EDGAR,
mm M o iujela cif tat b e ito He maarlj^ib .
Door
L. VON HAMMERSTEIN, S. J.
Vertaald door
J. T. M. KOELMAN, Pr.
Motto :
Pauperrimus est, qui vivit sine Jesu. et ditissimus, qui bene est cum Jesu.
Zeer arm is liij, die leeft zonder Jesus,
on zeer rijk is liij, die in vriendschap leeft met Jesus.
Thomas a Kempis, Nav. v. dir. If,
----E)C5§J|O3-.-
OLDENZAAL.
p. j3 R U G GE M A N 1 892.
IMPRIMATUR.
Gronings Dr. I. A. van OS,
hac 29a Novembris 1892. Libr. Censor.
Voorwoord van de eerste Puitsche uitgave.
De schrijver der âErinuerungen eines alten 1 .utheranersquot; werd van verschillende kanten aangespoord om een yeschri/'t in 't licht te yeven, dat men van katholieke zijde aan Protestanten in handen kon geven om hen zoo goed mogelijk op de hoogte te stellen van het katholiek geloof.
.4a)) dezen wens cl i heeft dit boekje zijn ontstaan te danken. JJc schrijver heeft getracht geheel aan de eischcn der wetenschappelijk yevormden te voldoen, doch tevens voor de gewone lezers â althans wat de hoofdzaken betrejt â licht verstaanbaar te zijn. Ook is het zijn streven geweest zoo kort mogelijk te zijn, teneinde ook hun, wier tijd beperkt is, de lezing van het boek mogelijk te maken. De stof eindelijk trachtte hij zoo te kiezen, dat dit iverk en de vermelde âErinnerungenquot; elkaar wederkeerig aan uullen.
Moge het werkje voor menige ziet als middel strekken om den vrede te erlangen, dien de wereld niet geven kan'.
Wijnandxrade bij Valkenburii (Holland), den 12 Mei 1886.
DE SCHRIJVER.
Uit het Voorwoord van de vijfde uitgave.
üe eerste vier uitgaven, van â Edgarquot; gaven aan verschillende protestantsehe bladen aanleiding tot eene vaak uitvoerige polemiek. De schrijver gaf in een afzonderlijk geschrift ('âDie Gegner Edgarsquot;) die tot dun toe verschenen '13 aanvallen onverkort in druk en beantwoordde ie . . .
Ooeritjetis kerft âEdgar'quot; ook zijne vrienden cjeoontlen in hel nirt-hathnlieke kamp. Want het âConservative Vereinsblattquot; en dc âSt. Johanner Zeitungquot; gaven eenc gunstige recensie] het âMagazin für die Litteratur des In- und Auslandesquot; noemde het een âuitmuntend, geschrift,quot; en het âDeutsche Adelsblattquot; (Berlijn 31 (Jcl 1886) oordeelde erover: âDe rijke philosofische, historische en theologische inhoud wordt den lezer niet sleclds in aangenaam afwisselenden, maar ook in ongemeen helderen en overtuigenden vorm afingeboden. Het theologische standpunt moge, als misschien te geprononceerd confessioneel, op enkele punten niet dc harten van alle Christenen gelijkelijk winnen, toch meenen wij te mogen zeggen: voor allen is het lezens- en hehartigenswtard in zijne groote, door den waren geest des chrisleljkcn geloofs ged.ragen (irondtrekken.'1
Uit het Voorwoord van de zevende uitgave ') (1892).
Bij de verschenen vertalingen in het Decnsch, Uongaarsch en Zweedsch komt binnen een paar weken ook eenc Hollandsche. Drie andere vertalingen zijn ' in bewerking.
Van verschillende zijden werd de schrijver aangezocht om de bewijzen voor het bestaan van Gml uitvoeriger te geven. Hij wcnsc/dc echter den omvang van dit geschrijt niet te veel uit te breiden en wijdde aan deze bewijzen een afzonderlijk werk (âDie Gottesbeweise' }. Kane overeenkomstige uitbreiding van âEdgarsquot; 2de afdecling, waarin het Christendom, in 't bijzonder de Godheid van Chris!us zal behandeld worden, is thans in bewerking. De sociale werking der Kerk werd reeds in Winfrid , un de getuigenissen der Kerkvaders leerden in âSincerusquot; afzonderlijk in '1 licht gesteld.
h Van deze. iiilgnvt; iiebbeit wij nog jiodrvllcliik gchniik ^eniankl. Overigens zie hiei aohter de V e r b e t e r i n g e n.
Voorwoord van den bewerker.
I)c vertaling van P. vun Hammerstein's Edgarquot;, die hier den Nederlandschcn lezer wordt aangehodeu, is het werk â het eerste en het laatste â ~ van mijn al te vroeci ontslapen vriend Joannes Timotheus Maria Koelman, in leven priester van het Aartsbisdom Utrecht, leer nar aan de li K. handelsschool te Schapen in West falen. Reeds voordat hij aan dit zijn werk de laatste hand had gelegd, werd de talentvolle jonge priester door den Meester tot Zich geroepen, op Witten Donderdag van dit. jaar, den 1 in April 1892.
Zijn handschrift bleef in mijne handen achter en ik achtte het een plicht van piëteit de zorg voor de uitgave te aanvaarden Slechts in dezen zin mag ik de âbewerker'' heet en.
De verschijning van den Hollandschen âEdgarquot; zal allen, die een of meer iverken van P. von Hammerstein kennen, uiterst welkom zijn. In 'l Nederlandsch zijn reeds verschenen: Meester Preekman, hoe hij zich bekeerde en geen sociaaldemocraat meer wilde zijn (door Pastoor Scheiberling); Is er een God? (door H. Ermann) ; Sincerus of een Evangelisch Dominé in de Cantomben ') beleeft thans reeds zijn tweeden druk. Dat zijn goede voo Hoopers. Vertalingen van andere werken van P. von Hammerstein zijn â zooals mij welwillend wordt medegedeeld â in bewerking, o.a. die van de âErinnerungen eines alten Lutheranersquot;, den ouderen broeder van âEdgar.quot;
De Duitsche âEdgarquot; heeft nog twee aanhangsels, die in deze JSicderlandsche uitgave niet zijn opgenomen, n.l. I Aanvallen der Pers op âEdgarquot; met weerlegging, II Keuze van Katholieke literatuur voor Protestanten. De stof voor no. I zal in Nederland nog moeten geleverd worden â wij wachten ze met een gerust geweten af. Wat no. II betreft â zulk eene lijst
1) In dit werkje komt ook eene beknopte doch nuttige levens- en bekeerings-geschiedenis van P. v. Hammerstein voor.
nan hoekan zou naar mijne heseheiden meening vooralsnog Ir weinig practisch nut in Nederland hebben om het hoek nog mei een half vel druks le vergroeien ; mocht de wenschelijkheid van 2ulk eene lijtt blijken, dan l;an daaraan hij eene volgende uitgave worden voldaan. Evenwel meen ik hier twee in de laatste jaren in JSiederland verschenen hoeken te mogen noemen, die noch elkander noch âEdgarquot; in den vxg staan, maar integendeel aanvullen en uitleggen. Zij zijn :
Apologie des Christendoms of uiteenzetting en verklaring van de gronden des geloofs, door W. Devivier, S. J. Uit het Fransch vertaald door een Priester van de Sociëteit van Jesus. Bij L. C. C. Malm berg, Nijmegen, f 2 .
God, Christendom en Kerk verdedigd door het gezond verstand en de geschiedenis. Apologetisch handboek ten dienste van R. K. onderwijzers, studenten enz., door D. A. W. H. Sloet, R.K.Pr. Bij G. Brugge man, Oldenzaal, f 1,95.
âEdgarquot; ga en hrenge vrucht aan, en zijne vrucht hlijve!
D. A. W. H. SLOET
V erbeteringen
naar de 7de Duitsche uitgave.
86 reg. 6 v. b. staat: ioo Grieksche handschriften, lees: SS unciaal-handschriften.
» S9 â 16 v. o. staat: in het jaar 138, lees: vóór 150.
â 90 â iS v. b. â een bock ter wereld, lees: een bock der oudheid.
â 102 Volgens nieuwere onderzoekingen kan de Samari-taansche Pentateuch niet met zekerheid voor zoo oud worden gehouden als hier wordt ondersteld. Ook is het verhaal van eene âvereeniging van 70 geleerden,quot; die de Grieksche vertaling zoude hebben bezorgd, niet historisch zeker. â Zeker is - en dit is voor het betoog voldoende dat beide teksten vóór Christus hebben bestaan. â In dezen geest zijn hier door P. v. Hammerstein veranderingen aangebracht.
DRUKFOUTEN.
Blz. 52 vóór den titel van het hoofdstuk staat: 3 moet zijn 1.
â 92 reg. 6 v. b. staat: Valentinianus, moet zijn: Valentinus.
» 103 » 4 J? â vóór Chan aan uitgevallen: Gezegend -ij de Heer, de God van .Sew.
â 149 noot ') staat 561, moet zijn: 551.
» '57 reg- I5 v. b. staat: Ephraemi, Sijri. lees: Hphraemi Syri.
â 201 is vóór de alinea: Doch keeren wij enz. het cijfer 6
weggevallen.
» 265 ;gt; » » » Het voorahjaande enz, â â 5
weggevallen.
j; 207 â enz het cijfer 7 weggevallen.
â 26S noot, staat: blz. 21, moet zijn: blz. 12.
Enkele andere, weinig storende drukfouten, gelieve de lezer te verontschuldigen.
I.
God of geen God?
I. Weten en Gelooven,
Edgar, -een jong rechtsgeleerde, die te Berlijn zijne studiën voltooid had, werd ziek op eene vacantie-reis in het Zuiden van Engeland. Men bracht hem in een hospitaal van liefdezusters en de overste belastte eene bejaarde Duit-sche zuster, die door den kuituurkamp daar beland was, met de verpleging van den zieke.
Daar lag nu Edgar in zijne kamer moederziel alleen, ten prooi aan de gedachten, die na de verstrooiingen der laatste weken zich aan hem opdrongen; Wat zal er van mij worden, zal ik genezen? Zal ik sterven? En als ik sterf, wat dan ?
Zoo had hij lang liggen peinzen, als de zuster binnentrad en hem een opbeurend woord toesprak. Hij zag hoe zij blijmoedig en tevreden was en onwillekeurig vraagde hij; Zuster, gij ziet toch zeker dikwijls iemand sterven; hoe kunt gij daarbij zoo gelaten en opgeruimd blijven? Gij moet. dunkt mij, wel bestendig aan den dood denken?
Nu ja, antwoordde de zuster, maar dat is immers niet zoo erg; waarom zou men zich niet verheugen in het vooruitzicht op den hemel?
Edgar. Maar, zijt gij er dan wel zeker van, dat er een hemel bestaat?
Zustkr. Dat spreekt van zelf!
E. En staat het dan vast, dat gij na uwen dood in den heinel zult komen?
Z. Natuurlijk, als ik doe wat ('gt;od mij heeft voorgeschreven.
E. Wat zijt gij gelukkig I maar, hoe weet gij wat God voorschrijft?
Z. Uit den Catechismus.
E. Zijt gij er dan wel van overtuigd, dat de Catechismus u niet bedriegt?
Z. Zeker ben ik dat; omdat de Catechismus de leer der Katholieke Kerk bevat.
E. Ja, maar de Katholieke Kerk zou het wel eens mis kunnen hebben.
Z. Dat is onmogelijk, wijl Christus beloofd heeft, haar in alle waarheid te zullen leiden.
E. Maar hoe kan Christus de Kerk voor dwaling behoeden ?
Z. Gelooft gij niet, dat Christus God is? En als hij (lod is, heeft hij dan geen middelen genoeg, om te zorgen, dat de Kerk ons geene dwaling leert in plaats van waarheid, geen steen biedt in plaats van brood?
Ik wil echter niet met u redetwisten. Er is een Duitsche Pater hier, die onze godsdienstoefening leidt. Als gij wilt. zal ik hem zeggen, dat hij u bezoeke : dan kunt gij met hem disputeeren.
^ *
*
Edgar vond dit goed. Hij verheugde zich, in Engeland eenen Duitscher te ontmoeten, met wien hij zich zou kunnen onderhouden; want hij begreep wel, dat de zuster met de verpleging der zieken de handen meer dan vol had. Een of andere echte Herlijner zou hem natuurlijk aangenamer geweest zijn dan een Roomsche âPaterquot;; maar van den anderen kant boezemde het hem toch belang in, eens zoo iemand te leeren kennen; want als protestant had hij nog nooit een ordenspriester gezien, veel minder gesproken.
Middelerwijl verstreek de rest van den dag en het werd avond, voordat de pater tijd vond den zieke te bezoeken. Eindelijk trad hij binnen en weldra ontspon zich een harte-
lijk gesprek, zooals dit pleegt te geschieden, wanneer land-genooten elkander in den vreemde ontmoeten.
De pater liet zich een en ander uit Duitschland vertellen, stelde zich op de hoogte omtrent den persoon van den zieke en dezen deed het genoegen een deelnemend wezen te vinden, al was het ook maar een ordensgeestelijke. Over het vroeger met de zuster aangeroerde thema werd voorloopig niet gerept. De kennis was intusschen aangeknoopt en de pater placht iederen avond zijn landsman te bezoeken en een uurtje met hem te keuvelen.
Eindelijk bekroop den zieke toch de lust, ook eens een ontwikkelden pater die levensopvatting te hooren uiteenzetten, welke de zuster zoo ongekunsteld, maar tevens zoo vast en bepaald had uitgesproken. Op geheel vertrouwelijken toon vroeg hij daarom: Pater, zijt gij wel inderdaad van de waarheid uwer religie overtuigd?
I'. Zeker ben ik dat 1 Of meent gij, dat ik een huichelaar ben ?
E. O neen, maar het bestaan van eenen persoonlijken God, de onsterfelijkheid der ziel enz., dat zijn toch allemaal dingen, die men slechts gelooft en niet weet en ook geenszins kan bewijzen?
P. Verondersteld, dat wij deze waarheden slechts geloofden en niet âwistenquot;, zouden ze daarom minder zeker zijn? (lij schijnt de twee verschillende beteekenissen te verwisselen, die het woord âgeloovenquot; heeft. Soms wordt het gebruikt in de beteekenis van âmeenenquot; d. w. z. in den zin van een twijfelachtig voor waar houden. Als ik bijv. in de verte iemand zie aankomen en zeg: ik geloof dat het die of die is, dan wil ik daarmede uitdrukken, dat ik in mijn erkennen niet zeker ben. In dezen zin kan u het âgeloovenquot; inderdaad geene zekerheid geven.
Dit woord heeft echter nog eenen anderen zin, waarin het niet eene onzekere, maar eene door het getuigenis van anderen verworven kennis beteekent. Deze kennis nu kan somtijds volkomen zeker zijn. Wanneer bijv. een vertrouwde vriend, op wien ik huizen kan bouwen, mij het een of ander mededeelt en ik hem verklaar: âik (leloof u op uw
4
woordquot;, dan is elke twijfel bij mij dikwijls krachtiger uitgesloten, dan in dingen, die ik uit eigen waarneming ken.
E. Op deze tweevoudige beteekenis van het woord âr/e-loovenquot; heb ik inderdaad nog niet gelet.
P. Gij zult mij echter toegeven, dat ik door âgeloovenquot; in deze laatste beteekenis, waarin men het woord in de theologie opvat, d. w. z. dat ik door het getuigenis van anderen somtijds volle zekerheid kan erlangen. Of moet niet een rechter zekerheid hebben omtrent de schuld van een misdadiger, dien hij ter dood veroordeelt? en verwerft hij deze zekerheid niet dikwijls enkel door zijn geloof aan de getuigen?
E. Inderdaad! Maar het gebeurt ook wel, dat de getuigen valsch zweren.
P. Zeker! Maar daartegenover staan andere gevallen, waarin gij volkomen zeker zijt, dat het getuigenis van anderen u niet bedriegt. Of twijfelt gij soms, dat Constantinopel in Turkije ligt?
E. Neen.
P. Zijt gij daar misschien geweest?
E. Neen.
1'. Dus gij gelooft dit feit enkel en alleen op getuigenis van anderen, bijv. van aardrijkskundige handboeken; niettemin zijt gij er volkomen zeker van.
E. Dit geet ik toe. Maar ik zie niet in, hoe gij hieruit de zekerheid van godsdienstige geloofspunten afleidt. Wie heeft dan ooit God en de na den dood voortlevende zielen gezien, om mij hun bestaan te kunnen getuigen ?
1'. God zelf.
E. Met dit antwoord draait gij om de moeielijkheid heen. Ik zal gelooven, dat God bestaat, omdat God het zegt; maar ik weet nog in 't geheel niet, of er wel eens een God bestaat, veel minder, of en wat die God gesproken heeft en of zijn woord geloof verdient.
P. Bedaard aan! De zaak is niet zoo desperaat als gij meent, (lij zoudt gelijk hebben, als ik wilde beginnen met aan God te gelooven, zonder eenige voorafgaande kennis. Zoo staat de zaak niet! Eerst moet ik weten, tlaf God be-
5
staat, dat Hij gesproken heeft en (Uil zijn woortl ijcluul verdient. Zoo onlogisch derhalve als gij meent, zijn wij niet.
E. Goed! Maar 't zou mij toch benieuwen, hoe gij, buiten het christelijk geloof om, het bestaan van God zoudt willen bewijzen.
P. Dat is niet zoo vnoeielijk als gij meent. Voor heden zou het ons echter te ver voeren, (rij zijt vermoeid: maar zoo gij 't goedvindt, bezoek ik u van tijd tot tijd, dan kunnen we meer hierover praten.
E. Daarvoor zou ik u van harte dankbaar zijn.
2. God, de Schepper van het Heelal.
Edgar had des nachts gerust geslapen en voelde zich den anderen morgen gesterkt. Meermalen dacht hij nog aan het gesprek van den vorigen dag, en toen tic pater tegen den avond bij hem kwam, herinnerde hij hem eraan cn sprak: Pater, gij wildet mij het bestaan van eenen persoonlijken Go 1 bewijzen en wel buiten het christelijk geloof om en in tegenspraak met de geheele moderne wetenschap!
P. In tegenspraak met materialisme, pantheïsme en atheïsme, zooals het veelal aan de universiteiten wordt geleerd: ja; in tegenspraak met eene gezonde, op waarheid berus. tende wetenschap: geenszins.
E. Gij zult toch niet aankomen met het kosmologisch bewijs? Daarmee heeft de wetenschap al lang afgerekend.
P. Of ze er mee afgerekend heeft, zullen we zien. Of liever, gij kunt het zelf bij gelegenheid lezen in de âU'elt-rilthselquot; van mijn collega pater Pesch, dat ik voor u heb meegebracht. Daar kunt gij zelf oordeelen, of uwe corypheeën, als Kant, Fichte, Hegel, Schopenhauer, Darwin enz. stand houden tegenover eene gezonde kritiek en eene christelijke philosophie; gij kunt u overtuigen, wie het groote wereldraadsel d. i. het onloochenbare feit, dat de wereld bestaat, juister oplost en verklaart: de oude philosophie met God, of de nieuwe zonder God.
-:r uitge-ken.
ird âr/e-
â¢loovenquot; :1 in de van an-Det niet an een quot;erft hij aan de
£ getui-
s vallen, underen iopel in
uigenis niette-
hieruit . Wie e zielen
ijkheid od het iel eens ^esp reals gij len met kennis, â od he-
6
Vooreerst deze vraag: Hier naast u ligt uw horloge. Kunt gij uit het bestaan van dit horloge besluiten, dat er een horlogemaker moet bestaan?
E. Jal
P. Evenzoo besluit ik uit het bestaan der wereld, dat er een Schepper moet bestaan.
E. Dat is iets anders: De ervaring /.egt mij, dat ieder horloge door een horlogemaker is gemaakt; want bij vele horloges heb ik dat waargenomen. Maar ten opzichte van het bestaan der wereld heb ik zulk eene ervaring niet, ik kan dus niet op grond eener analogie hetzelfde besluit trekken.
P. (lij vergist u. Het is noch ervaring noch analogie, waarop uw bewijs steunt ten opzichte van het horloge. (lij zoudt tot het bestaan van een horlogemaker besluiten, ook wanneer gij voor 't eerst een horloge zoudt te zien krijgen.
E. Hoe meent gij dan, dat ik mijn besluit trek?
P. Uit het bestaan eener werking besluit gij tot het bestaan eener oorzaak. Gij redeneert aldus: ieder ding heeft zijn grond, zijn reden van bestaan; dus ook het horloge. Immers, zoo het horloge geen reden van bestaan had, zou het niet bestaan. Deze grond nu. die voorhanden moet zijn, ligt ófwel in het horloge zelf, óf buiten het horloge: hij ligt niet in het horloge, dus daarbuiten, en zulk een buiten het horloge liggenden grond noem ik âhorlogemaker.quot; Of het een mensch is of een aap of iets anders, is m'j vooralsnog onverschillig.
E. Goed: Maar waarom kan het horloge den grond van zijn bestaan niet in zichzelf dragen?
P. Zoo dit het geval was, dan moest het zichzelf vervaardigd hebben, of zon in 't geheel niet vervaardigd zijn, maar krachtens zijne eigene natuur noodzakelijk en van eeuwigheid bestaan. Beide veronderstellingen zijn ongerijmd â dus draagt het horloge den grond van zijn bestaan niet in zichzelf.
E. Dat het horloge zichzelf niet vervaardigd kan hebben, begrijp ik ; want dan zou het moeten bestaan hebben voordat het bestond. Maar waarom kan het niet krachtens inwendige absolute noodzakelijkheid bestaan ?
P. Om twee redenen niet, waarvan elke op zichzelf doorslaande is. Ten eerde: wanneer het horloge den grond van zijn bestaan in zichzelf droeg, dus krachtens inwendige noodzakelijkheid bestond, dan kon het geval niet denkbaar zijn, dat het niet bestond; het moest dan van eeuwigheid hebben bestaan. Nu heeft het echter zeker nog niet bestaan vóór Peter Hele, den uitvinder der uurwerken. Evenzoo moest het tcii tweede eeuwig blijven bestaan, d.w.z. het zou nooit kunnen verslijten, geen stofdeeltje kunnen verliezen, het zou onveranderlijk zijn. Nu kan ik het echter afvijlen, vergruizelen, smelten; ja het verandert zichzelf voortdurend terwijl het loopt: dus bestaat het horloge niet noodzakelijk.
E. Ik geef toe : het horloge kan noch zichzelf geschapen hebben, noch als ongeschapen wezen krachtens eigene volstrekte noodzakelijkheid van eeuwigheid bestaan. Maar cr is nog een derde geval mogelijk: het zou kunnen zijn, dat het op een gegeven oogenblik plotseling door toeval ontstaan was.
1'. Hierop zou ik u met Wallenstein kunnen antwoorden ; âer bestaat geen toevalquot; of beter gezegd: wat men toeval pleegt te noemen is geen oorzaak, maar juist het ontbreken van een oorzaak. Het horloge en eveneens het heelal zou echter lang op zijn bestaan hebben kunnen wachten, als het ontbreken eener oorzaak het had moeten in 't leven roepen.
Nemen wij de zaak nog concreter! Evenmin als er vóór Peter Hele uurwerken bestonden, bestonden er op een zeker tijdstip menschen op aarde. Nu bestaan er menschen. Een feit is het, dat de mensch zich niet uit het apenras of andere diersoorten ontwikkeld heeft ; dus is hij geschapen, en bestaat er een Schepper, een wezen, dat, met het oog op dit kunstgewrocht, zeer hooge volmaaktheden bezit, en dat wezen noem ik God, den Schepper van het heelal.
E. Langzaam! De gang uwer gedachten is logisch juist, maar de afzonderlijke deelen uwer redeneering moeten eerst getoetst worden. Staat het dan wel vast, dat er op zekeren tijd geen menschen waren ?
P. Daaromtrent zijn het zelfs alle moderne naUiurkundi-
s
gen eens. Volgens hen was (ie aarde eens een vloeibaar gloeiende massa van zooveel honderd of duizend graad Réaumur; nog vroeger was zij volgens de theorie van Kant-» Laplace een reusachtige bol in gasvormigen toestand. Men-schen konden er dus toen niet bestaan, ja zelfs geen enkel levend organisme welk ook. âEr was een tijdquot;, zegt o.a. Wiener, âwaarin wegens den vloeibaar gloeienden toestand der aarde er geen kiemen of cellen konden bestaan. Daar er nu vóór den eersten oorsprong des levens slechts leven-looze atomen bestonden, zoo moeten deze levenskiemen hieruit zijn ontstaan en wel onder geheel buitengewone omstandigheden, die ons ten eenenmale onbekend zijnquot;1) â geldt dit van al wat leeft, dan zeker van den mensch.
Derhalve is ook het menschelijk geslacht eens ontstaan, het is niet eeuwig. Slechts hieromtrent is men het niet eens, hoe de mensch tot zijn bestaan is gekomen. En wijl men nu, om wat ter wereld ook, niet bij eenen Schepper wil terecht komen, zooals het Christendom ons dien leert, moest men zijne toevlucht nemen tot de apentheorie van Karl Vogt.
Gij staat dus voor de keuze, den een of anderen aap of eenig ander beest als uw stamvader te huldigen of â bet bewijs is geleverd, dat er een (lod en Schepper bestaat, in weerwil van uwe geheele moderne wetenschap.
Deze Go I is dus niet slechts een voorwerp van ons ge-ool, maar ook van onze onomstootelijke wetenschappelijke 'overtuiging.
E. Welnu, als het dan zijn moet, huldig ik Vogt's apentheorie.
P. Dan schijnt gij, evenals al hare aanhangers, uit pure verlegenheid deze theorie te hulp te roepen. Immers, de wetenschap dwingt er u volstrekt niet toe; zij weerspreekt ze veelmeer. De afstand tusschen het organisme van den mensch en den aap, vooral wat betreft de grootte der hersenen, is zoo enorm, dat de ontwikkeling van aap tot mensch, verondersteld dat zij mogelijk ware, in ieder geval een ge-
1
Wiener, Ui uiulzüye der W ellunlnmi},'' blz. 77.'».
weldig groot tijdsbestek zou gevorderd hebben, waaruit ons zeker fossiele resten zouden bewaard gebleven zijn. Ook zou men meenen, dat de oudste der ons bewaard gebleven menschelijke overblijfselen, als die ontwikkeling had plaats gegrepen, eenen 'ageren trap van ontwikkeling zouden aanwijzen, dan waarop wij nu staan. Het tegendeel echter getuigt ons Virchow, zeker een man van onverdacht en onbetwistbaar gezag op dit gebied. Hij zegt:
âAls wij dezen quaternairen fossielen mensch, die toch in de rij der descendentie of eigenlijk der ascendentie onzen stamvaders meer nabij zou moeten komen, bestudeeren, dan vinden wij toch telkens weer een mensch, zooals wij zelf zijn. Nog vóór tien jaren, als men ergens in een turflaag, in paalwoningen of oude holen een menschenschedel vond, meende men daaraan eigenaardige kenteekenen van eenen wilden geheel onontwikkelden toestand te bespeuren. Men rook overal apenvleesch. Langzamerhand is men echter daarvan teruggekomen. De oude Troglodyten, paalbewoners en turflui representeeren een alleszins respectabel gezelschap. Zij hebben hoofden zoo groot, dat menig thans levend menschenkind zich in 't bezit van zulk een exemplaar zou verheugen. Onze Fransche naburen hebben er wel voor gewaarschuwd, dat men uit de grootte dier hoofden niet te veel moest afleiden; het zou immers kunnen zijn, dat daarin niet enkel hersensubstantie geweest was, maar dat die hersenen meer weefsels gehad hadden dan tegenwoordig mode is en dat de zenuwsubstantie, ondanks de grootte der hersenen, op een lageren trap van ontwikkeling gebleven was. Dit alles heeft echter veel van een vriendschappelijk praatje, dat eenigermate als steun kan dienen voor zwakke geesten. Alles goed beschouwd, zijn wij inderdaad tot dj-erkenning gedwongen, dat ieder fossiel ti/pe eene lagere ontwikkeling ontbreekt. Ja zelfs wanneer wij alles, wat er op dit gebied ontdekt is, stellen naast hetgeen de tegenwoordige tijd oplevert, dan kunnen wij met zekerheid beweren, dat onder de nu levende menschen een veel grooter aantal relatief minder ontwikkelde individuen voorhanden zijn dan onder de vooralsnog bekende fossielen. Of nu juist aan
lO
de hoogste genieën der quaternaire periode het geluk is ten deel gevallen om voor ons bewaard te blijven, durf ik niet vermoeden. Gewoonlijk trekt men uit de hoedanigheid van één ontdekt fossiel voorwerp het besluit ten opzichte van de andere, niet ontdekte. Jk doe dit echter niet. Ik wil niet beweren, dat het heele ras zoo goed was als die paar overgebleven schedels. Maar toch moet ik zeggen: Een enkele fossiele apenschedel of aapmenschen-schedel, die I citcljl, /iet eifjemiom ecus mens ah en zou hunnen geweest zijn, is tol op heden no;/ niet onldekl. Iedere nieuwe ontdekking op dit gebied heeft ons verder van de oplossing verwijderd.
Wij kunnen niet de leer verkondigen, wij kunnen het met als een resultaat der wetensehap, beschouivcn, dat de mensc/i van een aa]gt; of van eenig ander dier afstamtquot;. 1 j
Tot zoover Virchow. De apentheorie is bij gevolg eene willekeurige vinding, alleen uitgedacht in de hoop van aan het kosmologisch bewijs voor het bestaan van een Schepper te ontkomen De fossiele overblijfselen zijp er mede in tegenspraak.
En waarom ontwikkelt zich sinds eeuwen geen baviaan ot gorilla tot mensch? Zelfs dan niet, wanneer men te J!er-lijn met alle mogelijke kunstmiddelen hem zoekt te vermen-schelijken ? De ongeloovige natuurvorschers hebben zeker geen moeite gespaard, om door een voorbeeld\ an eene dergelijke ontwikkeling het kosmologisch bewijs aan het wankelen te brengen.
Verder, als deze afstammings-theorie van Darwin den mensch door het dierenrijk heen zich uit de laagste organismen laat ontwikkelen, waarom blijft die ontwikkeling eensklaps staan bij den mensch? Waarom zet de inwendige drang tot het volmaaktere het ontwikkelings-proces niet verder voort? Waarom krijgt de mensch niet langzamerhand vleugels? Aan het verlangen om te kunnen vliegen heeft het toch waarlijk sedert wijlen Daedalus en Icarus niet ontbroken!
1
Virchow. Die Frelhcil der Wisscii^clial'l blz. ÃUâ31.
11
Gij hebt daar straks van ervaring gesproken. Ik /ou u hier met gelijke munt, maar met meer recht kunnen betalen. Van mij kunt ge geen ervaringsbewijs vorderen, daar ik den mensch laat ontstaan door een vrijen wilsakt van den Schepper. Evenmin kunt gij door een ervaringsbewijs aantoonen, dat ik een bepaald boek lezen of naar Rome reizen kan. Zelfs wanneer ik dit nooit gedaan had, zou ik het toch krachtens de vrijheid van mijnen wil eenmaal kunnen doen en dan niet meer: het zou eene ongerijmdheid zijn te zeggen: A. of E. kan niet naar Rome reizen, wijl ik er geen ondervinding van heb, dat hij het gedaan heeft. Anders echter staat het met uwe apentheorie, die niet berust op een vrij besluit Gods, maar op eenen innerlijken ontwikke-lingsaanleg der apen. Heeft deze aanleg eenmaal een aap zich tot mensch doen ontwikkelen, dan zal hij het meermalen doen; wij zouden ook nu zulke overgangen bespeuren, en bij het enorme verschil tusschen apen- en menschensche-dels moest de ervaring ons in de fossiele overblijfselen verschillende graden van ontwikkeling kunnen aantoonen. Daarvan vinden wij echter geen spoor; bijgevolg is de apen-theorie veroordeeld.
Dit alles geldt reeds omtrent het lichamelijk onderscheid tusschen mensch en aap. Nog grooter wordt de kloof en het specifieke verschil, als gij beschouwt de -werkzaamheid van den menschelijken geest en den aanleg tot beschaving, die zich reeds vóór vele eeuwen openbaarde in de bouwwerken en opschriften van Egypte en Assyrië, die zich nog bestendig op het gebied der uitvindingen ontwikkelt, â en daar tegenoverstelt het zich steeds gelijkblijvend instinkt en de nabootsingsdrift der apen. Hoe wilt gij bijv. verklaren, dat de apen er ooit toe zouden gekomen zijn, zich van de men-schelijke taal te bedienen? 't Is waar, men heeft daarvoor eene verklaring gezocht; maar het belachelijke dezer verklaring, die zelfs een natuurvorscher van beteekenis waagde te geven, is een nieuw bewijs voor het wanhopige dezer poging.
Darwin verklaart: âDaar de apen zeker veel verstaan van hetgeen door de menschen tot hen wordt gesproken (?) en daar zij in hun natuurstaat bij gevaren hunne natuurgenoo-
1 2
ten door geroep waarschuwen, schijnt het volstrekt niet ongelooflijk, dat een of ander buitengewoon slim aapachtig dier op het idee zou gekomen zijn, het gehuil van een roofdier na te bootsen om aan zijn medeapen den aard aan te duiden van het dreigend gevaar, en dit zou een eerste schrede geweest zijn ter vorming eener taal.quot;
\\ anneer deze wauwau-theorie in den haak is, waarom tre-
7 O
lukt het ons menschen dan niet, die het toch ten huldigen dage waarschijnlijk even ver gebracht hebben als dat buitengewoon slimme aapachtig dier van Darwin, de achterlijke apen door passend onderwijs eveneens tot menschen op te leiden en hun de menschelijke taal te leeren ?
elk is dan de oorsprong der menschheid?quot; vraagt de bekende moderne schrijver O/to Hcnnc-am-Rhin, en hij laat er o]) volgen: âHet antwoord van Darwin en zijn aanhang is bekend, maar even bekend is het ook, dat deze hooggewaardeerde natuurvorscher en zijne vernuftige, ernstig voort-strevende vereerders ons niet kunnen verklaren, hoe van een op boomen klauterend, behaard dierlijk wezen een Apollo van Belvedere, een Laatste Oordeel, een Hamlet, een Requiem, een Kritik der reinen Vernunft, een Kosmos, de toepassing van den stoom, de photographic en telegraphic is voortgekomen, terwijl andere behaarde dierlijke wezens van dezelfde soort nog ten huldigen dage op boomen rondklauteren en zelfs geen vuur aanleggen of een knots vervaardigen, ja niet eens kunnen lachen, terwijl er ook geen vooruitzicht bestaat, dat ze het ooit zullen leeren I
âEn toch zijn wij met de dieren verwant â geheel onze lichaamsbouw bewijst het wie lost ons dit raadsel op? Waarlijk, wij zijn nog niet verder gekomen dan de schoone gedachte van den schrijver van Genesis, dat God den eersten mensch den adem des levens heeft ingeblazen. Zou men dit als een feit kunnen beschouwen, het zou alles oplossen.quot; i j
Ja inderdaad, het is de oplossing van het raadsel; en
I) Hemiu-am-Hliiu in liut lijUsclnilt «L'aseiu Zeil.quot; 1SS1. Bladz. 717
(laar langs anderen weg geene oplossing te verkrijgen is en lt;le mensch toch op een of andere wijze moet zijn ontstaan, volgt hieruit, dat ik genoodzaakt ben de zaak als feit aan te nemen.
Indien ik nu in Engeland ben, terwijl ik vóór den kul-tuurkamp in Duitschiand was; indien er van Duitschland naar Engeland geene andere wegen leiden dan door de lucht, over het water of door een onderaardschen tunnel; als ik nu zeker weet, dat ik niet door de lucht, noch door een tunnel er heen ben gekomen, dan staat het vast, dat ik er gekomen ben over het water, en ik ben er zeker van, ook al zou ik op de geheele reis hebben geslapen. Bijgevolg a pari: Indien de mensch van het niet-bestaan tot het bestaan is gekomen, indien hij dezen weg niet a la Darwin heeft afgelegd en er ook geen andere weg meer denkbaar is dan de weg der schepping, dan is juist deze schepping en bijgevolg het bestaan eens Scheppers een feit; zij moet als feit worden aangenomen, ook wanneer wij ze niet met eigen oogen hebben aanschouwd.
Wat dunkt u nu van het kosmologisch bewijs, heeft de moderne wetenschap er werkelijk mee afgerekend, zooals gij straks meendet ?
R. Ik moet inderdaad bekennen, voor zoo solied had ik dit bewijs niet gehouden.
1'. Intusschen hebben we pas een gedeelte van den weg afgelegd en op dit gedeelte moest gij reeds een salto mor-tcdc uitvoeren van den aap op den mensch, om aan het kosmologisch bewijs te ontsnappen. Gij zult nog meer zulke salti morlali moeten uitvoeren om atheïst te kunnen blijven.
Eenzelfde sprong keert alvast terug bij elk van de duizenden en duizenden species der planten- en dierenwereld. Ik wil er niet over twisten, of de vos en de hond misschien slechts variëteiten zijn van den wolf, ofschoon ik het niet voor waarschijnlijk houd. 't Is mogelijk, dat men tot nog toe als species heeft aangezien, wat inderdaad slechts eene stabiel geworden variëteit is; maar te beweren, dat er volstrekt geene verschillende soorten (species) bestaan, dat de leeuw niets anders is dan eene toevallige variëteit \an den
14
regenworm, den vlinder of de aardbezie, dat schijnt mij toch wel wat al te dwaas ! Alles heeft zijn grens. In den ouden tijd bestond er, zooals u bekend is, een athleet, die in staat was een geheelen os te dragen. De man was met een kalf begonnen en had zich dagelijks geoefend, totdat het kalf een os was geworden. Zulk eene ontwikkeling, als men ze langs kunstmatigen weg-zoekt Je bewerken, kan dus voorkomen. Zij heeft echter hare grenzen en ik zal mij nooit laten wijsmaken, dat een mensch het ooit zoover zou kunnen brengen, dat hij den Blocksberg van de aarde losrukt en op den Rigi draagt.
En toch zou de ontwikkeling van een regenworm of zelfs van het kleinste infusie-diertje tot eenen leeuw quantitatief niet geringer, qualitatief echter zonder twijfel onvergelijkelijk veel grooter zijn dan zulk eene krachtsontwikkeling bij den mensch.
Ik had dus wel gelijk, toen ik zeide: Gij moet uwen salto morlale, dien gij van den mensch op den aap maaktet, zoo dikwijls herhalen als er verschillende soorten van dieren of planten zijn; of wel gij moet u aan het kosmologisch bewijs onderwerpen. Schijnt u dit bewijs ook nu nog onhoudbaar ?
E. Ik zie hier inderdaad geen anderen uitweg, dan voor iedere species, die inderdaad eene zulke is en niet slechts eene variëteit, eene bijzondere scheppingsdaad Gods aan te nemen.
P. Een nieuwen salto mortals moet ge verder uitvoeren om het eerste dier, de eerste plant of de eerste cel ïe krijgen, waaruit zich volgens Darwin en Hackel geheel de overige organische wereld zou hebben ontwikkeld.
Vooraf constateer ik ook hier weder met Wiener of, liever gezegd, met heel de moderne wetenschap, dat feitelijk de organische wezens niet eeuwig zijn, wat ook de philosophie over de mogelijkheid van een tegelijkertijd eeuwig en veranderlijk wezen moge beweren. Evenals gij, om van Duitsch-land naar Engeland te komen, slechts te kiezen hebt tus-schen de straks genoemde wegen (te water, te land of door de lucht) als de alleen mogelijke, zoo staan u ook hier bij
den overgang van de levenlooze stof tot de organische wereld slechts twee wegen open; óf wel de ontwikkeling van het eerste organisme uit de levenlooze stof, zonder toedoen eens Scheppers, dus de zoogenaamde yeneratio aequivocn; of wel de erkenning van eene scheppende hulp (lods. De eerste weg strookt niet met de ervaring; dus is de tweede weg en bijgevolg het bestaan van God een feit.
Zelfs VirchoiL' legde op het natuurkundig congres te München in 1877 de bekentenis af, dat deze beide wegen de alleen denkbare zijn. Zijne woorden luiden:
âWel is het waar, dat men geen enkel positief feit kan aanvoeren, waaruit blijken zou, dat er ooit eene yeneratio aeqnivoca (zelfwording) heeft plaats gegrepen, dat ooit eene zelfwording is tot stand gekomen in dier voege, dat levenlooze stoffen, zooals bijv. de firma koolstof en C'ie, zich ooit tot organische wezens zouden hebben ontwikkeld. En toch geef ik toe dat, indien men zich eene voorstelling wil maken, hoe het eerste wezen van zelf zou kunnen ontstaan zijn, er niets anders opzit, dan tot de zelfwording zijne toevlucht te nemen. Dit is duidelijk! Wil ik eene scheppingstheorie niet aannemen, wil ik niet gelooven, dat er een bijzondere Schepper geweest is, die den aardklomp genomen en er den adem des levens heeft ingeblazen, wil ik een lied zingen op mijne wijze, dan moet ik het zingen op de wijze der yeneratio arquivoca. Ter Hum non datiir. daar zit niets anders op, als men zegt: âIk neem de schepping niet aan, maar wil eene verklaringquot;. Is dit de-eerste thesis, dan moet ik komen tot de tweede en zeggen : âErgo neem ik de generatio aequivoca aan.quot; Een stellig bewijs daarvoor hebben wij echter niet. (leen mensch ter wereld heeft ooit sene generatio aequivoca werkelijk tot stand zien komen en een ieder, die beweerde, dat hij ze had waargenomen, is wederlegd geworden, niet zoozeer door de theologen als door de natuurvorschers.quot;
Hoe staat het nu met het kosmologisch bewijs? Heeft de âmoderne wetenschapquot; ermee afgerekend?
E. Gij wordt ondeugend Pater; maar 't kan zijn, dat gij gelijk hebt. Overigens geef ik mij nog niet gewonnen.
if)
Indien tegenwoordig ook al geen zelfwording meer voorkomt, is het toch mogelijk, dat zich vroeger andere oorzaken hebben doen gelden, om eene zelfwording te bewerken. Op zulk eene onbekende oorzaak beroep ik mij dus.
P. Eene onbekende oorzaak? Dat herinnert mij levendig aan zekere vaste klanten van de rechtbank. Als dezen in 't bezit zijn van een paard, dat ergens anders verdwenen is, dan hebben ze het in den regel op de markt gekocht van een âonbekend persoon.quot; Maar de rechter maakt hun dan ook het compliment: âHet is toch vreemd, dat juist gij altijd iets op de markt koopt van een onbekend persoon.quot; Nu kan 't echter toch nog mogelijk zijn, dat een paardendief âvan beroepquot; eens heel eerlijk een paard koopt van een onbekend persoon; maar dat zich uit de levenlooze stof, zonder inwerking van buiten, eensklaps leven zou hebben ontwikkeld, leven, dat volgens een onderzoek van duizenden jaren er volstrekt niet in te bespeuren is, dat kan mij niemand wijsmaken.
Hebt gij nog iets tegen het kosmologisch bewijs in te brengen ?
E. Ik zie werkelijk voor het oogenblik niets en moet
toegeven dat, wanneer er feiten zijn, die op andere wijze dan door het aannemen eener scheppende macht en bijgevolg eens Scheppers niet verklaard kunnen worden, men wetenschappelijk genoodzaakt is eenen Schepper aan te nemen.
P. Voeren wij nu nog in 't voorbijgaan het teleologisch. bewijs aan.
De wereld bestaat dan. De âmoderne wetenschapquot; verklaart haar voor een gebouw, dat zonder bouwmeester, bijgevolg zonder eenheid van doel zichzelf heeft opgetrokken door eene reeks van gelukkige toevallen of liever van onmogelijke salti mortali, van af de levenlooze materie tot den met verstand begaafden mensch. De christelijke philosophic daarentegen ziet in haar een geheel, door verschillende scheppingsakten volgens een bepaald doel in het leven geroepen. Beschouw nu de wereld. Van welke wijze van ontstaan draagt zij den stempel op het voorhoofd gedrukt, van de ordelooze of van de met regelmaat geordende? Hoe
komt het, dat ieder insect, iedere worm, ieder zoogdier zijn passend voedsel vindt? Vanwaar heeft de veldmuis haar instinct, van de bijeengezamelde zaadkorreltjes de kiem af te bijten, zoodat ze niet uitloopen. Wie maakt, dat het mannetje van het vliegend hert als larve zich een hol graaft, eens zoo groot als dat van het even groote wijfje? Weet liet misschien, dat het later, in onderscheid van het wijfje, een groot gewei zal krijgen en het hiervoor die ruimte noo-dig heeft? Wie leert het wijfje van den koekkoek de nesten der insecten-etende vogels van de overige onderscheiden, zoodat zij slechts in dat nest hare eitjes legt, welks bewoners later hare jongen met het passend voedsel zullen verzorgen? Hoé komt het, dat de lucht van onzen dampkring zoo wonderbaar is gemengd, dat zij passend is voor de ademhalingsorganen der geheele dierenwereld en dat van de letterlijk onnoemelijk vele combinaties der verschillende gassen, die mogelijk zijn, juist deze zich voordoet, in welke wij kunnen bestaan ? Hoe komt het, dat wij op deze aarde juist die temperatuur hebben die voor ons past,de aan onze krachten geëvenre-digde aantrekkingskracht,de voor ons organ isme berekende lucht-drukking,en niet een paar duizend graad Réaumur,dat ons niet een gewicht van 100 centenaars, zooals dit op menig ander hemellichaam het geval zou zijn, naar beneden trekt, dat wij niet verpletterd worden door een honderdmaal sterkere luchtdrukking? Vanwaar de merkwaardige cirkelgangvanhetwater, dat als regen de plantenwereld drenkt,in den grond dringt en als heldere bron weer opborrelt tot lafenis van mensch en dier, dat,gereinigd en met nuttige mineralen voorzien, uit de rots opwelt, in beken en rivieren den visschen een woonplaats biedt, naar de zee stroomt, door de kracht der zonnestralen verdampt, wolken vormt en als regen weer neerdruppelt? Hoe komt het, dat het water eene geheel op zichzelf staande uitzondering â niet dichter wordt bij grootere afkoeling, maar zijne grootste dichtheid en bijgevolg zijn grootste gewicht heeft bij eene temperatuur van 4 graad boven nul ? Zou het den algemeenen regel volgen, dan zou het ijs niet op de oppervlakte drijven, maar op den bodem zinken : de zeeën zouden onmetelijke
18
ijsklompen worden en spoedig zou geen mensch op aarde meer kunnen leven van koude. Hoe komt het ten slotte dat de levenlooze mineralen zich tot zoo scherp mathematische kristallen groepeeren?
Wanneer gij datalles verklaart voor toi val, dn zeg ik u met hetzelfde,jamet nog veel meer recht: Goethes Faust is niets dan vlie-gendrek ; (ioethe heeft er nooit in het minst aan gedacht, hij had toevallig meerdere vellen wit papier in zijne kamer liggen en in zijne afwezigheid waren de vliegen zoo gelukkig, door hunne zwarte teekeningen juist die letters, verzen en tooneelen op 't papier te tooveren, waaruit de Faust bestaat. Dat noem ik eene verklaring van den Faust âvolgens de wetenschap.quot; Daarentegen uit het bestaan van dit dichtwerk het besluit te willen trekken, dat er ooit een dichter zou bestaan hebben, die den Faust zou hebban saamgesteld, ware evenzeer met de âmoderne wetenschapquot; in strijd, als uit de wondervolle harmonie der wereld het bestaan eens Scheppers als gevolgtrekking af te leiden.
En als gij de geheele doelmatigheid in de schepping door Darwins afstammings-theorie wilt verklaren, enkel door het natuurlijk streven naar doelmatigheid, dan vraag ik u verder: vanwaar de aesthetica in de natuur? Vanwaar de fijne teekeningen op de vleugels van vele vlinders, teekeningen, die klaarblijkelijk geen enkel practisch doel hebben? Vanwaar de liefelijke indruk van het landschap met al zijne schakeeringen, vanwaar het alpengloeien, het avondrood, de regenboog, de sterrenhemel met zijn weergalooze pracht ? Is ook deze schoonheid slechts een spel van het toeval ?
Zou alles slechts het werk zijn van een ik weet niet welk onbekend, willekeurig aangenomen, blindelings werkend streven naar doelmatigheid en niet de wijze, aesthetisch handelende vrije wil eens persoonlijken almachtigen Scheppers, dan zou bijv. de onsymmetrische ligging van het hart en der overige inwendige deelen van het menschelijk lichaam ook in de uiterlijke verschijning een gebrek aan symmetrie doen blijken. In werkelijkheid nemen wij echter de schoonste symmetrie waar tusschen de rechter- en linkerhelft van het menschelijk lichaam. Vanwaar komt dat?
19
â
Dus hoe staat het er nu mee, heeft de wetenschap met de bewijzen voor het bestaan van God afgerekend?
B. Gij zijt waarlijk ondeugend, pater.
P. Mijne ondeugendheid kan u slechts nuttig zijn ; want zij voert u terug tot uwen Schepper en Vader in den hemel.
Veroorloof mij intusschen, dat ik ter verdere opheldering van deze gedachte u eene passage voorlees uit de âWeltrathsel'' van Pater Pesch :
op aarde âten slotte
gt;
mathema-
â u met het-âtsdan vlie-âi gedacht, ^3ie kamer =00 geluk--rs, verzen
Faust be-
â âvolgens dit dicht-n dichter
â ingesteld, =strijd, als â taan eens
ïgt;ing door door het ii verder: ïl'ne teeke-mgen, die Vanwaar schakee-:1e regen-? Is ook
niet welk werkend ïsthedsch ii Sc.hep-het hart ; lichaam mmetrie â schoon-ielft van
âZoo is het dan bewezenquot; zegt hij âdat dit ééne verstand niet in de dingen zelf mag worden gezocht. Immers de dingen zijn veelvuldig. Deze veelvuldigheid van middelen, die onbewust tot één harmonisch geheel samenwerken, noopt ons echter onweerstaanbaar tot het aannemen van eene ongedeelde, buiten deze veelheid liggende eenheid. Gelijk de vele elementen en bestanddeelen van een kunstwerk zich niet eigenmachtig tot een gecompliceerd kunstwerk kunnen samenvoegen, evenmin ligt het in de macht der ontelbare op zichzelf staande wezens in deze wereld, zich te vormen tot den uiterst gecompliceerden Kosmos. Daartoe wordt eene, alle veelheden omvattende macht en wijsheid ver-eischt.quot; ')
3. Tegenwerpingen.
E. Na ons gesprek van gisteren moet ik u toegeven. Eerwaarde Pater, dat het wereldraadsel op geenerlei wijze kan worden opgelost zonder eenen Schepper. Maar toch schijnt het mij, dat men bij het aannemen van een Schepper evenzeer op tegenstrijdigheden stuit. Het bestaan van de wereld is en blijft dus een raadsel.
â¢I.) Pc sell, WVIIrathsol I n.
So
P. Welke tegenstrijdigheden dan?
E. Vooreerst zie ik in de wereld niet alleen doelmatigheid, maar ook ondoelmatigheid, bijv. de uitbarstingen der vuurspuwende bergen, die dikwijls geheele steden verdelgen. Zoo iets is klaarblijkelijk in tegenspraak met eene schepping en een bestuur van een oneindig wijzen en algoeden Schepper.
P. In geenen deele. Vooreerst moogt ge niet over 't hoofd zien, dat de wereld, als geschapen en daarom eindig wezen, niet alle volmaaktheid in zich kan vereenigen. Zij zou langer, breeder, ouder, schooner, ook doelmatiger kunnen zijn dan zij inderdaad is; daardoor bijv. dat het men-schelijk organisme, beter dan dit nu het geval is, tegen alle soorten van ziekten bestand ware. Oneindig volmaakt is slechts God; de wereld kan het niet en moet het ook niet zijn.
Maar iets anders is het, eene slechts eindige volmaaktheid te bezitten, iets anders, rechtstreeks ondoelmatig en tegenstrijdig ingericht te zijn. Alle denkbare volmaaktheden bezit de wereld niet; maar tegenstrijdig iszeevenmin. Wat gij als ondoelmatigheid aanziet, als de vulkanische uitbarstingen, bewijst hoogstens het gemis van denkbaargrooterevoorbehoedmiddelen tegen ongelukken. Maar ook dit nog niet altijd. Juist deze schijnbare gebreken en onregelmatigheden zijn dikwijls in Gods hand het middel ter bereiking van een hooger doel. Zij houden o.a. in den mensch het bewustzijn levendig van zijne machteloosheid en afhankelijkheid van God. Eveneens vindt ge in de overige rijken der schepping dingen, die voor een beperkten gezichtskring tegenstijdig, van hooger standpunt beschouwd daarentegen hoogst doelmatig blijken. Voor de insecten is bijv. het bestaan van insecten-etende vogels hoogst ondoelmatig; voor het geheel echter is het van groo; nut, wijl anders de insecten alles zouden vernielen. Zoo stellen dergelijke schijnbare uitzonderingen slechts nog meer het bewuste plan in de wereldorde in het licht. En indien het een of ander van dien aard voor ons nog onverklaarbaar is, kunnen we toch gerustelijk aannemen, dat het eene verklaring toelaat.
Huitendien moet ge voor menige verkeerdheid vooral in
het maatschappelijk leven niet (Jod verantwoordelijk stellen, maar de bedorvenheid, de zonden der menschen, wien God een vrijen wil verleende en wier verkeïrdhïden Hij niet altijd verhindert, al zou Hij het ook kunnen.
E. Deze oplossing laat ik gelden. Maar wanneer gij de zaak van moreele zijde wilt beschouwen, dan begrijp ik niet hoe gij eenerzijds beweert, dat God onveranderlijk is en de H. Schrift toch hier en daar vermeldt, dat God zijne raadsbesluiten heeft veranderd.
P. Ik zal uwe tegenwerping nog versterken door een concreet voorbeeld van zulk eene verandering aan te halen. Als God den zondvloed aankondigt, heet het in de H. Schrift; âhet berouwde Hem, dat Hij den mensch op aarde gemaakt hadquot;, i) Toch is de oplossing niet moeielijk. God verandert nooit Zijn besluit. Wat Hij te eenigen tijde wil en volvoert, heeft Hij van eeuwigheid gewild. Slechts de menschen veranderen en naar gelang zij zich goed of slecht gedragen, laat God hun loon of straf toekomen. Zoowel het een als het ander heeft Hij echter van eeuwigheid gewild, overeenkomstig het verschillende zedelijk gedrag van den mensch.
E. Goed! Maar veroorloof mij nu, dat ik nog even terugkom op een punt, dat gij in 't begin hebt aangeroerd.
(Jij hebt te kennen gegeven, dat de wereld, wijl zij veranderlijk is, niet krachtens absolute noodzakelijkheid kan bestaan, maar door eenen buiten haar staanden Schepper moet zijn voortgebracht. Nu is öfwei deze Schepper zelf op zijn beurt door een nog volmaakter wezen geschapen en zoo altijd verder: ófwel Hij bestaat krachtens eigene absolute noodzakelijkheid. De eerste veronderstelling leidt tot de ongerijmdheid eener oneindige reeks van geschapen wezens zonder een Schepper in laatste instantie, tot eene reeks, die als 't ware in de lucht hangt en geen punt van uitgang heeft. De andere veronderstelling daarentegen noopt u, den Schepper te denken als onveranderlijk wezen en dit is ander-
1) 1 Mos. vi, u.
maal eene ongerijimlheid. (iij staat ilus zoowel in het eenu als in het andere geval voor eene onoplosbare moeielijlcheid.
P. Toch niet! Die oneindige reeks van geschapen wezens, zonder een ongeschapen Schepper aan het eind, is zeer zeker een onding, evenzeer als eene genealogie zonder stamvader. Wie de mogelijkheid van zulk een oneindige reeks zou willen staande houden, zou evengoed kunnen beweren, dat hij meerdere eieren had gegeten: een tweede, een derde, maar geen eerste. De andere veronderstelling daarentegen, dat nl. God, de eindoorzaak van al het bestaande, juist daarom, wijl Hij krachtens absolute noodzakelijkheid bestaat, ook onveranderlijk is, deze veronderstelling bevat niet alleen geen tegenstrijdigheid, maar is de zuiverste werkelijkheid.
E. Moet God dan niet reeds enkel door de Schepping der wereld zich zelf veranderen, bijv. vermoeien. Zijne heerschappij uitbreiden?
lJ. Als God een eindig, beperkt wezen ware, gelijk wj zijn, zeer zeker; als Hij daarentegen oneindig volmaakt is, neen! Hoe meer kracht iemand bezit, des te minder vermoeit hem de arbeid. Wie oneindige kracht bezit, vermoeit zich in 't geheel niet. En wat de uitbreiding van heerschappij aanbelangt, zoo bezit God alreeds alle volmaaktheid, kan dus door de wereld evenmin, en nog minder, eene uitbreiding van macht verkrijgen als een professor in de wiskunde zijne kennis uitbreidt, wanneer een kind hem zegt, dat tweemaal twee vier is.
Het doet mij intusschen genoegen, dat ge zoo vasthoudt aan de gedachte, dat een veranderlijk wezen den grond van zijn bestaan niet in zichzelf kan dragen en bijgevolg ten langen laatste een ander wezen veronderstelt, hetwelk zijn bestaan niet wederom aan een ander ontleend heeft. Deze gedachte is de eigenlijke kern van het kosmologisch bewijs: alleen is er eenige philosophische kennis voor noodig om ze volkomen te begrijpen. Met deze gedachte slaat gij iederen vorm van pantheïsme of atheïsme uit het veld. Zouden er ook later, na de tijden van eenen Hegel, Schopenhauer, Darwin en Hiickel, andere bestrijders van het kosmologisch bewijs komen opdagen, om weer op eene andere manier
cene verklaring te beproeven van eene wereld zonder God, deze enkele gedachte verslaat ze allen: dat de wereld nu eenmaal veranderlijk is, een bestendig worden en vergaan, dus niet met absolute noodzakelijkheid bestaat ; dat zij dientengevolge een ander, met noodzakelijkheid bestaand wezen veronderstelt als den laatsten grond van al wat bestaat.
Reeds Aristoteles heeft deze gedachte begrepen en ontwikkeld in den volgenden gedachtengang, zooals P. Pesch ons dien aanvoert.
âDaar de beweging en de verandering der wereld van eene bewegende kracht uitgaat, zoo veronderstelt deze beweging ook wanneer ze als zonder begin gedacht wordt â eene bewegende kracht, die als voorwaarde van alle beweging zelf onbewogen zijn moetquot;. (Ik zou dit kort en bevattelijk zoo uitdrukken: aan het passieve moet steeds het actieve voorafgaan.) âAan deze gevolgtrekking kan men niet ontkomen door te zeggen, dat de in beweging zijnde stofdeeltjes elkander wederkeerig beweging meedeelen. Immers het bewegende moet altijd reeds zijn, wat het bewogene eerst wordt; dit kan dus niet tegelijkertijd en onder hetzelfde opzicht in beweging brengend en zelf bewogen zijn. Ild onveranderlijke, is voorwaarde van al wat veranderlijk in: hel is noodzakfljk, en wel in dien zin, dat het ijecns-zins als niet beslaande kan worden 'jeilaehl.... Onveranderlijk rust het goddelijk Wezen in de ééne gedachte, waarin (lod zichzelf denkt; daarin bestaat zijn leven, zijne zaligheidquot;. ')
God is dus de eerste oorzaak van al wat bestaat. Hij zelf bestaat noodzakelijk, bemint en wil zijn bestaan noodzakelijk. De geschapen dingen roept Hij te voorschijn, omdat, wanneer en zooals Hij het wil, zóó, dat Hij het niet behoefde te doen. Krachtens deze zijne vrijheid, heeft Hij eens het heelal uit niets geschapen en wel (als wij de theorie van Kant-Laplace aannemen) als een onmetelijken gas-vormigen bol. Deze gasvormige bol wentelde zich om zijn as. verkoelde en scheidde, volgens mechanische wetten, door
1) Pe.scli. WoltrUlliscl I n. 400.
de middelpuntvliedende kracht de afzonderlijke hemellichamen af. Eindelijk verscheen ook onze aarde als afgezonderde planeet, een gasvormig, later een vloeibaar gloeiend, eindelijk, door nog sterkere afkoeling, een vast lichaam, zonder eenige kiem van organisch leven.
Langzamerhand was de aarde zoozeer afgekoeld, dat zij geschikt was om organische wezens op te nemen. Maar, waai-*1 Heze zoeken? Slechts een hernieuwd ingrijpen van den scheppenden wil Gods kon de eerste cel en de afzonderlijke soorten der planten- en dierenwereld te voorschijn roepen.
Doch, aan het geheel ontbrak de koning, een denkend en willend wezen, dat zijnen Schepper kende en beminde. Toen schiep God den mensch. Hij schiep hem naar zijn beeld, met verstand en vrijen wil begaafd.
Ziedaar de eenig mogelijke oplossing van het wereldraadsel. Zonder God, uit het niet, zelfs uit eene eeuwige leven-looze materie (als die mogelijk ware) kunt gij nooit of nimmer de wereld verklaren. Met God is alles verklaard,tenminste elke tegenstrijdigheid opgelost. Want doordringen tot In de diepte van het goddelijk wezen kunnen wij niet; zelfs de geschapen dingen zijn vaak voor onzen blik verborgen. Slechts zooveel zien wij duidelijk In: de eenig mogelijke verklaring van de wereld is de aanneming van eenen bulten de wereld staan-den, persoonlijken Schepper, d. w. z. van eenen Schepper, die denkt en wil. De tegenovergestelde, zoogenaamde monistische of pantheïstische theorie Iaat niet alleen menig punt in 't duister, maar voert noodzakelijk tot ongerijmdheden.
Het diepste wezen Gods is dus voor ons ondoorgrondelijk. Zooveel echter kunnen wij zien: die volmaaktheden, die Hij aan de wereld meedeelde, moet Hij, de Maker dei-wereld, In onvergel'jkelijk hoogere mate bezitten. Vult de wereld eene ons onmetelijk schijnende ruimte, Gods tegenwoordigheid moet de grenzen dier ruimte nog overschrijden, is de wereld schoon, God moet onvergelijkelijk schooner zijn; kan de mensch denkenen willen. God, die den mensch heeft uitgedacht en gewild, moet In onvergelijkelijk hooge-fen graad deze vermogens bezitten; is het eene volmaakt-
heid in den mensch, deugdzaam, op de eerste plaats waarachtig in zijne mededeelingen te zijn, van (rod geidt dit in onvergelijkelijk hoogere mate. Nog eene schrede verder kunnen wij indringen in de diepe mysteriën der Godheid. Niet alleen in zeer hoogen graad moet God alle denkbare volmaaktheden bezitten, maar letterlijk in oneindigen graad. Dit volgt uit het begrip van een wezen, dat met absolute noodzakelijkheid bestaat. Klaarblijkelijk is deze oneindige volmaaktheid op de eerste plaats wat den duur aangaat: d. w.
niet alleen moet God de geheele wereld, wijl Hij ze te voorschijn riep, in ouderdom overtreffen; Hij moet veeleer oneindig oud, d. i. eeuwig zijn; want ware Hij niet eeuwig, dan was Hij door een ander wezen geschapen; ware Hij niet eeuwig, dan bestond Hij niet noodzakelijk, maar zóó, dat het ook zou kunnen zijn, dat Hij niet bestond. Hij kan echter geenszins niet bestaan; dus heeft zijn bestaan geen begin gehad en zal ook geen einde hebben. Wat echter van zijn bestaan in 't algemeen geldt, geldt ook van zijne eigenschappen; had God niet reeds eene oneindige kennis, eene oneindige macht, eene oneindige waarachtigheid, dan zouden deze eigenschappen voor vermeerdering vatbaar zijn; immers wat ik bijv. nog niet weet, kan ik nog leeren; zouden nu echter deze eigenschappen vermeerderd kunnen worden, dan zou God veranderen; iedere verandering is echter in strijd met een noodzakelijk bestaand wezen: bijgevolg bezit (iod alle denkbare volmaaktheden zoo oneindig, dat ze voor geene uitbreiding vatbaar zijn, en zoo noodzakelijk, dat ze nooit en door niets kunnen afnemen.
Wilt gij hieruit nog een verder besluit trekken, dan kunnen we uit het gezegde onmiddellijk afleiden, dat het veelgodendom eene ongerijmdheid is. Kr kan slechts één God bestaan. Immers twee Goden zouden elkaar wederkeerig in hunne macht beperken; geen van beiden zou oneindig volmaakt, geen van beiden (iod zijn. Deze ééne God, die een noodzakelijk postulaat der wetenschap uitmaakt, is dus de eerste oorsprong van ieder werkelijk en ieder denkbaar bestaan.
Hieraan nu zou ik u willen verzoeken, nog eene andere.
26
meer practische gevolgtrekking te willen vastknoopen: God, de Almachtige, Algoede, heeft ook u geschapen. Gij zijt dus verplicht, Hem als uwen Schepper en Heer te erkennen en te eeren: gij zijt verplicht, Hem te danken, dat Hij uschiep; gij zijt verplicht, u in zijne goedheid aan te bevelen door gebed. Hij, de oneindig volmaakte en bijgevolg Alwetende, ziet iedere opwelling des harten, ziet dus ieder gebed. Maak u dus uwe ziekte en uwe eenzaamheid ten nutte, om tot uwen Schepper en Heer, tot uwen Vader in den hemel te bidden. Schaden zal het u niet, daarvan kunt ge zeker zijn, wel kan het u baten voor tijd en eeuwigheid 1
4. God, de laatste Bron van recht en plicht.
K. Ik dank u. Pater, voor het gesprek van gisteren avond. Ik heb de dingen van een andere zijde leeren beschouwen. Ook heb ik in de âWeltrathselquot; gelezen en moet u bekennen: de verschillende bestrijders van het bestaan van God zijn daar grondig weerlegd.
P. Maar, hebt gij ook gebeden?
E. Gij zet me het mes op de keel. Maar neen! Ik neem het u niet kwalijk. Ik wil 't u gul bekennen: ik heb gebeden.
Ik dacht bij mijzei ven: Als er geen God is, als er hoegenaamd niets bestaat buiten deze zinnelijke wereld en als met dit leven alles is afgeloopen, dan kan het mij toch in geen geval schaden, dat ik bid; het is hoogstens eene kleine zwakheid, waarvoor ik buitendien niemand verantwoording schuldig ben. Is er echter wel een God, die mij geschapen heeft en mijne geheime gedachten leest, dan kan het mij zeer schaden als ik Hem misken. Ik heb dus gebeden.
P. Wat dan, als ik zoo nieuwsgierig raag zijn?
h. Het âÃnze Vaderquot; zooals mijne moeder dat mij in
27
mijne kindsche dagen heeft geleerd. Het was sedert vele jaren weer voor het eerst.
Maar ik moet u toch bekennen: Kenige dingen zijn mij nog duister.
P. Waar hapert het dan?
E. Gij weet zelf, dat de hedendaagsche wetenschap vrij algemeen de monistische leer huldigt, dat zij geenen buiten de wereld staanden God erkent. De gronden, waarop deze leer steunt, zijn wel, zooals ik nu inzie, tamelijk pover, maar toch begrijp ik niet, waarom zooveel geleerden het bestaan van God loochenen.
P. Omdat het lastig is de tien geboden van dien God te onderhouden.
E. Maar wat heeft dan de wetenschappelijke overtuiging â met hét practische leven uit te staan?
P. Zeer veel. Het is een oude regel: âWat men wenscht gelooft men graag.quot;
Geef een advokaat eene zaak te bepleiten; na eenige studie in de akten zal hij meestal van de rechtvaardigheid der hem toevertrouwde zaak overtuigd zijn, terwijl zijne tegenpartij even zeker het tegendeel voor waar houdt.
Als er nu een God bestaat, die gezegd heeft: âGij zult geen overspel bedrijven, gij zult niet stelen, gij zult geen valsche getuigenis gevenquot;; als zelfs de leer van de eeuwigheid der helsche straffen geen fabel is: dan wee tiengenen, die deze geboden overtreden 1 Zij vinden geen rust, totdat zij zich wederom met God verzoend hebben, ol â ais zij dit niet willen, als zij hun leven niet willen veranderen â totdat zij zich wijs gemaakt hebben: er is geen God. En als hun dit, ondanks alle inspanning, niet gelukt, dan stellen ze tenminste als onaantastbaar dogma vast: God is oneindig goed, daarom is er geen hel.
Beschouw nu de sociale toestanden der moderne beschaafde wereld en gij bezit den sleutel voor het werkelijk of schijnbaar ongeloof van zoovele geleerden.
E. Is dit uwe overtuiging?
P. Zeer zeker! â Ware het bestaan van (lod eene voor het practische leven even onverschillige waarheid als de
2S
stelling van Pythagoras, er zouden geenegodloochenaars zijn. Nu echter zoekt men naar schijngronden, om zich denlasti-gen Rechter, zijne zedenwet en zijne eeuwige straffen van den hals te schuiven.
Deze verklaring dringt zich vooral met kracht aan mij op, tegenover vele zoogenaamde resultaten der natuurkunde. \ roeger zei men, Langenbeck (als ik mij niet vergis) had bewezen, dat de schedelvorming der menschenrassen zooveel verschil toonde, dat de afstamming van één ouderenpaar onmogelijk scheen. Tegenwoordig geeft men aan het ge-heele menschelijke geslacht niet slechts een aap tot stamvader, maar eene primitieve cel, die noch schedel, noch hersens heeft. Waarom ? Omdat, op de eene zoowel als op de an* dere wijze, de geloofwaardigheid van het Mozaïsch scheppingsverhaal en bijgevolg de H. Schrift en het geheele Christendom wordt over boord geworpen en omdat men meent, alsdan ook den Schepper geheel te kunnen loochenen.
E. Gij meent dus, dat de lastigheid van de christelijke zedenwet de oorzaak is van het ongeloof?
1'. Inderdaad. Nu zijn er echter ongetwijfeld velen, die met den grooten hoop meedoen; misschien ook zoodanigen, die door het opzetten eener nieuwe philosophische theorie naam willen maken. Is nu zulk een heethoofd niet zooveel mans, om als een Kepler of Newton nieuwe waarheden te ontsluieren, dan helpt hij zich bewust of onbewust met nieuwe dwalingen en natuurlijkerwijze zoekt hij instinctmatig die uit, waarmede hij bij het volk, zooals dit er meest aan toe is, de beste zaken maakt. Zoo komt men dan tot een systeem, waarin niet de leer van het Kruis, maar wel die van de vrije liefde een plaats vindt. Ziedaar het gj'.ieim van onze moderne philosophic.
E. Uw oordeel is scherp !
IJ. Maar waar.
E. Is er dan geene lastige zedenwet, ook wanneer men het bestaan van God loochent?
1'. elke wetgever en welke rechter zou mij dan nog ter verantwoording kunnen roepen?
E. De Slaat.
P, En wanneer ik clan zelf hoofd van den Staat, wanneer ik onbeperkt monarch ware? Dan zou ik. als de koning van Dahomey, mijne onderdanen naar willekeur om ha!s kunnen, brengen.
E. Dat zou in strijd zijn met de rede; een mensch moet redelijk handelen; de autonome rede, zoo oordeel ik met Kant, is zijne wet.
P. Krachtens welken rechtstitel ben ik dan aan de rede, als aan mijne koningin, gehoorzaamheid schuldig ? Zij is niet ouder dan ik, staat niet hooger dan ik, is niet beter dan ik, geschapen heeft ze mij ook niet en evenmin heb ik mij door contract verplicht haar te gehoorzamen. Bovendien, (gij zijt immers rechtsgeleerde) hoe kan tusschen mij en mijne rede eene door het recht gevorderde afhankelijkheidsverhouding bestaan, daar wij beiden ten slotte identisch zijn?
E. Als gij eenen rechtstitel verlangt, dan stel ik op mijne beurt de vraag: welken rechtstitel kunt gij aanvoeren, krachtens welken ik uwen buiten de wereld staanden God gehoorzaamheid schuldig zou zijn?
P. Een zeer eenvoudigen: Hij heeft u uit het niet te voorschijn geroepen, gij zijt bijgevolg zijn eigendom, evenzeer als het schilderstuk eigendom is van den schilder, die het geschilderd heeft, ten minste wanneer ook kleuren, penseel en linnen hem toebehooren.
E. Zulk een rechtstitel kan ik inderdaad niet aanvoeren, wanneer ik het bestaan van God loochen. Het heelal zinkt klaarblijkelijk door deze loochening van de absolute monarchie, met God als monarch, niet alleen tot eene republiek, maar tot anarchie, althans wat de verhouding betreft van de onbeperkte monarchen tot elkander en tot hunne onderdanen; want voor de onderdanen zou ik nog het princiep kunnen doen gelden: âde Staat is het openbaar gewetenquot;; immoreel is datgene wat de Staat verbiedt.
P. Dan moet gij ook elke moraal loochenen, zoolang zich eene volksplanting nog niet tot Staat heeft gevormd. Dan moet ge alles voor zedelijk geoorloofd houden, wat de staatswetten niet direct verbieden, bijv. de leugen.
E. (lij hebt gelijk wie mij dit anders zou kunnen verbieden, is mij een raadsel.
P. Nog meer! Ook aan den Staat en diens wetten behoeft gij ii volstrekt niet te storen. Immers wat gaat u de Staat aan, heeft hij u soms geschapen, of hebt gij hem gehoorzaamheid beloofd ?
E. Zulk eene belofte wil ik eens veronderstellen.
P. (Jok dat helpt u niet. Wie verplicht u, een gegeven belofte te houden? Bestaat er een (lod, die u schiep, dan is Hij het, die u daartoe verplicht. Is er echter geen God, waarom zoudt gij dan ten opzichte van den Staat uw gege ven woord niet evengoed mogen breken, als gij ten opzichte van anderen moogt liegen, bedriegen, stelen en moorden ? Als er een (lod bestaat, die door zijne alwetendheid alles gedachten zoowel als werken j die door zijne rechtvaardigheid in het andere leven eenieder loon of straf toemeet, juist zooals hij verdient, en daardoor het hier op aarde dikwijls zoo ongelijke levenslot der menschen in evenwicht brengt: dan bestaat er eene voldoende sanctie voor goed en kwaad. Is er echter geen God, dan is de sanctie van den Staat met al zijne middelen toch waarlijk niet toereikend. Noch om te straffen, kan het strafwetboek en de politie,-noch om te beloonen het avancement en de verschillende klassen der ridderorden volstaan. Ja, zoodra men God loochent is het gedaan met elke politieke en sociale orde en kan nog slechts het vuistrecht heerschen , de algemeene strijd om het bestaan, zooals onder tijgers, slangen en hyena's. En dit zijn niet slechts theoretische gedachten, maar uiterst practische waarheden. Wel zal het geloof aan God nooit in die mate verdwijnen, dat het volstrekt geen invloed meer uitoefent op de openbare zedelijkheid ; maar een dalen en stijgen van dit geloof in 't openbare leven, heeft noodzakelijk een toenemen en afnemen der misdaden ten gevolge.
Dat kon men in Pruisen ten tijde van den kuituurkamp waarnemen. De strijd tegen het positieve Christendom, vooral onder de aera Falk, had noodzakelijkerwijs een afnemen van het Godsgeloof tengevolge, in de eerste plaats bij
de jeugd. En hoe stond het met het cijfer der misdaden?
In de zes jaren van 1872 tot 1877 steeg het getal der misdaden bij de minderjarigen van 693 tot 1197 en dat der misdrijven van 7843 tot 11152.
Het getal der misdrijven , die voor de rechtbank verhandeld werden, steeg van 1872 tot 1878 als volgt:
Misdrijven tegen de Keizerlijke (Koninklijke)
waardigheid.........van 134 tot 1994
Misdrijven tegen het openbaar gezag â 4787 â 7273
Misdrijven tegen de openbare orde . . â 5360 â ^724
Muntmisdrijven . ,......â 76 â 485
Meineed.............59 » quot;94
Valsche getuigenis 250 â 605
Misdrijven tegen de zeden . . . . â 1262 â 2661
Misdrijven tegen het leven gericht . â 171 â 297
Mishandelingen..........9906 â 19135
Afpersing en afdreiging.....â 87 â 280
Bankbreuk............233 u 801
Opzettelijke brandstichting .... â 270 â 425
Gij kunt deze aanteekeningen verifieeren in de tabellen van den geheimen Oberjustizrath in het Pruisische Ministerie van justitie, W. Starke, uit wiens werk (âVerbrechen und Ver-brecher in Preussenquot; Berlin 1884) ik ze toen ter tijd heb gemaakt.
Middelerwijl is het getal der jeugdige misdadigers reeds wederom van 13313 in het jaar 1878 op 19353 in het jaar 1881 gestegen. Als dat zoo doorgaat, dan kunnen we het, zooals 't mij toeschijnt, nog ver brengen in het âpractische Christendom.quot;
E. Dit zijn inderdaad ontzettende vruchten van den kuituurkamp.
P. Vatten we nu ons bewijs voor het bestaan van (iod, zooals dit niet alleen uit de physieke, maar ook uit demo-reele orde kan worden getrokken, in een paar woorden samen:
Bestaat er onderscheid tusschen goed en kwaad, tusschen recht en onrecht?
E. Ja.
P. Kunt gij dit onderscheid, kunt gij den plicht, het goede
32
te lt;loen en het kwade te laten, verklaren, als er geen God bestaat, die u schiep?
E. Neen.
P. Dan is er een God; of gij moet de mogelijkheid opgeven, het onderscheid tnsschen goed en kwaad wetenschappelijk te verklaren.
Wat ik aan dit bewijs nog zou kunnen toevoeger, zou alleen de meedoogenlooze klaarheid ervan nog meer in 't licht stellen. Veroorloof mij nog, u voor te lezen, wat zelfs Schopenhauer over dit onderwerp zegt;
âIedere vorm van pantheïsme moet ten langen laatste schipbreuk leiden op de onafwijsbare'eischen der ethica. Is de wereld eene theophanie, dat is alles wat de mensch, ja ook wat het dier doet, in gelijke mate goddelijk en voortreffelijk: niets kan dan afkeurenswaardig zijn, niets prijzenswaardig, het eene niet in meerdere of mindere mate dan het andere: dus geen ethica.quot; i)
Ook eene passage uit de ,Weltrüthselquot; mag ik er nog wel aan toevoegen. Deze passage vat het onderwerp van ons gesprek van eergister, gister en van daag in deze woorden saam:
âTot aan het wezen der Godheid reikt onze kennis. God als het ongeschapen, noodzakelijk Zijn, is de zuivere werkelijkheid, is oneindig. In het door zichzelf bestaande wezen heeft het zijn zijn grond in het wezen; het zijn echter dat uit het wezen Gods voortvloeit laat zich niet beperken, het omvat alle ook slechts denkbare volmaaktheden. In God is alles,wat wij aan volmaaktheden in dedingen waarnemen,hoewel zonder hunne beperkte eigenaardigheden. Het weten (iods is het meest ware,ons weten isslechts een zwakke afspiegel i ng ervan.quot;
âGod is oneindig gelukzalig en Zichzelf genoegzaam : want Hij bezit het absoluut ware, goede en schoone. God heeft de wereld niet geschapen om iets te verwerven, dat Hij niet bezat, maar door een vrij besluit van zijn wil, uit goedheid, om in zekeren zin aan anderen mee te deelen hetgeen Hij bezit.quot;
â \X Schopcnliaucr. Die Wolf als Willo J|. bladz. (i77.
âDatgene, wat God schept, is eene afstraling Zijner goddelijke Volmaaktheid, eene openbaring van Zijne onmetelijkheid, Zijnen rijkdom; vandaar de onmetelijke omvang van het heelal volgens ruimte en tijd, vandaar de overweldigende overvloed der meest verschillende wezens en inrichtingen in de natuur, :)ij de grootste eenvoudigheid van middelen, De wereld kan echter niet absoluut volmaakt zijn; want absoluut volmaakt is alleen Clod, en omdat zij eindig en beperkt is, is zij met onvolmaaktheden en gebreken behept.
âEn wijl wij God erkennen, daarom erkennen wij in ons verstand eenen goddeljken en heiligen regel, eene onkreukbare zedenwet. Deze bevat voorschriften, waardoor Gods eeuwige Wijsheid het vrije doen en laten der met verstand begaafde schepselen regelt en die Hij ons bekend maakt door het licht onzer rede. Zij heeft haar diepsten grond in onze verhouding tot het einddoel der schepping. Haar inhoud wordt bepaald door de grondgedachte, dat wij de door God gewilde en in de natuur neergelegde orde uit gehoorzaamheid jegens God moeten bewaren. De formeele grond van alle zedelijkheid is op de eerste plaats eerbied voor God. het absolute Goed: op de tweede plaats achting voor de eigen rede, waarin de goddelijke Wil is uitgedrukt. Onze hoogste plicht bestaat daarin, dat wij ons aan het gezag Gods onderwerpen; een daaruit volgende plicht is het, dat wij de waardigheid als mensch in ons en in anderen zuiver hebben uittedrukken en te bewaren.quot; ')â¢
Dit moge voor heden voldoende zijn. Nogmaals echter verzoek ik u te bidden en dan ook tevens een klein gewetensonderzoek in te stellen omtrent de gronden, die in u het Godsgeloof, dat gij ongetwijfeld in uwe kindsche jaren hebt bezeten, hebben verdrongen. Zoudt gij u op dit punt tot eenig eerherstel jegens God verplicht gevoelen, zoo verzoek ik u, dat in uw hart recht nederig en ernstig God aan te bieden.
34
5. God de bron van het hoogste geluk.
R. Ik ben blij dat gij komt. Pater, om het gesprek van gisteren voort te zetten. Hebt gij nog meer bewijzen voor het bestaan van (Jod?
P. Zijn ii de aangevoerde bewijzen nog niet voldoende?
E. Voor het vestand wel; maar het hart wil ook iets hebben. Met andere woorden: Ik zie wel, dat noch het bestaan der wereld met hare beweging, verandering en wonderbare orde, noch het onderscheid tusschen goed en kwaad kan worden verklaard zonder een Schepper, als laatsten grond van elk bestaan, van alle waarheid en van al het zedelijk goede.
Maar deze kennis laat mij in zekeren zin koud. Aan de eene zijde staan de aangename genietingen des levens, eene door niets beperkte vrijheid van denken en handelen; aan de andere zijde, d. w. z. zoodra ik eenen God aanneem, voel ik mij gebonden, als 't ware beroofd van mijne vrijheid en schijnt mij alles somber.
I'. Sta mij toe, de zaak een weinig anders te beschouwen, en wel evenzeer ten opzichte van het zoogenaamde aangename en gelukkige der ongodisten, zooals gij het mij schildert, als ten opzichte van het sombere dat gij vindt in de erkenning van God.
Maakt dan het atheïsme zijne volgelingen wel inderdaad gelukkig? Ik spreek er hier niet van, dat het noodzakelijk moet uitloopen op de eeuwige straffen der hel; dat wil ik er hier buiten laten. Ik vraag u slechts; maakt de atheïstische levensphilosophie hare belijders gelukkig voor den tijd van dit leven?
Stellen wij het geval: een atheïst is jong, rijk, gezond, geëerd en bemind door iedereen. Is hij daarom werkelijk gelukkig? Moet hij zich zelf niet bestendig getuigen, dat hij met iederen dag ouder wordt en den dood naderbij komt? Dat heel zijn geluk, in het gunstigste geval, na eenige tientallen van jaren een eind zal nemen? I.eeft hij niet in de pijnlijkste onzekerheid omtrent de vraag: wat dan ?quot;
Maar verondersteld dat het hem zou gelukken, zich zoo-
/.eer te laten bedwelmen, dat hij aan het sterven niet meer denkt, bevredigt hem dan werkelijk zijn leven? Zullen hem niet zelfs bals, concerten, theater-voorstellingen en romans een walg worden, als eenmaal de eerste bekoorlijkheid van het nieuwe verdwenen is?
Bedenk echter wel dat wij de gunstigste voorwaarden hebben genomen om eenen atheïst gelukkig te vinden. Neem nu eens die menschen, die volgens de gewone opvatting niet gelukkig zijn: neem bijv. die ontelbare menigte van fabrieksarbeiders, van armen, zieken en door ouderdom uit-geputten. Wat voor geluk vinden zij in hun atheïsme ? Hoogstens het vooruitzicht op Ed. v. Hartmann's nirwana: d. i. de gedachte dat spoedig alles voorbij is. Inderdaad een zeer negatief geluk. Maar ook zelfs dit genieten zij niet: want nooit of nimmer kunnen zij zich zekerheid verschaffen, of er misschien toch nog niet een (lod en een hel is.
E. Zoo geheel en al ongelijk kan ik u niet geven. Maar ik zou toch ook wel eens willen zien, hoe gij het geluk van den theïst, van den Christen opbouwt?
1'. Goed. Op de eerste plaats moet ge vasthouden, dat (lod de volheid der volmaaktheden in zich vereenigt. Dit is een eigenschap van het absolute Zijn in ieder opzicht. Hij is volmaakt wat ruimte betreft d. i. Hij is alomtegenwoordig en is overal geheel; Hij is volmaakt wat tijd betreft d. i. zonder begin of einde, zoodat alles wat wij verleden, tegenwoordig en toekomstig noemen, voor Hem altijd evenzeer tegenwoordig is; Hij is volmaakt in het erkennen d. i. alwetend en oneindig wijs; Hij is volmaakt in het willen d. i. oneindig heilig; Hij is volmaakt in de uitvoering van Zijn wil d. i. almachtig. Kortom alwat gij in de wereld aan volmaaktheden vindt, of ook slechts bedenken kunt, dat bevindt zich in God in oneindige mate. Het bestaan van den mensch volgens ruimte en tijd, zijne kennis, zijne deugd, zijne kracht, dat alles is als een druppel uit de zee der overeenkomstige volmaaktheden in God, of gelijk een straal van de zon der oneindige volmaaktheid: God. Maar neen I De vergelijking voldoet niet: letterlijk
36
toegepast zou ze zelfs tot pantheïsme leiden. De zee wordt kleiner, ook wanneer men slechts eenen druppel eruit schept. God echter werd niet kleiner, toen Hij geheel de wereld in 't leven riep. Zeggen wij dus liever: de volmaaktheden van den mensch en van de wereld in 't algemeen zijn ais eene zwakke, gedeeltelijke afstraling der overeenkomstige volmaaktheden van God, het absolute Zijn.
Onder de volmaaktheden, die wij aan de dingen waarnemen, bevindt zich nu ook deze, dat ze ons vreugde verschaffen, dat ze ons gelukkig maken, dat ze schoon zijn. Zoo vervult ons het Alpengloeien der Zwitsersche bergen met eene bewondering, die met een gevoel van vreugde is gemengd; zoo storten ons een Dante, een Michelangelo «loor hunne grootsche scheppingen geestdrift in 't gemoed; zoo sleept ons eene symphonie van Beethoven mee.
Nu trek ik het besluit: ook deze soort van volmaaktheid, «leze zaligende kracht is slechts een druppel uit die zee van schoonheid, van zaligende kracht, die God bezit. Uit deze zee moeten wij drinken in alle eeuwigheid, deze zee kunnen wij nooit uitputten, wijl zij oneindig is.
