-⢠⢠quot;
ooooocoeoooooo
11° slo
mro
11° li0 aio
f DERDE TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN
J. VAN BEIJEREN,
Directeur van het » Tehuis voor Militairenquot; te 's-Gravenhage.
Uitgegeven len voordeele der Evangelisatie onder Militairen.
's-gravenhage.
Fiema H. J. GEERETSEN.
1890.
⢠mmiUili-, o'o.o O o o oc'c'c' c c !?
M||{|'{|niiiiiii!i|iiiiii^iiiii!:iii!ii:ii;iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii!!}!lniiii... oocoooocooco 1
iâ
KRIBBE EN KRUIS.
DERDE TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWING-EN
DOOR
J. VAN BEI JERJETSr,
Directeur van het â Tehuis voor Militairen quot; te 's-Gravenhage,
XJitgegeTren. ten voord-eele der Evangelisatie orider ^VTilitairen. ________
â¢â¢
quot; /
Bi SU' rmB-K ' j H£0. HERV. Kr'
'S-GRAVENHAGE,
FIRMA H. J. GERRETSEN.
1890.
S J
â /
U ö
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
2720 007 4
SCHENKING UIT D4 BIBLIOTHEEK VAN â¢p.M. DE KONINGIN
Vriendelijke Lezer!
De schriftbeschouwingen over het Kruis van Christus u hij dezen aangeboden, zijn door mij gehouden in den lydenstvjd, voor de bezoekers van het Tehuis en werden door hen met zooveel belangstelling en door enkelen met zooveel zegen aangehoord, dat zij liever hun wacht wilden besteden dan één dezer toespraken missen. Geen wonder dus dat zij nu gaarne in schrift willen bezitten wat zij in het Tehuis mochten hoor en. Wat God echter voor hoorders ten zegen deed zijn, kan ook voor lezers ten zegen worden. Zoo zij dan dit boekje voor den een ter gedachtenis, voor den anderen tot heil. De uitgave is daarbij in het belang der Bijbel- en tractaatverspreiding onder Militairen, waaraan veel behoefte bestaat. De drie eerste schriftbeschouwingen in dit boekje voorkomende zijn niet door mij uitgesproken. Ik heb over het eerste onderwerp hooren spreken reeds jaren geleden, en over het derde onderwerp in het begin van dit jaar; en bij beide gelegenheden, zoo als ik gewoon ben, tekst en tekstverdeeling aangeteekend.
Nu over Kribbè en Kruis willende schrijven, werkte ik die aanteekeningen op mijne wijze uit, opdat dit boekje ook op het Kerstfeest zou kunnen dienen ter verspreiding. Moge het doel der uitgave door ruime verspreiding ivor-den bereikt, dan zal zich zeer verblijden
Uw Broeder in Christus 's Gravenhage 1890. J. VAN BEIJEREN,
INHOUD.
Bladz.
De beloofde Verlosser met smart verwacht......5
De gekomen Heiland met blijdschap aanschouwd . . . .15
De geboren Koning bedreigd maar veilig......24
Wat was het Kruis? Wat is het geworden? .... 35
Het Kruis aanvaard, het Kruis gedragen......45
Het Kruis geplant, het Kruis aanschouwd......53
Het Kruis en de Engelenwereld.........63
Het Kruis en de menschheid..........74
Het Kruis, herstelling der eenheid van aarde en hemel . . 87 Het Kruis in zijn stralenkrans, de Christusregeering op aarde. 94
De beloofde Verlosser met smart verwacht.
Jesaja 64: la.
O, Jeruzalem, ik heb wachters op uwe muren besteld, die geduriglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen! Zoo zegt de Heer in Jesaja 62: 1. Evenals de wachter op de muren van Zion den naderenden dag, den komenden morgen verbeidde, starende naar het Oosten, om zoodra de zon boven de kim verrees tot driemalen de bazuin te blazen, om het Zion te verkondigen: Het groote licht is opgegaan, spoedt U ter aanbidding naar het huis uws Gods en looft Hem in Zijn heiligdom; zoo is Jesaja gedurende meer dan een halve eeuw een trouwe wachter geweest op den wachttoren, om den loop der wereldgebeurtenissen gade te slaan, den volken Gods oor-deelen aan te kondigen, maar ook, om met profetischen blik in de toekomst starende, den dag des heils aan te kondigen, aan allen, die met den stervenden Jacob beleden: Op Dwe zaligheid wacht ik o Heer! Jesaja de zoon van Amos heeft gesproken, zooals geen andere der Profeten. Hij heeft gesproken in de dagen van Uzia, Jotham, Achas en Hiskia; en als hem uit het land van Duma of Idumea gevraagd werd: Wachter, wat is er van den nacht? dan is zijn antwoord geweest: De morgenstond is gekomen en het is nog nacht; maar wilt gijlieden vragen? vraagt, keert weder, komt! Hij is ten allen tijde. Hij is voor alle volken, maar vooral voor zijn eigen volk in elke periode bereidwillig, Gods trouwe dienaar te zijn. Zijn woord is hoopgevend maar ook geduld eischend en
6
de vrager kan heengaan geduldig en bemoedigd, want al is het nog nacht, de morgenstond is toch gekomen. Maar telkens en telkens keert die vrager weder en ook in onzen tijd is de vraag niet ongepast: quot;Wachter wat is er van den nacht?
Maar is er voor ons reden om alzoo te vragen, voor ons die het weten, dat het groote licht is opgegaan over het land van duisternis en doodschaduw; voor ons die leven onder de blijmare des heils: Vrede in het bloed des kruizes! Wat moet het geweest zijn voor Israël en de volken die zooveel moesten ontberen wat wij bezitten, die van verre aanschouwden wat wij met onze handen als 't ware tasten. O, Jesaja zegt het ons, hoe de Verlosser der wereld, de Hope Israël s, de quot;Wensch aller heidenen, met smart verwacht is geworden. Hij zegt het ons in het woord dat gij vindt opgeteekend in het 648te hoofdstuk vers 1 het eerste gedeelte:
Och dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij neder-kwaamt. â Wij hooren in dit profetische woord verschillende stemmen, de een nog weemoediger dan de andere, maar alle ons vertolkende wat we U als hoofdgedachten noemden: âDe komende Verlosser met smart verwachtquot;; wij beluisteren achtereenvolgens:
De smartkreet der Schepping,
De angstkreet der eeuwen,
Het adventsgebed van het oude Godsvolk, De zielzucht ook van ieder Christen.
En Hij die zijn hemel gescheurd heeft en nedergekomen is. Hij geve ons in dit uur iets van Zijne heerlijkheid, veel van Zijne liefde te zien, te hooren en te genieten.
Och dat gij Uw hemelen scheurdet, dat Gij neder-kwaamt; wij hooren in dat woord immers niet ten onrechte de smartkreet der Schepping, wanneer wij letten
7
op het nameloos lijden dat door die schepping geleden wordt van Adams val tot op dit oogenblik toe? Het is toch daarom dat het gansche schepsel zucht als in barensnood zijnde. Al het geschapene gevoelt zich beangst en nedergedrukt door eene vreeselijk vijandige, van buiten ingekomen macht.
De Schepping voelt in zich het van Grod gegeven leven, en wil nu, evenals in de schoone lente, dat leven ontplooien, het hoofd fier omhoog heffen, maar die drukkende macht komt telkens weder, en het leven zinkt weg onder den ijskouden adem des doods, met den smartkreet onder het zinken geslaakt: Och of Gij Uwe hemelen scheurdet en dat Gij nederkwaamt. Als gij het vermogen bezat om de stemmen der schepping te verstaan, gij zoudt het klagend geschrei hooren: Ik ben niet meer wat ik was, ik ben niet wat ik behoor te zijn, noch wat ik eenmaal hoop te worden; want de schepping gelooft in de toekomst, maar klaagt nu over den loodzwaren last die haar ter nederdrukt en gevangen houdt. Menschen die Gods woord niet kennen, zeggen: de Schepping is schoon en goed, en door de gansche natuur gaat eene heerlijke muziek die het hart verheft, maar toch is het geen vreugdelied, maar een weemoedsklank die door de Schepping gaat.
Als in 't woud het windje suist En 't gebladert zachtkens suist.
Kan ik nauw de vraag bedwingen:
Hoor ik klagen, hoor ik zingen?
Als de woudstroom 't dal ontschiet,
Met een zacht melodisch lied.
Spreek ik luisterend in mijn harte Meldt gij vreugde, spelt gij smarte?
Hoor slechts wat de windharp zingt:
Smart is de toon die 't al doordringt,
Smart het ruischend lied der boomen.
Smart het murmlen van de stroomen.
8
Eenmaal zingt de schepping haar vreugdelied, dan zullen de boomen des velds de handen samen klappen, als Jezus wederkomt, maar tot zoolang blijft haar smartkreet: Och, of Gij Uwe hemelen scheurdet en dat Gij nederkwaamt! En deze smartkreet der schepping is ook de angstkreet der eeuwen geworden. Iedere zucht, iedere kreet is eene openbaring van lijden, ontstaan door een macht die nederdrukt wat opwaarts wil stijgen, om in hooger sfeer vrijelijk te ademen, en nu in dat opstijgen belemmerd wordt.
Het leven heeft als teeken een schreien bij de geboorte, het wordt met tranen gedoopt zoolang het op de aarde wordt voortgezet, en gaat afgemat en uitgeput, soms geweldig geknakt ten onder in den nacht der graven. Het treurige refrein van het geslachtsregister in Genesis 5 is het woord âen hij stierf, en hij stierf' en dat woord doet ons als 't ware in de ooren dreunen wat een Apostel in later tijden heeft geschreven: De bezoldiging der zonde is de dood. Voorwaar, voorwaar, alle vleesch is als gras en de heerlijkheid des menschen is als een bloem des velds, het gras verdort en de bloem is afgevallen, maar het woord onzes Gods blijft tot in eeuwigheid. Dat woord heeft den nacht van Eden verhelderd, en de belofte aangaande den slangvertreder was een eerste antwoord, in de eerste eeuwen, op den angstkreet door het zuchtend hart geslaakt: Och, of Gij Uwe hemelen scheurdet en dat Gij nederkwaamt! Vol weemoed noemt Eva haar tweeden zoon âHabelquot; dat is ijdelheid, vergankelijkheid. En Lamech zegt bij de geboorte van Noach: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smart onzer handen, van wege het aardrijk dat de Heere vervloekt heeft. Ach, die aarde, waarop God nederdaalde tot het eerste menschenpaar, dat zijn Schepper kende aan den wind des daags, die aarde is een doornenveld geworden, een akker des doods, een
9
groot Bethesda hebbende vijf zalen vol lijdenden en kranken. Twee duizend vijf honderd krankheden folteren de mensch-heid, Engelen des verderfs gaan rond en slaan haar met pestilentiën, bloedstroomen hebben gegutst bij de vorming der wereldrijken, van den tijd af toen Lamech zijn moordenaarslied zong en Nimrod een geweldig jager was voor Gods aangezicht, tot op den tijd toen Keizer Augustus de wereld beschrijven liet. Toen de Vredevorst kwam was er vrede onder de volken, maar veertig eeuwen hadden ook hun angstkreet geslaakt: Och dat Gij uwe hemelen seheurdet en dat Gij nederkwaamt! Hoeveel angstkreten zijn er in die veertig eeuwen opgegaan? Het is Gode bekend, maar dit weten we; Eer de zon opging werd het nog eenmaal zóó duister dat een der edelste heidenen heeft gezegd: Als er nu geen God geboren wordt moet de wereld in het verderf verzinken. De goden vielen, een onbekenden God bad men aan, het was alles gereed voor eene nieuwe openbaring; en die nieuwe openbaring was voorbereid door het advenstgebed van het oude Godsvolk, en de loop der wereldgeschiedenis wees onmiskenbaar naar de kribbe van Bethlehem. Waar de volken der wereld in ongebroken kracht zich tegenover Jehova hadden geplaatst met het mannelijk woord: Wijk van mij, want aan de kennis uwer wegen heb ik geen lust, daar heeft het volk van Israël in maagdelijk karakter als dochter Zions zich voor God gesteld, en evenals Maria in later tijd gezegd: Zie uw dienstmaagd Heer, mij geschiede naar uw woord! Och of Gij Uwen hemelen seheurdet en dat Gij nederkwaamt! De komende Verlosser werd met smart verwacht, en het adventsgebed van veertig eeuwen werd met bewustheid gebeden. De Slangvertreder waarop Eva had gehoopt, de Trooster, dien Lamech in zijn Noach geboren meende te zien, van wien Henoch had gepro-
10
feerd; Hij is door Abraham van verre aanschouwd, door Jacob stervende vermeld en verwacht, door Mozes als Gods profeet beloofd aan Jacobs nakroost. Bileam heeft van hem gesproken: Er zal een ster opgaan in Jakob en er zal een Heerscher voortkomen uit Israël. Hij zal de landpalen der Moabieten verslaan; ik zal hem zien, maar nu niet, ik zal hem aanschouwen maar niet van nabij. De machtige Herdersvorst op de grenzen van Arabie. die vroom was en oprecht, Grodvreezende en wijkende van het kwaad, maar in wiens woordenboek het woord genade niet werd gevonden, kwam onder de Goddelijke toelating in de zeef des satans, maar Gods weg leidde voor hem door de diepte naar boven. Van alles beroofd, van allen verlaten, door zijne vrienden miskend, door zijne vrouw bespot, met booze zweren bezocht, vervloekt hij den dag zijner geboorte. Deze val brengt hem verder, hij leert zijn Rechter om genade bidden, die nooit vergeefs wordt gevraagd; en in de kracht des geloofs hoort gij straks hem juichen: Ik weet mijn verlosser leeft, en als de wormen mijn huid zullen doorknaagd hebben, dan zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen. Wijst zijn lijden in de oudheid naar den grooten Lijder in de volheid des tijds? Ook de weg dien God met David heeft gehouden is het middel geweest om dien âlieflijke in Psalmenquot; met smart te doen verwachten naar den komenden Verlosser. Als herder in Bethlehems velden zong hij reeds een lied van den goeden Herder. En zelf koning geworden zingt hij: Er zal een heerscher zijn onder de menschen, een heerscher in de vreeze Gods. Zijn opgaan zal zijn als de Zon des morgens zonder wolken. Dien Herder, dien Koning teekent hij in Zijn lijden en in Zijne heerlijkheid, in den strijd en in Zijne overwinning; aan den Verlosser zijner ziel, aan den delger zijner zonden, wijdt hij Harp en Psalmzang
11
zoolang hem een ademtocht rest. En zijn Psalmbundel wordt het gebedenboek voor Gods kinderen. Op duizenderlei wijze bidden zij het zelfde gebed: Och, of Qij uwe hemelen scheurdet en dat gij nederkwaamt. Dat gebed leefde in de ziel van Salomo, die den komenden Verlosser heeft bezongen in den 728tcn Psalm. âHij zal nederdalen,quot; zegt hij, als een regen op het nagras als de druppelen die de aarde bevochtigen. In Zijne dagen zal de rechtvaardige bloeien en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij. Hij zal heerschen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan het einde der aarde. De ingezetenen van dorre plaatsen, âde bevolking van de woestijnquot; zullen voor Hem knielen. Zijne vijanden zullen voor Hem buigen, Koningen zullen Hem dienen en geschenken aanbrengen, allen zullen Hem eeren, vreezen en dienen, want Hij is aller hulde waard. Nooddruftigen is Hij een Eedder, ellendigen een Helper. Zij worden door Hem verlost van list en geweld en hun bloed is dierbaar in Zijne oogen. De vloek is van de aarde weggenomen en nu ruischen de volle korenaren op den Libanon. Het landvolk en den stedelingen gaat het wel; voor dien Koning zal men bidden en den ganschen dag zal men Hem zegenen, die de arme aarde, zoolang vol ellende en strijd, in een vrederijk kwam herscheppen. Verwondert het U dat elke vrome Israëliet dit Profetisch lied hoerende uit het diepst der ziel de adventsbede slaakte: Och, dat Gij uwe hemelen scheurdet en dat Gij nederkwaamt? Maar hoe nader tot Christus hoe duidelijker de voorzegging, hoe schooner de toekomst zich ging ontplooien voor het oog des geloofs. Aan den Apostel van den ouden dag, den Evangelist onder de Profeten, wien we ons tekstwoord danken, hebben we ook te danken, zoo menige schoone beschrijving van den komenden Verlosser. Dan is het de zoon der maagd:
12
Immanuel, dan het kind wiens Naam is Wonderlijk, Raad, Sterke God, Yader der eeuwigheid, Vredevorst. Dan het groote Licht voor het land van duisternis en doodschaduw, straks weder het rijsje uit Juda's stam. Eerst de lijdende knecht des Heeren. Later weder de Koning, die regeeren zal in gerechtigheid; een schaduw voor de zon, een schuilplaats bij den storm; en niet alleen beschrijft Jesaja den komenden Verlosser, maar ook Diens heerlijk Koninkrijk des vredes, een vrede die zich uitstrekt ook tot de dieren des velds.
De wolf zal met het lam verkeeren.
De luipaard dartlen met de geit; Een jongsken, zal den leeuw regeeren.
Die vreedzaam naast de rundren weidt. Dan ligt het kalfjen, zwak en teeder,
Op 't leger der berinne neder.
De zuighng speelt bij d' addrenkuil. En 't speenkind, moeders oog ontweken.
Zal ongestraft het handjen stèken In d' open baziliskenmuil.
Maar het is Jesaja niet alleen die den komenden Verlosser verkondigt en het volk alzoo tot de adventsbede opwekt. Jeremia stelt Hem voor als den Heer onze gerechtigheid; Ezechiël, als den eenigen Herder die Israël zal weiden met wijsheid en met verstand. Bij Daniël is het de Messias, die uitgeroeid zal worden, maar die dan ook de ongerechtigheid verzoent, de overtredingen verzegelt en eene eeuwige gerechtigheid aanbrengen zal. Micha noemt den naam van het stadje waar Christus geboren zal worden, den Heerscher die is van de dagen van ouds, van de dagen der eeuwigheid, en de naam van dien heerscher zal Vrede zijn. En de laatste der Profeten, Maieachi, belooft: De Heer zal komen tot Zijn tempel, de Engel des verbonds in wien gij lust hebt, de Heer der heir-scharen, ziet Hij komt, ja sneliijk zal Hij komen, als
13
zonne der gerechtigheid zal Hij opgaan voor u die den Heere vreest en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen. Toch moesten nog vier eeuwen voorbijgaan waarin menige angstkreet werd geslaakt, vier eeuwen waarin het door de verdrukking van den dollen Syriër voor Israël donkerder werd dan ooit te voren, maar toen ook werd de adventsbede voorzeker het meest en het dringendst opgezonden: Och of Gij uwe hemelenseheurdet en dat Gij nederkwaamt! En die bede is verhoord; de lang beloofde, de lang verwachte heeft Zijne hemelen gescheurd en is op deze aarde gekomen. Het Woord werd vleesch, Gods zoon een mensch, en Hij kwam om aller menschen-behoeften te bevredigen. Hij heeft ons den Vader verklaard, Hij heeft ons den Hemel geopend. Hij heeft onze schuld verzoend. Hij heeft ons den vrede verworven, Hij heeft den Hemel op aarde gebracht, om de aarde tot Hemel te maken. Hij heeft alles gedaan wat tot onze redding, onze zaligheid noodig was. Wij zijn verlost, maar 't heeft Zijn dood gekost; maar de dood heeft Hij overwonnen, het leven aan het licht gebracht, en opgevaren in den Hemel leeft Hij eeuwig om voor ons te bidden. Voor Hij echter van de aarde is heengegaan, heeft Hij ons zijne belofte geschonken; Ik zal u geen weezen laten. Ik kom weder tot u, als Ik u plaats zal bereid hebben, dan zal Ik u tot mij nemen, opdat gij ook moogt zijn waar Ik ben. En de gemeente heeft dat woord gehoord, geloofd, bewaard, en juist daarom is de smartkreet der Schepping, de angstkreet der eeuwen, het adventsgebed van het oude Godsvolk, ook de zielzucht van ieder Christen geworden: Och, of Gij uwe hemelen seheurdet, en dat Gij nederkwaamt, en dat gebed is nu reeds meer dan achttien eeuwen vertolkt in het woord: Amen, ja kom Heere Jezus, kom haas-tiglijk. Heer, Goddank wij zijn achttien eeuwen dichter bij
14
Zijn komst dan Johannes die dit gebed terneder schreef. De Koning [komt! wij hooren Zijnen voetstap over de golven des tijds. Houd, aarde, u voor Zijn komst bereid, want als gij het niet vermoedt zal Hij komen, en Zijne gemeente veranderen in een punt des tijds en tot Zich nemen in de heerlijkheid. Zijt gij bereid voor de wederkomst van Jezus? gij kunt het niet zijn als ge u Zijne eerste^ komst niet hebt ten nutte gemaakt. Gij kunt het niet zijn als gij niet weet gereinigd te zijn van zondeen schuld, gerechtvaardigd voor God en geheiligd door den Geest.
De wereld spot met de wederkomst van Christus,
omdat zij op aarde reeds in het geweten het preludium
voelt van de hel. Rust niet voor gij rust bij God hebt
gevonden en zeker zijt van uwe zaligheid. Maar dan ook
uwe hoofden omhoog, verwachtende de openbaring van
de'kinderen Gods, verwachtende het heil der Gemeente,
verwachtende het rijk des Vredes, verwachtende het
eeuwig blijvend Koninkrijk.
En laat alom van 't leven.
Geschonken in den Zoon,
Elk hart getuignis geven;
Tot zich voor 'sHeeren troon De verste heidenvolken
Neerbuigen in het stof,
En 't galm' door lucht en wolken:
Hozanna, 't Lam zij lof!
Draagt, draagt dien klank gij waatren
Naar West en Zuid en Oost,
En winden, laat hem klaatren
Zoover de morgen bloost!
Tot de aard, ten hof des Heeren
Door 't levenswoord bereid,
Haar Koning weer ziet keeren,
Omkleed met heerlijkheid.
Amen.
15
De gekomen Heiland met Uijdscliap aanschouwd.
L u k a s 2 :1â20.
Dit is de dag dien de Heer gemaakt heeft, laat ons op denzelven ons verheugen en verblijd zijn; zóó mogen we elkander wel toeroepen op het heerlijk Christnsfeest; want waarlijk er is geen schooner feest te bedenken. Het Kerstfeest dat ons de geboorte van het Christuskind predikt is een feest voor de kinderen, wier Koning inde kribbe alle kinderen tot kleine Majesteiten heeft gemaakt. Want Hij heeft gezegd; hunner is het Koninkrijk der hemelen. Maar het is ook een feest voor groote menschen, ja voor groote mannen, en groote geesten, die echter zich zeiven hebben vernederd en den kinderen zijn gelijk geworden. Niet in hunne kinderachtigheid, maar in hun kinderlijk vertrouwen, hunnen kinderlijken eenvoud, hunne kinderlijke oprechtheid en in hunne kinderlijke blijdschap. Er is een wijs man geweest op aarde die gezegd heeft: Er is niets nieuws onder de zon. Als hij nu nog op aarde was, zou hij het niet zeggen, want indien hij het zeide, wij zouden het antwoord gereed hebben; ja er is onder de zon wel iets nieuws; de kribbe van Bethlehem, de geboorte van Jezus Christus, de menschwording van Gods zoon, waar alle eeuwen op uit liepen, waarvan alle eeuwen nu uitgaan, waarnaar wij onze jaartelling noemen; en dat groote nieuws maakt alles nieuw in Hemel en op aarde.
