ocr page 1

\y

ocr page 2
ocr page 3
ocr page 4
ocr page 5

Vak 61

GELOOF en ONGELOOF.

Wie kan bestaan vóór d e rechtspraak der quot;Waarheid: de Geloovige of de Ongeloovige ?

OF

Geloof en Ongeloof beoordeeld op den grondslag van rede, wetenschap, gezaghebbende personen en feiten,

Eeo werfje voop Cfipisteoen m elfcen leeftijd, docli voopaivoop joopliedeo

van beider geslacht;

DOOR

F. F. S. Miss. in BraziliS.

UIT HET FRANSCH VERTAALD

DOOR

E. H. v. d. HEIJDE,

Pastoor.

(|gt;oe6cjt?amp;eurègt;.

ocr page 6

Stoomdrukkerij. — Firma Robijns amp; Co. — 's-Bosch.

ocr page 7

jeminnefijl Hart oan lesus,

JQiens outigst oerfangen is de jnfigficiil der Siefeib

II ofer en roijd M dii nederig Eoelje, dat ii door Mroe genade ontroorpen en len einde geamp;rae^t Eef) ooor Eet Heif der Siefen, nfs een gering Eeroijs mijner fiefde ooor C

ocr page 8
ocr page 9

Belangrijk en van groote waarde is het werkje; Geloof en Ongeloof, of wie heeft gelijk voor de reehtbank der ■waarheid, de geloovige of de ongeloovige ?

Dit boekje is verschenen ter drukkerij van de Salesianen te Buenos-Aires. Het dankt zijn ontstaan aan de pen van een der meest uitmuntende twistredenaars van dit land, die het bestemd heeft voor de Vereenigingen van Katholieke jongelieden. In nog geen 400 bladzijden 8° ontvouwt hij een verdedigingsplan, waaraan niets ontbreekt. Men moet zeggen, dat het nauwkeurig, keurig en volledig is. De volks-propaganda van goede boeken heelt zelden een werk opgeleverd, dat zoo goed aan de voornaamste eischen voldoet; eenvoudigheid zonder oppervlakkigheid, krachtige en juiste redeneering, een levendige stijl, die spreekt tot het verstand zoowel als tot hart en verbeelding; eindelijk juiste en diepe kennis van den toestand der geesten in onzen tijd, vooral van die soorten van menschen, die het talrijkst zijn.

Het is het werk van een apostel der pers, waar het ook verspreid worde. Wij bevelen het ten zeerste onzen vrienden aan.

F. Sarda y Salvani.

Revue populaire de Barcelona.

Aug. 1893.

Geloof en Ongeloof, door den E. P. Salvino, Priester-Missionaris, is een boekje in 8° van 424 bladzijden, met een Aanhang van XLVI.

De beroemde Pater Lazarist plaatst eene heerlijke opdracht aan het H. Hart van Jesus vóór in het werkje, dat wij met groote belangstelling gelezen hebben. Wij hebben er in bewonderd eene niet alledaagsche geleerdheid, strenge redeneerkunde, eene menigte van geschiedkundige aanhalingen, losse taal en een heiligen ijver.

ocr page 10

VI.

Wij wenschen vurig, dat dit werkje verspreid worde, want het is een Katholiek verweerschrift, waarin het geloof en het ongeloof verschijnen voor de rechtbank van het verstand, der wetenschap, van gezaghebbende personen en feiten ; het bewijst de noodzakelijkheid van een Godsdienst, gaat de oorzaken van het ongeloof na, doet den armen ongeloovige uit zijn schuilhoek treden; geeft aan de jongelingen en aan jeugdige meisjes lessen vol levenswijsheid; doet de opwerpingen te niet, welke zij maken, die God en den duivel willen dienen ; het maakt eene zorgvuldige en diepgaande studie van den geest des geloofs, terwijl het besluit is: verheffing der ware Kerk, en aanmaning aan de Katholieken om uit hunne zorgeloosheid op te sfaan, die hen van den hemel verre houdt.

Vele hoofdstukken zijn een waar vuur, tegen het ijs der godsdienstige onverschilligheid gericht, waarin zoovele vaders en moeders leven.

Dat men Geloof en Ongeloof leze en herleze en doe lezen, opdat de eenen al meer en meer bevestigd worden in de leer van den Gekruiste, en opdat voor anderen Cal-varie aan den gezichteinder verschijne.

Dat dit boek het lievelingsboek zij in de handen van den Katholiek: dat het het menschelijk opzicht doe met voeten treden, en dapper doe strijden den strijd des Heeren.

Bode van het H. Hart.

Buenos-Aires, 14 Juli, 1893.

ocr page 11

VOORREDE

VAN DEN SCHRIJVER.

Hetgeen de groote Leeraar der Kerk, de H. Alphonsus de Liguori, zeide van zijne verhandeling over het gebed, dat zeggen wij ook van dit boekje over Geloof ai Ongeloof. Wij zouden zoovele exemplaren van dit boekje willen verspreiden als er in de wereld christenen zijn, die kunnen lezen; wij zouden aan ieder van hen er een willen geven, om in hen te behouden den geest en de beoefening van den godsdienst; hen ook, die meenen godsdienstig, zelfs godsvruchtig te zijn. Dewijl deze onze wensch onmogelijk kan vervuld worden, bezweren wij allen, die waarlijk bezield zijn met den geest des geloofs, zooveel mogelijk dit werkje te verspreiden in de steden en op het land, met alle mogelijke middelen en bij alle voorkomende gelegenheden. De Katholieke Vereenigingen van mannen, vrouwen en jonge dochters, die zich aan het Missiewerk laten gelegen liggen, zouden met elkander kunnen afspreken, om eene zeer groote oplage te doen drukken, en daardoor den prijs te doen verminderen. De Opperpriesters Pius IX en Leo XIII hebben bij verschillende gelegenheden in hunne toespraken en brieven nadrukkelijk de verspreiding van goede boeken aanbevolen.

Deze verspreiding is heden des te meer noodig nu, zegt Cantu, de heele wereld leest, weinigen zich bekommeren over hetgeen ze lezen, en noch minder zich wapenen tegen hetgeen ze lezen. (Conf. pop.) En de Civilta Catholica voegt er bij: Een goed boek kan in 't oneindige vruchten voortbrengen, als wij maar niet ophouden het al meer en meer te verspreiden. (April 1890.) Te meer dringen wij hierop aan, omdat die verspreiding de

ocr page 12

VIII.

zegepraal der zaak van God en van het Geloof is, en omdat wij geen geldelijk belang bij die verspreiding hebben, waarvan ieder zich gemakkelijk overtuigen kan, en ons dit gemakkelijk te bewijzen valt. Ons dunkt ook, dat het zeer nuttig zou zijn, in de vergaderingen der Katholieke jeugd die op bepaalde tijden gehouden worden, eenige bladzijden uit dit werkje voor te lezen. Deze korte en herhaalde voorlezing zou altijd iets in het geheugen achterlaten., en bij gelegenheid van groot nut kunnen zijn. Men zou daardoor ook een grooten dienst aan de algemeene zaak bewijzen, en evenzeer aan die leden der vereeniging, die den tijd niet hebben tot lezen.

Deze kleine verhandeling zij een onderpand onzer genegenheid voor de Argentijnsche jeugd, voor dat wij ons, misschien voor altijd, verwijderen van de kusten van Buenos-Aires, van dit land, dat wij altijd innig liefgehad hebben, en waarvan de herinnering eeuwig in onzen geest zal blijven en er aangename herinneringen in opwekken zal.

ocr page 13

VOORREDE.

VAN DEN VERTALER.

De schrijver van dit boekje is een missionaris, die dertig jaren van zijn leven in de Missies van Zuid-Amerika heeft doorgebracht. Dit geschrift, dat in zijn bescheiden en be-knopten vorm bevattelijk en voor eenieder verstaanbaar is opgesteld, is rijk aan aanhalingen van feiten en bewijzen, die aan de beste bronnen ontleend zijn ; het bevat een geleerdheid, die aangenaam aandoet, en welke nog vermeerderd en aangedreven is door een onvermoeiden ijver voor het heil der zielen, en door een brandende liefde, die gaarne alle zielen, zonder eenige uitzondering, zag onder den herderstaf van den waren en goeden herder. „Zielen, zielen. Heer, geef mij zielenquot; riep een Heilige uit. Men mag zeggen, dat dit ook de bede is van den vromen schrijver.

Toen wij den bijval en den opgang zagen, welke dit werk maakte in landen, waar de Spaansche taal gesproken wordt; — terwijl wij zelf het in hooge mate goedkeurden en prezen, omdat het van een vriendenhand atkomstig was; hebben wij ons afgevraagd, of het niet nuttig zou zijn, aan dit werk der zaligheid naar geringe krachten meê te werken, door aan de menschen van goeden wil eene vertaling in het Fransch te verschaffen. De Spaansche Katholieke pers heeft het een warm onthaal bereid. Onder de blijken van hoogachting, welke het ontvangen heeft, willen we slechts aanhalen het artikel, dat de „Bode van het H. Hart van Jesusquot; te Buenos-Aires er aan gewijd heeft; als ook de loftuigingen van den moedigen polemist Sarda y Salvany, die zelf vele verhandelingen voor het volk schreef, welke zeer bekend en waarvan verscheidene zelfs beroemd zijn.

Aangemoedigd door die waardeering, en vernemende dat vertalingen in het Duitsch. Italiaansch en Engelsch in

ocr page 14

X

bewerking waren, hebben wij ons aan het werk gezet in de overtuiging, dat men niet genoeg kan doen, om de katholieke jeugd toe te rusten tegen de valsche beginselen en de noodlottige gevolgen van het ongeloof. Men diende dit boekje als den Kathechismus van buiten te kennen. De vele aanhalingen en het groot getal schrijvers, die ten getuige worden geroepen — want niets wordt opgesteld, of het wordt onmiddellijk bewezen — maakten het ons onmogelijk, de oorspronkelijke woorden op te zoeken. Dit is wel niet noodig om de juistheid er van na te zien, maar om ze nauwkeurig te vertalen. Wij hebben er ons toe moeten bepalen, in het fransch zoo getrouw mogelijk de spaansche vertaling te geven van de aangehaalde engel-sche, duitsche of italiaansche schrijvers.

Wat de fransche schrijvers aangaat, waaruit de Pater rijkelijk overgenomen heeft; het was ons al even moeielijk die allen te raadplegen. De lezer zal het dus wel willen door de vingers zien, als in onze vertaling hier of daar een woord geslopen is, dat niet juist zóó is als het de schrijver gaf. Dat verschil is overigens niet groot: het komt van het gebruik van een eensluidend woord en schaadt niet aan den zin van de uitgedrukte gedachte. Wij dragen de vertaling van deze kostbare verhandeling op aan de fransche jeugd, met den wensch, dat het onder heel het fransche volk zooveel goeds te weeg brenge, als het doet en uitgewerkt heeft onder de spaansch-sprekende volken. Meer nog : wij hopen, dat Frankrijk, de geboren verspreidster van alle edelmoedige ideeën — ook nu, dat het kwijnt onder den hiel der geheime genootschappen, de taak op zich zal nemen, om het met Gods hulp te verspreiden. Overal, waar men het zal overwegen, zal het de vreesachtigen dienen ter aanmoediging om den goeden strijd te strijden. Meer dan één onwetende zal er door op den goeden weg terugkeeren, en zoo zal de wensch van den goeden en ijverigen Missionnaris, — die ook onze wensch is —, vervuld worden, de zoo bescheiden en edele wensch, welke hij in de weinige regels over zich zeiven heeft uitgedrukt, waarin hij zijn doel moest aangeven, en waarin hij te vergeefs zich zeiven wil doen vergeten en zijne schoone apostelziel verbergen.

Parijs, April 1894

ocr page 15

OORREDE.

Aan de verschillende Vereeniglngen der Katholieke jeugd van beider geslacht.

Dierbare Vrienden,

Men verhaalt dat in de vorige eeuw een groot Dienaar Gods, de H. Paulus van het Kruis, in 1775 te Rome ee-storven, eens in den geest de eeuw aanschouwde, waarin wij thans leven, en voorspelde, dat in deze eeuw de afval van het geloof 100 groot zou zijn in de geheele christelijke weield, dat eene Kerkvergadering, samengeroepen om zoo groot kwaad te keer te gaan, moest beginnen met het artikel van het bestaan van God. Inderdaad hetgeen geene enkele Kerkvergadering ooit deed, heeft de Vaticaansche Kerkvergadering in 1870 moeten doen; en tegenover de eeuw, die zich zooveel laat voorstaan op hare verlichting en maatschappelijken vooruitgang heeft zij in den 10 canon der 3- zitting moeten afkondigen, dat er een God bestaat.

Het is dus niet te verwonderen, dat in een tijdperk als het onze, zoo hoovaardig op zijne wetenschap en zijn gebrek aan geloof; het is niet te verwonderen, dat het rampzalig denkbeeld algemeen is geworden, dat godsdienst goed is voor kinderen, vrouwen en onbeduidende personen, terwijl ongodsdienstigheid de zaak is van ernstige en nadenkende meiischen — of, met andere woorden, dat godsdienst goed is voor eenvoudigen en ontwetenden, maar dat ongeloof past aan groote en wijze geesten. — De invloed, die geloof of ongeloof op iederen persoon, op het huisge-

y

ocr page 16

bewerking waren, hebben wij ons aan het werk gezet in de overtuiging, dat men niet genoeg kan doen, om de katholieke jeugd toe te rusten tegen de valsche beginselen en de noodlottige gevolgen van het ongeloof. Men diende dit boekje als den Kathechismus van buiten te kennen. De vele aanhalingen en het groot getal schrijvers, die ten getuige worden geroepen — want niets wordt opgesteld, of het wordt onmiddellijk bewezen — maakten het ons onmogelijk, de oorspronkelijke woorden op te zoeken. Dit is wel niet noodig om de juistheid er van na te zien, maar om ze nauwkeurig te vertalen. Wij hebben er ons toe moeten bepalen, in het fransch zoo getrouw mogelijk de spaansche vertaling te geven van de aangehaalde engel-sche, duitsche of italiaansche schrijvers.

Wat de fransche schrijvers aangaat, waaruit de Pater rijkelijk overgenomen heeft; het was ons al even moeielijk die allen te raadplegen. De lezer zal het dus wel willen door de vingers zien, als in onze vertaling hier of daar een woord geslopen is, dat niet juist zóó is als het de schrijver gaf. Dat verschil is overigens niet groot; het komt van het gebruik van een eensluidend woord en schaadt niet aan den zin van de uitgedrukte gedachte. Wij dragen de vertaling van deze kostbare verhandeling op aan de fransche jeugd, met den wensch, dat het onder heel het fransche volk zooveel goeds te weeg brenge, als het doet en uitgewerkt heeft onder de spaansch-sprekende volken. Meer nog : wij hopen, dat Frankrijk, de geboren verspreidster van alle edelmoedige ideeën —- ook nu, dat het kwijnt onder den hiel der geheime genootschappen, de taak op zich zal nemen, om het met Gods hulp te verspreiden. Overal, waar men het zal overwegen, zal het de vreesachtigen dienen ter aanmoediging om den goeden strijd te strijden. Meer dan één onwetende zal er door op den goeden weg terugkeeren, en zoo zal de wensch van den goeden en ijverigen Missionnaris, — die ook onze wensch is —, vervuld worden, de zoo bescheiden en edele wensch, welke hij in de weinige regels over zich zei ven heelt uitgedrukt, waarin hij zijn doel moest aangeven, en waarin hij te vergeefs zich zeiven wil doen vergeten en zijne schoone apostelziel verbergen.

Parijs, April 1894

ocr page 17

OORREDE.

Aan de verschillende Vereeniglngen der Katholieke jeugd van beider geslacht.

Dierbare Vrienden,

Men verhaalt dat in de vorige eeuw een groot Dienaar Gods, de H. Paulus van het Kruis, in 1775 te Rome gestorven, eens in den geest de eeuw aanschouwde, waarin wij thans leven, en voorspelde, dat in deze eeuw de afval van het geloof zoo groot zou zijn in de geheele christelijke weield, dat eene Kerkvergadering, samengeroepen om zoo groot kwaad te keer te gaan, moest beginnen met het artikel van het bestaan van God. Inderdaad hetgeen geene enkele Kerkvergadering ooit deed, heeft de Vaticaansche Kerkvergadering in 1870 moeten doen; en tegenover de eeuw, die zich zooveel laat voorstaan op hare verlichting en maatschappeiijken vooruitgang heeft zij in den 10 canon der 3- zitting moeten afkondigen, dat er een God bestaat.

Het is dus niet te verwonderen, dat in een tijdperk als het onze, zoo hoovaardig op zijne wetenschap en zijn gebrek aan geloof; het is niet te verwonderen, dat het rampzalig denkbeeld algemeen is geworden, dat godsdienst goed is voor kinderen, vrouwen en onbeduidende personen, terwijl ongodsdienstigheid de zaak is van ernstige en nadenkende mer.schen — of, met andere woorden, dat godsdienst goed is voor eenvoudigen en ontwetenden, maar dat ongeloof past aan groote en wijze geesten. — De invloed, die geloof of ongeloof op iederen persoon, op het huisge-

y

ocr page 18

XII.

zin en de samenleving uitoefent, is heden ten dage zoo groot, dat er niets zoo belangrijks te doen is, als dat ongelukkig en noodlottig denkbeeld, dat als een olievlek zich uitgespreid heeft over alles wat met den godsdienst in verband staat, uit te roeien,— en aan te toonen hoe ij del en dwaas de aanvallen der ongeloovigen zijn, die thans meer dan ooit pogingen aanwenden dien te vernietigen.

In dit boek, mijne vrienden, zult gij beknopt, in weinige woorden samengevat vinden de oplossingen van, en antwoorden op de voornaamste opwerpingen en moeie-lijkheden, waarvan de goddeloosheid zich bedient om het katholiek Geloof, de Kerk en de christelijke maatschappij aan te vallen. Voor u, meer nog dan voor eenige andere klas van personen, is dit boek bestemd, en u wordt het bijzonder aanbevolen, omdat huisgezin en maatschappij niet slechts, maar Kerk en godsdienst zelfs van u terecht de schoonste verwachtingen koesteren, op u hunne hoop gesteld hebben.

Men heeft wel eens gezegd, dat een boek eene macht is; en het is niet te betwijfelen, dat een boek eene macht kan zijn. Zonder nu te beweren dat dit de wezenlijke waarde van dit boek is, wil ik toch zeggen, dat het in eene eeuw als de onze nuttig kan zijn voor een ieder, maar vooral voor u, goede vrienden. Want op een leeftijd, waarop uwe natuurlijke argeloosheid geen erg heeft in de strikken, die gespannen zijn, en waarop uwe levendige hartstochten en onervarenheid in de wereld u blootstellen aan de pijlen van dwaling en bederf; — moet een boek, dat u de dwalingen, valschheden en lasteringen helpt weerleggen, waarvan men zich bedient, om den godsdienst te bestrijden, u heel wat hulp bieden om u te behoeden voor den vreeselijken afgrond des ongeloofs, en om in uwe ziel den onwaardeerbaren schat des Geloofs te behouden. Te meer is dit noodzakelijk, nu op alle scholen en colleges van den staat het godsdienstig onderwijs opgeheven is, terwijl tot overmaat van ramp, het grootste gedeelte van onderwijzers en onderwijzeressen der openbare, en zelfs van bijzondere inrichtingen van onderwijs en opvoeding groot, gaan op, — en verbreiders zijn van de goddeloosheid it), naam van de wetenschap en den wetenschappelijken vooruitgang, terwijl hunne wetenschappen en hun weten zich ge-

ocr page 19

xi n.,

gewoonlijk niet heel ver uitstrekt of althans zeer een-zijdig.

Leest dan, dierbare vrienden, leest oplettend dit boek,, of beter gezegd, bestudeert het, leert het van buiten, om de vijanden van uw heilig geloof te kunnen beschamen, en om uwe ziel te bewaren voor besmetting door het ongeloof met al diens noodlottige gevolgen voor dit en het ander leven.

Meer: doet dit boek kennen aan zoovele personen als gij kunt: bloedverwanten, vrienden, kennissen, vreemdelingen zelfs: want voor Ongeloof te behoeden en het Geloof te doen behouden, dat is zeker wel het verdienstelijkste werk van barmhartigheid dat iemand bewijzen, het nuttigste, dat iemand ontvangen kan. — En dat geen uwer, mijne dierbaren, denke, dat het de taak niet is van menschen die in de wereld leven, om den godsdienst te verdedigen en het geloof te verbreiden. Al is het toch waar, dat de leeken niet de bevoegdheid hebben als de priesters, noch den plicht, die op de priesters ten dezen opzichte rust;, zij toch ook hebben de roeping van hun Doopsel en den plicht der liefde. Zij kunnen zich dus niet onttrekken aan de verplichting om te strijden voor de verdediging der Kerk, hunne teedere Moeder, en voor de zegepraal van het Geloof, dat zij van haar gekregen hebben. En zoo hebben van het begin van het christendom tot heden, de leeken van beider geslacht van allen staat en stand, met een waren geest van geloof bezield, een werkzaam aandeel genomen in dezen strijd, in dezen worstelstrijd van de dwaling tegen de waarheid, van het kwaad tegen het goed, van Satan tegen God en tegen het menschdom. Ik voeg er met Kardinaal Alimonda bij, dat de leeken tegenwoordig meer dan ooit in het strijdperk des Geloofs moeten treden. Het tijdstip der bedorven beschaving is het tijdstip der uitzinnigste verwereldlijking. Welnu, de wereld wil zich ongodsdienstig toonen, zij wil leek zijn : nu is ook uw uur geslagen, leeken! Gij, die een kleed draagt, dat in den smaak valt en aanvaard wordt, als gij in u een innig godsdienstig leven hebt, dan zult gij beter aan de eischen van onzen tijd kunnen beantwoorden; — gij zijt het, als ik me zoo mag uitdrukken, die het priesterschap van Jesus Christus in de liverei der 19« eeuw bekleedt, ofschoon Hij

ocr page 20

XIV.

toch de Overwinnaar en Hersteller dier eeuw is, en op Wien onze hoop gevestigd is, dat de 20= minder jammervol zal zijn. Verdienstelijke Katholieke leeken ! legt u toe op dit maatschappelijk priesterschap, besteedt er aan uwe dagen en nachten ! Leeken ! God heeft u thans eene heerlijke zending toevertrouwd, door u het voorrecht te geven, dat gij te midden van een ongeloovig geslacht kunt optreden. Gelijk vroeger de Kerk Europa heeft gered van de woeste invallen der Muzelmannen, door tegen hen hare talrijke ridderorden te doen optrekken, wier heldhaftige daden de geschiedenis meldt; zoo springt ook thans de Kerk in de bres voor het heil van Europa en der geheele wereld, door aan den algemeenen vijand de nieuwe strijders en de huidige ridders der Katholieke Vereenigingen tegenover te stellen. En wie is die algemeene vijand ? Wie is, Mijne Heeren, de Muzelman van onzen tijd? Het ongeloof en het zedenbederf.

Katholieke jonge dochters ; meent niet dat het zwak geslacht niets te doen heeft, of dat zijne taak onbeteekenend is in deze roemrijke zending. Zulks is niet het geval. Want als de handelingen en het voorbeeld van den man zoowel ten goede als ten kwade meer gewicht in de schaal leggen, omdat zij ontstaan uit een krachtig verstand en een meer degelijk oordeel; zoo zijn toch de handelingen en het voorbeeld der vrouw meer doordringend en overtuigend, omdat zij uit het hart voorkomen. En zoo heeft de vrouw, in alle staten en standen des levens, als klein kind zoowel als jonge dochter, als echtgenoote en moeder, te midden der wereld en in het kloosterleven altijd uitgeoefend, en zal zij altijd hebben een grooten invloed op de maatschappij zoowel ten goede als ten kwade. Pater Ventura, een groot wijsgeer en godgeleerde, heeft in zijn boek „De katholieke Vrouwquot; terecht gezegd, dat gedurende achttien eeuwen niets grootsch, niets nuttigs in de Kerk, en evenmin onder de christelijke volken is tot stand gekomen zonder den invloed en de medewerking der vrouw; en hij zegt zelfs dat, als de man de dwaling teelt, de vrouw die aan het licht brengt en ze voedt. Hierdoor geeft hij te kennen, dat alle valsche godsdiensten en ketterijen met behulp der vrouw gesticht zijn, en dat de uitbreiding van het Protestantisme en van het ongeloof het werk is geweest

ocr page 21

XV.

der vrouw De burgerlijke maatschappij is dan ook niet anders, zegt hij, dan zooals ze door de vrouw gemaakt is. Zij is wijs of dwaas, godsdienstig of goddeloos, zedig of bedorven naar mate der kuischheid of bedorvenheid, der godsdienstigheid of goddeloosheid, der wijsheid of lichtzinnigheid van de vrouw; en dit wordt volkomen bevestigd door hetgeen de goddelooze Rousseau schreef: „de mannen zullen altijd zijn wat de vrouwen willen, dat ze zijn : indien gij wilt dat zij waardig en deugdzaam zijn, onderwijs dan de vrouw in waardigheid en deugd. Hieruit mogen we dus besluiten dat, indien de vrouw als kind of jonge dochter in het huisgezin en de maatschappij heilig is, zij het ook zal zijn als echtgenoote en moeder, en ge-volgelijk het huisgezin en de maatschappij ook heilig zullen zijn. Maar daar ongelukkig heden de opvoeding der vrouw bedorven is van kindsbeen af, en dewijl de vrouw gevolgelijk in hare gevoelens en begrippen al van den waren weg af is, alvorens zij nog kan gevoelen of haar haar verstand gebruiken; is het niet te verwonderen, dat de maatschappij den treurigen aanblik van algeheel verval biedt, en dat de vrouw meestal het offer wordt van de goddeloosheid en de ruwste ondeugden van den man, even als de man in het algemeen het slachtoffer wordt van de nukken en grillen der vrouw. Gij dwaalt dus zeer, mijne dochters, als gij meent dat gij geene taak te vervullen hebt, of dat die taak, welke God in dit verheven missiewerk aan de de leeken heeft opgelegd, te onbeduidend is.

Ik eindig dan, dierbare vrienden, met u aan te sporen, om moedig en standvastig de verdediging van het geloof op u te nemen, wijl de zaak des geloofs de zaak is van God, en omdat de zaak van God ook de zaak is van uw eigen geluk in deze, en in de andere wereld. De publieke opinie zelve eischt heden ten dage, dat wij onomwonden partij kiezen tusschen geloof en ongeloof, gelijk voor eenige jaren Jules Simon, een rationalistisch geleerde, schreef. Het is dus noodzakelijk, dat alle geloovigen van beider kunne, die zich katholiek noemen, een werkzaam en werkdadig aandeel nemen in de verdediging des geloofs, daar het vast staat, dat God „geene wonderen voor de bevestiging des Geloofs doet dan bij den beginnequot;, merkt de beroemde spaansche pennevoerder Sarda y Salvany op. Hieruit moe-

ocr page 22

XIV.

toch de Overwinnaar en Hersteller dier eeuw is, en op Wiea onze hoop gevestigd is, dat de 20- minder jammervol zal zijn. Verdienstelijke Katholieke leeken ! legt u toe op dit maatschappelijk priesterschap, besteedt er aan uwe dagen en nachten ! Leeken ! God heeft u thans eene heerlijke zending toevertrouwd, door u het voorrecht te geven, dat gij te midden van een ongeloovig geslacht kunt optreden. Gelijk vroeger de Kerk Europa heeft gered van de woeste invallen der Muzelmannen, door tegen hen hare talrijke ridderorden te doen optrekken, wier heldhaftige daden de geschiedenis meldt; zoo springt ook thans de Kerk in de bres voor het heil van Europa en der geheele wereld, door aan den algemeenen vijand de nieuwe strijders en de huidige ridders der Katholieke Vereenigingen tegenover te stellen. En wie is die algemeene vijand ? Wie is, Mijne Heeren, de Muzelman van onzen tijd? Het ongeloof en het zedenbederf.

Katholieke jonge dochters; meent niet dat het zwak geslacht niets te doen heeft, of dat zijne taak onbeteekenend is in deze roemrijke zending. Zulks is niet het geval. Want als de handelingen en het voorbeeld van den man zoowel ten goede als ten kwade meer gewicht in de schaal leggen, omdat zij ontstaan uit een krachtig verstand en een meer degelijk oordeel; zoo zijn toch de handelingen en het voorbeeld der vrouw meer doordringend en overtuigend, omdat zij uit het hart voorkomen. En zoo heeft de vrouw, in alle staten en standen des levens, als klein kind zoowel als jonge dochter, als echtgenoote en moeder, te midden der wereld en in het kloosterleven altijd uitgeoefend, en zal zij altijd hebben een grooten invloed op de maatschappij zoowel ten goede als ten kwade. Pater Ventura, een groot wijsgeer en godgeleerde, heeft in zijn boek „De katholieke Vrouwquot; terecht gezegd, dat gedurende achttien eeuwen niets grootsch, niets nuttigs in de Kerk, en evenmin onder de christelijke volken is tot stand gekomen zonder den invloed en de medewerking der vrouw; en hij zegt zelfs dat, als de man de dwaling teelt, de vrouw-die aan het licht brengt en ze voedt. Hierdoor geeft hij te kennen, dat alle valsche godsdiensten en ketterijen met behulp der vrouw gesticht zijn, en dat de uitbreiding van het Protestantisme en van het ongeloof het werk is geweest

ocr page 23

XV.

der vrouw De burgerlijke maatschappij is dan ook niet anders, zegt hij, dan zooals ze door de vrouw gemaakt is. Zij is wijs of dwaas, godsdienstig of goddeloos, zedig of bedorven naar mate der kuischheid of bedorvenheid, der godsdienstigheid of goddeloosheid, der wijsheid of lichtzinnigheid van de vrouw: en dit wordt volkomen bevestigd door hetgeen de goddelooze Rousseau schreef: „de mannen zullen altijd zijn wat de vrouwen willen, dat ze zijn : indien gij wilt dat zij waardig en deugdzaam zijn, onderwijs dan de vrouw in waardigheid en deugd. Hieruit mogen we dus besluiten dat, indien de vrouw als kind of jonge dochter in het huisgezin en de maatschappij heilig is, zij het ook zal zijn als echtgenoote en moeder, en ge-volgelijk het huisgezin en de maatschappij ook heilig znl-len zijn Maar daar ongelukkig heden de opvoeding der vrouw bedorven is van kindsbeen af, en dewijl de vrouw gevolgelijk in hare gevoelens en begrippen al van den waren weg af is, alvorens zij nog kan gevoelen of haar haar verstand gebruiken; is het niet te verwonderen, dat de maatschappij den treurigen aanblik van algeheel verval biedt, en dat de vrouw meestal het offer wordt van de goddeloosheid en de ruwste ondeugden van den man, even als de man in het algemeen het slachtoffer wordt van de nukken en grillen der vrouw. Gij dwaalt dus zeer, mijne dochters, als gij meent dat gij geene taak te vervullen hebt, of dat die taak, welke God in dit verheven missiewerk aan de de leeken heeft opgelegd, te onbeduidend is.

Ik eindig dan, dierbare vrienden, met u aan te sporen, om moedig en standvastig de verdediging van het geloof op u te nemen, wijl de zaak des geloofs de zaak is van God, en omdat de zaak van God ook de zaak is van uw eigen geluk in deze, en in de andere wereld. De publieke opinie zelve eischt heden ten dage, dat wij onomwonden partij kiezen tusschen geloof en ongeloof, gelijk voor eenige jaren Jules Simon, een rationalistisch geleerde, schreef. Het is dus noodzakelijk, dat alle geloovigen van beider kunne, die zich katholiek noemen, een werkzaam en werkdadig aandeel nemen in de verdediging des geloofs, daar het vast staat, dat God „geene wonderen voor de bevestiging des Geloofs doet dan bij den beginnequot;, merkt de beroemde spaansche pennevoerder Sarda y Salvany op. Hieruit moe-

ocr page 24

XVI.

ten we besluiten, dat ieder, die door Gods barmhartigheid den kostbaren schat des Geloots bezit, moet weten dien met groote zorg te bewaren, en dien moedig te verdedigen ; dien moet bewaren en verdedigen met des te meer waakzaamheid en kracht, naar mate de gevaren van dien te verliezen grooter en menigvuldiger zijn, gelijk dat werkelijk is voor jongelingen en jonge meisjes ten gevolge hunner onervarenheid in de wereld, hunner levendigheid der hartstochten, en der hevige aanvallen, welke zij van den vijand hunner eeuwige zaligheid te verduren hebben. Vergeet het nimmer, maar druk het immer dieper in uwen geest, dat de duivel met den koortsachtigen hartstocht van den jager uit is op de jeugd, zoools Cornelis a Lapide het uitdrukt: de duivel jaagt het meest op jongelieden: dfoifwö» adolescentes maxime venaturquot; ; omdat hij, zegt de geleerde uitlegger der H. Schrift, wel weet, welke voorliefde God der jeugd toedraagt : quia scii a Deo pios adolescentes maxime amari. Maar nooit zult gij dappere verdedigers van het Geloof zijn, als gij niet van een echten geest des ge-loofs bezield zijt; en wederom zult gij nooit dezen waren geest u eigen maken, als gij niet de werken des geloofs beoefent, die zijn; — 't is u genoeg bekend — het nauwkeurig onderhouden van Gods wetten en van die der Kerk,

— dagelijks bidden, — het dikwijls ontvangen der H.H. Sacramenten, — het vluchten der gevaarlijke gelegenheden

— en eindelijk de beoefening van liefdewerken. Gebruikt trouw en voortdurend deze middelen en gij zult menschen van geloof worden. In het bezit van dit levendig geloot zult gij ook dappere strijders worden, om het, ieder in zijn kring en betrekking, te verdedigen: omdat, hoemeer de ziel ontvlamd is door liefde tot God en den evenmensch, hoemeer ook zij brandt van ijver voor het geloof, en zoo is de geloofsijver de vrucht der liefde.

Dat God de Heer u, dierbare kinderen, beware door zijne genade, en u hier en hiernamaals gelukkig doe zijn.

ocr page 25

DE ONGELOOVIGE.

Wat is een ongreloovige ?

„Bemerk wel. dat Juni u/tijd iets ontbreekt. hetzij van hoofd /u tzij van kart.quot;

Woorden van den on^eloovigen Sninte-• P.euve, sprekend ovlt;;r de vijanden van den godsdienst.

chi'teic'inci en iv-tc'eeting van

•HC t K'C 11;.

Als we de geschiedenis der menschheid nagaan in hetgeen betreft het gedacht, dat de menschen zich maakten van God, en van den dienst aan Hem verschuldigd; dan is het een onweerlegbaar feit, dat zelfs in de hoogste oudheid weinigen voorkomen, die het bestaan van een opperwezen of de noodzakelijkheid van een godsdienst durfden ontkennen ; alsook, dat slechts weinige menschen een juist begrip van God en godsdienst hadden, en dat velen zich een God en godsdienst geschapen hebben naar welgevallen, naar hunne inbeelding en hartstochten.

Dit feit, reeds zoo merkwaardig onder de Oude Wet, toen het Hebreeuwsche volk alleen den waren God aanbad, is merkwaardiger nog onder de wet van genade, die de heidensche wereld kwam vernietigen en de menschen riep tot de kennis van den waren God en tot het bezit van het eeuwig geluk. Men kan dus zeggen, dat bij het begin van het christendom de hardnekkige strijd tusschen geloof en ongeloof begon, welke nu eens hevig dan weder zwak, de eeuwen door zou duren. Maar laten we de vervlogen eeuwen daar, en houden we ons alleen met de tegenwoor-

GEI.OOF EN ONGELOOF. •)

ocr page 26

- i8 —

dige bezig: en dan moeten wij zeggen, dat heden meer dan ooit de christenen in twee kampen verdeeld zijn, die onverzoenlijk tegenover elkander staan en zonder poozen elkander bestrijden: het kamp van geuxmige katholieken en dat der ongeloovige geesten. De strijd, de worsteling van ideeën, welke deze twee geheel tegenovergestelde stelsels voeren, is het onderwerp van dit boek. Wij zullen die zoo beknopt en duidelijk mogelijk uiteenzetten door het geloof en het ongeloof beiden op te roepen voor de rechtbank van de rede en van de wetenschap, van gezaghebbende personen en van feiten, om aldus te zien welk der beide stelsels wijs en redelijk, welk zulks niet is: en dan aanwijzen welk men moet goedkeuren en volgen, en welk integendeel door ieder verstandig en oordeelkundig mensch moet worden veroordeeld en verworpen. — Dewijl nu God in alles en met alle middelen wordt aangevallen, door in alles en met alle middelen het geloof aan te vallen, is het duidelijk, dat een boek, dat over de worsteling tusschen geloof en ongeloof zal handelen, — omdat het zoo verschillende onderwerpen bevat, — noodzakelijk zich aan een zekere volgorde moet houden en de stoften tot zekere klassen brengen, on: verwarring te voorkomen en duidelijk te zijn. Wij verdee-len daarom ons werkje in twee deelen : in het eerste geven wij eenige grondige beschouwingen over geloof en ongeloof in het algemeen; opdat in het vervolg ieder rechtschapen en verstandig mensch kunne oordeelen over de grondslagen, waarop het gebouw van het katholicisme en van de goddeloosheid staat.

In het tweede gedeelte zullen wij de voornaamste opwerpingen en moeilijkheden beantwoorden, waarmede de goddeloosheid het katholiek Geloot, de Kerk en de christelijke maatschappij bestrijdt. Dit tweede gedeelte biedt eene grocte verscheidenheid van stof, die wij in verscheidene hoofdstukken zullen onder verdeelen, en in ieder daarvan zoo beknopt mogelijk geven, wat de rede, de wetenschap, gezaghebbende personen en feiten tegen het ongeloof en de ongeloovigen aanvoeren; en wat deze ten gunste van het geloof en de geloovigen getuigen. Deze weinige woorden zijn genoeg, om een bondig en algemeen gedacht van dit boek te geven.

ocr page 27

Voorafgaande Bescliouv/in^en.

Het bestaan van een Opperwezen, zeide de groote hei-densche wijsgeer Cicero, 13 zoo duidelijk dat slechts hij, die het gezond verstand mist, het kan ontkennen. De beroemde Newton schreef, dat hij, die het bestaan van God loochent, verdient in een gekkenhuis opgesloten te worden. Inderdaad het bestaan van God loochenen ten opzichte van den mensch en van het heelal, komt hier op neer, dat men het bestaan van een horloge aanneemt, maar niet het bestaan van den maker ; of van een prachtig schilderstuk, zonder dat eenig schilder er aan gewerkt heeft; — of van een grootsch gebouw, dat zonder bouwmeester en werklieden is tot stand gekomen. Met andere woorden : men zou aannemen, dat de mensch en de wereld met al wat er is, bij toeval ontstaan zijn, of dat zij zich zeiven gemaakt hebben, hetgeen beiden wel de grootste dwaasheid zou zijn. Toch zijn er eenige goddeloozen en dwazen die het bestaan zelfs van God loochenen : hun zullen wij antwoorden in het hoofdstuk, dat voor hen bijzonder geschreven is : hier vestigen we er alleen de aandacht op, dat zeer vele ongeloovigen nog wel het bestaan van God aannemen, maar van geloof niets willen weten. Eenmaal echter het bestaan van een Opperwezen aangenomen, moet men zeker aannemen, dat de mensch, zijn schepsel, en nog wel zijn redelijk schepsel, verplicht is Hem te eeren en hoog te achten, gelijk de heele wereld het eens is over de billijkheid, dat een zoon zijn vader eert, dat de knecht en de arme hun meester en weldoener hoogachten.

Met andere woorden : het is duidelijk, dat, als men het bestaan van een Opperwezen aanneemt, men ook moet zeggen, dat de mensch verplicht is tot eerbewijzing; bijgevolg, dat godsdienst noodzakelijk is; hieraan nu kan niets anders dan het geloof ten grondslag liggen. Maar hier

ocr page 28

stuiven die heeren gewoonlijk op, en trekken te velde om de menschelijke rede te verdedigen, die, zeggen zij, door de eischen en moeielijkheden van het geloof verlaagd en tot slavin gemaakt wordt; en zij trachten met behulp van tallooze drogredenen te bewijzen, dat de mensgh aan zijn verstand genoeg heeft om de waarheid te zoeken, en dat de rede alleen bij machte is, om God volmaakt te kennen en Hem de eer te bewijzen, die Hem toekomt, zonder dat geloof of openbaring daartoe noodig zijn. Wij maken die Heeren opmerkzaam, dat, als zij oprecht willen handelen, zij hun verstand eens ernstig en koelbloedig moeten raadplegen over hetgeen den mensch het grootste belang inboezemt n.1 over God, de wereld, de menschelijke natuur. Zoo moeten zij dan ook eens oplettend onderzoeken de natuur van de rede en de wetenschap, van een geloofsgeheim en van het geloof, van den eeredienst aan God, en aan de goddelijke openbaring verschuldigd. Dan nog : de vruchten van het geloof en het ongeloof — de oorzaken van het ongeloof, de geest, die de meesters en hoofden van het ongeloof bezielt. Indien zij in het onderzoek van deze zaken een weinig willen doordringen, dan zullen zij zich gedrongen voelen te bekennen dat het stelsel van den geloovigen Katholiek bij zijne godsdienstige meeningen, zijne wetenschappelijke onderzoekingen, zijne handelwijze, (waarbij het licht des geloofs zijn richtsnoer en gids is,) meer gegrond en redelijk is dan het stelsel van den ongeloovige, die in deze dingen de onderrichtingen van het geloof verwerpt en bij het licht van zijn verstand alleen te werk gaat. En zoo zullen ze ook moeten erkennen, dat de vijanden van ge-looven geene ware wijsgeeren en echte geleerden zijn, maar wel oppervlakkige wezens en ellendige drogredenaars : — dat geloof en rede niet alleen niet met elkander in strijd zijn, maar dat juist het geloof de degelijke grondslag en de eenige zekere gids is van de menschelijke rede ; — en dat het ongeloof, als het geen kind van verwaande onwetendheid, of een ellendig opgezet comediespel is van diep bedorven en schuldige wezens, die de stem huns gewetens trachten te smoren — altijd door Gods gerechte straf, waanzin wordt, d i. eene gedeeltelijke verwarring dei-rede, die het verstand doet raaskallen over al hetgeen de verhevenste zaken van het geloof aangaat, terwijl het over

ocr page 29

21

andere zaken zeer goed blijft praten en redeneeren. Dit oordeel nu, en geen ander, zullen de ongeloovigen over het ongeloof moeten vellen, zoo dikwijls zij hunne vooropgezette ideëen ter zijde stellen en ernstig de zaken onderzoeken willen, alsook dat wegnemen wat hen drijft om zich tegen het geloof te verzetten. Ieder ongeloovige dan, hoe geleerd hij ook meent te zijn, en welke ook zijn leef-tijd, zijn stand of levensstaat weze, zal altijd in de oogen van den wezenlijk verstandiger! mensch, en naar het gevoelen van iederen wijzen en rechtschapen mensch zijn; of een verwaand onwetende, die spreekt over zaken, 'die hij niet kent, — of een ellendige huichelaar, die gevoelens en overtuigingen veinst welke de zijne niet zijn, — of een jammerlijk waanzinnige, die over alles beredeneerd is behalve over eene hoogere orde van zaken, waarover hij raaskalt en ongerijmdheden uitslaat Laten wij nu tot de bewijzen overgaan.

ocr page 30

God. — De Wereld. — De Mensch.

God. Als de beroemde Newton al op eerbiedwaardiger! ouderdom gekomen was, schreef hij in een zijner brieven, dat hij niet wist, wat de wereld van zijne werken denken zou, maar dat het hem toescheen, dat hij slechts een kind geweest was, aan den oever van de zee gezeten, dat nu eens een geschuurd keisteentje, dan eens een meer blinkende schelp ophaalde, terwijl de Oceaan der waarheid met zijne onbekende en ondoorzochte gezichteinder voor hem uitgestrekt lag. Het is waar, dat de mensch niet veel meer is, wat aangaat zijne kennis van de natuur en der geschapen wezens, niettegenstaande al de vorderingen der wetenschap, niettegenstaande alle pogingen, welke hij aanwendt. War moeten wij dan zeggen van den mensch, die alleen bij het licht zijner rede wil doordringen in den onmetelijken afgrond van Gods wezen, en die wil spreken over Gods eigenschappen ? Neen, hoe krachtig ook zijn verstand, hoe verheven zijn genie zij, hoe diep hij ook afdale; altijd zal het den mensch zouder het licht des geloofs onmogelijk zijn niet te verdwalen, niet te vervallen tut de grootste ongerijmdheden, als hij van God en diens aanbiddelijke eigenschappen wil spreken De oude wijsgeeren verwierven met behulp van hun verstand, de kennis van een Opperwezen, maar dewijl zij het licht des geloofs misten, maakten zij zich van hem de dwaaste en belachelijkste voorstellingen. Aide droomerijen der oude wijzen over deze zaak, kan men vinden in de drie boeken van Gicero over „de natintr der go dmquot; en in het eerste boek van Plutarchus over de „Meeningen der wijsgeerenquot;. Voor Pythagoras b v. is God het Getal; voor Theophrastes de Dierenriem; bij Anaximenes de luchi; sommige verwarren God met het water. Empedocles met de vier elementen ; eenige geven hem een bolvormigen,

ocr page 31

anderen een vierkanten vorm, nog anderen, die van een spits-zuü. Wat zijne eigenschappen aanbestreft; Chrysippus ontzegt aan God de vrijheid ; Epicurus de voorzienigheid; Cleantes het enkelvoudige; Anaxagoras kent hem mensche-lijke gevoelens toe; Aristoteles meent, dat God niet de macht heeft, om het geschapene te behouden: en dan gaan we stilzwijgend hen voorbij, die aan God hartstochten en ondeugden toeschrijven. — De wijsgeeren van den nieuwe-ren tijd, die, als ze over God spraken, het licht des geloots verwierpen en geen anderen gids hadden dan de bespiegelingen van hun eigen verstand, hebben zich niet minder ongerijmd en belachelijk aangesteld dan de wijsgeeren der oudheid. Inderdaad voor Spinoza is alles God, wal bestaat-, bij Fichte is God de som van ik; bij Hegel is Hij het zijit. en het niet-zijn : bij Schleiermacher is Hij de som van het gevoel; bij Renan is Hij het aan het licht brengen der rede; bij Damiron is het de rede van den mensch zelve-, en deze eindelooze lijst van waren onzin over het Godsidee en Diens eigenschappen zou nog tot in het oneindige verlengd kunneu worden over zoovelen als over deze zaken hebben willen redeneeren, die door het geloof moeten onderwezen worden. Het geloof alleen heeft den mensch van Gods oneindig wezen een juist gedacht kunnen geven, dat het menschelijk verstand volkomen voldoet, en waaruit het verstand als uit het beginsel, de eene goddelijke volmaaktheid na de andere, alsmede zijne aanbiddelijke eigenschappen heeft afgeleid. Het geloof leert ons: (iod is Die is (Exod. III), en bij de stralen van het goddelijk licht, dat uit die twee woorden springt, hebben de ongeloovige wijsgeeren zelve moeten bekennen, dat de geheele mensche-lijke wijsbegeerte te zamen niets heeft kunnen uitdenken. dat nabijkomt aan dit zoo verheven gedacht van de Godheid, door het geloof ons gegeven, als het ons leert; God is : Die is. Als dan God is Die is of, anders gezegd, als God het wezen bij uitnemendheid is, het eenig Wezen, dat door zich zelf bestaat, dat dan ook noodzakelijk oneindig is in zijn Wezen en in al zijne hoedanigheden, d. i., in zijne macht, wetenschap, goedheid, rechtvaardigheid, enz. enz.; — dan zal ieder inzien dat het voor het geschapen verstand, zelfs voor de verhevenste Engelen onmogelijk is, volkomen en volmaakt God te kennen. Wie ziet niet in, dat het ge-

ocr page 32

— 24 —

schapen verstand H em in zijne werken en in de openbaring zijner goddelijke eigenschappen niet kan kennen dan naar het meer of minder begrip, dat God het geschonken heeft, en naar mate God zich heeft doen kennen bij het licht der rede of bij het licht der zaligen. Het geioofs-geheim is dus, als er sprake is van God, van de goddelijke eigenschappen of werken, volstrekt noodzakelijk voor ieder geschapen verstand : en de mensch, die in zijn nietigheid oprijst om op het gelool te smalen, o{ die over God wil oordeelen en op zijn verstand wil roemen: dusdanige is een verwaand-onweicnde, die praat over hetgeen hij niet kent ; — of een ellendige huichelaar, die loochent en bestrijdt hetgeen hij door zijn eigen verstand kent als een onbetwistbaar zeker bestaand Wezen ; — of een arm waan-zinntge, die over alles goed kan redeneeren, maar onge-reimde tl waasheden op de belachelijkste wijze aan den man brengt over de zaken, waarmede wij hier bezig zijn.

De wereld. De wereld, heeft Plato gezegd, is een boeiv, dat God aan de wereld gegeven heeft.

- Dit is waar ; doch niet minder waar is, dat de menschen, hoe scherp en doordringend ook het gezicht hunner rede was, dit boek nooit goed hebben kunnen lezen en dat zij zonder het licht des geloofs, het nooit goed zullen lezen.