Theatervoorstellingen, bals, plezierreizen stillen misschien voor een wijl onzen dorst naar gelukzaligheid; maar toch slechts op eene tamelijk armzalige wijze. Nadat wij zeeenigen tijd genoten hebben is hun genot uitgeput. Wij hebben den beker tot op den bodem geledigd en doen nu de pijnlijke ondervinding op dat zijne zaligende kracht ten einde is.
Wetenschappelijke studiën en de beoefening der kunst staan wel is waar iets hooger en bieden misschien enkele druppels meer; maar het zijn toch slechts druppelen en ook zij raken uitgeput, wanneer zij niet in gemeenschap staan met de zee van zaligheid, wanneer zij hunne waarheid en schoonheid niet ontleenen aan den oorsprong van alle zaligheid, wanneer zij niet uit de eeuwige waarheids- en schoonheidsbron zijn geschept.
Van die lagere genietingen, die door ontnuchtering en walg o]) den voet worden gevolgd, wil ik niet eens spreken.
Tegenover dat alles is in God eene onuitputtelijke zee van schoonheid en zaligende kracht; en die zee van schoon-
37
heid en geluk moeten wij genieten, genieten in alle eeuwigheid en in de volle zekerheid dat wij ze nooit zullen verliezen, nooit zullen uitputten, dat ze ons steeds verzadigen, nooit oververzadigen zal.
E. Dit geluk mag inderdaad groot zijn, maar toch geelt het mij slechts troost voor de toekomst aan gene zijde des grals !
1'. O neen'. Een heerlijke straal van dat geluk schittert ook aan deze zijde van het graf. Ik keb de zekerheid, dat ik na den dood dit geluk zal erlangen, mits ik de voorwaarden vervul, die God gesteld heeft. In dit vooruitzicht doorleef ik de weinige jaren hier beneden. Wat deze mij aan vreugde bieden, neem ik dankbaar aan: bij het onaangename, dat zich voordoet, vind ik mijn troost .n de gedachte, dat het spoedig voorbijgaat. De dood zelf, dat schrikbeeld van den atheïst en den wereldling, wordt mij een vriend, eene poort die mij toegang verschaft tot de oneindige zee van schoonheid, tot God. Maar mijn vermogen, dat geluk te genieten is, eindig: het staat in verhouding tot het zoogenaamde lumen f/loriac (het licht der glorie), dat ik in den hemel ontvang. Dit lumen ijloriue echter staat wederom in verhouding tot het lumen gratiae, tot de heilig-makende genade, die ik op aarde heb verworven. Deze te vermeerderen, dat heeft mij God volkomen in de hand gelegd. Iedere waardige ontvangst van een sacrament, ieder werk, dat ik uit liefde tot (iod verricht, seller kruis, dat ik met overgeving aan Zijn heiligen wil draag, vermeerdert dit lumen ijratiae.
Neem eenen armen fabrieksarbeider ot eene oude zieke bedelares, en zeg hun dit. Zullen beiden niet gelukkig zijn te midden van al hunne ontberingen, van al hun lijden?
E. Waar vindt ge echter menschen, voornamelijk arme, onontwikkelde lieden, die hiervan overtuigd zijn?
P. Overal in iedere waarlijk christelijke bevolking, lie-geef u slechts in de arme dorpen van den Eifel en gij zult mijne woorden in al hun omvang bevestigd vinden. Vanal hunne prdle jeugd worden die menschen m deze waarheden onderwezen en ze worden door hen verstaan en levendig en blijmoedig geloofd,
3«
K. Dan moet ik zeggen, dut het woord in vervulling gaat: âDen armen wordt het Evangelie d. i. de blijde boodschap verkondigd.quot; Zulk een geluk zoekt ge bij de atheïstische professoren der hoogescholen vergeefs. En toch kan ik niet loochenen, dat ik hier, bij de arme liefdezusters, zulk een geluk meen te hebben bespeurd.
1'. Ik zou echter hieraan nog eene andere gevolgtrekking willen vastknoopen, en wel deze: dat de christelijke levensopvatting niet alleen meer geluk verschaft, maar ook de ware is, in tegenstelling met de atheïstische of, zooals ze zich euphemistisch noemt, met de monistische. Zoo gij namelijk niets aanneemt dan eene wereld zonder God, dan hebt ge de schreeuwendste disharmonie in de sociale orde. De wereld wordt dan eene reusachtige machine, die ons, zooals David Strauss in zijn atheïsme vol wanhoop uitroept, op een gegeven oogenblik verplettert, zonder dat wij er het minst aan kunnen doen. Eene Voorzienigheid bestaat er niet. Dus den ellendige, den zieke, den vertrapte blijft niets anders over dan de haat, de bleeke nijd en de wanhoop. En deze chaos zou zich met absolute inwendige noodzakelijkheid uit hel Niet, uit het âeeuwig ledigequot; hebben opge werkt? Dat geloove wie 't kan!
(lelooit gij aan (lod, den Belooner van het goed, den Wreker van het kwaad, dan lost zich elke wanklank op in eene harmonie van hoogere orde. De wereldgeschiedenis wordt een geweldig geest- en hart-bevredigend eenig drama, waarin het laatste oordeel het slottooneel vormt, om het ongelijke in het aardsche lot in evenwicht te brengen en eenieder te geven volgens zijne verdienste. Hier zie ik licht en klaarheid. Het andere is logen en bedrog, er op ingericht om den geest des menschen in duisternis te hullen, hem in een vlaag van vertwijfeling den lagen genietingen dezer wereld, naar het voorbeeld van Kaust, in de armen te jagen, hem verwijderd te houden van (lod, Zijnen Schepper en Heer, hem af te scheiden van zijn doel en einde, de eenige bron, waaruit hem zaligheid toestroomt en geluk.
Wees ervan overtuigd: nergens, nergens ter wereld vindt gij rust, vrede en waarachtig duurzaam geluk, dan in een
39
kinderlijk, nederig geloot aan Uod, uwen Vader in den hemel.
6. Wonderen.
E. Den vorigen keer wildet gij mij toonen, hoe het geloof aan (iod harmonie brengt in het heelal, hoe het de dissonanten oplost, die zonder het geloot zich in de sociale orde zouden doen gelden.
Ik vind echter eene zekere disharmonie en willekeur in bijna alle theïstische godsdiensten, in het Christendom, in het Jodendom, in het Mohammedanisme en hoe zij alle mogen heeten ; want algemeen steunen ze min of meer o]i wonderen.
âDas Wander ist des tiluubeiis liehstes Kind'.quot;
Hiertegenover schijnt mij de monistische of, als gij wilt, de atheïstische wereldbeschouwing redelijker te zijn. Deze laat zulke onregelmatigheid niet toe en laat de heerschappij der natuurwetten onaangetast.
I'. Houdt ge het voor eene disharmonie in de rechtsorde, wanneer een monarch een misdadiger begenadigt ?
E. Neen, maar wat bedoelt ge met deze vergelijking?
F. Ze moet u toonen, dat uitzonderingen op wetten somtijds geene disharmonie, maar slechts de harmonische toepassing zijn eener hoogere wet.
Op moord bijv. staat de doodstraf. Xu heelt iemand een moord begaan en is gerechtelijk ter dood veroordeeld. Kr bestaan echter buitengewone omstandigheden, die in dit geval de straf te streng doen schijnen. De koning schenkt daarom den misdadiger genade. Is dit eene disharmonie?
E. Neen, want het, hoofd van den Staat bezit het recht om genade te verleenen, krachtens eene wet.
1'. Maken we nu de toepassing op ons geval. Hij, wien een dolksteek wordt toegebracht in het hart, sterft volgens
4°
ile gewone wetten der natuur. God echter wil uit barmhartigheid den verwonde in het leven behouden. Gelooft gij niet, dat Hij, die niet enkel het hart, maar den geheelen mensch schiep, in staat zou zijn de , wonde te sluiten en in dit geval, bij uitzondering, den dood te verhoeden ?
E. Zeker kan Hij het: maar dan stoort Hij den gang der natuurwetten.
F. Niet meer of niet minder, dan de monarch door zijne amnestie de rechtsorde stoort. Wordt hier de schijnbare disharmonie door eene hoogere beweegreden in harmonie veranderd, dan ook in het andere geval.
E. Gij hebt gelijk. Maar toch zijn wonderen slechts dan mogelijk, wanneer gij eenen persoonlijken God aanneemt, die de wereld schiep en er als 't ware voortdurend de hand aan houdt. Heeft zich daarentegen alles zonder God uit de eeuwige materie volgens eeuwige wetten ontwikkeld, dan is het wonder een onding.
f. Dit ben ik volkomen met u eens. Ik maak echter juist van deze uwe gedachte een nieuw argument voor het bestaan van God. Ik beweer dan: Is er in den geheelen loop der geschiedenis ook slechts een enkel wonder voorgekomen, dan bestaat er een persoonlijke God en Schepper, en staat uw monisme met de feiten in tegenspraak.
E. Dat is eene zonderlinge conclusie; maar logisch is ze. Kan dan God werkelijk de eenmaal door hem vastgestelde nataurwetten door een wonder omverwerpen ?
P. Dat nietl Maar uwe veronderstelling is valsch, als hadde God eene natuurwet vastgesteld van dezen inhoud bijv: ,,Ieder mensch, die een dolksteek in het hart ontvangt, sterftquot;. Wilt ge de werkelijk bestaande natuurwet in woorden uitdrukken, dan zoudt ge ongeveer zoo moeten zeggen : âvolgens den natuurlijken loop der dingen sterft de mensch als het hart gewond isquot;. Indien God nu op hovcnnaluur-Ijkc wijze den dood verhindert, dan ligt daarin hoegenaamd geen tegenspraak met die wet. De zaak ligt juist hierin, dat iedere natuurwet voorwaardelijk is, er ligt in opgesloten de voorwaarde, dat God niet op bovennatuurlijke wijze in grijpt.
41
Ongeloovige physiologen mogen misschien, op hunne bekrompen ervaring steunend, beweren, dat er nooit een menscl'. heeft bestaan, die niet een mensch tot vader heelt gehad. Zij méenen hiermede het gronddogma van het Christendom, de menschwording Gods en Zijne geboorte van eene maagd, omver te werpen. Oo den keper beschouwd begaan zulke physiologen slechts een logischen flater, een valsch inductie-bewijs, welks conclusie meer zegt dan uit de premissen volgt. Als deze physiologen in duizend gevallen iets hebben opgemerkt, passen ze, in strijd met de logica, deze ervaring toe-op alle gevallen. Hoe weinig steekhoudend zulk een conclusie is, blijkt eenvoudig reeds hieruit, dat de natuurkundige wetenschap zelve ze logenstraft. Immers, volgens de wetenschap waren er eens geene menschen: nu mag de eerste mensch, zooals het Christendom wii, door God geschapen zijn, of naar Karl Vogt van een beest afstammen; dit staat vast; eenen mensch had de eerste mensch niet tot vader, anders ware hij immers niet de eerste mensch geweest.
E. Dit is inderdaad doorslaand.
P. Veroorloof me, het onlogische van zulk eene lede-neering door eene vergelijking nog meer te doen uitkomen.
Een missionaris stond in hooge achting bij eenen Indischen vorst. Op zekeren keer verhaalde hij dezen, dat in Europa liet water somtijds zoo hard werd, dat men er over kon loopen. Van dit oogenblik af aan had hij het vertrouwen van den vorst verbeurd. Den Indiër, die in zijn tropisch klimaat slechts water, maar nooit ijs of sneeuw gezien had, scheen zulk eene bewering blijkbaar gelogen, wijl ze in tegenspraak was met zijne ervaring.
Op gelijke wijze als deze vorst oordeelen die physiologen, die op grond hunner voorgewende ervaring de schepping van den eersten mensch, of de wonderbare menschwording Gods, of in 't algemeen ieder wonder loochenen. Zonder voldoenden grond een wonder aan te nemen, ware zeer zeker onlogisch; maar even onlogisch en dom is het, zonder de bewijzen te toetsen, a priori ieder wonder te verwerpen, of zelfs de mogelijkheid des wonders te loochenen.
E. Met het bestaan van eenen persoonlijken God, zie ik
42
mij wel genoodzaakt, u de physieke mogelijkheid van wonderen toe te geven. Maar, wat kunnen ze voor doel hebben?
F. Welk doel? Is het niet genoeg, dat ze ten doel hebben eenen ongelukkige te helpen? Meent ge dat God gelijk is aan een hardvochtigen directeur van eene fabriek, die geen oor heeft voor de klachten zijner werklieden, als deze om eene afwijking van den alledaagschen sleur der fabrieksorde verzoeken?
\ eroorloof mij, dat ik u uit het Evangelie eenvouditr
o o
eenige wonderen voorleze, welke Christus wrochtte, en gij zult begrijpen, welk doel God met Zijne wonderen beoogt. /-00 verhaalt bijv. de H. Lucas van den goddelijken Heiland: âEn het geschiedde daarna, dat Hij naar eene stad o'11»; genaamd Nairn; en Zijne discipelen en eene talrijke schare gingen met Hem. Als Hij nu de poorte der stad naderde, ziet, er werd een doode uitgedragen, de eenige zoon zijner moeder ; en zij was eene weduwe; en eene groote schare van de stad was met haar. En als de Heer haar zag, werd Hij met ontferming over haar bewogen, en sprak' tot haar; Ween niet! En Hij trad toe, en raakte de baar aan: en de dragers stonden stil. En Hij sprak; Jongeling, Ik zeg u, sta opl En de doode zat overeind en beijon te
- o
spreken. En Hij gat hem aan zijne moeder. En vreeze beving allen en zij verheerlijkten God, zeggende; Er is een groot profeet onder ons opgestaan; en God heeft Zijn volk bezocht. En deze mare van Hem ging uit in geheel judea en in al het omliggende land.quot; i)
Een ander wonder bericht ons de H. Mattheus. [esus had zich in de eenzaamheid begeven. ..Kn de scharen, als zij het gehoord hadden, volgden Hem te voet uit de steden. Ku uitgaande, zag Hij eene groote schare, en Hij ontfermde zk.h o\er hen en genas hunne zieken. Maar als het avond geworden was, kwamen zijne discipelen tot Hem zeggende: Deze plaats is woest, en de ure is voorbij; laat de scharen
i) Luo. Ml, II 1
43
van u, opdat zij, henen gaande in de vlekken, voor /.ich spijze koopen. Doch Jesus sprak tot hen: Het is niet noo-dig dat zij gaan; geeft gij hun te eten! Zij antwoordden Hem; Wij hebben hier slechts vijf brooden en twee visschen. En Hij sprak tot hen: Brengt ze mij hier! Nadat Hij nu aan de scharen bevolen had, neder te zitten op het gras, nam Hij de vijf brooden en de twee visschen, en opziende naar den hemel, zegende Hij, en brak de brooden en gaf ze aan zijne discipelen en de discipelen aan de scharen. En allen aten en werden verzadigd. En zij namen op, wat overbleef : twaalf korven vol met brokken. En van hen die gegeten hadden was het getal vijfduizend mannen, behalve de vrouwen en kinderenquot;. 1)
Een ander wonder verhaalt de H. Mattheus als volgt: Jesus toog kort voor zijn dood over Jericho naar Jerusalem. âEn ziet, twee blinden, zittende aan den weg, hoorden, dat jesus voorbijging: en zij riepen luide, zeggende: Heer ontferm u onzer, o Zoon van David I Maar het \olk bestrafte hen, dat zij zwijgen zouden. Maar zij riepen te luider, zeggende: Heer ontferm u onzer, o Zoon van David. En iesus stilstaande riep hen en sprak: 'U at wilt gij dat ik u doe? Zij antwoordden Hem: Heer dal onze oogen geopend worden! Jesus nu ontfermde zich hunner, en raakte hunne oogen aan: en terstond zagen zij, en volgden Hemquot;. -) Een ander feit verhaalt de H. Marcus. Jesus ging met zijne leerlingen bij het meer Genesareth aan land. âEn als zij '.lil het schip gegaan waren, herkende men hem terstond. En het geheele land doorloopende, begonnen zij degenen, die krank waren, op bedden te dragen, waar zij hoorden dat Hij was. En waar Hij inging, in vlekken en dorpen of steden, legden zij de zieken op de straten en baden Hem, dat zij slechts den zoom zijns kleed mochten aanraken: en allen, die Hem aanraakten, werden genezen.quot; ?\)
Wederom een ander wonder verhaalt de H. Joannes:
h Mattli. XIV, 1:1-21. 2) Mutlli. \\. Man-us VI r.:i
44
quot;Kquot; cr was cel1 kranke, Lazarus van Bethanië, het vlek van Maria en van hare zuster Martha. Maria nu was degene, die den Heer gezalfd heeft met balsem en zijne voeten gedroogd heeft met hare haren: en haar broeder Lazarus was krank.
-Zijne zusters zonden dan tot Hem. zeggende: Heer. zie, 'jen Gij liet hebt, is krank. Als Jesus het hoorde, sprak
U tot hen : Deze krankheid is niet ten doode, maar ter
verheerlijking Gods, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt worde.
-Jesus nu had Martha en hare zuster Maria en Lazarus
i' ' :r Hij lt;lan gehoord had, dat hij krank was, toen l'leef Hij terzelfder plaatse nog twee dagen. Daarna echter
' ^ tot Z,jnt' discipelen: Laat ons wederom naar [u-
dea gaan! De .iiscipelen zeiden tot Hem: Rabbi! nu zochten de Joden L' te steenigen, en gaat Gij weder derwaarts? Jesus antwoordde: zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand, bij dag wandelt, stoot hij zich niet, omdat hij iet licht dezer wereld ziet; maar indien hij bij nacht wandelt, stoot hij zich, omdat het licht niet bij hem is. Dit zeide Hij, en daarna sprak Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, slaapt, maar ik ga, om hem uit den slaap op te wekken. Zijne discipelen dan zeiden: Heer, indien hij slaapt, zal hij gezond worden. Doch Jesus had van zijnen dood gesproken. maai zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps. 1 oen zeide derhalve Jesus onbewimpeld tot hen: Lazarus is gestorven; en ik verheug mij, om uwentwil, dat ik daar niet «as, opdat gij gelooven moogt. Doch_ laat ons tot hen gaan! Thomas dan, die genoemd wordt Didymus, zeide tot zijne medediscipelen: Laat ook ons gaan, opdat wij met Hem sterven 1
âJesus kwam dan en vond, dat hij alreeds vier dagen in het graf had gelegen. Bethanië nu lag nabij Jerusalem, ongeveer vijftien stadiën ver. En velen van de Joden waren tot Martha en Maria gekomen om haar te troosten over haren broeder. Martha dan, als zij hoorde dat Jesus kwam, ging Hem te gemoet; doch Maria bleef te huis zitten. Martha nu zeide tot Jesus; Heer, zoo Gij hier waart geweest,
mijn broeder ware niet gestorven: maar ook nu weet ik, dat alles, wat Gij van God begeeren zult, God u zal geven. Jesus sprak tot haar: Uw broeder zal verrijzen. Martha zeide tot Hem: Ik weet dat Hij verrijzen zal in de opstanding ten jorvgsten dage. Jesus sprak tot haar: Ik ben de opstanding en het leven: die in mij gelooft, al ware hij gestorven, zal leven; en een iegelijk, die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. Gelooft gij dit ? Zij zeide tot Hem: ja Heer, ik heb geloofd dat Gij de Christus zijt, de Zoon des levenden Gods, die in deze wereld gekomen zijt.
âEn als zij dit gezegd had, ging zij heen en riep heimelijk hare zuster zeggende: De Meester is daar en roept n. Deze, als zij het hoorde, stond haastelijk op en kwam tot Hem; want Jesus was nog niet in liet vlek gekomen, maar was nog op de plaats, waar Martha hem te gemoet was gekomen.
âAls de Joden nu, die met haar in huis waren en haar troostten, zagen, dat Maria haastelijk opstond en uitging, volgden zij haar zeggende: zij gaat naar het graf om daar te weenen.
âMaria dan, als zij kwam, waar Jesus was, en Hem zag, viel aan zijne voeten en zeide tot Hem: Heer, zoo (lij hier waart geweest, mijn broeder ware niet gestorven. Jesus nu. als Hij haar zag weenen en de Joden, die met haar kwamen, ook weenen, werd in den geest bewogen en ontroerde zichzelven en sprak: Waar hebt gij hem gelegd? Zij antwoordden hem: Heer, kom en ziel En Jesus weende. Toen zeiden de Joden: Ziet, hoe lief Hij hem had 1 Maar sommigen uit hen zeiden : Konde Hij, die de oogen des blindgeborenen geopend heeft, niet maken, dat deze niet stierf?
âJesus nu, wederom in zichzelven bewogen zijnde, kwam tot het graf. Het was eene spelonk en er was een steen daarop gelegd. Jesus sprak: neemt den steen weg! Martha, de zuster des gestorvenen, zeide tot Hem : Heer, hij riekt alreeds, want hij ligt vier dagen. Jesus sprak tot haar: Heb ik u niet gezegd, dat, zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zult zien? Zij namen dan den steen weg. En Jesus hief de oogen opwaarts en sprak: Vader, ik dank U, dat
46
liij mij hebt verhoord; ik wist wei dat (lij mij altijd verhoort; maar om het volk, hetwelk rondom staat, heb ik dit gesproken, opdat zij gelooven, dat Gij mij hebt gezonden. Als Hij dit gesproken had, riep Hij met luider stemme : Lazarus, kom uit! En terstond kwam de gestorvene uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aan gezicht bedekt met een zweetdoek. Jesus sprak tot hen: ontbindt hem en laat hem gaan.
..Nelen uit de Joden, die tot Maria en Martha gekomen waren en gezien hadden, hetgeen jesus gedaan had, geloofden in Hem. Maar sommigen van hen gingen tot de Pha rizeëu en zeiden tot hen, hetgeen Jesus gedaan had. De overpriesters dan en de Pharizeën vergaderden den raad en zeiden; wat zullen wij doen? Want deze mensch doet vele wonderen, indien wij Hem zoo laten geworden, zullen allen in Hem gelooven en de Romeinen zullen komen en onze plaats en ons volk wegnemen.quot; i.)
Aldus bericht het Evangelie de opwekking van Lazarus.
Houd het mij ten goede, dat ik u met deze lange voorlezing lastig viel. Ik wilde u dit ongekunsteld verhaal van bet Evangelie toch eens laten hooren, dat in zijn eenvoud zoo ontegensprekelijk den stempel der waarheid draagt. Nu zult gij wel niet meer ontkennen, dat wonderen een redelijk doel kunnen hebben, namelijk : ten eerste het doel, eenen ongelukkige, voor wien natuurlijkerwijze geen hulp meer is, op bovennatuurlijke wijze te helpen; ten tweede als geloofs-brief te dienen voor eenen Godsgezant en godsdienststichter. Want bestaat er eenmaal een persoonlijke God, dan ligt het voor de hand, dat Hij met zijne redelijke schepselen in verkeer treedt, en wanneer Hij om dit te bewerkstelligen eenen profeet tot hen zendt, dan is het wonder een zoo natuurlijk en voor de hand liggend middel om diens goddelijke zending te bewijzen, dat zelfs de Pharizeën, na de opwekking van Lazarus, hunne meening uitten, met de woorden : âWat zullen wij doen ? Deze mensch doet vele wonde-
I) .To. XI, 1â'18.
47
ver. ren. Indien wij Hem zoo laten begaan, zullen allen in hem
⢠t]jt gelooven.quot;
cjen E. Ik moet bekennen ; nadat ik het bestaan van een
inle . persoonlijken (ïod en Schepper heb toegegeven, kan ik tegen
o-g. het wonder geen redelijk bezwaar meer opperen.
aan_ P. Tusschen beide waarheden bestaat inderdaad een
len. innige samenhang, en de wondervrees van vele moderne
zoogenaamde ontwikkelden en halfontwikkelden berust ten llen langen laatste op hun atheïsme. Daarom meen ik met het
00f_ volste recht te kunnen beweren, dat niet alleen uit het be-
gt;]la staan van een persoonlijken God de mogelijkheid van het
])c wonder volgt, maar dat evenzeer ook omgekeerd de vast-
en stelling van een enkel wonder voldoende is om het bestaan
van een persoonlijken God buiten allen twijfel te stellen. ]en Onder wonderen toch versta ik juist zulke werkingen, die
nze de kracht van den mensch en in 't algemeen van alle ge
schapen wezens te boven gaan, bijgevolg slechts door een -us ingrijpen der buiten de wereld staande Godheid te verkla-
or. ren zijn. De opwekking van een doode bijv. kan nooit of
-an nimmer verklaard worden van atheïstisch standpunt; maar
llK| slechts van het standpunt van hem, die een persoonlijken
\u buiten de wereld staanden God aanneemt,
jjl; K. Tot zoover, l'ater, ben ik het met u eens; maar als
en ik mij niet vergis, hebt ge nog meer beweerd; gij vondt in
iSi het wonder niet alleen een bewijs voor het bestaan van God.
fs. maar ook voor de echtheid d. i. voor de goddelijke stich-
er ting van eenen godsdienst. Ik gevoel wel dat gij daartoe
igt eenig recht hebt, maar ik zou dit gaarne nog duidelijker
en inzien.
£n 1'. Deze opheldering 'is niet moeilijk te geven, blijven
30 wij bij het straks aangehaalde voorbeeld eener dooden-op-
([. wekking. Gesteld dus, Jesus van Nazareth wordt, zooals we
le daar zagen, door Martha en Maria Magdalena naar het
r. graf van Lazarus gevoerd; Lazarus was reeds sedert vier
e_ dagen begraven. Jesus gaf zich uit, zooals wij weten, voor
eenen door God gezonden leeraar. Hoe nu zal Hij zich als zoodanig geloof verschaffen? Hij kan toch niet verlangen, dat men zonder eenig bewijs Zijne zending. Zijne leer
48
omhelst. Welaan! Voor het gesloten graf van Lazarus wordt Hem de gelegenheid geboden zulk een bewijs van Zijne goddelijke zending te geven. Zou hier ook slechts eenigszins spraak kunnen geweest zijn van schijndood, zoo kon toch Jesus, indien Hij geen Godsgezant ware, van dezen schijndood niets weten. Hij bidt nu tot Zijn He-melschen Vader: âOm het volk, hetwelk rondom staat, heb ik dit gesproken: opdat zij gelooven, dat Gij Mij hebt gezonden.quot; Als Hij dit gesproken had riep Hij met luider stemme; âLazarus, kom uit!quot; En terstond kwam de gestorvene uit : hij was weder ten leven verwekt. Door wien? Door de Almacht des Scheppers; want niemand anders dan de Schepper kan dooden ten leven verwekken. Deze had het gebed verhoord, dat Jesus had verricht, opdat het volk zou gelooven, dat God Hem gezonden had. Hij was door de vervulling der bede voor Jesus opgetreden. Is het echter wel denkbaar, dat God door zulk een werk, dat elke men-schelijke kracht te boven gaat en dat alleen van den Schepper kan uitgaan, zou optreden voor eenen valschen profeet, voor een bedrieger ?
E. Gij hebt gelijk. Als het wonder werkelijk boven allen twijfel vaststaat, als hij, die het verricht, het met het uitdrukkelijke doel verricht, om daardoor zijne goddelijke zending te bewijzen, dan moet ik het wonder beschouwen als eene bezegeling dezer zijner zending van den kant Gods.
1'. Welnu dan, ik wil u een ander wonder uit de H. Schrift verhalen, waarop gij eveneens uwe critiek moogt toepassen. Het is de genezing van eenen blindgeborene. Ik verzoek u, bij dit verhaal wel in 't oog te houden : ten eer-Ie, hoe de Pharizeën alles in 't werk stellen om het feit van het wonder te loochenen, ofschoon zonder te kunnen slagen: ten tweede, hoe het wonder door den genezene zelf als een bewijs voor de goddelijke zending des Wonderdoeners wordt aangezien : ten dorde, hoe Jesus zich voor den Zoon Gods uitgeeft. De H. Joannes dus verhaalt de gebeurtenis, die te Jerusalem plaats had, als volgt:
âEn voorbijgaande, zag Jesus eenen mensch, die blind was van zijne geboorte af. En zijne discipelen vraagden
49
Hem: Rabbi: wie heeft gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind geboren is? Jesus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders; maar opdat in hem de werken Gods zouden openbaar worden, ik moet de werken doen van Hem, die mij gezonden heeft, zoolang het dag is: de nacht komt, wanneer niemand werken kan. Zoolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld.
âAls Hij dit gezegd had, spoog Hij op de aarde en maakte slijk van het speeksel, streek het slijk op deszelfs oogen en sprak tot hem: (ja, en wasch u in het badwater Siloë (hetwelk vertolkt is afgezant).
âHij ging dan en wiesch zich en kwam ziende terug.
âDe geburen nu, en die hem te voren gezien hadden, dat hij een bedelaar was, zeiden: Is deze niet, die zat en bedelde? Sommigen zeiden: hij is het, doch anderen : geenszins, maar hij gelijkt op hem. Hij echter zeide: Ik ben het.
âZij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de oogen geopend? Hij antwoordde: De mensch, die Jesus heet, maakte slijk, zalfde mijne oogen en sprak tot mij: Ga naar het badwater Siloë en wasch u. En ik ging, wiesch mij en zie. En zij zeiden tot hem: Waar is hij? Hij zeide; Ik weet het niet.
âZij brachten hem, die blind was geweest, tot de Phariseën. En het was Sabbat, als Jesus het slijk gemaakt en deszelfs oogen geopend had. De Phariseën dan ondervraagden hem wederom, hoe hij ziende was geworden. Err hij zeide tot hen: Hij legde mij slijk op de oogen, ik wiesch mij en ik zie. Toen zeiden sommigen uit de Phariseën : Deze mensch is van God niet; want Hij houdt niet den Sabbat. Maar anderen zeiden : Hoe kan een mensch, die zondaar is, deze wonderen doen ? En er was eene scheuring onder hen.
âZij dan zeiden wederom tot den blinde: (lij, wat zegt gij van Hem, die uwe oogen geopend heeft? Hij nu zeide: Hij is een profeet.
âDe Joden dan geloofden van hem niet, dat hij blind was geweest en ziende geworden, totdat zij de ouders van dengene, die ziende was geworden, geroepen hadden. En zij vraag-
fien hen zeggende : Is deze uw zoon, welke gij zegt, dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?
âZijne ouders antwoordden hun en spraken: Wij weten, dat deze onze zoon is,.en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu ziet, weten wij niet; of wie zijne oogen geopend heeft, weten wij niet. Ondervraagt hem zeiven ! Hij heeft de jaren; laat hem van zich zeiven spreken. Dit zeiden zijne ouders, omdat zij de joden vreesden. Want alreeds hadden de Joden saamgespannen, dat, indien iemand hem beleed, de Christus te zijn, deze uit de synagoge zou verbannen worden. Daarom zeiden zijne ouders: Hij heeft de jaren; ondervraagt hem zeiven!
âZij dan riepen andermaal den mensch die blind was geweest, en zeiden tot hem: (leef eere aan Godl Wij weten dat deze mensch een zondaar is. Hij zeide dan tot hen ; Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.
âZij dan zeiden tot hem: Wat heeft hij u gedaan? Hoe heeft Hij u de oogen geopend? Hij antwoordde hun : Ik heb het u alreeds gezegd en gij hebt het gehoord ; waarom wilt gij het andermaal hoeren? Of wilt gij ook zijne leerlingen worden?
âZij dan beschimpten hem en zeiden: Wees gij zijn leerling; maar wij zijn leerlingen van Mozes. Wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft; maar vanwaar deze is, weten wij niet.
âDe mensch antwoordde en zeide tot hen: Het is toch wel een wonder, dat gij niet weet vanwaar Hij is, en Hij heeft mij de oogen geopend. Wij weten echter, dat God zondaren niet verhoort; maar zoo iemand God dient en Zijnen wil doet, dien verhoort Hij. Het is van den beginne nimmer gehoord, die iemand de oogen van eenen blindgeborene heeft geopend. Ware deze niet van God, hij zoude niets hebben kunnen doen.
âZij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren en leert ons? En zij wierpen hem buiten.
âJesus hoorde, dat zij hem buiten geworpen hadden, en als Hij hem gevonden had, sprak Hij tot hem: Gelooft gij in
den Zoon Gods? Hij antwoordde en zeide: Wie is het: Heer, opdat ik in Hem geloove? En [esus sprak tot hem: Gij hebt Hem gezien en Hij, die met u spreekt, is liet zelf. En hij zeide: ik geloo'quot;, Heer! En nedervallende aanhad hij Hemquot;. ')
i) .io i\, iârw.
-s- ââjâ-
II.
Jesus-ChrisLus.
2. Het Drama der Wereldgeschiedenis.
(BRIEF VAN llKX PATER.)
Mijn waarde vriend. Daar onze avondgesprekken voor-loopig door mijn vertrek onderbroken werden, beantwoord ik schriftelijk uwen vriendelijken brief.
Het doet mij oprecht genoegen, dat gij nu vastelijk overtuigd zijt van het bestaan van uwen Schepper en Heer, van uwen Vader in den hemel, dat gij tot Hem bidt. Steeds meer zult gij inzien, hoe noodzakelijk het gebed is.
Gij wenscht een nadere uiteenzetting van het drama der wereldgeschiedenis, waarvan ik u tc zijner tijd sprak. Welnu, ik wil u eene korte schets ervan geven.
Daar lag dan de aarde in maagdelijke schoonheid. Verscheidene scheppingsakten Gods en geweldige ontwikkelingsperioden waren noodig geweest, vóórdat de woonplaats des menschen, het tooneel zijner werkzaamheid gereed was. Nu was het voltooid, het heerlijke bouwwerk. Met zijne tropen-wereld, zijne Alpen en sneeuwvelden, zijne planten en dieren, zijne onderaardsche schatten van kolen en erts, die zich later den mensch zouden ontsluiten. Daar stond het, het welberekende werk van éénen oneindig wijzen en machtigen Schepper. Slechts ééne zaak ontbrak nog : de koning der schepping, de bewoner van dit paleis.
53
Toen schiep God den mensch naar Zijn beeld, het eenige met verstand en wil begaafde wezen in geheel de zichtbare wereld.
Het tijdstip, waarop dit gebeurde, ligt ongeveer zes- of zevenduizend jaren achter ons. Zoo ten minste kunnen we volgens de chronologische opgaven der H. Schrift besluiten. Zeer veel ouder kan het menschelijk geslacht reeds daarom niet zijn, wijl één- tot tweeduizend jaar voor Christus de historische gedenkteekenen steeds schaarscher worden, wijl zij vóór dezen tijd altijd twijfelachtiger schijnen en ten laatste geheel ophouden.
De beweeggrond, die God aandreef den mensch te scheppen, was Zijne liefde, die Hem drong een wezen te zien, dat Hem erkennen, vereeren en Hem wederliefde bewijzen kon en dat in die kennis en liefde tot zijn Schepper gelukkig zou zijn. Volgens het plan Gods moest de mensch Hem in volle vrijheid beminnen en dienen. Hij wilde hem de deelname aan Zijne zaligheid niet opdringen; de mensch zelf moest door gehoorzaamheid jegens zijnen Schepper zich het eeuwige loon in vrijheid verdienen. In geval van ongehoorzaamheid echter werd hem als straf de onttrekking dezer zaligheid en naar de grootte van de schuld ook verder ongeluk in 't verschiet gesteld. Overeenkomstig de sociale natuur van den mensch was buitendien de stamvader van het menschelijk geslacht met dien verstande door God als de rechtelijke vertegenwoordiger van geheel zijn toekomstig nakroost bestemd, dat zijn verdienste en schuld, zijn loon en straf ook op zijne nakomelingen zouden overgaan ; schuld en straf ten minste in zooverre, dat ingeval van ongehoorzaamheid de adelsbrief der bovennatuurlijke heiligmakende genade, die hem voor zijn persoon en voor zijn geheele geslacht was verleend, door hem en in hem ook voor de geheele nakomelingschap zou worden verbeurd.
Dit geval nu werd helaas werkelijkheid. Adam doorstond de proef niet en de bedreigde straf werd voltrokken.
Het eerste bedrijf van het werelddrama was ten einde.
Waarom wel verhinderde God dit droevig einde niet ? Misschien, wijl Hij zijne onbegrijpelijke barmhartigheid nog
54
schitterender wilde openbaren. Dit besluit zou men ten minste geneigd zijn te trekken uit de volgende feiten.
Terstond na de voltrekking van het strafvonnis werd Zijn grootsch verlossingsplan als een verwijderd morgenrood aangeduid. Tot den Satan, tot de slang, die den mensch verleid had, sprak God; Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw en tusschen uw zaad en haar zaad; zij zal u den kop verpletten en gij zult haren hiel belagen.
En hoedanig zou de vergeving zijn ? Zou zij verleend worden zonder verdere voldoening? Zoo had het kunnen geschieden. Maar klaarder zou de majesteit Gods en het afschuwelijke der Hem aangedane beleediging uitschijnen, wanneer eerst voldoening werd gegeven, en wel volledige voldoening. Maar wie zou deze voldoening bewerkstelligen? Iedere voldoening van den armzaligen mensch was hiertoe onmachtig; want de beleediging was in zekeren zin oneindig, de voldoening zou slechts een eindige zijn geweest.
Toen verzon God het wondervolste geheim zijner liefde. Hij zelf wilde mensch, wilde de zoon eener vrouw worden, wilde in eenen goddelijken persoon, bij de goddelijke, nog de menschelijke natuur aannemen; de menschelijke natuur moest het Hem mogelijk maken te lijden, voldoening te geven, terwijl de waardigheid van den goddelijken persoon aan deze voldoeningeene oneindige waarde zoude bijzetten. Hij wilde geboren worden uit eene maagd, om als het zaad der vrouw den kop der slang te vertreden. Dit moest de oplossing zijn van den knoop, die door Adams zondeval was gelegd.
Het menschelijk geslacht zonk intusschen dieper en dieper. Maar ook de beloften der verlossing werden herhaald met meerder klaarheid. In steeds beperkter kringen geschiedde de aankondiging van den Messias: aan de nakomelingen van Noë, dan aan het uitverkorene volk. dat God zelf als het ware tot de bakermat van den Messias vormde; eindelijk aan het huis van den koning David, die omstreeks het jaar loco vóór Christus regeerde. Drie eeuwen later voorspelde Isaias de geboorte van den Messias uit eene maagd en schilderde Hem tot in de kleinste bijzonderheden als den
55
Man van smarten. Dat Hij van Bethlehem zou komen, verkondigde om denzelfden tijd de profeet Michseas met de woorden : âEn gij, Bethlehem Ephrata I zijt klein onder de duizendtallen van Juda: uit u zal Mij uitgaan Hij, die Heerscher zal zijn in Israël, en zijn uitgang is van den beginne, van de dagen der eeuwigheid.quot; 1) Den tijd van zijn optreden beteekende later de profeet Malachias door de aanduiding, dat Hij nog zou ingaan in dien tempel, dien Titus omstreeks 70 na Chr. verwoestte.
Wij komen nu aan het hoofdbedrijf van het drama, aan de menschwording (ïods, aan de geboorte des Verlossers. Hier moet ik echter uitvoeriger worden en u onmiddellijk de berichten der Evangelisten met hunne eigene woorden voorleggen : want gij zelf moet het voelen en tasten, of het Christendom op hersenschimmen berust, evenals de oude mythologieën der volken, of op historische waarheid, zooals deze ons uit een ten volle historischen tijd door tijdge-nooten en grootendeels door ooggetuigen in haar natuurlijken eenvoud wordt bericht.
De tijd, door de zieners des Ouden Verbonds beteekend, was daar. âEn de engel Gabriel werd van God gezonden naar eene stad van Galilrea, met name Nazareth, tot eene maagd, die ondertrouwd was aan eenen man, wiens naam was Joseph, uit het huis van David; en de naam der maagd was Maria. En de engel kwam tot haar binnen en sprak: Wees gegroet gij vol van genade' De Heer is met ui Gezegend zijt gij onder de vrouwen! Als zij dit hoorde, ontstelde zij over zijne woorden en peinsde, wat dit voor een groet mocht zijn. En de engel sprak tot haar; Vrees niet, Maria! want gij hebt genade gevonden bij God. Zie, gij zult in uwen schoot ontvangen en eenen zoon baren, en zijnen naam zult gij Jesus heeten. Deze zal groot zijn, cn de Zoon des Allerhoogste!) genoemd worden; en de Heere zal hera den troon zijns vaders David geveft; en Hij zal over het huis van Jacob heerschen in eeuwigheid; en Zijns rijks zal geen einde zijn.
1
M ichreas V, 2.
56
..Toen zeide Maria tot den engel; hoe zal dat geschieden, dewijl ik geenen man beken? En de engel antwoordde, en sprak tot haar: De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat uit u zal geboren worden, Gods Zoon genoemd worden.
âKn Maria zeide: zie hier de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord! En de engel ging weg van haar.quot; ')
..Kn het geschiedde in die dagen, dat er van den keizer Augustus een gebod uitging, om de geheele wereld op te schrijven. Deze opschrijving geschiedde van den landvoogd van Syrië, Gyrinns. En allen gingen, om zich aan te geven, een iegelijk in zijne stad. En ook Joseph ging op van Ga-lilasa, uit de stad Nazareth, naar Judsea, tot de stad van David, welke Bethlehem geheeten wordt, omdat hij uit het huis en geslacht van David was; om zich aan te geven, met Maria, zijne verloofde vrouw, welke zwanger was. Maar het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude. En zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem in doeken, en legde hem in eene kribbe, omdat er voor hen geene plaats was in de herberg.
..En er waren herders in dezelfde landstreek, wakende en en de nachtwake houdende over hunne kudde. En ziet een engel des Heeren stond bij hen en de heerlijkheid Gods omscheen hen; en zij vreesden met groote vreeze. . En de engel zeide tot hen: vreest niet, want ziet, ik verkondig u eene groote blijdschap, welke voor het gansche volk zijn zal: Dat heden in de stad van David u de Zaligmaker geboren is, welke is Christus de Heer! En dit zij u ten teeken: Gij zult een kindeken vinden, in doeken gewonden en liggende in eene kribbe. En terstond was er bij den engel eene menigte van hemelsche heerscharen. God lovende en zeggende : Glorie zij God in den Allerhooogste, en op aarde, vrede den menschen, die van goede wille zijn.quot; -)
1) Luc. 1. 2G-3S. 21 I-uc. II 1â14.
57
âAls nu Jesus geboren was te Bethlehem in Juda, in de dagen van Herodes den koning, ziet, er kwamen wijzen uit het Oosten naar Jerusalem, en zeiden: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijne ster in het Oosten gezien, en wij zijn gekomen om Hem te aanbidden.
âAls nu Herodes de koning dit hoorde, werd hij ontsteld, en geheel Jerusalem met hem. En hij vergaderde de overpriesters en schriftgeleerden des volks en onderzocht van hen, waar de Christus moest geboren worden. En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem in Juda, want alzoo staat geschreven door den profeet: En gij Bethlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de hoofdsteden van Juda; want uit u zal de leidsman voortkomen, die mijn volk Israël regeeren zal.
âToen riep Herodes de wijzen heimelijk bij zich en onderzocht nauwkeurig van hen den tijd, wanneer de ster hun verschenen was.
âEn hij zond hen naar Bethlehem, en zeide: Gaat en onderzoekt nauwkeurig naar het kind en als gij het zult gevonden hebben, boodschapt het mij opdat ik het ook kome aanbidden.
âAls zij den koning gehoord hadden, gingen zij henen. En ziet, de ster, die zij in het Oosten gezien hadden, ging voor hen uit, totdat zij, komende boven de plaats, waar het kind was, staan bleef. Als zij nu de ster zagen, verblijdden zij zich met zeer groote blijdschap.
âEn in het huis tredende, vonden zij het kind met Maria, zijne Moeder, en zij vielen neder en aanbaden het, en zij openden hunne schatten en droegen Hem geschenken op, goud, wierook en mirre. En in den slaap eene vermaning ontvangen hebbende, om niet weder naar Herodes toe te gaan, keerden zij langs eenen anderen weg naar hun land terug.quot; ')
De H. Familie vluchtte nu naar Egypte, om zich aan de
1) Matlh. II, -1â12.
5«
vervolgingen van Herodes te onttrekken. Toen het gevaar voorbij was, keerde zij terug en toog naar Nazareth. Daar groeide Jesus op.
Middelerwijl had ook Joannes de Dooper den mannelijken leeftijd bereikt en predikte aan het volk boete.
.,En als het volk meende, en a lien in hunne harten van Joannes dachten, of hij niet wellicht de Christus ware, antwoordde Joannes en zeide tot allen : Ik doop u wel met water; maar er komt, die machtiger is dan ik, wien ik niet waardig ben, den riem zijner schoenzolen te ontbinden; Hij zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur.quot; ')
âEn het geschiedde in die dagen, dat Jesus van Nazareth van Galilnsa kwam, en van Joannes gedoopt werd in den Jordaan. En terstond opstijgende uit liet water, zag Hij den hemel geopend en den Geest, als eene duive, nederdalende en op Hem blijvende. En er kwam eene stem uit den hemel : Gij zijt mijn welbeminde Zoon, in U heb Ik mijn welbehagen.quot; 2)
âDes anderen daags zag Joannes Jesus tot zich komen en zeide: Ziet liet Lam Godsl Ziet, die wegneemt de zonde der wereld! Deze is het, van wien ik gezegd heb: Na mij komt een man, die vóór mij geweest is, want Hij was eerder dan ik. En ik kende Hem niet; maar opdat Hij in Israël zoude geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen, doopende met water. En Joannes gaf getuigenis en zeide: Ik heb den (leest als eene duive uit den hemel zien nederdalen en op Hem blijven, deze is liet, die met den Heiligen Geest doopt. En ik heb gezien en getuigenis gegeven, dat deze de Zoon Gods is.
âDes anderen daags wederom stond Joannes en twee van zijne leerlingen. En ziende op Jesus, die wandelde, zeide hij: Ziet, het Lam Gods! En de twee leerlingen hoorden hem spreken en volgden Jesus.
âEn Jesus keerde zich om en als Hij zag, dat zij Hem volgden, sprak Hij tot hen: Wat zoekt gij? En zij zeiden
1) Luc. III, 15, -16. 2) Marc. I, 9â11.
59
tot Hem: Rabbi, hetwelk vertolkt is: Meester, waar woont gij ? Hij sprak tot hen: Komt, en ziet. Zij kwamen en zagen, waar Hij woonde, en bleven dien dag bij Hem. En het was ongeveer de tiende ure.
âAndreas nu, de broeder van Simon Petrus, was een van de twee, die het van Joannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren. Deze vond eerst zijnen broeder Simon en zeide tot hem : Wij hebben den Messias gevonden, hetwelk vertolkt is: Christus. En hij bracht hem tot Jesus. En Jesus zag hem aan en sprak: Gij zijt Simon, de zoon van Jonas: gij zult genoemd worden Cephas, hetwelk, vertolkt, is: Petrus.quot; ')
Christus begon nu zijn openbaar leeraarsambt. Op tie apostolische reizen, die Hij met dat doel ondernam, vond op zekeren dag het merkwaardig gesprek plaats met de Sa-maritaansche vrouw aan de Jacobsbron. Christus verklaarde daar aan die vrouw : âDe ure komt en is nu daar, dat de ware aanbidders den Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De vrouw antwoordde: Ik weet dat de Messias komt, die Christus genoemd wordt; als die dan komt, zal Hij ons alles verkondigen. Jesus sprak tot haar : Ik ben het, ik die met u spreek.quot; -)
Duidelijker dan met deze woorden konde Jesus waarlijk zijne goddelijke zending als Messias, als de verwachte I,eeraar en Godsdienststichter, niet uitspreken. Iets dergelijks vinden wij in het volgende bericht:
âEn Hij kwam te Nazareth, waar Hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den sabdatdag in de synagoge ; en hij stond op om te lezen. En Hem werd het boek van den profeet Isaïas gegeven. En als Hij het boek opengerold had, vond Hij de plaats, waar geschreven was: De Geest des Heeren is op mij: daarom heeft Hij mij gezalfd, om aan de armen het Evangelie te verkondigen ; Hij heeft mij gezonden, om de gebrokenen van harte te genezen ; om aan de gevangenen bevrijding, aan de blinden het
1) Joannes I, 2»-42. 2) Jo. IV, 23â26.
6o
gezicht te verkondigen; om de verslagenen heen te zenden in vrijheid; om het genaderijk jaar des Heeren te verkondigen en den dag der wedervergelding.
âEn Hij rolde het boek op, gaf het aan den dienaar en zette zich neder. En van allen in de synagoge waren de oogen op Hem gevestigd. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze schrift voor uwe ooren vervuld.quot; ')
Jesus had langzamerhand eene schaar leerlingen om zich verzameld, dié hem op zijne apostolische reizen vergezelden. Zij vormden de eerstelingen der nieuwe godsdienstige gemeenschap, die Hij kwam stichten.
âEn het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging op den berg, om te bidden, en hij overnachtte in het gebed tot God. En als het dag geworden was, riep Hij zijne leerlingen : en Hij verkoos uit hen twaalf, die Hij ook Apostelen noemde: Simon, dien Hij ook Petrus noemde, en Andreas zijnen broeder, Jacobus en Joannes, Philippus en Bartholo-meus, Mattheus en Thomas, Jacobus van Alpheus en Simon, genaamd Zelotes, en Judas van Jacobus en Judas Iscarioth, die de verrader geweest is.
âEn met hen kwam Hij af en stond op eene vlakke plaats, met eene schare van leerlingen, en eene talrijke menigte volks uit geheel Judsea en van Jerusalem en van den zeekant en van Tyrus en van Sidon. Dezen waren gekomen om Hem te hoeren en van hunne kwalen genezen te worden: ook de van onreine geesten gekwelden werden gene zen; en de gansche schare zocht Hem aan te raken; want eene kracht ging van Hem uit en genas allen.
âEn Hij hief zijne oogen op over zijne leerlingen en sprak : Zalig, gij armen! want uwer is het rijk Gods. Zalig, gij die nu honger lijdt! want gij zult verzadigd worden. Zalig, gij die nu weent! want gij zult lachen. Zalig zijt gij, als de menschen u haten en als zij u afscheiden en beschimpen en uwen naam als boos verwerpen om den Zoon des menschen. Verblijdt u op dien dag en juicht I want ziet, nw loon zal groot zijn in den hemel.quot; 2)
1) Luc, IV, 16â21. 2) Luc. VI, 12-23.
6i
âKn Jesus ging al de steden en vlekken door, leerende in hunne synagogen en predikende het Evangelie des rijks en genezende alle ziekten en kwalen.
âAls Hij echter de scharen zag, ontfermde Hij zich over hen; want zij waren gekweld en verstrooid als schapen, die geenen herder hebben. Toen sprak Hij tot zijne discipelen : de oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinig; daarom bidt den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders uitzende in Zijnen oogst.
âEn Hij riep zijne twaalf apostelen bijeen en gaf hun macht over de onreine geesten om dezelve uit te drijven en om alle ziekten en kwalen te genezen. De namen der twaaf apostelen zijn deze : De eerste Simon, genoemd Petrus, en Andreas zijn broeder enz. Deze twaalf zond Jesus uit.quot; 1 j
Ik verzoek u, er hier op te letten hoe Jesus gaandeweg zijne leerlingen daartoe opleidt, dat zij in zijnen arbeid dee-len, opdat zij later, nadat hun Meester zou zijn heengegaan, zijn werk zouden kunnen voortzetten. Ik verzoek u vooral te letten op de omstandigheid, dat steeds Petrus voorop staat.
Nadat nu de Apostelen van hunne juist vermelde zending waren teruggekeerd, trok Jesus op zekeren dag met hen ânaar de vlekken van Caesarea Philippi: Op den weg vraagde Hij zijne discipelen en sprak tot hen: wie zeggen de men-schen, dat ik ben? Zij dan antwoordden Hem en zeiden: Eenigen: Joannes de Dooper, anderen: Elias, nog anderen: een van de Propheten. Toen sprak Hij tot hen : Maar gij, wie zegt gij dat ik ben ? En Simon Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus (de Messias), de Zoon van den levenden God. En Jesus antwoordde en sprak tot hem: Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jonas! want vleesch en bloed heeft u dit niet geopenbaard, maar mijn vader, die in de hemelen is. En Ik zeg u: Gij zijt Petrus, en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En ik zal u de sleutels van het
1
Matth. IX. 3.quot;.â'»; x. iâv
()2
hemelrijk geven: al wat (lij op aarde zult binden, zal ook in den hemel gebonden zijn: en al wat gij op aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijn.
âVan toen af begon Jesus zijne leerlingen te toonen, dat Hij moest heengaan naar Jerusalem en veel lijden van de oudsten en schriftgeleerden en overpriesters en gedood worden en ten derden dage verrrijzen.quot; 1 j
De tijd van zijn lijden en sterven, dien Jesus hier zijne leerlingen voorspelt, zou ook voor hen een tijd van droefheid en van beproeving zijn. Daarom moest hun geloof aan de Godheid van Jesus en zijne Messiaansche zending van te voren worden gesterkt.
âEn na zes dagen nam Jesus met zich Petrus, Jacobus en Joannes en leidde hen alleen op eenen hoogen berg, afzonderlijk. En Hij werd voor hen van gedaante veranderd. En zijne kleederen werden blinkende en uitermate wit als sneeuw, hoedanig geen voller op aarde zoo wit kan maken. En hun verscheen Elias met Mozes en zij spraken met Jesus. Petrus nu nam het woord op en zeide tot Jesus: Rabbi, het is ons goed hier te zijn, laat ons drie tenten maken, voor U eene, voor Mozes eene en voor Elias eene. Want hij wist niet wat hij zeide, dewijl zij buiten zichzelven waren van vreeze.
»En er kwam eene wolk, die hen overschaduwde; en uit de wolk kwam eene stem zeggende: Deze is Mijn welbeminde Zoon; hoort hem!
âEn plotseling rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jesus alleen met hen. En als zij den berg afgingen, gebood Hij hun, dat zij aan niemand zouden verhalen hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des menschen van de dooden zoude zijn opgestaan. En zij hielden het woord voor zich, onder elkander vragende, wat het was: Wanneer hij van de dooden zoude zijn opgestaan.quot; 2) Na deze gebeurtenis was een geruime tijd verstreken.
1
Marc. VIII, 27 gt;ig. Mattli. XVI, 13â21. Luc. IX IS vlg. 2) Marc. IX.
2
1â11; vergel. Mattli. XVII. 1â9; Luc. I\, 28â36.
(gt;3
Jesus had vele zieken genezen, menige heilzame leering aan het volk en zijne apostelen verkondigd. Nu voorspelt Hij hun andermaal zijn aanstaand lijden.
âZij waren nu op den weg, opwaarts gaande naar Jerusalem: en Jesus ging voor hen uit, en zij waren verslagen en zij volgden Hem vreezende. En wederom nam Hij de twaalf tot zich en begon tot hen te spreken van hetgeen Hem zoude overkomen.
âZiet, wij gaan opwaarts naar Jerusalem, en de Zoon des menschen zal den overpriesters en schriftgeleerden en oudsten overgeleverd worden, en zij zullen Hem ter dood veroor-deelen en Hem den heidenen overleveren. En zij zullen Hem bespotten en bespuwen, geeselen en dooden: en ten derden dage zal Hij verrijzen. Zij echter verstonden daarvan niets; en dit woord was voor hen verborgen : en zij begrepen niet, wat er gezegd werd.quot; ')
Zoo kwam dan Jesus naar Jerusalem, om daar zijn verlossingswerk te voltrekken. Herhaaldelijk hadden de hooge-gepriesters en schriftgeleerden Hem vroeger reeds bestreden, maar zij zagen dat Hij hun huichelachtig optreden veroordeelde. Om niets ter wereld wilden zij Hem, ondanks al zijne wonderen, als den Messias erkennen : zij gingen veeleer om met de gedachte, om Hem uit den weg te ruimen.
Jesus verklaart dan nu door de volgende indrukwekkende gelijkenis, hoe zij en hunne vaderen de Godsgezanten hadden vervolgd en hoe zij zelfs Hem, den Zoon Gods, zouden ter dood brengen.
âEr was een vader des huisgezins, die eenen wijngaard plantte en dien met eene haag omheinde en daarin een wijnperskelder groef en eenen toren bouwde; en hij verhuurde dezen aan landlieden en reisde buiten 's lands. Als nu de tijd der vruchten genaderd was, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden, om er de vruchten van te ontvangen. En de landlieden grepen zijne knechten en sloegen den eenen, doodden den anderen en steenigden den derden.
li Man-. N. 32â34; I.uc. XVIII. 31â34; Maltli. NN, 17-19.
64
âWederom zond hij andere dienstknechten, meerder in getal, dan de eersten; en hen behandelden zij evenzoo.
âTen laatste echter zond hij zijnen zoon tot hen zeggende: Mijnen zoon zullen zij ontzien. De landlieden echter, toen zij den zoon zagen, spraken tot elkander : Deze is de erfgenaam, komt laat ons hem dooden en wij zullen zijne erfenis hebben. Zij grepen hem dan en wierpen hem buiten den wijngaard en doodden hem.
âAls nu de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij met die landlieden doen ? Zij antwoordde hem : die booswichten zal hij naar hunne boosheid verdelgen en zijnen wijngaard verhuren aan andere landlieden, die hem de vruchten zullen leveren op tijd.
âJesus sprak tot hen: Hebt gij nooit in de Schriften gelezen : De steen, welken de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot den hoeksteen geworden: van den Heere is dit geschied en het is wonderbaar in onze oogen. ') Daarom zeg ik u, dat het rijk Gods aan u ontnomen en gegeven zal worden aan een volk, dat er vrucht mede doet. En wie op dien steen zal vallen, die zal verpletterd worden; en op wien hij zal vallen, dien zal hij verbrijzelen.
âToen nu de opperpriesters en Phariseën zijne gelijkenissen gehoord hadden, verstonden zij, dat Hij van hen sprak. En zij zochten eene gelegenheid hem te vangen, maar zij vreesden de scharen, dewijl deze Hem voor eenen profeet hielden.quot; -)
Herhaaldelijk zochten nu de Phariseën Jesus in zijne woorden te vangen; maar te vergeefs; Jesus toont hun met steeds meerder klaarheid dat Hij de Messias is en dat de Messias (iods Zoon is. Dit laatrte bewees Hij, toen Hij hun de vraag stelde: Wat dunkt u van den Christus (den Messias) ? wiens Zoon is hij ? Zij antwoordden Hem: de zoon van David. Hij sprak tot hen: Hoe noemt dan David in den Geest hem Heer, zeggende: De Heer heeft gezegd tot mijnen Heer : Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden stel tot eene voetbank uwer voeten. x) Indien
t) Psalm GXVII, Hebr. CXVIII, 22 en 23. 2) Matlh. \\1. 33â«; Marc. XII. 1â12; I.uc. \X, :1) Psalm CIX, Hebr. CX. I.
65
David hem dan Heer noemt, hoe is hij zijn zoon? En niemand konde hem een woord antwoorden; noch heeft iemand sedert dien dag gewaagd. Hem meer te ondervragen.quot; â¢)
Het tijdstip, voor het wereld-verzoenende offer bepaald, naderde immer meer. De pharizeën hielden opnieuw raad, hoe zij Jesus uit den weg zouden ruimen : judas beloott, Hem te zullen verraden.
Inmiddels begaf zich Jesus met zijne leerlingen in de zaal van het laatste avondmaal op den berg Sion. Daar vierde Hij het Joodsche pascha, wiesch zijnen leerlingen in ootmoed de voeten, gaf hun voor het eerst zich zelf ten spijs en duidde den verrader aan. Daarbij deed Hij zich opnieuw als den verwachten Messias kennen. »
De vier Evangelisten verhalen ons nu in de laatste hoofdstukken hunner berichten, ieder volgens zijn trant, de lijdensgeschiedenis en de daaropvolgende gebeurtenissen. Voornamelijk als ooggetuigen, althans volgens de schildering van ooggetuigen, schrijven zij aangaande Jesus en zijne leerlingen als volgt:
âNa het eindigen van den lofzang, gingen zij uit naar den Olijfberg.
âEn Jesus sprak tot hen: In dezen nacht zult gij allen aan Mij geërgerd worden; want er staat geschreven; Ik zal den herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden. Doch nadat Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilïea.
âMaar Petrus antwoordde en zeide tot Hem: al wierden zij allen aan u geërgerd, ik nochtans niet.
âEn Jesus sprak tot hem ; Voorwaar Ik zeg u, dat gij i n dezen nacht, eer de haan zal gekraaid hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
âHij echter sprak nog meer: Al moest ik met U sterven, ik zal U niet verloochenen. Evenzoo spraken zij allen.
âEn zij kwamen in een hof, Gethsemani genaamd. En
I) Matth. XXM. VIâ46; Marc,. XII, 35â37; r.uc. \X. HâVi.
5
Tïij sprak tot zijne discipelen : Zit hier neder terwijl Ik bid. En Hij nam Petrus, Jacobus en Joannes met zich en Hij begon ontroerd en zeer beangst te worden. En Hij sprak tot hen : Mijne ziel is bedroefd tot den dood toe, blijft hier en waakt.
âEn Hij verwijderde zich van hen een steenworp ver, viel ter aarde neder en bad, dat die ure, zoo het mogelijk ware, van Hem mocht voorbijgaan. En Hij sprak: Abba Vader! alle dingen zijn U mogelijk ; neem dezen kelk van mij weg! Nochtans niet wat ik wil, maar wat Gij wilt.
âEn Hij kwam en vond hen slapende. En Hij sprak tot Petrus: Simon! gij slaapt? Niet één uur kondet gij waken ? Waakt en bidt, opdat gij niet in bekoring valt. De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.
âEn Hij ging weder heen om te bidden en sprak dezelfde woorden. En als Hij terugkeerde, vond Hij hen wederom slapende ; want hunne oogen waren bezwaard, en zij wisten niet, wat zij Hem zouden antwoorden.
âEn Hij kwam ten derden male eu sprak tot hen; Slaapt nu en rust! Het is genoeg; de ure is gekomen: ziet de Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der zondaars. Staat op, laat ons gaan, hij die Mij verraden zal, is nabij.
âEn terwijl Hij nog sprak, kwam Judas Iskarioth, één van de twaalf, en met hem een groote schaar met zwaarden en stokken van wege de overpriesters en de schriftgeleerden en de oudsten. Maar de verrader had hun een teeken gegeven en gezegd: Dien ik kussen zal die is het; grijpt hem, en leidt hem behoedzaam henen.
âEn toen hij genaderd was, trad hij terstond op Hem toe en zeide: Wees gegroet. Meester! en kuste Hem. Maar Jesus sprak tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met eenen kus?
âEn zij sloegen de handen aan Hem en grepen Hem.
âSimon Petrus echter trok het zwaard, dat hij had, sloeg den knecht des hoogepriesters en hieuw hem zijn rechter oor af. De naam nu van den knecht was Malchus.
âToen sprak Jesus tot Petrus: Steek uw zwaard weder in
de scheede. Zal Ik den kelk. dien de Vader Mij gegeven heeft, niet drinken? En Hij raakte zijn oor aan en genas hem.
âEn Jesus nam het wcortl op en sprak tot hen: Als tegen een moordenaar zijt gij uitgegaan, met zwaarden en stokken, om Mij te vangen. Dagelijks bevond ik Mij in den tempel en gij hebt Mij niet gegrepen: maar deze is uwe nre en de macht der duisternis.
âDe bende dan en de hoofdman en de dienaars der Joden grepen Jesus en bonden Hem. Toen verlieten Hem zijne discipelen en vluchtten allen.
âEn zij leidden Hem eerst tot Annas, want hij was de schoonvader van Caïphas, die in dat jaar hoogepriester was. Caïphas nu was degene die aan de Joden den raad gegeven had ; Het is oorbaar, dat één mensch sterve voor het volk.
âSimon Petrus nu en de andere discipel (volgens de gewone opvatting Joannes zelf, die dit schrijft) volgden Jesus. En deze discipel was den hoogepriester bekend, en ging met Jesus binnen in het voorhof des hoogepriesters. Petrus echter stond buiten aan de deur. Toen ging de andere discipel, die den hoogepriester bekend was; naar buiten en bracht Petrus binnen. De dienstmaagd nu, die bij de deur de wacht hield, zeide tot Petrus: Zijt gij niet ook van de discipelen van dien mensch? Hij zeide: ik ben het niet. Nu stonden de dienstknechten en de dienaars bij een kolenvuur en warmden zich; want het was koud. En Petrus ging ook bij hen staan en warmde zich.
âDe hoogepriester dan ondervraagde Jesus over zijne discipelen en over zijne leer. Jesus antwoordde hem: Ik heb openlijk voor de wereld gesproken. Ik heb altoos in de synagoge en in den tempel geleerd, waar alle Joden samenkomen: en in het verborgen heb Ik niets geleerd. Wat ondervraagt gij Mij ? Ondervraag hen, die gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb: zie, zij weten wat Ik gezegd heb.
âAls Hij echter dit gezegd had, gaf één van de dienaren, die bij Hem stond, aan Jesus een kaakslag zeggende: Antwoordt Gij aldus den hoogepriester? Jesus antwoordde
68
hem; Indien Ik kwalijk gesproken heb, geef getuigenis van het kwaad, maar indien Ik wel gesproken heb, waarom slaat gij Mij?
,,En Annas zond hem gebonden tot den hoogepriester Caïphas.
âSimon Petrus nu stond daar en warmde zich. Zij zeiden dan tot hem: Zijt gij ook niet van zijne discipelen ? Hij loochende het en zeide: Ik ben het niet. Een van de dienstknechten des hoogepriesters, bloedverwant van dengene wiens oor Petrus afgehouwen had, zeide tot hem : Heb ik u niet met hem in den hof gezien? Nu loochende Petrus het wederom: en terstond kraaide de haan. Kn de Heer. zich omkeerende, zag Petrus aan. En Petrus werd het woord des Heeren indachtig, hoe H ij gesproken had: Eerde haan zal kraaien, zult gij Mij driemaal verloochenen. En l'etrus ging naar buiten en weende bitter.
,.De opperpriesters nu en de geheele raad zochten valsche getuigenis tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen. Maar zij vonden niets; want ofschoon velen valsche getuigenis tegen Hem aflegden, stemden de getuigenissen niet overeen.
âToen stond de hoogepriester op, trad in het midden, vraagde Jesus en zeide : Antwoordt gij niets op hetgeen u door dezen wordt ten laste gelegd? Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Wederom vraagde Hem de hooyepriester en sprak lui Hem : Zijt Gij de Chriilus, de Zoo» des (jezecjen. den Gods ? Jesus sprak tol hem: Ik ben hel; en Gij 'alt den Zoon des mensehen zien, zittende aan de rechterhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.
âNu scheurde de hoogepriester zijne kleederen en zeide : Waartoe verlangen wij nog getuigen ? Gij hebt de godslastering gehoord; wat dunkt u? En zij allen oordeelden, dat Hij des doods schuldig was.
â Toen spogen zij Hem in het aangezicht en sloegen Hem met vuisten; en anderen gaven Hem kaakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is 't, die u geslagen heeft ?
âAls nu de morgenstond gekomen was, hielden al de opperpriesters en oudsten des volks raad tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen. En zij leidden Hem gebonden weg
69
en leverden Hein over aan Pontius Pilatus den landvoogd. Zij gingen echter zeiven niet in liet rechthuis, opdat zij niet verontreinigd werden, maar het Pascha mochten eten.
âPilatus dan ging tot hen naar buiten en zeide: Welke beschuldiging brengt gij in tegen dezen mensch? Zij antwoordden en zeiden tot hem : Indien hij geen misdadiger ware, zouden wij hem niet aan u hebben overgeleverd.
âPilatus nu zeide tot hen: Neemt gij hem en oordeelt hem naar uwe wet! De Joden dan zeiden tot hem: Ons is het niet geoorloofd, iemand ter dood te brengen. Opdat het woord van jesu.s vervuld wierd, hetwelk Hij gesproken had, aanduidende welken dood Hij zoude sterven.
..Toen ging Pilatus wederom in het rechthuis, riep Jesus en zeide tot Hem: Zijt gij de koning der Joden? Jesus antwoordde: Zegt gij dit uit u zeiven, otquot; hebben anderen het u van Mij gezegd?
âPilatus antwoordde: Ben ik dan een Jood? Uw volk en de opperpriesters hebben u aan mij overgeleverd. Wat hebt gij gedaan ?
âJesus antwoordde: Mijn rijk is niet van deze wereld. Zoo mijn rijk van deze wereld ware, zouden gewis mijne dienaren gestreden hebben, dat Ik aan de Joden niet werd overgeleverd. Nu echter is mijn rijk niet van hier.
âPilatus zeide nu tot Hem: Zoo zijt gij dan koning? Jesus antwoordde: Gij zegt het. Ik ben Koning. Daartoe ben Ik geboren, en daartoe in de wereld gekomen, om der waarheid getuigenis te geven. Een ieder, die uit de waarheid is, hoort mijne stem.
âPilatus zeide tot Hem: Wat is waarheid ? En als hij dit gezegd had, ging hij andermaal naar buiten tot de Joden en zeide tot hen : Ik vind geene schuld in hem.
âZij echter hielden aan en zeiden: Hij ruit het volk op, leerende door geheel Judaja, van Galiltea aangevangen hebbende, tot hier toe.
âAls Pilatus nu van Galilsea hoorde, vraagde hij, of die mensch een Galileër was. En als hij vernam, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem tot Herodes, die ook zelf in die dagen te Jerusalem was. Als nu Hero-
70
des Jesus zag, was hij zeer verheugd ; want sedert langen tijd was hij begeerig Hem te zien, omdat hij veel van Hem gehoord had en hoopte Hem eenig wonder teeken te zien doen. En hij stelde Hem vele vragen ; doch Hij antwoordde niets.
âDe opperpriesters echter en de schriftgeleerden stonden Hem aanhoudend te beschuldigen.
âHerodes nu, met zijne lijfwacht, verachtte Hem, en na Hem beschimpt en een wit kleed aangedaan te hebben, zond hij Hem naar Pilatus terug. En op denzelfden dag werden Herodes en Pilatus vrienden, want te voren waren zij elkander vijandig.
âMaar Pilatus riep de opperpriesters en de oversten en het volk bijeen en zeide tot hen: Gij hebt dezen niensch tot mij gebracht als eenen verleider des volks; en ziet, ik heb hem voor u ondervraagd en in dezen mensch geen schuld gevonden aan hetgeen waarvan gij hem beschuldigt. Maar ook Herodes niet; want ik heb u tot hem verwezen en ziet, er is niets met hem gebeurd, waaruit blijkt, dat hij des doods schuldig is.
..Maar het is bij u gebruik, dat ik u op het paaschfeest éénen loslate. Wilt gij nu, dat ik u den Koning der Joden loslate? Maar zij riepen allen wederom zeggende: Niet dezen, maar Barabbas! Barabbas nu was een moordenaar.
âPilatus nu, Jesus willende loslaten, sprak hun andermaal toe. Doch zij overschreeuwden hem en zeiden: Kruisig, kruisig hem. En hij zeide tot hen voor de derde maal : Wat kwaad heeft deze dan gedaan? Ik vind geene schuld iles doods in hem ; ik zal hem dus kastijden en loslaten.
âToen liet Pilatus Jesus nemen en geeselen. En de krijgsknechten vlochten eene kroon van doornen en zetten die op zijn hoofd, wierpen Hem een purperen kleed om en traden op Hem toe en zeiden : Wees gegroet. Koning der Joden! En zij gaven Hem kaakslagen.
âPilatus ging dan wederom naar buiten en zeide tot hen: Ziet, ik breng hem tot u buiten, opdat gij weten moogt, dat ik geene schuld in hem vind. (Jesus dan kwam buiten, 'dragende de doornenkroon en het purperen klèed). En
7i
hij zeide tot hen: Ziet den mensch! Als Hem dan de opperprieBters en dienaars zagen, riepen zij en zeiden: Kruisig, kruisig hem! Pilatus zeide dan tot hen: Neemt gij, en kruisigt hem; want ik vind geene schuld in hem. De Joden antwoordden hem: Wij hebben eene wet, en naar de wet moet hij sterven, omdat hij zich zeiven Zoon Gods gemaakt heeft. Als Pilatus nu dit gezegde gehoord had, werd hij nog meer bevreesd. En hij ging wederom in het rechthuis en zeide tot Jesus: Vanwaar zijt gij? Maar fesus gaf hem geen antwoord. Toen sprak Pilatus tot Hem : Spreekt gij niet tot mij ? Weet gij niet, dat ik macht heb, u te kruisigen, en macht heb, u los te laten? Jesus antwoordde : Gij zoudt over Mij geene macht hebben, indien ze u niet van boven gegeven ware. Daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd, grootere zonde.
âVan toen af zocht Pilatus Hem los te laten. Maar de Joden riepen en zeiden: Zoo gij dezen loslaat, zijt gij des Keizers vriend niet; want een ieder, die zich tot koninir maakt, wederspreekt den Keizer.
âAls nu Pilatus deze woorden gehoord had, hracht hij Jesus buiten; en hij plaatste zich op den rechterstoel, op dc plaats genaamd Lithostrotos, in het Hebreeuwsch; (iabbatha. En liet was de dag der voorbereiding van het pascha, ongeveer het zesde uur; en hij zeide tot de Joden: Ziet, uw Koning. Maar zij riepen: weg, weg met hem! Kruisig hem! Pilatus zeide tot hen: Uwen koning zal ik kruisigen? De overpriesters antwoordden: wij hebben geenen koning dan den KeizerI
â Toen gaf hij Hein dan aan hen over om gekruisigd te worden. En zij namen Jesus en leidden Hem weg. En zijn kruis dragende ging Hij uit naar de plaats welke Cal-varië heet, in het Hebreeuwsch Golgotha. Alsdan kruisigden zij Hem en met Hem twee anderen, aan elke zijde éénen, en Jesus in het midden.
âEn Jesus sprak: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet wat zij doen.
âEn een van de moordenaars, die daar hingen, lasterde Hem, zeggende. Indien gij de Christusjzijt, red u zeiven
72
en ons. Doch de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende; vreest ook gij God niet, daar gij dezelfde straf ondergaat? En wij wel terecht ; want wij ontvangen hetgeen onze werken verdienen ; maar deze heeft niets kwaads gedaan. En hij zeide tot Jesus; Heer, gedenk mijner, als Gij in uw rijk komt. En jesus sprak tot hem; Voorwaar Ik zeg ii heden zult gij met Mij zijn in 't paradijs.
âHet was nu ongeveer de zesde ure; en er kwam duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe. De zon werd verduisterd. En ter negender ure riep Jesus met luide stem en sprak: Eloi, Eloi, lamma sabacthani? hetgeen vertolkt is; Mijn God, Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten? En als sommigen, die in de nabijheid stonden, dit hoorden, zeiden zij; ziet hij roept Elias.
âDaarna, als Jesus wist, dat alles volbracht was, sprak Hij, opdat de Schrift vervuld werd; Ik heb dorst. Er stond nu een vat met edik. En zij vulden eene spons met edik, staken die op eenen hysopstengel en brachten die aan zijnen mond.
âAls Jesus dan den edik genomen had, sprak Hij ; Het is volbracht I En Hij boog het hoofd en gaf den geest.
En ziet, het voorhangsel van den tempel scheurde in twee stukken, van boven tot beneden, en de aarde beefde en de steenrotsen barstten. De graven openden zich en vele lichamen der heiligen, die ontslapen waren, stonden op. En zij gingen uit hunne graven, na zijne verrijzenis, kwamen in de heilige stad en verschenen aan velen.
âDe hoofdman nu, en die met hem waren en Jesus bewaakten, als zij de aardbeving en hetgeen er geschiedde zagen, werden zeer bevreesd en zeiden ; Deze was waarlijk Gods Zoon!
âDe Joden dan, omdat het de dag der voorbereiding was, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den Sabbat (want die Sabbat was een groote dag) verzochten Pilatus, dat hunne beenen gebroken en zij afgenomen zouden worden.
âDe krijgsknechten kwamen alzuo en braken de beencu van den eenen en den anderen, die met Hem gekruisigd
73
waren. Doch als zij bij Jesus gekomen waren, zagen zij, dat Hij alreeds gestorven was, en braken zijne beenen niet; maar een van de krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer en terstond kwam er bloed en water uit. En hij, die het gezien heefi, heeft daarvan getuigenis afgelegd, en zijne getuigenis is waarachtig: en hij weet, dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij moogt gelooven. Want dit is geschied, opdat de Schrift werd vervuld: Gij zult geen been van Hem breken. En wederom een andere Schriftuurplaats zegt; Zij zullen zien, VVien zij doorstoken hebben.
âToen het nu avond geworden was, kwam Joseph van Arimathsea, een aanzienlijk raadsheer, die ook zelf het rijk ('Ods verwachtte, en ging vrijmoedig tot Pilatus en verzocht het lichaam van Jesus.
âMaar Filatus verwonderde zich, dat Hij alreeds gestorven was. En hij liet den hoofdman komen en vroeg hem of Hij reeds gestorven was. En als hij het van den hoofdman vernomen had, gaf hij het lichaam aan Joseph. Joseph nu kocht fijn lijnwaad, en nam Hem af. En Nicodemus kwam ook, die weleer bij nacht tot Jesus gekomen was, en bracht een mengsel van mirre en aloë, omtrent honderd pond. Zij namen dan het lichaam van Jesus en wikkelden het, met de specerijen, in linnen doeken, gelijk het bij de Joden gewoonte is te begraven.
âEn er was in de plaats, waar Hij gekruisigd was, een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was. Daar nu legden zij Jesus, om den voorbereidingsdag der Joden; want het graf was nabij.
âDes anderen daags nu, die na de voorbereiding volgt, kwamen de opperpriesters en pharizeën tot Pilatus en zeiden: Heer, wij herinneren ons, dat die verleider, toen hij nog leefde, gezegd heeft: Ik zal na drie dagen verrijzen. Gebied dan, dat het graf.tot den derden dag bewaakt worde, opdat niet wellicht zijne discipelen komen en hem stelen en aan het volk zeggen: Hij is van de dooden verrezen, en zoo dc laatste dwaling erger worde dan de eerste.
âPilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht, gaat, en be-
74
waakt het gelijk gij goedvindt. Zij gingen dan heen, bezetten het graf met wachters en verzegelden den steen.
âEn als de Sabbat voorbij was, kochten Maria Magdalena en Maria, de moeder van Jacobus, en Salome specerijen om Jesus te gaan balsemen. En zij zeiden tot elkander: Wie zal voor ons den steen afwentelen van den ingang des grafs? En ziet, er ontstond eene groote aardbeving; want een engel des Heeren daalde van den hemel, naderde, wentelde den steen weg en zette zich daarop. Zijn aangezicht was als een bliksem en zijn gewaad wit als sneeuw. Uit vreeze voor hem sidderden de wachters en werden gelijk dooden.
âEn de engel nam het woord op en zeide tot de vrouwen: Weest niet bevreesd; want ik weet dat gij Jesus zoekt, die gekruisigd is. Hij is niet hier; want Hij is verrezen, gelijk Hij gezegd heeft. Komt, en ziet de plaats, alwaar de Heer gelegd was; gaat haastig heen en zegt aan zijne discipelen, dat Hij verrezen is. En ziet Hij gaat u voor naar Galilsea; daar zult gij Hem zien. Ziet, ik heb het u voorzegd.
âEn haastig gingen zij uit het gral' met vreeze en met groote blijdschap en liepen, om het aan zijne leerlingen te boodschappen. En ziet, Jesus kwam haar te gemoet en sprak: Weest gegroet! En zij naderden, omvatten zijne voeten en aanbaden Hem.
âToen sprak Jesus tot haar: Vreest niet 1 Gaat en boodschapt het mijnen broederen, dat zij heengaan naar Galiltea. Aldaar zullen zij Mij zien.
âNadat zij weggegaan waren, ziet, zoo kwamen ereenigen van de wachters in de stad en boodschapten aan de opperpriesters alles wat er geschied was. En zij vergaderden met de oudsten, hielden raad en gaven den krijgsknechten veel geld en zeiden: Zegt: zijne leerlingen zijn in den nacht gekomen en hebben hem gestolen terwijl wij sliepen; en indien dit den landvoogd ter ooren mocht komen, zoo zullen wij hem tevreden stellen en zorgen, dat gij veilig zijt.
âZij dan namen het geld en deden, gelijk zij onderricht waren. En dit gerucht is verbreid onder de Joden tot op den huidigen da?.
75
âDe vrouwen nu, van het graf wederkeerende, boodschapten dit alles aan de elf en aan al de anderen; maar hare woorden schenen dezen als dwaasheid en zij geloofden haar niet. Toen ging Petrus uit en de andere leerling (JoannesJ en zij kwamen bij het graf. Zij liepen beiden tegelijk en de andere leerling liep nog sneller dan Petrus en kwam het eerst bij het graf. En als hij nederbukte, zag hij de linnen doeken liggen, ging echter niet binnen. Simon Petrus, die hem volgde, kwam dan en ging in het graf en zag de linnen doeken liggen en den zweetdoek, welke om zijn hoofd geweest was, deze echter niet bij de linnen doeken, maar afzonderlijk samengerold op ééne plaats. Toen ging dan die discipel, die het eerst bij het graf gekomen was, er ook binnen : en hij zag en geloofde; want zij verstonden nog de Schrift niet, dat Hij van de dooden moest opstaan.
âEn ziet twee van hen gingen op denzelfden dag naar een vlek, hetwelk zestig stadiën van Jerusalem gelegen was, met name Emmaus. En zij spraken met elkander over al hetgeen er gebeurd was. En het geschiedde, terwijl zij te zamen spraken en elkander ondervraagden, dat ook fesus zelf bij hen kwam en met hen ging. Maar hunne oogen rri'-iV wer(^en weerhouden, zoodat zij Hem niet herkenden. En c t - Hij sprak tot hen : welke zijn de reden, die gij wandelende niet elkaar wisselt, en waarom zijt gij treurig? En de een. met name Cleophas, antwoordde en zeide tot Hem: Zijt gij alleen vreemdeling in Jerusalem, en weet gij niet wat in deze dagen aldaar geschied is? En Hij sprak tot hen: d Wat dan? En zii zeiden: Aangaande Jesus den Nazarener,
man, machtig in werken en woor
iet volk: en hoe onze overpriesters equot; uvcibLcu ncm lui ue straffe des doods overgeleverd en gekruisigd hebben. Wij echter hoopten, dat Hij het was, die Israël verlossen zoude. Doch nu is het, na dit alles, heden de derde dag, sedert deze dingen geschied zijn. Doch ook hebben eenige vrouwen uit de onzen, die vóór het daglicht bij het graf geweest zijn, ons doen ontstellen: daar zij zijn, lichaam niet vonden, zijn zij gekomen zeggende dat zij ook eéne verschijning van engelen gezien hadden, die zèg-
70
gen dat Hij leeft. En eenigen uit de onzen zijn naar het graf gegaan er. hebben het aldus bevonden, gelijk de vrouwen gezegd hadden; maar Hem zeiven hebben zij niet gevonden.
..En Hij sprak tot hen: O gij onverstandigen en tragen van harte om alles te gelooven wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden en aldus ingaan in zijne heerlijkheid?
âEn beginnende met Mozes en al de profeten, verklaarde Hij hun in al de Schriften, hetgeen er van Hem stond.
âEn zij naderden het vlek, waarheen zij gingen, en Hij hield zich, als wilde Hij verder gaan. Zij echter noodig-den Hem en zeiden : Blijf bij ons ; want het wordt avond en de dag is reeds gedaald.
âEn Hij ging met hen binnen. En het geschiedde, als Hij met hen aanzat, dat Hij het brood nam, zegende, brak en aan hen gaf. Toen werden hunne oogen geopend en zij kenden Hem; maar Hij verdween uit hunne oogen.
âEn zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandend in ons, terwijl Hij op den weg sprak en ons de Schriften verklaarde ? En terzelfder ure opstaande, keerden zij terug naar Jerusalem en zij vonden de elf en die met hen waren bijeen, die zeiden; De Heer is waarlijk verrezen en aan Simon verschenen.
âEn zij verhaalden wat op tien weg geschied was, en hoe zij Hem in het breken des broods hadden erkend.
âEn terwijl zij aldus spraken, stond Jesus in hun midden en sprak tot hen: Vrede zij u! Ik ben het, vreest niet! Doch zij, vol angst en schrik, meenden eenen geest te zien. En Hij sprak tot hen: Wat zijt gij ontsteld en waarom rijzen er bedenkingen in uwe harten op? Beschouwt mijne handen en voeten: Ik ben het zelf; voelt en ziet. Want geen geest heeft vleesch en beenderen, gelijk gij Mij ziet hebben. En als Hij dit gezegd had, toonde Hij hun zijne handen en voeten en ook zijne zijde. En als zij nog niet geloofden en van vreugde buiten zich zeiven waren, sprak Hij: Hebt gij hier iets te eten? Zij dan boden Hem een stuk van een gebraden visch en eene honigraat aan. En
77
als Hij in hun bijzijn gegeten had, nam Hij hetgeen overbleef en gaf het hun.
âHij sprak dan wederom tot hen: Vrede zij u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Ik u. Als Hij dit gezegd had, blies Hij over hen en sprak tot hen: Ontvciii;/! den Heilicjen Geest. Wier zonden gij zuil vergeven, dien woi'-den zij vergeven', wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden.
âMaar 1 homas, één van de twaalf, die genoemd worth Didymus, was niet met hen toen Jesus kwam. De andere leerlingen dan zeiden tot hem: Wij hebben den Heer gezien. Maar hij zeide tot hen: Indien ik niet in zijne handen het merkteeken van de nagelen zie, en mijnen vinger steke in de plaats der nagelen, en mijne hand niet legge in zijne zijde, zal ik het niet gelooven.
âKn na acht dagen waren zijne leerlingen wederom binnen en 1 homas met hen. Jesus kwam, terwijl de deuren gesloten waren, stond in hun midden en sprak: Vrede zij u I Daarna sprak Hij tot Thomas: steek uwen vinger hierin, en zie mijne handen, en breng uwe hand vooruit en leg ze in mijne zijde; en wees niet ongeloovig, maar geloovig. Tho ⢠mans antwoordde en zeide tot Hem: Mijn Heer en mijn God! Jesus sprak tot hem: Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, hebt gij geloofd : Z.dig zij, die niet gezien en geloofd hebben!
âDaarna openbaarde zich Jesus wederom aan zijne leerlingen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde zich aldus; Er waren bijeen Simon Petrus en Thomas Didymus en Nathanaël, van Kana in Galilsea, en de zonen van Zebedeüs en twee anderen van zijne leerlingen.
âSimon Petrus zeide tot hen: Ik ga visschen. Zij zeiden tot hem: Ook wij gaan met u. En zij gingen uit en stegen in het schip en in dien nacht vingen zij niets.
