik Grod zoo beleedig, de Heer lieeft het aan my niet verdiend. En dit is ook een zegen als bekeerde militairen na hunnen dienst-tijd dienende Broeders worden onder de epileptisohen; of na het overlijden hunner ouders de zorg op zich nemen voor hunne broertjes en zusjes in plaats van ze in een weeshuis te laten gaan.
Een grenadier, die in de plaats zijner woning reeds dertienmaal voor vechtpartijen gevangenisstraf had ondergaan werd in het Tehuis een beslist Christen. En een jager zoo slecht van wandel, dat zijne ouders niet meer van hem wilden weten, werd door een kameraad, die voorgaf met hem mede te zullen gaan naar een publiek huis, mede genomen naar het Tehuis. Zij kwamen onder de Bijbellezing. Telkens op stel en sprong om heen te gaan, ontevreden en knorrig omdat hij, naar hij meende in den val geloopen was, hield het gesproken woord hem zoo geboeid, dat hij later zeide: die man daar hield mij den geheelen avond aan een touwtje. Hij werd een getrouw bezoeker van het Tehuis, dat baande hem den weg tot verzoening met zijne ouders, en later ook met zijn Grod.
Twee jongelingen uit éen plaats kwamen in dienst; de een was een dronkaard en baarde zijnen ouders veel zorg, de ander werd het middel in Gods hand om zijn dorpsgenoot eerst in het Tehuis, en later tot bekeering te brengen.
De vrome jongen ontsliep na een smartelijk lijden in het hospitaal waar ik hem bezocht, en aan zijn graf mocht ik
53
getuigen van de kracht die van den waren christen uitgaat, waarvan de ontslapene een voorbeeld was geweest.
En nu nog één verhaal tot eer van God, dan zal ik eindigen, hoewel er nog zooveel mede te deelen is van Gods heerlijk werk der genade aan zondaren hetoond.
Een getrouw leeraar verzocht my inlichtingen aangaande het gedrag van een jager, en verzocht mij te doen wat ik kon om hem in het Tehuis te krijgen. De jongeling was al vader eer hij in dienst kwam, maar niet gehuwd. Voor vechterij was hij reeds meermalen gestraft, toch liet de leeraar hem niet varen, maar had hem telkens bij zich laten komen, en met hem gesproken, en voor hem gebeden; maar nu was de jongeling in dienst, en kon hij niets meer voor hem doen dan hem aan God opdragen, en hem bij mij aanbevelen. Hij had van den jongen man een zeer vroom geschreven brief gekregen en dacht aan het woordje âstroopquot; maar was daarvan niet gediend.
Toen schreef ik hem terug! Waarde Broeder! de brief die u doet vreezen doet mij hopen. De jongeling waarover gij schrijft is geen vloeker, maar iemand die 's morgens en 's avonds en aan tafel in de kazerne bidt. Hij komt dagelijks in het Tehuis, bezoekt trouw de Kerk, is lid van onze Jongelingsvereeniging, gaat voor op onzen bidstond, in één woord, ik houd hem voor een beslist Christen. Terstond ontving ik bericht terug: Waarde Broeder! ik kom Woensdag in den Haag, zeg dat aan S., en laat hem zorgen bij u te zijn. S. maakte dat hij er was, zag telkens uit naar zyn leeraar, en toen deze kwam, en deze twee elkander ontmoetten werd God verheerlijkt op bijzondere wijze, en ik heb eene der schoonste momenten uit de geschiedenis dei-Evangelisatie onder de Militairen beleefd.
De jongeling heeft later op heerlijke wijze in het Evangelie gearbeid en is tot op dezen dag een eere van Christus.
54
En nu ten slotte een versje!
Bij 't Vorst'lijk 's Gravenhage,
Op weg naar Wassenaar,
Werd menig jeugdig krijgsman Een vriend'lijk huis gewaar;
Verborgen onder 't lover,
Omringd door bloemenpracht.
En â daar licht Reigersbergen â
Zoo fluisterde hij zacht.
