ocr page 1

i. o —

oquot;

O I

0 1

01 i o 1

1° Jp

il

i

IL VIERDE TIENTAL SCHRIFTBESCHOUWINGEN J

DOOR

J. VATST BEIJEREN,

Directeur van liet „Tehuis voor Militnirenquot; te 's Gravenhage.

11/

XTitgegeven iexi quot;voorcleele d.er Evangelisatie onder HS^Eilitairen.-

S-GRAVEISHAGE.

FIRMA H. J. GERRETSEN. 1892.

= ^ i^MllliinjiillnM.ij!......il|!!..1.!i!!!i:ia!!!!!;M!!!hi:!!!!!!!lï!^^

111 Iiliüitiiiiiniüiiti •.

quot;DOOOCOOCOOC 3

o o

O O O O O O O O

ocr page 2

schenking uit de bibliotheek van

hm de koningin

LEIDEN: STOOMDRUKKERIJ VAN L. VAN NIFTERIK HZ.

ocr page 3

V rien del ij ke Lezer!

Dankbaar voor al de goede ivoorden mij gezegd en geschreven over „Kribbe en Kruis11 wordt u bij deze, op veler verlangen, een nieuw bundeltje mijner schriftbeschouwingen aangeboden. Wat het doel bij vroegere uitgave was, is het doel ook nu: een klein aandenken te kunnen medegeven aan vertrekkende bezoekers van het Tehuis, en de ivinst der uitgave beschikbaar te kunnen stellen voor Bijbel- en Tractaat-verspreiding onder Militairen.

Dat doel wilt gij immers gaarne medehelpen bevorderen? De inhoud van dit hoekje is niet geheel van mij afkomstig; er zijn drie onderwerpen hij waarover ik in 1866 in het Duitsch heb gelezen in een boek van Dr. Kapff, dat is mij vele jaren bijgebleven; moge menig ivoord in dit hoekje ook u bijblijven en ten zegen zijn. Wel hem die de waarheid kent, zijn jeugd wordt door haar vereeuwigd. Die genade wordt u van ganscher harte toegeheden door

Uw Broeder in Christus

J, VAN BEIJEREN.

's Gravenhage 1892.

ocr page 4

INHOUD.

Bladz.

1. De Koninklijke lijder.........5

2. Jezus in Gethsémané.........11

3. De Weldoener Israels door zijn ondankbaar volk verworpen. 21

4. De grootste tegenstellingen in, en door Jezus lijden vereenigd 28

5. De opstanding van den Heere Jezus Christus. ... 34

6. Het was toch de Hovenier........45

7. Jezus onze Leidsman op den weg door dit leven ... 52

8. Een avond die in den hemel herdacht zal worden . . 59

9. Gewankeld in het geloof, maar toch de liefde behouden . 68 10. Jezus aan de zee van Tiberias.......75

83

De triomf van ons verheerlijkt Hoofd in den hemel

ocr page 5

De Koninklijke Lijder.

Samuel 15;23è.

Er is een klein land op deze wereld, waar alle landen belang bij hebben, en belang in stellen; en er is menige man of vrouw, jongeling of jongedocbter beier bekend met de steden en vlekken, rivieren en meren, ja zelfs met de beken in dat land, dan met al het genoemde in eigen vaderland. Dat het Heilige land door mij bedoeld wordt hebt gij reeds begrepen, en dat gij het laatste mij zult toestemmen daarvan houd ik mij overtuigd, als ik u alleen herinner aan de beek waarvan onze tekst spreekt. Er is geen kind, hetwelk de Zondagschool bezoekt, dat niet zou weten, dat de beek Kedron bij Jeruzalem ligt. Het is een vuile donkere beek, die door het diepe en uitgestrekte Kidrondal loopt langs Getsemané. Over de Kedron te gaan, dat wil dus zeggen de stad Jeruzalem te verlaten; en aan dat gaan over de Kedron is telkenmale de gedachte van lijden verbonden. Het is daarom mijn doel naar aanleiding van ons tekstwoord uwe aandacht te bepalen bij:

De Koninklijke lijder des Ouden Verbonds;

De Koninklijke lijder des Nieuwen Testaments; De Koninklijke lijder in de gemeente van Christus.

Ik ga u dus wijzen op de type, de werkelijkheid en de navolging van den Koninklijken lijder. — Het lijden van David is heenwijzing naar het lijden van Zijnen grooten Zoon, maar waar David lijden moet om eigen zonden, lijdt de Zone Davids

ocr page 6

()

voor de schuld en zonde van anderen. Dit wordt ons duidelijk getoond: de oorzaak van het lijden is de zonde, bij David en bij ieder mensch hoofd voor hoofd, en naar de zonde is het lijden afgemeten. De zonde in het Paradijs bedreven heeft doorgewerkt en is in al hare afschuwelijkheid, vloeken strafwaardigheid openbaar gekomen aan het kruis, toen Gods oordeel over de zonde nederkwam op des Heilands hoofd. Zoo ook met David; de zonde in het verborgen bedreven en ook reeds aan Nathan beleden, en voor God be-schreid, werkt door en komt lot openbaarheid, als Gods oordeel over David gaat, en zijne zonde in al hare afschuwelijkheid zichtbaar wordt, waar Absalom de bijwijven schendt op het dak van het Paleis. En even als bij David is er bij ieder kind van God verband tusschen de schuld en het oordeel dat God over hem laai gaan tot zijne behoudenis. Als het meest smartelijk lijden heeft de Heiland dit eenmaal gezegd: «Eens menschen huisgenooten zullen zijne vijanden zijn.quot; Dat is het wat David doet klagen: «Die met mij het brood gegeten heeft, heeft legen mij de verzenen opgeheven.quot; Indien het nog een vijand was die mij hoonde, maar gij zijt het, o mensch, als van mijne waardigheid, mijne bekenden, wij die heimelijk samen raadpleegden en wandelden ten huize Gods. En dat lijden heeft Christus bitterder dan iemand ervaren in het verraad door Judas.

David is dan hier ook meer dan ooit te voren een type van Christus. Hij heeft een diepen lijdensweg doorgemaakt en is daardoor de man geworden, die ons zijne lijdenspsalmen kon nalaten, waarin hij een lijden beschrijft dat het zijne verre overtreft, maar waarin iedere lijn uitloopt op Christus; denk slechts aan den 229tequot; Psalm, dat ecce Homo onder de Psalmen, en gij zult mij toestemmen dal het niet van David kan gelden: «Zij hebben mijne handen en voeten doorgravenquot;, maar wel van onzen Heer.

ocr page 7

7

Wal geeft David nu de kracht om hel lijden dal over hem kwam Gode waardig te dragen? Hij erkende dat lijden als een gevolg van zijn schuld, als eene vervulling van Gods bedreiging; Het zwaard zal van uw huis niet wijken. Maar ook, hij zag in dat lijden Gods liefde, die hem niet liet varen. Hij zag dal God hem uil getrouwheid verdrukte, en daarom gevoelde hij in de verdrukking den handdruk van God, en wie dal gevoell kan hel zwaarste zelfs lorschen. Wilt ge een geloovige leeren kennen? leer hem dan kennen in dagen van lijden en smart. Nooit is David grooter geweest dan in hel oogenhlik als hij over de Kedron gegaan zijnde de Ark naar Jeruzalem laat brengen en zegt: Zoo God mij wel wil, en gunstig is, zal Hij mij de Ark weder doen aanschouwen in Zijn heiligdom mij wederbrengende le Jeruzalem. Zie dat is geloof, en dat is een eerste zegen van hel lijden. David is een geheel ander man als hij uil de school der beproeving le voorschijn koml dan voor dien lijd. Hij is door hel lijden geheiligd, gelouterd als het goud in den smeltkroes der verdrukking, hij is losser van de aarde, meer verbonden aan den hemel, meer geschikt voor Gods werk en doel. Dal zelf gevoelende zegt hij in zijn Psalmen: Gij stelt mij Heer tol eenen eeuwigen zegen, eu dal woord is meer vervuld dan hij hel zich ooit heeft kunnen denken, want zijn Psalmboek werd hel gebedenboek voor Gods volk van alle lijden, hel leende hun de talen des harten in dagen van vreugde en leed, in lijden van nood en dood, maar ook in de dagen van redding, verlossing en verlroosling. En al deze dingen treden voor onze aandacht bij hel lezen van het woord: «En de Koning ging ook over de Kedron.quot; Nooit was David meer een Koning dan op zijn lijdensweg. Nooit bleek hij meerde man naar Gods hart. Nooit blonk de genade hem geschonken schooner dan op den donkeren achtergrond van zonde, smart en oordeel. En aandoenlijk klinkt ons het woord in de ooren:

ocr page 8

8

«Handel mij zachtkens met den jongeling, mei Absalom,quot; om wiens dood hij de bitterste tranen schreit en uitroept: Absalom, Absalom, ware ik maar voor u gestorven! Zoo wijst hij in zijn lijden ons heen naar Hem, die nog stervend bad voor zijne beulen: «Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.quot; Van Hem geldt het inzonderheid: En de Koning ging ook over den Kedron. De Koning, ja, want Christus was in waarheid de Koning der Joden, uit David's huis, uit Juda's stam, de Koning niet alleen der Joden, maar een groot Koning over de gansche aarde. De Koning over Schepping en Geestenrijk en Godsrijk. Koning door hetgeen Hij was en door hetgeen Hij deed. Hij ging over de Kedron, dat wil in één woord al Zijn lijden ons herinneren hetwelk Hij geleden heeft voor onze zonde en schuld. De vuile Kedron is het zinnebeeld van ons zondig, onrein en bedorven leven, Hij ging daarover om Gods oordeel te dragen voor onze schuld. In zijn lijden is de zonde openbaar geworden in al hare afzichtelijkheid en Gods liefde ontsluierd in al hare schoonheid, rijkdom en grootheid; en Hij is over de Kedron gegaan als een Koning. Nadat zij den lofzang gezongen hadden ging Hij uit naar den Olijfberg. Met het groote Hallel op de lippen, met het laatste vers van den H8dcn Psalm is uw Heiland Zijn lijden tegen getreden, zie dat is Koninklijk lijden. Hij heeft al hel lijden doorgemaakt wal van Hem te voren voorzegd was dal Hij lijden zou, geen woord is er onvervuld gebleven. Terecht heeft een vaderlandsch dichter gezegd in een onzer Evangelische gezangen:

Leer mij, o Heer, Uw lijden recht betrachten.

In deze zee verzinken mijn gedachten,

O liefde, die ora zondaars te bevrijden,

Zoo zwaar woudt lijden.

Want in waarheid dit lijden is een zee, waar onze gedachten in verzinken, en dit lijden is recht Koninklijk geleden door den Onschuldige om schuldigen voor eeuwig vrij te

ocr page 9

9

maken. Onze zonde was de oorzaak van Zijne smarl, en omdat de schuld zoo groot was is het lijden zoo zwaar ge weest. Het smartelijkste was dat in Getsemané de discipelen sliepen, dat Judas Hem verried en allen Hem verlieten, zelfs Johannes, dien wij echter op Golgotha zien bij het kruis. Wat deed Christus zoo Gode waardig dit lijden dragen? De erkenning van Gods heiligheid en rechtvaardigheid, de liefde Gods die Zijne ziel vervulde. Hij was de borg geworden uit loutere menschenmin. Om onze ziel te redden ging Hij den doodsnacht in. Maar het lijden van Christus tot heil der wereld was tevens de weg tot Zijne altijd vermeerderde heerlijkheid. En nu, ook wij gaan vroeger of later allen over onze Kedron. We hebben in David de type gezien van den Koninklijken lijder. In Getsemané, Gabbatha en op Golgotha zien wij de werkelijkheid, waar de hel bij siddert, waar de hemel vol verwondering voor knielt, waar de gansche schepping bij ontroerd wordt, zoodat de aarde beeft en de zon haar licht intrekt bij dat nameloos lijden, zoo onschuldig en met zooveel majesteit gedragen en geduld. En waar nu in David een voorbeeld van den Koninklijken lijder gezien werd, moeten wij nabeelden van Hem worden, en de overblijfselen van Christus lijden in onze lichamen vervullen. Zoo wij met Hem lijden, we zullen ook met Hem verheerlijkt worden. Maar we moeten lijden als koningen. Keizer Frederik van Duitschland heeft, gezegd: »Leer te lijden zonder klagen.quot; Wat onderscheidt u van de wereld als ge in lijden aan die wereld gelijkvormig wordt? Vergeet nooit dat de zonde de oorzaak is van het lijden, dat u nochtans uit liefde gezonden wordt lot uwe loutering. Zoo onderwerpt u dan Gode en gij zult Gods handdruk in de verdrukking voelende, kracht hebben, om het lijden Godewaardig te ondergaan. Er is een zegen aan het lijden verbonden voor de aarde, een blijvende zegen voor de toekomst. God geeft genade en eer. Koningen

ocr page 10

10

dragen ter hunner tijd kroonen. Het geloof geeft moed in allen nood, en de blijdschap in God overwint alle smarten óók die des doods. Wij worden door lijden geheiligd, gelouterd, losser van de dingen der vergankelijke wereld, meer geschikt voor Gods werk op aarde en voor de heerlijkheid des hemels. Het geloof geeft uitzicht op uilredding en een goed vooruitzicht naar het land waar geen inwoner meer zal zeggen: Ik ben ziek; daar is geen lijden meer maar leven, overleden is voor den Christen over het lijden. Hel ongeloof voert tot moedeloosheid, kwade luim, zwartgalligheid, zelfmoord ; geloofloos wordt hopeloos en liefdeloos en eindelijk zedeloos, goddeloos, levenloos. Wat is uw weg en keuze? De breede weg, als een slaaf naar het verderf? Of achter Christus als een koning over de Kedron? Teekent zich uw leven in het woord: morrend, of in het woord: moedig ? Zijt ge in het oog van God en menschen een koning of een slaaf? Wie Christus volgt vindt achter eiken doorn een roos, wie hem niet volgt vindt achter elke roos een doorn. Wie Christus volgt is bereid al zijne illusiën prijs te geven, maar hij ziet al zijne idealen werkelijkheid worden in het hoogste Ideaal; Jezus Christus. Leidt Hij uw levensweg zóó dat ge als de jongelingen te Babel in een gloeienden oven terecht komt, dan zal het uwe ervaring zijn, dat de Zoon des menschen daar met u in rondwandelt; gij gaat door't vuur, maar wordt niet eens gezengd, de vlam verteert u niet, maar reinigt de wapenrusting des Christens en maakt hem bekwaam in den hemel met de blinkenden te kunnen wandelen. Tijdelijk lijden wordt eeuwige eer. Ga dan mijn broeder moedig over de Kedron; achter Getsemané, Gabbatha en Golgotha ligt de Olijfberg, en van daar voert de weg naar de woningen van licht en vrede en stooreloos verblijden. Daar wordt het: Heer erbarm ü onzer, vervangen door het eeuwig Halleluja der verloste gemeente. Amen.

ocr page 11

Jezus in Gethsemané.

Mattheus 26 : 36—56 en Lükas 22 : 43.

Het lijden dezes tegenwoordigen tijds kan ons vaak onverwacht overkomen, en het is goed dat de toekomst voor ons verborgen is; maar het bitterste lijden overkwam Christus niet onverwachts. Hij had een blik geslagen in het woord der Profetie en daar al Zijn lijden tot in de kleinste bijzonderheden geteekend gevonden; Hij had een blik geslagen in het lijden dat Hij tegentrad, en door dat lijden heen zag Hij de heerlijkheid reeds blinken. Hij had een blik geslagen in onze ellende en was bereid met Zijn heilig lichaam een brug te slaan over den gapenden afgrond die daar was tus-schen het menschenhart en het liefdehart van God. Hij had een blik geslagen in het harte Gods, en Hij wist dat Zijn Vader het niet kwaad met Hem kon meenen. Maar bij dit alles is het de vraag of Hij wist wat in Gethsemané Hem wachtte, want daar wachtte geen lijden maar strijd met de openslaande hel. Wij lezen toch in de Schrift: Nadat Zij den lofzang gezongen hadden ging Jezus uit naar den Olijfberg, en Hij ging met Zijne Discipelen in eene plaats genaamd Gethsemané, en zeide tol Zijne Discipelen: zit hier neder

ocr page 12

12

totdat ik heenga en aldaar zal gebeden hebben. Het was dus Zijn doel zich door het gebed voor te bereiden voor zijn lijden. Gethsémané was een dal aan den voet van den Olijfberg aan den linkeroever van den Kedron gelegen. Men wijst nog heden den reiziger in Gethsemané, acht oude olijfboomen aan, die van binnen hol, met steenen gevuld en gestut zijn, men wijst hem verder de plaats aan waar de jongeren geslapen hebben, waar Judas den Heer verried, en deze plaats wordt door Christenen en Turken als eene vervloekte plek aangezien. Wij willen daar niet verder over spreken, maar elkander doen opmerken, dat de Heer voor den nacht zijner smarten dit dal heefl opgezocht. Als Christus Zijne heerlijkheid openbaart aan zijne jongeren dan doet Hij dat op een hoogen berg. Weet ge waarom?

De God des hemels mint de bergen dezer aarde; en koos ze zich ter woon, als des aardrijks verste grens, waarop God neerdaalt, tot den mensch, die tol Hem opklimt. Zoo zal de Heer van den Olijfberg ten hemel varen, maar eerst moet Hij ter hellevaren en daarom gaat Hij in een dal. De diepe weg behoort bij het diepe lijden, den diepen nood, waarin het voor Hem zal zijn: Uit de diepte roep ik tot ü o God, Heere hoor mijne stem! En als Gods weg met ü door een Gethsemané gaat laat dit u troosten: Jezus ging vooraan op de lijdensbaan. Christen, laat den moed nooit zinken wanneer gij gaan moet door een donker dal, uw leven ligt ook tusschen bergen en dalen, evenals het leven van uw Heiland; bedenk dal op de diepste diepte, de hoogste hoogte volgt. Door den nacht naar den morgen, door het duister naar het licht, door de smart naar de vreugde, door den doodstrijd naar de heerlijkheid, is steeds de weg voor Gods kinderen. Gethsémané was niet alleen een dal, maar ook een hof, dat is voor ons vol beteekenis. De eerste Adam stond in een hof voorzien van allerlei geboomte, de tweede Adam

ocr page 13

13

moet knielen in een hof waar enkel olijfboomen staan. De olijven werden in dezen hof uitgeperst, die daarom dan ook Gethsemané, oliênkelder, is geheeten. Hier werd Christus rood aan Zijn gewaad, hier heeft Hij de pers alleen getreden en niemand der volken was met Hem, toen Hij de pers trad van den toorn Gods over onze zonden. Maar in dezen hof is dan ook de olie der genade te vinden, voor den gebrokene van harte zoo noodig tot genezing, en alle kranke zielen vinden heeling aan deze heilfontein.

Wel komt uit het wee Van Gethséinané.

Naast de hel der verdoemden is er geen angstiger plek te bedenken dan Gethsémané, en toch is die plek ons zoo dierbaar geworden.

Zeg mij, hoe heet het oord der trouwbetooning,

Waar 's Vaders zoon gehoorzaam tot den dood Zich voor zijn volk, vrijwillig, als hun koning Aan Judas kus, en beulenvuistgreep bood?

Waar Hij als hoofd der kindren Gods, ten strijde Zich rustte en voor hen ten vloekdood wijdde,

Zoo hun ten schild voor eeuwgen vloek en wee?

Gethsémané.

Zeg mij, hoe heet de schuilplaats der belasten,

Die moede en mat door foltrend menschenjuk,

En uitgeput van angst en vleeschlijk vasten Vergeefs om rust zich pijnden in hun druk?

De stille plek, waar zij, van schuld bewusten,

In koele schaauw verademen, en rusten Als op 't gebergt' de matgejaagde ree?

Gethsémané.

