ZESDE TIENTAL SCHEIFTBESCHOTJWINGEN
DOOR
J. VAN BEIJEREN,
Directeur van het âTehuis voor Militairenquot; te 'a-Gravenhage.
'S-GRAVENHAGE,
FIRMA H. J. GERRETSEN. 1896.
'-^2^ :i: iV â gt;?
: \ - â â , - - â .,.. -
.
.-.. â . â ' . - , N - ' ' '
:r- Vè '/-.'?quot;lt;:V''-â â â quot; :. '-^é
~r ^ i v-r/'i'^v. V -â .-â â â â 1 .fr;
â M;
L
v -â ; -?VV' __
VOOR HART EiST LEVEN.
2720 027 2
LEIDEN : STOOMDBUKKERU VAN L. VAN NIFTEBIK HZ.
Yoor Hart m Levm.
ZESDE TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN
door
j. van beijeren,
Directeur van het âTehuis voor Militairenquot; te 's-Gravenhage.
bibliotheek
ned. herv. jceric
's-GRAVENIIAGE, Firma H. J. GERRETSEN. S ^ 1896.
/oi £gt; 5lt;S
gCSENKING UIT DE BIBLIOTHEEK VAN HJa. DE KONINGIN
VRIENDELIJKE LEZER!
Aangezien mijn laatste boekje: «De rusthuizen van den Zoon des Menschenquot;, weder is uitverkocht, bracht ik een nieuw bundeltje schriftbeschouwingen bij elkander, hetwelk U bij dezen wordt aangeboden. Moge het met evenveel genoegen gelezen worden als het vorige boekje, waarover ik van verscheidene personen een goed getuigenis heb mogen ontvangen. âDé grootste schat en het heerlijkste voorrechtquot;, in dit bundeltje voorkomende,..is. eene rede door mij gehouden in de Hervormde Kerk te Zoeterwoude. En, âEen gebed dat zeker verhooring vindtquot;, is in Amerika reeds als hoofdartikel in een Christelijk Weekblad geplaatst, en door honderden gelezen. Moge het ook aan deze zijde van den Oceaan velen nog stichting bezorgen. Ãe overige onderwerpen zijn door mij voor de Militairen, in mijne Zondagavond Bijbellezingen besproken. Moge er een zegen rusten op het gelezen, zoowel als op het gesproken woord, Gods naam tot eer en velen tot heil en zaligheid.
Het doel aan de uitgave van dit boekje verbonden is, iets goeds onder onze jonge Miliciens te kunnen doen, door verspreiding van Nieuwe Testamenten, Liederen en Christelijke lectuur.
Geve de Heere God, dat dit doel met de uitgave bereikt moge worden, en schenke Hij a allen, wat voor hart en leven noodig is, tiaar de bede van
Uw Broeder in Christus, J. VAN BEIJEREN.
's-Gravenhage, Juni 1896.
'
â
.
________
INHOUD.
Bladz.
I. De hoogste en noodigste wetenschap....................9
II. De grootste schat en het heerlijkste voorrecht..... 16
III. De wedergeboorte onze behoudenis..........25
Vrede door het bloed des kruises....................34
V. Open vensters naar Jeruzalem......................42
VI. Een gebed dat zeker verhooring vindt.....' . . . 51
VII. De blijdschap in God....................gg
VIII. Heilige onbezorgdheid de groote levensles.......67
IX. Heerlijke vooruitgang en treurige verachtering .... 76
X. De roeping der Christenen bij den ernst der tijden . . 85
De hoogste en noodigste wetenschap.
Mattiiéus 9 : C.
Paulus van Tarsen, de groote Heiden apostel, heeft in de brief aan de Philippensen hoofdstuk 3 vers 7 en 8 een groot woord uitgesproken. De man die een Hebreër was uit de Hebreen, uit het geslacht van Israël, uit den stam van Benjamin, naar de wet een Farizeër, naar de rechtvaardigheid die uit de wet is, onberispelijk; de man van adellijke geboorte, opgevoed aan de voeten van Gamaliël; de man die meer talen sprak dan al de andere apostelen; die meer gearbeid heeft dan zij allen; die thuis was, niet alleen in de literatuur van Israël, maar ook van de Grieken, en andere volken; die man heeft gezegd: Hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wil schade geacht; ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Jezus Christus mijnen Heer, om wiens wilik alle dingen schade geacht heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. Niet dat Paulus nu al die dingen: opvoeding, eer, bekwaamheid, wetenschap enzoovoort verachtte; maar niets haalde voor hem bij de kennis van Jezus Christus. Daarbij vergeleken acht hij alle andere dingen drek te zijn. Niets haalt voor hem hierbij, den Heiland te
l
10
mogen gewinnen, Hem te kennen, Zijn eigendom te zijn. â Laat ons met dit voorbeeld voor oogen ons zeiven ernstig afvragen, of wij het met den Apostel Panlus eens zijn; of ook wij daar onze eer en ons hoogste geluk in stellen de wetenschap te bezitten welke ons in Mattheus 9 vers 6 wordt beschreven, in deze woorden: Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven.
Dat is de hoogste en noodigste wetenschap. Ja, die wetenschap is onmisbaar noodig; voor allen verkrijgbaar, vast gegrond, en gezegend in de gevolgen, voor den bezitter, en voor de wereld.
Laat ons deze waarheid met elkander overdenken, en moge God onze overdenking genadig ten zegen stellen voor ons hart en leven. Amen.
De zonden te kunnen vergeven, dat is de hoogste macht, dat is de heerlijkste macht, dat is de heilrijkste macht, die aan Jezus Christus is gegeven. â Koningen kunnen genade bewijzen en schenken; doch zij kunnen het alleen maar voor den tijd. Jezus Christus kan echter voor eeuwig genade geschenken. De Zoon des menschen heeft macht de zonden te vergeven; van schuld en vloek, van smet en gevolgen der zonden ons te verlossen, en voor eeuwig vrij te maken. De duisternis wijkt voor het licht der genade.
Het woord van Jezus Christus wordt belichaamd in de daad der genezing van den man in het tekstverhaal. De man die genezen is, kan staan, gaan, dragen, heengaan en God loven! Zöö kan Jezus Christus het maken. â Hoe moeten wij tot de wetenschap komen dat de Zoon des menschen macht heeft de zonden te vergeven? Immers door eigen ervaring. Voor wij zelf vergeving van zonden bezitten, weten wij niet dat de Zoon des menschen de macht bezit om de zonden te vergeven.
11
En wat moeten wij daartoe doen? Ik zou vragen wat deed deze man? hij deed niets, en hij deed alles; hij vertrouwde zich geheel toe aan de macht en de goede bedoeling der liefde. Christus las in zijn hart schuldgevoel, schuldbelijdenis, hoop, en heilsverwachting. Zelfs zwijgen wil Hij hooren, als wij slechts komen en ons laten dragen. Vergeving en genezing is beide Gods werk. De man uit het Evangelieverhaal wordt beide deelachtig, door één enkel woord van den Heer; tot onderrichting der omgeving, tot beschaming der vijanden, tot eer van Grod.
Wij hebben hier een zee van gedachten, nedergelegd in enkele verzen, en in dit tekstvers bovenal.
Wij moeten weten dat niemand de zonden vergeven kan dan God alleen.
Wij moeten weten dat door God aan den Zoon des menschen deze macht is gegeven; en wel gegeven tot het heerlijkste doel: namelijk, om de wereld te winnen voor God, en van de koninkrijken dezer wereld eenmaal een eeuwigblijvend koninkrijk der hemelen te maken.
Om tot deze wetenschap te komen, is schuldgevoel, en schuldbelijdenis noodig; en daar is boven alles voor noodig, kennis van Christus woord, Christus macht, Christus werk, èn van Christus persoonlijkheid inzonderheid. Daar komt alles op aan; daar komt het bij ons op aan. Wij moeten weten hoe het bij ons staat met ons geloof in Jezus Christus. Rechte zondekennis is voor den zondaar het moeielijkst te verkrijgen, en te verdragen. Om de eenvoudige reden, hij zoekt ze niet en wenscht ze niet. Zondegevoel is er niet, daarom wordt de vergeving niet gezocht; of men vergeeft zich zeiven genadig de zonden, heel gemakkelijk en spoedig. Voor het lichaam doet men alles; om ziekte te voorkomen of te genezen gebruikt men middelen, houdt men dieet, doet men moeite, gebruikt men zoo noodig het walge-
12
lijkste middel, maakt men groote reizen, besteedt men groote sommen; maar, om voor de arme ziel de zoo noodige schuldvergeving te zoeken, dat niet; dat liefst nooit. Die arme gast laat men verhongeren en uitteren; die geeft men aan ziekte en dood gewillig prijs.
Het geloof alleen komt daar toe, en voor het geloof is niets te moeielijk; is niets onmogelijk; is niets te veel. Er is schuldvergeving, zij is bij Jezus alleen; tot Hem kunt gij, moogt gij, moet gij komen; zóó als gij zijt; arm, ongelukkig, onbekwaam tot eenig goed: niet eerst u bekeeren en dan tot Jezus, maar eerst komen tot Jezus, tot Jezus komen nu, en zooals gij zijt. Het ongeloof redeneert altijd, en in onzen tijd inzonderheid. Denk aan dezen kranke. Hij redeneert niet, maar gelooft. Hij laat zich dragen, en wordt niet beschaamd, maar gered en genezen.
Op het geloof komt alles aan. Wie gelooft zal komen tot het zeker weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven. Veel moogt gij niet weten, als ge dit eene dan maar wel weet. Die wetenschap is onmisbaar noodig voor leven en sterven, en is het hoogste wat ge op aarde weten kunt, en weten moet. Wat is het leven, wat zal het sterven, wat zal de eeuwigheid zijn zonder deze wetenschap? Maar waar die wetenschap nu onmisbaar noodig is, wat is het daar gelukkig dat we er bij mogen voegen, dat zij ook voor allen verkrijgbaar is. Om op aarde een wetenschappelijk man te worden hebt gij geld noodig, en veel geld ook. Maar wat het geld is in de koninkrijken dezer wereld dat is het geloof in het Koninkrijk Gods. Op aarde kan men voor geld veel verkrijgen, maar in Gods rijk is het geld geen gangbare munt. Toch is er wel éene overeenstemming aan te wijzen. Om een wetenschappelijk man te worden moet men lessen leeren, die soms zeer moeielijk zijn en zwaar. En om de hoogste weten-
13
schap in uw bezit te krijgea, zijn er ook lessen te leeren, en wel dit viertal: gij moet leeren afzien van u zeiven; gij moet leeren opzien tot Christus, gij moet leeren toezien voor de gevaren, en dan leeren vooruitzien naar de heerlijkheid. Wie deze lessen geleerd heeft wordt door God en de Engelen en door alle zaligen in den hemel als een wetenschappelijk man aangezien. En deze wetenschap is vast gegrond. Menige wetenschap die door hare beminnaars beoefend wordt, rust niet op eenen vasten grond, maar op den zandgrond van Hypothesen of vooronderstellingen. En zulk een grond ontzinkt vaak hier op aarde reeds, maar voor de eeuwigheid zeer zeker. De hoogste wetenschap mag niet en kan niet op vooronderstellingen rusten; zij mag ook niet rusten op uw gevoel, of uw geloof, op uw gebed of op uw berouw, óók niet op uwe tranen en boetedoeningen, op uwe kennis of deugd; maar eenig en alleen op den vasten grond van het eeuwig blijvend Evangeliewoord. Dat Woord blijft, dat Woord zal niet wankelen, dat Woord wederstaat alle aanvallen, den tand des tijds, de macht der hel.
Wie op dat Woord bouwt, zal niet op een onzeker misschien bouwen, maar hij weet zeker, hij weet bij ervaring, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde om de zonden te vergeven. Voorwaar, voorwaar deze macht is Jezus heerlijkste macht, Jezus hoogste macht, Jezus heilrijkste macht. De macht om de zonden te vergeven is Hem gegeven, en Hem alleen; en Hij heeft in ons teksthoofdstuk van die macht gebruik gemaakt tot onderrichting zijner omgeving, tot beschaming zijner vijanden, en bovenal tot eer van God. En wat Hij toen deed, doet Hij nog nu, en wil Hij doen voor u. Dat is het Evangelie der genade dat Jezus Christus de zonde vergeeft, aan allen die tot Hem komen. Geloof dat om. uws zelfswil, en om Christus wil, en gij zult, ervaren hoe gezegend deze wetenschap is in hare gevolgen, voor den
14
bezitter, en voor de wereld. Immers die weet vergeving van zonden gevonden te hebben bij den Zoon des menschen, kan met blijdschap heen gaan, en den nieuwen levensweg bewandelen? Nu hij van al het zijne leerde afzien en tot Jezus leerde opzien, wil hij blijven toezien, dat hij niet verachtere in de genade; en toezien óók, dat niet eenige wortel der bitterheid opwaarts spruite en beroering voort-brenge waardoor velen verontreinigd worden. Zóó levende in kinderlijke vreeze en afhankelijkheid van God, mag hij blijmoedig vooruitzien naar het eind van den strijd; naar de kroon der rechtvaardigheid; naar het vaderland der rust. En op zijnen reisweg mag de christen getuigen:
Wat vreè heeft elk die uwe wet bemint.
Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten ;
Ik lieer, die al mijn blijdschap in U vind,
Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten;
Ik doe Uw geboön oprecht, en wel gezind, Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.
Maar niet alleen voor den bezitter is de hoogste wetenschap gezegend, maar ook voor de wereld. Want zij, die weten dat hunne zonden vergeven zijn, trachten anderen ten zegen te worden. Zij zijn lichten voor do wereld, zij zijn het zout der aarde, zij redden wat te redden is. De Christelijke liefde openbaart zich in allerlei werkzaamheid. De medelijdende liefde is het beginsel der Christelijke zending. De liefde van Christus is de groote drijfveer tot al wat edel en goed en menschlievend is. Vraagt gij wie het zijn die Kerken en Evangelisation bouwen, wie huizen stichten voor weduwen en weezen, verwaarloosden en afge-dwaalden? wie scholen stichten zelfs voor doofstommen, en Grods Woord leeren lezen zelfs door blinden? Wie onze Zondagsscholen en Knapenvereenigingen, Jongelings- en Jonge-
15
doclitersv-ereeuigingen, Tehuizen voor Militairen en Zeelieden in het leven riepen?
Het zijn die menschen, die weten dat de Zoon des menschen macht heeft, op de aarde de zonden te vergeven.
En zij hebben die wetenschap verkregen door persoonlijke ervaring van de heerlijke, heilrijke, gezegende macht van Jezus Christus, en door het inwendig getuigenis van den Heiligen Geest, toen zij leerden gelooven in het getuigenis Gods in de Heilige Schriften.
Wel mag de dichter van den 32stcn Psalm uitroepen: Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is; welgelukzalig is de mensch dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is. Opdat dit schoone woord, ook uw woord, uw lievelingswoord worden moge: Kom, kom tot Jezus! Kom zoo als gij zijt! Kom nu! Zeg tot Hem: wij komen tot U, want Gij zijt de Heere onze God, neem weg alle ongerechtigheid, en geef ons het goede, dan zullen wij betalen de varren onzer lippen! En gij zult het ervaren dat Hij ook nu tot u wil spreken: Zoon, of dochter, wees welgemoed uwe zonden zijn u vergeven. Amen!
De grootste schat, en het heerlijkste voorrecht.
Handelingen 20 : 24.
Het heeft Grode behaagd raenschen door menschen te winnen, voor Zijn hemelsch koninkrijk.
Als daar een heidensche Cornelius is, wiens gebeden en aalmoezen ter gedachtenis zijn opgeklommen voor God, dan wordt er een Engel tot hem gezonden met het woord: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Petrus, die u zeggen zal wat gij doen moet, eu u woorden der zaligheid zal spreken. Maar zelf mag de Engel het Evangelie niet verkondigen, en als Engel kan hij dat ook niet doen. Maar éénmaal is het aan een Engel vergund geweest den dienst van Evangelieprediker te vervullen; het was aan den Paasohmorgen, toen de Engel tot de vrouwen die Christus graf bezochten zeide: Zijt niet bevreesd ik weet dat gij zoekt Jezus den Nazarener, die gekruist was. Hij is opgestaan, Hij is hier niet, ziet de plaats waar de Heer gelegen heeft; maar gaat heen, en zegt Zijnen Discipelen, en Petrus, die door zijn berouw ook in de Engelenwereld bekend was, dat Hij u voorgaat naar Galilea, aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.
Daar begint dus alreeds de liefdedienst door menschen
17
aan menschen bewezen, om elkander den weg tot de Zaligheid in Christus te wijzen.
Engelen zijn nooit verloren geweest, Engelen verblijden zich in onze behoudenis, maar zij weten niet wat het zegt gered te worden voor de eeuwigheid. Aan anderen het Evangelie der genade Gods te mogen verkondigen, wanneer wij zelf dat Evangelie der genade Gods hebben aangenomen, dat is de grootste schat, dat is het heerlijkste voorrecht.
Laat dat mijn onderwerp zijn voor deze ure.
Gij vindt mijnen tekst in Handelingen 20 het 24ste vers, waar wij lezen:
Ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mij zeiven, opdat ik mijnen loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welke ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der Genade Gods.
Het u voorgelezen Schriftwoord wijst ons op;
De levenstaak van den leeraar,
De levensles voor den christen,
De levensbehoefte van den zondaar. De levensvervulling voor de monschlieid,
Den troost en rijkdom der gemeente.
Gods Geest zij met uwen en mijnen geest in spreken en hooren, Gode tot eer, onze zielen tot heil en zaligheid. Amen.
De levenstaak van den leeraar is zeer gewichtig, mijne hoorders, want wanneer die taak met ernst wordt opgevat, omvat zij niet minder dan dit: Het Evangelie der genade Gods te betuigen aan allen; klein en groot, rijk en arm, aanzienlijk en gering, en wel zóó, dat door hem niets worde
18
achtergehouden van don vollen raad Gods. Daarbij moet hij acht hebben op zich zeiven, en op de geheele kudde, waarover de Heilige Geest hem tot opziener gesteld heeft. En om dat alles waarlijk te kunnen volbrengen moet hij met Paulus kunnen zeggen: Ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mij zeiven, opdat ik mijnen loop inet blijdschap mag volbrengen, en den dienst welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.
Op geen ding achten dat is, niet te zien op rang of stand, bij de menschen aan wie men het Evangelie verkondigt. Dat is, niemand te ontzien hoe hoog ook geplaatst; maar â dat is ook, zich zeiven niet te ontzien, maar altijd bereid en gewillig te zijn voor den dienst van den Heere Jezus waar en wanneer, en waartoe Hij ons roept. Geen beter voorbeeld tot onze verootmoediging en beschaming dan Paulus zelve. Getuige het u voorgelezen schriftdeel bij den aanvang van onze godsdienstoefening. Ziet hem daar henen trekken van stad tot stad, van land tot land, onder lijden en moeite vaak, maar geen lijden of moeite ontziende, om paarlen te winnen voor de middelaarskroon van Jezus Christus.
Tot laat in den nacht blijft hij prediken zoo het noodig is, en den volgenden morgen zet hij zijne reis weder voort naar Assus, en van daar naar Mitylene, naar Chios, Samos, Trogylion en Miléte, om op laatstgenoemde plaats, een aandoenlijk afscheid te nemen, van de ouderlingen der Gemeente van Ãpheze. Neen Paulus achtte niet op eenig ding, en hield zijn leven niet dierbaar voor zich zei ven.
