ocr page 1

SfaW 61

V

VIERSCHAAR VAN DEN BIJBEL.

door

G. D. KERN E!K.

Af

Ls

Deus scientiarum Dominus est. God is de Heer der wetenschappen.

Alkmaar. A. KUST ER S.

1890.

a/'quot;

-m*-

176

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

VIERSCHAAR VAN DEN BIJBEL.

DOOR

G. D. KERN EIK.

j.e. . SUMS.

?, T ?V1

_samp;ta._'

ntiarum Do minus est. .SfiJJIamp;jll Heer der wetenschappen.

BIBL. CO NV.

. i,

W iJ C K il N S

— A. KUS IERS. —

1890.

RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT

2203 3009

ocr page 6

MPRIMATUR,

HuRiEMUNDiE, 22 Maji 1889.

P. Mannens , S. Theol. Doet. et Prof.

Librorum Censor.

ocr page 7

CYciii SSiy'ne ^ OGt/uc/i/iije c' /foO'j ioaar(/iy /u: k/

mfou^neut FRANC1SCUS BOERMANS,

g73i van en fe oT^oefnionc/,

(Sïssiséenf-QVc?r'oöc/ic^y fyy c/c/i Scïusc/zy/rcn, (S'/ron, (dJiuiïpte/aat van £lt;Dync ojCei l/yj/icic/ c/cn ^Xauïj oTlomci/tsc// (pzaaf,

Qy^ic/c/cz c/et ozc/e van c/c/i 9écc/erf. \'CUtC,

(5ta n lt;=??/?, ^Doo ^lSa/cer' c-oe» de

(S)e/umye aaz/teid, va// C^cc/ö /r-c^e aan^esfefde// oTSesc/ietme'» der, ivaic Q/?cknsc/lap, aan lt;§Êbinó det lt;ï§$f! lt;^^ez'/c-, dtaap i£ dif meamp; Jc cp a/C)

/li/-/deC/iy'£.

amp;)(; cSc/tt/zt

iet..

ocr page 8
ocr page 9

- — INDEX.______________

Hoofdst. Bldz.

INLEIDING..........................1

I. NATUUR-GESCHIEDENIS................;J.

Kruising........................s

Varieteit......................'.i

Schedels...........10

Besluit...... .....13

II. PSYCHOLOGIE........................15

Planten........................10

Dieren............20

De Mensch......................28

III. ANTHROPOGRAPHIE..........30

IV. LINGÜISTIQUE............4G

V. ETHNOLOGIE............5fi

VI. OVERLEVERING...........71

Hindoes............71

Chineezen......................72

Grieken............73

Phoenicibrs en Phrygiürs.....75

Perzen............70

Mexicanen......................77

Zuid-Americanen ................78

VII. GESCHIEDENIS............8-4

Westersche Geschiedenis 81

oostersche geschiedenis......86

Mozes..........................80

Egypte............87

iNDlë.............92

China.............98

Japan........................100

Eenige Aziatische Volken.....101

Gevolgtrekking.........102

VIII. STERREKUNDE ......104

Egypte............104

Hindoes............111

China.............117

IX. ARCHAE0L0G1E...........128

Munten............128

Opschriften..........137

Monumenten..........146

X. OOSTERSCHE STUDIËN........155

Bijbelsche Litteratuur......158

Profane Litteratuur.......164

Oostersche Philosophie......167

NAREDE..............181

ocr page 10
ocr page 11

Infribing.

Iu twee voorgaande werken lieb ik do goddolooze leer onzer dagen nopens het ontstaan van don meuseli weerlegd. In «Antwoord van een Adamskind aan de apenkinderenquot; zijn wij tevergeefs neergedaald tot in de diepste ingewanden der aarde, wij hebben or niets gevonden wat ons van onze diepe overtuiging kon afbrengen. God hooft den meuseli gesehapen, ou van eene ontwikkeling kan geen spraak meer zijn; immers in het laatste geval moesten in de aarde ten minste eeuige overgaugsvormeu buiten de bestaande soorten voorhanden zijn. Weluu Darwin zelf bekout dat deze niet bestaan. In zijn Ontst. der soorten H, 3S, zogt hij:

//Waarlijk de geologie vertoont ous geenszins zulk ecu onafgebroken aan-congesehakeldo koten van bewerktuigde wezens, en dit is misschien de belangrijkste en ernstigste tegenwerping, die er ten opzichte van mijne leer gemaakt kan worden. De verklaring hiervan ligt naar ik geloof, in de over-grooto onvolmaaktheid der geologische geschiedenis.quot;

Mot veel meer recht zeggen wij; Heeren, gij zoekt den steen der wijzen, wat nooit bestaan hoeft, zult gij tevergeefs zoeken. Meer nog: uit dat besluit van Darwin volgt, dat de geologie die het grootste steunpunt is in de leer der ontwikkeling, volgens de getuigenis van Darwin zolven, wegens hare groote onvolmaaktheid niet als steunpunt kan dienen.

ïocu wij dan gezien hadden dat niets de ontwikkelingsleer kon staven, uamen wij in de «Laatste Veilingquot; den mcusch der goddelooze leer op als ceueu vondeling, omdat hij door de zich uoemendo moderne geologen niet van Adam afkwam, maar voel ouder moest zijn dan Adam. Ook daarvoor konden die mannen, zooals, wij gezien hebben, geen enkel steekhoudend bewijs aanhalen. De verdeeling van steen-, brons-, en ijzerporiode was al even dom. Hiervan zegt R. Palmann, die Phahlb. 70 ;

«Het stecu-, brons- en ijzerschema is als wetenschappelijke theorie geen wederlegging waard. Het kan slechts een doel hebben voor geschikte directeuren van museums van oudheden, die do oudheden naar liet materiaal — steen, brons en ijzer — altijd zouden afzondereu cu ten toon stellen, als het hun niet beter mogelijk is, en als zij even als een slechte bibliothecaris handelen willen, die zijne boekon zou willen plaatsen naar het formaat, folio, quarto, octavo, zonder op den inhoud te letten.quot;

Het besluit dus was cu blijft, dat noch in het primaire, noch in het

ocr page 12

secundaire, noch in het tertiaire, noch in het quaternaire —- als men die afdeelingen aldus wil aannemen — iets gevonden is, wat als de geringste weerlegging tegen den Bijbel zou kunnen dienst doen.

Mijns erachtens is het niet genoeg dat valsehe licht uitgedoofd, dat gebouw zonder grondvesten weggeblazen te hebben; het gebouw door bemiddeling van Mozes daargesteld is te verheven en te sehoon om het niet eens te doorwandelen, en zijne sterkte en macht in 't voorbijgaan hier en daar aan te toonen.

Sedert een paar eeuwen merken wij het wonderbare schouwspel dat de grootste vijandin van Rome, nl. de moderne wetenschap tobt en zwoegt om de door haar verwenschte leer van Rome meer en meer te bevestigen. De moderne Staten evenals vele geldmanuen sparen moeiten noch kosten om overal wetenschappelijke onderzoeken iu te stellen, en zij zullen niet ophouden voordat zij de laatste veronderstelling die zij kunnen uitdenken, onder hunne voeten voelen wegzinken.

Ik meen mijne lezers gecneu onaangenamen dienst te bewijzen als ik hen eenige dier wetenschappelijke zalen binnenleid en hier en daar oplettend maak op eenige schitterende sterren ontstoken voor Homo's leer.

G. 1). K. E.

ocr page 13

I.

ÏJaïuur-gp^rljipbpnis,

Niet alleen tussclien geloovigen cn ongeloovigen, maar ook tussclien deze laatsten onderling bestaat nog altijd do strijd over de herkomst van den menscli. Het is de strijd tussclien monogenismus en polygenismus.

De monogenisten nemen den oorsprong van het menschehjk geslacht nit één menschenpaar aan; de polygenisten nemen oenen veelvuldigen oorsprong aan en kennen aan ieder ras eenen afzonderlijken oorsprong toe. Ten opzichte echter dei-soorten en van hunnen oorsprong zijn de polygenisten het onder elkander niet eens. Virey telt er slechts twee; Borey St. Vincent brengt dit getal op vijftien; Desmonlins op zestien. Knox en do Amerikaansche school zijn geëindigd met bijna iedere natie, iederen stam, als eene bizondere soort te beschouwen.

Ter beslissing van dit vraagstuk is het vooral noodzakelijk, eene bepaling van de soort te geven, eene bepaling waartegen niets valt te zeggen.

Be soort is het gezamenlijke der afzonderlijke wezens, die meer of minder aan elkander gelijk zijn, die afkomstig zijn of als afkomstig kunnen beschouwd worden van een eenig oorspronkelijk paar, door eene onafgebroken opvolging van familiën.

De afzonderlijke wezens, die van deze type op eene duidelijke wijze afwijken, noemt men varieteü.

Het ras is eene varieteit die door de voortplanting wordt overgebracht.

Secundaire rassen noemt men diegene, die van de reeds bestaande primaire rassen afstammen.

ocr page 14

4

Do rassen worden onder drie verschillende voorwaarden gevormd; 1°.) de planten kunnen nooit gecultiveerd, de dieren nooit getemd geweest zijn. De erfelijke wijzigingen, die onder deze omstandigheden voortgebracht worden, zijn alleen aan de natuurkrachten te danken; en de hierdoor ontstane rassen noemt men de natuurlijke rassen-, de wilde rassen. 2°.) Gedurende een meer of minder aantal generation kunnen de planten de werking van de cultuur, de dieren die van den tammen staat doorstaan hebben. In dit geval worden de rassen onder den onmiddellijken invloed van den mensch gevormd en zijn inderdaad kunstrassen; men noemt ze tamme rassen. 3°.) Het gebeurt zeer dikwijls, dat de dieren of planten zelfs gedurende eeuwen tot den natuurstaat terugkeeren en nieuwe wijzigingen ondergaan als gevolgen van dezen staat. Deze rassen afstammende van gecultiveerde planten of tamme dieren zijn, wanneer zij de oorspronkelijke vrijheid der soort herkregen hebben, voor ons de vrije of verwilderde rassen.

Er bestaan natuurlijk vele voorwaarden, die hunne werking-op de organische wezens kunnen uitoefenen. Deze voorwaarden kunnen zijn: physisehe of natuurlijke, intellectueele of door verstand geleide, moreele of zedelijke.

De physisehe zijn de invloeden van het klimaat, warmte of koude, droogte of vocht, de hoedanigheid en de meerdere of mindere overvloed van voedsel en de soort hiervan. Montesquieu wil dat men de instellingen in overeenstemming brenge met hetgeen hij het zedelijk temperament der volken noemt, maar hij ziet de oorzaken van dit temperament in niets anders, dan in de uitwendige physisehe voorwaarden. Zoo neemt hij b. v. met Plippocrates aan, dat het zachte en gelijkvormige klimaat van Azië de bewoners van die streken voorbeschikt om over-heerscht te worden. Deze leer is in vele opzichten waar, maar zij is niet volledig.

Naast het klimaat staan de instellingen en zeden, de veelwijverij en de harems. In de harems zijn de vrouwen opgesloten en overgeleverd aan ledigheid en onwetendheid. Toch zijn zij de eerste opvoedsters harer kinderen. Zoo ziet men dat

ocr page 15

do Mahomedaansche godsdienst met zijne veelwijverij en zijne harems eenen ontzenuwonden invloed uitoefent, en dus ook tot die invloeden moet gerekend worden, die de vorming der rassen teweegbrengt.

Alle invloeden, die op evengenoemde wijze hunne werking op hot vormen der rassen uitoefenen, bestempelt de Quatrefages met den naam van medium. Wanneer alle elementen van dit medium samenwerken, dan brengt dit oenc zeer samengestelde uitkomst voort, waarin liet moeilijk is do werking van elk element op te sporen, tenzij een of ander element een overwicht hebbe.

Om zich goed te kunnen ontwikkelen moet ieder afzonderlijk wezen in volmaakte overeenstemming zijn met de voorwaarden van bestaan, mot liet medium waarin bet leeft. Bij het minste gebrek aan die overeenstemming volgt het lijden van dat wezen, dc vermindering voor do soort. Moge ook liet afzonderlijk wezen nog blijven bestaan, als dit gebrek aan harmonie of overeenstemming binnen zekere grenzen blijft, de soort zoude niet onbepaald kunnen voortduren in een medium, dat haar tegenstrijdig is, omdat de uitwerkingen van dit gebrek bij iedere generatie ophoopen en verergerd worden. ordt dus door de eene of andere oorzaak dit gebrek aan harmonie teweeggebracht, dan moet of de soort binnen eenen gegeven tijd verdwijnen, of do harmonie zich herstellen. Tusschen deze beiden zal de soort wel geene andere keus hebben dan zich aan de nieuwe levensvoorwaarden te gewennen; en zoo ziet men hoe in eene menigte omstandigheden de rassen zich vormen.

I0.) Wilde of natuurlijke rassen. Het bestaan van deze wordt door sommigen in twijfel getrokken. Anderen echter meenen de bewijzen hiervoor in de feiten na te gaan. Telkens worden tusschen planten, die zeer veel in uiterlijk van elkander ver-schillcn, nieuwe tusschenvormen ontdekt, die dc afscheiding dezer uitersten hoe langer hoe kleiner maken. Wanneer men deze nieuwe vormen afzonderlijk beschouwt, dan zoude men haar voor soorten houden, terwijl eene nauwkeurige beschouwing (in vergelijking met de reeds bekenden doet zien, dat

ocr page 16

6

men slcuhts mot rassen to doen liooft. Eon merkwaardig voorbeeld hiervan levert ons do Weegbree, waarvan Linnaeus sleclits 20 soorten kende, en die nu reeds tot 140 bekende soorten oplevert.

Ook de dierkunde levert eene menigte dergelijke voorbeelden op; b. v. tusschen den Senegalschen en Indischen jakhals bestaan zulke belangrijke verschillen, dat Cuvier hen voor verschillende soorten hield; maar sedert dien tijd zijn zooveel tusschenvormen ontdekt, dat Geoffrey niet geaarzeld heeft hen onder eéne soort te scharen en de verschillende vormen als rassen te beschouwen.

2°.) Tamme of kunstrassen. Allen zijn het nopens deze eens, dat onder den invloed van den mcnsch de planten zoowel als de dieren veranderingen, ontaardingen, wijzigingen van allerlei aard kunnen ondergaan; dat do oorspronkelijke type dikwijls zoo veranderd wordt dat zij niet meer te herkennen is. Dat onder den invloed dor cultuur nieuwe rassen geboren en andere belangrijk gewijzigd worden, ziet men b. v. aan de duiven, kippen en eenden onder de vogels; de honden, paarden en het rundvee onder do zoogdieren; de vruchtboomen, de bloemen bij de planten.

3°.) Vrije of verwilderde rassen. Deze zijn zeer weinig te vinden, omdat de mensch zich niet gaarne berooft van hetgeen hem nuttig of aangenaam is geworden. Men heeft echter waargenomen dat planten die onder den invloed der cultuur dubbele bloemen droegen slechts enkele bloemen voortbrachten, wanneer zjj tot den vrijen staat waren teruggekeerd; dat paarden hunne schoone vormen verliezen die zij in den tammen staat gekregen hadden en aan de wilde paarden der pampas van Amerika en der stoppen van Siberië gelijkvormig worden. Ook do varkens tot den natuurstaat teruggekeerd komen hoe langer hoe meer het wild zwijn nabij.

KOMEN WIJ Xü TERUG OP DEN MENSCH.

Wij hebben bij ouzo huisdieren gezien, dat verschillende rassen tot óéuo eonige bizondere type kunnen teruggebracht

ocr page 17

7

worden, waarvan conc der voornaamste reden is, dat tusschen de moest verwijderde vormen tusschenvormen zijn, waardoor zij onafgebroken aan elkander zijn verbonden. — Maar geen diersoort vertoont in zijne rassen dit kenmerk in denzelfden graad als de mensch. Deze waarheid is te klaar om aan eenigen twijfel onderhevig te kunnen zijn.

Nemen wij eens de beide uitersten, den zwarten en den blanken mensch, dan vinden wij het feit in Afrika zelf bevestigd. De echte negertype vinden wij aan de kust van Guinea, maar nauwelijks heeft men zich van de slavenkust verwijderd, of men vindt den neger nog wel met zwart kroeshaar en zwarte huid, maar zijne type wijkt af van die van den neger van Guinea; de trekken beginnen meer Europeesch te worden. Bodwirch vergelijkt die van de Ashantes met die der Grieken. De Dahomaansche prinsen, die voor een dertig jaren in Europa geweest zijn, hadden wel dikke en vooruitstekende lippen, maar in den vorm van den neus, de hoogte en ontwikkeling van het voorhoofd, behoefden zij voor geen Europeaan van het zuiverste ras onder te doen. Aan den Congo zoowel als aan de kust van Mosambique zien wij volksstammen die bijna dezelfde trekken hebben als de Europeanen. In de binnenlanden van Afrika wisselt de kleur van het donker-bruine tot het olijfkleurige af; van deze zegt Livingstone: „hoewel deze menschen een breeden neus hebben, ontmoet men slechts bij de meest verlaagde wezens de neger-physionomie.quot; In Abessinië wordt de buitengewone verlenging van den hiel als het eenige kenmerk beschouwd, dat wezenlijk den waren neger onderscheidt; en op de westkust van Afrika vindt men geheele bevolkingen, wier hiel als de onze gevormd is.

Noch bij de planten noch bij de dieren zien wij ooit eene soort verschijnen die toevallig de kenmerken, die aan eene andere soort eigen ziju, vertoonen. Bij de rassen daarentegen zien wij dit menigvuldig.

ocr page 18

8

DE KRUISING.

In dc meeste gevallen is de kruising tusschen soorten on-vruchtbaar, wanneer zij onder den invloed van den mensch plaats heeft.

Kruising heeft niet plaats in de natuur tusschen soorten.

Wanneer echter de vruchtbaarheid blijft bestaan, dan vermindert zij standvastig op belangrijke wijze. Dit ziet men b. v. aan dc muilezels.

Dc kruising tusschen rassen is altijd vruchtbaar. Bij den mensch, als zijnde alle menschen rassen van écne soort is zij vooral vruchtbaar in zekere gevallen; Blanke en Hottentotsche, Blanke en Peruaansche, Neger en Peruaansche. Maar bij do beoordeeling der kruising tusschen verschillende menschenrassen moot men het gezamenlijke der invloeden in aanmerking nemen, dat boven onder den naam van medium beschreven is. Zijn deze gunstig voor de ontwikkeling van het gemengde ras, dan zal dit zich krachtig ontwikkelen; zijn zij niet gunstig, dan zal het zwak blijven.

Er zijn echter ook kruisingen die tusschen eenige rassen meestal onvruchtbaar zijn b. v. tusschen don Europeaan en do Australische, en tusschen andere rassen vruchtbaar b. v. tusschen den Europeaan en dc Maleische, en tusschen den Maleier en de Australische, ook tusschen do afstammelingen dier beide gekruiste rassen. — liet is echter niet te verklaren of aan de kruising zelve of aan andere invloeden het eerste geval moet worden toegeschreven.

Ook de uitkomsten der kruising zijn zeer onzeker. Hebben zij dc eigenschappen van den vader of van dc moeder ? Volgens do meeste waarnemingen zou nieii zeggen: van beiden. De Mulat verkrijgt van zijne moeder de Negerin de geschiktheid om in een tropisch klimaat te leven. De kruising van don blanken mot de afstammelingen van den Mulat geefc in de vijfde generatie blanke kinderen. Dit zij genoeg ten voorbeeld.

ocr page 19

9

VARIETE1T.

Zooals wij gezegd hebben, is liet ras eene varieteit, die dooide erfelijkheid wordt voortgeplant. De varieteit scliijnt ons dus altijd als het uitgangspunt van het ras.

Men weet echter niet hoe de varieteit zich vormt. De Quatrefages gelooft dat de invloeden van het medium, dat is: do werking van de voorwaarden voor het bestaan, te midden waarvan een dier of plant zich ontwikkelt, soms varieteiten voortbrengt. Evenwel verschijnt de varieteit soms, wanneer men ze het minst verwacht en te midden van normale wezens. Men kan ze dus ook toeschrijven aan inwendige oorzaken, welker natuur ons onbekend is. Wanneer eene varieteit in de natuur ontstaat, dan zal zij de moeste kans hebben van zich uit te breiden, als zij eene varieteit ontmoet, die haar geheel en al gelijk is: en zij zal dan een ras vormen als zij standvastig binnen den kring van overeenkomstige varieteiten blijft. Zoo ziet men dat het albinismus zich nooit uitbreidt in den natuurstaat, hoewel de albinos onder de dieren niet zeldzaam zijn.

Bij den mensch verschijnen insgelijks varieteiten, die men zich gaarne ziet voortplanten. Zoo waren de familien met zes vingers (sedigiti) bij de Romeinen zeer bekend. De mensch kan beter dan de dieren weerstand bieden aan het medium, zonder zich echter geheel er aan te kunnen onttrekken. Het Engelsche ras is in noa: n-ecn drie eeuwen overlt;relt;raan in Amerika in het

O O O O

Yankecras. Vooral ten opzichte van de huidkleur is de werking van het medium duidelijk te bespeuren bij de Hindoes, Australiërs, Egyptenaars enz. Dit wil echter niet zeggen, dat de verandering van Jaeger in Blanke en van Blanke in Neger zoo gemakkelijk gaat, maar dit zijn ook naar alle waarschijnlijkheid do uiterste ras wijzigingen van oenen middenterm.

Ook de landverhuizingen die van af Noö dagteekenen tot nu toe, hebben het hare rijkelijk bijgedragen tot de vorming van varieteiten.

Een langdurig verblijf in tropische gewesten maakt de kleur blijvend donker, terwijl de huidkleur der negers lichter wordt,

ocr page 20

10

wanneer zij langen tijd in Europa blijven. De kleurende werking is echter niet alleen van do warmte afhankelijk; immers in Abessinië wordt de kleur van hetzelfde individu donkerder bij een verblijf op de bergruggen en lichter in de vlakte.

Tot staving nog een paar voorbeelden. Jerome di Aguilar kon na eene achtjarige slavernij bij de Yukateken niet moer van deze wilden onderscheiden worden, wier zeden en gewoonten hij aangenomen had. Langsdorf hoeft te Noukahiva een engel-schen matroos gevonden, dio na oen verblijf van verschillende jaren op dit eiland aan de Polynesiërs gelijkvormig was geworden.

Uit het aangehaalde blijkt duidelijk dat door het medium of het gezamenlijke van de uitwendige invloeden, die op den mensch werken, groote veranderingen bij den monsch worden teweeggebracht, uit welke veranderingen de rassen moeten ontstaan zijn.

SCHEDELS.

Ofschoon uit hot voorgaande genoegzaam blijkt, dat allo rassen der mensch en slechts een enkel en eenig soort daarstellon, ver verwijderd van elke andere diersoort, eene soort dus die haar ontstaan nooit aan eene ontwikkeling kan te danken hebben uit wat dan ook, eene soort die op zich zelve staat en van welker bestaan geen andere oorzaak kan gevonden worden dan : „Den zesden dag heeft God don mensch geschapen, man en vrouw schiep hij henquot; —

zoo vinden wij ons toch verplicht oenige zoogenaamde moeio-lijkhedon op te lossen, die men zou kunnen maken, en wel vooreerst den schedelvorm.

Men wil don schedel van den mensch onderscheiden in lang-hoofdig ovaal en langhoofdig smal en korthoofdig ovaal, beiden reclittandig of schuintandig.

Wij hebben op deze vordeoling niets tegen: alleen dient men wel op te merken dat olk dezer schedelvormen geen afgerond geheel vormen, en zelfs niet trapsgewijze maar gansch regelmatig met tusschenvormen in elkander overgaan. Hierin

ocr page 21

11

houdt de natuur zich volstrekt niet aan scherp omschreven typen, maar stelt wel eenen onoverkomelijkcn afstand tusschen den schedel der menschen en dien van elk ander zoogdier, en nog wol den meest volmaakten onder deze nl. der apen.

Bischof. Schadelbildung p. 88 zegt: „dat er geen enkel feit is, wat aanleiding geeft om aan te nemen, dat de aap mensch is geworden.quot;

Aeby, do groote cranioloog, die duizende schedels van menschen, apen en andere zoogdieren heeft gemeten en onderzocht zegt in: die Schadelformen der Menschen und der Affen p. 77:

„Uit dit alles volgt dat het gezamenlijk onderscheid van den mensch veel aanzienlijker is van den naasten aap, als dat der apen onderling; en wij dralen geen oogenblik te verklaren, dat de menschelijke type van den hoofdschedel zich op het meest bestemde onderscheidt van die van den aap, en dat nl. de zoogenaamde anthropomorphen onder elk opzicht zich ongelijk inniger aan hunne natuurlijke verwanten aansluiten, en zelfs meer overeenkomst hebben met lagere zoogdieren dan met don mensch.quot;

Verder p. 82: „Wanneer wij den aap en den mensch nemen, dan zien wij zeker, dat zij een grondplan gemeen hebben met alle gewervelde dieren, maar dat op dit plan geheel verschillende gebouwen zjjn opgetrokken. Slechts zelden komt hun vorming in een enkel punt overeen, dikwijlder schijnbaar; het geheele heeft onderling niets gemeen. In de geheele rij der zoogdieren vinden wij geene gaping en leemte die zich in de verste verte laat vergelijken met die welke apen van menschen scheidt. Zelfs de laagste menschenschedels staan zoover boven den hoogsten apenschedel onder elk opzicht, en die menschenschedels sluiten zich zoo nauw aan hunne hoogere verwanten, dat het van zuiver morphologisch standpunt beter ware af te zien van de altijd gehate uitdrukking van apongelijkheid.quot;

Eindelijk p. 91 : „Wij zijn aan het einde van ons onderzoek. Wjj hebben de menschelijke type leeren kennen als een eenzaam eiland, waarvan geene brug naar het naburig land der zoogdieren voert.

ocr page 22

12

Omtrent dc ontwikkeling van dc scliedols vinden wij bij Prof. Bianconi in: L'uomoscimmia;

MUe schedel van een mensch van 3 jaren

heeft een inhoud-volume van..... 1090.46 gram zand.

De schedel van een volwassen mensch. 2080.70 „ „ Do schedel van een oerang-outang van

jeugdigen leeftijd.........512.40 „ „

Do schedel van eon volw. oerang-outang. 587.86 „ „ Bij hot ouder worden van den mensch en den aap hooft cene vermeerdering van gewicht van den schedel bij den mensch

plaats van.............431.10 gram,

van den oerang-outang......... 944.30 „

Als gevolg hieruit besluit Dumortier, Notice etc. p. 9: „Bij don mensch trachten alle schedelvormen zich te ontwikkelen tot vorstand; bij den oerang-outang tot knauwing en verstandeloosheid (vers la mastication et 1' abrutissemont).

Omtrent misvormde schedels zegt Yirchow in: Alg. vors. dor Douts. Gesells. für Antropologie etc. sprekende over de schedels van het Neanderdal, Engis, Olms en Cro-Magnon: „Wanneer heden onder de levende geslachten bjj onder verstandelijk opzicht goed ontwikkelde mcnschen nog zulke vormen voorkomen, dan heeft men geen recht aan gene hoogero geestesgaven te ontzeggen.quot;

Priiner-Bey sluit zicli bij dit oordeel aan.

Wat van den schedelvorm geldt, is ook op don aangozichts-vorm en den gelaatshoek van Camper toepasselijk.

Men vei'krjjgt den Camperschen hoek als men eenc lijn trekt horizontaal recht langs den bodem der neusholte, en eeno andere, die van het meest uitstekende punt van het voorhoofd afdaalt tot hot meest naar voren uitpuilende punt der bovenkaak.

Deze hoek verschilt bij de verschillende menschcnrassen: hij is bij den Kaukasischen stam 80—90 graden; bij den Mon-goolschen 70—80; bij den Aothiopischen 70—75; bij den Amerikaanschen 75; terwijl bij den Maloisclion stam de gelaatshoek zeer verschilt.

Men merke echter dat even als bjj de schedels zoo ook bij

ocr page 23

13

don hock van Camper goono plotsolingo sprongen zijn, on die hook vormt geen afgerond geheel maar het is oen gansch geleidelijk overgaan van den een in den anderen.

BESLUIT.

De mensch ia alzoo een afzonderlijk soort, welk soort uit verschillende rassen bestaat. Bat wil zeggen: er bestaan verscheidenheden, variëteiten, die men tot rassen gebracht heeft. Blumenbach nam vijf rassen aan, zooals wij die boven hebben opgenoemd nl. het Kaukasisch, de Europeanen en de bewoners van Z. W. Azië en X. Afrika; het Mongoolsche, de bewoners der Noordpoollandcn, midden, noord en oost Azië; het Aethio-pische, de bewoners van midden en Z. Africa, bewesten Egypte en Abessinië; het Maleische, de bewoners van Malakka cn van bijna alle ten Zuiden van O. Azië en in de Stille Zee gelegen eilanden; hot Amerikaansche, de bewoners van Amerika.

Prichard voegde hierbij het ras der Papoes, bewoners van Polynesië, en het ras der Alfoercezen en Australiërs.

Cuvier noemt slechts drie rassen, het blanke, het zwarte cn het gekleurde.

In welke rassen men echter deze variëteiten ook wil verdeden, de eenheid van afkomst van het mensdielijk geslacht blijkt ten duidelijkste door dat alle menschenrassen die met elkander kruisen, nakomelingen voortbrengen, die loeder vruchtbaar zijn, al zijn de stammen der ouders nog zoover van elkander verwijderd.

Wij hebben gezien dat kruisingen van verschillende soorten van dieren of zelf onvruchtbaar zijn of onvruchtbare nakomelingen voortbrengen, dus van soorten kan bij den mensch geen spraak meer zijn.

Blijven dus niets meer dan menschenrassen. Een ras is elke groep van tot dezelfde soort behoorende afzonderlijke wezens, die zich door zekere standvastige cn erfelijke eigenaardigheden onderscheiden van de overige dieren van diezelfde soort.

De Bijbel is het ecnige ware document, waaruit wij met

ocr page 24

14

zekerheid weten, dat alle menschen van een enkel paar afstammen., en er bestaat slechts één soort van menschen dat nog dagelijks aan de varieteit onderworpen is; en van den andoren kant is geen enkel bewijs, maar louter veronderstellingen om aan do verschillende rassen verschillende stamvaders te geven buiten Adam en later Noë, terwijl nog die veronderstellingen allen grond missen en door de dagelijksche ondervinding gelogenstraft worden. Ook zijn het de rassen die een klaar bewijs leveren voor hot Bijbelverhaal; want bewijst het niet eenc verspreiding uit ééne plaats, wanneer wij b. v. do Mongolen zien doordringen tot hot uiterste Noorden in Finland, Lapland enz. en van deze een gedeelte achterblijven in Hongarije, zoodat deze ééne stam van elkander gescheiden is door het Kaukasisch ras?

Niets valt dus in te brengen tegen de waarheid van den Bijbel, dat alle menschen afstammen van een enkel paar menschen.

ocr page 25

II.

IP^oïogiF.

Ik vraag- don lezer verschooning voor dezen algemeen gebruikten term, die eigenlijk „zielkundequot; beteekent. Deze verhandeling betreft niet zuiver de ziei, maar „het levenquot; meer in het algemeen genomen. Wegens oen verschil van meeningen wordt in deze verhandeling alleen en meer bepaaldelijk gesproken over het leven van planten en dieren; over de ziel des menschen heb ik slechts een weinig willen aanstippen, en mij geheel afhouden van het theologisch terrein. Al schijnt daarom deze verhandeling onafgewerkt, zij is nochtans voldoende voor het doel van dit werk.

Allereerst zullen wij eenige gedachten geven van Aristoteles over het wezen der dingen, latende deze echter voor rekening van dien wijsgeer:

Elke bestaande zaak hoeft een dubbel innerlijk en op zich zeiven staande principium, nl. de eerste of oorspronkelijk bestaande stof (materia) en de zelfstandige vorm (forma) die onderling wezenlijk verscheiden zijn.

De stof is de onvolmaakte zelfstandigheid en uit zich zeiven een algemeen voorwerp om eiken vorm te ontvangen.

De vorm is ook een onvolmaakte zelfstandigheid, die het stof bewerkend, hiermede een bepaald lichaam samenstelt.

Een vorm kan bestaan afgescheiden van elke stof, gelijk de hemelsche geesten: of wel die vorm dient om het lichaam in zijne bestemming daar te stellen. De vormen des lichaams zijn

ocr page 26

16

spiritueel — tot liet geestenrijk behoorend, — of materieel — tot liet stoffelijk gebied behoorend. —

De spiritueele vormen als b. v. de ziel des mensehen, kunnen alleen voortgebracht worden door eene schepping van God; de materieole vormen worden daargcsteld door het werkvermogen van natuurlijk werkende oorzaken op de kracht van het stof; tot deze laatsten behooren het leven (do zielen?) der dieren en planten en verder de vormen van alle onbezielde wezens, b. v. de mineralen.

Elke zelfstandige vorm in liet dieren- en plantenrijk is uit den aard der zaak simplex of onsamengesteld, d. w. z. elk dier, elke plant is om zijnen vorm dit of dat bepaald dier, deze of die bepaalde plant, en wordt om zijnen vorm onder die bepaalde soort, dat bepaald geslacht of die verscheidenheid go-rangschikt. Dit simplex moet men echter niet verstaan alsof daarom liet leven onstoffelijk ware, daar zulks niet bewezen kan worden noch bij planten noch bij dieren beneden den mensch.

Bij dieren en planten noemt men het inbrengen der zelfstandige vorm in het stof (geslachtelijke) voortbrenging, en scheiding van vorm en stof heet bederf.

„Het leven is de werkdadigheid waarmede het wezen zich zeiven beweegt. Alle levensdaden komen voort uit het leven zelve, en hebben dit leven ten doel, m. a. w. zij strekken tot volmaking van dit leven.quot;

Volgens den H. Thomas, Sum. Th. I q. XVJII art. 1 leeft het dier dan eerst, wanneer het begint zich te bewegen, en wordt geacht zoolang te leven als het zich beweegt. Naarmate de wijze van beweging volmaakter is, is ook het leven volmaakter. Aldus — gaat hij voort art. 3. — „Er zijn wezens die zich bewegen alleen in zich te ontwikkelen, afgezien van hun stof en vorm die in hunne natuur liggen, ofschoon de vorm waardoor zij handelen en het doel waarom zij handelen hun door de natuur wordt voorgeschreven. Aldus de planten.

Andere wezens bewegen zich niet alleen door liet uitvoeren

ocr page 27

17

der beweging, maar ook onder opzicht van hun vorm, die het prineipium der beweging is, en welke vorm zij uit zich zelven verkrijgen. Aldus de dieren bjj welke de vorm het prineipium der beweging is, en welke vorm niet door de natuur in hen gelegd is, maar door het zinnelijk gevoel verkregen wordt. Hoe volmaakter hunne zintuigen zjjn, des te volmaakter zullen zij zich bewegen. Ofschoon de dieren don vorm als zijnde deze het prineipium hunner beweging door het zingevoel verkrijgen, stellen zij zich echter uit zich zelven niet het dool hunner werking voor, maar dit doel wordt hun door de natuur ingegeven, door welker instinct zij tot eene daad bewogen worden nadat hun forma door het zingevoel ontwaard heeft. Boven dezo allen staat de mensch die zich in alles zijn doel voorstelt.

Van deze algemeeno beschouwingen afstappende en meer rechtstreeks ons bepalende bij het „prineipium vitaequot; levensprincipe, ontmoeten wij verschillende leeringen en meeningen, waarvan wij de voornaamste in het kort zullen aanhalen, na eerst eene noodzakelijke opmerking gemaakt te hebben, nl.:

De beteekenis van hot woord „prineipiumquot; is nog al zeer verschillend. Dit kan in onze taal weergegeven worden door; „beginsel, grondoorzaak, beweegreden.quot; Ofschoon nu deze woorden op het eerste gezicht eensbeteekenend schijnen, is dit toch niet het geval. Neem ik b. v. prineipium in de beteekenis van oorzaak, dan kan het heel goed samengaan dat de daad uit die oorzaak vereenzelvigd wordt met die oorzaak; terwijl dit niet het geval is wanneer ik prineipium vertaal door beweegreden. Nemen wij tot voorbeeld eene zaak hier van het grootste belang: Het Concilie van Vienne heeft verklaard; Anima est prineipium vitae hominum; nu is het een hemelsbreed verschil of prineipium wordt vertaald door grondoorzaak van liet leven of door heioeegreden van het leven; in het eerste geval is hot leven met zijn prineipium vereenzelvigd, en do beteekenis van het tweede is, dat alle daden der mensehen geregeld worden door de redelijke ziel.

2

ocr page 28

IS

Daar ik gcenc dozer beide beteekeniasen wil voortrekken, wil ik vooreerst liever liet latijnsche woord „prineipiumquot; behouden, cn nu de verschillende uitleggingen omtrent dit prineipium nagaan.

Ieder mensch ziet het verschil tusschen een levend en een levenloos wezen. Een levend wezen bezit dus iets wat een levenloos wezen niet heeft. Dit nu wat hot levend wezen onderscheidt van het levenloos noemt men het levensprincipe. De moeielijkheid echter bestaat in het uitleggen er van.

Aristoteles stolt het levensprincipe in eene zelfstandige vorm die hij ziel noemt en die hij aldus omschrijft: „Deeerste stelling (actus) van een physisch, organisch lichaam, dat bij machte is te leven.quot; Deze duistere definitie is voor vele uitleggingen vatbaar.

De H. Thomas met zijne school leerden dat de eenige vorm van een lichamelijk leven de ziel is, van welke het leven krijgt het lichaam zijn en het lovend zijn, en de afzonderlijke deelen van het levend wezen eene eigene zelfstandigheid bekomen met al wat daarmede samenhangt; zoodat in elk levend wezen niets anders is dan de ziel en de oorspronkelijke stof, nadat geleidelijk alle vormen zijn weggenomen welke over de stof beschikten.

Scotus en zijne volgelingen zijn van meening dat in de levende wezens behalve de ziel nog eene andere zelfstandige vorm is, welke zij de gemengde of lichamehjkheidsvormen noemden; en dat deze bestemd was om het organisch leven daar te stellen onafhankelijk van de ziel, echter voorbeschikt en geregeld tot de ziel als tot zijn eigen onderwerp, hetwelk door de ziel een levend wezen wordt.

Descartes meende het geheele leven van planten en dieren door mechanische wetten te kunnen uitleggen; diezelfde zienswijze werd gedeeld door Boeriiave en door Haller.

Paracelsus (gewoonlijk Bombastus genaamd) en Van Hel-mont veronderstelden een nieuw prineipium in de levende wezens, fijner dan de onder de zintuigen vallende stof: zij

noemden dit Archeus.

Sylvius zocht eene uitlegging er van in scheikundige eamen-

stellingen.

ocr page 29

19

Staiil stolt liet gelicele loven bij den mcnsch in de werking dor vorstandolijko ziel.

Over do materialisten willen wij maar liever zwijgen als zijnde deze goone opmerking waard, want wat zal men zoggen van iemand dio volhoudt dat hot stof' denkt en wil!

In onzen tijd hebben wij do Yitalisten, die om de vor-scliijnselen des levens te verklaren eene zekere kracht aannemen welke in haar soort meer of minder vorscliilt van do mechanisme en chomischo krachten on dozo noemen zij levenskracht of bewerktuigde kracht. Maar omtrent deze bewerktuigde kracht loopen de meeningen wederom ver uit elkander.

Het is zeker niet te verwonderen dat er zoovele leeringon zijn omtrent het leven, daar het leven onder de natuurlijke geheimen het wondervolste en diepste geheim is.

Willen wij ons nu een klein denkbeeld maken omtrent liet leven dan moeten wij aan den voet van dien ontzaglijken berg beginnen.

PLANTENquot;.

De vorming der mineralen behoort niet tot ons bestek, omdat ofschoon zij onder de werking van zekere wetten ceueu vorm aannemen, zij echter niet loven. Uns iets in het kort over de planten.

Ofschoon vroeger omtrent hot levensprincipium der planten vele meeningen geopperd zijn, valt echter heden niets meer in te brengen tegen de vastgestelde overtuiging dat do bewerktuigde stof (organismus) het levensprincipium der planten is.

Ik moet hier opmerken dat hier gelijk elders in deze verhandeling niet gesproken wordt ovor den eersten oorsprong der planten en dieren; daar het onmogelijk is dat do planten dooide oorspronkelijke ruwe en onbewerktuigde stof konden voortgebracht worden. De allereerste planten zijn door God geschapen of in hun zaad of in hunne volkomen ontwikkeling. Hier wordt dus gesproken over dat principium waardoor na de eerste schepping do planten het leven bezitten en huns gelijken voortbrengen.

Vooreerst is in de planten niets onstoffelijks, maar alles stof.

ocr page 30

20

Hun leven is dc werkzaamheid van deze stof volgens de door God gestelde wetten van bewerktuiging; levenskracht is dio kracht waardoor do natuur- en scheikundige wetten aan de wetten van bewerktuiging (organismus) onderworpen zijn. Dc bewerktuiging der planten is over het algemeen zeer eenvoudig en beperkt zich voornamelijk tot tweeërlei soort van vaten en een daartusschen liggend celleweefsel. Deze vaten voeren of lucht of water aan, en worden daarom in lucht- en vochtvoerendc vaten onderscheiden. Het water voert de voedende bestanddeelen voornamelijk koolstof en koolstofzuur aan. De schors en vooral de bladeren brengen de noodige lucht aan; dan bewerkt de ovengenoemde levenskracht al het overige.

In dit alles vinden wij echter niets wat niet langs natuurlijken weg kan uitgelogd worden, daar wij zeer goed weten dat do mechanische en chemische krachten geheel anders werken bij bewerktuigde dan bij onbewerktuigde stoffen, en daarbij nog eene bizondere schikking en harmonische werking van den Schepper hebben aangewezen gekregen. In deze zienswijze mogen wij ons niet beperken tot hetgeen de mensch door chemische en mechanische kracht tot stand brengt; immers de mensch werkt op- of'verwerkt grootere of kleinere hoeveelheden, de natuur daarentegen verwerkt moleculen.

Het leven der planten bevat overigens niets dan de minste beweging, bestaande in voeding, vermeerdering (groei) en weder-voortbrenging (voortplanting). Ook de wetten van bewerktuiging zijn zoo verschillend als er verscheidenheden van planten bestaan, maar alles blijft bij compositie, stof, en hun leven is niet bovenstoffelijk of simplex.

Dit zij voldoende voor ons bestek over het leven der planten.

DIEREN.

Dieren zijn levende bewerktuigde lichamen, die hun zeer onderscheiden voedsel zoeken door aan prikkeling van honger. — Zelfonderhoud en voortplanting zijn de twee machtigste dnjf-veeren welke alle dieren in werkzame beweging brengen.

ocr page 31

21

Dc bewegingswerktuigen zijn in het algemeen tic spieren, welke bij roodbloedige dieren het vleesch uitmaken. De spieren hebben den invloed der zenuwen tot haar bewegingsvermogen van noode; de zenuwen nemen hunnen oorsprong uit de hersenen en liet ruggemerg. De zenuwen moeten al do indrukken dor zinnen mededeelen aan hot algemeen waarnemingswerMuig.

Behalve do doelmatigste bewerktuiging aan do dieren tot hun onderhoud geschonken, zijn zij ook met natuurdrift cn kunstdriften begiftigd, waardoor zij uit oenen aangeboren, on-vryjioilligen, innerIvjken aandrang zonder onderricht of ondervinding, handelingen doen tot onderhoud van zich zelvon cn instandhouding van hun geslacht. Dit instinct bepaalt al de verrichtingen der dieren, behalve van den mensch die als oen veel verhevener wezen niet een instinct, maar oono redelijke ziel van den oneindig goeden Schepper ontvangen hooft.

Vooraleer wij het leven van het dier nader kunnen betrachten is hot noodig dat wij eerst ons oog slaan op dc wording er van.

Bij de dieren zijn zeven verschillende wijzen van voortplanting.

I0.) Zonder eieren en zonder verschillende geslachten, gelijk hot kogoldier (infusiediertjes) en do waterduizendboen. Door een sterk vergrootglas ontdekt men somwijlen in één moeder-kogel wel veertig kleine kogeltjes, die weer jongen tot in het dorde en vierde gelid in zich besluiten. Voortplantingsworktuigcn bezitten zij niet, maar na oonigen tijd breekt do moedor, do jongen rollen er uit, do moedorkogol vergaat.

2°.) Dieren die slechts één geslacht hebben en met eieren voorzien zijn gelijk de armpolypon, die zich dos zomers wel door deeling voortplant, doch tegen den winter ook eieren logt. De wolbekende bladluis behoort ook hiertoe, daar zij zonder zelf onmiddellijk bevrucht te zijn, haars gelijken tot in het tiende gelid voortbrengen.

3°.) Dieren die tweeslachtig zjjn en zich zeiven bevruchten door hun eigen zaad over hun eieren te storten, zooals dc loverworm.

4°.) Tweoslachtigen die wederkoorig elkander bevruchten, zooals do rogenworm (pier) cn slakken.

5°.) Dieren waarbij de beide geslachten verdeeld zijn, welke

ocr page 32

22

eieren loggen die eerst bevrucht worden nadat zij gelegd zijn, gelijk in het algemeen de visschen en vele amphibicn.

G0.) Dieren die eieren leggen, doch bij welke het mannetje zijn zaad ter bevruchting in hot wijfje stort, gelijk bij de vogelen plaats heeft.

7°.) Dieren die levende jongen tor wereld brengen, waartoe het mannelijk geslacht vooraf zijn zaad in de baarmoeder van het vrouwelijk geslacht gebracht liooft; hiertoe behooren vooral do zoogdieren.

