ocr page 1

Ok

; -

I'll

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

V O N D E L

MET

ROSKAM EN ROMMELPOT.

ocr page 6
ocr page 7

VONDEL

MKT

ROSKAM EN ROMMELPOT.

ocr page 8
ocr page 9

// / v

VONDEL

MET

UOOIl

K. (1. BAklllIZE\ VAN I)E\ BRI\K.

DERDE DRUK.

'S-G 11AVEN1IA.GE,

MARTINUS NIJHOFF. 188G.

ROSKAM EN ROM]\rELPOT

imtitvm Dé'Vöoys voor Nederlandse Taaf en Letterkunde aan Je Kijksunivtrsiteit te Utrech.


ocr page 10
ocr page 11

VONDEL

met

ROSKAM EN EOMMELPOT.

i.

Wilden wij een woord, door ons afgekeurd, on zes ondanks bezigen en zekere rigting onzer Hollandsehe letterkunde de jonge litteratuur noemen, wij zouden die grooten dank weten, dat zij het leven eu de werken onzer voorouders door den glans der Poëzij lieeft opgeluisterd. Sloten, die reeds lang in puin lagen, liebben, door baren invloed, onze aandacht geboeid , en hoe zeer onze oogen van der jeugd aan waren gewend, iu de bouwkunst slechts bet nuttige en noodige, op zijn hoogst het eenvoudige en deftige te zoeken, toch hebben wij die kasteden schoon geprezen. Tiet burgerlijke leven mogt, in een tijdsverloop van meer dan drie eeuwen, bijna alle herinneringen aan den riddertijd hebben overstroomd en uit-gewischt, echter werd onze verbeelding warm bij het verhaal der wapenfeiten onzer adellijke stamvaders, en ten gevalle der romanpoëzij stelde zij zich ons boersch Holland als een 'pnarclenliweekend Argos voor. Zóó werd schiller's fraai gezegde bevestigd:

„quot;Wap unsterblich im Gesang soil leben Musz im Leben imtergelm.

ocr page 12

2

Ik verwijt onzen romanschrijvers en (lichters hunne voorliefde voor den grafelijken tijd niet; ik begrijp, dat hunne verbeelding, als een edel ros, vrijer draven en sierlijker sprongen maken kan op een vlak en verlaten veld, dan daar, waar zijne vaart door huizen en hoeken en slagboomen wordt belemmerd; maar men duide het den geboren' Amsterdammer niet euvel, zoo hij in hunne verhalen niet altoos het Holland, dat hij zich voorstelt, weervinden kan. Moge ook zijne wijze van zien even eenzijdig zijn als de hunne, toch deert het hem, dat geen onzer Romanciers hem genoegen gaf, en Hollands hoofdstad tot zijn tooneel koos. De partijen, door wier wrijving zich de geschiedenis der zeven Provinciën ontwikkelde; de krachten, waardoor Nederland zich tot den eersten rang onder de Staten van Europa verhief; de roersels, die overal den ijver voor Hollands dierbaarst kleinood, de vrijheid, levendig hielden, waren daar binnen eene kleine ruimte beperkt. Terwijl andere steden, zoo als Delft of , langzamerhand haren ouden glans verloren, nam Amsterdam, gelijken tred houdende met het geheele Vaderland, in magt en uitgebreidheid toe; sedert alleen door den moed en de volharding zijner burgers de Hervorming was gevestigd, welke bredeeode en soxoy vergeefs hadden beproefd, door adellijk gezag of geweld van wapenen te bewerken. Vader bilderdijk moge de hoofdstad met schimp en blaam overladen hebben, de waarheid is zelden aan de zijde der poëten; en al had hij niet overal ongelijk, de hevigheid zijner uitvallen kittelt den aan zijne stad gehechten Amsterdammer, als een bewijs, hoe fier zijn voorzaat eenmaal den meester speelde. Het gaat hem als den duivel in geabbe's kluchtspel:

wernthal.

„Gij zijt een vervloekte vrek, Mijnheer!

De Duivel {mei eene beleefde hngincj).

„Te veel eer! — gij maakt mij verlegen. Ik ben wel gaarne vervloekt, .,wel gaarne een vrek, razend gaarne een vrek; maar ik ben het niet zoo ata .,ik bet wel wezen moest.quot;

ocr page 13

3

Onze redenering, zal men zoggen, heeft slechts écn gebrek: dat zij vijftig jaren te oud is; maar men versta ons niet met opzet kwalijk. Ook wij verheugen er ons in dat de stad, welke weleer hare mededingsters op den nek trad, thnns geeneu anderen rang meer heeft, dan dien van de eerste onder baars gelijken te zijn. Wij geven gereedelijk toe, dat de zelfgenoegzaamheid , waarin zij zich, als het ware, te rusten legde, terwijl alles om haar heen in rep en roer was, in afhankelijkheid van bet welzijn des gemeenen Vaderlands is verkeerd; dat de twee partijen, na in onze staatsomwenteling al hare woede te hebben uitgeput, beide tot zwijgen zijn gebragt; dat de kerkelijke twisten, wier beslissing te onzekerder was, naarmate de kruiwagen (om het oude woord van Schout nendeik dieksz te bezigen) andere regeerders op of van het kussen geholpen had, geheel uit de wereld zijn verbannen. Wil men het anders uitgedrukt , de verhouding is zóó zeer omgekeerd, dat zij, die in het begin der zeventiende eeuw de heerschende partij was, in onzen tijd de lijdende is geworden. Het maatschappelijk verkeer heeft zijne ruwheid verloren en zich gebogen onder de vormen der algemeene beschaving. Maar als wij, door de erkenning van die weldadige gedaantewisseling, wat men ons tegen wilde werpen hebben ontzenuwd, dan vergunne men ons, des to meer het gezegde tijdvak van Amsterdams opkomst den romanschrijvers aantebevelen, dewijl het — met. schiller gesproken — im Lehen untergegangen ist.

Doch dit leven en woelen eener pas zelfstandige burgerij biedt minder dichterlijke zijden aan, meent men, dan de erfelijke veeden des adels en de tournooijen der ridderschap. Ook dit beweren trekken wij in twijfel, wanneer wij opmerken, dat de bloei onzer oude en onovertroffen dichters met dat tijdperk van ontwikkeling zamenvalt; wanneer wij juist dan het nationaal tooneel schielijk tot eene hoogte zien rijzen, waarop het later naauwelijks kon staande blijven; wanneer dezelfde geest van vooruitgang, die onze kooplieden tot de verba-zeudste ondernemingen aanzettede, den dichters geene herinnc-

ocr page 14

4

ringen aan het verledene, maai' eene toekomst voor den geest bragt, zoo als hooft die iu zijnen Geeraardt van Velxen, vondel linar in zijnen Gyshreght van Aemstel schilderde. Ja, dezelfde belangzieke, politieke strekking, indien men volstrekt dit harde woord wil, prikkelde den laatste tot het schrijven dier Hekeldichten, welke wel door sommigen met hoon, als vruchten eener onbeschaafde eeuw, werden gelaakt, die door anderen met spot zijn herhaald, maar daarom niet minder, voor het mee-rendeel, door ervarene regters als kunststukken, den zanger van Ijaclfer waardig, geschat worden.

Immers, dat deze verzen door hunne ruwheid het kenmerk van hunnen tijd medebrengen; dat zij, beurtelings verheven of plat, nu eens den prozaïschen gang van den briefstijl volgen, dan weder op de wieken der lyriek drijven, om later bijna tot straatpoë-zij af te dalen, is nog geen bewijs, dat zij den naam van hekeldichten ten onregte dragen. In geenc andere soort van poëzij toch heeft de vorm ondragelijker dwang uitgeoefend dan in deze. Al hadden de Eomeinen het voorbeeld gegeven, om hunne schimpdichten van langeren adem in den vorm der satire te kleeden, daardoor was het voorzeker geenszins allen nieuweren volken tot wet gesteld, hunne ontevredenheid over de zeden en de onheilen van den tijd in alexandrijnen lucht te geven, en juist zulk eeuen stijl aan te nemen, bij wien alleen het opschrift van het gedicht beslist, of men het ouder de dichterlijke brieven of onder de zedelijke gispingen heeft te rangschikken. Stellig was de natuur er verre van slechts zoodanigen vorm te vergunnen; of wordt het ons niet, wanneer de mensche-lijke dwaasheden eenen heraclitus doen weenen, terwijl zij bij DE.MOCRiTUS den lach opwekken, als met den vinger aangewezen, dat het hekeldicht in zijn doel de vrijheid moet behouden, zich naar den toestand des dichters, naar den aard der gebeurtenissen , die zijne drift of misnoegdheid gaande maken, naar de bevatting van het volk, waaronder hij leeft, te rigten? Ik stel mij voor, dat de eerste oorlog, dien de menschen elkander in rijm en maat aandeden, een gevecht was van man tegen man,

ocr page 15

5

opgewekt door persoonlijke beleedigingen, of gekreukte eigenliefde, waarbij ieder het wapen aangreep, dat in zijne hand het gevaarlijkste werktuig kou zijn (1). Toen echter later de regeling der maatschappij den invloed der indiuiclus had verminderd en de meeningen en begrippen van meerderen het gezag hadden verkregen, dut vroeger aan enkele personen om den wille des overwigts van hunnen geest of hunne ligchaams-kraeht was toegekend, toen ontstond de oorlog van beginselen : de dichters zochten de massa's tegen hare heeren in opstand te brengen: het was, zoo gij wilt, eene bonte volksoploop, maar tevens een hartstogtelijke strijd, die vaak eene omwenteling ten gevolge had. Zouden wij onregt liebben in dezen toestand der maatschappij den oorsprong te zoeken, deels der straffe orakeltaal, die sommige dichters tegen de heerschende partij voerden, deels der oude blijspelen, welke, onder het gejuich der menigte, hare aanzienlijker medeburgers over het tooneel sleepten? Althans de Romeinsche satire van lateren tijd hield van beiden iets over. Terwijl zij tegen ondeugden vnn den dag te velde trok, sloeg de diclüer nu en dan den emstigen toou aan, dien het bewustzijn van eigene deugd, dien de aanblazing der Godheid hein ingaf; maar over het geheel zoclit hij zijnen stijl in overeenstemming te houden met dien van het blijspel; de ondeugd, waar hij kon, in den eeneu of anderen persoon te beligehimen, en zoo weinig mogelijk het kenmerk der gemeenschappelijke geboorte te verliezen, dat hem aan den klucht- of blijspeldichter verbond. Door bijzondere kieschheid onderscheidde waarlijk de satire der Ouden zich van het gewone schimpdicht niet (2). Het viel den dichter hard genoeg, de tijdgenooten, die hem voor den geest stonden, niet aan te tasten; en, als naar eene verloren gouden eeuw, zag pjsksius zuchtend naar de tijden van luciltüs uit:

(1),,Archilochum '/iroprio rabies armavit lambo.quot; Iambk, De Fesccnnini, de S/AAoi.

(3) Ten bewijze mogen de 11 Satire van bel I boek van UOKATtus, de VI van juvenaus, de IV van pebsius strekken.

ocr page 16

G

„Lucilius heeft de burgerij geroskamd; op u, o mucius! op u, o lupus! „heeft hij de tanden stuk geheten, en ik, ik zou naauwelijks mogen mompelen!quot;

Zóó vast zijn wij aan het voorbeeld der Eomeiiien gekluisterd gebleven, dat men moeite lieeft onder de vele voortreffelijke latere liekel dichten een enkel te vinden van staatkundige strekking. En toch, hoeveel stofs leverde de politiek op den duur voor de dichterlijke verontwaardiging! Waarmede hield zich het volk zoo onafgebroken, zoo hartstogtelijk bozig? Bij welk ander onderwerp kon zich de dichter meer vrucht van de verkondiging zijner gevoelens beloven ? Helaas! ten gevolge onzer overdrcvene navolgingszucht, heeft de satire afgezien van haar regt op cene stof, die haar onwillekeurig dwingen zou, het gezag over al die dichtvormen te hernemen, waarin de poëtische indignatie zich lucht geeft. Intusschen, bij hartelijke afkeuring der overdreven gevoelens, welke in de laatste tijden onderscheiden dichters kenmerkten, mogen wij niet ontveinzen , dat het jongste hekeldicht in dit opzigt eenige vorderingen gemaakt heeft. Wij denken hier aan noore; wij denken vooral aan de lambes van auguste baebier, die door het opschrift zijner gedichten al aanstonds toonde, onafhankelijk te willen zijn van de overgeleverde benamingen.

II.

Na herinnerd te hebben hoe noodzakelijk het is, ter volkomen waardering van het hekeldicht, zoo wel de omstandigheden te kennen, waaronder het ontstond, als den trap der beschaving en ontwikkeling des volks waarvoor het gezongen werd, wenschte ik met levendige trekken Amsterdam en hare burgerij in den tijd van het eerste optreden van yoxdél te kunnen voorstellen.

Breken wij in gedachte daartoe vele dier prachtige gebouwen af, waarop zich thans de hoofdstad verhoovaardigt. Stel in de plaats van het vorstelijk paleis, door de nationale eigenliefde tot 's werelds achtste wonder verheven, het oude, een-

ocr page 17

voudige stadhuis met zijn spitseu toren eu zijne sombere, langgewelfde bogen; ter eene zijde door eene rij burgerwoningen, ter andere door het oude gasthuis, in het uitbreiden zijner vleugelen belemmerd. Het uitzigt over het plein van den Dam blijkt gebroken door de oude waag; maar regts en links woelt nene bedrijvigheid en eene drokte, waarvan het bekende prentje van vissciiek ons de weemoedige herinnering heeft bewaard! Gelijk hier alles binnen eene maar kleine ruimte is zamengeperst, zoo toont reeds de geheele stad, dat zij zich te eng gevoelt voor hetgeen zij bestemd bleek te worden. Van daar die steeds hervatte en voltooide uitbreidingen, van daar die reeks nieuwe gebouwen, wier grillige verscheidenheid aanwees, dat ieder meester en vrij was op zijn eigen erf. Prachtig en weidsch schenen deze voorzeker hun toe, welke iian de sombere, donkere, kloosterachtige woningen der oude zijde gewend waren; maar ons! — hoe burgerlijk en bekrompen zou Amsterdam ons voorkomen, indien het die reeks van heerlijke huizingen missen moest, welke zich van de Leidsche gracht tot over den Amstel uitstrekt, en die eerst zoo veel later werd gesticht!

Zóódanige uitbreiding vereischte de toevloed der vreemdelingen, van heinde en veer naar eene stad gelokt, wier jeugd zoo krachtig was, wier groei het geluk, of, om als Nederlanders te spreken, de Goddelijke zegen zoo kennelijk begunstigde. Wel waren die vreemdelingen een doorn in het oog van den geborenquot; burger, die hartelijk zijne kluchtspeldichters toejuichte, wanneer deze den op zijn armoedigen adel trotschen Brabander, of den verdachten Westfalinger met zijnen plompen bastaardtongval ten tooneele voerden. Van de praatzieke spinster af, die bij beedeeo haren bloedverwant een ambt toedenkt, en onder schouderophalen zegt:

„Hij is een Burgers kint. Maer 't Hof gaeter soo wat mo deur/

„d' Eene vreemdelingh of d' ander/ die gaat altoos veur/

tot den erntfesten uooft toe, die in de raadzaal de aanmati-

ocr page 18

8

gingeu dezer nieuwe poorters met waardigheid te keer ging, werd bun de rang betwist, dien zij zicli zoo gaarne hadden toegeëigend. De weerzin is begrijpelijk, de wederstand verdedigbaar, mits men er maar niet om voorbijzie, dat onder deze intrus handelaars scholen, die, door elders verzamelde kundigheden, den wetenschappelijken geest der Hollanders zouden oefenen, en prikkelen tot heilzame jaloezij; hoofden en harten vol van stoute ondernemingen, geblaakt door het voorgevoel, hoeveel geluks deze bun en hunne woonplaats zouden aanbrengen (1). Er waren mannen onder hen; wier ijzeren kruin niet gebogen had voor de vervolging, die huu geloof of hunne- staatkundige overtuiging in hun eigen vaderland had moeten trotseren; mannen, die daardoor de spieren zouden sterken der jeugdige burgerij, welke nog tot eene zoo langdurige volharding gerugsteund moest worden; mannen, die hunne nieuwe verblijfplaats als een ander vaderland beminden en hunne borst voor zijne onafhankelijkheid in den krijg durfden blootgeven (2).

Intusschen, de eigenlijke kern der burgerij maakten zij uit, wien, in tegenoverstelling der nieuwe aankomelingen, de naam van oude Geulen te beurt viel. Zij hadden of zeiven in hunne jeugd als ballingen rondgezworven, en den onafhankelijkheidsoorlog helpen voeren; óf hunne vaders waren de slagtoders der Spaansehe vervolging geworden, met den marteldood hun geloof bezegelend. Hoe hoog ook deze oude burgers de borst droegen om het doorgestane lijden, hoe zeer men bij

(1) 13. v. De Anlwerpsche Koopman isaac lb maire. Na dertig jaren han-de] gedreven te hebben, ging hij te Er/mond wonen, eu werd bij zijn overlijden geschat, vijftien tonnen gouds na te laten. En echter, wel verre van den vaderlijken rijkdom in rust en weelde te genieten, ondernamen zijne zonen oj» eigen kosten eene reize om dc wereld, die voor jacques le maire zoo roemrijk en tevens zoo noodlottig werd.

(2) Wij brengen voorshands deze verdiende hulde aan jan willemse noo-gaerd, te meer, omdat vondels hekeldichten ons naderhand stof tot lagehen over dezen, wat dollen ijveraar, zullen verschaffen.

ocr page 19

9

voorkomende gelegenheid die zonen van de slagtoflfers der vrijheid zocht voor te trekken, kenmerkten zij zich echter door uitwendige eenvoudigheid en burgerlijkheid. Eu hoe ton het anders? Immers het rondzwerven als balling, de geldelijke offers aan de zaak der vrijheid gel) ragt, de knevelarijen van al va eif zijne trawanten, dwongen hen, als zij eenigzins waardig hunnen rang zouden bekleedeu, met noeste vlijt de handen aan het werk te slaan. Zij voerden nog geene namen, door eene lange reeks van burgemecsterlijke voorvaderen geheiligd. Ook de minste ingezeten van Amsterdam wist het nederige huis aan te wijzen, waar zij in de oude stad hadden gewoond; hij verlustigde er zich misschien in, hunne voorouders en ook Aachroniqnn scatuJrdeu.sc van deze na te rekenen; of onderscheidde hen bij den naam huns vaders, of bij het opschrift van luifels en gevels (l)j bij hun beroep, of bij eenen spotnaam, hun door het graauw gegeven (2). Wie zou bij het weinige verschil, dat weelde en pracht in die dagen tusschen de onderscheidene standen maakten, bij de menigvuldige voorbeelden van aanzien, alleen door verdienste en aanhoudende vlijt verkregen, kunnen verwachten, dat de geringe menigte naar hare regenten opzag met den eerbied, welken een oude en eeuwen lang gevierde naam pleegt in te boezemen? Was het wonder, dat de blijspeldichters zich niet ontzagen, den eerst nieuwelings rijken hunne gierigheid, den zonen van deze hunne weelde te verwijten (3)? Of zou het niet naar de natuur geteekend zijn, wanneer bkedeko door de onstuimige menigte den schout laat toevoegen:

,,--binje ieu Sclioul / ien Sellout / cn ducjc sulcke cliuge /

„De Jouges siillen nou wel een lietje van jou singen/

„Indien dat gliij iens wort oj) Iclijklieydt betraept.quot;

Zonderlinge tijd inderdaad, waarin het volk in aangeplakte

(1) Laurens jakobsz. reael.

(2) Dirk duivel, jonge .tan 't doet ek niet toe.

(3) Zie g. tan Hasselt, Ooer de eerste Vaderlandsche Kluchtspelen, bl. 74—78.

ocr page 20

10

rijmpjes op hoogen toon zijnen wil a,an de Eege.ring verkondigde (1), en de achtbare Magistraat wederkeerig het niet beneden zich rekende in rijmpjes te antwoorden, zoo als hooft zich herinnerde er op zijn zevende jaar, in den Leicesterschen tijd, een aan de pui van het Stadhuis te hebben gelezen :

,,Oft' er verraedt/oft' oproer quaedt/ wierde vernomen/

„Men zal/ tot baet/ geschut op straet/ hier uyt doen komen.quot;

Uit het aangevoerde zou meu ligtelijk kunnen besluiten, dat de beschaving bij die menigte op lagen trap moest staan, indien niet aan den anderen kant de faam der rederijkkamers, de lofspraken op de kunde der oude Arasterdamsche regenten, de wetenschappelijke vlugt, in ons vaderland reeds vroeg genomen, ons daaromtrent te hooge denkbeelden had ingeboezemd. En waarlijk, gelijk de Hervorming het gevolg was eener tot op zekere hoogte gebragte verstandsontwikkeling, zoo voerde zij, voor de vorming van den geest, rijke zegeningen in haar gevolg. Bij de lagere standen nam het getal dergenen, die lezen konden, aanmerkelijk toe; voor de aanzienlijke burgers handhaafde zij het regt van vrij denkeu en onderzoeken. De koophandel bevorderde het verkeer met vreemde natiën en verrijkte ons ook met de kennis harer talen. Dit alles werkte echter, voor als nog, meer op het hoofd, dan op den smaak. Het mogt zeker als een onmiskenbaar bewijs van vooruitgang gelden dat hooft een Italiaansch waas, coornhert en anderen een klassieken zweem aan onze letterkunde gaven; maar het eene als het andere was veeleer het gevolg hunner persoonlijke ontwikkeling, dan een bewijs voor den graad van rijpheid door de natie bereikt, dan bloesem of vrucht aan eigen twijg ontloken of uit eigen stam geteeld. Den inheemschen aard vreemd, sloeg deze oppervlakkige beschaving weldra tot wansmaak over, toen niet lang daarna alles Arkadisch zijn

(1) Bekend zijn tie verjes:

,, Vit sijn de Quanten /

„Die oprechten sullen de Anniniaenache Santen/quot; enz.

ocr page 21

11

moest, en de edel aclitbare Eaden der stad zich met liuime eerzame eclitgenooten als herders en herderinnen lieten afbeelden (1)! Wij gelooven in een woord te mogen getuigen, dat de meeste dier vorderingen tot het hoofd behoorden, en naau-(velijks tot het gevoel waren doorgedrongen. Immers, waar is zekerder maatstaf voor den heerschenden toon en smaak te vinden, dan bij het vrouwelijk geslacht, dat op de wetten van het schooue eenen zoo beslissenden invloed uitoefent! Ik vereer de romantische tint, die onze bevallige tijdgenooten versiert; maar, eilieve! wat waren onze grootmoeders, van beec1it proosten af, tot op lijsbeth philips, dc huisvrouw van rem bisschop, toe? - Schoone, kloeke gestalten, die in haar uiterlijk aankondigden, dat zij hare schouderen aan die harer eclitgenooten sloten, om de huiszorg en de lasten van den kwaden tijd te schragen, - moeders, die mot Spar-taansche grootheid hare zonen naar zee of slagveld zondennijverige huisbestiersters, die zuinigheid met zindelijkheid paarden, en welke, terwijl zij hare dienstboden met de grootste naauw-lettendheid gadesloegen, aan deze te gelijk het voorbeeld eener werkzaamheid gaven, naar wier voorschrift zij van hare jeugd af nevens en met deze hadden gearbeid? Men vrage het moeder geertkuid in hoofts Wnrcuar, wat men van eene vrouw verlangde; men vrage het de moeder van goossen, in de klucht van krul , welk eene echtgenoote haar zoon zoeken moest; men vrage het eindelijk aan Vader cats en beslisse, of zulke vrouwen op ieder onvertogen woord blozen, om elke onreinheid zwart zien, bij iederen schrik bezwijmen zullen? Neen, het huisselijk verkeer was een afbeeldsel van het burgerlijke; elk deed het zijne en het noodzakelijke het allereerst.

Bijna neem ik het laatste gezegde terug; want twee zaken waren cr, die onophoudelijk onzen nij veren burgers door het hoofd draafden en waarop zij hun regt voor niets ter wereld

(1) Mij staat liierbij liet beelil van 8k5i verdoes of van der does voor den geest, met zijne echtgenoote machteld vinck in zooilani:; kostuum afgebeeld.

ocr page 22

12

aan een ander wilden afstaan. Zij hadden hunne oude regenten uitgeleid, door huune schutterijen waren de nieuwe verkoren, en het woord van Schout dirksz was hun in de ooren blijven kleven: huimetuit hoedt u voorde iveêrstuit; - zij hadden zich voor of tegen Leicester verklaard; aan het volk waren de vlugschriften vóór of tegen de Treves met den Coninck van Spaengiën \ gerigt; - dat volk kwam er voor uit, welke regenten het wensehte , welke het mistrouwde; het deed of weigerde den schutterlijken eed aan zijne opperhoofden; het mompelde, bij liet vermeerderen van het getal der stadssoldaten. En wanneer van eenen regent uitlekte, dat hij de zaken van zijnen eigen handel wat al te slim bevorderd of eene lading op 's vijands bodem had binnengesmokkeld , dan vloog het praatje door de stad, niet om de huizen in te keeren, opdat ieder met de zijnen stillekens en en familie den laster genieten mogt, neen, om op aller tongen te zweven, tot het den schalk in rijm en onrijm op straat werd nagehouden.