De Heiland bracht maar eene ure door in Gethsémané, maar dat was het langste uur en het bangste uur Zijns

ocr page 14

14

levens. Job in zijn klaaglied over de menschelijke ellende roept uit: ellendige nachten zijn mij vele geworden! Wat beteekenen echler de ellendige nachten van de knechten Gods, tegenover den lijdensnacht van hunnen Heer? Een uur is zoo spoedig om als hel doorgebracht wordt in vreugde, maar een uur is zoolang als hel doorgebracht wordt in smart. En wat haalt de felste smart bij de helleangsl en zielsbenauwdheid van Jezus Christus in Gethsémané? Toen rustte Gods toorn over de zonde van hel gansche mensche-lijk geslacht op Zijne schouders, toen werd Hem hel bloedige zweet uitgeperst. Toen slreed Hij een strijd waarvan de behoudenis der wereld zou afhangen. Toen moest de Zone Gods zich zeiven overwinnen voor Hij satan overwinnen kon. In Gelhsémané heeft Hij, die de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden. Hij heeft gezegd bij zijne omwandeling op aarde: »Ik moet met een doop gedoopt worden, en hoe wordt ik geperst loldat hel volbracht zij,quot; en satan heeft dal woord vernomen en het Christus ten geesel gemaakt in dit uur. In de woestijn kwam hij Christus verzoeken mei het driemaal herhaalde: «Indien gij Gods zoon zijl.quot; Hier komt hij Christus bestrijden en zegt: indien gij Gods zoon zijl, moet gij dan hel sterfuur zoo vreezen? Gij die de opstanding en het leven zijl vreest Gij voor den dood ? Gij hebt immers macht het leven af te leggen en hel weder aan te nemen? Maar nu blijkt het dat gij Gods zoon niet zijl, laat hel kruis varen, gij kunt de wereld niet verlossen, uw rijk van licht en waarheid is een hersenschim en uw zoonschap Gods dwaze inbeelding, de moed ontzinkl u nu reeds en Gij zijt nog niet aan het kruis, keer terug, keer terug, eer het te laat is, gij dwaaste en dwalende meer dan alle menschenkinderen. Maar als hemel-muziek klinkt, ons hel woord in de ooren: In zwaren strijd zijnde bad Hij te ernstiger:

ocr page 15

Zeg mij, hoe heet de voorhof tot Gods Eden,

Waar 't Cherub zwaard dat 's Vaders lusthof sloot Door 's Vaders zoon voor ons is weggebeden In d'overgaaf Zijns levens tot den dood?

Waar Hij nu zelf van 's levens heilgen drempel Ons wenkt en noodt, tot 's Vaders hof en tempel Uit zonde en nacht tot 's hemels licht en vreê?

Gethsémané.

Die onverwachte strijd met de geopende hel is de bittere beker waarvan Christus bidt bevrijd te mogen zijn. Niet van Zijn lijden. Daarvan heeft Hij gezegd: »De drinkbeker dien de Vader Mij gegeven heeft om Ie drinken, zal Ik dien niet drinken?quot; Maar in deze helleangst en zielestrijd strijd bidt Hij: »Vader indien het mogelijk is laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan, maar niet Mijn wil Uw wil geschiede.quot; Wie bidden wil leeren moet naar Gethsémané gaan om door den grooten Bidder te worden onderwezen. Hij zal het u zeggen door hetgeen Hij doet. Hij bidt kort, Hij bidt kinderlijk, Hij bidt menigmaal. Hij bidt eenswillend, ernstig en aanhoudend, eenvoudig en waar, en alzóó biddend komt Hij tot het beoefenen eener gehoorzaamheid, waarover zich de Engelen verwonderen. Aizoo overwint Hij zich zeiven, alzoo overwint Hij de vreeze des doods, en dengene die het geweld des doods heeft, den duivel. Voor en in dit gebed is Hij een worm en geen man; straks is Hij een man die hel en duivel te sterk is geworden.

Zeg mij, hoe heet de school, waar 't harte bidden Als kind tot God eenswillend bidden leert?

Waar 't neêrgevleid aan 't Vaderhart te midden Der wereld, niets dan 's Vaders wil begeerd ?

Waar Englen Gods de moede ziel omzweven.

Opdat zij gansch als offer zich moog geven In de uit het hart geplengde beê?

Gethsémané.

ocr page 16

16

Het gebed uit het diepe dal, het gebed uit zoo diepen nood, is ons tol zoo rijken troost geworden, want als Gethsé-mané niet doorgeworsteld was, — van Golgotha zou niet de triomfkreet gehoord zijn geworden: Het is volbracht. De Apostel Jacobus heeft gezegd; »Is iemand onder u in lijden, dat hij biddequot;; dat hebben dan ook alle vromen van den Ouden dag, en alle Christenen onder de Nieuwe bedeeling gedaan, en de weg tot vertroosting gevonden; ern Jezus Christus is ook in dat opzicht Zijne broeders in alles gelijk geworden; maar van niemand toch kan gelden wat van Hem geschreven slaat: die in de dagen Zijns vleeschesgebeden en smeekingen met sterke roepingen en Iranen Gode heeft opgeofferd die Hem uil den dood verlossen kon. Maar Zijn gebed kon niel verhoord worden opdat God nu onze gebeden zou kunnen verhooren, en opdat wij in onze hoogste aanvechting nog zouden verzekerd zijn, en ons daarmede zouden troosten, dat Christus ons van de helsche benauwdheid en pijn heeft verlost. Van den dood is Hij niet verlost maar Hij heeft den dood verslonden lot overwinning, en door hel donkere doodenrijk heen is Hem hel pad des levens bekend geworden, opdat wij nu zouden kunnen zingen:

Gethsémané! 'k wil met mijn schuld en kommer ü kiezen tol de rustplaats mijner ziel,

En in den geest mij buigen onder 'l lommer Waar eens voor mij in 't stof mijn Koning viel.

En zendt de Heer mij haast Zijn stervensbode O zij quot;t mij dan, als was Uw groene zode Mijn bidcel en mijn jongste legerstee Gethsémané.

De Heiland der wereld heeft nimmer wonderen gedaan om zich zeiven te helpen en rnenschenhulp heeft Hij nooit gezocht, maar in Gethsémané vraagt Hij hel medegevoel Zijner jongeren en wenscht dat zij ook om zichzelven zullen

ocr page 17

17

waken en bidden maar Hij vond hen telkenmale slapende. Aandoenlijk klinkt Zijn woord door den hof, in die nachtelijke ure: Slaapt gij? Kunt gij dan niet één uur met Mij waken? Waakt en bidt opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is wel gewillig maar het vleesch is zwak. De trouwe wachter Israels die niet slaapt noch sluimert, ook al slapen cn sluimeren wij, vraagt aan Zijne Discipelen, en moest o jammer, aan Zijne Discipelen de vraag doen: Slaapt gij ? Hun Heer en Heiland lijdt zieleangsten en zij slapen. Hij strijdt met de machten der hel, het zweet wordt Hem tot bloeddruppelen en zij slapen. Zij die Hem niet willen verloochenen noch verlaten, die met Hem willen sterven, zij slapen. Het uilnemendste drietal, hel meest beminde, en hoogstbevoorrechte drietal is hier, en zij slapen terwijl Jezus weent, terwijl Zijne ziel bedroefd is tot den dood toe, hoe is het mogelijk, nietwaar? En toch moet onze Heer ook nu nog met die vraag komen tot zijne Discipelen en Discipelin-nen. Als Zijn naam en dag. Zijn dienst en woord wordt ontheiligd zonder protest onzerzijds, dan staat Hij daar en vraagt: Slaapt gij ? Als zielen die voor den hemel zijn geschapen worden medegevoerd op den weg des verderfs, als de zonde wordt vergoeilijkt of bemanteld, als duizenden verloren gaan buiten het Evangelie en duizenden ongewaarschuwd sterven onder het Evangelie, dan vraagt Hij: Slaapt gij? Maar de Verlosser der wereld doet die vraag ook aan de kinderen dezer wereld, die slechts droomen van vermaak en van weelde, van wellust en tafelgenot, en niet alleen aan dezulken, maar ook aan de geleerde wereld, de kunstlievende wereld, de vrome wereld niet minder. Ach er zijn duizenden en tienduizenden die dommelen en droomen en slapen tot het uur komt dat zij ontslapen, en dus voor eeuwig wakker worden daar, waar men geen vijf minuten meer kan slapen, al kon men er ook al het goed der wereld

2

ocr page 18

18

voor geven. Ontwaakt dan gij die slaapt en staal op uit de dooden en Christus zal over u lichten. En gij die tot de wijze maagden behoort, ook gij kunt inslapen en daarom de roepstem behoeven: laat ons nu uit den slaap opwaken want de zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofden. Waakzaamheid behoort tot het ware christendom.

Bogadsky heeft gezegd: Een Christen heeft twee waakzame oogen, met het eene oog ziet hij zichzelve steeds als zondaar, met het andere ziet hij zichzelven in Christus zonder zonden; de oogen der ziel moeten openblijven anders wordt er zelfs onder de ernstigste prediking geslapen en gedroomd. Maar waar de Discipelen sliepen daar waakten de Engelen, en toen de Heer in doodsnood en helleangst van allen was verlaten, werd er van Hem gezien een Engel die Hem versterkte. Heeft die Engel Hem dan versterkt evenals Elia eenmaal versterkt werd met een hemelspijze waardoor hij veertig dagen kon gaan? O neen. Na de verzoeking in de woestijn lezen we: en de Engelen zijn toegekomen en dienden Hem; daar werd Hem wellicht hemelspijze geboden, maar hier wordt de Heer versterkt in Zijn geloof door het verschijnen en het aanschouwen van den Engel. Zijn geloof wordt versterkt, en Hij wordt zich opnieuw en vaster bewust des Vaders Zoon, der Engelen Heer te zijn.

De Leidsman des geloofs ervaart wat alle geloovigen ervaren: De Engel des Heeren legert zich rondom degenen die God vreezen en rukt hen uit. De goede geest komt om te helpen in den strijd om den boozen geest te verdrijven, en hem te doen wederkeeren, maar als een overwonnen vijand naar Zijn rijk. En ook wij hebben meer aan der Engelen bijstand te danken dan wij weten, en meer dan zeer velen gelooven. Wie een rijken troost te meer wil bezitten moet thuis worden in de leer aangaande de Engelenwereld, en dan die leer lot

ocr page 19

19

leven laten worden, dan zal hij de hemelen geopend zien. Maar onze tijd spoedt ten einde, wij moeten voor deze lijdens-tijd afscheid nemen van Gethsémané. Hoe zal dat afscheid zijn ? Christus verliet Gethsémané als een Koning, die Zijn beulen tegen trad. Die Zijne jongeren wekte met het woord : staat op, laat ons gaan, zie die mij verraadt is nabij. Die den verrader nog vriend noemde, die Malchus het oor genas, die tot Petrus zeide: steek uw zwaard in de scheede. Hij verliet Gethsémané als de Goede Herder die zich zeiven overgaf met het woord — als ge mij zoekt laat deze heengaan. Hij ging heen maar met de zekerheid in het hart: verwonnen zal ik overwinnen, en: dood waar is uw zegepraal? De Discipelen verlieten Gethsémané als ontrouwen aan eigen woord en belofte en voornemen, als ontrouwe dienaren van een getrouwen Heer. Judas verliet Gethsémané zonder God en zonder Heiland. De discipelen verlieten Gethsémané zonder vrede, een jongeling verliet Gethsémané zonder kleed. Dal staat ook niet voor niet in het Evangelie geschreven. Het was schoon van dat jong-mensch dat hij zich in zijn jeugd voor Christus verklaarde, en Hem volgde toen allen Hem verlieten; dat hij uit liefde voor Christus gemak en nachtrust op zij zette, ofschoon hij wel zal uitgelachen zijn door de schare toen hij naakt terugliep, en zij zich verheugden den armen man zoo behandeld te hebben. Maar God heeft deze zaak gansch anders ingezien, en de Heilige Geest heeft dezelve een plaats in de lijdensgeschiedenis waardig gekeurd. Wij moeten de liefde en zelfverloochening van dezen jongeling waardeeren, en gelooven dat zijne gebreken zijn toegedekt en verbeterd. Maar hoe nemen wij nu afscheid van Gethsémané? God geve dat het zij met een hart vol ootmoed over onze groote schuld die daar werd getorst en geboet; met een hart vol dankbaarheid voor eene liefde zoo groot als ons daar is bewezen; met een traan in het oog, maar een traan van dankbare blijd-

ocr page 20

20

schap en bigde dankbaarheid; en met een lied op de lippen ter eere van den Verlosser: Halleluja loof den Heer, o, mijne ziel, die al uwe zonden vergeeft, al uwe krankheden geneest, die uw leven verlost van het verderf. Loof den Heer, 0 mijne ziel, want het is al voor mij geschied! Dan hebben wij niet te vergeefs Gethsémané's bodem betreden, Gethsémané's geheimen ontvouwd, niet te vergeefs Jezus in Gethsémané gade geslagen. Zoo zij het dan God tot eer, ons tot heil, Amen.

ocr page 21

De weldoener Israels door zijn ondankbaar volk verworpen.

Mattheus 26:47—68.

De weldoener Israels door Zijn ondankbaar volk verworpen, aandoenlijke gedachte voor onze aandacht gesteld in dit uur. De weldoener Israels, zoo mogen we onzen Heiland wel noemen, die het land is doorgegaan goeddoende en genezende alle krankheden en kwalen onder het volk. Kranken maakte Hij gezond, blinden gaf Hij het gezicht, dooven het gehoor, kreupelen het gebruik hunner ledematen, stommen de spraak weder, melaatschen heeft Hij gereinigd, dooden opgewekt, hongerigen gevoed, treurigen vertroost, nederge-bogenen opgericht en aan de armen het Evangelie verkondigd, zóó dat men van Hem kon getuigen, Hij heeft alle dingen welgemaakt. Aan hoevelen heeft Hij niet hel woord vervuld: »De Heere Heere heeft mij gezonden om alle treurigen in Zion te troosten, opdat hun gegeven worde, blijdschap voor treurigheid en het gewaad des lofs voor eenen benauwden geest.quot; Bij hoevelen bleek Hij te zijn, de Meester met de tong der geleerden, die met de moeden een woord kon spreken ter rechter tijd. En toch, en toch, die weldoener Israels is

ocr page 22

22

door Zijn eigen ondankbaar volk verworpen. Maar Zijn lijdensgeschiedenis heeft aan de verbaasde eeuwen, aan Zijne ge-loovige gemeente en aan het arme zondaarshart een tooneel te aanschouwen gegeven:

Van verhevenheid te midden van den diepsten smaad.

Van grootheid te midden der vernedering.

Van vrijheid in kluisters en banden.

Van levenskracht in het aangezicht van den bittersten dood.

Van verzekerdheid van de overwinning in de uiterste nederlaag.

Of is het niet verheven den Heiland te zien, onverdedigd, en geene verdediging verlangende, in het uur als eene groote menigte komt, gewapend met zwaarden en stokken om Hem te vangen? Is het niet verheven als Hij na de worsteling in Gethsémané zegt: «Staat op, laat ons van hier gaan, zie die Mij verraadt is nabij ?quot; en als Hij dan den verrader tegentreedt met het woord zoo vriendelijk maar ook zoo aangrijpend ernstig; «Vriend waartoe zijt gij hier? Judas verraadt gij den Zoon des menschen met een kus?quot; Voorwaar verheven is het dezen onverdedigden man te zien op wiens bede twaalf legioenen Engelen zouden aansnellen. Hem te zien staan terwijl de schare, op Zijn aangrijpend »Ik ben het dien gij zoektquot; ter aarde valt. Met hemelsche kalmte treedt Hij hun tegen en zegt: Indien gij dan Mij zoekt laat dezen henengaan. Dagelijks was ik leerende in uwen tempel en gij hebt mij niet gegrepen, maar dit is uwe ure en de macht der duisternis. In het bewustzijn van Zijne macht laat Hij zich binden, en als Petrus het zwaard trekt wordt hij door den Heer bestraft, en het oor van Malchus wordt genezen. In hetgeen er met Hem geschiedt, ziet Hij de vervulling van het woord der Profetie: Ik zal den Herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden. Ik vraag U is het niet verheven Hem te zien als Hij den smaad draagt der valsche

ocr page 23

23

getuigen? als Hij zwijgt bij spot en hoon, vuistslagen en speeksel? Wordt niet in Hem het woord vervuld: Ik keer Mijn aangezicht niet af van dien die Mij slaat, en Ik verberg Mij niet voor versmaadheden en speeksel? O onschuldig te zijn en dan als het gemeenste uitvaagsel te worden behandeld, en bij dat alles te dragen, te dulden, te zwijgen; welgedaan te hebben en als een kwaaddoener te lijden, gescholden te worden en niet weder te schelden, te lijden maar zonder te dreigen, het overgevende aan God die rechtvaardig oordeelt, dat is verheven, in den vollen zin van hel woord.

In volkomen bewustheid zijner onschuld staat Christus de Rechter der wereld voor den kerkelijken rechter Kajafas. De man die eenmaal gezegd heeft: het is nut dat één mensch sterve voor het volk opdat niet het geheele volk verloren ga, die man zal tegen niets meer opzien als hij zijn doel maar kan bereiken: En dat doel is: Christus moet van de aarde verdwijnen, Christus, die ergernis voor al wat tot het Sanhedrin behoort moet tot eiken prijs worden weggeruimd. Kajafas heeft voor dat doel geld over voor den verrader, geld voor de valsche getuigen, ja zijn eigen naam en eer wordt zelfs prijsgegeven, want wie als Kajafas handelt beleedigt zichzelven, maar niet het onschuldig en weerloos slachtoffer van de boosheid der menschen. Toch, wat Kajafas ook doen moge hij ziet zich alles mislukken, de eene getuige spreekt den andere tegen; hoe kan de leugen ook anders doen ? en Christus staat daar en zwijgt met majesteit. Ook wij moesten het beneden ons achten op leugen en laster te antwoorden, zelfs al staat de leugen in dienst van eene kerkelijke rechtbank, want soortgelijke tooneelen hebben zich nog weieens herhaald, vooral ten tijde der Hervorming. Christus zwijgt waar het eigen eere geldt, maar nooit waar Gods eer wordt aangerand. Als

ocr page 24

24

de hoogepriester ten einde raad Hem bezweert te zeggen of Hij de Christus, de zoon des levenden Gods is, dan zal Christus grootheid zich openbaren te midden der vernedering, dan zwijgt Hij niet meer, maar gehoorzaam aan de overheid waarin Hij Gods dienares ziet en eert; belijdt Hij, ook in het midden zijner vijanden de goede belijdenis van Zijn geloof in Zijne eigene persoonlijkheid en de beleekenis van Zijn werk voor hemel en aarde. Laat men Hem vernederen, van nu aan begint toch Zijne verhooging, waarvan al de luister zich zal openbaren, in den dag des gerichts, als de Zoon des menschen zal zitten ter rechterhand Gods en komen op de wolken des hemels. Dan zal Jezus de Nazarener blijken te zijn de Heer der heerlijkheid, de eeuwige Zoon van den eeuwigen Vader. Al staat Hij daar in banden, niemand is meer vrij dan Hij. En zij die vrij meenen te zijn, zelfs vrij om kwaad te doen, zij juist zijn gebonden. Jezus Christus is vrijwillig mensch geworden, vrijwillig werd Hij arm om ons rijk te maken, vrijwillig deed Hij hier slavenwerk, vrijwillig liet Hij zich vangen en binden, wegleiden en veroor-deelen. Vrijwillig zal Hij sterven dat is Zijn leven afleggen, maar om het dan ook door den nacht der graven heen verheerlijkt weder aan te nemen. Maar het Sanhedrin is gebonden en Pilatus is gebonden, en elke dienaar der zonde is gebonden met meer dan ijzeren ketenen, gebonden door Hem die het geweld des doods heeft. Wij gelooven in Jezus Christus, maar Jezus Christus geloofde in Zijne eigene persoonlijkheid, in de wereldoverwinnende macht van Zijne liefde, in de zondedelgende kracht van Zijn bloed. Hij geloofde, en bleef gelooven bij aller menschen zonde en daarom sprak God Hem vrij. Wie gelooft staat in de vrijheid ook al ligt hij in banden en gevangenis, zelfs dan nog kan hij met Paulus en Silas Psalmen zingen in den nacht. Jezus Christus behoudt levenskracht ook in het gezicht van

ocr page 25

25

den kruisdood. Met den kruisberg in het gezicht heeft Hij gezegd : Ik leef en gij zult leven. Het leven mocht Hij afleggen, maar God verliet Zijn Heilige niet, ook niet in hetdoo-denrijk; integendeel. Hij maakte Hem het pad des levens bekend, en schonk Hem na kruis en lijden, verzadiging van vreugde voor Zijn aangezicht, en liefelijkheden aan Zijn rechterhand eeuwiglijk. Op de Kajalas-vraag is door den Heiland geantwoord, hoewel er op die vraag geen antwoord noodig was; want die vraag is reeds beantwoord door de voorspelling van zoovele eeuwen die allen in dezen gebondene werden vervuld. Die vraag was beantwoord door de stemmen uit den hemel bij den doop, en op Thabor, en bij de opwekking van Lazarus en door de wonderen van Christus, door Zijne woorden en werken; ja, al wat Hij lijden en dragen moest was eene treffende beantwoording dezer vraag. Maar het ongeloof wordt door geen enkel antwoord bevredigd, en allerminst door hel antwoord dat door Christus gegeven werd. Wel terecht had de Heer gezegd: Indien Ik het ulie-den zeg gij zult het toch niet gelooven, en indien Ik u vraag, gij zult mij niet antwoorden noch mij loslaten.