âAls nu de morgen gekomen was, stond Jesus aan den oever ; nochtans wisten de leerlingen niet, dat het Jesus was. Jesus dan sprak tot hen: Kinderen, hebt gij iets te eten ? Zij antwoordden Hem : Neen. Hij sprak tot hen: Werpt het net uit ter rechterzijde van het schip, en gij zult er vinden. Zij wierpen het net dan en konden het niet meer trek-
7«
ken, om de menigte der visschen. De leerling dan, dien Jesus liefhad (Joannes), zeide tot Petrus; Het is de Heer. Als Simon Petrus hoorde, dat het de Heer was, omgordde hij zich met zijn onderkleed (want hij was naakt) en wierp zich in zee. En de andere leerlingen kwamen met het schip; want zij waren niet ver van het land, maar ongeveer twee honderd ellen, en zij trokken het net met de visschen.
âAls zij nu aan land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur aangelegd, daarop eenen visch en ook brood. Jesus sprak tot hen : Brengt van de visschen, die gij nu gevangen hebt, Simon Petrus steeg op en trok het net op het land vol groo-te visschen, honderd drie en vijftig; en ofschoon er zooveel waren scheurde het net niet. Jesus sprak tot hen : komt, neemt het maal. En niemand van degenen, die aanzaten, durfde Hem vragen : wie zijt gij ? wetende dat het de Heer was.
âEn Jesus naderde, nam het brood, gaf het hun en den visch desgelijks......
âAls zij nu het maal genomen hadden, sprak Jesus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Joannes, bemint gij Mij meer dan dezen? Hij zeide zeide tot hem: Ja, Heer, (Jij weet, dat ik U liefheb. Hij sprak tot hem: Weid mijne lammeren.
âAndermaal sprak Hij tot hem: Simon, zoon van Joannes, bemint gij Mij ? Hij zeide tot Hem: Ja, Heer, Gij weet, dat U liefheb. Hij sprak tot hem : Weid mijne lammeren.
âHij sprak tot hem ten derden male: Simon, zoon van Joannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem gesproken had; Hebt gij Mij lief? en zeide tot hem: Heer, Gij weet alles. Gij weet dat ik U liefheb. Hij sprak tot hem: Weid mijne schapen.
âVoorwaar, voorwaar. Ik zeg u : Toen gij jonger waart, gorddet gij u en wandeldet, waar gij wildet; maar als gij oud zijt geworden, zult gij uwe handen uitstrekken en een ander zal u gorden en geleiden, waar gij niet wilt. Dit nu sprak Hij, om aan te duiden door welken dood hij God zoude verheerlijken. En nadat Hij dit gesproken had, zeide Hij tot hem : Volg mij!quot;
Ziedaar in hoofdzaak, het historisch bericht der Evange-
79
listen omtrent het leven, den dood en de opstanding van Jesus Christus. Al deze gebeurtenissen, vooral die waar de Heiland na zijne opstanding verscheen, deel ik u zoo uitvoerig mede, wijl van het begin des Christendoms af de persoon van Jesus Christus en voornamelijk zijne verrijzenis den grondslag vormt van het christelijk gelooven en hopen. Reeds de H. Paulus deelt daarom meerdere verschijningen van Christus mede. zoowel zulke, waarvan de Evangeliën melding maken, alsook zulke, die daarin niet zijn vermeld. Zoo verhaalt hij ons bijv., dat Christus bij zekere gelegenheid âaan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk is verschenen, van welke er velen tot nu toe in leven, eenigen echter ontslapen zijn.quot; Dan voegt hij er voor de Korinthiërs, aan wie hij schrijft, het volgende aan toe:
âAls nu Christus gepredikt wordt, dat Hij van de dooden ' verrezen is, hoe zeggen dan sommigen onder u, dat er geene verrijzenis der dooden is? Doch als er geene verrijzenis der dooden is, dan is ook Christus niet verrezen. Maar is Christus niet verrezen, dan is bijgevolg onze prediking ijdei, dan is ook uw geloof ijdel. Ook worden wij dan bevonden valsche getuigen te zijn van God; want dan hebben wij tegen God getuigd, dat Hij Christus heeft opgewekt, dien Hij, indien de dooden niet verrijzen, niet heeft opgewekt ...... Als wij echter slechts in dit leven op Christus
hopen, dan zijn wij de ellendigsten van alle menschen.quot; ')
Doch keeren wij nog eenmaal tot het verhaal des Evangelies terug.
Den vroeger gegeven wenk volgend, âbegaven zich de elf leerlingen naar Galilagt;a, op den berg dien Jesm hun bepaald had. En als zij Hem zagen, aanbaden zij Hem; sommigen echter twijfelden. Jesus dan, naderkomende, sprak hen aan en zeide: Mij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. Gaat derhalre en leert alle volken en doopt hm in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, en leert hen onderhouden al hetgeen Ik u bevolen heb. En
1) I Korintli. XV. fiâ19.
8 o
ziel Æ/.⢠ben mei. u, alle dagen, lot mm de voleinding der wereld.quot;
Een gewichtige opdracht, eene gewichtige belofte, welker uitvoering en vervulling wij nog dagelijks voor oogen zien !
Doch niet alleen de H. Mattheus, aan wien de aangehaalde woorden zijn ontleend (XVIII, 16â19), niaa r ook de H Marcus (XVI, 14â20) bericht ons deze of eene nagenoeg gelijkluidende zending. Want: âten laatste openbaarde Hij zich aan de elven, als zij aanzaten. En Hij bestrafte hunne ongeloovigheid en hardheid des harten, dewijl zij dengenen, die Hem na zijne verrijzenis gezien had'h 1, niet hadden geloofd. En Hij sprak tot hen : Gctctl heen in de lt;je/ieele wereld en verkondigt het Evangelie aan alle schepselen. Wie gelooft, en gedoopt ivovdt, zal zalig worden: maar wie niet zal gelooven. zid verdoemd worden.
âDegenen nu, die gelooven, zullen deze teekenen volgen: In mijnen naam zullen zij duivelen uitdrijven; nieuwe talen zullen zij spreken; slangen zullen zij opnemen, en indien zij iets doodelijks gedronken hebben, zal het hun niet schaden; kranken zullen zij de handen opleggen en zij zullen gezond worden.quot;
Nu leidde Jesus zijne leerlingen uit Jerusalem naar Betha-nië en sprak: âGij zult de kracht ontvangen des H. Geestes, die over u komen zal, en gij zult Mij getuigen zijn in Jerusalem en in geheel Judaea en Samaria en tot aan de grenzen der aarde.quot; l)
âEn Hij hief zijne handen op en zegende hen : en het ge-geschiedde, terwijl Hij hen zegende, scheidde Hij van hen en voer op ten hemel.
âEn eene wolk voerde Hem weg uit hunne oogen. En als zij Hem, die ten hemel voer, nastaarden, ziet, er stonde n bij hen twee mannen in witte kleeding, die ook zeiden : Mannen van (ialila;a, wat staat gij hemelwaarts te zien ? Deze Jesus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen als gij Hem hebt zien ten hemel varen.quot; -)
â l l Hand, r, X, 2) Hand. I, 9â11.
81
Het verlossingswerk was dus volbracht. Christus was als de eerstgeborene van de dooden verrezen, de leer des heils was verkondigd, gezonden en niet volmacht uitgerust waren de mannen, die deze leer tot aan de verst verwijderde volken en (in hunne opvolgers voortlevend) tot aan het einde dei-tijden moesten verkondigen, de middelen des heils moesten uitdeelen. Het hoofdbedrijf van het drama, het bedrijf dat de wereldgeschiedenis in twee deelen splitst, de voorchristelijke en de christelijke, was voleindigd.
In het hierop volgend bedrijf leven wij. Het is dat bedrijf, waarin de Apostelen en hunne opvolgers de hun door Christus gegeven opdracht uitvoeren, waarin het menschdom meer en meer zich aansluit bij die kudde, wier onzichtbare herder is: de Zoon Gods.
Het slotbedrijf vormt het jongste oordeel. âEn alsdan zul liet teeken van den Zoon des menschen aan den hemel vcrsehlj-nen; en dan zullen alle geslachten der aarde weeklagen ; en zij zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels, met (jrootc macht en heerlijkheid. . . .
âEn alle volken zullen voor hem vergaderd worden en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de hokken scheidt. En de schapen zal Hij stellen aan zijne rechterhand, maar de hokken aan zijne linkerhand.
âAlsdan zal de Koning zeggen tot hen, die aan zijne rechterhand zullen zijn: Komt, gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, hetwelk van de grondlegging der wereld voor u bereid is. Want ik heb honger gehad en gij hebt mij te eten gegeven ; ik heb dorst gehad, en gij hebt mij te drinken gegeven; ik was vreemdeling, en gij hebt mij geherbergd; naakt, en gij hebt mij gekleed : ziek, en gij hebt mij bezocht; ik was in de gevangenis, en gij zijt tot mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden en zeggen : Heer, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben U gespijsd, of dorstig, en hebben U te drinken gegeven ? En wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en U geherbergd? Of wanneer hebben wij U ziek gezien, of
C)
82
in de gevangenis, en zijn wij tot U gekomen. En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen : Voorwaar, ik zeg n: zoo dikwijls gij dit aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, hebt gij het mij gedaan.
âAlsdan zal Hij ook lot degenen zeggen, die aan zijne linkerhand zullen zijn: Gaat van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk voor den duivel en zijne engelen bereid is; want ik heb honger gehad, en gij hebt mij niet te eten gegeven; ik heb dorst gehad, en gij hebt mij niet te drinken gegeven; ik was vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd; naakt, en gij hebt mij niet gekleed ; ziek, en in de gevangenis, en gij hebt mij niet bezocht. Dan zullen ook dezen Hem antwoorden en zeggen ; Heer, wanneer hebben wij U gezien hongerig of dorstig of als vreemdeling ot naakt of ziek of in de gevangenis, en hebben U niet gediend? Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen : Voorwaar, ik zeg u: zoo dikwijls gij het aan éénen vanVleze geringsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook mij niet gedaan.
âKn deze zullen tjaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in hel eeuwige leven.quot; . ')
Ziedaar het drama der wereldgeschiedenis â geen verdichting. maar waarheid en werkelijkheid!
2. De gewijde Boeken van het Nieuwe Testament.
(i. Briek van Edgar.)
Eerwaarde l'ater. Hartelijk dank voor uwen langen, uit-voerigen brief. Die woorden der H. Schrift hebben toch iets eigenaardigs! Al deze trekken uit het leven van Jesus, waarover gij mij bericht, had ik reeds vroeger, in mijne
1) Malth. XXIV (Ml \.\V.
«3
jeugd gehoord; maar in dezen samenhang en. met de eigen woorden der H. Schrift weergegeven, hadden ze thans voor mij eene geheel eigenaardige bekoorlijkheid. De ongekunstelde eenvoud dezer verhalen draagt blijkbaar den stempel der waarheid. En toch komt weer van den anderen kant mijne fantasie tegen de vele wonderen, die daar verhaald worden, in verzet. Zij belet mij, iets meer in dat alles te zien dan vrome legende. Logisch ben ik hierin niet, dit moet ik gulweg bekennen; want zoodra het bestaan van een persoonlijken God voor mij vaststaat, kan ik tegen wonderen geen ernstig bezwaar meer opperen. In ieder geval zou ik toch gaarne het historisch bewijs geleverd zien, dat de vier Evangeliën en in 't algemeen de boeken van het Nieuwe Testament geloofwaardig zijn, evenals bijv. Sallustius en Tacitus.
Ik verzoek U dus om dergelijke bewijzen voor de echtheid en geloofwaardigheid van het Nieuwe Testament.
(2. Antwoord dks Paters.)
Aan Uwen wensch, waarde Vriend, voldoe ik zeer gaarne; want hij is ten volle gerechtvaardigd. Uit de boeken toch van het Nieuwe Testament moeten wij aantoonen, dat de talrijke Messiaansche voorzeggingen, die, zooals bewezen kan worden, reeds lang vóór Christus bestonden, in Jesus van Nazareth werkelijk zijn vervuld. Uit deze boeken moeten wij voor een groot deel onze geloofswaarheden putten; dit geldt voor U protestanten nog meer dan voor ons katholieken; immers voor U is de H. Schrift de eenige geloofsbron en geloofsregel, terwijl wij als regel het kerkelijk leeraarsambt en als bron, naast de H. Schrift, ook nog de Overlevering aannemen. Als ik U in 't voorafgaande op geloof en trouw historische bescheiden uit het Nieuwe Testament voorlegde, geschiedde dit met de stilzwijgende conditie, dat de vraag aangaande hunne echtheid te gelegener tijd op het tapijt zou worden gebracht. Deze uiteenzetting begin ik nu, en wel met de volgende uitspraak van den Christusloochenaar David Strausz:
,,Zijn de Evangeliën werkelijk historische oorkonden, dan
«4
is het wonder uit de levensgeschiedenis des Heeren niet weg te cijferen; is omgekeerd het wonder met de geschiedenis niet te rijmen, dan kunnen de Evangeliën geene historische bronnen zijn.quot; ')
Deze uitspraak geeft ons duidelijk en klaar den eigenlijken grond aan, waarom het rationalisme de echtheid der Evan geliën bestrijdt; want wonderen vinden we bijna op iedere bladzijde van het Evangelie. Zijn wonderen onmogelijk, dan zijn de Evangeliën louter kindersprookjes en het geheele Christendom met zijne wereldhistorische beteekenis, zijne beschavende macht, zijne gothische domkerken, zijne ontelbare martelaren, heeft als grondslag eene verzameling van verdichtsels. De Christenen, van wie reeds Plinius, dus een tijdgenoot van de Apostelen, aan Trajanus bericht, dat zij bij hunne bijeenkomsten lofzangen op Christus, als op oenen dod, zongen, quot;-) zouden zich door bedriegers hebben laten beetnemen, zouden bij duizendtallen hun bloed hebben vergoten, en dat voor eene aaneenschakeling van verdichte feiten, van welker waarheid of onwaarheid velen hunner, tijdens wier leven deze feiten zouden gebeurd zijn, zich ge-makkelijk hadden kunnen overtuigen, immers, sedert den dood, de verrijzenis en den hemelvaart van Christus waren nog geene 40 jaar verloopen, toen onder Nero te Rome de eerste groote en bloedige Christenvervolging uitbrak.
En toch beweer ik: Wanneer wonderen onmogelijk zijn, dan moeten wij al deze Christenen voor arme misleiden, de schrijvers der Evangeliën en de Apostelen, die vóór de op-teekening deze feiten mondeling verbreidden, eveneeps voor misleiden of misleiders houden. Gelukkig echter zijn, zooals ik u vroeger aantoonde, wonderen niet onmogelijk; want er bestaat een persoonlijke (ïod, die de wereld schiep en haar bestendig regeert : dus moeten wij de bevestiging van het Christendem door wonderen, moeten wij in de eerste plaats de verrijzenis van Christus aannemen; want
i) Strausz, Lobcn Jo.su fur das dentsche Volk. IHO'i blz. IS. 2) Plinius. Kpist. X. '.gt;7,
SS
..Kon zonder wond'ren de aarde zich bekeeren
'Tot Christen, dan is dit reeds zoo verheven
J )at de and'ren zaam geen honden 1st deel formeeren.quot; ')
Staat het dan vast, of is liet ook maar waarschijnlijk, dat er ter bevestiging van het Christendom wonderen in quot;t spel waren, dan is het eenige ernstige bezwaar tegen de geloofwaardigheid der Evangeliën al vast afgehandeld, dat bezwaar, hetwelk lieden als Voltaire en Renan noopt de Evangeliën aan te vallen. De Evangeliën zijn echter, ondanks de wonderen, die zij verhalen, evengoed voor echt en gelooi-waardig te houden, als de bijna gelijktijdige geschriften van Caesar en Tacitus, mils sterke historische bewijzen mor hunne echtheid kunnen worden aangevoerd.
Deze bewijzen nu zal ik U voorleggen, terwijl ik mij aansluit bij een onlangs verschenen werk van den Krakauer professor Paivlicki -) en de uiteenzettingen van den beroemden ontdekker van den Codex Sinailicus, den protestantschen professor Tischendorf *) van Leipzig.
Ik haal u eerst de uitwendige bewijzen voor de echtheid aan :
i. (_)p de eerste plaats komt de vraag: Hoe oud zijnde nog bestaande handschriften van het Nieuwe Testament?
De oudste handschriften van Caesar, Tacitus en Seneca stammen uit de 9de eeuw; van de 250 handschriften van Horatius stamnen er slechts 2 uit de 8ste eeuw. Eenige meer of minder beschadigde handschriften van Terentius, Gajus en Plautus behooren in de 5de, eenige dergelijke van Virgilius en Cicero in de 3de of 4de eeuw thuis. Uit nog vroegere jaren hebben wij slechts eenige halfverkoolde papyrus-rollen uit Herculanum van de iste eeuw na Christus, en eenige fragmenten van Hyperides en Homerus' Ilias uil Egyptische graven van de 2e en 3e eeuw vóór Christus. L)e meerderheid dus der oude klassieke geschriften is, ofschoon zij meestendeels vóór Christus, inzonderheid de
1) Dantc, Parad. XXIV. loü. 2) Pawlicki, Der Urspruny des Christenlhums (Mainz, Kirchheim 1885;. i!) Tiscliendorf, Waim wurdeu uiisere Evan^elien ver-faszl? ie Aull. (Leipzig),
86
Grieksche, reeds lang vóórdien tijd geschreven waren, slechts in latere handschriften, ongeveer uit de 8ste of gde eeuw of nog later, ons bewaard. Desniettegenstaande houdt men ze algemeen voor echt.
Hoe staat het nu met het Nieuwe Testament ?
Wij bezitten ongeveer roo Grieksche handschriften ervan, 2 uit de 4e eeuw (den Codex Vaticanus en Sinaiticus), 2 uit de 5e eeuw (het Alexandrijnsche en de Palimpsest van den H. Ephrem), andere uit de 6e, 7e en 8e eeuw.
2. Nog dichter bij den oorsprong voeren ons de oude vertalingen en Evangeliën-harmonieën.
Het is ontwijfelbaar zeker, dat kort na het midden, misschien omstreeks het midden der 2e eeuw, dus ongeveer 60 jaar na den dood van den H. Apostel en Evangelist loannes, de vier Evangeliën gezamenlijk in het Syrisch en het Latijn werden vertaald; eene koptische vertaling valt in de 3e, eene gothische in de 4e eeuw. Omstreeks het jaar 170 of alreeds iets vroeger, dus eveneens 60 of 70 jaar na den dood van den H. Joannes, werd de inhoud der vier Evangeliën zoowel door Theophilus als door Tatianus tot eene Evangeliën-harmonie saamgesteld. Het is een algemeen aangenomen en onbetwist feit, dat tegen het einde der 2e eeuw de historische boeken van het N. Testament algemeen in de verschillende gemeenten als geloofwaardig, echt en geïnspireerd werden behandeld. Bovendien is de tekst der oudste handschriften en vertalingen van dien aard, dat hij reeds eene geheele tekstgeschiedenis, d.w.z. verschillende wijzigingen onder de hand der afschrijvers veronderstelt. Tis-chendorf, voorzeker eene bevoegde autofiteit, meent hieruit met zekerheid te kunnen besluiten, âdat elk onzer Evangeliën minstens tot het begin van de tweede, tot het eind van de eerste eeuw moet worden teruggebracht.quot; ')
Wij zijn dan gekomen tot aan den tijd der Apostelen. Hoe zou men nu in dien tijd geheel die uitvoerige verhalen der Evangeliën hebben kunnen uit de lucht grijpen, terwijl
I) t. a. p. 1.1. us.
87
een groot deel der levende generatie persoonlijk met de Apostelen verkeerd, hunne verhalen en hunne prediking moest gehoord hebben ? Men zou immers onmiddellijk die gefingeerde wonderberichten, als in tegenspraak zijnde met de berichten van ooggetuigen, overal in de kerken hebben gelogenstraft !
3. Zoo ging het inderdaad met de talrijke apocrielc evangeliën, welke voor den dag kwamen; met het zoogen. evangelie van Petrus, van Thomas, van Barnabas enz. Men onderscheidde ze zeer goed van de echte. Valsche munten nu pleegt men daar te slaan, waar echte in omloop zijn: en deze apocriefe evangeliën zouden nooit zijn saamgesteld, zoo er geene echte evangeliën hadden bestaan, namelijk die vier, welke sedert de tweede eeuw in de vertalingen en Evangelien-harmoniën, in het onafgebroken liturgisch gebruik en in de talrijke citaten der schrijvers als zoodanig worden betuigd: de Evangeliën van Mattheüs, Marcus, i ,ucas en Joannes.
4. Wenden wij ons nu tot de getuigenissen der schrijvers; vooreerst tot den H. Ireneüs.
Ireneüs werd omstreeks het jaar 130 geboren, hij werd bisschop van Lyon omstreeks 177 en stierf in 't begin van tie derde eeuw, in het jaar 202. Hoe dicht hij het apostolisch tijdvak naderde, blijkt uit zijne eigene woorden aan Florinus ;
.jlk zag u,quot; zoo schrijft hij, âtoen ik nog een jongeling was, in beneden-Azië bij Poly carpus, toen gij in den glans van het keizerlijk hof leefdet en naar den bijval van Poly-carpus streefdet. Want wat er toen gebeurd is, heb ik nog levendiger in mijn geheugen, dan wat zich pas onlangs heeft toegedragen. Wat wij in de jeugd in ons opnemen, gaat als het ware op in ons wezen en blijft innig met ons verbonden. En zoo kan ik ook nu nog de plaats aangeven, waar de zalige Polycarpus bij zijne voordrachten zat, hoe hij voorbijging en binnentrad, hoe hij leefde en hoe hij er uitzag, welke redevoeringen hij hield tot het volk, hoe hij verhaalde van zijn verkeer met Joannes en met de overigen, die den Heer gezien hadden, en hunne woorden aanhaalde;
hoe hij hetgeen hij aangaande den Heer gehoord had en omtrent Zijne wonderwerken en Zijne leer uit den mond van hen, die het woord des levens met eigen oogen hadden geschouwd, voordroeg en wel in volle overeenstemming met de Schrift.'' 1)
Met welke Schrift? Blijkbaar met die, welke, toen Ire-neüs als bisschop en schrijver schitterde, in het Latijn en Syrisch was vertaald; in overeenstemming vooral met de Evangeliën, die Theophilus en Tatianus toen ter tijd tot cene harmonische voorstelling der wonderdaden en leeringen des Heeren hadden saaingevoegd; in tegenstelling echter met de apocriefe evangeliën, welke reeds toen werden verworpen ; in overeenstemming eindelijk met die evangeliën, ivelke Ireneüs zelf bij zijne werken gebruikt: en dat zijn de vier Evangeliën; want op niet minder dan 400 plaatsen haalt hij ze aan. Bovendien noemt hij ze afzonderlijk bij hunnen naam: Mattheus, Marcus, Lucas en Joannes, en verklaart, dat ..de over de geheele aarde verbreide Kerk rust op de 4 Evangeliën als op zoovele zuilen.quot; -)
5. Van Ireneüs wenden wij ons tot Polycarpus, aan wien wij daar juist werden herinnerd. Volgens Waddington's epigraphische onderzoekingen is hij den 23en Februari 155 den marteldood gestorven. Voordat hij den brandstapel besteeg, zeide hij tot den pronconsul Statius Quadratus: âZes en tachtig jaar dien ik Christus.quot; Hij was dus in het jaar 69 geboren en bij den dood van den Apostel Joannes, die hem, zooals algemeen bekend is, tot bischop van Smyrna benoemde, ruim 30 jaar oud. Gedurende zijn lang, meer dan vijftigjarig episcopaat werden iederen Zondag de Evangeliën in de vergadering der geloovigen voorgelezen. Is het nu wel aan te nemen, dat de bisschop niet met hunnen oorsprong zou bekend geweest zijn, of dat hij zou toegestaan hebben ze voor te lezen, als hij niet zeker geweest was van hun apos-tolischen oorsprong en hunne geloofwaardigheid?
1
Iren. adv. Haer. Ill, 3. 4, en vooral zijn brief aan Florimi*, bij Kuseb. Hist. eccl. V. 2'». (lion. o|.}.. ed. Stieren I, 822.) 2; Iruji. adv. Iiaer, III. 11. 8.
89
Daarenboven haalt hij in zijn brief aan de geloovigen van Philippi, welke van het einde des jaars 107 of van het begin des jaars 108 dateert, hier en daar de evangeliën van Mattheus en Lucas, de Handelingen der Apostelen, de brieven van Petrus en Joannes en bijna alle brieven van Paulus aan. Uit Mattheus bijv. vindt men er de plaatsen aangehaald: ..Gedachtig het woord, dat Heer geleerd heeft: Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wprdet.quot; ') Zooals de Heer gezegd heeft: De geest is gewillig, maar het vleesch is zwakquot;, enz. -)
6. In het jaar 106, kort voordat Polycarpus zijn brief aan die van Philippi schreef, was de H. Ignatius van Anlio chic in het Colosseum te Rome als martelaar gestorven. Wij bezitten nog zeven echte brieven van hem, die hij op zijne reis van Antiochië naar Rome schreef. Ook in deze komen vele aanhalingen uit en zinspelingen op de evangeliën van Mattheus en Joannes, op de Handelingen der Apostelen en de meeste brieven van den H. Paulus voor.
7. In Rome zelf legde in het jaar 138 de H. Martelaar Juslinus in zijne eerste apologie getuigenis af voor de echtheid onzer Evangeliën. Hij verklaart den Keizer, dat de Eucharistie, welke de Christenen genieten, niet gewoon brood, noch gewone wijn, maar het goddelijk Lichaam en Bloed is. âWant de Apostelenquot;, zoo gaat hij voort, âhebben in hunne gedenkschriften, welke men evangeliën noemt, ons overgeleverd, dat Jesus hun dit bevolen had; dat Hij, na het brood genomen en gedankt te hebben, hun gezegd had ; Doet dit tot mijne gedachtenis, dit is mijn lichaam. En nadat Hij eveneens den kelk genomen en gedankt had, zeide Hij : Dit is mijn bloedquot; enz. :,)
Dan verhaalt hij in den verderen loop zijner rede, hoe de Evangeliën 's Zondags in 't openbaar werden voorgelezen : âiJes Zondags komen allen, die in de steden en buiten wonen, op eene gemeenschappelijke plaats te zamen. Aldaar
I) MrUIi. VII j. 2) Mi,till. XXVI, M. ;i) Cl. MiiUh. XXVI, 2Uâ38; I-uc. XXII. 19,
9°
worden de gedenkschriften der Apostelen of de geschriften der Profeten voorgelezen.quot; ')
Iets dergelijks getuigt ons, voor den tijd gedurende of kort na het pontificaat van Pius 1 (142â157), het door Muratori in 1740 ontdekte fragment, dat als authentieke boeken, die bij de godsdienstoefening mochten worden voorgelezen, de historische boeken van het N. Testament opnoemt, den âPastorquot; van Hermas daarentegen (als eerst onlangs, nuprr, lomporibus iwstris, onder het pontificaat van Pius I) geschreven) buitensluit.
8. Het gebruik der Evangeliën vinden wij in het jaar 180 reeds voor een klein dorp in het afgelegen Numidië vastgesteld. De Aden der Sci/llitaanschc martelaars verhalen namelijk, hoe de Proconsul de Christenen vraagt: âWat voor boeken houdt gij in uwe kasten verborgen?quot; Speratus, een der martelaars, antwoordt: âDe hoeken der Evangeliën en de brieven van den H. Paulus.quot;
Nu vraag ik u: Bestaat er wel voor eenig boek ter wereld een dergelijk bewijs van echtheid en geloofwaardigheid, zooals wij het voor de H. Schrift in bestendig godsdienstig gebruik van de tijden der Apostelen af tot op den huldigen dag bezitten? De grijsaards, die met Jesus en de Apostelen persoonlijk hadden verkeerd, konden getuigenis afleggen voor de overeenstemming van het voorgelezene met hetgeen zij zelf beleefd hadden: de kinderen en jongelingen, die met deze grijsaards tegenwoordig waren, konden hun getuigenis den lateren geslachten overleveren. En zulk een waarborg bood niet slechts eene enkele stad, maar eene geheele rij van steden en dorpen; en ook deze weer niet op zich zelf, maar zoo, dat de heen en weer trekkende geloovige voortdurend zijne eigen gemeente op gelijke lijn met andere christen-gemeenten kon stellen.
9. Begeven wij ons wederom naar Rome, daar vinden wij reeds vóór Justinus den //. Clemens, denzelfde dien de H. Paulus in zijn brief aan die van Philippi (IV. 3) ver-
1) Justin. Apol, 1. c. tfT». 67,
9i
meldt en die als derde opvolger van Petrus den bisschopszetel van Kome innam. Deze schreef op zijn laatst in het jaar gó een brief aan de gemeente van Korinthe, en ook dit schrijven wederom is letterlijk voi van citaten uit het Oude en Nieuwe Testament; voornamelijk worden de evangeliën van Mattheüs en Lucas en bijna at tie brieven van den H. Paulus geciteerd.
Waar vinden wij een dergelijk bewijs van echtheid voor andere geschiedschrijvers? De H. Clemens was tijdgenoot van den schrijver der boeken van het N. Testament, die hij aanhaalt ; daarentegen wordt bijv. Thucidydes, aan wiens echtheid niemand twijfelt, het eerst door Cicero en Dyoni-sius van Halicarnassns, dus circa 330 jaar na zijnen dood, vermeld.
10. Van bijzonder gewicht is de brief' van Barnabas. Gewoonlijk wordt hij dezen, uit de Handelingen der Apostelen bekenden gezel van den H. Paulus toegeschreven. In ieder geval stamt hij uit de eerste christelijke tijden. Deze brief nu bevat in het 4e hoofdstuk de volgende plaats: ,,Laten wij ons in acht nemen, dat wij niet, zooals geschreven slant, vele geroepenen en weinig uitverkorenen worden bevonden.quot; Hier wordt blijkbaar Matth. XX, 16 aangehaald. Merkwaardig is echter de tusschenzin âzooals geschreven staatquot; (sicut scriptam est.) Zoo citeerde men alleen de heilige, de geïnspireerde schriften, het woord Gods. De rationalist Dr. Credner, die den ouderdom van den brief en de beteekenis dezer uitdrukking niet kon loochenen, schreef in het jaar 1832: âDe aanhalingsvorm; sicut scriptam est, van een boek des N. Testaments gebruikt, is voor dien tijd geheel ongehoord en zonder voorbeeld.quot; Maar het Rationalisme wist zich te redden. âHet gedeelte van den brief van Barnabasquot;, zoo heette het, âdat de bewuste plaats bevat, is niet meer in den oorspronkelijken Griekschen tekst voorhanden, maar slechts in eene oude Latijnsche vertaling.quot; Het was dus nog mogelijk, dat ze in den oorspronkelijken tekst anders luidde!
Daar ontdekte (o jammer! voor het Rationalisme) Tischen-dorf in het jaar 1859, tegelijk met den Codex Sinaiticus,
92
tien oorspronkelijker! Griekschen tekst van Barnabas, en â-de in twijfel getrokken woorden bleken juist.
11. Doch zelfs de bestrijders van het Christendom leveren ons bewijzen in overvloed voor de echtheid en onaantastbaarheid der Evangeliën. A'oorecrst plegen de oudste keilers, als Valentinianus (omstreeks 140), Basilides, Mardon e. a. niet daardoor de Kerk te bestrijden, dat zij de geloofwaardigheid der Evangeliën aantasten, maar door deze in hunnen ketterschen zin te verklaren. Deze ketters afzonderlijk aan te halen, zou hier te uitvoerig zijn. Ik wil u alleen de woorden ineedeelen van den H. 1 reneiis (130â202), die reeds in de tweede eeuw verklaart: ;Zoo onwrikbaar vast staan onze Evangeliën, dat zelfs de dwaalleeraars getuigenis voor dezelve afleggen en dat ieder hunner van deze uitgaat om zijne eigene leer te bevestigen.quot; ')
12. De heidensche filosoof Celsus, die volgens Origenes âonder keizer Hadrianus (117 â 138) en laterquot; leefde, beriep zich bij zijne polemiek eveneens op onze Evangeliën, die hij duidelijk als het Evangelie der eerste redactie (ek les prolés yraphès) van de apocriefe Evangeliën onderscheidt. Hij kent het verhaal der aanbiddende Wijzen, die hij echter Chaldeërs noemt, en van den daaropvolgenden kindermoord van Herodes, van de vlucht naar Egypte op bevel des engels, de verschijning der duif bij het doopsel, de geboorte van eene maagd, den wenk, welken Jesus zijnen leerlingen geeft: âals zij u in deze stad vervolgen, zoo vlucht naar de andere , den doodsangst in Gethsemane, den dors t aan het kruis, de uitspraak van Jesus, dat het voor een kameel gemakkelijker is door het oog van eene naald te gaan enz., waarin hij een verminkte uitspraak van l'lato wil zien, het gebod van Jesus: -) âZoo iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe,quot; e. a. m.
13. De Joodsche geschiedschrijver Flavius Joseph us, die
1) Ireiieiis adv. Iiaer. Ill, II, 7: Taiita est auteiu circa Evaugelia liauc flrnii-las, ui cl i|isi baeretici testimonium rcdilanl eis. el ex ipsis egrediens umist|uis-quo-eorum conctur suam cotilirmarc cloctrinaiu.quot; 2) Mafth. V, 30; Luc. 6, 29.
93
in het jaar 37 na dir., dus ongeveer 8 jaar na den dood van Christus geboren werd, na 94 te Rome stierf en in hoog aanzien stond bij de keizerlijke familie, schreef zijne âJoodsche Oudhedenquot; om zijn staatkundig ten gronde gericht volk een gedenkteeken op te richten. In dit werk spreekt hij van alle joodsche sekten en partijhoofden, van Augustus tot aan den ondergang der stad. Zoo komt hij ook op Christus te spreken en zegt:
âIn dien tijd leefde Jesus, een wijs man, als men hem eenen man feenen mensch) mag noemen; want hij wrochtte wonderbare werken en leerde de menschen, die met vreugde de waarheid aannamen. Vele Joden, ook vele Hellenisten trok hij tot zich. Deze was de Christus (de Messias.) En toen op aanklacht van onze hooggeplaatste mannen Pontius Filatus hem ter dood had veroordeeld, vielen zij, die hem te voren bemind hadden, niet van hem af. Want hij verscheen hun weder levend ten derden dage, zooals de heilige Profeten dit en duizend andere wonderbare dingen van hem hadden voorspeld. En tot op heden heeft het geslacht der Christenen, dat naar hem genoemd is, niet opgehouden te bestaan.quot; r)
Deze laatste woorden, die Flavius Josephus met het oog op de eerste eeuw schrijft, kunnen ook wij in de 19e eeuw nog met volle gerustheid onderschrijven :
Het geslacht van Christus heeft tot heden nog niet opgehouden te bestaan I In de aangehaalde plaats geeft ons dus de joodsche geschiedschrijver de voornaamste trekken weer uit het leven van Jesus, zooals ook de Evangeliën ons die verhalen. Het zijn echter geenszins de eenige trekken, die hij vemeldt. Hij spreekt ook nog van den dood van Joannes den Dooper, van de bedorvenheid van Herodias, de huichelarij van Annas, het trotsche karakter van Kaï-phas enz.
14. Wanneer wij, ondanks zulk eene reeks van getui-
1.) Flav. Josephus, Antiquit. Jud. Will, 3.3. Cf. Hottinger. Lehrbuch der Fundamentaltheologie, 1. blz. 295.
94
genissen, de Evangeliën niet als echt willen erkennen, dan kunnen we gerust de geheele klassieke litteratuur der Grieken en Romeinen over boord werpen; want zoo krachtige uitwendige bewijzen, als het N. Testament en voornamelijk de Evangeliën bezitten, bezit geen ander boek der oudheid1.)
De eigenlijke grond, waarmede men de H. Schrift bestrijdt, is inderdaad, zooals ik reeds bemerkte, een inwendige, nl. de omstadigheid, dat zij wonderen bericht. Wil men intusschen uit princiep elk wonder loochenen, dan moet men atheïst worden; en wil men, zonder die mogelijkheid principieel te loochenen, het wonder geene plaats gunnen bij het ontstaan des Christendoms, dan weet ik niet waar men het in de geheele geschiedenis van het menschelijk geslacht nog eene plaats zou kunnen inruimen.
Ik ga nog verder: Verondersteld, dat het kosmologisch bewijs en. de overige bewijzen voor het bestaan van God niet afdoende waren, zoodat van zuiver philosofisch standpunt het ontstaan der wereld een strijdvraag, een onopgelost raadsel bleef, doordat nooit noch de dualisten (Christenen) noch de monisten (pantheïsten of atheïsten) doorslaande bewijzen voor hun systeem konden aanvoeren, dan zou de echtheid en geloofwaardigheid der Evangeliën langs histo-risshen weg de vraag oplossen. Want om op het woord van David Strausz terug te komen: âZijn de Evangeliën inder-
1
Reeds de H. Augustinus [354â430) verklaart: »Welke geschriften zullen ooit eenig gezag kunnen hebben, indien de Evangeliën, de geschriften der Apostelen het niet hebben? Van welk boek zal men niet zekerheid kunnen zeggen, door wien het geschreven is, indien het onzeker is of de geschriften, welke de Kerk, door de Apostelen verbreid en door alle volkeren als zoo uitstekend geprezen, als geschriften der Apostelen verklaart en vasthoudt, wel inderdaad geschriften der Apostelen zijn ? .
,.Hoe weten de menschen, dat de werken van Plato, Aristoteles, Cicero, Varro en van andere dergelijke schrijvers, wel inderdaad van hen zijn, tenzij door dezelfde bestendige verklaring der opeenvolgende tijden ?.. . . Wie eindelijk is zoo door zulk een waan verblind om te beweren, dat de Kerk der Apostelen, die zoo trouwe en eendrachtige broedergemeenschap, niet heeft kunnen verkrijgen, dat hunne geschriften onvervalscht aan het nageslacht werden overgeleverd, terwij Ihunne leerstoelen tot de tegenwoordige bisschoppen door zekere opvolging zijn bewaard, daar dit toch den geschriften van ieder ander, hetzij buiten de kerk of in de Kerk zelve, zoo gemakkelijk te beurt valt?quot; [S. Augustinus : contra Faustum XXXTM. ().|
95
daad geschiedkundige oorkonden, dan is het wonder uit het leven des Heeren niet weg te cijferen;quot; is er echter ook maar één wonder bewezen, dan is er een buiten de wereld staande persoonlijke God; cn is er een enkel, ter bekrachtiging van Jesus van Nazereth's goddelijke zending verricht wonder historisch vastgesteld, dan is de godsdienst van Jesus Christus door God met het zegelmerk der waarheid gestempeld.
15. Terwijl dus de wonderen geen bewijs tegen de echtheid der Evangeliën leveren, pleiten, behalve de reeds genoemde en volkomen doorslaande uitwendige bewijzen, nog verscheidene inwendige bewijzen met klem voor de echtheid. Een enkele greep uit den rijken voorraad, die ons ook hier wederom ten dienste staat, moge volstaan.
Schrijvers, die vroeger gebeurde feiten of zelfs onwaarheden meedeelen, als waren zij zelf ooggetuigen geweest, moeten of wel de aanhaling van nauwkeurige chronologische, topographische of andere bijzonderheden vermijden, of verwachten, dat zij bij iedere schrede zich blootgeven. Livius en Curtius Rufus bijv. hebben tal van onnauwkeurigheden waar zij vroegere gebeurtenissen verhalen. Hoe staat het nu op dit punt met de Evangeliën geschapen?
Zij zijn rijk aan bijzondere trekken van iederen aard, welke overal den ooggetuige doen vermoeden; en toch stemmen deze volkomen met de waarheid overeen.
In het XX hoofdstuk van Mattheus lezen wij o.a. van eenen wijnbergbezitter, dat hij werklieden huurt tegen eenen denaar per dag. Wisten wij nu, omstreeks welken tijd het dagloon deze som bedroeg, zoo zou dit een uitmuntend kenteeken zijn voor den ouderdom der Evangeliën. De hoogte van het dagloon en de waarde des gelds zijn, zooals bekend is, zeer wisselvallig. Nu is echter uitgemaakt, dat ten tijde van Augustus, dus kort vóór den tijd van Christus, het dagloon éenen denaar bedroeg, terwijl tot aan den tijd van Diocletiaan, dus omstreeks 300 jaar na Christus, het geld zoozeer in waarde gezonken was, dat men 25 denaren als dagloon voor eenen knecht moest betalen. 1) De gelijkenis
1
Pawlicki, der Ursprung des Christenthums, blz. 132 en 133.
96
van den wijnberg moet dus zoowat omstreeks den tijd van Augustus, d. w. z. niet heel veel later geschreven zijn.
In het Evangelie van Joannnes (XII, 3â5) wordt ons verhaald, dat Maria Magdalena een pond kostbare echte nardus-zalf nam en hiermede de voeten van Jesus zalfde. Judas ergert zich hierover en zegt: âWaarom is deze balsem niet verkocht geworden voor 300 denaren en aan de armen gegeven? Deze woorden schijnen onwaarschijnlijk; want een denaar had toen ter tijd eene waarde van ongeveer 97 centimes: 300 denaren zouden dus 291 francs bedragen; inderdaad eene enorme som voor een pond zalf! Gelukkig heeft ons echter ook hier wederom een tijdgenoot der Evangelisten, de heidensche natuurvorscher Plinius, den prijs der balsemzalf in den toenmaligen tijd meegedeeld : de minste soort kostte 25, de fijnste 300 denaren, judas wilde nu juist de goede qualiteit der zalf doen uitkomen en schat ze dus op 300 denaren. Dus alweer eene geheel opvallende overeenstemming met de historische waarheid!
16. lot aan de verwoesting des tempels door'l'itus, omstreeks 70, betaalden de Joden jaarlijks een didrachme (dubbele drachme) als tempelschatting, en deze betaling gold natuurlijk als plichtmatig en loffelijk. Na de verwoesting van den tempel werden de Joden gedwongen, deze belasting, in plaats van voor hunnen tempel, voor den tempel van Jupiter Capitolinus te betalen; en het laat zich denken, hoe hatelijk nu het betalen der didrachme werd. Zien wij nu, in welk licht bij Mattheus deze betaling wordt voorgesteld: of ze in 't algemeen als een godsdienstige plicht der Joden, of als een afval van het geloof wordt beschouwd ? Wij lezen:
âEn toen zij te Kapharnaüm gekomen waren, kwamen degenen, die de didrachme ontvingen, tot Petrus en zeiden tot hem: betaalt uw Meester de didrachme niet? Hij zeide: ja. En als hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jesus, zeSgeil(Ie : A\ at dunkt u Simon, van wie nemen de koningen dezer aarde cijns of schatting, van hunne kinderen of van de vreemden ? En hij zeide: Van de vreemden. Toen sprak Jesus tot hem: Derhalve zijn de kinderen vrij. Maar u])dal wij hnn (/ren aansloot geven, ga naar zee, werp den
97
angel uit en neem den visch, die het eerst bovenkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij er eenen stater (twee didrachmen) vinden : neem dien en geef dien aan hen voor mij en voor u.quot;
Kon wel een schrijver, die na de verwoesting van Jerusalem schreef en voor menschen, die na dezen tijd leefden, zoo onbevangen en zonder eenige verdere verklaring van den aanstoot spreken, dien het weigeren der didrachme zou geven ?
17. Eene schijnbare tegenspraak bevat de verzekering, die de Joden aan Filatus geven : âHet is ons niet geoorloofd, iemand ter dood te brengen,quot; -) met hunne latere bewering: âwij hebben eene wet, en volgens de wet moet hij sterven, omdat hij zich tot Zoon Gods heeft gemaakt.quot; sj Kn toch zijn beide beweringen volkomen juist; de wet van Mozes bepaalde de doodstraf; maar in den tijd, waarvan hier spraak is, was de nationale zelfstandigheid der Joden bereids zoozeer besnoeid, dat de Romeinen hun het recht over leven en dood hadden onttrokken. Het bericht van het echte evangelie is dus archeologisch volmaakt nauwkeurig, in zoover, dat de wet der Joden wel is waar de doodstraf verlangde, zij zelf echter in de toepassing dier wet door de Romeinen werden verhinderd. Wat vinden wij echter in een van die 30 apocriefe evangeliën, in het evangelie van Nicodemus? Het laat de Joden zeggen: âOnze wet verbiedt ons, iemand te dooden (Lex nostra mandat nobis non occi-dere quemquam);quot; en dit was onjuist. Evenzoo plaatst dit evangelie den Olijfberg in Galilea, inplaats van bij Jerusalem; evenzoo laat het apocriefe âEvangelie der kindsheidquot; de Pharao's heel gemoedelijk in Memphis regeeren ten tijde dat de H. Familie naar Egypte komt. Leugens loopen niet hard. De vier echte Evangeliën heeft men echter sinds 18 eeuwen op geene dwaling kunnen betrappen.
Wel heeft men dikwijls beweerd, in de Evangeliën onjuistheden en tegenstrijdigheden ontdekt te hebben. Dikwijls
I) Matth. XVII, 23â-2(1. 2) Jr.. XVIII. 31. 3) Jo. XIX. 7.
7
98
heeft het er ook den schijn van. Zoo laat Lucas (XV111 38) vóór de aanhcDiisI van Jesus in Jericho venen blinde aan den weg roepen ; âJesus, zoon van David, ontferm u mijnerquot;, terwijl er bij Mattheüs (XX. 30J bij den uittocht van Jesus uit Jericho twee blinden roepen: âJesus, zoon van David, ontferm u mijnerquot;.
Bij Mattheüs (XXVII, 44,) en Marcus (XV, 32) heet het heel algemeen : âDe moordenaars, die naast Jesus aan het kruis hingen, lasterden Hemquot;; bij Lucas echter lezen wij: âEen van de boosdoeners, die daar hingen, âlasterden Hem enz.quot;
Dergelijke afwijkingen en zelfs schijnbare tegenstrijdigheden vinden wij hier en daar bij de Evangelisten en deze geven den schriftuurverklaarders arbeid. Steeds echter blijkt, dat zij voor eene redelijke oplossing vatbaar zijn; en zoo dragen ze, inplaats van de geloofwaardigheid der H Schriften te kort te doen, veelmeer in hoogen graad ertoe bij, dat de volle onbevangenheid, waarheidsliefde en historische trouw der schrijvers in nog helderder licht worden geplaatst.
Doch, mijn waarde vriend, roep u de stukken uit de H. Schrift in 't geheugen terug, waarvan ik bij eene vroegere gelegenheid melding maakte: o.a. dat zoo aanschouwelijk verhaal van den blindgeborene, de geheele lijdensgeschiedenis, en gij zult moeten toegeven, dat hier geen spraak is van fabelen, die men verzonnen heeft, maar van eenvoudige, ware berichten van ooggetuigen en nauwgezette geschiedschrijvers.
iS. Ten slotte veroorloof ik mij, de heerlijke woorden van den geleerden protestantschen bijbelvorscher Th.ichendorf hier neer te schrijven :
âHet leven van Jesus is het middelpunt geworden van de godsdienstige vragen onzes tijds. Dit is een gewichtig verschijnsel, wijl het zijn grond vindt in de erkenning, dat het Christendom niet op de leer van Hem, aan wien het zijn naam ontleent, maar op diens Persoon gegrondvest is. Iedere opvatting van het Christendom, die niet uitgaat van deze erkenning, miskent den wezenlijken aard des Christendoms en berust op een misverstand. De Persoon van Jesus is de
99
hoeksteen waarop de kerk is gebouwd. Op Hem wijst ook de leer van Jesus en van zijne Apostelen in alle deelen en op de meest besliste wijze terug; met den Persoon van Jesus staat en valt liet Christendom. Dezen Persoon van zijne majesteit berooven, van die majesteit, die Hem de geheele kerk toekent door den naam van Zoon Clods, en tevens liet christelijk geloof, de christelijke kerk willen in stand houden, dat is vergeefsch pogen, is ijdele begoocheling.....
âWaaruit putten wij de kennis van het leven van Jesus? Bijna uitsluitend uit onze vier Evangeliën, welken de godtle-lijke Persoon van Jesus, het middelpunt van het christelijk geloof en tevens ook van de aanvallen op de Evangeliën, wezenlijk gemeen is met de brieven van den apostel Pau-1 us.....
âWij kunnen het slechts welkom heeten, dat door het radicaal karakter der beide beroemdste moderne levensbeschrijvers van Jesus, van den Tubinger (David Strausz) met zijn nevelbeeld, en van den Parijzenaar ( Renan) met zijn carica-tuur, de tegenstelling eener geloovige en ongeloovige verhouding tot de Evangeliën en tot den Heer zelf in ieder opzicht tot klaarheid is gekomen. Klaarheid alleen kan tot eene beslissing leiden. Niets is gemakkelijker, dan hen, die-niet zelf in staat zijn deze hoofdvraag der Christenheid wetenschappelijk te doorgronden, omtrent de waarheid te misleiden, zelfs onder den schijn van geleerd, oprecht onderzoek...... Juist daardoor zijn zoovelen, die met het
oog op hunne studie niet in staat zijn te onderscheiden, in den waan gebracht als zou het er wetenschappelijk genomen slecht, wanhopig slecht uitzien met het leven van jesus. Daarenboven heeft ternauwernood iets een meer verblindenden schijn aangenomen, dan de bewering, dat de oudste geschiedenis der christelijke kerk tegen de echtheid onzer Evangeliën, voornamelijk tegen die van het Joannes-Evan-gelie. waaruit ons, tot ergernis van een onchristelijken tijd, de godmenschelijke verschijning van den Verlosser dei-wereld veel duidelijker dan uit de synoptische tegenstraalt. een doorslaand getuigenis aflegt. De volste overtuiging van het tegendeel heeft ons dit geschrift in de pen gegeven. Uij
i üó
geleerden zoowel als hij ongeietterden twijfel aan de echtheid onzer Evangeliën, vooral van het Joannes-Evangelie, verwekt, velen zelfs tot loochening gebracht te hebben, dit is een niet te miskennen triomf van den sceptischen geest, die in de laatste honderd jaar ten troon is gestegen. En toch zijn er in de geheele litteratuur der oudheid weinig voorbeelden van eene zoo sterke historische bevestiging, als onze vier Evangeliën, zoo wij in oprechtheid de vraag stellen, inderdaad kunnen aantoonen.
âTegen het ongeloof, zooals het wortelt in de moderne frivoliteit, in die vleeschelijke emancipatie der geesten, die â¢zich niet meer door den Geest Gods willen laten straffen, heeft de wetenschap geene wapenen. Juist dit ongeloof heeft zich belichaamd in het boek van Renan; daarin ligt zijne kracht, zijn succes; eene geleerde uiteenzetting is hier overbodig; de bonte lappen, die het bij de wetenschap heeft geborgd, fladderen al te doorzichtig om het naakte rif. Anders is het met de geleerde bewijsvoeringen tegen het leven van Jesus, met de historische aanvallen tegen de oorspronkelijkheid der evangelische bronnen. Hiertegen is het zaak. op grond van streng wetenschappelijk onderzoek met alle beslistheid protest aan te teekenen. Der waarheid behoort de overwinning van (iods- en rechtswege.quot;
3. Vervulling der Profetieën.
(Brief van den Pater.j Waarde Vriend ! Uw antwoord op mijnen laatsten brief heb ik met vreugde gelezen. Ik zie daaruit, dat wij Christenen U voortaan den onze mogen noemen. Gij hebt u in den strijd der geesten, die in onzen tijd wordt gestreden, moedig aan de zijde van Jesus Christus geschaard.
Ik noem u den onze, hoewel gij protestant zijt en ik een katholiek ordensgeestelijke ben; den onze, wel niet in
1 O I
den vollen zin des woon Is; want de dogmatische geschilpunten ook tusschen de geloovige protestanten en katholieken zijn niet weg te cijferen. Maar toch noem ik u den onze, in zoover gij met ons katholieken opkomt voor de goddelijke zending en de Godheid van Jesus Christus van Nazareth, den Verlosser der wereld.
Desondanks is er mij aan gelegen, uwe overtuiging nog meer, nog degelijker te bevestigen, en tot dat doel wil ik u in het kort de Messiaansche profetieën van het üude Verbond voorleggen. Deze zullen u toonen, dat het optreden van lesus niet onverwacht, als een komeet, in de wereldgeschiedenis is komen vallen, zooals de verschijning van eenen Mohammed en van andere godsdienststichters, maar dat het veeleer sedert honderd- en duizendtallen van jaren voorbereid en voorspeld was, dat het dus paste in het wereldplan Gods en bijgevolg met Gods wil overeenkwam. Inderdaad, wat is geheel het uitverkoren volk anders, dan eene door God bepaalde voorbereiding op den Heiland der wereld? Op iedere bladzijde ontmoeten wij in hunne gewijde boeken de vingerwijzing op den toekomstigen Messias.
Terwijl ik mij tot deze boeken wend, heb ik het voordeel, dat ik hunnen ouderdom en hunne echtheid nauwelijks behoef te bewijzen. Immers de archeologische strijdvragen of dit of dat boek 700 of 500 jaar vóór Christus geschreven werd, doen hier weinig ter zake. Zoodra het vasttaat, ten eerste, dat het bewuste boek met zijne Messiaansche profetieën lang vóór het optreden van Jesus van Nazareth bestond; ten tweede, dat deze profetieën in Hem en alleen in Hem zijn vervuld, en wel zoo dat van toeval of bedrog geen spraak kan zijn; zoodra dit vaststaat, is de waarheid des Christendoms bewezen. Dit behoeft geen nader betoog.
Dat de boeken des O. Testaments vóór Christus bestonden, staat voor iedereen, die slechts een blik geworpen heeft in de geschiedenis der were-ld, even vast als ieder historisch feit, welk ook. Zij vormen als 't ware de ziel van het Jood-sche volk, en wie hun bestaan vóór Christus zou willen loochenen zou evengoed het bestaan van het Joodsche volk
I 02
zelf in iwijlel kunnen trekken. Toen omstreeks 975 \ . Clir. het rijk der tien stammen zich van Juda losmaakte, nam het reeds de boeken van Mozes hij de scheiding mede en vermaakte deze later aan de Samaritanen; te dien tijde «aren dus deze hoeken zeker reeds geschreven. Bijna alle l'oekcn des (). Testaments werden te Alexandrië omstreeks 300 v. ('hr. onder de Ftolemeën door eene vereeniging van 70 geleerden (Septuaginta) in het (Irieksch vertaald, en zoo werd ook voor dien tijd hun bestaan betuigd. Eindelijk behoeven wij slechts de Joden van onze dagen te vragen, om zeker te zijn, dat zij niet ons die boeken als voorchristelijk en de Messiaansche profetieën, die zij behelzen, als echt erkennen, hoe lastig hun die ook mogen zijn.
Kr blijft ons dus enkel nog over (vooral tegenover de Joden) deze profetieën afzonderlijk in het licht te stellen en ze met de (eveneens reeds als echt bewezen) berichten der Evangeliën te vergelijken. Deze vergelijking zal u too-nen. dat geen toeval, ook geene menschelijke berekening of menschelijke vinding, maar slechts Gods Alwetendheid voor den blik der zieners van het O. Verbond de ver verwijderde toekomst zoo kon ontsluieren als het inderdaad geschied is. Hieruit volgt dan ontegenzeggelijk de goddelijke bekrachtiging zoowel voör den ziener als voor den door hem aangekondigden Messias.
Ik ga dus over tot de beschouwing van de voornaamste dezer profetieën.
1. Reeds onmidddljk no dm znndencd werd een Verlosser, een Messias beloofd, die uit het zaad der vrouw zou ont-spruiten, om de slang den kop te verpletten. ) Zijne rol ;-oii niet alleen die eens leeraars zijn, maar vóór alles die eens verzoeners. Hij moest, zooals wij reeds zagen. God en mensch z jn ; mensch om te kunnen lijden. God om door zijn lijden eene verzoening te kunnen bewerken van oneindige waarde. Hoe dit in Jesus van Nazareth is vervuld, behoef ik niet verder te ontwikkelen.
1) 1 Mos. 111. 15.
2. Het geheele nakroost van Kva wordt dus aangeduid als de grond, waaruit de Verlosser moest ontspruiten. Dit gebied wordt ten tijde van N'oë meer beperkt tot de nakomelingschap van Sein; âL'hanaan zij zijn knecht. ') Uit de nakomelingschap van Sein ontsproot ook inderdaad de \er-losser.
3. Nog enger wordt de kring getrokken, als eenige eeuwen later de belofte wordt beperkt tot Abraham, een dei-nakomelingen van Sem. ..Ik zal,' zoo sprak (rod tot hem, toen het Joodsche volk nog niet bestond, âIk zal u maken tot een groot volk, Ik zal zegenen die u zegenen, en vloeken die u vloeken, en in u zullen yezegend worden olie. ijv. kladden der aarde. 'x) En zij werden gezegend in Jesusvan Nazareth, den afstammeling van Abraham.
4. God geeft zelfs aan Abraham een bevel, hetwelk eene duidelijke voorafbeelding is van het toekomstig zoenoffer van den Zoon Gods. Hij spreekt tot hem: ,Neem uwen zoon, uwen eeniggeborene, dien gij liet hebt, Isaak; en ga naar het land des gezichts (Hebreeuwsch: Moria; zoo heette de berg, die later de tempelberg in Jerusalem werd) en daar zult gij hem offeren tot een brandoffer op een der bergen dien Ik u toon en zal.quot; 3)
Als nu Abraham zich gereed maakt om te gehoorzamen, als hij den weg heeft afgelegd naar den aangewezen berg, als hij zijn innigst geliefden zoon reeds gebonden op het altaar heeft gelegd en de hand uitstrekt om het schrikkelijk offer te brengen, âzie, daar riep de Engel des Heeren van den hemel en sprak: Abraham, Abraham! Deze antwoordde: Hier ben ik. En de Engel : Strek uwe hand niet uit tot den knaap en doe hem niets; want nu weet ik, dat gij God vreest en ook uwen zoon niet gespaard hebt om Mij. Toen sloeg Abraham zijne oogen op en zag achter zich eenen ram, die met de horens in de struiken verward was; dezen nam hij en slachtte hem als brandoffer in plaats van zijnen zoon. . . .quot;
1) I Mos. IX, 26. 2) l Mos. XII, 2,3. 3) l Mos, XXII, 2.
104
âMaar tic Engel ties Heeren riep andermaal tot Abraham cn sprak: Hij Mijzelven heb Ik gezworen, spreekt de Heer, omdat gij dit gedaan en uwen eenigen zoon om Mijnentwil niet gespaard hebt, zal ik u zegenen en uw geslacht talrijk maken als de sterren des hemels en als het zand, dat aan het strand der zee is. Uw geslacht zal de poorten zijner vijanden bezitten en ijczeyend zullen worden in uwen Nakomc-ling alle volken der aarde.quot; ') De vervulling dezer voorafbeelding in het offer op Golgotha, waarbij Clod ook .,Zijnen eenigen Zoon niet gespaard heeltquot;, behoeft geen nadere opheldering.
5. Later beperkt zich tie belolte tot de nakomelingen van Isaük; ook tot hem spreekt God: âIn uwen naam zullen gezegend worden alle volken der aarde.quot; 2) En zij werden gezegend 1
6. Wij komen tot het volgende lid in den stamboom van den Messias, tot den patriarch Jaeoh. Op zijn sterfbed laat deze aan Juda, den vierde zijner zonen, als een testament tic belofte na:
âJuda, u zullen uwe broeders loven. Uwe hand zal zijn op den nek uwer vijanden. Voor u zullen zich neerbuigen dc zonen uws vaders. Een jonge leeuw is Juda; ten buit richt gij u op, mijn zoon! Rustend legt gij u neder als de leeuw en als de leeuwin. Wie wekt hem op. De schept er :quot;l n'vl wijken van Juda, en dc vorst niet uit zijne nakome-Innjsckap, totdat Hij komt, die zal gezonden worde)', op wien de volkeren wachten. ' s) Zoo vertaal ik de woorden volgens de Vulgaat. De Hebreeuwsche tekst, zooals de Joden hem nu hebben, heeft dc lezing: âDe schepter zal niet wijken van Juda, noch de heerscherstaf van zijne voeten, totdat de Man des vredes komt, en Hem is volgzaamheid der volken.quot; pat de Messias hier bediJeid wordt, hebben ook de Joden steeds erkend.
Wanneer is nu de sch;pter van Juda weggenomen? Kan d;t tijdstip worden bepaald, dan weten wij wanneer de Mes-
1} I Mos, XXII, 11â18, 2) I Mog. XSVI, 4. 3; I Mos, XUX, Sâ10.
,05
sias moest verschijnen. De schepter is niet weggenomen loen bijna duizend jaar vóór Christus het rijk Israël zich van het tijk Juda losscheurde en later als volk ophield te bestaan. Hij is niet weggenomen toen omstreeks 588 vóór Christus het rijk Juda in de Babylonische gevangenschap zuchtte; want het behield zijne nationaliteit en kreeg zijne onafhankelijkheid na den terugkeer uit de verbanning weder. Dat de schepter geweken is ten tijde der Macchabeërs, kan niet met zekerheid worden beweerd; deze aanvoerders des volks waren wel niet uit den stam van Juda, maar uit den stam Levi; toch bleef het rijk van Juda bestaan en de Levieten vormden een deel ervan.
Wanneer is dan de schepter met zekerheid weggenomen ? Zeer zeker toen Titus omstreeks 70 na Chr. Jerusalem met zijnen tempel verwoestte en de Joden als slaven in alle richtingen werden verstrooid.
Toen was zeker de schepter weggenomen en moest dus volgens bovenstaande profetie de Messias in ieder geval gekomen zijn. Wie nu kan deze Messias zijn, zoo niet Jesus van Nazareth ?
7. Wij stappen nu over een tijdvak van meerdere eeuwen heen en komen aan David, den dichter der meeste psalmen, den machtigen koning uit den stam van Juda (1055 -1015 v. Chr. volgens de gewone berekening).
Tot in de kleinste bijzonderheden maalt hij ons een beeld, dat in Jesus van Nazareth werkelijkheid wordt. Duidelijk kenschetst hij Hem als God met de woorden ; âDe Heer heeft tot Mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik L geteeld;quot; ') en: âDe Heer sprak tot mijnen Heer: plaats U aan Mijne rechterhand, totdat Ik Uwe vijanden stelle tot rustbank Uwer voeten.quot; 2) Hoe Jesus zelf dc Phariseën met deze woorden, welker Messiaansch karakter zij niet loochenden, beschaamt, daarop héb ik u reeds vroeger gewezen. (Zie boven blz. 64â65.)
In denzelfden psalm komt het priesterlijk karakter van
1) Psalm Ilgt; 7- 2) Ps. CIX. t. Hebr. CX, 1.
106
'Icn .Messias uit. Wij lezen: ..De Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen. (,ij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedech.quot; ')
Doch naast deze glorievolle trekken verschijnt ons tegelijk het beeld van den Gekruisigde: âIk ben een worm en geen mensch, de smaad der menschen en de verachting des volks. Allen, die Mij zien, bespotten Mij, bewegen hunne lippen en schudden met hun hoofd, zeggende: Hij heeft op den Heer gehoopt, dat die Hem redde. Hem verlosse, daar Hij in Hem behagen heeft.quot; âZij hebben mijne handen en voeten doorboord, zij hebben al mijne beenderen geteld, Mij beschouwd en bezien, mijne kleederen onder elkander verdeeld en over mijn gewaad het lot geworpen quot;
iV Met eenzelfde klaarheid schildert ons/sn/as (omstreeks 700 v. Chr.) den lijdenden Heiland:
âHij schiet voor hem op als een twijg, en als een spruit uit den dorren grond. Geene gedaante, geen schoonheid is aan Hem. A\ ij zagen Hem, maar Hij had geen vorm, en , uHem niet, den verachte, den geringsten onder de menschen, den Man der smarten, vertrouwd met het lijden; die zijn aangezicht verbergt uit schaamte, daarom achten wij Hem niet.
âVoorwaar Hij draagt onze krankheden, en onze smarten heeft Hij op zich genomen. Wij houden Hem voor eenen melaatsche, dien God getroffen en vernederd heeft; maay Hij is c/civond om onze misdaden, verbrijzeld 0)n onze zonden ; ter wille run onzen vrede lnjl de kastijding op Hem cn door zijne wonden gewordt ons (jenezhu,. Wij allen dwaalden als schapen, ieder week af op zijnen weg; maar ons aller zonde heeft de lieer op Hem gelegd. Hij werd geofferd, wijl Hij zelf ge-wdd. heeft 'â¢) en Hij opent zijnen mond niet; gelijk een scha.ip wordt Hij Ier slachtbank gevoerd en zwijgend als
107
een lam onder cle hand des scheerders, en Hij opent zijnen
mond niet.....
âDaarom zal ik Hem zeer velen tot aandeel geven en den machtigen zal Hij buit toedeelen ; want Hij heeft zijn leven ten dood gewijd en is onder de boosdoeners gerekend ; de zonden van velen heeft Hij gedragen en voor de overtreders gebeden.quot; ')
Doch ook de goddelijke en de menschelijke natuur en de glorievolle waardigheid des Verlossers vinden wij bij Isaias vermeld:
âDauwt hemelen van boven, wolken regent den Rechtvaardige; dat de aarde zich opene en den Verlosser voortbrenge en met Hem ontspruite de gerechtigheid tegelijk!quot; '-) âEen twijg zal ontspruiten uit den stam van Jessequot; (den vader van den koning David) âen eene bloem ontluiken uit zijn wortel, en de Geest des Heeren zal rusten op Hem .... Gerechtigheid zal zijne lendenen omgorden en trouw zijne nieren. Dan woont de wolf bij het lam en de luipaard vleit zich neer bij het bokje.... Op dien dag zal de wortel van Jesse staan als banier voor de volken ; en de natiën zullen bidden tot Hem en zijn graf zal heerlijk wezenquot;.1) âDan ontsluiten zich der blinden oogen endeooren der dooven gaan open.quot;1) âWant een kind is ons geboren, een zoon ons geschonken, op wiens schouders rust de heerschappij; en men noemt zijnen naam; Wonderbare, Raadgever, God, ^terke Held, Vader der toekomst, Vredevorst. Zijne heerschappij zal zich vermeeren en des vredes zal geen einde zijn; op den troon van David en in zijn rijk zal Hij zetelen, opdat Hij het bevestige en stutte door recht en gerechtigheid van nu af tot in eeuwigheid.quot;2)
9. Het laat zich denken, dat zulke trekken voor Joden cn heidenen, tot wie de profetenstemmen doordrongen, het
1
Isaias XI. 1, vly. Ueze spruit uit den wortel van Jesse is niet David, wijl
2
IX, 0, 7.
ro8
beeld van eenen wereldschen veroveraar deden oprijzen. Flavuix Josephus ') vermeldt deze Joodsche opvatting: âom tlien tijd zal iemand uit hun land over den aardbodem heerschen . Tacitus'1) bericht: âvelen leefden in de over-tuiging, dat het Oosten zich zou verheffen en die van Judea zich van de heerschappij zouden meester makenquot;; en Sucto-tnuii *) : âin het Oosten was de vaste meening verbreid, dat door het noodlot bepaald was, dat om dien tijd dezulken, die uit het Judea kwamen, zich van de heerschappij zouden meester makenquot;. Vuyilius *), gest. in het jaar 19 v. Chr., schnjft, zich op de (Jumasïsche Sibylle beroepend: âDe Maagd keert terug.... Een nieuwe spruit daalt van den hemel neer. Schenk uwe gunst aan het pasgeboren wicht, met wien de ijzeren eeuw een einde neemt en een gouden tijd in geheel de wereld aanbreekt, o gij kuische Lucina; reeds heerscht uw Apollo.quot; Onwillekeurig roept ons dit tie woorden te binnen, die zeven eeuwen vroeger Isaïas â â¢) schieef: âZie, de Maagd zal ontvangen en eenen zoon baren; en zijn naam zal genoemd worden Emmanuel.quot; '')
1
Kclogc. 5) Isaïas VII. 14.
T09
10. Wij komen aan den profeet Jeremias (omstreeks 600 v. Chr.) Als eenen koning schildert hij ons den verwachten Messias: ;?Zie, de tijd komt, zoo spreekt de Heer, dat Ik David een gerechten spruit zal verwekken; als een koning zal Hij heerschen, die wijs is en recht en gerechtigheid oefent op aarde. In die dagen zal Juda verlost worden en Israël
wonen in veiligheid.quot; ')
11. Bij Ezechiël (omstreeks 600 v. Chr.) spreekt God: âDen éénen herder zal Ik over hen stellen, die hen weiden zal, en deze zal hun herder zijn. En Ik, de Heer, Ik wil hun Clod zijn, en mijn knecht David zal vorst zijn in hun midden; Ik, de Heer, heb gesproken.quot; 1) Het spreekt van zelf, dat ook hier wederom niet de reeds lang gestorven koning David wordt bedoeld.
12. Ongeveer in dezen tijd (óoo â500 v. Chr.) valt de beroemde voorspelling van Daniel, misschien de belangrijkste en merkwaardigste van alle voorspellingen.
âIn het eerste jaar van Baltassar, koning van Babyion, zag Daniël in zijnen droom een gezicht . . . Kn vier groote dieren, van elkander verschillend, stegen op uit de zee . . . En ik schouwde in het nachtelijk gezicht, en zie, met de wolken des hemels kwam iemand, als een zoon des menschen, en naderde tot den Oude der dagen (den Eeuwigen God) en werd voor zijn aangezicht gebracht. En Hij gaf hem macht en eer en heerschappij, opdat alle volken en stammen en talen hem dienen ; zijne macht is eene eeuwige macht, die niet weggenomen wordt, en zijn rijk een rijk, dat niet
wordt verwoest ....
âIk trad nader tot een der omstanders en vraagde hem naar den zin van dit alles. Deze zeide mij wat de woorden beduidden en onderrichtte mij: De vier groote dieren zijn vier rijken die op de aarde ontstaanquot; (het Assyrisch-Chal-deeuwsche, het Medisch-Perzische, het Macedonische van Alexander den Groote en het Romeinsche. 1) âMaar de
1
Jerem. XXIII, lt;1. 2) Ezech. X\XIV,23,2/1. 3) Verg. Daniöl VIIl,«) vlft. II. 37 vlg.
I J O
Heiligen (iods, des Allerhoogsten, zulleu liet rijk innemen en het rijk bezitten, altijd en in eeuwigheid .... het rijk en de heerlijkheid der heerschappij onder den geheelen hemel zal gegeven worden den volke des Heiligen, des Allerhoogsten, wiens rijk is een eeuwig rijk, wien alle koningen dienen zullen en gehoorzamen.quot; 1)
âIn het eerste jaar van üarius, den zoon van Assuerus, uit het geslacht tier Meden, die over het rijk der Chaldeërs heerschte, in het eerste jaar zijner heerschappij (537 v. Chr.), vernam ik, Daniël, uit de boeken het jarental, waarvan de Heer gesproken heeft tot Jeremias den profeet, dat na 70 jaien de verwoesting van Jerusalem (de Babylonische gevangenschap) zou eindigen. Kn ik wendde mijn aangezicht tot den Heer mijnen God, met bidden en smeeken, met vasten, boete en geween.quot;
Kn God verhoorde Daniël, Hij leerde hem meer dan hij verlangde te weten, doordat Hij hem eene verlossing in hoo-geren zin aankondigde, dan die uit de Babylonische gevangenschap. Hij zendt hem den engel Gabriël, die tot hem spreekt :
.Daniël, nu ben ik uitgegaan om u te onderrichten en te doen begrijpen; want gij zijt een man der begeerten. Geef dus acht op het woord en versta het gezicht :
âZeventig weken (jaarweken) -) zijn afgekort over uw volk en over uwe heilige stad, opdat de overtreding gedelgd, aan de zonde e^n einde gemaakt, de ongerechtigheid uitge-wischt, de eeuwige rechtvaardigheid aangebracht, gezicht en profetie vervuld en de Heilige der Heiligen gezalfd worde. Weet dan en geef acht: Van den uitgang des woords, om Jerusalem weder op te bouwen, tot aan ('hristus, den Vorst.
1
Duniëi \ II. 2) Joden, Christenen en Rutionalislen zijn het eens, dal. de weken hier als jaarweken zijn op te vatton, evenals 111 Mos. XXV, 8. Clewone weken zouden buitendien volstrekt onvereenigbaar zijn met vers 2 en 25â27 van dit hoofdstuk. Ik volg hier, zooals gewoonlijk, den tekst der Vulgaat, wijl deze mijden besten waarborg biedt; de moderne Hebreeuwsche tekst (cf. Rohling, Kate-chismus des 10 Jahrkunderls biz. I ll vlg.) komi overigens bijna volkomen mei d«*zeii toksl overeen.
I I T
zullen er verloopen zeven weken en twee en zestig weken; en weder zullen straat en muren gebouwd worden in benarde tijden. En na de 62 weken, zal de Christus gedood worden en het zal zijn volk niet zijn, dat Hem verloochenen zal (Hebr: âen het (volkj zal Hem niet meer zijnquot;). En de stad en het heiligdom zal verwoest worden door een volk met eenen vorst die komen zal; haar einde zal zijn verwoesting en na het einde des oorlogs zekere verdelging. Doch in de eene week zal Hij het verbond bevestigen met velen; en in het midden der week zullen slacht- en spijsoffer ophouden. En in den tempel zal de gruwel der verwoesting zijn; en tot aan de voltooiing, ten einde toe, zal de verwoesting durenquot;. ')
/ierdaar de voorspelling, en hoe is zij vervuld? De vier groote wereldrijken verschenen: het Assyrisch-Chaldeeuwsche, het Medisch-Perzische, het Macedonische en het Romein-sche. En ten tijde van het laatste verscheen âde Zoon des menschenquot; (het âsteentjequot; bij Daniël 11,34). En God schiep âden Menschenzoonquot; âeen rijk, dat in eeuwigheid niet zal worden verdelgdquot;, de Kerk. âEn Hij gaf Hem macht en heerschappij, opdat Hem dienen zouden alle volken en stammen en talen.quot;
En wanneer zou deze âZoon des menschenquot; komen?
Wanneer zou âde overtreding gedelgd, aan de zonde een einde gemaakt, de ongerechtigheid uitgewischt, de eeuwige rechtvaardigheid aangebracht, gezicht en profetie vervuld worden?quot; Wanneer zou âChristus, de Vorstquot;, verschijnen? De berekening begint met een âwoordquot;, een edict, dat de Joden uit de gevangenschap zouden terugkeeren en Jerusalem weder, opbouwen. Zulke edicten bestaan er vier : uit de jaren 536, 518, 457 en 444 v. Chr. Aan het derde, van het jaar 457, werd het meest gevolg gegeven. Nemen we dus dit jaar eens als uitgangspunt. Van 457 af moesten dus 7 jaarweken (49 jaren) verloopen en âstraat en muren wor den weder gebouwdquot; : in het jaar 408 was Jerusalem door
I, Daiii.M l\
1 I 2
Nehemias' weder herbouwd. Daarna moesten er âtot aan Christus den Vorstquot; nog 62 jaarweken (434 jaren) voorbijgaan, en zoo komen wij tot het jaar 26 na Chr. Feitelijk begon Jesus van Nazareth om dezen tijd zijn openbaar leven. NTa dezen tijd moest âChristus de Vorstquot; gedood worden.
Nu begint de zeventigste week (26â-33 na Chr.) In liet midden dezer week (in het jaar 29 na Chr. volgens de gewone berekening) werd Jcsus gedood, en werd met zijn kruisoffer het N. Verbond gevestigd; de slacht- en spijsoffers des O. Verbonds werden hierdoor afgeschaft, zooals dit volgens de profetie moest geschieden in de eene week die op de 7 en 62 weken volgde.
Wij gingen uit van het derde edict, van het jaar 457. De andere drie vallen in de jaren 536, 518 en 444. Zou men aan een dezer edicten de voorkeur willen geven, dan zou de Messias hoogstens 79 jaar vroeger of 13 jaar laler te zoeken zijn. Waar ter wereld wil men echter in dien tijd, behalve Jesus van Nazareth, eene persoonlijkheid vinden, waarop deze trekken van den Messias van toepassing zijn, deze trekken, die wij reeds overal in de H. Schriften des O. Verbonds hebben ontmoet en die door de Joden met ons in de woorden van Daniël gevonden worden?
Hoe treffend juist is eindelijk de verwoesting van Jerusalem door Titus hier geschetst! En dan de gruwel der verwoesting O]) de heilige plaats, die het einde zou zijn! Kort voor hare vervulling wordt deze voorspelling nog door Christus opnieuw uitgesproken met de woorden : âWanneer gij zult zien staan in de heilige plaats den gruwel der verwoesting, die door den profeet Daniël voorzegd is,quot; enz. ') en âer zullen over u (Jerusalem) dagen komen, dat uwe vijanden u met een wal zullen omgeven en u omsingelen en van alle zijden benauwen. Zij zullen u en uwe kinderen, die in u zijn, tegen den grond verpletteren en in u geen steen op den anderen laten, omdat gij den tijd uwer bezoeking niet hebt gekend.quot; 2)
li Matth. XXIV. in. 2) Lno. Xl\, W. Vt,
ÃI5
En deze dagen zijn over Jerusalem gekomen. Dagen, zoó verschrikkelijk, dat ze wellicht in de geheele geschiedenis der menschheid hun weerga niet vinden. Flavius Josephus bericht ons, dat binnen 3 maanden tijds 115,000 lijken buiten de stad gebracht en 600,000 over de muren geworpen werden. Het getal van hen, die gedurende de belegering omkwamen, bedroeg 1,000,000; 97,000 werden als gevangenen verkocht en als slaven in alle richtingen verstrooid. Sedert dien tijd tot op onze dagen zwerven de Joden over de aarde rond, zonder tempel, zonder heiligdom, zonder offer; want de eenige tempel waarin zij naar Gods bevel mochten offeren, 1) de tempel te Jerusalem is verwoest; de Joden hebben nog slechts synagogen d.i. plaatsen waar zij zich vergaderen om te bidden, maar geen offerplaats meer, en tot den huldigen dag is het hun, ook met al hun rijkdom, niet gelukt er een op te richten, hun nationaal heiligdom, waarheen zij telken jare eenige malen moesten opgaan, weder te doen verrijzen. Julianus 'Ie Apostaat heeft in zijn Christus-haat deze wederopbouwing beproefd om de voorspellingen van Jodendom en Christendom te schande te maken. Hoe het hiermee gegaan is, bericht de heidensche geschiedschrijver Ammianus Marcellinm: âToen Alypius het werk met ijver aanvatte, terwijl de stadhouder van het gewest hem hierin ondersteunde, verhieven zich bij de fundamenten talrijke vuurbollen, die eenige werklieden doodden en de plaats ontoegankelijk maakten; en daar aldus de elementen te hardnekkig weerstand boden, gaf men het plan op.quot; *)
Tot op den huldigen dag is het dan niet gelukt, de eenige geoorloofde offerplaats voor het Joodsche volk weer te herstellen.
13. Een aantal andere profetieën wil ik onbesproken laten en er nog slechts twee vermelden: die van Aggeüs en die van Malachias, welke zich evenals de profetie van Daniël aan den tempel van Jerusalem vastknoopen.
1) Vwg. II Paralip. VI, 5, G; Jo. IV, 20. 2) Ammianus Marcellinus XX111, 1,
s
ii4
De Joden waren onder leiding van Zorobabel naar Jerusalem teruggekeerd en hadden den tempel reeds ten dcele wederom herbouwd (omstreeks 518). De ouden van dagen echter, die den vroegeren tempel van Salomon nog gekend hadden, betreurden het, dat de nieuwe tempel in schoonheid verre achterstond bij den ouden.
âIn de zevende maand, op den een en twintigsten dag der maand, kwam het woord des Heeren door Aggeüs den profeet; Spreek tot Zorobabel, den zoon van Salathiël, Ju-da's vorst, en tot Jesus, den zoon van Josedek, den hooge-priester, en tot het overige volk de woorden : Wie is er onder u overgebleven, die dit huis in zijne eerste heerlijkheid heeft gezien? en hoe ziet gij het nu? Is het niet, als ware het niets in uwe oogen ?
âDoch nu wees sterk Zorobabel! zegt de Heer, wees sterk Jesus, zoon van Josedek, hoogepriester, wees sterk al gij volk des lands! spreekt de Heer der Heerscharen, en volbrengt (want Ik ben met u, zegt de Heer der Heerscharen) het woord, dat ik met u oprichtte, toen gij uittoogt uit het land van Egypte: dan zal mijn geest in uw midden zijn; vreest niet! Want zoo spreekt de Heer der Heerscharen:
âNor/ een korte tijd, en Ik zal den hemel en de aarde beroeren, de zee en het droge en alle volken zat Ik beroeren. En de door alle volken Verlangde zal komen en Ik zal dit huis met heerlijkheid vervullen, zegt de Heer der Heerscharen. De heerlijkheid van dit laatste huis zal groot zijn hoven die van het eerste-, en in deze plaats zal ik den vnde schenkenquot;. ')
âZie Ik zend mijnen engel en hij zal den weg bereiden voor mijn aangezicht. Kn terstond zal tol zijnen tempel komen de Ileerseher, dien gij zoekt, de Engel des verbonds, dien gij verlangt; ziet Hij komt, zegt de Heer der Heerscharen.quot; -)
En Hij is gekomen, Hij, dien het Oude Verbond zoekt, naar wien alle volken reikhalzend uitzagen: Jesus van Nazareth, de Zoon (lods; Hij is ingegaan in den tempel van Zorobabel en heeft daardoor aan dezen eene heerlijkheid ge-
1) .Vgg. n, 2â10. 2) Malach. Ill, l.
IIS
schonken, grooter dan Salomons tempel bezat. Alle volken zijn beroerd geworden en nauwelijks is er nog een volk op den wijden aardbodem, dat onder zijne kinderen geene ge-loovigen telt, die Jesus van Nazareth aanbidden als hunnen God en hunnen Verlosser, hunnen Hoogepriester, hunnen T,eeraar en Koning.
14. Die voorspellingen echter, welke Jesus zelf toevoegde aan die des Ouden Verbonds, â wij zien ze in vervulling gaan voor onze oogen tot op den huidigen dag.
Hij sprak tot Maria Magdalena, als deze Hem de voeten zalfde en hierover door Judas gelaakt werd: âVoorwaar, Ik zeg U, overal waar dit Evangelie zal gepredikt worden over de geheele wereld, daar zal ook, wat deze gedaan heeft, vermeld worden tot hare gedachtenis.quot; ') En het Evangelie wordt gepredikt over de geheele wereld en tot gedachtenis van Maria wordt vermeld wat zij gedaan heeft.
Hij voorspelde den Apostelen, ondanks den grooten oogst, dien Hij hun belooft : âVoorwaar Ik zeg U, gij zult niet ten einde komen met alle steden van Israël, totdat de Zoon des menschen komt.quot; '-) En tot op onze dagen wonen in ons midden talrijke kinderen Israels, als zoodanig duidelijk kenbaar, die zich nog niet bekeerd hebben tot het Evangelie; en ook Palestina, het land der belofte, heeft nog steeds behoefte aan missionarissen 1
Christus voorzeide : âHemel en aarde zullen vergaan, maar mijne woorden zullen niet vergaan.quot; â¢v) En zijne woorden bestaan nog in altijd frissche kracht tot op den huidigen dag en breiden zich altijd verder uit over den geheelen aardbol 1
Bij al deze wonderen, die ons het Evangelie van Christus bericht; bij al deze profetieën des Ouden Verbonds, die in Hem zijn vervuld; bij al de zegeningen, die de godsdienst, door Hem gesticht, sinds 18 eeuwen ons heeft gebracht, handelen wij Christenen, zoo dunkt mij, niet lichtzinnig, niet onwetenschappelijk, als wij met Petrus belijden: âHeer,
lgt; Matth. xxvr, 13. 2) Matth. X, 23. 3) Marc. XIII. 31.
t 16
tot luien zullen wij r/aan? Cr ij licht woorden des eeuwii/en levens. En wij hebben rjcloofd en erkend, dal Gij zijl de Christus, de Zoon van God.quot; ')
4. Tegenwerpingen.
(Brief van Edgar.)
Van ganscher harte dank ik u, Eerwaarde Pater, voor uwen laatsten brief, waarin gij mij de Messiaansche profetieën voor den geest voert. Deze hebben, ik moet het bekennen, vooral in hun samenhang beschouwd eene overweldigende kracht. Het mag zijn, dat men tegen de eene of andere misschien iets zou kunnen inbrengen, evenals bij de wonderen van Jesus; maar, vat men geheel hetjoodsche volk met zijne heilige Boeken, zooals het zich langzamerhand in een tijdsverloop van anderhalf duizend jaar heeft ontwikkeld, in een blik saam, plaatst men dit volk met zijne profetieën tegenover de verschijning van Jesus van Nazareth met zijne talrijke wonderen en zijne goddelijke leer, tegenover de geloofskracht zijner ontelbare martelaren, tegenover de wonderbare, nog steeds toenemende uitbreiding van zijnen godsdienst en diens zegenrijke vruchten; slaat men eindelijk een blik op de puinhoopen van dat uitverkoren volk, dat volgens de voorzegging van Christus tot kort voor het algemeen oordeel hardnekkig zal blijven, om zijns ondanks voor de waarheid des Christendoms te getuigen; dan, meen ik, moet men wel opzettelijk zijne oogen sluiten, om niet in hel Christendom dien godsdienst te erkennen, dien God zelf den menschcn geopenbaard en als zoodanig bezegeld heeft.
Ik ben dan een geloovig Christen.
ij Jo. VI, 09, 70.
li?
Maar, vergeef mij, als ik eraan toevoeg: ik ben nog een neophiet, en omtrent verschillende punten heb ik nog opheldering noodig. Ik leg u deze punten op afzonderlijke bladen voor, en verzoek u, uwe oplossing telkens onder de moeielijkheid te plaatsen.
i. Het Jodendom. â Volgens christelijke opvatting was het Jodendom tot aan Christus' tijden de ware godsdienst. Thans is dit niet meer zoo. Hoe kan iets, dat eenmaal waar was, onwaar worden ?
Buitendien is het Jodendom de meer oorspronkelijke godsdienst, bijgevolg hebben de Joden een zeker recht zich aan hun godsdienst te houden.
Antwoord des Paters: Vóór 1870 lag er waarheid in de bewering: De Fransche regeeringsvorm is de monarchie. Na den val van Napoleon is deze bewering niet meer waar. Hoe kan, zoo vraag ik op mijne beurt, iets, dat eenmaal waar is, onwaar worden? Het antwoord zult gij zelf zonder bezwaar kunnen vinden.
Evenzoo verklaar ik: Vóór Christus beweerden de Joden met recht: âde Messias zed komen.quot; Thans zou deze bewering eene onwaarheid zijn; thans moet men zeggen : De Messias is â¢jekomen.
Dat Hij gekomen is, behoef ik u na de voorafgaande uiteenzetting der Messiaansche profetiën en hare vervulling niet verder te bewijzen. De Joden zelf, voor zoover zij nog geloovig zijn, verkeeren juist door deze profetieën in de grootste verlegenheid. Dat deze profetieën betrekking hebben op den Messias, erkennen zij van oudsher. Zij zijn dus genoodzaakt toe te geven, dat de Messias moest gekomen zijn voordat de schepter van Juda geweken, voordat de tempel van Zorobabel verwoest was. Zij zoeken zich echter te redden o.a. door aan te nemen, dat Hij werkelijk in het jaar der tempelverwoesting geboren, maar wegens de zonden des volks door Cod weder weggevoerd is naar eene verborgene plaats.