Meer nog dan de zoo onophoudelijk betwiste regten van stad en staten, overheid en schutterij, hielden de godsdiensttwisten de hoofden en gemoederen bezig. Bewondereuswaardig was in het eerst de gematigdheid geweest, waarmede de, met de Hervorming van 1578 triomferende, partij zich gedragen had; in vergelijking ten minste met de vervolging, waaronder zij vroe-ger had gezucht. Den Roomschen zeiven toch wedervoer als

d o

Roomschen geen letsel; misschien droeg daartoe bij, dat verschillende gezindheden zich vereenigd hadden voor de groote zaak der vrijheid van Godsdienst. Onderscheiden aanzienlijken behielden, hetgene men het oude (jdoof noemde, eu brag-ten in vrede en rust hunne dagen ten einde. Anderen kleefden de meeningen der Doopsgeziudeu aan en deelden niettemin met huis- en stadgenooten de liefde voor het gemeene welzijn. De huisgezinnen van Schout bardes en Vader hooft waren tooneelen dier onderlinge eensgezindheid, en schoon beiden de Gereformeerde leer beleden, volgden hunne huisvrouwen de vergaderingen der dus genoemde Mennisten. Doch

(\

ocr page 23

13

reeds vroeg ontvonkte het twistvuur, dat, in den Leicester-schen tijd meer en meer gestookt, eindelijk bij gelegenheid der oneenigheden van armestus en gomaeüs in lichte laaije vlam uitbarstte. De oude Geuzen zeiven splitsten zich in twee partijen; de vreemdelingen, van elders hier gekomen, kozen voor het grootste gedeelts met ijver de zijde der Contra-Jlemon-stranten, en tot zelfs in de laagste klassen drong de verbittering door. Al vraagt, naauwelijks bekoeld van eenen hevigen twist, terwijl hare gedachten tot haar spinnewielterug-keeren, de praatzieke spinster trijx snaps in bredero's Spaenschen Brabander hare buren zoo goelijk;

,,Jiitje Jans met oorlof/ wat sinje Benist/ Papist/ Arminiaeus of Geus?

„Wat isser nu al te doen/ niet waer? met geloofs saken?

„Dat liet au ons drieu stong wy souden dat hyliek wel maken /

„Elsje Kaecks! datt' au ons stondt/ wat duuckje souwt dan beter wezen? Tut. ,,S wij glit / swijgt om Gods wil/ kijut Heeren boeckeu sijn quaet om lesen, „Oeli dat is ons dingen niet/ laten wy ons moeyen met onse werek/

Alleen op het tooneel was het gemeen zoo verdraagzaam; in de werkelijke wereld schold het en streed. Hoe men hen, die zulke gevoelens voorstonden, met den naam van Liberlijncn zou hebben bestempeld; hoe het graauw eer met vuisten en nagels de leer zou hebben verdedigd, die der schare was overgeleverd, dan denken aan minnelijke overeenstemming en een huwelijk tusschen de uiteenloopeude gevoelens. Van zijne plunderingen en geweldenarijen zullen wij later spreken. Vooral toen beide partijen elkander het storten van bloed konden verwijten, klom de woede op het hoogst. Het harde lot van den ouden BAKNEVELD had zijne aanhangers tot het uiterste gescherpt, en wederkeerig vervulde de moorddadige aanslag, door zijne zonen tegen den Prins beraamd, hunne tegenstanders, die zich Princengeuxen noemden, met afgrijzen. Dat de lijdende partij der llemonstranten haren verdrukkers niets schuldig bleet', be-

ocr page 24

14

wijzen do door hen gestrooide rijmpjes, waarin Prins maurits bij alva vergeleken cu voor Mof uitgekreten, en gedreigd werd:

„God salder ons sacck

„Met strenge wraak

„Noch voeren uyt

„Eer de Moff sijn oogen sluit.quot;

Hoe wederkeerig der andere partij geeuerlei laster te vuil was, daarvan moge de Gulden Lcyemlc van den nieuwen St. Jan (oldenbarxeveld) ten bewijze strekken. Beide rigtten zicli om liet zeerst tot liet volk; in rijmpjes werd het tot plundering aangestookt; op de wijze van volksliedjes of psalmen den Eemon-stranten moed ingesproken; bunnen predikanten met het gelukkig ontvlugten geluk gewenscht of de leerstellingen der Gereformeerden bespot. Vergeefs dat een sceiyerius uitriep:

„Geweetens-dwang? o neen! 't Geloof is veel te ecl,

„Dan dat men zo 'tgemoedt zou perssen uyt de keel.

„Eer zal de menscli den geest dan vry te zyn begeeven.

„Hier voor kiest hy den dood; hier by lust hem het leeven. „Weg Land-verderflyk quaedt: vervolging om 't Geloof: „Weg Plonder-geest, weg, die een ander stelt ten roof. „Kom Liefde; breek aan tween de twist-gezinde pennen,

„Breek 't Oorlogs-strydgeweer, en leer de Vreede kennen.quot;

Dichters en predikanten wisten van geenen vrede; zij voedden om strijd den rampzaligen haat.

III.

Op de titelprent van een onzer oudste en gedenkwaardigste treurspelen, de Iphigenia van De. samuel costeb, vindt men twee krachtige paarden voorgesteld. Het eene volgt gedwee het spoor, dat hem door den teugel wordt aangewezen, terwijl zijn rijder, met de kenteekens der vorstelijke waardigheid versierd, gerust de zweep over den schouder legt. Het andere draagt

ocr page 25

15

twee ruiters: vóórop zit een getroond persoon, tlic. de opgc-hevene zweep in de liand voert; maar een ander in geestelijk gewand, achter hem geplaatst, kort den teugel, terwijl zijn mederuiter het ros voortjaagt. Gij vermoedt het verdere; — het geplaagde dier schopt en steigert en is gereed den eenen als den anderen meester in het zand te werpen. Het paard, dus luidt de uitlegging, is de wereld, de zweep het regt, de teugel de Godsdienst. Die beiden voert, leidt het ros

„Vol quaile stuypen/ ruw/ gansch stog/ en boos van aart/quot;

werwaarts hij wil; manr wanneer gelijkelijk geestelijke en wereldlijke magt haren invloed laten gevoelen, dan raakt het paard aan het hollen eu „de ryders beyd' in lyden.quot;

Van zoodanigen aard was het gevoelen der leden vandeAm-sterdamsche partij, welke zich tot de meer verlichte rekende; ook van dezulken, die niet bepaaldelijk Remonstrantsgezind konden geacht worden, maar wien het gezag der Regering boven alles gold en die daarom de Poütieken werden genoemd (1): doch het scheelde zeer veel dat de meerderheid der geestelijken zich tot die meening zoude hebben bekeerd. Kwel-linge des geestes ware het, al de kleine twisten, tusschen de Eegeering en de kerkelijken gevoerd, te doorloopen; genoeg zij het aan te merken, dat de kerkeraad zich hoe langer hoe meer aan den invloed der burgemeesteren onttrok, zoodat reeds in 1612 de oud-burgemeester hooft er ernstig over klaagde, dat de oude voorstanders der vrijheid langzamerhand uit het bestuur der kerke geweerd, en van buiten ingekomen vreemdelingen tot de kerkedienst bevorderd werden. Naar zijne stem werd niet geluisterd en een tijd

(1) Zoo als b. v. ten grootenhuis en burg. De eerste onderscheidde zich als schout van Amsterdam door buitengewone gematigdheid. De laatste verdedigde, sedert 1625, meer openlijk de Kemonstranten, ofschoon zijne benoeming tot Raad in 1G18 en zijne werkzaamheid in dien tijd elk vermoeden wegnemen, dat hij tot hunne partij zou hebben behoord.

ocr page 26

Ifi

lang triomfeerde de partij der geestelijkheid. Indien men den veelnl partijdigen brandt op dit stuk gelooven mag, oefenden de predikanten eenen verba zenden invloed op de Regering uit en wisten zij langen tijd van te voren te voorspellen, wie tot het hoog bewind zou worden bevorderd. Langzamerhand echter keerde de schaal, en op hare beurt hernam de Regering in vollen zin het beheer over alles wat de kerk betrof.

Hare laatste kracht putte de geestelijkheid uit de zaak van den predikant CLOPPENBurg. Men had tot kapitein der schutterij zekeren VLOOsmiK verkozen. De man stond, te regt of te onregt, bij de leeraars kwalijk te boek. Men meende in hom een' libertijn en vijand der Gereformeerde religie (zoo luidde de wijze van spreken) te herkennen, en het gevolg was, dat de schutters zich tegen zijne benoeming verzetteden. Do misnoegden begaven zich naar 's Ilage, waar destijds de afgevaardigden der zuid- en noord-IIollandsche Synoden waren vergaderd, en onder deze cloppenbueg , een man van ijver en bekwaamheid, predikant te Amsterdam en geslagen vijand der Remonstranten. Daar leverden zij aan de Synode de vraag in: Of belijders der zuivere leer verpligt waren den schutterlijken eed aan eenen openbaren vijand van God en het Vaderland (met die zoete woorden werd vlooswlik bedoeld) af te leggen? Plet antwoord was; neen! - doch de Amsterdamsche Regering handhaafde haar gezag, zij ontschutterde de wederspannigen en vervolgde, misschien al te streng, die burgers, welke zich met het inleveren der vragen en andere verzoekschriften tegen de Regering hadden belast. Cloppenbueg werd van zijn ambt ontzet en wegens zijne bemoeijingen de stad uitgebannen; de predikant smout, die in hevigheid allen overtrof, ondervond een gelijk lot en, wel verre van langer den wil der geestelijkheid te gehoorzamen , verscheen de wethouderschap in den ker-keraad en eischte zitting in zijn midden. Nadat deze nieuwe twisten nog eenige jaren hadden voortgeduurd, eindigden zij met de zegepraal der Regering.

Het karakter der strijders maakte den kamp te hagchelijker.

ocr page 27

17

Men was bij hunne tegenpartij gewoon de predikanten te be-sclmldigen van meest vreemdelingen te zijn en zich kwalijk te schikken naar de wetten der stad, in welke zij gastvrijheid genoten. Ten bewijze moge de verklaring strekken die coster ia zijne Iphiyenia, Ydc Bedrijf l6te tooneel, nestor deed afleggen:

,jHet tweede dat m meed de sakou qualijek gaan /

„Ts datmen lüer in plaats van Jiurgereu/ geboren „Van onde af-komst/ en nit goeden liuyz' verkoren/

„Maar vreemdelingen heeft/ die'r lieren glielijck of „Ons lands-man tol het ampt des Priesters was te grof „Eu oft hy van de Goon gheen harsens had gekreghen.quot;

En inderdaad telde men er velen, die, van Emhden, F ranke) ulaal of Braband herwaarts geroepen, al dat vuur mede-bragten, 't welk vroeger in den strijd met lloomschgezinden of Lutherschen had gegloeid. Er werden echter onder die reeks ook geboren Amsterdammers gevonden, van welke som-migen, zoo als oloppexbueg en laueenïius, den vreemden in lievigheid niets toegaven. Doch men gevoelt, van hoeveel belang het voor hunne vijanden was, de hevigste onruststokers als ingedrongen vreemdelingen door te strijken. Is het niet nog gewoonte? Ter billijke beoordeeling van liet voorgeslacht zie men intusschen niet voorbij, dat de geest dier tijden geenerlei verdraagzaamheid medebragt. Zij, wie de verdrukking der Iloomschen het zwaarst was gevallen, hadden daaruit slechts geleerd anderen te verdrukken: het kwaad fokt het kwaad, en vervolging kweekt geeu' ootmoed, maar de zucht, om de sterkste te wezen. Als men in die dagen de leeraars pilaren der kerk noemde, dan was ten minste de vergelijking in zóó verre juist, dat zij in hardheid en onbuigzaamheid zuilen evenaarden; heette men hen levende steenen van het huis Gods, zij regtvaardigden dien titel door eene rusteloosheid, welke, door de minste oorzaak in beweging gezet, in jaren niet te stuiten viel. De partij der dusgenoemde politieken misprees de Ar-minianen niet minder als nieuwigheidzoekers, dan zij de tirannij

2

ocr page 28

18

der regtziunigen laakte. Het woord des Apostels: „Men moet Godo meer gehoorzamen dan den menschenquot;, was den regtzinnigen evenzeer als den Remonstranten op de lippen bestorven. Als eene ernstige grieve tegen oldexbaenevelü werd, in de Legende vein den nieuwen St. Jan, aangevoerd: „73e Heyligen Gods hebben een eeniye Religie bemint, ende alle „andere venvorpen: Dese bcmin tse alle, en sonde.se garen in een „smelten.quot; Gevoed door de lezing der schriften van het O. T., namen beide partijen de spreekwijzen der oude Profeten over en bootsten zij bunnen ijver na. De Kerk heette het Israël Gods; zij die haar aan den Staat onderwierpen werden bij jeroboam, die Israël zondigen deed, vergeleken; en wederkeerig scbroom-deu de Arminianen niet, den alarmkreet der regtzinnigen om het welzijn van Land en Kerk voor huichelarij te verklaren en met achab's biddag te vergelijken.

ïwee mannen vooral maakten zich door hunnen hardnekki-gen ijver voor het kerkelijk gezag gedenkwaardig, en werden bij uitnemendheid de slagtoffers van vondel's spotternij. De een was adriaan smout, vroeger predikant in het Over-maasche, doch die reeds voor zijne komst te Amsterdam, in zijn geestelijk Ja, getoond had, welk eenen hevigen kampioen de kerkdijken in hem zouden bezitten. Het is mogelijk dat zijne zware gestalte er toe bij hebbe gedragen om hem ingang bij de menigte te bezorgen; maar onloochenbaar waren het zijn stijl en zijne taal, die hem tot volksredenaar stempelden. Nooit x droeg hij zijn gevoelen omwonden voor; dikwijls nam hij de platste uitdrukkingen te baat, om op de ruwe gemoederen te werken. Zijne predikatiën waren altoos op de plaats hebbende omstandigheden toepasselijk, en zoo min de aanzienlijken der stad als de bondgenooten des Lands werden door hem gespaard. Zoo voer hij, tijdens het beleg van Bochelle, dat anders te regt de meewarigheid der Protestanten gaande maakte, tegen lodewuk XIII uit: „de oorzaak waarom dat de Landen en de „Steden g(plaagd en gestraft worden is, dat men nu lieden „trekt en dringt in de Regering, die voorstanders zijn van het

ocr page 29

] 9

„Pausdom. De exempelen en vruchten daarvan ziet men da-staten, die hunne schepen gezonden hebben voer „Rochel, om de ware Gereformeerde religie te verdrukken en „te assisteren het kind der verderfenis, het kind der duivelen, „den draak, den eersten tak, daar de antichrist uit gesproten „is, daar de hoer van Bahcl op het beest met zeven hoofden „zit. En opdat gij rnoogt weten, van wien dat ik spreke, ik „meen den Koning van Frankrijk, louis den XIII, zoon van „Hendrik den IV, den Apostaat. Wat magt heeft toch de „Koning van Frankrijk? Wat kan hij doen? 't Is wat, hij „heeft ons in het voorjaar laatstleden een deel duivels gezon-„den. Wat vrucht hebben die gedaan? Niets, zij zijn al te „znmen voor den duivel gevaren.quot; Later bepleitte hij de zaak van het gemeen, dat zich aan de plundering der Remonstrantsche vergaderplaatsen had schuldig gemaakt, in eene leerrede over de woorden; Maar ik zegge u, wederstaat den hooxen niet! Den ruwen hoop of de dusgenaamde graamce geuzen noemde hij: Instrumenten, die God gebruikt en aandrijft tot dit (ja)iscli noodige werk, de verstoring der ketterij ; en toen later de burgers het gemelde verzoekschrift in de zaak van vlooswijk ingeleverd cn daarmede de hooge ontevredenheid hunner Regering zich op den hals hadden gehaald, toen vooral bulderde zijne gramschap. De nood, waarmee een inval der Spanjaarden op de Meluwe de stad bedreigde, had eene talrijke schaar naar de biddagspreek gedreven. Daar duwde smout den regenten ten aanhoorc der menigte toe: „Gij zijt de oorzaak met uwe proce-„duren, dat God Almachtig den vijand op de Veluwe heelt doen „komen. - Gij acht ons te klein en te gering, dan dat gij met „ons correspondentie zoudt houden. Men acht ons voor koot-„jongens. Men leent zijne ooren veel liever aan een hoop „poëten, orateurs, juristen en polityken, dan aan ons. Dit 's „verkeerd. Zij halen hunne dingen uit redevoeringen, uit de „ keizerlijke rechten enz. Wij zeggen blootelijk: de Heere zegt „het. Wij hebben Gods Woord; hoort derhalve, wat wij u „zeggen.quot; \\ agens dergelijke oproerige redenen werd smout voor

ocr page 30

20

burgemeestcren gedagvaard: doch wel verre van zicli te buigen, dreigde bij hen des te scherper met 's volks ongunst en de straffe des hemels. De kerkeraad trok zich de zaak van den oproeri-gen predikant aan, en zoodra de Regering zag, dat zij van dezen in het geheel geene ondersteuning wachten kon, besloot zij, op eigen gezag, smout de stad te ontzeggen. De leeraar vertrok; maar zijne ambtgenooten hieven luide klagten aan over de nieuwe vervolging en bet voorbijgaan van den kerkeraad, en zochten eerst bij de Synode te Schoonhoven, vervolgens bij die van Enldini-sen eene hulp, die hun rijkelijk gewierd. Toch leden die pogingen andermaal schipbreuk op de standvastigheid des Bestuurs.

Aan geene dergelijke buitensporigheid stond de ambtgenoot van smout, jacobus teioland, schuldig. Van jongs af in de Rocmsche leer opgevoed , waarschijnlijk zelfs tot den geestelijken stand bestemd, had hij uit overtuiging de Hervormde Godsdienst omhelsd en werd al zeer spoedig tot het leeraarambt te Amsterdam bevorderd. Hij was een man van uitgebreide geleerdheid en standvastigen ijver voor hetgeen hij de zuivere leer achtte. Toch wist hij den strengen ernst, die zelfs uit zijne sterk ge-teekende gelaatstrekken sprak, door meerdere mildheid en gematigdheid van taal te temperen; niet zoo zeer, omdat zijn al te eerzuchtig karakter tot zachtmoedigheid neigde, als wel, dewijl zijn verstand hem voorschreef, wat aan zijn ambt en de zaak, die hij voorstond, betaamde. Van daar, dat hij, hoezeer een ijverig voorstander van de leer der Calvinisten, echter de hardheid van bogerman afkeurde, en zich bij de meer gematigde partij aansloot; - dat hij, hoezeer een gezworen vijand van barneyeld en allen, die in het gevoelen van dezen omtrent de afhankelijkheid der Kerk van den Staat deelden, duurzaam weerstand biedende aan de latere Amsterdamsche Regering, er echter in slaagde vier en twintig jaren lang zijn ambt en zijn invloed te handhaven. Zijne taal was beurtelings scherp en bijtend, beurtelings liefderijk en welwillend: nu eens vierde hij zonder aanzien des persoons aan zijnen hartstogt bot; dan weder schenen zijne woorden sluw gekozen, om meer te doen ver-

ocr page 31

moeflen, dan zij zeiden. In onderscheidene geschriften verdedigde hij de leer en handelwijze der contra-Remonstranten, of zocht, vooral sedert de aanslag van oldexbarxkveld's zonen de Remonstranten onder een onbillijk vermoeden had gebragt, de afgewekenen in den schoot zijner Kerk weer te brengen. Was het wonder, dat de Gereformeerde Staten hem als een der stevigste steunsels hunner partij eerbiedigden? dat zij die deze bestreden, en het onstuimig razen van smout te regtbelachten, zich tegen triglaxd , eenen zoo bekwamen vijand, met alle wapens, welke in dien tijd geoorloofd gerekend werden, te weer stelden? Het is hier de plaats een bewijs bij te brengen dat zelfs de kwade tongen, ook onder de Arminianen geene zeldzaamheid, den geduchten voorvechter der kerkdijken niet ontzagen. De blozende kleur van zijn gelaat, de geestelijke hoogmoed, die hem bij eiken kruistogt, door hem tegen partij ondernomen, te regt of te onregt triomf deed kraaijen, bezorgden hem den naam van het kalkoen-sche haantje. Misschien droeg de eerste bijzonderheid het hare bij, om het praatje, dat triglaxd de sjnodus-bokalen niet minder dan de synodus-artikelen lief had, ingang te doen vinden (I). Zeker was die ondeugd in zijue dagen aan geenen stand vreemd. Erger mag het hceten wat van smout verhaald wordt en dat ens daarom des te ongeloofelijker schijnt. Immers wat werd er in dien tijd ter wederzijde niet gelogen en gelasterd!

IV.

Met een' glimlach van medelijden plegen wij op de eerste pogingen der rederijkkamers, om eene nationale dichtkunst te scheppen, neer te zien. Inderdaad toch verdienen die knie-

(1) De brouwer pieter eveuts hield staande, met een' ander geloofwaardig getuige, trig land op stroobecnen te hebben zien gaan. De predikant wendde vergeefsche moeite aan, om hem het gezegde tc doen intrekken. Aan deze veete tnsschen beiden werd later de plundering, die de brouwer van het gemeen inoest ondervinden, toegeschreven.

ocr page 32

22

dichten en rondcelen, vol van uitheemsclie basterdvvocmlen, rijk aan mythologische zinnebeelden, maar arm aan vernuft en gedachten, die stootende, stroeve, onregelmatige verzen, welke in onze dagen de wanrdige vrucht eens straatzangers zouden schijnen, maar toch in dien tijd, onder het nagelbijten en hoofdkrabben der excellente poëten, ter wereld gebragt zijn, gecne hooge onderscheiding. Hoe zeer moet het nageslacht, zegt onze eigenliefde, in smaak zijn vooruitgegaan, indien de tol der bewondering, aan zoodanige rijmelaars door hunne tijdgenooten betaald, zuivere munt is geweest, in opregtheid gegeven! Er valt niet ann te twijfelen, want die lofspraken ontvloeiden de lippen van hen, die in zaken van staat en geleerdhei 1 als orakels plagten te gelden. Stonden niet ann het hoofd der beuzelachtige rederijkkamers mannen als axthoxis van stralen, jan van hout, coEXELis piETERSz. hooft? Onverklaarbaar, zoudt gij meenen, ten zij uit den ijver, waarmede men, naast de belangen van Staat en Kerk, de zaak der dichtknnst behartigde, het gevoel der behoefte bleek aan die edelste aller gaven, zonder welke een groot volk zich nimmer zijne eigene grootheid bewust wordt!

Het gevoel dezer behoefte was reeds iets; was reeds niet weinig; doch meer nog mogt het heeten dat, hoezeer het ideaal der poëzij onzer natie maar donker voor den geest zweefde, bare voorname eigenschappen, haar hooge goddelijke rang, reeds juist werden begrepen, reeds juist werd gewaardeerd. Wil men de edelste vernuften, die ons vaderland in de zestiende eeuw telde, niet van wansmaak beschuldigen, dan staat alleen deze weg tot hunne verdediging open, dat zij, iti de gebrekkige gedichten van dien tijd, eer het hooge doel, hetwelk zij beoogden, dan de mislukte pogingen, prezen; dat zij met een fijner oor, dan het onze zijn kan, in de betere toonen hunner zangers het splijten der bloesemknoppen beluisterden, waaruit de lentebloei onzer poëzij in al haren glans zou te voorschijn gaan.

Niet iedere eeuw is rijp voor poëzij. Bijwijlen vindt de gedachte zich door de armoede der vormen belemmerd; een ander-

ocr page 33

23

maal hebben deze alle jeugdige aantrekkelijkheid verloien en schijnen, versteeml, door geene vlaag van bezieling meer op te wekken. Daar, waar de dichtkunst in hare volle kracht aan het licht treedt, zijn vorm en getlachte door den innigsten en onverbrekelijksten band verknocht, zonder dat een van beiden iets aan den ander hebbe opgeofferd, zonder dat er eenig teeken zij, wie der twee do oudste is. Als eene andere ju-nerva, komt zij volwassen en in vollen wapendos uit het brein eens overvliegenden veruufes te voorschijn, en de rusting, die zij draagt, wordt zóó zeer tot haar wezen vereischt, dat zij zonder deze niet denkbaar blijkt. Helm, schild en speer, opdat ik zonder beeld spreke, zijn haar de taal, de dichterlijke taal, aan de verhevenheid of liefelijkheid der gedachte geëven-redigd, en gepolijst genoeg, om zich in de geschakeerde vormen van maat en rijm te plooijen. En wanneer wij de rederijkkamers, bij al het gebrekkige, dat haar aankleefde, ten minste standvastig aan de opbouwing der taal en tot verrijking van rijm, maat en dichtvormen zien arbeiden, dan verdient deze vlijt niet slechts onze goedkeuring, maar billijken wij tevens het juiste inzigt dier eerste beoefenaars onzer letterkunde, er alles voor over te hebben oin den weg te banen, langs wien de genius der dichtkunst zijnen triomftogt beginnen zou.