Steeds was hij bereid om den Heere Jezus te belijden, te dienen, zoo noodig voor Hem te lijden; altijd en overal betuigende het Evangelie der genade Gods.
Het Evangelie, dat is de blijde boodschap van Gods liefde
19
en genade, dat is de verkondiging van het heuglijk feit op Golgotha geschied tot onze redding on eeuwige behoudenis.
Het Evangelie zegt ons wat God heeft gegeven, en wat Jezus Christus heeft gedaan tot ons eeuwig heil.
Stelsels vallen, maar feiten blijven, en het Evangelie dei-genade Gods rust op het heerlijkste feit, den zoendood van Gods Zoon, Jezus Christus onzen Heer.
Dat Evangelie is aangevallen, verguisd, verloochend, maar het wordt nooit vernietigd. Jezus Christus is verheven boven eiken aanval, en Hij blijft eeuwig dezelfde.
Paulus betuigde het Evangelie der genade Gods, want dat Evangelie is onmisbaar voor den zondaar, onschatbaar voor den christen, en duurzaam tot in alle eeuwigheid.
Paulus betuigde dat Evangelie: Getuigen, dat is verslag geven, rekenschap afleggen van hetgeen geschied is, en door ons gezien, gehoord, of ervaren werd. Maar betuigen is meer. Het is een betoog leveren om anderen tot overtuiging te brengen. Betuigen is dus niet alleen iets verklaren of berichten, maar een beroep doen op het gemoed van den hoorder, zooals in 2 Corinthe 5: 20 waar Paulus zegt: Zoo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christuswege, laat u met God verzoenen.
Steeds was van Paulus Apostolische prediking de genade Gods in Christus hoofdinhoud, grondslag, en karaktertrek en de levenskracht der gemeente is aan die Apostolische prediking verbonden. Want die prediking is de bron van de levenskracht, den levensduur, en de levensvrucht van de gemeente van Jezus Christus.
Laat men brandstapels bouwen, schavotten oprichten, laten er bloedstroomen gutsen en tempels in vlammen opgaan, laat men bloedbruiloft houden en menschen moorden ter meerdere eere Gods; in de kracht van het Evangelie der genade
20
Gods zegt de Gemeente: Luctor et Emergo: ik worstel en ontkom.
De gemeente komt door eiken strijd, door ieder bloedbad, door elke nederlaag als een Feniks verjongd en vernieuwd weder te yoorschijn.
En dat niet alleen, maar lijden en strijd, getuigen en betuigen draagt vrucht.
ȟit iederea nacht rijst een nieuwe morgen, uit iederen ondergang eene opstandingquot;. Ja waarlijk, het bloed der martelaren is het zaad van Gods kerk geworden.
De dood der martelaren toonde de dood-en-graf overwinnende kracht der genade Gods.
»Genadequot; in dat eene woord wordt de prediking van Paulus, de roem des christens, de behoefte van den zondaar, de rijkdom der gemeente te zamen gevat, want terwijl wij in ons zeiven hopeloos, hulpeloos en reddeloos zijn, is die genade onontbeerlijk en onschatbaar.
Die genade toch, verlicht hoofd, èn hart, èn leven. Die genade vergeeft alle zonden en schuld. Die genade rechtvaardigt den zondaar voor God, en geeft hem de zekerheid van het kindschap Gods te ervaren.
Die genade vernieuwt het hart, vertroost in droefheid, doet het kwade medewerken ten goede, doet roemen in de verdrukking, ja roemen in de hope der heerlijkheid Gods.
Die genade geeft bevrediging des harten met lot en leven. Zij leert ons Gods beloften van harte gelooven en dankbaar waardeeren. Zij leert ons Gods wetten te betrachten, en werkt eene bekeering die onberouwelijk is en tot zaligheid leidt.
O die genade te betuigen moge de levenstaak van den leeraar zijn, die genade te leeren kennen en waardeeren, is de levensles voor den christen, die, alleen door de genade vast te houden, in staat is om Gode te dienen met eerbied en godvruchtigheid.
21
God heeft die genade beloofd, zij wordt door Gods Geest in het hart gewerkt, op het gebed verkregen, en door Jezus Christus bereidwillig geschonken.
Die genade leidt en leert ons, en sterkt ons in den strijd. Laat ons echter toezien, dat wij in den geestelijken strijd nooit gebruik maken van vleeschelijke wapenen.
Laat ons vasthouden aan het Evangelie der genade Gods alleen, en niet aan stelsels en leeringen van menschen, niet aan uitspraken van Conciliën en Kerkvergaderingen, maar aan het Evangelie der genade Gods in Jezus Christus. Dat zal tot zegen zijn voor onze harten en huizen, voor onze vrouwen en kinderen, voor Kerk en Staat en Maatschappij. Laat ons dat Evangelie betuigen, als de levensbehoefte voor den zondaar, aan onze medezondaren.
Alles kunnen zij missen als het noodig is, maar het Evangelie der genade Gods kunnen zij niet missen. De levensbehoefte vindt geen vervulling in wetenschap en kunst, in wereldsche grootheid of aardsch zingenot. Oók niet in eigengerechtigheid, óók niet in werkheiligheid, of in meerdere heiligheid, maar in het Evangelie der genade Gods alleen.
Het ongeloof heeft door de menschen het Evangelie te ontnemen hun den hemel ontnomen, is het wonder dat zij nu ten minste de aarde willen hebben?
Maar de gemeente van Christus moet het Evangelie weder hoog houden en het weder tot aller harten brengen, dan vinden de menschen den hemel weder en zij zullen niet langer aan de aarde en het aardsche blijven hangen.
Laat ons, om anderen te behouden, om zondaren te redden, dan ook met Paulus zeggen; Ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mij zei ven, opdat ik mijnen loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.
22
Het Evangelie moet in ons vruchten dragen anders zijn wij gelijk aan de gemeente te Sarde s waarvan de Heer zeide: gij hebt den naam dat gij leeft maar gij zijt dood.
Hebben wij zelf in het Evangelie ons heil gevonden, dan daarin ook den zegen voor anderen gezocht, en niet verzuimd, want de tijd is kort.
Strijdt den goeden strijd van het geloof, voor het geloof, door het geloof. Steunt het werk der Christelijke Zending; uit- en inwendige Zending; en iederen arbeid in Gods rijk. Onthoud uwe gaven niet waar die noodig zijn, maar bovenal laat uw gebed voordurend opstijgen naar boven. Indien er meer werd gebeden, en meer werd gewerkt, dan zou men minder anderen berispen en bedillen; en er bleef geen tijd over om te twisten.
Laat ons medearbeiders Gods zijn, en medearbeiders met onze leeraars en voorgangers, hun tot steun en tot vreugde en anderen ten zegen.
Het Evangelie is de levensbehoefte voor den zondaar, maar het is meer nog dan dat; het is de levensvervulling voor de mensehheid. Leven is er alleen in de gemeenschap met God, en die gemeenschap is alleen mogelijk in endoor Jezus Christus, ons door het Evangelie verkondigd.
In Hem is heil, in Hem is zaligheid, in Hem is redding en leven, en schuldvergeving, en kracht tot deugd.
In Hem geloovende loopen wij en worden niet moede, wandelen wij en worden niet mat; maar wij betuigen met blijdschap: Zijn geboden zijn niet zwaar.
Er is voor jood noch heiden leven en heil dan alleen in het Evangelie der genade Gods in Christus. Zonder Christus blijft het hart onbevredigd en vreemd van het leven Gods.
Een hart zonder Christus, een wereld zonder Evangelie, is als een kamer zonder licht, een schepping zonder zon; leven en vroolijkheid ontbreken.
23
Ach arm hart zonder Christus, arme mensch zonder God, met al de schatten der aarde blijft gij toch de armste van allen.
Maar Jezus leeft, die u rijk en gelukkig kan maken. Zijn wensch is uw geluk. â Veel tijd zou er noodig zijn om u alles te zeggen van Jezus, wat er van Hem gezegd kan worden, maar alles wordt u gepredikt in het Evangelie.
O wil dan dat Evangelie waardeeren, zorg dat uw Bijbel niet onder het stof bedolven ligt, maar lees Gods woord; wil het onderzoeken en doorzoeken, en gij zult de genade Gods leeren kennen bij biddend onderzoek der Heilige Schrift.
Het Evangelie der genade Gods is de troost en de rijkdom der Gemeente, want, met dat Evangelie kan de Gemeente getroost zijn in leven en sterven.
Met dat Evangelie staat de Gemeente als op een rots geplant, en kan door de gansche macht der hel niet overweldigd worden. Met dat Evangelie zijn wij meer dan overwinnaars in eiken strijd ja reeds zeker van de overwinning voor den strijd.
Laat veel ons ontvallen, en veel ons ontzinken, laten velen ons verlaten, of tegen ons zich keeren; laten golven van smart over ons hoofd gaan, en een zwaard ons de ziele doorboren, zooals soms geschiedt in ons leven; toch blijft het Evangelie onze steun en onze troost, in lijden en smart, in dagen van duisternis en doodsgevaren. Het Evangelie droogt de tranen der bedrukten, en het heelt de diepste zielewonden, het Evangelie der genade Gods heeft als een hemelsche balsem de schrijnende wonden der menschheid verzacht.
Het Evangelie is de rijkdom der Gemeente; laat het u daarom nooit ontnemen, laat het u nooit ontrooven, noch door de mannen der zoogenaamde wetenschap, noch door dweepers met een leerstuk of stelsel.
24
Wie het leven zijner ziel heeft verloren gaat zijn troost zoeken in de leer, maar te vergeefs. Het leven, en de zaligheid onzer zielen is alleen te vinden in het Evangelie der genade Gods. Bewaar dan dien schat o Gemeente! en laat er eenmaal het moede hoofd op neder zinken om te sterven. â Op het sterfbed bestaat onze geloofbelijdenis slechts uit maar één enkel, kostelijk, nooit genoeg te waar-deeren woord: het woord »genadequot;.
Leef daarmede, en sterf daarmede, dan is alles wel voor eeuwig. Amen.
De wedergeboorte onze behoudenis.
Joh. 3 : 5â12.
Er is in veler hart in onzen tijd een gevoel van behoefte aan verandering ten goede, aan eene zekere hervorming. Men wenscht die hervorming te zien komen op kerkelijk, en maatschappelijk gebied; maar niet minder voelt men daar behoefte aan op het gebied des geestelijken levens, en uit menig hart gaat wellicht de bede omhoog: Och of Gij de hemelen scheurdet en dat Gij nederkwaamt! Dit is zeer goed, en ook niet onvruchtbaar, en de Heer wil dat gebed ook verhooren, maar alleen in Zijnen weg. Wij hebben geen nieuwe Uitstorting des H. Geestes te verwachten; even als er geene schepping meer te verwachten is. De Heilige Geest is uitgestort, en woont in de Gemeente, en werkt door de Gemeente op de wereld. Hij komt tot ons door de prediking des Woords, Hij komt tot ons op het gebed, maar voor gij iets kunt ervaren van Zijne leiding, onderwijzing en vertroosting, is één ding noodig: Gij moet worden wedergeboren; en eer er verandering kan komen in de Christenheid moeten de menschen worden wedergeboren. Wij kunnen de wereld niet veranderen, wij kunnen de menschen niet bekeeren, maar de Heilige Geest kan het.
2G
wil het, en zal het doen; maar Hij zal het doen door onzen dienst. quot;Wij hebben ons zeiven af te vragen: Waarom de Heer zoo op de wedergeboorte aandringt? wat de Heer met wedergeboorte bedoelt? en of het werkelijk mogelijk is wedergeboren te worden? Wanneer wij van deze dingen eerst zelf overtuigd zijn, dan zullen wij ook anderen trachten te overtuigen, dat de wedergeboorte mogelijk is; noodzakelijk is; en gezegend is; ja het eenige middel tot ons behoud, voor tijd en voor eeuwigheid. In Joh. 3 vers 3, zegt de Heiland; Voorwaar voorwaar zeg ik u, tenzij dat iemand wedergeboren worde hij kan het koninkrijk Gods niet zien. In vers 5 hebben wij gelezen: Voorwaar voorwaar zeg ik u: Zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan het koninkrijk Gods niet ingaan. En in het 7de vers is het nog eenmaal: Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet wedergeboren worden. Zoo dringt dan de Heiland herhaalde malen op de wedergeboorte aan. En laat ons nu letten op dat: gijlieden moet wedergeboren worden. Jezus Christus heeft geen wedergeboorte noodig. De geboorte uit Maria is voor Hem, wat de wedergeboorte is voor ons. Door Zijne geboorte daalt Hij tot ons neder, door de wedergeboorte voert Hij ons tot zich op. De Bijbel leert ons, en de ervaring kan het ons bevestigen, dat er overal twee soorten van menschen worden gevonden: Geestelijk dooden, en dezulken die levend zijn gemaakt. Wij noemen ze gewoonlijk: bekeerden en onbekeerden, geloovigen en ongeloovigen, heiligen en onheiligen, vrienden des Heeren en vijanden Gods; medearbeiders Gods en tegenstanders van de Waarheid. Maar de Bijbel leert ons ook dat onbekeerden, bekeerd zijn geworden. Denk slechts aan Jakob, die een vorst Gods werd, aan Eachab de hoer van Jericho, dieeene moeder in Israël werd; aan Manasse die bekeerd werd in den kerker te Babel; aan den moordenaar die het Paradijs mocht
27
binnengaan. Aan Johannes die nooit de tiende ure kon vergeten; aan Paulus die staande gehouden, op den weg naar Damascus, van een wolf in een lam werd veranderd. De Schrift leert ons daarbij, dat niet slechts enkele menschen, maar alle menschen, deze groote verandering noodig hebben; dat is, dat zij moeten wedergeboren worden. En wanneer wij nagaan wat de H. Schrift van de menschen die buiten God leven getuigt, dan zullen we niet langer twijfelen of de wedergeboorte noodig is. Gods woord zegt ons eerlijk en oprecht wie, en wat wij zijn. Het gedichtsel der gedachten des harten is te allendage alleenlijk boos. Uit het hart komen voort booze bedenkingen, dieverij, boerderij, twist, moord, afgunstigheden, venijngeving. En in Romeinen 3 wordt ons een portret van het innerlijk en uiterlijk leven des menschen gegeven waarvan ge terug schrikt; en toch is het zoo waar. Er is niemand rechtvaardig, er is niemand die God vreest, er is niemand die goed doet, ook zelfs niet een. Allen zijn ze afgeweken, allen zijn onnut geworden. Maar waar de Schrift ons deze dingen leert, daar vindt men dat alles zeer overdreven; vooral den eisch dat ieder mensch persoonlijk moet worden wedergeboren. Men zegt wedergeboorte is goed en noodig, voor de heidenen, die God niet kennen, en stomme beelden aanbidden, en ruw leven in moord en diefstal en hoererij.
Ook is wedergeboorte noodig voor de Joden die God wel kennen maar den Christus verwierpen, en blijven verwerpen tot nu toe. En dan is wedergeboorte ook noodig voor de vloekers en de dronkaards, de ontuchtigen en de dieven en al zulk volk. Maar dat is immers niet noodig voor ieder fatsoenlijk man of vrouw? Stel dat het zelfs nog noodig is voor den jongeling, die eerst op verkeerde paden gewandeld heeft, dat hij als een verloren zoon tot den Vader wederkeert; maar voor een zedelijk mensch, die bijvoorbeeld reeds
28
een veertigtal jaren bereikt heeft, kunt gij toch niet staan met den eisch; gij moet worden wedergeboren of gij kunt het Koninkrijk Gods niet ingaan?
En toch, mijne vrienden al waart ge zoo vroom als Job, en al waart ge reeds tachtig jaren, gij moet bekeerd, gij moet wedergeboren worden. De zonde is in alle menschen ingeboren, aangeboren, allen zijn bedorven, tot in den grond van hun hart. Zonder geloof is het niet mogelijk Gode te behagen; zonder hoop is het leven de moeite niet waard; zonder de liefde is ook de beste daad zonder waarde; maar om het leven te leeren kennen, dat zich in geloof, hoop en liefde ontplooit, is eerst de wedergeboorte noodig. Wat baat het of men groote huizen bouwt, als de fondamenten niet deugen? dan wankelt het geheel, en de instorting brengt schade en verdriet. Welgelukzalig de mensch die, als het woord tot hem komt: Gij moet wedergeboren worden, zult gij het Koninkrijk ingaan, zich zei ven niet tracht te handhaven, maar met aandacht hoort naar hetgeen God hem heeft te zeggen. De een meent dat hij wat meer moest leeren, wat meer kennis vergaderen, dan zou het goed zijn; een ander wil meer stichting; een derde meer Christelijke werkzaamheid; meer vroomheid en minder kwaad; maar al dit genoemde is lapwerk, en geen ware vernieuwing. Slechts in waarheid, niet in schijn, weergeboren moet men zijn. Een nieuw hart is er noodig; een nieuw leven; een nieuw karakter; daarom moet men weder kind worden, door wedergeboren te worden; derzulken is het Koninkrijk der hemelen. Wat wij moeten worden is dit, kinderen Gods; dienaren van Christus; wijzen tot een dwaas worden wellicht; want de wijsheid Gods is altijd dwaasheid in de oogen der menschen. Geboren te worden daar kan niemand om vragen; God doet u geboren worden. Zoo kan een mensch ook zich zeiven niet vernieuwen. Geboorte en wedergeboorte zijn van God
29
alleen, maar om de wedergeboorte kunt gij vragen, die kimt gij van God afbidden. En dan weet ge dit vooraf reeds zeker, dat de wedergeboorte mogelijk is; zelfs voor den slechtsten, den zondigsten, den diepstgezonkensten mensch. De wind blaast waar heen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar weet niet van waar hij komt, of waar hij heen gaat; maar gij ziet wat hij vermag; de kracht die hij ontplooit; en zoo blijkt het werk van den H. Geest in den mensch die wedergeboren wordt.
Het begin van het nieuwe leven is klein, maar leven moet er zijn, dan zal het zich wel verder ontplooien. Dit is nu het werk van den H. Geest van het begin tot het einde. Twee dingen zijn noodig tot ons behoud, de dood van den Godmensch, en de geboorte van den nieuwen mensch. Opdat de Christus zou kunnen sterven wekte de H. Geest in Maria het leven van den Christus Gods. En opdat wij eeuwig zouden kunnen leven, brengt de H. Geest onzen ouden Adam in den dood; wat uit dien dood nu geboren wordt, kan den dood op elk gebied overwinnen. Wij zijn geboren hier beneden uit water, wij worden geboren van boven uit Geest, dat is de wedergeboorte. God is onze Vader, het hemelsch Jeruzalem onze moeder, Christus wil de hemelsche bruidegom onzer ziel zijn, en het leven door Hem gewekt, is de nieuwe mensch, het nieuwe schepsel, de nieuwe schepping; een heerlijk deel van het groote geheel, de nieuwe mensch-heid, die eenmaal als de bruid des Lams voor Gods troon zal staan. Noodzakelijk is de wedergeboorte, wonderbaar is zij, maar Gode zij dank ook mogelijk. Ga in tot uwen doop, leer uwen doop recht verstaan, dan gaat ge werkelijk op nieuw in datgene waaruit gij zijt geboren; en uwe geboorte uit water, zal gevolgd worden door uwe geboorte uit den H. Geest.
