^3
HET
nmiiiHramvo
IN ZEVEN ZANGEN
door
P M. BOTS,
-gt;
R. C. Pr.
LEIDEN. â G. VAN BRUSSEL. 1896.
TER GEDACHTENIS
aan h kt
GOUDEN PRIESTER-JÃBILÃ
van
une Doorluchtige Hoogwaardigheid
MONSEIGNEUR
BISSCHOP VAN HAARLEM, Assistent-Bisschop bij den Pauselijken Troon, Huis-Prelaat van Z. H. Paus Leo XIII,
Ridder der Orde van den Nederlandschen Leeuw, enz. enz.
sVrge tV baV()
sVbLIMaVIt DeVs CornV ChrIstI tVI CasparIs.
1890.
EEN WOORD VAN TOELICHTING.
Van oudsher hebben, bij de hooge feesten hnnner vorsten, de volken, ook in liederen en zangen, hunne historie verhaald.
In dienzelfden geest werd, bij de hooge feestviering van Haarlem's bisschop, het volgend historisch gedicht gezongen.
De hoofdgedachte van dit poëem is even eenvoudig als aangrijpend. Gods hoogste plaatsbekleeder op aarde wilde eenmaal, dat in Haarlem's Sint-Bavo-kerk een bisschopszetel zoude verrijzen, en dat deze daar, in de lengte der dagen zoude blijven. Meer dan drie eeuwen nu is er over dat hoogheilig werk gearbeid, doch eerst in de laatste dngen gaat het, op zeer eigenaardige wijze, zijne voltooiing naderen. Surge tu, Bavo, mhlimamt Leus cornu Christi tui Casparis, verhef n, o Sint-Bavo-kerk, God heeft het krachthetoon van Caspar, uwen Gezalfde, ten top gevoerd.
Overigens is heel het gedicht naar de gewone kunstvormen der oude school, dat is de school van Mgr. Broere, Mgr. van der Ploeg en Mgr. Smit, bearbeid. Indien het uit de verte op de kunststukken dier hoogvereerde vaderen gelijkt, zal het voorzeker den hoogen feesteling, wiens jubelfeest het te voorschijn riep, niet onwaardig zijn.
P. M. BOTS, pr.
Leiden, 1 Augustus 1896.
Feestdag der overbrenging van Sint-Bavo.
EERSTE ZANG.
5c dDude
Templiim Santi l?nvonis llarlemi, ex architectorum judiclo, templum augustum, celeberriinum ac pulcber-riiunm opus.
Do tein])el van Siiit-l$avo te Haarlem is, naar het oordeel der bouwkundigen, een verheven tempol, een zeer beroemd en een zeer schoon werk.
Batavia Sacra, II, 290.
EERSTE ZANG.
DE OUDE SINT-BAVO.
hoogheid der gedachte,
Die zweeft in godsvrucht om:
De liefde huwt de krachte,
lln bouwt Gods heiligdom.
Wat wond're spits van daken Siert Bavo, u het hoofd;
Uw transen God genaken,
Dien ge in vervoering looft.
Vervoerd, als blanke duiven Langs 't blauwe firmament,
Bij 't eindloos liefdewuiven,
Aan 't verste wereldend.
HEKSTE ZANG.
Vervoerd, als 't volk van 't Noorden,
Wat, gloeiend in Gods trouw. De zinnen nooit bekoorden.
Bij 't sieren van uw bouw.
O wonder zielsvereêlen!
O kunst van 't Christenvolk! O harmonie dier velen!
Sint-Bavo's dom, hun tolk.
Heel de aarde zal God prijzen;
Juich Jager land der zee!quot;
Juich, Avaar deez' muren rijzen. Gij, Hollands steemverk, meê.
Juich, eenvoud, bij 't getoover
Der ruimten-harmonij;
Juich, vreugd, in 't steenen loover; Juich, kracht, in zuilkleedij.
Nu, hef u, dom van Albrecht,
Hem en zijn volk een' kroon, Terwijl uw luister voortzegt Sint-Bavo's hulpbetoon:
De krijgsheld, die vol glorie.
Bij d' eeuw'gen Koning straalt, Schonk Haarlem de victorie;
Hij-zelf kwam neergedaald.
4
DE OUDE SINT-HAVO.
Als eens in 't aardsche leven Blonk weer zijn helm-vizier;
God moest Zijn bnit gegeven Door 's hemels valkenier.
Dank, trouwste vriend bij 't lijden, Dank, Engel van Gods vrefi!
Zie, aller schreden schrijden Ginds naar uw kloostersteê!
O dag van 't rijkst vergaren !
Door Vlaand'ren werd verleend:
Dat Haarlem mocht bewaren Des schutsheers armgebeent'.
Verdubbeld nu 't gewemel In Albrecht's heiligdom,
Waar 't smalle pad ten hemel Zoo menig reeds beklom.
Franeiscus, droeg de wonden. De wonden van den Heer,
Franeiscus mocht de zonden Ook heelen, altoos meer.
Franeiscus, wie hier minnen In uwen Serafsgloed,
Gij doet ze in Bavo winnen Uw' Eng'lengave, zoet.
EERSTE ZANG.
God hoort, in 't rijkst erbarmen, Om u, hier, elk geween;
O komt en keert, gij, armen.
Komt weer, en eindt niet, neen!
Hier alle straf verbeden,
Die nog de vrijspraak liet;
Herrezen voortgetreden!
Herrezenen sterven niet.
O allerneed'rigst boeten,
Daar bouwt Gods zuil, gij, op!
Gansch Holland gaat begroeten Siiit-Bavo's torentop.
En wie, wie telt de altaren.
Gebouwd met Haarlems zoon ?
Hoe breed ze, ais krans, zich scharen Om 't altaar van Gods Zoon!
En, fier ter zuil verheven.
Praalt daar de Apostelstoet;
O wond're kunst, hun leven,
In kleur, in goud, in gloed!
En, of het lied der sferen, «ij 't went'lend starrenkoor.
Den jubel heft des Heeren In altoos hooger gloor,
1)14 OUDE SINT-HAVO.
Zoo schaart, in Bavo's stallen, Zich Hollands graaf en heer,
En doen Gods koorlied schallen Hoog schitt'rend', altoos meer.
Dan, 't meest wil elk verhalen, Hoe aller wijsheid zon
Rond Bavo's dom kwam stralen. Als 't nooit een zonne kon.
U, woord, u, tolk van 't leven, In menschen en in God,
De vorm der stof gegeven. Die ied'ren dood bespot.
Zie, de eeuwen keeren weder Bij jubelend accoord;
De vrucht van brein en veder Leeft, duizendvoudig, voort.
En om den troon des Heeren Golft 't Cherubijnen-lied:
//Nu, heil uw macht-vermeêren! tf Uw' woorden zwichten niet.
/,Heil 't godd'lijk zegepralen! //Nu ruischt, uit 't heiligdom,
//In 't koor van alle talen, //De blijde boodschap om.quot;
EERSTE 7,AN(i.
Dan hij, wien d' eeuwen prijzen
Om 't vinden, wonderhoog, Hij, tong van alle wijzen.
Hij, aller zieners oog.
Hij, wien de roem doet leven In marm'rén zuil en beeld. Zoolang het hooger streven Ken' mensch op aard vereelt,
Hij had, vervreemd van de aarde,
Hier zijne cel gesticht,
Waar hij Gods huis bewaarde, Eenvoudig als zijn plicht.
En, of gedachten kruisen
In 't hoofd, zoo hoog, zoo hel, De hand deed need'rig ruischen Sint-Bavo's klokkenspel.
Want hoort, het lied dier tonen Het zingt zoo vroom, zoo blij. Van Willems trouwe zonen.
Met 't kruisschild aan hun zij'.
Het zingt van hen, die leden
Als monnik Bavo leed ; Het zingt van hen, die streden Als ridder Bavo streed.
DE OUDE SINT-BAVO.
Die Damiate wonnen,
Als buit voor Christus' graf, En 't krijgsgevaart' verzonnen, Dat 't heir de zege gaf.
Helaas! de zon ging dalen In treurig avondrood;
Geen lied komt meer verhalen Van Haarlems glorie, groot.
Het kruisschild is gevallen; De zon der wijsheid dook;
Verlaten straks de wallen
Waar d' eeuw'ge vreê ontlook.
Maar, ging de liefde henen. Of Christengloed vervloog,
O Bavo, van uw' steenen Rijst nieuwe zang omhoog;
Een lied, dat wond're glorie Van staf en mijter spelt
En de oude Gods-historie Langs nieuwe hanen meldt:
EERSTE ZANG.
Hoe eens de Heer moest lijden Thans lijden gaat Zijn bruid, Doch eenmaal 't eindverblijden Sint Bavo's roem besluit.
TWEEDE ZANG.
aarlem's emite
1559â1562.
Sncerdos et Pontifex,
Et virtiitum opifex,
Pastor bone in populo,
Ora pro nobis Dominum.
Gij priester, aller priest'ren vorst,
Die aarde en lieem'leu samenbrugt,
Die alle deugd ten leven wekt,
O vader, gij van zielevrucht,
I5id, goede, die den kromstaf draagt,
Als eigen herder van uw volk.
Bid voor ons allen tot uw God,
O gij der vromen hoogste tolk !
Beyrodinyszany van eenen bisschop bij zijne plechtige intrede, in eenig, hem onderhooriy kerkgebouw.
TWEEDE ZANd
HAARLEM'S EERSTE BISSCHOP.
u treedt gij, Havo's kerkvorst, voor!
Wel juub'lend, als de kreet van wie den krijg nog winnen, Doch zorgzaam vaak op 't krijgsplan zinnen,
Dreunt d' eeregroet Gods tempel door.
Helaas, vaak troosteloos moest ook Sint-Bavo weenen Om 't kroost van 't eigen hart.
Eén dorst 't geweven kleed van Christus' bruid verscheuren. Deed wierook voor de dwaling geuren,
Weêr Absalom het volk in opstand houdt verward.
Nu treed gij, Bavo's kerkvorst, voor!
Aan 's Heeren priesters eer, den dragers van Gods gaven!
TWEEDE ZANG.
Hoe juicht hun roem de wiss'lende eeuwen door!
Zooals de dauwdrop op de graven Den dorren bloernenkelk in 't oord des doods komt laven;
Zoo hun herscheppingskracht!
Maar driewerf heil den vorst, die Aarons kleed mag dragen,
De volle priestermacht;
Hem zult, o Bavo! gij, gij droeve, 't troostwoord vragen; Hij nadert reeds uw Rafaël,
Bezwerend straks liet woên der hel.
Hij, wien d' Apostelgloed zoo lang reeds mocht doorblaken ; Gelijk de palm, omringd van kroost,
Komt bisschop Nicolaas, vol grootheên, u genaken; O, wees getroost! O, wees getroost!
Nog eenmaal treed gij, kerkvorst, voor!
U riep des konings beê, gericht ten stoel van Romen; Vergaan nu Keizer Kareis droomen Van vrede iti 't eind, de wereld door.
Vrij mocht Castiliê's moed den Islamiet betoomen,
Dat hij 't Alhambra achterliet;
Vrij pleegde ook de faam met het wonderrijk te pralen, In welks roemruchtig grensgebied Geen zonne ooit meer kon nederdalen.
Wijl zij, na 't sterven van heur stralen,
Straks Spanje's nieuwe wereld ziet;
Toch stijft u, Spanje's vorst, 't verbaasde bloed in d' aad'ren. Gij Pilips, Kareis zoon, gij ziet, bedroefd, verwoed,
Daar landeu voor uw voet Het gansche bastaardkroogt van elke schuld der vaad'ren; Hoor, hoe z' alom de tempels durven naad'ren.
14
HAARLEMS EERSTE BISSCHOP.
En, in hun dollen overmoed Rammeien op het huis van God.
Wat wacht nu 'skonings troon, den voetbank slechts des Heeren ?... O God, wie redt der eeuwen lot?
De wereldas van 't Kruis dorst d' Apostaat gaan keeren; Wat recht zal ooit bezweren Deez' helle met haar duiv'lenrot ?
Zoo kwam geen grimmig heir van Albigenzen strijden, Zoo Ziska, de Hussiet, zich nooit ten oorlog wijden. Zoo heeft nooit Mahomed gespot. De Christen-deugd gevloekt; in plaats van 't deugdzaam zwoegen Roept elk zijn woord als hoogste Godheid aan;
En wie, in konings naam, des konings schepters droegen, Zij zei ven volgen 't. Judas vaan.
Toch Cesars overleg gaat Cesars roem bewaren, De kerke Christi zelv' met rijkszorg hoog bezwaren; Zoo moog' 't Bourgondisch erf, wat Filips zich mocht garen. Hem, noch den Heer ontgaan.
Ãp, heil'ge Vader, op! Nog blijft uw driekroon stralen
Waar alle kroonglans zwicht.
Op! Neêrlands kudde gaat in 't groot getal verdwalen,
Nu voor het wolvenwoên de heirbaan openligt.
Genees gij, Sam'ritaan, genees gij Hollands wonden, In vaderliefde, teêr.
Wordt in dien wijngaard Gods de doode boom gevonden,
O, schepp' uw koningshand hem 't eerste leven weer! Zoo koom' door de oppermacht, U, Petrus, opgedragen. Die lam en schaap in éenen zorg omsloot. Een breeder stoet ten bisschopszetel dagen.
Als zoete heul in scherpen nood.
TWEEDE ZANG.
Eer Spanjes oorlogsploeg heel Nederland doe beven, Eer 't vrees'lijk kettervuur 't al dreigen komt met dood. Nu doe, o God, Gij Zelf uw kerk herleven; Dat weer haar trouw voor U victorie vier'! Gij wondt ook Haarlems vest heur eigen bisschop geven; Ond-Hebrons vorst aldaar ten mijtertroon verheven; Dat zijn geloof het Noorden sier'!
Zoo rijst gij nu tot 't hoogtijlied;
Zoo moogt gij blij, o Bavo, nu verwerven.
Door Rome's volmacht erven:
Het heerlijkst koningsdeel van Willibrords gebied ; Uw bisschops-schepter reikt, waar Neêrlands lage stranden
Omhelsden 't eerst zijn kiel.
Aan u de heil'ge steê, waar 't volk der Amstellanden Gods wondergunst te beurte viel.
Wat tal van heiligen gaat van uw glorie spreken,
Als zong 't verleden reeds uw lof!
Voor u zal Adelbert, zal Engelmundus smeeken.
Met Jero, en Gangnlf, uw kroost in 't hemelhof. Staan Kennemers en Fries voor uwen troon gebogen Naast d' eed'len telg van Waterland,
Ook 't Zuiden kust uw hand.
En let, ginds langs den Rijn, op 't wenken uwer oogen. In d' ouden strijd voor 't gravenhuis.
Of bij den heirtocht van het Kruis,
Mocht aller trouw als 't licht der zonne stralen;
O, dat, voor 't dalen van den nacht,
HAARLEMS KKRSÃE WSBCllOP.
't Historieblad opnieuw de grootheên moog' verhalen Van Bavo's Godsgeslacht.
Toch, hoe gemengd uw luister! . .. .
De bisschop stijgt ten troon, door d' ouden roem omgloord. Die eens, in stroomen lichts, ua 't eeuwenheugend duister,
Opging ter kloosterpoort;
Doch, waar weerklinkt de vreugd fier achtb're kloosterlingen
Den bisschop-abt ten heil ? . . . .
Toch vieren vest bij vest den vorst, dien zij ontvingen ; En, Haarlem heeft voor hem festoen en feesttoon veil.
Blij stijgt de wierookgeur daar langs de heil'ge muren; Volmoedig daalt het woord der eerste zeeg'ning neêr; Wat God hier scheppen wou, 't zal, na zijn val, nog duren. Aan Haarlems eersten Insschop eer 1
Treed eenmaal nog, Gods bisschop, voor!
Hoor! Van de zangen, die langs beuk en koornis klonken. Breekt nu slechts één de stilte door;
De beê der kerk voor wie verzonken ; ,/0 opperpriester Gods, o schepper van de deugd, âDie straks uw kudde hoedt in priestertrouw en eere,
â Blijf na uw zegetocht, na 't bruisen aller vreugd,
âWaar gij ten altaar treedt, steeds smeeken tot den Heere ,/Dat Bavo's volk zich tot Hem keere!quot;
17
DERDE ZANGr.
gc 3|([j[ldfnst0p.
Aim hunne vruchten zult gij ze kennen. Plukt men wel druiven van doornen, of distels van vijgen?
Hel H. Evangelie naar St.-Matthaeus. VII: 16.
DERDE ZANG.
DE BEELDENSTORM.
iet, 't ijz'ren kunstros komt getreden Op snelbewogen raad'renvoet; Een wolk danst om de reuzen-leden,
Het harte Maakt in laaien gloed; Ken kreet! .... Reeds groet het vest en dorp-
En sleept een wereld langs zijn baan; O kunststuk, heerlijk groot ontworpen, U bood 't genie zijn vreugdetraan.
Dan ach, één spanne slechts gaat falen, Eén spanne slechts uit 't ijzeren pad; O schrik! O rampen, nooit te malen! O woede van 't verdelgingsrad!
DE BEELDENSTORM.
Wie schetst de wonden, 't ledenwrin^eii, De hekatomben aan den dood?
Geen zal er zegezangen zingen
Op 't monster, in verdelging groot!