Ongetwijfeld komt aan vondel en inzonderheid aan hooft de lof toe, onze taal, met keur van woorden niet alleen, maar ook met tal van vloeijende vormen te hebben verrijkt. Indien wij echter gaarne erkennen dat de laatste nu eens de ruwere Hollandsche woorden polijstte en smolt, om hun het glad le, dartele en fluweelige der Italiaansche klanken te geven, dan weder die stevige klanken in een grof, onbuigzaam harnas schroefde, ten einde de ijzeren voetstappen, welke alva op den nek des landzaats gezet had, na te doen klinken, dan mogen wij tevens niet verzwijgen, dat de wijze hoe hij het deed, vooral in het eerste opzigt, nieuwer en oorspronkelijker was, dan de poging zelve. Een weinig studie van onze letteren dier dagen volstaat ter overtuiging dit onze voorouders

ocr page 34

zich van hunne nalcomclingen, zich van ons vooral door lust en smaak voor gezang en lied gunstig onderscheidden; wat anders kon van dien toen levendigen zin het gevolg zijn, dan verzachting en verzoeting der nog ongeslepen taal? En stonden in den tijd van hooft en vondel niet starter, bee-dero, GAMPiiuizEX, krul aan de zijde onzer eerste dichters, voor wie zij in kracht en vlugt van gedachten voorzeker onderdeden, maar die zij daarom niet minder, ieder op zijne wijze, in zoetvloeijendheid en zangerigheid van uitdrukking naar de kroon staken? Van daar, dat er onder de schimpliederen, uit den tijd van vondel, enkele gevonden worden, die, wat hunnen uitwendigen vorm betreft, den zijnen zeer nabijkomen. De „Cdlvytischeti Wtroeper, ivaev door het yevoelcu .,der Calvinisten van de Predestinatie met den aencleve van dien „naeektelijclc ende corteljck wtyhedrucld wordt. Gcdrncht onder t „Onvysquot; (zonderlinge overeenkomst van tijden!) „in 'tjaer ons „Heeren 1621,quot; verdient onder anderen, om geestige voorstelling niet minder dan om welluidendheid van verzen, naast die van vondel geplaatst te worden.

De titel „Calvijnschen Wtroeperquot; (1) herinnert ons de velerlei

(1) Enkele trekken willen wij overnemen;

„DE CALVIJNSCHEN WTROEPER. „Wyse:

„Ons speeljacht hier al vecrdich leyl,

„Alsoo CALVINUS heeft verstaen j „Uat vele Goilts Predestinatijquot; „Met alles waller Langliet aen/

„NieL soo verstaen/ als liy/ eilaey!

„En daer benellens siet en hoort/ „Dat vele met Calvijnsche kleeren „Op stoel int preken van het Woort/ „Wt schaemte wat Arminiseeren /

„Snlex datter veel' in syn ghemeent' „Onseeeker syn van zyn sententij/ „Waerin hy voursiet en beweent

ocr page 35

25

vormen, waarin de liederen dier dagen plagten te worden ingekleed. De rondeelen, kniedicliten en referijnen, en welke andere soort de beuzelgeest der rederijkers ingevoerd of beoefend moge hebben, zijn bekend genoeg; den eersten meesters onzer dichtkunst strekt liet tot eer, baar van deze onnatuurlijke banden te bcbbeu bevrijd om. eene krachtige en vloeijende dictie, om welluidendheid en rcgelmatigen afloop der verzen vrije speling te gunnen. Een vorm nog door vondel gehuldigd was de Echo. Dat aetherischo, fijne, ijle luchtwezen, die dartele nabootster, gelijk iiOEATius haar noemde, werd gedwongen de vragen te beantwoorden, haar door den dichter in rijm gedaan; maar was tevens gehouden, van de eindletterklanken, juist zoo vele te herhalen, als de zanger tot antwoord noodig had. Kon der zwevende Nimf, der teeder kwijnende minnares van xarcisstjs

„Een jaramerlijcke consequentij.

„Soo laet hy nu een yeghelijck „Midts desen syn glievoelen weten ] „Op dat ter niemandt af en wijek' „Van syn verstandt, van Godts secreten.

„Dus is oock Christus nae Godts raet/ „Voor alle menschen niet gestorven. „Hy comt maer sommighen te baet: De reste blijft door dwangh verdorven.

„Godt roept door 't Woord Ier salicheyt „Syn Wtvereoorne niet alleynich/

„Maer alles wat in zonden leyt:

„Doch wien hy roept, hy meen ter weynich.

„Tvercooren hoopjen/ dat hy meent/ „Dat moet noodtsaeckelijck ghelooven/ „Hoe seer haer herten syn versteent,

,,Godt schickt.se krachtich moruw' te stoven.

„Rechtveerdich is hij/ die 't maer vaet „Dat Godt hem heeft gheschickt ten leven. „Aleer hy syne sonden laet „Syns' hem gheheel en al vergheven.

ocr page 36

26

pijnlijker onregt geschieden? InderJaad waren dan ook deze denkbeeldige zamensprakeu geenszins het nazeggen of nafluis-teren van het spotzieke natuurkind, welks klanken de hooge linden voort Iragen, en welks adem de popelbladeren doet ridse-selen; hun nibaavuven zweemde naar het geluid van geesten-stemmeu, schor eu droef een somber kerkgewelf doorgalmend.

Juist ter sneje was dan ook zoodanig eonc zamenspraik door hooft , tusschen den schildknaap van den wraakgierigen v elzen, en het helsche tooverspook tlmon in zijn Geemanlt van Velzen (1) aangebragt. Immers van zelve werden's Lands ramp,

,,Men kan niet meer doen, dan men doet.

„Godt werckt bet willen end' volbrenghen;

„Wy lieten 't quaedt' en deden 't goed1 „Met meer gbelueks/ woud Godt gbebengben.

Hoeseer syn openbaere wil „Ons alle sonden schijnt t1 on traeden „Wy worden kracb tel ij ck en still ,,Gbedreven tot verboden quacden.

„üit is 't glievoelen van Calvijn ,

„Wilt u knapbandich van hacr scheyden /

„Die dese Leere tegben sijn /

„En laet u nerghens door verleyden.

„Gliy hebt bier aitemael gheboort/

„Waer nap. gby u moet reguleren.

rGaet benen/ seggbet vlijtich voort/

„Soo mach hem alle man bekeeren.

Men berinnere zich bierbij uit vondkls bekeldichten den V (roep der Verloren Vryhcid lot Ley den. Wat wij in bet aangehaalde schimpdicht prijzen, is inzonderheid de vinnige en tevens regt populaire voorstelling van hetgeen den Contra-remonstranten als bet Calvinistisch gevoelen werd opgedischt. Wij zullen later opmerken, dat vondel's hekeldichten zich van dezen Calvijnschen Wtroe-per, en andere stukken uit die dagen, onderscheiden door eerbiediger toon en meer zedelijke en godsdienstige warmte.

(1) „Schildknaap. Gby die myn' eige stem te rugge kaatst, in 't oor,

„En antwoordt met mijn mondt, waar zijt gby met uw wonder? „timün. „Onder.

ocr page 37

27

cu 's Hemels dreigan'le wraak, de onbehagelijke onderwerpen van dat denkbeeldig gesprok; maar wij mogen niet afdwalen. Het schrijven van twee zulke Echo's, waarin de monniken met zwarte verwen werden afgeschetst, was door hunnen dichter iiexdrik adei.vaxsex, Factor vau de oude Haarlemsche Kamer de Fellikaan, met den hals geboet (1); en in den mond van vondel diende deze vorm, om den dwingeland, die het regt te magtig was, met Gods straffe te bedreigen. Intusscheu liet de natuur hare mismaakte parodie niet ongewroken, en de spotzieke Echo hernam hare regten, als zij den dichter dwong, om geene andere reden barneveld „tijrannig met een' steen te drukken,quot; dan opd it zij de vrijheid zou hebben, alleronbepaaldst te antwoorden: „Een.'1

Echter weten wij onder alle vormen, die in de scholen der rederijkers waren overgeleverd, er geen' aan te wijzen, welke uitsluitend tot het hekeldicht behoorde. De reden ligt voor de hand. Sommige gedichten, zoo als b. v. bijschriften en lierzangen, werden alleen daarom in die rij geplaatst, dewijl kerkelijk of burgerlijk gezag hunne uitgave en versprei ling belet of den dichter had vervolgd (2). Overigens was de poezij bij haar eerste ontluiken van zelve in strijd met de bekrompenheid der eeuw en des gosluchts, waarvoor zij zong; zoodat, van de stichtelijke liederen van antna byxs af tot de vrolijke kluchten van brkdero toe, in de grootste ver-

1

Zie p, langknuyk Gedichten, Deel 111, bi. 2.), uoot.

ocr page 38

28

sclieidenheiil vau vormen, door haar een onverpoosden aanval op de onwetendheid, zedeloosheid en dwaasheid der tijdgenoo-

ten werd gewaagd.

Eene schooDe roeping voorzeker, en tevens een gelukkig voorteeken, waaronder onze dichtkunst te voorschijn trad; hoezeer het, wat het laatste betreft, hoogst onzeker is, of wij dit omen meer aan het inzigt der rederijkkamers, dan aan den aard der poëzij zelve of aan den zamenloop der omstandigheden hebben dank te weten. Hetgeen wij bedoelen, is toch niets minder dan het bewust of onbewust begrip van de onafhankelijkheid der kunst. Immers ligt het in haar wezen, dat zij zich zoo veel mogelijk door en in zich zelve tracht te volmaken; het ideale schoon is haar rigtsnoer, - maar daarvan wordt haar het besef slechts helder door eene gestadige veredeling van den schoonheidszin in den mensch, door getrouwe opvolging der wetten, die zij zelve geeft; allerminst erkent zij de zoo vaak conventionele voorschriften van kieschheid en gewoonte. Zoo begreep ten minste goethe de kunst; de negentiende eeuw heeft zijne stem gehoord, maar om met hooft te spreken.

„'ï vee staat en gaapt 'er naa, maar lieeft quot;er toe geen' ooren.quot;

ZoLidt gij meenen, dat de zestiende eeuw het denkbeeld van de onafhankelijkheid der kunst in het afgetrokkeue zou hebben verstaan? Zelfs voor den geest van vondel wilde het niet levendig worden. De scherpzinnige, wereldburgerlijke hooft gevoelde er misschien iets van.

Intusschen, zoo naauw is dit begrip met het wezen der kunst verwant, dat er zich zelfs in dien tijd sporen van vertoonden; sporen, aan den toenmaligen toestand der maatschappij geëven-redigd. Ten bewijze: eensdeels predikten de rederijkkamers de gelijke regten aller menschen op het gebied der kunst, en de uederige handwerksman ontving, naar gelang zijner talenten, ecu' rang naast of boven den edelen ridder; anderdeels ondervond de ontkiemende poëzij de bescherming des aanzienlijken; eu de kamer werd eene onschendbare vrijplaats voor gevoelens,

ocr page 39

29

die liet gevaarlijk zou geweest zijn in ongebonden' stijl voor te dragen, totdat eindelijk ook deze vrijheid, een tijdlang onderdrukt, ten leste te dreigender uit den bnnd sprong, ea eisehte en roofde hetgeen vroeger welwillend was toegestaan.

Verre zij het van ons te erkennen dat door het eerstgenoemde vaak sluimerende talenten uit minderen stand tot het beproeven hunner krachten zijn opgewekt, dat de dichterkroon hun des te heerlijker scheen, door dien zij met deze aan de zijde der aanzienlijken des Lands of zich zelfs boven hen zagen geplaatst. Hoe toch zouden wij de Amsterdamsehe Kamer met haren veelbelovenden kweekeling vondel kunnen vergeten ? Doch niet iedere Kamer had, zoo als zij, mannen van smaak en geleerdheid, tucht en goede zeden onder hare leden of tot haar hoofd. Dikwijls toch drongen zich onbeschaafde lieden, die hun handwerk en hun huisgezin om onbeduidende rijmelarij, om het gezelschap van vrolijke makkers vooral, verwaarloosden, niet slechts in hun midden, bij hunne bijeenkomsten voerden zij het hoogste woord. Dus verging het zelfs den Am-sterdamschen Eylanticr, die eens onder zijne kweekers roemee en spieghel en itooft had geteld. Toen ,iax ten grotex-huis in 1611 eene poging tot zijn herstel aanwendde, weigerde Muidens Drossaard op andere voorwaarden zijne medewerking, dan wanneer „den onnutten en ongebondenen, die alleeue „ tegens de geregeltheit schoorvoeten, belast werde, op boete „van geweldt, haar der Camere te onthouden.quot; Maar zoo weinig hielpen de bemoeijingen der aanzienlijken, dat bredero in 1615 den broederen toeriep;

,,Besiet de Caerten self/ en over-lcest de Namen „Van over twintigh Jaar/ ghy suit sclirickend' u schamen „Dat ghy nn met dit schuym sont komen hier ten pronk/ ,,01' in de Schou-plaais daer eerst niet dan Gout en blonek.quot;

en zich niet ontzag de toenmalige toongevers

„Dit wraack-goeilt / dit uytschot/ (lees onwetende Buflels/quot;

te noemen. Met weerzin zagen bezadigde en ernstige lieden,

ocr page 40

30

hoe de jeugd in het midden van zulke gezellen tijd en geld en vernuft verkwistte.

,,Veel neuswijse mensclien *

zegt een rederijker uit den bo( renstand,

„sprekender te veul op /

„T)at men syn moye lijdt verquist met sulctce aperje;

.,'T was best dat men wat leerden/ daer men mee mogt bedyen/ „Dat doe ick / en diet met wat te winnen houwe , ,Veel beter de ploegh gtiedreven / als dat men liem met sulke leuren bemocijen souwe.'

Het gevolg van dat alles laat zicli denken. De betergezinden zonderden zich van den gemecnen hoop af, costers Akademie werd opgerigt, en de enkele groene loten, die den verdorden Eylantier overbleven, zagen zich op dien jeugdigen, frisschen, krachtigen stam ingeënt.

Toch verdiende de oude omgehouwen tronk eerbied. In zijne schaduw had zich eenmaal de vrijheid van denken en spreken ontwikkeld; met het geheele vaderland had hij de ruwe stormen verduurd, die zijne onafhankelijkheid en zijnen godsdienst hadden bedreigd. Het is waar, de kunst, die doel had moeten zijn en blijven, was vernederd, om het middel ter ^-verspreiding van gezuiverde begrippen te worden; doch de gevolgen zelve dier verbastering waren voor het volk heilrijk geweest. Bleken in den Spaanschen tijd vooral de aanvallen op de Geestelijkheid niet het doeltreffendste middel om het vernuft der Kameristen te scherpen? De Amsterdamsche Kamer had zich reeds in 1553 door zoodanige stoutmoedigheid onderscheiden en er met de ongenade van het alles behalve verdraagzaam Eestuur voor geboet; - onder alva's schrikbewind, die zijne ijzeren vuist met looden zwaarte op Hollands hoofdstad liet rusten, was het zuchten naauwelijks, het mompelen geenszins geoorloofd. In de overlevering echter bleef de oude vrijheid der rederijkers bestaan, en na de omwenteling van lo78 zou voorzeker het lang geperste gemoed tot weerwraak zijn over'' gezwaaid, indien toen niet mannen als spieghel , cookn'hekï en

ocr page 41

31

visscflER, de teugels der oude Kamer in handen genomen, en luide verdraagzaamheid jegens andersdenkenden hadden gepredikt. Zulks viel weinig in den smaak der geestelijken, en, gelijk vroeger de monniken de gezworen vijanden der kame-risten geweest waren, erfde de veete op de betere opvolgers van deze ovor. Ue Synode te Delft, in 1596 gehouden, hief over de buitensporigheid der rederijkers luide klagten aan, en beproefde hunne wering van de Overheid te verkrijgen. De tegenstand zettede op hare beurt de aangevallen dichters schrap. Het schimpen en steken en stekelcn raakte meer en meer in zwang, en toen in brederoo's Moortje, ucht-hart zijne makkers aanried de rederijkkamer te bezoeken, met de woorden:

,,Koint gae vvy op de Hal en sien de geesten speelen.quot;

antwoordde de waarlijk niet gemoedelijker meilgezel:

,,]k mach soo langh ooclc bij geen Reden-ryckers zijn:

„Want dit volckje wil sleets met allen men.-chen geckcn/'

,,En sy kunnen als d'Aep liaer üfstei'st niet beile(rki;n

Er steekt niets verbazends in dat de rederijkkamers, die der Hervorming, door het voordragen van hare leerstellingen, vroeger krachtdadig hadden ondersteund, ook naderhand meenden zich, verder dan het gebied der kunst reikte, op het doornige veld der godgeleerde twisten te moeten begeven. Sommige, zoo als die van Haarlem, schaarden zich aan de zijde der Contra-Ecmonstranten (1). De Amsterdamsche echter

1) Bij hare herstelling in 1613 gaf zij de vraag op:

„Of Godts ghenade, door Christi lyden, en 's Geest kracht, „Ons salieheid maer ten deel, of gheheel, heeft gcwracht?quot;

Naar welke zijde haar gevoelen overhelde, blijkt uit de voorrede der uitgegeven intwoorden , waarin de Broeders beweren: „dat al de gliene, die haer inbeelden n gheeslelieke saken een vrijen wil te hebben, met recht niet segghen moghen, laer salicheydt alleen te besiaen , in dat Goddelyek, eewig, driecenich Wesen.quot; ?ie w. kops, Schets eener Geschiedenisse der Rederijkeren, in de Werken van le Maetsehappij der Nederl. Letterkunde te Leyden, II Deel, 2S8, 289.

ocr page 42

32

vermeed, zoo wij gelooven, aanvankelijk partij te kiezen, maar verkondigde luide liare verdraagzaamheid en stijfde de partij der politieken, die allen twist in zijne geboorte weuscliten gesmoord te zien. Zelfs de jonge Brabandsche Kamer, die, sedert hare verplaatsing naar Amsterdam, de vijandin harer oudere zuster was geweest, schijnt dit gevoelen te hebben voorgestaan. Ten minste vertoonde zij bij de inkomst van Prins maürits in 1018, hoe mexenius agrippa door zijne wijsheid de geschillen der burgers had gedempt, en gaf, door het plaatsen van een vierregelig versje in haren triomfboog, den Prins dezen raad:

„menen i us agrijt 't oproerich Rome stilde,

„Beloofd' hy d'oude wet glietrou invoeren wilde;

„Alsoo nu Nassaus Helt beyvert 's Heeren werek/

„Strvdt soo hy trouwlyck plach voor 't Landt/ nu voor de Kerk.quot;

Zoo werd de dichterschool de tegenhanger van den kansel; coster , wiens vinnig vernuft de kerkdijken in het algemeen met ziedenden haat vervolgde, vondel, wiens godsdienstig gevoel hem aandreef, openlijk de zijde der verdrukte llumon-stranten te kiezen, stijfden den ijver der mindere leden tegen de heerschende Kerk. In 1G31 kwam, ter zake van het toen aanhangig geschil over den eed der schutterijen, en het vervolgen der plonderaars, een scherp vraagdicht vau de Academie in het licht; hooft, de voorzigtige hooft, noemde hel eigenaardig: „een van die krijgsgranaten, die zwanger mei „doodt en bederf, niet en baren, om ter wereld te bren-,,gen, maer om daer ujt te helpen.quot;' Doch al ware een geeste lijke kampioen onder zoodanig geschut gesneuveld, om dei wil zijner zaak zou hij niet te beklagen zijn geweest. Hij hac voorzeker met eere zijn vaandel verdedigd, en voor zijn ster ven gewis menigen vijand doodelijk gegriefd. Immers, zo( vondel de Geestelijkheid scherp had ten toon gesteld, toen hi deze in den persoon van den heerzuchtigen eukypylüS tei tooueele voerde, de predikant clopi'enuuko verstond de kuus

ocr page 43

33

den bal terug te kaatsen; hij schold vondel op zijne beurt voor Socininansclien wederdooper en noemde zijn geschrift „ meer „dan Turksche. lasteringen van den Wederdooperschen Geest, „tegen de Dryeenigheijt Godsquot; (1).

V.

W ij verbonden de namen van Dr. samuel coster en joost van den vondel , niet minder dewijl wij beiden, gedurende den afwisseleudeu loop van vondel's leven, naauw vereenigd vinden, dan omdat zoo de eene als de andere aan het hoofd der partij stond, die der heerschende Geestelijkheid öMeii duurzameu haat had gezworen; bovenal uithoofde van den invloed des eersten op den laatsten, in dien kampstrijd duidelijk zigtbaar. En toch bestond er een groot verschil tusschen deze twee wapenbroeders. Indien de vader van coster bij Heiligerlee voor de vrijheid had gestreden, vondel's voorouders hadden geleden, maar orn het geloof; en zoo Dr. coster, naar het schijnt, rijkelijk met middelen was gezegend en tot zeker aanzien geklommen, vondel worstelde nu door, dan buiten zijne schuld, met gebrek en kommer. — Als de eerste, gelijk hij door het doordrijven zijner nieuw gestichte Academie bewees , in aard en moed al het volhardende en standvastige bezat dat hem in de letterkundige wereld tot een geducht partijhoofd kon verheften, vondel miste veel van die zelfstandigheid en volgde met een meer buigzaam karakter den stoot door anderen gegeven, dikwijls mompelende en zuchtende en schoorvoetende. — Was Dr. coster een gezellig dischgenoot, wiens vrolijke luim hem in het huisselijk verkeer nooit begaf, reeds vroeg had diepe zwaarmoedigheid vondel's breed gewelfd voorhoofd, als eene donkere onweerswolk, over de vuurschietende oogen nedergeperst; — en stond aan coster het doel, dat hij

(,1) Zie de voorrede voor: poppius eueypymjs ofte korte ontdeckinghe der Uedrieghelycklieydt van de oogli-schynende Englie-Poorte edbabui poppii, Amst. Ao. 1636.

3

ocr page 44

32

vermeed, zoo ■wij gclooven, annvankelijk pnrtij te kiezen, maar verkondigde luide liare verdraagzaamlieid en stijfde de partij der politieken, die allen twist in zijne geboorte wenscliten gesmoord te zien. Zelfs de jonge Brabanclsche Kamer, die, sedert hare verplaatsing naar Amsterdam, de vijandin liarer oudere zuster -was geweest, schijnt dit gevoelen te hebben voorgestaan. ïen minste vertoonde zij bij de inkomst van Prins maürits in 1618, hoe menenius agrippa door zijne wijsheid de geschillen der burgers had gedempt, en gaf, door het plaatsen van een vierregelig versje in haren triomfboog, den Prins dezen raad:

„Menenits AGEll'i' 't oprueriuk Rome stilde,

„Beloofd' hy d' oude wet glietrou invoeren wilde;

„Alsoo nu Naasaus Helt beyvert 's Ileeren werek/

„Strydt soo hy trouwlyck plaeli voor 't Landt/ nu voor de Kerk.quot;

Zoo werd de dichterschool de tegenhanger van den kansel; coster, wiens vinnig vernuft de kerkdijken in het algemeen met ziedenden haat vervolgde, tondel, wiens godsdienstig gevoel hem aandreef, openlijk de zijde der verdrukte Remonstranten te kiezen, stijfden den ijver der mindere leden tegen de heerschende Kerk. In 1631 kwam, ter zake van het toei: aanhangig geschil over den eed der schutterijen, en het vervolgen der plonderaars, een scherp vraagdicht van de Academie in het licht; hooft, de voorzigtige hooft, noemde hei eigenaardig: „een van die krijgsgranaten, die zwanger mei „doodt en bederf, niet en baren, om ter wereld te bren-gen, maer om daer ujt te helpen.quot;' Doch al ware een geeste lijke kampioen onder zoodanig geschut gesneuveld, om dei wil zijner znak zou hij niet te beklagen zijn geweest. Hij hai voorzeker met eere zijn vaandel verdedigd, en vóór zijn ster ven gewis menigen vijand doodelijk gegriefd. Immers, zoi vondel de Geestelijkheid scherp had ten toon gesteld, toen hi deze in den persoon van den heerzuchtigen eurypylus tei tooneele voerde, de predikant cloppenburg verstond de kuns

ocr page 45

33

den bal terug te kaatsen; hij schold vondel op zijne beurt voor Sociniaanschen wederdooper en noemde zijn geschrift „ meer „dan Turksche. lasteringen van den Wederdooperschen Geest, „tegen de Dryeenigheijt Godsquot; (1).

V.

Wij verbonden de namen van Dr. sajiüel costkr en joost van den vondel , niet minder dewijl wij beiden, gedurende den afwisselenden loop van vondel's leven, naauw vereenigd vinden, dan omdat zoo de eene als de andere aan het hoofd der partij stond, die der beerschende Geestelijkheid CEnch duurzamen haat had gezworen; bovenal uithoofde van den invloed des eersten op den laatsten, in dien kampstrijd duidelijk zigtbaar. En toch bestond er een groot verschil tusschen deze twee wapenbroeders. Indien de vader van coster bij Heiligerlee voor de vrijheid bad gestreden, vondel's voorouders hadden geleden, maar om het geloof; en zoo Dr. coster, naar het schijnt, rijkelijk met middelen was gezegend en tot zeker aanzien geklommen, vondel worstelde nu door, dan buiten zijne schuld, met gebrek en kommer. — Als de eerste, gelijk hij door het doordrijven zijner nieuw gestichte Academie bewees , in aard en moed al het volhardende en standvastige be-zat dat hem in de letterkundige wereld tot een geducht partijhoofd kon verheffen, vondel miste veel van die zelfstandigheid en volgde met een meer buigzaam karakter den stoot door anderen gegeven, dikwijls mompelende en zuchtende en schoorvoetende. — Was Dr. coster een gezellig dischgenoot, wiens vrolijke luim hem in het huisselijk verkeer nooit begaf, reeds vroeg had diepe zwaarmoedigheid vondel's breed gewelfd voorhoofd, als eene donkere onweerswolk, over de vuurschietende oogen nedergeperst; — en stond aan coster het doel, dat hij

(1) Zie de voorrede voor: poppius eueypyixs ofte korte ontdeckinglie der Uedrieghelyekheydt van de oogh-sehynende Englie-Poorte eduakui poppii, Amst. Ao. 1626.

