ocr page 1

/Q,

tx ^

s

IA

ocr page 2
ocr page 3

■

-

ocr page 4

RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT

0854 5562

ocr page 5

y /x

DE BRUCE'S

£a/

J 0 Z E F I N E

DOOR

Cd. BUSKEK HUET

MET EEN VOORBERICHT VAN G. BUSKEN HUET.

In«'tuut De Vo0ys

or Nederlandse TmU

Ruk e amp;

Wiksvn.veflt;r~r '•

H A A R L E M H. I). T JE ENK WILLINK 1 898.

ocr page 6
ocr page 7

V O O R B E K I C II T.

J o z ef i n e is de proloog van een (jrooten Nèderlandsvhen fdiuilie-rowctv, door Cd. Buslten Iluat hort vóór zijn vartrak uit Indie ontworpen, en waarvan het eerste gedeelte, Robert Br n c e1* leerjaren, in zijn Indisch dagblad in 1875 verscheen.

Na zijn terugkomst in Europa roerd Jozef ine er als inleiding aan toegevoegd, en eveneens in het Bataviausch blad gepubliceerd. Jozef ine schildert .Veder landsche toestanden in de eerste jaren van Koning IVillem 11; Robert Bruce die van omstreek': 1848.

Uit het slot van Jozef ine blijkt yenoeg, dat de auteur voornemens was het verhaal voort te zetten en er ook een schets der Indische maatschappij in op te nemen.

Het plan teas den radikaal en maatschappc lij ken hervormer Robert Bruce, zoon van den David Bruce van den proloog, na een verblijf op Java in Europa teruggekomen , den dood te doen vinden bij de onderdrukking van den Purijschen Commune-opstand in 1871.

l)oor kritische en historische studiën afgebroken, bleef de draad van het verhaal liggen, en werd nimmer opgenomen. Thans, na een herdruk van Lidewyde verscheen, werd geacht dat de Bruce^s, hoeioel onafgewerkt, te veel bijdragen bevatten tot de kennis van de ontwikkeling des auteurs, om ten eeuwigen dage in de kolommen van een Indisch blad begraven te blijven. Zooals

ocr page 8

VOORBERICHT.

IV

de schrijver-zelf in de volgende voorrede zeyt^ vindt men er ele-menten van ffedenkschriften: in Hol)er t Bruce noy meer dan in Jozef in e.

Hut geheel ü natuurlijk onveranderd herdrukt. Hier en daar in een plaat* weggelaten die de schrijver-zelf, hij een definitieve herziening, geschrapt of gewijzigd zou hehhen.

(t. busken hueï.

ocr page 9

V O O R R E 1) E.

Dit verhaal zou den ilulilif.len titel hunneit drayen van: Jozef ine of de aanvang der Brnce's.

'/onder mij te noemen onderwierp ik, drie jaren geleden, aan het welwillend oordeel der lezers van dit hlad1, eenige hoofdstukken uit De Bruce''s: een Nederlamlschen familieroman, spelend in Fehruarij 1848, en bestemd, in groote trekken de lotgevallen der kinderen van één gezin te schetsen, onze tijdgenooteu. Het. plun bragt mede, hen te volgen tot Mei 1871: toeïi de ondergang der Varijsche Commune een kapittel der nieuwere Europesche geschiedenis afsloot, dat door de Februarij-omwenteling geopend was.

Nederland heeft aan de beweging, van welke die twintig of vijfentwintig jaren getuige waren, niet regtstreeks deelgenomen. Maar zoowel in Indie als in het Moederland zijn, in verband daarmede, een groot aantal der toenmalige denkbeelden en gewaarwordingen door tie harten en de hoofden gegaan, en hebben er een indruk nagelaten. Dien indruk onder verschillende gezigts-punten in beeld te brengen, staat bijna gelijk met het schrijven der inwendige geschiedenis van onzen eigen leeftijd; en welligt dwaselijk vlei ik vrij met de hoop, daarin te eeniger tijd te zullen slagen ■

De stof is mimler overvloedig dan zij schijnt, en in hetreie-1. Het Algemeen Dag blad van Netlerlandsuh Indie.

ocr page 10

vookrede.

keiijl' weiniy woorden zou ik van mijn denkbeeld eene schets kunnen geven. Doch het is verkieslijk, ook nu wtvler aanstonds ter zake te komen.

De korte vertelling, die ik thans yeef, gaat, roat de tijdsorde betreft, aan Koberï Hiiucr's vroeger verschenen leerjaren vooraf, en vormt de inleiding tot het geheel.

Zij speelt in dagen, toen ik mij nog slechts gedeeltelijk bewust was van hetgeen voorviel om mij henen, maar toch reeds had opgehouden, een kind te zijn. Gedenkschriften mag ik deze herinneringen niet noemen, ofschoon de waarheid er eene even groote plaats in beslaat als de verdichting.

ocr page 11

I N H 0 U D.

Bladz.

I. EEN OUD-GOUVERNEUR DER MOLUKKEN. ........ 1

II. DE OUD-GOUVERNEUR RIGT ZICH IX..................6

II f. HAAGSCHE KENNISSEN................9

IV. EEN MISHUWD MARINE-OFFICIER.............. 26

V. BINNENLANDSCHE REISPLANNEN................. 33

VI. „WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIENquot;......... 39

Vil. JOZEPINE VERLAAT DE KOSTSCHOOL:. ....... 52

VIII. .IOZEFINE TEHUIS....................... 62

IX. DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON............. 69

X. REGENACHTIGE ZONDAGEN............... 82

XI. DE HEER VAN ALKEMADE TÜSSCHKN TWEE VUREN'.. SS XII. DE HEER EFRA1M KOMT SALOMON BISSCHOF EEN

VOORSTEL DOEN................................. 102

XIII. SALOMON BISSCHOF ONTMOET KARL HEINZEN........ 116

XIV. DOKTER VAN DEN ENDE VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS................................. 124

XV. LETTER- EN ZEDE KUNDIGE ONDERSTELLINGEN....... 135

XVI. LAATSTE NIEUWE KENNISSEN..................... 146

XVII. HOE SALOMON BISSCHOF AAN KAPITAAL KWAM...... 155

XVIII. DE HEER VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN. 163

XIX. HENRI WILSON OP DE PROEF GESTELD............. 174

XX. JOZEFINE AAN HET WERK....................... 181

XXI. JOZEFINE VERREKENT ZICH..................... 189

XXII. DE SCHRIJVER FILOSOFEERT..................208

XXIII. NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER................. 210

XXIV. BESLUIT........................................ 221

ocr page 12
ocr page 13

I

EEN OUD-GOUVERNEUR DER MOLUKKEX.

De ingenomenheid met Indie — die ten gevolge der lief-hebberij-studien van het hoofd des gezins, en van de loopbaan van den oudsten zoon, er in het vervolg een korten bloeitijd kennen zou — rees vóór 1840, in den boezem der familie Bruce, nooit tot bloedwarmte.

Zelfs daalde zij, in de lente van 1841, onverwachts beneden het vriespunt.

„Geachte zuster Adrienne,quot; — luidde de onhartelijke zee-brief, welken de oude mevrouw Bruce, aan het ontbijt verschijnend, in die dagen nevens haar bord vond liggen: „Adres „dezes bewijst, dat al liet ik in zes en dertig jaren niets van „mij hooien, Uwe lotgevallen mij niet onbekend gebleven ziju. „ Meminissc juvat.

„Uw man staat aan het hoofd van een solied handelshuis, „opgerigt door den ouderen heer Bruce. Gijlieden leeft te mid-„den van een aangenamen overvloed. Aiire.a mediocritas. Ik „maak U deswege mijn compliment.

„Verstandige dochter van eene dwaze moeder, — en een nog „dwazeren vader, — is er eene verstandige vrouw uit u ge-„groeid. Moesten de kinderen volstrekt een vijf- of zestal wor-„den? Zijn er welligt nog meer?

„Dit is het eenige, wat ik in U te berispen vinde. Doch ik „onderwerp mij. Het is met de moeders als met de boeken. „Habent ma fata.

„Tk had mij niet voorgesteld, ooit naar het verwaande Ne-„derland te zullen terugkeeren. JVe ossa q aidem habebit, dacht

1

ocr page 14

EEN OUD-GOUVERNEUK DER MOLUKKEX.

„ik. Maar mijne gezondheid eiscbte het. Sedert eene maand „bevind ik mij te Batavia, het oogenblik van mijn vertrek naar „Europa afwachtend.

„De reis van Makassar naar hier (gij weet, onderstel ik, „dat Makassar de hoofdplaats der Molukken is?) heeft mij zeer „vermoeid. Mijne dochter Jozefine, een meisje van zeventien „jaren, vergezelt mij. Pulcherrimae matris filia pulchrior. Haar „moeder heb ik verloren.

„Het plan is niet, met U te komen zamenwonen in dezelfde „stad. Ik haat de Amsterdamsche straatsteenen. Dezelve doen „mij aan onzen vader denken. Tc saxa loquuntur!

„Als de krachten het toelaten, breng ik bij mijne aankomst „Jozefine naar Brussel, en ga mij nederzetten in Den Haag. „Aan Jozefme's opvoeding moet de laatste hand nog gelegd „worden. 'Kz xaiw xiaSoe geldt ook voor meisjes.

„Het zal mij aangenaam zijn, U en de uwen over eenige „maanden in welstand te ontmoeten. Mogt ik onderweg komen „te sterven, dan beveel ik U mijne dochter aan.Beschikkingen „omtrent dezelve vindt men onder mijne papieren.

„Het schip is de Staatsraad van der Houven. Ik hoop levend „aan boord te komen. Maar.... illi rohur et aes triplex! Uw „geleerde echtgenoot zal U weten te zeggen, wat er verder „volgt.

„Mijne lever is aangedaan, ik worde geplaagd door het spruw, „en de chef der geneeskundige dienst houdt het er voor, dat „ik beginselen van tering heb.

„De beginselen derzelve had ik reeds veertig jaren geleden, „en langer, dank zij onzen vader, die ze onze moeder ten „huwelijk bragt en op ons overplantte; althans op mij.

„Tot hiertoe evenwel bereikte zijne erfenis — de eenige, die „hij ons naliet — het doel niet. Jusium ac tenacem.

„Mijne dochter biedt U haar respect aan, alsmede aan haren „Oom en aan hare jonge Neven en Nichten.

„Ik teeken mij hoogachtend,

„Uw toegenegen Broeder „CORNELIS VAN ALKEMADE,

„Oud-gouverneur der Molukken.quot;

•De geheele brief was even koel en stijt als het adres: Aan iïisvvouw A. Bruce, geboven Vo.n AIkenidde, Keizersgvoxht bij da Leliegracht, te Amsterdam.

— „Houd mij de opmerking ten goede, Adriennequot;, — zeide,

2

ocr page 15

EEN OÜD-GOUVERNEUR DER MOLUKKEN.

vol uit de borst en met de noodige verontwaardiging, David Bruce, later Bruce en Co.. toen hij zijne vrouw op haar verzoek den brief voorgelezen, en de Latijnsche aanhalingen, met dat woordje Grieksch er tusschen, onder de hand voor haar vertaald had, — „houd mij de opmerking ten goede, dat je broer Cornelis een kwast in folio is!quot;

— „Het getuigt niet van smaak,quot; — ging hij met klimmen-den weerzin voort, —■ „zich van dergelijke stoplappen te bedienen; en ik dank je, dat je den brief vóór je hebt gehouden, tot de kinderen de kamer uit waren. Zij zullen vroeg genoeg te weten komen , dat hun Indische oom, die op het verwaande Nederland smaalt, in het zoeken naar dat scheldwoord de natuur te baat heeft gehad.... Zoo worden, zou ik zeggen, indien een verstandig mensch zich niet wachten moest, valsch vernuft met valsch vernuft te beantwoorden, de truffels door de varkens gevonden!quot;....

Deze laatste woorden sprak David Bruce binnensmonds, als eene berisping aan zijn eigen adres.

Twee groote tranen vielen onderwijl op mevrouw Bruce's blanke handen, gevouwen in haar schoot.

— „Bleef het maar bij belagchelijk!quot; — zuchtte zij, heenstarend over de grijze haren van haar man tegenover haar, dien zij uit schaamte over haren broeder niet in de oogen durfde zien.

— „Helaas,quot; — vervolgde zij, droefgeestig het hoofd schuddend, — „ik vrees, dat het hart bij Cornelis nog altijd niet op de regte plaats zit! Zoo te spreken over onze lieve moeder! Over onzen vader, die zulk een moeijelijk leven heeft gehad, en zoo voorbeeldig gestorven is! Hoe haatdragend! Hoe liefdeloos! Vreest hij niet, dat zijn kind eenmaal zoo over hem zal spreken?quot;...

Om zijne vrouw te sparen , veranderde David Bruce van batterij.

Hij zocht eene verontschuldiging voor de stuitende koelheid van den hem alleen nog van hooren zeggen bekenden zwager; en daar hij een goed man was, had hij er spoedig eene gevonden.

— „Het schrift,quot; — zeide hij, den brief opnemend en weder openvouwend, — „is de bevende hand van een zieke. De slechte toon zal het gevolg zijn geweest van eene voorbijgaande slechte stemming. Wij zijn óók niet in ons humeur, Adrienne, wanneer wij ziek zijn.quot;

3

ocr page 16

EEN OUD-GOUVERNEUR DER MOLUKKEN.

— „God geve het, Bruce! Maar hij is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven, ducht ik. Van jongs at, toen hij nog op de Latijnsche school ging, heeft hij een hekel gehad aan onzen goeden vader, die hem niet wilde laten studeren, maar bij zich op het notariskantoor houden. Dat was zeker geen verstandig plan. Voor een jong mensch waren daar geen voor-uitzigten. Maar moest hij vader daarom haten , en met een boos hoofd naar Indie gaan?quot;

— „Laat ons niet vergeten, Adrienne, dat hij het er tamelijk ver gebragt heeft! Verder, naar alle gedachten, dan zoo hij hier gebleven was. Wanneer kinderen het met hun ouders niet vinden kunnen, dan is het maar beter, dat zij ieder huns weegs gaan. We moeten er ons naar voegen, dat Cornelis ten minste de voldoening smaakt, een carrière gemaakt te hebben.'

— „Zooals hij dat noemt, ja!... — God weet, dat ik hem zijn rang niet misgun; en ook heeft hij getoond een energiek mensch te zijn. Maar zóó weg te gaan! In al die jaren niets van zich te laten hooren! Ons zelfs geen berigt ie hebben gezonden van zijn huwelijk! Het snijdt mij door de ziel. Vader's en moeder's laatste gedachten zijn voor hem geweest; en hij verwijt hun, dat zij hem geen geld hebben nagelaten!quot;

— „Een dom verwijt, zeker. Hun liefde was méér waard. Maar als hij niets dan zijn pensioen bezit om van te leven,— en fortuin maakt men daarginder in gouvernementsdienst

njetj _ dan ziet hij mogelijk de toekomst wat donker in. Op

weg naar de zestig, ziek en zwak, verantwoordelijk voor een eenig kind, dat zonder hem onverzorgd zou achterblijven, — il y a de quoi! zeggen de Franschen . . Indien dat meisje werkelijk zulk een schoonheid is, dan zal zij hier in het land misschien spoedig een goed huwlijk doen.quot;

Mevrouw Bruce kon niet nalaten, om de voorstelling te glimlachen.

— „Je hebt gelijk, Bruce. Die Indische meisjes zijn vroeg groot. Jozefine kan een jonge mama geworden zijn, eer onze Cornélie of onze Wilhelmina nog in aanmerking komen voor een engagement.quot;

_ ^En eer onze Doortje in de lange kleêren worot gestoken!quot;quot; vulde David Bruce aan, die altijd het eerst aan zijn Doortje dacht. — „Er wonen in den Haag jongelui genoeg, die een bod zullen willen doen naar het mooije kreooltje, ook al bezit haar vader geen schatten. Het gebragt te hebben tot gouverneur van de Molukken is in een schoonvader óólc een

4

ocr page 17

KBN OUD-GOUVERNEUR DEK MOLUKKEN.

rekommandntie. Jammer, dat wij in Den Haag zoo weinig kennissen hebben. Maar je zoudt in elk geval aan je oude vriendin, mevrouw Leopold, kunnen schrijven. Die zou vast niet weigeren , Jozefine te ontvangen en een beetje te pousseren.quot;

— „Neen, Bruce, dat zou niet veel geven. De Leopolds komen niet in de wereld. Met hun groot gezin hebben zij werk, uit de schulden te blijven. Ook kan ik mij niet voorstellen, dat Leopold en broeder Cornells met elkander overeen zouden komen. Leopold is de hartelijkheid en bescheidenheid in persoon. Maar zijn halve zuster, dat is iets anders. Ik ken mevrouw Coppenol naauwlijks meer dan van aangezigt, wel is waar; maar zij zou juist de dame wezen, die Jozefine noodig had, om in de kennissen te komen. Zij is rijk. houdt equipage, woont in een mooi huis, ziet veel mensehen, en heeft geen kinderen.quot;

— „Nu. dat vind ik een uitmuntend plan! Ik houd niet van Coppenol, zooals je weet. Zijn rijkgeworden aannemers-manieren en zijn noordbrabantsch accent zijn mij tegen de borst. Dat is evenwel een vooroordeel; en die gebreken zullen zijn vrouw niet verhinderen, een goede patrones voor ons nichtje te wezen. Schrijf dan maar aan mevrouw Leopold, dat zij met mevrouw Coppenol over Jozefine spreke. Tenzij....quot;

Hier viel David Bruce zichzelven in de rede, en begun hartelijk te lagchen.

— „Zijn wij niet dwaas, Adrienne, zulke plannen te zitten maken, terwijl wij niet eens weten, hoe de Staatsraad van der Houven het er af zal brengen, en ons nichtje, zoo zij gezond en wel het vaderland bereikt, in elk geval eerst nog een poos naar de kostschool moet?... Laat zien! Indien je broer van Batavia is kunnen vertrekken met de gelegenheid, gevolgd op die waarmee hij zijn brief verzond, dan is het mogelijk. . .quot;

De slotsom der kansberekening was, dat de Indische reizigers over eene maand of daaromtrent in het vaderland konden zijn; — en bij die gedachte verdween de glimlach weder van mevrouw Bruce's gelaat.

Zou zij haar eenigen broeder levend terugzien ?

Zoo hij onderweg bezweken was, welke schikkingen zou zij treffen voor de jonge weeze?

Hoe aan de dochter kunnen goedmaken, wat zij ondanks zichzelve te kort geschoten was in liefde voor den vader?

Misschien (zij wilde te zijnen aanzien zich niets te verwijten

5

ocr page 18

DE OUD-GOÜVERNEUK KIGT ZICH IN.

hebben), misschien hadden op dit oogenblik, ergens op de wijde zee, de golven zich reeds gesloten over zijn lijk...

Doch eerlang konden al die zorgen aan den kant gezet worden.

Doodzwak, wel is waar, en meer eene schim gelijkend dan een mensch van vleesch en bloed, debarkeerde de oud-gon-.verneur te Brouwershaven; — maar met eene geestkracht, die in een man van zijne jaren en met den éénen voet in het graf verbazen moest, voerde hij dadelijk na de aankomst zijn programma uit.

Door niemand wilde hij voortgeholpen worden; ook niet door zijne zuster. Hij deed of beredderde alles zelf.

Van bezoeken verzocht hij vooralsnog verschoond te blijven. Genoeg, schreef hij, dat men van weerszijde kennis droeg van elkanders welstand.

II

DE OUD-GOUVERNEUR KIGÏ ZICH IN.

Bij het inwinnen van berigten omtrent een geschikt logement in Den Haag, was de heer Cornells van Alkemade door de eenen op De Toelast, door anderen op de Twee Steden, door nog anderen op het Keizershof en den Maréchal de Turenne gewezen.

Hij gaf echter de voorkeur aan de Zeven kerken van Rome; mogelijk wel, omdat hij een man was, die zijne medemenschen alleen raadpleegde voor den vorm, en in alles zijn eigen hoofd volgde. Van de Zeven kerken van Rome wist hij even weinig als van Rome zelf. Sommigen hadden hem dit hotel ontraden, op grond dat de kastelein roomsch was en Vrijdags enkel visch schafte. Doch die onbaatzuchtige waarschuwing gaf juist den doorslag aan zijn besluit. Hij schreef haar aan bedekten godsdiensthaat toe, en wilde bij zijne aankomst in Nederland reeds dadelijk een voorbeeld van godsdienstige verdraagzaamheid geven. Had zijn vader, in alles belagchelijk, hem indertijd laten doopen bij de protestanten, hij, de zoon, zou toonen, boven dergelijke kleingeestigheid verheven te zijn en niets tegen de roomschen te hebben. Wat kon het hem

6

ocr page 19

DE OUD-GOUVERNEUR KIGT ZICH IK.

daarenboven schelen, Vrijdags te moeten vasten? Zijn zwakke maag kon zoomin vleesch als visch verdragen, en alle dagen van het jaar was het voor hem vastentijd. In afwachting dus, dat hij eene voegzame woning zou gevonden hebben, nam hij, onafhankelijk van geest, met Jozefine zijnen intrek in de Zeven Kerken.

Zijn eerste werk was, in korrespondentie te treden niet de direktrice eener Brusselsehe kostschool, en deze dame, onder het geleide van een marine-officier en zijne vrouw, die met hem de groote reis van Java gemaakt hadden, alvast zijne dochter toe te zenden. Reeds aan boord was dit plan met onderling goedvinden vastgesteld; en de uitvoering leverde zóó weinig bezwaren op, dat de jonge officier en zijne vrouw integendeel met blijdschap dit voorwendsel aangrepen, zichzelven meteen op een uitstapje naar de Belgische hoofdstad te onthalen.

Toen Jozefine, gelijk na haar vertrek haar vader zich uitdrukte, „van de vloerquot; was, kon de heer Alkeinade onverdeeld zijne aandacht wijden aan het zoeken van een huis.

Hij deed dit op zijn gemak, langzaam, maar met de hem eigene wilskracht.

Ware hij in Januarij of February in Nederland aangekomen, en niet in den overgangstijd van April op Mei, hij zou ruimer keus gehad hebben. Thans waren de meeste woningen tegen 1quot; Mei reeds verhuurd. Maar wat zou dit? Iemand, die zes en dertig jaren in Indie had doorgebragt, liet zich door zulke nietigheden niet afschrikken.

Werkelijk vond hij al spoedig, in de Bogt van Guinee, een zeer goed huis, niet te klein en uiet te groot, juist voor hem geschikt. Het lag wel is waar aan een ongezelligen uithoek der stad, tegenover eene onafzienbare vlakte van weilanden, die 's winters onder water gezet werden; maar de huurprijs was matig, men had er geen last van overburen, en — was niet geheel Nederland, waar men zich wendde of keerde, één kikker- en waterland? Een man, als de oud-gouverneur der Molukken, zag niet op een moeras, een regenbui, een gure windvlaag, meer of minder. Toen hij Indie verliet, wist hij wat hem in zijn vaderland wachtte. Den leeftijd dor illusiën was hij sedert lang te boven. Met stoïcynsche kalmte onderwierp hij zich aan al de gevolgen van zijn besluit.

Gelegenheid om van zijne vorderingen in die deugd blijk te geven, werd hem reeds dadelijk aangeboden door den ondra-gelijken stank der gracht, waaraan zijn logement gelegen was.

ocr page 20

DE OUD-GOUVERNEUR RIGT ZICH IN.

Een vreemdeling zou daarover zijne verwondering te kennen gegeven, den kastelein gescheld, of ter loops aan een bediende gevraagd hebben, hoe die gracht, wier eigenaardigst kenmerk blijkbaar was, niet gespuid te kunnen worden, — of stegen er niet de walgelijkste rioolluchten uit op? — aan den naam van Het Spui gekomen was.

Niet alzoo de heer Cornelis van Alkemade.

Naar zijne opvatting behoorde het tot het wezen der Nederlanders in het algemeen en der Hagenaars in het bijzonder, den naam van Spui te geven aan een vaarwater, dat niet voor spuijen vatbaar was, en alleen diende, om er de bestekamers der aangrenzende woningen in te doen uitloopen. In zijne voorstelling vormde die domheid een natuurlijk geheel met de onzinnige, voor de deur der Zeven kerken van Rome afvarende trekschuiten, en met het nabijgelegen oude mannen-en vrouwenhuis, waar men niet werd toegelaten omdat men een hulpbehoevende oude man of oude vrouw, maar omdat men gereformeerd was. Het was nutteloos, den Nederlanders die gekheden uit het hoofd te willen praten. De Boegir.ezen en de Alfoeren waren bevattelijker. Dit wist hij van oudsi.

Den Haag stonk: maar Amsterdam stonk nog erger. Een man van zijn doorzigt nam aan zulke dingen geen aanstoot. Alles liet zich verklaren volgens vaste wetten van klimaat en ras. I lij mogt van geluk spreken, niet van Julij op Augustus in Den Haag aangekomen, en aan de Zeven Kerken afgestapt te zijn. In de warmste zomermaanden rook het Spui bijna even leelijk als de amsterdamsche Heeren- en Keizersgrachten. Wat het riool nu uitwasemde, in de eerste dagen van Mei, waren wel geen bloemengeuren, maar onderscheidde zich vergelijkenderwijs door betrekkelijke frischheid.

De kastelein der Zeven Kerken zou den oud-gouverneur wat minder genadig, minder ongenaakbaar en uit de hoogte gewild hebben. Het hinderde hem somtijds, door dsn heer Van Alkemade te worden toegesproken, alsof zijn logement eene menagerie of dierentuin, en hij zelf, burger van 's Gra-venhage, naauwgezet in het voldoen van schot en lot, slechts een exemplaar der Nederlandscbe Fauna geweest ware, zooals de eenden en de korhoenders. Maar voor het overige vond hij zijn logeergast een charmant mensch: niet opvliegend, niet ligtgeraakt, niet veeleischend, altijd minzaam. Groote verteringen werden, met uitzondering dat hij een stout glas madera dronk, door den oud-gouverneur te zijnent niet gemaakt; maar

8

ocr page 21

HAAGSCHE KENNISSEN.

om de drie dagen betaalde hij stipt zijne rekening, en zoowel de meid, die de bedden opmaakte, als de knecht, die voorsneed aan tafel, waren in de wolken over zijn royale tboijen.

Niet anders oordeelden de meubelmaker en de kamerbehanger, door wien de heer Van Alkemade het stofferen van zijn huis in de Bogt van Guinee liet aannemen. Geen enkele maal herinnerde hij den eerste, die een uitmuntend schrijnwerker, maar' stokdoof was, aan dit hinderlijk ligchaamsgebrek. Met engelengeduld blies hij den man, door een viezen horen, zijne bestellingen in. Het draaijen van de aarde om de zon scheen hem niet meer vanzelf te spreken, dan de onberoep-baarheid van dien Haagschen meubelmaker. De behanger was niet buitengewoon bedreven in de terminologie van zijn vak. Patères, waar men de koorden van overgordijnen om heenslaat. noemde hij onveranderlijk „parterresquot;. Doch het gelaat van den oud-gouvcsopur bleef even onveranderlijk in de plooi. Kon iemand, die redelijk dacht, van een Haagsch kamerbehanger eischen, met dergelijke onderscheidingen bekend te zijn? De man had smaak noch oordeel, zoomin als zijn stadgenoot de meubelmaker. Doch daar waren beiden Nederlanders voor; en de humaniteit gebood, zulke lieden te nemen, gelijk de natuur, manna parens, en de omstandigheden, inextncabilis re rum onto, hen gemaakt hadden.

III

HAAGSCHE KENNISSE X.

Wie goed betaalt, en niet verder springt dan zijn stok reikt, wordt vlug en goed bediend.

Dit ondervond de heer Cornells van Alketnade.

Hij vroeg naar sierlijkheid noch degelijkheid, en ging alleen met zijne financiële krachten te rade. Maar het gevolg was, dat alle leveranciers den hoed voor hem afnamen, en hij binnen de drie weken, na zijne aankomt in Nederland, op orde was.

O liefelijke zorgeloosheid der fantasie, hoe zoudt gij den oud-gouverneur der Molukken teruggewenscht hebben naar het land, waar in vroeger tijd de muskaatnoten, de foelie, en

9

ocr page 22

HAAGSCHE KENNISSEN.

de kruidnagelen vandaan kwamen, zoo het noodlot gewild had, dat gij door hem.uwe woning moest laten inrigten!

Hoe talloos vele malen zou uw instinkt van gezelligheid in opstand zijn gekomen tegen eene alles nivellerende huishoudkunde, als de zijne!

Hoe stijf, hoe kaal, hoe koel, zoudt gij zijne slaap-, zijne zit-, zijne werkkamer gevonden, hoe u beijverd hebben, althans aan het voor Jozefine bestemd boudoir een zweem van comfort te geven!

Doch de oud-gouverneur was te oud, vond hij, om ter wille van zijne inrigting zich misschien in schulden te steken. Voor konsideratien als de uwe was hij niet vatbaar. En wat zijne dochter betreft. ...

In afwachting dat Jozefine voor goed van de kostschool kwam, wat binnen niet vele maanden het geval zou zijn, — want dat leggen van de laatste hand aan hare opvoeding, werd even letterlijk en praktisch door hem verstaan als al het overige, — droeg hij het bestier zijner huishouding aan een paar vrouwelijke bedienden op, die hij in alles vrijelijk haren gang liet gaan, alleen zorg dragend, zelf de koorden der beurs in handen te houden.

Zijne eerste voorwaarde was geweest, toen hij met den kastelein der Zeven Kerken over het in huur nemen van zulk een tweetal onderhandeld had, dat de meiden jong moesten zijn en er knap moesten uitzien. Zijn leeftijd, zei de hij, snoerde de booze wereld van zelf den mond; en hij verkoos niet, dag aan dag vrouwspersonen door zijne woning te zien dwalen, gelijk er maar te veel in Nederland gevonden werden. Dom kwam er niet op aan: dat waren ze allen. Eerlijk: daar zou hij het oog wel op houden. Maar in godsnaam niet van die schoonmaaksters- en stovenzetstersgezigten, die aan drukproeven der twee en vijftig zondagen van den Heidelbergsehen katechismus denken deden 1

De kastelein hielp heiu aan het verlangde. Eene keukenen eene werkmeid met rozen op de wangen, gevat in kor. netten ter hoogte van een rijtuigkap, namen eerlang des gouverneurs godspenning aan. Zij verrigtten haar werk naar behooren; stalen niet meer dan andere en oudere Haagsche meiden; hadden elk maar één jager en één grenadier aan de hand; en waren in haar nieuwe betrekking zeer tevreden.

Voor zijne persoonlijke dienst, als wandelstok, schafte zich de heer Van Alkemade een oppasser aan, die, drie- of vier-

10

ocr page 23

HAAG8CHE KENNISSEN.

malen daags, boodschappen kwam doen, en bij het binnentreden zijn eigen persoon onveranderlijk met de woorden aandiende: „Daar was Abels!''

Belagchelijke gewoonte, die den oud-gouverneur bijna van zijn stuk zou hebben gebragt!

Was het niet genoeg. Abels te heeten? Kon de man niet volstaan, met aan de deur te tikken, en als er binnen geroepen werd, zich te vertoonen? In welke school hadden de Haagsche oppassers manieren geleerd, dat de eerste de beste, neen, een man die door den kastelein der Zeven Kerken als buitengewoon geschikt en oppassend was aanbevolen, — er ontbrak nog slechts aan, dat oppassers niet oppassend waren! — telkens datzelfde idiotisme herhaalde?

Maar Abels' lengtemaat verzoende met het geval. De' oudgouverneur der Molukken was hoog van gestalte, en de persoon , wien hij op de wandeling een arm zou geven, — zonder zulk een steun waagde zijne zwakheid zich niet op straat, — moest, te kort, noch te lang, te treuzelig noch te vlug, te spraakzaam noch te zeer een zwijger, aan sommige moeijelijk te vereenigen eischen beantwoorden, die de goede Abels op het gelukkigst vervulde.

lederen namiddag dus liep de heer Alkemade, leunend op den arm van zijn bediende, een „straatje om;quot; en de buurt gewende al spoedig aan het voorbijgaan van den vreemden ouden heer „uit de Oost,quot; die in Junij en Julij eene gewatteerde duffelsche overjas droeg, voet voor voet het zonnetje zocht en er uitzag als eene gedroogde Smirnasche vijg.

De gesprekken met Abels liepen meest over het voorkomen van toevallige voorbijgangers, door den oud-gouverneur doorgaans gekritiseerd met eene vrijmoedigheid, die duidelijk bewees, dat hij van het zonderlinge in zijn eigen voorkomen zich in het geheel niet bewust was.

Gedurende de zes- en dertig jaren van zijne Indische ballingschap, was er in de kleederdragt der mannen zoowel als der vrouwen heel wat veranderd. Zijne herinneringen waren wel niet blijven stilstaan bij de jaren 1805 of 1806; maar veel verder dan 1830 had hij ze niet aangevuld, en het Neder-landsch menschdom van 1841 scheen hem toe, over het algemeen wonderlijk getakeld te zijn.

Ook merkte hij zeer goed op, dat sommige nieuwigheden van betrekkelijk jonge dagteekening waren.

Hij kwam mannen van zijn eigen leeftijd tegen, gestoken

11

ocr page 24

HAAGSCHE KENNISSEN.

in nagelnieuwe militaire uniformen, maar met groote schildpadden brillen op, en aan de militaire tenue blijkbaar zoo weinig gewoon, dut zij er zich in bewogen als visschen op het drooge.

In het algemeen was het aantal officieren, die hem voorbij gingen, veel grooter dan hij zich had voorgesteld; en er waren jeugdigen onder, de kleüipen van wier uniform hem vreemd deden opzien.

Zij droegen korenblaauwe pantalons met roode biezen, en grasgroene wapenrokken met zilveren epauletten.

Abels legde hem uit, dat deze officieren tot het Limburgscli of Luxemburgsch kontingent behoorden, waar men vroeger zoo niet van gehoord had. Er waren er te voet, en er waren er te paard. Het volk noemde hen de Luxemburgsche jagers.

Die oude heeren met brillen waren ambtenaren van het departement van Oorlog, officieren van gezondheid, officieren van administratie, officieren van het materieel der gen e en der artillerie, die de oudste Hagenaars zich niet herinneren konden, ooit te voren in uniform te hebben gezien, ja waarvan hij. Abels, zou gezworen hebben, dat zij nooit iets anders geweest waren dan burgers, evenals hij zelf. Er waren er onder, die hij had „opgepastquot;, en wier huisgenooten zeiven vergeten schenen te zijn, dat zij militairen waren.

Al die veranderingen waren nog pas kort geleden ingevoerd, sedert de troonsbestijging van koning Willem Twee, die veel meer dan koning Willem Een er op gesteld was, dat wie een militairen rang bekleedde, ook de militaire uniform zou dragen.

— „En hoe vinden die oude heeren dat?quot; — vroeg de heer Alkemade.

— „Heel onpleizierig geloof ik, mijnheer.quot;

— „Ja, Abels, zoo zijn de Hollanders,quot; — eindigde gewoonlijk deze soort van konversatie. — „Eten van de staatsruif, dat kunnen ze. Hoe meer hoe liever, en van vader op zoon. Ma ar de wereld mag niet weten, hoe zij aan den kost komen! Cedant arma togae: daar maken ze van: laatje betalen als een militair, en ga gekleed als een burger. Koning Willem ïwee heeft groot gelijk, dat hij die lui elk uit hun eigen zak een nieuw pak laat bekostigen. Het is al veel, dat hij de brillen permitteert. Kijk, daar komt er weer een aan! Moest het niet verboden zijn, dat een militair zich op straat vertoont, met zulk een glasblazerij op den neus?quot;

Abels vond deze opmerkingen zeer oneerbiedig; maar zij

12

ocr page 25

HAAGSCHE KENNISSEN.

gaven hem een hoogen dunk van des oud-gouverneurs positie, want de heer met de glasblazerij op den neus was een gene-raal-majoor.

Zoo de heer Van Alkemade, bij zijne terugkomst in Europa, zich te Petersburg of te Londen had nedergezet, hij zou er niet volslagener vreemdeling geweest zijn, dan in Den Haag.

Hij kende er niemand van zijnen kring, en niemand hem.

Zijne levenswijze was die van een zonderling en van een invalide.

Toen de minister van Koloniën hem bij eene officiële gelegenheid ten eten vroeg, was hij te ziek om van de uitnoo-diging gebruik te maken.

Ma ar niets van dit alles trok hij zich aan.

De jaren en de omstandigheden hadden een eenzelvig man van hem gemaakt. Ongaarne werd hij op de vingers gezien. De weinige menschen, die hij noodig had, wist hij wel te vinden; en het grooter aantal van hen. die iets aan hem verdienen, of voor eenig doel hem gebruiken konden, had den weg naar de Bogt van Guinee spoedig genoeg ontdekt.

Het huis was te naauwernood op orde gebragt, het nieuwe adres bekend geworden, of er kwam zich een belanghebbende aanmelden.

— „Wat is er van je dienst, Abels?quot; — vroeg, op een ochtend, tusschen tienen en cwaalven, de oud-gouverneur, die, in huisgewaad, met de ziel onder den arm, zijne nieuwe ongezellige „suitequot; op- en nederstapte, en den oppasser, met een visitekaartje in de hand zag binnentreden.

— „Daar was Abels, mijnheer.quot;

— „Jawel; maar wat beduidt dat kaartje? Is er iemand om mij te spreken?quot;

Abels was een manneke met roodblonde kroesharen, aan het grijzen hier en ginds, maar nog digt, en zoo overvloedig, dat ze hem in tire-bouchons over het voorhoofd hingen. Zijn sproeterig gelaat, blozend en gegroeid, teekende den man van het volk, die zorgen heeft gekend, maar er niet. onder bezweken is. Zijne kleeding was eene bloemlezing uit de garderobes van verschillende meesters: een jasje van den een, een vest van den ander, van den derde een pantalon. Alleen de schoenen waren origineel, en deden — lotgenooten van veel origineels — aan narrenschoenen denken.

— „Is er iemand om mij te spreken?quot; — herhaalde de heer Alkemade, als naar gewoonte een minachtenden en spotten-

13

ocr page 26

HAAGSCHE KENNISSEN.

den blik op Abels' voeten werpend, die echter aan Abels niet besteed was.

De oppasser antwoordde toestemmend. Een heer, die zijn kaartje had afgegeven, wachtte in het voorhuis.

— „Verzoek mijnheer binnen te komen.quot;

Er verscheen een jonge, blonde man, van tnsschen de dertig en vijfendertig jaren, die, bescheiden, maar niet verlegen, met den hoed in de hand, bij de door Abels achter hem gesloten deur bleef staan.

— „Mijnheer Langenhuizen ,quot; — zeide de oud-gouverneur, zonder den toegelatene een stoel aan te bieden, en zich vergenoegend den naam te herhalen, die op het kaartje uitgedrukt stond, — mijnheer langenhuizen, u is de vijftiende Haagsche wijnkooper, die mij dezer dagen een bezoek komt brengen. Kunt u het onbeleefd vinden, zoo ik u staande ontvang? Ext modus in rebus!quot;

— „Medio toetissimoes ibis!quot; — hernam de ander met zekere gevatheid, en met een Duitsch accent.

Men kon hem aanzien, dat de ontvangst hem niet verbaasde; evenmin als het zonderling en geenszins appetissant morgengewaad, waarin hij den heer des huizes aantrof.

De geheele broodmagere gestalte van den heer Van Alkemade was des morgens en gedurende het grootste gedeelte van den dag gebakerd in eene kaneelkleurige kamerjapon van laken of flanel, ia wier lage zakken hij lusteloos de handen liet afhangen. Uit de pijpen eener dikke grijze win terpantalon staken witte wollen kousen in vilten sloffen, en om den hals was eenige malen eene amarantroode zijden das met franje gewikkeld, die het citroenkleurig gelaat nog geler en meer ingevallen deed schijnen.

— „Mijnheer Langenhuizen,quot; — begon de oud-gouverneur op nieuw, niet weinig verwonderd, uit den mond van dezen vreemde zulk een gezwinden terugslag op zijn Latijnschen slag te vernemen.

— „Pardon, mijnheer, mijn naam is Heinzen,quot; viel de ander hem beleefd in de rede. — „Karl Heinzen, om u te dienen. Ik heb mijn patroons aufmerkzaam gemaakt, dat versjillende konfraters hen bereids voorgeweest waren. Des onverminderd hebben zij gewild, dat ik u hun kaartje zou aanbieden; en ik ben hoogst flattiert, dien ten gevolge uw persoonlijke kennis te maken. Ik hebquot; — voegde hij tot opheldering er bij — „in Xederlandsje dienst eenige jaren in Indie doorgebragt.quot;

14

ocr page 27

HAAGSCHE KHXN'ISSEX.

De oud-gouverneur nam den zich noemenden Karl Heinzen eens op, zooals gerepatrieerde oud-gouverneurs dit onbekenden doen, die zich in het moederland op koloniale herinneringen beroepen.

De jonge vreemdeling had wil van de reis. Moedig en zegevierend doorstond hij 's heeren Van Alkeraade's onwellevenden blik, die van het hoofd tot de voeten zijn geheelen persoon doorliep. De heer Van Alkemade scheen met welgevallen te constateren , dat Karl Heinzen geen narrenschoenen aanhad.

— „Ga zitten, mijnheer Heinzen,quot; — zeide Zijn HoogEdel-Gestrenge. — „Wat zult u gebruiken?quot; — En zonder het antwoord af te wachten, trok hij aan de schel.

— „Abels,quot; — beval hij, — „breng sigaren en madera.quot;

— „Ik ben hier nog maar half op orde, mijnheer Heinzen, zooals u ziet,quot; — vervolgde de oud-gouverneur. — „Die nieuwe tafel, die nieuwe stoelen, die nieuwe gordijnen, alles verveelt mij. Maar trek het u niet aan!.... Abels, presenteer mijnheer een sigaar.quot;

— „Deze manilla's, mijnheer Heinzen,quot; —ging de heer Alkemade voort, — „zijn een cadeau van den gouverneur der Filippijnen. Ik zie met genoegen, dat u het dikke eind in den mond steekt. Men herkent daaraan den man, die in Indie leerde rooken. De Hollanders leeren het nooit. Zij rooken manilla's, of zij aan een pijp zoethout zogen.quot;

Abels had inmiddels ingeschonken en zich verwijderd.

— „Is dat goede madera, mijnheer Heinzen?quot; — vroeg de oud-gouverneur, door zijn voorbeeld den bezoeker aanmoedigend, den morgendrank niet te laten verschalen.

De representant van Langenhuizen en Co. bragt het glas (eene kelk ter grootte van eene Haarlemsche tulp uit de 17de eeuw) aan zijn neus, proefde, droogde met de lippen zijn blonden knevel, en glimlachte.

— „Als konkurrent van Kortenhoef en Co.,quot;— zeide hij,— „vind ik hem infaam. Als eerlijk man moet ik erkennen, dat u ongelijk zoudt hebben , van den onzen te nemen.quot;

De oud-gouverneur glimlachte ook. Het antwoord beviel hem.

— „Welke was uw betrekking in Indië, mijnheer Heinzen?quot; — vroeg hij, — „Ik kan mij niet herinneren, u daarginds ontmoet te hebben. Zelfs uw naam is mij vreemd.quot;

Heinzen wond er geen doekjes om.

— „Wanneer ik antwoord: koloniaal!quot; — zeide hij, — „dan zult u mij verachten, mijnheer de gouverneur. Maar dat ver-

3 5

ocr page 28

HAAGSCHE KENNISSEN.

dien ik niet. Wij wilden de wereld zien. Onze Latijnsche schoolboeken hingen ons de keel uit. Zoo drosten wij, van Coin naar Harderwijk, en teekenden als domme jongens voor Indie.quot;

— „U zegt wij. Is dat alleen een oratorische vorm ? Een pluralis majeslatii? Zooals men pleegt te zeggen: wij latinisten?

— „Doch niet, mijnheer! Wij waren met zijn tweeën. Mijn arme kameraad ligt begraven te Samarang. Toen mijn zes jaren om waren, had ik er genoeg van.quot;

— „Gepasporteerd onder-officier derhalve?quot; — vroeg de heer Van Alkemade, die het geval alweder nam gelijk het lag, en het slechts natuurlijk vond, dat niet ieder in Indie het tot gouverneur der Molukken bragt. — „Doch dan verwondert het mij, u niet in uniform te zien. Onze tegenwoordige koning, hoor ik, verstaat op dat punt geen scherts. En ik geef Zijn Majesteit gelijk. Nog dezer dagen moest ik mijn oppasser onder het oog brengen, dat door een groot aantal militairen hier te lande, een geheel verkeerde uitlegging aan het cedant arrna topae gegeven wordt. U zeidel: gepasporteerd onderofficier?quot;

— „Zelfs geen onder-officier, mijnheer! Ik deugde niet voor militair. Mijn karakter stond mijn promotie in den weg. Bovendien ben ik vreemdeling gebleven. Koning Willem Twee, met allen eerbied, heeft niets over mij te zeggen. Ook geloof ik niet, dat militairen beneden den rang van officier onder ver-pligting liggen, uniform te dragen. Gepensioneerden in geen geval.quot;

De heer Van Alkemade knikte goedkeurend, als ware de opmerking door hem zeiven aan de hand gedaan.

— „Laat ik u nog eens inschenken, mijnbeer Heinzen,quot; — zeide hij. — „IT hebt dus de militaire dienst als gemeen soldaat verlaten, gelijk u haar als gemeen soldaat waart ingetreden. Veroorloof mij de opmerking, dat uw koloniale loopbaan niet schitterend geweest is. En daarna?quot;

— „Daarna, mijnheer, heb ik getracht, mij te bekwamen voor een burgerlijke betrekking. In mijn land teruggekeerd, ben ik in de regten gaan studeeren, en heb mij in het vaderland neergezet als advokaat en procureur. Maar ik deugde evenmin voor burger als voor militair.quot;

— „En toen is u assistent-wijnkooper geworden?quot;

— „Alleen om den broode, mijnheer, en omdat ik de Hol-landsche vrijheid liefhad. Ik wilde in Holland zijn.'

ocr page 29

HAAGSCHE KENNISSEN.

— „Exkuseer mijn openhartigheid, mijnheer Heinzen, niaar dat was een gek idee van u, in Holland te willen zijn.quot;

— „Dat was het ook, mijnheer de gouverneur. Maar ik wist toen niet heter. Mij walgde van den Duitschen honden-demoed. Ik werd om mijn onafhankelijke begrippen iederen dag vexiert. In Holland, verbeeldde ik mij, zou ik een minder knechtische lucht inademen... Mag ik u de reine waarheid zeggen?quot;

— „U kunt over mijn landgenooteu zoo ongunstig niet oordeelen, mijnheer Heinzen,quot; — zeide de oud-gouverneur met een donkeren blik, — „of mijn oordeel is ongunstiger. Laat ik u nog eens inschenken.quot;

— „Dank u. De Hollanders in hel. algemeen, mijnheer en de Hagenaars in het bijzonder, zijn hovelingen. Zij krimpen voor hun koning, hun grootelui, hun ministers, en den kamerdienaar van hun ministers. Maar velen onder hen beginnen de ingekankerde misbruiken moede te worden. Er gaat een nieuwe dageraad aanbreken.quot;

— „Zoo?quot; — vroeg de heer Van Alkemade. uit het diepst van een hartgrondig ongeloof. —- „Daar heb ik nooit iets van bespeurd. Na een verblijf van zes en dertig jaren in Indie vind ik de Hollanders terug, zooids ik ze verlaten heb. Een kleingeestig, kortzigtig, verwaand volk; het bezit onwaardig van de schoonste kolonie, die ergens op Gods aardbodem te vinden is.quot;

— „Verwaand zijn ze, mijnheer. Dat hebben ze tien jaren geleden getoond, door Antwerpen te bombarderen. De Belgen waren in hun regt. Zij vochten voor hun vrijheid. Maar waar vochten de Hollanders voor? Voor hun oude wijven-instellingen. Ik ben dit eerst naderhand gaan begrijpen.quot;

De heer Van Alkemade was ten aanzien der Belgische omwenteling zeer geavanceerde gevoelens toegedaan; en hem op dat onderwerp te brengen volstond, ora zijne sluimerende gramschap te wekken.

— „Al dat soldaatje spelen tegen Belgie,quot; — viel hij uit,— „is louter domheid geweest! De Hollanders moesten zich schamen ! En hoe hebben ze hier verleden jaar met hun koning gehandeld, daar ze in 1830 voor op de knieën lagen? Mocht de man niet trouwen met een roomsche vrouw? Moesten ze hem Willem Kaaskop noemen? Eu haar Jet Oestermond? Maar ze zeiden, dat hij aan hun duiten gekomen was! Daar zat het 'em. Duitendieven zijn het, mijnheer Heinzen! Duiten-

17

2

ocr page 30

HAAGSCHE KENNISSEN.

dieven, en antlers niet! Laat ik u nog eens inschenken.quot;

De oud-gouverneur vulde opnieuw de glazen.

— „Dank u, mijnheer,quot; — hernam de heer Heinzen. —„U heeft gelijk, Koning Willem Eén was goed genoeg, en Koning Willem Twee is nog beter. Die het land bederven, zijn de aristokraten, en de zoons van aristokraten. Maar ik kan u verzekeren, dat het volk het nepotisme moede is. Ik weet het bij ondervinding. Mag ik u in vertrouwen iets mededee-len, mijnheer?quot;

— „Ga uw gang, mijnheer Heinzen! Wie, als ik, zesendertig jaren in Indie gediend heeft, behoort uit volle overtuiging tot de malkontenteu. U kunt mij niets vertellen van den winkel, hier, wat ik niet weet. In mice, en niet alleen in nuce!

— „Omdat ik Hollandsch spreek met een Duitsch accent, mijnheer,quot; — zeide Heinzen, digter bijschuivend, — „en mij nu en dan een Duitsch woord ontvalt, meent u misschien, dat ik even slecht schrijf als spreek? Ik durf beweren, dat u zich daarin vergist. Ik ben de auteur van den JRiiu/ van Gyges, mijnheer. Dit is een diep geheim.quot;

De oud-gouverneur scheen door deze onthulling slechts matig getroffen.

— „Neem mij niet kwalijk, mijnheer Heinzen,quot; — antwoordde hij, — „ik heb vier maanden op zee gezwalkt, bon eerst kort geleden met een ziek ligchaam hier aangekomen, en kon nog geen gelegenheid vinden, mij op de hoogte te stellen van hetgeen in den laatsten tijd in Nederland verschenen is.quot;

Heinzen, hierdoor niet ontmoedigd, ging voort:

— „Even zeer in het diepst geheim, mijnheer, deel ik u mede, dat ik redakteur van den Lepelaar ben. In mijn boek, den Ring van Gyges, tast ik onder begunstiging van den on-zigtbaar makenden ring de verrotting aan, die hier in de hoo-gere standen heerscht. De Lepelaar is een klein blad een weekblaadje, waarin ik mij tot het volk rigt, en het aanspoor, zich te verzetten tegen de aristokraten.quot;

— „Welnu, mijnheer Heinzen, dat is heel verdienstelijk,quot; — zeide de oud-gouverneur op beschermenden toon.

— „Maar ik ben getrouwd, mijnheer. Ik ben man en vader. Mijn vrouw is een burgermeisje, hier uit de stad. Een kappersdochter. Ik zeg het u zooals het is. Wat ik bij Langenhuizen en Co. aan kommissieloon verdien, is een bitter beetje. Het zou meer kunnen zijn, zoo ik liegen kon. Maar dat kan ik niet. Wanneer iemand mij ronduit vraagt, hoe ik den madera van Kortenhoef vindquot;...

18

ocr page 31

HAAGSCHE KENNISSEN.

— „Laat ik u nog eens inschenken, mijnheer Heinzen.quot;

— „Dank u... dan zeg ik, even ronduit: die van Langen-huizen is goed, maar die van Kortenhoef is beter. Voor den Ring van Gyges heb ik geen cent honorarium ontvangen. De uitgever, een Hollandsche duitendief, zooals u zegt, heeft mij bedot. Eigenlijk is de Lepelaar mijn eenig middel van bestaan. En u kunt aan mijn gezigt zien, dat ik er nog niet vet van geworden ben.quot;

Het waren geen praatjes, dat veertien andere Haagsche wijn-koopers met het doen van aanbiedingen aan den heer Van Alkemade, de firma Langenhuizen en Co. voor waren geweest.

Of het tegenwoordig in Nederland nog zoo toegaat, weet ik niet; maar in eene stad als Den Haag kon in die dagen geen nieuw ingezetene komen wonen, of, zoo hij maar eenigzins in de termen scheen te vallen, dan werd zijne deur door die heeren bestormd.

Een oud-gouverneur der Molukken — dat sprak — was iemand, die wijn, of brandewijn, of likeuren dronk. Mogelijk alle drie; en zoo ja, dan had de residentiestad drie redenen voor ééne, al bare wijnkoopers op hem af te zenden.

De heer Cornelis van Alkemade dronk alleen morgenwijn, en de heeren Kortenhoef en Co. hadden hem goed bediend. Hij vergenoegde zich dus, Heinzen aan zich te verbinden, door een abonnement op den Lepelaar, en een exemplaar van den Ring van Gyges te nemen; niet zonder zich vooraf vergewist te hebben , dat de Ring een geschrift van weinig omvang was. Zijne gezondheid permitteerde hem niet, zeide hij, lijvige werken te lezen.

Heinzen stelde hem dienaangaande gerust. De Ring was een boekje, dat zich op één achtermiddag liet uitlezen. Het zou den heer Van Alkemade ongetwijfeld amuseren. Daar durfde hij voor instaan. Bovendien was het versierd met geestige houtsneden, waaronder zijn eigen portret en dat van den uitgever. Het schreide ten hemel, dat de uitgever hem niet een behoorlijk salaris uitkeerde. Het boekje werd verkocht als brood, werd in alle koffijbuizen, op alle societeiten , druk gelezen. Hij had den kerel met een proces gedreigd, zoo hij niet althans betaalde met zeker aantal exemplaren; en deze zette hij , Heinzen , nu in stilte van de hand.

De oud-gouverneur vond dit, en het portret, zonderlinge middelen voor een schrijver, om zijne anonymiteit te bewaren. Doch niet gewoon. zich met een anders zaken te bemoeijen,

19

ocr page 32

HAAGSCHE KENNISSEN.

hield hij fle opmerking voor zichzelven. Heinzen werd vergunning geschonken, zijn bezoek bij gelegenheid te herhalen; en ofschoon Heinzen diskreet was, en de madera van den heer Van Alkemade hem niet warmer maakte, dan van den makelaar eener wijnkoopers-firma verwacht kon worden, kwam hij dikwijls genoeg, om door zijne bekendheid met heel Den Haagden oud-gouverneur omtrent velerlei zaken op de hoogte te brengen.

De heer Van Alkemade was niet rijk. Door koopen en verknopen van effekten moest hij trachten, zijne inkomsten te verbeteren. Van zijn pensioen alleen kon hij niet leven. Behalve aan een wijnkooper dus, had hij ook behoefte aan iemand, die hem behulpzaam kon zijn bij kleine beurs-spekulatien.

Door zijn langdurig verblijf in de koloniën bijgeloovig geworden, hechtte hij ook aan loterijbriefjes, en hield zich vast overtuigd, eenmaal de honderdduizend te zullen trekken. Derhalve wenschte hij ook in kennis te komen met een ondergeschikt persoon, verbonden aan de staatsloterij.

Eindelijk; hij was ongezond, en had een dokter noodig. Maar een dokter met algemeen erkenden dokterstitel verlangde hij niet. In Indië had hij waarde leeren hechten aan inland-sche medicijnen en aan bezweringen. Een begaafd kwakzalver was zijn ideaal.

De oud-gouverneur stelde zijne eischen niet hoog, gelijk men ziet. Hij wilde goed bediend worden, maar op praktische wijze, door lieden van den tweeden rang; en met Heinzen's hulp gelukte het hem met al spoedig, — of meende hij althans , er in geslaagd te zijn, — te vinden die hij zocht. De een bragt den ander aan.

Zoo ontving de heer Van Alkemade niet vele dagen daarna, — naar aanleiding van een briefje, waarin hij zich verontschuldigd had, door ongesteldheid aan huis en kamer gebonden te zijn, het bezoek van een man, wiens herinnering bij sommige Hagenaars van gevorderde jaren nog voortleeft, en bij het opmaken van sommige staten van bezittingen, op onaangename wijze door hen in de beurs gevoeld wordt.

— „Mijnheer Efraïm!quot; — kondigde Abels aan. En aan den eerbiedig-geheimzinnigen toon, waarop de oppasser dien naam uitsprak, hadt gij kunnen hooren, zoo het u niet van elders bekend geweest was, dat de heer Efraïm in de voorstelling van de Haagsche volksklasse dier dngen, voor een Croesus gold .

Telkens als men dezen man ontmoette, werd men door twee dingen getroffen.

20

ocr page 33

HAAGSCHE KENNISSEN'.

Vooreerst, dat hij in de slippen zijner zwartsatijnen das zulk eene groote juweelen speld, en over zijn gebloemd fluweelen vest zulk een zwaren gouden horloge-ketting droeg.

Ten anderen, dat ofschoon hij van ouder tot ouder een jood was, hij bij den eersten aanblik er in het geheel niet naar uitzag.

Wij mogen in de financiën van den oud-gouverneur der Molukken niet voorbarig een blik werpen, en noemen daarom de punten niet, waarover zijn eerste onderhoud met den Haagschen effektenhandelaar liep.

Maar wat ons vrijstaat is, beide mannen even gade te slaan.

Hun leeftijd was ongeveer dezelfde, en zij spraken over gemeenschappelijke belangen. Maar welk een kontrast! De heer Cornells van Alkemade één indolentie, de lieer Jonas Daniel Efraïm één bewegelijkheid. Een westerling, dien in den loop der jaren het Oosten had ontvleescht en uitgeput; een oosterling, wiens natuurlijke levensgeesten het Westen voortdurend opwekte. Twee geboren dobbelaars, maar bij wie dezelfde harts-togt zich voor het oog van den vlugtigen waarnemer even verschillend openbaarde, als zij uiteenliepen in voorkomen en kleeding. De kassier kort en dik , blozend, keurig op zijn linnen , netjes in het zwart. De kliënt slordig, ongeschoren, spichtig, vel over been, met zijne specerijkleurige huid in een specerij-kleurige kamerjapon stekend. De een spraakzaam , welwillend , bon enfant, door en door een aangenomen Nederlandsch kind. De ander, den slependen toon van den lediglooper en luste-looze dan alleen latende varen, wanneer er een grievend woord over Nederland of de Nederlandsche toestanden te plaatsen viel.

Jonas Daniel Efraïm had al de gebreken van een ligt en gelukkig speler. Met schuldig zelfvertrouwen waagde hij in roekelooze spekulatien de spaarpenningen van een aantal Haag-sche ambtenaren en ambtenaartjes, die, omdat hij er uitzag als een christen en deze speling der natuur hun toescheen een waarborg van soliditeit aan te bieden, hen) onvoorwaardelijk vertrouwden.

Zijne goede zijde was, dat al had het hem zijn aanzien onder de Christenen gekost, hij om geen ding ter wereld den ge-ringsten zijner geloofsgenooten zou verloochend hebben. De ligtzinnigheid ging bij hem gepaard met beredeneerde Israëlie-tische orthodoxie.

Aan hem had dan ook Salomon Bisschof, koopman in oude boeken, makelaar in pelterijen, en slijter van loterijbriefjes,

21

ocr page 34

HAAGSCHK KENNISSEN.

het voorregt te danken, met den heer Van Alkemade in betrekking gebragt te worden; ot' zoo men liever wil, de heer Van Alkemade het voorregt, met Salomon Bisschof in kennis te komen. Aan pellerijen had de oud-gouverneur in dit seizoen nog geen behoefte. Boeken: daar zou hij overdenken, wanneer zijne dochter thuiskwam van de kostschool. Maar zonder loteiij-brieljes kon hij, in den hoogeren zin van het woord, niet leven. Geldloterijen vertegenwoordigden voor hem de poëzie van het menschelijk bestaan.

Salomon Bisschof was een even goed Israëliet als de heer Jonas Daniel Efraïm, maar niet orthodox in het godsdienstige en niet konservatief in de politiek. Zijn ideaal was, te eeniger tijd aan het hoofd te komen van eene groote liberale courant. Ofschoon arm, zag hij tegen Jonas Daniel's juweelen doekspeld in het geheel niet op. Hij was erkentelijk voor de diensten, welke de heer Efraïm hem bewees, maar gevoelde zich zijn meerdere in kundigheden en karakter.

De kennismaking met den heer Van Alkemade streelde Salomon Bisschof's eigenliefde niet. Hij sleet aan hem zooveel heele, halve en kwart loten, als hem gevraagd werden, maar had den oud-gouverneur spoedig gepeild. Diens algemeene denkwijze was hem tegen de borst, en het cynisme waarmede l ij over het exploiteren van indie sprak, deed hem inwendig koken.

Gelukkig was er eene afleiding.

Het kwam uit, dat Salomon Bisschof den persoon van Heinzen kende, op de hoogte w-as van Heinzen's geschiedenis, en ingewijd in de geheimen van Heinzen's, schrijverij,

Salomon Bisschof kende nóg een persoon, dien de lezer van dit verhaal een- en andermaal ontmoeten zal, en die het wonderlijk viertal zou voltooijen, waarmede de heer Cornelis van Alkemade, bij zijne vestiging in Den Haag, zich omringde.

Dokter Frans Affinius van den Ende, bedoel ik; en vraag verlof, bij deze gelegenheid de geschiedenis van mijne eigen eerste persoonlijke ontmoeting met dien zich noemenden medicus te mogen verhalen. Menigeen zal haar voor een sprookje houden, gelijk ook ikzelf geruimen tijd haar aan eene zinsbegoocheling heb toegeschreven.

Het was in den winter van 1844 op 1845, en de lotgevallen van den oud gouverneur der Molukken en zijne dochter Jo-zefine, mij eerst in veel later tijd van nabij hekend geworcen, behoorden, zonder dai ik het wist, reeds sedert een jaar of drie tot het verledeue.

22

ocr page 35

HAAGSCHE KENNISSENquot;.

Ik was destijds een iiankomend jongeling, woonde in Den Haag, was van de hoogste klasse van het gymnasium tot het universiteits-onderwijs gepromoveerd, zou eerlang student worden, maar ging alvast tweemalen in de week, omdat aan de Leidsche akademie tijdelijk een professor in het Oostersch ontbrak, les nemen bij een privaat-docent te Delft.

Delft, zooals men weet, ligt niet meer dan een uur gaans van Den Haag. Wanneer het helder weer was, wandelde ik. Maar meestal regende of sneeuwde het, eu dan nam ik de schuit.

Het was komiek, per trekschuit les te gaan nemen in het Hebreeuwsch en het Syrisch. Doch met dat doel van de diligence gebruik te maken, zou de lokale kleur maar weinig verhoogd hebben; de spoorweg was er toen nog niet, en de trekschuit bood het voordeel aan, dat ik in een hoekje rustig mijne konjugaties kon zitten repeteren.

Daar en toen viel mij de eerste verschijning van Dr. Frans Affinius van den Ende te beurt; eu men zal zien, dat ik haar niet ten onregte eene verschijning noem.

Toen de schuit Den Haag verliet, even voorbij de Zeven Kerken van Rome, waar het Spui den naam van het Zieken droeg en welligt nog op dit oogenblik draagt, bevond ik mij geheel alleen in de roef, met de deurtjes digt. Het regende dat het goot, en een felle zijwind joeg het water door de kieren der lekke raampjes met kracht naar binnen.

Aan de Geestbrug, waar de vaart een binnenweg snijdt, die Rijswijk aan Voorburg hecht, stapte niemand in. Dit weet ik zeker.

Evenmin aan de daarop volgende Tolbrug, vermaard door het fraaije, tegenover haar liggend etablissement voor lijders en lijderessen aan ruggemergsziekten, hetwelk door de smalle Haagsche gemeente kortweg plag aangeduid te worden als het Buitenpaleis.

Evenmin aan de Hoornbrug, de laatste aanlegplaats der schuiten van Den Haag naar Delft: dezelfde, waarover thans de tramway loopt, en waar zijne hengsten, opdat zij den zwa-ren wagen des te lustiger tegen de glooijiug zullen optrekken , eene merrie tot voorspan bekomen.

En toch, toen de schuit Delft begon te naderen en ik werktuigelijk uit mijne grammatica opkeek, bleek er iemand binnengetreden te zijn.

Was ik in de studie mijner werkwoorden zoo verdiept ge-

23

ocr page 36

HAAGSCHE KENNISSEN.

weest, dat een medereiziger het deurtje had kunnen openen en plaats nemen, zonder dat ik het gewaar was geworden ?

Het moest wel; ofschoon ik meende, dien ochtend juist zeer weinig aandacht te hebben geschonken aan mijn werk, en zeer veel aan den op de kussens nederzijpelenden regen.

Tegenover mij zat een man van gevorderden leeftijd, die met een paar schitterende oogen mij doordringend aanstaarde, en van wien mij bij den eersten aanblik het meest trof, dat hij zulk een langen hals had.

Onnatuurlijk lang was die hals; en niet effen of vleezig, maar ruw van oppervlakte, en in dc dwarste doorgroefd met eene donkerroode striem, tusschen de das en de ooren.

Of men wilde of niet, men moest er bij denken aan de halzen der condors, in den Amsterdamschen Dierentuin; en de roofvogel-uitdrukking der oogen was niet geschikt, die herinnering te temperen.

Ronduit gezegd: ik gevoelde mij met mijne zeventien jaren en geringe spierkracht maar half op mijn gemak tegenover den forschgebouwden grijsaard, die mij zat aan te kijken met den blik van den reus in Klein Duimpje, wanneer hij versch vleesch ruikt; en, was zijn gehoor even scherp als zijn gezigt, dan moest hij mijn hart hooren kloppen.

Hij scheen echter van mijne geheime vrees geen notitie re nemen; alleen van de sprakelooze verwondering over zijn uit de lucht komen vallen, die met groote letters moet hebben te lezen gestaan op mijn gelaat.

Zonder van houding te veranderen , zonder mij toe te knikken, met den hoed op het hoofd en de handen zaamgevouwen op den knop van een zwaren wandelstok, vertrok hij den mond tot een onaangenamen glimlach en zeide:

— „Dokter Van den Ende. jongeheer.quot;

Het was de toon van iemand die bedoelt, zich aan een ander bekend te maken. Doch de mededeeling gaf mij geen licht. Behalve van hooren zeggen een vermaard schoolopziener, kende ik niemand, die Van den Ende heette; maar de bedoelde paedagoog was een veel te deftige heer, om er te kunnen uitzien gelijk mijn overbuurman: een ronde hoed van het jaar nul, eene vieze witte das, die uit een hoog digt geknoopt vest kwam kijken, een versleten blaauwe overjas, lompe morsige laarzen, en groene zeemlederen handschoenen vol gaten.

— „Dokter Van den Ende?quot;... herhaalde ik vragend.

— „Dezelfde,quot; — vulde hij aan. — „Dokter Frans Affinius

24

ocr page 37

HAAGSCHE KENNISSEN.

van den En de, vroeger te Amsterdam, waar hij Spinoza indertijd les gegeven heeft in het Latijn.quot;

Nu werd ik bleek, geloof ik, en mijn hart begon nog luider te kloppen dan te veren.

— „Aan Spinoza!quot; — riep ik, ongeloovig en verschrikt; want ik hield mij overtuigd, met een krankzinnige te doen te hebben, en met een onvriendelijk krankzinnige.

— „Aan Baruch d'Espinoza,quot; — herhaalde hij met een grijns. — „Bij mij aan huis heeft Spinoza, tussehen de vijftien en twintig jaren oud, Latijn geleerd. Later hebben wij elkander uit het oog verloren. Hij is naar Leiden en naar Den Haag gegaan, en ik naar Frankrijk.quot;

— „Ma ar,quot; — riep ik uit, overmeesterd door eene herinnering, die mij eensklaps door de gedachten voer, en die de verklaring scheen te geven van den onnatuurlijk langen hals tegenover mij, — „Spinoza is veel meer dan honderdvijftig

«jaar dood, en de dokter Van den Ende, bij wien hij Latijn heeft geleerd en die op zijn ouden dag naar Frankrijk is gegaan, die is in Frankrijk...quot;

Het woord bestierf mij op de lippen. Met beide handen klemde ik mijne grammatica vast, en gluurde naar de roode striem boven de das.

— „Jawei,quot; — knikte hij, mijn vermoeden bevestigend, — „die is in Frankrijk opgehangen. Dinsdag 27 November 1674, 's middags tussehen tweeën en drieën, op het plein van de Bastille, te Parijs. Maar wat zou dat?quot;

Hij keek mij zoo doorborend aan, dat ik moeite had mij goed te houden. Had ik mij niet geschaamd voor den schipper en zijn knecht, ik zou de roef uitgesneld zijn en eene schuilplaats in den stuurstoel gezocht hebben.

— „Wat zou dat?quot; — herhaalde hij, met zijn stok op den grond stampend. — „Hangen is gezond. Onthoud wat ik zeg, jongeheer: hangen is gezond!quot;

Gelukkig waren wij spoedig te Delft.

25

ocr page 38

EEK MISHUWD MARINE-OFFICIER.

IV

EEN MISHUWD MARINE-OFFICIER.

In de schatting van personen, die hem wisten te waarderen, was dokter Van den Ende geenszins de gek en boeman , dien mijne onervarenheid, meer dan dertig jaren geleden, mij in hem deed zien. Weinig Hagenaren van dien tijd wisten in de geleerde boeken, die Salomon Bisschof's voorhuis vulden, zoo goed den weg als hij, en, had ik het tiende deel van zijn Syrisch en zijn Hebreenwsch gekend, — ook in het Arabisch was hij bedreven, — ik zou niet naar Delft hebben behoeven te gaan, om de eerste beginselen van het Oostersch te leerenc Met dat al is het waar, dat de titel, dien hij zich aanmatigde, slechts een der vele verzinselen was van den monomaan. Alleen in het geheim, en in strijd met de wet (toen nog minder gestreng dan thans), oefende hij de geneeskundige praktijk uit, en niet het minst ora die reden benoemde de oud-gouverneur der Molukken hem tot zijnen lijfarts.

Doch spreken wij over iets anders.

De heer Cornells van Alkemade en zijne dochter, weten wij, hadden aan boord van den Staatsraad van der Houven beleefdheid ondervonden van twee mede-passagiers: een subaltern marine-officier en zijne vrouw.

Bijna onmiddellijk na zijne terugkomst in het vaderland, en als au dêbotté van het uitstapje naar Brussel, had de minister van Marine dezen jongeren wapenbroeder van Van Speijk, tot kommandant van het kanonneerbootje benoemd, dat destijds o]) de Maas, vóór Rotterdam, de vijanden van Nederland den mond van één stuk geschut liet zien, gevuld meteen koperen knop.

Zóó druk evenwel was de dienst niet, of Henri Wilson, — gelijk ik mij veroorloof hem te noemen, — hield de vriendschap met den oud-gouverneur, die zijn vader of zijn grootvader had kunnen zijn, getrouw aan.

Met eene vroege diligence kwam hij lederen zondagochtend uit Botterdam naar Den Haag; bragt het grootste gedeelte van den dag in gezelschap van den heer Alkemade door. en

26

ocr page 39

EEN MISHUWD MARINE-OFFICIER.

keerde 's avonds met den laatsten wagen naar Rotterdam en naar zijne kanonneerboot terug.

De afwisseling, die zijne bezoeken aanbragten, zon van meer beteekenis geweest zijn, zoo mevrouw Wilson haren echtgenoot op die togtjes vergezeld had.

Zij was met hem naar Brussel gereisd, om Jozefine te begeleiden. Waarom kwam zij ook niet met hem naar Den Haag ?

Het verschijnen, af en toe, van eene fatsoenlijke dame, aan den arm van een fatsoenlijk heer. zou aan de woning in de Bogt van Guinee zekeren toon gegeven hebben, die daaraan te zeer ontbrak.

Er bestonden echter redenen, waarom Henri Wilson altijd alleen kwam, zonder zijne Trade, en zoo hij zijne vrouw bij voorkeur thuisliet, dan was dit niet zoozeer, omdat hij haar liefhad.

De goede verstandhouding tusschen de jonge echtgenooten liet te wenschen over.

Henri was een schoon man, in den bloei van het leven, met een innemenden blaauwen oogopslag. Aan zijn gebruind gelaat, bij blonde haren en blonden baard, herkende men aanstonds, niet minder dan aan zijne keurige burgerkleeding, den welopgevoeden zee-officier.

Trude, daarentegen, had een donker en terugstootend voorkomen.

Naauwlijks twintig of tweeëntwintig jaren oud, kon zij het niet helpen, dat zij bijna even breed als hoog was. Ook had die vroegtijdige korpulentie, waarbij men aan een waggelenden dobbelsteen dacht, hare aanvalligheid niet behoeven te vernietigen, ware zij maar in mindere mate eene slons geweest. Haar lengtemaat in aanmerking genomen, zeide het niet veel, dat haar glanzige zwarte haren, wanneer zij ze ontsnoerde, in natuurlijke golvingen schier afhingen tot op den grond. Niettemin zou menige vermaarde schoonheid haar dien dos benijd hebben. Zij had kleine handen, fraaije armen, nette voeten, een voorbeeldig zuiver gebit. Doch hare slordigheid was fabelachtig, en werd alleen overtroffen door haar slecht humeur, gelijk alleen hare slechte manieren het hare domheid deden.

Elk Europeaan moest van oordeel zijn. dat alleen de toorn des Hemels een man als Henri Wilson, aan gene zijde der linie, zich zulk eene vrouw had kunnen doen kiezen. Was het wonder, dat hij er onder gebukt ging? schertsten ligtziu-

27

ocr page 40

EEN MISHUWD MARINE-OFFICIER.

nige kameraden. Welk man zou niet gebukt gaan onder eene vrouw van honderdvijftig Nederlandsehe ponden?

In het kort, Henri Wilson had in Indie een dier onberaden huwelijken gesloten, gelijk zee-officieren, wanneer zij gedurende jaar en dag, aan boord van een roerloos wachtschip, daarginds op de reede eener buitenpost liggen te braden en zich te vervelen, er somtijds aangaan.

Toen hij Trude's hand vroeg, telde zij vijftien zomers en had zij in bekoorlijkheid kunnen wedijveren met de Adinde der HoUandsche Natie. Doch een half dozijn jaren was voldoende geweest, om hare schoonheid — te sloopen is het woord niet, maar in alle rigtingen zich zoo te doen uitbreiden, dat de ge-oefendste direkteur van politie moeite zou hebben gehad, de identiteit vnn het signalement te staven. Hare geestvermogens, die nooit buitengewoon geweest waren, schenen nog te verminderen, naarmate van haar toenemen in omvang en in leeftijd. Op het tijdstip onzer kennismaking niet haar, was zekere mate van onwil of onverzettelijkheid het eenig overgebleven kenmerk van baar bestaan als mensch, en een hoog ontwikkeld gevoel van jaloezie het eenig onbedriegelijk bewijs van haar karakter als vrouw.

Vraagt men of Henri Wilson, al moest elk vlugtis waarnemer de meeste schuld aan Trude geven, niet tot op zekere hoogte haar medepligtige en de bewerker van zijn eigen ongeluk zoowel, als van haar zedelijk stilstaan was, dan antwoord ik toestemmend.

Hij zou zich minder rampzalig hebben gevoeld, zoo hij haar meer ontzien , en niet voortdurend , door het opwekken van hare jaloerschheid, aanleiding gegeven had tot het doen ontwaken van haar boozen geest.

Zijne oplettendheden voor Jozefine, op de reis van Java naar Nederland, hadden Trude in de hoogste mate verbitterd. Trude's medegaan naar Brussel had geen ander doel gehad, dan als fdcheuse troisième een oog in het zeil te houden; en wederkeerig had die waakzaamheid, waar volgens Henri geen zweem van termen voor bestonden, zijn afkeer van haar nog doen toenemen.

Bij de terugkomst te Botterdam huurde hij, voor haar en voor hem, ergens in eene voorname straat, eene bovenwoning, doch maakte van zijne benoeming tot kommandant der kanonneerboot gebruik, om feitelijk van haar gescheiden te leven.