Hij wenscht dal ook niet, en wil het allerminst. Hij weet dat het kruis Hem zal voeren tot den troon der heerlijkheid en dat Zijn dood zal worden, de behoudenis der wereld. Hij was het levende tarwegraan, dat juist door den dood heen vrucht voort zou brengen in ontelbare getalen. Hij wist dat Zijne belijdenis de woede Zijner vijanden zou doen losbreken, dat men Hem aan schandelijke mishandeling zou prijsgeven, Hem des doods schuldig verklaren en aan het kruis nagelen, maar Hij kon bij dat alles toch Zijn eigen wezen Zijne eigene persoonlijkheid niet verloochenen, ook al weet Hij dat de uiterste nederlaag Hem wachten moet. Toch ook in het midden van die uiterste nederlaag is Hij ten volle van de overwinning verzekerd. Hij heft zich op, Zijn oog blinkt van

ocr page 26

26

wonderbaren glans, Zijn aangezicht straalt van goddelijke blijdschap, en zelfs in deze helsche omgeving wordt het ademloos stil als hij het woord uitspreekt: »Van nu aan zult gij den Zoon des menschen zien, zittende ter rechterhand der kracht Gods en komende op de wolken des hemels.quot; Wat wil dit woord zeggen daar in dat oogenblik? niets anders dan dit: O gij dwazen en dwalenden, gij meent mij ten verderve te voeren, maar gij vervult Gods raad, en baant mij den weg tot de hoogste heerlijkheid. Gij overlaadt mij met smaad maar voert mij de hoogste eere en heerlijkheid tegemoet. Een heerlijkheid die ik bij den Vader had eer de wereld was, maar die nu nog door de Middelaarskroon verhoogd zal worden. Gij die mijn koninkrijk tracht te vernietigen, gij arbeidt aan deszelfs toekomst en vestiging, gij die mij nu voor uw rechterstoel daagt en des doods waardig oordeelt, gij zult voor Mijn rechterstoel staan in den dag van het wereldgericht.

En nu mijne vrienden wat waarachtig was in Hem moet ook waarachtig zijn in ons. Door de gemeenschap met Christus kunnen ook wij er toe komen boven den diepsten smaad verheven te zijn. In het midden der vernedering die God soms om wijze redenen over ons toelaat, kunnen ook wij onze grootheid toonen, en ons zeiven als koningen en priesters openbaren in het midden dezer wereld. Het „ik moet lijdenquot;, „ik kan lijdenquot;, „ik wil lijdenquot; moet worden: „ik mag lijden.quot; De geloovige is evenals zijn Heer, vrij ook zelfs in handen. Hij is geen slaaf, maar een waarlijk vrij man, die zich vrijgemaakt weet van de zonde. De smart over een verloren leven is verslonden door de blijdschap in God, die nu alle smarten, ook zelfs de smarten des doods overwint. Dat is dan ook het geheim van zijn levenskracht ook in het gezicht van den dood. De blijdschap des Heeren is zijne sterkte en zijne sterkte is als zijne dagen. Hij is zeker van zijne

ocr page 27

27

overwinning ook in het midden van den strijd, en zelfs bij de geduchtste nederlaag weet hij, dat de overwinning des Heeren is, en daarom ook de zijne is. De kroon der overwinning wacht aan het einde voor eiken getrouwe van hart. De palmen der victorie bloeien tot uw glorie zoo gij gelooft en belijdt dat Jezus Christus is Gods Zoon, de zaligmaker der wereld, de Heiland uws harten, nu en eeuwig. Amen.

ocr page 28

De grootste tegenstellingen in en door Jezus lijden vereenigd.

Mattheus 27:27—36.

De grootste tegenstellingen in en door de lijdensgeschiedenis van Jezus Christus vereenigd; dat is voor heden het thema hetwelk ik met u behandelen wil. Moge Gods zegen er genadig op rusten, ons tot heil, Gods naam tot eer. Amen.

«Hosanna de zone Davids, hosanna in de hoogste hemelen ! Gezegend is Hij die daar komt in den naam des Heeren!quot; zoo klonk het door de straten van Jeruzalem. Slechts vijl dagen later en de triumftocht is in een hangen lijdensweg veranderd, en het zelfde volk dat «Hosannaquot; juichte, brulde het uit als wilde dieren: »Weg met hem! weg met hem! kruist hem! kruist hem!quot; Zoo is de lijdensgeschiedenis vol van de grootste tegenstellingen. Wij zien den Koning der Koningen en den Heer der Heeren in het gericht staan voor eenen ellendigen Romeinschen landvoogd. De Messias van het uitverkoren volk staat voor een lichtzinnigen heiden. Die geen zonde gekend of gedaan heeft wordt aangeklaagd door het volk, wiens hoogste eer en grootste weldoener Hij was.

ocr page 29

29

Terwijl Hij zich tegen de snoodste aanklachten verdedigen kan, zwijgt Jezus Christus en lijdt gansch onschuldig, ja de onschuld zelf als een schuldige. Een moordenaar wordt aan Zijne zijde gesteld, en het volk verkiest den moordenaar boven den Heilige Gods. De rechter veroordeelt Hem teir doode, van wien hij voor het gansche volk heeft verklaard ; »Ik vind geen schuld in dezen mensch.quot; Zoo is in de lijdensgeschiedenis van Jezus Christus licht en duisternis nevens elkander geplaatst. Dag en nacht vormen geen grooter tegenstelling dan die wij hier naast elkander geplaatst zien. Hemel en hel zijn niet zoo van elkander verwijderd als de heilige Godmensch en de duivelsche boosheid, die Zijnen dood eischte. Verwonderen wij er ons over dat zulke tegenstellingen in de lijdensgeschiedenis vereenigd zijn, wij mogen er ons ook over verheugen, dat de verzoeningsdood van Jezus de hoogste tegenstelling voor eeuwig heeft vereenigd.

Overzien wij kortelijk de lijdensgeschiedenis beginnende te Bethanië.

De vorst des levens ten doode gezalfd aan een feestdisch. De Zoon van God aan een maaltijd met een man, die melaatsch is geweest, met een ander die dood was, benevens twee vrouwen, waarvan de ééne voor het uitwendige leeft en de andere zich geheel aan de innerlijke beschouwing overgeeft. Een liefdedaad van Maria tegenover den nijd van Judas, en de karigheid der jongeren, die een offer van f 100.— te veel vinden voor hun Heer, die alles, ja die zich zeiven gaf. Tegenover deze liefdeloosheid, de liefde van Jezus, die Zijnen jongeren de voeten wascht. De Heer uit den hemel op aarde gekomen doet slavenwerk en dient. De reine wascht de onreinen en de Meester dient Zijne leerlingen. Die liefhebbende Heer wordt door een voorwerp Zijner liefde verraden. Terwijl Hij over vergeving van zonden spreekt zitten zij te twisten wie de grootste zal zijn in het koninkrijk der hemelen.

ocr page 30

30

Terwijl Hij allen belooft te zullen zitten op troonen oordee-lende de twaalf geslachten Israëls, moet Hij zeggen: een van u zal Mij verraden, een van u is een duivel. Tot een ander: Gij zult Mij verloochenen. Tot allen: Gij zult Mij dezen nacht allen verlaten. Nog wonderbaarder tegenstelling zien we in Gethsémané. De zone Gods ligt op Zijn aangezicht in het stof, de Heilige Gods siddert. Hij die genaamd wordt: wonderlijk, raad, sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst, wordt door een Engel, een schepsel gesterkt. Die aller men-schen troost is, zoekt troost bij Zijne discipelen en vindt ze niet. En terwijl Hij het eene oogenblik een worm is en geen man, is Hij straks een koning wiens woord beulen ter aarde doet vallen. Judas verraadt Hem, en Hij noemt den verrader nog «vriendquot;. Hij laat zich binden, terwijl meer dan twaalf legioen Engelen tot Zijnen dienst slaan. Geen vriend mag Hem helpen met het zwaard, maar Hij heelt een Zijner beulen. Elk had Hem hooren spreken, en men vraagt Hem naar Zijne leer. Geen getuige stemt overeen met den ander en toch wordt Jezus veroordeeld, en wel, omdat Hij de waarheid zegt en zij liegen. Jezus belijdt, Petrus verloochent, Jezus vreest den

dood niet en Petrus vreest voor een dienstmaagd. Judas verraad

den Heer voor geld en het brengt hem geen geluk aan maar smarten. Judas komt door zijn val in de hel en Petrus komt door zijnen val verder op den weg naar den hemel. Hij viel, maar door de zonde heen in de armen van Gods liefde.

Zie nu de Heer voor Pilatus. De vrouw smeekt voor Jezus en wil den Rechtvaardige gespaard zien, de man is een dubbelhartige, die geen moed heeft om naar zijn geweten te handelen, een riet gelijk, dat zich door de volksgunst laat bewegen, voor zulk een man staat de Koning der waarheid. De rechtvaardige laat zich door den onrechtvaardige ver-oordeelen. Hij die de Koning der eere is wordt gruwelijk bespot. Hij staat naast den moordenaar en laat toe dat deze

ocr page 31

31

wordt voorgetrokken. Het volk van God neemt deze bloedschuld op zich en de onrechtvaardige rechter wascht zijne handen en verklaart zich zeiven onschuldig. Nu zien wij den Onschuldige in de martelkamer door ruwe soldaten mishandeld en bespot. Hij wordt met doornen gekroond, die nu op Zijn hoofd vele koninklijke hoeden mag dragen. Hem voor wien alle engelen nu buigen en aanbidden, zien we terwijl spotters voor Hem knielen, geslagen worden en bespuwd.

Op den Via Dolorosa zijn niet minder tegenstellingen te zien. Die de wereld draagt door Zijne kracht, gaat gebogen onder het kruis. Hij in wien alle volken gezegend worden, wordt Gode. een vloek. Vrouwen weenen over Hem en hebben reden over zich zeiven te weenen. De zondelooze hangt tusschen twee moordenaars en bidt voor Zijne beulen. De Koning van van het heelal sterft aan een schandhout. En terwijl Hij in smart is denkt Hij aan Zijne moeder. Zelf gekruisigd belooft Hij aan een moordenaar het Paradijs. De eeuwige Zoon is verlaten van den Vader. Het licht der wereld sterft in duisternis. Die de opstanding en het leven is, zinkt zelf in den doodsnacht, opdat het leven uit den dood tevoorschijn zou komen. Hij ligt in het graf die er Lazarus uitriep en die eens alle dooden uit het graf roept voor eeuwig. En nu mijne vrienden, vluchtig was ons overzicht, maar genoeg om de ontzettendste tegenstellingen te zien die hier naast elkander geplaatst zijn; maar de ontzettendste tegenstelling wordt voor eeuwig vereenigd door de lijdensverdiensten van onzen Heere Jezus Christus. „De Heilige Godmensch lijdende en stervende onder de handen eener diep bedorven wereldquot;, de sleutel tot het verstaan dezer treurige geschiedenis, ligt in dit woord: „Jezus gekruist, Bar-abbas vrijgesproken. Want hij was niet alleen product van zijn tijd en beeld van zijn tijd, maar ook type van de gansche schuldige menschheid. Jezus dood was

ocr page 32

32

voor Bar-abbas de vrijheid, Jezus dood is onze behoudenis, ons heil!

Ja, zondaars zijn wij, diep bedorven,

We erkennen dit voor U met smart;

Maar Jezus aan het kruis gestorven,

Geeft rust en troost aan 't schuldig hart.

Bar-abbas was een oproermaker en moordenaar, zijn naam beteekenl: zoon des vaders. Welnu, de menschheid is die zoon, die verloren zoon, die zich schuldig maakte asn oproer en Chrislusmoord, en zich des doods waardig gemaakt en getoond heelt. Maar God wilde niet dat zijn menschenge-slacht aan den eeuwigen dood prijs gegeven zou worden, daarom gaf Hij Zijnen Zoon in den dood in onze plaats. En Hij in wien de grootste tegenstelling: Godheid en menschheid tot éen werd vereenigd. Hij nam onze schuld op zich, om ons Zijne heiligheid te kunnen schenken. Die van geen zonde wist. werd daartoe tot zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. De straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Jezus leed in onze plaats, zoodat wij nu voor Gods rechterstoel niet veroordeeld maar als Bar-abbas vrijgesproken zouden worden.

Hier ergert zich het verstand, maar het geloof aanbidt. Hemelsbreed is de Heilige God van de zondige menschheid, het leven van den dood, de hemel van de aarde gescheiden, Maar de Godmensch heeft God en mensch vereend, door als Middelaar te sterven. Hij nam den vijand gevangen. Hij opende het Paradijs, Hij ontsloot het Vaderhart van God. Dat liefde-hart Gods is nu weder tot ons gekeerd ten goede. Zoo is door het lijden van Jezus Christus, hemel en aarde. Godheid en menschheid, de Heilige God en de van Hem afgeweken menschheid, de grootste tegenstelling vereenigd. Het was des Vaders welbehagen dat in Hem al de volheid der Godheid wonen

ocr page 33

33

zou, in Hem die alle dingen door zich zeiven zou verzoenen, die op aarde en die in den hemel zijn. Komende heeft Hq vrede gemaakt door hel bloed Zijns kruises. Ja vrede, want allen zullen een worden met Hem, en door Hem met den Vader, en ook met elkander. Onder het kruis van Jezus Christus moeten ophouden alle vijandschappen, alle verschil van kerken en meeningen, en temperementen en neigingen.

In Christus is noch Jood, noch Griek, noch Barbaar, noch Scyth, noch dienstknecht, noch vrije, hier is geen man, noch vrouw. Allen zijn éen in Christus Jezus. Wie wil zich nu door het geloof niet deelgenoot van deze eenheid door Jezus verzoeningsdood laten maken? Wie wil de zonde behouden die altijd scheidt en verdeelt? O de zonde scheidt menschen van menschen, en menschen van God. Wie wil de zonde liefhebben, en de wereld dienen die Christus aan het kruis hebben gebracht, waarvoor Hij de bitterste dood-smarten moest lijden. Zoo gewis wij door Jezus met God worden vereenigd, zoo zeker maakt de zonde dat we eeuwig van God worden gescheiden. Een ondoordringbare muur scheidt alle verdoemden van God, maar ook dan allen die lichtzinnig naar de lust van het vleesch en hunnen verkeerden eigenwil daarheen leven; allen die zonder geloof en bekeering met zichzelven tevreden zijn! Uwe zonden maken scheiding tusschen u en uwen God zegt Jesaja; zoodat uw gebed niet gehoord wordt. Zal het zoo blijven, gij die zucht onder de slavernij van het vleesch? gij kunt er los van worden als gij het ernstig meent. Jezus heeft de scheidsmuren verbroken, en God en mensch verzoend. Zoo moet gij u bij die groole vereeniging aansluiten, en om uwer zaligheids wil alles laten varen wat u kan verhinderen in uwe gemeenschap met God. Dat is de hoogste eer en de grootste vreugde van een menschenkind op aarde. Wal kan er grooler zijn dan éen te zijn met Jezus, en door Hem

3

ocr page 34

34

éen met den Vader? der Goddelijke natuur deelachtig, verheerlijkt naar Zijn beeld, zalig in Zijne liefde, heilig en rechtvaardig in Hem. Zulk een ziel die uit de diepste zonde en ellende tot de hoogste eer door Jezus dood gekomen is, zulk een kind van God is een wonderwerk des Heeren. Het oogmerk des Heeren. een meesterstuk van de kracht van Jezus bloed, zóó schoon, dat de Serafim die het tracht te doorvorschen, ons bewondert, en juicht en dankt met de verloste zondaren voor hun geluk. Amen.

ocr page 35

De opstanding van den Heere Jezus Christus.

Markus 16 : 4—8.

Het heeft Gode behaagd menschen door menschen le winnen voor Zijn Koninkrijk, en deze taak wordt nooit aan Engelen opgedragen, omdat zij niet weten wat het zegt verloren te zijn geweest en gered te zijn geworden. Als daar een heidensche Cornelius is, wiens gebeden en aalmoezen ter gedachtenis zijn opgeklommen voor God, dan wordt er wel een Engel tot hem gezonden, maar de Engel mag niet het Evangelie verkondigen. Wel mag hij zeggen:»Zend mannen naar Joppe en ontbied Petrus die zal u zeggen wat gij doen moet.quot; Maar eenmaal is hel aan een Engel vergund den dienst van Evangelieprediker te vervullen, het is aan den Paaschmorgen als de Engel tot de vrouwen die Christus graf bezoeken zegt: Zijt niet verbaasd, gij zoekt Jezus den Nazarener die gekruist was. Hij is opgestaan, Hij is hier niet, ziet de plaats waar zij Hem gelegd hadden, doch gaat heen, zegt Zijnen Discipelen, en Petrus, — die door zijn berouw ook in de Engelenwereld bekend was — dat Hij u voorgaat naar Galilea aldaar zult gij Hem zien gelijk Hij ulieden gezegd heeft. Wij willen voor dit uur niet die geschiedenis bespreken, maar handelen over

De opstanding van den Heere Jezus Christus, als

1. Het bewijs Zijner overwinning over al onze vijanden.

2. De zekerheid onzer rechtvaardigmaking voor God.

3. De grond onzer zalige opstanding in Jezus toekomst.

ocr page 36

36

En de God des vredes, die den grooten Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft wedergebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus; die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijnen wil moogt doen, werkende in u hetgeen welbehagelijk is voor Hem, door Jezus Christus, welken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid Amen.

Zingt den Heer een nieuw lied, zingt den Heer gij gansche aarde, want de Heer is groot en zeer te prijzen, en wonderbaar boven alle goden. Brengt den Heere eer en heerlijkheid gij volken, bidt den Heere aan in heilig sieraad, en vreest voor Hem gij gansche aarde! Hemelen verheugt u, aarde wees vroolijk en alles wat daarop is want Christus is opgestaan uit de dooden! daarom moeten wij vroolijk zijn, Christus wil onze troost zijn Halleluja!

Was Christus niet opgestaan,

De wereld was verloren gegaan;

Maar nu Hij is verrezen Kan elk mensch blijde wezen.

Halleluja! om onzer zonden wil is Hij gestorven, tol onze gerechtigheid is Hij opgewekt, üe gansche menschheid was in banden des doods, lag in duisternis en doodschaduw neder, maar toen de Engel als een bliksem van den hemel daalde, en den steen van het graf af wentelde, toen ging de zon met helderen glans op over de verzoende aarde. De groote held overwon en trad dood en hel onder Zijne voelen, en hel licht Zijner opstanding straalt van geslacht lot geslacht vreugde en vrede in alle harten die gelooven. Ook tot ons komt de Levensvorst in den glans Zijner overwinning en roept ons toe aan den morgen Zijner opstanding: Vreest niet. Ik ben de eerste en de laatste; Ik leef, en zie Ik ben

ocr page 37

37

dood geweest en Ik leef tot in eeuwigheid en Ik heb de sleutels van dood en graf. Toen Hij dit woord tot Johannes zeide was Zijne stem als eene stemme veler wateren, Zijne voeten waren gloeiend koper gelijk, en Zijn aangezicht was stralende als de zon. Wal doet het ons hart goed, na het ontzettend lijden, na de aanschouwing der marlelaarsgestalte aan het kruis, nu ons Hoofd in deze heerlijkheid en majesteit te zien. Na lijden en dood met eer en heerlijkheid gekroond daar God Hem heeft opgewekt uit den doode en Hem gezet heeft aan Zijne rechterhand in den hemel.

Wij zijn nog in het strijdperk waar Hij gestreden en overwonnen heelt. Wij wandelen nog als de vrouwen treurend naar het graf. Wij hebben nog zoo menigen zorgensteen op ons hart liggen, en zijn geen enkel uur veilig voor den dood, dien koning der verschrikking. O hoe goed is het ons daarom uit het ledige graf de boodschap voor dezen dag te hooren: De Heer zal op den berg Zion allen volken een vetten maaltijd maken, een maaltijd van reinen wijn, van vet vol mergs, van reine wijnen die gezuiverd zijn. Hij zal verslinden het bedeksel des aangezichts waarmede alle volken bewonden zijn, en het deksel waarmede alle volken bedekt zijn. Hij zal den dood verslinden tot overwinning, en de Heere Heere zal alle tranen van alle aangezichten afwasschen, en Hij zal de smaadheden Zijns volks van de gansche aarde weg nemen, want de Heere heeft het gesproken.

In deze hoop willen wij nu onze troost zoeken, door de opstanding des Heeren te overdenken.