Dit is genoog om do ladder van opklimming bij do dieren te kennen. Op welke wijze dieren zich ook mogen vermenigvuldigen, zij brengen nooit anders dan gelijksoortige dieren voort; en mocht een ongelijksoortige paring al onder de hand des menschen eens gelukken, dan blijven toch die basterdsoorten onderling onvruchtbaar.

Gelijk bij do planten oen levenskracht bestaat die geheel aan natuurlijke krachten te wijten is, zoo bestaat bij het dier een vormdrift. Het teelvocht der dieren moet men in zooverre ah ongevormd beschouwen als hot uiterlijk nog niet ovoroenkonit mot het dier dat er uit gevormd wordt.

Deze vormdrift is verschillend gewijzigd evenals de levenskracht, volgens de verschillende bewerktuiging van het voorwerp, ofschoon zij als kracht of vermogen om eene bepaalde gedaante aan te nemen, aan allon gelijk is, terwijl „zij niet eerder werkzaam wordt dan wanneer al do omstandigheden aanwezig zijn, die voreischt worden tot do vorming en den groei van eenig bewerktuigd lichaam.quot; Het voedsel dat de dieren opnemen, wordt overeenkomstig do bizondere vormdrift van hot dier of van elk doel er van bewerkt en eigen gemaakt zoodanig als derzeiver vormdrift medebrengt. liet is eveneens do vormdrift dio oen ontstaan gebrek aan hot dier zooveel mogelijk herstelt.

Bij eene nadere beschouwing komt hot leven der hoogste planten dat dor laagste dieren zoo nabij, dat langen tijd twijfel heeft bestaan tot welk rijk hot eon of ander wezen behoorde, zoo geleidelijk is de overgang. Wat ik dan ook hierbij wil

ocr page 33

23

opmerken is dat men liet leven der laagste dieren aan natuurlijke krachten kan toeschrijven, zonder hun eene ziel aan te erkennen. De ziel toch als zijnde onstoffelijk, is één en onverdeelbaar, en nu kent iedereen dieren zooals de aardworm (pier) die men in stukken kan snijden, terwijl dan ieder stuk niet alleen blijft loven, maar zich zelfs tot eenen nieuwen worm vormt. Eu toeh dit dier staat reeds in de opklimmende ladder op de vierde sport. Sommige vliegen kan men den kop afsnijden, dan leven zij nog, ja vliegen nog weg, hetgeen mot het bestaan van eene onstoffelijke ziel onvereenigbaar is.

Maar nu is de overgang van het laagste dier tot het hoogste beneden den mensch, ook weer zoo geleidelijk dat niemand zal kunnen aanwijzen bij welk dier hot leven ophoudt stof te zijn om onstoffelijk to worden. Als het leven der infusiediertjes aan natuurljjko krachten te wijten is, waarom dan niet dat van don kikvorsch of van den visch; on wanneer bij deze de natuurlijke vormdrift van het bewerktuigd lichaam het leven voortbrengt, waarom zou men dan zulks ontkennon van don hond, ja van den aap!

Bij geen enkel dier toch hebben wij iets anders dan wat ons op eon geicaarwordingswerktuig wijst, en wat te wijten is aan zingevool, terwijl gevoel (niet van pijn) zelfs aan de planten eigen is, omdat zonder gevoel geen beweging, bij de planton goon ontwikkeling of groei kan bestaan. Dit geicaancordings-werktuig is dus niets anders dan do vohnaakste vorm van bewerktuiging, en kan niet anders dan natuurlijke stoffelijke zaken voortbrengen.

Nemen wij het vohnaakste dier, dit zal altijd zijne aandoeningen uitdrukken in dezelfde natuurlijke teekons en nooit uit zijn eigen leoren zich te bedienen van een willekeurig toeken, hoelang zulk dier zich dan ook onder do menschen moge bewogen en hunne stom. hooren; daarentegen, een doofstomme vindt willekeurige tookens uit om zich te doen verstaan ten bewijze zijner redelijko ziel. Do dieren govon ook allo mogelijke bewijzen, dat zij alleen vatbaar zijn voor algemeenheden, maar goon begrip hebben van bizonderheden; zoo spreekt een pape-

ocr page 34

24

gaai cenigo aangeleerde woorden, maar leert uit zich zeiven zonder onderricht geen enkel woord bij. Dan nog maken do dieren nooit voortgang noch vooruitgang omdat zij zich van niets weten te bedienen dan wat men hen geleerd heeft, zij vinden zelve niets. — Daarentegen alles wat tot het instinct van hot dier behoort, weten zij zonder leer en zonder onderricht, ook zonder dat zij hot nut er van geleerd hebben. Zooals zij deden na do schepping over COOO jaren, zoo en niet anders doen zij heden, en zij zullen nooit anders handelen.

Allo daden van het dier komen voort uit de natuurdrift of do vormdrift, en allo zijn langs natuurlijken stoffebjken weg te verklaren zonder dat wij bij het dier iets meer dan het gewaarwordingswerktuig behoeven aan te nemen. Met dit gewaarwordingswerktuig hangt samen;

1n.) Een gevoelig vermogen, waarop alle zintuigen uitloopen; virtus cui redduntur omnia sensata: zoo brengt het gehoor bij het dier een geluid over op dit één gevoelig vermogen (sensus internus) cn de natuurdrift van zelfbehoud doet het dier opzien naar het geluidgevend voorwerp.

2°.) Verbeelding of liever: behoud van vroeger ontwaarde zaken.

3U.) Geheugen, maar dit is niet onderscheiden van de verbeelding, en men kan gemakkelijk voor de dieren geheugen en verbeelding op ééno lijn zetten.

Anderen meenen nog dat het dier oen zeker waardeerings-vormogeu heeft; virtus approhendens de sensato quod non est sonsatum; zoo zou een vogel het nut begrijpen van een enkelen stroohalm om zijn nest te bouwen, al zou ook geen dier begrip hebben van het nut in liet algemeen. Daarentegen staat dat de instinctmatige natuurdrift den vogel aanzet om zijn nest te bouwen, en dit instinct laat den vogel geen keus van de stof hiertoe; maar die stof is voor iedere verscheidenheid en ras van vogels bepaald, en do vogel moet dien stroohalm nemen en kan niet, hem niet nemen. Zoo vlucht elk dier op de stem van den leeuw, ook zonder ooit een leeuw gehoord of gezien te hebben; het dier moet vluchten, gedreven door het instinct der natuurdrift en kan niet anders. De mensch kan vluchten of blijven.

ocr page 35

25

Zoodoende vinden wij tot hiertoe niets bij liet dier wat iets boveustotfelijks zou vorderen.

liet mannelijk teelvoclit der dieren hoewel ongevormd bevat reeds in zich het loven voordat de dieren paren; dit leven is ontstaan door de werking der krachten van het bewerktuigd lichaam. Uit dit semen vivens kan eene bepaalde gedaante ontstaan, het kan werkzaam worden, zoodra al de omstandig-heden aamoezig zijn die vereischt worden tot de ontioikkeling d. i. tot de verdere vorming en den groei van dit levend of bewerktuigd wezen. Dit wezen heeft in zich uit den aard der zaak volgens de scheppingswetten van God eenen aangeboren, onvrjjwilligen, innerlijken aandrang, d. i. eene natuurdrift om steeds te handelen tot onderhoud van zicli zeiven, en daarenboven eene vormdrift om zich in zijn soort te vermeerderen, liet dier kan niet anders handelen dan door deze driften aangezet en ook nooit daar tegen in. Alle zintuigen bij het dier leiden naar één waarnemingsvermogen.

Hoe min wij ook de leer willen bestrijden dat het leven van het dier iets bovenstoffelijks zou zijn, hoezeer wij het ook slechts als eene meening geven dat het loven bij het dier alleen iets stoffelijks zou zijn, ontstaan door de werking van geheime stoffelijke krachten, zoo kunnen wij toch dit duister natuurgeheim niet ontsluieren noch doorgronden om to weten wat eigenljjk hot leven is.

Genoeg is het voor onze verhandeling dat wij uit zekere gegevens hebben trachten aan te toonen dat het leven van het dier beneden den mensch, niet boven hot stoffelijke verheven is, en dat daarom ook dat dierlijk leven onderworpen is aan do aloinvattoiulo wet der afsterving.

Om een beter denkbeeld van de ontwikkeling te hebben, willen wij een oogenblik bij ecnige verschijnselen van het leven blijven stilstaan.

ocr page 36

20

Hot begin van ieder georganiseerd wezen of organisch lichaam is do geschapen kracht gegeven aan eene cel, een uiterst klein lichaam, dat bestaat uit cene kern, omgeven mot doorschijnende korrelige stof, en een omhulsel, dat alles samenhoudt. Deze zelfstandigheid, als afgezonderd geheel microscopisch klein, ver-eischt altijd om in stand te blijven en to groeien eene geschikte middenstof. Zij ontleent het aanzijn aan eene reeds bestaande z. g. moedercel, die door voortdurende voeding mot de scheikundige verbindingen waarin zij gedompeld is reeds tot volmaakte ontwikkeling is gekomen. Deze oudere cel splitst zich krachtens eene zonderlinge eigenschap in nieuwe van dezelfde gedaante en samenstelling z. g. dochtercellen. Nochtans niet alle cellen vermeerderen zich: daar zijn er oen menigte, die na hare eigene functie verricht te hebben, zonder nakomelingen te gronde gaan.

Do middenstof, waarvan wij spraken, vertoont nooit een begin van leven indien daarin niet eene kern of kiem als punt van uitgang en werkingscentrum aanwezig is. Die kiem ontstrat nooit uit zich zelve, noch uit de werking van zuiver mechanischo krachten; altijd komt zij voort van oen levend wezen dat reeds zijne volle ontwikkeling heeft bereikt.

De kiem is bij haar ontstaan reeds onder den invloed van het levensbeginsel, d. i. zij hoeft het vermogen om door geleidelijk voortgaanden groei een wezen te voorschijn te brengen, volkomen gelijk aan haren oorsprong, die bij do ontwikkeling tot model diende. Cl. Bernard zegt hiervan: „In den aanvang der ontwikkeling van de levende wezens bemerken wij eenvoudig cene boetseering zonder eenige zichtbare organisatie; de omtrekken van het gehoele lichaam en der afzonderlijke ledematen blijven zonder eenig toeken van groei, totdat zij eerst eene voorloopige ontwikkeling hebben ondergaan, die slechts dient tot de tijdelijke levensverrichtingen van het fetus.quot; (Aldus ook volgens St. Thomas). „Aanvankelijk is geen enkel weefsel te onderscheiden, de geheele massa bestaat slechts uit plasmatische of embryonairc cellen; maar in dien ruwen levensklomp is het plan gelegd van eene bewerktuiging die voor ons onzichtbaar

ocr page 37

27

is, eon bestek volgens hetwelk aan ieder deel zjjne inrichting, aan elk stofdeeltje zjjne plaats, samenvoeging en eigenschappen mot betrekking op het toekomstig geheel zjjn aangewezen.quot;

liet gezag van Cl. Bernard (in 1854 hoogloeraar benoemd in do physiologie te Parijs) op biologisch gebied kan niet geloochend worden. Hiermede stemt zeer schoon de leer van den II. Thomas over het foetus animatus en inanimatns.

De levenskiem is niet, gelijk mon vroeger meende, het volwassen wezen in miniatuur, maar slechts de onbewerkte stof daarvoor. — Do chaos is do eerste en algemeene wet voor de geschapen dingen. — Uit dien baaierd komt nochtans langzamerhand een regelmatig bewerktuigd wezen voort, in alles gelijk aan zijnen oorsprong.

Scheiding van forma en materia noemt Aristotoles bederf. Scheidt dus bij het dier do vorm van het stof, dan treedt het bederf in; en dewijl èn vorm èn stof beiden stoffelijk zijn, sterven beiden af.

Wanneer men de leer houdt, dat hot leven van hot dier iets moer dan stoffelijk is, dan kan dat loven niet ontbonden worden, bedorven of sterven, en dewijl dat leven geen ander dan een aardscho bestemming hooft, zou het bij de scheiding van vorm en stof door God mooton vernietigd worden. Nu kennen wij allo natuurwetten in hare gevolgen die onder ons begrip vallen, maar van eene dusdanige vernietigingsloet weten wij niets.

God hooft eenmaal do wereld geschapen, hij blijft nog steeds do schopping in stand houden en schept voortdurend zielen voor do monschon om don hemel te bovolken. Wij weten echter niet, dat God iets vernietigt, wel hot geschapene aan eene voortdurende wisseling en verandering onderworpen heeft, daarom kunnen wij ons slecht met die levensvernietiging vereenigen.

De dieren toch hebben geen andere dan een aardsche bestemming, hun geheel wezen en bestaan kan worden toegeschreven aan- en uitgelegd door natuurkrachten, al begrijpen wij deze krachten niet; waarom zouden wij dan het leven der

ocr page 38

28

dieren boven het aardsche, boven het stoffelijke plaatsen ? AVijl dan bjj het einde van het bestaan, bij den dood van het dier zijn geheel doel ophoudt, zijn wij geneigd als onze meening te zeggen dat het gehede dier afsterft. Hierdoor willen wij echter geen afbreuk doen aan de meening van hen, die aan hot dier iets meer dan een stoffelijk leven toeschrijven, welk leven God bij den dood van het dier zou vernietigen.

DE MENSCH.

De mensch beslaat onder de schepselen dezer aarde de hoogste plaats. Hij is de schakel tusschen het bovennatuurlijke en het natuurlijke. Door zijnen geest vereenigd met den hemel, is hij door zijn lichaam op deze aarde onder de stoffelijke schepselen geplaatst. Wat zijne ziel betreft, behoort hij tot do geesten, wat zijn lichaam aangaat, wordt hij onder de zoogdieren gerangschikt.

Het ligt niet in ons bestek om uit te weiden over den staat van onschuld van den eersten mensch.

Niet zoodra was de geest des menschen door de zonden opgestaan tegen God, of ook het vleesch werd weerspannig aan den geest. Dit was een natuurlijk gevolg; immers toen Adam den schakel verbrak die don hemel aan do aarde verbond, toen viel de geheele band uit zijne bestemming. Het vleesch en daarmede de vleeschelijke natuur was losgehecht, en do gansche natuur, ontdaan van haren eersten band doordat do hoofdschakel verbroken was, kwam in opstand tegen haren ondergeschikten meester, den mensch, die zich tegen den oppersten meester vergrepen had. De engel des verderfs en do dood plantten hun vaandel op deze aarde in plaats van den boom des levens in het paradijs.

Ten opzichte van het lichaam is dus sedert dien do mensch onderworpen aan die wetten die hot dierenrijk rogeeren. Zijn ontstaan en zijn sterven, zijn vergaan en tot stof woderkeeren heeft hjj met het dier gemeen; zijne ziel die voor iederon monsch door God geschapen wordt en door het bloed des Zaligmakers is vrijgekocht, doze is hot welke den mensch boven al hot

ocr page 39

29

aardsche verheft, indien nl. de mensch zijn leven regelt naaide voorscliriften van Gods wetten en zijn bezield geweten; terwijl de mensch zich ook peilloos kan verlagen beneden liet dier door het misbruik van zijne verstandige ziel, door zijn lichaam te stellen boven zijne ziel; beter nog gezegd, door zijn lichaam de plaats der ziel en zijne ziel die des lichaams te doen innemen.

Het lichaam van den mensch dan is in zijnen tegenwoordigen toestand onderworpen aan de wetten van het dierenrijk.

Daarom geldt eene zelfde meening omtrent de voortplanting van het menschenleven als dat der dieren, nam et semen virile vivens est ante copulam, zoodat dit leven zijn bestaan kan te danken hebben aan natuurlijke krachten onder de wetten van bewerktuigde lichamen.

Eene eenvoudige vraag: Wat is een mensch?

Antwoord: Een mensch is een wezen bestaande uit eene geschapen ziel en een bewerktuigd lichaam.

Maar wanneer heeft de wording van den mensch plaats?

Niet eerder dan wanneer de ziel geschapen en met het lichaam vereenigd wordt. — In semine vivente is zeker de ziel nog niet geschapen vóór de ontvangenis, dewijl dan nog niet al de omstandigheden aanwezig zijn die vereischt worden tot de vorming en den groei van dit bewerktuigd wezen.

Het leven in het algemeen genomen hangt niet noodzakelijk af van eene ziel, dit hebben wij gezien bij de planten en dieren; ook het semen vivens van den mensch wordt eerst mensch wanneer eene ziel er in geschapen wordt. Zoolang echter de ziel nog geene verrichtingen kan uitvoeren, zoolang ook, mogen wij veronderstellen, zal God haar nog niet in dat semen ook na de ontvangenis scheppen. Zoodoende zou eerst dat bewerktuigd stof, seinen, tot een kenbaar organisch wezen overgaan, alvorens bezield te worden. Zoodra dan de ziel er in geschapen wordt, wordt dat wezen mensch en niet eerder, en de ziel wordt dan het principmm vitce hominis.

ocr page 40

II.

föntijropgrapljip.

De inhoud der volgende verhandeling kunnen wij vrij wel beschouwen als de tweede afdeeling der vorige. Men zou kunnen denken dat zij overbodig is, omdat anthropographie beteekent: beschrijving of leer van de rassen, de vormingen, door het klimaat verwekte verscheidenheden van het menschelijk geslacht.

Hieruit blijkt al reeds dat hierin verder uiteengezet zal worden, dat in bizonderheden zal besproken worden datgene waarvan de theoretische waarheid bewezen is. En mijns erachtens is dit niet overbodig om de belangrijkheid der zaak voor den geloovigen Christen.

Volgens het woord Gods stammen alle menschen van één menschenpaar af, en hebben ook alle menschen in den éénen gezondigd, en is ook onze verlosser Jesus Christus gekomen om alle menschen te verlossen uit de erfzonde, en voor allen den hemel te openen. Zouden nu de menschen uit meer paar menschen afstammen buiten Adam, dan is het diepe geheimnis der erfzonde en het glorievol geheimnis der Verlossing weggevaagd uit onzen heiligen Godsdienst.

De verdeeling der menschen in rassen is in 't geheel niets nieuws, en wanneer men deze als een gedeelte of een bizonderen tak der wetenschap wil beschouwen, dan hebben de ouden reeds veel hiertoe bijgebracht.

Gelijk heden de menschen hunnen evenmensch naar zijne uiterlijke wezenstrekken trachten te beoordeelen, en op den spiegel zijner ziel nl. het gelaat trachten te lezen wat er in

ocr page 41

31

het hart omgaat, zoo was hot ook bij onze oudste voorouders. Nu moest bij zulke oplettendheid het verschil in lichaamsbouw, in kleur enz. voorzeker in het oog vallen. Daarom zal het niemand verwonderen lansr voor Christus mannen aan te treffen

O

die zich op de physiognomie toelegden. Vooral was dit het geval met Aristoteles 384—322 v. Chr. die reeds hierover een werk schreef en daarin nl. in Phys. cap. I, het karakter van een persoon zocht af te leiden uit do gelijkheid der gelaatstrekken die deze had „gelijk aan die der volken welke zich door zeden en lichaamsbouw onderscheiden, nl. de Egyptiërs, de Thraciërs en de Scythen.quot; Hierbij nam hij natuurlijk eene type aan, van welke hij uitging ter vergelijking dezer rassen en hunne eigen-aardighedon, van welke type de drie genoemden afweken. Deze type was de Grieksche vorm; zoo hebben wij dan bij Aristoteles reeds vier klassen, of, zooals wij het noemen vier rassen.

Om niet verder te gaan, vinden wij dus hier reeds de eerste trede op dien trap van wetenschap.

Wij nemen gaarne aan dat Aristoteles aldus de menschen verdeelde op gezag van wijzen die hem reeds waren voorgegaan.

Hjj noemt op de eerste plaats de Egyptiërs en het valt niet te betwijfelen dat hij hiermede het negerras bedoelt; want in hetzelfde werk cap. VI zegt hij: „dat lieden die zeer donkerkleurig zijn, ook schuw zijn, en daarom vergeleken kunnen worden met het Egyptische en Aethiopische ras.quot; En Problem, sec XIV. 4. stelt hij de vraag, waarom de Egyptiërs en Aethio-piërs kromme beenen en uitwaarts staande voeten hebben; waarop hij als zijne meening uitdrukt, dat dit waarschijnlijk berust op dezelfde oorzaak waarom zij wolachtig haar hebben, nl. om de hitte van het klimaat.

Hier doet zich natuurlijk de vraag voor, of dan de oude Egyptiërs werkelijk eene negertype hadden, en of men deze op óéne lijn kan stellen. Het getuigenis van Aristoteles zegt reeds veel, en de oude klassieken komen hiermede overeen, vooral Herodotus, die sprekende over de Kolchen, zegt Lib 11. t. I.

ocr page 42

32

dat deze klaarblijkelijk van Egyptiërs afstammen „omdat zij zwart en wolharig zijn.quot; Deze twee kenteekenen der negers worden dus aan de Egyptiërs toegeschreven.

Blumenbach zegt in Decades Craniorum p. 14 dat men onmogelijk kan aannemen, dat de nationale type geen verandering zou ondergaan hebben onder het inbalsemcn van zooveel eeuwen. Later verklaarde hij zich nog duidelijker in Specirn. hist. etc. p. 11, dat nl. de monumenten uitwezen dat in Egypte drie verschillende vormen of physiognomiën bestonden; en eindelijk verklaarde hij in Beitr. zur Katurg. II p. 130, dat hij grond voor zijne meening dacht te hebben volgens de gedenkstukken die hij aangaf en waarop de beelden van het eene overeenkwamen met den Neger, van het tweede met den Hindoe en van het derde met den gewonen Egyptiër.

Edoch deze monumenten konden geen doorslaand bewijs geven, want al waren enkele trekken op deze brokstukken terug te vinden, zij konden aan de vereischten voor een goed bewijs niet voldoen. Overigens de latere ontdekkingen pleiten er tegen; daar wij op deze de kleur en het haar zoo duidelijk mogelijk vinden uitgedrukt. Op deze ontdekte monumenten is de huid der inboorlingen altijd run- of taankleurig geschilderd met lange afhangende baren; terwijl dikwijls negers afgebeeld zijn naast deze met gitzwarte kleur, kroeshaar en een volmaakt negergelaat, zooals wij ze ook nog heden aanschouwen. Iloskins, Reisen in Aeth.

Lawrence, lect. p. 345 zegt: Meer echter dan allo beelden zijn voor ons van gewicht de mummiën, wier hoofden den Europeeschen vorm hebben zonder eenig spoor van het negerras.

Billoteau, ap. de Sacy, rel. de l'Egypte, par Abd-Allatif p. 269 zegt dat de haren van mummies welke onder zijne leiding geopend werden, zwart waren, dik bezet, lang, in vlechten verdeeld, die op het hoofd waren saamgebonden.

Misschien zien eenigen hierin tegenspraak tusschen Aristoteles en de latere ontdekkingen. Deze is echter meer schijnbaar dan waar; want de Aethiopiërs, het negerras, bewonen nu wel de binnenlanden van Afrika, maar zullen in vroegere tijden meer

ocr page 43

33

nabij de roode zee gewoond hebben, of ook meer met de Egyptenaars in betrekking hebben gestaan; want zoo zij niet hier en daar onder de Egyptenaars waren voorgekomen, dan zouden de Grieken hen niet gekend hebben, en zeker niet eene zoo nauwkeurige beschrijving van hen hebben kunnen geven.

In allen gevalle blijft het zeker dat Aristoteles onder de Egyptische varieteit, het zwarte of negerras bedoelt.

Op de derde plaats noemt Aristoteles de Scythen. Van deze zegt ons Hippocrates, do Aëre, locis et aquis I p. 291, dat zij zekere eigenaardigheden bezitten, die met uitzondering van oenen enkelen, aan al hunne stammen gemeen zijn, en dat zij zoozeer verschillen naar den eenen kant van de Grieken als de Egyptiërs naar den anderen kant. Ofschoon de oude Scythiörs het land bewoonden, dat thans grootendeels door het Mongoolsche ras bevolkt is, en ofschoon beiden in hun nomadenleven veel gelijkheid hadden, zoo is het toch zeker in geenen deele aan te nemen, dat mannen als Aristoteles en Hippocrates een geel-of olijfkleurig ras zouden gesteld hebben als eene varieteit die van de Grieken afweek in tegenovergestelden zin en richting als de negers. Volgens aller overtuiging beduidt Aristoteles, bij zijne verdeeling der menschenrassen met de benaming Scythen, de Germaansclie stammen welke over geheel Scythiö verspreid waren.

Scythië, zooals het door Herodotus beschreven wordt, is niet gelijk aan dat wat Ptolemaeus beschrijft, en welk laatste tot het Noorden van Azië beperkt blijft; bij bet Scythië van Herodotus werden daarenboven begrepen Dacia, Moesia en geheel het land benoorden Thracia. Her. IV p. 327, dus het huidige Oostenrijk-Hongarije met do aangrenzende landen ten Zuiden en ten Westen. Het is buiten twijfel dat de bewoners dier landen do Germanen waren, want behalve hunne beelden op gedenkstukken, vinden wij hen beschreven bij Ovidius Ep. de Ponto L. IV ep. H. 37 waar hij de volken beschrijft dio het land van den Ister — Donau — bewonen, welke hij licht of blank van kleur noemt.

3

ocr page 44

Dat Ovidius do Germanen good kende, bewijzen de volgende verzen, Trist. L. V. eleg. VII. 11 :

„Mixta sit haec (gens) quamvis inter Graiosque Getasque, Vox fera, trux vultus, verissima Martis imago,

Non coma, non ulla barba reseeta manu.quot;

„Dit volk gemengd uit Grieken en Geten, met zijn norsclie stem en trotsehen blik, een levend beeld van Mars, scheert noch haren noch baard.quot;

Maar gaan wij terug tot Herodotus — in zoover wij hem vertrouwen kunnen. — Hij onderscheidt in Melpom. I. p. 108. duidelijk twee rassen welke de verre gewesten van Aziatisch Scythië bewonen, nl. het Germaansche en het Mongoolsche ras. Aan de andere zijde van den volksstam der Sarmaten, zegt hij, woont een volksstam, genaamd Budiner (Asturicani) „een groote en talrijke natie met buitengewoon blauwe oogen en roode haren.quot; — Dit is alzoo een Scytische stam met de gegevens der Germanen, die in Astrakan woonden, thans een Russische provincie aan de Caspische zee. Ook de Sarmaten worden bij Herodotus als een Scytische stam aangegeven, waarvan een tak, de Jazygen, in de eerste eeuw na Chr. zich uitbreidde langs den Donau en de ïheiss.

Op p. 293 beschrijft hij de Agrippseërs, ook een Scytisch volk van geheel anderen aard. „Van deze zegt men, aldus Herodotus, dat zij, zoowel mannen als vrouwen, van af hunne geboorte kaalhoofdig zijn met eene platte en sterk vooruitspringende kin. Hun gemoedsaard is gansch tevreden en onschuldig.quot; — Beter gedacht kon hij, dunkt ons, van de Mongolen niet geven, die te dien tijde evenals nu iu het Noorden van Azië een nomadenleven voerden. Maar op ééne zaak valt wel wat aan te merken, nl. dat de Mongolen kaalhoofdig zouden zijn. Eenigen meenen daarom dat het Grieksch woord „phalakroiquot; moet vertaald worden door: de haren dun bezet. Wij weten echter dat de Mongolen zicli, vooral de mannen, van kindaf de haren wegscheren en wellicht worden zij daarom de kalen genoemd door Herodotus.

in dezen zin heeft ook nog Abel-Remusat geschreven in

ocr page 45

Rech. s. 1. languos Tartares p. 45: „Hoe zonderling het ook schijnen moge, ik vermeen toch te kunnen bewijzen dat alle volken van den Gothischen stam eenmaal uitgestrekte landstreken van Tartarije bewoonden, dat eenigo zijner takken in Transoxaua huisden, die zich zelfs tot aan het Altaigebergte uitstrekten, en aan de volken van Oost-Azië goed bekend waren, wijl hunne eigenaardige spraak, hun licht haar, hunne blauwe oogen en blanke kleur hen bizonder opvallend maakten onder de donkerkleurige menschen met bruine oogen en zwarte haren, welke laatsten naderhand hunne plaatst in dat land innamen.

Ritter, Erdk. in Verh. zur Nat. etc.' II. II. I. p. 431—435. heeft voor zijnen tijd wel het meest scherpzinnig en diepste onderzoek ingesteld omtrent de duistere geschiedenis der bewoners van Midden-Azië. Hij betracht de stammen van iudo-europeesche of indo-germaansche afkomst als de eerste bewoners der hoogvlakte van Midden-Azië, omdat alle chineesche schrijvers hen voorstellen met blauwe oogen en rood haar. Onder den naam van Ui-siun woonden nog in de tweede eeuw voor Chr. eenige machtige stammen langs do oevers van het Balkal-meer, thans gouvernement Irkoutsk, Aziatisch Rusland, en nabij den stroom Hi; allengs tot verval geraakt werden zij in de vierde eeuw westwaarts gedreven, en kwamen zoo in den landvor-huizingsstroom naar het Zuiden.

In onze tijden deelt men niet meer zoo sterk dit gevoelen. Men houdt het er voor dat de Germanen van Arischon oorsprong zijn en onder den naam van Saken aan gene zijde van den Oxus en Jaxartes woonden als nomaden en hunne tochten zelfs tot in Indië voortzetten; dat zij gedurende den bloei van het Perzische rijk in het leger van Darius en Xerxes streden. Hunne eerste volksverhuizing naar Europa moet een aanvang genomen hebben vóór de achtste eeuw voor Christus, daar zij volgens Herodotus om dezen tijd de Kimmeriers uit de Kuban-steppen verdreven. In de tweede eeuw voor onze jaartelling werden zij gesplitst en verdreven door de Jueitschi, waarschijnlijk een tibetaanschc natie, en door de Hiong-nu. Heels werden zij naar het Zuiden, deels Noordoostwaarts naar Europa voort-

ocr page 46

80

gestuwd, tot eindelijk in de vierde eeuw na Chr. de groote Hunnenstroom inbrak en den laatsten tak verder medesleepte.

Wij hebben gezien dat Aristoteles met zijne Egyptiers de negers bedoelde, met zijne Scythen de blanken; w ij zullen nu zien dat hij met zijne Thraciers de Mongolen op het oog had.

Aristoteles deelde zijne klassen of rassen in volgens de kleur, en door de twee voorgenoemden beduidde hij de beide uitersten, dus moest hij hier met de Thraciers nog een ander volk bedoelen, dat hoewel olijfkleurig nochtans van de Grieken verschilde.

Julius Firmicus Astr. L. I. c. I. p. 3, geeft een uitlegging op den zin van Aristoteles, en zegt: „Vooreerst kom; men overeen omtrent het karakter en de kleur van den mensch, daar men aanneemt: wanneer onder den verschillenden invloed der sterren de menschen met zekere gemoedsgesteldheid en kleur begiftigd worden, en wanneer de loop der gesternten door zekere kunstige teekening het menschelijk lichaam beeldt, d. i. indien de maan wit, mars rood en saturnus zwart maakt, waarom worden dan in Aethiopie allen zwart geboren, in Germanie blank, in Thracie rood?quot;

Hieruit blijkt dat de koper- of olijfkleur een kenmerk der Thraciers was.

Omtrent de Thraciers zegt Aristoteles Probl. XV, 8. dat men onder hen menschen vindt zoo onvernuftig dat zij het in het rekenen niet verder dan tot het getal vier kunnen brengen. Hij stelt vervolgens de Thraciers voor als eene vereeniging van naties. Eene dergelijke onwetendheid vindt men ook bij een stam der Mongolen, nl. de Kamtschadalen.

Volgens deze gegevens waren dus de Thraciers nomaden-i volksstammen met koper- of olijfkleur, gelijk nog heden do

Mongolen in Azië.

Na Aristoteles heeft men zich meer en meer toegelegd op het elassiliceeren van liet menschdom, tot eindelijk Camper

ocr page 47

37

met zijne stelling omtrent den schedelhoek voor den dag kwam ; dit systeem werd nog verbeterd door Blumenbacli, welke bij den hoek van Camper nog wilde in aanmerking genomen hebben de kleur van huid en haar en van de oog-iris.

Zoodat heden de wereld bewoond wordt als volgt:

a.) Het Kaukasisch ras omvat alle volken van Europa, uitgezonderd de Laplanders, Finnen en Hongaren; dan nog do bewoners van westelijk Azië inbegrepen die van Arabic, Perziö en verderop tot aan de rivier Obi, de Kaspische zee en den Ganges; eindelijk de bewoners van Noordeljjk Afrika.

b.) Het Negerras omvat alle andere bewoners van Africa.

c.J Het Mongoolsche ras omvat alle volken van Azië behalve die tot het Kaukasisch ras behooren en de Maleiers; dan nog de Hongaren, Lappen en Finnen, en do Eskimos van Noord-Amerika.

cl.) Het Maleisch ras omvat de bewoners van het schiereiland Malacca, van Australië en Polynesiö.

e.) Het Amerikaansche ras omvat alle oorspronkelijke bewoners van Amerika behalve de Eskimos.

Al het voorgaande bewijst dat de mensch één soort is in verschillende rassen verdeeld, maar nog diende opgehelderd de vraag wanneer en hoe zijn die rassen ontstaan.

Op deze vraag is het tot heden onmogelijk een rechtstreeks antwoord te geven. Wel zullen wij ze ophelderen door analogiën uit het dierenrijk.

Overigons doet het onopgeloste dezer vraag niets af aan het bewijs dat wij gegeven hebben, dat nl. do mensch een eenig soort is, niet uit een ander wezen ontwikkeld, maar van God geschapen.

Men zegt wel: A posse ad esse non valet conclusio. Daar is echter geen regel zonder uitzondering, zegt het spreekwoord, en als er een grondig maar bijkomt, kan men wel van het mogelijke tot het zijn besluiten. Wij hebben echter meer dan het mogelijke, wij hebben bepaalde gegevens, wel is waar bij wezena

ocr page 48

38

niet van dezelfde soort, maar die toch onder veelvuldig opzicht door gelijke wetten, vooral nopens het lichaam, als de mensch geregeerd worden; wij bedoelen de dieren.

Het physisch organismus van mensch en dier heeft bij beiden zooveel gelijkvormigheid, de wetten door wrelke de afzonderlijke wezens, hun soorten en geslachten behouden blijven, komen zoozeer overeen; zjj hangen zoo overeenstemmend ai van de wetten der uiterlijke invloeden, van de werking der natuurlijke oorzaken, en van het onderworpen zijn aan kunstmatige verbindingen onder den naam van temming of civilisatie, dat wij met recht besluiten en gevolg trekken uit de werkelijk plaats vindende veranderingen bij de dieren tot de mogelijkheid ja bijna zekerheid derzelve bij de menschen.

Klaar bewezen is het dat dieren, van welke het bekend is dat zij tot dezelfde soort behooren, onder zekere omstandigheden zich in verscheidenheden splitsen, en onder deze varieteit zoo bepaald een plaats in hun soort innemen, gelijk dit bij de menschen het geval is. Nemen wij b. v. de vorming van den schedel van den hond, dan zien wij dat die van den italiaan-schen windhond veel meer verschilt van den buldog, dan de Kaukasische menschenschedel van dien van den Neger, en toch blijven bij deze uitersten alle teekenen der soort bestaan. — De kop van het everzwijn verschilt niet minder van dien van het tamme zwijn, waarvan het eerste onloochenbaar afstamt, als de schedel van twee onverschillig welke menschen-rassen. — Zoo iets vinden wij in ieder soort onzer huisdieren. Lyell IT, p. 80.

Even gewoon en menigvuldig zijn de veranderingen die voorkomen in kleur en haargroei. Beekman, Yoy. fr. Borneo p. 14 zegt dat alle vogels in Guinea zoo zwart zijn als de menschelijke inboorlingen. In de Romeinsche Campagna is do os over het algemeen aschgrauw, terwijl hij elders in Italië meerendeels rood is. Varkens en schapen zijn in Italië meestal zwart, in Engeland wit. Op Corsika zijn paarden, honden en andere dieren schoon gevlekt, zooals algemeen bekend is.

Meerdere schrijvers kennen aan zekere rivieren de eigenschap

ocr page 49

30

toe, liet vee aan hunnen oever eene zekere kleur te geven. Bitruvius Arch. L. VIH e. Ill p. 1G2, bemerkt dat de stroomen van Beotie (oud-Griekenland) en do Xanthus bij Troje aan do kudden een geele kleur gaven, waar vandaan do rivier Xanthus haren naam zou hebben. Dit is ook de meening van Aristotoles, de hist. anim. I. 3 — Stewart Rose, Lett, from the X. of Italy I p. 23 zegt met betrekking op do rivier de Po in Italië: De inwoners houden het voor een bewezen feit, dat niet alleen de inlandscho dieren wit- of liever roomkleurig zijn, maar dat ook alle uitlandsch vee die kleur aanneemt, wanneer hot aan die rivier drinkt.quot; Ditzelfde getuigde reeds Virgilius Georg. II. 146.

Maar niet alleen de kleur, ook de haargroei is aan vele veranderingen onderworpen. Prichard 226 zegt: „Wat men ook beproefd hebbe om in West-Indië wol te verkrijgen en tot de voortbrengselen te doen behooren, dit is altijd mislukt, omdat de schapen die men er heen voert, gansch en al hunne wol verliezen on zich met haren bedekken.quot; — Smith, N. Voyage to Guinea p. 147 en Gen. Coll. of Voy. a Trav. II, 711, schrijft: „Do schapen van Guinea hebben zoo weinig overeenkomst met die van Europa, dat een vreemdeling als hij hen niet hoort blaten, nauwelijks zou kunnen zoggen welko dieren het zijn, omdat zij bedekt zijn met donker bruine en zwarte haren evenals een hond; waarom men wel eens gekscherend hoort, dat hot aldaar de verkeerde wereld is, omdat de schapen haren en de menschen wol dragen. — In Xarrat. of a Journ. thr. the upp. Prov. of India II, 219, lozon wij, dat hetzelfde merkwaardig voorval plaats heeft in Angora (een der voornaamste handelsplaatsen van Klein-Azië), waar bijna allo dieren als schapen, geiten, konijnen en katten bedekt zijn met dat mooi lang zijdeachtig haar, wat in de Oostorscho manufacturen zoo beroemd en gezocht is. Xiot alleen de genoemde maar ook andere dieren ondergaan deze verandering, zooals b. v. paarden en honden, die zooals Bisschop Heber meldt, wanneer zij in Indië naar de gebergten gebracht worden, weldra mot eene wol bedekt worden, gelijk de shawl-geiton (Kaschmir-geiten) in dat klimaat (vooral in Tibet).

ocr page 50

40

Het blijft echter nog niet bij de veranderingen van kleur en haargroei, ook de lichaamsbouw en gestalte der dieren deelt in dezen ommekeer. Om ons hiervan te overtuigen behoeven wij slechts den os te betrachten, die men op zoozeer onderscheiden plaatsen in tammen toestand aantreft; hier vindt men hem als een log vadsig gevaarte met nederhangende hoornen, terwijl hij in Engeland om zijn ranke eu schoone gestalte de trotsch is van den landbouwer.

Bosman zegt ons dat europeesche honden aan de Goudkust na korten tijd geheel en al ontaarden. Hunne ooren worden lang en stijf gelijk die van den vos, terwijl naar dezen ook hunne kleur overhelt, zoodat zij na een jaar of drie werkelijk leelijk worden, en na enkele generaties blaffen zij niet meer maar huilen. — In hetzelfde werk New. Coll. of Voyages p. 712 zegt Barbot, dat de „inlandsche honden uiterst leelijk zijn, daar zij veel overeenkomst hebben met onzen vos; zij hebben lange staande ooren, eenen langen smallen spits uitloopenden staart, zij zijn gansch onbehaard, en hunne huid die geheel naakt is, is eenkleurig of gevlekt, zij blaffen niet maar huilen. Do zwarten worden genoemd cabre de medto, dat in het Por-tugeesch wilde geit beteekent; het vleesch dezer honden wordt door do inwoners gegeten en zij stellen dit ver boven hamel-vleesch.quot;

Nog een beduidend voorbeeld van ontaarding vinden wij bij den kameel. In Trav. in Assyria, Media and Persia I, 241, lezen wij; „Bij eenige karavanen, die wij bejegenden troffen wij kameelen aan van een veel grooter soort, dan wij ooit te voren gezien hadden, in lichaamsbouw en gestalte waren zij zoo onderscheiden van den Arabischen kameel, als een buldog van een windhond. Deze kameelen hadden eenen broeden kop met dikken hals, die van onder met lang ruig donkerbruin hangend haar bezet was; zij hadden korte pooten en dikke gewrichten, hun romp en heupen waren rond en goed in vleesch, ofschoon zij minstens eenen voet hooger waren dan de Arabische kameelen.quot; — Van den kameel verhaalt ons Lcvaillant, sec. voya. II. 207 en Vircy I. 218, dat de bochel of bult op hun-

ocr page 51

41

nen rug, die bij den Bactrischcn kameel dubbel is, volgens de gegevens der natuurkundigen slechts eene toevallige afwijking van den grondvorm is, en daardoor ontstaat dat in het celloweefsel van den rug die steeds aan de groote hitte is blootgesteld, eene vette talkachtige zelfstandigheid zich afzet, gelijk ook het geval is met den zebu of indischen os, en met den staart van liet syrisch schaap, en welken uitwas wij waarnemen op do heupen naar de rugzijde van do Boschmannen en Hottentotten.

Veel meer dergelijke voorbeelden zouden wij kunnen aanhalen, maar deze zijn voor ons doel in dit kort bestek voldoende. Heden weet immers iedereen dat nu en dan nieuwe rassen onder het tamme vee worden aangefokt, terwijl van nieuwe soorten in de ware beteekenis van het woord geen sprake is.

De voorbeelden die wij hier hebben aangehaald, geven ons allen grond tot analogie of overeenkomst bij het menschehjk geslacht, daar men heel gemakkelijk kan begrijpen en aannemen, dat bij de menschen evenzoo groote varieteiten en verscheidenheden kunnen ontstaan en op het nakomelingschap overgaan als bij de dieren, wegens de gelijkvormigheid van physisch or-ganismus en de overeenstemmende wetten die hen regeeren.

Zekere geleerden, onder welke de grove materialist Vogt hebben getracht deze analogie te niet te doen, ten minste hare kracht te ontzenuwen, omdat niet alle dieren op dezelfde wijze onderworpen zjjn aan zulke veranderingen door het klimaat, daar b. v. in Paragnai het merinosschaap aan die verandering onderhevig is, maar niet de hond. Köhlergl. u. Wissens. p. 52. — Deze opwerping zou misschien iets te beteekenen hebben, wanneer men uit dergelijke analogie besloot of bewijzen wilde, dat een bepaald klimaat de menschen op geljjke wijze als de dieren moest veranderen. Wij hebben echter niet beweerd dat die analogische verandering eene noodzakelijkheid is, maar alleen eene mogelijkheid, en deze mogelijkheid staat vast, al is deze veranderlijkheid dan ook beperkt. Overigens is het een bewezen feit, dat dezelfde houd, die in Paraguai (Z.-Amerika)

ocr page 52

42

onveranderd blijft, aan do Goudkust (W.-Afrika) wel verandert. Vogt bewijst dus niets anders dan dat niet alle dieren door dezelfde invloeden veranderd worden.

Uaar wij naderhand nog op het voorgaande zullen terugkomen, zullen wij deze verhandeling sluiten met niet alleen de mogelijkheid maar ook het daadzakelijke dier veranderingen aan te toonen.

Buckingham, Travels among the Arab Tribes p. 14 schrijft:

„Het belangrijkste voorbeeld voor een sporadische natuur-streving om bij het eene ras de eigenaardigheden van het ander te verwekken vond ik te Abu-el-Beadi in Hauram, de landstreek gelegen over den Jordaan. Do familie, welke hier in den dienst van het heiligdom woonde, was bizonder merkwaardig, doordat zij met uitzondering van den vader, de negertype had met zeer donkere huidkleur en kroeshaar. Volgens mijne meening kwam dit doordat de moeder eene negerin was, die men bij de Arabieren meermalen als vrouw of bijzit aantreft; maar terwijl ik mij persoonlijk overtuigde dat het tegenwoordig familiehoofd een zuivere Arabier was van ongemengd bloed, werd mij tevens verzekerd dat zoowel de mannelijke als de vrouwelijke leden der tegenwoordige en voorgaande generaties door afkomst en door aanhuwen zuivere Arabieren waren, en dat in de geschiedenis der familie nooit eene negerin noch als vrouw noch als slavin geweest was. Zeker is het eene in het oog springende eigenaardigheid van de Arabieren die het dal van den Jordaan bewonen, dat zij een vlakker gezicht, donkerder huid en grover haar hebben dan andere stammen.; ik gevoel mij geneigd te gelooven dat dit meer toe te schrijven is aan de gestadige hooge hitte dezer landstreek dan aan andere oorzaken.quot;

Ook is de geschiedenis der stekelvarkens-menschen niet onbekend. Men noemde ze ook wel de egel-menschen. In het jaar 1731 werd de stamvader dezer familie als knaap door zijn vader Clement overal vertoond; zij kwamen uit den omtrek van Gruston-Hall in Suffolk (Engeland). Machin beschrijft hem

ocr page 53

43

in dat jaar in do Philos. Trans, v. 37. p. 299. Hij zegt dat zijn lichaam bedekt is niet eenen halven dnim lange wratten tor dikte van een bindtouw. Hij werd toen echter nog niet aangeduid met don naam van stekelmensch. Maar onder dezen naam werd hij opnieuw vertoond in 1755 en nog nauwer beschreven door Baker. Hij was toen eon man van veertig jaren en had zes kinderen gehad, die allen op denzelfden tijd nl. negen weken na hunne geboorte dezelfde eigenaardigheid vertoonden; een was in leven gebleven en toen een knaap van acht jaren, dio tegelijk met zijn vader vertoond werd. In 1802 werden de kinderen van dozen knaap in Duitschland vertoond door eene familie Joanny. Dr. Tilesius onderzocht hen on bevond ze juist zooals boven hun stamvader beschreven is, nl.: hun geheele lichaam, behalve het vlak der handen, de voetzolen en het aangezicht, was bedekt met roodachtig bruine, harde, elastische, ongeveer een duim lange hoornachtige uitwassen, welke togen elkander ruischten, wanneer men er met de hand over streek. Eenmaal per jaar vielen deze hoornachtige zelfstandigheden af, en dit ging telkens met eenige ongesteldheid gepaard. Door het aanwenden van mercurius (kwik) weken zij ook, maar kwamen na korten tijd weer terug. Phil. Trans, vol. 49. p. 22.