O nienschengeest, ge aanschouwt uw leven In 't reuzenkunstwerk op zijn schreên:
Hoe wonderbaar uw gang, uw streven,
Langs d' ijz'ren haan der rechte reên '
Maar, monster, hoe verwoed uw krachten. Zoodra uw weg een spanne faalt!
Hoe diep uw val, uw dwalingsnachten!
Hoor, wat Sint-Bavo's rouw verhaalt :
Ziet, alles wat de scheppingsdreven Aan luister toonen, schouwt men hier;
Dan, waar de scheps'len God omgeven,
Praalt 't meest Gods kind in eed'len zwier,-
De kunst mocht 't lichaam wedergeven,
L)at 't geestesworst'len heeft gedeeld;
Dien kampioen in stoff'lijk leven.
Maar straks ver hoven 't stof vereêhl.
Gegroet, gij beeld op Gods altaren. Gij Paladijn bij 's konings troon!
Wat eer de Godheid zich moog' garen, U de eer der deugd bij strijdbetoon.
22
DERDE ZANG. ^.8
Met Bavo troont, in 't stralengloren,
Maria in den heil'gen dom;
Tot zooveel lijden nij verkoren,
Met Joseph, heuren Bruidegom.
De held, die heel Gods kerk moest dragen. Sint Petnis, aller trouw een rots,
Hij kwam hier met de Broed'ren dagen, Die hoogste waarheidstolken Gods.
Het woord, door elk van hen gesproken In 't symbolum der Christenleer,
Was hier tot lauwer breed ontloken En gaf deez' vorsten vorsteneer.
Xog praalden and'ren, die eens streden Tot in den dood voor hunnen Heer;
Veel Wijzen, die Hem hoog beleden Bij bisschopsambt of leeraarseer ;
Het maagd'lijn ook, dat kuisch van zinnen, Slechts Christus tot heur Bruigom had,
En de eremiet, in 't zelfverwinnen.
Haar tochtgenoot op 't hemelpad.
Luid riepen zij uit nis en bogen,
Tot d' aardschen broeder in den strijd:
;/Houd moed! houd moed! O, droog u de oogen, nEens leden wij, wat gij nu lijdt.quot; â
DERDK ZANfi.
En luider nog, riep, uit. Zijn stralen,
Oj) 't hóóg-altaar, des Heilands beeld: âTracht, tracht Mijn liefde te achterhalen, âEn hoe Mijn smart al de uwe heelt.quot; â
En, ginds omhoog, staan ze aangetreden,
Zij uilen rondom 's Vaders troon.
En offren liefde, eer en beden.
Den mensch op aard een hulpbetoon; O trouw, die over 't graf bleeft leven,
Wat lied zingt ooit uw groote daan ? Helaas! de mensch wou haat slechts geven .. Hij ging uw beelden nederslaan.
Gelijk de slang, in leed bestorven.
Een plaats verwerft aan 'slandinans haard. En bij de liefde, breed verworven,
Zijn redder eerst een wijle spaart,
Maar straks herlevend bij diens gaven,
Van d' oude moordzucht bruist en zwelt, Ja, in de hand zelv', die komt laven, Den doodelijken angel stelt.
Zoo woeden in Gods huis nu benden.
Hier vaak getroost, bij schuld of rouw! Wat beuken, vloeken, tijger-wenden.
Of ook één prooi ontsnappen zou!
DE BEELi DENS'fO RM.
O zie, hoe alle heü'gen sneven,
De l)isschopstroon daar ploft in 't stof;
Maar bovenal, de hel verheven!
Den Satan eer en koningslof!
Sint-Michêls beeld, het ligt verslagen.
Hoog staat de draak, met wien hij streed; Waar men den Heer hier 't kruis zag dragen.
En waar Hij stervend voor ons leed.
Daar sloeg de moker Hem ter neder;
Den boet'ling ook aan 's Heeren zij;
Maar Satans zoon, hij praalt daar weder, Hij, linker-booswicht, hoog en vrij.
O, gij Sint-Bavo moest dus vallen,
Gemartelde door ketterij!
Gij, glorie eens van Haarlems wallen.
Torst, naakt en arm, uw' slavernij!
Nu vielen neêr, die elk verhieven;
Eén dag wierp kunst van eeuwen om;
Dorst men de dooden zelv' niet grieven ?
Finn asch verstrooid door 't heiligdom ....
Van hun toog eens zoo menig henen Naar 't verre land ,/van overzeequot;.
Om o]) des Heeren graf te weenen.
Of streed, ginds, met Gods ridders meê;
25
20 DERDE ZANG.
Hoog wou de Turk hun moed vereeren,
Bij Ascalon, bij den Jordaan;
Docli, ketterij ging hen verneêren;
Zij schond der helden grafstede aan.
Scheur, Bruid des Heeren, uwe kleed'ren;
Bestrooi, omsluier 't maagd'lijk hoofd! Een vijand, nimmer te verteed'ren,
Heeft lieel uw bruidstooi weggeroofd!
Adoro Te roept vroom uw hoge,
O Ponfi/ex galmt 't hoogkoor uit;
Maar de echo stuwt de vloek ten hooge. Die God en kerkvorst buitensluit.
01' moog'lijk? .... Neen, het kan niet duren.
Uw vrees'lijk leed; Gods wrake naakt;
Daar vaart een huiv'ring langs uw muren.
Die kloekste harten angstvol maakt.
O, als daar straks uw vest zal dreunen,
Wanneer uw volk, bij de oorlogsnood, Verhongerd, aan uw voet komt kreunen, O, roep dan, Bavo: ,/God is groot!quot;
VIERDE ZANG.
gaarlp's
Er zullmi ilngeii over 11 komnu, dat uwe vjjanden n insluiten en benauwen zullen van alle zijden .... omdat gij den dag uwer bezoeking niet hebt gekend.
Profetie des Heeren over Jerusalem. Lucas XIX, 43.
VIERDE ZANG.
HAARLEM'S BELEG.
eerklinke uw lied, o koning der profeten, Wiens visioen den last van Babel maalt, Dat, in zijn trots, met God zich durfde meten.
Maar straks vergeefs zijn volk in 't harnas staalt; Der Meders toorn wordt zonder grens geheeten,
Waar Babel hun den cijns van 't bloed betaalt; Niet anders, neen, hier de historie-bladen : ,/Des Heeren last oud-Haarlem opgeladen.quot;
In d ijz'ren vuist van Spanjes oorlogsschaar
Kwam Alva's zoon de Spaarnestad omknellen; Bond Haarlem 't Noord en Zuiden aan elkaar. Ook 'skonings straf ging 't krijgsbelang verzeilen:
VIERDE /ANG.
In hare vest woedt een geweldenaar;
Welk' vreêgezant dorst Ripperda niet kwellen? Zoo klimt dan nu tot Bavo's torentop Van alle zij 't rumoer des oorlogs op.
De teering viel .... Tot 't uiterste gestreden !
Een woeste bend' dekt poort en vestingwal; Wat krijgsliên ooit, die, als deez' bend', misdeden ?
Maar geen zoo stoer bij oorlogs-ongeval! Hoe vreeselijk ter land, ter zee, zij leden,
Schavot noch krijg verdelgt het Geuzental; O heldenmoed, tot 't grievendst lijden vaardig, Hoe was uw kracht een heil'ger oorlog waardig!
De teerling viel .... Reeds is het lot bepaald.
Nooit zwicht het heir daar ginds op duin en velden Of 't winterlicht het ijsveld flauw bestraalt,
Waar, langs het meir, de voorraad-sleden snelden. Of iedere storm met uitval wordt betaald.
Of Cocles zelf herleeft, in Hollands helden, De veldheer deed zijn ijz'ren wil verstaan;
Voor Haarlem zal hij winnen of.... vergaan.
Zoo fronst ook vaak, in 't hoog gericht gezeten,
Der recht'ren schaar de somb're wenkbrauw saam ; Hoe 't moordbewijs het meelij doet vergeten !
En ieder grimt met ingehouden aam!
30
HAARLEMS BKLEG.
Vergeefs gepleit, voor wie hier schuldig heetcn ; Vergeefs de roem van vroeg'ren stand of faam;
Het strenge recht kent sparen, noch erbarmen,
Maar zwaait het zwaard in zijn' vervaarlijke armen.
Toch niet aanstonds zou 't zwaard hier nederslaan. Al jubelde de wraak reeds in haar toren.
Tast tweedracht soms het vestingleger aan,
Ãok in het kamp trekt d' oorlogsploeg zijn voren;
De pest is reeds de tenten ingegaan;
De muiterij brult om soldij en koren;
En Hollands grond, de bodem, week en teer.
Kwelt en vermoordt het Zuidervolk steeds meer.
Toch eind'lijk, voort! Voort! Voorwaarts de kolonnen Voort! Op Sint-Jans- en Kruispoort-werken los!
Hoog juichen zij, die Turk en Moor verwormen. En Christus' naam dreunt langs den legertros.
De stormram beukt naast 't dond'ren der kanonnen, Dc bloedstroom kleurt den stalen oorlogsdos;
Hoe, woelend steeds, de menschenzeeën golven.
Vaak in een liel van oorlogsvuur bedolven.
Want, van de vest, daar giert de vlammenkrans Kn 't smeltend lood op helmvizier en handen;
De ladder klemt zich nauw' aan muur entrans, Of' 't steenblok suist van dak en torenranden;
VIERDE ZANG.
In 't eind, o schrik! o, gruwbare oorlogsdans!
Daar ploft de mijn en scheurt de loopgraafwanden. Schier alles sneeft; wie weerkeert naar het kamp,
Vloekt luid den storm en d' ongehoorden ramp.
En nu des nachts, hoe ze op de wallen dagen !
Die vrouwen, ach, niet langer vrouwen, neen! De moederborst wou 't prangend harnas dragen;
De haardos zwiert rondom den helmband heen; Een rosse gloed roept wie er nederlagen
In 't donker kamp, weer ijlings op de been. O bloemenstad 1 Geen starre mocht bestralen,
Wat, in deez' nacht, uw Furieen gaan smalen.
In 't houten vat gaat 't tiental hoofden neer.
Van wie, uit 't kamp, al strijdend, zijn gevangen; Daar rolt het heen, omlaag, naar Spanje's heir:
't Heet Tienden-cijns, waar Alva meê kwam prangen. En nog eens daalt de zware slachtbijl weer
En weer een hoofd volgt de bebloede gangen ! O duiv'l en woord, van mond tot mond herhaald:
r/Des konings cijns, met overcijns betaald!quot;
Zooals een schaar der wreede kerkhofdieren.
Schoon reeds gelaafd, en van den honger vrij, Bij rauw gebrul het bloedfestijn blijft vieren,
In laffe drift van moorders razernij.
HAARLEMS BELEG.
Zoo hier het woên, het brassen en het gieren Met d' overdaad, en d' ontucht aan hun zij;
Helaas, helaas, het bloedfeest gaat zich koeren. Op u het meest. Gezalfden gij des Heeren.
Vergeefs uw klacht, uw onschuld, uw gebeên;
De wet zwijgt stil waar de oorlogstrom pen schallen;
Aan molenwiek snelt 't heilig lichaam heen,
Om straks, verplet, op het aardrijk neer te vallen;
Bij strop en bijl verminkt men uwe leen,
Kn draagt die rond in poort en krijgsrnanshallen;
Ook Bavo's beeld, ja, 't heilig Kruishout vult De bres, het doel waartegen 't krijgsvuur brult.
Stijgt zoo 't gevloek van 't Geuzenvolk ten hoogen, 't Hervulde kamp weerkaatst die lastering;
T)e woede schreit een traan uit ieders oogen.
Die, daar omlaag, den blik eens rnart'laars ving.
Hoort, luide reeds Avil Alva er op bogen.
Dat, brengt Gods wraak eens d' ure van zijn kling,
Nog eeuwen lang de faam het zal vermelden. Wat straf, wat dood de zege hier verzelden.
De zoete Mei omkranste nu de stad
Met bloemtapeet en groenende landouwen ;
Straks daagt gewis, langs Noord- of Zuiderpad,
Oranje's hulp, beloofd aan zijn getrouwen;
V1KKDK ZANG.
Hoe 't Prins'lijk heir nu juist dien voerder had, Die, onvervaard, op 't al dorst in te houwen! O blij verschiet, indien straks 't oorlogszwaard, Die trouwste vriend, Oud-Haarlem heeft bewaard!
En ook het Meer draagt, langs zijn waterbanen.
Gewis opnieuw, straks, levensvoorraad aan;
Mocht al de moed bij 't broodsgebrek soms tanen,
Straks zou men blij volharden bij het vaan;
Heel Holland wijdde aan Haarlem's lot zijn tranen.
Wat vallen mocht, deez' vest' moest blijven staan âDe wereld wacht, dat wij beur vrijheid bouwen,quot; Dus Hipperda, aan 't hoofd van zijn getrouwen.
Zoo juicht somtijds, in vroegen morgenstond.
Het oud'renpaar, bij 't vreugdevol ontwaken; Te voren werd de heilmaar' hun verkond : Nog heden zou 't afwezig kind genaken.
Helaas! Nauw groet de zon het wereldrond.
Of nieuwe boon doen ied'ren juichtoon staken; De zoon der vreugd, die voor hun oog zou staanr Is bij de kust, in stormgeweld, vergaan.
Vergaan zoo ook de droom voor Haarlem's oogen;
De droeve wacht op Bavo's torentop.
Ziet blij de duif haar woning ingevlogen;
Haar tijding beurt de droeve vest niet op.
HAARLEMS BKLKd.
't Is uitstel ginds, en daar halfslachtig pogen,
En Spanje gruist, wie toesnelt, ras den kop .... O morgenrood, dat eens zoo hoog kwam gloren, Hoe diep gingt gij in duisternis verloren!
Zij zwichtte meê, de scheepsmacht op het Meer;
Bossu's geschut kwam dond'ren langs de golven. Zoo menig sloeg nit steng en want ter neer;
Verminkt, gedood, ligt liij in 't diep bedolven. Hoe toch de Zeeuw, befaamd in ieder heir,
Om 't enterspel bij strijdbijl en bij kolven,
In Spanjes knecht zoo ras zijn' meester vond?. . . . Helaas!.... De vloot, de leeftocht ging ten grond!
Nu prangt ge eerst fel, o Alva's zoon, de harten;
Nu heel 't beleg in eiken schalm bewaard! Wat Moorsch venijn, wat scherpe pijl van Parthen,
Die, vlijmend als de honger, ommewaart?
't Zij zwaar den krijg, den wreeden krijg te tarten. Waar 't voedsel steeds den helden krachten baart, Geen sterv'ling mocht, nooddruftig, ooit te pogen Wat dapperheên, bij slag of storm, vermogen.
Waar, Geuzenbend', is thans uw duiv'lenwoên ?
Schier alles zwijgt; flauw slechts blijft wanhoop klagen : z/Zal naar zijn woord Oranje dan nooit doen?
,/Voleindt hij zoo het uitstel in de dagen ?
35
36 VIEKDE ZANG.
wLeed ooit een vest zoo eind'loos lang, zoo koen ? ./Kan woordentroost het ingewand dan schragen?quot;
Zoo klaagt men voort!____Straks zwijgt ook dit beklag,
Op Havo's top waait, droef, de zwarte vlag.
De zwarte vlag?.. Toch staan nog hoog de wallen.
En zie, in 't eind, daar rukt Oranjes heir Uit Petrus-stad! . . Geen vreugdeschot mag knallen;
Slechts stijg' de duif naar Haarlems veste weer! O ramp! . . Daar moest deez' laatste bode vallen ;
Uit hare vlucht wierp haar de vijand neêr;
De doode meldt; âMen komt 't ontzet beproeven ,/En zal, tot hulp, een uitval straks behoeven Iquot;
Zacht viel het licht, uit maan en starrenschoot,
O]) Haarlems woud, door zomernacht omgeven; Ofschoon aan 't oog geen krijgsvertoon zich bood.
Deed 't ongeduld hier heel een heinnacht beven;
Een tred !____Een stem !____Daar knallen krijg en dood,
Daar trilt heel 't bosch bij 't strijden, wijken, sneven .... De hinderlaag bij 't Mannenpad der Hout,
Is Hollands heir tot kerkhof reeds gebouwd.
*
Gij hoort, gij gist, misleide Spaarnestede!
O Babyion! Daar daalde uw stervensnacht;
Waartoe ter poort, o krijgsman, nog uw schrede? Wie steunt uw plan met wilde wanhoopskracht ?
IIAARI.EMS BELEG.
Terug uit 't kamp met elk beklag of bede;
De Spanjaard dringt vast over brug en gracht,;
Schoon eeuwen lang hoog rezen Haarlem's wallen, De vesting is in 's vijands macht gevallen.
Zoo zegeviert, hij zoele zomerlucht
Vaak 't wolkgevaart' uit donk're hemelstreken;
Zij toefden lang, die reien, zoo geducht,
In vale kleur, hun vrees'Iijk plan ten teeken.
In 't eind, terwijl Gods gansche schepping zucht.
Daar knalt het los, of 't. hemelrond gaat breken.
Een gloed van vuur slaat langs liet aardrijk voort. Die, wat liij treft, verblakert en vermoordt.
Te laat! Te laat!.... O, hoe zij allen kermen.
Die de oorlogskans uit hare gunst verstiet.