Dat plekje zal geen militair ooit kunnen vergeten, die daar vriendelijk werd ontvangen, gastvrij werd onthaald, en die daar mocht zingen tot eer van God, of een gedicht mocht voordragen voor de edele bewoonsters in vroeger dagen, waarvan nu reeds twee juichen voor den troon van God.
En nu â aan vriendelijke menschen dank, aan God alleen en eeuwig de eer. Halleluja. Amen.
Herinnering aan den feestdag van het Vijf-en-Twintigjarig bestaan onzerZondagsschooi, 22 November 1893.
Om dezen schoonen gedenkdag te openen, werd ons, terwijl we bezig waren plaatsen te bescliikken voor de kinderen der Zondagsschool, benevens hunne ouders en vele oudleerlingen, die des avonds zouden komen, reeds in den vroegen morgen eene vergulden bloemenmand thuis bezorgd vol schoone planten, en tusschen die bloemen door was op een breed lint met zilveren letters gedrukt: 2 Corinthe 9 vers 10. We sloegen den Bijbel open, en lazen de volgende woorden: Doch die het zaad den zaaier verleent, die verleene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw gezaaisel, en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid.
Wat was dat woord eene goede wijding voor het begin van den dag; maar nauwelijks was dit eerste bloemenge-schenk aangenomen of daar volgde van een dankbaren vader, wiens kinderen niet alleen op onze Zondagsschool waren geweest maar ook in ons huls waren verpleegd geworden, eeue groote bouquet witte Chrysantemums en in het midden daarvan met roode bloemen het jaarcijfer 25. Nog andere blöemen volgden, sierlijke kaarten, dankbare brieven, en vriendelijke bezoeken den ganschen dag door. Het einde van den dag was ook de kroon van het feest. Daar zaten onze Zondags-
56
schoolkinderen en hunne ouders, helpers en helpsters en vele oud-leerlingen, waarvan sommigen reeds arbeiden in Gods koninkrijk. We waren met vrienden en vriendinnen, huisgenooten, en militairen, te zamen met niet minder dan driehonderd personen. â Toen allen gezeten waren werd de feestavond aangevangen met het zingen van Psalm 100 vers 1, 2 en 4, het lezen van Mattheus 13 : 31 tot 52 en gebed om Gods zegen over onzen feesture. Daarna werd het volgende door mij gesproken.
Waarde vrienden, het is heden 25 jaar geleden dat ik op 22 November 1868 met den in 1869 vertrokken zendeling Hildering mijnen Zondagsschoolarbeid begon.
Het was my eene behoefte dezen dag niet onopgemerkt voorbij te laten gaan, maar dien dankbaar voor Gods aangezicht te herdenken, en er Hem voor te danken. Ik meende niet ten onrechte dat velen dat met mij zouden willen doen, daarom heb ik u verzocht hier samen te willen komen. Ik dank u dat gij zijt gekomen en heet u hartelijk welkom in dit uur aan deze plaats. â Ik wensch u de geschiedenis onzer Zondagsschool mede te deelen, opdat gij zoudt weten wat God gedaan heeft door onze geringe pogingen, en ik hoop dat ge aan het einde met mij zult instemmen in de betuiging : God heeft groote dingen gedaan, dies zijn wij verblijd.
Gelijk alles in Gods Koninkrijk klein begint en dan gaat groeien en bloeien, ook midden door de verdrukking heen, zoo is het ook met onze Zondagsschool gegaan. â Wij zijn begonnen, het kon niet minder, op het Ledig erf, in hot Kleppershofje, in een huisje van 80 cent per week met 8 kinderen.
Banken kregen we van Mevrouw Capadose, enkele prenten en teksten versierden den wand, en toen het getal kinderen toenam, en er niet meer in het kamertje konden zitten, moesten de overige zich behelpen op kleine bankjes in de ledige bedstede geplaatst. Ik zie nog in myne verbeelding
57
die kinderkopjes die bedstede nitgluren. Nu begonnen we ook de ouders bijeen te verzamelen om daar Bijbellezing voor te houden, maar dat was de buren wat al te vroom en zij kwamen ons onthalen op draaiorgelmuziek voor de deur, onder de Bijbellezing.