Terzelfder plaatse schrijft Baker: „Daar wij ondervonden hebben dat dezelfde ontaarding nog op eene volgende generatie is overgegaan, zoo is hot buiten twijfel dat van dien man een geheel menschenras zou kunnen afstammen met dezelfde eigenaardigheden als de stamvader; wanneer dit gebeuren mocht en de toevallige oorsprong zou vergeten worden, dan zou het niet onmogelijk zijn, dat men hen voor oen verschillend inen-schenras hield; deze beschouwing brengt ons tot liet besluit dat, al stammen ook allo menschen van een oorspronkelijk paar af, zulke afwijkingen als b. v. de zwarte huid bij den Neger, ook aan zulke toevallige oorzaak haren oorsprong verdanken.quot;

De erfelijkheid der zesvingerigen is te algemeen bekend om er over te spreken, en wanneer nu doze gelijk ook de stekel-menschen zouden huwen met huns gelijken, die evenzeer als

ocr page 54

44

zij van den normalen toestand afweken, dan zon daaruit bijna zeker een nieuw mensclienras ontstaan.

Eene opmerking van Fr. Schlegel, Phil, der Gesch. I. p. 46, 47 mogen wij niet onopgemerkt voorbijgaan. Hij zegt:

„Als de mensch eenmaal tot verderven en zinken geraakt, dan is het niet mogelijk vooruit eene grens aan te wijzen, tot welke hij trapsgewijze kan zinken en tot het dier naderen; maar omdat hij oorspronkelijk vrij is, daarom ook is hij een zoo veranderlijk en zelfs ouder organisch opzicht hoogst buigzaam wezen. (Dus ongestadig en onstandvastig). Wij moeten nog dieper zoeken dan bij den ïfeger, die niet alleen wegens zijne lichamelijke kracht en levendigheid, maar ook wegens zijne leerzaamheid en meestal goedaardig karakter nog lang niet op de onderste sport der menschelijke ladder staat; wij moeten nog dieper zoeken dan bij de ellendige Patagoniër?, de menschenschuwe Pescherahs (van Vuurland), de gruwelijke menscheneters van Nieuw-Zeeland; dieper nog dan die allen kan de mensch zinken. Verre echter zij het van ons te ver-meenen met Rousseau en zijne aanhangers dat wij het ware begin der menschheid en den eigenlijken grondslag van het sociaal leven moeten zoeken in den natuurtoestand van ook den besten en edelsten wilden; of ons te laten verleiden om de bestaande burgerlijke verhoudingen tot hun gevierd ideaal van den vermeenden natuurstaat der menschen terug te voeren; immers in deze kan de verstandige mensch niets anders zien en erkennen dan een toestand van verwildering en ontaarding.quot;

Aan het einde dezer verhandeling gekomen, is het one. aangenaam te kunnen bevestigen dat wij de ergerlijke apentheorie ontzenuwd hebben, en dat onze edele natuur uit heiliger handen voortspruit en niet eene volmaking van een redeloos dier is. Maar van den anderen kant is het te betreuren dat dit edel wezen, de mensch met zijne hoogere bestemming zoi diep kan «inken, dat hij aan de goddcloozen een voorwendsel in de hand

ocr page 55

45

kan geven om tusschen dien mensch en liet dier eene vergelijking in te stellen. Al zijn wij nu trotsch op onze edele afkomst, op de bizondere scheppingsdaad van God ten opzichte van ons soort, toch mogen wij niet vergeten, dat die zoo diep gezonkene en verdierlijkte volken, die nog woelen in de duistere vuilnis van het heidendom, dat die menschen die trapsgewijze gedaald zijn tot de onderste sport der menschelijke ladder, dat ook die onze broeders zijn, één met ons in afkomst en één met ons in bestemming, vrijgekocht gelijk wij door het bloed van een Godmensch.

ocr page 56

IY.

Einpigfiqup.

Wanneer wij aan hot hoofd dezer verhandeling het woord linguistique of algemeeno taalkunde neerschrijven, dan nemen wij dat woord niet in den strengen zin of beteekenis, wij bedoelen daarmede eigenlijk „vergelijkende spraakkunstquot;, maar deze wel in den strengsten zin, d. i. een onderzoek naar de meer of mindere overeenkomst en gelijkheid der bekende talen of spraken.

Het is ons niet onbekend dat in den laatsten tijd aan onze zijde, van onze richting mannen hebben beweerd, dat het eone onmogelijkheid is om uit al de bestaande talen genoegzame gegevens te putten, tot het besluit, dat zij in eene eerste taal kunnen teruggevonden worden.

Aan ieder zijn meening en die onmogelijkheid zie ik niet in, na het ingesteld onderzoek bij mannen, wier gezag ik telkens zal inroepen, en die ik in deze verhandeling zal aanhalen.

Alvorens dit vergelijkend onderzoek in te stollen, is het ncodig een woordje vooraf te zeggen over de herkomst der spraak.

Genesis I. 27 lezen wij: En God schiep den mensch naar zijn beeld; naar het evenbeeld van God schiep hij hem, man en vrouw schiep hij hen. En God zegende hen en sprak; Groeit en vermeerdert u en bevolkt de aarde, enz.

— Als God tot Adam sprak, dan spreekt het van zeiven, dat Adam de spraak van God moest kennen om hem te begrijpen.

Genesis II. 19: Nadat God alzoo alle landdieren uit aarde gemaakt had, en alle vogelen des hemels, voerde hjj hen tot

ocr page 57

47

Adam, opdat hij zon aien hoe hij zo zou noemen, want zooals Adam elk levend wezen noemde, zoo is zijn naam. En Adam noemde met hunne (behoorlijke) namen alle tam vee, en alle vogelen des hemels, en alle wilde dieren der aarde.

— Als Adam aan de dieren eenen naam gaf, dan sprak hij ook eene taal.

— Na het voorgaande volgt:

Genesis II. 20: maar voor Adam werd geen helpster aan hem gelijk gevonden

— Dan schiep God Eva de vrouw uit een ribbe van Adam.

Zonder nu juist eene strikte gevolgtrekking te maken, mag

men toch uit de opvolging der aangehaalde feiten afleiden dat Adam reeds sprak en dus eene taal kende voordat Eva geschapen was; terwijl wij van den anderen kant meenen gerechtigd te zijn van aan te nemen dat Adam en Eva beiden op den zesden en laatsten dag geschapen zijn, omdat volgens Gen. II, 2. God den zevenden dag rustte en dezen zegende; terwijl wij Gen. V, 1 lezen: Op den dag, waarop God den mensch schiep, maakte hij hem naar Gods gelijkenis; man en vrouw schiep hij hen, enz.

Niet alleen volgens den Bijbel, maar ook op het gezag van dr. Johnson, Anton en de Bonald ons beroepende, nemen wij aan dat de spraak van den mensch eene vrije gave Gods moet geweest zijn. Van haar zegt Humboldt, Trait, hist. phil. p. 247: „Naar mijne volste overtuiging moet men de spraak betrachten als wonend in den mensch, want zij is bepaald onverklaarbaar als het werk van zijn verstand in hare eenvoudige erkenning... De spraak kon niet uitgevonden worden, zonder dat hare type vooruit in den mensch bestond.quot;

Naar mijn bescheiden meening zou het gezag van zulke mannen voldoende moeten zijn om onze huidige betweters tot zwijgen te brengen. Maar neen, heel mooi weten zij te vertellen dat de mensch „stomquot; was — toen hij voor het eerst op aarde verscheen; de mensch had van af zijn verschijnen het vermogen van klanken voort te brengen, en gewapend met dit vermogen vond hij naderhand langzaam aan, de spraak uit.

ocr page 58

48

Laten wij hiertegen de redeneeringen Vein bovengenoemde autoriteiten stellen:

1°.) Ofwel de mensch kende zijnen evenmensch, zijns gelijke, als een redelijk wezen, en dan bestond reeds onmiddellijk onderling een middel van begrips-gemeenschap, en dit kon geen ander zijn dan de spraak; ofwel hij kende zijns geljjken niet als een verstandig wezen, en in dit geval had hij niet noodig zich toe te leggen op het uitvinden der spraak.

De Darwinisten zeggen: de mensch dacht, zijne gedachte zocht zich mede te deelen; hiertoe een bizonder ingericht orgaan in zijn keel vindende, volgde de spraak van zelve. De mensch sprak omdat hij dacht en omdat hij het begrip had van zijne gedachte.

Deze redeneering kan den toets van het gezond verstand niet doorstaan. Immers men zal zich tevergeefs rekenschap trachten te geven van een enkele gedachte zonder de hulp der innerlr ke spraak. Men kan zich het beeld van eenig voorwerp voorstellen gelijk men zich eene schilderij voorstelt die men reeds eenmaal gezien heeft, maar het begrip te hebben van eene bepaalde verstandelijke gedachte zonder de hulp van ze uit te drukken, dit gaat het menschelijk verstand te boven. Daarvandaan de Bonald: „men moet het woord denken, alvorens zijn gedacht te kunnen uitspreken'quot;, terwijl Plato leert; „de gedachte is de spraak van den geest met zich zeivenquot;. Als nu de ziel haar gedacht niet kan kennen, dan met behulp der spraak, of minstens eener innerlijke spraak, hoe wil zij dan de spraak hebben uitgevonden!

Natuurlijk blijft nog altijd een groot verschil tusschen eene innerlijke spraak en eene uiterlijke. Doofstommen hebben meestal een goed spreekorgaan, waarvan men toch tot voor eenige jaren geen partij wist te trekken; en toch leerde men hen toen lezen of begrijpen wat hunne oogen lazen, en ook schrijven. Zij drukten hunne gedachten uit op lei of papier, zij kenden dus eene taal, hadden een goed spreekorgaan, waarom spraken zij dan niet. Men zegge dus niet dat de spraak die de verbinding is tusschen 's menschen geesten, eene uitvinding is.

ocr page 59

G5

Hot zou ons to ver voeren, wanneer wij een verslag hoe kort dan ook, over de Amerikaansclie talen wilden goten. Wij zullen ons bepalen tot het grondig onderzoek van Smith-Barton en Vater. v. Ill pars II pag. 340 waar wij lezen: „Onze onderzoeken, ingesteld met eene angstvallige nauwgezetheid volgons eene bij do etymologische studie tot hiertoe nog niet aangewende methode, hebben liet bestaan bewezen van gemeenschappelijke namen in do talen der oudo on nieuwe wereld.quot;

Alex, de Humboldt, Vue des Cord. I. 1!) zegt: Barton on Vater hebben drie en tachtig Amerikaansclie talon onderzocht en vonden daarin honderd zeventig woorden waarvan do wortel hetzelfde was in alle; on hot is gemakkelijk te zien dat deze overeenstemming niet toevallig was, dewijl zjj niet berust op nabootsing van klanken, noch op die gelijkvormigheid dor organen, dio eene bijna volkomene gelijkheid daarstelt in de oorsto uitgesproken klanken der kinderen. Van deze 170 woorden,

welke deze analogie hebben, gelijken drie vijfden op het .Mantchu, hot Tongousch, hot Mongoolsch on hot Samojoedsch, en twee vijfden op het Tchoud, hot Baskisch, hot Koptisch en de Congo-talen. Deze woorden worden gevonden door dat men hot geheele dor Amerikaansclie talen vergeleek met het geheele van die dor oudo wereld; want tot dusverre is ons geene amerikaansclie taal bekend, die uitsluitend beantwoordt aan eene der Aziatische, Afrikaanscho of Europeesche spraken.quot;

Ook do grammaticale constructie, welke in allo Amerikaansclie talen dezelfde is, laat geen twijfel over of zjj zijn allen afdoe-linsren van een zelfde familie. Deze ovoreenstemmins' is niet

O O

oone van onbestemdon maar van zeer strengen aard, ou bevat do onmisbaarste deelen van den taalbouw; want zij bestaat vooral in de eigenaardige wijze van in de vervoeging do bo-toekenis en betrekking der werkwoorden vast te stellen door tusschenvoeging van lettorgrepen. Malte-Brun p. 217.

Genoemde analogie, waarbij nog vele anderen kondon gevoegd worden, strekt zich uit over de twee groote deelen der nieuwe wereld, en wijst dus oone familiebetrekking aan tusschen de talen die van het eene uiteinde van Amerika tot het andore

5

•*»

ocr page 60

66

gesproken worden. Do natuurlijkste gevolgtrekking in deze is die van Vater p. 329: „Men bevindt in alles een uiteenloopen uit één gemeenschappelijk middelpunt van beschaving.quot;

Door do ethnograpliie of vergelijkende volk- en taalstudie vervalt alzoo de opmerking of liever opwerping welke men tegen de eenheid der Amerikaansche volken inbracht, waarbij men steunde op de veelvuldigheid hunner talen. De onmogelijkheid als zouden die volken niet gesproten zijn uit den eerst-geschapcn mensch, is eveneens ten volle hierdoor weerlegd.

Tot hiertoe hebben wij Wiseman gevolgd, en uit de door hem bijeenverzamelde ethnographische ontdekkingen blijkt, dat alle talen der geheele wereld tot twee familiestammen kunnen teruggebracht worden; de indo-europeesche familie en de trans-gangische, van welke laatste wij gesproken hebben bij de maleische taal. Die stap was reeds belangrijk, maar hij bewees nog niet genoeg en volmaakt de eenheid van eene oorspronkelijke taal, omdat nog altijd twee van elkander onafhankelijke families bleven bestaan.

Maar hierin hebben de nasporingen van Paravey den be-slissenden slag gegeven. Door het bestudeeren en onderzoeken der Chineesche taal welke tot de transgangische behoort, heeft Ridder de Paravey zonneklaar bewezen dat de chineesche taal de twee hoofdfamilies verbindt, en deze op eenen enkelen stam terugvoert.

Hij toont aan dat de chineesche hieroglyphische schriftteeke-nen, vooral de oudste, treffend overeenkomen met de egyptische hieroglyphen en zelfs met het sanskritsch babylonisch scluift. Daarenboven bracht hij aan het licht en bewees dat de chineesche taal een groot aantal woorden bevat der semitische talen die deel uitmaken der indo-europeesche talen. Deze woorden zijn indertijd in eene brochure bijeengebracht en uitgegeven door Jul. Klaproth.

Zoo werden dan door de studie van Paravey alle bestaande talen der geheele wereld tot eene enkele familie teruggebracht, liet bewijs is alzoo geleverd dat alle talen van ééne enkele taal afstammen. Dus is bewezen het woord van:

ocr page 61

67

Gen. XT, 1. Er was op do wereld maar cone taal on eonerlei uitspraak.

Wat ons do ethnologie vooral bewijst is dat tusselien de verschillende talen groote verwantschap, maar ook grondig verschil bestaat.

De verwantschap ligt in het kenmerk zeiven en in het wezen van iedere taal of in hare grondbeginselen; zonder deze toch had zij nooit kunnen bestaan, cn daarom kan men niet geloovon dat de eene ze aan de andere zou ontleend hebben.

Het grondig verschil der talen dat van den anderen kant ook in hare grondbeginselen ligt, belet ons om ze als verschillende tongvallen onderling te betrachten.

Hieruit dus moeten wij besluiten: 1°.) wijl de taalfamiliën onderling algemeene en wezenlijke grondbeginselen hebben, daarom zijn zij oorspronkelijk in eene enkele taal vereenigd geweest, omdat geene berekening zelfs het vermoeden heeft kunnen doen ontstaan, dat dezo grondbeginselen langs natuurlijken weg vrijelijk zijn uitgevonden onder de verschillende klimaten der aarde.

2°.) wijl daarentegen echter ook liet belangrijk grondig verschil dat zij opleveren, niet uit een trapsgewijze ontwikkeling ontstaan kan, omdat talen niet groeien, gelijk wij gezien hebben, zoo bewijst dit dat de oorspronkelijke uiteenscheiding en verhuizing van het menschengeslacht naar verschillende landen veroorzaakt is door eene ongehoorde, alles te buiten gaande gebeurtenis, welke alleen kon geschieden zooals in den Bijbel verhaald wordt. Deze gebeurtenis van Gen. XI moet eenen diepen invloed hebben uitgeoefend op den menschelijken geest, omdat deze geest de vorm der taal is.

Men kan echter niet aannemen, dat do goddelijke Yoor-zienigheid, bij de verwarring der oorspronkelijke menschentaal, geen ander doel beoogde dan de verspreiding over de wereld onder materieel opzicht, of om aan den menseh slechts verschillende spraakvormen te geven. Daarin lag buiten twijfel eene diepere

ocr page 62

«8

en belangrijkere beteekenis, te weten: de verdceling der geesto-Ijjke begaafdheden onder de volken, want de taal is zoo klaarblijkelijk de wezenlijke maclit, en om het zoo uit te drukken, de incarnatie, de vleeschelijke daarstelling van de gedachte, dat wij ons bijna even gemakkelijk eene ziel zonder een lichaam kunnen verbeelden, dan onze gedachten ontbloot van de vormen van hare uiterlijke uitdrukking. Daarom dan moeten ook deze werktuigen van de scheppingen des geestes op hunne beurt deze bizondere eigenschap regelen, wijzigen, inrichten en bestemmen zoodanig dat de geest van een volk noodzakelijk in verhouding staat tot zijne spraak en met deze overeenkomt.

De Semitische familie die geene partikels en grammatische vormen bezit, geëigend om de betrekkingen der dingen uit te drukken, en stijf is door eene onbuigbare constructie, dan nog door de afhankelijkheid der woorden die uit de wortels van werkwoorden voortkomen beperkt is tot het begrip van uiterlijke daden, kon den geest niet brengen tot afgetrokken en diepzinnige gedachten; daarom eigenden zich hare dialecten alleen tot eenvoudige geschiedkundige verhalen en tot de uitgelezendste dichtkunst, waarin bloote aandoeningen en indrukken in snelle opeenvolging gevoeld en beschreven worden. Nooit ontstond in deze familie eene school van nationale wijsbegeerte, en men vindt geen enkel spoor van metaphysische gedachten, zelfs niet in hunne verhevenste voortbrengselen. Daarvandaan dat wij in het Hebreeuwsch de diepzinnigste openbaringen van den godsdienst, de verschrikkelijke voorspellingen der profeten, de leerzaamste deugdenlessen ingekleed vinden in beelden en voorstellingen uit de uiterlijke natuuromgeving geput. — Een zelfden gedachtenloop vinden wij bij den opsteller van den Koran, ook om dezelfde rede.

De Indo-Europeesche familie kreeg in hare taal ten deel eene wonderlijke lenigheid en buigzaamheid om de innerlijke en uiterlijke betrekkingen der dingen uit te drukken door de buiging harer naamwoorden, door de voorwaardelijke en onbepaalde tijden harer werkwoorden, door haar streven om tallooze partikels of lidwoorden te maken of bij te voegen, maar vooral

ocr page 63

69

door hot machtig en bijna onbegrensd vermogen van woorden samen te stellen, gepaard aan een gemak om de zinnen-con-structie te veranderen en om te draaien; daarbij heeft zij nog de eigenschap om onmiddellijk en op volmaakte wijze de be-teekenis der woorden van eene materieele tot eene zuiver spiritueele voorstelling over te brengen. Terwijl dus het genie een geschikt werktuig er in vindt om zijne hoogste gedachten uit te drukken, is zij nochtans niet minder machtig in de hand van den wijsgeer, zoodat liet in en door haar is dat die menigvuldige systemen ontstonden, die voor eeuwen in Indië, dan in Griekenland en in de jongste tijden in Duitschland er naar streefden het menscheljjk verstand te pijlen en onze gedachten in hare grondbeginselen op te lossen.

Wanneer wij met deze gedachten bezield eenen blik werpen op de bedoelde regeling van God in de openbaring van zijnen godsdienst, dan merken wij nog edeler bedoelingen. Immers zoolang de goddelijke Openbaring veeleer bewaard dan voortgeplant en verbreid moest worden, daar deze waarheden vooral de geschiedenis der menschen en der eenvoudige plichten oj)-zichtens God betroffen, en Gods gebod meer bestond uit voorschriften van uiterlijke naleving dan van innerlijke tucht; zoolang de leiding der menschen meer door de geheime krachten der profeten geschiedde dan door vaste regels van eene onveranderlijke wet; zoolang ook was hot geheelo systeem van den godsdienst toevertrouwd aan die menschenfamilie, wier geestes-karakter en spraak wonderlijk geëigend waren om onwrikbaar vast te houden aan de eenvoudige overleveringen van vroeger dagen en om alles te beschrijven wat rond den mensch plaats greep, waarom zij zich dan ook met het beste gevolg leende tot het ontzagwekkend ambt der profetische zending.

Nauwelijks echter treed eene machtige verandering op in de grondslagen van zijne Openbaring en in de begaafdheden, waartoe zij gericht is, of daar openbaart zich ook eene hieraan beantwoordende overgang naar die familie, aan welke het bestuur or over ou zijne voornaamste leiding oogenschijnlijk is toevertrouwd. De Godsdienst die nu bestemd is voor de geheele wereld

ocr page 64

70

ou voor elk afzonderlijk lidmaat van liet menschongcslachfc, en die bij gevolg uitgebreider verklaringen vorderde om te voldoen aan bot verlangen van iederen stam, van ieder land, van iedere eeuw, en om de behoeften des harten van allen te bevredigen, dio Godsdienst wordt aan de handen van andere bouwlieden toevertrouwd. Deze andere bouwlieden met hunne diepere denkkracht, met hunnen onbluschbaren ijver en drang tot onderzoeken, zouden gemakkelijker de onuitputbare schoonheden van dien godsdienst ontdekken en in het licht stellen; zij zouden dezes betrekking en overeenkomst diepzinnig vergelijken met elke andere klasse van waarheid, en met elk ander systeem van Gods schikking, dermate dat zij steeds nieuwe bronnen ter overtuiging en nieuwe reden en voorwerpen zouden ontdokken om God te verheerlijken. De Godsdienst is een en onveranderlijk, maar God heeft hem zoodanig beschikt dat de rustelooze geest in gezonde studie en nederig onderzoek steeds dieper in dien godsdienst indringen kan om Gods verhevenheid en majesteit te meer te kunnen bewonderen.

Ik hoop dat een klaar straaltje dezer waarheid blijke uit dit maar al te beknopt verslag over do ethnologie.

ocr page 65

Uaar wij zooveel mogelijk trapsgewijze in onze verhandelingen willen voortgaan, ontmoeten wij het naast op onzen weg de tradities, daar deze veel verder reiken dan elke wcreldsche geschiedenis.

Maar hierbij behoeven wij niet te rade te gaan bij de Westersehe volken, omdat het weinigje wat men bij hen nog vindt der oudste overleveringen, zoodanig onder hot stot van \f het heidendom bedolven is, dat het monnikenwerk mocht heeten

ze aan hot daglicht te halen. quot;Wij zullen daarom een kort onderzoek instellen bij die volken, die naar waarheid veel vroeger de maatschappelijke ladder beklommen hadden en in geestesontwikkeling of wol het verder gebracht hadden, of wel [ hierin niet zoo diep gezonken waren.

Laten wij zien wat wij nog aan overleveringen bij do Üos-tersche volken kunnen vinden.

DE HINDOES.

Do Védas zijn bij de Hindoes do heilige boeken die voor hen alles bevatten wat betrekking heeft op godsdienst, wetenschap en kunsten. Daarin lezen wij:

„Het heelal bestond slechts in de goddelijke gedachte, zoodanig dat hot niet ontvankelijk was om door het verstand ontdekt te

worden..... Toen schiep do door zich zeiven bestaande macht de

aanschouwelijke wereld met do vijf elementen en de verschillende grondbostanddeelon dor zaken..... Enkel door zijne gedachte

VI.

ocr page 66

72

seliiop hij de wateren. In het begin werden deze genoemd nam, omdat zij waren voortgebracht door hot nara of den geest van God; en omdat zij ook het stof waren waarop het eerste ayana (de beweging van den schepper) werkte, ontvingen zij den naam van narayana (beweging op do wateren).quot;

Een der Yédas noemt den eersten mensch Adima (de eerste); voor gezellin geeft het hem eene vrouw genaamd Pracriti, hetgeen bij do Hindoes even als Hé ca bij de Hebreën, het leven betoekent. Eerst bevinden zij zich in eenen onschuldigen en gelukkigen staat, maar deze gelukkige tijd duurt niet lang; de eerste ouders vallen in zonden en de kinderen worden nog misdadiger dan de ouders; God wordt boos, hij bedekt do hemelen niet duisternissen, doet bliksem en donder uit Noorden Zuidpool ontspringen, zweept de golven der zee over de oppervlakte der aarde, en doet alle menschen der aarde in he: water omkomen. Brahma, die aan de algemeenc verwoesting ontkwam, bevolkte wederom de wereld.

DE CHIKEEZEN.

„Lao-Tseu (zeshonderd jaren voor onze jaartelling) stichter van den waren godsdienst en van de oorspronkelijke geschriften, wendde zich tot oenen koning der oude tijden (Tsao-ti, gebieder van den morgen) en zoide:

„Voorheen, toen hemel en aarde nog niet gescheiden waren, toen hot ya en het yang nog niet verdeeld waren, toen was alles nevelachtig en als bedekt onder de wateren. De eerste stof rustte in cenon gehoimzinnigen en onbcgrjjpelijken staat. De groote God bereidde alles voor tot de schepping (kie) in de eenzame en duistere uitgestrektheid der ruimte, in liet midden van het ledige bestaande uit zich zeiven.... Hij stelde zijne leer vast volgens den tijd. Hij was de groote onderrichter der geslachten.quot; (Aldus in de mémoire de Pauthier).

Bij bet doorlezen van de Chon-king, welke do Chineezen als do onfeilbare bron hunner geschiodenis betrachten, vindt men dat hot heelal door een eeuwig wezen uit hot niet getrokken

ocr page 67

73

is, do aarde geschapen, allo menschelijke geslacliten gesproten uit een enkel paar, de zondvloed die deze verdelgt niet uitzondering van een enkele familie. Men leest er dat Niu-wa (Noü) de wateren te boven kwam eu overwon door liet hout en zich redde in eono boot; dat eene volksplanting der afstammelingen van Mu-wa zich vestigde in Chen-si; dat de hoofdman van deze was do wijze Yao.

In do andere kings vinden w ij nog meer bizonderc merkwaardigheden. Daarin is sprake van den staat van onschuld van den menseh, van hot aardsch paradijs, van don boom dos levens, van de verboden vrucht, van den val dor vrouw, van het lange leven dor patriarchen, zelfs van do belofte van oenen verlosser.

Confucius (Kong-fu-tse 551—479 v. Chr.) zegt uitdrukkelijk: „dat do heilige gezant dos hemels alle dingen zal weten, en dat hij allo macht zal hebben in den hemel en op de aarde.quot; Op verschillende plaatsen komt hij in zijne werken neer op „dien heiligen man die komen moet.quot;

Abel llóimizat heeft bewezen dat de mooning over do komst van eenon heiligen man in China algemeen verbreid was in de zesde eeuw voor Christus.

GRIEKEN.

Hij do Grieken vinden wij melding gemaakt van twee zond-vloeden, van welke zij ook wel den tijd trachten te bepalen, maar zij zetten daaraan omstandigheden bij die inderdaad onderling alsook met de tijdperken onvereenigbaar zijn.

Deze twee zondvloeden zijn overigens naar hot schijnt, on-bekend aan Homerus en aan Hosiodus, zij maken ten minste geen melding er van; de eerste heet die van Ogygos. — Cen-sorinus, romeinsch taalkundige, schreef omstreeks 238 na Chr. eene verhandeling: De die natali, over de Chronologie der Ouden, en zegt dat Varro den tijd van dien eersten zondvloed aangeeft 1600 jaren voor de eerste Olympiade, dus op 4242 jaren.

Do tweede zondvloed zou zijn die welke men onder Deucalion

ocr page 68

74

plaatst. — De eerste bij wien wij gewag vinden van dezen vloed is de dichter Pindarus, geboren in Béotie 520 v. Chr.; hij verhaalt dat Deucalion aanlandde op den berg Parnassus, dat hij daar de stad Protogenia (eerste geboorte) stichtte, enz.

Wij willen hier een uittreksel geven uit het belangrijk werk: Monde primitif van Court de Gébelin over den vloed van Deucalion:

„Men leest in do annalen der goden van Appolidorus: Xic-Timus, zoon van Lycaon, gestraft door Jupiter, was prins van Arcadie, onder hem ontstond de zondvloed van Deucalion.

„Deucalion, zoon van Proiuothous en man van Pyrrha, leefde in den tijd toen Jou besloot do koperen eeuw te vernietigen en daarmede het verfoeielijk geslacht dat toen bestond; maar op goddelijke ingeving bouwde Deucalion eene houten ark; genaamd Larnax, welke hij van allen noodigen voorraad voorzag; nauwelijks was hij in deze ark gestegen of er vielen zoo hevige stortregens dat het menschengeslacht verdronk; hij landde ver-

O w

volgens op eenen hoogen berg, op eenen Parnassus, en nadat do regen had opgehouden verliet hij het schip en bracht een offer aan Jou Phryxien of redder.quot;

Verder zegt Court do Gébelin: „Men vindt geen verhaal dat meer op den Zondvloed van Noö gelijkt dan dit; dio twee ffobeurtonissen vallen voor in denzelfden tijd, de koperen eeuw, toen de aarde overdekt was met afschuwelijke misdaden; beiden gebeuren op bevel der Godheid, die over zooveel misdrijven vertoornd was. In beiden is melding van een persoon die door middel eener ark zijn leven redt; beiden verlaten deze op eeneu zeer hoogen berg, op eenen Parnassus; beiden ook brengen na hunne redding een offer aan den God die hun beveiligd en gespaard heeft; beiden bevolken op nieuw do wereld.quot;

— Ik kan mij met deze geheele vergelijking vereenigen, uitgezonderd met het koperen, of zooals anderen willen met het bronzen tijdperk. Ik heb in de „Laatste V eilingquot; bewezen, dat zulke indeeling valsch is. Ook vindt men daarvan geen spoor bij Mozes, en daarin geldt dus geene vergelijking.

„Dan, aldus Court de Gébelin, Deucalion wordt aangewezen

ocr page 69

75

als tijdgenoot van Nic-Timus. Welnu Nic is het hebreeuwscho Nycli of Nuc, dezelfdo naam als Koe. Het hebreeuwsclie tim, de volmaakte of de rechtvaardige, is de bijnaam van ïsoë: Koe vir Justus atqne perfectus Gen. VJ, 9. Isoü de rechtvaardige en volmaakte. Mc.-Tinus (Noë) was areas of prins van Arcadie, omdat hij eigenaar en bezitter was van de ark, arg, schip bij uitnemendheid.

„Larn-ax, naam der houten ark is in beide gevallen hetzelfde. L is een lidwoord, am is de naam der ark, ax de naam van hout.

„Phryxien of phrig-sien komt van het oostersch phreg redden en ïs, hij die redt.

«Hij is do man of echtgenoot van Pyrrha; het oostersch pijrr beteekent de aarde ontdaan van hare schoonheid, naakt, ledig, zonder bewoners: zoo nu is de nieuwe vrouw van don geredden, ook bij ifozes zeiven genaamd Ish-Adama, de mensch van Adama of der onbebouwde aarde.

Ook de taalkundige Letronne meent dat de Zondvloeden van Ogygès, van Deucalion en van Koe dezelfde zijn.

„Volgens verschillende schrijvers, zegt luj, zouden de Zondvloeden van Ogygès, van Deucalion en van Koe dezelfde zijn. Tot dit gevoelen schijnt gewicht te worden gebracht door de overeenkomst van omstandigheden, de naam van Inachides (Xoachus), van het sterrebeeld Perseus en van de etymologie (woordafleiding van Deucalion (kisten-maker). quot;Wanneer men hierbij in aanmerking neemt, dat do overleveringen der eerste volkplantingen van Griekenland van af hunne aankomst in dat land dagteekenen, en dat zij als uitgangspunt, zonder afgebroken of middellijken overgang, op een algemeen tijdperk, dat van den Zondvloed neerkomen, dan kan het verschil bij deze groote overstroomingen slechts schijnbaar genoemd worden. Letronne. Recli. sur les zod. egypt.

PlIOEKICIERS EK PHRYGIERS.

In de schriften van Sanchuniato (1200? v. Chr.) lezen wij: „In den beginne Ijpa^opjhyyn d^it»te^-(^i^o| een geest.

O. F.

w i J C H E N s

ocr page 70

74

plaatst. — Ue eerste bij wien wij gewag vinden van dezen vloed ia de dichter Pindarus, geboren in Béotie 520 v. dir.; hij verhaalt dat Deucalion aanlandde op don berg Parnassus, dat hij daar de stad Protogenia (eerste geboorte) stichtte, enz.

Wij willen hier een uittreksel geven uit het belangrijk werk: Monde primitif van Court de Grébelin over den vloed van Deucalion:

„Men leest in de annalen dor goden van Appolidorus: Nic-Timus, zoon van Lycaon, gestraft door J upiter, was prins van Arcadie, onder hem ontstond de zondvloed van Deucalion.

„Deucalion, zoon van Promotheus en man van Pyrrha, leefde in den tijd toen Jou besloot de koperen eeuw te vernietigen en daarmede het verfoeielijk geslacht dat toen bestond, maar oi) goddelijke ingeving bouwde Deucalion eene houten ark; genaamd Larnax, welke hij van allen noodigen voorraad voorzag; nauwelijks was hij in deze ark gestegen of er vielen zoo hevige stortregens dat het menschengeslacht verdronk; hij landde vervolgens op eenen hoogen berg, op eenen Parnassus, en nadat de regen had opgehouden verliet hij het schip en bracht een offer aan Jou Phryxien of redder.quot;

Verder zegt Court de Gcbelin; „Men vindt geen verhaal dat moer op den Zondvloed van Noë gelijkt dan dit; die tv\ee gebeurtenissen vallen voor in denzelfden tijd, de koperen eeuw, toen de aarde overdekt was met afschuwelijke misdaden; heiden gebeuren op bevel der Godheid, die over zooveel misdrijven vertoornd was. In beiden is melding van een persoon die door middel eenor ark zijn leven redt; heiden verlaten deze op eenen zeer hoogen berg, op eenen Parnassus; beiden ook brengen na hunne redding een offer aan den God die hun beveiligd en gespaard heeft; beiden bevolken op nieuw de wereld.

— Ik kan mij met deze geheele vergelijking vereenigen, uitgezonderd met het koperen, oi zooals anderen willen mot het bronzen tijdperk. Ik heb in de „Laatste Veiling bewezen, dat zulke indeeling valsch is. Ook vindt men daarvan geen spoor bij Mozes, en daarin geldt dus geone vergelijking.

„Dan, aldus Court de Gébelin, Deucalion wordt aangewezen

ocr page 71

75

als tijdgenoot van Nic-Timus. Welnu Nic is liet hebrecuwscho Nycli of Nuc, dezelfde naam als Noë. Het hebroeuwsclie tim, de volmaakte of de rechtvaardige, is do bijnaam van Xoü: Koe vir Justus atque perfectus Gen. VI, 9. Noë de reclitvaar-dige en volmaakte. Mc-Tinus (Koë) was areas of prins van Arcadie, omdat hij eigenaar en bezitter was van de ark, arg, schip bjj uitnemendheid.

„Larn-ax, naam der houten ark is in beide gevallen hetzelfde. L is een lidwoord, am is do naam der ark, ax do naam van hout.

„Phryxien of phrig-sien komt van hot ooatcrscli phreg redden en is, hij die redt.

„Hij is de man of echtgenoot van Pyrrha; het oostersch pyrr beteekent de aarde ontdaan van hare schoonheid, naakt, ledig, zonder bewoners: zoo nu is de nieuwe vrouw van den geredden, ook bij Mozcs zeiven genaamd Ish-Adama, de mensch van Adama of der onbebouwde aarde.

Ook de taalkundige Letronne meent dat de Zondvloeden van Ogygès, van Deucalion en van JNoö dezelfde zijn.

„Volgens verschillende schrijvers, zegt hij, zouden de Zondvloeden van Ogygès, van Deucalion en van Xoë dezelfde zijn. Tot dit gevoelen schijnt gewicht te worden gebracht door de overeenkomst van omstandigheden, do naam van Inachidès (Xoachus), van het sterrebeeld Persous en van de etymologie (woordafleiding van Deucalion (kisten-maker). Wanneer men hierbij in aanmerking neemt, dat de overleveringen der eerste volkplantingen van Griekenland van af hunne aankomst in dat land dagteekenen, eu dat zij als uitgangspunt, zonder afgebroken of middellijken overgang, op een algemeen tijdperk, dat van den Zondvloed neerkomen, dan kan het verschil bij deze groote overstroomingen slechts schijnbaar genoemd worden. Letronne. Rech. sur les zod. egypt.

PIIOENICIERS EN PIIRYGIEES.

In de schriften van Sanchuniato (1200? v. Chr.) lezen wij:

'BTËBT' diptej^ip^i p

O. F. [Vj.

„In den beginne

een geest.

ocr page 72

76

Door zijnen terugwerkondcn invloed op dit chaos, en door hot to verwarmen, bracht do geest een soort van gistend mengsel voort dat het zaad werd van alle schepselen en do samenstelling van het heelal bepaalde.quot;

„De eerste man en de eerste vrouw werden voortgebracht door eenen levendmakenden adem en door liet chaos.quot;

Dit, gelijk meerdere citaten, is genomen uit de „Aunales ile la philosophic Chrétienne.quot;

PERZEN.

„Ürsmud (beginsel van alle wezens) schiep de wereld in zes tijden. Hij maakte eerst den hemel, dan het water, de aarde, de boomen, de dieren; de man en do vrouw waren het laatste scheppingswerk. Beiden waren in eenen tuin geplaatst en bestemd om gelukkig te zijn; maar beiden lieten zich verleiden door Ahrimane, het groot serpent, de sluwe, de listige, do bedrieger, en zij werden ongelukkig door hunne ongehoorzaamheid. De dood werd in do wereld gebracht door Ahrimane.....

Orsmud zal eenen verlosser zenden om hen voor te bereiden op de algemcene verrijzenis.quot;

Wat wij hier aangehaald hebben, is genomen uit de zoogenaamde heilige boeken dier volken. Deze boeken hebben echter niet die oudheid die de ongeloovigen er aan toeschrijven, zooals wij later zien zullen. Het zijn meestal overleveringen, die in latere tijden zijn te boek gesteld. Over bot al of niet bestaan hebben van Sanchuniato kunnen wij hier niet spreken, dit ligt niet in ons bestek, en Confucius leefde slechts 500 jaren voor Christus.

Daar echter de overleveringen in zooverre eene geschiedenis behelzen, merken wij dat do Oostersche volken allen eene overlevering hebben min of meer met da ware geschiedenis van Mozes overeenkomende.

ocr page 73

77

Ofschoon van uit Azië de goheele wereld is bevolkt geworden, is echter bij het eene volk meer en bij het andere minder de oorspronkelijke kennis der schepping, van den Zondvloed enz. verloren gegaan, en zelfs vinden wij bij de meeste volken ten tijde van Christus een afzichtelijk heidendom. Dit is aan zoovele omstandigheden toe te schrijven, dat het onmogelijk is in dit werk er eene verhandeling over te geven.

Eene merkwaardigheid mogen wij echter hier niet over het hoofd zien. Volgens aller meening, laat ik zeggen, overtuiging zijn de bewoners van Amerika herkomstig uit Azië. Aan de Behringstraat ligt liet Westen van Amerika aangesloten aan het Oosten van Azië, en is misschien vroeger één vastland geweest, door de werking der dubbele rij van vuurspuwende bergen in Kamtchaka gescheiden. Gaan wij nu in Amerika tot Mexico, dan vinden wij dat dit land ongeveer onder een zelfde linie ligt als de Oostersche landen, waarvan wij de overlevering hebben aangehaald. Ook vinden wij in Mexico de oude overleveringen het beste bewaard. Daaromtrent lezen wij in de Annales de philosophie Chrétienne:

OVERLEVERING DER MEXICANEN.

„Vóór do groote overstrooming (apachihuiliztli) was het land van Anuhac bevolkt met reuzen (tzocuillixequé); allen die niet omkwamen, veranderden in visschen, met uitzondering van zeven die in holen vluchtten. Toen de wateren waren weggestroomd, ging een dezer reuzen Xellma, bijgenaamd de bouwmeester, naar Cholollan, waar hij eenen kunstmatigen berg bouwde in pyramide-vorm, ter herinnering aan den berg Tlaloc, die voor hom en zijne zes broeders tot schuilplaats had gediend. Iljj deed briksteenen bakken in de provincie ïlamanalco, aan den voet der Sierra Cocolt, en om deze naar Cholula over te voeren plaatste hij eene rij mannen, die ze zich van hand tot hand — vijf mijlen ver — moesten overreiken. Woedend zagen de goden neer op dit gebouw, waarvan het toppunt tot in de wolken zou reiken; vertoornd over de stoutmoedigheid van

T

ocr page 74

78

Xelhua, slingerden zij hunne bliksems op de pyramide; vele werklieden kwamen om; hot werk werd niet voortgezet, en werd later toegewijd aan den god der luclit Quetzalcoatl.quot; Alex, v. Humboldt, KL Gresclir. p. 173.

„Bij vijf Mexicaansche stammen heeft men beeltenissen gevonden, waarvan een groep voorstelde de vermaarde vrouw met het serpent, Cihuacohuatl, ook genaamd Quilaztli ofTona-cacihua (vrouw van ons vleesch); zij is de levensgezellin van ïonacateuctli. De Mexicanen betrachtten haar als de stammoeder van het menschebjk geslacht, en na den god van het hemelsch paradijs bekleedde zij de eerste plaats onder de godheden van Anahuac. 3Ien ziet haar altijd voorgesteld met een groote slang. — Een andere groep stelde den Zondvloed voor van Coxcox; do Noö dezer volken heet Coxcox, Téocipactli of ïezpi. Hij redde zich met zijne vrouw Xochiquetzal in een boot, of volgens eene andere overlevering, op een vlot van Ahuahuete. De beeltenis stelt Coxcox voor midden op het water, uitgestrekt in een boot.quot;

„De volken van Méchoacon bewaarden eene overlevering, volgens welke Coxcox, dien zij Tezpi noemen, zich inscheepte in een wijde en ruime acalli, met zijne vrouw, zijne kinderen, verscheidene dieren, en de zaden die de menschen wilden behouden. Toen de groote geest Tezcatlipoca beval dat de wateren zich zouden terugtrekken, liet Tezpi een gier, de zopilate, uit zijn boot vliegen. De vogel die zich met dood vleesch voedde, kwam niet meer terug, wegens het groote getal lijken waarmede de aarde bedekt was. Tezpi zond andere vogels uit, en van deze kwam de colibri terug houdende in zijnen bek een takje met groenende bladeren. Daar Tezpi nu zag dat de aarde zich met versch groen bedekte, verliet hij de boot bij den berg Colhuacan.quot;

OVERLEVERING DER ZUID-AMERIKANEN.

Alex, von Humboldt, KI. Gesch. p. 13 zegt, dat de hoogvlakte van Bogota de vroegste zetel der menschen is in Zuid-Amerika. En hieromtrent zegt hij p. 112 enz.:

„De hoogvlakte van Bogota heeft met haar eigen klimaat.

ocr page 75

79

ook haar eigen overlevering. Zij vormt om zoo te zeggen, de hoogvlakte van Mexico, (het oude Tenochtitlan) een gesloten bekken, -waaruit de wateren slechts op een enkel punt eene uitvloeiing vinden..... quot;Werd de bergpas van Tequendama gesloten, dan veranderde zekerlijk, in weerwil van de uitdamping, do kleine moeras van Funzha in een alpen-meer. Zoo was het luidens de overlevering der inboorlingen, bij den aanvang der dingen. Eer de maan de gezellin van onze planeet is geworden, leefde het volk der Muyscas of Mozcas in ruwe zeden, zonder plantenbouw en zonder godenvereering. De eigenlijke naam van het volk was Sohibscha, want Muysca beteekent in do Schibscha-taal, in het algemeen menschen, lieden. Daar verscheen van het gebergte, achter Bogota neergedaald, oen langbaardig man van een ander geslacht dan de Muyscas. Hij had drie namen: Botschika, Zuhó en Nemquetheba, waarvan de eerste Botschika (Bochica) de meest gevierde was. De heilige man kwam alzoo van het Oosten herwaarts, uit de grasvlakten van Rio Meta, wellicht uit de boschachtige streek van den Orinoco, waar men tot aan de Rupunuri en de Essequibo hooge rotswanden ontmoet, die met zinnebeeldige teekens en beelden bedekt zijn.....

Botschika leerde den bergbewoners zich te kleedon, maïs en Quinoa te zaaien, en zoowel door vrome godsvereering, als door het geloof aan de heiligheid van zekere plaatsen zich tot één volk te vereenigen.