Voltaire zelf, de goddelooze Voltaire, schreef in eene opwelling van rondborstigheid: dat God tot het mensche-lijk geslacht moei spreken, en dat het Hem alleen toekomt zijne eigene werken te verklaren. Werkelijk, als men de schriften der oude wijsgeeren leest, staat men verbaasd over de gevatheid en de scherpzinnigheid van hun verstand, en bij hen vergeleken, schijnen de beroemde wijsgeeren van den nieuweren tijd al heel klein, daar alle dezer stelsels en theorien zonder uitzondering ontleend zijn aan, — weergeven wat de heidensche wijsgeeren geleerd hebben. En toch. hoe zij ook redeneerden over den oorsprong der wereld, geen van die wijzen der oudheid kwam er toe het geloofspunt van de schepping uit te vinden. Plato, de verhevenste van allen, en die der kennis van deze waarheid het meest nabijkwam, zag ze wel ten halve in, maar vermocht niet ze aan het licht te brengen. Al de wijs-

ocr page 33

geeren der oudheid waren van meening, dat de stof eeuwig is, en kenden aan God alleen de macht en wijsheid toe, er bewerktuigde wezens van te maken, hetgeen eene wijsgeerige ongerijmdheid is. Zoo hebben ook alle wijs-geeren van den nieuwen tijd die het leerstuk der schepping niet aannemen, de grootste dwaasheden en ongerijmdheden geleerd. Allen, zonder uitzondering, zijn te rechte moeten komen bij het absoluut pantheïsme, de dwaze leer, dat alles God is; of bij het absolute scepticisme of pyrrho-misme, het niet minder ongerijmd idéé van algemeenen twijfel: en eindelijk zijn zij langs verschillende wegen aangeland bij het grofste materialisme. Dit is als de algemeene middenstof, waarin alle wijsgeeren zich bewegen, die de gave des geloots missen, of die het licht des geloofs aan dat van hun eigen verstand ten offer gebracht hebben. Wat nu leert ons het geloof omtrent den oorsprong der vyereld ? 't Is waar, het geloof geeft ons een geloofs-geheim ten antwoord op deze vraag, maar door dat geheim voldoet het 's menschen verstand, en geeft de oplossing van eene menigte andere geheimen Het geloof leert ons, dat God noodzakelijk en door Zich zeiven bestaat, en dat al het overige door God geschapen is ; —voorzeker een groot geheim. Maar als gij dit niet aanneemt, zult ge nooit den oorsprong der wereld kunnen verklaren ; en het Gods-idée zal altijd een onding voor u zijn Maar, werpt men misschien op, hebben de wijsgeeren niet gesproken over atomen en moleculen (ondeelbare of zeer kleine stofjes) over aantrek-trekkingskracht enz enz? Dat is zoo. Doch die stelsels aangenomen, van waar komen dan die atomen, moleculen en aantrekkingskracht ? Door wien zijn deze gemaakt. Het vraagstuk komt dus op hetzelfde terug. Iedereen weet bovendien, dat de theorien en stelsels der geleerden over dit punt, gelijk over bijna alle andere met elkander in botsing komen, en elkander afbreken. Een man boven alle verdenking, de goddelooze Voltaire heeft gezegd: „Allewijsgeeren, die eene wereld gemaakt hebben, hebben eene bespottelijke daar gesteldquot;, en hij laat er op volgen: „hoemeer „ik er over nadenk, hoe meer ik bevestigd wordt in mijne „meening, dat de stelsels voor de wijsgeeren zijn, wat de „romans zijn voor de vrouwen. Het eene komt na het „andere, zij hebben aanvankelijk een goeden vaam, en ge-

ocr page 34

26 —

raken in vergeieldheid. Integendeel, gelijk in andere zaken, zoo wordt 's menschen verstand ook hierin voldaan door hetgeen het geloof leert, het wordt geholpen in zijne nasporingen, en deze wederom worden dagelijks bevestigd door de feiten en de bevindingen der wetenschap

De 7nensch. Gelijk het verstand des menschen, aan zich zelve overgelaten, en verstoken van de hulp des geloots, tot de grootste dwaasheden is vervallen omtrent God en de ■wereld-, even zóó is het, als het geloot niet aangenomen, of het licht des geloofs verworpen wordt, niet minder afgedwaald omtrent den mensch. Van waar komt de mensch ? Waarom is hij op de wereld? Welk zal zijn lot zijn na den dood? Hoe kunnen in hem zoo groote tegenstrijdigheden: verheven grootheid en diepe ellende, vereenigd zijn ? Welke middelen zijn er om hem te verbeteren? enz. enz. Deze zijn even zoovele onoplosbare raadsels voor het verstand van den mensch, dat op zichzelve steunt, en hierop kan het geloof alleen het antwoord kan geven. Een beroemd Itali-aansch schrijver en staatsman, Maxime d'Azeglio, sprekende over de gewichtigste vraagstukken omtrent den mensch, zeide te recht. „ Van den beginne af vraagt elk geslacht aan zich zeiven: vanwaar kom ik ? wat doe ik ? waar ga ik heen ? En 's menschen verstand, in plaats van gulweg te bekennen, dat het er niets van weet. heeft in verschillende tijden honderd antwoorden vt/gedachi. het een al schoon-schijnender dan het andere, en tk hond het er voor, dat het nog wel andere zal uitdenken, zoolang als God het op aarde laat. Kan de mensch het bovennatuurlijke missen, hij kan echter niet zich onttrekken aan het wérkelijk en praktisch Imen met al zijne onvermijdelijke behoeften. Het geloof zou er in voorzien, en heejt er in voorzien, om den mensch te midden zijner behoeften tot gids te dienen, zonder dat hei verstand mei bovennatuurlijke vraagstukken werd lastig gevallen Ob alle vraagstukken antwoordt heL geloof aanstonds, en geeft lederen mensch, die volgens het geloof wil leven, den regel aan, dien hij heeft na te komen.

Men zal de opwerping maken, dat het geloof alleen bij middel van seloofsgeheimen alle vraagstukken b.v. van de schepping der wereld, van de erfzonde, van de verlossing

ocr page 35

enz. enz. kan oplossen. Dat is zoo, luidt ons antwoord; maar de ongeloovige wijsbegeerte doet ijdele pogingen, om ze door dui/.ende dwaasheden en ongerijmdheden op te lossen als : dat de mensch van zelf op aarde gekomen is ; — dat men een mensch-plant aanneemt of den mensch-aap, de zielsverhuizing, enz. onderstellingen, die even willekeurig als belachelijk zijn; — die geen antwoord op de gestelde vraagstukken geven, en in den mensch den twijfel aan alles doen ontstaan, die hem tot alle ondeugden en misdaden brengen moet. Welk dezer twee stelsels beantwoordt nu het best aan de behoeften van den mensch en voldoet 't meest zijn gezond verstand? Het is dus duidelijk, dat de menschelijke rede, aan zichzelve overgelaten en de hulp des geloofs ontberend, het begeerde doel niet heeft kunnen bereiken, noch omtrent God, noch omtrent de wereld of den mensch; — drie onderwerpen nochthans, die den mensch ten zeerste belang inboezemen, en waarin alle andere vraagstukken liggen opgesloten. Een kind van 7 of 8 jaren, dat goed zijn katechismus kent, kan dan ook over deze dingen spreken met meer zekerheid en op verhevener wijze dan het ooit de grootste wijsgeeren der oudheid hebben kunnen doen, en als het ooit zullen doen de grootste geeesten, die van de onderwijzingen des gelools niet willen weten Daarom zeide een gezaghebbend persoon, de rationalistische wijsgeer Joultroy, zeer ter zake.- het christendom had alle groote vraagstukken opgelost: maar nu er geen christelijk geloof meer is, moet men weer van meet af beginnen.

Gaan wij echter verder.

Het gezond verstand en de wetenschap.

Het gezond verstand. De rede is eigenlijk niets anders dan het vermogen om de waarheid te vatten, als zij wordt voorgehouden, en om de waarheid te kunnen zoeken en vinden

ocr page 36

Wij kunnen dus zeggen, dat het verstand is voor den geest, om geestes-dingen te kennnen, wat de oogen zijn voor het lichaam, om stoffelijke voorwerpen te onderscheiden. En gelijk de oogen, al hebben zij ook het vermogen van te zien, toch licht noodig hebben om de dingen te zien en te onderscheiden; zoo zal ook ons verstand, al heeft het ook het vermogen van de waarheid te vatten en te onderscheiden, toch nooit alle soorten van waarheden kunnen onderkennen zonder de hulp van het licht des geloofs, vooral dewijl het zeer verzwakt is door de erfzonde. En gelijk in den mensch het gezicht beperkt is, en gelijk alle menschen ook niet hetzelfde gezichtsvermogen hebben, zoo kan ook s' menschen verstand niet alles bevatten en zal het ook niet bij alle menschen hetzelfde zijn Als dan de ongeloovige vvijsgeeren genoegzaam in aanmerking namen de eigenschappen, die het verstand heeft, zouden zij niet tot zoo tegenovergestelde ongerijmdheden komen — en wie zal zeggen welke de dwaaste zijn ? — als b.v. de deisten en pantheïsten, die de rede zoozeer ophemelen, dat zij haai alwetendheid en onfeilbaarheid toekennen. Van den anderen kant verlagen de Scepticisten en Pyrrhonisten het verstand zoozeer, dat zij het beneden het instinct der dieren plaatsen, omdat zij beweren dat het geen enkel kenmerk van waarheid bezit, riet geloof alleen wijst den mensch de plaats aan, die hem hierin toekomt. Het geloof maakt van den mensch geen God, die alles weet en begrijpt ; noch een redeloos dier, dat slechts uit natuurdrift handelt, maar stelt hem voor a!s een redelijk wezen, die met behulp van zijn verstand sommige, niet echter alle waarheden kan kennen. Gelijk nu niemand het vreemd zal voorkomen, dat het teeder begrip van een kind niet de diepzinnige navorschingen van een metaphysicus (die afgetrok-kene onderwerpen behandelt) kan vatten, noch de hooge berekeningen van een wiskundige; zoo moet het ook niemand verwonderen, dat er zaken zijn, die geen een mensch begrijpt. Want de eigenschappen van de mensche-lijke rede bewijzen duidelijk, dat er voor den mensch niet alleen geheimen bestaan kunnen, gelijker voor een kind zijn ten overstaan van een geleerde; — maar dat er ten opzichten van God, Diens goddelijke eigenschappen en werken, noodzakelijk geheimen moeten zijn, omdat 's menschen

ocr page 37

— 29 —

verstand eindig en beperkt is, hetgeen dus onmogelijk God, Diens wezen of eigenschappen volkomen kan begrijpen. Hieruit volgt dat de mensch van Gods werken niets kan begrijpen, dan hetgeen God hem wil openbaren, dus naar de mate van de kennis, die Hij hem geeft, hetzij bij middel van het licht zijner rede of van het licht des geloofs of van het zaligend zien in den hemel.

De geloofsgeheimen zijn dus volkomen volgens 's men-schen natuur en volgens liet wezen van God ; doordat het verstand van den mensch zelf ze bewijst en bevestigt Wat bij dit alles te denken van onze ongeloovige geleerden, die, als ze over het verstand van den mensch spreken, dwaze-lijk beweren dat het alles begrijpen en uitleggen kan, of wel dat het niets weet en nergens zekerheid van heeft? Als zij dan aldus zich zeiven tegenspreken, als zij zich zoo beijveren, om zich zeiven en anderen wat wijs te maken, dan voorzeker raaskallen ze, alsof ze hun verstand verloren hebben.

De weienschap. Als Pythagoras, een der beroemdste oude wijsgeeren, eens voor een koning had gesproken, riep deze in bewondering over zijne diepe kennis en verheven welsprekendheid uit; ZieliKr wel een echte wijze / Maar bescheiden, zooals de gewaande wijzen van onzen tijd niet zijn, antwoordde hem Pythagoras: Neen, o koning, God alleen ts wijs; wat mij aangaat, ik ben slechts een philo-so/os (beminnaar der wijsheid). Van daar het woord philo-sophie (wijsbegeerte). God alleen kan waarlijk wijs genoemd worden, omdat Hij alleen de rede en de oorzaak van alles kan aangeven ; en hierin bestaat de ware wijsheid, leeren ons Aristoteles, Thomas en alle ware wijzen van alle eeuwen. Als hierin dan het ware kennen bestaat, welk gedacht moeten wij dan hebben van 's menschen wetenschap op aarde, hoe uitgebreid en diep die ook zij ? Hebben misschien Aristoteles, Plato, de H. Augustinus, Thomas, die tot nu toe voor de grootste verstanden der wereld doorgingen, de reden en de oorzaak van alle dingen kunnen aangeven ? Is het integendeel niet waar, dat niemand meer dan deze, meer engelachtige dan menschelijke geesten, hebben erkend en uitgesproken dat het verstand des menschen

ocr page 38

— 3 o —

onbekwaam en beperkt is, en dat gering altijd is en zal zijn hetgeen de raensch op aarde kan kennen ? Een fransch schrijver, M. Laudun, heeft den gelukkigen inval gehad een boek uit te geven, dat tot titel draagt : De onkunde der wetenschap leder, die lezen kan, kan daar zien, hoe weinig de wetenschap in al haar schijn van voornaamheid beteekent, en hoe de gewaande geleerden van het ongeloof elkander bestrijden en afbreken in hunne ongerijmde stelsels. Overigens is ieder geleerde, die oprecht er voor uitkomt gedwongen, de woorden van den wijze in de H Schrift na te zeggen : het is den mensch niet gegeven het geheim van Gods werken te doorgronden (Eccl. VIII). Inderdaad, alle menschelijke wetenschappen kunnen zonder uitzondering teruggebracht worden tot eene dikwijls gebrekkige som van feiten en verschijnselen, achter welke altijd talrijke en diepe geheimen liggen. De mensch leett, en het leven is een geheim. De mensch voedt zich, en de voeding is een geheim. De mensch slaapt, en de slaap is een geheim. De mensch neemt kleuren, klanken, geuren, smaken, gewaarwordingen van het gevoel waar, en al die waarnemingen zijn even zoovele geheimen. Denken, gedachten, geheugen, woorden, driften, de dood zelfs zijn ook even zoovele geheimen, zonder nog op te noemen de vereeniging van ziel en lichaam, het instinct der dieren, de grondstoffen, waaruit de lichamen bestaan, de natuur van het licht, der electriciteit, van de aantrekkingskracht, en van andere oorzaken zonder tal, die de mensch kent, waarneemt, en die hij gebruikt zonder ze te kunnen verklaren. Als dan de mensch zelfs niet van die zaken, die de grondslag der wetenschappen zijn, de reden en de oorzaak kan aanwijzen ; als dan de mensch leeft, in- en uitwendig omringd door diepe geheimen, hoe kan dan de ongeloovige zich verheffen op zijne wetenschap, en zoozeer de geheimen des geloofs minachten, dat hij zich tevreden stelt met het licht der rede. Zou er eemg wezenlijk verschil bestaf.n tusschen de geheimen der natuur en die des geloofs ?

Met Rergisr dagen wij alle ongeloovigen der wereld uit, dat wezenlijk verschil aan te wijzen ; doch het bestaat niet en kan niet bestaan, omdat God, die de stichter is van ons geloof, ook de Schepper is van de natuur en van alles wat het onderwerp van 's menschen wetenschap uit-

ocr page 39

— 3i —

maakt. Een kind of eene zwakke vrouw zouden dan ook, als zij eenvoudig de geheimen van de natuur en der wetenschappen aanhaalden waarover wij zooeven spraken, den onbeschaamdsten ongeloovige kunnen weerleggen en hem dwingen, de geheimen des geloofs te erkennen, omdat hij die in de natuur en de wetenschappen niet kan ontkennen, of althans zou hij gedwongen zijn te verklaren, dat hij, met zichzelf en met het gezond verstand in strijd zijnde, slechts medelijden of verachting verdient. Om echter de waarheden, waarmede wij bezig zijn beter te begrijpen, en om de onkunde, kwade trouw of verstandsverbijstering der ongeloovigen duidelijk te doen uitkomen, zullen we de eigenschappen, die geheim en geloof hebben, in het kort nagaan.

Geheim en Geloof.

Geheim. Het woord mysterie, dat volgens eenige geleerden van het grieksch, volgens anderen van het hebreeuwsch is afgeleid, beteekent eene geheime zaak of eene verborgen waarheid. Zoo noemde Jesus Christus zijne leer: het geheim van het Rijk Gods-, en de Apostel Paulus, het geheim des geloo Js. Als eene zaak voor ons begr p verborgen blijft, dan volgt daaruit niet dat die zaak of die waarheid niet bestaat, of dat ze tegenstrijdig is aan het licht der rede. A\ij hebben dan ook gezien dat er niet alleen in de natuur en de wetenschappen geheimen zijn, maar dat deze er noodzakelijk moeten zijn, als er sprake is van God of Diens goddelijke eigenschappen.

De geheimen des geloofs zijn dan ook niet in strijd met s' menschen verstand, maar zij zijn er boven verheven, omdat er altijd eene geheime en bedekte uitdrukking in voorkomt, die de natuurlijke vermogens van den mensch te boven gaat, en dit is de eerste eigenschap van de geheimen des geloofs.

ocr page 40

Wanneer wij b. v. zeggen, dat God alle toekomende dingen weet, dan kennen wij slechts twee uiterste bepalingen van hel geheim van Gods alwetendheid: iö dat Gods wetenschap oneindisr is, en dat zulks ook niet anders kan zijn omdat God een oneindig wezen is; 2quot; dat de mensch vrij is, omdat zoowel het verstand en het geweten als het geloof ons zulks leeren. Maar op deze twee uiterste bepalingen of waarheden volgt nog eene andere, die n. 1. de kennis van God overeenbrengt met de vrijheid van den mensch, en deze is de waarheid of midden-bepaling, waar s' men-schen verstand niet bij kan. „Dan. zegt Bossuet, als men niei ziet, door icelk middel de schakels van een kelen aan elkander ztilen, moet men de idleinden er van maar stevig vasthouden. Er is dus een wezenlijk verschil tusschen geheim en ongerijmd, omdat het geheim iets duisters is, dat niet begrepen wordt, cn het welk dus daarom, omdat het niet begrepen kan worden, ook niet van ongerijmdheid kan beschuldigd worden: terwijl eene ongerijmdheid een duidelijk iets is, en des te duidelijker, naarmate het meer ongerijmd, en met het verstand in strijd is. B. v. de zekerste en meest onbetwijfelbare opgaven dei-wis- en sterrekunde zijn voor tallooze menschen, die deze kunsten niet bestudeerd hebben, of ze maar niet kunnen begrijpen, wezenlijke geheimen; maar is dat nu reden, om die waarheden niet aan te nemen, ze als ongerijmd en belachelijk voor te stellen, omdat velen ze niet kennen of niet kunnen begrijpen ? Integendeel: als men zegt: een deel is grooter dan een geheel; eene zaak kan tegelijk zij7i en niel-zijn enz., zal iedereen die beweringen zoo duidelijk ongerijmd vinden, dat een kind het inziet en ze bij den eersten oogopslag verwerpt. Wij, geloovige Katholieken, wij dagen alle ongeloovigen der wereld uit, om te bewijzen, dat er iets ongerijmds is in eenig geheim van het geloof. Doch dit is onmogelijk omdat, als zij dit konden, het geheim geen geheim meer zou zijn op het oogenblik dat het verstand er in zou slagen, om er de uiterste bepalingen van te bevatten.

quot;De tweede eigenschap van de geloofsgeheimen is deze, dat zij oneindig meer duidelijk en onfeilbaar zijn, dan alle waarheden, welke de vrucht zijn van de studie en wetenschap der menschen. En de reden daarvan ligt voor de

ocr page 41

— 33 —

hand. De waarheden der geloofsgeheimen steunen op God zelf, die de waarheid zelve is en norh zich zeiven noch ons kan. bedriegen, terwijl 's menschen geest in zijn verstand, in zijne zintuigen, in zijne waarnemingen, in zijn oordeel, in zijn spreken aan duizend misleidingen en dwalingen bloot staat, zoowel wat de beginselen als de toepassingen er van betreft. En daarin is juist het wezenlijke verschil gelegen, dat er bestaat tusschen het stelsel der geloovige K atholieken en dat der ongeloovigen. De Katholieken hebben tot grondslag en richtsnoer van hunne geloofsovertuiging, van hun zedelijk gedrag en van hunne wetenschappelijke navorschingen de waarheden des geloofs: maar de ongeloovigen, die deze waarheden niet aannemen, trachten een godsdienst, een zedeleer en eene wetenschap te maken volgens het licht hunner rede. Omdat zij nu door die rede niets kunnen verklaren van al wat er in- of buiten den mensch bestaat, zijn zij, om bunnen hoogmoed voldoening te schenken, gedwongen duizend verschillende onderstellingen en hypothesen te maken ; en wie zal zeggen welke de dwaaste en belachelijkste is. en hoe zij met elkander in strijd zijn en elkander te niet doen ? Voltaire zelf, in een oogenblik van rondborstigheid, bekende: dat „het stelsel van hen die het verstand boven het geloof plaatsen, het stelsel der dwazen is. En in zijne scherpe taal de stelsels der geleerde bij muizen vergelijkend, zegt hij: zij gaan door vele gaten heen. maar stooten ten laatste toch ergens tegen. Guizot schreef wijselijk het volgende in zijn testament: en dit is van te meer gewicht, omdat deze beroemde geschiedvor-scher en staatsman protestant was : Ik maakte gebruik van het vrij onderzoek, dat mij de godsdienst toestond, waarin ik geboren ben : ik heb nagevorscht en bén gaan twijfelen; maar na lang geleefd, gewerkt en gedacht te hebben, heb ik de overtuiging gekregen en ik heb ze nog, dat noch de wereld, noch de mensch op natuurlijke wijze ktmnen verklaard worden of zich zeiven besturen Tk geloof vaste/ijk. dat God. die de wereld en den mensch schiep, ze ook bestiert en onderhoudt. Ik geloof in God en ik aanbid Hem, zonder dat tk beproef Hem te begrijpen. Ik zie Hem tegcwoordig en handelend optreden, niet alleen in hei algemeen bestuur van het heelal en in het innerlijk leven der zielen, maar ook m den staat der mcnschelijke samenleving, bijzonder in

GEI.OOF EN ONGELOOF. H

ocr page 42

— 34 —

het Oude- en Nieuwe Testament, die gedenkstukken van Gods openbaring en werking, die zich toont door de \ er-lossing en het offer van Onzen Heer Jesus Christus voor het heil van het raenschelijk geslacht. Ik buig voor de geheimen, vervat in den lüjbel en het Evangelie, en plaats mij boven de wetenschappelijke redetwisten, waardoor de menschen die willen uitleggen

Geloof. Het woord geloof, afkomstig van het latijnsche woord fides, afgeleid van fido (ik vertrouw), beteekent in het algemeen dat vertrouwen, hetwelk wij schenken aan waarheden, o( aan andere dingen, die wij niet dan op getuigenis of op het zeggen van anderen kennen.

Hieruit volgt, dat ons gelooi goddelijk is als die waarheden of dingen door God zijn geopenbaard en als wij ze aannemen op gezag van God : indien die dingen of waarheden echter ter onzer kennis komen door het getuigenis van menschen, dan is ons geloof een menschelijk gelool, omdat het steunt op het woord en het gezag van menschen. De ongeloovigen die voorgeven niets dan het licht van hun verstand te volgen, moeten dan ook zeggen, dat zij evenals de geloovigen en alle andere menschen een menschelijk geloof hebben. Wie verzekert aan de heeren van het ongeloof, dat deze wezenlijk hunne ouders zijn die zij er voor houden, tenzij juist het geloof, dat zij schenken aan die twee menschen, die hun dat verzekeren. Als zij ziek zijn, wie doet hen gelooven, dat dit of dat geneesmiddel, deze of die behandeling hen zal gezond maken, tenzij alweer het geloof in een mensch, die hun echter door onkunde of kwaadwilligheid veel kwaad kan doen, ja zelfs het leven benemen. Wie overtuigt hen van het bestaan van deze of gene natuurwet, van dit of dat bestanddeel in de lichamen, van zoovele feiten en gebeurtenissen, niet alleen die voorbij en veraf gebeurd zijn, maar evenzeer van die dagelijks en in onze nabijheid plaats hebben?

Wie doet hen aan deze dingen en honderd andere gelooven, tenzij het woord van een of meer menschen, die zichzelf kunnen vergissen, en hen met opzet kunnen misleiden. De ongeloovigen moeten dus erkennen, dat zij een menschelijk geloof hebben even als de geloovigen en alle andere menschen, en dat, als zulks niet het geval was, de

ocr page 43

35 —

mensch in dit leven geene familiebanden zou hebben, noch vriendschaps- of handelsbetrekkingen, geen prikkel om winsten te maken, geene geschiedenis, geene kunsten of wetenschappen, niets dat nuttig of aangenaam is. Nog sterker : de ongeloovigen hebben niet alleen een fnenschelijk geloof gelijk andere menschen, maar dit is bij hen zoo vast, dat zij de meest ongerijmde en belachelijkste stelsels die men zich denken kan, aannemen met eene lichtgeloovig-heid, die lachlust wekt: men kan hun toevoegen hetgeen Marivaux eens tot den befaamden Brolingbroke zeide; Als gij niet gelooft, ligt dat toeA niet aan gebrek van geloovigheid.quot; Als dan de ongeloovigen zooveel menschelijk geloof hebben, en niet kunnen loochenen, dat zij dat noodig hebben voor alle zaken en verhoudingen in hun leven; welk voorwendsel heeft hun verstand dan uitgezocht, om het goddelijk geloof te verwerpen ■ Zou dan het menschelijk geloof voor den mensch noodzakelijker zijn, om de dingen van dit stoffelijk leven te kennen, dan hat goddel ijk geloof dat is, om zich een juist gedacht van God en de wereld te maken, om zijn eigen wezen en bestemming, zijne godsdiensplichten en zedelijke vorming te kennen, en zelfs om niet af le dwalen in het bestudeeren van de natuur, om en wetenschappelijke navorschingen te doen 'r Het geloof is onder beide opzichten, goddelijk en menschelijk, zoo noodig voor den mensch, dat God in zijn hart eeru aandrijt tol geloof heeft gelegd, gelijk men bij kinderen, wilden en in het algemeen bij alle menschen kan opmerken. Hieruit volgt dat, als de mensch kan en moet gelooven op het woord en gezag van menschen, wanneer daartoe beweegredenen zijn, hij dan zeker toch moet gelooven op het woord en gezag van God, die de waarheid zelve is. Het geloof van den geloovigen katholiek is dus niet liohtge-loovigheid of een gelooven zonder reden, maar een zeer redelijke en logische instemmin?, die steunt op de waarachtigheid van God zelf, de oneindige waarheid en wijsheid, die noch zichzelven noch anderen kan misleiden. Gelooven, zeide terecht een beroemd Italiaansche wijsgeer. Gioberti, de Plato van Italië genoemd, gelooven is zien met het oog van God, en redeneeren met Gods verstand. Het eenigste wat 's menschen verstand te vorderen heeft omtrent het goddelijk geloof is; dat voldoende bewezen is,

ocr page 44

— 36 —

dat God tot den mensch gesproken heeft, d. i. dat er eene goddelijke openbaring zij ; als echter de mensch hiervan overtuigd is „moet hij zich vernederen en blind gelooyen, zonder door zijn menschelijk verstand goddelijke geheimen te willen verklaren.quot; zeide de markies d'Argens, die zelf een befaamd ongeloovige der vorige eeuw was Het katholiek geloof staat niet alleen toe, dat men de bewijzen voor hare goddelijke afkomst naga, maar zij verlangt dit, om de eenvoudige reden, dat er een hemelsbreed verschil ten dezen opzichte bestaat tusschen de katholieke en alle andere godsdiensten. Hoe meer men het katholicisme bestudeert en er in doordringt, hoe duidelijker de ken-teekenen van zijn goddelijken oorsprong uitkomen; terwijl, hoe meer men de andere godsdiensten nagaat, men al meer voelt, dat het protestantisme, de Islam, het heidendom, enz. menschenwerk zijn met al den aankleve van menschelijke dwalingen, zwakheden en ondeugden. De ongeloovige dus, die minachtend den neus ophaalt voor de geheimen des geloofs, is een verwaand — onwetende, die praat over hetgeen hij niet, oi slechts oppervlakkig kent; of een huichelaar, die gevoelens en overtuigingen voorwendt, die hij niet bezit ; of een arme dwaas, die in deze zaken raaskalt.

Godsvereering en goddelijke openbaring.

Godsverecring. Het woord eeredienst, dat afgeleid is van het latijnsche Cola, Cnltmn, Colere heeft in alle talen de beteekenis van eerbied, vereering. Gewoonlijk komt het in dezellde beteekenis voor als hét woord : godsdienst; en dit woord, volgens I.actantius en den H. Augustinus afkomstig van het latijnsch woord rehgare, (binden, vereeni-

ocr page 45

— 37 —

gen) drukt den heiligen band uit, die het redelijk schepsel met zijn Schepper vereenigt.

Wie dus het bestaan aanneemt van een Opperwezen, en erkent dat de mensch een redelijk schepsel is van Hem afhankelijk, kan niet te gelijkertijd de noodzakelijkheid en het bestaan van een eeredienst of godsdienst loochenen. Onder de ongeloovige wijsgeeren is er dan ook niet één, die deze noodzakelijkheid en het bestaan van een godsdienst voor den mensch niet aanneemt. Doch, eenmaal het bestaan en de noodzakelijkheid van een eeredienst aange-genomen, blijft de vraag : waarin moet deze eeredienst of godsdienst bestaan ? Hier wordt het vraagstuk scherp begrensd. Om het zuiver op te lossen, is slechts noodig, dat het zuiver opgesteld worde, en men zich afvrage ; Heeft God of de mensch het recht, den dienst ie bepalen, die het redelijk schepsel ain God moei bewijzen ? Als de vraag zoo gesteld wordt, zal niemand durven ontkennen, dat de meester moet bevelen en de dienaar gehoorzamen, dat de vader moet verbieden en de zoon gehoor-zamen ; dat het de taak van den vorst is, wetten te geven en van de onderdanen ze tia le leve?i; bij gevolg komt aan God ook het recht toe te bepalen, hoe nij door den mensch geëerd wil worden, en is het 's menschen plicht, te buigen en te gehoorzamen, indien hij zijn Schepper en Meester waarlijk eeren, en zijne eeuwige zaligheid verzekeren wil.

De ware godsdienst moet dus geopenbaard zijn en de zoogenaamde natuur-godsdienst der ongeloovige wijsgeeren, door een menigte goddeloozen zoozeer in de hoogte gestoken, bestaat niet als in het brein dier uitvinders, zegt de beroemde Eergier. Inderdaad, als we vluchtig dien natuurgodsdienst nagaan, znllen we zonder moeite tot de bevinding komen, dat hij nooit bestaan heeft, en ook nooit bestaan zal.

V ooreerst, het is onwaar, dat de eerste godsdienst der oude aartsvaders een natuurlijke was. God toch heeft tot Adam, Noe en Abraham gesproken en zij kenden geloofstukken, die zij met hun natuurlijk verstand nooit konden kennen. Hierbij komt nog, dat geen enkel wijsgeer der oudheid dien natuur-godsdienst gekend heeft; in tegendeel; de geheele oude wijsbegeerte leerde bij monde van hare grootste

ocr page 46

_ 38 -

meesters: dat men nooit tie zeden der mcnschen zou / tinnen verbeteren, noch hen onderwijzen omtrent hunne plichten jegens de (todheid e-gt; jegens hunne medemenschen of een bode van den hemel moest te hulp konten.quot; Nergens is dus eenig spoor van een natuur-godsdienst te zien, noch kan men eenig tijdstip daarvoor in de geschiedenis der mensch-heid aanwijzen. En als wij nu aan de wijsgeeren van den nieuvveren tijd, die met dezen natuur-godsdienst zoo ^eoquot; loopen, vragen, waarin hij bestaat, geeft ieder van hen een ander antwoord, en zijn er ten laatste: zooveel hoofden

zooveel zinnen.

Dit is wel een duidelijk bewijs dat die godsdienst niet bestaat; want, als hij bestond, zou er niet zoo groot verschil van gevoelen over zijn 'wezen zijn. en zou iedereen dien door en door kennen, daar de natuur altijd bij alle menschen dezelfde is. i et moet dus geen verwondering baren dat de goddelooze Condorcet het bestaan van een natuur-godsdienst loochent. Maar waarop we het meest willen ingaan, is, dat deze godsdienst niet kan bestaan. Als men door natuur-godsdienst wil verstaan de inspraak ot het piaktisch oordeel van het geweten, het onderscheid, dat het maakt tusschen goed en kwaad, tusschen reelivaardig en onrechtvaardig, dan verwart men de natuur-godsdienst met het verstand, voorzeker eene groote dwaling. En dan nosr, hoezeer is 's menschen verstand omtrent de zedeleer afgedwaald, als het aan zich zeiven wordt overgelaten? Heeft Plato zelf niet de vrouwen-gemeenschap geleerd . ^erd de schandelijke ondeugd van ontucht niet goedgekeurd door alle wijsgeeren der oudheid, zooals Cicero zegtr En de nieuwere wijsgeeren, die met heXgeloof gebroken hebben; « at al beginselen hebben zij in naam der rede geleerd en verdedigd, die alle orde, recht en zedelijkheid moesten omverwerpen . Als dan de mensch, zooals we gezien hebben, zich zonder het geloof geen juist denkbeeld kan vormen van Yquot;0^' van de wereld of van zich zeiven; zonder diezelfde hulp van het geloof zal hij dat nog minder kunnen van den eeredienst of godsdienst, aan God verschuldigd, omdat hiei-aan ten grondslag ligt de ware kennis van deze drie dingen : God, de wereld en de mensch en hunne wederzijdsche betrekkingen. En aangenomen ook, dat de mensch bij het natuurlijk licht zijner rede zich een godsdienst kon

ocr page 47

— 39 —

maken, wie zou hem verzekeren, dat het dit was, hetgeen God van hem vorderde en niets meer ? En welke wets-kracht zou de mensch kunnen geven aan de wetten en voorschriften van dien godsdienst, welke hij zelf gemaakt heeft? Door welke straffen of beloon ngen zou hij den wil des menschen kunnen bewegen, om zijne plichten te volbrengen ? Houdt eens een oogenblik op te snoeven, zeide Rousseau tot wijsgeeren die dergelijken godsdienst verdedigden, en zeg mij dit eens ; hoe vervangt gij de s/raj-fe7i der hel, om de menschen binnen de perken van het goede en redelijke t,e houden? Dit bewijst dus overduidelijk, dat geen na/uur-godsdienst bestaat, en dat de ware godsdienst slechts geopenbaard kan zijn. En als we nu God beschouwen als een oneindig Wezen en den mensch als een redelijk schepsel, dan volgt daaruit noodzakelijk, dat de mensch aan God de voortreffelijkste en waardigste hulde moet bewijzen, die hij kan. Zonder dat kan rod niet tevreden zijn over de hulde. Hem door den mensch gebracht; en de mensch kan niet zeggen, de grootst mogelijke eer aan God bewezen te hebben. Het voortreffelijkste nu in den mensch is wel zijn verstand en wil: door de hulde van zijn verstand en wil moet hij zijn God en Schepper eeren. En hier treedt nu de noodzakelijkheid van het geheim en van de wei in 't licht, die 's menschen verstand vernedert, door het waarheden boven zijn begrip te doen gelooven ; en zijn wil doet buigen door het de wetten en geboden te doen nakomen, welken zijn Schepper hem oplegt. Om dezelfde reden is de ware godsdienst, en moet hij zijn een geopenbaarde godsdienst, en kan hij niet zijn een natuurgodsdienst. Maar bestaat er werkelijk een geopenbaarde godsdienst ?

Hierover het volgende.

De Goddetijke Openbaring Men verstaat door goddelijke openbaring het geheel of de verzameling van waarheden, die God aan den mensch geopenbaard heelt en die het wezen, den grondslag van den waren godsdienst uitmaken. Een dwaas of een gek alleen zou kunnen loochenen, dat God rechtstreeks door zich zeiven. of wel door zijne gezanten, die met zijne macht bekleed zijn, tot de menschen kan spreken ; want als de eene mensch dat kan met een

ocr page 48

— 4° —

anderen, waarom zou God dat niet kunnen met den mensch . Zou God, die den mensch het vermogen heeft gegeven, om zijne gedachten aan anderen mede te deelen, zou Hij dat vermogen en die macht voor zich zeiven verloren hebben door die aan den mensch te geven ? Als men dan niet de mogelijkheid van eene openbaring kan loochenen, en als van den anderen kant vaststaat, zooals wij aangetoond hebben, dat die noodzakelijk is, zoo volgt daaruit noodzakelijk, dat zij werkelijk bestaat om de eenvoudige en krachtige reden dat God nooit kan ie kort schieten m hei 7iood-zakelijkc. Als b. v. het noodzakelijk is, dat de mensch zich voedt om te kunnen leven, dan moeten er ook noodzakelijk spijzen bestaan en dan moet de mensch ook :evens de organen hebben om die spijzen te kunnen verteren. God heett spijzen geschapen en den mensch organen gegeven. De H. Thomas, zeker de grootste wijsgeer, die ooit de aarde droeg(i) heeft in zijne twee Summa s vastgesteld, dat het voor den mensch volstrekt noodzakelijk is, dat hij door het geloof ontvange niet alleen de waarheden, welke boven het verstand gaan, maar ook die. welke door het verstand kunnen begrepen worden. En wel om drie redenen : 1° opdat de mensch de kennis der waarheid gemakkelijker krijge, 2« opdat zijne kennis van God algemeen zij ; 3quot; opdat die kennis van God zekerder zij, dewijl 's nienschen verstand te zwak is, om goddelijke dingen te bevatten. Indien dan de mensch zoozeer noodig heeft, door God onderrichtte worden, om Hem te kunneneeren, zooals het betaamt; en om het doel te kunnen bereiken, waartoe hij geschapen is, dan kan God het hem hieraan niet doen ontbreken, en moest de goddelijke Openbaring niet

(i) Pater Ventura Raulica, ook een groot wijsgeer en godgeleerde over den H, Thomas sprekend, zegt: Deze ster in de geleerde wereld verbleekt nooit. Deze strijder voor God ondervindt nooit de zwakheid ot de verzwakking van den menschelijken geest. Nooit overtrof hem een godgeleerde : maar ook nooit heeft een wijsgeer zoo pal gestaan in de waarheid als hij, nooit was er een zoo groot, zoo verlicht, zoo macntig als hij. Men weet niet, wat in dit wonderbaar boek, de Summa, meer te bewonderen, den godgeleerde, verlicht door de verblindende helderheid des geloofs, of den wijsgeer, met de krachtigste wapenen der redeneer-

kunde toegerust. . , .

Hij is tevens een duidelijk bewijs, hoe het geloof met s menschen

verstand volmaakt kan samengaan.

ocr page 49

— 41 —

alleen bestaan, maar zich ook aan hem voordoen, gelijk zij dit doet, n. 1. door eenige zóó duidelijke teekens, dat de eerlijke en oprechte mensch die kan onderkennen. Ieder weet overigens, dat de komst van een Verlosser het voorwerp is geweest van de verwachtingen en verlangens van alle volken; dclt bekenden zelfs de meesters van het ongeloof in de vorige eeuw, Boulanger, Volney, Voltaire enz. Het ongeloof, zegt A. Nicolas in zijne Wijsgeerige studies over het christendom, heeft als een onomstootbaar feit erkend, dat alle volken der aarde evenzeer als de Joden een Verlosser verwachtten^ en dat allen meenden dat Hij uit Judea moest komen, dat men als het middelpunt kan noemen, vervcmarts alle verwachtin-ge?i zich richtten. Ook is zeker, dat alle godspraken van het heidendom aanstonds na de komst van Jesus Christus zwegen; en dat was eene zoo opvallende gebeurtenis, dat Plutarchus, door dit buitengewoon feit getroffen, de zaak in den grond wilde bestudeeren, en een geschrift uitgaf dat tot titel had : waarom hebben de godsspraken opgehouden ? Voeg hierbij, dat die verwachting van een Verlosser, die gedurende 4000 jaren het voorwerp was geweest van de verlangens aller volkeren, ophield omtrent den tijd, dat Jesus Christus op aarde gekomen is. Want de kenteekenen, welke de Talmud-Joden van den Messias geven, dien zij verwachtten, komen volkomen overeen met die van den Antichrist der chisten^n, in de H. Schrift aangekondigd. De groot Rabijn van Frankrijk, M. Isidore, zeide in eene openbare redevoering, in 1866 gehouden;

De Messias, dien de Jood verwacht, die roemwaardige vijand van den Verlosser der christenen, is nog niet gekomen, tnaar hij zal komen, ja zijn dag is nabij. Alreeds beginnen voor Israel de volken te buigen, die door de ver-eeniqingen van den vooruitgang en van het licht aan zijne voeten gebracht worden. Men weet te goed, welke die ver-eenigingen zijn, waarvan de rabbi hier spreekt, en die zich zeiven aanduiden als vereenigingen van het licht en van den vooruitgang. Het zijn in het algemeen de geheime genootschappen, en bijzonder de helsche secte der vrijmetselarij, waarvan de Talmud-Joden de geheime opperhoofden zijn. Alles bevestigt, dat de Openbaring, die voor den mensch noodzakelijk is, heeft plaats gehad. Die teekenen

ocr page 50

van echtheid en ingeving der Boeken van het oud- en nieuw Verbond: de voorspellingen die vóór, tijdens en na de komst van Jesus Christus gedaan zijn; de tallooze wonderen die Hij zelf, en in den loop der eeuwen zijne leerlingen hebben gewrocht; het ontelbaar getal martelaren van beider geslacht, van eiken leeftijd en stand ; de ondergang van het heidendom en de wonderbare stichting der katholieke Kerk; hare voortduur en vruchtbaarheid door alle eeuwen heen, niettegenstaande allerlei bestrijding en tegenspraak ; de heiligheid harer leer en de heldenmoed in de beoefening aller deugden bij hare Heiligen van allen staat en stand; de onzaggelijke en ontelbare weldaden, welke het katholicisme aan ieder in het bijzonder aan het huisgezin en aan de maatschappij heeft aangebracht; het getuigenis voor de waarheid van het katholiek geloof, dat alle wetenschappen, de eene vóór en de andere na hebben afgelegd; de betuigingen van eerbied en bewondering, die de grootste geniën, ook onder hare vijanden, aan de katholieke kerk van haar begin af hebben bewezen ; het groot getal uitstekende geleerden in allerlei soort wetenschappen; Heidenen, Protestanten, Ongeloovigen, die zich bekeerd hebben en nog dagelijks Lekeeren tot het katholiek geloof: — dit alles maakt een menigte gewichtige bewijzen uit — en pleit zóózeer ten gunste van de goddelijke openbaring, dat men die niet kan loochenen.

Met andere woorden: om de goddelijkheid va?i het katholiek geloof te loochenen, moet men een verwaand-onwetende zijn.' die veroordeelt wat hij niet kent, of een huichelaar, die voorwendt gevoelens en overtuigingen te hebben, welke hij niet heeft, ot een ongelukkige dwaas, die niet weet wat hij zegt, en die het hoofd verloren heeft. Zoovelen, en van zoodanigen aard zijn de bewijzen van de goddelijke Openbaring, dat Rousseau moest bekennen, dat ze op geen manier bestreden kunnen worden. Zien we nu verder eens de vruchten, die geloof en ongeloof opleveren, dan zal daaruit nog duidelijker blijken, hoezeer het stelsel der ongeloovigen tegen het gezond verstand indruischt. en hoe degelijk daarentegen de grondstellingen zijn van het katholiek geloof. Aan de vruchten toch kan men den boom kennen.

ocr page 51

— 43 —

Vruchten van Geloof en Ongeloof.

Vruchten van hei geloof. Men zou boekdeelen noodig hebben, om in bijzonderheden op te sommen de groote en talrijke weldaden, welke het Christendom door zijn geest van geloof bewezen heeft aan iederen mensch, aan het huisgezin en aan de maatschappij ; en dat wel onder alle opzichten; niet betrekking tot de denk- en handelwijze, tot de gewoonten, de beschaving, den handel, kunsten en wetenschappen, en ten opsichte van alles wat het geestelijk, zedelijk en stoffelijk welzijn van den mensch in dit leven kan bevorderen. Om die weldaden naar waarde te kennen en op prijs te stellen, moet uien zich herinneren de ongerijmde en verderfelijke dwalingen van de heidensche wijsbegeerte en der heidensche wijzen, en tevens den toestand waarin de mensch en de maatschappij, vooral kinderen, vrouwen en ongelukkigen gebracht waren door de wetten en gebruiken der heidenen, ook ten tijde dat Rome en Athene bloeiden. Men zou moeten nagaan de wetten, gebruiken en den toestand van den mensch en van de maatschappij in die landen, waar nog geene christelijke denkbeelden heerschen, gelijk bij de Chineezen, de Thibethanen en Hindoes enz. Zoo diende men ook den verdierlijkten staat te kennen der negers van het binnenland van Afrika, en van de wilde volken van Amerika en Oceanië. Proudhon schrijft in zijne Gedenkschriften oi'er den eigendom : Het katholicisme was groot van af zijn begin. De eerste aanhangers gingen de geheele wereld door verkondigen wat zij de blijde tijding noemden. Op hunne beurt vormden zij duizende zendelingen, en als hunne taak geeindigd was, stierven zij door het zwaard van de romeinsche justitie. Deze hardnekkige strijd tusschen beulett en martelaren duurde bijna driehonderd jaren, en toen eerst teas de wereld bekeerd. De afgodsdienst werd uitgeroeid, de slavernij afgeschaft, losheid van zeden maakte plaats voor strenge deugd; men schatte de rijkdommen zoo gering, dat men er volkan en afstand van deed. De maatschappij was gered, en de gerechtigheid die tot dan toe alleen voor de meesters bestaan had, begon van nu aj ook voor de slaven te gelden.

ocr page 52

— 44 —

Het Katholicisme der middeneeuwen, dat wil zegge7i: het katholicisme op het toppunt van zijn macht gekomen, heeft de grootste verdie7isten jegens de nieuwere beschaving. Nee?H het christendom der middeneeuwen weg en de nieuwere beschaving heeft geen reden van bestaan meer. Welnu, hetgeen deze befaamde, goddelooze revolutionair over het katholicisme en zijne weldaden heeft geschreven, dat hebben in onzen tijd ook eene menigte andere schrijvers, die niet minder slecht en den godsdienst vijandig zijn als Proudhon, getuigd, zooals: Michelet, Auguste Comte, Leroux, Louis Blanc, Saint-Simon, enz. enz., ja zelfs de kopstukken der goddeloosheid van de vorige eeuw, Voltaire en Rousseau. De wijsbegeerte, zeide de laatste, kan uit kracht harer beginselen niets goeds doen, dat de godsdienst niet beter kan doen; en de godsdienst doet veel, dat de wijsbegeerte niet vermag te doen. Zoo sprak ook Voltaire, meer bijzonder nog over den stoot dien het christendom aan het menschelijk verstand gegeven heelt: als gij ziet, dat het menschelijk verstan l wonderbaren voortgang gemaakt heejt bij het weldoend licht der E va?tge He-prediking, beschouw dan het geloof als een bondgenoote, die u moet helpen, en niet als een vijand, dien meji moet bestrijden. (Werken deel 12.) Neen, hoeveel het hun ook koste, de ongeloovigen zijn gedwongen te bekennen, dat alles, wat gedaan is en wordt ten bate van den mensch en van de menschheid, de vrucht van het geloot, en het werk van de geloovigen ,en wel van de geloovige katholieken is. De uitroeiing van het heidendom, de bekeering der onbeschaafde volken, de vernedering van dwingelanden en de verdediging van de rechten der volken, het ondernemen der kruistochten en het ontdekken der nieuwe wereld, het overwinnen der Sara-cenen en het terugwerpen van den Islam, de onvergankelijke gedenkstukken en de meesterstukken van geest en kunst, alle instellingen van weldadigheid en liefde voor allerlei ongelukkigen, armen en zieken, kinderen en veriatenen, ouden van dagen en krankzinnigen, pelgrims en reizigers, zieken en stervenden — dat alles was en is de vrucht van het geloof, het werk van geloovigen en wel van de geloovige katholieken. Wat betieft de weldadigheid en de liefde: deze geest van het Evangelie is zoo eenig en daaraan eiiren, dat het van den beginne af de

ocr page 53

— 45 —

opmerkzaamheid der Heidenen wekte; en Mahomet doet God in den Koran zeggen ; Wij hebben in hei Jiart van /esns' leerlingen medelijden en barmhariigheidgelegd. Niets wonders is het dus, dat een berucht ongeloovige der vorige eeuw, Montesquieu, deze woorden heeft geschreven : Wonderbare zaak de christelijke godsdienst, die oogen schijn lijk niet anders beoogt da?t het toekomend leven, maar ook ons geluk gedurende dit leven uittnaakt. Werpen we nu een oogslag op de vruchten van het ongeloof.