In uwen brief zegt gij verder, dat de Joden een zeker recht hebben zich aan hun godsdienst, als den meer oor-spronkelijken, te houden.
118
Hierop antwoord ik u door eene vergelijking: Dan zou ook de rups of de larve een recht hebben steeds larve te blijven en nooit vlinder te worden. Zoudt gij echter de larve gelijk geven als zij verklaarde : âIk, de larve, ben de eigenlijke vlinder. Dat bonte wezen, met vier vleugels, dat van bloem tot bloem fladdert, is van de oorspronkelijke vlindernatuur ontaard; ik, de larve, heb ze behouden.quot; Zeker neenl Welnu, evenals de larve de bestemming heeft vlinder te worden, zoo had het Jodendom de bestemming om met het optreden van den Messias op te gaan in het Christendom. En gelijk het bij de larwe een teeken van ziekte en eene verloochening harer natuur zou zijn, als zij niet op den gestelden tijd vlinder werd, zoo zijn ook de Joden ontrouw geworden aan hunne roeping, toen zij den Messias, die in de volheid der tijden verscheen, afwezen en kruisigden. Doch het Jodendom heeft met den tempel en het offer zijn levensbeginsel verloren: 't Is niet eens meer de onvolmaakte larve, maar slechts het ledige omhulsel der larve, dat achterbleef toen het leven, dat er in woonde, als vlinder vrij ten hemel opvloog.
De Joden hebben dus hoegenaamd geen recht, bij het achtergebleven ledige omhusel hunner vroegere heerlijkheid te blijven staan. Slechts onbekendheid met den waren toestand kan voor den een of andere de eenig mogelijke verontschuldiging zijn.
2. liet Mohammedanisme. â Tegenwerping van Edgar: Het Mohammedanisme heeft eene bijna even groote uitbreiding als het Christendom. Zijne aanhangers zijn waarschijnlijk even vast overtuigd van de waarheid zijner leer, als wij Christenen van de onze. Wat geeft ons dus het recht, hei. Christendom voor waar, voor uitsluitend waar te houden, het Mohammedanisme en evenzoo het Boeddhisme en andere godsdiensten voor valsch te verklaren ?
Antwoord des Paters: Op deze moeilijkheid, zou ik u heel-wat kunnen antwoorden:
iquot;. Gij moet volstrekt niet ineenen, dat wij Christenen alle overige godsdiensten voor louter dwaling houden. Er is wel geen enkele godsdienst, die niet eenige brokstukken der
ik;
waarheid bezit. Zoo gelooft o.a. de Muzelman aan eenen God, die het goede beloont en het kwade bestraft; hij gelooft aan de onsterfelijkheid der ziel; hij gelooft voor een groot deel aan de openbaringen van het Jodendom en Christendom en heeft uit deze geput; want Mohammed leefde, zooals gij weet, 600 jaar na Chr. En indien het Mohammedanisme iets goeds te zien geeft op zedelijk gebied, zoo vindt dit vóór alles zijne verklaring in die grondwaarheden, die het gemeen heeft met het Christendom. Maar deze gemeenschappelijke grondwaarheden komen hier niet ter sprake. De vraag is veel meer deze: Wie heeft gelijk in die punten waarde richtingen uiteenloopen, Mohammed of Christus?
20. Christus kan als geloofsbrief overleggen geheel het Oude Verbond met zijne profetieën, die in Hem en alleen in Hem zijn vervuld. Xiet zoo Mohammed.
3quot;. Christus heeft tallooze wonderen gewrocht, van Mohammed zijn ons geene wonderen met historische zekerheid bekend.
4quot;. Christus leidde een arm, nederig en in ieder opzicht deugdzaam leven en bracht, zooals Hij voorspeld had, zijn leven aan het kruishout ten offer, als losprijs der wereld. Mohammed, door zijn huwelijk met eenc rijke weduwe een vermogend man geworden, jaagde eerzuchtige plannen na en stierf niet voor de waarheid zijner leer. Behalve Chadid-scha had hij nog tien vrouwen en meerdere als zoodanig geldende slavinnen.
Toen hij zijn einde voelde naderen riep hij uit : âDe hel vlamt, het oproer rukt aan als het laatste deel van eenen donkeren nacht. Maar bij Cod, mij moogt gij de schuld niet geven; ik heb slechts toegestaan wat de Koran toestaat, slechts verboden wat de Koran verbiedt.quot; Hoe geheel anders luiden de zeven woorden van Jesus aan het kruis.
5°. De leer van Jesus is rein, nooit heeft men haar eenige dwaling of iets onzedelijks ten laste kunnen leggen. Moham-meds leer streelt de zinnelijkheid, belooft eenen hemel met de laagste aardsche genietingen en predikt haat tegen andersdenkenden.
6°. De godsdienst van'Jesus Christus verbreidde zich door
120
de macht der overtuiging. Ontelbare scharen hebben hun leven op het spel gezet voor de waarheid, van af Nero's tijden tot aan den jongsten ChineeschâFranschen oorlog. Op den huidigen dag nog verbreidt hij zich met onverwelkte levenskracht over China, Japan, Afrika enz., enkel door de prediking van arme weerlooze missionarissen. Mohammcds godsdienst is verbreid door het zwaard, dat reeds Mohammed zelf zwaaide.
7°. Het Christendom heeft de wereld vernieuwd, in het bijzonder de slavernij afgeschaft, door een nieuw volkenrecht de natiën verbroederd. Het Mohammedanisme heeft de eenmaal bloeiende dreven van Klein-Azië, Turkije en Noord-Afrika ontvolkt en in de barbaarschheid doen terugzinken. Ofschoon zes eeuwen jonger dan het Christendom is het lien dood nabij en houdt zich nog slechts staande door de ijverzucht der christelijke natiën, wier vloten en legers den aardbol beheerschen.
Het verschil ligt dus hierin, dat de Mohammedaan zijne van het Christendom afwijkende leerstellingen gelooft zonder voldoende bewijzen, terwijl de Christen de waarheid der uitsluitend christelijke leerstellingen slechts aanneemt op grond van deugdelijke bewijzen, en wel bewijzen van de meest verschillende soort.
Reeds vóór anderhalf duizend jaar, en twee eeuwen vóór Mohammed, schreef de H. Chrysostomus ( 347â407) :
âWelk feit is er, waarvan ook de heiden zonder aarzelen moet bekennen, dat Christus het heeft volbracht? Dit kan hij niet bestrijden, dat Christus de gemeente der Christenen, de kerken op de geheele aarde heeft gegrondvest. Uit dit feit bewijzen wij de macht van Christus, besluiten wij tot zijne Godheid en durven wij getroost beweren dat het niet het werk van een enkelen mensch zijn kan, in zoo korte span ie tijds de geheele wereld, water en land te omvatten, de menschen tot zoo groote dingen te roepen, hen van hunne bedorvene zeden te bevrijden, van hun verkeerden wandel af te brengen. Hij heeft het vermocht geheel de menschheid in vrijheid te stellen â- zonder wapenen, zonder legers, slechts door elf mannen, mannen zonder aanzien, gering, onontwikkeld.
121
ongeletterd, arm, haveloos, weerloos, barrevoets, in eenvoudig gewaad. En wat heeft Hij tot stand gebracht? Zoovele volkeren heeft Hij er toe kunnen bewegen, hunne gedachten niet alleen op he: tegenwoordige maar ook op het toekomstige te richten, Hij heeft hunne vaderlandsche (verderfelijke) wetten vernietigd, ingekankerde gewoonten met wortel en tak uitgeroeid, een nieuw leven gevestigd, onze bedorvene neigingen onderdrukt en ons gestaald tot harde en moeielijke dingen. En terwijl Hij dit ondernam, werd Hij door allen belaagd en vervolgd en tot den smaadvollen kruisdood veroordeeld.
âEn toch neemt de prediking zijner leer van dag tot dag grootere verhoudingen aan en wint aanhangers, ofschoon zij aan de geweldigste vervolgingen blootstaat. Mannen, te voren woester dan wolven, worden door deze prediking zachtaardiger dan lammeren en richten hun zinnen en streven op de onsterfelijkheid, de opstanding en de eeuwige goederen. En niet alleen in de steden, maar ook in de eenzaamheid zijn deze heerlijke verschijnselen doorgedrongen, op de eilanden en in de havenplaatsen. En niet slechts onderdanen en overheden, zelfs gekroonde hoofden buigen zich, in liet geloof aan den Gekruisigde.quot; ')
âHadden wij daaromquot;, zoo bemerkt de H. Augustinus (354â430) omtrent Christus en de Kerk, âhadden wij ook niet de getuigenissen der profeten, wie zou zich niet aangespoord voelen te gelooven dat eensklaps eene goddelijke openbaring der wereld ware ten deel geworden, wanneer wij zien hoe zij nu den waren God aanbidt, zich van de valsche goden afwendt, ze vernietigt, hunne tempels afbreekt of ze eene andere bestemming geeft en de diepst gewortelde bij-geloovige gebruiken uitroeit? En dat dit alles te weeg gebracht is door eenen mensch, die door de menschen bespot, gevangen genomen, geboeid, gegeeseld, van zijne kleederen beroofd, met smaad overstelpt, gekruisigd en gedood is; door zijne leerlingen, onbeduidende onwetende visschers
\) Chrysostomus. Quod Christus bit Ueus. Migne t. 48 p. Slo.
122
un tollenaars, die hij gekozen had om door hen zijne leer ingang te doen vinden, die zijn Evangelie verkondigden en zijne opstanding predikten, waarvan zij getuigen waren geweest? Terwijl zij der waarheid trouw bleven tot in den dood en den strijd voerden; niet kwaad met kwaad vergeldend, maar in lijdzaamheid, niet doodend, maar stervend hebben zij gezegevierd. Zoo is geheel de wereld omgeschapen in het geloof, zoo bebben de harten der stervelingen zich tot dit Evangelie bekeerd, de harten der mannen cn der vrouwen, der kinderen en der volwassenen, der geleerden en der ongeleerden, der wijzen en der onnoozelen, der sterken en der zwakken, der edelen en der slaven, der hooggeplaatsten en der geringen; en de Kerk, onder alle volkeren verbreid, is zoozeer toegenomen in macht, dat tegen dit katholiek geloof geen sekte, geen dwaalleer het hoofd opsteekt, zonder te beproeven zich uit te geven voor christelijke waarheid. Hoe zou de Gekruisigde dit vermocht hebben, zoo niet God zich in Hem met de menschheid hadde verbonden.quot; ')
Is dit alles ook op het Mohammedanisme toepasselijk? Voorzeker neen! Geen enkel der talrijke bewijzen, die wij ten gunste van het Christendom aanvoeren, kan, toegepast op het Mohammedanisme, bij nauwkeuriger onderzoek standhouden. En wat hier van het Mohammedanisme gezegd is, geldt ook voor het Boeddhisme en andere niet-christelijkc godsdiensten. De leeringen, die zij met het Christendom gemeen hebben, zijn waar; de punten waarin zij afwijken, bijv. als zij de godheid van Christus en de H. Drievuldigheid loochenen, zijn valsch. Om dit te bewijzen behoef ik niet de eindelooze rij aller godsdiensten langs te gaan; het is voldoende, dat bij mij de waarheid des Christendoms, bijv. de godheid van Christus, door positieve bewijzen boven allen twijfel vaststaat. Hieruit besluit ik dan met mathematische zekerheid, dat iedere godsdienstvorm, die deze waarheid loochent, en in zooverre hij ze loochent, valsch is. Op
1) Augu^tinus, de fide. cap. VII. Ver^'. Hettinger Apologie II. blz. -/i47.
dezelfde wijze kan ik beweren, dat nergens ter wereld twee maal twee vijf is. Ik kan deze bewering opzetten, ook al heb ik het niet overal onderzocht; het is mij voldoende dat eenmaal bewezen is, dat twee maal twee vier is.
Zoo is het mij ook voldoende, dat ik eenmaal door bewijzen zeker ben van de waarheid des Christendoms, om te kunnen beweren : alle overige godsdienstvormen : Mohammedanisme, Boeddhisme, en hoe ze allen heeten, zijn, voor zoover ze met het Christendom in tegenspraak zijn, valsch, en het is niet noodig dit bij iederen godsdienstvorm in 't bijzonder aan te toonen.
3. Dc Drievuldigheid. Teyenwerpimi vanlidyar: Het Chris-tendom leert wel, dat er slechts één God is, maar beweert tevens, dat deze God tegelijkertijd drievoudig is. Dat schijnt mij eene tegenstrijdigheid en brengt mij onwillekeurig het vers van Goethe te binnen:
,,Aus Eins mach' Drei, aus Drei mach' Eins:
Das ist das Hexeneinmaleins!quot;
Antwoord dus Paters. Eene tegenstrijdigheid zou bevatten de bewering: âer is maar één God en toch zijn er drie goden' â of: âin God is slechts één persoon en toch zijn er in Hem drie personen.'' Zoo iets beweert echter het Christendom niet, zijne bewering luidt veelmeer: âGod is één in wezen, maar drievuldig in persoonquot;, en ik zou wel eens willen zien, hoe gij hier eene tegenstrijdigheid kunt vinden! De eerste Ier de beste zou u de zaak met zijn shamrock (een soort klaver) heel bevattelijk voorstellen. De Apostel van Ierland, de H. 1'atricius, zou, naar men verhaalt, een klaverblad gebruikt: hebben, als vergelijking voor de H. 1 )rie-vuldigheid, en ter herinnering aan dezen heilige plegen de Ieren nu nog op zijn feestdag zulk een shamrock-blad te dragen. De vergelijking is inderdaad zeer aanschouwelijk. Het klaverblad is één en heeft toch drie blaadjes. Zoo is ook God één in Wezen, maar heeft drie Personen, en hierin ligt hoegenaamd geene tegenstrijdigheid.
Toch wil ik u gaarne toegeven: de H. Drievuldigheid is en blijft iets duisters voor ons. Het is. juist het diepste geheim van onzen godsdienst. Dit geheim te doorgronden,
124
gaat de krachten van ons geschapen verstand te boven. Wij moeten het gelooven; want God heeft het ons door Christus geopenbaard: wij zouden het echter niet kunnen gelooven, als het eene tegenstrijdigheid bevatte: maar dit is niet het geval.
4. De Mcnschwording van Christus. â Tegenwerping van Edgar-. Ik vind er geene moeielijkheid in, aan te nemen, dat Christus, volgens het bijbelverhaal, zijn bestaan ontving van den H. Geest en niet van eenen menschelijken vader. Uit is nu eenmaal een wonder, en ik zie niet in waarom ik dit wonder niet evengoed zou aannemen als de overige wonderen, die historisch vaststaan, of als de schepping van den eersten mensch, welke ik als noodzakelijk vereischte d'_r philosophie en der natuurkunde erken.
Mijne moeielijkheid ligt veeleer hierin: hoe God mensquot; h kon worden, ofschoon Hij toch onveranderlijk is.
Antwoord des Paters. Ook deze moeielijkheid vindt hare oplossing. Eene vergelijking moge ook hier wederom die oplossing vergemakkelijken. Indien een vader van zijn kind gescheiden was en er nu weder mede vereenigd is, zoo kan deze vereeniging op tweeërlei wijze tot stand zijn /;ckoineii. ofwel doordat de vader zich begaf tot het kind, of liet kind tot den vader. Is nu de vader lot het kind gegaan, dan is hij van plaats veranderd; is echter het kind tot den vader gekomen, dan is de vader gebleven waar h.j was.
Passen wij nu de vergelijking van de plaats toe op het wezen, zoo kunnen we zeggen: De geheele verandering, die plaatsvindt bij de Menschwording Gods d.i. bij de vereeniging van de menschelijke natuur met den goddelijken Persoon, betreft de menschelijke natuur; deze wordt tot den goddelijken Persoon gebracht, niet omgekeerd.
Veroorloof mij, voor eens en voor altijd, deze bemerking. De geheimen van onzen H. Godsdienst zijn sedert bijna twee duizend jaar zoo veelvuldig doordacht door de grootste denkers, dan veelvuldig aangevochten door de meest verbitterde vijanden, dat gij er zeker van kunt zijn, geene enkele moeielijkheid meer te kunnen ontdekken, die niet reeds voor eeuwen gemaakt, maar ook voor eeuwen reeds weerlegd
125
werd. Vooral geschiedt dit in de scholastieke methode hij de studie der philosophie en der theologie. Waar deze studie grondig wordt beoefend, bijv. in het Collegium Germanicum te Rome, worden er zeven jaren aan besteed. Gedurende dezen tijd vormen de disputatie's eene der voornaamste oefeningen. Een der studenten moet eene stelling uiteenzetten en verdedigen, bijv. deze: de Menschwording van den tweeden Persoon der H. Drievuldigheid is geenszins in strijd met de onveranderlijkheid Gods. Eenige andere studenten hebben tot taak, deze thesis op alle mogelijke wijze te bestrijden; ook den toehoorders wordt gewoonlijk vrijheid ter bestrijding gegeven. Nu kan ik u echter verzekeren, dat bij zulke oefeningen de bestrijders zich zeer dikwijls in veel grooter verlegenheid bevinden om verstandige en zoo mogelijk nieuwe tegenwerpingen te vinden, dan de verdediger om zijne thesis tegen hunne aanvallen staande te houden. Wees dus geheel onbezorgd omtrent dergelijke schijnbare moeielijkheden 1 Ook hier geldt: âer is niets nieuws meer onder de zon.quot;
5. De Heilige Schrift, inzonderheid het Mozaïsche Scheppingsverhaal, en de moderne wetenschap. â - Tegenwerping ran Edgar: Volgens de grondbeginselen des Christendoms is de H. Schrift Gods woord en kan dus geenerlei dwaling bevatten, ook niet op chronologisch, geschiedkundig of natuurkundig gebied. Nu schijnt het mij echter onloochenbaar, dat in de H. Schrift menig punt onhoudbaar is tegenover de moderne wetenschap; als voorbeeld haal ik het scheppingsverhaal van Mozes aan, volgens hetwelk de wereld in zes dagen zou zijn ontstaan, terwijl toch volgens de moderne geologie perioden van millioenen jaren voor de vorming der aarde werden vereischt. Dit is voor mij eene onoplosbare moeielijkheid.
Antwoord det Paters. De moeielijkheid is niet zoo groot als ze wel schijnt. Gij moet slechts onderscheid maken tus-schen hetgeen men de H. Schrift verkeerdelijk laat zeggen en hetgeen ze werkelijk zegt. Ik stel dus voor deze en dergelijke vragen deze bemerkingen voorop:
iu. Wij bezitten niet meer het oorspronkelijk handschrift
120
der H. IJoeken. Wat wij bezitten zijn afschriften en vertalingen, waarbij fouten kunnen zijn ingeslopen. Wij Katholieken zijn nu wel overtuigd, dat onze door de Kerk goedgekeurde vertalingen en uitgaven geene dwalingen op het gebied van geloofs- en zedeleer bevatten; wat echter vragen der profane wetenschap betreft, zoo kunnen daarin fouten der vertalers en overschrijvers voorgekomen zijn en hebben wij ons in deze vragen, zooals bij andere boeken der oudheid, aan de gewone tekstcritiek te houden.
Zoo wordt bijv. de Latijnsche Vulgaat naast de Grieksche vertaling der Septuaginta door de Kerk officieel gebruikt, en toch spreken beide vertalingen elkander tegen op het gebied der chronologie. Volgens de Septuaginta beloopt de tijd van Adam tot Christus meer dan 5000, volgens de Vulgaat slechts 4000 jaren. De Kerk laat deze chronologische vraag onbeslist; en indien een oudheidkundige tot de ontdekking zou komen, dat er van Adam tot Christus 6000 of 7000 jaren verloopen moesten zijn, dan zou de Kerk dit niet bestrijden; en indien deze oudheidkundige zijne bewering met goede gronden staafde, dan zou daaruit slechts dit volgen, dat zoowel in de Septuaginta als in de Vulgaat een fout der vertalers of overschrijvers zou zijn ingeslopen.
20. Behalve de tekst-critiek moet verder eene gezonde verklaring worden aangewend.
Wanneer de H. Schrift verhaalt, dat de zon op en onder is gegaan, dan wil zij hiermee geenszins het systeem van Copernicus verwerpen, volgens hetwelk de aarde zich om de zon draait en niet omgekeerd. De zaak ligt hierin, dat de H. Schrift zich zóó uitdrukt, als de menschen zich plegen uit te drukken. Immers ook wij spreken van op- en ondergang der zon, ofschoon wij weten dat de aarde om de zon en niet de zon om de aarde draait.
30. En nu het scheppingsverhaal van Mozes., Wat de tekst-critiek betreft, houd ik het er voor, dat onze tekst volkomen vertrouwbaar is.. Wat de interpretatie betreft, zou ik kunnen zeggen, dat de zes âjómquot; (dagen), gedurende welke, volgens den Hebreeuwschen tekst, de vorming der aarde en harer bewoners plaats greep, volgens het Hebreeuw-
127
sche taaleigen evengoed perioden van millioenen jaren, als dagen van 24 uren kunnen beduiden ; ik zou ter bevestiging hiervan er op kunnen wijzen, dat Mozes op den vierden dag de zon laat ontstaan, waardoor eerst de tijdverdeeling van dag en nacht begon; dat hij dus in ieder geval met de drie eerste dagen niet dat tijdsverloop bedoelde, dat wij er gewoonlijk mee bedoelen; ik zou mij eindelijk nog kunnen aansluiten bij de ideale theorie, die reeds voor anderhalf duizend jaar de H. Augustinus heeft uitgedacht, volgens welke Mozes met de zes âdagenquot; geene opeenvolging der scheppingswerken volgens tijd, maar slechts eene rangschikking in de volmaaktheid der geschapen dingen zou bedoelen.
Deze en meer andere verklaringen, die door de Kerk zijn toegelaten, zouden uwe moeielijkheid kunnen oplossen. Ik voor mij houd eene andere verklaring voor meer waarschijnlijk. Ik zet echter voorop, dat ik hierbij volstrekt geene aanspraak maak op onfeilbaarheid. Ik ontleen ze aan het voortreffelijke werk van Pater v. llummelauc.r 1) over het scheppingswerk.
Ter zake! Ik geloof ten eerste, dat het dagen van 24 uren zijn, waarin Mozes ons het scheppings-verhaal chronologisch voorstelt. Ik geloof ten tweede, dat de geologie voldoende bewezen heeft, dat de verschillende scheppingsdaden een tijdsverloop van vele, zoo ge wilt, van millioenen jaren moeten gevorderd hebben. Ik geloof ten derde, dat tusschen beide opvattingen hoegenaamd geene tegenstrijdigheid bestaat.
Gij zult zeggen: Hoe is dat mogelijk? â Nog een oogenblik geduld en ik zal het u verklaren. Eerst moet ik echtereen enkel woord vooropzetten over de wijze, hoe God zijne openbaringen kan mededeelen en hoe Hij de schrijvers der H. Boeken kan hebben geïnspireerd.
Dat God, hoe dan ook, met ons menschen geestelijker wijze in verkeer wilde treden, was hoogst natuurlijk. Zijne verhouding tot ons is niet die van een egoïstischen patroon,
1
v. Httmmelauer S. J. Der biblischeSchöpfungsbericht. Freiburg, Herder 1877«
128
wien zijne arbeiders slechts zaken zijn, maar die eens min-menden vaders. Om dit verkeer te bewerkstelligen, slaan Hem verschillende middelen ten dienste; Hij kan bijv. onmiddellijk in ons verstand deze of gene kennis verwekken, ongeveer gelijk een muzikant zijn instrument bespeelt ; Hij kan verder zulke trillingen in de lucht te weeg brengen, dat daardoor bepaalde woorden en zinnen tot ons oor doordringen; Hij kan ook in zijn naam eene zichtbare gedaante laten optreden, die tot ons spreekt ; Hij kan eindelijk de gebeurtenissen, die Hij ons ter kennis wil brengen, als in een visioen of op een schouwtooneel figuurlijk voor onze oogen zich laten afspelen, terwijl Hij ons tegelijkertijd den zin dezer beelden ontsluiert.
De eerste wijze van verkeer, de mededeeling door onzichtbare geestelijke inwerking, zal dikwijls door God gekozen zijn bij de inspiratie der H. Schriften. Gij kunt u de menschelijke schrijvers dezer boeken ongeveer voorstellen als iemand wien eene inwendige stem dicteert. Menigwerf echter vinden wij ook, dat God dezen schrijver zichtbare beelden voorstelt en hierbij den zin dezer beelden verstaanbaar maakt. De Openbaring van den H. Joannes en de profeten des O. Verbonds leveren ons hiervan talrijke voorbeelden.
Veronderstel nu, dat God d;ze laatste wijze gekozen had om Mozes of Adam de chronologische opeenvolging der scheppingsperioden in groote trekken voor te stellen; dat Hij gedurende zes op elkaar volgende dagen van 24 uren telkens een hoofdtijdperk van het scheppingswerk aan Mozes in een visioen getoond had â en alle tegenspraak tusschen Mozes en de geologie is verdwenen. Mozes spreekt volkomen juist van zes gewone dagen ; hij duidt hiermede volkomen juist de chronologische opeenvolging der afzonderlijke scheppingsdaden aan; slechts duidt hij ze niet direct aan, maar indirect d. w z. in een beeld. Zijne voorstelling is evenmin onwaar als die van een historisch treurspel, dat in weinige uren ons voor den geest voert wat in werkelijkheid misschien gedurende een geheel menschenleven zich heeft afgespeeld.
Dat God, gelijk zoo dikwijls bij de H. Schrijvers, ook hier juist deze wijze van inspiratie gekozen heeft, is zeer
Uy
waarschijnlijk ca past uitmuntend voor den aard der waarheden, waarvan hier spraak is. In ieder geval echter is zij mix/dijlc, en indien ook slechts eene mof/elijke overeenstemming der H. Schrift met de geologie gevonden is, zoo is dit voldoende om de gemaakte tegenwerping te ontzenuwen.
Dat wij overigens hier eene openbaring Gods, hoedanig ook, ten gronde moeten leggen, en niet enkel menschelijke overlevering in het verhaal van Mozes moeten zien, blijkt reeds hieruit, dat er spraak is van gebeurtenissen, die voorgevallen waren vóór de schepping van den eersten mensch en welker kennis den mensch slechts van buiten af kon geworden.
Eene tegenspraak tusschen den korten tijd van zes dagen, waarvan Mozes spreekt, en de geweldige perioden, die de hedendaagsche geologie verlangt, is dus geenszins bewezen. Evenmin vinden we tegenstrijdigheid in de opeenvolging der verschillende scheppingsdaden, zooals Mozes ze aangeeft en zooals de geologie ze ons leert. De H. Schrift laat op den derden dag de planten, ') op den vijfden dag âkruipend gedierte met levenden ademquot; (levensadem)____, âgroote
zeegedrochten en gevogelte *)quot;, op den zesden dag âde dieren der aarde naar hunne soortquot; en eindelijk den mensch 3) uit Gods hand voortkomen. Dezelfde rangschikking toont ons de geologie. De oudste organische overblijfselen, die men vindt, zijn overblijfselen van planten, en de glansperiode der plantenwereld zou in de steenkolen-formatie kunnen vallen. De daaropvolgende formatie's, voornamelijk ]ura en Krijt, toonen in menigte visschen en de geweldige âwatergedrochtenquot; der Sauriërs; daarentegen verschijnen de zoogdieren eerst in de latere formatie's en vertoonen zich des te talrijker, naarmate men den tegenwoordigen tijd nadert. Overblijfselen van menschen bevinden zich eerst in de laatste formatie's en men heeft vergeefs getracht, deze in vroegere perioden te kunnen aanwijzen. Dikwijls reeds meende het ongeloof over de H. Schrift te zegevieren door
â¢I) 1 Mos. I, -Hâ13. 2) 1 Mos. I, 2(1â2:!. 3) I Mos. 1, 24â31.
9
1
13°
ontdekking van menschelijke beenderen in formatie's, die, zoo mogelijk, honderdduizenden van jaren achter ons liggen; maar steeds en telkens draaide de zaak uit op verwisseling van een amphibiën-skelet met dat van een mensch, op bedrog van arbeiders eener steengroeve, die op een fooi belust waren, en zoo meer. Onwillekeurig stelt men zich dus de vraag: hoe komt het dat het verhaal der H. Schrift tot op heden iedere critiek der wetenschap tartte, terwijl andere sagen en mythologieën der oudheid door een kind als onzin kunnen worden weerlegd?
Misschien bekruipt u de lust, zulk een onzin en tegenspraak ook bij Mozes te ontdekken. Hij laat ') op den eersten dag het licht geschapen worden en uit âavond en morgenquot; eenen dag ontstaan; en toch komen eerst op den vierden dag 'â ') zon, maan en sterren te voorschijn, opdat zij âscheiden dag en nacht en tot teekenen zijn van dagen en jaren.quot;
De omstandigheid, dat er vóór den vierden dag reeds spraak is van âdagenquot;, en wel van dagen, die uit âavond en morgenquot; bestaan, vindt nu wel haar verklaring, als wij de bovengemelde meening volgen, volgens welke Mozes direct slechts van de dagen der verschillende visioenen en indirect van de werkelijke scheppingsperioden spreekt ; maar toch blijft de moeielijkheid bestaan, dat volgens het bericht van Mozes ook in de werkelijkheid het licht lang vóór de bron des lichts, de zon, geschapen was. Dat schijnt toch klinkklare onzin!
En wat zoudt ge wel zeggen, als juist deze schijnbare onzin eene waarheid bevatte, die eerst in den laatsten tijd door de geologie is ontsluierd? üm u dit duidelijk te maken, moet ik mij veroorlooven een weinig uitvoeriger over geologische vragen uit te weiden.
Verplaats u in de allereerste perioden der aardvorming, toen de aardkorst, waarop wij wandelen, nog niet hare tegenwoordige dikte bezat. De vloeibaar gloeiende kern veroor-
1) 1 Mos. i, ;tâ5. 2) I Mos. 1, liâie.
»3'
zaakte talrijke vulkanische uitbarstingen, waardoor geheele streken in de diepte wegzonken, andere zich omhoog hieven. De geologie is in deze dingen zoover gevorderd, dat men landkaarten der aarde kan vervaardigen, die ons aanwijzen, waar bijv. in de tertiair-periode land, waar water was. Waaruit kan men dit besluiten? Uit de versteeningen. Want in den regel konden slechts in het water versteeningen en afdrukken van schelpen en andere organische vormen ontstaan. Maar hoe kon men aan deze fossielen erkennen, dat bijv. de streek, waar nu Mainz ligt, juist in de tertiair-periode een uitgestrekt waterbekken vormde? Indien wij daar ook al versteende schelpen vinden, kunnen deze niet in eene andere formatie dan juist in de formatie der tertiair-periode thuis behooren ? Deze moeielijkheid wordt door de wijzer-fossielen ') opgelost. Veronderstel, een of andere streek is gedurende alle perioden water geweest, dan moesten zich daar door aanslibbing lagen, en in deze lagen fossielen gevormd hebben uit alle perioden. Veronderstel nu, gij vindt in de onderste laag, maar ook alleen in deze de schelp A; in de volgende laag, en uitsluitend in deze, de schelp B enz. Moet gij nu niet besluiten, dat schelp A alleen ten tijde der oudste formatie, schelp B alleen ten tijde der tweede formatie enz. op aarde is voorgekomen? Deze schelp moest dus bij het begin der bepaalde formatie geschapen, aan het einde ervan reeds uitgestorven zijn.
Op gelijke wijze, hoewel minder eenvoudig, heeft men een systeem van wijzer-fossielen saamgesteld, d. i. van versteende planten- of diersoorten, die ons aanwijzen, hoe wij den betrekkelijke!! ouderdom eener nog onbekende formatie kunnen bepalen. Als ik bijv. ergens, waar nu land is, versteende schelpen vind, dan kan ik wel besluiten, dat deze streek eens water geweest moet zijn en door een of andere oorzaak bijv. door latere opheffing land werd; wanneer dit echter gebeurde, kan ik zonder meer niet vaststellen. Vind ik er nu het wijzer-fossiel bijv. der elfde formatie, dan weet ik dat juist ten tijde der elfde tormatie hier water was.
1 j /00 vertalen wij »L p i t fos s i 1 i ë nquot; naar analogie van xwijzor-sterreuquot; ent.
In ile wijzer-fbssieleii hebben wij bijgevolg eene rij van rejiresentanten der planten- en dierenwereld, welke in de velschillende perioden der aarde op elkaar volgden. En welk beeld geven zij ons? Wij zien dat ongeveer voor de adii oudste formatie's de wijzer-fossielen dezelfde zijn o\er de geheele aarde, in het hooge Noorden zoowel als aan den Equator. Eerst later komt er verschil in, volgens het verschil van klimaat. Wat volgt hieruit? Klaarblijkelijk, dat gedurende de oudste formatie's een gelijkmatig klimaat op de aarde heerschte. Hoe is echter dit gelijkmatig klimaat in het Noorden en aan den equator te verklaren? Slechts dan, wanneer licht en warmte niet van een enkel, buiten de aarde liggend punt (zooals de zon), maar ofwel van de aarde zelve of van eene de geheele aarde omgevende wolkenlaag uitgingen, waarin zich misschien licht en warmte der zon gelijkmatig hadden verdeeld. In beide gevallen vertoonden zich voor het oog des beschouwers niet zon en maan als lichtbron. En daar nu Mozes zich op het standpunt van den gewonen beschouwer plaatst, had hij gelijk, toen hij het licht liet bestaan, vóórdat zon, maan en sterren als bron van licht en warmte verschenen.
Een oude (Jrieksche schrijver verhaalt het volgende: Onder den Epyptischen koning Necho, zeide men, was Afrika omzeild, de bemanning had echter ongeloofelijke dingen bericht, bijv. dat zij de zon in het Noorden hadden gezien; en daarom kon men hunne mededeeling niet vertrouwen. â fuist dit, hetgeen ons deze schrijver als grond van zijn wantrouwen aanvoert, is nu het krachtigste bewijs voor de waarheid van het bericht. Immers wij weten nu (wat den ouden Griek onbekend was), dat men de zon in het Noorden ziet zoodra men den Equator overschijdt. Precies zoo staat het met het bericht van Mozes. Wat eerst de nieuwere geologie heeft vastgesteld en wat, op zichzelf genomen, geheel ongeloofelijk klinkt, d t heeft Mozes bericht: dat namelijk in de langdurige eerste geologische perioden zich geenezon aan den hemel vertoonde. Wij hebben dus het sterkste bewijs voor de vertrouwbaarheid der Mozaïsche voorstelling. Meer nog I Door overlevering konde Mozes dit feit niet
133
kennen; want in dien tijd leefden er (zooals de geologie zelve beweert) nog geene menschen: zoo hem nu niettemin dit feit bekend was, hoe kon hij het anders weten dan door goddelijke openbaring ?
Houd dus onwrikbaar vast aan de waarheid des Christen-doms en zijner Heilige Boeken! Wees overtuigd, dat alle werkelijke resultaten der moderne wetenschap deze niet weerleggen, maar bevestigen. Indien zich schijnbare tegenstrijdigheden voordoen, dan ligt dit of wel hieraan, dat men de H. Schrift laat zeggen wat zij niet zegt, of ook daaraan, dat men als zeker resultaat der wetenschap aanneemt wat niet meer is dan eene hypothese, die bij nader onderzoek weer wordt omgestooten. Eene werkelijke tegenspraak tusschen natuur en openbaring is onmogelijk.
III.
De Katholieke Kerk
en
hare leerstukken.
I. De Ringen van Nathan den Wijze.
(Brief van Edgar.)
Eerwaarde l'ater ! Uw vriendelijk antwoord heeft mijnen laatsten twijfel doen verdwijnen. Met hart en ziel sluit ik mij aan bij quot;het Christendom. Het is mij duidelijk geworden, dat men reddeloos in het atheïsme, materialisme, nihilisme of ook in het scepticisme verzinkt, wanneer men weigert de waarheid des Christendoms te erkennen, zich onder zijn milden schepter te buigen. Al die halfheden, die in .le wetenschap als in het practische leven tusschen ongeloof en Christendom heen en weer dobberen, zijn op den duur theoretisch en practisch onhoudbaar.
'lot deze overtuiging hebt ge mij dan gebracht.
Maar nu sta ik daar, met de vraag op de lippen: Welk is het echte Christendom? Is het dat der Lutheranen of der Calvinisten? Dat der Pruissische Unie of van het An-glicanisme ? Dat van het Roomsch-Catholicisme ot der Russische Staatskerk? Of misschien dat van een der ontel-
i3S
bare oude of nieuwe secten, zooals Nestorianen, Arianen, Methodisten, Doopsgezinden enz.
Kan ik deze vraag niet beantwoorden, dan baat het mij weinig, te weten, dat het Christendom waar is. Ik verkeer dan ongeveer in hetzelfde geval als de schuldeischer, die weet dat Karei Meier hem een millioen schuldig is, maar niet weet, en er ook niet achter kan komen, wie van de vele Karei Meiers zijn schuldenaar is, noch waar hij woont.
Wel kan ik als het echte Christendom datgene beschouwen, wat aan al deze verschillende belijdenissen gemeen is. Maar hoeveel is dat? Niet eens de Drievuldigheid en de Godheid van Christus; want ook deze geloofspunten worden door Unitariërs en Arianen en dikwijls zelfs door predikanten der protestantsche kerk geloochend. En als ik op practisch gebied kom, dien ik toch zekerheid te hebben omtrent de vraag: Is met Luther het geloof alleen ter zaligheid voldoende, of moeten er, zooals de Katholieke Kerk leert, ook goede werken bijkomen ? Heeft Christus de biecht als Sacrament ingesteld, zoodat ik eenen priester mijne zonden moet belijden om vergeving te bekomen, of is de biecht eene menschelijke vinding en iets overbodigs? Kunnen kinderen geldig gedoopt worden, zoodat men ze moet doopen om hun den hemel te ontsluiten, of moet ik met de Doopsgezinden den kinderdoop voor ongeldig houden en in tegenspraak met de H. Schrift? Ontvang ik in het Avondmaal het wezenlijk Lichaam van Christus, zooals Katholieken, Russen, en Lutheranen leeren, of heb ik met de Calvinisten in het Avondmaal slechts eene gedachtenisviering te zien?
Omtrent dat alles konde en wilde Christus ons toch onmogelijk in 't onzekere laten, zoo Hij de beloofde Messias is, gekomen om de waarheid te leeren en den weg ten hemel te wijzen!
Of moet ik soms met Schiller op de vraag: welken godsdienst ik belijd, ten antwoord geven:
âKeine von allen, die Du mir nennst;quot; en dat nog bovendien âuit godsdienstquot;? Met andere woorden, moet ik zeggen : Alle godsdiensten zijn op het dwaalspoor geraakt,
136
Catholicisme, zoowel als Lutheranisme, Doopsgezinden, Russen, Anglicanen, Mormonen enz.? Geen van allen heeft de volle ongerepte waarheid? Welnu, dan moet ik mij uit aile vormen des Christendoms de brokstukken der waarheid zien bijeen te verzamelen, zooals vóór mij misschien millioe-nen Christenen en met name de stichters der secten het beproefd hebben. Maar welken waarborg heb ik dan, dat ik de eenige gelukkige ben, die de waarheid gansch en ongerept ook werkelijk vinden zal ? Welken waarborg, dat ik den door mij gevonden of in elkaar geknutseldcn godsdienst niet eveneens moet voegen bij het getal van die, waarvan het heet:
âiveine von allen^ die Du mir nennstquot;?
En aangenomen, dat ik er in slaagde de volle, gansche waarheid te vinden, beter dan ieder ander mijner voorgangers: moest ik dan niet beweren, dat ik eigenlijk alleen dat wereldrijk uitmaakte, dat door den Messias zou worden gevestigd ? Dat rijk, dat volgens den Psalmist alle volkeren omvatten, dat volgens Daniël het Assyrisch-Babylonische, het Medisch-Perzische, het Macedonische en het Romein-sche in uitgestrektheid overtreffen en dat een rijk der waarheid wezen moest?
Waarlijk, dat zou ik moeten beweren. Want van alle andere brokstukken des Christendoms zou ten minste geen enkel er aanspraak op kunnen maken, dat wereldrijk der waarheid te zijn, daar zij zich allen op het dwaalspoor bevinden. Neem ik echter weder alle belijdenissen samen : Katholieken, Russen. I.uthcranen, Calvinisten. Doopsgezinden enz., dan krijg ik een waren chaos van tegenstrijdigheden, die nog minder als een rijk der waarheid kunnen gelden. Ik zou dus, zooals ik zeide, geheel het overige Christendom als eenc ontaarding van dit rijk en zijner waarheid en mij voor den eenigen representant van het ware rijk van Jesus Christus moeten houden; ik zou moederziel alleen staan, gelijk de* oude Jood, dien Platen in zijn âverhangnissvolle Gabelquot; hel geheelc koor laat vormen. Meer nug; ik zou moeten beweren, dat van Christus-tijden tot op mij het door den Messias te stichten vijfde wereldrijk nog in
*37
't geheel niet bestaan had en ik zou met mijn persoon, op 't voorbeeld van Hegel, een nieuw tijdperk in de wereldgeschiedenis kunnen doen aanbreken.
Neen, zulk eene subjectieve overschatting van mijzelf lijkt mij toch te dwaas. Een of andere van degroote christelijke belijdenissen moet het echte Christendom ongeschonden bezitten, of wel het is ten eenenmale verloren geraakt en Christus heeft dus zijne roeping gemist. En niet alleen moet eene der groote confessie's het Christendom bezitten, maar het moet ook hunnen worden uityemaaht welke het bezit, en Christus moet gezorgd hebben, dat men deze altijd vermag te erkennen. Anders zou Hij gehandeld hebben als de vader in Lessings Nathan, die zijnen drie zonen drie ringen achterliet, eenen echten en twee valsche, en de drie zonen in 't onzekere liet, wie van hen den echten bezat. Had God aldus met ons gehandeld, dan baatte ons de waarheid des Christendoms juist evenveel, als dien schuldeischer de wetenschap, dat een onbekende Karei Meier hem een mil-lioen schuldig is.
Dus ik herhaal: In eene van de groote christelijke confessie's moet liet Christendom ongeschonden voorhanden zijn, en in welke liet voorhanden is moet men te weten kunnen komen.
Voor mij, die in de Evangelische kerk ben opgevoed, ligt het natuurlijk het meest voor de hand, in haar dit echte Christendom te zoeken. Maar toch moet ik zeggen : alleen de omstandigheid, dat ik in deze kerk geboren en opgevoed werd, waarborgt mij nog niet hare waarheid. Ook bij de Mormonen, Mohammedanen en Joden worden menschen geboren, en toch zijn hunne godsdiensten daarom nog niet waar.
(Jij ziet, Eerw. Pater, ik zit vreemd in de kiem. (!ij hebt mij tot de kennis gebracht, dat liet Christendom de ware godsdienst is; thans moet gij mij verder aantoonen, waar ik het echte Christendom heb te zoeken en in welke der verschillende vormen van het Christendom ik het ware
138
kan vinden. Ik bcluot U ook in 'l vervolg een leerzaam scholier te zijn en verzoek U te willen bidden voor
Uwen dankbaren en toegenegen Edgar v. S.
2. Afbraak of aanbouw?
(1. Brief des Paters.)
Uw schrijven verschafte mij eene innige vreugde. Ik zet mij terstond neder om het te beantwoorden.
Volkomen logisch en consequent besluit gij, dat eene der groote belijdenissen het zuivere ongeschondene Christendom moet bezitten. Want in geval dat alle slechts brokstukken ervan bezaten, die bovendien nog met allerlei dwalingen zouden zijn vermengd, zou er geen rijk der Waarheid bestaan, zooals de Messias moest stichten, zou de belofte van Christus, dat Hij zijne leerlingen door den H. Geest in alle waarheid wilde leiden, niet zijn vervuld, zou eindelijk de Christen voor zich zelf, [zooals gij volkomen juist bemerkt, in de gewichtigste levensvragen niet weten waar hij aan toe is.
Met recht voegt gij er tevens aan toe, dat wij in staat moeten zijn, uit de menigte der verschillende belijdenissen diegene te erkennen, die, om met Lessing te spreken, den echten ring, d. i. de echte leer van Jesus Christus heeft bewaard en dus noch essentiëele stukken ervan verloren, noch menschelijke inzettingen als leer van Jesus Christus eraan toegevoegd heeft. Immers wat baatte het ons, indien deze echte belijdenis wel bestond, maar wij ze niet konden kennen?
Onder die groote confessie's, waarvan gij spreekt, mag ik volgens uwe opvatting waarschijnlijk wel de Roomsch Katholieke Kerk, de Russische Staatskerk, het Lutheranisme, het Calvinisme, de Pruisische Unie (de zoogen. Evangeli-schen) en eindelijk de Engelsche Staatskerk verstaan, Voors-
139
hands wil ik er genoegen mee nemen, dat wij Katholieken met de overige belijdenissen op gelijke lijn worden gesteld, ofschoon ik u de opmerking zou kunnen maken, dat wij ver over de 200 miilioen sterk zijn, heel wat meer dan al de honderden belijdenissen te zamen genomen.
Met de volste overtuiging dus ben ik het met u eens, dat een van deze verschillende belijdenissen, eene van deze vormen des Christendoms ook deszelfs inhoud geheel en ongeschonden moet bevatten. De vraag is slechts: welke ?
Kort en bondig en zonder omwegen antwoord ik u: Deze echte ring, deze vorm, die het echte Christendom bezit, is de Roomsch Katholieke Kerk ; en ik ben bereid u eene geheele rij van bewijzen voor deze bewering te leveren. Voor heden moge de volgende zeer eenvoudige overweging volstaan.
De echte vorm des Christendoms, het door Christus gestichte rijk der waarheid, moet duren van Christus' tijden af tot aan den jongsten dag. Eene leer, waarvan bewezen kon worden, dat zij eerst na Christus' tijden opgekomen of vóór den jongsten dag van de aarde verdwenen is, kan niet de leer van Jesus Christus zijn.
Ziedaar het fundament, waarop ik mijn bewijs opzet; gij zelf hebt het mij aan de hand gedaan en het is solied. Ik zeg niet, dat eene christelijke geloofswaarheid, bijv. de leer van de echtheid en inspiratie der afzonderlijke deelen van de H. Schrift, in den loop der tijden zich niet tot meer klaarheid kon ontwikkelen. Wat ik echter beweer is dit: Indien totaan het jaar 1892 bijv. de profeet Isaïas algemeen bij alle groote christelijke gezindten gold als woord Gods, dan is het zoo; eene nieuwe sekte daarentegen, die zich nu zou vormen en de schriften van Isaïas uit den Bijbel schrapte, zou zeker niet het echte Christendom bezitten, want zij zou in tegenspraak zijn met het geheele Christendom, van het jaar 1891 en alle vroegere jaren en eeuwen.
Op gelijke wijze beweer ik, dat bijv. de H. Drievuldig heid en evenzoo de Godheid van Christus ontwijfelbaar christelijke leerpunten zijn; want zij werden o.a. in de middeleeuwen door alle groote confessie's geloofd. De Arianen, die ze vroeger loochenden, hadden niets meer te beteekenen
140
en de Unitariërs der zestiende eeuw waren nog niet bekend. Daarom bezit eene nieuw opkomende sekte, die de H. Drievuldigheid of de Godheid van Christus loochent, zeker niet het echte Christendom.
Hieruit besluit ik verder, dat volgens de christelijke leer kinderen geldig kunnen gedoopt worden en dat de leer der W ederdoopers, die dit loochent, met het Christendom in tegenspraak is, ondanks den schijn van waarheid, dien zij zich door beroep op schriftuurplaatsen geeft. Immers hadden de Wederdoopers gelijk, dan had de Kerk eeuwen lang in een zeer essentieel punt in dwaling verkeerd : en dat kan niet zijn.
En nu let op! Ik richt mijn stormram nu ook tegen U. Vóór het optreden van Calvijn geloofde men in allegroote confessie's, dat men in het H. Avondmaal het wezenlijke lichaam van Christus ontving. Deze leer ware een duivelsch bedrog, als zij niet met de waarheid overeenstemde: dus is zij waar en is de leer van Calvijn eene verminking van het ware Christendom.
Nog eens, let op! In dc eeuwen, die het optreden van l.uther en Calvijn onmiddellijk voorafgingen, geloofde men algemeen, dat Christus 7 Sacramenten had ingesteld; de Roomsch Katholieke Kerk geloofde het, de Grieksche Kerk geloofde het, de Russische, zelfs tie kleine Oosterschc Sekten geloofden het; kortom er was geene christelijke confessie van eenige beteekenis, die het niet geloofde; dus is hel christelijke waarheid en hebt gij. Protestanten, een essentieel stuk van het Christendom afgeschud, toen gij van de 7 Sacramenten, die Christus instelde, er 5 prijsgaaft.
Hetzelfde ongeveer geldt van de overige geschilpunten tus-schen u en ons.
Het Protestantisme in al zijre vertakkingen is hiermee geoordeeld. Slechts de Katholieke Kerk, en als ge wilt de Grieksche en Russische Kerk, blijven nog in het strijdperk achter. Wederom drie ringen, uit welke wij met den juist gebruikten proefsteen den echten moeten zoeken.
Het onderzoek is niet moeielijk. Het practische onderscheid tusschen die confessie's bestaat hoofdzakelijk hierin,
Ui
dat de Katholieke Kerk in den Paus van Rome den opvolger van Petrus, den zichbaren stedehouder van Christus vereert, de schismatieke Russen en Grieken daarentegen niet. De vraag is nu deze: Welke was de algemeen erkende leer omtrent dit punt, voordat de confessie's zich afscheidden?
Het antwoord geeft ons de geloofbelijdenis van Paus Honnisdas uit het jaar 517. Deze werd reeds in dien tijd door den Patriarch Joannes van Constantinopel en 2500 bisschoppen onderteekend. Op het 8ste algemeen concilie, (het vierde van Constantinopel in het jaar 869) werden slechts zulke bisschoppen toegelaten, die ze onderteekend hadden. Zij luidt:
âVóór alles bestaat het heil daarin, den juisten regel des geloofs te bewaren. En wijl niet kan worden voorbijgezien de uitspraak van den Heer Jesus Christus, die zegt: âGij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijne Kerk bouwen,quot; wordt, hetgeen besproken werd, bewezen door de feiten, wijl op den apostolischen Stoel de godsdienst steeds onbevlekt bewaard bleef. Daar wij van zijne leer ons in geenen deele willen afscheiden, zoo hopen wij waardig te worden, in de eene gemeenschap te zijn, die de apostolische Stoel verkondigt, in welke de cjcheele en ware vastheid van dun katholieken godsdienst isquot;. 1)
Nog duidelijker verklaart het elfde algemeene concilie (het vierde I ateraanxche in het jaar 1215): âDoor goddelijke verordening heeft de Roomsche kerk de opperste macht over alle andere ontvangen, als moeder en leermeesteres aller geloovigenquot;. Evenzoo het veertiende algemeene concilie (het tweede van Lijon 1274): âDe Roomsche kerk bezit het hoogste en volledigste primaat en oppergezag over de geheele Katholieke Kerk, hetwelk zij in waarheid en deemoed bekent van den Heer zeiven in den H. Petrus, den vorst of het hoofd der apostelen, wiens opvolger de bisschop van Rome is, met de volheid der macht ontvangen te hebben.quot; Eindelijk zegt nog in het jaar 1439 het concilie van Florence (het
1
Mansi VIII, Hl,
142
achttiende algemeene): âdat de heilige apostolische Stoel en de Roomsche Paus het primaat over den geheelen aardbol bezit en dat juist deze Roomsche Paus de opvolger van den apostelvorst Petrus en de ware stadhouder van Christus, het opperhoofd der geheele Kerk en aller Christenen vader en 1 eeraar is, en dat hem in den H. Petrus de volle macht, om de geheele Kerk te leiden en te besturen door Onzen Heer Jesus Christus verleend is, zooals dit ook in de verhandelingen der oecumenische Conciliën en de heilige Canones is vervat.quot;
Bij deze verklaring van het concilie van Florence sloten zich aan de Grieksche keizer Michael Paleologus, de patriarch Joseph van Constantinopel, de afgezanten der overige patriarchen en de Russische metropoliet Isidorus.
Vóór de losscheuring der Grieken en Russen van de eer-heid des geloofs was dus de leer van het primaat des pausen de leer van alle toenmaals voorhandene groote belijdenissen; daarom behoort ook zij tot het leerstelsel van het Christendom, evengoed als de leer van de 7 Sacramenten) van de wezenlijke tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal, van de Godheid van Christus en van de allerheiligste Drievuldigheid.
Mijn argument is gereed. Gij zelf hebt mij toegegeven, dat eene der vijf of zes groote confessie's de volle onverminkte waarheid moet bezitten. Ik heb u doen zien, (lat rij alle, uitgezonderd de Katholieke Kerk, ze niet bezitten, wijl zij iets leeren, waarvan het tegendeel eens algemeen werd aangenomen, hetwelk dus niet christelijke leer kan zijn. Hieruit volgt, dat de Roomsch Katholieke Kerk en zij alleen in het volle, door geen dwalingen verduisterde bezit der christelijke waarheid zich bevindt.
In afwachting van een spoedig antwoord, blijf ik
Uw zeer toegenegen
Pater v. H.
(2. Uit het antwoord van Edgar.)
Uwe bewijsvoering is logisch. Maar toch wil het mij
143
schijnen, dat ik hetzelfde tegen u zou kunnen aanvoeren, en besluiten, dat ook de Kath. Kerk van de waarheid is afgeweken; dat dientengevolge geene der christelijke gezindten het echte Christendom meer bezit, dat veelmeer alle er bijgevoegd of er afgenomen hebben.
Gij Katholieken hebt namelijk tal van menschelijke inzettingen bij de reine leer van Jesus Christus gevoegd. Inzettingen, die in ue eerste christelijke eeuwen niet bestonden. Als duidelijk voorbeeld uit den jongsren tijd noem ik u de pauselijke onfeilbaarheid, die vóór het jaar 1870 noch door u zeiven noch door een der andere christelijke confessie's werd geloofd, die dus zeker niet tot het eerste Christendom behoort. Ze is veelmeer eene van de vele menschelijke inzettingen die gij gesteld hebt in de plaats van de zuivere leer. N
Wat zegt gij hierop? Ik zie met spanning uw antwoord tegemoet.
(3. Uit uen' brief des Paters.)
Mijn antwoord op uwe tegenwerping betreffende de pauselijke onfeilbaarheid bestaat daarin, dat ik onderscheid maak tus-schen aanbouw en afbraak.
A/braak noem ik het, wanneer de Grieksche en de Russische kerk in het jaar 517 of 1439 het primaat des pausen erkennen en het daarna loochenen. Zij moeten ofwel beweren, dat vóór 517 de geheele christelijke Kerk op het dwaalspoor geraakt was, of toegeven, dat de Russen en Grieken nu in dwaling verkeeren, terwijl de Katholieke Kerk, die met de in het jaar 517 algemeen geldende leer overeenstemt, het echte Christendom bijbehield.
Afbraak noem ik het eveneens, als vóór 1517 in geheel de christelijke Kerk geloofd werd, dat Christus 7 Sacramenten heeft ingesteld en als, in tegenspraak hiermede, gij Protestanten na 1517 beweert, dat Christus niet 7, maar slechts 2 Sacramenten heeft ingesteld. Ook gij Protestanten moet dientengevolge beweren, dat vóór 1517 de Kerk aan hare roeping ontrouw geworden was; of, als dat niet zoo is, moet
144
gij toegeven, dat gij zelf (na isiyj een essentieel stuk van het Christendom verloren hebt.
De afbraak bestaat dus daarin, dat men zicli in tegenspraak stelt met datgene, wat te eeniger tijd als vaststaande christelijke leer algemeene gelding had.
Niet zoo den aanbouw.
Aanbouw noem ik vooreerst â om op uwe tegenwerping van de vele menschelijke inzettingen terug te komen â als de Kerk nieuwe vastendagen, nieuwe ceremoniën en dergelijke dingen meer invoert, want ofschoon de Kerk aan de eenmaal door Christus gebrachte openbaring niets kan toevoegen, kan ze toch het christelijk leven meer vormen en als 't ware verder uitbouwen volgens de grondbeginselen dezer leer. Zij is als een boom, die steeds dezelfde oorspronkelijke boom blijft, ofschoon hij ieder jaar weer nieuwe, maar met zijne natuur overeenkomende bloesems en vruchten teelt. De heresie daarentegen gelijkt op den tak eener geheel vreemde boomsoort, die kunstmatig op den stam wordt geënt; of zelfs op de nagemaakte bloesems van een oleaster, die men aan de takken van een werkelijken oleaster vastbindt om ermede voor den onkundigen beschouwer te pronken.
Aanbouw noem ik het verder, wanneer de Kerk â om oj) het dogma neer te komen â hetgeen vroeger reeds algemeen geloofd werd, later met wetenschappelijke nauwkeurigheid nader omlijnt en ontvouwt. Wanneer zij bijv. de Sacramenten, die van oudsher geloofd werden, sythemaasch tot een zevental verbindt, of wanneer zij tegen de Mono-thelieten uit de tweevoudige (de goddelijke en de menschelijke) natuur van Jesus Christus het besluit trekt, dat er ook twee willen (een goddelijke en een menschelijke) in Christus voorhanden zijn. Ook deze aanbouw gelijkt op den wasdom van den steeds zijne oorspronkelijke natuur be warenden boom.
Aanbouw noem ik eindelijk, als punten, waaromtrent tot op heden verschillende meeningen heerschten, door de beslissing der Kerk worden vastgesteld. Hier kan van eene ontaarding van de oorspronkelijke natuur evenmin, ja nog
i45
minder spraak zijn dan in de heide bovengenoemde gevallen.
Let wel op het onderscheid tusschen afbraak en uitbou-wing. Door afbraak wordt het Christendom van het eene tijdperk met dat van een ander tijkperk in tegenspraak gebracht. Door uitbouwing niet, wijl hierdoor slechts het bestaande verder ontwikkeld, de heerschende twijfel beslist, maar niet eene algemeen als zeker erkende waarheid omvergeworpen wordt.
Om de zaak nog duidelijker te maken, zou ik mij van de volgende vergelijking willen bedienen: De christelijke geloofsleer gelijkt op eene uitgestrekte bezitting, die de goddelijke Heiland vóór bijna 2000 jaar aan zijne K.erk naliet. Niets mag aan deze bezitting toegevoegd, niets ervan afgenomen worden; ongeschonden moet ze overgaan van geslacht op geslacht. Midden in het stuk grond ligt de rots, waarop het oude stamslot van graniet zich verheft. Deze rots met haar slot is de leer van de H. Drievuldigheid en van de Menschwording van Christus. Om dit stamslot liggen gegroepeerd de overige perceelen: velden, bosschen en weiden. Dat zijn de overige leerpunten van den christelijken godsdienst, van de Katholieke Kerk. Ook deze zijn onvervreemdbaar en onveranderlijk in hun grondbestek. Het slot kan niet vervreemd, ook niet afgebroken, maar wel uitgebouwd, met nieuwe decoratie's gesierd worden. Van de bezitting in haar geheel kan evenmin een stuk vervreemd, noch iets nieuws eraan toegevoegd worden; wel echter wordt ze voorzien met nieuwe bosschen en kweekerijen. Zoo blijft ook het katholieke dogma steeds hetzelfde, wel wordt het op andere en wederom andere wijze op het christelijk leven toegepast door nieuwe vormen van devotie. Maar zelfs deze vormen van devotie, bijv, het breviergebed des priesters, de veertigdaagsche vasten ter herinnering aan het lijden van Christus, dateeren van de allereerste tijden, aan oude eiken gelijk; en al vormen zij ook eigenlijk niet het onvervreemdbaar gebied van het dogma, toch laat de Kerk zich niet gemakkelijk bewegen deze eeuwenoude eiken te vellen.
to
I4fgt;
Maar hoe, wanneer de Kerk in het jaar 1854 het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria verkondigt ? Wordt daardoor niet een nieuw dogma, niet als 't ware een nieuw stuk grond bij de oude bezitting gevoegd? Ik antwoord met eene andere vraag: Wanneer de bezitter van het slot, dat reeds 18 eeuwen in zijn geslacht van den eene op den andere is overgegaan, op zekeren dag een ingenieur laat komen om eene nauwkeurige kaart van de geheele bezitting te teekenen, wordt hierdoor soms een nieuw stuk bij de oude bezitting gevoegd? Wel neen! Er wordt slechts nauwkeurig vastgesteld, wat tot de bezitting behoort en wat niet. Wordt echter door deze opmeting des ingenieurs de bezitting haren bewoners niet voor het eerst bekend gemaakt? Ook dat niet. De eigenaar en zijne huisgenooten kenden ze reeds lang te voren; slechts was aan sommigen der huisgenooten de geheele omvang der bezitting niet zoo nauwkeurig bekend als nu, sedert de kaart des ingenieurs voor ieders blik in de gang van het slot is opgehangen. Zoo werden alle geloofspunten van het Catholicisme van den beginne af in de Kerk geloofd; de leer omtrent de Onbevlekte Ontvangenis bijv. laat zich zelfs uit de H. Schrift bewijzen en werd met deze door God aan de Kerk gegeven. In de vroegere eeuwen echter waren er misschien meerdere leden der Kerk, die dienaangaande niet juist op de hoogte waren; de definitie nu van 1854 was als 't ware de opmeting van den ingenieur en zijne kaart. Na de ophanging daarvan, d. i. na de verkondiging van het dogma, is er nog nauwelijks een eenigermate ontwikkeld Katholiek, oie niet weet, dat dit geloofspunt tot het geheel der christelijke openbaring behoort.
Dikwerf ook in den loop der achttien eeuwen werd de bezitting door vijandige naburen met gerechtelijke processen aangevallen ; zoo ook bestreden de ketterijen de afzonderlijke geloofspunten der Kerk, te beginnen met de allerheiligste Drievuldigheid tot aan de laatst betwiste punten toe. Maar de uitspraak der rechters handhaafde de oude bezitting; evenzoo wees ook de Kerk steeds door hare definities de nieuwigheden der ketterijen terug. Wanneer nu een der be-
'47
twiste stukken grond de;i vroegeren eigenaar door rechterlijke beslissing wordt toegewezen, dateert dan diens bezit vanaf het oogenblik dezer beslissing? Geenszins. Van den beginne afaan was het stuk gronds het eigendom van hem en zijne familie, en de gevelde beslissing heeft slechts ter kennis gebracht wat reeds sedert onheugelijke tijden bestond. Zoo begint ook een dogma niet eerst dan een dogma der Katholieke Kerk te zijn, wanneer het tegenover de aanvallen eener ketterij plechtig verkondigd wordt; doymn was het sedert Christus' tijden, (ledcl'uiieerd dogma wordt het door de verkondiging.
Zoo staan de zaken in de Katholieke Kerk. Geheel anders gaat het er toe bij de ketterijen. Iedere ketterij pleegt allereerst een deel van het erfgoed te vervreemden d. w. z. het een of andere dogma prijs te geven ; daarna worden ook op de overige perceelen de oude eiken geveld, d. w. z. de eeuwenoude gebruiken (wijl men ze als menschelijke inzettingen beschouwt) afgeschaft; ten laatste wordt het stamslot zelf van de hand gedaan, d. w. z. het geloof aan den Drie-ëenigen God en aan de Godheid van Christus gaat te loor. Zoo raakt gaandeweg alles op, totdat eindelijk het atheïsme en materialisme in al zijn naakheid en leegheid voor de deur staat. De methode der ketterij is omverwerping, afbraak, opruiming; die der Kerk: instandhouding van het erfgoed,maar tevensuitbouwing, verfraaiingen ontwikkelingervan.
Dit vooropgezet, beweer ik: De onfeilbaarheidsverklaring, die van het Vaticaansch Concilie in het jaar 1870 uitging, was geen afbraak, maar uitbouwing. Want nooit is het algemeen erkende leer geweest, dat de Paus niet onfeilbaar is; hoogstens was de pauselijke onfeilbaarheid vóór 1870 eeni-germate een strijdvraag, en ook dit slechts in zeer oneigen-lijken en beperkten zin. Immers, reeds lang voor 1870 werd deze waarheid zeer algemeen in de Katholieke Kerk aangenomen en mijzelven heeft men ze als eene vaststaande, hoewel juist niet plechtig verklaarde leer voorgedragen, toen ik vóór 1870 mijne theologie studeerde; de voornaamste godgeleerden der vroegere tijden o.a. de kardinaal Bellar-minus leeren ze, en ze is op den keper beschouwd slechts
148
eene consequente gevolgtrekking en verdere ontwikkeling van die leerpunten, welke de verklaring van Honnisdas en de boven vermelde algemeene Kerkvergaderingen van het Lateraan, van Lyon en Florence bereids vastgesteld hadden. De Vaticaansche verklaring, dat de Paus als opperste leeraar der Kerk in zijne definitieve beslissingen onfeilbaar is, is bijgevolg geen afbraak, maar consequente uitbouwing of de plechtige en formeele verklaring van een vroeger reeds algemeen aangenomen geloofspunt.
Aan omverwerping maken zich daarentegen de oud-katho-lieken schuldig; want vroeger geloofden zij zelf, dat de verklaringen van algemeene kerkvergaderingen onfeilbaar waren. Nu echter, nu het Vaticaansch Concilie met eene in 't oog loopende eenstemmingheid verklaard heeft, dat de Paus onfeilbaar is, laten zij deze verklaring niet als onfeilbaar gelden.
Aan omverwerping maakte zich ook Luther schuldig, toen hij van de zeven algemeen aangenomen sacramenten er 5 schrapte; eene ontwikkeling daarentegen was het, zooals ik zeide, toen men de afzonderlijke sacramenten, voor welke tot in de alleroudste tijden getuigenissen voorhanden zijn, bij eene systematische behandeling der theologie tot een zevental saamstelde.
Dat gij Protestanten behalve de pauselijke onfeilbaarheid nog heel wat meer in de leer der Katholieke Kerk voor menschelijke inzetting en verdraaiing van het oorspronkelijke zuivere Christendom houdt, weet ik zeer wel. Maar hierin juist dwaalt gij. De Katholieke Kerk verklaart niets voor Christus' leer, wat het niet werkelijk is. Zij heeft van zijne leer niets afgenomen noch iets er aan toegevoegd. Slechts het bestaande heeft zij vastgesteld en verder ontwikkeld. Zoo gij het tegendeel beweert, wacht ik bedaard het bewijs af.
Inmiddels herhaal ik: Gij zelf hebt mij toegegeven, dat eene der thans bestaande groote kerkgenootschappen het zuivere onvervalschte Christendom moet bezitten, wijl anders de beloften van Christus ons hadden bedrogen. Ik gaf aan dezen zin met logische consequentie eene meer algemeene
149
beteekenis door te beweren dat len allen tijde eene groote christelijke gemeenschap het volle Christendnm moet hebben bezeten, wijl anders vóór dien bepaalden tijd dc beloften van Christus ijdel zouden geweest zijn. Ik toonde u aan, dat vóór Luther algemeen bijv. 7 Sacramenten, dat vóór de afscheuring der Russen en Grieken algemeen het primaat des pausen geloofd werd. De tegenwerping, die gij aan het Vaticaansche onfeilbaarheidsdogma ontleendet, mag ik wel voor weerlegd houden. Ik trek dus het besluit, dat van alle groote kerkgenootschappen de Katholieke Kerk alleen zich als diegene vertoont, welke door geenerlei omverwerping met het verleden in tegenspraak is gekomen, welke bijgevolg het echte Christendom bezitten moet. Bezat ook zij het niet, dan zouden we aan de Messiaansche roeping van Jesus Christus moeten wanhopen dan zouden we niet meer kunnen gewaar worden wat zuivere christelijke leer is en wat niet; we zouden dan eenen anderen Messias moeien verwachten, die beter dan tie eerste in staat ware zijne leer en zijne kerk tegen dwaling te vrijwaren.
Doch God lof! zoo staan de zaken niet! Reeds ('.lemens lan Alexandric (f 217) verklaarde; ,De ééne, oude, katholieke Kerk is de waarachtig oorspronkelijke, uit welke de sekten door nieuwigheden zijn uitgegaan, die als carica-turenzich vertoonen.quot;' ') En met de woorden van den H. Augus-tinus roep ik u, roep ik allen Protestanten toe : âKeert weer tot ons, want de voorouders, van wie gij geboren zijt, hadden niet het geloof, dat gij thans leert; gij zijt uitgegaan uit eene kerk, die het tegendeel leert van wat gij thans leert.quot; -j
Ga intusschen voort innig te bidden om verlichting en bid voor
Uwen in trouwe toegenegen vriend: Pater v. H.
1) demons Alex. Strom. VII p. 7üV. (Hij Hettinger, Apologie, 5e uitgHvc, l\ blz. 424.) (Migne gr. t. I.\. p. 5GI A en B.)
2) Augustiri. Op. linperf. IV. 10 (hij Hettinger, Apologie IV, blz. 422.)
'5°
3. Autoriteitsprinciep of vrij onderzoek?
(i. Brief van Edüar.)
Mijne tegenwerping met betrekking tot de oud-katholieken hebt gij weerlegd. Het is inderdaad iets anders strijdvragen te beslechten, iets anders vroeger vastgestelde geloofspunten omver te werpen. Het Vaticaansch Concilie heeft het eerste gedaan; de oud-katholieken, en eveneens vroeger Luther, het laatste. Bijgevolg kan de leer van Luther niet als het echte Christendom gelden, als âhet loutere woord Godsquot;, zooals hij zelf ze belieft te noemen. Want met het werkelijke woord Gods konde en kan de geheele Kerk vangeene enkele eeuw in tegenspraak komen, van dat woord kon zij niet zoo verre zijn afgeweken als Luther dit aan de eeuwen verwijt, die zijn optreden voorafgingen.
Indien ik u nu onder de bestaande groote kerkgenootschappen eene bepaalde moest aantoonen als diegene, welke het zuivere Christendom onverminkt bewaard had, zou ik niet weinig in verlegenheid verkeeren. Allen hebben, zooals mij schijnt, gedwaald, de Protestantsche voornamelijk door een le wehiig, uwe Katholieke Kerk door een Ic veel.
En toch kan ik ook dit wederom niet aannemen zonder het geheele Christendom, in 't bijzonder de Messiaansche roeping van Jesus Christus en zijne beloften prijs te geven, üf zoude Jesus Christus, als Hij de Zoon Gods was, niet gezorgd hebben, dat zijne leer zich vol en onvervalscht van geslacht tot geslacht voorplantte? Wilde Hij niet een '-ijk der waarheid stichten? En 'kan ik wel het geheele complex van alle zich christelijk noemende kerkgenootschappen als dit rijk der waarheid aanzien, ofschoon er wel geene enkele christelijke leer is, die niet door een of andere sekte wordt geloochend ?
Neen dit mengelmoes, in zijn geheel beschouwd, vertoont veeleer het beeld van Babyion, de stad der verwarring, dan van Jerusalem, de stad des vredes. Wanneer de belofte van Christus om tot aan het einde der wereld bij ons te blijven niets méér beteekent, dan dat de gezamenlijke brok-
151
stukken zijner leer steeds bij een of ander kerkgenootschap zouden voorhanden zijn, en wel zoo dat ze bij alle zonder onderscheid met dwalingen vermengd waren : dan zou mij Christus met zijne belofte van de waarheid niet meer baten, dan met een wissel op eenen onbekenden, niet te ontdekken schuldenaar.
Eerw. Pater, om streng logisch te zijn moest mij ik gewonnen geven; want dat ééne geloofsgemeenschap de gan-sche, .onverduisterde waarheid bezit, moet ik als Christen vasthouden; dat noch het Lutheranisme, noch de Engelsche Staatskerk, noch eene van de vele niet katholieke sekten zoo gelukkig is deze ééne te wezen, dat zegt mij mijn gezond verstand. Indien echter een van de drie zonen (om op Lessings parabel terug te komen), indien een van de drie zonen zeker den echten ring bezit, indien het even zeker is 'dat de twee jongere zonen hem niet hebben, dan bezit hem de oudste zoon volgens alle regelen der logica en der wiskunde.
En toch! â Neem het mij niet kwalijk; ik ben van kindsbeen af zoozeer gewoon in de Katholieke Kerk zulke eenc opeenhooping van menschelijke, deels bijgeloovige en onchristelijke inzettingen te zien, dat het mij onmogelijk schijnt deze als het door Christus gestichte rijk der waarheid te erkennen. Ik ben dus genoodzaakt, u stuk voor stuk deze katholieke inzettingen voor te leggen, om te zien hoe gij deze met de leer van Jesus en met het Christendom der eerste tijden in harmonie brengt.
Ik begin met datgene, wat ik voor het meest in 't oog loopend onderscheid tusschen Protestantisme en Catholicisme houd, te weten : het vrije onderzoek van het Protestantisme eenerzijds en het autoriteitsprinciep der Katholieken anderzijds. Ik verzoek u dus, mij te bewijzen, dat Christus een leergezag heeft ingesteld, waaraan zich iedere geloovige in geloofspunten moet onderwerpen; dat Hij bijgevolg die gehoorzaamheid des verstands, die onderwerping van hét eigen oordcel aan de beslissing van armzalige, zwakke men-schen verlangt, eene onderwerping, die wij Protestanten aanzien aki iets onwaardigs, iets onredelijks.
Antwoord des Patkks.)
Aan -uwen wensch voldoe ik door de volgende plaatsen der H. Schrift aan te halen:
i. Toen Jesus de 72 leerlingen ter prediking uitzond, sprak Hij tot hen: âWie u hoort, hoort Mij: en wie u versmaadt, versmaadt Mij; wie echter Mij versmaadt, versmaadt Dengene die Mij gezonden heeft.quot; ' )
Hebt gij hier niet met duidelijke woorden het autoriteits-princiep der Katholieke Kerk? Immers ik veronderstel, dat ge toch niet met Christus en met God zelf zult willen disputeeren als Hij u onderricht! Gij zult toch wel uw oordeel onderwerpen als God u zegt, dat er in de Godheid drie personen zijn en dat Hij in de Kerk zeven Sacramenten heeft ingesteld ? In deze onderwerping van uw verstand aan het Woord Gods zult ge toch wel niets onwaardigs vinden?
Welnu, Christus zegt in bovenstaande woorden dat gij het woord zijner gezanten evengoed moet aannemen als zijn eigen woord; dus verlangt Hij eene zelfde onderwerping aan de leer zijner gezanten als aan zijne eigene leer, m. a. w.: Hij stelt voor zijne Kerk het katholieke autoriteits-princiep vast.
(2.
Kn wat is hier dan onredelijks of onwaardigs in gelegen? Onwaardig cn onredelijk ware het slechts dan, wanneer ik door dit princiep genoodzaakt zou zijn, om bij voorkomende gelegenheid eene onwaarheid te gelooven. Wijl ik echter weet, dat Christus mij tot niets onredelijks verplicht, zoo trek ik juist uit het leit, dat Hij voor zijne gezanten geloof vordert, het besluit, dat Hij hen met onfeilbaarheid, tenminste bij hunne definitieve beslissingen, moet hebben uitgerust. Dit mag in mindere mate gelden van de 72 leerlingen, wijl in hunnen tijd Christus zelf nog zichtbaar op aarde wandelde en men zich in laatste instantie met twijfelingen in geloofszaken tot Hem konde wenden. Het geldt echter te meer
X) Luc. X. 1b,
â¢53
van het hoogste kerkelijk leeraarsambt na het heengaan van Jesus, van de hoogste kerkelijke overheid, op welke de Heiland de volheid van zijn herders- en leeraarsambt moest overdragen, om zijne kudde niet zonder herder te laten.
Autoriteits princiep in geloofszaken en onfeilbaarheid van het opperste gezag zijn dus zoo te zeggen niet van elkander te scheiden, en zoo heb ik u dan tevens een der meest voor de hand liggende bewijzen geleverd voor de onfeilbaarheid der algemeene kerkvergaderingen en des Pausen.
Maar wanneer nu toch eens een concilie mij iets te ge-looven voorstelde wat met de wetenschap in strijd is, wat dan ?
Deze vraag is even slim of even dom als de vraag, wat zou er volgen, als tweemaal twee vijf ware ? Er zou eenvoudig, zoowel in het eene als in het andere geval, uit de eene ongeruimdheid eene andere volgen. Wanneer tweemaal twee vijf ware, dan zou tweemaal vier tien zijn; en wanneer een concilie eene valsche beslissing gaf, dan zou Christus ons bevolen hebben eene dwaling te gelooven. Het eene nu is even ongerijmd als het andere, en met recht kan ik de redeneering omkeeren als volgt: Wijl tweemaal vier geen tien is, is ook tweemaal twee geen vijf; en wijl Christus van ons niet kan vorderen eene dwaling te gelooven, kan het hoogste, door Hem ingestelde leergezag, waaraan wij ons moeten onderwerpen als aan Hem zeiven, geenc dwaling als geloofspunt voorschrijven.
2. Deze plaats van de zending der 72 leerlingen bericht ons de instelling van een mensclielijk leergezag voor den tijd toen Christus nog zichtbaar op aarde wandelde. Veel noodzakelijker was zulk een gezag voor den lijd na zijn terugkeer in den hemel. Voor dien tijd moest de thans onzichtbare opperste Leeraar zich door zichtbare menschelijke leeraars voor het zichtbaar uit te oefenen leeraarsambt laten vervangen, natuurlijk zoo dat hij hen voor verdraaiing zijner leer behoedt.
Dat Christus zulk eene plaatsvervanging heeft ingesteld, zouden wij moeten aannemen, ook al sprak (ie H. Schrift er niet uitdrukkelijk van. Gelukkig heeft ons echter de H.
i 54
Mattheüs verhaald hoe dit geschiedde. Hij bericht namelijk, hoe Christus na zijne verrijzenis de elf Apostelen op eenen berg in Galilea had ontboden, hun daar verscheen en sprak: âMij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde. Gaat dus, en onderwijst alle volken en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes, en leert hen onderhouden alles wat Jk u geboden heb. En ziet. Ik ben met u al de dagen tot aan het einde der wereld.quot; ')
Zegt Christus hier tot zijne Apostelen; âleert alle volken,quot; dan ligt hierin voor alle volken het bevel opgesloten: âgelooft de Apostelen.quot; Laat Christus deze zending voorafgaan door de woorden: âMij is alle macht gegeven in den hemel en op aarde,quot; dan beduidt dit: âIk heb macht genoeg, om u, mijne gezanten, tegen verbreiding van dwaalleer te beschermen.quot; Voegt Jesus eraan toe: âIk ben met u al de dagen, tot aan het einde der wereld,quot; dan drukt Hij hierin zijn voornemen uit, deze bescherming steeds ook metterdaad te verleenen. Belooft Hij eindelijk deze bescherming .,tot aan het einde der wereldquot; en niet enkel âtot aan den dood der elf apostelen,quot; dan is het duidelijk dat Hij deze bescherming niet beperkt tot deze elf apostelen, maar dat Hij hierbij veeleer alle rechtmatige opvolgers der Apostelen, ten minste in hunne vereeniging beschouwd, op het oog heeft. Dit leeraarsambt van Christus en zijne Kerk moest toch waarlijk niet met den dood dier elf mannen zijn einde bereiken.
3. Van dubbel belang is eene andere plaats, waar de H. Schrift andermaal getuigenis aflegt van het hiërarchische autoriteits-princiep der Katholieke Kerk en die ons tevens door een geval uit het praktische leven doet zien, hoe de Kerk der eerste tijden, hoe de Apostelen zeiven geheel volgens dit katholiek beginsel en niet in den geest van het protes-tantsche vrije onderzoek handelden.
In de kerk van Antiochië was verschil van meening ontstaan omtrent de vraag, of de Mozaïsche wet door Christus was afgeschaft of nog verder door de Christenen moest
1) Muttli. XXVlIl, 18âliU,
155
worden onderhouden. Dit was toen nog eene onbesliste vaaag, zooals er nog ten huldigen dage zich voordoen en die in de Katholieke Kerk door eene kerkvergadering of door den heiligen Stoel worden beslist; want wij Katholieken zijn overtuigd, dat door zulk eene beslissing de zaak uitgemaakt is; wij vertrouwen op de beloften van Christus en gelooven dat Hij nooit zal toelaten, dat de door Hem aangestelde opperste leeraar der Kerk dwale; immers dwaalde hij, dan zou hij de geheele Kerk met zich in de dwaling meesleepen. Gij Protestanten laat bij zulke strijdvragen alles aan het vrije onderzoek, aan ieders persoonlijke meening over. Want indien bijv. de âOberkirchenrathquot; van Berlijn verklaarde, dat Christus in het Avondmaal tegenwoordig was, zou deze verklaring bij u (mits gij dit buitendien niet reeds geloofdet) slechts den lachlust opwekken, maar geene geloovige onderwerping vinden.
Nu zullen wij zien, hoe de eerste Christenen en de Apostelen bij zulke strijdvragen te werk gingen, of zij als katholieken of als protestanten dachten en handelen.
In Antiochië moest dan de vraag worden beslist, of en in hoeverre de verplichting der Mozaïsche wet had opgehouden of niet. En hoe loste men deze vraag op ? âMen besloot dat Paulus en Barnabas en eenige anderen uit de overigen over dit geschil tot de Apostelen en priesters in Jerusalem zouden opgaan.quot;
Toen dezen te Jerusalem waren aangekomen, vergaderden de Apostelen en de priesters om deze zaak te onderzoeken. Nadat er nu vele gemeenschappelijke navorsching geschied was, stond Petrus op en sprak tegen de verdere verplichting der Mozaïsche wet. Nadat ook Paulus en Barnabas het woord gevoerd hadden, besloot men ten laatste aan de gemeente van Antiochië een schrijven te zenden van den volgenden inhoud:
âDe apostelen en de priesters, broeders, aan de broeders uit de heidenen te Antiochië en in Azië en Cilicië heil!
âDaar wij vernomen hebben, dat eenigen, van ons uitgegaan zijnde, wicn wij geen lad hadden gcycven, u door woorden verontrust en uwe zielen in verwarring gebracht
IS6
hebben, zoo hebben wij, te zamen vergaderd zijnde, goedgevonden, mannen uit te kiezen en tot u te zenden met onze zeer geliefde Barnabas en Paulus, menschen, die hun leven hebben opgeofferd voor den naam onzes Heeren Jesus Christus. ij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook zeiven mondeling u hetzelfde zullen berichten.
âWan! hrt heeft goedyedacht den Heiligen Geen/ en ons, u geen meerderen last op te leggen dan dit noodzakelijke : dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is en van bloed en van het verstikte en van hoererij. U hiervoor wachtend, zult gij wel doen. Vaartwel!quot; ')
Bij dit bericht uit de Handelingen der Apostelen behoef ik geen verderen commentaar te voegen. Het toont ons zonneklaar het katholieke autoriteits princiep in tegenstelling met het âvrijequot; onderzoek, waarmee de Protestant zich helpt. âHet heeft goedgedacht den H. Geest en ons.quot; Zoo beslisten de âapostelen en de priestersquot;; zoo beslissen bij ons Katholieken ook nu nog de kerkvergaderingen. Maar welk eene verbazing zou het wekken, als bijv. een protestantsche âOberkirchenrathquot; te Berlijn, Dresden, Darmstadt of Det-mold het in 't hoofd kreeg, plechtig een geloofsartikel te beslissen met de woorden: âHet heeft goedgedacht den H. Gees en ons!quot;
De aangehaalde plaats spreekt zoo luid en krachtig ten gunste van hel katholieke en tegen het protestantsche beginsel, dat een protestansch geleerde meende, door tekst-critiek de echtheid ervan te moeten bestrijden. In mijn geschrift âKirche und Staatquot; had ik er op eene zelfde wijze als hier gebruik van gemaakt. Tegen dezen tekst op te komen, was voor mijn bestrijder, den heer Ohcrcuusislurialrcdh Külder te Darmstadt, eene onafwijsbare plicht, wijl hij in zijne zakelijke bespreking van mijn boek ten opzichte van mijne ultramontaansche beweringen had toegegeven: âVoor hem, wien het uitgangspunt, het katholieke autoriteits-prin-ciep vaststaat, volgt alles consequent van zelf.quot; 1) Het
1
Leipziir, 23 l- ebr. 1884. Sp. l-M»,
157
kwam er dus op aan, den noodlottigen tekst, en met dezen liet katholiek beginsel, als niet gestaafd door de H. Schrift op zij te stellen.
âHet zoogen. Apostelconciliequot;, schrijft dan Kohier in de recensie van mijn boek, âhad, (Hand. XV, 23) naar Antio-chië geschreven: âDe apostelen en de priesters, broedersquot; enz. d. i. de bisschoppen en de priesters. Het citaat is volgens de Vulgata; maar in den grondtekst staat: hoi apostoloi kai hoi presbyteroi kai hoi adelphoi, de apostelen en de priesters en de gemeente geven het bescheid.quot; ')
De waarheid is, dat de heer Kohier den zoogen. 'Textus reccptus met den werkelijken grondtekst verwisselt, zooals ik hem toentertijd bewees. -) De vijf oudste en beste handschriften (de Codices Vaticanus, Sinaiticus, Alexandri-nus, Ephraemi, Syri rescriptus en Bezae Cantabrigiensis) kennen namelijk het woordje âen,quot; waar het hier op aankomt, in 't geheel niet en de voornaamste protestantsche exegeten (o.a. Tischendorf, Lachmann, Bornemann, Buttmann enz.) trekken eveneens partij voor den tekst der Vulgata tegen den Textus recept us, dien â in 't voorbijgaan bemerkt Hase, een der eerste protestantsche polemisten voor âniets dan eene toevallige, grootendeels door een geleerden boekdrukker in 't leven geroepen copie vol dwalingenquot; verklaart.
Het blijft er dus bij: De beslissing van het Apostel-Concilie gaat uit van âde apostelen en de priesters, broedersquot;, ais de hiërarchische overheden in katholieken zin; maar niet tevens van de leeken; want de lezing van den heer Kohier: ;,De apostelen en de priesters en de broedersquot; is valsch. Maar aangenomen zelfs, dat behalve de apostelen en de priesters ook nog andere âbroedersquot; d. i. de geheele gemeente van Jerusalem die verklaring hadden onderteekend, wat zou dan daaruit volgen? Klaarblijkelijk, dat de geheele gemeente (met inbegrip der leeken) als leerend gezag ware
1) Theol. IJtcralurzeitung I. a. p. Sp. 4.gt;7. *2) Theol. ZehschriU. Innsbriirk, 1 Juli iss'i. lil/, r.2'1â
15«
opgetreden â wel eene vreemde gevolgtrekking, die alleen reeds de onechtheid van het woordje âchquot; bewijst. Geenszins echter zou het protestantsch beginsel van het vrije onderzoek eruit kunnen worden afgeleid. Immers de Protestanten, bijv. van Breslau of Hannover, zouden zich al even weing tot geloovige onderwerping aangespoord voelen, wanneer de geheele Berlijnsche gemeente (âOberkirchenrath,quot; predikanten en leeken) hun schreef: âhet heeft goedgedacht den H. (leest en onsquot;, als wanneer de âOberkirchenrathquot; alleen zulk een decreet uitvaardigde.