Door het huisbezoek werden we bekend met Schoonoord aan het einde van den Noord wal, we vonden daar enkele God-vreezende huisgezinnen, onder zooveel waar het anders was, en één dezer familiën was bereid ons toe te staan ook daar enkele kinderen te zamen te brengen, en ook met de ouders eens samen te komen. Voor die ouders las ik een gedeelte der Schrift, wij zongen en baden, en daarna las ik hun een of ander voor uit het leven van den Christenheld Robert Anan van Dunde.
Zoo breidde het werk zich uit, en met het Kerstfeest van 1868 mochten we reeds met ruim 40 kinderen samen komen en ons eerste Kerstfeest vieren.
Elk kind kreeg een boekje of prent, een broodje en koekje en een klein stukje kleeren, 't was alles o zoo gering, maar we waren al blij iets te kunnen doen.
Broeder Hildehing ging naar Indië terug en de Evangelist Step kwam in zijne plaats en werkte mede, en de Zondagsschool en de Bijbellezing breidden zich zóó uit dat we naar een grooter lokaal moesten omzien, waar alles vereenigd kon worden.
Dat lokaal vonden we op het Vissehersdijk, waar, van het begin van 1869 af aan al de kinderen te zamen kwamen en waar het getal zich uitbreidde tot 70, later tot 80, ja in het najaar reeds tot 100 kinderen.
Ook de Bijbellezing werd daar voortgezet tweemaal per week. Voor de ramen hing eene met groote letter gedrukte nitnoodiging aan armen, kreupelen, blinden, verwaarloosden, haveloozen en afgedwaalden, en ze zijn er gekomen, maar
58
cr kwamen ook anderen in het lokaal. De werkman kwam daar en zette zijn spade in een hoekje, en de werkvrouw borg daar zoolang haar klompen tot het einde van de Bijbellezing. Er kwamen ook zeer fatsoenlijke lieden, we hadden zelfs enkele dames onder ons gehoor, maar er kwamen ook ver afgedwaalden binnen, en kwamen terecht voor de eeuwigheid.
Op de Zondagsschool kreeg ik hulp aan de Heeren F. Dorn, F. 't Haet, en de Heer Van den Büeg. De eerste is later zelf Zondagsschool gaan houden met den Heer F. Bouten.' De tweede is naar den hemel gegaan, en de derde begon eene Zondagsschool in zijne eigene omgeving.
Hunne plaatsen werden ingenomen door een meisje dat haar Heiland had leeren kennen en ook haar beminde verleende ons zijne hulp, en samen zijn zij later weder zelf Zondagsschool gaan houden in eene andere buurt.
Nieuwe hulp werd ons door den Heere beschikt in de Heeren K. Thieky, Joh. Houtman en Mejuffrouw Jona. Ook zij zijn later zelfstandig werkzaam geworden in de Kapel Malakkastraat; en opnieuw vonden wij hulp in de Broeders Stkeeder en Baggerman, Gutterswijk en Marchal en andere leden van de in dien tijd opgerichte jongelieden-vereeniging. De meeste leden zijn later lid, sommigen zelfs bestuurslid van bestaande jongelingsvereenigingen geworden. Twee daarvan zyn godsdienstonderwijzer geworden, en twee broeders zetten nog altijd eene groote Zondagsschool te zamen voort. Broeder Spoelstra kwam tot ons en werkte eenige jaren met ons mede, en nu reeds vele jaren staan de Broeders Fletterman my krachtig ter zijde, terwijl we eene kostelijke hulp hebben aan vroegere Zondagsschoolbezoekers en bezoeksters, tot op dezen dag aan onze Zondagsschool verbonden gebleven, als eene vrucht op ons werk.