Vruchten van het ongeloof. — Is het geloof altijd geweest, en zal het immer zijn de weldoener van den mensch op aarde ; het ongeloof is altijd geweest en zal ook altijd zijn zeer noodlottig voor hem, onder welk opzicht men het ook beschouwe ; onder opzicht van geest, van zedeleer, van samenleving of beschaving, van groote geesteswerken, van alles wat zijn waar geluk in dit leven kan bevorderen. AVie een juist en als tastbaar gedacht wil maken van de noodlottige gevolgen, welke het ongeloof heeft uitgeoefend op den mensch, afzonderlijk genomen, op het huisgezin en op de maatschappij; hij leze de geschiedenis van het Protestantisme, dat de voorname oorzaak is geweest van de ontwikkeling en verspreiding van den geest des ongeloofs in ile christelijke samenleving. Hij leze nog de geschiedenis der vreeselijke fransche Revolutie, die geheel en al het werk en de vrucht was van het ongeloof, door Voltaire geleerd. Eindelijk, hij leze de levensbeschrijving van al de beroemdste ongeloovigen in alle landen en eeuwen. Als men aan de vrucht den boom leert kennen, als men door het gevolg de oorzaak kent: dan kan niemand, die nog luisteren wil naar zijn verstand en geweten, nalaten, eiken geest en ieder beginsel van ongeloof ten strengste te veroordeelen. Rousseau, door de feiten in het nauw gedreven, schreef over deze wijsbegeerte en dit soort van wijsgeeren : De waarheid, zeggen zij, heeft den menschen nooit kwaad gedaan, en ik geloof het met hen : en dat ts voor mij juist het bewijs, dat zij de waarheid niet onderwijzen. Dewijl de grenzen van dit boekje te beperkt zijn, om daarin ook maar eene kleine schilderij op te hangen van de onnoemelijke en ontelbare onheilen, welke de geest des ongeloofs over den mensch in het bijzonder, over het huisgezin en over de maatschappij ge-

ocr page 54

46

bracht heeft, moeten we ons bepalen bij de bemerking, dat het ongeloof, krachtens zijn beginsel in den mensch voortbrengt: den geest van zelfzucht, v?n losbandigheid en van omverwerping, den geest van hebzucht en woestheid en al de karaktertrekken van onbeschaafde en wilde menschen en misschien in nog hooger graad dan in den toestand van barbaarschheid of wildheid. La Mennais, sprekende over de vreeselijke fransche revolutie, toen de ongeloovige wijsbegeerte zich had meester gemaakt van Frankrijk, en de leerlingen dier school dat land bestuurden, zegt teiechtin zijn: ^proeve over onverschilligheid in den godsdienst: te recht. „Men diende aan de hel klenren en taal te onileenen, gelijk eenisre monsters aan de hel de razernij, ontleenden, welke 'hen bezielde, om dit tooneelvan wanorde en gruwel te schilderen, dittooneel van verwoesting en slachting ; de botsing van alle belangen en hartstochten, dat gelijktijdig uitvoeren van verbeurdverklaringen en ontuchtige feesten, die godslasterlijke kreten en vaderlandlievende liederen; dat dof en voor tdu rend geluid van den verwoestenden moker en van de hakbijl die de slachtoffers treft, dat vreeselijk woest geschreeuw, en getier, die kreten van woeste vreugde, droevig teeken van een vermoorden op groote schaal, zoovele ontvolkte steden, die rivieren, waarin lijken drijven ; zoovele kerken en dorpen in de asch gelegd, zoovele moorden en tevens zoovele losbandige feesten, zoovele schandelijkheden en laagheden te midden 'van zoovele tranen en zooveel bloed . . _. In den tijd van eenige maanden hadden zij in Frankrijk mei r pinn hoopen op een gestapeld, dan een leger Tartaren bij een-inval van tien jaren, in heel Europa had kunnen doen. De dood werd tol in de kleinste dorpen tot een stelsel gemaakt, zij voltooiden door decrete7i, ivat met den dolk begonnen was, en roeiden geheele klassen van burgers uit. Echtscheiding werd tot wet verheven en dal schokte de grondslagen van het huisgezin: dat Ir of de bevolking in hare wording, terwijl de ongebondenheid door openlijke belooningen werd aangemoedigd. Toch moet men zich er niet over verbazen, dat het ongeloof in den geest verwekt en ontwikkelt al de natuurdriften van den barbaar of wilde, om de eenvoudige reden, at de ongeloovige mensch, die het licht des geloofs verwerpt, daardoor al overgeleverd is aan al de duisternissen en dwalingen van een ontredderd verstand, en aan al de gril-

ocr page 55

47

ien zijner eigen hartstochten, zonder dat hij in zich eene enkele beweegreden vindt om daartegen te strijden, of de kracht om zich op de helling van het kwaad staande te houden.

Daarom hebben dan ook al dit soort wijsgeeren de deugd niet alleen bestreden en belachelijk gemaakt, maar zelfs ze verboden, en zonder schaamte al de buitensporigheden van den menschelijken geest geprezen; wellust, liederlijkheid, ontucht, verleiding, overspel, valsche eed, diefstal, oproer, moord, schandelijke ondeugd, zelfmoord en al wat het verstand en het teederst gevoel van den mensch tegenstaat. Daarom is de ongeloovige reeds in dit leven ongelukkig door zijn twijfel en wroeging, is hij diep rampzalig bij zijn dood, als de ziel ontwaakt met meer angsten dan ooit bij de herinnering aan de groote waarheden des geloofs. En dit geeft verklaring van het feit dat vele ongeloovigen in in het uur des doods zich met Gods rechtvaardigheid wilden verzoenen, en in vrede met de Kerk stierven, terwijl ook velen in wanhoop gestorven zijn of zich gezelfmoord hebben, zooals het gebeurd is met den latynschen ongeloovige Lucretius en met hem, die zijne werken vertaald heeft, de Engelschman Greech, met den deïst Blount, den materialist Acosta, den wiskunstenaar Condorcet en zoovele anderen uit de vorige eeuw: Lebas, Roland, Petion, Rebecqui, Tellier, enz. Als dan zoovele bewijzen en redenen vóór het geloof pleiten, zoovele degelijke bewijzen tegen het ongeloof worden aangehaald, hoe komt het dan, dat er ongeloovigen zijn ? Met andere woorden: waar komt het ongeloof van daan? Welke zijn daarvan de oorzaken? Door de oorzaken van het ongeloof na te gaan, zal men al meer inzien, hoe dwaas het stelsel van den ongeloovige is, die zich verzet tegen het geioof; en hoe wijs en goed het stelsel van den katholiek is. die zich aan het geloof onderwerpt.

Oorzaken van het ongeloof.

De engelachtige Leeraar, de H. Thomas, de grootste wijsgeer en godgeleerde, die ooit op aarde verscheen, spre-

ocr page 56

48

kende over geloof en ongeloof, zegt, dat beiden handelingen van onzen geest d.i. van ons verstand zijn, maar handelingen, die afhangen van onzen wil; infideli/as, sicui et fides, est quidem in iv telle du, slaii in proximo sub-jee to: in voluniate au tem. sicui in primo motive (Sum. Theo. 2. 2. etc.) Gelijk gelooven afhangt van hem, die gelooft, tevens geholpen door Gods genade, zonder welke niemand kan gelooven: gelijkelijk ook, leert de H. Thomas, komt niet gelooven voort uit onwil van den wil des menschen. een onwil die oorzaak is. dat zijn geest niet instemt; Contemptus voluntcziis cciusat dissensujn intellectus, 96. De oorzaak van het ongeloof ligt dus in onzen wil, gaat de H. Thomas voort, ofschoon het ongeloof zelf in ons verstand aanwezig is, unde causa infidelitatis est in voluniate •. sed ipsa in fide li tas, est in mtelleciu-. tb. Dit zal misschien op het eerste gezicht vreemd voorkomen, doch

men moet wel opmerken, hetgeen de geleerde Professor van Leuven, Mgr. Laforet, in zijn werk: Waarom gelooft men niet zegt, dat, als het verstand niei door de overgrooie duidelijkheid der waarheid wordi gedwongen, dit de waarheid die het wordi voorgehouden, kan aannemen op verwerpen: maar van den wil hangt het af, of het die al dan niet aanneemt. Daarom is het geloof, al is het eene gave Gods, ook tevens eene deugd van den mensch en gevolgelijk eene verdienstelijke handeling; en om dezelfde reden is, zegt de H. Iho-mas, het ongeloof eene ondeugd, eene zonde bij den mensch, omdat het verdienstelijke of strafwaardige onzer daden voortkomt uit onzen wil. Indien dus de oorzaak van het ongeloof in onzen wil ligt, en indien het voorwerp van onzen wil het goede is, dan begrijpt men licht, dat iedere werkelijke of ook maar mogelijke oorzaak, die onzen wil van het goede athoudt, eene andere bestaande of mogelijke oorzaak van ongeloovigheid in ons veronderstelt. Kn gelijk alle oorzaken, die onzen wil van het goede aftrekken kunnen samengevat worden in deze twee groote beginselen van het kwaad : de dwalingen en ondeugden, volgt daaruit natuurlijk dat alle oorzaken van het ongeloof op deze twee zaken nêerkomen: onwetendheid, die de moeder van alle dwalingen is, en hartstochten, die uit hunnen aard er naar stieven, om de kracht van onzen wil te verzwakken en ons tot alle ongeregeldheden te voeren. Onderzoeken we nu elk dier twee oorzaken.

ocr page 57

49

Onwetendheid. Gioberti, sprekende over geloof en ongeloof, zegt: Ik heb vele menschen gekend, die in dezen of dien tuk vein wereldsche wete7ischappen otiderwezen en die tegelijk ongodsdienstig waren -, maar ik heb 7iooit een ongodsdienstig nie?isch gezien, die in de kennis van zijn godsdienst onderwezen was. I n 'tis in het algemeen waar, dat de ongeloovigen, als ze er recht voor uit «ilden komen, zouden moeten bekennen, dat zij van het christendom, en van de katholieke Kerk slechts eene zeer oppervlakkige kennis hebben, en dat zij alle dwalingen en lasteringen van hare vijanden hebben overgenomen en nagepraat, zonder ze onderzocht te hebben,

M. Droz. een zeer verdienstelijk lid van de Academie der zedelijke en politieke wetenschappen te Parijs, gaf een boek uit, welks titel was: Belijdenis va?) een christelijk wijsgeer, waarin hij verklaart, dar hij, niettegenstaande zijne christelijke opvoeding, tot het ongeloof overgehaald en on-geloovig geworden was, omdat hij in onwetendheid al de vooropgezette idéés van het ongeloof blindelings aannam, zonder ze te onderzoeken. Hij had zoo dikwijls hooren zeggen, zegt hij, dat de zaak van het christendom kunstmatig ingericht en voor altijd verloren was; en die bewering hield hij voor zoo zeker en boven allen twijtel verheven. dat hij zijne waardeering van het christendom en van de katholieke kerk daarvan deed uitgaan. Deze onwetendheid in geloofszaken heeft Droz niet alleen bekend, toen hij van zich zeiven sprak, maar velen met hem hebben dit erkend, o. a. La Harpe, Maine de Biran, Augustin Thierry enz, die tot het katholiek geloof bekeerd zijn. Eene menigte beroemde protestanten zouden wij nog kunnen aanhalen, die tot de Kerk gebracht zijn door eigen studie. Als dan menschen van zoo groote geleerdheid en bekwaamheid rondborstig hunne blinde vooroordeelen tegen het geloof, en hunne onkunde in geloofszaken hebben bekend, wat dan te denken van den grooten hoop ongeloovigen. die met hun weinigje kennis en bekrompen oordeel meenen, mannen van gezag te zijn door ongeloovigen te schijnen, en die slechts ongeloovigen zijn, omdat ze onwetend of bedorven, misschien beide zijn. Pascal heeft dus zeer oordeelkundig gezegd: dat zij die den godsdienst willen bestrijden, hem

GEI,DOF EN ONGELOOF. 4

ocr page 58

toch eerst leeren kennen, alvorens hem te bekampen. De uitdaging, welke de groote geloofsverdediger Tertulianus tot de romeinsche Keizers richtte, om een enkel geval aan te halen, dat een afgodendienaar grondig den christelijken godsdienst bestudeerd had, zonder Christen te worden ; die uitdaging kunnen wij, katholieken, aan alle ongeloovigen doen. Kent gij een der uwen, zouden wij kunnen vragen, die het geloof verlaten heeft en ongeloovig is geworden, nadat hij het katholicisme degelijk bestudeerd had? wij daarentegen kunnen behalve de heidenen Dionysius, de Areo-pagiet, Tertulianus en den beroemden rationalistischen wijsgeer Antonius Franchi duizenden ongeloovigen aanwijzen, die, na den godsdienst en het christendom bestudeerd te hebben, in den schoot der Kerk zijn teruggekeerd, terwijl ieder hunner het antwoord kan geven, dat la Harpe gaf aan zijne ambtgenooten, die hem er een verwijt van maakten, dat hij de katholieke leer omhelsd had : Onderzoekt, heeren, gelijk ik onderzocht heb, en gij zult gelooven, gelijk ik geloofd heb.

De hartstochten. Als onwetendheid de gewone oorzaak van ongeloof is, nog meer, nog verderfelijker oorzaken daarvan zijn de hartstochten, want ieder weet, dat de prikkel der hartstochten den mensch niet alleen het juk des geloofs doet afschudden, maar hem er ook toe brengt om de duidelijkste uitspraken van het verstand te doen minachten. Indien de wiskunde, zeide Leibnitz, zich zoozeer tegen onze hartstochten en belangen kantte als de zedeleer, zouden wij die niet minder bestrijden, wij zouden ze niet minder verkrachten, niettegenstaande al de betoogen van En-clydes en Archimedes. Inderdaad, vragen wij aan al de ongeloovigen en godloochenaars der oudheid, waarom zij zich zoo beijverd hebben, het bestaan van God, de onsterfelijkheid der ziel, een ander leven te loochenen : dan zullen Lucretius, Petronius, Epicurus enz. antwoorden, dat de mensch bij die beginselen gemakkelijker leeft, als hij tot regel voor zijn leven neemt hetgeen hem genoegen doet of hetgeen hem voordeelig is. Vragen wij nu ook eens aan de ware kritiek, waarom de rationalistische wijsbegeerte door duizenden denkbeeldige droomerijen van God tracht te

ocr page 59

maken een verdichtsel, van den mensch een dier, van de wereld een droom, zooals de beroemde wijsgeer Franchi onlangs tot het katholiek geloof bekeerd, zeide. En de kritiek zal ons ten antwoord geven, dat zulks is, opdat de mensch zich geruster kunne wijden aan den dienst van het stof, aan de vereering van Venus en Bacchus, die zich dan weder eens veranderen in Priapus en satan, gelijk dezelfde wijsgeei het uitdrukt. Bij iederen mensch, die zich tegen het geloof verzet, is dit de hoofdoorzaak, dat hij een afgod van een drift of ondeugd bezit, en meestal van meer dan een. De rede en de geschiedenis daarentegen leeren ons, dat hoe meer ondeugden en driften het hart van den mensch kunnen beheerschen, hoe meer openlijke en verborgen redenen er zijn om tegen het geloof in opstand te komen, en den geest van ongeloof aan te hangen. Aldus b.v. werd Chillingworth door de Jesuiten bekeerd tot het katholiek geloof, toenzij onder de regeeringen van Karei I en Jac.obus .1 in Kngeland kwamen j maar baatzucht deed hem het geloof verzaken ; de kanselarij van Salisbury en de prebende van Bnkworth deed hem weer protestant worden, en toen begon hij tegen het katholicisme te schrijven. Gibbon werd uit eigenbelang weer protestant en verviel tot volslagen ongeloof. loussaint verklaarde zich godloochenaar uit vleierij, en om het stuk brood te behouden, dat hem de koning-wijsgeer van Pruissen schonk. Bernardotte verliet het katholiek geloof en houdt zich alsof hij de ongerijmdheden van Luther gelooft, om een troon te winnen. Eugène Sue werd goddeloos en revolutionnair, omdat men hem de hand van eene jonge dochter uit den hoogsten adel van f rankrijk weigerde. Victor Hugo werd ongeloovig en socialist uit haat en wraak. Zoo zouden wij nog duizend andere voorbeelden kunnen aanhalen van personen, die het geloof verloren en ongeloovig geworden zijn, omdat zij zich door eenige meer of minder verlagende ondeugd of door een ongelukkigen hartstocht hebben laten meêslepen. Wat de slachtoffers der zedeloosheid betreft, daarmede kan men boekdeelen vullen, want dit is de gewone oorzaak van het ongeloof bij de meeste jongelieden en bij het gewone volk, die, gewoonlijk meer verwaand dan schrander, meer aanmatigend dan geleerd zijn. die kunnen zeggen hetgeen het beroemde lid der Academie Bouguer in zijne laatste ziekte van zich

ocr page 60

— 52 —

zelven getuigde aan P. de la Berthonie, die hem bijstond, en zijne bekeering verhaalt: „Latenwc, P citer,het voornaamste nemen: mijn geest behoeft niet zoozeer genezen te worden als wel mijn hart, -want ik ben ongelooviggewordtn, omdat ik bedorven ben. Uit dit onderzoek van de oorzaken van het ongeloof treedt al duidelijker aan het licht, dat elke on-^eloovige. die tegen het geloof opstaat, godslasterliik spreekt over dingen, die hij niet kent, of veinst, gevoelens en overtuigingen te hebben, die hij niet heeft, of bewijzen geeft van krankzinnigheid Om nu nog grooter licht te verspreiden over de eigenschappen van het ongeloof en de onge-loovigen, zullen we eens vluchtig den geest overzien, die de meesters en hoofdmannen van het ongeloof bezielt.

De geest der meesters en hoofdmannen van het ongeloof.

Een beroemd Kerkvader, de H. Hieronymus, sprekend over de zoogenaamde geleerden van het ongeloof, heeft ze zeer oordeelkundig hoosaardige dieren genoemd, en men zal moeten zeggen, dat geene bepaling hen juister teekent en hun karakter beter doet uitkomen. Door hoovaardig-heid en verdorvenheid hebben de meesters en hoofdmannen van het ongeloof zch te allen tijde onderscheiden, en die twee rampzalige hoedanigheden, die zij bezitten, zijn meesterlijk begrepen en uitgedrukt in den naam, welken hun deze kerkvader gegeven heeft; hoosaardige dieren. Inderdaad : al die zoogenaamde geleerden komen door hunne bedorvenheid van zeden en niet minder door de verderfelijke beginselen, welke zij verspreid en onderwezen hebben, dichter bij dieren zonder verstand te staan dan bij men-schen ; bovendien, zij allen hebben even als de opgestane engel, hun voorbeeld, geen ander doel gehad dan hunne

ocr page 61

— 53 —

eigene verheerlijking; de beschrijving past dus volmaakt op hen, zij zijn hoovaardige dieren. Met andere woorden : zij hebben de rede en de beginselen van dieren, die ook op _ eigen roem uit gaan, en men kan terecht zeggen, dat die ingebeelde geleerden tusschen het dier en den duivel in staan, daar zij hunnen hoovaardigen geest met den opgestanen engel gemeen hebben, terwijl God tot hunne bestralfing toelaat, dat zij door de verblinding van hun geest en de bedorvenheid huns harten tot den staat der redelooze dieren afdalen. Zoo wordt in hen de hoovaar-digheid met dierlijkheid als samengesmolten : en ziedaar, waardoor zij zich onderscheiden, of weike de geest is van de meesters en hoofden van het ongeloof. Over hunne verblinding des geestes en hunne bedorvenheid van zeden hebben we al genoeg gezegd, waaruit goed kan opgemaakt worden, waarin hunne dierlijkheid bestaat. Die er meer van wil weten, kan de geschiedenis en bijzondere levensbeschrijvingen raadplegen. Zonder ons langer hiermede bezig te houden, willen we nog iets over hunnen trots en hunne ijdelheid zeggen.

De hoovaardigheid, schreef Pascal, is zoozeer een tweede natuur voor ons geworden, dat wij zelf gaarne het leven zouden verliezen, als men maar over ons bleef spreken.

Is dit waar van allen in het algemeen, bijzonder echter van de wijsgeeren en geleerden, zooals men uit de geschiedenis van alle tijden en landen kan zien.

De beroemde geneesheer Descuret plaatst in zijn schoon werk „Médecine des passionsquot; halve-kennis en halve-kunst onder de oorzaken der hoovaardigheid en ijdelheid, en zegt, dat onder de verschillende soorten van menschen de wijsgeeren het meest gevaar loopen, trotsch en ijdel te worden. De trots en ijdelheid der oude wijsgeeren zijn evenzeer bekend als de aardige manier, waarop Lucianus den draak stak met die verwaande geleerden.

t Is ons genoeg, hier een trek uit het leven van den wijsgeer Bion de Borystone in te la=schen. Deze leefde 276 jaar vóór Christus en was zoozeer een ijdeltuit, dat hij eens te Rhodes een aantal matrozen de kleederdracht van studenten deed aantrekken, om in het publiek te kunnen verschijnen met vele studenten bij zich. Wat de onge-

ocr page 62

— 54 —

loovige wijsgeeren en geleerden uit de christelijke tijdrekening aangaat, men behoeft slechts hunne levensbeschrijvingen te lezen, om te zien, hoozeer zij door trots en ijdelheid beheerscht werden.

Feller zegt van Spinoza, een meester en kopstuk van het nieuwere ongeloof, dat hij zoo verlangend was zijn naam te vereeuwigen, dat hij zich liever in stukken zou hebben laten houwen, dan dezen roem op te geven. Men kan van de twee groote hoofdmannen uit de vorige eeuw, Rousseau en Voltaire, zonder overdrijving zeggen, dat zij bijna krankzinnig waren van ijdelheid en als duivelen zoo trotsch. Rousseau had de overtuiging, dat men voor hem standbeelden moest oprichten, en dat de geringste bijzonderheden uit zijn leven de belangstelling der nakomelingschap moesten wekken ; daarom schreef hij in zijne „Gedenkschriftenquot; de nietigste dingen, alsof ze van het grootste belang waren.

De trots en ijdelheid van Voltaire waren van dien aard, dat hij jaloersch was op God. Meen/ gij soms, vroeg deze goddelooze comediant, da/ Jesns Christus meer be-kwaamheid heeft dan ik.? En als hij een gedeelte der kerk van Ferney had laten afbreken om zijn huis te vergrooten, zegde hij dit duivelsch sarcasme : Ik heb tot Christus gezegd-. ga gij -weg daar, opdat ik er mij plaatse.

En om'ook nog een woord over de zoogenaamde onge-loovige geleerden van onzen tijd te zeggen : het zij genoeg, in herinnering te brengen, dat de trots en verwaandheid van Hegel, den grootsten rationalist en sophist-wijsgeer, aan krankzinnigheid grensde en zelfs voor zijne bewonderaars en vrienden onuitstaanbaar was. Anguste Comte, de stichter van het verachtelijk positivisme, was volgens Guizot wonderbaarlijk trotsch. Rousseau schrijft over hem: Ik heb de wijsgeeren geraadpleegd, ik heb hunne boeken doorbladerd, hunne verschillende meeningen nagegaan ; ik heb bevonden, dat zij allen hoovaardig, ijdel zijn, en in hun voorgewend scepticisme

boud spreken. Het zijn lieden, voor wie niets onbekend is, die

alles kennen, niets bewijzen en met elkander den gek scheren ; en hierin, dunkt me, hebben ze gelijk... W aar, vraagt dezelfde Rousseau, waar is de wijsgeer, die niet faarne voor een schijn van roem de heele wereld zou bedriegen ? Is er een, die in zijn hart niet het eenig doel

ocr page 63

55 —

omdraagt: zich te onderscheiden. Wat kan hem al het overige schelen, als hij er maar in slaagt, om zich boven het gewone volk te verheffen, of den roem zijner mededingers te doen verbleeken ! Hetgeen wij tot dusver gezegd hebben zou meer dan voldoende zijn, om de ongeloovigen en het ongeloof te beschamen, omdat men naar den geest van den meester zeer goed kan oordeelen over zijne leer en den geest zijner leerlingen.

Wat is dan het ongeloof? Wat zijn de ongeloovigen ?

Wat het ongeloof is en wat de ongeloovigen zijn.

.» Ongeloof — wij nemen hier het woord in zijne gewone

en algemeene beteekenis — is eene daad van het verstand, waardoor wij onze instemming weigeren in alles wat bovennatuurlijk of goddelijk is, zooals : de goddelijke openbaring, wonderen, enz , en waardoor wij alleen de natuur en ons eigen verstand aannemen. Deze daad van ons verstand komt volgens den H. Thomas voort van onzen wil; gelijk we boven alreeds zeiden, toen wij de oorzaken van het ongeloof bespraken; 't is dus eene fout, die den mensch als zonde moet aangerekend worden, gelijk ook het geloof om dezelfde reden eene deugd is en eene verdienste voor den mensch. Uit al hetgeen wij tot nu toe gezegd hebben heeft men gemakkelijk kunnen begrijpen, dat het ongeloof ^ voor iederen mensch, die goeden smaak heeft en zonder

vooroordeel de zaken beoordeelt, eene monsterachtige buitensporigheid is in al de kracht van het woord ; want buitensporigheid van het latijnsche extravagari afgeleid, duidt aan een gedacht, een woord, een werk, dat geen redelijken grond heeft, noch dat algemeen aangenomen is. en dat nu doet de ongeloovige, als hij het bovennatuurlijke en goddelijke loochent tegen zijn eigen verstand en het algemeen gevoelen in, die het hem zonneklaar aantoonen. Het

ocr page 64

christelijk geloof in zijn waren en volkomen aard. zoo als het in de katholieke kerk is, is geen blind en onredelijk gelooi, maar is zeer beredeneerd, vooral in deze zaken.

io. het steunt op de natuur zelf van God en van den mensch, als zijnde God een oneindig en onbegrijpelijk wezen, en de mensch eenvoudig een schepsel, dat zeer beperkt is in zijne eigenschappen ; — 2quot;. op het feit, dat de ongelooflijkste afdwalingen hebben plaats gegrepen bij alle wijsgeeren, die het licht des geloofs met hadden of het verwierpen; 3quot; op het weinig scherpzinnige en het oppervlakkige van alle raenschelijke wetenschappen, waarin eene menigte geheimen zijn, even diepzinnig als de geheimen des geloofs; 4quot;. op de noodzakelijkheid, dat de mensch een eeredienst aan God is verschuldigd en dat God dien ook van hem vordert; terwijl deze nergens in kan bestaan dan in het onderwerpen van zijn verstand en het onderwerpen van zijn wil; — 5quot;. op de duidelijkste teekenen van geloofwaardigheid, die de goddelijke Openbaring bezit en die de schoonste sieraden der katholieke Kerk zijn ; 6,. en eindelijk, als bijkomende bewijzen, op de Aruchten. die het geloof en ongeloof afwerpt, op de oorzaken van ongeloof, en op den geest, die de meesters en hoofdmannen van het ongeloof bezielt. Bijgevolg, de mensch, die bij zooveel licht en zoovele degelijke bewijzen zijn verstand en wil buigt onder het juk des geloofs, hangt niet blindelings de geheimen des geloofs aan, noch gehoorzaamt onredelijk aan de wetten en voorschriften van dat geloof, maar heeft een beredeneerd en redelijk geloof.

G:lom!en is denken, zeide terecht de H. Thomas: en waarlijk de geloovige katholiek redeneert als hij gelooft, en redeneert streng logisch op de grondstellingen van zijn geloof. Dat de zoogenaamde geleerden van het ongeloof wel begrijpen, dat men, Thomas noemend, het gezag aanhaalt van den diepzinnigsten, verhevensten en meest buitengewonen wijsgeer, die ooit op aarde bestond, wiens plaats onder de bovennatuurkundigen dezelfde is als die van Archimedes te midden der wiskunstenaars, zegt Genovesi; en de grootste der protestantsche wijsgeeren, Leibnitz, heeft hem den Euclides der rede genoemd. Hij zelf is een duidelijk bewijs, dat het geloof de rede niet bestrijdt noch verzwakt, doch dat het geloof opgaat in het verstand.

ocr page 65

— 57 —

ze krachtiger maakt en verheft. Uit het voorafgegane ziet men dus zonneklaar, dat het ongeloof eene buitensporigheid in zich zelve is, eene ware buitensporigheid, die geen anderen grond kan hebben dan onkunde, geveinsheid of krankzinnigheid, en dat daarom ieder ongeloovige hoe geleerd en wijs hij is of meent te zijn, in deze zaken, waarover wij hier spreken, zeker is : een verwaand-onwetende, die godslasterlijk praat over hetgeen hij niet of slechts ten deele kent, of een co median i, die den schijn aanneemt van overtuigingen of gevoelens te hebben, welke hi| niet heeft, noch hebben kan ; of een echte dwaas, een krankzinnige, die gewoonlijk goed redeneert, maar dadelijk verward is en dwaasheden spreekt, als het over dingen van eene hoogere orde gaat. Laten wij onder dit drievoudig opzicht eens acht op hen geven.

De ongeloovige is een verwaand-onwetende.

Daar onwetendheid een der oorzaken van het ongeloof is, moet een groot getal ongeloovigen natuurlijk onwetend, en wel verwaand-onwetend zijn, omdat trots en ijdelheid, die den mensch, door de erfzonde bedorven, eigen zijn, nog sterker aan den dag komen bij die harten, die het juk des geloofs verwerpen. Alle schrijvers, die dit ondér-^ werp, geloof en ongeloof, behandeld hebben, hebben de op

merking gemaakt, dat dit het onderscheidingsteeken van de meeste ongeloovigen is : hunne verwaande onkunde ; en de meesters en hoofdmannen van het ongeloof hebben dit meermalen erkend. Bayle b.v., een der hoofdmannen van het ongeloof, over de ongeloovigen in het algemeen sprekende zegt er van :

Meent niet, dat zij de stof onderzocht hebben : neen, zij hebben eenige opwerpingen van buiten geleerd, en ziedaar » altes, en daarmede komen zij in vergaderingen en spreken

ocr page 66

er op meesterachtigen en besllssendcu Pascal noem

de de ongeloovigen terecht lieden zonder oordeel, zonder kennis en zonder bekwaamheid. Hij voegt er bij, dat als men hun de reden vraagt, waarom zij in godsdienstzaken twijfelen, zij dan zoo erbarmelijke en niets ter zake doende antwooraen geven, da/ hunne geestdrijverij en dwaasheid aan den aa* komt. Dat werd hun eens heel aardig gezegd: als gij zoo nog lang redeneert, zult gij mij bekeeren. Men meene niet, dat deze onwetendheid alleen bij het gewone volk voorkomt, neen; zij is ook eigen aan hen, die voor geleerden doorgaan, en zelfs aan de meesters en hoofden. Genoeg, dat we van deze laatsten de twee be-roemdsten der vorige eeuw aanhalen : Voltaire en Rousseau. Als deze opgeblazen drogredenaar, zegt van den laatsten August Nicolas in zijne wijsgierige studiën over het christendom, de kapelaan zijtier parochie gevraagd had naar de katholieke leer, vóór dat hij ze bestreed, zou hij niet zoovele dwalingen en dwaasheden geschreven, en aan de katholieke kerk niet zoovele dingen toegedicht hebben, die zij nooit geleerd heeft. Wat Voltaire betreft, de ongerijmdheden en zotternijen, die hij over de stof. de ziel, enz. geschreven heeft, waren zoo diepzinnig en talrijk, dat Nbnnotte in zijn merkwaardig werk „het wijsgeerig woordenboek van den godsdienst,quot; verontwaardigd schreef: Hoezeer had die meester behoefte, een weinig van den godsdienst te leeren ! De verwarring van zijn verstand kan niet erger, en deze, de meest trotsche van alle menschen, kon zich niet verachtelijker maken. Maar als men een gedenkstuk van wetenschap en kunst wil hebben van de befaamde ongeloovige geleerden onzer dagen, dan kan men dat vinden in een boek, dat bestemd is om bres te schieten in het geloof, en door den schrijver. Professor Draper te New-York, getiteld is Geschiedenis van de geschillen tusschen godsdienst en wetenschap. Deze man. een vrijmetselaar, heeft den katholieken godsdienst in naam der wetenschap willen bestrijden, en hij geeft in zijn boek bewijs van zoo weinig ware wetenschap, van zoo weinig kennis, terwijl tusschen-beide alle redeneerkunde en gezond verstand op den loop zijn, dat men verbaasd staat over de stoutmoedigheid, waarmede hij den strijd wil aanbinden tegen een godsdienst, die den greoten geest van een Tertulianus, van Augustinus,

ocr page 67

— 59 —

Thomas van Aquine aan zich onderwierp. En te nauwer-nood zou hij de fabels uit het heidendom of de belachelijke droomerijen van Boudha en Mahomet uit de wereld kunnen helpen. Toch heeft een blind bewonderaar van den New-Yorkschen professor, zekere Sola, er eene italiaansche vertaling van willen uitgeven. In de voorrede der uitgave van 1876 roept hij de katholieke wetenschap op, zich te verdedigen. Zijne bedoeling was niet opdat die uitdaging den katholieken godsdienst tot eer zou zijn, want in zijne onwetendheid, meende hij, dat verdedigen een onbegonnen werk zou zijn. Toch was het niet zoo. De Civilia Catto-lica nam de uitdaging aan en weerlegde al de dwaasheden van Draper. Het geleerd tijdschrift schreef: Draper stelt ■dch arm als de afgevaardigde van alle ongeloovigen van den nieuwen tijd, om het geloof met het zwaard der wetenschap te bestrijden : wij zulle7i hein laten zien, dat zijn zwaard niet van staal, maar van vermolmd hout is: dat de wetenschap, welke hij zegt, dat zich tegen het geloof kant, geene weienschap, maar volslagen onknnde is.

In den loop van de weerlegging der ongehoorde dwaasheden van den Amerikaan zegt het blad verontwaardigd : Wij hebben het volle recht, tot Draper te zeggen, dat hij terugkeere naar eene school, waar de allereerste beginselen der redeneerkunst onderwezeti worden of naar eene kinderschool, om de beginselen der wijsbegeerte en de ware wetenschap te gaan leeren, waarvan hij alleen den naam kent-, aldus de idéés en de bewijzen van den verwaanden schrijver beoordeelend als beuzelingen, die een kind onwaar dig zijn. Als dan zoo de meesters en aanvoerders van het ongeloof zijn, als dusdanig hunne wetenschap is, wat moeten wij dan denken van de wetenschap der ongeloovigen uit het volk en van den grooten hoop onder de ongeloovigen ?

ocr page 68

— 6o —

De ongeloovige is een verachtelijk huichelaar.

Een ongeloovige, die niet gehouden wil worden voor een onwetende, of voor een mensch dien 1 et, doorzijn ongeloof te belijden, ontbieekt aan oordeel, moet gehouden worden voor een huichelaar, en wel voor een verachtelijk huichelaar in de oogen van ieder weldenkende. Maar op welken grond, zult gij zeggen, spreekt gij zoo streng oordeel uit over de ongeloovigen ? Om de volgende redenen:

1° Omdat de ongeloovigen onmogelijk vast overtuigd kunnen zijn van de beginselen, die zij voorstaan. 2-. Omdat de geschriften der voornaamste ongeloovigen vol twijlel en tegenspraak zijn, en soms den uitbundigsten lof over het geloof bevatten. 30 Om het oordeel, dat de groote ongeloovigen van huns gelijken en van het ongeloot zelf gegeven hebben. 40 Om wille van de verklaringen uit eigenbeweging door sommige beroemde ongeloovigen gegeven. 50 En eindelijk om wille der houding, door bijna alle ongeloovigen ten tijde van gevaar en vooral in hunne laatste oogenblikken aangenomen. De lezer brenge zich te binnen hetgeen wij in de voorgaande bladzijden gezegd hebben over (.jod, den mensch, de wereld, het verstand en de wetenschap, over geheimen en over het geloof, over den eere-dienst, aan God verschuldigd, en over de goddelijke Openbaring. Hij herinnere zich ook onze opmerkingen over de vruchten van geloof en ongeloof, over de oorzaken van het ongeloof, over den kenmerkenden geest der meesters en hoofden van het ongeloof; en dan zegge hij ronduit, of één ongeloovige, wie hij ook zij, geloof kan stellen in — en overtuiging hebben van de door hem voorgestane beginselen. Als de ongeloovige ook maar even bij zijn verstand en rede te rade ging, zou dat onmogelijk zijn, of zijn geest moest wel geheel dwars en zijn geweten geheel bedorven zijn. Daarvan komt, dat de schriften der beroemdste ongeloovigen vol twijfel en tegenspraak zijn, en tevens ongerijmheden en soms loftuitingen op het geloof bevatten. Hoeveel twijfel en tegenspraak ontmoet men alweer niet bij de twee groote meesters Voltaire en Rousseau, en tevens hoeve'.e ongerijmdheden en lofprijzingen van het geloot I Wie heeft niet de heerlijke lofprijzingen

ocr page 69

— 6i —

gelezen, die Rousseau Over de leer en den persoon van Jesus Christus geschreven heeft? Hel Evangelie, schrect hij, bezit zulke zekere teekenen van waarachtigheid, en die sijn zoo gegrond, zoo duidelijk, zoo tastbaar, zoo onna7naak-baar, dat de uitvinder ervari nog meer ie bewonderen zou zijn dan de held ervan. -Rn deze zelfde Rousseau schreef ook; „Het Evangelie is vol ongelooflijke zaken, die tegen het verstand indruischen, en die de mensch mei zijn gezond verstand niet kan begrij-ben noch gelooven. Voltaire, die het geloof verheft, en uitzinnig noemt het stelsel van hen, die het verstand stellen boven de noodzakelijkheid van gelooven, aarzelt niet, datzelfde/ belachelijk,ongerijmd en wreed te noemen. Ook schrijft hij, dat hij zich niet kan voorstellen, dat er geene hel bestaat en dat de hel hem verontrust, en tevens dat hem er weinig aangelegen is, wat men met zijn ellendig lichaam en zijne ingebeelde ziel zal aanvangen, als hij dood is. Wanneer moet men die geleerden nu gelooven ? Als ze bevestigen of als ze ontkennen ? Wat is dit alles, dan dat ze geen geloof en geene vaste overtuiging hebben, en dat zij zeiven niet gelooven hetgeen ze leeraren. En dit gebrek aan oprechtheid en overtuiging bij de ongeloovigen hebben de meest befaamden onder hen. in een bui van oprechtheid zelf bekend. Montaigne, een der meest onbeschaamde ongeloovigen, zeide van die wijsgeeren : al zijti zij uiterst gek, ze zijn daarom niet even dapper en moedig: stoot hen een degen in de volle borst, en gij zult ze aanstonds de handen zien vouwen e7i ten hemel heffen. Er is een groot verschil tusschen een geloofsputii, dat men ernstig overweegt, en al ae losse indrukken, die uit een verwarden geest voortkomen, en maar los en zonder zekerheid door het brein vliegen. i Lichtzinnige en ellendige menschen, menschen zonder hersens,

die al uwe krachten verspilt om slechter ie worden dan ge kunt zijn.

Bij dit gezag van Montaigne kunnen we dat van Bayle voegen en van verscheidene anderen derzelfde school. Nemen we alleen nog de getuigenissen, die verscheidene kops ukken van het ongeloof uit eigen beweging van zich zeiven hebben afgelegd, als Toussaint, Boulanger. Montesquieu, Bouguer, enz. Onbewimpeld hebben zij verklaard, dat zij niet uit overtuiging of op eigen oordeel

ocr page 70

62

ongeloovig geworden zijn, maar de een, 'loussaint, om niet het brood te verliezen, dat hij van den koning van Pruissen kreeg; een ander Boulanger, doordat hij zich had laten inpalmen door de toejuichingen en loftuitingen der ongeloovige wijsgeeren ; een derde, Montesquieu, uit plei-zier om den zonderlinge te spelen en voor een groot genie gehouden te worden; een vierde eindelijk, Bouguer, om zijne zinnelijkheid en bedorvenheid. Met betrekking tot dit laatste is het goed. Hier een paar trekken aan te halen uit het leven van den markies d'Argens en van Diderot, twee waardige geestgenooten van Voltaire. De eerste, die zich Bayle tot voorbeeld had gekozen en in eene menigte schriften het christelijk geloof en zijne dienaren aanviel, las ter sluiks het Nieuw Testament, dat hij altijd bij zich had, zooals zijn protestantsche bediende vertelt. De andere, Diderot, liep in een kamerjapon en eene slaapmuts op de steden van Noordelijk Europa af, en was vergezeld van een bediende, die als de menschen hem nakeken, moest zeggen: dat is de wijsgeer Diderot ...; Diderot, die ware apostel van het kwaad door zijn onvermoeiden ijver om de goddelooze beginselen te verspreiden, werd eens door een zijner vrienden onverwacht overvallen, terwijl hij bezig was, zijne dochter den katechismus te leeren. En aan zijn vriend, die dat met verbazing aanzag, en die meende, dat Diderot gekscheerde, antwoordde hij : ik ken geen betere leer om aan mijne dochter te leeren, en zij zal zeer gelukkig, zijn, als zij gelooft en doet wat de christelijke leer voorhoudt. Wat vooral dit oordeel over de ongeloovigen en het ongeloof wettigt, is hunne houding bij gevaar of bij het naderen van het laatste uur.

Santhibal zeide, meldt ons Bayle, dat de ongeloovigen de gave der volharding niet hebben, en dat er een tijd komt, waarop zij zich zeiven logenstraffen en sterven gelijk andere menschen.

De beruchte Lucretius, die het Epicurismus bezongen heeft, had al vroeger hetzelfde gezegd. Men zou waarlijk boekdeelen kunnen vullen met herroepingen en bekeeringen van zoogenaamde vrijgeesten, vooral in hun doodsuur. Wij willen hier alleen vermelden het vreeselijk einde van Voltaire, den aartsvader des ongeloofs in de vorige eeuw. Deze man was een volmaakt model van diepgewortelden

ocr page 71

haat tegen het christendom ; te gelijk was hij zelf een volslagen huichelaar in zijn ongeloof, ofschoon hij anderen, o.a. zijn grooten mededinger Rousseau, een qrooihuichelaar, een komiek, een grappenmaker noemde, en zijn leerling en bewonderaar Grimin een „pantalon sublimequot; (i) Zijn heel leven als schrijver was slechts ééne voortdurende reeks van heftige aanvallen tegen het geloof en van h .rroepingen en bekeeringen. Hiervoor, zegt Feller in zijn «'ijsgeerige katechismus, was genoeg... een schrikwekkende droom ; en hij wierp zich aan de voeten van den priester en beleed zijne zonden. Inderdaad: Voltaire is weer christen in 1760, nadat hij zoovele goddelooze en schandelijke boeken geschreven had; hij hoort weer Mis, zelfs de middernachts-Mis van Kerstmis, en keert kort daarna weer tot zijne onbeschaamdheden en goddeloosheden terug. Te tweeden male bekeerde hij zich in 1768. Hij biechtte bij Pater Adam; en in 1769 bij P. Josef, een Capucijn, en na eenigen tijd schreef hij en deed hij boeken uitkomen, die uiterst goddeloos en slecht waren. Eindelijk in 1778 werd hij ziek, biechtte bij den Eervv. Heer Gauthier, en betuigde dat hij als christen en katholiek wilde sterven, en eenige dagen daarna wordt hij opnieuw wijsgeer, wordt lid van de vrijmetselarij en doet zich daar als god aanbidden. In dit zelfde jaar te midden zijner triomfen en ten toppunt van roem gestegen wordt hij door een aanval van beroerte getroffen, en niettegenstaande zijne leerlingen hem willen terughouden, vraagt hij per brief aan den Eerw. Heer Ganthier om te biechten, en verklaart dat hij wil sterven in den schoot der katholieke Kerk, waarin hij geboren is. Maar toen de priester hem dezen tweeden keer wilde bezoeken vond hij alle deuren door zijne leerlingen afgesloten. Toen hadden de vreeselijke tooneelen van razernij en wanhoop plaats, welke zelfs zijnen vertrouwelingen den schrik om het hart deden slaan. Zich als een krankzinnige heen en weer wendend, riep hij zijnen leerlingen toe; Weg van mij, gij die schuld zijt van den toestand, waarin Ik verkeer, en zich omkeerend in zijn bed huilde hij : Jesus Christus, Jesus Christus ! Hij beet zich in handen en armen, greep in een aanval van onbeschrijfelijke

(1) Iemand, die alle middelen goed zijn, om lol zijn dosl te komen — huichelaar.

ocr page 72

— 64 —

woede en wanhoop met eigen handen in zijne uitwerpsels en verslond die en braakte dan de woorden uit ; ik sterf verlaten door God e?i de menschen. Het was een zoo afgrijselijk schouwspel, zeide M. Tronchin, de geneesheer, die er bij tegenwoordig was. dat het meer dan voldoende zou geweest zijn om al zijne leerlingen, als zij er bij waren geweest, de oogen te openen. De ongeloovige dus die als ■zoodanig niet wil gehouden worden voor een onwetende, of voor iemand, die gezond oordeel mist. verdient slechts den titel van huichelaar of grappenmaker, zooals \ oltaire door Rousseau geheeten werd, omdat hij met gevoelens en overtuigingen te koop loopt, die hij niet heeft, en ook niet hebben kan. Te meer is hij in de oogen van ieder verstandig mensch een verachtelijk huichelaar, omdat hij de eeuwige belangen zijner onsterfelijke ziel in de waagschaal stelt voor niets en zich blootstelt aan het gevaar van eene rampzalige eeuwigheid.

De ongeloovige is een waar krankzinnige, een echt waanzinnige.

Krankzinnig wil zeggen: gek, van oordeel verstoken. Waanzinnig is hij, die aan een waan lijdt, een soort van krankzinnigheid, waarin de verbeelding altijd op één voorwerp gevestigd is. Een mensch, die niet voor een onwetende of voor een verachtelijk huichelaar wil gehouden worden in de beginselen, welke hij voorstaat, kan in de oogen van een verstandig mensch slechts gelden voor een krankzinnige of een echt waanzinnige. Ofschoon deze voorstelling op het eerste gezicht wel wat vreemd moge schijnen, het feit is niet anders, en komt meer voor dan men wel denkt. De beroemde Valsecchi zegt in zijn werk : Bronnen der goddeloosheid, dat de ongeloovigen zulks niet zijn door volkomen overtuiging en door overreding, maar door een soort van afwijking en verwarring in hunne gedachten, alsook door betreurenswaardige beroering van hun

ocr page 73

— 65 —

verstand, die werkelijk medelijden verdient; hij duidt die gewaande geleerden aan als dwaalgeesten, die het hoofd verloren hebben, niet zoozeer vrijgeesten, gelijk zij zich ter kwader ure genoemd hel)be)t, als wet. krankzinnigen. Zoo noemt hen ook te recht Aristoleles, als hij zegt: Indien iemand stout genoeg is, om ze U's de goden te verachten, dan is hij niet meer eeti wijsgeest, maar een volslagen gek. Voegen wij er bij, dat het de katholieken niet alleen zijn, die de ongeloovigen in het algemeen, en de voorvechters van het ongeloof in het bijzonder krankzinnigen genoemd hebben, maar de ongeloovigen zeiven, vooral de voornaam-sten onder hen hebben ditzelfde oordeel geveld. Voltaire, Rousseau, Maupertuis, La Mettrie. Diderot, Helvetius, Holbach, Lalande enz. gingen in de oogen hunner eigene geestverwanten door voor buitensporige en raaskallende geesten, ja voor ware gekken. Rousseau over Voltaire spre-kend zeide, dat die man noeh veel noch weinig redeneerde en. hij noemde diens laatste werken de laatsie hansworste-rijen van zij?ien stokouder dom. Als Voltare Maupertuis, ook nog na zijn dood, vervolgde met spotternijen en satiren voegde de koning wijsgeer, Frederik II van Pruissen, hem toe: zie zoelke uw waanzin is. Het is dus wel waar, wat Aubert de Vitry, wiens gezag onverdacht is en die door Feller wordt aangehaald, schreef: Voltaire was een ware geestdrijver, een waanzinnige, wiens kluchten uitliepen op razende uitvallen, zoodat hij aan al wat hem tegen stond, de stuitendste benamingen gaf, o?n zijne verachting te kennen te geven. In de laatste jaren zijns levens, zag men hem viet de razernij der wanhoop het geloof in Christus, en Christus zelf vervolgen. Het oordeel, over Rousseau, den waardigen mededinger en geestverwant van Voltaire in goddeloosheid, geveld, is even vleiend. De waanzin, om van zich ie doen spreken, maakte van dezen bekwamen man, een waren krankzinnige, zegt Feller in zijne Algemeene levensbeschrijving. Dit zegt hij op grond hiervan, dat zijn Contrat social {maatschappelijk verdrag), dat door Voltaire genoemd wordt het onmaatschappelijk verdrag van den onmaatschappelijkeu J. f. Rousseau, een samenflansel is van buitensporigheden, zoozeer, dat M. Comte zeide, dat ile menschen eens van verbazing buiten zich zeiven zlu-len zijn, als zij hooren, dat hunne leef- en handelwijze

r,El,OOK EN ONGELOOF. n

ocr page 74

66 —

genomen is uit een boek, waarin zoovele dwaasheden staan en zoo weinig samenhang is. De beroemde Buffon noemde Rousseau een grootcn gek, en de Maistre, die hem dezelfde benaming gaf, zeide, dat die gek een grooten invloed uitoefende op eene eeuw, die waardig was naar hem te luisteren. Als wij nu van Voltaire en Rousseau, die als de aanvoerders van het ongeloof waren, overgaan tot zijne-voornaamste kopstukken, zullen wij zien, hoe alle wijsgee-ren, zijne geestverwanten, opstaan tegen b. v. baron Hole bach, om de ontzettende dwaasheden en ongerijmdheden, welke hij in zijn boek: Het stelsel der natuur, aan den man brengt. D' Alembert schrijft over hem in een briet aan den koning-v/ijsgeer van Pruissen : Ik ben even bedroefd als verontwaardigd over de ongelooflijke domheid en zinneloosheid van den schrijver. Voltaire was woedend over het verschijnen van dit werk, overlaadde in een briet zijn geestverwant met beleedigingen, en zeide, dat dit boek de wijsgeeren en de wijsbegeerte hatelijk en belachelijk maakte Helvetius gaf zijne werken uit, en Voltaire, Rousseau, Grimm, Frederik II en alle geleerden van hetzelfde allooi misprijzen hem, spotten met hem en behandelen hem als een onwetende en als een gek. Frederik II zeide van een werk van Helvetius, dat het niets dan drogredenen en dwaasheden bevat; en op een toon van verontwaardiging voegde hij er bij : en dat noemen zich wijsgeeren. La Mettrie gaf ook zijne werken uit, en Voltaire, Maupertuis, de markies d' Argens en anderen derzelfde school maakten hem uit voor een volslagen gek. Voltaire schreef van hem, dat hij een gek was, die slechts schreef als hij dronken was. (i Hierbij kunnen wij het laten en zeggen, dat men op de ongeloovigen van alle tijden en plaatsen kan toepassen, wat de beroemde Montaigne van de ongeloovigen in hel algemeen zeide : zij zijn uiterst dwaas, ellendelingen en gekken zonder hersens. Men kan van hen zeggen wat P'rede-rik II van de wijsgeeren zeide, die hij maar al te wel kende : jlk zou den raad geven, die heeren in een krankzinni-gesticht te plaatsen, en ze tot wetgevers van de gekken.