„Botschika was vergezeld van eene vrouw, die gelijk hij drie namen droeg, maar die alles boosaardig verstoorde, wat do heilige man tot geluk der menschen verzonnen had. Door hare tooverkunsten liet Huythaca of Schia de rivier Funzha opzwellen. De geheele hoogvlakte werd in een meer veranderd, en slechts weinige menschen hadden den tijd om zich op het nabijgelegene gebergte te redden. Daarop werd de Oude Man vertoornd en verbande het ongeluk aanbrengend wijf. Huythaca verliet de aarde en werd de Maan, welke voor de eerste Prose-lenische (ouder dan de maan), even als voor de eerste Arcadiers niet geschenen had. Botschika zich over het menschengeslacht erbarmende, opende nu met sterken arm bij Cancas eenen

ocr page 76

80

rotswand, liet do Funzha naar beneden storten en droogde aldus do gohoele hoogvlakte. Botachaka verzamelde do dooiden vloed verstrooide menschen, leerde hen steden bouwen, en vestigde oene eigene inlasschings-methode der maanjaren; hij grondde ook eene staatsregeling, welke den ouden priesterstaat van Moroö herinnert en dien van Thibet, vóór de invoering van het Buddhisme, doordien hij do oppermacht verdeelde onder oenen wereldlijken hoerscher, den /aque, en eenen geestelijken, den opperpriester van Iraca (ten oosten der stad Tunja). Zijne zending was nu volbracht. Hij trok zich in het heilige dal van Iraca terug en leofdo daar, even als Buddha on do Aztekischo wonderman Quetzalcoatl, honderd Muyscas-cirkols, d. i. tweeduizend maanjaren, in bespiegelende aandacht en zware boetedoening die hij zich zeiven oplegde.....

„In alle aardgordels: in Klcin-Azië op de hoogvlakten en in de keteldalen van Griekenland, ja zelfs tot op do eilanden dor Zuidzee van gwingon omvang, vinden wij dezelfde (overleveringen) met dezelfde zede- ou staatkundige strekking tong. Botschika en Iluythaca ziju hot gofedo ^on kwade beginsel. Zjj kampen togen elkander. Botschika is een Holiado (een zoon dor zon) of do menschgoworden zon zolve, gelijk Mancn-Capac. Iluythaca, het vochtige beginsel, verwekt eenen vlood on wordt de Maan; Botschika hot verwarmende droojrondo beginsel ver-

J o O

jaagt het water, goeft het afvloeiing, doordien hij eono rotsspleet opent. Botschika hoeft als Trimurti drie namen; ook vertoonden de priesters (Lamas) van Iraca of Sogamoso aan de eerste Spaansche veroveraars, do begeleiders van Ximenez do Quezada, afgodsbeelden, waarvan die welke den zoon der Zon voorstelden,

van drie hoofden voorzien waren.....

„Hoe verschillend ook steeds de graden der beschaving mogen zijn tot welke de menschhoid zicli verheft: op den rug der Cordillera's of aan de kusten van de Middellandsche Zoo, in Griekenland, Klein-Azië of Egypte, overal vindt men do sporen van donzelfden gang der denkbeelden, overal komt een aloud geloof nevens de dichterlijke verbeelding te voorschijn en koeren onder dezelfde vormen terug.quot;

ocr page 77

81

In hot voorgaande vindt men wederom eene treffende overeenkomst met de ware door Mozes geschreven geschiedenis, en de Mexicanen leveren een doorslaand bewijs voor die geschiedenis, terwijl tevens blijkt uit die zoo treffende overeenkomst der overleveringen met de geschiedenis, dat die volken uit Azië afstammen.

Laten wij nu ten overvloede nog eenige bewijzen voor onze zaak nemen uit de Recherches sur 1' hist. anc. door Volney I p. 127, 146, 179.

De geschiedschrijver Berosus, die bijna 300 jaar voor Christus leefde, beschrijft meer in het bizonder de omstandigheden van den Zondvloed van Xisuthrus, die de tiende koning was, gelijk Noë de tiende patriarch was.

Berosus en Abydenes komen beiden hierin met Jlozes overeen, dat zij vóór den Zondvloed tien geslachten of generaties stellen. De Indiërs, zegt Volney verder, plaatsen in den tijd vóór den Zondvloed tien avatars (oudvaders?) of verschijningen van Wignou, die ook beantwoorden aan de tien antédiluviaansche koningen of patriarchen.

Sanchuniato van Phrygie spreekt van tien geslachten van goden of half-goden geplaatst tusschen Uranus en het tegenwoordig geslacht der stervelingen. Ook de Tartaren en Arabieren hebben de gedachtenis der tien antédiluviaansche generaties bewaard en aan verscheidenen hunner en ook aan hunne onmiddellijke opvolgers geven zij dezelfde namen als die voorkomen in Genesis. Volgens de Ilist. Atlant. tellen ook de Egyptenaars tien geslachten vóór den Zondvloed.

Mozes van Corene zegt dat volgens de Berosische sybille, Xisuthrus drie zonen had. Sim of Zerouan, Titan en Yapetosthe. Zij scheidden en verdeelden onderling de wereld. Volgens denzelfden schrijver behelst diezelfde sybille omtrent de vermaarde mannen uit deze drie hoofden geboren: deze eerste goden waren vreeselijk en verheven, uit hen is het geslacht der reuzen gesproten, met hun stevig lichaam, hunne sterke gespierde ledematen en hunne ontzaglijke gestalte, die, vol overmoed het goddeloos plan opvatten eenen toren te bouwen. Terwijl zij

6

ocr page 78

82

hieraan werkten, kwam oen verschrikkelijke en goddelijke wind en verniotigde deze onmoetbare massa, en wierp onder de menschen onbekende woorden die opschudding en verwarring veroorzaakten. Onder deze mannen was de yapétische Haïk, beroemd en dapper hoofdman, zeer bekwaam in het werpen van spiezen en het omgaan met den boog.

De verdeeling der aarde — aldus Volney — na den Zondvloed van Noli of Xisuthrus, tusschen drie machtige en schitterende personen, van welke één Titan genaamd is, heeft veel overeenkomst met hetgeen ons de Grieken verhalen omtrent de drie gebroeders Jupiter, Pluto en jSTeptunus, die ook wederom veel gelijkenis hebben met de drie zonen van Noc, wijl Pluto zwart van kleur is gelijk Cham.

Tot hiertoe Volney.

De lange levensduur der eerste menschen is niet alleen bekend uit de Ilebreeuwsche overlevering; hij blijkt ook uit die van Indiö en Perzië, en zelfs uit die der Nieuwe quot;Wereld.

Bij de Indiërs vinden wij in de leerstellingen van Menou dat in de gouden eeuw, Satya-Youg, de menschen zonder ziektens vierhonderd jaar oud werden.

Vulcanus regeerde duizend jaren over Egypte.

Caioumarath (do eerste mensch) eerste koning der Perzen, leefde duizend jaren; Djemsehid een zijner opvolgers regeerde zes honderd zestien jaren.

In China regeerde Chin-Nong honderd vijf en veertig jaren.

Bij de Amerikanen leefde Bchica twee duizend jaren, en zijn opvolger, de wijze Huncahua, regeerde twee honderd vijftig jaren.

Dergelijke overleveringen vinden wij opgeteekend bij de chaldeouwsche, phoenicische en grieksche geschiedschrijvers.

Wie zal na dit alles durven beweren dat het toeval zulke overeenkomst en gelijkheid heeft daargesteld tusschen volken, die zoo ver van elkander verwijderd waren! quot;Wanneer volken, tusschen welke geen verband bestaat, maar van welke spraak, godsdienst en wetten niets gemeen hebben, toch zooveel over-

ocr page 79

83

eenkomen als in bovenstaande overleveringen is aangetoond, dan moet men bekennen dat dit alles uit ééne ware bron, de waarheid, is voortgekomen: en hun verschil slechts te wijten is aan andere omstandigheden.

Wij noemen echter al het aangehaalde omtrent de Oostersche Geschiedenis slechts „overleveringenquot; omdat niet een enkel geschiedschrijver als getuige die zaken heeft opgeteekend, maar alle schrijvers waaruit dit geput is, lang na Mozes die overleveringen hebben opgeteekend.

ocr page 80

YIL

(|F|r|iFbFni|.

Zoowol in godsdienstzaken als in wetenschappen moet men trachten steeds aan de oudste bronnen te putton, do vroegste tijden ondervragen en bij hen te rade gaan, om zoodoende oenen wondervol gesponnen draad te volgen, dien wij bij nauwkeurige betrachting steeds schooner on glanzonder vinden.

Volgens de bestaande overleveringen vinden wij bij alle volken hot geloof aan oeno oorspronkelijke betrokking tusschon do Godheid en het menschdom; met andere woorden: allen nomen aan als eene onfeilbare waarheid oenen geopenbaardon godsdienst. Dit moeten wij ook bewaarheid vinden in de oudste geschiedenissen, en zelfs moosten deze ons kunnen inlichten omtrent hot tijdstip der openbaring.

Wanneer men evenwel het veld der oude geschiedenis betreedt om oen nauwkeurig onderzoek in te stollen, dan vindt men alras dat deze omtrent die oudste tijden bij de moeste volken ontbreekt, bij anderen daarentegen eerst in latere tijden is saamgesteld uit brokstukken der oudo overlevering, terwijl nergens eene vastere zekerheid te putten is dan in de geschiedenis van Mozes, die, hoewel ten opzichte van haar eerste gedeelte wel is waar op de traditie berustende, toch als eene onomstootelijke waarheid vaststaat en door geen wetenschap uit haar bolwerk kan verdreven worden, omdat zij ten anderen ook berust op de goddelijke ingeving.

WESTERSCHE GESCHIEDENIS.

Zooals wij reeds onder de verhandeling der ethnographie

ocr page 81

85

gezien hebben, scheon het in Gods beschikking te liggen dat het semitiseh volk de geschiedenis der eerste tijden moest bewaren, omdat dit volk hiertoe het meest geschikt was; ook vestigde dat volk zijn woonstede liet dichtste nabij de bakermat van het inenschdom, terwijl de indo-europeesche familie door aanhoudende volksverhuizingen naar verre gewesten de wereld bevolkte. Het wondere ons daarom niet dat die takken dezer laatste familie die van uit het oosten bijna onafgebroken naar het westen stroomden, de eene stam den anderen verdringende, geene geschiedkundige feiten opschreven en bewaarden. Wel zien wij dat dit volk, dat door vele omstandigheden den dienst van den eenen waren God verlaten had, zich weldra met zijnen dieper doordringenden geest, dien God aan hetzelve gegeven had, in bosschen vereenigde om zijne zoogenaamde geheimen to vieren onder zoogenaamd heilig geboomte, terwijl hunne priesters in het runenschrift ingewijd, die vermeende godsdiensten in een geheimzinnig donker inkleedden.

„Wanneer wij de geschiedenis der westersche volken nagaan, zegt Cuvier, dan vinden wij dat zij niet verder reikt dan tot over drie duizend jaren. Van wat slechts een paar eeuwen vroeger voorviel, kunnen wij ternauwernood iets met eenige waarschijnlijkheid aannemen. Het Noorden van Europa heeft geene geschiedenis dan sedert den tijd van de bekeering tot het Christendom; Spanje, Gallic en Engeland kan niets zekers opleveren vóór de Romeinsche overheersching; zelfs de geschiedenis van Italië voor de stichting van Rome, 753 (?) v. Chr. is tot heden bijna onbekend. Omtrent een groot gedeelte van Azië hebben wij niets dan eenige zich tegensprekende brokstukken, en deze zelfs gaan niet verder terug dan vijf en twintig eeuwen.quot;

Daar wij hier toch reeds melding gemaakt hebben van Azië, zullen wij er in eenen adem een paar woordjes aan bijvoegen.

De zoo hoog geroemde vader der geschiedenis, Herodotus is niet ouder dan twee duizend drie honderd jaren 484—408 v. Chr. Daar ik echter om groote reden niet tot de aanbidders van Herodotus behoor, zal ik hem aan het einde der verlian-

ocr page 82

86

deling over de Oostersche geschiedenis zijnen wel verdienden ruiker aanbieden. — De oudste gescliiedsclirijvers, bij welke Herodotus kon te rade gaan als Cadmus, Phérécyde, Aristaeus enz. waren hem op zijn hoogst een paar eeuwen voorafgegaan. Daar ons echter van deze, vooral van Aristaeus eenige fragmenten zijn overgebleven, welke te dwaas en te onzinnig zijn om te lezen, zoo verliezen deze alle geschiedkundige waarde.

Nog verder teruggaande vinden wij slechts dichters, en de oudste dien wij bezitten. Homerus, dateert slechts van over twee duizend zeven of acht honderd jaren. — Homerus heeft nog al erg door de spitsroede moeten loopen, want er zijn geleerden, die zelfs aan zijn bestaan twijfelen.

Indien bij gevolg do eerste geschiedschrijvers spreken over oudere gebeurtenissen, die bij hen of bij naburige volken zouden hebben plaats gehad, dan hebben zjj deze geput uit de monde-lingsche overleveringen, hetgeen ons klaar zal blijken in het volgende over de Oostersche geschiedenis.

OOSTERSCHE GESCHIEDENIS.

MOZES.

Men zal ons opwerpen, dat ook Mozes slechts van vóór zijnen tijd opgeschreven heeft wat hij door overlevering wist. — Dit voor diegenen welke aan geene goddelijke ingeving gelooven. — Dat Mozes dus onder dit opzicht gelijk staat met de geschiedschrijvers van dien tijd.

Vooreerst, van den tijd van Mozes bestaan geene geschiedschrijvers, wijl do oudste dezer Sancbuniato bij de Phoeniciers 300 jaren na Mozes geleefd heeft, terwijl Homerus (500 jaren na Mozes) bij de Grieken, niet als geschiedschrijver in aanmerking kan komen.

Buitendien en om het voorgaande is Mozes de eenige ware bron, die de overlevering zuiver kan hebben. Laten wij in bet kort herhalen, wat wij vroeger nog eens hebben aangegeven.

Adam stierf in het jaar der wereld 930; Mathusalem is ge-

ocr page 83

87

boron in 687, dus was Mathusaleni tijdgenoot van Adam gedurende 243 jaren. Matliusalem stierf vóór den Zondvloed in 1656. jSToë is geboren in 1056; deze beiden varen dus tijd-genooten gedurende 600 jaren. Sem, de zoon van Noë, is geboren in 1558, en leefde dus tegelijk met Matliusalem 98 jaren. Koe leefde na den Zondvloed nog 350, en Sem 500 jaren. Sem stierf in 2158, Isaac werd geboren in 2108, dus beiden waren 50 jaren tijdgenooten. Isaac stierf in 2288, Levi werd geboren in 2254; dus meer dan 30 jaren leefden deze samen. Amram, kleinzoon van Levi en vader van Mozes, was tijdgenoot van Levi gedurende 28 of 35 jaren. Toen Amram 70 jaar oud was, gewon hij iSToö. Amram werd 137 jaren oud.

Hier hebben wij eene onafgebroken linie van slechts zes generaties, die de zuivere overlevering bewaard had. Het zuiver, onbetwistbaar ware dezer overlevering blijkt hieruit, dat toen zij door Mozes was te boek gesteld en aan zijn volk van twee millioen menschen werd voorgelezen, terstond zonder opmerking werd goedgekeurd, ja zelfs als heilige oorkonde bewaard. Uit zou zeker niet gebeurd zijn indien er iets onwaars in kwam, daar al dat volk zoo goed als Mozes die overlevering kende, en ook niet bevreesd was om Mozes van onwaarheid te beschuldigen, indien het hiertoe reden had gehad; want ook zonder reden stond dit volk dikwijls tegen Mozes op, zooals wij in die geschiedenis lezen, die bet Joodsche volk nog als heilig bewaart, ofschoon meerdere plaatsen dier geschiedenis een schande werpen op die natie.

EGYPTE.

Langen tijd hebben de ongeloovigen geworsteld tegen de geschiedenis van Mozes, omdat zij beweerden dat de scheppings-tijd volgens Mozes valsch was, wijl uit andere geschiedenissen en vooral uit de Egyptische bleek, dat het menschdom veel ouder was dan de H. Schrift aangeeft. Volney zelf meende te kunnen aantoonen dat de priesterkaste in Egypte 13.300 voor Christus reeds hoog in bloei stond, en dien tijd noemde bij liet

ocr page 84

88

tweede tijdperk der geschiedenis van Egypte. Maar een degelijker studie en latere bevindingen hebben uitgemaakt dat de dynastiën in Egypte niet opvolgende maar gelijktijdige waren. Zelfs is het niet eens zeker of die oudste dynastiën bestaan hebben, van welke de quasi-geleerden met zooveel ophef gewag maakten. Immers do eerste schrijver die van de dertig Egyptische dynastiën schreef, was Manetho (1240 na Mozes) die de hoofden dier dynastiën allen goden en half-goden noemt en die vele duizende jaren over Egypte zouden geregeerd hebben. Uit dezen Egyptischen schrijver hebben alle tegenstanders van Mozes hunnen onzin geput.

Vroeger reeds werd onder geschiedkundig opzicht alle gezag ontzegd aan Manetho door Josephus, Eusebius, Gregorius, Syn-cellus, Petavius, Jacobus Capellus, Herman Conring, enz.

Wij zullen niet al de knappe en geleerde mannen aanhalen, die door onafgebroken studie en ijver bewezen hebben, dat de Egyptische geschiedenis volmaakt in overeenstemming is met hot Mozaïsche verhaal. Laten wij slechts een uittreksel geven uit het beroemde werk van Champollion van Figeac.

„Memand, zegt hij, kan aan de Egyptische geschiedenis eenen verderen ouderdom toewijzen dan 2200 jaren voor Christus. Dit is zeker een hoogen ouderdom, maar hij bewijst niets tegen de heilige overlevering: ja ik durf zeggen dat hij deze zelfs bevestigt. Werkelijk komt de Egyptische geschiedenis nog wonderbaar met de H. Schrift overeen, wanneer men de door de Egyptische monumenten gegevene chronologie en volgrij der koningen aanneemt. Zoo b. v. kwam Abraham naar Egypte tegen 1900, namelijk onder de herdersvorsten.quot;

De herdersvorsten, genaamd Hiksjoos, waren ingedrongen vreemdelingen.

„Welnu —■ aldus Champollion — de koningen van Egyptische afkomst lieten niet toe, dat vreemden in hun land kwamen; insgelijks werd Joseph onder eenen herderskoning minister in Egypte, en wijst zijne broeders aldaar land toe, iets wat onder eenen koning van Egyptische afkomst noch kon noch mocht. Het hoofd der dynastie der Diospolitanen, welke men de achttiende

ocr page 85

89

wil noemen, was de rex novus, qui ignorabat Joseph uit de II. Sclirift, welke koning als zijnde van Egyptische afkomst, Joseph niet durfde aanerkennen, omdat hij minister was van een ingedrongen koning. Die rex novus bracht de Hebreërs in slavernij, welke zoolang duurde als deze (vermeende achttiende) dynastie. Mozes bevrijdde de Hebreërs onder Ramses V, genaamd Amenophis in het begin van het vijftiende jaarhonderd (v. Chr.) Dit geschiedde toen Sesostris nog jong was, die onmiddellijk zijnen vader opvolgde, en zijne veroveringen in Azië voortzette, terwijl Mozes en Israël 40 jaren in de woestijn omtrokken. Besloegen wordt in de II. Schrift over dezen veroveraar niet gesproken. Alle andere koningen die in den Bijbel worden gevonden, vindt men terug op de gedenkteekenen in dezelfde rij van opvolging en juist in denzelfden tijd, waarin de gewijde boeken hen plaatsen. Ik moet zelfs hier bijvoegen dat de Bijbel hunne ware namen beter schrijft dan de Grieksche geschiedschrijvers gedaan hebben. Nu zou ik wel willen weten, wat diegenen zouden antwoorden, die met boos opzet beweerd hebben, dat de studiën over Egypte daarop zouden uitloopen dat zij de oorkonden des Bijbels zouden te niet doen. Deze zijn door mijne ontdekkingen meer en meer vastgesteld.....quot;

De naam Champollion is de beste waarborg voor het voorgaande. Maar wij vinden nog vele geleerden die de Egyptische chronologie uit de monumenten hebben afgeleid o. a. Seyffart, Lepsius, Bunsen, Böckh, enz., die allen verklaren dat de zoogenaamde overoude Egyptische geschiedenis van Manetho niets dan een mooi verzonnen fabel is, en dat men niets hoegenaamd zeker en waar er in heeft dan daar waar de geschiedenis der Joden zich mengt in die van Egypte, onder de zoogenaamde achttiende dynastie.

Behalve door de genoemden wordt hetzelfde bewezen door Coquerel, dominé te Amsterdam, kardinaal Wiseman, Greppo, Bovet, Burkou, Wilkinson en prof. Rosellini.

Gelijk iedere ontdekking op het veld der wetenschap eene

ocr page 86

90

grootere toenadering is tot de waarheid van den .Bijbel, zoo ook kunnen wij door liet aangehaalde van Champollion een tekst uit do H. Schrift verklaren, welke langen tijd slecht to verklaren was. Omdat hij op de Egyptische geschiedenis betrekking heeft, zullen wij hem hier bijbrengen.

Genesis XLVI en XLVII lezen wij dat toen Joseph zijn vader en broeders aan Pharao zou voorstellen, hij er vooral op drukte, dat zij hem moesten zeggen dat zij herders waren, dat hun bedrijf bestond in veetocht, eindelijk dat zij hunne runderen en schapenkudden hadden medegebracht. — Xu lette men op do oogenschijnhjke tegenspraak: — Wanneer Pharao ii laat roepen en vraagt: Wat is uw bedrijf? dan moet gij antwoorden: Het bedrijf uwer dienaars is veetocht geweest van onze jeugd af tot nu toe en van vader op zoon, opdat hij u in het land Gessen late wonen; want de Egypt Oir s verafschuwen alle herders.

Wanneer de herders voor de Egyptenaars een gruwel waren, waarom moesten dan de broeders van Joseph bekennen dat zij herders waren? Dit kwam omdat toenmaals het grootste deel van dit koninkrijk onderworpen was aan de ingedrongen veroveraars de Hiksjoos of herderskoningen, een vreemde regeering waarschijnlijk van Scytischen oorsprong. Zjj waren dus wel gehaat door de Egyptenaars, maar des te meer in aanzien bij de regeering, bij don koning, die van eenzelfde volk voortkwam.

Korte jaren daarna werd de dynastie der Hiksjoos verdreven door Amosis, die op de Egyptische gedenkteekenen voorkomt onder den naam van Amenophtiph, dio do zoogenaamde achttiende dynastie daarstolde, die der üiospolitanen, en die omdat hij een Egyptenaar was, ook weer de vreemdelingen en de herders haatte, en daarom Joseph niet aanerkende.

Wij willen hier nog een kort woord zeggen omtrent eene andere vermeende moeiehjkheid der H. Schrift.

Alle geschiedschrijvers spreken van Sesostris als een machtige veroveraar, welke van uit Egypte trok langs do kusten van

ocr page 87

91

Palestina en vele volkeren onderwierp. Hierbij maakt de Schriftuur met geen enkel woord gewag van dien grooten inval welke over het land ging dat de Israelieten bewoonden. Omdat alzoo hier eone leemte zou bestaan in de H. Schrift, zou zij minder geloofwaardig zijn. Langen tijd toch meende men dat Sethos de Egyptier bij Manetlio dezelfde was als Sesostris bij Herodotus.

Rosellini nu heeft bewezen, dat de groote veroveraar Ramses Sethos de Egyptier een geheel verschillende persoon is dan Ramses Sesostris of Sesoosis bij Herodotus of Diodorus, en dat Sethos do veroveraar was in dien grooten veldtocht, alsmede de stichter der zoogenaamde negentiende dynastie. Dewijl de Israëlieten Egypte verlaten hadden kort voor het einde der achttiende dynastie, volgt, dat die veroveringen plaats hadden gedurende den 40-jarigen tocht der Israëlieten door de woestijn, op deze dus geen betrekking had en bij gevolg zonder melding in do H. Schrift wordt gelaten.

Ton slotte een derde vermeende moeieljjkheid, opgelost dooide wetenschap.

Bjj Ezechiel XXIX 19—21 en bij Jeremias XLIY 30 lezen wij dat God Pharao en zijn land aan Nabuchodonosor schenkt, en er zal geen vorst meer zijn uit het land van Egypte. Xa dier. tijd echter vinden wij bij Herodotus en Diodorus als koning van Egypte genoemd Amasis.

Wilkinson hoeft deze moeielijkheid opgelost door het ontcijferen der inschriften op gedenkteekenen. Op deze komt Amasis nooit voor mot den titel dezer Egyptische waardigheid, maar hij draagt den semitischen titel Melek, hetwelk aantoont dat hij voor eenen vreemden heer regeerde.

Twee bijkomende omstandigheden maken dit duidelijk: 1°.) Diodorus verhaalt ons dat Amasis van geringe geboorte was, dus kon hij geen erfgenaam eens konings zijn; 2°.) een zoon van Amasis schijnt over Egypte geregeerd te hebben onder Darius, want hij draagt denzelfden titel. Nu was gedurende de

ocr page 88

92

Perzische overheersching tocli zeker geen inlandsch koning, want ook de gedenkteekenen dragen de namen der Perzische monarchen. Hieruit blijkt dat het opschrift te Kosseir: „De Melek van Opper- en Neder-Egyptequot; beteekent de vice-koning, de onder-koning.

IND1Ë.

Ofschoon de liooge oudheid, die de ongeloovigen aan de geschiedenis der Hindoes willen geven, reeds lang door beroemde mannen weerlegd is, blijven toch nog velen halsstarrig die oudheid volhouden, ja durven ze zelfs leeraren. Om hunne valsche stelling te kunnen volhouden, beweren zij dat de vroegste beschaving uit Inclië komt en van daaruit haar licht over de wereld verbreid heeft.

Wij zullen hunne vergelijkende uitleggingen niet nagaan, maar ons bepalen bij de onweerlegbare bewijzen van groote geleerden, waaruit blijkt dat daarin niet het geringste te vinden is, tegen het Mozaïsch scheppingsverhaal, maar dat een grondig onderzoek dit laatste meer en meer bevestigt.

Zien wij vooreerst de weerlegging van Ritter, beroemd aardrijkskundige.

„Gelijk alle sanskritische geleerden is Ritter de meening toegedaan, dat de Indiërs die naar alleu schijn nooit een volk daargesteld hebben of eenen staat, in hunne verhalen die voor historisch gehouden worden, bijna geen samenhang noch overeenkomst hebben. Volgens Johnes, Colebrocke en anderen die zeer goed in de sanskritische talen thuis zijn, hebben de Indiërs geene geschiedenis; men wanhoopt zelfs om met behulp der gedenkteekenen en soortgelijke middelen, iets aan het daglicht te brengen omtrent den oorsprong hunner religieuze en politieke instellingen.

„Ook moet men bemerken, zegt Ritter, dat geene letterkunde een zoo groot getal werken aanwijst welke men eene verbazende

ocr page 89

93

oudheid toeschrijft als de indische letterkunde, hetgeen bizonder moet worden toegeschreven aan de onwetendheid en zelfs aan de verachting der geschiedenis. Bedrog en misleiding voeren er eenen hoogen toon. Het is niet moeilijk vervalschingen en inlasschingen te vinden in de Védas, het oudste hunner werken; de onsamenhangende vorm van dit hoek wekt ieder oogenhlik den twijfel op, gelijk de Humboldt opmerkt, omdat het bij de Hindoes regel is de Védas niet in een volume samen te binden, maar ze slechts in afzonderlijke bladen te bewaren. Men begrijpt dan hoe gemakkelijk het is, altijd bij dergelijke verzameling iets bij te voegen, of er datgene uit weg te nemen wat eenen tijd zou kunnen aanwijzen waarin de schrijvers de verschillende deelen hebben geschreven; want men moet weten dat de Védas door verschillende schrijvers zijn opgesteld, daar zij bestaan uit gebeden, geboden en dogmen die onderling niet in het minste verband staan. Ten bewijze hiervoor dient dat de verschillende deelen der Védas vereenigd zijn ïooals het heet door Dwapajama, wat beteekent verzamelaar, een verzonnen persoon, aan wien men tallooze werken toeschrijft. En de Védas zelve ontkennen het gezag dat men hun wil geven om de hooge oudheid der Hindces te staven. Want de verschillende deelen waaruit zij bestaan bevatten volzinnen, waarin de Védas zich als bestaande veronderstellen. Dit is stellig een bewijs dat zij vervalscht zijn; en daarom kunnen zij niet meer als van groot gezag ingeroepen worden voor de hooge oudheid der Hindoes en hunne beschaving. Wat meer is, indien men aanneemt en terecht, dat de dramatische kunst der volken als het meesterstuk hunner dichtkunst genomen wordt, en dat men hierin den graad van volmaaktheid wil stellen, dan moet men zeggen dat deze kunst bij de Hindoes minstens drie tot vier eeuwen later dagteekent dan bij de Grieken.quot;

Na vervolgens aangetoond te hebben dat eene overeenkomst in gebruiken, godsdienst enz. met de Egyptenaars, Phoeniciers, Chineezen en Grieken niets bewijst voor hoogere oudheid der Hindoes, omdat de Hindoes deze evengoed van de anderen kunnen overgenomen hebben alsook omgekeerd, besluit Ritter:

ocr page 90

94

„Het is dus niet waar, dat de andere volken der aarde hunne beschaving ontleenen aan de Hindoes.quot;

Een bladzijde over de Hindoes, genomen uit Cuvier. Na uiteengezet te hebben wat de geschiedenis kan worden bij een volk, waarbij een erfelijke kaste of stam in hot bizonder belast is met het bewaren van den godsdienst, de wetten en wetenschappen, zegt Cuvier:

„De waarheid is dat deze bij de Indiërs in 't geheel niet bestaat. In het ontelbaar getal boeken over mystieke godgeleerdheid en duistere métaphysica der Brahmanen, is niets wat ons tot leiddraad kan dienen om geregeld den oorsprong van hun volk of de veranderde toestanden van hunne maatschappij op te sporen; zelfs beweren zij dat hun godsdienst hun verbiedt de gedachtenis te bewaren van hetgeen gebeurt in den tegen-woordigen tijd, den tijd van ongeluk.

„Na de Védas, eerste zoogenaamde geopenbaarde werken met hunne grondbeginselen van het geheele geloof der Hindoes, begint de letterkunde van dit volk evenals die der Grieken met twee groote heldendichten, de Ramaïan en de Mahabarat, oneindig onnatuurlijker in wonderdaden dan de Ilias en de Odysséa, ofschoon daarin sporen voorkomen van eene méta-physische leer, genaamd sublime. De andere gedichten die met die twee eersten het groote geheel der Pouranas uitmaken, zijn slechts legenden en op maat gezette romans, op verschillende tjjden geschreven door onderscheidene personen, evenzoo buitensporig verdicht als de beide grooten. In eenige dezer geschriften heeft men feiten en namen meenen te ontdekken eenigszins overeenkomend met die van welke de Grieken en Latijnen gesproken hebben, en hierop steunende heeft Wilfort beproefd uit deze Pouranas eenige overeenkomst te trekken met onze oude Westersche chronologie (tijdleer); maar hierin vindt men niets dan veronderstellingen, terwijl daarenboven geen enkel datum uit de Pouranas zelve stemt.

„De koningslijsten welke de pondits of indische geleerden

ocr page 91

95

volgons doze Ponranas samengesteld hebben, zijn naamlijsten zonder meer, of met eenige ongerijmde bizonderheden. Deze lijsten komen ook in lange niet overeen, geen enkel daarvan veronderstelt een geschiedenis, registers of titels. „Een dezer pondits, zegt quot;Wilfort, in wien ik het grootste vertrouwen meende te kunnen stellen, vond geen erg er in om plaatsen uit zijn heilige boeken te strijken of te veranderen, en toen deze met anderen zouden vergeleken worden, maakte hij een massa van verzen die hij inschoof om eene ontdekking te voorkomen. En toen ik ook dit ontdekte, gaf hij mij ton antwoord, dat dit van oudsher altijd zoo gebruikelijk was.quot; Hetzelfde kan gezegd worden van de lijsten opgemaakt door Abon-Fazel, die overigens slechts 3200 jaren kunnen aanwijzen, van welke er nog 1200 ingenomen worden door vorsten, van welke geen regeeringsduur is aan te wijzen.

„De tijdrekening, zegt de onderzoeker Bently, volgens welke de Indiërs heden hunne jaren tellen, en die 57 jaren voor J. Chr. begint, en den naam draagt van eenen vorst Vicrama-ditjia of Bickermadjit, is slechts een goedvinden; want volgens de synchronismen (gelijktijdigheid) toegewezen aan Vicramaditjia vindt men minstens drie, en misschien zeven ja zelfs negen vorsten van dien naam, die allen oorlog gevoerd hebben met eenen vorst Soliwahanna; daarenboven weet men nog niet eens juist of dit jaar 57 v. Chr. het jaar is der geboorte, der regeering of van den dood van Vicramaditjia, wiens naam het draagt.

„De geloofwaardigste boeken der Indiërs toonen door innerlijke en zeer opvallende kenmerken, dat dit volk zoo oud niet is als het zelf voorgeeft. Hunne Vedas of heilige boeken, volgens hen geopenbaard door Brama zeiven in het begin der wereld, en te boek gesteld door Viasa of Vjasa — hetgeen beteekent verzamelaar — in het begin der Christelijke tijdrekening volgens eenen aangehechten dagwijzer met zijne getijscheiders, kunnen niet verder opklimmen dan 3200 jaren, ongeveer den tijd van Mozes.

„Diegenen eindelijk, die Mégasthénes willen gelooven (en waarom niet?) dat in zijnen tijd de Indiërs geen schrijven kenden;

ocr page 92

96

die dan denken dat geen der ouden melding maken van die verheven tempels cn onmetelijke pagoden, de merkwaardigste gedenkteekenen van den godsdienst der Bramanen; die inzien dat hunne astronomische teekeningen slecht berekend zijn, en dat hunne astromische verhandelingen modern en met oude datums vervalscht zijn, deze allen kunnen geheel zeker nog vele jaren afdingen op die 3200.quot;

Met de twee vorige wederleggingen der duizende jaren van de Hindoes stellen wij ons nog niet tevreden; wij zullen de bevindingen nagaan van nog andere natuuronderzoekers.

Over de bevindingen van Bentley en Wilfort hebben wij het verslag gezien in de wederlegging van Cuvier.

W. Jones schreef, toen hij zijn onderzoek begon omtrent de oudheid der Indiërs: „Zonder eenig systeem aan te hangen, en even zoozeer bereid de Mozaïsche geschiedenis te verwerpen wanneer ik hare dwaling bevind, alsook haar te verdedigen wanneer zij op vaste zekere gronden berust, onderneem ik mij de Indische chronologie volgens de sanskritische werken.quot;

quot;Wij hebben alzoo hier niet aan een vooroordeel te denken. Tot welke bevinding nu is de geleerde Jones gekomen ? Ziet-hier zijne woorden:

Asiat. Res. II p. 145: „Hier hebben wij alzoo een ontwerp gegeven van de Indische geschiedenis over de langste tijdruimte, welke haar met mogelijkheid kan uitgemeten worden, en wij hebben opgespoord dat de stichting van het Indische rijk ongeveer 3800 jaren vóór den tegeniooordigen tijd heeft plaats gehad.quot;

Wanneer wij dit voetstoots aannemen dan bevinden wij dat het Indisch rijk dagteekent niet langer dan 2000 v. Chr., dus van den tijd van Abraham, toen volgens Genesis in Egypte reeds eene dynastie bestond en bij de Phoeniciers reeds handel en wetenschappen bloeiden.

Guigniaut I. 2. p. 585 Relig. de 1' Ant. zegt: „De tijdrekening en geschiedenis der Indiërs is in den regel zoo dichterlijk

ocr page 93

97

en geheimzinnig, als hunne geographie. De inbeeldingskracht van dat volk gaat alles te boven.quot;

Klaproth p. 412 zegt dat men geen vasten grond heeft voor de Indische chronologische geschiedenis dan in de 12de eeuw onzer tijdrekening.

Heeren heeft zeer zeker noch arbeid noch moeiten gespaard in zijne onderzoeken omtrent Indië en p. 272 schrijft hij ; „JSTa alle mogelijk onderzoek bevind ik dat de omgeving van den Ganges vele honderd jaren, misschien omtrent 2000 jaren vóór Christus, de zetelplaats van aanmerkelijke koninkrijken en bloeiende steden is geweest.quot;

Lassen Ind. Alt. I p. 499 en 749 komt na een grondig onderzoek tot het besluit, dat do Indische chronologie tusschen het 19de en 14de jaarhonderd vóór onze tijdrekening moet gezet worden. Nochtans schijnt hein 19honderd niet aanneembaar, maar volgens de geschiedenis van Kaschmir in de Puramas, die in 1182 v. Chr. moet gesteld worden, alsook volgens de stelling der coluren (getijscheiders) in de Védas, die op 1400 wijst, kan hij niet anders dan tot veertienhonderd besluiten.

Wij mogen de rij van onderzoekers niet sluiten zonder gewag te maken van het meesterlijk werk van James Tod: Ann. a. Ant. Ratschastan. Hierin vinden wij: „De twee hoofdgeslachten zijn de kinderen der Maan en der Zon (Panduiden en Kuruiden) en het verdient opmerking, dat liet aantal vorsten in beide liniën in hunne opvolging zich vrij gelijk blijft. Nemen wij nu Boedha als den hersteller der menschheid na den Vloed, wat niet onwaarschijnlijk is, daar hij de linie der kinderen van do Maan opent, dan hebben wij volgens de geslachtstabellen 55 vorsten van af Boedha tot Judischtra, en wanneer men in doorsnid genomen elke regeering 20 jaren telt, dan vinden wij eene tijdruimte van 1100 jaren. Rekenen wij nu van toen eene gelijke tijdruimte tot Wikramaditja, die 5G jaren voor Christus regeerde, dan durf ik de stichting van deze twee geslachten, die zich onderscheiden door de namen Surja (zon) en Tschandra (maan) in het eigenlijk Indië, stellen op 225G jaar vóór Chr., ter welker tijd ongeveer ook, of misschien een weinig later de

7

ocr page 94

98

Egyptische, Chineescho on Assyrische inonarcliicn volgens de gewone opgaven gesticht werden, alzoo ongeveer anderhalve eeuw na den Zondvloed.quot;

Aan de ijverige nasporingen van Tod hebben wij nog eonc belangrijke bizonderheid te verdanken. Hij toont aan dat de Hindoes zelfs de wieg hunner nationaliteit naar het westen plaatsen en waarschijnlijk naar de streek van den Kaukasus. Die stammen echter welke in dit gedeelte van Azië bleven en den naam van Scythen kregen, schijnen op verschillende tijden tot in de nieuwe volkplantingen hunner broeders doorgedrongen te zijn, en van den eenen kant den Indischen godsdienst aanmerkelijk te hebben veranderd, en van den anderen den oorsprong van de voortreffelijkste koningsliniën te hebben gesteld. Omstreeks 600 v. Chr. bevinden wij eenen inval van dergelijke stammen in Indië, bijna gelijktijdig met eenen dergelijken inval uit hetzelfde land in Klein-Azië, het Noorden van Europa en oostwaarts tot Bactrie, alwaar zij de Grieksche heerschappij omverwierpen. De oude Greten komen op in de Dschiten van het nieuwer Indië en breiden zich uit van het gebergte van Dschaud — van daar hunnen naam van Dschats — tot de oevers van Mekran, waar zij nog hetzelfde nomadenleven blijven voeren als vroeger in hunne noordelijke landstreken. De Asi der oudheid zijn waarschijnlijk de Aswa-stam van Indië.

Langs verschillende wegen heeft Tod zijn onderzoek voortgezet, en heeft bevonden en bewezen, dat vroeger oen samenhaug bestond tusschen de tegenwoordige bewoners van Scandinavië en do nu nog altijd in Indië heerschende stammen. Tod. p. 05—80.

CHINA.

De Hindoes stellen hunnen oorsprong eenige duizondo jaren voor Adam, maar zij worden in hunne knoeikunst nog ver overtroffen door de Chineezen, die met millioenen tellen.

ocr page 95

90

Het is waar dat China eene eigene inlieemsche litteratuur bezit, en dat deze ook zeer oud is. Daarom beweren de Chineezen dat zij liet eerste volk, het oorspronkelijk volk der wereld zijn.

Daar niemand beter dan Klaproth dit alles onderzocht heeft en zijn gezag bij vriend en vijand vaststaat, omdat hij niets gespaard heeft om het ware te ontdekken van alles wat op do Chineesche letterkunde en dit volk betrekking heeft, zoo zal ik mij vergenoegen met in weinige woorden weder te geven de ontdekking der waarheid waartoe hij gekomen is.

Klaproth, p. 40G : „De oudste geschiedschrijver der Chineezen is hun beroemde wijsgeer en zedelijk-godsdienstige hervormer Confucius (Kong-fu-tse, d. i. de eerwaardige Kong [leeraar]). Deze zou de geschiedenis van zijn land te boek hebben gesteld onder den naam Schu-king, van af' de dagen van Jao tot op zijnen tijd. Confucius leefde van 551 tot 479 v. Chr., en Jao loefde 2357 jaren voor Chr. Alzoo hebben wij zeker 1950 jaren tusschen den eersten geschiedschrijver en de eerste geschiedenis of daden die hij beschrijft. Maar hoe hoog deze ouderdom ook opklom, hij was voor de Chineezen niet genoegend en latere geschiedschrijvers hebben nog andere regeeringen vóór den tijd van Jao uitgedacht en opgesteld, en hebben aan hunne geschiedenis den eerbiedwaardigen ouderdom gegeven van tweehonderd zes en zeventig duizend jaren voor Christus.

„Om echter de vervalsching der Chineesche geschiedboeken nog beter te begrijpen, en om te kunnen oordeelen hoe weinig vertrouwen zij verdienen, diene men te weten dat do keizer Schi-Hoang-Ti, uit de dynastie Tsin, twee honderd jaar na den dood van Confucius, uit minachting voor dien wijsgeer alle exemplaren van diens werken deed vernietigen. Maar onder de volgende dynastie werd het Schu-king weder opgeschreven, waarbij een ouderling die het van buiten kende, het opzeide en dicteerde (!).

„Dit is alzoo de oorsprong der geschiedkundige wetenschap in China.quot;

Klaproth besluit: „dat het bestaan van geschiedkundige zekerheid in het hemelsch rijk niet verder reikt dan 780 v. Chr.; dus een weinig vóór de stichting van Rome (753 v. Chr.)

ocr page 96

100

Abel-Rcmusat in N. Mél. As. I. p. G1 is geneigd de geschiedenis van China tot 2200 v. Chr. on de aanneembare overlevering tot 2G37 v. Chr. terug to voeren. — Dus nog altijd zeshonderd jaren na den Zondvloed.

JAPAN.

Ofschoon wij reeds uit het vorige gezien hebben, dat niet een enkel volk eene onvervalschte opklimming tot vóór den Zondvloed kan aanwijzen, zelfs allen min of meer lange jaren na den Zondvloed eerst een begin hunner overlevering kunnen vaststellen, zoo zullen wij toch ter meerdere volkomenheid dezer verhandeling nog gewag maken van eenige Aziatische volken, wier ouderdom vroeger een twistpunt uitmaakte, en onder deze op de eerste plaats de Japaneezen.

Gelijk de Chineezen, zoo maken ook de Japaneezen aanspraak op millioenen jaren, maar bij dezen is alles min of meer copie der Chineezen. Het eerste gedeelte hunner oorkonden is niets anders dan mythologie; het tweede maakt ons bekend met de Chineesche dynastiën, die over Japan geregeerd hebben; en men kan eerst iets zekers aannemen in 660 vóór Christus, toon Dairi op den troon kwam. (Hoeren. Id. I 408).

De geleerde Windischmann in Phil. d. Weltg. I, p. 18 geeft aan Klaproth de geheele berekening toe omtrent de Chineesche geschiedenis, en toont diens overeenstemming met oenen anderen vorm van berekening die genomen is uit de in China aangenomen jaarcyclussen; en hieruit is afgeleid eene nauwkeurige overeenkomst tusschen den aangegeven tijd voor de stichting van het hemelsch rijk door Fo-hi of Pu-chi en hot begin van de Indische Kali-Juga, of ijzeren eeuw.

De wijsgeer Schlegel in Phil, der Gesch. I p. 106 houdt ook deze meening, en noemt aan dat de geschrevene Chineesche schriftteekens 4000 jaren oud moeten zijn; „dit, merkt hij op, brengt hun tot na drie of vier menschengeslachten na den Vloed terug volgens de aangenomen tijdrekening, eeu schatting die zeker niet overdreven is.quot;

ocr page 97

101

Daai' nu de Japanschc geschriften cn inschriften niets naders kunnen aanwijzen dan dat dit volk tot G60 v. Chr. onder Chineesche heerschappij stond, staat ook na de laatste onderzoeken en berekeningen vast, dat de Japanners als eigen rijk cu volk niet ouder kunnen zijn dan 6G7 v. Chr.

NOG EENIGE AZIATISCHE VOLKEN.

Klaproth heeft in zijne Mém. rel. a 1' Asie I, 389, alsook in zijne Asia Polyglotta p. 1 —18 beproefd den aanvangstijd van verschillende Aziatische volksstammen te bepalen, en hierin is hij vooral hunne eigene geschiedschrijvers gevolgd.