Maar ik loop vooruit en moet toch nog eenmaal naar het Visschersdijk terug.
59
Door eenige militairen die voor Christus gewonnen waren, werd op het Visschersdijk eene Militairen-jongelingsvereeni-ging opgericht. Zij vergaderde daar tot later het Tehuis op de Veenlaan No. 9 op 3 Juli 1871 kon worden geopend. De oude vrouw Krul, die we een woningje hadden gehuurd in de Pieterstraat, heeft vele jaren de dienst als kosteres in onze Evangelisatie waargenomen, totdat zij later zich zelve een plaatsje kon verwerven in een gasthuis in Tiel om daar hare laatste dagen te slijten.
En laat ons nu eens een blik in de Zondagsschool slaan, en zien wat daar al zoo werd vergaderd. â En dan denk ik in de eerste plaats aan een meisje met hangende haren, en een jurk waar geen kleur van te noemen was, vol flarden aan de mouwen en aan den zoom, en doorgaans al de haken en oogen van achteren los op den rug. Zij is nu moeder, en loopt met haar kinderen te bedelen langs de huizen. Maar ik denk ook aan zoovele nette kinderen wie het een genot was ze aan te zien, met aandacht hoorende naar Grods woord. â Ik denk aan een jongen die blootshoofds kwam met ongekamde haren, met ongewasschen aangezicht, zonder buisje zonder vestje en eenmaal zonder knoopen aan de broek. Maar ik denk er ook aan hoe die jongen is veranderd, gewasachen, gekamd, met een schoon boezeroen aan; en dan denk ik aan een dag toen water en kam weer waren vergeten, hoe hij zich waschte aan een pomp op de straat, en zijne haren rangschikte met zijn vingers eer hy in de Zondagsschool kwam. En dan herinner ik mij den dag toen hij zoo nameloos blij was omdat hij eenen nieuwen naam had gekregen, niet omdat hij een nieuw hart had, o neen, maar omdat we zijne ouders hadden kunnen helpen aan hunne trouwpapieren, en de kleêren uit den lombard, en nu waren zij getrouwd, en de jongen was geëcht en droeg nu in plaats van de naam zijner
60
\ *
moeder den naam van zijn vader. Och hij was de eenige niet, er waren 35 van die arme en ongelukkige kinderen op de Zondagsschool, maar er is veel veranderd en verbeterd nadat we veel hadden kunnen helpen, en van oneohten is nu zoover ik weet geen sprake meer. â Men heeft mij echter wel eens bedrogen en het geld voor de papieren voor drank gebruikt en de kleêren weder in den lombard te bewaren gegeven.
Ik denk aan een goed jongetje dat geheel werd verwaarloosd, en dat mijne vrouw geheel heeft gekleed, en toen â in plaats van zeer dankbaar te zijn, werd de vader boos en zeide: je zult van die fijnen meer gaan houden dan van mij, en het kind mocht niet meer op de Zondagsschool komen, maar moest, als het Zondag was, met eene geit voor onze deur komen loopen op het Zondagsschooluur. â Als de man dronken was brulde hij altijd met vloeken zijne vrouw de akelige woorden tegen: Krijg de klem in je smoel; maar hij zelf is ziek geworden, en hoewel hij by zijn kennis was kon hij toch niet spreken. Toen kon hij niet vloeken en heeft veel goeds kunnen hooren, en toen hij vijf minuten voor zijn dood de spraak weder kreeg, vroeg hij allen om vergeving en bad: O Grod, wees mij armen zondaar genadig! en met die bede is hij de eeuwigheid ingegaan.
Ik denk aan een gezin waar de vader Eoomsch was, maar vader en moeder en grootmoeder kwamen op de Bijbellezing, en de vijf kinderen kwamen op de Zondagsschool; en dank aan God deed hen besluiten, op hun koperen bruiloft niei hun geld aan jenever te besteden gelijk vroeger geschied was, maar zij brachten hunnen ganschen spaarpot ten offer voor de zaak des Heeren.