De geboorte maakt ons niet tot man, maar stelt het kind
30
op deze wereld in de zichtbaarheid, dat nu moet worden opgevoed, geleid, onderwezen, en bekwaam gemaakt, voor de later te vervullen taak des mans. Zoo maakt de wedergeboorte ons niet reeds tot volmaakten, maar tot nieuwe menschen, die als nieuw geborenen moeten gevoed worden. Zijt gij wedergeboren? is het nieuwe leven in u aanwezig? al is het nog zoo zwak, en nog zoo klein, en nog zoo gering, vreest niet; indien gij maar zeer begeerig zijt naar de zuivere en onvervalschte melk van Gods Woord. Dat Woord moet niet worden aangelengd, niet verdund, niet vermengd, niet vervalscht, maar zuiver worden toegediend en genomen; dan zal de nieuwe mensch krachtig worden gevoed, met de krachten der eeuwigheid, en later ook wel de vaste spijze kunnen verdragen. Men moet echter jong geborenen geen harde dogma's te slikken geven, want dan stikken ze inde brokken die alleen voor ouderen geschikt kunnen zijn. Zijn er zulke ouderen hier, dan bied ik hen gaarne ook vaste spijze aan, door hen het volgende ter overweging te geven. De eerste mensch Adam had een lichaam, tij werd eene levende ziel, en hij moest worden geest. Wat hij verloor is door Christus herwonnen en hersteld. Christus de tweede Adam had een lichaam, eene ziel, en een Geest; dat lichaam is voor ons verbroken, die ziel heeft Hij voor ons uitgestort in den dood, en van Zijnen Geest heeft Hij ons gegeven. Door dien Geest heeft Hij ons levend gemaakt, en dat leven wordt nu door Hem gevoed en versterkt in het Avondmaal, waar wij het vleesch van den Zoon des menschen eten, en Zijn bloed drinken; wie dit niet doet, heeft geen leven in zich zeiven; en heeft aan de opstanding ten eeuwigen leven geen deel. Geen deel aan de heerlijkheid, maar aan het eeuwig afgrijzen. De wedergeboorte is noodzakelijk, de wedergeboorte is mogelijk, en de wedergeboorte is gezegend, voor tijd en eeuwigheid; laat ons dit nog overwegen. De weder-
31
geboorte heeft plaats op het oogenblik als de ziel des men-schen den blik slaat op het kruis; even als een kind reeds leeft voor Gods oog voor de geboorte, zoo leeft het toch eerst voor de wereld, nadat het geboren werd; en die dag blijft levenslang gedacht en gevierd.
Zoo ook is daar reeds Goddelijk leven in de ziel die bidt om genade, treurt over zonde en schuld, hoopt op behoudenis, en zoekt naar vrede en vergeving. Maar zulk een mensch kan nog niet zeggen: Abba Vader! want hij voelt zich nog verloren, weet zich nog niet gered, weet zich nog niet wedergeboren. Maar door een blik op het kruis is er leven en heil, dan valt het zondepak in het graf van Christus, dan voelt men zich in de ruimte gezet, dan kan men juichen: Ik ben verlost door ü mijn Heiland, en door Uw bloed kocht Gij mij vrij. Dan kan men getuigen:
'k Ben 't eigendom van 's Vaders Zoon,
En zal het eeuwig leven erven,
Dat is mijn lust, mijn hoop, mijn kroon.
Mijn leven als ik sterve.
Van dat oogenblik af aan is alles anders geworden. Dan is do teedere kiem daar, die bloesem en vrucht voorspelt. Dan wordt de vonk van het liefdevuur gezien, die tot een vlam kan worden. Dan is de bron ontsprongen die tot eenen breeden stroom eenmaal worden zal. Wel is dit leven nog teeder en veel zou satan aan dit teedere leven kunnen bederven; maar het staat onder Goddelijke hoede. Wat uit vleesch geboren is dat is vleesch, en wordt door hem en haar die zeggen dit is vleesch van mijn vleesch, en bloed van mijn bloed, bewaard en beschut, gevoed en geleid. Maar wat uit den Geest geboren is dat is dan ook Geest, en het wordt beschut en behoed, gevoed en geleid, onderwezen en bekwaam gemaakt door den Vader der geesten, die in den
32
verlosten zondaar Zijn kind en beelddrager ziet, en eert, en hem als zoodanig door Engelen laat behoeden, door den Heiligen Geest laat leiden, en onderwijzen. Wat wordt zulk een mensch nu gelukkig! De leeuw wordt een lam, de toornige wordt zachtmoedig, de wellustige wordt kuisch, de gierigaard wordt weldadig, de onmatige wordt onthouder, de stuursche mensch wordt vriendelijk, die allen afstiet trekt nu ieder aan. De vijand is in een vriend veranderd, de vervolger der gemeente wordt een ij veraar voor de uitbreiding van het Koninkrijk Gods, die in werkheiligheid de Pilatustrap beklom leert roemen in de regtvaardigmaking door het geloof. De doorn wordt een dennenboom, en de distel wordt een mirteboom, en het arme menschenhart wordt een hof van Eden.
De mensohelijke natuur wordt niet ten onder gebracht, maar de oude kracht komt onder het bestuur van een nieuwen meester. Petrus blijft voortvarend, en Johannes blijft bedaard, maar zij gaan voortaan te zamen, en zijn tot een zegen voor elkander. Lukas blijft een man van studie en Paulus blijft de diepe denker en redenaar, maar gaven en krachten, talen en genie worden gesteld in den dienst van den gekruisten Verlosser der wereld. Vorsten blijven Vorsten, maar die de kerken eerst verwoestten laten later tempels bouwen: en de dichter die zijn goden en helden bezong, wijdt voortaan zijn harp aan het kruis. Nicodemus die in den nacht tot Jezus kwam, komt op den dag om Hem na Zijn dood te zalven. De mensch heeft in hem den strijd gevoerd tegen den farizeër, en Gods genade deed den mensch de overwinning behalen; en nu geeft zijn persoon, ambt,en stand te meer waarde aan zijn daad op Golgotha.
Wij behooren ons zeiven af te vragen of wij wedergeboren zijn; er hangt te veel van af; ons eeuwig heil is er mede gemoeid. Velen meenen dat zij wedergeboren zijn, en
33
zijn het niet; de Christennaam maakt ons nog geen Christenen. Al zijn wij geboren in een christenland en christelijk opgevoed, al zijn wij gedoopt en lidmaten eener gemeente, al leven we onberispelijk, gaan trouw ter kerk, en aan het Avondmaal, al geven we voor de armen en de kerk, de Evangelisatie en de zending, en voor allerlei gestichten van weldadigheid; onze naam op de lijst van weldadigen bewijst nog niet dat onze naam in het boek des levens staat geschreven. Men kan een doode wel wasschen en kleeden, maar niet levend maken, dat kan God de Heer alleen. Mam-die levend werd weet het wel, en gevoelt het wel, en zegt het ook wel: ik was dood, maar ik ben levend geworden; ik was verloren, maar ik ben gevonden; God is mijn Vader, Christus is mijn Verlosser, mijn Heer, ik werd door genade herboren. Nu ben ik hier een vreemdeling en bijwoner, en mijn Vaderland en Vaderhuis, mijn Koninkrijk is in den hemel. Ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en wat ik nu leef, dat leef ik door het geloof in den Zoon van God, die zichzelven heeft over gegeven tot in den dood, om mij, ja óók mij, en daarom, óók u te behouden. Er was redding in het bloed voor mij, nu weet ik, dat ook gij gered en behouden, en eeuwig zalig kunt worden. Dat is waar, maar ook noodig, voor u en mij. Amen.
Vrede door het bloed des Eruises.
Efeze 4: 1â6.
Als iemand u een zeer vriendelijk verzoek doet zult gij daaraan voorzeker zoo het u eenigszins mogelijk is gaarne voldoen, vooral wanneer dat verzoek u gedaan wordt door iemand aan wien gij veel verplichting hebt. Zoo komt dan ook tot de gemeente te Efeze een vriendelijk verzoek van den Apostel Paulus. Hij richt dat verzoek tot hen uit de gevangenis te Rome waar hij om Christus wil de banden verdraagt.
De Efeziërs hebben veel aan Paulus te danken, want met Efeze heeft de Apostel zijne Apostolische werkzaamheid geëindigd, toen hij nog vrij zijnde de ouderlingen tot zich liet komen te Milete, en met Efeze begint hij ook zijne werkzaamheid in de gevangenis. Hij heeft voor de Efeziërs gebeden zoo als een vader voor zijne kinderen bidden zou, zooals ons blijkt aan het einde van het vorige hoofdstuk. Hij buigt voor hen de knieën en bid tot God den Vader van onzen Heere Jezus Chistus, dat Hij hun geve, naar den rijkdom Zijner barmhartigheid met kracht versterkt te worden in den inwendigen mensch, opdat Christus door het geloof in hunne harten mocht wonen, en zij
35
in de liefde mochten geworteld en gegrond zijn. Maar nu hij voor hen gebeden heeft wil hij ook iets van hen bidden, dat is zeer dringend, en vriendelijk verzoeken. Ja hij wil hun dit verzoek op het harte binden, en dit verzoek vinden we in onzen tekst Efeze 4:1â6.
Wanneer de Heere God zielen redt evenals zulks in Efeze geschied was, dan moeten wij hen niet afstooten, of aan hunne bekeering twijfelen, maar hen in liefde ontvangen, alleen hun biddende dat zij hunne belijdenis niet ontsieren, maar dat zij wandelen mogen waardiglijk der roeping waar mede zij geroepen zijn. En bij dat wandelen, waardiglijk der christelijke roeping, behoort in de eerste plaats de ootmoed, waardoor wij anderen uitnemender achten dan ons zeiven, ^ bedenkende dat God den hoogmoedige wederstaat, maar den nederigen genade schenkt. Och ons arme ik is zulk een arm en zondig ding, dat zich veel, heel veel, inbeeldt, maar in werkelijkheid wel duizend redenen heeft voor een om zeer ootmoedig te zijn. Het dal van ootmoed ligt aan den voet van Golgotha, en in dat dal vloeien stroomen van genade. Wanneer wij goed hebben ingezien wat wij hadden verdiend, en wat Christus voor ons heeft geleden, dan moet al onze inbeelding wel wijken en bezwijken bij de erkentenis aan den dood ontkomen te zijn, en voor God geheel verdoemelijk te zijn in ons zeiven.
Maar uit die diepte ziet het geloofsoog omhoog, naar Hem die gezegd heeft: leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart en gij zult rust vinden voor uwe zielen.
Van Hem, den geduldigen Heiland moet men leeren hoe men in Zijne gemeente moet verkeeren in lankmoedigheid, verdraagzaamheid, en vergevende liefde, gelijk God ons in Christus vergeven heeft.
Er zijn in de H. Schrift van die enkele woorden die toch
36
zulk eene rijke beteekenis hebben, zulk een woord is te vinden Efeze 4 vers 3.
âü benaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band des vredes.quot;
Bij alle scheiding is er toch een éénzijn, bij allen twist toch éen band die alle Christénen verbindt. Al kwam het volk uit verre landen hun harte smelt te zaam in een. Zoo wordt in een oud lied naar waarheid gezongen.
Daar is eene eenheid des geestes die gevonden wordt onder alle Volken en Natiën, bij allen die kennis aan genade hebben. Dat is in waarheid het Evangelisch Verbond. Er is geen droeviger strijd dan die tusschen broeders in Christus.
Strijd moet er zijn, dat kan niet anders; Christus brengt geen vrede zoo als de wereld die ons ten verderve zou voeren. Hij brengt altijd eerst het zwaard, en eischt van ons dat wij strijden zullen tegen goddeloosheid, ongeloof en huichelarij; die strijd is nuttig en noodig.
Geen strijd tegen broeders, maar wel tegen de zonde, óók als we die in het leven onzer broederen zien.
Verdraagzaamheid is goed, maar het kwaad niet te kunnen verdragen wordt door Christus geprezen.
Strijd tegen de zonde waar en in wie ook, dat is de goede strijd.
Het is een verachtelijk werk de zonde te sparen en te dulden, al was het ook in den man door vroomheid beroemd. Niettegenstaande dit alles is Christus toch gekomen om ook vrede te brengen en te verwerven, ja vrede in het bloed des kruises, want de straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden. En Hij zegt tot allen die Hem liefhebben en volgen in zelfverloochening en kruis: Mijnen vrede geef ik u. Mijnen vrede laat ik u; niet gelijkerwijs de wereld geef ik ze u, want, de wereld geeft schijnvrede, die door eeuwige onrust wordt
37
gevolgd; en Christus geeft waren vrede, dien niemand ons kan ontrooven. Hij wil de aarde tot een vrederijk maken, en Hij zegt in de bergrede: Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. Rampzalig moeten dan ook de onruststokers wel zijn al praten ze nog zoo vroom; het is moeielijk Kinderen Gods in hen te herkennen. God is de God des Vredes!
Napoleon zeide: Het keizerrijk is de vrede, maar het is ondergegaan in bloed en tranen.
Maar Christus komt het zwaard brengen en Hij eindigt met vrede te laten in huis en hart en omgeving.
Vrede op aarde, zoo zongen de Engelen; zoo wil God het zien; maar twist is er tot nu toe te vinden. Twist en verdeeldheid tusschen vader en zoon, moeder en dochter, man en vrouw. Twist tusschen zonen van hetzelfde huis, waar vrede moest wonen. Wat is dat treurig! Maar nog treuriger is het als er twist is tusschen zonen van hetzelfde Vaderland, of tusschen de volkeren der wereld, als het slagveld vol doode lichamen ligt en de aarde overdekt wordt mot bloed.
En toch is er niets treuriger dan twist tusschen Christenen, want zij zijn leden van één lichaam waarvan Christus het hoofd is.
Kan Hij zijn vrede geven, waar verdeeldheid is bij leden van Zijne gemeente of bij de Predikers van Zijn woord? Waar is de eenigheid des geestes? Waar de band des vredes? Paulus heeft bevolen dien band te dragen, hij die zelf ijzeren banden droeg om des Evangelies wille. Hij heeft het den geloovigen gebeden, zoo als onze tekst aantoont. Geloof, en hoop, en liefde is de stof waaruit deze band word gemaakt, en aan het kruis gebonden is die band de vaan des vredes.
De vrucht des Geestes is geloof. Evenals in de schepping veel liefelijks is te zien van de oorzaak en het verband der
38
vruchten onderling, zoo is het ook in het Koninkrijk Gods. Liefde is de oorzaak van elke vrucht in het bijzonder. Lankmoedigheid bereidt den weg voor de vriendelijkheid en de goedheid; getrouwheid leidt ons tot zachtmoedigheid en matigheid, zoo is elke trits van het driemaal drie deugden in Galathe 5 een keurig deel van het geurig geheel in den hof van onzen Heiland.
Laat ons zorg dragen dat de Heer als Hij in Zijnen hof komt, onder de edele vruchten ook geloof moge vinden. Het geloof is werkzaam door de liefde. De boom waaraan deze vrucht groeit is Christus, de hand die haar besnoeit is die van Zijnen Vader, de stroom die haar besproeit is de liefde van Zijnen Geest, in 1 Cor. 18 vinden wij eene beschrijving van de liefde. Liefde die den naaste kwaad doet is geen liefde maar vleesch. Liefde die verkoelt wordt spoedig haat; dat mag niet; de liefde moet toenemen, maar van al het onzuivere worden gereinigd door het gebed. Laat ons elkander liefhebben niet met de woorden en de tong, maar met de daad en de waarheid, feilen is mogelijk en elkander de feilen aantoonen is christelijk. Onnatuurlijke vroomheid is geen christendom, en onnatuurlijke liefde even min. Wij moeten in de liefde wandelen, dat is niet er in rondvliegen, en ook niet er in nederstorten, maar geleidelijk voortgaan met vasten tred. Laat ons meer leeren liefhebben in den Geest van Christus, dat is met verloochening van ons zeiven. Dan zal de van Godgewilde eenheid komen, maar geen eenvormigheid. De zon spiegelt zich in het water, en Christus wordt gezien in Zijn volk, maar in ieder persoon op eene andere wijze; dat hindert aan de eenheid niet.
Wij begeeren geen eenvormigheid voor de verschillende deelen van het godsgebouw; de Algemeene Christelijke Kerk is niet gebouwd op kazernestij], maar als het paleis des grooten Konings. God wil geen eenheid van Staatskerken,
39
maar eenigheid des geestes door den band des vredes, en om die te behouden moet men zich bevlijtigen. Want het is een lichaam en éen geest, gelijk gij ook geroepen zijt tot eene hoop uwer beroeping.
Eén Heer, eén geloof, eén doop, een God en Vader van allen, die daar is boven allen, en door allen, en in U allen.
Ik geloof in God den Vader, onzen Schepper.
In God den Zoon, onzen Verlosser.
In God den Heiligen Geest, onzen Voleinder.
Tegen die belijdenis stormt men in onze dagen aan. Laat ons die belijdenis vasthouden. Laat ons niet hangen aan deze of gene secte, of kerk, of genootschap, maar aan Jezus Christus alleen.
De regtvaardigmaking door het geloof is de schat der Hervorming, laat ons dien vasthouden. Wie in die belijdenis, en in dat geloof éen zijn, zijn onze broeders, of het Dar-bisten of Irvingianen, Hervormden, of Gereformeerden, Lutherschen, of Baptisten zijn, dat is niet de vraag; zij hebben toch met ons hetzelfde geloof in den Drieeenigen God, tegenover Heidenen en Mahomedanen, tegenover Joden en alle Naturalisten, en Atheïsten, van onzen tijd. Laat mij n mogen herinneren aan drie mannen waarop ons Vaderland trotsch heeft mogen zijn, en die nu reeds juichen voor Gods troon: Joh. Schuurman, J. J. van Oosterzee en M. Cohen Stuart. Wie zal ooit éen van hen vergeten? Zij behoorden tot drie verschillende Kerkgenootschappen, neen, zij behoorden allen tot de Heilige algemeene Christelijke Kerk, en waren door den band des vredes verbonden. De Apostolische geloofsbelijdenis is een band tusschen de meer dan zevenduizend die de Heer ook in ons Vaderland zich nog over heeft gehouden. Zij zijn des Heeren volk en erfdeel; in de wereld, maar niet van de wereld. Wat hen ook verdeelt of scheiden moge, zij gelooven allen als het op sterven aan-
40
komt in Jezus Christus Gods Zoon als in hunnen Heiland en Heer.
Zij gelooven en hebben lief, want dat behoort bij elkander.
Geloof is de eerste en liefde de tweede vredevaan. Zie de liefde van Johannes voor Maria, van Johannes en Petrus, maar immers van al de Christenen was het spreekwoordelijk geworden: Ziet hoe lief zij elkander hebben? De eerste drie verzen van Epheze 4 zijn de liefdeartikelen van Paulus. Liefde met ootmoed, liefde met zachtmoedigheid, liefde met lankmoedigheid, liefde met verdraagzaamheid, vergevende liefde.
De wereld heeft hare netten, en de Kerken hunne leerstukken, in de netten der wereld moeten we ons niet laten vangen, door de leerstukken ons niet laten verkoelen. Laat het hoofd u niet warm maken, laat uw hart niet koud worden door twist over Dogma's, er is iets beters te doen: heb lief. Wandel als een kind des vredes door deze wereld, trek er als een zegenend wolkje overheen. Wie met zijn geloof praalt is niet ootmoedig, en wint geen zielen, maar zaait twist. De ootmoedige belijdenis van den Christus is eene macht die de wereld overwint, en zielen wint voor den Heer. En die belijdenis vindt altijd hoorders, dat behoort ook bij het 3ae tekstvers. Wandelt in ootmoed, en uw leven is een prediking. Wandelt in zachtmoedigheid, want de zachtmoe-digen beërven de nieuwe aarde.