3

ocr page 46

34

in den strijd met het kerkelijk gezag beoogde, helder voor den geest, en nam hij met de verwachting der overwinning den kamp op zich, iu vondel was iets van die onheilspellende prikkelbaarheid, welke haar slagtoffer nimmer rust vergunt, die het telkens prijs geeft aan het gevaar zijne ontevredenheid met de omstandigheden bitter te boeten, en toch door het echte kenmerk

d '

■ van den martelaar, het edele, zwijgende lijden, niet adelt. Zoo was het ook hier bestemd, dat de meerdere den mindere zou dienen. quot;Want meer, oneindig meer dan coster was vondel als dichter, meer, oneindig meer als opregt godsdienstig mensch. Het is waar, hij verzaakte het geloof, hetwelk zijne pen eens met kracht verdedigd, zijn hart, zoo wij gelooven, met warme overtuiging had omhelsd. Doch wanneer de volkstraditie in vondel's overgang tot de Roomsche Kerk slechts eene daad van eigenbelang zoekt, dan vergete onbevangener regter zoo vele andere omstandigheden niet, welke ons nopen het oordeel aan Hem over te laten, die aller harten kent. Was zijne moeder zelve niet in de Catholijke Kerk gedoopt ? — hadden zijne oogen zich niet voor het daglicht ontsloten, te midden der heilige praal van het Bisschoppelijk Keulen? — maakten de twisten, die zoowel de Doopsgezinde als de Gereformeerde Gemeenten verscheurden, geen pijnlijken indruk op zijn vroom gemoed? Ontwikkelde de poëzij, waarin hij zich bij voorkeur verdiepte, en die hem gedurig de glorie van Jcruxalem met haren tempel en hare wierookvaten en haren heiligen rei van priesteren voor de verbeelding riep, niet van zelve zijnen zin voor den uitwendigen luister van de Roomsche eeredienst? Men overwege, hoe zijne neiging tot de Moederkerk reeds in zijn treurspel dc Maagden dóórschemerde: hoe hij, na zijnen overgang, zijn genomen besluit niet verbloemde, maar zich des noods als een martelanr voor zijne zaak bloot gaf (1). Men vergete eindelijk de voor-

(1) Hoofts Brieven, 208; „vondel heeft een veirs gemaakt op 't wonder, „waar af de Heilige Stee haaren naam draaglit; en laat het openhaarlvk voor de „hoekwinkels ten toon hangen, gelyk de voorvechters de messen in de luifen

ocr page 47

35

beelden niet van zoo vele beroemde mannen, wier geprangde en geplaagde gemoederen (en dat was yondel's meer dan dat van iemand!) in den schoot der Moederkerk als liet ware eeue ruste des grafs zocliten.

Wanneer ik van yondel's godsdienstiglieid spreke, dan geef ik daarmede te kennen, dat in al zijne scliriften, zijne bekeldich-ten zoowel als zijne treurspelen, innige eerbied voor bet Opperwezen , vurige aankleving van bet Evangelie, diep gevoel voor de verbevenbeid van de leer en de voorschriften dier blijde bood-scbap doorstraalt. De gelegenheid zal zicb aanbieden, dit dooide beschouwing van zijn Decretwn Horribile en zijnen Pakuncdes te staven; thans zij het genoeg, op zijn treurspel de Gebroeders te wijzen. Ware deze stof in handen van coster gevallen, ab-jathajb en zijn rei waren voorzeker als listige, heerscliznchtige priesters afgebeeld, die den zwakken david ten speelbal verlangden, om eigen bloeddorst aan hunne vijanden te koelen. Geheel anders vondel; in de uitroeijing van saül's geslacht ziet bij een blijk der Goddelijke regtvaarcligheid, in david's gehoorzaamheid eene grootheid van karakter, slechts door abraham in het otfer zijns zoons geëvenaard. Hot zedelijk men-schelijk gevoel van den dichter strijdt onophoudelijk met betgeen hij als Gods woord eerbiedigt, doch even als de david, dien bij voorstelt, offert hij het eerste aan het laatste met pijnlijke aandoeningen op.

Het zou ons niet moeijelijk vallen, uit de Godsdienstige gezindheid, waaraan vondel door geboorte en overtuiging verknocht was, ook den oorsprong zijner staatkundige meeniug af-te leiden. De Doopsgezinden toch, een verleden getrouw, waarin zij ons vaderland door de verspreiding van het begrip van kerkelijke en burgerlijke vrijheid eeue nooit genoeg gewaardeerde dienst bewezen, sloten zich ook in den wedstrijd

,,steekeD, om de oogen van de verbygangers te tergen, als met zeggen, wie „'t hart heeft, pluike. My deert des mans, die geenes dings eerder moede „schijnt te worden, dan der ruste.quot; enz.

ocr page 48

36

tusschen oldenbaeneveld en matjkits geheel der Provinciale Staten aan, eu bleken de ijverige raadslieden tot onderlinge verdraagzaamheid en vrede, zelfs met den buitenlandschen vijand (1). Zij, die voxdel's overtuiging in het eerste tijdvak van zijn leven verdenken, mogen toezien, hoe zij de eenstemmigheid verklaren, welke zijne politieke en godsdienstige ge-gevoelens aan die zijner geloofsgenooten verbond. Werkdadigen invloed kan ook het verkeer hebben gehad, dat vondel van jones af genoot. Zeker behoorde hij reeds vroeg tot dien kring, welke in den Oud-Burgemeester hooft het echte model van Hollandsche deugd waardeerde; en innige dankbaarheid, hetzij voor bescherming of voor ondersteuning hechtte hem aan het geslacht des eerwaardigen grijsaards, en aan anderen, die de staatkundige beginselen van dezen omhelsden of voortplantten, als de van betjxixgexs, de yloosavyckex , de buegs de geaefs, de bickers.

Maar bijna schaam ik mij, aan den invloed van anderen te wijten, hetgeen het allereerst aan des dichters eigen' geest en aanleg behoorde toegeschreven te worden. Of mogt hij, waar het de belangen des vaderlands gold, zich niet vermeten zijne stem op te heffen, noch zijne meening uit te brengen, omdat het ongeluk der omstandigheden hem elders het licht had doen zien ? Tan vaders en moeders zijde uit Nederlandsch bloed gesproten, was hij wel geen getuige geweest van al het lijden waardoor onze bodem werd geteisterd, maar had hij er niet minder de wrange vruchten dier ellende om geplukt. Het land, waarin hij geboren werd, was voor zijne ouders slechts een land van vreemdelingschap, dat hen reikhalzend deed uitzien, naar den dag, waarop de vader-

(1) „Doen bleef de vyaiu slaen, verstelt en seer verslaglien,

„En daclit het is nu tyt van Treves te gewaghen,

„En crycht liier een Papist, en daer een Remonstrant,

„Een lossen Lybertyn of Menist aen de hant.quot;

Zie de: Vruchten van *1 monster van den Treves toeghevoeght aen de Ed. lieer en en Vaders van Gods Jcercke ende aen allen Patriotten van ons lieve Vaderlandt en Oost- en West-Indische Compagnie, GedrucH 1G30.

ocr page 49

37

landsche zon ken weder bestralen, de geliefde grond heu weder ouder zijne kinderen opnemen zou. Misscliieu had hij reeds als zuigeling den naam van Holland gestameld; misschien op hunne knieën meêgeweend, wanneer verrukking over den zegen, die aanvankelijk op dat erf rustte, tranen van dankbaarheid in hunne oogen opwelleu deed! Derwaarts was hij in het prilste zijner jaren als naar het beloofde land heengevoerd; - zou hij dichter zijn geweest, zoo het genot, dag aan dag te mogen gaslaan hoi het gemeenebest zich ontwikkelde, bij den jonkman niet den wensch had doen ontwaken als de jeugd om hem heen, als de hoop des vaderlands op te wassen voor alles wat goed was en groot ? - zoo hij in vollen bloei niet van verlangen had geblaakt, zijn eigen roem aan den rijzenden luister zijns volks voor eeuwig te verbinden?

Het schip, dat Hollands Palladium, de vrijheid, binnen zijne houten wanden verdedigde, was, na het doorstaan van schier onlijdelijke stormen, door de bescherming des Almagti-geu, door de zorg van getrouwe stuurlieden, voor het oogen-blik in eene veilige haven, op eene kalme reede terugge-bragt. Met de ijverigste inspanning van krachten togen de wakkere schepelingen aan het werk, om het ontredderde wrak weer op te tuigen. De her- en derwaarts verstrooide schipbreukelingen , of zij, die bij het vroeger dreigen van den nood

,,Aaii 't naeste land liun ieven ia de bootquot;

geborgen hadden, keerden tot hunne oude leed- en lotgenoo-ten weer. Een frissche wind van voorspoed deed de zeilen zwellen; de wimpel der onafhankelijkheid wapperde door de lucht; - helaas! geene schoone verwachting wordt in haren vollen omvang vervuld. De twist tusschen de stuurlieden bragt andermaal het schip in gevaar; de pas verjaagde onweerswolken verduisterden op nieuw de kimmen; wantrouwen, haat en wraakzucht verdeelden de schepelingen. Dat was, om met vondel te spreken, wiens beelden wij tot dus verre bezigden

„Het onweer, dat het roer vermande,

„Toen quot;t groote schip van Holland strande.

ocr page 50

88

Doch wie onder de togtgenooten rustig en kalm den dreigenden nood moge afgewacht liebben, voxdel voorzeker kon dit niet. Zijn door zwaarmoedigheid en ongenoegen overprikkeld gestel, zijn voor den invloed van anderen slechts te vatbare geest, zijne luim, zijne warme vaderlandsliefde bovenal, alles zette hem aan, om, des noods met gevaar van goed en bloed, zijne stem te doen hooren; zelf beschreef hij dezen toestand krachtiger, dan wij zulks verinogen ;

waerheyd (dat's al oud) vind nergens heyl nocht heul;

,,Dies roemt men liem voor wijs, die vinger op den mond leyt, „O, kon ick oock die konst: maar wat op 's harten grond leydt, „Dat welt me na de keel: ick word te stijf geparst,

„En 't werekt als nieuwe wijn, die tot de sponjj uytbarst.quot;

Wat nog bij dit alles ontbrak, om tondel tot hekeldichter te vormen, dat vulde zijne dichterlijke eerzucht aan. Die werd door de vervolging, welke zijne stoutheid ondervond, geprikkeld, daar zij hem bewees, hoe zeer zijne pijlen hun doel hadden getroffen; - die werd gevoed en gevleid door de aanzienlijken zijner partij, welke in den dichter het scherpste wapentuig zagen, om hunne vijanden te grieven (1); - die werd aangehitst door het genot der wonden, welke zijn vinnig vernuft den slagtoö'crs had toegebrngt. Gescholden en gehaat, en voor kerkerstraf de stad ontvlugtend, keer op keer door aanhoudende geldboeten geperst ; - door zijne bloedverwanten gewaarschuwd, van tijd tot tijd door meer gematigde mannen, zoo als hooft (3), verlaten, scherpte

(1) Indien het verhaal genoeg gewaarborgd is, strekt het weinig tot eer van de gematigdheid van den anderzins voortreflelijken albkrt koenraadsz. buiig, dat hij vondel tot het schrijven van een treurspel, den dood van oldenbak-neveld ten onderwerp hebbende, aangemaand en daardoor de eerste aanleiding tot het schrijven van den Palamedes gegeven heeft.

(2) Ongunstig oordeelde insgelijks over de hevigheid des dichters dezelfde Heer van schagen, welken hij in zijn' Harpoen hoogelijk wegens het bedwingen van de stoutmoedigheid eens ijverigen Predikants had geprezen. Hooft schrijft daaromtrent Brief 50: vIk vind my bedroogen in de meeninge, dat de Heer „van schagen den schrijver van den Harpoen grooten dank zoude weeten, ende

ocr page 51

39

dit nlles slechts de viunigheid des dichters, die het zich bitter beklaagde zijne hevigste hekeldichten ten vure te hebben gedoemd, in een oogenblik, toen hij zich voor de nasporingen der Overheid in het huis zijner zuster moest schuil houden.

Men heeft iu vondel1 s treurspelen, vooral in zijne gesprekken, niet ten onregte eeue zekere zonderlinge scherpte van uitdrukking berispt, die de achtbaarheid der tragedie kwetst en vaak tot eenen boertigen wedstrijd van schampere geestigheid' afdaalt. Bij uoopt vindt men dit gebrek zelden, bij coster treft men slechts lange vervelende redeneringen aan: bij jax vos vertoont zich het hier boven gegispte verschijnsel als het gevolg van den driesten wansmaak diens stouten dichters. Maar de geestigheden van vondel hebben iets, dat gij wel aardig vindt, dat in weerwil van n zeiven uwe lippen krult, dat gij hoogelijk prijzen zoudt indien het in een Saterspel, niet in een Treurspel voorkwam. Of is het niet aardig, zoo als Joseph's broeders den hun om genade smeekenden knaap antwoorden:

„Rijs op, het is geeii wijs, dat Koninglijcko zielen,

„Zieh buigende in liet stof, voor onderdanen knielen.quot;

Zijn simeon en levi niet meermalen geestig, wanneer zij den door zijn geweten gefolterden jüda zoeken gerust te stellen; wanneer zij tegen den stoutmoedigen ruben uitvaren? Maar wie kent die gesprekken uit Joseph in Dothan, wie kent den twist van chaji en noach niet, al ware het ook bij wijze van spel en jokkernij?

Liever erkennen wij in dit gebrek de oorspronkelijke levendigheid van luim, de bijtende levendigheid van het vernuft van vondel. Althans, schoon wij geenszins willen beweren,

„verstaa, dat zijne Ed. met ernst verklaart, zy zoude hem, wist zy wie hy „waare, doen gevoelen dat haar leedt is, voor alle werelt uitgekreeten te wor-„den, als een persoon, die zijnen lust naame in 't draagen van roem, op zulk „een verrichtinge, tegens zijnen Prediker. Waaraen UE. bevindt, dat de voor-„zienigen ende wereldwijzen den naam schuwen, van der partijdigheit meer toe ,,te geven, als den noodt.quot;

ocr page 52

38

Doch wie onder de togtgenooten rustig en kalm den dreigenden nood moge afgewacht hebben, vondel voorzeker kon dit niet. Zijn door zwaarmoedigheid en ongenoegen overprikkeld gestel, zijn voor den invloed van anderen slechts te vat-bnre geest, zijne luim, zijne warme vaderlandsliefde bovenal, alles zette hem aan, om, des noods met gevaar van goed en bloed, zijne stem te doen hooren; zelf beschreef hij dezen toestand krachtiger, dan wij zulks vermogen ;

— waerheyd (dat's al oud) vind nergens heyl nocht heul;

,,Dies roemt men hem voor wijs, die vinger op den mond leyt, jjO , kon iek oock die konst: maar wat op 's harten grond leydt, „Dat weltme na de keel; iek word te stijf geparst,

„En 't werckt als nieuwe wijn, die tot de spon^ uytbarst.quot;

Wat nog bij dit alles ontbrak, om vondel tot hekeldichter te vormen, dat vulde zijne dichterlijke eerzucht aan. Die werd door de vervolging, welke zijne stoutheid ondervond, geprikkeld, daar zij hem bewees, hoe zeer zijne pijlen hun doel hadden getroffen; - die werd gevoed en gevleid door de aanzienlijken zijner partij, welke in den dichtcr het scherpste wapentuig zagen, om hunne vijanden te grieven (1); - die werd aangehitst door het genot der wonden, welke zijn vinnig vernuft den slagtoflers had toegebr-ïgt. Gescholden en gehaat, en voor kerkerstraf de stad ontvlugtend, keer op keer door aanhoudende geldboeten geperst ; - door zijne bloedverwanten gewaarschuwd, van tijd tot tijd door meer gematigde mannen, zoo als hooft (2), verlaten, scherpte

(1) Indien het verlianl genoeg gewaarborgd is, strekt het weinig tot eer van de gematigdheid van den anderzins voortreffelijken aleert koenraadsz. bubg , dat hij vondel tot het schrijven vau een treurspel, den dood van ot.denbar-neveljj ten onderwerp hebbende, aangemaand en daardoor de eerste aanleiding tot het schrijven van den Palamedes gegeven heeft.

(2) Ongunstig oordeelde insgelijks over de hevigheid des dichters dezelfde Heer va* schagen, welken hij in zijn' Harpoen hoogelijk wegens het bedwingen van de stoutmoedigheid eens ijverigen Predikants had geprezen. Hooft schrijft daaromtrent Urief 50: ,,Ik vind my bedroogen in de meeninge, dat de Heer „van schagen den schrijver van den Harpoen grooten dank zoude weeten, ende

ocr page 53

39

dit alles slechts de vianiglieid des dichters, die het zich bitter beklaagde zijne hevigste hekeldichten ten vure te hebben gedoemd, in een oogenblik, toen hij zich voor de nasporingen der Overheid in hot huis zijner zuster moest schuil houden.

Men heeft in vondel1 s treurspelen, vooral in zijne gesprekken, niet ten onregte eene zekere zonderlinge scherpte van uitdrukking berispt, die de achtbaarheid der tragedie kwetst en vaak tot eenen boertigen wedstrijd van schampere geestigheid' afdaalt. Bij hooft vindt men dit gebrek zelden, bij coster treft men slechts lange vervelende redeneringen nan: bij jan vos vertoont zich het hier boven gegispte verschijnsel als het gevolg van den driesten wansmaak diens stouten dichters. Maar de geestigheden van vondel hebben iets, dat gij wel aardig vindt, dat in weerwil van u zeiven uwe lippen krult, dat gij hoogelijk prijzen zoudt indien het in eeu Saterspel, niet in een Treurspel voorkwam. Of is het niet aardig, zoo als Joseph's broeders den hun om genade smeekenden knaap antwoorden:

„Rijs op, het is geen wijs, dat Koninglijeko zielen,

„Ziek buigende in het stof, voor onderdanen knielen.quot;

Zijn simeon en levi niet meermalen geestig, wanneer zij den door zijn geweten gefolterden juda zoeken gerust te stellen; wanneer zij tegen den stoutmoedigen ruben uitvaren? Maar wie kent die gesprekken uit Joseph in DotJian, wie kent den twist van cham en noach niet, al ware het ook bij wijze van spel en jokkernij?

Liever erkennen wij in dit gebrek de oorspronkelijke levendigheid van luim, de bijtende levendigheid van het vernuft van vondel. Althans, schoon wij geenszins willen beweren.

„verstaa, dat zijne Ed. met ernst verklaart, zy zonde hem, wist zy wie hy „waare, doen gevoelen dat haar leedt is, voor alle werelt nitgekreeten te wor-„den, als een persoon, die zijnen lust naamc in 'tdraagen van roem, op zulk „een verriclitinge, tegens zijnen Prediker. Waaraen UE. bevindt, dat de voor-„zienigen ende wereldwijzen den naam schuwen, van der partijdigheit meer toe „te geven, als den noodt.quot;

ocr page 54

10

dat onze eerste dichter altoos de wetten van goeden smaak en kieschheid hebbe geëerbiedigd, aarzelen wij daar, waar vondel's geest tot het platte en walgelijke afdaalt, zulks toe te schrijven aan gebrek van zin voor hetgeen wezenlijk edel, rein en welluidend is. Hij heeft hierin veeleer, onzes inziens, bf de bedorvenheid zijns tijds gehuldigd, of de reeds op zich zelve scherp gepunte pijlen moedwillig in zwaveldamp en vuilnisstank gestoken, om de wonden, welke hij toebragt, bovendien nog walgelijk te maken. Want, waar hij kiesch moest zijn, wist vondel zoo zeer als iemand reinheid van woorden en gedachten te paren. Gij herinnert u zijne beschrijving van eva. Onverklaarbaar, waarom misschien niet, maar onverdiend zeker blijft nog uit onze bloemlezingen het schoone gesprek van adoxias en abisag geweerd. Zie, hoe de blozende maagd met schuchtere schaamte te voorschijn treedt als het morgenrood, waarmede zij vergeleken \Vordt; — sla gade met hoeveel Oos-terschen eerbied zij de vurige betuigingen van den Koninklijken Prins verneemt; — hoor met hoeveel talent deze op zijne beurt de ongeschiktheid eener huwelijksvereeniging, op het oogenblik dat alles nog om zijnen vader rouw draagt, bemantelt: — maar vooral bewonder die mengeling van jeugdigen hartstogt des vorstenzoons, en godsdienstige reinheid der maagd, welke den gekroonden Profeet in hare armen had gekoesterd! Zoo eenig tooneel, dit moet den hnrdnekkigsten tegenstander overtuigen, hoe zeer vondel het betamelijke niet alleen kende, maar ook, des vereischt, te eerbiedigen wist.

VI.

Wij zijn van voornemen, bij de verdere beschouwing van vondel's hekel- en schimpdichten, minder de tijdsorde in acht te nemen, dan den gang te volgen, welke wij vroeger beweerden, dat door de natuur voorgeschreven werd; slechts wanneer des did iters staatkundige overtuiging met de omstandigheden had afgewisseld, zou de eerste weg de ware zijn. We laten

ocr page 55

41

daarom de weiuige gedichtcn, die uit een hooger poëtisch standpunt gispingen van den geest der eeuw mogen hoeten en iu welke de begrippen van den dag weerstand vonden, voor het oogenblik rusten; om te beginnen met dezulke, die de vrucht waren eener verontwaardiging door een enkel feit opgewekt, tegen bijzomlere personen gerigi, en bestemd op de menigte te werken; met dezulke inzonderheid, die den toen niet ongewonen vorm hadden van straatlied! Indien wij ons, deze studie dus voorzettende, aan de ontleding wagen van den zoogenoemden L'oinmel-pot van 't liane-kot, volgen wij onze innige overtuiging, dat dit vers meer dan eenig ander voortbrengsel des dichters in deze soort door fijne luim uitmunt, en het best van alle in staat is aan te toonen, hoe zeer voxdel met hart en ziel in het lot der hem zoo lief geworden stad aan den Amstel, in de woelingen van hare burgerij heeft gedeeld.

De Paaschmaandag van het jaar 1626 had iu jhnsterdam een bloedig tooneel van burgertwist opgeleverd; zie hier wat daartoe aanleiding gaf. Sedert het overlijden van Prins maueits was inzonderheid daar ter stede eene meerdere overhelling tot gemagtigdheid zigtbaar geworden, en oogluikend had de Kegeering de Godsdienstige Vergaderingen der Remonstranten geduld. Het leed echter niet lang of dit wekte den wederstand der Predikanten; doucher en le maiee, onder anderen, ijverden tegen eene verdraagzaamheid, die hun toescheen uit den Booze te zijn; boven allen spande smout in hevigheid de kroon. ,, Indien de Heerenriep hij, „hun devoir niet beter en doen in 't uitroeijen der ketteryen tot „ verbreydinglie van Godts en Christi Lof, soo sullen de kinderen , „jae de steenen van de straet, den Heere daer in dienen.quot; Zonderlinge voorspellingsgave! want op den bovengemelden dag zagen zich de Remonstranten op hunne vergaderplaats bij de Montal-baanstoren eerst door het baldadig gekrijsch der straatjeugd en vervolgens door het graauw, dat met steenen wierp, aangevallen. De gemeente werd verstrooid, het huis geplunderd, en eindelijk zelfs, opdat er geen spoor der ontheiliging zou overblijven, met afbraak bedreigd. Toen verscheen de Majoor Hasselaar,

ocr page 56

42

een jeugdig, krachtig mau, wieus karakter het scherpe uiet verloren had, waardoor zich zijn geslacht onderscheidde, en die met geheeler harte het gezag der Regeeriug was toegedaan, op de plaats, waar het geweld werd gepleegd. Te vergeefs tracht hij het grauw te overreden, de plundering te staken: hij krijgt slechts scheldwoorden, en het verwijt, dat zijne zuster mede in de Arminiaansche Vergadering geweest en zijn kind daar gedoopt was, ten antwoord. Door zoodanigen tegenstand, door de hernieuwde dreigingen des gemeens verbitterd , geeft hij last op de menigte twee schoten te lossen, en, doodelijk getroffen, stort één der oproermakers ter neder. Dit deed de menigte uiteen stuiven en de soldaten werden meester van het geplunderde huis; maar met bet vallen der duisternis scholen de ruwe gasten op nieuw zafim; bet gestorte bloed bad hen i te heftiger verbitterd, en uitgestrooide berigten omtrent plakkaten van den Prins tegen de Arminiaansche vergaderplaatsen zetteden andermaal bunnen moed schrap, om het gezag der Regering te tarten. Toen viel er een derde schot op goed geluk in den duister. En zoodra het bleek dat ook dit getrot-fen bad, holde het graauw in dolle vaart met het lijk door de stad, sleepte het eerst voor de deur van den Burgemeester van neck, en vervolgens voor die van den Burgemeester ylamingii van oüdtshooen, ten eiude het als een bloedig verwijt in hunne buizen te werpen.