Bethlehems kribbe en Bethlehems stal.
Zij doen ons hooren het heil van 't heelal.
Bethlehem, die naam klinkt elk jaar weder in het lied der Gemeente en in het lied onzer kinderen, als daar in het donkerste gedeelte van het jaar de Kerstboom schittert met
16
zijn lichtjes en wijgeschenken; als daar op den rand van het graf, waarin de jaren wegzinken, de kribbe verrijst voor het oog des geloofs. Bethlehem Efratha, gij zijt geenszins de minste onder de duizenden van Juda. Bethlehem waar eenmaal de hongersnood heerschte die Elimelech noopte naar Moab te gaan, is in de volheid des tijds waarlijk een broodhuis geworden. En heette het oorspronkelijk Efratha âde vruchtbare,quot; in waarheid is het kleine stadje groot en vruchtbaar geworden voor de herinnering en gewijde overdenking van eiken Israëliet en voor ieder Christen. Als een vogelnestje tusschen de takken, hangt Bethlehem tusschen de bergen. En die bergen zijn vol herinneringen en de spelonken in de bergen van Judea niet minder. Van uit Bethlehem staart men op deMoria, waar Abraham zijn zoon Izaak geofferd en bij gelijkenis uit de dooden wedergekregen heeft; op den Sion door God zich ten woning verkoren; op den Karmel, waar Elia zijn gebed met vuur uit den hemel zag beantwoord; op den Nebo, waar Mozes is ontslapen aan den mond van zijnen Heer; op de bergen van Moab waar Bileam in plaats van te vloeken Israël moest zegenen. Van uit Bethlehem staarde men ook op de Doode Zee, die eeuwen heugende herinnering aan Gods oordeel over de steden der vlakte. En wat de spelonken betreft: In Machpela lagen Abraham, Izailk en Jakob, Sara, Eebekka en Lea begraven; ook het stoffelijk overschot van Jozef door Israël uit Egypte medegebracht. Aan den weg van Bethlehem was het graf van Kachel, die door Jeremia wordt voorgesteld als verrijzende uit het graf, als Zedekia de oogen worden uitgestoken en het koninklijk geslacht wordt uitgemoord door Nebucadnezar te Ribla. Maar behalve die graven waren er ook andere spelonken waaraan herinneringen waren verbonden, zooals Makkeda en
17
Adullam. Te Bethlehem had Elimelech gewoond, zijn naam beteekende Mijn God is Koning, maar de man naar de wereld geloofde dit niet; daar heeft Naomi gewoond, de aangename, die later moest klagen; God heeft mij bitterheid aangedaan. Maar God heeft haar de bitterheid zoet gemaakt, door Ruth die de goede keuze deed en de vrouw werd van Boas, den edelmoedigen mensch, den man wiens naam beteekent: in God is sterkte. Daarin Bethlehem is Obed geboren, daar heeft Isai gewoond en in de velden van Bethelem heeft David zich een goeden herder getoond, toen hij leeuw en beer heeft verslagen. Daar in die velden vervaardigde hij zijn harp en zong zijn God Psalmen die de eeuwen verduren. In de poort van Bethlehem was de Bornput, waaruit zijne helden hem water haalden, terwijl Bethlehem door de Filistijnen belegerd was. En wie in onze dagen Betlehem bezoekt, zal zich veel van het genoemde kunnen herinneren, maar vooral aan het groote feit daar geschied herinnerd worden, als de kinderen hem daar tegentreden en bloemen te koop bieden: de ster van Bethlehem genaamd. Boven dat stadje toch prijkte eenmaal een ster in hellen glans, toen de morgenster daar opging voor de menschheid. Dat heerlijk feit staat ons geboekstaafd in het eenvoudige maar veel beteekenende woord uit Lukas 2: en zij baarde haren eerstgeboren zoon en wond hem in doeken, en leide hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was in de herberg.
Lukas 2 begint met een Keizer en eindigt met een Koning. De eerste ziet de wereld bevend aan zijne voeten, voor den laatste is niets dan een stal en een kribbe als Hij het levenslicht op aarde komt aanschouwen. En toch is die Keizer, in de machtige hand van dien Koning, het middel om Gods woord tot vervulling te doen komen,
2
18
en de kribbe van Betlehem is einddoel der Oude en aanvang der Nieuwe bedeeling geworden langs wonderbare wegen. Het is oorlog geweest bijna zonder ophouden, maar nu Jezus komt moet het vrede zijn, alle volken zijn onder één scepter vereenigd, één taal dient voor het wereldverkeer, geen beter tijd, o Augustus! dan deze om al uw macht te meten, om al uwe onderdanen te tellen. Maar ook geen tijd zal beter dan deze het oude Godswoord staven: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al mijn welbehagen doen. Komt plaatsen we ons ons bij de kribbe om te zien wat haar voorafging, om te zien wie daar in ligt, om te zien wie daar rondom zijn geschaard; en ik twijfel geen oogenblik of gij zult met mij instemmen: De gekomen Heiland is met blijdschap aanschouwd.
Wat aan de kribbe voorafging hebben we ons eerst te herinneren, omdat ons teksthoofdstuk is aangevangen met de woorden: En het geschiedde in die zelve dagen. Wat was er dan geschied? O, ik weet uwe gedachten loopen mijne woorden vooruit: Gedurende vier eeuwen was er geen profeet meer in Israël opgestaan, geen Engel was meer op aarde nedergedaald, geen nieuwe Godsopenbaring was meer aan het volk geschonken. Maar nu onder Augustus regeering, nu in het laatste jaar vooral waren daar wonderbare dingen geschied. Terwijl Zacharias de priester tot de dagorde van Abia behoorende, zijnen dienst in den tempel vervulde, was daar een Engel tot henl gekomen, om hem de verhooring van zijn gebed, de geboorte van zijn zoon aan te kondigen. Die zoon moest den naam dragen door den Engel genoemd âJohannesquot;, en hij zou de Heraut zijn van den grooten Koning, die geboren stond te worden. De priester vond dit wonder te groot en kon het niet gelooven en zag zijn ongeloof gestraft met stomheid, ruim negen maanden lang. Terwijl de man niet kon spreken
19
zong de vrouw lofzangen, en ontving gedurende eenigen tijd eene maagd in hare woning, uit Davids geslacht, die haar nog wonderlijker dingen berichtte en met haar samen smolt in aanbidding en lof van God. De maagd Maria had evenals Zacharias den Engel Gabriël aanschouwd, maar waar we ons bedroeven over het ongeloof van Zacharias weten we niet, wat in Maria het meest is te bewonderen; hare echte nederigheid, haar blijmoedig geloof, hare stille onderwerping, haar werkzamen ijver, haar trouwe liefde of haar onbezweken heldenmoed. En hoewel wij haar niet als moeder Gods aanbidden, we mogen Maria toch wel vereeren als een sieraad van ons geslacht, als een zegen voor Christus, als een aanwinst voor den Hemel. Maria heeft haar eer en haar toekomst in Gods handen gelegd, en de Almachtige heeft gezorgd dat Jozef haar niet heeft verlaten, maar als zijne vrome echtgenoote tot zich heeft genomen. En als zij zich wellicht bezwaard gevoelt, hoe Gods woord zal worden vervuld en de Zone Davids in Davids stad zal geboren worden, daar baant God den weg naar Bethlehem door de volkstelling, door Keizer Augustus geboden. Met vreugde in het hart maar vermoeid van de reize klopt het echtpaar aan herberg en woning, maar alles is bezet en de schamele lieden hebben zich te vergenoegen met een plaatsje in een stal of naaide overlevering in een spelonk, die waarschijnlijk tot stal moest dienen. Daar slaat voor Maria de ure der smart, maar ook het uur der vreugde. Daar brengt Zij het kind ter wereld waarvan een Engelenmond heeft gezegd: Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden en God de Heer zal hem geven den troon van zijn vader David en Hij zal Koning zijn tot in eeuwigheid over Jakobs huis, en aan Zijn Koninkrijk zal geen einde komen. Nog eenige oogenblikken in welke
20
haar geest zich verheugt in God haren Heiland, dien zij eerst onder het hart, maar nu geheel haar leven in het hart mag dragen, nog eenige oogenblikken zeg ik en Maria zal haar eigen woord aanvankelijk zien vervullen: Van nu aan zullen mij zalig spreken alle geslachten; want wat geschied is in den stal, wordt reeds gepredikt in Bethlehem's velden. Daar schijnt een licht in den nacht daar staat een hemelsche bode, daar zijn aandachtige hoorders, daar klinkt eene blijde tijding: Ziet ik verkondig U groote vreugde die al dea volke wezen zal, want u is heden de Heiland geboren welke is Christus de Heer in de stad Davids. En dit zal u het teeken zijn: in doeken vindt gij 't kindekijn. En nauwelijks zwijgt des Engels mond of jubelend klinkt het in het rond: God in den hooge d' eere, vrede op aarde, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen. De Engelen varen ten hemel, nu de hemel op aarde is gebracht, het nieuwe lied is aangevangen, dat alle eeuwen wordt voortgezet, tot de eerste komst van Christus door de tweede komst zal vervangen worden; dan keeren de Engelen weder en zingen een nog veel schooner lied.
De herders gaan naar Bethlehem om te zien het woord dat daar geschied was, hetwelk hun van Gods wege verkondigd is geworden, en wij wachten hen in den stalen staren in de kribbe om een antwoord te geven op de vraag:
Wie ligt daar in de kribbe In schaamle doeken neer?
En dat antwoord bestaat in deze woorden:
't Is Jezus, aller menschen En aller Engelen Heer.
Met de gemeente van alle tijden en plaatsen, van wat naam of vorm of indeeling, met de gansche gemeente hier nog in den strijd, of daarboven reeds in de heer-
21
lijkheid stemmen we in om te belijden: Ik geloof in Jezus Christus, Gods eeniggeboren Zoon, onzen Heer, Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria. Daar in de kribbe ligt de lang beloofde, de lang verwachte, daar ligt de hope van Israël, daar ligt de heerlijkheid van Zijn volk, dit kind zal een licht zijn tot verlichting der heidenen, die Hem hebben gewenscht en Hem mede hebben verwacht en met smart gezocht. Daar ligt nu de zaligheid, die God bereid heeft voor alle volken. Daar ligt Hij, die waarachtig God is, en even waarachtig mensch, in wien God tot de mensch-heid afdaalt, in wien de menschheid tot God weêrkeert, in wien God en mensch zijn vereenigd, maar die ook de Godheid en de menschheid vereenigen zal.
In dit kind woont de volheid der Godheid lichamelijk en Engelen moeten knielen voor wat de wereld nu nog onverschillig voorbij gaat. Daar ligt het hoofd der nieuwe menscheid, daar ligt de eenige en eeuwige oorzaak van uwe zaligheid, o zondaar. Daar in die kribbe ligt uw Koning, o mijne ziel. Zoo het ooit de moeite waard was te leven, dan nu onder het licht van het Evangelie des vredes; indien het ooit iets beteekende te gelooven en trots wereld en duivel te belijden, het is hier in dezen stal, het is hier bij deze kribbe: De zuigeling van Bethlehem is de Koning der eeuwen, is de eeuwige Zoon des Vaders, is de Heiland mijns harten, wien mijn leven zij toegewijd, eeuwig en altoos. Maar wij staan, Gode zij dank! niet alleen rondom de kribbe. Laat ons de blik in het rond slaan, wie daar om de kribbe zijn geschaard. In de eerste plaats de zaligste moeder; de beste pleegvader, dien God het Christuskind schenken kon; de herders, die den stal hebben gevonden, waar de Herder onzer zielen in doeken gewonden ligt, en dat is hun juist
22
het teekea dat dit kind de Christus is. O, hoe waar is het woord, dat Jezus Christus arm is geworden, opdat Hij ons rijk zou maken. Voor Hem geen kleederen gereed bij zijne geboorte; terwijl Hij ons komt kleeden met den mantel des heils, voor Hem slechts doeken, waarin Zijne moeder hem heeft moeten winden, en ons bekleedt Hij met de kleederen der gerechtigheid. Maar meen niet dat alleen de Moeder van dit kindeke en Jozef, de rechtvaardige man, op dit kindeke staren, meen niet dat alleen deze goede trouwe en vrome herders bij deze kribbe terneder knielen. Zij zelf zullen wel zorgen dat ook anderen hier komen om, even gelukkig als zij, van de kribbe te gaan. Zij hebben het woord gehoord, de blijde boodschap geloofd, zij zijn geloovig gekomen en hebben met blijdschap aanschouwd, den Heiland der wereld, den zaligmaker huns harten, den roem des christens eenmaal. Zij zijn gegaan die herders en hebben alom bekend gemaakt wat hun van dit kindeke gezegd was, en allen die het hoorden verwonderden zich; en de verwondering is in haar diepste wezen aanbidding. Rampzalig de mensch, rampzalig het geslacht dat zich niet meer verwonderen kan. Wie bij de kribbe van Bethlehem staat moet enkel verwondering wezen dat God zoo lief de wereld heeft om ons Zijn Zoon te schenken. Wie zich daar niet over verwonderen kan heeft nooit Kerstvreugde gesmaakt. Maar de stal blijft niet gesloten en de kribbe niet onbezocht; integendeel, het Oosten en het Westen worden daar ver-eenigd, herders en wijzen, koningen en onderdanen, rijken en armen, allen ontmoeten elkander bij het Kind van Bethlehem. Goud, wierook en mirre worden hem aangeboden ; kunsten en geniën worden Hem gewijd; schatten en gaven, harten en levens worden hem geheiligd; Psalmen en liederen, zangen van kinderen en het nokkende lied
23
van den grijsaard, het klinkt alles Hem ter eere Die kwam om de smartkreten te doen verstommen en de aarde te omgorden met een gordel van lof en aanbidding en dankzegging.
Daar staat bij de kribbe van Jezus een jongeling, wiens hart vrede vond, in het licht van den Kerstboom en nooit vergeet hij de vreugde die toen zijne ziel heeft doorstroomd. Daar staat een afgedwaalde zoon, die tot zijn vader weder mocht komen, toen hij tot den God zijner kindsheid was wedergekeerd. Daar knielt eene schuldige dochter naast eene vergevende moeder, die haar bij de kribbe toefluistert: âMijn kind ik heb u altijd nog lief gehad.quot; Daar staat een verloren zondaar, die geen schuldiger schepsel naast zich kent op aarde, maar met tranen van dank stamelde hij: Mij is barmhartigheid geschied. Daar is een die rijk was aan de goederen der aarde, maar arm, naakt en blind voor de eeuwigheid, maar nu is Jezus zijn alles en geen schat te vergelijken bij den vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.
In diepe verootmoediging buigt zich een man, geëerd om zijn wijsheid, maar wien het Evangelie een ergernis wa. Ju ziet hij met aanbidding het kindeke in de kribbe en zegt: hoe kleiner kind hoe grooter God, laat ons zijn Naam dan zingen. Een afgedwaald schaap vindt, in het Kind in de kribbe, zijn goeden Herder weder, en een adelijk man heeft tot zijn devies de zes eerste letters van het alphabet: Allein bei Christus die ewige Freude. Blanken toonen de banden der zonden, zwarten de ketenen van het geweld door Christus verbroken. Van Groenlands kusten en van Labrador, zoowel als van de zoomen van den Ganges komen zij en met den rooden Indiaan en den Neger in Afrika's binnenlanden, scharen zij zich om de kribbe. Millioenen harten uit al de vijf werelddeelen
24
trekken op in den geest naar Bethlehem, zij drukken elkander de handen en juichen in een wonderbaar koor: Hand in hand vereend te zamen,
Euste uw hart in God alleen,
Stijgen onze liefdevlammen.
Samen naar den Heiland heen.
Hij het hoofd en wij de leden,
Hij het licht en wij de schijn.
Hij de Meester, wij zijn broedren.
Hij is d'onze, wij zijn Zijn.
Gevoelt gij iets van dezen eendrachtsband, smaakt ge iets van die vreugde, hebt ge ook op het Kerstfeest den Christus, den gekomen Heiland, met blijdschap aanschouwd? Volgt dan het voorbeeld van de herders uit Bethlehems velden. Gaat dan uit en verkondigt alom de komst van dien Zone Gods in het vleesch, de komst van den Koning van het Godsrijk op aarde. Tracht verwondering te wekken voor een liefde zóó groot, tracht onderdanen te winnen voor een Koning, wiens rijk hemel en aarde zal verbroederen. Laat uw leven het bewijs zijn, dat der Engelen lied waarheid is; Vrede op aarde, God heeft in menschen een welbehagen. Leert van de Engelen in den Hemel, leert van de kinderen op aarde u te verblijden in God. Uw leven zij een eeuwigdurend Hallelujah. Blijde Christenen zijn een aanbeveling van het Christendom; eens zal uit alle deelen der aarde de lof gehoord worden van onzen Heer, laat ook uw lied dan een golfslag worden bevonden in den Oceaan van zangen, Jezus tot eer.
Amen.
De geboren Koning bedreigd maar veilig.
Matheits 2:13â23.
Er zijn in het leven van den Christen oogenblikken waarin hem onwillekeurig de woorden uit Jesaja 55 in
25
de gedachte komen: Mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten en uwe wegen zijn niet mijne wegen spreekt de Heere; want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzoo zijn Mijne wegen hooger dan uwe wegen en Mijne gedachten dan ulieder gedachten. De wegen, die God met zijne kinderen houdt, gaan menigmaal lijnrecht tegen onze wegen en gedachten in, zoodat zij elkander kruisen. En dat kan trouwens ook niet anders; ieder mensch toch voert, evenals de eerste bewoners van Amerika, een opgaande zon in zijn wapen, met het onderschrift; Excelsior. Wij willen naar boven en Gods weg ligt eerst door de diepte en dan omhoog. Zelfs de Zone Gods kon niet de Redder der wereld en de Koning van het Godsrijk worden dan door zijne menschwording. Slechts door den nacht der graven en de gewelven van het dooden-rijk heen voert Zijn weg naar den Olijfberg en vandaar naar den troon van het heelal; en de weg van het hoofd is ook de weg van de leden. Wie zich vernedert onder Gods krachtige hand wordt verhoogd te Zijner tijd. Maar geheel onze natuur, onze door de zonden bedorven natuur, ligt met dezen weg Gods in strijd, en te leeren willen wat God wil is de strijd dien wij tegen ons zeiven te voeren, is de levensles die wij te leeren hebben.
Nu heeft God zeer verschillende wegen om ons tot verootmoediging te leiden. Wie als christen nog iets groots wil zijn voor den Heer krijgt een Engel des Satans die hem met vuisten slaat. Wie eer zoekt bij de menschen ziet zijne pogingen, hoe goed ook, miskennen, zijne lauweren verdorren, en de laster spuwt haar gal over hem uit. De droomen van Jozef, hoe profetisch voor de toekomst, openbaren toch de hoogmoedigheid van zijn hart, die in kerker en banden hem eerst zal begeven. 0 de Satan heeft evengoed als de Engelen in Maria's lof-
26
zang de -woorden vernomen: van nu aan zullen mij zalig spreken alle geslachten, en zij heeft ze duur betaald. Toen haar geluk ten toppunt was stond de ellende voor de deur te wachten. Op de aanbidding van haar kind door herders en wijzen, volgt de vlucht naar Egypte, omdat de dolk van een bloedhond, in het purper, is opgeheven om den geboren Koning in het hart te treffen. Een geleerd man heeft eenmaal gezegd dat boven dit Evangelieverhaal geschreven moet staan âBedreigd maar veiligquot;. Met dit Evangelie in handen zeggen we, het oog beurtelings op het kind van Bethlehem, op de gemeente van Christus, en op het leven van ieder kind van God;
In gevaar behoed,
In verdrukking bewaard,
In ellende geschraagd,
In droefheid vertroost.
Het Evangelieverhaal is u bekend. Wijzen uit het Oosten door de Kerk van Rome Koningen geheeten, waarvan de namen zijn genoemd, Kaspar, Balthazar en Mel-chior, zijn gekomen om den geboren Koning der joden hunne vereering aan te bieden. Zij hebben in het Oosten eene ster gezien, een wonderbaar heerlijk licht verspreidende; en naar luid der profetie van Bileam zou er eenmaal een ster opgaan in Jacob en een heerscher uit Israël voortkomen die de landpale der Moabieten zou verslaan. Maar ook uit de Zendavesta hebben zij vernomen dat er eenmaal een zoon zou geboren worden uit eene maagd en bij de geboorte van dat kind, [dat niemand minder is dan Ormuds de Gods des lichts, bij zijne mensch-wording Sosiosch geheeten, dat is in het Hebreeuwsch Jozua en in het Grieksch Jezus], zou de eenw van bloed en ijzer plaats maken voor een eeuw van vrede en geluk, als Sosiosch de overwinning zal behaald hebben over
27
Ahriman den Grod der duisternis. Niets anders vermoedende begeven zij zich naar Jeruzalem, als de plaats, waar de geboren koning zal te vinden zijn, maar daar is geen kind te vinden, wel een koning, die spoedig door de wormen zal worden verteerd, zooals hij reeds jaren door jaloezie en achterdocht verteerd is geworden. Geen vredevorst maar een beul in het purper. En als zij hem bekend maken met het doel van hunne komst zal zijne jaloezie en achterdocht ontwaken.
Herodes werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem, want men vreesde den man, die zijn eigen kroost niet spaarde en door bloedstroomen gebaad had naar den troon van Juda. Edomiet van afkomst was hij met de schriften niet bekend, maar de overpriesters en schriftgeleerden wisten hem te zeggen dat de Christus in Bethlehem moest geboren worden. Toen rijpte een helsch plan in het hart van den dwingeland en de wijzen moesten hem dienen om zeker te zijn van zijne zaak. Maar de onschuld wordt door God bewaard en de geboren Koning beveiligd. Als de wijzen het kind hebben aangebeden keeren zij, door Goddelijke openbaring vermaand, langs eenen anderen weg naar hun land. Hun levensweg werd nu ook veranderd nu het doel van hun tocht, het doel Gods met de ster, en de vervulling der profetie bereikt was.
Herodes achtte zich door de wijzen bedrogen, toch lezen wij geen enkele belofte door hen gedaan. En in elk geval moesten zij Gode meer gehoorzamen dan den men-schen. Vóór Herodes zijn dolk opheft, wordt Jozef vermaand het kind en zijne moeder te nemen en naar Egypte te vluchten, daar Herodes het kindeke wilde dooden. Het kind Jezus werd door een wreedaard bedreigd, maar door God beveiligd. Het geluk der zaligste ouders
28
was in gevaar, maar God heeft hen en hun kind behoed.
Hoe anders wordt alles nu, dan Maria redelijkerwijze kon verwachten, hoe gaat hare zon als 't ware onder in wolken van weedom en smart. Is dat dan nu de vervulling van haar lofzang, is dat nu de vervulling van de aankondiging door Gabriël; God de Heer zal hem geven den troon van zijn vader David? Een wonderlijke weg naar den troon, die met een vlucht naar Egypte begint. En toch alzoo moest het geschieden, want nu dé eeniggebo-ren Zoon gekomen was, werd de type verwerkelijkt.