Weest lankmoedig, want God was het ook met u, en heeft nog zooveel geduld met u noodig.
Weest geduldig met een dwalenden Broeder, hij liet toch immers de hoop niet varen? de hoop is de derde vredevaan. Eene vereeniging uit Godvreezende zeekapiteins bestaande, voert eene witte vlag met blauwe ster; dat is vrede en hoop. De hoop vervult het hart van allen die niet alleen éen lichaam zijn maar ook een Geest. De Heilige Geest is
41
het deel van het geheel. Niet van een Kerk, maar van de Gemeente is Hij de Greest.
De Roomsehe Kerk noemt zich de alleenzaligmakende, zij is het niet; de Hervormde Kerk is het ook niet. Reinheid is noodig om een te zijn. Reine prediking en een rein leven. Dan kunnen wij hopen en zullen niet beschaamd worden. God schenke ons een ruim en een rein hart, waar plaats in is voor al Gods kinderen. Den oprechten gaat het licht op, maar oneerlijke zielen gaan van zelf terug, zij kunnen het in de gemeente niet uithouden. quot;Wij hopen zalig te worden met Luther en Calvijn, Melanchton en Zwinglius, maar ook met een Bisschop tot wien een Monnik zeide: onze Eerwaarde Heer behoeft het sterven niet te vreezen want zijne werken volgen hem; en die toen ten antwoord gaf: Waarde Broeder niet mijne werken, maar het Woord van God: Wij dan gerechtvaardigd zijnde door het geloof hebben vrede bij God door Jezus Christus onzen Heer; ik hoop uit genade zalig te worden. De hoop is de derde vredevaan, als die hoop rust op de genade van Jezus Christus. Zij wordt niet beschaamd in eeuwigheid. Amen.
3
Opeu vensters naar Jeruzalem.
Daniël 6:11.
De man wiens naam in dit tekstwoord genoemd wordt is ons allen bekend van jongsaan. Immers als kinderen hoorden we reeds gaarne vertellen van Daniël in den leeuwenkuil, of zochten zelf zijn beeltenis op in den platenbijbel. En nog nu wij ouder geworden zijn, blijft Daniël ons eene aantrekkelijke persoonlijkheid, en zijne geschiedenis blijft ons steeds eene ontsloten leerschool.
Tijdens den krijgstocht door koning Nebucadnezar tegen Jeruzalem ondernomen, in het derde jaar van koning Joja-kim, werd Daniël, met andere zonen van edelen huize uit Juda, in jeugdigen leeftijd naar Babel gevoerd. Zijn aankomst aldaar kan plaats gehad hebben in het vierde jaar van Joja-kim, het eerste jaar van Nebucadnezars alleenheerschappij, 606 jaar voor Christus. Alzoo het zelfde jaar van hetwelk Jeremia de 70 jaren der Babylonische Monarchie rekent.
Daniël moet eenen zeer hoogen ouderdom bereikt hebben, want hij overleefde ten minste nog drie jaar de genoemde heerschappij, het welk blijkt uit zijne Profetie ten tijde van Koning Cores van Perzië (Daniel 10:1) aan wier slot de Heer tot hem zeide: Maar gij ga henen tot het einde, want
43
gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen. Daniël 12 : 13.
Wanneer Daniel nu, gelijk de Kerkvader Chrysostomus meent, bij zijne wegvoerig 18 jaar oud was, zoo is hij zeker 91 jaar geworden.
Dit is niet ongelooflijk; maar dat hij tot in zoo hoogen leeftijd zooveel helderheid van geest, en zooveel Profetische kracht behield, daarin moet wel een zeldzaam bewijs van Gods genade gezien worden.
âDaniëlquot; beteekent âGod is mijn rechterquot; en indien van iemand, is dat Daniels ervaring geweest. Vooral in de gebeurtenis ons in dit zesde hoofdstuk beschreven, waardoor Daniel een plaats verkregen heeft onder de geloofshelden in het llde hoofdstuk van den Hebreënbrief.
Daniël staat voor onze gewijde aandacht als een man van hooge geboorte, van bijzondere kennis, van krachtig geloofsvertrouwen, van maatschappelijk hooge positie, maar inzonderheid als een man des gebeds.
Het teksthoofdstuk begint met de mededeeliijg dat Darius de Meder het rijk aanvaardde toen hij twee en zestig jaar oud was. Laat mij u iets over dezen vorst mede-deelen.
Darius de Meder, bij de Grieken Cyaxares genoemd, was oen zoon van Koning Ahasveros, van wien in Daniël 9 gesproken wordt, en wien de Grieken Astyages noemen.
Darius was de broeder van de moeder van Koning Cores of Cyrus van Perzië; en daar hij 62 jaar oud was, en geen erfgenaam had, gaf hij zijne dochter aan Cyrus tot vrouw, en maakte hem erfgenaam van zijn rijk. Zoo kwam na den dood van Darius zijn rijk aan de Perzen.
Cyrus was een uitgelezen werktuig van God; even vroom, edel, en wijs, als moedig en oorlogzuchtig. Darius echter was opvliegend, hartstochtelijk, en wellustig, maar tocli te
44
gelijkertijd ontvankelijk voor godsvrucht, en hij had achting voor wijze en vrome mannen.
Terwijl Cyrus na de inneming van Babel met groote krachtsinspanning in twee of drie jaar het gansche Chal-deeuwsche rijk aan zich onderwierp, genoot Darius tot zijn dood het hem zonder verdienste toegevallen deel van de groote wereldmonarchie. Hij liet zich verlokken tot eene dwaze beproeving van de toegenegenheid zijner nieuwe onderdanen. Hoe hij daartoe kwam, en hoe Daniëls standvastigheid medewerkte tot de verheerlijking Gods, wordt ons in dit hoofdstuk medegedeeld.
Darius was van meening Daniël aan te stellen tot oppersten stedehouder van zijn rijk, en verwekte daardoor den nijd der grooten tegen Daniël.
Deze overreedden den Koning om een gebod te laten uitgaan, dat elk, die binnen den tijd van dertig dagen, van eenig God, of van eenig mensch, behalve van den Koning, eenige gunst zou bidden, voor de leeuwen zou geworpen worden.
Daniël ging echter voort met het aangezicht naar Jeruzalem gekeerd tot den Heere te bidden. Dit werd door zijne vijanden gezien, die hem beschuldigden; en hoewel de Koning het betreurde, toch werd hij op bevel des Konings in eenen leeuwenkuil geworpen.
Den volgenden morgen kwam de Koning weeklagende tot den leeuwenkuil en vond Daniël ongedeerd; liet hem er uithalen, en zijne vijanden voor de leeuwen werpen. Darius verkondigde nu aan al zijne onderdanen de heerlijkheid van den levenden God door Daniël vereerd, en beval dat men den God van Daniël zou eeren. Daniël kwam tot groot aanzien in het rijk van Darius en van diens opvolger den Per-zischen Koning Cores.
Ziedaar in korte woorden u het verhaal herinnerd. Laat
45
ons nu zieu wat daar van Daniël geschreven staat in ons tekstwoord.
Daar staat, dat Daniël een opperkamer had, die open vensters had naar de zijde van Jeruzalem, en dat hij daar driemaal des daags zijne knieen boog om te bidden tot God, en om God te loven en te danken.
Zóó vertaalt Luther. In onze Statenvertaling staat: dat hij belijdenis deed voor zijn God. Het is wel een groot verschil, maar het een gaat toch ook met het andere samen.
Laat ons nu eerst onze aandacht bepalen bij de opperzaal; daarna bij de open vensters, het uitzicht naar Jeruzalem, en Daniëls gebed. Duizenden en tienduizenden menschen wonen in huizen met eene verdieping, zij wonen gelijkvloers, soms op een vochtigen grond, wellicht op eene moerasachtigen, ongezonden bodem. Duizenden wonen in hofjes met hooge muren omgeven; anderen wonen vlak aan den weg, waar al het gewoel en al de drukte der straten hen rusteloos voorbijgaat. Zij hebben geen bovenkamer, waar het veel gezonder is om te wonen, zij kunnen zich nooit eens in stilte afzonderen, en kunnen nooit eens naar eene hoogere verdieping gaan om eens uit te zien in de ruimte daarboven; hun uitzicht blijft altijd tot de enge omgeving beperkt. Hoewel dit alles nu niet bepaald een ongeluk is te noemen, is het toch wel een gemis te achten wanneer men geen opperzaal of opkamertje bezit, waar men evenals de Sunemitische vrouw een Profeet kan herbergen, of waar men even als Petrus te Joppe kan heengaan om den blik in het rond, maar bovenal naar boven te slaan. Maar dit is wel degelijk een ongeluk te achten, dat zoo oneindig veel menschen in hun geestelijk leven aan de gelijkvloers wonende lieden gelijken. Hun leven bepaalt zich bij het alledaagsche en bij niets anders. Hoevelen kennen geen plekje dat zij hun bidvertrek kunnen noemen. Hoevelen die niet meer bidden, en nu
46
alleen maar leven voor deze wereld, waar zooveel wordt geleden, waar zooveel ons terneerdrukt, waar zooveel zonde bedreven wordt, die zooveel ellende na zich. sleept. Rampzalig de mensch die altijd gelijkvloers leeft, en nooit naar zijn opperzaal kan snellen om het arme hart te ontlasten en hemellucht in te ademen.
Daniël had een opperzaal, en die opperzaal is hem dierbaar geworden, veel meer dan al de zalen in zijn stadhouderlijk Paleis. Daar beneden had hij vele schatten, in Babel zijn eigendom geworden; beneden daar bogen zijne hovelingen voor hem ter aarde, beneden daar vlogen allen op zijn wenken, maar daar boven zocht hij, en vond hij zijn God. Daar was hij de arme joodsche balling, ver van zijn vaderland, ver van den tempel, ver van zijn vrienden, maar niet ver van zijn God. O lieflijke opperzaal! wat zijt gij Daniöl veel waard geweest met uwe open vensters.
Ja open vensters te hebben, welk een genot is dat in het vroege morgenuur, om de frissche morgenlucht in te laten; om de atmosfeer in onze kamers te zuiveren; om onze longen wel te doén. Wat is het een verschil, in een bedompt huis vol damp, en walm, en menschenlucht te zijn, of in een huis met open vensters te komen. Wat haalt men daar ruim adem en wat is er beter voor zieken en gezonden dan die kostelijke buitenlucht? Maar zoo heeft ook ons hart ruimte noodig voor het geestelijk leven. Het kan zoo benauwd in ons binnenste zijn, er is zooveel dat ons kan tor neder drukken; we kunnen ons zoo arm, zoo verlaten, zoo geheel balling en vreemdeling in een vreemd land gevoelen. Gelukkig als we dan den weg maar weten naar boven, als we dan maar open vensters hebben in onze opperzaal; open oogen om Gods liefde, Gods zorg en trouw, Gods leidingen te zien en op te merken; een open mond om vrijmoedig te bidden, te danken, te belijden, wat we te bidden, waarvoor
47
wij te danken, wat wij Hem te belijden hebben. En dan een open hart om te ontvangen de vertroostingen die God zoo genadig op het gebed wil schenken, aan de ziel die tot Hem vlucht.
Open vensters zijn noodig om op de vleugelen des geloofs en des gebeds op te stijgen, hoog boven deze arme wereld, naar den troon van het heelal; maar open vensters zijn óók noodig op dat al de Engelen Gods tot ons in kunnen komen. Het is onmogelijk dat een geloovige, of eene vergadering van geloovigen, met het aangezicht naar den hemel gekeerd leven zouden, zonder dat hunne aangezichten van den glans des Heeren zouden worden verlicht. Zalig hij die open vensters heeft naar het Oosten des groeten dags, open vensters naar de zijde van Jeruzalem gelegen.
Wij moeten niet alleen een goed uitzicht hebben in dit leven, maar een goed uitzicht over dood en graf naar het Jeruzalem boven. Daniël had open vensters naar de zijde van Jeruzalem. In het vreemde land dacht hij eiken dag aan de stad zijner vaderen, maar hij dacht er aan met weemoed, met diepe ontroering, met innig medelijden, want de stad van Juda's steden lag in puin; zij was geen Ko-ninginne meer, maar slavin, in het stof vertreden. Haar hoe geheel anders is het voor den Christen die open vensters heeft naar de zijde van Jeruzalem. Hij mag met vreugde denken aan de stad met gouden straten, en paarlen poorten, en met een zee van kristal. Hij mag van uit zijn opperzaal beluisteren het lied van de Citherspelers aan de glazen zee. Het Hemelsch Jeruzalem is vrij, en onzer aller moeder.
Daar is de troon des Grooten Konings, daar is het vaderland der ziel, daar is het vaderhuis met zijne vele woningen, daar staat ook onze woning bereid. Daar klopt een vaderhart, van daar rust op ons een vaderoog, van daar leidt ons een vriendenhand. Daar zijn duizenden en tienduizenden
broeders en zusters, niet meer in de verdrukking, maar in de vrijheid; uiet in leed en schande, maar in vreugde en eer. Daar klinken duizend liederen, en vormen toch te zamen slechts éen lofzang, het lied der eeuwige dankbaarheid, voor eeuwigdurende verlossing en zaligheid in Jezus Christus bloed.
Van uit uw opperzaal, van uit uw open vensters hoort gij bij wijlen de klokken des hemels reeds luiden: rust, rust, hemelsche rust, rust voor de moeden, rust óók voor u! rust voor het volk van God, voor al het volk van God, voor het volk van God alleen!
Daniël zag uit naar Jeruzalem, waar zijn Bondsgod woonde, en dan daalden geloof en hoop, en moed, en troost, in zijn hart neder. Ja dan leefde de hoop op terugkeer naar zijn vaderland weder op in zijn hart. O gij die u Christen weet te zijn. Pelgrim op aarde, die u moede en eenzaam gevoelt in deze ijdele wereld, vreemd somtijds zelfs in het midden van uwe vrienden en magen, maar die niet behooren tot de stammen die opgaan naar de Heilige stad; bestijg de treden die voeren naar uw opperzaal, en zoek het aangezicht Gods. Zoek den zonkant van het leven, in plaats van u neder te laten buigen door de eentoonigheid.
Ontsluit uwe vensters, en laat de hemellucht binnen, in plaats van den pestwalm der steden, en den met Demonen vervulden dampkring der ondermaansche wereld. Staar naaide zijde van de Heilige stad; door den teleskoop van het geloof zult gij de tranzen aanschouwen, en de Godswind zal u de zangen der blinkenden uit de verte in de ooren doen ruischen. En al is het nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen, dit weten wij toch: het lijden van den tegenwoor-digen tijd is niet te vergelijken bij de heerlijkheid die ons daar boven bij Jezus wacht.
Laat ons van Daniël leeren de knieën te buigen, op vaste
â
/ â f
/ â u
49
tijden; als het zijn kan, op drie tijden des daags. Het is goed des morgens te bidden en des avonds te danken, en belijdenis te doen voor onzen God, maar het is nog beter wanneer de brug naar den hemel ook nog een pijler in het midden heeft om hem voor te sterke doorbuiging te bewaren.
Er is zooveel waarvoor wij bidden kunnen; er is zooveel waarvoor wij bidden moeten; er is zooveel waarvoor en waarom wij nog nooit gebeden hebben; en dat moet anders worden door Gods genade.
Er is zooveel waarvoor wij danken kunnen; er is zooveel waarvoor wij danken moeten; er is zooveel waarvoor wij nog nooit gedankt hebben; en dat moet anders worden, zullen we niet ondankbaar zijn in de oogen Gods,
Er is zooveel dat wij belijden kunnen; er is zooveel dat wij belijden moeten ; er is zooveel wat wij nog nooit beleden hebben; en dat moet anders worden, zal God het ons kunnen vergeven.
O drie tijden des daags is niet te veel. Beter was het wanneer wij met David konden zeggen: O Heer! ik loof (J zevenmalen des daags; ik loof U in den morgenstond; ik voorkom de nachtwake. Des morgens Heer zal ik tot ü komen, des morgens zal ik wacht houden en mij tot ü schikken; tot U zal ik bidden mijn Koning en mijn God. Des morgens zult Gij mijne stem hooren. Een biddend leven is een zalig leven, dan komt er niets tusschen God en onze ziel. Een biddend leven is het onderpand voor een zalig sterven. Hoe nauwer ons leven was op aarde, hoe ruimer onze ingang in den hemel. Terwijl wij weenden bij onze geboorte hebben anderen gejuicht, en als anderen bij ons sterfbed weenea, moeten wij juichend kunnen heengaan. Een biddende ziel gaat nooit verloren; wie aan Jezus voeten sterft gaat de verdoemenis niet in, maar de heerlijkheid Gods binnen.
50
Nu zal zulk een leven u niet behoeden voor beproeving, maar wel In de beproeving. Het zal u wel niet bewaren voor de vijandschap der wereld, maar wel u over die vijandschap doen triompheeren. Al kwaamt gij ook door de vijandschap tegen uw vroomheid gekeerd, even als Daniël in een Leeuwenkuil of als Jeremia in een modderput, of als de jongelingen te Babel in een vurigen oven, dan is God nog machtig u te verlossen en uwe vijanden te beschamen. En wie voor u een kuil graaft zal er zelf in terechtkomen. En waar het kind Gods door de leeuwen wordt gespaard zullen de vijanden straks als slachtoffers hunner woede vallen. God heeft nog Zijne dienende Engelen die ons kunnen bewaren, en zullen bewaren, wanneer bij de laster en boosheid der menschen, voor Hem slechts onschuld in ons gevonden wordt. De weg door de diepte is vaak de weg tot de eer.
En Daniël, aan de leeuwen ontkomen, had voorspoed in het Koninkrijk van Darius, en in het Koninkrijk van Cores den Perziaan. Ten tijde des avonds heeft God het op zijn levenspad licht doen worden; en hij is de laatste niet geweest wien het na diepe beproeving wel ging op aarde.
Wat uw levenservaring ook moge wezen, zoo ge een leven geleid hebt als Daniël, zal uwe betuiging evenals die van ieder kind Gods zijn:
Zij zal ons niet berouwen.
De keus van 't smalle pad;
Wij kennen den getrouwen,
Die ons heeft lief gehad.
Vest al uw hoop op Hem,
Dat ieder 't aangezichte Ginds, naar de Godstad richtte,
Daar ligt Jeruzalem.
Amen.
Eeu gebed dat zeker verhooring vindt.
Ps. 119:146è.