4. Het hiërarchisch autoriteits-princiep der Katholieke Kerk is dus geene uitvinding van lateren datum, maar niets dan de zuivere leer van Jesus Christus, zooals deze in de H. Schrift vervat is en door de Kerk der eerste tijden werd toegepast. Uw protestansch âvrijquot; onderzoek daarentegen is een terugkeer tot het heidendom, eene afwerping van het zachte juk dat Christus zijnen geloovigen heeft opgelegd, geheel erop ingericht om de volslagenste anarchie en oplossing en verbrokkeling des Christendoms te weeg te brengen en het leergebouw van Jesus Christus van het aanschijn dei aarde en uit de harten der menschen te doen verdwijnen.
Het âvrijequot; onderzoek gold ook reeds als beginsel bij de oude Grieken en Romeinen; door de toepassing ervan werden echter de menschen âgelijk schapen die geenen herder hebben.quot; Op het vrije onderzoek plachten zich steeds de dwaalleeraars te beroepen, zooals reeds de H. Aucjushnun schrijft :
âWel verklaren alle ketters,quot; zoo zegt hij, âdat zij hunne leer van Christus en de Apostelen ontvangen hebben, en lasteren de Katholieke Kerk, wijl deze allen die tot haar komen gebiedt te gelooven; dat zij echter geen juk des geloofs op-
le^o-en maar de bron der leer ontsluiten. Dit beloven zij,
1*1
maar zonder hunne belofte te kunnen vervullen, en leiden op deze wijze door de leus: inzicht des verstands, de menigte om den tuin.quot; 'â¢')
1) Matth. IX. 30. -2) Aug. Do utilitato credendi IX. 25.
159
Gezag of anarchie, Catholicisme of vrij onderzoek, en als gevolg hiervan oplossing en verdwijning van het Christendom met al wat hiermee samenhangt, ziedaar dus de twee polen, waartusschen gij hebt te kiezen.
(3. Uit volgenden brief van Edgar.)
Uw laatste brief, Eerw. Pater, noopt mij onverbiddelijk het autoriteits-princiep der Katholieke Kerk te erkennen als redelijk, ja als overeenkomstig met de H. Schrift. Gij noopt mij, consequent alles te gelooven, wat dc Katholieke Kerk te gelooven voorschrijft. Zoo ontwaar ik in mij twee tegenstrijdige stroomingen: van den eenen kant zie ik in: het moet zoo zijn, ik moet mij aan de door Christus gestichte Kerk in geloofszaken onderwerpen. Van den anderen kant zie ik echter wederom een stapel van tegenwerpingen, die mij toeroepen : het kan zoo niet zijn, er zijn te veel dwalingen en menschelijke inzettingen in de Katholieke Kerk, dan dat ik in hare leer de zuivere leer van fesus Christus zou kunnen erkennen. Help mij uit dit labyrinth, uit deze, zooals mij schijnt, onoplosbare moeielijkheden !
(4. Uit het antwoord des Paters.)
Van ganscher harte ben ik bereid, aan uw verlangen te voldoen en al uwe tegenwerpingen tegen het katholiek geloof op te lossen. Ik zeg: alle, alle, zonder eene enkele uitzondering. Ik zal u toonen, ofwel dat de Katholieke Kerk in in 't geheel niet leert wat gij voor katholieke leer houdt, ofwel dat hetgeen inderdaad katholieke leer is, noch met het gezond verstand noch met de H. Schrift in tegenspraak is. Slechts zult gij zoo goed moeten zijn, mij uwe moeielijkheden afzonderlijk voor te leggen; want de eene Protestant heeft dit, de andere weer iets anders op de Katholieke Kerk af te dingen. De een ergert zich aan Tetzel en zijn aflaatbus, dc andere aan den Bartholomeüsnacht en de inquisitie, wederom een ander aan de vereering der heiligen enz. Ik moet dus eerst weten, wat juist u moeielijkheid veroor.
i6o
zaakt. Voorshands wil ik u indirect en in het algemeen uit eigen ervaring toonen, dat die vele zoogenaamde dwalingen van het Catholicisme niet zooveel om 't lijf hebben, als zijne bestrijders gelieven te beweren.
Vóór eenige jaren had ik in mijne âErinnerungm vines alten Lutheranersquot; den ontwikkelingsgang uiteengezet, die mij met logische noodzakelijkheid van het Protestantisme lot het Catholicisme had gevoerd. Ik had in dit geschrift behalve het bovenstaande bewijs een aanzienlijk aantal andere bewijzen opgezet om te toonen, dat het Protestantisme onhoudbaar, het Catholicisme daarentegen het echte oorspronkelijke Christendom is. Die bewijzen waren ontleend aan de eenheid des geloofs in de Kath. Kerk, aan de voortdurende wonderen, het martelaarschap, het levendiger kerkelijk leven enz.
Vijf protetantsche tijdschriften van beteekenis traden in eene bespreking van mijn boek. Ceene van deze waagde zicli echter aan eene ernstige weerlegging der hoofdpunten. Alle bepaalden er zich bij, afzonderlijke bijzaken aan te vallen, of zelfs bij persoonlijkheden. In de âSlimmen a us Maria laadquot; had ik eenen dezer bestrijders, den heer D. run Ocrlzcn, hoofdredacteur van de âAlhjeineinu conservatieve Monatschriflquot;, zeven hoofdpunten voorgelegd ter weerlegging. De heer v. Oertzen antwoordde andermaal, zonder zich met die hoofdpunten in te laten. Middelerwijl gaf ik eene tweede uitgave mijner âErinnerungenquot; in het licht en voegde alle vijf protestantsche recensies van mijn boek, alsmede de tweede bespreking ervan door den heer v. Oerzen in iiaar geheel en letterlijk eraan toe, 0111 te toonen, hoe weinig deze recensenten aan de hoofdpunten hadden kunnen tornen. Slechts de heer v Oertzen antwoordde nog tweemaal, doch ook nu weder zonder de hoofdpunten aan te roeren, terwijl hij zich veelmeer aan eene geheel speciëele, door hem zelf uitgelokte twistvraag op geheel eigenaardige wijze onttrok. Ik trad nogmaal tegen hem in het krijt in de âSlimmenquot; en publiceerde deze zijne handelwijze; toen deed hij er het zwijgen toe. ')
1) Slimmen aus Maria Laacli. Bami 27, hl/.. '530,
i6i
Nu vraag ik u: Indien het Catholicisme zoo vol tegenstrijdigheden, zoo vol bijgeloovige dwalingen ware als gij Protestanten het veelal voor eene uitgemaakte zaak houdt, waarom heeft dan niet één protestantsch theoloog ook slechts eene enkele dergelijke dwaling aangetoond? Tijd en moeite, papier en inkt hebben ze niet gespaard, dit bewijzen u de uitvoerige besprekingen van mijn boek; maar het bewijs voor ééne enkele dwaling in de, als vrij van dwaling door mij verdedigde katholieke leer hebben zij niet, hoegenaamd niet geleverd. Een dier protestantsche recensenten getuigt zelfs met het oog op mijne âErinnerungenquot; het volgende: âWa'nneer men deze levensontwikkeiing oplettend volgt, komt men tot eenen hartgrondigen twijfel aan de juistheid der resultaten eener zuivere logische gevolgtrekking. Vergelijkt men het leerstelsel der Luthersche kerk met dat der Katholieke, dan is de consequentie bijna immer op de zijde der laatste.quot;
Merkwaardige bekentenis! Derhalve, wanneer er tegenspraak bestaat tusschen het logisch denken (d. i. het gezond verstand) en het Lutheranisme, wanneer het gezond verstand ten gunste van het Catholicisme spreekt, dan moet men eerder de zuiver logische consequentie in twfjfel trekken dan het Lutheranisme! dan moet men liever het gezond verstand opofferen dan zich aansluiten bij het Catholicisme !
Ziedaar, waarde vriend, een treffend voorbeeld, met welk eene macht het vooroordeel de Protestanten somwijlen aan hunne protestantsche levensopvatting vastketent. Liever willen ze het gezond verstand ten offer brengen, dan het Catholicisme recht laten wedervaren.
Neen, open uwen blik! Beschouw zonder vooroordeel de Katholieke Kerk tot in haar diepste wezen ! Indien gij iets onchristelijks, indien gij eene enkele tegenstrijdigheid in hare leer vindt, dan veroordeel het Catholicisme en daarmee ook consequent het geheele Christendom; dat is uw recht. Hoed u echter, over de Katholieke Kerk den staf te breken en in haar volgens de traditioneele protestantsche
11
opvatting dat middeleeuwsche spook vol bijgeloof te zien, vóórdat gij haar grondig hebt getoetst.
In afwachting van verdere moeielijkheden, blijf ik als steeds
Uw trouwe vriend. Pater v. H.
4. Bijbel. Traditie en Leeraarsambt.
(i. Brief van Edgar.)
Eerwaarde Pater. Uw laatste schrijven heeft mij overvloedig stof tot nadenken gegeven. Ik wil u dadelijk blootleggen, welke werking dit, in verband met uwe vroegere brieven, in mijne ziel heeft teweeggebracht. Ik dacht bij mijzelven: Ingeval de Katholieke Kerk vrij is en steeds vrij geweest is van dwaling in wezenlijke punten, dan hebben de Reformatoren ongelijk gehad zich van haar af te scheiden, dan moet ik deze afschei-ding veroordeelen, en wel metterdaad, door terug te keeren tot de oude Kerk.
De beslissende vraag voor mij is dus deze: verplicht de Katholieke Kerk hare leden tot het aannemen van eenige dwaling? â Ten einde mij omtrent dit punt klaarheid te verschaffen, zal ik voortgaan u een voor een mijn bezwaren voor te stellen en zien hoe gij die oplost. \ oor dezen keer het volgende: De Katholieke Kerk heeft de overleveringen de leer der Kerk gesteld boven of althans naast het woord Gods. Dit is verkeerd en daarin ligt eene afwijking van het zuivere Christendom. Hoe luidt hierop uw antwoord?
(2. Antwoord des Paters.)
Veroorloof mij, dat ik u uiteenzet, in welke verhouding volgens de katholieke leer deze drie dingen staan tot elkan-
163
der: Schrift, Traditie en kerkelijk Leeraarsambt. Is dit geschied, dan zal zich uwe moeielijkheid van zelf oplossen.
Schrift en Traditie vormen volgens de katholieke leer dat wat wij als yeluofshron beteekenen; want uit haar putten wij ons geloof. Het kerkelijk Leeraarsambt daarentegen is de yeloofsregel (regula fidei) die ons leidt, opdat wij juist pulten, opdat wij niet iets voor leer der Schrift of der Traditie houden, wat het in waarheid niet is.
1. Op de eerste plaats zullen wij de geloofsbron in 't oog vatten, dus Schrift en Traditie.
Tot de II. Schrift behooren de u bekende boeken van het Oude en Nieuwe Testament. Tot de Traditie of Overlevering alle overige historische documenten, uit welke wij de leer van Jesus, in 't algjemeen den inhond der goddelijke openbaring kunnen achterhalen. Uus op de eerste plaats de schriften der kerkvaders, de kerkelijke gebruiken (bijv. het doopen van pasgeboren kinderen), de voorstellingen der catacomben, kortom alles wat ons de goddelijke openbaring doet kennen.
Deze verduidelijking der begrippen vooropgezet, verklaar ik u, dat de H. Schrift bij ons Katholieken veel hooger aangeschreven staat dan bijv. de schriften van Barnabas, Polycarpus, Ignatius of andere kerkvaders; want de H. Schrift is het woord Gods, de schriften der kerkvaders zijn het niet, ofschoon zij hier en daar, waar het te pas komt, het woord Gods, d. i. leeringen des Heilandsbevatten. Daarom verbiedt de Kerk ten strengste de H. Schrift tot profane doeleinden te misbruiken. Ter stichting der geloovigen daarentegen maakt zij er rijkelijk gebruik van. Het brevier, dat priesters en ordensgeestelijken dagelijks moeten bidden, is voor het grootste deel uit stukken der H. Schrift saam-gesteld. Eveneens de liturgie der H. Mis. Het Evangelie vooral bewijst men eene bijzondere vereering: in de plechtige H. Mis bewierookt het de diaken, het geheele volk staat op als het wordt voorgelezen en na de lezing kust de priester het misboek waaruit het gelezen werd.
Ook buiten de godsdienstoefeningen wordt de H. Schrift door ons Katholieken zeer veel gebruikt. Voor den god-
164
geleerde is /.ij de voornaamste bron zijner wetenschap, onder het katholieke volk vindt gij vaak de vertaling van den Bijbel. Dit bewijzen de vele uitgaven in de volkstaal, vooral de Duitsche vertaling van Allioli, die door tal van bisschoppen goedgekeurd, met uitstekende verklaringen voorzien en in de pracht-uitgave met platen is opgeluisterd. Wat den inhoud betreft, zou ik met u durven wedden en de proef nemen, dat, onder overigens gelijke verhoudingen, het katholieke volk er veel beter mee op de hoogte is dan het protestantsche.
Gij moet echter niet meenen, dat deze hoogschatting en verbreiding der H. Schrift bij ons Katholieken eerst door het Protestantisme in het leven zijn geroepen. Neen, wat ik zeide over het gebruik der H. Schrift in de liturgie, is ten minste duizend jaar ouder dan het Protestantisme: en de groote verspreiding in de volkstaal begon terstond na de uitvinding der boekdrukkunst en vóór het optreden van Luther. In Uuitschland alleen bestonden er vóór Luther ten minste 16 uitgaven in Hoogduitsche, 5 in Nederduitsche en 98 in Latijnsche vertaling, üf-er in onze eeuw en onder de Protestanten in een zelfde tijdruimte een gelijk aantal uitgaven verschijnen, zou ik betwijfelen. In het jaar 1493 zeide Sehcisiian Brandt in zijn âNarrenschiffquot;: âAlle Land seynd jetzt voll heil'ger Geschrifitquot;. Hieruit kunt ge (terloops bemerkt) afleiden, wat er aan is van de onder u zoo wijd en zijd verbreide meening, dat Luther den Bijbel van onder de bank zou hebben voor den dag gehaald.quot; Voorzeker verbood de Kerk op bepaalde tijden den Bijbel te lezen in niet goedgekeurde vertalingen; maar dit geschiedde waarlijk niet uit gebrek aan eerbied en liefde, maar integendeel om het noodlottig misbruik tegen te gaan, dat er gemaakt werd van slecht vertaalde of verkeerd begrepen bijbelteksten, zooals o.a. in Engeland door de Puriteinen en in Uuitschland door de Wederdoopers. De H. Schrift zegt toch van zichzelve, voornamelijk van de brieven van den H. Paulus, dat er âveel in voorkomt, wat moeilijk te verstaan is, hetwelk evenals de overige Schriften door onontwikkelde en
I65
lichtzinnige menschen tot hun eigen verderf verkeerd wordt uitgelegd.quot; 'j
Zeer ter zake schrijft de geleerde aartsbisschop van West- V minster, kardinaal Wiseman: âDe Heilige Schrift wordt bij de Protestanten vernederd in het slijk van menschelijke luimen, van hartstocht en dwaasheid. Het heilige, verhevene, ontzagwekkende woord Gods, waarover heiligen in hunne cellen jarenlang vol onuitsprekelijke zaligheid, maar ook vol diep ontzag hebben gepeinsd, dat geleerden, verbleekt door hunne nachtelijke studiën, met hunne commentaren hebben omvlochten, dat de zilveren stemmen der maagden en de zware stemmen der monniken in het stille middernachtelijk uur hebben gezongen, opdat geen aardsche toon hunne diepe beschouwingen mochte storen, - dit werk van den éénen (leest (rods, voorheen besloten in eeuwen, waarin Hij alleen leefde, deze schat van geestelijken honig, uit duizend bloemen gezameld van velerlei zoetheid en geur. deze parel van onvergelijkelijke waarde, die in tallooze vormen het steeds verschillende en steeds gelijke beeld Gods weerspiegelt, in Zijne macht en Zijne goedheid, in Zijnen toorn en Zijne liefde, in Zijne eenheid en Zijne drievuldigheid, in Zijnen hemel en op Zijne aarde, op den Sinat en op Golgotha, â dit verhevenste, grootste, goddelijkste van alle niet sacra-menteele dingen wordt zonder onderscheid en zonder eerbied een ieder in de hand gegeven. De schoolknaap gebruikt het als leesboek, de cipier schenkt het den boef, de dronkaard brengt het naar het pandhuis, de dwaas haalt er zijne citaten uit, de grappenmaker zijne kwinkslagen, de dweper zijne verontschuldigingen voor iedere ondeugd, godslastering en ontheiliging. Want in ieders hand moet het komen, van den Chinees tot den Ojibbewa-Indiaan, van den Laplander tot den Boschjesman, van het kind tot den afge-leefden grijsaard, van den stamelenden landman tot de nuffige oude dame.quot; -)
\) II Pelr. III. Iii. ?) Wiseman, veimisclilc Schriften, Abih 2. (K.Mn Ba-chetn 1808, biz. 6.)
166
Zoudt gij meenen, dat dit oordeel over uw protestantsch bijbelgebruik of liever bijbelmisbruik uit de pen van een Katholiek te hard is, dan voer ik u een geheel gelijkluidend oordeel aan, in uw eigen protestantsch kamp uitgesproken. De âlivangelischc Kirchenzeitunyquot; schrijft: âNiemand zal toch willen beweren, dat de Bijbel voor kinderen geschreven is. Hoe kan de kerk (het blad bedoelt natuurlijk de protes-tantsche kerk) â hoe kan de kerk het verantwoorden, dit heilige, boek zoo te zien vernederd tot het alledaagsche en een gebruik prijsgegeven, waartoe het toch klaarblijkelijk niet is geschreven? . .'. Wanneer de bijbelverspreiding zoo rijken zegen gebracht had, dan moest men er toch iets van bespeuren. . . Het is zeer de vraag in welke tijden er meer christelijke zin heerschte, in de oude tijden toen de Evangelie-boeken en postillen naast den catechismus en het gezangboek dikwijls uitsluitend den geloovigen bekend waren, of thans nu de geheele Bijbel bij hoopen is verspreid. . . De secten komen juist daarvandaan, dat zij iederen geloofsregel in de kerk loochenen en zich met den Bijbel in de hand in alle mogelijke dwalingen verstrikken.quot; ')
Geen Katholiek zou beter in katholieken zin kunnen spreken! Als slechts de âEvang. Kirchenzeitungquot; ons geliefde te zeggen, welke geloofsregel in de kerk dan nog aanspraak heeft op gezag, nadat het Protestantisme juist door verwerping van den met recht bestaanden geloofsregel, het kerkelijk leeraarsambt en de door dit ambt saamgestelde geloofsbelijdenissen zijnen vorm heeft aangenomen.
Doch dit in 't voorbijgaan. Ik hoop u ten minste dit te hebben aangetoond : dat wij Katholieken, wijl wij het gebruik der H. Schrift binnen zeker heilzame grenzen beperken, daarom nog niet de H. Schrift zelve geringschatten, ze veelmeer onvergelijkelijk hooger stellen dan alle schriften de:r kerkvaders, der conciliën of der pausen. Zij toch is het woord Gods.
1) Evang. Kirchenzeitung iwi6 bh. lül vlg; verg. 1805 blz. 1119 \ig. (bij Hettinger, Apologie IV', blz. 494, 495.)
167
Zeer waar is het overigens, dat wij Schrift en Traditie in zooverre op gelijke lijn stellen, als wij de goddelijke openbaring ge-looven en ernaar handelen, waar wij ze ook aantreffen, hetzij in de H. Schrift hetzij in andere boeken. Immers het is zeer goed mogelijk, dat ook buiten de H. Schrift menig leerstuk des Heeren is blijven voortleven. Het evangelie van Joannes deelt ons mede: âEr is nog veel meer, hetgeen Jesus gedaan heeft; indien men dit in bijzonderheden zou willen beschrijven, meen ik, dat de wereld zelve de boeken niet konde bevatten, die er te schrijven waren.quot; ') Waarom ook zou Christus zijnen Apostelen niet menig punt gezegd hebben, bijv. over de kinderdoop, de viering van den Zondag in plaats van den Zaterdag, dat niet door de Evangelisten werd opgeteekend? En waarom zou dit niet hebben kunnen voortleven in het voortdurend gebruik der Kerk en in de schriften van de leerlingen der Apostelen? Waarom eindelijk zouden wij de leeringen en voorschriften van Jesus niet opvolgen, als ze langs dezen anderen weg tot ons zijn gekomen?
Maar hier ligt het punt, waartegen gij uwen aanval zult richten, (lij zegt : Die menschelijke overleveringen zijn niet vertrouwbaar genoeg, daarom verwerpt ze de Protestant.
Ik antwoord: Indien zij niet vertrouwbaar zijn, dan heeft ile Protestant geen voldoenden grond om te gelooven, dat de zoogen. 4 Evangeliën werkelijk van Mattheus, Marcus, Lucas en Joannes komen, en nog minder dat deze en in 't algemeen alle H. Boeken door God geopenbaard, Gods woord zijn. Want zoodra gij de geheele Traditie loochent, wat hebt gij dan nog voor grond deze H. Schriften voor echt, voor Gods woord te houden ? Misschien zegt gij: Mijn grond is deze: wijl de schrijvers dezer boeken tot de twaalf Apostelen behoorden. Maar hoe weet ge dit, tenzij uit de Traditie of uit de H. Schrift, welker echtheid ons juist de Traditie moet waarborgen? Daarenboven is het niet eens juist, dat alle geschriften van het N. Testament door Apos-
l; Ju. XXI, 25; verg. X.\, 30, 31.
i6S
telen geschreven zijn; Marcus en Lucas waren geene Apostelen, maar slechts leerlingen der Apostelen, zoo goed als Barnabas en Polycarpus, wier schriften gij toch niet voor Gods woord houdt.
Misschien wilt gij, om de getuigenis der traditie te kunnen ontberen, door inwendige gronden van ieder boek afzonderlijk vaststellen, of het Gods woord is of niet. Dan zou ik u echter in gemoede willen vragen, of gij uit de inwendige gronden een meer doorslaand bewijs dan uit de historische getuigenissen der door u verworpen Traditie kunt aanvoeren, om te staven dat bijv. de brief van den H. Jacobus, dien Luther eenen âstrooien briefquot; noemde, of dat de brief aan Philemon, die uit zijn aard slechts een aanbe-velingsschrijven is, wel Gods woord is, terwijl de heerlijke brieven van den H. Ignatius het niet zijn.
Of wilt ge misschien onderscheiden tusschen echte en valsche traditie? Goed, ook wij Katholieken nemen slechts de echte overleveringen aan en verwerpen de valsche. Tot de echte en als waar bewezen overleveringen behoort echter niet alleen de traditie omtrent de echtheid der H. Schrift en,het geoorloofde van den kinderdoop, die ook gij aanneemt met ons, maar evenzeer tie traditie omtrent het primaat des Pausen, het Vagevuur, de Biecht, de Mis en andere leerstukken, die gij verwerpt, ofschoon voor deze eene even echte en goede traditie pleit als voor de boeken der H. Schrift.
Wees toch consequent!
Ik voerde eens een gesprek met iemand, die vroeger katholiek geweest en (God weet, om welke reden) doopsgezind geworden was. Ter sprake kwam natuurlijk de kinderdoop, dien de doopsgezinden, als niet in overeenstemming met de H. Schrift, verwerpen. Vol vuur verklaarde mij die persoon: .,lk geloof niets, dan wat in de H. Schrift staat.quot; âZoo? hernam ik droogweg, gelooft u dan, dat het Evangelie van Mattheus Gods woord is?quot; âWel zekerquot; was het antwoord. Nu vroeg ik: âWaar staat het dan in de H. Schrift, dat het Evangelie van Mattheus tot de H. Schrift behoort en Gods woord is?quot; Op deze vraag bleef zij het antwoord schuldig-
169
In mijne âErinnerungenquot; had ik de Traditie en den Bijbel
vergeleken met de eerste en tweede verdieping van een huis__
Wij Katholieken bewonen beide, wijl wij beide voor hecht genoeg houden. De rationalisten verlaten beide, wijl zij geen van beide vertrouwen. Gij echter, de orthodoxe Protestanten, verklaart de onderste verdieping (de Traditie) voor bouwvallig en bewoont daarom uitsluitend de bovenste (den Bijbel) zonder te bedenken, dat, indien de onderste verdieping bezwijkt, de bovenste van zelf ineenstort. Nu ware het zaak geweest, dat de geloovige Protestanten (in geval zij van mijn boekje notitie wilden nemen) hadden aangetoond, dat deze vergelijking niet opging (als dit inderdaad zoo was) en uiteengezet hadden, langs welken weg zij zonder sophisme en zonder beroep op de Traditie zekerheid konden verkrijgen omtrent de echtheid en goddelijke ingeving van de H. Schrift. In plaats hiervan echter vond bijv. de heer professor G. Kawrrau te Maagdenburg het beter, mij met de volgende ironische bemerking aan boord te komen:
âHij vereenzelvigt niet slechts het bestuur van het bisdom Rome, maar tevens de opperleiding der geheele Kerk (sic). Pauselijke legaten bekleeden het voorzitterschap op het concilie te Nicea en zoo meer. Zulke fraaie traditie's roemt hij als de hechte en soliede onderste verdieping van het huis, dat de Christenheid bewoont; op deze steunpilaren rust de bovenste verdieping, de heilige Schrift, en hij kan er zich daarom niet genoeg over verbazen, dat wij Protestanten zoo dwaas zijn de onderste verdieping af te breken.quot; ') Ik verklaar u rondweg: voor mij berust de wetenschappelijke overtuiging van de echtheid en goddelijke inspiratievan de H. Schrift op het bewijs der Traditie, zooals ik u dit vroeger uit de getuigenissen der christelijke oudheid aan de hand van den geleerden Tischendorf heb uiteengezet en nog uitvoeriger zou kunnen uiteenzetten. Ik houd zulk een bewijs voor deugdelijk en laat het daarom evenzeer geiden
1) Theolog. LiLerulurzeitun^ von Hartuck u. Schüre.-. Leipzig, '25 Aug. 1k«:ï no. 17, Sp. 394â396.
17°
ten gunste van het primaat des Pausen, van de H. Mis en andere leerstukken (in de veronderstelling dat het even deugdelijk vroede gevoerd) als voor de echtheid der H. Schrift. Als de heer Kawerau het niet deugdelijk vindt en als hij het versmaadt als eerste verdieping van het wetenschappelijk gebouw, welke andere verdieping wil hij dan als steunpunt aangeven voor zijne overtuiging van de echtheid iler H. Schrift? Of wil hij die overtuiging misschien in de lucht bouwen?
Ik herhaal: wij Katholieken houden den Bijbel als woord (lods ten zeerste in eer; wij maken er voortdurend gebruik van. Dit belet ons echter niet, ook de Overlevering als geloofsbron te beschouwen, vooral bij de beantwoording der vraag naar de echtheid en goddelijke ingeving der H. Schrift.
2. Ik kom nu op den rieloofsreyel te spreken, d. i. op het kerkelijk Leeraarsambt, en op de vraag in welke verhouding dit staat tot de tweevoudige geloofsbron, tot Schrift en Traditie.
Wij Katholieken zijn de meening toegedaan, dat zeer vele Christenen, zooals landlieden, vrouwen en kinderen, niet in staat zijn met den Bijbel alleen klaar te komen. Zij kunnen geen archeologische studiën maken om te weten te komen, welke boeken in werkelijkheid tot den Bijbel behooren. Zij kunnen geen tekst-critiek toepassen, om bijv. te zien of de heer Köhler gelijk heeft, als hij beweert, dat in den oor-spronkelijken tekst der Handelingen het woordje âcnquot; staat, of de Vulgaat, als zij het woordje âenquot; weglaat. ') En al stond het ook vast, welke boeken echt zijn en hoe de juiste 'oorspronkelijke tekst luidt, zoo verstaan toch de meeste menschen noch Hebreeuwsch, noch Grieksch, om den oor-spronkelijken tekst te kunnen lezen; zij zouden zich veeleer op den vertaler moeten verlaten, vertrouwende dat hij hun eene juiste vertaling der H. Schrift leverde. Vóór de uitvinding der boekdrukkunst was het daarenboven niet gemakkelijk een exemplaar der H. Schrift in handen te krijgen. Wij Katho-
1) Zie boven bludz. 157
171
Heken begrijpen het dus zeer goed, wanneer in de H. Schrift ons wordt verhaald, hoe Christus de geloovigen vóór alles wijst op het levende leeraarsambt der Kerk er» dat hij tot de Apostelen spreekt: :,wie u hoort, hoort Mij.quot; Den Apostelen,' en den bisschoppen als hunne opvolgers, komt het dus vóór allen toe, de H. Schrift te doorvorschen, wanneer het te doen is om geloofspunten. De geloovigen hunnerzijds hebben zich te houden aan datgene wat de bisschoppen hun als inhoud der H. Schrift voorleggen. Als de geloovigen zelf de noodige onderzoekingen niet kunnen instellen, dan hebben zij zich niet te richten naar den een of anderen professor of boekdrukker, maar naar het door Christus ingestelde leeraarsambt.
Ziedaar ons katholiek begrip van het Leeraarsambt, en van den geloofsregel en de geloofsbelijdenissen, die dit Leeraarsambt heeft saamgesteld. Ziedaar onze opvatting van de verhouding tusschen Leeraarsambt en geloofsbron (Schrift en Traditie.)
Plaatsen wij hierdoor wellicht dit Leeraarsambt, dus de bisschoppen en den Paus, boven de H. Schrift? Evenmin als de rechter zich plaatst boven den wetgever, wanneer hij de wetten verklaart en volgens haar zijne beslissing geeft. Wij handelen juist zoo als de eerste Christenen te Antio-chië handelden, toen de strijd over de verdere verplichting der Mozaïsche wet uitbrak. Toen kwam het bij de Christenen niet op, de boeken van Mozes open te slaan en zich in archeologische en exegetische studiën over hunne verplichtende kracht te verdiepen; neen, zij wendden zich naar Jerusalem tot Petrus en de overige daar aanwezige Apostelen om te vernemen, wat zij gelooven en hoe zij handelen moesten. De tegenovergestelde handelwijze zou noodzakelijk ten gevolge hebben, dat de eenheid des geloofs te loor ging, dat er zich tallooze secten vormden en dat er ten slotte van het geheele Christendom niet veel bepaalds meer overbleef. â
Deze beteekenis kunnen wij Katholieken slechts daarom aan het kerkelijk Leeraarsambt toekennen, wijl wij het (ten minste in zijne definitieve beslissingen) voor onfeilbaar hou-
172
den. Gij, Protestanten, kunt het niet. Immers hoe kan u eene theologische faculteit of een synode met hare beslissingen als geloofsregel dienen, indien gij de overtuiging met u draagt, dat deze autoriteiten, wijl zij niet door Christus zijn aangesteld, geen aanspraak kunnen maken op onfeilbaarheid, en dus mogelijk gedwaald hebben? Uw leus moet zijn, en is ten deele ook: âDe Bijbel, niets dan de Bijbel, de Bijbel alleen!quot; En wijl ieder den Bijbel op zijne wijze verstaat, juist daarom zijt gij in tallooze secten verdeeld.
Reeds de H. Auyustinus (354â430) schrijft; .,Zoo er ketterijen en uiteenloopende meeningen ontstonden, die de zielen verstrikken en in den afgrond storten, geschiedde dit daardoor alleen, dat de goede H. Schrift niet goed begrepen, en hetgeen men in haar niet goed begreep, nog bovendien boud en stout beweerd werd.quot; ')
Eveneens verklaart de //. Hilariu.i (f 368): âBedenk, dat er geen ketter is, die niet de leugenachtige bewering opstelt, dat hij steunend op de H. Schrift zijne godslasteringen predikt.quot; 1)
Zeer juist zegt TertuUianus ff 240) ; âDe ketters nemen deels eenige boeken in 't geheel niet of niet gansch aan, voegen erbij en nemen eraf, en zoo zij er eenige in hun geheel aannemen, verklaren zij deze volgens hunne opvatting en verdraaien de waarheid. Wat hen weerlegt, erkennen zij niet, zij beroepen zich daarentegen op hetgeen zij valschelijk verzonnen hebben of dubbelzinnig uitleggen. Daarom baren de disputen over de Schrift slechts twijfel, wijl zoowel vóór als tegen iedere dwaling gronden in den Bijbel te vinden zijn; en de toehoorder is nog minder zeker als hij heengaat, dan toen hij kwam.quot; â¢v)
De //. Ircneüs (f 202) verklaart: âDe Kerk is de ingang ten leven, alle overigen echter zijn dieven en roovers; daarom moeten wij deze mijden, vlijllu echter huitdvn ivat- ih; Kerk leert en de overleverinrjen des yeloofs bewaren. Deze is het
1
ad Constant. II, 3) Tertuilian. Praescr. c. 17, 18,
173
richtsnoer des geloofs voor vele onbeschaafde volkeren, die aan Christus gelooven zonder papier en inkt.quot; !)
Wilt gij echter vernemen, hoe een onbevooroordeeld, helder denkend Protestant omtrent deze vraag oordeelt, dan leg ik u de volgende uitspraken van Lessing voor :
â§ i. Het kortbegrip dier geloofsbelijdenissen heette bij de oude vaders regula fidei.quot;
â§ 2. Deze regula ficlei is niet aan de schriften van het N. Testament ontleend.quot;
â§ 3. Deze regula fidei bestond, vóórdat er nog een enkel boek van het N. Testament bestond.quot;
â§ 5, Deze regula fidei was voldoende, niet alleen voor de eerste Christenen in de dagen der Apostelen, maar ook de volgende geslachten der eerste vier eeuwen hebben ze voor volkomen toereikend voor het Christendom gehouden.quot;
â§ 6. Deze regula fidei ts bijgevolg de rots waarop Christus zijne Kerk bouwde, en niet de H. Schrift.quot;
â§ 9. De leeken der eerste Kerk mochten de afzonderlijke stukken van het N. Testament niet eens lezen, ten minste niet zonder verlof des presbyters, die ze bewaarde.quot;
â§ lo. Men rekende het zelfs den leeken der eerste Kerk als geen geringe misdaad aan, als zij aan het geschreven woord eens Apostels meer geloof wilden schenken, dan aan het levende woord huns bisschops.quot;
â§ 12. De christelijke godsdienst is in de eerste vier eeuwen uit de schriften van het N. Testament nooit bewezen, hoogstens slechts terloops verduidelijkt en bevestigd geworden.quot;
,.§ 13. Het bewijs, dat de Apostelen en Evangelisten hunne geschriften vervaardigd hebben met het doel dat men daaruit den christelijken godsdienst geheel en gansch kon afleiden en bewijzen, kan niet worden gevoerd.quot; 2)
Verder :
â§ 4. Niet alleen de geschiedenis van Christus was bekend voordat zij door de Evangelisten werd bekend gemaakt;
1) Iren. e. haercs. III. '1. 2) Lessings Werke, Berlijn 1825. Bd. 8. blz. 22 vlg.
174
maar de geheele godsdienst van Christus was reeds gemeengoed voordat een hunner schreef.quot;
â§ 5. Het Onze Vader werd gebeden voordat het bij Mattheus te lezen was. Want Jesus zelf had het zijne discipelen leeren bidden.quot;
§ 6. Het Doopformulier was in gebruik, voordat dezelfde Mattheus het opteekende. Want Christus had het zelf zijnen Apostelen voorgeschreven.quot;
â§ 9. Indien Christus deze dingen waardig keurde om er mondelings over te beschikken, waarom dan ook niet al het andere dat de Apostelen van Hem prediken en de wereld van Hem gelooven zou ?quot; ')
Tot zoover Lessing. Ik wil wel is waar niet alles onderschrijven wat hij zegt; zoo is bijv. de veronderstelling onjuist, als zou er tegenspraak hebben kunnen bestaan tus-schen het geschreven woord eens Apostels en de uitspraken van het kerkelijk Leeraarsambt; eveneens is de bewering wel te kras, dat in de vier eerste eeuwen de christelijke godsdienst nooit uit het N. Testament bewezen zou zijn. Hiervan echter afgezien, is deze uiteenzetting van Lessing eene volkomen juiste en tevens vernietigende critiek van het pro-testantsche beginsel.
Veroorloof mij ten slotte, den inhoud van mijnen brief in de volgende hoofdpunten saam te vatten:
1. Het is ten eenenmale willekeurig, de leer van Christus enkel uit de H. Schrift, en niet tevens uit de Overlevering te willen putten.
2. Hierin ligt zelfs een tegenspraak; want terwijl men uit de H. Schrift put, put men indirect uit de Overlevering, zonder welke wij niet zouden weten of de Bijbel echt en Gods woord is.
3. Doch zelfs Bijbel en Overlevering te zaam genomen, zijn niet voldoende, om iederen geloovige in 't bijzonder afdoende zekerheid omtrent de leer van Jesus te verschaffen. Het Leeraarsambt der Kerk moet er noodzakelijk bijkomen,
1) Lessings Werke, Bd. 7, blz. 4.
US
om, door den bijstand des H. Geestes geleid, uit Bijbel en Overlevering de juiste leer te putten en ze in naam van Jesus Christus den Christen afzonderlijk te gelooven voor te stellen.
Slechts daardoor, dat men niet enkel Schrift en Traditie erkent, maar zich tevens nederig aan het door Christus ingestelde levende 1 -eeraarsambt onderwerpt, gelooft men alles wat Christus te gelooven voorschrijft : zoo slechts wordt men een geloovig lid van de door Hem gestichte Katholieke Kerk ; zoo slechts wordt het woord des Verlossers waarheid, het woord, dat Hij sprak tot de Apostelen: âGaat heen en onderwijst alle volken . . . leert hen onderhouden alles wat Ik u bevolen heb. En zie. Ik ben met u tot aan het einde der wereld !quot;
5. Concilies en Geloofsbelijdenissen.
(i. Uit den lirif.i-- van Edgar.)
Meer en meer wordt het mij duidelijk, dat het Protestantisme ten onrechte de leus: âDe Bijbel alleenquot; op zijn vaandel geschreven heeft. Het is er zich zelf van bewust en zou gaarne door een of andere slimme wending of onderscheiding de Traditie en het levende leeraarsambt weer tot zijn recht doen komen. Mij dunkt echter, dat het daardoor zijn eigen oorsprong verloochent. Immers, laat ik de Traditie gelden voor de echtheid der H. Schrift, dan heb ik geen reden ze te verwerpen wanneer zij even luid ten gunste van katholieke leerstukken spreekt. En wanneer het Protestantisme ontstaan is door het verzet der persoonlijke meening tegen het toenmaals geldende leeraarsambt des Pausen en der Concilies, dan kan het ook niet verlangen, dat men de Augsburgsche Confessie als bindenden geloofsregel en de protestantsche consistoriaal-raden en superintendenten in
176
plaats van de katholieke bisschoppen als levend gezaghebbend leeraarsambt zal aanzien.
Uit de woorden van Lessing, die gij hebt aangehaald, zag ik, dat de Kerk van 't begin afaan op de geloofsbelijdenissen, als de door het kerkelijk leeraarsambt voorgestelde geloofsregels, het grootste gewicht heeft gelegd. Ik zou U willen verzoeken, mij iets naders over dit leeraarsambt, in 't bijzonder over de wijze waarop de Kerk haar leeraars-ambt uitoefent, te willen meededen.
(a. Antwoord des Paters.)
De Kerk oefent haar leeraarsambt uit zoowel in prediking en onderrichting, als voonamelijk op de algemeene concilies, die ter beslechting van geloofsgeschillen worden saamgeroepen De vrucht van zulk een concilie was zeer dikwijls een geloofsbelijdenis, waarin de vroeger bestreden punten met juistheid geformuleerd werden. Zulk een geloofsbelijdenis vormde dan voor de toekomst een grondwet der Kerk en werd door alle Katholieken in nederige onderwerping geloofd en beleden.
r. Reeds ten tijde der Apostelen, en meer nog na hunnen dood, moest zich de behoefte doen gevoelen zulke geloofsbelijdenissen saam te stellen, om in haar een bondige samenvatting van de voornaamste christelijke waarheden te bezitten. Zoo ontstond de Apostolische geloofsbeljdenis, die u uit het onderricht uwer jeugd nog bekend zal zijn. Zij luidt:
âIk geloof in God den Vader, almachtigen Schepper van hemel en aarde, en in Jesus Christus, zijn eengeboren Zoon, onzen Heer, die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de Maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, gekruisigd, gestorven en begraven; Hij is nedergedaald ter helle, ten derden dage is Hij verrezen van de dooden, opgeklommen ten hemel zit Hij aan de rechterhand Gods, zijns Vaders almachtig, vandaar zal Hij komen te oordeelen de levenden en de dooden. Ik geloof in den Heiligen Geest, eene heilige. Katholieke Kerk, gemeenschap der heiligen, vergiffenis der zonden, verrijzenis des vleesches en
i77
het eeuwige leven.quot; Misschien vindt ge het vreemd, dat ik schrijf; âeene heilige, katholieke Kerkquot; en niet: ,,eene heilige, christelijke Kerk.quot; Maar het is nu eenmaal niet anders; het Grieksche katholikrn en het Latijnsche calholicam laat zich niet met âchristelijkquot; vertalen, maar slechts met âkatholiekquot; of âalgemeenquot;, zoo vertaalde men het ook vóór het ontstaan van het Protestantisme. U, Protestanten, was dat woord âkatholiekquot; lastig, daarom hebt gij er âchristelijkquot; voor in de plaats gezet en verstaat gij onder ;ichristelijke Kerkquot; de vereeni-ging aller als christelijk geldende godsdienstige partijen, waarvan ieder afzonderlijk een afdeeling vormt. Wij Katholieken verstaan onder âkatholieke Kerkquot;, zooals liet heet in de Apostolische geloofsbelijdenis, die geloofsvereeniging, wier hoofd de Paus is. De godsdienstige partijen, die zich van haar hebben afgescheiden, gelden in ons oog als secten. Kene gemeenschappelijke kerk echter, die de tegenstrijdigheden van al deze secten tegelijk met de Katholieke Kerk in zich vereenigt, kennen wij niet. Zij zou ook in den waren zin des woords een Babyion zijn, om de vele onder elkander strijdige leerstellingen die zij in haren schoot zou vereenigen.
Doch keeren wij tot de ontwikkeling der geloofsbelijdenissen terug.
2. Na den dood der Apostelen verbreidde zich liet Christendom steeds verder tot in de verst verwijderde landen. De geheele schaar der bisschoppen konde niet zoo gemakkelijk meer bijeenkomen als de Apostelen in den eersten tijd na de Hemelvaart van Christus. De telkens weer met nieuwe woede uitbrekende vervolgingen vormden een ander beletsel, totdat eindelijk Coristantijn de Groote zich tot het Christendom bekeerde en persoonlijk medewerkte tot het tot stand komen eener algemeene Kerkvergadering.
O O O
Onder zijne regeering werd het eerste concilie van Nicsea in het jaar 325 gehouden, de eerste algemeene Kerkvergadering, afgezien van het Apostel-concilie.
Het moest vooral de taak zijn van liet concilie van
12
17«
Nicrea tegenover de Arianen de Godheid van Christus met de duidelijkste termen uit te spreken; niet als hadde men de Godheid van Christus niet bestendig geloofd, maar wijl de aanvallen van Arius het noodzakelijk maakten deze leer duidelijker en bepaalder te forniuleeren. Daarom werd de Apostolische geloofsbelijdenis door de geloofsbelijdenis van Nicaea in deze richting verder ontwikkeld; zoodat het Ni-ceensche symbolum, zooals wij het (met eenige uitbreiding, die de Kerk er later aan toevoegde) nog ten huidigen dage in de H. Mis bidden, luidt als volgt :
âIk geloof in éénen God, den almachtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen; en in éénen Heer Jesus Christus, den eeniggeboren Zoon van God, uit den Vader voor alle eeuwen geboren; God van God, licht van licht; waarachtig God van den waarachtigen God; geboren en niet gemaakt; die om ons menschen en om onze zaligheid uit den hemel is nedergedaald en het vleesch heeft aangenomen, door den heiligen Geest, uit de Maagd Maria, en is mensch geworden. Hij is ook voor ons gekruist onder Pontius Pilatus; Hij heeft geleden en is begraven, en ten derden dage is Hij verrezen, volgens de Schriftuur. Hij is opgeklommen ten hemel, en zit aan de rechterhand des Vaders. Hij zal met heerlijkheid wederkomen, om de levenden en dooden te oordeelen; wiens Rijk geen einde zal hebben. Ik geloof in den heiligen Geest, den Heer en levendmaker, die uit den Vader en den Zoon voortkomt; die met den Vader en den Zoon tezamen aangebeden en verheerlijkt wordt; die door de Profeten gesproken heeft. Ik geloof in ééne, heilige, katholieke en apostolieke Kerk. Ik belijd één Doopsel tot vergiffenis der zonden, en ik verwacht de verrijzenis der dooden en het eeuwige leven. Amen.quot;
Wees nu zoo goed, deze beide geloofsbelijdenissen, de Apostolische en de Niceensche, met elkaar te vergelijken, en gij zult bevestigd vinden wat ik, sprekend over de Oud-Katholieken en het Vaticaansche Concilie, reeds bemerkte, dat eene verdere ontwikkeling der Christelijke leer mogelijk is.
179
zonder dat daarin eene omverwerping van het bestaande ligt opgesloten.
3. Zulk eene verdere ontwikkeling nu vond plaats door de geheele rij der algemeene concilies, te weten (volgens de gewone opsomming):
1. Te Nic?ea I. (325). 12. Lateranen IV. (1215).
2. Constantinopel 1.(381). 13. Lyon I. (1245).
3. Ephesus (431). 14- Lyon II. (1274).
4. Chalcedon (451). 15- Vienne (1311).
5. Constantinopel II. (553). 16. Constans (1414â1418).
6. Constantinopel III. (680). 17. Bazel (1431â1437).
7. Nicaja II. (787). 18. Florence (143Sâ1444).
8. Constantinopel IV. (869). 19. LateranenV.(i 512â1517).
9. Lateranen 1. (1123). 20. Trente (1545â1[5Ã3).
10. Lateranen II. (1139). 21. Vaticaan (1869-â-1870).
11. Lateranen III. (1179).
De geloofsbelijdenis, die nu, voornamelijk tegenover het Protestantisme en nog onlangs tegenover het Oud-Catholi-cisme werd geformuleerd en door iederen Katholiek moet worden beleden, het zoogen. symbolum van Trente, is van den volgenden inhoud:
âIk N. geloof vastelijk en belijd openlijk al hetgeen de Geloofsbelijdenis van de heilige Roomsche Kerk behelst, te w eten:
âIk geloof in éénen God, den almachtigen Vader, Schepper van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. En in éénen Heer, Jesus Christus, Gods éénigen Zoon, en uit den Vader voor alle eeuwen geboren; God van God, licht van licht, waren God van den waren God, geboren en niet gemaakt, van één wezen met den Vader, door wien alles gemaakt is. Die om ons menschen en om onze zaligheid uit den hemel is nedergedaald, en het vleesch heeft aangenomen door den heiligen Geest uit de Maagd Maria en is Mensch geworden. Hij is voor ons ook gekruist onder Pontius Pilatus. Hij heeft geleden en is begraven. En Hij is volgens de Schriften ten derden dage verrezen. En Hij is opgeklommen ten hemel, zit aan de rechterhand des Vaders. En Hij zal met heerlijkheid weder-
i8o
komen, om de levenden en de dooden te oordeelen, en zijn Rijk zal geen einde hebben. En in den heiligen Geest, den Heer en levendmakende, die uit den Vader en den Zoon voortkomt, die met den Vader en den Zoon te zamen aangebeden en mede verheerlijkt wordt, die door de Profeten gesproken heeft. En ééne. Heilige, Katholieke en Aposto-lieke Kerk. Ik belijd één Doopsel ter vergeving der zonden. En ik verwacht de verrijzenis der dooden en het eeuwige leven. Amen.
Ik geloof en neem vastelijk aan de Apostolische en Kerkelijke overleveringen, en alle andere gebruiken en instellingen van dezelfde Kerk. Ook neem ik de heilige Schrift aan volgens den zin, dien onze Moeder de heilige Kerk gehouden heeft en nog houdt, aan welke het toekomt te oordeelen over den waren zin en de uitlegging der heilige Schrift, en ik zal die nooit verstaan of uitleggen dan vol gens het algemeen gevoelen der Vaderen.
âIk belijd ook, dat er waarlijk en eigenlijk zeven Sacramenten der nieuwe Wet zijn, van Jesus Christus onzen Heer ingesteld, en tot zaligheid der menschen noodzakelijk, schoon ze alle aan een ieder niet noodig zijn; namelijk: het Doopsel, het Vormsel, het heilig Sacrament des Altaars, de Biecht, het laatste Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk; en dat deze Sacramenten genade geven; ook dat het Doopsel, Jiet Vormsel en het Priesterschap zonder heiligschending niet meer dan eens kunnen ontvangen worden. Ik neem aan de aangenomene en goedgekeurde gebruiken der Katholieke Kerk, in de plechtige bediening der voornoemde Sacramenten.
âIk neem ook aan en keur goed al hetgene de heilige Kerkvergadering van Trente over de Erfzonde en de Recht-vaardigmaking heeft beslist en uitgesproken.
âOok belijd ik, dat in de Mis eene ware, eigenlijke en verzoenende Offerande aan God wordt opgedragen; en dat in het heilige Sacrament des Altaars het Lichaam en Bloed van onzen Heer Jesus Christus, met zijne Ziel en zijne Godheid, waarlijk, in der daad en in wezen tegenwoordig is, en dat de geheele zelfstandigheid van het brood in zijn Lichaa m
i8i
en de geheele zelfstandigheid van den wijn in zijn Bloed veranderd wordt, welke verandering in de Katholieke Kerk Transsubstantiatie genoemd wordt. Ook belijd ik, dat men onder iedere gedaante Christus, geheel en volkomen, in het Sacrament waarlijk ontvangt.
âIk geloof vastelijk, dat er een vagevuur is, en dat de zielen aldaar door de voorbiddingen der geloovigen geholpen worden; en insgelijks dat men de Heiligen, die met Christus heerschen, mag eeren en aanroepen, dat zij God voor ons bidden, en dat men hunne overblijfselen mag vereeren.
âIk belijd vastelijk dat men de beelden van Christus, van de altijd Maagd geblevene Moeder Cods en van andere Heiligen mag hebben en houden, en aan dezelve de schuldige eer en achting bewijzen.
âIk belijd ook, dal de macht om aflaten te verleenen door Christus aan de Kerk gegeven is, en dat de Aflaten den Christenen allerheilzaamst zijn.
âIk erken de heilige Katholieke Apostolieke Roomsche Kerk als de Moeder en opperste van alle Kerken, en ik beloof en zweer, oprechtelijk te gehoorzamen aan den Room-schen Paus, die is de opvolger van den Vorst der Apostelen, den heiligen Petrus, en de Stedehouder van Jesus Christus.
âIk neem ook aan en belijd zonder eenige^twijfeling al het overige door de heilige Kerkregels en door de algemeene Kerkvergaderingen, bijzonder door de heilige Vergadering te Trente, en door de algemeene Vergadering van het Vaticaan, bijzonder over het Primaat en het onfeilbare Leeraarsambt van den Roomschen Paus, geleerd, vastgesteld en uitgesproken. Ik veroordeel, verwerp en doem tevens al hetgene daar tegen is, en alle ketterijen, die door de Kerk veroordeeld, verworpen en gedoemd zijn,
âDit waar Katholiek Geloof, buiten hetwelk niemand kan zalig worden, en hetwelk ik tegenwoordig vrijwillig belijd en in waarheid houd, ditzelfde Geloof beloof en zweer ik N., met Gods hulp tot den laatsten adem mijns levens geheel en onverval^cht bestendig te behouden en te belijden, en
l82
naar mijn vermogen te zorgen, dat liet van mijne onderdanen, en van degenen, die mij zullen aanbevolen zijn, gehouden, geleerd en verkondigd worde.
âZoo helpe mij God en deze heilige Evangeliën Gods.quot;
Ziedaar onze Katholieke geloofsbelijdenis. Zij is ons even heilig als de geloofsbelijdenissen, die voor anderhalf duizend jaar werden opgesteld. Want het is hetzelfde gezag, dat zoowel de eene als de andere heeft opgesteld. Dit gezag bekleeden de bisschoppen als de opvolgers der Apostelen, met den Paus, als opvolger van den Vorst der Apostelen, van Petrus, aan de spits. Wijl Christus hen gezonden heeft, om âtot aan het einde der tijdenquot; âalle volkenquot;, dus ook ons te leeren, daarom gelooven wij hen op hun woord. Mag de Katholiek een geleerde zijn of een eenvoudige landman: hij erkent in de leer zijner Kerk het woord Gods, niet zoozeer omdat zijne geleerde onderzoekingen hem deze of gene leer als de leer der oorspronkelijke Kerk hebben doen kennen, maar omdat de huidige Katholieke Kerk, aan wie hij onderwerping schuldig is, ze hem voorstelt. Ziet de geleerde dï leerstukken der Katholieke Kerk door zijne nasporingen bevestigd, dan verheugt hij zich daarover; ziet hij het tegendeel, dan is hij overtuigd dat in zijne schijnbare wetenschappelijke resultaten hier of daar een fout schuilt. Kan de landman zulk een onderzoek niet instellen, zoo is daarom zijn geloof niet minder, zeker en vast dan dat van den geleerde. Wie echter alle katholieke leerstukken uitsluitend op grond van zijn eigen onderzoek, niet uit onderwerping aan het Leeraarsambt der Kerk zou aannemen, zoo iemand zou niet Katholiek zijn, hoezeer hij ook opgetogen mag zijn over den logischen samenhang van het katholiek leerstelsel, over de schoonheid van den katholieken eeredienst, over de sociale werkzaamheid der katholieken orden enz. Wie daarentegen slechts zooveel weet, dat het hem duidelijk is, dat Christus de Apostelen en hunne opvolgers, de bisschoppen, met het leeraarsambt heeft bekleed en allen de verplichting heeft opgelegd zich aan hunne leer te houden; wie zich op grond hiervan aan het kerkelijk Leeraarsambt onderwerpt, zoo iemand is Katholiek, al moge hij nog zoo
183
weinig op de hoogte zijn met de afzonderlijke punten der katholieke leer.
Ziet ge, dat is voor ons Katholieken de beteekenis van ons levend kerkelijk I.eeraarsambten van de geloofsbelijdenissen die het heeft opgesteld! Wij houden deze in eere, wijl zij het kortbegrip zijn van ons geloof, dat onze wettige door Christus gevolmachtigde Ketk ons leert.
Gij Protestanten hebt ook uwe geloofsbelijdenissen: de Augsburgsche, de Helvetische confessie, de Smalkaldische artikelen enz. Maar deze hebben evenveel en even weinig gezag als de mannen, die ze hebben opgesteld. Daarom maak ik er geen uwer predikanten een verwijt van, als hij zich daardoor niet laat binden, of ze verwerpt als 't hem goeddunkt. Want wat Luther, wat Melanchthon en wat Calvijn kon, dat kan ook hij.
Dat zulk een omverwerpen der geloofsbelijdenissen geheel het positieve wezen der Kerk doet uiteenspatten, lijdt wel geen twijfel. Maar het is eenvoudig het noodzakelijk gevolg van den eersten opstand, waardoor de Protestanten der 16e eeuw zich losmaakten van het toen bestaande wettige gezag.
Moge de vrucht van dit schrijven deze zijn, dat gij er toe komt uit volle overtuiging met mij te belijden: âIk geloof alles wat God geopendbaard heeft en ons door Zijne heilige Katholieke Kerk te gelooven voorstelt.quot;
6. De Stedehouder van Jesus Christus.
(i. Brief van Edgar.)
Eerw. Pater. In uwen laatsten brief richt gij tot mij een veelomvattend verlangen. Voordat ik dit vervul, heb ik nog omtrent eenige punten opheldering noodig.
Alles hangt er van af, of de onfeilbaarheid des Pausen
184
een leerstuk van hel echte Christendom is, of niet. Is het zoo, dan zie ik er geen bezwaar in de afzonderlijke, zeer tot bijzonderheden afdalende artikelen der geloofsbelijdenis van Trente te onderschijven. Want, wat de onfeilbare Paus beslist, moet natuurlijk vrij zijn van dwaling. Is echter de Paus niet onfeilbaar, dan heeft het Vaticaansch concilie gedwaald, dan zijn bijgevolg ook de algemeene Kerkvergaderingen niet onfeilbaar, en uwe geheele hiërarchische opvatting van de Kerk zinkt in het niet.
Natuurlijk moet ik dan verder het besluit trekken, dat de Kerk op het dwaalspoor geraakt was reeds van het Concilie van Nicsea, ja van het Concilie der Apostelen af. Want overal vind, ik reeds uw katholiek hiërarchisch autoriteits-princiep, dat niet zonder aanspraak op onfeilbaarheid denkbaar is. De logica noopt mij dus, ofwel de onfeibaarheid des Pausen te erkennen of â het geheele Christendom prijs te geven en de bekentenis af te leggen, dat wij hoegenaamd niet meer weten wat wij moeten gelooven.
En toch van den anderen kant: hoe kan een arm zondig mensch onfeilbaar zijn?! En waar vind ik in het Christendom der eerste tijden ook maar de geringste aanduiding van eenen onfeilbaren paus? Ik zie daar toch slechts bisschoppen en boven hen, als gij wilt, de patriarchen van Alexandrië, Antiochië en Constantinopel! Waar blijft daarbij het pausschap?
(2. Antwoord des Paters.)
Met recht redeneert gij: ofwel de Paus is onfeilbaar, of - -het Catholicisme, ja het Christdom heeft niets te beteekenen! Ik keer uw argument om, en zeg: het Christendom en hec Catholicisme heeft wel te beteekenen: dus is de Paus onfeilbaar.
Wat gij tegen de Onfeilbaarheid hebt in te brengen, laat zich terugvoeren tol eene theologische en eene historische moeielijkheid.
x. Uw theologisch hezivaar luidt: âHoe kan een arm zondig mensch onfeilbaar zijn ?quot;
iS5
Ik antwoord : hij kan het zijn door den bijstand der genade van Jesus Chtistus en de verlichting des H. Geestes. Wie het doel wil,- moet ook de middelen willen. Wil Christus, dat zijne kudde in alle waarheid worde geleid, dan moet hij dengene, dien hij als oppersten herder dier kudde heeft aangesteld, voor iedere dwaling bij de leiding dezer kudde bewaren; want anders zou de aangestelde herder de kudde niet ter waarheid, maar ter dwaling leiden.
Met deze stelling hebt gij tevens den geheelen omvang der pauselijke onfeilbaarheid afgebakend. In zooverre deze stelling vordert dat de Paus onfeilbaar zij, in zoover is de Paus onfeilbaar, verder is hij liet niet.
Deze [stelling vordert niet, dat de Paus persooonlijk voor zonden bewaard blijve: dus is de Paus niet tegen zonde gevrijwaard. Zij vordert niet, dat de Paus als privaat persoon zich nooit aan dwaling schuldig make: dus kan ook de Paus dwalen, bijv. wanneer hij theologische werken of wanneer hij brieven schrijft. Zij vordert zelfs niet dat alle officiëele stukken, die van den Paus uitgaan, vrij van dwaling zijn ; daarom kunnen er bijv. historische onjuistheden voorkomen in het brevier, ofschoon de Paus het brevier goedgekeurd en aan alle priesters de verplichting opgelegd heeft het te bidden; want hij verplicht hen streng genomen tot bidden, niet tot gelooven; wel zou het natuurlijk eene dwaasheid zijn, zonder grond aan de waarheid der legenden, die in het brevier voorkomen, te twijfelen. Deze stelling vordert veeleer slechts dit, dat zulke definitieve beslissingen des Pausen, in welke hij den geloovigen een bepaald leerstuk te geloo-ven voorschrijft (de zoogen. beslissingen ex cathedra) geene dwaling bevatten. Immers wijl alle geloovigen zich moeten richten naar het woord van den oppersten, door Christus aangestelden leeraar, als ware het Christus' woord, zou door eene dwaling in zulk eene beslissing dc geheele christelijke Kerk in dwaling gebracht en de belofte van Christus verijdeld worden. Daar nu deze belofte niet kan verijdeld worden, moet de goddelijke Voorzienigheid op een of andere wijze zulke valsche beslissingen verhoeden.
Gij vraagt wellicht: hoe kan de Voorzienigheid ze ver-
i86
hinderen, daar de paus zijnen vrijen wil heeft cn, zoo hij wilde, lichtzinnig er op los zou kunnen definieeren?
Wees overtuigd, dat deze, zooals alle moeielijkheden die gij tegen de katholieke leer kunt maken, reeds vóór eeuwen op 't tapijt gebracht, maar ook opgelost zijn.
Suarez (1548â1617), een der grootste godgeleerden van de 16e en 17e eeuw verklaart:
âDe vraag is opgeworpen, wat er zou gebeuren, indien de Paus zonder voorafgegaan zorgvuldig onderzoek eene beslissing zou geven. Sommigen zeggen, dat de Paus dan zou kunnen dwalen, en de Kerk hare toestemming weigeren. Dit is echter bedenkelijk, wijl de Kerk niet kan weten of Paus de noodige zorgvuldigheid heeft aangewend of niet. Daarom schijnt mij het antwoord juister, dat men dit geval voor onmogelijk verklaart. Immers de H. Geest, die de Kerk leidt, zal niet toelaten, dat de paus zoo onbezonnen definieert, en daarom moet men, zoo vaak hij eene definitieve beslissing geeft, aannemen, dat hij een voldoend onderzoek daaraan heeft laten voorafgaan.quot; ') Ik zou er neg bij voegen: of dat God ook zonder zulk een onderzoek hern het juiste zou laten treffen.
Kardinaal Bellarminus (1542â1621) drukt zich geheel in den zelfden zin uit 2) en eene gelijke verklaring geeft een ander godgeleerde van naam, Ballerini :
âZoo wordt de bezorgdheid dergenen van allen grond ontbloot, die meenen, dat het eene gevaarlijke zaak is, de onfeilbaarheid in de beslissing van geloofsvragen aan den éénen persoon des Pausen toe te kennen, daar hij bij voorkomende gelegenheid, door vooroordeel of voorliefde ingenomen, eene verkeerde meening, die hij zich gevormd heeft, als zeker geloofspunt zou kunnen verkondigen. \Vie met het oog op den éénen persoon des Pausen zoo iets vreest, legt den beslissingen in geloofszaken eenen menschelijken maatstaf aan, niet bedenkend, dat de geloofspunten iets goddelijks zijn, dat de onfeilbaarheid der bisschoppen van Rome berust
1) Suarez, de lide, 5. sect. n. 11. 2) Bellarrn. de Uom. Pont. IV.. 2.
IS?
op de goddelijke beloften, die Petrus ten deel werden, en volgens het getuigenis der Traditie in zijne opvolgers tegelijk met het Primaat voortleven, en dat de goddelijke Voorzienigheid op verschillende ons onbekende wijzen bewerken kan, en (opdat de goddelijke beloften niet verijdeld worden) zeker bewerken zal, dat, zoo ooit een paus door vooringenomenheid of voorliefde eene valsche beslissing zou willen geven, hij ofwel geheel in zijne beslissing verhinderd wordt, of binnen de perken blijft van zulke decreten, die geen beslissingen in geloofspunten zijn.quot;
De theologische moeielijkheid kan ik hiermee wel als afgedaan beschouwen.
2. Uw historisch bezwaar bestond daarin, dat de pauselijke Onfeilbaarheid iets nieuws is, en dat de Kerk der eerste tijden hoegenaamd geen idee had van den rang, dien de Paus thans inneemt.
De Onfeilbaarheidsleer is niet zoo nieuw, als gij Protestan-en gewoonlijk meent; gij kondt dit reeds afleiden uit de boven aangehaalde verklaringen van Suarez en Bellartninus, die toch altijd eenige eeuwen oud zijn. En wat den rang des Pausen in vroegere tijden betreft, herinner ik u aan de vermelde geloofsbelijdenis van Hormisdas uit het jaar 517, welke door 2500 bisschoppen, met name ook door den patriarch van Constantinopel onderteekend werd en de woorden bevat: âwijl niet kan worden voorbijgezien de uitspraak des Heeren : âGij zijt Petrus en op deze steenrots wil Ik mijne Kerk bouwenquot;, zoo wordt, hetgeen gesproken werd, bewezen door de feiten, wijl op den Apostolische)! Stoel de godsdienst steeds onbevlekt bewaard bleef.quot;
Ik weet zeer goed, dat de Protestanten het Primaat in Uiteren tijd door de pseudo-Isidorische decretalen of op, ik weet niet welke andere wijze, maar niet door instelling van Jesus Christus laat ontstaan. Ik zelf heb in mijne jeugd niet anders geleerd. Maar ik weet ook, dat deze protestantsche opvatting volstrekt onhistorisch is. Want hoe ver gij ook teruggaat in de Christelijke oudheid, ge vindt steeds het primaat des Pausen. Uwe protestantsche godsdienstleeraars dienden dat te weten. Als zij maar een vluchtigen blik
i88
gelielden te werpen in de katholieke litteratuur, zouden zij daarvoor de bewijzen uit de bronnen zelf kunnen vinden, bijv. in Hettingers apologie, waaruit ik er hier ten minste eenige wil aanvoeren.
Vóór Hormisdas reeds verklaarde paus Gelasius J (492â 496); âIndien de Roomsche Kerk zou kunnen afvallen, hoe zouden wij dan aan eenige dwaling, welke ook, weerstand kunnen bieden of waar eene terechtwijzing zoeken voor de dwalenden?quot; ') âWant niet overbodig is de uitspraak van Christus, dat de poorten der hel de belijdenis van den H. Petrus nooit zullen overweldigen. Daarom vreezen wij niet, dat de Apostolische beslissing kan worden te schande gemaakt, wijl zij steunt op de uitspraak van Christus, op de overlevering onzer voorouders en het gezag der canones, zoodat zij veeleer richtsnoer is voor de geheele Kerk.quot; -')
Paus Leo dc Grootc (440â461) schrijft: âDe vastheid van geloof, die de Heer in Petrus prees, heeft deze ook op zijne opvolgers doen overgaan; zooals dus voortduurt wat Petrus in Christus geloofd heeft, zoo duurt ook voort wat Christus in Petrus ingesteld heeft.quot; â¢r) âDe instelling der eeuwige waarheid blijft dienvolgens bestaan, en Petrus, voortlevend in de vastheid eener rots, zooals de Heer hem verleende, heeft nooit meer het roer der Kerk verlaten.quot; 1) Evenzoo Paus Intioccnliu.i I (402â417); âHet is eene beleediging voor den Apostolischen Stoel, wanneer zijne beslissing voor twijfelachtig wordt gehouden .... Aan hem moeten de overige kerken, volgens den geest der Overlevering en der kerkelijke tucht, hare beslissingen ontkenen, gelijk de wateren van haren oorsprong uitgaan en in alle richtingen stroomen, als zuivere beken enter onbederfelijke bro.i. Wanneer derhalve in geloofszaken een strijdvraag zich voordoet, hebben alle bisschoppen zich slechts tot Petrus te
1
M. IN. 3. (Migne lat. 1. 54 p. 14H B.gt;
189
wenden, den oorsprong van hunnen naam en hunne eer.quot; ') Paus Julius I (337â352) spreekt in het jaar 342 het volgende verwijt uit; âWaarom is juist door de kerk van Alexandrië ons niet geschreven? Of weet gij niet, dat zóó de gewoonte is, eerst aan ons te schrijven opdat van ons de beslissing uitga, wat recht is.quot; '-)
Meen echter niet, dat in deze uitspraken der bisschoppen van Rome, hunnen voorrang betreffend, een aanmatiging ligt hunnerzijds, waartegen de overige bisschoppen opkwamen. Wel verre van deze aanspraken te bestrijden, heeft de vereeniging der bisschoppen ze veelmeer herhaaldelijk en openlijk erkend op de algemeene Kerkvergaderingen.
U dit te toonen van de latere concilies tot aan het Va tikaansche, is overbodig; ik bepaal mij dus bij de oudste, die daarenboven in het Oosten werden gehouden en in een tijdperk, toen het zwaartepunt van het Romeinsche rijk naar Constantinopel was verlegd, â omstandigheden die eerder eenen anderen bisschop, dan dien van Rome, den voorrang hadden moeten verschaffen, zoo dezen niet van oudsher en als opvolger van Petrus dit primaat ware toegekomen. Doorloopen wij dus de vier oudste algemeene concilies. Op het 4e algemeene concilie (451) liet zich Paus Leo vertegenwoordigen door zijne drie legaten : den bisschop Pascha-sinus van Lilybseum, den bisschop Lucentius en den priester Pionifacius. Eerstgenoemde bekleedde het voorzitterschap in de vergadering. âPetrus heeft door Leo gesprokenquot;, zoo begroetten de vergaderde Vaders eene verklaring des Pausen, en in een synodaal-schrijven aan hem verklaart het concilie den bisschop van Rome: âDoor uwe plaatsbekleeders hebt gij over de leden der synode de opermacht uitgeoefend, gelijk het hoofd over de ledematen.quot; ')
Voor het 3e algemeene Concilie van Ephesns (431) had Paus Coelestinus I (423â432) de beide bisschoppen Area-
1) Innocent. I, ep. 20 atl (kmcil. Carthag. 2) Julius I, ep. 1 ad Antioch. no. 22 (Migne lat. t. 8, p 905 B.) 3) Mansi t. VI. p 1V7, Harduin. t. II. p 655 bij Hefcle, Conciliëngcschichte Bd. I. blz. W.
190
rlius en Projectus benevens den priester Philippus als zijne legaten aangewezen, met opdracht, zich geheel aan Cyrillus te houden, dien hij reeds vroeger als zijnen plaatsbekleeder in de zaak van Nestorius benoemd en met volmacht toegerust had. Zoo bekleedde Cyrillus het voorzitterschap op de beide eerste zittingen van den 24en Juni en den toen Juli 43 1. bij welke laatste nu ook de drie genoemde legaten aankwamen, die van nu af gezamenlijk met hem voorzaten.
Indien er nu en dan spraak is van keizerlijke gezanten, dan is dit slechts te verstaan in dien zin, zooals keizer Theo-dosius II aan de Vaders van Ephesus schrijft: âIk heb Can-didianus, den doorluchtigen comes sacrorum domesticorum, naar uwe synode afgevaardigd, maar aan de onderzoekingen omtrent geloofspunten zal hij geen deel nemen, want het is niet geoorloofd, dat iemand, die niet behoort tot de rij der heiligste bisschoppen, zich in kerkelijke verhandelingen menge.quot; ') De bisschoppen nu spreken op dit concilie het vonnis over Nestorius uit, âgenoopt door de besluiten en volgens den brief van onzen heiligsten Vader en mededienaar Coelestinus, den bisschop van Rome.quot; -)
Het concilie van Constanlinopel, in het jaar 381, was op zich zelf beschouwd slechts een concilie der Oostersche kerk. Voorzitter was derhalve de aartsbisschop (of patriarch) Meletius van Antiochië als de eerste onder de aanwezige bisschoppen. Na zijnen dood en de aankomst van den aartsbisschop van Alexandria had deze het voorzitterschap moeten voeren; het concilie kende echter in zijn derden canon den bisschop van Nieuw-Rome (Constantinopel) den eersten rang toe onmiddellijk na den bisschop van Rome. Zoo was Gregorius, aartsbisschop van Constantinopel, voorzitter der vergadering. Constantinopel. had namelijk oorspronkelijk slechts een klein bisdom bezeten, dat onder den metropolitaan-zetel van Heraclea stond. De gunst der cot het Christendom bekeerde keizers verschafte echter aan de
1) Mansi t. IV. p. 1119; Hard «in. t. v. 1346, bij Hefele, Conciliengeschichte li. I. blz. :{r.. 2) Mansi t. IV. pl238;]Fai'tUiin. t. I. p. bij Hefele dom', lid. I. blz. 10.
UJl
keizerlijke residentie eenen hoogeren rang. De erkenning van het primaat van Rome. op de opvolging van den H. Petrus berustend, kwam intusschen ook op dit concilie daardoor aan den dag, dat zelfs de bisschop der keizerlijke residentie ook verder voor den bisschop van Rome in rang moest onderdoen.
In de rij der algemeene concilies werd deze synode eerst opgenomen, nadat zij door de Kerk van het Westen was erkend.
Wij komen nu tot het ie algemeene concilie, dat van Nicsea (325). â¢â Wie bekleedde bij deze Kerkvergadering het voorzitterschap ?
In mijne âErrinnerungen eines alten Lutheranersquot; (ie uitgave blz. 77) had ik gezegd: âDe gezanten des Pausen bekleedden het presidentschap op de in het jaar 325 te Nicaja gehouden algemeene Kerkvergadering.quot; Het âTheologische Literaturblattquot; (Leipzig 16 Kebr. 1883) verklaarde deze bewering als âeen zeer aanschouwelijk voorbeeld van de velerlei afwijkingen van de onverbiddelijke waarheid der geschiedenis.quot; Het blad voegde er ironisch aan toe: âziedaar de ware toedracht, die hem zijne studiën hebben doen ontdekken, nadat zijne evangelische godsdienstleeraars hem vroeger met âgrove historische leugensquot; hadden gevoed. Dat moeten inderdaad interressante bronnenstudies geweest zijn!quot; Bewijzen leverde het Leipziger theologische Literaturblatt niet. Professor Kawerau te Maagdenburg (Theol. Literatur-zeitung, Leipzig, 25 Aug. 1883 no. 17) had, zooals ik reeds vroeger vermeldde, eveneens met deze mijn historische bewering den draak gestoken.
Toetsen wij dus dit zoogenaamde ârecht aanschouwelijk voorbeeld van de velerlei afwijkingen van de onverbiddelijke waarheid der geschiedenis.quot;
Het concilie van Nicrea vond plaats in de 4e eeuw. In de 5e eeuw schreef Gelasius van Cycicus eene geschiedenis ervan, waarin hij beweert dat Osius (bisschop van Corduba in Spanje) de plaats bekleedde van den bisschop van Rome en met de beide Roomsche priesters Bito (Vitus) en Vin-
192
centius te Nicsoa aanwezig was, ') Athanasius zoowel als Theodoretus stellen met betrekking tot Osius roemend de vraag: âop welke synode heeft hij niet voorgezeten?quot; Socrates noemt de leden van het concilie van Niaea op in deze volgorde: âOsius, bisschop van Corduba, Vitus en Vin-centius, priesters van Rome; Alexander bisschop van Alexan-drië; Eustathius, bisschop van Antiochië: Macarius, bisschop van Jerusalem. -) De drie laatstgenoemden vertegenwoordigden drie der vier oude patriarchale zetels. Waar bleef nu de vertegenwoordiging van den vierden, van den zetel van Rome, als niet Osius, Vitus en Vincentius er mee bekleed waren? En hoe kon de bisschop eener onbeduidende stad in Spanje, hoe konden zelfs twee priesters, die dus niet eens bisschop waren, nog vóór die drie patriarchale zete'.s genoemd worden, tenzij zij beschouwd werden als legaten van den ontbrekenden vierden patriarchalen zetel, van Rome ? Ook de onderteekeningen van het concilie zelf zijn ons bewaard gebleven en ondanks de vele afwijkingen der oude handschriften vinden wij in alle exemplaren, geen enkel uitgezonderd, eerst de handteekening van Osius en de twee Roomsche priesters en eerst na deze die der patriarchen van Alexandria enz. In twee exemplaren teekent Osius uitdrukkelijk in naam der kerk van Rome; in twee andere exemplaren wordt dit wel niet door hem, maar door de twee priesters vermeld, als om te doen uitkomen hoe zij, ofschoon geen bisschoppen, toch mede onderteekenen konden. Daarbij komt, dat bij iedere groep van bisschoppen de naam der kerkelijke provincie waartoe zij behoorden is vermeld; slechts bij Osius en de twee priesters van Rome niet. Zij onderteekenden het eerst, zonder het diocees aan te geven waartoe zij behooren, â klaarblijkelijk wijl zij boven alle diocesen en dus boven het geheele concilie stonden als vertegenwoordigers van den bisschop van Rome. Stellen wij hiernaast de overige concilies, met name die van
1) Gelasius, volumen actorum concil. Nlc. II, 5; bij Mansi t. II, 800. Harduin. t. I. p. :}7o; verg. Hefele, Gonciliengescli. ï blz. 40. 2) Socrates, hist. eccl. 1.13.
193
Kphesus, (431) en Chalcedon (451), waar eveneens vertegenwoordigers van Rome het voorzitterschap bekleedden (zie hoven blz. 189 en 190) dus kan meu redelijkerwijze wel niet meer twijfelen, wie het voorzitterschap op de eerste algemeene conciliën gevoerd heeft. ')
Zoo staat het dus met het gewraakte âzeer aanschouwelijke voorbeeld van de velerlei afwijkingen van de onverbiddelijke waarheid der geschiedenis!quot;
Neen, mijn vriend, het primaat van den bisschop van Rome en de voor het opperhoofd der Kerk noodzakelijke gave der onfeilbaarheid voor de eindbesluiten in geloofszaken zijn geene menschelijke vinding. Gij vindt ze overal reeds, als gij het Christendom nagaat tot aan zijne oorsprong. En hoe kan het ook anders? Mocht Christus zijne Kerk wel zonder zichtbaar opperhoofd, zonder zichtbaren oppersten leeraar achterlaten, daar Hij zelf besloten had terug te kee-ren naar den hemel ? Wat zou er zonder zulk een opperhoofd geworden zijn van de eenheid der Kerk ? en hoe kon men eene voldoende zekerheid erlangen in moeilijke vragen zonder de onfeilbaarheid van hem die het hoofd is ? En wanneer de bisschop van Rome dit onfeilbaar opperhoofd niet is, wie moet het dan zijn?
4. Doch ik ben nog geenszins ten einde met de historische getuigenissen ten gunste van het primaat en de onfeilbaarheid des Pausen. Want gij zult mij moeten toegeven, dat ons traditie-bewijs voor dit, door de Protestanten verworpen zuiver katholiek dogma niet gebrekkiger is dan het traditie-bewijs, dat men kan aanvoeren voor de echtheid en de inspiratie der H. Schrift, en dat ook gij noodzakelijk moet aannemen, als gij niet met uw Bijbel in de lucht wilt zweven.
Ik wend mij dus tot de schrijvers der christelijke oudheid, te beginnen met eenige Grieksche schrijvers, wier getuigenis des te meer gewicht in de schaal legt, wijl juist de Grieksche
I) Vergelijk over deze geheele vrnag : Hefele. Conciliengesoliichte, 2e uitgave, Bd. ï. blz. 38â43.
13
194
Kerk van oudsher zich liet meest tegen de Kerk van Rome gekant heeft.
Theodoras van Studium (fSaó), abt te Constantinopel, zegt van de beeldstormers; âZij hebben zichzelven losgemaakt van het lichaam van Christus en van den hoogsten leerstoel waar Christus de sleutels des geloofs heeft neergelegd, dien tot op heden niet overweldigd hebben en ook niet, tot aan het einde der dagen, overweldigen zullen de poorten der he 1 d. i. de mond der ketters.quot; ')
Maxi mus van Constantinopel, in de 7e eeuw, verklaart: âAlles richt den blik naar Rome als naar den zon, om vandaar het geloof te ontvangen ; hier is het fundament der geheele Kerk, dat volgens het woord des Heeren de poorten der hel niet zullen overweldigen, dat den sleutel van het rechte geloof, der zuivere belijdenissen heeft, dat iedereen, die komt, den waren godsdienst openstelt, maar iederen ketter den lasterenden mond stopt en sluit.quot;
âDe boetvaardigheid,quot; schrijft Fulrjentius (467) âis den zondaar dan nuttig, wanneer hij ze beoefent in de Katholieke Kerk, aan wie God in den persoon van den H. Petrus de macht heeft gegeven om te binden en te ontbinden.quot; 1)
Petrus C'iri/solor/us (| 451) schrijft aan Eutyches, abt te Constantinopel: âIn alle dingen vermanen wij u, dat gij als gehoorzame zoon volgens datgene handelt, wat de Paus der stad Rome geschreven heeft. Want de heilige Petrus, die leeft op den stoel, dien hij zelf innam, en het voorzitter-schap bekleedt, biedt hun, die er naar verlangen, de weldaad des geloofs.quot; 4)
Keiier Valentinianus [If verleende in het jaar 445 aan den voorrang des Roomschen Stoels de staatsrechterlijke erkenning met de volgende bepaling: âNiets mag er geschieden zonder de goedkeuring van den bisschop van Rome; want slechts dan blijft de vrede in de Kerk overal bewaard, als
1
Theodor. Stud. I. II. no. 03. (Migne gr. t 99 p. 1281 A.) 2) Maximus,
195
het geheel zijnen opperheer erkent. Tot nu toe is dit zonder verlet geschied. De beslissing van den bisschop van Rome zoude ook zonder Keizerlijke sanctie van kracht zijn, om de verdiensten van den H. Petrus die het hoofd is van de vereenigde bisschoppen; maar onze bekrachtiging wordt uit dien hoofde gevorderd: opdat niemand zich veroorloove? de bevelen der overheid van Rome te weerstaan.quot; ')
De U. Ci/rillas, patriarch van Allexandrië (f 444), wendt zich tot Paus Ccelestinus, met het verzoek : âte willen beslissen, of hij met Nestorius, den patriarch van (quot;onstanti-nopel, kerkelijke gemeenschap kan houden, of duidelijk verklaren, dat niemand met hem, die zulke 'eeringen (zooals Nestorius) geloofde en verkondigde, in gemeenschap mocht treden.quot; âAlles moestquot;, zoo schrijft hij aan den Paus, âter kennis Uwer Heiligheid worden gebrachtquot;; hij wil zelf niet beslissen, vóórdat de beslissing des Pausen gegeven is, en hij beroept zich hiervoor op de langdurige gewoonte in de Kerk. -)
âJuichquot;, zoo roept de Armenische geschiedschrijver Mo:es van Cl tor ene (in de 5e eeuw), âjuich, hoofdstad der wereld-omkransd zijt gij met het licht, dat uitgaat van het gelaat uws Apostels en dat met zijne stralen geheel de aarde verlicht.quot; â â )
De U. Autjuslinus, bisschop van Hippo in Afrika (354â 430), schrijft over den Stoel van Rome: âOp dezen Leerstoel der eenheid heeft God de leer der waarheid geplaatst.quot; â 4) âOp dezen zoo. ouden en hecht gevestigden Stoel is daarom het juiste en zuivere katholieke geloof, zoodat geen Christen daaraan kan twijfelen.quot; *) âEr waren vele Apostelen, maar slechts tot éénen werd gesproken: âWeid mijne schapen. Zoo heeft de Heer in den éénen Petrus de eenheid gevestigd.quot; ®)
196
De H. Ilirroiiymui (340â420) schrijft aan Paus Damasus⢠âDaar ik niemand anders volgen wil dan Christus, sluit ik mij aan Uwe Heiligheid aan, d. i. in de gemeenschap met den Stoei van Petrus; want ik weet het. op die rots is de Kerk gebouwd; wie buiten dat huis het lam geniet scheidt zich af van God. Wat zich niet bevindt in de Ark van Noë, zal ten ondergaan . . . Wie met u niet verzamelt, verstrooit . . . Wie met den Stoel van Petrus verbonden is, is de mijne ... Ik verzoek Uwe Heiligheid, mij mede te dee-len, met wien ik in Syrië in kerkelijke gemeenschap kan treden.quot; ')
De IJ. Joannes Chri/sostomus, die den 26 Februari 397 tot aartsbisschop (patriarch) van Constantinopel werd gewijd en in 407 stierf, zegt aangaande het gesprek tusschen Jesus en Petrus; âWaarom spreekt Hij (Jesus) hem (Petrus) aan met voorbijgaan der anderen? Hij was uitverkoren onder de Apostelen, de mond der Leerlingen, het hoofd der schare : daarom kwam Paulus om vóór de anderen hem te zien. Hij doet hem tevens verstaan, dat hij nu moet vertrouwen, en zijne verloochening vergetend, belast Hij hem met het toezicht over de broeders.quot; âZoo heeft de Heer Petrus gesteld als ieeraar over de gansche wereld, de zorg over geheel de wereld op zijne schouders gelegd, en hem daarom niet, gelijk Jacobus, tot bisschop eener stad bestemd.quot; -) Wanneer het echter bij het heengaan van Jesus noodig was, dat in den persoon van Petrus een zichtbare Ieeraar voor den geheelen aardbol werd aangesteld, dan zal bij den dood van Petrus wel dezelfde noodzakelijkheid zich hebben doen gelden en zal Christus, daar Hij dit vooruitzag, wel voor eenen opvolger van Petrus hebben gezorgd.
Van den H. Chrysostomus wenden wij ons tot den II. Ambrosias ff 397), den grooten bisschop van Milaan. âWaar Petrus isquot;, zoo verklaart hij, âdaar is de Kerk, daar is geen dood, maar eeuwig leven; daarom voegde Hij (de Verlosser)
1) Hiei-on. ep. 10. Migne, lat. t. 1:! p. 181 .seqq. 2) Chrysost. in Joan. hom. SS.I. Migne, gr. t. OU p. 'i7.sâ'iHiij verg. Gal. 1. 18. 10; II. 2.
197
cr aan toe: En de poorten der hel zullen haar niet overweldigen, en : aan u wil Ik de sleutels van het hemelrijk geven.quot; ')
Terugheerend naar het Oosten, vernemen wij de uitspraak van den 11. Greyorius van Sazianzc (f 390), die Rome âliet hoofd van hel rn'iicclquot; noemt. -)
Optut us van M'lcve (omstreeks 360) verklaart:
âTen bate der eenheid verdiende Petrus boven alle Apostelen te worden voorgetrokken, die alleen de sleutels ontving, om ze den overigen mede te deelen. Gij hunt niet loochenen,quot; zoo roept hij den Donatist Parmenianus toe, âdat aan Petrus als den eerste in de stad Rome de bisschoppelijke Stoel is verleend geworden ... In dezen éénen leerstoel moest de eenheid van allen in stand worden gehouden en niet moesten de overige Apostelen ieder voor zich een bijzonderen leerstoel in beslag nemen, zoodat reeds hij een scheurmaker zou zijn geweest, die tegenover dezen ccr.igcn op zich zelf staanden leerstoel nog eenen anderen zou hebben opgericht.quot; â¢1)
Omstreeks terzelfder tijd duidde de heidensche schrijver Ammianus Marcellinus den Paus Liberius (352â366) aan als âhet hoofd van den christelijken godsdienstquot; â *) en reeds vroeger had keizer Aurelianus (270â275J bij de weerspannigheid van Paulus van Samosata verklaard: âDat degene bisschop van Antochië zou zijn, dien de bisschoppen van Italië, met name die van Rome, zouden erkennen.quot; â¢'â¢)
Doch gaan wij over tot den grooten bisschop der Afri-kaansche Kerk, den II. Ci/pridiniit (-j- 25S), die ons beter dan deze heidensche getuigenissen het wezen, het doel van het Primaat en zijne instelling door Christus doet kennen.