(i) La Mettrie was zoo singulier, dat hij soms te midden van een avondfcesl zijne kleederen uktrok en bijna naakt bleef. De markies d' Argens zeide te recht van hem, dat hij letterlijk gek wis.

ocr page 75

67

huns gelijken, ie maken, of ze de eene of andere provincie aie afgestraft moet worden, te laten besturen. Denk nu niet, dat de ongeloovigen van de laatste tijden minder buitensporig en minder dwaas zijn dan die van de vorige eeuwen. Neen, men zou zelfs zeggen, dat hun verstand nog meer gekrenkt is en zij nog ongeneeslijker zijn, want het gebrek aan geloof en de hoovaardigheid wordt men het meest gewaar aan hun verstand. Beschouwt dan eens de ongerijmde stelsels en de duizende afdwalingeu der onge-loovige geleerden van den laatsten tijd, en gij zult bevinden, dat de zoogenaamde geleerden van den ouden tijd niet zoover zijn afgedwaald, en dat nog nooit zoo buitensporige idéés uit het brein van den grootsten waanzinnige zijn voortgekomen. Uit eerbied voor Gods naam, willen we hier geen gewag maken van hetgeen A. Comte, Littré. Marr, en anderen over het Gods-idee geschreven hebben, omdat hetgeen zij daarvan zeggen minder uit hun brein voortkomt, dan wel uit den godslasterlijken zin, die hen bezielt. Ziehier echter eenige proeven van de wetenschap en de wijsheid der ongeloovigen van den laatsten tijd, welke zij over andere vraagstukken hebben gegeven, zooals over het ontstaan van den mensch, over den oorspronkelijken toestand der aarde en der menschelijke maatschappij. Kn als nu de mannen, die dergelijken onzin uitkramen, niet geheel het hoofd verloren hebben, dan weten wij niet meer wat door krankzinnigheid en door ijlhoofdigheid moet verstaan worden. Vragen we de ongeloovi-ge geleerden eens af: vanwaar komt de mensch ? Denis doet hem uit delfstoffen ontspruiten; zekere Damaillet zegt, dat hij van visschen voortkomt; zekere Bitzen doet hem uil eene reusachtige bloem ontstaan ; zekere Oken zegt, dat hij heel klein uit de wateren der zee opgedoken is ; en de geleerde Büchner leert ons op naam van de geleerden uit zekere school, dat de mensch van den aap voortkomt, (i) Met grooten ernst schrijft hij het volgende .•

(i) Nog kort geleden zijn twee doode Oerang-oetangs uit den dierentuin, door eene commissie van geleerden ontleed en is wetenschappelijk uitgemaakt, dat het, wat den lichaamsbouw betreft, onmogelijk is, dat de mensch van den aap voortkomt. Alweer eene theorie opgeruimd, die zoo dierbaar was aan M. Mortillet, die nu niet weten zal. wat met zijn recht-opgaanden-aap-mensch aan te vangen. Niet minder dierbaar was die theorie aan de leerlingen van Dirwin en andere ongeloovige dezer eeuw.

ocr page 76

— 68 —

Onze voorvader, de mensch-aap of aap-mensch is iol nu toe niei gekend, maar de dag is aanstaande, waarop men hem zal tegen komen, en wel in de heele landen, het eigenlijke vaderland der apen.... En als men hem niet ontmoet, dan moet men maar berusten in het noodlot. Deze beroemde geleerde verzekert, dat de mensch van nature niet reckt op gaat; anders toch, zegt hij, moest de mensch op vier pooten loopen. Onder deze geleerden moet eene eereplaats toegekend worden aan den Xederlandschen natvnr-vorscher ? ! Ed. Dubois. Deze, door het Xederlandsch Gouvernement naar Indie gezonden, vond daar in eene aardlaag een kakebeen, waarin nog een tand zat, die blijkbaar afkomstig was van een apensoort. In dezeltde aarlaag vond hij op eenige meters afstand een linkcr-dijbeen, dat volgens hem, aan een mensch had toebehoord. Hieruit besluit hij dat..... beide aan eenzelfde wezen hebben behoord

n. 1. aan den rechtopgaanden aap-mensch., en dat hiermede de overgangsvorm tusschen mensch en aap gevonden is. Vragen we die geleerden verder: welken oorsprong had de wereld ? En A. Comte, de beruchte stichter van het positivisme antwoordt heel ernstig : Men mag onderstellen, dat onze aarde in den beginne verstand had n. 1. toen zij zich bereidde, om tot woonplaats van het menschdom te dienen : naar mate haar toestand verbeterde, verloor zij het leven door uitputting, maar zij had den troost, dat hare opoffering krachtiger uitwerking had. (i)

Vragen we hun nog: wat te denken van het menschdom ? Haeckel, zegt dat in de menschelijke samenleving geweld niet alleen boven recht gaat, maar dat het geweld het recht maakt Fourrier leert, dat de maatschappelijke vooruitgang afhangt van de meetkunstige overeenstenuning van vier beweegkrachten ; de ronde beweegkracht der vriendschap; de langwerpig-ronde der liefde, de kegellijnige van het vaderschap en de beweegkracht van de dwarse kegelsnede der eerzucht. (2) Als nu zij die, dergelijken onzin leeraren

(1) A. Comte wierp zich in een razenden aan\a! van waanzinnigheid van de Brug der kunsten te Parijs in de Seine. Men redde hem ; doch in plaats van hem in een gekkenhuis op te sluiten, liet men hem zijne beruchte leer van het Positivisme onderwijzen.

(2) Buchner leeit ook, dat de ziel eene werking is van de hersenen; Robinet zegt, dat de ziel van den mensch en van het dier niet verschillen in hoedanigheid, maar in hoeveelheid : Dawin houdt het er voor, dat de

ocr page 77

— 69 —

en verspreiden, niet behooren tot de loquacissimi deltranii (kakelende gekken) dan, wij herhalen het, weten wij niet meer wat onder waanzin en krankzinnigheid moet verstaan worden. Maar hoe te verklaren, zal men zeggen, dat menschen die in andere zaken verstandig en overigens geleerd en bekwaam zijn. tot zoo groote en tilrijke dwalingen kwamen? Die verklaring is niet moeielijk te geven. Vooraf zij gezegd, dat de beginselen van het ongeloof alle hartstochten van den mensch sterker maken en die opwekken. De Civilta Cattolica zegt, dat de katholieke godsdienstigheid nooit zoovelen tot krankzinnigheid en zins-v. rbijstering gebracht heett als het protestantisme en ongeloof met al hunne beginselen, die tot verdorvenheid en mistroostigheid voeren. En Dr. Lombroso, een man van gezag zegt, dat de gevallen van krankzinnigheid talrijker worden, naarmate de moderne beschaving toeneemt, die zooals men weet, doortrokken is van het barst ongeloot. Maar het meest verklaren de twee volgende redenen die krenking van den geest: ie het geweld, dat de ongeloovige zich gedurende langen tijd moet aandoen, om zich te overtuigen van dingen, die tegen zijn gezond verstand en tegen zijn geweten strijden, moet langzamerhand wel zijn oordeel vervalschen en zijn verstand bederven ; en dit te meer, omdat trots en ijdelheid de geleerden en wijsgeeren meer dan andere menschen beheerschen.. Velen zijn zoo gek geworden, dat zij zich inbeelden goden te zijn. Onder anderen een zekere geneesheer, met name Menekrates, die ten tijde van Koning Agesilaus leefde, en die aan dezen een brief schreef, welken hij met deze woorden begon: Menecrates Jupiter aan Koning Agesilaus. De Koning antwoordde : Koning Agesilaus aan Menecratus, die van zijn verstand beroofd is. Daarom zeide terecht Antonio Franchi, in zijn Laatste Kritiek sprekend over de ongeloovige wetenschap van den nieuwen tijd, dat deze wetenschap, aangestoken en ingenomen door de geestdrijverij van het stof. eene ziekte wordt van

dieren evenals de mensch verstand, rede. wil en vrijheid bezitten ; Monet geeft hoog op van de geestelijke vermogens der dieren ; Moleschot leert, dat denken eene beweging van de stof is; Vogt, dat gevoel voor het bovennatuurlijke, en het beginsel van godsdienstige idees volkomen ontwikkeld zijn bij den hond en bij het paard; Taine, cat aeugd en ondeugd voortbrengselen zijn, die men bij suiker, vitriool, enz. kan vergelijken.

ocr page 78

— 7o —

het verstand, die ernstiger en noodlottiger is dan dweeperij van den geest. Meer; onze wil zoekt en wil uit zich zeiven het goede en daardoor ook de waarheid ; maar als zij zich geweld moet aandoen, om hare hartstochten niet behoeven te beteugelen, en als zij daarom blijft bij het kwaad en de dwaling, dan vermindert hare natuurlijke kracht, ja deze kan zelfs geheel te niet gaan. Ornaat de wil vrij is, zegt Canto. in zijne Volksvoordrachten kan hij de oegen sluiten voor het^ natuurlijk licht; maar als hij dat langen lijd doet, wordt hij blind en ziet hij dat licht niet meer. Op de tweede plaats kan deze verstoring van den geest beschouwd worden als eene rechtvaardige straf, waarmede God de dwaasheid, den trots en de IJdelheid van de zoogenaamde geleerden straft, die het geloof bestrijden door misbruik te maken van hun eigen verstand. God verlicht en versterkt het verstand van den mensch, als hij hem met de gave des geloofs wil begiftigen, opdat hij duidelijk de beweegredenen van geloofbaarheid inzie, die het geloof bezit, en opdat hij zich er aan onderwerpe. Daartegenover staat echter, dat God den mensch voor zijne verachting van het geloof en voor het misbruik, dat hij maakt van zijn verstand, straft met hem het licht des geloofs te ontnemen, en hem aan zijne eigene driften over te laten, en met toe te laten, dat deze zoo dikke duifternissen over zijn geest verspreiden, dat zijn verstand, overigens helderdenkend en gezond redeneerend, gelijk worde aan een blinde, aan een dwaze, aan een waanzinnige in alles wat zijne eeuwige belangen aanbetreft. En dit is het ongelukkig geval met eene menigte, overigens geleerde en bekwame menschen, in wie letterlijk bewaarheid zijn de woorden van den Apostel Paulus, als hij sprak over de wijsgeeren der oudheid, die God niet eerden, gelijk zij moesten: God heeft hen aan de begeerten huns harten overgeleverd, aan onzuiverheid... aan schandelijke hartstochten, aan diepe verdorvenheid. Door hunne hoovaardige gedachten verloren zij de scherpzinnigheid van hun verstand, zijn zij ijdel en beuzelachtig in hunne redeneeringen, en terwijl zij hoogopgaven van hunne geleerdheid en wijsheid, stultifacti sunt, zijn zij dwaas geworden.

ocr page 79

_ 71 _

Praktische gevolgtrekkingen.

Wij hebben tot nu toe onderzocht en beredeneerd de grondstellingen van het geloof en het ongeloof, door beiden voor het verstand, voor de wetenschap, voor gezaghebbende personen en feiten te doen te recht staan. Na dit nauwkeurig, algemeen en ernstig onderzoek van alle onderwerpen. die de grondslag van 's menschen geloof zijn, heelt men kunnen zien, dat die grondbeginselen van het geloof zoo degelijk en onwederlegbaar zijn, als die van het ongeloof nietig en ongerijmd. Tevens heeft men gezien, dat de ongeloovige, als hij geen verwaand onw te7ide is, die praat over hetgeen hij niet, of slechts oppervlakkig kent, dan toch een verachtelijke huichelaar is, die overtuigingen en gevoelens voorwendt, welke hij niet heeft en ook niet kan hebben, of althans een ongelukkig krankzinnige of waanzinnige, die, overigens helder denkend en gezond redeneerend, zijn verstand verliest en raaskalt, als er sprake is van eene hoogere orde van zaken. En nu, dierbare kinderen, als wij nu even nadenken over de ontzaglijke weldaden, welke de onwaardeerbare weldaad des geloofs ons schenkt, en van den anderen kant overwegen de heilige banden, die ons aan God en den naaste binden, dan kan het niet uitblijven, of we moeten in het binnenste onzes harten levendige dankbaarheid gevoelen jegens God voor de weldaad des geloofs, die eene gave Gods is en blijft, al is zij tevens voor den mensch eene deugd. Maar wij kunnen toch ook niet onderdrukken een gevoel van innig medelijden met die onzer gelijken, die nooit van God de gave des geloofs kregen, gelijk de ongeloovigen, de wilden, de heidenen ; of die het geloof verloren hebben, of op het punt staan het te verliezen, zooals de ongeloovigen, de goddeloozen en al de onverschillige en lauwe katholieken. Als wij dan ons zeiven willen gelijk blijven, dan moeten wij uit die twee gevoelens van dankbaarheid en medelijden, welke door de rechtvaardigheid en barmhartighefd ons opgelegd zijn, eenige praktische besluiten trekken, die ons gedurende het leven tot regel van ons gedrag moeten strekken, juist omdat wij de groote gave des geloofs ont-

ocr page 80

— 72 —

vangen hebben. Daardoor moeten we dit trachten te bewerken, hetgeen onze Moeder de H Kerk in een harer gebeden op Kerstdag uitdrukt, dat wij door daden toonen hetgeen wij door het geloof kennen. Welke praktische besluiten moeten wij dan nemen met het oog op het vele goeds, dat ons door het geloof toekomt, en met het oog ook op de heil.ge banden van rechtvaardigheid en liefde, die ons met (iod in den naaste verbinden? De drie volgende : iquot; wij moeten den kostbaren schat des geloofs bewaren ; 2 ' met moed en volharding de aanvallen tegen het geloof afslaan ; 3 ■ de leer en de werken des geloofs met vurigen en onvermoeiden ijver verspreiden. Als we onze tijdelijke en eeuwige belangen goed begrijpen, als wij doordrongen zijn van den plicht van dankbaarheid jegens God. en God en den evenmensch oprecht liefhebben, dan moeten we al het gewicht voelen van dezen plicht, die op ons rust, n.1 van zorgvuldig ons geloof te bewaren, het moedig en standvastig te verdedigen en vol vurigen ijver te zijn om zijne leer en werken te verbreiden ; het geloof bewaren, verdedigen, er voor i/vere7i.

Ziedaar, dierbare kinderen, de drie praktische besluiten, welke gij van stonde af moet gaan uitvoeren, na alles, wat u in dit boekje is gezegd en uitgelegd. Maar opdat gij die met meer ijver en gemak en voordeel zoudt ten uitvoer brengen, voeg ik eenige gewichtige raadgevingen omtrent het onderwerp, waarmede wij bezig zijn, er bij. Die raadgevingen kunnen voorzeker zeer nuttig zijn voor iederen katholiek, welke zijn leeftijd of stand ook zij ; maar zij zijn het veelmeer voor de jeugd van beider geslacht, omdat deze aanhoudend aan gevaren is blootgesteld ter oor-zake van haren leeftijd en van hare onervarenheid. En opdat die raadgevingen nog praktischer en meer krachtdadig zijn, zullen wij ze in twee verschillende hoofdstukken verdeelen ; één bestemd voor jongelingen ; het andere tot jeugdige en ongehuwde meisjes gericht.

ocr page 81

Raadgevingen aan Jongelingen.

liet zal u niet onbekend zijn. dierbare vrienden, dat het geloof de goddelijke grondslag is, waarop zich het fiere gebouw van het leven des christens moet verheffen, en dat de liefdewerken, uit den geest van geloof verricht, de maat zal zijn der eeuwige belooning, welke wij eenmaal van God in het hemelsch vaderland zullen ontvangen. Be rechtvaardige kefl uii het geloof, zeide God bij monde van zijn Apostel. Als dan verdienste en belooning voor God steunen op het geloof, dan volgt daaruit, dat het van het grootste belang is, dat die grondslag degelijk zij, omdat het ons, zonder dat, onmogelijk is het geloof zorgvuldig te bewaren, goed te verdedigen, ijverig te verspreiden. Hieruit volgt een tweede natuurlijke plicht voor iederen katholiek in het algemeen, maar bijzonder voor katholieke jongelieden : van namelijk i„ zich toe te leggen, om de geloofszaken aan te leeren; 2., van de plichten des geloofs te vervullen ; 3,. van altijd op zijne hoede te zijn tegen de gevaren des geloofs; 4.1 en van altijd moedig en standvastig voor het geloot te strijden.

1.

Men moet zich toeleggen om de geloofszaken aan te leeren.

Bij het behandelen van de oorzaken van het ongeloof hebben wij gezien, dat onwetendheid in den godsdienst de gewone reden is, waarom vele menschen in opstand komen tegen het geloot; zeker is dit waar, wanneer, zooals dikwijls het geval is, onwetendheid gepaard gaat met zedenbederf. Geloofszaken aanleeren, dat is den godsdienst bestudeeren. Door godsdienst verstaat men dat merkwaardig geheel van waarheden, die wij moeten gelooven, en der plichten, welke wij te vervullen hebben, om God in dit leven behoorlijk te dienen, en te verdienen, eenmaal met Hem in den hemel gelukkig te zijn. De studie van den godsdienst of van

ocr page 82

geloofszaken is volstrekt noodzakelijk, om God behoorlijk te dienen en daardoor in den hemel te komen, en om de besluiten uit te voeren, waarvan wij boven gesproken hebben, n.1. om ons geloof met zorg te bewaren, het te verdedigen en te verspreiden. Het is toch onmogelijk eene zaak ts waardeeren, waarvan men niet weet, wat zij is, en welke waarde zij heeft. Gij moet u dus toeleggen op het aanleeren van den godsdienst, dierbare vrienden, en dus op het aanleeren van den katechismus der christelijke leer, een boekje, dat alles bevat, wat het geloof en de godsdienst leeren.

Zegt niet, zooals onwetende en verwaande personen soms deen, dat het aanleeren van godsdienstzaken en van den katechismus de taak van kinderen en eenvoudige vrouwtjes is. Als gij dat zegt, toont gij duidelijk niet te weten, wat de godsdienst is, en niet te kennen de groote waarde van dat boekje, dat wij den katechismus noemen. De godsdienst, geliefde vrienden, dat wonderbaar geheel van geloofspunten en voorschriften is als een wonderbare straal van Gods almacht, wijsheid en goedheid op aarde, en men kan in waarheid van den godsdienst in zijn geheel zeggen wat men van God en van zijne goddelijke eigenschappen zegt, dat, hoe meer de mensch den godsdienst en godsdienstzaken bestudeert, hoe meer zijn geest die bewondert en zich er aan hecht.

Op dezelfde wijze als onze geest bij het licht des geloofs overweegt en zich verdiept in Gods Wezen en eigenschappen, wordt zij al meer en meer opgetogen van bewondering, en wordt ons hart al meer en meer ontvlamd door liefde tot Hem. Het is dus niets bijzonders, dat alle groote mannen, naar Eergier zegt, zich met den godsdienst hebben bezig gehouden. En weet gij wel, beste vrienden, wat dat boekje, de katechismus is? Dat boekje is voor de meeste menschen wat de Summa van Thomas is voor ontwikkelde en groote geesten, die de geheimen des geloofs doorgronden zoover 's menschen rede kan en mag. Jouffroij, een wijsgeer en vrijdenker, zeide van den katechismus ; Er bestaat een ktein boekje, dat men de kinderen laat vayi buiien leeren, en waarover men hen in de kerk ondervraagt. Leest dat kleine boekje, de7i katechismus, en gij zult daarin de oplossing vinaen van alle vraagstukken, die ik opgesteld heb,

ocr page 83

van alle zender eenige uitzondering. Vraag aan den christen van waar het menschelijk geslacht komt? hij weet het; — waar hel heen gaat ? en hij weet het; — hoe het daarheen gaai 2 en ook dat weet hij. Vraag aan dat arme kind, dat er zijn heele leven nooit aan gedacht heeft; waarom het op aarde is en wai na zijn dood met hetzelve gebeuren zal, en het zal u een schitterend antwoord geven. De oorsprong der wereld en van den mensch; de bestemming van den mensch in dit levén en het andere ; de betrekkingen van deti mensch tot God, 's me?ischen plichten jegens elkander, de rechten van den mensch op de schepping; niets van dat alles is het onbekend. En als dat kind groot geworden is, dan zal het al evenmin hei antwoord schuldig blijven over het natuurrecht, politiek recht, volkenrecht, want dat alles staat in- of wordt zo7ineklaar afgeleid nit zijn katechismus, waarin dit alles 7net korte woorden is uitgedrukt. Zie, dat noem ik een grooten godsdienst, en ik herken hem hieraan, dat hij alle vraagstukken oplost, die het menschdom belang inboezemen. Jules Simon, ook een vrijdenker, heeft ter zake de. juiste opmerking gemaakt, dat de katholieke godsdienst alleen aan de wereld geschonken heeft deze twee groote boeken : de Summa en den Katechismus. En als gij meent, hem in den grond te kennen, bestudeert dan andere werken, die meer uitgebreid en dieper over geloofszaken handelen, om zoo :il meer en meer de weldaad des geloofs op prijs te stellen, die beter te bewaren en om bekwamer en ijveriger te worden om het te verdedigen en aan anderen te doen kennen.

2

Men moet de plichten vervullen, die het geloof oplegt.

De H. Geest zegt ons bij monde van een Apostel, dat het geloof zonder de werken dood is, gelijk een lichaam zo7idcr ziel dood is. Indien dan het geloof de ziel onzer goede werken is, dan moeten die goede werken in ons den geest van geloof doen ontstaan ; maar dan is ook gelooven wat het geloof ons leert, en niet doen wat het ons oplegt, verdwalen op den weg der zaligheid en langzamerhand liet

ocr page 84

geloof geheel verliezen, tot dat het in zich zelf dood is zooals de li. Geest zegt: indien het geloof geene werken bezit, is het in zich zelf dood. Om dezen machtigen invloed te begrijpen, die het geloof en de goede werken op elkander uitoefenen, moet men bedenken, dat de mensch altijd uit het een of ander beginsel handelt, hetzij dit goed of kwaad is, en dat het herhalen van dezelfde goede of kwade handelingen een zeer groeten invloed op onzen geest heeft. Zoo is er eene zoo nauwe betrekking tusschen onze gedachten en daden, dat, hoe dieper zekere beginse-selen en gedachten gevestigd zijn, hoe sterker en aanhoudender wij die in onze daden zullen doen uitkomen. Omgekeerd ook, hoe dikwijler er standvastiger wij sommige handelingen plegen te doen, hoe sterker en vaster in ons de beginselen of gedachten zullen zijn, die ons doen handelen. Als er sprake is van het geloof en de plichten, die het oplegt moet men wel rekening houden met het bovennatuurlijk beginsel, dat in ons werkt, d. i. met de hulp der goddelijke genade, zonder welke wij den geest des ge-loofs niet kunnen hebben, om die plichten te volbrengen, en die onze kracht daartoe meer of minder versterkt, naar mate wij meer of minder getrouw aan die genade beantwoorden. Het doel toch waarom (lod ons in het doopsel de gave des geloofs schonk, is. om ons in dit leven aan Hem te verbinden door de getrouwe naleving Zijner wet, die het bewijs onzer liefde is voor Hem ; en opdat eenmaal die vereeniging met Hem volkomen en onafscheidelijk zij in den hemel door het zalig bezit van God En de H. Apostel Paulus zegt ons in zijnen brief aan Timotheus uitdrukkelijk: Het doel der wellen is de liefde, die uit een zuiver hart, uil een goed geweien en een ongeveinsd geloof voorlkoml. Hiervan hebben eenigen zich ontslagen en zij zijn tol ijdele woorden gekomen ; zij zijn, vertaalt Torres Arnat, kwakzalvers geworden. Laten wij het gulweg bekennen, mijne vrienden; dit is maar al te zeer heden het geval met vele katholieken en zelfs met de jongelieden Zij geven hoog op, tot katholieke Vereenigingen te behoo-ren, katholiek te zijn, en toch diezelfde verzuimen min of meer hunne plichtén als katholiek te volbrengen, doen weinig aan liefdewerken, hebben een geringen ijver voor het geloof, én zóó. in plaats van ware katholieken te zijn, wor-

ocr page 85

— 77 —

den zij, naar het zeggen van den Apostel, slechts snoevers en kwakzalvers. Mocht gij, dierbare vrienden, toch niet tot dat getal behooren; doet niet mede aan dien geest van geloof, die zich bepaalt tot Zondags Mis te hooren, Paschen te houden en nu en dan eens eene preek of de een of andere plechtigheid bij te wonen. Laat gij integendeel geene enkele gelegenheid voorbijgaan om, zooals de H. Schrift vermaant, door uwe werken getuigenis te geven van uw geloof. Volbrengt niet alleen nauwkeurig de geboden van God en die der Kerk, maar ook alle plichten van uwen staat en stand, de oefeningen van degelijke godsvrucht, geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid, al naar de bijzondere gevallen en omstandigheden, waarin gij u bevinden zult. Daardoor zult gij den geest des geloofs niet alleen in u bewaren ; maar deze zal in uwe ziel van dag tot dag toenemen, en gij zult u vol moed en onvermoeiden ijver gevoelen, om de leer en de werken des geloofs te verdedigen en te verspreiden. Moge onze Heer van u niet zeggen, wat Hij, volgens het Boek der Openbaring, in den eersten tijd des Christendoms van sommige personen zeide. die meenden niet, alleen een levendig geloof te hebben, maar ook rijk te zijn in goede werken. Over hen klaagt de Heer bitter: gij zegtik ben rijk e7i vol va7i goede werken en niets ontbreekt mij : en gij zveet niet, dat gij een ongelukkige zijt, een ellendige, dat gij arm, blind en naakt zijt. En tot een ander sprak Hij: Ik ken mü werken, gij schijnt te leven en gij zijt dood. Geve God, dat dit nooit het geval worde met jongelingen, die lid van katholieke vereenigingen zijn.

3

Wees op uwe hoede tee:en de gevaren des gelocfs.

Om het geloof te bewaren, is het niet genoeg, den godsdienst aan te leeren, en er alle plichten van te volbrengen, maar men moet ook altijd op zijne hoede zijn tegen de gevaren, waaraan ons geloof altijd in de wereld is blootgesteld : Er zijn twee beginselen of bronnen van gevaren, waaraan ons geloof blootstaat n. 1. van dwalingen en van

ocr page 86

- 78 -

ondeugden. Hetgeen dus op de eene af andere wijze, rechtstreeks of middellijk, zichtbaar of in het geheim strekt, om ons verstand te misleiden of ons hart te bederven, is een gevaar en een zeer groot gevaar voor het geloof, vooral bij jongelingen, die natuurlijk nog geene grondige kennis of groote ondervinding van menschen en zaken hebben en in wie de driften altijd zeer levendig zijn. Wilt gij, dierbare vrienden, in uwe ziel den kostbaren schat des geloofs bewareu ? Behoedt u dan met de grootste voorzorgen tegen dwalingen en ondeugden, en volgt trouw en standvastig volgende raadgevingen op; ie. Zijt op uwe hoede tegen valsche leeraars ; 2e. verfoeit de slechte lectuur; en 3e de ledigheid ; 4e. weest zeer voorzichtig in het aanknoopen van vriendschap, alsook in den omgang met personen van het ander geslacht, 6e. Vlucht de wereldsche verstrooiingen ; 7 steunt niet te zeer op uwe wetenschap of op uwe deugd.

Houden wij ons nu met ieder dier punten bezig.

10. Behoed u voor valsche leeraars. In den loop dezes hebt gij, dierbare vrienden, u een juist denkbeeld kunner. maken, van de zoogenaamde geleerden en leeraars van het ongeloof, wat zij beteekenen, en welk kwaad zij gedaan hebben, en nog doen. Gij hebt gezien, hoe juist Sainte-Beuve hen beschrijft, als hij zegt: Let wel op: zij hebben een gebrek aan het hoofd of aan hel hart. Hieruit zijn gemakkelijk twee leefregels af te leiden, die gij ten opzichte van die lieden moet in acht nemen, die door den Vorst der Apostelen meesier-leugetiaars genoemd worden, n. 1. ze verachten en vermijden, en door ze te verachten en te vermijden zult gij u voor hunne vergiftigde leer behoeden, en trouw in uwe ziel den schat des geloofs bewaren. Dat het. woord minachting u geen aanstoot geve, omdat het iets is. dat het Evangelie, en een christelijk hart niet betaamt: er is ook eene heilige minachting, gelijk ook de haat heilig kan zijn: de profeet David immers zegt: ik heb mijne vijanderi genn?iacht: zoo zegt hij ook: dat hij de zondaars gehaat heeft. Op tallooze plaalsen van de H. Schrift wordt gesproken over den haat en de minachting van God tegen den zondaar en den goddelooze. Men kan dus heiliglijk haten en minachten, en od deze manier moeten wij de zoogenaamde geleerden en leeraars van het ongeloot haten.

ocr page 87

Want het is niet de ware wetenschap, die hen doet spreken, noch de stem van eigen overtuiging, evenmin als liefde tot de deugd; doch slechts een jammerlijke schijn van wetenschap of onkunde, of de geest van geveinsdheid en zucht tot het kwade, en er is niets zoo verachlelijk als een verwaande onwetende, als de geest van veinzerij en leugen, als een slecht en aanmatigend mensch. Laat u dus niet verblinden door hun grooten naam, hetzij zij dezen ontleenen aan hunne schriften of aan de toejuichingen, die hun geworden van onwetende of bedorven menschen. Want van alle deze befaamde geleerden kan men zeggen, wat Huet van Petronius, dezen beginselloozen en schaamteloozen schrijver zegt; dat hij zijn naam minder dankt aan zijne verdiensten dan wel aan zijne goddeloosheid, en dat hij minder bekend zou zijn, als hij minder slecht was.

Hetzelfde oerdeel zou men kunnen vellen over de geleerde ongeloovigen; die menschen zonden niet zoo n misbaar maken en minder bekend zijn, indien hunne ideeën minder zot waren, en zij met hunne beginselen minder tot het kwaad aanzetten.

Maar men moet hen niet alleen minachten, neen; men moet hen ook vluchten; omdat de mensch, bedorven als hij is in zijn wil door de erfzonde, en nog meer door zijne eigene zonden, in zich zeiven steeds meer neiging gevoelt tot het kwaad dan tot het goed, tot de ondeugd dan tot de deugd; en zoodoende lichtelijk wordt verleid tot het afwerpen van het juk des geloofs door vleierij en door de voorspiegeling van een bandeloos leven.

Daarom vermaant de Apostel Joannes eene edele vrouw, Electa genaamd, aan wie hij zijn tweeden Brief richt, dat zij en hare zonen geen omgang zouden houden met ketters, ja dat zij hen zelfs niet moesten groeten.

De Apostel Paulus beveelt hetzelfde aan zijne leerlingen Timotheus en Titus, die aan het hoofd van twee Kerken stonden. En de eerste christenen vluchtten dan ook de dwaalleeraars als menschen, die door de pest besmet waren. Als dan de eerste christenen, die een zoo levendig geloof hadden; als zelfs uitstekende mannen, zooals Timotheus en Titus, die Keiken bestuurden, zóó handelden; hoeveel te meer moeten dan jongelieden dit doen, die 'zich lichter door den schijn van wetenschap laten misleiden : die, minder

ocr page 88

— So —

bekwaam zijn om de dwaling te onderscheiden en te weêrleg-gen, en die zich zoo gemakkelijk laten vervoeren door hunne levendige hartstochten. Gij moet ze dus minachten en met de grootst mogelijke zorg vermijden; en overkomt het u, dat gij ze hoort spreken, of ze hoort prijzen door hunne geestverwanten, hebt dan medelijden met hen en bidt voor dit onzinnig en boos menschenras, en verzucht mei den wijsgeer La Harpe: O God, hoevek slechte en bedorven menschen hebt Gij tot vijanden!

2°. Vei-foei de slechte lectuur. Onder slechte lectuur verstaan wij ieder geschrift, dat rechtstreeks of zijdelings het geloof of één punt des geloofs in zijn geloofs- of zede-leer, in zijn eeredienst of dienaren of zelfs zijn opperherder aanvalt, of wel dat de hartstochten of ondeugden van den mensch kunstmatig opzweept. Het is onverschillig of nu deze geschriften zijn wetenschappelijke, geschiedkundige boeken, gedenkschriften, reisbeschrijvingen, romans, dichtstukken, overzichten, dagbladen, tijdschriften, enz. En vergeet nu dit niet, dierbare vrienden, maar herinnert dit aan zoovelen gij kunt, dat alle ernstige schrijvers van alle landen en van alle denkwijzen ten allen tijde de slechte lectuur veroordeeld hebben. De aartsketters Luther en Calvijn, tot de grootste goddeloozen Bayle, Voltaire, Rousseau enz. hebben de slechte gevolgen erkend, die het menschdom daarvan ondervonden heeft. En zoo zijn te Athene, Sparta, Rome verscheidene malen eene menigte goddelooze of schandelijke boeken in het openbaar verbrand. Onder de regeering van Keizer Augustus werden in eens 2000 boekdeelen ten vure gedoemd.

Als de Kerk de slechte boeken streng veroordeeld heeft en nog veroordeelt, dan heeft zij dat niet gedaan en blijft dat niet doen willekeurig en zonder reden, aangezien zelfs ketters, goddeloozen en heidenen de vreeselijke gevolgen erkennen, die deze vooral voor de jeugd na zich slepen. De boeken, zegt Cantu in zijne „ Volksvoordrachtenquot; moeten wij alleen dan lezen, ■wanneer ze door eerbiedwaardige engeleerde mannengeschreven zijn; e7i ze vluchten als slangen, als zij het werk zijn van onzedelijke, veile, slechte en onbetamelijke personen. Teder, die zich zelf onderzoekt, zal moeten bekennen, dat de boeken, die hij gelezen heeft, hein deugd of' zelfzucht hebben ingeboezemd, en dat hij er uitgeput heeft ■. moed,zelfverloochening,

ocr page 89

liefde, edelmoedigheid of wel zelfzucht, onreinheid of treurige levenszatheid. Dit oordeel van den grootsten geschiedschrijver over de lectuur in het algemeen, zal u, dierbare vrienden, gemakkelijk doen begrijpen, hoe gij u gedragen moet ten opzichte van twee soorten lectuur, die tegenwoordig eene ware ramp zijn in de huisgezinnen en de maatschappij, ik bedoel: de romans en de dagbladen. Proudhon, hoe goddeloos en revolutionair hij ook was, moest bekennen, dat de romans de oorzaak zijn van den ondergang van het huidig geslacht. Over de nieuwe letterkunde in het algemeen schrijft hij ; Wat is de heaendaa^ se he le tier kimde 1 Wie hebben sints nu dertig far en er die verslapping van zeden ingebracht, die minachting voor den arbeid, dien afkeer van plichtsvervulling, die versmading voor het huiselijk leven 1 Wie het meest heeft de vrouweu verleid, de jeugd doen verwijven, het volk tot alle uitspattingen aangezet 2 Wie heeft het schouwspel vertoond van den meest schaam te-loozen geloofs-afval ? De letlerkundigen, altijd de letterkundigen. IJ at raakt hun de heiligheid van den godsdienst? Wat geven zij om den ernst der geschiedenis ? Wat bekommeren zij zich om strenge zedeleer 1 Alles is hun goed, als zij maar naam maken en geld verdienen. Hoe angstvallig zijn zij, om zich niet te verontrusten ; hoe angstvallig, om te genieten! Tn naam van het vaderland, van het werk en van het huisgezin vragen zij dit alleen \ geld, genot, weelde en vrouwen !

En wat zullen we van de dagbladen zeggen ? De dagbladen, door Cantu ovrrtollige dingen (i) genoemd, kunnen, zegt hij, slechts kwaad doen. En Cantu is niet de eenige leek en schrijver die zijne stem verheven heeft, om de dagbladpers te veroordeelen. Carlos Botta, Leopardi, Perrot, Camille Desmoulins, Aimé Martin en anderen hebben nog krachtiger er tegen gesproken. Camille Desmoulins noemt de dagbladpers eene revolutie-fabriek. Aimé Martin, hoe ook ingenomen met de vrijheid van drukpers, zegt dat de aagbladen verwarring stichten, dat zij er op uit zijn, om allerlei instellingen omver te iverpen, om het geld f en

(i! Het Italiaansche woord scar to beteekem eigenlijk; iets, dat men gebruikt en dan wegwerpt.

GELOOF EN ONGELOOF,

ocr page 90

— 8o —

bekwaam zijn om de dwaling te onderscheiden en te weêrieg-gen, en die zich zoo gemakkelijk laten vervoeren door hunne levendige hartstochten. Gij moet ze dus minachten en met de grootst mogelijke zorg vermijden; en overkomt het u, dat gij ze hoort spreken, of ze hoort prijzen door hunne geestverwanten, hebt dan medelijden met hen en bidt voor dit onzinnig en boos menschenras, en verzucht met den wijsgeer La Harpe: O God, koevele slechte en bedorven menschen hebt Gij tot vijanden!

2°. Verfoei de slechte lectuur. Onder slechte lectuur verstaan wij ieder geschrift, dat rechtstreeks of zijdelings het geloof of één punt des geloofs in zijn geloofs- of zede-leer, in zijn eeredienst of dienaren of zelfs zijn opperherder aanvalt, of wel dat de hartstochten of ondeugden van den mensch kunstmatig opzweept. Het is onverschillig of nu deze geschriften zijn wetenschappelijke, geschiedkundige boeken, gedenkschriften, reisbeschrijvingen, romans, dichtstukken, overzichten, dagbladen, tijdschriften, enz. En vergeet nu dit niet, dierbare vrienden, maar herinnert dit aan zoovelen gij kunt, dat alle ernstige schrijvers van alle landen en van alle denkwijzen ten allen tijde de slechte lectuur veroordeeld hebben. De aartsketters Luther en Calvijn, tot de grootste goddeloozen Bayle, Voltaire, Rousseau enz. hebben de slechte gevolgen erkend, die het menschdom daarvan ondervonden heeft. En zoo zijn te Athene, Sparta, Rome verscheidene malen eene menigte goddelooze of schandelijke boeken in het openbaar verbrand. Onder de regeering van Keizer Augustus werden in eens 2000 boekdeelen ten vure gedoemd.

Als de Kerk de slechte boeken streng veroordeeld heeft en nog veroordeelt, dan heeft zij dat niet gedaan en blijft dat niet doen willekeurig en zonder reden, aangezien zelfs ketters, goddeloozen en heidenen de vreeselijke gevolgen erkennen, die deze vooral voor de jeugd na zich slepen. De boeken, zegt Cantu in zijne,. Volksvoordrachtenquot; ftwetenwij alleen dan lezen, wanneer ze door eerbiedwaardige en geleerde mannengesckreven zijn; eri ze vluchten als slangen, als zij het werk zijn van onzedelijke, veile, slechte en onbetamelijke personen. Teder, die zich zelf onderzoekt, zal moeten bekennen, dat de boeken, die hij gelezen heeft, hein deugd of zelfzucht hebben ingeboezemd, en dat hij er uitgeput heeft; moed, zelfverloochening.

ocr page 91

- Si —

liefde, edelmoedigheid of wel zelf zucht, onreinheid of treurigs levenszatheid. Dit oordeel van den grootsten geschiedschrijver over de lectuur in het algemeen, zal u, dierbare vrienden, gemakkelijk doen begrijpen, hoe gij u gedragen moet ten opzichte van twee soorten lectuur, die tegenwoordig eene ware ramp zijn in de huisgezinnen en de maatschappij, ik bedoel: de romans en de daqbladen. Proudhon, hoe goddeloos en revolutionair hij ook was, moest bekennen, dat de romans de oorzaak zijn van den ondergang van het huidig geslacht. Over de nieuwe letterkunde in het algemeen schrijft hij : Wat ts de heaendaaamp;sche letterkunde 1 Wie hebben sints nu dertig jaren er die verslapping van zeden ingebracht, die minachiing voor den arbeid, dien afkeer van plichtsvervulling, die versmading voor het huiselijk leven ? Jl'ie het meest heeft de vrouwen verleid, de jeugd doen verwijven, het volk tot alle uitspattingen aangezet 1 Wie heeft het schouwspel vertoond va7i den meest schaam te-loozen geloofs-afval ? De letterkundigen, altijd de letterkundigen. Hat raakt hun de heiligheid van den godsdienst 1 Wat geven zij om den ernst der geschiedenis ? Wat bekommeren zij zich om strenge zedeleer 1 Alles is hun goed, als zij maar naam maken en geld verdienen. Hoe angstvallig zijn zij, om zich niet te verontrusten ; hoe angstvallig, om te genieten! Tn naam van het vaderland, van het werk en van het huisgezin vragen zij dit alleen: geld, genot, weelde en vrouwen .'

En wat zullen we van de dagbladen zeggen ? De dagbladen, door Cantu overtollige dingen (i) genoemd, kim-zegt hij, slechts kwaad doen. En Cantu is niet de eenige leek en schrijver die zijne stem verheven heeft, om de dagbladpers te veroordeelen. Carlos Botta, Leopardi, Perrot, Camille Desmoulins, Aimé Martin en anderen hebben nog krachtiger er tegen gesproken. Camille Desmoulins noemt de dagbladpers eene revolutie-fabriek. Aimé Martin, hoe ook ingenomen met de vrijheid van drukpers, zegt dat de aagbladen verwarring stichten, dat zij er op uit zijn, om allerlei instellingen omver te werpen, om het gelonf en

(i) Het Iialiaansche woord scarto beteekent eigenlijk : iets. dat men gebruikt en dan wegwerpt.

GELOOF EN ONGELOOF. 0

ocr page 92

— 82 —

den geest der volken te dooderi. (Over de beschaving van het menschelijk geslacht).

Als gij, dierbare vrienden, u dan wilt bewaren voor den al'grijseïijken afgrond van ongeloof en zedenbederf, wacht u dan wel voor alle lectuur, die gevaarlijk is voor geloof en zeden; en gewent u aan het lezen van werken, die uwen geest kiKinen verlichten en uw hart veredelen. Daar hebt ge bv. de Algemeene Geschiedenis van Cantu. Is er één boek, dat meer geschikt is, om uw verstand vóór te lichten, en waaruit ge gezonder beginselen zult opdoen'? Geen geschiedboek voorzeker, dat duidelijker doet uitkomen de heilzame vruchten, die het geloof en de kerk aan de wereld geschonken hebben; — geen, dat u beter geschikt maakt, om het geloof, dat gij-belijdt, te verdedigen. De Civilta Caltolica besprak in 1890 de laatste uitgave der Algemeene Geschiedenis, die voortgezet is door Cantu tot 18S5; en zij noemt het een reuzenwerk, aan hehvelk de zeldzame, misschien eenige eer is te beurt gevallen, dat het vertaald en herhaaldelijk uitgegeven is in bijna alle talen van Europa, terwijl het door de meest aanzienlijke dagbladen en de meest bevoegde meesters ten zeerste geprezen is. De schrijver, zegt verder de Civilta, voldeed door dit werk te ondernemenquot; aan een in de wereld der letteren algemeen gevoelde behoefte en uitgedrukt verlangen, en hij heeft dooide wijze, waarop hij het uitgevoerd heelt, aan de algemeene verwachting wonderwel beantwoord. De heerschzucht dei-Pausen, de ondeugden der geestelijkheid, de luiheid en het onnutte der kloosterlingen, de ijselijkheden der inquisitie, de gruwelen en de dichte duisternissen van de middeleeuwen, de dwaasheid der kruistochten en andere dergelijke onderwerpen gingen nog altijd voor onomstootbare geschiedkundige waarheden door, en menig goedgeloovig katholiek sloeg er evenzeer geloof aan. Cantu ondernam met moed de taak om die afgoden, door goddeloosheid en dwaling op net voetstuk verheven, te bestrijden en te vernietigen. Tegen de drogredenen en lasteringen gebruikte hij de wapenen van degelijke en uitgebreide wetenschap, van wijze kritiek en strenge redeneerkunde; en hij wendde die zoo krachtig en handig aan, dat de tegenstanders zeiven moesten erkennen, geslagen te zijn. Indien er voor de studeerende jeugd één middel kan zijn, om hun de menigte van dwalingen te

ocr page 93

_ 83 —

verhelpen, waarmede zij dagelijks op de openbare (neutrale?) scholen overstelpt worden bij middel van geschiedkundige (?) boeken en verhandelingen, maar die eerder vervaardigd zijn, om de geschiedenis te vervalschen, — dan kan de studeerende jeugd dit middel putten uit cfe uitgebreide bronnen der Algemeene Geschiedenis van Cantu en anderen. Leest dan en bestudeert dit werk. Leest, met denzelfden geest bezield, ook andere werken, die ter onderrichting geschreven zijn, en verfoeit uit het diepst van uw hart ieder werk, dat gevaarlijk is, wat er ook de stof of inhoud van zij.

3° Verfoeit den geest va?i ledigheid. Welke ook uw stand zij, of welke ook de omstandigheden zijn, waarin gij u bevindt, vlucht de ledigheid, als gij den geest van geloof en zuiverheid van zeden wilt behouden. Urie beweegredenen moeten u daartoe aansporen : io ledigheid is tijdverlies, 20 de ledigheid is de vijandin van alle deugden; 30 de ledigheid is de moeder van alle ondeugden. Niets is zoo kostbaar als de tijd, zegt de H. Bernardus, Cantu drukt dit aldus uit: tijd is de stof, waarvan alles gemaakt kan worden. De tijd, vervolgt hij, vertegenwoordigt alle waarden: zedelijke, verstandelijke en ook geestelijke; en ieder oogenblik is de eeuwigheid waard, want ieder oogen-blik kan die brengen. Merkt nu wel op, dat dit den tijd zoo kostbaar doet zijn, dat hij aan den mensch gegeven is om te verdienen, Gods oneindig wezen te genieten. En, ééns verloren is het onmogelijk dien te herkrijgen. God zelf, zegt de H. Thomas, kan niet maken, dat de tijd, welke men doorloopen heeft, niet is doorloopen. Daarom verzekerde de H. Bernardus van Siena, dat de tijd zooveel waard is als God zelf; daarom ook vermaant ons de H. Geest den tijd te bewaren. (Eccl). De ledigheid nu is daarom te meer vijandig aan alle deugden, omdat, wil men deugden verwerven, behouden of beoefenen, dan moet men daarvoor moeiten doen, werken en niet ophouden te werken : geen deugd zonder inspanning, zeide alreeds de H. Ambrosius. Te recht wordt de ledigheid door den H. Thomas van Villanova, de stief)noeder der deugden genoemd. Want gelijk stiefmoeders gewoonlijk niet alleen geene liefde voor hunne stiefkinderen, maar zelfs

ocr page 94

- 84 —

een atkeer van hen hebben, ja hen haten; zoo hebben ook lecligloopers de deugd niet alleen niet lief, maar zij hebben er een afkeer, een afschuw van. Waarom ? Omdat voor elka deugd noodig zijn : inspanning van den wil, offers, vastheid van karakter, hetgeen alles tegenstrijdig is aan den geest van niets-doen. Erger is, dat de ledigheid de moeder aller ondeugden is. zegt de H. Thomas van Villanova en met hem stemmen in alle Kerkvaders en Heiligen, die allen zich gronden op d1; uitspraak der H. Schritt: de ledigheid leert veel [alle) kwaad. (Eccl. 33.29.) Twee redenen verklaren dit droevig feit: in onze ziel is eene zelfstandigheid, die uit zijn wezen bedrijvig is, die dus uit haar zelve niet ledig kan zijn. Houdt zij zich dus niet bezig met nuttige en goede dingen, dan zal ze het noodzakelijk doen met slechte. De 2« reden is deze: Volgens het gedacht, dat de H. Schrift en het geloof van 's menschen leven geven, is dat een strijd op aarde, en dien strijd moeten wij tegen de vijanden onzer ziel strijden tot het einde. Hieruit volgt, dat de christen, die niet waakt, niet strijd, niet kampt, maar ledig is, noodwendig verloren moet gaan, te meer, zegt Cassianus, omdat tegen één duivel, die den mensch bekoort als hij bezig is, er honderd zijn, die hem overvallen als hij ledig is. Dit deed den H. Hieronymus aan zekeren Rusticus schrijven : zorg. dat de duivel u altijd bezig vinde. Verfoeit dan, jongelingen, de ledigheid, en stelt u ten voorbeeld de groote mannen van eiken leeftijd, van eiken staat en stand, dié het christendom, ja zelfs die het oude heidendom heeft opgeleverd. Ofschoon Pythagoras al oud was, gaf hij toch nog les aan een groot getal leerlingen. Socrates bestudeerde in zijn ouderiiom nog de muziek, om die in overeenstemming te brengen met de wijsbegeerte. Toen Sophocles honderd jaren oud was, vervaardigde hij nog een boek treurspelen. Plinius gebruikte den dag, om zijne zaken te doen, en den nacht om te studeeren. Cato begon nog de grieksche taal te leeren, toen hij reeds oud was. Seneca viel bij zijne boeken in slaap. Varo schreef en studeerde tot den laatsten dag van zijn leven, op honderdjarigen leeftijd. Laat u veel aan den tijd gelegen liggen, dierbare vrienden, want, zegt Cantu in zijne Volksvoordrachten: hei ware beter, dat hij hem met bezat, die er geen goed gebruik van

ocr page 95

maakt. En daarom brengt u steeds voor den geest het gezegde van den H. Augustinus : hij die gaarne ledig- is, zal nooit hemelburger worden.