Eerst des anderendaags met het vallen van den avond werd de rust geheel hersteld: drie der belhamels, en onder deze zekere swakt , Kapitein iu dienst der West-Indische Compagnie, waren in hechtenis geraakt, en men verwachtte, dat het strengste vonnis over beu zou worden geslagen. Maar hoogst verschillend waren de oordeelvellingen der burgerij over het gebeurde. Hasselaar ontging de berisping van voorzigtige vreesachtige burgers niet, welke zich herinnerden, hoe grievend eene dergelijke bloedstorting te Rotterdam, waarvan een Remonstrantsgezinde bet slagtoffer was geworden, de breuk van den burgertwist had verwijd. Hevige Contra-Remonstranten, zoo als jan

ocr page 57

43

■willemse boogaert en simon verdoes, hadden hem openlijk als moordenaar uitgekreten; bij anderen ontving hij den naam van den onbesuisden Jonkman. Vooral was de mecning over de gesneuvelden verscheiden. Stellig beweerde men, dat het laatst gevallen slagtoffer aan de plundering onschuldig en slechts een bloote toekijker geweest was (1). Volgens hen, zou de gevangen swart, toevallig voorbijkomende en het lijk van den ongelukkige ziende; door toorn en medelijden bewogen, een' aanval op het huis, waaruit het schot gevallen was, gedaan, en de soldaten, zonder iemand te kwetsen, verdreven hebben; een ander, als medepligtige gevat, een matroos, zou zelfs den persoon van Hasselaar bij zijnen at'togt hebben beschermd (2). De Amsterdamsche Geestelijken inzonderheid trokken zich de zaak der menigte aan. Smout en cloppenburg vervoegden zich bij Burgemeesters, om voor den gevangen' swart te spreken. De woorden van den eersten omtrent de plunderaars haalden wij vroeger reeds aan. Lio matre gal' op den kansel den Eemonstranten openlijk de schuld van het gebeurde; trigland, voorzigtiger dan de overigen, bad; „Dat die moch-„ten gheweert worden, die oorsaeck waren van de Tumult, „onlanghs in deze stadt voorghevallen.quot; Slechts één der Predikanten, dezelfde welligt, die uit zijn huis de beroerte aanschouwd, en omtrent het geduld en de beradenheid van Hasselaar onder zooveel tergingen en gevaar een loffelijke getui-

(1) Anders de Remonstrantsgezindeu. Amsl er da m sr.he Beroer ie, p. 7. De schrijver noemt hem een „weleke ooe een fameus Dief was, gelyck men bewy-„sen kan, en die ooe alhier tot Am sier dam tweemael in de boeyen heeft ghe-„seten, en dat niet om syn deuehden.quot;

(2) Zie de Remonstrantie van de Gedeputeerden der S/noden vanZuyt- ende NoortHollant t nopende de groote stouticheyt der Arminianen. Van den matroos heet het: „De matroos hadde den voorsz. onbesuysden Jongman, die, om ,,bet Arminiaensche huys te beschermen, met bloote sweerden onder het volc „sloegh , onder syn geweer gecomen synde, met een blooten opsteker in de handt, „ghevraeght, of hy een Arminiaen of een Princegeus was: ende als hij ver-„claerde een Princegens te wesen. ongemolesteert laten heenen gaen, segghen-„de: Dat baet u uwe leven.quot;

ocr page 58

44

nis had afgelegd, oudersclieidde zicli hieriu van zijne ambtsbroeders. Hoe liet zij, de leeranrquot;coexelis hOcekop, die eerst sedert de verovering van Breda door spi.vola herwaarts gekomen was, en zijn ambt derhalve nog geen vol jaar kon be kleed hebben, berispte overluid het gedrag der oproermakers, en vermaande het volk met kracht van redenen tot onderwerping aan de wettelijke Overheid. Zijne taal ontrustte den Kerkeraad, die ééns vooral besloten had het weren der Eemonstrantsche vergaderingen en het handhaven der plakkaten door te drijven. Men verweet den ontrouwen medebroeder, ook in gcwigtige punten der leer kettersehe gevoelens voor te staan, en naauwelijks een jaar na zijne intrede werd hanekop, in weerwil der bescherming, die hij van Burgemees-teren genoot, door den Kerkeraad van het predikambt ontzet. ■ Ziedaar de aanleiding tot yoxdel's schimpdicht. Plaatselijk Amsterdamsch was het eene gebeurtenis, tot welker verklaring ons vroeger uitvoerig woord over den toenmaligen toestand der stad den sleutel geeft; - een feit, dat, door de geringere menigte begonnen, zijne gevolgen tot nlle standen had uitgestrekt, en in een' wedstrijd tusschen Overheid en Geestelijken was geëindigd; een voorval, 't welk zonder den Staat of der Kerk vreesselijke moeijelijkheden te berokkenen, echter de burgers der hoofdstad te meer ter harte ging, naarmate zuiverheid van leer en kerkelijke regten hunne hoofden steeds het warmst plag-ten te maken. Vondel, natuurlijk der zake van hanekop toegedaan, wapent zicli bij deze gelegenheid noch met yeesel, noch met harpoen, mnar hij grijpt den liouiinelpot, het oude wanstaltige muzijkinstrument, dat op zijn geklikklak de straatjongens aan het schreeuwen hielp, en de bewoners der achterwijken bij hoopen de voetstappen des spelers en zangers volgen deed. Eene onedelmoedige, maar ongezochte scherts hechtte zich aan den geslachtsnaam van het bespotte voorwerp (1),

(1) Als voorbeeld eener diergelijke spotternij op namen diene de Remon-btrantsclie voorspelling;

„Als deu Pauw laten sal te stygen sijnen staart/

ocr page 59

45

en wie kon zicli, met den naam llanclop in het hoofd, wcêr-liouden, bij den strijd der Leeranrs ann een hanengevecht te denken? te minder daar teigland, in de oogen zijner vijanden de achitophel der Geestelijkheid, reeds den naam van het Kal-koenschc Haantje droeg, daar het alarmgeschreeuw van den kansel reeds lang bij kraaijen vergeleken, en het bij het gemeen een spreekwoord was:

„Wie hoord' oyt haen op ccn preekstoel soo reêlyck snackén!quot;

daar eindelijk de Contra-Remonstranten zelve tot het gansche spotdicht door een ander aanleiding gegeven hadden, waarin zij hunne tegenstanders voor Arme Hanen (1) uitscholden.

Maar hetgeen vondel oorspronkelijk toebehoort, is de fraaije eu geestige wijze, waarop het gekozen beeld door hem werd uitgewerkt; terwijl hij hel hanenkarakter, waar het feit hem vergunt de fabel vol te houden, nergens verloochent, schemert overal het onderscheid, dat er in de denkwijze der Predikanten viel op te merken, duidelijk door. De Rommelpotspeler, voor zoo ver hij niet zelf den heeschen belagchelijken zang aanhief, zoo als de bekende schilderij van fkaxs hals hem ons vertoont, werd door een' knaap vergezeld, wiens hijgende adem en afgrijsselijke grimlach te duidelijk bewezen, dat louter de vrees voor de

,,Wanneer de kreuple Muys sal kruypen onder d'aard' /

„Wanneer partydigheyt niet meer sal wesen Vooyht j „Wanneer dat Aertsens raet niet meer sal zijn gedooght/

„Wanneer bloet-dorstigheit gedwongen wordt te Duyckenl „Wanneer men het Cromholt niet meer en sal gebruyoken/ „Als Mandemdker met sijn tuyg zal moeten voort/quot; enz.

(1) Zie hier een uittreksel uit het Liedeken van de Arme Hanen:

„Men hoort desen armen haen/ Sijn veeren saen „Al te met te korten sane/ En te scheren sijnen kam „Hoort eens an/ 'T sou met hem dan anders gane.

„quot;Dat men dees Hanen ter keur/ Ooek soo deur,

„Den beughel lustieh dede springhen/

„Hy sonde sijn kraijen saen/ Wel laten staen „En hy sou wel anders singhen.quot;

ocr page 60

46

tirannij van zijn' sterken meester en misschien meer nog slcclits die voor gebrek hem dwingen kon, stem en gelnat aan de geestigheid des gepeupels prijs te geven. Vondel bestemt ter vervulling dier pijnlijke rol denzelfden boekverkooper, die aan de Nieuwe Kerk, als het ware onder de beseherming van het daar vergaderend Consistorie, woonde, — op wiens luifel fZe Gereformeerde Catechismus prijkte, — en die de eer genoot, de Werken der Amsterdamsche Predikanten, inzonderheid de herhaalde vermaningen van trigland, in het licht te zenden. Marten janszoon brandt, dus was zijn naam, moest den dichter helpen zingen; en hoe zuur deze zich daarbij het gelaat zijns makkers voorstelde, mogen de regelen bewijzen:

„Martetroer my dit liolp singen,

,,.Var/eu Heeroms veynster-Aep,

„Die staech ruyekt aan 'thaentje iiaej).

,,En op Farheers trom kan springen;

„llJarten die liet al gelooft,

„En de spijeker raekt op 't hooft.quot;

Onverbiddelijk sleepte vondel er zijn zanger niet minder om mede, ons de geheele geschiedenis van iianekop van den beginne af kond te doen. Hoe geestig is de eerste ontvangst en het beroep van iianekop door zijne ambtsbroeders:

„Alle Hanen die ontvingen „Broeder Koppen in liet veen „Broederlijck; en soo het scheen,

,,Warent wongder soete dingen,

„Maer het senrde haest in 't vat,

„Duren is een moye stadt.quot;

„'t Was laet Koppen mit ongs waeeken,

,,Eu te Loom gaen binnen 'tlieek,

„Als een speulnoot sounder vleck,

„Koppen slaogen kent en draeeken,

„En hy krayde vroech en spa „Op de tooren van Breda.quot;

Maar koppen, de aanvankelijk gevierde, overtrof zijne mededingers, koppen:

ocr page 61

47

,,— — — — trouwe wachter,

„Krayde, eer de Sonne blo nek,

„Dat het deur de Voenen klonek:

„Alle krayers lagen achter,

„Elck die scheen in 't krayen schor;

„Doen begonner een geknor.quot;

Wij gaan verder; - zie zelf, bid ik u, in het onsterfelijk liedje: hoe juist zijn smout, de dikke haan, en trigtaxd, het kalkoensche haantje, zoowel in hun karakter als in die fijne trekken, welke hunne predikwijze onderscheidden, afgebeeld. Gij herinnert u, hoe de eerste eens den Koning van Frankrijk, van het hanenland bij uitnemendheid, op den kansel mishandeld heeft. Ongaarne ziet hij, dat de menigte naar de predikatiën van zijnquot; jongen ambtsbroeder toestroomt. Ben ik, roept hij:

„— — ben ikian een dwase „Stocknar in het Hanevelt „Dat mijn poortklock niet en geldt?

„Durf iek krayen op een keuninck,

„Op de Haen, die sit in top ,,Mit een kroontjen op sen kop „Tn sijn groote Hanewenning;

,,lgt;a! wat meenje goeie lien,

„Dat iek Koppen sel ontsien!

„lek sel Koppen moeyte bronwen,

„Eu sijn ongenayde roek „Scheuren in het hoenderkoek.

„'k Sel hem veur een ketter schouwen.quot;

Heel voorzigtig, listig, flnweclig zou ik bijna zeggen, spreekt daarentegen triglaxd :

„Ilaen kalkoen die kreet vol tooren,

„'k Sou jou met mijn pennen slaen ,,Datje dense vreemde IIaen,

„Dense nnwelinek gaet hooren,

„En jou ouwe krayers vliet,

„Liet ik 't om jou swackheyt niet.quot;

ocr page 62

48

Inmiddels wordt de nanleiding tot het geschil tussehen hakekop eu zijne ambtgenooten, de plundering van het huis bij den Montalbanns toren, en de gematigde toespraak van den éénigen Predikant onder de veertien anderen, geestig, doch kort verhnald. Maar wij kunnen niet alles aanstippen; anders zouden wij de uitdrukking niet voorbijgaan, waarin vondel, regt in een geest zijner vijanden, zegt:

„Wangt kijck ! Isrels hockgespuys,

,.Soclit Gods Marteliiers te wreecken.quot;

Wij zouden vooral den tegen hasselaae's geweldenarij opgeheven kreet niet vergeten: doch wij haasten ons, den Dichter bij de verdere hanengeschiedeuis te volgen. Jan willemse boogaard, Simon veedoes, {Trot'iptiuui geliecten, nanr den tromp op zijn uithangbord,) en anderen komen te hoop geloopen, en sluiten zich bij de door hanekop's preken verbitterde Predi-kanten aan. Toch zou ik u te vergeefs tot de beschouwing van vondel's meesterstukje hebben uitgenoodigd, indien gij zelf niet de juiste, naïve keuze der spreekwijzen bewonderdet in den thans op hanekop gedanen aanval:

„'t Was gae voort, geveynsde ketter,

„Packt jou voort, jy toovenaer/,

„Altijt tay, en selden gaer.

Christen songder giest en letter,

,/Wije deur, en ruijme poort,

„Sielverleyer, packt jou voort.quot;

liet gevolg was, dat de arme koppen het duur bezuren moest:

,,Arme Koppen die moest gaan,

„quot;Wt epickt van eleke HaenT'

Waar zal de dichter voor het geplaagde dier ruste vinden? Waar hulp dan bij de torenwachters, de ambtgenooten, als het ware, der hanen, aan wie nevens deze de waakzaamheid is toevertrouwd. Wij huldigen een genialen greep in de

ocr page 63

49

keuze, de Regeerders der stnd, die op liet stadhuis in het torentje plagtcn te vergaderen, juist onder dat beeld voor te stellen! Het middel hun door den dichter aangegeven, ten einde de Himeu te temmen, luidt in onze ooren minder kiesch, dan liet in dien tijd zal geklonken hebben; maar toch moet ik er om grimlagchen, dat hij jan willemse boogaaed , die lievelingsprooi zijner spotzucht, naar Algiers wil zenden, denkelijk om aan hem het opzigt over den Harem van den Bey toe te vertrouwen. Waardig wor^lt het geheele verhaal door het slot bekroond. Vóór het gasthuis stond in die dagen een overoud beeld van St. pieteh, met den haan aan zijne zijde. Vondel slaat den spotzieken blik naar die steenen figuur, wie de vorige Roomsche Geestelijkheid nog heugde, op, en eindigt, voor alle tijden even treilend:

,,--— — gasthuys Veler,

„Soe iick vraech jou ouwe „Als hy siet dit geckspul aen;

.,Maecken 'tjonge lianen betor,

„Als het ouwe hoek veur heen?

, 'k Wedt hy 't hoofd sehudt, en krayt neen.''

VII.

Omtrent den Rommelpot in het Hanelot moge gelden, hetgeen aan hooft vooral tegen de borst stond: „dat men die „luiden leelijk en afschouwelijk in 't oogh der gemeente maakte, „daar zy leer en stichting by te zoeken en uit te zuigen heeft;quot; wij houden vondel zijnen stouten aanval op de Predikanten, om hunner onverdraagzaamheids wille, niet slechts gaarne ten goede, wij waarderen dien vooral om de spranken van vernuft, waarvan zijn gedicht schittert. Spranken van vernuft, zeggen wij; en vernemen de bedenking, of het Amsterdamsche gemeen dan zoo ontwikkeld was, dat het die kon opmerken en opvangen; of niet, terwijl de dichter den roem zijner luim luisterrijk handhaafde, juist daardoor eene andere verdienste, die zich op

4

ocr page 64

50

liet standpunt dergenen, tot wie hij sprak, te verplaatsen, de verdienste der objectiviteit, hem ontging? Yergunne men ons de vraag met eene opmerking te beantwoorden. Indien het waar is, dat beedeko ons uit eigene ondervinding, eene getrouwe schilderij van de zeden, taal en denkwijze der gemeente leverde zijns tijds, dan moet zij inderdaad luimig en levendig, en door een' wèl aangebragten kwinkslag te vangen geweest zijn; dan hebben de vele nietswaardige en laffe schotschriften dier dagen, minder met de vatbaarheid des volks, dan met de onbekwaamheid der schrijvers, gestrookt. Al do fijne trekken van vondel mogen niet zijn begrepen, noch het lange gedicht in zijn geheel onthouden; vele van de geestige schimpscheuten bleven voorzeker in de ooren kleven, en het valt aan de ernstige vroomheid der schare dank te weten, dat zij, om 's dichters vrolijke invallen lagchende, toch den eerbied voor hare Leeraars niet verloor.

Eenvoudiger dan de Rommelpot, en meer, om eene uitdrukking van vondel te bezigen:

,.Gemaekt om op ilc brug te singen,quot;

was de Otter in 't Bolwerck. Onder dezen naam werd otto badius bedoeld, Predikant, eerst bij de Duitsche, en later bij de Hollandsche Hervormde gemeente, te Amsterdam. In hetzelfde jaar als smout derwaarts beroepen, volgde hij, zoo het schijnt, getrouw het voorbeeld van zijnen naasten voorganger, en deelde zijn haat tegen Poëten, Orateurs en Politieken. Hij was een vreemdeling van geboorte, en daarom hinderden de vinnige aanvallen, waaraan de uitheemsche Leeraars van dc zijde der dichters blootstonden, hem te meer. Nergens waren zij erger geteisterd, dan in coster's Iphiyenia, en echter moest hij met leede oogen aanzien, dat dit stuk in 1630 teu too-necle gevoerd en door dezelfde Overheid beschermd werd, die aan zijne ambtgenooten, cloppexburg en smout, de stad had ontzegd. Toen verhief hij zijne stem op den kansel, om de aan zijne zorg toevertrouwde kudde tegen dc goddeloosheid der Academie te waarschuwen; en de Academie, die, inzonderheid

ocr page 65

51

op dien tijd, in openbaren strijd met de geestelijkheid was, liet 's mans boetpredikatie niet onbeantwoord. Vondel schreef een zangerig volksliedje, dat op de wijze van het veelgezon-gen, en ook uit beedeeo bekende

„Betteken voer na Maryemont,quot;

was vervaardigd. Het hoofddenkbeeld moge eene werkelijke aanleiding gehad hebben, of door voxdel verdicht zijn, het is allergeestigst gegrepen. Hij onderstelt, dat een oog van welgevallen en liefde door den Predikant op de dochter van jan wiixemse boogaerd werd geslagen, en hij, om haar hart te winnen, zeker eenen allerzondelingsten, maar echt karakteristieken weg heeft gekozen. Bij de bewondering, die de familie van boogaard voor strafpredikers als smout koesterde, wil hij too-nen, dat hij voor dezen in profetischcn ijver niet onder doet. Mogt hij het eens zoo verre gebragt hebben, dat ook voor hem, even als voor zijne beide voorgangers, de trekschuit gereed lag, ten einde hem buiten de palen der stad te brengen, dan zou voorzeker zijne schoone niet langer aarzelen, eenen zoo eerwaardigen martelaar hare hand en trouw te schenken. Thans echter was hij tegen de Academie, dien steen des aanstoots, te velde getrokken, en Dr. coster, die tot de bloedverwanten der boogaards behoorde, maar hun voorzeker sedert lang als de Heiden en de Tollenaar geworden was, werd het minst van allen gespaard. liet telkens wedevkeerend:

.,0 jeemy, o jeemy.quot;

drukt de bedenkelijke tronie en het onbehagelijk gehuil, dat de Jeremiaden van den Predikant, volgens voxdel, vergezelden, voortrefl'elijk uit. „Vry Otjequot; roept de Dichter,

„Vry Otje sehray iens datme 't hoort ,,In Costers Academy.

„Wel is dit niet een wongder werk! (bis)

,,Sy lüeten ongs de plongder-kerck,

.,0 jeemy o jeemy.

ocr page 66

52

„Och broeders schout het dongder-perk „Van Costers Academy.

„Mocht Smout nou op de preek-stoel staen, (^/*s)

„Hoe sou hacr dan'de Haegel slaen,

„O jeemy, o jeemy.

„Jan-rap, in stee van Monckel-bacn (1)

„Sou plongdren d' Academy.

„Ick wouse saten in den Briel {Iris') (2)

„Dit speulen racckt mijn ongder-siel,

„O jeemy, o jeemy.

,,Ick hou mier van ien plongder-fiel,

„As van deus Academy,quot;

Op mondelinge overlevering van vondel zelvcn steunt liet berigt, dat de beide meest geoefende kunstregters van die dagen, hooft en keael, een ander volksliedje van onzen dichter, waarin de Oud-Burgemeester eeixiee pattw der bespotting werd prijs gegeven, met bijzondere goedkeuring lazen. Werd door de wangunst jegens dien Burgemeester, - die zeker een man van bekwaamheid en talenten, maar voor de partij der aanzienlijken, waartoe hij anders door zijne Oude-Geuzen afkomst zou behoord hebben, wegens zijnen ijver voor de belangen der Stadhouders en der Contra-Remonstranten, een voorwerp van achterdocht was, - hun oordeel gewijzigd? - of voelden zich de ooren van reael, den zoeten dichter der kusjes, door het vloeijende en eenvoudige van vondel's rijm geboeid en gestreeld? Wij durven hier niet beslissen. In geest en levendigheid evenaart voorzeker liet Sprookje van Beyntje de T'os den Rommelpot niet. Welluidend echter cn lief is het verhaal der oorspronkelijke welvaart van Amsterdam:

„T)c vrije Amstelhoeren „Die hadden ienne hen,

(1) De vergaderplaats der Eemonstranten hij den Montalhaanschen toren (zie hoven),

(2) Daar had zich CLOPrENBUKG, na zijne verwijdering uit Amsterdam, nedergezet.

ocr page 67

53

„Der sy soo wel Iiy voeren ,

,,Als ik gien angder ken,

„Met ien kakelbonte pen.

„Dees leg-hen siet,

,,'s Langs welvaert biet,

„Dat de Jiiyvel 't Vosje selien!

„Dees lien lei alle dagen

,.Soo ien fixen gouwen ei.

„Het was gien tijd van klagen.

„Soo lang als 't beesje ley „Was Let kermis in de wey;

„De rijeke boer „Wt melken voer.

„'t Was al booter, room en kley.quot;

Het behoort tot de verdiensten vnn dit liedje, even als tot die dor vorige, dat het, ondanks zijn eenvoudigon toon, nimmer plat wordt, nimmer tot gemeenheid toe vervalt. Maar dat vondel's Muze, wanneer zij Amsterdam's achterwijken doorkruiste en het volk, langs markten en bruggen verstrooid, dooi' haren zang trachtte op te wekken, nooit door de onreinheid der plaats of der menigte, die haar omgaf, zou bezoedeld worden, dat was meer dan men in die dagen met billijkheid verwachten mogt. Inderdaad wenden wij dan ook met weerzin de ooren af van rijmpjes, als die op jan 'willemse boogaard, op Heien Kalkoen (teigland) , op de begrafenis van den hond van Schout de boxdt. Het zijn zoo vele bewijzen, dat, indien al verontwaardiging verzen maakt, die gedichten geene waarde hebben als de kunst er hare beschavende hand niet over liet gaan, als de eischen van den goeden smaak in den wind werden geslagen. En toch herinnert het genoemde liedje op Schout boxdt die gansche reeks van Academieverzen, waardoor een oorspronkelijk fraaije vorm tot het voertuig der walgelijkste grofheden werd vernederd ; waaraan niet vondel , maar een man veel hooger in aanzien, en bij het nageslacht in oneindig grooter reuk van vroomheid gebleven, oorspronkelijk schuld was.

ocr page 68

54

De Amsterdamsche Academic, uimmer cu althans niet onder de leiding van coster en vondel, van stekeligheid en spotlust geheel zuiver, had reeds ia 1630 Vragen in het licht gezonden, welke de Regering noodig oordeelde te verbieden, opdat de haat en de verbittering onder de ingezetenen niet zou toenemen. Door den twist over den schutterlijken eed, over het afzetten van smout en cloppexbueg, over het regt der Eegering op zitting in den kerkeraad, was de oneenigheid inderdaad zoo hoog geklommen, dat de Prins zich met den staat van zaken had moeten hemoeijen. In 1631 was men echter nog weinig gevorderd; de verwarring bleek veeleer grooter geword(!n , doordien de Synode, te Enkhuixen vergaderd, lijnregt tegen de Amsterdamsche Regering partij koos en de misnoegden stijfde. Vontdel schreef een prijsvers namens de Academie uit, waarin hij de betwiste punten aan het oordeel der poëten onderwierp. Het gedicht, misschien eene gewijzigde herhaling der vroeger verboden vragen, mogelijk ook door de Regering met minder achterdocht gelezen, sedert zij door den tegenstand der kerkelijken verbitterd, rekkelijker jegens de Academie was geworden, werd ditmaal verspreid. Hooft achtte het niet minder al te vinnig; maar wanneer wij aan vondel's prikkelbaar veruuft, wanneer wij aan het onderschrift Yver (de zinspreuk der Academie) deuken, dan moeten wij erkennen, dat de bijen uit den ouden eerwaardigen korf ditmaal hare scherpste angels niet hadden uitgestoken. Als vers verdient het wel in het geheugen te worden herroepen:

„Apoll', op Helikon geseten,

„Vraegt al sijn' heylige Poëten;

.,\Vat beste era slimste tongen syn?