Het volk van Israël was door alle tijden het lijdende volk der menschheid, en dat volk is, evenals later koning Salomo, een zoon Gods genaamd. Toen Israël een kind was, heb ik hem liefgehad en ik heb mijn zoon uit Egypte geroepen, zóó begint het liquot;16 hoofdstuk uit de Profetie van Hozea. En dat niet alleen. God had reeds tot Farao laten zeggen: Mijn zoon, mijn eerstgeborene, is Israël, en ik heb tot u gezegd: Laat mijnen zoon trekken, dat hij Mij diene. Zooals Farao de zoontjes der Israëlieten dooden liet, opdat het volk niet machtig worden zou, laat Herodes de kinderen in Bethlehem dooden, opdat er geen koning door geboorte uit Davids huis nevens heip zou zijn. En is Israël in verdrukking behoed en in den weg van lijden het koningsvolk der aarde geworden? niet anders kan dan nu ook de weg voor Israëls Koning zijn. Toch verplaatsen we ons in den toestand van Maria en Jozef, die het natuurlijk nooit hebben kunnen vergeten, wat God door Gabriël beloofd had, wat de Engel in Bethlehems velden verkondigd had, wat de herders verhaald hadden van het Engelenlied en de groote heerlijkheid. Zij kunnen niet vergeten, wat Simeon en Anna hebben gesproken in den tempel; en dan nu het kind Jezus zóó bedreigd, â voorwaar ook deze Maria
29
weet van Mara te spreken; maar waar klachten zijn, daar zijn toch óók vertroostingen. Want het kind is in gevaar door God behoed, en in verdrukking door God bewaard. Het is verdrukking voor Israël in Egypte door Farao. Het is verdrukking voor Christus in Bethlehem door Herodes, en voor elk die gelooft, geldt het woord; In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen.
Tot de gemeente van Smyrna, waarvan het ook wel mocht gezegd worden âbedreigd, maar beveiligdquot;, wordt in Openbaringen 2 gezegd; Gij zult eene verdrukking hebben van tien dagen, wees getrouw tot den dood en Ik zal u geven de kroon des levens. Het is altijd voor Jezus' gemeente: bedreigd maar veilig, in gevaar maar behoed, in verdrukking maar bewaard. Mijn Christen, vaak is de verdrukking juist het eenigste middel, waardoor God u voor iets ergers dan de verdrukking, voor het verderf, bewaren kan. In het licht der eeuwigheid zullen we zien dat God ons niet anders heeft kunnen leiden dan Hij deed. Hij kastijdt ons niet uit lust tot plagen, maar tot ons nut, opdat wij Zijne heiligheid zouden deelachtig worden. Ook tuchtigt Hij geen bastaards, maar zonen.
Dat is Gods weldadigheid voor u, als Hij Zijn oordeel laat gaan over uw hart en leven. O, stel er u gewillig onder, want eenmaal zult gij erkennen, eer ik verdrukt werd dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uwe inzettingen. Ik dank u, Heere, dat gij toornig op mij geweest zijt, maar uw toorn is afgekeerd en Gij troost mij. Weest verzekerd, het goud zal niet vergaan in de smeltkroes, maar gelouterd, maar edeler zal het er uit te voorschijn komen; alleen het schuim moet er af; met de verdrukking zijn alle onedele bestanddeelen bovengekomen en uitgeleverd, en de hand van den louteraar neemt
30
ze nu op eenmaal weg, â¢wellicht eischt het eenige harde slagen, maar ze zijn noodig om het onreine af te scheiden van het edele metaal. Een zee van rampen moog met haar golven slaan, met Jezus aan boord zijt gij veilig. De storm op zee blijft door alle tijden de type, het symbool van, en de profetie voor de gemeente van Christus. Het hoofd der gemeente is door lijden tot heerlijkheid gekomen, dat is ook onze weg, geen andere. Bij de geboorte en na de geboorte was het kind Jezus omringd geweest door geloovige menschen met liefhebbende harten, door Jozef en Maria, de herders en de wijzen, Simeon en Anna, maar nu komt het ongeloof en de haat op Hem aan. Zijn lijden is met de besnijdenis begonnen en wordt nu met de vervolging door Herodes voortgezet. Door geheel Zijn leven heeft Christus geleden en wat hem eenmaal zal worden aangedaan, wordt nu reeds afgebeeld bij Zijne geboorte. Is het een speling van het vernuft of eene inspiratie door den Heiligen Geest, als een der edelen uit de volken, voor de geboorte van Christus schrijft over de waarheid, uit de onderwereld op aarde komende, dat zij geen herberg kan vinden, doorniemand wordt geduld of verdragen, omdat zij allen veroordeelt en aanklaagt, en eindelijk door de handen der menschen wordt gegeeseld, om daarna te sterven aan een hout? De quot;Waarheid kwam, zooals wij weten, niet uit de onderwereld, maar uit den hemel, maar de ervaring der Waarheid is geen andere geweest dan deze: lijden van de kribbe tot het kruis. En is dat nu ook het deel van Jezus' gemeente en van ieder Christen afzonderlijk, toch is de ervaring altijd opnieuw, dat we in ellende door God worden geschraagd.
Toen de Oostersche wijzen te Bethlehem kwamen bleef de ster staan boven de plaats waar het kindeke was.
31
maar zij vonden het niet meer in eene kribbe; de herders zullen daar wel een einde aan hebben gemaakt. Daar staat âen in het huis gekomen zijndequot;. Geboren in een stal, straks geherbergd in het huis van een ander, later inwonende bij een ander, levende voor anderen, stervende voor anderen; zie de geboorte teekent al weder 's Heeren leven en dood.
Voorzeker was het zijn in den stal voor Maria een ellende maar zij werd er in geschraagd door al wat God haar hooren en ondervinden deed; zoo is de vlucht naar Egypte eene groote ellende maar ook in die ellende worden Jozef en Maria geschraagd, want de wijzen zijn gekomen met geschenken. Nedervallende hebben zij het kindeke aangebeden, dat zou afgoderij zijn als dit kind niet was geweest God bovenal te prijzen tot in eeuwigheid; dan zouden ook Jozef en Maria geene aanbidding van hun kind kunnen of willen gedoogen. En hunne schatten open gedaan hebbende brachten zij Hem geschenken. Christus was de heerlijkheid van zijn volk Israël, maar de heidenen kwamen Christus heerlijkheid toebrengen dat was ook voorspeld in Psalm 72 en zal nog vervuld worden in Israels toekomst. En welke geschenken gaven de wijzen? Dezulke die vol beteekenis waren, en die voor Christus weldra zouden blijken noodig te zijn. God zorgt als 't leed genaakt. Zij brachten goud en wierook en mirre. God doet geen wonderen voor dat ze waarlijk noodig zijn, maar wat voor het gaan naar Egypte noodig is brengen de wijzen mede. Een geschenk in goud kan men een koning aanbieden. De wierook behoort bij het priesterambt en de mirre spreekt van lijden. Op de graven legt men een mirtekrans, zoo wijst de kribbe reeds heen naar Jezus kruis en lijden. De geschenken der wijzen bevatten hunne geloofsbelijdenis, zijn tevens een profetie,
32
en dienen om Jozef en Maria in hunne ellende te schragen als zij vluchten naar een vreemd land. Maar was hunne ellende groot, de ellende van menigen vader en moeder in Bethlehem niet minder. Herodes werd boos. Had hij zijn doel bereikt om het kind alleen te vinden dan was het alleen gestorven, nu hij openlijk zich misleid achtte wilde hij ook openlijk handelen en liet de kinderen in Bethlehem en deszelfs landpalen ombrengen. Het ongeloof ontkent den kindermoord omdat er in de ongewijde geschiedenis niet van wordt gesproken. Maar bij al de gruwelen die Herodes deed, was deze gruwel niet van beteekenis voor de historie, wel voor de geloovige Christenheid. Al geeft Flavius Jozefus de stad Nazareth niet op in zijne lijst van steden en dorpen, daarom heeft Nazareth toch wel bestaan, en al wordt nu over de kindermoord alléén door Mattheus gesproken, daarom is deze gruwel niet te min geschied. Een gruwel, veel erger dan al de gruwelen van andere tyrannen, die nog maar menschen heten moorden, maar Herodes wilde den Messias laten dooden waar alle eeuwen op hadden gewacht, en van wien hij nu zelf uit de Profetie, uit Q-ods woord had vernomen door de schriftgeleerden. De Schrift is in alles harmonisch. Voor het kind Jezus sterven tal van kinderenden marteldood, evenals later ouderen van jaren voor Hem zullen sterven als Hij zelf eerst voor ons gestorven is. De zaligheid der kinderen is de eenige troost der ouders bij het verlies hunner kinderen. Opdat onze kinderen zalig zouden kunnen worden, moest dit Kind aan den dood ontkomen en in Egypte worden bewaard. De God aller vertroosting in Christus Jezus moge alle ouders vertroosten met dezen troost. Want zouden hunne kinderen kunnen zalig worden, zoo moesten zij toch eerst geboren worden, en de dood werd hun eene nieuwe geboorte ten eeuwigen leven. In
33
onze groote steden sterven van de honderd tinderen minstens veertig beneden hun tweede levensjaar, en menige Rachel beweent haar kroost en wil niet vertroost wezen omdat hare kinderen niet meer op aarde zijn.
Zoo ging het ook eene moeder die Gods daden niet kon billijken. Toen droomde zij op zekeren nacht dat zij in den hemel was, waar tienduizende kinderen zich nameloos verblijdden, maar zij zag één kind dat aan de blijdschap geen deel nam. Toen vroeg zij aan een der Engelbewaarders waarom dit kind aan de vreugde geen deel nam, en de Engel antwoordde: dat kind heeft eene dwaze moeder op aarde, die het God niet kon vergeven dat Hij haar kind in den hemel nam, dat kind is nu wel inwendig gelukkig, maar de moeder verhindert het uiting aan zijn blijdschap te geven. Toen ontwaakte de moeder, bad God om vergeving en werd in haar droefheid vertroost. Eene andere moeder zag in hare droomen haar gestorven eersteling op den schoot van hare eigene zalige moeder. Toen kon zij hare smart dragen en haar kind overgeven; wie zou het ook beter ter opvoeding in den hemel zijn toevertrouwd. quot;Wat zal het zijn als alle geesten Gods volmaakt zullen zijn en geloovige ouders mogen hooren; die schoone Engel was eenmaal uw kind. Toch zijn onze kinderen geen Engelen, maar de Engelen gelijk. Engelen zijn wel hooge wezens, maar Gods zoon hun broeder niet. God bevolkt zijn hemel met de zielen der kinderen en met zielen die kind zijn geworden voor God, door het geloof in het Heilige Kind, dat echter geen kind is gebleven. De kerk van Rome laat het kind altijd op moeders schoot, dat is zoo aanminnig, dat kind doet geen eischen zooals de man uit Nazareth. En bij de vereering van de moeder wordt het kind schromelijk vergeten. Men vereert in plaats van het kind iets anders, terwijl alleen het kind
3
34
in waarheid de Zaligmaker is. Niet Maria, niet de hostie, niet het kruis, niet de kerk, maar de Christus. Wat hebben wij groote reden van dank, dat we het Evangelie bezitten en gelooven, en in alle nooden en smarten het weten dat Christus de zijnen in droefheid vertroost. quot;Wat is het geluk onuitsprekelijk groot, zich een kind van God te weten. Hoe ook door satans list belaagd, hoe ook door vijanden vervolgd en bedreigd, bij Jezus zijn wij veilig; ook al worden we niet beveiligd door Hem voor het lijden dat over ons komt, toch zal Hij het ten goede kee-ren als het niet van ons geweerd worden kan. In gevaren zien we ons behoeden, in verdrukking ons bewaren, in ellende gevoelen we ons geschraagd, in droefheid worden we vertroost. Wat God wil verkwikken kan geen mensch verstikken. Hij zegt: Ik begeef en verlaatuniet. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met de rechterhand mijner gerechtigheid. Ik zal u zijn toteenen vurigen muur rondom. Alle instrument dat tegen u bereid wordt zal niet gelukken, en elke tong die in het gericht tegen u opstaat zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des Heeren en hunne gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heer.
Moet gij door 't water gaan
Geen nood Ik ben met u.
En geen rivier of stroom
Zal u ooit doen verdrinken;
Gaat gij door 't vuur,
Gij wordt door 't vuur niet eens gezengd. De vlam verteert u niet
Ik ben uw God Jehova. â
Bedreigd maar veilig! Amen zegge onze ziel.
Amen.
35
Wat was het kruis ? Wat is het geworden?
Johannes 12: 31â33.
In den hemel en op de aarde is er niets te noemen of te bedenken, dat meer algemeen bekend is, en waarvan ieder toch ook weder betuigt: wij kennen er nog zoo weinig van, dan het kruis des verlossers. Het kruis, door menschen bedacht en geplant, door God beschikt, door de Engelen aanschouwd, door Christus getorscht en geheiligd, door elk mensch van nature geschuwd, door den Christen dankbaar gewaardeerd en aanvaard; het is bekend bij vorsten en onderdanen, mannen en vrouwen, jongelingen en jongedochters, knapen en meisjes, bij het kind zoowel als bij den grijsaard. En toch blijft dat kruis voor den troongeest en voor den sterveling een voorwerp om over te denken; de tijd is voor dat denken te kort en de eeuwigheid niet te lang, en het voert tot een eeuwig danken. Daar is op aarde niets met meer hijgend verlangen tegemoet gezien dan het kruis van Christus. Al de vromen van den ouden dag kunnen we ons voorstellen, liggende evenals Jakob op het sterfbed, met het gebed ja de belijdenis des geloofs op de lippen: op uwe zaligheid wacht ik, o Heer! De geschiedenis der oudheid wees heen, liep uit op, en vouwde zich als 't ware te zamen in het kruis.
Evenals de geschiedenis van het kruis uit zich ging ontvouwen, en blijft ontvouwen, tot den morgen der eeuwigheid aanbreekt. Daar is niets op aarde waar meer de liefde Gods in uitblinkt, daar is niets wat meer der menschen zonde en schuld ten toon stelt, daar is niets meer lichtzinnig bespot, diep veracht, gruwelijk verguisd, verder verworpen, meer miskend dan het kruis. Maar er is ook niets meer geëerd, verhoogd, dankbaar gewaardeerd.
36
en van grooter invloed op aarde geworden dan het kruis van Christus. Niets is meer geschuwd, niets is meer bemind, niets is meer vervloekt, en toch niets meer gezegend. Niets is meer in het oog van den een eene ergernis en in de schatting van den ander een dwaasheid, dan het kruis van Christus; maar datzelfde kruis blijft ook voor de gemeente van alle tijden en alle volken de kracht Gods en de wijsheid Gods. Het kruis is de plaats waar God den kus der vergevende liefde op het voorhoofd der menschheid drukte. Het kruis is de ladder waarlangs de ziel opstijgt naar boven. Het kruis is de magneet voor de gansche creatuur. Er is waarlijk van het kruis zooveel te getuigen dat ik niets vuriger verlang dan dat kruis, zoover God het mij vergunt, voor uw oog te ontplooien ; zij het tot Gods eer, zij het tot uwe zaligheid en tot lof en dank en eeuwige aanbidding van het Lam Gods aan het kruis geslacht, opdat wij in plaats van dienaars van het kwaad zouden worden koningen en priesters door Gods genade. Zoo zij het!
Er is eenmaal een mensch geweest in wiens hoofd of hart is opgekomen, het kruis in te voeren, als straf voor het kwaad, dat zoo slecht zijn meester loont. Dat nu een mensch dat kruis bedacht, is een hoon der menschheid aangedaan; wat gruwelijk hart moet dat geweest zijn? Het kruis toch bestond uit twee houten: een lang, dat in de aarde bevestigd werd, een korter, dat als dwarsbalk diende. Aan dien dwarsbalk werden de armen van den kruiseling eerst met touwen gebonden, en daarna werden ijzeren nagels door de vlakke hand geslagen, en hij alzoo vastgehecht. Het langere hout, waaraan de voeten v/erden vastgenageld, had nagenoeg in het midden eene verhevenheid, een vooruitstekenden hoorn, waarop het lichaam van den kruiseling rustte, om eenen beteren steun te beko-
37
men. In enkele gevallen werden de veroordeelden eerst aan het kruishout gehecht, en dan met hetzelve opgericht. De kruisdood was de smadelijkste en smartelijkste doodstraf, die door de Romeinen alleen werd voltrokken aan slaven en zware misdadigers, aan oproermakers en roevers. Zoo was het kruis bij de heidenen een hout der schande, en de Joden, bij wie het kruis niet in gebruik was, wisten dat er in de Wet geschreven staat: De gehangene is Gode een vloek. De kruiseling leed verschrikkelijke martelingen, vooral kwelden hem honger en dorst. Door zware benauwdheid werd hij overvallen, door den drang van het bloed naar het hoofd. Slechts zeer langzaam volgde de dood. De kruiseling leefde vaak langer dan twaalf uren, soms zelfs tot den avond van den volgenden dag. 0 de kruisdood was een sterven van duizend dooden in éen, en wat moet het nu, na al wat Hij reeds leed, voor Christus geweest zijn gekruisigd te worden?
Denk slechts aan eenige woorden uit den 22sten Psalm, en uit de profetie van Jesaja: Mijne tong kleeft aan mijn gehemelte van dorst en Gij legt mij in het stof des doods. Mijne handen en voeten zijn doorgraven, ze hebben mijnen rug doorploegd en zij hebben hunne voren lang getogen. Hoe zou ik u schetsen al het lijden, al den vloek, al den smaad door den Heer aan het kruis geleden? Waarlijk, het kruis was een folterpaal, een hout der schande, het afschuwelijkste wat ooit op aarde is bedacht. Wij verstaan den nu zaligen Otto Gerhard Heldring als hij zegt,: âWat is het toch, zoo denk ik dikwijls, als ik in dorp of stad kom en op den toren, die het sieraad der plaats uitmaakt, een kruis zich zie verheffen, wat is het toch, dat eenmaal de grootste schande der oudheid tot de hoogste eer der nieuwe wereld heeft gemaakt? Wat heeft dat kruis-teeken vastgemaakt aan de kroon van koningen en keizers ?
38
Ja wat beweegt die vorsten zeiven om het grootste bewijs van gunst en vereering aan hen, die zij onderscheiden willen, te geven onder den vorm van een kruis, 'tzij het ijzeren, het metalen, of welk ander kruis ook. quot;Wat is toch de reden, dat het kruis genomen is om uit te drukken: van alle gedachten is dit de hoogste, van alle eer is deze de meeste? Eenmaal moet er toch iets gewichtigs, iets groots, iets gansch ongewoons geschied zijn op aarde, zoo zegt gewis de nadenkende, waardoor hetgeen de grootste schande was, de hoogste eer is geworden. Slechts wat Goddelijk verheven, wat aandoenlijk schoon, onnavolgbaar edel, wat in den eigenlijken zin des woords alleen en waarlijk groot kan genaamd worden, dat slechts is in staat om zulk eene verandering in 's men-schen denkwijze tot stand te brengen. Eenmaal moet er aan dat kruis eene daad volbracht zijn, zóó heerlijk, zóó groot, dat voortaan het kruis niet langer de smaad der aarde, maar de eere der menschheid worden moest. Zoo alleen kon de denkwijze der wereld veranderen. Dat zegt ons al wat wij dagelijks zien en hooren, zóó luide dat wij begeerig worden het raadsel opgelost te zien. En wat getuigt ons dan, zoo wij het heilig Evangelie opslaan, de geschiedenis ? Eenmaal sloeg de wereld den Zone Gods aan het kruis! Zooals de Schrift zegt: Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij is gekomen tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Zij riepen: Kruist Hem! ontzettend woord. De menschheid sloeg haren Heer en Schepper aan het kruis. Van hier die verandering. Van hier dat dat kruis nu en eeuwig de eere is dergenen, die Hem hebben leeren kennen. Van hier dat de aarde zich buigt voor dat teeken. Van hier dat de verwachting leeft: eenmaal zal dat teeken
39
op de wolken des hemels verschijnen, en Hij zal weder komen om te oordeelen alle geslachten der aarde.quot; Zoo hebben we dan gezien wat het kruis was, en ook aanvankelijk wat het werd. Maar niemand kan het ons schooner en in minder bewoordingen zeggen dan onze Heiland het zelf deed in de woorden uit het 12de hoofdstuk van Johannes' Evangelie. In het woord: âNu is het oordeel dezer wereld. Nu zal de overste dezer wereld buitenge-worpen worden. En Ik, zoo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken;quot; zegt Hij ons dat het kruis het teeken der veroordeeling is over eene schuldige wereld. Dat het kruis het teeken der overwinning is, behaald op den Vorst der duisternis. Dat het kruis het teeken van Gods liefde is voor de verloren menschheid, en dat allen door dat teeken als door eene groote magneet worden aangetrokken.
Het kruis het teeken der veroordeeling over eene schuldige wereld, en die veroordeeling is door de wereld zelve uitgesproken over haar eigen hoofd. Plaats u bij het kruis, en gij zult mij toestemmen dat de wet van Mozes ons niet zóó verdoemt en veroordeelt als het kruis van Christus. Er is zeer veel kwaad op deze aarde geschied, na den val van ons stamhoofd Adam. Broederbloed werd vergoten en heeft ten hemel geschreid. Om een buil werd een jongeling gedood, en een man om eene wonde, en de moord en de wraak werden in liederen bezongen door den man die de veelwijverij heeft ingevoerd. Zonden stapelden zich op zonden, de eene ongerechtigheid brak voor de andere een baan, en de vermenging van het volk Gods met de kinderen der wereld maakte het zout smakeloos en de wereld rijp voor het verderf. Het godde-looze kroost van goddelooze vaderen kon alleen door eenen zondvloed worden opgeruimd. Maar de zonde kwam uit
40
het water weder te voorschijn als 't ware. In de steden der vlakte klom de zonde ten hemel en vergreep men zich zelfs aan de Engelen Gods, en het vuur kwam de zondaars verdelgen, maar de zonde was het vuur te sterk, en verdierlijkte het menschelijk harte, dat straks zijn eigen kwaad aanbad. De mensch, nog gevoelende dat voor de Godheid niets te heilig moest zijn, offerde zijn kroost op aan den Moloch, en verhief in den wulp-schen Astarte-dienst den wellust tot eeredienst aan de godheid gewijd. Voorwaar, er is geen beter vrijbrief voor de zonde te bedenken dan haar tot godsdienst te verklaren. Daar het den menschen, die God kenden, niet goed-dacht God in gedachtenis te houden, heeft Hij hen overgegeven in een verkeerden zin om dingen te doen die niet betamen, en het heidendom werd een oordeel, dat tot op dezen dag niet is afgewend geworden. En waar nu uit alle volken één volk werd verkoren en boven alle volken met de Godskennis gezegend, ook dat volk heeft zich rijp gemaakt voor wegvoering en ballingschap. De kroon viel koning Zedekia van het hoofd, hij was dezelve niet waardig. Maar de Koning, die alle kroonen waardig is, kroonde men met doornen en sloeg men aan een kruis. Men meende Hem te beleedigen en men beleedigde zich zeiven, men meende Hem te veroordeelen, maar men sprak het doemvonnis uit over zijn eigen hoofd. Wanneer een laaghartig man u beleedigt, trekt gij het u niet aan, maar als ge beleedigingen verdragen moet van personen, die gij lief hebt met geheel uw harte, dat is meer dan gij kunt dragen; dat perst u de tranen van weedom in de oogen. Wat moet het voor Christus geweest zijn, door Zijn volk te worden gekruist, het volk, dat Hij zoo nameloos liefhad.