De arme kinderlooze vrouw, nog niet gewoon aan het Euro-

28

ocr page 41

EEN MISHUWD MARINE-OFFICIER.

peesch klimaat, onbekend met de Nederlandsche zeden , uaauw-lijks genoeg Hollandsch sprekend om door liare dienstboden en hare leveranciers verstaan te worden, leidde een ongelukkig leven. Er was niets met haar aan te vangen. Van Rotterdam tot Utrecht en van Utrecht tot Antwerpen, had zij in een diligence, ■ van Antwerpen tot Brussel in een spoortrein gezeten. Doch dat nooit weder 1 zeide zij. Xooit wilde zij mede naar Den Haag. Nooit vertoonde zij zich op de straat. Haar eenig gezelschap was eene Boeginesche meid, die hare ouders haar bij het aan boord gaan hadden medegegeven, en die tot groote verwondering der direkteuren van het Rotterdamsch Zendelinggenootschap, nooit van de Christelijke godsdienst gehoord had en niets dan Boegineesch sprak.

Ook Henri was volkomen ongelukkig.

Al de uren, die hij niet noodig had op het dek zijner kanonneerboot te vertoeven, zat hij in zijn kleine longroom, met de armen over de borst, op de kleine tafel te turen. Of boven zijn hoofd de schoonste Xoord-Nederlandsche luchten zich welfden; Rotterdam's panorama zich statig voor hem uitbreidde; zeilende of stoomende schepen en scheepjes met onnavolgbare kunst de rivier stoffeerden, — menschen en dingen, vaartuigen en huizen, uitspansel en waterspiegel, het liet hem alles even somber.

Met geen der kameraden, die hem bij tusschenpoozen aan boord kwamen bezoeken, was Henri Wilson zoo intiem, als met zijn boezemvriend George Bentinck. Zamen hadden zij op dezelfde schoolbanken gezeten, zamen de kadettenschool te Medemblik bezocht, zamen in Indie gediend op hetzelfde wachtschip. Eerst in den laatsten tijd, daar ginds, had men hun eene verschillende bestemming aangewezen, en Henri was reeds sedert eene maand of wat in Nederland terug, toen George nog moest aankomen.

George's eerste uitgang, zoodra hij de handen vrij had, was naar Rotterdam en naar de reede. Hij kende de omstandigheden van zijnen vriend, en had zich omtrent de stemming, waarin hij dezen zou aantreffen, geen hersenschimmen gemaakt. Maar het viel nog tegen. Henri was zóó gedrukt, dat de hartelijkheid er onder scheen te lijden.

— „Hoe nu?quot; — vroeg George ten slotte, — „moest ik een dag uitbreken en overblijven, om een oud vriend, een jongen van Jan de Witt, te vinden pruilen als een kind? Op mijn woord, ik had een andere ontvangst verwacht!quot;

29

ocr page 42

EEN MISHUWD MARINE-OFFICIER.

— „Zoo je mijn kruis te dragen hadt, zou je óók pruilen— antwoordde Henri, zonder op te zien. — „Er zijn in de wereld veel ongelukkige menschen; maar ongelukkiger dan ik, dat geloof ik niet!quot;

— „Je hebt een aartsdomheid gedaan, dat weet ik. Maar draag er als een man de gevolgen van , en praat niet over je kruis, alsof je een heilige waart. Niemand is zoo ongelukkig, dat hij het hoofd mag laten hangen.quot;

— „Dragen als een man?quot; — klonk het luider. — „De man van zulk een vrouw is geen man. Ben je bij mij aan huis geweest? Zag ze er weer uit als een baboe? Zat ze weer op den grond, kaart te spelen met haar meid en siri te kaauwen?quot;

— „O ja: en zelfs heeft het weinig gescheeld, of ik had een rood straaltje in mijn gezigt gekregen! Zij haat de marine, naar het schijnt. Maar biecht eens op! Geef je er haar geen reden toe? Schiet de marine niet meest van al onder haar duiven?quot;

Henri keek hem aan.

— „Ik meen — zeide George, — „of als je en garqon aan den zwier gaat, het dan niet negen keeren van de tien met jongelui van de vloot is?quot;

— „Ik ga vonit aan den zwier, noch in gezelschap, noch alleen,quot; — antwoordde Henri onstuimig. — „Ik slijt mjn leven hier aan boord. En welk een leven! Mijn eenige uitgang is naar den Haag van tijd tot tijd.quot;

— „Naar Den Haag, naar Den Haag! Den Haag is de laatste plaats, waar een man, die te Rotterdam woont, en wiens vrouw jaloersch is, heen moest gaan. Heb je de Haagsche Physiologie niet gelezen? Van de dames, die zaaijen noch spinnen , en nogtans fraaijer gekleed gaan dan Salomo in al zijn heerlijkheid?quot;

— „Voor mij kunnen zulke boeken ongeschreven blijven,quot; — hield Henri vol. — „Ik ken geen sterveling in den Haag, behalve den ouden Alkemade. Van hem kan Trude toch niet jaloersch zijn?quot;

— „Dat weet ik niet,quot; — zeide George, — „dat hangt er van af. Ik ben pas in het land. Welke is, aan boord van die snertschuit, je verhouding tot Alkemade's dochter geweest? Ik heb Jozefine in geen anderhalf jaar gezien, of langer; maalais ze gehouden heeft wat zij daarginder beloofde, dan bestaat er voor Trude misschien wel degelijk reden, jaloersch te zijn. Of zoo het niet om Jozefine is, waarom hondje de kennis met haar vader aan?quot;

30

ocr page 43

EEN MISHÜWD MARINE-OFFICIER.

— „Jozefine is op ilit oogenblik niet bij haar vader aan huis. Zij bevindt zich te Brussel, op de kostschool.quot;

— „Reden te meer! Zoo zij te Brussel is, wat doe je zoo dikwijls aan te komen bij dien onbeduidenden, pedanten Alkemade, met zijn potjeslatijn? Een fraaije oud-gouverneur, op mijn eer! Een oud-doordraaijer ja! Een stille schuiver! Een slecht vader, durf ik zeggen! Heeft hij Jozefine wel eens gelegitimeerd? Wanneer moet zij ontdekken, de arme meid, dat zij het kind van een Chinesche huishoudster is?quot;

— „Draaf zoo niet door, George!quot; — zeide Henri, de hand opheffend, ten teeken dat hij van verdere uitvallen tegen den heer Cornells van Alkemade verschoond wenschte te blijven.— „Ik herhaal wat ik je met een enkel woord geschreven heb. Jozefine is er het meisje niet naar, om zich sterk aan te trekken , of haar moeder uit de Chinesche, dan wel uit de Arabische wijk is voortgekomen. Daar is zij te vroegwijs, te koel, te onverschillig voor. Over Alkemade denk ik niet veel gunstiger dan je zelf. Maar kan ik het helpen, dat zijn huis me lief is, afgescheiden van zijn persoon? Zelfs zijn vervelende konversatie doet mij goed. Zij herinnert mij den tijd.....quot;

— „Den tijd toen je nog vrij waart, jawel!quot; — viel George hem in de rede. — „Maar toen was Jozefine een kind, en nu is ze een volwassen meisje, niet waar? Luister naar mij, Henri! Niemand bereikt zijn ideaal volkomen. Klei zit er aan den knikker altijd. Wat meer of wat minder. Aan jou knikker zit veel klei. Maar wat drommel, kan men niet gelukkig zijn, al is men niet gelukkig getrouwd? Kun je niet leven voor je land? Voor je vlag? Zoo de dienst je tegenstaat, kun je niet leven voor je geest, voor de studie, weet ik het? Maar (?én ding bezweer ik je: loop met je leege gedachten dat kind niet langer na! Beloof je me dat?quot;

— „Neen, dat beloof ik niet!quot; — riep Henri, met de vuist op de tafel slaande. — „Hoe kwalijk begrijp je mij! Maar ik begrijp mij zei ven niet meer. Die vrouw van mij heeft een behoefte bij mij wakker gemaakt, waar ik vroeger geen voorstelling van had. Wat is dienen? Dienen kan de put van mijn hart niet dempen. Onder de burgers zijn er, die beroemd, die personen van gewigt, die millionair willen worden! Voor mij is maar één ding de moeite van het leven waard — en ook dat éi'ne voel ik mij somtijds ontzinken. Een gevoel als een uitgeblazen ei. Hoor ik 's nachts den wind door het tuig gieren, dan denk ik: Daar heb je het! Zoo zijn we allen gekomen,

31

ocr page 44

EEN MISHUWD MARINE-OFFICIER.

zoo gaan we allen voorbij! Er is niets aan! Je kunt er even goed buiten blijven, als er aan mededoen! God in den hemelj er moet toch iets wezen, waar een man zich aan vasthouden, zich voor interesseren kan!quot;

George Bentinck, die een lieve vrouw, aardige kinderen, smaak in het varen, en een goed geweten had, begreep de onstuimigheid van zijn wapenbroeder niet en kon hem niet troosten.

— „Zie je—ging Henri bedaarder voort, — „eigenlijk zijn de dichters, met hun onpraktische droomen van lietde, de eenigen, die de zaak bij het ware eind hebben. Niets kan een man bevredigen, dan wanneer hij de vrouw vindt, die voor hem geschapen is , en hij voor baar. Maakt hij bovendien carrière, goed. Heeft hij voorspoed, het is wèl. Maar het doet er niet toe. Arm ot' rijk, gehaat ot'gezien, hij is er. Zelfs al wordt hij slecht!quot;

— „Maar beste kerel,quot; — zeide George, — „als je zoo denkt, waarom heb je dan je zinnen op Jozefine Alkemade gezet? Gesteld, je waart vrijgezel en je vroeg haar voor je vrouw, meen je dat zij je ireven zou wat je zoekt'? Dat mooije popje zonder hart en zonder geest? Van uitgeblazen eijeren gesproken!quot;

— „Ik heb mijn zinnen niet op haar gezet!quot; — antwoordde Henri met vernieuwde heftigheid. — „Noch op de reit van Java naar hier, noch onderweg naar Brussel, heb ik één woord tot haar gezegd, wat de geheele wereld niet hooren niogt. Ik beproefde zelfs niet, uit te visschen, of indien zij wist wat er in mij omgaat, zij mij begrijpen zou. Ronduit gesproken, ik geloof het niet. Maar dat kan mij niet schelen. In haar heb ik lief wat ik mis. Dal is mij genoeg.quot;

— „Indien je niet gelooft, dat zij je begrijpen zou, dan moet ik je feliciteren,quot; — zeide George, een bedenkelijk gezigt zettend. — „Trouwt Jozefine spoedig een man, die niets meer van haar verlangt dan dat zij mooi zal zijn voor hem en goed voor haar kinderen, dan kan zij teregt komen. Maar wordt er meer van haar gevergd, dan zal er blijken of niet bij te zitten, vrees ik, of het tegenovergestelde van hetgeen wen-schelijk is. Je moet de onschuld van die soort van meisjes niet verwarren met hetgeen wij hier onschuld noemen. De arme dingen kunnen het niet helpen. Het zit in het Chioesche bloed!quot;

„Nu ja,quot; — antwoordde Henri ongeduldig, — „of het in het Chinesche bloed zit, weet ik niet. Met het Makassaarsche van Trude heb ik het óók niet getroffen. Voor mij bestaan zulke

32

ocr page 45

BINNENLANDSCHE REISPLANNEN.

onderscheidingen niet. De bloem, die ik zoeken zou, indien ik zoeken morjt, bloeit in idle hemelstreken. Maar zoo het waar is, wat je van Jozefine denkt, des te beter dat ik haar niet bekomen kan.quot;

— „Des te beter, ja.quot; —- hernam George, die geen reden had kwaad te spreken van het mooije meisje, anders dan in zoo ver hij haar ras wantrouwde, — „des te beter voor u, mijn vriend; maar niet voor haar! Een vrouw zonder gemoed is altijd te beklagen. Ik vind het intusschen maar gelukkig, dat je huwlijk kinderloos gebleven is. Je denkt misschien als een goed man, maar zeker als een averegtsch vader.quot;

— „Ik verlang niet naar kinderen,quot; — zeide Henri, terugstortend in zijne somberheid. — „Wat ik van het leven heb leeren kennen, doet mij de vermenigvuldiging der exemplaren eer een ramp dan een zegen achten.quot;

George dacht, bij het afscheid nemen:

— „Er is, helaas, voor vriend Henri geen kruid gewassen, mij bekend. Het eenige wat ik doen kan is, de eerste reis dat ik in Den Haag moet wezen, een bezoek te gaan brengen aan Van Alkemade. Ik heb óók gedanst op zijn Makassaarsche recepties! Hij moet zijn dochter erkennen, en het haar mogelijk maken, hier een huwlijk in zijn kring te doen. Van zelf zal hij dan wel begrijpen, voor welk soort van heeren hij in de eerste plaats zijn deur moet sluiten. En speelt hij op — nu, ik ben voor dien mageren beer op sokken in het minst niet benaauwd!quot;

V

1? I N N E N L A N D S C H E lï E 1 SP L ANNE N.

De heer Cornelis van Alkemade vond het betamelijk, vóór de thuiskomst zijner dochter, en nu hij in Den Haag de personen zijner keus gevonden had, een bezoek te gaan brengen aan zijne zuster en haar echtgenoot, te Amsterdam.

— „U hadt daarmede geen twee maanden behoeven te wachten ,quot; — veroorloofde Henri Wilson zich op te merken, toen op een zondagmorgen het voornemen hem door den oudgouverneur bekend gemaakt werd.

33

3

ocr page 46

lilN'XENLANDSCHE REISPLANNEN.

— „Jonge vriend,quot; — wns liet antwoord. — „daarin vergist gij u. Maar ik houde het n ten goede. Maxima piieris de.betur ïeverentia. Het tijdstip, waarop ik mij naar Amsterdam begeef, is met zorg gekozen. Te laat, noch te vroeg. In deze zaak, gelijk in alles, handel ik methodiek.quot;

Methodiek handelen, dit deed de oud-gouverneur.

Kort te voren had zijne zwakke gezondheid hem verboden , een contra-bezoek te brengen aan den kassier Efraïm. Eerlang zou dezelfde oorzaak hem verhinderen, uit wandelen te gaan of visites te gaan doen met zijne dochter. In gewone omstandigheden was hij altijd door ongesteldheid aan huis gebonden. Maar vond hij iets pligtmatig, dan deed hij het met de geestkracht van een automaat, ziek of gezond; en daar het pligt-gevoel bij hem maar zelden sprak, kon hij zonder onnatuurlijke inspanning zijne methode getrouw blijven.

— „En gaat u geheel alleen, als ik vragen mag?quot;

— „Neen, ik neem Abels mede. Morgen wordt de reis aanvaard.quot;

Het had heel wat moeite gekost. Abels aan het versrand te brengen, wat er van hem geëischt werd. Hij begreep zeer in het algemeen, dat wanneer hij met een oostindisch groot heer als passagier eerste klasse naar Amsterdam reisde, zijne taak zou zijn, onderweg kleine diensten te bewijzen, bij aankomst in de hoofdstad voor eeno vigilante te zorgen. naast den koetsier te gaan zitten, en aan te schellen bij mijnheers zwager.

Doch met zijne kennis der reisgelegenheden was het pover gesteld. Welk gedeelte van den weg moest per diligence, welk ander per spoortrein afgelegd worden? Hij wist het niet. Kon men aan het diligence-kantoor plaatsbriefjes bekomen, die ook voor den spoortrein geldig waren? Hij zou er naar informeren. Hoeveel moest er betaald worden? Daar had hij geen voorstelling van. In hoeveel tijd werd het trajekt afgelegd? Dit zou hij mijnheer niet kunnen zeggen.

De oud-gouverneur echter, die alles wist, wist ook uit welk hout men in Nederland oppassers vervaardigde. Het zou zijne achterdocht hebben opgewekt, indien Abels kennis had gedragen van de dingen, die hij bleek niet te weten. Gelijk het vanzelf sprak, dat het heelal door onpersoonlijke wetten bestuurd wordt, was het ook natuurlijk, dat Abels en de zijnen stoffels waren. Een man, die zes en dertig jaren in Indie had doorgebragt, dacht te verlicht, om zich daarover te bedroeven of te vertoornen.

34

ocr page 47

BINNEN' LAN'DSC HF. REISPLANNEN.

Bovendien, er waren andere en gewigtiger dingen, waarover de heer Van Alkemade, eer hij het besluit nam zich naar Amsterdam te begeven, rijpelijk had moeten nadenken.

Zou hij, in de eerste plaats, al dan niet de punten vaststellen, waarover het onderhoud mot zijn zwager Bruce loo-pen zou?

In vele opzigten was dit geraden.

— „Blanditer nugari,quot; — zeide hij tot zichzelven, — „daarvan heb ik een natuurlijken afkeer. Mijn zwager is een geletterd man, en het is de eerste maal in ons leven, dat wij elkander ontmoeten zullen. Zal ik tegen hem opgewassen blijken, dan moet ik goedbeslagen ten ijs komen.quot;

Maar het zelfvertrouwen won het bij nader inzien van de voorzigtigheid.

— „Uit mijn klassieke lektuur is mij zulk een overvloed van toepasselijke spreuken bijgebleven,quot; — bedacht de oudgouverneur, — „dat de vlag in elk geval meer dan volstaat, om de lading te dekken.quot;

Ander kwestieus punt: Zou hij zijne zuster inlichten omtrent Jozefine's verhouding tot den burgerlijken stand?

Zoo ja: zou hij dit doen regtstreeks, dan wel in bedekte termen? Zoo neen: hoe zou hij de zaak voorstellen, indien er hem naar gevraagd werd ? En indien er over werd gezwegen, welken vorm van dwaling zou hij laten voortbestaan?

Splinterige vraagstukken, in staat zelfs wereldwijzer mannen dan den heer Cornelis van Alkemade in ongelegenheid te brengen!

T)e slotsom was, dat hij een programma arresteerde, hetwelk evenals een rottinghengel korter en langer gemaakt, uit- en ingeschoven kon worden. Aan zijn gelaat kon men niet zien, welke keus hij gedaan had, maar wel, dat hij alles gewigtig vond: zijn plan, de uitvoering, en bovenal zichzelven.

Omtrent één punt was hij met zijn geweten dadelijk in het effen geweest: dat hij te oud, en een te ernstig man was, om aan verrassingen te doen. Een gewezen gouverneur der Molukken was niet gewoon, overvallen te worden, en overviel anderen niet.

Toen dus Abels eenige malen naar het diligence-kantoor gestapt was, en er op zijne informatiën genoegzaam staat kon gemaakt worden, bragt de heer Van Alkemade een brief aan zijne zuster in gereedheid, waarin hij tegen dien en dien dag dat en dat uur, deftig belet vroeg.

35

ocr page 48

BINNENI.ANIJSCHE REISPLANNEN.

Eén dag werd voor de heenreis gerekend, één voor de terugreis, één voor het bezoek. Zijn intrek zou hij nemen in een logement. Men werd verzocht, niet te beproeven, hem van deze regeling at te brengen. Hulp had hij niet noodig: daarvoor bragt hij zijn knecht mede. Eene uitnoodiging om te blijven middagmalen zou hij gaarne aannemen, zoo er althans om zijnentwil geen-omslag gemaakt werd. Hij had eene leverkwaal, het spruw, en beginselen van tering. Hij was niet op zijn mond, zooals zijn vader geweest was, en zijn moeder had ingewilligd. Wanneer men als hij, zesendertig jaren in Indie had doorgebragt, dan bezat de Hollandsche tatel weinig aantrekkelijks meer. De tijd van nunc est bibendmn, nunc pede libero, lag achter hem. Het zou reeds veel zijn, zoo hij van zijne Amsterdamsche reis het leven af bragt.

Mevrouw Bruce, even sterk verlangend haar broeder terug-te zien, als zij aan den anderen kant tegen de eerste ontmoeting opzag, beijverde zich, dezen brief met de meeste hartelijkheid te beantwoorden. Aan de kinderen werd het handschrift van oom Cornelis niet vertoond, evenmin als met het vorige gedaan was. De eerste druk van Hildebrand's Camera Obscura deed in die dagen de ronde der Nederlandsche jeugd, en de moeder der Bruce's achtte het onnoodig, vergelijkingen uit te lokken tusschen den Indischen bloedverwant en neet Robertus Nurks.

De reis van Den Haag naar Amsterdam verveelde den oudgouverneur. Maar niet veel meer dan de meeste andere dingen hem verveelden.

Wat hij in Indie van de nieuweEuropesche vervoermiddelen gehoord had, viel bij de kennismaking tegen; dit sprak van zelf. Bij vergelijking kon hij nog niet oordeelen, daar hij uithoofde zijner zwakke gezondheid tol heden zich had moeten bepalen, zoo goed en kwaad het ging, van Brouwershaven naar Den Haag te sukkelen. Of in andere landen van Europa sneller en gemakkelijker gereisd werd dan in Nederland, dit wist hij niet. Maar het stond vast, dat in Nederland alles erbarmelijk was. Aan welke afgebeulde jagersknollen gaf men er den naam van diligence-paarden! Welke rammelkasten waren de diligences zeiven I Welke met blaauw laken gevoerde beestenhokken , waar men noch leunen, noch overeind zitten, noch de beenen behoorlijk uitstrekken kon, werden door die Hollandsche Spoorweg-Maatschappij voor wagens eerste klasse gevent! Was het de moeite waard geweest, ter wille van dien

36

ocr page 49

BINNEN LAN DSC HE REISPLANNEN .

slakkengang op rollen, de trekschuiten af te schaffen? Hoe anders ging het er langs op Java, van Anjer tot Banjoewangi, in een eigen reiswagen met twee loopjongens achterop, en zes gouvernements-postpaarden in liet tuig!

Maar gelijk ik zeide, de heer Van Alkemade verveelde zich maar half.

Tegenover hem zat Abels, — Abels die in last had, uit eene schildpadden bonbonnière (geschenk van een ten onder ge-bragt Moluksch opperhoofd), den oud-gouverneur van tijd tot tijd een pepermentje aan te bieden, — Abels, die uit een flacon van kokosnoot, ter grootte van eene veldflesch, zijn zakdoek bevochtigen moest met eau-de-cologne, — Abels, die wanneer de zon hinderde, beproeven moest, de te korte en te smalle blaauwe gordijntjes digt te schuiven, of, wanneer de lucht zich dekte, even het raampje moest openen tegen de be-naauwdheid.

De heer Van Alkemade was niet een dier menschen, welke, wanneer zij eenige uren in een openbaar middel van transport moeten doorbrengen, hetzij een praatje aanknoopen met hunne medereizigers, hetzij een boek nemen en gaan zitten lezen. Lezen, onder het rijden, vermoeide hem. Kennis maken met andere passagiers (de Hollandsche manier van reizen) vond hij kleinsteedsch. De Engelschen in Europa, had hij vernomen, spreken op reis met niemand, die niet aan hen voorgesteld was. Zoo betaamde het.

Evenmin behoorde hij tot hen, die van het gedwongen zwijgen der ligchamelijke zwakheid gebruik maken, om, weggedoken in hun hoekje, te gaan zitten peinzen over het verleden, het heden, en de toekomst, over hunnen levensloop, hunne tekortkomingen, hunne vooruitzigten, of de vooruit-zigten van andere personen, die hun dierbaar zijn.

Door welke gaven, die ik mis, munten die en die onder mijne land- en tijdgenooten uit? Welke diensten, die ik verzuimde, werden door dezen en genen van mijne kennis, bewezen aan de openbare zaak? Welke natuurlijke gebreken of neigingen kunnen oorzaak zijn, dat de menschen over het algemeen niet van mij houden, niet van mij gediend zijn, mij verkeerd beoordeelen? Wat zou ik kunnen doen, om een knapper, een beter, een beminlijker mensch te worden?...

De dag, dat de oud-gouverneur der Molukken zich zeiven dergelijke vragen stelde, moest nog aan den hemel rijzen, en 'sheeren Alkemade's zon — opdat ik er dit bijvoege — is

37

ocr page 50

BINNENL ANDSC H E REISPLA N X EN,

ondergegaan, vóór hij er gelegenheid toe gevonden of genegenheid toe gevoeld had.

Over het algemeen hield hij er niet van, aan zijne meerderen te denken. Zelfs niet aan zijne gelijken. De overtuiging, dat hij alles beter wist dan iemand anders, juister beoordeelde, klaarder doorzag, ontnam elke vergelijking van dien aard hare bekoring.

Gaarne daarentegen dacht hij aan personen als Abels.

Wie kon, wanneer hij dien stumpert met de koeblonde, in het kaarsvet gezette tire-bouchons, tegenover zich zar zitten, nog één oogenblik gelooven, dat alle menschen afzonderlijk geschapen worden door God?

Welk een dubbelzinnig kompliment aan den Hemelschen Vader, dat dergelijke musschen niet zonder zijnen wil ter aarde vallen!

Bestond er dwazer idee, dan dat Jezus Christus voor de zonden van zulk soort van lieden gestorven was aan het kruis?

Een vrolijk vonruitzigt, aan gene zijde van het graf, er te worden opgewacht niet; Daar was AbelsI

Welk een type van den Nederlander, dat kereltje aan de overzijde I

De glazige aardappelen keken hem de glazige oogen uit. Tien tegen één, dat hij in geen zes en dertig jaar een bad genomen had. Welk ondergoed! Welke bovenkleederen I Hoe kruiperig waren ze bedankt, kon men nagaan, de afleggers en gevers dier kale plunje!

Hoe de vrouw van zoo'n man er uitzag? Abels en zijn wijfje! Kan zulk een volbloed Nederlandsch echtpaar anders aangeduid worden, dan als een stel kinderen voortbrengende bedde-pannen onder één deken? En welk een deken!

Maar zoo waren do Hollanders. Dat noemde men de kern der natie. Voor zulk volk schreef Heinzen zijn Lepelaar. Domme vreemdeling, en nog dommer landgenooten ! Wilden de stakkerts naar Indie gaan, dan konden zij er fortuin maken. Indie lag nog braak. Indie was een goudmijn. Maar ze hadden geen energie. Zend dien Abels naar Java, en rijst met boter en suiker zal het eerste zijn, waar hij daarginds om vraagt; en zondags naar de kerk. O volk van katechiseermeesters! Zei s die loterijjood, Bisschofs, kon het katechiseren niet nalaten. Zeli's Heinzen niet. Zelfs Efraïm niet. De eenige bruikbaie persoon misschien was Van den Ende, met zijn langen hals. Die kerel wilde ten minste eerst alles onderst boven keeren.

38

ocr page 51

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

Op die wijze kon er nog iets van teregt komen. Jammer dat hij te koop liep met zijn kennis aan Spinoza, en ook al zoo arm was als de mierer. Allemaal schocijers, altemaal Abelsen . altemaal oppassers. Een natie met roode handen, groote voeten, ledige magen, en aangekleed in een uitdragerswinkel...

Ue goede Abels was d mille liaues van te beseffen, welke rijke stot' tot overpeinzingen door hem geleverd werd aan den nimmer uit de plooi gerakenden ouden heer, die nu en dan hem zijn zakdoek toestak of om een pepermentje wenkte. Hij zag alleen met welgevallen, dat de reis mijnheer geen kwaad deed.

Er zijn van die gestellen, welke men wanen zou omver te kunnen blazen, doch bij welke eene overheerschende gedachte de plaats van spieren en gezondheid vervangt. Het gevoel zijner eigen voortreffelijkheid deed bij den oud-gouverneur der Molukken de uitwerking van overvloedig en krachtig dierlijk voedsel. Al hetgeen dat gevoel bij hem opwekte, wekte meteen zijne levensgeesten op. Bij de aankomst te Amsterdam zou men gezworen hebben, op zijn gelaat een hoogeren glans te zien liggen, zooals wanneer Mozes van den berg afdaalde; de shechina der zelfvoldoening.

VI

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDEKZIEN.quot;

— „Wat dunkt u, Bruce, zoo wij broeder Cornelis in de studeerkamer ontvingen?quot; — vroeg 's avonds vóór den gewig-tigen dag mevrouw Bruce haren echtgenoot.— „Dan vindt hij je dadelijk in je gewone doen , en het uitzigt in den tuin zal hem een aangenamen indruk van onze woning geven.quot;

— „Daar ben ik tegen, Adrienne,quot; — antwoordde de oude heer. — „Broeder Cornelis schijnt een man te zijn, wien men een dienst bewijst, door hem met zekere plegtigheid te bejegenen. Hem niet in de studeerkamer, maar in de zijkamer te ontvangen, is het middel, hem op zijn gemak te zetten. De humaniteit, dunkt mij, schrijft in dit bijzonder geval weder-keerige stijfheid voor.quot;

Hij wilde niet ronduit zeggen, dat hij zijne studeerkamer

39

ocr page 52

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

beschouwde als eene soort, van heiligdom, waarin alleen vertrouwde vrienden werden toegelaten, en vertrouwen een gevoel was, hetwelk zijn zwager hem nog inboezemen moest.

— „Ik geloof niet,quot; — ging hij voort, — „dat broeder Cornelis aan het uitzigt in den tnin veel aandacht schenken zou. Hij maakt op mij den indruk van iemand, die voor zulke dingen geen oog heeft. Laten we hem ontvangen, zooals we het een geacht vreemdeling zouden doen. Draag zorg, intijds gekleed te zijn. Ik zal je voorbeeld volgen. Tegen beurstijd laat ik je met hem alleen: dan kunnen jelui vrij zamen praten, en mogelijk komt hij dan op dreef. Later misschien ook met mij aan tafel. Maar mag ik je een raad geven, ga niet te hartelijk van stal. Dat zou verkeerd uitkomen, vrees ik. En hoe denk je over de kinderen?quot;

— „Mijn plan was, de kinderen te laten eten onder elkander. Vraagt Cornelis naar hen, dan kunnen zij zich vertoonen aan het dessert. Of vind je dat verkeerd?quot;

— „Ik vind die schikking integendeel uitmuntend.quot; — antwoordde David Bruce.— „De humaniteit schrijft voor, ik herhaal het, dat wij broeder Cornelis zoo veel mogelijk op zijn gemak zetten. Hij houdt van de deftigheid, en die zouden wij met al die jongelui om ons heen moeijelijk kunnen bewaren.quot;

Mevrouw Bruce was van dit herhaald beroep op de humaniteit zoomin dupe als haar echtgenoot zelf. Beiden waren argelooze lieden; menschen van gemoed en van aandrift, meer dan van overleg. Doch het aangekondigde bezoek was in hun stillen kring eene zoo buitengewone zaak, en de karige brieven van broeder Cornelis hadden op zoo weinig hartelijks of beminnelijks voorbereid, dat zij wederkeerig hunne maatregelen namen. Met al de onhandigheid van niet-diplomatieke naturen, welke voor een keer in loosheid doen, stelden zij programma tegenover programma.

Zoo geschiedde het, dat toen in den namiddag van den volgenden dag, op het sakramenteel visite-uur de huisknecht der Bruce's de deur der zijkamer opende en den heer van Alkemade aandiende, de oud-bewindvoerder over een deel van den Maleischen Archipel zijne zuster en haren echtgenoot döftr en alléén vond.

Ofschoon David Bruce meer door boeken- dan door roenschen-kennis uitmuntte, had een juist voorgevoel hem ditmaal doen beseften, dat eene statige ontvangst zijn Indischen zwager aangenamer zou zijn dan eene familiare.

40

ocr page 53

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.'

Niet-alleen had de oud-gouverneur ook zijnerzijds toilet gemaakt , maar dien eigen ochtend was hij naar een voornaam Amsterdamsch tandmeester gereden, die hem voorzien had van een vonkelnieuw gebit. Zijne kleeding was die van een Haagsche heer, buiten betrekking, die in klein comité den avond gaat doorbrengen bij een minister of een sekretaris-generaal. De verlakte laarzen kon men aanzien, dat het schoeisel en smalle voeten door den eigenaar als bewijzen van dis-tinktie werden aangemerkt. In het knoopsgat van den rok prijkte eene kleine Leeuwenorde. De witte das maakte aanspraak, een goed geheel te vormen met het nieuwe gebit en de lichte handschoenen. Maar de persoon zelf zag er niet uit als een man van aanzien. Bij zijn binnentreden dacht men aan den president eener rederijkerskamer, opgerezen om aan een publiek, dat hij beneden zich acht, eene mededeeling te doen.

Een oogenblik bleef hij, met den hoed in de hand, aan den ingang van het vertrek staan, als onzeker of hij het eerst zijne zuster dan wel haar man zou toespreken. Doch het officieel karakter der ontmoeting had spoedig zijne keus bepaald.

— „Zwager,quot; — zeide hij, naar David Bruce tredend en hem twee vingers reikend, - „ik beu iudiskreet, door op dit uur bij u in huis te komen vallen. De beurs wacht u eerlang. Hora ruit. Maar ge zult u door mijn bezoek niet van gewig-tiger bezigheden laten afhouden. In Indie zou ik het mij evenmin van de mijne hebben laten doen. Ham- veniam damns petimusque ricissim. Wij zijn geen van beiden op komplimenten gesteld, geloof ik. Mannen van onze ontwikkeling zijn dat zelden. Quasi non norirnus! Bekommer u niet om mij. Uw vrouw zal de honneurs waarnemen.quot;

Hierop zich tot mevrouw Bruce keerend, kuste hij haar, onder het uitspreken van het woord; „Zuster!quot;, op het voorhoofd.

David Bruce vond het vreemd, door eene herinnering aan het beursuur, reeds dadelijk verwittigd te worden, dat men zijn gezelschap niet onmisbaar achtte. Doch daartoe bepaalde zich zijn eerste indruk. Hij was geen man, die zich omtrent het karakter zijner medemenschen snel een oordeel vormde. Voorloopig zag hij in zijn uit de lucht gevallen zwager een dier vraagteekenen, gelijk er telkens als hij niet dadelijk eene plaats zijner oude schrijvers begreep, onwillekeurig uit zijnen geest naar den rand van zijn boek of zijn handschrift dwaalden.

Anders zijne vrouw. Gedurende de laatste twintig jaren van

41

ocr page 54

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

haar leven alleen vrouw en moeder geweest, gevoelde de moeder der Bruce's zich eensklaps weder dochter. In de broederlijke schim tegenover haar, stond eene gewaarwording, die zij voor goed gestorven dacht, uit de dooden weder op. Kon zij het helpen, dat met de snelheid der zaamgeperste herinneringen, een geheel hoofdstuk uit de geschiedenis van haar eenvoudig leven, als in een droom haar voorbij zweefde? Die hooge, schrale gestalte, die wankelende tred, die vorm dei-handen, dat uitgevast gelaat, die dunne, grijzende haarlokken, — neen, de afgemeten toon, waarop hij „zusterquot; zeide, de koelheid van zijn kus, zijne aanmatiging tegenover haar man, verrieden dat hij haar vader niet was, niet kon zijn. Doch hoe bcdriegelijk sprekend was met dat al de gelijkenis! Hoe schemerde, door de karikatuur heen, de adel van haar vaders wezen! Hoe levendig werd zij eensklaps herinnerd aan den kranke, jaren lang door haar verpleegd, wiens beiuinlijke eigenschappen krachtiger aan het licht getreden waren, naarmate het lijden hem zigtbaarder sloopte! Aan wiens sterfbed te denken en in een zalig toekomend leven te gelooven, twee opwellingen van één aandoening schenen!

Zij verloor een oogenblik hare zelf beheersching, en moest met de eene hand zich vastklemmen aan de tafel.

Had broeder Cornells bevroed, wat er in haar omging, de stereotype glimlach, dien hij bij het verlaten van het logement zich tegelijk met zijn nieuw gebit had aangeschaft, zou onmiddellijk verdwenen zijn. Geen denkbeeld was hem ondragelijker, dan te herinneren aan zijn vader. Maar hij was te zeer met zichzelven vervuld, om veel aandacht te schenken aan het ontroeren zijner zuster.

— „Neemt plaats,quot; — zeide hij tot David Bruce en zijne vrouw, hen verwijzend naar hunne eigen stoelen, alsof hij de gastheer geweest ware, en zij de gasten. — „Laat ons gaan zitten. Het staa*!) vermoeit mij Uw Amsterdam, zie ik, is in die zes en dertig jaren maar weinig veranderd. Alleen herinner ik mij van vroeger dat stinken van uw grachten niet; al heb ik altijd geloofd, dat de Hollandsche zindelijkheid kool was.quot;

Hij zeide dit met den nadruk van iemand, die in eene bijeenkomst van geleerden eene nieuw wetenschappe.ijke ontdekking uitlegt.

— „In mijn logement,quot; — ging hij voort — „vroeg ik waarom ze mij vies water te drinken gaven? Het was niet vies,

42

ocr page 55

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot; 40

zei de knecht. Het kwam iu schuiten uit Utrecht, en zag alleen wat troebel van het pompen. Hij vond het overheerlijk, en vertelde mij, dat hei regenwater hier vol loodwit zit. Geen wonder, dat de menschen en de kinderen te Amsterdam als muizen schijnen te sterven! Zelfs een minder verloopen volk zou niet bestand zijn tegen te liggen ademhalen boven een privaat, en het drinken van vergiftigd water... Hoe is het, zwager? Wordt hier niet gebouwd, zoo als in andere hoofdsteden van Europa? Verrijzen er geen nieuwe wijken?quot;

— „Er is spraak van,quot; — zeide David Bruce, schoorvoetend. — „Maar ge kent onze luidjes: haast u langzaam! Het eenige, waar voortgang mee gemaakt wordt, of gemaakt zal worden, is een nieuwe beurs.quot;

— „Natuurlijk! De Amsterdammers hebben altijd het eerst voor een nieuwe beurs gezorgd. De geldpaleizen gaan voor!quot;

— „De nieuwe beurs zal helaas meer kosten dan een paleis, maar er niet naar uitzien ,quot; — lichtte David Bruce hem in. — „Onze bouwmeesters hebben over het algemeen weinig smaak. Zij volgen antieke modellen, heet het: maar hun kennis van het antieke is gering. Geleerde mannen bezitten wij in overvloed, Maar men raadpleegt hen niet. En uit zichzelven doen zij niets, om daarin verandering te brengen.quot;

— „Het oude lied, zwager, het oude lied! Den mond vol hebben van het ingennos didieiisse fideliter artes, en, wanneer het op handelen aankomt, zich onthouden! Wat dunkt u, zuster, moet dit alles zoo blijven? Een dure en slechte beurs, als vergoeding, voor bedorven drinkwater en vunzige grachten ?quot;

Het was duidelijk dat broeder Cornelis, zich eenmaal ongevraagd belast hebbend met de leiding van het gesprek, dit voordeel niet zoo spoedig prijsgeven zou. Toch wendde mevrouw Bruce eene poging aan. Glimlagchend antwoordde zij:

— „Wij die filtreer-machines bekostigen kunnen, en wanneer het ons lust, 's zomers naar buiten kunnen gaan, hebben geen reden van klagen. Maar vertel ons iets van Jozefine, broeder! Is zij gezond? Kan zij het vinden, te Brussel? Zoo wij het mooije Indische nichtje op eenigerlei wijs van dienst kunnen zijn, dan zult ge over ons beschikken, niet waar?quot;

— „Mijn dochter is in uitmuntende handen,quot; — hernam de president der rederijkerskamer. — „Ik ontvang zeer voldoende rapporten. Over een maand wacht ik haar thuis. En mag ik vragen, zwager,quot; — vervolgde hij, na zijne zuster met dit kluitje in het riet gestuurd te hebben, — „waarom ge het

ocr page 56

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

voorbeeld dier geleerde mannen volgt, en n insgelijks onthoudt ?quot;

— „Omdat ik een ingeschapen afkeer heb van pedanterie,quot; — wilde David Bruce antwoorden. Daar hij echter vreezen moest, dat zijn zwager dit als eene ongepaste teregtwijzing zou opvatten, zeide hij alleen:

— „Omdat het in ons land geen gebruik is, dat kooplieden zich voor geleerden uitgeven. Ware ik lid van den gemeenteraad, ik zou tegen het plan van onze nieuwe beurs mijn bedenkingen inbrengen. Maar ge herinnert u misschien, hoe onze gemeenteraden zamengesteld zijn. Dat is gebleven zooals het was. Er bestaat in Nederland geen openbare meening, die op den gang der openbare zaak invloed uitoefent. Allerminst te Amsterdam. Ik zou over de kwestie brochures kunnen schrijven, of courant-artikelen. Maar zoo ge wist, hoe laag bij ons de onafhankelijke journalistiek staat, dan zoudt ge zelf de eerste zijn, mij dit te ontraden.quot;

De kennismaking met Heinzen had den oud-gouverneur in Nederlands onafhiinkelijke journalistiek een blik gegund, die hem niet tot bewondering stemde.

— „Uwe dagbladschrijvers, dat weet ik,quot; zeide hij, — „zijn kale broodschrijvers; arme duivels, die om een duitje extra te verdienen, oppositie maken. Auri sacra fames. Heele of halve vreemdelingen zonder beroep, afgedankte militairen, verloopen schoolmeesters, allerlei beunhazen. Er zijn er onder, die meteen kommissies oploopen voor wijnkoopers!quot;

David Bruce had het onvoegzaam behooren te vinden, dat zijn zwager, pas in het land, zich op zoo stelligen toon uitliet. Doch zullen wij liet bekennen? Zoo het savoir-vivre van den heer Cornells van Alkemade niet van de regte soort was, de heer David Bruce was van elk savoir-vivre, dat verder had moeten gaan dan de opwellingen van een humaan gemoed en een gezond oordeel, te eenemaal misdeeld. Zonder zich bewust te zijn, dat hij niets anders deed dan beproeven, zich door praten aan eene tegenwoordigheid te onttrekken, die hem niet aangenaam was, liet hij zich door zijn zwager op sleeptouw nemen.

Mevrouw Bruce deed nogmaals haar best, op Jozefine terug te komen. Doch teu tweede male mislukte dit. Do oud-gouverneur antwoordde met algemeenheden, en stuurde van zijn dochter onmiddellijk weder naar de couranten.

— „De Hollanders,quot; — verzekerde hij , — „zullen nooit goede

44

ocr page 57

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

courantiers worden. Daarvoor is noodig een groot land, met groote politieke partijen, die beurtelings aan de regering kunnen komen. Zoo ontstaat er voor de groote lui een prikkel, om aan de dagbladschrijverij mede te doen. Maar in ons kikkerland? Bij ons zijn alleen de blaauvvboekjes inheemsch, en de schuitepraatjes uit den ouden keezentijd. Harbarns kis ego aum, zou een Engelsch of Fransch courantier van de bovenste plank zeggen, zoo hij schrijven moest voor een publiek als het onze. Quia non intelligor ulli, zou hij er bijvoegen. Ik geloof het gaarne!quot;

— „Mijn bezwaar,quot; zeide de goede David Bruce, — „zou veeleer wezen, dat alle journalistiek in- en uitpraten is. Spelen met vuur, zich bezondigen aan voorbarig oordeelen, tijdver-kwisten, krachtverspillen-. Ik bewonder de groote dagbladschrijvers van het buitenland, maar beklaag ons volk niet, dat wij ze missen, en feliciteer mijzelven, dat ik ze niet behoef na te volgen. Het zou mijn leven maar verbitteren, telkens een meening op het papier te moeten zetten over men-schen, die ik maar half ken, of over dingen, die ik maar half weet. Op die wijze groeit de algemeene voorraad waarheid en wetenschap niet aan. En dat moet toch ons streven wezen. Niet, de menschen nog oppervlakkiger te maken, dan zij al zijn. Onze tijd heeft beter dingen te doen, en doet betere. Gedurende de jaren, die ge in Indie hebt doorgebragt, broeder, zijn de wetenschappen in Europa krachtig vooruitgegaan. Niet alleen de wijsbegeerte, maar ook de geschiedenis en de taalstudie. Reuzenschreden zijn gedaan in de kennis van het Oosten. Ook van uw Oosten. Op alles is dit van invloed geweest, ons land en onze letteren niet uitgezonderd. Ik verwacht daar meer van, dan van de dagbladen.quot;

— „Ik van het een even weinig als van het ander!quot; — zeide de oud-gouverneur.— „Bij ons in Indie hebben ze onder het Engelsch tusschenbestuur zoo wat geliefhebberd in Javaansche oudheden en Javaansche litteratuur. Maar,quot; —• vervolgde hij met al de minachting, welke een Indisch hoofdambtenaar dier dagen betaamde, — „wat heeft het gegeven? Geen pijp tabak! Mijn dokter in Den Haag wil, dat ik hem van dat alles op de hoogte zal brengen. De man plaagt mij te vergeefs. Ik heb er mij nooit mede ingelaten, en daarginds, als mijn opinie gevraagd werd, er altijd tegen geadviseerd. Wat drommel! Duitsche schooijers, die voor rekening van ons gouvernement zoogenaamd wetenschappelijke reizen in onzen Archipel zou-

45

ocr page 58

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

den willen doen, zijn er genoeg te vinden. Maar wij kunnen dat geld beter besteden.quot;

Waaraan? dit zeide de heer Cornelis van Alkemade niet: on het werd hem door den heer David Bruce, die zich vruchteloos poogde tc verbergen , dat hij voor zijn zwager nooit sympathie zou kunnen gevoelen, niet gevraagd. Hij vroeg alleen, wie die Haagsche dokter was?

— „Een man, die gedeeltelijk in uw smaak moet vallen, hoewel hij geen koopman is,quot; — was het antwoord. — „Een taalgeleerde in de gedaante van een medicus, maar die alleen in de laatste hoedanigheid mij diensten bewijst.quot;

— „Zijn naam?quot;

— „Hij noemt zich Van den Ende, maar heet anders, geloof ik. Laaf mij er bijvoegen, dat hij een zonderling is. Hij beweert, dezelfde Van den Ende te zijn, van wien Spinoza indertijd latijn heeft geleerd, en die een kleine tweehonderd jaar geleden te Parijs is opgehangen.quot;

— „O, die Van den Ende!quot; — zeide David Bruce, met moeite een glimlach onderdrukkend. — „Die is bekend genoeg. En stelt ge vertrouwen in dien man?quot;

— „Het volste vertrouwen. Hij behandelt mij uitstekend. Zelfs heb ik het aan hem te danken, zoo mij het voorregt te beurt valt, de reis van Den Haag naar Amsterdam te hebben kunnen doen. Mirahile dictu!quot;

De blik, dien de oud-gouverneur, onder het uitspreken dier woorden, langs zijne vermagerde en verzwakte leden liet gaan , was weemoedig genoeg, doch wekte geen deernis. Tot het laatste oogenblik wachtte David Bruce, of hem een hartelijk woord, eene sympathetische opmerking ontvallen wilde. Te vergeefs. Het beurs-uur was genaderd, zonder dat broeder Cornelis door iets getoond had, belang te stellen in hetgeen den huize Bruce aanging. Naar de achtergehouden kinderen had hij zelfs niet gevraagd. Eene pijnlijke pauze volgde, toen met een; „Ge permitteert, niet waar? Tot straks!quot; de vader der Bruce's oprees, en hem met hunne moeder alleen liet.

Zou er nu althans eene explikatie volgen ?

Den oud-gouverneur was het niet aan te zien, dat zijne zuster en hij elkander iets te zeggen konden hebben. Zijn gelaat stond on vertrokken. Hij zweeg, gelijk op Indische buitenposten de hooggeplaatste Europeaan van lieverlede leert zwijgen; een zwijgen, dat geacht wordt een bezigheid te zijn i doordat het van meerderheid getuigt en geëerbiedigd wil worden.

46

ocr page 59

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

Mevrouw Bruce kon het niet langer uithourten.

— „Lieve Cornelis,quot;—begon zij eindelijk, naar hare woorden zoekend, — „in de boeken en op het tooneel wordt van de menschelijke genegenheid somtijds te veel gevergd. Men laat er de slem van het bloed luider spreken, dan natuurlijk is. Maar vind je niet, dat wij bezig zijn in het andere uiterste te vallen ?quot;

— „Zuster Adrienne,quot; — antwoordde hij hoffelijk, — „hoe zoo? Bij mij spreekt de stem van het bloed op dit oogenblik juist zoo, als hij behoort te spreken. Niet onnatuurlijk luid, maar ook niet te zwak. Jk beschouw het als een buitengewoon voorregt, u terug te zien.quot;

— „Dan heb ik mij vergist—zeide zij.

— „Ik bevind mij niet geheel en al voor mijn genoegen in Nederland!quot; — ging hij voort met onderwijzen. — „Vooral niet voor mijn genoegen te Amsterdam! De aanblik van deze stad wekt bij mij de onaangenaamste herinneringen op. Ik zal nooit vergeten, dat onze vader, met voorbedachten rade, hier de grondslagen van mijn verderf gelegd heeft.quot;

— „Spreken wij daar thans niet over, Cornelis!quot; — zeide mevrouw Bruce op sussenden toon. — „Dat is zoo lang geleden. Vader en moeder zijn beiden dood.quot;

— „Dat is geen reden, zuster! Ik leef. Indien het leven heeten mag! Sedert ik het ouderlijke huis ontliep en vloekte, heeft ieder jaar mij duidelijker geleerd, dat onze vader op de schandelijkste wijze mijn opvoeding verwaarloosd heeft.quot;

— „Maar toen ge nog bijna een kind waart, kon onze vader u de lessen niet leeren, die alleen het leven leert, Cornelis! Had hij u boeken in handen moeten geven boven uw bevatting? Wees blijde, dat hij het naliet! De wijsheid, die hij li had kunnen doen opzeggen uit het hoofd, zou u maar kwelling gebaard hebben. Nu ge haar gevonden hebt uit uzelven , is zij een bron van genoegens voor u geworden , een kracht.quot;

Mevrouw Bruce had een aangeboren talent van preeken en kapittelen. Zij deed het zoo zachtzinnig, en met zulk eene innemende stem, dat Milton's Satan in persoon zich er niet door gekwetst zou gevoeld hebben in zijnen hoogmoed. Doch de minder poëtische oud-gouverneur der Mol ukken bleef ongeroerd.

— „Onze vader was een elendeling!quot; — viel hij uit. — „Hij haatte mij. Gunde mij het zonlicht niet. Nu sedert zes en dertig jaren verwensch ik hem, iederen dag. Ik zal dit blijven

47

ocr page 60

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

doen tot mijn jongsten snik. Xog zie ik hein: zijn uitgemergeld ligchaam, ziju leelijk gezigt, zijn valsche oogenquot;...

Er was iets huiveringwekkends in de aan monomanie grenzende wreedheid van den zoon, die, zelf een bouwval, zijn vader verweet, een puinhoop geweest te zijn. Een vreemdeling had niet kunnen nalaten, er om te glimlagchen. Voor de zuster was het te pijnlijker, door de overdrijving zelve. Wat broeder Cornells van zijn vaders oogen zeide, streed met de waarheid. Zij althans had uit die oogen nooit anders dan goedheid en trouw gelezen.

— „Wij zouden gaarne iets voor uw dochter doen,quot; — veranderde zij op goed geluk van onderwerp, ten einde hem niet door verdere tegenspraak nog meer te prikkelen. — „Onze eigen kinderen zijn nog te jong, om haar tot gezelschap te kunnen zijn. Bruce en ik, te oud. Mijn denkbeeld zou ook niet wezen, haar bij ons te logeren te vragen, maar in Den Haag zelf haar met deze en gene familie in kennis te brengen. Zoo het u aangenaam is, dat wij daar werk van maken, dan zijn wij tot uw dienst.quot;

Den oud-gouverneur was alles welkom, wat hem van de zorg voor zijne dochter ontheffen kon. De wrok tegen zijn vader was tijdelijk weder bekoeld. Hij bemerkte wel, dat zijne zuster zoo min van plan was, op de eene kwestie door te gaan, als de andere los te laten.

— „Jozelinequot; — zeide hij — „zal ongetwijfeld van uw aanbod een erkentelijk gebruik maken. Als alle meisjes van haar jaren, die pas uit Indie komen, is zij wat schuw. Ik ken in Den Haag weinig familien , met wie zij voegzaam zou kunnen omgaan. Al kende ik er meer, mijn gezondheid zal niet toelaten, haar dikwijls te vergezellen.quot;

— „Als het niet indiskreet is, broeder,quot; — vroeg mevrouw Bruce, den voet op een nog onaangeroerd terrein zettend, — „wonen er in Den Haag geen bloedverwanten van Jozefine's moeder? Die zouden haar natuurlijke kring zijn. Of zijn dat geen personen, bij wie zij past? Verschoon mij, dat ik dit ronduit vraag. Ik verwijt u niet, ons nooit kennis gegeven te hebben van uw huwlijk. Het is maar een herinnering.quot;

De heer Cornells van Alkemade was verrast.

Haagsche of Nederlandsche bloedverwanten van Jozefine's moeder? Uit dit oogpunt had hij de maatschappelijke verhouding, die het meisje toegedicht kon worden, nog niet beschouwd.

48

ocr page 61

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

Twee uitwegen zag hij zich openen. Hij kon heeten (ft bma inentir qui vient de loin, zeiden de Franschen,) uit liefde, of om het geld, in Indie getrouwd te zijn niet een burgerkind van Haagsche afkomst, dat in haar geboortestad of geene, of slechts ontoonbare familiebetrekkingen had. Het gebeurde dikwijls genoeg, dat Indische meisjes uit een hoogeren kring, dochters van landheeren, daarginds trouwden met Hollandsche mannen uit een lageren, en naderhand, als zij in Holland kwamen, zich misplaatst gevoelden in haar mans omgeving.

Het omgekeerde kwam even menigvuldig voor.

Maar scheen zijne zuster er de vrouw naar, met die voorstelling der zaak genoegen te nemen, en voorts den mond te houden? Hij vond van neen. Veeleer de vrouw, oin, wanneer zij met Jozefiue persoonlijk in kennis kwam, deze over haar gewaande Hollandsche bloedverwanten te onderhouden , haar zoogenaamd wijzen raad te geven, haar eene gedragslijn aan te bevelen. En wat zou Jozefiue dan antwoorden? Wat kon zij antwoorden, dat de onaangename waarheid niet dadelijk aan het licht deed komen ?

De andere uitweg — ronduit te bekennen, hoe de vork in den steel zat, — was óók hagchelijk. Zuster Adrienne zag er, wel is waar, al droeg zij een muts, niet als een neepjesmuts uit. Zonder nieuwmodischer te zijn, dan haar leeftijd gedoogde, teekende haar gewaad eene vrouw van de wereld; in zoover eigenlijk gezegde vrouwen van de wereld, dacht hij, te Amsterdam gevonden werden. Schoenen met kruislinten. Een zweem van pofmouwen. Een zweem van koketterie in de schikking der aangebragte peper- en zoutkmllen. Mooije blanke handen. Eene gestalte, die er mede door kon. Xiet kort en dik, als eene babbelaarster en flapuit. Niet lang en mager, als eene dweepster en beginselruiterin. Iets vriendelijks in den oogopslag. De lieve mond van haar moeder, in de zeldzame oogenblikken dat zij niet mededeed met haar vader.

Doch zou die schijnbaar superieure vrouw, met dat al, in voldoende mate boven de Nederlandsche vooroordeelen verheven blijken, om de ware geschiedenis van Jozefine's geboorte te kunnen verdragen? Indien hij er voor uitkwam, eenige jaren geleefd te hebben met eene vrouw uit het Chinesche kamp te Makassar, zou het kind uit dien echt onder den blooten hemel, dan niet door de Amsterdamsche matrone verstoeten worden? Wat erger was; behoefde hij, voor zich, dan niet voor een lang gezigt te vreezen?

49

4

ocr page 62

„WIJ ZULT-EN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

In Godsnaam! Vroeger of later moest het ulevel tot eene verklaring komen, en hij er haring ot kuit van hebben. Dan maar liever nu I Bleek zuster Adrienne óók al mede te doen met de rest, zij moest het zelve weten. Hij had haar niet gc-maakt, niet opgevoed. Was over de zamenstelling van haar brein niet geraadpleegd. Was voor hare bekrompenheid niet verantwoordelij k.

— „Zuster Adrienne,quot; — zeide hij met zijn bevalligsten glimlach, de vonkelnieuwe tanden latende zien, — „om Jozefines positie te regelen, zullen eerst eenige formaliteiten moeten vervuld worden. Ik mag te haren aanzien nog niet zeggen; Jam Tempus! Alles beeft zijn eiscb. Laat dit je echter niet afbrengen van je goede voornemens.quot;

— „Wat meent ge, Cornells?quot; — vroeg mevrouw Bruce, op de waarheid sedert lang half voorbereid.

_ !;Ik meen, zuster, dat men van een huwlijk, zooals het

mijne geweest is, aan zijne familie in Nederland geen kennis geeft.quot;

Er volgde een oogenblik stilte. De toegesprokene sloeg de oogen neder, hief ze weder op, en zeide met een zucht:

— „Bruce had bet dus bij het regte eind!quot;

Het gelaat van den oud-gouverneur betrok. De lippen sloten zich. Het kunstgebit werd onzigtbaar. Hij was er niet mooijer om.

— „Moet ik onderstellen, zuster,quot; — vroeg hij gestreng, — „dat mijn partikuliere aangelegenheden, door u en uw man, achter mijn rug bekonkeld zijn geworden?quot;

— „Waarom verdenkt ge ons van leelijke dingen ?quot; —vroeg zij terug, hem aanziende. — „Zou het onze schuld zijn, zoo wij voor uw daden geen voegzame woorden vinden konden ? Maar ge vergist u te eenemaal. Uw bijzonder leven is een zaak tusschen uw geweten en u. Wij hebben er geen oogenblik aan getwijfeld, Bruce en ik, dat ge het noodige zoudt doen in het belang van uw kind.quot;

Dit klonk liberaler, dan de oud-gouverneur verwacht had. De Amsterdamsche matrone viel mede. Het kunstgebit vertoonde zich weder.

—- „Verschoon mijn uitval, zuster! Ik zeide reeds, dat die stappen door mij gedaan zullen worden.quot;

— „Zonder dat kunnen we Jozefine niet waarlijk van dienst zijn, Cornells!quot; — hield zij aan.

— „Natuurlijk!quot; — zeide hij, op nieuw boos wordend. —

50

ocr page 63

„WIJ ZULLEN ELKANDER WEDERZIEN.quot;

„Natuurlijk! Door het patroneren van een onecht kind zouilt ge meenen uzelve te kompromitteren, en die Haagschefamilies er bij! Een fraaije troep, uw Haagsche families! Kan Jozefine het helpen, dat een gouverneur der Molukken zijn huishoudster niet trouwt?quot;

— „Zij kan het zoo weinig helpen, dat wij alleen in haar eigen belang, Bruce en ik, er op staan, dat ge haar erkennen zult. Een meisje van onzen stand, op wier geboorte een smet kleeft, kan in Holland niet gelukkig worden.quot;

— „Een smet! Een sme'! Zou men niet denken, dat mijn dochter er uitziet als een van uw Keulsche pottetrienen? Jozefine behoeft zich maar te vertoonen, om al dien zotteklap te doen verstommen!quot;

— „Indien zij zoo mooi is en zich vertoont, Cornells, dan zal het te laat zijn. Zelfs een jonge man kan tegen dien stroom niet ingaan. Hoe zou een jong meisje het kunnen? Ge wilt uw eenig kind toch niet ongelukkig maken ? Bruce is er in beginsel altijd tegen geweest, dat men....quot;

De Amsterdamsche matrone, die bezig was het te verkerven, hield even op.

— „Waar is mijn zwager Bruce tegen , als ik verzoeken mag?quot; — vroeg de oud-gouverneur op een toon, die zeggen wilde: Mijn zwager Bruce is een kamergeleerde gek, om wiens meening ik mij niet te bekommeren heb.

— „Bruce is er tegen, dat men de wereld onderstboven wil keeren. Om gelukkig te worden, zegt hij, moet men de mensehen en de dingen nemen, zooals zij zijn. Vooral de vrouwen moeten daarmee beginnen.quot;

— „ Opinionum comnienta delft dies!quot; — doceerde de president der rederijkerskamer. — „Het is alles onzin. Uw eigen Christus, daar ge het zoo druk over hebt, heeft de wereld onderstboven gekeerd. Hebt ge van hem geleerd, dat er wettige en onwettige geboorten bestaan? Daar dacht hij te liberaal voor! Femelarij is al die christelijke braafheid. Schijnheiligheid, en anders niet. Jelui aanbidt ten God die geen personen aanneemt, jelui zingt zijn trommelvlies te bersten met psalmen te zijner eer, en wanneer het er op aankomt hem na te volgen, dan blijk jelui oostindisch doof!quot;

— „Heusch, Cornells, dat verwijt kan Bruce niet treilen. Hij meent alleen, dat wanneer men de wereld hervormen wil, men beginnen moet, er zelf geen belang bij te hebben.quot;

Dit was olie in het vuur.

51

ocr page 64

JOZEFINE VERLAAT DE KOSTSCHOOL.

— „En welk belang heb ik er bij, of Jozefine al dan niet erkend wordt?quot; — vroeg de heer Cornelis van Alkemade» oprijzend en zijn gestrengsten toon hernemend. — „Zuster Adrienne, dit onderhoud verveelt mij in de hoogste mate. Het is mij zeer onaangenaam, dat onze relatien op deze wijze beginnen. Ik had van u en van uw man betere gedachten gekoesterd. Houd mij ten goede, dat ik mij verwijder!quot;

— „Hoe, Cornelis? Blijft ge niet bij ons eten? Bruce komt zoo aanstonds terug.quot;

— „Liever niet, zuster. Ik ben te zeer ontstemd. Heb de beleefdheid, mijn bediende te laten waarschuwen.quot;

— „Maar het zal Bruce erg spijten, u niet te vinden. Hij rekende er stellig op.quot;

— „Dat is zeer veel eer voor mij. Maar ik gevoel mij niet wel, en moet mij in acht nemen. Wil uw man van mij groeten , en laat ons hopen, dat een volgende ontmoeting tot minder woordenstrijd aanleiding geven zal. Inmenging van derden in mijne zaken is mij altijd onverdragelijk geweest. Odi profanum vulgus et arceo!quot;

Wat mevrouw Bruce ook aanvoerde, broeder Cornelis was niet af te brengen van zijn voornemen. Abels werd geroepen, eene vigilante kwam voor, en de oud-gouverneur der Molukken keerde terug naar zijn logement en naar Den Haag.

VII

JOZEFINE VERLAAT DE KOSTSCHOOL.

Op een vroegen ochtend in de eerste dagen van Augustus, zou men aan het spoorwegstation te Brussel twee jongedames, onafhankelijk van elkander, met den bureaulist hooren onderhandelen over het nemen van een kaartje voor den Haag, — gewigtige zaak in een tijd, toen er tusschen Belgie en Nederland nog geen spoorwegverkeer bestond, en de van Brussel komende reizigers, zoo goed en kwaad het ging, te Antwerpen een heenkomen moesten zoeken.

De eene juffer was een jaar of drie ouder dan de andere, en sprak beter Fransch. Daarentegen was de jongste veel be-

52

ocr page 65

JOZEFIXE VERLAAT DE KOSTSCHOOL.

valliger gekleed, veel schooner, en veel meer „eene lady.quot;

Het zou nog wel een half uur duren, eer de trein vertrok; en in de stille wachtkaner vonden beide dames overvloedig gelegenheid, elkander van ter zijde op te nemen.

Had men de geheime gedachten der jongste kunnen raden, men zou haar tot zichzelve hebben hooien zeggen: — „Dat ik alleen reis, dit spreekt vanzelf. Madame Campan zou mij geen permissie gegeven hebben , zoo ik er om gevraagd had. Ik pak stil mijn koffer, ik geef fooi aan meiden en portier, ik neem vigilante, ik rijd naar spoorweg. Maar die daar, waarom reist zij alleen? Ik ben nieuwsgierig.quot;

De oudste redeneerde; — „Dit is voor het eerst van mijn leven, dat ik zulk een beeldmooi meisje, zoo keurig gekleed, zonder geleide van Brussel naar Den Haag zie trekken. Wat mag daarachter zitten? Wie mag zij zijn? Geen Franyaise, dat is duidelijk. Een Spaansche of Portugesche? Een Italiaansche? Welke overheerlijke donkere oogen! Welk magnifiek zwart haar! Welke kersroode lippen, bij dat doorschijnend mat van het teint! En welke taille! welke taille! Een van Mendelssohn's liederen zonder woorden!quot;

Daar kwam een besteller binnen, die voor de bagage der jongste gezorgd had. Hij scheen haar te kennen, stelde haar een refu ter hand, en vroeg, in het Vlaamsch, of er nog iets van haar orders was. In het Hollandsch, alleen met een even hoorbaar accent, bedankte zij den man voor zijne hulpvaardigheid, en gaf hem een drinkgeld, dat hem deed buigen als een knipmes.

In het Hollandsch! Dit wekte nog meer de bevreemding der oudste, en deed haar meteen genoegen.

— „Naar Den Haag en een Hollandsche,quot; — sprak zij bij zich zelve, — „maar dan zijn wij niet-alleen reis-, dan zijn wij land-, welligt stadgenooten! Ik waag het er op, en grijp het eerste voorwendsel het beste aan, om een praatje te maken!quot;

Jozefine van Alkemade was zulk eene onervaren touriste, dat haar meer geoefende medereizigster niet lang op een voorwendsel behoefde te wachten, om met een vriendelijk woord haar eene kleine dienst te bewijzen. Eer de deuren der wachtkamer opengeworpen, en de passagiers tot instijgen genoodigd werden, hadden de dames een gesprek aangeknoopt. Toen zij tegenover elkander in een coupé zaten, en het fluitje der lokomotief het sein van vertrekken gaf, keuvelden zij als vertrouwde vriendinnen.

53

ocr page 66

JOZEFINE VERLAAT DE KOSTSCHOOI-

En ziet. naarmate zij voortbabbelden, kwam het uit, dat zij eigenlijk oude bekenden waren , of althans, dat zij in brieven van huis meermalen elkanders namen hadden ontmoet.

Jozefine verzweeg, dat haar brieven van huis, brieven van Henri Wilson waren. Doch dit schaadde niet aan de levendigheid van het onderhoud. Henri had haar eene amusante beschrijving gezonden van het personeel, waarmede haar vader zich in Den Haag omringd had, en weldra kon zij niet langer twijfelen, of hare medereizigster stond met een dier heeren in betrekking. Zij moest de dochter zijn van Heinzen, den gewezen koloniaal? Maar diens kinderen waren nog zuigelingen, of konden naauwelijks loepen. Van dokter Van den Ende, met den langen hals? Maar die was ongetrouwd. Van den kassier Efraim, met de juweelen doekspeld? Maar dit kwam niet overeen met hetgeen de medereizigster omtrent haar overleden moeder en de beperkte middelen haars vaders verhaalde. Er bleef geen andere keus: de medereizigster was de dochter van Salomon Bisschof, die in oude boeken, in pelterijen, en in loterijln'iefjes deed!

— „En u,quot; — lachte het oudste meisje, door de dubbele ontdekking tot verdubbelde vrolijkheid gestemd, — „u zijt de dochter van een aanzienlijk heer uit de Oost, die niet lang geleden is komen wonen aan de Bogt van Guinee! Mijn vader heeft mij meer dan eens geschreven over den uwen. Hoe toevallig! Niet waar, u heeft schoolgelegen te Brussel? U zijt jufvrouw Alkemade?quot;

— „Die ben ik. En ik heet Jozefine.quot; •

— „Ik Eebekka, en ik kom óök van school! Maar niet van de kostschool. Ik ben musicienne van mijn ambacht, en heb als élève-interne een tijdlang de lessen van het Brusselsche conservatoire gevolgd.quot;

Het duurde een poos, eer Jozefine den toestand in zijn ge-heelen omvang „realiseerde,quot; gelijk Madame Campan gewoon was, zich uit te drukken. Veel was haar in het eerste oogen-blik vreemd.

— „Uw vader is een jood, niet waar?quot; — vroeg zij.

In Kebekka's oog flikkerde eene opwelling van toorn. Maaide vraag werd zoo eenvoudig gesteld, dat het klein zou zijn geweest, er boos om te worden.

— „Wij zijn joden ja,quot; — antwoordde Kebekka met een glimlach, — „maar ik durf zeggen, geen gewone joden. Mijn vader is eigenlijk een staatsman. Zoo hij geld had, zou hij een

5-1

ocr page 67

JOZEFINE VERLAAT DE KOSTSCHOOL

courant oprigten en zich aan de publieke zaak wijden. Alleen zijn armoede en zijn nederigheid doen hom schijnen, wat hij niet is. En ik geloof evenals hij, dat de joden in den tegen-woordigen tijd geroepen zijn, een voorname rol te vervullen. Ik dweep met Meijerbeer, niet Mendelssohn, met Halévy. de grootste komponisten van de wereld op dit oogenblik. Heeft u ooit de Juiva zien vertoonen?quot;

— „Neen,quot; zeide Jozefine. — „Is dat een komedie? Ik moet nog voor het eerst van mijn leven naar de komedie gaan.quot;

— „De Juive is een opera, waarvan een jood en een jodin de hoofdpersonen zijn. Verrukkelijke muziekI Aanstaanden winter wordt het stuk zeker ook in Den Haag gegeven. U moet mijnheer uw vader vragen, er met u heen te gaan.'

— „Dat zal Henri Wilson wel waarnemen,quot; — dacht Jozefine, — „ik heb liever, papa blijft thuis.quot; — Overluid vroeg zij: — „En als die opera in Den Haag vertoond wordt, zult u dan meezingen? Ik zing niet. Ik ben niet muzikaal. Maar als ik stem had, zou ik operazangeres willen worden.quot;

— „Xeen,quot; — antwoordde Kobekka, steeds glimlagchend. — „Voor operazangeres zou ik niet deugen. Daarvoor zijn gaven noodig, die ik mis. Mijn voorland is, muziekles te geven aan de Haagsche jongejufvrouwen , tot ik zelf een oude jufvrouw-zal geworden zijn. Dan koop ik een plaats op een botje en ga zitten dutten over een stoof, tusschen oen papegaai en een kanarievogel.quot;

— „Akeba!quot; — zeide Jozefine uit den grond baars harten. Zij had op de fransche kostschool te Brussel geen gelegenheid gevonden , sommige berispelijke bollandsche uitdrukkingen ai te leereu.

— „Wat?quot; — schertste Rebekka, — „is dat niet een bekoorlijk vooruitzigt? Zou meer eerzucht mij passen? Kijk mij eens aan, zoo ge durft! Hoe vindt ge mijn neus, vergeleken bij den uwen? Ziet ge niet, dat ik kippig ben, en een bril zal moeten gaan dragen? En wat dunkt u van mijn toilet? Vreemdelingen, die ons uit den trein zien stappen, moeten denken, dat jufvrouw Van Alkemade met haar kamenier reist! Maar genoeg over mijn plannen voor de toekomst. Welke zijn de uwe? Waarom liet madame Campan u zonder gezelschap naar den Haag trekken? Voor mij komt zoo iets er niet op aan. Mij zal niemand schaken. Maar uiquot;

Jozefine's verhaal muntte niet door naauwkeurigheid uit, zelfs niet door die algemeene soort van waarheidsliefde, aan

55

ocr page 68

JOZEFINE VERLAAT DE KOSTSCHOOL.

welke men het verschikken van sommige bijzonderheden ten goede houdt. Gij zoudt verwonderd zijn geweest, dat zulk een jong meisje, pas van eene toenmalige Indische buitenbezitting gekomen, gedurende een verblijf van slechts weinige maanden op eene Europesche kostschool, vergelijkenderwijs zulk een volleerd wereldkind geworden was, zoo behendig wist te verzwijgen, wat anderen vooreerst niet noodig hadden te weten; zoo kunstig zeker licht wist te doen vallen op zaken en personen; om kort te gaan, zoo goed jokken, van anderen zoo goed kwaadspreken, en haar eigen leitje zoo goed schoonvegen kon.

De lichtzijde was, dat zij het deed op beminlijke wijze. Een ander meisje, zoo elegant gekleed, van zulk een gedistingeerd voorkomen, zou Eebekka Bisschof alligt uit de hoogte bejegend, zich Rebekka's meerdere gewaand, het jodinnetje van zucht tot indringen verdacht, haar op een afstand gehouden hebben. Jozefine daarentegen gaf met de meeste ongedwongenheid zich over aan het genoegen, eene spraakzame en originele reisgenoote te hebben aangetroffen. Het sans-fagon, waarmede Rebekka over zichzelve sprak, beviel haar; en zij begreep zeer goed, al had zij het niet onder woorden kunnen brengen, dat dit schijnbaar wegwerpen van eigen jeugd, eigen schoonheid, en eigen goeden smaak, allesbehalve van minderheid getuigde. Voor kleinachting van Rebekka's jodendom bewaarde haar het met de moedermelk ingezogen Indisch liberalisme in het kerkelijke; gelijk de Indische gelijkheidsleer verhoedde, dat zij Rebekka in het maatschappelijke als hare ondergeschikte aanmerkte. Haar vader, wel is waar, had het tot gouverneur der Molukken gebragt; doch welke schande stak er in het houden eener toko, waar men tegelijk loterijbriefjes, bontwerken, en oude boeken koopen kon? Uit Makassar herinnerde zij zich een tokohouder, die zoetemelksche kaas, engelsche zadels, tafelserviezen , ledikanten en jenever verkocht, en met wien haar vader iederen Zaterdagavond ging whisten in de societeit.

— „Mijnheer uw vader weet toch, dat u van avond thuis komt?quot; — vroeg Rebekka, die dit teregt als een essentieel punt beschouwde.

— „0 ja, ik heb papa geschreven. Zijn knecht komt mij afhalen. Maar hij weet niet, dat ik alleen kom. Hij meent, sekondante van madame Campan vergezelt mij , oude jufvrouw , wier familie in Holland woont, en die van madame Campan in last heeft, wagen vol Hollandsche pensionnaires onderweg

56

ocr page 69

JOZEFIKE VERLAAT DE KOSTSCHOOL.

af te leveren. Te Breda, te Utrecht, te Gouda, te Rotterdam, te Delft, overal. Ook in den Haag. Maar ik had geen geduld. Ik wilde weg. Ik verlangde zoo naar papa! De vakantie was eenmaal begonnen. Mogelijk duurt het nog een week, eer de oude jufvrouw met alles gereed is. Zij kan erg talmen.quot;

— „En u houdt niet van talmen, durf ik wedden?quot; —vroeg Rebekka. — „Ik ook niet. Mijn vader maakt mij somtijds wanhopig met zijn onuitputtelijk geduld. Wacht maar! Het kan verkeeren! Die gelooven haasten niet! De fortuin komt als een dief in den nacht! Met zulke kluitjes stuurt hij mij in het riet, en maakt mij driftig. Dan flap ik mijn piano digt en zeg: Als de fortuin bij ons op visite komt, vader, dan zal zij ons op stroo in het gasthuis vinden!quot;

— „Wanneer het mij gelegen komt, dan vind ik talmen niet naar,quot; — antwoordde Jozefine. — „Maar ik verlangde zoo naar papa! En ik was bang, indien ik hem schreef niet te willen wachten op de sekondante, dat hij mijnheer en mevrouw Wilson verzoeken zou, mij te gaan halen. Heb ik u al verteld van mevrouw Wilson? Zij en haar man deden met ons de reis van Java en bragten mij naar Brussel, omdat papa te zwak was. Haar man is marine-officier, en zij wonen te Rotterdam; hij aan boord van het wachtschip, en zij in de stad.quot;

— „Geen gezellige huishouding!quot; — lachte Rebekka.

— „O neen,quot; -— zeide Jozefine; — „maar mevrouw Wilson is een akelig mensch. Het kan haar niets schelen, of haaiman bij haar is of niet. Ik geloof, verdronk hij of werd hij doodgeschoten, zij dit aardig vinden zou. Ik ken haar van Makassar. Daar wonen haar ouders.quot;

— „En is er reden, dat zij zulk een hekel heeft aan haaiman? Of haat zij hem zoo maar, zonder zelve te weten waarom?quot;

— „Zoo maar,quot;— verzekerde Jozefine.— „Haar man is heel goed voor haar, doodgoed. Als een vader voor zijn dochter.quot;

— „Dus is zij nog jong?quot;

— „Vast niet ouder dan twee- of drieëntwintig jaar. Maar men zou het haar niet aanzeggen. Zij lijkt wel veertig of vijfenveertig, zoo dik is ze.quot;

— „Zoo dik?quot;

— „Ja, zoo dik, zoo dik, zoo dik als die toren!quot; — zeide Jozefine, naar de stomp eener dorpskerk wijzend, die, log en vierkant, boven het geboomte aan den horizont uitstak.

— „O zij is zoo dik, walgelijk dik! En daarbij zag ze erg donker. Zoo zwart als mijn laars, zooals de Europesche heeren

57

ocr page 70

JOZEFINE VERLAAT DU KOSTSCHOOL.

in Iiulie zeggen. Alleen haar baboe ziet nog donkerder dan zij. Overal waar zij ziuli vertoont, men lacht haar uit. Dit maakt haar kregel. Zij is een on verdragelijke vrouw. '

— „Dan begrijp ik,quot; —• stemde Rebekka toe, — „dat u er niet op gesteld waart, andermaal in haar gezelschap te reizen.