„Of waerheyd saligh maeckt, ol'seliijn?

„Of dwang van vromen Cliristen-sielen „Niet streckt om Holland te vernielen?

„Of vreyheyd niet en was de seliat

„Waerom men eerst in Oorlogh trad ?

„Of ooek in welbestierde steden „Een Oproer-maecker word geleden?

„Of Huyse-plond'ren vesten sticht?

, Of d' Eed geen Burgery verplicht?

w

1

ocr page 69

55

„En of sich Leeraars niet veiloopen,

„Wanneerse desen band ontknoopen ?

Men kent liet fraaije antwoord van hooft, dat in iederHol-landsch hart behoort gegrift te zijn. Maar jacob cats, het hoofd der Dortsche dichtschool, sinds lang de naij verige mededingster der Amsterdamsche, cats parodieerde op dezelfde eindrijmen het vers van vondel en tastte het persoonlijk karakter des dichters grievend aan. Hij stelde de Amsterdamsche Academie (of, gelijk hij zeide, KalMdeinic) als eene verzameling van dronkaards voor, in een vers/ zoo walgelijk, dat niemand er den vromen zanger van het Tachtigjarig Leven uit herkennen zou. Voxdel, men vermoedt het, liet cats niet onbeantwoord. Ook zijn gedicht sparen wij onzen lezers. Wij zullen onzen meester, waar hij grof, beleedigend en lasterend is, nimmer prijzen, in de hoop, dat de aanhangers van Nederlands tweeden vondel ons niet langer zullen uitnoodigen, den zwadder te genieten, door bilderdijk op beteren dan bij uitgestort. Doch om de geestige inkleeding willen wij van dien Cyclus, welke met het liedje waarin hij de begrafenis van de bondt's lievelingsdier naschetste gesloten wordt, slechts eenige regels uit de Blixem van 'tNoord-Holkmdsche Sgnode mededeeleu:

„Heuaroii, van Kussen-suclit beseten „Vi'aeght sijn' brood-eetende Profeeten:

onder anderen;

„Of Heereu waeht bij Harders sielen,

„Niet streekt om 't Bisdom te vernielen?

„Of LiinJvoouhdy niet was de schat,

„Waerom dal Snout in oorloogli trad?

„Of Tochtscbuyt, tegens Preeckstoels reden,

„Ons voeren magli in vreemde steden?

„Of 't Kruyste-Kussen, (1) Kruyskerek sticht,

„Of Sessi (2) ons den voet niet licht'?

(1) Het kussen der Kegering met het Amsterdamsche wapen. (Jj Der Burgemeesters in den Kerkeraad.

ocr page 70

50

„Eu Leccken grollijck sicli vcrloopca,

,,Dic Klercken (1) iieu 's lands Kocht vcrkuoopeu?quot;

De prijs voor den kardinaal, die het best alarm slaat, zal bestaan in een Synodus-brief, waardoor het burgemeesterstorentje in den afgrond gebannen wordt:

„Dat in ons iieyj.igiidoji dar kijekcn,

„En Aron doet voor Moses strijcken (3).quot;

VIII.

Er valt in de hekeldichten van vondel eene verdienste te waarderen, die, terwijl zij de oorspronkelijkheid van Js dichters vernuft in het licht stelt, tevens bewijst, dat hem een afgetrokken denkbeeld van kunst voor den geest zweefde, welks eischen hij trachtte te bevredigen, ook in die stukken, welke anders meer de vonkelingen van opgewekte drift, dan het gewrocht van rijpe overdenking plegen te zijn. Of zondt gij het niet hebben opgemerkt, dat in geen enkel dier losse, vrolijke liedjes , welke wij Rommelpotpoë/.ij zouden kunnen noemen, de leer der Contra-Iie-monstranten aangevallen wordt, dat er niet één onder voorkomt zoo als de Cdlvijnsclien Wfroeper, dien wij hierboven aanhaalden, of deKerfstok der Cont ra-llemonstranten (o) en vele andere versjes uit

(1) Geestelijken.

(2) Deze was de gewone uitdrukking, waaronder in die dagen de verhouding van Staat en Kerk verpersoonlijkt werd. Naar aanleiding van de woorden

Exod. IV vs. 16, koos coster dit motto voor zijne Imphiyenia:

„Moses.zuil aaroons Godl zijn.

„ A argon ghij snit moses mondt zijnquot; etc,

(3) Ver Conlr a-Remonstrant en Kerfstock, die nimmermeer Yser wordt, aen de Roomsche CathohjcTcen, op de wijze: Hel was een fray ryclc Burghers kindt, door een liefhebber van de vrije waerheydt. In dit doorgaans kwaadaardig en veelal profaan liedje, beroemen zich de Gereformeerden tegen de Roomschen, dat, terwijl deze hunne aflaten tot op een' duit toe moeten betalen, zij, tengevolge hunner verkiezing, een' kerfstok verkregen hebben, waarop zij, zooveel zij willen, mogen kerven, zonder dat Godts genade hun ooit het aantal hunner schulden en euveldaden zal toerekenen. Wanneer het liedje vervaardigd zij, staat

ocr page 71

57

dien tijd? Zoek de reden niet in verdriiagzaamheid, welke aan dio dagen vreemd, niet in gematigdheid, welke met des dichters gestel in strijd was. Dieper schuilende is zij voor hem eervol. Teregt begreep voxdel, dat niet aan alle zaken een belagchelijke zijde viel af te winnen; misschien juister uitgedrukt, teregt gevoelde hij, dat, zoo ia de zonderlinge vereeniging van wijsheid en dwaasheid, die wij wereld heeten, het vernuft maar te vaak wordt verzocht dit te beproeven, er echter dingen zijn bij welke de ernstige zijde te zeer óverweegt, dan dat het welgeplaatste hart zich niet zou ergeren, wanneer zij op brug en markt aan de spotternij des gepeupels werden prijs gegeven. Dat de overdreven strafpredikatiën van smout, dat de haarkloverijen der godgeleerden, dat de Dordsche Synode zelve wel eens verdiende den tekst voor den Rommelpot te leveren, wie zal het ontkennen ? maar vindt gij ergens bij voxdel een spotlied over den dood van Prins maukits, ergens een schimpdicht op het ongeluk des L uids, dat door twisten verscheurd werd? Het is waar, hij schreef eene Vertroosting roor do onno wie en bedroefde iugezetcncn van Holla ndt over de doodt van Prins IVillem den If. En voorzeker was het beklagelijk, dat, op liet oogenblik, waarin de gesmoorde geschillen zich met versche hevigheid hernieuwden, een jeugdig Vorst, on-voorzigLig en misschien overmoedig, maar tevens dapper, schrander, edel en door de voorbeelden van groote voorvaderen tot naijver op hunne glorie geprikkeld, - een Vorst, die wel ligt het schild en sieraad van het vaderland zou geworden zijn, wanneer rijper jaren het vuur dor jeugd hadden getemperd, - in den eersten bloei zijns levens door den dood werd weggerukt. Zijne korte en

niet op den titel vermeld; maar uit den inhoud blijkt, dat liet jonger dan vondel's Rommelpot is, waaruit enkele trekken overgenomen zijn. — Het Vlaamsche versje:

„01 es den meynsche, ('larie

„Gevollen in temlalie, enz.quot;'

dat onder vondel's liekeldicliten gedrukt staat, en een' vinnigeu aanval op de leerstellingen der Gereformeerde Kerk belielst, is, volgens 's dichters eigene getuigenis, niet van hem, maar van zijnen vriend en beschermer, reael, die een openlijk voorstander der Remonstranten was.

ocr page 72

58

ongelukkige regering liet cleu landzaten geen gemiddeld oordeel omtrent zijne inborst achter; - eenigen zagen, met afgodische bewondering, in liem den krachtigen handhaver der stadhouderlijke regten, wiens vorstelijke wil, als die van eenen tweeden maukits, aan de woelingen van vrijheidszucht of eigenbelang perk zou hebben gesteld; - anderen verfoeiden in hem den dwingeland, die reeds in zijne jeugd had getoond, hoe hij IloUands eerste stad als door een' ijzeren toom wilde breidelen. Vondel, innig aan Amsterdam verbonden, misschien overdreven genoeg, om in Amsterdam geheel Holland te willen zien, vondel behoorde tot de laatsten, tot de meest besliste vijanden van den Prins. Gehuicheld zou hij hebben, wanneer zijne zangster in de rouwklagten over 's Prinsen dood had gestemd; maar de onderlinge scheuring der burgers, het jeugdige en krachtige leven door de wreedaardige sikkel des doods afge-sneên, dit alles was te ernstig en te treurig, dan dat het gevoel van vondel daarin stof tot een luimig schimpdicht vinden kon. Één enkele regel wenschten wij, ter wille van's dichters eer, uitgewischt te zien, den regel, in welken, met toepassing op den dood van den Prins, gezegd wordt:

„Wij hebben onzen Os in ?t zout,quot;

Die uitdrukking is door haar spreekwoordelijk gebruik geenszins te verdedigen. Zij strijdt met de waardigheid der zaak , met den toon, waarin het gansche vers gesteld is.

Overigens, - maar eene vergelijking ligt hier zoo zeer voor de hand dat we ons haar genot niet mogen ontzeggen, - had vondel eenmaal den grijzen vossius bij het overlijden eens veelbelovenden zoons toegeroepen:

,,Wat treurt ghy, hoogligeleerde Vos,

„En fronst het voorhoofd van verdriet ?

„Beny uw soon den hemel niet,

„De hemel treekt, ay, laet hem los.

ocr page 73

59

.,Men khcglit, indien ilc kicle strand,

„Maer niet, wanneerse, rijck gclaên ,

„Uyt den verbolgen Oceacn ,

„In een belioude haven land.quot;

Op deuzclfdcu toon, maar anders gewijzigd, verweet hij deu Hollanders hunne verslagenheid over deu dood des Vorsten:

„Wat zucht ghy, onbedachte tncnscli?

,,Wat reden port uw hert tot klachten?

„De Hemel handelt u naer wensch ,

„En ghy en kont zijn gunst niet achten.

„Den loon van tachtig jaren strijdt,

„Den roem van uw' verslage knechten

„De vrucht des vredes waert ghy quijt,

„Zoo deze slagh u niet en rechte.

„Toen treurde Romen, en had reen,

„Toen haer 't meineedigh zwaert bestreefde,

„Toen cicers nek wiert doorgesnecn,

„En de een of d'andere brutus sneefde.

,,

»

,, — — — —

„Maer toen van drie gebroeders, twee „Het rijck met hunnen val bevesten,

„Toen dkciiis zijn oll'er deê ,

„En cuimus de brandtpoel leste,

„Toen roemde zy in haer gemoedt „De dappre daden van haer helden,

„En trooste zich 't gestorte bloedt ,

„Dat zijne schu zoo wel vergelde.quot;

Door deze romeiusche herinneringen wil de dichter het volk aansporen, te berusten in den slag, door welken de Hemel zijne vrijheid heeft gered. De spraakwending tot den Prins is bijna in den vinnigsten ironisehei! toon der Ouden:

„O groote ziel, ó dappre heldt,

„Die noit als t' onzen voordeel strijde,

„Die levend' ons van 't Spaens geweldt „En stervende van 't uw bevrijde.

„Uw roem verweleke nimmermeer:quot; enz.

ocr page 74

60

Die gedachten mogen de uitvloeisels van den bittersten haat zijn, hare inlcleeding blijft geëvenreJigd aan het belangrijke, het tragische der zaak. Vondel gevoelde, zelfs in zijne hevigste partijzucht, dat de dood des Prinsen nooit een voorwerp van jokkernij kon worden, dat een grootscher gedachte zijn schimpdicht behoorde te bezielen. En wat kon verhevener zijn, dan de vreesselijkc ramp te beschouwen als een genees midi lel, door de meèdoogende Voorzienigheid der kranke vrijheid toebereid? Wat waardiger dan het voorbeeld der Eomeinen, die over den dood van hunnen grootstcn burger dan niet zouden getreurd hebben, wanneer daardoor het behoud of de vrijheid des vaderlands was bevestigd?

Wij zouden van het hekeldicht op den dood van willeji den IIden, een dichterlijk, ja, maar tevens bedroevend gedenkstuk van partijwoede, geene melding gemaakt hebben, indien wij ous niet, door het staven der opmerking omtrent voxdel's juiste keuze van vormen, den weg hadden willen banen tot eene beschouwing der gedichten op oldkxbakxeveld. Welke staatkundige partij men ook moge aankleven, de regtspleging van den tweeënzeventigjarigen grijsaard — die, na drie en veertig jaren het Land te hebben 'gediend, op het oogenblik dat zijne magt en gezag het uiterste toppunt hadden bereikt, van die hoogte nederstortte, om strompelende op het schavot, onder het zwaard des beuls, de weinige droppelen bloeds, in het door staatszorg en arbeid uitgeputte ligchaam nog overgebleven, te verliezen, — zij behoort tot die tooneelen, welke bij ieder weldenkende den diepsten indruk achterlaten van de broosheid der menschelijke grootheid, van de schrikkelijke gevolgen van menschelijke hartstogten. Vondel, de hartelijke be won-^ deraar van den Advokaat, de opregte vriend zijner partij, zag met hem de steun en de hoop der vrijheid vallen. En echter , geen krijschend schimpdicht tegen jiadeits, geen vuile aanval op de vier en twintig regters bezoedelde zijne pon. Hij begreep, dat de toon van diepen rouw met het grijze slagtoffer, de gestrengheid eener ernstige bedreiging met het bedrijf zijner vervolgers

ocr page 75

61

het besto strookte. Hij vervaardigde op oldexbarxeveld's dood de bekende Gcuse- Vesper, welke wij, om de fraaie dichterlijke uitdrukking, niet aarzelen over te nemen;

,,Had Ly Hollandt dan gedragen,

„Onder 't hart,

„Tot syn af-geleefde dagen,

„Met veel smart,

„Om 't meyneedigli swaert te laven

„Met syn Idoet,

„En te mesten kray en raven „Op syn goet?

„Maer, waerom den lials gekorven?

„Want syn bloet „Was in d' aders scliier verstorven:

„In syn goct „Vont men noyt de Pistoletten

„Van 't verraet,

„TJitgestroyt, om sclierp te wetten „'s Vollecx liaet.

„Gieriglieyt en wreetlieyt beyde,

„Die het swaert „Grimmig mekten nyt der scheyde,

„Nu bedaert,

„Snehten: Wat kan ons vernoegen

„Goet en bloet?

„Och, hoe knaegt een eenwigli wroegen „Ons gemoet!

„Weest te vreên, haelt Predikanten,

„West en Oost,

„Gaet en soekt by Dordtsehe Santen

Heyl en troost;

„'t Is vergeefs, de lieer koomt kloppen

„Met syn Woort,

„Niemand kan de wellen stoppen „Van die Moort.

Het zou naauwelijks noodig geweest zijn, den gevoeligen, tragischen toon, uit dit lied hoorbaar, voor onze lezers te

ocr page 76

63

doen herklinken, indien het den hraven, godvruchten en zeergeleerden Heer z. n. alewyx niet in de gedachte gekomen ware, het vers van vondel te parodiëeren; indien een beroemd man niet goedgevonden had, deze parodie onlangs met zijne goedkeuring te stempelen. Voor oldexbaeneveld stelde de Heer alewtn de Dordsche Synode in de plaats, voor Holland de ware Kerk, voor gierigheid en wreedheid, hoogmoed en deïsterij, voor de regters de dichters in den geest van voxdel. Maar de Edel-Achtbare man begreep niet, dat eene kerkvergadering, uit een groot aantal godgeleerden zamengesteld, kwalijk evenzeer een aandoenlijk voorwerp van beklag kan zijn, als het enkele grijze hoofd van den ouden barxeveed; - dat de spotternijen, waaraan die drom van theologen gedurende honderd en vijftig jaren, wij aarzelen niet te zeggen, ten onregte heeft blootgestaan, er geen tragisch feit van maakten, als de bloedige ontknooping van den daardoor slechts verergerden burgertwist van den beginne was; - dat eene Protes-tantsche Synode, die, waar zij in betwiste punten regels van geloof voorschrijft, bij den geest van vrijheid, welke in den aard van het Protestantisme ligt, altoos eene min of meer scheeve houding krijgt, en bovenal dien glans van heiligheid mist, ieder menschenleven gewaarborgd, wanneer een geweldig uiteinde den in het oog van zich en de zijnen onschuldige met de stralen der martelkroon verheerlijkt! De dichterlijke waarde van beide stukken willen wij niet vergelijken; het aangevoerde is genoeg, om te doen zien, dat twee zoo verschillende onderwerpen niet in denzelfden trant zijn te bezingen. Het is echter geschied, en noodzakelijk moet één der beide dichters hebben mistgetast; - de lezer beslisse, wie juister gezien heeft, voxdel of de Heer alewtn.

, Minder bekend dan de Gensc- Vesper, door de meer stroeve maat weinig geschikt om in liet geheugen bewaard te worden , maar door dichterlijk verdienste, door aandoenlijkheid van voorstelling, Hollands eersten dichter niet minder waardig, is het Jaer-getijde vamvylenJoanvan 0/lt;/e;^«7'«ei-eW.0phetstandpunt door de poëzij dier dagen ingenomen, bij de toenmaal gevierde

ocr page 77

63

kunstrnntige beoefening harer vormen, was het geen wonder, clataan woordspelingen, aan keuze en overbrenging van leenspreuken een vlijt ten koste werd gelegd, welke onzen tijdgenooten, die trot-sebelijk den regel plegen te verkondigen, dat louter het hart, dat alleen de warmte des gevoels den dichter maken moet, kleingeestig en zwak toeschijnt. Des ondanks echter werd de oefenings-zucht dier eeuw, bij Let voorgeslacht slechts door overdrijving in gebrek ontaard, voor enkelen onzer oudere dichters, inzonderheid voor hooft en voxdei., dikwijls eene ware bron van schoonheden!

TVien heugt niet uit zijne jeugd de treffende overbrenging der leenspreuk tot de eigenlijke beteekenis in den Joseph in Dofhan^'auv rubek , met het kleed des verlorenen broeders in de hand, uitroept:

,,0 rock, o vaderlijck geschenck,

,.U zal iok nacht en dagh omarmen,

,,Als 'thart in droeve tranen drenck,

,,U zal ick in mijn bed verwarmen.

j/k Zal afgezucht, door al 't geklagh,

,,Met ii al my merende spreecken.

„Gelijck of Joseph by my lagh:

,,En t'elckens, als mijn oogen leecken,

„Zal ick haer wisschen met uw wol.

„O wol, o vacht, die 't lam bedeckte,

„Hetwelck ick blaeten hoorde in 't hol,

„Dat zijne onnoosle traenen laekte:

quot;Dat op zijn blaeten antwoort gaf,

,,Toen Godt en alle harders zwegen,quot; enz.

Minder bekend en echter door dezelfde verwantschap en geleidelijken overgang van leenspreuk en eigenlijke beteekenis merkwaardig zijn deze verzen uit het Jaer-fjetijdc, waarin vondel, met toespeling op het verrezen schavot, oldenbarne-velü's regtspleging dus beschrijft:

„Geduldig stapt hy, met zijn stoc.xken, na het emle ,,Van doorgesolde ellende,

„Van last, en barons wee, o bank des Doods! o sand!

„Waer toe verseylt ons land?

„T)e siele seyl-vliigli, om, door d'aders, nyt te varen.

ocr page 78

64

„Begraent de trage jaren, „En noopt den ouderdom.---

Na de beproefde aanschouwelijke beschrijving van 's mans uiteinde, volgen de fraaije en niet minder kunstige regels:

„Van soo verniaerden val, besterft de vreughd, en hope,

„In 't aensehijn van Europe:

„Euroop gevoelt dien slagh. sy sucht, en sit verdooft,

„Door 't ploffen van dat Hoofd.

„Dat Hoofd, dat lieylig Hoofd, dat spring op spring-vloed sclintle: „Dat Nassan's glori stutte:

„Hat Hoofd, dat Spaugjen, eer liet sloot sijn' goude mont,

„Op goude bergen stond.

Mogen echter aan iemand de woordspelingen op de woorden hanh, sand en hoofd, overeenkomstig de mode dier dagen en niet zonder dichterlijken smaak aangebragt, gekunsteld voorkomen, te verhevener, te aandoenlijker, te hartelijker is het slot:

„De geest ontkerkert, sagli, van 's hemels booge deelen,

„Den dollen Moord lust speelen,

„Met romp en kop, en 't bloedt verstrecken, versch en laeu,

„Een roof van 'tpapegraeu.

„Soo kinders, riep by, soo; vermaeekt u op mijn leste.

„Ik offer 't lijf ten beste.

„Mijnquot; sicl, ob, of de Staet verbergt waer, door mijnquot; dood,

„Vindt rust, in Godes schoot.

.,De schim was been, de slem, voor wind, oock heen gevlogen.quot;

IX.

„Tusschcn het rijk der Satire en het rijk van Comus is het Epigram dc grenssteen/' beweert jeax paul; manr men vergunne mij te gelooven dat deze uitspraak tot die vele gedwongene epigrammen behoort, waaruit die vernuftige schrijver zijne raadselachtige werken heeft zamen geweven. Want wel verre van die beide rijken te scheiden of noch tot het een noch tot het undere te behooren, is het beurtelings geheel aan scherts of

ocr page 79

geheel aan schimp gewijd; lagchen of hekelen is de toon die er in heerschtj en toch is ook deze definitie, als zoo vele, Keer onvolkomen. Bij wijlen volstaat geen der beide stemmingen ter bereiking van het doel des epigrams: nu eens behoort het, eene situatie schetsend, tot de beschrijvende, dan weder, in den vorm eener spreuk gekleed, tot de didaktische poëzij; zelfs verhevene cn lyrische gedachten zijn dier dichtsoort geenszins vreemd. Zoo eene geographisohe vergelijking noodig ware, men zou het epigram veeleer eene vrijstad voor alle soorten van poëzij kunnen noemen; waarin echter de wet van gelijkheid en broederschap zoo getrouw wordt betracht, dat zij zich tot eene bepaalde maat moeten laten verkorten , ten einde het burgerregt te genieten. Want waarom zouden wij het ontveinzen, dat wij het gevoelen omhelzen dergenen, die in het epigram de kortst mogelijke, maar te gelijk meest poëtische voorstelling zoeken van eene dichterlijke gedachte, eener dichterlijke beschouwing, eens dichterlijken toestands?

Daar het korte het kernachtige in zijn gevolg heeft, en voor beiden juiste schikking en juiste keuze van woorden hoofd-vereischten zijn, is het niet te verwonderen, dat scherts en luim, die, zullen zij goed heeten, volkomenheid van uitdrukking met gevatheid van zeggen dienen te paren, zich inzonderheid van dezen vorm hebben meester gemaakt. Willekeurig gedachte situatiën, bij voorkeur dezulke, welke geschikt waren den lachlust te wekken, zijn het voorwerp des epigrams geworden. Onwillekeurig verlokt de erkenning van het feit tot eene vraag, welker beantwoording wij gaarne voor betere geven: waaraan mag het zijn toe te schrijven dat de menigte goede, zoo oorspronkelijke als vertaalde, sneldichten in de Werken van roemee vissciier en huygexs verre het gering getal gepaste Bij- en Opschriften overtreffen? Het grootste gedeelte onzer vroegste epigrammen is slechts een schat zoo der oudheid als den vreemde ontleend; die uit de eerste zijn goede bekenden, welke gij bij elke beginnende letterkunde weer vindt; van de laatste komt het vaderschap het Spaansch, het Pransch of het Italiaansch toe. Onloochenbaar moest het bovendien onzer inheemsche kunst gedurende

ocr page 80

60

haar ontwikkeliugstijdpcrk gemakkelijker vallen, met de duizende vormen onder welke zich het belagchelijke voordoet te spelen, dan met vlugge trekken voldoende te schetsen, dan het doel te treffen door enkele toetsen of een sterk sprekenden tint. Om waardig in korte woorden een groot feit, eene groote gedachte, een groot man of eene groote misdaad te beschrijven, wordt eene lyrische verheffing van geest vereischt. Jeeemias de decker eu jan vos, hooft en vondel en de in beider school gevormde geraed brandt , hebben in deze dichtsoort voor onze letterkunde een nieuw licht doen opgaan.