Maar hoe?.. . . Wie wacht hier 't sparen of't ontfernien ? Eischt Spanje's toorn het bloed van Haarlem niet?
Hoe ook vergramd, waar heden hein omzwermen.
Waar onschuld blijkt, troost Alva 't zielsverdriet.
Geen helden doen ooit weereloozen sneven.
Hun door het lot, vol eere, prijsgegeven.
Vol eere slechts!.... Daar breekt hij los, de dood Op wien voorheen het lijf reeds Avas geschonken.
De Geuzenknecht, die 't eerewoord eens bood,
Lag hier, opnieuw, van d' ouden muitzucht dronken.
37
VIERDE ZANG.
Terwijl zijn hand vaak priesterbloed vergoot, Met Ripperda, in eerloosheid verzonken ....
Gerechtigheid! . .. . Daar naakt Gods oordeelsdag.
Zijn bliksem treft bij woesten donderslag.
Weêr Babel bloedt____Vermoeid de bend' der beulen :
Geen meelij greep hier knecht of veldheer aan;
De lijkhoop vult èn markt èn Spaarne-geulen, De Spanjaard wijdt den honderden een traan ;
O strengheid, vreemd aan elk goedgunstig heulen, Gewonden zelfs sleept gij naar 't vroeger' vaan.
En wie, bekeerd, voor 's priesters voeten, knielen,
Gaat strop noch stroom, maar toch het zwaard ontzielen
Voorts eiscbt nog 't recht voor al wie binnentoog,
Naar krijgsgebruik, den buit van arm en rijken;
Of 't lang beleg den staf der welvaart boog,
Hoe verre ook winst en handel gingen wijken.
Voor plundering voegt losprijs, vast en hoog,
Eer zal geen vuist het zwaard of vaandel strijken.
O Meder-krijg, hetzij gij straft of spaart.
Geen blijft in 't eind voor 's Heeren last bewaard.
Doch eind'lijk, hoort.... Daar daav'ren feestcynibalen, De woede rust; het zwaard keert in de scheê:
Heraut en volk gaan feest'lijk nu herhalen :
De Koning schenkt aan Haarlem zijnen vreê;
HAARLEMS BEI,EG
Gehoopt!.. Gewerkt!.. Des levens rampen stalen;
Brengt ieder kruis niet straks zijn rozen meê? De ketterij moog' elders, verder stoken,
Jn Haarlem ligt heur heerschappij verbroken.
Toen traadt gij voor, o eed'le Godefried,
Na Nicolaaa ten bisschopstroon verheven;
Uw liefde haatte uw zondig Haarlem niet;
Hoe vaak badt gij, bij Alva, om zijn leven;
Grijnsde u weleer de dood toe in 't verschiet.
O vreugd ! gij keert, gij komt weer redding geven, Deez' eigen dag bracht tot heur glorietroon
Der droeven troost, de Moeder van Gods Zoon.
Op 't hooge feest treedt gij uw Bavo binnen,
Door 't Geuzenvolk, als veile deern, vertreên. Hoe kermt haar romp tot uw ontroerde zinnen!
Hoe trok de schand' door al haar steenen heen ! O Vader gij, doe 't Godsrijk weer beginnen ;
De duiv'lentroon zij niet gehandhaafd, neen !
Daar richt alom de bisschop reeds zijn schreden. En wijdt het al', bij zalving en gebeden.
Hoe menig traan breekt elk nu de oogen door;
Dat boetvertoon !.... Dat smeekend volk !.... Die vrome ! O, dat toch God, al viel ook de oude gloor'. Ontfermend, weer tot Bavo's tempel kome!
3tgt;
VIERDE ZANG.
Dat 't heilgebeent' vereerd word' als te voor',
Naast 's Konings vree klink' vrijspraak ook van Rome, Kn schitt're straks, hier, niet den bisschopstroon. Het heil'genheir, verjaagd door ketterhoon..
Zoo eindt heel 't pleit in vroomheid en in beden,
Of kalme dag tempeest en nacht verving;
lün voor het oog van Gods gerechtigheden
Steeg Bavo's lied, dat van de transen ging: ,/0 God, om 't leed, wat uw gezalfden leden,
,/Gekruist met U door beul en oproerling,
âVerleen in 't eind, o aller Heeren Heere,
f/Dat hoog mijn Vorst, mijn Bisschop triumfeere!quot;
VIJFDE ZANG.
|;iarlenwche |toou.
PSALM IV, 3.
Mijn ziel is vol ontsteltenisseu.
Help God ! Hoe lang zal ze U 1105 missen Och, keer uw aanschijn toch naar mij! En ruk mijn ziel uit zooveel strikken ; Maak mijnen geest van alle schrikken Des doods, door Uw genade vrij.
Vondel's Vide Hiirpzang.
VIJFDE ZANG.
OE HAAHLEMSCHE NOON.
eer (Iroefgeniengde tonen schallen Gods Sacrament op d'altaar troon; Het Christus-feest vult Bavo's hallen
Maar vrees sluipt rond in ;s Heeren woön.
Ben vrees, of vaak de zuilen beven ....
Gaf eens de Heer, in d' opperzaal,
Zich Zelf vol troost aan 't Christenleven, Ãén smaadde 't hoogste liefdemaal.
En vieren nu des priesters handen
Weer hoog dien disch in Bavo's dom, Helaas! Nabij de heil'ge wanden Waart weer de geest van Judas om.
VIJFDE ZANG.
De Geuzenkrijger, eens verslagen,
Zint trouw'loos weer op krijgsgeweld; Straks zal zijn vuist de schande wagen, Die nu reeds 't fonk'lend oog voorspelt.
Hoort! In Sint-Bavo daalt de zegen;
't Hoogheilig offer gaat ten end; Gods volk wacht langs de tempelwegen, Gods ommegang in 't Sacrament.
Hoe spreekt elks hart: r/O, wil nu vragen
«Gij, arme, wat gij 't meest behoeft; ,/Uw bisschop gaat uw Jesus dragen, f/Of Hij opnieuw in Reth'lem toeft.quot;
Nog wacht de Heer.... Ter heil'ge stallen
Ei sell t eerst Zijn koordienst 't lied der Noon De zang, aan Davids harp ontvallen.
Bereidt den weg aan Davids Zoon.
Hoog roept die zang; f/O God, kom helpen!
Schenk licht in 's levens avondstond ! âMet wat bewond'ring te overstelpen âHeel het getuig'nis van Uw mond!quot;
DE HAAllLKMSUHE NOON.
O diepe zin, dat dringend nooden,
Die lichtbeê voor den grooten nacht!
Voor 't laatst die hulde aan Gods geboden In 't koor der bisschopskerk gebracht!
//Ter dood! Ter dood!quot; Reeds brult het langs de scharen;
//Weg 't bijgeloof met al zijn Roomsch gebroed !quot; â Gansch razend stormt een krijger naar de altaren,
Ken stortvloed volgt en treedt Gods volk ten voet. Hoe Davids lied daar wegsterft in het jamni'ren. Dat, eenwen lang, straks altoos droever schreit!
Heel 't herd'rental gekwetst bij zijne lamm'ren! De hellewolf Gods schaapsstal weer rammeit!
Toch in de trouw van hun Levieten-harten,
Vergat elk 't lijf voor de eer van 't Sacrament. De Cliristophoor ging blij den kamp weer tarten,
D' alonden kamp der nieuwe heid'nenbend'.
Helaas, helaas ! Tarcisius moest sterven:
Hij sloeg weer neer bij lagen duiv'lenspot;
Helaas, slechts 't leed der mart'laars moest hij erven ; Niet mocht hij redden Zijnen God.
Gij, Godfried, zult nu 's Heeren voet niet steunen.
Hoeverre gaat Zijn weg van 't heiligdom!
O schrik! Terwijl de priesters stervend' kreunen.
Grijpt 't woedend zwaard ook naar Gods bisschop om.
45
VIJFDE ZANG.
Men heeft u reeds der schuilplaats wreed onttogen ;
God lof! Een hand keert nog den gruwb'ren slag. Spoed heen! Spoed heen! De Heer wil weer gedoogen De onteeringsschand' van Zijnen stervensdag.
Zoo siert dan nu de doornenkroon uw slapen;
Deez' rijkdom slechts droeg Godfried van den troon. Vergruisd uw staf, uw zetel en uw wapen,
De onveiligheid sluit u de bisschopswoon.
Toch mag uien vrij van luister u ontblooten,
U, balling straks in 's levens woestenij;
Reeds de oudheid hield uw hoogen roem omsloten: ,/Chrysostomus, verjaagd door ketterij.quot;
Verjaagd ! Vervolgd!.. . . Toch reddet nog gij, vrome,
Voor zwijn en hond zoo menig hemelgaaf;
Zoolang tot eens het Godsrijk wederkome.
Verborgen de asch der heil'gen van Sint-Baaf.
Egypte zag, bij d' uittocht van Gods zonen.
Zoo Josephs graf, na eeuwen, opengaan;
Verlaten mocht hij hij geen heid'nen wonen: 't Gebeente ving mee de woestijnreis aan.
O Godfried, ach, hoe treurde om u elks liefde!
Gods sterkte viel, in Haarlem opgericht.
Hoe diep de maar' heel Christus' kerk doorgriefde: Calvijn verwint en Willibrordus zwicht;
DE HAARLEMSCHK NOON.
//Schoon 't herd'renheir kloekmoedig op kwam dagen, wDe wolvenbend en huurling triumfeert!
//De dolle krijg heeft in zijn wervelslagen
wÃn Rome's Stoel en Spanje's macht verneêrd.quot;
Zoo dan onlangs met kracht hier uitgedreven, Was eerst ter hel de Booze neergedaald;
Toen, weergekeerd, vond hij zijn woon verheven, Gereinigd, en in onschuld opgehaald.
Dies ging hij heen, en riep uit zijn spelonken Een zevental, veel boozer nog dan hij;
Nu werd hem eerst zijn vaste woon geschonken En 't ergste werd zijn laatste heerschappij!
Had Bavo dan niet vuriglijk gebeden ?
Waarom was God dan niet verwinnend meer?
Beschouwe uw oog dien Heer der heerlijkheden!
Bereikt de schend' ooit Zijnen troon;
Bouwt toekomst niet de puinen van 't verleden?
Voegt d' Eeuwige het haastbetoon?
God komt de roem, uit deugd niet enkel, blinken ;
Juicht 't hemelkoor Zijn goedheên blij,
O, hoort ook 't woord van wie ter hel verzinken : //Rechtvaardig zijt, o Rechter, Gij!quot;
47
VIJFDK ZANO.
Wat geeselslan; Sint-Bavo's kerk moog deren,
Hoog heeft heur smart U, God, geloofd;
Geen kon de kracht van beuren Bruigom weren,
Geen heeft heur volk de trouw geroofd. De lauwheid wijkt (zij was uit rust geboren),
Vervoering juicht, nu weer het strijdvuur blaakt. Blij groent de palm; de heidenzon gaat gloren ; Hoe Holland zich Oud-Rome maakt!
Uit wrange vrucht gekend heel de aard der boomen,
Hoe schuwt u elk, u ketterij!
Hernieuw, hernieuw de kwelling van Gods vromen,
Herodias vol bloeddorst, gij !
Gij moordt.... Toch wast uit 't bloed der vaad'n
Het mosterdzaadje, wel bewaard;
Gij sneeft.... Daar schiet het tak en blaad ren ; Hoe breed zijn kruin ten hemel vaart!
Droef komt uw beeld, o vrome vorsten, dagen ;
Hoe hoog, hoe hoog uw zonne stond!
O vreugd, toen Cesar 't Kruis wou schragen,
Hij om den kromstaf lauw'ren bond !
Maar grooter toch, geheel Gods rijk herschapen.
Straks uit de kracht alleen van 't geesteszwaard Straalt niet de kroon rond alle Christenslapen, Waar elk herbouwt: Gods kerk op aard?
DE HAARLEMSOHE NOON.
Zoo wijk dan ver, kortzichtigheid des menschen,
Wie 't oog van 't heden slechts behoort; Gij, arme, zaagt het stranden uwer wenschen
En waant gebeden onverhoord;
De vlinder komt uit 't dooden-hulsel leven;
Op 't graf zingt 't kind zijn vreugdelied; Om Bavo's trans gaan profetiën zweven;
wGij, God, verlaat mijn kerkvorst niet.quot;
4!)
7
ZESDE ZANG.
1853.
Benedicttis, qui venit in nomine Domini!
Gezegend die daar komt in den naam des Heoren!
Eccli L. Sneerdos magnus, qui in vita sua surt'iilsit doinum et in diebus suis corroboravit templuin.... quasi ignis elfulgens, et tint» aniens.
De lioogepriester, die in zijn leven liet huis des Heeren beeft gesteund en den tempel iu zijne dagen versterkt.... is als een uitslaand vuur en als wierook, die ontbrandt.
En Hij zeide tot haar; «Talitha cumiquot;, wat beteekent: wik zeg u, dochtertje, sta'op!quot;
{Evangelie van St.-Marcus V, 41.)
ZESDE ZANG.
DE HIÃRARCHIE HERSTELD.
e aloude haat verweerde nog zijn leven, Eu krijschte rond, met oogen, bloedig rood Moog' Maliomed ons eer zijn Koran geven
En Holland een vallei zijn van den dood, Ker Rome's paus, hij, d' Antichrist, verwinne,
Zijn wereldhoel weer bisschoppen ons zend'. Op, Koning, op! Dat 't brein op weerwraak zinne.
Uw Staatsgeweld dien gruwel van ons wend'!
Werd 't vaad'ren-erf dan Spanjes klauw ontwrongen,
Opdat zijn kerk, weer 't vrije volk gebied' ? O Haarlem, gij door 't Geuzenzwaard bedwongen. Wij dulden, neen, opnieuw uw' kerkvorst niet.
ZESDE ZANG.
Dan hoort, daar ginds, hoe juub'len and're harten,
Of 't voorspel van een koningshymne ruischt! Of Christ'nen, blij, den spot der heid'nen tarten. Nu Constantijn straks 't afgodsbeeld vergruist: Oud-Neêrlands kroost heft hoog tot God de handen En 't klinkt reeds rond in onbedwongen vreugd : wApostel-Gods! wiens beeld uit vreemde landen,
wUit lang verleen, weemoedig, 't harte heugt,
f/Gij keert opnieuw, niets zal uw komst vertragen,
âO kerkvorst, gij, van Petrus uitgegaan!
f/Gij wenkt! Het zij! Met u de kroon gedragen,
âVerheerlijkt uit den schijndood opgestaan!
âNu blij gevierd onze overwinningsvreugden!
,/Nu opgehaald der vaad'ren heldenmoed !
7Driehonderd jaar deez' feest'lijkheên niet heugden;
,/Jaïrus kind 't mirakel leven doet!
âHeil, heil der zon, die 't wolkenfloers kwam scheuren,
âDen staf, die 't lang-verstrooide samenhaalt !
âHoog gaat gij 't hoofd uit uw versmandheid beuren, âSint-Bavo's kerk, hoe g'eind'lijk zegepraalt!quot;
De haat.... Dan neen, eens drongen storm en baren
Zoolang, zoolang op Petnis' scheepsbuik aan; Dan eind'lijk, zie, één wenk deed 't al bedaren ;
Hoe doodstil lag de golfslag en de orkaan! O Heiland, wie uw scheepje bier belaagden.
Van eeuw tot eeuw, schiept Gij tot bondgenoot; Die zich onlangs den oproersdémon waagden. Ze erkennen reeds: hoe is Gods bisschop groot!
DE H1ERAKCHIE HERSTELD.
En nu treed voor, gij, d' eersten onder allen,
In 't juichend lied, gij, koor uit Bavo's dom!
Moest Godsfried's troon bij 't Noongeweld eens vallen.
Gaf stervend ginds, hij God den staf weerom;
Gij, gij stierft niet, maar greept zijn recht, zijn leuzen,
En hield die vast, driehonderd jaren lang;
Vrij Avoedde op u 't plakkaat-geweld der Geuzen,
Vrij volgde fel straks Iprens zielen-dwang.
Vrij mocht 't geschiên, dat, radeloos, zelfs Rome,
Aan Haarlem's kerk slechts verre wachters schonk, Gij wijktet nooit van 't bisschopsvolk, het vrome, Hoe dieper nacht, hoe meer uw lichtstar blonk. Gevierd, gevierd, gij, Machabeesche helden!
Toen David's troon van Rijksvorst stond ontbloot, Hieldt gij Gods vaan langs alle oorlogsvelden.
Als 't eenig heil, gelaten in den nood.
En nu in 't eind .... God lof! De vorst kwam weder ;
Franciscus torst de aloude Sionskroon;
O blijde stond! De Wachter zinkt ter neder! . . . . De Wachter rijst als Paladijn ten troon.
Keert gij ook weer, geroepenen des Heeren,
Gods harte-kroost. Zijn vroom Levieten-koor! Wat zorg den nood der vaad'ren kwam vermeoren,
O, uw behoud ging al hun zorgen voor.
Keert weêr, keert weer, o uitverkoor'ne telgen, Uit Lovens vest en 't Rome van het Noord!
Kwam, onlangs nog, de haat uw schuilplaats delgen, Zie, kruis en spits roept u rond Petrus-oord.