De opstanding van Jezus Chrislus is een glorierijk bewijs van Zijne overwinning over al onze vijanden, en die overwinning behaalde Hij in Zijnen dood, maar de opstanding is er het bewijs van.

Zij roept ons toe wat de Engel uit het graf van Jezus tot de diep bekommerde vrouwen zeide; Vreest niet! vreest niet

ocr page 38

38

voor de straf der zonde, vreest niet voor het gericht, want Jezus heeft de schuld en vloek der zonde gedragen, en met één offer in eeuwigheid volmaakt allen die geheiligd worden. En dat dit groote verzoeningsoffer als volkomen voldoende voor God, door God is aangenomen, bewijst de opstanding van Christus. Door de opstanding heeft God de Vader Zijn welgevallen uitgesproken over het gansche verlossingswerk Zijns zoons; en betuigd: dat Jezus waarlijk den hoofdvijand die ons van God gescheiden hield, namelijk de zondeschuld en vloek heeft uitgedelgd. Daarom zegt Paulus: Nu vrijgemaakt zijnde van de zonde, en dienstknechten gemaakt zijnde der gerechtigheid, hebt gij uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven. Leven; dus ook de andere vijand, de bezoldiging der zonde, de dood, is door Jezus opstanding overwonnen. Voor ons verstand is niets onbegrijpelijker dan dat een lijk, dat zoo gemarteld was als het lichaam van Jezus, weder levendig zou worden; en toch is dit geschied aan den Paaschmorgen.

Het was een wonderbare strijd, de strijd van dood en leven, het leven heeft de overwinning behaald, en heeft den dood verslonden. Dat heeft de Schrift ons bekend gemaakt. De eene dood verslond den anderen; de dood is ten spot geworden.

De dood van Jezus Christus is plaats bekleedend voor den dood der menschen. Omdat nu de heilige Zone Gods, over wien de dood geen macht had, toch gestorven is, zoo behoeven zij wier schuld Hij gedragen heeft niet meer te sterven. Want indien één voor allen gestorven is zoo zijn allen gestorven. Zoo heeft Jezus' dood den dood zijn macht ontnomen. Er is niets overgebleven dan de schaduw des doods maar de prikkel is weggenomen, want de prikkel des doods is de zonde en de zonde is door Christus uitgedelgd. Zoo is de dood nu voor allen die gelooven eene verlossing

ocr page 39

39

van den jammer dezer wereld, en wel eene smartelijke, maar (och ook vroolijke geboorte ten leven. De tweede dood heeft over den Christen geen macht. Jezus heeft in zijne opstanding niet alleen de zonde en den dood, maar ook satan en hel overwonnen. Hij stierf aan het kruis en daalde toen neder tot de geestenwereld om den moordenaar het Paradijs binnen te leiden, maar ook om de gevangenis gevangen te nemen en satan de sleutels te ontwringen van dood en graf. Hij heeft de machten der hel ontkleed en de geweldigen openlijk ten loon gesteld, en eene triomf uit hen gemaakt, door zich zeiven. Hij heeft den sterken de vang ontnomen. Wel gaat de oude vijand nog om als een brieschende leeuw zoekende wie hij zou kunnen verslinden; maar toch is het waarheid: Hoe ook de vijand woedt,

Wij staan hem voet voor voet,

Wij tarten zijn geweld,

Zijn vonnis is geveld.

Een woordje doet hem vallen.

En dal ééne woordje dal de hel doet sidderen, dal den hemel doel juichen, dal de aarde kan zaligen, is het woordje »Jezusquot;; dat woord is een schild voor allen die Jezus kennen. Wedersta dan den duivel en hij zal van u vlieden. Als ge hem uwe tanden durft loonen zult gij ervaren, dat ge mei een overwonnen vijand le doen hebt. De overwinning door Jezus over den erfvijand der menschheid behaald, zal eenmaal aan hel gansche geestenrijk bekend gemaakt worden als de duivel gebonden en geworpen wordt in den afgrond. Maar nog meer wanneer hij in den jongsten dag met al de zijnen zal geworpen worden in den poel die brandt van vuur en sulfer, om gekweld le worden van eeuwigheid tol eeuwigheid. Deze kracht der overwinning ligt in den dood en de opstanding van Jezus Christus, waardoor bereids de oude slang de kop vermorzeld is, en voorloopig het oordeel is uitgevoerd tot overwinning. O, hoe

ocr page 40

40

zal zich over deze heerlijke overwinning van den opgestanen Christus de gansche hemel verheugd hebben. En welk eene onuitsprekelijke vreugde moet ieder menschenhart vervullen dat gelooven durft: «Ook mij ten goede zijn alle vijanden mijner zaligheid door Jezus Christus overwonnen.quot; Hoe meer wij onder het kruis treuren over het lijden door onze zonden Hem aangedaan, hoe meer wij ons verheugen in de genade van den Paaschmorgen, in wiens licht wij alle vijanden ter aarde zien liggen als de wachters bij 't graf. Deze overwinning gold ons, want Jezus streed in onze plaats en gehoorzaamde den Vader tot in den dood. Zoolang er nog ongehoorzaamheid in deze wereld is heeft Satan nog macht, maar Jezus heeft in volkomenheid al Gods rechten vervuld en het beeld Gods weder hersteld. Dat deed Hij als mensch en verwierf daardoor het recht om den duivel alle geweld te ontnemen. Na de onbegrijpelijke liefdevolle toerekening der goddelijke barmhartigheid geldt Christus' werk en verdienste ons allen, en zoo geldt ook ons de overwinning van Jezus over zonde en dood, duivel en hel. Dit wordt ons nog duidelijker als wij zien, dat Jezus opstanding de zekerheid onzer rechtvaardig-making is. In de eerste plaats kunnen we hier bedenken hoe Christus zelf door de opstanding gerechtvaardigd is.

Wat hebben de vrouwen en de discipelen wel over Zijn kruisdood gedacht ? die dood was hun duister en vernietigde hunne schoonste hoop. Hun geloof aan Jezus' Godheid werd geschokt, toen zij het licht in Hem opgegaan zagen uitge-bluscht. Maar nu klinkt uit Engelenmond : »Hij is opgestaan !quot; en daarmede wordt alles anders. De nacht vlood heen, de nevel verdween en de Goddelijke verhevenheid en heiligheid van Jezus werken, en het volkomen welbehagen des Vaders in Hem straalde nu helder in hunne harten. Met hel volko-menste geloof kunnen zij zich nu aan Zijne voeten werpen, en alles, alles, alles vinden ia Hem. Zoo wordt door de

ocr page 41

41

opstanding van Jezus, Zijn gansche werk, leer, wandel en verlossingskracht gerechtvaardigd. Zoo is ook Zijne opstanding onze rechtvaardiging voor God geworden. Paulus zegt: Hij is gestorven voor onze zonden, en opgewekt tot onze recht-vaardigmaking. In Jezus dood is de straf voor onze zonden gedelgd, en in Zijne opstanding ligt de verklaring des Vaders, dat Hij ons om Christus wil vergeeft en voor gerechtvaardigd houdt, en als Zijne lieve kinderen ons aanneemt en eeuwig zalig wil maken. Gelijk Christus na Zijnen dood verheerlijkt werd met de heerlijkheid die Hij bij den Vader had eer de wereld was, zoo wil God ons ook de heerlijkheid weder-schenken die wij hadden eer de zonde was, en wil ons in Christus aanzien alsof wij niet gezondigd hadden. Hij wil ons niet alleen de zonde vergeven, maar ons geluk en eeuwige zaligheid schenken, als Zijne kinderen ons eeuwig liefhebben, en ons eiken dag, ja ieder uur toegang geven tot den troon Zijner genade.

Door Zijnen Heiligen Geest maakt Hij ons hart tot Zijne woning, en belooft ons: Die overwint zal alles beërven; Ik zal zijn God zijn en hij Mijn zoon zijn. Een zoon van God die met Christus in Zijnen troon als Koning zal heerschen in Zijn koninkrijk van eeuwigheid tot eeuwigheid, zulk eene onuitsprekelijke heerlijkheid heeft God toegedacht aan allen die gelooven. Tot zulk eene heerlijkheid legt de opstanding van Jezus den grond. Was Christus niet opgestaan, ijdel was dan de prediking, ijdel dan ons geloof, dan waren we nog in onze zonden. Maar nu Christus door Zijne opstanding gerechtvaardigd is in den geest, durven wij zeggen: Zoo God voor ons is wie zal tegen ons zijn. Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt, wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja veel meer, die ook opgewekt is, die ook aan de rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt. Christus

ocr page 42

42

is het ware Paaschlam. Evenals de Israëlieten door het bloed bewaard bleven, zoo blijven wij door Christus gerechtvaardigd, ook bewaard voor alle vijanden, als Gods volk verlost uit de slavernij van Egypte, geroepen tot vrijheid en tot een erfdeel in Kanaan. En wanneer ook wij, bij de reis door de woestijn van dit leven vaak nog zuchten en weenen moeten om het lichaam der zonde en des doods, zoo troosten wij ons met de hoop, dat Hij die dood en banden overwon, ook ons zal uithelpen uit iedere gevangenis, en onze sterfelijke lichamen zal verheerlijken en gelijkvormig maken aan Zijn verklaard en heerlijk lichaam. Nu zien wij nog dal Jezus'opstanding de grond onzer zalige opstanding is.

Christus is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. want gelijk zij allen in Adam sterven, alzoo zullen zij ook allen in Christus levend gemaakt worden. Christus geboorte is de geboorte der nieuwe menschheid, Zijn dood is de dood dier menschheid, zoo is ook Zijne opstanding de opstanding dier menschheid. Evenals Adams doodsnatuur op allen is overgegaan, zoo is ook Christus' levenskracht allen ten deel geworden. De edele stam heeft hare krachten als boom des levens aan den wilden natuurstam medegedeeld. Nu Jezus door Zijnen dood aan dood en duivel de macht en het recht over onze natuur heelt ontnomen, nu kan Hij ook Zijne levenskracht over ons uitgieten. Wanneer wij door waar geloof en wedergeboorte tempelen des H. Geestes zijn geworden, geldt ook ons het woord van Paulus; wanneer de Geest desgenen die Jezus uit de dooden heeft opgewekt in u woont zal Hij ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door Zijnen Geest die in u woont. Want hoe zal hij in het graf blijven, die een tempel des H. Geestes was? Waar Christus Geest niet is, waar de oude natuur heerscht, en waar de geest het vleesch gehoorzaamt, daar ontbreekt het leven dat zich weer aan het lichaam mededeelen moet. Men verderft den tempel

ocr page 43

43

Gods door vleeschelijke lust en onkuischheid, door aardschen zin, en door alles wal lol den zondedienst behoorl. O wanneer de onbekeerden wisten welke opstandingsheerlijkheid zij verwerpen door hun tegenstaan van den H. Geest, zij zouden geen uur rust meer hebben in den ouden wereldienst en tot het rijk Gods doordringen als naar eenen grooten schal van goud en zilver, want wat is de gansche wereld en al hare eer, schatten, lust en heerlijkheid, tegenover de opstanding waarin de rechtvaardigen zullen blinken als de zon en de sterren. En opdat niemand die groote hope zich in eene oneindige verte zou denken, zoo moeten wij bedenken dat de kiem van het verheerlijkte lichaam heden reeds aanwezig is, en rijpt, indien wij den Geest Gods in ons lalen werken, wonen en heerschen. Hoe meer alles in ons van den H. Geest doordrongen wordt, des te meer wordt ons gansche wezen geestelijk en verheerlijkt. Er stroomen dan in ons lichaam altijd meer Geesteskrachten, en onder het omhulsel van het sterfelijk vleesch ontwikkelt zich nu reeds het onzichtbare geestelijke lichaam dat in den dood niet sterft, en aan het verderf van het graf niet ten deel valt; en hoe eerder hoe liever voortgaat tot de verheerlijking door den verheerlijkten Jezus. O hoe zalig maakt ons deze hoop. Zij giet een hemel-schen lichtglans over ons geheele aardsche leven, met al des-zelfs zwakheden, krankheden, lijden, nooden en doodsangsten. Hoe zullen daardoor ook de graven verlicht worden, en de bittere smarten des doods wegvallen. Waar wordt meer over geweend dan over de leegte die de dood in onze familiën maakt? Wanneer wij op de graven der onzen slaan en denken moeten dat zij tot stof vergaan, welk eene smart is dat. Bij velen wordt die smart op het Paaschfeest vernieuwd door het wandelen op de graven van geliefden. De een zegt: daar ligt mijn vader, een ander daar ligt mijne moeder, daar mijn man, mijne vrouw, mijne lieve kinderen, mijn broeder

ocr page 44

44

of zuster. O als er eens niets anders was dan dat troostelooze ; daar liggen zij! hoe ellendig was dan dit leven.

Maar Gode zij dank die ons de overwinning geeft des ge-loofs en der hope door Jezus Christus onzen Heer. Uwe dooden zullen leven, en met een heerlijk lichaam zullen zij opstaan. Waakt op en juicht, gij die in het stof woont, want uw dauw is als de dauw van het groene veld, maar het land der dooden zult gij verstoren, zegt Jesaia.

Hebben in het oogenblik van Jezus' sterven zich de graven geopend, en zijn de lichamen van vele heiligen opgewekt, en zijn zij aan velen verschenen in de heilige stad na Jezus opstanding; zoo zal de levenskracht van Jezus zich ook aan allen betoonen die leden zijn van dat gezegend hoofd. Wie zou niet uit alle macht naar de opstandingsheerlijkheid trachten ? wie kan Paaschfeest vieren zonder ernstig te onderzoeken of hij ook met den dichter „Hillerquot; kan zeggen: opgewekt, ja opgewekt wordt gij mijn ziel na korte rust. Onsterfelijk leven, zal u uw Schepper geven, Halleluja! Om weer te bloeien wordt gij gezaaid. De Heer, die eenmaal maait, door de Eng'lenboden, wekt ook u uit de dooden: Prijst Zijnen naam!

Als of wij droomen zal het ons zijn; verlost van alle pijn, ons te verblijden: Het moede Pelgrimslijden is dan voorbij! Om zulk een hoop te hebben willen wij ons met nieuwe liefde aan Jezus geven, er naar trachtende dat Zijn dood en opstanding ons ten zegen zij. Daartoe willen we de zonde afsterven, ons eigen ik Hem offeren, ons vleesch kruisigen, de wereld, maar ook ons zeiven verloochenen, en in de kracht Zijns Geestes geheel in een nieuw leven wandelen. Zijn wij zoo in Christus, en is Zijne genade ons leven en element, hoe zalig kunnen wij dan in het licht Zijner opstanding heenzien. naar onze zalige opstanding, en van daar nog verder, naar dien dag als al Zijne vijanden tot een

ocr page 45

45

voetbank Zijner voeten gezet zullen zijn, en Hij den laalslen vijand overwonnen hebbende alles zal zijn in allen.

O wie wenscht niet in het Nieuwe Jeruzalem de liederen mede aan te hellen ter eere van God en het Lam, daar waar God alle tranen van de oogen zal afwisschen, en de dood niel meer zal zijn, noch rouw, noch gekrijt, want de eerste dingen zijn voorbijgegaan, ziet het is alles nieuw geworden. Wie dan bidden kan hij bidde mede:

Kom Heer, wien onze ziel bemint,

In wien ons harte alles vindt,

Kom allerliefste bruidegom,

Uw bruid verlangt naar ü, ai kom!

Amen Halleluja!

Amen.

ocr page 46

Het was toch de Hovenier.

Johannes 20 :1—18.

«Maria Magdalenaquot; die naam is een der bekendste; en hare ontmoeting met Christus is eene der geliefdste verhalen uit de geschiedenis der opstanding des Heeren Jezus. Aan den Goeden Vrijdag eene der laatsten bij het graf des Heeren; wil zij, nu de Sabbath is voorbij gegaan, eene der eersten zijn; want, zóó als zij zich bij zijn leven aan Christus verbonden gevoelde, is zij nu verbonden aan zijn graf, en het lijk van Christus is haar eenige schat, waar zij zich bij neder wil zetten om aan hare smart den vrijen loop te laten. Zoo spoedt zij zich dan in de ochtendschemeringen naar Jozefs hof, maar vindt tot haren schrik en ontzetting den steen van het graf gewenteld. Een vluchtige blik doet haar niet den Engel zien, maar overtuigt haar wel dat het lichaam des Heeren niet meer in het graf rust. Dat overstelpt haar van droefheid, zij wacht niet om het bericht van den Engel te hooren dat de Heer is opgestaan, maar zij besluit terstond dat vijandige handen het graf beroofd hebben, en hare ontstelde verbeelding schildert haar al de beleedigingen af waaraan het heilige lijk wellicht is prijs gegeven geworden. Zij snelt naar de stad terug, en zoekt hel huis op waar Johannes de moeder des Heeren heeft heengebracht. Daar vindt zij Johannes en Petrus bijeen, en buiten adem als 't ware zegt zij: ze hebben den Heere weggenomen en wij weten niet waar zij Hem gelegd hebben. Hare ontroering deelt zich aan

ocr page 47

47

de beide Discipelen mede, die terstond opstaan om te zamen naar het graf te gaan.

Johannes door de liefde gedrongen, heeft als 't ware vleugelen aan de voeten, en Petrus komt als met looden schoenen aan, door den last der beschuldiging die hem ter neder drukt. Maar als ze bij het graf zijn, wordt Johannes door eerbiedigen schroom terug gehouden in het graf te gaan. Hij bukt neder en ziet in het graf. Maar Petrus, zijn karakter volgende, gaat terstond in het graf en trekt Johannes met zich mede. Petrus weet niet welk een invloed hij uitoefent en Johannes denkt er niet aan hoe hij aan dien invloed gehoorzaamt, maar beide zijn nu in het graf en zien goed rond. Daar zien zij de doeken die om het lichaam gewonden zijn geweest. Ze liggen niet op een hoop geworpen maar zorgvuldig opgerold. Wie had die doeken daar gelegd ? Vrienden hadden voorzeker het lichaam niet van kleederen beroofd en vijanden zouden zich niet de moeite gegeven hebben om ze zoo zorgvuldig neder te leggen. Wie had het dan gedaan ? Johannes denkt na; Petrus weet niet wat hij er van denken moet, en in Johannes hart begint eene schemering van geloof door te breken in de opstanding van Christus. Dat geloof is wel niet zooals het had moeten zijn, gebouwd op het woord van den fleer, maar toch op hetgeen hij nu aanschouwd had. Johannes heeft nooit op dit geloof durven roemen, in stille verwondering is hij met Petrus naar de stad weder gekeerd, maar Maria Magdalena is bij het graf gebleven. Zij staat daar tot in de ziel bedroefd bij het graf van haren Meester, haar Redder, haar Vriend, zij staat daar als de bedroefdste en ontroostbaarste van al de Discipelen en Discipelinnen; Weenende bukt zij nog eenmaal in het graf en nu ontwaart zij twee Engelen, den een aan de plaats waar het hoofd, den anderen aan de plaats waar de voeten des Heilands gelegen hebben. De Engelen vragen haar: vrouw wat weent gij ? En alsof deze

ocr page 48

48

Engelverschijning niets bijzonders is antwoordt zjj: Omdat ze mijnen Heer hebben weggenomen, en ik weet niet waar ze Hem gelegd hebben. En zij keert zich van de Engelen af om te kunnen uitweenen, want God alleen weet hoe bedroefd zij is. Zij hoort achter zich iemand aankomen door den hof, maar wendt zich niet om evenals bij de woorden der Engelen, neen zij staart Hem aan zonder te weten dat hel Jezus is. Wie kan ook door een tranengordijn den verrezen Levensvorst aanschouwen? het geloof ziet Jezus in elke gestalte waarin Hij zich openbaart. Maar waar het geloof niet is ziet men Jezus niet al staat Hij persoonlijk voor ons. Jezus vraagt evenals de Engelen: Vrouw! Wat weent gij? Wien zoekt gij? En Maria meenende dat het de hovenier was van Jozefs hof; en in -het denkbeeld verkeerende, dat elkeen toch wel alles van Jezus lijden en sterven moest welen en men haar zulke vragen niet behoefde te doen; Zeide tot Hem: Heer zoo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen. Zij bedoelt, indien het als eene beleediging is aangenomen dat Hij hier in het graf van den rijken man is begraven, zeg mij dan maar waar Hij ligt en ik zal Hem wegdragen naar eene meer verwijderde begraafplaats waar Hij in vrede kan rusten en waar ik Hem kan beweenen.