Ik weet niet, wie het eerst gezegd heeft, dat een puntdicht geen dolksteek mag zijn, dat het maar een speldenprik moet geven; zeker echter is het zeggen uit een fijn beschaafden tijd afkomstig, waarin de huid der menschen uiterst gevoelig was, waarin men , met andere woorden, het snerpende van strafredenen moede, slechts aan beleefde spotternij het regt om aanmerkingen te maken toekende. Doch wanneer niemand het den epigrammendichter ten kwade duidt, zoo hij met eene hoogdravende lofspraak deze belangwekkende of gene onbeduidende beeltenis versiert; indien de gevierde hierin het gevoel waant te vernemen, dat het ge-zigt zijner onsterfelijke wezenstrekken bij den vriendelijken poëet heeft opgewekt; waarom zou dan de haat, de verbittering, de woede in het omgekeerde geval zich niet met diezelfde korte. kern-achtige kracht van taal mogen uiten, welke aan ie hulde en de bewondering vrijstaat? Ja, zoo kortheid te regt tot de hoofddeugden van het epigram gerekend wordt, moet dan het ge-wigt van de woorden niet te zwaarder worden, naar mate het getal kleiner is ? Wat kan men dies verwachten van een' tijd, wanrin de driften hevig, de woorden hard waren, - een' tijd, die geene voorbeelden had van fijne beschaving en aardige nietigheden, - waarin het sneldicht, hoe geestig ook, dikwijls door grove onkieschheid werd ontsierd, - en men daartoe vaak de Latijnsche taal bezigde, om te grooter vrijheid te hebben vuil en vlijmend te zijn? Van welken aard zijn de epigrammen, ons door de Italianen, de groote meesters in dit vak,,

ocr page 81

67

overgeleverd? Zijn het niet in waarheid republikeinsche dolksteken, waaronder do nagedachtenis hunner Pausen nog heden ten dage bloedt ?

Eu bovendien was de tijd vnn vondel in velerlei opzigten een kwade tijd, een tijd van weerspannigheid en vervolging, van vijandschap en van achterdocht. Beiden toch plegen hand aan haud te gaan; wanneer het onschadelijke met al te strenge waakzaamheid wordt bespied, staat het te vreezen, dat het werkelijk schadelijk worden zal. Kon een petrus scrive-uros, de getrouwe vriend van iiogehiseets , door het tegen hem begonnen eu nog onvoltooide regtsgetliug overtuigd worden, dat zijn vriend die hulde en trouw onwaardig was, en het harde lot zulk eener gevangenis verdiende? Of behoorden er, toen hij, in de vroeger aangehaalde regelen zijn hart had lucht gegeven op eene, althans voor een' criticus, niet al te scherpe wijze, behoorden er niet al de vinnigheid van Schout de boxdt en niet al de gestrengheid van Burgemeester van uaers-dorp toe, om zoo veel kwaads en zoo veel strafbaars in die verzen te vinden? Moge ook al het regt op de zijde der Leid-sche Regering geweest zijn, toch ware het beter geweest het geheele bijschrift der vergetelheid prijs te geven. Want de bitse scriverius weigerde de opgelegde boete te betalen, en wierp eindelijk den Schout eenige boeken van zijne studeerkamer toe; als waren deze de onschuldige oorzaken van zijn ongeval geweest, daar zij hem geleerd hadden regt en onregt te onderscheiden (1). Zijne onbuigzame fierheid werd het voorwerp der lofspraken zijner partij, en op het beboete epigram maakte vondel een ander, dat

(1; Ju ile „Uytvaartquot; der tachtigjarige huisvrouw van sceivekius, anna wit.-i.ems van der aer wordt dit bedrijf niet aan hem zeiven, maar aan haar loegeschreven. Men leest er-,

,,d'Heldin, liet om 't misval, geen moed kleynmoedig vallen,

„Maar sprak: ka// Pen en Boek door VSchrift de Bnttr.t vergallen? „ Laat werden dan gestraft pen, hoeken en papier;

„Verkoopt des waerheyts Tolk op hoelhuys rechts getier,

„ Tot dat men uyt de Koop de volle geldstraf haale-,

„ t Geen pen en hoek verbeurt, moet pen en hoek hetaale/quot;

ocr page 82

nog veel scherper was tegen de regters van iiogeebeets, dat overvloeide van lof op den moedigen scktveeius. Zoo weinig hielp het vervolgen; of zal een geest als die van vondel niet te sterker zijnen opgewekteu hartstogt in bijschriften en puntdichten hebben lucht gegeven, sedert deze verssoort eenmaal onder het achterdochtig oog van ketterjagers en strenge geregtsbeambten was gevallen .J Inderdaad, de epigrammen, die in vondkl's hekeldichten zijn opgenomen, blijken veelal minder berekend, om zijne vijanden de prooi eener vinnige scherts te doen worden, dan wel om in krachtige, hartelijke taal zijne gemoedsaandoeningen mede te deelen. Van dien aard zijn de fraaije regels op de Stichting der llemonstrantsche kerk in 1630, die echter den dichter insgelijks in eenc rcgterlijke vervolging wikkelden. Scherper en vol van al de kracht der overtuiging is het bijschrift op JACOBUS AEMDsTUS :

„Dit 's 't aenziclit van Armyn, die quot;t zij liy schreef of sprack,

„Het licylloos noodlot van Kalvijn gaf snlelc een krack,

„I)at Lneifer noeli beeft voor 't donderen van syn lessen,

„En d'Afgront zwoeglit en zweet om stoppen deze bressen.

„„Sus, kraemvrouwspraek bij, „sus, sehey vry gerust van hier; | „ „Godt worpt geen zuygelingh in quot;t eeuwig helsche vyer. 1

Toen, na den dood van de geoot, de wangunst van sal-masius de nagedachtenis des onsterfelijken mans niet ontzag, uitte vondel zijne verontwaardiging in eenige bekende aller-heviffste regels, waaraan niemand hooge kracht van uitdruk-

ö o '

king kan ontzeggen, en waarvan de vinnigheid door het hatelijke van den aanval gewettigd werd. Men doet echter verkeerd, met in deze die bijzonder fijne wending te zoeken, eigen aan verzen welke wij puntdichten plegen te noemen. Hetzelfde geldt van het beroemde bijschrift op: Het stockske van joan van olden-i!a knevelt ; al geven, zoowel de herhaalde alliteratiën als het spelen met eigenlijke en overdragtelijke uitdrukkingen, het een meer puntigen vorm. Toch verdient het schijnbaar gekunstelde slot naanwelijks het verwijt in die karakteristiek gelegen, xlei strijdt geenszins met den vloeijenden gang des geheels; het

ocr page 83

60

drukt naar waarheid uit, hoe de dichter bezield werd door het zien van den wandelstaf, welke hem den ouderdom des mans, - den last, dien deze te torsehen had, - en de laatste wandeling, er mede gedaan, de wandeling naar het schavot, -levendig voor den geest riep. Zoo wij, om de kortheid der uitdrukking en de eenheid der gedachte, dit vers met regt een epigram mogen noemen, om den driftigen gang der denkbeelden , om den rijkdom, waarmede het eens gekozen beeld wordt uitgewerkt om de kracht en warmte van het geheel, verdient het voorzeker het epitheton van lyrisch. Men oordeele:

„Myn wensch belioedc u onverrot,

„o stock en stut, die, geen' verrader,

„Maar 's vrij doms stut en Hollants vader;

,,Gestut hebt, op dat wreet schavot ;

„Toen hy voor 't bloedigh zwaerfc most knielen,

,,Veroordeeldt, als een Seneka,

„Door Neroos haet en ongena ,

„Tot droefenis der brael'ste zielen,

„Ghy zult noch, jaren achter een,

,,Den uitgangh van dien Helt getuigen :

„En hoe Gewelt het Hecht dorst buigen ,

„Tot smaec der onderdruckte Steen.

„Hoe dikwyl strecktet ghy in 't stappen „Naer 't hof der Staten stadigh aen ,,Hem voor een derden voet in 't gacn,

„I'ju klimmen op de hooge trappen;

„Als hy, belast van ouderdom,

„Papier en schriften, overleende ,

,,En onder 't lastigh lantspack steende*

„Wie ging, zoo krom gebuckt, noit krom!

„Ghy ruste van uw trouwe plichten ^

„Na 'et rusten van dien ouden stock,

,,Geknot door quot;s bloedtracts bittren wrock:

„Nu stut en styft ghy noch myn dichten.quot;

Ouder de epigrammen, die zich deels met rogt, deels te onpas, in de verzameling van vondel's hekeldichten eene plaats zagen aanwijzen, geven wij derzulken verreweg de voorkeur, in welke des dichters geest een hoogere vlugt neemt , uit welke ons de kracht

ocr page 84

70

zijner taal het schitterendst toestraalt. Intnsschen heeft rleze deugd hare keerzijde. Waar het voorwerp al den eerbied der bewondering, al de woede der verontwaardiging onwaardig was, daar werd de dichter, in stede van krachtig te blijven, dikwijls plat en gemeen. Vondel miste te vaak de hoofsche fijnheid van hooft en hüygens. De epigrammen op trigland, boogaart , kakel lenertsz en teellvg zijn lomp en grof. Slechts het Niemrjaer voor smout heeft iets burlesk - geestigs, waardoor het allergeschiktst was, om werkelijk den driftigen boetprediker nageliouden te worden. Onze beschaafde eeuw acht het billijkerwijze ongeoorloofd, aan iemand in het openbaar de zonden zijner jonkheid te verwijten , en rekent het wreed, met het ongeluk van eeu' ter dood veroordeelde te spotten; maar het is zonderling, dat de grootste vernuften der zeventiende eeuw bijna geen' toestand rijker voor sclierts en schimp schenen te vinden dan een opgehangen misdadiger. Htjygexs ontleende aan dien toestand onderscheidene puntdichten, en beedero en zelfs hooft ontzien zich niet met een' zoo afzigtelijken dood te lagchen. Des te minder spaarde tondel zijnen gezworen' vijand, den Predikant smout, van wien het gerucht vertelde, dat eeu onechte zoon voor zijne misdaden met de galg gestraft was (1); en het hem toege-

(1) HerLaaldelijk vindt men dergelijke toespelingen op smout bij vondel. In de verklaring van zijn Palamedes wordt, zoo men meent, BOGEiiiiAK onder den persoon van calchas voorgesteld. Intussclien is al hetgeen door ajax omtrent de gescliiedeuis van calchas verhaald wordt, niet op bogerman toepasselijk, en trigland trok zieh enkele uitdrukkingen in dit verhaal sterk aan. Zeker liet zich het overloopen van calchas niet ongeschikt overbrengen op dc geloofsverandering van trigland zei ven. Hetgeen echter omtrent de onzedelijkheid van calchas gezegd wordt in de regels

„Die rechte schijudenght borat tot booze stucken uit,quot; enz,

zal wel het naast op smout van toepassing zijn, vooral daar in dc oudere drukken van den Falamedes het schandelijke geval veel breeder wordt uitgemeten, in voor de kieschheid hoogst aanstootelijke verzen. Het schijnt derhalve, dat vondel in de schildering van calchas de ondeugden niet zoo zeer van een' enkele, als wel van alle geestelijken der door hem gehate partij in éénen persoon heeft willen voorstellen.

ocr page 85

71

clachte nieuwjaar was voorzeker een der bitterste en blij vends te schimpscheuten, waaraan de profetische IJveraar ten doel stond :

,,Jonge Smout die sprong te kort „Van de ladder binnen Dort,

„En hy smoorde in zijn' longen :

„Had liy niet te kort gesprongen,

„Ily sou komen by sijn' vaêr ,,Om een saeligli nienwejaar.quot;

Nog onedelmoediger was de hoon, den zelfmoordenaar aangedaan. Of wie zou geen medelijden hebben met een1 toestand, waarvan niemand de vreesselijke bewustheid heeft, - een' toestand, waarin vaderland, betrekkingen, pligten, om het zeerst achterstaan voor het overstelpend gevoel des ongeluks, - waarin alle genoegens en verwachtingen des levens zóu zeer zijn vaarwel gezegd, dat de rampzalige de eenige voorwaarde, waarop hij die smaken kan, willekeurig vernietigt! En echter, gelijk onze oude wetten den zelfmoordenaar der schande ter prooi gaven, zoo ontzagen spotternij en verachting bij de menigte de nagedachtenis der beklngenswaardigen niet, en de scherts van den dartelen lakkei in bredero's Lucclle was voorzeker de tolk van hetgeen de meerderheid des volks zou gedacht eu gezegd hebben. Men hoore wat dezelfde blijspeldichter aan eene zijner straatwijven in den mond legt:

,,Eii offer mijn Vaer gehangen is/ is dat soo grooten saeek?

,,üaer hangt soo menigen vromen man daar leyt niet an bedreven/ „Hy broeht hem (God-danck) nocli selver niet om 't leven/

.,Als sommige luy.quot;

en beslisse, hoe zeer, in de oogen des volks, de zaak desgenen benadeeld werd, die de hand aan zich zeiven sloeg. Had de zelfmoord van ledenberg zijnen vijanden een' kwaden dunk van de geregtigheid zijner zaak gegeven, de schaal keerde, toen, na den dood van willem den Tweede, hetzelfde kwade vermoeden zich nan het onverwacht overlijden van den griffier jviuscn hechtte. Vondel bedacht hem, den vijaud zijner partij, eu den schoonzoon van zijn' vijand cats, in een schamper

ocr page 86

72

grafdicht; en hij kou het te veiliger, omdat voorname staatslieden zelve in 's Lands vergadering zich hoogst ongunstig over den gestorven' hoveling uitlieten. (Zie scheltbma, StaatJc. Nederland, in v.) Lagchend speelt hij met zijn' naam jiusch :

„Hier leit de Hofrausch nu en rot.

„Zy broeide slangen in haer pot,

,,Leicesters en Ducdalfs gebroet:

„En piekte, zonder sehriek en schroom.

„De rijpste karssen op den boom:

„Zy vreesde kluitboogh, spat, noch kuip:

„Den molick kendeze op een trip:

,,Zy vloogh den Baes van zijne hant,

„En speelde met de maght van 't lant.

„Zy borst aan eene spinnekop ,

„Terwijlze dronk en sprack: dit sop „Bekomt my zeker niets te wel:

„T)e rest geeft Aerssen en Capel.quot;

Hetgeen ik in dit epigram vooral yoxdel waardig zou noemen, is het slot. liet bittere en krachtige van zijn' geest spreekt helder uit de gansche voorstelling van den zelfmoord van musch doch de laatste regelen hebben iets klassieks. Zoo als eens de tiran thekamexes, den giftbeker ledigende, met betrekking tot zijn' medetiran gezegd had: „dien beker breng ik u toe, seh ooi te critias!quot; zoo vermaakt ook de stervende gnnste-liug een diergelijk venijn aan zijne mededingers aekssens van

sommelsdijk 611 capelle van aebtsbeegen (1).

(1) Volgens ilc aanteekeningeu, zou hel heel, uil 's dichters eigeu mond opgeschreven, gcldl de loesjieling in den hialsten regel alleen capelle van aertsber-gkn. Gemakkelijk echter kan aerssen op aerssens van sommelsuij k , den groeten gunsteling van Willem 11, en den voornamen handlanger van dezen in den aanslag op Amsterdam, betrekkelijk gemaakt worden. Ouder denzelfden naam wordt 's mans vader, dc bekende Ambassaftur, vaak door vondel aangerand, b. v. in Valamedes:

„Brandmerkt eevst den anooden Aert „Aertsvijand van de braven,quot;

ocr page 87

73

X.

De oude uitspraak des Predikers, dat het eene ijdole vraag heeteu mogt, of vorige tijden beter wareu dan de onze, wordt door ieder onderzoek der gescliiedenis bevestigd. De daden, de bedrijven, de namen der mensclien wisselen al'; de harts-togten, die lien bezielen, zijn in het Noorden eu Zuiden, in vroegeren en lateren tijd dezelfde; de klagten over de ellende vïï'n het heden, de lofredenen op de voortretfelijkheid van vervlogen dagen zijn te allen tijde even overdreven. Want waarom zouden wij de schilderingen niet overdreven noemen, welke de tijdgenooten in een' steeds versnellenden val voorstellen? waarbij het ons onbegrijpelijk blijkt, dat niet sinds lang maatschappij en menschdom in eenen onpeilbaren afgrond zijn ne lergestort ? PiATO kende evenzeer een jong Griekenland, dat, opgewonden door wijsgeerige theoriën, naar de teugels van den Staat greep; en Home had, volgens juvexalis, niet minder dan Amsterdam, de plagen eener groote stad: brand, verzakkingen, en voorlezingen van dichters (l).

Het is deze schijnbare verachtering van iederen tijd en ieder geslacht, welke door dat genre van poezij tot onderwerp gekozen wordt, 't geen bij voorkeur het hekeldicht heet. Het is deze eenvormigheid van menschelijke verkeerdheden, welke ook aan die dichtsoort eene eentoonigheid heeft medegedeeld, waardoor de Satirici bijna elkanders navolgers schijnen. Hoe zou hij, die thans voor de oudste en oorspronkelijkste in de rij doorgaat, hoe zou hokaïius ons voorkomen, indien wij huciuus bezaten? Het zijn deze beide, die zich jüvexalis tot voorbeelden koos:

4

zoo ook is de regel in tic Verlroosling

„Eu vrijdt het land van Aertsche fielen eer op sommblsdijk dan op aertsbkrgen toepasselijk, wiens bekwaamheden Item ook hooger in de algemeene achting hadden gebragt.

(1) Incendia, lapsus

Tectorum adsiduos, ac mille pericula saevae Urbis, et reciiantes Augusto mense poctas.

ocr page 88

grafdicht; en hij kou liet te veiliger, omdat voorname staatslieden zelve in 's Lands vergadering zich hoogst ongunstig over deu gestorven' hoveling uitlieten. (Zie scheltejlv, Staatlc. Nederland, in v.) Lagchend speelt hij met zijn' naam jiusch :

„Hier leit de Hofmusch nu en rot.

„Zy broeide slangen in haer pot,

„Leieesters en Ducdalfs gebroet:

„En piekte, zonder schrick en schroom.

„De rijpste karssen op den boom :

„Zy vreesde klnitboogh, spat, noeh kuip:

„Deu mollek kendeze op een trip:

,,Zy vloogh den Baes van zijne hant,

„En speelde met de maght van 't lant.

„Zy borst aan eene spinnekop ,

„Tenvijlze dronk en sprack: dit sop „Bekomt my zeker niets te wel:

„De rest geeft Aerssen en Capel.quot;

Hetgeen ik in dit epigram vooral vondel waardig zou noemen, is het slot. Het bittere en krachtige van zijn' geest spreekt helder uit de gansche voorstelling van den zelfmoord van musch; doch de laatste regelen hebben iets klassieks. Zoo als eens de tiran theramexes, den giftbeker ledigende, met betrekking tot YAjn' medetiran gezegd had: „dien heker breng ik u toe, schoone ceitias!quot; zoo vermaakt ook de stervende gunsteling een diergelijk venijn aan zijne mededingers aeessens van sommelsdijk cu capelle van aektsbeegen (1).

(1) Volgens de aanteekeningen, zoo het heet, uit 's dichters eigen mond opgesehre-ven, geldt do toesjielmg in den liiutsten regel alleen cai'elle van aertsbkr-gen. Gemakkelijk echter kan aekssen oji aeessens van sommelsdijk, den grooten gnnsteling van wileem II, cn den voornamen handlanger van dezen in den aanslag op Amsterdam, betrekkelijk gemaakt worden. Onder denzelfden naam wordt 's mans vader, dc bekende Ambassaftnr, vaak door vonuee aangerand, b. v. in Palamedes:

„Brandmerkt eerst den snooden Acrt „Aertsvij.md van de braven,quot;

ocr page 89

73

X.

De oude uitspraak des Predikers, dat het eene ijdcle vraag heeteu mogt, of vorige tijden beter waren dan de onze, wordt door ieder onderzoek der gescliiedenis bevestigd. De daden, de bedrijven, de namen der inenschen wisselen afj de harts-togten, die hen bezielen, zijn in het Xoorden en Zuiden, in vroegeren en lateren tijd dezelfde; de klngten over de ellende vïïYi het heden, de lofredenen op de voortreffelijkheid van vervlogen dagen zijn te allen tijde even overdreven. Want waarom zouden wij de schilderingen niet overdreven noemen, welke de tijdgenooten in een' steeds versnellenden val voorstellen ? waarbij het ons onbegrijpelijk blijkt, dat niet sinds lang maatschappij en menschdom in eenen onpeilbaren afgrond zijn nedergestort ? Plato kende evenzeer een jong Griekenland, dat, opgewonden door wijsgecrige theoriën, naar de teugels van den Staat greep; en Rome had, volgens juvenalis, niet minder dan Ainsferdain, de plagen eener groote stad: brand, verzakkingen, en voorlezingen van dichters (l).

Het is deze schijnbare verachtering van iederen tijd en ieder geslacht, welke door dat genre van poëzij tot onderwerp gekozen wordt, 't geen bij voorkeur liet hekeldicht heet. Het is deze eenvormigheid van menschelijke verkeerdheden, welke ook aan die dichtsoort eene eentoonigheid heeft medegedeeld, waardoor de Satirici bijna elkaiu'lers navolgers schijnen. Hoe zou hij, die thans voor de oudste en oorspronkelijkste in de rij doorgaat, hoe zon horatius ons voorkomen, indien wij luciliüs bezaten? Het zijn deze beide, die zich .iuvenalis tot voorbeelden koos:

zoo ook is de regel in de l'erlroosthig

.,Eri vrijdt liet land van Aertsehe fielen eer op sommelsdijk dan op aertsbergen toepasselijk, wiens bekwaanilicdcn licin ook hooger in de algemeene achting hadden gebragt. (1) Incendia, lapsus

Teetornm adsidnos, ac mills pericula saevae Urbis, et reeiiantes Augusto mensc poëtas.

ocr page 90

74

en aan wie dan aan de Ouden schijnen de scherpste trekken van boileau eu van pope ontleend?

Ofschoon ieder hekeldichter met een gevoel van eigenwaarde op de verkeerdheid van zijn' tijd nederziet, zijn er echter twee verschillende wijzen, waarop dat talent de zaken pleegt te beschouwen. Volgens den eenen trant van zien, zijn de laakbare bedrijven der inunschen het gevolg hunner dwaasheid: volgens den anderen die hunner boosheid. Het eerste standpunt is onbetwistbaar hooger; want het is moeijelijker zich boven vooroordeeleu te verhellen, dan te gevoelen wat het geweten kwetst eu de zedelijkheid beleedigt. De hekeldichters van de eerste klasse trachten de handelingen hunner eeuw te toetsen aan het noodzakelijke en ware, aan de uitspraken van natuur en rede; de anderen vergelijken hetgeen gebeurt, met hetgeen in vroegere betere dagen plaats had. ÏÏüuatius staat aan het hoofd der eene, jdyenalis en peesius vertegenwoordigen de andere partij. Tot wclko behoort vondel?

Wij spraken vroeger van zijn somber eu tot droefgeestigheid overhellend karakter; wij vinden in zijnen doorgaanden toestand weinig dat opbeurend heeten mogt: wie durft verwachten dat hij menschen ei) dingen van de helderste zijde zal hebben gezien ? Twee onderwerpen, die gemeenlijk buiten den kreits van het klassieke hekeldicht pleegden te blijven, daar zij om het zeerst gevaarlijk en afgetrokken waren, boeiden vondel in het bijzonder. Godsdienst en Staatsvrijheid gingen, om den hoogen ernst van beide, onzen altoos even godsdienstigen als vrijheidlievenden dichter ter harte. Ongetwijfeld, er viel te lagchen met de wig-tigheid eu schoolschheid der godgeleerden, die zich verdiepten in bespiegelingen omtrent dingen, verre boven het bereik des verstauds gelegen; — het was een waardig voorwerp van scherts, gade te slaan, hoeveel sterker zij aan hunne leerstellingen verkleefd raakten, naarmate hunne bewijzen zwakker werdeu; — er mogt billijkerwijze worden gespot met den ijver, waarmede zij gedachten hiunen de perken van woorden poogden te oeslui-ten, — en, als ware het heiligste in den mensch van een woord

ocr page 91

75

afhankelijk, door woorden de ziel zochten gerust te stellen. En bood de staatszucht minder rijke stof? Het begin der zeventiende eeuw was zoo dikwerf getuige geweest dat velerlei, grootheid uit het slijk verrees, het had zoo vele namen van gevestigd gezag onder ongeluk en ongelijk zien bezwijken, dat het belagchelijke, 't geen der eerzucht altoos aankleeft, de valsche onderstelling, waarvan zij uitgaat, dat zij het geluk dwingen kan, teregt door den geesel der siityre rnogt worden gekastijd! Vondel echter versmaadde het op dit rijke veld zijner luim bot te vieren; — mogt men geen vrede hebben met onze verklaring dat zijn gemoed zijn geest beheerschte, niemand zal het loochenen dat zijne aantrekkelijkheid, die zich vaak onvoor-zigtig in de woelingen zijner tijdgenooteu mengde, te diep wat haar kreukte gevoelde, dan dat hij in het koud en onverschillig spotten van een' hoeatius behagen scheppen kou. De hevigheid der godgeleerden scheen hem daardoor het gevolg eeuer verachtelijke zucht tot heerschappij, die het best werd verkregen, wanneer het volk onder den schrik van geheimzinnige leerstellingen gekluisterd lag. Staatszucht had alleen eigeubelaug tot hoogste doel; overdreven weelde had de welvaart uitgeput, en het verdrukken der gemeente was het éénige middel tot bevrediging der schraapzucht, tot herstel der wankelende grootheid.