Met de gezamenlijke Mahomedaansche rijken was hij weldra klaar, omdat deze geene andere geschiedenis hebben dan die zij van Mozes hebben overgenomen, of uit den ecu of anderen Joodschen stam afleiden.

llyde, dc relig. vet. Pers. 312; v. Hammer, Ileidelb. Jahrb. 1823 p. 8G; Guigniaut p. 088 hebben klaar en duidelijk aangetoond dat de geschiedboeken der Perzen bijna niet verder reiken dan de Arsaciden, die in 240 v. Chr. het Perzische rijk stichtten. Door Ardschir-llabekan kwam liet rijk onder de Sassa-niden, met welke regeering eigenlijk eerst hunne geschiedenis begint. Want hunne geschiedenis vóór dien tijd bevat louter fabelen, waarin niets zekers behalve wat do Bijbel ons loert omtrent do koningen van Babylon, Assyrië, Medio, Perzië. — Zoo zijn zelfs de geleerden het nog oneens of Guschtap de tijdgenoot was van Seebuscht of Zoroaster, of wel van Ninus of eindelijk de Medische Cyaxares. Aldus Tychsen, Comment. Soc. Goetting IX, 112; Hoeren, Ideeën I. I. 440.

Niebuhr, Rawilson, Oppert enz. hebben wel eene geschiedenis aan elkander geknoopt tot ongeveer 800 vóór Chr., maar dit zijn oostersche geschiedenissen in het algemeen, waaruit nog niets pleit voor Perzië afzonderlijk, terwijl die geschiedenissen in alles op den Bijbel steunen.

Het aangehaalde geldt ook voor de Georgiërs cn Armeniërs. Dc Georgiërs stammen af van Thargamus een achterkleinzoon

ocr page 98

102

van Japliet, cn treden met Alexander den Groote in do ge-schiedenis op.

Evenzoo duister is de gescliicdenis der Armeniërs. ïfaar de volkssage licet liet dat zij afstammen van Togarma, van wien een der nakomelingen Armenak de inlandsclie gescliiedsehrijvers hunnen naam Armeniërs afleiden. Dit land heeft gestaan onder de heerschappijen van Assyrië, ^fedië en Babylonië, en werd onder Alexander den Groote met liet Perzische rijk vereenigd.

Zoo vinden wij dus hier ook geene hoogere oudheid dan 300 jaren vóór Chr.

GEVOLGTREKKING.

Wij vinden alzoo dat liet quot;Westen niets oplevert voor do geschiedenis, en wat het Oosten betreft, de bakermat van het menschdom, hier vinden wij niets wat eenigszins strijdig kan zijn met den Bijbel.

Integendeel hoe beter de geschiedenis dier landen onderzocht zal worden, hoe meer nasporingen in het werk zullen gesteld worden, des te nader komt men tot den Bijbel, des te meer zal de waarheid aan het licht komen.

Van den anderen kant verwondert het ons niet, dat aan Hooge- en Burgerscholen zoo weinig omtrent do ware bevindingen geleerd wordt, en dat men aldaar maar mordicus blijft lullen en zanikken over de duizenden en duizenden jaren oudheid van den mensch. Zoolang aan die inrichtingen alleen gestudeerd wordt om baantjes en titels in dezen materieelen tijd, zoolang neemt de hooggeleerde onwaarheden aan om zijn examen te kunnen passeeren; maar de mensch bestaat niet alleen uit hart en maag, maar heeft ook eeuen geest; en de resultaten der opsporingen en onderzoeken zullen weldra zoo schitterend zijn, dat de mensch ook mensch moet blijven en zijn hoofd bij de overweldigende bewijzen neerleggen, of wel de mensch moet het voorrecht van het dier zich willen overweldigen en beest worden; hetwelk laatste als van een leien dakje uit de huidige goddelooze leer moet voortvloeien.

ocr page 99

103

Echter heb ik nog nergens gelezen dat de ontwikkelingsmannen eene maatschappij hebben opgericht tot evangelisatie der apen, eene gevolgtrekking die toch noodzakelijk uit hunne leer moet volgen.

Ï{J ïjj

*

Aan liet einde der Oostersche Geschiedenis gekomen, mogen wij niet nalaten met een enkel woordje gewag te maken van den „hooggeroemden vader der geschiedenis, Herodotus,quot; op wien zooveel dommerikken zich iets voorstaan.

Men vorme zich over hem een oordeel uit het volgende:

Cicero L. do nat. deor. noemt hem „den vader der leugens.quot; Manetho do Egyptier, zegt Fl. Josephus L. 1 c. App, komt dikwijls hevig op tegen diens domme leugens over de geschiedenis van Egypte.

In het Univ. lex. lips. t. 12 lozen wij dat Herodotus voor oen fabulator wordt uitgemaakt door Ctesia, Strabo, Diodorus de Sicylier, Plutarchus, Josephus, Ludov. Vives, Bodines, enz. enz.

Hierbjj behoeft waarlijk niemand iets meer te voegen; Herodotus met zijn meer dan dertig dynastiëu en zijn dnizende jaren over Egypte kan het er mede doen.

ocr page 100

vin.

^fprrpfeunhp,

EGYPTE.

Hot is niet voldoende bewezen te hebben dat in de gcheele oude geschiedenis niets te vinden is in strijd mot den Bijbel, integendeel de overeenkomst hoo langer hoe meer blijkt; ook is, zooals wij gezegd hebben, op ander gebied het aantal raadsels en verzinsels legio, en wij zullen aantoonen dat de ongeloovigen ook hierin op hetzelfde standpunt uitgekomen zijn als met de geschiedenis.

Wanneer wij hier spreken van storrekunde, dan beduiden wij daarmede „astronomische monumenten.quot;

De veldtocht van Napoleon in Egypte in 1798 maakte de geleerde wereld met voel oude monumenten uit dat land bekend, en onder anderen ook met de zooveel opspraak en hoofdbreken veroorzaakt hebbende Zodiak of Dierenriem van Denderah en Esneh.

Iedereen weet wat een Zodiak of Dierenriem is; nl. een gordel aan don hemel die zich aan beide zijden van den zonneweg uitstrekt; daarin zijn gelegen do twaalf sterrebeelden. Het is ongeveer 2000 jaar geleden dat deze sterrebeelden — die men in iederen kalender vindt — met het gelijknamig teeken van de ecliptica overeenstemmen. De aanvangspunten van de teekens ram (aries) en weegschaal (libra) zijn de punten, waarin de ecliptica door den aequator des hemels wordt gesneden.

Hieruit begrijpt iedereen de beteekenis van het gezegde: De zon staat in dit of dat teekeu of sterrebeeld.

ocr page 101

105

quot;Wat is Dcnderali on Efmeh?

Dcnderah is thans een dorp in Opper-Egypte, aan den IS'ijl, beroemd door de bouwvallen van de oude stad ïentyra, met eenen goed onderhonden tempel vroeger aan de godin Hathor (Venus) toegewijd. De huidige geleerden willen met grond beweren dat de groote Hathortempel onder Cleopatra (50—40 v. Chr.) gebouwd is, met uitzondering van den voorhof.

Esneh is thans nog eene stad in Opper-Egypte met ongeveer 30.000 inwoners.

Te Denderah werden gedurende den veldtocht van Buonaparte twee dierenriemen gevonden. De eerste Zodiak is eene langwerpige schildering gevormd uit twee paralellen met afgescheiden strepen, die tusschen twee wonderlijke vrouwenfiguren omsloten zijn. Op deze strepen waren in eene binnenzijdsche onderafdeeling de Zodiakteekenen door verschillende mythologische voorstellingen verdeeld; op den buitenkant bevond zich een rij schepen, die de decane van ieder teeken aanwezen. Deze Zodiak was boven tegen eenon zuilengang des tempels geschilderd. Wiseman, p. 414.

Tot beter begrip diene het volgende: De Egyptische Zodiak is vooreerst in drie hoofddeelen (Camephi) verdeeld, dan in do twaalf teekenon, en eindelijk in de zes en dertig decanen, drie voor ieder teeken. Boven elk dezer teekenen is eene godheid geplaatst, en deze heerscht ook over een bepaald gedeelte van Egypte; overigens was geheel Egypte ingedeeld, naar het voorbeeld van dien dierenriem in drie rijken (opper- en noder-Egypte en Thobaïs of Nubiö), twaalf provinciën en zes en dertig romen (ptos).

De tweede dierenriem van Denderah is eigenlijk oen platte hemelkaart en is kringvormig; hij werd uit eene bovenkamer van denzelfden tempel genomen en door Saulnier en Lelorrain naar Frankrijk gebracht.

Ook te Esneh werden twee Zodiaken gevonden, één in don grooten en één in don kleinen tempel. Deze twee met den rochthoekigen Zodiak van Denderah zullen hier besproken worden ; de kringvormige, even aangehaald, valt onder het oordeel van den viorhookigen.

ocr page 102

10«

Niet zoodra waren de teokeningen en afbeeldingen van deze gedenkstukken verschenen of Europa en vooral Frankrijk wemelde van verhandelingen die hunnen ouderdom bespraken. In het algemeen werd als eene uitgemaakte zaak aangenomen, dat zij den stand dor hemellichamen aangaven van den tijd toen zij ontworpen en de gebouwen waarin zij prijkten, opgericht waren. Eenigen ontdekten erin het punt, waarin de coluren of getij schelders van de zonnestandspunten de ecliptica te dien tijde sneden, en namen aan dat de zonnestilstand te Dendcrah in Leo is, dus twee teekons minder terug dan heden, waarom zij met Burckhardt aan den groeten dierenriem van Esnoh den verbazonden ouderdom van 7000 jaren, en aan dien van Denderah van 4000 jaren toekenden, terwijl Dupuis op dezelfde gegevens afgaande, den laats ton 35(32 jaren toeschreef. — Anderen meenden, dat zij den stand der hemellichamen bij don aanvang van eene sothische periode of tijdkring aangaven en stelden met W. Drummond (p. 141) den ouderdom van dien van Denderah op 1322, en die van den groeten tempel van Esneh op 2800 jaren vóór onze tijdrekening. — Een derde klasse van rekenaars meende daarin den heliaksen opgang van Sirius in zekere periode te zien, en kwamen met Fourier tot de gevolgtrekking dat do Zodiak van Esneh 2500 en die van Denderah 2000 jaren voor Christus ontworpen waren; of met Nonet dat de laatstgenoemde 2500, en de grootste van Esneh 4600 voor Chr. geteekend werden. (De Egyptische periode van Sirius was 1461 jaren). Verdere aanhalingen dier berekeningen zijn overbodig, het is alles dezelfde wirwar en dwaling.

Het duurde echter niet lang of er ontstond bij zekere onderzoekers het vermoeden, dat men den ouderdom dier gedenkstukken niet op astronomischen maar op archeologischen grond moest navorschen. Testa en Visconti, beide geleerde en knappe mannen op oudheidkundig gebied stelden dit het eerst voorop.

Visconti, II. 567 enz. bemerkte vooral, dat ofschoon do tempel yan Denderah den stempel droeg der Egyptische bouworde.

ocr page 103

107

hij toch verscheidene kenteekenen bezat die niet ouder konden zijn dan de regeering der Ptolemaeën, en dat Grieksche iu-schrifton erop betrekking hebben op een en keizer, die volgens zijne meening, Augustus of Tiberius zijn moest. Maar meer dan twintig jaren zag men deze meening over het hoofd, en men bleef bjj astronomische berekeningen. Bankes stelde gedurende zijn bezoek in Egypte een bizonder onderzoek naar die tempels in, en deelde in eenen brief aan David Eailly zijn grondig vermoeden mede, dat deze tempels niet ouder konden zjjn dan van onder de regeering van Hxdrianus en Antoninus L'ius (ürummoncl's mem. p. 56). Hij doet de bemerking, dat terwijl de kapiteelen der oudste zuilen van Thebe eenen eenvoudigen klokkenvorm hebben, en op veelhoekige of uitgekeelde schachten rusten, die van Esneh en Denderah daarentegen rijk met loofwerk en vruchten versierd zijn. Wat nog meer zegt is, dat de hieroglyphen op de zuilen niet Egyptisch zijn, want Bankes vond een opschrift dat aangaf dat zij onder do regeering van Antoninus zijn aangebracht.

Het was echter Letronne die de archeologische bewijzen onthulde waaruit bleek, dat deze monumenten van jongeren datum waren. Hij koos partij van alles wat hem maar op de hoogte kon helpen omtrent hunne bouworde en de zich bevindende opschriften. Huyot en Gau leverden hem alles wat hij noodig had voor hunnen bouwstijl, en reeds uit de aangebrachte verfstoffen bewezen zij duidelijk dat liet voorhof van den kleinen tempel van Esneh, waarin de dierenriem geschilderd was, niet ouder was dan de tempel zelf. Die twee mannen namen een copie van een opschrift van eene tempelzuil, waarop aangegeven stond, dat twee Egyptenaars deze schilderingen hadden laten uitvoeren in het tiende jaar van Antoninus, dus 147 na Christus. Zoo slonk eensklaps door grondig onderzoek de ouderdom van den kleinen Zodiak van Esneh, en de twee- tot drie duizend jaren vóór Christus, die men hem zoo graag had aangewezen, kSnden voor goed van zijn voetstuk verdwijnen. Men had nu den wagen op effen pad en de tempel van Denderah moest onvermijdelijk mede. Toen men daarin eens alles goed op dou

ocr page 104

108

koper begon te betrachten, vond men nog veel, waaraan men vroeger niet gedacht had, en o. a. ook een Grieksch opschrift op een zuilengewelf, dat aangaf, dat de tempel gebouwd was ter eere (tot welzijn) van Tiberius. — Dit alles kan men breedvoeriger lezen in W. Drummond's „memoirquot; p. 56, 57 en bij Letronnc, rech. etc. p. 456.

Het ijs was ter nauwernood door Letronne gebroken, of daar heeft Champollion den sleutel gevonden van liet Hieroglyphen-alphabet, waardoor de navorschingen van Letronne met den stempel der volle waarheid bezegeld werden. In het voorportaal van don tempel van Denderah las ook hij de hieroglyphische opschrifcen van Tiberius. (Lettre a Letr. p. 111.) Op de kringvormige platte hemelkaart van denzelfden tempel ontcijferde hij de letters A O T K R T K, of voluit geschreven het woord „Autokratoorquot; de titel, die Nero draagt op de Egyptische munten.

Dan was het de beurt aan den grooten tempel van Esneh, maar dit liep met evenmin moeite van stapel. Toon Champollion in 1826 te Napels was, ontving hij van Will. Geil eene zuivere teekening van dezen dierenriem van Esneii; deze teekening was gemaakt door Wilkinson en Cooper; weldra ontcijferde hij, dat dit monument niet volgens het vermoeden onder de regeering van eenen Egyptischen Pharao met eenen barbaarschen naam, maar onder den Romeinschen keizer Commodus was opgericht, (Bull. univ. VI) nadat hij reeds vroeger klaar als de zon had aangetoond dat het beeldhouwwerk was uitgevoerd onder de regeering van Claudius.

Daar stond nu al het geleerd volkje te kijken, en met allo mogelijkheid was aan Champollion's beweren geen afbreuk te doen. De stoutsten deden of zij van die uitspraak niets afwisten on leerden hunne duizende jaren met verkropte woede door. Zoudt gij denken!

Kortelings was ik op reis en toevallig trof ik een student van een onzer hooge scholen. Het was een bevallig jonkman, met wien ik in een aangenaam gesprek den tijd en de reis kortte. Hoe die dierenriemen in ons gesprek over monumenten aangehaald werden weet ik niet meer; 't is genoeg, zij kwamen

ocr page 105

109

ter sprake, en..... ik moest vernemen, dat deze met hunnen

schrikwekkenden ouderdom nog altijd bij ons te lande geleerd worden, en zelfs met de haren er bij gesleept, als een staart dienen aan Darwin's theorie der ontwikkeling. Dat reeds voor 1830 klaar en duidelijk was bewezen dat die astronomische monumenten nu nog twee duizend jaar oud zijn, daar had men nog nooit van gehoord. Knappe lui, professors en studenten! Dit nu per transellum.

Zooveel opoffering en studie als een onnut te grabbel gooien ging niet aan; en andere geleerden, die wat meer verstand meenden te hebben, maakten de volgende opmerking: Goed, wij geven toe dat het onweerlegbaar bewezen is dat de tempels mat hunne zodiaken van den gevonden jongen datum zijn, maar dan moeten de zodiaken naar zeer oude exemplaren zijn nagemaakt. „Zoo blijf ik nog beweren, zei W. Drummond II, 227 op zijnen ouden dag, dat het oorspronkelijk ontwerp van den ronden dierenriem van Dendera minstens van over zevenhonderd jaar vóór onze tijdrekening dateert.quot;

Om geen dubbele wederlegging te moeten maken, zal het antwoord gevonden worden in de oplossing van het volgende.

Bij zijnen terugkeer uit Egypte bracht de koene reiziger Oaillaud behalve verschillende zeldzame zaken eene in Thebe ontdekte Mumie mede, welke opmerkenswaardig was door verschillende bizondorheden, waarvan twee van belang waren. Eerstens een grieksch opschrift dat veel geleden had, en tweedons een zodiak of dierenriem, die zuiver overeenkwam met dien van Denderah. (Voy. a Méroé II. pl. 71).

Terstond begon Letronne een grondig onderzoek en (p. 30) hot resultaat was, dat hot de mumie was van Petemenon, de zoon van Soter en Cleopatra, die stierf in den ouderdom van 21 jaren, 4 maanden en 22 dagen, in het negentiende jaar van Trajanus, den achtsten Payni, dus den 2ckquot; Juni 11G na Christus.

De dierenriem nu waarvan sprake, en die zich bevond op den binnenkant van het omhulsel der Mumie, gelijkt onder alle

ocr page 106

110

opzichten dien van Denderah. Gelijk deze bevat ook gene eene wanstaltige vrouwenfiguur die hare heide armen uitgestrekt heeft, en bevat de twee paralelstrepen juist gelijk in den Zodiak van Denderah. Ook de in een schuit liggende koe die Isis of Sirius verbeeldt, ontbreekt niet. Eene zaak echter is kenmerkend aan dezen dierenriem, nl. liet teeken van den steenbok (Capri-cornus) is van zijne plaats weggenomen en op eene afzonderlijke plaats boven het hoofd der figuur gezet, waar het schijnt te heerschen (p. 49). Alleen dit reeds, dat een dierenriem afgebeeld is op het omhulsel van een mummie, moet tot het gedacht voeren, dat die Zodiak betrekking had op het balsemen van het lijk en dus veeleer astrologisch (sterrewichelarij) dan astronomisch (sterrekundig) is. Hieruit valt terstond af te leiden dat dit afgescheiden hemelsteeken datgene beteekent waaronder de persoon geboren is, welker levensloop het dan ook beheerschen moet. Omdat de ouderdom en het jaar met datum van het afsterven van Petemenon bekend is, zoo is het niet moeielijk dit te bewijzen. Hij is op 12 Januari 05 na Chr. geboren. Dan staat de zon bijna voor tweederde in den steenbok. Nomen wij in plaats van het toeken het sterrebecld, dan komen wij op dezelfde bevinding, want volgens de tabellen van Delambre moest de zon op 12 Januari zich in den zestienden graad van het teeken bevinden. Hieruit blijkt ten volle dat die dierenriem het geboortejaar van Petemenon aanduidde; en de volledige overeenkomst moet ons dus tot hetzelfde besluit voeren omtrent dien van Denderah, die dus ook voor astrologisch moet gehouden worden; waartoe nog vooral aanleiding geeft het aanwezig zijn der decanen, die door Visconti als dusdanig erkend en door Champollion werkelijk werden bewezen.

Deze uitkomst was voor Letronne nog niet genoegend, bij vond ze nog niet juist genoeg en daarom stelde hjj een breedvoerig onderzoek in over de sterrewichelarjj der Ouden. Hij ging ze na van af haren oorsprong in Egypte, hoe zij in Griekenland en Rome kwam, en na hier tot haar toppunt van bloei te zijn gekomen, weder naar haar moederland terugkeerde. En ongeveer omtrent dit laatste tijdperk der sterrewiehelarij werden

ocr page 107

Ill

de beroemde (?) zodiaken ontworpen. Daaromtrent werden verhandelingen geschreven door Manilius onder de regeering van Augustus, door Vettius Valens onder die van Marcus Aurelius. Hoezeer de sterrewichelarij in zwang was, zien wij behalve uit hare verhandelingen, op de munten en afbeeldsels in Egypte onder de regeering van Trajanus, Hadrianus en Antoninus (A. v. p. 70—92). Het was ook in dezen tijd dat de astrologische secten ontstonden, de Gnostiken, de Ophiten en de Basilidianer, welker Abraxas (steenen mot zinnebeeldige voorstellingen) met hunne verscheidene astrologische samenstellingen door eeuige uitleggers van den dierenriem in allen ernst als gedenkteekenen beschouwd werden uit 38G3 vóór Christus (!).

Lepsius, Leipz. Rep. II, I, 10 die aanneemt dat de plaatsen der planeten door de teokonon van don dierenriem bepaald aangegeven zijn, komt na zijn onderzoek tot de gevolgtrekking dat de ronde Zodiak van Denderah tusschen 23 en 22 voor Chr. gemaakt is. Seyffarth echter die niet naar do teekons maar volgons de sterrebeelden rekent, wijst dezen Zodiak de constellatie aan 11 Februari 37 na Christus.

Sedert dien is hot gedaan met de trago-comedie van dien ante-diluviaanschen dierenriem, dien men wegens de ontelbare nieuwsgierigen te Parijs in eene afzonderlijke kamer moest wegsluiten.

Daar echter die comedio, zooals ik straks zeide, nog steeds op de leerstoelen der scholen afgespeeld wordt, zoo mag do opmerking gemaakt worden, dat het denkend maar ongeloovig deel der natie veel knapper— zich noemt dan Lalande, Visconti, Paravoy, Delambre, Testa, Biot, Letronne en Champollion enz. mannen die na grondige eigen studie en onderzoek bewezen, dat die antediluviaansche pronkstukken dagteekenen van hot begin onzer jaartelling.

HINDOES.

Omstreeks het midden der laatste helft van de vorige eeuw werden ook in Indië astronomische ontdekkingen gedaan, en deze vonden alras oenen patroon in Bailly. Deze man, die onder

ocr page 108

112

de fransche revolutie als maire van Parijs en voorzitter der nationalen eene groote rol gespeeld heeft, werd onder liet schrikbewind onthalsd. Gedurende zijn leven stond hij bij oppervlakkige menscheu nog al in roep van geleerdheid en zijn afgod was de patriarch van Ferney, wiens beruchten troon hij benijdde. Van dezen had hij reeds den tact gekregen om met de diepzinnigste zaken op de lichtzinnigste wijs om te springen, en de Indische ontdekkingen waren hem een aangename gast om als voetbankje te dienen.

Hist, de 1' Astr. anc. 107—115. Hierin hooren wij hem zeiven. „Sedert het jaar 3553 vóór Christus bestond bij do Indiërs reeds een volmaakt georganiseerde natie; tot dien datum kan men ook de rij harer regeeringen terugvoeren. Hoogst verrassend is het bij de Brahmanen astronomische tabellen te vinden welke vijf tot zes duizend jaren oud zijn.quot;

Dit zal Bailly bewijzen, en prachtig ook:

„De Chineezen hebben eenen tempel, die gelijk men zegt, aan de Noordsche sterren gewijd is, en het paleis van het groote licht heet. Hierin zijn geene beelden, maar alleen een gestikt doek, met het opschrift: „Aan den geest van den god Pe-tu.quot; Po-tu zijn volgens Magelhaens de sterren van het Noorden.

Zoo spreekt Bailly; en wat staat op het doek? Ongerang-schikte sterren, en daarbinnen kronen, stralen en lichtstroomen, die iets goddelijks moeten verbeelden nl. hot groote licht, waarnaar de tempel genoemd is, en dat de geleerden zoo vrij zijn te noemen: het Noorderlicht; dit bevestigt De Mairan vooral hierdoor dat de Grieksche goden den Olympus bewoonden, omdat men dezen berg veelvuldig van Noorderlicht omstraald zag. Zulke kleinigheid kon Bailly niet storen, en hij maakte er maar een koppelteeken tusschen en zegt:

„Wij zien alzoo in deze vereering, die men had voor het Noorderlicht en de sterren van het Noorden, een uitdrukkelijk overblijfsel van het bijgeloof uit vroegere tijden, kenteekenend de vroegere verblijfplaats der Chineezen in een noordelijk klimaat, waar een prachtig en veelvuldig verschijnen van het Noorderlicht eeneu levendigen indruk maakte.

ocr page 109

113

Dat was Voltaire nog te sterk af en spottend schreef hij aan Bailly:

„Uit Scythie, vriend, is nooit iets anders tot ons gekomen als tijgers, die onze lammeren verscheurden; 't is waar, eenige van deze tijgers waren oen weinig astronomisch geworden, toon zij zich na de uitplundering van Indië wat rust gunden. Maar zouden wij liet durven aannemen, dat deze tijgers uit hunne schuilplaatsen te voorschijn kwamen met Quadranten en Astro-lahien?.... Wie heeft nu van zijn leven gehoord dat ergens een Grieksch wijsgeer naar hot land van Grog en Magog is getrokken om aldaar wetenschap op te doen ?quot; Lettres s. 1' orig. d. sciences p. G.

Mijn bestek laat niet too om verder aanhalingen te doen van don gekken spot van Voltaire en de sierlijke pluimstrijkerijen van Bailly. Dus Bailly's besluit was dat hij het oervolk had gevonden en den oorsprong van alle wetenschappen.

Aan alle gekheid komt echter een einde. Delambre die toen zijne „geschiedenis der oude astronomiequot; schreef, vond het niet kwaad om Bailly's werk eens na te pluizen, cn brak do eene berekening vóór en de andere na af totdat geen tit of jota meer overbleef. Hist, de 1' astron. anc. p. 400 o. v.

Delambre is evenwel niet van nagelvast hout in betrouwen, en zonder advocaat zijn zijne pleidooien niet erg veel waard. Hij vond echter weldra een betrouwenswaardigen verdediger in Colebrooke, een grondig beoefenaar der oud-indische taal- en letterkunde, naar welk land hij op jeugdigen leeftijd was vertrokken. Ofschoon hij niet ongenegen is den mensch eeno lioon'e oudheid toe te schrijven, toonde hij toch aan in de Edinb. Rev. dat de teekoningon, aanduidingen en verder alles wat op dien Zodiak voorkomt, aan grieksche voorbeelden ontleend was, of veeleer dat hij ten tijde van Alexander naar Indië gebracht was.

Colebrooke en Dr. Hunter hebben na alle mogelijke studie bevonden, dat de oudste astronoom van ludiö is Wahara-Mihira, en deze leefde in de derde eeuw der Christelijke tijdrekening. Van dezen is echter niets bekend dan de naam, terwijl een naamgenoot van hem zeer beroemd is, maar deze leefde op het einde der zesde eeuw onzer jaartelling.

8

ocr page 110

114

Nu vinden wij daar wol op hot gebied der mathesis Brali-magupta, maar ook deze is niet ouder dan de zevende eeuw na Chr. Dezelfde scherpzinnige orientalist Colebrooke zegt dat Arjabhatta waarschijnlijk de uitvinder is van do indische algebra en komt tot het besluit dat hij geleefd heeft „omstreeks de vijfde eeuw der Christelijke jaartelling en misschien nog iets vroeger.quot;

Hieruit blijkt wederom klaar wat een ongenadige streep door de rekening der getalridders van het menschdom gemaakt is, dewijl en astronomie en alles wat er mede samenhangt bij de Indiërs slechts omtrent 2000 jaren op het uiterst genomen, halen kan.

Montucla, die nogmaals eene vergelijkende studie over do Indische astronomie maakte, komt tot do slotsom, dat het cr verre van af is, dat de Indische astronomie zich in eenen hoogen ouderdom kan verheugen, maar veeleer ontleend is aan do bewoners van Westelijk Azië. Hist. d. JVIath. I. 429.

De Indisclie astronomie kreeg eindelijk haar beslag door Bontley, die eene grondige kennis der sanscritische spraak aan die der astronomie paarde. Na haren jongen datum bepaald vastgesteld te hebben, heeft hij nog berekend dat het AVasischta-Siddhanta en Swija-Siddhanta, dat door de Indiërs op den eerbiedigen ouderdom van eenige millioenen jaren gesteld was, hoogstens uit de tiende eeuw na Clir. dagteekende.

Dewijl zoo dom mogelijk niets te donken is, of do ongeloo-vigen slaan er munt uit togen Mozes en allen geoponbaarden godsdienst, zoo vinden wij ons verplicht hier een van hare afgodjes eens aan te spreken.

In Indië bestaat een sage, genaamd de geschiedenis van Krischna, die zooveel is als de Indische Apollo. Die sage luidt volgens Paul, a St. Barthol.:

Krischna wordt in die indische logende voorgesteld als de menschwording der godheid; goddelijke koren zongen lofzangen bij zijne geboorte, terwijl herders zijne wieg omringden; deze zijne geboorte moest worden geheim gehouden voor den tyran Kansa, omdat dezen geopenbaard was, dat dit kind hem tot

ocr page 111

115

ondergang zon zijn. Hot kind ontkwam mot zijno ondors over den stroom Jamnna. Eonigen tijd leefde het verborgen, en begon daarna een openbaar leven, gekenmerkt door heldenmoed en weldaden; bij versloeg dwingelanden en beschermde de armen; hij wiesch de voeten der Brahmanen en verkondigde de volmaaktste leer; maar eindelijk verkreeg de macht zijner vijanden de bovenhand, en volgens het eene bericht werd hij met eenon pijl aan eenen boom genageld en voorspelde voor zijnen dood eene groote ellende, die in Kali-Juga of liet goddeloos jaar 3G na zijnen dood zou plaats grijpen.

Het zal niemands verwondering baren dat de vijanden des Christendoms deze sage, dit vertelsel opnamen als zijnde het origineel waarop het evangelie gebouwd is. Den naam Christus verklaarde men eenzelvig met Krischna, door eenigen zelfs verdraaid tot Kristna, dan kwam de overeenkomst hunner geschiedenis op de meeste plaatsen zoo helder voor den dag, dat geen twijfel zou overblijven of men had met een en denzelfden persoon te doen. Volney's Euins. or 31ed. 2G7.

Dat was een kolfje naar de hand der bewonderaars van de millioenen jaren oudheid der Indiërs, hier hadden zij daarvoor een nieuw bewijs, en deze sage zou en moest de grondslag zijn van het voel jongere evangelie. W. Jones, wiens oordeel men wel is waar niet altijd kan verwerpen, maar die toch verre is van het onfeilbaarheids-brevet, hem door onze tegenstanders uitgereikt, had als geheel zeker uitgesproken „dat de naam Krischna en de algemecue schets zijner geschiedenis zeer veel onder was dan het leven van onzen Verlosser en waarschijnlijk den Homerischen tijd nog overtrof. Maar daar het zelfs voor W. Jones een onmogelijk te begrijpen en uit te leggen zaak was, hoe die geschiedenissen zich zoo treffend konden gelijken, gaf hij als zijne meening te kennen, dat do zaken van mindere beteekenis later uit apocryphe evangeliën aangevuld waren.

Ook Maurice in Hist, of Ind. II, 225 schrijft die sage eenen verbazendeu ouderdom toe en betracht haar als een overblijfsel van eene oorspronkelijke overlevering uit den oertijd over de toekomstige verschijning van eenen verlosser, die werkelijk een

T

ocr page 112

116

Avatara of cono mcnsehwording der godheid zijn zoude. — Mot zulke uitlegging deed hij zijne partij eenen kleinen dienst.

Met betrekking tot deze sage zegt ons Weber in zijne Ind. studiën I, 400 dat reeds in het begin van den bloei van het Christendom verhalen omtrent Christus als aan eenen vroeger vereerden Krischna werden toegeschreven; en zijne meening is dat hot gchoele Krischna-verhaal niets anders is, dan een uitgedachte nabootsing van het dogma der menschwording.

Maar wat heeft deze geschiedenis te doen met sterrekunde?

Do geleorde Bentley zal hot ons klaar maken. Deze trachtte allo mogelijke gegevens omtrent die sage bijeen te verzamelen, en nadat hij dit alles machtig was en ook een stuk bezat, waarin aangegeven stond dat de beroemde Astronoom Garga bij de geboorte van Krischna zou zijn tegenwoordig geweest en de constellatie van dit gewichtig oogenblik had opgeteekond, was hij zoo gelukkig in bezit te geraken van het Dschanampatra van Krischna, waarin de planetenstand bij dezes geboorte was aangegeven. Xa dan de Europeesche tabellen op den meridiaan van Udschein overgebracht te hebben, kwam hij tot do gegronde berekening dat de hier aangegeven sterrestand niet anders dan op den zevenden Augustus G00 na Christus heeft kunnen zijn. (p. 111.) Diens volgens besluit Bentley, dat het eene slim uitgevonden sago is, door de Brahmanen uitgedacht om hunne landgenooten terug te houden van den nieuwen godsdienst die reeds tot de uiterste grens van den Orient was doorgedrongen.

Met de gegevens en berekeningen van Bentley stemt De-lambre volkomen overeen.

Schaubach's overtuiging is dat de Indiërs alle astronomische kennis aan de Arabieren ontleend hebben, en dat zij bij gevolg eerder tot de nieuwere dan tot de oude wetenschap dient gerekend te worden.

Laplace zegt: Ofschoon de Perzen en Indiërs eenen hoogen ouderdom aan hunne astronomische kennis toeschrijven, kunnen wij grondig aantoonen dat zjj van jongen datum is en op geenen hoogen ouderdom kan bogen. Dit toont hij door gegevens aan te wijzen op hunne vermeende oude getuigenissen omtrent zon

ocr page 113

117

cn maan, die onmogelijk ooit of ergens kunnen plaats hebben geliacl. Exp. du Syst. du Monde p. 427.

Ditzelfde getuigen dr. Maskelyne, praef. p. XXV, Heeren I, 3, p. 142. Cuvier, disc. publ. 238. en Klaproth, welke laatste in Mem. rel. a 1' Asie p. 397 schrijft: „Dc astronomische tabellen der Hindoes, waaraan men eenen avontuurlijken ouderdom heeft aangewezen, werden in de zevende eeuw der algemeene tijdrekening vervaardigd, maar later door berekeningen op een vroeger tijdperk teruggebracht cn gedateerd.quot;

CHINA.

Ofschoon het overbodig schijnen moge, willen wij toch ter meerdere volkomenheid van dit werk met een enkel woord gewag maken van den Zodiak of dierenriem van China.

Daar deze echter niet in bepaalde strijdvragen met den Bijbel wordt aangehaald, kunnen wij volstaan met enkel aan te teekenen dat de geschiedenis der Chineesche astronomie uitwijst dat bij hen dc Zodiak is ingevoerd door vreemdelingen in het midden der tweede eeuw na Chr. ten tijde van Antoninus. L. do Roüen p. 178.

Hier moeten wij een oogenblik blijven stilstaan bij een verhaal van den Bijbel, dat men door eene nieuwe vinding meende valsch te maken.

Wij lezen in den Bijbel, Josue X, 11 etc.: „En daar (de vijanden) voor de zonen van Israel vluchtten, en op dc afhelling van Beth horon waren, zond de Heer groote steenon van den hemel over hen tot aan Azeca, en er kwamen veel meer (vijanden) om door de hagelsteenen, dan welke de zonen van Israël door het zwaard versloegen. Toen sprak Josue tot den Heer op dien dag, waarop hij de Amorrheërs overleverde aan de zonen van Israël, en zeide voor hen; Zon beweeg u niet van den Gabaon, en maan niet van het dal Ajalon. En zon en maan stonden

stil totdat het volk zich over zijne vijanden had gewroken.....

Alzoo stond de zon midden aan den hemel en ijlde niet onder

ocr page 114

118

to gaan in den tijd van éónen dag (gedurende don tijd van 24 uren). En er was voor- noch nadien een dag zoo lang.....quot;

Dit geschiedkundig verhaal werd altijd in den letterlijken en natuurlijken zin uitgelegd, totdat Nikolaus Koppernigk in 1540 zijn werk uitgaf: Do orbium coelestium revolutionibus libriVI, waarin luj bewijst (?) dat de zon het middelpunt is waarom alles draait. Galileo Galilei verschafte aan het stelsel van Copernicus (aldus gewoonlijk genoemd) de overwinning. De volgelingen van Ptolemaous en Aristoteles kwamen tegen Galilei op en klaagden hem aan bij do Inquisitie. De Inquisitie veroordeelde zijne leerstelsols, en daar hebben wij die schaamteloozo leugens over den donkeren vuilen kerker, kettingen, marteltuigen en pijnigingen van Galilei.

Wat echter in waarheid gebeurd is, is het volgende: Galilei loerde openlijk en in geschriften dat de aarde draaide, zonder dat het kerkelijk gezag zich hierom bekommerde. In 1616 evenwel bracht hij zijn stelsel op theologisch gebied, en verlangde dat de Paus een dogma er van zou maken. Toon verboden do godgeleerden van het heilig officie hem verder die zaak te leeraren zonder conige teruo-trekkinsr van hem te vorderen. In

O o o

1617 echter gaf Galilei zijne „gesprekkenquot; uit over hetzelfde systeem. Toen deed de Inquisitie, gestoord over zijne ongehoorzaamheid, hem voor zich verschijnen, verbood zijne „dialogiquot;, deed hem zijne loer intrekken en veroordeelde hom tot den kerker, zonder nochtans hem de straf op te leggen die het burgerlijk recht voorschreef voor nieuwe leeringen op godsdienstig gebied. — Aldus schrijft Guichardin, zijn vriend, Florentjjusch gezant te Rome in dd. 4 ilaart 1618. — Die veroordeeling, nog niet eens van de leer, maar van Galilei, was alzoo geen uitspraak der Kerk, maar van een bizonder gerechtshof; dit getuigen onze redelijke tegenstanders ook, zooals Bailly. Yerder verhaalt ons Arago dat de gevangenschap van Galilei zich bepaalde tot don tuin van de Trinita del ilonte; dat men hom weldra liet vertrekken naar Siena, waar hij gedurende vijf maanden de gast was van zijnen vroegeren leerling den aartsbisschop dier stad; daarna kreeg hij verlof om een landhuis te

ocr page 115

119

bowoncii to Arcotri nabij Florence. Dit alles maakte die strenge gevangenschap cn mishandeling nit van Galilei!

Volgens het leerstelsel van Ptolemaous draaide zon, maan en gesternte om de aarde, cn vóór Copernic had men nooit van eene andere loer gehoord. Toen echter het stelsel van Copernic door Galilei tot hoogere volmaaktheid gebracht, ingang begon te vinden, viel men het eerst op den Bijbel aan, en de daad van Josue was valsch omdat de zon niet draaide. Men moet aan gekken niet te veel antwoorden; ik heb nog geen astronoom hooren zeggen: de aarde komt op, de aarde gaat onder, maar zij spreken hierin gelijk ieder mensch die op twee voeten gaat en zeggen: de zon komt op, de zon gaat onder. Dus Josue was even wijs als de wijze geleerde sterrekundigen van onzen tijd.

Iets anders evenwel is het, welk leerstelsel het ware is, dat der ouden of dat van Copernic. Menige lezer zal denken dat daaraan geen twijfel meer kan bestaan sedert de vermaarde slingerproef van Leon Foucault te Parijs gedaan.

I0.) Ik ben zoo vrij omtrent die beide leerstelsels neutraal to blijven in den volsten zin des woords; want eene volmaakte zekerheid hebben wij omtrent een van beiden niet. Neemt b. v. de beroemde slingerproef en wat zien wij dan? In plaats van eene omwenteling of draaiing der aarde om haar as aan te geven in 24 uren, gaf de slinger 32 uren aan. Die afwijking vorderde uitlegging, en deze was dat de loodlijn waarom de beweging plaats heeft, te Parijs niet is in de richting der rotatie-as van de aarde. — Pover genoeg voor zulke moeieljjke kwestie !

2quot;.) Wanneer de aarde draait, dan moet zij 500 meters in de seconde afmaken; maar wanneer de zon om de aarde draait, dan moet de zon 2000 uren in de seconde afmaken, en dit zou een onbegrijpelijke snelheid zijn, zeggen de geleerden; daarom moet do aarde draaien en niet de zon. — Zulke gevolgtrekking kan niet als bewijs dienen, vooral daar men om tot die conclusie te komen, de zon op oenen afstand stelt van 8G millioen

ocr page 116

120

uren, eene berekening die door geene genoegzame gegevens is vastgesteld, en niet bewezen kan worden.

3°.) De aarde, zeggen de geleerden, is veel kleiner dan een groot getal liemollichamen. De natunr wil in alles harmonie, dus moet liet kleinere om het grootere draaien. — Dat is niet gevorderd. Ook is niet bewezen, dat de aarde kleiner is.

4°.) Wanneer de zon en de sterren om de aarde draaiden, dan moesten zij door de middelpunt vliedende kracht van hunnen weg afwijken, en wie of wat kan hen weerhouden! — Wel, Hij die hun den weg heeft aangewezen en aan de geheele natuur de wet heeft voorgeschreven.

5°.) De ondervinding toont aan dat de planeten om de zon draaien; wanneer dan de zon om de aarde draait, dan moet zij al die planeten op hare reis medenemen, en dit is niet aan te nemen! — Waarom niet ? zij kan dan op die planeten hare reisbagage bergen.

G0.) Jlen heeft aan de dichtst bjjzijnde planeten kunnen waarnemen dat zij om hunne as draaien, waarom zou onze planeet dit met hen niet gemeen hebben? — Omdat er bewijzen moeten zijn, en niet vergelijkingen.

7°.) Dat de aarde aan Xoord- en Zuidpool platter is geworden, bewijst dat zij draait. — Dat wil zeggen, als zij niet zoo geschapen is, anders komen wij ten lange laatste op den rng van eenen hoepel te zitten.

8°. Het zwaartegewicht der aarde vermindert van af de poolstreken tot aan do evenachtslijn, dit bewijst eene omwenteling der aarde. — Op welke bascule is de aarde gewogen?

9°.) Wanneer een lichaam lijnrecht op de aarde valt van af

eene hoogte b. v.

van 1G0 meters, dan zal dit lichaam niet

zuiver onder het valpunt neer komen, ook niet achterblijven naar hot Westen, maar ongeveer 28 millim. vooruit naar het Oosten vallen; deze gemaakte proef bewijst de wenteling van de aarde van het Westen naar het Oosten, omdat hoe nader bij de as der aarde, des te minder draaien, en liet lichaam valt met de snelheid die het boven had. — Tiet kan ook even goed geschieden, omdat ter plaatse waar de proef genomen is, de

ocr page 117

121

loodlijn niet zuiver in de richting der rotatie-as is, dus een uitvlucht als die der slingerproef te Parijs.

De voorstanders van het leerstelsel van Copernic meenen dat door hunne leer alle moeielijkheden zijn op te lossen; en om de verschillende jaargetijden en wat daarmede samenhangt op te lossen, laten zij niet alleen do aarde om haar eigen as, maar ook nog eene jaarlijksche beweging om do zon maken. Bij de vorige aangehaalde bewijzen zagen wij op de tweede plaats, dat de geleerden meenen dat het niet aan te nemen is, dat do zon en sterren om de aarde draaien wegens de daartoe gevorderde onbegrijpelijke snelheid. Zij stellen buitendien den afstand der zon op het ongelooflijk getal van 35, 36, 37 en 38 millioen uren. — Wanneer echter de aarde draait, dan heeft zij niet alleen met verbazende snelheid in 24 uren den weg om hare as af te loggen, maar zij moet ook nog per minuut 420 uren afleggen op haren weg om de zon; is zulke snelheid beter te begrijpen?

Maar in de jongste tijden hebben de geleerden het onhoudbare van hunne stelling ingezien en wat water in den wijn gedaan. Zij zeggen: de zon is van do aarde verwijderd 20.708.00 geogr. mijlen. Dit is een afstand respectabel genoeg om onze vleugels niet aan de zon te branden. De aarde maakt hare loopbaan om de zon in 3G5 dagen 5 uren 48 min. 48 sec., en wel in eene langwerpige olliptisclie baan (ecliptica) lang 130 millioen geogr. mijlen, waarvan de aarde gemiddeld 4.1 geogr. mjjlen in de seconde aflegt.—Dit is nog altijd meer dan 13.000 uren per uur. Hot vierde bewijs der volgelingen van Copernic was dat zon en sterren door de middelpunt vliedende kracht van hunnen weg moesten wegslingeren en wat zou dat beletten! Maar wat zou dan ook de aarde beletten om in dio verschrikkelijke snelheid van hare baan af te wijken? — Het antwoord van Copernic luidt: de aantrekkingskracht der zon. — Om deze groote aantrekkingskracht te bewijzen, heeft men berekend dat de oppervlakte der zon 12.500 maal zoo groot is als die der aarde; de middellijn der aarde is 1719 geogr. mijlen, die der zon 192.700 geogr. mijlen. Deze oppervlakte der zon hoeft men vooral berekend

ocr page 118

122

door waarnemingen bij den doorgang van Venus voor do zon. — Maar al deze waarnemingen hebben nog niet één resultaat opgeleverd, en Arago, de beroemde astronoom, zegt er van in zijn Astron. popul. XX, 23: „Men kan niet hopen door men-schelijke berekeningen ooit tot iets zekers te komen.quot; De Laplace zegt in zijn verslag omtrent het stelsel van Copernic: „Dit stelsel is niet bewezen, en zal het waarschjjnlijk nooit worden.quot;

Als nu deze twee beroemde astronomen aldus hun oordeel of bijna eene veroordeeling uitspreken over het stelsel van Copernic, in zoover het de berekeningen der zon betreft, wat moeten wij dan gelooven wanneer zij ons zeggen, dat de dichtst bijzijnde sterren nog 200.000 maal verder van ons n.f zijn dan de zon! Ik voor mij beken openhartig dat ik mij liever schaar bij de meer clan tweehonderd astronomen, die rondborstig verklaren, dat al die berekeningen valsch zijn, of nog liever dat het slechts gegevens zijn zonder berekeningen omdat nergens of nooit een bewijs hiervan is of kan geleverd worden.