4quot; Wees/ voorzichtig in het sluiten van vriendschap. — Vriendschap is, volgens den H. Thomas, eene welwillende liefde tusschen twee personen, die elkander kennen, is de overeenstemming van twee zielen: vriendschap, zegtVorre-piere, schijnt de eenige gemoedsbeweging te zijn, die belangeloos is. Vriendschap, zegt Cantu in zijne Volks-voordrachten, ontstaat hieruit, dat men dezelfde gevoelens koestert, eenzelfde karakter hebbe, overeenstemme in smaak, in denkwijze, dat men dezelfde overtuiging, hetzelfde besef van plichtsvervulling zij toegedaan. Zij doet de innigste veree.iiging ontstaan, die men zich kan denken. Welaan, dierbare vrienden, als gij den schat van geloof en zedelijkheid wilt behouden, zijt dan voorzichtig in het aangaan van vriendschap, want ware vrienden zijn zeldzaam, en overgroot is het getal valsche vrienden: bovendien, de nasleep van eene goede of slechte vriendschap is van te groot belang, zoowel ten goede als ten kwade. Inderdaad, La Fontaine sprak zeer juist over vriendschap, als hij zeide: niets is zoo algemeen als de naam, maar ook niets zoo zeldzaam als de zaak. En deze meening over vrien-schap is ten allen tijde gedeeld. Menander reeds hield hem voor driewerf gelukkig, die ook maar den schijn van vriendschap mocht aantreffen. De H. Geest verzekert, dat hij, die een goeden vriend vindt, een schat bezit. (Eccl), en wij weten allen dat schatten geene gewone, maar zeldzame dingen zijn. Een jongeling sprak eens met zijn vader over de vrienden, die hij had; maar zijn oude vader, hem aanziende, zeide: Hoe, mijn zoon, gij hebt vele vrienden ? gij zijt gelukkiger dan ik, want in mijne zestig levensjaren, heb ik ter nauwernood één enkelen vriend kunnen vinden. En er zijn twee redenen voor, waarom het zoo zeldzaam is, een waren vriend aan te treffen. Die redenen zijn iode zelfzucht, die in de wereld heerscht, 2,, de zwakheid van karakter, die de menschen beheerscht. Want een ware vriend moet zijn vriend liefhebben, en evenzeer diens welzijn op het oog hebben, als hij zijn eigen welzijn zoekt. Tegelijk moet hij zoo degelijk en rondborstig van karakter

ocr page 96

— 86 —

zijn, dat hij, «el verre van zijn vriend te vleien of diens gebreken te verkleinen, hem er op wijst, en hem er van doet beteren. En nu : waar, en hoevelen zijn er heden ten dage in de wereld, die deze hoedanigheden bezitten, zelfs onder godsdienstige en godvruchtige personen ? Weet gij, vraagt Cantu in zijne Volksvoordrachten, wie de ware vrienden van het volk zijn? Zij, die aan het volk ook minder aangename waarheden rondborstig durven zeggen, al loopen ze ook gevaar, de volksgunst te verliezen. Zoo zeldzaam echter als ware vrienden zijn, zoo ontzettend groot is het getal valsche vrienden, vooral tegenwoordig, nu alle vijanden van de Kerk igoddeloozen, ketters, revolutionairen, protestanten, spiritisten, liberaal-katholieken van allerlei soort) met duivelsch geweld en list er op uit zijn, om de ware geloovigen te verleiden en hunnen aanhang u:-t te breiden. De wereld, heeft Tacitus gezegd, dal is : bederven of bedorven worden. Leopardi voegt er bij : de ivereld is één bond van dengnieien. Deze uitspraken zijn volkomen van toepassing op onzen tijd, dierbare vrienden. Een beroemd en ijverig priester, Gerola, schreef in zijn zoo schoon en nuttig werkje : Een net des duivels, tot antwoord aan hen, die zeggen; ik denk goed van alle menschen, en ik houd allen voor goed: — Jesus Christus heeft ons bevolen, van iedereen goed te denken, en niemand te beoordeelen, maar Hij heeft op eene andere plaats ook gezegd, dat wij rechtvaardig moeten zijn in onze oordeelvellingen, en niet naaiden schijn mogen oordeelen. Er zijn dus omstandigheden, waarin wij onzen naaste wèl moeten beoordeelen, en die omstandigheden moeten wel voorkomen, opdat wij het zoo dikwijls herhaald gebod zouden nakomen, van het gezelschap der boozen te vermijden, en ze te vluchten ; terwijl toch huichelarij, list en bedrog zoo veelvuldig in de wereld zijn. Vooral voor twee soorten van menschen moet men op zijne hoede zijn, wil men niet bedrogen uitkomen: voor huichelaars en vleiers. Nog beter zult gij, beste vrienden, begrijpen, hoe noodzakelijk het is, dat gij' voorzichtig zijt bij het sluiten van vriendschap, als gij bedenkt, welken nasleep ten goede of ten kwade eene aangegane vriendsc.i ap kan hebben. Die nasleep of die gevolgen, welke uit ge-slotene vriendschap voorkomen, zijn altijd gewichtiger en krachtiger dan die, welke goede of slechte gezelschappen

ocr page 97

— Sy —

ten gevolge hebben, want een vriend heeft altijd meer invloed op onzen geest dan enkel een kameraad. Daarom zegt ons de H. Geest, dat niets kan vergeleken worden bij vriendschap, als n.1. die vriend goed is. Want dan is dergelijke vriend voor den mensch een machtig beschermer, een balsem voor zijne kwalen, een middel om ten hemel te geraken; en gelukkig dus de man, die een waren vriend vindt. (Eccl.) Uit het voorgaande moet gij, dierbare vrienden, twee praktische besluiten trekken, en deze moeten u leiden bij het kiezen van vrienden, opdat gij niet misleid word:. Het eerste besluit is, dat een slecht mensch nooit een ware vriend kan zijn, omdat hij, die voor zich zelf het waarachtig goede niet zoekt noch liefheeft, zich ook nooit aan een ander mensch kan hechten, om aan hem dat ware goed te bezorgen. Cicero, ofschoon hij een heidensch wijsgeer was, zeide zeer juist: Vriendschap kan a leen tusschen brave menschen bestaan. De tweede gevolgtrekking is deze, dat een ongeloovige nog minder een goed vriend kan zijn, omdat, daar vriendschap voortkomt uit wederzijdsche welwillendheid en achting, hij, die God niet bemint en hoogacht, zeker niet een mensch kan liefhebben en eeren, als zijnde deze slechts een schepsel vol gebreken.

De mensch, zegt de H. Ambrosius, kan geen vriend van den mensch zijn, als hij vijand is van God. Volgt dan deze regels op bij de keuze uwer vrienden, en brengt u de woorden van den H. Geest te binnen, die zegt dat, hoe zeldzaam een goede vriend ook zij, hij toch gevonden wordt door hen, die den Heer vreezen. (Eccl.)

50. Weest uiterst voorzichtig in den omgang met personen van het andere geslacht. Alles in de natuur, dierbare vrienden, haakt naar kracht en schoonheid : die twee hoedanigheden treft men echter in alle dingen niet in dezelfde mate aan. In eenige komt de sterkte meer uit, in andere de schoonheid; en die beiden te zamen doen de wijsheid van den Schepper bewonderen. Van de beide eerste schepselen, welke uit de hand des Scheppers voortkwamen, stelt de man alle eigenschappen van kracht en sterkte voor, terwijl de vrouw een model is van zinnelijke schoonheid en persoonlijke bevalligheid. De slotsom is,

ocr page 98

dat, tengevolge der erfzonde, de vrouw van nature een sterke prikkel tot zinnelijkheid voor den man is, en eene gelegenheid om hem ten verderve te voeren. Daarom, bij den uitbundigsten lof, welke de H. Geest in de IHL Schrift èn al de Vaders, Leeraars en Heiligen der Kerk aan de zuiverheid toekennen, geven zij tevens hoog op van de gevaren, welke deze deugd loopt in den omgang met personen van het ander geslacht. De H. ieronymus b.v. grondt zich op de H. Schrift en op heilige schrijvers en zegt, dat voor den man niets zoo gevaarlijk is als de nabijheid eener vrouw ; en niets zoo gevaarlijk voor de vrouw als de nabijheid van een man: uier que ignis, vierque palea, zegt deze Kerkvader : beiden zijn vuur, beiden zijn stroo: niets kan dus zoo gevaarlijk zijn als die bijeen te brengen. De gevolgen van die bijeen te brengen zijn tweederlei: de hartstocht der liefde en de ondeugd van ontucht; twee gevolgen, die vreeselijk zijn voor allen, bijzonder voor jonge lieden. Mgr. Scotti zegt in zijne homiliën tot jonge studenten over deze'i hartstocht der liefde, dat deze in den beginne blind is. vervolgens uitzinnig wordt en verderfelijke' gevolgen heeft. En zóó is het met deze vreeselijke drift. Ziet zelfs geene maogd aan, vermaant de H. Geest, opdat hare schoonheid geene aanleiding lol val voor u zij. (Eccl.) Rampzaliger echter is, de hartstocht der onzuiverheid, want, zegt de li. Thomas, deze brengt ce weeg verblinding van den geest, haat tegen God, neiging tot het aardsche, afkeer van het hemelsche, ja zelfs dooft zij het oordeel van het verstand uit, omdat de wellust meer dan eenige andere ondeugd den mensch van God verwijdert. He H. Ambro-sius schreef dus terecht, dat de mensch begint van het geloof nf te vallen op het oogenblik dat hij wellustig wordt. Gij zult misschien zeggen, dat het in de wereld moeielijk is, zich op een afstand van vrouwen te houden. Dit weet ik; en daarom beveel ik u aan, in dien omgang zeer voorzichtig te zijn, omdat de schoonheid der vrouw velen len val heefl gebracht, en omdat daardoor de begeerlijkheid als een vuur on Is loken wordt. (Eccli). Ge zegt nog, dat gij u niet geroepen gevoelt tot den geestelijken of kloosterlijken, of tot den ongehuwden staat. Dat is, antwoord ik u. eene reden te meer om op uwe hoede te zijn, opdat het vuur der wellust u niet aantaste en u ten verderve voere, en

ocr page 99

- 89 -

opdat de liefde-drift u niet blind make bij het doen eener keuze. I/cl vuur (der wellust) viel op hen, zeide de Psalmist, en zij zagen de zon (God) niel meer. De uitleggers der H. Schrift passen deze woorden op een wellustig mensch toe, die is als een «-eeselijk en geheimzinnig vuur, dat zijn hart aantast en zijn geest verblindt. Als gij wilt dat de bevalligheid der vrouw geen al te grooten indruk op u make, gaat dan eens grondig haar karakter na. Het is eene algemeen verspreide, maar daarom niet minder groote dwaling, die vooral onder jongelui bestaat, te meenen, dat de grondtrek van het karakter der vrouw liefde is, en dat de innerlijke schoonheid der ziel gelijken tred houdt met de uiterlijke des lichaams. Ziedaar twee groote dwalingen. De vrouw wordt meer beheerscht door het hart dan door het verstand. Ten gevolge der erfzonde nu, is haar hart niet van zelf tot liefde en oprechthei 1 genegen, maar veeleer tot hoovaardigheid en arglistigheid. Wat meer is; krachtens een soort van wet, die alle wezens zoowat schadeloos stelt en gelijk maakt, beantwoordt de innerlijke schoonheid der ziel niet altijd aan de uitwendige des lichaams, ja, men ziet dit slechts zelden gebeuren. De grondtrek van het karakter der vrouwen is, de geest van ijdelheid en heerschzucht, met andere woorden : van trots. Hierbij komt een geest van list en bedrog; want de vrouw tracht altijd door vleierij en liefkozen, door veinzen en kunstgrepen te verkrijgen wat zij wil hebben, omdat zij zich met den man niet kan meten in lichaamskracht of in geestvermogens. Ziedaar het karakter van de vrouw, welke ook haar staat of stand zij. welke bezigheden of goede werken zij ook uitvoere. De ijdele en heerschzuchtige geest der vrouw, hare zucht naar gebieden, haar gebiedende toon, haar vleiend en listig vernuft djn zoo bekend, dat zij spreekwoordelijk geworden zijn: en te over bewijzen, welke de grondtrek van het karakter der vrouw is. Zeer juist zegt Alimonda in zijne Conferentien over de vrouw. Tacitus heeft een woord gesproken, dat meer waard is dan een boek, en dat de geschiedenis verklaart van alle volken, die in verval geraakt zijn: waar de vrouwen bevelen, daar -ijn de mannen slaven. Niet te verwonderen is het dus, dat de H. Geest in de H. Schriftuur bij monde van den Wijzen Man zegt; Tk heb in mijn gees/ alles nagegaan, e?i ik he-

ocr page 100

— go —

vonden, dat de vrouw bitterder is dan de aoodzij is de strik, waarin de jagers vallen, en haar hart is een net. Alle boosheid is gering in vergelijking bij de boosheid der vrouw. Geef aan de vrouiv geene macht over u, otdat zij in uwe heerschappij niet trede, en gij tot schande kornet. (Eccli). Deze karakter-teekening der vrouw wordt ons verklaard door het beginsel van hare verleiding en van haren val in het aardsch paradijs. Van de eerste twee menschen liet de vrouw zich verleiden door de helsche slang, en niet de man, bemerkt de H, Paulus, en de oorzaak van hare verleiding en van haren val was dwaze heerschzucht: gij zult als goden zijn, sprak tot haar de slang. Dc H. Joannnes geeft dezelfde oorzaak van haren val aan: Eva werd bedrogen door hare begeerte naar de voorgespiegelde eer. Zoo had dan de vrouw grooter aandeel dan de man in den geest van trots en bedrog, welke twee beginselen van helsche boosheid door Satan verkondigd werden, om aldus Gods plannen bij de schepping van den mensch te weerstreven en den ondergang van het menschelijk geslacht te veroorzaken. Hieruit zult gij dus begrijpen, dierbare vrienden, hoe uiterst noodzakelijk iedere mensch, welke dan ook zijn staat of stand zij, op zijne hoede moet zijn voor personen van het ander geslacht, om niet door haar bedrogen of overheerscht te worden, zooals men maar al te dikwijls in alle levensstaten ziet gebeuren. Zegt niet, zooals velen dwaas genoeg, doen: ik kan niet. Daarop antwoordt Cantu, in zijne Volksvoordrachten sprekend over deugden en ondeugden: -egt niet, ik kan die neiging niet overwinnen, ik kan mijne natuurlijke geneigdheid niet onderdrukken. Alles kan men, als men maar wfl. Meent niet, dat er gelegenheden bestaan, waar gij noodzakelijk kwaad moet doen : dat is lafheid, en gebrek aan ernst. AN ilt onverzettelijk het goede, gelijk gij misschien ooit het kwaad gewild hebt.

6e. Vlucht de wereldsche vermaken Door wereldsche ver maken verstaan wij hier die pleizieren en dat tijdverdrijf van allerlei soort, die aan den geest der wereld ontleend zijn. En door ivereld verstaan wij die wereld, welke het geloof ons voorstelt als de vijandin onzer zielen, en waaraan wij in het Doopsel verzaakt hebben ; — die wereld, waarin, zegt de H. Joannes, alles is begeerlijkheid des vlee-

ocr page 101

— gi —

sches, begeerlijkheid der oogen en hoovaardij des levens; — die wereld, welke Jesus Christus haat, en voor welke Hij niet bad, gelijk Hij zelf zeide ; M// haat zij — niet voor de wereld bid Ik ; — die wereld eindelijk, waaraan men, volgens den H. Jacobus, niet gehecht kan zijn, zonder tevens vijand van God te zijn ; die wereld, waarvan Satan de vorst is, en van welke Jesus Christus gezegd heeft: wee der wereld wegens de ergernis! Wilt gij een duidelijker verklaring ? Wij verstaan onder wereldsche vermaken schouwspelen, theathers, bals, vermommingen en andere vermaken, naar den geest der wereld, die aan den geest van Jesus Christus vijandig is, die zijne beginselen ontvouwt, zijne bekoorlijkheden en aantrekkelijkheden biedt om de geesten te misleiden, de harten te bederven en de zielen af te brengen van het pad des geloofs en der christelijke deugden. De mensch moet uitspanning hebben ; dat spreekt van zelf: niemand zal dat ontkennen als misschien de een of ander stugge dwaas, die de behoeften van den mensch tot het noodzakelijke beperken, en hem overigens alles ais nutteloos of slecht ontzeggen wil. De geest van het christendom is verre van zulke onredelijke strengheid; integendeel; de grondbeginselen der evangelische volmaakt heid en van christelijke heiliging verbieden niet alleen zich te ontspannen, maar keuren dat goed en bevelen het aan. Alle heiligen hebben zelf uitspanning genoten, maar zij wilden ook, dat zij, die door hen op den weg der heiligheid en volmaaktheid geleid werden, zich vermaakten. Onwaar is het echter, dat de vermaken, die van de wereld uitgaan en door haar bezield worden, ware uitspanningen zijn. Dat is bedrog des duivels en eene jammerlijke dwaling, die tal-looze christenen, vooral jongelieden van beider geslacht aankleven. Begrijpt het wel. mijne vrienden ; tusschen echte ontspanning en de pleizieren der wereld bestaat een innerlijk en diepgaand onderscheid. Kn dit onderscheid komt het best uit, als we nagaan welke uitwerkselen ze hebben op de ziel en op het lichaam van den mensch. De eigenlijk gezegde uitspannigen vermoeien noch het lichaam, noch den geest, maar herstellen beider krachten, verkwikken ze, geven hun nieuwe krachten, en zijn van dien aard, dat lichaam en ziel van den mensch, die ze genoten heeft, beter gesteld en geschikter zijn, om met nieuwen lust en

ocr page 102

ijver zijne ernstige bezigheden te hervatten, welke die ook zijn. Dan verdienen die uitspanningen ten volle dien naam. Dit woord toch komt van het latijnsche recreare-, op nieuw scheppen, vernieuwen, weder voortbrengen, omdat denrelijke uitspanningen zoo heilzaam werken, dat zij een nieuw leven, nieuwe krachten aan lichaam en ziel instorten. Dc wereld-sche vermaken daarentegen herstellen de krachten niet, noch van de ziel, noch van het lichaam; zij vermoeien en verzwakken beiden, zoodat de mensch er onbekwaam door wordt, om zich aan ernstige zaken te wijden, vooral niet aan geestes-arbeid of aan de beoelening van deugden. Duidelijk bewijs, dat die inspanningen noch heilzaam noch onschuldig zijn, maar voor ziel en lichaam nadeelig Als wereldsche uitspanningen u bekend zijn, beste vrienden, en als gij oprecht wilt zijn, dan zult ge moeten bekennen, dat men die verlaat, verblind, bedwelmd en met zulke denkbeelden in den geest, en gevoelens in zijn hart, dat vooral een jongmensch daaruit niets kan behouden dan verzwakking van karakter en van geloof, traagheid voor het goede, verslapping in deugd en zeden, hoogschatting van zich zeiven en geringschatting van anderen, eene bijna hei-densche denkwijze, en niet zelden het verlies van gezondheid en fortuin. Dat zijn de vruchten, die men vroeg of laat van de wereldsche vermaken plukt. Vlucht ze dan en komt niet, gelijk zoovele dwazen aandragen met het voorwendsel, dat men u voor slecht opgevoed of voor angstvallig zal aanzien. Laat die dwazen en verdorvenen doen zooals zij willen; maar bemerkt wèl, dat de goede naam van een jongmensch niet gemaakt wordt door het gepraat van hen, die een lichtzinning en weelderig leven leiden, maar door het oordeel dat verstandige en deugdzame menschen over hen vellen. De slotsom is: gij kunt niet tegelijk God en de wereld, Jesus Christus en den duivel dienen. Maakt ook niet de opwerping, dat vele personen, dio katholiek en zelfs godvruchtig willen zijn, wel deel nemen aan die wereldsche vermaken Heden toch heeft men alles vervalscht, zelfs den katholieken geest en de christelijke godsdienstigheid. Vergeet dus niet, dat hei getal der dwazen oneindig is, gelijk de H. Geest in de H. Schriftuur zegt, en het getal der uitverkorenen zeer klein, voegt Jesus Christus er bij. Wat dus die zoogenaamde katholieken en

ocr page 103

— 93 —

godvruchtige personen aangaat, voor hen gelden deze woorden van het Evangelie; Ais de Zoon des menschen weder komt, meent gij, dat Hij geloof zal vinden op aardet (Luc). Deze woorden slaan niet op Heidenen of Ketters, die de gave des geloofs niet hebben, maar wel op die naam-katholieken en valsche godvruchtigen, die meenen het geloof te bezitten en godsdienstig te zijn, maar die op verre na niet handelen volgens de beginselen en voorschriften van geloof en godsvuuchtigheid.

Sprekend over de wereldsche vermaken tot de jeugdige leden van katholieke Vereenigingen, hebben wij tot nu toe geen ^ gewag gemaakt van de ondeugd der onmatigheid of dronkenschap. Genoeg, hier de woorden in herinnering te brengen, waarmede de H. Paulus zijn leerling Timotheus gelaste, de jongelieden te vermanen, toch matig te zijn. Dezelfde Apostel schreef aan de geloovigen van Ephese: drinkt u niet dronken aan wijn, want daarin is wellust. De H. Hieronymus spoort de jongelieden krachtig aan tot matigheid, en hij dringt hierop te meer aan. omdat, zegt hij, overdaad in drank een doodelijk vergif is, en eene der krachtigste wapenen, welke de duivel tegen de jeugd gebruikt. Ook de wijzen onder de Heidenen veroordeelden de onmatigheid; en Cicero schreef, dat de matigheid alle hartstochten bedwingt en ze aan de rede onderwerpt, terwijl de onmatigheid de ziel in eiken leeftijd ontvlamt, opwekt en ontstelt. Hierbij komt, dat heden ter nauwernood natuurlijke wijn nog verkrijgbaar is, terwijl namaak van wijn zeer schadelijk voor de gezondheid is. De natuurlijke wijnen, zegt Drumont, hebben gelijke grondstoffen, en als men zich daarvan te buiten gaat, zijn de gevolgen toch nog zoo erg nadeelig niet; terwijl de dranken, die van allerlei aftreksels (essence) gemaakt worden, ware vergiften zijn: zij brengen een crisis van delirium tremens (dronkemanswaanzin) te weeg, aanvallen van woedende razernij en woestheid in den hoogsten graad, waarvoor de mensch bijna niet verantwoordelijk is. Het gebruik van likeuren en geestrijke dranken is nog noodlottiger. Om deze den mensch zoo zeer verlagende ondeugd der dronkenschap tegen te gaan, heeft een ijverig lersch Capucynen Pater. Matthew, de bekende matigheidsgenootschappen opgericht, waarin mannen, vrouwen, zelfs kinderen als leden worden aangenomen. In

ocr page 104

— 94 —

de vereenigde Staten van Noord-Amerika zijn 800 zulke genootschappen, en behalve dat zij ontzettend veel lichamelijk en zedelijk kwaad voorkomen, doen zij ook vele millioenen dollars besparen. Alle jaren neemt in Engeland, Duitschland, Rusland, enz. het getal dezer genootschappen toe.

70. Steli geen ie groot vertrouwen op uwe kennis of deugd. De laatste raadgeving, welke wij u geven, dierbare vrienden, om in u het geloof te behouden te midden der gevaren, die u omringen, is, dat gij toch niet vermetel vertrouwt. Deze raad moet u aansporen, en uw uitganspunt zijn, om alles uit te voeren, wat wij u tot dusver aanraadden, en alsnog zullen doen. Het woord praesumere beteekent een te groot gedacht van zichzelven hebben, een overmatig, vermetel vertrouwen stellen op eigen krachten en bekwaamheden. Het is een onbetwistbaar feit, waarop slechts weinige uitzonderingen zijn, dat de mensch des te minder genegen is, vermetel te vertrouwen, naarmate hij meer verdienste heeft: omgekeerd; hoe minder verdienste, hoe meer hij op eigen krachten en bekwaamheden steunt. De reden ervan is, dat ware verdienste jegens kunsten, wetenschapen, en kundigheden in het algemeen, — en hetzelfde geldt ten opzichte van het goede en van de deugd — gewoonlijk bij den mensch de vrucht zijn van ernstigen en langdurigen arbeid. Van daar dat, als iemand het in eene zaak tot een zekeren graad van volmaaktheid gebracht heeft, hij weet, dat hij het zoover gebracht heeft door voortdurenden arbeid. Ook weet hij dan, dat er nog veel meer zijn en waren, wier verdiensten jegens dezelfde zaak grooter zijn dan de zijne; dat al wat hij bezit of kent, weinig is in vergelijking van hetgeen hij niet weet, van hetgeen hem ontbreekt, van hetgeen hij nog moet aanleeren ; en dat alle wetenschap en deugd van den mensch ten slotte als niets zijn, als God hem niet verlicht en helpt met Zijne genade. Volgens alle H Vaders en Kerkleeraars is eigenwaan eigen aan de jeugd. Deze ondeugd is haar zoo eigen, zegt de H. Basilius, dat zij meesteres is op dit terrein. Toch kunnen jongelui, hoe zware studies zij ook gedaan hebben en hoe groot hunne talenten ook zijn, slechts eene beperkte en onvolledige kennis hebben van de wereld, van zaken, van geleerdheid. quot;Van den anderen kant belet hen de verbeeldingskracht, die her.

ocr page 105

— 95 —

beheerscht, en het drijven der hartstochten, die zeer levendig bij hen zijn, dat degelijk oordeel te bezitten, hetwelk de vrucht is van jarenlange overdenking en ondervinding. Jongelieden zijn dus niet in staat een gezond oordeel te vellen, noch over hunne eigene kennis of krachten, noch over de strikken en gevaren, waarvan ze omringd zijn, noch over de middelen, welke het meest geschikt zijn om die te vermijden ; en daarom laten zij gewoonlijk zich door hunne hartstochten medeslepen, hebben een groot gedacht van zich zeiven en storten zich noodzakelijk in het verderf. Vlucht dan, dierbare vrienden, den eigenwaan, vooral dien over uwe kennis en deugd, want niets is u noodlot-tiger, zegt de H. Augustinus, dan opgeblazen te zijn over eigen-gerechtigheid en wetenschap. De reden hiervan is, dat die eigenwaan door haren rook van valsche en oppervlakkige kennis diep en rechtstreeks het verstand en het oordeel van den mensch aantast, en evenzeer het hart door zich dwaselijk in te beelden, eene hersenschimmige of weinig degelijke deugd te bezitten. Dat toch niemand uwer denke of zegge, gelijk heden zoovele jonge kwasten doen : Er is geen gevaar bij, dat ik me zal laten verleiden of tot het kwaad brengen ; — ik heb ondervinding genoeg ; — ik ben genoeg onderwezen en heb verstand genoeg, om mij niet te laten misleiden. Dat niemand uwer zoo denke of spreke : want vele andere personen, die ouder waren en meer verstand hadden, die standvastiger van karakter en deugdzamer waren, die meer onderrichting en ondervinding opgedaan hadden, die godsdienstiger waren dan gij, hebben de rampzalige gevolgen derzelfde gevaren ondervonden, die gij gering schat. Gij hebt toch niet meer ijver voor het geloof of meer godsvrucht dan een Eutiches of een Balda-sano; gij hebt toch geen grooter verstand of meer karaktervastheid dan Napoleon I; of meer bekwaamheid en geleerdheid dan de beroemde Leopardi; of meer genade en reinheid van ziel dan de H. Theresia. Eutiches echter, Baldasano, Napoleon I, Leopardi, de H. Theresia en duizend andere dergelijke zielen hebben de rampzalige gevolgen van slechte lectuur ondervonden. Gij zegt misschien, dat gij niets kwaads uit slechte gezelschappen voor u vreest: welnu, een heidensch wijsgeer was het alreeds hierover eens met het gevoelen van de H. Schrift, der H. Vaders en Leeraars

ocr page 106

— 96 —

der Kerk; en hij zegt daaromtrent: men neemt de levetiswijze aan van hen mei wie men omgaat; en evenals een lichaam bederft bij de aanraking met andere bedorvene lichamen, zoo wordt ook de goede aard van andere geesten door een slechte7i bedorven. Dronken menschen zetten hnnne gasten lot dronkenschap aan, en het gezelschap van wellustelingen, maakt de harten verwijfd, al boden ze ook weerstand als brons of keisteen. (Seneca.) Gij meent een vast en onwrikbaar geloof te hebben: toch, Helvetius, Deleyre en Proudhon en duizend anderen waren niet alleen katholiek, maar zelfs godsdienstige mannen; en door hun handel en wandel met goddeloozen zijn zij de heftigste ongeloovigen geworden. Eindelijk voeg ik u dit toe: gij zijt niet onschuldiger dan Adam, noch wijzer dan Salomon of heiliger dan David. En Adam, Salomon en David, en tallooze andere bevoorrechte zielen zijn gevallen door de vrouw. Bedriegt u hierin niet, dierbare vrienden. Zijt gij vol eigenwaan? Welnu, vroeg of laat zult gij de straf, op eigenwaan gesteld, ondergaan. Want eigenwaan is eene dochter of beter, een der vrouwen van de hoovaardigheid; en de H. Geest verzekert, dat de hoovaardigheid het beginsel is van alle kwaad; (Eccl.) dat daar, waar hoovaardigheid heerscht, ook weldra schande zal komen; (Prov.) en dat God streng zal straffen degenen, die hoovaardig zijn. Ps. 30. 24.

IV.

Moedig en standvastig zijn in den strijd des Geloofs.

Indien de verplichtingen, welke wij jegens God en de Kerk in zake het geloof hebben aangegaan, alleen bestonden in de hoogschatting van het geloof en in de persoonlijke voordeelen, welke het ons aanbrengt; zou, hetgeen we tot nu toe gezegd hebben voldoende zijn, om ons te bewegen dien schat des geloofs te bewaren. Maar wij hebben ook nog den heiligen plicht, dat geloof tegen de aanvallen zijner vijanden te verdedigen, en het naar bestvermogen te verbreiden, om de eer van (lod en het welzijn van onzen naaste te bevorderen. Wij moeten dus noodzakelijk moedig en standvastig zijn in dien strijd. Wij allen,

ocr page 107

— 97 —

wie wij ook zijn, moeten ons geloof verdedigen en het verspreiden. De H. Thomas leert, dat wij allen, niemand uitgezonderd, die ons verheugen over het licht van het ware geloof, ook verplicht zijn, het aan anderen te doen kennen, hetzij door de geloovigen te onderrichten en te versterken in het geloof, hetzij door de vermetelheid van slechte christenen of ongeloovigen tegen te gaan. Onze H. Vader, Leo XIII haalt dit gezegde van den H. Thomas aan in zijne Encykliek over de Plichten der christen-burgers; en zegt: Voor den vijand wijken, of zich niet verroeren, nu zoovele schreeuwers van alle kanten opstaan, om de waarheid ie onderdrukken; dat is de handelwijze van een zwak en laf mensch, van een geest, die twijfelt aan ue waarheid der beginselen, welke hij belijdt. En deze handelwijze is in christenen des te verooraeelingswaardtger, omdat dikwijls zoo gemakkelijk, en altijd met een weinig krachtsinspanning de lasterlijke aantijgingen kumien te fiietgedaan worden. En niemand, volstrekt niemand ts ontheven van den plicht, deze christelijke sterkte te hebben en te toon en. waartegen de bedoelingen en plannen onzer tegenstamders dikwijls verbrijzeld worden. Bove?idie?i de christen is geboren om ie strijden, en hoe krachtiger de verdediging is, des te zekerder is ook met Gods hulp de zegepraal. Vertrouwt, Ik heb de wereld overwonnen, heeft fesus Christus gezegd, En men moet niet zeggen, zooals sommigen, dat Jesus Christus, de beschermer en verdediger der kerk, de luilp van menschen niet behoeft. Voorzeker, 't is niet uit gebrek aan macht, maar uit overgroote goedheid heeft Hij gewild, dat wij onze zwakke medewerking zouden verleenen, opdat wij daardoor zouden afbidden en verkrijgen de vruchten van zaligheid, welke Hij voor ons verworven heeft. Op ons rust dus de verplichting, niet alleen van ons geloof te bewaren, maar ook nog van dat moedig en standvastig te verdedigen tegen de aanvallen zijner vijanden, en het, zooveel wij kunnen, overal te verbreiden. Legt u er op toe, jongelui, om dien moed en die standvastigheid te verkrijgen. Behalve de beweegredenen van liefde en dankbaarheid jegens God en de Kerk, alsook de plicht van naastenliefde, welke u daartoe moeten aansporen, zijt gij nog tot het betoonen van dien moed en die standvastigheid gehouden door uwe waardigheid als mensch, door het voor-

GEI.OOF EN ONGELOOF 7

ocr page 108

— gS —

beeld, dat alle ware geloovigen van beider geslacht ten allen tijde gegeven hebben, en niet het minst door de voorwaarden, welke volstrekt noodzakelijk vervuld moeten worden, wilt gij de kroon der glorie in den hemel verwerven. Moed en volharding in het goede maken wat wij een man van karakter plegen te noemen: een man met die vastheid van karakter, zonder welke de mensch geen mensch, maar een onvolledig wezen is, een voorwerp, dat medelijden wekt bij, en aanstoot geelt aan de braven ; dat de slechten bespotten en verachten, en dat van geen nut is, noch voor zich zeiven, noch voor anderen. Buxton, een Engelschman, die veel gewerkt heeft voor de afschaffing der slavernij onder de negers, zeide: Hoe langer tk leef, hoe meer ik mij overtuig, dat het grooie verschil tusschen kleine en groote, zwakke en sterke menschen bestaat in het krachtdadig en onverzettelijk riemen van een besluit. Mei die onwrikbaarheid kan men al wat men wil', maar zonder deze, is geene bekwaamheid, fortni7i of wat ook in staat van dien menschelijken tweevoeter een mensch ie maken. Cantu, die dit in zijne \ olks-voordrachten aanhaalt, voegt er bij: Een man van karakter is het ware levert, de beste drijfveer der maatschappij, de grootste eer van een land of volk. Die standvastigheid van karakter is vooral noodig in godsdienstige belangen, omdat deze het nauwst het geweten raken. Hij die uit vrees voer sterken, of uit ontzag voor domooren zijne godsdienstige gevoelens verloochent of verbergt, is een lafaard.

Herinnert u ook, dierbare vrienden, dat die moed en standvastigheid in alle eeuwen het kenteeken zijn geweest van het geloof aller ware geloovigen van beider geslacht; en dit hun voorbeeld moet u aansporen, hen na te volgen. Toen in 1566 de Turken het eiland Chio hernamen, dat de familie Giustiniani van Genna toebehoorde, waren er onder de leden dezer lamilie, die naar Constantinopel vervoerd werden, xS kinderen, welke men in het paleis des Sultans plaatste, om opgevoed te worden in den Islam. Maar zij bleven standvastig en onwrikbaar als eene rots zoowel voor bedreigingen als voor beloften, en zij kwamen in de gruwelijkste martelingen om liever dan hun geloof te verzaken. Cantu, dit feit aanhalend, zegt: De geschiedenis van Genua en Venetië is vol van deze voorbeelden van karakter-grootheid. Deze denkbeelden van den kleinen

ocr page 109

— 99 —

kathechismus geven dit wéér-, denkt, dat God u altijd ziet, aan tuien gij reke7ischap moet geven va7i uwe daden, en zelfs van uwe gedachten. Eindelijk, om u aan te moedigen tot moed en standvast'gheid in den strijd des geloofs, overdenkt eens wel, hoe waar de woorden van den Apostel zijn, en altijd geweest zijn; niemand zal gekroond worden, dan die wettig gestreden heeft. (II. Tim.) Heden vooral moeten we ons dikwijls die woorden en die waarheid te binnen brengen, om ons aan te moedigen in den strijd. Want de wereld schrijdt met reuzen-schreden in hare beginselen, hare zeden, openbare instellingen naar het oude heidendom, en de vijanden des geloofs gebruiken met helsche volharding alle mogelijke en denkbare middelen, om het geloof uit de harten der geloovigen en uit den schoot der huisgezinnen te rukken. Ongelukkig is misschien het getal der halve-Katholieken even groot als dat der verklaarde vijanden van het geloof. En deze doen door hunne lafheid en verwijfdheid misschien meer kwaad aan de belangen van God en die der zielen, dan de verwoedste vijanden van den godsdienst. Weest gij, dierbare vrienden moedig, en volhardt in den strijd; en terwijl gij de aanvallen tegen het gelooi afslaat, verbreidt tegelijk met onvermoeiden ijver het geloof door middel van het goede voorbeeld, van het woord, van raad, dien gij geeft ; door bescherming, invloed, goede boeken, de pers, liefdewerken, allerlei vereenigingen, door uwen tijd, uwe rust, uwe fortuin, gezondheid, ja uw leven zelfs ten offer te brengen, als het noodig is. Gelukkig zij, die God door groote werken dienen ! zeide de H. Theresia.

ocr page 110

- IOO —

Raadgevingen aan Jonge- en ongehuwde Meisjes.

Zooals wij vroeger gezegd hebben, dienen de raadgevingen, welke wij aan jongelingen gaven, om hun het geloof te doen bewaren, verdedigen en verbreiden, evenzeer voor jonge en ongehuwde meisjes. Toch willen wij er hier eenige bemerkingen en verscheidene andere raadgevingen bijvoegen, die haar bijzonder aangaan. Ons dunkt dan, dat de christelijke, jonge en ongehuwde meisjes van allen staat en stand, naar den geest, die haar bezielt, gevoegelijk in drie groote klassen kunnen verdeeld worden: zij, ih wie de wereldgeest heerscht, en dus wereldsche jonge dochters zijn; -— zij, bij wie een ware geest van godsdienstigheid valt waar te nemen, en die waarlijk godsdienstig zijn; eindelijk zij, die uit een geest van valsche godsdienstigheid handelen, en die in schijn godsdienstig zijn. Ik zal hier niet eene menigte bepalingen en onderscheidingen over deze drie klassen o-even, dewijl dat van geen nut voor u is. Alleen wil ik u spreken van den geest der wereld, opdat gij daarvan een juist gedacht hebbet. De geest der wereld, dat is, de geest van den vijand van God, en van dien der menschheid, n.1. de geest des duivels, die door Jesus Christus de vorst der-wereld genoemd wordt. Krachtens dien geest kunnen wij noch God, noch den evenmensch beminnen, want hij doet ons handelen naar het ingeven des duivels. De geest van ware godsdienstigheid is de geest van God of van Jesus Christus, Onzen Heer, die ons God en den evenmensch oprecht doet liefhebben, en ons in alles uit liefde tot God en den naaste doet handelen. De geest van schijn-gods-dienstigheid is een geest van dwaling en misleiding, waarvan de duivel zich bedient, om vele zielen te bedriegen, door hen wijs te maken, dat de geest der wereld en die van ware godsdienstigheid gemakkelijk overeen te brengen zijn; dat er wel middel is, om God en de wereld en zich zeiven tevreden te stellen. Welnu, dierbare jonge dochters, wdt gij den schat des geloofs in u bewaren? Hoedt u dan voor den geest der wereld, en meer nog voor den geest van valsche godsdienstigheid, omdat deze eigenlijk, wat nog erger is,quot; een dubbele wereld-geest is n.1. de geest van be-

ocr page 111

- IOI -

drog en van een valsch geweten, De kenteekens van den geest der wereld zijn, zegt de H. Joannes: de begeerlijkheid des vleesch, de begeerlijkheid der oogen en de hoovaardij des levens, terwijl de kenteekenen van Jesus Christus' geest en van die des Evangelie's zijn: liefde tot God en den naaste, nederigheid en eenvoudigheid, gebed en het vluchten der wereld, boetvaardigheid en opoffering. Als gij in u den schat des geloofs en diens geest wilt behouden, dan moet gij een waar afgrijzen opvatten voor de wereld, voor den wereld-geest, en voor den geest van schijn-godsdienstigheid; want zonder dit, is het onmogelijk volgens het geloof te leven, en nog minder, het te verdedigen, of met ijver te verbreiden. Het zou inderdaad gemakkelijker zijn, zwart en wit, koude en warmte, licht en duisternis bij elkander te brengen, dan in één persoon vereenigd te zien den geest van ware godsdienstigheid, die de geest van Jesus Christus is, tegelijk met den geest der wereld en dien van schijn-godsdienstigheid, welke geesten aan den duivel eigen zijn. En toch is dat een werk, dat Satans boosheid klaar krijgt. Deze onverzoenlijke vijand van God en het menschelijk geslacht, altijd rijk in listen om het geloof uit te roeien en de zielen te verderven; wat doet hij heden niet ten opzichte van zoovele christenen van beider geslacht, van eiken leeftijd, staat en stand, maar vooral ten opzichte der jeugd? Hij maakt hun wijs dat het niet zoo moeielijk is den geest van Jesus Christus met den geest der wereld overeen te brengen. Om zalig te worden niet slechts, maar om zelfs groote schatten van verdiensten voor de eeuwigheid te verzamelen, is het genoeg, dat men lid is van een godvruchtig broederschap, of van eene der talrijke katholieke vereeni-gingen; dat men nu en dan eens de preek of eenige plechtigheid bijwoont, af en toe eens de H. Sacramenten ontvangt, de armen een weinig ondersteunt, veel praat over den katholieken godsdienst, over de kerk en over katholieke werken; — en dan behoeft men ook niet zoo angstvallig te zijn over de eischen der wereld, der samenleving, van leeftijd en stand; — anders toch diende men zich wel in de woestijn te begeven of in een klooster te gaan leven, wil men niet voor een onbeschaafd mensch aangezien worden, of een voorwerp van spot voor het publiek zijn. De duivel doet de menschen tegenwoordig zóó denken en

ocr page 112

— 102 —

redeneeren; en zijne slachtoffers zijn niet alleen de jongeren, maar ook ouderen, die al een huisgezin en een stand in de maatschappij hebben, en die, ongelukkig genoeg, voor menschen doorgaan, die goed katholiek en erg godsdienstig zijn. Op dergelijke menschen passen zeer goed de woorden, welke de profeet Isaias van Epypte en de Egyp-tenaren, die zinnebeeldig de wereld en de wereldlingen voorstellen, gezegd heeft : God zaaide in hun midden den geest van dwaling. Dit wil zeggen ; God wil in haar het gebrek aan oprechtheid des harten jegens Hem straffen. Omdat zij uit geest van geloof en uit wereldszin willen werken, laat God rechtvaardig toe, dat een geest van dwaling zich haar van meester maakt, die haar natuurlijk verstand in verwarring brengt, en haar dwaas en ongelukkig maakt. Dit heeft ten gevolge, dat men met dien geest van valsche godsdienstigheid en valsche vrijheid er toe komt, zich niets te bekommeren over de gewichtigste, en meest bekende wetten van God en der Kerk, en dat men leelt en sterft als eene wereldlinge, terwijl men meent goed-katholiek, zelfs godsdienstig te zijn. Geeft acht dan gij, jonge en ongehuwde meisjes, die waarlijk godsdienstig zijt; en gij, die u zelve misleidt en verblindt door de beginselen 0eener valsche godsdiensigheid, opent de oogen voor uwen jammerlijken toestand. Begrijpt alle goed dit: — mochten het met u alle geloovigen goed inzien, die meenen werkdadige katholieken te zijn — de ware godsdienstigheid is de vrucht van een echten geest des geloofs, en die echte geloofszin is niets anders als de geest van Jesus Christus; en gevolgelijk zijn de geest van ware godsdienstigheid, de geest des geloofs en de geest van Jesus Christus in den grond slechts ééne en dezelfde zaak. Die dan oprecht wil den schat des geloofs bewaren, moet van ganscher harte den geest der wereld verfoeien, en meer nog den geest van valsche godsdienstigheid, omdat deze eigenlijk den wereldgeest, dien geest van misleiding en dwaling nog stijft, welke geest het verstand verblindt en het niet meer doet inzien, wat duidelijk en zonneklaar is. Houdt u overtuigd, dat de wereldgeest of valsche godsdienstigheid en de geest van geloof of ware godsdienstigheid lijnrecht tegen over elkander staan ; en dat de geest van geloof en ware godsdienstigheid slecht overeen te

ocr page 113

— io3 —

brengen is met het bezoeken van theaters, schouwspelen en bals ; met modes, weelde, lichamelijken opschik, noch met wereldsche vermaken, roman-lectuur of met het lezen van slechte dagbladen en liefdesgeschiedenissen, noch met liefdadige feesten of al wat voortkomt uit, of gekweekt of vooruitgeholpen wordt door den geest der wereld- Bij de raadgevingen aan de jongelingen hebben wij gezwegen over de wereldsche vermaken, de gevaren der slechte gezelschappen en der slechte lectuur in het algemeen. Over deze onderwerpen zullen wij nu hier eenige bemerkingen ten beste geven, opdat gij die dikwijls zoudt lezen en er over nadenken tot heil uwer ziel, en opdat gij die tot leiddraad van uwe levenswijze zoudt maken te midden der gevaren, waarvan gij omringd zijt.

i . De geest van geloof en de theaters en schouwspelen.

De geest van geloof of de ware godsdienstigheid duldt geene theaters of schouwburgen. Alle godgeleerden leeren met den H. Thomas en den H. Alphonsus, dat de theaters en schouwburgen op zich zeiven niet slecht zijn ; maar zooals zij tegenwoordig zijn, zijn zij dat wèl; niet 't minst, zegt Kardinaal Alinonda, om de noodlottige gevolgen, welke zij na zich slepen.

Benedictus XIV schreef aan Pater Concilia over de theaters: Wij hebben er nooit aan gedacht, en zullen er nooit aan denken, om alle theaters af te keuren, of alle blij- en treurspelen te verdedigen, maar wij zullen ons best doen, om ze goed en betamelijk te doen zijn. Niet alleen alle Kerkvaders (Tertulianus, Hieronymus, Joannes Chrysostomus, Augustinus, enz ) hebben de theaters en schouwburgen streng afgekeurd eu veroordeeld, maar zelfs de wijzen uit het heidendom hebben dit gedaan, zooals Aristoteles, Seneca, Cicero, Cato, Scipio, enz. Cato verbood ze in zijne republiek ten strengste, en Scipio verzette zich tegen den bouw van een theater te Rome. De kopstukken van de goddeloosheid in de vorige eeuw, Voltaire en Rousseau, hebben zich sterk tegen theaters en schouwburgen verklaard. Voltaire zeide, dat van de 400 blij- en treurspelen, welke het fransch theater toen bezat, er nauwelijks 10 of 12 waren, die niet liefde's verwikkelingen tot onderwerp hadden, en dat al de anderen slechts wereld-

ocr page 114

- io4 —

sche liefde ademden, de hevigste en geweldigste gevoelens van eerzucht, wraak, wreedheid en barbaarschheid opwekten. En Rousseau zegt, dat die vermaken slecht op de zedelijkheid werken, ons onbekwaam maken, om aan de hartstochten weerstand te bieden, in ons de liefde tot den arbeid dooden en ons den lust tot een leven van niets-doen inboezemen. Het theater, vervolgt hij, vleit al onze Invade neigingen, en de hoofdgebreken krijgen er door grootere macht op ons. Ook onder de schrijvers van den nieuweren tijd zijn er niet weinigen, die de theaters en schouwburgen ten zeerste veroordeelen. M Duquesne zegt, dat zij de grondslagen van het huisgezin, van het huwelijk, van de maatschappij en van den godsdienst ondermijnen. M. Dupin noemt ze scholen van bederf en der ondeugd, waar men leert kennen en vergoelijken: tweegevecht, zelfmoord, moord, vadermoord, vergiftiging, diefstal, overspel, bloedschande, roof, dewijl daar deze misdaden als het roemrijk noodlot, of als de vooruitgang van groote mannen wordt voorgesteld en aangeprezen. En Cantu zegt in zijne Volksvoordrachten het volgende van deze uitspanning : Ik geloof, dat de theaters, gelijk ze thans zijn, ontzettend veel kwaad doen. De gevaarlijkste van die schouwspelen zijn wel de opera's. Een echte wereldling, die door Huguet en Reynaud wordt aangehaald, zegt daarvan: De liefelijkheid der muziek, het betooverende van het tootieel, de onzedige kleeding, de liederlijke dansen, alles op het theater werkt samen, om de rede in slaap te wiegen, de harten te verleiden en de hartstochten te doen ontvlammen ; want het vergif dringt door alle sinneti tot in den geest, en de ziel wordt als bedwelmd. Beroemde en oprechte geneesheeren verklaren, dat de theaters en schouwburgen een zeer slechten invloed uitoefenen op de gezondheid des lichaams, omdat zij een levendigen indruk op de verbeelding achterlaten, de zenuwen schokken, den bloedsomloop verstoren, de hartstochten ontwikkelen en ze voedsel geven. Zijdragen meer bij tot de verzwakking van 's menschen lichaamsgestel dan men luel denkt.

Kardinaal Alimonda heeft eene schoone en geleerde Conferentie gehouden over de theaters ; wat ze tegenwoordig zijn, en welke noodlottige gevolgen ze veroorzaken. Daarin zegt hij: het hedendaagsch theater eischt eene vol-

ocr page 115

slagen hervorming ; en dewijl het eene openbare instelling-is, valt het onder de algemeene wet om bewaakt te worden en er toezicht op te houden, dat ook daar gezonde beginselen en goede zeden zouden heerschen.