Ik denk aan den tijd toen er eene opwekking was onder de kinderen, en er eiken morgen twintig tot dertig in het lokaal kwamen om samen te lezen, te zingen, en te bidden;
61
Zij werden voorbereid voor den hemel waar zij allen zoo vroeg zijn heengegaan, maar enkelen zijn er van over.
Twee kinderen zijn aan de pokken gestorven maar midden in hun lijden zongen zij op het Zondagsschoolnur waaraan zij dachten:
Daar boven juicht een groole schaar,
Van kindren om Gods troon;
Verlost van zonde en van gevaar,
Zij zingen 's Vaders Zoon.
Nu klinkt hun lied: De Heer zij prijs Die aan het kruishout stierf,
En in het hemelsch paradijs Een plaats voor ons verwierf.
Een arm kind, door eene familie opgenomen, ging sterven, en zeide: vader, als het nu Zondag is, moet u naar de Zondagsschool gaan, en aan mijnheer en aan al de kinderen zeggen: compliment van Toontje, en Toontje is nir naar den hemel en hoopt u allen daar weder te zien. â Ik denk aan een lieven jongen met een innig vroom hart, die, hoe gaarne hij kwam, niet op den bidstond mocht komen. Eenmaal kwam hij met groote klompen, omdat zijne schoenen waren weggestopt, en eens kwam hij op zijn kousen. Toen verbood ik hem zoo weer te komen en zeide dat God hem toch wel zegenen zou op ons gebed.
Het kind dat zoo vroeg mag gelooven dat leeft voor den hemel ook vroeg.
God geeft hem weggenomen en grootmoeder stond toe dat ik bij hem kwam om nog eens met hem te spreken en te bidden; en de laatste maal vroeg hij mij met hem te zingen uit Psalm 118:14:
Gij zijt mijn God, U zal ik loven,
Verhoogen Uwe Majesteit;
Mijn God niets gaat Uw roem te boven U prijs ik lot in eeuwigheid, enz.
62
Zingen, vroolijk zingen, dat hebben we eenmaal allen gedaan op verzoek van een knaap die van typhus hersteld was. Zeer ziek was hij geweest, de dokter had hem opgegeven, maar God hoorde ons gebed, en toen hij hersteld was kwam het knaapje de Zondagsschool in en zeide: zingen Mijnheer, nu zingen. En wat moeten wè nu zingen? uit Psalm 118 : 9
De Heer wou mij wel hard kastijden.
Maar stortte mij niet in den dood.
Verzachtte vaderlijk mijn lijden,
Heeft mij gered uit allen nood.
Ontsluit, ontsluit voor mijne schreden,
De poorten der gerechtigheid,
Door deze zal ik binnen treden.
En loven Hem in eeuwigheid.
Moge dat kinderlijk geloof den man zijn bijgebleven, en het hem vergund worden God te loven, nu en in eeuwigheid.
Onder de vroegere helpers op onze Zondagsschool heb ik daar straks nog vergeten te noemen een Broeder die nu Leeraar is eener vrij Evangelische gemeente in Zeeland. Ik ontving van hem een brief vol getuigenissen van ontvangen zegen in ons huis, en vol bewijzen van dankbaarheid en blijvende vriendschap. Dat God hem zegene en ten zegen stelle in zijnen arbeid, is onze bede.
Enkele weken geleden zag ik een jongeling in de kerk en sprak hem by het uitgaan. Vroeger een onzer Zondagsschoolkinderen is hij nu zelf helper op een der Zondagsscholen in de stad.
Een jongeling uit Steen wijk schreef mij dat hij zyne bekeering dankte aan een onzer Kerstfeestvieringen rondom den Kerstboom; dat had hij nooit kunnen vergeten, en van dien tijd aan had hij genade gezocht en gevonden bij God. Hij is ook de eenige niet waar we dit van mogen weten, er zyn er meer die Christus vonden in het licht van den Kerstboom.