55
56 ZKSOT, ZANG.
O, driewerf heil! U gaat daar 't licht bestralen Diens vrome, wien schier alle wijsheid kroont,
Wiens roem het goud en 't marm'ren beeld verhalen. Als vlekk'loos, straks zijn ziel bij Christus troont.
Aanvaard, aanvaard, rranciscus, zoo nw zonen, Wie de eigen hand straks zalft voor Gods altaar.
Nu gaat dan de oogst den langen arbeid kronen Die wondere oogst, veredeld jaar op jaar.
Doe vrij de dood stnuks uwe vaandrigs sneven, God lof! Het vaan blijft immer hoog geschoord ;
God heeft uw kerk haar toekomst weergegeven, Gij hebt 't geruisch des rijpen palms gehoord.
Ook gij, die palm, o koor van kloosterlingen, In 't zegelied nu een ter bisschopstroon!
Waar 't wreede zwaard de herders kwam verdringen, Daar daagdet gij in 't roemrijkst dienstbetoon.
Moog d' Amstelstad loog met heur dichter pralen, Wijl tijdig hem de ,/ware parelquot; blonk,
De faam zal blij, van eeuw tot eeuw, herhalen Hoe ook uw hand deez' edelsteen hem schonk.
Dan, zóó hoog stuwt zijn harpe nooit heur tonen. Dat zij vertolkt uw mart'laars-majesteit.
De Alwetende, o Siut-Franciscus zonen!
Doorgrondt en viert slechts uwe lijdzaamheid.
O, rijzen straks, in 't nieuw gebied, de altaren. Den heldenstoet van Gorcum toegewijd,
Historie blijft rondom die heil'gen scharen Hun heldenkroost van Holland's wereldstrijd!
DK HIKBAKCHIE HERSTELD.
En nu, in 't eind', hoe zoude ik u vergeten, U, herd'renstoet, met heel uw achtbaar volk ?
Het hart vol trouw, vol liefde nooit te meten, Begroette uw oog Gods hoogsten hemeltolk.
Vergeten nu, in deez' roemruchtige uren,
't Geweld van schout, plakkaat en grimmig staal;
Vergeten nu Gods huis in stal en schuren.
Voor d' éénen blik in Josephs kathedraal!
O blijde stond, o zielen-oogst te garen,
Nu 't bisschopswoord weer van uw leerstoel klinkt I
Herrijst, herrijst, gij tempels en altaren,
Hoe klein 't gehucht ook aan uw voeten blinkt;
Juicht, armen, juicht!.. Ziet, d'eed'le bisschopszorgen Herdenken u het eerst ten hoogen troon;
U, kleine ook, nog in de school verborgen, U kloostermaagd, verbannen uit uw woon.
In heel het volk, bevestigd door de handen
Van d'eigen vorst, kwaamt, heil'ge Geest, Gij neer;
Gij Duive, kwaamt blij zweven op deez' landen; Gij Pinkstervlam! Gij gaaf't uw bisschop eer!
Ach Bavo's dom! O, hoe bleeft gij slechts treuren?..
Dan neen, de geest, de stichtingsadem leeft; Gesloten vrij en koor en tempeldeuren.
Breed klinkt het woord, dat Gode glorie geeft. ,/0 volk mijns lands, weer roemrijk uitgetogen,
,/Treedt mijn prelaat tot zijnen heerschersstoel; //Sluit voor Gods zon, ach, langer niet u de oogen;
ZESDE ZANG.
âWie, wie verwint bij ieder strijdgewoel?
âHoog juichen nog mijn orgel-harnionijen;
âMijn Credo werd geen dwaling afgestaan;
âJuich, juich, mijn hart: â âVervuld [zijn, God, uw tijen, ââIn nieuw gewaad gaat Bavo U bestaan.quot;quot;
ZEVENDE ZANG.
ni^uui^ pint-^auo.
1 8 96.
Magna erit gloria domus istins novissimae' plus quam primae, «licit Dorahms exercituum.
De heerlijkheid van dit laatste huis zal groot zijn, meer dan die van het eerste, zoo zegt de Heer der Heerscharen.
Profetie van Jggaevs over den tweeden tempel.
Hoofdstuk II : 10.
Omnia in charitate!
Alles in liefde!
ZEVENDE ZANG.
DE NIEUWE SINT-BAVO.
'JlvjraJjifii' is aan ieder leven,
quot; Dat 's Heeren waarheid eert, Eén einddoel slechts gegeven: De lieftle triurnfeert.
De Liefde, in Gods wone,
Des Zoons en 's Vaders Geest; Zij, op den Eeuw'ge troone, Des Eeuw'ge jubelfeest!
De liefde bracht den Heere
In Betiil'hems arme stal.
Opdat Hem hoog vereere De zondaar bovenal.
ZEVENDE ZANG.
De Liefde, bleef op aarde Heur name : Christus' Bruid ;
Hoe ze alle volken baarde, Den hemel schonk ten buit !
In al dier volk'ren talen Juicht haar Calvarie-kracht:
Bij goedheên zegepralen!
In haar Gods wil volbracht!
Gij, liefde, aller deugden En wetten, diepste zin,
Van alle helden-vreugden Gij, volheid en begin!
Gij, leidend de historie, Vertroostende Sint-Baaf,
Hernieuwdet de oude glorie, Bij hooge koningsgaaf!
Nu, wend U, Bisschopstroone! Keer weer tot Bavo's koor!
Verlaat, verlaat uw wone Voor d' oude vorsten-gloor!
Wat Bavo ging verloren,
De geest stierf nimmer heen;
O vreugd, dien geest beschoren Het nieuw gewaad der steen!
DE NIEUWE S1NT-BAVO. 63
Vergeten staan de daken,
En d' oude zuil en hal;
Ginds gaat hij God genaken;
Ginds hoog hij zingen zal!
Wat tempelhallen reien
Om 't breede hoogkoor saam,
Of de eng'len spelemeien
Rond 't schitt'ren van Gods naam.
En schooner gaat verrijzen, Het talloos torenheir!
De steenen wond'ren prijzen God beter dan weleer.
Weer juub'len beuk en gangen. Bij ruimten en verschiet !
Geeft, geeft uw blik gevangen;
âGods tempel eindigt niet.quot;
Toch, 't wonderbaarst gij wone,
Waar rust Gods Sacrament;
O pracht, o kunst, o kroone. Gij Bavo's roem volendt'!
Hier rijzen bisschops-zangen Als nog niet klonken, neen!
Hoor, de eeuwen gaan ze vangen, Het koorlied van de steen:
ZEVENDE ZAN(i.
âDe vreugde van Gods eng'len,
Gaat in mijn lied zich meng'len,
En straalt al 't aardsche dof; O lied van mijn historie,
Vier hoog uw eind-victorie,
Geef 's Heeren goedheid lof.
âMocht Albrecht Bavo stichten,
Deed ketterij mij zwichten,
Zie, Caspar mij herbouwt;
't Gaat alles schooner dagen. Wat eenmaal werd verslagen,
Bij 't beeldenstormen, stout.
âVoorheen mijn' tempelvreugden De Christenstammen heugden
Tot Rijnlands oeverzoom! Nu zullen van haar spreken De Noord- en Zuiderstreken Van Vlie- tot Scheldestroom.
âZooals, waar 't woord der Wijzen De Fenix-voog'len rijzen,
Verheerlijkt uit den dood; Zoo straalt, ten heil'gen drempel. Meer dan in d' ouden tempel Des Heeren luister, groot.quot;
DK NIEUWE SINT-BAVO.
Zoo zong het koor; dan, toen het koor ging zwijgen, Klonk nog een stemme voort,
Alsof, op berg en dalen,
Na morgenrood en stralen,
Straks 't enk'le zonlicht gloort.
WU allen eer, doorluchten, die mijn kroone Hier hebt getorst ten hoogen heerschersstoel;
Omzweeft uw stoet God in zijn hemehvone.
Zoo verre van het aardsche stofgewoel,
Toch leeft ge ook mij. In 't praalgewaad verschenen, Wat eens de dood uw grootheid houden liet!
Doorluchten, spoedt naar uwe bruid u henen.
Hoort eenmaal nog, hoort Bavo's jubellied!
U viert mijn aang, u, die mijn eerste liefde Voor Hebrons eer, o Nicolaas, verkoost!
Hoe diep mijn kroost Sint-Bavo's hart eens griefde. Meer heeft me uw trouw eu uw geduld getroost;
Mocht uwe hand den eeuwenloop niet dwingen, O Nicolaas, wien 't lijf zelf werd ten kruis.
Heil u! Voor smart, voor laster, strafgedingen, Een ruststeê, zoet in 's Vadershuis.
Ook u mijn dank, u, Godfried, sterk van harte, In kleed en geest Dominicus ten zoon;
Eens 't medelij voor Bavo's weduwsmarte Uw vrees verwon voor ied'ren staf en troon!
65
9
ZEVENDE ZANG.
Toen alles vlood, kwaamt gij 't verstrooide hoeden;
Nog maakte uw hand van oorlogsschand' mij vrij; O Bruidegom, of 't zwaard u heen deedt spoeden, Getrouwe! Nooit, nooit week uw beeld van mij.
f/Na eeuwen leeds! .. . Hoe kwaamt gij d' arme troosten !... Franciscus, gij, herschepper mijner ziel!
Na storm en nacht (/hoe daaghdet in het Oostenquot;, En 't vrijheidskleed weer om mijn schoud'ren viel.
Na u mocht, blij, Gerardus, mij voorspellen,
Hoe, eens in 't eind, âde lieer nog zou voorzien;quot;
Gij Petrus, de eer in noesten arbeid stellen. Tot Willibrord u zijnen staf ging biên.
âDe Heer voorzag;quot; nu inoogt gij d'arbeid kronen, Mijn Salomo, der vaad'ren trouwe zoon!
Strek uit uw hand; wil de aard Gods almacht toonen: âIn Bavo's dom blijft nu de bisschopstroon!quot;
Dank, Bruidegom, die, 't oog gericht ten hemel.
Uw priesterkroon in 't goud om 't voorhoofd draagt,
Verwinnaar, die, na 't eind'loos strijdgewemel. Op 't zegefeest slechts liefde schenkt en vraagt.quot;
Weer zweeg het lied, doch hoort, ras alle tonen Zich schaarden nu bijeen:
In 't eind ging Bavo zingen,
Hoe tot de hemellingen Voert heure glorie heen:
DK NIEUWE SINT-HAVO.
(/Jerusalem, daal uit de» hooge,
Zij in Sint-Baaf uw rijk gesticht! Uw heil'genheir mijn muur en boge!
En 't Godd'lijk Lam mijn tempellicht! Zooals in 't bruidskoor zich omstreng'len
De bruidgenooten, kuisch en kleen, Zoo zend tot mij uw juichende eng'len Veel duizend-duizenden bijeen.
,/0 vreugdevol, o rijk verloven:
Mijn bruidschat, Christus gunsten, rijk; O heerlijkheid, mij nooit te rooven: De bruid heur Bruidegom gelijk! Verlicht elks geest, gij, rnijterstralen.
Rijs in elk hart, mijn bisschopstroon! Blijf in uw oude goedheên pralen. Gij, kromstaf, zoet in machtsbetoon!
Beziel', mijns hoogepriesters bede Elk helden-zalven in den strijd;
Deel, Parakleet, uw gaven mede
Wien Zijn hand uw Levieten wijdt; 't Belijden Gods door hein begonnen!
De rechtsspraak in zijn naam volend! Vloeit voort, vloeit voort, genade-bronnen, Uit bisschopsgunst Gods sacrament!...
67
ZEVENDE ZANG.
//O God, schenk zóó mijn poort uw luister? Doe haar den volken opengaan.
Die, ach, in ketterijen, duister.
Verdwaalden langs den levensbaan!
Ãén straal, o Heiland, uit uw' wonden I Ãén woord van troost bij zooveel smart!
Ach, voer wie nood en leed slechts vonden. Terug naar 't koest'rend bisschopshart!
//Voltooi de strijd, voor God gestreden,
Mijn kroost tot Christus' beeld, zoo eêl f
Als schonk, aan 't marmer, vorm en leden De kunst'naarslag met forsch houweel;
Jerusalem, aanvaard mijn zonen Eens tot uw steenen, uit het stof;
En moge hoog mijn Vorst bekronen Den samenbouw van 't hemelhof.
//In 't eind, U, Vader, en U, Zone, U, heil'ge Geest, de lof gewijd!
Dank U, die ied'ren liefdetone
Elk deugdsgezang ten Schepper zijt.
Heeft Vader, uwen grooten Name De wereldgang steeds roem gebaard.
Hij heeft ook Sinte-Bavo's fame.
Hij heeft heur bisschopsroem bewaard.quot;
EINDE.
AANTEEKEN1NGEN.
AANTEEKENINGEN OP DEN EERSTEN ZANG.
Over Sint-Bavo :
«Ook te Haarlem, in Holland, is de vereering van den heiligen Bavo, reeds vele honderde jaren geleden, op wonderbare wijze verspreid. Want men verhaalt, dat, toen de burgers van Haarlem, door de uiterste benauwdheid beklemd zijnde, zich aan Bavo's bescherming hebben toegewijd, hij de stad door zijne glorievolle verschijning en verdediging, van de dreigende gevaren heeft bevrijd. En de geestelijkheid met het volk, latei-met vroom en dankbaar gemoed, de gedachtenis der weldaden van den Heilige vierende, namen hem aan tot Patroon en Beschermheer, en zij stichtten hem, in eene prachtige kerk, een beeld, voorstellende Bavo, met wapenrusting en krijgsmantel, en in vorstelijk voorkomen optredend ; de rechterhand houdt het bloote zwaard omvat en op de linkerhand rust een valk. Zoo toch, gelooft men, is zijn verschijning geweest.
Door de grootheid van dit mirakel en door den omvang der godsdienstige vereering, welke de Haarlemmers aan Sint-Bavo schonken, werd Albrecht, Hertog van Beijeren en drie-en-twintigste graaf van Holland, ten zeerste in zijne vroomheid getroffen, en hij bevorderde, zoowel door zijne mildheid als door zijnen invloed, ten zeerste het voortbouwen van de prachtige
AANTEEKENINGEN OP DEN EERSTEN ZANG.
en kostbare kerk, die de burgers reeds sinds langen tijd waren begonnen. Hij verwierf verder voor de kerk te Haarlem, van Bonifacius VIII, Sixtus IV en Innocentius VIII, die elkaar als pausen zijn opgevolgd, den vollen aflaat, die de aflaat van St.-Maria der Engelen, of van Portiunculu wordt geheeten. Tevens noodigde Albrecht Christus geloovigen uit om, na boetvaardigheid te hebben gedaan en gecommuniceerd te hebben, een ruime aalmoes te geven voor de voltooiing der kerk. Nadat de bouw een geheele eeuw had geduurd, werd de kerk eindelijk in het jaar des Heeren 1472 voltooid. De geestelijkheid nu van Gent, ') zich met d⬠Haarlemmers onder Bavo's bescherming vereenigende, heeft een aanzienlijk gedeelte van Bavo's lichaam, namelijk het armgewricht, aan die van Haarlem geschonken, onder voorwaarde van elkaar voor altoos gemeenschap van goede werken te doen en nog eenige andere vrome werken te vervullen. Deze reliek is door de geestelijkheid van Haarlem allerdankbaarst aangenomen, in het jaar des Heeren 1500 eerbiedig in een zilveren schrijn gesloten en onder de hoogste vereering bewaard. Ook verwierf men van den bisschop van Utrecht, dat jaarlijks het feest van de overbrenging der reliek moest gevierd worden, en men heeft dit zorgvuldig onderhouden. (Vgl. het Breviarium Romanum in Octava St.-Bavonis.)
Over de versiering der Sint-Bavo-kerk :
72
In het stedelijk Museum te Leiden gaf eene bouwkunsttentoonstelling, dit eigen jaar, 1896, gehouden, de schoonste gelegenheid om alle onderdeelen van den Sint-Bavo-bouw, alsook de versieringen van het Inwendige dezer kerk, in teekening te bestudeeren. Doch ook elkeen, die slechts een wijle den alouden Dom op Haarlems Groote Markt gaat bezien, hij zal door de verhevenheid van het werk worden aangegrepen. In volle waarheid kon onze zang van transen gewagen, welke door hunne zeldzame hoogte en spitse opvoering, Gods eigen troon schijnen te genaken, doch tevens spreekt er ook zooveel massievlteit.
l) Te Gent had ridder Bavo eenmaal de monnikspij aanvaard.
AANTKKKKNINGKN OP DEN KKKSTKN ZANG. 7'-i
zooveel ernst uit hot Hollandsch materiaal, hier door de G-othiek gebruikt en geheiligd, dat de aanschouwer als van zelf gaat uitroepen:
O hoogheid der gedachte.
Die gaat in godsvrucht om!
De liefde huwt de krachte En bouwt Gods heiligdom.