Wijselijk is bemerkt geworden, dat de theatervoorstellingen, die in opvoedingsgestichten gegeven worden, hoe onschuldig ze ook zijn, toch nadeelig werken voor de kinderen, die er eene rol in vervullen ; en wel door tijdverlies, door verzwakking van den geest van godsvrucht die zij in 't algemeen veroorzaken, en door het gevaar, dat altijd de verdeeling der rollen meebrengt. Want men kiest natuurlijk personen, die het best de verschillende rollen zullen spelen. Een van nature traag kind b.v. zal men nemen, om een luiaard voor te stellen: een ander, dat van nature hoogmoedig is, zal de rol van een aanzienlijk persoon moeten vervullen, enz. Welnu, zegt M. Batteux, die ondeugden of gebreken, welke door de opvoeding moeten verbeterd worden, worden juist op één punt samengebracht. De zusters van Saint-Cyr hebben de treurige gevolgen van de theater-voorstellingen in hunne huizen ondervonden. Toen deze uitspanning in hunne opvoedingsgestichten was ingevoerd, werden hare leerlingen trotsch, aanmatigend, waanwijs en ongezeggelijk. Terecht dus verbood de oude Parijsche universiteit de theater-voorstellinuen in de opvoedingsgestichten.

20. Dc geest van geloof en de bals.

De geest van geloof of van ware godsdienstigheid staat geene bals toe. Het bal is op zich zelf geene slechte zaak, en daarom op zich zelf niet verboden: ter oorzake echter van de bijkomende omstandigheden, en zoo als de bals heden ten dage zijn, zijn zij zeer gevaarlijk. Dit is het gevoelen van alle Vaders en godgeleerden der Kerk, die allen leeren, dat men ze met den grootsten ijver moet ontraden. Wat zijn tegenwoordig de bals? De beroemde Katecheet, Mgr. Gaume antwoordt .• Het zijn samenkomsten door de ijdelheid gesticht, aangevuurd door pleizieren, waarin de heirtslochte7i elkander de heerschappij betwisten, en waar zeldzaam de schaamte niet behoeft te blozen, hetzij om het soort van dans, of om de onzedelijkheid in kleeding oj om de losheid van gebaren e?i woorden. De Kerkvaders en

ocr page 116

— io6 —

Kerkvergaderingen hebben de bals veroordeeld. Tertulli-anus stelt de plaatsen, waar gedansd wordt voor als tempels van Venus en als poelen van ontucht. De H. Basilius beschrijft ze als openbare schandelijkheden. De H. Joannes Chrysostomus noemt ze scholen der driften, en de H. Am-brosius klippen der onschuld en het graf der schaamte. De Kerkvergaderingen van Constantinopel, Laodicea, Lerida, Ruan, Tours, enz. zeggen, dat de bals niets anders zijn dan strikken en lagen, die de duivel spant, om zielen in het verderf fe storten. Evenzeer hebbben de wijzen der oudheid de bals veroordeeld. Cicero schrijft, dat vien noch op bijzondere, noch op publieke feestpartijen danst, of men moet dronken of gek zijn. Als Demosthenes de hovelingen van den Macedonischen koning Philippus aan de verachting wilde prijs geven, verweet hij hun in het openbaar, dat zij gedanst hadden. Aristoteles, Plato, Scipio, Seneca, Horatius, Ovidius zells veroordeelden dc bals. Bayle. hoe uiterst goddeloos ook. zeide van den dans, dat hij nergens voor goed was, dan om de harten te bederven en om der kuischheid een gevaarlijken strijd aan te doen. Een befaamd hoveling van Lodewijk XI \ . de wellustige Hussy-lvabutin, zooals hij door den franschen schrijver Regnand genoemd werd, schreef: Altijd heb ik den dans voor gevaarlijk gehouden : dat is altijd de overtuiging van mijn verstand geweest, maar bovendien heb ik het ondervonden ... de meest ongevoelige personen wordefi als geülectriseerd, en daar de bals gewoonlijk zijn samengesteld uit jeugdige personen van beider geslacht, die voor zich alleen al moeielijk aan de bekoring hunneu weerstaan ; wat zal er dan daarvan komen ? Ik zeg, dat hij, die christelijk wil leven, moet afzien van bals-, 'en ik geloof, dat de geestelijken hun pliclu zouden doen, als zij van hen, wier gewetens zij bestieren, eischten, dat zij nooit den voet op een bal zetten. In eene kleine verhandeling over de bals. dat in Spanje voor eenige jaren verschenen is, en dat in bijna alle talen overgezet is (i), telt de beroemd Sarda y Salvany de gevaren op die vnen loopt, en de aanlokselen, die deze gevaren onder allerlei voorwendsels doen trotseeren, van welke het een al minder grond heeft dan het andere. Dit kleine boekje bevat gees-

(i] De hedendaagsche dans.

ocr page 117

— io7 —

tigen spot en strenge redeneering. De gevolgtrekkingen zijn er gemakkelijk uit te halen door. . . . wie zijn oogen en ooren niet moedwillig sluit. De schrijver deelt soms harde slagen uit, b.v. in het hoofdstuk, waarvan de korte inhoud deze is : Gij meent dan, dat er geen kwaad in steekt, naar het bal te gaan ; dat gij geene slechte bedoeling daarbij hebt; dat tnue meening zuiver is ; dat gij er slechts eene onschuldige uitspanning zoekt. . . . zegt mij: zoudt gij naar het bal gaan zonder vrouwen ?

Indien nu de bals in het algemeen veroordeelingswaar-dig zijn; meer nog zijn het de hedendaagsche dansen: wals, polka, muzurka, galop, enz. genaamd, want man en vrouw, zegt een schrijver, omstrengelen elkaar nauw en innig. Alles loopt samen, zegt Pater Felix in eene zijner conferentien, om de bedorvenen zich te doen verlustigen en de onschuldigen aan het gevaar bloot te stellen. De H. Carolus Borromaeus zegt evenals andere geestelijke schrijvers, dai de dans een kring is, in het midden waarvan de duivel staat. En Mgr. Scotti deelt in eene zijner homilien, voor jeugdige studenten gehouden, mede, dat hij meer dan één dienaar Gods gekend heeft, die den duivel onder de dansers zag. De groote dienares Gods, Catharina van Emmerik, wier taak was gedurende dit leven in haar lichaam voldoening te geven aan de goddelijke Rechtvaardigheid voor de zonden der wereld, moest vreeselijk lijden en vele goede werken doen, om een bal te doen ophouden, dat in haar land bij het begin van den vaste in 1821 gehouden werd. Zij zag den duivel onder de dansers in de gedaante van een kwaden hond. die zich woedend op haar wilde werpen, 0111 haar te bijten, Men leest in haar leven : De dagen van vastenavond waren alle jaren voor haar een tijd van verschrikkelijk lijden. Om de zonden, welke in die dagen bedreven werden, werd zij dan onophoudelijk gefolterd. Ik ben gedwongen, zeide zij zelve, te zien al de afschuwelijke bandeloosheden, de gedachten en diepe verdorvenheid der harten ; de strikken, door den duivel gespannen; te zien ook, hoe de zielen achtereenvolgens verwijfd, aangevallen worden, afdwalen van den rechten weg, en vallen. Ik zie den duivel overal bij ; en ik ben genoodzaakt te gaan, te loopen, te lijden, te vermanen, God te smeeken mij te straffen.

ocr page 118

— io8 —

De bals zoowel als de theaters berokkenen ook groot nadeel aan de gezondheid des lichaams, doordat zij het zenuwstelsel beroeren, de hartstochten opwekken, den bloedsomloop wijzigen. Daarom is de plotselinge dood niet zeldzaam, hetgeen van den eenen kant bewijst den noodlottigen invloed van den dans op het lichaam ; maar dat ook moet gehouden worden voor eene rechtvaardige straf van God. Niets toch is in de oogen des geloofs zoo vreeselijk, als van een werelclsch vermaak plotseling opgeroepen te worden voor Gods rechterstoel, om Hem rekenschap te geven van een nutteloos woord evenzeer als van ons heiligste werken. Mgr. Scotti zegt, dat men zich niet behoeft ie verwonderen, dat de hemel die ongelukkige dansers onverwachts straft.

Jaarlijks kan men die dooden bij honderden tellen en in de dagbladen lezen; doch welken indruk zal de lezing van die droevige verhalen op die ontzenuwde geesten maken ?

3 De geest va?i geloof en de weelde.

De geest des geloofs of de ware godsdienstigheid wil ook van geene weelde weten. Door weelde verstaat men het gebruik van zeldzame en kostbare zaken, voor eigen rekening aangeschaft tot pronk of tot zinsgenot, en dit is op zich zelf eene zeer veroordeelenswaardige ondeugd. Want de behoeften van den mensch, zegt Scialoja, zijn alle niet van denzelfden aard; sommige zijn onmisbaar, en andere hangen af van smaak of genoegen, en deze moeten aan de beginselen van de rechtvaardigheid en der liefde getoetst worden, zelfs bij zeer rijke en schatrijke menschen. De weelde is dus in strijd met Gods bedoelingen voor 's rnenschen leven, en ook met de plannen der Voorzienigheid voor het welzijn van bijzondere personen, van liet huisgezin en van de maatschappij. De weelde berokkent veel nadeel aan de belangen der personen zelve, die met die drift behebt zijn, en aan de belangen van hunne huisgezinnen, want die het woord weelde noemt, spreekt van verkwisting, en op aanhoudende verkwisting volgt ondergang. En dat is het geval met vele menschen, die door de weelde tot armoede gebracht zijn. Vooral schaadt de weelde aan de belangen der maatschappij ■ want eene aanstekelijke, ja aanstekelijker ondeugd dan eenige andere.

ocr page 119

— log —

gelijk zij is, doet zij het kapitaal afnemen, en daardoor den arbeid, die gevoed en gedreven wordt door het kapitaal. Say heeft zeer juist gezegd, dat de openbare armoede in de voetstappen der weelde treedt. Montesquieu maakt de opmerking, dat de weelde altijd zedenbederf medebrengt. Bijzonder nog worden door de weelde benadeeld de armen. Want hunne bronnen zijn : eigen arbeid en de mildadigheid van andere menschen. Deze beide bronnen nu verminderen, naarmate de weelde van den rijke grooter wordt. Toch heeft ook de arme recht om te leven, en gevolglijk, recht op arbeid. Bovendie7i is de weldadigheid of liefde van den rijke tot den ar7ne niet slechts een evangelische raad, maar een streng gebod. De Civilta Cattolica schreef in een zijner artikels van 1889 : De voorwaarde, welke tot het wezen van den eigendom behoort, is, dat de bezitter, als hij eenmaal rijkdom verworven heeft, aan de armen geeft, wat hij te veel heeft, nadat hij aan alle eigen behoeften, e7i wat zij7i staat vordert, voldaan heeft. Daarom leert de H. Thomas, dat de weelde in strijd is 7/iet de rechtvaardigheid. Het boven aangehaald blad vervolgt: Wcelde is eene wezenlijke onrechtvaardigheid, en z« dien zin rechtvaardigt zij de beschuldigitig van Prouaho7i: eigendo77i is diefstal; eene uitdrukking, die eene godslastering is, als mi'7i die toepast op recht7natig, e7i wel be-grepe7i bezit; want dit bezit komt va7i God, dewijl het nu-tuurljk is. Deze uitdrukking is echter grootendeels waar, als me7i ze verstaat van het bezit, dat 77iet weelde e7ipracht pronkt, e7i behoudt wat aa7i anderen toebehoort, namelijk het overtollige, dat de armen toekomt. (Civilta Cattolica, Febr. 1S99.) De weelde is eene drift en eene ondeugd, die op alle mogelijke, ook minder fatsoenlijke, ja zelfs lage wijze rijkdommen tracht te krijgen. De vrouw b.v., die door dezen hartstocht verteerd wordt, zal zich zelve en haar huisgezin der ontucht prijs geven ; en de man, als hij er de iiiacht toe heeft, verkoopt aan onbedreven of aan slechte menschen de posten, die aan mannen toekomen, welke ze verdienen of er recht op hebben. De bovenmatige weelde van sommige klassen, en de uiterste armoede van andere, bereiden aan de maatschappij dien vreeselijken oorlog, die ieder oogenblik kan uitbreken en alles zal meesleepen. Terecht zegt dus Alimonda, dat de weelde

ocr page 120

110

door de staatkunde, door de huishoudkunde en door de zedeleer veroordeeld is. Dewijl de weelde een maatschappelijk kwaad is, zegt Tapparelli, heeft de maatschappij het recht en den plicht zich tegen hare buitensporigheden te verzetten met alle middelen, die de betamelijkheid aan de hand doet en de rechtvaardigheid goed keurt, onder welke middelen de godsdienst zeker het krachtigst is. En dit middel is er tevens een, dat rechtstreeks en zacht werkt, omdat het invloed uitoefent op het geweten, door het de straffen en belooningen voor te houd.n, die geen einde zullen hebben.

4 . De geest van geloof en de mode.

De geest van geloof of de ware godsdienstigheid kan het ook niet vinden met de mode. De mode-zucht, zegt Kardinaal Alimonda, vernietigt den geest van standvastigheid, onverzettelijkheid, onwrikbaarheid, die de eigenschappen zijn van de wet Gods, en het kenteeken van den waren christen. De H. Petrus zeide, dat het sieraad der vrouwen niet uitwendig moet zijn, niet ook aangebracht in gekrulde haren, in gouden kleinoodien of rijke kleederdracht ■, maar dat dit inwendig moet bestaan in de rechtschapenheid van een vreedzamen en zedigen geest, die rijk is bij God. Er de H. Paulus schreef aan de geloovigen van Corinthe: Dat de vromiie?i zich kleedc?i, zooals de nederigheid dat vordert-, dat zij zich opsieren met zedigheid en kuischheid en niet met gekrulde haren, noch met gouden kleinoodien, met paarle7i of kostbare kleeding stukken. De mode-zucht is de onafscheidbare gezellin van de weelde ; zoodat de bemerkingen, welke wij over de weelde gegeven h;bben, volkomen passen op de mode-zucht, zoowel wat aangaat heï misdadige, dat er in gelegen is, als om de slechte gevolgen, welke zij heeft voor den persoon, die er het slachtoffer van is, voor het huisgezin en voor de maatschappij. M. de Gentelles vermaant in een boekje, dat hij over de mode geschreven, en voor christelijke jonge dochters bestemd heeft: tracht toch het juk van dien hartstocht af te schudden; over welken hij verder schrijft: wij moeten ons er voor schamen. De mode-zucht veredelt al evenmin het hart, als de geest der weelde dit doet; integendeel, zij kweekt in de ziel zelfzucht en maakt haar ongevoelig voor

ocr page 121

Ill —

het lijden van anderen. Het is bepaald zeker, dat een persoon minder liefdadig en edelmoedig is, naarmate zij meer aan mode, of weelde-zucht toegeeft. In de oudheid reeds zag men, hoe Nero en Heliogabalus, die verzot waren op weelde en schitterende kleeding, monsters van dwingelanden zijn geweest: — terwijl Antonius en Titus, die van geen pracht of ijdelen opschik hielden, eene grootheid van ziel en deugd bezaten, die hun de algemeene achting bezorgden. Voltaire zeil veroordeelde de mode: hij noemt die eene ongemakkelijke en wispelturige godin, grillig van smaak, en dwaas in haar opschik. Het moet ons dus niet verwonderen, als we M. Dupin, procureur-generaal van het Hof van Cassatie, ten jare 1865 in den vollen Senaat, den gek hooren scheren met de mode, die de dames zoo bespottelijk maakt in de oogen van het publiek. En de H. Franciscus zeide terecht in zijne inleiding tot het godvruchtig leven : Gij moet zoo gekleed gaan, Philolhea, dat men bij u niets slordigs of misplaatst opmerkt; maar wacht u voor gemaaktheid, ijdelheid, dwaasheid en zonderlingheid. Blijf altijd, zooveel ge kunt, eenvoudig en bescheiden, want dit zijn de schoonste sieraden, en deze bedekken leelijkheidhei best.

5 . De geest van geloop en liehaamstooi

Het woordje, dat tooi of opschik uitdrukt, is het la-tijnsche cultus en colere: verzorgen, vleien, eeren, aanbidden, en geeft te kennen : sieraad, opschik ; Cesar, dan ook, een der beste latijnsche schrijvers spreekt van Cultus fe-mineus: vrouwentooi of vrouwenopschik. Wij verstaan dan door lichaamstooi de angstvalligheid, die drift van sommige menschen, vooral van vrouwspersonen, om hunne eigene, natuurlijke bevalligheid nog te verhoogen door al wat de ijdelheid heeft uitgedacht: sieraden, kleedingstuk-ken, kapsels, corsetten, valsche haren, tanden, enz., blanketsel, poeders, reukwerken, enz.

De geest van geloof of van ware godsdienstigheid komt slecht overeen met lichaamsopschik. Een jong meisje, dat, gelijk er vele zijn, trotsch was op haar zelve, ging eens biechten ; en toen de priester haar aangehoord had, vroeg hij haar, waarom zij zooveel werk maakte van haar lichaam ? Om schoon te zijn, antwoordde zij ronduit. Welnu, mijne dochter, zeide haar de biechtvader, heeft God u de schoon-

ocr page 122

112

heid gegeven, dan dienen al die dingen, die gij gebruikt, om u schooner te maken, slechts om u leelijker te doen zijn, en u in de oogen der wereld voor ijdeltuit en aanmatigend te doen doorgaan. Als God u die gave niet geschonken heeft, dan kunnen die dingen niet dienen, om u te geven wat gij niet hebt, en doen ze al meer uitkomen wat gij niet hebt en maken u belachelijk bij allen, die u zien. Weest overtuigd, dierbare jonge dochters, dat niets u schooner maakt en meer uwe natuurlijke onvolkomenheden aan het oog onttrekt, dan onschuld, zedigheid en eenvoudigheid. De schoonheid is eene ijdele zaak, zegt de H. Geest in de H. Schriftuur, omdat zij spoedig met de jaren voorbijgaat; ook kan zij eensklaps verdwijnen door eene dier ziekten, waaraan het lichaam zoo dikwijls bloot staat. De Grieken, om aan te duiden, hoe weinig werk men van schoonheid moet maken, zeiden : de goden hebben aan den leeuw kracht, aan de vogels vleugels, aan den man verstand geschonken, en toen zij niets meer te geven hadden, gaven zij aan de vrouw; schoonheid. Alle Kerkvaders hebben in de christen-vrouw en in de jonge-dochters tenzeerste alle kunstmiddelen veroordeeld, welke moesten dienen, om hare lichamelijke schoonheid te ver-hoogen. Tertulianus zegt, dat dit een teeken is van een door de zonde besmeurd geweten. De H. Cyprianus zegt, dat Ihet de wanstaltigheid der ziel doet zien. De H. Eer-nardus verzekert, dat het een bewijs is, dat men de wereld lief heeft. Theodoretus, Bisschop van Cyra, verhaalt, dat zijne moeder, in hare jeugd aan de oogen lijdend, een heiligen kluizenaar, die dicht bij Antiochie leefde, ging opzoeken, om van hem genezing te verwerven, en bij hem kwam met al de ijdele praal, welke destijds onder vrouwen van haren stand gebruikelijk was. De Heilige wilde eerst hare ziel genezen, voor dat hij aan God de genezing voor haar lichaam afbad, en vroeg haar dus : wat zoudt gij er van zeggen, als een schildersleerling een portret, dat door een groot schilder gemaakt was, wilde verbeteren, door de wenkbrauwen grooter te maken, of de kleur van het gelaat te veranderen, of het met wit en zwart te bestrijken ? Zegt mij; wat dunkt u daarvan ? Zij begreep de les en deed er haar nut mede. Eene jonge dochter, die niet tevreden is met hetgeen de natuur haar geschonken heeft,

ocr page 123

zal, zegt de H. Cyprianus, altijd ongelukkig zijn, omdat al wat de ijdelheid uitgevonden heeft, haar niet kan geven wat zij niet heeft; en daarom, voegt er de H. Basiliusbij, mag eene jonge dochter niet groot gaan op hare schoonheid, als zij die bezit: en ais zij die niet heeft, mag ze niet trachten die te vervangen door ijdele sieraden ; maar zij moet die natuurlijke wanstaltigheid of leelijkheid van harte aanvaarden, en die beschouwen als een schild tegen de bekoringen, als eene gerustheid voor hare ziel, en als de bron van die schoonheid, welke nooit oud wordt. Zelts de Heidenen zagen in, hoe belachelijk iemand zich aanstelt, die uitwendig wil schijnen, wat hij in werkelijkheid niet is. De dichter Martialis, b.v, spot in eenige versen zeer geestig met een ouden man, die witte haren had, en ze zwart had doen verwen. Philippus, koning van Macedonië, ontnam aan een zijner gunstelingen, die hetzefde gedaan had, diens post van overheidspersoon ; want, zeide hij, ik kan niet afgaan op de trouw van iemand, die meent de heele wereld met zijne haren te kunnen bedriegen. Bovendien zijn vele van die dingen, welke tot het opschikken van het lichaam gebruikt worden, zeer nadeelig voor de gezondheid. Corsetten zijn oorzaak van vele borst- en hartsziekten; poeders en blanketsel veroorzaken talrijke huids- en bloedsziekten ; reukwerken en sterk-riekende aftreksels verstompen het zenuwenstel, brengen bezwijmingen en stuiptrekkingen teweeg, enz. De ijdelheid krijgt dus, vroeg of laat, hier op aarde reeds haar verdiend loon.

6°. Dc geest can geloof en de wereldse/te avondpartijen.

Den geest van geloof of van ware godsdienstigheid mishaagt de zucht naar wereldsche avondpartijen en samenkomsten En al wat tot hiertoe gezegd is over bals, weelde, modes, opschik, is volkomen van toepassing op de avondpartijen, omdat de geest, die daar voorzit, dezelfde is, en omdat zij strekken om dien geest al meer en meer in de wereld aan te kweeken en dien ingang te doen hebben. De H. Geest brengt bij monde van den Wijze der H. Schrift, den huisvader zijn plicht te binnen, van met groote zorg over zijne dochters te waken; elders vermaant hij den mensch in het algemeen: verkeer niet ie midden van vrouwen. Hieruit kan men lichtelijk begrijpen, hoe ge-

GEI.OOF EN ONGELOOF. 8

ocr page 124

— 114

vaarliik voor ionge en ongehuwde meisjes de wereldsche samenkomsten zijn, en hoe min het haar past, te midden van mannen te -verkeeren. Alle Rerkvaders dan ook (de H.H. Athanasius, Basilius, Joannes Chrysostomus, riieronymus, Augustinus, Ambrosius). allen gelijkelijk bevelen der christelijke jonge en ongehuwde meisjes aan, toch de opspraken der wereld te vermijden, en vrede en rust te zoeken in een stil leven. Want, bemerkt de H. Ambrosius, te midden van allerlei wereldsche dingen gaat de schaamte te loor, wordt de hoovaardigheid geprikkeld; eene dwaze uitgelatenheid maakt y.ich vati het hart meester, en doordat men wellevend wil zijn, wordt men dikwijls onbescheiden. Daarom kunnen jonge en ongehuwde meisjes onmogelijk van die partijen heengaan, zonder dat hare verbeelding overspannen, haar hart gekrenkt, de vrede der ziel gestoord en, niet zelden, de onschuld verloren wordt. 1 )e wereld-lingen zelve denken niet gunstig over dames, en minder nog over jonge en ongehuwde meisjes, die zoo gesteld zijn op die wereldsche avondpartijen. En diezelfde mannen der wereld kunnen de gevoelens van oprechte achting en de loftuitingen niet verzwijgen, welke zij over hebben voor haar, die zich met beuzelachtige tijdverdrijven niet ophouden, en die meer ernstig en stemmig van gedrag zijn. Zoo waar is het, dat men juist de achting der wereld verwerft, door de wereld en hare genietingen te verachten.

7°. De geest van geloof en de romans.

De geest van geloof of van ware godsdienstigheid strijdt met den geest van romans. Al hebben wij, bij de raadgevingen aan jongelingen, reeds genoeg gezegd over de slechte lectuur, willen wij toch voor jonge meisjes nog eenige bemerkingen over de romans ten beste geven. Het is de schadelijkste lectuur voor jonge dochters, omdat i , op weinige uitzonderingen na, de inhoud van alle romans liefdesverwikkelingen zijn: de liefde nu is van alle hartstochten het spoedigst ontvlamd en wordt het moeielijkst gedoofd. 3° omdat de vrouw, vooral de jonge of ongehuwde, ter oorzake harer gevoeligheid, lichtelijk ontroerd wordt.

Mevrouw Necker de Saussure gaf de volgende beschrijving van de vrouw: een wesen, dat door alles aangedaan

ocr page 125

— quot;5 —

wordt: lichtelijk dus wellen in haar de gevoelens en aandoeningen, waarmede de romanschrijver haar bezielen wil. Zijn de romans ten allen tijde zeer schadelijk geweest, hoeveel te meer zijn zij het tegenwoordig, nu de schrijvers, gewoonlijk menschen zonder geloof, zonder zeden en zonder geleerdheid, bijna allen naturalislen zijn. In 1889 gaf het katholieke dagblad; ,,/« Unionquot; van Buenos-Aires, een schoon artikel naar aanleiding der romans van den vuilen Zola. Daarin leest men onder andere: 't Is niet voor den eersten maal, dat wij ons bezig houden met de romans van Zola, die in de heele wereld verspreid worden, en overal het vergif van bandelooze onzedelijkheid uitstiooien, de denkbeelden en zeden bederven, den vrede aan-, en de heiligheid van den huiselijken kring verwoesten, en de taal van kroegen invoeren. Bij eene andere gelegenheid reeds, hebben wij de aandacht onzer lezers gevestigd op het ongehoord feit, dat men in onzen tijd het kwaad bandeloos en teugeloos doet rondwaren, waardoor liberale landen, als Engeland, Duitschland, de ereenigde Staten, zich genoodzaakt hebben gezien, de werken van dezen romanschrijver als zedenbedervende te verbieden en te weren. Ook Italië heeft gemeend een einde te moeten maken aan het venten van die vuile waar. Op aansporen en onder toejuijcliingen van de liberale bladen, is de procureur des Konings te Milaan naar de wetten van het rijk te werk gegaan en heeft hij beslag: gelegd op de boeken van Zola en ook op andere onzedelijke uitgaven. Te Turijn en te Rome heeft men dezelfde maatregelen genomen. Het kwaad, zegt Hegel, heeft uit zich zelf geen het minste nut, omdat uit hetgeen slecht is, ook niets kan voortkomen dan hetgeen slecht is. Het kwaad brengt slechts ellende voort, terwijl de kunst ons orde, evenredigheid en schoonheid moet leeren. Zoo dachten er ook over de wijsgeeren Fichte en Schlegel. En de beroemde geschiedschrijver Cantu, noemt Eugene Sue het raitenkruid voor maatschappij en zedeleer en Victor Hugo, den uitvoerder van de leelijkheids-leer ; en den fran-sche roman, die de natuur tracht na te bootsen en weer te geven, (realistische) beschrijft hij als de onophoudelijke prater, die zich wentelt in het slijk der maatschappij, in lage gevoelens en gemeene uitdrukkingen, als hadde hij

ocr page 126

116 —

te voren al de romans gelezen van den schrijver over wien wij spreken (Zola); welke romans tegenwoordig de gelielkoosde lectuur zijn van lieden, die niets meer te verliezen hebben, en van welke men kan zeggen wat van sommige werken van Voltaire gezegd is, dat zij alleen bedorven zielen nog tot geestesvoedsel kunnen dienen. Ook doen de romans veel kwaad aan de gezondheid des lichaams, bijzonder bij jonge meisjes.

Volgens beroemde en eerlijke geneesheeren toch, worden de hartstochten door de romans ontwikkeld, gelijk schouwburgen en theaters de zenuwen prikkelen en de natuurlijke krachten verzwakken.

8°. De geest van geloof en de couranten.

In onze raadgevingen aan de jongelingen hebben wij alreeds over couranten gesproken; er zijn echter jonge meisjes, die op dit punt alles behalve angstvallig zijn ; tot haar nog een afzonderlijk woord hierover. Eene dame, die zich voor ontwikkeld en godsdienstig hield, vroeg aan een priester, die het afkeurde, dat zij dergelijke couranten las, waarom hij zoozeer daar tegen was. De priester antwoordde haar, dat zij, die zeide, zooveel gelezen en gestudeerd te hebben, die redenen zelve wel zou weten, te meer, wijl zij al op gevorderden leettijd was. Ik zie die toca niet in, hernam de dame. Welnu, zeide de priester, dan zal ik ze u zeggen.

Wat zoekt gij in de dagbladen ? Wetenschap misschien ? Immers neen ; deze vindt men daar niet, dewijl op enkele uitzonderingen na, de courantenschrijvers slechts eene zeer bekrompen en oppervlakkige kennis hebben, en gewoonlijk slechts papierbekladders zijn, zooals Cantu hen in zijne Volksvoordrachten noemt. Zoekt gij daar godsdienst of deugd ? Deze zult gij er ook niet in vinden; want van alles wat zij weten, kennen zij deze wel het slechtst en beoefenen die nog minder, en gelijk Cantu zegt: 'tis hun meer te doen om inschrijvers op — dan om aanhangers van hun blad: zij leven van afgunst, kwaadspreken, overdrijven, tegenspraak en vleierij. Wat zoekt gij er dan. Mevrouw ? feiten, voorbeelden of stichtende geschiedenissen ? Dan vergist gij u zeer: couranten houden zich enkel bezig met den strijd tusschen partijen en met staatkundige

ocr page 127

— lij -

vraagstukken, en te gelijk met de kerk en hare dienaren te belasteren, de godsdienstigheid te bespotten; omstandig het nieuws te verhalen, schandalen op te disschen, die gebeurd, of wel door de bedorven verbeelding der schrijvers uitgedacht zijn. Nog eens: wat zoekt ge daarin r Nieuwtjes, of is 't om den tijd te dooden? Maar, als gij dan tijd over hebt. Mevrouw, neem dan geschiedkundige boeken ter hand, of wel de levens der Heilgen, of werken over christelijke zedeleer en andere onderwerpen. En is het u om nieuwstijdingen te doen, schrijf dan in op katholieke bladen, die ze u te kust en te keur geven. Meent gij overigens niet. Mevrouw, dat eene huismoeder gerust de couranten kan laten liggen : en genoeg te doen heeft, als zij haar huisgezin nagaat, zorgt voor hare kinderen en dienstboden ? En als gij eens aan God rekenschap zult moeten geven van een nutteloos woord, wat zal het dan zijn over zooveel tijd, nutteloos aan couranten verspild: over het geld dat men aan die couranten besteed heeft; over de medewerking, welke men aan het kwaad verleent, door op dergelijke bladen in te schrijven en ze te ontvangen. Welke verantwoording zult gij moeten afleggen van het slecht voorbeeld onder alle deze opzichten aan nwe kfnderen en dienstboden gegeven ; en van de groote gevaren en van het kwaad, waaraan gij door deze slechte lectuur u zelve en allen, die u omgeven, blootstelt.

Ziedaar, Mevrouw, de redenen, waarom het lezen van allerlei soort dagbladen niet geoorloofd is. Als deze redenen genoeg waren, om eene bejaarde en geleerde vrouw van dergelijke lezing af te brengen, dan moeten die toch zeker voldoende zijn, om ze aan jonge meisjes te ontraden. Bij haar toch zijn de driften levendig, zij hebben minder in de wereld ondervonden, weinig degelijk onderricht genoten, kunnen nog niet oordeelen; terwijl haar plicht, en de taak, die zij ook in de maatschappij te vervullen hebben, haar oplegt zich te wijden aan de beginselen en de beoefening van een ernstig en rustig leven.

9°. De geest van geloof en de minnarijen.

De geest des geloofs of van ware godsdienstigheid gaat niet samen met een geest van lichzinnigheid. De groote Heilige èn Kerkleeraar Alphonsus de Liguorio zegt, dat

ocr page 128

— 118 —

zij, die zich aan minnarijen overgeven of zich daaraan schuldig maken, zich moeielijk buiten de naaste gelegenheid van doodzonde kunnen houden. De ondervinding leert, dat er van deze weinige zijn, die zich niet aan groote zonden schuldig maken; en als zij al niet aanstonds daarin vallen, zullen zij weldra en lichtelijk daarin toestemmen.

In den beginne spreekt men met genot daarover, weldra wordt het een drift, en die drift verblindt den geest, en voert tot tallooze zonden van slechte gedachten, woorden en werken tegen de zedigheid. En al is het, dat die minnarijen niet altijd tot groote zonden voeren, zij benemen toch den vrede en de gerustheid der ziel, omdat, volgens de juiste bemerking van den H Franciscus van Sales in zijne Inleiding tot hei godvruchtig leven, die zich door de liefde laat inpalmen, de deur open zet aan zoovele bekoringen, verstrooiingen, verdenkingen en andere gevolgen, dat geheel het hart er onder lijdt, Deze H. Leeraar noemt die voorbijgaande liefde nuttelooze, schandelijke, uitzinnige en verderfelijke vriendschappen, de pest der harten. Zij zijn dan ook bijna altijd de oorzaak van ander kwaad, zij doen schade aan den goeden naam van de personen, en vooral van jonge meisjes, die er zich mede ophouden. Zij veroorzaken dikwijls hevige vijandschappen onder de tamiliSn en groote schandalen in het publiek ; dikwijls hebben zij eenige treurige ontknooping. Niets verwonderlijks is dus wat de H. Leonardus a Porto Mauritio mededeelt. Een Missionaris preekte eens in eene kerk over de minnarijen; onder de toehoorders was ook een bezetene, die midden onder de preek uitriep: Genoeg, genoeg! Door den prediker gedwongen, te zeggen, waarom hij niet wilde, dat de preek ten einde gebracht werd, antwoordde hij : omdat de minnarijen zijn oogst waren. De H. Alphonsus oordeelt dus terecht, dat de duivel door dit middel vele jonge meisjes ten val brengt.

100. De geest van geloof en de weldadigheidsfeesten.

De geest van geloof of van ware godsdienstigheid is niet overeen te brengen met zekere soort liefde, d;e zich ten toon spreidt op bals, schouwspelen, avondpartijen en dergelijke gelegenheden, om den arme en ongelukkige te ondersteunen. Geen enkel Boek van het Oud- of Nieuw

ocr page 129

Testament maakt gewag van dit soort liefde, en nooit heb-ken de Kerkleeraars of Kerkvaders, /.elfs niets de groots e Heiligen zich er een denkbeeld van kunnen vormen. Nooit hebben de H. II. Joannes de Deo, Vincentius rl Paulo, Hieronymus Aemilianus den inval gehad, om op dergelijke wijze hunne talrijke armen of hunne lietdegestichten te onderhouden. Deze zonderlinge liefde, zegt Sardè, y Salvani, is voorzeker geene goddelijke of godsdienstige deugd, maar wèl is zij eene wereldsche, door vrijmetselarij en liberalisme ingevoerd. De duivel die al zoovele liefdewerken heeft doen mislukken, kent al te wel deze zijne deugd, die nergens op uitloopt dan op liberaal-Catholicisme; en wel een van het ergste soorst, dat de vader van alle andere min of meer onbeschaamde schijnvroomheid is, die tegenwoordig als een kanker de wereld verwoest Pater Franco spreekt in zijne Antwoorden op Opwerpingen aldus over die zoogenaamde liefde. De keunis van den waren geest van Je sus Christus verdwijnt, en gaat te loor bij vele zielen, die zoozeer door den geest der wereld zijn ingenomen, dat zij niet meer kunnen onderscheiden, zuat wèl, en wat tiiet volgens het christendom is. Van den eenen kant hebben zij den moed niet, om af te zien van die tijdver drijven, tot welke de 7üereld uitnoodigt; van den anderen kant, als zij daaraan meédoen, kunnen zij zich niet ontdoen van de verwijtingen, welke hel geloof haar daarvan maakt. Daarom looien zij de vermaken met het masker van liefde, verdringen de wroeging door deugdsbe trachting op haar manier en genieten van hel feest. Als ik haar een raad mocht geven, dan zou hel deze zijn: breekt met al die huichelarijen of handt-It als flinke Christenen. Als gij u dan wilt vermaken, welnu, vermaakt u; wilt gij dansen, danst; ais gij in weelde wilt pronken, schittert dan zooveel ge wilt; en als gij de liefdadigheid lüill beoefenen, doet dat dan; maar komt toch niet meer aan met die veinzerijen, die nergens voor dienen. Gij ku/u u zelve met misleiden, omdat uw geweten luid en duidelijk genoeg spreekt; anderen overreden kunt gij nog ■minder, omdat iedereen te goed 'weet, wal die liefde is. Hieruit volgt, dat die zoogenaamde liefdewerken, wel verre van bij God eenig loon te verdienen, dubbel strafwaardig zijn, omdat zij zeer gevaarlijke wereldsche werken, en tevens werken van

ocr page 130

--T20 -

sluwe veinzerij zijn, die in den godsdienst en in de ware godsdienstigheid bres schieten.

Ter zake dezer feesten zeg: M. Drumont; De weldadigheid is geene gewaarwording des harte)/ meer, die ons het overvloedige, soms zelfs het noodzakelijke doet nemen en als een offer bescheiden doet neerleggen in de hand van hem, die lijdt: 7 is het werk van den kwakzalver, die zich door muziek doet begeleiden en met trommelslagen de voorbijgangers vi/noodigt om te komen kijken : '/ ts de zegepraal van die praalzucht, welke Bossnet de pest der goede werken noemt.

Tegenwerpingen en Antwoorden.

A^ele lezeressen, die onze raadgevingen gehoord, en onze bemerkingen over de wereldsche vermaken en tijdverdrijven gelezen hebben, zullen misschien meermalen bij zich zelve gezegd hebben, dat wij ongelijk hebben Wij begrijpen genoeg, welke ten naaste bij hare redenen en tegenwerpingen zijn ; en daarom zullen wij in het belang harer zielen, en omdat ons doel is het geloof tegen het ongeloof te verdedigen, nu eenige antwoorden geven. Die redenen en opwerpingen zijn eigenlijk niets dan gezochte uitvluchten, voortkomende uit een geest van ongeloof, waarvan heden ten dage zoovele halve Katholieken zijn aangestoken, en waarvan zij, ongelukkig genoeg, niets bemerken. Wat dan werpen wel vele jonge meisjes en dames op, tegen de raadgevingen, welke wij omtrent de wereldsche vermaken g'e-geven hebben ? Veel ; Ziehier echter liet voornaamste

r0 Bij al wat men zegt en randt omtrent wereldsche vermaken, wordt veel overdreven.

Antwoord: Wij gelooven niet, dierbare jonge dochters, dat daarin veel gestrengs of overdreven is; of gij moet

ocr page 131

alle Vaders, Leeraars en Heiligen der Kerk van te groote strengheid en overdrijving willen beschuldigen, als ook die personen van verschillende standen en godsdienstige beginselen, die wij aangehaald hebben, om niet hun geza*1 onze raadgevingen te steunen. Bovendien kunt gij de feiten niet ontkennen, die wij ten bewijze hebben aangevoerd, omdat wij, bij onze raadgevingen ons bedienden, van de beweegredenen, welke het verstand en het geloof aan de hand doen en die door de feiten en gezaghebbende personen bekrachtigd worden. Als gij de genietingen en al wat de wereld aanbiedt, met wereldsche oogen wilt beschouwen en niet met die des geloofs, dan zult gij ze nooit inzien gelijk God ze ziet, maar hee,l verschillend daarvan. Elders heb ik u gezegd, dat de taak van de dienares Gods, Anna Catharina Emmerich was ; in dit leven te lijden naai lichaam en ziel voor de zonden der wereld en de zaligheid der zielen. Welnu, men leest in haar leven, dat haar in den geest eene jonge dochter getoond werd. die een prachtig halssnoer gekocht had en dat drueg; om nu te verhinderen, dat dit meisje ter oorzake van dit halssnoer viel, moest de dienares Gods in haren hals en borst zooveel smarten lijden, als de goudsmid er met zijn graveerstift en andere werktuigen slagen opgegeven had. ^

2 . Wij zijn jon^'. en op dezen leeftijd zijn niispamiin-gen noodig.

Antwoord: Gij zijt jong; en het is billijk, dat gij op dien leeftijd uwe uren, zelfs dagen van uitspanning hebt. Maar, dierbare jonge dochters, vergeet niet het groot verschil tusschen de uitspanningen, die de Heiligen geoorloofd achtten en namen, en de vermakelijkheden en lijdverdrij-ven der wereld; — deze zal niemand, die van den geest des geloofs bezield is, geoorloofd achten of smaken. Leest eens over, hetgeen wij tot de jongelingen gezegd hebben bij het bespreken van de vermaken der wereld ;quot;en indien dat voor hen van pas is. die mannen zijn., hoeveel te meer moet gij u dat dan aantrekken, gij die, volgens de uitdrukking van Mgr. Gaume, tot het zwakke geslacht be-behoort, ijdel zijt, en geene ondervinding van personen of zaken hebt. Gesar Cantu, een leek quot;en beroemd geschiedschrijver, wiens gezag ik dikwijls heb aangehaald.

ocr page 132

spreekt in zijne Volksvoordrachten op de volgende wijze over uitspanningen : Betamelijke pleizieren zijn die, welke eene zoete vreugde teweegbrengen, en niet die, welke eene uit hars ting van woest genot veroorzaken, — die, wetke rust in plaats van vermoeienis te weeg brengen; — die, welke dikwijls terugkomen boven die welke lang duren (als bals, theaters, vermommingen, enz), — e7i vooral die, welke onzen geest en ons lichaam verkwikt en krachtig maken om onze dage lij ksciie bezigheden te hervatten, — die, welke overeen te brengen zijn met den eerbied aan ons zeiven en aan anderen verschuldigd, — die welke wij gerust kunnen smaken met — en in tegenwoordigheid van achtenswaardige personen, — die welke ons niet doen vergeten, dat ons levensdoel niet is: pret te maken. Een ander Italiaansch schrijver: Silvio Pellico, beroemd om zijn geloofszin en bekwaamheid, spreekt in zijn werkje: Plichten van den mensch, tot de jeugd van zijn land aldus: Vergeet niet, dat dit leven, dat gij zoozeer op prijs moet stellen, u slechts voor korten tijd gegeven is. Brengt het dus niet door in al te veel uitspanningen. Besteedt aan genot zooveel tijd, als voor uwe gezondheid, en ter opbeuring van anderen noodig is. Beter gezegd ; stel uwe grootste vreugde hierin, dat gij steeds waardig handelt, dat is, dat gij uws gelijken met grootmoedigheid en broederlijke liefde ter wille zijt, en God onderworpen en met kinderlijke liefde dient.

3 . Zonder uitspanningen en tijdver drijven zou het leven vervelend zijn.

Antwoord: Gij vergist u zeer; men kan zich uiterst vervelen en diep ongelukkig voelen te midden van alle vermaken en uitspanningen, die de wereld aanbiedt: terwijl men hoogst gelukkig kan zijn niettegenstaande alle ontberingen, en zelfs het vreeselijkst lijden. Dit komt, omdat het genoegen, dat de zinnen verschaffen, het ware geluk niet uitmaakt, want dat is eene gewaarwording dei-ziel. Daarom hebben duizenden van kluizenaars en boetelingen, millioenen martelaren van beider geslacht, van allen stand en leeftijd het grootst mogelijk genot gesmaakt te midden van ontberingen, van de uitgezochtste pijnigingen. terwijl zoovele aanzienlijken der wereld, die zich

ocr page 133

baden in genoegens en vermaken, zich doodelijk vervelen, en zoozeer van alles, zelfs van zich zeiven oververzadigd zijn, dat ze zich gezelfmoord hebben. Salomon heeft het ondervonder en gezegd, al alles ijdeiheid is op deze -wereld en kwelling des geestes; en toch is er nooit geweest, en zal er nooit zijn een mensch, die, volgens de wereld, zoo gelukkig was als deze koning, dewijl hij alles bezat, wat de mensch hier beneden kan verlangen : wijsheid, grootheid, rijkdom en genot. Het geloof, dierbare jonge dochters, stelt het geluk van den mensch gedurende dit leven in de hoop op de eeuwige vreugden bij (iod na dit leven. Onze ziel is geschapen voor God : God alleen kan haar dus gelukkig maken ; en gevolgelijk zal haar geluk hier op aarde grooter en waarachtiger zijn, naarmate zij zich meer voedt met die hoop van eenmaal met God vereenigd te worden. Eene van de eerste Zusters der Visitatie, Marie Peronne bezocht in hare jeugd alle plaatsen van wereldsche plei-zieren en vermaken; en als zij geschitterd en genoten had, dan zag men niet zelden haar weenende van daar komen. Dat kwam, omdat haar hart niet het geluk vond, dat zij in die vermaken zocht; en dan, nog vóór zij haar balkleed uitdeed, riep zij uit: Marte Peronne, gij zult nooit en nergens gelukkig zijn dan in een klooster. Inderdaad, daar vond zij vrede en geluk. En als gij, dierbare jonge dochters, oprecht met u zelve wilt zijn, dan zult gij rondborstig moeten bekennen, dat gij te midden der wereldsche vermakelijkheden als bedwelmd en verblind waart; — maar vrede hebt gij er niet gesmaakt, noch geluk gevonden; — misschien waart gij er meer ontrust en ongelukkiger dan eerst.

4°. Wij hebben géene kwade bedoeling met de wereld in modes en opschik te volgen

Antwoord : Het is mogelijk, dat gij bij dit alles geene duidelijk uitgesproken slechte bedoeling hebt; doch gij kunt toch niet ontkennen, dat gij een hevig verlangen hebt schoon te zijn, te willen zien en gezien te worden, tie loftuitingen in te oogsten, te behagen en, zoo mogelijk, het hart van den een of ander te trekken. Ik wil wel onderstellen, dat uwe bedoeling niet zoo slecht is; maar weet gij wel, welke de gevolgen uwer lichtzinnigheden voor

ocr page 134

122

spreekt in zijne Volksvoordrachten op de volgende wijze over uitspanningen ; Betamelijke p leizier en zijn die, welke eene zoete vreugde teweegbrengen, en niet die, welke eene uitbarsting van woest genot veroorzaken, — die, welke rust in plants van vermoeienis te weeg brengen ; — die, welke dikwijls terugkomen boven die welke lang duren {als bals, theaters, vermommingen, enz), — en vooral die, welke onzen geest en ons lichaam verkwikt en krachtig maken om onze dagelijksche bezigheden te hervatten, — die, welke overeen te brengen zijn met den eerbied aan ons selven en aan anderen verschuldigd. — die welke wij gerust kunnen smaken met — en in tegenwoordigheid van achtensiuaardtge personen, — die welke ons niet doen vergeten, dat ons levensdoel niet is: pret ie maken. Een ander Italiaansch schrijver: Silvio Pellico, beroemd om zijn geloofszin en bekwaamheid, spreekt in zijn werkje; Plichten van den mensch, tot de jeugd van zijn land aldus: Vergeet niet, dat dit leven, dat gij zoozeer op prijs moet stellen, u slechts voor korten tijd gegeven is. Brengt het dus niet door in al te veel uitspanningen. Besteedt aan genot zooveel tijd, als voor uwe gezondheid, en ter opbeuring van anderen noodig is. Beter gezegd : stel uwe grootste vreugde hierin, dat gij steeds waardig handelt, dat is, dat gij uws gelijken met grootmoedigheid en broederlijke liefde ter wille zijt, en God onderworpen en met kinderlijke liefde dient.

3 . Zonder uitspanningen en tijdver drijven zou het leven vervelend zijn.

Antwoord: Gij vergist u zeer; men kan zich uiterst vervelen en diep ongelukkig voelen te midden van alle vermaken en uitspanningen, die de wereld aanbiedt; terwijl men hoogst gelukkig kan zijn niettegenstaande alle ontberingen, en zelfs het vreeselijkst lijden. Dit komt, omdat het genoegen, dat de zinnen verschaffen, het ware geluk niet uitmaakt, want dat is eene gewaarwording dei-ziel. Daarom hebben duizenden van kluizenaars en boetelingen, millioenen martelaren van beider geslacht, van allen stand en leeftijd het grootst mogelijk genot gesmaakt te midden van ontberingen, van de uitgezochtste pijnigingen. terwijl zoovele aanzienlijken der wereld, die zich

ocr page 135

baden in genoegens en vermaken, zich doodelijk vervelen, en zoozeer van alles, zelfs van zich zeiven oververzadigd' zijn, dat ze zich gezelfmoord hebben. Salomon heeft het ondervonden en gezegd, at alles ijdelheid is op deze wereld en kwelling des geesies; en toch is er nooit geweest, en zal er nooit zijn een mensch, die, volgens de wereld, zoo gelukkig was als deze koning, dewijl hij alles bezat, wat de mensch hier beneden kan verlangen ; wijsheid, grootheid, rijkdom en genot. Het geloof, dierbare jonge dochters, stelt het geluk van den mensch gedurende dit leven in de hoop op de eeuwige vreugden bij God na dit leven. Onze ziel is geschapen voor God : God alleen kan haar dus gelukkig maken ; en gevolgelijk zal haar geluk hier op aarde grooter en waarachtiger zijn, naarmate zij zich meer voedt met die hoop van eenmaal met God vereenigd te worden. Eene van de eerste Zusters der Visitatie, Marie Peronne bezocht in hare jeugd alle plaatsen van wereldsche plei-zieren en vermaken; en als zij geschitterd en genoten had, dan zag men niet zelden haar weenende van daar komen! Dat kwam, omdat haar hart niet het geluk vond, dat zij in die vermaken zocht; en dan, nog vóór zij haar balkleed uitdeed, riep zij uit: Mane Peronne, gij zult nooit en nergens gelukkig zijn dan in een klooster. Inderdaad, daar vond zij vrede en geluk. En als gij, dierbare jonge dochters, oprecht met u zelve wilt zijn, dan zult gij rondborstig moeten bekennen, dat gij te midden der wereldsche vermakelijkheden als bedwelmd en verblind waart;

maar vrede hebt gij er niet gesmaakt, noch geluk gevonden; — misschien waart gij er meer ontrust en ongelukkiger dan eerst.