In 1888 verscheen eene brochure „La terre ne tourue pasquot; en uit deze wil ik wel een hoofdstukje vertalen ten genoege mijner lezers. Voorop verklaar ik echter dat ik nog niet genoegzame gegevens en berekeningen heb gevonden om alles daarin zonder bedenk aan te nemen. Daarin lezen wij:

„Do aarde is het doel der schepping; zij is ook het voornaamste deel er van, zelfs wat hare grootte en uitgestrektheid betreft. Zij is het middelste punt van liet heelal, dat haar omringt op eenen afstand van 18.000 uren.

„De zon welke de Schriftuur ons beschrijft als het groote hemellicht bestemd om te verlichten, te verwarmen, deze aarde vruchtbaar te maken over dag, draait in haren loop met eene snelheid van 31 uren in de minuut; en zij slingert tusschen de twee zonnestanden terwijl zij haar in hare cirkels omsluit, en gaat van het eene einde van haren loop naar het andere door hare kringbeweging, gelijk de II. Sclirift zegt; per cir-culos suos revertitur.

ocr page 119

123

„Gelijk gezegd is, zijn de sterren slechts 17 tot 18 duizend uren van ons af. Zij zijn zeer klein, ten minsten in vergelijk

met de grootte welke hun de wetenschap toeschrijft..... Den

omvang van lichtende lichamen kan men niet schatten noch berekenen, op eiken afstand, gelijk ondoorschijnende lichamen. Om u hiervan te overtuigen moet gij een licht betrachten op een half uur afstand en meer, en het zal u ongeveer zoo groot toeschijnen alsof het slechts eenige meters van u af is; terwijl gij op honderd meters afstand eene zaak ter grootte van dat licht ter nauwer nood kunt waarnemen. Past dit nu toe op do sterren, en gij zult de waarheid van mijn gezegde bevinden.quot;

Nu volgt in deze brochure eene aanhaling, welke mij tot nu toe onbekend was, nl. eene openbaring aan de heilige ITilde-gardis. Nu, liet doet weinig ter zake of do wezenlijkheid dei-zaak ons bekend is door de openbaring eener heilige of dooide becijfering van een geleerde, als zij maar recht en rede van bestaan heeft.

„Insgelijks verklaart do H. Hildegardis, dat de zon oneindig kleiner is dan de wetenschap voorgeeft. Toen ik mij alzoo eensdaags in de maand Juni 1887, ik meen den 22s,cquot; bezig hield met de grootte dei- zon, zag ik haar ondergaan achter de bosschen die den horizont bekronen. Toen herinnerde ik mij dat de H. Hildegardis zegt dat zij 31 uren in de minuut afmaakt. Tk redeneerde aldus. quot;Wanneer de zon 31 uren in de minuut voortgaat, en ik betracht haar zoodra haar onderste rand den horizont raakt, dan heb ik zooveel maal 31 uren als zij maakt tot hare geheele verdwijning. Op mijn uurwerk ziende, zag ik dat zij hiertoe juist twee minuten werk had. Alzoo zou de zon G2 uren in doorsnede hebben en dus een omvang van ongeveer 200 uren. Ik moet hierbij voegen dat dien avond de lucht zoo helder was, als zij op het midden van den dag zijn kan.

„Deze waarneming en berekening deelde ik mede aan oenen astronoom van Parijs, dien ik zeer goed ken. Hij antwoordde mij dat mijne redeneering zoo logisch mogelijk was, en dat ook zijne bevindingen op eene wondere wijze de openbaring aan do H. Hildegardis bevestigden omtrent de snelheid van den

ocr page 120

124

loop der zon on haren omvang, want dat zijne berekeningen berustende op de zuiverste ■waarnemingen met de nieuwste instrumenten, slechts twee uren met de mijne verschilden in wat den omvang der zon betreft.quot;

Zooals ik zeide, blijf ik tot nog toe tusschen de twee leerstelsels neutraal. Het leerstelsel van Copernic is niet te bewijzen, dit zeggen ons de beroemde wis- en sterrekundigen Arago en de Laplace; ook is het niet voldoende om alle moeielijkheden op te lossen. Het oude leerstelsel is nog niet genoegzaam bewezen, maar zeer vele astronomen zijn heden ten dage geneigd hieraan de voorkeur te geven boven dat van Copernic.

Tusschen 28 en 29 Januari 1888 had eene totale maansverduistering plaats. Tusschen 8 uur en drie kwart 's avonds van 28 Jan. en 1 uur en een half 's morgens van 29 Jan. had de maan de helft van haren loop boven don gezichteinder afgelegd. Daar nu iedereen aanneemt dat de maan van oost naar west om de aarde draait, zou volgens het stelsel van Copernic de maan in haren loop naar het westen het eerst weer den schijn der zon hebben moeten opvangen en dus zichtbaar worden het eerst aan den westkant. — Dit nu is niet gebeurd, zij kreeg het eerst haar licht aan den oostkant; en dit kan de wetenschap niet uitleggen met haren stilstand van do zon. Volgens de school dor ouden is dit gemakkelijk uit te leggen. Zij zeggen: de aarde staat stil, zon en maan draaien. Daarna de zon sneller haren loop aflegt dan de maan, en beiden van oost naar west draaien, haalde de zon de maan weer in aan den oostkant. Wanneer echter de aarde draaide van west naar oost volgens Copernic, dan kon dit niet, liet was in dit geval niet anders mogelijk dan dat de aarde het eerst den westkant der maan ontblootte; het omgekeerde beeft plaats gehad, dus het leerstelsel van Copernic is valsch.

ocr page 121

125

Terwijl ik dit schrijf verneem ik dat de beroemde Italiaansche professor Sindico een werkje liet licht heeft doen zien, getiteld: „De stilstand der aarde bewezen door den slinger van Foucault.quot; Dus dezelfde slinger die vroeger diende tot bewijs van de omwentelingen der aarde, maar ongelukkig 32 uren aangaf in plaats van 24 voor de lengte van den dag, schijnt nu een zwaard geworden ter bestrijding van liet draaien der aarde.

Keeren wij nu terug tot het wonder van Josue; ik laat een ieder de vrije denkwijze omtrent het stilstaan der zon of der aarde. Maar, zal men zeggen, van zulk wonder dat over de gclieele wereld kon en moest waargenomen worden, moesten wij toch ook elders melding gemaakt vinden.

Nu, die melding vinden wij ook, maar niet bij schrijvers die tijdgenooten van Josue waren, omdat van dien tijd geen andere schrijvers bestaan. Maar ziethier wat wij er van weten:

quot;Wij weten dat Flavius Josephus zoowel voor do heidenen als voor de joden zijne geschiedenis schreef, en daarom geene wonderen aanhaalde dan die lnj grondig kon aantoonen. Hij nu schreef in Antiq. jud. V: „Nooit bleek klaarder hoezeer God zijn volk beschermde en bijstond dan in dit gevecht. Want behalve donder, bliksem en een buitengewone hagelslag, zag men door een vreemd wonder, den dag verlengd worden tegen den loop der natuur, om alzoo de duisternissen van den nacht te beletten aan de Hebreërs een deel hunner overwinning te onttrekken.quot;

Volgens Martinus Martinius, sin. hist. I, 1, p. 25 bleef de zon onder Yao, zevende keizer der Chineezen, gedurende tien dagen aan den hemel, naar de aanwijzing der Chineesche jaarboeken. Het feit wordt dus hier aanerkend, en omtrent het rekenen mag men de Chineezen niet lastig vallen; zij kunnen in hunnen overdrijvingsgeest even goed tien dagen stellen voor twee als een millioen jaren voor duizend, zooals wij vroeger van hen gezien hebben.

Ook is het ons bekend, dat Mahomed in het samensmelten

ocr page 122

126

van zijnen „Koranquot; vooral bedacht was op overleveringen die bij liet volk bestonden. In dien „Koranquot; nu lezen wij :

„Josehova leverde slag aan de reuzen op eeneu A rijdag avond; dewijl de nacht naderde en Josehova op een sabbatlidag niet wilde strijden, smeekte lnj van boven den tijd af dien hij noodig had om den slag te eindigen en den vijand te verslaan. Hij werd verhoord en dionsvolgens bleef de zon dien dag anderhalf uur langer dan gewoonlijk boven den horizont.'

Een zelfde overlevering vinden wij bij Bennet en Tyermann, Journ. geol.:

„De inwoners van Otaïti gelooven dat liun eiland bevolkt is door Mani en zijne vrouw, die aldaar met eene boot beland waren. Toen de vrouw eensdaags bezig was eenige kleederen te verstellen, scheen dit werk zoo veel tijd te vorderen, dat Mani, ziende dat de nacht inviel, zijne hand op de zon legde, en haar zoolang staande hield tot het werk zijner vrouw was afgeloopen.

Eenige slimmerikken meenen tegen dit wonder in te brengen, dat dit den ganschen loop der natuur had moeten storen; waarop het doodeenvoudig antwoord is, dat God niets ten halve doet, ook geen wonder.

Galilei is door het heilig officie veroordeeld, en dat oordeel doet aan de onfeilbaarheid van den Stoel van Petrus niets af; het is een oordeel van eene bizondere rechtbank, en niet van de Kerk, niet van een Concilie. Wanneer het leerstelsel van Copernic het ware is, dan heeft die rechtbank gedwaald, en dit is de eerste en eenigste dwaling die men haar kan aanwrijven; maar de grootste ster- en wiskundigen zeggen, gelijlv wij gezien hebben, dat dit leerstelsel niet bewezen is, en het misschien nooit worden zal. Niets is aan zoovele veranderingen onderhevig dan de stellingen der huidige zoogenaamde wetenschap, omdat zij voor al hare berekeningen veronderstellingen noodig heeft, en zoo zal het misschien na korter of langer tijd blijken dat niet het heliocentrisch stelsel van Copernic, maar

ocr page 123

127

wel het geocentrisch van Ptolemneus moet aangenomen worden; in welk geval de congregatie van de Inquisitie en de Index nog nooit gedwaald hebben.

Alvorens op een ander terrein over te stappen, wil ik nog oven eene zaak aanvoeren, welke eenigszins op het verhandelde betrekking heeft.

In mijii „Antwoord van een Adamskindquot; enz. p. 52 en 53 heb ik gezegd dat ik al de zes scheppingsdagen als natuurlijke dagen aanneem, salva reverentia. Men heeft mij de opmerking gemaakt dat de drie eerste dagen toch zeker niet aan natuurlijke dagen gelijk te stellen zijn, omdat de zon die als tijdwijzer dienst moest doen, nog niet geschapen was, en het toch vooral de zon is die dag en nacht onderscheidt.

Hierop zijn een aantal antwoorden te geven. Bij weinigen wil ik mij beperken.

De zon is niet de tijdwijzer van dag en nacht, maar het licht der zon. Volgens voorname sterrekundigen zou de zon een duister lichaam zijn, en alleen de sfeer die haar omhult, het licht geven; daarvandaan de vlekken op de zon welke niets anders dan openingen in dit omhulsel zouden zijn. Maar dit zij, hoe het wil, het licht is niet de zon, en de zon niet het licht.

Wat is nu het licht? That is the question! Eenparig alle geleerden blijven hier het antwoord schuldig. Niets is zeker dan dat God het den eersten dag geschapen heeft. Omtrent het licht zijn veronderstellingen met de vleet. Vooreerst de emissie-, de emanatie-, de corpusculair-theorie. Dan do ondulatie- en de vibratie-theorie. In den laatsten tijd hebben wij de beweging van den aether, en ook deze laatste bewijst niet veel.

Mijn meening is: Den eersten dag heeft God het licht geschapen, den vierden dag de zon, en aan de zon het voornaamste deel van dat licht geschonken.

ocr page 124

IX.

SErdjapoIogip,

De beide verhandelingen, nl. die over de geschiedenis en de sterrekunde leiden ons van zeiven tot het oudheidkundig terrein, wijl die drie onder het opzicht, waaronder wij ze betrachten, zeker een groot onderling verband hebben. Op meerdere plaatsen reeds waren wij verplicht de oudheidkunde aan te roeren.

Daar echter het getal monumenten of gedenkstukken, die op de Christelijke oorkonde betrekking hebben, nog al beduidend is, zien wij ons verplicht een bizonder hoofdstuk hierover te geven. Om met meer gemak dit gedeelte der wetenschap te bespreken, zullen wij drie afdeelingen er van maken, nl.: die der munten, der opschriften en dor monumenten.

MUNTEN.

Het eerste wat hier moet besproken worden is do overeenkomst of het verschil Genesis XXXIII, 19 en Act. VII, 16. Deze zaak is reeds ter spraak gekomen in mijn „Laatste veilingquot;, blz. 145, toen wij een onderzoek deden naar de oudheid dei-munten en aantoonden, hoe min kennis do oppervlakkige geleerden hiervan hebben, ook al zijn zij doctors in de een of andere wetenschap.

Omdat wij bij het geld verzeild zijn geraakt, en de menschen het niet hebben op valsche of nagemaakte munt, willen wij hier nog wel eens in herinnering brengen, dat de wetenschap der atheisten eerst met munt betaalt sedert de achtste eeuw voor Christus; en tevens nemen wij de bescheiden vrijheid iedereen te waarschuwen tegen die munt, zij is meestal valsch en slecht.

ocr page 125

120

Nu ter zake. Genos. XXXTTT, 17 etc. lezen wij:

„En Jacob kwam naar Socutli; na aldaar een huis gebouwd en zijne tenten opgeslagen te hebben, heette hij den naam dier plaats Socoth, dat is: woonstede. En hij trok weg naar Salem, eene stad dor Sichemieten die in het land Chanaan ligt, nadat hij uit Mesopotamië in Syrië teruggekeerd was; en hij woonde nabij die stad. En hij kocht een deel van den akker waarop hij zijne tenten had opgeslagen, van de kinderen van Hemor den vader van Sichem voor honderd lammeren (hebr. 100 kesita).quot; Act. apost. VII, 1G daarentegen lezen wij liet volgende: „En zij werden overgebracht naar Sichem, en bijgezet in het graf dat Abraham kocht voor eenen geldprijs van de zonen van Hemor, de zoon van Sichem.quot;

Deze koop geschiedde in het jaar 2918 der wereld of 1973 voor Christus. Daar men nu tot 1820 niet beter meende dan dat koning Phldon van Argos in de achtste eeuw v. Chr. de uitvinder der munt was, had men het vermoeden dat het hebreeuwsch kesita beiden, èn lammeren en munten moest beteekenen.

Dit vermoeden werd zekerheid door de studie dor ware wetenschap. Eene vondst van dr. Clarke bij Citium op Cyprus gaf de zoozeer gewenschte oplossing van dit vermoeden. De geleerde dr. Munter stolde in handen der koninklijke Deensche academie eene verhandeling over die schoone vondst, welke dissertatie gevoegd werd bij de akten over liet jaar 1822. In deze nu wijst hij aan, dat deze zilveren munt ontwijfelbaar eene Phoenicische is, wijl zij op don keerkant een phoenicisch opschrift draagt in phoenicische letterteekens. Op den voorkant bevindt zich de gestalte van een lam; en omtrent den hoogeu ouderdom is niet do minste twijfel mogelijk.

Zooals wij weten, noemen de Phoeniciers zelve hun land Kanatin en het was in dat land Kanaan bij Sichem dat de gekochte akker lag.

Het is dus meer dan waarschijnlijk, aldus besluit dr. Munter, dat wij hier juist die munt bezitten, van welke in de heilige Schrift spraak is; nu weten wij met zekerheid dat de Phoeniciers eene munt hadden met een cymbool, dat den zin van het woord kesita beduidt.

9

ocr page 126

130

Overigens is liet ons allen bekend dat de munten tot in onzen tijd een symbool dragen. Bij de romeinen waren er die buiten het beeld des keizers ook de beeltenis droegen van een of ander tam dier, waarvan de naam : pecunia; zulk muntstuk werd dan genomen voor de waarde van liet dier dat liet vertegenwoordigde.

Op de gevondene Phoenicische munt is nog aangebracht op den achterkant, behalve het opschrift, een paarlsnoer. Dit geeft eene verklaring omtrent de opvallende vertaling der twee Tar-gums, dat van Onkelo en dat van Jerusalem, welke heide honderd keseta met honderd paarlen weergeven.

De twee boeken der Machabaeën zijn niet het minst aan eene strenge critiek onderworpen geweest. Deze boeken zijn voor de Christenen van veel waarde, wijl zij den geschiedkundigen band uitmaken tusschen het oude en nieuwe verbond. Het is ook nog de eenigste oorkonde over de vervulling dier voorspellingen welke het vervat over de vernieuwing en den duur des scepters van Juda tot de komst van den Messias.

Werkelijk opvallend is liet, dat zoodra de H. Schrift ergens met eenen prophanen schrijver vergeleken wordt, de Schriftuur altijd ongelijk moet hebben wanneer er tegenspraak tusschen beiden bestaat. Dit hebben wij zoo reeds gezien in onze verhandeling over de Egyptische en Indische geschiedenis.

Het gezond verstand alleen moest voldoende zijn om de overtuiging te geven dat de ware critiek vorderde, dat men aan den Bijbel minstens zooveel waarde hechtte als aan de prophane geschiedschrijvers. Onzes erachtens is liet juist deze minachting der Schriftuur, welke als spoorslag diende om de geleerde mannen, die het ware doel zochten, aan te zetten, om door een ijverig onderzoek en door vlijtige studies den Bijbel op zijne eereplaats te herstellen. De uitkomst is echter boven verwachting, wijl de Bijbel niet meer naast, maar boven do prophane geschiedenis staat.

Dit is ook waarheid geworden omtrent de boeken der Machabaeën.

ocr page 127

131

Naar ik vermeen, was de eerste die hierin den waren wog vond, Erasinus Frülilicli, die in zijne „anuales compendiarii regum et rerum Syritequot;, een numismatiek werk van groute waarde, een vergelijk ondernam der chronologie van deze boeken der II. Schrift met do gelijktijdige en onwraakbare getuigenis der munten; liij berustte dus niet op liet min zekere van andere geschiedschrijvers, dio meermalen zelve onderling verschillen. Uit zijne bevindingen en gegevens maakte bij eene tabclle op, die de door den Bijbel aangehaalde rangschikking met den tijd volkomen bevestigt. •—■ Eerst kwam Ernest Fr. AVernsdorff tegen eenige bewijzen op in zijn „de fbntibus Hist. Syrue enz.quot;, en daar deze liet in den strijd niet halen kon, sprong zijn broeder Gottlieb hem het volgend jaar bij in zijn „hist. crit.quot; — Twee jaren later echter daagde een onbekende schrijver, een jesuïet, op, die de gebroeders AVernsdorff op ongemakkelijke manier terecht zette in zijne „anct. utr. 1. Macc.quot; — De beide AVernsdorff waren bescheiden genoeg de vlag te strijken.

Eenigen der meest bestreden punten zullen wij aanhalen.

I Macc. ArI, 2. lezen wij omtrent Alexander den Groote: „welke de eerste koning onder de Grieken was.quot; Deze aanhaling werd gebrandmerkt als zijnde valsch, wijl in Alacedoniö meer voorzaten van Alexander goheerscht hadden die werkelijk koning-en waren en over de Grieken heerschten.

Hiervoor was wel toepasselijk de uitlegging, dat hij de eerste koning was die een rijk stichtte, maar het onderzoek van Eröhlich besliste do vraag. Opvallend is het, zegt deze, dat hoe groot ook de macht der andere monarchen vóór hem geweest is, toch geen enkel hunner vóór hom op de munten don titel van „Basilcnsquot; of koning heeft aangenomen. Hij zelf zegt, Eröhl. p. 31:

„Het is zeker niet zonder rede, dat geen echte munt der heerschers van ilacedooiö voor Alexander den titel van koning draagt. Zij dragen alleen den naam van den monarch, als Amyntas, Archelaus, Perdiccas, Philippus, en eenigen hebben alleen Alexander, de moesten editor koning Alexander.quot;

Deze uitspraak staat tot heden vast, vooral omdat men weet dat de joodsche geschiedschrijvers met den naam van Grieken

ocr page 128

182

altijd do Macodoniörs beduidden en met den naam van koninkrijk liet Macedonische rijk of veeleer dat der Seleueiden.

Naderhand meende men nog eens die uitkomst te kunnen bestrijden, door dat men voor den dag kwam met eene munt van Philippus Amyntor, waarop het woord „Basileusquot; voorkwam ; maar na grondig onderzoek bleek deze munt te zijn van eenen Grallisch-Grieksclien koning. Gasp. Schmidt, p. 170.

II Macclt. I bevat eenen brief die dagteekent het jaar 188 der Seleueiden, waarin de joden van Palestina aan hunne broeders in Egypte een uitvoerig verslag zenden over den dood van koning Antiochus in Perzië.

Een korte aanhaling uit de aardrijkskunde en de geschiedenis is hier niet overbodig. Syrië, thans een provincie van Aziatisch Turkije, omvat het hoogland tusschen 31—37 Nquot;. Br. langs de Oostzijde van de Middellandsclie Zee zich uitstrekkende van liet Noorden naar het Zuiden. In de achtste eeuw vóór Ch.,.•. werd Syrië eene provincie van Assyrië; daarna achtereenvolgens van Babylonië, Medië, Perzië en Macedonië, totdat de Seleueiden een eigen rijk in Syrië stichtten dat door do Romeinen omver geworpen werd door Cn. Pompeius in 64 v. Chr. Seloucus I Nikator 312—281 v. Chr. was alzoo do stichter van dit Syrisch rijk.

Laten wij den hoofddraad weer opvatten.

De vraag was gerezen, welke Antiochus het zijn kon, bedoeld in dien brief. Antiochus I Soter, zoon van Seloucus I kon het niet zijn, ook was deze gestorven in Antiochië; ook niet zijn opvolger Antiochus II Theos, die door Laodice werd vergeven; evenzoomin Antiochus III of de Groote, die den joden bevriend was. Over het afsterven van Antiochus Epiphanes hebben wij een afzonderlijk bericht in hetzelfde boek II Mace. IX, 5; dezes opvolger Antiochus Eupator werd na eene regeering van twee jaren door Demetrius vermoord, en het kind dat denzelfden koningsnaam droeg en door Tryphon tot koning uitgeroepen werd, werd ook weldra door hem met vergif gedood. Alzoo bleef geen vorst van dezen naam meer over dan alleen Antiochus

ocr page 129

133

Sicletus, ook Evorgetes genaamd, wiens regeering alleen met den tijd van dien brief samenvalt. Maar hierbij doet zich een oogensehijnlijke moeielijklieid voor. Deze vorst begon zijne regeering in het jaar 174 der Syrische dynastie, en volgens overeenstemmende opgave van Porphyrins en Ensebins regeerde hij ternauwernood negen jaren, daar hij volgens deze in 182 in den oorlog zon omgekomen zijn.

Niemand kan echter aannemen dat de Joden van Palestina eerst na zes jaren aan hunne broeders in Egypte kennis gaven van den dood van hunnen verdrukker.

Fröhlich bracht echter de vraag weer nader tot hare oplossing. Hij kwam voor den dag met twee munten waarop de naam Antiochus, de eene met liet jaartal 183 en de andere 184, dus roods twee jaren later dan Porphyrins en Ensebius meenen. Op de munt las men in 't Grieksch: „Koning Antiochus; in ïyrns, het heilig Asyle, 184.quot; Fröhl. p. 24.

Wegens het belangrijke der zaak moesten deze munten een critisch onderzoek doorstaan, maar dit stelde juist hunne echtheid buiten twijfel. Later nog ontdekte Erohlich een zelfde munt met het jaartal 185. Ace. nov. p. 69 en eindelijk kwam Eckhel in het bezit eener vierde methet jaartal 186. Syll. num. vet. p. 8. Doet. num. vet. III, 236. Daarom zet Erohlich het jaar van den dood van Antiochus Evergetes in 186.

Het zijn ook wederom do munten die voor zijnen opvolger Antiochus Erypns het jaartal 187 aanwijzen. Tochon, dissert, p. 22. Ofschoon nu de munten natuurlijk geen maanden aangeven, blijft wel is waar liet verschil tusschen de munten en de Schriftuur meer dan een jaar; maar wij moeten wel opmerken dat in den Bijbel niet gezegd wordt dat Antiochus Evergetes in dat jaar 188 stierf, neen, die brief dateert het jaar 188 1! Macch. I, 10. Waarom die kennisgeving eerst over meer dan een jaar tijds plaats had, is aan vele oorzaken toe te schrijven.

Wat echter duidelijk blijkt is, dat de jaartallen bij Porphyrins en Ensebius valsch zjjn; en hieruit komen wij tot het besluit, dat in alle strijdvragen de geschiedenis van den Bijbel meer waarde heeft dan de phrophane, omdat geen boek met meer

ocr page 130

134

zorg bewaakt en bewaard wordt cn door de Katholieken en door de Joden.

In vroegere werken hebben wij genoegzame bewijzen gegeven omtrent den Zondvloed of Algemeenen Vloed onder Noö, gestaafd op geologisch terrein. Ofschoon wij in dit werk de oude overleveringen bij eenige volken hebben nagegaan, hadden wij die toch nog meer kunnen uitbreiden, vooral wat den Zondvloed betreft, maar daar deze gebeurtenis op geologische gronden bewezen was, ook nog in de geschiedboeken der oudste volken staat opgeteekend, en wij daarover ook nog op deze plaats moesten spreken, zoo achtte ik het overbodig om bij de overleveringen meer dan daarover gezegd is, aan te halen.

Alvorens haar hier in de rubriek „muntenquot; onder de archeeologie in te vlechten, moeten oen paar woordjes vooraf.

Het is ons bekend dat Lucianus en Pliitarchus de gebeurtenis van den Zondvloed hebben opgeteekend. Ilooren wij wat de eerste er van in zijn „de Dea Syra IT, Gfilquot; zegt:

„Naar de opteekening der overlevering maakte Deukalion eene ark of kist, larnaka, waarin hij zich begaf met een paar van iedere diersoort, en waarin hij ook zijne vrouw en zijne kinderen opnam. Hij scheepte zich zoolang in deze ark, als de overzwemming duurde, en dit is het geschiedkundig verhaal van hetgeen de Grieken hunnen Deukalion toeschrijven.quot;

Plutarchus III, p. 1783 voegt hierbij: „do terugkeer eener duif bracht Deukalion het eerst de tijding dat de wateren weg-gedroogd waren.quot;

Deze traditioneele geschiedenis is weergegeven op munten.

Phrygia, tegenwoordig tot hot Tnrksche rijk in Klein-Azië behoorende, was aanvankelijk een zelfstandig rijk, en werd docr eigen koningen geregeerd tot het in handen viel van Croesus en van Cyrus. In Phrygia lag de bekende stad Apamea, en aldaar zijn munten gevonden die op de eene zijde den kop van verscheidene keizers als van Severus, llacrinus en Philippus den Ouderen dragen. — Op don achterkant dezer munten komt

ocr page 131

185

cono voorstelling voor, die bij allen dezelfde is, en Eckhel in Doctr. num. vet. t. I. v. III, p. 130 beschrijft deze volgender wijze: „Een boot zwemt op liet water, en daarin is een man en eene vrouw tot onder de borst zichtbaar. Daarbuiten (de boot) gaat een man en eene vrouw bekleed met een kort hemd cn de rechterhand uitstrekkend. Op den rand van de boot staat een vogel, en een andere zweeft in de lucht en houdt eenen olijftak in de klauwen.quot; De kleine omvang van een munt kan nauwelijks eene klaardere voorstelling dier groote gebeurtenis geven of bevatten.

Op deze worden alzoo twee verschillende zaken voorgesteld, klaarblijkelijk door dezelfde handelende personen; want hoofd en kleedij der buiten de boot staande personen zijn juist dezelfde als die der schepelingen. Daaruit blijkt dat dezelfde personen eerst in de boot rondvaren, en daarna op den drogen bodem verwonderd staan te kijken, terwijl de duif het zinnebeeld des vredes boven hunne hoofden draagt.

Het voornaamste echter dezer munten volgt hier. Op den voorkant dezer ark bevinden zich eenigc letteren, waarover nog al twistgeschrijf ontstaan is. Octavius Falconiori was de eerste die doze munten bekend maakte in 1667. Hij meende op de munt van Severus te lezen: nètoon, wat hij als de voortzetting van mag hield en dus magnètoon zijn zou. Yaillant meende echter dat do lezing moost zijn gelijk die op de Chigi-munt van Philippus nl.: neook en bijgevolg neookoroon. Dit was ook de meeninnr van ilills. Toen gaf Bianchini in La stor. univ. etc.

O O

p. 186, 191 twee copiön dier munten te zien, en leest op de eeno noe cn op de andere neo; ook meende Falconieri dat de lezing van noe zuiver was gelijk hij ook op eene andere munt trachtte aan te toonen. Anderen als b. v. Barrington verzetten zich hiertegen.

Na vele vergelijkingen en een langdurig zorgvuldig onderzoek stolde Eckhel in het licht dat op allen de letter o nog klaar is, op eenigen ook de n, maar dat op allen de derde letter zichtbaar gestaan heeft, maar omdat zij het meest vooruitstekend punt in relief was, overal is weggesleten. Zijn onderzoek had

ocr page 132

136

oclitor duidelijk bewezen dat de voorstelling den Zondvloed gold en wijl liet opschrift op de ark stond die hierop betrekking had, kon liet niet anders of het was de naam van dezen patriarch.

Bij de ouden was het, naar het schijnt, gebruikelijk eene oorkonde, sage of legende als embleem op hunne munten te brengen. Zoo is ook in lonie eene munt ontdekt, waarop het afbeeldsel van een schip staat met liet woord arf/o, en dat volgens aller verklaring betrekking heeft op den argonauten-tocht. De stad Therma voert het beeld van Hercules op hare munten; men meent dat volgens de mythologie Hercules op zijnen tocht in Sicilië, in die stad zou gerust hebben.

Zoo beweren de sibyilische boeken dat op den berg Ararat bij Celane — vroegere naam der stad Apamea — de ark van Noë bleef staan. Al zijn ook de sibyilische boeken valsch, die aanhaling er in dient toch als bewijs voor de volksoverlevering..

Bij het voorgaande dient nog eenige opheldering gebracht, omdat liet velen niet genoegend en bevredigend schijnt den Zondvloed aan te duiden alleen door Noë en zijne vrouw, wijl ook zijne zonen met vrouwen en kinderen en dieren zich in de ark moesten bevinden. Men zou wel kunnen vragen, waar

O /

men dat alles op oen kleine munt zou aanbrengen; maar andere bewijzen staan ons ten dienste.

Zooals wij dan zagen wordt die Zondvloed voorgesteld door een vierkante boot, boven den rand er van steekt het bovenlichaam van een man en eene vrouw halverwege uit, en daarboven bevindt zich eene duif met den olijftak.

Een zelfde voorstelling op vier praalgraven en eene schildering in de tweede kamer in lie!: coemeterium van Callistus in de catacomben werd bekend gemaakt door Aringhi in Roma subt. I. 325—333. II. 143.

Buonarotti I. fig. 1. en Ciampini diss. p. 18, dem. hist. eccl. p. 185 beschrijven ons eene dergelijke voorstelling op eene metalen plaat uit de tweede eeuw.

Volgens Boldetti Osserv. etc. L 1 p. 22 zijn naderhand nog

ocr page 133

137

meer zulke voorstellingen ontdekt, waarop „Noc in en somwijlen ook buiten de ark, mot de duifquot; wordt aangewezen.

Eu hiermede zien wij af van de munten; zij hebben sclioono bewijzen voor do heilige Schrift gegeven, en hot zijn stomme getuigen die zoo helder en hard spreken dat de vijanden van den Bijbel beschaamd moeten zwijgen. Ook deze mijn is nog verre van uitgeput in ontginning, en hoe meer ontdekkingen, des te meer overwinningen voor de Katholieke Kerk. Gelijk op elk ander gebied tarten wij de ongeloovigen ook met het geringste tegenbewijs te komen. God heeft ons de overwinning voorspelt en wij zullen den domper drukken op het valsche licht der ongeloovige wetenschap.

OPSCHRIFTEN.

Wij betreden hier een veld zoo uitgebreid dat het eene onmogelijkheid is het te overzien, liet strekt zich ver buiten den gezichteinder; wij hebben het reeds ontwaard in onze besprekingen over do geschiedenis, evenzeer kwamen wij al dicht er bij in do sterrekundige verhandeling, en wij waren haren drempel overstapt toen wij ons ouder de rubriek: munten, met den Zondvloed bezig hielden.

Al hebben wij op de vorige bladzijden nu en dan een enkel bezoek gebracht aan het tweede gedeelte van den Bijbel, aan het Nieuw Verbond, de hoofdzaak raakte toch meestal hot eerste gedeelte, het Oude Verbond, op welks gronden en voorspellingen de Nieuwe Wet berust.

Ik twijfel niet of het zal mijnen lezers aangenaam zijn bij de intrede van het Nieuwe Verbond even bij den ingang te blijven staan; of liever dat wij samen eens afdalen naar die onderaarsche gewelven waar onze eerste broeders hunne heilige geheimen vierden, waar de geest van het ware socialismus, van de ware vrijheid, gelijkheid en broederschap in Jezus Christus den weldoener, den vervolgden, don gemartelden, den verrezenen, de schoonste vruchten uit het eerste zaad des Christendoms deed ontkiemen.

ocr page 134

138

Die gewelven, die catacomben, die heilige ruststeden, die zijn de roem der Christenen; liet blijven de scboonste, ofschoon stomme getuigen van liet geloof onzer voorvaderen; maar daarom zijn ook zij niet veilig voor de kinderen van ISelial, voor hen die zich liever uit een beest ontwikkeld zouden zien om na een beestachtig loven met hot beest te mogen te niet gaan, zonder van hun zondig dierlijk leven rekenschap behoeven te geven.

Van af de geschiedenis der Openbaring van Joannes tot aan de groote kerkelijke geschiedenis van Easebhis toonen ons die onderaardsche jaarboeken eene onoverzienbare schare van getuigen die liefde voor liefde en geloof voor geloof gaven. Dat was te veel voor do volgelingen en naijverige vereerders van don engel der duisternis. Dezo vonden eenen vaandeldrager in Edward Gibbon (1737 —1794) die in zijne Hist, of the decline and fall of the Roman empire C. XYI in pronkende woorden cn pralenden stijl een smet trachtte te werpen op die heilige plaatsen en hunne getuigenissen.

„Hunne personen, zegt hij van do martelaars, worden als heiligen aangezien, hunne beslissingen met eerbied aangenomen, en door hunnen geostigen trotsch en hunne teugellooze handelwijzen misbruikten zij maar al te dikwijls het overwicht, dat zij door hunnen ijver en onverschrokkenheid verkregen hadden. Opschriften hieromtrent toonen ons zoowol hunne te hoog verhevene verdiensten on verraden ook het onbeduidend getal van hen die voor het belijden van het Christen geloof leden en stierven.quot;

Dat was koren op den satansmolen; maar och, oenige jaren vroeger reeds had do geleerde philoloog en hoogleeraar in do geschiedenis te Oxford, Henri Dodwell (1G41 —1711) in zijne Dissert. Cypr. XI p. 57 de meening uitgesproken dat het getal martelaars onaanmerkelijk was, en dat do Kerk na do regeering van Domitianus zich voor goed in vollo rust verheugde.

Maar tegen hot gezegde dier twee protestanten staan de stomme getuigen der catacomben, en die kenden zij niet, een bewijs te meer voor het ongegronde hunner beweringen.

Dit is dan ook reeds lang weerlegd door Ansahli en anderen op geschiedkundige gronden; maar Visconti heeft zich do moeite

ocr page 135

139

getroost alle oude opschriften te verzamelen welke het getal aangeven van hen, die voor Christus hun bloed hebben vergoten. Mem. Rom. di Antich. ï. I.

Alvorens verder over het aantal martelaars te spreken, ■willen wij even blijven stilstaan bij een opschrift in liet coo-meterium van Callistus, ons medegedeeld door Aringhi in Roma subt. II p. G85. Het luidt:

„Alexander is niet dood, maar hij loeft boven de sterren en zijn lichaam rust in dit graf. Hij eindigde zijn leven onder keizer Antoninus, die toen hij zag dat hij zijne gunst het meest verdiende, hem haatte in plaats van hem wel to doen; terwijl hij zijne knieën boog om aan den waren God te offeren, werd hij ter doodstraf weggevoerd. O onzalige tijden! waarin wij onder onze heilige gebruiken en geboden zelfs in holen niot meer veilig zijn! Wat is ellendiger dan het leven! maar wat is ook ellendiger in den dood dan dat wij niot kunnen begraven worden door vrienden en verwanten!quot;

De laatste woorden van dit opschrift, drukken de klacht uit dat do martelaars als onbekenden moesten begraven worden, daar noch vrienden noch verwanten hen konden begraven, en dus hunnen naam niet konden opgeven. Do geschiedenis, kerkelijke en prophane, zegt ons dat do Christenen uit allo landen naar Homo worden opgezonden om daar den dood to ondergaan in hot amphitheater of elders. Dat dus een oneindig aantal namen onbekend bleven, zegt ons do gezonde rodoneering, maar ook het volgende: Opschriften in de catacomben. Visconti p. 112, 113.

Marcolla et Christi Martyros CCCCCL.

(Marcellus en 550 martelaars voor Christus).

Hic roquiescit Modieus cum Pluribus.

(Hier rust Medicus met meerderen).

CL Martyros Christi.

(150 martelaars van Christus).

Deze opschriften bewijzen het overgroot getal der martelaars en van hunne namen, daar zij te samen in één graf werden begraven en dus tegelijkertijd den dood hadden ondergaan.

ocr page 136

140

Hot aanlialen dezer opscliriften zij genoeg omdat xij dienen tot leiddraad in onze bewijsvoering. — Ook dient opgemerkt dat de gelieele geleerde wereld, zoowel protestanten als katholieken, erkent dat in do catacomben uitsluitend katholieken begraven werden. Tlie clmreli in te catac. Ch. Maitland.

Gelijk wij nu op twee der aangehaalde opschriften een getal vinden, zoo vinden wij menigvuldige sluitstesnen waarop bijna niets voorkomt dan een getal, en eenigen hadden gemeend of dit volgnummers hadden kunnen zijn. Dit is echter gebleken niet het geval te zijn, daar nergens of nooit vervolgrij of wat erop betrekking kon hebben, ontdekt is. Ook blijkt uit hunne plaatsing, dat zij met een geheel ander dool zijn aangebracht. Soms zijn die getallen omgeven mot eenen krans door eene duif gedragen; op andere plaatsen vindt men de getallen in letters voluit geschreven b. v. triginta dertig, en voor en achter het woord het monogram van den naam Christus; elders leest men XV en daarachter IN. P. in pace. Dit alles kan geene opvolging of volgnummer aanduiden en geeft ook daartoe geen spoor.

Prudentius schreef in eenen tijd, toen de herinnering aan de catacomben nog versch in liet geheugen lag, on bij hem lezen wij in Carmina T. If. p. 1104. Carm. XI: „Er zijn vele mar-mersteencn, die tot het sluiten van graven dienen, waarop alleen een getal staat. Hieruit kunt gij weten, hoeveel lichamen bijeen gehoopt liggen, maar gij leest geene namen van hen. Zoo herinner ik mij dat ik gelezen heb, dat de overblijfsels van zestig lichamen van menschen onder eenen steen begraven lagen.quot;

Tegen dit getuigenis valt niets in te brengen; integendeel hot is voor ons het volle bewijs hoe ontelbaar groot het legioen van soldaten van Christus is, die in de eerste eeuwen van het Christendom den verschrikkelijken maar goeden strijd voor hun geloof gestreden hebben.

Wanneer men het goed recht der waarheid voor zich heeft, dan schijnt het in onze eeuw niet genoeg don leugenaars toe te roepen: bewijst uwe leugen; neen, de eeuw heeft den goeden

ocr page 137

141

raad van hot driewerf: montcz, aangcnomon; en al lijdt do leugen nederlaag op nederlaag, zij gewaart niet er naar, bewust dat woordvochters niet zoo gauw dood zijn als zwaardvechters.

Na de nederlaag onzer vijanden omtrent liet aantal martelaars, kwam Burnet in zijne Some Lett. fr. Italy p. 224 met do bewering voor den dag, dat nog geen opselirift, zelfs geen monument gevonden was, waaruit kon bewezen worden, dat de Christenen de catacomben bezaten voor de vierde eeuw.

Zulke vlieger kan door iedereen opgelaten worden en vele gretigen zullen hem zien, maar hij kan eenen gewonen wind niet doorstaan. Een enkele aanhaling en hij valt. Ziethier het opschrift van een der steenen:

Nquot;. XXX. Svrra. et. Senec. Coss.

(Onder het consulaat van Surra en Senecio).

Bekend is dat Surra en Senecio consuls waren in het jaar 107 na Chr. dus ten tijde der vervolging van Trajanus.

quot;Wil men een nog schooner bewijs? jNfarangoni deelt ons een opschrift mede in Atti dei Fratelli Arvali p. 760 waardoor alle twijfel wordt opgeheven. Het is dat van Gaudentius, eenen architect, die door Marangoni als den bouwmeester van liet Colosseum wordt gehouden. Op dit opschrift lezen wij dat hij den dood onderging onder Vespasianus. Ook levert dit opschrift liet bewijs, dat het niet in lateren tijd kan bijgevoegd zijn, want eenige letters er van zijn geteekend met die eigenaardige accenten, welke zooals de geleerde Marini grondig bewijst, boven de lettergrepen geplaatst werden en alleen van af Augustus tot Trajanus. Bij gevolg is dit opschrift gebeiteld vóór do regeering van Trajanus.

De mensch loeft niet alleen van brood, en ons hart is ook niet van steen; terwijl ik mij nu bevind tusschen al mijne gegevens omtrent de catacomben, moet ik mijn spijt uitdrukken dat ik die schoone schouwplaats moet verlaten en haar niet in 't wijd en breed kan nagaan. Iedereen begrijpt dat het in dit werk ondoenbaar is de twee en veertig onderaardsche begraaf-

ocr page 138

140

Hot aanhalen dezer opschriften zij genoeg omdat zjj dienen tot leiddraad in onze bewijsvoering. — Ook dient opgemerkt dat de geheele goleerile wereld, zoowel protestanten als katholieken, erkent dat in do catacomben uitsluitend katholieken begraven werden. The chnrch in te catac. Ch. Maitland.

Gelijk wij nu op twee der aangehaalde opschriften een getal vinden, zoo vinden wij menigvuldige sluitsteenen waarop bijna niets voorkomt dan een getal, en eenigon haddon gemeend of dit volgnummers hadden kunnen zijn. Dit is echter gebleken niet het geval te zijn, daar nergens of nooit vervolgrij of wat erop betrekking kon hebben, ontdekt is. Ook blijkt uit hunne plaatsing, dat zjj met een geheel ander doel zijn aangebracht. Soms zijn die getallen omgeven met eenen krans door eene duif gedragen; op andere plaatsen vindt men de getallen in letters voluit geschreven b. v. triginta dertig, en voor en achter het woord het monogram van don naam Christus; elders leest men XV en daarachter IX. P. in pace. Dit alles kan geene opvolging of volgnummer aanduiden en geeft ook daartoe geen spoor.

Prudentius schreef in eenen tijd, toen de herinnering aan de catacomben nog versch in liet geheugen lag, en bij hem lezen wij in Carmina T. II. p. 11G4. Carm. XI: „Er zijn vele mar-mersteenen, die tot het sluiten van graven dienen, waarop alleen een getal staat. Hieruit kunt gij weten, hoeveel lichamen bijeen gehoopt liggen, maar gij leest geene namen van hen. Zoo herinner ik mij dat ik gelezen heb, dat de overblijfsels van zestig lichamen van menschen onder eenen steen begraven lagen.quot;

Tegen dit getuigenis valt niets in te brengen; integendeel liet is voor ons het volle bewijs hoe ontelbaar groot het legioen van soldaten van Christus is, die in de eerste eeuwen van hot Christendom den verschrikkelijken maar goeden strijd voor hun geloof gestreden hebben.

Wanneer men het goed recht der waarheid voor zich heeft, dan sclnjnt het in onze eeuw niet genoeg don leugenaars toe te roepen: bewijst uwe leugen; neen, de eeuw heeft den goeden

ocr page 139

141

raad van hot driewerf: mcntoz, aangenomen; en al lijdt de leugen nederlaag op nederlaag, zij gewaart niet er naar, bewust dat woordveeliters niet zoo gauw dood zijn als zwaardvechters.

JSTa de nederlaag onzer vijanden omtrent het aantal martelaars, kwam Burnet in zijne Some Lett. fr. Italy p. 224 met de bewering voor don dag, dat nog geen opschrift, zelfs geen monument gevonden was, waaruit kon bewezen worden, dat de Christenen de catacomben bezaten voor de vierde eeuw.

Zulke vlieger kan door iedereen opgelaten worden en vele gretigen zullen hem zien, maar hij kan eenen gewonen wind niet doorstaan. Een enkele aanhaling en hij valt. Ziethier het opschrift van een der steenen:

K XXX. Svrra. et. Senec. Coss.

(Onder het consulaat van Surra en Senecio).

Bekend is dat Surra en Senecio consuls waren in het jaar 107 na Chr. dus ten tijde der vervolging van Trajanus.