O dat heeft Hem van smart het harte doen breken in
41
het binnenste zijns ingewands. Maar nooit beging Israël, nooit bedreef de wereld gruwzamer, schuldiger daad. Den eenen die goed was, den eenigen die zeggen kon: Wie uwer overtuigt mij van zonden? heeft men gekruist! De Heer der heerlijkheid kwam op aarde en werd aan een vloekhout genageld. Voorwaar nooit geschiedde er op aarde vreeselijker daad, schuldiger zonde, dan de Christusmoord. Als Jezus Christus, als de Zoon van God, als de edelste aller menschen, geeseling en bespotting, doornenkroon en kruis waardig wordt geacht, wat moet dan uwe straf zijn en de mijne? Welke ellende moet dan het deel van den grootsten der zondaren zijn, als dit lijden den Heilige Gods wordt toegedacht? Voorwaar wij zijn wel in waarheid, wat Frederik de Groote de menschheid noemde: âeen vervloekt geslachtquot;. Door het kruis te planten heeft de menschheid met eigen hand boven eigen hoofd geschreven: verdoemelijk voor God. Het kruis van Jezus Christus is het teeken der veroordeeling eener schuldige wereld, ja; maar het is nog veel meer dan dat, het is ook teeken der overwinning behaald over den vorst der duisternis. âNu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden,quot; zoo zegt de Heer, Die door Zijn dood heen reeds met hooge vreugde de vrucht van Zijn kruis aanschouwt.
Jezus Christus heeft aan het kruis uitgeroepen: het is volbracht! dat drietal woorden in onze taal, is maar éen enkel woord in de Grieksche taal. Maar dat enkele woord was een woord van verlossing voor den Verlosser, Wiens lijden nu was volbracht. Het was een woord van zaligheid voor de menschen, voor wier redding en verlossing nu alles was volbracht. Het was een triomfwoord voor God in den hemel, omdat de groote strijd tegen het rijk der duisternis nu was volbracht. Het oude woord dat den
42
nacht van Eden had verhelderd: âIk zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, tusschen uw zaad en tusschen haar zaad; hetzelve zal u den kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelenquot;, dat woord is nimmer door Satan vergeten. En noemen wij dat woord het Paradijs-Evangelie, we hebben ook nooit te vergeten, dat in dit woord de strijd der eeuwen ge-teekend werd. Een strijd van licht en duisternis, met éen enkelen trek beschreven, maar veertig eeuwen lang onophoudelijk met gedurig wisselende kansen gevoerd. Er wordt in dat Paradijs-Evangelie, zegt Calvijn, niet uitsluitend van Christus gesproken, maar nog veel minder is Christus hier uitgesloten, veeleer afzonderlijk aangeduid. Juist Hij is het tegen wien de strijd in ongekende woede ontbrandt, door wien de volle triomf is verzekerd. En is het waar dat de menschheid van veertig eeuwen een lichaam gelijkt, met tallooze wonden overdekt, wie toont mij één lichaam als dat van Christus aan het kruis, waarvan het Gode zij dank waar is: door Zijne striemen is ons genezing geworden. Het slangenzaad in de joodsche en heidensche wereld heeft samengespannen tegen den Heilige Gods, en Hem aan het vloekhout geslagen, na Hem reeds zooveel vloekwaardige ellende te hebben aangedaan. Maar de kruisdood van Jezus Christus is de doodsteek voor de hel geworden. Juist door het kruis wordt de menschheid verlost van hem, die het geweld des doods heeft, dat is de duivel. Zijn kop wordt verplet, en al slaat hij met zijn staart nog, de vijand onzer zielen is toch overwonnen en een buitengeworpen vijand. Uit alle macht des vijands heeft Christus ons verlost, en als we den moed hebben Satan te wederstaan, zullen we hem van ons zien vlieden. O, het woord van Christus wordt een juichtoon, waarmede Hij zijn sterfuur
43
tegentreedt: Nu zal de overste dezer wereld buitengewor-pen worden! Het kruis verlost van het grootste kruis, de macht der zonde en de macht des Satans, en het kruis is het teeken der voor eeuwig behaalde overwinning geworden. Maar het is ook en bovenal het teeken der liefde Gods voor eene verloren wereld. Eene eeuwigheid zal noodig zijn, om dat woord te leeren verstaan: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet zou verderven, maar het eeuwig leven hebben. Maar aan den voet des kruizes verstaan we toch zóóveel van dit woord, dat we betuigen dat die liefde onze kennis te boven gaat. Het kruis wijst naar de aarde, waarin het geplant werd en die aarde was, vóór Jezus komst, een land van duisternis en doodschaduw; maar Hij bracht het leven en de onverderfelijkheid aan het licht. Het kruis wijst naar den hemel, het vaderland der ziel. En had de zonde den hemel gesloten; de genade van Jezus Christus heeft ons het Paradijs heropend. De dwarsbalk snijdt het krnis aan vieren en het staat daar met de armen naar het menschdom uitgebreid, als het heerlijk zinnebeeld dat ons zegt: hoe hemel en aarde, verleden en toekomst door de liefde van God vereenigd zijn. Wat kon die liefde nog meerder? Gód kon niet meer geven dan Zijn eeniggeboren Zoon tot in den dood des krui-ses, tot ons behoud.
De menschheid viel, maar is aan Gods liefde niet ontvallen; integendeel, de eer van God ligt in ons behoud, en de vreugde des hemels vermeerdert, door de behoudenis van zondaren op aarde. Wie zijn eigen hart kent en wie eenigszins de wereld leerde kennen, kan het niet begrijpen dat God alzóó lief de wereld heeft gehad. Begrijpen, neen, maar aanbidden, dat kunnen, dat mogen,
44
dat moeten we wel doen. Eene liefde aanbidden die diep is als de zee, hoog als de hemel, ruim als het heelal, eene liefde waarvoor geen zondaar te diep is gezonken om gered te kunnen worden. Daarom is het teeken der liefde Gods de schat der gemeente, daarom plaatst zij het kruis op hare bedehuizen. De gemeente schaart zich om het kruis, vergadert onder het kruis, en heft dat kruis ten hemel. Het kruis op de kerkspits is eene belijdenis des geloofs. Het kruis is de roem des Christens, hij schaamt zich het kruis niet, want het is de oorzaak en het onderpand zijner verheerlijking. De gemeente wil geen anderen Christus, dan Christus den gekruisigde. Van Hem getuigt zij gaarne: al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk. De Heer heeft gezegd: En Ik, zoo wanneer Ik van de aarde verhoogd zal zijn, zal hen allen tot Mij trekken.
En waarlijk het kruis is de groote magneet geworden voor de menschheid. Plaats een modern predikant op den predikstoel, laat de man in zijne prediking zoetvloeiend, zachtdringend en zalvend zijn, het baat niet, de kerken loopen ledig, waar het kruis wordt gemist. Als men Jezus Christus, Gods zoon predikt als Maria's zoon, als den edelste der menschen, wiens voetstappen wij moeten drukken, wiens volgelingen wij moeten zijn, dan keert de gemeente zich af van de laffe prediking, waaraan het kruis van Christus ontbreekt, er blijven geen hoorders over. Maar plaatst op dien preekstoel een trouwen dienaar des Heeren, die zijn intrede doet mot het woord: Ik heb mij voorgenomen niets onder u te weten, dan Jezus Christus en dien gekruist; dan zult gij de ledig gepreekte kerk vol zien worden. Waarom? Omdat de gemeente Jezus wil zien met Zijn doornen kroon en kruis. De gemeente wil niet alle menschen als de lieve kinderen
45
van onzen Hemelschen Vader hooren aanspreken, want zij weet dat wij van nature alles behalve lieve kinderen zijn, maar arme verloren zondaren, die alleen uit en door genade behouden kunnen worden. De gemeente verlangt de prediking van Christus in verband met Zijn kruis en opstanding. En waar die prediking wordt gebracht en gehoord, daar blijft Gods zegen niet achter. Daar wordt nieuw leven gezien, daar worden zondaren gered, daar wordt de juichtoon gehoord: Ik ben zeer vroolijk in den Heer en mijne ziel verblijdt zich in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils en den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan. Rust niet voor gij alzoo van Gods liefde kunt getuigen. Die liefde wil uw geluk, uwe zaligheid; sta dan uw eigen geluk niet in den weg, sta den Heiligen Geest niet tegen. Hij wil u het kruis leeren kennen, naar dat kruis u geleiden, om het daar te ervaren: door een blik op het kruis is er leven en heil, is er leven voor u en voor mij. En als ge dat heil hebt gevonden, dat leven deelachtig zijt geworden, zal het ook uwe taal zijn, ja uwe levensleuze: Ik schaam mij het kruis van Jezus Christus niet!
Amen.
Het kruis aanvaard, het kruis gedragen.
Psalm 40: 8, 96.
Schuldiger dan iemand die ooit op aarde leefde, waren zij voorzeker die den Heiland aan het kruis hebben gehecht en gedood. Maar naast deze waarheid moeten we ook nooit vergeten wat Petrus zijnen tijdgenooten heeft toegevoegd in de Pinksterprediking te Jerusalem: Gij Israëlitische mannen hoort deze woorden: Jezus den
46
Nazarener, eenen man van God, onder ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen die God door Hem gedaan heeft, in het midden van u, gelijk gij ook zelve weet; Dezen door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt gij genomen, en door de handen der onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en gedood. Ziet dit moeten we nooit vergeten! God kan het kwaad niet willen, en de mensch blijft verantwoordelijk voor zijne daden, maar het hooge Godsbestuur gaat ook over het kwaad, door den mensch eenmaal bedreven, en de Almachtige volvoert Zijnen raad, midden door onze zonden heen. De broeders van Jozef zijn voor hunne zonden verantwoordelijk gebleven, en hebben later zelf betuigd dat Jozefs bloed werd gezocht; maar wat in onzen Rijmpsalm staat geschreven is toch ook waarheid:
Wie kan Gods wijs beleid doorgronden.
Een man werd voor hen heen gezonden;
De vrome Jozef rijk in deugd.
Als slaaf verkocht in zijne jeugd.
En zooals het bij Jozef was, is het ook bij Christus waarheid geworden: Gijlieden wel, gij hebt het ten kwade gedacht maar God heeft het ten goede gedacht, zooals het is ten dezen dage, om een groot volk in het leven te houden. En dat niet alleen, maar de dood van Jezus, hoewel door menschen Hem aangedaan, is in waarheid toch zoo als de Apostelen in hun gebed gezegd hebben in Handelingen 4, dat tegen Gods heilig kind Jezus samen vergaderd waren Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels, om te doen al wat Gods hand en raad te voren bepaald hadden dat geschieden zou. Met andere woorden, de dood van Christus is niet maar menschelijke willekeur, maar volkomen vervuUing van den raad des vredes tot ons behoud en zaligheid. Gode zijn
47
al Zijne werken van eeuwigheid bekend, en Hij zegt: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Als Hij de wereld schept is het om de herschepping en de herschepping is om de verheerlijking. Wel mogen we dus met David uitroepen: Hoe kostelijk zijn mij, o God, Uwe gedachten! want in eeuwige liefde heeft Hij ook aan ons gedacht. Het Lam Gods is van eeuwigheid geslacht. Hij is het van wien in Job 33 wordt gesproken, Die voor den het verderf naderenden mensch tusschen treedt en zegt: Ik wil niet dat hij in het verderf dale, Ik heb verzoening gevonden. En in den schoonen Mes-siaanschen Psalm, waaruit ons tekstwoord is genomen, vinden we den Heiland weder met het woord op de lippen: Zie ik kom, in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust o mijn God om Uw welbehagen te doen. O, ik weet wel, dat Psalm 40 in de eerste plaats de taal van den Psalmdichter is, maar de Psalm is ten allen tijde en niet zonder reden Messiaansch genoemd, en gaarne schrijven we boven dezen Psalm, evenals boven het Evangelieverhaal van Jezus lijden: âHet kruis aanvaard, het kruis gedragen!quot;
Verplaatst u in uwe gedachten in Gabbatha, vroeger het paleis van Herodes, later den burcht Antonia, in den tijd van Christus lijden in het rechthuis van Pilatus.
Daar staat de Heer der heerlijkheid, de mensch Christus Jezus, voor den rechterstoel van een heiden, wiens naam bijna 19 eeuwen als een wanklank over de aarde voortrolt. Niet tevergeefs zegt de Gemeente in hare Apostolische geloofsbelijdenis: Die geleden heeft onder Pontius Pilatus; want Jezus Christus leed niet alleen onder, maar ook door en ook voor Pontius Pilatus. De ongelukkige, dubbelhartige Pilatus, die overtuigd van Christus onschuld, Hem toch laat geeselen, Hem plaatst
48
naast een moordenaar en eindelijk Hem overgeeft aan den kruisdood. Jezus Christus de weldoener Israels, de heilige Gods, de Koning der waarheid staat voor Pilatus; vruchteloos tracht Pilatus Hem te redden, de kreet van het volk verheft zich; Kruist Hem! kruist Hem! Lukas zegt: âEn Pilatus oordeelende dat hun eisch geschieden zou, zoo gaf hij dan Jezus over om gekruist te worden.quot; De overlevering zegt dat het vonnis van Pilatus over den Heer in deze woorden is uitgesproken; âJezus van Nazareth is veroordeeld door het getuigenis van het grootste deel zijner natie, als verleider des volks, als verrader des keizers, als valsche Messias. Leidt Hem henen naar de plaatse des gerichts, en slaat Hem met de spotteekenen der koninklijke waardigheid tusschen twee straatroovers aan het kruis. Gaat gerechtsdienaren en zorgt voor het kruis.quot; En er is voor dat kruis gezorgd en de Heer heeft dat kruis aanvaard. âHij heeft,quot; zegt Paulus, âhet kruis verdragen en de schande veracht.quot; En Johannes zegt in zijn Evangelie: âZij namen Jezus en leidden Hem weg. En Hij dragende zijn kruis ging uit naar de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, welke in het Hebreeuwsch genoemd wordt Golgotha.quot;
Jezus heeft het kruis aanvaard, het kruis gedragen, en wij gaan Hem volgen op Zijn kruisweg. Wij zien in onzen Heer hoe wij als Zijne volgelingen ook het kruis hebben te aanvaarden en met liefde te dragen. En dan letten we allereerst op, vanwaar de kruisweg begint en uitgaat, want daar Hij voor en met ons leed, willen wij ook met Hem lijden en Zijne smaadheid dragen. En dan zien we dat de kruisweg uitgaat van de plaats des gerichts. Het is nog steeds van het rechthuis uit, dat men met Jezus naar Golgotha gaat.
Er is op aarde geen heiliger weg dan de via Dolorosa,
49
de weg der smarten. De puinhoopen van het Eechthuis bestaan nog; vandaar kan men de plaats overzien, waar eertijds Salomo's tempel stond. De mine van het rechthuis heeft nog éen venster, waarvoor Christus zal gestaan hebben, toen Pilatus het woord uitsprak; Ziet den mensch! Van het rechthuis uit loopt de weg 150 schreden voort, tot de plaats waar Simon van Cyrene gedwongen werd het kruis achter Jezus te dragen. Weer ongeveer 100 schreden verder is de plaats waar de Heiland tot de weenende vrouwen sprak: âWeent niet over Mij maar over u zeiven en uwe kinderen.quot; Dan voert de weg over de markt des gerichts, die met de muren welke eens de stad omringden verdwenen is, totdat de reiziger, nadat hij van het rechthuis ongeveer duizend schreden heeft afgelegd, op Golgotha komt. Wij gaan wellicht nimmer naar Jeruzalem, maar bewandelen toch in den geest de via Dolorosa en zien op dien weg slechts arme veroordeelde zondaren, die het vonnis der wet met hun bloed willen onderteekenen. Zij gaan van het Eechthuis naar de gerechtsplaats, maar zonder vreeze, want het is een gaan van de Richtstoel tot den Genadetroon. Jezus heeft hun schuld geboet, hunne vrijspraak verworven en zij loopen nu te overdenken, wat Hij voor hen geleden en gedragen heeft. En dat wilt ook gij immers doen, mijne vrienden? Ziet dan uwen Heer met het kruis op de schouders voorwaarts treden, uitgeput van smart, met bebloed hoofd, neergedrukt door het prangen van Zijn zielelijden. Hij draagt de zware last des kruises op Zijne ontvleeschte schouderen, omgeven door menschen, die Hem bespotten, omringd door eene groote menigte en toch is Hij zoo gansch alleen. Wellicht is het waar, wat de kruiswegschilderijen te zien geven, dat Jezus terneer zonk onder het kruis; in elk geval is het zeker dat Simon van Cyrene, dus een Moorman, van zijnen
4
50
akker kwam en huiswaarts wilde gaan, toen men hem dwong het kruis achter Jezus te dragen. Gelukkig de man, die deze schande aanvaard heeft; het is hem eene eeuwige eere geworden.
Maar niet minder gelukkig ook in dezen tijd is ieder knecht, ieder Ridder Gods, die het kruis zich ten hoogste eere rekent, en het vroolijk zijn Heiland nadraagt. Indien Simon van Cyréne gelijkluidend is met Simon, genaamd Niger uit de Handelingen, dan is deze man éen der profeten en leeraars uit de moedergemeente te Antiochië; en niet zonder reden zal Markus in zijn Evangelie gezegd hebben, dat Simon van Cyréne de vader was van Alexander en Rufus. Wellicht zijn deze jongelingen bij de eerste Christenen bekend geweest. De legende verhaalt dat Jezus, op den kruisweg voor de woning eener vrome vrouw gekomen, van deze vrouw, Veronika geheeten, eene sluier ontving, om zich het zweet en bloed van het aangezicht te wisschen. Indien het waar is, dan is dit een eerste liefdebewijs na zooveel mishandelingen voor den Heer geweest. De fabel, dat Veronika bij het terugontvangen van den sluier Christus' lijdende gestalte daarin afgebeeld vond, is zeer zinrijk. Indien wij Hem niet ons kleed maar ons hart schenken, zal Hij daar Zijn beeld in drukken, zoodat de lijdende Christus ons in waarheid onvergetelijk wordt. De legende van den Wandelenden Jood is niet minder vol diepen zin. Het is eene dichterlijke voorstelling van den toestand en toekomst van Israël, eene voorstelling tevens van een aardsch leven zonder geloof en hoop. De prediking, die daardoor tot ons komt, is deze: âGeen rast op aarde, ze is in Christus bij God.quot;
Sommigen, die toch niet gaarne discipelen van den Gekruisten zouden genoemd zijn, volgden Christus op den kruisweg. Vrouwen weenden over Hem, Die ons eeuwig
51
doet juichen, en nog is er menigeen, die aan den weg staat en weent, als iemand een kruisdrager wordt achter den Heer. Vaak gaan huisgenooten en dierbare betrekkingen eenen anderen weg, dan dien de kruisdrager betreedt. Slechts zelden ontmoet hij een Simon van Cyréue, die hem het kruis helpt dragen, of een Veronika, die hem liefde betoont; en waar ze gevonden worden, zijn ze dubbel te waardeeren. De ongeloovigen staan aan den weg en zuchten over degenen, die den kruisweg bewandelen, en de geloovigen moeten het zich laten welgevallen als dwazen en dwalenden te worden beschouwd. Menige ongeloovige vader of moeder, die met heeter tranen het geloof betreurt van zoon of dochter, dan te voren hunne zonden en gebreken betreurd werden.
Maar Jezus staat daar en zegt: quot;Wie zijn kruis niet dagelijks op zich neemt en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn. De aanvaarding van het kruis is noodzakelijk, maar het moet ons eigen kruis zijn, het kruis door den Heer zelf ons opgelegd. Het moet dagelijks aanvaard worden en Jezus nagedragen. Niemand moet zichzelven een kruis kiezen, niemand moet met zijn kruis zijn eigen gekozen wegen gaan.
De Godgewijde ziel draagt haar kruis met liefde. Wat is voor den Christen het kruis? Het is een lijden, dat hem onder Gods toelating wedervaart, en wel om de belijdenis en navolging van Christus, hetwelk geenszins eene geringe wederwaardigheid is te achten, maar een zwaar, smartelijk, vaak met lijden en smaad gepaard gaand leven. Men zegt gewoonlijk:
Elk huis heeft zijn kruis.
Eik hart heeft zijn smart.
Het laatste is waar maar het eerste niet. De goddeloo-zen en ongeloovigen hebben wel hunne nooden, moeiten.
52
zorgeE en angsten in de wereld, maar dat alles kan geen kruis worden genoemd; omdat zij geen gemeenschap hebben met den gekruisten Heiland, zoodat ook hun lijden, het nut, den troost, de kracht, de belofte en het gezegend einde mist van dengenen die Jezus Christus toebehooren.
Adolph Monod, een der getrouwe getuigen van Christus, die op zijn ziek- en sterfbed, dat wel een predikstoel geleek, eenmaal zeide: âIk begin nu goed te vorderen op den weg naar den hemel, ik kan mijne krankheden en kwalen al reeds optellen,quot; had op zekeren tijd een zeer belangrijken droom, dien ik u wil mededeelen.
Hij droomde, dat hij zijn Heiland zag, die met zeer vriendelijken blik hem aanzag en zeide: âAdolph Monod, waarom zijt ge zoo bedrukt?quot; Ach Heer, gaf hij tenantwoord, mijn kruis is ook zoo zwaar, ik kan op den kruisweg niet verder voortkomen. Toen zeide de Heer: volg Mij, gij moogt u zeiven een kruis kiezen, maar zonder kruis mag niemand Mijner discipelen zijn. En hij volgde den Heer naar eene groote zaal, waar allerlei kruisen te vinden waren. Zijn oog viel terstond op een gouden kruis, maar, o, dat kruis was zoo zwaar, het was voor koningen en keizers bestemd, en hij liet het dus van zijne schouders zinken. Daar ziet hij een kruis met rozen, die tusschen palmtakken gevlochten zijn. Ook dat kruis was schoon en hij neemt het op de schouders. Het was veel lichter dan het gouden kruis, maar de doornen wondden hem fel en hij haastte zich het af te leggen. Een ander kruis was hem te breed, weder een ander te lang. Nog een ander veel te klein voor zijne gestalte. Zoo zocht hij voort, totdat zijn oog viel op een kruis geheel voor hem geschikt. Hij vroeg verlof en verkreeg ook de toestemming om dat kruis te mogen dragen, en
53
hij droeg het met liefde en geduld tot aan het einde van zijnen weg. Daar wenkten Engelen hem met palmen der overwinning, daar wachtte hem de kroon na den strijd. Maar voor hij de heerlijkheid mocht binnengaan, kwam de Heer tot hem en zeide: âMonod, zie nu nog eenmaal uw kruis aan!quot; Hij deed het, en zag nu, dat zijn eigen gekozen kruis juist hetzelfde was, wat de Heer hem bij het begin van zijnen weg had opgelegd. Ten slotte bleek nu dit kruis juist geschikt te zijn, om hem tot brug over den doodsjordaan te dienen, zoodat hij veilig de heerlijkheid binnen kon gaan.
Gij kunt dus gerust uw kruis vroolijk op uwe schouderen nemen, om het uwen Heiland na te dragen. Hij geeft kracht naar kruis, en na het kruis de kroon. Hef dan op het gebogen hoofd! Moed gevat Simon van Cyréne! Hef u op mijne ziel, vrees niet, maar juich:
'k Ben des Heeren eigendom.
Niemand kan ons scheiden;
Ga 'k gebogen onder 't kruis
En het bitterst lijden,
Hoe het drukke, 't komt gewis
Van de hand des Heeren,
Die de smart, die 'k niet behoef,
Van mij af zal weren.
In dat geloof het kruis aanvaard en het Christus blijmoedig nagedragen, want boven 't kruis blinkt de kroon.
Amen.
Het kruis geplant, het kruis aanschouwd.
Joh. 19:17â37.