— „Aan boord ging het nog,quot; — zeide Jozefine, — „toen papa er bij was. Maar nooit zal ik die reis van Rotterdam naar Brussel vergeten! Er was niets met haar aan te vangen. Sprak men, zij zweeg. Zweeg men, zij werd boos dat men niet sprak. Had men dorst, zij honger. Had men honger, zij dorst. Altijd was alles verkeerd. Had ik mij op nieuw aan die verveling moeten blootstellen? Ik had geen moed. Madame Campan zou nooit gedoogd hebben, ik alleen reisde. Sekondante kwam niet klaar. Toen heb ik gister-avond mijn kofter gepakt, en ben van ochtend vertrokken. Ik verlangde zoo naar papa!

— „Vertrokken zonder afscheid te nemen van madame Campan, de groote madame Campan, die er zich op beroemt een nicht te zijn van de protegee van den grooten Napoleon, van de oud-lectrice van koningin Marie Antoinette?quot; — schertste Rebekka , de handen kwanswijs van verbazing ineen slaande. — „Jufvrouw Alkemade, jufvrouw Alkemade, wat heett u gedaan!quot;

— „Stil!quot; — zeide Jozefine. — „ü maakt mij bang. Het is zoo erg niet. Onder de pension ai res was niemand, daar ik veel van hield. De sekondantes waren niet lief voor mij. Allen zeiden, dat knap worden „le dernier de mes soucisquot; was. „Mademoiselle, ne vous plaignez pas qu'on vous oblige de de-venir trop savante; devenir savante est le dernier de vos soucis,quot; wel honderdinalen heb ik dit moeten hooren. Madame Campan is eigenlijk de eenige, die lief voor mij geweest is. Maar zij verveelde mij. Zij is zoo oud! Wel tachtig ot honderd jaar, geloof ik. Haar huis, haar tuin, haar leerkamer, haar salon, de linten van haar muts, alles verveelde mij. En ik verlangde zoo naar papa! Helaas, ik heb een brie! voor haar op mijn tafel gelegd; maar dat zal niet veel baten, vrees ik! Zij maakte altijd aanmerkingen op mijn brieven. Op de taal, op den stijl, op het schrift, zelfs op het vouwen. „Mademoiselle,quot; was het, „ce n'est pas ainsi qu'on plie une lettre.quot; Dan weder; „Mademoiselle, ce n'est pas ainsi qu'on écrit une .adresse.quot; Ik knorrig, ik bedroefd, ik beschaamd. Ik denk: wat geef ik om adres? Wat kan mij schelen, hoe briet gevouwen is? Waarlijk, zoo'n Europesche kostschool is niet

58

ocr page 71

JOZEFINE VERLAAT DE KOSTSCHOOI..

alles voor een Indisch meisje. Nachten en nachten heb ik wakker gelegen van het schreijen.quot;

— „Arme Jozefine!quot; zeide Ttebekka. — „Gelukkig heeft uw gevangenschap maar kort geduurd, en gaat ge in Den Haag een vrolijk leven te gemoet.quot;

Jozefine bewaarde omtrent hare Haagsche vooruitzigten dat diplomatisch stilzwijgen, hetwelk menig staatsman aan eene reputatie van diepzinnigheid geholpen heeft. Rebekka behoefde niet te weten, hoe eenzaam en verlaten zij zich eigenlijk gevoelde; welk een ontoonbaar en onhandelbaar man haarvader was, en dat hare luchtkasteelen voor de toekomst geen anderen grondslag hadden, dan de gewenschte cusschenkomst van Henri Wilson, — een naam, dien zij in hare mededeelingen zoo min mogelijk noemde.

—- „Ach,quot; — zeide zij, — „waarom bezit ik niet uw muzikaal talent! Dan kon ik mij in de eenzaamheid aangenaam bezighouden! Dan behoefde ik het niet als een uitkomst te beschouwen, gevraagd te worden op partijen, waarvoor ik misschien niet eens een invitatie ontvangen zal!quot;

— „Kom, kom,quot; — antwoordde Rebekka, — „nu doet ge wat de menschen in Holland hengelen noemen ! Wanneer men er uitziet zooals u, en de dochter van mijnheer Alkemade is^ dan wordt men overal niet open armen ontvangen. Over een half jaar noemen ze u uit één mond het mooiste meisje van Den Haag. Maar het is waar, dat de muziek iets verrukkelijks is. Teekent u? Schildert u?quot;

— „Ook al niet, helaas! Vraag toch zulke dingen niet. Het vernedert mij maar, te moeten erkennen, ik zoo dom beu.quot;

— „Een vrouw behoeft alleen mooi te wezen ,quot; — verkondigde Rebekka, met de overdrijvingeener onbevallige. — „Maar daarom vroeg ik het niet! Sommige menschen beweren, dat men muzikaal kan zijn, zonder hart of verstand te hebben, evenals menige sukkel fijn kaartspeelt of goed schaakt. Zij stellen de schilderkunst boven de muziek. Iemand die mooi schildert, zeggen zij, is altijd iemand daar iets aan is; maar wie muziek maakt, doet denken aan een man, die een vuurpijl afsteekt. Het vuurwerk gaat de lucht in, maar de man blijft op aarde staan. Dat vind ik een valsche vergelijking. De muziek gaat bij mij boven alles. Ik houd schilderen en teekenen voor een mindere soort van kunst.quot;

— „Ik kan er niet over oordeelen,quot; — zeide Jozefine. — „Leert men zulke dingen op een Conservatoire? Zijn er in

59

ocr page 72

JOZEFINE VERLAAT DE KOSTSCHOOL.

Holland geen Conservatoire's? Gaan alle Hollandsche meisjes, die knappe musiciennes willen worden, naar Brussel?quot;

— „Ze moeten wel!quot; — zuchtte Rebekka. — „In Holland is men met de muziek zoo schrikkelijk ten achter, dat wie vorderingen maken wil, naar het buitenland gaat. Ook al onze knapste meesters komen daar vandaan. De een heeft te Parijs gestudeerd, de ander te Leipzig; een derde te Dresden of te Weenen. Wij vrouwen gaan meest naar Brussel, omdat dat het digtst bij is.quot;

—• „Papa zegt óók altijd, dat niets in Holland goed gaat,quot; — merkte Jozefine op. — „Hij vindt de Hollanders een naar volk.quot;

— „Naar zal ik ze niet noemen,quot; korrigeerde Rebekka deze eenzijdige voorstelling. — „Van aannemen zijn ze goed genoeg, als men hen goed voorgaat. Maar ze doen alle dingen op zijn elf en dertigste. Het zal veel wezen, indien zij over vijf en twintig jaar dragelijk musiceren.quot;

— „Over vijf en twintig jaar! En zult u gedurende al dien tijd ieder jaar naar Brussel gaan?quot;

— „Dat zou er fraai uitzien! Neen, ik heet volleerd, en keer voor goed naar Den Haag terug. Drie jaren heeft mijn vader mij de lessen te Brussel laten volgen, en meer kon hij niet doen, de goede man. Zooals ik u gezegd heb; ik ga mi zelve lesgeven, en de Haagsche papa's en mama's schrik aanjagen met mijn nieuwerwetsche methode.quot;

— „Zou ik óók les van u kunnen nemen?quot; — vroeg Jozefine.

— „Zeker!quot; — antwoordde Rebekka. — „Ik wenschte te kunnen aanvangen met een dozijn zulke discipelinnen. Helaas, ik zal tevreden moeten zijn met een troep opgeschoten meisjes van tusschen de twaalf en veertien! Dat is de schaduwzijde. Kinderen met stijve vingers en zonder gehoor, zonder kunstgevoel, die men om het geld moet afrigten voor iets, waar zij het pleizier noch het nut van inzien. Goed dat ik zelf óók veertien geweest ben, anders hield ik het niet uit.quot;

— „Ik zou graag les van u krijgen,quot; — zeide Jozefine, — „om prettig met u te kunnen praten.quot;

— „Hoort gij 't, heemlen! Aarde, hoort gij 't!quot; — dekla-meerde Rebekka. — „Ziehier een jonge dame, die zich verbeeldt, dat muziekjufvrouwen te bewegen zijn tot praatjes maken! Neen, lieve Jozefine, ik zal het heel aardig vinden, u van tijd tot tijd een bezoek te mogen brengen; maar verschijn ik in kwaliteit, dan moet er gestudeerd worden. Daar kom ik voor scheep. Daar hangt mijn reputatie aan.quot;

60

ocr page 73

JOZEF INK VERLAAT DE KOSTSCHOOL.

— „Weet ii wat de dames in Indie een totok noemen?quot; — vroeg Jozefine, half pruilend, half glimlagchend. — „Daar meenen ze een pas aangekomen Europesche meê, die allerlei wijze dingen zegt, zooals in de boeken staan.Een blaauwkous.quot;

— „Ondeugd!quot; — juichte Rebekka. — „Maakt ge mij voor een savante uit? En waarom, als ik vragen mag?quot;

— „Ge wilt niet bij mij komen praten. Ge wilt mij vervelende dingen laten doen. Maar het kan mij niet schelen. Als ge niet bij mij wilt komen , ik kom bij u. Papa zal mij zeggen, waar u woont.quot;

— „Lief kind, doe dat niet,quot; — zeide Rebekka, haars ondanks ernstig wordend. — „Ge zult bij uw vader aan huis een elegant gemeubelde, vrolijke kamer vinden. Op uw wenken zal men u bedienen. Al uw tijd zal aan nzelve zijn. Ik, ik ben gebonden van den ochtend tot den avond. Heb ik vrijaf, dan moet ik huiswerk verrigten. Ik kom van school voor de zuinigheid. In mijn eigen kamer zou ik mij schamen u te ontvangen , en er is geen andere , waar wij ons roeren kunnen. Overal staan boeken, boeken, boeken. Men struikelt er over. Wij doen een winkel, lieve jufvrouw, een driedubbelen winkel; en wanneer u drie maanden in Den Haag zult gewoond hebben, dan zult u weten, dat jufvrouw Alkemade geen bezoeken brengt aan jufvrouw Bisschof.quot;

Jozefine was verbaasd.

— „Is dan uw vader...quot; — Zij wilde vragen: „Is uw vader zulk een gemeene man?quot; — Maar zij bedacht zich en vroeg: „Moet uw vader zich zoo behelpen? Is hij zoo arm?quot;

— „Hij zou minder arm wezen,quot; —antwoordde Rebekka,— indien hij van zijn boeken gemakkelijker scheiden kon. Al ons geld zit vast in folianten en kwartijnen. Vader koopt niet om te verkoopen, maar om te bezitten. Dat geeft geen rekening. Er zijn dagen, dat ik niet weet, waar de huishuur, de kleederen, het eten en drinken vandaan moet komen. Ook aan de andere dingen, die vader er bijdoet, wordt niet verdiend. Om de oude gaten te stoppen, maken wij telkens nieuwe, en dat zet ons voortdurend achteruit. Geloof mij, dat ik een moeijelijk leven te gemoet ga, en mijn lessen heel wat zullen moeten opbrengen , zal ik don schoorsteen rookend houden.quot;

Het was Jozefine niet aan te zien, dat deze bijzonderheden indruk op haar maakten. Haar schoon gelaat was een even ondoordringbaar masker als het leelijke van haar vader, den oud-gouverneur. Maar dit belette niet, dat zij van het begin

61

ocr page 74

JOZEFISE TEHUIS.

tot het einde der reis, in gedachte aanteekening hield van al hetgeen lïebekka zeide of zich liet ontvallen. De naiefste dei-twee jonge vrouwen was niet zij, die er het naïefst en het bekoorlijkst uitzag, die nu en dan de hinderlijkste spreekwijzen bezigde, of aan de pleisterplaatsen zich voedde met de kleinste hapjes brood.

De eindelooze rid van Antwerpen naar Den Haag was veel minder aangenaam, dan de kortere en snellere van Brussel naar Antwerpen. Telkens kwamen nieuwe passagiers de uit-stijgenden vervangen. De vermoeijenis zelve temperde de spraakzaamheid, en Jozefine had gelegenheid in overvloed, zich in stilte rekenschap te geven van hare positie.

Zij kwam tot de slotsom, dat zoo aan den eenen kant haar lot aanmerkelijk te verkiezen was boven dat van Rebekka Bisschof, Rebekka niettemin zich overdreven voorstellingen maakte van de weelde, waarin de eenige dochter van een gepensioneerd gouverneur der Mol ukken zich baden kan. Bovendien, wat beteekende weelde? Overvloed had geen waarde voor eene vrouw, tenzij er vrouwelijke genietingen mede zamen-gingen ; en Jozefine haakte bovenal naar genot.

vin

JOZEFIXE TEHUIS.

Do heer Cornelis van Alkemade zat aan de Bogt van Guinee te knikkebollen in zijn leunstoel.

Aan de straatdeur stonden de meiden te praten met hare vrijers en schrikten k wans wijs, toen zij van verre de taptoe hoorden slaan.

De oppasser was naar het kantoor van Van Gend en Loos gezonden, om de jufvrouw af te halen en voor haar kofter te zorgen.

Het was een schoone late avond in den nazomer.

Alles liep, gelijk men voorzien had dat het loopen zou. Toen de minnaars verwijderd, de lampen in de voorkamer ontstoken, de heer des huizes uit zijn slaapje gewekt, het avondeten gereed gezet was, ging onder den welbekenden druk van

62

ocr page 75

JOZEFINE TEHUIS.

Abels' vingeren de suhel over, en riepen Je meiden uit één mond; — „Daar is de jufvrouw!quot;

Werkelijk was zij daar. en stond met één vlugge beweging voor de oogen haars vaders.

— „Dochter,quot; — y.eide de oud-gouverneur, oprijzend en met een tooneelmatig gebaar haar do beide handen toestekend, — „ik beet u welkom in deze woning. Ge zult er alles voor uw ontvangst gereed vinden. Doch laat mij een blik mogen werpen op uw toilet. Ge weet, welke waarde ik daaraan hecht. Uw reisgewaad,quot; — vervolgde bij , nadat het Brusselsch snufje met gunstig gevolg zijne kritiek had doorstaan, — „draagt mijne goedkeuring weg. Dit is een aangenaam begin. Ga nu naar uw kamer, beschik over de dienstboden, en laat ons daarna, zoo ge niet te vermoeid zijt, nog een oogenblik praten.quot;

Arme moederlooze! hadt gij willen uitroepen. Arm eenig kind, overgeleverd aan zulk een vader!

Doch zoo dacht Jozefine niet. Haar vaders woning beschouwde zij als eene tweede uitgaaf der Zeven Kerken van Rome, en de voor haar bestemde kamer als eene kamer in een logement. Met welgevallen wipte zij naar boven, eer tevreden dan rouwig dat de officiële ontvangst baar de moeite bespaarde, hartelijkheid te veinzen.

Toen zij weder beneden kwam , vond zij hem een blad papier zitten ontcijferen, waarin zij baar eigen laatsten epistel herkende.

Hij legde den brief naast zich neder en noodigde haar, iets te gebruiken.

— „De jonge meisjes,quot; — zeide hij, — „zijn als de jonge geiten. Zij gaan ongaarne met een leêge maag naar bed. He domum. saturae, ite capellae! Op mijn leeftijd en met een kon-stitutie als de mijne, is dat anders. Madame Gampan, onderstel ik, heeft bij het vertrek uit Brussel u behoorlijk van leeftogt voorzien ?quot;

Jozefine verzekerde, dat zij onderweg aan niets gebrek had gehad.

— „Heeft die sekondante zich voegzaam gedragen? Geen praatjes gemaakt met medepassagiers?quot;

Jozefine kon betuigen, dat er op het gedrag der sekondante niets te zeggen geweest was.

— „Die anderen, zijn dat meisjes waarmede men voor den dag kan komen? Jonge dames van goeden huize? Met wiemen zich door zamenreizen niet kompromitteert of enkanailleert.?quot;

Jozefine meende zeker te weten, dat zij van vaders- en

63

ocr page 76

(54 JOZEFINE TEHUIS.

moederszijde altegader te goeder naam en faam stonden.

De oud-gouverneur zoekt in haar blik te lezen, ot zii dit zeide zonder erg, dan wel daarbij aan hem en aan zichzelve dacht. Doch hetzij de eigenwaan hem verblindde, betzij .loz -fine werkelijk zonder bijoogmerk over hare denkbeeldige reis-genootjes sprak, hij kon niets buitengewoons aan haar bespeuren.

Haar voorhoofd bleet onbewolkt. _ 11

_ Qe schreeft mij, dat sommigen haar ouders hebben in

Den Haag. Zijn dat bijzondere vriendinnen? Is uw voornemen, de kennis met haar aan te houdenquot;

Naar waarheid kon Jozefine verklaren, dat onder de pen-sionnaires, met welke zij van Brussel was gekomen, zich geen enkele Haagsche en geen enkele boezemvriendin beyond \ an liebekka Bisschof maakte zij geen melding, omdat Kebekka niet in do termen van haar vaders vraag viel, en ook omdat zii als leerzame dochter van den heer Cornells van Alkemade de gewoonte had, een deel van hare gedachten en van hare

wetenschap voor zich zelve te houden. . i ••

_ Ik ben niet voldaan over uw schrift,quot; — ging hij vooit den brief weder opnemend, en de oogen latende gaan met Jozefine's spekhaken en hanepooten, die inderdaad van geringe vorderingen in de kalligrafie getuigden. — „In Indie heb ik te vergeefs beproefd, u fatsoenlijk te leeren schrijven. Het is mij eene teleurstelling, dat ook madame Oampan daarin

niet geslaagd is.quot; ,

Het was haar niet vreemd of onaangenaam, door haar vaclei gekatechiseerd te worden. Hoe grievender hij haar vernederde, des te natuurlijker vond zij het, hem niet te kunnen uitstaan. Zijne grofheden waren de verontschuldiging van haren haat , en onthieven haar van de lastige verpligting, hem te eeren of

liei.te,Madame Campan,quot; - antwoordde /.ij, met een mstigen blik op haar fijne blanke handjes, - „was van hetzelfde gevoelen. Maar ik ben geen sinjo, die met schrijven den kos. verdienen moet. Vrouwen met inktvlekken aan haar vmgeis

zijn er in Holland genoeg.'

De oud-gouverneur werd boos, en fronste de wenkbraauwen. _ Dochter quot; — zeide hij met stemverheffing, — „dat is een ongepast bescheid! Uw verblijf te Brussel heeft mij hon-derde guldens gekost, en ik had regt te verwachten dat ge daar ginds zoudt leeren schrijven als een dame, met als een keukenmeid!quot;

ocr page 77

JOZEFINE TEHUIS.

— „Heb ik verzocht, naar Brussel gezonden te worden?quot; — vroeg zij kalm.

— „Neen. dat is door mij verordend. Verordend voor uw welzijn, en omdat ik verkies, met mijn dochter voor den dag te kunnen komen.quot;

— „Ik vind het al wel, dat madame Campan, die begrepen moest hebben wie ik was, mij niet weggezonden heeft.quot;

— „Daarvoor werd ze te goed betaald.quot;

— „Ge erkent dus, dat zij er reden voor gehad zou hebben?quot;

— „Ik erken niets. Ik weet alleen, dat de brutale dochter, die ik naar Brussel gezonden heb, nog brutaler teruggekomen is.quot;

— „Wil ik ii iets zeggen? Erken mij, en ik zal niet brutaal meer zijn. Zoolang ik de dochter van een keukenmeid blijf, blijf ik als een keukenmeid schrijven. En nu ga ik naar bed, want ik heb slaap.quot;

De heer Van Alkemade bemerkte te laat, dat het verblijf op de kostschool slechts gediend had, Jozefine meer zelfbe-heersching te leeren, zonder dat zij één harer gebreken had afgelegd. Voorheen was zij een stout, eigenzinnig, ongehoorzaam kind. Thans sprak zij als eene jonge vrouw, die zich bewust is van haar regt. Drukletters geven eene zeer gebrekkige voorstelling van den toon, dien zij tegenover haar vader aansloeg. Haar woorden waren minstens even beleedigend als de zijne; maar zij klonken als gewone opmerkingen, vrucht van bedaard overleg. Het eigenaardige zelf van hare zinwending, bet weglaten van tusschenvoegsels, het gebruik van den tegenwoordigen tijd der aantoonende wijs, verhoogden nog dien indruk. De vrouw scheen weder kind te worden dooide taal. Hoe driftiger haar vader zich maakte, des te afgeme-tener repliceerde zij.

De volgende dagen bragten in de wederzijdsche verhouding maar weinig verbetering. Elk gesprek tusschen vader en dochter liep op wederzijdsche personaliteiten uit, en er was alleen vrede in huis, wanneer beiden zwegen. Eerlang zwegen zij zoo volkomen, dat men zich in de woonkamer aan de Bogt van Guinee te midden van het uitgestorven Pompeji verplaatst waande.

Slechts één talent bleek Jozefine aangeboren: bestierster der vaderlijke huishouding geworden, peilde zij als bij instinkt de waarde van het Hollandsche geld. Liet zij Abels boodschappen doen, dan behoefde hij niet te beproeven, daar iets aan te verdienen. Van alles kende zij in een oogwenk den prijs, en

65

5

ocr page 78

JOZEFIXE TEHUIS.

tot den laatsten penning moest hij verantwoording afleggen. Mogt men ilen bakker en den slager gelooven, dan had, gedurende haar verblijf te Brussel, de heer Cornelis van Alkemade geheel alleen meer vleesch en meer brood gegeten , dan in dien tijd door de gezamenlijke viervoetige bevolking van den Antwerpschen dierentuin verslonden was. Op die misbruiken stelde zij onmiddellijk orde, en had de twee door haarvader gehuurde Haagsche meiden (koetspaarden zou eenc Neder-landsche huismoeder ze genoemd hebben; witte karbouwen betitelde Jozefine ze) binnen veertien dagen behoorlijk onder appèl.

De grondigste menschenkenner, daar houd ik het voor, zou geen rekenschap hebben weten te geven van hetgeen omging in hel hoofd en hart van dit meisje. In strijd met het fijne van haar ligchaamsbouw, het teederc van haar oogopslag, het onschuldige en aristokratische van geheel haar voorkomen, was er in hare natuur iets bedorvens en gemeens. Dit bleek op nieuw, toen een aan haar vader gerigte brief van de direk-trice der Brusselsche kostschool al spoedig kwam uitbrengen , hoe dubbelhartig en onvoorzigtig zij gehandeld bad. Met een stalen voorhoofd stelde zij voor de oude fabelen eenc nieuwe fabel in de plaats, onbekommerd om de tegenspraak, waarin zij daardoor met zichzelve geraakte, gelijk om de verdere leugens. waarop haar vader haar zou kunnen betrappen. Hetgeen andere menschen hun zedelijk gevoel of hun geweten noemen, loste bij haar zich op in de onbewuste redenering, dat haar vader een deugniet was, en zij dus ook zelve weinig of niet behoefde te deugen.

Doch kon zij een menschelijk schepsel, kon zij een jong meisje zijn, zonder dat al dit lagere gepaard ging met iets hoogers, iets dichterlijks? Laat ons de hand in eigen boezem steken 1 Wat zijn onze idealen? Welke is van ons leven de dichterlijke zijde? Helaas, het bestaan der meeste menschen, mannen en vrouwen, is, als geheel beschouwd, weinig meer dan de vervulling van een kramers-programma!

Wij vergen dan ook niet dat .Tozefine, onontwikkeld, onopgevoed, de kinderschoenen pas ontwassen, aanstonds gereed zou hebben gestaan met eene oplossing van onze bezwarer. Eén dwaze knaap stelt somtijds meer vragen, dan zelfs twaa f wijze meisjes beantwoorde^ kunnen. Doch sluimerde er in het algemeen, bewust of onbewust, op den bodem van haar gemoed, een ideale wensch? Was er iets, waarmede zij op hare

66

ocr page 79

JOZEFINE TEHUIS.

wijze dweepte? Bestond er voor haar een geluk, dat elk ander geluk te boven ging?

Ongaarne zou ik mij daaromtrent stellig uitlaten.

Dat zij niet orthodox was, dit weten wij; al zou het, dertig of veertig jaren geleden, minder vreemd gevonden zijn dan thans, zoo zij het te Brussel geworden ware. Het uit Frankrijk en Zwitserland overgewaaid reveil vierde toen zijne wittebroodsweken. Doch ik durf beweren, dat .Tozefino voor eiken godsdienstigen indruk, in eiken vorm, volstrekt ontoegankelijk was. Zij wist, dat er christenen en joden waren, en de Chinezen eene andere godsdienst beleden dan de Arabieren. Maar daar bleef het bij. Zij hield het voor eene kwestie van rassen. Er waren bruine menschen en blanke menschen. De blanke menschen waren christenen. Zij zelve was de dochter van een blanke en dus eene christin; maar alleen in den ethnograflschen zin van het woord, zou zij gezegd hebben, als die uitdrukking toen reeds in de mode was geweest. „Mijn papa een christen,quot; dacht zij somtijds, „christenen niet veel bijzonders.quot;

Om zich te overtuigen, dat zij de gaaf miste, die jonge meisjes van haren stand eene lietgelegen eigen kamer gezellig en bevallig doet inrigten, — één blik in haar dusgenaamd boudoir was daartoe voldoende. Bij fraai zomerweder althans, gaven hare vensters, de geestig gestoffeerde weilanden over, onder den hoog en breed uitgespannen hemel, een bekoorlijk uitzigt op het Haagsche Westland, en zag men aan den horizont, boven het digt geboomte, de spitsen der dorpstorentjes kijken. Doch hoe nieuw voor haar het schouwspel wezen mogt, zij had er geen blik op. Het liet haar koel. De meubelen in haar kamer liet zij staan, waar de doove meubelmaker ze had nedergezet: de gordijnen hangen, zooals de smakelooze behanger ze had geplooid. Het was en bleef eene logeerkamer uit de Zeven Kerken van Rome. Zij sliep er en kleedde zich er, maar zat er niet. Het hinderde haar, uit de bovenvensters niet op de straat te kunnen zien. Hoe stil de buurt ook was, en hoe onaangenaam het gezelschap van haar vader, zij zat liever in de beneden-voorkamer.

H: lar voornaamste bezigheid was lezen —■ lezen van vertaalde Fransche romans, die zij door Abels uit eene bibliotheek liet halen. Aan het onoogelijk voorkomen dier beduimelde boeken nam zij geen aanstoot. Haar lievelingswerk was Mathilde of de Gedenkschriften cener jongyehuwde, in zes deelen. Deze

67

ocr page 80

JOZEFIXE TEHUIS.

melodramatische tafereelen uit de groote wereld trokken haar meer aan, dan het door Paul de Koek geschilderd volks- en studentenleven, ofschoon zij ook daarvan ijverig kennis nam. In Mathihle bekoorde haar de oude Mademoiselle de Maran, het evenbeeld haars vaders, maar minder pedant. Een geheim voorgevoel zeide haar, dat haar Amsterdamsche tante Bruce eene soortgelijke vrouw moest zijn als de moeder van den sukkel Sécherin, wiens Ursule hem zoo aardig om haar vinger wond. Ursule zelve was voor haar de eigenlijke heldin van het boek; niet de tot inkeer gekomen Ursule der laatste, ook niet de geveinsd sentimentele der eerste hoofdstukken, maar de slimme en schitterende van het geheele middengedeelte. De braziliaansche millionair Lugarto fascineerde haar door zijne wraakgierige alomtegenwoordigheid, en in Gontran de Lanen zag zij^ vrijwel liet toonbeeld van den minnaar.

Ik ben mij bewust , dat het noemen van deze namen een gebrekkig middel is om den lezer een denkbeeld van Jozefme's inborst te geven. Sue's weleer beroemde roman is bijna veertig jaren oud, en de minste menschen van dentegenwoordigen tijd kunnen zich herinneren, het boek gelezen te hebben. Maar ik kan de feiten niet veranderen. Jozefine vond Lugarto een wezen van hooger orde. In hare gedachten maakte zij Henri Wilson het dubbelzinnig kompliment, hem bij Gontran de Lancry te vergelijken. Het teas hare eerzucht, als eene tweede Ursule d'Orbeval, in alle stilte door een rijk huwelijk eene vrouw van de wereld te worden, en alle andere jonge vrouwen, door hare schoonheid en haar toilet, te overschitteren.

Men vrage niet, hoe zij met die plannen do gedachte aan Henri Wilson rijmde, een getrouwd man. Zulke hinderpalen golden niet voor haar. De grond van haar wezen was eene zelfzucht, die de hinderpalen zeiven als werktuigen plag te gebruiken. „Ik wil niet,quot; luidde het antwoord van Henri's vrouw op al wat men haar voorstelde. Jozefine daarentegen, ofschoon zich daarvan niet bewust, had een wil, en hare schoonheid , met zekere mate van sluwheid vereenigd, maakte van dien'wil eene kracht — voor zoolang het duren zou'.

Mij komt het voor, dat men deze soort van karakters tot heden te weinig bestudeerd heeft, en de reden van dat verzuim vind ik in de omstandigheid, dat het zulke gewone, met uw verlof, zulke dagelijks voorkomende karakters zijn.

Wat is een mensch eigenlijk anders, dan een tweevoetig willend wezen, dat met wat meer of wat minder zelfbewust-

68

ocr page 81

I

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON. 69

heul, gedurende de eerste helft van zijn leven zeker doel najaagt, en gedurende de andere helft, dat doel niet of onvolkomen bereikt hebbende, zich aan de noodzakelijkheid onderwerpt en ruscig of onrustig voortvegeteert ? Wat wil die jonge heer daarginds? Wat wil deze jonge dame? In die ééne vraag lost de geheele natuurlijke historie van het menschdom zich op. Onder zekere voorwaarden wil deze jonge dame het wijfje van dat mannetje, die jonge heer het mannetje van dat wijfje worden. Gebeurt dit, dan is het sprookje uit. Gebeurt het niet, dan is het óók uit. Het eenig denkbare derde geval is, dat één van beiden (gelijk Jozefine's voorland was), nog vóór het sprookje regt begonnen is, met het hoofd tegen den muur loopt. En ziedaar — opdat ik er dit bijvoege — de oorsprong en regtvaa.rdiging der ouderlijke tucht. Jozefine van Alkemade zou minder snel te gronde zijn gegaan, indien de oude mevrouw Bruce haar moeder, en haar vader in mindere mate een zot geweest was.

IX

DE BEZOEKEN VAN HEN KI WILSON.

Het kon voor den oud-gouverneur niet lang verborgen blijven, dat zijne dochter, bij ontstentenis der sekondante van Madame Campan, Rebekka Bisschof tot reisgenoot gehad had. Kebekka's vader bragt in zijne eenvoudigheid het stukje uit, nog vóór Rehekka zelve gelegenheid had kunnen vinden, Jozefine een bezoek te brengen.

De ontdekking deed de wanden der beneden-voorkamer aan de Bogt van Guinee getuigen zijn van een nieuwen woordenstrijd.

—- „Wat hoor ik?quot; — vroeg op zijn snerpendsten toon de heer Cornells van Alkemade, na afloop van een onderhoud met Salomon Bisschof op een schoonen middag aan het tweede ontbijt verschijnend, — „wat hoor ik, dochter? Moet ik van derden vernemen, dat ge van Brussel naar hier zijt komen reizen in gezelschap van een jodenkind? Wat zijn dat voor manieren? Ben ik ddürvoor met u in Den Haag komen wonen? Heb ik u daarvoor naar die dure kostschool gezonden? Dit

ocr page 82

DE BEZOEKEN VAX HENRI WILSON.

zet aan uw onbetamelijk gedrag de kroon op. Finis coronal opu*. Verstaat gij mij niet? Kunt ge den mond niet openen? Hebt ge het spreken verleerd? Ik herzeg: Finis coronat opus! Die gemeenzaamheid met dat jodenkind zet aan uw onbetamelijk gedrag de kroon op!quot;

— „Ik zal niet gedogen,quot; — ging hij toornig voort, toen Jozefine, zonder zelfs de oogen naar hem op te slaan, bleet zitten voortlezen in haar roman, — „dat die dochter van Bis-schot' hier aan huis komt. Zulk gezelschap voegt niet voor eene jufvrouw Van Alkemade, wier vader het tot gouverneur der Molukken bragt. Ik verkies, dat ge het onderscheid van rang, van stand, van vermogen, in het oog zult houden, zooals ik zelf dit doe. Denkt ge dat wij hier in Indie zijn , te Makassar, waar men genoodzaakt is omgang te houden met Jan Rap en zijn Meid? Wij zijn in Holland, in Den Haag. Daar komt zulke familiariteit, zulke intimiteit, zulke pro-mis-cu-i-teit, niet te pas!quot;

Jozefine legde haar boek naast zich neder.

—• „Heeft u aan Salomon Bisschot gezegd, wat u nu aan mij zegt?quot; — vroeg zij, hem in de oogen ziende.

— „Ik heb aan Salomon Bisschof gezegd, wat ik hem behoorde te zeggen. Ook wanneer ik met mijne minderen spreek, neem ik steeds het decorum, den decor, het decus, in acht Dulce decus tneum.quot;

— „Dat is geen antwoord op mijn vraag, papa. Zoo u niet wilt, dat Rebekka Bisschof hier aan huis zal komen, dan moet u dit durven zeggen aan haar vader. Anders komt zij toch.

— „Ik gelast u, haar bekend te maken met mijn wil! Met mijn denkwijze!quot;

— „Zulke boodschappen breng ik niet over, papa. Ik ban uw baboe niet.quot;

— „Dat zijn praatjes! Ge behoort goed te maken wat door u misdreven is. Hoe kwaamt ge met die Rebekka in éen rijtuig te zitten?quot;

— „Wij ontmoetten elkander in de wachtkamer eerste klasse. Ik heb haar niet het eerst aangesproken, maar zij mij. Zij is beleefd voor mij geweest, en wanneer zij mij een visite komt maken, dan zal ik haar ontvangen. Zij is een knap en verstandig meisje. Veel verstandiger dan ik.quot;

— „De dochter van Bisschof behoorde niet eerste klasse te reizen,quot; — viel de oud-gouverneur uit. — „Haar vader is een schooijer, zooals trouwens alle Hollanders zijn. Aan elk lot.

70

ocr page 83

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON.

dat hij verkoopt, verdient hij maar tien gulden; en oiu die elendige tien gulden loopt hij het vuur uit zijn sloffen. Is dat een kerel, wiens dochter eerste klasse behoorde te reizen? Met wiens dochter het de mijne voegt, omgang te houden?quot;

— „Rebekka verkoopt geen loterijbriefjes. Zij is een musicienne, een volleerde élève van het Brusselsch conservatoire.quot;

— „Zij is een jodin, zeg ik u; en de joden en jodinnen van dien stand worden in Holland door elk fatsoenlijk mensch op een afstand gehouden. Een indringster is zij. Alle Chinezen en alle joden zijn indringers. Wanneer ge die Rebekka van daag den vinger geeft, neemt ze morgen de geheele hand. Dat versta ik niet!quot;

—• „Ik ben wijs genoeg, papa, om te weten aan wie ik de geheele hand, en aan wie ik den vinger moet geven. Wat kunt u tegen Rebekka inbrengen? Zij is een eenige dochter, ik ook. Zij doet de huishouding van haar vader, ik ook. Haar moeder ligt op het kerkhof, de mijne ook.quot;

De oud-gouverneur gevoelde aan zijn hart, dat het geduld zijner dochter ten einde liep. Een weldenkend zoon zou beproefd hebben, hem opmerkzaam te maken op zijn liefdeloosheid, de blindheid zijner vooroordeelen , de tegenspraak waarin hij met zichzelven geraakte. Jozefine vergenoegde zich, op hare geboorte te zinspelen. Bij eiken nieuwen twist met haar vader hanteerde zij dit wapen met meer vaardigheid. Als kind had zij hem tegenover vreemden op zalvenden toon hooren beweren, zonder dat zij toen den zin dier woordspeling begreep, dat haar moeder op het kerkhof lag. Xu zij een jong meisje geworden was, gaf' zij hem de beleediging terug. Hij had niets anders verkregen, dan dat zijne huichelarij , in den persoon van zijn eigen kind, ontmaskerd tegen hem opstond. Hij kon alleen nog beproeven , Jozefine te overschreeuwen.

— „Wie heeft mijn dochter geleerd,quot; — bulderde hij , — „in de geheimen van haar vaders leven te dringen? Haalt zij die wijsheid uit de smerige boeken , waar zij mede opstaat en naar bed gaat? Is het de vrucht van haar verblijf op de kostschool? Zij moest zich schamen! Zich schamen ja, dat zij op haar leeftijd kennis blijkt te dragen van dingen, die onschuldige jonge meisjes niet weten kunnen, niet weten mogen. Wat zal het einde van die verdorvenheid zijn? Mijn vader was een schelm: moet mijn dochter een slet worden? Progeniem ritio-siorem ?quot;

— „Wat is een slet, papa?quot; — was Jozefine's eenige wedervraag.

71

ocr page 84

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON.

De heer Van Alkeniade besefte, dat hij niet verder kwam. Als naar gewoonte bleef het laatste woord aan de dochter; en deze beschouwde het als eene vanzelfsprekende zaak, dat zoo Rebekka Bisschof haar een dezer dagen een bezoek kwam brengen, zij het meisje ontvangen zou alsof er niets gebeurd ware. De maaltijd werd aanvaard on volbragt onder het gebruikelijk wederkeerig zwijgen.

Ware de oud-gouverneur der Molukken niet een toonbeeld van men schalij ke ondankbaarheid geweest, hij zou, uit zijn egoïstisch oogpunt, van geluk gesproken hebben, eene dochter te bezitten als de zijne.

Hij wilde, dat zij Rebekka Bisschof op een afstand hield. Doch welk ander meisje, in hare plaats, had dit niet veeleer de mannen gedaan, van welke hij zijne boezemvrienden had gemaakt, en die schier dagelijks bij hem over den vloer waren? .Tozefine daarentegen liet geen gelegenheid ongebruikt, om met die heeren een praatje te maken. Met haar romans, en de zorg voor haar toilet, vormden zij eene welkome afleiding, en dienovereenkomstig hield zij hen in waarde.

Eene der vele tegenstrijdigheden in de daden en gevoelens van den heer Cornells van Alkemade was, dat hij , die in anderen geen gebrek zoo hevig gispte als het gebrek aan veerkracht, zelf de slechte gewoonte had, een gat in den dag te slapen. Meermalen gebeurde het, wanneer de heer Efraïm hem spreken moest over zaken, dat hij of niet, of niet dadelijk bij de hand was. Dan verscheen Jozefine in het voorhuis, en verzocht den kassier, een oogenblik te willen wachten in de zijkamer. Zij hield er hem gezelschap, verbaasde hem door hare schoonheid, vroeg naar mevrouw Efraïm's welstand, vischte uit of er ook Efraïmpjes in miniatuur bestonden, en liet doorschemeren, dat zij zeer wel bevroedde, welke zaken de kassier en zijn juweelen doekspeld met haar vader hadden uitstaan.

Van den Endc's lange hals en fantastische verhalen boezemden haar geen schrik in. Zij vond het veeleer koddig, dat hij een geöxekuteerde beweerde te zijn. Wanneer er te Makassar o-ehangen werd, had haar vader altoos verboden, dat zij daarnaar ging kijken. Thans had zij gelegenheid, zich schadeloos te stellen. Onder het spreken met den vreemden man, dwaalden hare oogen telkens terug naar de roode streep tusschen zijne ooren en zijne das. Hij boezemde haar belangstelling in als een dokter, die verstand van geheime middelen had en

72

ocr page 85

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON.

aan de uitoefening iler geneeskunst eene soort van bezweringskunst paarde. Hem en zijn Spinoza stelde zij zich voor als leerlingen uit de school der Bataksche toovenaars, die met op perkament geschreven wonderspreuken vijanden op de vlugt jagen , volksziekten afwenden of in moeijelijke omstandigheden vrouwen en jonge meisjes behulpzaam zijn in het doen verdwijnen der gevolgen van eon misstap.

Niet minder dan de oude Van den Ende behaagde haar de jonge Heinzen. De redakteur van den Lepelaar, schrijver van den Ring van Gyges, moest haar van Den Haag vertellen. Eerst durfde hij niet loskomen; maar al spoedig hielpen hem zijne Indische herinneringen het eigenaardige in Jozefine's karakter begrijpen. Hij wist eerbiedig te blijven, en nogtans vertrouwelijk te zijn; het noemen van den naam der dingen te mijden, en evenwel niets te verzwijgen. Eerlang kon hij de geheelc chrnnique scandaleuse der hofstad aan haar kwijtraken.

Alleen Salomon Bisschof zou, had zij niet toevallig kennis gemaakt met zijne dochter, haar op den duur van zich vervreemd hebben. Hij had de onbescheidenheid, naar hare lek-tuur te informeren; en toen zij hem van hare ingenomenheid met Paul de Koek en Eugene Sue verhaalde, schudde hij bedenkelijk het hoofd. Met dien ouden jood was niets aan te vangen, begreep zij. Om hem te vriend te houden, liet zij zich deftiger en beter boeken door hem leenen: en hij was te eenvoudig, of te zeer niet andere gedachten vervuld, om te bemerken, dat hij ze ongelezen terug ontving.

De groote afleiding, met dat al, bleven de Zondagsche bezoeken van Henri Wilson. De jonge zee-officier had .lozeline gekend als kind; Jozefine behandelde hem als een ouderen broeder. Er heerschte tusschen hen een loon van onbegrensde vertrouwelijkheid. Elke week zag zij Henri's komst met vreugde te gemoet; en Henri — welke bekoring had voor hem, sedert Jozefine weder onder haar vaders dak vertoefde, de woning aan de Bogt van Guinee bekomen, bij vroeger vergeleken!

Een geheelen namiddag en tele a trie door te brengen met den heer Cornelis van Alkemade, was geen onvermengd genot. Hij behoorde tot een geslacht van Indische ambtenaren, dat van lieverlede uitgestorven is. In de eerste jaren der eeuw, als gedrost gymnasiast op Java gekomen , was hij onder Daendels en het Engelsch tusschenbestuur zijne carrière in gouverne-ments-dienst begonnen en had door de sleur promotie gemaakt.

73

ocr page 86

DE BEZOEKEN VAK HENRI WILSON.

Wanneer in die dagen, toen in den Archipel nog geen stoom-verkeer bestond en men tusschen Makassar en Batavia somtijds zes maanden op liet water dobberde, een hootdambtenaar zonder zout in zichzelven als bestuurder eener buitenbezitting zijn baton de maréchal verdiende, dan kon bij, in naam dei-statistiek, als redelijk en zedelijk wezen dood-verklaard worden, De heer Cornells van Alkemade had in zichzelven geen ander zout, dan het paar dozijn aanhalingen uit de Latijnsche spraakleer van Vossius, die hem waren bijgebleven van de schoolbanken. Van de beschaafde wereld voor goed afgesneden; levend met eene Chinesche vrouw uit bet volk; geen smaak vindend in den omgang met Chinesche ol Inlandsche hooiden, door zijn rang genoodzaakt, het gering aantal Europesche ondei-danen zoo min mogelijk bij zich toe te laten, verveelde bij zich onuitsprekelijk. Drinkgelagen streden met zijn ingetrokken aard. Den militairen kommandant der plaats, die op luidruchtige wijze aan Bacchus otterde, meed hij. Maar in de eenzaamheid haalde hij zijne schade in; en omdat zijne verslaafdheid hem niet op ergerlijke wijze ongeschikt maakte voor zijn werk, liet de regering te Batavia hem ongemoeid. Men wist of vermoedde, dat het niet pluis met hem was. Doch men dacht: Laat hem , als zoo vele anderen, zijnen tijd uitdienen; nog een jaar of wat, eu dan zijn wij hem kwijt.

Alleen door wederzijds getrouw te blijven aan eene stilzwijgende overeenkomst, konden Henri Wilson en zijn gastheer uren lang tegenover elkander zitten, zonder het aan den stok te krijgen. De heer Van Alkemade vermeed zorgvuldig, de snaar aan te roeren, die bij zijn jongen vriend nooit andeis

dan pijnlijk trilde; en de afleiding zoekende jonge vriend haalde van hunne gemeenschappelijke Indische hennneringen met voordacht alleen die op, welke wederkeerig den oud-gouverneur niet kwetsen konden. Ook hij had zich te Makassar, aan boord van zijn fregat, gruwzaam verveeld. De woning van den heer Van Alkemade was er hem, zoo vaak hij aan den wal kwam, vergelijkenderwijs eene oiisis geweest. Dit, en de altijd levende herinnering van zijn onberaden huwiijk, maakte hem toegevend in zijn oordeel. Haarfijn wist hij, hoe er gedurende de laatste jaren, in Indie, over den gouverneur der Molukken gesproken was, eu hoe weinig laster daaronder liep. Maar op eenzame zondagnamiddagen in Den Haag, onder viei oogen met den schuldige, op vierduizend mijlen afstand, het Makas-saarsche wereldje van weleer over de tong te laten rijden, —

74

ocr page 87

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON.

zou het geneesmiddel niet erger blijken dan de kwaal, dan moest Henri er dit van hebben, vond bij.

Jozefine verscheen , en het armzalig genoegen werd een wekelijks terugkeerend feest. Nu kostte het Henri geen moeite meer, het gesprek met den ouden heer aan den gang te houden. Xu mengde ook Jozefine zich in de Makassaarsche herinneringen. De glans van haar toilet en van hare schoonheid deelde zich mede aan het vertrek, aan de meubelen, aan de ontbijttafel zelve. Met ligten tred stapte thans iederen zondagmorgen de jonge zee-officier, van de plaats van aankomst der diligence, naar het welbekend huis in de Bogt van Guinee. Het overgaan der schel in het voorhuis, terwijl bij met de hand aan tien knop nog op de stoep stond, klonk hem als muziek in de ooren. Aan den toon, waarop hij de dienstmeid vroeg, of er geen belet was, had een ingewijde kunnen hooren, dat er iets buitengewoons in hem omging. Was het wonder? Hem doorstroomde het weldadig gevoel, niet langer als eeue soort van Caïn eenzaam en verlaten op aarde rond te zwerven. Met Jozefine had hij zichzelven, zijn levensdoel, zijne reden van bestaan teruggevonden; en het verminderde zijne voldoening niet, het verhoogde haar integendeel niet weinig, dat .lozeiine voor hem de verboden vrucht vertegenwoordigde.

— „Ik ben een methodiek man,quot; — plag de heer Van Alkemade te zeggen. Hij had er naar waarheid kunnen bijvoegen, dat hij dit methodieke ook bij liet ontvangen van gasten in acht nam.

Laat ons beproeven eene voorstelling te geven van hetgeen hij zijnerzijds tot vermeerdering der gezelligheid bijdroeg, gedurende de drie of vier maanden, dat Henri Wilson, zondag aan zondag, ten einde zijn hart aan Jozefine te kunnen ophalen, hem den tijd kwam helpen korten.

Het is elf uur in den morgen, en de heer Cornelis van Alkemade, martelaar van het wakker liggen, gelijk hij een martelaar van zijn lever, van het spruw, en van de tering is, heeft zooeven het bed en zijne slaapkamer verlaten.

Hoewel het zondag is en hij het bezoek van Henri Wilson wacht, draagt hij hetzelfde huisgewaad als in de week; dezelfde muilen, dezelfde grijze pantalon, dezelfde roode das, dezelfde specerijkleu'ige kamerjapon, herinnering aan de eilandenwereld , waarover bij weleer den scepter zwaaide.

In afwachting dat hij zich met zijnen gast naar de voorkamer begeven zal, die tegelijk als salon en als ontbijtkamer dienst doet, vertoeft hij in zijn bureau of kantoor: een binnen-

75

ocr page 88

DE BEZOEKEN VAX HENRI WILSON.

vertrek, waar eene glimmende, vunkelnieuwe schrijftafel staat, en, op den schoorsteenmantel, een likeurkeldertje de plaats eener pendule vervangt. Achter die schrijftafel, in een leunstoel, is het gewone zitje van den niets om handen hebbenden grijsaard. Geen boeken om hem henen , geen papieren , geen couranten. Alleen het gisteren verschenen nummer van den Lepelaar.

Henri Wilson wordt aangediend.

— „Qiml puer Ammiu*fquot; — luidt week aan week de onveranderlijke welkomstgroet, terwijl Henri een stoel neemt, naar Jozefine's welstand vraagt, en gaat zitten.

— „Superatne? An veseiiur aurAfquot; — vervolgt even regelmatig de oud-gouverneur, onder het aanbieden van een manilla en een vlammetje.

De anekdote. welke hij dit manuaal behoort, kent Henri sedert lang van buiten : dat een onnoozele knaap* van patricischen huize, met wien de heer Van Alkemade omstreeks het jaar 1800 te Amsterdam op de banken der Latijnsche school gezeten heeft, dien versregel vertaalde: „Hoe vaart de jongeheer Ascanius? Is hij al op? En rookt hij een sigaartje?quot;

Maar Henri, die alleen aan Jozefine denkt, houdt zich goed. Smakelijk lacht hij om het denkbeeld, het zoontje van Aeneas sigaren te laten rooken.

— „De botterik in kwestie had er meer van die kracht ,' herneemt de oud-gouverneur. — „Ovidius laat een halt dozijn zeenimfen haar groene haren zitten doen droogen in de zon, op de punt van een uit zee stekende rots. Pars in mole sedens viridus siccare cupillos. Versta: videtiir of videntur, want pars gedoogt zoowel het meervoud als het enkelvoud. Wat maakte hij hiervan? Ongeloofelijk, en niettemin historisch! Hij vertaalde : Eenigen zaten op een groot gevaarte, en melkten de groene geiten.quot;

_ „De groene geiten!quot; — lacht Henri. — „Melkten de groene geiten 1quot;

— „Ik behoef je niet uitdrukkelijk te zeggen, Wilson,quot; — gaat de heer Van Alkemade voort, — „dat die ezel op dit oogenblik hier in Den Haag, in een mooi huis aan den Vijver-berg woont, een minister van Staat is. Minister van Staat. Overal komt Hans door zijn domheid voort, maar nergens zoo gezwind als in Den Haag. Minister van Staat! Moest zoo iemand een residentie op Java besturen, hoe zou hij in zijn nietigheid openbaar worden!quot;

Henri gevoelt lust, eene proef te nemen met des oud-gouver-

70

ocr page 89

DE BEZOEKEN VAN HENKI WILSON.

neurs verwaandheid. Zijn gelaat neemt eene ernstige plooi aan, terwijl hij antwoordt:

—- „Goed, dat ze hem niet tot gouverneur der Molukken benoemd hebben!quot;

De heer Van Alkemade ziet hierin eene even welgemeende als welverdiende hulde aan zijn persoon, en lacht op zijne beurt om het denkbeeld, het bestuur van de Molukken op te dragen aan een non-ms als dien groene geitenmelker. Hij gaat uitweiden over den omvang, het gewigt, de zware verantwoordelijkheid en de weldaden, van het door hem zeiven gevoerd bewind. Zijne konklusie is, dat men hem bij zijne terugkomst in Nederland kommandeur van den Leeuw had moeten maken, en zijn pensioen verdubbelen.

Daar hoort hij in de aangrenzende zijkamer de pendule twaalf ure slaan, en noodigt Henri, iets te gaan gebruiken.

— „Met mijn eetlust blijft het ellendig gesteld,quot; — zegt hij. — „Die slapelooze nachten brengen mijn maag meer en meer van streek. Van den Ende doet wat hij kan, om er wat toon aan te geven. Ik doe óók wat ik kan. Maar het eene medikament werkt het andere tegen. Wat goed is voor mijn lever, deugt niet voor mijn borst, en voor mijn spruw deugt niets. Doch laat ons gaan déjeuneren.quot;

In de zijkamer vinden de heeren Jozefine, het oog der meesteres latende gaan over een welvoorzienen disch: visch, vleesch, gevogelte. Vruchten. Nevens het bord van den heer des huizes prijken in flesschen en karaffen verschillende hartsterkingen, bewijzen van den ijver der Haagsche wijnkoopers; moezel wijn, bourgonje, port. madera.

Even slordig als haar vader er uitziet, even keurig is het toilet van Jozefine. Henri Wilson kan zich aan haar aanblik niet verzadigen. Met lange teugen dringt hij hare schoonheid in. Hij kent geen anderen dorst, geen anderen honger. Haar slanke gestalte, zoo buigzaam en zoo fijn, doet hem aan eene IJslandsche sylfide; haar zachte blos, haar gitzwarte haren, de opslag harer groote donkere oogen, haar even geopende mond, waar men een parelsnoer in zijn schrijn meent te zien liggen, tegelijk aan eene Syrische madonna denken. Er is niets plomps, niets vleezigs, niets zinnelijks in hare schoonheid. Zulke jonge vrouwen, zegt hij tot zichzelven, worden alleen in den natuurlijken wintertuin van onzen Archipel gekweekt. Leliestengels, waaraan rozenknoppen wiegelen.

De oud-gouverneur neemt het woord, en stelt het dwaze

77

ocr page 90

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON.

der Hollandsche gewoonte in liet licht, om twaalf ure koffij te drinken en boterhamnien te eten. Het waren er 'gt;otei-hamraen naar! Miserabele sneedjes brood, met miserabelei sneefljes koek er op. Men behoefde de leelijke tanden der meeste Hollanders slechts aan te zien. om zich te overtuigen, dat zij onverbeterlijke koeketers waren.

Het verderfelijke van deze gewoonte wordt Henri duidelijk gemaakt door een blik, dien de heer Van Alkemade hem op zijn nieuw gebit gunt.

En welke koflij dronken zij! Gootwater behoorde men dien afschuwelijken drank te noemen. Bij kommen en ketels vol, sloegen zij dat ontzenuwend vocht naar binnen. Geen wonder, dat zij voor het slechtst gevoed volk van Europa doorgingen. Bij de droogmaking der Haarlemmermeer bleek het dagelijks , dat één Engelsche poldergast het werk verrigtte van zes Hollanders, uitgemergelde stumperts als dezen waren.

De rijke Hagenaars en de rijke Amsterdammers, die zeiven wijn als water dronken, scholden op de jenever. Orthodoxe domine's ondersteunden die huichelarij, en predikten het cp-rigten van matigheids-, van afschaffingsgenootschappen. Alsof het aan de jenever lag. dat de Hollanders zulke lammelingen waren! In een klimaat als het hunne, was de sterke drank vergelijkenderwijs een weldaad, een beboette. In Indie werd amfioen geschoven, in Holland jenever gedronken. Xiets natuurlijker. Do bewoners van een land, waar eens in de drie weken de zon scheen, en men de overige dagen van het jaar de natuur een cent zou geven: waar het drinkwater vergiftigd was en uit den moerassigen bodem beginselen van jicht naaide knoken stegen, — die arme duivels hadden gelijk, wanneer zij den nasmaak van den azijn en het zout, éénige toespijs hunner bedorven aardappelen, met een borrel zochten te verdrijven. Niet de jenever deed het hun, maar hetgeen zij koffij noemden. Door zich aan dat drabbig nat, waar de echte arabische kakoueh part noch deel aan had, dag aan dag te buiten te gaan, bragten de vrouwen uit het volk zwakke kinderen ter wereld. Dc jeugd uit den burgerstand kreeg tusschen de schooltijden niets anders te drinken dan dit aftreksel van gebrande stroop. Tot in de huizen der aanzienlijken was het misbruik doorgedrongen. Wanneer een Hollander u te déjeuneren vroeg, dan onthaalde hij u op slappe kofiij .

Fs dit onderwerp afgehandeld, dan maakt de heer Van Alkemade een uitstap van de koffij naar de thee.

78

ocr page 91

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON.

— „Ge herinnert je Wilson, de thee, ilie te Makassar de kapitein der Chinezen schonk? Liet schenken , moest ik zeggen. Op geen ding zijn 1I3 Hollandsche vrouwen pedanter, dan op haar theeschenken. Maar. ach God, het lijkt naar niets. Die thee van den kapitein-Chinees was andere drank , godendrank ! In een kom heet water een klein potje. Eén kokende scheut, en, na elk schenksel, een nieuwe voorraad souchon of nieuwe voorraad pecco. Maar hier! Do fatsoenlijkste dames, gezeten achter een blad vol blaauw porselein en zilver, vergasten u op afkooksels. waar een Javaansche koelie misselijk van zou worden. Een trekpot op een vlammetje! Op een walmend oliepitje, dat aan het door tappen en tappen smakeloos geworden vocht in den pot, zijn stank meêdeelt! Leer één ding van mij, Wilson: thee moet eene infimo blijven, mag nooit een decoctum worden!quot;

Henri knikt toestemmend, en bereidt zich voor op eene nieuwe uitweiding over het klimaat, vastgeknoopt aan de thee.

— „Ik heb Chinesche kooplui op reis zien gaan, Wilson , voor zes weken op reis zien gaan, de binnenlanden in, zonder anderen teerkost dan een pakje thee! De Chinezen zijn in zulke dingen admirabel. Komen ze aan een warong, zij stijgen van het paard, halen hun trekpotje voor den dag, laten zich door den waronghouder kokend water geven, en doen met thee hun maaltijd. Maar ook, welk een land, welk een hemel, welk een lucht! Daar kan het verwaande Nederland een voorbeeld aan nemen. Heb je ooit op aarde, in Oost of West, Zuid of Noord, een oord als dit aanschouwd? En daar pogchen ze op! LTit wier en dras geweld, zingen hun dichters! Aangespoeld bij Petten, onder donderend en landdoordaverend zeegeklots! Dat gedaver gaf ik ze mijnentwege present , zoo ik kon uitgaan zonder parapluie, en niet bij iederen stap, met mijn schoenen in hun dras bleef steken. Maar daarvoor drinken ze dan ook suiker en melk in hun thee! Gebruikt meneer suiker en melk? Anders hoort men hier niet. Daaruit bestaat in dit modder- en regenland de geheele konversatie der vrouwen. Vóór en na zitten ze met den mond vol tanden; maar wordt het theeblad binnengebragt, dan komen ze los. Dan worden ze welsprekend. Gebruikt meneer suiker en melk? piept de dochter des huizes. En wanneer ge voor beiden bedankt ; wanneer ge zegt: Noch melk, noch suiker, jongejufvrouw, als ik verzoeken mag, en liefst ook geen thee, die heeft staan koken op een vlammetje! — dan houden ze u voor een barbaar en

79

ocr page 92

DE BEZOEKEN VAN HENRI WILSON.

zien u jtrii lUGt oogen. :ilsot zij het.... tG Petten hoorden donderen!quot;

Dit is eene van 'sheeren Van Alkemade's liefhebherij-tiraden, Verkeert hij in eene goede luim, dan komt hij daarna nog even op de boterhammen terug.

— ..Heb ik u ooit verteld, Wilson, hoe ze hier, en te Amsterdam, en overal, in de weeshuizen doen?quot;

— „U heeft het mij wel al vijftigmaal verteld,quot; — zou Henri kunnen antwoorden. Maar zijn belang brengt mede, zich te onderwerpen.

_ nDaar wordt, als de boterhammen gesneden zijn, de boter

gesmolten en geweld. Wellen, in Holland, bcteekent. \\atei bijdoen. Dan komt, met een kwast in de hand, de direkteur van het gesticht, en smeert. Zoo'n vent noemen ze een vader, God beter 't! Of een binnenvader. Er schijnen ook buiten-vaders te bestaan. Ook tweederlei soort van moeders. Laatst zag ik in de courant, dat voor een weeshuis te Amsterdam een ongehuwde meisjesmoeder gevraagd werd. AA at een meiamp;jes-moeder is, dit zul je evenmin weten als ik. Maar een dag of wat later werd geadverteerd, dat geen nieuwe sollicitanten zich behoefden aan te melden. Er waren er al meer dan genoeg. Zulk een schooijerstroep is het hier in Holland! Zoo'n honger hebben ze! Wanneer er een betrekking als stadsdrek-kuilleger vakant komt, dan wordt de stoep van den burgemeester platgeloopen. Ze beschouwen het als een prijs uit de loterij, binnenmoeder of binnenvader te worden in een gesticht. Een onbezorgden ouden dag noemen ze dat. .Te moet de jongens uit die weeshuizen over straat zien loopen in hun gedwongen narrenpak, rood en zwart! De lummels. Zondags tweemaal naar de kerk, en de dominé nijdig, als bij de kate-chismuspreek er een half dozijn zitten te knikkebollen, ot den volgenden dag niet weten na te vertellen van Farao's droom. Wonder is het, dat zij dit niet kunnen! Magerder vee loopt er op Gods aardbodem niet. Maar word eens vet van boterhammen, gesmeerd met een wij waterskwast! Over .le jonge meiden uit die gestichten spreek ik liever niet. Die hebben van de magere boterhammen zóó haar bekomst, dat zij de eene voor, de andere na, den verkeerden weg opgaan, en van het weeshuis, binnen het jaar, in het pesthuis belanden. Let op mijn woorden, Wilson! Lento gradu ad vwdictam sui divina procedit ira. Niet dat ik voor mijzelven aan de snorre-pijperij van den goddelijken toorn geloot. Dat laat ik aan de

80

ocr page 93

DE BEZOEKEN VAX HEXIU WILSOX,

dominé's over, die er voor betaald worden. Maar dat de boêl, hier in Holland, 't avond of morgen spaak zal loopen? ja. En ook, dat uitstel geen afstel, of hoe noemen ze dat? borgen geen kwijtschelden is. Tarditatamque aapplicii gravitate compensat!quot;

Hiermede hebben '3 heeren Van Alkemade's nationale ver-toogen hun toppunt bereikt. Hij schenkt zich een paar malen in, proeft eens van de verschillende schotels, maar heeft geen eetlust. De vruchten zijn het eenige, wat hem smaakt. Aan het gesprek neemt hij verder geen deel, tenzij om te vragen, of Henri en Jozefine voornemens zijn, weder eene dier dwaze verre wandelingen te ondernemen , waaraan zij iederen zondag zich te buiten gaan. Is hij hieromtrent ingelicht, dan ruimt hij het veld, en gaat in zijne binnenkamer, ouder een manilla, zitten uitrusten van zijne welsprekendheid.

Eene zonderlinge huishouding was zij, die van den oudgouverneur der Molukken!

Hollandsche lezers van den tegenwoordigen tijd, weelderiger opgevoed dan een vroeger geslacht, zullen dat smalen van den heer Van Alkemade op de schrale Hollandsche keuken, als een uit de lucht gegrepen verwijt aanmerken. Hij schijnt hun toe, met zijne boterhammetjes en zijne sneedjes koek, uit de nachtschuit te komen.

Aan den anderen kant maakt hij op hen den indruk niet, boven zijne krachten geleefd te hebben. Een huurhuis opeen afgelegen stand, — niet meer dan twee meiden en een oppasser, — geen kostbare meubelen, — geen rijtuig, — geen feesten, — hoogstens eenmaal in de zeven dagen een goed vriend te gast, — huns inziens kon een man van zijne positie in de maatschappij, beschikkend over een pensioen als het zijne en over de spaarpenningen eener zesendertigjarige Indische dienst, het bezwaarlijk zuiniger aanleggen.

Ik weet alleen, dat men de Hollandsche zeden van vóór 1848 niet met de tegenwoordige moet vergelijken. Nog vele jaren na de omwenteling van 1830 leefde in Nederland de herinnering der jaren 1810 tot 1813 voort: van dien Franschen tijd, toen in de burgergezinnen de kinderen maar bij uitzondering volop vleesch te eten kregen, en de ouders koffij van gebrande eikels dronken. De huishouding van den heer Cornells van Alkemade was vergelijkenderwijs ingerigt op een weelderigen, Oosterschen voet. Jozefine's zoogenaamde zuinigheid gold bij de meiden en bij Abels voor verkwisting. In de keuken werd gezegd: „Met de helft van hetgeen zij voor zich-

81

6

ocr page 94

REGESACHTIGE ZONDAGEN.

zelve noodig heeft, kon de jufvrouw vergoeden wat zij ons te kort doet.quot;

In één woord: de financien van den oud-gouverneur, nog daarenboven ondermijnd door zijn hartstogt voor beurs- en loterijspel, verkeerden niet in een bloeijenden staat; en de meeste Hollanders zijner dagen hadden op zijne bespiegelingen kunnen antwoorden ; „Wie zich aan een ander spiegelt spiegelt zich zacht.quot;

X

REGENACHTIGE ZONDAGEN.

Het was Zondag, en het regende.

Welk Europeaan, dame of heer, kan ten volle de wanhoop beseften, die op sommige Enropesche najaarsdagen, in de afgelegen buurt eener Enropesche stad van den tweeden rang, wanneer de nederstroomende regen de straten in modderpoelen herschept, een gure wind de boomen ontbladert, de hemel het hoofd in eene graauwe muts schijnt gestoken te hebben, — het hart moet binnensluipen van een in Indie geboren jong meisje?

In zulke dagen vooral gevoelde Jozefine zich de zuster van haar romanheldin, de misdeelde Ursule, en ontwaakte sterker dan ooit in haar de begeerte naar genot tot iederen prijs.

In Indie regende het óók: maar zij was niet naar Europa gekomen, om er terug te vinden wat zij daarginds had achtergelaten.

In Indie regende het óók: doch dflar bleven de boomen ten minste groen, en kwam na elke stortbui de zon weder te voorschijn.

Ook te Makassar was haar vader ruw en onaangenaam geweest: maar als kind had haar dit minder gehinderd. Zij was nu een volwassen meisje; zij wist zich eene onechte dochter; zij begreep, dat er in weerwil van hare schoonheid, zekere schande kleefde aan haar persoon.

Voor zoo ver zij zich herinneren kon, — want de reis naar Europa en het verblijf te Brussel hadden de beelden van het

82

ocr page 95

REGENACHTIGE ZONDAGEN'.

verleden reeds gedeeltelijk uit haar geheugen gewischt, — waren ook de Makassaarsche Zondagen haar dikwijls lang gevallen. Maar zoo lang als deze Haagsc-he? Neen, van zoo iets gerekts, zoo iets vervelends, zoo iets zonder doel, lust, of einde, had zij nooit eene voorstelling gehad. Het was om slecht van te worden, ot zich dood bij te geeuwen.

Uit koketterie, opdat Henri Wilson haar niet zou zien gapen, wendde zij het hoofd af; en keek nog eens uit, door de natgeregende, verduisterde vensterglazen. Er waren geen andere voorbijgangers dan nu en dan eene dienstmeid in feestgewaad, die, onder eene groote katoenen parapluie, onbehoorlijk hoog hare rokken optilde en hare bespetterde kousen liet zien. Wegens den Zondag ontbraken zelfs de weinige personen, die bij zulk weder in de week nog somtijds de straat stoffeerden. De winkelbedienden, die pakjes thuisbragten. De bakker, met zijn broodkarretje. De slager, met zijne mand op één schouder. De kruiwagenjood, die luidkeels zijne wortelen, zijne bloemkool, zijne zoete of zure appelen aanbeval.

— „Welk een kerkhof!quot;—zuchtte zij. —„En wat een water, wat een waterI Het eenige waarin papa gelijk heeft, is dat hij Holland een kikkerland noemt.quot;

— „Ge zoudt toch niet weder te Makassar willen gaan wonen?quot; — vroeg Henri.

— „iSTeen,quot; — was het antwoord, — „en te Makassar of in Den Haag, papa's huis zou ik overal terugvinden. Het prettigste zou zijn, indien ik stierf. Mijn kinderjaren zijn de eenige gelukkige van mijn leven geweest.quot;

— „Maar dat behoeft zoo niet te blijven, Jozefine.quot;

— „En hoe zou het veranderen ? Ik heet een jong meisje, maar niemand ziet naar mij om. Niemand houdt van mij, en ik heb niemand om van te houden. Ik zou het kunnen beproeven met Rebekka Bisschof. Maar papa heeft mij laten beloven, voorzigtig met haar te wezen. De jodinnen zijn zulke indringsters, zegt hij.quot;

Zij was met Henri alleen. De dienstmeid, wier thuisblijfdag het was, had afgenomen. De eetkamer zag er weder uit als een salon.

Jozefine wist zeer goed wat zij deed, wanneer zij in zulke oogenblikken het onderwerp barer verlatenheid aanroerde. Ook begreep zij best, dat het niet te pas kwam, Henri op die wijze bedekte liefdesverklaringen te zitten ontlokken. Maar zij verveelde zich zoo bitter! Drenkelingen grijpen wel naar

83

ocr page 96

REGENACHTIGE ZONDAGEN'.

een stroohalm! De geheele wereld scheen dien dag verdronken land geworden! De velden aan de overzijde waren één plas!

_ „Uw vader heeft in zoo ver gelijk, liet kind, dat zulk

een vriendin u niet geven kan wat ge behoeft. Stel vertrouwen in mij! Stel u voor, dat ge aan mij een goed werk te ver-rigteii hebt! Ge zwijgt te veel, Jozefine. Niets zal ik aangenamer vinden, dan zoo ge mij alles vertelt. Zoo gaarne zou ik zien, dat dit onze verhouding worden kon, hoe lang ot hoe kort het duren mag! Mij maakt ge er gelukkig mede, en tegelijk zou het voor uw eigen leven alvast een vervulling zijn.quot;

Eene vervulling van haar leven, — wat kan hij daarmede bedoelen? Dat zij voortdurend aan hem en aan zijn ongelukkig huwlijk moest denken? Maar zulk een romanheld beantwoordde in het geheel niet aan hare voorstellingen! Het hinderde haar, beurtelings door hem als „lief kind en „beste meid te worden toegesproken. Het eenige geestige van het geval was, dat zij in hem een stillen aanbidder bezat.

_ ^J5n jre wilt, dat ik in de kennissen komen zal!quot; —

zeide zij. . i • t •

— „Zeker wil ik dat. Over een week ot wat is de winter in

het land. Het kan de wensch van uw vader niet zijn, dat ge in het geheel niet in de wereld zult komen. Hij kan niet willen, dat jufvrouw Bisschof uw eenige Haagsche kennis zal blijven. Hij moet zich verzoenen met uw tante Bruae.quot;

Jozefine schudde ongeloovig het hoofd.

__ ^vie zegt u. dat ik het met mijn tante zal kunnen vinden?quot; — vroeg zij.

— „Maar dat spreekt van zelf! Hetgeen uw vader van haar

vertelt, laat daaromtrent geen twijfel.quot;

— „Papa jokt altijd. Tante Adrienne zal niet van mij houden. Haar eerste vraag zal zijn, of ik mijn belijdenis gedaan heb.

— „Waarom vreest ge daarvoor?quot;

— „Zoo doen alle oude Hollandsche dames! Men moet aangenomen wezen, anders deugt men niet. Dat weet ik \ an de meisjes te Brusssel.'

— ,.En wat zou dit?quot;

_ [1- wii niet gekatechiseerd worden! Rebekka Bisschof

heeft mij niet gevraagd, of ik aangenomen was. Die goede eigenschap bezit zij althans.

_ JJquot;Waarlijk, beste meid, ge maakt u van uw tante Bruce

noodeloos een schrikbeeld. Ik stel mij haar voor, als een wel-

84

ocr page 97

REG E X A C H TIGE ZO X D A GEN.

willende, zachte dame van leeftijd, die niets liever verlangt, dan u vriendschap te bewijzen.quot;

— „Papa zou in elk geval den eersten stap moeten doen, en daar zal hij niet toe te bewegen zijn.quot;

— „Is dat het eenige'? Met wat zeemanschap zal dit wel gaan. Voor mij, ik ducht van uw tante Bruce maar één gevaar, als ge het zoo noemen wilt.quot;

— „En dat is?quot;

— „Wat denkt ge?quot;

— „Dat zij aanmerkingen maken zal op mijn toilet? Op mijn manier van huishouden?quot;

— „Ik wed integendeel, dat zij u in vervolg van tijd aan haar eigen meisjes tot voorbeeld stellen zal.quot;

— „Des te beter. Ik kan er niets aan veranderen. De Hol-landsche dames bemoeijen zich met de keuken, den kelder, de wasch, met alles. Zij zien er dan ook uit als schoonmaaksters of kameniers.quot;

— „Dat doen zij. Kinderen, zal mevrouw Bruce zeggen, neemt een voorbeeld aan uw Indisch nichtje! Leert van haar, hoe een jonge dame in huis gekleed kan gaan als een lady, zich laten bedienen als een prinses, en niettemin op alles het oog houden! Dit kompliment komt u eerlijk toe, en zij zal er niet op afdingen. Maar wat ik vrees en bedoel, is dat zij den oorlog verklaren zal aan uw romans. De meeste dames van leeftijd keuren het af', dat jonge meisjes van leeftijd veel romans lezen, en vooral niets dan romans.quot;

Het denkbeeld, dat tante Adrienne zich verstouten zou, aanmerking te maken op haar lektuur, werd door Jozefine lang niet vriendelijk opgenomen.

— „Ik zal wel zorg dragen,quot; — zeide zij, — „dat mijn tante niet te weten komt wat ik lees. Daar liggen de boeken, die de oude Bisschol' mij geleend heeft! Die zijn tot haar dienst, zoo zij ooit hier komt en snuffelen wil. Laat haar gelooven, dat ik mij in die wijsheid verdiep, waar ik geen woord van begrijp en niet wakker bij blijven kan!quot;

— „Het is maar een gissing,quot; — hernam Henri. — ..Misschien vormt mevrouw Bruce ook in dat opzigt een uitzondering. Ge behoeft u in geen geval aan haar oordeel te storen. Een meisje van uw jaren behoort romans te lezen.quot;

— „Meent ge dat waarlijk?quot; — vroeg Jozefine, die met welgevallen weder eenig sentiment zag aankomen.

— „Zeker,quot; — antwoordde hij. — „Er zou in vele gezinnen

85

ocr page 98

REGENACHTIGE ZONDAGEN.

een beter toon heerschen, de ouders zouden met hun kinderen, de mannen met hun vrouwen, beter overweg kunnen, indien er meer goede romans gelezen werden.quot;

— „Ik lees geen andere dan goede,quot; — betuigde Jozefine met het meeste aplomb.

— „Dat weet ik,quot; — ging hij voort, — „en daarom zult ge mij ook altijd bereid vinden, u te verdedigen. Herhaaldelijk heb ik tegen uw vader uw partij gekozen. Beroof toch Jozefine niet van het beste gezelschap, waarmede zij zich in de eenzaamheid onderhouden kan! zeg ik telkens. Spoedig zal de roman van haar eigen leven aan de beurt zijn! Laat haar hart zich voeden met edele aandoeningen! Dit is voor een jong meisje de beste voorbereiding om een gelukkige vrouw te worden.quot;

Henri hield zulke praatjes voor een onfeilbaar middel, om bij Jozefine iets van dat ideale en dichterlijke op te wekken, waarvan zijn vriend George beweerde, dat zij er niet vatbaar voor was.

— „De roman van mijn eigen leven!quot; herhaalde zij met een zucht. — „Helaas, wanneer zal die beginnen!quot;

— „Toekomend jaar, om dezen tijd, zijt ge getrouwd, Jozefine! Zoodra ge in de wereld verschijnt, zal men u om strijd ten huwelijk vragen. De aanstaande winter is de eenige, dat ge mij noodig kunt hebben, of ik u van dienst kan zijn. Had ik mijn wensch, ik zou u gedurende die weinige maanden overal vergezellen.quot;

— „En ik zou niets liever verlangen, Henri, zoo papa een einde wilde maken aan mijn akelige positie. Maar ge zult moeten uitgaan zonder mij!quot;

— „Dat zou het tegenovergestelde van een genoegen voor mij zijn. Ik ben te lang in Indie geweest om in Hollandsche gezelschappen behagen te vinden, wanneer mijn oog er niet op een bekend en vriendelijk Indisch gezigtje rusten mag.quot;

— „Dat is heel beleefd van u gezegd, Henri. Maar.quot;...