Wil men een nog schooner bewijs? Marangoni deelt ons een opschrift mede in Atti dei Fratelli Arvali p. 760 waardoor alle twijfel wordt opgeheven, liet is dat van Gaudentius, eenen architect, die door Marangoni als den bouwmeester van het Colosseum wordt gehouden. Op dit opschrift lezen wij dat hij den dood onderging onder Vespasianus. Ook levert dit opschrift het bewijs, dat het niet in lateren tijd kan bijgevoegd zijn, want eenige letters er van zijn goteekend met die eigenaardige accenten, welke zooals de geloerde Marini grondig bewijst, boven de lettergrepen geplaatst werden en alleen van af Augustus tot Trajanus. Bij gevolg is dit opschrift gebeiteld vóór de regeering van Trajanus.

De mensch leeft niet alleen van brood, en ons hart is ook niet van steen; terwijl ik mij nu bevind tusschen al mijne gegevens omtrent de catacomben, moet ik mijn spijt uitdrukken dat ik dio schoone schouwplaats moot verlaten en haar niet in 't wijd en breed kan nagaan. Iedereen begrijpt dat het in dit werk ondoenbaar is de twee en veertig onderaardsche begraaf-

ocr page 140

142

plaatsen langs dc veertien romeinsche wegen na te gaan en daar in elke catacombe in sclioone geestesbespiegeling te treden omtrent het leven en Ijjdon der eerste Christenen, wier stoffelijke overblijfsels achter die steencn verborgen zijn.

Treden wij echter die catacombe binnen, welke door elkeen wordt bezocht die te Rome komt, nl. die van Callistus, genaamd naar dien Paus, (217—222). Men treedt hier binnen op de Yia Appia (Porta S. Sebastiano). Ofschoon wij ons laten leiden door don beroemden ridder de Rossi, willen wij toch slechts verwijlen bij die zaken die het meest op het dool van dit werk betrekking hebben; niemand zal bewijzen vragen waar een man als de Rossi spreekt.

Blijven wij een oogenblik staan links van de eerste kapel. Op den muur van het luminarium staan drie namen; Policamus, Sebastianns en Cyrinus. Een weinig daaronder is geschilderd het beeld van eene jonge vrouw, zeer rijk versierd met arm- en halsbandon, zooals slechts edele en rijke romeinsche dames gekleed gingen. Dit is het beeld der II. Cecilia, die den marteldood onderging onder keizer Alexander (208—235). Haar lichaam werd door paus Urbanus zolven in de catacombe van Callistus begraven. Een weinig ter zijde en wat lager ziet men ook een persoon in pontificaal gewaad en daaronder den zeer goed bewaard gebleven naam Urbanus. Op denzelfden kant staat het groot praalgraf, waarin do beendoren van paus Urbanus rusten.

Dit is wederom een bewijs voor de oudheid der catacomben.

Treden wij eene andere opmerkenswaardige kapel binnen uit de derde eeuw dus uit de jaren tweehonderd. Hier zien wij eene muurschildering voorstellende eenen visch die eene mand mot brood en een glazen flesch met wijn draagt.

De visch (ichthus) is het zinnebeeld van den Zaligmaker doordat het Griekscho woord beduidt: Jezus Christus Theou uios = Jezus Christus Gods Zoon. Voeg daarbij het brood en den wijn en wij hebben eene der oudste voorstellingen van ons heilig offer.

Aanmerkelijke schoonheden die tot hart en geest spreken

ocr page 141

143

moeten wij voorbijgaan om nog een blik te werpen in de bij do twaalf duizend opschriften van vóór de zesde eeuw door ridder de Rossi verzameld en gerangschikt.

— Wreedheid der vervolgingen: „Ten tijde van keizer Adria-nus. Marius in den bloei zijner jaren, aanvoerder der soldaten (dux militum), die lang genoeg leefde, omdat hij zijn leven met zijn bloed voor Christus gaf, rust eindelijk in vrede. Zijne geliefde vrienden hebben hem hier begraven, ouder tranen en vreeze, den G der Iden.quot;

Tranen en vrees drukken genoegzaam den vervolgden toestand uit. Cum lacrimis et metu! zij waren geene minuut zeker van hun leven.

Hier verdient vermelding wat Gregorius van Tours verhaalt: „üaria, maagd en Chrysantus, beiden martelaars, werden langs do Via Salaria in eene catacombe levend om hun geloof begraven. De Christenen gingen naar deze plaats om hunne nagedachtenis te vereeren. Steeds grooter werd de toeloop en keizer Numerianus (285) beval dat men van het oogenblik zou gebruik maken waarop de meesten in die catacombe waren, om den ingang dicht te metselen. Dit wreede bevel werd meedoogenloos uitgevoerd.quot;

— Broederschap aller volken: „Hier werd Gordianus, gezant der Galliërs, (nuntius Galliaj) met geheel zijne familie verworgd tor wille van het geloof. Dat zij rusten in vrede; Theophila, hunne dienstmaagd, heeft hun deze grafstede gegeven.quot;

Zelden vindt men vermelding van stand tusschen vrijen en slaven; het woord servus of serva is moestal gevolgd door Dei; allen noemden zich dienaren des Hoeren.

— Vereering der deugden; „Den 5 der calenden van Ko-vember werd hier ter rustplaats gelegd (hic positus ad dor-miendum) Gorgonius, die van allen vriend en van niemand vijand was (omnibus amicus et nemini inimicus).quot;

—■ Gelijkheid: „Hier rust in vrede Jovinus, van de ver-eeniging der wagenmakers (schola currucarum); hij heeft geleefd ongeveer vijf en dertig jaren, zes maanden en negen dagen.quot;

— Opschriften der geestelijke orden zijn van den hoogsten

ocr page 142

144

tot don laagstcn graad. Dozo rij wordt besloten mot „Paulus exorcista.quot;

Alvorens deze opschriften te verlaten, willen wij enkelen aanhalen waarin ons onze eerste broeders in Christus de belijdenis gaven van hun geloof, gelijk wij dat heden belijden.

„Aan den grooten, eeuwigen God, Statins Diodorus.quot;

„Aan den heiligen God en aan den ecnigen Christus.quot;

„Ik geloof in God den Vader, ik geloof in God den Zoon, ik geloof in God den Heiligen Geest; ik geloof dat ik op den laatsten dag zal verrijzen.quot;

„Prima, gij leeft in de glorie Gods en in den vrede van onzen Heer Jezus Christus.quot;

„Aan God heilig, eenige Jezus Christus, Lucius mot U.quot;

„Constantia heeft in vrede geleefd; leef in Christus.quot;

„Moritema, geachte vrouw, uw zacht liclit is uitgebluscht; in u schitterden alle teekenen der onsterflijkheid.quot;

„Ik geloof dat mijn Verlosser eeuwig leeft, en dat hij den laatsten dag mij zal opwekken uit de aarde en dat ik in lichaam en in ziel mijnen Heer zal kunnen zien.quot;

„Magus, onschuldig kind, gij hebt uw bestaan aangevangen in het midden der onschuldigen; wat zal dat leven voor u duurzaam zijn! wat zult gij gelukkig zijn opgenomen geweest te zijn in den schoot der moeder Kerk, bij uwe opstanding oj) do wereld. Drukken wij onze zuchten terug in onze borst; doen wij het weenen onzer oogen ophouden.quot;

— Aanroepen der Heiligen: „O heilige Basilins, wij bevolen u aan, onze dochter Crescentia, die geleefd heeft tien maanden en een dag.quot;

„Ik beveel u aan, o Easilia, de onschuld van Gemella.quot;

„Sabbatus, geliefde ziel, smeek en bid voor uwe breeders en vrienden.quot;

„Moogt gij loven in vrede en voor ons bidden! Dat uw geest gelukkig ruste in God en bid God voor uwe zuster.quot;

„Leef in vrede en bid voor onsquot; (vibas in pace et pete pi'o nobis). Men vindt meermalen b voor v in het woord vivere.

— Omtrent de martelaars en omtrent anderen, waarvan men

ocr page 143

145

zeker was dat zij reeds liet loon dos hemels ontvangen hadden, schreef men op hun grafstede: „Lsetaris in pace.quot; Gij verblijdt u in vrede.

— Was men echter niet zeker er van of de ziel terstond na haren dood in hot hemelsch Jerusalem was opgenomen, dan schreef men op het graf het gebed: „Suscipiatur in pace.quot; Hij moge in den vrecle opgenomen worden; of „Deus Christus omnipotens, spiritum tuum refrigeret in gt; P De almachtige God moge uwe ziel (uwen geest) verkwikken in Christus. (Het teeken op het einde is eene horizontale Grieksche CH door eene verticale Grieksche R; do eerste letters C1IR van Christus).

Dat zijn de getuigen van ons heilig Geloof, kunnen wij hier triomfantelijk uitroepen. Uit die twaalf duizend getuigen van Do Rossi heb ik slechts enkelen genomen.

Men heeft beweerd dat de eerste drie eeuwen van het Christendom geene geschiedenis tot aan Eusebius (270—340) hebben. quot;Welnu daar in dio onderaardsche gewelven, daar staat do geschiedenis der H. Kerk opgeteekend. .Maar daar staat niet alleen de geschiedenis tot in de vijfde eeuw, maar in klare duidelijke letters staat daar onze geloofsbelijdenis, waarvan wij met Christelijkcn trotsch kunnen uitroepen: Gelijk zij was in het begin en nu en tot in alle eeuwen. Luide verkondigen die opschriften het geloof in eénen God en drie personen, de mensch-wording van Jezus Christus, het II. Sacrificie der Mis, eene algemeene verrijzenis, het aanroepen der Heiligen enz.

(De lezer vergeve het, wanneer hij denkt dat eenige opschriften beter konden vertaald zijn. Ik geef dit toe, maar ik heb de vertaling zoo letterlijk mogelijk gegeven, om aan de opschriften niets bij te voegen of weg te laten).

Ongaarne moet ik de catacomben verlaten, die plaatsen van rust en zaligheid; nog menige schooue bloem had ik willen plukken en in eenen heiligen ruiker vergaderen om dezen

10

ocr page 144

146

mijnen lezers aan te bieden; maar dit mag niet, wij moeten ons plan volgen. Mogen echter deze eenige bladzijden gewijd aan de kindsheid der H. Kerk, met evenveel liefde gelezen worden als waarmede ik ze geschreven heb.

MONUMENTEN.

Ofschoon wij munten en opschriften niet ten onrechte onder de archajologie eene plaats inruimden, komt toch met het meeste recht de eer hiervan toe aan de monumenten of gedenkteekenen, die eene zoo rijke en veelvuldige beschouwing opleveren.

De oude monumenten zijn voor ons doel van groote waarde, omdat zij lichtbakens zijn op menige plaats van den Bijbel.

De gedenkstukken zijn erfenissen uit voordacht ons nagelaten, en die den roem van geheele generaties aan hunne nakomelingen verkondigen; zij brengen gansche volken voor onze verbeelding terug, die bewust van hunne vergankelijkheid, hunne personen, hunne daden en hunnen roem in steen en metaal voor de latere wereld trachtten te vereeuwigen.

Jammer echter dat de meesten dier monumenten het lot hunner ontwerpers hebben moeten deelen; vele epigraphen zijn even als de geschiedenis die zij voorstellen een lastig te ontcijferen raadsel; in alle landen vinden wij van machtige gebouwen nog slechts een doolhof van verstrooide blokken; dichters kunnen nog hunnen geest laten zweven boven geknakte beelden en vormlooze ruïnen; de wijsgeer mag er een pleidooi in vinden voor menschelijke grootheid; de Christen mag daarin eene bespiegeling maken over do vergankelijkheid van al het geschapene — voor ons, wij zeggen de Goddelijke Voorzienigheid blijde dank, dat zij ook onder dat stof gedenkstukken bewaard heeft, die de godloochenaars in hunne verneening of in hunnen twijfel beschaamd maken.

Genesis XL, 9 lezen wij: „Ik zag eenen wijnstok voor mij, waaraan drie ranken waren, en hij botte allengskens tot bloei.

ocr page 145

147

en de druiven werden rijp en den beker van Pharao had ik in de hand; dan plukte ik druiven, en perste ze uit in den beker dien ik vasthield, en overreikte den beker aan Pharao.quot;

Num. XX, 5. „Waartoe deedt gij ons opgaan uit Egypte, en voerdet gij ons naar deze zeer slechte plaats, die niet bezaaid kan worden, die niet den vijgenboom voortbrengt, noch wijnstokken, noch granaatappelen, bovendien ook water niet bezit om te drinken.quot;

Deze twee plaatsen der Schriftuur duiden klaarblijkelijk op den wijnstok en den wijn, als zijnde deze ten tijde van Joseph en Mozes een voortbrengsel van Egypte, dat ook aldaar verbruikt werd.

Omtrent deze zaak heb ik vroeger roods melding gemaakt in „Laatste veiling, p. 1C7quot;. Hier is het echter de plaats om die zaak meer te omschrijven.

Herodus 1. II cap. 77 zegt uitdrukkelijk, dat in Egypte geen wijnbouw bestond; en Plutarchus de Iside et Osiride par. G verzekert dat de inboorlingen van dat land oenen afschuw van wijn hadden, omdat hij naar hunne meening hot bloed was van hen, die tegen de goden waren opgestaan.

De onbekende schrijver van: grondige verklaring van het Mozaïsch recht III, p. 121 bouwde zoo vast op het getuigenis der twee aangehaalde schrijvers, dat hij liet veel hooger stelde dan de tegenovergestelde verklaringen van Diodorus, Strabo, Plinius en Athenaeus. Hij nam hieruit zelfs de gevolgtrekking, dat daarom uitdrukkelijk bij do joodscho offeranden wijn voorgeschreven was, om het uitverkoren volk te onttrekken aan do bovenmatige gehechtheid aan dat land en zijne inrichtingen. Vele niet onbegaafde mannen volgden die mooning. Dr. Prichard gewaagt van wijnoffors bij al die gebruiken „welke in nadere betrekking of in tegenstelling tot de wetten van Egypte stonden.quot; Anal, of Egypt, myth. p. 422. Guénée, Lettres de qu. juifs. I. 192.

Bij deze tegenovergestelde meeningen, geput beiden uit oude auteurs, kon natuurlijk deze strijd niet beslist worden.

Wij hebben reeds een andermaal melding gemaakt van den tocht van Napoleon naar Egypte in 1798. Wij hebben weinig

ocr page 146

148

belang bij zijne militaire uitkomsten, maar voor de wetenschap is die veldtocht niet van belang ontbloot geweest; op dit gebied was hij zelfs zoo voordeelig dat de fransche regeering na die expeditie eene groote tamelijk volledige beschrijving van Egypte uitgaf.

In deze nu schetst ons Costaz I, G2 eene nauwkeurige schildering over den wijnbouw in Egypte, zooals deze afgebeeld is in de hypogaeen of onderaardsche gewelven van Eilithya, van af het planten van den wijnstok tot het aftrekken van den wijn ; daarop gaat hij Herodotus hard te lijf, dat deze heeft durven loochenen dat in Egypte wijnbergen waren.

Ten jare 1825 verscheen eene nieuwe uitgave van Horatius, en bij deze gelegenheid kwam die zaak nogmaals op liet tapijt, omdat L I Ode 37 gewag wordt gemaakt van vinum mareoticum, welke men beweerde dat geen Egyptische wijn zijn kon, maar dat hieruit blijken moest dat ergens in Epyrus eene landstreek moest zijn die Mareotis zou heeten.

Malte-Brun nam den handschoen ook op voor Herodotus, maar hij moest kar en paard laten zitten en zijne verdediging bleef onafgewerkt.

Jomard Bull. univ. T. 4. p. 78 bracht buiten do bevinding van Costaz nog andere getuigen te berde, nl. stukken en overblijfsels van amphoren of wijnkruiken, die onder do ruïnen van oude Egyptische steden gevonden waren, en die thans nog met eene korst van Tarturus, die zich in wijn afzet, aangeslagen waren.

Gelijk in meer zaken, zoo gaf ook in deze de ontdekking van het hieroglyphisch alphabet door Champollion de zaak haar beslag; want nu bleek dat de wijn in Egypte niet alleen bekend was, maar ook bij de offeranden werd gebruikt. Want in de voorstellingen van offeranden bevinden zich ook flessclien, die tot aan den hals roodgeverfd zijn; de hals is wit, als moest hij doorschijnend zijn, en op dozen leest men in hieroglyphen het woord „ERPquot; dat in het Koptisch wijn beteekent. Lettres a BI. I. p. 37.

Onder de afbeeldingen der wijnbereiding, die Rosselini genomen en in zijn prachtwerk uitgegeven heeft, komt ook een Egyptisch basreliëf voor, hetwelk een gebod aan de godheid

ocr page 147

149

A-tliir bevat, on waarin doze wordt gebeden do dooden van wijn, molk en andore goede dingen to voorzien. Deze zaken worden voorgesteld in geboeide vazen, welke ze moeten bevatten, en hunne namen zijn in hieroglyphen erop geboeid. Op do eerste vaas staat een veder, een mond en een vierhoek, de phonetisohe toekenen voor de lettors E R 1' (Koptisch E P II). Di basse-rel. Egiz. p. 40. — Het Koptisch „Erpquot; gelijk egyptisch „orpisquot; befceckent wijn.

Herodotus lib. TI e. 105 verhaalt dat de grooto veroveraar Sesostris verscheidene gedenkteekenen had laten maken en oj)-richten langs den weg dien hij op zijnen veroveringstocht gevolgd had, en dat hij, Herodotus, persoonlijk eenigen hiervan in Palestina gezien heeft, terwijl anderen zich in lonië bevinden.

Maundrell was de eerste die „oeiiige zeldzame menschen-gestalton half verheven en in levensgrootte in de oorspronkelijke rotsen uitgekaptquot; opmerkte in de nabijheid van Beirut. Cham-pollion meende in zijne „Précisquot; dat het een Egyptisch monument was en schreef het toe aan Ramses of Sesostris. Een uitgebreider onderzoek werd achtereenvolgens ingesteld door Bankes, William Geil, Leviage, Lajard.

Bononi eindelijk slaagde er in do waarheid er van te ontdekken. Hieruit bleek, dat zich tien oude gedenkteekenen bevinden langs den weg die zich uitstrekt tusschen den berg waarom de Lykus stroomt. Hierbij zijn er twee van ondergeschikt belang, omdat het slechts een latijnsch en eeu arabisch opschrift is nopens eenige verbeteringen die men aan den straatweg gemaakt had. Van do anderen zegt hij zelf. Lands. Sab. Res. cont. p. 5: „Do oudste dezer monumenten, welke jammer genoeg het meest geleden hebben, zijn drie Egyptische steenen (platte). Op verscheidene plaatsen kan men hierop den in hieroglyphen uitgedrukten naam van Ramses den tweeden lozen; echter ook zonder dien naam zou ieder die met Egyptische oudheidkunde bekend is, die monumenten stollen onder diens regeering, wegens de schoone verhouding en het prachtig lijstwerk, waarin deze steenen verwerkt zijn.

ocr page 148

150

Champollion, Lettres d' Eg. et de Nub. p. 362, 438 cn na hem Wilkinson, Topogr. of Thebes beschouwden Sesostris als een en denzelfden persoon met Ramses II, wiens naam Bononi uit de hieroglyphische opschriften op de Syrische monumenten gelezen had. Maar Champollion kwam van zijne meening terug evenals Rossellini.

Ihinsen, Bull. III p. 23, die met onverdroten ijver de duistere plaatsen der Egyptische chronologie zocht op te helderen, heeft bevonden dat buiten twijfel Ramses III de Sesostris der Grieken is, en dat Champollion in zijne berekening omtrent den aanvang van diens regeering van drie tot vierhonderd jaar mis is, dus aanmerkelijk jonger.

Ditzelfde werd naderhand nog meer verklaard door Lepsius cn Seyffarth.

Zoodoende vervallen wederom drie tot vierhonderd jaren van die oude nergens te bewijzen Egyptische dynastiën van Herodotus.

Ill Regum XIV, 25 vinden wij dat de Egyptische koning Sesac onder Roboam V koning van Juda Jerusalem innam.

Dit feit wordt door den chronoloog R. P. in Tourneminius gesteld in het jaar 970 vóór Christus. Alle latere chronologen stellen dit feit met Rosellini in 971.

Bij Herodotus en Diodorus vindt men in 't geheel geen melding van den Egyptischen koning Sesac; hij wordt echter aangetroffen bij Manetho als stichter der twee cn twintigste dynastie onder den naam van Sesonchis.

De bevindingen hebben hier weer duidelijk bewezen, dat de Bijbelsche geschiedenis de alleen ware is en ook zij alleen ecne werkelijke chronologie geeft, dat zij dus juist is cn alle andere oude geschiedschrijvers verre overtreft.

Laten wij eerst zien wat de Bijbel ons verhaalt omtrent Sesac.

Ill Reg. XIV, 25 en II Chron. XII, 2: In het vijfde jaar van de regeering van Roboam, trok Sesac, koning van Egypte

op tegen Jerusalem..... met duizend twee honderd wagens en

zestigduizend ruiters, en ontelbaar was het volk dat met hem

ocr page 149

151

uit Egypte gekomen was, namelijk Lybiers en Troglodyten en Ethiopiers. Eu Inj nam de sterkste steden in Juda in on kwam ook naar Jerusalem. Edoch de propheet Semeias ging binner; bij Roboam en de vorsten van Juda, die te Jerusalem verzameld waren, vluchtende voor Sesac, en sprak tot hen; Dit spreekt de Heer: Gij hebt mij verlaten en ik heb u overgelaten inde hand van Sesac..... Toen de Heer gezien had, dat zij zich verootmoedigden, gewerd het woord van don Heer tot Semeias, zeggende: Omdat zij verootmoedigd zijn, zal ik hen niet verderven, en ik zal hun een weinig hulp geven, en mijn toorn zal niet uitvloeien over Jerusalem door do hand van Sesac. Maar zij zullen hem dienen, opdat zij kennen het verschil van mijnen dienst, en van oenen dienst van eon rijk der aarde.

Aldus trok Sesac koning van Egypte weg van Jerusalem, na genomen te hebben de schatten van het huis des Heeren, en van het huis dos konings, en hij nam alles mede, ook de gouden schilden welke Salomon gemaakt had.

Zoo wordt dit feit in don Bijbel aangehaald, maar dit ging in do ongeloovige geleerde wereld door als een fabel, omdat noch Herodotus noch Diodorus melding er van maakte, welk ontkennend bewijs hoog moest opwegen tegen Manetho, ook omdat Sesonchis wel een ander vorst kon zijn dan Sesac. Laten wij hot onderzoeken.

Do nabijgelegen plaatsen aan den Nijl in Opper-Egyptc zijn in do laatste eeuw een vruchtbaar veld voor geschiedkundige en andere oudheden. Roods onder do verhandeling over do sterrekunde hebben wij gesproken over Denderah en Esneh langs den linker Nijloever. Tusschon deze beide plaatsen maar op den rechteroever ligt Karnac. In deze plaats is nog een groot voorhof voorhanden mot eene volledige voorstelling over de daden van dezen veroveraar en horsteller der Egyptische macht. Na de ontdekking van dit monument waren alle geleerden in spanning, of men dan nu ook iets ontdokken zou nopens de verovering van J uda, daar dit feit zeker als een dor belangrjjkstc

ocr page 150

152

gelden moest, omdat dit rijk onder koning Salomon ten toppunt van macht en glorie was gekomen, en hierin alle andere rijken ver achter zich liet.

Op deze voorstellingen te Karnac vinden wij Sesac afgebeeld naar hot gewone gebruik op Egyptische monumenten; hij houdt eene schare bijeen geknield liggende figuren bij de haren vast, in zijne opgeheven rechterhand houdt hij zijn strijdbijl, alsof hij allon met oenen slag wilde onthalzen. Eenigszins van hem verwijderd drijft do god Ammon-Ra een troop gevangenon met op den rug gebonden handen naar hom toe. De eersten moeten diegene voorstellen welke Sosac liet vermoorden, en de tweeden diegene welke hij tot slaven of alleen schatplichtig maakte. Volgens de voorspelling van den propheet Semeias, zooals wij boven gezien hebben, moest de koning van Juda onder de tweede klasse gerangschikt worden.

Onder de figuren der gevangen koningen vindon wij werkelijk, naar de juiste opmerkingen van Rosellini, eenen koning met eene volmaakt joodsche physionomio. Hiervan lieeft Cham-pollion een zuivere copie genomen en in zijn werk een kopergravure gegeven.

Ieder der gevangen monarchen draagt een schild met ge-kartelden rand, hetgeen eene versterkte stad moet voorstellen, en op ieder schild is een hieroglyphisch opschrift aangebracht, dat buiten twijfel den naam of titel van hom die het draagt, moot aangeven. Jammer genoeg hebben de moesten dezer schilden zooveel geleden en zijn zij zoo verminkt dat do opschriften bijna niet leesbaar meer zijn. Een echter is geheel ongeschonden bewaard, nl. dat dor joodscho figuur.

Op dit laatste schild bevinden zich nogen phonetische teckens: eerst twee veders, een vogel en een geopende hand. De vederen botoekenen de letters T, E; de vogel U; do open hand D of T. Hier hebben wij alzoo JEUD, het Hebroeuwsche woord voor Juda. De vijf volgende toekons beduiden do lettors H. A. M. L. K. aangevuld door de klinkers, alzoo: Hamelek het hebr. van koning. Hét laatste toeken staat altijd voor het woord Kab: land.

Op de andere schilden heeft men nog namen van joodsche

ocr page 151

153

steden ontdekt; als b. v. Baitliora (Bet horan), Magdo (Megiddo) enz. Lcpsius, Litt. p. 275. Bruscli, Reisber. aus Egypten p. 250.

Dit is dus weer een treffend bewijs voor de waarheid van den Bijbel tegenover de oude schrijvers. Dat Herodotus do fabulator het verzweeg, beteekende nog zooveel niet, al is die schrijver dan ook de lieveling der ongeloovigen, omdat zij op hem steunend den Bijbel trachten valsch te maken; maar liet gezag van Diodorus de Sicylier, die Herodotus ook een fabeldichter noemt, dat gezag staat hooger; en dat die nu ook dat feit verzweeg, was verwonderlijk. Maar boven alle wereldsch gezag staan de monumenten, die een volk trotsch op zijne overwinningen en groote daden in beeld en steen aan zijne nakomelingen vermeldt, en het zijn deze monumenten, die overal waar zij ontdekt worden, getuigenis afleggen voor het gezag van den Bijbel, van het woord Gods.

Beschaamd zien de mannen der ontkenning op hunne eigene veroveringen neer, daar zij bij al hun ijver en onderzoek op archseologisch gebied nog niet het geringste bewijs tegen de geschiedenis van den Bijbel hebben kunnen aanhalen.

Hiermede zouden wij kunnen eindigen omtrent de archseologie, omdat wij niet cone volledige verhandeling over deze wetenschap willen geven, maar ons slechts beperken bij voorbeelden genoeg om te bewijzen dat de wetenschap de ware dienares is van het woord Gods, de Schriftuur.

Omdat wij echter onder de verhandeling der Oostersche Overleveringen gesproken hebben over den Zondvloed van Deucalion, zullen wij daaromtrent hier, als zijnde dit ter plaatse nog een klein woordje bijvoegen.

In liet Oosten wijst men verschillende plaatsen aan, die men voor de openingen houdt, waardoor het water van den Zondvloed naar do afgronden dor aarde zou teruggekeerd zijn volgens Gen. Vill, 3; onder deze is wel de voornaamste oen opening in den Parnassus.

Volgens Pausanias (150 na Clir.) in Pcriegesis zou ongeveer

ocr page 152

1 ö4

iets dergelijks bestaan to Athene, in een heilig bosch genaamd Olympias.

Volgens Lucianus (120 of 130 na Chr.) beweerden hunnerzijds do bewoners van Hierapolis in Syrië, dat bij hun do monding was waardoor de wateren van den Zondvloed waren teruggestroomd.

Lucianus schrijft aldus: „Hierbij beweren de inwoners van het land dat bij hun do opening van oenen afgrond is, die alle wateren verzwolg, en dat Deucalion er een altaar oprichtte on eenon tempel bouwde ter herinnering aan deze gebeurtenis. Ton bewijze van hun gezegde dient, dat de bewoners van dat land, van geheel Syrië en Arabic, ja zelfs de bevolking van over den Euphraat tweemaal per jaar toestroomt naar het naburig meer (nabij de stad Hierapolis) en daar in menigte water scheppen, hetgeen zij komen uitgieten in het gat in den tempel; ook de oorsprong dezer (zoogenaamde) ceremonie wordt toegeschreven aan Deucalion, in herinnering aan dat feit______quot;

Vervolgens beschrijft Lucianus do beelden, welke in het heiligdom van dien tempel stonden; hij onderscheidt drie gouden beelden, waarvan een van Jupiter in zittende houding en gedragen door ossen, het andere van Juno in dezelfde houding on door leeuwen gedragen. Dan zegt hij : „Het middelste standbeeld heeft geenen anderen naam dan het beeld en geen ander zinnebeeld dan een gouden duif op het hoofd; dit beeld draagt men jaarlijks tweemaal naar het meer, wanneer men het water gaat scheppen waarvan ik gesproken heb; eenigen zeggen dat het een voorstelling is van Deucalion.quot;

„Wat hierbij opmerkenswaardig is, zegt Court do Góbelin, is het beeld met eene duif tusschen do twee andere beelden, en hetwelk men zeide een beeld van Deucalion te zijn. Dit voert ons tot do étymologie van den naam zeiven van Deucalion. Jon beteekent in het oostersch eene duif; deuc in bijna allo talen voeren, leiden; daarvan het hebreeuwsche deigal ken-teeken, opschrift; deucalion zou dus betookenen: de duif is mijn kenteeken, of ik voor eene duif tot kenteeken.quot; Le monde primitif, disc. prei. t. IX, p. 102.

ocr page 153

X.

^osfprsr^p ^lubiFn.

In ccno mijnor vorige verhandelingen zoido ik dat men zoowel in zaken die op don godsdienst als in die welke op de geschiedenis betrekking hebben, steeds oen grondig onderzoek moet instellen bij de oudste schrijvers. Niet zonder bedoeling vergden wij een grondig onderzoek, daar wij meermalen op het onvertrouwbare van zekere schrijvers hebben gewezen.

Wanneer wij ons nu ondernemen, andermaal krachtige bewijzen voor het Christendom en doorslaande getuigenissen der Heilige Schrift aan te halen, dan kunnen wij geenen beteren weg inslaan, dan dio tot den oorsprong van het Christendom leidt. Zooals wij reeds aan het einde der verhandeling over Ethnologic bemerkten is het Oosten voor ons de drager van een kenmerk, van een karakter dat vaststaat, omdat, zooals wij hebben aangetoond en verder nog zullen bewijzen, de toestand aldaar onveranderlijk is en blijft. Hoe dieper alzoo de geleerden en wijsgeeren in dat onveranderd karakter doordringen, des te schoonere en nieuwere schatten delven zij op, omdat het een bijna onuitputbare mijn is voor godsdienstige en geschiedkundige verhandelingen.

Het Oosten is de moederschoot der volkeren, niet alleen omdat do mensch oorspronkelijk aldaar na den Zondvloed geboren is, maar ook omdat daar door eene ongekende kracht menschenstam op menschenstam werd voortgebracht en als do golven van den Oceaan over den aardbodem heenroldcn. Proefondervindelijk is liet en klaar, dat het Oosten onmachtig is zijne eigene bewoners op goestes gebied tot eene meer dan middelmatige ontwikkeling te brengen, en toch is dat volk toegerust

ocr page 154

156

en voorbereid mot geestesgaven, welke onder andere en gunstige invloeden zich verheffen tot eiken denkbaren trap van beschaving, ontwikkeling en macht.

De Aziatische volkstammen in hun eigen land kan men best vergelijken bij eene boomkwekerij, waarin zij het niet verder brengen kunnen dan tot zekere hoogte. In hun physisch leven brengen zij het tot zekeren trap van volmaaktheid; bij hen strooit de natuur hare gaven met kwistige hand, en aan het menschelijk uiterlijk heeft zij eene blijkbare schoonheid, be-hendigheid, sterkte en volharding toegedeeld; geheel hun godsdienstige, zedelijke en staatsinrichting draagt den stempel van een wel bevredigd zinnelijk geluk; — maar al deze eigenschappen en hoedanigheden zijn beperkt en begrensd, en daar ligt een onoverkomelijke scheidsmuur tusschen hen en die grootheid van aard welke bij andere volken iets edels doet uitschijnen; de beschaving is niet bij machte de vleugelen des geestes zoodanig te ontwikkelen, dat de ziel zich in hooger sferen aan een zuiver geestelijk genot kan laven; geen noemenswaardige uitvindingen worden er meer gedaan, ofschoon dat volk zich tot alles leent; een onophoudelijk despotismus vervangt de plaats van eene standvastige wetsinstelling. In een woord, in liet Oosten zien wij de beschaving eeuw op eeuw onafwisselend op zekere hoogte staan, zelden daalt zij, maar nooit klimt zij.

Dit groot onderscheid, beter nog contrast tusschen de bewoners van Azië en die stammen die na dat land verlaten te hebben, eene zoo wondervolle geestkracht aan den dag legden, dient ons heden tot eene schoone bron van onderzoek. Daardoor tocli zijn wij in staat de geschiedenis en instellingen der Aziaten met hun onveranderlijk karakter tot in de verste eeuwen na te gaan; daarin vinden wij eenen band van samenhang tusschen het tegenwoordige en liet verlodene, dien men elders te vergeefs zou zoeken, en die ons thans een lichtbaken is bij de onthulling onzer heiligste gedenkstukken.

Alle moeiten, kosten en onderzoek is niet in staat ons heden eene heldere inlichting te geven omtrent den toestand van

ocr page 155

157

Duitschland, Engeiand, Frankrijk, Nederland enz. over tweo en meer duizend jaren, dewijl op olk gebied alles onherkenbaar veranderd is, alleen de voornaamste bergen, meren en rivieren zijn gebleven, maar taal, godsdienst, zeden, regeeringsvorm enz., alles toont wel is waar in zicb hot teeken van veelvuldige verandering, maar leidt ons tot geen andere opheldering.

Zoo is het niet in bet Oosten. Wij vinden er de Chineozcn nog in denzelfden toestand gelijk de oudste boeken hen be-schrjjven; de nomadische Mongolen en Turkomannen voeren in hunne wagententen met hunne kudden nog altijd hetzelfde leven als oudtijds de Scythen; de Brahmanen verrichten nog altijd diezelfde afwassching in den heiligen vloed, volbrengen nog al dien last van ceremonies gelijk de oude Gymnosopbisten, de zoogenaamde naakte wijzen; meer nog, wij zien de Arabieren naar dezelfde bronnen gaan om te drinken, dezelfde paden betreden, bij dit alles betzelfde verrichten, wat voor eeuwen de Joden op hunne bedevaarten deden; op dezelfde wijze als deze, op dezelfde tijden en met dezelfde gereedschappen bebouwt de Arabier nog zijn land, bouwt bij zijn huis in denzelfden trant, terwijl zijn taal nog ongeveer dezelfde is als die der bewoners van het beloofde land.

liet natuurlijk gevolg hiervan moet zijn dat wij bij eiken stap in dat land ontelbare ophelderingen voor de H. Schrift aantreffen. Daarenboven ligt in die onveranderlijke gelijkvormigheid der oostersche volken een hardnekkig vasthouden aan alle groote tradities of overleveringen, en een heilige ernst bij ben om al datgene te bewaren, wat de overoude geschiedenis der menscben bevat.

Daar dus wordt voor ons de onfeilbare toetssteen voor bet verledene bewaard; daar vinden wij de scbakels terug dei-keten, welke wij daarbuiten onmogelijk aan elkander kunnen smeden.

Tot staving hiervan zullen wij uit de ontelbare voorbeelden eenige enkelen aanhalen vooreerst uit de bijbelsche en tweedons uit de profane oostersche letterkunde, en ten slotte uit de wijsbegeerte.

ocr page 156

158

BIJBELSCHE LITTERATURE.

Ueze wetenschap brengt niet weinig bij aan de bewijzen voor het Christendom. Iedereen begrijpt dat in de II. Schrift soms zeer veel afhangt van een enkel woord, ja zelfs van een enkele lettergreep.

Hiervan vinden wij reeds terstond een voorbeeld in Ps. XXII, 17. „Zij hebben mijne handen en voeten doorboord.quot; Zeer veel is over dezen tekst geschreven, en aan de oostersche litteratnre is het te danken, dat deze ware lezing is bevestigd, dat deze voorspelling betrekking heeft op Christus. Dit is lang betwist geworden door de Joden en de theologen der rationalistische school: want zooals de tegenwoordige Hebreenwsche tekst luidt, heeft hij eene gansch andere beteekenis nl.: „gelijk een leeuw zijn mijne handen en voeten.quot;

Zeer voorname plaatsen in het Nieuwe Testament zijn aan een dergelijk zorgvuldig onderzoek onderworpen geworden ten gevolge van de Sociniaansche kwestie.

Langs dezen weg ook is zoo zonneklaar bewezen dat I Joa.n. V, 7 tot den oorspronkelijken tekst behoort en niet onderschoven is.

Iladde men niet tot deze wetenschap zijn toevlucht genomen, dan kwam misschien geen einde aan den strijd over I Tim. III, 16, of wij moesten lezen „God verscheen in het vleeschquot; of „welke in het vleesch verscheen.quot; quot;Want na alle mogelijke raadpleging der oude handschriften, bleef het nog onopgelost of van het Grieksche os de eerste letter eene o was en of er eene dwarsstreep in en op stond, in welk laatste geval het eene til en verkorting van theos was.

Het voornaamste nut echter uit deze wetenschap getrokken, is dat zij ons het middel ter hand biedt om wetenschappelijk uit te maken in hoeverre de tekst der H. Schrift zooals wij hem thans bezitten, vrij is van wezenlijke veranderingen en onbeschadigd of misvormd; terwijl zij ons tevens ontheft van grooten angst en zorg in hare verklaringen.

Van af de eerste tijden van liet Christendom beijverde zich

ocr page 157

159

do Kerk mot do grootste zorg om cenon feilloozon, nauwkourigen tekst der H. Schrift te bezitten en om, wijl de taal van het oude testament aan de Christenen weinig of niet bekend was, getrouwe vertalingen daarvan te verkrijgen.

Origenes, Eusebius, Lucianus en andere Grieksche geleerden wijdden hieraan hunne talenten, en zuiverden de vertaling van do Septuaginta van de fouten, die allengs ingeslopen waren.

Geen geringer moeiten gaven zich Hieronymus, Cassiodorus en Alcuin in hot Westen voor eene goede Latijnsche vertaling.

Met alleen de H. Augustinus en Beda, maar allen bekennen eenparig dat men noodzakelijk tot den oorspronkeljjken tekst zijn toevlucht moet nemen. Aug. adv. Faust. L. X. C. II. t. VIII p. 2, 219.

Toen echter de Christenen zich meer op het Hebreeuwsch toelegden, en de boekdrukkunst de deuren van onderzoek voor iedereen openstelde, ontspon zich een zware strijd over de nauwkeurigheid van den Hebreeuwschen tekst. Want men bevond dat hij op zeer voorname en gewichtige plaatsen van de toen gebruikte vertalingen afweek, en men verdacht de Joden, die hem zoolang als een monopool voor zich betracht hadden, van ten eigen nutte en bate den oorspronkeljjken tekst op verscheidene plaatsen veranderd en vervalsclit te hebben. En toch, nadat men alles grondig onderzocht en vergeleken had bevond men, dat de Joden het heilig boek ongeschonden en vrij van elke vervalsching bewaard hadden.

Hiermede was echter de strijd nog niet beslist, daar nog altijd mannon gevonden werden die deze algemeeno opinie niet doolden, maar volhielden dat de Joden den tekst vervalsclit hadden.

Vooreerst zien wij togen deze in het strijdperk treden Hou-bigant, die met allon mogelijkon steun en aanmoediging zolfs van den Paus, zijn vier prachtige folianten uitgaf, waarin de oorspronkelijke tekst vergeleken word met meerdere manuscripten en met do oudste vertalingen.

Een onder dit opzicht nog schooner werk gaf na dertig jaren arbeid Joan. Heinr. Michaolis in 1720 in het licht.

ocr page 158

160

Maar alles moest onderdoen voor liet werk van den Engelsehen Benjamin Kennicott, die meer dan tien jaren arbeidde om de materialen te verzamelen voor zijnen grooten critischen Bijbel, die in 1780 verscheen. Het had hem geenszins aan hulp en steun ontbroken; zelfs de bibliothecaris van liet Yaticaan, kardinaal Passionei, schreef hem:

„Uwe onderneming om eene nieuwe uitgave van den Bijbel uit alle Hebreeuwsche manuscripten, welke zich in de voornaamste boekerijen bevinden, te Oxford te doen verschijnen, heeft hier bij iedereen die het vernam, bijval gevonden. Om den ontwerper van een zoo gewichtig werk te begunstigen heb ik gaarne een vergelijkend onderzoek toegestaan van de oude Hebreeuwsche handschriften die zich op het Yaticaan bevinden, en als bibliothecaris van de heilige Eoomsche Kerk officieel daartoe verlof gegeven.quot;

Over dit alsdan nog te verschijnen werk schreef Fabricy in 1772: „Wat in dit werk voor ons vooral van belang zal zijn, is dat het buiten twijfel een machtig wapen aan onzen godsdienst in de hand geeft, om de dwaling der goddeloozcn en vrijgeesten nopens den tegenwoordigen toestand van cnzen Hebreeuwschen tekst te verpletteren. Want uit de inzage der Hebreeuwsche handschriften en uit hunne vergelijking met onzen gewonen tekst en met do oudste vertalingen zal eene bizondere daadzaak geboren worden, nl. de zekerheid dat onze H. Schrift wezenlijk onvervalscht is. Er kon geen betere weg gekozen worden om de veronderstelling te weerleggen van lien, die zich de wijsgeeren onzer eeuw noemen, en geen geloof schenken aan de heilige boeken op grond, zooals zij beweren, dat de oorspronkelijke tekst der H. Schrift wezenlijk vervalscht en heden slechts een onbegrijpelijke warboel zijn zou.quot; Fabr. des tit. prim, de la révél. t. I, p. 3 en t. II, p. 332, 373, 521.

Eindelijk zien wij Joan. Bern. de Rossi, professor te Panna, optreden om dit werk tot den hoogsten trap van volmaaktheid te brengen. Hij bezat goederen, noch rijkdom, noch invloed, en met geringe middelen zette hij zich aan het werk van zulke groote onderneming. Ofschoon de Joden geenszins gewillig waren

ocr page 159

161

hem hunne oude handschriften af te staan of ter inzage te geven, wist hij hen toch steeds op listige wijze hiertoe over te halen, en de uitslag overtrof eindelijk zijne schoonste verwachtingen. Kennicott kon in geheel Europa slechts 580 Ilehreeuwsche handschriften ter vergelijking bekomen, en geen boekerij der beschaafde wereld bezat meer dan vijftig zulke documenten. Als bijvoegsel tot de verzameling van Kennicott gaf de Rossi in 1784 den eersten band uit zijner verschillende leeswijzen, en geeft daarin een verslag en aanteekeningen over 479 manuscripten die hij zelf bezat. In 1788 was zijne verzameling reeds tot 612 gestegen, en eindelijk gaf hij in 1808 een supplement op zijne vier banden uit, waarin nog 68 nieuw ontdekte handschriften beschreven werden; hij was dus in 't gansche tot 680 Hebreeuwsche handschriften gekomen, en tot op zijn sterfbed nog vermeerderde hij deze verzameling, die in haar geheel aan de stad Panna is overgegaan.

Tot hiertoe hebben wij ons slechts bezig gehouden mot het Oude Testament, wij zullen nu in 't kort een overzicht geven van eenzelfde onderzoek van het Nieuwe Testament.

Terstond nadat men de eerste afdrukken van deze heilige boeken nam, kwam do taak in zwang de zicli in alle boekerijen bevindende manuscripten te onderzoeken; hierin echter liet het nauwkeurige en puntelijke meestal te wenschen over, ook had men daarin geen gelijkvormig plan. Men kan zeggen dat de bijbelsche critiek eerst eenen vasten vorm aannam in de uitgave van Mill in 1707; hierin waren alle voorgaande werken hieromtrent bijeenverzameld, hunne feilen verbeterd en nog veel nieuwe studies bijgevoegd.

Toen eenmaal die spoorslag gegeven was, kwam meer ijver in die zaak, en gedurende geheel do achtïiende eeuw verscheen de eene verzameling na de andere, welke de opmerkzaamheid der geleerden trok.

Die allen echter werden verre voorbijgestreefd door de uitgave van Wetstein, welke in 1751 en 1752 verscheen. Men kan

11

ocr page 160

1()2

cvonwcl zoggon dat dozo nog overtroffen word door den grooton hervormer dezer wetenschap Joan. Jac. Griesbach, aan wien wij de leidende grondstellingen verdanken die als met ijzeren hand haar voeren en beheerschen.

Het spreekt van zelf dat deze tak van eritischo wetenschap de geleerden en vooral de godgeleerden niet weinig ter harte ging, daar ketters en andere vijanden van ons heilig geloof en zijne dogma's hoopten, dat uit al dat onderzoek ook iets gunstigs voor hunne denkwijzen mocht voortspruiten. Bij voorbaat hoopte men reeds dat hier of daar eene lezing mocht gevonden worden gunstig voor de Socinianen, niet ten onrechte de voorloopers der rationalisten genoemd. Anderen en niet weinigen meenden, dat in elk geval eene zoodanige zekerheid omtrent den geheelen tekst zou blijken, en dat eene keus tussclien de zich tegensprekende lezingen zoo moeiolijk zou worden, dat ieders geloof aan het wankelen zou gaan en dat het niet liet gezag der heilige Schrift als bron aller waarheid zou gedaan zijn.

quot;Wat was nu het gevolg van die moeitevolle scherpzinnige onderzoeken, waartoe leidden die vergelijkingen van manuscripten uit iedere eeuw, waartoe had al de ijver van vele geleerde mannen gediend ?