63
Hoe is die Kerstboom er altijd gekomen met al die kaarsen en kleederen, koekjes en boekjes, broodjes en vruchten, plaatjes en speelgoed? Hoe? door Grods wondermacht en trouw.
Eenmaal werd ons een kerstboom gebracht, met kaarsen, blakertjes, vlagjes, en groote trommels koek, suiker en chocolade, en alles was een geschenk van wijlen Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Willem van Oranje voor wien we zoo vaak onze Zondagsschoolliederen hebben gezongen en die de liederen der kinderen zoo gaarne hoorde. â Maar ook voor menig Kerstfeest heb ik krachtige hulp gevonden bij de nu zalige Freules Wautiiier en Baronesse Brn'tixck tot SonooNHETEN. Na den dood der edele vrouwe werden ons nog de goederen bezorgd door haar voor het Kerstfeest gemaakt; tot haar sterfuur toe heb ik bij die allen over het Woord en de liefde Gods mogen spreken. Zij juichen voorden troon en wachten ons daar boven.
Eén jaar had ik niets en er kwam ook niets, tot drie dagen voor het kerstfeest toe. Dien dag kreeg ik voor mij zeiven eene schoone collectie boeken en eene verzameling bons om te verdeelen; en in één huisgezin kwam de hulp zóó op tijd dat het gansche gezin knielend trod heeft geloofd en geprezen.
Nog één dag wachten, en toen zond eene dame ons zooveel kleederen dat we van niemand iets meer behoefden en met Paaschfeest nog kleederen uitdeelden.
Op een anderen keer bracht een predikant ons wat zijne vrouw de goedheid had willen hebben bijeen te brengen, namelijk zestig gulden en zestig kleedingstnkken, en jaar aan jaar heeft zij dat voor ons gedaan totdat zij boven feest ging vieren terwijl wij rondom den Kerstboom hare goede zorgen dankbaar gedachten.
Van elk jaar zouden we iets kunnen mededeelen, maar dit bovenal, dat Grod zoo nameloos goed is, en dat willen we
64
zeggen duizend, duizendmaal. Want dat is de heerlijke waarheid. â Een onzer vroegere Zondagsschoolknapen werd zelf het middel tot de zaligheid van een jongeling die veel doet voor het koninkrijk Gods. Zoo wordt men jong reeds grootvader.
Eenmaal scheen het of de Zondagsschool onder moest gaan. In de Heemskerckstraat konden we niet langer blijven. Toen hebben we ons zeer moeten behelpen in een pijpenlade in eene vuile poort, waar we een daalder huur moesten betalen. Maar God heeft geholpen en ons in het schoone onthoudersgebouw in de ruimte gesteld; en toch zitten we niet altijd in de ruimte, ook nu niet waar we het Kerstfeest weder tegen gaan. Misschien zijn er die ons ruim kunnen helpen, misschien anderen, die iets kunnen doen en dat ook met liefde willen doen, want dat is noodig.
Eene vroegere Zondagsschoolbezoekster, later in goede betrekking gekomen, gaf jaren lang aan hare moeder geld voor wol en voor baai, en de moeder breidde kousen en naaide rokken en maakte er zich een feest van als zij dat alles brengen kon. â Yelen hebben ons vergeten, anderen trachten ons te vergeten omdat zij Gods woord vergeten willen, maar nog anderen vergeten ons nooit; groeten ons steeds, schrijven ons vaak, of komen ons nog eens bezoeken.
Het was mij eene behoefte des harten u nog eenmaal samen te zien, om nog eens tot u te spreken, samen te zingen, te bidden, te danken, en bovenal ook dankbaar te gedenken wat God voor ons en door ons deed. â Vrienden en vriendinnen vergeet niet wat ge geleerd, gehoord en gezien hebt van Gods daden. Vergeet en verlaat den God uwer kindsheid niet, maar blijft Hem steeds getrouw en komt Hem immer nader, en o God geve het! komt allen eenmaal voor eeuwig bij Hem die u liefhad van uwe jeugd af aan, Jezus Christus, onzen Heiland.