De Heer heeft, gebogen onder het kruis, Golgotha bereikt. De ure is daar, dat het kruis Hem zal dragen. Daar staat Hij door de beulen omringd, die dorsten naar
54
Zijn bloed. De kleoderen worden Hem ontnomen, om straks te -worden verdobbeld en verdeeld. Het kruis ligt aan Zijn voet, maar vóór men Hem daaraan gaat nagelen, bidt Hij: âVader vergeef het hun, zij -weten niet -wat zij doen.quot; Daar strekt men Hem uit op het vloekhout, en handen en voeten -worden doorboord. De handen, die zoo velen hebben aangeraakt; de handen, die het -wonderbrood hebben gezegend en verbroken; de handen, die zegenend zelfs over de hoofden der kinderen zijn uitgestrekt geweest.
Het gruwelstuk is begaan en het kruis -wordt geplant. Straks hangt de Heer aan het hout, als verstoeten door den hemel en uitgeworpen door de aarde; en als ware Hij de grootste der misdadigers, wordt Hij tusschen twee kwaaddoeners gekruist. Die kwaaddoeners teekenen de menschheid; de een teekent dat gedeelte, dat na een leven in zonden en schuld eindelijk tot verharding komt, en zelfs in de sterfure met het heiligste kan spotten; en het andere gedeelte, in den anderen moordenaar voorgesteld, komt vroeger of later tot gevoel van schuld, tot berouw over een verloren leven, tot belijdenis van zonden, tot de bede om genade en geen recht, en eindelijk tot het kinderlijk vertrouwen op de borg- en zoen verdienste van Jezus Christus en den vrede in Zijn bloed. Ook hier werd het oude woord der Profetie vervuld; âEn Hij is met de misdadigers gerekend.quot; Zoo is dan het kruis geplant en des Heeren woord vervuld: âde Zoon des men-schen moet overgeleverd worden in de handen der zondaren en zij zullen Hem kruisigen.quot; Geleerde mannen hebben aangetoond, hoe nameloos groot de martelingen moeten zijn, die de kruiseling moest ondergaan. De onnatuurlijke houding der armen naar boven, wat een gewoon mensch slechts met moeite eenige minuten kan volhouden, was reeds eene foltering. De'pijn aan handen
65
en voeten deed het lichaam bewegen, maar iedere beweging veroorzaakte nieuwe en duldelooze pijn. Door de nagelen waren de zenuwen en pezen gekwetst en gekneld, en het blootgesteld zijn der wonden was oorzaak van ontsteking en wondkoortsen. De regelmatige bloedsomloop werd gestremd, de angst maakte zich van den lijder meester, de ademhaling werd belemmerd, het bloed hoopte zich op in het hoofd waarvan zware hoofdpijnen het gevolg waren. De koortsen verwekten een ontzet-tenden dorst; en de borst zette op, zoodat het slachtoffer de beenderen van zijne borst kon tellen. Lees met aandacht den 22'ten Psalm en geen trek van Christus lijden zult gij vergeten vinden. En indien gij in al dat lijden de liefde van uwen Heiland ziet, zult gij uitroepen:
Hier openbaart zich eene liefde Waarbij geen mensch kan komen Waarvan slechts d'Englen droomen.
Voorwaar er is geen heiliger plek op aarde dan de kruisheuvel, geen dierbaarder plek dan Golgotha. Vlak in de nabijheid ligt Moria waarheen Abraham moest optrekken om Izaak te offeren, en onvergetelijk was Moria geworden voor eiken vromen Israëliet. Maar wat is Moria bij Golgotha te noemen ? Daar een Engel met het woord op de lippen: âAbraham, Abraham, doe den jongen geen kwaad!quot; En hier een gesloten hemel en de klacht: âMijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten. Mijn God, ik roep des daags en Gij antwoort niet, en des nachts en ik heb geen stilte.quot; DÃiar een bok met de hoornen in de struiken om de plaatsvervanger van Izaak te zijn, en hier de spottaal: âDe koning Israels kome nu af van het kruis en wij zullen in Hem gelooven.quot; Daar in de onmiddellijke nabijheid ligt Zion, met Jeruzalem de stad zoo hoog gebouwd, waar eens des Heeren heerlijkheid door Israël werd
56
aanschouwd. Daar was jaarhonderden lang het morgen- en avondoffer ontstoken, het Paaschlam geslacht. Daar waren de hooge feesten gevierd. O, het verwondert ons niet, dat de dichter van den 68sti:n Psalm van Zion heeft gezongen:
Dat Bazans hemelhooge berg,
Met al zijn heuvlen Zion terg
En ware te overtreffen.
Wat springt gij bergen trotsch omhoog! Wat wilt g'u in der volken oog,
Bij Zions berg verheffen?
God zelf heeft dezen berg begeerd Ter woning, om, aldaar geëerd,
Zijn heerlijkheid te toonen!
De Heer die hem verkozen heeft.
Die trouwe houdt en eeuwig leeft,
Zal hier ook eeuwig wonen.
En toch, voor het Christenhart, haalt noch Moria noch Zion bij Golgotha. Op Moria de type, op Zion de schaduw, op Golgotha de eeuwig heerlijke werkelijkheid der verlossing en verzoening, niet in het bloed van dieren, maar in het bloed van Christus. Op Golgotha brak het hart van Christus, op Golgotha werd de eeuwige rots voor ons gespleten, opdat wij zouden kunnen rusten in Zijn schoot. Op Golgotha werden de wonden van Jezus de vrijsteden voor het arme, voortgejaagde doodschuldige zondaarshart. Op Golgotha hooren we, wat het zegt: bidt voor uwe vijanden, zegent hen die u vloeken. Op Golgotha breidt Jezus Christus de armen uit naar een wereld, die Hem verstiet. Golgotha is eene schouwplaats van marteling, waarbij de. ziel huivert, maar op Golgotha wordt ook aan den mensch te aanschouwen gegeven eene verborgenheid, zóó groot dat de Engelen begeerig zijn daar in te zien. Daar wordt de vloek opgeheven, die op de menschheid rustte, daar wordt de dood gedood, de hel verwonnen, de verlossing volbracht.
57
Daar staat het dorre kruis, waaruit genezende krachten in de kranke menschheid stroomen, en dat kruis wordt de boom des levens, waarvan de rijpe vruchten ons in den schoot vallen. Dat kruis wordt de banier des heils, waarom de natiën zich zullen scharen, als de vijand aan zal komen als een stroom.
Gezegend kruis! gezegend graf!
Gezegend liever Hij,
Die zich gewillig overgaf.
Aan kruis en graf voor mij.
Zoo mogen we wel juichen met den Christen Pe'.grim, die zich de zondenlast voelde afgenomen, toen hij het kruis had aanschouwd.
Dat is onze tweede gedachte.
Het kruis aanschouwd, het kruis met het opschrift. Het kruis met den gekruisigden Heer. Het is aanschouwd met helsch vermaak, met gloeiende ergernis; het is aanschouwd met bitse spot, het is aanschouwd met onuitsprekelijke smart, het is aanschouwd met de teederste deernis, het is aanschouwd met onuitsprekelijke dankbaarheid. âZij schouwen het aan en zien op mij,quot; dat woord is eene roerende klacht van den lijdenden Messias in den 223ten Psalm, en tot die klacht was waarlijk wel reden. Als in vroeger tijden een schavot verrees, waarop eene doodstraf moest plaats hebben, dan sloot men in de omgeving daarvan de blinden. En als het oogenblik daar was, dat de ziel van den misdadiger van het lichaam werd gescheiden, dan steeg er eene diepe zucht op uit het gemoed der menigte, die het schavot omringde, en menigeen zonk, door gevoel overweldigd, in elkander. Met alzoo bij het kruis van Christus. Door eene vergadering van boosdoeners is Hij omringd. Spotters, dobbelaars, beulen, moordenaars, heidensche soldaten, en deze
58
allen hebben in den kruisdood van Christus een helsch vermaak. De voorbijgangers schudden hunne hoofden en leggen hunnen haat aan den dag door lastering en spot. Niet alleen het ruwe volk en de soldaten, die van Christus' koningschap hebben vernomen, maar ook de beschaafden uit het volk hebben vermaak in zijn leed. Ipdien we echter nauwkeurig letten op hunne spottaal, wat worden dan hunne spotternijen eerbewijzen voor Jezus Christus. Of is dat niet het schoonste, wat men van een mensch bij zijn sterven kan zeggen: âAnderen heeft Hij verlost, op öod heeft Hij vertrouwd.quot; En waar Hij zich zeiven niet kan verlossen, is de oorzaak daarvan alleen deze: Als Jezus het kruis had prijsgegeven, was Satan niet overwonnen en de wereld was voor eeuwig verloren. Maar het kruis werd niet alleen met helsch vermaak aanschouwd, er waren anderen, die het aanschouwden met gloeiende ergernis, want Pilatus had een opschrift boven het kruis gesteld. Een opschrift in alle talen, die toenmaals in het Heilige land werden gesproken. Het Hebreeuwsch, de teal der godsdienst, het Latijn, de taal der wetenschap, het örieksch, de taal der wereld. Zoo moesten dan alle volken het weten, en dezen stervenden man huldigen als den Koning der Joden. Men zoa meenen, dat deze felle bespotting den Joden aangenaam was, en zie het is hun eene ergenis; en die ergernis is voor Pilatus eene aangename bevrediging voor de verbittering, die zij hem hadden aangedaan. âWat ik geschreven heb dat heb ik geschreven,quot; zegt hij, en wij danken God dat Pilatus dit geschreven heeft, want waarlijk, Jezus de Nazarener is een Koning.
De Koning der Joden, naar het recht van geboorte; de Koning der menschheid, naar het recht der schepping; de Koning van ons hart, naar het recht der genade aan ons
59
ten koste gelegd. Ãn godsdienst, ên wetenschap, èn wereld zijn van nu aan verbonden aan het kruis. Dat kruis is aanschouwd met bitse spotternij door één der moordenaars. Aan dien ellendigste der menschen wijden wij geen woord dan het woord âafgrijzenquot;, In dien moordenaar zien wij, hoe diep een mensch kan zinken, en waartoe de zonde een mensch kan brengen; hij is de laatste niet geweest die spottend de eeuwigheid is ingegaan. Maar waarover we gaarne spreken, het is over de moeder van onzen Heer. Kent gij aandoenlijker gedachte dan deze: âMaria bij het kruis ?quot; Dat is zoo iets lieflijks, dat is zoo iets groots, dat is zoo verheven, dat we met onze Roomsch Katholieke medechristenen zouden willen mede zingen:
Bij het kruis stond Jezus moeder.
Die beste van alle moeders, die ooit op aarde hebben geleefd, hoe toont zij zich moeder tot het laatste oogen-blik toe, hoewel het de geloofsstrijd voor haar leven geweest is, in haren zoon haren Heiland en Zaligmaker te zien. Maria bij het kruis! ja, maar Godlof niet bij de kruisiging. Haar staan bij het kruis doet een lichtstraal op het vloekhout vallen. Haar staan bij het kruis doet ons haar meer dan ooit liefhebben. Haar staan bij het kruis heeft recht op onze hoogste bewondering. Waarlijk het moederhart heeft krachten, waar een ander de kracht ontzinkt. Wat moet er door Maria's ziel gegaan zijn bij de aanschouwing van Hem, Dien zij onder het hart heeft gedragen, aan hare borsten gevoed, Dien zij lief had met eene geheel eenige liefde, zooals niemand Hem liefhebben kon. Maar ook wat moet er door de ziel van Christus gegaan zijn, toen Zijne moeder daar bij het kruis stond. Dat heeft den Heiland voorzeker getroost, maar dat heeft ook Zijne smart verzwaard. Haar zoon aan het kruis te zien zou
60
voor iedere moeder reeds vreeselijk zijn, maar Jezus aan het kruis te zien, en aan dat kruis Jezus in het liefdevol oog te staren, dat is voor de moeder der smarten het zwaard door de ziel geweest. Het is terecht door een wijs man gezegd: De Maria-weelde bij de kribbe kon alleen door de Maria-smart bij het kruis worden gekocht. De teedere liefde van Christus spaart Maria bij het kruis de moedernaam, en toch wordt de moedernaam gehoord als Hij haar in Johannes, den man met het vrouwenhart, een zoon en verzorger aanwijst en schenkt. Maar er staan drie Maria's bij het kruis, en waar de moeder het kruis met smart aanschouwt, daar is bij de vrouw van Clopas, en niet minder bij Maria Magdalena, de smart met de diepste deernis vermengd. Eene moeder bij het kruis, eene bloedverwant bij het kruis en Magdalena bij het kruis _ Wat daarin ligt laat zich beter gevoelen dan bespreken; maar het tafereel is den voortreffelijksten dichter, den uitnemendsten schilder, den beroemdsten kanselredenaar waardig. En wij vragen, maar kunnen er zelf geen voldoend antwoord op geven: Wat moet er in het hart van die vrouwen, wat in het hart van Magdalena zijn omgegaan, als ze Hem aan het kruis aanschouwt. Die van zoo onuitsprekelijke ellende haar heeft verlost, Dien zij heeft mogen volgen met liefde en dienen uit hare goederen met de innigste dankbaarheid.
O, wij begrijpen dat men Magdalena aan het kruis heeft voorgesteld, met loshangende haren het kruis omklemmende, want Hij hing aan het kruis, Die haar dierbaarder was dan het leven. Zoo is dan het kruis aanschouwd met helsch vermaak, met gloeiende ergernis, met bitteren spot, met onuitsprekelijke smart, met de teederste deernis. Maar het kruis is ook aanschouwd met onuitsprekelijke dankbaarheid. En we denken hierbij aan den bid-
61
denden moordenaar. Hij heeft Jezus lijden gezien, hij heeft Jezus' gebed voor Zijne beulen gehoord, hij heeft Jezus' liefde voor Zijne moeder aanschouwd, eene liefde die elke klacht over eigen lijden verre hield, en zich zei ven aldus verloochende in de ure des doods, om Maria's lijden niet te vermeerderen. De moordenaar heeft bij het gezicht en de belijdenis van eigen schuld, in Jezus den Christus gevonden, en ter elfder ure komt hij ja, maar nog niet te laat, met de bede; âHeere gedenk mijner als ge in uw Koninkrijk zult gekomen zijn.quot; Dat gebed wordt verhoord, de zondaar niet uitgeworpen. Geen woord van verwijt treft zijn oor, maar het woord van Hem die tot in 'den dood het zegenen niet moede wordt: âHeden zult gij met mij in het Paradijs zijn.quot; En de man, die zoo heeft gebeden, hooren we met geen enkel woord danken, om de eenvoudige reden, dat de dank voor deze gebedsverhooring, voor deze' zaligheid, voor deze aanstaande heerlijkheid te groot is om in woorden gebracht en uitgesproken te kunnen worden.
En gij, die het weet uit hoe grooten nood en dood gij verlost zijt; gij die na de hellevaart der zelfkennis tot de hemelvaart der Godskennis zijt gekomen; zeg mij, kunt gij u niet in de plaats van dezen verlosten zondaar denken? O, als zonden ontelbaar als het zand der zee, en rood als scharlaken, vergeven werden om niet, als de Heer tot uwe ziel zeide, terwijl gij met een hart door rouwe verscheurd, u neerboogt bij Zijn kruis: âIk, Ik ben het, die uwe zonden uitdelg en ik gedenk uwe overtredingen niet meer. Ik delg uwe zonden uit als eene nevel en uwe overtredingen als eene wolk. Keert weder tot mij, want Ik heb u verlostquot;, hebt gij toen terstond kunnen juichen, of ging het u als David, die zeide: âIk ben verstomd, ik zal mijnen mond niet open doen, want Gij hebt het ge-
62
daan? Ging het u niet als Petras, die overladen met 'sHeeren gunstbewijzen uitriep: âHeere ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch?quot; O, er is een zwijgen van aanbiddende verwondering, een zwijgen van onuitsprekelijke dankbaarheid, dat door den Heer zeer wel wordt verstaan. En als ge dan eindelijk woorden vindt om uit te spreken, wat in uwe ziel omgaat, dan zegt gij met eenen vromen dichter;
Mij is erbarming wedervaren.
Door mij verbeurd, in schuld verneerd.
Mijn 'sHeilands gunst deed mij 't ervaren,
Hoewel mijn hart 't niet had begeerd.
Nu weet ik dit en ben verblijd En roem in Gods barmhartigheid.
'k Verdiende niets dan vloek en toorn,
Toch wil mij God genadig zijn;
Met God verzoend, en weêrgeboren.
Maakt Hij door 't bloed Zijns Zoons mij rein.
Vanwaar mij dit? Hoe is 't geschied? *
Erbarming is 't en anders niet.
En nu gij, die nog niet weet gered te zijn, hoewel Christus ook u met God verzoende, God moge het verhoeden, dat ge ooit met het kruis zoudï spotten; God moge het verhoeden, dat ge u ooit aan het kruis zoudt ergeren. Christus vraagt uwe deernis niet voor een lijden, dat dienstbaar moest zijn voor uwe eeuwige vreugde. Maar wat Hem aangenaam is en tot uw heil, het is dit: dat ge met diepe smart over een verloren leven de toevlucht neemt tot Zijn kruis. Dan zal uit de edelste smart eene vreugde geboren worden, die alle smart, ook die des doods overwint Het is ook voor u mogelijk dat gij tot eene blijdschap en eene dankbaarheid komt, die zóó groot is, dat gij er geene woorden voor kunt vinden, om uwe dankbare blijdschap en blijde dankbaarheid uit te spreken. Wat is daartoe het middel? Dit eene: Ziet en leeft! Ziende
63
op Jezus, den oversten leidsman en voleinder des geloofs, Die het kruis heeft verdragen en de schande veracht, ook voor u.
Toen Israël in de woestijn door slangen werd gebeten, heeft Mozes den koperen slang opgericht en gezegd: Ziet en gij zult leven! Bij zijne omwandeling op aarde heeft de Heiland gezegd: âGelijk Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, alzoo moet de Zoon des menschen verhoogd worden, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.quot; Ziet, dat is geschied. De Zoon des menschen is verhoogd, en die verhooging aan het kruis is geschied, opdat gij op het kruis zoudt zien en leven. Dat is de eenvoudige weg om zalig te worden; de geloofsblik op het kruis. Er is geen zondaar te groot voor Jezus! welk een troost! Daarom mijne vrienden:
Schoon onwaardig gansch bevlekt.
Ziet en leeft! Ziet en leeft!
Ziet Hem die uw schuld bedekt.
Ziet en leeft!
Dan is het kruis niet tevergeefe voor u geplant, niet tevergeefs door u aanschouwd; en met de groote schare zult ook gij eenmaal juichen :
Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de lof, de aanbidding, de wijsheid, de kracht en de dankzegging tot in eeuwigheid.
Amen.
Het kruis en de Engelenwereld.
Efeze 3; 8â11.
Toen de aarde op hare grondvesten nederzonk, zongen de morgensterren allen tesamen vroolijk, en al de kinderen
64
Gods juichten. Die kinderen. Gods -waren de heilige Engelen die God geschapen had, om bij al Zijne volgende werken Zijne lofredenaars te zijn; want God doet alle dingen om Zijns naams wil. Beide, in Oud- en Nieuw Testament, wordt ons geleerd dat de Almachtige God niet alleen eene zichtbare wereld, met den mensch als de kroon en samenvatting der wereld geschapen heeft, maar ook eene onzichtbare wereld, met duizend maal duizend hemel-sche wezens, die in de onmiddelijke omgeving en zalige aanschouwing Gods leven, als reine, zondelooze geesten, die zich voortdurend bevlijtigen om Gods bevelen te volbrengen. Van deze hemelsche geesten weten wij, zeker tot onze geestelijke schade, nog maar zeer weinig. De Heilige Schrift noemt ons er verschillende orden of klassen van op, zooals Engelen en Aartsengelen, Serafiems en Cherubiems, Troonen, Heerschappijen, Machten en Overheden, en eene enkele maal worden hunne namen genoemd, zooals Michael, Raphael en Gabriel; maar de algemeene naam, die alle geschapen hemelsche geesten omvat, is de naam âEngel.quot;
Er zijn vele menschen die wel van Engelen willen hooren in gedichten en sagen, maar die er niets van willen weten in de werkelijkheid. Men moet ook zeggen, dat de twee schoone kunsten, die zoo veel hebben bijgedragen tot de verheerlijking van ons geloof, de dichtkunst en de schilderkunst, ons eene slechte dienst gedaan hebben met betrekking op de Engelen wereld. Men heeft namelijk de Engelen voorgesteld met vleugelen. Denk slechts aan de schoone voorstellingen in Klopstocks Messias, het verraad van Judas aan Jezus in Gethsemané gepleegd, waar de Engel en de duivel met vleugelen worden voorgesteld. Een groot natuurkundige zeide eenmaal spottend: Engelen kunnen er onmogelijk zijn, want bij een menschelijk
G5
organisme behooren geen vleugelen. Maar die vleugelen behooren thuis op het gebied der poëzie en der schilder-kunst, niet op het gebied der werkelijkheid. Waar ook in de Heilige Schrift Engelen aan menschen zijn verschenen, niet in gezichten, maar in werkelijkheid, daar is wel van eene menschengestalte sprake als grondflguur van der Engelenwezen, maar nooit van vleugelen.
Hoewel we nu niet voor twijfelaars prediken, willen we toch wel aan de twijfelaars zeggen, dat in ernst geen verstandige wetenschap of wijsgeerig onderzoek er iets tegen kan hebben, dat. het heelal ook nog wezens tus-schen God en den mensch bevat. Wij die gelooven, nemen alles wat de Schrift zegt voor waar aan, ook al gaat het ons begrip te' boven, wij nemen het aan op het getuigenis des Heiligen Geestes. Maar wij moeten toch ook zeggen: dat het geheel afgezien van de Bijbelsche openbaringen, toch een denkbeeld is dat zichzelven aanbeveelt, dat c. Engelen zijn, die op hunne wijze werkzaam zijn tot Gods eer en ons geluk. Zonder het geloof in het bestaan der Engelenwereld moeten wij aannemen dat er toch eene groote klove, en volstrekt geen overgang tusschen Gods wezen en het wezen der menschen zou gevonden worden; terwijl toch in de gansche schepping eene voortdurende opklimming van het onvolkomene tot het volkomene kan worden opgemerkt.
Maar ik wend mij nu vooral tot u, die op het standpunt des geloofs staat, en die dus wilt aannemen, dat het lied der gemeente op aarde samensmelt, met het lied der Engelen en Aartsengelen in den hemel. Indien ik niet ook nog van u moet vreezen, dat eene prediking over de Engelen met vooroordeel zal worden ontvangen.
Het gaat bij ons Protestanten, met de leer der Engelen, als met de beschouwing van Maria, de moeder des Heeren.
5
66
Omdat de Roomsche Kerk Maria vergood heeft, willen de Protestanten er niet van hooren, tenzij men zonden en gebreken in Maria aanwijzen kan. En omdat de Roomsche Kerk den Aartsengel Michael tot haren schutsengel heeft aangenomen, en hem een eigen feest, het Michaëlfeest heeft toegewijd, maakt zich nu de geloovige Protestant aan een ander uiterste schuldig, door het geloof aan de Engelen te laten voor hetgeen het is, en door de Engelen ter nauwernood in de prediking te durven noemen.