— „Ik zeg alleen de waarheid, Jozefine. Ik kan weinig voor u zijn, en weinig voor u doen. Alles zou van uw zijde moeten komen.quot;

— „Welnu?quot;

— „Ik zou willen, dat wanneer mevrouw Bruce u met haar Haagsche vrienden in kennis bragt, ge op uw beurt een goed woord bij haar deedt voor mij. Dan zou ik zekerheid bezitten, u overal te zullen ontmoeten. Maar ik gevoel, dat dit niet mogelijk is, en ik ook in dat opzigt de rampspoedigste van

86

ocr page 99

REGENACHTIGE ZONDAGEN.

ons beiden beu. Ge zult in de wereld gaan, en ik zal u niet kunnen volgen.quot;

— „Dat begrijp ik niet, Henri.quot;

— „Omdat je niet aan Trude denkt, en ik wel. Lk ieder oogen blik.quot;

— „Blijft Trude altijd 3ven lastig?quot;

— „Zij blijft de onmogelijke vrouw, met wie ik mij nergens vertoonen kan, en zonder wie men mij nergens zal willen ontvangen.quot;

— „Maar wat doet het er toe, of go getrouwd zijt? Daar zullen de menschen niet naar vragen !quot;

— „Dat zullen ze wel degelijk, Jozefine. Even goed als zij er naar vragen zullen, wie uw moeder geweest is.quot;

— „Helaas, ja! Dat ondervind ik.quot;

— „Zoo ziet ge.quot;

— „Met dat al zou ik heel graag willen, Henri, dat ge overal komen kondt. Zonder u zal ik mij in gezelschap zoo eenzaam, zoo verlaten gevoelen. Ik ben zoo gewoon aan u, van kind af. Die andere menschen weten niets van Indie.quot;

— „Toch kunt ge zeker zijn, dat zoo ge aan mevrouw Bruce mijn ware geschiedenis vertelt, zij weigeren zal, mij voor te stellen. Nog moer: zij zal u ontraden, te vertrouwelijk met mij te zijn.quot;

— „Maar dat moet nietl Dat mag niet!quot; — riep Jozefine, op hare wijze in vuur gerakend. — „Volgens papa zou ik Eebekka Bisschof, volgens mijn tante zou ik u op een afstand moeten houden! Dat verkies ik niet. Ik wil vrij zijn.quot;

— „Dank voor uw goede woorden, Jozefine. Ik kan u niet gelukkig maken , en ge maakt hot mij ! Maar wat kunt ge doen ?quot;

— „Laat dat maar aan mij over. Ik zal tante Adrienne zeggen, dat Trude alles goedvindt; dat zij mijn vriendin is, en zij zelve mij gevraagd heeft, — waf? Dat weet ik niet. Maar ge kunt er staat op maken, dat mijn tante voldoen zal aan uw verzoek. Ik wil 'net zoo.quot;

— „Werkelijk zou het genoeg zijn, zoo mevrouw Bruce daarin toestemde. Mijn plan is niet, mij aan de menschen op tc dringen. Het eenige wat ik verlang is, u te ontmoeten.quot;

— „Welnu, dit zal gebeuren,quot; — verzekerde Jozefine. — „Mijn tante zal doen wat ik van haar verlang.quot;

— „Eu uw vader?quot;

— „Papa vindt alles goed, en zal ook dit goedvinden.quot;

— „Maar zoolang hij u niet erkent, blijft ge een vreugdeloos

87

ocr page 100

DE HEEK VAN ALKEMADE TÜSSCHEN TWEE VUREN.

leven leiden, Jozefine; een leven, hinderlijk in overeenstemming met een Zondag, zoo somber en onvriendelijk als dezen.quot;

—0„Welnu, ook papa zal eindigen met toe te geven. Hij moet zich verzoenen met mijn tante. Wil hij niet naar Amsterdam gaan, dan moet hij haar een brief schrijven.quot;

— ,.Dat zou hij behooren te doen, ja.quot;

— „En hij zal het doen! Denkt hij dat ik niet weet, wat een onecht kind is? Kan hij niet begrijpen, dat ik mij schaam?quot;

_ „Tot mijn leedwezen is uw vader voor zulke beschouwingen ongevoelig. Hij schaamt zich óók, en dat vindt hij^het voornaamste. Hij denkt meer aan zichzelven, dan aan u.quot;

— „Maar dat moet hij afleeren!quot;

— „Op zijn leeftijd, Jozefine, leert men even moeijehjk at, als aan.quot;

— „Wat dan? Ge hebt het altijd goed met hem kunnen vinden. Kunt ge niet zelf met hem spreken?quot;

— Dat zou olie in het vuur zijn. Hij kan van jongere mannen dan hij zelf. niets verdragen. Uit eigen ^beweging moet hij aan uw tante schrijven, of hij schrijft niet.quot;

— „Dan geef ik het op! Dan moet er maar van komen

wat kan!quot; ,11

— „Dat behoeft niet. Als adelborst heb ik onder een kolonel

gediend, die los en vast tegen ons bij elkander vloekte, en dien wij ten slotte om onzen vinger wonden. Wilden wij hem iets laten doen, wat hij onpleizierig vond, dan begonnen wij over iets anders, dat hem woedend maakte. Er moesten c in„en zijn, dunkt mij, waar uw vader nog minder zin m heett, dan

zich te verzoenen met uw tante.quot;

88

— „Daar zal ik eens op slapen,quot; — zeide Jozefine.— „Maar zwijg nu, want papa kan elk oogenblik binnenkomen. Ik hoor hem spreken met Abels.quot;

XI

DE HEER VAX ALKEMADE TUSSCHEX TWEE VUREN.

— „Henri heeft gelijk,quot; — dacht Jozefine, toen zij aan het avondeten, alleen met haar boek en haar dommelenden vader, zich in de oude lusteloosheid voelde terugzinken. — „Ik veel te goed voor papa. Bromt hij, ik zwijg. Spreek ik over onecht

ocr page 101

DE HEEK VAN ALKEMADE TUSSCHEX TWEE VUREN.

kind, hij praat er over heen. Slaapt hij, ik laat hem slapen. Ben ik mal?quot;

Den volgenden ochtend was zij niet haar plan van aanval gereed.

Tot hiertoe had de oud-gouverneur, aan het gelijkmatig humeur zijner dochter, slechts verstoord door voorbijgaand kijven, een voorwendsel kunnen ontleenen, om alles bij het oude te laten. Daarin bragt Jozefine eensklaps verandering. Onbekommerd om hare schoonheid, trok zij een dier zure ge-zigten aan, waarvan mooije Indische meisjes het geheim bezitten. Niets deugde. Niets was eet- of drinkbaar. Op alles maakte zij aanmerking. De woning, waar anders eene doodelijke stilte heerschte, weerklonk van luidruchtige bevelen, even spoedig ingetrokken als uitgevaardigd, en dan weder driftig herhaald. Toen de vader op zijn gewonen hoogen toon opheldering vroeg, wierp zij de schuld op het sombere najaarsweder. Met eene van zijne eigen filippica's tegen het Hollandsch klimaat werd hem de mond gesnoerd.

Dit gebeurde 's Maandags. Dingsdagochtend zond zij Abels naar Kebekka Bisschof met een briefje, waarin zij tegen den namiddag belet bij Rebekka vroeg. Als altijd bood Kebekka aan, bij Jozefine te komen. Op den bepaalden tijd regende het pijpenstelen. Jozefine zond eene vigilante. De heer Van Alkemade zette eene redevoering op, waarin hij aan zijne verontwaardiging over die vrijpostigheid lucht gaf. Maar nog vóór hij zijn tweede citaat uit Vossius had kunnen plaatsen, zag hij, naar zijne eigen toornige bekentenis, zich ad terminos non loqui gebragt: zoo kort en bondig zette Jozefine hem het onvoegzame zijner schrielheid en zijner vooroordeelen uiteen. Den geheelen namiddag bleef zij met Kebekka druk zitten praten op hare kamer, maar had, toen zij aan tafel verscheen, plotseling de spraak verloren.

Woensdagmorgen vóór elven meldde de heer Efraïm zich aan.

Jozefine had haren vader den vorigen avond aan de meiden hooien zeggen, dat hij den kassier noodzakelijk spreken moest. „Al was hij nog niet bij de hand, hij wilde van zijne komst verwittigd worden.quot;

Toen de oud-gouverneur, tegen twaalf ure aan het ontbijt verschenen, zijne verwondering betuigde, dat de heer Efraïm nog niet was komen opdagen, vernam hij van de dienstboden, dat die heer, niet langer kunnende toeven, na een half uur wachtens onverrigter zake weder heengegaan was.

89

ocr page 102

90 DE HEER VAX ALKEMADE TUSSCHEN TWEE VUREN.

— „Hemel en aarde!quot; — raasde hij.

De meiden zwoeren bij hare kornetten, dat zij het niet helpen konden. De jufvrouw had haar gestreng verboden, mijnheer te wekken. Mijnheer had een buitengewoon slechten nacht gehad.

— „Heeft de jufvrouw dat gezegd?quot;

Zij namen God tot getuige.

— „Waar, d—der, is de jufvrouw?quot;

De jufvrouw kleedde zich.

— „Gaat aan de jufvrouw zeggen, dat zij onmiddellijk beneden kome! Stante pe.de!quot;

Jozeline kwam terstond. Zij las uit zijn oogen eene aan waanzin grenzende woede. De nieuwe tanden knarsten. Maar wat kon hij doen? Zij ontwapende hem door een beroep op zijn martelaarschap, en sprak als eene liefhebbende dochter, begaan met het lijden van een door slapeloosheid geteisterd vader.

In den namiddag van Donderdag kwam de zon even door.

Overeenkomstig het voorschrift van dokter Van den Ende ging de oud-gouverneur een stapje doen, met Abels. Ook Jozeline wipte even uit. 's Avonds onder het eten werd er drie- of viermalen gescheld, en bragt de meid een aantal pakjes en dozen binnen, vergezeld van gekwiteerde rekeningen tot een bedrag van drie- of vierhonderd gulden. Telkens luidde de boodschap, dat er op betaling gewacht werd.

De heer Van Alkemade vroeg zijne dochter, of zij krankzinnig geworden was?

Of zij besloten had, hem te ruïneren?

Den eenen dag de winst gedorven eener spekulatie, door niet tijdig met den heer Efraïm te hebben kunnen spreken!

Den anderen gesommeerd, eenige honderde guldens te verstrekken voor nuttelooze kleedingstukken, voor strikken en kwikken uit schandelijk dure magazijnen!

Of zij meende, dat hij dit vol kon houden?

Of het geld, volgens haar, hem op den rug groeide?

Of zij lust had, onder kuratele gesteld te worden?

Of zij hem wilde noodzaken, eene advertentie in de courant te plaatsen: De ondergeteekende waarschuwt, dat geen iu-koopen, door zijne minderjarige dochter gedaan, door hein als wettig zullen worden erkend, tenzij men het schriftelijk bewijs van zijne toestemming kunne overleggen?...

Jozefine bragt hem onder het oog, dat de winkelknechts

ocr page 103

DE HEElt VAN ALKEMADE TUSSCHEN TWEE VUREN.

iu het voorhuis hem konden hoeren uitvaren, en dit niet fatsoenlijk was.

Zij had niets dan het hoognoodige gekocht.

De meisjes, met wie zij te Brussel op de kostschool had verkeerd, zouden in hare plaats het dubbele uitgegeven hebben.

Zij had er niet om gedwongen, naar Europa te gaan.

Zij kon het niet helpen, dat zij de dochter was van zulk eeu aanzienlijk man als haar vader.

Papa zelf had haar ingeprent, dat zij gekleed behoorde te gaan als eene dame.

Dat zij steeds hare inkoopen moest doen iu de eerste modewinkels.

Hoe kwam papa op het idee, dat men voor minder dan drie- ot vierhonderd gulden, in eene stad als Den Haag, een toonbaar wandeltoilet bekomen kon?

Jozefine had gemeend, dat dit den beker zou doen over-loopen. Maar zij vergiste zich. De storm ging weder liggen. Hoewel gestraft in zijne rust en in zijne beurs, de vader was nog niet overtuigd, dat hij voor zijne dochter het hoofd te buigen had.

Toen de heer Van Alkemade 'sanderen daags, na een nieuwen slapeloozen nacht, omstreeks het middaguur beneden kwam, vond hij voor slechts één persoon gedekt.

Voor slechts één persoon ! Dit was een duldeloos blijk van kleinachting voor hem zeiven, in zijn eigen buis, van den kant zijner eigen dienstboden! Hevig rukte hij aan het schellekoord.

— „Wat heeft dit te beduiden?quot; — vroeg hij de verschrikte meiden, zamen aangesneld op dit rumoer. — „Waarom is er niet voor mij gedekt? Word ik voor don zot gehouden? Keken ik niet meer mede? Spreekt! Staat daar niet met den mond vol tanden !quot;

De wijze, waarop hij de zijne liet zien, was meer dan onvriendelijk. De meiden dachten in vollen ernst, dat hem in den afgeloopen nacht iets menschelijks overkomen was.

— „Niet voor u gedekt, mijnheer? Bewaar ons! En alles is gereed! Mijnheer behoeft maar te gaan aanzitten!quot;

— „Aanzitten! Aanzitten! Eu waar moet de jufvrouw dan aanzitten, zegt? Kun jelui niet zien, dat zoo er gedekt is voor mij, er niet gedekt is voor de jufvrouw? Wat zijn dat voor manieren ?quot;

Verbijsterd keken de meiden elkander aan, en toen hem.

91

ocr page 104

DE HEEK VAN ALKEMADE ÏUSSC1IEN' TWEE VUREN.

— „Gedekt voor de jufvrouw, mijnheer? Waarom zouden wij gedekt hebben voor de jufvrouw? Do jufvrouw is immers van huis?quot; ^

_ „Van huis? Maar dat geraaskal is onuitstaanbaar!quot;

— „Och kom, mijnheer, maak u geen gekheid.quot;

— „Ik gekheid maken? Een man van mijn leeftijd? Een oud-gouverneur van de Molukkenl '

— „Maar mijnheer weet toch zoo goed als wij, dat de jnN vrouw uit de stad is?quot;

— „Is de jufvrouw uit de stad?quot;

— „Ja, mijnheer. Wist uwé daar niets van?'

Zoo was het!

's Morgens bij liet ontwaken had Jozeline tot zichzelve gezegd, dat er geen reden bestond, waarom zij, indien het dragelijk weer bleef, of ook al betrok op nieuw de lucht, niet op eigen gezag een reisje naar Rotterdam zou maken.

Het was niet de tijd van het jaar, dat men Rotterdam op zijn voordeeligst ziet. Maar zij ging niet om stadsgezigten of schepen. Mastbosschen, zeiden de menschen in Holland. Zij dacht alleen, en met welgevallen, aan het gezigt, dat haar vader trekken zou, wanneer zij gevlogen bleek te zijn, en aan het nut, dat zijzelve uit hare positie als voortvlugtige zou kunnen trekken.

Zij kleedde zich voor de reis, liet Abels roepen om haar naar het diligence-kantoor te brengen, en vertelde aan de meiden, dat zij op haar vaders verlangen een Rotterdamsch dokter ging raadplegen, die hem misschien van zijne slapeloosheid kon afhelpen.

De meiden hadden sedert lang verleerd, bevreemding aan den dag te leggen voor iets, wat ook, van hetgeen in de woning van den heer Cornells van Alkeniade voorv iel. De huishouding van den oud-gouverneur, vonden zij, was eene „rarequot; huishouding; en de nadruk, waarmede zij dat ééne woord uitspraken, opende eene wereld van gedachten.

Onderweg gebeurde er niets bijzonders. Van niemand had Jozeline aanstoot. Kondukteurs en medereizigers waren beleefd voor haar. Bij aankomst te Rotterdam He' zij zich naar het hotel brengen, waar zij indertijd met haar vader gelogeerd had, op de reis van Brouwershaven naar Den Haag. De hotelhouder herkende haar. Ook hij was beleefd. Hij wees haar de best gemeubelde kamer aan, welke in een Rotterdamsch hotel van den tweeden rang destijds te bekomen was. Jozefine vond

92

ocr page 105

DE HEEK VAN Ai.KEMADK TUSSCHEK TWEE VUREN.

bet er in het geheel uiet naar. Het logementsleven viel in haar smaak. Zij bestelde een overvloedigen maaltijd, en vroeg daarna pen en papier.

— „Papa,quot; — schreef zij aan haren vader, — „U mij door „Abels kunt doen afhalen uit Klein Schippershuis. Hij moet „meêbrengen om rekening en diligence te betalen, want mijn „geld is op. Zoo hij morgenmiddag niet hier is, ik schrijven „zal aan tante Bruce en belet bij haar vragen. Als Henri „Zondag komt. zeg hem dan, ik te Amsterdam ben. Vandaag „ga ik visite maken bij mevrouw Wilson. Nu, papa, ik ben

„Uw gehoorzame dochter „JOZEFINE.quot;

In TöpHer's Geneefsche novellen lazen de grage Nederlanders dier dagen het verhaal van een met strafwerk opgesloten schoolknaap, die zich den tijd kortte door in een inktvlak op zijn schrijfboek een vlieg te jagen, en met aandacht de hiëroglyfen te volgen, welke de zwarte pootjes daarna op het papier teekenden.

Zoo, ongeveer, zagen de briefjes van Jozefine er uit, en ook dit briefje aan haar vader. ïe vergeefs had madame Campan beproefd, in bet fantastisch schrift barer pensionnaire wat regelmaat te brengen. Het waren en bleven vliegepootjes.

De schrijfster echter bekommerde zich daar thans minder dan ofiit om. Zij droeg alleen zorg, dat haar ultimatum nog vóór den avond Den Haag bereiken zou. Papa zou het wel weten te ontcijferen: zoo niet papa's oogen, dan papa's geweten. Daarna ging zij het voorgenomen bezoek aan Trude Wilson brengen.

Trude en Jozefine haatten elkander instinktmatig, zonder zei ven te weten waarom. Het blaauwe bloed, overgebragt naar een ander werelddeel, heeft van die opwellingen eener ondoorgrondelijke antipathie. Trude stiet Jozefine, Jozefine stiet Trude af, als leden beiden aan eene kleine verborgen mismaaktheid, en als duchtte de eene van de andere, dat zij dit delikaat geheimpje aan bet oningewijd Europa verklappen zou.

Er schoot evenwel niets anders over. Zich naar Henri's kanonneerboot te laten roeijen, dit streed met Jozefine's operatieplan, zoo niet niet hare denkbeelden over opvoeding; en zij moest óf in de groote vreemde stad, waar zij lieg noch steg kende, zich doodelijk zitten vervelen in haar logement, öf naar Trude toegaan.

93

ocr page 106

94 DE MEER VAN ALKEMADE TÜSSCHEX TWEE VURES.

En wat Icon het haar eigenlijk schelen, of Trude een hekel aan haar had, en zij aan Trude? Trude was het doel niet van hare komst. Was Trude norsch. dan zou zij zich schadeloos stellen , door te praten met Trude's baboe. Die sprak Boegi-neesch; en al meermalen had zij er naar verlangd, weder eens Boeginoesch te hooren spreken.

Do korte en dikke mevrouw Wilson, die in het donkerzien de natuur te baat had, zag donkerder dan ooit, toen de baboe .Tozefine's onverwacht bezoek aankondigde. Zij bepaalde zich tot een minimum van burgerlijke beleefdheid: juist zooveel als eene gehuwde Makassaarsche lady aan de ongehuwde dochter van een oud-gouverneur schuldig was.

.Tozefine zag onderwijl eens om zich heen.

In zoo ver het mogelijk is, een Rotterdamsch bovenhuis zóó in te rigten, dat het aan de slaap- en kleedkamer eener slordige Indische dame denken doet, waren alle voorwaarden vervuld. Alleen het ontbreken der Indische versche lucht was hinderlijk merkbaar. In een haard, die nog niet trekken wilde, smeulde een houtvuur. Warm, en niet frisch. Om den hoek eener spiegelkast, die gesloten heette, kwam de strook van een zomerjapon gluren. In eene linnenkast zag men, tusschen de gapende deuren, stapels sarongs liggen. De vrouw des huizes was op zijn Indisch gekleed. Op een matje, aan hare voeten, zat de baboe met haar naaidoos, de beenen kruiselings onder het lijf.

Het eenige vreemde in deze omgeving was voor Jozefine, dat het weldra een jaar zou geleden zijn, sedert zij zulk eene inrigting niet aanschouwd had. De algemeene indruk was niet onaangenaam; en daar zij zorgvuldig vermeed, naar Henri te vragen, of over Henri te spreken, werd Trude allengs toeschietelijker.

Tot verklaring van hare komst dischte Jozefine hetzelfde sprookje op, waarmede zij 's morgens de meiden gepaaid had. Haar vader, verhaalde zij, had van zijn gewonen dokter den raad gekregen, een Rotterdamsch geneesheer te konsulteren. Hij was dikwijls radeloos van slapeloosheid, maar te zwak en ie vatbaar, om in dit saizoen op reis te kunnen gaan. Daarom had zij aangeboden, in zijne plaats met den vreemden dokter te gaan spreken. Zij kwam nu van hem van daan, en morgenochtend moest zij nog eens terugkomen. Zij hoopte, dat haar vader bij de voorgeschreven middelen baat zou vinden. De dokter had haar van alles gevraagd, en zoo duidelijk als

ocr page 107

DE HEER VAK AT KEMADE TÜSSCHEX TWEE VUREN.

zij kon hiul zij hem alles uitgelegd. Zoo goed als zeker vertrok zij morgen middag weder naar Den Haag.

Trude beantwoordde deze vertrouwelijkheid met inlichtingen omtrent de zeldzame hoogte, waartoe de Rotterdamsche leveranciers het in de kunst van afzetten gebragt hadden, en aan welke laffe plagerijen haar baboe blootstond van den kant der Rotterdamsche straatjongens. Het was alsof de Rotterdammers niet wisten wat een sarong was, nooit van een kabaai gehoord hadden , nooit iemand een pakje hadden zien dragen in een slendang, nog vernemen mochten, dat van achteren opgestoken haar een kondee heet. Ook zij zelve had reden van klagen. Niemand nam notitie van haar. Wanneer zij ging toeren in de Plantage, dan reed men haar schaamteloos voorbij.

Na ar omstandigheden zeer voldaan over haar bezoek, keerde .Tozefïne naar haar logement terug, bestelde nogmaals een rijkelijken maaltijd, en ging vroeg naar bed. Welk besluit haar vader ook nemen mogt, zij meende thans zeker te zijn. aan het langste eind te zullen blijven.

Intusschen stapte de heer Cornelis van Alkemade, met haar te elfder ure besteld briefje in de hand, toornig zijn kantoor op en neder. Nu wierp hij het kattebelletje op de schrijftafel, dan nam hij het weder op, dan wierp hij het nogmaals neder en greep naar den in een stuk graauw papier gewikkelden s(een, waaraan het verbonden geweest was. Het zou hem goed gedaan hebben, zoo in zijn nabijheid zich een levend mensche-lijk wezen bevonden had. Abels of een ander, een Nederlander qualisounque., wien hij dien steen naar het hoofd had kunnen werpen en er hem de hersens mede verbrijzelen. Maar hij was alleen. Den Haag nam van zijn woede geen notitie, zoomin als Rotterdam van Trude Wilson's aanzien. De met eene kap bedekte kantoorlamp wierp een lichtenden cirkel op het tapijt. In het brandpunt van dit schijnsel, op de schrijftafel , lag Jozefme's gekreukt en verfrommeld briefje. De magere en hooge gestalte van den heen- en weerschrijdenden oud-gouverneur vertoonde zich telkens voor een oogenblik, en verdween dan weder in de duisternis. Zijn gelaat en bovenlijf werden even zigtbaar. Het duidelijkst onderscheidde men zijn grijzen pantalon, en de witte wollen kousen in de ruime pantoffels.

Hoe driftig evenwel de heer Van Alkemade zich maakte. het zal niemand verwonderen, dat toen Henri Wilson den volgenden dag zijn anker weer in de Bogt van Guinee kwam

95

1

ocr page 108

DE HEEK VAN ALKEMADE TUSSCHEN' TWEE VUREN.

uitwerpen, hij alles in den gewonen staat trof. De dienstboden verzekerden hem, dat mijnheer en de jufvrouw geen belet hadden, mijnheer en de jufvrouw wol waren, de jufvrouw zoo aanstonds beneden komen zou, en mijnheer zich in zijn kantoor bevond.

— „Quid /nier Aseanius?quot; — luidde het, als van ouds; en, als van ouds, zette de heer Van Alkemade eene konversatie over algemeene belangen op. Met geen woord gewaagde hij van de stukjes, in den loop der week door Jozeline uitgevoerd. Met geen woord, van hare vlugt of haar ultimatum. Alleen aan de keus der onderwerpen, die hij aanroerde, hadden ingewijden kunnen bespeuren, in welken kring van denkbeelden zijn geest de laatste dagen zich bewogen had.

Hij prees de zelfbeheersching, de kalmte, de onverstoorbaarheid van gemoed, welke bij een verstandig man de vrucht van een langdurig verblijf in Indie zijn. Die westersche opvliegendheid was maar gekheid; was eigenlijk eene soort van krankzinnigheid, hu furor brevis est, plagten de Ouden te zeggen; en die wisten het. Een man moest leeren, grooter en kleiner onaangenaamheden rustig te verduren. De kunst van wel te leven, was de kunst van wèl te dragen. Let op de Indische koelies! Die dragen met bewonderenswaardig gemak, uren lang, de zwaarste lasten. Waarom? Omdat zij weten wat evenwigt is! Leve fit quod bene fertur onus!

De vrouwen waren, ook in dat opzigt, de minderen der mannen. De Indische vrouwen niet uitgezonderd. Zij wisten niet wat zij wilden. Den eenen dag dit, den anderen iets anders. Vavium et mutabile semper foemina. En altijd hunkeren naar de verboden vrucht! Wie van haar iets verlangde gedaan te krijgen, behoefde haar maar wijs te maken, dat het ongepermitteerd was. Nitimur in vefitum semper petimusque negata, konden zij naar waarheid van zichzelven zeggen.

Beseften zij de waarde van het geld? In de verte niet! Hij, de heer Van Alkemade, was altijd doordrongen geweest van het gevoel, dat niets onedeler is dan de armoede. De armoede maakte afhankelijk, onderdanig, slaafsch, laaghartig. Zij ontmande den man. Paupertas mi hi onus visum est miserum et grave. Een man was zich bewust, dat zijn aanzien niet verder reikte dan zijne beurs. Zooveel kapitaal hij bij de bank had liggen, zooveel golden zijne meeningen. Niet minder, maar nog geen penning meer. Quantum quisqns sua nurnrnorum servat in area, en zoo voorts. Doch kom daarmede eens bij de vrouwen aan!

96

ocr page 109

DE HEEK VAN ALKEMADE TUSSCHES TWEE VURENquot;.

De Ouden jscheueu de vrouwen niet te hebben luedeseteld, toen zij bij uitnemendheid den niensch een redelijk schepsel noemden. Animal plenum rationis, quem vocamm hominem. De vrouwen redelijk! Ja, indien geld stukslaan, indien duizenden te verspillen aan opschik en toilet, de daad van een redelijk wezen was! Dit goede hadden de Nederlanders, dat zij de vrouwen van jongs af zuinigheid inprentten. Niet te vroeg kon daarmede begonnen worden. Quo senvl est inibuta re.cens. Zuinigheid was een voorbehoedmiddel tegen de zucht naar uithuizigheid, naar zoogenaamde onafhankelijkheid, die tot omgang met minderen leidde en een slechten toon, slechte manieren, deed aannemen. Cornimpunt bonos mores colloquia prava. Men kan de Hollanders niet geheel en al ongelijk geven, dat zij zoo veel werk maakten van het huwelijk. Vooral om de vrouwen in toom te houden, was het huwlijk eene nuttige zaak. Nuptiae sunt res honesta.

Eerlang zou het den gast duidelijk worden, waarom de gastheer aldus doordraafde.

Meer tot Jozefine's dan tot Henri's voldoening, behoefden zij na afloop van den maaltijd, d cmaal niet opgesloten te blijven binnen de muren der mistroostige zijkamer. Henri beminde den regen, die hem tot melancholie stemde; de melancholie tot sentimentaliteit; de sentimentaliteit tot romaneske zelfbespiegeling. Jozefine haatte elke somberheid. Maar, o wonder, de zon scheen! De hemel was onbewolkt! Mogelijk wel drie uren aan één stuk, zou het gunstige weder standhouden! Er kon aan uitgaan gedacht worden!

— „Jeugdige vriend,quot; — zeide de heer Van Alkemade, oprijzend van tafel, — „het is u bekend, dat ik omtrent één punt van meening verschil met Horatius, die een liefhebber van wandelen was: Ego laudo rans amoeni rivos. Mij zou veeleer het verwijt kunnen treffen, dat ik hokvast ben: Ta nidum servas. Maar laat dit u en Jozefine niet verhinderen! Ik keer naar de bezigheden van mijn werkzamen ouderdom terug. Otium cum dignitate.quot;

Had Jozefine haar zin gehad, onmiddellijk na hare terugkomst van de kostschool ware zij iederen Zondag met Henri in het Bosch gaan wandelen, en 's avonds naar het Badhuis. Haar zou het niet hebben afgeschrikt, vrouwen te cótoyeren, van wie George Bentinck zeide, dat zij prachtiger gekleed gingen dan Salomo in al zijne heerlijkheid, en Heinzen verhaalde, dat zij met de hooge en hoogste kringen der Haagsche

97

ocr page 110

98 DE HEER VAK ALKEMADE TOSSCHEN TWEE VUREN.

zamenleving betrekkingen onderhielden. Maar Henri bragt haar aan het verstand, dat aan het Badhuis en in het Bosch ook vele dames verschenen , die zaaiden en spinden, en dat zij een te mooi jong meisje was, om zich op openbare plaatsen te ver-toonen aan den arm van een jongen man, die alleen in zoover geen vreemde kon genoemd worden, dat hij een vriend baars vaders was en met haar als kind gespeeld had.

Zelfs tegen de minder druk bezochte boschjes, terzijde van den Scheveningschen weg, had Henri bezwaar. Maar dit lag meer aan hèm. Het gt;vas gebeurd, terwijl zij op een keer het tolhek doorgingen en de gebruikelijke penningen offerden, dat zij. gegroet werden door een hen te gemoet komend heer van Henri's eigen leeftijd, die met zekere ostentatie het hootd ontblootte, en, met een strakker gelaat dan bij de gelegenheid scheen te passen, buigend plaats voor hen maakte.

Henri had Jozefine moeten verhalen, dat die bekende George Bentinck was, een mede-zeeofficier en schoolkameraad; en toen Jozefine reden vroeg van George's deftigheid, — ofschoon hij toch óók indertijd moest aan huis gekomen zijn bij haar vader te Makassar, — had hij, in strijd met de waarheid, iets ten nadeele van George's karakter moeten verzinnen.

Wandelingen naar Voorschoten, naar Voorburg, naar Hijs-wijk. naar nog eenzamer plaatsen, het geheele Westland door, waren van die ondervindingen en waarschuwingen het gevolg. Zondag aan Zondag, zoo lang het bruikbaar jaargetijde duurde, zagen de Naaldwijksche en Abtswoudsche boerenjongens, als Jozefine aan Henri's arm hunne dorpsstraat volgden, het uit-heemsch mooije meisje met bewondering na. Had Poot nog geleefd, er zou een lofdicht op haar gemaakt zijnl

Jozefine was nooit spraakzaam. Maar wanneer men met haar de Haagsche straten doorging, dan ontsnapten haar gefluisterde opmerkingen over personen — altijd over personen en gelijke-niSSen — die van luim getuigden. Haar koloniaal flegma maakte haar somtijds droog komiek.

— „Daar komt Trude aan!quot; — kon zij eensklaps zeggen, zóó zacht en met zulk een on vertrokken gelaat, dat, zoo de onmerkbare druk van haar vingers op Henri's arm hem niet gewaarschuwd had, hij haar niet verstaan zou hebben. Het was eene korte, buitensporig dikke, dribbelende dame, die in de verte een zweem van overeenkomst met het Makassaarsch kopje vertoonde.

— „Daar heb je papa!quot; — Een broodmager oud heer, hoog

ocr page 111

DE HEER VAX ALKEMADE TUSSCHEN TWEE VUREN.

van gestalte, zonderling gekleed, met een gelaat dat weinig vertrouwen inboezemde, maar van des te meer zelfvertrouwen sprak.

— „Dokter van den Ende!quot; — Een predikant van leeftijd, op weg naar de midd igkerk, met eene stijf aangehaalde witte das om een eindeloozen hals.

— „Mijnheer Heinzen!quot; — Een jonge man met blonden knevel, hongerig van nitzigt, met aan iedere hand een kind, en, in de achterhoede, eene onmogelijke jonge vrouw met een zuigeling in een wagentje.

Henri glimlachte niet altijd even hartelijk om deze geestig-heden, maar in deu regel glimlachte hij toch.

Ditmaal behoefde de konversatie niet te kwijnen, ook al bleven de voorbijgangers buiten schot. Zoodra zij de stad achter den rug hadden, deed Jozefine aan Henri verslag van hare welbesteede week, en verbaasde hem niet weinig door het berigt, dat zij vierentwintig uren te Rotterdam doorgebragt en Trude opgezocht had. Hij verwaarloosde zoo zeer zijne vrouw, dat hij somtijds in geen weken naar haar omzag. Des te liever was hem het gezelschap van Jozefine.

— „Nu begrijp ik,quot; —zeide hij, toen zij aan het einde harer korte kronijk gekomen was, — „waarom uw vader het daareven zoo druk had over de vrouwen. En is Abels u werkelijk komen afhalen ?quot;

— „Zeker!quot; — lachte Jozefine, die het opwekkelijker vond haar vader te vernederen, dan door vertrouwelijke praatjes de ledige ruimte in het gemoed van Henri Wilson te vullen.— „Papa was bang, dat ik aan tante Adrienne schrijven zou. Bang, dat ik naar Amsterdam zou gaan. Bang, dat hij u zou moeten vertellen, waar ik was. Bang, bang, bang!quot;

— „En hoe heeft hij u gisteravond ontvangen?quot;

— „Eerst was hij heel boos; maar ik heb gezegd, dat zoo hij niet zelf aan tante Bruce schreef, ik weêr zou wegloopen, en nog eens, en nog eens!quot;

— „Maar heeft hij beloofd, het te zullen doen?quot;

— iiHij heett het al gedaan! Gisteravond laat! Van morgen heeft hij mij den brief voorgelezen, en ik zelf heb hem door Abels naar de post laten brengen. Ja, en wil ik u iets zeggen?quot;

— „Nu?quot;

— „Ik geloof dat papa verleden Zondag, toen wij zamen spraken, aan de deur geluisterd heeft!quot;

Jozefine dwaalde; en hare verdenking was een bewijs, dat

90

ocr page 112

DE HEER VAX ALKKMADE ÏUSSCHEK TWEE VUREN.

zij van de sclierpzinnigheid en het diplomatiek talent haars vaders een te geringen dunk koesterde. Mogelijk ook wilde zij Henri niet alles zeggen; want door in het verzenden van den brief toe te stemmen, had zij zich tot medepligtige gemaakt van den niet geheel en al waarheidlievenden of ondubbel-zinnigen inhoud. Hoe ilit zij. die brief is eenigzins een keerpunt geweest in de korte geschiedenis van .lozefine's leven. Hare lotgevallen, tot hiertoe meestal grappig, zouden niet lang daarna eene tragische wending nemen. Ook om die reden wordt het schrijven van den heer Van Alkemade aan mevrouw Bruce, tot hetwelk zijne dochter hem als met het pistool op de borst had moeten dwingen, in zijn geheel medegedeeld:

„Geachte zuster Adrienne. — Ik ben noch met blindheid „geslagen omtrent mijzei ven, Hypscd candor, noch verlang ik „van mij gezegd te hebben, dat ik zwelle van boosaardigheid. „ZVec penitas loliginis succo turgeo. Eenige maanden geleden „raadpleegde ik u over de beste middelen, om de toekomst „mijner dochter te verzekeren. Er rees toen tusschen ons een „gering verschil van meening. Uw gevoelen was, dat Jozefine „nog een rond jaar op de kostschool behoorde te blijven. Het „mijne, dat zij met het oog op hare vroege Indische ontwikkeling, zoodra mogelijk mocht worden binnengeleid in de „kringen, waar de vrouwen komen om te zien, en om zeiven „gezien te worden. Veniunt spectatum mulieres, veniunt specten-„tur ut ipsae. Ik verklaarde mij bereid, de noodige stappen „te doen, en verzocht U, mij de behulpzame hand te leenen, „door Jozefine in kennis te brengen met sommige Haagsche „vrienden, door U genoemd. Het zou onbescheiden zijn geweest, „daar toen sterk op aan te dringen. Gij kondt op dat oogen-„blik Uwe medewerking niet beloven, zonder tegen uwe over-„tuiging te handelen. Maar ik verwachtte, dat de tijd U tot „andere inzigten brengen, en dezelve het tusschen ons gerezen „wolkje allengs zou doen verdwijnen. Nubicula est, peribit , „dacht ik.

„Mijne denkbeelden ondergingen sedert geen wijziging. De „formaliteiten, die ik u zeide in acht te willen nemen, zijn „bezig vervuld te worden. Jozefine's wenschen stemmen met „de mijne geheel overeen. Thans rijst de vraag: welke zijn, „zuster. Uwe gezindheden? Volhardt Gij in Uwe vroegere „zienswijze? Dan wel mag ik mij vleijen, dat de zucht tot toe-„nadering wederkeerig zij? Ik erken, dat de gevallen niet „geheel en al gelijkstaan. Duo quum faciunt idem, non est idem.

100

ocr page 113

DE HEER VAN ALKEMADE TUSSCHEN TWEE VUREN. 101

„Er zal dooi- TJ afstand moeten gedaan worden van eene vroeger „met ijver verdedigde meening. Doch om U dit gemakkelijk „te maken, doe ik thans den eersten stap.

„Omtrent mijne gezondheid wenschte ik U gunstiger berig-„ten te kunnen mededeelen , dan het geval is. Ik ben en blijf „zwak, en daarbij een martelaar der slapeloosheid: iets, waar-„mede ik in Indie minder te worstelen had dan in liet dier-„baar vaderland. Zelfs is dit eene der redenen, die mij er „fjrijs op zouden doen stellen, U uitvoering te zien geven aan „het door mij gedane voorstel. Alleen voor hare zedelijke vor-„ming heeft Jozefine iets aan mij. Ik houde een wakend oog „op hare lektuur, en verheug mij, hare kundigheden te zien „toenemen , tegelijk met haar oordeel en haren smaak. Doch „haar in de wereld te brengen, dit is mij niet mogelijk. De „krachten schieten te kort. Desunt vires, zeiden de Ouden. Ik „mag er niet bijvoegen: tarnen laudanda voluntas. In hét onder-„havig geval baat geen goede wil.

„Zal mijne eenige zuster weigeren, voor mijne dochter en „eenig kind te doen, wat ik zelf niet vermag? Moet ik vreezen, „Adrienne, dat gij handelen zult, gelijk in dergelijke omstandis:-„heden onze vader gehandeld zou hebben? Ik late die onder-„stelling niet toe. Absit omen.' Jozefine geeft mij de ver-„zekering, dat zoo in weerwil van het jaargetijde en verdere „ongelegenheden, hare Tante ons de eer wilde doen, acht of „veertien dagen in Den Haag te komen doorbrengen. zij „bediend en bejegend zou worden niet al de aan hare jaren „en hare maatschappelijke positie verschuldigde onderscheiding. „Mijn huis is klein, in vergelijking van het Uwe. Parva ilomus. „Maar mijne dochter kan zorgdragen, dat U niets ontbreke, „en ik zal mijn knecht gelasten, bij Uwe aankomst gereed te „staan aan het diligence-bureau.

„Lange heb ik geaarzeld, alvorens U lastig te vallen met „dit verzoek. De goede dienst, welke ik van U verge, was mij „reeds toegezegd door denzelfden heer en dame, die met ons „de groote zeereis maakten , en daarna Jozefine naar Brussel . bragten. Gij herinnert U? Een zeer beminlijk paar jonge „menschen, beiden van goeden huize en zeer wel opgevoed. „Doch ik vinde mij gedeeltelijk teleurgesteld. Mevrouw Wilson „verkeert. . . in gezegende omstandigheden. Quisqtiesaospatimur „manes! Inzonderheid van de gehuwde dames geldt, dat een „ieder op aarde (U is dit bij ondervinding bekend!) zijn pakje „te dragen heeft. Op aandrang van zijne vrouw heeft de heer

ocr page 114

DE HEEK EFRAÏM

„Wilson er in toegestemd, zich te laten voorstellen in dezelfde „huizen, waar Jozefine door Uwe tusschenkomst ontvangen „zal worden. Jozefine is met dit vooruitzigt zeer ingenomen. „Als alle Indische meisjes, houdt zij veel van dansen; en ik „keure dit niet af. Motus doceri gaudet lomvos matura virgo. „Maar zij is schuw, onervaren, en moet nog leeren, zicli vrij „te bewegen onder vreemden. De zekerheid, op de tegen-„woordigheid van een goeden kennis harcr kinderjaren te „kunnen rekenen, zal haar rust geven. Ik heb om harentwil, „hoewel schoorvoetend, het aanbod van den heer Wilson „aangenomen. Dienstpligten roepen hem vaak naar Rotterdam. „Ook wegens den toestand zijner vrouw zal hij van Haagsche „uitnoodigingen niet zoo ligt gebruik kunnen maken als Jozefine „zich voorstelt. Het aangenaamst is mij, dat ik hem ook weder „bij deze gelegenheid hebbe leeren kennen als een beproefd „vriend. Amicus certus in re incertd cenntur.

„Ik vrage verschooning voor deze uitweiding. Aanvaard met „Uwen Echtgenoot mijne beste wenschen voor Uw gezin en „voor Uzelven. Het zal mij aangenaam zijn, op deze letteren „eenig rescript te mogen ontvangen.quot;

Uw toegenegen Broeder,

CORNELIS VAN ALKEMADE,

Oiid-yottverneur der Molukken,

XII

DP: HEER EFRAÏM KOMT SALOMON BISSCHOP EEN VOORSTEL DOEN.

Drie maanden zijn voorbijgegaan.

Eén wenk is voor mevrouw Bruce voldoende geweest, om, vrede sluitend met haren broeder, zich te gedragen naar het door hem geopperd denkbeeld, dal niet het zijne, maar het hare was.

Jozefine brengt een feestelijken Haagschen winter door. Zij is van alle diners, alle koncerten, alle bals, alle schouwburg-gangen, alle sledevaarten.

Overal wordt zij beleefd ontvangen; overal ontmoet zij Henri

102

ocr page 115

KOMÏ SALOMON BISSCHOP EEN VOORSTEL DOES. 103

Wilson, die, ten einde zich vrijer te kunnen bewegen, in Den Hii ag een pied-a-terre gehuurd heeft.

Het is echter meer dan tijd, dat wij onze blikken elders wenden, en eens omzien naar enkele personen, met welke wij nog maar vlugtig kennis maakten.

In de eerste plaats Eebekka Bisschof.

Wanneer gij 's morgens vóór twaalven haar in haar vaders kantoor ziet zitten, bezig hem te helpen met het bijhouden zijner boeken, het uitschrijven van rekeningen, het afdrukken van brieven, het stempelen van loterijbriefjes, dan treft het u, dat zij in het leelijke, althans in het onaanzienlijke, sprekend op Jozefine van Alkemade gelijkt. Eene oudere zuster, zou men zeggen, wie de natuur al het schoon onthield, waarmede de jongere dubbel bedeeld werd. Dezelfde slankheid van bouw , maar, voor het fijn gebeente, een grof. Grove enkels, grove polsen, puntige elbogen. Dezelfde Oostersche gelaatstype; dezelfde donkere haren en donkere oogen. Maar door het bleek der wang schemerde geen blos; de wimpers waren niet lang genoeg om schaduw te geven; de oogopslag vroeg niet om liefde of schijnliefde, maar alleen om voedzaam dagelijksch brood voor geest en hart. ,

Ook de toon, dien Kebekka tegenover haar vader aansloeg deed aan Jozefine denken; niet aan de ingetogen Jozefine, welke men in gezelschappen ontmoette, maar aan de oneerbiedige der huiskamer. Hadt gij echter onder Salomon Bis-schof's gemeenzame vrienden behoord, dan zoudt gij spoedig bemerkt hebben, dat de ruwheid zijner dochter niet verdelging dan de oppervlakte. Zij had haar vader werkelijk lief, en beknorde hem alleen uit goedhartigheid.

— „Oef!quot; — zeide zij, de gestempelde briefjes bijeenverzamelend tot een stapel, — „dat vervelende werk is gelukkig weer achter den rug! Voor zoolang het duurt, ten minste. Pas nu in godsnaam op, vader, dat ze allemaal verkocht worden!quot;

— „Zeker, kind, zeker,quot; — antwoordde hij onder het voort-schrijven. — „Ge spreekt, alsof het mijn gewoonte was, ze op te zouten. Dank je hartelijk!quot;

— „Ik weet alleen, dat we nu al driemaal leergeld betaald hebben. Aan één lot, waar u meê blijft zitten, verliest u meer dan er aan de andere verdiend wordt. Kan onze schoorsteen daarvan rooken? Waar moet ik huis van houden, zoo er niet inkomt? Van hetgeen mijn twee of drie lessen opbrengen?quot;

— „Ge hebt gelijk. Ik behoorde een geboren koopman of

ocr page 116

DE HEER EFRAÏM

inflnstiieel te zijn. Het is niet voegzaam, dat een vader onderhouden wordt door zijn dochter.quot;

— „Dat zijn praatjes!quot; — grauwde Rebekka hem af'. — „U kunt even goed studeren en op uw zaken passen, als ik muziek-maken en huishouden. Maar u denkt altijd aan andere dingen. U ruïneert ons in zeven talen.quot;

— „Nu, nu! Ditmaal zal er geen enkel lot onverkocht blijven; daar geet' ik mijn woord op. Geen tiende,geen twintigste! Sedert ik dien mijnheer Alkemade aan de hand heb, kom ik van alles zonder moeite af.quot;

— „Een mooije zekerheid! Zoo mijnheer Alkemade goedvindt, morgen dank-je te zeggen, dan zitten we.quot;

— „Maar dat zal hij niet doen! Hij is een van die stille, hartstogtelijke spelers, die tot het laatste oogenblik volhouden.'

— „Ik help het u wenschen.quot;

• - „Hij is gelukkig. Tol heden ten minste is hij er telkens zonder kleerscheuren afgekomen.quot;

— „Des te beter.quot;

— „Somtijds vrees ik alleen, dat hij te ver gaat. Hij wil do fortuin dwingen. Volgens hem snijdt het mes aan twee kanten: spekuleren in fondsen, en spelen in de loterij. Maar het zou kunnen gebeuren, dat het eene gat met het andere gestopt moest worden. En hoe dan met dat meisje?quot;

— „Voor Jozefine behoeven wij geen zorg te hebben. Die doet spoedig een goed huwlijk.quot;

— „Zoo? Is daar sprake van?quot;

— „Zij gaat tegenwoordig zooveel uit, dat ik haar in weken niet heb kunnen treffen. Maar er wordt verteld, dat de oudste zoon van mijnheer Efraïm een goed oog op haar heett.quot;

— „De student? Nu, dat is een uitmuntende jongen, en knap ook! Die zal wel vooruitkomen in de wereld. Dan kan Jozefine meteen naar Indie terugkeeren. Efraïm, zooals ge weet, laat zijn zoon studeren voor Indie.quot;

— „Indie is voor de joden een beter land dan Holland ,quot; — zeide Rebekka, met een bitteren glimlach. — „Maar zwijg in 's hemelsnaam over dat huwlijk! Ik weet het alleen vanhooren zeggen, en voor geen geld zou ik willen, dat Jozefine mij voor een babbelaarster hield.quot;

Salomon Bisschof keek ontevreden. Hij kon van zijne dochier alles verdragen, behalve één ding. Volgens hem vormden de Israëlieten een eervol onderdeel der Nederlandsche zamenleving. Ontbrak er nog het een en ander aan hunne maatschappelijke

104

ocr page 117

KOMT SALOMON BISSCHOF EEN VOORSTEL DOEN.

positie, dit waren zaken van ondergeschikt belang. Bovendien achtte hij den tijd aanstaande, dat daarin verandering ten goede komen zou, gelijk in vele andere Nederlandsche toestanden. Hij gevoelde het land eene krisis tegemoet gaan, die bestemd was, op eene nationale wedergeboorte uit te loopen. Er zou meer vrijheid, meer gelijkheid, meer broederschap komen; en het hinderde hem, voor zijn geloof geen steun te vinden bij zijne dochter. Ofschoon een man van in de vijftig jaren, en schijnbaar gedoemd zijne dagen te eindigen, zonder voor zijne denkbeelden een vorm gevonden te hebben, sluimerde er nog altijd in hem eene stille hoop op betere tijden, ook voor hem zeiven.

— „Eebekka,quot; — begon hij, met waardigheid het grijze hoofd opheffend.....

Maar de reeds meermalen aangehoorde boetpredikatie, — aangehoord als vele andere predikatiën, die niet beklijven willen, — zou Rebekka heden bespaard blijven.

Er hield, zeldzame uitzondering, een rijtuig stil voor de deur; en Rebekka, glurend doorliet met een gordijn bespannen venster, waardoor het kantoor van den winkel gescheiden werd, herkende het dokterskoetsje, waarmede dc heer Efraïm gewoon was, zijne veelvuldige klicnten rond te rijden.

De lezer wordt verzocht, den heer Efraïm niet te houden voor een man van middelmatig aanzien of fortuin, alleen op grond, dat hij zich van zulk een zedig voertuig bediende! Eerst een goed eind in de tweede helft der negentiende eeuw hebben alle beschaafde landen van Europa den geldman zien ontluiken , wiens glimmende coupé den adel in de oogen steekt, wiens kostbare paarden stampvoeten van ongeduld, en het monteersel van wiens tuigen aan eene zilveren bruiloft denken doet. De Hagenaren van 1840 en vervolgens schatten den heer Efraïm op een millioen , reeds alleen om die rustige bruine merrie, voor dat zedig koetsje zonder geblasonneerde paneelen, zonder lantarens van bergkristal, en aangeschaft uit de tweede hand. In hunne schatting hield een man, die zich dergelijke weelde veroorloven kon, equipage; en equipage-houden gold voor het criterium van schatrijk zijn.

— „Wie mag daar zijn?quot; — viel Salomon Bisschof zich zei ven in de rede.

Zelfs 's winters ging er in zijn pelterijen-magazijn zoo weinig om, dat het rinkelen der winkelschel altijd eenigzins den indruk eener gebeurtenis op hem maakte.

105

ocr page 118

DE HEER EFRAÏM

— „Mijnheer Efraïm!quot; — fluisterde Rebekka. — „Die komt niet om mij, maar om u. Permitteer dus, dat ik mij uit de voeten maak!quot;

En door eene binnendeur wipte zij, de trap op, naar hare kamer.

— „Geen belet?quot; — klonk in den winkel de volle stem van den welgedanen kassier. Met de vale zwartHuweelen muts in de hand, welke thuis zijn schedel dekte, kwam Salomon Bisschot' naar voren.

— „Mijnheer Efraïm!quot; — was het beleefd, bijna onderdanig antwoord.

De kassier, gewikkeld in een kostbaren pels, keek het verlept magazijntje eens rond.

— „Kunnen we een oogenblik rustig praten?quot; — vroeg hij.

Bisschof ging hem voor naar de als kantoor dienstdoende

binnenkamer, die, vol oude en nieuwe boeken, een geheel anderen, maar niet veel welvarender indruk maakte, dan de winkel. Boeken in den gang, boeken in de eetkamer achter, boeken op het trapportaal, boeken in de slaapkamers boven, Salomon Bisschof's geheele huis was van binnen met boeken bekleed. De bontwinkel, een vaderlijk erfstuk, werd alleen aangehouden voor de leus.

— „Is Rebekka wèl?quot; — vroeg de heer Efraïm, zich zettend en zijn pels losknoopend, zoodat de juweelen doekspeld zigt-baar werd in de slippen der satijnen das, en men over het gebloemd iiuweelen vest den gouden horlogeketting zag slingeren.

— „Dank u. Daareven was zij hier. Zij is zich gaan kleeden. Mevrouw Efraïm ook welvarend? Ook de jongelui?quot;

— „Alles in orde, merci. Mijn oudste jongen heeft zijn doctoraal gedaan, met den eersten graad. Dat wil over een paar maanden promoveren, en dan naar Indie!quot;

— „Voor mevrouw Efraïm een hard gelag! Haar oudste zoon!quot;

— „Wat zal ik je zeggen, Bisschof? Er is bij de regterlijke magt daarginds meer carrière te maken dan hier. Men wordt lid van een raad van justitie, lid van het hooggeregtshof, lid van den raad van Indie, weet ik het! Hier, daarentegen

Een veelbeteekenend schouderophalen voltooide den volzin.

— „Niets verhindert inderdaad uw zoon,quot; — zeide Bisschof, — „mettertijd gouverneur-generaal te worden. Hij is knap genoe.i.quot;

Efraïm meende, dat hij schertste. Maar Bisschof sprak uit volle overtuiging.

106

ocr page 119

KOMT SALOMON BISSCHOP EEX VOORSTEL DOEN.

— „Nederland gaat een tijd te gemoet— wilde hij vervolgen — „dat...quot;

— „Juist,quot; — viel de kassier hem in de rede,— „daar kom ik om! Hoe is het gesteld met onze aanstaande revolutie? Vertel mij eens. Ge zijt steeds vervuld, niet waar, met denkbeelden van ontwikkeling, emancipatie van het volk, vooruitgang, he?quot;

— „U niet,quot; — antwoordde Bisschof ernstig. — „Dat kan ik hooren aan uw toon. Werkelijk geloof ik aan dat alles. De historische, de ekonomische, de staatswetenschappen hebben een graad van helderheid bereikt, waardoor een aantal dwaalbegrippen uit vroeger tijd eerlang van zelf verdwijnen moeten. Er behoeft nog maar de laatste hand aan gelegd te worden, om ze onder het volk te brengen. Van omwentelingen is geen spraak. Geen geweld, geen strijd, alleen voorlichting en overreding.quot;

— „Hoor eens, Bisschof, ge weet ongeveer hoe ik over die dingen denk, en hoeveel ik er om geef. Zooveel als om een oude kous, ziedaar! Maar dit zal mij nooit verhinderen, mijn vrienden een goed hart toe te dragen, en, als de gelegenheid zich voordoet...quot;

— „Hoe?quot; — riep Bisschof, zich warm makend. — „Hetgeen de maatschappij een stap vooruit kan brengen, laat u koel? U erkent alleen huiselijke en persoonlijke belangen? Geen liefde voor de algemeene zaak? Voor het gemeenschappelijk vaderland?quot;

— „Vergeet niet, dat ge een jood zijt, Bisschof! Een spekjood nog wel! En bovendien een loterij-jood! Een orthodoxe geldjood mag dit zeggen.quot;

— „U verkleint uzelven noodeloos, mijnheer Efraïm! In onzen tijd zijn jood en christen één. De groote waarheden van beide godsdiensten zijn alle menschen heilig. Ik maak geen onderscheid tusschen een liberaal rabbijn en een liberaal pastoor.quot;

— „Een liberaal pastoor heb ik nog nooit ontmoet ,quot;—• zeide Efraïm. — „Maar luister nu eens...quot;

— „Dan toch wel liberale predikanten? Op mijn woord, mijnheer Efraïm, de tijden zijn godlof achter den rug, dut de christenen ons haatten en vervolgden! Er is een nieuw geslacht van leeraars opgestaan. Mannen vol moed, die openhartig zeggen en schrijven, dat geen namen,geen leerstukken, geen verborgenheden, het wezen van de godsdienst uitmaken.

107

ocr page 120

DE HEER EFRAÏM

Geen week gaat voorbij, of er komen er met mij daarover praten, hier in dit zelfde kantoor!quot;

— „Zulke domooren zijn er, ja. Men vindt ze overal, en het verwondert mij niet, dat er van dat slag ook in Den Haag gevonden worden. Maar om tot de zaak te komen...quot;

— „Wat? Jfoemt u het dom, als een man, die het volk wijzer en beter moet maken , ronduit zegt wat hem op hart ligt? Van wie zal het volk waarheid leeren, zoo niet in de eerste plaats van zijn eigen voorgangers? Al te lang heeft men de godsdienst misbruikt als een twistappel! De menschen moeten niet verder uiteen gehouden, maar digter bij elkander gebragt worden. Er moet één groot bondgenootschap zich vormen . van al degenen die hun land liefhebben en den vooruitgang willen!quot;

— „Jawel, Bisschof, jawel. Het heenstappen over de religie is nuttig. Dat geef ik toe. Nuttig voor iedereen. Behalve voor de religie zelf. Doch laat mij nu eens uitpraten...quot;

— „Hetgeen goed is voor allen , is ook goed voor de godsdienst!quot; — zeide Bisschof.

— „Dat is het praatje van den dag, ja; maar ik ben zoo vrij. er anders over te denken. Al wat je van de religie afneemt, is winst voor de schurken, Bisschof! Geloof mij. De halve schobbejakken geef ik present. Die kunnen niet verdragen , dat er tegen het geloof gepreekt wordt. Een man van de kerk, zeggen ze, moet leeren wat er in zijn boekje staat; daar is hij voor, en daar wordt hij voor betaald. Maar weet je wat de heele schurken zeggen? Die zeggen: Ben je mal? hoe losser ze de menschen maken van de kerk en van de synagoge, des te meer troebel water voor ons, om in te vis-schen! En weet je wat zij óók zeggen? Hoe meer mazen in het net, zeggen ze, des te meer kansen voor ons, om er doorheen te kruipen. Maar in ernst, waarde vriend, laat ons...quot;

— „Dat zijn misbruiken, mijnheer Efraïm, waar men niets aan doen kan. Schandelijke misbruiken. De waarheid en de vrijheid blijven voorgaan!quot;

— „Maar de schelmen zijn er óók nog, Bisschof! Heusch , ge beoordeelt anderen te zeer naar uzelven. Ik zeg alevel niet, dat de liberale rabbijnen en de liberale dominés spoedig uitsterven zullen! Bewaar me, neen! Lijden ze ooit gebrek, dan zullen de bandieten botje bij botje leggen, om ze in het leven te houden. Geloof mij, Bisschof, de meeste menschen zijn schavuiten en hebben aanleg voor het schavot. Laat je de

108

ocr page 121

KOMÏ SALOMON BISSCHOF EEN VOORSTEL DOEN.

religie glippen, dan geef je den eenigen stok uit de hand, .waarmee ze te regeren zijn... Maar nog eensl Het doel van mijn aanloopen is niet, met u te politiseren, ol' te theologiseren. Laat ons ter zake komen! Uw geheime wensch, niet waar? is...quot;

De kassier zag het vertrek eens rond, zooals hij daareven den winkel gedaan had.

— „Enfin,quot; — vervolgde hij, — „ge hebt regt, u in deze uitdragerij niet op uw plaats te gevoelen. Een man van uw bekwaamheden mag op een beter werkkring aanspraak maken, dan loterijbriefjes te slijten, de mot uit een partij bont te houden, en in oude boeken te schaggeren. Is het niet zoo?quot;

— „Van mijn boeken zou ik in geen geval willen scheiden,quot; — zeide Bisschof, een verliefden blik werpend op zijn schat.

— „Nu goed. Daar is ook geen kwestie van. Ge wilt dan toch hooger op. Ik heb Rebekka op Diligentia hooren zingen, en ik maak u mijn kompliment. Ge zijt een brave kerel. Maar nu ge voor uw dochter gezorgd hebt, muet er ook aan u gedacht worden. Die courant... Ik houd u eigenlijk voor totaal ongeschikt, om een courant te besturen. Ik weet van te voren, dat ge daarin dingen verkondigen zoudt, die mij óf niet schelen kunnen, of mij hinderen. Maar, enfin, ik ben liberaal op mijn manier! Wat zoudt ge zeggen, zoo ik u een middel aan de hand deed, om dat idée-fixe van u te verwezenlijken? U hielp aan kapitaal? U althans een uitzigt opende?quot;

Indien Salomon Bisschof geweten had, op welke wijze aan kapitaal te komen, hij zou aan het denkbeeld van een door hem op te rigten dagblad sedert lang uitvoering gegeven hebben. Hij hield zichzelven ivèl voor geschikt. De staatkundige schrijver was in zijne oogen de praktische staatsman bij uitnemendheid. Hij beschouwde het als een ideaal, een land te regeren met dagbladartikelen; en daar hij een grooten voorraad kundigheden bijeenverzameld had, op het gebied van wetgeving, gevoelde hij in zich de kracht, in Nederland eene soort van journalistiek in het leven te roepen, gelijk daar nog niet bestond. Het ontbrekende, dit wist hij, kon door oefening gemakkelijk aangevuld worden. Maar hij wantrouwde zijn geloofsgenoot. Of liever, overtuigd dat de kassier het goed met hem voorhad en, ofschoon een plannenmaker, een eerlijk man was, — hij was niet af te brengen van het gevoelen, dat hij door kunstmatige middelen zijn doel niet bereiken kon. De omstandigheden zeiven moesten zijn wensch helpen ver-

109

ocr page 122

DE HEER EFRAÏM

vullen. Weigerden zij, dnartoe mede te werken, of lieten zij dit na, dan mogt zijnentwege de wensch onvervuld blijven. In zaken was Salomon Bisschot' fatalist.

— „Mijnheer Efraïm,quot; — zeide hij, — „indien ik mijn affaire aan kant deed, mijn boeken verkocht, en mijn onnoozel pakje effekten te gelden maakte, die strikt genomen meer Rebekka's eigendom dan het mijne zijn, dan zou ik hoogstens vijfduizend gulden bijeen kunnen brengen. Welk middel kan u bekend zijn, om die vijfduizend te doen aangroeijen tot de vijftigduizend of meer, die ik noodig zou hebben om een courant op te rigten als de bedoelde'? Een courant, die geheel en al op haar eigen wieken zou drijven, haar eigen medewerkers, haar eigen korrespondenten, haar eigen verslaggevers hebben zou? Een courant, die niemand naar de oogen zou behoeven te zien? Een courant...quot;

— „Een groote courant, in c'én woord, zooals er in Engeland en in Frankrijk worden uitgegeven,quot; — viel de kassier hem in de rede. — „Waarde vriend, ik ben met u zóó overtuigd, dat zulk een machine niet te drijven is, zoo zij niet van het begin af duchtig in de olie gezet en daarna aanhoudend gesmeerd wordt, dat ik om geen andere reden u kom voorstellen, mij u te laten interessereu in een kombinatie, die ik sedert lang in het oog heb, en wier slagen grootendeels afhangt van mij, en van mij alleen. Laat mij u mogen vragen: zijt ge overtuigd, dat er van uw geheele revolutie niets teregt komt, indien de hooge financiële spekulatie zich haar niet aantrekt? Dat ge met uw courant gerust thuis kunt blijven, zoo zij in die spekulatie niet opgenomen wordt? Een oogenblik! Val nu niet over een woord! Ik spreek van uw revolutie, zooals ik spreken zou over het droogmalen van de Zuiderzee. Ook een nuttige onderneming, misschien; maar óók in de eerste plaats een financiële kwestie. Mij is het onverschillig, of er iets van komt, of niets van komt. Spekuleer ik niet in de liefhebberij, dan spekuleer ik in de kontramine. Dat is mijn specialiteit, en daarbuiten ga ik niet. Maar ik vraag, Bisschof: zoo ik u aan kapitaal hielp, aan overvloed van kapitaal, zou dan wedev-keerig de financiële spekulatie kunnen rekenen op utquot;

— „De financiële spekulatie zou op mij kunnen rekenen — antwoordde Salomon Bisschof, — „indien de financiële spekulatie het ware en het goede bevorderen wilde. Om het kind bij zijn naam te noemen: indien zij voor Nederland wilde wat ik wil, een andere grondwet, ministeriële verantwoordelijk-

110

ocr page 123

KOMT SALOMON BISSCHOP EEN* VOORSTEL DOEN.

heid, vrije verkiezingen, een ruimer aandeel van de burgerij in het staatsbestuur.quot;

— „Jawel, jawel— zeide Efraïm, op den toon van iemand, die eene bekende zweep hoort klappen. — „Ook wat vermindering van het koninklijk gezag, niet waar? Ook wat inmenging van de Staten-Generaal in het bestuur over de koloniën? De koorden der beurs in handen van de heeren op het Binnenhof, zoodat ze iederen minister, die niet naar hun pijpen danst, met één ruk verworgen kannen? Dat alles is iets, Bisschot'! Mogelijk zelfs is het veel. Maar het is niet genoeg! Er bestaat geen zekerheid, dat alles goed zal gaan. En indien het niet goed gaat, dan moet de financiële speku-latie weten, waaraan zich te houden.quot;

— „Ik heb u gezegd, mijnheer Efraïm, welk soort van dagblad ik zou willen oprigten. Een courant, waarvan ik zelfde ziel zou wezen. Waarin de waarheid zou verkondigd worden, de geheele waarheid, en niets dan de waarheid. Een volkomen onafhankelijke courant. Strookt dit met de inzigten van hetgeen ii de financiële spekulatie noemt, dan...quot;

— „Akkoord, Bisschof, dan leefden wij in het paradijs! Maar neem mij niet kwalijk, dat zijn kinderpraatjes. Wie een plan met zich omdraagt als het uwe, behoort den weg te weten in de kaart van Europa, niet waar? Zeg mij eens, mijnheer de boekenman, hoe zijn in 1813 de Bourbons in Frankrijk kunnen terugkomen? Dat staat niet in uw boeken, maar ik zal het u vertellen. Omdat de schatkist van Napoleon voor driehonderd millioen in het krijt stond bij de groote Fransche bankiers, en de groote Fransche bankiers dien kwaden post gaarne vereffend zagen! Ge begrijpt? Napoleon kon niet betalen; de Bourbons stemden in alle mogelijke konversies en leeningen toe, mits men hun de poorten van Parijs ontsloot; er werden een paar maarschalken omgekocht; een dier maarschalken was de schoonzoon van een der bankiers; de bankiers leenden en konverteerden naar hartelust, en aan koersverschil en kommissie kwamen de driehonderd zeven millioen behoorlijk binnen. Zoo is 's werelds loop, beste vriend! Daaromtrent moeten wij elkander geen knollen voor citroenen verkoopen!quot;

— „Zoo er in Nederland dergelijke tripotages moeten plaats hebben,quot; — zeide Salomon Bisschof met afkeuring, — „dan heb ik liever, dat alles bij het oude blijft. Van zulke middelen verkies ik mij niet te bedienen.quot;

• — „Dat zal u niet gevraagd worden, waarde heer! Tripo-

111

ocr page 124

DE HEEK EFKAÏM

tages, tripotixges! Moet ik nog meer vertellen? Toen er van Je Bourbons gehaald was, wat er van te halen viel, wie anders dan de groote bankiers hebben Napoleon toen van Elba laten terugkomen? Wie anders hebben na den slag van Waterloo gezorgd, dat Wellington en Blücher betaald konden worden? Hoeveel hebben die heeren aan de drieëntwintig honderd millioen schadeloosstelling verdiend, waar de geallieerden om vroegen? Houdt ge bet voor toeval, dat de tegenwoordige koning van Frankrijk, toen hij nog hertog van Orleans en arm was, veertien millioen rente heeft geprofiteerd bij de konverzie van vijf percents in drie percents? Ik bid je, Bisschot, laten we elkander geen ooren aannaaijen! Die omwentelingen en die troonsbestijgingen hebben alleen gediend om de Laffitte's, de Baring's, de Hope's, de Rothschild's, de Stieglitzen, de Sina's, aan converzies, aan leeningen, en daardoor aan mil-lioenen te helpen. Die leeningen konden niet slagen, zoo het publiek ze niet nam. Het publiek zou ze niet genomen hebben, zoo ze niet smakelijk waren gemaakt. En ze hadden niet smakelijk kunnen gemaakt worden, zoo er geen couranten waren geweest. Wilt ge een groote courant oprigten, Bisschof, ga uw gang! De couranten zijn een van de mooiste uitvindingen van onzen tijd. Verlangt ge kapitaal, om ook Nederland aan iets van dien aard te helpen, ik zal het u bezorgen. Het is niet eens noodig, dat ge er uw eigen vijf mille aan waagt. Die kunt ge bewaren als een appeltje voor den dorst. Maar één ding moet ik van te voren weten! Dreigt de boel hier in het honderd te loopen, zoodat er groote financiële maatregelen moeten genomen worden, dan verlang ik vrije beschikking over uw blad. Vrije beschikking, let wel, maar ook alleen in dal geval! Voor het overige bemoei ik mij met niets. Ik sta er buiten. Ik handel volkomen belangeloos, alleen uit vriendschap voor u, en ofschoon ik van uw geschiktheid (op uw bekwaamheden ding ik niets af), van uw geschiktheid maar half overtuigd ben. Ge zijt liberaal, ik ben konservatief Maar ik zal u liet bewijs leveren, dat de ware liberaliteit niei uitsluitend bij hen gevonden wordt, die den mond het volst hebben met vrijheid, gelijkheid en broederschap!quot;

Salomon Bisschof was voor zulke aanbiedingen niet toegankelijk.

— „Zal ik, op mijn jaren,quot; — vroeg hij, — „mij belasten met een schuld, die ik nooit zal kunnen aflossen? Mij verbinden, een kapitaal terug te geven, waarvan ik misschien

112

ocr page 125

KO.MÏ SALOMON BISSCHOF EEN VOORSTEL DOEN.

niet eens rente zal kunnen betalenquot;? Want er zou rente moeten betaald worden, dat spreekt.quot;

— „Natuurlijk, beste vriend! De kapitalen zijn om de rente. Anders volgden alle kapitalisten uw voorbeeld, en staken hun geld in oude boeken. Maar, ik zou er voor kunnen instaan, dat men u het vel niet over de ooren haalde. Een matige rente, geleidelijke aflossing. Ge zoudt het geld toch niet present willen hebben?quot;

— „Noch present, noch tegen hooge, noch tegen lage rente— antwoordde Bisschof op beslissenden toon. — „Liever blijf ik armoe lijden, dan onder den druk van uw bankiers te zitten, en misschien mijn overtuiging geweld te moeten aandoen. Neem mij niet kwalijk, mijnheer Efraïm, maar het spijt mij, dat u zich met zulke zaken inlaat! Ik voorspel niet, dat het u t'avond of morgen slecht bekomen zal; maar het spijt mij. U benadeelt er den goeden naam van onze natie meê.quot;

— „Integendeel, Bisschof, integendeel! De Hope's en de Baring's zijn de bankiers van de heilige alliantie geweest; de Rothschild's zijn de bankiers van de Junij-monarchie. Van de christenen is de affaire overgegaan op de joden. Dat is de roem van onzen tijd, en van ons volk! In de middeneeuwen liet een koning zeventien tanden uittrekken aan een jood. die hem geen geld wilde leenen. Tegenwoordig zijn de joden kiezentrekkers van de koningen. Dat hebben de Rothschild's gedaan. Leven de Rothschild's!quot;

— „Mijnentwege mogen zij leven, mijnheer Efraïm; maar u kunt niet ontkennen, dat het bedrijf achteruit gegaan is. In de vorige eeuw waren de groote geldschieters tevens groote lui, die de kunsten en de wetenschappen aanmoedigden. In Frankrijk ten minste. Maar nu? U kent zoo goed als ik den Parijschen bankier, die zich heeft laten uitschilderen met den neus van een hertog?quot;

— „Welnu?quot; — lachte de heer Efraïm. — „Welnu? Wat kwaad steekt daarin? Laat ons erkennen, Bisschof. dat sommigen onzer geloofsgenooten met zonderlinge voorgevels be-hebt zijn! Zoo die hertog een mooijer neus heeft dan mijn konfrater, en de schilder ruim betaald is, dan geef ik mijn konfrater gelijk! Dc mooiste jonge vrouwen willen wel, dat haar portret mooijer zal zijn dan zij zelf!quot;

— „Indien de prins van Oranje bij u kwam eten, mijnheer Efraïm, zoudt u hem dan in tegenwoordigheid van de knechts durven aanspreken bij zijn voornaam? Zou het u smaken,

113

8

ocr page 126

DE HEER EFRAÏM

indien de prins zich omdraaide, en tot den lukei zeide, achter zijne stoel: Hoor je niet, lompert, dat mijnheer het woord tot je rigt? Dat heeft een prins van Wurtemberg gezegd, ook al bij een van uw Parijsche bankiers aan huis!quot;

— „Maar dat zijn misbruiken, mijnheer Bisschof, waar men niets aan doen kan. Schandelijke misbruiken, zooals u het noemt. De millioenen en de goede manieren blijven niettemin voorgaan. Ten eerste heb ik nog nooit de eer gehad, den prins van Oranje aan mijn tafel te zien, en ten andere kan geen der Rothschild's zich zoo onbeschoft hebben aangesteld. Zij zouden er te slim voor zijn, zoo ze er niet te welopgevoed voor waren. . . Maar we dwalen weder van onzen tekst at. Die courant van u.. .quot;

— „James Rothschild mag zoo welopgevoed zijn als hij wil, het volk beschouwt hem als een vijand,quot; — ging Bisschof met stemverheffing voort. — „Als een bloedzuiger. Waarom anders heeft het Fransche gouvernement hem konsul-generaal van Oostenrijk gemaakt? Zoo het koningschap hem niet gebruikte, om achter zijn rug het volk geld af te persen, dan had hij de bescherming van dat konsulaat niet noodig!quot;

— „Maar Bisschof, Bisschof, wat zijn dat nu voor argumenten?quot; — suste de heer Efraïm. — „Het is of ik dokter Van den Ende hoor doorslaan! Of ik een artikel van Heinzen in den Lepelaar lees! Ge zijt toch niet voornemens, zulke dingen te eeniger tijd in uw eigen courant te verkondigen?quot;

— „Ik zal in mijn courant verkondigen wat ik voor waaien goed houd, onverschillig of ik daardoor op één lijn kom met Heinzen, met Van den Ende, of met wien ook! Ik kom op voor het volk; en het volk haat Rothschild.quot;

— „Da t is geen mahtstaf, Bisschof. Het volk haat elke meerderheid. Het volk is afgunstig. Uw demokraten willen allemaal van niets tot iets komen; maar wanneer een ander tot iets komt, dan gunnen ze hem het licht in de oogen niet. Het volk denkt altijd, dat anderen uit eigenbelang handelen. Het gelooft niet aan onbaatzuchtigheid.quot;

— „ïïeen dat doet het ook niet,quot; — antwoordde Bisschof op bitteren toon. — „Dat heeft Rothschild ondervonden! Toen er hongersnood voor de deur stond, en hij uit liefdadigheid meel verkocht beneden de markt, toen wilde het volk van dat meel geen brood eten. Dat meel was niet zuiver, zeiden zij. Er waren zemelen, er was kalk, er was rattekruid onder gemengd!quot;

114

ocr page 127

KOMT SALOMON BISSCHOF EEN VOORSTEL DOEN.

— „Welzeker 1quot; — hei-nam Efraïm met ironie. —„Welzeker! De National zeide ook: „Het meel van den baron is besproeid met het zweet des volks.quot; Erken. Bisschof, dat ge zulk brood evenmin lusten zoudr, als ik! Maar wat vertelden de ezels daarenboven? Ze beweerden, dat om de inferieure kwaliteit van zijn meel te verbergen, Rothschild er zoete amandelen bijgedaan had! Amandelen, die driemaal duurder zijn dan meel!quot;

— „En wat bewijst die fabel anders,quot; — viel Bisschof uit, — „dan dat het volk de groote bankiers tot alles in staat acht, eerder dan om in dagen van openbaren nood niet op dien nood te spekuleren? En indien het volk zoo over hen denkt, hoe komt het daaraan?quot;

— „Uit zichzelven, of uit de couranten!quot; — lachte Efraïm.

— „Onwaar! Het volk is onwetend, maar niet bedorven, en de roeping der couranten is, het voor te lichten!quot;

— „Gekheid, Bisschof! Komt er weder eens omwenteling in Frankrijk, dan zullen die zoete amandelen door de couranten zeiven als hefboom gebruikt worden, om het volk tegen de rijken in opstand te brengen. Dat zult ge beleven! Maar laat ons aan deze diskussie een einde maken. Ik herhaal, dat ik uit zuivere vriendschap voor u. omdat wij geloofs-genooten zijn, omdat het mij leed doet u uit den treure in dit winkeltje te zien zitten, omdat ik vind dat ge nu lang genoeg voor uw dochter gesloofd hebt, en ook om u te toonen dat ik niet zoo reaktionair ben als ik er uit zie, — ik herhaal, dat ik op de bekende voorwaarde mij sterk maak, u aa.n het noodige te helpen om een eigen dagblad op te rigten, met een eigen drukkerij, een eigen personeel, en al het overige. Half Den Haag neemt deel aan een door mij uitgedachte financiële operatie, die ten gevolge moet hebben, dat een overvloed van kapitalen te mijner beschikking komt. Onze Indische vriend, aan de Bogt van Guinee, is óók van de partij. De kansen der onderneming zijn dus zoo goed als verzekerd. Wat is uw antwoord?quot;

Beide mannen waren opgerezen.

— „Waarde heer Efraïm,quot; — begon Salomon Bisschof.