De Heer heeft haar een vraag gedaan opdat zij haar hart kon uitstorten. Dat is de rechte manier om treurigen te troosten, laat hen hel hart bij u uitstorten en ge bewijst hen een weldaad met hunne klachten aan te hooren. In hel ledige hart zal dan later de vertroosting nederdalen als een dauw des hemels. Jezus zeide tol haar »Mariaquot; en Hij zeide het zóó als Hij alleen het zeggen kon, zóó dat zij Jezus in Jezus herkende. En nu is Maria alles vergeten. Zijn lijden en dood, haar droefheid en zielesmarl. Rabbouni! roept zij en wil Zijne voeten omhelzen, maar Jezus weert haar af. Zij

ocr page 49

49

meent dat de vroegere dagen van gezellig verkeer nu zijn weder gekomen, maar de Heer zegt: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren lot Mijnen Vader, maar ga heen tot Mijne broeders en zeg hun; Ik vaar op lot Mijnen Vader en uwen Vader tot Mijnen God en uwen God. Maria mag geen liefde aan den Heer verspillen die te veel men-schelijks en te weinig Goddelijks had: maar zij mag eene blijde boodschapster zijn van het goede en raedearbeiden aan de blijdschap van anderen. Zij mag naar de broeders van Christus gaan, zoo had Hij Zijne jongeren nooit te voren genoemd, zij mag hun zeggen wal zij gezien, wal zij gehoord heeft, om ook hen door die boodschap te verblijden en lol de zalige zekerheid te brengen: De Heer is waarlijk opgestaan, Jezus leeft! dood en graf zijn overwonnen! Maria Mag-dalena meende toen zij Jezus zag, dal het de Hovenier was. En wij zeggen; het was toch wel waarlijk de Hovenier. Jezus Christus is de Hovenier van alle aardsche en hemelsche Paradijzen. Hij was ook de Hovenier voor hel arme ter neder gebogene Magdalenaharl. De bloemen des gemoeds, geloof en hope, liefde, vrede en vreugde, verwelken in de duisternis van zonde en ongeloof, en sterven in de winterkoude der smart.

Het woord van Jezus is de dauw, de blik van Jezus is de zon, waardoor alles verfrischt en vervroolijkl wordt wat verwelkte op den akker des gemoeds. Wat nedergebogen was wordt opgericht, wal in den dood was verzonken maakt Hij levend.

De lente die Jezus geeft vereeuwigt ons leven, onze jeugd, en onze vreugde, Christus, de hemelsche hovenier, doet voor een doorn een dennenboom opgaan, voor een distel een mirleboom, en elke treurende Magdalena wordt eene blijde boodschapster van eeuwige vreugde en eeuwige jeugd.

Wie in de gaarde des levens niet hel open graf van Christus heeft gevonden, wie dezen hovenier niet op zijn pad

4

ocr page 50

50

heeft ontmoet, de lente daarbuiten doet den winter niet wijken in zijn hart; het Paaschfeest heeft voor hem geen zangen, de eeuwigheid heeft voor hem geen licht of troost. Het Paaschfeest is een lentefeest, maar is ook het feest der eeuwige lente voor het arme zondaarshart. Jezus komt ook tot ons met de levensvraag: Waarom weent gij ? wien zoekt gij ? waarom weent gij ? O, er is op deze arme aarde zooveel waarom wij kunnen weenen. De een weent omdat hem have en goed en alles is ontnomen en nu het grimmig spook der armoe voor hem staat. Een ander weent omdat zijne bestraffingen er eiken morgen zijn, en zijn levenspad voortdurend door een doornenveld gaat. Een derde weent omdat de slang des lasters zijn goeden naam bezwalkt, hem eer en aanzien rooft, en leugen keer op keer uit onbemerkte holen haar moordend gif hem spuwt naar 't onverdedigd hoofd. Een ander weent omdat het eenig kind, dat men met welgevallen aanstaarde, door God werd weggenomen, of omdat zijne vrouw van zijne zijde werd weggerukt. En voorzeker dat alles is niet licht te achten en geen wonder als men bij al dien kommer weent; maar erger dan al wat we noemden is dit, dat we arme verloren zondaren zijn. Gelukkig wie daarom leert weenen, want vertroosting wacht als een goede Engel op zijn levenspad. Tot elke Maria die klaagt: Ze hebben mijnen Heer weggenomen, spreekt Jezus het woord zoo juist noodig, zoo juist geschikt voor het hart, dat de winterkoude der smart moet wijken, en het waarheid wordt: de winter is voorbij, de plasregens zijn overgegaan, de bloemen worden gezien in ons land en de zangtijd genaakt. Voor eiken bedroefden Petrus heeft Jezus een blik vol ontferming, een woord dat nieuwe levenskracht, levensmoed, maar ook stervensmoed schenkt. En waar een treurende Emmausganger droevig zijn weg bewandelt, Jezus zal tot zijne ziel spreken, zoodat de droeve wandelaar later zal getuigen: Toen was mij het harte bran-

ocr page 51

51

dende in mij toen Hij tot mij sprak op den weg en mij de schriften opende.

Waarlijk, waarlijk, Jezus Christus is de hovenier van alle aardsche en hemelsche Paradijzen. Hij maakt de aarde tol een Godsakker waarover de Psalm der opstanding ruischt, en Hij maakt hel arme menschenharl tot eenen hof van Eden. De vreugderoos, de liefdeknop luiken onverderfelijk op. De lelie der reinheid, het fiooltje der nederigheid, alle hemelsche bloemen ontluiken en spreiden hunne geuren in 't rond, en elk Christen wordt eene goede reuke van Christus, eene aanbeveling van het werk van zijnen Heer. En wie dezen Hemelschen hovenier op zijn pad mocht ontmoeten, voor hem blijft het eeuwig lente, hij veroudert niet ook al vergrijzen zijne harén. In God is een eeuwige jeugd. Daarboven telt men niet bij dagen en uren maar bij eeuwigheden. Wie in Christus gelooft, zijn jeugd is vereeuwigd geworden in het land van eeuwige schoonheid en eeuwig leven. Wie een doorn was wordt een denneboom, en wie een distel was wordt een mirteboom in den heerlijken hof des Heilands. Rampzalig allen die Jezus niet ontmoet hebben op hun levenspad, en Zijn stem niet hebben vernomen. Rampzalig wie niet staan aan het open graf op den Paaschmorgen, met het lied op de lippen:

Jezus leeft en wij met Hem,

Dood waar is uw schrik gebleven?

Jezus leeft en Zijne stem Roept ook ons eens weêr in 't leven,

Zal ons eens met eer bekleên.

Dit is onze troost alleen.

Al spreidt de lente al haar schoonheid ten toon, al zingt daar builen hel vogelenkoor en in hel Godshuis de gemeente; de mensch zonder Christus heeft geen zangen, in hel midden der lente draagt hij den winter in zijn borst. Voor hem geen

ocr page 52

feestkleed, voor hem geen feestlied, voor hem geen lichf in het donkere graf, geen enkele troost in leven en sterven. Maar zalig allen die het weten dat Jezus tot hunne ziel heeft gesproken: Ik ben uw heil. In hun leven zal Hij hen toefluisteren; Ik zal u niet begeven en ik zal u niet verlaten, ik zal eeuwig met u zijn. Moef gij door 't water gaan, geen nood Ik ben met u. En geen rivier of stroom zal ooit u doen verdrinken. Gaat gij door 't vuur, gij wordt door't vuur niet eens gezengd. De vlam verteert u niet. Ik ben uw God Jehova. En in hun stervensuur zal Hij zeggen: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn. Daar komt Hij nooit uil ons oog, daar hooren we altijd Zijne slem, daar zien we altijd Zijne wonden, die ons spreken van Zijne zondaarsmin. Daar is geen winterkoude, daar is geen stervensuur, daar is geen nacht meer, maar eeuwig licht en eeuwig leven en eeuwige jeugd en eeuwige lente; en met de grootste zieleblijdschap zullen we daar wellicht tot Maria Magdalena spreken: Het was toch waarlijk de hovenier. Amen.

ocr page 53

Jezus onze Leidsman op den weg door dit leven.

Lukas 24:13—35.

Zalig die niet zullen gezien, en nochlhans zullen geloofd hebben! Zóó heeft de Heer gezegd, tot Thomas, omdat hij niet had willen gelooven in de opstanding van Jezus Christus.

Maar met hetzelfde woord komt de Levensvorst ook tot allen die wel gelooven in de opstanding als geschiedkundig feit; maar die de kracht en de oneindige werkingen der opstanding niet vatten, en ook niet gelooven kunnen. En zulke menschen zijn er zeer velen in onzen tijd.

Hoe grooter de werkingen zijn die van Christus opstanding uitgaan, hoe meer zij in het oneindige gaan en in de eeuwigheid zich uitbreiden, des te zwaarder wordt het voor velen om te gelooven. Maar er zijn er ook die waarlijk in Christus gelooven maar op een dwaalweg geraakten; er zijn er wier geloof is verzwakt en geschud door zoo vele en velerlei treurige ervaringen in het dagelijksch leven.

Ach de arme in vleesch en bloed gebonden mensch heeft zoo menigen zwaren strijd door te maken en zoo menigmaal is zijn hemel gehuld in wolken van droefheid en ellende, zorgen en nooden, dat hij licht vergeten kan welk eene heerlijkheid Jezus door Zijne opstanding ons en de gansche wereld verworven heeft. Zoo was het ook met de twee Em-

ocr page 54

04

mausgangers uit het Evangelie. Zij hadden de blijde boodschap van Christus opstanding reeds vernomen, maar de smart en kommer waar zij gedurende de laatste drie dagen kennis mede gemaakt hadden, lag hun zoo zwaar op het hart, dal zij het zalige getuigenis niet konden gelooven. Maar terwijl zij in deze wolk van twijfel en smart daarheen gingen kwam Jezus zelf tot hen en wandelde met hen. Zoo wil Hij ook met ons wandelen en ons geleiden op onzen levensweg, en Hij wil ons licht schenken in iedere duisternis. Het einde van de aardsche levensreize is de zalige hemel voor allen die zich door Hem laten leiden. Daarover willen we nu verder spreken in deze ure en moge God het genadig zegenen.

Jezus geleidt ons op den weg door dit leven zooals Hij de twee jongeren geleidde op den weg naar Emmaus. Deze waarheid is voor ons allen eene der zaligste. Zonder deze waarheid zouden alle andere groote waarheden der Schrift geen waarde voor ons hebben. Wat zou ons de dood en opstanding van Christus baten wanneer wij niet door de voortdurende begeleiding van Jezus de kracht bekwamen om derzelver vrucht ons toe te eigenen. Wij waren dan gelijk aan een lamme dien men een prachtig huis en schoone landgoederen zou beloven wanneer hij er een dagreize ver voor wilde wandelen. Waarlijk wanneer men alleen de eene waarheid hoort voorstellen, namelijk wat door den dood en de opstanding van Christus voor ons bewerkt is, welke vernieu-wings- en eeuwigheidskrachten daardoor in de menschheid gelegd zijn, dan zou men meenen dat alle Christenen daardoor reeds vorsten en koningen zijn geworden. Maar het gaat in het Christelijk leven niet zoo spoedig om koningen en vorsten te worden. Een Christen is meer aan een kroonprins gelijk die wel een heerlijk Koningrijk te wachten heeft, maar verder onder strenge tucht staat, en vele en moeielijke

ocr page 55

35

lessen te leeren, en veel door te maken heeft. Niemand wordt gekroond voor hij weltig heeft gestreden.

En te strijden hebben wij met vleesch en bloed, maar veel meer met de machten en overheden in de lucht, met de geweldhebbers der wereld, de macht der duisternis. Hoe vaak zucht daarom de aangevochten geest die naar vrijheid verlangt; Ik ellendig mensch wie zal mij verlossen uil hel lichaam dezes doods? En ook van buiten, hoeveel droefheid, hoeveel dat den geest neerdrukt, ja in diepten terneder werpt; zoo dat wij met David moeten zuchten; Red mij uit den nood, o God, dat ik niet verzinke, dal ik gered worde van mijne haters, en uit de diepe wateren, dat mij de watervloeden niet verdrinken, en de diepte mij niel verslinde, en het graf zijn kuil niet over mij samensluite.

In zulke droeve uren verliest de geest den vrijen doorblik, en het vooruitzicht in de heerlijkheid, die ons beloofd is, en het is ons vaak of er geen Heiland voor ons gestorven is, geen heiverwinnaar voor ons is opgestaan, alsof wij nog in de macht van al onze vijanden waren. Hoe geweldig wordt dan de geestvlucht tegengehouden, en de vleugelen verlamd door den invloed van dat alledaagsche leven. Waarlijk in hel midden van lijden, voor, door of met anderen, in het midden van zorgen en nood, drukte en droefheid kan men zijn christelijk koningschap geheel vergeten. Zoo ging het den jongeren in het Evangelie. Zij waren Discipelen van Christus, zij hadden zichzelven aangezien als toekomstige mederegeerders in Zijn koninkrijk. Zij hadden gehoopt dal Hij Israél verlossen zou en dal zij dan met Hem zouden heerschen over hel volk Gods. Zulk een hoop vervulde hunne zielen, en met zulke verhevene gedachten vlogen zij over alle ellende dezes lijds naar den hemel. Maar nu stierf Jezus. Nu ontviel hun alles, nu waren zij in duisternis en doodsschaduw gehuld, en zoo hoog zij vroeger waren opgevaren, des te verder

ocr page 56

b6

zonken zij nu in de dieple weg. Maar terwijl zij nu zoo treurig hunnen weg gingen kwam Jezus hun op zijde en wandelde met hen, maar hunne oogen werden gehouden dat zij Hem niet kenden. O geliefden, hoe benijden wij deze jongeren, hoe heerlijk moet het hun geweest zijn toen Jezus met hen ging op den weg. Niet waar? Deze weg naar Emmaus schijnt ons de allerliefelijkste, een weg vol licht, een weg vol bloemen. Maar weest getroost, wij zijn niet bij hen 'en achteren gesteld, want Jezus wil ook onzen levensweg alzoo verlichten en vervroolijken. Hij wil ook met ons wandelen en door het leven ons begeleiden. Want Hij heeft gezegd.- »Zie ik ben met u al de dagen tot aan het einde der wereld.quot; Dat is onze hoogste troost onder al wat ons bejegent in dit leven, dat wij niet alleen zijn, maar dat de Heer bij en met ons is. Voor Hij heenging heeft Hij tot Zijne jongeren gezegd: «Ik zal u geen weezen laten, ik kom weder tot u, en gij zult erkennen dat ik in Mijnen Vader ben, en gij in Mij en Ik in u.quot; En dit woord vervult de Heer heden nog aan allen, die Hem toebehooren. Gij in Mij en Ik in u, dat is de rechte begeleiding van Jezus door ons geheele leven. Ja, Hij wil bij en in ons wonen. Daaruit zien wij hoe de zegen van Jezus' dood en opstanding immer doorwerkt. Dan mag het er bij ons uitzien zoo treurig als het wil, Hij, de Heer, is met ons, dat is de rechte troost. En waar Hij is daar werkt Hij ook Almachtig. Hij troostte de beide jongeren, en wees hun aan, dat hetgene waar zij over treurden, juist zóó geschieden moest; en zij zagen dat ook later zelf in toen Hij op den weg met hen gesproken had, en hunne harten brandende in hen geworden waren. Dat was het vuur Zijner liefde, dat het licht des hemels, dat Zijne zaligmakende waarheid die zij in zich voelden, en hoe anders werd alles daardoor. Hun kommer werd veranderd in vreugde. En het is menigen Discipel van Christus evenzoo gegaan, dat hem het

ocr page 57

87

licht in de duisternis opging, en wanneer hij wellicht lang om troost had geweend, zoo kwam op eenmaal de hulp, omdat de Heer hem de Schrift, of zijn eigen hart, of de gevangenis waarin hij gevangen zat, opendeed. En wanneer Jezus zich houdt alsof Hij niet meer bij ons wil blijven, maar verder gaan, zoo moet men Hem bidden evenals de Emmaüsgangers deden: »Heer blijf bij ons want het is bij den avond en de dag is gedaald.quot; En gij zult het ook ervaren: en Hij ging in om met hen te blijven. Jezus is een trouwe Heiland, Hij wijkt niet van onze zijde, wanneer wij maar niet van Hem afwijken. En als het avond wordt in ons hart willen wij Hem bidden, ja dringend noodigen bij ons te blijven.

Deze troost maakt de vertroosting die de Goede Vrijdag, en die de Paaschmorgen ons aanbiedt volkomen, want met de groote waarheden van deze feestdagen is het als met het Paaschfeest zelf als het valt in de maand April, wanneer de schoone groene aarde soms nog bedekt wordt met hagel en sneeuw, hetwelk dan niet bij onze feeslstemming past. Maar de natuur is dan vaak een beeld van ons hart of van ons uiterlijk leven. Want dat de zon niet altijd van binnen schijnt, en dat hel niet altijd licht is op ons levenspad leert de ervaring te duidelijk. Maar dit is iets grootsch, te weten dat de zon toch immer aan den hemel is, namelijk de zon der gerechtigheid: Jezus Christus.

Is Hij overal bij en met ons, en wil Hij in alle nooden helpen, en in alle donkere wegen ons licht geven! Zoo willen wij met vreugde eiken weg bewandelen waar Hij ons inleidt. En wanneer het ook niet immer feestdag is, zoo weten wij toch, dat het Zijn wil is, dat wij in het zweet van ons aanschijn ons brood eten, dat is, den strijd van het alledaagsche leven strijden. En van dezen strijd geldt het ook: Er wordt niemand gekroond die niet wettig heeft gestreden. Maar Jezus is met ons en door Zijne nabijheid kun-

ocr page 58

58

nen wij ten allen tijde zeggen: Zoo God voor ons is wie zal tegen ons zijn. Maar deze nabijheid van Clirislus is slechts de aanvang van datgene wat Hij in de eeuwigheid wil doen. Want Hij wil ons niet alleen een Leidsman zijn door dit leven, maar ons ook veilig dit leven uit, en de heerlijkheid binnen leiden. Ja in den hemel; opdat wij bij Hem en in Hem mogen zijn, eeuwiglijk en altoos, om met Hem eenen eeuwigen feestdag te vieren zonder eenige droef heid. In het voorportaal des hemels voerde Jezus de twee jongeren uit onzen tekst, want toen Hij zich aan hen als den opgestane Christus openbaarde, toen was het hun waarlijk als waren zij niet meer op aarde, üood, graf, droef heid, kommer, smart, alles vergaten zij, de aarde scheen hun geen aarde meer te zijn, en de hemel ontsloot zich voor hunne opgewekte zielen. Zoo voert Jezus ons ook nu nog vaak den hemel binnen, en verkwikt onze zielen door Zijne goddelijke vertroostingen. Dat zijn de feestelijke uren waarin het hart boven al het aardsche verheven is, en in volkomen gemeenschap met den Heere mag slaan. Dan kan men voor eenigen lijd vergeten dat de aarde vaak duisternis, stormen ea ruwe sneeuwjachten oplevert. Dan is de geest in zijnen oorsprong, en op zulk eenen in Christus zaligen geest klimmen de Engelen Gods op en neder. Jezus Christus is de hemetladder waardoor de aarde met den hemel verbonden is, maar hoe goed het aan den voet van den hemelladder is, zoo is het toch oneindig heerlijker in den hemel zelf. En bij alle zaligheid die wij hier op aarde smaken mogen wij altijd gerust denken;

Schenkt Gij mij reeds zoo veel op aarde, wat zal 't dan in den hemel zijn? Daarom is de hoogste kracht van alle vertroosting deze: dat Jezus ons eenmaal tot Zich nemen wil om ons te schenken de volle zaligheid van Zijn hemelsch Koninkrijk. Daar zal het eerst geheel openbaar worden wat Hij ons door Zijnen dood en opstanding verworven heeft.

ocr page 59

59

Daar zal zich in het eeuwig licht openbaren hoe Christus door Zijnen kruisdood alle bronnen van zegen over de gan-sche menschheid geopend heeft. Daar zal ook blijken hoeveel kostelijk tarwegraan op dezen grond en bodem is gezaaid geworden dat honderdvoudige vrucht heeft gedragen. Daar zullen we eerst volkomen zingen; Ik verheug mij in den Heer en mijne ziel is vroolijk in mijnen God, want Hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils en den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan. Gelijk een bruidegom zich siert met priesterlijk sieraad, en gelijk eene bruid zich versiert met haar gereedschap. O geliefden geen oog heeft het gezien, geen oor gehoord, en het is in geen men-schenhart opgeklommen wat God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Daarom verheugen we ons, daarmede vertroosten we ons in alle droefheid en onder allen druk van het alle-daagsche leven.