âOp Petrusquot;, aldus de H. Cyprianus, âheeft de Heer dc Kerk gebouwd. Daarom is er slechts één doopsel, en slechts één Heilige Geest, en ééne Kerk, door ('hristus den Heer on
1
II. öcc. 1 dc se ipso v. .771. Migne gr. t. 37 p. t(Kis, 3) c. Pannen. Vil. 3; II.
196
De H. Ilii-roiu/inu.t (340 â420) schrijft aan PausDamasus-âDaar ik niemand anders volgen wil dan Christus, sluit ik mij aan Uwe Heiligheid aan, d. i. in de gemeenschap met den Stoel van Petrus; want ik weet het. op die rots is de Kerk gebouwd; wie buiten dat huis het lam geniet scheidt zich af van (iod. Wat zich niet bevindt in de Ark van Noë, zal ten ondergaan . . . Wie met 11 niet verzamelt, verstrooit . . . Wie met den Stoel van Petrus verbonden is, is de mijne ... Ik verzoek Uwe Heiligheid, mij mede te dee-len, met wien ik in Syrië in kerkelijke gemeenschap kan treden.quot; ')
De /Æ. Joannes Clwi/sostoinus, die den 26 Februari 397 tot aartsbisschop (patriarch) van Constantinopel werd gewijd en in 407 stierf, zegt aangaande het gesprek tusschen Jesus en Petrus: âWaarom spreekt Hij (Jesus) hem (Petrus) aan met voorbijgaan der anderen? Hij was uitverkoren onder de Apostelen, de mond der Leerlingen, het hoofd der schare : daarom kwam Paulus om vóór de anderen hem te zien. H ij doet hem tevens verstaan, dat hij nu moet vertrouwen, en zijne verloochening vergetend, belast Hij hem met het toezicht over de broeders.quot; âZoo heeft de Heer Petrus gesteld als ieeraar over de gansche wereld, de zorg over geheel de wereld op zijne schouders gelegd, en hem daarom niet, gelijk Jacobus, tot bisschop eener stad bestemd.quot; -) Wanneer het echter bij het heengaan van Jesus noodig was, dat in den persoon van Petrus een zichtbare Ieeraar voor den geheelen aardbol werd aangesteld, dan zal bij den dood van Petrus wel dezelfde noodzakelijkheid zich hebben doen gelden en zal Christus, daar Hij dit vooruitzag, wel voor eenen opvolger van Petrus hebben gezorgd.
Van den H. Chrysostomus wenden wij ons tot den II. Ambrosias (f 397), den grooten bisschop van Milaan. âWaar Petrus isquot;, zoo verklaart hij, âdaar is de Kerk, daar is geen dood, maar eeuwig leven; daarom voegde Hij (de Verlosser)
1) Hieron. ep. 15. Migno. lat, t. 1:$ p. IK! seqq. 2) Clirysost. in Joan. liom. «8,1. Migne. gr. t. 59 p. 478â480; verg. Gal. I. 18. 10: II. 2.
197
er aan toe: En de poorten der hel zullen haar niet overweldigen, en : aan u wil Ik de sleutels van het hemelrijk geven.quot; ')
Terugheerend naar het Oosten, vernemen wij de uitspraak van den II. Grcjorius van Nazianzc (f 390), die Rome âhet hoofd van hel f/ciicclquot; noemt. '-)
Oplat us ran MUcve (omstreeks 360) verklaart;
âTen bate der eenheid verdiende Petrus boven alle Apostelen te worden voorgetrokken, die alleen de sleutels ontving, om ze den overigen mede te deelen. Gij hunt niet loochenen,quot; zoo roept hij den Donatist Parmenianus toe, ..dat aan Petrus als den eerste in de stad Rome de bis-schoppelijke Stoel is verleend geworden ... In dezen éénen leerstoel moest de eenheid van allen in stand worden gehouden en niet moesten de overige Apostelen ieder voor zich een bijzonderen leerstoel in beslag nemen, zoodat reeds hij een scheurmaker zou zijn geweest, die tegenover dezen cenigen ojt zichzelf slaan den leerstoel nog eenen anderen zou hebben opgericht.quot;
Omstreeks terzelfder tijd duidde dc heidensche schrijver Amnrianus Maredlinvs den Paus Liberius (352â366) aan als âhet hoofd van den christelijken godsdienstquot; 4) en reeds vroeger had keizer Aurelianus (270â275) bij de weerspannigheid van Paulus van Samosata verklaard; âDat degene bisschop van Antochië zou zijn, dien de bisschoppen van Italië, met name die van Rome, zouden erkennen.quot; â¢'â¢)
Doch gaan wij over tot den grooten bisschop der Afri-kaansche Kerk, den II. Ci/prianus (f 25S), die ons beter dan deze heidensche getuigenissen het wezen, het doel van het Primaat en zijne instelling door Christus doet kennen.
âOp Petrusquot;, aldus de H. Cyprianus, âheeft de Heer de Kerk gebouwd. Daarom is er slechts één doopsel, en slechts één Heilige Geest, en ééne Kerk, door Christus den Heer op
l) Ambros. in Ps. 'iO, Migne lat. \. l'i p. 1082 Ap. 2) Greg. Naz. Carrnin. 1. II. sec. I dc se ipso v. .771. Migne gr. I. 37 p. I(Hgt;8. c. Pannen. VII. 3; II. '2. Migne lat. t. li p. 1087 A; p. Wxl A. I) Ainmianus Marcell. lier. gest. \N', 7. (gt;. 5) Codex Justin. I. Tit. 1 c. 7. S.
I9S
Petrus gebouwd, overeenkomstig den oorsprong en de inrichting.quot; âDe Heer spreekt tot Petrus: Ik xeg u, gij zijt Petrus d. i. rots, en op deze rots wil Ik mijne Kerk bouwen^ en de poorten der hel zullen haar niet overweldigen. En u zal Ik geven de sleutels van het hemelrijk; al wat gij binden zult op aarde, zal ook gebonden zijn in den hemel, en ahvat gij ontbinden zult op aarde, zal ook ontbonden zijn in den hemel. En wederom na zijne opstanding zegt Hij: Weid mijne schapen. En indien Hij ook al na zijne opstanding aan zijne Apostelen een gelijke macht geeft en spreekt: Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Jk 11, toch heeft Hij, om de eenheid openlijk te toonen, éénen leerstoel opgericht en door Zijn gezag den oorsprong dezer eenheid zoo ingericht, dat hij uitgaat van éénen Ook de andere Apostelen waren wel is waar, als Petrus, gelijkelijk deelend in eer en macht, maar het begin ligt in de eenheid, opdat de Kerk één blijke. Wie deze eenheid in de Kerk niet bewaart, meent hij nog het geloof te bewaren ? . . . . Zoo is het Episcopaat slechts één (door onderwerping aan den oorsprong der eenheid), waaraan de afzonderlijke leden slechts deel hebben in gemeenschap met/het geheel (episco-patus unus est, cujus a singulis in solidum pars tenetur.) Zoo is ook de Kerk één, die zich in stijgende vruchtbaarheid immer meer over de volkeren uitbreidt, (lelijk de zon vele stralen heeft, maar slechts één licht; gelijk de boom vele takken heeft, maar slechts éénen stam, op den vasten wortel bevestigd: gelijk van ééne bron vele beken uitgaan, zoo wordt toch de eenheid bewaard in den oorsprong. Zoo is ook in de Kerk slechts cé» hoofd en één oorsprong en ééne moeder eener vruchtbare nakomelingschapquot; '); en als dit hoofd stelt de H. Cyprianus in het begin dezer aanhaling ons voor: Petrus en diens leerstoel, den zichtbaren Stedehouder van het onzichtbaar hoofd Jesus Christus.
âPetrusquot; zoo verklaart Oriqenes (f 254) .,is het fundament
1) Cyprian, de unitate tcdesiae c. i, 5.
199
der Kerk en tie onwrikbare rots, waarop Christus zijne Kerk heeft gebouwd.quot; ')
âBedenkquot;, zegt Tcrtullianus (f 240J, âdat de Heer aan Petrus de sleutels heeft nagelaten en door Petrus aan de Kerkquot;. 1) Den bisschop van Rome noemt hij daarom âden bisschop der bisschoppen.quot; Van de kerk van Kome roept hij uit: âGelukkig de kerk, over welke zij (de Apostelen) âhunne geheele Apostolische leer met hun bloed hebben uitgestort, waar Petrus den Heer in zijn lijdenquot; (door den kruisdood) âgelijkvormig wordt, waar Paulus met den dood van Joannesquot; (de onthoofding) âwordt gekroond.quot; 4) In tegenstelling met deze zekerheid des geloofs, welke de Katholieken bezitten door hunne aansluiting aan den Stoel van Rome, roept hij den ketters toe: âDat zij ons toonen den oorsprong hunner kerken, ontvouwen de opeenvolging hunner bisschoppen, hoe deze van den beginne af elkander zoo opvolgen, dat die eerste bisschop een der Apostelen of der Apostolische mannen, die echter met de Apostelen standhielden, tot zegsman en voorganger gehad heeft.quot; s)
Het ergste kruis der protestantsche theologie is intusschen eene plaats van Ircnaeus, den grooten bisschop van Lvon (177â202), die zich tegenover de dwaalleeraars van zijn tijd beroept op de overlevering en het deposit uw fidci dat bij de bisschoppelijke zetels, die door Apostelen werden gevestigd, voorhanden is; met bijzonderen nadruk echter op het gezag van den Stoel van Rome, naar welken zich allen moeten richten. âWijl het eerste te ver zou voerenquot;, zegt hij, âde opeenvolging der bisschoppen van alle kerken op te sommen, zoo vermelden wij (slechts) de van de Apostelen stammende overlevering der grootste, oudste en allen bekende, door de beide Apostelen Petrus en Paulus te Rome gestichte kerk, en het door haar verkondigde geloof, hoe dit door aaneenschakeling barer bisschoppen tot ons is gekomen, en maken aldus te schande allen, die, op welke wijze ook.
1
pudic. c. 1. -^) De praescr. haei'. 30. 5) De praescr c. 32,
200
verkeerd denken. Ma»? met deze kerk moeien, uil hoo/Je van hare meer uitstekende macht, alle kerken, d. i. de yeloo-vif/en van alle plaatsen overeenstemmen, in welke steeds door de geloovigen van alle plaatsen bewaard werd de Apostolische Overlevering. (Ad hanc enim Ecclesiam propter po-tiorem [potentiorem] principalitatem necesse est omnem con-venire ecclcsiain, hoc est eos, qui sunt undique, fideles, in (|ua semper ab his, qui sunt undique, conservata est ea, ({uaj ab Apostolis est, traditio.)quot; Want de bisschop van Rome, zoo redeneert Irenaeus verder, is de opvolger van Petrus, Petrus heeft tot opvolger gehad Linus, Linus eenen anderen enz. tot aan den twaalfden Paus, den H. Eleutherius (i77 â192), die thans (ten tijde van Irenseus) op den Stoel van Petrus zetelt. ')
Irenams derhalve, die omstreeks 130 geboren werd, dus circa 30 jaar na den dood van den H. Evangelist Joannes en 70 jaar na den marteldood van den H. Petrus te Rome, erkent de kerk van Rome reeds als âde grootste, oudste en allen bekende, door de Apostelen Petrus en Paulus gestichtequot;, met welke âuithoofde van hare meer uitstekende macht alle kerken, d. i. üe geloovigen van alle plaatsen, moeten overeenstemmen.quot; Duidelijker kon nauwelijks het Vaticaansche Concilie de onfeilbaarheid van den Stoel van Rome uitspreken 1 Want in geval degene, inet wien de Kerk op den geheele aardbodem moet overeenstemmen, eene dwaling leerde, zou de geheele Kerk deze dwaling aannemen, de Christelijke waarheid zou in een punt vervalscht worden, men zou ook omtrent de overige punten in twijfel geraken, en het zou noodig zijn dat Christus ten tweeden male verscheen, de volle waarheid weer herstelde en betere maatregelen trof dan de eerste maal, om eene nieuwe vervalsching der waarheid te voorkomen.
5. In 't voorbijgaan zou ik u hier willen vragen: Wat zegt gij, tegenover zulke getuigenissen, aan de bronnen zeiven ontleend, van het idee, nog onlangs door de Protestanten
1) Irenaeus adv. haer. III. 2.
201
wijd en breed behandeld, dat Petrus nooit in Rome zou geweest zijn? Doorslaande bewijzen brengen zij niet te berde, hoogstens komen ze met de omstandigheid voor den dag, dat deze of gene schrijver zijne aanwezigheid niet vermeldt, dat Petrus niet al den tijd van 42â67 (dien men gewoonlijk voor den tijd van zijn pontificaat te Rome aanneemt) in Rome kan geweest zijn, en zooal meer. En op grond van zulke dingen meent men gerechtigd te zijn een, minstens sedert St. Irenseus' tijden algemeen aangenomen feit te mogen betwijfelen.
De H. Clemens schrijft van Rome uit ten tijde van Domi-tianus (81-96), van de vervolging van Nero gewagend, over den marteldood van den H. Petrus en voegt er deze woorden aan toe: âIn hot lot dezer mannen, die zoo heiliij hun leven hebben ten einde gebracht, deelde eene f/roote schaar uit verkoren 01 , die..... onder ons het heerlijkste voorbeeld zijn i/c-
wordenquot;. ') Ja! de H. Petrus zelf zendt in zijnen eersten brief aan de Christenen van Azië een heilgroet van de âKerk van Babyionquot; -); bij dc Joden en de eerste Christenen was âBabyionquot; de zinnebeeldige naam voor Rome ')
Doch keeren wij terug tot het primaat van Rome! â Wij hebben zijne sporen nagegaan, tot onmiddellijk aan de tijden der Apostelen. Bijna nog tijdens het leven van den H. Joannes noemt de II. L/nntias ('f 107) Rome âhet hoofd van den liefdebondquot; 1); en nog vroeger schrijft de II. Clemens, de derde opvolger van den H. Petrus, aan de geloovigen van Corinthe op eenen toon, waarin men duidelijk de stem van eenen oppersten herder erkent, cene stem, die ook aan de geloovigen van Corinthe gebiedt.
7. Er blijft mij nog slechts over, uit de eigen woorden van Christus in het Evangelie de aanstelling van zijnen Stedehouder te bewijzen. Vooraf willen wij echter den stand der zaken, waarom het hier te doen is, duidelijk uiteenzetten.
1
Clemens I Corinth. VI. -2) I l'elr. V. IS. :i) .)o. Apoc. \1V, IS; XVI, 29; XVII, 5, XVIII. 2; verg. Hurulhauscn, Dié beiden Pontifikalschreiben des Apostelfürsten Petrus, Bd. I blz. 82â1MX 4) Ignat ep. ad Hom. inif.
202
Christus wil de menschheid, die, sedert den zondeval onbekend met den waren godsdienst en in de afgrijselijkste dwalingen verzonken, in ontelbare tegenstrijdige godsdiensten en nationaliteiten was verdeeld, tot een ontzaglijk Godsrijk, een rijk der waarheid vereenigen. Het moest worden één herder en ééne kudde. Dit konde Hij verwezenlijken, wanneer Hij zelf zichtbaar bestendig op aarde bleef, om de zichtbare Koning van dit rijk, de zichtbare kudde, te zijn; of ook, door een ander als zijnen stedehouder op aarde achter te laten, om zijne plaats te beklecden in dit zichtbaar rijk tot aan den jongsten dag.
Het eerste heeft Hij feitelijk niet gewild. Waarom niet? â Dit te achterhalen is niet onze zaak. De andere weg bleef Hem dus over, de aanstelling van éénen stedehouder, die de geheele kudde in eenheid moest weiden. Ik zeg van éêncn stedehouder; want het kon niet in het plan van Christus liggen, geen stedehouder, en evenmin meerdere onderling onafhankelijke stedehouders, bijv. 4 patriarchen te benoemen. Het eene zoowel als het andere ware zeer zeker minder doelmatig geweest dan de aanstelling van één zichtbaar hoofd voor het harmonisch zichtbaar organisme r.er Kerk. Daarom heeft Christus feitelijk, ofschoon Hij 12 Apostelen uitkoos, toch slechts aan éénen, aan Simon Petrus klaarblijkelijk ter wille van de eenheid â- de opperste leiding toevertrouwd en hem reeds van te voren tot hel ambt van oppersten stedehouder opgeleid.
Bij zijne eerste ontmoeting verandert hij zijnen naam âSimonquot; in âPetrusquot; (rots) '). Waar de H. Mattheus de twaalf apostelen opnoemt, begint hij (ofschoon, volgens tijd, Andreas het eerst was geroepen) als volgt: âDe eerste: Simon, die Petrus genoemd wordtquot;. -) Overal in het Evangelie en. in de Handelingen der Apostelen verschijnt Petrus als aanvoerder der Apostelenschaar. â¢v) Lucas vat meerdere Apostelen samen eenvoudig als âPetrus en zijne gezellenquot;. 1)
1
V, 3, 15 ; VIII, 20; IX, 32 vlg. ; X, 5 vlg. XV, 7 vlg. enz. 4) Luc. IX, 32.
203
Na de hemelvaart van Christus neemt hij terstond de leiding der Apostelen en der opkomende Kerk op zich, hij laat voor Judas in den persoon van Matthias een opvolger kiezen, hij houdt de eerste toespraak tot het volk enz.
8. Nadrukkelijk wordt aan Petrus en zijne opvolgers door Christus voor alle tijden het ambt van oppersten gezaghebber der Kerk beloofd, met die woorden, die ik u reeds vroeger in hun samenhang heb voorgelegd ') en die wij slag op slag bij de Kerkvaders terugvinden.
Christus had namelijk den Apostelen de vraag geteld, voor wien het volk, en daarna, voor wien zij zelf Hem hielden. Petrus antwoordt met de geestdriftvolle belijdenis: âGij zijt Christus, de Zoon van den levenden God.quot; jesus beloont zijn geloof, door als antwoord de belijdenis uit te spreken : Zalig zijt gij Simon, zoon van jonas; want vleesch en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader, die in den hemel is. En Ik zeg u; âGij zijt Petrus (steenrots) en op deze steenrots zal Ik mijne Kerk bouwen.quot; Meer nog! om te toonen, dat dit gebouwd zijn op Petrus eeuwige vastheid aan de Kerk verleent, voegt de Heiland er aan toe : âen de poorten der hel zullen haar niet overweldigen.quot; Zoo lang de Kerk duurt, zal zij hare hechtheid ontvangen van Petrus en zal Petrus leven ââ wel niet in persoon, maar toch in zijne opvolgers â want hij is het fundament der Kerk, en zoolang het fundament blijft, blijft ook het gebouw: zoodra het fundament bezwijkt, stort ook het huis ineen.
In welken zin echter moet Petrus het fundament zijn? In dien zin dat hij de drager is der hoogste macht in de Kerk, wel niet als onafhankelijk heerscher, maar als Stedehouder van Jesus Christus, den onzichtbare Koning van dit Godsrijk. Daarom heet het verder: âEn aan u zal Ik de sleutels van het hemelrijk geven. Al wat gij op aarde zult binden, zal ook in den hemel gebonden zijn; en al wat gij op aarde zult ontbinden, zal ook in den hemel ontbonden zijn.quot;
Nu vraag ik u, hoe kunt gij nog een sterker bewijs uit
1) Zie boven blz. (ilâ62.
204
de H. Schrift verlangen voor de waarheid, dat l'etrus door Christus tot oppersten leider en leeraar der Kerk is aangesteld, en dat dit zijn ambt zal voortduren tot aan het einde tier tijden? En wie heeft dit ambt van Petrus geërfd, zoo niet de bisschop van Rome?
Uwe protestantsche exegeten doen hun best, deze eenig mogelijke verklaring dezer schriftuurplaats te ontwijken. Christus zou, volgens sommigen, niet Petrus zeiven, maar het geloof van Petrus tot steenrots hebben bestemd; als hadde Hij met dit geloof een samenspraak gevoerd. Nieuwere apologeten, zooals Hase, geven de onmogelijkheid van deze verklaring toe. Wat zet echter bijv. Hase ervoor in de plaats ? Eene hoogvliegende, maar zoo duistere exegese, dat ik, ofschoon ik verschillenden geraadpleegd heb, tot op dit oogenblik nog geen verstaanbaren zin erin kan ontdekken; eene exegese, die met de volgende woorden sluit:
âin dezen zin is de belofte des Heeren in vervulling .gegaan. De op Petrus gestichte, op zijnen naam zich beroepende Kerk is meer dan duizend jaar lang de heerschende geweest, de machten der onderwereld hebben ze niet overweldigd; en heeft ook de geest van Petrus vaak slechts als een fantastische schaduw over haar gezweefd, toch heeft n en 'n haar de hem eigene natuur- en handelwijze willen erkennen, zooals ook zij met het zwaard er op los geslagen en meer dan eens den Heer, tegelijk met de christelijke vrijheid verloochend heeft, ofschoon zonder de tranen van Petrus.quot; ') Zou dus de op Petrus gevestigde Kerk niet door de poorten der hel overweldigd zijn, als zij âmeer dan eens den Heer benevens de christelijke vrijheid verloochendquot; had, en dat nog bovendien âzonder de tranen van Petrus?quot;
9. Doch ik wil eindigen. Slechts moet ik nog de woor-ilen vermelden, waarmede de Heiland zijnen toekomstigen stedehouder plechtig de gansche kudde feitelijk ter leiding
1) Hundbucli der prot. Polemik gegen die röm-kalh. Kirche, von D. Karl llasr, (â¢eheimen Kirchenrath, Professor d. Theol. an der Universital Jena, Comthur des (1. Sachs. O. vom weissen Kalken u. s. w.; '1 Verbesserte Aufl. Leipzig 1878 hl/.. â¢I2;{. Voor korten tijd is Hase ook tot den adelstand verheven.
205
overgeeft. Dit geschiedde na de verrijzenis, toen Hij aan de zee van Tiberias aan zijne Apostelen verscheen en met hen at.
âAls zij nu het maal genomen hadden, sprak Jesus tot Simon Petrus: Simon, zoon van Joannes, bemint gij Mij meer dan deze? Hij zeide tot Hem: Ja Heer, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij sprak tot hem; Weid mijne lammeren.
âAndermaal sprak Hij tot hem : Simon, zoon van Joannes, bemint gij Mij? Hij zeide tot Hem: Ja Heer, Gij weet dat ik U liefheb. Hij sprak tot hem : Weid mijne lamineren.
âHij sprak tot hem ten derden male: Simon, zoon van Joannes, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem gesproken had: hebt gij Mij lief? en zeide tot Hem: Heer, Gij weet alles. Gij weet, dat ik U liefheb. Hij sprak tot hem: Weid mijne schapen.quot; ')
Zoo nam dan Petrus na Christus' hemelvaart in diens plaats de zichtbare leiding der apostelenschaar en de opperste leiding der opkomende kerken op zich. Hij nam zijnen zetel te Antiochië, later te Rome. Hem volgden de bisschoppen van Rome op, niet enkel in de leiding van het bisdom Rome, maar tevens in de opperste leiding der gansche Katholieke Kerk. Van den beginne af aan en in den waren zin des woord door alle eeuwen heen zien wij dezen rang der bisschoppen van Rome als eenen rechtmatigen, op de opvolging van Petrus berustend, erkend. Er waren circa 260 bisschoppen van Rome, die als zichtbaar stedehouders des onzicht-baren Konings van dit rijk, Jesus Christus' Kerk, elkander opvolgden, tot aan den thans roemvol regeerenden bisschop van Rome : Paus Leo XIII.
Zoo werden de voorspellingen der vóórchristelijke tijden vervuld, met name deze voorspelling:
âIn ile dagen dezer koninkrijken zal de God des hemels een rijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal vernietigd worden. Zijn rijk, zal aan geen ander volk worden gegeven
1) Je. X\l. 15â17. Zie boven hl/.. ITS.
2o6
en het /.al verbrijzelen en vernietigen al die rijken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid.quot; ')
âEn in de laatste dagen zal de berg van het huis des Heeren staan op den top der bergen en zich verheffen boven de heuvelen en alle natiën zullen er heenstroomen.
âEn vele volken zullen gaan en zeggen: Komt laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot het huis van den God van Jacob, dat Hij ons leere zijne wegen en dat wij wande-]en op zijne paden. Want van Sion zal uitgaan de wet en het woord des Heeren van Jerusalem.quot; -)
7. De leer over de Rechtvaardigmaking.
(i. Brief van Edgak.)
Eerw. Pater! Mijn besluit is genomen. Ik wil niet enkel tot het onzichtbare, ik wil ook tot het zichtbare rijk van Jesus Christus behooren, tot de door hem gestichte ééne heilige katholieke en apostolische Kerk, ik wil katholiek worden. De gronden, die gij aanvoert voor de waarheid, dat Christus de Apostelen, met den H. Petrus aan het hoofd, en voor den lateren tijd beider opvolgers den last heeft gegeven alle volkeren te leeren, deze gronden hebben mij overtuigd. Nu volgt echter uit deze waarheid voor mij de heilige plicht, de leer dezer gevolmachtigde Kerk van Christus aan te nemen, te belijden, te volgen.
Mijne verhouding tot u is hierdoor eene wezenlijk andere geworden. Ik ben niet meer uw tegenstander, die toevallig met u disputeert ; ik ben uw leerling, die in u eenen gevolmachtigde ziet van het kerkelijk Leeraarsambt. Stoot ik dus op moeielijkheden, dan leg ik ze u voor, niet meer als betwij-
â n Dan. II. 44. 2) Isoias II, 2, S.
207
fekle ik de waarheid van den katholieken godsdienst, maar om van u opheldering te ontvangen.
Want ; âik geloof alles, wat God geopenbaard heeft en ons door Zijne heilige Katholieke Kerk te gelooven voorstelt.quot; In het bijzonder geloof ik aan de onfeilbaarheid van het kerkelijk Leeraarsambt, zooals het zich in de algemeene conciliën belichaamt, in punten van geloofs- en zedeleer. En wijl het algemeene Vaticaansche Concilie, wijl het geheele over den aarbol verspreide Episcopaal het leerstuk heeft verkondigd en aangenomen, dat de opperste herder der Kerk, de stedehouder van Jesus Christus, ook dan wanneer hij zonder oproeping der overige bisschoppen eene geloofsvraag definitief beslist, evenzeer krachtens Cods Wijsheid en Almacht voor het verkondigen van dwaalleer gevrijwaard blijft: zoo geloof ik ook met geheel mijn hart aan de onfeilbaarheid des bisschops van Rome in de uitoefening van zijn leeraarsambt.
Den Rubikon ben ik dus over. Toch zou ik nog gaarne in sommige punten opheldering willen verzoeken en wel eerst en vooral over de leer van de rechtvaardigmaking. Immers, zooals bekend is, meende Luther juist wegens deze leer zich van de eenheid der Kerk te moeten afscheiden. Ik verzoek u daarom, mij eenvoudig de katholieke leer van de rechtvaardigmaking uiteen te zetten. Het is niet noodig, dat gij ze, zooals bij het Primaat, met bewijzen uit de H. Schrift en de Traditie staaft. Want zoodra het bij mij vaststaat wat katholieke leer is, staat het ook vast, dat deze leer tevens de leer is der H. Schrift en van alle christelijke eeuwen.
(2. Antwoord des Paters.)
Vooreerst wensen ik u van ganscher harte geluk met uw besluit, welks zegenrijke strekking gij eerst met verloop van tijd en vooral op het sterfbed en aan gene zijde des grafs meer en meer zult begrijpen en waardeeren. Ga voorloopig voort met nederig en vurig te bidden en in uw gebed u jegens God bereid te verklaren tot ieder offer, dat de uit-
2o8
voering van dit besluit zou kunnen vorderen ; want offers zal het kosten in velerlei vorm.
De recht vaardigmak in y â om zonder omhaal van woorden uwe vraag te behandelen â de rechtvaardigmaking is de overgang van den toestand der zonde tot den staat der rechtvaardigheid. De zonde bestaat daarin dat de wil zich afwendt van God, en deze afkeer van den wil, zoo zij den hoogsten graad bereikt, heeft afkeer des verstands, heeft ongeloof ten gevolge, zoodat de geheele inwendige mensch zich afwendt van God : zijn verstand en zijn wil. De rechtvaardigmaking moet dus den tegenovergestelden weg inslaan. Zij begint met de erkenning van God en het geloof aan Zijne openbaring ; zij ontwikkelt zich verder door de hoop op vergeving der zonde en het eeuwig heil; zij vindt haar voltooiing in de liefde, die de volmaaktste vereeniging is met God.
Maar ik wil liever het Concilie van Trenle voor mij laten spreken. Dit concilie verklaard in zijne 6e zitting van den 13611 Januari 1547 als volgt;
âVermits in deze tijden niet zonder verlies van vele zielen en zonder ernstige schade voor de kerkelijke eenheid eene valsche leer omtrent de rechtvaardigmaking is uitgestrooid, beoogt, tot lof en eer van den Almachtigen God, voor de rust der Kerk en het heil der zielen, het hoogheilig, oecu-meensche en algemeene, in den H. Geest wettig vergaderde Concilie van Trente, op hetwelk in den naam van onzen Heiligsten Vader en heer in Christus, den Heer Paulus III, door de Goddelijke Voorzieningheid Paus, het voorzitterschap voeren: de Hoogwaardigste Heeren, de Heer Joannes Maria, bisschop van Praeneste de Monte, en Marcellus, priester van den titel des H. Kruises in Jerusalem, kardinalen der heilige Poomsche Kerk en Apostolische delegaten de latere, voor alle geloovigen uiteen te zetten de ware en gezonde leer over de rechtvaardigmaking, welke de zon der rechtvaardigheid, Christus Jesus, de oorsprong en Voltooier van ons geloof, geleerd, de Apostelen overgeleverd en de Katholieke Kerk onder ingeving des H. Geestes voortdurend heeft vastgehouden; tegelijk met den meesten nadruk ver-
io)j
biedend, dat in dc toekomst iemand het wage anders tc gelooven, te prediken of te leeren, dan in dit besluit wordt bepaald en verklaard.....
âHet verklaart verder, dat het begin dezer rechtvaardig-making bij de volwassenen moet uitgaan van de door Jesus Christus ons voorkomende genade Gods, dat is, van Zijne roeping, waardoor zij zonder eenige persoonlijke verdiensten geroepen worden, zoodat degenen, die door de zonde van God waren afgewend, door zijne opwekkende en medewerkende genade worden voorbereid zich te wenden tot hunne eigene rechtvaardigmaking, daardoor, dat zij der genade vrij hunne toestemming en medewerking verleenen: zóó dat, terwijl God het hart des menschen door de verlichting des H. Geestes raakt, de mensch zelf noch volstrekt werkeloos is door deze verlichting in zich op te nemen: daar hij ze ook kan terugwijzen; noch van den anderen kant zonder de genade Gods bij machte is zich door zijnen vrijen wil voor Hem ter gerechtigheid te bewegen. Vandaar dat wij in de H. Schrift met de woorden: âKeert u tot Mij, en Ik zal Mij keeren tot uquot; aan onze vrijheid worden herinnerd : daarentegen door ons antwoord : âKeer U, o Heer, tot ons cn wij zullen bekeerd wordenquot; bekennen, dat de genade Gods ons voorkomt.
âMen bereidt zich echter voor op de gerechtigheid, daardoor, dat men, door de goddelijke genade opgewekt en gesteund, het geloof in zich opneemt door het gehoor, zich vrijwillig wendt tot God en aan de waarheid gelooft van datgene, wat God geopenbaard en beloofd heeft, voornamelijk dat de goddelooze gerechtvaardigd wordt door God, door Zijne genade, door de verlossing die is in Christus Jesus; en dat men, zich erkennend als zondaar, door dc vrees voor de goddelijke Rechtvaardigheid, waardoor men heilzaam geschokt wordt, zich begevend tot de beschouwing der goddelijke Barmhartigheid, met hoop wordt bezield, vertrouwend dat God om Christus' wil genadig zal zijn, en begint Hem te beminnen als de bron van alle gerechtigheid; dat men deswege door haat en afschuw tegen de zonde
'4
2 10
wordt bewogen, dat is, door die boetvaardigheid, die vóór het Doopsel moet verricht worden; dat men eindelijk zich voorneemt het Doopsel te ontvangen, een nieuw leven te beginnen en de goddelijke geboden te onderhouden. Van deze voorbereiding staat geschreven: âWie lot God wil naderen, moet gelooven, dat Hij is en een vergelder is voor die Hem zoeken;quot; en: âvertrouw, zoon, uwe zonden worden u vergeven;'' en: âde vrees des Heeren drijft de zonde uit;quot; en: âdoet boete, en een iegelijk uwer worde gedoopt in den naam van Jesus Christus tot vergeving uwer zonden;quot; en : âgaat derhalve en leert alle volkeren en doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Gees-tes, en leert hen onderhouden al hetgeen Ik u bevolen heb;quot; eindelijk: âbereidt uwe harten den Heer.quot;
âOp deze geschiktmaking of voorbereiding volgt de recht-vaardigmaking zelve, welke niet enkel vergiffenis der zonden is, maar ook heiliging en vernieuwing van den inwendigen mensch, door de vrijwillige opneming der genade cn gaven; vandaar dat de mensch van onrechtvaardig rechtvaardig, van vijand vriend wordt, opdat hij erfgenaam zij volgens de hoop des eeuwigen levens. De oorzaken dezer rechtvaardig-making zijn de/.e â en wel de eindoorzaak: de eer van God en van Christus en het eeuwige leven; de bewerkende echter: de Barmhartige God, die om niet reinigt en heiligt, teekenend en zalvend met den Geest der belofte, die is het onderpand onzer erfenis; de verdienende oorzaak echter is zijn zeergeliefde Zoon onze Heer Jesus Christus, die, toen wij vijanden waren, wegens zijne overgroote liefde, waarmede Hij ons bemind heeft, door zijn heilig lijden aan het kruishout ons de rechtvaardigmaking verdiende en God den Vader voldoening schonk in onze plaats; verder de werktuigelijke oorzaak: het Sacrament des Doopsels, hetwelk het sacrament des geloofs is, zonder hetwelk niemand der rechtvaardigmaking deelachtig wordt; eindelijk de eenige formeele oorzaak is de Rechtvaardigheid Gods, niet die waardoor Hijzelf rechtvaardig is, maar die door welke Hij ons rechtvaardig maakt, waardoor wij namelijk, van Hem begiftigd, in den geest on/.es harten vernieuwd worden, en niet alleen
211
voor rechtvaardig gehouden, maar waarlijk rechtvaardig genoemd worden en het ook zijn, rechtvaardigheid in ons opnemend, eenieder naar de mate welke de H. (leest toebedeelt naardat Hij wil, en naar een iederseigene voorbereiding en medewerking. Want, ofschoon niemand rechtvaardig zijn kan dan hij, wien de verdiensten van het Lijden onzes Heeren Jesus Christus worden toebedeeld, worden r.ij toch in deze rechtvaardigmaking der goddeloozen toebedeeld doordat de liefde Gods, door de verdienste van ditzelfde heiligste Lijden, wordt uitgestort in de harten van hen, die rechtvaardig gemaakt worden, en hun bijblijft, zoodat de mensch op het oogenblik der rechtvaardigmaking tegelijk met de vergiffenis der zonden dit alles mede uitgestort ontvangt door Jesus Christus op Wien hij geënt wordt: het geloof, de hoop en de liefde. Want het geloof, wanneer de hoop en de liefde er niet mede verbonden zijn, vereenigt ons niet volmaakt met Christus en maakt ons niet tot levend lidmaat van zijn heilig Lichaam. Daarom wordt met volle waarheid gezegd, dat het geloof zonder de werken dood en ijdel is en dat in Christus Jesus noch besnijdenis eenige kracht heeft noch onbesnijdenis, maar het geloof, door de liefde werkende. Dit geloof begeeren de catechumenen, volgens de overlevering der Apostelen, vóór het Sacrament des Doopsels van de Kerk, als zij het geloof begeeren, dat het eeuwige leven verleent, hetwelk het geloof zonder hoop en liefde niet verleenen kan. Daarom vernemen zij ook terstond het woord van Christus: âWilt gij tot het leven ingaan, onderhoud de geboden.quot; ....
âWanneer echter de Apostel zegt. dat de mensch gerechtvaardigd wordt door het geloof en om niet, zoo zijn deze woorden in dien zin te verstaan, welken de bestendige overeenstemming der Katholieke Kerk heeft vastgehouden en uitgedrukt, dat wij namelijk in zooverre door het geloof gerechtvaardigd heeten, als het geloof het begin des men-schelijken heils, grondslag en wortel aller rechtvaardigmaking is, en dat het zonder hetzelve onmogelijk is Gode te behagen en tot de gemeenschap Zijner kinderen te geraken ; daarentegen heet het, dat wij om niet gerechtvaardigd wor-
212
den, wijl niets van alles, wat aan de rüchtvaardigmaking voorafgaat, hetzij geloof of werk, de genade der rechtvaar-digmaking zelve verdient. Want, indien het genade is, is het niet meer uit de werken; anders ware, zooals dezelfde Apostel zegt, âde genade niet meer genade.quot; ')
Het voorafgaande heb ik uit de uiteenzetting van het Concilie van 'l'rente gelicht. Aan deze leer knoopt het Concilie de veroordeeling vast van die dwalingen, die in de 16e eeuw vooral in zwang waren. Ook van deze veroordeelde stellingen wil ik eenige, die van bijzonder belang zijn, in het licht stellen:
Canon i.
âIndien iemand zegt, dat de mensch door zijne w.rken. die ofwel door de krachten der menschelijke natuur, of ingevolge de leer der wet geschieden, zonder de goddelijke genade door Jesus Christus, voor Cod gerechtvaardigd kan worden: die zij in den ban.quot;
Canon 2.
âIndien iem md zegt, dat de goddelijke genade door Jesus Christus slechts daartoe wordt gegeven, dat de mensch ge makkelijker rechtvaardig zou kunnen leven en het eeuwig leven verdienen, alsof hij het eene zoowel als het andere door zijnen vrijen wil zonder de genade, hoewel gebrekkig en moeielijk, konde bereiken: die zij in den ban.quot;
Canon 3.
âIndien iemand zegt, dat de mensch zonder voorafgaande ingeving des Heiligen Ceestes en zonder I )iens bijstand kan gelooven, hopen, beminnen of boete doen, zooals liet be-
1) Cone. Trid. Se*?. VI jnslil. eap. 1âs.
hoort, opdat htm de genade der rechtvaardiging worde toebedeeld : die zij in den ban.quot;
Canon 4.
âIndien iemand zegt, dat de vrije wil des menschen, door Cod bewogen en opgewekt, door zijn toestemming te geven aan de opwekking en roeping van Cod niets medewerkt, om zich daardoor voor het ontvangen van de genade der rechtvaardiging ontvankelijk te maken en voor te bereiden: en dat hij, al hij zou willen, zijne toestemming niet zou kunnen weigeren, maar, als een levenloos iets, hoegenaamd niets verricht en zich geheel lijdend gedraagt: die zij in den ban.quot;
Canon 5.
âIndien iemand zegt, dat de vrije wil des menschen na de zonde van Adam verloren en uitgedoofd is, ot dat hij eene zaak is alleen van naam, of liever een naam zonder zaak, eindelijk, een door den duivel in de Kerk Ingevoerd verdichtsel: die zij in den ban.quot;
Canon 6.
âIndien iemand zegt, dat het niet in des menschen macht ligt, zijne wegen slecht te maken, maar dat de slechte zoowel als de goede werken door Cod worden tot stand gebracht, niet enkel door toelating, maar in eigenlijken zin door Zijn toedoen, zoodat het verraad van Judas niet minder Zijn eigen werk is, dan de roeping van Paulus: die zij in den ban.quot; ')
Ziedaar dus de grondtrekken der katholieke leer over de rechtvaardigmaking, zooals de Kerk ze heeft gedefinieerd tegenover de Reformatoren der 16e eeuw. Cij zult mij moe-
I) (lone. Trid. Scss VI do justif. Iâr».
214
ten toegeven, dat zij in alle deelen redelijk, overeenkomstig met de Schrift en Christelijk zijn en dat zij niet te kort doen aan het geloof, de genade en de verdiensten van Jesus Christus ten bate der goede werken ; dat zij veeleer aan ieder dezer factoren de plaats inruimen, die ze toekomt. En wijl deze leer zoowel vóór als na het optreden van Luther en Calvijn geloofd werd, hadden die mannen geen reden, om ter wille van haar de eenheid der Kerk uit haar verband te rukken.
Maar aangenomen, dat deze grondstellingen vóór Luther rerduisterd geweest en eerst op het Concilie van Trente tot haar recht gekomen waren, dan zouden de aanhangers der Hervorming althans nu (nadat de Katholieke Kerk de, naar het heet, verlaten waarheid weer erkend heeft) hunne schei -ding niet langer mogen volhouden, maar tot de eenheid van vroeger moeten terugkeeren. In elk geval echter handelen zij verkeerd, wanneer zij na de besluiten van het Concilie van Trente de Katholieke Kerk beschuldigen, dat zij ten bate der goede werken het geloof, de genade en de verdiensten van Jesus Christus te kort doet.
Gave God, dat alle Protestanten dit inzagen en dat dj stuk voor stuk de zoogenaamde afwijkingen der Katholieke Kerk toetsten. Zij zouden lot de ontdekking komen, dat de Katholieke Kerk geheel iets anders leert, dan men haar in protestantsche geschriften ten laste legt; zij zouden inzien, dat voor de godsdienstige scheiding hoegenaamd geen deugdelijke grond voorhanden is, en zij zouden weder toetreden tot de Kerk, die hunne vaderen verlieten.
8. Genade en goede werken.
(Brief des Paters.)
Waarde vriend! Bij mijnen kaatsten brief heb ik nog een klein supplement te voegen, om u duidelijk te maken wat wij Katholieken leeren omtrent de goede werken.
2IS
Voorshands maak ik de bemerking, dat wij onder goede werken niet het bloot uiterlijk verrichte werk verstaan. Eene uit ijdelheid gegeven aalmoes, een uit huichelarij ontvangen Sacrament is volgens onze opvatting geen goed werk, maar eene zonde; het verdient geen loon, maar straf.
Een goed werk is veeleer eene handeling, die uiteenenop deugd berustenden beweeggrond, bijv. uit liefde tot God of tot den naaste ontspringt. Op het uiterlijke werk komt het daarbij niet zoozeer aan, maar wel op de meening waarmede men het verricht. De arme en zieke, die gaarne werken van naastenliefde zou willen verrichten, maar hierin door omstandigheden buiten hem wordt verhinderd, zal in Clods oog meer verdiensten hebben, dan de rijke, die uit min zuivere oogmerken duizenden wegschenkt als aalmoes; en van de arme weduwe van het Evangelie (Marc. XI1, 41-44) verklaart Tesus, dat zij met hare twee penningen meer in de offerbus geworpen heeft dan al de rijken, die gaven van hun overvloed.
Maar hoe kan er bij ons arme zondaars dan nog spraak zijn van verdienste voor God? Ik zal het u zeggen: dit kan geschieden door de genade van Christus, wijl Christus ons zijne heiligmakende genade als bovennatuurlijk levensbeginsel heeft ingestort, en wijl Hij door zijne werkende genade voortdurend in ons werkt. Christus zelf zet ons deze verhouding uiteen in de schoone parabel van den wijnstok, met de volgende woorden:
,.Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank in Mij, die geene vrucht draagt, zal Mij wegnemen; en elke, die vrucht draagt, zal Hij zuiveren, opdat zij meer vrucht drage.
âGij zijt nu rein, om het woord, hetwelk Ik tot u gesproken heb. Blijft in Mij en Ik (blijf) in u. Gelijk de rank uit zichzelve geene vrucht kan dragen, tenzij zij in den wijnstok blijft, zoo ook gij niet, tenzij gij in Mij blijft.
.,Ik ben de wijnstok, gij zijt de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.quot; ')
1) Ju. xv, 1â5.
21 6
Nu zou ik toch meenen, dat een rank aan den wijnstok, Christus, wel goede vruchten, d.i. goede werken ^.al kunnen voortbrengen! En mij dunkt, dat men aan de verdiensten van Christus niet te kort doet met te beweren, dat ook wij, als ranken aan den wijnstok Christus, in staat zijn goede werken te verrichten.
Dat echter zulke werken hunne verdienste, hun loon in den hemel ontvangen, dat leert ons Christus in zijne beschrijving van het jongste oordeel:
âAlsdan zal de Koning zeggen tut hen, die aan zijne rechterhand zullen zijn : Komt, gezegenden mijns Vaders, bezit het rijk, hetwelk van de grondlegging der wereld voor u bereid is. Want ik heb honger gehad, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik heb dorst gehad en gij hebt Mij te drinken gegeven.quot;
Verwonderd zullen de rechtvaardigen vragen, wanneer zij den Rechter der wereld dergelijke liefdediensten bewezen.
âEn de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen : Voorwaar, Ik zeg u ; wat gij aan éénen van deze mijne geringste broeders gedaan hebt, dat hebt gij Mij gedaan.quot;
Het tegenovergestelde vonnis wordt dan uitgesproken over de zondaars :
âEn dezen zullen ingaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.quot; 'j
Gesteund op deze gelijkenis van den wijnstok en op zinverwante plaatsen der H. Schrift, mogen wij Katholieken dus met alle gerustheid gelooven, dat er goede werken zijn en dat men daarmede den hemel verdient. Natuurlijk is het eene genade van Jesus Christus dat wij op Hern, den waren wijnstok, geënt zijn en ten gevolge daarvan waarlijk goede werken kunnen verrichten. Maar te beweren, dat de leer van de goede werken te kort doet aan de genade of zelfs aan de verdiensten v.m Christus, is eenvoudig onverstand !
1) Mallh. XXIV en XXV; verg. boven IjIz. SIâ82.
217
9. Uitlegging der Trentsche Geloofsbelijdenis.
(Briek des Paters.)
Waarde vriend. Gij vraagt om inlichting omtrent verschillende punten uit de Trentsche geloofsbelijdenis, omdat gij, zooals ik begrijp, nauwkeurig op de hoogte wilt zijn met datgene, wat gij bij uwen terugkeer tot de Katholieke Kerk zult moeten belijden. Ik zou u kunnen verwijzen naar onzen katholieken catechismus, dien gij bij iederen katholieken boekhandelaar kunt bestellen; echter meen ik u tenminste sommige plaatsen zelf met een enkel woord te moeten toelichten. Ket zijn de volgende:
i. Het r/czaij der Kerkvaders.
In de geloofsbelijdenis staat met betrekking tot de H. Schrift: âIk wil ze niet anders dan volgens de eensluidende overeenstemming der heilige Vaders aannemen en uitleggen.quot;
Deze woorden brengen een Protestant, ook wanneer hij overigens geen bezwaar heeft tot de Kerk terug te keeren en zich aan haar gezag te onderwerpen, somwijlen in verlegenheid. De vraag dringt zich aan hem op: moet ik dan naast de onfeibaarheid der Kerk nog een tweede onfeilbaarheid, die der Kerkvaders, belijden ?
Zoo staat de zaak niet. De eenstemmige overtuiging der Kerkvaders, die gedurende de eerste duizend jaren de kerkelijke wetenschap vertegenwoordigden, kan niets anders zijn dan eene uiting der in de Kerk krachtens de beloften van Christus bestendig voortlevende waarheid. In sommige punten, die thans onbetwistbaar zeker tot deze waarheid behooren, bijv. in de leer van de Onbevlekte Ontvangenis, weken enkele kerkvaders af. Waar zich echter in hunne verklaring der H. Schrift zulk eene afwijking niet voordoet, daar moet deze overeenstemming als onwraakbaar getuigenis der waarheid gelden. Deze gevallen, waarin algemeene overeenstemming heerscht, zullen overigens wel niet zoo heel talrijk zijn. Het is dus slechts dc onfeilbaarheid der Kerk.
2 1 8
die in de overeenstemming der Kerkvaders aan den dag komt.
Zoudt gij ondanks deze verklaring bij dit punt nog bedenkingen hebben, dan hebt gij uw oordeel eenvoudig aan de onfeilbare uitspraak der Kerk te onderwerpen; want de Kerk schrijft voor, dat men zich bij de uitlegging der H. Schrift aan de eenstemmige leer der Kerkvaders te houden heeft.
2. Dc zeven Sacra»ie)ite)i.
In de Trentsche geloofsbelijdenis lezen wij verder :
.,Jk belijd ook, dat er waarlijk en eigenlijk zeven Sacramenten der nieuwe Wet zijn, van Jesus Christus onzen Heer ingesteld, en tot zaligheid der menschen noodzakelijk, schoon ze alle aan een ieder niet noodig zijn; namenlijk : het Doopsel, het Vormsel, het heilig Sacrament des Altaars, de Biecht, het laatste Oliesel, het Priesterschap en het Huwelijk; en dat deze Sacramenten genade geven; ook dat het Doopsel, het Vormsel en het Priesterschap zonder heilig-schending niet meer dan eens kunnen ontvangen worden.quot;
Al deze Sacramenten kunnen niet alleen uit de Traditie, maar ook uit de H. Schrift worden aangetoond, ofschoon het bewijs uit de Traditie der Kerk voldoende moest zijn; voor ieder geloovige in 't bijzonder, of hij geleerd is of niet, moet het zelfs voldoende zijn te weten, dat de Katholieke Kerk de goddelijke instelling dezer zeven Sacramenten als geloofspunt leert.
Overigens is bijv. de instelling van het Sacrament der Biecht even duidelijk als die van het Doopsel en het Avondmaal in de H. Schrift te vinden, en wel in de woorden, die Jesus na zijne Verrijzenis tot de vergaderde leerlingen richt: âVrede zij met u! Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zoo zend Ik u.quot; Als Hij dit gezegd had, blies Hij over hen en sprak tot hen: âOntvangt den H. Geest. Wier zonden gij zult vergeven, dien worden zij vergeven; en wier zonden gij zult houden, dien worden zij gehouden.quot;quot; ')
i) Jo. XX, 21â
219
Deze zeven Sacramenten dus, die door Christus zijn ingesteld, omspannen wonderschoon het leven van den Christen. De vijf eerste staan onmiddellijk in betrekking tot ieder afzonderlijk. Door het Doopsel wordt de mensch geboren voor het bovennatuurlijk leven der genade; het Vormsel staalt hem tot den strijd des mannelijken levens; het Aller-heiligste Sacrament des Altaars is zijn voedsel als pelgrim op aarde en het onderpand zijner verrijzenis; de Biecht wekt hem opnieuw ten leven wanneer hij plichtvergeten het leven der genade heeft verspild; het //. Oliesel eindelijk sterkt hem ten laatsten strijd.
Gelijk deze vijf Sacramenten den afzonderlijken Christen door het leven geleiden, zoo dienen de beide overige als middel voor de instandhouding der Christenheid als gemeenschap: het Priesterschap zorgt voor de geestelijke ontwikkeling, het /Æuweljk heiligt de lichamelijke voortplanting der Christenen.
Zoo wordt het leven van ieder afzonderlijk, zoowel als dat der christelijke gemeenschap, door de volheid dezer zeven Sacramenten als het ware gedrenkt en doortrokken met genade.
3. De Erfzonde, de onbevlekte Ontvangenis en de heiligmakende Genade.
âIk neem ook aan en keur goed al hetgene tie heilige Kerkvergadering van Trente over de Erfzonde en de Recht-vaardigmaking heeft beslist en uitgesproken.quot;
Wat het Concilie van Trente leert omtrent de rechtvaar-digmaking, heb ik u, voor de hoofdzaak ten minste, meegedeeld. Hier wil ik nog eenige gedachten aangaande de erfzonde ten opheldering eraan toevoegen.
God had den eersten mensch een gebod opgelegd, opdat hij zijne vrijheid door gehoorzaamheid jegens zijnen Schepper zou doen blijken. Adam was door God gesteld als stamvader en vertegenwoordiger van geheel het mensche-lijk geslacht: zijne gehoorzaamheid zou als de gehoorzaamheid, zijne ongehoorzaamheid als de ongehoorzaamheid
220
van geheel het geslacht gelden. Zoo had (lod op geheimvolle wijze Adam tot vertegenwoordiger der menschheid bestemd.
Adam doorstond de proef niet, en zoo sleepte hij het ge-heele geslaciit in zijnen val mede, het deelde in zijne zonde en zijne straf; het verloor hierdoor de heiligmakende genade en daarmee het burgerrecht voor den hemel.
Ofschoon ik zeide, dat het geheele menschelijk geslacht door , ö' God in rechterlijke afhankelijkheid van Adam was geplaatst en tengevolge daarvan deelde in zijn val, zoo is toch, zooals van zelf spreekt, Christus, de Zoon van den levendén God, ofschoon Hij ook door zijne geboorte uit Maria tot het nakroost van Adam behoort, hiervan uitgezonderd. Hij treedt veeleer op als de nieuwe Adam, de nieuwe Stamvader, van wien de delging der schuld uitgaat, gelijk van den eersten Adam de schuld.
Maar ook, gelijk Eva deel had in Adams val, hem zelfs ten val verleidde, zoo had ook deel aan het werk des tweeden Adams eene tweede Eva, de altijd Reine, de altijd Maagdelijke, de âMoeder der goddelijke genade,quot; tot wie de engel sprak: âWees gegroet, gij vol van genade, de Heer is met u, gezegend zijt gij onder de vrouwen.quot; ') En gelijk Eva gehoor gaf aan het woord der slang, zoo gaf Maria gehoor aan het woord des engels en sprak: âZie, ik ben de dienstmaagd des Heeren, mij geschiede naar uw woordquot;. -) Op deze inwilliging van Maria, up dit âFiat,quot; âis het Woord vleesch geworden en heeft onder ons gewoondquot;.
Is het wel denkbaar, dat deze tweede Eva ooit deelge-noote zou geweest zijn in Adams zonde? De Kerk, gesteund op de H. Schrift en de Overlevering, is de tegenovergestelde meening toegedaan; want het Concilie van Trente verklaart:
âDat het niet in zijne bedoeling ligt in dit besluit, waarin van de erfzonde gesproken wordt, ook de H. Maagd en Moeder Gods Maria op te nemen.quot;
Paus Pius IX heeft echter, zooals u zal bekend zijn. op den
i) Luc. I, 28. 2) Luc. I, IJ8. 3) .lu. I. l'i.
22 1
Sen December 1854 onder algemeene toejuiching van hel katholieke volk der geheele wereld de Onbevlekte Ontvangenis van Maria plechtig als dogma verkondigd, d. w. z. hij heeft verklaard, dat Maria in geen enkel oogenblik van haar bestaan ooit bevlekt geweest is met de erlzonde. Even rein als Adam en Eva kwam dus ook zij te voorschijn uit de hand van haren Schepper.
Wij overige kinderen van Adam verkeeren niet in denzelfden toestand; wij worden eerst door het Doopsel van de erfzonde bevrijd. Immers, gelijk wij door de afstamming van Adam met de zonde worden bevlekt, zoo worden wij door de tweede geboorte, de wedergeboorte door het Doopsel, als ledematen verbonden met den tweeden Adam, den Verlosser: en gelijk wij door de afstamming van Adam de menschelijke natuur ontvangen en gelijk worden aan onzen stamvader, zoo maakt ons de wedergeboorte âaan de goddelijke natuur deelachtigquot; ') daardoor, dat zij eene hoogere natuur, de heiligmakende genade, als een nieuw, een bovennatuurlijk levensbeginsel uitstort in onze ziel.
Gij moet u namelijk de heiligmakende genade niet als eene bloote gunst voorstellen, niet in dien zin, zooals men wel zegt dat iemand bij eenen vorst in genade is aangenomen. De heiligmakende genade is veeleer een werkelijk en physisch iets, als het ware eene ziel van de ziel, doch altijd met dien verstande, dat de genade niet op zichzelf, zonder de ziel, kan bestaan, ongeveer gelijk de /.iel na den dood onafhankelijk van het lichaam bestaat.
Deze heiligmakende genade nu, die wij in het Doopsel ontvangen, maakc ons gelijkvormig aan God, kinderen Gods, tempels van den H. Geest, en verleent ons het erfrecht op den hemel, in de veronderstelling, dat wij in dien staat van genade sterven en ze niet door eene doodzonde hebben verloren. Zonder dit bruiloftskleed der heiligmakende genade kan niemand den hemel binnengaan; deze genade gaat in het andere leven over in het licht der glorie, waardoor wij
li 11 IVIr. 1, i.
222
(iod aanschouwen; zij is voor vermeerdering vatbaar en zij neemt toe door ieder goed werk, voornamelijk telkens wanneer wij waardig een Sacrament ontvangen. Zoo groot zij zal geworden zijn op het oogenblik van onzen dood, zoo groot is ook voor alle eeuwigheid het licht der glorie en daarmede het geluk des hemels. Tegelijk met de heilig-makende genade echter worden de bovennatuurlijke deugden (inzoover ze niet reeds voorhanden zijn) in de ziel uitgestort, eu wel voornamelijk het geloof, zonder hetwelk, volgens het woord van den H. Paulus, âhet onmogelijk is Gode te behagen.quot; r)
4. Buiten de Kerk (/een /teil.
Uit het gezegde kunt gij afleiden, waarom wij Katholieken beweren, dat er buiten de Kerk geen heil is. Deze stelling heeft een tweevoudigen zin. Ten eerste wordt er door uitgedrukt, dat op een ieder de plicht rust in te gaan tot de Katholieke Kerk, wijl Christus deze Kerk gesticht heeft opdat allen zich bij haar zouden aansluiten. Wie dezen plicht door eigen schuld, dus tegen beter weten in, verzuimt, begaat daardoor eene zware zonde en wordt niet zalig zoo hij in deze zonde sterft. Vandaar begint reeds het symbolum van Athanasius, dat zeer zeker uit de oudste tijden des Christendoms stamt, met de woorden: âAlwie zalig wil worden moet vóór alles het katholieke geloof bezitten; wie dit geloof niet geheel en ongeschonden bewaart, zal zonder twijfel eeuwig verloren gaan.quot; Dit geloof echter te bezitten en het niet voor de wereld willen belijden zou toch waarlijk niets anders dan veinzerij zijn of ten minste jammerlijke menschenvrees. In hoeverre zulk een niet-belijden voor tijd en wijle geoorloofd kan zijn, heeft de Kerk te beslissen.
Maar nog in eenen tweeden zin kan men zeggen, dat er buiten de Kerk geen heil is, wijl namelijk slechts de ledema ten der Katholieke Kerk nis het ware het toegangsbewijs voor
I) llelir, XI, li.
223
den hemd hezitten (iij zult verbaasd en verontwaardigd zijn over deze onverdraagzaamheid. Ik verzoek u echter mij eerst ten einde toe aan te hooren. Wij zullen voetje icor voetje verder gaan en zien, wat na den dood de verschillende klassen van menschen wacht.
Vooreerst, hoe gaat het den protestantschen kinderen, die na het Doopsel sterven? Zij gaan rechtdoor naar den hemel ; want zij sterven in den staat van heiligmikende genade. â Maar zij behoorden toch niet tot de Katholieke Kerk, en âbuiten de Kerk is er geen heil?quot; â Bedaard aan! Zij behooren misschien niet in den absoluut volmaaktsten zin tot de Katholieke Kerk; wat echter de hoofdzaak betreft, behooren zij tot haar; want er is slechts één Doopsel, en dit Doopsel (mag het door Protestanten of door Katholieken worden toegediend) maakt tot lidmaat der ééne, ware, door Christus gestichte d. i. der Katholieke Kerk.
Maar hoe staat het met de volwassen Protestanten geschapen? â Ingeval dezen nooit een zware zonde bedreven, zoo staat het met hen als met de protestantsche kinderen, d. w. z. zij komen in den hemel, wijl zij door het Doopsel, dat zij ontvingen, ingelijfd werden in de Katholieke Kerk en zich nooit moedwillig van haar hebben afgescheiden.
Maar hoe, wanneer een Protestant eene zware zonde heeft bedreven ? - - Dan moet hij het Sacrament der Biecht ontvangen, om wederom in het bezit der verloren genade te geraken. Is hem dit onmogelijk (bijv. wijl hij zonder zijne schuld onbekend is met de verplichting van te biechten) dan ontbreekt hem wel het zekerste middel ter zaligheid; maar toch is ook daarom de hemel nog niet voor hem gesloten; immers door een volmaakt berouw, d. i. dooreen berouw dat uit den hoogsten beweeggrond, uit de zuivere liefde tot (iod, ontspruit, wordt buiten de Biecht de zonde uitge-delgd en de heiligmakende genade teruggegeven, terwijl mei het Sacrament de minder volmaakte beweegredenen, zooals de hoop op den hemel en de vrees voor de hel, volstaan.
Doch hoe is het met de volwassenen, die nooit gedoopt
224
zijn, en zwaar gezondigd hebben? Zij verkeeren ongeveer inliet zelfde geval als die Protestanten, die na het Doopsel eene zware zonde bedreven ; d. w. z. zij moeten een volmaakt berouw verwekken; dit berouw vervangt bij hen het Doopsel, zooals het bij de Protestanten het sacrament der der Biecht vervangt, en wordt daarom Doopsel van begeerte genoemd. Verder kunnen zij door den marteldood het zoogen. Doopsel des bloeds ontvangen en zoowel het Doopsel van begeerte als het Doopsel des bloeds maakt den mensch in ruimeren zin tot lidmaat der Kerk, verleent hem de heiligmakende genade en ontsluit hem den hemel.
Hoe is het verder met de volwassenen, die op geen van deze drie wijzen gedoopt zijn, maar van den anderen kant ook nooit zwaar gezondigd hebben? â Wanneer zij doen wat hunne krachten hun veroorlooven, dan komen zij zeker tot het geloof en tot de Kerk (ten minste in den ruimeren zin) en in den hemel. Want God blijft niet in gebreke, ook al zou Hij eenen engel moeten zenden, om den waren weg te toonen. De annalen der missiën deelden ons wonderbare gevallen mede, dat grijsaards, door eene inwendige stem gedreven, van verre bij eenen missionaris aankwamen.
Wat ten laatste is het lot van de kinderen, die zonder Doopsel sterven? â Zeker is het, dat dezen niet tot het eeuwig heil kunnen geraken, dat zij niet in den hemel, tot de aanschouwing Gods worden toegelaten ; zeker is het ook, dat deze uitsluiting voor hen een soort van straf is, evenals het verlies van adeldom voor de nakomelingschap eens misdadigers, die voor zich en zijne nakomelingen den adellijken titel verloor. Betwist wordt het daarentegen, of zij behalve deze onttrekking van dat bovennatuurlijk goed, nog positieve straffen ondergaan, ofwel veeleer eene zekece natuurlijke zaligheid in het andere leven genieten. Ik voor mij geef aan de laatste opinie met beslistheid de voorkeur. Want het wil er bij mij niet in, hoe de erfzonde alleen, dus eene zonde die geen persoonlijke schuld in zich sluit, op andere wijze kan gestraft worden dan door onttrekking van een goed, waarop de menschelijke natuur niet het minste
225
recht lieett. Deze opinie heeft heden ten dage wel verreweg de meeste aanhangers.
Volgens deze meening zouden dan de ongedoopte kinderen in het andere leven een beter lot genieten dan wanneer zij niet bestonden. Het staat u overigens vrij, zoowel de ecne als de andere meening te volgen. De Katholieke Kerk laat hier vrije keus.
5. De werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars.
âIk belijd,quot; zoo luiden de woorden van het Concilie van Trente, âdat in het Allerheiligste Sacrament des Altaars het Lichaam en Bloed van onzen Heer Jesus Christus, met zijne Ziel en zijne Godheid, waarlijk, in der daad en in wezen tegenwoordig is, en dat de geheele zelfstandigheid van het brood in zijn Lichaam en de geheele zelfstandigheid van den wijn in zijn Bloed veranderd wordt, welke verandering in de Katholieke Kerk Transsubstantiatie genoemd wordt. Ook belijd ik, dat men onder iedere gedaante Christus, geheel en volkomen, en het Sacrament waarlijk ontvangt.quot;
Deze leer van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus vindt haren grond in de woorden des Verlossers : âNeemt en eet, dit is mijn lichaam.quot; Hij nam ook den kelk en dankte, en gaf hun zeggende: âDrinkt hieruit allen; want dit is mijn bloed des Nieuwen Verbonds, hetwelk voor velen zal vergoten worden, to: vergiffenis der zonden.quot; â¢)
Gelijk de Katholieke Kerk, zoo zien ook de Lutheranen met recht de leer van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus duidelijk in deze woorden uitgedrukt en ten onrechte meenen de Gereformeerden ze in figuurlijken zin te moeten opvatten, als eene bloote herinnering aan het Lichaam en Bloed van Christus. Geheel de christelijke oudheid spreekt hun tegen. Aan de werkelijke tegenwoordigheid echter ge-
11 Matth. XXVI, 20â28; Mare. XIV. â¢gt;»â25; Luc. .WH, -19â211.
15
220
looven tot op den huidigen dag niet enkel Katholieken en Lutheranen, maar ook Russen, Grieken, Bulgaren, Kopten, Armeniërs, Chaldeërs, en wel zonder uitzondering alle üoster-sche secten, die zich ten deele reeds voor anderhalf duizend jaren en meer van de Katholieke Kerk hebben afgescheiden. Zij allen hadden, in geval deze leer op een verkeerd begrijpen der H. Schrift berustte, al dien tijd in eene ontzettende dwaling verkeerd en aan een stuk brood en eenige drubbels wijn de eer bewezen, die den eengeboren Zoon Gods toekomt. Wat zouden we in dit geval moeten deuken van de woorden van Christus, waarmede Hij beloofde bij de zijnen te zullen blijven totaan het einde der dagen !
Doch niet enkel met de woorden der instelling b'j den H. Mattheus, Marcus en Lucas, maar ook op eene andere plaats, bij den H. Joannes, leert ons Christus met duidelijke woorden zijne tegenwoordigheid onder de gedaante van brood en wijn. âIk ben het brood des levens, zoo spreekt Hij. âUwe vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zijn gestorven. Dit is het brood, hetwelk uit den hemel nederdaalt, opdat wie daarvan eet, niet sterve. Ik ben het levende brood, dat van den hemel is neamp;erge-daald. Wie van dit brood eet, zal leven in eeuwigheid; en het brood, dat Ik geven zal, is mijn vleesch, voor het leven der wereld.quot;
De Joden vonden deze rede vreemd. Hadden zij de woorden van Christus enkel in figuurlijken zin kunnen verstaan, gelijk de Calvinisten, zoo ware iedere moeielijkheid geweken. Zulk eene verklaring echter lieten de bepaalde woorden niet toe. Zij streden derhalve onder elkander en zeiden: âHoe kan deze ons zijn vleesch te eten geven? Daarom sprak Jesus tot hen: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u: tenzij gij het vleesch van den Zoon des menschen eet, en zijn bloed drinkt, zult gij het leven in u niet hebben. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, heeft het eeuwige leven, en Ik zal hem ten jongsten dagen opwekken. Want mijn vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank. Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk Mij de levende Vader gezon-
227
den heeft, en Ik door den Vader leef, zal ook hij, die Mij eet, door Mij leven. Dit is het brood, hetwelk uit den hemel is nedergedaald: niet gelijk uwe vaderen het manna gegeten hebben en gestorven zijn. Wie dit brood eet, zal leven in eeuwigheid.quot;
Hadden de Joden onrecht gehad toen zij de vroeger gesproken woorden des Hei lands in hun letterlijken zin opvatten en ze daarom onbegrijpelijk vonden, dan ware het nu voor Christus hoog tijd geweest, hun deze dwaling op te helderen. Maar wel verre vandaar, de aangehaalde woorden zijn veelmeer eene bekrachtiging van den letterlijken zin.
Als zoodanig nemen ook de Joden deze woorden op en zeggen: âDeze rede is hard, en wie kan ze aanhooren?quot; Jesus weet dit, en nu was het toch ein des te dringerder plicht, hen uit hunne dwaling te helpen mits het eene dwaling ware. Zelfs de leerlingen nemen nu aansloot aan zijne woorden. Maar wat doet Jesus? Hij spreekt tot hen : âErgert u dit? Indien gij dan den Zoon des menschen zult zien opvaren, waar Hij te voren was?quot; m. a. w. even letterlijk en lichamelijk als Ik ten hemel zal varen, even letterlijk en lichamelijk zal Ik Mij ten spijs geven. ')
âVan toen af gingen velen zijner leerlingen terug en wandelden niet meer met Hem.quot; Het was hun nu duidelijk, dat Jesus letterlijk wilde verstaan worden en aan dezen letterlijken zin wilden zij zich niet onderwerpen, evenmin als de Calvinisten en Rationalisten van onze dagen.
Jesus liet hen gaan, maar tot de twaalven sprak Hij: âWilt gij ook weggaan? En Simon Petrus antwoordde: Heer, tot wien zullen wij gaan? (quot;rij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot; r)
Van dien tijd af was het steeds een geloofspunt der Kerk, dat in het Allerheiligste Sacrament des Altaars onder de gedaanten van brood en wijn geenszins gewoon brood of gewone wijn, maar het lichaam en bloed van Jesus Christus verborgen is; dat men dus in den vollen zin des woords
1) Verg. Luc. XIV, 50; Hand. 11, üâ11. 2) Jo. VI, 'iHâIJK.
2 28
zich vergrijpt aan het Lichaam en Bloed van Jesus Christus door het onwaardig nuttigen der H. Communie. Daarom zegt de Apostel Paulus: âWie onwaardig dit brood eet of den kelk des Heeren drinkt, is schuldig aan het Lichaam en Bloed des Heeren. De mensch beproeve daarom zichzelven en aldus ete hij van dit brood en drinke van dezen kelk j want wie onwaardig eet en drinkt, eet en drinkt zichzelven het oordeel, niet onderscheidend het Lichaam des Heeren.quot; ') Waren nu de woorden van Christus niet letterlijk te verstaan, dan zou men door het onwaardig nuttigen wel is waar eene zoude begaan, maar toch juist niet zich vergrijpen aan het Lichaam en Bloed des Heeren.
Zou men eene poging willen wagen, om de H. Schrift nog duidelijker de leer van Calvijn te laten buitensluiten, dan zou het moeite kosten duidelijker termen te vinden. Daarom zijn dan ook, zooals ik zeide, de woorden van fesus Christus van den eersten tijd af, ook door de Lutheranen, in dien zin opgevat, dat men werkelijk het Lichaam des Heeren in de H. Communie ontvangt.
Er is echter onderscheid tusschen de opvatting der Katholieken en der Lutheranen. De Katholieke Kerk verstond van oudsher het woord van Christus: âDit is mijn lichaam' in dien zin, dat hetgeen Christus in zijne hand hield, op hetzelfde oogenblik, als Christus dit woord sprak, reeds zijn lichaam was en het niet eerst eenige oogenblikken later werd, toen Hij het aan zijne leerlingen uitdeelde. In dit geval toch had hij moeten zeggen: âDit wordt mijn lichaam.quot; Het wonder blijft, in welk oogenblik men ook de verandering doet plaats vinden, in beide gevallen even groot. Daarom hield zich de Katholieke Kerk streng aan het woord der H. Schrift en leerde van den beginne afaan, dat de verandering plaats vindt op hetzelfde oogenblik waarop de priester in Christus' plaats spreekt: âDit is Mijn lichaam,quot; en niet eerst dan wanneer hij de Hostie aan de gelcovigen uitreikt.
1) I Cnr. XI. 27â2!l.
229
Luther stiet deze leer aller christelijke eeuwen omver. Hij had namelijk eerst eene andere, even oude leer op zij gezet, volgens welke er in de Christelijke Kerk een afzonderlijk priesterschap, bestaat, verschillend van het algemeen priesterschap dat iederen Christen toekomt. Het gevolg hiervan was, dat hij alle Christenen het priesterschap liet uitoefenen â⢠natuurlijk nu door de nuttiging van het brood. Van het oogenblik dezer nuttiging afaan moest hij dus de wezenlijke tegenwoordigheid laten beginnen. Hierdoor vielen weg al die uit de oudste tijden stammende vormen van devotie, waardoor de Kerk en het christelijk volk de H. Hostie vereerde, nadat zij geconsacreerd, maar vóór dat zij genuttigd werd: de plechtige uitstelling, de processie's en de bezoeken, die de vrome Christenen zoo gaarne in de Kerk maken, om voor den Heiland in het tabernakel, bij het schijnsel der godslamp, te bidden en hun hart uit te te storten. Immers volgens de Luthersche leer is Christus niet in het tabernakel aanwezig, maar begint zijne tegenwoordigheid eerst dan wanneer de geloovige het brood nuttigt.
[Nog op een ander punt bestaat er verschil tusschen de katholieke leer en die der Lutheranen. De Katholieke Kerk heeft van oudsher de Transsubstantiatie aangenomen, namelijk de leer dat op het oogenblik der Consecratie âde geheele zelfstandigheid van het brood in het Lichaam van Christus en de geheele zelfstandigheid van den wijn in Zijn Bloed veranderd wordt.quot; Na de Consecratie is dus de Hostie geen brood meer en is er in den kelk geen wijn meer. De catechismus van het aartsbisdom Utrecht spreekt deze leer kort en bondig in de volgende woorden uit: âBrood en wijn zijn veranderd in het Lichaam en Bloed van Christus, en van brood en wijn is slechts de gedaante, d. i. kleur, smaak enz. overgebleven.quot; De Lutheranen nu verwerpen dit geloofspunt en beweren dat op het oogenblik der nuttiging Christus tegenwoordig komt in of bij het brood, zoodat niet alleen de gedaante, maar ook de zelfstandigheid van het brood blijft bestaan. Deze leer wordt de leer der impanutie genoemd. Zij is in strijd met het ge-
230
loof der Kerk van alle tijden en met de woorden der instelling van Christus zeiven. Immers de eenvoudige en voor de hand liggende zin zijner woordenis: Dit, wat Ik in de hand heb en wat gij voor brood aanziet, is geen brood meer, maar is mijn lichaam. Zoo heeft ook de Kerk steeds de woorden van Christus opgevat. Reeds Ongcncs ('j' 254) spreekt het dogma duidelijk uit als hij zegt : âWij eten brood, dat door het gebed een heilig Lichaam geworden is, hetwelk ook heiligt degenen die het met een goed voornemen nuttigenquot; (c. Celsum VIII, 33). Nog duidelijker spreekt de H. Amhrosius (t 397): gt;:Dit brood is brood vóór de sacramenteele woorden; bij de Consecratie wordt het van brood het vleesch van Christusquot; (de Sacram. IV n. 14). Deze getuigenissen, die nog met vele zouden kunnen vermeerderd worden, mogen volstaan.] ')
Uat dit Sacrament eene geheele reeks van wonderen noodzakelijk maakt, is duidelijk. Maar welk bezwaar kunnen oprechte Christenen bij zulke wonderen hebben, daar zij toch aan de wonderbare menschwording van den Zoon Gods gelooven. Of hoe kunnen zij den onder de gedaante van brood verborgen God hunne aanbidding weigeren, daar zij er niet tegen opgezien zouden hebben. Hem te Bethlehem in de kribbe te aanbidden ?
Christus, onze Heer, is dus in het tabernakel tegenwoordig en zoo is dit Allerheiligste Sacrament het hart der Kerk. Neemt gij het weg. zoo ontneemt gij het Christendom zijn hart; de pols staat stil, die de martelaars staalt in hunnen moed, die de maagden bewaart in hare reinheid, die de liefdezuster doorgloeit met den geest van opoffering, die den kunstenaar bezielde toen hij de domkerken der Middeleeuwen schieo. Immers deze domkerken zijn eigenlijk niets anders dan majestueuze tabernakels voor het Allerheiligste Sacrament des Altaars, zij zijn in waarheid het huis Gods. Ware dit Sacrament eene logen, dan ware eene logen de
1) Bovenstaande korle besproking Uor Lulhersclie impanatie-leer is door don Dcwerk er voor dc NederlHiidscho lezers ingelasclit
231
heerlijke kunst der vroegere eeuwen ; geheel het Christendom onzer vaderen ware, in weerwil van Christus belofte, eene prooi geworden der afgoderij en zou het voor het grootste gedeelte nog zijn; eene logen waren dan de verheven schoone lofzangen der vroegere tijden, met name die lof-zann- van den H. Thomas van Aquine, dien de Kerk bidt
O x
in het brevier op den H. Sacramentsdag:
|
Pange lingua gloriosi Corporis mysterium, Sanguinisque pretiosi, Quem in mundi pretium Fructus ventris generosi ilex effudit gentium. Nobis datus, nobis natus Ex intacta Yirgine Kt 'in mundo conversatus Sparso verbi semine, Sui moras incolatus Miro clausit online. In supremae noctecoenae Recumbensoum fratribus» Observala lege plene Cibis in legaiibus, (libum turbae duodenae Se dat suis manibus. Verbum caro panem verum Verbo carnem efiicit, Fitque sanguis Gliristi merum ; Ft si sensus deficit, Ad lirmandum cor sincerum Sola fides sufficit. . Tantum ergo sacramentum Veneremur cernui, Et antiquum documentum Novo cedat ritui; Praestet lides supplementum Sensuum defectui. Genitori Genitoque Laus et jubiiatio, Salus. honor, virtus quoque Sit et benedictio ; Procedenti ab utroque Corapar sit laudatio. Amen. |
Zing mijn tong 't geheim des Heeren, Maak het Godd'lijk Lichaam groot. En het Bloed, niet te waardeeren. Dat de spruit van d'eedlen schoot. Hij, de Vorst der hemelsferen, Voor het heil der aard vergoot. Ons geboren, ons gegeven Zoon der reine Hemelbruid. Strooit Hij in Zijn sterflijk leven 't Zaad van 't godd'lijk leerwoord uit, Tot in 't end een hoog verheven Werking Zijne omwandling sluit. Aan den laatsten disch gezeten Met don vollen broederkring Biedt Hij. na hel Paaschlam-cleu Volgens wettige ordening, Hun, die zijne broedren heelen. Zelf zich zelv' ter nutliging. 't Woord in 't vleesch doel brood verkeeren Door hot woord in 'l Vleesch en wijn In 't aanbiddlijk Bloed des Heeren; Fale ook 'l zintuig bij den schijn. Voor het harte, dal wil leeren, Zal 't geloof voldoende zijn. Knielt dan voor het glorierijke Sacrament aanbiddend neer; Voor deez' Godsvereering wijke De eeredienst der oude leer; Kn waar 't zintuig ook bezwijke, Sleune 't vast geloof ons weer. Lof den Vader in den hoogen, Lof zijn eengeboren Zoon ; Hun zij eer en alvermogen, Hun ons zeegnend lied geboon; En den Geest, aan 's hemels bogen Ãén met hen, alle eerbetoon. Amen. 1gt; |
1) De vertaling is ontleend aan «Lofzangen der Kerkquot; door T. Stokvis s. j. Cs Bosch 180(3.)
6. De H. Communie onder Oéne gedaante.
âOok belijd ik, dat men onder iedere gedaante Christus, geheel en volkomen, en het Sacrament waarlijk ontvangt.quot;
De H. Communie onder ééne gedaante is een punt, dat bij de Protestanten vooral ergernis wekt. Zij willen zich hier weer eens zoo recht streng aan het Bijbelwoord houden, volgens hetwelk Christus bij de uitdeeling van den kelk spreekt: âDrinkt hieruit allen.quot; Maar waarom wasschen zij elkaar dan ook de voeten niet? Volgens het Bijbelwoord heeft toch Christus eveneens gesproken: âIndien dan Ik, de Heer en Meester, uwe voeten gewasschen heb, moet gij ook elkanders voeten wasschen.quot;
Ons Katholieken is er voorzeker evenveel aangelegen als u, den waren zin der H. Schrift te begrijpen en te volgen ; maar wij meenen den zekerste» weg te bewandelen, wanneer wij in twijfelachtige gevallen ons door de Kerk omtrent den waren zin van den Bijbel laten voorlichten. De aangevoerde plaats nu is â wanneer men enkel op de woorden let â twijfelachtig. Die âallen,quot; die uit den kelk moeten drinken, zijn ongetwijfeld de in de zaal aanwezige Apostelen. Zijn echter ook de opvolgers der Apostelen tot aan den dag des oordeels daaronder te verstaan ? Of wellicht alle eenvoudige geloovigen aller tijden? â Hieromtrent geeft ons de schriftuurplaats zelve geen uitsluitsel. De Kerk echter leert ons, dat in de woorden van Christus volstrekt geen voorschrift voor alle Christenen ligt om het Avondmaal onder beide gedaanten, van brood en van wijn, te ontvangen. Uit den aard der zaak volgt evenmin de verplichting, om onder beide gedaanten te nuttigen; want onder iedere gedaante is Christus geheel en al tegenwoordig. Onder de gedaante van brood (die wel is waar op de eerste plaats ons aan het Lichaam van Christus doet denken) ontvangt men in waarheid tegelijk zijn H. Bloed, en omgekeerd. Na de verrijzenis immers zijn Vleesch en Bloed in Christus niet meer van elkander gescheiden, zooals bij zijnen dood, en het is juist den levenden Heiland, dien wij ontvangen, zooals Hij thans in den hemel troont, niet den dooden.
233
Hieruit volgt dus, dat het eenvoudig eene vraag van doelmatigheid is, of de Kerk de nuttiging onder beide of onder slechts ééne gedaante wil voorschrijven. Het gebruik dei-Kerk hieromtrent was daarom verschillend volgens tijd en omstandigheden. In de eerste eeuwen ontving men gewoonlijk onder de H. Mis beide gedaanten, buiten de H. Mis meestal slechts de gedaante van brood. Tegenwoordig veroorlooft de Katholieke Kerk, voor zoover ik weet, voor de üostersche Riten algemeen beide gedaanten, voor den Latijn-schen Ritus echter slechts de gedaante van brood, ofschoon den Utraquisten in Bohemen en Moravië voor bepaalden tijd ook de andere gedaante was geoorloofd. De redenen, waardoor de Kerk zich in deze laat leiden, zijn veelvoudig; slechts een dezer redenen wil ik aanhalen, welke de Kerk op den voorgrond stelde, toen zij in 1414 op het Concilie van Constans dit gebruik vaststelde. Zij wilde namelijk met kracht tegen de dwaling eener ketterij opkomen, die beweerde dat onder de gedaante van brood slechts het Lichaam en onder de gedaante van wijn slechts het Bloed van Christus tegenwoordig was; als ontving men den ge-deelden, den dooden Christus, en niet den levenden.
7. I)c Heilige Mis.
âOok belijd ik, dat in de Mis eene ware, eigenlijke en verzoenende offerande aan God wordt opgedragen.quot;
Hier komen wij aan een punt, dat u, den Protestanten, wellicht het minst verstaanbaar is onder alle leerpunten van het Catholicisme. Ieder begrip van een werkelijk offer â vergeef mij de bemerking â binnen de grenzen van het Christendom is u geheel en al vreemd geworden. Daarom neem ik de vrijheid eenvoudig hier neer te schrijven, wat een katholieke catechismus omtrent de H. Mis leert.
âWat is een offer?
âEen offer in 't algemeen is eene zichtbare gave, welke men God vrijwillig aanbiedt, om Hem als den oppersten Heer te eeren en te aanbidden.
âWaren er ten allen tijde offers?
234
âVan het begin der wereld af waren er offers en God zelf heeft in het Oude Verbond door Moses bepaald, welke offers Hem moesten worden opgedragen.
âWaarom zijn de offers van het Oude Verbond weder afgeschaft ?
âAVijl zij slechts voorafbeeldingen waren van het onbevlekte offer des Nieuwen Verbonds; want het Oude Verbond had slechts âeene schaduw der toekomende goederen.quot;
(Hebr. X, i ; IX, 9.)
âWelk is het offer des Nieuwen Verbonds?
âDe Zoon Gods zelf, Jesus Christus, die door zijnen dood aan het kruis zich aan zijnen hemelschen Vader voor ons heeft opgeofferd. (Hebr. IX, 14.)
âMoest met den dood van Jesus ieder offer ophouden ?
âNeen; de profeet Malachias had uitdrukkelijk voorspeld, dat in het Nieuwe Verbond, in plaats van de joodsche offers, den Allerhoogste een rein, onbevlekt spijsoffer op alle plaatsen voortdurend zou worden opgedragen.
âIk heb geen behagen in u (Joden), zegt de Heer der heerscharen, en zal geene offergave uit uwe hand aannemen. Want van den opgang der zon tot den ondergang is Mijn Naam groot onder de volken, en op alle plaatsen zal geofferd en Mijnen naam een rein (spijs)offer worden opgedragenquot;. (Mal. 1. 10, 11.)
âWelk is het reine spijsoffer, dat op alle plaatsen aan God wordt opgedragen?
âHet offer der Heilige Mis.
âWat is de Heilige Mis?
âDe H. Mis is het altijddurende offer des Nieuwer Ver. bonds, in hetwelk zich Christus, de Heer, onder de gedaanten van brood en wijn aan zijnen hemelschen Vader door de handen des priesters op onbloedige wijze opoffert, gelijk Hij zich eens aan het kruis op bloedige wijze opofferde .
.,Waarom offert zich Christus voortdurend in de H. Mis op?
âChristus offert zich in de H. Mis op, om het offer, dat Hij aan het kruis volbracht heeft, bestendig te hernieuwen
235
en ons aan de verdiensten van dat offer deelachtig te maken.
âIs dan het offer der H. Mis niet een geheel ander offer dan het Kruisoffer ?
âNeen het Misoffer is hetzelfde offer als het Kruisoffer, slechts de wijze van offeren is in beide verschillend.
âWaarom is het Misoffer hetzelfde offer als het Kruisoffer ?
âWijl in beide hetzelfde geofferd wordt en dezelfde offert â¢â⢠Jesus Christus, onze Heer.quot;
De priester is slechts de dienaar en zichtbare plaatsvervanger van Christus; daarom spreekt hij niet in zijnen naam, maar in den naam van Christus: âDit is mijn lichaam... dit is mijn bloed.quot;
âIn hoeverre is deze wijze van offeren in beide verschillendj?
âIn zooverre, dat Christus in de H. Mis niet meer lijdt en sterft zooals aan het kruis.
âIndien Christus niet meer sterft, hoe kan dan door de Mis het offer des kruises vernieuwd worden ?
âHet wordt vernieuwd, omdat in de H. Mis Christus zich waarlijk en werkelijk opoffert onder de zinnebeelden van zijnen bloedigen dood aan het kruis, te weten onder de gescheiden gedaanten van brood en wijn.quot;
(Om de verhouding juister te teekenen, kunnen wij zeg- _ gen: De H. Mis is: gedachtenis, voorstelling, vernieuwing en voortzetting van het Kruisoffer; gedachtenis, wijl de H. Mis gevierd wordt ter herinnering aan het Kruisoffer en dit offer uitdrukkelijk gedenkt; voorstelling, wijl de opoffering onder de gescheiden gedaanten van brood en wijn ons de scheiding van lichaam en ziel aan het kruis voor oogen stelt; vernieuwing door die vernedering, dat de glorierijk in den hemel tronende Verlosser zich gewaardigt zich te verbergen onder de nederige gedaante van brood en wijn, gelijk Hij zich eens vernederde tot den dood des kruises; voorl-iclting des Kruisoffers, wijl het de vruchten van dat offer meer en meer op ons toepast. )
âWie heeft het H. Misoffer ingesteld?
âJesus Christus zelf heeft het bij het laatste Avondmaal ingesteld, toen Hij aan zijne apostelen het bevel en de volmacht gaf, hetzelfde te doen wat Hij deed.