In elk geval zijn er weinigen, die in de volle zekerheid van het Bijbelsch geloof aan de Engelen leven, en nog minder zijn er die zich met vreugd met hun verstand, daarin verdiepen. Maar in plaats dat dit alles mij zou terughouden, moet het mij juist eene opwekking zijn om in dezen heiligen lijdenstijd u ook te spreken over het kruis en de Engelen wereld. quot;Want, hoewel de Engelen het kruis niet noodig hadden tot hunne redding en zaligheid, zoo is het kruis hun toch noodig tot uitbreiding hunner kennis en tot vermeerdering hunner vreugde en blijdschap. Hadden zij reden om vroolijk te zingen in den morgenstond der wereld, zooveel te meer reden hebben zij gekregen om te juichen nu het kruis ook door hen is aanschouwd. En waarlijk, het was niet te verwonderen dat deze hemelbewoners juichten bij de schepping dezer wereld en hun groot Hallel weerklonk den Schepper ter eer. De schepping toch was de eerste Godsopenbaring voor de aarde, die daar voor hun oog lag, woest en ledig, terwijl de duisternis als eene groote lijkwade op den bajert ruste.
En waar dat âwoest en ledig en duisternis was op den afgrond,quot; aan een rijk, eene macht, een vorst der duisternis doet denken, waardoor de aarde wellicht in den toestand gekomen was zooals de Engelen haar aanschouwden, en gelijk de grondtekst aangeeft âverwoestquot; is.
67
daar is de schepping een strijd van het rijk des lichts, dat tot zes malen toe het rijk der duisternis doet wijken, en de wapenen waarmede deze strijd gevoerd wordt, zijn het Eeuwige Woord en de Heilige Geest. Zoo wordt de aarde nu het teeken der behaalde overwinning, evenals later het in de aarde geplante kruis, teeken der overwinning over het rijk der duisternis worden zal, als de strijd ten zevenden male glorierijk zal ten einde gebracht zijn. De aarde is voor der Engelen oog uit de duisternis geroepen en overgebracht tot Gods wonderbaar licht, om nu de deugden Gods te verkondigen, in het kabbelen der beken, het ruischen der golven, het loeien der stormen, het klateren des donders, het ritselen der bladeren, het lied der vogelen, de stemmen der dieren, het hallel der sfeeren, den lofzang der menschen, en het eeuwig Halleluja der verloste gemeente, waarin Gods doel volkomen bereikt wordt; de eeuwige verheerlijking van Zijnen nooit volprezen naam. Het middel tot bereiking van dit doel is de menschwording van Christus, bij Wiens geboorte de vredezang der Engelen in Bethlehems velden weerklonk. Toen de schepping volbracht was, kwam de mensch als heer in het hem toebereide huis. Hij was het sluitpunt, de kroon en samenvatting, de koning der schepping. Hij, Gods stedehouder op aarde, hij, het oog, het oor, de mond van het heelal, hij, Gods afdruk in het stof, Gods beelddrager op aarde, schakel tusschen den Schepper en de schepping, schakel ook tusschen stof en geestenrijk, geroepen tot de schoone taak, alle schepselen tot het groote doel te leiden: God de glorie te bereiden van Zijnen Naam. Zoo is de mensch met welgevallen door de Engelen aanschouwd. Zij zagen den Heere God wandelen in den Hof van Eden; zij bemerkten hoe de mensch zijn Schepper kende, zelfs aan den wind des daags. En wat
68
moet het nu voor de Engelen geweest zijn dien mensch te zien vallen? De nu zalige dichter J. J. L. Ten Kate heeft ons der Engelen droefheid vertolkt in deze woorden
De mensch overtreder! de Koning gevallen!
De slang in zijn hof, en de dood in zijn hart.
Toen haperde ons hallel, toen rouwden wij allen,
De hemel, voor 't éérst, kende een zweemsel van smart. âWie redt hem?quot; vroeg God. Maar de moed was gebroken;
En âwie?quot; klonk het klagend de oneindigheid door. Maar plotseling, daar donderde een jubelend koor,
quot;Want âIk!quot; had de liefde gesproken.
De poëzie spreekt ons van eenen machtigen Engel, Lucifer genaamd, in het Oude Verbond heet hij Apollion âverderver,quot; en in het Nieuwe Testament wordt hij Beëlzebub, de overste der duivelen genoemd. Toen die troongeest viel, en in zijne vaart legioenen Engelen medesleepte, heeft liefde voor God de Engelen met heilige verontwaardiging kunnen vervullen en hun Gods rechtvaardigheid in Zijne straffen over het misdrijf dier wezens, voor wie de hel bereid werd, volkomen doen billijken.
Maar als Satan het pronkstuk van Gods schepping ten val brengt en verderft, vervuld medelijdende liefde hun gansche wezen, en het verwondert ons niet, want de medelijdende liefde vervulde ook het harte Gods, en bewoog Hem tot de belofte van eenen Verlosser, en tot de zending Zijns Zoons. De medelijdende liefde is dan ook door alle tijden het beginsel der Christelijke zending gebleven. Die beloofde Verlosser daalde zelf reeds in de dagen van ouds telkenmale neder op de aarde, om zich aan de menschheid te openbaren, als de Engel des Heeren, de Engel des verbonds, de Engel waarin Gods naam is. Hij daalde neder tot de menschen, want Zijne vermakingen zijn in de menschenkinderen, die Hij heeft geformeerd, en in wie Hij nog altijd Zijne schepselen blijft
69
achten, die Hij eenmaal voor eeuwig verlossen zal. Dat nederdalen is door de Engelen met hooge ingenomenheid aanschouwd, en sommigen hebben den Zone Gods vergezeld. En dat niet alleen, maar zij hebben de kinderkens, die zij met verwondering zagen geboren worden, trouw behoed. Zij zijn voor menigen vrome een vurigen muur rondom geweest; zij hebben zich gelegerd om de god-vreezenden en hebben uit gevaren hen uitgerukt, evenals zij de goddeloozen hebben gekastijd. En toen de volheid des tijds daar was, werd Gabriël gezonden tot Zacharias, later tot Maria; en bij de geboorte van der Engelen Heer en Koning, komt een anderen troongeest het Evangelie prediken op aarde, en eene menigte der hemelsche heir-legers jubelen boven de velden van Bethlehem, het âEere zij God in den hooge, vrede op aarde, in de menschen een welbehagen.quot; Het is van Christus' geboorte af aan duidelijk bewaarheid, wat de Heiland later heeft gezegd: âVan nu aan zult gij de hemelen zien geopend en de Engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen.quot; Voorzeker de duivel toont bekend te zijn met den 92stel, Psalm als hij in de woestijn bij de verzoeking zegt: âEr staat geschreven, dat God Zijne Engelen zal bevelen ü op de handen te dragen, opdat Gij uwen voet aan genen steen stoot.quot; Die verzoeking, in de woestijn Quarantania bij Jericho, geeft ons eenen belangrijken blik te slaan in de geestenwereld. Schleier-macher heeft die verzoeking een parabel genoemd. Meijer noemt dezelve een droom, Paulus een gezicht, Olshausen spreekt van een lijden van den geest, ühlmann noemt de verzoeking een werkzaamheid van den geest, maar de verzoeking is wel degelijk eene gebeurtenis. En wel eene gebeurtenis volgens Gods raad, onder Gods bestuur, tot Gods eer, naar Gods Woord en tot ons heil. Adam was
70
in het Paradijs omgeven door overvloed, en er was vrede op aarde, ook onder de dieren des velds. Christus is in de woestijn met bergen en spelonken, eene rechte woonstede der duivelen. Hij heeft geen overvloed maar gebrek, en is bij de wilde dieren des velds; Adam en Christus staan beide in den staat der rechtheid, beide worden voor de verzoeking gesteld, en met Adam valt de gansche menschheid, terwijl Christus overwint en eene nieuwe menschheid uit Hem geboren wordt. Adam wordt uit het Paradijs verdreven, en Engelen versperren hem den weg naar den boom des levens; Christus komt tot de bevestiging van Zijn geloof: Ik ben Gods Zoon en ziet Zich door de Engelen gediend. Christus, de Zoon van God, is geopenbaard, om de werken des duivels te verbreken. Als held Gods valt Hij in de woestijn eerst het hoofdleger aan, en later de verspreide benden des boo-zen. Eerst den duivel persoonlijk, dan zijne werken; daarna worden de Engelen des Satans uitgeworpen uit degenen die bezeten zijn.
Christus strijdt en overwint, door zich te laten verzoeken en Satan moet vluchten. Bij de verzoeking gebruikt Christus het zwaard des Geestes: Gods woord; bij de strijd en aanvechting in Gethsemané het kort en kinderlijk, herhaald en eenswillend gebed. Bij Zijn lijden in Gabbatha en op Golgotha stelt Christus tegen het laatste wapen des duivels de spotternij. Zijn welsprekend, biddend stilzwijgen. En bij de ontsluiering van de zonde der menschen, en der hefde Gods aan het kruis, juicht de Engelen wereld:
Hij kwam op aard de lang beloofde,
Gods sterke held, den mensch gelijk,
Heroovrend wat de zonde roofde.
Hernieuwend Gods geschonden rijk!
71
Wij, juichend bij de krib verschenen, Wij zweefden om den kruispaal henen,
Die 't Godlijk huisgezin hereent.
En konden zaalge geesten weenen.
De hemel had van vreugd geweend.
Is de bekeering des zondaars eene oorzaak van blijdschap voor de Engelen des hemels? dan is hunne blijdschap op bijzondere wijze verhoogd door het kruis, dat de grond en oorzaak van alle bekeeringen worden moest. Maar ook reeds terwijl de Heer aan het kruis hangt, komt daar een zondaar, en wel een der moordenaars, tot bekeering. Wat wonder van genade is aan dien man verheerlijkt en betoond. En daar bij het kruis staat een hoofdman over honderd, een Romeinsch Centurio, die tot de belijdenis komt: âWaarlijk, deze mensch was rechtvaardig, deze mensch is Grods Zoon!quot;
Nog vijftig dagen, en drieduizend zielen worden gewonnen voor het kruis; nog enkele dagen en een groot getal der priesteren wordt den geloove gehoorzaam. Enkele jaren later en de wolf uit Benjamin wordt een lam; en eer een menschenleeftijd ten einde is, ziet men het Evangelie gebracht tot bijna alle volken der oude wereld. Wat is het middel tot zoo groote verandering? het kruis, zoo afschuwwekkend eerst, zoo gezegend nu. Is het wonder dat de Engelen begeerig zijn om in te zien in zoo wonderbare verlossing? Engelen weten persoonlijk niet wat het zegt, verloren te zijn geweest en gered te zijn geworden. Maar zij hebben menschen gezien naar Gods beeld geschapen, door God met liefde bejegend, met vele zegeningen gekroond, met goedertierenheid en trouw omringd, en die menschen zagen zij zondigen op de verschrikkelijkste wijze; zondigen tegen den God, Die hun weldeed; tegen den God, voor Wien de Engelen het
72
aangezicht bedekken. Maar de Engelen zagen ook, hoe daar geredde zondaren het Evangelie aan hunne medezondaren verkondigden, en hoe die prediking werd gezegend en de harten trof. Zij zagen de verloren zonen tot hunnen Vader weder komen, en telkenmale klonk daar een Engelenboodsehap langs de reien der gezaligden in den hemel: Ziet, hij bidt, ziet, hij bidt. En zij wisten dat God nu ook zou verhooren. Zij hebben Paalus, als ware hij zelf een Engel, met het Evangelie in de hand zien heengaan tot de heidenen, opdat menschen, die eerst tot de stomme afgoden getrokken werden, mede-erfgenamen zouden worden van de beloften Gods. Hoor dien Paulus in dankbare waardeering van het hem door God verleende voorrecht getuigen: âVan het Evangelie ben ik een dienaar geworden, naar de gave der genade Gods, die mij gegeven is, naar de werking Zijner kracht. Mij, den allerminsten van alle heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen, den onnaspeurlijken rijkdom van Christus; en allen te verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen geweest is in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus; opdat nu, door de gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel, de veelvuldige wijsheid Gods.quot;
Zoudt gij, mijne vrienden, het ooit hebben kunnen ge-looven dat de menschen, die hier op aarde als arme zondaren tot Jezus kwamen, om uit genade te worden gered uit den groote nood, waarin zij verzonken waren, dat zij in den hemel der heerlijkheid zullen optreden, om de machten en de overheden der hemelsche maatschappij te onderwijzen in de veelvuldige wijsheid Gods? Wat hartverheffende gedachte! Wij zullen veel van de
73
Engelen en Aarts-Engelen, van de Serafiems en Cheru-biems te leeren hebben, hoe wij God in den hemel kunnen dienen tot heil onzer broederen, en tot eere Gods; maar de heilige Engelen zullen toch ook mogen, en zeer gaarne willen, en ook kunnen leeren van de gemeente Gods. Het meest waren zij begeerig in te zien in het plan en het werk der verlossing; welnu, het kruis heeft voor de menschheid de wijsheid Gods ontsluierd, en in die wijsheid gaat nu de gemeente de Engelen wereld onderwijzen. Nu begrijpen we Luther als hij zegt: âOnze lieve Heere God kan in den hemel ook wijze menschen gebruiken.quot; Met vreugde staren we nu de edele mannen na, die in Christus ontslapen zijn, in de overtuiging, dat zij niet alleen zalig zijn, maar dat zij, wat God hen op aarde heeft geschonken, ook in den hemel dienstbaar maken aan der Engelen geluk, zooals zij hier het heil zochten der menschen. Tot die hooge eer, onderwijzer van troongeesten te zijn, zou geen schepsel zijn gekomen, als het kruis niet door Christus was aanvaard en gedragen; als het kruis niet was geplant en in aanbiddende verwondering was aanschouwd geworden. Wat wij van de Engelen in den hemel zullen te leeren hebben, daar kunnen we op aarde reeds mede aanvangen, en daarom wensch ik u en mijzelven als vrucht van dezen heiligen lijdenstijd toe, wat eenmaal de oude Predikant Valerius Herberger zijne gemeente heeft toegewenscht: Een Engelenhart om God en den Heere Jezus recht lief te hebben, een Engelenmond om God en den Heere Jezus te loven en te prijzen; eene Engelen-gewilligheid om God en de menschen te dienen, en eindelijk de Engelenzaligheid, in de zalen van het groote Vaderhuis; waar wij voor God zullen leven. God zullen liefhebben. God zullen loven, door de liefde van Christus gedrongen en
74
door den Heiligen Geest bekwaam gemaakt. Vergeten we het niet, vergeten we het nooit: de sleutel om het Vaderhuis te openen is het kruis van Golgotha, het kruis van Christus. Wie dat kruis niet kent, blijft voor eeuwig buiten, en dat verhoede Gods genade, om Christus wil.
Amen.
Het kruis en de menschheid.
1 Cobinthe 1:17â24.
Er loopt door het gansche Oude Verbond een gouden draad, dien wij in het oog moeten houden en volgen. Het is de gouden draad der beloften aangaande den Messias. Wij moeten daar echter goed op letten, omdat het somtijds twee draden schijnen te zijn. Somtijds wordt de Messias afgebeeld, voorspeld of bezongen, als de üjdende knecht des Heeren, maar soms ook wordt Hij voorgesteld als Vorst en gebieder der volken, van wien het geldt in Psalm 72:
Van zee tot zee zal Hij regeeren.
Zoo ver men volken kent.
Men zal Hem van d'Euphraat vereeren,
Tot aan des aardrijks end.
Het volk Israël, alleen lettende en wachtende op een Messias in heerlijkheid, zeide: âJezus Christus is niet en kan ook niet de Messias zijn.quot; Door dat vooroordeel verblind heeft het zijn Koning verworpen, maar met het woord uit te spreken: âWij hebben geen Koning dan den Keizer!quot; heeft het zichzelven onteerd, onthoofd, ontzield. Waar Israël zijn Koning gaat kruisigen, kruisig het zichzelven. Nog 40 jaren en Jeruzalem zal met een bosch van kruisen omringd zijn; 100,000 kruisen en aan
75
elk kruis een Jood. Israël is als natie gestorven. Van het hoofd der volken is het de staart der natiën geworden; dat is de treurige vrucht van het ergernis nemen aan het kruis van Christus. Toen Frederik de Groote eenmaal tot zijnen vromen Generaal von Ziethe zeide: âMijn waarde Generaal geef mij een kort, afdoend bewijs voor de waarheid van den Bijbel,quot; stond de Generaal op en zeide; âSire, zie daar een Jood.quot; Zoo is het, Israël is het levend bewijs voor de waarheid van Gods woord. Geen plek op aarde of gij vindt er den Jood. Israël is een volk, maar verdeeld en verspreid onder de volken; het is een recht doodsbeenderenveld geworden. Maar het geldt van Israël, wat Da Costa van den Leeuw van Juda heeft gezongen :
Hij viel neer, en Hij slaapt, en Zijn glorie heeft uit; Maar Hij zal, ja Hij zal weer ontwaken
Op den daavrenden klank van 't bazuinen geluid. Dat den kerker der dooden zal slaken.
Israël zal in het laatste der dagen weenende komen tot den Heer en Zijne goedheid, en het woord zal worden vervuld: Er zal een volk geboren worden op een eenigen dag. Gansch Israël zal uit de verstrooiing weder komen, en worden vereenigd, door te komen tot het kruis. Maar waar Israël tot nu toe, als de oudste zoon, met ergenis blijft buiten staan, daar is de heidenwereld, als de verloren zoon, tot den Vader gekomen. quot;Waar Israël met de schuld der Messiasverwerping, de poorten van het aardsche Jeruzalem is uitgedreven, daar zijn de heidenen door de poorten van het hemelsch Jeruzalem binnen gegaan.
Het Evangelie is door het Pinksterwonder en door de Apostolische werkzaamheid snel verbreid onder de volken, en het Christendom was aan het einde der eerste eeuw bekend door het geheele Romeinsche rijk. Het kruis trad
70
op met den eisch: symbool van den wereldgodsdienst te zijn en dat was Rome te veel. Rome nam alle godsdiensten in zich op, en de god van ieder overwonnen volk werd in het pantheon geplaatst en door den Keizer vereerd. Maar het kruis was voor Rome niet te dulden. De vijandschap tegen het kruis ontstak en openbaarde zich in een tiental schrikbarende vervolgingen. Toch baatten noch mishandelingen, noch wilde dieren, om het Christendom te verdelgen. De martelaren gingen juichend den hemel in en hun bloed werd het zaad van Gods kerk. Zoo is het gegaan met de gemeente, tot Keizer Constantijn de Groote tot bekeering kwam, door het zien van een kruis aan den hemel met het onderschrift: âIn hoe signo vincesquot;, in dit teeken zult gij overwinnen. Van dien tijd af aan maakte de gruwel der verwoesting, de Romeinsche Adelaar, plaats voor de banier des kruises. De godsdienst van den verachten Nazarener, de eeredienst van het kruis, werd de godsdienst van Staat, en des Keizers moeder Helena bouwde kerken voor de Christenheid. Die tijd was gevaarlijker voor de gemeente dan de martelaars-tijd, want waar de gemeente eertijds in het midden van de wereld was als eene brandende kaars, met het omschrift; âLux lucet in tenebrisquot;, het licht schijnt in de duisternis, daar kwam de wereld nu in de kerk, endoor de wereldsgezindheid werd een waas geworpen over de frissche vroomheid der eerste Christenen. Wel bleef God getrouw, en moest zelfs de laatste vervolger het opgeven, zoodat Juliaan de Afvallige in zijn sterven uitriep, terwijl hij zijn bloed naar den hemel wierp; âGalileër gij hebt overwonnen!quot; Maar dit alles nam niet weg dat de kerk van Christus langzamerhand in een poppenspel werd veranderd. De slapende Christenheid werd wakker geschud, toen in de achtste eeuw Mohammed opstond met zijne
77
valsche leer, en als een geesel Gods, is hij ter kastijding over de Christenen gekomen.
Het kruis werd uit Jeruzalem gebannen en de halve maan kwam er voor in de plaats, totdat de tijd aanbrak dat Peter van Amiens met zijn: âGod wil het!quot; door Europa toog, en de tijd der kruistochten was aangebroken. Onvergetelijk voor alle tijden zijn de daden van Godfried van Bouillon, die het heilige graf heeft herwonnen. Tot nut en zegen voor de beschaving zijn de kruistochten geweest, maar de relequienhandel werd eene nieuwe vloek voor de kerk, die ten zegen had moeten wezen. Men dreef handel met stukjes van het kruis, haar en moedermelk van Maria, tanden van Petrus, doodshoofden van Johannes, doornenkroonen van Christus, ja zelfs met den mantel van Christus, zoodat in lateren tijd twee kerken het bezit er van elkander betwisten. Wel mogen de middeleeuwen donker heeten, en die duisternis werd alleen verlicht door eenige sterren.
De broeders des gemeenen levens waren in ons vaderland tot eenen rijken zegen, en âde Navolging van Christusquot;, van Thomas a Kempis, is een boek dat de gemeente ook in dezen tijd nog hoog waardeeren mag. Een lieve Broeder zeide eenmaal: Aan drie boeken heb ik genoeg. Mijn Bijbel, de kleine Cathechismus van Luther en de Navolging van Thomas a Kempis. De naam van Dr. Maarten Luther is bekend in den hemel, op aarde en in de hel. Het is de naam van den man, van wien God zich bediende, om het licht van het kruis weder helder te doen schijnen, zóó dat allen die geloofden weder achter het kruis van Golgotha, den zaligen hemel zich ontsloten zagen. De kerken der Hervorming hadden reden om te juichen: âde duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu!quot; Maar niet straffeloos liet Leo X zich tergen, de pen
76
op met den eisch: symbool van den wereldgodsdienst te zijn en dat was Rome te veel. Rome nam alle godsdiensten in zich op, en de god van ieder overwonnen volk werd in het pantheon geplaatst en door den Keizer vereerd. Maar het kruis was voor Rome niet te dulden. De vijandschap tegen het kruis ontstak en openbaarde zich in een tiental schrikbarende vervolgingen. Toch baatten noch mishandelingen, noch wilde dieren, om het Christendom te verdelgen. De martelaren gingen juichend den hemel in en hun bloed werd het zaad van Gods kerk. Zoo is het gegaan met de gemeente, tot Keizer Constantijn de Groote tot bekeering kwam, door het zien van een kruis aan den hemel met het onderschrift: âIn hoe signo vincesquot;, in dit teeken zult gij overwinnen. Van dien tijd af aan maakte de gruwel der verwoesting, de Romeinsche Adelaar, plaats voor de banier des kruises. De godsdienst van den verachten Nazarener, de eeredienst van het kruis, werd de godsdienst van Staat, en des Keizers moeder Helena bouwde kerken voor de Christenheid. Die tijd was gevaarlijker voor de gemeente dan de martelaars-tijd, want waar de gemeente eertijds in het midden van de wereld was als eene brandende kaars, met het omschrift: âLux lucet in tenebrisquot;, het licht schijnt in de duisternis, daar kwam de wereld nu in de kerk, endoor de wereldsgezindheid werd een waas geworpen over de frissche vroomheid der eerste Christenen. quot;Wel bleef God getrouw, en moest zelfs de laatste vervolger het opgeven, zoodat Juliaan de Afvallige in zijn sterven uitriep, terwijl hij zijn bloed naar den hemel wierp: âGalileër gij hebt overwonnen!quot; Maar dit alles nam niet weg dat de kerk van Christus langzamerhand in een poppenspel werd veranderd. De slapende Christenheid werd wakker geschud, toen in de achtste eeuw Mohammed opstond met zijne
77
valsche leer, en als een geesel Gods, is hij ter kastijding over de Christenen gekomen.