Mag het stormen op aarde, onze wandel is in den hemel, waaruit wij onzen zaligmaker verwachten, die ons vernederd lichaam verheerlijken zal, en gelijkvormig maken aan Zijn verklaard en heerlijk lichaam, gelijk Hij alle dingen zich zeiven onderwerpen kan. Amen.

ocr page 60

Een avond die in den hemel herdacht zal worden.

Lukas 24:33—48.

Indien er één woord geschikt was, om de taal des harten van de discipelen en discipelinnen te vertolken, aan het einde van den dag waarop zij van Jezus opstanding zeker waren, dan was het zeker wel het Psalmlied zoo even door ons gezongen: Komt luistert toe gij allen die God vreezen en ik zal u vertellen wat de Heer aan mijne ziel gedaan heeft. Ik noem dat een avond, die in den hemel herdacht zal worden, en ik verwacht dat gij evenzoo zult oordeelen nadat we zullen gezien hebben: Welk eene onvergetelijke avond hel was voor de discipelen. Welk eene verootmoedigende les daardoor tot ons allen komt. Welk eene heenwijzing deze avond bevat naar de schoonste toekomst voor Jezus gemeente. Was de opstandingsdag des Heeren de gelukkigste dag voor de jongeren ? de avond van dien dag werd om nooit te vergeten; door de gemeenschap der heiligen daar beoefend, de versterking des geloofs daar ontvangen, de heerlijke ervaringen daar medegedeeld, de verrassende goedheid van Christus daar ondervonden. De gemeenschap der heiligen, weet gij wat dat zeggen wil? Er zijn honderden en duizenden die deze woorden wel kennen met het hoofd, omdat zij die in de Apostolische geloofsbelijdenis hebben gelezen, maar er geen kennis aan hebben voor het hart, omdat hun hart nog niet is weder-

ocr page 61

61

geboren, en alleen het wedergeboren hart kan gemeenschap hebben met den Vader, en Zijnen Zoon Jezus Christus, en daardoor dan ook gemeenschap met de heiligen, hetzij dezelve op aarde zijn, of in den hemel. Christenen zijn zij, die de zalving van den Heilige bezitten, zij worden in de Heilige Schrift broeders genoemd om hunne liefde, geloovi-gen om hun geloof, uitverkorenen en geliefden op grond van de genade hun bewezen en betoond, en zij worden heiligen genaamd, niet om het kleine beginsel der heiligheid dat in hen wordt gevonden, maar omdat de heiligheid hun doelwit, hun begeeren, de atmosfeer is waarin hunne ziel leven kan, want de zonde is hun de dood geworden. Deze menschen nu hebben gemeenschap met elkander. Er is een oud rijmpje dat zegt: Al kwam het volk uit verre landen, hun harte smelt te saam in een. Laat mij het bewijs u daarvan geven, in het volgende voorval.

Een Christen uil ons vaderland bezocht Smyrna, de aanzienlijke handelsstad van den schoonen Levant, waar onze schepen schatten gaan garen. Smyrna telt dertigduizend Christenbelijders, en ook voor onze landgenooten wordt daar het Evangelie in eenen kleinen tempel gepredikt, zoodat Nederland niet alleen door handelsbetrekking, maar ook door geestelijke banden aan Smyrna verbonden is.

Welnu, het was Zondagmorgen, de godsdienstoefening nog niet aangevangen, maar de kerk toch reeds geopend. Onze broeder treedt de kerk binnen, meent daar alleen te zijn en buigt de knieën op dien klassieken christelijken bodem en bidt. Maar hij is niet alleen, want weldra hoort hij uit een ander deel van het kerkgebouw een forsche slem het woord »Hosiannaquot; uitspreken, een oogenblik later hoort hij nog eene stem die roept: »Hallelujaquot; en toen sprak onze broeder: »Amen.quot; Hosianna, Halleluja, Amen! dal is een lied in drie woorden, dat is een belijdenis des geloofs, dat is de taal

ocr page 62

fi2

van drie harten die daar elkander verstonden. Toen stonden zij op en reikten elkander de hand. De een was een Duit-scher, de ander een Franschman, de derde een Hollander. Zij behoorden tot drieërlei volken, spraken drieërlei talen, behoorden tot drieërlei kerken, en toch behoorden zij allen tot de heilige, algemeene, christelijke kerk en geloofden en beoefenden de gemeenschap der heiligen. Die gemeenschap der heiligen is beoefend door de elven en die met hen waren, aan den avond van den onvergetelijksten dag en daardoor is die avond hun ook onvergetelijk geworden. O, de gemeenschap der heiligen is een hemelsch genot op aarde, dat zoo weinig wordt gesmaakt omdat er zoovele wonderlijke heiligen worden gevonden. Hoe kan er sprake van gemeenschap zijn, als men den broeder niet als broeder erkent die niet behoort tot onze kerk of richting? Als men de bekeering in twijfel trekt dergenen die niet bekeerd zijn zóó als wij dat nu juist zouden wenschen? Als men dwalenden niet terecht brengt met liefde maar met hardheid bejegent? Als men verbittert in plaats van verbetert, en voor altijd van zich vervreemt wie men aan zich zou willen verbinden? Als men uit antipathie vernedert en vernietigt wat toch sympathie bij God mocht vinden. Als men vermaant maar niet in vertrouwen, en dien men vermaant niet onder vieroogen heeft maar onder vier- of vijfmaal vier, waardoor de boetvaardigheid wordt verhinderd en alle liefde verdwijnt? Ach, dan moet wel gemist worden wat God zoo gaarne had geschonken, dan moet wel gemist worden wat wij zoo noodig hebben voor ons hart, want waar gemeenschap der heiligen wordt beoefend, kunnen we elkander versterken in ons allerheiligst geloof, en opgebouwd worden in de liefde, dat hebben de Discipelen en die met hen waren gedaan aan den avond van dien onvergetelijken dag die daardoor een overgetelijken avond is geworden. Er zijn christenen die van geene bevin-

ocr page 63

fi3

ding willen weten, maar zonder bevinding, zonder ervaring kan het geloof toch niet zijn. Hoor de heerlijke ervaring die de jongeren elkander tnededeelen en uwe ziel juicht er bij en deelt in hun genot. De Emmaüsgangers komen te Jeruzalem en vinden de Discipelen samenvergaderd. En men jubelt hun tegen: «De Heer is waarlijk opgestaan en Hij is van Simon gezien.quot; En zij vertelden hetgeen geschied was op den weg, hoe Hij hen had vertroost, hoe hunne harten brandende geweest waren als Hij hun de Schriften verklaarde, en bovenal, hoe Hij hun bekend was geworden in het breken des broods. Mijne vrienden, dat is hel geluk van den christen, zoo te kunnen en te mogen spreken van de liefde des Hee-ren, zoo elkander op te bouwen in het geloof door de mede-deeling onzer heerlijke ervaringen, dat is God tot eer en onszelven en anderen tot heil, en waar zóó de Naam des Heeren wordt verheerlijkt daar wordt ook de verrassende goedheid van Christus ondervonden. Als zij van deze dingen spraken, stond Jezus in het midden. Als gij van een vriend spreekt, ziet ge hem zeer vaak weldra verschijnen, maarzoo is het met den Heere Jezus altijd, waar Zijns Naams gedachtenis gesticht wordt daar komt Hij om te zegenen. Daar spreekt Hij ook nu nog zijn: »Vrede zij ulieden.quot; De Discipelen werden bevreesd en meenden dat ze een geest zagen, en de Heer duldt geen vrees in de Zijnen, wien Hij vrede biedt. Daarom zegt Hij; »Wat zijt ge ontroerd en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten ? Ziet mijne handen want Ik ben het zelf, want een geest heeft geen vleesch en beenen.quot; En Hij toonde hun de handen en de voeten. En toen ? Toen geloofden zij het nog niet van blijdschap, dat was te goed om waar te zijn, en toch was het waar dat zij hunnen Meester, hunnen aan den dood ontrezen Meester zagen, en zoo werd deze avond hun onvergetelijk voor geheel hun volgend leven, en ook voor ons moet die

ocr page 64

(54

avond onvergetelijk zijn. Want op dien avond werd ons allen eene zeer verootmoedigende les gegeven. Weet ge waar die les geschreven staal? In de handen en voeten van Jezus. Wij hebben die wonden te beschouwen, de oorzaak en be-teekenis dier wonden te overdenken, Christus in Zijne liefde, waarvan die wonden de teekenen zijn, te aanbidden. Die wonden klagen ons aan maar spreken ons ook vrij. Zij spreken van onze schuld en spreken van Gods erbarming. Die wonden zijn bronnen van troost en kloven in de steenrots, die wonden zijn de vrijsteden voor het gefolterde hart en door die wonden is het woord der Schrift vervuld: »Er zal eene geopende fontein zijn legen de zonde en onreinheid.quot; Zoo kunnen die wonden ons stemmen lot ootmoed en ook tot vreugde, maar het is onuitsprekelijk treurig dal Christus nog bij voortduring wonden worden toegebracht door degenen die toch zeggen Hem lief le hebben. O, wij wonden Hem door zooveel zonden en zooveel onbeleden kwaad en wat niet wordt beleden wordt ook niet bestreden, maar blijft vaak eene slang gekoesterd in onzen boezem. Wij wonden Hem door onze vrees en twijfel die Hij niet verdient maar die Hem beleedigen en bedroeven. Wonden worden Hem geslagen door onzen twist en oneenigheid, onzen strijd om beuzelingen. Door hel elkander bijlen en verteren, maar ook door de Kaïnsvraag van zoovelen: ben ik mijns broeders hoeder? terwijl Hij heeft gebeden: «Vader, ik wil dat zij allen één zijn, gelijk wij één zijn.quot;' Wij wonden Hem als we een Nar-dusflesch zoovéél vinden om dien den Heiland te wijden; als we Christus waardeeren, en Hem als de joden niet meer waardig achten dan dertig zilveren penningen. Wal baal het toch een menscli of hij de geheele wereld gewint en hij lijdt schade aan zijne ziel?

Er was hier in 's Gravenhage eene moeder die een harer zonen tweeduizend gulden geleend had op voorwaarde dal

ocr page 65

65

hij die som minder zou ontvangen bij haar overlijden. De moeder stierf en de zoon nam het Testament weg waarin dit stond beschreven, opdat hij dit geld maar niet missen zou. Maar zijn kind kwam uit de zondagschool en ging den tekst voor den volgenden Zondag zitten leeren: Wa! baat het een mensch of hij de geheele wereld gewint, en hij lijdt schade aan zijne ziel, en wat zal een mensch geven tot verlossing zijner ziel? Dat woord bracht den vader tot onrust, dat deed hem des nachts zijn bed verlaten, dat woord bewoog hem het testament weder te brengen waar het behoorde, dat woord werd het middel tol zijne redding voor de eeuwigheid. En wij herhalen dat woord: Wat baal hel een mensch of hij de geheele wereld gewint en hij lijdt schade aan zijne ziel. O, wij kunnen Jezus Christus wonden door onze geldzucht en liefdeloosheid, maar ook door onze valsche schaamte en menschenvrees. Petrus verloochende zijn Heer voor een dienstmaagd en wij verloochenen Hem wellicht voor een kameraad of voor een kind.

O schaam u voor uw Koning niet Die voor u stierf aan 't kruis!

Die Hem belijden wacht Hij eens In 't zalig Vaderhuis.

God geve dat wij Hem nooit meer wonden, dat verdient Hij niet. Maar wal Hij wel verdient: Uw liefde, uw lof, uw leven, uwe eer, en uwe eeuwige aanbidding. Om u daartoe te brengen loont Hij u Zijne handen en zegt: Zie Ik heb u in beide mijne handpalmen gegraveerd.

Ons leven zij liefde betoonen Gewillig, en vriendlijk, en goed,

Opdat wij Gods dochtren en zonen Ons toonen, in 's Middelaars bloed.

En nu bevat deze onvergelelijken avond, nog eeneschoone heenwijzing naar eene heerlijke toekomst voor Jezus gemeente.

5

ocr page 66

66

Wat ons in het hemelsche Jeruzalem wacht, wordt ons in het Jeruzalem beneden getoond. Als onze zielen van de aarde zijn gescheiden blijft toch ons geheugen voortbestaan, en ons leven zal in het licht der eeuwigheid eerst recht beschouwd, doorzien, en naar werkelijke beleekenis, dat is, naar de be-teekenis voor de eeuwigheid, beoordeeld worden. Daar zullen we Gods leidingen met Zijne menschenkinderen begrijpen en zien dat Zijne handelwijze door liefde is bestuurd geworden.

Indien Abraham tot den rijken man, die zich in de hel herinnert dat hij vijf broeders op aarde heeft die hij niet wenscht te zien in de plaats waar hij te vergeefs naar een enkelen waterdruppel smacht, zegt: kind gedenk, gij hebt het goede gehad in uw leven en Lazarus het kwaad; — wat zal de geloovige dan wel in den hemel zich herinneren en gedenken, waar geen krankheid ooit het helder hoofd komt bezwaren en het nooit vermoeid verstand dagelijks reuzenschreden doet. Wat hij zich vooral zal herinneren? dit, wat God voor hem was, wat God aan hem deed, wat God hem schonk, hoe God hem geleid heeft, wat genadegaven en gunstbewijzen hem hier zijn verleend en geschonken tot heil van zijn hart en zijn huis, zijn leven en werkzaamheid. Wat hij vooral zich zal herinneren, hoe de goede Herder hem heeft gezocht en getrokken, geleid eri geleerd, gerechtvaardigd en geheiligd. Hoe de Heer hem vaak heeft bemoedigd en vertroost en uit zorgen gered, en Zijne belofte heerlijk vervuld. Voorwaar, voorwaar:

Aan den grooten lentemorgen Zal ik lang verwonderd staan,

Dat ik hier door zooveel zorgen Mij den moed liet nederslaan.

Wat zoovaak ons nederdrukt, is ons juist gegeven om ons tot God omhoog te leiden, dat zullen we dan eerst recht inzien.

ocr page 67

67

Eerst dan wordt Gods liefde Ten volle erkend;

Dan zwelt mij het harte Van dank zonder end.

Mijn weg blijkt een cirkel Van louter gena:

'k Sla zalig in 't midden Gods heerlijkheid gal Daar in het licht der eeuwigheid, zullen we ons met vreugde herinneren hoe Hij tol ons sprak op den weg en de Schriften ons opende. Hoe Hij ons bekend werd in de breking des broods als we Zijne doorboorde handen aanschouwden, maar ook hoe Hij telkens weg kwam uit ons gezicht. En dat niet alleen, maar in het Jeruzalem boven zullen ook wij de elven vergaderd vinden en die met hen waren, en de lieve Emmaüsgangers met wie we zoo menig jaar die onvergetelijke avondwandeling met Jezus Christus hebben mede gemaakt. Daar zullen we gemeenschap der heiligen oefenen beter dan ooit hier op aarde, daar zullen we elkander opwekken tot nooit volbrachte dankbaarheid, daar deelen we elkander mede de zalige ervaringen van Gods liefde hier op aarde, daar deelt Petrus ons zijne ervaring mede van den opslandingsmorgen, waarvan we hier op aarde niets mochten weten vanwege de heiligheid van dat uur. Daar blijkt het, dal de woorden der vrouwen, van het graf komende, loch waarlijk geen ijdel gesnap zijn bevonden, daar blijkt het dat de Heer toch wel waarlijk is opgestaan en van Simon gezien, maar daar ervaren we dan ook, telkens bij vernieuwing, de verrassende goedheid van Christus, die in het midden zal staan, en ons het woord zal doen hooren dat door al de zalen van het groote Vaderhuis klinkt; »Vrede zij ülieden 1 Ziet Mijne handen en Mijne voeten, want Ik ben het zelf, tast Mij aan en ziet want een geest heeft geen vleesch en beenen gelijk gij ziet dat Ik heb.quot; Dan zal het

ocr page 68

(58

niet zijn: en toen zij hel van blijdschap nog niet geloofden; maar uit aller mond zal het woord worden gehoord; Mijn Heer en mijn God! Wij herinnerden elkander dien avond Ie Jeruzalem, gelooft gij niet met mij dat die avond nog in den hemel herdacht zal worden ? en als uw hart naar die zalige ure uitgaat, stemt gij voorzeker in met den dichter, die eenmaal heeft gezongen;

Zij zal ons niet berouwen,

De keus van 't smalle pad,

Wij kennen den Getrouwe Die ons heeft liefgehad.

Vest al uw hoop op Hem,

Dat ieder 't aangezichte Ginds naar de Godstad richte.

Daar licht Jeruzalem!

Amen.

ocr page 69

Gewankeld in het geloof, maar toch de liefde behouden.

Johannes 20: 24—29.

Niemand der Apostelen die zoo ter kwader naam bekend staat als de Apostel Thomas; want als men over hem spreekt, wordt hij gewoonlijk de ongeloovige Thomas genoemd; en elke ongeloovige wordt maar bij Thomas vergeleken; ja vele ongeloovigen meenen zelfs dat Thomas hun tweelingbroeder is, hoewel Thomas dat niet zou willen wezen al heette hij ook Didymus. Het is zeer verkeerd om iemand zijne vroegere verkeerdheden te verwijten, en te smaden op gebreken die door Christus reeds lang vergeven zijn, en toch de wereld kan niets anders. Ze heeft Thomas zijn ongeloof nog niet vergeven, al is bet vele eeuwen geleden reeds vergeven door den Heer en door Thomas verbeterd. Wij willen Thomas' ongeloof niet in bescherming nemen, maar tegenover zijn wankelen in het geloof, de liefde plaatsen die hij behouden heeft, en over het gelezen schriftwoord sprekende u wijzen op een edel karakter; een lastig temperement; een liefhebbend hart; een moeielijken toestand; eeneschoone belijdenis; een God gewijd leven.

Ik houd mij overtuigd dat er velen zijn die Thomas miskennen, omdat de ware Thomas hun vreemd bleef, en dat is juist het deel van menschen die een edel karakter bezitten.

ocr page 70

70

en het is niet alleen hun deel, maar doorgaans ook hun doel. In stilte hun weg te gaan, in stilte wel te doen.

Indien iemand een edel karakter had, dan voorwaar Jezus Christus, en van Hem staat zoo terecht geschreven, Hij zal niet roepen noch Zijne stem verheffen op de straten. Wat is het een genot een edel karakter te leeren kennen; er zijn er niet vele te vinden. Wel valsche karakters, onoprechte karakters, slechte karakters, en een menigte van lage karakters, en zulke die men karakterloos zou noemen.

Wie menschen leert kennen zou op weg zijn een men-schenhater te worden, indien God niet door genade hem telkens een dieper blik leerde slaan in eigen hart en leven. Gode zij dank er zijn ook nog degelijke karakters te vinden, en edele karakters ook, maar de laatste worden het meest miskend omdat zij niet worden begrepen. De wereld weet niet wat liefde is, en zelfverloochening acht zij dwaasheid, daarom moet een edel karakter voor haar altijd een wandelend raadsel zijn, want het wordt juist door liefde en zelfverloochening gevormd. Da Gosta heeft gezegd: Er zijn zekere dingen waardoor de mensch zichzelven geheel kenmerkt; geheel uitspreekt; dat deed Judas door het teeken der liefde te stellen tot een teeken van den onverzoenlijken haat, van de overgave zijns Meesters tot den dood. Zóó afschuwelijk dat oogenblik in hel leven van Judas geweest is, zoo heerlijk is er een oogenblik in het leven van Thomas voorgekomen waarin hg in één enkel woord zijne edele ziel geheel te aanschouwen heeft gegeven. Het is dat oogenblik waarin de Heer, van Bethanië verwijderd, tot Zijne Discipelen zegt: «Lazarus onze vriend is gestorven, en Ik ben blijde om uwentwil dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hem gaan.quot; Toen gevoelde Thomas, genaamd Didymus, al de beteekenis van de woorden der discipelen: »Rabbil de Joden hebben U nu onlangs gezocht

ocr page 71

71

te steenigen, en gaat Gij wederom derwaarts? en hij spreekt het woord uit dat hem geheel karakteriseert; »Laat ons ook gaan, opdat wij met Hem sterven.quot; Thomas heeft zijn Heiland lief met geheel zijne ziel, daarom kan hij den Heiland niet missen. En als de Heer in Joh. 14 tot Zijne jongeren zegt: »In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zoo wanneer Ik u plaats zal bereid hebben, zoo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben. En waar Ik heenga weet gij, en den weg weet gijquot;; dan zegt Thomas zoo diep weemoedig: «Heere! wij weten niet waar gij heengaat; en hoe kunnen wij den weg welen?quot; en Jezus zeide tot hem: »Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven. Niemand komt tot den Vader dan door Mij.quot; Hoe meer wij over deze beide woorden van Thomas nadenken, hoe meer zijn edel karakter ons duidelijk wordt, maar uit beide woorden blijkt ons ook dat Thomas een lastig temperement had. Thomas was een melancholisch man evenals Paulus onder de Apostelen en Lukas onder de Evangelisten. Johannes is cholerisch. Petrus en Markus zijn sanguinisch, Mattheus is flegmatisch. Men vindt onder de melancholische menschen kostelijke eigenschappen. Het melancholische temperement is innig, diep gevoelende, zich zeiven opofterende, liefhebbend en volhardend. Melancholische menschen kenmerken zich door een gloeiende verbeelding, een trouw geheugen, een godsdienstig gemoed. Zij zijn gewoonlijk stil, ingekeerd en arbeidzaam. Waar anderen terug deinzen daar houden zij stand en deinzen voor niets terug. Wanneer de melancholische mensch een Christen is. dan geeft hij zich geheel voor den Heer, voor de menschen, en voor de goede zaak van het Godsrijk. Maar waar het melancholische temperement zich door veel gunstigs onderscheidt, daar heeft het ook veel waardoor het kenmerkend lastig is. Melancholische menschen

ocr page 72

72

zijn doorgaans wantrouwend, achterdochtig, vervuld met ijverzucht en argwaan. Zij zijn gewoonlijk angstig bezorgd, eigenzinnig, en vele melancholische lieden zijn hoogst zuinig, indien niet gierig te noemen. Dit temperement kenmerkt zich verder door toorn die vaak tot wreedheid vervoert; wraakzucht en menschenhaat brengen den melancholische vaak lot waanzinnigheid. Denk nu goed na over de persoonlijkheid van Thomas, en gij zult in hem vinden een innig, diepge-voelend liefhebbend hart, bereid zich zeiven zoo noodig op te offeren voor den Heer. Maar juist omdat Thomas zoo innig liefheeft, lijdt hij het meest. Omdat hij zoo met geheel zijne ziel aan Christus verbonden is, verliest hij met Christus alles.