— „Schei maar uit!quot; — viel de kassier hem in de rede. — „Ik zie aan uw gezigt, dat ge geen zin in mijn voorstel hebt. Ge kunt niet transigeren: ik ook niet. Afgedaan, derhalve. Zonder rancune, he?quot;

— „Mijnheer Efraïm ,quot; — zeide Bisschof, de hem toegestoken hand grijpend, — „de dagbladpers is bestemd, ook in Neder-

115

ocr page 128

SALOMON BISSCHOF ONTMOET KARL HEINZEN.

land eeue vierde magt in den Staat te worden. De koningin der aarde is als de vrouw van Caesar. Er raag van haar zelfs niet gefluisterd worden, dat....quot;

— „Al wel, al wel!quot; — lachte Etraïm. — „Uw koningin dei-aarde is mij te beduimeld. Een mooi meisje, die dochter van mijnheer Alkeraade, he? Adieu, de komplimenten aan Re-bekka Iquot;

— „Zou hij .lozefine reeds als zijn schoondochter beschouwen ?quot; — dacht Bisschof. Maar zich Rebekka's aanbeveling herinnerend, niet op het huwlijk te zinspelen, zeide hij overluid:

— „Foei, als mevrouw Efraïm u hoorde!quot;

— „Loop heen, Bisschof! Op onze jaren kijkt men alleen om te kijken. Mijn vrouw mag meekijken, als ze lust heeft. Adieu!quot;

XIII

SALOMON BISSCHOF ONTMOET KARL HEINZEN.

— „Dat is van morgen een lange konferentie met mijnheer Efraïm geweest, vader?quot; — zeide Rebekka 's avonds.

— „Lang genoeg, maar niet vruchtbaar,quot; — antwoordde hij. En hij verhaalde haar, welk voorstel de kassier was komen doen.

Rebekka stoof op.

— „En heeft u dat geweigerd, vader?quot; — vroeg zij met oogen., vonkelend van verontwaardiging.

— „Natuurlijk,quot; — zeide hij. — „Treur er maar niet om, We zouden er nooit genoegen aan beleefd hebben. Het is geen gezonde zaak.quot;

— „O die mannen, die mannen!quot; — jammerde zij, de handen ineenslaande. — „Wat? Men komt u een aanbod doen zonder wedergade; u in staat stellen, den droom van uw leven te verwezenlijken; u de gelegenheid openen al dat nut te stichten, waar ge het steeds zoo druk over hebt, — en. om een miserabel verschil van meening over gevallen, die misschien nooit zullen voorkomen, wijst ge het voorstel van de de hand! Nu, u moet het weten!quot;

116

ocr page 129

SALOMON BISSCHOP ONTMOET KAHL HEINZEN.

„Dat moet ik ook, Rebekkal Het spijt mij genoeg, dat ge uw leven lang zult moeten zitten tooveren in deze onvrije, ongezellige binnenkamer, achter de tralies van dit winkeltje, in deze naauwe straat. Maar ik kan het niet helpen! Ik kan niet handelen tegen mijn overtuiging. Geen woord zou ik op het papier kunnen brengen, met dat zwaard van Efraïm boven mijn hoofd. Uit zou het zijn met de inspiratie! Dadelijk uit!quot;

„En wie rept er van/' — vroeg Rebekka al heftiger, — „dat ik in deze kooi moet zitten beschimmelen'? In dezen doofpot? Dezen gelderschen achterhoek? Heb ik over mijzelve gesproken.' Ik maal niet om uw courant! Ik heb genoeg aan mijn muziek! Om u is het te doen. En ik zeg, dat u gehandeld heeft als een zot. U hadt mijnheer Efraïms voorstel met beide handen moeten aannemen, ja!quot;

„Bedaar, Rebekka, bedaar! Zoo spreekt men niet tegen zijn vader!quot;

„Als een zot, herhaal ik! Zijn Keulen en Aken op één dag gebouwd? Was het niet tijd genoeg, aan Efraïm's kon-ditie te denken, tegen dat hij er mede aan zou komen? Als hij u dan tot oneerlijke dingen dwingen wilde, kondt ge dun niet hola roepen, ik ben er óók nog? Intusschen zou de courant de uwe zijn geweest, en hadt ge Efraïm kunnen laten kuijeren ! Of zelf zijn gaan kuijeren, als de zaak u niet langer aanstond! Maar nu? Wat nu? Nu is de kans voor altijd verkeken !quot;

— „Wat ik aan Efraïm gezegd heb, Rebekka, zeg ik ook aan u.....quot;

„Dat is juist wat mij verveelt! Ik verkies niet in het riet gestuurd te worden met dezelfde kluitjes als mijnheer Efraïm! U behoeft met die fraaije redeneringen bij mij niet aan te komen! Ik zeg en ik herhaal, dat ge uw fortuin met voeten hebt geschopt. Maar spreken wij er niet meer over. Gedane zaken hebben geen keer! Het is weder het oude lied! U zult uooit een man worden. Jfooit een vrouw, mocht ik zeggen. Uw leven lang zult u een kind blijven. Dat weet ik, dat wist ik, en daarmee uit — dadelijk uit, net als uw inspiratie!quot;

De miskenning zijner dochter schokte Salomon Bisschof wel niet in zijne overtuiging, maar hij begon zich toch te verbeelden , dat de zaak voor tweederlei beschouwing vatbaar was. En dan, nog een ander punt!

Efraïm had tot hem gezegd: Het is, of ik Van den Ende hoor doorslaan! ot ik den Lepelaar lees!

117

ocr page 130

SALOMON BISSCHOF ONTMOET KAKI, HEISZEN.

Het is waar, hij had zich daarvan afgemaakt met een kranig antwoord. Doch bij nader inzien voldeed hem dit niet. Hij was zich altijd bewust geweest, iets anders te willen dan Heinzen, iets anders dan Van den Ende. En nu Efraïm hem onder den neus was komen duwen, dat hij hetzelfde wilde, nu had hij dit toegestemd!

Ten einde Rebekka niet door tegenspraak nog meer te prikkelen, liet hij haar laatsten uitval onbeantwoord, en verdiepte zich in zwijgend zelfonderzoek. Ernstig nam hij zich voor, de eerste maal dat Heinzen of Van den Ende weder met hem zouden komen praten, zijne eigen meeningen nog eensnaauw-keurig met de hunne te vergelijken; en de gelegenheid daartoe bood zich spoedig aan.

Er werd in die dagen aan den Boschkant een gebouw opge-ligt, waarin eene teekenschool gevestigd, en tentoonstellingen van schilderijen zouden gehouden worden. Een gebouw, om niets van te zeggen; maar de; Hagenaars van dien tijd waren niet verwend. Zij vonden de kolommen heel dik en heel hoog, de voor het frontispice bestemde beelden heel rond en heel groot; gingen dagelijks naar de vorderingen van den tempelbouw kijken, en wierpen dan meteen een blik in den nieuwen aanleg van de Koekamp. Twee gelegenheden bij elkander, om zich op de hoogte der moderne beschaving te houden, met hare architektuur en haren tuinbouw.

Salomon Bisschof was een vast komparant op deze kunstbeschouwingen in de open lucht, welke hem de moeite uitwonnen, een ander doel voor zijne wandelingen te bedenken; en men kon ook bijna zeker zijn, er Karl Heinzen aan te treffen, die hier de rol kwam spelen van vermomd volksmenner in miniatuur, nieuwtjes opvangend en de menschen uithoorend. Het heette, of was werkelijk, een diep geheim, dat de bediende van Langenhuizen en Co., in wijnen en fijne likeuren, tevens den Lepelaar redigeerde; en Heinzen deed er zich op te goed, een onopgemerkt waarnemer van den ont-wakenden volksgeest te zijn.

— „Daar gaat ze!quot; — riepen de nieuwsgierigen. — „Zoo waar, daar gaat ze!quot;

Het gold de eene of andere dikke, blozende, voor het frontispice bestemde, zandsteenen Muze, die, met touwen onder de armen en de knieën, naar boven getakeld werd. Honderd Hagenaren staarden haar na, met het hoofd in den nek, en gevoelden iets in zich ontwaken van die geestdrift voor de

118

ocr page 131

SALOMON BISSCHOF ONTMOET KARL HEINZEN.

kunst, welke eene Muze gehouden is, overal en bij een ieder op te wekken.

— „Het zal mij verwonderen, mijnheer Heinzen,quot; — zeide Bisschof, bemerkend dat hij elboog aan elboog stond met niemand minder dan don auteur van den Ring van Gyges, — „mij zal het verwonderen, of dit nieuwe lokaal ons nu ook aan nieuwe kunstenaars helpen zal? Laat ons er het beste van hopen. Weelde zou het niet zijn!quot;

Vreemd! Er kwam geen antwoord.

Heinzen deed, alsof hij niet verstond, niet toegesproken was, Bisschof niet kende, — hij, die onder Bisschof's huisvrienden gerekend werd, en anders altijd in het openbaar met Bisschof's vriendschap praalde.

— „Het zal mij verwonderen,quot; — begon Bisschof op nieuw , nieenend dat de ander, één aandacht voor de hemelvaart der Muze, hem niet verstaan had. — „Het zal mij verwonderen....quot;

Weder geen antwoord. Heinzen bieef oostindisch doof, en veinsde eene onnatuurlijke belangstelling in het welslagen van den arbeid der hijschers.

— „Wat beduidt dat?quot; — vroeg de verbaasde Salomon zich zei ven af.

Daar stiet Heinzen hem aan, en fluisterde, zonder naar hem om, of naar omlaag te zien :

— „Spatsier een eind het Bosch in! Ik kom bij u. Ik moet u spreken.quot;

— „Spatsier zelf het Bosch in!quot; — gevoelde Bisschof lust te antwoorden. Maar de plaats en de omstanders weerhielden hem. Heinzen's gedrag was zoo ongewoon, zijn toon zoo dringend, dat het inhumaan zou zijn geweest, zich boos te maken of onwil aan den dag te leggen. Hij was de oudste, en wilde de wijsste blijken.

Op werkdagen, in den winter, loopen de wandelaars in het Haagsche Bosch elkander niet omver. Een blind paard zou er een kameraad zien aankomen, zoo eenzaam strekken in dat jaargetijde de zijwegen zich nevens de wandelingen uit.

— „Wat scheelt er aan, Heinzen?quot; — vroeg Bisschof, toen binnen weinige minuten de jonge Duitscher hem ingehaald , en zij eene plaats bereikt hadden, waar niemand hen beluisteren kon. — „Waarom deedt ge daareven, alsof ge mij niet kendet? Zoo ik onwetend u benadeeld, of op eenige wijze tegen u misdreven heb, dan vraag ik verschooning.quot;

— „Het is veeleer aan mij, (t versjooning te vragen,quot; —

119

ocr page 132

SALOMON BISSCHOP ONTMOET KARL 11EINZEN'.

antwoordde de Duitscher. — „Do zaak is deze. Ik ben aangezocht, mij te verplaatsen naar Amsterdam, en hoofdredaktenr te worden van een groote courant.quot;

— „Wel,quot; — zeide Bisschof, — „dat is toevallig!quot;

— „Waarom toevallig? Kekent u mij niet onder de aangewezen personen ?quot;

— „Integendeel, Heinzen! Ge bezit een natuurlijk talent voor de journalistiek en zoo ge al uw tijd aan de zaak kunt geven, dan groeit er uit u een uitmuntend redakteur. Ge hebt te weinig gelezen, dat is al. Maar ga voort!quot;

— „De kondities zijn sjitterend. Men wil mij kapitaal verstrekken , om een eigen blad op te rigten, met een eigen drukkerij, en eigen personeel. Alles ingerigt op den voet als de groote bladen in Engeland en Frankrijk.quot;

— „Vervolgens?quot;

— „Dat is al.quot;

— „Is dat al?quot;

— „Ja, de Lepelaar zou blijven bestaan. Dat is te zeggen, hij zou van Den Haag naar Amsterdam verhuizen, en in het nieuwe blad worden opgenomen als feuilleton, onder mijn persoonlijke redaktie.quot;

— „Eenmaal 's weeks, zooals nu?quot;

— „Neen, alle dagen.quot;

— „En als ge iederen dag dat feuilleton moet vullen , Heinzen, waar zult ge dan tijd vandaan halen voor de hoofdartikelen?quot;

— „Voor de hoofdartikelen komt een bureau, zamengesteld uit versjillende personen, allemaal specialiteiten, en allemaal onder mijn leiding.quot;

— „Menschen van één rigting dus?quot;

— „Natuurlijk! anders zou ik er niet van willen hooren. Zonder uitzondering demokraten, radikalen, republikeinen! Het doel is, hier een demokratisje republiek te krijgen, met behoud van het koningsjap.quot;

— „En is dat de reden, waarom je mij daareven niet kennen woudt?quot;

— „Helaas ja, mijnheer Bisschof! U zijt te gematigd. De menschen vertrouwen u niet. Zij vreezen, dat wanneer het er op aankwam, u alles bij het oude zoudt willen laten. Ik heb moeten beloven, met u te breken. Maar u begrijpt , dat ik daar niet verder aan doe, dan mij gelegen komt? Ik heb te veel verpligting aan u. Ik houd u voor een te braaf man.quot;

— „Dank voor dat bewijs van onafhankelijkheid onder vier

120

ocr page 133

SALOMON BISSCHOF ONTMOET KARL HEINZEN.

oogen!quot; — schertste Bisschof. — „Doch dit daargelaten, fn vollen ernst, vriend Heinzen, ik vind het een onbekookt plan. Ware ik in uw plaats, ik liet dat Arasterdamsche aanbod loopen, en bleet' die ik was.quot;

— „In de knechtsjaft blijven, bij Langenhuizen en Co?quot; — riep de Duitscher. —- „Neen, neen, mijnheer Bisschof! Ach God, u weet niet wat u zegt!quot;

■ — „Ma ar juist het nederige van uw tegenwoordige positie moet uw achterdocht wekken, dunkt mij. Die menschen daarginds willen u gebruiken en u binden. Het is niet mogelijk, dat. zij onder andere waarborgen dan uw bekwaamheden en goeden wil, zulk een geldbelegging als een solide onderneming beschouwen.quot;

— „Maar dat gaat mij niet aan, mijnheer Bisschof! Dat is hun zaak! Als de courant opneemt, dan zal ik rente en aflossing betalen. Anders niet. Waar zou het vandaan komen? Ik ben zoo arm als Job! Maar het zal goed gaan, dat zult u mij toestemmen. Het blad zal in een behoefte voorzien.quot;

— „Dat geloof ik óók, Heinzen. Iets van dien aard, bedaard aangelegd, heeft op dit oogenblik in Nederland groote kans van slagen. Maar men kan toch niet weten! En, loopt de onderneming tegen, dan zal men uw vrijheid aan banden leggen. Eerst zult ge dit niet mogen schrijven, dan dat niet. En dit is nog maar een begin. Het eind zal wezen, dat men uw zwijgen niet genoeg vindt.. Ge zult moeten spreken! Spreken en schrijven tegen uw gemoed! Wit zwart moeten noemen, en omgekeerd! Personen moeten ophemelen, die ge veracht! Personen moeten verguizen, die ge eert of liefhebt!quot;

— „Maar daar ben ik niet van thuis, mijnheer Bisschof! Daar ben ik niet van thuis! Uw eigen voorbeeld bewijst het. Ben ik niet bezig, u mijn vertrouwen te sjenken? Aan de demokratisje beginselen heb ik mijn woord verpand, en tot mijn laatsten ademtogt zal ik de demokratisje zaak blijven dienen. U maakt zich noodeloos ongerust. Die menschen mee-nen het wèl met mij.quot;

— „Daar twijfel ik niet aan, Heinzen. Alleen maar, de omstandigheden zijn somtijds sterker dan de menschen, en nooit zijn de menschen onhandelbaarder, dan wanneer zij geld gestoken hebben in een onderneming, die niet gedijen wil. Daar zouden zij hun ziel, hun vrouw en kinderen , hun land voor verraden; hoe veel te eer hun beginselen! Bedenk, vriend, dat de politiek er bij ons Nederlanders dun opzit, en wij op

121

ocr page 134

SALOMON BISSCHOP ONTMOET KARL HKINZEN.

geen ander gebied zoo gezwind bakzeil halen! Maar komaan, ik wil u niet ontmoedigen. De kansen zijn er vóór, ik herhaal het, dat ge slagen zult. En tegen wanneer tijgt ge aan het werk'? Hebt ge uw betrekking bij Langenhuizen en Co. al opgezegd?quot;

— „Waarhal'tig niet! Daar zal ik wel op passen! Geen oude sjoenen weggooijen vóór tie nieuwe afgeleverd zijn! Ik ben een getrouwd man, mijnheer Bissehot'. Ik heb verpligtingen na te komen.quot;

— „En,quot; — vroeg Bisschof lagchend, — „als de zaak tot stand komt, zult ge dan voortgaan, mij in het openbaar te verloochenen ?quot;

Karl Heinzen was geen jong meisje; maar nu bloosde hij toch even.

— „Weet ge wat?quot; — vervolgde Bisschof, — „blijf mij een goed hart toedragen, en voor het overige ontsla ik u van elke verpligting. Wij leven in een tijd, dat de wegen ver uiteen kunnen gaan, zonder dat de persoonlijke genegenheid daaronder behoeft te lijden.quot;

— „Akkoord!quot; — zeide Heinzen, terstond de geheele hand grijpend, nu hem een vinger toegestoken werd. — „Wat wij hier bepraten, blijft onder ons, niet waar? Geen woord vóór den tijd aan Langenhuizen en Co! Ik ben een eheman. Ik heb verpligtingen na te komen.quot;

— „De menschen zijn mij zelfs van aangezigt niet bekend, Heinzen. Wees gerust!quot;

— „Geen woord ook aan mijnheer Alkemade, wel? Die zou in slaat zijn, er over te schrijven aan Kortenhoef en Co., en dan vernamen Langenhuizen en Co. het toch!quot;

— „Droom je, Heinzen? Mijnheer Alkemade heeft wel andere dingen aan het hoofd! Apropos, weet dokter Van den Ende er van ?quot;

— „Neen, en die mag er niet van weten! Hem vertrouwen ze óók niet, evenmin als ze u vertrouwen. U is te gematigd, zeggen ze, en Van den Ende te woest.quot;

— „En mijnheer Efraïm?quot; — vroeg Bisschof, hem scherp aanziende.

— „Mijnheer Efraïm ?quot; — herhaalde Heinzen met ongeveinsde verbazing. — „Waar haalt n in eens mijnheer Efraïm vandaan? Het aanzoek komt uit Amsterdam. Mijnheer Efraïm heeft met de zaak niets te maken.quot;

— „Des te beter.quot;

122

ocr page 135

SALOMON BISSCHOK ONTMOET KARL HEINZEN.

De ontmoeting met Heinzen deed Bisschof in alle opzig-ten goed.

Had hij moeten vernemen, dat Efraïm in de zaak betrokken was, dit zou hem zeer gehinderd hebben. Hij hield van den kassier, ondanks zijn cynisme. En nu bleek het dan toch, dat Efraïm in één opzigt gelijk had. Het was waar, dat de financiële spekulatie aandacht schonk aan de politieke beweging. Hij, Bisschof, was de eenige niet, die het oogenblik gekomen achtte, de proef te wagen met een groot dagblad. Anderen zaten insgelijks op het vinketouw!

Ma ar hoe onbesuisd gingen zij daarbij te werk! Met hoe weinig kieschheid! Hoe weinig besef van de ernst der zaakl Nu ja, Heinzen was een jongen met talent; iemand, die er slag van had, te schrijven voor het volk, over politieke onderwerpen van den dag. Hij had geest. Harde waarheden wist hij met een kwinkslag aan den man te brengen. Hij verraogt op de Haagsche aristokraten méér, dan zijzelven bekennen wilden. Zij weerden den Lepelaar uit hunne sociëteiten en uit hunne keukens; zij lazen hem alleen op de bestekamer, maar zij lazen hem. Doch was nu die halve vreemdeling, die broodschrijver, die gepasporteerde koloniaal en wijnkoopers-duvelstoejager, was hij de man, om in de hoofdstad des rijks met de hoofdredaktie van een groot vrijzinnig orgaan belast te worden? Kon ooit een Lepelaar, zelfs Amsterdammer geworden en eenige malen met zichzelven vermenigvuldigd , aan het doel beantwoorden ?

In de vernederingen, aan welke Heinzen zich bij voorbaat onderwierp; de verbloemde of onverbloemde kwade trouw, waarmede hij te werk ging; de stroohalmen, aan welke hij zich vastklemde, ten einde zijn karakter te redden, zag Bisschof al zijne eigen bezwaren tegen het plan van Efraïm, als waarschuwende schrikgestalten uit den grond rijzen. Ook Re-bekka's drogredenen was hij in don persoon van Heinzen te goeder uur tegen het lijf geloopen. Eebekka meende het goed, maar zij had ongelijk. De geheele wereld dood te slaan met een beroep op de muziek, — op die wijze kon men geen zaken doen. Had Eebekka Heinzen hooren spreken, — hem hooren zeggen: „Waar zou het vandaan komen? Ik ben zoo arm als Job!quot; — zij zou de eerste geweest zijn, om voor de toepassing van haar eigen leer met afschuw terug te deinzen.

123

ocr page 136

XIV

DOKTER VAN DEN ENDE VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.

Van dit oogenblik af had Bisschof vrede met zijn besluit, en geraakte hij weder verzoend met het kleine winkelhuis in de onaanzienlijke Raamstraat, waar de ramen alleen schenen te dienen om de afwezigheid van voorbijgangers te konstateren.

Ook Rebekka schikte zich in haar lot — eigenlijk meer het lot haars vaders, dan het hare. Voor zich zelve gevoelde zij zich niet ongelukkig. Levendiger dan ooit had zij door de kennismaking met Jozefine van Alkemade leeren beseffen, wat haar aan vrouwelijke schoonheid ontbrak, maar ook, welke vergoeding zij bezat in hare talenten. In den beginne had zij met Jozefine gedweept, en haar in stilte benijd. Sedert zij de dochter van den oud-gouverneur meer van nabij had kunnen gadeslaan, was zij tot andere gedachten gekomen. Het prestige van Jozefine's schoonheid was verbroken. Omtrent de maatschappelijke positie van den heer Van Alkemade maakte Rebekka zich geen hersenschimmen meer. De vader had bij haar afgedaan, het meisje was van haar voetstuk gevallen. Jozefine boezemde haar alleen nog belangstelling in met het oog op de toekomst. Zou zij een goed huwelijk doen? Zou er eene gelukkige vrouw uit haar groeijen? Bekommerd schudde Rebekka somtijds het hoofd. Jozefine was niet van het hout, waar de voorbestemde, kloekmoedige oude vrijsters uit gesneden worden, en waaruit zijzelve zich vervaardigd gevoelde.

Haar vader had over de verandering, welke in Heinzen's lot op til scheen te zijn, niet met haar gesproken; en in den eersten tijd ontging het hare aandacht, dat de jonge Duitscher, wiens persoon haar nooit veel belangstelling had ingeboezemd, zich in het geheel niet meer vertoonde. Toen zij op een keer naar hem vroeg, gaf de oude heer een dier onverschillige antwoorden , waaruit opgemaakt kon worden, dat Heinzen ongesteld, of uit de stad, of door de eene of andere toevallige oorzaak verhinderd was.

ocr page 137

DOKTEE VAN DEX ENDE VERHAALT Z 1.1 NIC LEVENSGESCHIEDENIS. 125

— „Miiaiquot; wat ik zeggen wilde— ging 'lij voort, — „zoo ik niet thuis mogt zijn, wanneer dokter Van den Ende een dezer dagen komt aanloopen, vertel hem dan, dat ik dat boek, waar hij mij naar gevraagd heeft, uit Berlijn heb laten komen, en het tot zijn dienst is. Zult ge?quot;

— „En zult u aan de briefjes denken, vader? Er moeten nog drie loten verkocht worden, zooals u weet, en do trokking is al aan den gang!quot;

— „Wees gerust, kind, ik heb ze in mijn zak. Van middag ga ik er meó naar mijnheer Alkemade. Daareven is zijn oppasser weer hier geweest, met de boodschap dat mijnheer mij sproken moest. Er is geen kwaad bij, dat weet ge. Zoolang de vijfde klasse niet begint, is de ware liefhebberij er niet, en al de groote prijzen moeten nog vallen, niet waar?quot;

— „Er ontbreekt nog maar aan, dat de honderdduizend er al uit is!quot; — zeide Rebekka, terugstortend in haar schamperen toon. — „Hoe dikwijls moet ik u hetzelfde herinnoren? TJ deedt wijzer, zorg te dragen voor het plaatsen van uw loten, dan boekon te bestellen voor dokter Van den Ende, die altijd vergoot, zijn rekeningen te betalen!quot;

— „Van don Ende is oen arme drommel, Rebekka, maar in zijn soort oen geloerd man. Voor zulke menschen moeten wij iets overhebben. Hoeveel personen van aanzien of vermogen, hier in do stad, komen naar mijn boeken kijken?quot;

— „Welzeker, vader, op dio wijze zullen wij er wol komen! Rijken, die niet koopen; armen, die niet betalen, — een uitmuntende affaire!quot;

— „Het gemeentebestuur moest oen openbare bibliotheek oprigten, en ons de boekon laten leveren. Dat zou misschien meer nut stichten, dan die nieuwe teeken-akademie aan den Boschkant,quot; zeido Bisschof nadenkend.

— „Och kom, vader! U zoudt de boeken leveren tegen inkoopsprijs, en welke boeken! Allemaal veel te wijs voor het volk. Begin daar maar niet aan! De menschen, die uw boeken begrijpen kunnen, hebben ze al gelezen; en die ze zouden moeten lozen, kunnen ze niet begrijpen. Neen, zoo u niet van honger sterven wilt, ga dan in loijen en griffels doen, ot in de prenten van Jan de Wasscher on zijn wijf. Of sla een partij vertaalde romans in, en verhuur die aan do dienstmeiden, voor oen stuiver in de week!quot;

— „Dat kun je niet meenen, Rebekka!quot;

— „Ik meen het wel degelijk! Eon affaire is een affaire,

ocr page 138

DOKTER VAN DEN ENDE VERHAALT

Wij zijn niet rijk genoeg, om aan het menschdom de houderden of duizenden present te geven, die u iu boeken steekt, waar, behalve dokter Van den Ende, geen sterveling ooit naar omziet!quot;

Bisschof haalde de schouders op, en ging uit.

Een dag of wat daarna, toen Uebekka aan het lesgeven was, en haar vader alleen in de binnenkamer zat, kwam de dokter aangestapt.

— „Waar zit Heinzen toch?quot; — vroeg hij op zijn gewonen ruwen toon, zonder groeten zich latende nedervallen op een stoel. — „Al sedert drie weken, en langer, vraag ik aan de geheels wereld waar Heinzen zit, en niemand weet het mij te zeggen!quot;

Bisschof verbaasde zich niet over dit binnenstuiven, evenmin als over het ongeduldig stampen met de rotting op den grond, waarvan 's dokters vraag vergezeld ging. Van den Ende nam nooit den hoed af, wanneer hij den menschen een bezoek bragt; vroeg nooit naar hunnen welstand; wachtte nooit tot men hem een stoel aanbood; bulderde altijd, meer dan hij sprak, en stampte aanhoudend met zijn stok.

— „Waar Heinzen zit, dit zou ik u niet kunnen zeggen, dokter,quot; — glimlachte de rustige Bisschof, — „maar hier zit ik, met uw verlof! Hoe gaat het? Altijd wèl geweest, sedert wij elkander het laatst ontmoet hebben?quot;

— „Ik heb het eeuwige leven, Bisschof, zooals ge weet.quot; — antwoordde Van den Ende met een groven lach. — „'s Winters en zomers, ik ben altijd even gezond, en ga altijd eender gekleed.quot;

— „Dat doet ge, dokter. U geeft uw patienten een goed voorbeeld. Zulke krasse zeventigers zijn er niet veel.quot;

— „Niet waar? Mijn knoken zitten stevig in elkander, en het binnenwerk akkordeert met de karkas. Alles wel gekon-serveerd. Wie durft, mag mij aan het lijf komen! Ik heb de noodige muilpeeren tot zijn dienst.quot;

Hij hief dreigend de regterhand omhoog, bekleed met de wederhelft dier groenlederen handschoenen, waarvan zijne vijanden beweerden, dat hij er sedert veertig jaren iederen avond mede naar bed ging.

— „Tenzij hij de voorkeur geeft aan een trap in den buik ,quot; — vervolgde hij, den lompen voet opheffend en eene vetlederen laars met dubbele zooien vertoonend, gelijk door poldergasten gedragen worden. — „Ik wenschte maar te weten ,

126

ocr page 139

ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.

waar ik dien Heinzen vinden kan! Twee-, driemalen ben ik den kwajongen tegengekomen, en twee-, driemalen is hij mij zonder groeten voorbijgegaan. Dat duld ik nietl Ik ben een man , voor wien men den hoed afneemt.quot;

— „Permitteer, dokter,quot; — lachte Bisschof, — „hoeden afnemen is uw sterke zijde niet. ïe dien aanzien geeft u geen goed voorbeeld ?quot;

— „Wat? Zal een man van mijn jaren een melkmuil als dien Heinzen, het eerst moeten groeten? Een boven zijn stand opgevoeden hannekemaaijer? Een schooijer, die hier is komen aandrijven onder aan een houtvlot?quot;

— „Tot uw troost kan ik u mededeelen, dokter, dat mij hetzelfde overkomen is. Ook ik heb Heinzen op straat ontmoet , en ook met mij heeft hij gedaan , alsof hij mij niet kende.

— „En ge hebt hem het jak schoon uitgeveegd, hoop ik?quot;

— „Integendeel, ik heb hem onder den arm genomen en ben een stapje met hem gaan doen in het bosch. Geloof mij , het is niets. De zaak heeft zich terstond opgehelderd. Langen-huizen en Co. vallen Heinzen lastig wegens zijn schrijven voor den Lepelaar. Daar zijn zij achter gekomen. Zij beweren, dat hij wordt opgezet door u en door mij; en om aan die praatjes een einde te maken, laat hij ons loopen voor een poos. Dat is al.quot;

— „Maar dat is veel te veel!quot; — riep Van den Ende stampvoetend. — „Wanneer ik Heinzen nu en dan een denkbeeld aan de hand heb gedaan, dan was de eer aan mij!quot;

— „Langenhuizen en Co. schijnen niet van die opinie te wezen,quot; — zeide Bisschof, die geen vrijheid gevoelde. Van den Ende voorbarig bekend te maken met Heinzen's voor-uitzigteu.

— „De opinie van zulke kruideniers heeft geen waarde!quot; — riep de dokter nog luider. — „Wat weten die kerels van politiek? Van de volkszaak? Wat weet Heinzen zelf er van? Heinzen is een beunhaas, een krakebeen. Een fraaije demo-kraat! Ik houd hem voor een lafaard, ja. Ik wed, dat wanneer hij, zooals ik indertijd gedaan heb, voor de goede zaak zijn vrouw, zijn kinderen, zijn goed en zijn kop moest geven, hij om genade kermen zou! Dat is mijn opinie.quot;

— „Ziezoo,quot; — dacht Bisschof, — „daar zit hij weder op zijn stokpaard. Dat is een goede gelegenheid om hem te plagen met dat nieuwe Duitsche boek over Spinoza. Apropos van hetgeen u indertijd gedaan hebt, dokter,quot; — vervolgde

127

ocr page 140

DOKTER VAX DEN EX DE VERHAALT

hij overluid, — „ze hebben mij uit Berlijn het Denkerleben van Auerbach gezonden. Als u het in wilt zien, het ligt voor u klaar. Er komt heel wat over u in voor. Over u, en over uw dochter!quot;

Van den Ende vouwde de handen op den knop van zijn rotting, en zag hem met vlammende blikken aan.

— „Bisschof,quot; — zeide hij, — „ik weet, dat ge mij voor den gek houdt. Ge gelooft niet aan mijn geschiedenis! Maar zoo ge denkt, dat het mij kan schelen, mis man! Mijn geschiedenis is de waarheid, onafhankelijk van uw, en van ieders geloof!quot;

— „Laat ons wèl onderscheiden, dokter!quot; — hernam Bisschof. — „Ik heb u altijd voor een eerlijk man gehouden, maar tegelijk voor een zonderling. Dat ideé-fixe van u , als zoudt u de leermeester van Spinoza geweest zijn, beschouw ik als eene hallucinatie. U kunt mij dit niet kwalijk nemen. Daarom niet minder goede vrienden.quot;

— „Ik zie er nog al naar uit, om aan hallucinaties te lijden!quot; — lachte Van den Ende met zijn onaangenamen lach. — „Teringlijders hebben hallucinaties. Menschen met ondermijnde gestellen. Menschen met aanleg voor delirium tremens, zooals onze Indische vriend aan de Bogt van Guinee. Maar ik? Ik die de matigheid in persoon ben? Die zoo gezond ben als een visch? Ik, die honderd jaren oud kan worden?quot;

— „Ik erken, dokter, dat wie u daar ziet zitten, breedgeschouderd , forsch gespierd, zoo iets niet ligt denken zou. Ik zelf maak niet dan schoorvoetend aanmerking op uw hoed, en zou hoogst ongaarne in kennis komen met uw stok. Maar u kunt niet in vollen ernst vergen, dat ik mijn oogen voor het daglicht zal sluiten. Hoe kan ik, op hetzelfde oogenblik dat u hier. in het jaar 1840 en zooveel, levend tegenover mij zit in de Haagsche Raamstraat, (met permissie), hoe kan ik gelooven, dat u in de maand November 1674, te Parijs, voor de deur der Bastille, zijt opgehangen? Dit zijn van die dingen , waar de menschen in de negentiende eeuw niet aan • willen.quot;

— „De menschen van de negentiende eeuw zijn gek,quot; — zeide Van den Ende op minachtenden toon. — „Wat praat ge van forsch gespierd en breedgeschouderd? Toen ik werd opgehangen, was ik een klein kereltje, met een gebogen rug, zoo mager als een talhout en zoo ligt als een veer. Ge hadt mij kunnen maken en breken! Bewijst dit, dat ik een andere

128

ocr page 141

ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.

Van den Ende ben? Volstrekt niet. Hot bewijst alleen, dat ik mijn prekauties genomen heb. Ze zullen mij niet voor de tweede maal zoo gemakkelijk onder de knie krijgen, de duivelskinderen !quot;

—- „Maar nog eens, dokter! Hoe kan een wetenschappelijk man van uw kaliber, een medicus, die dan toch beter dan iemand weet, dat de dooden niet weêr levend worden, vooral niet na een kleine tweehonderd jaar.....quot;

— „De vraag is maar, wat ge onder een medicus verstaat, Bisschof! Bedoelt ge daar het kwakzalversgilde meO, waarvan ook hier in Den Haag een paar dozijn broeders rondrijden en rondloopen, — kerels, met niet meer kundigheden en niet meer nadenken, dan er in de oude slof van mijn oude meid zit, — dan heb je gelijk. Maar voor mij is een medicus iemand, die aan de geestenwereld gelooft, aan de zielsverhuizing, aan het herleven van den mensch in de menschheid. Dat is de nieuwe wetenschap, waarvan ik een belijder ben; en, let op mijn woorden, daar zult ge, eer wij tien jaar ouder zijn, wonderen van beleven!quot;

— „Zoodat ge uzelven als eene soort van tweede uitgaaf beschouwt van den Frans Affinius, die in 1674 opgehangen is?quot;

— „Omdat ge een boekverkooper zijt, Bisschof, laat ik die tweede uitgaaf gelden. Maar wetenschappelijk gesproken, is do formule onjuist. Neen, geen herdruk van Frans Affinius van den Ende ben ik, maar Frans Affinius van den Ende zelf, door de kracht der zielsverhuizing, en de levende gemeenschap der geestenwereld met de aarde, voor de tweede maal ontstaan. Ik weet alles, wat Frans Affinius wist; al de denkbeelden en gevoelens van Frans A-ffinius zijn de mijne. Zijn ik is mijn ik, en ik draag in mijn ligchaam de stigmata van mijn en zijn identiteit!quot;

Niet alleen zette do dokter, onder het uitspreken dezer laatste woorden, eene vervaarlijke stem op; maar hij rees overeind, ontknoopte zijn overjas, en vertoonde Bisschof de roode streep, die, onder zijne ooren en boven zijn witte das, den langen hals in twee ongelijke doelen scheen af te bakenen.

— „Ziedaar,quot; — riep hij, wijzend op de vurige striem, — „hot onbodriegelijk signalement van Frans Affinius, en het mijne, mijn fabrieksmerk, mijn familiewapen, mijn adelbrief! Mijn brief van adeldom, ja, want zoo ik gehangen heb, ik hing voor een heilige zaak! De Fransche beul heeft mij, ge-lodonbraakt door de pijnbank, uit do Bastille naar zijn kar,

1 29

9

ocr page 142

DOKTER VAN DEK EXDE VERHAALT

uit zijn kar, naar het schavot kunnen slepen: heeft mij zijn knechts kunnen toewerpen nis een hond, en toen de anderen door hemzelven onthoofd waren, minachtend tot de handlangers kunnen zeggen: Vous aiitres, ■pendez-moi ca! Maar hij heeft niet onwaar kunnen maken, wat ik op de pijnbank zelf, toen de wiggen tusschen de planken gedreven en mijn arme oude knieschijven door mokerslagen verbrijzeld werden— hier stroopte Van den Ende zijn pantalon en zijn onderbroek op, en liet Bisschof zijne met lidteekenen overdekte knieën zien, — „beleden heb de waarheid te zijn: dat ik, zeventig jaren oud, naar Frankrijk getogen ben, in de hoop er de grondslagen der eeuwige, alleen zaligmakende, alle volken der aarde omvattende republiek te zullen leggen, waarvoor ook Giordano Bruno het schavot bestegen en het leven gelaten heelt! Dit is,quot; — zich op de borst slaande, — „mijn eeretitel! Die kroon kan niemand mij roovenl Moest ik door beulshanden nogmaals sterven voor dat denkbeeld, ik zou bereid zijn! Leve de eene, algemeene, ondeelbare, demokratische, sociale republiek! Dood aan de aristokraten! Dood aan de koningen! Het volk boven! Geen legers meer! Geen priesters! Alles door en voor het volk!quot;

Salomon Bisschof was door veeljarigen omgang aan deze excentriciteiten allengs zoo gewoon geraakt, dat hij zonder veel aandoening of verwondering. Van den Ende, hijgend van opgewondenheid, op zijn stoel zag nedervallen. Alleen trof één ding hem ditmaal meer dan vroeger.

— „Bedaar nu eens, dokter,quot; — zeide hij, — „en laat ons woorden spreken van gezond verstand. Eigenlijk zijn wij het in het geheel niet eens. Nog daargelaten uw idee over de geestenwereld, de zielsverhuizing, en het herleven van de dooden. Ik ben alleen tegen de geboorte-aristokratie g kant, niet tegen de aristokratie van de wijsheid of het talent. De absolute koningen acht ik een kwaad, maar niet de konstitu-tionele. Integendeel, zoo onze koning konstitutioneel wilde regeren, dan zou ik denken, dat Nederland minstens weder voor een paar eeuwen had ingehuurd. Daarop moet het worden aangelegd, volgens mij. Doch hoor ik Heinzen praten, of u, dan komen er geheel andere dingen kijken! Heinzen wil bijvoorbeeld..

— „Zwijg over Heinzen, wat ik verzoeken mag,quot; — viel Van den Ende hem norsch in de rede. — „Heinzen is een elendeling!quot;

— „Dat doet er nu niet toe,quot; — ging Bisschof voort. — „Heinzen's karakter laat ik er buiten. Zijn denkbeeld is, dat

130

ocr page 143

ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.

er met behoud van het koningschap, in Nederland een demo-kratisohe republiek moet komen.quot;

— „Dat is onzin,quot; snaauwde Van den Ende. — „Alle vormen van het koningschap moeten verdwijnen. Niet transigeren I Geen halfheid! Opruiming houden! Finale opruiming! Een deinokratische republiek is niet genoeg. Er moet een sociaal-demokratische komen. Weg met do koningrijken! Weg met de provinciën! Niets dan gemeenten! Een bondgenootschap van gemeenten en van gemeentebesturen!quot;

— „Maar op die wijze, dokter, keeren wij tot de Parijsche Commune van 1790 terug, en komen van de Commune tot het Schrikbewind!quot;

— „Des te beter!quot; — bulderde de dokter, nogmaals opstuivend en met zijn rotting stampend, dat de kamer er van dreunde. — „Des te beter! Dat moeten wij er voor over hebben! Frans Affinius van den Ende heeft nooit iets anders gewild! De sociaal-demokratische republiek zal niet te duur gekocht zijn, zoo wij haar betalen met onzen hals!quot;

— „Ei, ei!quot; — zeide Bisschof, die er aan wanhoopte, den dokter voet bij stuk te doen houden. — „Heeft Frans Affinius nooit iets anders gewild? Auerbach schijnt dat niet met u eens te zijn! Volgens hem was Frans Affinius een spiritist; een die eenmaal in zijn leven de gekheid beging, iets voor zijn vaderland te doen, en aan de galg daarvoor boette. Ik vind bij hem geen enkel woord, waaruit blijken zou, dat Frans Affinius voor een sociaal-demokratische republiek geijverd heeft. Daar ligt het boek. Zie zelf maar na!quot;

— „En denkt ge,quot; — krijschte Van den Ende, als een roofvogel aanvallend op het hem door Bisschof toegeschoven boekdeel, — „denkt ge dat ik het prulwerk van dien mof nog lezen moet? Dat vod, waarin hier, en daar, en daar, en waar al niet, met de verwaandheid van een Duitschen boekwurm, de ergerlijkste domheden uitgekraamd worden? Dat scheurpapier kunt ge mijnentwege voor uzelven houden! Eerst zet een Fransche windbuil zich op den voet, uit mijn geschiedenis een roman te kloppen; en nu doet die Auerbach het nog eens dun over!quot;

— „Ta, ta, ta, dokter! De Duitschers zijn niet zi'lke kinderen , als u zegt. Auerbach heeft vlijtig in Spinoza gestudeerd. Over bet leven van de joden te Amsterdam in de 17de eeuw zegt hij aardige dingen. Zijn roman moest naar de synagoge ruiken , en hij ruikt er naar. Dat vind ik al veel.quot;

131

ocr page 144

DOKTER VAN DEN ENDE VERHAALT

— „En ik verduiveld weinig, wanneer de rest onzin is! Sue lieelt zich ten minste nog de moeite gegeven, echte stukken te raadplegen. Zijn Latréauraont is naar de natuur geteekend, de vraat, de lap, de smeerlap! Maar uw Auerbaoh? Dien bewijst men nog te veel eer, wanneer men hem in een dolhuis opsluit!quot;

— „Met uw welnemen, dokter! Met uw welnemen!quot;

— „Wat? Trekt ge partij voor uw geloofsgenoot? Een fraaije belijder van de mozaïsche godsdienst, op mijn woord, zooals ze in Duitschland zeggen! Met den eenen voet in de synagoge, met den anderen in de spinozistische mystiek! Zulke joden zijn de pest van het jodendom.quot;

— „Dat zegt mijnheer Efraïm óók,quot; — glimlachte Bisschol.

— „Kom mij niet met uw Efraïm aan boord!quot; — stampvoette de dokter. •— „Ik word kwalijk, als ik aan den kerel denk. Dat is er een, die voor een ruime kommissie Israël aan de volken, en de volken aan Israël verkoopen zou! Maar durft ge dien Auerbach voorspreken, omdat hij zich voor een geëmancipeerden jood uitgeeft?quot;

— „Och kom, dokter, ge weet heel goed, dat ik daar niet aan meedoe. Ik haat dat eeuwigdurend rangschikken van de menschen en de schrijvers naar hun geloof. Ze zijn er niet aansprakelijk voor. In negen en negentig gevallen van de honderd komen zij er mee ter wereld, zooals wij, de eenen met blonde haren ter wereld komen, de anderen met zwarte of bruine. Ik zeg alleen, dat Auerbach's roman mij geboeid heeft.quot;

— „En ik zeg, dat een man van uw kunde zich daarover schamen moet! Verstaat uw Auerbach Hollandsch? Geenstom woord! Mij laat hij buiten de Utrechtsche poort er een theetuin op nahouden, die de Iwjchlmt heet. In plaats van met de trekschuit, reizen zijne menschen met den eburtschyppen van Amsterdam naar Leiden! Heeft hij de Hollandsche dichters van 1648 gelezen? Niet één! Ook Van Baerle niet, dien hij aanhaalt. Wat weet hij van onze geschiedenis? Geen lor! Zijn Amsterdamsche matrozen, tijdgenooten van Spinoza, zingen een volkslied, geschreven door een kameraad van Tollens. Hoe oud was mijn dochtertje, toen Spinoza bij mij les kwam nemen in het Latijn? Het kind heette Clara Maria, en moest nog zeven jaar worden. TTw Auerbach maakt er een meid als een boom van, die Olympia heet, en 's avonds in den maneschijn zich door Spinoza laat zoenen. Mijn Clara

132

ocr page 145

ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.

Maria was zoo goed roomsoh, dat Kerkerink naderhand, om haar te kunnen trouwen, van luthersch katholiek is moeten worden. Uw Auerbach's Olympia is een vrijdenkster en een hlaauwkous; een blaauwkous ja, met inkt aan haar vingers, zoo vlijtig korrigeert ze de Latijnsche verzen van mijn leerlingen I Noemt ge het zamenliansen van zulk een boek, noemt ge dat Duitsche degelijkheid? Ik noem liet Moffrikaansche apenkooi!quot;

— „Jawel, dokter, jawel. Auerbach had naauwkeuriger moeten zijn. Maar hij geeft zijn lezers toch een denkbeeld, hoe Spinoza langzamerhand Spinoza kan geworden zijn. Het overige kan mij minder schelen.quot;

— „Ma ar voor den d—der, Bisschof, hoe zou het u smaken, zoo er apropos van Spinoza een karikatuur van u gemaakt werd, waar de honden geen brood van zouden eten?quot;—-voer Van den Ende uit. — „Wat is er met mij gebeurd, en wie ben ik? Om dat te weten te komen, behoeft men toch waarachtig geen toovenaar te zijn! Toen ik in 1640 te Amsterdam ben komen wonen...quot;

— „TJ zegt, dokter?quot;

— „Ik zeg, dat toen ik met mijn eerste vrouw in 1640 te Amsterdam ben komen wonen, ik een volwassen Antwerpenaar was, opgevoed door de Jezuiten in Den Haag. De geheele wereld weet, dat ik geen priester ben willen worden om dezelfde reden, waarom in dit protestantsche land honderd anderen, die voor dominé werden opgeleid, zijn overgegaan bij het onderwijs, zooals ze over vijfentwintig jaar bij de journalistiek zullen overgaan. Of zoudt ge niet denken, Bisschof, zoo er van uw groote courant nog eenmaal iets komt, dat in den eersten tijd uw redaktie-bureau zal zamengesteld zijn uit jonge joden, en daarna uit jonge predikanten?quot;

— „Ik zon de jonge predikanten niet afstooten, dokter, maar de jonge joden zouden mijn ideaal zijn. Een kleine, volledige, joodsche kolonie.quot;

— „Des te beter; de joden zijn voor courantier in de wieg gelegd. Nu, twee en dertig jaren lang heb ik te Amsterdam aan het hoofd gestaan, niet van een joodsche kolonie, maar van een gymnasium, waar ik onderwijs gaf in de medicijnen (te Leuven gepromoveerd, mijnheer!), in de theologie, in de ülosofle. Lees wat tijdgenooten over mij geschreven hebben! Wat door hen gezegd is tot lof van mijn methode voor het onderwijzen van geleerde talen! Aan gereformeerde jongelui

133

ocr page 146

134 DOKÏEll VAN DENquot; ENDE VERHAALT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS.

leerde ik de gereformeerde leer. aan lutheranen de luthersche, aan roomsche de katholieke, aan christenen het Nieuwe, aan joden het Oude Testament. Wai-en er mohammedanen geweest, ik zou hun den Koran geleerd hebben. Ieder kon bij mij zooveel botanie, zooveel anatomie, zooveel pathologie, en daarbij zooveel Arabisch, Hebreeuwsch, Grieksch en Latijn komen opdoen, als hij verlangde; en op die wijze is ook de jonge Spinoza mijn leerling geworden. Twee en dertig jaren lang, mijnheer, heb ik door onderwijs geven voor mij en de mijnen het dagelijksch brood verdiend! Er waren er, die mij een atheïst noemden, omdat ik in het geloof een ieder bediende naar zijn smaak. Maar ik ben geen erger atheïst dan de onvolprezen Giordano Bruno geweest is; en evenals bij Giordano Bruno is ook bij mij levenslang, de studie van de filosofie zamengegaan met die van de sociale politick. Spinoza is met de jaren een droomer geworden, een keutelaar, een zelfzuchtige brillenslijper, bang om bij zijn leven zijn boeken te laten drukken. Ik, ik ben voor de toepassing van mijn denkbeelden nooit teruggedeinsd. Mijn tijd zou komen, dit wist ik, en hij is gekomen. Toen de Pranschen in 1672 hier tegen de Oostenrijkers waren komen vechten, en de Oostenrijkers tegen Lodewijk XIV een Europesche koalitie op touw hadden gezet, heb ik daarvan partij getrokken, 'om in het noorden van Frankrijk een sociaal-demokratische republiek te gaan slichten. Een even praktisch, als verheven en edelmoedig plan, door elendelingen verraden, door den Franschen tiran in bloed gesmoord. Lees hetgeen daaromtrent staat opgeteekend in de jaarboeken der wereldgeschiedenis! En wat doet thans uw Auerbach, elendeling van den nieuweren tijd? Van mij , Frans Affinius van den Ende, stichter van de republiek der toekomst, martelaar van mijn geloof aan de sociale deraokratie, maakt hij een esthetischen lagchebek, een smulpaap van het skepticisme! Hij laat mij een schaakbord present sturen door Jan de Witt, — aan mij, die levenslang Jan de Witt verfoeid heb als den onverbeterlijksten aristokraat en despoot, die ooit den naam der republiek onteerd en bezoedeld heeft! Uit dei. schedel van een orthodoxen dominé, wiens lijk ik van de snijkamer zou gestolen hebben, laat hij in 1648 mij een tegen Mozes, Christus en Mohammed gerigt schotschrift voor den dag halen en aan Spinoza in handen geven, dat nooit bestaan heeft, dat door Voltaire verz innen is! Hij laat mij sterven aan de galg, ja, maar met de leugen op de lippen, dat ik

ocr page 147

LETTER- EN ZEIJEKUXIJIGE ONDERSTELLINGEN.

naar Frankrijk beu gegaan in de dienst van Jan de Witt of Willem III! Is dat niet om razend te worden? Schreeuwt liet niet om wraak? Verwondert het u, dat zoo ik dien Auerbaoh hier vóór mij had staan, ik hem naar de keel vliegen en heiu verworgen zou?....quot;

XV

LETTEK- EX ZEDEKUNDIGE ONDERSTELLINGEN.

Hoe leerzaam dokter Van den Ende's onderhoud zij, wij zijn genoodzaakt, den monomaan voor eene wijl met Salomon Bisschof alleen, en dezen ouder den indruk te laten van de vlammende blikken, waarmede de Frans Affinius der 19Je eeuw , dood en verderf zwoer aan den lasteraar van zijn ander ik in do 17gt;le. Eon kalmer schouwspel vraagt onze aandacht: de oude heer David Bruce, Amsterdam, Keizersgracht bij de Leliegracht, ouder zijne studeerlamp heengebogen over een handschrift van boomschors, overdekt met hiëroglyfen.

Wanneer David Bruce dit mauuskript openslaat, dan vormt het eene afhangende, lange strook van verscheiden Neder-landsche ellen, twee palm hoog. Digtgevouweu gelijkt het een groot-oktavo boek. Het is gevat tusschen twee plankjes, en omwoeld met een koord, uit kokosvezels vervaardigd. Koord eu plankjes zien zoo zwart als roet, de bladen bruin. In kleine, open vakken, tusschen de letters, komen donkerroode afbeeldingen van dieren of meuschelijke monsters voor.

Zijn die letters werkelijk Egyptische hiëroglyfen?

Neen, gelukkig! Tot David Bruce's voldoening hebben de mannen der wetenschap, aan wie hij zijn handschrift vertoonde , dit uitgemaakt. Hij heeft het gekocht op eene vendutie, uit de nalatenschap van eeu koopvaardij-kapitein; eu het zou zijne ingenomenheid verminderd hebben, indien het Egyptisch geweest was. De aardigheid voor een taalgeleerde is, een handschrift te bezitten, hetwelk niemand lezen kan; ook hijzelf uiet. Sedert in het begin der eeuw bekwame mannen de opschriften van pyramideu en obelisken ontcijferden, was er aan het Egyptisch niet veel bijzonders meer.

135

ocr page 148

I-ETTER- EX ZEDEKUXDIGE ONDERSTELLINGEN.

Maar in welke andere taal was dan het raanuskript vervat dood of levend?

Fn den loop der twee ot' drie jaren, sedert hij van deze zeven Nederlandsche ellen boomschors eigenaar geworden was, had David Bruce het onmogelijke gedaan , om achter dit geheim te komen. Doch te vergeefs.

Te naijverig op het bezit van zijne schat, om dien toe te vertrouwen aan trekschuitschippers of diligence-kondukteurs, was hij er in persoon de Xederlandsche akademien mede rondgereisd, en had onder de oogen van alle Nederlandsche filologen en oriëntalisten, het heilig kokoskoord losgemaakt en de heilige plankjes ontvouwd.

Toen dit niet baatte, had hij van de merkwaardigste bladzijden, of die hem toeschenen dit te zijn, een naauwkeurig en kunstig facsimile doen vervaardigen, en, onbekommerd om de handen vol geld, welke hij aan teekenaar en lithograaf, aan drukker en expediteur moest betalen, exemplaren met bijbehoorenden Latijnschen tekst, aan verschillende taalgeleerde autoriteiten in het buitenland doen toekomen.

De direkteur van de wetenschaplijke afdeeling der koninklijke lettergieterij te Parijs had hem geantwoord: „De karakters „van uw handschrift komen met niet één der menigvuldige „lettersoorten overeen, waarmede ik uw facsimile heb kunnen „vergelijken. De taal is noch Hindostani, noch Perzisch, noch „Pali, noch Malabaarsch, noch Teloegoe, noch Maleoloe, noch „Goedjrati, noch Sanskriet, noch gekursiveerd Devanagari, „noch Bengali, noch Chineesch, noch Mandsjoe, noch Thibe-„taansch, noch een der drie soorten van Japansch. Echter be-„hooren de karakters blijkbaar tot de ideografische soort. Ook „zijn zij onder elkander geschreven, evenals het Chineesch. Is „het handschrift welligt uit Korea afkomstig? Tot heden geen „Koreesch alfabet hebbende kunnen magtig worden, kan ik „dit niet beslissen; maar ik zal een onderzoek doen instellen, „en, zoodra ik antwoord ontvang, de eer hebben u nader te „schrijven. Echter zal dit misschien zoo spoedig niet kunnen „gebeuren, want de karakters van het handschrift zijn in elk. „geval zeer weinig bekend.quot;

Van een abt en bibliothekaris bij het genootschap de Pro-paganda Fide, te Rome, ontving hij berigt, dat de rector der Propaganda, nota en facsimile in handen had gesteld van alle bekwaamste voormalige zendelingen der Societeit; maar dat geen hunner eene genoegzame kennis van het Chineesch be-

136

ocr page 149

LETTER- EN ZEDEKUNDIGE ONDERSTELLINGEN.

zat, om adeqiiatamente te kunnen uitmaken, welke de inhoud was van het manuskript.

David Bruce had teruggeschreven, dat dit antwoord hem niet voldeed; de karakters van zijn handschrift geenerlei overeenkomst met de Chinesche vertoonden, en het hem onder verbetering toescheen, dat de oplossing van het raadsel langs dezen weg niet te vinden was.

In een nader berigt uit Rome had men hem gelijk gegeven: „Inderdaad, uw handschrift is niet opgesteld in het Chineesch, „maar half in het Arabisch, half in het Grieksch, met cijfers „vermengd. De inhoud van het facsimile is onbeduidend. De „meeste woorden zijn geschreven met de negen eerste Arabi-„sche cijfers, vermeerderd met de nul, en met de kapitale „letters van het alfabet der Grieken. Alleen blijft het mogelijk, „dat een Chineesch kabbalist de hand heeft gehad in de zamen-„stelling van het geheel.quot;

Een Weener geleerde had op dit alles de kroon gezet, door te schrijven: „Ik bezit eene verzameling Onze Vader's in drie-„honderd negen en zestig talen. Hoewel sommige talen ge-„schreven worden met dezelfde karakters, heerscht nogtans „onder deze eene groote verscheidenheid. Welnu, ik kan u „de verzekering geven, dat geen enkel mij bekend alfabet „overeenkomst vertoont met het schrift van uw facsimile.quot;

Van dit oogenblik af was David Bruce een ander stelsel gaan volgen.

— „Daar niemand in staat is, mijn handschrift te ontcijferen langs de weg der stellige wetenschap,quot; — had hij tot zichzelven gezegd, — „zal ik beproeven, dit te doen, met hehulp der konjekturale kritiek. Achtereenvolgens zal ik verschillende hypothesen aannemen en zien, door toepassing van welke daarvan ik kan geraken tot een voldoend resultaat.quot;

Eene geheime stem fluisterde hem in, dat de taal van het handschrift noch tot den Mongoolschen, noch tot den Indo-Germaanschen, maar tot don Semitischen stam behoorde, en er eigenlijk alleen gekozen kon worden tusschen het Koptisch en het Fenicisch.

De proeven met het Fenicisch vielen echter niet gunstig uit. De inhoud, overgebragt in dat idioom, bleef abracadabra.

Beter ging het met het Koptisch. Wanneer gij in het oog houdt, zeiile David Bruce tot zichzelven, dat er tot diep in de vierde eeuw onzer jaartelling eene bloeijende Koptische christenkerk bestaan heeft, dan moet gij het in hooge mate

137

ocr page 150

LETTER- ENquot; ZEDEKUXDIGE ONDERSTELLINGEN.

waarschijnlijk noemen, dat aan den strijd over de Drieéénheid, op de kerkvergadering van Nieea in 325, door de Koptische bisschoppen ijverig deelgenomen is. Bij Eusebius althans vindt gij niets, wat tegen die onderstelling indruischt; en er bestaat bij u een zeer sterk vermoeden, dat het manuskript eene verhandeling over de Triniteit behelst. Maar het is het oorspronkelijk stuk niet! Het is eene in later tijd vervaardigde omwerking! De monstrueuse figuren, waarmede uw handschrift als geïllustreerd is, wijzen op een eeuw, toen onder de Kopten het in-zigt in de hooge beteekenis der christelijke symbolen, was ondergegaan in bijgeloof; op eene eeuw, toen het dogme karikatuur geworden was. Welnu, gij weet ook dat het Koptisch christendom, hetwelk nog heden onder de Abyssiniers voortleeft, in den loop des tijds een bastaard-christendom geworden is, vermengd met allerlei onzuivere bestanddeelen. De Koptische taal zelve heeft in de eerste helft der 17ile eeuw opgehouden, onder de levende talen te behooren. Maar dit bevestigt op ongezochte wijze de juistheid uwer hypothese! Uw handschrift is op boomschors geschreven, en moet dus afkomstig zijn uit een tijd, toen de bekendheid met het papier nog niet tot de Kopten doorgedrongen was. Maar de inhoud getuigt van een niet meer dan middelbaren ouderdom. Stel driehonderd, vierhonderd, hoogstens vijfhonderd jaren! Er kan redelijkerwijze niet aan getwijfeld worden: gij hebt te doen met een theologisch traktaat uit de twaalfde, de dertiende, de veertiende eeuw, waarin onkundige Koptische priesters, met behulp van eene ongeoefende teekenpen, een afgetrokken christelijk leerstuk , tot welks dieperen zin zij niet meer wisten door te dringen, beproefd hebben toe te lichten!

Het is aan het opstellen eener memorie , tot staving dezer konjektuur, dat David Bruce tegenwoordig zijne geleerdheid, zijne scherpzinnigheid , en zijne vrije uren wijdt. Hij staat er mede op, en gaat er jnede naar bed; en zelfs is de vraag, of hij het naar bed gaan er niet voor goed aangegeven zou hebben, zoo mevrouw Bruce niet somtijds, na afloop van het avondeten, hem aan zijne sterfelijkheid was komen herinneren.

— „Beste man, het is nacht. Digter bij éénen, dan bij twaalven.quot;

— „Kom binnen, Adrienne, en ga zitten!quot;

Mevrouw Bruce was zoo goed niet, of zij moest haar kaars uitdoen en het verslag van haars echtgenoots vorderingen in het Koptisch aanhooren.

138

ocr page 151

LETTER- EN ZEDEKÜSDIGE ONDERSTELLINGEN.

— „Het licht wordt al overvloediger— zeide hij, — „iederen dag overvloediger. Kon men het ooit in zulke zaken tot mathematische zekerheid brengen, ik zou meenen, dat toppunt bereikt te hebben. Om de driehonderd negen en zestig talen van het Onze Vader, dit weet ge, heb ik mij nooit ernstig bekommerd. Welk man van wetenschap zal het bestaan eener driehonderd zeventigste taal in zichzelf onmogelijk of onwaarschijnlijk noemen? Bovendien beweer ik strikt genomen niet, eene nieuwe taal ontdekt te hebben. Ik ben alleen uitgegaan Van de onderstelling, dat het handschrift een bedorven Koptische tekst kon zijn, en van het bastaard-Kop-tisch in zuiver Koptisch moest overgezet worden. En telkens ontdek ik nieuwe bijzonderheden, die mij in dat gevoelen bevestigen. Zie eens hier! Kom eens naast mij zitten! Mijne autoriteiten gewagen van Grieksche kapitalen en Arabische cijfers. Welnu, niet-alleen heeft het Koptisch tusschen de eerste en de vierde eeuw den invloed van het Grieksch, in de achtste eeuw en vervolgens zeer sterk den invloed van het Arabisch ondervonden; maar ge vindt op iedere bladzijde van het manuskript de sporen daarvan terug. Wat dunkt u van dit karakter? Van dit accent ! Van dit haaltje? Hun Grieksch-Arabische oorsprong is onmiskenbaar! Men tast de verwantschap! Te Parijs en te Eome heeft men gemeend, het Chineesch te hulp te moeten roepen. Doch waarin lost dio schijnbare overeenkomst zich welbezien op? Hierin, dat wij èn in ons handschrift èn bij de Chinezen met ideografie te doen hebben! Maar, beste Adrienne, ook de Egyptenaren, zoo na verwant aan de Kopten, waren ideografen! De hiëroglyfen van Memphis en ïhebe, wat zijn zij anders, dan groepen van denkbeelden, niet uitgedrukt door woorden, zooals wij westerlingen gewoon zijn te bezigen, maar uitgedrukt door figuren? Ge ziet, alles komt uit! Geen enkele voorzorg, die mij voor dwaling behoeden kon, is door mij verzuimd. Mijn alfabeth, mijn woordenlijst, mijn spraakleer, alles heb ik getrokken uit het manuskript zelf, en heb telkens het een met het ander gekontroleerd. Vergissing is menschelijkerwijs onmogelijk geworden. Het handschrift, durf ik zeggen, is ontcijferd! Een drukker, die bij een lettergieter de karakters bekomen kan, zou het morgen ter perse kunnen leggen!quot;

— „En blijf je van oordeel, dat ook de inhoud aan uw voorstelling beantwoordt?quot; — vroeg mevrouw Bruce, wier vertrouwen in haar mans schranderheid door niets geschokt kon worden.

139

ocr page 152

140 LETTER- EN ZEDEKUNDIGE ONDERSTELLINGEN.

— „De taal, Adrienne, blijft de hoofdzaak. De inhoud is van minder belang. Verhandelingen over de Drieëenheid bestaan er in overvloed. Een traktaat méér over die ondankbare stof kan de wetenschap geen voordeel aanbrengen. Maar ja, zoo ge wilt dat er aan mijn ontdekking niets ontbreken zal, ook die proef op de som laat niets te wenschen over. Het zijn van punt tot punt de bekende redeneringen over de drie goddelijke Wezens, die men noch scheiden, noch vereenigen mag, het een zoowel als het ander op strafte van den eeuwigen toorn. Hoe zit ge zoo in gedachten, lieve vrouw?quot;....

David Bruce vergiste zich niet, dat de opmerkzaamheid, die zijne vrouw hem leende, voor een deel gemaakt was.

— „Bruce,quot; — zeide zij, zich vermannend om niet te schreijen , — „ik denk aan broeder Cornells. Tot hem in de eerste plaats, die zoovele jaren in Indie heeft doorgebragt, hadt ge u mee uw handschrift moeten kunnen wenden. Geen vreemden, te Rome ofte Pa-ijs, hadden tusschenbeiden moeten komen. Het zou zoo natuurlijk geweest zijn!quot;

— „Geloof dat niet, Adrienne. Waarlijk, broeder Cornells had met den besten wil mij niet kunnen helpen. Alles is van mijzelven moeten komen. Wat zou het gebaat hebben, of Cornells evenals de anderen gezegd had: het is geen Chineesch of het is wel Chineesch? Dit had mij misschien van dienst kunnen zijn, zoo ik ten einde toe was blijven aarzelen. Maar nu ik zeker ben van mijn zaak? Nu ik weet, dat het Koptisch is? Broeder Cornells verstaat geen Koptisch!quot;

— „Daar zeg ik het niet om, Bruce. Het zou genoeg geweest zijn, zoo hij met u zamengewerkt, belangstelling getoond , een blijk van hartelijkheid gegeven had. Ik weet wel, dat ge knapper zijt dan hij. Maar niets, niets! Ook niet van het meisje. De dochter is als de vader. Weken en maanden zijn voorbijgegaan, sedert ik bij hen was in Den Haag, en ik vei-neem taal noch teeken. U en de kinderen heb ik om hunnentwil alleen gelaten, geen moeite is mij te veel geweest om Jozefine voort te helpen, aan Cornells heb ik nu al driemaal geschreven. Geen antwoord. Hij zwijgt, Jozefine zwijgt. Met de afgezaagdste dankbetuiging hadden zij mij gelukkig kunnen maken!quot;

— „Adrienne,quot; — knorde hij vriendelijk, — „nu zeg ik tot

het is nacht. Van dat laat opblijven komen de muizenissen

en komt het wakker liggen. Ga slapen, en vergeet uw ondankbaren broeder en zijn ondankbare dochter!quot;

ocr page 153

LETTER- EX ZEDEKUN'DIGE ONDERSTELLINGEN.

— „Dat is gemakkelijk gezegd, Bruce. Zoolang Cornelis in fndie was, dacht ik niet aan hem met droefheid. Schreef hij niet, dan verontschuldigde ik hem. Sedert ik hem teruggezien heb, hem en dat kind, mout ik aan hem denken. Zijn herinnering vervolgt mij, als iets waar ik tegelijk van gruw, en waarmede ik medelijden heb.quot;

— „Dat is niet verstandig, lieve vrouw. Zoo wij het in onze magt hadden, de inborst van Cornelis of Jozefine te veranderen, wij zouden het doen. Rust en genoegens zouden we er ons voor ontzeggen. Dat weet ge van mij, zooals ik het weet van u. Maar wij kunnen niet. Met den besten wil der wereld kunnen wij niet. Wat schiet er dan over ? Ga naar bed, Adrienne 1 Slapen en vergeten is het eenige kruid tegen zulk soort van leed Daarom zijn de jongelui zoo opgeruimd. Die slapen als rozen.quot;

— „Maar het is dan toch vreeselijk,quot; — zeide mevrouw Bruce, zonder acht te geven op haar mans wijzen raad, — „dat men voor wezens die men liefheeft, en voor wie men goed zou willen zijn, niets zijn en niets doen kan! Ook niet, al zijn zij uw eigen vleesch en bloed 1 Weet ge wat ik geloof, Bruce?quot; — ging zij voort, de oogen afwendend.

— „Ik geloof, dat broeder Cornelis verloren is. Wat de bijbel verloren noemt. Het is slecht van mij, dat ik zoo denk: maar ik kan het niet van mij afzetten. Hij is geen verloren zoon, geen gevallen engel. Er is in zijn verdorvenheid niets groots. Zoo ge hem hadt hooren spreken als ik, in de dagen dat ik bij hem logeerde! Zelfs wanneer hij iets goeds doet, kan men hem niet liefhebben. Goed is hij alleen voor menschen, die hij onbereikbaar ver beneden zichzelven stelt. Zijn goedheid is verachting. Wat kan er, bij zijn dood, van hem overblijven? Al hetgeen er onsterfelijks in ons menschen schijnt te zijn, wordt bij hem al minder en minder, hoe meer men hem leert kennen. Somtijds verbeeld ik mij, dat wanneer hij stierf, en ik God was, en de engelen mij vroegen, of het de moeite waard was hem naar het eeuwige leven over te brengen, ik sidderend zou antwoorden van neen!quot;

— „Adrienne, Adrienne, welke spookgestalten haalt ge u in het hoofd!quot; — zeide David Bruce, bestraffend. — „Ga naar bed, zeg ik nog eens'. Wij hebben niet te overwegen, of broeder Cornelis al dan niet verloren is. Waarom niet verdoemd? Dat zou nog plegtiger klinken! Ook op mij maakt hij meer den indruk van een gedroogde pruim, dan van een gevallen

141

ocr page 154

LETTER- EN ZEDEKUNDIGE ONDERSTELLINGEN.

senif. Maar ik geef hem daarom niet op, zoomin voor hier namaals als voor hier beneden! Hot eeuwige leven kan hem zeer wel weder tot zichzelven doen komen, zooals gedroogde vruchten, wanneer men ze in het water te weeken legt, hun rimpels verliezen en zich weder uitzetten.quot;

— „Maar indien ik dat nu niet gelooven durf, Bruce? Indien ik het voor onmogelijk houd, volstrekt onmogelijk, dat hij ooit weder goed zou kunnen worden ?quot;

—• „In geen geval kunnen wij daaraan iets veranderen, Adrienne. Wij behooren het te verdragen, en er ons geduldig aan te onderwerpen. Cornelis heeft zesendertig jaren in Indie doorgebragt; en indien het waar is, dat men zoo wordt als hij, door het klimaat, dan moeten we aannemen, dat hij er niet verantwoordelijk voor is.quot;

De filosofie van David Bruce vermogt zijne vrouw ditmaal niet te troosten.

— „Zoo het van het klimaat kwam,quot; — zeide zij, hoofdschuddend , — „dan zou ren minste Jozefine anders wezen. Die is nog zoo jong! Die is niet uit Europa naar Indië gegaan !quot;

— „Welnu, Adrienne, wanneer Jozefine trouwt meteen verstandig man, die haar weet te leiden,haar hart weet te winnen, haar voor de tweede maal weet op te voeden, dan zal zij mettertijd ook zeker een lieve vrouw worden. Die Indische meisjes hebben kuren, nu ja. Maar die gaan er wel uit. Heb maar geduld. Jozefine zou de eerste nuf niet wezen, die wanneer om haar de regte Jakob, en zijzelve in de kleine familie komt, veranderde als een blad aan een boom.quot;

— „Neen, Bruce, dat is juist wat mij kwelt. Ge hebt niet in Den Haag gelogeerd, zooals ik. Ge zijt te verdiept geweest in uw handschrift, in den laatsten tijd. Jozefine zal nooit veranderen. Wie zou het hart winnen van een meisje zonder hart'? Aan trouwen denkt zij genoeg; maar ik ben zeker, dat er niets is, wat zii zoo haat of verfoeit, als kinderen te moeten krijgen.quot;

— „Dat heeft zij u gezegd, ja. Maar zij kan het niet gemeend hebben. Jonge meisjes zeggen wel meer van die dingen!quot;

— „Gezegd? Zoo zij het mij gezegd had, zou ik er niet over spreken, Bruce. Maar ik heb het gelezen in haar gemoed.quot;

— „En ik dacht, dat ge zulk een aangenamen indruk van haar ontvangen hadt?quot;

— „Dat heb ik ook. Zij ziet er allerbekoorlijkst uit. Vooral haar taille is bewonderenswaardig. Zij kleedt zich om te stelen.

142

ocr page 155

LETTER- EX ZEDEKÜXDIGE ONDERSTELLINGEN.

Zij is een flinke huishoudster. Haar manieren zijn die van een jong meisje, dat van een perfekte school komt. Overal waar ik visites met haar gedaan heb, bij de Leopold's, bij de Coppenol's, heeft zij een uitmuntenden indruk gemaakt. In den regel is zij stil; maar onder vier oogen kan zij aardig uit den hoek komen.quot;

— „En die mijnheer Wilson?quot;

— „Dien heb ik óók heel stil gevonden. Maar om niets van te zeggen. Een beleefd marine-officier. Een jongere vriend van broeder Cornelis.quot;

— „En verder? Want niets wat ge van Jozefine ophaalt, maakt mij ongerust. Zulke meisjes vindt men hij de vleet, in alle groote steden. Alleen zelden zoo mooi. Haar schoonheid is misschien Jozefine's grootste gevaar.quot;

— „Heb ik u dan niet gezegd, Bruce, dat zij geen hart heeft? Voor niets en voor niemand. Xiet voor haar vader dien zij met voorbedachten rade grieft en belagchelijk maakt. Xiet voor haar dienstboden, die zij afbeult en vernedert. Xiet voor mij, wie zij met open oogen sprookjes op de mouw heeft zitten spelden. Zelfs niet voor haar vriend, mijnheer Wilson, die, al is hij een getrouwd man, braaf met haar koketteert. Zij is ongevoelig. Zij is dubbelhartig. En dom! Zonder wedergade. Zij maakt geen muziek. Zij teekent of schildert niet. Romans lezen en zich kleeden , is h'aar eenig tijdverdrijf. Ik bid u, wat moet er van dit meisje worden ? Zij heeft al de ondeugden van haar vader, alleen bedekt door haar schoonheid, en nog leelijker daardoor, voor wie haar doorgrondt.''

— „Ik geef ernstig in overweging, lieve vrouw,quot; — zeide David Bruce, — „dit onderhoud te staken, en naar bed te gaan. Dat Jozefine's onkunde fabelachtig is, verwondert mij niet. De appel valt niet ver van don stam. Broeder Cornelis is een dier domme menschen, die de wereld aan hun geleerdheid willen doen gelooven. Dat zijn de ergsten. Maar wat kunnen wij er aan doen? Leven, Adrienne, is wachten. Hebt ge ongunstige berigten van de Haagsche vriendinnen? Zoo niet, wend geen pogingen aan om iets te veranderen aan het onveranderlijke. Ik zie Jozefine's toekomst nog zoo donker niet in. Zoo dikwijls ziet men gebeuren, dat de dingen een onvervvachten keer ten goede nemen.quot;

— „De Hemel geve het 1 Tijding uit den Haag heb ik niet. Betsy heeft geen tijd om te schrijven, en met Suze ben ik niet familiair genoeg. Maar dat Jozefine mij niet schrijft! Dat

143

ocr page 156

LETTER- EN ZEDEKUNDIGE ONDERSTELLINGEN.

Cornelis niets van zicli laat hooren! En hij had zoo stellig beloofd, mij beiigt te zullen zenden, zoodra al Jozefine's papieren in orde waren 1 Helaas, ik vrees dat hij zijn valsch-heid de kroon zal opzetten, door ook hierin zijn woord niet te houdenI Ik weet, dat Jozefine hem een belofte heeft afgeperst, en hij is in staat, zich daarover op haar te wreken. De kortzigtige! Begrijpt hij niet, dat Jozefine's oneer ook de zijne is? Brengt zijn eigen belang niet evenzeer als het hare mede, een einde te maken aan haar valsche positie? Welk een afgrond van liefdeloosheid, Bruce! Hoe kan een vader zoo met zijn dochter doen, een dochter dus haar vader bejegenen! Ik schaam mij, ik schaam mij! Mijn eigen bloed! Mijn eigen broeder en zijn kind! Ik kan, ik kan het niet vergeten. Ik may niet. Hot is een waarschuwing. Laat ons nimmer zoo worden, Bruce, belooft ge mij? Laat God er ons voor bewaren, dat onze kinderen ooit dus tegen ons opstaan! Ik zou het niet overleven, Bruce. Ik zou een gevoel hebben, alsof ik het begin was van een vloek, bestemd om over te gaan tot op het derde en vierde geslacht!quot;

— „Adrienne,quot; — zeide David Bruce op gestrengen toon,— „zoo ge nu niet terstond naar bed gaat, dan draai ik de lamp uit. Ik verkies niet, dat ge terwille van broeder Cornelis en zijn dochter uzelve in die mate zult opwinden. Liefdeloosheid is zeker een groot kwaad; al weet ik niet, of zij evenals de elefantiasis, naar de voorstelling der volken van het Oosten, vatbaar is voor overplanting van het eeue geslacht op het andere. Maar voorbarig oordeelen is evenmin een deugd; en zoo wij voortgingen op deze wijze over leden van onze familie te spreken, dan zou het kunnen gebeuren, dat wij ons daaraan schuldig maakten. Vergun, dat ik mijn mauuskript op-vouwe, en laat ons gaan slapen....quot;

Deze korte leerrede was welgemeend en stichtelijk. Doch zij had met sommige langere gemeen, geen hout te snijden, of zoo men liever wil, uit te gaan van een verkeerd punt.