236
âZijn in het laatste Avondmaal alle hoofddeelen der H. Mis aanwezig ?
âJa. in. De Opoffering van brood en wijn; want Jesus nam het brood, sloeg zijne oogen opwaarts tot zijnen he-melschen Vader, dankte en zegende het, en daarna ook den kelk met wijn enz.
â2. De Consecratie; want Christus veranderde het brood in zijn lichaam en den wijn in zijn bloed.
â3. De Nu! lig in (j; want Hij reikte zijn lichaam en bloed aan zijne leerlingen ter nuttiging uit.
âJesus Christus heeft dus het eerst bij het laatste Avondmaal het onbloedige offer des Nieuwen Verbonds opgedragen en zoo de voorspelling vervuld: âDe Heer heeft gezworen en het zal Hem niet berouwen: Gij zijt priester in eeuwigheid volgens de orde van Melchisedechquot; (Ps. CIX. 4); want Melchisedech offerde brood en wijn (I Mos. XIV, 18.)
âIs het ook bewezen, dat van de tijden der Apostelen af het H. Misoffer immer is gevierd?
âJa; dit bewijzen in de woorden van denH. Paulus: Wij (Christenen) hebben een offeraltaar, van hetwelk zij niet eten mogen die den tabernakel dienenquot; (de Joden) (Hebr. XIII, 10). Waar echter een offeraltaar is, daar moet ook een offer zijn;
2quot; De onloochenbare getuigenissen der H. Vaders, de besluiten der Concilies, de uit de eerste tijden stammende misgebeden der kerken van het Oosten en Westen, benevens de altaren en priesterlijke gewaden uit de oudste tijden.
âTot welk doel vieren wij de H. Mis?
âOm God door het waardige offer van zijnen eengeboren Zoon iquot; de hoogste eer en aanbidding te bewijzen; 20 voor alle gaven en weldaden naar waarde te danken; 3° om nieuwe genaden af te smeeken; 4® om voldoening te geven voor onze zonden en de verdiende straffen af te wenden.
âZoo is de H. Mis het waardigste prijso/jer, het godgevalligste donkoll'cr, het vruchtbaarste smeekoffer en, voor zooverre wij het met een vermorzeld en rouwmoedig hart bij-
237
wonen, het krachtigste zuenoljey. Niets is daarom heiliger, aanbiddelijker, rijker aan genade en hemelsche zegeningen, dan de H. Mis. Zij heeft, op zich zelve beschouwd, eene oneindige waarde.'' ')
Tot zoover de catechismus. Zooals gij ziet wijst deze ons op het getuigenis der Kerkvaders en der aloude misgebe-den (der Liturgieën), ten bewijze dat de H. Mis van den beginne afaan in de Kerk gevierd werd. Vermits gij Protestanten het ii nauwelijks kunt voorstellen, dat ten tijde der eerste Christenen en der Apostelen het H. Misoffer reeds werd opgedragen, en gij veeleer van kindsbeen af gehoord hebt dat de Mis eene uitvinding van latere tijden is en tot de zoogen. misbruiken behoort der Katholieke Kerk, wr ik u ten minste eenige dier getuigenissen uit de oudheid aanhalen.
Reeds uit de eerste eeuw bericht ons de âLeer der twaalf' Apostelenquot; (Hoofdstuk XIV): âWanneer gij op den dag des Heeren bijeenkomt, zoo breekt het brood en zegt dank, nadat gij uwe zonden hebt beleden, opdat uw offer (thysia) rein zij..... Te welen, het offer dat door den Heer is voorspeld (met de woorden): âoveral en ten allen tijde zullen zij mij een rein offer brengenquot; (verg. Malach. I, 11 ; boven blz. 233 ).
De H Juslinus (100â167) schrijft in zijn samenspraak met den jood Tryphon (no. 41): âOmtrent die offers, welke allerwege door ons aan God worden opgedragen, te weten het eucharistische Brood en den eucharistischen Kelk, heeft God toen reeds (door Malachias) voorspellingen gedaan, er bijvoegend, dat Zijn Naam door ons geëerd, door u (Joden) onteerd zou worden.quot; -)
Aan dit getuigenis sluit zich dat van den II. Treneus (f 202) aan, die zegt: âChristus beteekende (bij het laatste Avondmaal) den kelk als zijn Bloed en leerde het nieuwe offer des Nieuwen Verbonds, hetwelk de Kerk van de Apos-
1) Katholischer Katechisinus der Diözese Trier,quot; 42 uitgave blz. 130â132.
2) Opera Justini indubitata. Recensuit Jo. Car. Th. Eques de Otto, in facilitate evang. Vindobonensi Professor P. O. Toni. I, 2 p. 139 Jenae 1877.
23«
leien li cc ft ontoangen en nvor dc (jcheelr wereld arm God op -drany t.quot; 1)
Eenige tientallen van jaren later hebben wij het getuigenis van den H Cjipnanus (quot;f 258). Deze komt op tegen liet misbruik, hetwelk in eenige streken van Afrika was ingeslopen, dat men n.1. in de H. Mis, in plaats van den met water gemengden wijn, enkel water gebruikte. Zijne woorden luiden: âBijaldien Jesus Christus, onze Heer en God, zelf de Hoogepriester van God den Vader is, zich zeiven het eerst den Vader als offer heeft opgedragen en bevolen heeft hetzelfde te zijner gedachtenis te doen, dan vervult in waarheid slechts die priester de plaats van Christus, die datgene, wat Christus gedaan heeft, nabootst, en brengt slechts dan in de Kerk aan God den Vader een waar en volledig offer, wanneer hij het zoo opdraagt, als hij ziet, dat Christus het zelf heeft opgedragen.quot; 2)
De H. Ephrem (t na 370), de voornaamste vader der Kerk van Syrië, schrijft: âO ontzagwekkend wonder, o onquot; uitsprekelijke macht, o ontzaggelijk geheim van het priesterschap! Geestelijk en heilig, verheven en onmetelijk ambt, dat Christus na zijne komst ons onwaardigen heeft toevertrouwd! Met gebogen knie, met tranen en zuchten bid ik dezen schat des priesterschaps te beschouwen; eenen schat, zeg ik, voor hen die hem waardig en heilig bewaren.quot; 3) âOp de offers van Elias viel eenmaal vuur van den hemel en verteerde ze; ons werd geschonken het vuur der Barmhartigheid ten offer des levens. Vuur heeft eertijds de offers verteerd ; uw vuur echter, o Heer, eten wij hij uw of]er.quot;
De H. Amhrosius (f 397), bisschop van Milaan, verklaart: âO mocht toch, wanneer wij aan het altaar wierook branden, wanneer wij het offer verrichten (sacrificium deferenti-bus), de engel ook ons ter zijde staan en zich zichtbaar aan ons vertoonen! Want gij moogt er niet aan twijfelen, dat
1
S. Irenaeus, adv. haeres. 1. 3. c 17 n 5 (Migne gr. t. 7. p. 1023; cf. ib.
2
p. 328). 2) S. Cyprian, cpist. ad Caecil. n. 14. (Migne lat. t. 'i, p. 385 seqq.)
3
S. Ephrem, de Sacerdotio. '») S. Ephrem, onbegrijpelijkheid des Zoons c 4.
239
er engelen bij tegenwoordig zijn, wanneer Christus tegenwoordig is, wanneer Christus geofferd wordt (immolatur).quot; ') Ongeveer terzelfder tijd getuigt de groote bisschop van Constantinopel, de 11. Chrysostomus (f 407) uit die Kerk; âwanneer gij ziet noe de Heer geofferd wordt en daar ligt, en hoe de priester hij het offer staat en bidt: meent gij dan nog onder menschen te zijn, en op aarde te leven?quot; 2)
Uit de Kerk van Afrika hooren wij de stem van den H. Augustinus (quot;fquot; 430sprekend over âhet offer, hetwelk thans door de Chistenen over de geheele aarde wordt opgedragen en door hetwelk in vervulling gaat wat.... gezegd werd ; Gij zijt priester in eeuwigheid, volgens de orde van Meli-chisedech.quot; s) Hoe kan het nog twijfelachtig zijn, van wien dit gezegd werd, thans, nu er nergens meer een priesterschap en offer volgens de orde van Aaron bestaat, en waar vooral door den Hoogepriester Christus het offer wordt opgedragen, dat Melchisedech heeft voorafgebeeld. (Melchisedech offerde, zooals gij weet, brood en wijn.) De H. Augustinus spreekt van âdien disch. welken de Priester en Middelaaar des Nieuwen Verbonds volgens de orde van Melchisedech zelfheeft toebereid van zijn eigen Vleesch en Bloed. Want dit offer nam de plaats in van alle offers des Ouden Verbonds, die geofferd werden als de schaduw van het toekomstig offer.quot; *) Van de oude Liturgieën wil ik er slechts ééne aanhalen, u;t de allereerste tijden, de liturgie van den H. Jacobus. âAlle vleesch verstommequot;, zoo heet het daar, âmet sidderen en beven, al wat aardsch is zij gebannen uit de gedachten, want de Koning der koningen, de Heer der heeren, Christus, onze God, treedt te voorschijn, om geofferd en den ge-loovigen ten spijs gegeven te worden.'' 1)
Zoo gij nog meer dergelijke getuigenissen wenscht, kunt gij ze in overvloed vinden in het voortreffelijke werk van
1
Ghrysost. de Sacerdolio 1. 3. n. 4 (Migne gr. t. 48. p. 642). :i) S. Augustin., de ei vit. Dei 1. 10 c. 22; I. 18 c 7 (.Migne lat. t. 41 p. 500; p. 564.) 4) S. Angus-tin. de civ. J)ei i. 17 c. 20. (Migne 1. c. p. 556.) 5) Verg. Gilir, das hl. Messopfer (Freiburg, Herder 1877; biz. 91.
240
aihr over het H. Misoffer. Ik meen echter, dat het aangehaalde kan volstaan om u de bekentenis af te dwingen, dat het Christendom der eerste tijden de viering van het Avondmaal, d. i. de H. Mis, als een offer beschouwde. Gij Protestanten zijt geheel van dit idee vervreemd. Uwe zoogen. âhervormersquot; meenden het Christendom van men-schelijke misbruiken te reinigen. In waarheid echter verwierpen zij dingen, die Christus zelf had ingesteld. En indien ook al iets van hetgeen zij afschaften eenen men-schelijken oorsprong had, zooals die heerlijke openbare eere-dienst, die uit het Misoffer ontsproten is en dit als het ware omkleedt; â- toch ontbrak aan deze menschelijke inzettingen geenszins het recht van bestaan.
Op gelijke wijze als uwe âhervormersquot; het wezen der Kerk, heeft men in 't begin dezer eeuw te Trier de overheerlijke Liebfrauenkirche, een parel der gothiek, âhervormd.quot; Zij was gesierd met prachtige vensters van gebrand glas uit de Middeleeuwen. Maar de verlichte pastoor, zoo zegt men, was van meening, dat het in een parochiekerk volop licht moest zijn. Men brak daarom de oude vensters weg en zette er gewoon glas voor in de plaats. Een Engelschman, zegt men, nam dan de vensters mee naar Engeland.
8. T)c latijnsche taal bij de H. Mis en de Mis-liturgie in '( algemeen.
Aan deze wijze van restaureeren herinnert mij ook de âverlichtequot; polemiek, die somwijlen gevoerd wordt tegen het gebruik der latijnsche taal bij de godsdienstoefeningen. Alles moet, zoo wil men, zoo duidelijk en verstaanbaar mogelijk zijn, zoo helder en klaar als een glazen paleis.
In deze gedachte ligt voorzeker iets waars. Het volk moet de Mis en zooveel mogelijk ook de afzonderlijke heerlijke misgebeden verstaan. Even waar is het ook dat eene kerk zoo helder moet zijn, dat men er gemakkelijk kan lezen.
Maar ondanks de latijnsche taal verstaat de Katholiek de Mis: want zij wordt hem tot in de kleinste bijzonder-
24
heden uitgelegd in catechismus en predicatie. Hovendien zijn er kerkboeken met de vertaling der misgebeden.
Indien nu, zonder aan de noodige helderheid te kort te doen, eene kerk met geschilderde glazen kan gesierd worden, waarom zou men het dan niet doen? En indien, zonder aan de noodige verstaanbaarheid te kort te doen, eene taal kan gekozen worden voor den godsdienst, die aan het alge-meene verkeer onttrokken is, dan schijnt mij ook dit niet verwerpelijk. De latijnsche taal werd reeds op Golgotha geheiligfl; immers aan het kruis was ook in het Latijn het opschrift bevestigd: Jesus Nazarenus, Hex Judunorum (Jesus van Nazareth, Koning der Joden). 1) In deze taal schreven kerkvaders en godgeleerden aller eeuwen. En waarom zouden wij ons niet van eene doode taal bedienen, wanneer ten tijde van Christus hetzelfde geschiedde in den tempel te Jerusalem? Want ook de taal die daar gebruikt werd was niet die van bet dagelijksch verkeer.
Over de liturgie der H. Mis, in haar geheel, oordeelt kardinaal Wiseman, aartsbisschop van Westminster, âdat geen menschelijke geest de hoop mag koesteren, hare schoonheid en verhevenheid ooit te achterhalen. Door deze twee hoedanigheden onderscheidt zich de Mis van alle andere godsdienstoefeningen op in 't oog vallende wijze. Niet alleen openbaart zich in de afzonderlijke gebeden een hooge vlucht van welsprekendheid en poëzie, maar het geheel zweeft als het ware in een hoogere sfeer, waartoe het zijne goddelijke bestemming heeft opgevoerd. Toetsen wij elk gebed afzondelijk, dan is het volmaakt; volmaakt in bouw, volmaakt in gedachten, volmaakt in uitdrukking. Richten wij onzen blik op de wijze, waarop zij onderling zijn verbonden, dan staan wij verbaasd over de bondigheid, over de plotselinge overgangen en het schier rhythmische effect, waarmede zij elkander opvolgen en zoo een lyrisch dichtwerk vormen van verrassende schoonheid. Beschouwen wij de Mis-liturgie als een geheel, dan is zij met de bewonderenswaardigste
16
1
.lo. XIX, 19.
242
evenredigheid saamgesteld, in fZw krachtt â
ongetwijfeld omkleeden me ^ -j ipmnk de ver-
Hunne prachtvolle g-'aden het ^eZa^g de
nlechtieheden, wanneer de opperpneste -in een ellendige hut, in haast^door eenige wdden
nen missionaris opgeslagen.quot; '.)
Een Duitsch geleerde sehrijfl: ..Hoe z.d.tl.a.. ook lt; e werkinquot; van den Geest Gods in de le.d.ng der ker., zelfs bii minder gewichtige zaken aan den dag komt, wel .ergens heeft deze hoogere invloed zich handtastelijker geopenbaard dan in de katholieke Mis-liturgie, welke, ofschoon monu-mentaal, toch in hare tegenwoord.ge volnmaktheid een / fraai, volmaakt afgerond geheel, 3a een ^adlt^rk quot;
de bewondering wekt van een ieder, die zin heef voo. schoone Zelff de felste tegenstanders det Kerk oochenen dit op hunne wijze niet; onbevangen aesthefsche kunstrech-rers echter zijn van meening, dat, zelfs van hun standpunt de Mis een der grootste kunstgewrochten te noemen .s, da op aarde tot stand kwam. Zoo is dan de beteeken.svulle offerhandeling met een krans der heerhjkste ceremonie omvlochten: onze zaak is het, in den zin dezer ceremomen
Te .: en diepe, in ,e dringen ân, âe .e begr«- » ontdekte den volke te verklaren naar den maatstaf zijner
opvattingskracht.quot; -)
WiseimtnT ........................... bU. rr.. -2, Oswu,,,. dio ..ogmaUs^e ...âc
vnn den H. S.-ik ramen ten, 1 iilz.
(). Ui-I (U'lihlltll.
(quot;â dijk de latijnsche taal de heilige handeling, zoo verheft de ongehuwde staat den offerenden priester boven het alledaagsche. De priester moet niet verwikkeld zijn in de kleingeestige, vaak drukkende zorgen van den gehuwden staat. Vrij moet hij zijn; zelf zonder huisgezin, moet hij vader zijn van de gemeente. Als plaatsbekleeder van den hoogsten en heiligsten Opperpriester, die steeds maagd bleef, en naar het voorbeeld van den maagdelijken apostel der liefde, Joannes, moet ook hij zich van het huwelijk onthouden en den volmaakten staat van het celibaat omhelzen. Immers, zegt de H. Paulus, âwie zijne maagd uithuwelijkt doet wel ; wie echter niet uithuwelijkt doet beter.quot; âDoch tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: het is hun goed, indien zij zoo blijven als ook ik.quot; ,.lk wensch echter, dat gij zonder zorg zijt. De ongehuwde is bezorgd voor hetgeen des Heeren is, hoe hij (lode behage. Maar de gehuwde is bezorgd voor hetgeen der wereld is, hoe hij der vrouw behage; en hij is verdeeld. Ook is de ongehuwde vrouw en de maagd bezorgd voor hetgeen des Heeren is, dat zij heilig zij, beide, naar lichaam er. naar geest: maar de gehuwde is bezorgd voor hetgeen der wereld is, hoe zij den man behage.quot; ')
Ziet ge, mijn waarde vriend, dit zijn woorden der H. Schrift; daaraan valt niet te tornen! Wij Katholieken kunnen ook het zuivere woord der H. Schrift voor onze leerstukken aanvoeren, evengoed, en wellicht beter dan gij Protestanten.
Overigens dwingt de Kerk niemand, den ongehuwden staat te omhelzen. Integendeel, zij veroordeelt iederen dwang op dit punt als gewetensdwang. Indien echter iemand van haar verlangt, als priester des Nieuwen Verbonds, als âpriester volgens de orde van Melchisedech,quot; als plaatsbe-
1) I Ou'. VII. :W; vil!. :V2â3'i.
-44
kleeder van den oppersten Hoogepriester Jesus Christus het altaar te bekleeden en gesteld te worden over het Heiligste der Heiligen, dan stelt zij hem de voorwaarde, dat hij niet âverdeeldquot; zij tusschen God en eene vrouw. Heeft de priester alsdan de gelofte afgelegd om ongehuwd te blijven, dan verlangt de Kerk dat hij zijne gelofte getrouw blijve; immers, op een leeftijd van meer dan 20 jaar, wanneer deze gelofte op zijn vroegst wordt afgelegd, moet toch eenieder weten, wat hij op dit punt kan beloven en wat niet.
Zou iemand hier willen spreken van eene onmogelijkheid in het celebaat te leven, zoo ware hiermede een smaad op onze geheele christelijke bevolking geworpen. Immers hoe-velen zijn er, die vóór den genoemden leeftijd kunnen huwen ? Konden dezen echter tot op dien leeftijd een maagdelijk leven leiden, dan kunnen zij het ook voor hun volgend leven. Wel wordt ter bewaring dier engelachtige deugd een leven van gebed en zelfverloochening gevorderd, maar wie leggen zich doorgaans meer op zulk een leven toe: onze katholieke priesters, of de ambtenaren, officieren, kooplieden enz. in onze moderne maatschappij?
Ook de volgende overweging verdient behartiging: indien de priester zich de onthouding oplegt, met den ongehuwden staat verbonden, dan kan hij met de stoffelijke middelen, die in het huwelijk de opvoeding zijner kinderen zou gevorderd hebben, misschien het dubbel aantal arme weeskinderen eene christelijke opvoeding verschaffen of andere liefdewerken verrichten. Wil men het veroordeelen, wanneer de priester met het oog daarop ongehuwd blijft? En dit is niet enkel eene theoretische mogelijkheid; neen wij Kaïho-lieken kunnen er trotsch op gaan, dat de geestelijkheid van onze dagen hare taak in dezen zin begrijpt. Haar geldt plicht en overtuiging meer dan aardsche goederen ; dit neeft het volslagen fiasco van het zoogen. Brodkovhcjcselz in Pruisen ') bewezen, hetwelk ten doel had door materieelen nood onze priesters tot verloochening hunner katholieke beginselen te noodzaken.
1) Wet van 22 April 1875. waarbij de uitkeering van slaaUtraktemenf aan do katholieke priesters werd gestaakt. (Vert.)
245
i o. Het VayeL'uur.
âIk geloof vastelijk, dat er een vagevuur is, en dat de zielen aldaar door de voorbidding der geloovigen geholpen worden.quot;
Indien men aan eenen God, aan eenen hemel en hel geloofd, dan is het onbegrijpelijk, hoe men er toe is kunnen komen eene reinigingsoord te loochenen, (iod bestraft en beloont eenieder volgens verdienste. Wie in volslagen opstand tegen God en zijne geboden uit het leven scheidt, valt ten prooi aan de eeuwige straffen der hel ; wie engelrein sterft, wordt onmiddellijk toegelaten tot de aanschouwing Gods in den hemel. Hoe gaat het echter met die zielen die juist niet in vijandschap met God, maar toch met eenige vlekken bezoedeld ten anderen leven ingaan ? In den hemel kan niets wat onrein is binnengaan; wilt gij daarom al deze zielen tot de eeuwige straffen der hel ver-oordeelen? Dit moet gij, als gij geen zuiveringsuurd, geen vagevuur (zooals de volksmond zegt) aanneemt.
De aanneming van zulk een zuiveringsoord, vuor welks bestaan ik u overigens verschillende plaatsen der H. Schrift zou kunnen aanhalen, komt zoozeer overeen met het natuurlijk gevoel, dat gij zelf, de Protestanten , er u niet aan kunt onttrekken. Immers ook gij bidt voor uwe overledenen. In welken toestand denkt gij u echter die zielen, voor welke gij bidt? Plaatst gij ze in den hemel, dan hebben ze uwe hulp toch niet meer noodig? I'laatst gij ze in de hel, dus als eeuwig en onherroepelijk verloren, dan kan het toch evenmin bij u opkomen voor hen te bidden. Als gij nu toch voor uwe overledenen bidt, dan plaatst gij ze in een oord, dat noch hemel, noch hel is, maar zuiveringsoord of vagevuur.
li. De vereertinj der Heiligen met vorne van de Moeder Lluds.
âInsgelijks (geloof ik) dat men de Heiligen, die met
246
(' hristus heerscheii, raag eeren en aanroepen en (lat zij ( iod voor ons bidden.quot;
Ook dit leerstuk van het katholiek geloof beantwoordt wederom geheel en al aan het natuurlijk gevoel en het gezond verstand; men moet het eerst verdraaien en er een spook van maken, om het te kunnen bestrijden. Ik weet het, gij Protestanten wordt met een eigenaardig gevoel van afschuw tegen bijgeloof vervuld, wanneer gij over aanroeping der Heiligen en over vereering hunner beelden hoort spreken. Gij stelt u daarbij, ik weet niet wat voor een fetisdienst voor. Wanneer men u de zaak opheldert, dan vindt gij dat alles heel natuurlijk en schoon en juist; maar toch gelooft gij dat er achter de katholieke Heiligen- en reliquiecnvereering nog heel iets anders schuilt dan wat men u zegt. Dat andere nu is juist dat spook, dat in werkelijkheid in 't geheel niet bestaat.
Waarin bestaat dan de vereering der Heiligen? Zij bestaat daarin, dat men hun, die door deugd uitmuntten en van wie men kan aannemen dat zij thans met Christus in den hemel heerschen, de hun toekomende eer bewijst. Wan neer in het gewone leven de verschillende maatschappelijke stand verschillende titels en eerbewijzen in het leven roept, waarom zou dan ook niet in het rijk Gods eene geheel uitstekende deugd eene bijzondere onderscheiding ten deel vallen? Dat men de Heiligen goddelijke eer zou bewijzen, daarvan is in de verste verte geen spraak: zoo iets bestaat slechts in het brein van spokenzieners.
Wat de aanroeping der Heiligen betreft, zoo vindt men het wederom natuurlijk, dat een wees zich tot zijne brave moeder, van wie hij meent dat zij in den hemel is, om hulp wendt. Hier wordt natuurlijk verondersteld, dat die moeder in den hemel kennis draagt van het gebed van haar kind. Maar, is het God onmogelijk haar deze kennis te verschaffen. Of zal Hij het niet doen, om de zaligheid der moeder te verhoogen? Men zegt: Het kind kan toch onmiddellijk tot God bidden, waartoe dus die omweg langs de moeder? Ik antwoord: Ligt het voor een oprecht, nederig
247
Christen niet voor de hand, bij gelegenheid ook anderen om hunne voorspraak te verzoeken, in plaats van zich steeds zelf tot (rod te wenden? Wie dit loochent, kent het men-schelijk hart niet.
Dit en niets anders is het wezen van de vereering der Heiligen in de Katholieke Kerk. In de eerste Christen-eeuwen ontwikkelde zich de zaak van zelf. Men eerde de graven der Apostelen ; men bad tot de martelaars, van wie men overtuigd was, dat het dikwerf zoo vreeselijk lijden, hetwelk zij hadden doorstaan, hun bij den troon Cods een bijzonder recht op verhooring gaf. Om misbruiken te verhoeden, regelde ds Kerk deze vereering later zóó, dat openbare eerbewijzen slechts aan zulke afgestorvenen mochten ten deel vallen, wier leven en dood zij zorgvuldig onderzocht en zulk eene eer waardig gekeurd had. Zoo ontwikkelde zich het canonische proces der zalig- en heiligverklaring.
Meer dan alle andere Heiligen vereerde de Kerk natuurlijk van 't begin afaan de Moeder den Heereii. De Engel ging ons in deze vereering voor, toen hij sprak: âWeesgegroet gij vol van genade, de Heer is niet u,. gezegend zijt gij onder de vrouwenquot;, ') en millioenen monden herhalen het tot op den huldigen dag : âWees gegroet, Maria, vol van genadequot;; aldus vervullen zij het profetisch woord, dat Maria zelve sprak: â/.ie van nu af zullen alle geslachten mij zalig prijzen.quot; -)
Kn mogen wij niet ook van Maria de woorden van den ziener op Pathmos, van den H. Joannes, verstaan? âEn er verscheen een groot teeken aan den hemel; eene vrouw, bekleed niet de zon, en de maan onder hare voeten, en op haar hoofd eene kroon van twaalf sterren .... En een ander teeken werd aan den hemel gezien, een groote roode draak met zeven hoofden en tien hoornen .... En de draak stelde zich vóór de vrouw, die baren moest, om, wanneer zij gebaard zoude hebben, haar kind te verslinden. Kn zij baarde eenen zoon .... En er ontstond een
i) uic. i 2s, â gt;] i.ur, i. 'in.
248
groote strijd in den hemel : Michaël en zijne engelen streden met den draak . . . En hij werd nedergeworpen, de groote draak, de oude slang, die duivel en satan genoemd wordt, die de geheele wereld verleidt . . . En toen de draak zag, dat hij op de aarde nedergeworpen was, vervolgde hij de vrouw, die den mannelijken telg gebaard had . . . . En de draak werd vertoornd tegen de vrouw, en ging heen om strijd te voeren met de overigen van haar zaad, die Gods geboden bewaren en de getuigenis van Jesus Cnristus hebben.quot; ')
Dit was de strijd, welken tie Katholieke Kerk van haren oorsprong af te doorworstelen had. Maar gelijk deze strijd zijn grond had in den haat van den satan tegen den Zoon Gods en zijne maagdelijke Moeder, zoo schreef ook de Kerk, tegelijk met den naam van Jesus, den naam van Maria op de eerste banier, die zij ontplooide, als zij in de Apostolische Geloofsbelijdenis ons den Verlosser der wereld voorstelde als .,geboren uit de Maagd Maria.quot;
Van dat uogenblik af begint de onafgebroken rij van Kerkvaders en kerkelijke schrijvers, die Maria lofprijzen:
âIn het geloof aan de boodschap des Engels,quot; schrijft de martelaar Jusligt;iiis ff 167), âheeft zij herwonnen wat het ongeloof der eerste vrouw voor ons deed verloren gaan, heeft zij leven gebracht aan hen, wien de eerste vrouw eenmaal den dood berokkende.quot; âMaria is voor geheel het geslacht eene oorzaak des hei Is geworden,quot; schrijft de /,'.
. Een eeuw later bidt de II. lïphrrm-. âOnbevlekte, reine Koningin des heelals, hoop der hopeloozen, OH;;e allerheerlijkste Vrouw! Zekere haven der schipbreukelingen, troost der wereld, aller heil! Onder de vleugelen uwer liefde en barmhartigheid beschut ons en bescherm ons.quot; 1) Op het algemeen concilie te Ephese (431) wendt zich de II. (U/rillus van Ah'xandrië voor de vergaderde bisschoppen
1
MaIou; pielas, Mariana Lovanii 1S47 p. 444, Serm. 143.
249
tot de allerzaligste Maagd met de woorden ; âWeesgegroet, Maria, Moeder Gods, schatkamer der geheele wereld, onuit-bluschbaar licht, kroon der maagdelijkheid, schepter van het ware geloof.quot; Basilius van Seleucia bidt: âAllerheiligste Maagd, wat ik ook zeggen moge u ten lof, nooit is het voldoende om u naar behooren te prijzen. Richt uwen blik in genade op ons, opdat wij zonder vrees naderen tot den zetel van uwen Zoon.quot; ') âZij isquot;, zegt de 11. Petrus ('.hrtj-sulocjus (f 451), âgrooter dan de hemel, sterker dan de aarde, omvangrijker dan het heelal; want zij alleen omving God, dien de wereld niet omvat, zij droeg Hem, die het heelal draagt, zij bracht zijn Schepper ter wereld, zij voedde Hem, die alle schepselen voedt.quot; '1)
En zooals het Christendom der eerste tijden dacht, zoo dachten ook de Middeleeuwen. âHeilige Maagdquot;, schrijft de II. Bern ar dus, âalle menschen, alle tijden wenden hunnen blik tot u. De prijs onzer verlossing wordt aangeboden, wij zijn welhaast gered, indien gij uwe toestemming geeft . . . Met een enkel woord kunt gij ons helpen; om dat woord snieeken 11 Adam en geheel zijn uit het paradijs verstooten geslacht, allen liggen aan uwe voeten, wijl de troost der ellendelingen, de verlossing der gevangenen, de redding der geheele wereld afhangt van U.quot;
Maria sprak dit woord, dit âfiatquot;, dit âhel geschiedde;quot; â '') âEn het Woord is Vleesch geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben zijne heerlijkheid gezien.quot; 4) Daarom begroet ik lt;lc Moeder Gods met Dunte:
âO vrouw, zoo groot zijt Ge en van zulk een waarde. Dat wie gena wil en U niet gaat smeeken. Wil vliegen zonder vleuglen.quot; â â¢')
12. De vereering der reliquiecn cn der heelden.
Ik geloof âdat men de overblijfselen der Heiligen mag vereeren.quot;
:,Ik belijd vastelijk, dat men de beelden van Christus, van
1
t- 52 p. oS4 B.) 3) Luc. I 3S. 4) Joh. 1, l'j. 5) Dante, Parad. XXXIÃl, 5.
25°
de altijd Maagd geblevene Moeder Gods, en van andere Heiligen mag hebben en houden, en aan dezelve de schuldige eer en achting bewijzen.quot;
Wie Christus en zijne Heiligen eert, moet noodzakelijk do gedachtenissen die zij ons nalieten (hunne reliquieën) en hunne beelden in eere houden. Deze gevolgtrekking ligt zoo voor de hand, dat men ons katholiek gebruik van de vereering der reliquieën en beelden wederom slechts door valsche voorstellingen aan den haat en de verachting kon prijs geven. Men ging beweren, dat wij aan de beelden en reliquieën zeiven eene verborgene inwendige kracht toeschreven. Over zulk een onzin lacht ieder goed onderwezen katholiek schoolkind.
- Hoe men reliquieën met ware devotie kan vereeren, heelt Jesus zelf ons geleerd door het volgende voorval:
âEene vrouw nu, die twaalf jaren lang aan bloedvloeiing geleden had, en veel had geleden van vele geneesheeren. en al het hare te koste gelegd en geen baat had gevonden, maar veleer erger geworden was, kwam, van Jesus gehoord hebbende, onder de schare van achteren en raakte zijn kleed aan : want zij zeide: Indien ik maar zijn kleed mag aanraken, zal ik gezond worden. En terstond was hare bloedvloeiing gestild en zij gevoelde in haar lichaam, dat zij van hare kwaal was genezen.
âEn Jesus, terstond in zichzelven bemerkende dat eene kracht van Hem was uitgegaan, keerde zich om lot de schare en sprak: Wie heeft mijne kleederen aangeraakt ? En zijne leerlingen zeiden tot Hem: Gij ziet dat u de schare dringt, en zegt: wie heeft Mij aangeraakt?
âEn Hij blikte rondom, om haar te zien, die dat gedaan had. Doch de vrouw, vreezende en bevende, en wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder en zeide Hem geheel de waarheid. Hij nu sprak tot haar: Dochter, uw geloof heeft u gezond gemaakt, ga in vrede, en wees genezen van uwe kwaal.quot; ')
1) Marc. V. iquot;iâ3'i.
^51
Zou nu niet Christus een zelfde geloof ook thans nog op gelijke wijze kunnen en willen beloonen ?
(lij Protestanten antwoordt misschien, dat onze reliquieën niet echt zijn. Aangenomen, dat dit zoo ware : zoudt gij dan meenen, dat Christus een arm moedertje wegens eene archeologische dwaling omtrent de echtheid eener reliqnie geheel onverhoord zou laten, wanneer zij, gedreven door eenzelfde geloof en eene zelfde liefde tot haren Verlosser, zijne vermeende reliquie vereert?
De echthheid van deze of gene reliquie is wel is waar geen geloofspunt. Onze katholieke archeologen verklaren zich somwijlen tegen de echtheid van deze of gene reliquie. Dit staat echter vast: de Kerk laat ze slechts op,goede gronden ter openbare vereering uitstellen. Maar toch, hoe vreemd het ook klinkt, zijt gij Protestanten geneigd onze reliquieën voor onecht te houden, terwijl het niet bij u opkomt aan de echtheid bijv. van munten te twijfelen, die men u in eene verzameling als munten uit den tijd van Augustus of Tiberius voorlegt, of aan de echtheid van antieke standbeelden van eenen Demosthenes of Cicero, of zelfs van een Egyptischen obelisk, die misschien ettelijke duizenden jaren ouder is dan onze reliquieën. Beoordeel toch met onbevangen, onpartijdigen blik onze katholieke gebruiken en gewoonten.
Om intusschen uit de H. Schrift ook een voorbeeld aan te halen van reliquieën-vereering, niet met betrekking tot het kleed onzes Heeren, maar tot overblijfselen van Heiligen, herinner ik u slechts aan het bericht van de Handelingen der Apostelen, volgens hetwelk men zweetdoeken en gordels van den H. Paulus op de zieken legde, 'j ja zelfs de zieken op plaatsen bracht, waar de schaduw van den H. Petrus op hen viel. -) En God keurde deze handelwijze goed door treffende wonderen.
13. De allaleti.
âIk belijd ook, dat de macht om aflaten te verleenen
I 1 Itand. XIN. II m 12. 1) llaml. \ . Iquot;, m Ui.
252
door Christus aan de Kerk gegeven is en dat de aflaten den Christeaen allerheilzaamst zijn.quot;
Wat eene rouwmoedige biecht voor den zondaar is, om hem van de eeuwige straffen der hel te bevrijden, dat is voor hem de aflaat ter bevrijding van de mogelijk nog overgebleven tijdelijke straffen na vergeving der zonden. Want volgens de definitie van den katholieken catechismus is de aflaat âeene buiten het Sacrament der Biecht verleende kwijtschelding van tijdelijke straffen, die wij, na bereids ontvangen zonden-vergeving, of hier op aarde of in het vagevuur zouden hebben af te boeten.quot; Als Christus zijnen stedehouder de verklaring geeft: âAlles, wat gij zult ontbinden op aarde, zal ook in den hemel ontbonden zijn,quot; dan is het toch moeielijk te vatten, waarom deze in zoo algemeene bewoordingen uitgedrukte volmacht wel de macht zou ver-leenen van de doodzonde en de eeuwige straffen te ontb n-den, maar niet de geringere macht om lijdelijke straffen kwijt tc schelden.
Ik behoef u wel niet eerst te zeggen, dal al die vertelsels van Tetzels aflaatbus (waarvan gij mijns crachters eene onechte reliquie bewaart te Jütenbog), van verkoo-pen van zonden voor geld, en wie weet wat nogal meer, niet tot de geschiedenis maar in het rijk der fabelen thuis behoort. De aflaat is, zooals ik zeide, hoegenaamd geene vergeving van zonde, maar enkel en alleen eene kwijtschelding van tijdelijke zondestraffen. Indien ze hier of daar âvolkomen kwijtschelding van zonden (plena remissio pee catonnnjquot; wordt genoemd, dan is hier de zonde genomen in meer uitgebreiden zin, waardoor zij ook de zondestraffen insluit. Nooit of nimmer heeft echter de Kerk aflaten voor geld verkocht. De tegenovergestelde meening berust op verwarring. De Kerk pleegt nl. het verleenen van aflaten te verbinden aan de uitoefening van een of ander goed werk, bijv. aan kerkbezoek, verrichting van bepaalde gebeden en zoo ook wel aan het geven van aalmoezen tot godvruchtige of liefdadige doeleüden. Dit echter te willen opvatten als een verkoopen van kwijtschelding van straf of zelfs van zonde, zou even onzinnig zijn als te beweren, dat
253
hij de Pruisische rechtbanken het recht voor geld veil is omdat er gerechtskosten moeten betaald worden.
14. De fielioorzaumlteid jegens den Paus.
âIk erken de heilige, katholieke, apostolische, Roomsche Kerk als de moeder en opperste van alle kerken, en ik beloof en zweer oprechtelijk te gehoorzamen aan den Room-schen Paus, die is de opvolger van den Vorst der Apostelen, den heiligen Petrus, en Stedehouder van Jesus Christus.''
Deze gehoorzaamheid jegens den Paus is het laatste punt uit de Trentsche geloofsbelijdenis, dat nog eenige opheldering vordert.
Hier op aarde is er geene overheid dan de door God gestelde. Onbeperkte, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid kan slechts God verlangen, niet de Kerk en nog minder de Staat. Aan elke menschelijke overheid heeft God een beperkt gebied van macht, aan de van die macht afhankelijke onderdanen een beperkt gebied van gehoorzaamheid toegemeten. Aan de ouders is men gehoorzaamheid schuldig op het gebied van opvoeding en huiselijke tucht ; den Staat in openbare aangelegenheden van het burgerlijk leven; aan de geestelijke overheid in vragen van godsdienst en geloof; hare bevoegdheid is het ons te onderrichten aangaande onze plichten jegens God, jegens den naaste en jegens ons zeiven; aan hare onderrichting, voornamelijk aan die van den hoogsten onfeilbaren leeraar, van Christus' Stedehouder, moeten wij geloof hechten, hare voorschriften naleven op het gebied van den godsdienst.
Ziedaar de gehoorzaamheid, die wij jegens de opvolgers der Apostelen, die wij op de eerste plaats jegens den opvolger van den Vorst der Apostelen schuldig zijn.
âDit waar katholiek geloof, buitenquot; hetwelk niemand kan zalig worden en hetwelk ik tegenwoordig vrijwillig belijd en in waarheid houd, ditzelfde geloof beloof en zweer ik met Gods hulp tot den laatsten adem mijns levens geheel en onvervalscht bestendig te behouden en te belijden . . .
âZoo helpe mij God en deze heilige Evangeliën Gods.quot;
254
/00 eindigt de geloofsbelijdenis van het Concilie van l'rente.
10. Katholieke en Protestantsche toestanden.
i. Uit den brief van Edgar.
Met de theologische vragen ben ik nu genoegzaam op de hoogte. Het is mij duidelijk, dat de tegenwerpingen, welke men tegen de katholieke leer maakt, of wel op misverstand berusten of op gebrekkige bekendheid met het oorspronkelijke Christendom. In zooverre een of andere dezer theologische vragen mij nog duister zou schijnen, twijfel ik niet, of bij nauwkeuriger uiteenzetting zal ik ook daarvoor etne oplossing vinden, evengoed als ik ze gevonden heb voor de overige (omtrent de H, Mis, de vereering der Heiligen enz.) Vóór alles staat het echter bij mij vast, dat in al deze vragen niet de persoonlijke meening, maar enkel en alleen het oordeel van de door Christus gestichte en voor dwalingen op dit gebied gevrijwaarde l^erk het laatste woord
heeft.
Zoo staan de zaken in theorie. - Sla ik echter een blik op de toestanden van het praktische leven, dan sta ik voor onoplosbaar schijnende raadsels. Ik meen met recht te mogen zeggen: wanneer de Katholieke Kerk de éénig ware is, dan moeten de toestanden in katholieke landen en ti.den noodzakelijk de bloeiendste zijn. In werkelijkheid geloof ik juist het tegendeel te bespeuren. Sedert de 16e eeuw, sedert het Protestantisme ten troon is gestegen, ontwaar ik eene ontwikkeling des geestes. gelijk nooit te voren; en tegenwoordig staan de protestantsche landen, zooals Pruisen en Engeland, aan de spits der beschaving, terwijl Italië en Spanje achterblijven en het tooneel zijn van voortdurende omwentelingen.
Hoe is dit te rijmen?
255
2. Antwookh df.s I'aikrs.
Om volledig op uwe vraag te antwoorden zou ik heele boekdeelen moeten aanhalen over de geschiedenis der beschaving. Dit gedoogt mijn bestek niet; daarom mogen eenige leidende gedachten, die niet meer dan vingerwijzingen zijn, volstaan. Dus :
1. Wacht u, op de eerste plaats, over katholieke en proteslantsche toestanden den staf te breken volgens den indruk, dien gij van jongs afaan hebt ontvangen. Gij moogt nooit uit het oog verliezen, dat gij van kindsbeen af pro-testantsch zijt opgevoed en onderwezen. Onwillekeurig heeft men bij u de lichtzijden der protestantsche landen en de schaduwzijden der katholieke op den voorgrond gesteld. Een ieder is nu eenmaal een kind van zijn tijd en van zijn land; gij zijt het, en uwe ouders en leeraars waren het evenzoo.
2. (hiderzoeken wij deze voorafgaande bemerking objectief : vooreerst de lijden, de katholieke en de protestantsche.
Volgens uwe opvatting meen ik als onder den schepter van het Protestantisme staande de drie eeuwen van 1500â 1S00 te mogen beschouwen. In tegenstelling hiervan zouden dan onder den schepter van het Catholicisme staan de voorafgaande drie eeuwen van 1200 â1500.
Nu vraag ik u : Welke van deze beide perioden toont grooteren vooruitgang in de beschaving? De vraag is niet: Wanneer stond de beschaving hooger, aan het einde der eene of der andere periode? Immers het is duidelijk, dat men in het jaar 1800 verder moest gevorderd zijn, dan in het jaar 1500; dit zou niet minder en, ik vermoed zelfs, nog meer het geval geweest zijn zonder het ontstaan van het Protestantisme. Wie op een hoogte van 1500 voet boven den zeespiegel begint te klimmen, zal na drie uren natuurlijk hooger staan dan hij die op 1200 voet hoogte begint. Dit is echter de vraag niet, maar veeleer deze: Wie van beiden is in den tijd van 3 uur meer vooruitgekomen? en welke periode heeft in den tijd van 3 eeuwen eenen grooteren afstand op den weg der beschaving afgelegd : de ka tholieke of de protestantsche?
2 5 6
In de katholieke eeuwen van 1200 1500 valt de ontwikkeling der gothieke bouwkunst, de heerlijke poëzie der Middeleeuwen in Duitschland en Frankrijk evenals in Italië (ik herinner u slechts aan Dante). In deze tijdruimte valt de uitvinding van het buskruit en de boekdrukkunst, de ontdekking van den weg ter zee om Afrika en de ontdekkingen van Amerika; in dezen tijd valt de machtige bloei van het rijke Duitsche Hanzeverbond en van het handwerk.
In de protestantsche eeuwen van 1500ât8oo valt de dertigjarige oorlog, die de halve bevolking van Duitschland wegmaaide en geheele streken in eene woestenij herschiep: in dezen tijd valt dat despotisme der vorsten, waardoor iedere kleine Duitsche potentaat in het hof van Lodewijk XIV te Versailles zijn onbereikbaar toonbeeld zag; indezen tijd valt eindelijk de Fransche Revolutie, en aan het einde der periode staat als grenspaal de ineenstorting van het heilige Roomsche Rijk der Duitsche natie.
Welke periode derhalve toont ons eenen meer verblijdenden vooruitgang; de katholieke of de protestantsche? Ik weet wel, dat er ook in den katholieken tijd oorlogen en omwentelingen voorkwamen, maar toch geen oorlog gelijk de dertigjarige en geene revolutie gelijk die van 1789; en ik weet ook, dat er in de drie protestantsche eeuwen ontdekkingen en uitvindingen zijn geschied, maar niet eene grootere ontdekking dan die van Amerika, noch eene gewichtiger uitvinding dan die van de boekdrukkunst.
Overigens moet ik er beslist tegen opkomen, wanneer gij de drie laatste eeuwen uitsluitend als monopolie van het Protestantisme beschouwt. Wilt gij katholieke namen uit dezen tijd, dan noem ik u eenen Calderon, Shakespeare, Raphael, Michel Angelo, Leonardo da Vinci, Correggio, Rubens, Palestrina, Lotti, Orlando Lasso, Allegri, Copernicus, Franciscus van Sales, Carolus Borromeus, Baronius, Bellarminus, Suarez, Toledo (tegenover welke laatste gij bezwaarlijk even groote protestantsche godgeleerden kunt stellen); uit lateren tijd noem ik u eenen Mozart, Haydn en Beethoven, eenen Cornelius en Overbeck, eenen Secchi, Kleutgen en Franzelin, de geschiedvorschers Gfrörer, Hur-
ter, Rlopp, Janssen, tien (lichter van Dreizehulinden enz. enz. Ais gij van uwen kant u wilt beroepen op namen, als Kant, Hegel, Göthe, Schiller, Lessing enz., dan zou ik ii willen opmerken, dat gij deze personen toch zeker niet ten gunste van hel geloovig Lutheranisme kunt aanvoeren.
Doch kunst en wetenschap zijn niet de zegeningen, ter wille waarvan de Zoon Gods hoofdzakelijk mensch werd, niet de vruchten waaraan men vóór alles het ware Christendom erkent. Deze bestaan veeleer in geloof en zedelijkheid. En wat heeft in dit opzicht de katholieke, wat de protestantsche periode opgeleverd?
Bij zijn optreden vond Luther (naast velerlei misbruiken op afzonderlijk gebied) in 't algemeen toch eene goedge-geloovige Christenheid. Het gevolg der door hem bewerkte geloofsverdeeldheid daarentegen was, dat een schrijver uit uw eigen kamp (David Strauss) na eene driehonderdjarige heerschappij van het Protestantisme zich genoodzaakt ziet de vraag te stellen en ontkennend te beantwoorden: Zijn wij nog Christenen?
Voor welke periode legt dus de geschiedenis getuigenis af, dat zij het echte Christendom vertegenwoordigt: voorde katholieke of voor de protestantsche?
3. Vergelijken wij nu- de katholieke en de protestantsche landen in onzen tijd.
Voorshands geef ik u gaarne toe, dat Frankrijk, Spanje en Italië meer door omwentelingen worden bezocht dan Pruisen en Engeland. Maar de vraag is hier: Wie hrenc/t die omwmlelingen te wcerj? Wie anders, dan juist die elementen, die van de Katholieke Kerk afkeerig en, door dezen afkeer jegens haar, geestverwanten van het Protestantisme zijn? Niet de Paus en de Kerkelijke Staat zijn het, die in Italië de fakkel der revolutie hebben gezwaaid, maar het met Pruisen verbonden Piemont. Niet de ultramontaansche elementen zijn het, die in Frankrijk, Spanje en Portugal revolutie hebben gemaakt, maar hunne tegenstanders. Deze herhaalden in de katholieke landen hetzelfde spel, dat uwe
17
25«
voorvaderen in Duitschland hebben gespeeld. Ook Duitscli-land was vroeger een zuiver katholiek land. Maar uwe voorvaderen braken met het verleden, bestreden, in bondgenootschap niet Frankrijk en Zweden, hunnen wettigen keizer en voerden, in opstand tegen de oude, eene nieuwe orde van zaken in. Toen dit eenmaal klaar gespeeld was, toen was er natuurlijk minder spraak van omwenteling. Want wij Katholieken waren toen in de protestantsche landen de verdrukten en wij Katholieken doen gewoonlijk niet aan revolutie. Zelfs de meest tergende tooneelen van den Kulturkamp vermochten ons niet tot een gewelddadigen tegenstand te drijven Men heeft onze priesters en bisschoppen als misdadigers naar het tuchthuis gesleurd en als de laagste boeven behandelt; men heeft hun het bij verdrag bepaalde inkomen geweigerd; men heeft priesters, die aan de stervenden de laatste troostmiddelen van den godsdienst toedienden, als vluchtig wild vervolgd; het katholieke volk heeft getrild van verontwaardiging â maar de Katholieken zijn niet oproerig geworden.
Wat met name de Fransche revolutie van 1789 aanbelangt, zoo moest de orde der Jesuïeten eenige tientallen van jaren te voren, door kuiperijen van eenChoiseul en eene Pompadour ten val gebracht, beroofd worden van de opvoeding der jeugd en van haren invloed op het volk, om zulk eene ie\o-lutie mogelijk te maken. Wie daarentegen deze omwenteling geleid heeft, dat moge u Louis Rhine berichten. âHet is van belang,quot; zoo verklaart deze geschiedschrijver, ,;het is van belang, den lezer bekend te maken met de mijn, welke toen ter tijd revolutionnairen van een veel radicaler en ijveriger soort dan de encyclopedisten onder de tronen en de altaren aanlegden; een genootschap, bestaande uit mannen van ieder land, van iederen godsdienst, van iederen stand, die, onder elkander door symbolische teekenen verbonden, krachtens eenen eed verplicht zijn het geheim van hun innerste wezen onverbrekelijk te bewaren, die zich aan sombere beproevingen onderwerpen, zich met fantastische ceremoniën afgeven; voor het overige echter de weldadigheid beoefenen en elkander als gelijken beschouwen, ofscho on
259
zij in drie klassen, leerlingen, gezellen en meesters zijn verdeeld. Ziedaar waarin de Vrijmetselarij bestaat. Nu had echter op den vooravond der Fransche re olutie de Vrijmetselarij zich machtig uitgebreid ; over geheel Europa verstrooid, voegde zij zich naar den denkenden geest van den Duitscher, hield Frankrijk in drukkende spanning, overal het beeld vertoonend eener maatschappij, gevestigd op beginselen, die niet de beginselen der burgerlijke maatschappij in strijd zijn.quot; 1) 4. Zoo is het dus gesteld met het verwijt omtrent de revolutie, dat men zoo gaarne ons Katholieken voor de voeten werpt. Nog onlangs, naar aanleiding van de arbeidersbeweging in Kelgië in Maart 1886, werd dit lied gezongen, en zelfs minister v. Puttkamer verklaarde in den Duit-schen Rijksdag: âDe Katholieke Kerk was in België niet bij machte de uitspattingen van het Socialisme te keeren.quot; Natuurlijk niet, wanneer zij zoozeer in hare rechten verkort werd als dit in fielgic het geval was!
Men scheen er ook geen oog voor te hebben, dat juist die fabrikanten en fabriekarbeiders, die hier eene rol speelden, de bitterste vijanden der Katholieke Kerk waren. De voornaamste dier groote industriëelen, Haudoux, zou, naar men beweert, nooit eenen beambte of arbeider hebben aangesteld, die niet âanti-katholiekquot; was. Hij ontving van deze, zijne creaturen, het verdiende loon. Naar aanleiding van deze verklaring van den heer von l'uttkamer schreef in die dagen de âMoniteur de Romequot;:
âHet zou volstrekt niet te verwonderen zijn, wanneer juist de katholieke landen eene prooi van het Socialisme werden. De kopstukken tier Internationale hebben steeds hunne geweldigste mokerslagen tegen de Katholieke Kerk gericht. Juist de katholieke landen hebben zij bij voorkeur gekozen als terrein voor hunne proefnemingen, wijl de demagogie niet zegevierend uit den klassenstrijd kan te voorschijn
1
Louis Blanc, llistoire de la Revolution IVamjaise, bij Ka va (bisschop van Grenoble) : La Franc-Maroimerie, Paris, librairie de la sociélé bibliogr. isftO, bi/.. 75.
jóo
treden, zoolang de Kerk als eene vaste sociale inrichting bestaat. Daarom heeft ook de revolutie beproefd, de Kerk vóór alles uit het openbaar leven te verdringen, hare weldadige werkzaamheid tegen te houden, de bron harer onuitputtelijke hulpmiddelen te stoppen in de overtuiging, dat de Kerk de veiligste en onwankelbare schuts der maatschappij is. Hierbij komt, dat de Latijnsche volkeren, die juist voor het meerendeel katholiek zijn, volgens geheel hun karakter meer blootgesteld schijnen aan het gevaar om van de heer-schende beginselen terstond tot de logische gevolgtrekkingen, tot de toepassing ervan over te gaan, terwijl de meei bedaarde Germaansche geest zich meer met de theorie bezighoudt en voor de laatste consequenties terugdeinst. Maai in weerwil van deze bijzondere gevaren voor de katholieke landen, levert de geschiedenis het bewijs, dat niet Italië, niet Spanje, niet Frankrijk en ook niet België de wieg is, waai de socialistische beweging haren oorsprong heeft genomen, maar dat het Pruisen, het protestantsche Engeland en het schismatieke Rusland is. In geen rijk ter wereld is de socialistische partij zoo krachtig georganiseerd als in Duitschland. Tal van afgevaardigden, schrijvers, talentvolle journalisten, geleerden, alle klassen, alle standen zijn in dit socialistische Habel vereenigd. Heeft niet een der woordvoerders van het Socialisme in Pruisen verklaard, dat het Socialisme zoo steik georganiseerd is, dat het zells niet voor de handhaving dei uitzonderingswetten beducht is. I it de werken van di. 1 ,aveley, Meijer en |oh. Scherr over het Socialisme blijkt, dat het Duitsche Socialisme en het Russische Nihilisme in organisatie, vermetelheid en kracht alle landen voor is. Vragen wij verder: \\ elke volkeren hebben de eerste aanslagen gepleegd? Bewijzen de ontzettende gebeurtenissen in Rusland, Duitschland, Londen, Decazeville, ( harleroi niet le solidareteit van het internationale anarchisme? Zijn niet juist uit Pruisen de profeten van den âvierden stand , zijne leiders en wetgevers voortgekomen? Marx heeft de Internationale georganiseerd, welke de Commune te Parijs heeft afgespeeld. In streken, waar Katholieken en Protestanten wonen, wint het bewijs aan kracht. De statistiek bewijst, dat in de
201
protestantsche steden en dorpen van Duitschland het Socialisme liet sterkst is vooruitgegaan, terwijl het Cathoücisme op zijn post bleef. Eerst ten gevolge van den Kulturkamp werd het mogelijk, dat het Socialisme ook in de katholieke arbeiderskringen ingang vond. Bewijst dit niet zonneklaar â¢dat, wanneer de Kerk vrij kan werken, zij eene zegenrijke sociale werkzaamheid ontvouwt? De vlucht, die de partij van Bebel heeft genomen, heeft zij bijna geheel aan het Protestantisme te danken. Than, Meijer, Sohm, de ver-maardste sociologen, hebben zelfs de bewering opgesteld: âHet Catholicisme heeft in Duitschland het Socialisme den voet dwars gezet, het tegengehouden en teruggedrongen, toen het de protestantsche streken bijv. in de Rijnprovinciën overstroomde.quot; In plaats van de Kerk in België aan te randen, had de heer v. Puttkamer den weergaloozen invloed der Kerk in zijn vaderland kunnen constateeren, dat in de katholieke partij, in de katholieke geestelijkheid den machtigen dam tegen de golfslagen van den âvierden standquot; heeft begroet. Ziedaar de waarheid.quot; ')
Evenals de heer v. Puttkamer, wilde ook de Berlijnsche hof-predikant Slacker munt slaan tegen de Katholieke Kerk uit de waarlijk gruwzame schanddaden dier Belgische arbeiders. Op zijn vertoog hebben de volgende twee correspondenties der â Kölnischc Volkszvituny'' betrekking: uit Essen van den Sen April en uit Brussel van den 22en April 1886.
âEssen, 8 April. Tegenover tie beschuldigingen, welke liberalen en conservatieven, als Stöcker, met betrekking tot de arbeidersonlusten in België zich niet ontzagen tegen de Katholieke Kerk in te brengen, moet openbaarheid worden gegeven aan een gesprek, dat die aantijgingen weerlegt, en voor welks echtheid ik borg blijf. Toen de golven der arbeidersonlusten hoog opgezweept waren en algemeen besproken werden, stelde een ontwikkeld heer aan een hooggeplaatst beambte van het groote etablissement van Krupp
1) ^Tnurisclie Lanileszuilimgquot; van ilen oen April ISHC». iLtlIv Mud.
202
deze vraag: âWat zoudt gij wel beginnen, wanneer uwe arbeiders zich tot zulke uitspattingen lieten meesleepen?quot; âZoo iets als in België kan hier in Essen in 't geheel niet voorkomen,quot; gaf de beambte daarop ten antwoord. âEn waarom nietquot;? âOmdat dc invloed der katholieke geestelijkheid op de arbeiders hier zoo groot is, dat daardoor terstond de buitensporigheden in hare kiem zouden worden gesmoord.quot; Het kan aan geen twijfel onderhevig zijn, dat deze invloed, waarop de beambte zoo nadrukketijk wijst, inderdaad voorhanden is. Om dezen Invloed te verkrijgen was het overigens van niet geringe beteekenis, dat een gedeelte der geestelijkheid in ons uitgestrekt industrie-district sedert jaren de arbeidersquaestie op de juiste wijze volgens katholieke beginselen heeft weten te behandelen.quot; ')
De Correspondentie uit Brussel luidt:
âBrussel, 20 April. Herhaaldelijk heeft de katholieke pers erop gewezen, dat die provincies van België, waar onlangs het bloedige oproer der arbeiders woedde, sedert tientallen van jaren onder den invloed van het libe ralisme en de daarmee verbroederde Loge stonden. Gestaafd wordt dit oordeel door de bekentenis van eenen Belgischen vrijmetselaar in de âBauhüttequot;, jaargang 1879 no. 13. In zijne inleiding prijst de br.: de strekking van den liberalen onderwijsbond, roemt de âloffelijkequot; instelling der \ rijden-kersvereeniging, die in 't leven werd geroepen om dengenen, die vóór hunnen dood de laatste H. Sacramenten weigeren, eene burgerlijke begrafenis te bezorgen. Daarna echter stemt hij een klaaglied aan over de Belgische loges en de Vrijdenkersvereeniging en verwijt haar âde bakermat der sociaal-democratie te zijn.quot; Hij betreurt het, âdat de Belgische vrijmetselaars de zaak der Parijsche Commune en harer naar België gevluchte aanhangers tot de hunne gemaakt hebbenquot;, en gaat dan voort:
âDe leerstoelen der Belgische hoogescholen (natuurlijk die van Leuven uitgezonderd) waren en zijn nog doorgaans met zeer, zeer vrijzinnige professoren bezet; buitendien mengen
1) »Köliiisclie Vulkszeituiisquot; van den scu April IWIl, uctsU; blad.
2 03
zich onder de studenten tal van politieke misdadigers uit alle landen: Polen, Franschen, Duitschers, Ieren, Russische nihilisten enz., wier overdreven schildering van hunne doorstane vervolgingen, wier dolzinnige omwentelingsplannen maar al te gemakkelijk weerklank vinden in de ontvankelijke harten der opgewondene jengd.
.... âDe jeugdige vrijmetselaars namen al deze schoone phrasen van broederschap der volken, van gelijkheid en vrijheid, die hunne verbannen vrienden predikten, niet op als dat wat ze inderdaad zijn, als onbereikbare idealen, maar als beginselen van sociaal-politiek, welker uitvoering slechts het stamhuis der monarchie en de Kerk in den weg stonden. Het edel gevoel van vaderlandsliefde, waaraan België toch geheel zijn bestaan te danken. heeft, moest door de geestdrift voor eene vage wereldrepubliek worden vervangen. Indien deze gedachte ook al niet met ronde woorden werd uitgesproken, toch waren ze schering en inslag bij alle werkzaamheden der Loge .... Nog ijveriger aanhangers der sociaal-democratie zijn die vele halfgeleerden, die, een kenmerk van onzen tijd, over instellingen van staathuishoudkunde en vraagstukken der natuurphilosophie redeneeren, ofschoon hunne vaak gebrekkige schooljongens-wijsheid hun eene ernstige studie van zelfs eenvoudiger vragen totaal onmogelijk maakt, en die ook in de Loge niet ontbreken, er dikwerf zelfs de meerderheid vormen. Voor hen, die op ieder boek, op iedere courant hunner partij zweren, is het woonl van den broeder-redenaar of van den eerwaardigen grootmeester in den tempel der l.oge in den letterlijken zin een evangelie. De eerzame zeepzieder en kruidenier, die in zijnen kring met een gevoel van trots vertelt, dat hij dezen of genen hooggeplaatste als broeder mag aanspreken, is maar al te vlug bij de hand, de in den engen kring der vrijmetselarij misschien door te voeren gelijkheid en broederschap ook op het openbare, op het staatsleven over te brengen en zuigt daarom met wellust het gift der sociaaldemocratie in, voor welker verbreiding hij onvermoeid werkzaam is onder lieden van zijn stand, bij wie hij door zijn oppervlakkige kennis een zeker aanzien geniet, , .. Om ech-
264
ter met vrucht voor de liberale zaak werkzaam te kunnen zijn, mocht de vrijmetselarij zich niet bij de beperkte voordrachten der Loge bepalen, maar moest op de minder ontwikkelde klassen, die de overwinning aan de stembus beslissen, hare propaganda uitstrekken. De bevolking van het platte land, in hare geloovige onderwerping aan den wil van den heer pastoor, was voor deze propaganda niet toegankelijk; er bleven dus slechts de kleine ambachtslieden in de steden en de arbeiders over. De zedelijke en geestelijke bedorvenheid dezer klassen in België is inderdaad ontzettend .... Het was dus dringend noodig, behoedzaam te zijn in de geestelijke verlichting dezer massa's en niets door overijling te bederven. Men moest zorg dragen, dat deze lieden de noodige voorbereiding kregen om de vrijheid te begrijpen, vóórdat men hun het woord noemde en men ze van de Katholieke Kerk vervreemdde, die hen door bedreiging met de eeuwige straffen in toom hield .... Deze waarheid werd helaas door de Belgische vrijmetselaars niet erkend. Men besloot door vlugschriften en openbare redevoeringen, waarin men er op uit was den arbeiders de onmogelijkste beloften te doen, hen voor de liberale zaak te winnen ... .De onderwijs-liga wist zeer goed, dat haar publiek in de verste verte niet de wetenschappelijke en zedelijke ontwikkeling bezat, die er gevorderd werd om zich met vragen van sociaal-oeconomie en humaniteit in te laten, dat men inplaats van verlichting, vrijheid en naastenliefde slechts klassenhaat en oproer in de harten der steeds ontevreden arbeiders zou zaaien.... Vreeselijk heeft zich deze dwaling der vrijmetselaars en vrijdenkers gewroken; want toestanden en zaken, die op 't papier zich fraai voordoen en ook den bedriegelijken schijn der waarheid dragen, veroorzaken vaak, in de werkelijkheid overgebracht, de vree selijkste verwarring. De wilde bandeloosheid, de zedelijke bedorvenheid, de communistisch-nihilistische zin der bevolking in de Belgische fabrieksdistricten, is slechts het gevolg der door de loges en de vrijdenkers verkondigde leer. De bijna ieder jaar zich herhalende bloedige onlusten der arbeiders hebben slechts haren grond in het valsche begrip van
205
vrijheid en gelijkheid..... Naast de vrijmetselaarsloges
waren voornamelijk de vrijdenkers er op uit, radicale ideeën te verspreiden. In de maandelijksche vergaderingen werden redevoeringen gehouden en schriften uitgedeeld, die veel verder gaan dan het uitgesproken doel der vereeniging: de
zekerstelling van de gewetensvrijheid.....De voordrachten,
debatten en vlugschriften der vrijdenkers waren van dien aard, dat somtijds de ultra-vrijzinnige tendenties der loges
in vergelijking met deze conservatief schijnen.....Welken
treurigen invloed echter deze door de vergaderde burgers en burgeressen ingezogen radicaal-socialistische beginselen op hun familieleven, op de kinderopvoeding uitoefenden komt steeds meer aan het licht.quot;
âAldus een Belgisch vrijmetselaar reeds vóór zeven jaren. De heer Stöcker moge echter hierdoor tot het inzicht komen, dat eene geheel andere instelling dan de Katholieke Kerk in België âfiascoquot; heelt gemaakt.quot; 'j
Het voorafgaande moge volstaan ter weerlegging dier tegenwerpingen, die onlangs opnieuw werden opgedischt naar aanleiding der arbeidersonlusten in België. Het mag overigens waar zijn, dat er onder Katholieken, bijv. onder de Fransche revolutiehelden, grootere monsters waren dan onder Protestanten. Waarom? Wijl de Katholiek in zijne Kerk veel grootere genaden ontvangt, en bijgevolg door het misbruiken van deze genaden een veel zwaardere schuld op zich laadt, dan de Protestant. Het is immers eene oude spreuk: âcorruptio optimi pessima,quot; âhet beste wordt, als het bederft, het slechtste.quot; Wanneer de Katholiek de genademiddelen zijner Kerk gebruikt, brengt hij op zedelijk gebied doorgaans veel grootere dingen tot stand dan de Protestant. Bewijs hiervoor zijn de duizenden van heiligen, evenals de religieuse orden niet hun leven van opoffering. Te vergeefs zult gij in het Protestantisme op zedelijk gebied naar resultaten zoeken, die ook slechts in de verste verte met deze vruchten der Katholieke Kerk kunnen vergeleken worden.
1) ')Külriisclic Volkszeiluiigquot; van April 1880 ccr.sle blad.
206
Maar wanneer de Katholiek zijne rijke genademiddelen misbruikt, dan valt hij ook veel meer in het andere uiterste dan de Protestant. De Protestant komt nog juist niet in botsing met zijne kerk, wanneer hij ook de godsdienstoefeningen niet bijwoont, de sacramenten niet ontvangt. Den Katholiek echter zegt zijn geweten, dat hij bijv. door verzuiming zijner jaarlijksche biecht en Paasch-Communie eene doodzonde begaat. En zoo hij zich niet wil vernederen om den door God gestelden priester zijne zonden te belijden, dan maakt zich haat tegen de Kerk meester van zijn hart. Vandaar de verschijning, dat in katholieke landen, .naast de meest heldhaftige deugd en de ijverigste deelname aan het kerkelijk leven, menigwerf ook duivelachtige haat tegen Kerk en Christendom zich vertoont. Het Protestantisme laat zoowel in den slechten als in den goeden zin tie menigte meer koud ; men stoort er zich weinig aan omdat men er niet door bemoeielijkt wordt; immers het verlangt geene onderwerping aan het kerkelijk leeraarsambt, geen specifieke belijdenis der zonden, geen kerkbezoek op de Zondagen en geen vasten.
6. Gij zeidet verder: dat de protcstantschc lauden in den teyenwoorditjen lijd de katholieke landen in 'I algemeen vóór zijn. Als dit werkelijk zoo zou wezen, dan zou dit wel voornamelijk te wijten zijn aan die revolutionnaire richtingen, die voornamelijk de katholieke landen ondermijnden, de protestantsche daarentegen vooralsnog met rust lieten. Op de eerste plaats noem ik hier de ongeloovige philo.iophie en de Vrijmetselarij, die zich in katholieke landen van het roer van den Staat meester mankten en in stilte haren krijg voerden tegen troon en altaar. Een offer harer lasteringen en gewelddadigheden werd bijv. in de vorige eeuw, zooals ik reeds zeide, de orde der Jesuïeten. Jlare onderdrukking bracht aan het hooger onderwijs in de katholieke landen eene gapende wonde toe; hare opheffing leidde ertoe, dat Spanje en Portugal hunne rijke koloniën verloren.
Indien ik spreek van vrijmetselaars, dan heb ik minder hunne werkzaamheid in protestantsche landen op het oog; want daar de vrijmetselarij van het Catholicisme meer te
267
duchten heeft dan van het Protestantisme, biedt dit laatste haar ook niet zulk een grond, hare onderaardsche werkzaamheid te ontvouwen. Het Protestantisme staat haar minder in den weg, zij begroet het somwijlen als bondgenoot tegen het vast aaneengesloten Catholicisme. Tegen dit laatste echter is vooral haar streven gericht; ofschoon ook die vastere en meer positieve elementen in het Protestantisme, evenals het wettige koningschap, haar een doorn in 't oog zijn en ofschoon thans, nadat het koningschap in de Ro-maansche landen grootendeels ondermijnd of omvergehaald is, ook het protestantsche koningschap het mikpunt wordt van de omwentelingsplannen der vrijmetselaars.
Dunkt u mijne opvatting te zwart getint, dan verzoek ik u, uwe aandacht te wijden, behalve aan het reeds boven gezegde, aan het program van nctic, dat de algemeene vergadering der Fransche vrijmetselaars, waaraan afgevaardigden van alle loges deelnamen, den 1 icn Juni 1879, dus wederom op een niet ver verwijderd tijdstip, heeft opgesteld. ])il program luidt volgens den bisschop van Grenoble, in zijn werk âLe Secret de la Franc.-Maronneriequot;, als volgt:
âWat te doen in Frankrijk en in het Noorden: met alle mogelijke middelen moet op de ontchristelijking worden gewerkt, met name echter het Catholicisme telken jare door nieuwe wetten tegen de geestelijkheid worden gekneveld. Binnen acht jaar zal men door middel van .het leekenonder-wijs zonder God een atheïstisch geslacht bezitten. Daaruit kan een leger worden gevormd, dat men naar alle deelen van Europa kan uitzenden .... Het voornaamste oogmerk der beweging is cp het Noorden te richten, want daar staat de troon der souvereinen nog het stevigst, gerugsteund door sterke militaire instellingen. Men moet trachten den militairen geest in deze landen te doen verslappen. Telken jare en overal zal men aanslagen plegen op koningen. Wanneer in den loop van 8 jaren de koningen nog niet allen zijn verdwenen, zal toch het aantal der monarchieën verminderd zijn. â In Italië zal weldra de republiek in 't leven tredenlt; daaromtrent behoeft men niet bezorgd te zijn. â In Spanje, welks bevolking dweepziek en met de priesters bevriend is.
208
zijn aanslagen tegen den koning noodzakelijker dan ergens anders. De geestelijkheid moet met alle mogelijke middelen van zijn invloed worden beroofd en door misdrijven verdacht worden gemaakt..... Deze weg moet worden
ingeslagen met voorzichtigheid en volharding.quot; ')
Zooals ik zeide, ligt het bij mij verre, voor dergelijke omwen-telings-plannen alle vrijmetselaars, of ook zelfs alle loges verantwoordelijk te stellen. Maar dit staat boven allen twijfel vast: de Vrijmetselarij in 't algemeen, met haar gebazel over den âgrooten bouwmeester van 't heelalquot; is de doodsvijand van het Christendom met zijn drieëenigen God en de Godheid van Jesus en vooral van de Katholieke Kerk. En bedenk nu, dat in vele katholieke landen van de vorige en van deze eeuw vrijmetselaars het roer van den Staat in handen hadden, dat zij wetten konden maken om de Katholieke Kerk te kortwieken, dat in de meeste katholieke landen (zooals bijv. in Oostenrijk, Beieren, Frankrijk, Spanje, Portugal, Brazilië enz.) de wereldlijke macht zich van de Kerk het voorrecht heeft weten te verschaffen de bisschoppen te benoemen. Tegenover dat alles zult gij mij moeten toegeven, dat het niet noodzakelijk op rekening der Katholieke Kerk komt, wanneer het godsdienstig leven in die landen
niet altijd zóó is als het zijn moest.
Slechts éénen trek wil ik uit Oostenrijk aanhalen. Keizer | oseph 11 liep aan den leiband der vrijmetselaars. Bij zijne troonsbestijging bestonden er bloeiende seminaries voor de vorming der priesters in de verschillende bisdommen, vol-trens het voorschrift van het Concilie van 'l'rente. Deze semi-
O
naries leverden eene geloovige geestelijkheid, rein van zeden, loseph 11 hief ze op, naar het heette, in 't belang der hoogere beschaving. Ze werden vervangen door de zoogenaamde âalgemeene seminariesquot; voor meerdere diocesen tegelijk. Onder het toezicht van den Staat werden deze
1) «Trierisclic Landcszeitungquot; van den lüon April Bauhülle. Organ
lïir die Gesamml-lnteressen der Kreimaurereiquot;, heeft in haar nunnner van den 7en Augustus van dal jaar dit document voor onecht verklaard. De weerlegging dezer bewering geeft I'. v. Haimnei slcin in zijne brochure: «Die (Jegner Kdgaigt; und ihre Loi-fUingonquot;quot; Trier 1SS7, blz. 21 vv.
269
inrichtingen ware pestholen van ongeloof en zedebederf; en toch moest de Oostenrijksche geestelijkheid jaren lang daar hare opleiding ontvangen. Dus nog eens: het is niet de schuld der Katholieke K.crk dat in katholieke landen alles niet zóó is, als het zijn moest. In protestantsche landen, bijv. in Engeland en Holland, heeft de Katholieke Kerk met een openbare vervolging te kampen gehad; maar in vele katholieke landen is zij door anticlericale staatsmannen tot eene soort van zelfvergiftiging gedwongen, en dat was wellicht nog erger dan die openbare vervolging!
8. Overigens komen nog andere factoren in 't spel, om het verschil tusschen katholieke en protestantsche landen te verklaren, o.a. het volkskarakter en het historisch verleden.
De Italianen, Franschen en Spanjaarden hebben warmer bloed dan wij Duitschers, dan Engelschen, Denen en Zweden. Wat wonder, wanneer bij hen vaker omwentelingen voorkomen ? Italië had reeds veel langer dan duizend jaar op een hoogen trap van beschaving gestaan, toen in Brandenburg en Pommeren onder de üttonen met het Christendom de beschaving baar intocht hield. Het zou dus te verklaren zijn, wanneer in Italië zich sporen van verval vertoonden, die zich niet voordoen in het protestantsche Noorden.
9. En toch moet ik met de meeste beslistheid beweren, dat, in 't algemeen genomen, de katholieke Uunlen, met he-Irt/kkinr/ tol geloof en zedelijkheid en waarachtig geluk, veel hooger staan dun de protestantsche landen en het schismatieke Rusland.
Gij zult bewijzen vragen voor deze bewering, die gij ongehoord zult vinden. Welnu dan! Het fundament van allen godsdienst en alle zedelijkheid is het geloof aan eenen persoonlijken God en aan de grondwaarheden des Christendoms. Ga nu naar het katholieke Spanje en Italië en dan naar het protestantsche Mecklenburg en Pommeren, en oordeel zelf, waar dit geloof levendiger is; oordeel dan, waar meer praktisch Christendom, meer godsdienstige zin, meer deelname aan het godsdienstig leven en, ik voeg erbij, eene grootere zedelijkheid in den engeren zin des woords te vinden is. Ik voor mij twijfel er geen oogenblik aan, dat in dit opzicht
-'/O
het katholieke Zuiden er veel beter aan toe is dan bijv. het protestantsche Denemarken en Zweden.
Gij zult, zeide ik, bewijzen verlangen. Welnu ik leg u feiten voor, die u een maatstaf bieden voor geloof en zedelijkheid, alsmede voornamelijk voor waarachtig geluk.
Het aantal zelfmoorden, dat jaarlijks op een millioen zielen komt, bedraagt over de geheele aarde bij de Katholieken ongeveer 40â58, bij de Protestanten 190. Gedurende de jaren 1871 â1875 kwamen er gemiddeld per jaar op een millioen zielen in Spanje 13 zelfmoorden voor, in Italië 32, in Pruisen 133, in Denemarken 258 en in het koninkrijk Saksen 268.
Hieruit ziet gij, dat het beeld, hetwelk gij u omtrent den droevigen toestand der katholieke en het geluk der ,,bloeiendequot; en âverlichtequot; protestantsche landen van uwe jeugd afaan gevormd hebt, wel voor eenige verbetering vatbaar is.
Of wilt gij misschien mijne tegenwerpingen tegen mij kee-ren en zeggen: dat men bij dergelijke statistische vergelijkingen eveneens met volkskarakter, klimaat, wetgeving, historisch verleden enz. rekening moet houden, en niet alles door het verschil van godsdienst moet willen verklaren.
Mij wel! Nemen we dan een geval, waarbij al deze overige voorwaarden zoo juist mogelijk tegen elkander opwegen. Stellen wij tegenover elkaar de protestantsche provin ciën van Pruisen en de katholieke, en zien wij hoe de verhouding is. De zelfmoorden bedroegen volgens officiëele statistische tabellen voor de jaren 1875â1881 per millioen:
Jn Sleeswijk-Holstein bij 98.6 procent Protestanten 287.
â Brandenburg â 97 â â 218.
â Saksen â 93.2 â â 245.
,, Westfalen â 46 â â 95.
â Posen â31 â â 72.
â Rijn-provinciën â 27 â â 83.
Deze cijfers zijn niet enkel aan deze jaren en aan deze Pruisische provincies eigen; zij herhalen zich veeleer met eenige afwijkingen steeds en overal. ')
1) Verg. v. Hammerstein .»Erinnorungen fines nltcn Luthornnersquot; uitgave hlz. 2.%, Trier 1800.
271
10. Wilt gij op het gebied van olfervaardigheid en kcrhc-}ijken zin een statistisch bewijs voor de verschillende werking der godsdiensten onder overigens zoo goed als gelijke verhoudingen, dan vindt gij, dat in Pruisen gedurende de 5 jaren 1880 â1884 de door koninklijk besluit bekrachtigde schenkingen en legaten aan kerken en kerkelijke inrichtingen zeer regelmatig grooter zijn bij de Katholieken dan bij de Protestanten. Ik wil u de moeite besparen de lange rij der afzonderlijke cijfers na te gaan, ik geef u slechts de gemiddelde som dezer jaren.
De evangelische kerk kreeg 51 schenkingen tot een gezamenlijk bedrag van 735,396 mark.
De kath. kerk kreeg 101 schenkingen tot een gezamenlijk bedrag van 1.332.824 mark.
Neem daarbij in aanmerking, dat de protestantsche bevolking 64,62 procent, de katholieke daarentegen slechts 33,74 procent der geheele bevolking uitmaakt; dan blijkt hieruit eene viermaal grootere offervaardigheid voor kerkelijke doeleinden bij de Katholieken dan bij de Protestanten. Daarbij komt dan nog, dat de Protestanten meestal veel rijker zijn dan de Katholieken, dat de Katholieken uit vrees voor saecularisatie en meiwet-maatregelen hunne stichtingen niet gemakkelijk aan het toezicht van den Staat vertrouwen : dat velen, die den kloosterlijken staat omhelzen, tevens hun vermogen voor kerkelijke of weldadige doeleinden meebrengen, dat de berooving van den H. Vader en het âSperrgesetzquot; ') nog vele andere zware offers van de Katholieken vorderen, die bij de regeering niet worden aangegeven, dan is de verhouding voor haar nog veel gunstiger gesteld.
11. Wilt gij eindelijk een statistischen maatstaf voor de re/fc-
1) De door deze wet aan de priesters onttrokken staatsgelden, beliepen, lol aan de opheffing der wet in 1880, de som van circa 10 miliioen mark. Hiervan zegt Majunke in zijne »Geschichte des Kulturkampfesquot;: «Deze 10 miliioen vertegenwoordigen eene belasting, die in de laatste tien jaren door de katholieke bevolking van Pruisen is opgebracht; want het brave volk liet zijne priesters niet in nood verkeeren, maar schonk hun datgene, wat hun de Staal onttrok.quot; (Vert.)
2) Kölnische Volkszeitungquot; van II April 1885, derde blad. 12 April 1885, tweede blad.
tijk/1 rid in den meest beperkten zin, zoo leveren n de Pruisische provincies voor de jaren 1872- 1881 op 1000 geboorten liet volgende aantal onechte:
Stedelijke kring Berlijn (protestant) 134, 4.
Pommeren (protestant) ioo,8.
Brandenburg (protestant) 99,6.
Silezië (katholiek) 98,8.
Oost-Pruisen (protestant) 98,5.
Sleeswijk-Holstein (protestant) 91.5.
Saksen (protestant) 90,3.
Hohenzollern (katholiek) 87,7.
West-Pruisen (protestant) 77,6.
Hannover (protestant) 65,3.
Posen (katholiek) 63.
Hessen-Nassau (protestant) 57,1.
])e Rijn-provincie (katholiek) 31,7.
Westfalen (katholiek) 26,4.
Het ongunstigst is dus de toestand in de voor het meerendeel protestantische provincies (Berlijn, Pommeren en Brandenburg); het gunstigst in de voor het meerendeel katholieke (de Rijr-provincie en Westfalen) â voorzeker wederom geen onbevredigend resultaat voor het Catholicisme.
Een zelfde bewijs levert ons het Oldenburgsche Hof- en Staatshandboek voor 1884. Volgens dit boek bedraagt het getal der onechte geboorten procentsgewijze:
Op de Oldenburgsche Geest (protestant) 4,94.
In de Marsch (protestant) 4,37.
Op de Munstersche Geest (katholiek) 1,99.
In het Vorstendom Lübeck (protestant) 12,63.
Misschien antwoordt gij mij, dat de statistiek der onechte geboorten geen vertrouwbare maatstaf der zedelijkheid is. Ik geef toe, de statistiek onthult ons de zedelijkheid, of liever de onzedelijkheid, slechts ten deele. Het feit kan zich voordoen, dat bij eenen zeer hoogen graad van onzedelijkheid de onechte geboorten zelfs zeldzamer worden; maar dan zal dit ook in gelijke, ja in meerdere mate van de echte gelden. Van Oetlingen zelf, over wiens âMoralstatistikquot; ik straks nog zal spreken, verklaart: het kan âniet geloochend worden.
flat juist in de onechte voortplanting de maatschappelijke en zedelijke toestanden van een land zich in hunne, misschien mede door de âbeschavingquot; beheerschte verslapping en ontaarding afspiegelen, dat vooral de voortdurende loe-7iaim; van dit verschijnsel over geheel Europa, zoowel als in de afzonderlijke landen, ernstige bezorgdheid moet wekken.quot; 1) Dienvolgens kunnen wij met recht en billijkheid liet getal der onechte geboorten als eenen maatstaf voor een zeker gebied van zedelijkheid gebruiken. En wijl op ieder ander gebied de zedelijkheid zich meestal aan de statistiek onttrekt, moeten wij ons juist op deze getallen bij onze beoordeeling verlaten.
Daar de aangehaalde statistieken het jongste verleden betreffen, kwam ik op de gedachte, ook eens op een vroe-geren tijd terug te komen, om u een veiliger en alzijdiger inlichting te geven omtrent den invloed van beide confessies op de zedelijkheid, ik nam daarom de reeds vermelde âMoralstatistikquot; van v. Oetlingen ter hand. De schrijver is met hart en ziel Protestant. Op het eerste gezicht meende ik, dat hij mijne bovenstaande beweringen logenstrafte; want ik las bij hem de zinsnede: âdat niet de belijdenis als zoodanigquot; op het getal der onechte kinderen âeenen merkbaren invloed uitoefent.quot; '-') In elk geval zou toch ook hierdoor reeds uwe tegenwerping weerlegd zijn, dat het met ons Katholieken ongunstiger zou gesteld zijn dan met de Protestanten. Immers van Oettingen zou zeker niet in gebreke zijn gebleven, resultaten aan te voeren, die voor zijne belijdenis gunstig konden zijn
Intusschen, hoe meer ik mij met het werk van v. Oettin-ger bezighield, des te meer scheen het mij uit de door hem zelf opgestelde statistische gegevens te blijken, dat het met ons Katholieken in 't algemeen beschouwd zelfs gunstiger gesteld is. Zoo bekent hij: âhet schijnt onloochenbaar, dat, afge-
*1) v. Oetlingen, Moralstati.stik (Erlangen IWS) blz. 52.'». 2) v. Oettingen, Moralstatistik blz, 509.
-â¢74
zien van al liet anflere, de (iermaansche stammen meer dan de Romaansche tot deze onzedelijke buitensporigheid geneigd zijnquot; (blz. 569.) Hij wil dit verklaren âdoor eigenaardig volkskarakter en plaatselijke gewoontequot; en niet daardoor, dat de Germaansche volken voor het meerendeel protestantsch, de Romaansche katholiek zijn. Echter, dunkt mij, zou het eigenaardig volkskarakter eerder den bedaarden Germanen in hunne koude noordelijke landen een gunstiger plaats moeten verschaffen dan den opgewonden Rouianen in Frankrijk, Italië en Spanje, die nog daarenboven leven op de puinhoopen van de zedelijk zoo diep gezonken Romeinsche wereld.
Doch laten we overgaan tot tastbare cijfers, en wel opnieuw voor de verschillende Pruisische provincies; want het gaat natuurlijk niet aan, om bijv. Beieren en Mecklenburg met Pruisen te vergelijken, wijl in deze landen het huwelijk door de wet veel meer bemoeielijkt werd en dus het getal der onechte kinderen een veel hooger cijfer moest bereiken. Jn Pruisen daarentegen vinden wij bij eene tamelijk gelijke wetgeving dicht bevolkte katholieke en protestantsche streken, die ons gelegenheid voor onze waarnemingen bieden. Ook levert van Oettingen zelf twee nauwkeurige tabellen voor de jaren 1862 â1864; deze tabellen zijn echter zoodanig geplaatst, dat men zich geneigd zou voelen te denken, dat de schrijver de verschillende werkzaamheid der confessies met opzet had willen verdonkeremanen; want op de eene zijde van het blad bevindt zich de statistiek der evangelische, op de andere die der katholieke provincies, zoodat men bij ieder getal moet ombladen om het met het andere te vergelijken : daarenboven stoot men dan nog op de moeie-lijkheid, dat de provincies, zonder dat men weet waarom, in verschillende rangorde zijn opgenoemd. Ten einde daarom een meer aanschouwelijk beeld van den toestand der zedelijkheid bij de Katholieken en Protestanten in Pruisen ie krijgen, was ik genoodzaakt, de twee tabellen tot een korter overzicht saam te voegen en dit leg ik u hier voor. Gij kunt dienovereenkomstig zelf uw oordeel vellen.