40- Wij hebben géene kwade bedoeling met de wereld i7i modes en opschik te volgen

Antwoord; Het is mogelijk, dat gij bij dit alles geene duidelijk uitgesproken slechte bedoeling hebt; doch gij kunt toch niet ontkennen, dat gij een hevig verlangen hebt schoon te zijn, te willen zien en gezien te worden, de loftuitingen in te oogsten, te behagen en, zoo mogelijk, het hart van den een of ander te trekken. Ik wil wel onderstellen, dat uwe bedoeling niet zoo slecht is; maar weet gij wel, welke de gevolgen uwer lichtzinnigheden voor

ocr page 136

— 124 —

u en voor anderen kunnen zijn ? Neen, dat weet gij niet, en evenmin weet gij. hoe schuldig gij u in de oogen van God maakt door die lichtzinnigheden, die bedoelingen en verlangens, die gij voor niets telt. De waarheid is, dat zij aan God mishagen, en deze reden met die, dat gij de gevolgen uwer lichtzinnigheden bij u en anderen niet weet, moesten u meer dan voldoende zijn, om u de wereldsche vermakelijkheden te doen vluchten, en om u te onthouden van sommige modes en opschik. De Heer Jesus zeide eens tot de H. Margareta van Cortona dat de modes, de wereldsche kleeding, de ijdele sieraden, en te gezochte tooi der vrouwen Hem zeer mishaagden, en zwaar beleedigden; en Hij voegde er bij, dat zij, die daarvan gebruik maakten. de hoovaardigheid cn de kenteekenen van Satan op het gelaat hadden hggen, en d ;t zij in haar hart de meest verfoeielijke werken des duivels nd. van den duivel- bekoor der huisvesten. Hare gedachten, woorden en werken zijn voor hem, en Ik kan hare gebeden niet aannemen, noch hare pelgrimstochten, noch hare aalmvezen of verstervingen of andere goede werken, welke zij verrichten. Wat dunkt u, mijne dierbaren ? O, hoe verschillend van die der men-schen zijn de oordeelen Gods !

50. De werelsche vermaken hebben ons nimmer geschaad, evenmin de romans en dagbladen.

Antwoord: 't Is mogelijk, dat zulks geschied is door bijzondere bescherming van God; maar dan moogt gij toch in de toekomst niet al te zeer meer rekenen op die bescherming, omdat u gezegd en herhaaldelijk gezegd is, dat al die dingen aan iedereen groot nadeel berokkenen, en vooral aan jeugdige meisjes. Het zou ook kunnen zijn, dat uw geest, door het veelvuldig gebruik maken van die dingen, als uitgegist is, en dat gij er niets van ondervindt of gewaar wordt; — dit nu strekt u niet tot eer en is een' bewijs te meer, dat het tegenovergestelde van wat gij beweert, waar is. Een Kerkvader, ik meen : Tertulianus, vergelijkt die zielen bij door den duivel bezetenen, die niets gewaar worden van hunne harde slavernij, soms zelfs niet weten, dat zij bezeten zijn. Overtuigt u innig, dat al die zaken voor allen zeer veel kwaad doen, bijzonder echter voor personen van uw geslacht en leeftijd. Kardinaal

ocr page 137

Alimonda verhaalt de geschiedenis van eene jonge dame van goeden huize, die eene godsdienstige, zelfs godsvruchtige opvoeding genoten had, daarenboven zeer schoon en goedhartig was. Deze dame werd eens door haar eigen man naar het theater begeleid, en zij ondervond daar eene zoo algeheele omkeering van denkbeelden en gevoelens, dat zij hai en man ontrouw werd. Door wroegingen verscheurd, ontvluchtte zij het huis, en trachtte zich te vergiftigen. Ik heb een gehuwd man van zestig jaren gekend, die eenmaal de opvoering van een onzedelijk stuk had bijgewoond. Hij verzekerde, dat hij zich in een toestand bevond, alsof hij door den duivel der wellust bezeten was. Een jonge Fransche dame, die zich gezelfmoord had, werd gevonden, liggende op een hoop onzedelijke en goddelooze dagbladen. Eene andere jonge dochter, die zich verdronk dooi in de Seine te springen, had een roman bij zich, geopend bij een hoofdstuk, waarin sprake was van een meisje van den zelfden leeftijd, die zich gezelfmoord had. De beruchte moordenaar van zijne vrouw en zeven kinderen, Ti oppman, bekende voor de rechters, dat hij door het lezen van een roman tot een zoo afschuwelijke misdaad gebracht was. Ook in Nederland zijn voor de rechtbanken eenzelfde verklaringen afgelegd door moordenaars en o vei spelers. Denkt slechts aan Bussum, den Haag, enz. In één woord: het getal van jonge meisjes en jonge vrouwen, die op bals, maskerades en andere dergelijke vermakelijkheden hare onschuld en hare eer gelaten hebben, is onberekenbaar. Gij, dierbare jonge dochters, hebt niet eene natuur, die verschilt van die van anderen; en gij moet dus, tenzij een wonder u behoede, dezelfde gevolgen van dezelfde oorzaken ondervinden.

öo. // ij willen door de wereld niet uitgelachen worden, door ons zoo angstvallig- en schroomvallig voor te doen

Antwoordt; Gij vergist u zeer, als gij dit meent. Wilt dat de wereld ware hoogachting voor u hebbe ? We est dan echt deugdzaam. Hoe meer deugden gij zult hebben, en die doet afstralen, des te grooter zal de achting der wereld voor u zijn. Ziet eens de Heiligen: mannen en vrouwen : waarom hebben zij ook van de wereld zulke bewijzen van achting, eerbied en vereering ontvangen, dat

ocr page 138

120

nooit koningen keizers of machtigen der aarde zoodanige kregen? Dit komt, omdat zij de christelijke deugden in den verhevensten graad bezaten, en heldhaftig beoefenden. Leest het leven van den H. Franciscus de Paula ; gij zult er in zien, dat niemand in Frankrijk zoo geacht en ge-eerbiedigd werd als hij ; en door wien ? Door Frankrijks slechtsten en trouweloosten koning Lodevvijk XI, die hem van uit Italië aan zijn hof riep. Leest het leven van de H. Catharina van Sienna: gij zult zien, hoezeer geeerd en geacht dit arm kind uit het volk werd door de grootste mannen, door Steden, Staten, Koningen en Pausen. Besluit hieruit dat, hoemeer in iemand de glans der deugd schittert, hoemeer ook de wereld hem eer en achting toe-draast. Neen, bedriegt u niet. dierbare jonge dochters: de wereld heeft de jonge wereldlingen lief, omdat zij weet, dat zij zich met haar kan vermaken, en den lossen teugel vieren aan hare hartstochten ; maar als er sprake is van ernstige zaken, dan oordeelt diezelfde wereld heel anders. Neemt b.v. dezen jongen man, die eene levensgezellin zoekt: Zijne blikken gaan niet zoeken onder haar, die van bals, theaters, modes, minnarijen en andere dergelijke dingen houden, maar onder haar, die juist de tegenoyerge-stelden zin, neigingen en hoedanigheden hebben. Duidelijk bewijs, dat de wereld zelf de deugd weet te huldigen. De H. Hieromymus verhaalt van eene christelijke jonge dochter, A sella' geheeten, die door de wereldlingen ten zeerste geprezen werd, ofschoon zij in eene stad woonde, die geheel opging in pleizieren, en zij een teruggetrokken leven leidde, en zich van dat alles onthield. In alle geval: laat de wereld haar gang gaan. liie ziet niet, zegt de H. Franciscus van Sales, dat de wereld onbillijk en altijd ten gunste der haren oordeelt, maar scherp en streng- is in haar r or deel. over die God dienen ? Wij kmmm met de wereld niet op goeden voet staan, of wij woe ten het bij Hem ■verbruien.

70. Wij voelen geene roeping, om naar het klooster tr gaan, oj om ongehuwd te blijven.

Antwoord: Wie spreekt u er van, om religieuzen. Zusters van liefde te worden, of om ongehuwd te blijven ? Niemand: wij beweren slechts, dat de geest van geloo t

ocr page 139

u ten plicht oplegt, de wereldsche vermaken en andere dergelijke zaken te vermijden, omdat zij even gevaarlijken schadelijk zijn voor jonge dochters, die willen huwen, als voor haar, die zich aan God willen wijden ; meer zeggen wij er niet van. Roept God u tot den huwelijken staat; kiest dien, dewijl het een heilige staat is: eene goede echtgenoote en moeder kan zeer veel tot Gods eer doen en tot het welzijn van kerk en maatschappij bijbrengen. Maar wilt gij, jonge dochters, slagen in eene zoo gewichtige zaak !J Zorgt dan, dat de menschen u boven andere gaarne zien en u liefhebben om uwe zedelijke eigenschappen, en om uwe uitmuntende deugden, en niet om uwe schoonheid of lichamelijke hoedanigheden. Tracht door uw echt christelijk leven Gods zegen over u af te trekken. Ziedaar twee onfeilbaar zekere middelen om te slagen. De liefde, die tot uitgangspunt heeft de bekoorlijkheid van de persoon, is eene liefde zonder grondslag; want de bevalligheden van het lichaam vergaan met de jaren, en kunnen ook plotseling, b.v. door ziekte verloren worden: bovendien, de zinnen, welke die liefde opgevat hebben, scheppen zich hersenschimmen, welke spoedig verdwijnen. Men leest in de H. Schrift, dat een jongeling van edele afkomst verliefd werd op een zeer schoon meisje van dezelfde edele geboorte. Toen hij haar verleid had, vatte hij een zoo hevigen afkeer van haar op, behandelde hij haar zoo laag en ruw, dat een harer broeders, bovenmate vertoornd over de oneer zijner zuster aangedaan, hem op een feestmaal deed vermoorden. Ziedaar nu een jongmensch die van buitensporige liefde eensklaps vervalt tot bitteren haat. Gij moet overigens wel bedenken, dat God, die onze eerste ouders na de schepping door het huwelijk vereenigde, ook de Insteller is van echt-christelijke huwelijken; en de H. Geest zegt dan ook in de H. Schrift: Eene goede vrouw is een goed deel, zij wordt iot erfenis gegeven aan de godvreezenden, en aan den man voor zijfie goede daden. (Eccli). Hieruit volgt wederkeerig, dat/als God aan den man, die Hem vreest, en die goede werken verricht, een goede echtgenoote geeft, Hij ook een goeden man zal schenken aan de jonge dochter, die Hem vreest. Gaat dien dan niet zoeken op bals, in schouwburgen en bij we eldsche vermakelijkheden, of in vrijerijen, minnarijen

ocr page 140

— I.'S —

en dergelijke zaken; — misschien vindt gij er een, misschien meer dan een, die zich aldus voordoen; maar bedenkt wel: gij zult een huisgezin gaan beginnen, waarvan men hier te lande zegt, dat God het gesticht en de duivel het bijeengebracht heeft; — en, gij weet het, — van den duivel is niets goeds noch voor dit,- noch voor het ander leven te verwachten.

8 . Onze ouders willen, dai wij de mode volgen, klei-noodien dragen, e7i in de wereld uitgaan.

Antwoord : Ik weet niet, dierbare jonge dochters, of het wel billijk van u is, al de schuld van uwe ijdeltuiterijen, en van alle gevaren, waaraan gij u blootstelt te midden der wereldsche vermaken, op uwe ouders te werpen. Maar toegegeven, dat het geheel hunne schuld is ; weet gij dan niet, dat gij niet alleen ten plicht, maar ook het recht hebt, hen op behoorlijke wijze en zelfs krachtig te weerstreven. Dit hebben altijd gedaan, en zullen alle waarlijk christelijke jonge dochters ook blijven doen. De ouders hebben recht, gehoorzaamd te worden in hetgeen op zich /elve goed, geoorloofd of eene onverschillige zaak is: maai: zij hebben niet het recht hunne kinderen te verplichten in hetgeen van nature of om de omstandigheden slecht of gevaarlijk is; door dat te doen, zouden zij zich bij God bezondigen. De schrijver der „Zedelijke Brievenquot;, al meermalen aangehaald, sprekend over de slechte dagbladen, die sommige dwaze ouders aan hunne kinderen ter lezing, geven, zegt; even als gij niet verplicht zoudt zijn, een schandelijken verleider, of een ketter te ontvangen, die u bet geloof wil doen verliezen, al zouden uwe ouders u daartoe dwingen, desgelijks moogt en kunt gij weigeren, couranten te lezen, die door de kerk verboden zijn. Duizendmaal zal ik het u herhalen, jonge dochters, dat gij nooit genoeg uwe ouders kunt eerbiedigen en Hef hebben; maar dit is ook zeker, dat hun gezag zich met zoover uitstrekt, om u vergiftigde spijzen te doen gebruiken, en evenmin van u op te leggen slechte couranten te lezen, die u het geloof en de reinheid der ziel zouden doen verliezen. Valt hieraan niet te twijfelen, wat het lezen van slechte dagbladen aangaat, het is even zeker, als er sprake is van bals, theaters, en wereldsche vermaken,

ocr page 141

— 129 —

die nog veel gevaarlijker zijn dan ongezonde lectuur. De H. Monica, door God bestemd de moeder te zijn van den H. Augustinus, een der grootste Kerkvaders, had in hare jeugd altijd met hare ouders te kampen, die door alle middelen, wereldsche feesten en ijdelheden, de schoonheid hunner dochter in de hoogte trachtten te steken. Maar onderwezen als zij was in de school der groote Kerkvaders van Afrika: Cyprianus en lertulianus, weerstond zij hen standvastig, en wilde geene andere kleederen draden dan het eenvoudig witte kleed der christen-maagden. De gelukzalige Maria der Engelen had eene moeder, met den wereldgeest bezield, die wilde, dat hare dochter zich prachtig kleedde, leerde dansen, en aan alle wereldsche feesten deelnam. doch Ood deed haar door gewetenswroegingen en door buitengewone genaden, die Hij haar gaf,quot;afzien van al die ijdelheden. Haar kinderhart had een vreese-lijken tweestrijd te voeren tusschen de inspraken der o-e-nade en de eischen harer moeder: eindelijk besloot zij aan Gods roeping te beantwoorden: maar toen het oogenblik daar was, om zich tegen de verlangens harer moeder te verzetten, ontbrak haar daartoe de moed. De Heer, om haar moed in te boezemen, verscheen haar, het bloedend hoofd met doornen gekroond juist, toen zij bezig was voor eene spiegel haar toilet te maken. Dit oogenblik besliste ; zij brak met alle ijdelheden der wereld en weerstond hierin aan al de eischen harer moeder.

9°. Er zijn zeel biechtvaders, die zich niet verzetten tegen de wereldsche verinaken, noch tegen het dragen van klei-noodié'n, of het lezen van romans.

Antwoord : Gij zegt het, en gij kunt weten of hetgeen gij beweert, waar is. Maar, verondersteld, dat er zijn. dan kan de meening of de handelwijze van die biechtvaders toch niet te niet doen, zelfs niet opwegen tegen het gezag van Kerkvaders, Leeraars en Heiligen, zielsbestierdenT, die de Kerk heeft goedgekeurd. En gij hebt toch gezien dat wij niets beweerd, of eenigen raad gegeven hebben, die niet steunde op de schriften en het gezag van zulke leidsmannen. Dit nog: als hetgeen, waarover wij gesproken hebben, goed of onverschillig is, dan kunt gij quot;niet alleen, maar dan moet gij als christelijke en godsdienstige meisjes,

GELOOF EN ONGELOOF. q

ocr page 142

— '3° —

die aan God opdragen: de H. Paulus toch heeft ons geleerd (I Corinth.); Hetzij gij eet, hetzij gij drinkt of iets anders doet, verricht alles ter eere Gods. Welnu, vraag dan eens aan die biechtvaders, als er zulke zijn, ot vraag het maar aan uw eigen geweten: of het aangaat, de plei-zieren van theaters, bals, opschik, het lezen van uwe romans en dagbladen aan Cod op te dragen: maar luistert dan ook naar hetgeen uw geweten en die biechtvaders zullen antwoorden. Drukt eens in uuoorden uil, wat gij door daden doet,, zeide eens P. Franco bij gelegenheid van een weldadigheidsfeest Zegt eens: God, ik ga mij dezen nacht eens in een wit toilet steken, en met alle mogelijke weelde uitrusten: maar, ik ga het doen uit liefde tot U! Ik. zal eene andere zeggen, ik ga dansen, en wel, den heelen nacht: maar, als ik vermoeid neerval, zal het zijn voor Uwe armen! En ik. Heer, ik zal, om Uwe arme lijdende ledematen te ondersteunen, het genot van de muziek en het tooneel smaken; wat deze ook mogen zijn, ik zal om Uwentwil dien tijd verkwisten. Sommige konden er, om hun gebed vuriger te doen zijn, bijvoegen: God. ik ga eens meer vrijheid nemen, en den heelen nacht zoo dwaas me aanstellen, als de mode dat voorschrijft, ik zal mij door de jongelui het hof laten maken, juist zooveel als noodig is, om niet voor hoovaardig of angstvallig aangezien te worden; wel te verstaan echter: alles uit liefde tot U en den naaste, dien ik zoo teeder bemin. Zou men zóó tot God mogen spreken? Hem dergelijke offers mogen opdragen? Indien dit niet kan, dan is het ook duidelijk, dat die dingen nog zoo goed of onverschillig niet zijn, en dat die biechtvaders, over wie ge spreekt, zich schromelijk vergissen.

100. Uij zijn niet de eerste, noch ook de laatste, om deel te nemen in de werelds:he vermaken, de mode te volgen, dagbladen en romans ie lezen: — te Parijs doen zulks de jonge meisjes en zelfs gehuwde vrouwen nog meer dan wij.

Antwoord; Schoone reden! Gij meent dus gerust te kunnen doen wat, en omdat men het te Parijs doet! Zoudt gij meenen, dat het voorbeeld en de zeden van Parijs voldoende zijn. om uw geweten gerust te stellen, en u eens voor den rechterstoel Gods te rechtvaardigen ?

ocr page 143

Wel eene grove dwaling! Er is te Parijs en in de groore steden veel goeds en veel kwaads; en of nu het goed of het kwaad de bovenhand heeft, weet God alleen. Wat u betreft, dierbare jonge dochters, volgt het goede na overal waar gij het vindt, en uit welk land het ook kome; en onthoudt u van het kwaad, waar het ook zij, en van waar het ook kome. En wat nu in het bijzonder Parijs betreft, vanwaar de modes en modeplaten komen, de romans en duizende beuzelingen en schandelijke zaken —• leest eens in de werken van Fransche schrijvers, wat Parijs is: Mgr. Gaume zegt: „Parijs is zoozeer het nieuwe Babyion, dat alle verleiders en verleiden, om hunne hartstochten te kunnen botvieren, niet naar Londen of New-York, noch ook naar St.-Petersburg gaan, maar naar Parijs. Van welke hoofdstad kan men dit zeggen ? Parijs is de wereldstad der revolutie, het broeinest van alle goddeloosheid. Noch Londen, noch Weenen, St. Petersburg of Constanti-nopel hebben ooit de godslasteringen gehoord, welke in de laatste jaren door de Parijsche clubs zijn uitgebraakt tegen Jesus Christus, tegen alle goddelijk en menschelijk gezag, tegen alle godsdienstige of maatschappelijke overtuiging. Wil men een gedacht vormen, wat de republikeinen in eenige jaren van Parijs gemaakt hebben ; dan moet men, zegt M. Dumont, het werk lezen, dat de oud-Prefect van politie. Macé, heeft uitgegeven.

Het werk van M. Macé gaat alles te boven, wat in den laatsten tijd over het huidige Parijs geschreven is. Het legt de wonden ruwer en wreeder open, dan de geoefend-ste pennen zouden kunnen doen. In een ander boek noemt M. Dumont de stad Parijs de groote wereld-hoer. Als dit niet voldoende is, om u een juist gedacht van Parijs te doen vormen, ziehier dan een feit, dat in 1885, onmid-delijk na de verwereldlijking der H. Genoveva-kerk, de hoofdkerk der stad, te Parijs gebeurd is. Dit feit, zegt de Univers, waarover toenmaals alle couranten seschreven hebben als van iets ongehoords tot dan, moet de hevigste ontsteltenis te weeg brengen, want het doet als met de hand tasten, hoe laag man en vrouw kunnen zinken, als zij den geest van geloof verloren hebben. Ik bedoel het bal, waarop mannen en vrouwen van den hoogsten adel zich in dierenfiguren verkleedden. Dit feest, zegt Drumont,

ocr page 144

droeg geeu naam, en was op zich zeil alreeds een soort van heiligschennis. Op de entrée-biljetten stonden deze woorden : éen dier, i frank; één dier met dame, 2 franken. De Gaulois drukte de namen al van alle personen uit den hoogen adel, die er aan deel genomen hadden, en gaf de verschillende dieren op, die mede gedaan hadden aan den wedstrijd: van de mannen : de haan. de gans, de eend, de uil, de aap, de leeuw, enz.; van de vrouwen, de vos, de panter, de hond, het varken, en verschillende soorten vogels met groote en kleine vleugels. M. Drumont wijdt in het II deel van zijn „la France Juivequot;, vier bladzijden aan dit voorbeeld van 's menschen dwaasheid en verval, dat zonder weerga is in de geschiedenis. De dienares Gods, Anna Catharina van Emmerik, zag op haar reis, die zij met haren Engelbewaarder door Frankrijk maakte, te Parijs afschuwlijke dingen: een schrikbarend bederf, grooten jammer, vreeselijke afschuwlijkheden in de hoofdstad, die, naar het haar toescheen, op het punt scheen ingezwolgen te zullen worden, zonder dat de eene steen op den anderen zou blijven.

De geest van geloof in de vrouw.

Xadat wij over den valschen geest van geloof of beter, over den geest van valsche godsdienstigheid gesproken hebben, die zoo vele jonge dochters en christelijke vrouwen aanzet, om wereldsche zaken met het geloof overeen te brengen; moeten wij ook iets zeggen over de kenteekenen waaraan men in de vrouw den waren geest van geloof en godsdienstzin kan kennen Wij zullen die teekens aangeven van de vrouw in het algemeen, zonder te letten op stand of leeftijd, omdat de inborst zoowel bij den man ds bij de vrouw, in den grond dezelfde blijft, al wordt dit ook door verschil in stand en leeftijd gewijzigd.

ocr page 145

Tot voorbeeld nemen wij de moeder des huisgezins: van haren geloovigen en godsdienstigen aard hangt gewoonlijk. op enkele uitzonderingen na, at de godsdienstige geest der kinderen.

Als wij dus gaan spreken over de eigenschappen, die de ware geest van geloof, echte godsdienstigheid bij de vrouw moet hebben, zullen wij het bijzonder over huismoeders hebben; toch zullen wij daarbij niet vergeten in te las-schen, wat ook voor jonge en ongehuwde meisjes van pas is, welke ook dezer staat of stand zij ; opdat wij aldus nuttig zijn voor alle lezeressen. Wat verstaan wij nu door een waren geest van geloof, en gevolgelijk door echte godsdienstigheid ? Dit beteekent: naar den geest leven, en dit wederom wil zeggen, verklaart de H. Franciscus van Sales: doen in tijdelijke en geestelijke zaken, wal geloof, hoop en liefde voorschrijven.

Deze geest van geloof of echte godsdienstzin toont zich bij den persoon, die ze bezit, in eenige uitwendige daden of handelingen ; en deze zijn het, welke den geest van geloof kenteekenen. Gelijk men aan de vruchten den boom kent, zoo kan men aan deze teekens zien, of iemand den waren geest van geloof en godsdienstigheid bezit, dan wel, of zijn geloof en godsdienstigheid zinsbedrog en misleiding van den duivel zijn. Welke zijn dan de teekenen, de hoedanigheden, waaraan men kan zien, of eene vrouw, voornamelijk eene huismoeder, dien waren geest van geloof bezit? Deze teekenen of eigenschappen zijn achi in getal: het nauwkeurig beleven van het geloof, zooals het door God gegeven en door de kerk wordt voorgeschreven ; — aanhoudende beoefening van het gebed; — op gestelde tijden de H.PI. Sacramenten ontvangen; — afgekeerdheid van de wereld koesteren ; — de kinderen goed opvoeden; — behoorlijke zorg dragen voor de dienstboden , — liefdewerken verrichten jegens den naaste ; — en eindelijk ijveren voor de belangen van God en der zielen.

ie Kenteeken: Nauwkeurig het Geloof beleven, zooals het door God gegeven, en door de Kerk wordt voorgehouden.

Iemand, die de wet van God en der Kerk niet onderhoudt, zegt de H. Franciscus van Sales, al zou hij dooden tot het leven opwekken, is en blijft in staat van dood-

ocr page 146

— 134 —

zonde, en zal verloren gaan, als hij in dien toestand sterft. Om waarlijk godsdienstig te zijn, moet men eerst vooral de geboden Gods en der Kerk naleven, en behalve de algemeene voorschriften, ook die nakomen, welke aan ieder in het bijzonder door zijne roeping zijn opgelegd. Ziedaar de eerste hoedanigheid van waren geloofs- en godsdienstzin : het nauwkeurig onderhouden van de wet Gods en de Kerk.

Het is ons plan niet al die geboden één voor één te behandelen. Alleen op de heiliging van zon- en feestdagen willen wij de aandacht vestigen, dagen, die door eene menigte christenen zonder de minste angstvalligheid tegenwoordig ontheiligd worden. Tal van dames, huismoeders en jonge dochters, die zich inbeelden katholiek te zijn, misschien zelfs lid zijn van een broederschap of godsdienstige vereeniging, doen niet minder. Heiliging van den Zondag schrijft voor, zooals gij weet, Mis hooren, en zich onthouden van slaaische werken. Welnu, een groot getal dames en jonge juffrouwen, huismoeders en jonge meisjes verzuimen heden, of doen verzuimen de H. Mis, werken oi doen werken, onder het geringste voorwendsel. En toch, de H. Mis verzuimen, op die dagen werken zijn twee zware zonden, welke aan hen, die ze bedrijven, treurige gevolgen op den hals halen.

Als nu heden zoo weinig gemaald wordt om de heiliging van zon- en feestdagen, dan ligt de schuld daarvan geheel bij de vaders en moeders. Als deze toch een goed voorbeeld hierin aan de kinderen gaven, als zij zich onthielden van alle slafelijk werk, als zij zelve de H. Mis bijwoonden en hunne kinderen derwaarts begeleidden van stonde af dat de kinderen zich behoorlijk in de kerk kunnen gedragen ; — dan zouden die kinderen een heel ander gedacht krijgen van den plicht, om op zon- en feestdagen Mis te hooren en niet te werken, (i)

Als gij, dierbare jonge dochters, dergelijke ouders hebt

(i) Minder van toepassing op ons land moge het bovenstaande schijnen. Als men echter ziet, hoe door allerlei vermakelijkheden op de zon- en feestdagen, deze hier nog wal gevierd, maar alreeds weinig meer geheiligd woiden, dan is de vraag gewettigd, of het hier ook niet eenmaal zoover komen zal. Caveant consules; Dat de out'ers, vcoral moeders hier op letten. Noot van den vertaler.

ocr page 147

doet al het mogelijke, om de H. Mis bij te wonen, werkt nooit op zon- en feestdagen ; en zorgt, dat niemand uwer huisgenooten de H. Mis verzuime, ot eenigen arbeid verrichte. Weest innig overtuigd dat God reeds in dit leven door rampen van allerlei soort de overtreding zijner geboden straft: en dat aan Gods zegen meer gelegen is dan aan alle arbeid, nijverheid en vlijt van den mensch. Eene der klachten, welke de H. Maagd bij haar verschijnen op den berg Salette in iS46 over Frankrijk uitte, was: het ontheiligen van den Zondag. Opmerkelijk was het, dat in den Fransch-Duitschen oorlog van 1870, de grootste nederlagen en tegenspoeden voorvielen, of het bericht er van te Parijs aankwam op Zondag. Het dagblad le Monde, gaf er eene lange lijst van : genoeg, in herinnering te brengen: de uit-toch van Xapoleon uit Metz en zijne laatste proclamatie, het bericht der overgave van Sedan, de overgave van Soissons, van la Fère ; de veldslag bij Amiens, Chevilly, Xuits, de bezetting der forten rondom Parijs door de Pruissen, de afkondiging der Commune, enz., enz. ; — dat alles gebeurde op Zondag .... God had in de oude Wet aan de Joden geboden, dat men hem met den dood moest straffen, die op den Sabbatdag werkte, den dag die aan den Heer gewijd was.

2e Kenteeken. Aanhoudende beoefening van hei gebed.

Als er sprake is van het gebed, dan moeten alle christenen diep doordrongen zijn van twee zaken : dat het noodzakelijk is te bidden, en even noodzakelijk: goed te bidden. Deze twee punten maken, wat het gebed betreft, de twee kenteekenen uit van den geest des geloofs. Het is een geloofspunt, dat de mensch niet kan zalig worden zonder de hulp der genade, en deze, leert de H. Augus-tinus, krijgt men door het gebed. Van daar dat de Kerkvaders Augustinus, Thomas en anderen tot uitgangspunt nemende de woorden van Christus : gij moei altijd bidden, en nooit opkonden, leeren, dat bidden een gebod is, omdat het de doodzonde voorkomt, en dat dus iemand, die niet bidt. bijna niet zalig kan worden. Daarom beschouwt men het gebed ook als het voedsel der ziel: gelijk het lichaam niet lang kan leven zonder stoffelijk voedsel te nemen, en gelijk dat voedsel, zal het nuttig zijn, goed moet zijn, zoo

ocr page 148

— 136

moet ook het gebed goed gedaan worden, wil de ziel er nut van hebben. Slecht voedsel, wel verre van goed te doen, schaadt de gezondheid. Zoo ook het gebed; als het zonder behoorlijke gesteltenis gedaan wordt, trekt het Clods genaden en zegeningen niet over ons : integendeel; dan maakt het ons in Gods oogen schuldig en strafplich-tig. Wat moeten wij dan denken, niet alleen van zeer vele gewone christenen, maar zelfs van dames huismoeders, jonge dochters, die katholiek en zelfs godsdienstig willen schijnen, en die zelden of nooit bidden, of die, als ze het doen, zich slecht van dezen plicht kwijten ? Kan men zeggen, dat dergelijke personen een waren geest van geloof hebben ? Voorzeker neen. En wie is de schuld van deze zoo groote nalatigheid, van deze zoo weinig christelijke handelwijze ? De huismoeders. Als deze toch doordrongen waren van de noodzakelijkheid van bidden en van goed-bidden : als zij hunne kinderen in de vroegste jeugd reeds gewenden aan deze zoo gewichtige uitoefening van het christelijk leven ; indien zij zelve voor hunne gezinnen een levend en blijvend voorbeeld van volhardend gebed waren: dan zouden er in de wereld niet zoovele christenen zijn, die niet of slecht bidden, niet ook zoovele halve-katholieken, zoovele valsche godsdienstigen en zoovele menschen. die afdwalen. En als gij bij ongeluk moeders hebt, die daar aan niets hechten, die zelve niet bidden noch ook door de haren doen bidden ; vervult gij zelve dan dien liefdedienst bij uwe jongere broeders en zusters : God, die zich niet in edelmoedigheid laat overtreffen, zal het u bij uw leven overvloedig vergelden. Voert in uw huisgezinnen de gewoonte in, dagelijks gezamenlijk den Rozenkrans of het Rozenhoedje te bidden, want het dagelij ksch bidden van den Rozenkrans is een teeken van voorbestemming. Gelukkige huisgezinnen, die dat dagelijks samen doen. Neemt ook de heilzame gewoonte aan, alle dagen, al is het slechts gedurende 10 of 15 minuten iets te overwegen. Denkt niet dat de oefening van het inwendig gebed of de meditatie iets is, dat alleen voor religieusen of grijsaards goed is : ook de menschen in de wereld moesten het doen. De oudste dochler van de H. Joanna Francisca de Chantal mediteerde reeds op zeer jeuadigen leeftijd meer dan een kwartier lang. En als uwe bezigheden nie';

ocr page 149

toelaten, om een vasten en bepaalden tijd daarvoor te nemen ; maakt u ten minste gewend, van onder uwe gewone bezigheden aan de groote waarheden des geloofs te denken, b.v. aan Gods tegenwoordigheid, aan het Lijden des Heeren, aan den dood, het oordeel, de hel. de hemel-sche glorie, aan de afschuwelijkheid der zonde, enz. De H. Rosa van Lima smeekte alle biechtvaders en predikers, toch alle menschen aan te sporen, eenige meditatie te doen. De H. Alphonsus de Liguori zegt in zijne : „Kleine ■verhandeling over het gebedquot; dat hij, als het mogelijk ware. gaarne een exemplaar van zijn werkje aan de heele wereld wilde geven, om hen te overtuigen, hoe noodig het is, te bidden.

3e. Kenieeken: liet gepasi ontvangen der H.H. Sacramenten.

Bij het ontvangen der 1!H. Sacramenten valt over twee zaken te spreken: hoe dikwijls, en in 'welkegesteltenis men die moet ontvangen. Deze twee vereischten bijeen maken het derde kenteeken van geloofszin uit. Er zijn huismoeders en jonge meisjes, die katholiek willen zijn, en toch slechts zelden de H.H. Sacramenten ontvangen, zoo zelden, dat er weinig verschil is tusschen haar en hen, die ze maar ééns per jaar ontvangen, Kr zijn ook meer anderen, die dikwijls tot de H.H. Sacramenten naderen, maar in zoo onvoldoende gesteltenis, dat het beter was. dat zij ze slechts eenmaal in het jaar, doch dan goed, ontvingen. Gelijk men ziet: geen van beide hebben den waren geest van geloof, irlet dikwijls ontvangen der H.H. Sacramenten is voor allen, zonder uitzondering zeer nuttig; ja, hoemeer werkzaamheden, moeielijkheden, kwellingen, zielsgevaren men heeft, hoe dikwijler men ze moet ontvangen, omdat Jesus Christus ze ingesteld heeft om ons te bemoedigen en te sterken op den weg des levens tegen de vijanden onzer eeuwige zaligheid.

Men weet genoeg, hoe de eerste christenen zich door het ontvangen der H. Communie voorbereidden tot het martelaarschap. Weinig of geen nut trekken zij uit de H. Communie, die ze ontvangen zonder de behoorlijke gesteltenis, ja 't is zeer de vraag, of zij niet veeleer zich er aan bezondigen: en het getal dergene van het vrouwelijk

ocr page 150

geslacht, die aldus de Sacramenten onteeren, is zeer groot. Werpen wij slechts een blik op de wereld ; wat zien wij daar 'r Dames en jonge dochters, die de nacht in wereld-sche vermakelijkheden doorgebracht hebben, en des anderdaags 's morgens tot de H. Tafel naderen, omdat die dag daarvoor aangewezen is door een of andere broederschap of vereeniging; welke zijn daarbij hare gesteltenis van geest en hart ? Deze kan men zich gemakkelijk voorstellen. Andere zijn er, die 's morgens te Communie gaan, en 's avonds naar het theater of bal. Wat voor biechten en Communiën doen zij ? Ook deze kan men zich verbeelden. Eindelijk zijn er nog, die wel driemaal daags te Communie zouden gaan, als het kon, maar de gesteltenis van deze is dusdanig, dat zij altijd dezelfde blijven als ze al niet slechter er bij worden : altijd hoovaardig en aanmatigend, zonder geduld of liefde jegens den naaste, zorgeloos voor hare kinderen, dwingelanden voor hare dienstboden., onverdragelijk voor hare mannen enz.

Is dit nu den geest van geloof hebben ? Voorzeker, neen Aan wie alweder de schuld van deze onbetamelijkheden ? Aan de huismoeders, altijd aan haar. Indien zij met de noodige gesteltenissen en op gepasten tijd de 1IH. Sacramenten ontvingen ; als zij hare dochters onderwezen door haar v oord en voorbeeld ; dan zouden zij, noch hare kinderen het treurig schouwspel vertoonen van slechts zelden tot de H. Sacramenten te naderen, van uit den biechtstoel recht nanr de toilet-kamer te gaan, van de kerk naar het theater, van eene weldadigheidsvergadering naar het bal; en dit alles even licht, als van het eene stuk tot het andere wordt overgegaan, of als men van den eenen stoel op den anderen gaat zitten. Doet gij niet zoo, dierbare jonge dochters. Ontvangt ten minste ééns in de maand de HH. Sacramenten : dat is niet te veel gevorderd ; en omtrent de vereischte gesteltenis, onthoudt de woorden, welke de H. Bernardus aan zijne zuster schreef: „Geliefde zuster,quot; schreef „hij haar, „denk eens de voorzichtigheid der slang; als z;j „gaat drinken spuwt zij eerst haar gif uit, vooraleer zij bij „de fontein komt. Volg haar hierin na : alvorens te nade-„ren tot de fontein, tot de vereeniging met het Lichaam „en Bloed van Jesus Christus, spuw ook eerst uw gif uit, „d. i. haat. toorn, begeerlijkheid, slechte verlangens, on-

ocr page 151

- 139 —

T

betamelijke genoegens, enz. Dan kan men zeggen, dat men den waren geest van geloof bezit; dan kan men zeker zijn, nut uit de HH. Sacramenten te zullen trekken.

4e Kenteeken : Haat en verachting' aer wereld. Na al hetgeen wij reeds gezegd hebben, is het onnoodig te herhalen, dat haat en verachting der wereld de kenteekenen zijn van den waren geloofszin. Toch zullen wij er eenige bemerkingen over maken; omdat die haat en verachting zoo innig met den geest van ware godsdienstigheid samenhangt, dat men deze niet kan denken zonder gene Om iemand christen te maken, zegt de H. Thomas, zijn twee zaken noodig: de genade en roeping van God: en de trouwe beantwoording van den mensch aan die genade en aan die roeping. Wel bezien, is er geen beter bewijs, dat die beide zaken aanwezig zijn, dan de haat en de verachting, welke men der wereld toedraagt. Wat God betreft : Hij haat en veracht de wereld, en de Christen, die aan de . genade zijner roeping wil beantwoorden, moet die wereld

evenzeer haten en verachten, omdat hij bovendien in het Doopsel haar afgezworen heeft Die haat en minachting voor de wereld hangt zoo innig met den geest van het christendom samen, dat zij, die naar volmaaktheid dingen, het religieuse leven omhelzen en zich in een klooster terugtrekken van de wereld, gelijk de christenen der eerste eeuwen het kluizenaarsleven, en gelijk zij zich in de woestijn begaven. Wat dan zeggen van zoovele dames, jonge meisjes en huismoeders, die zich inbeelden ware christinnen en erg godsdienstig te zijn, omdat zij eenige godsvruchtoefe-ningen, eenige liefdewerken beoefenen terwijl zij in hare denk- en handelwijze, in hare gevoelens even wereldsch ge-gt; zind zijn als zij, die hare godsdienst- en liefdeplichten ver

zuimen. Mag men zeggen, dat zij waren godsdienstzin bezitten ? Of dat God tevreden is over haar geloof, over hare godsdienstigheid en liefde ? Zeker niet

C Cantu schrijft in zijne Algemeene Geschiedenis, over Frankrijk tijdens de regeerinu' van bodewijk XIV; Het christendom maaku destijds deel uit van de levensiuijze. Als voor iedere andere plechtigheid waren er uren voor bepaald, en diende het voor tijdverdrijf: men ging naar de preek

g-elijk men tiaar de comedie gaat. Ditzelfde kan men tegen-

a

ocr page 152

— i4o —

woordig zeggen van den godsdienstzin van vele dames en jonge meisjes. En aan wie alweder de verantwoordelijkheid voor dien valschen en vervalschten geest van geloof, die de wereld heden beheerscht ? Aan de huismoeders, altijd aan de moeders. Toen de H. Catharina van Sienna zich naar Avignon begaf, om de belangen der Kerk en den terugkeer van den H. Stoel naar Rome met Paus Gregorius XI te bespreken, brachten een groot getal dames van Avignon godsvrucht en godsvruchtoefeningen in de mode. De Heilige was tegenover haar niet alleen buitengewoon koel en onverschillig, maar vermeed ze zelfs; en soms gewaar-digde zij zich niet. haar een blik toe te werpen. De zalige Raymundus van Capua, de biechtvader der Heilige, was niets tevreden, dat zij die voorname dames aldus behandelde, en maakte haar daarover dikwijls opmerkingen. Eens zeide hij haar: r i et is niet goed van u. zoo onverschillig te blijven bij al die lieve voorkomendheden. Alle aanzienlijke dames, die ons ontmoetten, groeten diep. en gij keert het hoofd om. Als zij met vriendelijke woorden bij u komen, zegt gij tot haar: dat wij voor alles uit den afgrond der zonde, en uit de handen des duivels moeten geraken, alvorens van God te spreken : en dan gaat gij heen. Vooral kan ik niet goedkeuren de wijze, waarop gij die schoone dame ontvangen hebt. die u wilde spreken. Wat bescheidenheid in geheel haar persoon ! Welk passend voorkomen ! En gij hebt haar zelfs niet aangezien ! Waarlijk, 't is niet goed, de menschen zoo te behandelen. Vader, antwoordde hem glimlachend de Heilige, als gij den stank rookt, die uit die mooie mondjes komt, zoudt gij alles uitbraken. Vraag mij niet meer. O van hoe-vele dames en jonge meisjes, die wereldsgezind, en op hare manier godsdienstig zijn, zou de H. Catharina hetzelfde zeggen !

5e Kenteeken : De goede opvoeding der kinderen. Een ander kenteeken van waren godsdienstzin bij de vrouw, is hare zorg, om aan hare kinderen eene goede opvoeding te geven. Planto zeide, dat opvoeden is: hei hoofd bezaaien ; hij had er bij kunnen voegen : en hei hart : want opvoeden is zoowel het hart als het verstand van den mensch vormen. Niets zoo gewichtig dus in het leven als de op-

ocr page 153

— I4i —

voeding Die het woord opvoeden noemt, bemerkt te recht de beroemde Thommases, spreekt van ontwikkelen; want het eenigst middel, waardoor de mensch zich kan ontwikkelen, d. i. van zijne slechte neigingen en drilten ontdaan worden, is de opvoeding. Men moet toch wel in het oog houden, dat ojnoedtn, opvoeding komt van de latynsche woorden educare en educere, die tuUrekken er uit haten beteekenen. In het latijn zijn deze twee woorden educere en educare dooreen, voor elkaar in gebruik geweest. Het is dus eene groote dwaling van vele regeeringen en van vele huisvaders, die meenen, dat, als de kinderen onderwijs ontvangen, ze dan ook opgevoed worden ; eene dwa-ling, die voor den mensch, afzonderlijk genomen, even noodlottig is als voor de maatschappij. OpToeding' maakt menschen heelt Mgr. Dupanloup zeer juist gezegd, en onderwijs maakt geleerden; en dit is zoo zeker, dat er menschen zijn, die volmaakt opgevoed zijn, doch weinig onderwijs hebben genoten, en menschen die onderwezen, zelfs genieën zijn, doch weinig opgevoed. Iemand, die Napoleon I van nabij kende, zeide, dat het wel te betreuren was, dat een mensch van zoo groote gaven, niet opgevoed was. Als nu de opvoeding is de uitroeiing der slechte neigingen en driften en de vorming van quot;s menschen verstand, dan begrijpt men gemakkelijk, dat het grondbeginsel der opvoeding moet zijn, eene godsdienstige gemoedsbeweging, zoodat hij, die bij de opvoeding den godsdienst buiten sluit iets onmogelijks ,ja tets ongerijmds wil. I )e reden is, dat de godsdienst alleen met hare geloofspunten en hulpmiddelen de driften van den mensch kan beteugelen, en voldoen aan de eischen van verstand en hart. En wie zijn nu de eerste en voornaamste opvoeders van den mensch ? Diens eigen ouders, vooral de moeder. Het kind is een mitomaat, naar het gezegde van Pascal, dat is, een wezen zonder eigen wil, dat zich door den eersten den besten laat leiden, en zich gewendt, te handelen, te denken, te gevoelen naar dat hij anderen ziet doen, denken en voelen. Daardoor komt, dat naaiden wil van God en door natuurlijke beschikking, de moeder de eerste en voornaamste opvoedster van den mensch is; en als deze eerste opvoeding mislukt ol verkeerd is, dan is, al wat andere opvoeders later ook doen, vruchteloos. De beroemde graaf de Maistre schreef aan zijne

ocr page 154

— 142 —

dochter Constantia: Voltaire heeft gezegd 'naar hetgeen gij mij mededeelt, want ik weet er niets van, daar ik. hem nooit geheel, en in de laatste 30 jaren zelfs niet één enkele regel van hem gelezen heb) dat de vrouwen bekwaam zijn te doen, wat de mannen verrichten, enz., enz Is dit eene beleefdheid jegens de eene of andere schoone vrouw, of een dier tallooze zetten, die hij in zijn leven ten beste heeft gegeven ? Het tegendeel is echter waar ; want ik heb nog nooit eene vrouw ontmoet, die iets uitgevonden heeft. Zij hebben echter een beter werk verricht ; op hare knieën wordt gevormd wat op aarde het verhevenste is : een rechtschapen, eene brave vrouw. Aan wie dan de schuld, dat we in onzen tijd zoovele lichtzinnige jongelieden zien. zonder geloof, zonder zeden, zonder besef van eigenwaarde, zonder eer: en dat onder de geringste en onder de voornaamste standen der maatschappij 'r Aan de moeders, altijd aan tie moeders. Zij zijn de ware verwijderde oorzaak van zoovele ongeregeldheden en misdaden als mannen en vrouwen van allerlei stand bedrijven. Napoleon I sprak eens met Mevr. Campan over de rampen, die Frankrijk troffen : en zij antwoordde er op. dat er ook geene moeders waren, die haren kinderen eene goede opvoeding konden geven. Welnu, zeide Napoleon, dan moet gij moeders vormen, d:e hare kinderen kunnen opvoeden. Cantu verhaalt in zijne Volksvoordrachten, dat een jongeling met name Paulus Pezzola in 1816 in Lombardije werd te recht gesteld, maar dat hij zich op het schavot nog lot het volk wendde, en sprak: O jonge lieden, vaders en moeders, hier tegenwoordig, ziet, hoe men op deze plaats kan komen door nietige oorzaken. Mijne moeder had mij lief, en ging in mij niet de slechte neigingen tegen, zooals het haar plicht was te doen ; en zoo groeide ik op en gewende aan de ondeugd. Ik beschouw het een geluk, dit vloekwaardig leven te eindigen. Ik zal het door mijn dood uitboeten ; maar gij km-deren, vreest en schrikt bij het aanschouwen van mijn uiteinde ; gij moeders beeft voor de gevolgen eener dwaze liefde ; en gij, vaders verliest de eerste schreden uwer kinderen niet uit het oog, opdat zij niet ellendig aan hun einde komen.

Kan men nu zeggen, dat eene moeder den waren geest des geloofs heeft, als zij van de teederste jeugd af niet alle

ocr page 155

- r43 —

zorgen wijdt aan de opvoeding harer kinderen ? Voorzeker neen ; en als zij zoo handelen, en. dan nog godsdvruchtig willen schijnen, is hare godsdienst begoocheling en hare godsvrucht denkbeeldig. Huismoeders, brengt u dikwijls te binnen de woorden van den geschiedschrijver Cantu ; de mensch wordt gevormd in tien jaren : de school zal den wiskundige, den zaakwaarnemer, den koopman, den werkman maken ; maar de mensch is ie voren al gemaakt. Aldus begrijpt gij, waarom de inwoners van Sparta de vaders straiten voor de wandaden der kinderen.

6e Kenteeken : Behoorlijk zorg dragen ïtoor de dienstboden. De' zorg, welke zij voor hare dienstboden moet hebben, kenschetst ook in de vrouw den geest van geloof. Op dit punt, dierbare dochters, vestig ik bijzonder uwe aandacht, want er zijn weinig en zeer weinig dames en juffrouwen en huisvrouwen, die tegenwoordig nog dezen plicht nakomen, van behoorlijk te waken over hare dienstknechten en meiden. Spreken we niet over die gevloekte en eer-looze vrouwen, die jeugdige dienstboden en zelfs kleine meisjes gebruiken voor de schandelijke hartstochten hunner zonen.