David Bruce had zich, na de vlugtige persoonlijke kennismaking met zijn zwager Cornelis van Alkemade, zeer weinig aan dezen, en in het geheel niet aan zijne dochter laten gelegen liggen. Vergefelijke koelheid, geboren uit de instinkt-matige overtuiging, dat zijn zwager en hij nooit iets voor elkander konden zijn, en hij voor het meisje alleen dan iets zou kunnen worden, indien zij te eeniger tijd het geluk of het ongeluk had, haren vader door den dood te verliezen. In

144

ocr page 157

LETTER- EX ZEDEKUXDIGE OXDERSTELLIXGEX.

dat geval, — daarvan was hij zich bewust en dit schonk hem vrede, — zou hij voor Jozefine zijne armen en zijn hart ontsloten, en haar als eene geliefde oudere dochter in zijnen kring opgenomen hebben.

Doch zóó kalm kon zijne vrouw de dingen niet aanzien. Was haar echtgenoot bedrevener in het Koptisch, de liefde voor haar bloed maakte haar scherpzinniger, wat betreft hetgeen omging in Den Maag, aan de Bogt van Guinee.

Niet voorbarig oordeelde zij, dat hetgeen daar voorviel reden tot bezorgdheid gaf, ook al moest zij zich voorshands tot gissingen bepalen. Het was een ongunstig teeken, dat de oudgouverneur zijn woord niet hield, en zijne zuster tot heden vruchteloos naar het definitief berigt van .Tozefine's erkenning had uitgezien. Hoe weinig moeite had hem dit behoeven te kosten, zoo hij zijne belofte werkelijk nagekomen was! Met één zijner Latijiische frazen had hij haar de rust kunnen schenken, die zij voor hare eer en voor .Tozefine's welzijn behoefde. Scripsi, et salvavi animam: al had de geheele brief uit die weinige woorden bestaan, haar man zou haar wel uitgelegd hebben, wat dit beteekende.

Ook Tozefine's zwijgen voorspelde niets goeds. Mevrouw Bruce was haar Indisch nichtje zoo hartelijk te gemoet gegaan, had haar oordeel over Jozefine's gebreken zoo edelmoedig opgeschort, was in één woord zoo goed en lief voor haar geweest , dat men wel het hoofd moest schudden over een jong meisje, hetwelk in den loop van drie volle maanden, tijd noch gelegenheid had kunnen vinden, voor zooveel welwillendheid regtstreeks of zijdelings dank te betuigen. De ongunstigste meeningen omtrent haar karakter schenen door deze ondervinding gewettigd te worden. Zoo kon alleen de onverbeterlijke zelfzucht handelen, die klein en groot, oud en jong, vreemd en eigen, beurtelings als werktuigen bezigt, en, na gemaakt gebruik, er niet meer naar omziet.

145

10

ocr page 158

xvr

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

Laat ons zien, in hoever Jozefine's Haagsche gedragingen de minder vleijende gevolgtrekkingen regtvaardigen, waartoe men te Amsterdam meende, ten aanzien van hare inborst te moeten komen.

Haar leven in huis was, sedert het bezoek van haar tante Bruce, niet aangenamer of gemakkelijker geworden. Men kon het haar bijna niet kwalijk nemen, dat zij hoe langer hoe minder van haar vader ging houden. Dronk hij bij toeneming, in het geheim? Overprikkelde het hazardspelen zijn zenuwgestel ? Zeker is het, dat het hem na iedere opwelling van verbittering ot' hartstogt, meer moeite ging kosten, zijne verwaande zelfbeheersching terug te vinden, bron van zijne kunstmatige kalmte. De natuur begon zich te wreken, scheen het, van het sedert jaren en jaren aan haar gepleegd geweld. Het eigenlijk slopingswerk moest nog een aanvang nemen; maar het vroegere evenwigt bestond niet meer. Al zeldzamer begaf tegenwoordig de oud-gouverneur zich in die uitweidingen over menschen en dingen, welke zijne specialiteit waren, en waarin hij den teugel vierde aan zijn natuurlijk vernuft, — eene zelfbehagelijke, beleedigende soort van geestigheid, waar men niet nalaten kon om te glimlagchen, mits zij werd toegediend bij kleine hoeveelheden tegelijk, en men er niet persoonlijk door werd aangerand in hetgeen men liefhad of vereerde. Bijna nooit was hij aardig meer. Bijna altijd norsch, opvliegend, grof, kwalijknemend. Zijne Latijnsche citaten, wier stroom allengs trager vloeide, zou Jozefine hem geschonken; zijn duldeloos humeur zoti zij verdragen hebben. Door haren onwil tegen den zijnen over te stellen, kon zij zijne bokkigheid onschadelijk maken. Maar wat zij hem niet vergaf was, dat hij in den verzoeningsbrief aan haar tante zich met opzet van dubbelzinnige uitdrukkingen bleek bediend te hebben, ten einde straffeloos zijn woord te kunnen breken. Dat zij zelve medepligtig was geweest aan het bedrog, dit rekende zij niet mede. Haar stond het vrij, vond zij , geweld en list te gebruiken. Zij was jong en eene vrouw. Maar dat

ocr page 159

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

haar vader, een man niet grijze haren, beloofd had haar te zullen erkennen en het niet deed, dit doofde in haar gemoed de laatste vonk van genegenheid — neen, die had zij nooit voor hem gekoesterd, — dit vernietigde het laatste overblijfsel van ontzag, en verstikte meteen de kiem der deernis, die de aanblik van zijn naderend verval had kunnen opwekken.

Met Henri Wilson bleef zij op denzelfden voet. Den wapenstilstand, te Rotterdam met Trude gesloten, had zij in haar hart reeds sedert lang opgezegd. Trude verdiende niet beter, dan verraden te worden door den man, dien zij in hare onbehagelijke netten gelokt had, en die als een blok aan het been haar achter zich aansleepte. Ware het Henri slechts gelukt, dacht Jozefine, mij een weinig meer belangstelling in te boezemen voor zijn persoon! Maar dit wilde niet komen. Waar en wanneer zij hem ontmoette, in gezelschap of te huis, hij bleef op haar den indruk maken van eene om de kaars vliegende mug, die, in weerwil van haar fladderen en gonzen, niet tot een besluit komen kan. De kring, waarin Henri's denkbeelden en gevoelens zich bewogen, was Jozefine te dichterlijk, te sentimenteel. Toen zij nog niet in de wereld kwam, had zij het met zijne verzuchtingen voor lief genomen. Thans kon hij enkel een cavalier voor haar zijn; niet langer een aanbidder. Zij moest een aanbidder hebben, wien niets verhinderde , een echtgenoot te worden.

Van de feestengevende dames, met welke mevrouw Bruce haar in kennis had gebragt, beviel haar het best mevrouw Coppenol, jongere halve zuster van den referendaris Leopold, wiens Betsy, zeide mevrouw Bruce, het te druk had met haar talrijk gezin, om zelve in de wereld te gaan of brieven te schrijven, en geen fortuin genoeg, om te ontvangen. De zonnige zijde van Jozefine's leven, tegenwoordig, was de vriendschap, eigenlijk het patronaat, van mevrouw Coppenol. Deze dame, eene statige zwartoogige met den levenslust en de vrolijkheid eener blondine, had, op haar dertigste of vijfendertigste jaar, uit raisonnement, een schatrijk oud man getrouwd van mindere afkomst, met wien zij nu sedert tien jaren, voor het oog der wereld, een gelukkig en onbesproken leven leidde, en die, in ruil voor haar persoon, haar geholpen had aan een huis in het Voorhout, overvloed van bedienden, een stal met koets en paarden, een ruim krediet bij de modemaakster, en geen kinderen.

Tante Suze, gelijk zij genoemd werd bij de Leopold's aan

147

ocr page 160

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN'.

huis, — waar de des te talrijker kinderen haar op de handen droegen, — jiold in het toenmalig Den Haag voor eene erkende beschermvrouw van aankomende jongelui; eu Jozefine ondervond, dat zij dien roem niet geroofd had. De beleefdheden van mevrouw Coppenol voor het Indische meisje waren onuitputtelijk. Eene vermogende bloedverwante had niet guller kunnen wezen, en zou misschien minder kiesoh geweest zijn.

Bij haar aan huis was het ook, dat .Tozeline voor het eerst dien jongen Efraïm ontmoette, over wien wij RebekkaBisschof met haren vader hoorden spreken, en van wien de wereld beweerde, dat hij de dochter van den oud-gouverneur het hof maakte. Efraïm Senior beroemde er zich op, dat niemand, die hom voor het eerst ontmoette, hem nog ooit anders dan voor een christen had aangezien. Bij zijn zoon, die bovendien een zuiver westerschen voornaam draagt, was de illusie nog volkomener. Otto Efraïm was een beeldschoone knaap, met een hoog blank voorhoofd, een levenslustigen mond, een dichterlijken kastanjebruinen krullebol, en een paar groote blaauwgrijze oogen vol jonge wijsheid en vol geest. Met eene gemakkelijkheid, die elke pedanterie buitensloot, wist hij te spreken over uiteenloopende onderwerpen, nu de mannen bekorend, dan de vrouwen of de meisjes, en op een ieder den indruk makend, dat hij zoo niet een genie was, dan toch een dier voorbestemde geniale mannen van de wereld, die het verder plegen te brengen dan de genieën zeiven.

Kon mevrouw Coppenol een zonnig hoekje van Jozefine's leven in die dagen genoemd worden, Otto Efraïm werd weldra voor haar de zon zelf. Die moest haar man worden! Zijn vader was rijk, en kende in den Haag alle aanzienlijkste personen. Hij zelf zou, zoodra bij gepromoveerd was, naar Indie gaan, en binnen weinige jaren daar eene schitterende carrière maken. Zij zou hem vergezellen, en hem daarbij behulpzaam zijn. Met hun beiden zouden zij te Batavia een druk en ge-noegelijk leven leiden. Hij danste als koning David voor de ark, teekende landschappen en portretten, zong bij de piano, kleedde zich als een geboren gentleman, en was knap. Dit laatste zeide iedereen. Mannen van jaren voorspelden, dat alles hem daarginds zou medeloopen. Wat haar betreft, zij bragt haar vaders invloed, haar schoonheid, haar toilet, en hare goede Brusselsche manieren ten huwelijk. Ursule d'Or-beval's wittebroodsdagen waren in aantogt.

En meen niet, dat Jozefine dezen roman eisen willis verzon 1

148

ocr page 161

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

Otto's mond had er nog niet met haar over gesproken, maar zijne oogen des te mee;.-: die groote, eerlijke oogen, wier trouw» bij iedere ontmoeting, een handdruk bezegelde. Ook mevrouw Coppenol was er vol van, zoo vaak zij onder vier oogen zich inet Jozefine onderhield. Zij legde Jozeflne uit, dat de heer Efraïm, de vader, eigenlijk niet rijk was, ten minste geen millionair, en een jood. Maar dit vermeerderde, deed zij gevoelen, Jozefine's kansen. Otto kon er niet op rekenen, dat zijn vader, die nog voor een half dozijn andere kinderen te zorgen had, hem uit de hand zou blijven houden. Otto moest zelf zich eene positie maken. Maar in Nederland stond zijne afkomst hem daarbij in den weg. Zijn belang en zijne eerzucht dreven hem naar Indie, waar hij bij den geslachtsnaam zijns vaders slechts dien van zijne vrouw zou behoeven te voegen, om binnen weinige jaren bij de geheele wereld voor een geboren christen door te gaan.

— „Zoo ge uw hart op hem gezet hebt, liet' kind.quot; — zeide mevrouw Coppenol, — „houd dan goeden moed. Eer het zes weken verder is, zijt ge met hem geëngageerd, en over een jaar wordt ge zijn vrouw.quot;

In die stemming verkeerde Jozeflne, toen zij, en Henri, en Otto, en de geheele Haagsche beau-monde, uitnoodigingen ontvingen voor eene soiree ten huize van den graaf Van Winterswijk, — eene soiree, zeide het gerucht, die vereerd zou worden door de tegenwoordigheid van Z. M. koning Willem II, van 11. M. de koningin en van HH. KK. HH. de prinsen en prinsessen.

Graaf Winterswijk, op een eersten stand in een historisch hotel gehuisvest, was een man van gevorderden leeftijd, maar nog kras en bij de hand; telg eener oud-nederlandsche familie, die reeds sedert een paar eeuwen ambassadeurs en leden van den Raad van State, althans nooit minder dan leden van den Raad van Indie had voortgebragt. Hij zelf was onder Koning Willem I. bij afwisseling, minister van Koloniën en Gouverneur-generaal geweest, en stond bij voortduring, hoewel thans ambteloos burger, bij de koninklijke familie in aanzien. Zijne salons golden teregt voor een toonbeeld van comfort en weelde, maar bij buitengewone gelegenheden was het gezelschap er gemengd. Zelfs een staatsman van den hoogsten rang in Nederland, kan niet eenige jaren in Indie doorgebragt hebben, of hij moet bij zijne terugkomst, zoo hij zich in Den Haag nederzet, sommige koncessies doen. Op avonden, dat

149

ocr page 162

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

de graaf Van Winterswijk de deuren van zijn hotel wijd openzette, merkte men onder den drom der gasten hier en ginds, sommige wonderlijke heeren op, gerepatrieerde wrakken der Indische zamenleving. De heer Cornelis van Alkemade, oudgouverneur der Molukken, zou er zich op zijne plaats gevoeld hebben. Doch ongesteldheid verhinderde hem, en ditmaal niet voor de leus.

Voor Jozefine was het belang der soirée minst van al in liet verschijnen der koninklijke familie gelegen. Zij zag de prinsen en prinsessen; zag van verre den koning en de koningin , omstuwd door kamerheeren en hofdames. Maar zij gevoelde te zeer, in dit gezelschap niet mede tot de hoofdpersonen te behooren. Trouwens, haar isolement, en dat van honderd anderen met haar, duurde maar kort. Bijna even snel als hij gekomen was, verdween ook weder de vorstelijke stoet. Men hoorde de lakeijen de portieren der gala-rijtuigen digtslaan, en toen eerst weer begon voor de gewone stervelingen het eigenlijke feest.

Voor Jozefine eene belangwekkende partij! Bij bot rondzien in de salons en de gangen van graaf Winterswijk's hotel, dacht zij aan den aanblik, dien eenmaal hare eigen woning te Batavia vertoonen zou, wanneer Otto daarginds een man van ge-wigt zou geworden zijn. Haar oog nam de maat van divans en overgordijnen: van Indische wapentrofeeën, ter weerzijde der spiegels: van spiegelkasten, uit Indisch hout vervaardigd, en gevuld met opgezette paradijsvogels.De smirnasche tapijten, de hemelsblaauwe behangsels van gebloemd satijn in vergulde randen, zou zij daarginds niet kunnen gebruiken. Ook niet de schilderijen in olieverf, waarmede de wanden der voorvertrekken bekleed waren. Zulke dingen werden in Indie maar opgegeten door de insekten. Des te meer wit marmer zou er in hare Bataviasche woning aangetroffen worden: in de voor-, in de achter-, in de binnengalerij, in de zijkamer. Meer vit en glanzig marmer, dan zelfs in het hötel van den graaf Van Winterswijk te zien was. Veel meer! Zij zou wel zorg dragen, dat Otto's woning en de hare er niet uitzagen, zooals die van haar vader, te Makassar, gedaan had: een paleis zonder meubelen, zonder spiegels, zonder gasten; een gouvernements-woestijn van steen, waar men in de kamers en galerijen verdwaalde, en nergens een gezellig hoekje vond. Haar huis zou èn groot, èn fraai, èn gezellig zijn. Er zou worden gedanst, muziek gemaakt, kaart gespeeld, komedie vertoond. Het zou alles in zich vereenigen. Waar bleef Otto?

150

ocr page 163

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

Daar ging op een afstand mevrouw Coppenol haar voorbij, aan den arm van Henri Wilson. Wat;' Al zijn leven! Er was geen twijfel aan! Mevrouw Coppenol maakte Henri het hof, on Henri liet het zich aanleunen! Tante Suze verliefd van Henri, Henri verward in de strikken van tante Suze: wat een komedie! Hoe amusant! Welke aardige dingen gebeurden er in de wereld, sedert zij Otto had leeren kennen! Jozefine kon het niet op. Waren het eigenlijk wel tante's strikken? Kwam het niet, dat tante te weinig strikken droeg, vooral op haar borst? Helaas, met tante's jeugd was het gedaan: dit kon een ieder te weten komen aan den burgerlijken stand. Dit wist haar kamenier, die reeds een- en andermaal een verraderlijk grijzend haartje weder zwart had moeten schilderen, neen, had moeten uittrekken! Maar zij had nog mooijo oogen, mooije armen, mooije schouders; en — dit wist niet-alleen de kamenier, maar ook Jozefine zelve, — zij was in huis zeer ongelukkig. Misschien was Henri wel tien jaren jonger dan zij, doch mijnheer Coppemil was zeker twintig jaren ouder. Mevrouw had het verschil maar te deelen. En welk een akelige man, die mijnheer Coppenol! Jsiet hatelijk of opvliegend, zooals haar vader; maar lomp, boersch, met gemeene manieren. Vies om ce zien eten en drinken. En praten! Suze zuldege uitgaan? Suze, ivildege thuisblijven? Ik verkies niet, Suze, daddege dit of dat doen zult. Neen, dan moest men het tante vergeven, dat zij een zwak voor Henri had. Waarom zou zij niet? Zij, Jozefine, vond aan Henri niet veel bijzonders. Zij moest altijd lagchen, wanneer zij aan zijn vrouw dacht. Maar hij was geen onopgevoede parvenu, zooals mijnheer Coppenol. Zijn blonde baard en blonde haren stonden hem goed. Welzeker, tante, neem het er nog maar eens van! U kunt nooit weten, of het niet voor het laatst is. Wat zal Otto een pleizier hebben (waar blijït hij?), als ik hem dit nieuwtje vertel! Maar hij weet het zeker al lang. Ik had het óók al lang moeten weten. Voor niets heb ik oogen, tegenwoordig. De aardigste gevalletjes wandelen onopgemerkt mij voorbij. O domme, domme Henri, wie had een half jaar geleden gedacht, dat tante Suze's uitgesneden japon en smachtende blikken u zoo spoedig ontrouw zouden maken aan de poëzie van het leven!...

Daar was Otto. Eensklaps zag Jozefine hem in de deur van liet groote salon, staan praten met graaf Winterswijk. De graaf scheen belang iu hem te stellen; keuvelde geruimen tijd met hem; rekende hem op de vingers iets voor, gelijk een man

151

ocr page 164

LAATSTE NIEUWE KEKNISSEN.

van jaren doet, die wijzen raad staat te geven aan een jongeling. Ongetwijfeld liep het onderhoud over de gewisse kansen van Otto's toekomst, zoo hij bij het plan bleet', naar Indie te gaan.

Hoe bekoorlijk zag hij er uit, in de verte als van nabij! Was er op dit geheele leest, waar jonge officieren niet militaire Willemsorden op de borst, jonge diplomaten met buiten-landsche dekoratiën in het knoopsgat, allerlei jonge mannen van naam en talent elkander verdrongen, — ook jonge schilders, jonge schrijvers, jonge dichters, — was er daaronder wel één, die haar Olto overtrof? Zij wist zelve niet hoe het kwam, maar vóór zij Otto leerde kennen, had zij zich altijd verbeeld, dat het opkomend geslacht der Efraïm's uit kleine meisjes bestond. Nooit, wanneer zij in haar vaders plaats den kassier eenige oogenblikken te woord stond in de voorkamer, was het in haar opgekomen, dat hij een volwassen zoon had, een bijna gepromoveerd student. Haar informeren naar den welstand van mevrouw Efr lïm en van de Ef'raïmsche jeugd, was nooit anders dan eene pligtpleging geweest, eene aardigheid, waar zij naderhand om lachte, zich voorstellend, dat het gezin van den kassier een potsierlijk troepje vormde, smakeloos opgeschikt en opgeprikt. Daar was Otto haar verschenen! Zijn aanblik, zijne schoonheid, zijn vernuft, hadden al het frissche en innemende eener verrassing voor haar gehad. De groote verrassing van haar leven!

En welk een invloed had hij op haar uitgeoefend, van het eerste oogenblik af! Daareven nog, toen hare oogen al die fraaije zaken opnamen om haar henen, en zij naar hare eigen Bataviasche woning in gedachten de door graaf Winterswijk verzamelde kostbaarheden overbragt, — daareven nog bad het haar getroffen, hoe blind en onverschillig voor zulke dingen zij vroeger plag te zijn. Maar Otto was gekomen, Otto had haar het hof gemaakt, — en zij, die weleer eene kamer in een logement als het toppunt van comfort beschouwde; wier eigen boudoir op niets zoozeer als zulk een bij den dag gehuurd vertrek geleek, zij was eensklaps belang gaan stellen in hetgeen het leven een feestelijk aanzien geven kon. Een uitgezocht toilet was niet langer genoeg. Er moest eene gezellige, weelderige inrigting bijkomen. Licht moest er stroomen, kleuren schitteren, toonen ruischen. leder moest den indruk ontvangen, dat het Otto en haar naar den vleesche ging...

Doch waarom kwam hij niet naar haar toe? Zijne oogen

152

ocr page 165

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

schenen haar te zoeken, en niet te kunnen vinden. Zijn onderhoud met den heer des huizes was sedert lang atgeloopen. Wat stond hij daar, in het raidden der zaal, naar alle zijden rond te zien, behalve naar die ééne vensterbank, waar eene goedhartige oude dame, die zij zich herinnerde enkele malen ontmoet te hebben, doch wier naam haar ontgaan was (alles ontging haar tegenwoordig!), haar een plaatsje ingeruimd had?

Eindelijk, daar trad hij nader! Hij sprak haar aan, en vroeg haar ten dans!

Had zij de natuurlijke opwelling van haar gemoed gevolgd, zij zou aanstonds op-, en de zaal met hem rondgevlogen zijn. Zij had zich vast in het hoofd gezet, dat hij haar dezen avond vragen, — en zóó vragen zou, als zij meende te moeten gevraagd worden: in een roes, in een wals, als eene van zelf sprekende zaak, die naauwlijks meer noodig had, te worden beklonken. Had zij haar Indisch flegma niet te baat gehad, haar ondoorgrondelijke aangeboren voornaamheid, hare neder-geslagen oogen, iets kwijnends in het zich overgeven aan de bewegingen van den dans, de geheele wereld om haar henen zou haar geheim geraden hebben.

Maar zij hield zich goed.

Wat was haar aanblik zedig! Welk een volmaakt beeld van vrouwelijke onschuld geleek zij, in het hooge witte balgewaad, met niets dan één lichtroode, natuurlijke bloem in het haar, beschaamd door de frischheid van haar blos! Een krans van oranjebloesem op dat voorhoofd, oen lange sluijer, vastgehecht aan die slapen, — meer was niet noodig, om het jonge meisje te herscheppen in eene bruid!

Zij gevoelde zich als omgeven en gedragen door de algemeene sympathie. Enkelen mogten haar benijden, dacht zij, verweg de meesten gunden haar van harte dit groote geluk. Het was, alsof zij de menschen elkander hoorde influisteren, haar en Otto naziende: Zij is er voor in de wieg gelegd!

Helaas, Jozeflne vergiste zich te eenemaal, zoo omtrent Otto als omtrent het publiek.

Wat was er tehuis al niet om te doen geweest, dat haar vader haar voor zijne echte dochter erkennen zou! In vollen ernst meende zij, alleen toegelaten te zijn in dit en andere gezelschappen, omdat men hare geboorte als wettig beschouwde. Haar groote vrees was, dat het geheim uit zou komen, vóór haar vader zijn misdadig verzuim hersteld had. Daarom haatte zij hem zoo. Doch had .Tozeflne in de gedachten der menschen

15ö

ocr page 166

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

kunnen lezen, zij zou bemerkt hebben, dat de wereld zich om die levenskwestie, gelijk zij het beschouwde, zeer weinig bekommerde. Er waren in dien kring geen ouders, die haar tot schoondochter begeerden. Alle hoofden waren met andere, eigen huwlijksplannen vervuld. Het vreemde kind van den oud-gouverneur der Molukken telde niet mede. Hare schoonheid werd erkend, maar onschadelijk geacht. Stilzwijgend beschouwde men het als eene uitgemaakte zaak, dat zij een mooi meisje was, waar niets bijzat.

Zoo dacht in den grond van zijn hart ook Otto over haar. Meer dan anderen had de bijzondere soort van haar tropisch schoon hem getroffen. Meer dan anderen had hij werk van haar gemaakt. Mogelijk wel had zijn vader hem hare geschiedenis verhaald, en was zijne belangstelling een begin van deernis geworden, daardoor nog geklommen. Maar óók geklommen was zijne verbazing over hare domheid. Was het mogelijk, dat zulk een beeldschoon wezen zoo weinig verstand had! Zich niet anders dan door monosyllaben wist uit te drukken! Die monosyllaben zeiven zoo belagchelijk door elkander wierp!

Het ongeluk wilde, dat naarmate Otto's hartelijkheid en beleefdheden bij Jozefine eene onstuimiger liefde voor hem opwekten, haar onderhoud, wanneer zij met hem sprak, hoe langer hoe onbeduidender werd. Haar natuurlijk vernuft kon alleen geprikkeld worden door het verkeerde of verbodene; het betrekkelijk goede, dat Otto bij haar wakker maakte, wist zij of niet onder woorden te brengen, of alleen onder woorden zonder beteekenis. Onbewust was zij martelares van het lagere ras, waartoe zij door de eene helft van haar bloed behoorde. Er viel niets aan te veranderen. Hare onschuld kon Otto niet bekoren: daartoe ging zij niet te veel stupiditeit gepaard. Om hare snedigheid zuu hij misschien het ééne oogen-blik gelagchen hebben, maar, bemerkend uit welke onzuivere bron die voortkwam, er het volgende voor teruggedeinsd zijn.

De dichters zijn minder onpraktisch clan wij somtijds meenen, wanneer zij hetgeen omgaat in de harten van één jong paar, ons voorstellen als een kort begrip der wereldgeschiedenis. Otto, walsend met Jozefine, op dat bal bij graaf Winterswijk, hield werkelijk eene levende kleine tragedie in zijnen arm. Jammer dat de heldin, bij liet ontwaken uit haren droom, blijken zou, niet op de hoogte van haar karakter te wezen.

154

ocr page 167

xvn

HOE SALOMON BISSCHOP AAN KAPITAAL KWAM.

Wanneer wij een vurigen wensch koesteren, die zich maar niet vervullen wil, dan bezit het noodlot in ons een vindi ngrijk pleitbezorger. Geen verklaring zoo gewrongen, ol' wij keuren haar, in die omstandigheden, de natuurlijkheid zelve. Weder-spannige verontschuldigingen worden er als aan de haren door ons bijgesleept.

Niet alleen na afloop van graaf Winterswijk's soiree, maar van tien andere soortgelijke uitgangen, bleef Jozefine, thuisgekomen, in den stelligen waan verkeeren, dat Otto, die als naar gewoonte met haar gedanst en gepraat had, slechts door deze of gene kleinigheid toevallig verhinderd was, haar dien avond ten huwelijk te vragen. Zij las het voorstel nu niet meer in zijne oogen alleen, maar zag het zweven op zijne lippen. Kwam het heden niet, dan kwam het morgen. Komen zou het. Het was onderweg.

Er zijn mannen van vijfentwintig jaren geweest, die eerst op hun vijfenveertigste ontdekt hebben,, dat eene vrouw weleer hen bij den neus gehad, op hunnen naam of hunne beurs gespekuleerd, op de eene of andere wijze deze gebruikt had voor een oogmerk, buiten hen om, en vreemd aan de vriendschap of den hartstogt, waarvan zij, in hunne fatuiteit, zich indertijd het voorwerp meenden. Met welk regt zouden wij dan de zeventienjarige Jozefine hard vallen, die niet begrijpen kon dat haar Otto, in zijn binnenste, na iedere nieuwe ontmoeting, er hartelijker en wereldwijzer voor bedankte, zich voor het leven aan haar te verbinden?

Eindelijk gebeurde er iets, wat haar de oogen wel moest openen.

Tallooze Hagenaren van leeftijd zullen zich herinneren, hoe in den nawinter van 1842, 's morgens bij het ontwaken, zich als een loopend vuur door de stad hunner inwoning het gerucht verspreidde, dat de kassier Efraïm naar Engeland was overgestoken, medenemend de spaarpenningen van duizenden en achterlatend een deficit van millioenen. Hoe de dienstmeiden hiervan werden onderrigt door den melkboer, en,later

ocr page 168

LAATSTE NIEUWE KENNISSEN.

kunnen lezen, zij zou bemerkt hebben, dat de wereld zich om die levenskwestie, gelijk zij het beschouwde, zeer weinig bekommerde. Er waren in dien kring geen ouders, die haar tot schoondochter begeerden. Alle hoofden waren met andere, eigen huwlijksplannen vervuld. Het vreemde kind van den oud-gouverneur der Molukken telde niet mede. Hare schoonheid werd erkend, maar onschadelijk geacht. Stilzwijgend beschouwde men het als eene uitgemaakte zaak, dat zij een mooi meisje was, waar niets bijzat.

Zoo dacht in den grond van zijn hart ook Otto over haar. Meer dan anderen had de bijzondere soort van haar tropisch schoon hem getroffen. Meer dan anderen had hij werk van haar gemaakt. Mogelijk wel had zijn vader hem hare geschiedenis verhaald, en was zijne belangstelling een begin van deernis geworden, daardoor nog geklommen. Maar óók geklommen was zijne verbazing over hare domheid. Was het mogelijk, dat zulk een beeldschoon wezen zoo weinig verstand had I Zich niet anders dan door monosyllaben wist uit te drukken! Die monosyllaben zeiven zoo belagchelijk door elkander wierp!

Het ongeluk wilde, dat naarmate Otto's hartelijkheid en beleefdheden bij Jozefine eene onstuimiger liefde voor hem opwekten, haar onderhoud, wanneer zij met hem sprak, hoe langer hoe onbeduidender werd. Haar natuurlijk vernuft kou alleen geprikkeld worden door het verkeerde of verbodene: het betrekkelijk goede, dat Otto bij haar wakker maakte, wist zij óf niet onder woorden te brengen, óf alleen onder woorden zonder beteekenis. Onbewust was zij martelares van het lagere ras, waartoe zij door de eene helft van haar bloed behoorde. Er viel niets aan te veranderen. Hare onschuld kon Otto niet bekoren: daartoe ging zij met te veel stupiditeit gepaard. Om hare snedigheid zou hij misschien het ééne oogen-blik gelagchen hebben, maar, bemerkend uit welke onzuivere bron die voortkwam, er het volgende voor teruggedeinsd zijn.

De dichters zijn minder onpraktisch dan wij somtijds meene n, wanneer zij hetgeen omgaat in de harten van één jong paar, ons voorstellen als een kort begrip der wereldgeschiedenis. Otto, walsend met Jozefine, op dat bal bij graaf Winterswijk, hield werkelijk eene levende kleine tragedie in zijnen avm. Jammer dat de heldin, bij het ontwaken uit haren droom, blijken zou, niet op de hoogte van haar karakter te wezen.

154

ocr page 169

XVII

HOE SALOMON BISSCHOF AAN KAPITAAL KWAM.

W anneer wij een vurigen wensch koesteren. die zich maar niet vervullen wil, dan bezit het noodlot in ons een vindingrijk pleitbezorger. Geen verklaring zoo gewrongen, ot' wij keuren haar, in die omstandigheden, de natuurlijkheid zelve. Weder-spannige verontschuldigingen worden er als aan de haren door ons bijgesleept.

Niet alleen na afloop van graaf Winterswijk's soiree, maar van tien andere soortgelijke uitgangen, bleef Jozefine, thuisgekomen, in den stelligen waan verkeeren, dat Otto, die als naar gewoonte met haar gedanst en gepraat had, slechts door deze of gene kleinigheid toevallig verhinderd was, haar dien avond ten huwelijk te vragen. Zij las het voorstel nu niet meer in zijne oogen alleen, maar zag het zweven op zijne lippen. Kwam het heden niet, dan kwam het morgen. Komen zou het. Het was onderweg.

Er zijn mannen van vijfentwintig jaren geweest, die eerst op hun vijfenveertigste ontdekt hebben,, dat eene vrouw weleer hen bij den neus gehad, op hunnen naam of hunne beurs gespekuleerd, op de eene of andere wijze deze gebruikt had voor een oogmerk, buiten hen om, en vreemd aan de vriendschap of den hartstogt, waarvan zij, in hunne fatuiteit, zich indertijd het voorwerp meenden. Met welk regt zouden wij dan de zeventienjarige Jozefine hard vallen, die niet begrijpen kon dat haar Otto, in zijn binnenste, na iedere nieuwe ontmoeting, er hartelijker en wereldwijzer voor bedankte, zich voor het leven aan haar te verbinden?

Eindelijk gebeurde er iets, wat haar de oogen wel moeit openen.

Tallooze Hagenaren van leeftijd zullen zich herinneren. hoe in den nawiuter van 1842, 's morgens bij het ontwaken, zich als een loopend vuur door de stad hunner inwoning het gerucht verspreidde, dat de kassier Efraïm naar Engeland was overgestoken, medenemend de spaarpenningen van duizenden en achterlatend een deficit van millioenen. Hoe de dienstmeiden hiervan werden ouderrigt door den melkboer, en, later

ocr page 170

IIOE SALOMON BISSCHOF AAN KAPITAAL KWAM.

op den dag, in den winkel van den kruidenier, waar zij boodschappen gingen doen. Hoe de barbiers er zoo mede vervuld waren, dat zij in de slaap- en de huiskamers, onder het bedienen hunner vaste klanten, er het water door lieten koud worden in de scheerbekkens. Hoe klein en groot, in de wereld der ambtenaren cn der renteniers, verslagen nederzat, het uur verwenschend, dat zij in 's heeren Efraïm's doorzigt vertrouwen hadden gesteld, on den hemel als getuige aanroepend, dat nimmermeer óénig sterveling hen op dezelfde wijze beetnemen zou.

Er was — dit kan na zoo vele jaren veilig verzekerd worden — voel overdrijving in dit alles. De millioenen van ECraïm's tekort hebben nooit anders dan uit een ton of wat kunnen bestaan. T5ij zijne vlugt naar Engeland had hij niet meer dan de onmisbare reispenningen in den zak. Nooit is óénig Hagenaar met voorbedachten rade door hem bedrogen. Zijn bankroet was een noodlottig gevolg van het springen eener bank in het buitenland, en de eerlijken onder de slagtoffers hebben naderhand zeiven erkend, dat zoo zij in mindere mate door den hartstogt van het beursspel bezeten waren geweest, zij bij het faillissement minder schade zouden geleden hebben.

Doch voor Jozeflne, die niet zelve medegespeekl had, was het in elk geval een zware slag. Al haar vaders Indische overschotten verdwenen, op eenige nietige percenten na, in het door den kassier gemaakte gat. Voortaan zou er aan de Bogt van Guinee moeten geleefd, en zuinig geleefd worden, enkel cn alleen van het Indisch pensioen. Het bankroet van Efraïm Senior maakte Otto eensklaps tot een onmogelijk aanstaand schoonzoon. Het zamenleven met den oud-gouverneur, voor Jozefine nooit een hemel op aarde geweest, werd eene hel. De financiële krisis had voor den heer Cornells van Alkemade ligchamelijke schokken ten gevolge, waartegen hij niet bestand was. Bij dit alles kwam nog een incident, waarin hij zich kort te voren door Salomon Bisschof betrokken had gezien. Juister: waarin Salomon Bisschof de hoofdrol vervuld had.

Het was de laatste trekkingsdag van de vijfde, laatste en hoogste klasse der koninklijke nederlandsche Staats-loterij. In persoon zou Salomon Bisschof, zijn pligt getrouw, zich naaide in Loterijzaal herschapen Ridderzaal op het Binnenhof l e-geven; en reeds zag hij er in gedachten dc onvermijdelijke gebl nddoekte weesjongens het hemelsblaauwe rad van avontuur in beweging brengen, toen Rebekka, die bezig was hem

156

ocr page 171

HOE SALOMON BISSCHOF AAN KAPITAAL KWAM. 157

in zijn overjas te helpen schieten, in plaats vandaarnietle voort te gaan, een boozen kreet slaakte.

Had zich een grenadier in het vertrek bevonden, men zou aan een vloek gedacht hebben. Een eed op de beeremuts, doorweven niet al de rollende r's van „turf in je ransel,quot; het toenmalig grenadiers- en beeremutslied bij uitnemendheid. Het was echter alleen een zwaar bémolgeluid, gelijk zonder verloochening van hare waardigheid eene zangeres kon voortbrengen, die reeds een- en andermaal de eer had gehad, zich op het zondagavond-koncert van Diligentia te laten hooren.

— „Wat bromt ge, Eebekka?quot; — vroeg Bisschof, met den rug naar haar toe en de armen achteruit, als mannen doen, die staan te wachten dat men hen hunne overjas aangeve. — „Scheelt er iets aan? Is de voering weer getarndquot;? Voor vandaag kan dat wel blijven. Morgen zullen we de jas naaiden lapper zenden. Ik moet nu naar de Loterijzaal.quot;

Zonder te antwoorden greep zij hem met beide banden oneerbiedig bij do schouders, deed hem draaijen op zijne hielen, liet zijn jas op den grond vallen, en vertoonde hem cene brieventas, die zij uit de binnen-borstzak gehaald had.

Voor zoover een man met grijze haren en een kleurloos gelaat van kleur verschieten kan, werd Bisschof eerst marmerbleek en toen vuurrood. Niet van het snelle zwenken! Ook niet van toorn over de vrijpostigheid zijner dochter! Maar omdat hem eensklaps te binnen schoot, dat eene zaak van gewigt hem glad door het hoofd was gegaan. Hij had een onvergefelijk, een onverantwoordelijk, oen zoo men wil schandelijk verzuim gepleegd. Boven en beneden staken uit de beschuldigende portefeuille de randen van twintig briefjes, die het zijn pligt geweest was, aan den man te brengen; die hij had kunnen verkoopen, zoo hij zijn gedachten in den laatsten tijd niet door andere, denkbeeldige belangen in beslag had laten nemen; die thans onverkoopbaar scheurpapier geworden waren, en waarvoor het hoofdkantoor nogtans betaling eischen zou!

Het is hard voor een man van eer, door eene vrouw op heeter daad van onachtzaamheid betrapt te worden. Harder is het voor een vader, met beschaamde kaken voor zijne dochter te staan. Hardst van al, wanneer die dochter werkt wat zij kan voor haar brood, en de vader zich bewust is, door schuldige nalatigheid moedwillig hare taak te verzwaren.

Salomon Bisschofs persoon bood op dat oogenblik een deer-

ocr page 172

HOE SALOMON BISSCHOF AAN KAPITAAL KWAM.

niswaardig schouwspel aan. Maar Rebekka kende geen genade.

— „U zult op het Binnenhof een uitmuntende vertooning maken!quot; — viel zij uit. — „Als ik u was, vader, ging ik er dadelijk heen! Vergeet vooral uw portefeuille niet, en vertel aan alle menschen, hoe ge nu voor de derde maal op den laatsten trekkingsdag met twintig onverkochte twintigsten zijt blijven zitten ! Zoo behoort bet, zullen zij zeggen! Alle goede dingen bestaan uit drie! Die breed heeft, laat breed hangen! Salomon Bisschof is een goed vaderlander! Wanneer het christenen voor den wind gaat, dan doen zij een goud vijtje in het kerkezakje, 's Zondags. Salomon Bisschof is royaler. Die geeft, sabbath of geen, driemaal in het jaar zestig gulden present aan het land, waar niemand hem dankje voor zegt. Zulke joden zijn er niet veel! Maar de man is schatrijk. Hij verdient duizenden en duizenden aan oude boeken, die hij inkoopt voor een appel en een ei, en voor goud van de hand zet. Kijk zijn dochter gekleed gaan! Gewone burgermeisjes zijn blij, als ze 's winters een lakensch manteltje, meteen, voering van hetzelfde, om haar bibberende schouders kunnen slaan. De jufvrouw is wijzer! Uit haar vaders pelterijenmagazijn kiest zij de mooiste marter-pelerine. Ze lijkt wel de dochter van prins Frederik, als die met haar gaat arren in het Voorhout! En hijzelf! Geen kale overjas, hoor, met de elbogen door de mouwen! Mis, menschen, een russische pels! Een wandelende bontwerkerswinkel! En wat ziet die man er gezond uit! 's Lands welvaren in persoon! Dikjes en vetjes. .Ta, ja, al die rijke joden zijn op hun mond. Xu, wanneer men zulke fameuse zaken doet en aan den Boschkant woont, in een huis met een balkon en een horen van overvloed in den gevel, dan mag men er een eigen kok op nahouden! Gaauw, vader, maak dat ge naar de Loterijzaal komt, en priveer de menscheM niet langer van het genoegen, u hun kompliment te maken! Genees hen eens voor al van het vooroordeel, dat u een stumpert zijt! Dood aan het praatje, dat uw dochter les loopt te geven voor een gulden in het uur, en, als het zusters zijn, voor een daalder aan de twee! Ga hun de kwitantie van uw huisheer toonen! Heet het liegen, dat de slager u op straat heeft aangesproken om geld! Houd vol, dat u ieder halfjaar een anker wijn inslaat! Laat de geheele wereld zich kunnen overtuigen, dat het u past, den openbaren weldoener te spelen! Schrijf op uw hoed: Het is zaliger te geven dan te ontvangen! Op mijn woord, als n niet in den christenhemel komt, dan

158

ocr page 173

HOK SALOMON BISSCHOF AAN KAPITAAL KWAM.

weet ik het niet! Uw regterhand is zoo onkundig als een pasgeboren kind van hetgeen uw linker doet! U weet niet eens hoeveel loterijbrietjes er steken in de borstzak van uw eigen ias!quot;

In hare vervoering lette Rebekka naauwlijks op, — en Bisschof evenmin, —• dat de winkelschel was overgegaan, en een kleine loopjongen, die haast scheen te hebben, met de uitgegalmde woorden; „Voor meneer Bisschof!quot; eene enveloppe op de toonbank geworpen had. Het kind had zich onmiddellijk verwijderd.

Bisschof wendde geen pogingen aan, zich te verontschuldigen. Het was maar al te waar: door het niet-plaatsen van die briefjes, had hij Rebekka en zichzelven benadeeld voor de som van zestig gulden, en Rebekka had volkomen gelijk, dat met dit geld sommige dringende kleine huisschulden hadden kunnen afgedaan worden. Altijd had hij zelf haar ingeprent , dat geen schulden te hebben, het begin van alle degelijke welvaart is. Wie geeft van hetgeöh anderen toekomt, is oneerlijk of een hansworst, was zijne leus. Een rijk man is hij , die aan het einde van het jaar één cent overhoudt. En meer andere wijze lessen van dien aard, getrokken uit de staathuishoudkunde, door de Nederlanders dier dagen, zeide hij, nog veel te weinig behartigd. Overtuigd boosdoener, boog hij het hoofd onder den storm van zijn dochters verwijten.

— „De Hemel beware mij, dat ik de schuld op mijnheer Alkemade zou werpen,quot; — zeide hij demoedig. — „Maar ziehier hoe het gekomen is, Rebekka! Hij wilde drie heele loten hebben, en ik had er drie, dat weet ge, die ik hem ben gaan brengen. Maar toen het er op aankwam, verkoos hij dit ééne niet te nemen.quot;

— „Hij zou het wel genomen hebben, zoo u het hem ijverig hadt aangepreêkt,quot; — zeide Rebekka, knorrig en brutaal. — „U zijt een koopman om er een op toe te geven!quot;

— „Toch niet, kind. Menschen, die in de loterij spelen, hebben van dio grillen. Hij had geen zin in het lot, omdat het in twintig twintigjes gesplitst was, zeide hij. Ook stond het nummer hem niet aan. Een lang nummer, zonder één staart.quot;

— „Een gemeen nummer, inderdaad,quot; — zeide Rebekka, de brieventas openslaand en de onzalige twintigsten doorbladerend. — „Twaalf duizend één honderd vierenveertig! Het lijkt wel een nummer uit het boek Daniel. Maar hoe is het gods-terwereld mogelijk, vader, dat u met al die twintigsten op

159

ocr page 174

160 HOE SALOMON BISSCHOP A A X KAPITAAL KWAM.

uw hart, rustig hebt kunnen slapen? Twintig twintigsten van één nummer, daags vóór de trekking van de laatste klasse! Zou ieder ander in uw plaats niet het vuur uit zijn sloffen geloopen hebben, oiu die miserabele dingen kwijt te raken? Is het heelemaal met u gedaan? Heeft u het hoofd verloren? Houdt u niet meer van mij ? Moeten we maar naar het armhuis?quot;

— „Het is mij onverklaarbaar, kind! Toen ik van mijnheer Alkemade vandaan kwam, was ik stellig voornemens, geen dag ongebruikt voorbij te laten gaan. Ik wilde zelfs aanloopen in de stadsdrukkerij, om te doen adverteren, dat er nog loten bij mij verkrijgbaar waren. Goddank dat ik die kosten ten minste bespaarde. De eenige reden, die ik geven kan is, dat ik in den laatsten tijd te veel aan de toekomst, en te weinig aan liet tegenwoordige gedacht heb. Die verhalen van Van den Ende, die wandeling met Heinzen, dat voorstel van Efraïm...quot;

Weder ging de winkelschel over.

Bisschof keek eens door het raam, dat uit de binnenkamer een blik naar voren gunde. Nogmaals was het een haastig gebakerd loopjongetje, dat eene enveloppe op de toonbank wierp, en de deur weder achter zich digttrok. Bisschof hechtte er geen waarde aan. Op trekdagen der loterij kwamen er altijd van die knapen, in dienst van her hoofdkantoor, welke bij de kollekteurs en de splitsers opgaven van het Binnenhof rondbragten. Minder dan ooit stelde hij ditmaal in don uitslag der trekking behing. Ware hij een minder humaan man geweest, hij zou gewenscht hebben, dat Binnenhof en Loterijzaal in de lucht gesprongen waren, met geblinddoekte weesjongens en al.

— „Dokter Van den Ende mag mijnentwege in Frankrijk-zijn tweede republiek gaan oprigten, met de gevolgen van dien!quot; — zeide Eebckka, niet zoo zachtzinnig als haar vader. „Van Heinzen komt nooit iets teregt. Dat weet u even goed als ik. Maar ja, dat u mijnheer Efraïm's voorstel niet aangenomen heeft, dat vergeef ik u van mijn leven niet. Nu ziet u eens, wat er van komt, wanneer men u overlaat aan uzel-ven! Hadt u zoo'n courant, waar u belang in kondt stellen, waar u lederen dag voor schrijven moest, waar u uw wijsheid in kondt kwijtraken, waar geregeld iets aan te beredderen en te bedistelen viel, dan waart u een geborgen man. Dat zou juist een aardje naar mijn vaartje zijn. Maar neen, meneer wil onafhankelijk blijven! Meneer wil den baas kunnen spelen! Den baas over een kouden haard, ja, en onafhankelijk

ocr page 175

HOE SALOMON BISSCHOP AAN KAPITAAL KWAM. 161

van een overladen maag 1 Enfin, ieder heeft op aarde het lot , dat hij verdient, staat er in uw boeken. Toen dat blad u werd aangeboden, bedanktet u er voor. Thans zijt u aan twintig onverkochte twiatigsten vast. Loon naar werken!quot;

Voor de derdemaal ging de winkelschel over, en kwam er een loopjongetje binnenstuiven, met eene enveloppe in de hand. Maar ditmaal ging de knaap niet heen. Hijgend naar den adem, en de sneeuw van zijn lekke schoenen stampend, riep hij zoo hard hij kon:

— „Mijnheer Bisschof! Jufvrouw Bisschof! Mijnheer Bisschof!quot;

— „Wat heeft die jongen daar te staan schreeuwen als een mager varken?quot; — vroeg Kebekka, ongeduldig.

— „Ik weet het niet,quot; — zeide Bisschof, welwillend naar voren sloffend, — „ik zal eens gaan kijken.quot;

Hij praatte met den knaap, die, behalve den brief, hem eene mondelingsche boodschap had over te brengen; opende de vroeger bezorgde enveloppen, vergeleek den inhoud, liet geen ontroering blijken, en zeide tot het loopertje:

— „Wacht een oogenblik.quot;

Toen hij de kantoorkamer weder binnentrad, was hij een ander man geworden.

Daareven had hij met gebogen kruin zijne dochter staan aanhooren, verlegen met zijn figuur, beschaamd over zich zei ven, bedroefd en mistroostig dat hij zijn kind een nieuw verdriet had aangedaan.

Kebekka zag hem terugkomen met ongedekten hoofde, vasten tred, een blij gelaat, het fiuweelen mutsje zaamgefromd in de digtgeknepen vuist.

— „Wat is er?quot; — wilde zij vragen; maar hij legde den vinger op den mond, ten teeken dat de knaap in den winkel met hunne geheimen niet van noode had.

— „Ge bezit een bankje van vijfentwintig gulden, niet waar?quot; — zeide hij met ingehouden stem. — „Ik weet, dat het uw laatste is. Maar geef het mij. Het za) u niet berouwen.quot;

Er was in zijn houding, zijn aanblik, zijne wijze van spreken, iets zoo ongewoons, dat Kebekka zonder aarzelen haar werktafeltje ontsloot, en uit een japansch verlakt doosje, waarin zij de eenige kleine kostbaarheden bewaarde, welke van de moederlijke nalatenschap nog waren overgebleven, het angstvallig bezuinigd papiertje met de roede en zwarte letters nam. Meermalen had zij ronduit geweigerd, hem geld te geven voor aalmoezen of kleine geschenken, die zij beweren kon,

11

ocr page 176

HOE SALOMON BISSCHOP AAN KAPITAAL KWAM.

dat hunne krachten te boven gingen. Maar nooit had hij, op zulk een toon, haar zulk een aanzienlijke gift gevraagd. Zij gevoelde aan haar hart, dat er iets buitengewoons moest voorgevallen zijn.

Hij keerde niet het bankje naar den wachtenden loopjongen terug.

— „Geef dat aan je moeder,quot; — zeide hij tot den knaap, die in zijne blijdschap hem vergat te bedanken, en de straat opsnelde.

Bisschof sloot de winkeldeur achter hem, verzamelde de op de toonbank verspreid liggende enveloppen en papieren, kwam daarmede naar Tiebekka toegeloopen, viel haar schreijend om den hals, en kuste haar, — in één opwelling van dankbare vreugde over een ongehoord geluk, al de onvriendelijke woorden verdrinkend, waarmede zij zoo vaak, en zoo teregt, hem gegriefd had.

Ach ja: op het oogenblik zelf, dat de dochter den vader verweet, een reddelooze bloed te zijn, die zijne fortuin met voeten trad; en de vader zichzelven, dat het droombeeld dier verwenschte courant hem schuldig had gemaakt aan ergerlijk pligtverzuim, deed een slag van den hemelsblaauwen cylinder op het Binnenhof, de honderdduizend op het onverkocht gebleven nummer vallen, en schonk de Fortuin in persoon, kregel over Eebekka's miskenning, Salomon Bisschof dat kapitaal , hetwelk hij van den kassier Efraïm niet had willen aannemen!

— „De honderdduizend zijn bij Salomon Bisschof gevallen!quot; — vertelde men elkander dien avond in de huizen en de koffij-huizen.

— „Op nummer twaalfduizend éénhonderd vierenveertig!quot; — luidde de echo.

— „Wie of nummer twaalfduizend éénhonderd vierenveertig heeft?quot; — werd nieuwsgierig gevraagd.

Maar Salomon Bisschof hield zich stil, en nam geen andere gelukwenschen aan, dan die betrekking hadden op hot buitenkansje, dat de hooge prijs in zijne splitserij gevallen was. Hij kon en wilde niet aan het publiek verhalen, dat hij als een onnoozele hals met het lot was blijven zitten.

Even stil hield zich Rebekka. En nog stiller werd zij, toen veertien dagen daarna de val van het kassiershuis Efraïm bekend werd.

162

ocr page 177

xvnr

DE HEER VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN.

Slechts L'én persoon in Den Haag, meende met zekerheid te weten, wie de gelukkige bezitter van nummer twaalfduizend éénhonderd vierenveertig was; en die wetenschap bragt den heer Cornelis van Alkemade buiten zichzelven van toorn.

Hoe? Men was hem dat lot komen aanbieden! Voor slechts zeventig gulden was hij er eigenaar van kunnen worden I De schade, welke Efraïm's bankroet hem berokkende, ware op die wijze bij voorbaat te dekken geweest, en meer dan te dekken! De fortuin was bij hem komen aanschellen: had antichambre staan maken op zijne vloermat; was toegelaten in zijne binnenkamer; had hem den hoogsten prijs, uit de loterij des levens en der Nederlanden, vertoond, aangeprezen, schier in de handen geduwd,—en hij had haar weggezonden! Weggezonden om nietige redenen, uit stijfhoofdigheid, uit bijgeloof! Weggezonden in den persoon van den jood Bisschof! Ezel, die hij was! Aartsdomoor! Maar neen, daar moest iets anders achterzitten. Een oud-gouverneur der Molukken kon niet, door den eersten den besten Haagschen splitter en boekwurm ten onder gebragt worden. Zoo iets was ongehoord. Na een verblijf van zesendertig jaren in Indie! Er was een komplot tegen hem gesmeed; een joden-komplot. Bisschof en Efraïm lagen onder één deken. Efraïm had hem bestolen voor zestig-, voor zeventig-, voor tachtigduizend gulden: Bisschof bestal hem voor honderdduizend. Twee joden wisten van oudsher wat een bril kost. Hij zou er aangifte van doen bij de justitie. Het Openbaar Ministerie zou een onderzoek hebben in te stellen. Zulk bandietenbedrijf kon in een welgeordenden Staat niet geduld worden. En om te beginnen....

— „Meisje,quot; —beval hij de toegesnelde werkmeid, die, hem overluid in zichzelve hooiende spreken, aan het sleutelgat had staan luisteren, — „ge kent, niet waar, zekeren Bisschof, die mij een enkele maal verslag is komen doen van kommissies, die ik hem had opgedragen?quot;

ocr page 178

164 DE HEER VAN ALKEMADE SÏELÏ ORDE OP ZIJNE ZAKEN.

— „Meneer Bisschof uit de Raamstraat? Die loterijjood met zijn grooten neus? Jawel, mijnheer.quot;

— „Dezelfde. Vir magni nasi, vel magno naao. Nu, mogt die kerel de onbeschaamdheid hebben, hier weder te komen aanschellen , zeg hem dan dat ik niet voor hem te spreken ben. Hij is een opligter. Verstaat ge? een opligter!quot;

Zulke maatregelen evenwel, hoe kras ook, konden de bres niet stoppen, doo.v het springen der Efraïm-bom in 's oudgouverneurs fortuin geslagen. Er moesten andere genomen ■worden, redelijker en meer afdoende. Zijns inziens kwam het er in de eerste plaats op aan, zorgvuldig voor de buitenwereld te verbergen, dat hij schade geleden had en zich zou moeten verminderen.

De heer Cornells van Alkemade was zelfs in het kleine Den Haag een zoo weinig algemeen bekend persoon, dat men hem onder de slagtoflers van den voortvlugtigen kassier te naauw er-nood mederekende. De massa van het beklag was voor de Haagsche weduwen en weezen, de ondergeschikte ambtenaren, de kapitalisten in miniatuur. Om den zich noemenden Indischen weduwnaar aan de Bogt van Guinee, die voor rijk doorging, bekommerde zich niemand.

Niettemin kon, nadat er kommissarissen benoemd waren in het faillissement, en eene oproeping van schuldeischers had plaats gehad, het aandeel van den heer Van Alkemade in het verlies niet zóó verborgen blijven, of deze en gene sprak er over. Uit Den Haag plantte het gerucht zich voort naar Amsterdam: en het gevolg was een nieuwe brief van mevrouw Bruce, waarin zij, ook namens haren echtgenoot, broeder Cornells in de hartelijkste bewoordingen verzocht zich te herinneren, zoo de val van het huis Efraïm hem tijdelijk in ongelegenheid mogt gebragt hebben, dat hij te Amsterdam een broeder en zuster had wonen, die niets liever verlangden dan hem van dienst te zijn.

— „Ziedaar reeds aanstonds eene uitmuntende gelegenheid,quot; — zeide de oud-gouverneur tot zichzelven, — „om het veld-winnen van dwaze praatjes met krachtige hand te stuiten. Fama crescit eundo. Mijn malle zwager mag niet blijven ge-looven, dat het zamenspannen van twee joden voldoende is geweest, om Cornells van Alkemade tot een bedelaar te maken.quot;

„Geachte zuster Adrienne— schreef hij met keerenda post terug. — „Maakte ik van het edelmoedig aanbod van uwen „echtgenoot gebruik, hij hadde reden zich over mij te bekla-

ocr page 179

DE HEER VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN. 165

„gen. Fr atria me quidem pudet pig et que, kon met regt door „hem beweerd worden.

„Ook voor uwe vermaning tot berusten in den wil eener „wijze Voorzienigheid zeg ik dank. Xo)i vacat exiquis rebus „adesse Jovi. Ik kan niet gelooven, dat het Opperwezen zich „gelegen zoude laten liggen aan zulke onbelangrijke rampen „als de mijne.

„Werkelijk zijn zij geringer dan gij U voorstelt. Alleen heb „ik van nieuws ondervonden, dat het aantal der brave lieden „op aarde beperkt is. Rari quippe boni. Met name in Nederland wordt geen goede trouw, geen voorvaderlijke deugd meer „gevonden. Heu pietas, hen prisca fides!

„De door U bedoelde heer Et'raïm is een schurk. Doch, „wetend welk vleeseh ik in de kuip had, nam ik tijdig mijne „maatregelen. Naturam expellas fared, tarnen usque recurret. Ik „geloove niet, dat men den naneven van den aartsvader Jakob, „al ware het met een hooivork, den lust tot bedriegen uit het „lijf zoude kunnen slaan.

„Steeds heeft Efraïm op mij den indruk gemaakt, een man „van geringe afkomst te zijn, die noodig had. op zijn plaats „gezet te worden, en het est saus unicuique locus te zeer ver-„gat. Daarbij hoovaardig en ijdel, gelijk het met zulke lieden „pleegt te gaan: Quantum domo inferior, tantum gloria superior.

„Meermalen was ik in de gelegenheid hem onder het oog „te brengen, dat een goed kassier zichzelven als een goed „herder te beschouwen heeft, die zijne schapen niet vilt, maar „scheert. Boni pastoris est tondere pecus, non deglubere. Het heeft „niet mogen baten. Op onregelmatige wijze had hij rijkdom-„men verkregen; op onregelmatige wijze heeft hij ze weder „verloren. Zoo gewonnen, zoo geronnen. Male parta male di-„labuntur. Het was met hem als met vele anderen, nu en „oudtijds, die gemakkelijker een gegeven woord verbreken, „dan van het geld scheiden. Faucis cariorfides quam pecunia f uit.

„Een niet gering aantal ligtgeloovigen zijn door den heer „Efraïm ongelukkig gemaakt, gelijk hij op zijne beurt te „gronde is gerigt door grooter bedriegers dan hijzelf. Tor va „leaena lupum sequitur, lupus ipse capellam. Immers, ik behoeve „u niet te zeggen, dat het aldus toegaat in de wereld.

„Men onderrigt mij, dat tegen den heer Efraïm eene gereg-„telijke vervolging ingesteld wordt. Echter zal het einde der-„zelve ongetwijfeld zijn, wat steeds in Nederland het einde „zulker gehuichelde opwellingen van regtschapenheid geweest

ocr page 180

166 DE HEER VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN.

„is.; Dal veniam corvis, vcxat censura columbas. De kleine dieven „hangt men op, de groote laat men loepen.

„Mij heeft Efraïm slechts voor eene geringe som kunnen „benadeelen; en ik smake de zelfvoldoening, toen hij bij onze „laatste ontmoeting mij eene tastbare onwaarheid op de mouw „zocht te spelden, hem met ronde woorden te hebben her-„innerd, dat leugenaars een goed geheugen behooren te heb-„ben. Oportet mendacem esse memorem.

„Mijne omstandigheden zijn ongeveer dezelfde gebleven. For-„tuin bezitte ik niet, en hebbe ik nooit bezeten. Doch in mijne „en Jozetine's nooddruft is voorzien. Qiiamquam sumus pauper-„culi, est domi quod edimus, mogen wij zeggen, zij en ik.

„Tegenover den roofvogel Efraïm nam ik steeds den regel „in acht, dat een ieder zichzelven het naast is. Nooit hebbe „ik mij geschaamd voor de belijdenis: Proximus sum egomet „mihi. Het natura coiiservans sui is mij als aangeboren; en „naauwlijks kenne ik weldadiger beginsel, dan de verstandig „en bezadigd toegepaste, maar streng gehandhaafde wet van „het geoorloofd zelfbehoud. Meermalen in mijn leven heb ik „ter wille van deze onaangename waarheid strijd moeten voe-„ren, mij vijandschap moeten getroosten , mij blootgesteld aan „verkeerde oordeelvellingen. Doch het is eene bekende zaak: „ohsequium amicos, ventas odium parit. Ware het mij mogelijk, „minder opregt te wezen, ik zou meer vrienden tellen. Nu „gaat het mij als den wijze: Laudatur ab his, culpatur ah illis. „Door den een geprezen, door den ander gelaakt.

„Inzonderheid omtrent het punt van Jozetine's bruidschat, „Zuster, wenschte ik u gerust te stellen. Dos est magna pa-„rentium virtus. Jozeline is door mij opgevoed naar het beginsel, „dat de deugd der ouders de beste gift is, welke zij hunne „dochters kunnen medegeven ten huwelijk. Tot heden vleije „ik mij, het meisje van dit gevoel doordrongen te mogen nae-„men. Het voorgevallene met den heer Efraïm heeft haar op „nieuw geleerd, dat gelijk het zilver voor het goud, alzoo het „goud wijken moet voor de deugd, en deze alleen in staat is, „waarlijk gelukkig te maken. Vilius argentum est auro, virtu-„tibus aumm. Wij zijn tevreden: wat kunnen wij méér ver-„langen? Bona conscientia paradisus. Ons paradijs dragen wij „met ons, in ons goed geweten. Om ons henen ziende, in „onze rustige woning aan de Bogt van Guinee, meenen wij „in onze lotsbedeeling de hand eener goedgunstige godheid „op te merken. Deus nobis haec otia fecit. Met aandoening

ocr page 181

DE HEER VAN ALKEMADE STELT OliUE OP ZIJNE ZAKEN. 167

„herinnere ik mij somtijds, hoe door de dichters van alle „eeuwen, ook door sommige Nederlandsche daaronder, de lof „der vergenoegdheid gezongen is. Content am sain rebus esse, „maximae sunt certissimaeque divitiae. Inderdaad, geen rijkdom „is zoo overvloedig of zoo onvervreemdbaar als zij. Erger ik „u. Zuster, indien ik er bijvoege, dat het onsterfelijk leven, „hetwelk wij den goden toeschrijven, mijns inziens hierin „zijne verklaring vindt, dat voor dezelven te allen tijde de „bron der tevredenheid vloeit? J-Jgo vitarn aeorum propterea sem-„pUernam esse arbitror, quod volaptates eorum propriae sant.

„Jozefine draagt mij op, U en haren Oom ook harerzijds „dank te betuigen voor Uwe belangstelling. Haar voornemen „is. zelve U eerstdaags te schrijven.

„Ik ben en verblijve

„Uw toegenegen Broeder „COUNELIS VAN ALKEMADE.

„ Oud-gou votieni' der Mo lukken.quot;

„Post-Scriptum. — Men heeft in Den Haag het gerucht ver-„spreid, dat een aanzienlijk gedeelte van een hoogen prijs der „Staatsloterij mij zoude toegevallen zijn.

„Ik verzoeke U, aan deze fabel geen geloof te slaan, gelijk „ook ikzelf haar met schouderophalen bejegene. Aan de ver-„zinselen der menschen is geen einde. Aiunt, dicunt, ferant, „perhibent.quot;

Een tweede pligt, waarvan hij zich te kwijten had, stond den Oud-gouverneur niet minder klaar voor den geest. Zijne zuster te Amsterdam kon hij, voor zoolang het duurde en in zoover het haar aanging, zand in de oogen strooijen. Met Jozefine moest hij open kaart spelen. Daar was geen bidden voor. Het juffertje behoorde te weten, dat zij voortaan de tering naar de nering te zetten had.

— „Dochter,quot; — begon hij, de eerste reis de beste dat hij haar het overeengekomen huishoudgeld ter hand moest stellen, — „deze penningen zullen zuinig beheerd moeten worden. Vroeger legde ik u een afzonderlijk kleêgeld toe. Dit kan niet langer. Ge zult u voortaan moeten kleeden van hetgeen ge besparen zult op de huishouding.quot;

Misschien zou elke andere aanhef insgelijks tot misverstand geleid hebben; maar deze was bijzonder ongelukkig. Jozetine had den geheelen nacht met open oogen aan Otto liggen denken, aan haar verloren geluk, haar verbrijzeld hart. Zij

ocr page 182

168 DE HEER VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN.

gevoelde zich weder de verstootene en misdeelde van weleer. En nu kwam haar vader raauwelings met die geldkwestie voor den dag!

— „Waarom kan het niet langer?quot; — vroeg zij op haar ijs-kouden toon, bijna nog beleedigender dan haar zwijgen; want men kon er aan hooreu, dat het defensieve niet-willen bezig was, offensief te worden.

— „Ge vraagt naar den bekenden weg,quot; — was zijn antwoord. „Mij hebben rampen getroffen, die beperking van uitgaven voorschrijven. Prope adest cum alieno more vivendum est mihi. Ik moet mij verminderen , begrepen?quot;

— „Welnu, verminder u! Ik heb niet in de loterij gespeeld. Ik niet in fondsen gespekuleerd.quot;

— „Het past ii niet, mij dit te verwijten. Nemo mortalium omnibus horii sapit. Dwalen is menschelijk. Zoo ik gespekuleerd heb, ik spekuleerde om u.quot;

— „Daar geloof ik niets van.quot;

— „Ook om u.quot;

— „Neen, alleen om u. Draag u dan ook de gevolgen! Begin met Abels weg te zenden. Die oppasser kost ons handen vol geld.quot;

— „Ik kan Abels niet missen.quot;

— „Laat ons dan één meid gaan houden, in plaats van twee.quot;

— „Een man van mijn rang houdt twee meiden.quot;

— „Laat ons gaan wonen in een goedkooper huis.quot;

— „Even goed kon ik mij aangeven aan de bedelkamer!quot;

— „Wat wilt u dan?quot;

— „Dat ge onnoodige uitgaven vermijden zult. Quad non opus est, asse ca rum, est. Er is geen onzinniger bedrijf dan geld uit te geven voor de dingen, alleen omdat ze goedkoop zijn.quot;

— „Maar dat doe ik niet! Ik koop alleen wat mooi is, en mij bevalt. U koopt ook geen loterijbriefjes, omdat ze goedkoop zijn, maar omdat u er lust in heeft.quot;

— „Mijn onveranderlijk voornemen is, nooit weder in de loterij te spelen. Spelen is dwaasheid. Nescia mens hominum fati sortüque fuHirae. Men kan de fortuin niet dwingen. Maar, wederkeerig, eisch ik een offer van u.quot;

— „U meent, dat ik bezuinigen moet op mijn toilet?quot;

— „Natuurlijk meen ik dat. An surdae narro fabulam f Ge zijt niet doof, voor zoo ver ik weet? Bezuinigen moet ge op uw toilet. Hoe? dat is uw zaak. De nood maakt vindingrijk. Multa hominem fames docet. Op honderd kleinigheden kan men bezuinigen, wanneer men het ernstig wil.quot;

ocr page 183

DE HEER VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN. 169

— „Het ernstig wil!quot; — herhaalde zij, met bitteren spot.

— „Zeker! Waarom lacht ge daarom? Invia virtuti nulla est via. Wanneer men ernstig het goede wil, dan staan de wegen open.quot;

— „Houd toch op met uw latijn, vader! Ik krijg er hoofdpijn van.quot;

— „Hoofdpijn! Schaamt ge u niet, zoo tot uw vader te spreken? Zwijg liever zelve! Dig ito compesce lahellum. Hoofdpijn! Zal ik van u hebben te leeren, op welke wijze ik mij behoor uit te drukken? Quid nunc te, asina, litems doceam? Beleef ik van uw onkunde niet reeds schande genoeg, zonder dat ge hoofdpijn krijgt van de wijze lessen, die ik u tracht in te prenten? Hoofdpijn! Wat voert ge uit, den godganschen dag? Wat vermoeit u? Waarmede spant ge u in? Ook aan dat ledigloopen verkies ik, dat een einde kome ! Omnes homines summa ope niti decet, ne vitam silentio transigant veluti pe cara, verstaat ge? Veluti pecora! Wij zijn niet in de wereld, mejufvrouw, om als het redelooze vee er maar op voort te leven. Wij moeten ons inspannen, vrouwen zoowel als mannen; ook al zouden wij er hoofdpijn van krijgen. Hoofdpijn! Verzamel kundigheden, en ge zult meteen bescheidenheid leeren. De domsten zijn de onbeschaamdsten. Quo quis indoc-tior eo impudentior. Maar ik weet, waar uw hoofdpijn vandaan komt, mejufvrouw! Ook van u kan gezegd worden: Suae (Iiiemque fortunae paenitet. Ge zijt ontevreden met uw lot. Ge hebt niet leeren berusten, zooals ik. Daarom haat ge de oud-nederlandsche deugd der zuinigheid. Patrios mores exosa es. Ge wilt gekleed blijven gaan als een prinses, ook ofschoon het uw vader niet langer konvenieert. Ge zijt te trotsch en te ijdel om u te bekrimpen, zooals hij. Ge hebt geen deernis met zijn jaren, met zijn zwakheid, met de ontberingen, die hij zichzelven oplegt. Hoofdpijn hebt ge, en anders niets. Andere dochters hebben hart. De mijne heeft alleen hoofdpijn!quot;

Geduldig had Jozefine deze tirade zitten aanhooren; maar achter het ondoordringbaar masker van haar gelaat en haar gelijkmatig rijzonden en dalenden boezem, hoopte zich onderwijl al de minachting op, waarmede zijne pedanterie, zijn zelfbehagen, en zijne schijnheiligheid haar vervulden.

— „Vader,quot; — zeide zij, toen hij scheen uitgesproken te hebben, — „u behoeft zoo niet tegen mij te staan preèken. Ik geloof, dat wij het eens kunnen worden.quot;

Haar kalme toon deed hem tot bedaren komen.

ocr page 184

170 DE HEEK VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN.

— „Niets zal mij aangenamer zijn, dan een vergelijk te treilen, Jozetine,quot; — antwoordde hij, minder onvriendelijk dan daareven. — „Welke schikking slaat ge voor?quot;

— „Ik zal,quot; — hernam zij, de schoone oogen tot hem op-hefleud, doch het hart vol wrok, — „ik zal iedere maand vijftig gulden minder voor mijn toilet uitgeven, indien u zich verbindt, iedere maand voor honderd gulden minder wijn te drinken.quot;

De oud-gouverneur was op dezen stoot niet voorbereid, — een stoot in meer dan overdragtelijken zin, want Jozeüne's behendigheid in het treffen der zwakke plaatsen van haar vaders karakter, ondermijnde tevens zijne gezondheid.

Hij hield zich echter goed, en zeide, na eenig heen- en wederloopen:

— „Wat ge daar zegt, verdient overweging. In elk geval dank ik u, dat ge bereid zijt tot medewerken. Dit is te prijzenswaardiger, omdat ge ook zelve dezer dagen door zorgen gekweld wordt. Zorgen van een anderen aard.quot;

Jozefine wilde spreken.

— „Treed maar niet in bijzonderheden,quot; — ging hij voort. — „Ik meen alles te weten. Wilson bragt mij op de hoogte. Bovendien heelt de jonge Efraïm zelf mij een langen brief geschreven.quot;

Nu was het Jozefine's beurt, pijn te gevoelen. Zij bloosde tot achter hare ooren.

— „Ge hebt dien knaap toch geen onvoorzigtige beloften gedaan?quot; — vroeg hij, haar scherp aanziende. — „Om uwentwil zou mij dit spijten. In Europa worden meisjes, die liefde laten blijken voor een man, met den vinger nagewezen.quot;

Schaamte en toorn klemde haar de keel digt. Zij was zich niet bewust, ten aanzien van Otto iets misdreven te hebben. Wat zij voor hem gevoelde, was de beste aandoening, waarvan haar hart nog ooit geklopt had. Maar zij behoorde niet onder de vrouwen, die het hart gevat of welsprekend maakt.

— „Ik kom er rond voor uit,quot; — hernam hij, — „dat ik dien knaap niet zetten kan. Zijn vader heeft mij op de schandelijkste wijze bedrogen, en ik zal nooit vergeten, uit welk nest de zoon afkomstig is. Ovo prognatm eodem. Bovendien heb ik ongunstige berigten omtrent zijne moraliteit. Deteriores numes sum as licentid, zeiden de Ouden; en aan de akademie gaat uw Otto voor een ligtmis door. Hadt ge meer ondervinding van de wereld, dan zoudt ge weten, dat het voor een jong mensch

ocr page 185

DE HEER VAX ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN. 171

een dubbelzinnige aanbeveling is, een goed danser te zijn. Nemo saltat sobrius. Dansen en drinken gaan te vaak hand aan hand. Kortom, uw Otto wordt mij afgeschilderd als een dier zedelooze nachtbrakers, welke de studenten van den tegen-woordigeti tijd als modellen beschouwen, en die zij de onbeschaamdheid hebben, boven eerzame jongelieden te stellen, onderdanig aan hunne ouders en werkend voor hun brood. Quamdiu potavif toiara noctrm. Dat zwelgt; dat loopt de vrouwen na; dat laat zich door het hanengekraai verrassen bij het biljard! Ik behoef u niet te zeggen, dat zoo dit alles waar is, geen weldenkend vader zijn eenig kind met welgevallen de vrouw zou kunnen zien worden van zulk een losbol. Behalve nog dat dergelijke uitspattingen het ligchaam ondermijnen, — corpora dehilitant balnea, Bacchus, amor, — ontzenuwen zij het karakter. Nooit is uit iemand, die in zijne jeugd zich door allerlei hartstogten van het spoor liet brengen, naderhand een degelijk man gegroeid. Nox et amor vinumque nihil moderabile ■iiiadenl. Ik zou bedanken voor een schoonzoon, weggeloopen uit de studenten-typen van Klikspaan, ook al had zijn vader mijn vertrouwen niet geschonden.quot;

Het was Jozefine aan te zien, dat dit zwartmaken van Otto haar niet deerde. Wat wist zij van Klikspaan en zijne studententypen? Zulke boeken waren in hare lees-bibliotheek niet te bekomen. Wat ging Otto's los leven haar aan? Zoo lang hij het hof niet maakte aan meisjes van haren stand, buiten haar, schonk zij hem het overige. Zij deed er het zwijgen toe, en behield hare gedachten voor zichzelve. Doch zij had moeten begrijpen, dat haar vader er de man niet naar was, het bij die speldeprikken te laten.

— „Ik wil echter onderstellen,quot; — ging hij voort, — „dat afgunstige lieden, ineenende zich aangenaam te maken, den jongen Efraïm bij mij belasterd hebben, en hij ondanks het voorgevallene een aannemelijk echtgenoot voor u zou zijn.quot;

— „Wat zegt u, vader ?quot; — viel zij hem verrast in de rede.

— „Ik zeg, dat indien Otto zich niet aan sommige buitensporigheden schuldig gemaakt, indien hij zekere maat gehouden heeft, het u in zichzelf niet tot oneer zou verstrekken, hem uw hart geschonken te hebben. Trahit sua quemque voluntas. Een jong mensch wordt ligt medegesleept. Ik ga verder en erken, dat de jeugd wijs handelt, wanneer zij zich herinnert, maar één jaargetijde te hebben. Ut endurn est aetate, cito pede lahitur aetas: helaas, niemand weet het beter dan ik, die geen

ocr page 186

172 DE HEER VAN ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN,

jeugd gehad heb! Er zijn personen, die Otto's kunde prijzen. Er zijn er, die buitengewone verwachtingen van hem koesteren.quot;

Een glans van voldoening vloog over Jozefine's gelaat.