Denk u Thomas op Golgotha en zeg dan of voor zulk een liefhebbend hart nog iels van de hope des levens kan overblijven. Immers neen? Met Christus* dood sterft zijn geloof, met Christus' lijk daalt zijn levensvreugde, zijn hoop, zijne toekomst in den nacht der graven. Stil en ingekeerd wendt hij zich van kruis en graf; getrouw herinnert zijn geheugen hem ieder lijden den Heer aangedaan door Kajafas, Pilatus en Herodus, en zijn gloeiende verbeelding doel hem in den geest doormaken al het lijden door Christus lichamelijk geleden. Maria, de moeder des Heeren, heeft geleden; Maria Magdalena, Maria, Clopas' vrouw en Johannes hebben geleden, maar waarlijk, waarlijk, Thomas, de diepgevoelende Thomas Didymus niet minder.

Daar hoort nu Thomas van verschillende discipelen en discipelinnen dat Christus is opgestaan, en dat eerst Engelen en daarna der Engelen Heer, des zondaars Vriend, aan de Zijnen is verschenen. Nu zal het blijken hoe lastig zulk een melancholisch temperament voor zulk een liefhebbend hart is. Wantrouwen, achterdocht, ijverzucht en argwaan spelen hem parten. Wat? zou de Heer verschijnen aan Maria Magdalena, aan de andere vrouwen, aan de Emmaüsgangers, aan

ocr page 73

73

Petrus en Jacobus, aan al de Apostelen en niet aan hem? Behoort hij dan den Heere Jezus niet toe? Is hij ook niet een Apostel? Heeft Hij dan Zijn Heiland niet liefgehad, inniger, teederder wellicht dan zij allen? O, Thomas komt in zulk een moeielijken toestand. Ontkennen wat hem wordt medegedeeld, het alles leugen of inbeelding verklaren, dat kan hij niet, hun geloof bestrijden, hunne blijdschap verstoren, dat wil hij niet, en hij doet het toch, meer dan hij zelf weet of denkt. Wat smart toch een geloovige meer dan het ongeloof en de dwaling van zijn broeder? Maar Thomas, angstig bezorgd dat de Heer hem niet zal verschijnen, dat hij de troost zal moeten blijven missen die anderen bezitten, wordt eigenzinnig en spreekt hel ontzettende woord uit, waaruit ook weder de melancholie te voorschijn komt: «Indien ik in Zijne handen niet zie het teeken der nagelen, en mijnen vinger steke in het teeken der nagelen, en steke mijne hand in Zijne zijde, ik zal geenszins gelooven.quot; Is nu die melancholie niet wreed? Voert zij niet bijna een Apostel tot waanzinnigheid? Waarom zegt Thomas niet eenvoudig: Indien ik niet zelf den Heere zie evenals gij allen Hem gezien hebt, ik zal geenszins gelooven. Waarom dit eigenzinnig doordrijven en overdrijven? Ach, dit alles behoort tot de ellende van een temperament, dat een edel karakter, een liefhebbend hart ontsiert en onwaardig is. En toch, en toch. De Heer doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet naar onze verkeerdheid. Hij overziet Thomas' ongeloof omdat Hij een hart ziet, gloeiend van liefde, smachtend naar de aanschouwing zijns dierbaren Heilands, en Hij die alle treurigen Sions vertroost, heeft ook voor Thomas eene rijke vertroosting bereid, maar in den weg der middelen. Thomas moet zich aansluiten bij de gemeente, moet zich bevinden in het midden der broederen, want waar Christenen vergaderen, komt Christus naar Zijne belofte om te zegenen boven bid-

ocr page 74

74

den en denken. Als de discipelen weder bijeen waren op den eersten dag der week en Thomas nu met hen was, werd zijne begeerte vervuld, zijn hart vertroost, zijn trotsch beschaamd, zijn geloof verlevendigd, zijn ziel verblijd. Daar staat Jezus weder in het midden en zegt: »Vrede zij ulie-den.quot; Daar richt de Heer zich tot Thomas en zegt: «Breng uwen vinger hier en zie mijne handen, en breng uw hand en steek ze in mijne zijde, en wees niet ongeloovig maar geloovig.quot; Wat nederbuigende goedheid des Heeren nietwaar ? En dat terwijl Thomas wel mocht zeggen: »0 Heer, gij weet van mijne dwaasheid en mijne zonde is voor ü niet verborgen.quot; En Thomas, voldoet hij aan de uitnoodiging des Heeren? O neen, het was zoo niet gemeend, al had hij dat zoo sterk uitgedrukt. Zijn hoogste wensch is voldaan, Christus is hem niet voorbijgegaan, heeft hem niet uit het oog verloren, de Heer die alle dingen weet. Hij weet ook wel dat Thomas Hem liefheeft, nameloos liefheeft, en de schoone beiydenis stroomt uit Thomas' hart en vloeit van Thomas' lippen: »Mijn Heer en mijn God!quot; Gij die meent Thomas' tweelingbroeder te zijn, zeg hem dat nu eerst eens na, dan zal Thomas u ais zijn broeder erkennen, en allen zullen u als broeder erkennen, die deze schoone belijdenis tot de hunne hebben gemaakt: «Mijn Heer en mijn God !quot; Jezus zeide: «Omdat gij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd; zalig die niet zullen gezien hebben, en nogthans zullen geloofd hebben.quot; Ja zalig wie niet ziet En nogthans blijft gelooven!

U wacht op aard te zwaarder strijd.

Maar ook te schooner kroon,

Te zaalger vreugd hierboven,

Zoo ge overwinnaars zijt.

Het geloof in den verrezen Heiland geeft kracht en maakt bekwaam tot een Godgewijd leven. Dal leven heeft Thomas geleid. Aan den dienst van het Evangelie onder de heidenen

ocr page 75

75

wijdde hij in later lijd gaven en krachten, en waar er op aarde geen sprake is van Petrus christenen of Paulus christenen, daar worden tot op dezen dag nog wel Thomas christenen gevonden, en de naam van Thomas blijft op aarde en in den hemel in zegenend aandenken. Noem hem nu niet langer de ongeloovige Thomas, maar de liefhebbende Thomas, want dat is hij in waarheid geweest. In zijn ongeloof was wellicht evenveel geloof te vinden, als er in uw geloof misschien ongeloof te vinden zal zijn, voor het oog van Hem die niet aanziet wat voor oogen is, maar die het hart aanziet en doorzoekt. Tracht als Thomas een edel karakter te bezitten. Dat ge een zondaar zijt is de Heer wel bekend; maar als ge u een verlost zondaar weet, vergeet dan nooit, dat een christen een edel mensch moet wezen. De bekeering tot God zal ook tol vrucht hebben, dat ons temperament geheiligd en van het verkeerde, wat daar in is, gereinigd wordt, dan zal het uw christendom ten goede komen. Toon aan den Heer en aan de menschen dat ge een liefhebbend hart bezit, en gij zult harten voor uwen Heer winnen. Moeielijke toestanden kan God u niet sparen, zij behooren bij onze opvoeding voor den hemel, maar rijke vertroostingen zijn weggelegd en bereid voor de oprechten van hart. Schaam u nooit en voor niemand de schoone belijdenis, die gij immers ook tot de uwe hebt gemaakt? en laat uwe belijdenis gepaard gaan met een Godgewijd leven. Aan de vruchten kent men den boom, en hierin wordt de Vader verheerlijkt dat gij veel vrucht draagt. Het zij u eenmaal uit genade gegeven, de welkomstgroet van uwen Heiland te vernemen in de heerlijkheid. En moet Hij ook dan wellicht tot u zeggen: »Gij hebt gewankeld in het geloove,quot; als er dan maar op volgen mag: «Maar toch, gij hebt mij liefgehad,quot; dan is alles wel. Zoo zij hel voor u en voor mij, om Jezus wil. Amen.

ocr page 76

Jezus aan de zee van Tiberias.

Johannes 21: 1—19.

Nadat ik zal opgestaan zijn zal Ik u voorgaan naar Galilea.

Zóó had Christus voor Zijn lijden en dood in de opperzaal gesproken, maar door de overweldigende smart is dat woord den jongeren ontgaan. Aan den morgen der opstanding zeide de Engel tot de vrouwen: »Gaat henen, zegt Zijnen Discipelen en Petrus dat Hij u voorgaat naar Galilea, aldaar zult gij Hem zien gelijk Hij u gezegd heeft.quot; Dat wisten de Engelen beter dan de discipelen en discipelinnen. En terwijl de vrouwen heengingen om deze blijde boodschap aan de discipelen te brengen, is Jezus zelf der. vrouwen ontmoet. In die ontmoeting ligt voor ons deze levensles, dat de Heer zich laat ontmoeten door de Zijnen, maar in den weg van geloof en geloofsgehoorzaamheid, en dan is het altijd weder evenals bij de vrouwen de ervaring. De Heer heeft nog meer om u te geven dan dit. Jezus zeide lot de vrouwen: «Vreest niet; gaat henen, zegt Mijnen broederen dat zij henengaan naar Galilea, aldaar zullen zij Mij zien.quot; En vraagt gij waarom de discipelen en discipelinnen dan niet terstond naar Galilea zijn gegaan ? dan antwoord ik u, omdat zij niet konden gaan zoolang de Paaschdagen nog voortduurden, en zij behoefden niet te gaan, zoolang de Heer te Jeruzalem verscheen. Maar

ocr page 77

77

toen die verschijningen te Jeruzalem ophielden, zijn zij, gehoorzaam aan 's Heeren woord, en allen zeer verlangend Hem weder te aanschouwen, naar Galilea gelogen, waar Hij dan ook gezien is door meer dan 500 broederen op eenmaal, waarvan hel meerendeel nog leefde toen Paulus later dit bericht ter neder schreef. Maar behalve die samenkomst in Galilea, vinden we hier nog eene andere, ons beschreven door Johannes: Jezus aan de zee van Tiberias.

De verschijning en wat daarmede samenging, wordt niet zonder reden door Johannes eene openbaring genoemd. Want wij vinden hier in waarheid eene openbaring van Jezus Christus, als:

\. De Heer die ons leven beschikt en bestuurt.

2. De getrouwe die het geloof verrassend bekroont.

3. De algenoegzame, die zich van de zijnen bedient.

4. De opperste herder, die de zijnen roept en bekwaamt.

8. De hemelsche zender, die aan de stranden der eeuwigheid

ons wacht.

Moge Hij in dien dag ook tot ons kunnen zeggen: «Brengt nu van de visschen die gij gevangen hebt.quot; Amen.

De Heer die ons leven beschikt en bestuurt. Het schijnt niet waar, en het is toch zoo waarlijk waar, en het geeft ons zooveel reden tot dankbaarheid en vertrouwen.

Eenige discipelen zijn samen aan den oever van het Meer. Het is onvoegzaam en nadeelig om werkeloos te zijn, en zonder middel van beslaan le leven tot de belofte des Vaders vervuld, en zij aangedaan zullen worden met kracht uit de hoogte.

De avond is gunstig, het meer zoo uitlokkend, de nacht veelbelovend voor het visschersbedrijf. De booten en netten zijn dicht bij de hand en Petrus zegt: «Ik ga visschen.quot; Hel is wellicht de gedachte van een oogenblik, maar dat oogenblik beslist over het volgend leven. Het voorstel is ge-

ocr page 78

78

daan, en het heeft instemming gevonden. Zij traden terstond in het schip en staken van wal om te visschen. Wat schijnt alles alledaagsch en toevallig. De samenkomst, het voorstel, de toestemming, en toch is er van geen toeval sprake. Alles is vooruit gezien, vooruit beschikt, er is een oog dat de visschers gadeslaat, een hand die hun leven bestuurt en regelt, het is de hand van Hem, die in den morgenstond aan het strand hen verwacht, nadat zij Hem met blijden dank en geloofsvertrouwen als de Heer hebben beleden.

(Jw leven kan een zonderlinge samenloop van gebeurtenissen zijn, zonderling voor het oog der menschen, zonder kunst of plan van uwe zijde, de draden van uw levenslot kunnen achteloos door elkander geworpen schijnen, toch is er eene eeuwige wijsheid die uw leven en lot heeft geregeld en beide getrouw bestuurt. Wat reden tot blijde dankbaarheid en kinderlijk vertrouwen.

2. De discipelen arbeiden den ganschen nacht; de tijd is immers het visscherswerk gunstig? en loch vingen zij dien ganschen nacht niets. Zij kenden het Meer goed, zij verstonden hun handwerk, zij spanden al hunne vlijt in, zij arbeidden de gansche nachtwaak door, en al die handen waren vruchteloos bezig. Het is immers waar wat in de Psalmen slaat geschreven: »Zoo de Heer het huis niet bouwt tevergeefs arbeiden de bouwlieden. Zoo de Heere de stad niet bewaart tevergeefs waakt de wachter. Het is tevergeefs dat gijlieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet brood der smarten; het is alzoo dat Hij het Zijnen beminde als in den slaap geeft.quot;

De morgen daagt, de bootslieden zijn vermoeid, de tijd om te visschen is voorbij, de vlijt is niet beloond, de arbeid tevergeefsch, maar niet tevergeefs zijn zij op hunne plaats geweest, want alleen als wij op onze plaats zijn kan Jezus ons zegenen, en dan ervaren wij, hel werk gelukt, al schijnt het geheel mislukt.

ocr page 79

7!)

Jezus slaat op den oever; doch zij wisten niet dat het Jezus was, en dat Hij zoo dicht bij hen was, en wij wisten het vaak óók niet, en we wisten ook niet hoe goed, hoe mild, hoe vriendelijk, hoe liefdevol Hij was, maar we leerden het in den weg van geloofservaring.

Jezus stond daar, zooals een vreemdeling zou gestaan hebben die wist dat de visschers den geheelen nacht waren bezig geweest, en die nu een der eerste koopers wenschte te zijn. Zoo vraagt de Heer ook: «Kinderkens, hebt gij niet eenige toespijs?quot; Zonder zich over de verschijning en aanvrage te verwonderen, die zij wellicht meer gewoon waren, geven zij kort en eenvoudig ten antwoord: nneen.quot;

Jezus gebiedt de vermoeide visschermannen, die slechts '200 ellen van het strand verwijderd zijn met hun scheepje: »Werpt liet net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden.quot;

Maar is dat geen onzin ? lt;le tijd om te visschen is voorbij, en zij zijn dicht bij het strand, en hebben den ganschen nacht gearbeid en niets gevangen. Ja, al wat de Heer van ons eischt is dwaasheid voor het versland, maar het geloof redeneert niet, het geloof gehoorzaamt.

De mannen van het vak weten dat de visch van één soort bij elkaar schoolt. De vreemdeling kan wellicht eene aanwijzing hebben van den visch die hun ontgaan is, 't is mogelijk dat zij weinig verwachting van eene nieuwe uitwerping der netten hadden, maar wat de vreemdeling aanraadt kan licht worden beproefd.

Hij spreekt immers zoo beslist, gij zult vinden ? Zij werpen dan het net, en zien opeens dat de raad niet zonder grond was gegeven, de ruimte van hun net bevat zulk eene menigte visschen dat zij moeite hebben hel door het waler te trekken. Het is de Heer die ons leven en lot beschikt en bestuurt, het is de getrouwe Heer die hel geloof in Zijn woord, en

ocr page 80

80

de gehoorzaamheid aan Zijn bevel verrassend bekroont. En de liefde ziet Zijn hand altijd het eerste. Had de liefde Johannes' voeten vleugelen verleend bij het gaan naar het graf; het is de liefde die nu zijn oog heeft verlicht en de mond doel juichen: »Het is de Heer!quot; Zoo heeft Thomas Hem genoemd: Mijn Heer en mijn God, zoo hadden de discipelen betuigd aan den opstandingsdag: »De Heer is waarlijk opgestaan en Hij is van Simon gezien.quot;

En Simon blijft niet in hel scheepje waar Jezus aan den oever slaat. Wat geeft hij nu om scheepje en nellen en vis-schen, nu hij zich aan Jezus' voeten werpen kan? En zijn daad wordt niet door Jezus gewraakt of bestraft. De Heer kent Petrus wel en Hij kent ook ons wel. Hij kent ons ook in onze gebreken en karaktertrekken en karakterzonden, en er is bij Hem veel vergeving. Petrus komt bij zijn Meester en de discipelen komen er ook, zij hehben hunne armoede moeten erkennen en Hij heeft hun een rijkdom van visch en geloofservaring geschonken, en aan het strand ontvangen zij eene nieuwe les van levenswijsheid, een les zonder woorden.

3. Jezus Christus is de algenoegzame in zichzelven, maar die zich van de Zijnen bedient. Als de discipelen aan land zijn gekomen dan ligt daar reeds visch en brood genoegzaam voor allen. Hoe is dat alles daar gekomen? Wij weten het niet, de Heer weet het en eenmaal welen wij het ook, in den Hemel, maar wat wij welen is dit: de visch was niet vergeefsch gevangen want het woord ging uil 's Heeren mond : »Brengl nu van de visschen die gij gevangen hebt.quot; Ook die visschen mochten de vreugde van dit feestmaal van deze feeslure verhoogen. En nu zien wij hier hoe de blijdschap in God waarlijk onze sterkte kan zijn. De discipelen hadden met moeite het net gesleept, en Petrus had er niet aan geholpen. Maar nu de Heer spreekt, brengt nu van de visschen, kan Petrus alleen wat de overige met moeite verrichten. Het

ocr page 81

81

waren groote visschen, wel 183, en toch scheurde het net niet. Eenmaal had de Heer Zijnen jongeren eene wonderbare vischvangst geschonken, toen waren er allerlei visschen, toen scheurde het net, maar de Heer had gezegd: »volgt Mij, en Ik zal u visschers der menschen maken.quot; Hier is een bepaald getal visschen van eene soort, hier scheurt het net niet — hier keeren zij niet meer weder tot hun visschersbedrijf, hier krijgt de Zee het afscheid, en in hunnen arbeid, visschers van menschen te zijn, worden zij bevestigd. De nacht was donker geweest, de dag bracht vreugde. Na kruis en opstanding zou het vischnet niet meer scheuren, al kwamen niet 133 maar 1530, al kwamen er 3000 in het net. Maar Hij die de discipelen zielen leert vangen, vraagt meer van van de Zijnen dan visschers te zijn. Zij moeten ook herders wezen.