Het gebed is de ademtocht van liet geestelijk leven, wie dus leeft zonder gebed is vreemd aan het leven uit God en toont duidelijk nog dood te zijn in zonden en misdaden. Tengevolge van dien doodsstaat ziet zulk een mensch zijne eigene ellende en hulpbehoevendheid niet in, hij heeft nog geen oog voor de grootheid van Grod en bemerkt Gods zorgen en leidingen niet. Hij kan het Koninkrijk van God niet zien, en kent ook den Koning van het Godsrijk niet in zijne liefde en beminnelijkheid. Hij hoort de stem van Jezus niet en heeft daardoor ook geen hart voor God en Zijn dienst en Woord. Misschien bidt die mensch nog, als een vrucht van zekere fatsoenlijke opvoeding. In menig gezin bidt men immers nog het Onze Vader, of laat het door de kinderen aframmelen, zoodat Luther kon zeggen: Het heilige Onze Vader is de grootste martelaar van alle martelaren. Misschien bidt die mensch een ander formuliergebed; zelfs zijn er die het opzeggen van de twaalf geloofsartikelen bidden noemen; óók zijn er die een gebed uit een boekje lezen, zooals bij voorbeeld uit den geestelijken lusthof, of een ander gebedenboek. Ik wil daar niet op smalen want de mensch die kreupel is moet krukken gebruiken; en die geen
52
woorden kan vinden, kan ook wel met zijn gansche hart een formulier gebed bidden. Onze vrome voorvaderen hebben daar óók aan gedacht, en achter onzen Heidelbergschen catechismus ons eene kostelijke verzameling formuliergebeden nagelaten; maar de formuliergebeden blijven toch slechts, wat de krukken voor de kreupelen zijn; het zijn slechts hulpmiddelen.
De ware bidder bidt echter gaarne uit zijn eigen hart, met zijne eigene woorden, eenvoudig en plat, of meer beschaafd en geleerd. Een boer bidt als een boer en een burger als burger, de Leeraar als Leeraar, en de Professor als Professor. Men kan in het gebed wel bemerken uit welken stand der maatschappij de bidder is.
De ware bidder bidt menigmaal. David zeide; âIk loofü, o Heer,quot; zevenmaal des daags. Daniël had een open venster naar Jeruzalem gekeerd, waarvoor hij driemaal des daags neerknielde. Christus bracht gansche nachten door in het gebed op de bergen; en er zijn er nog wel die nachten weten door te brengen met God, tot de morgenstond aanbreekt waarin zij God loven.
De ware bidder bidt gewoonlijk kort, gelijk llozes toen Mirjam melaatsch werd; âO God, heel ze toch!quot; Of als His-kia: Zie Heere en lees wat Sanherib tegen U gesproken heeft.quot; Als de man wiens bijl in het water viel: âO Heer, het was geleend.quot; Of als de moordenaar aan het kruis; âHeere gedenk mijner als gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
De ware bidder bidt overal, want zijn leven is een omgaan, een wandelen met God, en God is overal. De ware bidder bidt kinderlijk en niet met een langen omhaal van woorden en namen die hij aan God geeft.
De ware bidder bidt ernstig en niet gedachteloos en verstrooid. Hij bidt met eerbied want zijn gebed is gericht tot
53
den hoogen God, tot den Almachtige, die werelden roept of ze waren. Hij bidt, zooals zijn Heiland het hem heeft geleerd en voorgedaan. Het gebed is de diepste behoefte van het menschenhart. In nood roept zelfs de onchristen nog: rGod help mij!quot; Het gebed is een gehoorzamen aan het goddelijk bevel: âzoekt den Heer nu Hij te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is. Bidt, en gij zult ontvangen. Maar dat wij mogen bidden is ook een van God ons geschonken, en nooit te waardeeren voorrecht. Er is niets zoo zalig dan gebedsverhooring te mogen ondervinden. Wat is het groot, dat de Hooge God hoort naar het zuchten van een menschenkind ja zelfs naar een klein mensehen-kind. Welk een verhevene gedachte dat wij kinderlijk en eenvoudig, vrijmoedig en vertrouwelijk, tot God mogen spreken. Hem alles mogen belijden, alles mogen zeggen, vragen en klagen, en ook alles van Hem mogen verwachten. Wij moeten echter maar niet bidden onvoorbereid, maar weten waarom wij gaan bidden, en onthouden waarom wij gebeden hebben, en dan een lang Amen uitspreken, en op het antwoord wachten.
Wij moeten opmerken wat God tot ons spreekt als wij tot Hem hebben gesproken. Wij moeten daarom niet alleen het woord willen hebben, en niet terstond van ons gebed opstaan en wegloopen. In onze Kerken bidden wij staande, dat deed Abraham ook, en Mo zes ook, en Jozua ook. Zij stonden voor het aangezicht des Heeren. Sommige huisvaders staan zelfs als zij bidden in hun huisgezin. Sommigen bidden knielende, dat is het meest gewenscht in de binnenkamer, en des morgens en des avonds; in sommige gezinnen bidt men altijd knielende. Sommigen bidden met de oogen open en de handen omhoog, evenals in de eerste Christengemeenten gebeden werd.
De meesten bidden echter met de oogen gesloten en de
54
handen gevouwen. Men zegt daarmede aan God: wij zijn zoo hulpbehoevend als een menseh die geen handen tot zijn hulp heeft, en het gezicht zijner oogen mist. Velen doen dit zonder na te denken waarom zij dit doen. Sommigen bidden op hun bed, dat is goed als het niet anders kan. De krijgsman zal wellicht vaak bidden op wacht en de zeeman in den top van den mast. Het doet er niet toe waar ge bidt, en hoe gij bidt, als ge maar het leven des gebeds kent, en omgang hebt met uwen God.
Een biddende ziel gaat niet verloren. Immers genade kan niet wonen in de hel? Menige ziel wordt gered op het moederlijk gebed, of op de smeekingen eens vromen vaders. Voor elk mensch die bekeerd wordt is in eene of andere hoek van de wereld gebeden; maar het moet er toch toe komen dat hij zelf bidt; en het moet er toe komen dat hij de twee woorden leert bidden van onzen tekst. Twee woorden, en toch een gebed zoo diep, zoo rijk, zoo schoon, zoo veel omvattend.
âVerlos mij!quot; Wie dat gebed bidt, hoopt op verhooring, als het hoogste van al zijne wenschen; en wie het waarlijk bidt, kan te voren reeds van de verhooring zeker zijn. Weet gij waarom? Laat mij het u mogen zeggen: God werkt het gebed eerst, en verhoort het daarna. Het gebed is de Profetie van de verhooring; zoo verheerlijkt God zich in Zijn eigen werk. âVerlos mij!quot; dit gebed wordt zeker verhoord, omdat het de vrucht is van Gods Geest, en omdat het de diepste en hoogste, de geheel eenige en algenoegzame behoefte is van het hart. De mensch die er toe komt om dit gebed te bidden is niet dood meer maar leeft, is niet verloren meer, al acht hij zich nog verloren. Hij meent te zinken en hij staat reeds op de rots. Wie dit gebed bidt gevoelt eene dringende behoefte aan verlossing van banden die knellen, van lasten die drukken, van machten die heer-
55
schen, van gevaren die dreigen. Zondebanden zijn knellende banden, zij zijn somtijds aan ijzeren ketenen gelijk. De zondedienst is de ergste slavernij en knelt te meer, naarmate de jaren snellen. Het eenige middel tot redding is de bede; âverlos mij!quot; Wie dit gebed bidt voelt onmiskenbaar den drukkenden last van zonde en sclmld; de schuld van lange jaren buiten God door gebracht. De schuld van groote en vele zonden, zonden in onnadenkendheid, soms ook met moedwil begaan. Zonden van kinderjaren en knapenleeftijd, zonden der jongelingsjaren of rijperen leeftijd, zonden, soms begaan, door anderen verleid, soms anderen verleidend, zonden, soms onwetend begaan, maar ook het wel wetend vaak; zonden in woorden, werken en gedachten, te erg vaak om te noemen, maar niet om voor God te belijden. Wat zal redding geven dan de dringende bede: Verlos mij! De mensch die deze bede bidt voelt de machten die over hem heerschen, de tyranische macht van duivel en zonde, wereld en eigen hart; de macht der verleiding die hem omgeeft. Onmachtig tegen die allen, bidt hij met klimmenden aandrang en ernst: verlos mij! En nog dringender wordt die bede, terwijl hij de gevaren ziet, die hem omringen. Zich nog onverzoend met God achtende, ziet hij met ontroering den ernst van het leven, den ernst der tijden, het dreigen van ziekte en dood, den ernst der eeuwigheid; den plotse-lingen dood van zoovelen die geheel onvoorbereid worden weggeraapt, te midden van hun kwaad en verblindheid des harten. En sidderend voor Gods gericht roept de bidder uit: Verlos mij! Wij zien wat aan dit gebed vooraf ging; ontwaking ten leven, schuldgevoel, en schuldbelijdenis; hoop op en verlangen naar redding; behoefte aan vergeving, een leven des gebeds, dat zijn hoogtepunt en volle ontplooiing vindt in het hartroerende en tot Gods hart opklimmende gebed: âVerlos mij.quot; Dit gebed wordt niet alleen zeker ver-
5G
hoord om hetgeen er aan voorafging, maar ook om hetgeen het omvat.
Verlos mij! In die twee woorden ligt de bede om verlossing van de vijanden die hem vervolgen, van de verzoekingen die op hem aankomen, en van de zonden die hem aanklagen. Verlos mij! dat is in alle gevaren de meest gepaste bede. De gevaren voor lichaam en ziel zijn vele en groot; de gevaren van in tijdelijken en geestelijken nood en ellende te komen zijn niet gering te achten.
Wij zijn alle uren in gevaar. Er zijn booze machten boven ons, we zijn van demonen omringd; booze geesten in de lucht, en booze menschen op aarde, en daarbij een wereld vol verleiding, en ons eigen boos hart. De wereld die den eenen tijd dreigt, en den anderen tijd verlokt; den eenen tijd vleit, en den anderen tijd spot; en er altijd op uit is ons te doen vallen. Den eenen tijd zegt zij: Maar nu zijt ge toch waarlijk veel te vroom en te enghartig. En op eenen anderen tijd duwt ze u toe: dat had ik van u, die zoo vroom zijt niet verwacht. De Satan komt soms als een Engel des lichts en dan weder als een brieschende leeuw zoekende u te verslinden. Soms komt hij op klompen zoodat gij hem hoort aankomen, en op eenen anderen tijd komt hij op üu-weelen pantoffels en is u opzijde voor gij het merkt. Wat kan u baten in dezen strijd?
Niets, neen niets, dan alleen het gebed: âVerlos mij! verlos mij van den booze! verlos mij Heer van 's menschen overlast. Leid ons niet in verzoeking, maar verlos er ons van o God! Maar het woord âverlos mij,quot;beteekentbovenal dit: Verlos mij o God van mijne schuld en zonden, van mijne verkeerdheden en overtredingen, verlos mij, van mijne ondeugd en ongerechtigheid. Verlos mij, o God van bloedschulden. Mijne zonden zijn meer dan de haren mijns hoofds. Ongerechtige dingen hebben de overhand over mij gehad,
57
en mijn hart ontzinkt mij bij het getal mijner euveldaden, 't Is niet alleen dit kwaad dat roept om straf, maar ik ben in ongerechtigheid geboren, en reeds onrein van mijne ontvangenis af. O God! verlos mij om Jezus wil alleen!
âVerlos mij!quot; Slechts twee woorden. O ernstige menschen zijn ijooit zeer woordenrijk. Zij behooren niet onder de vrome babbelaars wien de vroomheid juist een voet te hoog zit. Zulke vromen zijn in de praatsteeg geboren, zij waaien met alle winden, en behooren tot de familie van mond-christen, waar de ware bidder volstrekt geen familie van is. Hij bidt om verlossing en om niets anders, want als hij verlossing heeft dan heeft hij alles, voor tijd en voor eeuwigheid. Zijn gebed wordt ontwijfelbaar verhoord, niet alleen om hetgeen het bevat, maar vooral om hetgeen er op volgt.
âEn ik zal uwe getuigenissen onderhouden.quot; Dat moet het hoofddoel zijn: Godes eer in onze verlossing en behoudenis. Eerst als men zich waarlijk verlost weet kan men een onberispelijk leven leiden; wandelen tot Gods eer; wandelen in Gods wegen; wandelen naar Gods geboden. De Psalmist bidt God niet om verlossing om dan vrij te kunnen zondigen; hij wil van de zonde worden vrij gemaakt, om als een die zich verlost weet te kunnen wandelen. De mensch is niet verlost zoolang hij in ongehoorzaamheid en zonde blijft voortleven.
Dan is zijne bekeering slechts inbeelding, en houdt geen stand. Aan de vruchten kent men den boom. Vrome harten leiden een vroom leven. Wil men waarlijk verlost worden, dan moet men God bij de eer van zijn Naam bepalen. Wie dat doet kan van de verhooring zeker zijn. Dat doet de Psalmist: Hij zegt: Verlos mij, en ik zal Uwe inzettingen bewaren; ik zal in Uwe wegen wandelen; ik zal Uwe geboden onderhouden. Leer al zoo bidden, en gij zult ervaren dat in dien weg de onmacht den Almachtige te sterk wordt.
4
58
God zal uw gebed hooren, en gij zult juichen: Ik ben zeer vroolijk in den Heer, mijne ziel verblijdt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils en den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan. Verlost te zijn, dat js vrij gemaakt te zijn. Vrij van den vloek der wet, vrij van het kwade geweten, vrij van de vrees en twijfel, vrij van de zondemacht, vrij van de zondeschuld.
Verlost te zijn, dat is genade te hebben ontvangen, vergeving te hebben gevonden, uit den leeuwenmuil te zijn gered, uit nood en dood te zijn verlost.
Verlost te zijn is vrij te zijn, maar niet om kwaad te doen. Vrij, om in de vrijheid te staan, om eeuwig de vrijheid te genieten, die dankbaar te waardeeren, en met wederliefde te beantwoorden. Wie dus waarlijk verlossing begeert, vergeving en zaligheid zoekt, verhooring des gebeds verlangt, moet als de Psalmdichter zeggen: Verlos mij o God! en daarbij voegen: Om üws naams wil; want als Ge mij verlost zal ik U eeren, voor U leven, uwe getuigenissen bewaren; en uwe geboden onderhouden Zulk een bidder laat God niet staan. Zulk een gebed wordt haastig, en heerlijk, en ver boven bidden en denken beantwoord. God tot eer, onzen zielen tot heil en zaligheid.
En nu éen vraag. Bidt gij? bidt gij alzoo ? bidt gij met dit doel? Zoo ja; dan zal God Amen zeggen op uwe gebeden, üw heil is voor eeuwig gewaarborgd, geloof dat gerust, want het zal waar en zeker zijn, nu en eeuwig, Amen.
De blijdschap in God.
Psalm 104: 33â35.
Er is een gouden berg waar alle schepselen naar grijpen; die berg heet: gelukkig zijn.
Wie wil niet gelukkig zijn, immers elk raensch, van den kleinste tot den grootste; van het kind tot den grijsaard; van den bedelaar tot den koning; ieder tracht gelukkig te zijn op zijne wijze.
De knaap zoekt het in zijn spel, de jongeling in het bereiken zijner idealen, evenzoo de man en de grijsaard in de vervulling zijner wenschen.
Geluk, och jammer, waar zoekt men al geluk in? duizenden en tienduizenden zoeken hun geluk in de zonde die hen juist ongelukkig maakt. De zonde van den jongelingsleeftijd is wellust, de zonde van den mannenleeftijd is geldzucht, de zonde van den grijsaard is eerzucht, en in hoe menig hart worden al deze dingen te gelijk gevonden.
Onze ontslapen dichter P. Huet, heeft gezongen.
Geluk, slechts door begeerte levend,
En door verzadiging gedood;
Mijn ziel naar eed'ler dingen strevend Heeft honger naar een beter brood.
60
Het waar geluk is niet hier op aarde te vinden, het is daar boven bij uw God; de God aller verheuging, de God der blijdschap. Maar dat gelooft men niet.
Het vooroordeel zegt: Neen in den dienst van God is geen geluk, geen vreugde, geen genot te vinden. Godsdienstigheid brengt tot naargeestigheid, bekrompenheid, en dweeperij. Nooit verzon de satan grooter leugen mijne vrienden, want juist alleen in den dienst van God is genot, blijdschap en waar geluk te vinden. Maar het is alles van een ander gehalte dan in de wereld, dat stemmen we toe, en voegen er bij: het is alles ook veel edeler; wat de wereld u biedt is namaak, maar niet het ware geluk; het is schijn en klatergoud niets meer.
Hoort wat de Dichter zegt in den schoonen 104den Psalm. Ik zal den Heere zingen in mijn leven, ik zal mijnen God Psalmzingen terwijl ik nog ben. Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heer verblijden.
Ik ga u aanwijzen wat de ware blijdschap is; hoe men die blijdschap behoudt; wat men met die blijdschap doet; en moge de God der blijdschap ons zegenen. Amen.
Psalm 104 is een Natuurpsalm waarin Gods grootheid wordt bezongen. In de Natuur zijn duizende wonderen, ontelbaar vele schoonheden. Arm is de mensch die blind is voor al deze dingen, maar nog armer is hij die zich in de natuur verliest, in plaats van in den God der natuur. En dat is toch met velen het geval in onzen tijd.
Gelukkig hij die God in de natuur ziet, voor wien de Natuur eene Godsopenbaring is, niet boven, maar naast den Bijbel. Dan is de Natuur hem een bron van ware blijdschap; zulk een mensch maakt een Natuurlied maar met een slot als aan dezen Psalm gevonden wordt: Ik zal den Heere zingen in mijn leven, Ik zal mijn God Psalmzingen terwijl ik nog ben.
61
Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heer verblijden.
God is de bron der blijdschap en aller verheuging, de ware blijdschap is in God alleen. Wie God kent, en in Zijne gemeenschap leeft, verblijdt zich in zijns Vaders werken in do natuur zoowel als in de genade.
De liefde Gods in Christus aan eene verloren wereld betoond, en door den verloren zondaar geloovig omhelsd; ziedaar de oorzaak der ware blijdschap. God is de bron waaruit de Christen zijne blijdschap put. En als ge vraagt: maar wat is dan de ware blijdschap? dan mag ik u dat zeggen in een paar woorden. Het is: te kunnen juichen: ik was verloren, en ben gevonden; ik was dood, en ik ben weder levend geworden.
Die blijdschap spreekt zich uit in Psalm 104:33â35. Ik zal den Heere loven in mijn leven, ik zal mijnen God Psalm zingen terwijl ik nog ben. Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heer verblijden.
En vraagt gij nu hoe men die blijdschap behoudt'? Laat het mij u aanwijzen.
De mensch die een indruk van Gods liefde heeft ontvangen drukt dien indruk weder uit, in Psalm en lied, en in zijne belijdenis des geloofs.
Niet elk Christen is een Dichter, maar elk Christen is wel dichterlijk. Ik kan mij geen kind van God voorstellen dat niet gaarne de liederen Zions zingt; of een ander christelijk lied tot eer van zijn Heiland. Door het God gewijd lied wordt de blijdschap, de ware blijdschap, door alle tijden bewaard.
Niet altijd vlucht Satan voor het gebed, maar wel vlucht hij weg voor het aan God geheiligd gezang, daar kan hij het nooit bij uithouden.
Een vroom lied zegt zoo naar waarheid:
62
O ja ! wij moesten te allen tijd,
Wat lot ons hier ook is bereid,
Gods goedheid meerder loven.
En zingen in dit tranendal,
O Heer! Uw goedheid gaat het al,
Oneindig ver te boven.
Laat onze huizen meer en meer Weergalmen van Gods lof en eer.
Zijn grooten Naam verkonden,
Zoo zingen wij Hem onder 't kruis,
En bannen uit ons hart en huis De duivel en de zonde.