Wij ontkennen niet, dat deze wijs zich de zaften voor te stellen onbillijk was; wij beweren echter, dat zij vondel natuurlijk eigen werd. In het kerkgenootschap, waartoe hij behoorde, was vooral omstreeks het jaar 1625 tusschen de vermaners een bittere twist uitgebarsten over den aard van het Woord Gods, dat den mensch tot geloof en bekeering brengt; daar sommigen, niet geheel vreemd aan de oude meeningen van schwenkfeld en de Wederdoopers, veel opgaven van inwendige verlichting en inspraak des geestes (1). Er was ook hier gelegenheid tot scherts, en welk een vrolijk tafereel kou er niet opgehangen worden van de overdrijving eener meeniug,

(1) Zie de stukken omtrent jan theunisz, nittert orbensz en hans de rijs, Amsterdamy 1625,

ocr page 92

76

die zoo dikwijls het heilige ontheiligd en in de oogen van het gezond verstand heeft vernederd! Ik geloof echter, dat vox-del te godsdienstig was, om daaraan zijne geestigheid te beproeven; en de goede gezindheid jegens zijne gemeente vermaande hem waarschijnlijk de drijvers eener tegenovergestelde meening in ecu minder afzigtelijk licht te beschouwen. Doch van daar tevens, dat zijn meer dan honderd alexandrijnen lang vers: Tccjen het Vergift der Geest drijvers. Tot Verdediging van Gods beschreven Woord, bijna alle geestigheid mist, en bovendien noch op de dichterlijke verheffing, noch op de sierlijk krachtige uitdrukking, noch op het dramatische, dat zijne overige hekeldichten kenmerkt, aanspraak maken mag. Al de gloed zijner verontwaardiging schitterde eerst daar, waar hij op vrijer, onafhankelijker grondgebied zich in de geschillen eens anderen kerkgenootschaps mengde eu onbeschroomd de meening der Contra-Remonstranten in het bekende, ten jare 1031 uitgegeven, Dec ret mn Ilorriblf' aantasten mogt.

De twist over de Voorbeschikking had de geschiedenis van Jacob en esau, van welke de een verkoren, de ander verwerpen was, op den voorgrond gebragt, en tot leus der partijen gemaakt. Op de zonderlinge wandeling van den avontuurlijken i'aschiek de fijxe door de Waterlaudsche dorpen, w as dit het punt, waarmede de regtzinnige leeraar tegen paschiee's medgezel het Dordsche gevoelen staafde; en toen deze zich op het moederlijk gevoel van eene der aanwezige vrouwen, als op eene andere rebecca , beroepen, en haar gevraagd had, of zij zich kon voorstellen, dat aan een' der tweelingen, die zij onder het hart droeg, het eeuwig verderf beschoren was, had deze opmerking den Predikant in woede gebragt eu pasohier's reisgenoot eene dragt slagen berokkend. Het was die zijde der Contra-Remonstrantsche leer, welke vondel aanviel; en, zonder over hot gevoelen zelf uitspraak te doen, zal men ge-reedelijk erkennen, dat geen ander zoo gemakkelijk als dit op de dichterlijkste wijze in een valsch daglicht viel te stellen. Vondel's gedicht opent met een woedend verwijt aan calvijn ,

ocr page 93

77

dat liij voorzeker zou hebben teruggeliouden, indien liij de, ondanks bare gebreken, wezenlijke grootheid des voortreftelijken Hervormers uit zijne schriften had leeren kennen. Doch niet de doorluchtige schim uit Genève boeide hem; onze aeessexs stond in zijne gedachten op den achtergrond. Gelijk diens vader eenmaal do ongunst der menigte door het aannemen van netex's geschenk op zich laadde, werd door zijne vijanden ook de trouw des zoons verdacht. Welligt, zoo verraadt de dichter zijn geheim , had CALviJN even zoo in de gouden Spaanschen keten van servetus, gelijk er zijn, die, door Franschc leliekroonen bekoord, zich tegen het Vaderland laten gebruiken. Maar, gispt hij zich zeiven, in schier vrolijke luim:

„Maer dit verklaert geen text, noclit mickt op 't rechte iloel.

yver dwaelt van 't spoor: hy slacht den predickstoel.quot;

Zoo iets in dit gedicht onze hooge bewondering verdient, het is het schitterend krachtige begin, de menigte en de rijkdom der denkbeelden, die als golven zich onderling voortstuwen. Eerst leest de dichter, der heftigste ergernis ten prooi, de woorden van calvijn, die hem eene godslastering toeschijnen. Verontwaardigd werpt bij het boek uit de hand, als had hij thans de overtuiging, dnt de Hervormer, die zelf geene godslastering schuwde, niet daarom den ongelnkkigen sekveet met zoo veel verbittering vervolgde. Neen, gouddorst spoorde hem welligt tot dien moord aan, even als thans nog de staatsman, aan wien hij het ongeluk van oldenbarxeteld weet, zelf gretig naar de pistoletten was, van welker aanneming hij zijn slagtoffer valschelijk betichtte (1). Maar, terwijl zijne ge-

(1) Hetzelfde denkbeeld vindt men in den Valamcdrs, waar, in de oudere uitgaven met toespeling op aeessens, voorkomt:

„Verdient hy een brandteeken, die „Tot onses staets verkleenen

„lek meest verrijekt met giften sie:

.jMerckt desen niet, maer genen:

„Wiens gondsucht boos, en Goddeloos „Vind syns gelijk' niet eenen.quot;

ocr page 94

78

dachten van calvi.tx en zijne stellingen op den gezant van Franhrijk afgeleid worden, denkt hij aan den zoo vaak bespotten smout en andere Predikanten, die in het vuur van hunneti ijver de Regering aantastten en van den kansel tegen LODEWiJK den 'Dertienden te velde trokken.

Het vervolg is de levendigheid van het begin waardig. Zoo calvltn' aan God de mogelijkheid toeschrijft, dat pas geboren kinderen eene prooi der helle worden; lioe is het mogelijk, dat zulk eene leer aan vrouwen kan behagen? Ja, indien Gods liefde, volgens het gewijde Woord, die eeuer zogende moeder nog overtreft, hoe kan zulk een stelsel op den duur bijval vinden? De gedachte alleen zou ieder kraambed bedroeven. Gij verlangdet, dat vondel hier de zachtere snaren, die hij zoo liefelijk wist te bespelen, hadde getokkeld; dat hij u hadde geschilderd, hoe moederlijke teederheid, moederlijke hoop, moederlijk vertrouwen, de harde wijsheid der godgeleerden beschaamde. Ik wenschte het met u; want hoe krachtig de greep dien hij de voorkeur gaf wezen moge, hoe afzigtelijk daardoor ook het voorwerp van vondel's satyre worde, toch levert hij ons slechts een stuitend beeld, die moeder in het kinderbed tot wanhoop eu razernij gebragt! Intusschen, laat ons billijk zijn, het faalt der schildering aan kracht noch gloed, de gruwel leeft; of zou ik wel doen zoo ik u de hartverscheurende klagt der vrouw onthield?

„Is God de krokodil, die quot;t versch geboren kind,

„Aen (Voevers van den Nijl, voor leckerny verslind?

„Daer Mo.szs namvelijcx in 't kistje, wordt behouwen;

„En drijft, door 't moord-gesclirey der Isralijtse vrouwen,

„Door lijeken sonder tal. Is God een liuyelielaer,

„Die d' Ooster leyd-star vleyt, met kerekelijck gebaer?

„En verwt het moord-toon eel der Bethlehem sehe straten?

,,En siet. de worsteling van vrouwen en soldaten,

„Een deerlijek sehou-spel, noch met lachende oogen. aen? „En pijnight Rachels geest, hy duyster, op Ie staen?

„Om, van krancksinnigheyd, te spoocken en te rabbelen?

„liet hayr te scheuren, en den boecem op te krabbelen?

ocr page 95

79

„Ts God een Moloch, van bamhartigheyd vervreemd? „Die 'toffer-|iopken, in sijn' gloeynde armen, neemt „En laeL het, aan de spaen, met oli, vyer en vonelan?''

Thans echter gaat de ilichter te ver, en zijne verzen zijn der razernij, niet der kunst waardig. Het is hoogst noodig, dat hij afbreke:

.,IIoe duncki n? is 'tgeen tijd dat elck die kraneke redde? „Op baker-moeder: drijf die docters weg, voor quot;tbedde, „Met bedstoek, tofiels, of met graenwen: 'tis al eens; „'t Geloof heeft nimmermeer met wanhoop vet gemeens.

Een genie als dat van vondel scheidt van de stoffe niet zonder eene troostrede voor de wieg en het kraambed; en heeft hij in een' ziedenden stroom zijne verontwaardiging over eene iii zijne oogen zoo verschrikkelijke leer uitgestort, hoe blijkt hij zijne hoogste gaven voor het heerlijk, en na die afgrijsse-lijkheid waarlijk verkwikkend, slot te hebben bewaard:

„Mijn1 kraem-siel! sijt getroost, ghy hebt op nwe sy' ^Jehova, die nw saed al meer bemint, als ghy. „TTy heeft sijn hartebloed, voor uwe vrucht, vergoten „En teeckentse in den boeck der saelge bondgenooten. ,,De hemel is haer erf, hy locktse, met syn' stem. „Hy sameltse, in den schoot van 't nieu Jerusalem „Veel liefelijcker als een' kloek-hen, met haer' wiccken, „Beschaduwt en beschermt het ongepluymde kiecken. ' „De waerheyd is oprecht: sy hoeft geen plonder-grijns. „Sy toont u 't Paradijs, en d' eer der Cherubijns „Dat sijn de sieltjes, daer uw' siel om was verlegen: „Die sich, als Buy ven op hun witte schachtjes, wegen; „Veel witter als de melck, die uyt uw' tepels sprinekt; „Sy weyen in het gout en hemels-blaau, hoe blinkt „Hun kuyf en sachte pruyek, van ingevlochte steenen, „Van d'ongenaeckbre son der eeuwigheyd bescheenen. „Dit hang-wieckt, en dat swaeyt den triomfanten palm.

ocr page 96

80

„Een ander toekt de snaer, en weckt yvoiren galm. „Een ander blaest de fluyt, een ander goude noten „Uyt roose-bladen leest, een ander onverdroten „Eet mann', een ander lept der Euglen leckerny. ,,Eeu ander lacht, om Bezaes kinder-kettery.quot;

XI.

Wij laten de vraag in liet midden: of voxdel ia zijne voorstelling der Cidvijusche leer niet onregtvaardig was? wij geven toe, dat verzen, als de bovenstaande, slechts strekken moesten , om haat en verbittering te ontvlammen; maar wij eischoii tevens voor den dichter den lauwer, die hom toekomt, liet zou goed geweest zijn, zegt gij, indien de kunst liet vuur getemperd , indien de studie van de voorbeelden der oude en latere meesters hem geleerd had zijne verontwaardiging zóó te gebruiken, dat zijne dichtstukken, even als die van BOTr/E.vu, een bevallig geheel hadden opgeleverd. Waarlijk? — maar won hij niet in stoutheid en oorspronkelijkheid, doordien hij zich minder aan de voetstappen van voorgangers bond? troffen zijne slagen den tijdgenoot niet te sterker, naarmate hij, misschien, minder aan de mogelijkheid dacht, dat zij de nakomelingschap zouden bereiken? Veel is er van vondel's studie der Ouden gezegd, en het blijkt waar te zijn, dat hij met de Latijnsche dichters van tijd tot tijd vertrouwelijker leerde omgaan; maar of dekennis der oudheid diep genoeg in hem was doorgedrongen, om het fijne van hoeatius te genieten, om al de toespelingen van juve-nalis te begrijpen, om peksius te verstaan, peesxus dien scaliger, om zijne duisterheid, op het vuur wierp? wij zouden deze vragen ontkennend durven beantwoorden. Voxdel haatte zelfs, indien men uit zijn meergevorderden leeftijd tot vroegere dagen besluiten mag, die gewrongenheid en ingewikkeldheid, waarop de hekeldichters wel eens meenden regt te hebben. Stellig stond, wat het kunstmatige zijner satyres betrof, onze vader-landsche dichter beneden den Engelschen doxxe, die in de

ocr page 97

81

den van jacobus den lsten het waagde, de poëzij zijns vader-ads met inderdaad sclierpzinnigc, levendige, en op de studie r Ouden gegronde hekeldichten, te verrijken. Vreest gij dat wij eenzijdig prijzen? wij haasten ons er bij te voegen dat de •it in ruwheid en platheid van uitdrukking, bij wijle geenszins or tondel onderdoet; dat onze kieskeurige kunstregters, wil-n zij billijk zijn, evenzeer over genen als over dezen den if zouden breken. Echter vonden in dien tijd hooft en most-:rt in bonne's gedichten behagen. Hütoexs ging verder, hij iurde die de eer eenor vertaling waardig, en droeg zijnen arbeid n de bevallige en vernuftige tesselsohabe op. Maar bonne as duister, vol van eigenaardige spreekwijzen en geestigheden, die ■t bepaalde plaatsen en personen behoorden; zóó zeer zelfs, dat oning karei, de Tweede het eene onmogelijkheid achtte, . eenige andere taal den toenmaals in Engeland hooggevier-in dichter te vertolken. Nóg kan men zien, in hoe verre dtgens in deze proeve slaagde; zijn stijl, op zich zeiven miner gemakkelijk en duidelijk dan die van vondel, won niet ij het overbrengen van een' zoo duisteren schrijver. Te midden er vleijende pligtplegingen, welke de beleefde drossaard aan den eer van hofwijck over zijne vertaling maakte, verzuimde deze zelfs iet aan te merken, dat de Engelsche dichter wel eens hooger loog, dan het oog hem kon volgen. Tesselschade had misschien en bijstand harer geleerde vrienden noodig, om het htlar op-edragen boek te verstaan. En vondel vond zoo weinig smaak i deze vreemde lekkernij, dat hij, in een vrij onbeleefd epi-;ram, de gedichten van donxe doorstreek, zonder de bewon-leraars van deze, hooft , huygens eu mostaert te ontzien.

Onze twijfel vinde hare verklaring in de vraag: durft men ,ich vleijen, dat onze dichter gelukkiger in het raden van len zin der Eomeinsche schrijvers dan in dien van den Brit :ou geweest zijn? zou hij zich zelfs de moeite hebben getroost, hunnen trant over te nemen, terwijl hij dien van jen' hunner gelukkigste navolgers versmaadde? Wij gelooven liet niet; al heeft men beweerd, dat de beste plaatsen in zijnen

G

ocr page 98

82

Boslrim aan juvenalis en petronius werden ontleend! - alsof liet buitensporig hoogdravend gedicht over den burgerkrijg, dat wij in de werken des laatsten aantreffen, - hem den rang van hekeldichter naast den eersten verzekerde (1). Neen, toen vondel, welligt door huygexs' kostelijk Mal, of eenig ander voorbeeld opgewekt, de zeden van zijn tijd scherp wilde ten toon stellen, zonder dadelijk bepaalde personen of feiten aan te lauulen, volgde hij zijn' eigen' weg, en de namen van Harpoen en Roskam waren even oorspronkelijk als het plan en het onderscheid van beider bewerking.

Wij kennen echter aan het eerstgenoemde hekeldicht geene zeer hooge waarde toe. Vondel schijnt de kunst slecht verstaan te hebben, eene ondeugd aan te tasten, zonder persoonlijk te worden; en in dit gedicht trachtte hij zulks te vermijden, door aan een' gedroomden Heer landeslot (hij bedoelde de Staten des Lands) te schrijven over twee denkbeeldige Predikanten qodfeied en wolfaert. Gedurig dwaalt hij van zijne leenspreuk af, verdiept zich in bijzondere gebeurtenissen, en ofschoon hij straks alle moeite doet, om weder in de ruime zee van zijnen denkbeeldigen Staat te geraken, dwarrelt hij, zonder iets te vorderen, eene wijle in het rond. De uitvoerige schets van het beeld eens volmaakten Predikants is eenvoudig en vloeijend; maar het is slechts eene enkele schoone plaats uit een dichtstuk, dat de lofspraak van itoofï naanwelijks verdiende. De Heer van schagen duidde den dichter het noemen van zijnen naam hoogst euvel, en zeker, hij staat even wonderlijk als datheen en Prins weltiem in het half allegorische gedicht. Zou 's mans gramschap minder heftig zijn geweest, wanneer de verzen gelukkiger geslaagd waren; en gold ook hier ?

„Si mala condiderit in quern quis carniina, jus est

„Judiciimique. — Esto, si quis mala; sed bona si quis

„Judice condiderit laudatus ('aesare? — -

„Solventur risu ialmlae; in missus abibis.quot;

(1) W its en geysbeek, Bioyr. Juf. Voorcfenhoek, Deel VI, p. 302.

ocr page 99

83

Grooter zijn verreweg de verdieusten van den Roskam: den dichter staan hier geene allegorische figuren, maar wezenlijke personen voor den geest; zijne schildering draagt het kenmerk even waar als juist tc zijn. Terwijl do Harpoen een gedroom-den Heer laxdeslot aanspreekt, rigt zich de Roskam kort en krachtig, met eene bep-.ialde gedachte, aan den Drossaard hooft. Vondel beklaagt zich over den tijd, waarin ieder van godsvrucht den mond vol heeft, en zich echter het ple Bn van onregt niet schaamt. Hooft's vader zelf, de grijze oud-Burgemeester, en geen gefingeerde godefried, is het ideaal, waaraan hij het gedrag der overigen toetst. Dc klagten ziju dezelfde, welke bij beide partijen in dien tijd oprezen; vooral toen de dood van maueits den Staat voor het oogenblik in verslagenheid gebragt en den arm ties oorlogs verlamd had. Onbekwame regenten, weelde, tiranuij, schraapzucht: ziedaar den tekst van het bezielde gedicht. Er komen geene persoonlijke aanvallen in voor; liever nog, de aanklagten zijn zóó algemeen, dat de bedoelden er zich nauwelijks door beleedigd konden achten. Er is, ja, allegorie in het vers, maar cenc korte, juiste, krachtige; waarmede men vrede hebben kan, dewijl de beeldspraak geen bijschrift ter verduidelijking behoeft:

„-----— kort om dit 's onse placgli.

,,quot;t Is, drijft den esel voort; gemecutcn-cscl draegli:

„Het land heeft meel gebreck: dus breng den sak le molen,

„Met dry ven is ons ampt: liet paek is u bevolen.

„Vernoegt u, tlatghe sijt een vry-gevochten beest;

„Is 't na het lichaem niet, soo is het na den geest.

„Tot 's liehaems lasten heeft de hemel u beschoren,

„Uit past u bet dan ons, ghy sijt een slaef geboren,

„Best doet ghy 't willighlyck van selven, dan door dwang. „Dus raeckt het slaefsche dier, al hygende, op den gang.

„En sweet en sucht en kucht, de beenen hem begeven.

„Hy valt op beydc knien, als bad hy: laetme leven:

,,En giegaecht heesch en schor.''

Even levendig is de voorstelling, hoe de oude Staatsman,

ocr page 100

84

wnrcii hem de tegeuwoordige onlicileu bekend, de zaken redden, en als een geschikt sclieepslioofd ieder op zijne plaats stellen zou. En die cato zelf, die kein voor den geest stond, coeïtelis Pieterszoon hoofï, hoe sclioon keeft voxDEL ons zijn beeld geteekend!

v-------lioe was hy soo gelijck

„Dien burgemeestren, die « el eertijds 't Roomsebe rijek „Door liunne oprechtiglieyd, opbouden van dei' aerde „Ten top; doen d' aekerbon iu aebting was en waerde;

„Doen deege deegiijckbeyd niet speelde, raep en schraep; „En 'svyands goud min gold dan een gebrade raep.

j „lloe heeft hem Amsteldatn ervaren wijs en simpel:

] „Een hoofd vol kroncken, een geweten sonder rimpel.

„o Beste bestkyaËii! wat waert gby Holland nut,

„Een styl des racds, doen 't lijl van 't stoexken werd gestut;

„Op dat lek ga voorby ons Catilinaes tijen:

„Doen 't vaderland in last, door twist der burgeryen,

„Ghy 't leven waert getroost te heyligen den staet;

„En doen, nw hoofd gedoemt, door 't hoofd van eygebaet „Ghy geen gedachten had van wijeken of van wancken „De wees en weduwen, do ballingen u danken:

„Hoe welghe noyt oui_dank hebt, sonder onderscheyd,

„Bescheenen met den glans van uw goedaerdigheyd,

„Ondanekbre en danckbre, dieughe kont ten oorbaar strecken. „o Spiegel van de deughd! o voorbeeld sonder vleeken!''

Zoo vondel, in ondersckeiden der door ons beschouwde gedichten, de onaangename keerzijde zijns karakters, partijdigheid en bitterheid, niet heeft verheeld, wij hebben te meer regt onze beschouwing te eindigen met eene plaats, welke zjjn hoofd en liart eere doet. De warmte, zoo der dankbaarheid als der bewondering, van welke deze schitterende hulde aan den Burgemeester getuigt, verzoent als het ware, en roemt tegen den koelen wrok, met welken hij teigland en aeessexs vervolgde. Zij levert het doorslaand bewijs, dat diezelfde partij, wier eigenbaat en heerschzuclit thans te veel op den voorgrond wordt geplaatst, ten minste ook hare goede eigenschappen had;

ocr page 101

door welke zij de bewondering tot zicli trok, of, wil men, de oogen verblindde van mannen, aan wie de Muze der poëzij het voorregt had bedeeld, huimen tijd voor liet nageslacht te bezingen. Verre er van, dat die vlugt der poëzij door heu zou zijn verkort, verre er vau dat zij de stem zouden bedwongen hebben, welke volgende geslachten kou bereikeu, zien wij integendeel die kleine tirannen, zoo als men ze heet, die onverzoenlijke aristocraten voor niets zoo zeer ijvereu, als voor den bloei en deu opbauw eener hun zoo gevaarlijke zaak. De kunst is hun dankbaar geweest; niet voor giften en geschenken (want wiens milddadigheid beurde vondel uit zijnen ne-derigen toestand op ?), maar voor de bescherming, welke zij genoot, voor de waardige stof, die zij in hun voorbeeld vond, die zij hunnen bedrijven was verpligt. Zulk een ideaal was hooft voor voxdel, en de lauwer, weikeu hij om den schedel van dien ouden zoon en kampioen der vrijheid gevlochten heeft, zal duurzamer zijn, dan de blaam, waarmede Neêrlands tweede vondel zijne gedachtenis heeft trachten te'bevlekken.

Er leeft eene regtvaardigheid in de geschiedeuis. Vondel's schimp en spot heeft den roem van cats bij de nakomelingschap niet beneveld; heeft de dankbaarheid niet uitgewischt, die de borst van den regtgeaardeu Nederlander voor maurits , den dapperen verdediger en bevestiger van onzen Staat, vervult; heeft de grondvesten der Kerk niet doen waggelen, welke voor onze voorvaders een hechte rots in de stormen van hunnen tijd, eene bron van troost in den dood, is geweest. Even zoo zal de nakomelingschap, eene eeuw later, een billijk vonnis hebben geveld over de daden en werken dergenen, die de slagtoffers van bilderdijk's aanvallen geworden zijn; zal zij hebben beslist, wie verdienen der vergetelheid prijs gegeven te worden, wie regt hebben met onverdoofbaren luister te blijven schitteren. Reeds thans echter moet elk die bilderdijk als dichter wil waarderen, de ruwe uitvallen van norschen wrok en booze luim weten te onderscheiden van den dichterlijken gloed , dien het opgewekt gevoel van regt en onregt aanblaast; hij moet

ocr page 102

I f

o f b quot; 1 f

86

zelf vrij zijn van de partijzucht voor of tegen de meeningeu des dichters, die liet onzen oogen door bside licht en scliauuw schemeren doet. Ware het oogenblik tot onpartijdig oordeelen over vondel's tijd reeds aangebroken! — tot dit daagt is hot verzwijgen eu smoren der meeningen, het vergeten en misken-neu van vondels hekeldichten, intnsschen zeker een verkeerde weg tot bevrediging der gemoederen. De naam, de roem des dichters zouden er bij lijden. En naast de regtvaardigheid in de staatkundige geschiedenis behoort er regtvaardigheid te zijn iu de geschiedenis der kunst, regtvaardigheid en waarheid in onze Aesthetick.

ocr page 103

INBLOUD.

I. Inleiding. Plet hekeldicht in harmonie met den tijd waarin en het volk waarvoor het wordt gezongen. . . . Blz. 1

II. Amsterdam en hare burgerij, bij het eerste optreden van vondel.................6

III. De strijd van geestelijke en wereldlijke magt .... 14

IV. De vroegste nieuwere Nederlandsclie poëzij zonder eigenlijken vorm voor het hekeldicht..........21

V. Dr. Samuel cosTETi en joost van den vondel, de meerdere den mindere dienend............33

VI. De Eommelpoj; van 't Hane-kot........40

quot;VIT. De Otter in 't Bolwerck. — 't Sprookje van Reintje de Vos. — Het prijsvers der Academie.......49

VIII. Vertroosting ever de doodt van Prins Willem IC— De Geuse-Vesper. — Het Jaergetyde van wylen joan van oldenballnevelt..............56

IX. Eene definitie van liet epigram. — Bijschriften en opschriften. — Het stockske van joan van oldenbahnevelt. — De Hofmusch...............G4

ocr page 104

X. De eentonigheid van het hekeldicht. — Tweeërlei opvatting door Satirici. — Tot welke van beiden behoorde vondel? — Het «Decretum horribile.» . . . . Blz. 73

XI. Vondel's studie der oudheid. — john uonne en zijne hekeldichten. — De Harpoen cn de Eoskam. — Bestevaer's hooit, vondel's ideaal van den burger eens vrijen Staats, vruchteloos door bildebdijk gescholden......80

ocr page 105
ocr page 106
ocr page 107
ocr page 108