— „Zelfs zijn er die hem een werkezel noemen. Multa tulit fecitqne. puer, mdavit et alsit: verzekert men mij. Des te beter. Trouwens,quot; — vervolgde de oude heer, — „het een sluit het ander niet uit! Nee minus JEneas xe matutinm agehat. Sommige personen hebben eene geüsurpeerde reputatie van vroeg opstaan. Ik zou mijn eigen voorbeeld kunnen aanvoeren ten bewijze, dat men aan een helder verstand eene groote mate van werkzaamheid kan paren, en nogtans een man van de wereld blijven.quot;

— „Nu,quot; — dacht Jozefine, hare Indische droomen weder opvattend, — „zoo Otto in Indie niet harder behoefde te werken dan papa gedaan heeft, dan zou er heel wat tijd voor hem overschieten, om zich bezig te houden met mij!quot;

— „Zonder omwegen heb ik u gezegd, wat er vóór en tegen den jongen Efraïm valt aan te voeren, dochter. Laat mij er bijvoegen, dat hij een gunstig voorkomen heeft. Ingenui vultus puer, ingenuique pndoris. Geen onbeschaamde, vrijpostige, verwaande manieren. Een verstandig en tegelijk bescheiden uit-zigt. In zijne tegenwoordigheid zou ik aarzelen, hem een buitengewoon schoon jongeling te noemen, os humerosque deo similis. Sedert ik weet, hoe ge over hem denkt, weiger ik hem die hulde niet onder vier oogen. Ziedaar mijne meening! Het wangedrag van zijn vader, ik herhaal het, doet bij de herinnering mij het bloed naar het aangezigt stijgen. Maar welligt zou de humaniteit, welke in alles mijn regel is, voorschrijven, dat bezwaar over het hoofd te zien.quot;

— „Zoudt u er in toestemmen, mij met Otto naar Indie te laten gaan?quot; — vroeg Jozefine, hare blijdschap niet langer meester.

— „Met hem? Neen, maar dat zou zulk een haast niet hebben. Sal cito, si sat bene. Een vrouw vertrekt niet naar Indie met een man, die daarginds zijn carrière nog maken moet.quot;

— „Maar als ik niet met hem medega, dan zal hij mij vergeten !quot;

—• „Die bezorgdheid zou mij overdreven toeschijnen. Caelum non animum mutant qui trans mare currunt. De afstand doet zoomin vergeten als de tijd. Heb ik uw tante Bruce vergeten, al bragt ik zesendertig jaren in Indie door?quot;

— „De gedachte, dat hij onderwijl andere vrouwen het hof

ocr page 187

DE HEER VAN' ALKEMADE STELT ORDE OP ZIJNE ZAKEN. 173

maakte, zou iüij rust noch duur latenI Ik zou mij de oogen uit het hoofd schreijen Iquot;

— „Geloof mij, dochter, nihil lacrymd citius areseit. Tranen droogen nog spoediger dan vernis. Men moet in deze wereld leeren, zich aan het onvermijdelijke te onderwerpen. Wat zegt de wijsheid? Curendo fieri quaedam majora videmns vulnera. Menigeen, die een klein kwaad wilde wegnemen, heeft er een grooter voor in de plaats gesteld. Uw medegaan met Otto zou oorzaak wezen, dat hij in de zorgen kwam, en minder snel promotie maakte.quot;

— „Maar ik heb hem zoo lief!quot;

— „Dat kan wel wezen. Flamma fumo est proximo,. Ge hebt in de wereld willen gaan. Ge hebt kennis gemaakt met een jong mensch, die u aanstaat. Vele jonge meisjes branden zich op die wijze de vingers.quot;

— „Neen, zoo als ik Otto liefheb, heeft nooit een ander meisje een jongen man liefgehad.quot;

— „Dat verbeelden zij zich allemaal. Vooral als zij een keer of wat met haar minnaar gekrieuwd hebben. Amantium irae amoris integratio est. Maar hetzij ge met Otto gekrieuwd hebt of niet, ik zou er in elk geval tegen zijn geweest, dat ge al dadelijk met hem naar Indie trokt.quot;

— „Waarom, vader?quot;

— „Zult ge dan nooit met een half woord leeren verstaan?quot; — viel hij uit. — „Vooreerst omdat het niet past, en ten anderen omdat er geen spraak van is!quot;

Wezenloos zag zij hem aan, verstijfd van schrik.

— „Uw Otto schrijft mij over de zaken van zijn schelmachtigen vader. Over u, geen woord. Geen verontschuldigingen, geen groeten, niets. Hij kent u niet. Hij weet niet eens dat ge bestaat!quot;

— „Beul!quot; — riep Jozefine, met afschuw de kamer uitsnellend.

— „Dacht ik het niet?quot; — zeide de heer Van Alkemade tot zichzelve. — „Ware het dien knaap ernst geweest, hij zou van zich hebben doen hooren. Si non pertaesum thalami taedaeque fuisset. Hij heeft gelijk; hij denkt niet aan trouwen. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Maar Jozefine moet leeren zich minder dwaas aan te stellen, en ook, dat zij haar vader niet brutaliseren raag.quot;

ocr page 188

XIX

HEX HI WILSOX OP DE PKOEF GESTELD.

Wij zijn van oordeel, dat Jozefine bovenal deernis verdiende, om de Makassaarsche wreedheid, waarmede zij door haren vader gepijnigd was. Doch hebben wij een juist inzigt in die soort van karakters? Toen zij uit hare bedwelming ontwaakte, was het Otto's herinnering, die Jozefine het meest lijden deed; niet die van den oud-gouverneur. Wat gaf zij om haar vader? Haar toeleg was geweest, hem uit alle magt te grieven, door te zinspelen op zijn geheimen hartstogt, en terwijl zij tot hiertoe in iederen woordentwist de overwinning had behaald, was zij ditmaal voor hare vermetelheid gestraft. Die ééne nederlaag. vond zij, wischte de vroegere zegepralen niet uit. Maar dat Otto haar ontrouw was geworden! Dat hij zelfs geen poging had aangewend, weder met haar in aanraking te komen! Dar, hij haar blijkbaar nooit had liefgehad!

Zoolang zij eene reden had kunnen aanvoeren, waarom zij hem niet meer gelijk voorheen in gezelschappen ontmoette, was Den Haag voor haar eene bevolkte stad gebleven, ofschoon eene stad zonder bekoring. Het griefde haar, hem niet te zien. Zij vond de menschen onregtvaardig, die den zoon in de schuld van den vader betrokken. Waarom kon Otto zich niet, met opgeheven hoofd, overal vertoonen ? Maar zij begreep dan toch, dat sommige vooroordeelen ontzien moesten worden. Oók begreep zij, dat Otto het met de verwarde zaken zijns vaders zeer volhandig had.

Thans was de geheele wereld ledig. Wanneer er muziek werd gemaakt, dan verbeeldde zij zich niet langer, Otto voor de piano te zien zitten of hem te hooren zingen. Hij keek niet langer mede, over haren schouder, in het prentenboek op de salontafel, waarin zij met een ander stond te bladeren. Dunste zij , zij had niet langer het gevoel, te dansen met hem. Als zij hem miste, troostte haar niet langer de zoete waan: „Hij zit thuis te werken, en denkt aan mij.quot;

Eerst vervulde haar alleen droefheid , wanneer zij aan hem dacht. Maar allengs begon zij hem te haten. Hij had haar noo-deloos beleedigd en vernederd, vond zij. Hij moest bemerkt

ocr page 189

HENRI WILSONquot; OP DE PROEF GESTELD.

hebben, dat zij hem onderscheidde, — en hij had zich niet tijdig teruggetrokken! Door zich met haar te blijven bezighouden , had hij haar het regt gegeven te meenen, dat hunne liefde wederkeerig was! Schandelijk had hij haar behandeld. Haar eerst halve bekentenissen ontlokt, en toen haar laten loopen. Hij was een nietswaardige. Met welgevallen zou zij vernomen hebben, dat eene andere vrouw hem deed lijden, wat zij nu leed!

Het meest bleef zij aan huis komen bij mevrouw Coppenol. Sedert het faillissement van Efraïm, den vader, had mevrouw Coppenol niet weder met haar over Otto gesproken. Dit zette haar op haar gemak. Ook vond zij steeds in die omgeving Henri Wilson, wien zij slechts in het eerlijk gelaat behoefde te zien, om zich te overtuigen, dat haarvader hem regtstreeks of zijdelings had belasterd. Niet Henri had den oud-gouverneur verhaald, dat zij het beeld van Otto in haar hart droeg.

Zonder die dwaze betrekking tusschen Henri en mevrouw Coppenol, zouden de goede aandoeningen, door hare liefde voor Otto tijdelijk opgewekt, mogelijk weder bovengekomen zijn en meer vastheid verkregen hebben. Doch door hare vriendschap zelve voor Henri werd zij in een strijd gewikkeld, die het tegenovergestelde uitwerken zou.

Het verkeer in de Haagsche wereld had Henri Wilson goed gedaan, kan men zeggen. Dezelfde gebleven, was hij tevens een ander mensch geworden. Met eigen oogen had hij zich kunnen overtuigen, hoe dwaas niet alleen, maar ook hoe onmogelijk het was, iets anders of iets meer voor Jozefine te zijn, dan een vriend harer jeugd, die bij hare eerste uitgangen kleine diensten bewees. Zijn sluimerende hartstogt had zich gezuiverd; was stil geworden. Hij zou in dien eersten tijd, zoo hij George Bentinck ontmoet had, hem in het gelaat hebben durven zien.

Nog braver vond hij zichzelven, sedert hij er in had toegestemd, zich te laten verwarren in de strikken van tante Suze, zooals in hare korte vrolijkheid Jozefine het genoemd had. Er was in de liefde eener vrouw van goed in de veertig voor een zoo veel jongeren man iets ridikuuls: dit moest een ieder gevoelen. Doch naarmate Henri de echtgenoot van den Noord-brabantschen parvenu beter leerde kennen, vond hij er ook iets aandoenlijks in. Mevrouw Coppenol was niet geheel en al eene gewone vrouw. Men kon het haar gemakkelijk ten goede houden, dat zij bij feestelijke gelegenheden het ontblooten

175

ocr page 190

XIX

HENKI WILSON OP DE PROEF GESTELD,

Wij zijn van oordeel, dat Jozefine bovenal deernis verdiende, om de Makassaarsche wreedheid, waarmede zij door haren vader gepijnigd was. Doch hebben wij een juist inzigt in die soort van karakters? Toen zij uit hare bedwelming ontwaakte, was het Otto's herinnering, die Jozefine het meest lijden deed; niet die van den oud-gouverneur. Wat gaf zij om haar vader? Haar toeleg was geweest, hem uit alle magt te grieven, door te zinspelen op zijn geheimen hartstogt, en terwijl zij tot hiertoe in iederen woordentwist, de overwinning had behaald, was zij ditmaal voor hare vermetelheid gestraft. Die ééne nederlaag, vond zij, wischte de vroegere zegepralen niet uit. Maar dat Otto haar ontrouw was geworden! Dat hij zelfs geen poging had aangewend, weder met haar in aanraking te komenI Dat hij haar blijkbaar nooit had liefgehad!

Zoolang zij eene reden had kunnen aanvoeren, waarom zij hem niet meer gelijk voorheen in gezelschappen ontmoette, was Den Haag voor haar eene bevolkte stad gebleven, ofschoon eene stad zonder bekoring. Het griefde haar, hem niet te zien. Zij vond de menschen onregtvaardig, die den zoon in de schuld van den vader betrokken. Waarom kon Otto zich niet, met opgeheven hoofd, overal vertoonen ? Maar zij begreep dan toch , dat sommige vooroordeelen ontzien moesten worden. Ook begreep zij, dat Otto het met de verwarde zaken zijns vaders zeer volhandig had.

Thans was de geheele wereld ledig. Wanneer er muziek werd gemaakt, dan verbeeldde zij zich niet langer, Otto voor de piano te zien zitten of hem te hooren zingen. Hij keek niet langer mede, over haren schouder, in het prentenboek op de salontafel, waarin zij met een ander stond te bladeren. Danste zij , zij had niet langer het gevoel, te dansen met hem. Als zij hem miste, troostte haar niet langer de zoete waan: ,,Lüj zit thuis te werken, en denkt aan mij.quot;

Eerst vervulde haar alleen droefheid , wanneer zij aan hem dacht. Maar allengs begon zij hem te haten. Hij had haar noo-deloos beleedigd en vernederd, vond zij. Hij moest bemerkt

ocr page 191

HENRI WILSON OP DE PROEF GESTELD.

hebben, dat zij hem onderscheidde, — en hij had zich niet tijdig teruggetrokken! Door zich met haar te blijven bezighouden, had hij haar het regt gegeven te meenen, dat hunne liefde wederkeerig was! Schandelijk had hij haar behandeld. Haar eerst halve bekentenissen ontlokt, en toen haar laten loopen. Hij was een nietswaardige. Met welgevallen zon zij vernomen hebben, «lat eene andere vrouw hem deed lijden, wat zij nu leed!

Het meest bleef zij aan huis komen bij mevrouw Coppenol. Sedert het faillissement van Efraim, den vader, had mevrouw Coppenol niet weder met haar over Otto gesproken. Dit zette haar op haar gemak. Ook vond zij steeds in die omgeving Henri Wilson, wien zij slechts in het eerlijk gelaat behoefde te zien, om zich te overtuigen, dat haarvader hem regtstreeks of zijdelings had belasterd. Niet Henri had den oud-gouverneur verhaald, dat zij het beeld van Otto in haar hart droeg.

Zonder die dwaze betrekking tusschen Henri en mevrouw Coppenol, zouden de goede aandoeningen, door hare liefde voor Otto tijdelijk opgewekt, mogelijk weder bovengekomen zijn en meer vastheid verkregen hebben. Doch door hare vriendschap zelve voor Henri werd zij in een strijd gewikkeld, die het tegenovergestelde uitwerken zou.

Het verkeer in de Haagsche wereld had Henri Wilson goed gedaan, kan men zeggen. Dezelfde gebleven, was hij tevens een ander raensch geworden. Met eigen oogen had hij zich kunnen overtuigen, hoe dwaas niet alleen, maar ook hoe onmogelijk het was, iets anders of iets meer voor .Tozefine te zijn, dan een vriend harer jeugd, die bij hare eerste uitgangen kleine diensten bewees. Zijn sluimerende hartstogt had zich gezuiverd; was stil geworden. Hij zou in dien eersten tijd, zoo hij George Bentinck ontmoet had, hem in het gelaat hebben durven zien.

Nog braver vond hij zichzelven, sedert hij er in had toegestemd, zich te laten verwarren in de strikken van tante Suze. zooals in hare korte vrolijkheid .Tozefine het genoemd had. Er was in de liefde eener vrouw van goed in de veertig voor een zoo veel jongeren man iets ridikuuls: dit moest een ieder gevoelen. Doch naarmate Henri de echtgenoot van den Isoord-brabantschen parvenu beter leerde kennen, vond hij er ook iets aandoenlijks in. Mevrouw Coppenol was niet geheel en al eene gewone vrouw. Men kon het haar gemakkelijk ten goede houden, dat zij bij feestelijke gelegenheden het ontblooten

175

ocr page 192

HENRI WILSON OP DE PROEF GESTELD.

barer schouders overdreef. Niet alleen kleedde zij zich met smaak en takt, maar zij mogt eene welgekonserveerde schoonheid heeten. Zelfs was het de vraag, of zij niet tot die klasse van vrouwen behoorde, bij welke de jeugd de aanvalligheid in den weg staat, en die de blikken der mannen eerst tot zich gaan trekken, wanneer haar zomer den herfst begint te naderen. Wat echter vooral in haar bekoorde, wanneer zij met terzijdestelling van het konventionele, een blik in haar gemoed gunde, was eene diepe behoefte aan genegenheid. Om geen andere reden was zij, de rijke kinderlooze tante, de weldoende fee harer jonge, door de fortuin misdeelde bloedverwanten geworden. Om geen andere, patroneerde zij jonge vrienden en vriendinnen, bij hunne intrede in de wereld. Maar uan die kleurlooze wederliefden had zij niet genoeg. Getrouwd met een grijsaard, alleen uit overleg, — omdat geen ander haar vroeg, omdat zij afhankelijk was, omdat de aanblik van het wassend gezin harer schoonzuster, bij beperkte middelen, het haar als een schrikbeeld deed beschouwen, zich te moeten behelpen, — was bemind te worden door een jongen man, het droombeeld van geheel haar leven geweest. Toen Henri Wilson aan haar voorgesteld werd, had zij aanvankelijk evenmin iets voor hem gevoeld, als hij voor haar. Hij kon alleen eene voor het uitwendige hooghartige vrouw in haar zien, wier donkere haren en donkere oogen, van meer gestrengheid dan teederheid getuigden. Een toevallig onderhoud over gemoedszaken, naar aanleiding van een pasvertoond too-neelstuk, deed de eerste slagboomen vallen. Henri kwam er toe, een gedeelte zijner geschiedenis te verhalen. Mevrouw Coppenol liet een gedeelte van de hare doorschemeren. Beiden vonden, dat er een zweem van overeenkomst was. Van vertrouwelingen werden zij goede vrienden, en weldra blaakte de halve zuster van den referendaris Leopold van een blinden hartstogt voor den marine-officier. Zij had gevonden!

Wat Henri betreft, niet dat hij achterbleef of zich onbetuigd liet. Verre van dien' Dat zeker heimwee naar het romaneske, door zijn onberaden en prozaïsch huwelijk bij hem ontwikkeld, deed er hem een overmoedig behagen in vinden, zich over te geven aan dezen nieuwen stroom van aandoeningen. In een Duitsch vers over geblaseerdheid en wereldsmart, had hij met welgevallen de voorstellingen aangetroffen van een rampzaligen jongen man en eene even rampzalige jonge vrouw, die, schipbreukelingen van het leven, troost in

176

ocr page 193

HENRI WILSON OP DE PROEF GESTELD.

elkanders armen zochten. Zoo, ongeveer, dacht hij over zijne verhouding tot mevrouw Coppenol; zich niet angstvallig afvragend , welke oogen de Duitsche lyricus zou hebben opgezet, indien deze toepassing zijner theorie hem ter oore gekomen ware. Mevrouw Coppenol had zijn hart getroffen, en met de meeste goede trouw deelde bij in hare geestdrift.

Maar hij had daarom Jozefine niet vergeten!

Tegen zichzelven gewapend, meende hij, door zijne nieuwe verbindtenis ; ja nu voor het eerst in de ware stemming, om aan Jozefine's doen en laten onbevooroordeeld aandacht te sehenken, was hij bij iedere gelegenheid haar blijven gadeslaan. Voor wie haar zoo goed kende als hij, had het niet verborgen kunnen blijven, welke voorkeur zij aan Ottp Efraïm schonk, en, niet in staat Otto's bijzondere soort van superioriteit te waarderen, mogelijk ook verblind door zijne eigen vooringenomenheid, had hij onder Jozefine's keus geleden. In zijn hart had hij haar gelukgewenscht, toen het bankroet van Otto's vader hem toescheen, te goeder uur een onzigtbaren knoop te zijn komen doorhakken, die nooit gelegd had moeten worden. De slag had haar moeten kneuzen: maar zij zou zich spoedig herstellen. Toen hij na de smartelijke operatie haar weder in de wereld zag verschijnen, en zij althans voor zijn geoefend oog vruchteloos hare teleurstelling poogde te verbergen, vloog zijn hart haar te gemoet, op nieuw vervuld met de oude sympathie.

Deze was Henri's gemoedstoestand, toen Jozefine, de inspraak volgend van hare onverbeterlijke zelfzucht, om zoo te zeggen haren schildknaap kwam opeischen.

Al meer dan eens had het mevrouw Coppenol verwonderd en gehinderd, dat Henri Wilson zich door Jozefine in beslag liet nemen op eene wijze, die zekere regten kon doen onderstellen; en, ware bare positie zuiver geweest, zij zou aan die wanverhouding, gelijk iedere beperking van hare regten haar toescheen te zijn, spoedig een einde gemaakt hebben.

Mi lar bij den eersten stap den besten, neen, reeds bij het overwegen daarvan, ondervond zij, dat zoo het voor eene gehuwde vrouw van fortuin, die bij de wereld goed staat aangeschreven, onder sommige omstandigheden niet moeijelijk is, in stilte een gehuwd en bescheiden man tot minnaar te hebben, men op onoverkomelijke bezwaren stuit, wanneer men een jong meisje, geacht van alles onkundig te zijn, aan het verstand wenscht te brengen, dat men niet voornemens is

177

12

ocr page 194

HENRI WILSON OP DE PROEF GESTELD.

dien minnaar, zoomin gedeeltelijk als geheel, aan haar af te staan.

Toch moest in dit geval met het meisje gesproken worden. Aan haar lag de schuld: niet aan Henri. Deze, in het verhoor genomen, verdedigde zich glansrijk. Minder dan ooit mogt hij in de tegenwoordige omstandigheden Jozefine van zich afstooten, zeide hij. Geheel alleen op de wereld, kwam zij met een gewond hart een beroep doen op de vriendschap van haar ouderen broeder. Aan haar vader had zij niets: dit was bekend. Met vrouwen van leeftijd kon zij niet vertrouwelijk spreken, zonder dat pijnlijke snaren aangeroerd werden. Jonge meisjes konden haar niet begrijpen of troosten. Hij , Henri, was de aangewezen persoon, om haar de eenige soort van deelneming te toonen, welke op dit oogenblik waarde voor haar hebben kon. Het zou wreed, het zou niet gentlemanlike zijn, haar thans met onverschilligheid te bejegenen. Al zou hij beproeven, koelheid, te veinzen, het zou hem niet gelukken, die te gevoelen Jozefine was zulk een interessant jong meisje! Men kon niet nalaten, in hare toekomst belang te stellen.

Dit een en ander liet zich zeer goed hooren. Klemden ook alle argumenten niet even zeer, mevrouw Coppenol had den leeftijd bereikt, dat eene verliefde vrouw wel genoodzaakt is, een paar drogredenen op den koop toe te nemen. Zij mogt in Henri's oogen, door reeds dadelijk eene overdreven bezorgdheid te laten blijken, zich niet belagchelijk maken. Het best was te spreken met Jozefine zelve.

— „Heeft het wandelen gisteren u genoegen gedaan?quot; — vroeg zij, toen Jozefine in het begin eener nieuwe week haar een middagbezoek kwam brengen. — „Veel weer was het niet. Maar in dit jaargetijde moet men in ons landje al blijde zijn, wanneer tusschen twaalven en vieren de zon gelieft door te komen.quot;

— „Neen,quot; — antwoordde Jozefine, — „ik heb gisteren niet gewandeld. Zoo het geen Zondag geweest was, zou ik boodschappen zijn gaan doen. Maar dat kon niet. Ik loop haast nog liever in den regen, dan den geheelen dag in huis te z.tten.quot;

— „Is dan mijnheer Wilson u gisteren geen gezelschap komen houden? Ik meende, dat hij nooit één zondag oversloeg?quot;

— „Henri zou gekomen zijn, ja, maar papa heeft hem afgeschreven. Papa moet zich erg in acht nemen tegenwoordig. De geringste drukte is hem te veel. Niets kan hij meer verdragen.quot;

— „Dat was jammer voor u. Een jong meisje moet niet den

178

ocr page 195

HENRI WILSON OP DE PROEF GESTELD.

geheelen dag opgesloten blijven. Als dit een anderen keer gebeurt, doe het mij dan weten. Dan kom ik u afhalen met rijtuig, en laten wij ons naar een droog plekje brengen.quot;

— „U is wel vriendelijk,quot; — zeide Jozefine.

Bij eene volgende ontmoeting begon mevrouw Coppenol op nieuw over Henri. Zij beschouwde het als een goed strategisch middel, eerst Henri's naam eenige malen in het veld te brengen. Op die wijze zou Jozefine aan het onderwerp gewennen, en mogelijk zich iets laten ontvallen, wat als aanknoopings-punt voor eene vermaning dienst kon doen.

— „Altijd moet ik mijnheer Wilson bewonderen,quot; — zeide zij. — „wanneer ik hem in gezelschap over u zie waken. Een eigen broeder kon niet naauwlettender zijn. Niets ontgaat hem.quot;

— „Ach ja,quot; — antwoordde Jozefine met een zuchtje, — „Henri is voor mij heel goed. Ik weet niet hoe hij het aanlegt; maar nooit dringt hij zich op, en is toch altijd voorkomend. Andere heeren maken het u soms lastig met hunne beleefdheden.quot;

— „De reden zal zijn, dat anderen zich tot komplimenten bepalen, en mijnheer Wilson wezenlijk belang in u stelt.quot;

— „Dat doet hij. Dit weet ik zeker. Hij heeft altijd veel van mij gehouden. Toen ik nog een kind was, reed ik op zijn knie, en nu ik een jong meisje geworden ben, draagt hij zorg dat ik geen koü vat.quot;

De voorstelling, dat Jozefine op Henri's knie gezeten had, deed mevrouw Coppenol niet aangenaam aan. Zij bragt het gesprek op iets anders.

Maar ook toen zij bij eene andere gelegenheid even aanduidde, geen dupe geweest te zijn van de kleine fabel, waarvan men zich bediend had, om Henri als een voegzaam cavalier van s heeren Van Alkemade's dochter te doen beschouwen, kwam zij niet verder. In plaats van vertrouwelijker, werd het meisje terughoudender.

„Waarom begint zij telkens over Henri te praten'?quot; — was de wrevelige vraag, welke Jozefine zich zelve deed. — „Is zij op haar ouden dag jaloersch geworden? Kan zij niet velen , dat Henri vriendelijk voor mij is? Daar moet ik het mijne van hebben.quot;

Zoolang hare gedachten vervuld waren geweest met Otto, had zij de betrekking, die tusschen mevrouw Coppenol en Henri Wilson scheen ontstaan te zijn, als eene grap beschouwd.

179

ocr page 196

HENRI WILSON OP DE PROEF GESTELD.

De zaak ging haar niet aan. Zij had óók gevonden! Het tijdverdrijf, door Henri's persoon vertegenwoordigd, kon zij voortaan missen. Zij stond hem vrijwillig at', aan wie hem nemen wilde. Maar nu die groote leegte in haar gemoed ontstaan was, dacht zij anders. Henri was thans de eenige, aan wien zij zich vast kon houden. Zij zou niet gedogen, dat eene andere vrouw, vooral niet eene zottin als mevrouw Coppenol, zich tusschen haar en hem kwam dringen.

Had zij haar zin gevolgd, zij zou Henri ondervraagd, en hem eene bekentenis ontlokt hebben. Maar zij gevoelde, voor die taak niet berekend te zijn. De taal der wereld was haar niet gemeenzaam genoeg, dat zij, zonder te kort te doen aan de schaamte, met goed gevolg beproeven kon, door te dringen in zulk een geheim. Hetgeen zij verlangde te weten, moest haar bekend worden langs omwegen. Des te beter! Zij had weder iets gevonden, dat haar bezighouden en waarin zij belangstellen kon. Eene nieuwe vervulling van haar leven. Eene nieuwe gelegenheid tot intrigeren.

Abels werd door haar in den arm genomen, en met schoonschijnende redenen, waaronder klinkende, aangesteld tot spion. Bij stukjes en beetjes verschafte hij haar de noodige gegevens, die zóó eenvoudig waren, dat de goede man zelf verbaasd stond, er dus ruim voor betaald te worden. Henri Wilson, bleek het, kwam niet-alleen naar Den Haag, om met Jozefine in gezelschap te gaan, maar ook op sommige andere werkdagen , en ontving dan op zijne kamers bezoeken van eene dame, altijd dezelfde. Wie zij was en hoe zij er uitzag, dit kon men niet zeggen. Zij kwam alleen 'savonds, met huurrijtuig, en gesluijerd, doch naar haar toilet en hare kleine geschenken te oordeelen, was zij eene vrouw van aanzien. Tegelijkertijd merkte Jozefine op, dat mevrouw Coppenol op schouwburgavonden somtijds niet in hare loge verscheen, of vóór het einde der voorstelling zich verwijderde. Ten einde zeker te gaan, droeg zij zorg, zoo vele uitnoodigingen voor de opera te bekomen, als zonder onbescheidenheid mogelijk was. Kegel-matig herhaalde zich hetzelfde verschijnsel. Even vaak als Henri incognito den nacht in Den Haag kwam doorbrengen, even vaak moest mevrouw Coppenol, omdat zij hoofdpijn kreeg of zich niet wèl gevoelde, de komedie verlaten.

— „De oude kokette!quot; — dacht Jozefine. — „Laat haar weder beproeven, mij met Henri aan boord te komen!quot;

Goedhartige en toegefelijke vrouwen zouden met mevrouw

180

ocr page 197

JOZEFINE AAN HET WEKK.

Coppenol, de eenen medelijden gehad, de anderen haar zoo veel mogelijk verontschuldigd, nog anderen haar in stilte uit-gelagchen, eene enkele misschien haar uit vriendschap gewaarschuwd hebben. Anders handelde Jozefine. Toen zij niet langer twijfelen kon, voor het minst een schandaal op het spoor te zijn, vergat zij al de verpligtingen, die zij aan mevrouw Coppenol had; wierp de gevoelens, die haar tegenover Henri Wilson betaamden, over boord; verzamelde hare uiterstegram-matikale en kalligrafische krachten, en zond aan den ouden heer Coppenol, over de post, het volgend naamloos briefje:

„lederen avond dat er opera is, brengt mevrouw Coppenol „thee-visite aan mijnheer Henri Wilson, op zijn kamers. Weet „mijnheer Coppenol dit? Het adres staat hieronder. Mijnheer „Wilson heeft een zwarte vrouw, die hij laat zitten te Kotter-„dam. Kassian mijnheer Coppenol, dat zijn weldaden zoo ver-„golden worden. Zoo hij het niet gelooft , kan hij gaan kijken.quot;

Toen zij dezen pijl eigenhandig in den algemeenen koker gestoken had, ging Jozefine meteen mevrouw Coppenol een bezoek brengen.

— „Vindt ge toch eigenlijk niet, melieve,quot; — vroeg mevrouw Coppenol in den loop van het gesprek, — „dat mijnheer Wilson wat heel veel werk van u maakt tegenwoordig? Tegenover een getrouwd man moet een jong meisje zich dubbel in acht nemen.quot;

— „Hoe zou ik mij in acht nemen?quot; — vroeg Jozefine. — „Ik kan Henri niet verhinderen, beleefd voor mij te zijn.quot;

XX

JOZEFINE AAN HET WERK.

Het huwlijk vjin den heer en mevrouw Coppenol was tot hiertoe een dier gewone ongelukkige verbindtenissen geweest, wier tegenstrijdigheid niet aan het licht komt, omdat het ongeluk er alleen bestaat uit eene afwezigheid. Geen van beiden had hooge eischen gesteld; en te midden van den overvloed leidden zij een saai leven. Om de zaken bij haar waren naam te noemen: mevrouw had niets anders gevraagd, dan met

181

ocr page 198

JOZEFINE AAN HET WEEK.

fatsoen geborgen te wezen; mijnheer , die, eigenaar eener Noord-brabantsche fabriek van militaire equipement-stukken , uit den Tiendaagschen Veldtogt een groot vermogen geklopt had, mijnheer was in Den Haag komen wonen en had bij zijne grijze haren eene vrouw van middelbaren leeftijd gezocht, die er goed uitzag, geen fortuin bezat, en van beter familie was dan hijzelf: eene familie zonder Noordbrabantsch accent, en met een wapen zonder slobkousen er in.

— „Trouw toch dien ouden man niet!quot; — waagden indertijd sommige gehuwde dames, van het plan onderrigt, tot Suze Leopold te zeggen. — „Hij is een lompert. Ge zijt veel te goed voor hem. Het zal u berouwen.quot;

— „Ieder begaat van zijn leven één gekheid!quot; — lachte de rijpe Suze, verblind door het vooruitzigt, te kunnen leven op een grooten voet. — „Hebt ge niet zelf op een schoonen dag de uwe begaan?quot;

— „Dat had ik niet gedacht van Coppenol,quot; — zeiden de oude heeren in de Besognekamer tot elkander, — „dat hij een vrouw zou vragen zonder geld. Hij valt meê.quot;

— „Bendege dwaas?quot; — zou de heer Coppenol geantwoord hebben, zoo de onbeleefde opmerking gemaakt ware in zijne tegenwoordigheid. —• „Als ge rijk zijt, en uw rust liefhebt, moddege een arme vrouw nemen.quot; — Armoede, herinnerde hij zich uit de dagen zijner jeugd, toen hij bij zijn vader, den regiments-kleermaker, op den winkel werkte, armoede was afhankelijkheid; en hij verlangde in de eerste plaats eene vrouw, die van hem afhing.

De verdere ontwikkeling van den heer Coppenol was naar rato van dit staaltje. Zijne levensgeschiedenis predikte vooruitgang. Om tot de positie te geraken, die hij veroverd had, was zekere mate van geluk noodig geweest; maar ook van door-zigt, arbeidzaamheid, en eerlijkheid. Hij kon er niet gekomen zijn, of sommige menschen waren voor hem uit den weg, sommige dingen anders moeten gaan, dan zij vroeger gingen, in den goeden ouden tijd. Maar dit alles was hij vergeten. Nu hij er gekomen was, was het wèl: daar kon het bij blijven. Alle ontwikkeling in derden, alle vooruitgang niet alleen, ook elke verandering stond hem tegen. Zonderlinge tegenstrijdigheid! Het eenig geestelijk voedsel van dezen behoudsman, — konservatiever dan Jozua, die de zon, maar niet ook de wereldgeschiedenis deed stilstaan, — zijne eenige lektuur waren de demokratische blaauwboekjes en schotschriften van den dag.

182

ocr page 199

JOZEFIXE AAK HET WERK.

Hij las ze, wel is waar, alleen ter plaatse, in een vorig hoofdstuk door Salomon Bisschof' aangeduid, maar hij las ze. Harts-togtelijk vereerder, op zijne wijze, van het regerend stamhuis; vol ontzag voor de aristokratie der geboorte, verslond hij den Ring van Gyges, waarin zoo min de geheimen van het hof als van den Haagschen adel ontzien werden. Zoo vaak hij het woord republiek hoorde uitspreken, rilde hij van toorn, maar ontving niettemin van zijnen boekverkooper, langs omwegen, elk nummer van den Lepelaar.

Dat er van zijne nog jonge, nog schoone vrouw, iets te maken zou zijn geweest; het hem, onbehagelijk man, tot eer zou hebben verstrekt, haar karakter ten goede te leiden; zijn kinderlooze echt het hem dubbel tot pligt maakte, haar, die hem alleen om zijn fortuin had kunnen begeeren, door goedheid en onderscheiding op te heften, te verteederen. schadeloos te stellen, — bendege dwaas? was het eenige antwoord, hetwelk de heer Coppenol, indien zulke overwegingen bij hem opgerezen waren, ze waardig gekeurd, en waarmede hij ze onderdrukt zou hebben.

Te beklagen is de beschaafde vrouw, die in de kracht des levens zich aan zulk een man gekoppeld, en, al heeft hij de zestig achter den rug, in weerwil van pruik, bril, kromme beenen en valsche tanden, hem toegerust ziet met eene voorbeeldige spijsvertering. Voorwaar, de armoede is eene slechte raadgeefster! Maar wij mogen het in mevrouw Coppenol niet verschoonen, dat zij, het slecht getroffen hebbende en nu het er eenmaal toe lag, alleen van bezwijken wist. De heer Coppenol deed niets voor haar: maar kon zij niets voor hem doen? Welk een triomf, in het hart van dien trivialen wereldling ook maar één vonk van hooger bestaan te wekken! Bij het terugzien op den afgelegden levensweg, met welk een goed geweten had zij eenmaal de op den dag van het b uw lijk gedane beloften kunnen herdenken, zoo het haar ernstig voornemen was geweest, in haren man, die voor tijd en eeuwigheid aan haar verbonden heette en in elk geval haarman was, eene onsterfelijke ziel te eeren, iaat staan te leeren liefkrijgen?

Deze waren ongeveer mevrouw Coppenol's vrome en bittere nagedachten, toen zij in het morgenuur door haren echtgenoot ter verantwoording geroepen werd, en voor zijnen regterstoel verschijnen moest in die studeerkamer, waar hij, zoomin als de heer Cornells van Alkemade in de zijne ooit studeerde.

183

ocr page 200

JOZEFINE AAN HET WEEK.

Sommige zondaressen gevoelen zich zondaressen, al worden zij door geen sterfelijk oog in hare binnenkamer bespied. Andere blijven zondaressen, al rijden zij over de tong. Mevrouw Coppenol behoorde tot de talrijke middenklasse van haar, voor welke het kwaad eerst aanvangt bij de ontdekking. Met de ambitie eener voltigeuse in een circus, die door met vloeipapier beplakte hoepels springt, de eene voor, de andere na, was zij heengevlogen door de bepalingen van haar huwlijks-kontrakt. Zij had er zoo van genoten, omdat niemand het wist! Haar hart was gebleken, nog zoo jong te zijnl Maar nu zij eensklaps tegenover haar man stond, die haar inzage verzocht te nemen van het beschuldigend handschrift, schrikte zij van zichzelve. De paardrijdster viel van het paard, en tuimelde in het zand.

Hare verwarring was zoo zigtbaar, dat de heer Coppenol aan den omvang van hare schuld niet twijfelen kon. Maar, haar genoeg kennend, om zeker te zijn, dat zij het niet op een openbaren strijd zou laten aankomen, trok hij van de gelegenheid partij, en deed haar de volle zwaarte van hare athanke-lijkheid gevoelen.

— „Suze,quot; — zeide hij, alsof het alleen eene laakbare, maar vergefelijke onvoorzigtigheid gegolden had, — „zoo ik kopjes thee ging drinken bij de vrouw van onzen koetsier, dan zoudege dat niet aardig vinden. Doedegij mij het pleizier, en breng geen visites meer aan mijnheer Wilson. Ge zijt te oud voor zulke gekheden. En laat mij nu aan mijn werk, wildege?quot;

Dieper had hij haar niet kunnen vernederen.

Ware hare genegenheid voor Henri een dier grootsche harts-togten geweest, waarmede de dichters drama's bouwen, zijne taktiek zou niet gebaat hebben. Liever zou zij zijn huis ont-vlugt zijn; liever had zij geveinsd, gelogen, schaamteloos ontkend; liever hem verweten, dat hij een lafaard was; liever eene misdaad gepleegd. Nu zij besefte, slechts medegesleep', te zijn door een gevoel, hetwelk hare jaren veroordeelden, en dat het daglicht niet aanschouwen kon zonder belagchelijk te worden, nu had hij vrij spel. Niets zou hem onaangenamer zijn geweest, dan Henri Wilson, ook maar voor den vorm, eene uitdaging te moeten zenden. Elke publiciteit, aan den misstap zijner vrouw gegeven, zou nedergekomen zijn op zijn eigen dak. Maar hij kon gerust wezen. Hare braafheid zelve gaf hem een wapen in de hand. Haar burgerlijk romannetje was uitgespeeld. Voortaan zou hij slechts de oogen behoeven

184

ocr page 201

JOZEFIXE AAN HET WERK.

op te heften, om haar in toom te houden. In bijzonderheden te moeten treden, dit smaakte hem niet; doch weinig scheelde het, of hij had in de Besognekamer zelve de paradoxale stelling verdedigd, dat de vrouw van een rijk man, die zijne rust liefheeft, niet slechts geen geld en geen kinderen, maar ook, in haar verleden, de herinnering moet hebben van eene losse week of zes.

Beklagelijk einde der minnarijen van mevrouw Coppenol! Voor het geringer kwaad, verbonden Ie zijn aan een man zonder opvoeding en zonder gemoed, kwam het grootere in de plaats, hem te moeten vreezen. En dit alles, omdat Joze-fine van Alkemade goedgevonden had , zich op te werpen als haar medeminnares!

— „Welke slang is dat kind?quot; — vroeg mevrouw Coppenol zich af, nog krimpend onder het door haren echtgenoot haar beteekend vonnis, en verbijsterd door Jozefine's trouweloosheid. — „Wat heeft haar gedreven'? Bijna zou ik wenschen, dat zij den moed had, mij onder de oogen te komen. Maar zij zal niet durven. Het is te schrikkelijk. Een schijnbaar zachtzinnig meisje, dat nooit anders dan goedheden van mij ondervonden heeft! Veel heb ik voor haar niet kunnen zijn, maar ik deed toch wat ik kon.quot;

Zij rees op, en schelde.

— „Als er van middag visites komen, dan ben ik voor niemand thuis,quot; — zeide zij tot den knecht. — „Behalve voor jufvrouw Alkemade.quot;

Zij had zich vergist, dat Jozefine niet durven zou. Geen uur later werd jufvrouw Alkemade aangediend. Niet minder had zij zich bedrogen, dat het haar welgevallig zou zijn, Jozefine te ontmoeten. Al hare krachten moest zij bijeenrapen, om bedaard te blijven en een schijn van wellevendheid in acht te nemen.

— „Ga zitten , Jozefine,quot; — zeide zij, haar eene plaats wijzend aan het andere uiteinde der kanapee, en met eene onwillekeurige beweging van afschuw naar den rok van haar kleed grijpend.

Jozefine deed hetzelfde, maar zonder gemaaktheid. Hare houding was vrijmoedig , niet brutaal.

Gedurende eenige oogenblikken zwegen beiden: pijnlijke stilte. Men hoorde alleen het tikken der pendule op den schoorsteen. Een goed luisteraar had ook het hart van mevrouw Coppenol kunnen hooren kloppen. Jozefine was bedaarder. Men gevoelde, dat nog iets anders tusschen die vrouw en dit

185

ocr page 202

JOZEFINE AAK HET WERK.

meisje scheiding maakte, clan de lengte eener sofa. Maar het meest werd men getroffen door de tegenstelling van beider uiterlijk; eene vestaalsch'e maagd tegenover eene matrone. Mevrouw Coppenol zat met den rug naar het venster gekeerd, en het meeste licht viel op het tapisseriewerk, dat zij in de hand hield. Schitterend waren alleen de bonte kleuren van wol en vloszijde, vóór haar uitgespreid op de kanapeetafel. Het scherpere in hare gelaatstrekken smolt zamen met de schaduw. Men onderscheidde meest van al dc blankheid barer handen, en den algemeenen omtrek der gevulde gestalte in het zwartsatijnen kleed. Wie niet beter wist, had haar voor Jozefine's moeder kunnen aanzien: eene elegante, gedistingeerde moeder, eene moeder zonder koketterie, zulk eene dochter waardig. Jozefine , altijd goed gekleed, droeg een winter-kostuum, waaraan zij de frischheid van een zomertoilet had weten te geven. Men moest zich telkens verwonderen, dat zij niet muzikaal was, niet teekenen, niet schilderen kon. De lichte stof van haar kleed had een warmen gloed, en er sprak gevoel voor harmonie uit de schakeringen van hoed en mantel. Zij zag er zeer lief, zeer onschuldig, zeer bescheiden uit. Een donzig bontje om haar hals leende haar het zachte eener tortelduif. Van haar noch van mevrouw Coppenol zou iemand geloofd hebben, dat één hartstogt, voor één voorwerp, beiden vervoeren kon.

— „Uw bezoek verrast mij, Jozefine,quot; — zeide mevrouw Coppenol, zonder de oogen op te heffen van haar handwerk, — „en de verrassing is niet aangenaam.quot;

Haar stem en hare handen beefden. Men kon zien, dat de punt der naald moeite had, de kleine openingen in het stramien te vinden.

Jozefine antwoordde met haar vleijendst geluid:

— „Hoe kon de knecht dan zeggen, dat er alleen voor mij geen belet was? U jokt. Altijd jokt u. Ik kom óók niet voor mijn pleizier.quot;

. — „Wat de knecht gezegd heeft, is onverschillig,quot; — hernam mevrouw Coppenol, pus door haar man naar den koetsier verwezen, en Jozefine's woorden als eene soortgelijke beleedi-ging opvattend. — „Zoo ik voor u een uitzondering maakte, dan was het om te zien, of ge de kroon op uw boosaardigheid zoudt durven zetten. Niet, omdat ik van uw ontmoeting mij eenig genoegen voorstelde. Wat kunt ge aanvoeren tot uw verdediging? Wat komt ge hier doen?quot;

]86

ocr page 203

JOZEFINE AAN HET WERK.

— „Toonen, dat ik niet bang voor u ben. Indische meisjes zijn niet bang.quot;

— „Toon liever, dat ge gevoelig zijt voor goedheid 1 Heb ik daarom behing gesteld in uw liefde voor den jongen man, dien ik nu niet noemen wil? Wat ik verder voor u deed, rekent niet mede. Ik zou het gedaan hebben voor ieder ander jong meisje, in uw plaats. Maar ik heb gedeeld in hetgeen ge als uw hoogste geluk beschouwdet; en het pleit niet voor u, dat ge dit zoo spoedig vergeten kondt.quot;

— „Over Otto behoeft u niet te spreken,quot; — antwoordde Jozefine, vastberaden. — „Otto heeft mij schandelijk behandeld. Hij is een bedrieger, evenals zijn vader. Alle joden zijn bedriegers. Ik haat hem.quot;

— „Zeide ik niet, dat ge geen hart hebt? Mij heeft Otto zijn vertrouwen niet geschonken. Ik begrijp alleen, dat hij handelt als een man van eer, door op dit oogenblik zich terug te trekken. Maar ge zoudt niet zoo over hem spreken, als ge wezenlijk van hem gehouden hadt. Geloof mij, Jozefine, ge zijt op den verkeerden weg. Ge zult nooit, cp die wijze, een man aan u verbinden. Wat de mannen wint, is dat een vrouw goed is.quot;

— „U heeft aan Henri ondervonden, dat een vrouw te goed kan zijn,quot; — zeide Jozefine, wie dit kapittelen begon te vervelen , en die niet gekomen was om lessen aan te hooren, maar, wat zij ook voorwenden mogt, alleen om van hare zegepraal te genieten. — „Niets heeft u er door gewonnen. Henri zal u overlaten aan uw lot.quot;

— „Het is zeer... onbeleefd van u,quot; — onkiesch, wilde zij zeggen, — „daarop te doelen. Aan wie de schuld, dat deze ramp mij treft? Ge wist, dat zoo mijnheer Coppenol mij uw brief toonde, ik aan uw schrift en uw taal u aanstonds herkennen moest. Waarom hebt ge hem dat briefje gezonden? Mijn verstand staat stil voor die trouwelooze handeling.quot;

— „Mijnheer Coppenol zou het naderhand toch vernomen hebben , van een ander. Ik kan het niet helpen, dat hij u mijn brief heeft laten zien. Op mijn taal behoeft u geen aanmerking te maken. Wat ik wilde zeggen, stond er duidelijk in.quot;

— „Te duidelijk voor mij, en te duidelijk voor u, Jozefine! Wie schrijven zulke brieven? Mensehen, volleerd in het kwaad. Slechte, gemeene menschen. Geen jonge meisjes. Eeu jong meisje moest blozen, zoo iets op het papier te zetten. Al had zij er lust in, de vrees van ontdekt te zullen worden, moest

187

ocr page 204

JOZEFINE AAK HET WERK.

haar weerhouden. Te naauwemood moest zij zich van haar kamenier durven bedienen, als tusschenpersoon. Dat ge zelve zulke dingen doet, bewijst dat het met uw zeden niet beter dan met uw gemoed gesteld is.quot;

Dit was waar; maar de naieveteit van mevrouw Coppenol s najaarsliefde kwam op die wijze te duidelijker aan het licht.

— „Een kamenier heb ik niet,quot; — riposteerde Jozefine, — „en mijn zeden kunnen de vergelijking doorstaan met de uwe.quot;

_ „Wie zegt u,quot; — vroeg mevrouw Coppenol verontwaardigd, — „dat mijn omgang met mijnheer Wilson berispelijk geweest is?quot;

— „Ik dacht, mevrouw, dat men op dat uur geen thee meer dronk.quot;

— „Is uw verbeelding zoo bedorven, dat ge reeds op uwe jaren niet meer gelooft aan vrouwelijke eerbaarheid?quot;

— „U heeft meer tijd gehad dan ik, om u in dat geloot te oefenen,quot; — zeide Jozefine, zich ontmaskerend.

— „Maar dat is impertinentie!quot;

— „U zegt wel van mij, dat ik geen hart en geen zeden heb' Waarom raag ik niet van u zeggen, dat u ouder zijt dan ik? Dat is veel minder erg.quot;

— „Uit aanmerking van mijn jaren behoordet ge mij niet als uws gelijke toe te spreken. Zoo mijn goedheden u onverschillig lieten, mijn leeftijd heeft aanspraak op uw eerbied.''

— „Ik heb voor uw weldaden en uw jaren even veel eerbied, als u voor de jaren en de weldaden van mijnheer Coppenol.quot;

— „Noem dien naam niet! De wanhoop van mijn leven is begonnen op den dag zelf, dat hij de mijne is geworden.quot;

— „Dat is uw verdiende loon. Waarom heeft u mijnheer Coppenol alleen om zijn geld getrouwd? De vrouwelijke eerbaarheid had u daarvan moeten terughouden. Ik heb sympathie voor uw man.quot;

— „Men zegt niet uw man, wanneer men tot eene dame van mijn rang over haar echtgenoot spreekt. Men zegt: mijnheer Coppenol.quot;

— „Lieve mevrouw, u geraakt heelemaal van de wijs. Wanneer u de vrijheid neemt, mijnbeer Coppenol te bedriegen, dan mag ik mij veroorloven, hem uw man te noemen. Ik ben beleefder dan u. U heeft vergeten, dat hij uw man was: ik herinnerde het mij.quot;

— „Kind!quot; — zeide mevrouw Coppenol, oprijzend en haren

188

ocr page 205

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

toorn niet langer meester, — „zult ge in mijn eigen salon mij komen verwijten, de maitres van mijnheer Wilson geweest te zijn?quot;

— „Het is geen verwijt, mevrouw!quot; — antwoordde Jozefine, insgelijks oprijzend en insgelijks vertoornd; maar op zijn Indisch, met behoud van al hare zelfbeheersching. — „In het minst geen verwijt! Ware ik niet tusschenbeide gekomen, u zoudt nog op dit oogenblik de maitres van mijnheer Wilson ziin. Het doet mii leed dat de klucht zoo kort geduurd heeft.quot;

— „Vertrek, schaamtelooze deern!quot; — riep mevrouw Coppe-nol, met de eene hand het schellekoord grijpend, met de andere Jozefine de deur wijzend. — „Zoek zelve een goed heenkomen !quot; — voegde zij er bij, en liet de dochter van den heer Van Alkemade met hare overwinning alleen.

XXI

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

In opgeruimde stemming zat Henri Wilson, aan boord van zijne kanonneerboot, met George Bentinck te praten. De oude vriendschappelijke verhouding was hersteld. George, van alles op de hoogte, lachte inwendig om hetgeen hij Henri's allo-pathische gemoedskuur noemde, maar feliciteerde er niettemin hem en zichzelven mede. Henri twijfelde niet aan zijn eigen genezing.

— „Is er dat weer een van de dame in kwestie?quot; — schertste George, wijzend naar het adres van een brief, daareven met couranten en officiële stukken binnengebragt door een kajuitsjongen, die even stil verdwenen als gekomen was.

Zulk een jongen, zich onhoorbaar voortbewegend op zijne kousen, zou een ideaal Europeesch bediende geweest zijn voor den heer Cornelis van Alkemade, die aan het klotsen van Abels' lompe schoenen zich dagelijks ergerde.

Mevrouw Coppenol schreef Henri bijna met iedere post. Niet omdat zij hem iets bijzonders had mede te deelen, maar alleen om lucht te geven aan haar gevoel.

189

ocr page 206

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

— „Op mijn woord, George,quot; — zeide hij, altijd gemoedelijk, — „zij is een charmante vrouw. Een hart als goud! Kinderlijk Wij, dat op haar levensweg óók eens een bloempje bloeit!quot;

— „En een bloempje van stavast!quot; — lachte George. — „Een bloempje met blonde bakkebaarden, breed van borst, en flink uit de kluiten gewassen. Aan den levensweg der minste dames van die jaren bloeijen zulke bloempjes !quot;

— „Lach en verdenk haar zooveel ge wilt, George, zij bekoort mij door haar jaren zeiven. Nooit zou ik gedacht hebben, dat een vrouw van dien leeftijd nog zoo jong van hart kon zijn!quot;

— „Ik verdenk haar in het minst niet, lieve vriend! Mijn geloof in haar onschuld is zoo vast als het uwe. Maar ge bezigt somtijds van die kluchtige vergelijkingen. Er ontbreekt alleen nog aan, dat mijnheer Coppenol erkentelijk behoort te wezen voor het bevallig onkruid, waarmede ge den levensweg van mevrouw versiert.quot;

— „Eigenlijk is dat inderdaad mijne meening,quot; — zeide Henri, in vollen ernst.

— „Dat weet ik, dat weet ik! Mijnheer Coppenol heeft volgens u niet meer regten op zijne vrouw, dan Trude op u. Wat hij misdrijft, wordt door u goedgemaakt. Hij heeft ver-pligtingen aan u. Een snoodaard is hij, zoo hij in ruil voor uw koekoekseijeren, u met het aanstaand voorjaar niet een mandje kieviets-eijeren vereert.quot;

— „Hij is in elk geval een tiran!quot; — zeide Henri met nadruk. — „Een huistiran, die al het goede en edele in het hart zijner vrouw, laat verdorren en verstikken. Hij maakt haar leven tot een martelaarschap.quot;

— „Ho, ho, nu zijn wij aan de stadhuiswoorden genaderd! Hebt ge ooit in een roomsche kerk een schilderij van het jaar veertienhonderd gezien, Henri? Zoo niet, dan rekommandeer ik u, de gelegenheid waar te nemen. Daar ziet men martelaressen! Dun als pijpenstelen, mager als talhouten, bleek als vaatdoeken. Uw martelares van honderd vijftig oude ponden — of hebt ge liever, dat ik vijfenzeventig nieuwe zeg? — beantwoordt in het geheel niet aan het ideaal!quot;

— „Dat lijkt maar zoo, George. Haar voorkomen teekent een bedriegelijke welvaart. Ge wilt niet, dat ik haar bij een bloem vergelijk, maar inwendig is zij er een, en een geknakte.quot;

— „Een geknakte stokroos, dan toch! Een geknakte zonne-

190

ocr page 207

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

bloem! Een geknakte dahlia! Een geknakte varen uit de voorwereld, toen de varens stammen hadden als eikenboomeni Een geknakte Magdalena van Rubens! Golven van geel satijn om de schouders van een gezonde Vlaamsche zus!quot;

— „Mis!quot; — zeide Henri. — „Mevrouw Coppenol doet meer aan een Italiaansohe denken. Waarom wilt ge haar niet nader leeren kennen? Ge gaaft u niet eens de moeite, haar naauw-keurig op te nemen. Zal ik het genoegen hebben , u toekomende week aan haar voor te stellen? Dan houdt zij receptie.quot;

— „Liever niet, Henri, liever niet! Ik zou meer lust gevoelen, mijn opwachting te gaan maken bij haar man. Mijnheer is een kurieuser exemplaar dan mevrouw — voor mij altoos. Maar laat. ik n niet langer van het genoegen berooven, uw brief te verslinden, teêrhartige struisvogel! Ik geneer mij onderwijl met ligter kost.quot;

George nam een courant, de Staats-Co want, en ging, bij gebrek aan belangrijker nieuws, de aanbestedingen van het marine-departement zitten lezen.

Welke verrassing! Naauwlijks had Henri een blik in den brief geworpen, of hij fromde het papier in de digtgenepen vuist, en kuchte van ongeduld.

— „Wat scheelt er aan?quot; — vroeg George. — „Is er onraad? Waarom brengt ge zulke vreemde geluiden voort?quot;

Henri zag vuurrood van toorn over de belagchelijke vertooning, die hij maakte. Hij kon zijn woorden niet vinden.

— „Er scheelt aan,quot; — zeide hij, — „dat ik... dat ik... dat ik afgedankt ben!quot;

— „Afgedankt?quot;

— „Onherroepelijk en in plegtige bewoordingen afgedankt, zeg ik u!quot;

— „Maar spreek dan toch! Door den minister van Marine?quot;

— „Niet door den minister, neen, maar door de dame zelve, die ik daareven bij een geknakte lelie vergeleek!quot;

— „Ge droomt, Henri! Mevrouw Coppenol is niet jong genoeg meer, om zulke kunsten te vertoonen.quot;

— „O, uit zichzelve zou zij het niet gedaan hebben! Daarvoor hield zij te veel van mij. Het is met een verscheurd gemoed, dat zij mij wegzendt. Geheel en al onvrijwillig!quot;

— „Nu, dat is geen geringe troost. Eervol ontslagen, met behoud van regt op ensioen! Of is het regt op pensioen óók weg?quot;

— „Spot niet, George!quot; — zeide Henri, hem met korte woorden op de hoogte brengend. — „Zie mij niet enkel voor

191

ocr page 208

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

een kwast aan! Ik ben zeker, dat de arme vrouw op dit oogenblik bitter lijdt, en lijdt door mijn schuld! Geheel haar volgend leven, schrijft zij, zal één lange boetedoening zijn!quot;

— „Maar dat moet ge niet dulden, Henri! Vertrek nog heden met extra-post naar Den Haag, schaak haar, en gaat zamen uw geluk verbergen aan gene zijde van het ruime sop!quot;

— „Zoo ik wist, dat zij het oifer zou aannemen!quot; — riep Henri, zichzelven opwindend, — „Ik zou het brengen! Brengen zou ik het!quot;

— „Gelukkig, Henri, dat zij ten minste zulke gekheden niet doet. Verbeeld u, dat zij op de vleugelen der liefde, aan boord van uw eigen kanonneerboot, een plaats was komen vragen in uw hut en aan uw hart! Maar misschien komt zij nog. Meldt zij geen bijzonderheden?quot;

— „Haar man is onderrigt, — hij heeft haar ondervraagd, — zij is door de mand gevallen, — zij heeft de duimschroeven aangekregen, — zij gevoelt zich rampzalig. Is dat niet genoeg?quot;

— „En trie heeft haar onderrigt?quot;

— „Dat zegt zij» niet.quot;

— „Zegt zij dat niet?quot;

— „Neen. Ja toch, — wacht even!quot;

— „Dat dacht ik wel,quot; — zeide George. — „De oude heer Coppenol moet zeker geweest zijn van zijn zaak.quot;

Henri streek den brief weder glad, las verder, en verhaalde George, welke rol, naar mevrouw Coppenol's voorstelling, Jozefine in de zaak gespeeld had.

— „Maar dat is een infamie!quot; — riep George, boos wordend. — „Waar bemoeit die kleine heks zich mede! Welk meisje, dat prijs stelt op haar goeden naam, gaat den neus steken in de minnarijen van getrouwde vrouwen!quot;

— „Dat is een hard oordeel, George! Bedenk...quot;

— „Jawel, jawel. De oud-gouverneur wordt met den dag onhandelbaarder. Er ontbreekt nog maar aan, hoor ik, dat hij burengerucht gaat maken. Maar dat verontschuldigt zijn dochter niet.quot;

— „Ik denk aan een andere verzachtende omstandigheid, George. Ik bedoel...quot;

— „Jawel, jawel, dat geval met den jongen Efraïm. Maar dat is het juist! Zij meende iets beters gevonden te hebben. Nu dit mislukt is, verlangt zij u teruj;. Mevrouw Coppenol stond haar in den weg, en zij maakte mevrouw Coppenol af. Zoo verklaar ik mij de zaak.quot;

192

ocr page 209

JOZEFINE VERREKEST ZICH.

— „Maar om mij terug te hebben, George, behoefde zij inevrouw Coppenol niet te kwellen!quot;

— „O neen! Zij kon ook zonder dat hebben beproefd, is weder om haar vinger te winden. Maar zij is een wilde kat. Om uit het pakhuis te komen, krabt en bijt ze regts en links. Dom kind! Heeft haar Otto haar laten zitten, waarom vischt zij niet naar een Coppenol den Tweede? Een rijke oude bok, die nog smaak vindt in een groen blaadje, is zoo moeijelijk niet te vinden. Wat heeft zij aan it? Ge zijt een fraaije partij, op mijn woord! Getrouwd, en geen fortuin!quot;

George's woorden maakten indruk op Henri, ondersteund door George's klankrijke stem en het gezag van George's tegenwoordigheid. Maar toen hij ze in de eenzaamheid overdacht, vond hij dat zijn vriend, ouder gewoonte, overdreef en voorbarig oordeelde.

Hij ging een langen brief aan mevrouw Coppenol zitten schrijven, zich voorbehoudend, later een middel te bedenken, om haar dien in handen te doen komen.

De brief vloeide over van romaneske betuigingen, en kon door mevrouw Coppenol desverkiezend op haar hart gedragen worden. Maar zijne geheimste gedachten stonden er niet in.

Jozefine had tot mevrouw Coppenol gezegd: Wat uw man thans door mij vernomen heeft, zou hij iets vroeger of iets later van anderen vernomen hebben.

Dit was ook Henri's redenering, nu de brief voltooid nevens hem lag.

Gisteren nog overtuigd, dat niemand ligt het doel zijner extra-reisjes naar Den Haag zou raden, vond hij nu eensklaps, dat mevrouw Coppenol eene groote onvoorzigtigheid begaan had. Wie kan ooit staat maken op de stilzwijgendheid van ondergeschikten? De kleine burgerlieden, bij wie hij kamers gehuurd had, konden klappen! Mevrouw Coppenol's goede naam liep inderdaad gevaar! En moest hij ook niet een weinig aan zichzelven denken? Dat gestadig overgeven van zijn kom-mando aan een jonger officier zou eindelijk achterdocht wekken. Hij behoorde zorg te dragen, dat de minister van Marine niet tusschenbeide kwam!

„Ik ding niets af op haar goede eigenschappen,quot; vervolgde hij zijne alleenspraak. „Wat ik George verzekerd heb, is waar. In vele opzigten is zij een charmante vrouw. Dat gestrenge in haar voorkomen, vormt met haar behoefte aan teederheid een aangenaam geheel. Maar is onze betrekking niet van het

193

13

ocr page 210

JOZEF INE VERREKENT ZICH.

— „Op mijn woord, George,quot; — zeide hij, altijd gemoedelijk , — „zij is een charmante vrouw. Een hart als goud! Kinderlijk blij, dat op haar levensweg óók eens een bloempje bloeit!quot;

— „En een bloempje van stavast!quot; — lachte George. — „Een bloempje met blonde bakkebaarden, breed van borst, en flink uit de kluiten gewassen. Aan den levensweg der minste dames van die jaren bloeijen zulke bloempjes !quot;

— „Lach en verdenk haar zooveel ge wilt, George, zij bekoort mij door haar jaren zeiven. Nooit zou ik gedacht hebben, dat een vrouw van dien leeftijd nog zoo jong van hart kon zijn!quot;

— „Ik verdenk haar in het minst niet, lieve vriend! Mijn geloot' in haar onschuld is zoo vast als het uwe. Maar ge bezigt somtijds van die kluchtige vergelijkingen. Er ontbreekt alleen nog aan, dat mijnheer Coppenol erkentelijk behoort te wezen voor het bevallig onkruid, waarmede ge den levensweg van mevrouw versiert.quot;

— „Eigenlijk is dat inderdaad mijne meening,quot; — zeide Henri, in vollen ernst.

— „Dat weet ik, dat weet ik! Mijnheer Coppenol heeft volgens u niet meer regten op zijne vrouw, dan Trude op u. Wat hij misdrijft, wordt door u goedgemaakt. Hij heeft ver-pligtingen aan u. Een snoodaard is hij, zoo hij in ruil voor uw koekoekseijeren, u met het aanstaand voorjaar niet een mandje kieviets-eijeren vereert.quot;

— „Hij is in elk geval een tiran!quot; — zeide Henri met nadruk. — „Een huistiran, die al het goede en edele in het hart zijner vrouw, laat verdorren en verstikken. Hij maakt haar leven tot een martelaarschap.quot;

— „Ho, ho, nu zijn wij aan de stadhuiswoorden genaderd! Hebt ge ooit in een roomsche kerk een schilderij van het jaar veertienhonderd gezien, Henri? Zoo niet, dan rekommandeer ik u, de gelegenheid waar te nemen. Daar ziet men martelaressen! Dun als pijpenstelen, mager als talhouten, bleek als vaatdoeken. Uw martelares van honderd vijftig oude ponden — of hebt ge liever, dat ik vijfenzeventig nieuwe zeg? — beantwoordt in het geheel niet aan het ideaal!quot;

— „Dat lijkt maar zoo, George. Haar voorkomen teekent een bedriegelijke welvaart. Ge wilt niet, dat ik haar bij een bloem vergelijk, maar inwendig is zij er een, en een geknakte.quot;

— „Een geknakte stokroos, dan toch! Een geknakte zonne-

190

ocr page 211

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

bloem! Een geknakte dahlia! Een geknakte varen uit de voorwereld, toen de varens stammen hadden als eikenboomen i Een geknakte Magdalena van Rubens! Golven van geel satijn_ oin de schouders van een gezonde Vlaamsche zus!quot;

— „Mis!quot; — zeide Henri. — „Mevrouw Coppenol doet meer aan een Italiaansche denken. Waarom wilt ge haar niet nader leeren kennen? Ge gaaft u niet eens de moeite, haar naauw-keurig op te nemen. Zal ik het genoegen hebben , u toekomende week aan haar voor te stellen? Dan houdt zij receptie.quot;

— „Liever niet, Henri, liever niet! Ik zou meer lust gevoelen, mijn opwachting te gaan maken bij haar man. Mijnheer is een kurieuser exemplaar dan mevrouw — voor mij altoos. Maar laat. ik u niet langer van her, genoegen berooven, uw brief te verslinden, teerhartige struisvogel! Ik geneer mij onderwijl met ligter kost.quot;

George nam een courant, de Staats-Courani, en ging, bij gebrek aan belangrijker nieuws, de aanbestedingen van het marine-departement zitten lezen.

Welke verrassing! Naauwlijks had Henri een blik in den brief geworpen, of hij fromde het papier in de digtgenepen vuist, en kuchte van ongeduld.

— „Wat scheelt er aan?quot; — vroeg George. — „Is er onraad? Waarom brengt ge zulke vreemde geluiden voort?quot;

Henri zag vuurrood van toorn over de belagchelijke vertooning, die hij maakte. Hij kon zijn woorden niet vinden.

— „Er scheelt aan,quot; — zeide hij, — „dat ik... dat ik... dat ik afgedankt ben!quot;

— „Afgedankt?quot;

— „Onherroepelijk en in plegtige bewoordingen afgedankt, zeg ik u!quot;

— „Maar spreek dan toch! Door den minister van Marine?quot;

— „Niet door den minister, neen, maar door de dame zelve, die ik daareven bij een geknakte lelie vergeleek!quot;

— „Ge droomt, Henri! Mevrouw Coppenol is niet jong genoeg meer, om zulke kunsten te vertoonen.quot;

— „O, uit zichzelve zou zij het niet gedaan hebben! Daarvoor hield zij te veel van mij. Het is met een verscheurd gemoed, dat zij mij wegzendt. Geheel en al onvrijwillig!quot;

— „Nu, dat is geen geringe troost. Eervol ontslagen, met behoud van regt op ensioen! Of is het regt op pensioen óók weg?quot;

— „Spot niet, George!quot; — zeide Henri, hera met korte woorden op de hoogte brengend. — „Zie mij niet enkel voor

191

ocr page 212

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

een kwast aan! Ik ben zeker, dat de arme vrouw op dit oogenblik bitter lijdt, en lijdt door mijn schuld! Geheel haar volgend leven, schrijft zij, zal één lange boetedoening zijn!quot;

— „Maar dat moet ge niet dulden, Henri! Vertrek nog heden met extra-post naar Den Haag, schaak haar, en gaat zamen uw geluk verbergen aan gene zijde van het ruime sop!quot;

— „Zoo ik wist, dat zij het offer zou aannemen!quot; — riep Henri, zichzelven opwindend, — „Ik zou het brengen! Brengen zou ik het!quot;

— „Gelukkig, Henri, dat zij ten minste zulke gekheden niet doet. Verbeeld u, dat zij op de vleugelen der liefde, aan boord van uw eigen kanonneerboot, een plaats was komen vragen in uw hut en aan uw hart! Maar misschien komt zij nog. Meldt zij geen bijzonderheden?quot;

— „Haar man is onderrigt, — hij heeft haar ondervraagd, — zij is door de mand gevallen, — zij heeft de duimschroeven aangekregen, — zij gevoelt zich rampzalig. Is dat niet genoeg?quot;

— „En wie heeft haar onderrigt?quot;

— „Dat zegt zij-niet.quot;

— „Zegt zij dat niet?quot;

— „Neen. Ja toch, — wacht even!quot;

— „Dat dacht ik wel,quot; — zeide George. — „De oude heer Coppenol moet zeker geweest zijn van zijn zaak.quot;

Henri streek den brief weder glad, las verder, en verhaalde George, welke rol, naar mevrouw Coppenol's voorstelling, Jozefine in de zaak gespeeld had.

— „Maar dat is een infamie!quot; — riep George, boos wordend. — „Waar bemoeit die kleine heks zich mede! Welk meisje, dat prijs stelt op haar goeden naam, gaat den neus steken in de minnarijen van getrouwde vrouwen!quot;

— „Dat is een hard oordeel, George! Bedenk...quot;

— „Jawel, jawel. De oud-gouverneur wordt met den dag onhandelbaarder. Er ontbreekt nog maar aan, hoor ik, dat hij burengerucht gaat maken. Maar dat verontschuldigt zijn dochter niet.quot;

— „Ik denk aan een andere verzachtende omstandigtieid, George. Ik bedoel...quot;

— „Jawel, jawel, dat geval met den jongen Efraïm. Maar dat is het juist! Zij meende iets beters gevonden te hebben. Nu dit mislukt is, verlangt zij u tenu:. Mevrouw Coppenol stond haar in den weg, en zij maakte mevrouw Coppenol af. Zoo verklaar ik mij de zaak.quot;

192

ocr page 213

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

— „Maar om mij terug te hebben, George, behoefde zij mevrouw Coppenol niet te kwellen!quot;

— „O neen! Zij kon ook zonder dat hebben beproefd, u weder om haar vinger te winden. Maar zij is een wilde kat. Om uit bet pakhuis te komen, krabt en bijt ze regts en links. Dom kind! Heeft haar Otto haar laten zitten, waarom vischt zij niet naar een Coppenol den Tweede? Een rijke oude bok, die nog smaak vindt in een groen blaadje, is zoo moeijelijk niet te vinden. Wat heeft zij aan (t? Ge zijt een fraaije partij, op mijn woord! Getrouwd, en geen fortuin!quot;

George's woorden maakten indruk op Henri, ondersteund door George's klankrijke stem en het gezag van George's tegenwoordigheid. Maar toen hij ze in de eenzaamheid overdacht, vond hij dat zijn vriend, ouder gewoonte, overdreef en voorbarig oordeelde.

Hij ging een langen brief aan mevrouw Coppenol zitten schrijven, zich voorbehoudend, later een middel te bedenken, om haar dien in handen te doen komen.

De brief vloeide over van romaneske betuigingen, en kon door mevrouw Coppenol desverkiezend op haar hart gedragen worden. Maar zijne geheimste gedachten stonden er niet in.

Jozefine had tot mevrouw Coppenol gezegd: Wat uw man thans door mij vernomen heeft, zou hij iets vroeger of iets later van anderen vernomen hebben.

Dit was ook Henri's redenering, nu de brief voltooid nevens hem lag.

Gisteren nog overtuigd, dat niemand ligt het doel zijner extra-reisjes naar Den Haag zou raden, vond hij nu eensklaps, dat mevrouw Coppenol eene groote onvoorzigtigheid begaan had. Wie kan ooit staat maken op de stilzwijgendheid van ondergeschikten? De kleine burgerlieden, bij wie hij kamers gehuurd had, konden klappen! Mevrouw Coppenol's goede naam liep inderdaad gevaar! En moest hij ook niet een weinig aan zichzelven denken? Dat gestadig overgeven van zijn kom-mando aan een jonger officier zou eindelijk achterdocht wekken. Hij behoorde zorg te dragen, dat de minister van Marine niet tusschenbeide kwam!

„Ik ding niets af op haar goede eigenschappen,quot; vervolgde hij zijne alleenspraak. „Wat ik George verzekerd heb, is waar. In vele opzigten is zij een charmante vrouw. Dat gestrenge in haar voorkomen, vormt met haar behoefte aan teederheid een aangenaam geheel. Maar is onze betrekking niet van het

193

13

ocr page 214

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

begin af bestemd geweest , spoedig verbroken te worden ? Vrouwen van dien leeftijd kunnen nog maar een korte poos behagen, dat spreekt. Mijn lieve vriendin kan niet geloofd hebben, — of zoo ja, dan heeft zij zich illusien gemaakt. Weten wij menschen ooit met zekerheid, wat er omgaat in ons hart? Heeft de goede vrouw het geweten? Welke verwarring, op den avond van haar eerste bezoek , en hoe spoedig daarna is zij hare handelwijze volkomen natuurlijk gaan vinden! Mij zou het inderdaad niet verwonderen, zoo zij dupe geweest is van haar eigen gemoed. Zelve zal zij zich eerlang afvragen, hoe zij het heeft durven ondernemen. Het zal haar toeschijnen , een duizeling geweest te zijn. Des te beter voor hare rust.quot;

Jozefine's naam kwam niet over zijne lippen; maar uit den omkeer in zijne denkwijze omtrent mevrouw Coppenol bleek duidelijk genoeg, aan welke verwachting hij zich vasthield.

Hij besloot, zich met zijn eigen oogen te gaan overtuigen van den stand van zaken.

De belangen van mevrouw Coppenol eischten, dat hij zich bleef vertoonen in de gezelschappen, waar hij en zij elkander plagten te ontmoeten; en hij onderstelde teregt, dat dit voorbeeld door haar gevolgd zou worden. De vraag was alleen, welke houding zij tegenover Jozefine zou aannemen , ingeval ook deze zich vertoonde.

De eerste maal, dat hij mevrouw Coppenol terugzag, ging alles goed. Geen oningewijde kon iets buitengewoons aan haar bespeuren. Hij vond gelegenheid, haar zijn brief te geven. Zij nam dien aan, doch sneed met een kort woord elk onderhoud af. Eenige oogenblikken later, toen zij aan zijnen arm zich uit eene eetzaal naar een salon begaf, zeide zij tot hem:

— „Vergeet en vergeef. Schrijf mij nooit weder. Alles is uit tusschen ons.quot;

Hij wilde antwoorden, en zocht in zijn geheugen naar eene der pijnstillende zinsneden uit het handschrift. Maar zij liet hem geen tijd.

— „Laat ons voortgaan,quot; — zeide zij. — „Wij worden beluisterd.quot;

Er werd niets van hem geëischt. Hij werd van niets beschuldigd. Men liet hem vrij. Hij had erkentelijk behooren te zijn voor zoo veel onderwerping.

Doch zelfs die voldoening beleefde zij niet van hem, do dwaze vrouw, wier duizeling, als hij het noemde, haar do

191

ocr page 215

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

slavin had gemaakt van een echtgenoot, wiens meerdere zij tot hiertoe geweest was.

Henri vond — de ondankbare — dat mevrouw Coppenol juist den toon aangaf, welke bij de omstandigheden paste. Zijn gedrag, nam hij zich voor, zou hij regelen naar het hare. Hij hoopte maar, dat zij ten aanzien van Jozefine insgelijks blijken zou, hare positie te begrijpen.

Doch dit viel niet mede.

Mevrouw Coppenol had zich tegen Jozefine gewapend. Henri, die haar uit de verte gadesloeg, zag hoe zij het meisje, voorheen hare beschermeling, bejegende als eene vreerade. Voor de vroegere hartelijkheid was eene beleefdheid in de plaats gekomen, welke door de omstanders ongunstig uitgelegd moest worden. Hij ging Jozefine aanspreken, en leidde haar buiten het gedrang.

— „Wat hebt ge met mevrouw Coppenol gehad?quot; — vroeg hij. — „Ik meende daareven op te merken, dat zij minder vriendelijk voor u was.quot;

— „Zij is boos,quot; — antwoordde Jozefine, — „omdat ik iets oneerbiedigs van mijnheer Coppenol gezegd heb. Maar vraag het haar zelf. Ge zijt zoo intiem met haar!quot;

— „Ik ben met niemand intiem, die onbeleefd tegen u is.quot;

— „Trek het u niet aan, Henri!quot;

— „Ik trek het mij wel degelijk aan. Zij benadeelt u. De menschen zullen denken, dat ge iets verkeerds gedaan hebt.quot;

— „Ik kan leelijker dingen van haar vertellen , dan zij van mij.quot;

— „Wel mogelijk; maar men zal haar gelooven, en u niet. Er zijn zaken, die een jong meisje niet vertellen kan.quot;

Jozefine haalde de schouders op; en aanvankelijk gaf de uitkomst haar gelijk. De jongelieden maakten haar het hof als te voren en niemand scheen het zich aan te trekken, of mevrouw Coppenol's vriendschap voor haar al dan niet bekoeld was.