Het kruis werd uit Jeruzalem gebannen en de halve maan kwam er voor in de plaats, totdat de tijd aanbrak dat Peter van Amiens met zijn; âGod wil het!quot; door Europa toog, en de tijd der kruistochten was aangebroken. Onvergetelijk voor alle tijden zijn de daden van Godfried van Bouillon, die het heilige graf heeft herwonnen. Tot nut en zegen voor de beschaving zijn de kruistochten geweest, maar de relequienhandel werd eene nieuwe vloek voor de kerk, die ten zegen had moeten wezen. Men dreef handel met stukjes van het kruis, haar en moedermelk van Maria, tanden van Petrus, doodshoofden van Johannes, doornenkroonen van Christus, ja zelfs met den mantel van Christus, zoodat in lateren tijd twee kerken het bezit er van elkander betwisten. quot;Wel mogen de middeleeuwen donker heeten, en die duisternis werd alleen verlicht door eenige sterren.
De broeders des gemeenen levens waren in ons vaderland tot eenen rijken zegen, en âde Navolging van Christusquot;, van Thomas a Kempis, is een boek dat de gemeente ook in dezen tijd nog hoog waardeeren mag. Een lieve Broeder zeide eenmaal: Aan drie boeken heb ik genoeg. Mijn Bijbel, de kleine Cathechismus van Luther en de Navolging van Thomas a Kempis. De naam van Dr. Maarten Luther is bekend in den hemel, op aarde en in de hel. Het is de naam van den man, van wien God zich bediende, om het licht van het kruis weder helder te doen schijnen, zóó dat allen die geloofden weder achter het kruis van Golgotha, den zaligen hemel zich ontsloten zagen. De kerken der Hervorming hadden reden om te juichen: âde duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu!quot; Maar niet straffeloos liet Leo X zich tergen, de pen
78
van den monnik had hem gekitteld in het oor, zijn rust hem benomen, de wereld veranderd. De Hervorming, als het groote nieuws, maakte alles nieuw, maar het ging niet zonder bloed en tranen. Door de kerk, die dweepte met het kruis, hetzij van hout of goud, door die kerk werd gebrand en gemarteld ter meerdere eere Gods. Zij, die in waarheid het kruis vereerden en in het kruisbloed zochten rechtvaardigmaking door het geloof, moesten als ketters vallen, en Rome is nog niet veranderd en zou nog even vijandig zich betoonen, als het de macht er maar toe had. Toch was de Hervorming uit God, en het kruis mocht zegepralen over afgoderij en dwaling, en wij danken God voor den zegen in de Hervorming ons geschonken. Na het lijden onzer vaderen voor het reine Evangelie is het lied ons dubbel waard:
Een vaste burcht is onze God,
Een toevlucht voor de Zijnen.
Maar de wereld is wereld gebleven, en het kruis bleef voor den een eene ergernis en voor den ander eene dwaasheid.
Evenals de Gnostieken het kruis verijdelden in de eerste eeuwen van het Christendom, zoo zijn de beoefenaars der wijsbegeerte er in lateren tijd toe gekomen, om het kruis op zij te redeneeren. God werd aan den mensch, het Evangelie aan de valsche zedekunde dezer wereld, het kruis van Christus aan de valsche teerhartigheid van den duivel opgeofferd door menschen, die niet bedachten de dingen die Gods, maar die der menschen zijn. Zoo was het in Duitschland; en in Frankrijk leefde een man die boven al zijne brieven schreef: âVerpletter den eerlooze.quot; Het was Voltaire die alzoo den Heiland der wereld durfde noemen. Het doet ons Hollandsch Christenhart goed, als we bedenken hoe hij door Hermanus Boerhave werd bejegend.
79
Leidea bezoekende, wilde hij Boerhave zien, maar toen hij zich bij den grooten geleerde liet aandienen liet Boerhave hem zeggen : âIk sta niet op voor den man, die voor mijn Heiland niet buigt.quot; Voltaire en Rousseau hebben het Fransche volk bedorven, en hunne verderfelijke taal is door Europa gegaan. Maar hun arbeid diende om het volk rijp te maken voor den toestand, waaraan de namen van Robespierre en Murat ons herinneren. God laat zich niet bespotten. Toch is daar eene wijsbegeerte die niet ten verderve voert maar ten leven, omdat zij het kruis beschouwt als het uitgangspunt van de wetenschap zoowel als van het geloof der gemeente. De gemeente heeft ook voor de wetenschap leeren bidden, en de Goede Herder is gekomen en heeft ook dit afgedwaalde schaap op de schouderen genomen en naar den schaapsstal weder gebracht. De wetenschap dient het geloof, en een wetenschappelijk Christen, mag gerust een sierlijk Christen heeten. Het kruis is de grond van de ware philosophie.
Bij Rome is geen sprake van het kruis en de wijsbegeerte, want het kruis hoe schijnbaar geëerd en verheerlijkt, is tot handelsartikel verlaagd, waar de kerk zich borg stelt voor de zaligheid, die door geld en goede werken wordt verkregen. Het is bij Rome met het kruis, als bij sommige Protestanten met den Bijbel. Men heeft den Bijbel in een prachtband met sloten als een keurig meubelstuk in huis, maar leest er niet in. Bij anderen wordt er wel uit gelezen, ja men schaart zich zelfs bij de rechtzinnigen, maar behoort niet onder de rechtinâ nigen. De vrome schijn wordt gevonden maar het vrome wezen wordt gemist. Zoo ook met Rome. In het oogenblik toen de Graaf van Egmond op het schavot zou sterven liet een priester hem een zilveren kruis kussen. Ik vraag u kan het erger. Afgoderij met het figuurlijke kruis, en
80
besliste vijandschap tegen de volgers van het kruis. Denk aan de Bartholoméusnacht in Frankrijk, waar een koning schoot op zijne eigene onderdanen. Dat teekent Rome. Maar niet alleen Rome, ook het rationalisme, dat onder de Protestanten voort gewoekerd is, en alles verwierp, wat niet pasklaar was voor de rede, stelde zich verraderlijk tegenover het kruis, dat voor den rationalist niet alleen een ergernis, maar ook een dwaasheid moet heeten.
Welk een God, zegt de rationalist, zou dat zijn, die Zijnen zoon aan een kruishout liet sterven, om een troep deugnieten te redden, neen die God kan de liefde niet zijn. Het Modernisme is gekomen, en het moest komen ook; het was een fata morgana op Christelijk gebied, waarvan men echter na eenige tientallen van jaren reeds kon zeggen, wat Jakob op zijn sterfbed van Ruben gezegd heeft: âSnelle afloop veler wateren, gij zult de voor-treffelijkste niet zijn.quot; Het Modernisme trok den Christus van Zijne heilige hoogte, en maakte Hem aan eiken zondaar gelijk, al gaf men den gekruisigden Heer ook de schoonste namen. Actie geeft reactie. Er is een tijd geweest, dat men leerde: âGod werd met doornen gekroond, in het gelaat gespuwd. God hing aan het kruis.quot; Men plaatste de Godheid van Christus op den voorgrond en de menschheid werd ontkend. Toen heeft het Modernisme behoefte gevoelende aan eenen oudsten broeder, de Godheid verworpen, en de menschheid op den voorgrond geplaatst, maar het was de reine, de ware, de zondelooze menschheid van Christus niet. De gemeente heeft de ware menschheid te verdedigen, de Godheid van den gekruisigden verdedigt zichzelf. Als het er op aankomt spant Rome met het Modernisme samen, evenals Herodes en Pontius Pilatus vrienden werden, toen het er om te doen was Christus aan het kruis te brengen.
81
Er is nog eene het kruis vijandige macht, die in de duisternis arbeidt, het is de vrijmetselarij. Hoeveel goeds zij in vroeger tijden deed en hoeveel goeds er ook nu nog in wordt gevonden, de Loge staat tegenover het kruis. Joden en heidenen. Mohammedanen en naamchristenen worden daar verbroederd. Het geloof in God mag er wonen, voor het kruis van Christus is er geen plaats. Menschen die durven zeggen: âWie zich God gevoelt, acht het te gemeen om te zondigenquot;, kunnen niet anders dan zich ergeren aan Christus en Zijn kruis! ^
En wat is het kruis voor het socialisme?
De schandpaal voor eenen edelen timmermanszoon, die, als hij leefde, de grootste socialist zou wezen. Christus was het slachtoffer van de mannen die aan het hoofd stonden van Kerk, Staat en maatschappij. Maar dat Christus het groote offer is, dat voor God geldt, daar heeft de socialist geen oog voor en geen hart. Men wil geenen koning, en allerminst eenen koning met een kruis, die Zijne volgelingen tot kruisdragen roept. Weg, zegt men, met dien godsdienst! De laatste koning moet worden opgehangen aan de darmen van den laatsten priester. Die ruwe kreet van vroeger dagen komt zich herhalen, als God het niet verhoedt. Het is waar, dat men zoodanige ervaringen kan opdoen, en zulke treurige toestanden in
6
82
onze maatschappij leert kennen, dat men soms Christenen hoort betuigen: âindien ik geen Christen was, werd ik socialist.quot; Maar juist het Christendom moet het sociale vraagstuk oplossen. Men heeft den armen menschen het kruis ontnomen, hunnen hemel ontroofd; nu willen zij de aarde hebben, en desnoods met fakkel en dolk gelijkheid, vrijheid en broederschap prediken. O, het Christendom moge ondergaan in het bloed en de tranen der laatste tijden, maar der Christenen schuld mag het niet zijn.
Predikt de menschheid weder de liefde van God, in Christus kruis ontsluierd, en laat het dan van u steeds waar zijn:
Ons leven is liefde betoonen.
Gewillig en vriendelijk en goed,!
Opdat wij Gods dochtren en zonen Ons toonen, in 's Middelaars bloed.
Dan zullen de harten der kinderen weder bekeerd worden tot de vaderen, en het zal anders worden in onze maatschappij. Trots alle woelingen gaat het werk van God toch door, en het kruis wordt eiken dag meer het middel waardoor de wereld veranderd wordt. Het kruis oefent invloed uit op de kunst, hetzij poëzie, schilderkunst of beeldhouwkunst. Het kruis is een zegen voor de litteratuur en waar het kruis geplant wordt, volgt ook de beschaving.
Het kruis en de poëzie; dat woord doet mij denken
aan een Passielied uit de zesde eeuw. âVexilla regis
prodeuntquot;. âDes Konings standaard staat geheven!quot; zoo
zingt de Katholieke Kerk bij de processie op Goeden
Vrijdag. Laat mij u dit lied van Venantius Fortunatus,
Bisschop van Poitiers, mogen doen hooren;
Des Konings standaard staat geheven,
't Geheim des kruises wordt aanschouwd.
Hij, die de Schepper is van 't leven Blaast d' adem uit aan 't slavenhout.
83
Om ons te wasschen van de zonde Doorboorde Hem des krijgers speer,
En druppelde uit de nieuwe wonde,
Het bloed en water plots'ling neêr
't Werd waarheid wat de Geest des Heeren Gesproken had door Davids mond.
Van !t hout zal God de Heer regeeren,
En heerschen over 't wereldrond.
O boom vol glans en heerlijkheden,
Met vorstlijk purper rijk gesierd,
Wat hout droeg ooit zoo heil'ge leden?
Wat hout dat zoo gezegend wierd?
Gezegend kruishout aan welks armen,
't Rantsoen der wereld hing ten toon.
Gij woogt den prijs, door Gods erbarmen Tot onze redding aangeboon.
Weest kruishout, weest gegroet! weer spreken Deez' dagen van uw heil'ge kracht.
Blijf voor 't geloof een heilrijk teeken En troost wie naar vergeving smacht.
Laat alle geest Uw roem verbreiden,
O Vader, Zoon en Heiige Geest
En blijft Gij eeuwig hen geleiden Wien 't kruis ten zegen is geweest.
Dat met âdes Konings Standaardquot; gedoeld wordt op de voorstelling van het lijden des Heeren, waardoor de vijandige macht der wereld bestreden en overwonnen wordt, is gemakkelijk te begrijpen. De dichter herinnerde zich bij vers 3 de woorden uit Psalm 96: 10; âzegt onder de Heidenen de Heere regeert.quot; De uitdrukking âvan 't houtquot; had hij bij sommige Kerkvaders in eene Griek-sche vertaling gelezen. In vers 4 wordt onder âden boom met vorstelijk purper versierdquot; aan het purperkleurig bloed van Christus gedacht, waarmede het kruis besproeid is geworden.
Van denzelfden dichter bestaat er nog een gezang
84
getiteld âHet Kruis!quot; hetwelk in het Latijn aanvangt met de woorden; Pange lingua gloriosi, proelium.
Komt, het loflied aangeheven,
En den grootschen strijd vermeld!
Bij de zegezuil des kruises.
Zij de roem van Hem verteld.
Die, terwijl Hij zich liet offren.
Zonde en dood heeft neergeveld.
Dit lied wordt in de Roomsche kerken gezongen op Passie-Zondag en op Goeden Vrijdag, terwijl de geestelijken en het volk het kruis met een kus vereeren. Wij laten die overdrijving rusten, en om des tijds wille doe ik u niet het geheel maar slechts de drie laatste coupletten hooren:
Kostlijk kruis, o boven allen Is uw hout ons goed en schoon!
Welk een boom droeg zulke bloemen?
Zulke loten, zulk een kroon?
O, wat rijke schat van zoetheên
Stelt gij voor heel d' aard ten toon!
Eed'le boom, bedwing en neig u,
Buig uw takkan vriendlijk neer;
Pleegt gij koud en streng te wezen:
Toon u heden zacht en teer;
Dat uw hout niet pijnlijk worde Voor de leden van den Heer!
Gij alleen zijt waard te dragen 't Offer dat ons redden moet.
De ark die brengt in veil'ge haven.
Dit d' ontrouwen wereldvloed.
Gij, o kruishout, dat het Godslam Zalfde met Zijn kostlijk bloed.
Hoe gaarne zou ik u uit den rijken schat van poëzie, die aan het kruis gewijd werd, nog een en ander voordragen, maar wij kunnen dit veld vol van liefelijkheden niet verder betreden, daar ik u ook wenschte te wijzen 0p het kruis en de schilderkunst. En dan denken we
85
aan âDe afneming van het kruisquot; door Rubens. Aan de drie kruisen op Golgotha. Aan den terugkeer van Calvarie. Aan de kruisiging van Petrus, in den Dom te Keulen, op den dag van Petrus en Paulus, te zien. Maar over de schilderkunst laten we gaarne u ook nog een woord van Otto Gerard Heldring hooren, waar hij zegt: âWat vond er toch plaats, dat zij, die wij noemen âde diepgevallenequot;, die nog steeds onder de vrouwen de verachte is, ja wat meer is, die ook terecht de verworpene mag genaamd worden, dat zij, de Magdalena der oudheid, de eereplaats bekleedt, schier nog hooger dan alle Maria's of Martha's; wat is het dat ons beweegt haar de palm der overwinning toe te reiken? Welke daad, welke opoffering, welke heerlijke overwinning heeft er plaats gevonden om de minste tot de meeste te maken, wat zeg ik: om de klove te dempen die er bestaat tusschen rein en onrein, zondig en heilig, diep veracht en hoog geeerd? Wat is het toch, als gij de prachtzalen der wereld intreedt en daar eene heerlijkheid aanschouwt die al uwe gedachten te boven gaat, wat is het toch, dat de Magdalena steeds de bekoorlijkste van alle schilderijen doet blijven?
Van Correggio tot Scheffer, wie der voortreffelijkste schilders vond niet de grootste aantrekkelijkheid juist in dat beeld, in die smart, in dat zóó diep berouw? Wie van alle smart de diepste, maar ook de heiligste wil aanschouwen, plaatst zich gaarne daar waar Maria Magdalena en Maria Klopé zijn neergezeten, bij het graf van Hem, die het kruis tot de overwinning der wereld gesteld heeft. En wederom, niet alleen de schilderkunst, maar wat ware de zoo hoog gevierde romantiek onzer dagen zoo niet de Magdalena der oudheid zelfs een Eugène Sue, een Victor Hugo, een George Sand had weten te bezielen, om in duizendvoudige nuanceering altijd weder dat heerlijk beeld
86
der gevallene te schetsen?quot; Zoo is het, en zouden-wij nu vragen: wat macht en heerlijkheid er in Hem is, die, in de gestaltenis Gods zijnde. Zichzelven vernietigde om een mensch te zijn, om waar Hij komt de ware menschheid tot eere te brengen, en de Maria's van Bethanië, en de Maria's van Magdala op eene lijn te plaatsen. Wie is Hij, zoo vragen wij, die alzoo de aarde beheerschte, en overwint waar Hij komt? Die, hoe ook bestreden, gehoond, gesmaad, veracht, verguisd, altijd wederkeert, en heerlijker zegeviert in dat hart dat nog waarheid en grootheid, in den edelsten zin, weet te waardeeren? Wij antwoorden; Wie anders dan de Zoon des menschen, die alleen macht heeft te zeggen: âUwe zonden zijn u vergeven!quot; Hij plaatst alle Maria's op eene lijn aan Zijne voeten. Dit alléén, dat Hij zeggen kan: âgelooft alleenlijkquot; doet de hoogste schuld in de hoogste liefde veranderen. Wij kunnen ons begrijpen dat de Apostel eenmaal uitriep: Ik heb mij voorgenomen, niets onder u te weten, dan Jezus Christus en Dien gekruist! Dat is het hoogste, dat het eenige, dat het eeuwige. Er ruischt langs de wolken een lieflijken Naam; het is de Naam Jezus. Eenmaal zal die naam klinken over de breedte der aarde. Reeds nu wordt die naam in meer dan driehonderd talen genoemd, en bij steeds meerdere volken wordt het kruis geplant, het kruis aanschouwd en de gekruisigde verheerlijkt. En waar het kruis komt, daar komt beschaving, orde, zedelijkheid; daar wordt de echt geheiligd, daar wordt der vrouwe haar plaats hergeven in haar huis, in de staat, in Gods rijk. Daar leeren dochteren en zonen, wat kinderliefde heet, tot in den dood getrouw. Daar leert de vorst zijn volk regeeren, rechtvaardig, wijs en zacht; daar leert de armste herder, hoe hij zijne schamele kudde zal hoeden en weiden. En de machtigste monarch en de
87
armste daglooner leeren het woord verstaan: Een is uw Meester en gij zijt allen broeders. Overal komt verandering, vernieuwing, leven uit den dood, door het opgerichte kruis. Wie aanbidden kan bidt mede en zegt: Ja, in den naam van Jezus zal zich eenmaal buigen alle knie, dergenen die in den hemel en op aarde, en onder de aarde zijn. Kom Heere Jezus verhaast dien heildag. Kom Heere Jezus kom haastelijk!
Amen.
Het kruis herstelling der eenheid van aarde en hemel.
E p h e s e 1: 3â10.
God is liefde en liefde moet zich openbaren. God is het leven en leven kan niet verborgen blijven; en om liefde te kunnen bewijzen deed God wezens worden en levens rijpen, die iets van Zijn wil begrijpen, die Hem minnen bovenal. Zoo schiep Hij in den hemel de Engelen en op de,aarde de menschen; en hoewel in den hemel wonende, daalde Hij op aarde neder, en de mensch kende zijnen God aan de wind des daags en hoorde Zijnen stem in den hof. Alle schepselen waren gelukkig, want God was in allen, en in allen alles; dat hield reeds den hemel in, zoolang alle schepselen op hunne plaats, dat is, onder God wilden blijven.
Maar het âals God willen zijnquot; was oorzaak van den val der Engelen en, door Satans toeleg, straks evenzeer van den val des menschen. De Engel, hooger geplaatst, viel zoo diep dat hij duivel werd; en de reine mensch werd een verloren zondaar, o smart! En wat dat zeggen
88
wil, heeft de geschiedenis der menschheid bewezen, waar wij menschen leeren kennen, die ons doen vragen; is ook de mensch niet een gevleesehden duivel geworden? De mensch die zijns broeders bloed vergiet, die zijn verstand verduistert, zijne ziel verwoest, zijn lichaam verderft. Die zijn eigen kwaad aanbidt, zijne kinderen offert aan den Moloch; in de Astartedienst de ontucht tot godsdienst verheft, zijn lichaam laat verpletteren onder den kar van Jaggernaut en de moord tot eeredienst maakt van Kali.
Is hij nog mensch, die door de haat verteerd wordt, die de onschuld verkracht, die de zuigelingen vermoordt in koelen bloede, die zijn medemensch als lastdier ge-, bruikt, mishandelt en op de slavenmarkt verkoopt? Is hij nog mensch, door God geschapen, die zich goden schept en dient even afschuwelijk als hij zelf is? Is hij nog mensch, die door het bloed plast op het slagveld om de lijken te berooven? Is hij nog mensch, die zijne vrouw mishandelt zelfs op haar sterfbed, zijn kroost verwaarloost, zijne ziel, zijn geld en goed, gemoedsrust en toekomst in den Alcohol verdrinkt, om straks door zijne vrienden geschopt te worden in het slijk der straten? O we zien het eiken dag meer, de zonde is een afschuwelijk gedrocht der hel. De zonde verwoest Gods werken. De zonde heeft den hemel van de aarde. God van den mensch, de hoogere schepping van de lagere gescheiden. De mensch, die zich tegen God keerde, moest het weldra bemerken, dat de aarde hem distelen en doornen bracht; dat de leeuw hem zijne tanden, de buffel zijne hoornen, de Cherub zijn zwaard, en het graf zijne opene spelonk toonde. Voorwaar de mensch viel diep! maar eeuwig dank en eere! hij ontviel toch niet aan de eeuwige liefde Gods. âGod huwde aan zonden smarten,
89
aan zedelijk kwaad hier pijnquot;, en wel zóó dat elke zonde zichzelven straft. Waar de mensch mede zondigt, daar wordt hij ook mede geplaagd. En dat niet alleen, maar het kwaad, dat de vader bedrijft, ziet hij straks tot zijn smart voortwoekeren in zijn kroost. God liet den mensch niet varen maar zocht hem op, in medelijdende liefde voor Zijn gevallen schepsel. Hij sprak tot den mensch door de stem der geschiedenis, Hij sprak tot den mensch door de stem des gewetens. Hij sprak tot den mensch door elk leven en lot als woorden der groote Openbaring. En boven dit alles: God voortijds, veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon, welken Hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles, door welken Hij ook de wereld gemaakt heeft. Die Zoon is het afschijnsel van Gods heerlijkheid, het uitgedrukte beeld van Gods zelfstandigheid. Die Zoon draagt alle dingen door het woord Zijner kracht. En, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door zichzelven heeft teweeggebracht, is Hij gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen, zooveel treffelijker geworden zijnde dan de Engelen, als Hij uitnemender naam boven hen geërfd heeft. In Hem heeft God ons gezegend met alle geestelijke zegeningen. In Hem heeft Hij ons uitverkoren van de grondleggiug der wereld, opdat wij zouden bewijzen van Gods geslacht te zijn, door heilig te zijn en onberispelijk in de liefde. Daartoe heeft Hij ons te voren verordineerd den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te worden. Daartoe heeft Hij ons in den tijd tot Zijne kinderen aangenomen. Niet om onze deugd of werken, maar naar het welbehagen van Zijnen wil, en om Zijns naams wil; tot prijs en eere der heerlijkheid Zijner genade, waarmede Hij ons in Christus
90
begenadigd heeft. Ja, in Christus zijn wij uitverkoren. In Hem hebben wij de verlossing door Zijn bloed, in Hem hebben wij de vergeving der misdaden naar den rijkdom Zijner genade. En die genade is ons niet spaar-zamelijk geschonken, maar overvloedig; hoewel met alle wijsheid en voorzichtigheid, want God verspilt Zijne genade niet. Hij heeft ons bekend gemaakt met de verborgenheid van Zijnen wil, met den raad van Zijn eeuwig voornemen, om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, uit quot;Wien, door Wien, en tot Wien alle dingen zijn, beide wat in den hemel en wat op aarde is.