En voorts, hoe beantwoordt het inwendige hier aan liet uitwendige! Hoezeer de schotten en banken van den Protestantschen eeredienst Sint-Bavo ontsieren, toch bemerkt het oog nog de effecten en vergezichten, bij de meest eenvoudige ruimte-verdeeling door middel van beuk en kolommen verkregen; voorts werken alle de onderdeelen des tempels hier werkelijk te zamen om van het ééne geheel die rustige, vrije gebeds-halle te maken, dat oord van licht en van ruimte, in hetwelk de ziel als van zelf de Apostolische vermaning gaat volvoeren: Quae sursum sunt quaerite, non quae super terram; (zoekt hetgeen hierboven en niet hetgeen op de aarde is). En eindelijk, toen weleer dat houten, maar koninklijk-groote binnengewelf nog in zijne oorspronkelijke heerlijkheid blonk, moet zijn rijkdom en zijn gloed van kleuren eene schoone bekroning zijn geweest van den zwaarderen toon, die aan de geheele benedenruimte van St.-Bavo eigen is.
Gerestaureerd en zooveel mogelijk in hun ouden luister herschapen, prijken in Sint-Havo verder het antieke koperen koorhek, dat luid-sprekend bewijs der oude volkskunst; voorts die waarlijk-trotsche kanumiikenstallen, welke met hunne wapenschilden en allerkloekste houtbewerking, op de troonen van ware wereldvorsten gelijken, ') en boven alles jubelen de muurschilderingen van liet Credo op de Apostel-zuilen. Als hadde nooit de kalklagen en de ketterhaat hen overheerscbt, zoo roepen nog altoos die steenen predikers heel het symbolum der Christenleer uit, en op een van hen wordt nog altoos in al den luister «van goud, van kleuren en van levensgloedquot; het geloof verkondigd: in unam, sanctam, ecdesiam Catho-licam (in ééne heilige. Katholieke kerk).
De overlevering verhaalde, dat 'Sint-Havo's klokken weleer door de
') Zie Bijdragen van ilnarlem dl. TI, pag'. I!) eu 137.
10
74 AANTEEKENINGEN OP DEN EERSTEN ZANO.
Kruisvaarders uit Damiate waren overgebracht. Maar de allernauwkeurigste beschrijving der Sint-Bavo door den zeer-eerwaarden heer J. J. Graaf') heeft deze overlevering moeten tegenspreken. Toch zingt Bavo's klokkenspel voor ons de overwinnaars van Damiate. Immers, onder de Ijelden van den kruistocht, door Willem I gehouden, waren ook Haarlems zonen, en juist aan de Noord-Nederlanders kent Olivier van Keulen het leeuwendeel der krijgsmanseer toe, wanneer de bouw der krijgswerktuigen, welke Damiate deden vallen, in zyn Chronyk der Hüloria Damiatiana ter sprake komt.
Omtrent den toren eindelek van St.-Bavo dient nog vermeld, dat de gedenkzuil Gods, waarvan het gedicht spreekt, niet is de tegenwoordig-bestaande hulptoren der oude St.-Bavo; de ware toren van Bavo is veiligheidshalve afgebroken.
I
Over Coster en de boekdrukkunst:
Rondom Sint-Bavo straalt voor ons die groote wijsheidszon van de boekdrukkunst, welke alle de geleerdheid der vorige eeuwen als herleven deed, en welke de blijde boodschap van het H. Evangelie alom heeft verspreid. Ook heeft ons gedicht aan den meest stouten vorm der Coster-legende vastgehouden, zoodat de uitvinder der boekdrukkunst hier bepaald als de sacristyn optreedt, die bij Sint-Bavo, Gods huis bewaarde, en die dus, krachtens zijne ambtsbezigheden, ook meermalen Bavo's klokkenspel zal hebben doen ruischen. 1)
Daargelaten toch de poëzie der voorstelling, dat namelijk de oude, Katholieke Sint-Bavo betrokken was in zoo groot eene wereldverlichting als de boekdrukkunst is geweest, schynt Haarlems traditie (met haar standbeeld, museum enz.) nog zeer wel, ook op historische gronden, te verdedigen, of beter gezegd, de afbrekende critiek schijnt (naar onze bo-scheidene meening) niet verre gevorderd tegen Haarlems possessie. ')
1
) Zoo komt de legende o. a. nog voor in de reisbesclirijving van De Amicis. over Holland.
,) Vgl. ook Dr. Schaepman's gedicht: Be Pers.
AANTEEKENINGEN OP DEN EERSTEN ZANG.
Wy veroorloven ons hieromtrent de volgende bemerkingen.
De heer dr. v. d. Linde, die eenerzijds wel de felste critiek heeft uitgegeven tegen de Coster-legende, heeft anderzijds, juist door zijne beschrijvingen der Oud-Haarlemsche toestanden, nieuwe kracht aan de legende bijgezet. Bewees hij o. a. niet duidelijk het bestaan van zekeren Coster, eenen kaarsenmaker? En bepaalde zijn argument tegen Costers uitvinding zich niet tot het negatieve argument, dat men tot heden toe Coster's drukkerij niet vond? Wat beteekent dit nu tegenover eene possessie, als Haarlem heeft in de traditie?
Al het vervaarlijk woelen van den heer van der Linde (want hartstocht is bij hem op geduchte wijze aan het woord) schijnt slechts deze verdienste te hebben, dat hij, op wetenschappelijke gronden, ons in den Duitschen Gutenberg iemand weet aan te wpen, wiens opvoeding, wiens talenten, wiens stand hem geschikt maakten om aan al die hooge eischen te voldoen, welke als werktuigkundige, als literator enz. de eerste boekdrukker te vervullen moet gehad hebben. Dat de heer van der Linde slechts zooverre en niet verder gekomen is met zijn schrijven over de Haarhimche Conlvrs-hgmde, beweert o. a. Busken Huet, in zijn 4e deel der litterarische Fanlasiefu en Critieken, in het tractaat Jonker Johan van Gntenherg, paragraaf III, pag. 2.
Voorts is de stelling van Dr. van der Linde omtrent Gutenberg's uitvindingsrechten cordaat bestreden dooi Dr. Hessels.
Eindelijk schijnt het volgend document, namelyk een Keulsche Chro-nijk uit 1499, bij den heer van der Linde en bij alle tegenstanders der Haarlemsche Coster-Legende het meeste gewicht in de schaal te hebben gelegd.
75
wOp fol. CCCXII van Die Cronica ') van der heiliger Stat va Coelléquot; (geheel op zich zeiven meegedeeld in den Katholiek, j.g. 1883 pag. 193 door L. F. Hoctin S. J.) leest men:
') Ind liait gedruckt mit groissem ernst iiul vlijss Johnn i'oclhoft' Burger lit Coellen, ind vollendet vp sent Bartholomens aveiU des hilligeu Apostels Anno vnrsü. [1499].
7() AAN TEEK EN JNG KN 01' DKN EERSTKN /ANG.
......Itê dese hoichwyrdige krist vursz. is vonden aller eyrst
in Duytschlant tzo (zu) Mentz am Rljne. Ind dat is d'Duitscher naclon eijn groisse eirlicheit dat sulche fljn-rijcke mijnschen syn dae tzo vyndó. Ind dat iamp; geschiet by den iairen uns heren, anno dni MCCCCXL ind. va der zijt an bis men schreve L. wart undersoicht die kunst ind wat dair tso gehoirt. Ind in den jaire uns heren no men schreijff MCCCCL do was ein gulden jair, do began men tzo drucken ind was das eyrste boich dat men druckde die Bijbel zo latijn, ind was gedruckt mit eynre grover schrifft as is die schrifft dae men nu Mysseboicher mit druckt. Item wie wail die kunst is vonden tzo Mentz, al vursz. op die wijse, als dan nu gemeynlich gebruicht wirt, so is doch die eyrste vurbyldung vonden in Hollandt vyss der Donaten, ') die da selffst vur der tzyt gedruckt syn. Ind va ind vijss den is genomen dat begijnne der vursz. kunst, ind is vill meysterlicher ind subtilicher vonden dan die zelve manier was; und ye lenger ye mere kunstlicher wurden. Item eijnre gênant Omnehonü der scluijfft in eijnre vurrede op dat boich Quintilianus genoempt, und ouch in anderen meir boicher, dat ey Wale vijss Vrank-rijch, gênant Nicolaus genson have aire eyrst dese meysterliche kust von. den, mer dat is offenbairlich gelogen, want sy syn noch in leven die dat getuige dat men boicher druckte tzo Venedige, ee der vursz. Nicolaus genson dar quame, dair he began schrift zo snijden und bereyden. Met der eyrste vijnder der druckerye is gewest eyn Burger tzo Mentz, ind was geboren van Straisburch, ind hiesch joncker Johan Gudenburch. Itö va Mentz is die vursz. kust komen aire eyrst tzo Coellë. Dairnae tzo Straiss-burg, ind dairnae tzo Venedige. Dat begijnne ind vortganck der vurs/.. kunst hait myzmutlich vertzelt d' Eirsame man Meyster Uhich va Ha-nauwe, boichdrucker tzo Coelle noch zertzijt, anno MCCCCXCIX durch den die kunst vurst is zo Coellë kome.
Wij voor ons komen hier, salva meliori, tot de volgende conclusie: Welnu, de kunst is vonden zu Mentz en de eerste vinder der drukkertje
') Donaten, boeken in Donatus-leder?
T
AATJTEKKBNINGKN OP DEN EEKSTEN ZANG.
77
is geweest een burger zu Mentz, maar doch die eerste voorbyldung is gevonden in Hollant. Dit alles in verband beschouwd met de enorme rechts-possessie van Haarlem's overlevering, en in verband met het gezag van Junius en anderen, gaf ons recht om, al dichtende, Sint-Bavo's dom ook in Costers glorie te verheffen.
AANTEEKKNINGEN OP DEN TWEEDEN ZANG.
Op verzoek van Filips II, koning van Spanje, die tevens ala heer en graaf der Nederlanden, over onze gewesten heerschte, ') ging paus Paulus IV er toe over, om, ter beteugeling der opkomende ketterij, meerdere nieuwe bisschoppen aan ons vaderland te schenken, en wel in dier voege, dat het groote Utrechtsche bisdom, hetwelk toen het grootste deel van Nederland met zijn elfhonderd kerken omvatte, in meerdere bisdommen werd verdeeld. Een der nieuwe bisdommen was dat van Haarlem, en paus Pius IV, de opvolger van paus Puulus, verleende de bulle, waarby het nieuw-opgerichte bisdom van Haarlem werd omschreven. Het bevatte toen ongeveer de Noordelijke helft van het tegenwoordige bisdom van Haarlem, hetwelk (zie zang VI) in ISB8 is opgericht. Tegelijk met deze oprichting van het eerste bisdom van Haarlem (1B59â1562) werd de luistervolle SintBavo tot kathedraal verheven.
De eerste bisschop van Haarlem, door koning Filips voorgedragen en door den paus anno 1B60 reeds benoemd, is geweest Nicolaus van Nieuwland, die te voren reeds proost en pastoor was van Sint-Bavo te te Haarlem, en tevens, als bisschop van Hebron i. p. i., hulpbisschop
') De Bourgondische erfenis geheeten, welke Maria, dochter van Karei den Stoute, in het huis van Oostenrijk had gebrncht. Karei V breidde haar uit tot zeventien provinciën.
AANTEEKENINGEN OP DEN TWEEDEN /ANG.
van den Utrechtschen bisschop George van Egmond. Ook werd bisschop van Nieuwland, by zijne verheffing tot bisschop van Haarlem, abt van de beroemde Egmonder abdij, en de inkomsten dier abdij werden den nieuwen bisschop en zijn opvolgers tot onderhoud aangewezen. Bij den hevigen tegenstand echter, welken de maatregel v;in liet invoeren der bisdommen, in die dagen, zoowel van de zyde der lauw-geloovende Grooten en afvallige Edelen, als van de zijde der onaf hankelijke geestelijk held ondervond, hebben helaas ook de Egmonder kloosterlingen de kortzichtigheid gehad, van den bisschop, die hun tot abt werd gegeven, slechts zeer noode te willen aanvaarden.
Anno 1562 is evenwel Haarlem's eerste bisschop op 2 Februari, met het grootste plechtbetoon van volk en geestelijkheid, in zijne residentie ingehaald, «nequidquam â zegt de Batavia Sacra II, 292 â praevalente nisu eorum, qui clam se opposuerantquot;, dat is: zonder dat het pogen van hen, die zich in het geheim hadden verzet, hier eenigszins kon bovendrijven. In de Hidoria Episcop. Belg. Prop. is de beschrijving van deze intrede opgenomen. Lang te voren was (bij procuratie) het inbezit nemen van den bisschopszetel gebeurd.
Nauwelijks was bisschop Nicolaus op den zetel van Haarlem verheven, of zijn volijverig bestuur heeft inderdaad die vruchten tegenover de opkomende ketterij voortgebracht, welke toen geleverd konden worden. Dit feit is onomstootelyk en wordt bewezen uit de geheele historie van Nieuwlands bestuur en bijzonder nog uit bisschops Nieuwlands verslag over den staat van zijn bisdom, opgenomen in de Bijdragen tot Je geschiedenis nau Haarlem, dl. IV, pag. 411. Doch, men ziet daar tevens welke teleurstelling de allerhoogste verwachtingen des konings ondervonden en wel moesten ondervinden. ')
Zeer te betreuren is het intusschen, dat, trots het hooge eerherstel, door de geschiedenis in de laatste jaren reeds aan zoo menig kerkvorst geschonken, een Bakhuijzen van den Brink en een Busken Huet, in werken van nog jeugdige dagteekening, altoos maar weder klakkeloos het bekende âEffenrondtquot; en het nNicolaiculm ehriusquot; uit den apostaat-pamflet-
') Bij zooveel verwachting van politie-succes. Filips was en bleef Caesaro-Papist.
79
80 AANTEEKKNINGEN OP DEN TWEEDEN ZANG.
schrijver van Geldorp hebben nageschreven, ja, dat zij alle die lage beweringen volgen, welke voorgeven, dat bisschop van Nieuwland om wangedrag van zijn Haarlemsch bisdom zoude ontslagen zijn. Slaat men immers hier de gezaghebbende Batavia Sacra op, dan leest men eenvoudig, dat bisschop Nieuwland ten allen tijde een zeer eerbiedwaardig prelaat is geweest, ') maar dat de hemel hem met een vreeselijk jichtlijden had bezocht, zoodat Zijne Hoogwaardigheid daarom later den Haarlemschen bisschopszetel heeft verlaten, vervolgens in Zeeland ging wonen, en aldaar te Sommels-dijk is overleden.
Dit getuigenis wordt hier, wat het moreele aangaat, weder door andere getuigenissen gesteund.
De prelaat, die volgens zyne zachtste beschuldigers, met een weinig onmatigheid, en volgens zijn ergste dito's met de liederlijkste gewoonten â er. dat wel jaren achtereen â publiek zoude behebt geweest zyn, is nota bene een intimus, een boezemvriend van den vromen Musius (den bekenden martelaar) geweest. Gisbertus Lappius a Waveren zegt in zijn annotatiëen (zie Kerkelijk Nederland jaarg. 1854 pag. 195) uitdrukkelijk deze woorden: Mmim pratdpuos 'mier amicos nachts /nil Episcopos Nicolaum a Caslrn, a Nova Terra etc., dat is: Musius had onder zijne voornaamste vrienden de bisschoppen Nicolaus a Castro en Nicolaus van Nieuwland enz. Als particulariteit uit deze vriendschap van bisschop Nieuwland en Musius, wordt verder vermeld, dat bisschop van Nieuwland eene kostbare relikwie geschonken heeft aan het bekende Sint-Aagten-klooster, waarover Musius rector was. En dan bedenke men verder, van welke gestrenge richting Musius opvatting was omtrent de heiligheid der geestelijke standen, men leze bijvoorbeeld zijn Ferim Monachn*. Neen, een boezemvriend van Musius was geen geheele, maar ook geen halve booswicht.
Vervolgens, men leze eens onpartijdig het opstel in de Bijdragen van Haarlem., IF, aft. 3 pag. 409, in hetwelk bisschop van Nieuwland, anno 1546, voor het aangeboden inquisiteurs-ambt bedankt. Dit gebeurde toen hij nog bisschop van Hebron i. p. i. was en coadjutor van den bisschop van Utrecht, en tevens reeds het pastoorsambt van Haarlem bekleedde.
') Vergelijk ook zijne Synodale-wetteu in de Batavia Sacra.
AANTEEKENINGKN OP DEN TWEEDEN ZANG.
Konde iemand, die niet zeer hrmf was, daar zoo gesproken hebben als Nieuwland het doet? Beroept hij zich verder niet vrijmoedig, op de openbare bezigheden en eindelooze reizen van zijn wij-bisschops-ambt, maar ook op de bijzondere zorgen, door hem aan het pastoraat vaii Haarlem gewijd? ') Hij konde toch aan de landvoogdes, die overal hare spionnen had, dat pastoraat geen «munus illud et quidem arduumquot;2) genoemd hebben «per Caesaream Majestatem et Dominationis vestrae mihi injunc-tum,quot;3) als zij hem dadelijk had kunnen logenstraffen door te zeggen: gij hebt dat ambt nooit ernstig waargenomen. Want men wete hier wel, dat volgens Geldorp, Bakhuyzen van den Brink en Busken Huet bisschop Nieuwland, juist reeds in de dagen van zijn coadjutorschap, een habitué zou geweest zijn in Veneris et Bacchi offlcina!