Maar de Gemeente des Heeren heeft nog iets anders als haar Psalm en lied; zij heeft hare Christelijke geloofsbelijdenis, gewoonlijk de Apostolische geloofsbelijdenis genoemd. O mijne vrienden, die Apostolische geloofsbelijdenis wat is die heerlijk! Wat blijdschap, een stof bewoner mag belijden: Ik geloof in God den Vader, den almachtigen Schepper des hemels en der aarde. Een verloren Adamskind, maar gered en gereinigd door het bloed van Golgotha, mag belijden: Ik geloof in Jezus Christus Gods eenig geboren Zoon, onzen Heer. De arme zondige mensch mag, met blijdschap belijden : Ik geloof in den Heiligen Geest, als in mijn Leidsman en Leeraar, de oorzaak van mijn geloof, de kracht tot mijne heiligmaking.
Mijn zondaar, wilt gij vreugde en blijdschap? ze is inde wereld niet te vinden, zii heeft schijn, maar geen wezen; zij verlokt u, maar bedrogen komt ge met haar uit. Het wezen der blijdschap is in God, in God alleen, zoo als Hij zich in Christus heeft geopenbaard. En nu ââ wat men met die blijdschap doet? wat gij er mede doen moet? Gij moet er eene goede reuke door zijn %Tan Christus, eene aanbeveling van den Naam en de zaak, den dienst uws Heilands. Zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht. Laat de wereld het van
63
u weten, dat de dienst van uw God niet naargeestig eu akelig, maar zalig en goed is.
Die God dienen kunnen juichen. Ik zal den Heere zingen in mijn leven, ik zal mijn God Psalm zingen terwijl ik nog ben. Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn ik zal mij in den Heer verblijden.
Weet wel dat gij veel schade doet aan Gods Koninkrijk, als gij geen blijmoedig Christen zijt, en geen blijmoedig getuigenis geeft van uwen Heer.
Maar gij zegt: dat is toch niet alleen genade, maar eene bijzondere genade Gods. Voorzeker mijn broeder, maar God schenkt die genade gaarne, en er is toch ook alle reden toe om zeer vroolijk en blijmoedig te zijn. Het is een hard woord dit erken ik gaarne, maar het is een waar woord: Die als christen niet blij kan zijn heeft deze of gene zonde nog lief, of hij twijfelt aan Gods onuitsprekelijk groote liefde; en beide, dit stemt gij toch toe, zijn even afkeurenswaardig. Vraagt gij nu hoe men aan die blijdschap komt om haar te bezitten?
O bekommerd hart hoor het: Ga naar het Kruis van Golgotha, zie Christus aan het Kruis, en zeg dan; Hij stierf voor mij! Voor mij vergoot Hij Zijn bloed! Hoor wat Hij van het Kruis tot u zegt: Dit deed ik voor u! Zie Mijno wonden!
Hoe gij aan die blijdschap komt? Door den duisteren weg der droefheid. De vreugde in God wordt geboren uit de edelste smart, de smart over een verloren leven; over zonden bedreven tegen den God der liefde die Zijn Zoon u zond, en Zijn Zoon u schonk.
Maak dien weg dan door o kind der aarde, en ween omdat gij een zondaar zijt. Die tranen bewaart God in Zijne llesch; die tranen worden door Hem veranderd in tranen van vreugde, in tranen der dankbaarheid over uw eeuwig heil.
64
De God der blijdschap wil Zijne kinderen gelukkig zien, en daartoe ook gelukkig maken. Maar zegt iemand; het slot van dezen Psalm bevat nog heel iets anders dan een toon der blijdschap; en indien het een toon der blijdschap is, dan is het toch eene blijdschap den Christen onwaardig.
De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de goddeloozen zullen niet meer zijn, loof den Heer o mijne ziel! Hallelujah! Is dat edel? is dat nu weer niet iets naargeestigs den godsdienstigen lui eigen ? Is dat goed van David een Hallelujah aan te heffen over het verderf van zijne medemenschen ? was hij zelf dan niet een zondaar als ieder ander? en heeft hij zich niet over groote zonden, ja over ongerechtigheden te schamen gehad?
En we stemmen u toe dat alles is volkomen waar, maar David heft ook geen loflied aan over het verderf zijner medemenschen en mede-zondaren. David haat niet den mensch op zich zeiven, of de zondaren in het algemeen, maar hij haat de zonde der menschen, en hij juicht in het vooruitzicht dat de verleiding en de zonde er eenmaal niet meer zal zijn.
Hij heeft de natuur beschouwd, en Gods grootheid en macht, liefde, trouw en zorg bezongen.
Die natuur was schoon en goed, alles was Goddelijk en rein, en stemde hem tot juichen en aanbidden.
In de natuur gaf alles hem reden tot danken, maar de wereld en zijn eigen hart gaven hem reden tot klagen, want daar was de zonde; en de zonde is een wanklank in Gods heerlijke schepping; de zonde heeft den mensch verdorven en ongelukkig gemaakt, en de harmonie tusschen aarde en hemel verbroken. En nu verheugt David zich dat de zonde eenmaal zal verdwijnen van de aarde, en met de zonde, als een natuurlijk gevolg, allen die niet God maar de zonde willen blijven dienen. Daarom kan hij, en daarom mag hij juichen, en daar juicht elk geloovig hart gaarne over met
65
hem mede. Eenmaal geen zonde, en daarom geen zondaren meer, zij zullen van de aarde verdaan worden, en de god-deloozen zullen niet meer zijn.
Loof den Heer mijne ziel Hallelujah!
Wat is nu uw leven? indien het nog een leven der zonde is zie dan hier wat u wacht. Arme, arme menscli, wat zal het te zeggen zijn, verloren te gaan terwijl gij zoo gelukkig hadt kunnen wezen. Wat zeg ik, gij kunt het nog worden, do weg daartoe is u immers aangewezen.
Met berouw over uw schuld het kruis van Christus omklemd, met geloovig hart, en geen wereld of zondedienst kan u geven wat God de Heer u geven kan en geven wil.
Hij is het die de zijnen doet juichen: Ik zal den Heere zingen in mijn leven, ik zal mijn God Psalm zingen terwijl ik nog ben.
Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heer verblijden!
En schenkt God den zijnen reeds zooveel geluk op aarde, wat zal het dan in den hemel zijn?
O blij vooruitzicht dal inij streelt,
Ik zal ontwaakt uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen,
Verzadigd met uw Godlijk beeld.
Ja dat is een blij vooruitzicht. Ons ontslapen zal een voor eeuwig ontwaken zijn. Daar in het land der eeuwige lente zal geen nacht zijn, daar zullen we Gods lof ontvouwen, daar is de zangtijd gekomen, daar zullen zuchting en geween voor eeuwig wegvlieden, daar wordt het leven een altijd durend Hallelujah! dat nooit door een: Heer erbarm u onzer! meer zal worden overstemd. Maar ons leven moet het hier reeds aanwijzen wat daar ons deel zal zijn. Wie hier buiten God wil leven zal daar niet bij God en de zaligen wonen.
66
De nachtuil haat den zonneschijn,
En de hemel met zijn uitverkoornen Zou voor 't geweten der verloornen,
Een zeven dubb'le helle zijn.
Die hier geen dorpel wachter wil zijn aan den tempel zijns Gods, zal eenmaal den post van hellewaehter moeten vervullen. De dienst van Grod moet ons geen last, maar een lust zijn; geen plicht, maar een voorrecht; niet iets aparts in ons leven, maar het leven van ons leven; het moet met ons bestaan ten nauwste verwant zijn. Zoo min een mensch kan leven zonder te ademen, zoo min kan ik mij een christen denken die een oogenblik buiten God kan leven. Wij zetten ons christendom niet als een wandelstok in de vestibule als we in een wereldsche omgeving komen. Niet alleen Christen thuis, maar Christen overal; niet alleen des Zondags, maar ook door de week. Christen in woord en daad, in handel en wandel, blijmoedig Christen, óók in lijden, óók in 't sterven. Verblijd u in den Heer en Hij zal u geven de begeerte uws harten; en gij zult ondervinden dat de blijdschap des Heeren uwe sterkte zal zijn, en uwe sterkte zal zijn als uw dagen. Satan wijkt voor een vroolijk Christen zoo ver mogelijk op zijde, en de wereld zal buigen voor uw daden ook al wil zij niet naar u hooren. Heiligheid geeft zaligheid te smaken. Leef dan dicht bij uwen God en gij leeft dicht bij den hemel, ja hebt den hemel reeds in uw hart. Dan kan men vroolijk zeggen: Ik zal denHeere zingen in mijn leven, ik zal mijnen God Psalmzingen terwijl ik nog ben. Mijne overdenking van Hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heer verblijden; Amen.
Heilige onbezorgdheid, de groote levensles.
Matthéus 6 : 24â 34.
Er is iets waarnaar ieder mensch verlangt, en hij is niet gelukkig voor hij het gevonden heeft. Dat iets is rust; maar waar vindt het harte rust dan in God alleen? De wereld geeft geen rust, wanneer men het eene heeft ontbreekt weder het andere. Is de eene begeerte vervuld de andere komt ons weder verontrusten. Heeft de eene zorg opgehouden straks is er weder een nieuwe zorg die ons drukt. Omdat de ziel haar oorsprong heeft in den eeuwigen God kan zij alleen bij God, en in God rust vinden, en niet in de dingen dezer voorbijgaande wereld.
God alleen stilt de begeerte der ziel. Eerst dan als de mensch een God voor zijn hart heeft gevonden is hij te vreden. Tot dezen vrede, tot deze rust noodigt de Heere Jezus ons allen uit. Hij wil ons vrij maken van- de zorgen, en ons onrustig, met schuld beladen hart vervullen met Zijnen vrede. De Psalmdichter heeft gezegd in Psalm 55 : 23 ^ werp uwe zorg op den Heer en Hij zal u onderhouden. Hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de rechtvaardige wankele. Tot die heilige onbezorgheid wil Christus ons brengen dooide woorden van onzen tekst. Hij waarschuwt: âZijt niet
08
bezorgd.quot; Hij wijst ons op de vogeleu des hemels, eu op de leliën des velds. Hij leert ons: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle andere dingen zullen u toegeworpen worden.
Zijt niet bezorgd! Dat wil niet zeggen: zijt zorgeloos, maar weest niet noodeloos bezorgd. Geen zorg is den menschen meer eigen dan de zorg voor het voedsel, het dagelijksch brood. Geen verlangen geeft den menschen meer te doen dan het verlangen naar geld en goed. Daarom waarschuwt Christus zoo met nadruk; Niemand kan twee heeren dienen: gij kunt niet God dienen en den Mammon. Want deze Heeren zijn van geheel verschillenden aard. Wie God is dat is bekend, en dat Hij de bronwel is van alle goed beamen op het laatst ook zelfs de goddeloozen.
De mammon is de god van het geld; het aardsche goed, de god van allen die daarop hun vertrouwen stellen, er met hun hart aan hangen, het bezit daarvan tot hun levensdoel stellen. God nu is de Machtige die Zijne dienaars behoedt zoodat zij geene onnoodige zorgen behoeven te hebben. Daarom zegt de Apostel âwerpt uwe zorgen op den Heerquot; want, zegt hij vol vreugde: âHij zorgt voor u.quot; De Mammon daarentegen is een heer die door zijne dienaars behoed moet worden voor dieven, mot en roest.
O hoe verontrusten en vermoeien zich de menschen in don dienst van den Mammon! Hoe verbitteren zij zelf hun leven, hoe worden zij verteerd door de zorg om gewin! Heeft God hun een hutje gegeven, zoo willen zij een kasteel hebben, en bezitten zij een kasteel, zoo dunkt het hun goed ook eene heerlijkheid, een landgoed, of een dorp daarbij te bezitten. Iedereen wil hooger op, en meer bezitten, en haalt zich daarmede veel plagen op den hals, zoodat de zorgen en de begeerten hun als brandnetels boven het hoofd groeien. Gij kunt God niet dienen en den Mammon. Dienen is echter
09
ten nauwste verbonden met liefhebben. Daarom zegt de Heiland: Niemand kan twee Heeren dienen, of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben; of hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten. De aard der liefde is dat zij dient. Waarom nam de Heiland de gestaltenis eens dienstknechts aan? Omdat Hij ons lief had. Zoo is God dienen, God lief hebben; en den Mammon dienen, is den Mammon liefhebben. Hoe kunnen deze beiden nu samen gaan?
Dat een mensch rijkdom bezit is geen zonde. God heeft niet verboden rijk te zijn, Hij is zelf de allerrijkste, want de gansche aarde is des Heeren, en Zijn zegen maakt rijk; maar wat Hij niet wil hebben, en niet kan dulden is: Dat gij uwe liefde aan den rijkdom geeft, en uw hart aan de aarde hecht. De Psalmdichter vermaant: Wordt niet ijdel indien het vermogen aanwast, en hecht uw hart er niet aan. üw hart moet in den hemel zijn, daarheen moet ge het voorhoofd opgeheven hebben; maar de wereld moet onder den voet gehouden worden, en niet het hart in bezit nemen. Gij zult u geen schatten op aarde verzamelen, waar de dieven doorgraven en stelen, waar mot en roest verteeren. quot;Waar uw schat is daar zal ook uw hart zijn. Wie nu er op uit is schatten op de aarde te verzamelen die is oen dienaar van den Mammon. Wie echter zijn schat in den hemel zoekt diens zorg en vreugde is het God te dienen, en Hem boven alles lief te hebben. Zulk een dienst maakt het hart vroolijk, en tot zulk een dienst wil de Heiland u zoo gaarne bewegen, omdat Hij ons gaarne vrede en vreugde des harten schenken wil.
Wanneer een mensch het zachte juk van Jezus op zich wil nemen, en zijn hart in liefde en gehoorzaamheid in Gods dienst wil stellen, zal hij spoedig ervaren hoe zalig de dienst des Heeren is, en zijn tot nu toe bezwaard en zorgvol hart zal dan vervuld worden van eene heilige onbezorgdheid en
70
hij zal iets ervaren van de vrijheid en heerlijkheid van Gods kinderen.
Om ons tot die heilige onbezorgdheid op te wekken stelt de Heiland twee veldpredikers voor ons. Hij wijst ons op de vogelen des hemels, en op de leliën des velds. Om het onrustige tot zorgen geneigde hart rust te geven spreekt de Heer op geheel eenvoudige wijze ons deze troostwoorden toe: Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleeding ? Met andere woorden: Hij die in zijne Goddelijke macht u het leven gaf, zou Hij dat leven niet verzorgen? En Hij die het lichaam formeerde, zou Hij het ook niet kleeden? God is niet zulk een achteloos bouwmeester, die wanneer Hij een huis gebouwd heeft weggaat en er niet meer naar omziet, onverschillig of het blijft staan of ineen valt. Neen, o neen! Wat onze God geschapen heeft dat wil Hij ook behouden. Zie de vogelen des hemels, zij zaaien niet, en maaien niet, en verzamelen niet in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt nogtans dezelve. De Heiland wijst ons niet op Mozes en Elia die door God eenigen tijd wonderbaar werden onderhouden, zoodat wij niet kunnen zeggen: ja wanneer ik een Mozes, of een Elia, wanneer ik een heilig man ware zoo zou ik het gelooven; Hij wijst ook niet op de vogelen in mooie kooien die lieflijk zingen en daarom goed verzorgd worden; want dan zouden wij kunnen zeggen: Ja die vogelen hebben eenen heer die goed voor hen zorgt. Neen Hij wijst op de vogels die in het vrije veld leven en stelt hen aan tot veldpredikers ten onzen gerieve. Hij zegt zie de vogelen des hemels. En wat ziet gij dan aan die vogels? Wel zulk een vogel is onbezorgd en altijd goedsmoeds. Hij zingt en springt en bekommert zich om niets. Het is als wist die vogel het: God zorgt voor de vogelen, en laat er niet één van den honger sterven.
Zoo moedig moest nu ook mijn hart zijn, zoo moest ook
71
ik God alleen laten zorgen, en tot mijn eigen hart zeggen: Werp al uwe bekommernis op den Heer, want Hij zorgt voor u! Een vogel zingt het schoonst in den morgen wanneer hij nog geen korreltje heeft gevonden om er zich mede te verzadigen. En hoe is het nu vaak bij ons? Wanneer wij 's morgens onze legerstede verlaten komt de zorg vaak ons hart in. Wat zullen we eten ? en wat zullen we drinken ? en waarmede zullen we ons kleeden ? Ach laat ons toch leeren den dag aan te vangen evenals de vogelen met een: Waak op mijn ziel en zing Gods lof! Wanneer een vogel zijn morgenzang gezongen heeft dan vliegt hij heen, en weet niet waar God hem een korreltje heeft nedergelegd, maar spoedig vindt hij het aan den weg, of op den akker. Zoo moet het ook bij u zijn mijne ziel! Wanneer gij uw morgenlied gezongen hebt moet gij heengaan tot den arbeid en bidden: God help mij! Die mij geboden heeft te arbeiden zal mij ook wel verzorgen; wie weet waar God mij een korreltje, een stukje brood heeft weggelegd waarmede ik heden verzorgd zal worden.
Maar een vogel is ook zeer tevreden; hij neemt het voor lief met hetgeen hij vindt. En, een vogel is zeer dankbaar. Wanneer hij een korreltje heeft gegeten, en een weinig heeft gedronken, springt hij op een takje en zingt zeer lieflijk en dankt zijnen God, ons tot beschaming. Dr. Maarten Luther zegt; Daar vliegen de vogelen voorbij onze oogen en zijn ons tot beschaming, zoodat wij wel onzen hoed voor hen mochten afnemen, en zeggen: Mijn lieve Heer Docter ik moet bekennen dat ik de kunst niet versta die gij verstaat. Gij slaapt den ganschen nacht gerust in uw nestje zonder eenige zorg, en des morgens staat gij weder op, en zijt vroolijk en goedsmoeds; gij zet u op een boompje en zingt, en looft en dankt uwen God. Daarna zoekt gij uw voedsel, en vindt het ook. Foei wat heb ik, oude nar, geleerd,
72
dat ik ook het zorgen niet nalaat, terwijl ik er toch zooveel reden toe heb.
Kan een vogel zijn zorgen nalaten, en zich daarbij houden als een levende heilige? hij heeft geen akker of voorraads-schuur, kelder noch kast, en toch prijst hij God met vroolij-ken moed, want hij weet dat er Eén is die voor hem zorgt en die eene heet âDe Vader in den hemel.quot; Ach waarom doen wij het dan ook niet. Wij die toch het voordeel hebben dat wij kunnen arbeiden, het veld bebouwen, de vruchten inzamelen, en op den nood ons voorbereiden. En toch kunnen wij dat schandelijke zorgen maar niet nalaten. Daarom moeten wij het voorbeeld van de vogelen niet vergeten. Zij zijn nimmer bezorgd, en waarom zouden zij het ook zijn? Zij hebben een rijken keuken-en-keldermeester, wiens naam is âDe Vader in den Hemel.quot; Daarom vliegen zij heen waar zij willen, en vinden hunne tafel wel toebereid. En deze hemelsche Vader waarvan Christus hier spreekt heeft een voorraadkamer zoo wijd als de geheele wereld, en Hij wil gaarne uw verzorger zijn, wanneer gij het galooven kunt en hebben wilt.