En dat groote wonder der vereeniging van hemel eu aarde, van Engelen en menschen, van Schepper en schepselen is de groote, heerlijke, nooit genoeg volprezen vrucht van het kruis van Christus. Op Golgotha is de vloek opgeheven, die vier duizend jaren loodzwaar op de menschheid heeft gedrukt. Op Golgotha zijn de poorten der hel omvergeworpen; op Golgotha is des duivels macht verbroken en de verlossing der menschheid volbracht. Het kruis is de ster geworden, die de duistere nachten des levens verlicht. Het kruis is het heilig teeken, waarop wij gerust het moede hoofd eenmaal nederleggen in de stervensure.
Onder de banier des kruises strijdt de Christen, zeker van de overwinning, en langs de kruisladder stijgt zijne ziel op tot God. Aan den voet van het kruis geknield, ziet hij den hemel geopend, en de balling op aarde vindt daar eene blijvende stad. Nu stijgt zijne ziel biddende ten hemel, boven wolken en sterren, tot hij de gouden poort doorsnelt, alle Engelen en Aartsengelen voorbij, tot voor den troon van het heelal; en daar blijft hij staan en stamelt, neen juicht: âAbba lieve Vader die Gij zijtin
91
de hemelen, Uw naam worde geheiligd, Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiedde op aarde als in den hemel! En hij gelooft; het zal eenmaal zoo zijn, als de aarde mede tot hemel is geworden. De geloovige weet wat het zegt: Ik ben met Christus gekruist en ik leef! Hij weet zich met Christus gestorven, en met Christus begraven door den doop in den dood; om nu, evenals Christus uit de dooden is opgewekt, met Hem in nieuwigheid des levens te wandelen. Daarom kan hij reeds hier van harte zingen:
Op Uw woord, o leven van ons leven!
Werpen wij het doodskleed af.
Door de kracht uws Geestes uitgedreven.
Treden we uit ons zondengraf.
Leer ons daaglijks, leer ons duizendwerven,
In Uw kruisdood meêgekruisigd sterven, En herboren, opgestaan.
Achter U ten hemel gaan.
Ja, de geloovige gevoelt zich reeds hemelburger op aarde. In den hemel is zijn wandel, daar is zijn burgerschap, daar is zijn vaderland. Want hij is met Christus gezet in den hemel, en zijn gezegend Hoofd zit op den troon van het heelal. Zijn schat is in den hemel en daarom 'is ook zijn hart in den hemel, evenals de hemel is in zijn hart. Maar daarom bedenkt hij ook de dingen die boven zijn, niet die beneden zijn; en hij verwacht uit den hemel zijn Heiland, Die zijn vernederd lichaam zal veranderen en aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijk maken. En indien vóór dien tijd zijn sterfuur komt, dan is dat sterven het begin van zijn eeuwig leven. Maar zegt ge: dit alles maakt de aarde niet tot hemel, of de aarde nog niet met den hemel éen. En we antwoorden u: toch wel in beginsel, en dat beginsel is het onderpand van de eindelijke zegepraal. Maar overigens ja, dan is er tot nu toe nog een groot onderscheid tusschen den hemel en de
92
aarde, dat is niet te ontkennen. De hemel is ons vaderland en de aarde is het land onzer vreemdelingschappen. Hier is alles onvolmaakt, hier wandelen we deels in duister, tenminste vaak in nevelen van dwaling en dwaasheid. De aarde is door de zonde verontreinigd; de wereld is een groot Bethesda vol lijdenden en kranken; hier heersoht de dood; en in den hemel zal geen dood meer zijn, noch rouw, noch gekrijt. Geen inwoner zal daar zeggen: âIk ben ziekquot;, want het volk dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben. Daar is geen zonde meer, geen onrust, geen lijden, geen dwaling, geen twijfel, geen strijd. Daar zal geen nacht meer zijn.
Daar heeft geen schoonheid vlek.
Genoegen geen gebrek.
De liefde geen verkoeling.
En toch, tusschen het vaderland der rust en dit Nomadenleven ; tusschen den hemel der heerlijkheid en deze aarde vol ellende en strijd, bestaat eene nauwe betrekking. Engelen dalen nu reeds neder op de aarde, waarop hun Heer heeft rondgewandeld. En de mensch klimt tot boven de Engelen op. Engelen zijn wel hooge wezens, maar Gods Zoon hun broeder niet. Christus heeft door Zijn kruis hemel en aarde verbroederd, en geen Engel schaamt zich den omgang meer met zondaren, die tot kinderen van God zijn herboren. Maar dit is het laatste en ook het hoogste niet. Volgens ons tekstwoord verwachten we nog andere, ja zelfs zeer groote dingen. Alle dingen moeten weder vereenigd worden, onder het eene Hoofd Jezus Christus. Omdat in Jezus Christus alle dingen, ja hemel en aarde huu vereenigings-punt vinden, kan het einde van Zijn Middelaars werk niet anders zijn dan de herstelling van de volkomenste harmonie.
Is de mensch de schakel tusschen stof en geestenrijk, Jezus Christus schakelt door Zijn kruis hemel en aarde te zamen.
93
Hij bracht den hemel op aarde, Hij nam onze mensche-lijke natuur aan, om ons nu Zijne Goddelijke natuur deelachtig te kunnen maken. En na nedergedaald te zijn tot in de benedenste deelen der aarde, is Hij opgevaren tot in de hoogste hemelen, en zit als Middelaar, als God-mensch, als hoofd en vertegenwoordiger der nieuwe menschheid, die Zijn lichaam is, aan 's Vaders rechterhand. Zijn werk draagt vrucht, Zijn werk gaat voort tot de dag der heerlijkste vereeniging daar is. Nu is het reeds waar van de gemeente van Christus, wat de schrijver van den Hebreënbrief zegt in Hebreen 12:22â24: Gij zijt gekomen tot den berg Zion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen. Tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemel opgeschreven zijn, en tot God den rechter over allen en de geesten der volmaakte rechtvaardigen. En tot den Middelaar des Nieuwen Testaments, Jezus, en het bloed der besprenging dat betere dingen spreekt dan Abel. Maar aan het einde der tijden, als de koninkrijken dezer wereld van onzen God en van Zijnen Christus zullen geworden zijn, dan zal ook dit woord uit Openb. 21 ; 2â5 vervuld worden: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het Nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor haren man versierd is. En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: Ziet de tabernakel Gods is bij de menschen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn: want de eerste dingen zijn weggegaan. En die op den troon zat zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw.
94
O, mijne broeders, zulk eene zalige vereeniging kon Gods raad alleen uitdenken; dat heil kon God alleen beloven en bekend maken. Zulk een heerlijk werk kan Christus alleen tot stand brengen, en Hij doet het door Zijn kruis. Laat ons Hein dan geloovig aanbidden. Hem dienen en voor Hem leven, en de vervulling van al Gods beloften, die in Christus Ja en Amen zijn, geloovig en blijmoedig verwachten.
Amen.
Het kruis in zijn stralenkrans; de Christenregeering op aarde.
Psalm 22.
De gelezen Psalm is een aandoenlijke, een wonderbare, een heerlijke Psalm. Een rechte Goede Vrijdags-psalm, die ons een blik doet slaan in het diepste lijden van Christus. Het begin van den Psalm verplaatst ons oogen-blikkelijk op den top van Golgotha, in de drieurige duisternis en doet ons de bangste kruisklacht hooren: âMijn God! Mijn God! Waarom hebt gij mij verlaten? Yerre zijnde van mijn verlossing en de woorden mijns brullens. Mijn God ik roep des daags en Gij antwoordt niet, en des nachts en ik heb geen stilte.quot; En dan daalt de Psalmdichter van deze heilige hoogte des lijdens af, om het geheele lijden in al deszelfs uitgestrektheid en in bijzonderheden aan te wijzen. Waarlijk Psalm 22 is meer dan eenige andere de lijdenspsalm te noemen. Maar zoo aandoenlijk deze Psalm is, zoo wonderbaar is hij ook. Het is in Psalm 22 zooals het vaak in de natuur is op een zomeravond; dikke wolken pakken zich tezamen.
95
zware donderslagen worden gehoord, scherpe bliksemflitsen schieten door het luchtruim, het schepsel heeften staat verwonderd als de God der eere dondert. Maar het onweder gaat voorbij, de dampkring is gezuiverd, alles is heerlijk opgefrischt en we halen ruimer adem dan uren te voren het geval was. Zoo is het in dezen Psalm. Zoo drukkend en droevig, zoo bang het Psalmlied klinkt aan het begin; zoo dankbaar, zoo verheugd, zoo God verheerlijkend is het laatste gedeelte. Psalm 22 is een heerlijke Psalm, want in dezen Psalm zien we eerst het naakte, ruwe, barre kruis, maar het wordt langzamerhand met licht omschenen, het schiet stralen heinde en ver, totdat het geheel in eenen stralenkrans gehuld is. In deze eene Psalm zijn als het ware vier Psalmen tezamengevat die ons de Christusregeering op aarde te aanschouwen geven. Psalm 2 waarin ons den strijd der Christusregeering, Psalm 110 waarin ons de overwinning der Christusregeering, Psalm 72 waarin ons de vrede, en Psalm 45 waarin ons de heerlijkheid der Christusregering op aarde op onnavolgbare wijze geteekend wordt. Is het niet of ge in den gelezen Psalm de heidenen hoort woeden en de volken ijdelheid ziet bedenken? Hoort ge de menschheid niet in hare machten beraadslagen tegen den Heer en Zijn gezalfde? Maar hoe ook verworpen, verguisd en bespot, hoe ook mishandeld, de lijdende knecht des Heeren is toch de gezalfde Koning over Zion, aan Wien eenmaal de heidenen zullen gegeven worden tot een erfdeel, en de einden der aarde tot Zijne bezitting. Want Zijns is het Koninkrijk en Hij heerscht onder de heidenen.
In den weg van Zijn kruis en lijden, hier beschreven, is de overwinning van de Christusregering behaald, en Hij heeft tenietgedaan dien, die het hoofd is over een groot land. Hij heeft den dood verslonden, den duivel overwonnen en
96
over dood en hel getriomfeerd door Zijn kruis. De leeuw uit Juda's stam heeft zijn overwinningskreet doen hooren in het heerlijk woord: Het is volbracht! Maar het einde van het Psalmlied herinnerd ons zeer duidelijk den vrede der Christusregeering op aarde; bezongen in den 72steI, Psalm. Klinkt daar het woord: âDe bergen zullen den volke vrede dragen en de heuvelen gerechtigheid, de ellendigen des volks zal Hij richten, de nooddruftigen verlossen en den verdrukker verbrijzelenquot;, hier is het: âDe zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden, die den Heere zoeken zullen Hem prijzen, en hunlieder hart zal leven in eeuwigheid.quot; Is het daar: âHij zal heer-schen van de zee tot de zee en van de rivier tot de einden der aarde. Alle koningen zullen zich voor Hem neder-buigen en alle heidenen zullen Hem dienenquot;, ook hier wordt de toon vernomen: Alle einden der aarde zullen het gedenken en zich tot den Heere bekeeren, en alle geslachten der heidenen zullen voor Zijn aangezicht aanbidden.quot; Klinkt het daar van den grooten Koning: âZijn naam zal zijn tot in eeuwigheid, zoolang als de zon er is, zal Zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden,quot; ook hier zegt de Psalmist: âHet zaad zal Hem dienen, het zal den Heere worden aangeschreven tot in geslachten, zij zullen aankomen en Zijne gerechtigheid verkondigen den volke dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.quot; Zoo blijkt dan uit dezen lijdenspalm, en uit den vredepsalm beide, dat de Gekruiste, die heeft moeten klagen: âallen die Mij zien bespotten Mij, zij steken de lip uit, zeggende: Hij heeft het op God gewenteld, dat die Hem nu uithelpe!quot; eenmaal als vrucht van Zijn kruis en lijden de gansche aarde aan Zijne voeten zal zien, en dat eenmaal alle volken met de zegeningen van het Christendom gezegend en beweldadigd zullen zijn.
97
Dat noemen wij: Het kruis in zijn stralenkrans. De schoone tijd zal komen, even zeker als het kruis op Golgotha heeft gestaan; de schoone tijd zal komen dat al de einden der aarde aan het groote feit der verlossing zullen gedenken, en zich tot den Heere zullen bekeeren. Het voorspel van het vrederijk dat te komen staat naar het woord: Alle geslachten der Heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden, wordt reeds aanschouwd.
Eene halve eeuw geleden was op de 154 Fidsji-eilanden het kanibalisme ten toppunt gestegen. Een opperhoofd deed voor een feest, den vorst aangeboden, vijf en twintig vrouwen braden op een rooster, waarna de arme schepselen aan het feestmaal werden verslonden. Een ander opperhoofd toonde aan den zendeling 872 steenen, en onder eiken steen lag het gebeente begraven van een mensch, door den vader van dat opperhoofd opgegeten. Wanneer ouders ziek werden kwamen hunne kinderen om de ouders levend te begraven; maar ouders begroeven ook vaak levend hunne kinderen. En nu in onzen tijd is het Evangelie door den Koning en zijne hofstoet aangenomen, de afgodstempels zijn verwoest, tempels tot eer van den levenden God zijn verrezen, deze mannen des bleeds zijn gered, geloofd zij Gods naam! Men telt op de Fidsji-eilanden tegenwoordig 500 kerken, 380 lokalen, 12 zendelingen, 50 helpers, 800 Cathechiseer-meesters, 600 Evangelisten, 2000 Christelijke onderwijzers en 100000 kerkgangers. Het kruis prijkt op de Fidsji-eilanden in zijn stralenkrans.
In vroeger tijd gebeurde het wanneer een schip op een der eilanden in de Stille Zuidzee strandde, dat de inboorlingen zich op de ongelukkige schipbreukelingen wierpen en ze opaten.
â¢' Eenige jaren geleden strandde het Engelsche schip
98
âSyriaquot; dat 500 handwerkslieden als kolonisten aan boord had te Suwa aan de Oostkust van Witti Leron. Het schip zat vast op de koraalriffen en spatte later uiteen, maar de meeste schepelingen werden gered, en wel door de zonen, wier vaders het vroeger als een recht zouden beschouwd hebben deze menschen te verslinden. Vooral de jonge mannen, die tot den zendingspost behoorden, beijverden zich, zoovelen te redden als zij konden; en moesten daarbij met liefde en voorzichtigheid te werk gaan, want er waren nog oude onbekeerde eilanders die gaarne een kanibaalschen maaltijd zouden gehouden hebben. De geredden werden in de woningen der Christenen gebracht en van alles verzorgd, terwijl de lijken op behoorlijke wijze werden begraven. De Witti-eilanden zijn bevolkt met 118000 zielen. Sedert 30 jaren is daar het Evangelie verkondigd, en nu prijkt daar het kruis in zijn stralenkrans.
Wenden we onzen blik van het Zuiden naar het Noorden, naar Groenland en Labrador. Daar leefde men vroeger als de dieren, kleedde zich met huiden, verslond het rauwe vleesch en vet der zeerobben, en vaak verslond de man zijne vrouw of kinderen. En thans bezit Groenland vier Christengemeenten met 2000 zielen, en Labrador bezit ook vier gemeenten met 1200 zielen, het kruis prijkt ook daar in zijn stralenkrans.
Op de Sandwich-eilanden heerschtte in 1830 nog de diepste barbaarschheid. Moord, diefstal en veelwijverij waren aan de orde van den dag. Een opperhoofd liet daar een muur bouwen van menschenbeenderen; hoeveel menschen moesten er vallen om voor dien muur de beenderen bijeen te krijgen? En nu na 60 jaren, welk een verschil! De Sandwich-eilanders bezitten 4 drukpersen;
99
zij onderhouden zelf hunne kerken en scholen, en zij zenden zelf reeds zendelingen naar Amerika, hetwelk hun het eerst het Evangelie heeft gebracht. Drievierde van de bevolking kan lezen; men telt er 334 lagere en 31 hoo-gere scholen, en alleen aan de heilige zaak der zending offeren zij jaarlijksch een millioen franks. Ook op de Sandwich-eilanden schittert het kruis in hemelschen glans, Christus tot eer.
In de maand November van het jaar 1832 kwam op het eiland Madagaskar eene jeugdige vrouw uit de gevangenis te Antinarivo. Fier hief zij het hoofd omhoog, de vreugde was op haar gelaat te lezen; en toch, zij werd weggeleid naar een heuvel waar zij werd geblinddoekt, en waar zij moest nederknielen om onthoofd te worden. Deze jeugdige Christin was de eerste martelares op Madagaskar. Haar geest steeg op naar de woningen des lichts, en haar bloed was het begin van een bloedstroom, die Madagaskars bodem heeft besproeid. â Het is weder November maar in het jaar 1868. Daar verlaat weder eene vrouw een groot gebouw, en ook zij moet zich naar denzelfden heuvel begeven waar het eerste Christenbloed heeft gevloeid. Wie is deze vrouw en wat moet er met haar geschieden? Het is de Koningin van Madagaskar, die haar paleis heeft verlaten om op dezen heuvel, waar nu een kerk staat gebouwd, neder te knielen om gedoopt te worden in den driemaal heiligen naam des Heeren. En de naam van de eerste martelares prijkt in den gevel van dit kerkje. En als dan de Koningin in het volgende jaar 1869 hare troonrede uitspreekt, dan staat daar met gouden letteren op haar troonhemel te lezen; âEere zij God in den hooge hemelen, vrede op aarde en in de men-schen een welbehagen; Jehova, Jezus!quot; Voorwaar, voorwaar, het kruis prijkt in zijn stralenkrans.
100
Maakte God in vroeger jaren,
Jakob slechts zijn woord bekend,
Nu wil Hij zich openbaren.
Zelfs tot 's werelds uiterst end.
Kaffer, Moor en Indiaan,
Bidden ook den Heiland aan.
Maar toch, er zijn op de zendingskaart nog groote zwarte vlekken. Nog is het waar ook in deze eeuw;
Acht millioen, verdubbeld honderdmalen.
Kennen hunnen Heiland niet.
Nimmer klinkt door hunne tempelzalen, 't Jubelend bevrijdingslied.
En niet alleen in de Heidenwereld maar ook in de Christenmaatschappij is er nog zooveel ellende, zooveel misbruik van Gods gaven, zooveel verderving van lichaam en ziel, in de huizen van ontucht, in drankpaleizen zoowel als in akelige krotten en kroegen, waaraan het christelijk Engeland millioenen bij millioenen offert, en waarvoor het christelijk Nederland zijn 50 millioen guldens ontperst aan vrouwen en kinderen, en onthoudt aan God en Zijn dienst.
Hoe zal, o hoe zal het anders worden ? alleen door het licht dat afstraalt van het kruis; voor dat licht moet de dikste duisternis eenmaal wijken.
Maar er is in Psalm 22 nog iets anders, waar wij op moeten letten. Niet alleen dat alle einden der aarde eenmaal aan Jezus kruislijden zullen gedenken. Maar daar staat óók geschreven: Het zaad zal Hem dienen, en het zal den Heere worden aangeschreven in geslachten. Zij zullen aankomen en Zijne gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft. En dat zaad, waarvan hier sprake is, dat is Abrahams zaad; het volk dat geboren wordt, ja wedergeboren, een geheel volk op eenen eenigen dag, dat volk is Israël,
101
het oude bondsvolk Gods. Zij zullen Christus dienen, zij zullen den Heere worden aangeschreven, zij zullen aankomen en Zijne gerechtigheid verkondigen, omdat Hij het gedaan heeft. quot;Wat gedaan heeft? Zijn hemel verlaten, en op aarde komen, mensch worden voor menschen-behoeften; voor onze overtredingen tot zonde gemaakt, geslagen, gesmaad worden; aan het kruishout zich laten nagelen, waar Hij door Godzelven wordt verlaten, opdat geen mensch ooit meer van God verlaten zou behoeven te zijn. Ziet, dat zullen zij verkondigen aan alle volken, want de Jood spreekt alle talen, kan leven onder alle volken, geen beter zendeling dan hij. Zij zullen uitgaan naar Tarsis, Pul en Lud, en naar de verst gelegen eilanden der zee, die zullen het hooren. En de Heidenen zullen zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren en ten huize van den God van Jakob, dat Hij ons leere van Zijne wegen, want al Zijne kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, en de vrede Zijner kinderen zal groot zijn. Israël zal wederkeeren naar het land der vaderen, Jeruzalem zal herbouwd worden dorpsgewijze, de tempel zal weder verrijzen en het dankoffer zal worden ontstoken. Jeruzalem wordt het middenpunt eener nieuwe wereldgeschiedenis, het groote zendingfeestterrein voor alle volken, waar men den Heere zal vieren het feest der loofhutten, en aanbidden den Heere, den Koning, den Heer der Heirscharen, naar Gabriels woord tot Maria; God de Heer zal Hem geven den troon van zijn vader David tot in eeuwigheid. 'Israël wordt het koningsvolk der aarde, het zendingsvolk der toekomst, een zegen voor alle volken als een dauw van den Heer. Israels aanneming zal worden het leven uit de dooden voor de wereld, en het kruis zal meer dan ooit te voren schitteren in zijn stralenkrans. Door de zendingswerkzaaamheid
102
van het tot God bekeerde erfvolk, wordt de aarde vol van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken. Jezus heerscht van zee tot zee; over de gansche aarde is zijn Koninkrijk uitgebreid en in Zijne dagen, onder Zijne regeering zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, tot dat de maan niet meer zij. De heidenen buigen voor Hem neder. Zijne vijanden lekken het stof, de koningen van Tarsis en van de eilanden brengen hunne schatten aan, alle koningen zullen zich voor Hem buigen. De nooddruftigen zal Hij redden en den ellendigen ten helper zijn. Nooddruftigen zal Hij verschoonen, en hunne zielen verlossen van list en geweld. Hij zal leven, in de volle en heerlijke beteekenis van dit woord. Hij zal zich verblijden in Zijne werken en in de vruchten van Zijn kruis! Men zal Hem geven het goud van Scheba, en men zal gedurig voor Hem bidden, ja den ganschen dag zal men Hem zegenen. Het land zal vruchtbaar zijn, en het koren zal ruischen op de bergen, en de stedelingen zullen bloeien, het zal hun welgaan in ieder opzicht. Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid, langs de wolken zal Hij ruischen, de lieve dierbare Jezus-naam. Van kind tot kind zal Hij worden voortgeplant, en al de onderdanen van dezen koning zullen in Hem gezegend worden. Alle heidenen zullen Hem welgelukzalig noemen. Ia plaats van Zijne vaderen zullen Zijne zonen zijn, geboren uit God, geboren uit Christus bloed, en Hij zet hen tot vorsten over de gansche aarde. Wel' mag de dichter van den 45sten Psalm juichen aan het einde van zijn lied ter eere van dezen Koning: Ik zal Uw naam doen gedenken van geslacht tot geslacht, en de volken zullen U loven eeuwig-lijk en altoos. En wij juichen mede, terugziende op Jezus kruis en lijden, en vooruitziende naar de schoone toekomst
103
die wij tegengaan: Het kruis schittert in zijn stralenkrans, iederen dag en ieder uur meer, zoowel als ieder jaar! Geloofd zij de Heere God, de God Israels, die alleen wonderen doet, en geloofd zij de naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid, en de gansche aarde worde met Zijne heerlijkheid vervuld. Amen ja amen.
.
' t