Tot een voor de Katholieken zeer schoon, maar voor hunne vijanden erbarmelijk resultaat. Niet dat hot ontbrak aan toereikende verscheidenheid van lezingen, integendeel, ^lill's eerste werk toonde er reeds B0.000. Men had wel is waar elke bereikbare bron uitgeput, de lezingen der 11. Vaders in elke eeuw nagepluisd, de vertalingen onderzocht van allo volken, do ara-bische, de syrische, de koptische, de armenische, de aetliiopische enz.; men had de handschriften vergeleken van alle tijden, van de zestiende tot de derde eeuw, elk land was dubbel en dwars doorzocht om het dergelijke schatten te ontrooven, do verste landen werden niet ontzien; Scholz en Sebastiani drongen zelfs tot in do verborgenste schuilhoeken van den berg Athos door, de egyptische en syrische bibliotheken bleven niet gespaard, en men ontdekte..... niets, niet eens een enkele lozing

welke ook maar een twijfel kon werpen op eene plaats, die

ocr page 161

163

vroeger als doorslaand betracht werd ten gunste van ecnig dogma of geloofspunt.

Van alle afwijkingen die men vond, betrof geen enkele de substantie der woorden; wel vond men hier of daar een lidwoord of verbindingateeken bijgevoegd, eene betere of minder nauwkeurige grammaticale constructie, in een woord, eenige afwijkingen die meer de vormen dan de woorden betroffen.

Lang had men strijd gevoerd over het eerste vers van het Evangelie van den H. Joannes om daarin togen de godheid van Christus op te komen. De een beweerde dat men moest lezen: „en het woord was van Godquot;: de andere „en God wasquot; terwijl „het woordquot; bij het volgende zinlid behoorde. gt;'adat men alle bovengemelde getuigenissen bij do hand had, vond men verschillende lezingen. Clemens van Alexaudrie zegt eenmaal: „het woord was in Godquot; in plaats van: „bij Godquot;. Een handschrift en Gregorius van Xyssa geven hot woord God met het artikel: „was de Godquot;. Ziedaar nu de eenige afwijking welke men omtrent den betwisten tekst kon vinden, en de leer omtrent de godheid van Christus bleef onveranderd er uit bewezen.

Inderdaad, wanneer wij liet groote werk van den beroemden criticus Griesbach doorbladeren en daar, bij al die verscheidenheid van voorname documenten, die liet bevat, liet zoo zelden zich voordeed, dat eene weinig beduidende verbetering kon aangebracht worden, dan staan wij verbaasd over de nauwgezetheid en nauwkeurigheid van onzen gebruikelijken tekst, die toch na de uitvinding der boekdrukkunst zonder keur genomen werd van hst eerste handschrift dat voorhanden was.

Het bewijs voor de waarheid, echtheid en onvervalschtheid der heilige boeken was geleverd, zoo van het Oude als van liet Nieuwe Testament, de II. Schrift bleef diezelfde vuurbaken dei-waarheid welke zij van eeuwen af geweest was, en onzen vijanden was het laatste wapen uit de hand geslagen, daar geen vorder pogen meer mogelijk is noch kan worden.

ocr page 162

104

PROFANE LITTER ATT RE.

Wanneer wij hier het woord profane litterature neerschrijven, dan is onze bedoeling daarmede niet, af te stappen van den Bijbel, neen, veeleer dient dat woord slechts om eenen anderen aard van wetenschap aan te duiden, die echter met de Schriftuur innig samenhangt, zooals uit het volgende zal blijken.

Men merke echter dat deze verhandeling wederom zoo beknopt zal zijn als mogelijk, en dat datgene wordt weggelaten wat wjj minder noodzakelijk voor ons doel achten, al zou daarom ook gezegd worden, dat zij incompleet is.

Do Bijbelsche litterature is ook incompleet, want daarin hadden wij nog moeten sproken over de grammatica en de syntaxis dor zoogenaamde Oosterscho of Semitische talen, over hermeneutica, enz.; maar dan gingen wij daarin ons doel voorbij, dat geen ander is dan in beknopte verhandelingen te doen uitkomen dat de Bijbel de toetssteen van allo wetenschappen is, en geen enkele wetenschap iets tegen den Bijbel met grond kan inbrengen.

Zooals wij vroeger reeds bemerkt hebben, is Azië ecne onuitputbare bron voor de reizigers, en Europa wordt inderdaad overstelpt met verzamelingen van reisbeschrijvingen waarin do gebruiken, zeden, leefwijze enz. der Aziaten geschetst worden. Deze worden meestal getoetst aan de feiten en daden der H. Schrift, juist omdat het Aziatisch volk bekend is om zijne standvastigheid onder allerlei opzicht. Uit die allen blijkt steeds dat de H. Schrift rijk is aan manieren en wijzen van uitdrukken en aan zinspelingen op gebruiken, die men in Europa meestal slecht of ten deele slecht begrijpt, terwijl zij in het Oosten nog immer aan de orde van don dag zijn; ja wat meer is, elke nieuwe uitgave van oostersche schrijvers geeft steeds betere en ongekende ophelderingen.

Om dit klaar te maken zullen wij terstond oen voorbeeld aanhalen.

ocr page 163

105

Genos. XLIV, 5 vinden wij molding van oenen „scypluis, in quo augurari solotquot;, dus eonen waarzegboker, waarop terstond volgt 15: wist gij dan niet, dat in de kunst van waarzeggen (voorspellen) mijns gelijken niet is.

Voorheen gaf deze tekst aanleiding tot zooveel opmerkingen, dat eenige geleerde oordeelkundigen niet schroomden voor te slaan van eene wijziging in de lezing van den tekst te brengen, omdat naar aller moening hier gezinspeeld wordt op een gebruik, waarvan bij de ouden geen spoor te ontdekken was. „quot;Wie hoef: ooit van waarzeggen gehoord, roept Houbigant uit, dat door middel van eenon beker geschiedde?quot; Aurivillius, diss, p. 273 schrijft: „Ik beken dat eene dergelijke uitlegging zou aan te nemen zijn, als door het getuigenis van welken gcloof-waardigen schrijver dan ook kon bevestigd worden, dat vroeger of later bij de Egyptenaars zulke wijze van waarzeggen gebruikelijk was geweest.quot;

Misschien waren die geleerden onbekend met het aangehaalde in Glycas. Annal. 2 waar koning Xektabanus als ervaren in het waarzeggen in den beker wordt voorgesteld, gelijk ook Jamblichus in hot boek van de Egyptische geheimen.

Burder, Orient, customs I, 25 haalt wel twee wijzen aan van waarzeggen met bekers, zooals Saurin uit Julius Serenus en Cornelius Agrippa verhaalt, maar die manier van doen kwam niet met den aangehaalden tekst uit Genesis overeen.

Silv. de Sacy was de eerste die uit Norden's Reis een voorbeeld aanhaalde, waaruit hij bewees in Chrest. Ar. IT, 5U5 dat betzelfde gebruik ook heden nog in Egypte voorkomt. Daar wordt gezegd: „Barem Kaschef zegt tot de reizigers dat hij zijnen beker geraadpleegd heeft en ontdekt, dat zij spionnen waren, gekomen om liet land te onderzoeken, hoe zij het hot best konden overvallen en onder het juk brengen.quot;

De llevue dos deux Mondes gaf in Aug. 1833 een schoon artikel over het voorkomen van dergelijke waarzegging uit bekers in Egypte.

Heden echter staat het bepaald vast dat in geheel het Oosten geen wijze van waarzeggen zoozeer in zwang was en nog is als

ocr page 164

166

die uit bekers. Zoo lezon wij in Noxiv. Journ. As. p. 261 in

eene cliineesclie besclirijving over het rijk Tibet omtrent de huidige gebruiken: „Soms kijken zij in een waternap en zien de toekomst. ITet hoeft allen schijn dat de Perzen den beker zelfs voor liet voornaamste werk tuiquot;' tot waarzesjaren hielden;

O O O 7

hunne dichters komen onophoudelijk met de sage voor den dag over don beroemden waarzegbeker die oorspronkeljjk den halfgod Dschemschid toebehoorde, welke hem in de grondvesten van Jstachar (Persepolis) ontdekte, dien naderhand Salomon on Alexander erfde en die de talisman van hun geheel geluk was. Dit waarzeggen geschiedde altijd door in den beker te kijken.quot;

De heilige Ephram, Op. omm. t. 1. Syr. et Lat. p. 100 verhaalt een voorbeeld hoe men waarzegde door op eenen beker te kloppen en dan to letton op den toon dien hij gaf.

Lucas II lezen wij dat Joseph naar Bethlemen, de stad van David moest gaan om zich aldaar bij gelegenheid van eene algemeene volkstelling te laten opschrijven, waarschijnlijk wegens eene nieuwe landverdecling of voor belasting.

\roeger beweerden velen dat die opschrijving nooit bestaan h ul, omdat 111311 dergelijk gebruik nergens vindt. Lardner beweerde langen tijd dat bij de Joden wel het gebruik bestond zich bij stammen en familiën te laten opschrijven. Eindelijk werd din door de litteraturo bewezen, ja zelfs dat dit gebruik in Syrië tot in onzen tijd is blijven voortbestaan. Volgens melding van Dionysius in zijne chronik: „schreef Abdelmenik eene telling der Syriërs voor in 1692, en liet bet gebod geven dat iedere persoon zich naar hare geboorteplaats, naar hare stad en haar onderlijk huis moest begeven, om zich te laten opschrijven en tevens aangifte té doen van haren naam en afkomst, wijngaarden, olijfplantingen, kudden, kinderen en de geheele bezittingen.quot; En dat was, zegt hij, de eerste telling die door een Arabier in Syrië gedaan word; dus was zij vroeger dooide Syriërs zelf gedaan, 1111 voor liet eerst door een vreemdeling. Assemani, Bibl. or. II p. 104.

ocr page 165

107

Ook voor dc vcrkliiring van goograpliische namen der IF. Schrift liccft do profane littcratnro veel bijgebracht. Zoo lezen wij in Num. XIII, 2:5 en Ezech. XXX, 14 het hebreeuwsche Zoan. Burton, exc. hierogl. nr. IV liooft uit de hieroglyphen klaar bewezen dat dit beteekende Tanis of Taphuis, hoofdstad in Neder-Egypte. •—■ Evenzoo heeffc Wilkinson, Bull. enz. p. 104 den strijd beslecht over Xo-Amon of liet Xo van Nahum III, 8, Jeremias XLVI, 25. Ezechiel XXX, 1G. De H. Hieronymus heeft hier het hobreeuwsch Amon-min-No vertaald: super tu-mulum Alexandrife. Wilkinson nu heeft bewezen dat No de egyptisch naam is van Thebe of zooals de Grieken haar noemden, Diospolis, de grootste en beroemdste hoofdstad van Opper-Egypto. Volgens Champollion is de naam Thebe niets anders dan het egyptische woord „tapequot; hoofd of hoofdstad.

Dit zijn genoegzame bewijzen voor het nuttige der Oostersche litfcerature; wij zullen haar nu van eenen anderen kant betrachten.

OOSTERSCHE PIIILOSOPITIE.

Vroeger hebben wij reeds in de verhandeling over ethnologic gezegd, dat bij do meeste volken de wijsbegeerte hot eigenlijk ware kenteeken is van hunnen geest, dat zjj als het ware het kenmerk daarstelt van hot verschil des geestes, gelijk de uiterlijke bouw dat des lichaams. Dit hebben wij toen toegepast op de Semieten en do Indo-Europeërs; trouwens dit is toepasselijk op elk volk.

Zoo is de exporimentale wijsbegeerte van Baco een trouw beeld van den geest der Engelanders, van af de diepste beschouwingen der geleerden tot de practische gedachten van den landman. — De abstracte bespiegelende halfdroomende mystiek van den Hindoe is evenzeer een beeld zijner gerustheid en werkeloosheid, een blijk zijner diepzinnigheid, welke zich van zeiven moet opdringen aan menschen die daar in ledigheid zitten aan do oevers der prachtige stroomen. Bevinden wij nu bij zulk volk verschillende secten, dan kan het niet anders of zjj hebben hiinucn geest aan eene vreemde leer geleend. Zoo

ocr page 166

168

vindon wij menigmaal bij do grootste Griekscho wijsgeeron de erkenning van groote waarheden, en toch kunnen zij voor deze soms niets dan zwakke bewijzen aanhalen.

Maar wanneer wij in de wijsgeerige leerstelsels van alle volkeren hoofdstukken aantreffen die tot hetzelfde gevolg leiden, dan moeten wij zeggen dat deze ofwel het uitvloeisel zijn van eene algemeene oorspronkelijke overlevering van af den beginne geleerd en onder allo volken verspreid, ofwel dat deze waarheden zoo wezenlijk, ja zoo natuurlijk waar zijn, dat de menschebjke goest hen onder eiken mogelijken vorm ontdekt en zich toeeigent. Zoo vinden wij niet een enkel wijsgeerig leerstelsel dat het toekomstig en eeuwig leven der ziel ontkent. Zoo heeft A\ ilks, trans. etc. 1 p. 514 eene aanhaling vertaald van Achlaki Nasiri, een Perzisch werk over de menschelijke ziel, waarin alle vragen over de ziel met bewonderenswaardige scherpzinnigheid en schranderheid onderzocht worden; de vorm van bewijsvoering in dit stuk en de loop der gedachten doet duidelijk blijken, dat hot geheel oorspronkelijk is en uit geen ander overgenomen, zelfs niet uit bet Grieksch.

Wij willen die wijsbegeerte nagaan in zooverre zij eenige betrekking heeft op den Bijbel en eonige voorbeelden aanhalen.

Do Oostersche wijsbegeerte bevat in zich een bizonder ge-heimzinnige leer, die de grondslag is van den ond-perzischen godsdienst, en de oorsprong was van de eerste christen-secten of dwaalloeringen. Zij bevat bet geloof aan eenen strjd tus-schen de twee vijandige machten van het goed en het kwaad, dus een strijd tusschen eon goeden en een boozen geest; dan neemt zij aan, het bestaan van een uitstralendon invloed (emanatie) die tusschen de goddelijke en menschelijke natuur in staat; daarenboven bezit zij talrijke geheimzinnige uitdrukkingen, om do verborgen onderlinge betrekkingen aan te duiden tusschen de verschillende orden der geschapen en ongeschapen wezens.

Deze loer was in geheel hot Oosten doorgedrongen, en er is geen twijfel of bij de komst des Zaligmakers had zij bij de

ocr page 167

160

Joden ing'anp' «•evonden, zoodat do sectc der Pharizeërs veel

O O O '

uit die gelieimo leer had overgenomen. Zij trad zelfs in Griekenland op en maakte zich meester van 's menschen geest, vooral in de school van Pythagoras en Plato. Op sommige plaatsen kwam die leer zoo nabij de waarheid, dat de heilige schrijvers niet schroomden verscheidene uitdrukken derzelve te gebruiken bij het uiteenzetten van de waarheden van ons heilig geloof.

Men heeft in latere tijden meer opmerkzaamheid aan dat leerstelsel geschonken, en de daardoor ontstane meerdere kennis heeft gediend om verschillende duistere plaatsen der II. Schrift beter te bogrijpon en schooner te maken.

Als b. v. Mcodemus het woord dos Zaligmakers over de „wedergeboortequot; niet verstond, of het deed voorkomen alsof hij het niet begreep, dan zou men hebben moeten denken, dat zulk een uitdrukking dan ook gansch buitengewoon moest zijn. Daarom moet ons het verwijt: „Gij zijt een meester in Israël en verstaat dit niet!quot; nog al streng schijnen. En toch dit was do gewone figuurlijke zin, waarmede de Pharizeërs de daad beduidden van hot proselyt worden; dit zelfde woord werd door de Brahmanen gebruikt voor hen, die hunnen godsdienst omhelsden. Wiseman, Lect. on te R. Pres. p. 95. Hieruit nu begrijpen wij, dat Mcodemns heel goed dit schijnbaar onduidelijk woord kon verstaan.

Bendsten, Miscellanea Hafnonsia I. 20. heeft een zorgvuldige studie aan die leer gewijd en vele uitdrukken in het nieuwe Testament daaruit aangewezen, als b. v. licht en duisternis, vleesch en geest, vat en tent enz. die daardoor alle mogelijke klaarheid gekregen hebben.

Een bizonder treffend voorbeeld tot opheldering van het Nieuwe Testament, beeft ons de kennis met een secto van die wijsbegeerte geleverd.

In de streken van Basra of Bassorah, stad in Mesopotamië, aan de vereeniging van den Euphraat en den Tiger, huist eene secte, die klaarblijkelijk van de oude Gnostische secten afstamt,

ocr page 168

170

en die ocne luzonilerc vereering koestert jegens den II. Joannes den Dooper. Zij worden gelieeten Nazareërs, Sabiers, Mendscërs of leerlingen van Joannes, welken laatsten naam zij zelf zich geven. Ignatius a Jesu, narr. orig. et err. Clirist. S. Joannes.

Het blijkt uit alle gegevens dat zij sedert do eerste eeuwen van het Christendom bestaan hebben, lluu geheel geloof berust op liet leerstelsel van emanatie uit de godheid. Het best is deze secte bekend geworden uit liet werk van professor Xorherg „Codex Nazarams liber Adami appellatus.quot; Dit is eene vertaling van hun heilig boek, dat in zoor verdorven syrisch en slecht verstaanbaar geschreven is.

Algemeen is het bekend dat de IT. Joannes in zijne geschriften meestal de Gnotische secten bestreed, vooral de Ebioniten en Cerinthianen. Daaruit kon reeds veel van hem verklaard worden wat anders nog al duister scheen; daarom kwam hij ook steeds zoo nadrukkelijk tcneor op de vleoscheljjko menschwording van den Zoon Gods. Daaruit ook liet het zich uitwijzen dat hot eerste hoofdstuk van zijn Evangelie louter uitdrukkingen bevatte tegen hunne valsche leerstellingen. Dewijl b. v. de Gnostieken leerden dat er benevens en onder God vele Aeonen of geëmaneerde wezens bestonden, aan welke zij aan het één den naam van „het woordquot;, aan het andere van „den eenig-geborenenquot;, aan een derde van „het lichtquot; enz. gaven, en leerden dat de wereld door eenen boozen geest geschapen is, — zoo werpt de H. Joannes al deze meeningen omver, doordien hij aantoont, dat God de Vader slechts getuigenis geeft van eenen, die tegelijk hot licht, hot woord cn de eeniggeboreno is, en door wion allo dingen gemaakt zijn. S. Irenaeus. adv. haer. 1. I. c. 1. par. 20.

Maar in hot begin van dit schoon Evangelie, waarin do H. Joannes zich als een adelaar boven deze wereld verheft, komen nog meer zaken voor die niet altijd even verklaarbaar waren. Waarom drukt hij zoozeer op do ondergeschiktheid van Joannes den Dooper? waarom die aanhaling, dat hij niet het licht was, maar slechts een getuigenis van dat licht; waarom wordt dit zelfs tweemaal herhaald? waarom zet hij vooral

ocr page 169

171

voorop dat do Doopor niots meer was dan oen monsch? Dit alles moest toch wel duiden op oene verkeerde meening of opvatting, die wederlegging behoefde, en toch kende men vroeger getmo dwaalleer of secte, tegen welke dit kon gericht zijn. Maar het openbaar maken van de boeken der Mendseêrs heeft den grond er van aangewezen.

In don Codex Xazarteus ontwaren wij oene drievoudige dwaling: eerstens wordt cr een scherpe lijn getrokken, een groot onderscheid gemaakt tusschen licht en leven; tweedons wordt de H. Joannes den Doopor ver boven Christus gesteld; derdens wordt diezelfde Joannes met het licht gelijk gesteld.

Hoe algemeen de eerste dwaling ook bij alle gnostische secten is, bjj geen andere evenwel zijn beiden zoo uitdrukkelijk als verschillende wezens voorgesteld. Do eerste emanatie (uitvloeisel) uit God in hun leer is de koning van het licht, de tweede van het vuur, de derde van het water, de vierde van het leven. Norberg VIII. Joannes I, 4 komt tegen deze dwaling op, zeggende: „en het leven was liet licht der menschon.quot;

De tweede dwaling is die, welke als hoofddwaling der secte kan aangewreven worden, dat zij nl. Joannes boven Christus stelt; hierom noemen zich de leden dier secte Memlai Jahja, volgelingen van Joannes. -Morberg, ann. ad prccm. deelt oenen arabischen brief van den patriarch der Maroniton in Syrië mede waaruit blijkt dat zij Joannes boven Christus voreeren, dien zij zoozeer van „hot levenquot; onderscheiden.

Derdens stellen zij Joannes gelijk met het licht. Hier volgt een uittreksel uit hun heilig boek nopens de tweede en derde dwaling : „Voortgaande en komende aan de gevangenis van Jezus den Messias, vroeg ik, wiens gevangenis is deze? Ik bekwam tot antwoord: Zjj omhult diegenen, welke het leven geloochend hebben en den Messias gevolgd zijn.quot; T. II. p. ü. Dan spreekt de Messias den verhaler aan met deze woorden: „Zeg ons uwen naam en toon ons uw toeken, dat gij ontvangen hebt van het water, den schat van den glans en van den grooten doop van het licht.quot; En als de Messias het toeken ziet, buigt hij zich vier malen voor hem ter huldiging. T. II. p. 11. Daarna

ocr page 170

172

vragen do zielen die zich bij hem bevinden, verlof om gedurende drie dagen in hunne lichamen terug te koeren opdat zij zich in den Jordaan kunnen laten doopen „in den naam van dien man, die boven hem stondquot; (in nomine hujus viri, qui te prfeteriit. JSTorberg, p. IS). Volgens dit hun verhaal alzoo staat Joannes en zijn doop boven Christus, er wordt een onderscheid gemaakt tusschen den Messias en hot licht., en de doop vau Joannes wordt „de doop van het lichtquot; genoemd.

Gewis moet het opvallend zijn, hoe streng do Evangelist deze drie godlasterende beweringen wederlegt, als hij zegt; I, 4 „in hem (Christus) was het levenquot;, als bedoelde hij: hij was het leven; en over Joannes I. 8: „deze was niet het licht, maar deze zou getuigenis geven van het licht.quot; Daarna zegt de Evangelist, dat de II. Joannes de Dooper zelf getuigt dat hij beneden Christus staat, v. 15: „Joannes geeft getuigenis hiervan en uitroepende zegt hij: Deze was het, van wien ik gezegd heb: Die na mij zal komen, is voor mij geweest, want hij was eerder (hooger) dan ik.quot;

Dn kennismaking met deze socte uit do eerste tijden van het Christendom wijst ons aan, dat zekere uitdrukkingen en aanhalingen in het Evangelie van den H. Joannes niet zonder doel gebezigd zijn, al werden die ook voorheen van minder beteekenis geacht.

Naar wij weten, scheidde de secte der Samaritanen, minstens ten deele, zich reeds lang voor Christus van de andere joden af; de haat van deze secte tegen de joden was hevig, en uit de heilige Schrift weten wij dat zij niets met de joden wilden te doen hebben, niets van hen aannamen, en slechts de Pentateuch als heilig boek aannamen en alle andere boeken van liet Oude Testament verwierpen.

Jfu lezen wij Joan. IV, 25. „Ik weet dat do Messias komt, die Christus genoemd wordt; wanneer die zal gekomen zijn, zal hij ons alles openbaren.quot;

Dit werd gezegd door eene Samaritaansche vrouw, eu van

ocr page 171

173

39—41 zion wij do Samaritanen zich voor Christus als don Messias uitspreken.

Maar de Pentateuch kon hun voor dit geloof geenen grond geven, te meer nog, daar do oonigo tekst, die hiertoe vermoedens kon geven en die luidt: Deuter XVITI, 15 „De Heer God zal onder n eenen propheet doen opstaanquot; enz. door de Samaritanen in het geheel niet wordt aangenomen als betrekking hebbende op den Messias. Gesenius, de Samar. theol. p. 45.

Dit diende lang als een opwerping tegen de H. Schrift; maar door do alles onderzoekende studie der wijsgeerige en godsdienstige stelsels is ontdekt, dat nog heden eenige Samaritanen te Nabulus wonen, ongeveer een dertigtal families, en volgens hunne eigen leer en bekentenis verwachten zij nog zulk eenen Messias onder den naam Ilathab. Dit bleek nog meer uit eene briefwisseling in de vorige eeuw mot dio Samaritanen gehouden door Skaliger, Ludolf on do universiteit van Oxford. Eichhorn, bibl. ropert IX, 27 en S. de Sacy, Mém. sur les Samar. 47. — Genesius gaf hunne carmina Samaritana uit in vertaling, en ook uit deze blijkt ten duidelijkste dat zij in hunnen Ilathab, bekeerder, werkelijk eenen Messias verwachten.

De Samaritanen gelden echter meer als een godsdienstige secte, en wij zullon liever nogmaals op de Oostersche wijsgeerige secten toneer komen.

Vele leeringen der Oostersche philosophio hebben eeno groote overeenkomst met eenige geheimen van ons H. Geloof. Zoo vindon wij de sporen der Drieëenheid in een schrijven van Plato aan Dionysius van Syrakuze. Philo, Proklus, de wijsgeer Sallustius en andere volgelingen van Plato drukken zulk geloof nog duidelijker uit. Dit geloof kon natuurlijker wijze slechts uit do Oostersche wijsbegeerte afgeleid worden, hetgeen dan ook uit latere ontdekkingen bewezen is.

In Upnechat (Upanischad), eene perzische verzameling uit de Vódas, vertaald en uitgegeven door Anqueril Duperron vinden wij vele zinsneden, die zich nog veel duidelijker aan

ocr page 172

174

hot Christelijk geloof aansluiten. Daarin vinden wij b. v. „het JVoord van den schepper is zelf do schepper en do groote Zoon des scheppersquot;, en op een andere plaats: „Sat (de wezenlijke, de ware) is de naam van God, en God is Trabrat (trivrit), dat beteekent: uit drie één makendquot;. — Trivrit, lat.: trinus, holl.: drieëen.

In plaats nu van hieruit te besluiten tot eenc oorspronkelijke overlevering van godsdienstige leeringen onder verscheidene volken, gebruikten do vijanden van het Christendom zulks als eeu vijandig wapen, en men schroomde niet de als valsch bekend staande werken onder den naam van Hermes Trismogistos aan te halen, om te kunnen besluiten dat het Christendom niets anders was dan een tak van die wijsgeerige school, welke langen tijd voor Christus in het Oosten bloeide.

De vergelijking echter tusschen de verschillonde Oostersche en W estersche scholen heeft de bron doen ontdekken, waaruit alle ontsprongen zijn. Thans is het een bewezen zaak, dat zelfs China zijn neo-platonische school hoeft gehad, die aan dezelfde bron haar ontstaan te danken heeft. De stichter dezer wijsgeerige school wras Lao-Tse, die tegelijkertijd niet Confusius leefde in de zesde eeuw voor Christus. Ofschoon vroeger missionarissen ons reeds hot een en ander over dien stichter en zijne leer mededeelden, hebben wij echter eerst voor goed kennis mot hem gemaakt door liet werk van Abel-Rémusat: „Mémoire sur la vie et les opinions de Lao-Tseu, plülosophe chinois, du VI sciècle avant notre ere, qui a professó les opinions communément attribuées a Pythagore, a Platon et a lours disciplesquot;. Ilieiuit blijkt zonneklaar dat er een band moet bestaan hebben tusschen de Grieksche en Chineesche wijzen, daar men in hunne geschriften eene woordelijke overeenkomst aantreft, welke niet anders uit te leggen is. Ziethior een voorbeeld over do drieeenheidsleer van Lao-Tseu;

Abel-Rémusat p. 40. „Dat, waarheen gij kijkt en het toch niet ziet, heet J; dat, waarnaar gij luistert en het toch niet hoort, heet Ui (letter H); dat, waarnaar gij tast en het toch niet voelt, hoet AVei (de letter AV.). Deze drie zijn ondoorgrond-

ocr page 173

175

haar, on maken, dewijl zij vereenigd zijn, sleciits één. Het hoogste van hen is niet schitterender en hot laagste niet duisterder..... Het is dat wat vorm zonder vorm, beeld zonder beeld

en onbepaalbaar wezen heet. Loop het voor, en gij zult zijn begin niet vinden, volg het, en gij zult zijn einde nooit ontdekken.quot;

Prof. Neumann. Lehrs. des ilittelr. p. 16. „quot;Wat of wie kan wel hot ïao (theos. God) zijn? Hot J alleen, het J ziet het namelijk in zich zelven, want het is do verborgenste verblijfplaats van hot Tao. Wie kan nu het Tao hooron? Het Hi alleen, het Hi hoort het namelijk in zich zelven, want het is do diepte van het ïao. Wie kan nu het Tao begrijpen? Hot Wei alleen; het Wei begrijpt het namelijk in zich zelven. Deze drie: .T, Hi en Wei, zjjn vereenigd in den hemel.quot;

Deze twee aanhalingen zijn genomen uit Lao-Tseu.

Wat blijkt nu hier op den eersten oogopslag? Vooreerst dat wij met iets te doen hebben, wat hoewel in de Chineesche taal, aan deze nochtans geheel vreemd is. Het J, Hi en Wei drukt alleen de letters J, H, W uit; en deze drie medeklinkers hebben in de Chineesche taal niets te beteekenen. Bij gevolg is het een aan die taal vreemde naam, dien men ook tevergeefs in elke andere zal zoeken behalve bij de Joden. AVjj weten dat in het joodsch alphabeth geen klinkers voorkomen, en deze vervangen worden door klankteekens; dus schrijven de Hebreën J. H. W. voor Jehowa. Zietdaar dus don oorsprong, zietdaar de oplossing; laten wij dien oorsprong verder onderzoeken.

De geleerde Abel-Rómusat heeft bevonden in zijne studiën over Lao-tse (of Lao-tseu) en Tao-tse, zoo noemen zich zijne volgelingen, dat Lao-tse lange reizen naar het westen van Azië maakte, alvorens hij zijne leer openbaar maakte. Ofschoon het niet blijkt dat hij tot in Palestina was doorgedrongen, is het evenwel klaar dat hij in Perzië was geweest, en dit viel juist samen met de babylonische gevangenschap, zoodat hij aldaar met de Joden verkeerde. Xog is het een bizondor samenvallen, dat Lao-ïse ongeveer gelijktijdig leefde met Pythagoras, die in het Oosten reisde, om zich dezelfde loer toe te eigenen, en die ongeveer dezelfde geheimzinnige loer in zjjn land medebracht.

ocr page 174

17(5

Abel-Rcmusat p. 13. Hiermede stemt overeen Windiachmann, Phil, im Portg. I, 404, Klaproth, mém. etc. p. 29.

Gelijk iedere nieuwe bevinding op godsdienstig of wijsgeerig gebied, in het begin voor de goddeloozen een schijnbaar wapen is tegen den waren godsdienst van Christus, maar steeds bij nadere opheldering onze vijanden verplet onder het gewicht der eenige Waarheid, zoo ging het ook met het Lamaïsnius.

Zooals de Platonische wijsbegeerte haren oorsprong vond in het Oude Testament, en een leerstelsel bouwde op do drie medeklinkers van het door de joden onuitspreekbaar woord Jehova, zoo willen wij hier aantoonen dat do leer der Lama's, waarin zooveel punten met den Christelijken godsdienst overeenkomen, ook werkelijk aan dezen zijn ontstaan te danken heeft.

Het Lamaïsmus is eigenlijk de latere ontwikkeling van hot Buddhismus, inzonderheid de hervorming daarvan doorTsonkhapa, doorweven met verschillende Christelijke waarheden. De hoofdzetel van het Lamaïsnius is het klooster Galdan, in 1409 door hen gesticht te L'Hlassa of Lassa, hoofdstad van Tibet. Over de verbreiding en liet zuiver bewaren van de leer waakt de Bodhisats-Avaloki-tecvara, wiens steeds weder herboren wordende incarnatie de Dalai Lama is.

De hierarchie der Lama's, hunne kloosterinrichtingen, hunne kerken en ceremoniën gelijken zoo nauwkeurig op de onzen, dat er noodzakelijk eenigen samenhang tusschen moet bestaan. De eerste missionarissen die er kwamen, vermeenden dat het Lamaïsnius eene verbastering of ontaarding van het Christendom was, en beschouwden het als een overblijfsel van die Syrische secten, die eens tot in die verre gewesten van Azië waren doorgedrongen. Mol. Asiat. I, 129. In ditzelfde werk lezen wij p. 132:

„Zeer veel geheimzinnige aanwijzingen en onduidelijke wenken van geleerde mannen brachten menigeen in den waan, dat de Lamaïsche Theocratie in plaats van een overblijfsel te zijn van christelijke secten, veeleer wel de oude en oorspronkelijke

ocr page 175

177

grouclvonn kon zijn, volgens welken vorm dergelijke inrichtingen ook in andere werelddeelen waren opgericht. Men vindt dit bij D' Andrada, Thunberg, in do Asiatic Researches en ie vele andere werken, waarin de goddeloosheid zich verbergt onder het kleed van oppervlakkige en leugenachtige wetenschap.quot;

„Deze gelijkenis, zegt ilalte-Brun in zijn Précis de la Géogr. univ. III. p. 581, werd als bewijs tegen den goddehjken oorsprong van liet Christendom aangevoerd.quot;

Aanvankelijk haalde men de schouders op over dergelijke beweringen; maar toen do ongelukkige en dolzinnige Bailly met zijne wefcenscliappelijke veronderstellingen over dat land en zijnen millioenenjarigen ouderdom voor den dag kwam, en in zijn romantisch systeem de bergen van Siberië en de steppen van Tartarije als wieg en bakermat der philosophic opvoerde, toen begon men zich ter weerlegging strijdvaardig te maken.

De beste weerlegging en de schoonste opheldering hieromtrent hebben wij te verdanken aan Abel-Róinusat. In eene belangrijke verhandeling stelt hij ons in kennis met een veelbeteekenoiid fragment uit de Japansche Encyclopedie, waardoor de phantas-tische beelden der goddeloozen als rook verdwijnen. Volgens deze oorkonde leefde de God Buddha oorspronkelijk in den persoon van zijne Indische patriarchen op aarde. Vervolgens ging zijne ziel in eenen nieuwen plaatsvervanger over, die uit eene zekere kaste was gekozen; en de drager zijner godheid was zoo zeker overtuigd, dat hij een wondermiddel tegen zijne vernietiging bezat, dat hij gewoonlijk het lijden van den ouderdom ontging door zich op eenen brandstapel te verbranden, waarvan hij als de phoenix van een nieuw leven opstond. De God bleef voortdurend in dezen toestand tot in de vijfde eeuw onzer jaartelling; alsdan vond hij goed uit liet zuiden van Indië te vertrekken en zijnen zetel in China op te slaan. Zijn stadhouder behield tot titel: Leeraar van het rijk; maar deze zou alleen een glansstraal zijn voor het hof van het hemelsch rijk, gelijk de latere kalifen van Bagdad. De opvolgers der hoofden van de regeering bleven in dezen onstandvastigen toestand bestaan, totdat in de dertiende eeuw het stamhuis dor Tschingis-chan

12

ocr page 176

178

hen van hunne afhankelijkheid bevrijdde en met heerschappij bekleedde. Voltaire beweerde dat Tschingis-chan een veel te verstandig staatsman was om het geestelijk rijk van het Groot-Lama te verwoesten; maar toen ter tijde bestond niet eens een rijk in Tibet, toen zetelde de opperpriester van het Schamanendom aldaar niet, en eindelijk was de naam Lama nog geen titel. Want de kleinzoon van dien veroveraar heeft eerst drie en dertig jaren na dezes dood aan het opperhoofd van zijnen godsdienst souvereiniteit verleend, en dewijl de toenmaals levende Buddha juist een Tibetaan was, zoo liet hij hem dit land over ter regeering. Alzoo werd de berg Putala of Botala de hoofdstad van dit geestelijk rijk, en de uitdrukking Lama (eigenlijk Dalai-Lama) wat priester beduidt, voor het eerst als onder-scheidingsteeken aan den regent gegeven. Abel-Rémusat, Philos. de 1' bist. Essai sur les moeurs. p. 137. Over het aangehaalde over Voltaire zie: Xouv. Journ. As. not. 1. 273. oct. 1829.

Deze oorkonde over den oorsprong van de lamaïsche dynastie stemt volkomen overeen met een ander niet minder belangrijk stuk, waarin wij eene beschrijving vinden van Tibet. Dit laatste stuk is uit het Chineesch overgezet in het Russisch door den archimandriet (kloostervoogd) F. Hyacinth Bitchurin. Uit het Russisch werd het vertaald in het Franscb met verwijzingen naar den oorspronkelijken tekst door Jul. Klaproth. Nouv. Journ. As. Aug. en Oct. 1829.

In deze oorkonde lezen wij dat Tschingis-chan dat land overviel en een rijk stichtte, dat Tibet en do daarbij beboerende landen omvatte. Dewijl nu keizer Chubilai begreep dat het moeilijk was dat verwijderd land te beheerschen, bedacht hij eene hst om het toch nog als van zich afhankelijk te behouden, en Avel eene zoodanige waarmede het volk tevreden was. «Hij verdeelde het land in hoofd- en onderafdeelingen, stelde beambten aan van verschillenden rang, en al deze beambten bracht hij onder het gezag van den Ti-tse (leeraar des keizers). Te dien tijde bekleedde Bhachbah of Pagba van Sarghia dit ambt in Tibet; reeds in den ouderdom van zeven jaren had hij alle heilige boeken gelezen en hunne verhevenste gedachten

ocr page 177

179

begrepen, en daarom noemde men hem liet geestvolle kind. In hot jaar 1260 bekwam bij don titel van „koning van de groote en kostbare wetquot; met een zegel van oostersch jaspis; daarenboven werd hij bekleed met de waardigheid van een opperhoofd van den gelen godsdienst. Zijne broeders, kinderen en nakomelingen mochten zich verheugen in liet bezit van voorname posten en ambten aan hot hof, en bekwamen zegels van goud en oostersch jaspis. Bhachbah werd aan het hof met bizondere onderscheiding behandeld, en men spaarde niets om zijn aanzien te vermeerderen.quot; Nouv. Journ. As. Aug. p. 119.

Ten tijde dat de buddhistische patriarchen zich het eerst in Tibet nesteldon, was dat land in onmiddellijke aanraking mot het Christendom. Niet alleen haddon do JTestorianen reeds kerkelijke instellingen en gemeenten in Tartarije, maar ook kwamen italiaanscho en fransche ordensmannen aan het hof van don Chan met gewichtige zendingen van den Paus en don heiligen Lodewijk van Frankrijk. Deze brachten kerkornamonton en altaren mode, om zooveel mogelijk oenen goeden indruk op de inboorlingen te maken. Met dit doel verrichtten zij hunne ffodsdienstoefeninffen in teorenwoordi^heid der tartaarsche vorston.

O O O O

van welke zij verlof hadden gekregen tot hot oprichten van kapellen binnen den ringmuur van hot keizerlijk paleis Een italiaansch aartsbisschop, gezonden door Clemens V, sloeg zijnen zetel op in de hoofdstad en bouwde eene kerk, waarheen de geloovigen geroepen werden door het luiden van drie klokken, en in welke kerk zij langs de muren vole beelden van heiligen aanschouwden. Abel-Rémusat p. 138.

Niets lag nader voor de hand, dan dat velen der verschillende secten van welke het mongoolsche hof wemelde, hierin aanleiding vonden om de gebruiken van den Christelijken godsdienst te bewonderen en ze zich toe te eigenen. Eenige loden der keizerlijke familie namen in het geheim hot Christendom aan, anderen vermengden do Christelijke godsdienstoefeningen met do instellingen van hun eigen secte, en zoo is het goon wonder dat het Lamaïsmus, dat toen oen aanvang nam uit deze verscheidenheden, de uiterlijke pracht, inrichting en

ocr page 178

180

gebruiken van het Christendom overnam. Dat in dit alles juist plaats en tijd to samen valt, dat deze geestelijke monarchie voor dien tijd niet bestond, dat alles bewijst genoeg dat het Lamaïsmus niets anders is dan eene nabootsing van onzen heiligen godsdienst. Assemani, biblioth. orient, t. 111. pars II p. 453.

Hiermede willen wij de Oostersche studiën sluiten. Tevens maken wij daarmede een eiude aan dit werk. Met spijt moet ik het bekennen dat ik uit het groot materieel, wat ik voorhanden heb, slechts dat weinige heb genomen wat binnen het bestek van dit werk lag. Uit het overige had ik zeker nog eene schoone kroon kunnen vlechten en die aan de voeten van den Gekruisten Overwinnaar der wereld kunnen neerleggen; misschien kan dit bij leven en welzijn, met Gods genade een andermaal gebeuren.

Mijn slot zij kort. Wat ik den lezer wensch, is dat hem een zelfde gevoel doortintele bij het lezen van dit boek, r.ls mijn hart aandeed bij het bestudeeren en schrijven er van. Al is onze heilige Godsdienst het schoonste en verhevenste wat wij bezitten, toch werd die liefdegloed nog telkens gloeiender, naarmate de menschelijke duisternis voor mijne oogen weeken de glans der H. Schrift meer doorstraalde.

ocr page 179

M A R E D E.

/

üit mijn work is voor het grootste deel een compilatie. Uit diezelfde bron zal ik mijne narede putten ;

Het is des mensuheu ziel niet gegeven, bij den eersten oogopslag liet volle licht, den onbewolkten helderen dag der waarheid te zien. Niet eensklaps en onmiddellijk vermag zjj de grenzen van het rijk der geesten te naderen. Zij heeft den nevelsluier van hor stof te doorgronden; zij moet uit de boeien van tijd en ruimte zich loswringen; op de vleugelen des geestes zich hoog boven de schijngestalten dezer zinnenwereld verheffen, om ten laatste, van elke belemmering vrij en mot wijd ontsloten oog in die fijnere lichtstrooming starend, allengs do onveranderlijke wet te achterhalen onder de wisseling der toevallige verschijnselen, hot absoluut volkomene binnen den kring dor lagere betrekkingen, do harmoniën der Oneindigheid in het wezen en werken der geschapene natuur. Daar breekt eindelijk de gulden schemering door! Daar is liet feestuur der ziel geslagen! Daar schieten haar de stralen tegen van het Goddelijk Licht! Daar mag zij do waarheid zien in don rijkdom harer bovenzinnelijke glanzen!

Botooverend schouwspel, waaraan zich 's menschen oog niet kan verzadigen! AVonderschoone aanblik, waarbij do trillingen van eerbied en bewondering welhaast voor do vervoering van innig liefdegevoel wijken, en het gemoed overstelpt wordt van vrede en genot.

EINDE.

1) (i.

ocr page 180

180

gebruiken van liet Christendom overnam. Dat in dit alles juist plaats en tijd te samen valt, dat deze geestelijke monarchie voor dien tijd niet bestond, dat alles bewijst genoeg dat het Lamaïsmus niets anders is dan eene nabootsing van onzen heiligen godsdienst. Assemani, biblioth. orient, t. III. pars II p. 453.

Hiermede vrillen wij de Oostersche studiën sluiten. Tevens maken wij daarmede een einde aan dit werk. Met spijt moet ik het bekennen dat ik uit het groot materieel, wat ik voorhanden heb, slechts dat weinige heb genomen wat binnen het bestek van dit werk lag. Uit het overige had ik zeker nog eene schoone kroon kunnen vlechten en die aan de voeten van den Grekruisten Overwinnaar der wereld kunnen neerleggen; misschien kan dit bij leven en welzijn, met Gods genade een andermaal gebeuren.

Mijn slot zij kort. Wat ik den lezer wensch, is dat hem een zelfde gevoel doortintele bij het lezen van dit boek, als mijn hart aandeed bij het bestudeeren en schrijven er van. Al is onze heilige Godsdienst het schoonste en verhevenste wat wij bezitten, toch werd die liefdegloed nog telkens gloeiender, naarmate de mensclielijke duisternis voor mijne oogen week en de glans der H. Schrift meer doorstraalde.

ocr page 181

jH A R E D E.

Dit mjjn werk is voor het grootste deel een compilatie. Uit diezelfde bron zal ik mijne narede putten:

Het is des menschen ziel niet gegeven, bij den eersten oogopslag het volle licht, den onbewolkten helderen dag der waarheid te zien. Niet eensklaps en onmiddellijk vermag zij de grenzen van het rijk der geesten te naderen. Zij heeft den nevelsluier van het stof te doorgronden; zij moet uit de boeien van tijd en ruimte zich loswringen; op de vleugelen des geestes zich iioog boven de schijngestalten dezer zinnenwereld verheffen, om ten laatste, van elke belemmering vrij en met wijd ontsloten oog in die fijnere lichtstrooming starend, allengs do onveranderlijke wet te achterhalen onder de wisseling der toevallige verschijnselen, het absoluut volkomene binnen den kring iler lagere betrekkingen, de harmoniën der Oneindigheid in het wezen en werken der geschapene natuur. Daar breekt eindelijk de gulden schemering door! Daar is het feestuur der ziel geslagen! Daar schieten haar do stralen tegen van het Goddelijk Licht! Daar mag zij de waarheid zien in den rijkdom harer bovenzinnelijke glanzen!

Botooverend schouwspel, waaraan zich 's menschen oog niet kan verzadigen! Wonderschoone aanblik, waarbij de trillingen van eerbied eu bewondering welhaast voor de vervoering van innig liefdegevoel wjjken, en het gemoed overstelpt wordt van vrede en genot.

E i N D E.

I). (i.

ocr page 182