Vergeet de Zondagsschool niet, en laten de Zondagsschool-
65
onderwijzers een plaatsje behouden in uw liart, in uwe liefde, in uwe gebeden die wij noodig hebben voor dezen arbeid. Gij allen behoudt eene plaats in ons hart en in ons dagelijksch gebed. En nu, Grod zegene u allen te zamen en ieder afzonderlek met tijdelijke en geestelijke zegeningen. Leeft naar Grods woord, tot Gods eer, God geve u eenmaal heen te gaan in vrede als ge Zijnen raad hebt uitgediend. En moge het eenmaal blijken dat van al onze Zondagsschool-bezoekers geen enkele verloren ging. Weest gezegend en ten zegen. Ook door u, ouderen, en zelfs door u, Zondags-sohoolkinderen kan veel goeds worden gedaan. Ik denk aan twee lieve kinderen die met hunne moeder bij de grootouders inwoonden. Als zij dan uit de Zondagsschool kwamen, plaatsten allen zich aan tafel, en de kinderen verhaalden al wat zij hadden gehoord, en dat is voor die grootouders tot eenen grooten zegen geweest. De beide grootouders zijn spoedig na elkander in vrede gestorven. De grootmoeder zag den hemel reeds geopend en ging heen met den juichtoon ; Ik sterf in vrede, want ik weet nu dat ik verzoend ben in Jezus' bloed. En toen de grootvader stierf zeide hij : Kinderen, als ik naar den Hemel ben, ga dan Mynheer van Beijeben nog eens hartelyk bedanken voor al de lessen die ik door u van hem gehoord heb, want het heeft mij zooveel goed gedaan.
Op zekeren dag passeerde ik met een Zondagsschooljongen de Kerkhoflaan. Toen op het kerkhof wijzende zeide het knaapje: Daar rust mijn lieve moeder. O mijnheer wat deed het haar goed, toen zy zoo ziek was, en niet meer naar de kerk kon gaan, als ik dan van de Zondagsschool thuis kwam en haar de geheele les vertelde, dat beurde haar dan altijd zoo op.
In het gezin waar dit knaapje thuis behoorde braken de mazelen uit en nu konden de kinderen niet naar de Zon-
66
dagsschool, maar zij leerden thuis de Geloofsartikelen, en eiken Zondag vijf teksten en de vader hield zelf zoodoende Zondagsschool met hen. Jongens, die zulk een vader hebben, mogen wel dubbel dankbaar zijn aan onzen Grod.
Jonge meisjes die jaren lang onze Zondagsschool bezochten, hebben getuigd van de genade hun geschonken, en zich mogen verblijden in het heil door Christus aangebracht. Van drie andere heb ik brieven gekregen die getuigen van ontvangen zegen en een leven in gemeenschap met Grod. Van andere ontving ik lieve geschenken, zooala een paar teekeningen in potlood, een lief handwerk met het woord er op geborduurd: Journaal; dat ik gebruik voor mijne couranten, en dan tal van tekstkaarten met bloemen, bij Nieuwjaar of verjaardag, alle getuigende, ook na vele jaren, van liefde en dankbaarheid. Aangrijpend was my eenmaal een brief waarin een jongen my schreef dat hij den Heere Jezus had leeren kennen, en waar God hem nu zooveel vergaf of wij hem nu ook wel wilden vergeven zooveel verkeerdheid en zooveel verdriet ons aangedaan. Och wij komen op aarde niet alles te weten, maar de eeuwigheid openbaart alles, en moge het dan maar blijken dat onze arbeid velen ten zegen was. Dat geve God naar den rijkdom Zijner genade. En nu: De God des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus, die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijnen wil moogt doen, werkende in u hetgeen welbehagelijk is, door Jezus Christus, welken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
Nu werd door de kinderen der Zondagsschool een feestlied gezongen van den volgenden inhoud:
Heil en vreugde, jubilaris,
Die nu vijf en twintig jaar,
Aan de kind'ren, duizendtallen.