Nog anderen steun gaven aan de berichten der Batavia Sacra, onlangs de Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom van Haarlem, deel XXI, pag, 157, door een inzending uit de nalatenschap van pater van Lommei, zaliger en geleerder gedachtenis. Deze inzending was een officieel stuk betreffende eene zaak van Texelsche kloosterlingen, door bisschop van Nieuwland aan den Geheimen Eaad des Konings, op 6 Augustus 1570, uit Abtspoel bij het Warmonder-hek, verzonden.l) De zaak dier kloosterlingen is voor ons van geen belang, maar belangrijk is de omstandigheid, aan den voet van het stuk zelve vermeld, dat namelijk de secretaris des bisschops onder dit blijkbaar niet-presseerend stuk de handteekening plaatst, en dat wel op grond «dat de biscop selver nyet scrijven kan.quot; Zoodoende blijkt primo, dat er, anno 1570, een allersterkst onvermogen tot schrijven in het handgewricht van bisschop van Nieuwland bestond, en secundo, dat dit gebrek onverholen, zelfs aan het hof te Brussel mocht bekend gemaakt worden. Indien bisschop Nieuwland nu een booswicht en een onmatige ware geweest, dan zoude de opzending van het bovenvermelde stuk immers niet zóó zijn gebeurd, als het nu blijkt geschied te zijn. Hoe lichtelijk zoude alsdan hier het Evangelisch woord vervuld zijn: Hij die kwaad doet, hij
') De voriue pastoors vnn Haarlem konden door hun cureyts-oflicie aan het grafelijk hof, slechts zelden persoonlijk hunne parochie besturen.
') Dat. ambt, wat wel zeer hard te vervullen is.
3) Mij opgeleid door Z. M. don Keizer en door U.
81
II
82
komt niet tot het licht. Neen, bisschop Nieuwland was eenvoudig en oprecht, zooals zwaarbeproefden doorgaans zyn.
Eindelijk, nog in de XIXlt;Ie eeuw was hier te lande immers elke laster gangbaar tegen de braafste bisschoppen, die Rome ons zenden ging. Welnu, deze ellende was nog veel sterker in zwang, toen de koning van Spanje, in de XVIlt;'e eeuw, de nieuwe bisdommen ging oprichten, en hij als candidaten voor de nieuwe zetels, aan den paus hoogst eerbiedwaardige mannen, maar vooral mannen van karakter ging aanbieden. Vooral de adel haatte toen de bisschoppen. Dit kwam vooreerst, omdat ditmaal de hooge waardigheden buiten de adellijke familiëen terecht kwamen, en vervolgens omdat de meeste jonkers dier dagen, zoowel onder rapport van geloof als van zeden, inderdaad schuine jonkers moesten heeten. En wat durfden nu deze jonkers, in verband met het altoos-lichtvaardig plebs, anno 1560â1570, niet tegen de geestelpe overheden zeggen en doen? Dezelfde geest, die de Edelen tot het bekende Com-promis des Gueux heeft gebracht, hij heeft, naar onze meening, de pennen tegen bisschop van Nieuwland in beweging gezet. En de laster heeft het langzamerhand zoover gestuurd, dat het nu bisschop van Nieuw-land zelfs euvel wordt geduid, dat de schilder van zijn portrait iets levenslustigs aan dat portrait heeft weergegeven!----
AANTEEKMINGBN OP DEN DEKDEN ZANG.
a. l)e beeldstormerij, wel te onderscheiden van de latere Haarlemmer Noon, geschiedde te Haarlem, volgens Schrivelius, pag. 87, op deze wijze: ')
«Het revolutionnair geweld van Ripperda, den watergeus, gesteund door zijne soldaten en het gemeen, was dan meester van Haarlem geworden. Een der eerste daden van die nieuwe meesters was eene herhaling van Ripperda's heldendaden in Groningerland. De prachtige Sint-Bavo werd geplunderd en de «afgoden en santenquot; omvergestooten. De kerk zelve werd (evenwel nog niet voor goed) aan de Gereformeerden gegeven, iets, dat vele burgers gespeten heeft en van harte wee deed. De beeldenstorm was steeds de voorbode der onderdrukking van den Katholieken eeredienst; spoedig werd dan ook binnen Haarlem de dienst der pauselijke religie afgeschaft.... Te voren, zoo bericht nog de Batavia Sacra, was uit voorzorg en vreeze, de Sint-Bavo reeds eenmaal gedurende drie maanden, gesloten gehouden.
b. Die beeldstormerij nu trad, in het algemeen, met zulke eigenaardigheden op, dat oude historici van naam, wel verre van hier aan spontane
') Nederlamlsctie Beroerten, dl. II, 2de stuk, pag. 109.
84
volksvervoering te denken, niet aarzelen zekere bezetendheid der helle by de beeldstormers aan te nemen. Zij deden dit primo, omdat, trots al de onbesuisdheid en woede der beeldstormers, niemand van hen, die toch de gevaarlijkste en smalste randen van ballustraden of altaarbogen hebben beklommen, is neergestort of ook maar de minste verwonding opliep, maar secundo en vooral, omdat meermalen, onder anderen by de beeldstormerij in Amsterdam, het eigenaardige verschijnsel voortrad, dat bij de ruïne van alle heilige zaken, daarentegen de duivelen-koppen, welke hier en daar op de kerkmeubelen waren afgebeeld, zonder eenig letsel gespaard zijn gebleven.') Met dichterlijke vrijheid werd in het gedicht dit laatste verschijnsel ook bij Sint-Bavo's beeldenstorm tot een paar particulariteiten uitgebreid.
Ook sch\jnt hier ter plaatse nog het volgende bericht uit het Breviarium Eonianum (in octava St.-Bavonis), te moeten worden ingelascht: Sacrae vero reliquiae in ecclesia Harlemensi servatae, tandem a milite Geusio occupata civitate, et per Calvinistas profanata cathedrali ecclesia, Coloniam Agrippinam devecta; deinde, sedatis tumultibus Harlemum relatae summa totius cleri cathedralis exultatione receptae sunt. (Vgl. het Breviarium liomanum die X Maji in die Translationis St.-Bavonis). De heilige relieken van St.-Bavo, die in de kerk te Haarlem bewaard werden, zijn, toen de stad door de Geuzen krijgslieden bezet, en de kathedraal door de Calvinisten ontheiligd was, naar Keulen vervoerd, maar later zijn zij, toen de Haarlemsche beroerten waren bedaard, weer naar Haarlem teruggebracht en met de hoogste blijdschap van heel de geestelijkheid der kathedraal terugontvangen.
') Zoo Dusseldorp in zijn Annalen. Vgl. Amstelodamentia, antwoord aan Dr. F. Fruin, door Mgr. Klonne, pag. 56.
AANTEEKEmMEN OP DEN VIERDEN ZANG.
a. De last mn Bahel is de schriftuurlijke uitdrukking door Isaias, den koning der profeten, gebezigd, als hij Gods aanstaande straffen over Babyion voorspelt, die door middel van de Mediërs zullen voltrokken worden. De door ons bedoelde schriftuurplaats {Isaias XIII, 15â18) is door pater Jonckbloet S. J. aldus in Hollandsche verzen overgebracht.
Van bloed zal heel de landstreek rooken; Wie achterhaald wordt, wordt doorstoken,
En ied're schuilhoek opgebroken.
Door 't wreed en alverdelgend zwaard.
Hun kind'ren worden voor hun oogen Verpletterd en vertrapt ten dood;
Het huis door plond'raars uitgezogen.
Verguisd, onteerd hun echtgenoot.
Zie, 'k wek de Meden op ten strijde,
Die spotten met het goudgesmijde.
86 AANTEBKENINGEN OP DEN VIERDEN ZANG.
Wier bloeddorst om geen zilver kreunt,
Maar die met pijlen kind'ren slachten,
't Geschrei des zuigelings verachten.
En lachen met de jammerklachten Van 't moederhart, dat krimpt en steunt.
Meerdere oude schrijvers zien in het ontzettend-harde beleg, dat Haarlem had te doorstaan, nadat het de ketterü had omhelsd, een dergelijke hemelstraf, te meer, daar, bij al het geweld van den Spanjaard buiten de wallen, daarenboven binnen Haarlem zeiven, alle duivelen der hel losgelaten schenen, zoodat de vrouwen zelve het zwaard en geweer hanteerden.
Deze zyn de dagen â zoo schreef men toen â deze zijn de dagen, waarvan gezegd is: de menschen zullen den dood najagen en hem niet bereiken, en zy zullen verlangen te sterven en de dood zal van hen vluchten.
h. De herinnering aan den Romeinschen held Cocles onder Holland's helden, ziet op de volgende gebeurtenissen:
De Geuzen begrepen, dat de belegeraars even goed konden uitgehongerd worden als de belegerden, indien men hun namelijk slechts den toevoer kon afsnijden, die grootendeels uit Utrecht over Amsterdam tot den Spanjaard kwam. Een legertje van twaalfhonderd man, uit Enkhuizen vertrokken, wilde daarom den Diemerdam tusschen Amsterdam en Muiden bezetten. Bossu, de veldheer in Spaanschen dienst te Amsterdam, trok, bijgestaan door zeshonderd soldaten van Don Frederik, Alva's zoon, alsdan op, om dit pogen te keeren. Een hevig gevecht volgde en de Geuzen werden teruggedreven. Het was bij die gelegenheid, dat Jan Haring, uit Hoorn, het stoute wapenfeit bestond van alleen op den dijk stand te houden, een tijd lang den opdringenden vijand te keeren en toen in het water te springen en zich te redden, een wapenfeit, dat door de Nederlandsche geschiedenis evenzeer waardig gekeurd is om voor de vergetelheid bewaard te blijven, als de Romelnsche geschiedschrüvers een dergelijk bestaan van Horatius Cocles hebben vereeuwigd. (Nuyens. Nederl. Bar. II, 2de stuk, p. 115).
AANTEEKENINGEN Ol' DEN VIERDEN ZANG.
e. De bestorming tegen de Jans- en Kruispoort, welke in het gedicht is opgevoerd, is die van 31 Januari 1573.
Ziehier eens der nieuwste beschiijvingen van dien aanval.
Don Eodrigo de Toledo moest den aanval besturen tegen de Kruispoort en de Heer van üilly dien tegen de Janspoort. Tusschen de beide poorten zou het zoogenaamde gordijn worden bestookt door de vendelen van Gonsaive de Bracamonte en Julianus Romero. Daar lag reeds een brug over de gracht; bovendien was liet ijs zeer sterk.
Zeer vroeg in den morgen werd de storm aanvaard â en de in die dagen anders wakkere Haarlemmers betoonden op dat pas, dat ook hun kon overkomen wat den grooten Homerus, naar het spreekwoord, somtijds overkwam. De waclit was in slaap geraakt, en ontwaakte door't gedruisch, niet van den naderenden, maar van den nabij, zeer nabij zijnden vijand. Hij had de wallen aan de Janspoort reeds beklommen en post gevat tusschen de beide poorten. Doch toen de wachten eenmaal waren ontwaakt, toonden zij, dat zij terdege wakker waren geworden. Door groot geraas wekken zij de burgers en deden zy aanstonds de geheele stad beseffen, in welk ernstig gevaar zij verkeeren. Van alle kanten kanten stroomen nu ijlings schutters en soldaten toe. Wie van de Spanjaarden waren overgeklommen, werden van boven nedergestooten; wie het hoofd boven den wal verhief, werd door speersteek of kogel getroffen. En zoo werd het innemen der stad voor het oogenblik verhinderd. Maar nu rukte ook eerst de hoofdmacht van den vijand aan. Don Prederik had eerst het morgengebed laten doen; en daarna trokken nu, bij het bulderen van 't kanon en het schetteren der trompetten, on vei schrokken als altyd, de vijandelijke legerscharen, vooruit.
Met vliegende vaart, voorgegaan door hunne aanvoerders, dringen zij weldra het nieuwe blokhuis op, dat aan de Kruispoort stond, â doch nauwelijks zijn zij daar aangekomen, of met donderend geweld vliegt alles in de lucht. «Armen, beenen, ja, geheele lichamen, bussen, hellebaarden, rapieren, het vloog alles omhoog. En de brokken steen verpletterden bovendien, toen zij neervielen, niet weinige toeloopende vijanden, 't Was een gruwel om aan te zien.quot; Nu vielen de aangevallenen op de aanvallers aan, vermoordden wie zij onder hun bereik kregen, en dunden door een wèl
87
88 AANTEEKRNINGKN OP DEN VIERDEN ZANG.
gericht vuur hunne gelederen, die in de slagorde stonden by de Janspoort. Met schande en groot verlies moesten de Spanjaarden afdeinzen. quot;Vele van hun voornaamste bevelhebbers werden gewond of gedood. Don Rodrigo van Toledo, Don Rodrigo Perez, Don Stephana Yllanes, Lorenzo Perea en Don Alonzo Munoz van Murcië sneuvelden, en de lijken, die den Haarlemmers in handen vielen, werden met haken in de stad getrokken. Alva getuigde, âdat men door geen oproerlingen ooit een stad zóó had zien verdedigen als deze, zelfs door hen niet, die ze voor hun wettigen vorst zochten te houden.quot;
Wat verder de afschuwelijke tooneelen van de nacht-moorden aangaat, zij worden nu eens bij dezen, dan weder bij genen schrijver over Haarlems beleg, opgegeven. Zoo vermeldt bijvoorbeeld de Tahnla Chrom-loi'ica Episcopcdxs et Ecclesiae Cathedralis Harlemen^is in eenvoudigen chronyk-styi ') de volgende daadzaak:
27 Maji. Harlemi suspendio necantur varii Catholici cum uno sacer-dote, vesperi hora decima, dat is:
Op 27 Mei werden te Haarlem door middel van den strop verschillende Katholieken te zamen met éénen priester gedood, des avonds omstreeks tien uur.
Nuyens evenwel verhaalt, krachtens bericht van een ooggetuige, in zijn Nederl. Beroerten (II, 2e stuk, p. 117) dat deze moord nog veel omvang-ryker was, en hij laat hier dan letterlyk deze woorden volgen: «Alva, wiens «berichten niet minder zeker en bovendien offlcieeler zijn, meldde den ,/Koning, dat de Geuzen op de muren der stad, een crucifix, twaalf geeste-«lyken en eenige burgers ophingen, die allen met den grootsten moed «den dood ondergingen. Niemand uit het kamp â zoo zegt Alva â kon «zijne tranen bedwingen en ik hoop, dat God mij de gunst verleenen zal, «die verraders en ketters naar verdienste te straffen.quot;
Toch moet hier erkend, dat het bloedtooneel van 't opsluiten der tien hoofden in het houten vat enz. door den Spanjaard was geprovoceerd. Immers, hij had over de wallen, in de stad geworpen, het hoofd van Filips de Koning, een
') Meegedeeld in Bijdragen van Haarlem, 1, pag. 14,
AANTKEKKNINGEN OP DEN VIK11DEN ZANG.
hopman, die reeds op 11 Januari, met een paar duizend man, te vergeefs van uit Sassenheim tot Haarlems ontzet was opgetrokken. Het tijdstip der represaille is in het gedicht eenige dagen verzet.
(I. Nog een woord over de straffen, na het beleg voltrokken!
Het is gewoonte geworden, ook bij sommige Katholieken, het bloed-gericht, door de Spanjaarden na Haarlem's Inname aangelegd, als een der vreeselijkste moorden af te schilderen, welke de vaderlandsche geschiedenis kent. Deze voorstelling is onjuist. De Spanjaard heeft de burgerij van Haarlem gespaard, maar heeft op de Geuzentroap dat harde krijgsrecht toegepast, wat nog in onze dagen de meest beschaafde natiëen in oorlogstijd, (bijvoorbeeld Nederland in Lombok), plegen toe te passen.
Wie zijn er zoodoende na Haarlem's beleg omgebracht? Van de burgerij slechts diegenen, welke, ofwel zonder geprest geweest te zijn, de wapenen tegen den koning hadden gevoerd, of welke, door hun uitwijkingspogingen voor deserteurs golden, of die zich aan gewone halsmisdaden hadden schuldig gemaakt. Het getal dezer burgers bedraagt hoogstens vijftig personen.
Vervolgens zijn (hetzij te Schoten, of hetzij in Haarlem) gedood sommige Geuzen-aanvoerders, zooals Ripperda, verder ook enkele predikanten en dergelijke ketterij-verbreiders, welke reeds op tallooze titels, naar het recht der toenmalige dagen, den dood vroeger hadden verdiend. Hun getal dient bij de volgende categorie opgerekend te worden.
Ten slotte is er eeti vreeselijke executie gehouden over eenige Geuzenvendels of compagniën van Walen, Schotten, enz., die onder Ripperda dienden, en Haarlem waarlijk tot een Babylon hadden gemaakt. Zij waren allen beeldstonners en priestennoorders van het eerste soort. Daarenboven (men lette wel) waren zij reeds vroeger (na de inname van Bergen), in Alva's handen gevallen, en deze had hen toen, naar krügsgebruik, losgelaten, op voorwaarde van niet meer tegen Spanje te zullen strijden. Daar nu Haarlem zich alleen aan 'skonings âaangeborene goedertierendheidquot; had moeten overgeven, liet de Spaansche veldheer, die wel de burgers spaarde en die ook de plundering liet afkoopen, evenwel de genoemde
13
8!)