4. Jezus Christus is de opperste Herder der schapen, die Zijne dienstknechten roept en bekwaamt. Het gesprek met Petrus loont ons wat Hij van Zijne dienaren verlangt en welke dienaren Hij alleen in Zijn werk en dienst kan gebruiken. Om lammeren te weiden moet men ootmoedig zijn, zich niet boven anderen verheffen, maar zich met de lammeren gelijk, zich in hunne plaats kunnen stellen. Om Christus' schapenhoeder te zijn moet men zachtmoedig maar ook lang-moedig zijn, want schapen dwalen zoo licht van 't rechte pad. Mozes moest eerst 40 jaren Jethro's schapenhoeder zijn voor hij bekwaam was Gods menschenhoeder te wezen. De dienaren van Christus moeten opzicht hebben over de kudde, niet als geweldhebbers maar dienende in liefde. Het prediken en de ambtelijke werkzaamheid is niet genoeg. De prediker moet met de gemeente éen hart en éene ziele zijn. Hij moet haar vriend, haar raadgever en leidsman wezen. Er zijn vele ambten in de wereld en alle zijn van den Heer, en wie zijn ambt naar Gods wil betracht is Hem welgevallig. Maar er is

6

ocr page 82

82

een ambt der ambten, dat is, een dienaar des Heeren te zijn, voor het hoogste te leven, voor de eeuwigheid te arbeiden, zielen voor Christus te winnen. Wie dit ambt aangrijpt zonder geroepen Ie zijn begaat eene groote zonde en ontkomt aan het oordeel niet. Christus roept Zijne dienstknechten, en waar Hij ze roept, worden ze ook door Hem voor hunne roeping bekwaam gemaakt. Om lammeren te weiden, schapen te hoeden, schapen te weiden, behoort zachtmoedigheid, zoowel als langmoedigheid en ootmoedigheid. Ja, zachtmoedigheid is zeer noodig in een dienaar van Christus, Die gezegd heeft, leert van Mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart en gij zult rust vinden voor uwe zielen. Daar is menige dienaar van Christus die zijne eigene rust verwoest, zijn vrede verliest, door gemis aan zachtmoedigheid, maar het is ook een les om te leeren, bij Christus te leeren. Menschen leeren het ons niet, zij zouden soms maken dat men het laatste grijntje zachtmoedigheid nog kwam te verliezen. Maar de Heer is getrouw, en zeer geduldig, en altijd bereid ons weder te brengen en te vergeven. Wie bij Hem kracht zoekt zal niet beschaamd uitkomen.

S. Hij is de hemelsche Zender die aan de stranden der eeuwigheid ons wacht. Hij zendt ons als schapen in het midden der wolven, maar Hij maakt Zijn woord waar: «Ik zal u een voorhoofd geven van koper en een aangezicht van staal.quot; Laat ons staande blijven, zoo noodig vlak tegenover den vijand, we zullen overwinnen. Laat ons waken dat we, met wolven omgaande, niet iels wolfachtigs krijgen en onze schapen-natuur verliezen.

Er zijn verschillende ambten in 't Godsrijk te vervullen. De Evangelist en de Zendeling moet het Evangelienet uitwerpen in de zee dezer wereld, vaak moet hij duistere nachten doorwaken, doorarbeiden en schijnbaar zijne pogingen zien mislukken, maar hel werk Gods mislukt niet in eeuwig-

ocr page 83

83

heid, le Zijner lijd geeft God eene wonderbare vischvangst.

O, er zullen groote visschen worden gevangen, en de inzameling zal geschieden aan de stranden der eeuwigheid. Daar staat Jezus met het woord: brengt nu van de visschen die gij gevangen hebt, en komt dan en zit met Mij aan het groote Avondmaal, Mijnen getrouwen bereid. Menschenherders zullen daar ervaren dat de verst afgedwaalde schapen hel dichtst bij den Herder zijn gebleven. Daar zullen we velen vinden die we er niet dachten, daar zullen we er missen die we er zeker verwachtten, daar zal het wonder der wonderen zijn, dat wij zelf zalig zijn, en mogelijk is er nog grooter wonder voor ons bereid, die geloovig wenschen te arbeiden. Dat daar één ziel, God geve vele, ons tegen-treden met het woord: Dat ik zalig ben hier boven, dank ik 't meest naast God aan u.

Dat deel zij het uwe en het mijne eenmaal, onzen geze-genden Heiland tot eer, de Engelen tot vreugde. Amen.

ocr page 84

De triomf van ons verheerlijkt hoofd in den hemel.

Handelingen 1: 9—12.

Jezus Christus is der gemeente gegeven tot een hoofd, boven alle dingen; en aangezien hel nu een vanzelfheid is, dal indien één lid lijdt, alle leden mede lijden, en de gemeente dus in den heiligen lijdenstijd lijdt met haren Heer; zoo verheugt zich de gemeente ook met eene onuitsprekelijke en heerlijke, vreugde, op het feest der opstanding, en op het feest van Jezus' hemelvaart. Die hemelvaart, de triomf van ons verheerlijkt hoofd in den hemel, tot wiens triomf ook wij behooren, en in wiens triomf ook wij eenmaal deelen, zij het onderwerp voor onze overdenking in dit uur. Wij willen zien: hoe de hemelvaart plaats had; hoe die hemelvaart te voren voorspeld was; welk nut ons die hemelvaart schenkt; waartoe Jezus hemelvaart ons roept. En daartoe moge het ook nu in onze harten weerklinken: Sursum Corda, de harten naar boven, inzonderheid op den hemelvaartsdag. Wanneer onze vrienden van ons heengaan naar vergelegen oorden, of geliefde betrekkingen van ons worden weggenomen door den dood, bewaren we gaarne in onze gedachten hunne laatste woorden; volbrengen we gaarne hunne laatste bevelen; herinneren we elkander hunne laatste geloofsgetuigenissen. Zoo willen we dan ook allereerst de laatste woorden, bevelen, en getuigenissen van onzen Heer verzamelen, en dan herinneren we elkander de woorden

ocr page 85

85

gesproken op den berg in Galilea lot meer dan vijfhonderd broederen daar aanwezig: »Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Gaal dan henen en onderwijst alle volken, dezelve doopende in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hun onderhouden alles wat Ik u geboden heb. En ziel ik ben met ü al de dagen tol de voleinding der wereld. Predikt het Evangelie aan alle kreaturen. Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar die niel geloofd zal hebben zal verdoemd worden. En degenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen: in Mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen; en al is het, dat zij iels doode-lijks zullen drinken, het zal hun niet schaden; op kranken zullen zij de handen leggen, en zij zullen gezond worden. En ziet Ik zende de belofte Mijns Vaders op u; maar blijft gij in de slad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.quot; En Hij leidde hen buiten tot aan Belhanie; en zij die samengekomen waren, vraagden Hem, zeggende: «Heere zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten?quot; En Hij zeide tot hen: «Het komt u niet toe, te weten de lijden of de gelegenheden, die de Vader in Zijne eigene macht gesteld heeft; maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal; en gij zult Mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde.quot; En daarna Zijne handen opheffende zegende Hij hen, en het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in den hemel daar zij het zagen, en eene wolk nam Hem weg uil hunne oogen. En alzoo zij hunne oogen naar den hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, Iwee mannen stonden bij hen in witte kleeding; welke ook zeiden: «Gij Galilesche mannen! wat staal gij en ziel op

ocr page 86

86

naar den hemel? Deze Jezus, die van u is opgenomen in dsn hemel, zal alzoo komen, gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien heenvaren.quot; Ziedaar eenvoudig door Gods Woord ons medegedeeld hoe de hemelvaart plaats had. Gij stemt mij toe die hemelvaart was een wonder, iets dat in lijnrechte strijd is met de wetten der zwaartekracht, met de aantrekkingskracht van de aarde, en al wat men maar noemen wil; maar het is toch maar alleen een wonder voor de ongeloovigen; want voor de geloovigen is het geen wonder, een zaak waarover zij zich volstrekt niet verwonderen, omdat zij niets anders hebben verwacht. Zij weten dat het niet de eerste hemelvaart is geweest, zij weten dat Zijne uitgangen zijn van ouds van de dagen der eeuwigheid, dat Hij wandelde in den Hof, dat Hij kwam tot Abraham als de Engel des Heeren, dat Hij worstelde mei Jakob, zich in lateren tijd openbaarde aan Gideon en Manoach, en dan hebben zij telkens gelezen: En de Heer voer op nadat Hij met Abraham had gesproken, en de Heer voer op in de vlam en Hij handelde wonderlijk in al Zijn doen. Daarom dan ook verstaat de geloovige zijn Heiland als Hij tot Nico-demus zegt: «Niemand is opgevaren in den hemel dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des menschen die ook in den hemel is.quot; Wat een wonder is voor de wereld, is rein natuurlijk voor den Christen, voor wien het wonder de levensbodem geworden is. Gij stemt mij toe die hemelvaart was een afscheid, de Heer zelf heeft het een heengaan genoemd, en toch ook is zij weder geen afscheid want Hij zegt: «Ziet Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld.quot; Het is dus een scheidende vriend, maar een blijvende Jezus, en daarom zingt de geloovige goedsmoeds:

Schoon geen oog Hem ziet,

Wat zou 't zien ons baten?

Hij vergeet mij niet:

ocr page 87

87

Schoon 'k Zijn bijzijn mis,

Voor den God-mensch is 't Heengaan geen verlaten.

De hemelvaart van Jezus Christus was zichtbaar, want terwijl Hij hen zegende werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en toch was die hemelvaart onzichtbaar want eene wolk nam Hem weg van hunne oogen. En als we nu vragen wal geschiedde daar achter die wolk? dan geelt het Oude Verbond ons daarop een antwoord waardoor de hemelvaartsdag ons te heerlijker word. Ik herinner u slechts het bekende vers uit Psalm 68:

Gods wagens, boven 't luchtig zwerk,

Zijn tien en tienmaal duizend sterk,

Verdubbeld in getalen;

Bij hen is Zijne majesteit.

Een Sinai in heiligheid.

Omringd van bliksemstralen.

Gij voert ten hemel op, vol eer ;

De kerker werd Uw buit o Heer!

Gij zaagt Uw strijd bekroonen,

Met gaven tot der menschen troost.

Opdat zelfs 't wederhoorig kroost Altijd bij U zou wonen.

Ja Hij voer ten hemel op vol eer, want in den 47sten Psalm zegt de Psalmdichter, die bij het ophalen van de Ark naar Sion eene profetische blik in de toekomst slaat: »God vaart op met gejuich, de Heer met geklank der bazuinen. Psalmzingt Gode, Psalmzingt; Psalmzingt onzen Koning, Psalmzingt. Want God is een Koning der gansche aarde.quot; En opdat we het gejuich zouden hooren is ons het Koorgezang der Engelen bij des Heeren intocht in de heerlijkheid bewaard in den schoonen 243tol Psalm: «Heft uwe hoofden op, gij poorten, en verheft U gij eeuwige deuren; opdat de Koning der eere inga. Wie is de Koning der eere? de Heer sterk en geweldig; de Heer geweldig in den strijd. Heft uwe hoofden op gij poorten, ja heft op gij eeuwige deuren opdat de Koning der eere inga. Wie is Hij, deze Koning der eere ?quot; De Heer der Heirscharen; Die is de Koning der

ocr page 88

88

eere! O het is ons bij het lezen van dit lied of wij de

hemel hooren weergalmen van gejuich.

Hij komt! zoo roept de Seraf uit,

Hij komt! roept heel de hemel uit,

Al d'Eng'len knielen samen.

Elias, Henoch, Abraham En Mozes knielen voor het Lam 't Juicht alles dankend: Amen!

Door wolken en sterrenhemel is Hij doorgegaan den hemel der hemelen binnen, alle Engelen en Aartsengelen, alle Serafs en Cherubs voorbij, langs de rijen der zaligen van alle tijden snelt Hij voort naar het ongenaakbaar licht, waar Hij troont die alleen onsterfelijkheid heeft; en daar klinkt van den troon het bevel: »dat alle Engelen Gods Hem aanbidden!quot; en terwijl daar een stille wordt in den hemel, zegt de Vader tot den Zoon; «Zit aan Mijne rechterhand totdat ik al Uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. Ik heb U de heidenen gegeven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uwe bezitting.quot; Zoo viert ons verheerlijkt Hoofd in den hemel Zijn triomf, en ontvangt alle macht in hemel en op aarde, en al het oordeel wordt des Vaders Zoon gegeven omdat Hij ook des menschenzoon is.

De majesteit siert den Behouder,

Wien 't bloedige zweet is uitgedrukt;

De majesteit rust op den schouder Die onder het kruis heeft neêrgebukt.

Geloofd en geprezen zij Jezus Christus, die Zijne triomfen viert, die ons een deel van Zijn triomf deed worden, en ons deel in Zijn triomf zal schenken. Dat is het nut hetwelk de hemelvaart ons schenkt. Wij hebben ons vleesch en been in den hemel. De mensch Jezus Christus zit op den troon van het heelal, als de vertegenwoordiger der nieuwe menschheid. Zijn lichaam, waarin Hij leeft als de ziel in ons lichaam, dat Hij mede tot de heerlijkheid voert in Zijn toekomst. Hg is daar om de dingen te doen die voor ons te doen zijn bij God, zooals Hij eerst alles deed

ocr page 89

89

wal voor ons te doen was op aarde. Nu zit Hij aan 's Vaders rechterhand. Hij zit, want zijn werk is volhraciit, maar komt daar een Stéfanus de heerlijkheid binnen, dan is zijn laatste woord op aarde: Ik zie Jezus Christus staande aan de rechterhand Gods. Dan staat de Heer om Zijn dienaar te ontvangen en het woord aan hem waar te maken, terwijl Hij hem de martelpalm in het haar vlecht; »Gij zult zitten met Mij in Mijnen troon, gelijk Ik met den Vader gezeten ben in Zijnen troon.quot; Geloofd zij Jezus Christus die de Zijnen zulke triomfen bereid. Zoo waarlijk de Heer ons ten goede op aarde kwam, zoo waarlijk is Hij ons ten goede in den hemel. Hij is daar onze Parakleet, onze voorspraak, onze pleitbezorger. Hij leeft daar eeuwiglijk om voor ons te bidden. Hij bereidt daar plaats voor al de Zijnen en als de plaats bereid is, neemt Hij hen tot Zich. Hij is daar ons hoofd, en wekt daarom al Zijne leden tot Zich, en maakt alzoo het woord waar: «Waar Ik ben daar zal ook Mijn dienaar zijn.quot; Hij is ons hoofd en al wat het Zijne is wordt alzoo ook het eigendom Zijner gemeente, en al wat in Hem is wordt ook in Zijne gemeente uitgestort, vloeit met haar samen door de werking van den Heiligen Geest, die in Christus als het hoofd en in ons als Zijne lidmaten woont. Die geest is ons het onderpand van ons kindschap, want zoovelen door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods. Die Geest is het onderpand Zijner liefde, want wie den Geest van Christus niet heeft, komt Hem niet toe. De Geest is het onderpand onzer zalige opstanding. Want indien de Geest Desgenen Die Jezus uit de dooden heeft opgewekt in u woont, zoo zal Hij ook uwe sterfelijke lichamen levend maken, door Zijnen Geest die in u woont. Die Geest leert ons bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechterhand Gods. Hij is ons hoofd, maar ook onze koning, Koning Zijner gemeente maar

ocr page 90

90

Koning ook over de gansche aarde, en alle Koninkrijken zullen eenmaal worden van onzen God en van Zijnen Christus.

Dan graast de leeuw bij 't rund, dan kozen de wolf en 't lam, dan bloeit op aard de vrede-olijf, en onder rozen begraaft de schaamte het laatste zwaard. Tot die schoone tijd echter aanbreekt bewaart Hij Zijne gemeente met Zijne macht, en beschut haar legen alle vijanden, en zij zal door de poorten der hel niet worden overweldigd. Zoo zijn we veilig in Jezus armen, aan Jezus hart. Zoo mogen we Hem met een opgericht hoofd uit den hemel verwachten, om ons met al Zijne uitverkorenen tot zich te nemen in de hemelsche blijdschap en heerlijkheid.

En nu eindelijk nog de vraag: Waartoe roept ons de hemelvaart van Jezus Christus ? En dan is ons antwoord : Nu Hij is ingegaan in den hemel als onze voorlooper, dat wij Hem dan ook naloopen. Met andere woorden, dat we het Lam volgen waar het ook heenga. Nu Hij in den hemel is moeten ook onze harten in den hemel zijn, want waar onze schat is daar zal immers ons hart wezen? Nu ons Hoofd in den hemel is behooren wij niet meer aan de aarde, maar hebben ons zeiven aan te zien als gasten en bijwoners, als vreemdelingen hier beneden, en huisgenooten Gods. Wij weten het wel en zeggen het wel; onze wandel, ons burgerschap is in den hemel waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, maar we zijn in werkelijkheid daar nog niet zoo heel erg burger geworden, maar menigmaal nog vrij wat meer burgers op aarde en vreemdelingen in den hemel; die in plaats van te bedenken wat daar boven is, waar Christus is, vaak nog wat liever aardsche dingen bedenken en vaak wat leelijk aan de aarde vast zitten, en dat is in waarheid treurig te noemen. Huisgenooten Gods moeten thuis zijn in hun huis en vreemdelingen elders. We moeten eens meer gaan vragen; Wie zijn daarboven? wat doen ze

ocr page 91

91

daarboven? hoe hebben zij hel daarboven? en hoe zijn zij daarboven gekomen? De Bijbel is onze reiskaart en die Bijbel zal ons een antwoord geven op al onze vragen. Wie zijn daarboven ? Eene groote schare, uit alle natiën en geslachten en talen en volken. En wat doen ze daarboven? Ze staan voor den troon van God en het Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen, en palmtakken zijn in hunne handen, en gouden kroonen zijn op hunne hoofden; zij roepen met groote stem: De zaligheid zij onzen God, die op den troon zit en het Lam! En dat niet alleen, maar zij dienen God dag en nacht in Zijnen tempel, want voor ieder kind en iederen dienstknecht Gods is ook eene arbeidstaak, eene roeping, eene werkkring in den hemel te vinden. Hoe hebben zij het daarboven? Wat geen oog heeft, gezien, en wat geen oor heeft gehoord, en wat in geen menschenhart is opgeklommen dat heeft God bereid, dien, die Hem liefhebben. Stel u den hemel voor zoo heerlijk gij wilt, en het zal er nog veel heerlijker wezen. Die op den troon zit zal hen overschaduwen, zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte, want het Lam dat in het midden van den troon is zal hen weiden, en zal hun leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren, en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen. En hoe zijn ze daarboven gekomen? Zij zijn gekomen uit eene groote verdrukking. En die verdrukking zagen zij aan het kruis; gevoelden zij in hun hart; en kwam over hen in deze wereld. Maar daar is nog een ander antwoord op de vraag, en dat antwoord is: zij hebben hunne lange kleederen gewasschen, en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor den troon van God, en alzóó zijn zij er gekomen. En nu mijne vrienden, wat hemelsch is moet naar den hemel, want elk hooger leven zingt zijn Excelsior, maar het aardsche keert

ocr page 92

92

terug tot de aarde. Wie niet voor den hemel leeft kan in den hemel niet komen, en zou ook in den hemel niet thuis zijn.

De nachtuil haat den zonneschijn,

En de hemel met zijn uitverkoornen Zou voor 't geweten der vertoornen Een zevendubble helle zijn.

Laat het dan blijken dat we in den hemel thuis hehoo-ren. Laat ons los worden van dit voorbijgaand Koninkrijk en tot onze zinspreuk nemen: Mijn Koninkrijk is in den hemel. Laat het ons telkenmale zeggen aan den Heer; »Wien heb ik nevens U in den hemel ? nevens U lust mij ook niets op aarde.quot; Laat de wereld het aan ons bemerken dat wij van Jezus zijn en Hem eeuwig toebehooren. Wordt dan der wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds. Laai de wereld het hare houden, het is klatergoud en schijnbedrog; gij hebt een beter en blijvend goed; een eeuwig imis, een vaderhuis met vele woningen, in die stad waar de zon nimmer daalt, waar geen nacht meer is. De stad met haar gouden straten en paarlen poorten en haar zee van kristal, dat is uw vaderland. Daarheen, daarheen, daarheen, ga onzer aller hope heen! Leeft voor den hemel en gij komt in den hemel, en hier op aarde zult gij reeds een hemel hebben voor uw hart, want heiligheid geeft zaligheid te smaken. Zoo wordt het groote doel van Jezus' lijden en Jezus' hemelvaart en Jezus' heerlijkheid in u volkomen bereikt. Niets dat onrein is zal den hernel binnengaan; neen niets onreins komt bij den Heer, bij God in heerlijkheid. Dit dan wetende, zij het steeds meer onze leuze en keuze: Dichter bij ü mijn God, dichter bij U! Die den Heere vreezen zullen opvaren als de arenden, en in het Vaderhuis is hun een plaats bereid, door ons verheerlijkt Hoofd. Amen.

ocr page 93
ocr page 94