67
Bracht de Evangeliemaar.
Dankbaar willen wij u groeten Met deez' heuchelijken dag.
Onze blijde kinderharten
Hebben deez' dag met vreugd verwacht.
Nu was het tijd om al onze gasten te onthalen; maar toen ik daartoe het verzoek deed, hen van het noodige te voorzien, trad een der Broeders helpers op mij toe niet een jongen en een meisje der Zondagsschool. Hij zeide: Mynheer van Beijeren, we weten allen wel dat we een groote plaats hebben in uw hart, maar al deze kinderen wilden zoo gaarne ook een plaatsje hebben in uw huis zoodat ze eiken dag door u gezien kunnen worden. Dat zult u hen naar we hopen niet weigeren. Daarna kwam eerst de jongen âde Blonkquot; om mij hartelijk geluk te wenschen en overhandigde een groot portret waar al de kinderen en al de helpers en helpsters der Zondagsschool flink op uitkwamen, en het meisje kwam met een standaard om het portret op te kunnen plaatsen. Welk eene lieve verrassing. Alle genoo-digden, ouders en oud-leerlingen en alle vrienden en vriendinnen moesten het zien. Terwyl begon de tractatie waaide lieve jeugd zich aan vergasten mocht, ook de ouderen werden niet vergeten, allen genoten en deelden in de feestvreugde.
Tussehen dit alles door zongen nog tien meisjes het volgende lied;
Wil mij nog eens vertellen,
Al heb ik 't vaak gehoord,
Van Jezus wonderdaden,
Van Jezus liefdewoord.
Spreek van Hem bij herhaling,
'k Vergeet het tot mijn smart;
Des Heeren naam is heerlijk.
Voor 't jeugdig kinderhart.
Onder de tractatie met mondbehoefte door, tracteerde Broeder L. F letterman jeugd en ouderen op eene Chineesche
68
geschiedenis en andere kleine verhalen, en zoo spoedde de avond voort en werd het tijd om te eindigen. Nog eenmaal klonk het kinderlied :
O Land, waar mijn Heiland in hemelsche pracht, Als Koning Zijn dienaars in heerlijkheid wacht,
Hoe zalig zal 't wezen te meng'len mijn lied,
In 't koor der verlosten, dat hulde Hem biedt.
Land! Land! van vrede en van licht.
Op u is mijn oog, is mijn harte gericht.
Heb dank, O mijn Heiland! die mij ook bereidt. Een eerplaats, in 't huis waar Uw liefde mij beidt,
Hebt Gij üw beloften gestaafd met uw bloed.
Ik steun op uw heilwoord met vroolijken moed.
Heer! Heer! mijn Sterkte en mijn licht.
Met U is mijn tocht naar de Godsstad gericht.
Toen brachten we nog eenmaal den dank onzes harten aan God den Vader, en onzen Heiland, voor al wat Hij in Zijne genade, voor ons, door ons, aan ons deed, al die vijf-en-twintig jaren. Voor het voorrecht dat we dit feest hadden mogen vieren, en zóó gelukkig mochten vieren. Voor al den zegen ons geschonken, al de goedheid ons betoond door zoovele liefhebbende vriendenharten en handen, aanschouwelijk in al wat ons omringde; en al die vrienden werden aan Gods liefde opgedragen, maar ook onr^e eigene personen en werkzaamheid, opdat we nog voor velen ten zegen mogen zijn, Gods naam tot eer. Ons vijf-en-twintig-jarig feest behoorde tot de geschiedenis; maar wat ook voorbijgaat, vele aangename, zeer aangename herinneringen zullen ons bijblijven op ons levenspad, en wij blijven dankende te allen tgd.
Mag dit boekje spoedig geplaatst worden, dan zal er later nog meer door ons worden medegedeeld uit onze levenservaring en Gods gebedsverhooringen.
Met Heilbede Uw Broeder in Christus,
J. VAN BEIJEEEN.