AidiIkI Int hnnderil ilc.y oiii'chtc fiolmnfle» hij ile kolhnlirkr en de evungelische bevolking run Pruisen in de jaren 1862 â64:
|
1 1 |
18G2. |
18G3. |
1864. |
Te 'ii |
nnen. | |||
|
Kalh. |
Kvang. |
Katli. |
Evang. |
Kalh. j |
j Evang. j |
Katli. | |
Evang, | |
|
Kijnprovincie . i |
3,53 |
3,02 |
3,01 |
i ^,^8 |
3.07 |
3.58 |
3,00 |
3,59 |
|
Westfalen . . |
3,15 |
'..11 |
3,33 |
4,42 |
3.35 |
4,18 |
3,28 |
'i,25 |
|
Posen . . . 1 |
(i/iü |
7,01 |
0,79 |
1 7,02 |
0,83 |
7.00) |
0,07 |
7.32 |
|
Pruisen . . . |
r.,H5 |
'»,31 |
7,29 |
'.».7:'. |
7/»5 |
9,07 |
7,20 |
9,57 |
|
Saksen . . . |
0.11 |
9,07 |
(gt;.57 |
10,31 |
0.04 |
10,34 |
0.24 |
10,11 |
|
Pommeren . . |
'.»,77 |
M,OS |
9.'|S |
10,35 |
9.77 |
10,30 |
9 07 |
lo.i:: |
|
P.randenburg . |
7.71 |
11,'19 |
12.15 |
8,41 |
11,51 |
8.10 |
ik;,81 .ÃI | |
|
Silezië . . . |
11,10 |
13,0'! |
10,13 |
14.12 |
10,( »7 |
13,57 |
'.â¢,70 |
13,58 |
|
Het geheele rijk |
5,90 |
9.5K |
0 'iü |
i 10.1 S 1 |
0,39 |
10.01 |
0,52 |
9.93 |
Het gemiddelde getal der onechte geboorten bij de Protestanten in l'rnisen staat dus tamelijk regelmatig tot die iler Katholieken gelijk 3: 2. In elk dezer 8 provincies der Pruisische monarchie staan de Katholieken gunstiger dan de Protestanten, ook in de voor de meerderheid katholieke provincies Posen en Westfalen. De eenige uitzondering biedt de Rijnprovincie, klaarblijkelijk wijl de Protestanten hier (zooals in alle katholieke streken van Pruisen) groo-tendeels door beambten en officieren, dus door eene mannelijke bevolking vertegenwoordigd zijn, en wijl deze familiën (voor zoover ze familie hebben) meer tot de hoogere klassen behooren, terwijl omgekeerd de katholieke bevolking in de voor het meerendeel protestantsche streken meer uit arme dienstboden en dergelijken bestaat.
Nu vraag ik u : Beslaat er voor ons Kalltolieken reden nm te vreeten, dut de theoretische bewijzen voor de echtheid van ons Christendom worden tjelogrnstraft dour de ondervimting ran het praktische leven?
2-jG
II. Afval en terugkeer.
(r. Brief van Edgar)
Eerw. Pater. Uw laatste brief heeft mijne tot nu toe gevestigde meening sterk aan het wankelen gebracht; gelooft gij dan inderdaad, dat de katholieke landen gelukkiger zijn dan de protestantsche? Zijn deze getallen in de statistiek der zelfmoorden werkelijk een vaste regel, die een diep liggend innerlijk onderscheid tusschen Katholieken en Protestanten blootlegt?
De bewering, dat Shakespeare katholiek is geweest, was mij nieuw. Ik had hem zonder meer, als van zelf, voor een Protestant gehouden.
Ik zou dus ook van het standpunt des praktischen levens aan het Catholicisme de voorkeur moeten geven.
Maar wanneer het Protestantisme theoretisch onhoudbaar en praktisch op zijn minst genomen niet beter is dan het Catholicisme, hoe kwam het dan, dat in de 16e eeuw de volkeren met zooveel geestdrift het Protestantisme omhelsden? Ziedaar een raadsel, dat u nog ter oplossing over blijft.
(2. Antwoord des Paters).
Wat de zelfmoorden aangaat, staat het vast flat deze volgens eene vaste wet ongeveer drie a viermaal zoo dikwijls voorkomen bij Protestanten dan bij Katholieken. Dit is een feit, dat de statistieken bewijzen en dat ook van protestantsche zijde wordt erkend. Wanneer de getallen een weinig verschillen, dan is deze verandering hoofdzakelijk daaraan toe te schrijven, dat met het toenemend verval van het Chris-dom op betreurenswaardige wijze ook een stijgen van het getal der zelfmoorden hand in hand gaat. Voor het koninkrijk Saksen o.a., was voor de jaren 1871 â1875 'let gemiddelde getal der zelfmoorden 258 per millioen; eenige jaren later steeg dit cijfer tot 408.
De meening, die gij tot hiertoe gekoesterd hebt, als zou
277
Shakespeare protestant zijn geweest, is op zijn minst genomen (om niet meer te zeggen) zeer weinig bewezen. Veel krachtiger redenen pleiten ervoor, dat hij katholiek was. 'j Indien gij dus zijn protestantisme aanneemt als iets wat van zelf spreekt, dan verkeert gij daardoor in eene historische dwaling, ovenais in zoovele andere zaken, die men u op protestantsche scholen heeft geleerd. Ik zou u eene heele litanie van historische verdraaiingen kunnen opnoemen, die bij u dagelijksche kost zijn, bijv. de verwoesting van Maagdenburg door Tilly, de sprookjes van Tetzel en zijne aflaats-kist, de ouderwetsche voorstelling van den Bartholomeüs-nacht, van de inquisitie, van de orde der Jesuïeten enz. Doch het is hier niet de plaats dit alles te behandelen; hiervoor verwijs ik n naar het uitmuntend werkje: âGeschichts-liigenquot;, 6 Aufl. (1'aderborn Schöningh'1886). -)
Over eene historische logen moet ik echter, naar aanleiding van uwen brief, een weinig breeder uitweiden; het is ile gewone voorstelling, als waren in de 16e eeuw de volken met blijdschap de hervorming in de armen gesneld. Hoe groot deze blijdschap was. kunt ge daaruit affeiden, dat Hendrik VIII van Engeland niet minder dan 30,000 menschen moest laten ter dood brengen om Engeland te âhervormen.quot; Zijn medehervormer Cranmer verdedigde deze kettergerichten met den Bijbel. En omdat Maria de Katholieke, toen zij op den troon kwam, de/en Cranmer en anderen beulsknechten van den koninklijken woestaard de verdiende straf deed toekomen, werd zij in de annalen der protestantsche geschiedenis als de âbloedigequot; gebrandmerkt. Elisabeth, hare opvolgster, heette âde goede Bet,quot; ofschoon zij in één jaar, en meestal onder de uitgezochtste folteringen, meer menschen naar de eeuwigheid hielp omdat zij niet afvallig wilden worden van het geloof hunner vaderen, dan Maria er gedurende ai den tijd harer regeering had laten ter
1) Vergelijk over deze vraag; Kaich, Shakespeare's Slellung zur kalholisclien Jteligion. (Mainz, Kircliheim IHS'i.) 2) Ook in Hollandsclie vertaling verscliencn (Utreclil Wed. J. Ji. v. Hossuin) onder den titel: wGeschiedvervalsching.quot;
(lood brengen. Ondanks dit schrikbewind onder Elisabeth duurde het toch nog lang eer het Catholicisme was uitgeroeid. Nog op den nen Juni 1584 schrijft Parsons, dat er in ile maand Mei vijf Katholieken op de markt te Winches' ter in 't openbaar met zweepslagen werden gestraft, zonder dat een hunner afviel, en dat aan vier Katholieken in den zelfden tijd ter wille van het geloof het doodvonnis werd voltrokken. Een tijdgenoot bericht: âWat betreft de armere klassen der katholieke bevolking (boeren en handwerkslieden, die op het platteland nog zeer talrijk zijn), deze zijn niet bij machte, de goddelooze boete voor het bijwonen der H. Mis te betalen, nog minder die voor het niet bijwonen van de calvinistische godsdienstoefening. Daarvoor worden zij op openbare marktpleinen op gruwzame en barbaarsche wijze gegeeseld, zooals dit nog onlangs, voornamelijk te Winchester, is voorgekomen. Sommigen snijdt men de ooren af, of brandmerkt hen, terwijl men andere personen . . . . quot; ') maar de pen weigert, het overige te schrijven.
Gij ziet dan, mijn vriend, de blijdschap, waarmede het volk dit âloutere evangeliequot; heeft aangenomen, was nu juist niet zoo bijster groot.
Op gelijke wijze werden Zweden, Noorwegen en Denemarken met list en geweld door hunne wereldlijke overheer-schers âhervormdquot; d.i. tot verloochening voji het geloof hunner vaderen gedwongen.
Doch zien wij, hoe 't er in Duitschiand toeging. Hoe kwam dan wel in Duitschiand de nieuwe leer er boven op ?
Ik wil u hier niet lastig vallen met aanhalingen uit Luthers schriften, die o.a. wilde, dat men de handen zou was-schen in het bloed der pausen; want ik weet, dat men zulke liefelijkheden pleegt te verklaren door de wijze van spreken in den toenmaligen tijd en het heftig karakter van Luiher. Maar toch kan ik er niet buiten, om aan de hand van fans-sens âGeschichte des deutschen Volkesquot; de berichten van eenige ooggetuigen te doorloopen, om te doen zien, hoe in
j) Dclleshcim, (Uuclinal Allen (.Maiuü. Kirclilieim 18S51. hlz. lül.
279
werkelijkheid liet Protestantisme in Duilschlaud is doorgedrongen.
In de Paltz verordende in het jaar 1556 keurvorst Otto Heinrich, uitgaande van de Augsburgsche confessie : dat geene .,papistische afgoderijquot; in 't vervolg meer in het land /.011 worden gedul'.. Nadat eerst m de kerk van den H. (leest te Heidelberg âde afgodsbeeldenquot; waren opgeruimd, vaardigde de keurvorst âhat bjvél der vernielingquot; uit voor iiet geheele land. Keurvorstelijke visiteurs kregen aanzegging, âin het nachtelijk uurquot; de beelden en schilderstukken uit de kerken te verwijderen, âde beelden te verbrijzelen, de schilderstukken met zwarte verf te bestrijkenquot;; ook âde vensters met geschilderde glazenquot; moesten vernietigd worden. âWegens het ontruimen der kerken en het verwijderen dei-beeldenquot;, schreven de visiteurs, waren hun van den kant des volks âallerlei hindernissen in den weg gelegd en allerlei beschimpingen en ergerlijke uitdrukkingen naar het hootd geworpen.quot;
Volgens het beginsel: âalle geloften zijn goddeloos, alle monnikerij en nonnerij een gruwel voor Godquot; werd de opheffing der nog bestaande kloosters ten uitvoer gebracht, de onttrekking hunner inkomsten verordend. Voor geene gewelddadigheden deinsde men terug. Zoo verbood de keurvorst in het klooster Waldsassen, hoewel het onder het patronaatsrecht der kroon van Boheme stond, den katholieken eeredienst, deed de kerksieraden wegnemen en stelde l.uthersche predikanten aan. Om de monniken tot hetaan-nemen der nieuwe leer te verleiden werden slechte vrouwen bij hen in hunne cellen opgesloten. Den abt en meerdere monniken, die geen gehoor gaven aan de bevelen en standvastig bleven in hun geloof, liet de keurvorst naar Amberg in de gevangenis brengen.
In November 1556 verschenen de keurvorstelijke lasthebbers in het klooster Gnadenberg, om de nonnen aan het versland te brengen dat âhare gelofte duivelswerk haar .godsdienst afgoderij, godslastering en louter bedriegelijk menschcnwerkquot; was. Maar zij stieten âbij de hartuekkige vrouwspersonenquot; op onbuigbaren tegenstand. In aangrij-
2iio
pende bewoordingen vei klaarde de abdis en het geheele convent: âDaar buiten in de wereld is alles vol van trouweloosheid, nijd, haat en vervolging; vele ontelbare misdaden komen dagelijks voor, hoe langer hoe meer; zij waren, zeiden zij, allen afgeleefde, oude en onvermogende menschen, hadden hare armoede en wat haar ouders en vrienden hadden afgestaan, in het klooster gebracht; zij waren van zins volgens hare gelofte te leven in vrijwillige armoede, vasten en bidden, wisten uit Gods woord niet beter of zij hadden het echte geloof en den waren godsdienst: men zou toch zoo goed zijn haar daarbij te laten blijvenquot;. De aanwezige predikant nam de gewijde Hostiën uit het tabelnakel, alsook het Chrisma. De biechtvader der nonnen, een zwakke, ziekelijke grijsaard, was daarover ontdaan. Maar op staanden voet moest hij in de nijpende winterkoude het klooster verlaten, ondanks de verzekering der nonnen : âHij heeft negen jaren lang veel moeite en arbeid bij ons gehad, zich eerlijk op al zijne wegen gedragen. Men verwijt hem, dat hij ons verleid heeft. Dat is niet waar. Ach, goede heeren, gelooft het, bij God.quot; Dan smeekten de nonnen, dat men haar ten minste zou teruggeven wat zij in het klooster gebracht hadden en ze haars weegs laten gaan. Te vergeefs. Zij werden in het reeds âhervormdequot; klooster Seligenporten ondergebracht, en Gnadenberg werd in bezit genomen. ')
Op gelijke wijze vond het Lutheranisme ingang in Pfalz-zweibrücken. âDe edele vorst Wolgangquot;, roemde een zijner aanhangers, âlaat zich niet door de papistische gewetensbezwaren veler onderdanen, die louter wind en als afgodisch te verachten zijn, ervan afbrengen het onkruid uit te roeien en het goddelijk woord te planten; hij is een strijder van Christus, evenals het edele bloed hertog Christoffel \an Wurtemberg, al is hij het ook niet in alle deelen eens met de leer die in Wurtemberg gepredikt wordt.quot; Zoo werd het land âtot eene zuivere plek van het onvervalschte evangelie, tegen alle papistische gruwelen en afgoderij en alle kettersche bederf en dwaling.quot; Alles moest Luthersch worden; wie
1) Jaiibbeu, ücücliichlu lid. IV. 1c 1-c uil^avc- Ucitlci I' leibui^, JjJz. Ã'J en 4U.
2S;
den ouden godsdienst trouw bleetquot;, moest liet land uit; altaren en beelden werden kort en klein geslagen, de kerkelijke goederen â dat mocht natuurlijk niet Ontbreken â¢â werden ingepalmd. ')
De Clarissen te Ffullingen waren onder hertog Ulrich van Wurtemberg elf jaren lang âvoor de aanneming van het evangelie bearbeidquot; en gedwongen geworden, den hertog ook âin het zielerechtquot; als hun wettig opperhoofd te vereeren. Zij waren gedurende al dien tijd beroofd van het H. Misoffer en van de Sacramenten en elf zusters stierven zonder de troostmiddelen van den godsdienst. Wijl ondanks alle beschimping en ontbering geene enkele afvallig werd, werden zij ten laatste verjaagd. :!)
Het hertogdom Brunswijk werd door den keurvorst johann Friedrich van Saksen, die het veroverd had, lot het âevangeliequot; bekeerd. Alles wat katholiek is, zoo verklaarde de âvrome vorstquot;, was ânog giftiger dan duivelswerk; hij wilde niets ervan in zijn rijk dulden, al moest men ook met hardnekkigheid er tegen ingaan, want hij was een minnaar van Christus.quot; :1)
Een bericht van het jaar 1545 over den toestand in het hertogdom Bruiisivijl; na deze âhervormingquot; bevat de volgende klacht: âAlles in het land is thans oneenig en verdeeld. Wie bij het oude geloof wil blijven, wordt verdrukt en verjaagd. De arme maagden in de kloosters worden met meer spot en hoon behandeld dan veile deernen, men dwingt ze tot afval en ontneemt haar het levensonderhoud. Nergens is recht meer en orde, de kerken zijn ledig maar ile kroegen vol; de mindere man doet het de voornameren na, en er is geen eind aan de zwelgerij en de liederlijkheid.quot; â 1)
Op het Eichsfeld hervormde een deel van den adel met âspiesen en buksen.quot; Adellijken onderwonden zich, zooals het in een bisschoppelijk klaagschrift heet, de kerken van
1
Janssen IV, blz. 'iO. 2) Janssen IV, blz. -V) Janssen B(i. Ill, biz. oo'i. 'n Janssen 13d. III. blz. 5U(i.
202
het Eichsfeld âmetterdaad zich toe te eigenen, te besturen, vreemde predikanten aan te stellen volgens hun eigen believen, de arme onderdanen en ingezetenen van den katholieken godsdienst, dien zij en hunne ouders van oudsher hadden beleden, door allerlei ergerlijke verleidingen, gedrukte smaadschriften, ja deels ook met dwang en zelfs met geweld afvallig te maken, en de kerkgoederen in bezit te nemen.quot; ') Het inpalmen der kerkegoederen was het eigenlijke punt, waar het opaan kwam; al het overige diende slechts om er een kleur aan te geven. Mclnuchlhon schrijft; âDe rijkssteden geven om den godsdienst niet het minst : het is er slechts om te doen, macht te verwerven en het juk der bisschoppen af te schudden.quot; âDe vorsten storen zich aan deze dingen in 't gebeel niet, en het een is hun evenveel waard als het andere.quot; âOnder den dekmantel âvan het Evangeliequot; zijn de vorsten er slechts op uit de kerken te plunderen, en zich aan spel, hoererij en andere genietingen over te geven.quot; âDe vorsten verwonden de kerken met ontzettende ergernissen en ontnemen haar kleederen en bezit.quot; âZij halen de kerken het vel over de ooren, door persoonlijke hartstochten en door eigenbelang gedreven.quot; 'l)
Op zulk een wijze werd dus Duitschlaid tot de nieuwe leer bekeerd. Het duurde intusschen nog lang, voordat men het Catholicisme door geweld en las'er uit de herinnering van het protestantsch gemaakte volk had uitgeroeid. Veertig lange jaren had men het volk voorgepreekt over âhet duivelswerk van het papendomquot;, toen Fabricius klaagde dat het Catholicisme nog steeds diep in het volk geworteld was, ondanks âhet groote heldere licht van 't Evangelie.quot; De menigte, zeide hij, stak ânog zoozeer tot over de ooren in het oude guichelspel, dat men ze met ééne preek weer allen tot het papendom zou kunnen terugbrengen.quot;
Onder de rijksstenden, die zich bij de Augsburgsche con fessie hadden aangesloten, was het beginsel âwie het land
1) Janssen lid. Ill, biz. 41U. 2) Janssen Bd. III. biz. 717. o) Janssen 13d. IV. blz. 7.
283
beheerscht, beheerscht ook den godsdienstquot; feitelijk reeds lang tot feit geworden, voordat zij in het jaar 1555 vrede met de katholieke rijksstenden sloten; de beteekenis van den vrede lag voor hen in dit opzicht slechts hierin, dat het beginsel rechtsgeldigheid voor het rijk verkreeg. Ook de kleinste staat kon zich van dat oogenblik afaan bij de âvaststelling van het geloof der onderdanenquot; op de bepaling van Augsburg beroepen. Deze bepaling werd het uitgangspunt voor de strenge handhaving en uitvoering van al datgene, wat ile Straatsburger reformator Capito reeds voor tientallen van jaren in een geschrift aan den paltzgraaf Rupert als recht en plicht der wereldlijke overheid had voorgesteld. Iedere vorst, zeide Capito, is hoofd der Kerk in zijn land, door Christus als zoodanig in zijne plaats aangesteld. Voor âde macht van zijn zwaardquot; moet alles zich buigen; hem zijn de leer en de vorm van den godsdienst, hem zijn de geestelijken en predikanten met geheel hun machtsgebied onderworpen. âOe kinderen behooren niet zoo zeer aan dc ouders als aan den Staat.quot; Iedere vorst moet den katholieken godsdienst in zijn land met dwangmiddelen uitroeien. ') Dit ging natuurlijk niet zoo gemakkelijk bij de volwassenen, als bij de kinderen. Immers de volwassenen herinnerden zich uit hunne jeugd, dat zij in het Catholicisme nooit Heiligen hadden aangebeden, geen afgoderij hadden begaan, enz. Maar door middel van de school, die op genade en ongenade aan de macht van den Staat was overgeleverd, kon men voor de latere geslachten klaarspelen wat men maar wilde, zelfs de dolzinnigste dingen.
Overal werd der protestantsche jeugd reeds bij het godsdienstonderwijs diepen afschuw tegen de âgoddelooze papistenquot; ingeprent. Luther had daartoe den eersten stoot gegeven. De geheele Kerk, zoo leerde hij, was tot aan de opkomst van zijn evangelie door de macht des duivels verwoest, in de plaats van de Kerk was een moordhol gesteld; eeuwen lang had de duivel, in plaats van den door hem
I) Janssen. Bd. IV, blz. o en 'i.
2S4
onttroonden Christus, het geheele rijk der Christenheid in vrijheid beheerscht : de paus had zich opgeworpen ais stedehouder van den duivel, de bisschoppen waren apostelen van den duivel, de monniken handlangers van den duivel, de Mis was de allergrootste gruwel, een drakenstaart, het vagevuur een hersenschim van den duivel. Ook in zijn grooten catechismus hoopt hij de bitterste smaadwoorden opeen tegen alles, wat hem in de Katholieke Kerk niet aanstond. Niemand, zoo zeide hij o.a., had in het Pausdom âChristus als onzen Heer erkend, noch den H. Geest als dengene, die heilig maakt.quot; âVroeger waren wij duivelskinderen, wijl wij niets van God en Christus geweten hebben.quot; ... De pauselijke Stoel te Rome, met al wat daartoe behoort, was âhet hoofd en de opperste beschermheer aller dieven, die allemans goederen dooi dieverij zich toeeigende en tut op den huldigen dag in bezit beeft.quot;
Met algeheele vervalsching der katholieke leer bracht men de protestantsche kinderen in de christelijke leering aan 't verstand, dat de Katholieken zich aan afgoderij schuldig maakten. âDe papisten leerenquot;, zoo luidt het bijv. in den catechismus voor Mecklenburg, âdat men niet God alleen maar ook de doode menschen moet aanbidden.quot; Op de vraag; âWat is de antichristquot;? moesten de kinderen antwoorden : âDe antichrist is het geheele pausdom, door den duivel gesticht, waarin men de leer van Christus verdraait, de doode heiligen aanbidt, het huwelijk verbiedt en de spijs, en ter helle voert met al zijne gezellen die niet bekeerd worden.quot;
âHet moetquot;, schreef een predikant, âde christelijke jeugd vroegtijdig op het hart gedrukt worden, dat geheel het pausdom louter afgoderij is, erger dan die van heidenen en Turken De onzinnige papisten hebben, zooals Luther in zijnen Catechismus schrijft, van God eenen afgod, schier eenen appelgod gemaakt en zich zeiven voor god uitgegeven, zij moeten hunnen afgod te Rome, den antichrist in levenden lijve, als God aanbidden en tiücn Drech, der obcn urul union von ihm gekt, als iets goddelijks vereeren. Wie zou niet gruwen als hij hoort, dat zij de verdienste van Christus in 't geheel niet tellen, ja zelfs Christus haten en
2^5
bespotten en alleen door hunne eigene ingebeelde werken den hemel willen afdwingen. Het is de grootste afgoderij en een groote heiligschennis en schurkerij boven alle schurkerij, die ooit bestaan heeft zoolang de wereld bestaat.quot;
De predikant Andreas Fabricius stelde aan het volk als eenig hoofdartikel van het katholieke geloof het volgende voor: âDe paus is half God, half mensch, hij heeft macht over engelen en duivelen te gebieden, te doen en te laten wat hij wil; zijne papen zullen en moeten ongeleerd zijn, geen catechismus kennen, aan God noch duivel gelooven, aan geen verrijzenis der dooden, aan hel noch hemel.quot; ')
Zulke leeringen waren het, die het Protestantisme ingang verschaften en blijvende heerschappij ook in de harten.
En wat zeiden de Katholieken van zulk een handelwijze? Waar zij dergelijke dingen met eigen oogen zagen, moesten zij meestal zwijgen, ook wanneer zij de vroegere tijden, die zoo geheel anders waren, gedachten. Toch verhief zich hier en daar eene stem tegen zulk een bedrijf. Zoo schrijft in het jaar 1560 doctor Bartholomeus Klein-dienst:
âMen praat het arme volk voor, om het te doen gelooven, dat wij Katholieken van dezen tijd, of, zooals zij ons noemen, papisten, niets meer aannemen van Christus, dat wij de heiligen aanbidden als goden, ja den paus houden voor onzen God, dat wij God den hemel willen afdwingen met onze werken zonder de genade Gods, dat wij de H. Schrift niet gelooven, geenen echten bijbel hebben, en dezen, al hadden we hem ook, tocli niet kunnen lezen, dat wij meer vertrouwen stellen in het wijwater dan in het bloed van Christus,â dergelijke ontelbaar veel gruwelijke, godslasterlijke en vroeger ongehoorde logens dichten ze ons toe. Ieder verstandig mensch weet ook, dat dit de voornaamste kunst der secten is, waarmede zij het pausdom voorden gemeenen,overigens goed-hartigen man zoo geheel en al tot een gruwel hebben gemaakt. Ik kan het niet genoeg beweenen, dat het arme
1) Janssen Brl. IV. lilz. 5â7.
286
volkje zoolang beetgenomen en zoo erbarmelijk bedrogen wordt.quot; ..Het is mijns erachtens een der Uode behaaglijkste en voor de menschen allerheilzaamste goede werken, met zulke ongelukkige verleide en bedrogen lieden een diep christelijk medelijden te hebben, aandachtig voor hen te bidden en hun alle goeds toe te wenschen en te bewijzen.quot; *)
Eene âchristlige Klage-und Trostschriftquot; verklaart in het jaar 157S: âWanneer eenmaal onder de protestantsche geweldenaars, zooals te hopen is, het menschelijk en christelijk gevoel weer bovenkomt, dan zullen zij van schaamte moeten blozen over al de mateloos tirannieke daden, die bijna zonder onderscheid in vorstendommen en steden, vele jaren lang, dikwijls tien, twintig en meer, zijn gepleegd tegen die arme weerlooze kloostervrouwen, zelfs stokouden en ge-brekkelijken, om ze tegen hun geweten en ondanks hun beroep op de goddelijken Barmhartigheid listig van hun geloof te doen afvallen. O welk eene ironie, wanneer zij (de geweldenaars) uitroepen, dat hun evangelie de christelijke vrijheid is, dat zij geen gewetensdwang willen, terwijl er toch geene grootere dwingelanden geweest zijn dan zij, die zich niet ontzien, onophoudelijk, vele jaren lang de gewetens te kwellen, den troost der Heilige Sacramenten, eiken bijstand van gewijde priesters, alle geestelijke lees- en gebedenboeken, en zelfs bij den aanblik des doods, ondanks alle smeekingen, de heilige Teerspijs te onthouden en te ont-rooven. Alles wat op dit punt in Duitsche landen en steden is bedreven, brengen voor Gods rechterstoel de zielen van duizenden godgewijde kloostervrouwen, die niemand onrecht aangedaan en niets anders verlangd hebben dan dat ir.en haar, ook met onttrekking harer goederen en achter gesloten muren, zou laten leven en sterven.quot;
âI.ieve Christen, zeg mij, ook wanneer gij niet behoort tot de eenige Kerk, wat voor goeds is er geboren uit zulke tirannieke daden? Het weggenomen kerke-en kloostergoed
1) Janssen Bd. IV, UW.. 7.
2«7
is vergaan tol stof. en er ligt een vloek op, zooals de Protestanten zeiven honderden malen klagen. Hebben misschien de armen er bij gewonnen? Is de armoede dragelijker geworden of niet veeleer nijpender en menigvuldiger dan vóór de verdeeldheden in den godsdienst, in de dagen van het eenig christelijk geloof? Vraag het in alle Dnitsche landen, men zal u het antwoord niet schuldig blijven en gij kunt u zelf overtuigen in dorpen en steden.quot; ')
Meer dan drie eeuwen zijn heengegaan sedert half duitsch-land op de zooeven geschilderde wijze tot de nieuwe leer werd âbekeerd.quot; Toen het geweld een einde nam, namen ook de vorderingen van het Protestantisme om zoo te zeggen een einde. Hier en daar gingen er eenigen tot de nieuwe leer over, en ook nu nog sluit zich nu en dan een enkele bij haar aan. Maar zoolang ik sedert dertig jaren en langer dergelijke overgangen van het Catholicisme tot het Protestantisme heb kunnen gadeslaan, lagen andere beweegredenen dan godsdienstige overtuiging eraan ten gronde. Een ijverig protestantsch blad bekent: âHoewel menige overgang uit innerlijke overtuiging geschiedt, kan men dit toch niet van de groote menigte beweren. Vooral is het bij vele overgangen tot het Protestantisme te vreezen, dat liefde tot het ongeloof en tot de valsche vrijheid de beweeggrond is.quot; ')
Bij de overgangen tot het Catholicisme heb ik het tegendeel gevonden. De vele gevallen van dien aard, die mij ter kennis kwamen, waren gewoonlijk met zware offers verbonden. Voornamelijk gold dit van protestantsche predikanten, die zich meestal voor de noodzakelijkheid zagen geplaatst, zich met vrouw en kinderen aan de armoede prijs te geven en op de weldadigheid van anderen te rekenen, om hunne overtuiging en hun geweten te kunnen volgen.
Een interessant artikel in de nieuwe uitgave van Wetser en Welte's Kirchodcxihon (Freiburg, Herder 1884) geeft ons
1) Janssen Bd. IV, bi. Ã7. 2) »Neüés Zeitblaltquot; IVir die Angelegenhcilcn der Inlhorischon Kircho. Hannovor, Meyer 21quot;. Juli I8H3. Mz. 234.
208
nadere bijzonderheden betreffende de bekeeringen uit deze eeuw. In Duitschland vinden wij : uit regeerende vorstenhuizen 17, o.a. koningin Maria van Beieren, Pruisische prinses, prins Heinrich van Pruisen, prinses Julie van Pruisen, prins Paul van Wurtemberg; prins Adolf Friedrich, later ook prins Paul van Mecklenburg; uit andere vorstelijke huizen 9, onder welke vorst Karei zu Isenburg; uit grafelijke geslachten 54, te beginnen met graaf Friedrich Leopold zu Stolberg; uit âfreiherrlichequot; families 64, onder hen Frei-herr v. d. Kettenburg en Heinrich v. Gagern ; zeer vele uit den verderen adel, b.v. de âLegationsrathquot; v. Kehler; uit de kringen van geleerden en kunstenaars vinden wij de namen: Hurter, Gfrörer, Onno Klopp, Schlosser, Möller. Jarcke, Phillips, Volk, Daumer, Bickell, Martens, Lammer, Beckedorf, Hager, Evers, v. Rumohr, v. Haller, v. Schütz, Overbeck, Wilhelm en Rudolf von Schadow, Veit, Schnorr von Karolsfeld, Müller, Achenbach, Hübsch, Emilie Lindner, Louise Hensel enz.
Nog grooteren omvang toonen de bekeeringen in P^nge-land. Zoo schrijft de beroemde bekeerling üakeley in de âTimesquot; : âDe bekeerlingen stroomen ons in steeds toenemende mate toe. Niemand buiten ons kent het aantal der Protestanten, die zich met ons vereenigen.quot; De nieuwsbladen vermelden van tijd tot tijd eenige der merkwaardigste bekeeringen, maar de massa der andere blijft onbekend of zijn slechts aan God en de geestelijkheid bekend ! Er bekeerden zich o.a.: uitdenhoogsten adel 52 heeren, anglikaansche theologanten en geestelijken 333, doctoren van de hoogeschool van Oxford 266, van de hoogeschool van Cambridge 128.
In Denemarken, waar tot het jaar 1848 de bekeering met verbanning en onterving werd gestraft, is de terugkeer naar de oude Moederkerk eveneens begonnen. De gemeente Aarhus b.v., gevestigd in het jaar 1872, telt meerdere honderdtallen van leden, bijna uitsluitend uit bekeerlingen bestaande. Op gelijke wijze gaat het in Zweden en Noorwegen en de Vereenigde Staten. Kortom : sinds de godsdienstdwang ten gunste van het Protestantisme is vervallen, groeit het getal der bekeeringen aan.
2S9
En wat zal het einde dezer ontwikkeling van afval en terugkeer zijn? De oplossing van het Protestantisme zal meer en meer voortgang maken; men zal de laatste consequenties trekken van het werk dat Luther, zonder de gevolgen ervan te overzien, in de 16e eeuw begon. De groote massa der Protestanten zal zich losmaken van het Christendom, van eiken godsdienst, en zich een modern heidendon; in de armen werpen. Velen echter zullen terugkeeren tot de oude, veel gelasterde en gehoonde Katholieke Kerk. Want zij, die reeds lang dood heette, zij staat nog op het eind der 19e eeuw in de frissche kracht der jeugd, om als reddende ark allen een toevluchtsoord te bieden, die niet hun graf willen vinden in de golven van het moderne ongeloof. Even jeugdig nog zal -zij staan, met den laatsten Stedehouder van Jesus Christus aan hare spits, wanneer eens haar Stichter, de Zoon Gods, weder verschijnt om te oordeelen de levenden en de doodeh.
12. Practische wenken.
(1. Brief van; Edcak.)
Eerw. Pater! Uw laatste brief heeft aan mijne beslissing den laatsten stoot gegeven : Ik keer terug tot de Katholieke Kerk.
VVel zie ik moeielijkheden in 't verschiet, die deze stap mij zal berokkenen ; mijne familie zal er zich tegen verzetten, men zal mij voor eenen kinderachtigen dweper houden, mijne toekomttige carrière zal eronder lijden. Maar wat komt dat alles erop aan? Het is plicht, als man van eer en als Christen openlijk en geheel voor de waarheid op te komen, uiterlijk te belijden wat men in zijn hart is. Christus heeft immers gezegd: ,.\\'ie zich over Mij en mijne
19
290
woorden schaamt, over dien zal ook de Zoon des menschen zich schamen, wanneer Hij komen zal in zijne en des Vaders heerlijkheid.quot; En wat betreft de onaangenaamheden, die mij wachten, roep ik mij het woord van den Heiland te binnen : âDe knecht is niet grooter dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen quot;
Mijn besluit staat dus vast. Ik word katholiek.
Voor het oogenblik verzoek ik u slechts om eenige prac-tische wenken voor de uitvoering van dit besluit. Dus;
1. Waarheen zal ik mij het best wenden, om katholiek
te worden ?
2. Hoe moet ik mij op de eerste biecht voorbereiden?
â¢5. Welke gedragslijn zal ik volgen na mijnen overgang .
2. Antwoord hes Patkrs.
(lij begrijpt, waarde Vriend, welk eene innige blijdschap mij uw brief veroorzaakte. Ik zegen uw voornemen. Met betrekking tot uwe vragen antwoord ik u :
1. Zie u, als het mogelijk is, vóór den overgang eenigen tijd terug te trekken in een klooster; houd u daar ten minste acht dagen lang met de aangelegenheden uwer ziel bezig.
Wat de keuze van zulk een klooster betreft, noem ik u de volgende : . . . . Ivies daaruit datgene dat u het meest geschikt voorkomt en dat voor u de meeste aantrekkelijkheid heeft. Wellicht kan ik u een aanbevelingsbrief medegeven.
2. Ietwat uitvoeriger moet ik uwe tweede vra.vg beantwoorden.
De biecht, of liever het Sacrament der boetvaardigheid is door Christus ingesteld in den vorm van een rechtsgeding. De zondaar dient bij den priester, als plaatsbekleeder van God, zijne aanvraag in om vergiffenis der zonden. Voor dat doel moet hij de zonden aangeven welker vergiffenis hij verlangt; hij moet dit verzoek wettigen door berouw over de bedreven zonden, en door het voornemen, om in het vervolg de zonde te mijden. De priester willigt het verzoek 111 wanneer hij het als gegrond erkent, en vergeeft in den naam van God de zonden; legt echter den zondaar als voldoening
eene boete op in verhouding tot het aantal en i!e zwaarte der zonden.
Hieruit volgt, dat van den kant des zondaars, wil hij het Sacrament der biecht volledig ontvangen, vijf punten gevorderd worden ; het gewetensonderzoek, het berouw, het voornemen, de aanklacht (d. i. de biecht in den engeren zin) en de verrichting der opgelegde boete.
Met betrekking tot het voornemen is het voldoende, dat men alle groote zonden wil vermijden ; met betrekking tot het berouw is het eveneens voldoende, dat het zich over alle groote zonden uitstrekt, die men na het Doopsel of na de laatste'biecht heeft bedreven. Hieruit volgt, dat het gewetensonderzoek en de belijdenis zich ook slechts tot de groote zonden behoeven te bepalen; zouden er geene groote zonden zijn voorgekomen, dan moet men eene of meer kleine zonden belijden en daarover berouw verwekken, opdat de kwijtschelding des priesters niet doelloos zij.
Gij zult vragen: wat is eene groote, en wat eene kleine zonde?
Onder groote, zware of doodzonde, verstaat men zulk eene zonde, die de ziel berooft van het leven der heiligmakende genade. Onder kleine zonde of dagelijksche zonde daarentegen zulk eene, die dat leven niet vernietigt, ons niet tot vijand maakt van God, maar wel eenigermate Zijn misnoegen verdient. De doodzonde heeft, wanneer zij vóór den dood niet vergeven wordt, de eeuwige verwerping ten gevolge; de dagelijksche zonde, wanneer zij vóór den dood niet gedelgd en uitgeboet is, de straf van het vagevuur.
En waaraan kan men erkennen, wat eene groote en wat eene kleine zonde is?
Er is spraak van eene doodzonde wanneer iquot; de zaak zelve van beteekenis is, wanneer men 2quot; met het verstand erkent, dal de bewuste handeling of begeerte enz. eene zware zonde is, en wanneer men in weerwil van deze kennis 3quot; met den wil volkomen vrij in de zonde toestemt. Ontbreekt er een van deze vereischten, dan is er geen spraak van zware, maar hoogstens van dagelijksche zonde, die men niet verplicht is te biechten.
292
Gij vraagt verder: Wanneer is de zaak eene zaak van be-teekenis?
Ik antwoord: dit is niet mathematisch zeker te bepalen. Wilt gij echter eenig uitgangspunt bij de beoordeeling hebben, dan zegt men gewoonlijk, dat bij diefstal bijvoorbeeld de zaak dan van beteekenis is wanneer de waarde voor den bestolene voldoende zou zijn voor zijn levensonderhoud gedurende eenen dag. De diefstal van een paar dubbeltjes is dus geene doodzonde; de diefstal van twee, drie kwartjes kan het zijn, wanneer de bestolene arm is; de diefstal van 20 gulden zal het altijd zijn. Den diefstal heb ik daarom als ophelderend voorbeeld gekozen, wijl daarbij het onderscheid der zaak het meest in 't oog valt. Gij kunt echter volgens dezen maatstaf eenigermate afmeten wanneer bijv. eene liefdeloosheid of beleediging van den naaste eene zware zonde wordt; dan namelijk, wanneer zij uitteraard den beleedigde evenzeer krenkt als het verlies eener geldsom hem zou smarten, welker diefstal eene zware zonde zou zijn.
Hierbij is echter te bemerken, dat bij eenige soorten van zonden ook de geringste geheel vrijwillige overtreding (ook wanneer ze slechts in eene gedachte zou bestaan) eene doodzonde is. Dit geldt voornamelijk van de zonden tegen het zesde gebod.
Verder is te bemerken, dat het niet zoozeer aankomt op de grootte der zaak op zich beschouwd, maar daarop, hoe groot de zaak is in het oog des zondaars. Wie een bankbiljet van 1000 gulden steelt in de meening, dat het slechts een valsch bankbiljet is, begaat geene doodzonde; wie omgekeerd een valsch bankbiljet steelt in de meening, dat het een echt is, zal zich aan eene doodzonde schuldig maken. Wanneer mij dus bij het gewetensonderzoek zaken te binnen schieten, die ik als kind bedreven heb, en die op zich beschouwd misschien zware zonden waren, dan waren ze het toch niet voor mij, als ik ze toen niet als zoodanig heb erkend; ik behoef ze dus niet te biechten.
Hiermede hebben we het tweede vereischte voor eene doodzonde reeds afgehandeld, n.1. dat men de zaak als zware zonde moet erkennen.
293
Het derde vereischte is de volle toestemming van den wil. Deze omstandigheid komt vooral in aanmerking bij zonden van gedachten tegen het zesde gebod. Het kan zijn, dat zich eene zondige voorstelling opdringt aan onze verbeelding. Tracht men deze voorstelling te bestrijden, dan is er in 't geheel geen spraak van zonde, maar slechts van eene bekoring, welker bestrijding ons bovendien nog welgevallig maakt in Gods oog. Is men een weinig nalatig in de bestrijding, zonder echter volkomen toe te stemmen, dan begaat men eene dagelijksche zonde. Eerst dan, wanneer men ondanks de waarschuwende stem van 't geweten zijne volle toestemming geeft, is er spraak van doodzonde, die men moet biechten.
Hiermee geloof ik u in enkele trekken te hebben uiteengezet wat eene doodzonde is. Het gewetens-onderzoek moet zich nu uitstrekken tot alle na het Doopsel begane en nog niet gebiechte doodzonden, en in de belijdenis moet men zich van al deze doodzonden beschuldigen, voor zoover men ze, na een nauwgezet onderzoek, heeft ontdekt; men moet ze biechten volgens soort en getal zoo goed als dit mogelijk is. Zou men onvrijwillig eene zonde hebben vergeten, dan wordt deze toch vergeven; want het is de bedoeling van den priester kwijtschelding te verleenen voor zooverre de biechteling er vatbaar voor is en er behoefte aan heeft. Herinnert men zich echter later deze vergeten zonde, dan moet men ze in de volgende biecht belijden; intusschen kan men toch gerust de H. Communie ontvangen. Ook is het niet goed, om, wanneer men eenmaal zijn geweten behoorlijk onderzocht heeft, uit overdreven angstvalligheid telkens weer opnieuw te willen onderzoeken. Dat dient nergens toe en is veeleer nadeelig.
Het gewetens-onderzoek moet natuurlijk verschillend zijn naar gelang men het wil instellen over eenen korten tijd of over geheel zijn leven. Voor eene biecht, zooals vrome Christenen ze wel alle 8 of 14 dagen afleggen, is eene \ oorbereiding van een kwartier of een half uur lang genoeg. En zelfs van dezen tijd moet het grootste gedeelte nog besteed worden om berouw te verwekken en het voornemen te
294
maken, en slechts hel kleinste deel voor het gewetensonderzoek. Is er echter spraak, zooals dit bij u het geval zal zijn, van eene biecht over het geheele leven, dan moet de voorbereiding natuurlijk langer duren en grondiger zijn. Het zal voor u het beste zijn, de verschillende perioden van uw leven aan de hand der 10 geboden te doorloopen en u af te vragen in welke punten gij gehandeld hebt in strijd met uw geweten; want slechts in dit geval hebt gij eene zonde begaan, en niet wanneer gij iets gedaan hebt wat op zich genomen wel verboden is, maar wat gij op dien bepaalden tijd nog niet als zonde erkendet. Om u op te wekken tot berouw, kan u dienen de beschouwing van Gods goedheid, die gij hebt beleedigd; van zijne weldaden, die gij met ondank hebt vergolden: van de ergernis, die gij anderen hebt quot;egeven; van de eeuwige goederen, die gij door de zonde hebt verbeurd en, als ge wilt, ook van de straffen die gij u door de zonde hebt op den hals gehaald.
Kost het ii moeite, een ot andere zonde te belijden, dan kunt gij den biechtvader verzoeken of hij u wil ondcivragen, wijl gij nog iets op het hart hebt, dat gj niet goed kunt uitdrukken. De biechtvader zal u alsdan door passende vragen te hulp komen. Bedenk overigens wel, dat de zelfvernedering, die in deze belijdenis der eigen zonden gelegen is, zonder twijfel door Christus bij de instelling van het Sacrament der biecht werd beoogd. Het kost ons niet veel, om de zonden in de verborgenheid van het eigen hart voor God te belijden, die ze zonder dat toch reeds kent. Maar, veel kost het ons, ze in nederige, knielende houding aan eenen mensch te openbaren en van hem terechtwijzingen aan te nemen. Van den anderen kant moge u echter de gedachte bemoedigen en geruststellen, dat deze mensch in waarheid de plaats bekleedt van God en dat hij door het biechtgeheim tot de strengste en heiligste geheimhouding verplicht is, eene geheimhouding waarvan hem slechts God en de biechteling zelf, maar geene menschelijke macht, ook de Paus niet, kan ontheffen.
Wat betreft het formulier, waarvan men zich bij de biecht pleegt te bedienen (voor- en nabiecht), die vindt gij in
295
ieder katholiek kerkboek; er wordt echter geen bepaald formulier vereischt.
3. Dit over de biecht. â Gij vraagt mij ten laatste om een gedragslijn voor den tijd na uwe bekeering. Ik raad u het volgende aan:
Ten eerste. Leef practisch volgens de beginselen van het katholiek geloof en plaats u onder de leiding van eenen ervaren biechtvader. Ik raad u dit voornamelijk, opdat gij noch naar rechts door onverstandigen ijver, noch naar links door het tegendeel zoudt afwijken. Woon dagelijks als gij kunt de H. Mis bij en nader dikwijls â minstens zoo ongeveer om de maand â tot de H. Sacramenten. Leg jegens allen de hartelijkste liefde aan den dag, vooral jegens uwe protestantsche familieleden; natuurlijk zonder uwe overtui-tuiging in het minst prijs te geven.
Ten tweede. Tracht u immer degelijk omtrent katholieke zaken op de hoogte te stellen. Tot dat doel zend ik u eene lijst van aanbevelenswaardige boeken. Voor den eersten tijd geef ik u den raad eenen katholieken Catechismus oplettend door te lezen en omtrent punten, die u nog duister zijn, opheldering te zoeken in het voortreffelijk boekje:
Ten derde. Begin nooit met andersdenkenden over den godsdienst te redetwisten. Noodzaakt men u daartoe, dan geef een passend antwoord, en als het gevoegelijk kan geschieden ook een passend katholiek boek ter lezing. Stoot gij op eene moeielijkheid, die gij niet voldoende kunt oplossen, dan vraag inlichting bij uwen biechtvader of bij iemand anders zoo als de gelegenheid het meebrengt.
Ik begrijp zeer wel, hoe vurig gij verlangt ook de uwen te winnen voor het geluk, dat gij in het Catholicisme gevonden hebt en nog steeds rijkelijker zult vinden. Wees echter overtuigd, dat gij dit niet door disputeeren zult bereiken, maar wel door het voorbeeld van een waarachtig braaf, opgeruimd, liefdevol, christelijk leven, door verbreiding van goede boeken en door gebed.
Dit voor heden! â God schenke u Zijnen zegen voorde
296
uitvoering van uw besluit. Uwen volgenden brief /.ie ik met groote spanning te gemoet.
13. Besluit.
(Briek vax Edgak.)
Dierbare, Eerw. Pater! Heden moet ik u in de vreugde mijns harten terstond eenige woorden schrijven, om lucht te geven aan de gevoelens, die mijn hart overstelpen.
Ik heb den stap gedaan, ik heb openlijk en plechtig mijn geloofsbelijdenis afgelegd, en ben thans lidmaat der ééne, heilige. Katholieke en Apostolische, door Christus zelf gestichte Kerk.
Doch hoe zal ik u mijn geluk schetsen?
Gij herinnert u hoe vreemd ik aan het Christendom geworden was, hoe koel ik het bejegende. Voor het uiterlijke was ik Protestant. Maar de oflïciëele leer van mijnen godsdienst was mij onverschillig; in mijn hart was ik eer atheïst of scepticist, dan Christen. Het Christendom scheen mij tegenover de moderne wetenschap niet meer te kunnen bestaan.
Gij hebt mij van het tegendeel overtuigd ; ik werd Christen.
Nu drong zich de vraag aan mij op : welke der verschillende belijdenissen heeft het echte Christendom ? Vroeger toch was mij deze vraag van zelf hoogst onverschillig geweest. Ik gaf natuurlijk aan het Protestantisme de voorkeur omdat het mij theoretisch en practisch minder bemoeilijkte: het Catholicisme daarentegen hield ik voor eene dwingelandij des geestes, die hare aanhangers noodzaakt een groot aantal bijgeloovige leerstukken blindelings aan te nemen.
Ik stelde dus de vraag: Waar is het echte, het onver-valschte, het oorspronkelijke Christendom ? In de Katholieke Kerk, bij een der protestantsche sekten of waar anders?
297
De beslissing kon natuurlijk niet moeilijk zijn. Nadat de gewone verwijten tegen de Katholieke Kerk bij nader onderzoek zonder uitzondering laster waren gebleken en nadat het mij duidelijk was geworden dat hare bisschoppen dat lee-rend lichaam vormen, hetwelk op last van Christus is aangesteld om tot aan het einde der dagen alle volkeren te lee-ren en te leiden, erkende ik het als mijn plicht, mij door dit leerend lichaam te laten onderwijzen in datgene wat het ware Christendom vormt, en mij aan zijne leer en zijne voorschriften nederig te onderwerpen.
Nu kwam ik terug in het protestantsche ouderlijk huis. Ik schreef u, welk een bevreemding mijn bekentenis veroorzaakte. Men voerde allerlei redenen tegen mijnen overgang in 't veld. Maar wat voor redenen ?
Dat de zaak groot opzien zou baren, dat ik alleen zou staan in de geheele familie, dat ik mijne carrière zou schaden. Liep het hoog, dan trok men tegen het Catholicisme te velde met wapenen, die reeds lang houten sabels voor mij waren geworden. Ook deze tegenwerping moest ik hooren : dat het verkeerd was en met het eergevoel niet strookte, van godsdienst te veranderen. Men bedacht niet, dat men hiermee den Goddelijken Heiland veroordeelde, die gekomen was om alle joden en heidenen door eene verandering van godsdienst tot Christenen te maken; men bedacht niet, dat het geheele Protestantisme aan eene verandering van godsdienst bij onze voorvaderen zijn oorsprong te danken had. En wilde men wellicht den overgang van het Catholicisme tot het Protestantisme geen verandering van godsdienst heeten, dan kon toch de omgekeerde stap, dien ik mij had voorgenomen, evenmin als zoodanig gelden !
Nergens onder al de tegenwerpingen, die men te berde bracht, vond ik de onomwonden bewering -- dat de Lu-thersche of de Evangelische kerk in het bezit was van het volle, ware Christendom, dat dus iedere verzaking en iedere afwijking van haar tegelijkertijd eene verzaking en afwijking was van het reine onverminkte Christendom.
Ofschoon men zoo weinig blijk gaf van vertrouwen in de waarheid der eigene leer, werd niettemin alles in
298
het werk gesteld, om mijn overgang tot het Catholicis-me te beletten. Men bracht mij in het gezelschap van protestantsche predikanten. Echter ook hunne polemiek was eene zuivere negatieve ; het Catholicisme was dwingelandij des geestes (maar dan was dit toch ook het woord van Christus: âwie u hoort, hoort mijquot;); het Protestantisme huldigde het vrije onderzoek (dit huldigt echter het heidendom ook); de katholieke landen waren verkankerd (wat ik daarvan te houden had, hadden mij uwe zelfmoordenstatistieken bewezen); er waren ook slechte priesters en bisschoppen geweest (alsof er onder de 12 Apostelen ook geen judas geweest was.) Die handtastelijke lasteringen, dat de Katholieken heiligen aanbidden, afgoderij plegen met het H. Misoffer en de reliquieën e. a. m. wil ik zelfs niet eens vermelden.
Het was dus nutteloos nog langer te redetwisten en den beslissenden stap uit te stellen. De predikanten hadden tijd genoeg gehad, om hunne tegenwerpingen te maken.
Ik vertrok dan volgens uwen raad naar X . . .!
Hoe goed deed het mij, daar de stilte en de eenzaamheid van een welgeordend klooster te vinden! Hoe trol mij de schoonheid der godsdienstoefeningen en het heerlijk gezang. Hier, zoo dacht ik bij mijzei ven, hier woont vrede en waarheid; hier vind ik den vrede, dien Christus zijnen Apostelen beloofde, dien vrede, dien de wereld â en dien ook het vage en veelhoofdige Protestantisme niet geven kan.
Maar ik wil korf zijn.
Pater N. nam het op zich, 'nij op den overgang voor te bereiden. Hij vond, dat ik in de katholieke geloofsleer reeds genoegzaam onderwezen was. Zoo lieten wij dan alle geleerdheid rusten en hielden ons in de geestelijke oefeningen bezig met beschouwing en gebed.
Een geheel nieuw licht ging op voor mijn geest. Klaarder dan te voren erkende ik den weg ten hemel, dien ik moest bewandelen.
Gister namiddag, aan het einde der geestelijke oefeningen, legde ik de generale biecht over geheel mijn vervlogen leven
299
af. Ãit viel mij veel gemakkelijker dan ik gedacht had. De rest van den avond bracht ik door met beschouwingen over de onbegrijpelijke goedheid en barmhartigheid Gods, die mij uit de verre afdwaling van het ongeloof had teruggeleid tot het geloof aan Zijnen Goddelijken Zoon. En deze zelfde Zoon Gods, onze Verlosser Jesus Christus, stond nu op het punt mij op te nemen in de door Hem gestichte Kerk en mij Zichzelven ten spijs te geven in de H. Communie.
Dezen morgen legde ik mijn geloofsbelijdenis af. De strijd was volstreden, de zege behaald, als kampprijs ontving ik den goddelijken Heiland zeiven uit de hand van den gewij-den priester.
Misericorclias Domini in aolermun cmUahu.
Gods Barmhartigheid wil ik lofprijzen in eeuwigheid.
INHOUD.
Voorwoord.................. Ill
I. God of geen God.
1. Weten en gelooven I
Geluk, zekerheid en redelijkheid van het geloof. â Zonder voorafgaand weten geen geloof.
2. God, de Schepper van het Heelal 5
Het kosmologisch-bewijs. â De raensch is niet eeuwig, stamt niet van apen af ( Virchpw, Otto Henne-am-Rhin), is dus door God geschapen. -- De andere dieren- en plantensoorten zijn geschapen. - Het eerste organisch wezen is geschapen, niet door zelfwording ontstaan (Virchow). - De âonbekende oorzaakquot;. â Het teleologisch bewijs (Pesch).
3. Tegenwerpingen 19
Tegenstrijdigheden in de wereld. â Oneindige reeks van geschapen wezens. â God niet onveranderlijk. â Aristoteles: Het onbewogene is voorwaarde van het bewogene, het onveranderlijke van het veranderlijke. â God zeer volmaakt, oneindig volmaakt. â Veelgodendom eene tegenspraak met zichzelf. â Practische gevolgtrekking
4. God, de laatste Bron van recht en plicht 26
Waarom worden in den tegenwoordigen tijd onder de wetenschappelijk ontwikkelden zooveel ongeloovigen gevonden? â Zonder God geen recht, geene zedelijkheid, geen plicht om den Staat te gehoorzamen of het gegeven woord te houden (Schopenhauer). â Practische wenk.
5. God de Bron van het hoogste geluk . 34
Ongeluk van den atheïst ook in dit leven. Geluk van het Christelijk geloof. â Ander bewijs voor Gods bestaan.
6. Wonderen..............39
Wonderen geen disharmonie, maar een uitvloeisel van hoogere hnrmonie. â¢â Zij sluiten geen opheffing der natuur-
Tl
wetten in zich. â Zij zijn een verder bewijs voor het bestaan van een persoonlijken God. â De ervaring spreekt niet tegen, maar voor dezelve. â Hun doel inzonderheid als bewijsmiddel voor de openbaringen Gods. â Voorbeelden van wonderen.
II. Jesus Christus.
1. Het drama der Wereldgeschiedenis . . . 52
Schepping en zondeval, het eerste bedrijf. â Beloften over den Verlosser. â Geboorte, leven en lijden van Jesus Christus, het hoofdbedrijf. â De uitbreiding van het rijk van Jesus Christus tot het einde der tijden. - Het jongste oordeel, het slotbedrijf.
2. De gewijde boeken van het Nieuwe Testament 82
Inleidend woord. â De bewijzen voor de echtheid en geloofwaardigheid: t. de nog bestaande handschriften, 2. de oude vertalingen en Evangelie-harmonieën, 3. de tegenstellingen tot de apocriefe Evangeliën, 4. het getuigenis van den H. Ireneüs, 5. van den H. Polycarpus, 6. van den H. Ignatius, 7. van den H. Justinus, 8. van de Acten der Scyllitaansche martelaars, 9. van den H. Clemens, 10. van den H. Barnabas, 11. van de oude ketters, 12. van Celsus, 13. van Flavius Josephus, 14. samenvatting; de H. Augustinus : verre strekking der echtheid, 15 inwendige bewijzen, en wel uit de waarde van het geld, 16. uit den aard van de tempelschatting, 17. uit Joan. 18, 31 en Joan. 19, 7; schijnbare tegenspraken, iS. slotwoord van Tischendorf.
3. Vervulling der Profetieën....... 100
Inleidend woord. 1. Het Proto-Evangelie. 2. Noë en Sem. 3. Abraham. 4. De voorafbeelding van het offer van Abraham. 5. Isailk. 6. Jacob. 7. David. 8. Isaïas. g. Josephus Flavius, Tacitus, Suetonius, Vergilius, Isaïas. 10. Jeremias. 11. Ezechiël. 12. Daniël. 13. Aggeüs en Malachias. 14. Voorspellingen van Jesus zelf.
4. Tegenwerpingen 116
1. Het Jodendom. 2. Het Mohammedanisme. 3. De H. Drievuldigheid. 4. De menschwording van Christus. 5. De H. Schrift, inzonderheid het mozaïsche scheppingsverhaal, en de moderne wetenschap.
Ill
III. De Katholieke Kerk en hare leerstukken.
1. De Ringen van Nathan den Wijze .... 134
Een der groote christelijke belijdenissen moet het Christendom onverduisterd en ongeschonden bezitten. Welke dat bezit, moet kunnen worden uitgemaakt.
2. Afbraak of aanbouw? 138
i. Brief des Paters: Die leer is valsch, welke met de tot nu toe aangenomen algemeene leer in tegenspraak is. Hierdoor is het Protestantisme geoordeeld; insgelijk de Russische en Grieksche kerk. Geloofsbelijdenis van Hormisdas. De latere concilies. 2. Brief van Edgar: Tegenwerping: De pauselijke onfeilbaarheid eene nieuwigheid. 3. Brief des Paters: Oplossing van de tegenwerping door onderscheiding tusschen afbraak en verdere ontwikkeling. Uitspraken van den H. Clemens van Alexandrië en van den H. Augustmus.
3. Autoriteitsprinciep of vrij onderzoek? . 150
1. Brief van Edgar: Tegenwerping: De onderwerping van het verstand aan een menschelijk leergezag is te verwerpen. 2. Antwoord des Paters uit Luc. 10, 16, Matth. 28, 18â20, Hand. 15 (Ober consistorialrath Kohier). â Uit den volgenden brief van Edgar. Uit het antwoord des Paters: Protestant-sche pennestrijd tegen de âErinnerungen eines alten Luthe-raners.quot;
4. Bijbel, Traditie en Leersaarambt......162
1. Brief van Edgar: Tegenwerping: Vernedering van den Bijbel door de Katholieke Kerk. â Antwoord des Paters: 1. De geloofsbron. â De Bijbel in de Katholieke Iverk ge-eerd en naarstig gebruikt, ook de Duitsche Bijbel, en zelfs reeds vóór Luther. Misbruik van den Bijbel bij de Protestanten (Wiseman, de âEvangelischen Kirchenzeitungquot;). Bij de Katholieken ook de Traditie als geloofsbron erkend. Tegenspraak van het Protestantisme in zichzelf, dat de Traditie voor onvertrouwbaar verklaart en toch den Bijbel voor echt en Cods woord houdt; (gesprek met een Doopsgezinde; Kawerau). 2. Het Kerkelijk Leeraarsambt als de geloofsregel. Behoefte aan een levend leeraarsambt; de H. Augustinus, de H. Hilarius, Tertullianus, de H. Ireneüs, Lessing. Korte samenvatting van het voorafgaande.
IV
5. Concilies en Geloofbelijdenissen..... 175
i. Uit den brief van Edgar. Antwoord des Paters, i. De Apostolische Geloofsbelijdenis. 2. De Geloofsbsjdenis van Nicaea. 3. De volgende concilies en de Trentsche Geloofsbelijdenis. 4. Verplichtende kracht van de Geloofsbelijdenissen.
6. De Stedehouder van Jesus Christus .... 183
1. Brief van Edgar: Tegenwerping; Het Catholicisme staat en valt met de onfeilbaarheid des Pausen. Maar het Pausschap en zijne onfeilbaarheid wordt in de Kerk der eerste tijden niet gevonden. â 2. Antwoord des Paters: 1. De onfeilbaarheid niets onredelijks. Zin van dezelve; hoe God den Paus voor dwaling behoeden kan (Suarez, Bellarminus).
â Ouderdom van het Pausschap en van de leer der onfeilbaarheid : Hormisdas, Gelasius I, Leo de (ïroote, Innocentius 1, Julius 1. 3. Concilies: Chalcedon, Ephesus, Constanti-nopel, Nictea. â 4. Schrijvers: Theodorus van Studium, Maximus van Constantinopel, Fulgentius, Petrus Chrysologus, keizer Valentinianus III, Cyrillus van Alexandrië, Mozes van Chorene, Augustinus, Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius, Gregorius van Nazianze, Optatus van Mileve, Ammianus Mar-cellinus, keizer Aurelianus, Cyprianus, Origenes, Tertullianus, Irenëus. â 5. Is Petrus te Rome geweest? Clemens van Rome, 1 Petr. 5, 13. â 6. Andere getuigenissen voor den ouderdom van het Primaat: Ignatius, Clemens van Rome. â- 7. Getuigenissen der H. Schrift: Voorafgaande bemerking. Petrus overal de eerste onder de Apostelen. - - 8. Matth. 16. (Hasc).
â 9. Joan, 21. 15 â17; Daniël 2, 44; Isaïas 2, 2 en 3.
7. De leer over de rechtvaardigmaking 206
1. Brief van Edgar. â 2. Antwoord des Paters. Leer van het Concilie van Trente. â Slotsom.
8. Genade en goede werken ........ 214
Brief des Paters: De gelijkenis van den wijnstok, het jongste oordeel.
9. Uitlegging der Trentsche Geloofsbelijdenis 217
Brief des Paters: 1. Het gezag der Kerkvaders. â 2 De zeven Sacramenten. â 3. De Erfzonde, de onbevlekte Ontvangenis en de heiligmakende Genade. â 4. Buiten de Kerk geen heil. â 5. De werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars. â 6. De H. Communie onder ééne gedaante. â 7. De H. Mis. â 8. De Latijnsche taal in de H. Mis en de Mis-liturgie in't algemeen.
â 9. Het Celibaat. â to. Het Vagevuur. â tt. De ver-
III. De Katholieke Kerk en hare
leerstukken.
De Ringen van Nathan den Wijze . .. 134
Een der groote christelijke belijdenissen moet het Christendom onverduisterd en ongeschonden bezitten. Welke dat bezit, moet kunnen worden uitgemaakt.
Afbraak of aanbouw?......... 138
i. Brief des Paters: Die leer is valsch, welke met de tot nu toe aangenomen algemeene leer in tegenspraak is. Hierdoor is het Protestantisme geoordeeld; insgelijk de Russische en Cirieksche kerk. Geloofsbelijdenis van Hormisdas. De latere concilies. 2. Brief van Edgar: Tegenwerping: De pauselijke onfeilbaarheid eene nieuwigheid. 3. Brief des Paters: Oplossing van de tegenwerping door onderscheiding tusschen afbraak en verdere ontwikkeling. Uitspraken van den H. Clemens van Alexandrië en van den H. Augustinus.
Autoriteitsprinciep of vrij onderzoek? . . 150
1. Brief van Edgar: Tegenwerping: De onderwerping van het verstand aan een menschelijk leergezag is te verwerpen. 2. Antwoord des Paters uit Luc. 10, 16, Matth. 28, 18â20, Hand. 15 (Ober consistorialrath Kohier). âUit den volgenden brief van Edgar. Uit het antwoord des Paters: Protestant-sche pennestrijd tegen de âErirmerungen eines alten Luthe-raners.quot;
Bijbel, Traditie en Leersaarambt......162
1. Brief van Edgar: Tegenwerping: Vernedering van den Bijbel door de Katholieke Kerk. â Antwoord des Paters: r. De geloofsbron. â De Bijbel in de Katholieke Kerk ge-eerd en naarstig gebruikt, ook de Duitsche Bijbel, en zelfs reeds vóór Luther. Misbruik van den Bijbel bij de Protestanten (Wiseman, de âEvangelischen Kirchenzeitungquot;). Bij de Katholieken ook de Traditie als geloofsbron erkend. Tegenspraak van het Protestantisme in zichzelf, dat de Traditie voor onvertrouwbaar verklaart en toch den Bijbel voor echt en Gods woord houdt; (gesprek met een Doopsgezinde; Kawerau). 2. Het Kerkelijk Leeraarsambt als de geloofsregel. Behoefte aan een levend leeraarsambt; de H. Augustinus, de H. Hilarius, Tertullianus, de H. Ireneüs, Lessing. Korte samenvatting van het voorafgaande.
IV
5. Concilies en Geloofbelijdenissen..... 175
i. Uit den brief van Edgar. - Antwoord des Paters, r. De Apostolische Geloofsbelijdenis. 2. De Geloofsbijdenis van Nicaea. 3. De volgende concilies en de Trentsche Geloofsbelijdenis. 4. Verplichtende kracht van de Geloofsbelijdenissen.
6. De Stedehouder van Jesus Christus .... 183
1. Brief van Edgar: Tegenwerping: Het Catholicisme staat en valt met de onfeilbaarheid des Pausen. Maar het Pausschap en zijne onfeilbaarheid wordt in de Kerk der eerste tijden niet gevonden. ââ 2. Antwoord des Paters: 1. De onfeilbaarheid niets onredelijks. Zin van dezelve; hoe God den Paus voor dwaling behoeden kan (Suarez, Bellarminus).
Ouderdom van het Pausschap en van de leer der onfeilbaarheid: Hormisdas, Gelasius I, Leo de Groote, Innocentius I, Julius 1. 3. Concilies: Chalcedon, Ephesus, Constanti-nopel, Nicaia. â 4. Schrijvers: Theodorus van Studium, Maximus van Constantinopel, Fulgentius, Petrus Chrysologus, keizer Valentinianus III, Cyrillus van Alexandrië, Mozes van Chorene, Augustinus, Hieronymus, Chrysostomus, Ambrosius, Gregorius van Nazianze, Optatus van Mileve, Ammianus Mar-cellinus, keizer Aurelianus, Cyprianus, Origenes, Tertullianus, Irenëus. â 5. Is Petrus te Rome geweest? Clemens van Rome, I Petr. 5, 13. â 6. Andere getuigenissen voor den ouderdom van het Primaat: Ignatius, Clemens van Rome. â 7. Getuigenissen der H. Schrift: Voorafgaande bemerking, Petrus overal de eerste onder de Apostelen. â¢â⢠8. Matth. 16. (Hasc).
â 9. Joan. 21. 15 -17: Daniël 2, 44; Isaïas 2, 2 en 3.
7. De leer over de rechtvaardigmaking 206
1. Brief van Edgar. â 2. Antwoord des Paters. Leer van het Concilie van Trente. â⢠Slotsom.
8. Genade en goade werken........214
Brief des Paters: De gelijkenis van den wijnstok, het jongste oordeel.
9. Uitlegging der Trentsche Geloofsbelijdenis 217
Brief des Paters: 1. Het gezag der Kerkvaders. â 2 De zeven Sacramenten. â 3- De Erfzonde, de onbevlekte Ontvangenis en de heiligmakende Genade. â 4. Buiten de Kerk geen heil. â 5. De werkelijke tegenwoordigheid van Christus in het Allerheiligste Sacrament des Altaars. â 6. De H. Communie onder ééne gedaante. â 7. De H. Mis. â 8. De Latijnsche taal in de H. Mis en de Mis-liturgie in't algemeen.
â 9. Het Celibaat. â 10. Het Vagevuur. â n. De ver-
V
eering der Heiligen met name van de Moeder Gods. â 12. De vereering der reliquieën en der beelden. â 13 Deallaten.
â 14. De gehoorzaamheid jegens den Paus.
10. Katholieke en Protestantsche toestanden . . 254
1. Brief van Edgar. â 2. Antwoord des Paters: 1. Voorafgaande bemerking. â 2. Katholieke en protestantsche tijden.
â 3. Katholieke en protestantsche landen in onzen tijd; wie brengt de ontwikkelingen te weeg? â 4. De arbeidersbeweging in lielgië. â 5. De tegenstellingen bij de Katholieken sterker dan bij de Protestanten. â 6. Aan wien zijn de ongezonde toestanden in Katholieke landen te wijten? (Vrijmetselarij). â 7. Volkskarakter en het geschiedkundig verleden.
- 8. Zelfmoord bij Katholieken en Protestanten. â 9. Offervaardigheid en kerkelijke zin. â 10. Zedelijkheid in beperkten zin.
11. Afval en terugkeer..........276
1. Brief van Edgar. â 2. Antwoord des Paters: Eene later bijgevoegde opmerking over zelfmoorden en geschiedkundige leugens. âHervormingquot; in Engeland. Op welke wijze het Protestantisme in Duitschland ingang vond (Palts, Palts-Tweebruggen, Wurtemberg, Brunswijk, Eichsfelc.) Oordeel van Melanchthon. Raadslagen van Capito. Belastering van het Catholicisme in protestantsche scholen. Wat de Katholieken op dit alles zeiden. Afval en terugkeer in onzen tijd. Uitzicht voor de toekomst.
12. Practische wenken 289
1. Brief van Edgar. â- 2. Antwoord des Paters: 1. Waar den overgang te voltrekken? â 2. Hoe de biecht af te leggen?
â 3. Hoe zich na den overgang te gedragen?
13. Besluit.............296
Alphabetisch register.
______________
|
A Abraham 103, 104. Adam 219, 220, 221. Aesthetica in de natuur 18. Aflaat 181, 251. Afstammings-theorie 1 o-- 19. Aggaeüs 114. Allegri 256. Allgemeine conservative Mo-natschrift 160. Ambrosius (f 397) over het primaat 196, over het Misoffer 238. Ammianus Marcellinus over den Tempel 113, over het primaat 197. Antiochië 155 en vlg. Apentheorie 8. Apostelen. Hunne verkiezing 60, zending 61, 79. Apostelen (Concilie der) 155 en vlg. Arbeiders-beweging in België 259 en vlg. Arianen 133, 139. Aristoteles 23. Arius 178. Atheïsme 22, het maakt niet gelukkig 35 en vlg. Autoriteitsprinciep 150 en vlg. Augustinus (354â430) over de echtheid der H. Schrift 94; uitbreiding van het |
Christendom 121, 122; over de Katholieke Kerk 149: over het vrij onderzoek 158, 172; over het primaat 195: over het Misoffer 239. Aurelianus over het primaat 197. Avondmaal 89, zie Communie. B Babyion, zinnebeeldige naam voor Rome 201. Barabbas 70. Barnabas 91, 92. Baronius 256. Bartholomeüs-nacht 277. Basilides 92. Basilius (t 379) over Maria 249. Bauhütte 262. Beeldenvereering 249. Beethoven 256. Bekeerlingen 288. Bellarminus 186, 256. Bellesheim 278 Bernardus (H.) over Maria 249. Bethlehem 55, 56. Beweging, vordert een eersten beweger 22, 23. Biecht 290 en vlg. Blanc, Louis, over de vrijmetselaars 258, 259. |
VII
|
Blinden, genezen 43,48â51, 98 Boeddhisme 118, 122. Bornemann 157. Borremeüs (H.) Carolus, 256. Brandt, Sebastianus 164. Brunsvvijk, geprotestantiseerd 281. Buiten de Kerk geen heil 222 â 22 5⢠Buttman 157. Bijbel, echtheid van den, 82 en vlg., 101, inspiratie 128 en vlg., geloofsbron 163 en vlg., door de Katholieken geëerd 164, reeds vóór Luther 164, door de Protestanten vernederd 165,166, volgens den zin der Kerk te verklaren 180. C Caesar 85. (Jalderon 256. Calvijn 140, 153. Capito 283. Celibaat 243, 244. Celsus 92. Christendom, wonderbare verspreiding van het 119, 122. Christoffel van Wurtemberg 280. Christus, zie Jesus. Chrysostomus(347â407)0 ver de verbreiding des Christen-doms 120, 121; over het primaat 196: over het Misoffer 239- Cicero 85, 91. Clemens van Alexandrië (f 2 1 7), de Katholieke Kerk de oorspronkelijke 149. Clemens van Rome (f omstreeks 100) haalt de H. Schrift aan 91, Petrus te Rome 201, over hel primaat 201. |
Codex Sinaïticus 85,86, 157. â Vaticanus 86, 157. â Alexandrinus 86, 157. â Ephraem 86, 157. âCan-tabrigiensis 157. Collegium Germanicum 125. Communie der eerste Christenen 89, onder ééne gedaante 232, 233; tegenwoordigheid van Christus 225-232. Concilies in 't algemeen 175. en vlg. Opgave der alge-meene concilies 179. Concilie der Apostelen te Jerusalem 155, 156. Concilie van Nicaea (325) 177, 191 en vlg. Concilie van Constantinopel 1 (381) 190. Concilie van Ephese (43 U 189, 24S. Concilie van Chalcedon (451) 189, 193 Concilie van Latcranen 1\ (1215) I41- Concilie van Lyon 11(1274) 141. Concilie van Constans (1414-1418) 233. Concilie van Florence (1438- 1444) '4'⢠Concilie van Trente (1545 1563) 208 en vlg. Concilie van het Vaticaan (1869- 1870) 181, 184. Conservatives Vere;nsblatt,lnl. Copernicus 256. Cornelius 256. Correggio 256. Cranmer 277. Credner 91. Cultuurkamp, bron van misdaden 30. Curtius Rufus 95. Cyprianus (t 258) over het |
VI11
|
primaat 197, over het Misoffer 238. (Jyrillusvan Alexandrië (t444) over het primaat 195. over Maria 248. D. Uaniël 109- 113, 206. Dante 85, 249, 256. Darwin 10, 12-18. ] )avid, Messiaansche profetieën 105, 106. Denaar 95, 96. Denemarken, geprotestantiseerd 278. Didrachme (dubbele drachme) gó. Dionysius van Halicarna.ssus 91 â Drievuldigheid 123, 124. Du itschland geprotestantiseerd 278 en vlg. E. Echtheid der H. Schrift 83 en vlg., 100. Eichsfeld, geprotestantiseerd 281. Elisabeth van Engeland 277. Emmaus 75, 76. Engeland geprotestantiseerd 277. Ephrem (f 379) over het Misoffer 238, over Maria 248. Erfzonde 53, 219, 221. Eucharistie 89, zie Communie. Evangeliën, de echtheid en geloofwaardigheid 83 en vlg., handschriften 85, vertalingen 86, harmonieën 86, apocriefe 87, 97, schijnbare tegenstrijdigheden 98. Evangelische Kirchenzeitung 166. Ezechiël 109. |
F. Fabricius 282, 285. Kava, Bisschop van Grenoble, 259, 267. Flavins Josephus 93, 108, 113. Florinus 87. Franzelin 256. Fulgentius 194. Gr. Gajus 85. Gebed, plicht van het, 26, 27. Gelasius I Paus (492â496) 18S. Gelasius van Cycicus 191. Geloof, onderstelt weten, 3- -4, tweevoudige beteekenis van het woord 3, bron des ge-loofs 162 en vlg. Geloofsregel 162 en vlg., bij de Protestanten 183. Geloofwaardigheid der Evangeliën 83 en vlg- Genade 214 en vlg., 220, 221. Generatio aequivoca 15 en vlg. Geologie 127 en vlg. Gethsemani 65. Gfrörer 256, 288. Gihr, Misoffer 239. Gods bestaan 4 en vlg., 40, 94. Eerste oorzaak van al wat bestaat, 23, 32, 33. Bron van recht en plicht 26 en vlg., oneindig volmaakt 24, 25, 32, 33, 35, onveranderlijk 21. Goede werken 214 en vlg. Goethe 123. Gregorius van Nazianze (1392) over het primaat 197. Grieksche kerk 140 en vlg. H Hanzeverbond 256. |
ÃX
|
Harnack 156. Hartmann 35. Hase, over den griekschen tekst van den Bijbel 157, over het primaat 204. Haydn 256. v. Hefele 189, 190. 192 193. Hegel 137. Hendrik VIII van Engeland 277. Henne-am-Rhin (Otto) 12. Hernias 90. Herodes 57, 69, 70. Hettinger 93, 188. Hieronymus (340â420) over het primaat 196. Hilarius (f 368) over de H. Schrift 172. Historische leugens 277. Homerus 85. Horatius 85. Hormisdas (5I4 523) 141, 187- Hosius 191, 192. v. Hummelauer 127. Hurter 256, 288. H3-perides 85. I Ignatius van Antiochië (f 107) haalt de H. Schrift aan 89, over het primaat 201. Innocentius I (402â417) 188. Inquisitie 277. Inspiratie der H. Schrift 128, 129. Ireneüs (130â202) over de echtheid der H. Schrift 87, 88, 92, over de overlevering 172, over het primaat 199, 201, over het Misoffer 237, over Maria 248. Isaiik, stamvader van Christus 104, voorafbeelding 103, 104. Isaïas 54. 106 â 108, 206. |
J. Jacob, stamvader van Christus ro6, voorspelt den Messias 106. jacobus, Misliturgie 239. Janssen 256, 278â288. Jeremias 109. Jerusalem, verwoest 112. Jesuïeten 258, 266, 277. Jesus 42 en vlg., 52 en vlg., Zijne Godheid 62 - 68, 77, de Messias 59, 60, 64, voorspelt Zijn dood en verrijzenis 62, 64, gekruisigd 71, verrezen 74 en vlg., 93, Zijne hemelvaart 80, betaalt de tempelschatting 96, Zijn persoon de grondslag van het Christendom 102, 103, voorspellingen 64â65, 115, de wijnstok 215, in de hostie tegenwoordig 225 en vlg., offert zich in de Mis 233 en vlg. Joannes de Dooper 58. Joden betuigen de echtheid van het O. Testament 101. Jodendom wederlegd 117,118. Johann Friedrich von Sacksen 281. Jongste oordeel 81. Josephus (Flavius) 92, 108, US- Joseph van Arimathaea 73. Joseph II van Oostenrijk 268. Juliaan de Apostaat 113. Justinus (f 167) haalt de H. Schrift aan 89, over het Misoffer 237, over Maria-vereering 248. K. Kant-Laplace, theorie van 8, 23. Kant's autonome rede 29, 30. |
X
|
\\ Karolsfeld 28S. Kawerau 169, 191. Kehler 288. Kerkvaders, hun gezag 217, zie afzonderlijk. v. d. Kettenburg, Freiherr 288. Kinderen, lot der ongedoopte 224. Kirchenlexikon van Wetzer en Welte 287. Kleindienst 285. Kleutgen 256. Klopp 257, 288. Kohier 156. Köln. Volksztg. 261, 262, 271 Kosmologisch bewijssâ16,2 2-L Lachmann 157. Lammer 288. Lasso, Orlando 256. Latijnsche taal in de katholieke liturgie 240, 241. Lazarus, opwekking van 44â 48. Leeraarsambt der Kerk 174, 175 en vlg. âLeef dor twuulj Apostelenquot; 237- Leo 1 Paus (440â461) 188. Leonardo da Vinei 256. Lessing 137, 138 151 over geloofsregel 173, 174. Liebfrauenkirche te Trier 240. Lindner, Emilie 288. Literaturblatt, theol. 191. Literaturzeitung, theol. 157, 169, 191. Liturgie van den H. Jacobus 239- Lofzang van den H. Thomas van Aquine 231. Loge 259 en vlg. Lotti 256. Lumen gloriae, gratiae 37. Luther 140, 149. r5o, 161, 229, 27S, 283, 284. |
M Magazin, Inl. Malachias 55, 113, 234. Marcellinus, Anmianus 113, 197. Marei on 92. Maria, de H. Maagd 55, hare medewerking tot de verlossing 220, onbevlekte ontvangenis 220, 221, hare vereering 247 en vlg. Maria de Katholieke van Engeland 277. Maria van Beieren, Pruisische prinses 288. Martens 288. Maximus van Constantinopel 194. Mecklenburg, geprotestanti-seerd 284. Mecklenburg, Paulus van 288. Melanchthon 1S3, 282. Melchisedech 106, 236. Menschwording van Christus 55' 56' 124) 125. Michel Angelo 256. Mis, H. 229 en vlg. Misdrijven, als gevolg van den Cultuurkamp 30, 31. Misliturgie 235, 236. Mohammedanisme wederlegd 118 â123. Möller 288. Moniteur de Rome 259. Monotheïsme 24, 25. Mozart 256. Mozes 102, scheppingsverhaal 125 â133,de wet van Mozes afgeschaft 154. Mozes van Chorene 195. Muller 288. Muratorisch fragment 90. N. Nairn, jongeling genezen 42. |
xi
Necho 132.
Nero 84.
Neues Zeitblatt 287.
Ni codemus 73.
Nieuw Testament, zie Evangeliën.
Noë 54.
Noorwegen 278, 288.
O.
Oakeley 288.
v. Oertzen 160.
v. Oettingen 272, 273.^ Offervaardigheid der Katholieken en der Protestanten 271.
Onbevlekte ontvangenis 220, 2 2 1.
Ondoelmatigheden, schijnbare 20.
Onechte geboorten, statistiek 275-
Oneindige reeks 21. Onfeilbaarheid der Kerk en van den Paus 143, i49gt; 150, 181, 183 en vlg. Onveranderlijkheid Gods 21. Onvolmaaktheid der wereld
20, 33-
Onzedelijkheid, statistiek 271. â als bron van
ongeloof 27.
Optatus van Mi leve over het
primaat 197.
Origenes (f 254) over het
primaat 198.
Osius 191, 192.
Oswald 242.
Otto Heinr. v. d. Pfalz 279. Oud-Katholieken 150. Oud Testament, echtheid 101. Overbeck 256, 288. (Overlevering 163 en vlg , 180. Oxford 2S8.
F».
Palestri na 256.
Palts, geprotestantiseerd 279.
Pantheïsme 22, 32.
Patricius 123.
Paulus van Mecklenburg 288.
Paulus van Wurtemberg 288.
Paus 183 en vlg., 253, zie verder primaat, onfeilbaarheid.
Pawlicki 85, 95
Pesch 5, 19, 23, 33.
Petrus, ontvangt den naam ârotsquot; 60, 61, wordt op de eerste plaats genoemd 60, 61, 66, 75, 96, tot opperhoofd der Kerk bestemd 61, als zoodanig aangesteld 78, is op het Apostel-concilie 155, te Rome 200, 201, zie primaat.
Petrus Chrysologus (f 45 0 over het primaat 194, over Maria 249.
Philips 288.
Pilatus 69 en vlg., 97-
Pius I Paus (142 â157) 90-
Platen 136.
Plautus 85.
Plinius 84, 98.
Polycarpus (f 166) getuigt voor het Evangelie 87, 88.
Polytheïsme 24, 25.
Primaat van der. Paus 141, 142, 143, 177 en vlg., 183. Profetieën 54, en vlg. 100
en vlg.
Protestantisme 138, 14° en
doorloopend.
Protoëvangelie 102. v. Puttkammer 259, 261.
R.
Raphael 256.
Rechtvaardigmaking, leer over
de, 206 en vlg. Reformatie, hoe zij geschiedde 276, 277 en vlg.
XII
|
Reliquieëiï-vereering249, 250. Renan 85, 99, 100. Revolutie niet door het Ca-tholicisme bevorderd 256 en vlg. Roomsche Kerk, zie primaat. Rohling 110. Rubens 256. v. Rumohr 288. Russische kerk 138, 140 en vlg. S. Sacramenten 140, 180, zevental 180, 218, des Altaars 255 ei1 vlg- v. Sales, Franciscus 256. Samaritanen, hebben de boeken van Mozes 102. Schadow, Rudolf 288. â Wilhelm 288. Schepping 5 en vlg 52, 53, scheppingsverhaal 125-133, scheppingswerk fzes dagen ) 127â133. Schepter van Juda 104. Schiller 135. Schlosser 288. Schnorr 288. Scholastieke methode 125. Schopenhauer 32. Schrift (H.) zie Bijbel. v. Schutz 2S8. Scyllitaansche Martelaars 90. Secchi 256. Sem, stamvader van Christus 103. Seneca 85. Septuaginta 102. Shakespeare 256, 276. Shamrock 123. Sloet 108. Socialisme 159 en vlg. Spijziging der vijfduizend 42. Staat, niet de bron voor zeden en recht 28 en vlg. |
Starke 3 1. Stater 97. Stimmen aus Maria I.aach 160. Stöcker 261. Stolberg 288. Strausz (David) 83, 99. 257. Suarez 186, 256. Suetonius 108. T. Tacitus 85, 108. Tatianus 86, 88. Tegenwoordigheid van (üiris-tus in het H. Sacrament 225â232. Tekstgeschiedenis van het N. Testament 86. Teleologisch bewijs 16, 18. Tempelschatting 96. Terentius 85. Tertuliianus over de H. Schrift 172, over liet primaat 199. Tetzel 277. Theodorus van Studium (f 826) 194. Theodosius II 190. Theol. Literaturblatt 191. Theol. Literaturztg. 157, 169, 191. Theophilus 86, 88. Thomas, Apostel 77. Thomas van Aquine, hymnus 231. Thucydides 91. Tilly 277. Tischendorf 85, 86, 91, 98, 99, 100, 157, Titus 96, 105, 112. Toeval 16. Toledo 256. Traditie 163 en vlg., i8ü. Transsubstantiatie 229. Trier, Liebfrauenkirche 240. Trierische Landesztg. 261, 267, 268. |
xn I
|
U. Ulricli van Wurtemberg 2S1. V. Vagevuur 245. Valentinianus III, 194 Valentin us 92. Veelsrodendom 2?. Veit 288. Vereering der Heiligen 245 en vlg. Verlosser beloofd 54 en vlg. Virchow 9, 10, 15. Virgilius 85, Voorspelling 108. Vogt, Karl 8, 41. Volk 288. Voltaire 85. Voorspellingen 54 en vlg., 100 en vlg. Vrijmetselarij 259 en vlg. Vrij onderzoek 150 en vlg. W Wederdoopers 140. Weten voorafgaand aan het geloof 3, 4, 5. Wet van Mozes afgeschaft 154. Wetzer en Welte 287. Wiener 8, 14. |
Wiseman, over het bijbellezen 165, misliturgie 241. Wolfgang van Pfalz-Zweibrüo ken 280. Wonderen 39 en vlg., begrip 47, geen disharmonie 39, niet tegen de natuurwetten 40, bewijzen het bestaan van Clod 40, 46, 47, 94, niet tegen de ervaring 40, 41, 84, 85, doel 42 en vlg., 46, bewijskracht 47, 48, 94, van de H. Schrift niet te loochenen 83, 84. Wurtemberg, geprotestanti- seerd 281. Wurtemberg, Paul us van 288. Wijnstok, gelijkenis 215. Wijzer-fossielen 131, 132. Z Zedelijkheid, statistieke maatstaf voor de, 271. Zedenwet 33. Zelfmoord 270. Zonde, groote en kleine 291. Zonden val 53, 54. Zweden 288. Zweden, geprotestantiseerd 278. |
â fl : '
â
â
' -:
mam