Niet alsof de mensch nu niet meer moet arbeiden. De arbeid is veel meer ten hoogste geboden, en wij moeten alle vlijt daar aan besteden en nooit onachtzaam zijn; want God heeft in het Paradijs bevolen dat, indien de mensch wil eten hij ook moet arbeiden. Zoo moet dit dan bij elkander blijven, dat gij met alle vlijt bidt en arbeidt, en ten anderen, dat gij op Christus vertrouwt en Hem laat zorgen, en u geheel aan uwen Hemelschen Vader overgeeft, en aan Zijn bevel gehoorzaamt: Weest niet bezorgd.
En nu gaat de Heiland voort en zegt: aanschouwt de leliën des velds, zij arbeiden niet en spinnen niet. De Heer brengt ons niet bij de leliën in de lusthoven, opdat niet de menschelijke verzorging zich eenigen roem zou toeschrijven.
73
Maar Hij leidt ons naar het veld, naar de wilde bloemen die door geen mensch worden gezaaid of geplant. Wanneer de Mei komt ga dan m het veld, en zie dan hoe schoon de veldleliën daar bloeien. Ik zeg u dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet bekleed is geweest als éen van deze, zegt de Heer. Zoo dan God liet gras des velds, dat toch heden bloeit, en morgen in den oven geworpen wordt, alzoo bekleedt, zou Hij u niet veel meer kleeden, gij kleingeloovigen ? Daarom zeg ik u weest niet bezorgd, wat gij eten en wat gij drinken zult en waarmede gij u kleeden zult, want al deze dingen zoeken de heidenen.
Hier hoort gij het nu dat bezorgd zijn heidensch is.
Een hart dat aan de zorgen plaats geeft ontneemt aan God de eer. Worden niet vijf muschjes verkocht voor twee penningen? en niet een van die is voor God vergeten. En ook de haren uws hoofds zijn alle geteld. Vreest dan niet, gij gaat vele muschjes te boven.
Een vogel vertrouwt op God zonder prediking, en zonder vermaning, maar de menschen kan men dat vertrouwen op God niet in prediken. âWaarom zijt gij zoo bezorgd?quot; zoo vraagt de liefderijke Heiland.
Ach arm hart antwoord Hem, en zeg: Mijn Heiland ik doe het daarom, omdat ik zoo blind hen, en de ellende mijner ziel niet recht gevoele; want gevoelde ik die, dan zou ik minder voor mijn lichaam bezorgd zijn. Er is den Heer alles aan gelegen om ons gansch en al te redden, daarom wijst Hij ons den zekeren weg aan om van de valsche aardsche zorgen vrij te worden, en eenmaal in vrede te kunnen ingaan tot Zijne zalige rust. Daarom leert Hij ons: Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid.
In dit rijk is Jezus Christus Koning, en het is de hoogste aangelegenheid voor ieder mensch zich een plaats in Zijn
5
74
Koninkrijk te gewinnen, en een onderdaan van dezen Koning te worden.
Het Koninkrijk Gods, zegt Paulus, is niet spijs en drank, maar gerechtigheid, vrede en vreugde in den H. Geest. Wie daarin Christus dient is Gode welbehagelijk en den men-schen ten zegen. Beproef u zeiven nu hieraan mijn broeder, of gij reeds het Koninkrijk Gods zijt binnengegaan. 0 God geve dat gij de roepstem van uw Heer en Koning moogt volgen, die ook u tot Zijn onderdaan wil maken; die ook u de hemelpoort wil ontsluiten; die ook u armen zondaar de genade en de gerechtigheid wil schenken die Hij voor u heeft verworven. Geloof het nu waarlijk, aan deze gerechtigheid is de vrede en de vreugde verbonden, en als u alzoo de hemelpoort geopend is en gij daar uw schat hebt gevonden, dan kunnen de zorgen der aarde u niet meer ter neder drukken. Zij zijn dan als de wolken die voorbij de zon trekken, maar Gods licht kunnen zij niet verduisteren, want de duisternis verduistert voor hem niet; en de nacht licht als de dag voor hem, die in Christus God tot zijnen hemelschen Vader heeft. De ziel die in Gods rijk thuis is geworden, en in Christus bloed genade en vrede heeft gevonden, ervaart, dat naar des Heilands woord alle andere dingen hem zullen toegeworpen worden. Zie hier den weg tot vrede. De rechte zorg voor uwer zielenzaligheid voert tot eene heilige onbezorgdheid voor het aardsche. O dat wij beide recht leerden kennen mijne vrienden, dat ons toch niet te vergeefs hier de weg gewezen moge worden. Dat de veldprediking der vogelen en der leliën, niet te vergeefs door ons moge vernomen zijn. Mochten wij bij hen ter school gaan, terwijl zij met overtuigende macht prediken van Gods vaderlijke goedheid en vaderlijke huishouding. Dan oefent zich het geloof; en wie in het geloof tracht naar het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, verleert alle aardsche
75
zorgen. Weest niet bezorgd voor den dag van morgen, zegt de Heiland, want de volgende dag zal voor het zijne zorgen, elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Hoort ook wat .Teremia zegt; Gods goedheid is allen morgen nieuw en Zijne trouw is groot. Brengt iedere dag nieuwe plagen, zoo brengt hij ook nieuwe goedheid. Als de morgen aanbreekt doet God ook nieuwe zegeningen komen. De goedheid Gods legt u een kruis op, maar helpt het u ook dragen. God zorgt! Komt er een kruis, er komt ook kracht.
Mijn hart wat verlangt gij meer? Wanneer gij 'savonds ter ruste gaat denk dan: God lof! De last is afgelegd; God zal verder helpen. Wanneer gij 's morgens opstaat, zoo spreek dan bij u zeiven: Die God die gisteren leefde leeft heden nog; Zijn hart is niet veranderd, Zijne hand is niet verkort. Zoo moge dan de Apostolische raad de slotsom zijn. Werpt al uwe zorgen op den Heer, want Hij zorgt voor u! De godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomstigen levens; Ameu.
Heerlijke vooi-uitgana; en treurige veraclitering.
Ltikas 13: 30.
quot;Reeds als kinderen waren wij bekend met een man uit het Evangelie, die wereldberoemd is geworden door zijne barmhartigheid; en die man was een Samaritaan. Maar het Evangelie spreekt ons van nog eenen anderen Samaritaan, die niets deed dan hetgeen zijn plicht was, en die toch den Joden tot beschaming, en den Christenen ten voorbeeld werd door zijn dankbaarheid. Het is een man die met negen andere mannen tegelijk, van de treurigste ziekte, van de melaatschheid, door Christus genezen werd, en die genezen zijnde, tot Christus kwam, met groote stem God verheerlijkende, en den Heiland dankende.
Tien mannen waren genezen, hij alleen kwam om zijn Redder te danken, en deze was een Samaritaan. Die geschiedenis is eene duidelijke verklaring van het Schriftwoord waarover ik met u wil spreken in dit uur, hetwelk gij vindt opgeteekend in Lukas 13 : 30.
âEn zie daar zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en daar zijn eersten die de laatsten zullen zijn.quot;
Dit woord is één der lievelingswoorden van Jezus Christus. Wij hebben het reeds vernomen uit Mattheus 19; 30, gij vindt
77
het terug in Mattheus 20: 1G en behalve in onzen tekst nog eenmaal in Markus 10: 31.
In Mattheus 19 en Markus 10 vindt gij dit woord naar liet gesprek van den Heer met den rijken jongeling. In Mattheus 20 na het verhaal van de arbeiders in den wijngaard; en hier in Lukas 13 aan het einde van een rede door Christus gehouden tot eenen Joodschen man, die tot den Heer kwam met de vraag: Zijn er ook weinigen die zalig worden ? Daar dit woord door Christus zoo telkenmale is uitgesproken moet het door ons in het oog gehouden worden, en in het hart worden bewaard. Het wijst ons op eene heerlijke vooruitgang, maar ook op eene treurige verachtering in de eenmaal ontvangen genade.
Hoewel dit woord door de Schrift zelve verklaard wordt, zijn er vaak zeer onschriftuurlijke verklaringen aan gegeven. Wij willen dus in dit uur zien;
Wat dit tekstwoord niet kan beduiden; wat het wel kan beduiden; en wat het waarlijk beduidt; naar het verband waar het in het Evangelie voorkomt; en zegene God onze overdenking Zijn naam tot eer, ons tot heil, Amen.
Eenige jaren geleden wandelde eene aanzienlijke dame, die zeer veel weldeed aan armen, en vooral aan blinden, en voorts aan al wat nuttig en goed was, langs de straten van 's Gravenhage. Eene kleine bedelaarster sprak haar aau om een aalmoes, maar de dame zeide: ik geef niet gaarne op de straat, maar gij moogt aan mijn huis komen. âWat zegt gij,quot; was het antwoord der bedelaarster, aan uw deur komen, wacht maar, de tijd komt dat ge aan onze deur zult komen bedelen. Een socialist vond dat flink gesproken, want er stond in den Bijbel: vele eersten zullen de laatsteu zijn en vele laatsten de eersten. Lasalle had gezegd; De eersten, dat waren de rijken, en de laatsten dat waren de Proletariërs, maar die laatsten zouden de eersten worden, en die eersten
78
zouden de laatsten zijn in den groeten volksopstand, volgens de leer van Jezus Christus.
Die verklaring is door en door valseh. Ik weet wel:
't Is licht voor Grod, en wie zal het wraken ? Wie klagen over ongelijk, als Hij de rijken arm wil maken, of ook de armen groot en rijk. Maar onze Heiland heeft nooit revolutionaire stellingen verkondigd; het is nooit Zijn doel, en nooit Zijn wil geweest, de orde te verstoren, en de Overheid te wederstaan. Hij laat Petrus de Didrachmen betalen, en als men Hem een schattingpenning toont zegt Hij: geeft den Keizer wat des Keizers is, en Gode wat Gods is. Deze tekst is niet socialistisch, en indien de Heer op aarde rondwandelde Hij zou niet de grootste sociaaldemocraat zijn, maar Hij zou voorzeker zeggen: tegen de revolutie het Evangelie!
Wij kunnen ook dezen tekst niet illustreeren met de gelijkenis van den rijken man en den armen Lazarus, want de rijke man is niet naar de hel gegaan omdat hij een rijke man was, en Lazarus is niet naar den hemel gegaan omdat hij arm was. Wij kunnen niet op grond van die gelijkenis zeggen dat de armen zalig zullen worden, en de rijken zullen verdoemd worden. Geloof maakt zalig, en ongeloof maakt rampzalig, hetzij wij arm zijn of rijk. De tekst uit Lukas 13 heeft waarlijk niet die beteekenis. Wat is men toch verbitterd tegen de rijken; velen zijn toch reeds ongelukkig genoeg. Rijkdom brengt wel zorgen, maar niet altijd geluk aan. De Heer heeft niet gezegd: aan de rijken; maar wel, aan de armen wordt het Evangelie verkondigd. Eerder gaat een kemel door het oog van de naald dan dat een rijke zou ingaan in het Koninkrijk der hemelen. Zoudt gij dan met hen willen ruilen? beter weinig met de vreeze des Heeren dan een gemeste os met onrust er bij. Armen heeft God met goederen vervuld, en rijken heeft Hij ledig heen ge-
79
zouden; .benijd lieu toch waarlijk niot. Een vrome uit den Oudeu dag heeft gebeden: rijkdom noch armoe geef mij niet, opdat ik zat zijnde ü niet vergete, en arm zijnde niet stele en den naam mijns Gods aantaste; geef mij het brood mijns bescheiden deels. Rollback heeft gezegd: De rijke man in de gelijkenis, kon niet zeggen dat te veel armen het hem lastig maakten, want Lazarus was alleen; of dat hij te ver van hem was, want Lazarus lag voor zijn poort; of dat hij van zijne ellende niets wist, want hij zag dezelve dagelijks voor oogen; of dat de arme kon werken, want de ellende noodzaakte Lazarus te blijven liggen; of dat Lazarus te lastig was, want Lazarus zeide geen woord; of dat hij te veel begeerde, want hij was met de kruimels te vreden; of dat zijne dienaars Lazarus verzorgden, want niemand trok zich den ongelukkige aan. â En Lange zegt: Ga hier uwen naaste koud voorbij, zoo zal hij u daar in den weg liggen, zoodat gij voor de poort des hemels moet omkeeren. Hoewel nu Lazarus de eerste is geworden, en de rijke man de laatste werd, toch is dat niet de strekking van die gelijkenis te noemen, en allerminst moet de toepassing gemaakt worden u straks reeds genoemd. â Er zijn menschen die zeggen: Ik ben nu nog wel niet geloovig, maar de tijd kan zooveel veranderen, ik kan de eerste nog wel worden al schijn ik mi de laatste te zijn, dat staat in den Bijbel.
Maar ook dat beduidt deze tekst niet. Lukas 13 vers 30 is geen vrijpas voor lichtzinnigen die spelen met hunne ziel, en met den heiligen God. De Schrift zegt veeleer tot dezulken : Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten. Zoo wat de mensch zaait dat zal hij ook maaien. Het is spoedig voor eeuwig te laat.
Wij zagen wat deze tekst niet beduidt; wij willen nu zien wat dit woord wel beduiden kan. â Jonge menschen kunnen sterven, en oude menschen moeten sterven, maar er zijn
80
laatsten die de eersten zullen zijn en er zijn eersten die de laatsten zijn. Kinderen en knapen, jongelingen en jongedoch-ters worden soms weggenotneu terwijl grijsaards nog worden gespaard. Ouders zijn de eersten en kinderen de laatsten, maar kinderen overleven vaak hunne ouders en ouders overleven ook vaak hunne kinderen. En als de kinderen nu geloovig zijn en de ouders niet, dan zijn de eersten de laatsten geworden, en de laatsten de eersten. Heeren en vrouwen zijn zeer zeker de eersten, in rang, in aanzien, in bezitting en invloed, maar al zijn de dienstknechten en dienstmaagden in dat opzicht de laatsten, zij kunnen bij God de eersten zijn. Indien de heeren en vrouwen wereldlingen zijn, en hunne dienstbaren zijn kinderen Gods, dan zijn de eersten de laatsten geworden, en de laatsten zijn waarlijk de eersten. God ziet niet aan wat voor oogen is Hij ziet het hart aan.
Geloovigen zijn kinderen Gods en ongeloovigen kunnen het worden, en moeten het worden, indien zij voor eeuwig behouden willen zijn. Bekeering is hun noodig al zijn zij ook nog zoo goed, groot en rijk; onbekeerden zijn voor God de laatsten.
Zoo zien wij wat deze tekst wel beduiden kan, maar dat is het nog niet wat dit woord hier waarlijk beduidt.
Wanneer wij Lukas 13 lezen zien wij, dat daar een Joodsche man tot Christus kwam met de vraag: zijn er ook weinigen die zalig worden? Die vraag wordt ons verklaarbaar wanneer wij denken aan de hoog ernstige rede des Heeren in de negen eerste verzen van dit hoofdstuk. Maar de Heer antwoordt dezen vrager: Strijd om in te gaan door de enge poort, want velen zeg ik ulieden zullen zoeken in te gaan en niet kunnen. Namelijk als het te laat is, zoo als uit de volgende verzen duidelijk blijkt. Dan zullen zij die in de plaats zijn waar weening is der oogen en knersing der tanden, van daar uit zien, hoe Abraham, Izaiik en Jakob,
81
en alle Profeten, aanzitten in het Koninkrijk Gods, met al degenen die gekomen zijn uit het Oosten en het Westen het Zuiden en het Noorden, terwijl de kinderen des Konink-rijks zullen buiten geworpen worden. Kinderen desKonink-rijks, die met Christus op aarde gegeten en gedronken hebben, en op wier straten Hij heeft geleerd, maar die bij dat alles werkers der ongerechtigheid zijn gebleven. Dan zullen de eersten de laatsten zijn, en de laatsten zullen de eersten worden bevonden.
De zaligheid is uit de Joden, heeft Christus zelf tot de Samaritaansche vrouw gezegd. En wel kon de dichter van den Ouden dag getuigen: Wie is als Israël een eenig volk op aarde? Immers het was Gods volk, het waren kinderen der belofte, kinderen des verbonds; uit alle volken uitverkoren, om allen volken ten zegen te zijn. Een eenig volk, in wording, in wetten, in historie, en eeredienst. God was koning in Israël en aan Israël heeft God de taak opgedragen Zijn Woord en dienst te bewaren. Tot dat volk heeft Hij gesproken, in den voortijd, vele malen, en op velerlei wijze door de Profeten; en in de volheid des tijds zond Hij tot dat volk Zijnen eeniggeboren Zoon. De bergen en dalen in Palestina hebben de woorden van eeuwig leven weerkaatst, die daar vloeiden van de lippen waarop genade en waarheid zijn uitgestort.
Voorwaar Israël was de eerste, en eerstgeborene, bevoorrecht boven alle volken der aarde, en toch heeft die voorrang Israël niet zalig gemaakt. Het was het hoofd der volken en is de staart der natiën geworden. Voorrechten maken niet zalig, Jezus Christus maakt alleen zalig; niet Joden alleen, maar ook Heidenen.
Velen zullen komen uit het Oosten en uit het Westen, uit het Zuiden en uit het Noorden naar de Godsstad, maar de kinderen des Koninkrijks zullen buitengeworpen worden.
82
Voorwaar het volk dat het eerste was, is het laatste geworden. Het volk dat zijn God verlaat is zijn bestaan onwaardig, kleurlooze natiën worden modder en worden dan opgeruimd. Die de voorrechten verzuimen worden de voorrechten ontnomen ; dat is de regel voor de wereldgeschiedenis, dat is ook de regel in het Koninkrijk Gods. De Heer heeft meer geloof bij de Kananeesche vrouw gevonden dan in geheel Israël. Bij de Oostersche wijzen was geloof, bij de Grieken die kwamen om Jezus te zien was geloof, maar bij Israël werd geen geloof in Christus gevonden.
Na de opstanding van Christus werd het Evangelie door Israël verworpen, en door de Heidenen aangenomen. Die de eersten waren werden de laatsten, die de laatsten waren werden de eersten, in het Koninkrijk van God. Zoo kan het ook met ons gaan. Nu zijn wij eersten, nu leven wij onder het Evangelie, maar de Heer kan het licht van den kandelaar weren. Wij kunnen ook nog laatsten worden, door ons te wenden tot het Moderne heidendom, de partij van den afval, die gebroken heeft met den God Jahvé. God erbarmt zich dien Hij wil en Hij verhardt dien Hij wil; dat is, die zich zelf verharden worden aan de verharding prijs gegeven, en eindelijk zijn het vaten des toorns tot het verderf toebereid.
Konstantinopel was eenmaal de eerste nu is die stad de laatste geworden. Het kruis moest plaats maken voor het bleeke licht der halve maan, en de prediking van Christus moest verstommen voor het: Allah is God en Mahomed is zijn Profeet. De Roomsche volken waren de eerste, en zijn nu de laatste; denk slechts aan Spanje, Frankrijk en Italië, waar het Evangelie is geweest, maar waar het morgenlicht voor den nacht moest wijken. Niet uit Rome, of Konstantinopel is het licht der Hervorming ons opgegaan, maar uit Eisleben en quot;Wittenberg. Europa was de eerste, Amerika de laatste, en voor Europa wordt het avond, voor Amerika
83
wordt het dag. De Zuidzee-eilanders waren laatsten en zijn nu op weg om waarlijk eersten te worden. Wij hebben wel reden om te bidden: Heer blijf bij ons, want het is bij den avond en de dag is gedaald. De zon die in het Westen ondergaat, is in het Oosten aan het opkomen.
Mannen die veel voor Christus doen zijn eersten, en kunnen toch nog de laatste worden.