90
eedbrekers en moordenaars eenvoudig uitroeien. Voorzeker, wij grieven van dat ombrengen van circa tweeduizend menschen op de Markt, langs de straten en ten laatste in het Spaarne; wij vinden het allerhardvochtigst, dat de gewonden en zieken uit het gasthuis naar de executie werden gesleept, en dat de beulen hunne armen niet meer konden opheffen van vermoeienis, maar.... aan wien de schuld ?
Tot onze vreugde vonden wij dan ook het bovenstaande, door eenen niet-Katholieken historicus, namelijk door W. J. Hofdijk eikend. In het tijdschrift Eigen Haard, jaarg, 31, spreekt genoemde auteur, als volgt:
âHaarlem verloren, al verlorenquot; zoo was de kreet in Holland. En----
Haarlem viel.
Een brandschatting van tweehonderd en veertigduizend gulden, ') â waarvan nochtans niet meer dan zes-en-negentigduizend, achthonderd-en-zeventig gulden is betaald kunnen worden â behoedde Haarlem voor plundering, maar kon niet voorkomen, dat meer dan tweeduizend soldaten der bezetting en acht-en-veertig Haarlemsche burgers door zwaard en strop, en eindelijk â toen den vermoeiden beulen de armen bij het lijf hingen â door verdrinking om het leven werden gebracht.
Woordbreuk, zooals bij de overgave van het daarna uitgemoorde Naar-den, heeft te Haarlem niet plaats gehad: de stad heeft zich in 's konings genade opgegeven; binnen en buiten (dit) Troye was baldadig gezondigd; zij lag geknield en had geen recht tot eenigen eisch.
â¢Tot zooverre Hofdijk. Wat Naarden aangaat, willen wij hier nog ter loops opmerken, vooreerst dat men aldaar met een ondergeschikt krijgshoofd had onderhandeld, terwijl een hooger veldoverste nabij was; dat vervolgens de overeenkomst geheel mondelings schijnt gesloten, en einde-J ijk, dat Naarden den naam had van een nest der wederdoopers te zijn.J)
') Toen ter tijde een ontzaglijk-groote som,
ï) Dnnr deze lieden de ondragelijkste gruwelen, o. a. het nanktloopen langs 's Hoeren straten invoerden, liet elke overheid, ook de Calvinistische overheid, deze jilVnlligen overal ombrengen.
AANTKKKKNIN6EN OP DKN VIERDKN ZAN(i.
91
Evenwel, zoolang de historie haar laatste woord nog niet gesproken heeft, willen ook wij Naarden's bloedbad een misdaad der Spanjaarden blijven noemen. Maar de vreeselijke straf te Haarlem, hoewel door ons by Babels last vergeleken, was geenszins een misdaad der Spanjaarden tegen het krijgsrecht, maar alleen eene vreeselijke strafoefening, door duizende misdaden gaande gemaakt.
AANTEEKENINGEN OP DEN Y1JFDEN ZANG.
Ten jare 1578 heeft God toegelaten, dat de oude Sint-Bavo, voor altoos, door het Geuzengeweld is gevallen.
De Bisschop van Haarlem, Godefridus, of, zooals hij zelf schreef, Govert van Mierlo, verloor op dien dag zijne kathedraal en straks het bestuur zijns bisdoms, maar zeer bijzonder werd bij die overrompeling der Sint-Bavo het Allerheiligste Sacrament onteerd. In het tijdschrift, getiteld Bijdragen voor de geschiedenis van Haarlem, vindt men van dezen droevigen dag twee verhalen, door ooggetuigen beschreven. Aan het laatste dier twee, door pater fr. A. J. J. Hoogland ingezonden (deel VlII, pag. 128) meenen wij straks een en ander te moeten ontleenen. Men herinnere zich (om het stuk te kunnen verstaan), dat Haarlem eerst door de beeldstormers in 1572 was bezocht, maar daarna door den Spanjaard weer voor den Katholieken godsdienst was veroverd, Welnu, thans had de stad opnieuw de partij der Geuzen gekozen, doch bij de zoogenaamde Satisfactie of het contiact van overgang, dat men met de Oranje-partij had gesloten, was uitdrukkelijk de vrijheid van godsdiensten van bisschoppelijk bestuur voor de Katholieken bedongen. ')
') De niüuwgc/.inden zouden «Heen de kerk der H. Mnagd op de linkenesser-graelit behouden.
98
En zoo was men nu gekomen tot in het jaar 1578, en bisschop van Mierlo zag dag aan dag, hoe het Geuzendora vorderde en hoe de Satisfactie ook hier (zooals overal elders) stond geschonden te worden. Maar nu naderde de feestdag van 't Allerheiligste Sacrament des Altaars met zijne groote plechtigheden, en omdat er juist door de Staten van Holland in de laatste dagen weder nieuwe bezettingstroepen in Haarlem waren gelegd, begaven zich sommige Katholieken naar een dor voornaamste hervormingsgezinden en zeiden hem, dat, ofschoon ze het gevaar wel bemerkten, ze niet konden denken, dat de Magistraat van Haarlem, die zich tot nog toe uiterst voorzichtig had betoond, thans zoo dwaas zoude zijn van te gedoogen, dat door de soldaten, die binnen de stad toegelaten waren, iets ten nadeele der Katholieken ondernomen werd, hetgeen trouwens, als zijnde zulks eene soort van rechtspleging zonder vorm van proces, en bovendien geheel in strijd met de Satisfactie, zonder het gruwelijkst onrecht niet kon geschieden ; ze verzochten dus met zekerheid te mogen weten, of er inderdaad gevaar bestond, en zoo ja, dan vroegen zij hem, daar hij toch ook door denzelfden heiliggezworen eed als zij gebonden was, dat gevaar te keeren. ')
En nu moge het tweede verhaal hier plaats vinden. Het luidt aldus::) «Den 2lJ Meij, nadat 's anderendachts te voren, de Burgemeester Clae s Jansz gewaarschout was, 's avonds heel spade, zoo is hij tot (zijnen collega) Pieter Jansz Kies, Burgemeester, gegaan, hem vragende, of er eenig perikel was, om naar oude gewoonte, met het heilig Sacrament in processie te gaan (door de stad). Zoo heeft Kies, Burgemeester voors, op zijn bed leggende gezeid: «Houdt u in die kerk, dat zal niemand u beletten, maar wildat ghy buiten om gaen, neemt waar, dat u zonde moge op comen.quot; :I) Daarop is de Bisschop te vrede geweest om te prediken, 's morgens op stoel gegaan, nadat die soldaten (reeds) eenich rumoer tot die Minnebroeders gemaeckt hadden; het sermoen doende, hebben altemet die soldaten groot rumoer gemaeckt; na 't sermoen is Claes J. bovengenoemd,
') Dit alles uit het eerste vorhnal der Bijdragen, deel VI, png. 405. 2) Een weinig punctuatie en verklaring is er door ons bijgevoegd. Zie Bijdragen, deel VIH, png. 128.
J) Bedenkt (Int uwe zonden (de grieven, die de Geuzen tegen u hebben) kunnen opleven, of dat uw verkeerde handeling zelve, u straffen zal.
94 AAN TEEK EN INGKN OP DEN VIJFDEN ZANG.
onder die ander Catholiec zijnde, tot do kapteins, soe Teyling als Reynooi gegaan, want Duvenvoorde, die opperste captein (der Geuzen-soldaten), was van huis, en gevracht, of zij (de Katholieken) niet den dienst voort zouden gaan. Zij (de vermelde kapteins der Geuzen-troepen, Teyling en Reynooi), zeiden ende zwoeren: wij zullen u bewaren. De burgemeester (altoos nog dezelfde Claes Jansz) hun vertrouwende, heeft het den biscop ende geestelicheyt te kennen gegeven, (en) zoo hebben zij het officie van de Misse begonnen, nadat het met vijf trommelen was afgeslagen, dat geen soldaat hem vervorderen en
zoude in die kerk der Papisten te komen____ Onder den Dienste zoo
hebben die soldaten veel insolentie gedaan, totdat die Mis uit was. Toen de Noon (het koorgezang, dat door de kanunniken tusschen de Mis en de processie werd gezongen) begonnen was, zij n zij met grote getal, met rapiers over haar armen, in die kerk gekomen, maakende groot geluijt, totdat eenigen, die voor het koor stonden, woorden kregen met de burgers, die zij tot dien einde waarschouden, als 't bleeke ') Alsulcx, dat een out Rabout (of vechtersbaas), geheel grijs van haar, door 't midden van die kerk, over die vrouwen (want de kerk vol volk was van mannen, vrouwen en kinderen in 't getal van 7000 of 8000, en toortsen omtrent driehonderd) henen stapte, zoolang hij kwam voor de koordeur, ^ en de anderen, die met groot getal in de kerk stonden, kwamen aanspringen als razende honden, ja als moorders, toen men (de kanunniken) begon te zingen: Ctamavi in toto cordo over het volk heen, met bloote rapieren, roepende krijschende: «Valt aan, valt aan, moord, moord!quot; ende (zoo) liepen zij op liet (priester)koor.')
't Welk eenige priesters gezien hebbende, den Monstrans in hun armen genoemen (hebben) ende meenden uit te geraken, maar door den drang mochten zij van het koor niet komen, ende werden overvallen
') Die zij expreaselijk aanspraken als teekeu nan hnniie gezellen vim hetgeen nu ging gebeuren.
1) Die het priesterkoor met koperen sluiting afsloot.
') Volgens liet nnoere verhaal zongen de kaminniken juist lt;le volgende woorden: Jmtns es Domme et rectum judicium tuum. '/Aj gaan het bovenvermelde Clamavi een weinig vooraf.
AANÃKEKEMNGEN OP DEN VIJFDEN /ANG. 95
ende gequest tot XIII priesters, ende Heer Claes Lingelangen wordt het ciborie uit zijn handen gebroken, ende hij tot den dood toe gequest, ende ook die zangers met de kinderen, zijn met groot getal over die muur (de lage afscheiding tusschen altaar en gang) achter iiet hoge autaer overgesprongen, ende zoo zich salveerende, van zich werpende haar koor-kleeden en kransen, die zij op 't hoofd hadden; toen liep de rest van 't kerkvolk op en meende zich te salveeren, maar van buiten waren soldaten, haar den uitgang belettende, ja, hun cleêren, cleinoodjën, ringen, geld werden haar benomen, de huijken van 't hoofd, (den) priesters en burgers hunne tabbaarden, kleederen (en) geld van 't lijf (trekkende), hen quetzende, doorstekende ook een goed, out priester, omtrent 54: jaren, die stick-(blind) zijnde, was geheeten Mr. Baling of Naessen, die alle God heeft willen verkiezen, dewyl lüj inwoudich was; hij vlood van het altaar, en diende voor den naam des Heeren te sterven, opdat hij met Christus zoude regneeren; die andere soldaten stalen die autaarkieederen, kisten, scapreien smeten zij op, en van alle autaeren.
Terwijl dit geschiede, was de Biscop van Haarlem, die recht (of vlak) voer den Noen in die kerck gekomen was, om het Sacrament om-te-draghen, in 't sacristie met zyn dienders ende kerckmeesters gegaen, die zij daer omringden, nadat zij alle ding gerooft hadden, ende wilden het sacristie alop (al open) smiten ende schieten, zoo vraechden zy (die er in waren) met behouden lijf en goed uit te mogen gaen niet dat gezelschap, hetwelk hun van die soldaten belooft werdt, maar zoo haast als die deur opengedaan was, ende Biscop vooruit zoude gaan, zoo meenden zy met een hellebaert zijn hoofd te kloven, en ander smijtende met een rijkszwaard, meende heizelfde te doen; dan, zij smeten zijn hoed van 't hoofd; maar een provoost nam (ving) den slag op zijn stok; terwijl zij nu naar de kerkmeesters liepen, raakte de Biscop zonder eenige ken-nisse van hem hebbende, uit de kerk in een burgerhuis.
Doen 't nu al gedaan was ') kwamen die kapteinen als Tellingen en Reynooi met Kies voornoemd (den Burgemeester), om de soldaten ter neer
') Zoo was (1b gewone gniiu; van zaken in die ovonveldigingsdngen. Als alles vernield was, daagde de overheid op.
()6 AANTEEKENINGEN OP DEN VIJFDEN ZANG.
te zetten, die terstond met den Roef vertrokken (dat is, het op een acii-teruitloopen zetten) omdat de spraak ging dat de schutterij in den Doelen samenkwam. Maar toen dat zoo niet was, toen sloegen zij (de plunderaars) weder de trommelen, kwamen onder hun vaandels, en namen het stadhuis ia, en bezetten de kerk met alle de straten der stad. Daarmee cesseerde
liet..........................
Doch als nu naemiddags zij die bevreesd waren en die vrienden in cloosters hadden, haar goed uithaalden, ende brachten het tot hunne
vrienden, toen kwamen de straatschenders weer----ende smeten ze wel
ende liepen met geweld weg. Minnebroeders, Jacopynen, Madeleen en andere cloosters zijn geplondert, en zij braken mede de St-Janskerk op.
Op deze droeve wijs werd de zoogenaamde Haarlemsche Noon afgespeeld.
AANTÃEKENINGEN OP DEN ZESDEN ZANG.
a. De aanhef van den zesden zang herinnert zoowel de dagen dei-Aprilbeweging als de latere kentering der opinieön tegenover de nieuwe bisschoppen, door paus Pius IX anno 1853 aan Nederland geschonken. Betreffende alles wat dit herstel der hiërarchie lieeft ingehad, raadplege men het zeer verdienstelijk werkje van pater van Kerckhoff O. C., getiteld Na veertig jaren.
h. Nadat bisschop van Mierlo in Deventer was overleden, stond de bisschopszetel van Haarlem ledig, maar naar het kanonieke recht bleef het kathedraal-kapittel bestaan. Dit eerbiedwaardig lichaam heeft zich, zoowel door zijn onderworpenheid aan het hooger kerkelijk gezag, als door het aanhoudend aanvullen zijner wegstervende leden, met de grootste moeite gedurende alle die drie eeuwen staande gehouden, welke als zoo felle vervolgings-eeuwen in onze kerkelijke geschiedenis van Haarlem mogen gelden. Zijne acla en zorgen zijn in hun geheel uitgegeven door den zeer-eervv. heer J. J. Graaflf in de Bijdragen der geschiedenis van het hisdom rm Haarlem. De schoonste daad van dit kapittel was zeker wel de onderwerping aan het pauselijk besluit, hetwelk bij de herstelling der hiërarchie, in 1853, eerst alle oude kapittels, die misschien nog uit de vorige eeuwen
18
AANTEEKENINGBN OP DEN ZESBEN ZANG.
bestaan mochten, extingueerde. De kanunniken van het geëxtingueerde kapittel werden daarna herkozen tot leden van het nieuw kapittel.
c. Eenige namen en zinspelingen in don zesden zang hebben de volgende beteekenissen.
De verzen:
Nu keert gij weer, geroepene» des Heeren,
Uit Lovens vest en 't Rome van het Noord.
zinspelen op het verblijf der Hollandsche seminaristen aan de collegiën te Leuven of aan die te Keulen.») De laatstvermelde stad heette oudtijds, om hare menigte van heiligdommen en relieken, het Rome van het Noorden. Reeds vóór het herstel der hiërarchie had het Oud-Hageveld, nabij Haarlem, eenigen dezer seminaristen vereenigd, toen weldra een koninklijk besluit van zijne majesteit Willem I deze vrome stichting kwam vernietigen. Later, in 1847, herrees Hageveld opnieuw in de gemeente Voorhout, in de nabijheid dus van het groot seminarie Warmond. Hier â in het oord nabij Leiden, of de Sint-Petrus-stad â voerde vooral de nieuwe bisschop alle zijne seminaristen bijeen, en genoten zij allen het onwaardeerbaar voorrecht, gedurende eenigen tijd, de lessen te volgen van den onsterfelijken Broere, «den vrome, wien alle wijsheid omkroonde.quot;
Zoo vaak in het gedicht sprake is vin Jperens macht of Iperem telgen zijn de volgelingen van Jansenius, den bisschop van Iperen bedoeld. Helaas, ook zij hernieuwden de vervolgingen der Heeren Staten tegen onze vaderen, en schoon, by het herstel der hiërarchie, paus Pius IX hen opnieuw tot de eenheid uitnoodigde, verkoren zij liever, als iedere wegstervende kettery, in hunne dwaling onder te gaan.
By de hulde, door de kloosterlingen aan den nieuwen bisschop gebracht, herdenkt het gedicht het aandeel wat de paters der Sociëteit van Jesus aan Vondels terugkeer tot de Katholieke kerk hebben gehad, alsook het groot aantal martelaren, die de zonen van Sint-Franciscus tijdens de vervolging in Nederland, aan den hemel hebben geschonken.
98
AANTEEKEN INGEN OP DEN ZESDEN ZANG.
99
Het lied van al mijn harmonijen, in de laatste verzen vermeld, zijn de tonen van het wereldberoemde orgel, in de oude Sint-Bavo te hooren. Door het Credo nng nimmer afgedaan worden de heerlijke muurschilderingen herdacht, welke Haarlems Protestantsche kerkvoogden eindelijk van onder den kalklaag deden ophalen.
A A U TEEK KNIM GEN OP DEN ZEVENDEN ZANG.
Jiesclvijvwt/ der nieuwe Kathedrale Kerk van Sint-Havo te Haarlem.
(U[T DE DAGBLAÃKN).