Maar dit bleef zoo niet! In de binnenkamer der schuldige vrouw zelve had Jozefine daags na het afzenden van den naamloozen brief, gemakkelijk kunnen triomferen. Tegenover de onkundige wereld was zij zonder gezag.

— „Mevrouw Coppenol heeft jufvrouw van Alkemade haar huis ontzegd,quot; — fluisterde men elkander in. — „Waarom?quot;

De gevoelens waren verdeeld.

— „Wacht maar!quot;—-dacht Jozefine. — „Ik zal de menschen uitleggen, welk hoog spel de oude kokette speelt!quot;

195

ocr page 216

JOZEFISE VERREKENT ZICH.

Doch juist daardoor bedierf zij het hare.

De geheele waarheid kon zij niet aan het licht brengen, zonder zichzelve te doen verafschuwen. De halve niet, zonder als eene lasteraarster te worden aangemerkt. Mevrouw Ooppenol, beschuldigd door de jonge vriendin zelve, welke alles aan haar te danken had: — „Maar dat is een infamie!quot; zeide een ieder, die er van hoorde, George Bentinck na.

Hetgeen Henri voorspeld had, gebeurde; en Henri kon er niets aan doen. Door zich van de leegte in haar gemoed, veroorzaakt door hetgeen zij Otto Efraïm's ontrouw noemde, te willen wreken op mevrouw Coppenol, had Jozefine den voet gezet in eene doodloopende straat. Bij de inwendige vervreemding kwam eerlang de uitwendige. Magteloos stond zij alléén tegenover eene geheele provinciale maatschappij, die haar verstiet.

De eerste teekenen van afval kwamen van den kant der dames van leeftijd, mevrouw Coppenol's natuurlijke bond-genooten; — en de Hemel weet, dat het voor een jong meisje geen kleinigheid is, te stuiten op een ringmuur van keurslijven, de eenen breed en vol, de anderen eng als het hare, maar des te stijver in de ijzers 1 De daden van vijandschap waren daden van terughouding, meer niet: het niet inruimen van eene plaats, het onderdrukken van een vriendelijk woord, het vervangen van de vroegere toeschietelijkheid door iets vormelijks, het inwinnen van sedert lang verstrekte bijzonderheden, rakende de gezondheid van den heer Van Alkemade. Maar omtrent de bedoeling kon Jozefine niet in het onzekere verkeeren. Zij gevoelde zich in den ban gedaan.

Op de moeders volgden de dochters. Naieve, die Jozefine aankeken, gelijk men in eene kermistent eene zeemeermin beziet. Goedhartige, die medelijdend de handen ineen sloegen. Ijverzuchtige, wier schoonheid oplook bij de gedachte, dat de ster eener mededingster aan het verbleeken was. Onbevallige muurbloemen, eene lotgenoot verbeidend.

Van de gehuwde dames sloeg de besmetting op hare echt-genooten , van de zusters op de broeders over. Jozefine, vreemde Indische eend in de Haagsche bijt, had zich eene vrouw tot vijandin gemaakt, die partijen gaf, die om hare goedheid algemeen bemind was, en , voor zoo ver men wist, zich nooit misdragen had. Eenige jonge mannen , onafhankelijk van opinie, bleven het jonge meisje getrouw. Maar het waren jonge mannen, die nog niets te verliezen hadden. Jonge mannen, die

196

ocr page 217

JOZEFIXE VERREKENT ZICH.

zichzelven bewonderden, omdat zij onpartijdig waren, en die van hunne onpartijdigheid misbruik maakten, om tot gemeenzaamheid at' te dalen. Algeheele verlatenheid zou te verkiezen geweest zijn boven zulke hulptroepen.

Zon George Benr.inck's denkbeeld op dit oogenblik nog te verwezenlijken geweest zijn? Mogelijk wèl, indien het isolement, waartoe zij zich veroordeeld zag, Jozefine minder verbitterd had. Maar :il ware, in hare tegenwoordige stemming, een millionair met grijze haren haar zijn fortuin komen aanbieden , zij zou niet naar hom geluisterd hebben. Haar walgde van den Haagschen beau-monde. Zij was alleen op wraak bedacht.

Op een ochtend vóór twaalven begaf zij , in haar eenvoudigst toilet, zich de stad in, naar den kant der Groote Markt, en liet door voorbijgangers zich eene onaanzienlijke dwarsstraat wijzen, waar zij aan eene lage, smalle woning schelde.

Het was een gesloten huis, geen winkel. Niettemin stonden, achter het raam aan de straat, eenige half-elegante vrouwenmutsen ten toon. Daartusschen, op eene gewone ronde tafel, waren stukjes zeep, tleschjes haarolie, eenige hooge dames-kammen, en verdere toilet-artikelen uitgestald: alles tweede soort, en min of meer bestoven. Men ontving den indruk van een kleinen handel, gedreven als eene bijzaak en met weinig succès, door eene vrouw uit den kleinen burgerstand, wier man ambtenaar of kantoorbediende was.

— „Is mijnheer Heinzen thuis?quot; — vroeg Jozefine aan een knaapje van vier of vijf jaren, dat, op de teenen verheven, met moeite de deur voor haar geopend had.

Het kind liet haar in den gang staan, en verdween in eene binnenkamer.

— „Wondt u mijnheer Heinzen gesproken hebben?quot; — kwam eene jonge vrouw vragen, wier haar zorgvuldig was opgemaakt, doch voor het overige bijna armoedig gekleed. — „Kan ik de boodschap niet aannemen ?quot;

Onder het spreken stak zij een bakerspeld aan den halsboord van haar japon, als moeders doen, die er kraagjes noch dasjes op nahouden, en pas de borst gegeven hebben aan een zuigeling.

Jozefine deelde in haar vaders afkeer voor zulk soort van vrouwen.

— „Is li mevrouw Heinzen?quot; — vroeg zij niettemin, zoo vriendelijk zij kon.

197

ocr page 218

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

Blijkbaar streelde het de jonge moeder, te worden aangesproken als „mevrouw.quot;

— „Heinzen is boven aan het werk,quot; — antwoordde zij. — „Eigenlijk mag ik hem niet storen. Maar zoo u het verlangt?quot;

— „Zeg hem, bid ik u, dat ik een verzoek heb over te brengen namens mijnheer Van Alkemade.quot;

— „Mijnheer Van Alkemade!quot; — herhaalde jufvrouw Hein-zen , met eerbiedige verlegenheid dien naam uitsprekend, alsof de oud-gouverneur der Molukken onderkoning van Nederland geweest ware. — „Mag ik de jufvrouw verzoeken, even te wachten in de voorkamer? Ik zal Heinzen onmiddellijk gaan roepen. Zoo de jufvrouw onderwijl iets van haar keus vindt?...quot;

Zij snelde naar boven, en liet Jozefine alleen, met de verlepte^ mutsen en de bestoven parfumeriën. Eene Makassaarsehe had gevoelig moeten zijn voor de aanwezigheid van zoo vele fleschjes Makassar-olie. Doch Jozefine kende geen vaderlandsliefde.

Er verliepen eenige oogenblikken. Zij begreep, dat Heinzen, overvallen te midden zijner bezigheden, aan het toiletmaken was.

Eindelijk verscheen hij. Zijne vrouw had een netten strik in zijn das gelegd; hij zelf een coup de brosse aan zijne blonde haren , een coup de peigne aan zijn blonden knevel gegeven.

— „Waaraan heb ik de eer van uw bezoek te danken, jufvrouw Alkemade?quot; — vroeg hij met onderdanige beleefdheid.— „Het doet mij leed, u niet beter te kunnen ontvangen. Neem plaats, als ik u verzoeken mag. Kan ik mijnheer uw vader met een of ander van dienst zijn?quot;

Jozefine wierp een blik naar de deur, als vreesde zij beluisterd te zullen worden.

— „Stel u gerust,quot; — vervolgde hij. — „Mijn vrouw is met de kinderen bezig, en wij houden geen dienstboden. Daarin zal spoedig verandering komen, hoop ik. Op dit oogenblik ben ik buiten betrekking. Ik heb met mijn vrouw dikwijls over u gesproken. Zij weet, welke verpligtingen ik aan mijnheer uw vader heb. Stel u gerust. Ir. het bureau van den redacteur van den Lepelaar hebben zelfs de muren geen ooren.quot;

Jozefine had geen heldere voorstelling van den aanblik, dien het redaktie-bureau eener courant behoorde te vertoo-nen; maar het verwonderde haar toch, daarvoor een mutsen-winkel te zien gebruiken.

— „Het is juist voor den Lepelaar, dat ik kom,quot; — Huis-

198

ocr page 219

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

terde zij. — „Papa laat u verzoeken, daarin iets te schrijven over een dame. U heeft daar immers geen bezwaar tegen?quot;

— „Integendeel, jufvrouw Alkemade! Zoo het althans den strijd tegen de aristokraten betreft. De Lepelaar ontziet op dat gebied zoomin de dames als de heeren.quot;

— „Papa dacht, dat u het misschien liever niet doen zoudt.quot;

— „Waarom? Omdat de menschen den Lepeliar een blaauw-boekje noemen, een sjendblad? Dat heb ik er voor over! In alle landen van Europa zijn de beginselen der demokratisje pers besjeiden geweest. Wacht maar! Onze beurt zal spoedig komen. Eerlangs versjijnt de Lepelaar in groot formaat.quot;

— „Ook laat papa vragen,quot; — ging Jozefine voort, — „hoeveel het kosten zou.quot;

— „Maar dat kost niets, waarde jufvrouw! De Lepelaar is de dienaar van het volk. In zijn kolommen is gratis plaats voor elke mededeeling die de zaak van het volk bevorderen kan.quot;

— „Dat bedoelt papa niet. Hij meent, hoeveel u vragen zoudt, indien anderen u aanboden, er over te zwijgen?quot;

— „Uw papa vergist zich, jufvrouw Alkemade! Ik neem bet hem niet kwalijk. Er zijn blaadjes, die zich met zulke praktijken inlaten. Maar do Lepelaar niet! De Lepelaar is do dienaar van het volk. Zeg gerust, waarmede ik mijnheer uw vader pleizier kan doen.quot;

— „Papa zal er u erkentelijk voor zijn.quot;

— „Des te beter, lieve jufvrouw! Hoe heet de dame?quot;

— „Haa i' naam mag ik u niet zeggen; maar hij begint met een C, zij is getrouwd met een oud man, en zij woont in het Voorhout.quot;

Heinzen haalde een opschrijfboekje en een potlood voor den dag.

— „Met een 0,quot; — sprak hij binnensmonds, zijne aantee-keningen makend. „Zij woont in het Voorhout, zegt u. En wat heeft zij uitgevoerd?quot;

— „Papa schandelijk belasterd.quot;

— „Natuurlijk'; Al wat in het Voorhout woont, leeft van laster. Hoe sjandelijker, hoe liever. Maar wat is er op haar te zeggen, meen ik?quot;

— „Papa weet zeker, dat zij het houdt met een getrouwd zee-officier, die veel jonger is dan zij.quot;

— „Verder?quot;

— „Meer heeft papa mij niet verteld.quot;

— „Dat begrijp ik. Zeg aan mijnheer uw vader, jufvrouw

199

ocr page 220

JOZEFINE VERREKENT ZICH,

Alkemade, dat hij tevreden over mij zijn zal. Ik zal de zaak onmiddellijk onderzoeken, en in het eerstvolgend nummer van den Lepelaar er melding van maken. Die Haagsje aristo-kratie is een broeinest van ongeregtigheid. Mag ik de affaire van mijn vrouw rekommandieren?quot;

— „Met veel genoegen. Maar ik draag nog geen mutsen,quot; — zeide Jozefine, glimlagchend.

— „U gebruikt toch Makassar-olie ? De onze is puik. Mijn vrouw maakt ze zelf. Ot' liever, ik maak ze voor haar, in mijn vrije uren. Uit Indie heb ik een recept meegebragt. Echte Rowland's Makassar-olie!quot;

— „Papa heeft mij verzocht, u dit te overhandigen voor uw moeite,quot; — haastte Jozefine zich te zeggen, ten einde den stroom zijner aanbiedingen te stuiten.

— „Mijnheer uw vader is zeer beleefd,quot; — antwoordde Heinzeu, die trotsch was op zijne haarolie (voortreffelijker haarolie, beweerde hij, dan ooit in den winkel van zijn vrouws vader te bekomen was geweest), maar nog liever een bankbiljet ontving, in eene enveloppe.

— „Heb ik mijn boodschap goed gedaan, mijnheer Heinzen?quot;

— „Uitmuntend, jufvrouw Alkemade. Ik weet alles, wat ik noodig heb te weten.quot;

— „Wilt u mijn komplimenten aan mevrouw Heinzen overbrengen ?quot;

— „Mijn vrouw zal zeer flattiert wezen.quot;

— „Adieu, mijnheer Heinzen, Papa laat u óók nog verzoo-ken , nooit met hem over deze zaak te spreken. Er zelfs niet op te zinspelen. Het maakt hem zenuwachtig.quot;

— „Ik zal er mij naar gedragen, jufvrouw Alkemade. Mijn respekt aan mijnheer uw vader, als ik u verzoeken mag.quot;

— „Ziezoo,quot; — dacht Jozefine, onder hel naar huis wandelen. — „Ziezoo!quot;

Dit aanwenden van den hefboom der publiciteit bewees ongetwijfeld, dat de dochter van den heer Cornelis van Alkemade eene geboren intrigante en een kind barer eeuw was. Ook beleefde zij er genoegen aan. Maar hare voldoening was niet van de soort, welke edeldenkende personen om harentwil gewenscht zouden hebben.

Karl Heinzen, gedreven door de zucht, eene wederdienst aan den oud-gouverneur te bewijzen; gevleid door het bezoek van Jozefine; altijd gereed, de stukjes te helpen uitbrengen der Haagsche aristokratie, of hetgeen hij, van zijn buiten-

200

ocr page 221

JOZEFINE VEREEKENT ZICH.

landsch schooijersstandpunt, daarvoor aanzag; te schrander, ora niet te begrijpen, dat Jozefine hem slechts de halve waarheid verhaald had, maar sterk in het bewustzijn zijner talrijke middelen van navraag, en veilig achter het masker der naamloosheid, — Karl Heinzen schreef over de geheime min-narijen der „oude mevrouw C....quot; een artikel, aardiger en boosaardiger dan er nog ooit een van dien aard in den Lepelaar verschenen was. Lezers buiten Den Haag konden genieten van den pikanten stijl. Haagsche lezers smaakten bovendien het genoegen, te kunnen gissen naar de personen en de plaatsen. Toen het nummer Jozefine in handen kwam, was zij zóó tevreden, dat zij van hare eigen spaarpenningen eene tweede belooning afzonderde, bestemd om Heinzen bijgelegenheid te worden toegeduwd.

Ook de wereld was in haar schik. Mannen van aanzien, die in het openbaar den Lepelaar verloochenden, liepen met het nummer in den zak en vertoonden het elkander in het geheim. Huisvrienden van de aangevallene, steunpilaren van haar salon, lachten er om in hunne vuist, spraken er over met hunne vrouwen, hadden moeite er van te zwijgen tegenover hunne dochters. Er haperde nog slechts aan, dat zij mevrouw Coppenol het blaadje ter lezing zonden, ofte harent naar den welstand van Henri Wilson lieten vragen. En dit alles, zonder bepaald boos oogmerk, zonder stellig te gelooven aan mevrouw Coppenol's schuld; alleen uit zucht, om zich te haren kosten te vermaken, of de grooter schandalen van eigen leven achter de kleinere van het hare te verbergen.

Tien tegen één, dat, in gewone omstandigheden, het voorwerp zelf van zoo veel kwaadsprekendheid onbekend zou gebleven zijn met hetgeen er omtrent haar en Henri gefluisterd werd. Doch haar eigen echtgenoot droeg zorg, dat aan hare wetenschap niets ontbrak. Met een: „Daar hebdege nu, Suze, uw verdiende loon!quot; gaf hij haar Heinzen's proza ter lezing. Een tweede exemplaar, voor zijn eigen gebruik, lag in eene lade zijner schrijftafel, bestemd om bij de eerste gelegenheid, als Suze zich weder aan kromme sprongen schuldig maakte, haar vertoond te worden.

Maar Jozefine's overwinning was te volkomen.

— „Heb ik geen gelijk gehad?quot; — lachte zij, toen Henri haar thuisbragt van eene soirée, waar zij drukker dan ooit over hem en mevrouw Coppenol had hooren babbelen. — „Was het niet grappig, u die oude dame zoo druk het hof te zien

201

ocr page 222

JOZEPINE VERREKENT ZICH.

maken? Nu staat ge met haar in de courant, net als voorheen met Trude! Maar dat was onder de trouwberigten. Niet onder de gemengde.quot;

— „Zoo ik te eeniger tijd dien Heinzen ontmoet, draai ik hem den nek om,quot; — bromde Henri.

— „Waarom zijt ge boos op Heinzen?quot; — ging zij lagchend voort. — „Draag mij liever op, hem uit uw naam te bedanken, wanneer hij weder komt praten met papa. Zijn leugentjes helpen u van mevrouw Coppenol af.quot;

— „Zoo goed als met naam en toenaam mij aan te duiden in zijn schendblad!quot;

— „Och kom, Henri! Welk kwaad heeft hij van u gezegd? Geen ander, dan dat ge een te elegant korvetje zijt, om met zulk een linieschip uit varen te gaan. Dat is een kompliment! Een grooter kompliment, dan ik u nog ooit gemaakt heb.quot;

— „Maar het tegenovergestelde van een kompliment voor mevrouw Coppenol, met uw welnemen!quot;

— „Wat doet er dat toe? Immers niemendal!quot;

— „Het doet, dat ik mij met haar nergens meer vertoonen kan, zonder dat de heeren kugchen of meesmuilen, en de dames haar waaijer aan den mond brengen.quot;

— „Dat is uw eigen schuld! Waarom hebt ge het met haar aangelegd ?quot;

— „Ik deed het om u.quot;

— „Om mij?quot;

— „In elk geval, die Heinzen heeft niets dan kwaad gesticht. Ook voor u zou het beter geweest zijn, zoo ik haar vriend had kunnen blijven.quot;

— „Dat zie ik niet in. Ik kan haar missen. Eerst is zij goed voor mij geweest, en toen op eens, om een nietige reden, heel onvriendelijk geworden. Ik heb een hekel aan haar.quot;

— „Zij is een vrouw van invloed. Bedenk dat wèl!quot;

— „Heusch niet, Henri. Zij zit onder de plak van mijnheer Coppenol. Moest zij zich niet schamen, de gehoorzame dienares van zulk een gemeenen man te zijn?quot;

— „Helaas ja, dien heeft Heinzen er ook al bijgehaald!quot;

— „Spijt u dat? Dat meent ge niet.quot;

— „Spijten? neen. Ik gun mijnheer Coppenol alle rampen, die hem toekomen. Maar Heinzen geeft hem de mooie rol. Hij laat hem zijn vrouw op water en brood zetten.quot;

— „Hoe kunt ge daar over tobben, Henri? Ze heeft het immers niet verdiend! Het is maar een verzinsel! Anders zou

202

ocr page 223

JOZEFIXE YEUREKENT ZICH.

het schandelijk zijn, te spotten met den goeden heer Coppenol. Niet waar? zoo mevrouw heusch op water en brood gezet was, dan moest men onderstellen, dat zij haar man bedrogen had; en hoe diep zou mijnheer dan te beklagen zijn!quot;

— „Het geval schijnt u te vermaken, Jozeiine? Ge spreekt er over, alsof het een klucht was.quot;

— „En is het geen klucht? Ge ziet immers, dat de geheele wereld er om lacht! Verbeeld u, dat mevrouw Coppenol zich wezenlijk had aangesteld, zooals Heinzen haar laat doen! Verbeeld u, dat het gebeurd was!quot;

— „Ik verbeeld het mij. Welnu?quot;

— „Het linieschip aangevaren door het korvetje!quot;

— „Mevrouw Coppenol is een charmante vrouw, Jozefine!quot;

— „Charmant voor de kinderen van haar zuster, ja. Maar om visites te komen maken bij een heer op kamers!quot;

— „Geloof mij, sommige vrouwen van die jaren hebben een jong hart.quot;

— „Een jong hart! Een jong hart! Dat spreek ik niet tegen. Maar het oog, Henri, wil óók iets hebben! Of zijt ge daar overheen ?quot;

— „Misschien rekenen zij er op,quot; — meesmuilde Henri, — „dat bij avond alle katjes graauw zien.quot;

— „Wat heb ik gezegd? Ge vindt het even gek als ik! Heinzen heeft haar keurig voor het lapje gehouden. Beken het maar!quot;

— „Eigenlijk heeft hij dat ook. Maar het hindert mij niettemin.quot;

— „Er had een prentje bij moeten zijn. Mevrouw Coppenol als kokin, u op een bord de overblijfselen van haar schoonheid aanbiedend! Doch spreken wij er niet meer over. Ik heb iets anders bedacht. Bezit ge nog gedachtenissen van haar dierbare genegenheid?quot;

— „Wat zou ik van haar bezitten?quot;

— „Weet ik het? Een zakdoek met tante Suze's naamcijfer! Een rimpel van haar voorhoofd, achter glas! Een medaljon, met een vlok van haar peper en zout! Wat dat ook wezen moge, doe het weg. Vernietig het. Van heden af beginnen wij een nieuw leven!quot;

— „Helaas, Jozefine, voor mij is geen nieuw leven weggelegd ! Wat ik voor u doen kon, heb ik gedaan; en ge ziet zelve, hoe beklagelijk alles geëindigd is. Gave de Hemel, dat ik u tevreden kon stellen met souvenirs van mevrouw Coppenol!quot;

203

ocr page 224

JOZEFIXE VERREKENT ZICH.

— „Geen relieken dus? Des te beter! Maar niet gebromd, als ik u verzoeken mag. Ik verlang een vrolijken schildknaap.quot;

— „Zeg, waarmede ik u van dienst kan zijn, en ik zal mijn best doen.quot;

— „Die partijen, Henri, vervelen mij gruwelijk. De dames, de heeren, de meisjes, een ieder gaapt mij aan. Foei, wat akelige menschen! Ze haten mij, omdat ik uit de Oost kom; en ik haat ze óók, omdat zij zoo saai zijn, zulke domme lee-lijke gezigten hebben, en de vrouwen zulke slechte manieren, en zulke slecht gemaakte japonnen aan het lijf. Ik zou naar bals willen gaan, waar ik de menschen niet kende, en zij mij niet. Naar plaatsen, waar gelagchen en gestoeid werd. Waar ik hoorde trommelen en op de trompet blazen!quot;

In hartstogtelijke bewoordingen ging zij aan het uitweiden over de genoegens, die, naar hare voorstelling, de openbare vastenavondbals in Tivoli of Frascati moesten aanbieden, volgens de berigten in de courant.

Geduldig hoorde hij haar aan en liet haar praten, meenend dat het maar eene luim was, geboren uit antipathie tegen de Haagsche dames en heeren, en zij den volgenden ochtend, bij het ontwaken, er niet meer aan denken zou.

Doch Jozefine's luimen waren wetten. Nog een- of tweemalen beproefde zij, met Henri in gezelschap te gaan. Beide keeren kwam zij vernederd en toornig thuis. Beide keeren herinnerde zij hem haren wensch. Haar lust was zóó sterk, dat hij geen andere keus had, dan of met haar te breken, óf haar zin te doen.

— „Nog altijd met de gedachte aan tante Suze vervuld?quot; — plaagde zij hem. — „Wees nu ook eens galant voor mij, Henri! Ik ben wel niet zoo jong als zij, en heb zulke mooije schouders niet, maar men kan toch met mij voor den dag komen, niet waar? Bovendien zal ik gemaskerd wezen. Niemand zal kunnen zien, hoe veel ik aan de poudre-de-riz te danken heb.quot;

— „Lach zooveel ge wilt,quot; — was zijn antwoord, —„ik ging liever met mevrouw Coppenol, dan met u. Zelfs gemaskerd.quot;

— „Wilt ge van te voren weten, in welk kostuum ik zou willen gaan? Als Spaansch heidinnetje? Als Colombine? Als Oostersche prinses? Wat kan het u schelen, zoo ik maar geen Hollandsche melkmeid voorstel? Welke zwarigheden maakt ge toch?quot;

— „Mijn eerste bezwaar is, dat ik tien jaren van mijn leven zou willen geven, om met u mede te gaan.quot;

204

ocr page 225

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

— „Nu, dat is Je regte stemming! En het tweede?quot;

— „Er komen op die plaatsen geen fatsoenlijke vrouwen.quot;

— „Och kom, dat vertellen de menschen maar, uit spijt. Zoo hot niet aardig was, zou de courant er niet over spreken, lederen avond is het stampvol.quot;

— „En uw vader? Hij zal vreemd opzien!quot;

— „Papa behoeft het niet te weten. In de courant worden winkels genoemd, waar men bekomen kan wat men wil. Ge laat mijn kostuum bij u aan huis bezorgen. Ik vertel papa, dat ik naar de komedie ga, of naar een partij. Ik kom bij u mij verkleeden. Wij gaan za'men naar het bal, en ge brengt mij thuis, evenals nu. Niets eenvoudiger!quot;

— „Ik u thuisbrengen, in uw maskeradepakje! En denkt ge, dat de meid , die u moet opendoen, den mond zou houden ?quot;

— „Henrilief, ik wil het zoo. Wat kan de meid mij schelen? Even goed als ik mijn kostuum bij u kom aantrekken, kan ik het ook bij u weder uitdoen. Spreek mij niet tegen. Al zoo dikwijls heb ik er zin in gehad.quot;

— „En ik zeg: even goed als u naar Frascati of Tivoli te brengen, zou ik rijst met u kunnen gaan eteu, en pons drinken , in den Caveau de la Renaissance!quot;

— „Laat ons dan in de eerste plaats naar den Caveau de la Renaissance gaan. Die naam intrigeert mij, en ik houd van rijst.quot;

— „Maar het is geen Indische rijst, die daar geschaft wordt!quot;

— „Dan maar Hollandsche! Weet ge waar het is?quot;

— „Ik zal het genoegen hebben, er u te introduceren,quot; — zwichtte Henri, zijns ondanks bekoord door het vooruitzigt. — „Morgenavond gaan wij naar het bal, en beginnen met den Caveau. Maar wijt het niet aan mij, fijn popje, zoo ge tegen de ruwe pret niet opgewassen blijkt!quot;

— „Hoe ruwer hoe liever!quot; — lachte zij, met haar wel-luidendsten lach.

Die gang naar het bal was hun eerste geheime uitgang. Henri droeg zorg, dat .Tozefine te zijnent alles bijeenvond, wat zij noodig kon hebben voor haar toilet; bestelde een rijtuig, en liet, om te beginnen, zich naar den Caveau de la Renaissance brengen.

Dit was eene soort van onderaardsch nachtkoffijhuis, den kelder innemend van eene voorname woning, in eene voorname buurt. Men daalde eenige treden beneden den beganen grond, en bevond zich in een doolhof van gewelfde vertrek-

205

ocr page 226

JOZEFIXE VERREKENT ZICH.

— „Geen relieken dus? Des te beter! Maar niet gebromd, als ik u verzoeken mag. Ik verlang een vrolijken schildknaap.quot;

— „Zeg, waarmede ik u van dienst kan zijn, en ik zal mijn best doen.quot;

— „Die partijen, Henri, vervelen mij gruwelijk. De dames, de heeren, de meisjes, een ieder gaapt mij aan. Foei, wat akelige menschen I Ze haten mij, omdat ik uit de Oost kom ; en ik haat ze óók, omdat zij zoo saai zijn, zulke domme lee-lijke gezigten hebben , en de vrouwen zulke slechte manieren, en zulke slecht gemaakte japonnen aan het lijf. Ik zou naar bals willen gaan, waar ik de menschen niet kende, en zij mij niet. Naar plaatsen, waar gelagchen en gestoeid werd. Waar ik hoorde trommelen en op de trompet blazen!quot;

In hartstogtelijke bewoordingen ging zij aan het uitweiden over de genoegens, die, naar hare voorstelling, de openbare vastenavondbals in Tivoli o(' Frascati moesten aanbieden, volgens de berigten in de courant.

Geduldig hoorde hij haar aan en liet haar praten, meenend dat het maar eene luim was, geboren uit antipathie tegen de Haagsche dames en heeren, en zij den volgenden ochtend, bij het ontwaken, er niet meer aan denken zou.

Doch Jozefine's luimen waren wetten. Nog een- of tweemalen beproefde zij, met Henri in gezelschap te gaan. Beide keeren kwam zij vernederd en toornig thuis. Beide keeren herinnerde zij hem haren wensch. Haar lust was zóó sterk, dat hij geen andere keus had, dan óf met haar te breken, öf haar zin te doen.

— „Nog altijd met de gedachte aan tante Suze vervuld?quot; — plaagde zij hem. — „Wees nu ook eens galant voor mij, Henri! Ik ben wel niet zoo jong als zij, en heb zulke mooije schouders niet, maar men kan toch met mij voor den dag komen, niet waar? Bovendien zal ik gemaskerd wezen. Niemand zal kunnen zien, hoe veel ik aan de poudre-de-riz te danken heb.quot;

— „Lach zooveel ge wilt,quot; — was zijn antwoord, —„ik ging liever met mevrouw Coppenol, dan met u. Zelfs gemaskerd.quot;

— „Wilt ge van te voren weten, in welk kostuum ik zou willen gaan? Als Spaansch heidinnetje? Als Colombine? Als Oostersche prinses? Wat kan het u schelen, zoo ik maar geen Hollandsche melkmeid voorstel? Welke zwarigheden maakt ge toch?quot;

— „Mijn eerste bezwaar is, dat ik tien jaren van mijn leven zou willen geven, om met u mede te gaan.quot;

204

ocr page 227

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

— „Nu, dat is de regte stemming! En het tweede?quot;

— „Er komen op die plaatsen geen fatsoenlijke vrouwen.quot;

— „Och kom, dat vertellen de menschen maar, uit spijt. Zoo het niet aardig was, zou de courant er niet over spreken, lederen avond is het stampvol.quot;

— „En uw vader? Hij zal vreemd opzien!quot;

— „Papa behoeft het niet te weten. In de courant worden winkels genoemd, waar men bekomen kan wat men wil. Ge laat mijn kostuum bij u aan huis bezorgen. Ik vertel papa, dat ik naar de komedie ga, of naar een partij. Ik kom bij u mij verkleeden. Wij gaan zamen naar het bal, en ge brengt mij thuis, evenals nu. Niets eenvoudiger!quot;

— „Ik u thuisbrengen, in uw maskeradepakje! En denkt ge, dat de meid , die u moet opendoen, den mond zou houden ?quot;

— „Henrilief, ik wil het zoo. Wat kan de meid mij schelen? Even goed als ik mijn kostuum bij u kom aantrekken, kan ik het ook bij u weder uitdoen. Spreek mij niet tegen. Al zoo dikwijls heb ik er zin in gehad.quot;

— „En ik zeg: even goed als u naar Frascati of Tivoli te brengen, zou ik rijst met u kunnen gaan eten, en pons drinken , in den Caveau de la Renaissance!quot;

— „Laat ons dan in de eerste plaats naar den Caveau de la Renaissance gaan. Die naam intrigeert mij, en ik houd van rijst.quot;

— „Mi lar het is geen Indische rijst, die daar geschaft wordt!quot;

— „Dan maar Hollandsche! Weet ge waar het is?quot;

— „Ik zal het genoegen hebben, er u te introduceren,quot; — zwichtte Henri, zijns ondanks bekoord door het vooruitzigt. — „Morgenavond gaan wij naar het bal, en beginnen met den Caveau. Maar wijt het niet aan mij, fijn popje, zoo ge tegen de ruwe pret niet opgewassen blijkt!quot;

— „Hoe ruwer hoe liever!quot; — lachte zij, met haar wel-luidendsten lach.

Die gang naar het bal was hun eerste geheime uitgang. Henri droeg zorg, dat Jozefine te zijnent alles bijeenvond, wat zij noodig kon hebben voor haar toilet; bestelde een rijtuig, en liet, om te beginnen, zich naar den Caveau de la Renaissance brengen.

Dit was eene soort van onderaardsch nachtkoffijhuis, den kelder innemend van eene voorname woning, in eene voorname buurt. Men daalde eenige treden beneden den beganen grond, en bevond zich in een doolhof van gewelfde vertrek-

205

ocr page 228

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

ken , laag van verdieping. Muren en verwulfsels beplakt met nagemaakt goudleder. Gasvlammen, aangebragt aan nagemaakte kerkkroontjes en blakers. Tafels en tafeltjes van nagemaakt oud-eikenhout, met gedraaide pooten. Nagemaakt oud-tapijt-werk , als bekleedsel van stoelen, banken en taboeretten. Het geheel had een fanx-air van een salon-ameublement uit de vijftiende of zestiende eeuw.

De algemeen-menschelijke verversching der plaats (algemeen-menschelijk te zeggen, gold toen nog voor welopgevoed) was eene vermaarde soort van punch, bereid uit rhum en citroenen , eu dampend toegediend in groote glazen , op voeten. Even vermaard, doch nationaler, waren zekere kommen of koppen rijstebrij, met suiker, kaneel, en oranjebloesem; — eene specialiteit van den kastelein, Nederlander van geslacht tot geslacht.

Toen Henri en Jozefine binnentraden, was het betrekkelijk nog vroeg. Het gezelschap bestond uitsluitend uit jongelieden van de hoogste klasse der Latijnsche school, aanstaande aka-demieburgers, zich bij voorbaat oefenend in biljardspelen en drinken. Geen hunner wist, wat Caveau de la Renaissance be-teekende; evenmin als het buffetmeisje, de eenige aanwezige vrouw. Doch tegen elf ure grepen de gymnasiasten naar hunne petten, en begonnen de vertrekken zich te vullen met een ander publiek. Men zag gemaskerde en gekostumeerde jonge vrouwen verschijnen, blijkbaar hier bescheiden door jonge mannen uit alle standen der maatschappij : zonen van aanzienlijken, luitenants in burgerkleeding, eerstbeginnende ambtenaren, kantoorklerken, ridders van de El. De toon werd luider. Afspraken weerklonken, om zich gezamenlijk naar die en die danszaal te begeven. Het vrouwelijk personeel bleek ver van schuchter. Men ontving den indruk, dat het maagdelijke over-vloedigst vertegenwoordigd was door het oranjebloesemwater in de rijstebrij.

— „Welnu?quot; — vroeg Henri, zich naar Jozefine overbui-gend. — „Wat zegt ge er van?quot;

— „Mijn kostuum is niet elegant genoeg,quot; — antwoordde zij. — „Sommige van die vrouwen zijn beter gekleed dan ik. Een volgenden keer moet ge een anderen keus doen. J.k zal het voor u opschrijven, als wij thuiskomen.quot;

Zij kwamen echter nog in lang niet thuis. Toen de dames in den Caveau hare bekomst gegeten, de heeren zich roode wangen gedronken hadden, begaf het gezelschap zich naar het bal. Henri en Jozefine volgden.

206

ocr page 229

JOZEFINE VERREKENT ZICH.

Hot bal — daar gevoelde Jozefine zich in haar element! De wanden der danszaal waren maar met witte kalk bestreken, uitgezonderd eenig fresco-schilderwerk van mindere soort, aan de beide uiteinden. Nergens een zweem der smaakvolle weelde, die zij in de salons van graat' Winterswijk bewonderd had. Do nationale en oranje-vlaggen, die van den zolder afhingen; het sparregroen om de houten zuiltjes; de heesters in potten, waarachter het orkest met bier en wijn gelaafd werd, overschaduwden te naauwernood de herinnering der kolfbaan, herdoopt naar de eigennamen van Italiaansche lusthoven, aan den oever van blaauwe meeren, onder den blaauwen hemel der Campagna. Een belagchelijk balletmeester, — grijsaard met doorgebogen kuiten en het spit in den rug, — zwaaide eene bamboerotting met ivoren knop, of het een tamboer-majoorsstok ware, en ledebraakte met krakende stem de Fran-sche namen der figuren. Het was eene gemeene omgeving, gemeen gestoffeerd. Maar nooit had, in de staatsievertrekken van mevrouw Coppenol én bare vrienden , de dochter van den oud-gouverneur der Molukken zoo hartstogtelijk medege-danst, als op dezen vloer van pijpaarde; — in walsen en galoppen, waar al de kracht van Henri's arm noodig was, om haar tegen het woeste voorbijstuiven van winkelbedienden en winkeljuffers te beschermen; in quadrilles, waar zij aan vrouwen van verdachte zeden de toppen harer vingers moest reiken.

De polka vooral sleepte haar mede, — dans, onbekend gebleven aan onze moeders, en in Europa eerst populair geworden, tegelijk met Jozefine's komst uit Indie.

Alles, op die vastenavondbals, ademde den nieuwen viersprong. De dansers droegen polka-boorden, polka-dassen. De borst der danseressen was met polka-strikken getooid.

— „La polka!quot; — krijschte de grijze balletmeester, om den broode zwichtend voor een aandrang, die tegelijk zijn geweten kwetste, en het répertoire zijner jeugd een répertoire uit den pruikentijd deed schijnen.

— „La polka!quot; — herhaalde de orkest-directeur uit volle borst. En de klarinettisten bliezen zich purperrood. De schelle toonen der piccolo-fluit striemden de lucht. De paukenist roerde zijne stokken wel tweemalen zoo krachtig. De trompetters stieten in hunne bo.uinen , alsof de muren der kolfbaan die van een ander Jericho geweest waren, tot omstorten veroordeeld.

— „La polka!quot; — juichte de uitgelaten schare. En als zwijmel-

207

ocr page 230

DE SCHRIJVER FILOSOFEERT.

dronken bacchanten tuimelden de jonge vrouwen den jongen mannen in de armen.

— „La polka!quot; — klonk het bescheid der saters. En zij tilden de hijgende menaden van den grond.

— „Lu polka!quot; •— riep ook Jozefine, van achter haar masker, en wierp met Henri zich in den maalstroom van het saturnaal!

XXII

DE SCHRIJVER FILOSOFEERT.

De kleine voor- en de kleine achterkamer, door Henri Wilson in Den Haag als pied-a-terre gehuurd, zouden een aangenamen indruk op u gemaakt hebben, zoo gij er des avonds in het halfdonker eener zuinigheidslamp, eene jonge en schoone vrouw uit het volk, bij een snorrend kagcheltje, de thuiskomst van haar man hadt zitten zien verbeiden, — de luijermand voltooijend van een menschelijk popje, bezig vlinder te worden onder haar hart.

Hare zwangerschap zelve zou u toegeschenen zijn, eene nieuwe bekoring aan hare schoonheid te leenen: dat zoeken van de hand naar een steunsel, bij het oprijzen; die hoogere blos; dat sneeuwwit van den hals, blank als de melk in hare borst, eerlang omklemd door kleine vingers.

Tien tegen één, dat zoo gij op dat pas eene krachtige vuist den deurknop hadt- hooien grijpen, en, stedelijke Huibert van dit stedelijk Klaartje, op den drempel een jongen werkman in werkmansgewaad hadt zien verschijnen, — een gevoel van welbehagen u doorstroomd zou hebben; het triviale dei-omgeving uit uwe gedachten, en, voor den genoegelijken aanblik va-i een zuiver zamenwonen, al het overige naar den achtergrond zou geweken zijn.

Gij zoudt noch aanstoot genomen hebben aan het sober avondmaal op de naauwlijks gedekte tafel, nocVi aan de schamele meubelen hier en ginds tegen den muur, noch aan het bijgeplakte behangsel, waar lappen van een nieuwer graauw slechts dienden, om de vaalheid van het oudere te doen opmerken.

208

ocr page 231

DE SCHRIJVER FILOSOFEERT.

Laat echter, in die onverjmderde omgeving, Jozefine van Alkemade aan de zijde van Henri Wilson optreden, — en dadelijk is de bekoring weg.

Henri wint het van Huibert in schoonheid, opvoeding, goede manieren. Hij draagt een ridderlintje in het knoopsgat.

Klaartje's blank wordt dof, bij het doorschijnend mat van Jozefine. Haar blos is te sterk, haar bouw te krachtig, haar hand te breed, haar voet te zwaar.

Maar het doet niet.

Ontsteek in het eene en het andere vertrek meer lichten: vervang een lomper meubelstuk door een ladylijker; ontbied uit een komestibel-magazijn in de buurt edeler spijzen en fijner dranken; spreid over de leuningen der stoelen al het satijn en al de zijde uit, die in de bonte rokken van een bevallig maskerade-kostuum verdwijnen, — te vergeefs.

Het ligt noch aan het nachtelijk uur, noch aan sommige tegenstellingen, noch aan iets uitwendigs, wat ook.

Het ligt alleen aan onze wetenschap.

Onze walging spruit enkel voort uit onze kennis aan den toestand, de personen, de karakters.

Hetgeen bewijst, dat, zoo het niet mogelijk is eene bepaling van het schoone te geven, men de kunstfilosofie nogtans niet te hard moet vallen, wanneer zij het schoone nogtans onder woorden beproeft te brengen.....

Alleen onze wetenschap kan ons schuld van onschuld doen onderkennen. Doch die wetenschap zelve zoekt te vergeefs naar een steunpunt.

Hetgeen bewijst... hoe gewaagd het is, mede te praten over zedelijkheid, en dat de schrijver van dit hoofdstuk wijs zou gehandeld hebben, zoo hij het punt niet aangeroerd had.

Of wilt gij tot lederen prijs eene moraal in woorden? Kunt gij er niet buiten? Hebben de natuur, en eene spraakzame eeuw, u gedoemd dien tol te betalen? Het zij zoo! Doch wees in godsnaam kort. Pers, zoo mogelijk in één sylbengroep, geheel uw denkbeeld zamen.

Het was niet netjes van Henri Wilson, te zwichten voor Alkemadetje's koketterie. Niet netjes van Jozefine, in Henri's tegenwoordigheid zich te kleeden en te ontkleeden. Niet netjes van haar, zich als eene andere mevrouw Coppenol aan te stellen. Niet netjes van hem, Jozefine's lente te ontbladeren binnen de eigen muren, waar tante Suze haren herfst ten offer was komen brengen.

209

14

ocr page 232

NOGMAALS DRIE .MAANDEN LATER.

Ach ja, dit is het jongste woord der beschaving! Wij weten van schoon noch onschoon, waar noch onwaar, kwaad noch goed. Het eenige wat wij weten is, dat sommige handelingen niet netjes zijn.

XXIII

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

Weder was de Meimaand in het land. Evenals een jaar te voren het berigt de familie Bruce bereikt had, dat de Staatsraad van der Honven, met den heer Cornells van Alkemade levend aan boord , te Brouwershaven binnengevallen was, kwam er ook nu te Amsterdam tijding van hem.

Het geviel op een namiddag, onder beurstijd. De oude heer David was aan het vervullen zijner pilaarpligten, tusschen het Water en den Dam. De jongens zaten op school. De meisjes in de leerkamer, onder toezigt der gouvernante. In het woonvertrek niemand dan de vrouw des huizes.

Was de moeder der Bruce's alleen, zij had, met een glimlach om zooveel opgewondenheid, den pas verschenen José kunnen nazeggen: „Alleen, maar met mijn wraak alleen!quot; Haar oog ging over eene korf verstelgoed, waaraan de naaister eerlang hare krachten zou te beproeven hebben.

Dien middag echter zou zuster Adrienne niet lang glim-lagchen.

De knecht kwam zeggen, dat iemand uit Den Haag in het voorhuis wachtte, die dringend verlangde haar te spreken. Mevrouw kende hem, beweerde hij. Hij was de oppasser van mevrouw's broêr, uit de Oost.

Na de laatste korrespondentie, naar aanleiding van het faillissement Efraïm, had mevrouw Bruce haren broeder om zoo te zeggen uitgeschrapt. Nog een paar malen had zij hem geschreven, doch van hem noch van Jozefine antwoord bekomen. Ten slotte had zij haar man toegestemd, dat het nutteloos was, rotsen te willen beploegen.

Maar de levendigheid, waarmede zij bevel gaf, den boodschapper onmiddellijk achter te laten, bewees, hoe warm haar

210

ocr page 233

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

hart voor broeder en nichtje was blijven kloppen. Er werd aan de deur getikt.

— „Daar was Abels.quot;

Al had hij het er niet bijgezegd, zij zou, aan de roodbruine tirebouchons op het lage voorhoofd, hein onmiddellijk herkend hebben. Vijfentwintig malen, gedurende het verblijf in Den Haag, had zij hem met dezelfde buiging en stembuiging, onder het voordragen derzelfde belangwekkende mededeeling, de zijkamer van broeder Cornells zien binnentreden.

— „Hoe gaat het Abels? En mijnheer? Eu de jufvrouw? Heeft mijn broeder u een boodschap voor mij opgedragen? Treed nader. Spreek vrijuit.quot;

Zoolang Abels niet op dreef was, deed hij u altoos aan een onverdiend getuchtigd huisdier denken; een mishandelde kardoes, beschaamd over de kleur van zijne eigen krullen.

— „Een boodschap heb ik niet, mevrouw. Ik kom uit mijn eigen zeivers,quot; — begon hij eindelijk, meer van die volksuitdrukkingen in zijne rede vlechtend. — „Het is aan de Bogt van Guinee niet in order, mevrouw. De jufvrouw kan geen veer van 'er mond blazen. Die leit sedert zes weken plat te bed. Meneer speult nacht en dag zoo op, dat er geen huis meer met hem te honen is. De dokter zeit, alsdat hij er niets aan doen kan. Ook aan de jufvrouw niet. Het moet zijn beloop hebben, zeit hij. Dan wij óók, begonnen de meiden. Ma ar ik heb gezeid; Jelui zult in je dienst blijven, tot er naar Amsterdam geschreven is, aan mevrouw Bruce. Ga jij dan maar zelf naar Amsterdam, zeien ze, want wij kennen niet schrijven, en jij ook niet; maar er mot een end aan komme, want zoo ken het niet langer; en dan gane we weèr na de Zeven Kerken, aan het Spui, want wij benne fesoenlijke meisjes, en we bedanken er voor, met potten en pannen naar ons hoofd gegooid, en nagezeten te worden met een sabel of een pistool, zooas meneer verleden avond laat gedaan heeft, dat de menschen op straat bleven stilstaan voor het huis, en aanschelden om te hooren of er soms assistentie noodig was, en schande spraken van het spektakel, en de politie wilden halen. Hou jelui nu je mond maar, heb ik gezeid, en toont alsdat je fesoenlijke meisjes bent. Ik zei naar Amsterdam gaan. Verleden jaar ben ik er geweest, met meneer, toen ie nog wèl was. Ik weet het adres van meneer Bruce. Ik zal gaan spreken met mevrouw, en wacht jelui dan je beurt maar af.quot;

211

ocr page 234

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

Vierentwintig uren later reed de diligence, die mevrouw Bruce naar Den Haag bragt, de schoone Boschlaan in, hervatting op groote schaal van het ijler plantsoen, dat aanvangt bij het Huis den Deyl.

Haar hart was vol zorg. De ruwe bijzonderheden, door Abels medegedeeld, hadden sedert gisteren haar gedwongen, metal hare gedachten bij toestanden te verwijlen, die hare deernis opwekten, maar waarvan zij tegelijk inwendig gruwde. Uit hetgeen Abels van Jozefihe verhaald had, was zij maar gedeeltelijk wijs kunnen worden. Het meisje scheen aan eene gevaarlijke, geheimzinnige ziekte te lijden. Duidelijker stond het beeld van haar broeder haar voor den geest. Cornells, begreep zij, was zoo goed als krankzinnig; had elke heerschappij over zichzelven verloren; raasde en tierde. Opdat men van hare komst kennis dragen zou, had zij Abels vooruit gezonden. Doch wat baatte dit? Wat zou het baten, of zij zelve kwam? Had de oppasser niet overdreven, — en al zijne verhalen kwamen altijd op hetzelfde neder, — dan hing Joze-fine's leven aan een zijden draad, en mogt dat van haar vader naauwelijks meer leven heeten.

De aanblik der natuur, in vollen voorjaarsdos, stemde haar weemoedig. Welke verscheidenheid van toon en tinten, waar zoo veel jong gebladerte zijne kleuren mengelde! Hoe vonkelde het pas ontloken beukengroen in de middagzon! Welk eene vredevolle vreugde! Hoe krachtig en rustig verhieven zich die stammen! Hoe vrolijk en vriendelijk tjilpten, in het lagere hout, de kleine vogels! Hoe lachte de blaauwe hemel, even zigtbaar boven de toppen der boomen! Welke tegenstelling — dat huis vol twist, vol lijden, de dood op den drempel, en dit bevallig herbloeijen, buiten!

Daar zette de kondukteur zijn klephoren aan den mond, en begon de ouverture eener opera te blazen. De man blies goed. Kort geleden was eene militaire kapel afgedankt, en vele leden van het korps hadden op de bokken der diligences een heenkomen gezocht en gevonden. Hunne kleeding zelve had iets innemends. Haar groen en haar zilver waren als eene herinnering der nette uniform, onvrijwillig afgelegd.

Mevrouw Bruce kreeg de tranen in de oogen. Dat zingen van den cornet-il-piston , bij het uitrijden van Het Bosch, de met madelieven bezaaide Maliebaan voorbij, was meer dan zij verdragen kon. Sommige toonen drongen tot in het binnenst harer ziel. De diligence ratelde niet meer. De medereizigers

212

ocr page 235

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

.babbelden niet. Zij ontgaf het zich, (lat hier en ginds eene noot in het water viel: drenkeling, dien niemand zou op-visschen. Haar gemoed werd overstroomd door één gewaarwording van liefelijke droefgeestigheid. Zoete smart; nieuwe tegenstelling. Alles om haar henen ruischte harmonie; deed het leven eeren en schoon vinden; stemde tot zachtheid, een-dragt, vergiffenis. Alleen in de broederlijke woning hoorde zij van verre dissonanten klinken, die zij te vergeefs bezweren zou, voorzag zij, zich op te lossen in akkoorden.

Bij het stilhouden aan de smalle gracht vóór het diligencekantoor, waar reizigers en kruijers elkander verdrongen, versche paarden gereed stonden om de ademlooze te vervangen , nuttige maar ruwe bedrijvigheid het hoogste woord voerde, begon de ontgoocheling.

Uit het kantoortje kwam eene kijvende vrouw naar voren schieten, die den kondukteur eene scène maakte, wegens te late aankomst. Uit den toon, dien zij voerde, moest men besluiten , dat de reusachtige echtgenoot aan hare zijde, voor spek en boonen bij haar thuis lag. Zij was opzigtig gekleed , in eene vleeschkleurige zijden of halfzijden japon, met zeegroenen weerschijn. In haar muts, op haar borst, aan haar vingers, droeg zij een schat van echte of valsche diamanten. Eene dier eerbare, welvarende megaeren, welke voor eene diligence-onderneming met een levend kapitaal gelijkstaan, doch die het niet aangenaam is te ontmoeten, en zich te hoo-ren weren, wanneer men zooeven verdiept is geweest in dichterlijke, zij het ook schreijende droomen.

Gelukkig kwelden haar aanblik en geluid mevrouw Bruce maar kort. De nieuwe passagiers hadden de plaatsen der uitgestegenen nog niet bezet, of 's heeren Van Alkemade's trouwhartig en onbaatzuchtig factotum bleek present te zijn op het appèl.

— „Daar was Abels,quot; — hoorde zuster Adrienne in hare nabijheid eene bedeesde mannenstem verzekeren. Zij wendde zich om, en zag, buiten het gedrang, de vigilante gereed staan , die haar naar de Bogt van Guinee zou brengen.

Ziehier wat er met Jozefine voorgevallen was, en hoe het kwam dat mevrouw Bruce, onkundig van het wangedrag van haar nichtje, onkundig gelaten, onkundig gebleven, magte-loos aan de zijde eener zieke verscheen , welke geen hulp of verpleging meer redden konden.

Een kind te moeten krijgen was van het oogenblik af, dat

213

ocr page 236

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

zij zelve had opgehouden een kind te zijn, het groote schrikbeeld van Jozefine's leven geweest. Te naauwernood had hare liefde en bewondering voor Otto Efraïm haar met die voorstelling kunnen verzoenen. Zij haatte de gedachte, laat staan de zaak. Ook had zij aan haar spelen met Henri Wilson's hartstogt, zoodra zij bemerkte, dat de ramp haar boven het hoold hing, terstond een einde gemaakt.

— „Dat nooit!quot; — had zij tot zich zelve en tot hem gezegd; hem van zich afstootend met eene koelheid en wreedheid, welke hare ligtzinnigheid niet had doen onderstellen.

Op die wijze was aan de voortzetting der Tivoli- en Frascati-nachten van zelf een einde gekomen. Jozefine kon Henri niet meer uitstaan. Zijn aanblik zelf werd haar een walg. Zij verweet hem hare ligte ongesteldheden, als waren zij het gevolg van een boosaardig oogmerk zijnerzijds.

Met het koketteren was het nu uit. Met de vrolijke plagerijen niet minder.

— „Zoo er kinderen moesten komen,quot; — voegde zij op ruwen toon hem toe, — „had die dan liever aan mevrouw Coppenol bezorgd! Ik ben er niet op gesteld.quot;

Zij wilde hem niet langer ontmoeten, niet langer zien, niet langer van hem hooren. Al hare slechte hoedanigheden waren weder bovengekomen; en zij brutaliseerde Henri zoo, dat hij wel genoodzaakt was, haar aan haar zelve over te laten.

Hij deed haar onzinnige, maar welgemeende voorstellen: zijne carrière in Nederland er aan te geven; haar te bevrijden uit de slavernij der vaderlijke woning; ver van Den Haag en de kleingeestige Haagsche wereld, ver van Rotterdam en van ïrude, ergens in den vreemde, voor haar te gaan leven en te gaan werken.

— „Loop!quot; — was haar eenig, minachtend antwoord.

Want zij had haar eigen denkbeeld, onafhankelijk van hem.

Al sedert haar vroegste jeugd, op een leeftijd da; Euro-

pesche meisje aan zulke dingen nog niet denken, wist zij van de baboes, in wier midden zij was opgegroeid, dat wanneer eene vrouw een kind moest krijgen, en zij dit liever niet wilde, zij het kon doen verdwijnen door sommige medicijnen in te nemen, waarvan het geheim aan de baboes bekend was.

Onafgebroken dwaalde, sedert de noodlottige ontdekking, één gedachte haar door het hoofd: — „Wegmaken!quot;

Er was in die voorstelling iets flinks, iets kort-en-bondigs, dat haar aantrok.

214

ocr page 237

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

Eene vrouw moest zicli weten te redden, vond zij.

Daarna, misschien, zou zij van Henri.weder kunnen gaan houden; hem weder een goed hart kunnen toedragen. — „Maar eerst: wegmaken!quot;

Zij stelde zich voor, er met dokter Van den Ende over te spreken. Van ambtswege kende zulk een man het zamenstel van het vrouwelijk ligchaam, van binnen en van buiten. Het was ondenkbaar, dat een geleerde, als dokter Van den Ende, niet weten zou, wat in Indie de eenvoudigste inlandsche vrouwen wisten. Men kon zich gerust op hem verlaten. Hij zou niet uit de school klappen. Een dokter van die jaren was als een biechtvader. Alle doktoren deden eeu eed, evenals de priester.

De gelegenheid, hem haar geheim toe te vertrouwen, had zij slechts voor het grijpen. Bijna iederen dag kwam hij haar vader bezoeken. Eén woord, en hij zou dadelijk begrijpen, wat zij van hem verlangde.

Bij nader inzien echter, gaf zij de voorkeur aan een ander plan.

Hoe onwaarschijnlijk ook, het bleef mogelijk, dat de oude dokter weigerde; of wel, dat hij haar geheim aan haar vader verried. Uit voorzigtigheid, uit braafheid, bij ongeluk, wie weet?

Ook had zij hou, strikt genomen, niet noodig.

De boeginesche baboe van Trude Wilson was een andere, en wel zoo veilige vraagbaak.

Zij behoefde slechts in stilte een keer of wat naar Kotter-dam te gaan, — zooals zij een half jaar geleden gedaan had , toen haar vader zich niet verzoenen wilde met haar tante Bruce, — om van die zwarte vrouw, eene vrouw van ondervinding, die bij zichzelve meer dan eens een kind moest weggemaakt hebben, al het noodige te weten te komen.

Dit plan werd vastgesteld.

Het gaf Jozefine een rustig gevoel.

Dokter Van den Ende's wetenschap was in elk geval maar eene wetenschap uit de tweede hand. Door zich tot de boeginesche baboe te wenden, wendde zij zich tot de bron der kennis zelve.

Eerlang ging zij.

Haar vader lag tegenwoordig bijna altijd in bed, of hield zijne kamer. Gemakkelijker dan ooit kon zij, zonder iemand te waarschuwen, thans ongemerkt naar Botterdam reizen.

Van Trude Wilson maakte zij zich bij deze bezoeken spoedig af, al hare aandacht aan de baboe wijdend.

215

ocr page 238

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

De eerste maal bepaalde zij zich tot een praatje bij het heengaan, toen de vrouw haar uitliet.

De tweede maal werd de baboe in het vertrouwen genomen, en beloofde zij, onder aanroeping van alle Makassaarsche geesten, te zullen zwijgen en te zullen helpen.

De derde maal gaf zij Jozefine de medicijnen, en liet haar wederkeerig beloven, er nooit over te zullen spreken met mevrouw, die beschaamd was, omdat zij zelve geen kinderen kreeg, en boos werd, wanneer andere vrouwen ze wegmaakten.

Tevreden over haar eigen slimheid en kordaatheid, keerde Jozefine naar Den Haag terug, en maakte onmiddellijk, overeenkomstig de ontvangen voorschriften, een begin met innemen.

Maar, hetzij zij te groote hoeveelheden tegelijk innam; hetzij de Rotterdamsche drogist bij wien de baboe hare inkoopen was gaan doen, haar niet goed begrepen , of zich vergist had in de bereiding, — de uitwerking was zoo, dat wel Jozefine's zwangerschap in de opkomst gestuit, maar tegelijk hare gezondheid snel en onherstelbaar verwoest werd.

De waarschijnlijkste gissing is, dat Trude Wilson, — omtrent Henri's en Jozefine's verhouding beter op de hoogte, dan één van beiden vermoedde, en door een geschenk aan hare baboe gemakkelijk achter het doel van Jozefine's jongste bezoeken gekomen, — van de zich aanbie'dende gelegenheid met Ooster-sche vrijmoedigheid gebruik gemaakt, en, onder de geheime middelen, ingrediënten van hare eigen vinding gemengd had.

Er kwam eene week, dat Jozefine zich te onwel gevoelde, om zich te kleeden of hare kamer te verlaten; — eene andere week, dat zij moeite had, uit haar bed naar een gemakkelijke stoel te komen; — eene derde week, dat zij te hevige pijnen leed, om, anders dan overeind zittend in dien stoel, hijgend naar haren adem, elk voedsel teruggevend, gekweld door een brandenden dorst, de dagen ten einde te brengen en de nachten door te komen.

Zij klaagde niet; zij vroeg geen hulp. En wie zou haar geholpen hebben?

De vrouwelijke dienstboden verpleegden haar, hadden medelijden met haar; doch begrepen ter wereld niet, aan welke ziekte zij leed.

De lijfarts van den heer Cornells van Alkemade was een te gebrekkig medicus, om raad te kunnen schaffen. En Jozefine gaf hem geen enkele inlichting.

Haar vader scheen iets te vermoeden. Het wegblijven van

216

ocr page 239

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

Henri Wilson had zijne achterdocht opgewekt. Maar hij zelf verkeerde in zulk een treurigen toestand, dat men aan zijne toespelingen geen waarde hechtte. Soldatenvloeken, die hij uit zijn bed den afwezigen marine-officier naar het hoofd wierp; gemeene scheldnamen, waarmede hij zijne dochter aanduidde, werden als de taal van een waanzinnige opgevat.

Toen mevrouw Bruce de kamer binnentrad, waar Jozefine zat weg te krimpen, vond zij van het schoone jonge meisje niets dan de vertrokken en misvormde schim. Jozefine kon niet meer spreken, niet meer ademhalen. Geneesheeren van naam, ijlings te hulp geroepen, verklaarden dat zij te laat kwamen, en hielden hunne meening voor zich zeiven. Den derden dag was zij een lijk. Voor de begrafenis van haar nichtje te zorgen was de eenige pleegzusterdienst, welke mevrouw Bruce in Den Haag vooreerst te vervullen vond.

Eerlang zou zuster Adrienne haren echtgenoot moeten schrijven, dat hij verzocht werd, nog eene andere begrafenis te komen bijwonen.

De heer Cornells van Alkemade verkeerde in de laatste periode eener soort van tering, gekompliceerd met eene prikkelbaarheid van zenuwen, welke aan krankzinnigheid grensde, en krankzinnigheid werd, telkens als een aanval van drift hem overmeesterde.

Dit laatste gebeurde maar te vaak. De teleurstelling, Jozefine niet ten onder te kunnen brengen; het vergelijkenderwijs enorm verlies, hem door Efraïm's faillissement berokkend; de hooge prijs, door Salomon Bisschof uit de loterij getrokken, hadden hem geheel en al tot den slaaf van zijn eigen toorn gemaakt. Kwam daar de extra-opwekking van aangezette wijnen bij, — en dat bijkomen was insgelijks een normaal verschijnsel geworden, — dan vielen er in huis tooneelen voor als die, wier beschrijving door Abels de meiden in den mond gelegd was.

Zijne krachten waren zóó uitgeput, dat dit schandaal maken zich niet dikwijls meer herhalen kon. Maar des te heviger toornde hij in zijn bed. Alleen Abels' manlijke ooren konden de taal verdragen, welke de oud-gouverneur thans doorgaans uitsloeg. De meiden wilden hem niet langer in persoon bedienen. Mevrouw Bruce zelve moest het opgeven.

Hare hoop, dat het berigt van Jozefine's overlijden hem treffen zou ten goede, bleek ijdel. Uit zijne onverschilligheid omtrent haar heengaan ontwaakte hij alleen, om Jozefine met nieuwe schandelijke bijnamen te bestempelen. Toen hij hare kist

217

ocr page 240

NOGMAALS DRIE MAASDEN LATER.

door de lijkbidders de trap hoorde afdragen, braakte hij over haar, en over Henri Wilson, een vloed van verwenschingen uit.

Mevrouw Bruce wist van Henri Wilson niet al'. Zij zag hem niet opdagen, hoorde niet van hem, begreep de reden van zijn wegblijven niet, durfde niet naar hem vragen. Het zou olie in het vuur geweest zijn, gevoelde zij.

De eenige persoon, dien zij in de uitgestorven woning van broeder Cornells dagelijks verschijnen zag, was de avontuurlijke dokter Van den Ende. Doch zijne bezoeken bragten haar weinig troost. Hij verzekerde haar, dat de toestand hopeloos was, en toonde meer belangstelling voor de Oostersche studiën van haren echtgenoot, waaromtrent zij hem bijzonderheden moest mededeelen, dan voor den persoon van haren broeder.

Daags na Jozefine's overlijden kwam mevrouw Coppenol eene visite maken, vergezeld van mevrouw Leopold, hare schoonzuster. Later herhaalde zij een- en andermaal dit bezoek, alleen. Zij won mevrouw Bruce's hart, door de genegenheid waarmede zij over Jozefine sprak. Doch er was in hare deelneming iets hartstogtelijks, hetwelk men niet thuisbrengen kon. Telkens scheen zij iets te willen verhalen: tot vertrouwelijkheid kwam het niet. Toen mevrouw Bruce op een keer naar Henri Wilson vroeg, en welke de reden kon zijn, dat die hooggeprezen jongere vriend baars broeders zulk een bitter vijand geworden scheen, veranderde mevrouw Coppenol dadelijk van onderwerp.

Alleen de bezoeken van Rebekka Bisschof waren een werkelijk aangename afleiding. Nu Jozefine niet meer leefde, rees haar beeld weder in al zijne bekoorlijkheid voor Rebekka's geest; en daar Rebekka met Jozefine's uitspattingen even onbekend gebleven was, als mevrouw Bruce zelve, bleven er slechts aangename herinneringen over. Hadden niet, in later tijd, allerlei onthullingen tante Adrienne's achterdocht op nieuw gewekt en haar vertrouwen voor altijd vernietigd, Rebekka's beminlijke verhalen zouden haar met de nagedachtenis van haar nichtje verzoend hebben.

Rebekka was een aardig voorbeeld, hoe de omstandigheden somwijlen een karakter louteren en idealiseren. Anders altijd op een afstand tegenover christenvrouwen, die zij voor het eerst ontmoette, legde het meisje, opregt bedroefd over Jozefine's heengaan, tegenover mevrouw Bruce dadelijk hare voor-oordeelen af. Zij was de zachtheid zelve. Een glimp van Jozefine's schoonheid leek, onder het spreken over haar, zich aan

218

ocr page 241

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

Eebekka mede te deelen. Waar is het, dat zij mevrouw Bruce niet verhaalde, welke deuk haar hoogmoed onlangs bekomer; had, toen op het eigen oogenblik dat zij het volste regt meende te hebben, haar vader te vernederen, de fortuin hem in het gelijk, en haar in het ongelijk gesteld had.

Zoo verliepen de dagen, eentoonig, werkeloos; en reeds begon mevrouw Bruce zich af te vragen, of niet haar pligt gebood , naar Amsterdam en naar haar eigen gezin terug te keeren , toen op een ochtend dokter Van den Ende haar aankondigde, dat de oud-gouverneur zijns inziens geen vierentwintig uien meer leven kon. Tot hare geruststelling voegde hij er bij , dat zij niet voor een akelig sterfbed behoefde te vreezen. De lijder verkeerde in de periode van kalmte, die bij halve waanzinnigen den dood onmiddellijk vooraf pleegt te gaan.

Hij keerde met haar naar de kamer van den patient terug, en zij bevond, dat hij waarheid gesproken had.

Daar lag broeder Cornelis, meer dan ooit het evenbeeld van haar armen, uitgeteerden vader! Ofschoon zoo goed als buiten kennis, had hij gewenkt, dat men het volle daglicht naar binnen zou laten stroomen, en het ledikant, met de gordijnen open, naar het venster keeren. Met de hulp van Abels had dokter Van den Ende aan dat verlangen voldaan; of liever, de ijzersterke grijsaard had den zwakken oppasser het werk uit de handen genomen, en zonder zijne hulp het ledikant vertild.

Was de stervende zich bewust, welke personen zich in zijne tegenwoordigheid bevonden? Men moest gelooven van neen. Toen zijne zuster hem naderde, en hare hand de zijne zocht, kon zij niet bespeuren, dat hij haar herkende. Hij hield de oogen digt, en bewoog alleen de lippen, woorden prevelend, die zij niet verstond:

— „Ceu vero nesciam adversus Theop hr as turn scripsisse etiain foeminam !quot;

— „Wat meent hij?quot; — vroeg mevrouw Bruce, fluisterend.

— „Hij denkt aan uw brieven,quot; — jokte Van den Ende, — „en is erkentelijk, dat u hem zoo dikwijls geschreven hebt.quot;

— „Taedet me vitae. Omni aetati mors est communis. Pueritiae memoriam recordari ultimam- lispelde broeder Cornelis.

— „Hij wil zeggen, dat de herinnering van zijn geheele leven hem voorbij den geest trekt, en hij er genoeg van heeft. Luister!quot;

— „Cato esse quam videri bonus malebat. Licuit oiioso esse Thcrnistoeli. Theo dort quidem nihil interest, humile an sublinie putrescat.quot;

219

ocr page 242

NOGMAALS DRIE MAANDEN LATER.

— „U weet, dat is zoo'n idee van hem. Onder den grond, boven den grond, lood om oud ijzer. Wie zijn pensioen verdiend heeft, mag op zijn lauweren rusten. Braaf zijn gaat vóór braaf schijnen. Hij verbeeldt zich altijd, er een van de bovenste plank geweest te zijn. Wacht! Nu gaat hij vertellen, dat hij een klassieke opleiding heeft ontvangen! Dat hij een dichter geweest is!quot;

— „Romae nutriri mihi contigit atqne doceri.

„Non datur ad Musas currere lata via.

„ Dignum laude virum Mum vetat mori.

„Solus aut rex aut poëta non quotannis nascitur.quot;

— „Altemaal verzen, hoort u? Altemaal nonsens. Nu komt er iets tegen het gouvernement!quot;

— „Discite jusiitiam momti et non temnere divos!quot;

— „Nu over den rotten bodem van ons land. En altijd verzen. Hoor maar!quot;

— „Quadrupedante putrem sonitu qnatit ungida campum.quot;

— „Hij vaart ook schuitje, van tijd tot tijd. Dan stelt hij zich voor, dat ze hem komen afhalen voor de groote reis...quot;

Mevrouw Bruce greep dokter Van den Ende bij den arm. Het einde was nabij, zag zij. De heer Cornelis van Alkemade, oud-gouverneur der Molukken, stamelde hier beneden zijne laatste Latijnsche aanhaling:

— „Fase.. . lus il... Ie quem. . . vide. . . tis hos. ■ ■ pites

„ A it... fuis. . . se na. .. vium.. . eeler. .. rimus.quot;

— „Celerrimus, celerrimus, celerrimus,quot; — lispelde hij al flaauwer, en blies den adem uit; zijne liefhebbende zuster achterlatend met een hart, dat stiller huiverend en weemoediger gestemd dan ooit, op nieuw zich afvroeg, of Gods engelen het de moeite waard zouden keuren, het onsterfelijk deel van broeder Cornelis over te brengen naar zalige gewesten?

220

ocr page 243

XXIV BESLUIT.

Onze vertelling spoedt ten einde. Doch stippen wij, alvorens afscheid te nemen, nog enkele bijzonderheden aan.

Henri Wilson is met zijne vrouw naar Indie teruggekeerd, en heeft haar een onderkomen. bezorgd in den schoot harer familie te Makassar.

Niet vele jaren daarna was Trade weduwe. Haar man bleef in een der talrijke gevechten, waaraan in drie expeditien tegen Bali eervol deelgenomen is door de marine.

Indien George Bentinck nog leeft, en sommige brieven niet door hem verscheurd zijn, dan zou men er de bevestiging kunnen vinden van het vermoeden, dat Henri's medepligtig-heid aan het doen verdwijnen van Jozeflne's polka-kind (gelijk in de laatste levensdagen de heer Van Alkemade het noemde) voor hem eene bron van grievend, maar weldadig naberouw geweest is.

Otto Efraïm is óók naar Indie vertrokken, waar wij hem later, een man van aanzien geworden, zullen terugvinden.

De heer Efraïm Senior heeft zijne dagen geëindigd als bestedeling, in een dier kleine plaatsen, waar gepensioneerde ambtenaren en officieren, met ongehuwd gebleven dochters, 's lands genadebrood gaan eten.

Tot daags vóór zijn dood bleef hij in financiële spekulatien belangstellen, en volgde met aandacht de beurs-noteringen in het Amsterdamsch blad van Salomon Bisschof, waarvan hem een gratis-exemplaar werd toegezonden. De echte steen in zijn doekspeld bad plaats moeten maken voor een valscben; maar die speld, en Salomon Bisschof, bleven hem ten einde toe getrouw.

Bisschof. naar men ziet, verliet Den Haag en ging te Amsterdam het orgaan oprigten, hetwelk in werking te brengen hij als zijne levenstaak beschouwde. Onafhankelijk van zijnen wil was dit een geduchte klap in de papieren van Karl Heinzen. Toen de geldmannen der Amsterdamsche kombinatie vernamen , dat eene liberale courant van meer gematigde rigting, onder Bisschof's redactie in aantogt was, schreven zij Heinzen af; en deze moest blijde zijn, na vruchteloos weder bij Langen-

ocr page 244

222 BESLUIT.

huizen en Co. te hebben aangeklopt, bij het ontstaan eener vakature ten kantore der konkurrenten, door Kortenhoefen Co. in dienst genomen te worden.

De Lepelaar ging voort, iedere week te verschijnen, maar onder een anderen redakteur. Heinzen kon op zijn eerewoord aan de nieuwe patroons verzekeren dat hij „besjaaradquot; mogt staan, zoo zij bewijzen konden, dat hij hetzij als bestuurder, hetzij als aandeelhouder (aandeelen van den Lepelaar hadden nooit bestaan) met het blaadje in betrekking gebleven was.

Rebekka Bisschof heeft stelselmatig geweigerd, haar vader naar Amsterdam te volgen, en niets anders van hem willen aannemen, dan eene kleine lijfrente. Met de jaren kwam het minder zachte in hare natuur weder boven, en zij werd eene vermaarde oude Haagsche vrijster: vermaard door haar fraaije altstem en voortreffelijk pianospel, en niet minder door hare kurassiersmanieren op koncerten en op straat.

Zij was het, die, toen men in Nederland de woorden vrouwelijke emancipatie nog moest leeren uitspreken, het ideaal bij voorbaat verwezenlijkte, door onverzeld, met eene muziekrol in de hand, een knijpbrilletje op den neus, en een zwart snorretje er onder, weer of geen, op alle uren van den dag en den vallenden avond, in alle jaargetijden, met groote schreden hare lessen na te loopen en zich een onafhankelijk bestaan te verzekeren, — moeijelijker, maar eervoller en ge-noegelijker leven, dan dat van vele andere Haagsche meisjes, hare tijdgenooten, om welke, evenmin als om haar, de regte Izak kwam.

De heer Coppenol heeft nog een half dozijn jaren het genoegen gesmaakt, bij voorkomende huiselijke oneenigheden , zijne vrouw het stilzwijgen te kunnen opleggen, door toespelingen op hare zwakke zes weken. Toen werd hij afgeroepen van de aarde en van zijn Noordbrabantsch accent; eene weduwe nalatend, die het alleen aan de kordaatheid van haar broeder Leopold, en de bepalingen van haar huwlijkskontrakt te danken had, dat zij kon opkomen als universeel erfgenaam.

De grootste omkeering na die, welke in het levenslot van Salomon Bisschof plaats greep , kwam tot stand in de studiën van den heer David Bruce. Tot hiertoe dilettant geweest, groeide er eensklaps uit hem een man van degelijke wetenschap.

De onzachte chirurg, door wien deze operatie verrigt werd, was een jong taalgeleerde uit Indie, verbonden aan het Xeder-landsch Bijbelgenootschap, die, tijdelijk te Amsterdam ver-

ocr page 245

BESLUIT.

toevend, den ouden heer David een bezoek kwam brengen, en beleefdelijk inzage vroeg van zeker roanuskript op boomschors. Bij die gelegenheid kwam het uit, dat hetgeen de vader der Bruce's voor eene eeuwenheugende Koptische verhandeling over de Drieéénheid had aangezien, een dier Bataksche tooverboeken was, waarover Jozefine van Alkemade zich herinnerde, te Makassar te hebben hooren spreken; — een boek van gisteren, zamengeflanst uit barbaarsche bezweringsformulieren, en ontsierd door barbaarsche penteekeningen.

Gelukkig de man, die wanneer hij de jaren bereikt heeft van David Bruce (eerlang Bruce en Co.), bij het terugzien op zijnen levensweg geen erger blunders ontdekt, dan zulk een pasvervaardigd heidensch receptenboek gehouden te hebben voor eene dissertatie over de Triniteit, in eene doode taal!

Dokter Frans Affinius van den Ende? .. . Nog eenmaal, vóór zijn tweeden en definitieven dood, zien wij hem terug, hoop ik. Doch een persoon, dien wij niet weder ontmoeten zullen, is de brave oppasser van den heer Cornells van Alkemade, de man met de bruinroode tirebouchons.

Weerloos en zijns ondanks medegesleept in een Haagsch aardappelenoproer, — gelijk er de grondwetherziening van 1848 voorafgegaan zijn, — kroeg hij een der straatsteenen naar het hoofd, waarmede het gepeupel bij die gelegenheden de dragonders teisterde.

Buiten kennis bragt men hem naar zijne woning, martelaar van het glazig voedingsmiddel, hetwelk de oud-gouverneur der Molukken hem verweet, door zijne oogen weerspiegeld te worden.

Hij stierf aan de gevolgen.

— „Daar was Abels!quot; — wilde hij zeggen, toen de dood hem kwam halen.

Maar hij kon niet meer.

223

Abels was er geweest!

Einde.

ocr page 246

t rv V ooysquot;

Riiksuniversiteit

ocr page 247
ocr page 248

Instituut De Vooys voor Nederlandse TaaU en Letterkunde aan de Rijksuniversiteit te Utrecht

ocr page 249
ocr page 250