En die nu nog laatsten zijn, kunnen hun voorgaan in het Koninkrijk Gods. Er zijn Predikers van het Evangelie als dronkaards gestorven. Er zijn Dichters van schoone liederen gestorven met een vloek. Er zijn mannen van adel, en groote geesten, gezonken tot een diepte van verderf waar men bij siddert, en waar men om weent. Onbesproken eigengerechtige, gij acht u den eerste,quot; en goddeloozen zijn voorzeker de laatsten, maar hoeren en tollenaars gaan de Farizeën voor in het Koninkrijk van Grod. Vrome broeder, oordeel over de gevallenen niet hard, want gij kunt vallen, en die diep viel kan zalig worden, 't Schaap dat het verst was afgedwaald leeft vaak het dichtst bij den Herder.
De verloren zoon werd de eerste, en de oudste zoon werd de laatste. De moordenaar aan 't kruis en de hoer van Jericho zijn eersten geworden en Judas werd de laatste al was hij een discipel van Jezus Christus. De gemeente te Efeze was een der eerste, maar waar de brief aan de Efe-ziërs gelezen wordt te Efeze niet.
Laat ons waken, bidden, strijden. Ootmoed past ons, de hoogmoed komt voor den val. Die meent te staan zie toe dat hij niet valle, want wie het meent staat eigenlijk reeds niet meer. Hooge boomen vallen in het woud door den storm, en groote mannen vallen door het kwaad. De sterkste man Simson viel; de vroomste man David viel; de wijste man Salomo viel. Hoe zullen wij staande blijven dan door genade alleen? Groote schepen vergaan soms in het gezicht van de
84
haven hunner begeerte. Bekeering is goed, bekeerdheid is te vreezen. Wij zijn nooit veilig, dan alleen in het dal des ootmoeds. Uwe bekeering is mijn hope en wensch, uwe behoudenis is Gods heilige wil, en is door Zijne genade mogelijk.
Al waart ge de laatste van allen, in schulden vervallen; uw behoud is Zijn wensch. Eersten komen er toe de laatsten te zijn door het toegeven aan de zonde, vaak voor de men-schen verborgen; maar de worm doorknaagt het schip, en doet hooge boomen vallen; mieren ondermijnende woningen ; en verborgen kwaad brengt Christenen ten val en de zaak van het Godsrijk tot schande.
Zoo waakt dan en bidt. Bidt en strijdt, des noods ten bloede toe. Die wettig strijden zullen gekroond worden. Laatsten komen er toe om eersten te worden door Gods genade. Er is geen zondaar te groot voor Jezus! Menige parel uit het slijk gehaald, prijkt nu in de kroon des Verlossers.
De laatste wordt men door de zonde. De eerste wordt men door genade. Laat ons tegen de eerste waken, om de laatste bidden; en dan God eeuwig danken. En wanneer voortaan iemand mocht vragen wat beduidt Lukas 13 vers 30 dan zullen wij antwoorden: Dat woord is een rijksregel voor de menschheid; een rijksregel voor de zielen; een rijksregel voor het Koninkrijk Gods hier op aarde. Het spreekt van heerlijken vooruitgang, die God ons moge schenken; het spreekt van treurige verachtering, waarvoor ons God genadig moge behoeden, nu en eeuwig; om Jezus Christus wil Amen.
De roeping der Christenen bij «len ornst der tijden.
1 Petrus 4:7, 8.
In de bergrede heeft onze Heiland gezegd: Zalig zijn de zachtmoedigen want zij zullen het aardrijk beërven. Dit woord ontsluit een heerlijk verschiet voor de kinderen Gods, maar het sluit ook het ontzettende oordeel in zich, dat de goddeloozen van de aarde zullen verdaan worden, en dat de zondaren dan niet meer zullen zijn.
Over deze waarheid nadenkende besloot ik u te wijzen op de roeping der Christenen bij den ernst der tijden. Het met u gelezen Schriftwoord uit den latequot; brief van Petrus, verkondigt ons eene ernstige waarheid, maar komt ook tot ons met eene lieflijke opwekking, en het geheel, bevat eene dringende vermaning om onze roeping te betrachten.
De ernstige waarheid is deze: Het einde aller dingen is nabij! Heeft de Apostel Johannes gezegd: Kinderkens het is de laatste ure, en gelijk gij hebt gehoord dat de Antichrist komt, zoo zijn ook nu vele Antichristen geworden, waaruit wij kennen dat het de laatste ure is. Hoeveel te meer reden hebben wij om elkander toe te roepen: Het einde aller dingen is nabij: In ons goede land door het
86
bloed onzer vaderen voor het Evangelie vrij gevochten, bestaat eene partij die zich eenige jaren geleden rondweg noemde âde partij van den afval; degenen die afvallig geworden zijn van den Grod Jahvé.quot;
In Italië zijn aanbidders van den duivel, die een weekblad uitgeven getiteld: De Satan. Denk daarbij aan de woelingen van de Socialisten, de Atheïsten, de Nihilisten, en hoor dan de kreten die er opgaan: Weg met de vorsten, weg met den rijkdom, weg met het huwelijk, weg met God! Wij willen niets van den hemel hooren, maar wel van de hel, en daar willen wij geheel voor leven. Uit een liederenboek der Socialisten wil ik u twee liederen doen hooren, en ik meen dat gij zult toestemmen wat Mr. Groen van Prinsterer, Minister Modderman, en andere uitnemende mannen gezegd hebben: âWij zijn aan. het begin van het einde. Wij staan aan den vooravond van eene Revolutie waar geen enkele Revolutie bij kon halen. Hoor nu wat door duizenden, op de wijze van de Wacht am Rhein gezongen wordt:
Een roepstem klinkt van land tot land,
Gij armen rijkt elkaar de hand,
Weerstaat der dwingelanden broed En breekt het slavenjuk voor goed.
Het wappert dof uit onzen nood,
Bij 't wappren van den vaan bloedrood;
Arbeidend leven, ol' kampend den dood!
Arbeidend leven of kampend den dood!
Wij hebben lang genoeg gewacht,
Men heeft ons lang ten spot geacht;
Nu grijpen wij allom ons recht,
Nu rusten we ons tot het gevecht.
Het dwarrelt dof uit onzen nood,
Bij 't wappren van de vaan bloedrood.
Arbeidend leven, of kampend den dood.
87
Twijfelt gij nog of welhaast de zon zal worden verduisterd, en de maan rood zal worden als bloed door het vuur dat ontstoken zal worden, en de rookpilaren die zullen opgaan'? Hoor dan nog een tweede lied dat op de wijze van de Marseillaise gezongen wordt:
Welaan, die recht en vrijheid achten,
Verzamelt u otn onze vaan.
Moge ons de leugen nog omnachten Haast licht de morgen onze baan!
Een zware kamp is 't die wij wagen.
Talloos der weórpartijd'ren schaar,
Doch of als vlammen het gevaar Moge over ons vernieling dragen.
De nieuwe volksopstand.
De heele volksopstand,
Marsch, marsch,
Marsch, marsch,
Marsch zelfs in den dood,
Want onze vaan is rood.
En dat er reden is tot ontevredenheid, wie moet het niet toestemmen? En dat men wind heeft gezaaid, en nu storm moet oogsten, wie zal het ontkennen ? Men heeft door ongeloof en modernisme den armen mensch zijn hemel ontroofd, nu wil hij ten minste de aarde hebben. Het Evangelie alleen is bij machte, wellicht nog dezen storm te bezweren, als het niet reeds te laat is. Een volk toch dat zijn God verlaat heeft geen recht meer van bestaan, en waar het doode lichaam is zullen de arenden worden vergaderd. De volken van Europa wandelen als Oud-Israël het gouden kalf na, en de onzedelijkheid wordt in bescherming genomen.
De ongerechtigheid neemt toe, hoererij en dronkenschap gaan samen; moorden en zelfmoorden waar de wereld van eischt vermenigvuldigen zelfs onder kinderen en jongelingen;
88
armen en rijken; zelfs Vorsten slaan de hand aan hun eigen leven; en al deze dingen zeggen ons: Het einde aller dingen is nabij; maar nog is het einde er niet. Het Evangelie zal weldra aan alle volken gebracht zijn hun tot een getuigenis. Reeds is de Zending gelijk aan een grooten Engel vliegende in het midden des hemels, om het Eeuwig Evangelie te verkondigen aan de volken die op aarde wor.en. In 335 talen is de Heilige Schrift vertaald, verspreid en gelezen. De bewoners van de Sandwichseilanden, en van de Fidschi eilanden knielen voor Jezus.
Op Groenland en Labrador zijn christenkerken verrezen. De Roodhuiden hebben den naam van den grooten Geest vernomen die hun tot voor korten tijd onbekend was gebleven. De Karenen hebben uit dankbaarheid dengeopenden Bijbel in hunne vlag geplaatst, en de Hoogeschool te Rangoen telt meer studenten in de godgeleerdheid dan al onze Hoogescholen te zamen. De Keizer van China is aan het Engelsch leeren uit leerboeken waar het Christendom niet in vergeten is. Japan is voor het Evangelie geopend; en tegenover het Vaticaan van den Paus verrees in Rome het gebouw van het Britsch en Buitenlandsch bijbelgenootschap. Denk bij dit alles aan de Antisemitische beweging; het herbouwen van Jeruzalem; den spoorweg van Jaffa naar Jeruzalem; de bekeering van duizenden Joden door de prediking van Rabbi Nowitsch; de vertaling van het N. Test. in het Hebreeuwsch door Delitsch; den wederkeer der Joden naar hun land, waar er nu reeds meer zijn dan er vroeger uit Babel wederkeerden. En dan, Gods oordeelen op aarde. Voorwaar wij staan aan het begin van het einde; aan den vooravond van groote gebeurtenissen. Wij hooren de gemeente bidden: Amen, ja kom Heere Jezus! en wij hooren den Heer antwoorden: Zie Ik kom haastiglij k!
Wij vernemen Zijne voetstappen reeds op de golven van
89
dezen tijd. Jezus komt haastiglijk om de zalig gestorvenen op te wekken, en met die nog leven op te nemen in de heerlijkheid.
Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding, over hem heeft de tweede dood geen macht. De Heer komt, en wij hebben Hem nu ieder oogenblik te verwachten.
Gij dan zijt ook bereid, want gij weet den dag en de ure niet waarin uw Heer komen zal. Twee zullen zijn op één bed, de een zal aangenomen en de andere zal verlaten worden; twee zullen malen in den molen, de een zal aangenomen en de andere zal verlaten worden. De wijze maagden zullen met den bruidegom de bruiloftszaal ingaan, en de dwaze maagden zullen buiten staan en roepen: Heere, Heere doe ons open! maar Hij zal zeggen: Ik ken u niet.
En daarom mijne vrienden waar het einde aller dingen, het einde dezer bedeeling nabij is, hoort dan naar de dringende vermaning: Zijt nuchteren en waakt in den gebede. Zijt nuchteren, laat door niets en door niemand u opwinden. Strijdt mede tegen den vijand van ons volk en van ons land, en van de arme menschheid: den ellendigen sterkendrank, in welken vorm zich ook aan u voordoende. Het is ten hemel schreiende dat een volkje van 4 millioen zielen in één jaar 85 milioen aan sterkendrank verkwist, en door de stad onzer inwoning 5000 gulden in 18 uren tijds. Wat zee van ellende is daar achter deze cijfers verborgen, het is God bekend. Strijdt dan mede om de eer van ons land en volk. Maar strijdt bovenal mede om de eer van God, en het heil der zielen. Met den drinkbeker der duivelen kunnen onze mede-menschen toch niet de eeuwigheid ingaan.
Nog eenmaal, zijt nuchteren gansch en al, van al wat bedwelmt, van al wat opwinden kan; en dan, waakt in den gebede. Slaapt niet in maar waakt, wie weet hoe spoedig Jezus komt, of ons sterfuur komt. Waakt in den gebede; ons leven zij geheel gebed, een altijd durend âOnze Vaderquot;.
90
Bidt zonder ophouden, en dankt God in alles, en als uw gebed niet door de wolken dringt zal uwe dankzegging er wel door heendringen. Houdt bidstonden, voor land en volk, voor vorstenhuis en overheid, voor kerk en zending. Bidt om den vrede van Jeruzalem. Israels toekomst genaakt; wel moeten zij varen die Jeruzalem beminnen.
Bidt voor onze Zondagsscholen en Christelijke scholen, onze Knapen- en Jongelingsvereenigingen, voor onze Militaire Tehuizen, óók voor dit Tehuis, en ook voor mij, opdat mij voortdurend het Woord Gods gegeven worde in de opening des monds. Gedenkt ook ons Bestuur. Zij behoeven uwe voorbede en veler hulp, opdat dit Tehuis blijve, en ten zegen blijven moge. Maar vergeet bij uw gebed voor anderen u zei ven niet. Laat dit uw levensdoel zijn: eigen heiligmaking, de eer van God, en de redding van anderen voor de eeuwigheid. En nu bij deze dringende vermaning ook eene lieflijke opwekking. Maar vooral âzegt de Apostelquot; hebt vurige liefde tot elkander, want de liefde zal menigte van zonden bedekken. De haat verwekt krakeelen en vooral de godsdiensthaat.
Men bijt en vereet elkander en wordt van elkander verteerd. Men scheldt op âanenquot; en âistenquot; en men vergeet de liefde. Het is niet de vraag tot welke Kerk gij behoort, maar of gij Christus toebehoort, en of gij Zondag 1 van den Catechismus tot uwe levensleuze en levenskracht hebt gekozen. Het baat niet of gij al Gereformeerd zijt als gij niet tot God bekeerd zijt. Laat uw godsdienst een voet zakken; wat in het hoofd is moet in het hart komen, want rechtzinnigheid zonder rechtinnigheid doet geen nut. Reik over eiken kerkmuur heen uw broeder de hand. Hebt elkander lief; hebt elkander vooral vuriglijk lief. Hieraan zal de wereld weten dat gij Christus Discipelen zijt.
De liefde zal een menigte van zonden bedekken. De haat schuimt het kwaad van den naaste op, en verheugt zich
9]
in zijn ellende en verdriet. Gij dan doet alzoo niet; doet al zoo nooit. Is daar een broeder dien ge ziet zondigen, verwondert u niet, want we zijn nog geen Engelen. Vermaant hem, maar bazuint zijne zonden niet uit. Loopt er niet mede te koop, maar gaat met een hart vol medelijdende liefde tot hem; niet om hem op beogen toon te berispen, en bitterheden toe te duwen; maar om hem terecht te brengen door den geest der zachtmoedigheid, ziende op u zeiven, opdat ook gij niet verzocht wordt. Wij kennen gewoonlijk beter de zonden van onze naasten dan hunne smarten; en we weten toch wel dat een Christen niet goedkoop zondigen kan. De zonde toch is in haar diepste wezen geen genot, maar een weenen over het verloren deel. Weest dan niet hard voor een gevallen broeder, die zich zeiven reeds meer veracht dan iemand weet; maar toont hem uw liefde en brengt hem terug tot den Heer, en gij zult u verheugen in zijn heil.
Ben man die in dronkenschap zijne zieke vrouw met haar bijbel in het gelaat sloeg, en later dronken thuis komende het lijk der gestorven vrouw op den grond leide, en liet liggen, tot het verging en van de ratten gegeten werd, die zelfde man kon in later jaren getuigen: dat hij, zelf gered zijnde, reeds meer dan vijftig dronkaards voor Christus had gewonnen. Voorwaar! voorwaar!
De Heer kent al de Zijnen,
En wordt van hen gekend;
Hij hoedt hen als zijn schapen,
Aan Zijne stem gewend.
Geen wordt Hem ooit ontnomen,
Of dwaalt voor altijd af;
Zij blijven steeds de Zijnen,
Tot aan en over 't graf.
Maar gij kunt door uwe broederlijke, vurige, christelijke liefde een menigte van zonden bedekken.
92
/ O
^ opÃ6
%
Wie een zone aar van de dwaling zijns wegs bekeert zal eene ziel van den dood redden, en menigte van zonden bedekken. Wat ig er heerlijker en schooner en meer Gode â waardig en tot ee;r van den Heer, dan dit? En die geredde ziel zal dankbaar getuigen:
'k Zal daar den vriend mijn dank betalen,
Die mij den heilweg wijzen wou;
En heim zelfs millioenen malen,
Nog zeeg'nen voor zijn liefde en trouw.
Daar vin(j ik bij mijn God en Heer Dien trouwsten vriend op aarde weer.
Christenen! laat, uit dat zelfde laatste gezang, dit vaak uwe hartetaal zijn;
Daar roept, o mocht mij God dit geven.
Wellicht een zaal'ge ook tot mij :
Weest, welkom! gij hebt mij het leven,
De ziele mij behouden, gij.
O God wat zaligheid, hoe groot!
Eevi ziel te redden van den dood.
Het einde aller dingen is nabij, zijt dan nuchteren, en waakt in den gebede; maar vooral hebt vurige liefde tot elkander, want de liefde zal menigte van zonden bedekken. Dat is eene ernstige waarheid, eene dringende vermaning, eene lieflijke opwekking. Wij hebben dezelve mogen hooren. God wil ons de genade schenken om er ook naar te doen. Zoo zij het dan Gode tot eer, ons zeiven tot heil, en anderen ten eeuwig blijvenden zegen. Amen.
-'
â â ;' quot; i,--'
fk-. â - ^ ^
t ' ' - - quot; . - ' : - W
^ quot;' ::; / ^ ^â . - lt; v ; 'r -- â â¢â . â â ⢠mm
^'v ' -v ;
«BS- .. -.y -.,
; â u ftSB y®»5
-*
- '1
â s':'
.yï0 ':â :â â â â
⢠ââ . -, . V-s::--''lt; : . â ' . ; --.v
wm^ ^ WM
?::yy:^ ^ -- â ; â â ^ quot;-â â v:-- /quot; â â : â -
1'â -, : -'â s. â â ⢠â ' ...,. - quot;;;-. , â¢..
y-Tyi--- y - - - - â ' - â : â¢â . â - â â ' â¢-gt;â â - . ⢠, ,
V- -â¢â¢--- - . ⢠. ,-â¢- . - - , --, ..; â¢, -^ - .- -/. ⢠⢠t. ⢠, .;
~:y-^':i:v--quot;'^s.v
quot;â -â¢:. â â â -;!â 'j.C' V-^: ï^^V-A-
..^ ^ - â¢â¢;â y: :v, ^ - â¢. I ' - . ....,^
/â¢â¢-.- â - . .. â , y
^ '- ' .: . quot;,â¢. â â » - â â : ' ' .;â .' 'â â - - , â ;gt;ââ - - â ' . â ' â â gt;;
:V - â .;â â â â¢.â â¢â¢, â â â : ,,,,:â . .. ,. -,
-' ⢠v. ..' .. -^rf â '-quot;-â ' â ' _y , -⢠â ' . . .â¢.--
â¢~', - y'- :--. 'â â quot; â¢quot;â .,⢠,' , .⢠-:.â ; â â ' â '' ' 'quot;. - ⢠quot; â â . - ; .
.--' â¢.' quot; -⢠â¢' ⢠- ⢠' â quot; ' ' '- â ' . 'quot;â â
⢠'1 -â Jgt; - quot; ' ' .: ' â .quot; - ⢠â¢. â¢â¢..
^ â .vm
. -'y- ⢠- . ⢠' : ; â quot;gt; ⢠gt; . :