«Het bisdom Haarlem â zoo schrijft de heer Kuypers in Juni '95 â zal een monument Grod ter eere stichten tot aandenken aan het vijftigjarig priesterjubileum van Z. D. H. Mgr. C. J. M. Bottemanne.
Aan de geloovigen van de stad Haarlem, die zich zoozeer uitbreidt, zal daarmede een bedehuis te meer worden geschonken, â tevens zal het bisdom Haarlem hierdoor in 't bezit komen van een kathedrale kerk, die, meer dan de thans daartoe bestemde St.-Josephskerk, in aanleg en omvang met de verhevene bestemming overeenkomt.
Wanneer wij den naam van uSint-Bavoquot; uitspreken, rijst de eerbiedwaardige reuzenfiguur van de oude Sint-Baaf, aan de Markt te Haarlem, al dadelijk voor onze oogen op. Met weemoed gedenken we dan den heil-loozen strijd, die dezen tempel aan zijn oorspronkelijke bestemming onttrokken heeft, â die het heiligdom heeft verarmd, en vernalatigd gedurende eeuwen. Dan betreuren wij het allen, dat de Katholieken van heden niet binnen de wyde hallen van het godshuis der vaderen door t weik hunner handen mogen toonen, hoezeer wij van geest en heyinid één zijn gebleven met de vrome stichters van dit werk: door het Volk voor God.
AANTKEKENINGKN 01» DKN ZEVENDEN ZANG.
In plaats daarvan moeten wij getuige zijn van de zwakte der tegenwoordige bezitters, die hun heiligdom zelfs niet tegen ondergang zouden kunnen behoeden, zoo niet het Rijk der Nederlanden, de provincie Noord-Holland en tal van particulieren uit alle gezindten, jaar op jaar, veel grootere offers brachten, om een der schoonste erfstukken uit de middeleeuwen, tot glorie voor onze natie te bewaren, voor de bewondering van den vreemdeling.
In de nabuurschap van een kunstwerk, in zyn grooten eenvoud zoo uitmuntende door de betooverende macht van zijn harmonische ruimten, zullen wij het werk onzer handen met dubbele gestrengheid moeten be-oordeelen, en met verdubbelden ijver moeten kuischen.
Naam en vorm der kathedrale kerk zijn, van de oud-christelijke tijden af, innig verbonden geweest. Aan het oostelijke einde was de oud-christelijke basillica, in navolging van de Romeinscho gerechtszalen, halfrond uitgebouwd. Midden in deze nis stond de marmeren zetel (cathedra) van den bisschop, en links en rechts was de geestelijkheid om hem geschaard rond het altaar, dat ongeveer het middenpunt van den halfcirkel innam. Daarmede wordt verklaard, dat de naam van «kathedrale-kerkquot; die heiligdommen aanduidt, waarin een bisschopszetel is gevestigd. Het zijn dan ook gewoonlijk de grootste onder de basilicae, die tevens in vorm liet rijkst ontwikkeld zijn met een schelpvormig (concha) kooreinde, en later ook kruisvormige dwarspanden, welke het grondtype hebben gegeven aan de kathedralen van alle eeuwen.
Zoo zal de nieuwe kathedraal van Sint-Bavo dan ook in hoofdvorm het Kruk der Verlossing in plan teekenen, door een middenschip met transeptramen beide van 13 meter breedte. Het hoofdeinde van 't kruis (presbyterium) is cirkelvormig afgerond en omsloten met een dubbele granieten zuilenrij, waarachter de zijbeuken door een zeven meter breeden omgang verbonden zijn, die toegang verleenen tot de zeven-transkapellen, welke op zoovele bijzondere wijzen tot de godsvereering in het middenkoor (sanctuarium) bijdragen, door het roemwaardige en wondervolle leven van de Moeder-Maagd en van andere patroonheiligen.
Maar voor den aanleg van een bouwwerk moeten wij niet alleen bij de overhveriny te rade gaan, de tegenwoordige tüchen, de middelen en het Ur-
101
AANTEEKENINGEN OP DEN ZEVENDEN ZANG.
rein met zijn eigenaardige omgeving moeten worden bestudeerd, en daarom volgt hier eerst een korte omschrijving van die technische punten.
Vooral in westelijke richting breidt zich de stad Haarlem voortdurend uit tusschen de Leidsche Vaart en de Hollandsche Spoor-lijn in de richting van Leiden. Verschillende straten zijn daar aangelegd tot op de hoogte van den Raamsingel (als zuidelijke grens der oude stad.) Een paar honderd meter verder heeft de ondernemingsgeest weer tusschen de weilanden eenige rijen huizen gesticht, die voorloopig wel de grens der bebouwde kom zullen aangeven. Halverwege die thans vrij liggende velden is het terrein afgebakend van 80 meter breedte en ongeveer de dubbele lengte^ oost-west gericht, en onmiddellijk aan de Leidsche Vaart aansluitende, waarop de kathedraal gesticht zal worden. Van alle zyden zullen de bouwwerken dus vrij op het eigen terrein kunnen blijven; aan de westzijde, die zich naar de spoorlijn keert, zal, al wordt ook later een deel van de diepte voor andere doeleinden bestemd, een ruim plein voor de hoofdingangen kunnen worden gespaard, waarheen men, door de straten, aan beide zijden der kerk kan geraken.
De orientatie brengt hier mede, dat het kooreinde, volgens een aaneenschakeling van cirkels ontwikkeld, vanaf de beide kaden van de Leidsche Vaart het meest gezien zal worden. Dit gedeelte, hetwelk thans onmiddellijk zal worden gebouwd, vertoont de meeste afwisseling in vorm, en zal zich dus ook, met vele spelende vormen, van de verschillende standpunten kunnen vertoonen.
Wij bevinden ons hier juist op duizend meter afstand van de oude St.-Bavo, die een lengte heeft van 108 meter, terwijl de nieuwe bouw eenmaal voltooid, 100 meter lengte zal hebben, ongeveer overeenkomende met die van de Kathedraal St.-Jan te 's Hertogenbosch, zonder den westelijken toren.
De volgende beschouwingen hebben geleid tot de vaststelling der inwendige hoofdafmetingen, die de karakteristiek van het gebouw zullen moeten vormen.
Een hreed middenschip, overeenkomende met dat van St.-Jan en dat van den Dom te Keulen en slechts een meter smaller dan de zeer breede St.-Bavo, maakt een grootschen indruk bij de godsdienstplechtigheden,
102
103
en verzamelt een groote menigte zonder hinderpalen voor hot doorzicht. Wij zijn hier wel ongeveer aan de grens van de ruimte, die met niet buitengewone zware steenen gewelven overdekt behoeft te worden. De gewelven, voor de oude St.-Bavo ontworpen, werden slechts in hout uitgevoerd, zeer decoratief â minder monumentaal, minder duurzaam.
De zijpijlers, die dit middenschip van de zijbinten zullen afscheiden, zijn in de oude hoofdkerk op zeven meter uit elkander geplaatst, even ver ongeveer als in de andere genoemde kathedralen. Dezen afstand hebben wij ver overtroffen en tot 10 meter verwijd, om daardoor het doorzicht naar alle zijbanken en kapellen zooveel ruimer te maken. Op elk punt van het gebouw zal men dan zooveel meer het geheel duidelijk met één blik kunnen omvatten. Daarbij komt dat de oude St.-Bavo slechts drie beuken heeft en de nieuwe er vijf zal tellen, die door vier rijen pijlers van elkander worden gescheiden. Nu maken in de St.-Jan en in den Dom te Keulen die vier rijen pijlers zeer zeker een toover-aclitigen indruk, wanneer men vooral zijdelings daardoor den anderen muur tevergeefs zoekt; tusschen dat woud van pijlers en schalken verliest zich de muur in de verte, en wij krijgen een nog grooteren indruk van de afmetingen dezer beuken. De nieuwe St.-Bavo wordt ook als parochiekerk gebouwd. Niet alleen zullen daar plechtigheden worden gevierd, maar binnen zijn muren moet dagelijks een groote schare van geloovigen met aandacht het H. Sacrificie aan het altaar kunnen volgen, en van den kansel af moeten die scharen ook bereikbaar zijn voor de stem. De hooge ontwikkeling van het middenscliip, welke oogenschijnlijk door veel aaneengeschakelde pijlers nog toeneemt, moet hier dus worden beperkt; de sluitsteenen van het middenschip liggen op 22 meter uit den vloer.
Maar aan die ruimte paart zich dan beiderzijds, door de 10 M. breede bogen verbonden, de eerste zijbeuk, die 8.30 M. breed en 18 M. hoog, over eenkomt met het middenschip van menige ruime parochiekerk.
Tot afscheiding der builemte zijheukm, die ook als kapellen kunnen worden afgesloten, is nu een dubbel getal pijlers geplaatst, telkens op 6 M., welke weder medewerken om de muurvlakken te verdoelen en tevens de ruimte te vergrooten. Ook wat hoogte betreft, moeten deze beuken een tegenstelling vormen met de drie middelste beuken; de sluitsteen ligt op 6.80 M. boven den vloer.
104
Een streven naar groote hoogte-ontwikkeling zien wij van uit Frankrijk zich vooral in de XIIl'16 eeuw verspreiden, en in de Domkerk van Utrecht en de Sint-Jan te 's Hertogenbosch, met hun rijke pijlerbundels, den triomf vieren. Terwijl reeds andere Noord-Nederlandsche kerken met hun enkelvoudige ronde zuilen en groote breedten, minder nadruk leggen op de veelvuldige herhaling van de opstrevende lijnen, en evenals de oude St-Bavo veel indruk maken door de ontwikkeling der ruimte in de breedte met eenvoudiger vormen, in grooter vlakken omsloten. Dien weg hebben wij willen volgen, daar dit veelal overeenstemt met de eischen, die aan den bouw worden gesteld. Het is gebleken dat de Sint-Stephanus-dom te Weenen drie schepen heeft, waarvan de hoofdafmetingen tamelijk nauwkeurig overeenkomen met die van het hiernevens voorgestelde plan. De zeer hooge zijbeuken maken daar, ontwikkeld in de rijke geledingen van het laat-gothische tijdperk, overspannen met netgewelven, een grootschen indruk. De godsdienstige stemming onder een door het gebrande glas in alle de groote vensters zeer getemperde verlichting, is hier tot een hoogen graad bereikt.
Op het doorsnijdingspunt van middenschip en kruispand rijst de breede m'Menloren met een open koepel inwendig hoog boven de gewelven uit, en zal door een krachtige verlichting van boven het middenpunt sterk teekenen, zoowel in- als uitwendig. Het midden van het kruis stelt het Hart des Verlossers voor, dat zich uit liefde voor ons met een lans liet doorboren, â elke christentempel is een monument, dat goddelijk Hart te eere.
Aan de uiteinden der hoofdschepen naar de vier windstreken gericht, (evenals zoovele wegen waarlangs de apostelen togen om alle volkeren der aarde het geloof te gaan verkondigen), staat eenerzijds de westgevel met een overwelfd portaal, waarboven een ruime tribune is aangelegd. De drievoudige arcade onder, en de vele vensters nevens elkander in dien gevel, zullen de ruimte van 't schip goed doen schatten, evengoed als de talrijke boogjes, die de galerijen steunen, welke langs den noordelijken en zuidelijken transeptgevel zijn doorgevoerd, en eindelijk weer te voorschijn treden in twee verdiepingen boven elkander voor de triforia, en langs de vensters zich voortzetten in drie- en tweemaal zeven bogen rond
AANTEEKENINGEN OP DEN ZEVENDEN ZANG.
het sanctuarium. Dit alles dus kleine vormen in tegenstelling met de groote bogen der hoofdschepen.
Achter het hoogkoor, dat aanmerkelijk boven liet schip der kerk, en eenige treden boven de omgevende zijbeuken gelegen is, vormen dezeven kapellen als zoovele kleine, in zich afgesloten koortjes rond de altaren van O. Lieve Vrouwe, Sint Joseph, Sint Willibrordus enz. In de constructie van den bouw dienen de muren dezer kapellen tot steunberen (contrefort) der muren en gewelven van het hoogkoor; in de versiering zullen zij met de daarboven staande vensters zijn als stralen, verbeeldende de zeven gaven des H. Geestes, die van het hoofdaltaar uitgaan. De meest zuidelijke der zijbeuken van het koor is tot H. SacranmiMapel ingericht. Deze is wat meer afgesloten van de groote ruimte; hier zal een meer ingetogen stemming heerschen, vooral daar de vensters, die boven de aansluitende Kathedrale-Saeristie licht nemen, hooger boven den grond verheven zijn dan in de overige deelen der kerk. Nevens de nis, waar het H. Sacramentsaltaar staat, is, oostelijk van de sacristie, een klein oratorium ingeruimd, dat direct van uit de zuid-oostelijk gelegen pastorie toegankelijk is.
De Parochiale Sacristie sluit zuidelijk aan den transeptarm, met een binnen- en een buitenportaal en twee biechtstoel-nissen.
In tegenstelling met de afronding aan het oostelijk gedeelte is het westelijke recht afgesneden en door twee vierkante torens, op de hoeken van 't middenschip bevestigd, scherp afgeteekend. Deze beide voorposten houden hunne kruizen 90 M. verheven boven de vloer, om den volken van het westen het heil der verlossing uit het oosten te verkondigen.
Noordelijk ligt op den hoek de kapel, waarbinnen door de wateren des H. Doopsels het Licht van 't Zuiden de duisternissen der Noordsche heidenen doet verdwijnen. In den zuidelijken toren, die, evenals de noor. delijke, ook een ingangsportaal heeft, is de trap aangelegd, welke naaide tribune voert; daarneven een eatechwnmhapd.
Meer dan in de parochiekerk nog moet vooral in de kathedraal er voor worden zorg gedragen, dat de zang van 't koor (boven) niet alleen maar vooral de ory^begeleiding volkomen zuiver instemme met de offlcieerende priesters, ofwel met het kapittel bij den zang der getijden. De tribune voor de koorzangers en het orgel is boven den noordelijken,
14
105
'106
zjjhoek en oostelijk van het krulspand opgebouwd. Van uit de groote boog kunnen organist en zangers onmiddellijk den dienst van het hooge koor volgen en begeleiden. Het orgel kan in het kruispand uitgebouwd worden, en daar, met de kleuren van het hout en het metaal, een goede tegenstelling maken met de kleuren der groote steenmassa's.
Op verschillende punten stijgen negen traptorens van den beganen grond op en voeren naar de (jangen, die als triforia boven de zijbeuken, of uitgespaard in muurdikten (1.56 M.) van het middenschip en den kooromgang, of achter de balustraden der goten, rond de gansehe kerk gelegenheid geven, om ten allen tijde de onderdeelen van het gebouw spoedig en gemakkelijk te kunnen bereiken. Deze gangen zullen leven geven aan massieve muren, â zullen de menschelijke schaal op verschillende hoogten duidelijk herhalen, â zij zullen bij feestelijke gelegenheden het sieren en verlichten van alle deelen mogelijk maken, â en vooral voortdurend van dienst zijn, om door 't voorkomen van de kleine gebreken, 'twelke door uitwendige invloeden kunnen ontstaan, het bouwwerk voortdurend in goeden staat te onderhouden. Boven de hoekpijlers van het priesterkoor klimmen nog twee kleinere traptorens van uit de goten der zijbeuken naar de zoogenaamde dwerggalerij van 't priesterkoor en hooger op naar de goten.
De ontwikkeling aan de ramen der onderdeelen is beheerscht dooide technische eischen van den baksteen, die als nationaal nijveiheidsproduct dient te worden toegepast. Daarnevens treedt de natuursteen alleen als hulpmiddel op om de deuren recht af te sluiten, of de onderdorpels der vensters waterdicht te maken; ook als kapiteelen inwendig en als afdekking van steunberen uitwendig.
Zoo luidt in hoofdzaak de beschrijving van de nieuwe Sint-Bavo, door zijnen genialen bouwmeester, den heer Kuypers. Ook aan den naam van dezen kunstenaar is, door Sint-Bavo, de onsterfelijkheid gewaarborgd.
B L A D W IJ Z E R.
Bladz.
EP^KSTK ZANG. De oude Sint-Bavo.......1
TWEEDE ;; Haarlems eerste Bisschop......11
DERDE n De Beeldenstorm........19
VIERDE n Haarlems Beleg........27
VIJFDE w De Haaiiemsche Noon.......41
ZESDE « De Hiërarchie hersteld.......51
ZEVENDE u De nieuwe Sint-Bavo.......59
AANTEEKEN1NGEN op den eersten zang . . .... 69
quot; n 11 tweeden .......78
n a u derden .......83
u 11 11 vierden .......85
'i n 11 vijfden .......92
11 11 11 zesden »......97
11 11 zevenden .......luo
ERRATA.
Op pag. ö staat: Herrezenen sterven niet. Lees: Her reet'nen sterven
niet.
üp dezelfde pagina:
Hoe breed ze als krans zich scharen Om 't altaar van Gods Zoon!
Lees:
Hoe breed ze als krans zich scharen Om 't altaar, Christus woon.
Op pag. 30 staat: De teering viel.... Lees: De teerling viel ....
In de Aanteekeningen, pag. 80, regel acht, staat: Somrnelsdijk, Lees: Maertensdijk.
De andere errata worden, waar de lezer ze ontmoeten mocht, aan zijne vergevings-gezindheid aanbevolen.
.