Laten we zwijgen over die verworpene zielen, die hier op aarde alvorens door God in haar eigen persoon en in hare zonen op verschrikkelijke wijze gestraft worden Wij willen spreken over die dames en huisvrouwen, die voor christelijk doorgaan, en die zelve meenen godsdienstig te zijn, o ïioevele zijn er, voor wie Gods oordeelen schrikwekkend zullen zijn, omdat zij te weinig zorg voor hare knechten en meiden gedragen, ze aan hen zelve overgelaten hebben ! Hoevele gaan hierom verloren ! Tot deze soort be-hooren ook die dames en gewone vrouwen, die op alle mogelijke wijzen en onder duizend schoone beloften weesmeisjes van arme gezinnen of uit weeshuizen zien te krijgen, die zij dan zullen aannemen en opvoeden als eigen kinderen, zooals zij voorgeven; maar ze slechts gebruiken om te werken, zich niet meer bekommeren om hare opvoeding, hare ziel, eer, zelfs niet om hare gezondheid, en die arme kleinen half of slecht gekleed, honger en koude laten lijden, ze overmatigen arbeid laten verrichten, ze den slaap onttrekken en slecht behandelen. Wat in het bijzon-

ocr page 156

— 144 —

der de knechts aangaat; meesters en meesteressen van den huize moeten wel weten, dat ze niet genoeg doen, als ze hun stipt en zonder korting de huur betalen, want God had alreeds in de Oude Wet hiervan een streng bevel aan de Joden gegeven. En als iedere ontduiking van dit gebod voor hen zonde, ja eene groote zonde was, hoeveel te meer zijn hiertoe dan christen meesters en vrouwen verplicht Ook is het niet voldoende, hen behoorlijk le voeden, d. i zóó dat zij niet verzwakken door den geringen of slechten kost; want hierin hem die werkt te kort doen is, zegt de H Geest, den. evenmensch als vermoorden. (Eccl.) Dat alles is niet voldoende ; gij moet hen bovendien niet bovenmatigen arbeid laten verrichten, noch hen de uren voor den slaap benoodigd onttrekken, want bij lastdieren houdt men dit zelfs in het oog. Wat dan zeggen van de handelwijze dier dames en heeren, die tot middernacht en later in theaters en op bals doorbrengen, inmiddels hunne dienstboden laten opblijven, en dan vorderen, dat deze wederom ten 5 of 6 ure op de been zijn, om hun werk te verrichten, terwijl zij zelt tot 9, 10 uren te bed blijven? Op zon- en feestdagen moeten zij ook een behoorlijken tijd rust kunnen nemen, om hunne krachten te herstellen en zich met de belangen hunner ziel bezig te houden. Als zij ziek of ongesteld zijn. moet men naar omstandigheden, en naar gelang het min of meer ernstig is, liefdelijk hen verzorgen. Men moet hen niet uit de hoogte of onbeleefd behandelen, maar met zachtheid en goedheid, zooals een goed hart en het geloof dat aangeven : Wees niet in uw huis als een leeuw, zegt de H. Geest, door vrees en schrik le verspreiden o)ider uwe huisgenooien, en uwe ondergeschikten te ■verdrukken (Eccl.) Eindelijk moet gij hun een goed voorbeeld geven, en u de belangen hunner ziel en zaligheid aantrekken. Zietdaar in weinige woorden alle plichten opgesomd van meesters en huisvrouwen jegens hunne knechten en meiden. Zijn nu de huizen, waar men deze plichten vervult, tegenwoordig wel zoo talrijk ? Kan men van die meesters en meesteressen, die aan zoo misdadige nalatigheid zich schuldig maken, wel zeggen, dat zij den waren geest van geloof bezitten ? Duidelijk, neen! Verre van daar zelfs. Want de Apostel Paulus zegt uitdrukkelijk in een zijner 1'rieven, dal hij die voor de zijnen,

ocr page 157

— '45 —

en bijzonder voor zijne huisgenooten draag/, het gelooj verloochent, en erger is dan een ongeloovige. (1 Tim.) Waarom erger ? Omdat, als een ongeloovige enkel door het licht zijner rede \veet. verplicht te zijn voor zijne dienstboden zorg te dragen; een christen, die dezen heiligen plicht niet volbrengt, daarom bij God veel schuldiger is dan een ongeloovige, omdat deze tegen het licht der rede en van het geloot handelt. En men zegge niet, wat men dikwijls moet hooren : de dienstboden zijn tegenwoordig slecht. Hierop antwoorden wij, dat slechte meesters de dienstboden slecht maken, gelijk slechte vaders slechte zonen hebben; niet omgekeerd. Luistert eens naar den grooten geschiedschrijver Cantu, die de geschiedenis der huisgezinnen even góed kent als die der wereld. De diensboden zijn zooals de meesters hen maken; daarom vraag ik u: wat hebt gij gedaan, opdat zij u beter zouden dienen ? Hebt gij u altijd billijk jegens hen betoond, en geen werk vaa hen gevorderd. dat boven hunne krachten ging, of hen uitputte ? Hebt gij hen niet met minachting en hardheid behandeld? Hun billijk en stipt betaald ? Hen beschermd, geholpen in al wat noodig was? Zijt gij bescheiden in uwe orders. Iemand, die den heelen dag moet werken en niet mag rekenen op eenige rust, zelfs des nachts niet, zal niet meer werk doen, noch het beter verrichten, dan als hij een behoorlijken tijd had kunnen slapen. Als uw paard ffink loopt, geef het dan niet de sporen, want in plaats van sneller te loepen, zal het steigeren. Ik zeg het nog eens: wilt gij goede dienstboden hebben ? Zorgt dan goede meesters te zijn. Wij voegen er bij, dat men onder die menschen van geringe afkomst dikwijls groote zielen ontmoet, en dat men die niet altijd kent, omdat men er de gelegenheid niet toe heeft. Wij halen hier slechts eenige voorbeelden aan: de Heilige Matrone, eene meid, liet zich door hare meesteres, eene jodin, met stokslagen dooden, liever dan haar geloof af te zweren ; — de Heilige Dulia van Nicomedie liet zich liever met een zwaard doorsteken, dan hare eer te verliezen : — de H. Zita, die om hare heldhaftige deugden als voorbeeld en patrones der meiden vereerd wordt; — eene negerin van San Domingo verkocht zich zelve als slavin te New-Orleans, en zond den prijs aan hare vroegere meesteres, die in Frankrijk woonde,

GELOOF EN ONGELOOF. 10

ocr page 158

— uó —

en door de revolutie van San Domingo in 1792, hare bezittingen verloren had. Deze waarlijk heldhaftige daad toonde al den zielenadel van haar, die ze bedacht en ten uitvoer bracht. Mogen dan meesters, maar vooral huisvrouwen alle zorgvuldigheid aan den dag leggen voor hunne dienstboden, en zoo ook hunne zonen en dochters daaraan gewennen. En gij, dierbare jonge dochters, als gij ziet, dat uwe ouders die bezorgdheid niet hebben, doet gij hen dan begrijpen de groote verantwoording, die zij voor God en de menschen op zich nemen, en neemt gij zoo goed mogelijk hunne plaats in Op hare reis naar Jerusalem ontving de H. Birgitta te Napels van den Heer openbaringen over de wijze, waarop vele meesters in dit rijk hunne dienstboden behandelen. Zij vernam, hoezeer daardoor God beleedigd wordt, en vermaande daaromtrent den Aartsbisschop Bernardus. En de dienares Gods, Anna Catharina van Emmerich, zag in hare vele gezichten, en op de reizen, welke zij onder geleide van haren Engelbewaarder maakte, hoe Gods rechtvaardigheid zich in het vagevuur van de dienstboden bediende, om dezer vroegere meesters te straffen. Mijne dochters, houdt altijd levendig voor oogen de woorden, welke eens een biechtvader van — eene huisvrouw haar toevoegde over de behandeling van, en de zorg voor dienstboden. Vrouw, hoe zoudt gij willen behandeld worden, als gij eene arme meid waart ? Hoe zoudt gij uwe kinderen behandeld willen zien, als zij moesten gaan dienen ? Welnu, de omstandigheden en toestanden van het leven zijn als een rad, dat God naar welbehagen in beweging brengt; en het zou niet den eersten keer zijn, dat personen, die te midden van gemakken en rijkdommen geboren zijn, zich genoodzaakt zien, in den geringen stand van dienstboden hun brood te verdienen.

7= Kenteeken: De beoefening der liefde ten opzichte ■van den naaste.

Het volgend kenteeken van geloofszin geeft Jesus Christus zelf in het Evangelie aan, als Hij zegt: Dit is mijn gebod, dat gij elkander bemint. De ongeloovigen en zoogenaamde geleerden van het ongeloof, die altijd den mond vol hebben van hunne menschlievendheid en broederschap worden door den bekenden goddeloozen Proudhon, op de volgende

ocr page 159

— 147 —

wijze te recht gezet: Broeders zijn wij; zeker, zooveel gij maar wilt, op voorwaarde, dat ik de oudste ben en gij de jongere broeder zijt. Te vergeefsch praat gij tegen mij over broederschap en liefde, want ik ben overtuigd, dat gij mij niet bemint; en ik voel heel goed, dat ik n evenmin mag lijden. Ditzelfde verwijt zou men tot yele dames en jonge meisjes kunnen richten, die voor godsdienstig doorgaan en lid zijn van verscheidene liefdadigheidsgenootschappen, en die toch den waren geest van geloof en liefde jegens den naaste missen. Jesus Christus beveelt ons, elkander te beminnen zooals Hij ons bemind heejt. Dierbare lezeressen, gaat van dit beginsel eens uit, en onderzoekt u dan eens, of gij waarlijk den geest van geloot en liefde tot den evenmensch hebt. De liefde, leert de H. Paulus, is geduldig, zij is welwillend, zij is niet afgunstig, zij verhoovaardigt zich niet. zij is niet heerschzuchtig, zij zoekt haar eigen voordeel niet, zij maakt zich niet boos, zij detikl geeti kwaad, zij verheugt zich niet over ongerechtigheid, maar is blijde over de waarheid, zij onderstaai alles ; zij gelooft ahes, zij hoopt alles, zij verdraagt alles, de liefde sterft niet (1 Cor.) Welke is nu, en welke was steeds uw geest van liefde? Heeft hij en had hij altijd de eigenschappen, welke de Apostel hier opnoemt ? Welke was en is ten dezen opzichte uw gedrag jegens uwe ge-buren en betrekkingen, jegens uwe vriendinnen en vreemden, jegens uwe knechten en meiden ? Wat deedt gij en wat doet ge nog uit zuiveren godsdienstzin voor de armen, de zwakken, de zieken en bedrukten ? Hoe stelt gij u aan, en hoe gedraagt gij u tegenover vader, moeder, broeders, zusters, zonen of dochters ? Wat stof voor onderzoek en verwijt; wat stof ook misschien van veroordeeling voor Gods rechterstoel voor zoovele dames, huismoeders en jonge meisjes in onzen tijd, waarin alles, zelfs de geest van geloof en liefde bedorven is. Bedenkt wel, dierbare jonge dochters, dat in eene ziel het vuur der liefde grooter wordt naarmate de geest van geloof toeneemt; en dat het geloof voor 's menschen ziel is als de zon, die haar verstand verlicht ; en de liefde als de warmte, welke van die zon afstraalt en haar hart doordringt. Hieruit volgt, dat hoe meer wereldschgezind eene ziel wordt, en hoemeer zij het licht des geloofs verliest, hoemeer ook in haar de gloed der

ocr page 160

— 14Ö —

liefde uitdooft. Het even van de H. Catharina van Sienne geeft ons duidelijke bewijzen van deze waarheden. Ofschoon de II. Catharina in den schoot harer familie leefde, nam zij, om de liefdadigheid te beoefenen, de verzorging van de afschuwelijkste zieken op zich- Zoo verzorgde zij langen tijd eene vrouw, die zoozeer met verpestende melaatsch-heid geslagen was, dat niemand het bij haar kon uithouden. Het merkwaardigste was wel, dat deze vrouw zoo kwaad humeur, en zoo opvliegend was, dat zij de Heilige met verwijtingen en beleedigingen overlaadde, als zij, door de eene of andere bezigheid opgehouden, een weinig te laat bij haar kwam. Wel verre, dat de Heilige haar verliet of boos werd, trachtte zij haar met de grootste goedheid tot bedaren te brengen, en ging voort, haar alle diensten te bewijzen, alsof zij hare oppaster of meid was. De melaatschheid stak de handen der Heilige aan; en wat nu ook hare moeder en andere personen deden, om haar af te houden van die melaatsche nog te helpen, omdat zij vreesden, dat geheel haar lichaam aangetast zou worden: de Heilige wi.de er niet in bewilligen, hare heldhaftige beoefening der liefdadigheid te staken, voordat hare verpleegde dood was. Na het overlijden, waschte zij nog het lichaam der arme vrouw en begroef het, en aanstonds daarna waren hare handen genezen, en werden zacht en wit als die van een kind. i;

Zietdaar, dierbare jonge dochters, wat de geest van geloot vermag te doen ; integendeel wat doet de wereldgeest ? Toen deze zelfde Heilige zich naar Avignon begaf, om met den Paus de belangen der Kerk te bespreken, was geheel de stad in rep en roer, vooral die personen, die er belang bij hadden, dat de Paus niet toegaf aan den aandrang, welke de Heilige van Godswege op haar uitoefende, om den H. Stoel naar Home over te plaatsen. Geven wij het woord aan den Eerw Heer Chavin de Malan, den levensbeschrijver der Heiige: De groote dames, verhaalt hij, namen met die handigheid, die hare kunne eigen is, heel andere middelen te baat dan de prelaten en doktoren, om den invloed der H. Catherine te bestrijden. Zij wierpen zich op als hare beschermster; zij brachten de godvruchtigheid in de mode, en overal kon men nu gesprekken over godsdienstige zaken en stichtende verhalen vernemen. De

ocr page 161

— 149 —

gravin de Valentinois, zuster des Pausen, wilde haar ontvangen, en sprak haar al den eersten dag toe met het voorkomen alsof zij ook de verborgenheden van den godsdienst diep naging: hoe gelukkig zou ik zijn, als ik bij uwe godsvruchtoefeningen kon tegenwoordig zijn I Men zou werkelijk gemeend hebben, dat zij ooit daaraan gedacht had. Maar ziethier, hoe die voorkomendheden der dames van Avignon een einde namen. De gravin de Valentinois had P. Raymundus gevraagd, haar te waarschuwen, opdat zij in de 11. Mis zou zijn, waarin de Heilige te communie ging en in geestvervoering geraakte. Eens deed hij haar waarschuwen door Stephana; zij kwam met een talrijken stoet van heeren en dames naar de kapel. Onder deze was ook Elise de Beaufort Turenne, nicht des Pausen. Deze zag met lede oogen aan, dat op raad der vreemdelinge, haar oom het langer verblijf te Avignon wel eens kon opgeven, en besloot daarom, op hare manier een einde te maken aan de kwestie en om hen, die om strijd de geestverrukkingen van Catharina verdedigden, beter in te lichten. Terwijl de zuster van den Paus godvruchtig bad, hield de jeugdige kwaadwillige, die vol ijdelheid was en weinig met godsvrucht op had, zich, alsof zij godvruchtig neerknielde aan de zijde der Heilige, en stak haar meermalen, gedurende hare geestvervoering, eene naald in den voet. Catharina gevoelde er niets van ; maar bij zich zelve gekomen, onderstond zij zoo hevige pijnen, dat zij ter nauwernood met haar schoeisel gaan kon, dewijl het bloed er in stolte.

Men heeft het meermalen gezegd : eene onreine ziel is altijd wreed.

8e Kenteeken: De ijver voor de belangen van God e7i der zielen.

De belangen. van God en het welzijn der zielen zijn twee zaken, die zoo innig met elkander verbonden zijn, dat ze als in elkander loopen. Het is, omdat het éénig redelijk schepsel op aarde de mensch is, en omdat de oorzaak van 's menschen eeuwig geluk na den dood is, de kennis en liefde, welke hij van, en jegens God gehad heeft in dit leven. Hieruit volgt, dat wij werken voor de belangen van God. als wij arbeiden aan

ocr page 162

— 15° —

het heil der zielen; en dit heil bestaat hierin, dat zij God kennen en beminnen, want dit zijn de belangen van God ten onzen opzichte. Daarom hebben van de eerste dagen van het christendom af tot op heden alle Heiligen geblaakt van ijver voor de belangen van God en het heil der zielen. Dat hebben zij gedaan, die even als de Apostelen bestemd waren, om het Evangelie te verkondigen ; maar niet minder zij, die zich als kluizenaars in de woestijn verstoken ; zoowel de moeders, die een huisgezin hadden en voor hare kinderen en dienstboden moesten zorgen als de Godgewijde maagden, die zich in een klooster opsloten. Toen ten tijde van Keizer Valens, eene afschuwelijke ketterij groote verwoestingen te Antiochie aanrichtte, verliet een Heilige kluizenaar, Afrastus genaamd, zijne eenzaamheid en kwam naar de stad. De Keizer vroeg hem, waarom hij de woestijn verlaten had ? Hij antwoordde, dat hij al weinig ;liefde voor zijn hemelschen Vader zou toonen, als hij geene pogingen kwam aanwenden, om den vreeselijken brand in Diens huis te blusschen. Anna Catharina van Emmerik zeide eens tot den Heer ; laat mij leven en alle martelingen onderstaan; maar laat mij daardoor nuttig zijn, al is het slechts voor ééne ziel. Vanwaar nu kan die ijver voor de zaak van God en het heil der zielen komen ? Alleen uit het licht des geloofs; want het geloof alleen kan ons een juist gedacht geven, wat God en wat de ziel is, en van hoe groote waarde beiden zijn, en hoe alles wat wij voor de eer van God en het welzijn van eene enkele ziel kunnen ; doen, weinig is bij hetgeen God en de ziel waard zijn, dat er voor gedaan wordt. Zoo is dan ijver voor Gods belangen en het heil der zielen een onfeilbaar zeker kenteeken van den echten geest van geloof. Wat dan te zeggen van zoovele dames, die bezwaren maken als ze een preek niet gehoord hebben, of niet bi] eene noveen hebben kunnen zijn, of eene kerk niet konden bezoeken ; en zich er weinig ol niets om bekommeren, dat men den godsdienst in het belachelijke trekt, dat men vloekt, gemeene of goddelooze boeken leest, niet leeft volgens de wet van God en der Kerk, dat men leeft en stent alsot er geen God was, alsof alles met den dood gedaan was? Welken geest van geloof hebben zoovele dames en huisvrouwen, die;kinderen en dienstboden heb-

ocr page 163

— i5i —

ben, welke zij moesten onderrichten, en het niet doen ? die ongeloovige of slechte mannen, broeders of zonen hebben, en toch niets doen voor het heil dier zielen ; geen gebed of aalmoes, geene werken van boetvaardigheid of andere goede werken voor hunne bekeering aan God opdragen ? En toch, vele van, deze dames en vrouwen meenen godsdienstig te zijn, en zijn misschien bij verscheidene luidruchtige werken van weldadigheid en liefde betrokken. De rede is, dat aan hun ■ geest van geloof eene kenschetsende eigenschap ontbreekt om de ware te zijn: de ijver voor de belangen van God en der zielen. Werkelijk zijn zij dan ook slechts wereldlingen, die zich in godsdienstige weldoensters en in bedriegelijke speelpoppen vermomd hebben. Ja, deze zullen, en misschien menigwerf, spreken over God en de zielen, doch zij zijn, zooals de Apostel zegt: een klinkend metaal, luidende klokken, (I Corinth.) Het voornaamste bestandeel, liefde tot God en de zielen, ontbreekt haar. Als de Zaligmaker, zegt M. Drumont, met bebloed voorhoofd verscheen aan de dames, die daar geknield zijn in de kerk der H. Magdalena of ('lotildis, en haar vroeg, dat zij zouden afzien van haar kostuum „Wat/eauquot;, of van hare plaats in de opera, van de eene of andere kostbare liefhebberij, dan zouden er op de honderd geene twee zijn. die zouden antwoorden : ik zal het doen. Dezelfde schrijver verhaalt op zijn aangenamen schrijftrant, dat eene dier godsdienstige mode-dames, die zeer veel ophad met liefdewerken, maar tevens zeer wereld-sch gezind was, aan hare modiste bijzondere inlichtingen gaf over hare mode-kleederen, en tevens zuchten slaakte over de verwoestingen, die de goddelooze scholen tegenwoordig onder de jeugd aanrichtten ; zoo toonend, hoe begaan zij was met de zielen der arme kinderen. De modiste, die, naar het schijnt, een gezond verstand en een vrolijk humeur had, kon zich niet onthouden van lachen, toen zij de dame hoorde zuchten uit medelijdende liefde, en tevens zooveel bezorgdheid aan den dag zag leggen voor de mode en voor hare wereldsche beslommeringen. Zij hield zich echter goed, hielp haar spoedig weg; maar toen ook de dame buiten was, barsten zij op den trap in lachen uit ^ Dat is er eene! met de som, die zij jaarlijks aan modes verkwist, kon zij de zielen redden van alle kinde-

ocr page 164

— i52 —

ren, die in hare buurt wonen. En van hoevele dames zou men hetzelfde kunnen zeggen !

Ziedaar de voornaamste kenteekenen van den geest van geloof in de vrouw, vooral in huismoeders. Voor den man, den vader des huisgezins zijn ze, behoudens de noodige wijzigingen, dezelfde. In het leven van de H. Margaretha van Cortona leest men, dat er in de stad, waar zij woonde, eene rijke dame was, gehuwd, buitengewoon mildadig voor de Heilige, en die zeer geacht was om hare godsvrucht, alsmede omdat zij zoo dikwijls tot de H. Sacramenten naderde. De Heilige bad veel voor haar, maar eens openbaarde de Heer haar den zielstoestand dier dame: en beval aan de Heilige, haaide lansje lijst van fouten en /.onden onder het oog te brengen, opdat zij zich er van beschuldigen en haar geweten er van ontlasten zou. De Heer gaf haar deze punten aan : dat zij vermetel was geweest, eene levendige inbeelding had en niet zedig van harte was; dat zij zich voordeed, als ware zij zedig in hare blikken, woorden en gebaren, doch dat zij zulks deed uit menschelijk opzicht, dat zij meer wilde zijn dan andere, en om hare schoonheid opgemerkt worden, dat zij begeerig was naar de loftuitingen der wereld, en Hem noob waardig in de IJ. Communie ontving, omdat zij geen goed berouw had, en hare zonden niet oprecht biechtte: dat zij zich te beschuldigen had van kleine onmatigheden in spijzen, te betreuren had de hardheid, als zij aalmoezen moest geven; dat zij zich moest beschuldigen van zonden, die zij bedreef door het gebruik van ijdele sieraden, dat zij uit trotsch gaarne geprezen werd om hare afkomst en rijkdommen, en dat zij dikwijls neerslachtig was uit jaloerschheid; dat hare gebeden als verzwolgen werden door haren wereldschen zin ; dat zij berouw moest hebben over de slechte behandeling, die zij hare dienstboden deed ondergaan, en over het weinige medelijden, dat zij met die arme menschen had, om ze uit liefde tot Mij te hulp te komen; dat zij zelve dubbel gekleed was, maar geen mededoogen had met hen. die koude en naaktheid verduurden: dat zij zich inbeeldde, de beste en de schoonste vrouw te zijn: dat zij Mij, haren Schepper heeit verongelijkt, door zich voor een spiegel op te tooien, en zich zelve met welbehagen te bezien, en hare blikken gevestigd te houden op hetgeen men wereldsche beuzelingen

ocr page 165

— 153 —

moet heeten, en door de schoonheid of het schoone optreden van andere te benijden; dat zij zich moest verwijten, aan hare dienstmeiden geen rust van het werk gegeven te hebben, maar veeleischend jegens haar geweest te zijn, niet alleen als zij gezond, maar zells als zij ziek waien; van haar niet bemoedigd, maar zelfs geene verwijtingen en scheldwoorden gespaard te hebben door ze onfatsoenlijk, lui enz. te heeten. En de Heer, zich tot de Heilige wendend, voegde er bij: en u, mijne dochter Margaretha, u, die voor die ziel gebeden, en eene zoo groote barmhartigheid voor haar verworven hebt; u zeg ik, dat zij u niet dankbaar zal zijn voor dezen dienst, die gij haar bewezen hebt.''

Ziedaar eene proeve, hoe eene vrouw, die eene valsche godsvrucht bezit, moeielijk zich zelve kent en betert.

De geest van geloof en de keuze van een levensstaat.

De raadgevingen, die wij aan de jeugd gegeven hebben, opdat zij het geloof zou behouden en bewaren, doen gemakkelijk begrijpen, welke kenteekenen die ware geest van geloof moet hebben. Alvorens te eindigen, willen wij echter nog eenige opmerkingen ten beste geven over den godsdienstigen geest, welke tot gids moet dienen aan de jongelieden bij de keuze van een levenstaat. Van het missen of slagen hiervan, hangt voor den mensch gewoonlijk af zijn geluk in dit, en in het andere leven. Met den geleerden Suarez verstaan wij door levensstaat die bestendige en vaste levenswijze, welke de mensch aangaat, om op aarde God getrouw te dienen, en tot de eeuwige zaligheid te geraken

De levensstaten kan men tot drie terugbrengen ; het huwelijksleven, de ongehuwde — en de geestelijke staat. Deze drie staten zijn wat men noemt het gewone en vol-maakte leven. In het gewone leven bewerkt de mensch zijne zaligheid door Gods- geboden te onderhouden : deze

ocr page 166

— 154 —

is de huwelijke staat. In het leven der volmaaktheid komt de mensch niet alleen alle geboden na, doch bovendien ook eenige of alle raden, die Jesus Christus aan zijne leerlingen gegeven heeft: dit is de ongehuwde en de geestelijke staat.

De Kerkvergadering van Trente heeft verklaard, dat de geestelijke staat de volmaakste van deze drie is, en dat het huwelijk, hoe heilig ook op zich, toch minder volmaakt is dan de ongehuwde staat, omdat deze de naleving van alle geboden, maar ook van eenige evangelische raden omvat. Hieruit echter, dat iemand een minder volmaakte staat omhelsd heett, moet men niet besluiten, dat die persoon dan ook minder heilig is en in dien staat niet heilig kan worden. Gelijk toch iemand in den volmaak-sten levensstaat onvolmaakt en zelfs een zondaar kan zijn en verloren gaan; zoo kan eene ziel in den minst volmaakten staat volmaakt, zelfs heilig worden, omdat hei wezen der heiligheid bestaat in de volmaakte lieJde tot God en den naaste Zoo leeren de H. Thomas en alle Kerkleeraars, Alle geestelijken personen, zegt Suarez, leven in een volmaakten levensstaat; daarom zijn echter allen nog niet volmaakt: er kunnen er wel onder zijn, die nog niet rechtvaardig zijn, terwijl integendeel vele menschen, die in de wereld leven, alsook gehuwden volmaakt kunnen zijn, niettegenstaande hun levensstaat niet de volmaakste is.

Geven we dan eenige bemerkingen en wenken omtrent deze drie staten, opdat gij wetet, welken gij, door den geest van geloof geleid, moet kiezen. Beginnen wij met den geestelijken staat-

De geestelijke staat — De mensch is vrij, dien levensstaat te kiezen, welke hem aanstaat: de roeping echter tot het priesterschap of tot den geestelijken staat kom rechtstreeks van God ; want deze zijn verhevene en moeilijke staten, die bijzondere hulp en genaden behoeven zoowel om dien te kiezen, als om de zware verplichtingen er van te volbrengen Ieder ontvangt va?i God sijne eigene gave, zegt de H. Paulus (I Corinth); en de H jacobus schrijft: alle goede en volmaakte gave komt van boven, en daalt neer van den Vader der lichten. Op den priester en den geestelijke zijn toepasselijk de .woorden van Christus: gij

ocr page 167

hebt Mij niet gekozen, Ik heb u gekozen (Joan) Wat be-hooren dan een jongeling en eene jonge dochter te doen, als zij eene geheime neiging, zin krijgen tot een volmaakten levensstaat ? Reeds van de vroegste jeugd af bidden, en inmiddels zoo volmaakt mogelijk leven in den staat, waarin men is, opdat God zijn wil doe kennen. Dit is de voornaamste raad, dien hierin de Leeraars en Heiligen geven : een raad, dien men des te zekerder moet opvulgen, omdat 'in die neiging tot een levensstaat de duivel zoo gemakkelijk een strik kan spannen. Hij toch weet te goed, wat nadeel hij aan de zaak van God en der zielen kan berokkenen door een slecht of onwetend priester, of door geestelijke personen, die den geest van godsvrucht, of den geest van hunnen staat niet hebben. De duivel weet maar al te goed, dat iemand, die een staat van volmaaktheid aanvaardt zonder daartoe geroepen te zijn, bijna niet zalig kan worden. Is echter de roeping van God bekend, dan bedrijven kinderen eene doodzonde, als zij aan die roeping geen gehoor geven, evenzeer als de ouders, die hen zouden beletten die roeping te volgen ; welke dan ook de middelen zijn, die daartoe aangewend worden. De H. Alphon-sus leert, dat de ouders dan eene dubbele doodzonde bedrijven. Behalve dat zij tegen de christelijke liefde zondigen, misdoen zij nog tegen de plichten van hunnen staat, die hen op groote zonde verplicht, te zorgen voor het geestelijk welzijn hunner kinderen. Kinderen dus, die tegen den wil hunner onders, den geestelijken staat omhelzen, zondigen niet alleen niet, zegt de H. Alphonsus, maar men moet hen, die zich daartoe geroepen gevoelen, veeleer aanraden daarover niet bij hunne ouders te rade te gaan.

De H Thomas denkt er ook zoo over. Zekere jongeling werd aangespoord den geestelijken stand te laten varen, omdat hij de zaligheid zijner ouders niet in gevaar mocht brengen, daar deze in vervloekingen en verwenschingen tegen den godsdienst uitvielen. De H. Alphonsus schreef hem : laat u met zulke scrupulen niet in, want als uwe ouders zich zei ven doen verloren gaan, zijn zij er verantwoordelijk voor. Zeg hun, dat gij uwe eigene zaligheid niet kunt in gevaar stellen, om hen tot bedaren te brengen, en dat die zeker gevaar loopt, als gij eene zoo duidelijke roeping niet volgt. Bovendien, God straft dikwijls in dit

ocr page 168

i56 —

leven de ouders en de kinderen, die Zijnen wil in zake de roeping tot deii geestelijken stand weerstreven. Ook zegt [de H. Alphonsus nog: vele jongelieden hebben door de schuld hunner ouders hunne roeping verloren, en niet alleen hebben zij zich zeiven in het verderf gestort, maar zij zijn ook oorzaak geworden van den ondergang hunner tamilie. Zeker jongmensch, door zijn vader gedrongen, verloor zijne roeping tot den geestelijken staat. Naderhand had hij telkens hevigen twist met zijn vader, en eens bij eene heftige woordenwisseling kwam het tot handtastelijkheden; hij doodde zijn vader met eigen hand en stierf'op het schavot. Hoevele dergelijke treurige voorbeelden zou men kunnen aanhalen! Eene jonge dochter van rijke familie was tegen den zin harer ouders naar het klooster gegaan. Op aanhouden harer moeder, die' wilde dat zij huwde, verliet zij het klooster en huwde. Weinige jaren daarna ontnam God haar het leven in den' bloei der jaren en hare moeder bleef zonder dochter achter. Gij ziet hieruit, welk groot gevaar van hun tijdelijk en eeuwig geluk te verliezen zij loopen, die zonder genoegzaam daartoe geroepen te zijn, een volmaakten levensstaat aangaan, of wel niet beantwoorden aan hunne roeping.

Om u nu eenig gedacht te geven van de geestelijke orders, moet gij weten, dat deze onderscheiden worden in kloosters van het werkend en van het beschouwend leven, en in kloosterorden, die beiden beocfetien. Dt orders, die een werkend leven leiden, zijn goed; die van het beschouwend leven beter; en die beide beoefenen zijn de uitmuntendste, omdat zij het meest nabij komen aan het leven, dat Jesus Christus en de Apostel geleid hebben. De 11. 1 homas zegt, dat die orders, welke prediken en onderwijs geven, de voornaamste zijn; dan komen de beschouwende orders, en op de derde plaats eerst die, welke zich aan andere werken wijden.

Be/ celibaat, of de ongehuwde staat. — Wij hebben gezegd dat, volgens de Kerkvergadering van 1 rente, de ongehuwde staat volmaakter is dan de huwelijke staat, maar minder volmaakt dan de geestelijke staat. Ketters en onge-loovigen hebben den ongehuwden staat zoowel als den geestelijken aangevochten. De weerlegging hunner dwahn-

ocr page 169

js? —

gen zullen we later geven in het 2de gedeelte dezer verhandeling — hier moeten we toch reeds zeggen, dat de ongehuwde staat mogelijk is. Alle H. Vaders en Kerkvaders der Kerk, steunende op het getuigenis der H. Schrift en van Jesus Christus zelf, stemmen hier overeen. P. Suarez zegt dienaangaande : Zeker is het, dai men zonder gave Gods of zonder de hulp Zijner genade de eeuwigdurende zuiverheid niet kan onderhouden, zelfs niet gedurende langen tijd; maar even zeker is ook, dat de n.ensch met de hulp der goddelijke genade, die hem geboden is, deze gave van God kan verkrijgen door het gebed en andere goede werken. Deze hulp is ons uitdrukkelijk iti de //, Schrift beloofd. De onmogelijkheid, welke de ketters voorwenden is niets anders dan hunne slechte neiging en wil. Gij kunt niet, zegt Tertuliamis, omdat gij niet wilt. De middelen nu, welke de H. Vaders en Kerkleeraars aanwijzen, om deze hulp der goddelijke genade te verkrijgen, zijn : het gebed, de versterving der zinnen, het vluchten der gelegenheden, het overwegen van de groote waarheden des geloofs en de beoefening der geestelijke en lichamelijke werken van barmhartigheid. Hieruit kan men afleiden, hoe noodzakelijk het voor de jeugd in het algemeen is, de wenken en raadgevingen in beoefening te brengen, welke wij gegeven hebben, om den geest van geloof te behouden en te bewaren ; want zonder dèt is het onmogelijk zijn leven in te richten naar hetgeen het geloof leert. Men ziet hieruit ook, hoe schuldig die jongelieden zijn — en zij zijn velen heden ten dage ! — die niet in een christelijk celibaat leven, maar vrij en losbandig, tot groot nadeel van hunne tijdelijke en eeuwige belangen en niet minder van hunne familie en van de maatschappij. Ongelukkige jongelui-, schreef de staatsman Salvandy, in hunne armoede meenen zij zich te verrijken, door ondeugden aan te leeren; zij denken in de verdorvenheid nieuwe genoegens te vinden ; zij bemerken niet. dat zij daarin slechts weerzinwekkende grijsaards nadoen, die meenen ivcer jeugdig te worden door zich aan de ondeugd over te geven en huntie krachten uit te putten. Alphons de Lamartine, aan de ondeugd geheel overgegeven, moest op zijn twintigste jaar verklaren ; ik ben af. Byron, die, ofschoon gehuwd en vader van eene dochter, leefde als een jonge losbol, schreef: ik begin te

ocr page 170

begrijpen, dat er op deze wereld niets goeds is als de deugd; ik ben der ondeugd zat, w arvan ik al hel afwisselende gesmaakt heb. Montesquieu, hoe goddeloos ook, mocht te recht zeggen : God beware mij van het celibaat te willen veroordeelen, dat de Kerk heeft ingesteld. Maar wie zou kunnen zwijgen over die andere ongehuwde staat, door losbandigen gezocht, waarin de beide geslachten elkander verderven ; en die, hoe ook beide dezelfde natuurlijke gevoelens dienaangaande koesteren, toch die vereeniging niet willen, die hen beter moest maken maar op eene andere wijze samen leven, waardoor ze dagelijks al slechtei worden.

Wat u betreft, dierbare jonge dochters, ziehier eemge woorden, welke de H. tranciscus de Sales in zijne „Inleiding tot het godvruchtig levenquot;, tot u richt en die hier juist van pas zijn: O maagden, ik wil u drie dingen zeggen, waarin alles begrepen is. 10. Indien gij wilt huwen, behoudt dan zorgvuldig uwe eerste liefde voor uwen eersten man. Ik beschouw het als laag bedrog, om iij plaats van een oprecht hart geheel te geven, slechts een hart aan te oie-den, dat afgemat, heen en weer geslingerd en door oneerbare liefde bevuild is ; — 20. Als gij het geluk hebt, tot de kuische en maagdelijke geectelijke bruiloft geroepen te worden en dat gij voor altijd maagd wilt blijven ; bewaart dan met de meeste zorg uwe liefde voor dien goddelijken Bruidegom, die, de zuiverheid zelve zijnde, rccht heeft op alle eerstelingen, maar bijzonder op die der liefde: 30. Dewijl gij in uw staat verplicht zijt te gehoorzamen, zoekt dan een leidsman, onder wiens leiding gij uw hart en uw lichaam aan de goddelijke Majesteit kunt wijden.

Een bewonderenswaardig voorbeeld van een standvastig karakter en van reinheid van ziel werd eens gegeven door eene dame uit Florence. Zij had voor Keizer Otho IV zelfs geen glimlach over ; want deze, zeide ze, behield zij voor hem, dien de hemel haar tot echtgenoot zou bestemmen.

Het huwelijk. De huwelijke staat is niet alleen door vele ketters, maar ook door tallooze ongeloovigen aangevochten; en wèl opmerkelijk is daarbij, dat allen, ketters en ongeloovigen, die het huwelijk veroordeeld hebben, zich onderscheiden hebben door verdorven zeden. Het huwelijk alleen

ocr page 171

kan van den schandelijken hartstocht eene deugd maken, zeide zeer juist Bernardin de Saint-Pierre: omdat, voegt er baron de Gerando bij, het huwelijk den jongen man trekt uit zijne ongeregelde vermaken, en uit zijne koude zelfzuchtige berekeningen ; en het de jonge dochter bewaart voor verleiding en steun geeft aan hare zwakheid. Door de teedere liefde jegens elkander, doet het huwelijk de echt-genooten hunne krachten verdubbelen; het doet elkander meer waardeeren: het legt hun nieuwe plichten op en maakt hen daardoor beter vatbaar voor het geluk, dat het aanbrengt. In de huwelijksvereeniging bestaat een heilzame naijver, eene innerlijke eenheid van belangen en gevoelens, en de echtgenooten lichten elkander voor, moedigen elkander aan door hun voorbeeld, beschermen elkander, door wederzijds zorg voor elkander te dragen. Het familieleven is eene oefenschool van oordeel en zedelijkheid. Tasso heeft met de welsprekendheid van Cicero en het vuur van Joannes Chrysostomus eene lofrede op dezen levensstaat gehouden.

Omtrent het huwelijk is u genoeg bekend, dat het van eene eenvoudige natuurlijke overeenkomst door jesus Christus tot de waardigheid van een Sacrament verheven is, hetwelk de H. Paulus een groot Sacrament noemt. Gij ziet dus, hoe noodzakelijk het voor u is. dat gij, als God u tot dien staat roept, in alles, in uwe bedoeling, in uwe keus, in uwe handelwijze en in al het overige te werk gaat volgens de voorschriften en voorlichtingen van het geloof, opdat God uwe vereeniging en uw huisgezin, als Hij u kinderen schenkt, zegene. Verre zij van u het gedacht, alsof het burgerlijk huwelijk voldoende zou zijn, om uwe vereeniging voor God en de maatschappij te wettigen. Begrijpt wèl, en zegt het overal voort, dat het burgerlijk huwelijk zonder het kerkelijke slechts een schandelijk en ongeoorloofd santen-wonen is. Zij. die aldus gehuwd zijn, zijn voor God en de maatschappij slechts ongelukkige en verachtelijke bijzitters: en de kinderen, uit zulke huwelijken geboren zijn natuurlijke en onwettige kinderen, die altijd en in alle landen een voorwerp van medelijden en verachting voor het volk waren. Als God u dus tot dezen levensstaat roept, volgt dan, alvorens dien aan te gaan, op het oogenblik zelf, dat gij dien aangaat, en evenzeer als gij er in getreden zijt.

ocr page 172

— i6o —

de voorschriften en voorlichtingen van het geloot. Cantu verhaalt in zijne Volksvoordrachten, dat hij een rijk jongeling kende, die alle hoedanigheden bezat, om eene jonge dochter, met wie hij wilde huwen, gelukkig te maken, behalve de eenig noodzakelijke: godsdienst. Het meisje was schoon, rijk en geleerd : door eene christelijke moeder opgevoed, was zij deugdzaam en godvruchtig. Ue jongeling beminde haar zeer. Maar eens ontsnapte hem in een gezelschap de uitdrukking, dat hij geen geloof had en dat de mensch slechts een machien was. Moeder en dochter aarzelden geen oogenblik, hem at te zeggen; de dochter was het met hare moeder eens, en zond hem dit briefje: Ik was zeer ontsteld, toen ik u hoorde zeggen, dat wij slechts machienen zijn. Ik stelde mij voor, dat een kiesch man aan zijne beminde wel eenige aangename overtuiging zou gelaten hebben, die meer tot geluk bijbrengen kan dan de ijskoude materialistische leerstellingen, die zeker geen gunstigen invloed hebben op een braaf leven. Al spoedig toch heeft men genoeg van een machien. Als de schoonheid weg is, welk geluk kan eene vrouw dan verwachten van een man, die slechts een machien is ? Die jongeling, meldt Cantu nog, huwde later met een ander meisje, en was een slecht echtgenoot en vader.

Het huisgezin. — Het huisgezin, in den waren en vollen zin des woords is uitsluitend het werk van het christendom ; want ook bij de Joden onder de oude Wet, bevond het huisgezin zich nog in een onvolmaakten toestand, daar de vrouw door haren man verstoeten kon worden ; zeker zeer tot schade van de ouders en der kinderen. Een echt huisgezin, zegt Cantu. bestond noch bij de Grieken noch bij de Romeinen; het bestaat niet in Turksche, Indische of Chineesche landen, dat is: op twee derden der aarde niet. Het huisgezin is het werk van het christendom. De vrouw, die oudtijds beschouwd werd als eene slavin of als een voorwerp van genot, moet het aan het christendom danken, dat zij op eene lijn met den man werd gesteld, toen men haar eene ziel, een geweten en verantwoordelijkheid had toegekend 1 Bij de Turken en de Indianen wordt nog de vrouw op de markt gekocht, weggeschonken, verkocht, met anderen in de serails opeengehoopt; men neemt

ocr page 173

— i6i —

haar de kinderen af, die men doodt, of waarmede men winsten tracht te behalen ; terwijl integendeel de vrouw onder ons behoorlijk naar haren oorsprong gewaardeerd, en naar haar voorbeeld, dat de H. Maagd is, in eere staat Zij is moeder. Zij is maagd, en hare toestemming was noodig tot verlossing-van dengnensch. Zoo werden de vooroordeelen tegen de ongehuwde vrouw weggenomen, en hare verdiensten rezen door de vrouwelijke kloosterlingen. Het huisgezin komt van God, en de H. Vaders vergelijken het bij een soort kerk, waarin de ouders de priesters, de kinderen de geloof vigen voorstellen. Naar de H. Thomas het uitdrukt, is het huisgezin eene afbeelding der H. Drievuldigheid ; want het is één en drievoudig tegelijkertijd : drievoudig, omdat het uit drie persoonlijkheden bestaat. vader, moeder en kinderen : één door de eenheid van gevoelens en door het ééne doel, dat zij zich voorstellen : de eer van God en het geluk zijner leden voor tijd en eeuwigheid. Is het dan zoo noodzakelijk, de voorschriften van het geloof op te volgen bij het aangaan van het huwelijk; niet minder noodzakelijk is het, die na te komen, als men het huwelijk heeft aangegaan, om dan niet te dwalen in het besturen van zijn huisgezin. Gij allen dan, die God tot dien staat roept, moet menschen van geloof zijn, en dat geloof ook ten uitvoer brengen, als gij met goed gevolg wilt werken aan uw eigen geluk en aan dat der kinderen, die gij zult krijgen: — en maakt van deze reeds tijdens hunne vroegste jeugd mensehen, die doordrongen zijn van gelool en volgens het geloof leven. Ziethier nu de twee ware en eenige middelen, om ouders en kinderen in dit, en het ander leven gelukkig te maken; van den kant der ouders een waarlijk, christelijk leven, en eene echt christelijke opvoeding, die zij hunnen kinderen geven. Men heeft uit dit boekje alreeds kunnen leeren, dat alleen de beginselen en de beoefening des geloofs den mensch gelukkig kunnen maken, niettegenstaande de rampen en ellenden van het leven. In zake ouders en kinderen, d. i. het huisgezin, leert het geloof ons, dat God de ouders in de kinderen zegent, en dat het heilig leven der ouders de genaden van God ook over de kinderen brengt voor hier en hiernamaals. Overigens moet men wel degelijk rekening houden met den geheim-zinnigen. doch onmiskenbaren invloed, welke de deugden

GEI,DOF EN ONGELOOF. 1 1

ocr page 174

102 —

en ondeugden der ouders op het karakter en den geest der kinderen uitoefent. Deze geheimzinnige invloed zoowel ten goede als ten kwade, trok de aandacht zelfs der heidensche wijsgeeren. Hieruit moet verklaard worden het verschil van karakters bij de eerste volken, alsook dat de toover-kunst bij sommige oude volken, en zelfs in eenige christen streken zoo algemeen was; dit geeft ook verklaring van den ingeboren haat van den Jood tegen den christen, van de godsdienstigheid der Ieren, van de gastvrijheid dei-Arabieren, enz.

De dienares Gods, Anna Catharina van Emmerik verhaalt ons een harer vizioenen : Ik zag goed en kwaad van de ouders op de kinderen overplanten, en bijbrengen tot het geluk of het bederf dezer laatsten, al naardat zij wilden medewerken. M. de Mirville zegt dus terecht, dat de natuurlijke en zedelijke overerving een vaststaand feit is.

Drumont schrijft hierover ook zeer juist: zonder aan de erfelijkheid het noodlottig karakter toe te kennen, dat haar de moderne wetenschap toekent ; moet men toch zeggen, dat zij wel degelijk een belangrijk aandeel heeft in de wording der wezens. Bijna alle politieke mannen der linkerzijde hebben in hunne familien vroeger ongevallen gehad, die hen verdacht maken bij alle fatsoenlijke lieden. Maar, opdat zij en hunne kinderen gelukkig zijn, is het voor de ouders niet genoeg, dat zij inenschen van geloof en deugd zijn; zij moeten bovendien hunne kinderen van jongs af volgens het geloof en de deugd vormen. De opvoeding van het huisgezin is dus het tweede en volstrekt noodzakelijk middel, om ouders en kinderen tijdelijk gelukkig te doen zijn, en hen tot de eeuwige zaligheid te doen geraken. Ouders zegt Cantu, het beste erfdeel, dat gij uwen kitidere7i kunt nalaie7i, is eene goede opvoeding. Wij zijn in de maatschappij, zooals het huisgezin ons gemaakt heefl. De kinderen zijn als boeken, waarvan de bladen onbeschreven zijn : schrijjt op die bladen niets dan hetgeen gij er eenmaal ob zrüt willen lezen. En daar godsdienstige beginselen en gevoelens de grondslag zijn van eene goede opvoeding, zoo moeten deze door de ouders in de harten der kinderen van jongs af geprent worden door hun woord en voorbeeld. De onderrichting, zegt Cantu, op den schoot eener moeder ontvangen, en de lessen uit vaders mond op-

ocr page 175

— 163 —

gevangen, gevoegd bij de aangename en liefelijke herinneringen aan den huiselijken kring, worden nooit weggevaagd. Aan de vrouw komt het grootste aandeel in de opvoeding van het geheel huisgezin toe; — toch vestigt de groote geschiedschrijver ((Jantu) de aandacht der ouders bijzonder op de opvoeding der meisjes.

Als we de taak nagaan, die aan de vteisies is weggelegd, dan moeten haar voor al degelijke en bestendige eigenschappenge-gegeven worden, en moeten zij opgevoed woraen, niet otn aan de menschen en aan de samenleving maar aan God ie behagen voor haar zelve C7i vnor haar toekomend huisgezin. Daarom heelt ook de beroemde Belgische schrijver Onclair in dienzeltden geest over de opvoeding der vrouw het volgende geschreven : Dit u in ons oog de belangrijkste zaak, die wij bij de opvoeding der vrouw op den voorgrond moeten stellen, dat zij een huishonden kan bestieren. Welke ook haar rang of stand zij. zij moet nimmer de kunst verkeren, het huishonden te bestieren, hare kinderen te verzorgen, en alle die werkzaamheden te verrichten, welke daarop betrekking hebben. De H. Schriften, de raadgevingen van wijze menschen en het voorbeeld van aanzienlijke en beroemde vrouwen zijn ten dezen opzichte eensluidend. Beide aanbevelingen zijn heden ten dage hoog noodig nu men aan jonge meisjes alles schijnt te leeren behalve twee zaken : de beoefening van degelijken en waren godsdienstzin, en het besturen van een huisgezin. Bovendien moeten de ouders in de opvoeding hunner kinderen, in hen behouden en doen gelden het ouderlijk gezag. De grondslagen van deze mannelijke gehoorzaamheid, zeg Maxime d'Areglio, moeten bij de eerste opvoeding gelegd zijn. De kinderen moeten krachtens de natuurwet gevormd worden door het beginsel van gezag en niet van vrije keuze. Ik raad ten vader en moeder aan, op al de vragen hunner kinderen: ivaarom '! nooit iets anders te antwoorden dan : omdat ik het zeg en wil. Eindelijk, dierbare jongelieden, als gij eenmaal den huwelijken staat aanvaardt, behoudt dan voor uwen levensgezel of gezellin de eerste liefde uwer eerste jeugd. De H. Lodewijk van Frankrijk hield in den loop der jaren en te midden van alle rampspoeden altijd dezelfde teedere genegenheid zijner jeugdige jaren voor de koningin, zijne echtgenoote. Hij droeg altijd een ring,

ocr page 176

— 164 —

waarop deze woorden stonden : God, Frankrijk, Magaretha : en behalve voor dien ring, zeide de Heilige Koning, bezit ik geene liefde voor iets of iemand.

De Kindsheid. — Geen tijdperk in het leven van den mensch is van zooveel gewicht als de kindsheid, een tijdperk dat duurt van de geboorte tot aan het tiende of twaalfde levensjaar. De mensch wekt dan belangstelling om zijne zwakheid en om zijne onschuld, omdat liet verstand zich langzamerhand ontwikkelt en de neigingen beginnen aan den dag te komen, eindelijk omdat dit de leeftijd is, waarop de mensch ten goede of ten kwade kan gevormd worden. Het moet ons dus niet verwonderen, dat voor ieder, die den geest van geloof bezit en nadenkt, niets zoozeer van God spreekt als het kind, en daarom zeide P. Faber, dat het een groot voorrecht is, in gezelschap van kinderen te zijn. De geheimen van dezen leeftijd, zegt Digby, heett altijd grooten indruk gemaakt op denkers en opmerkers. Wij voegen er bij, dat God zeer veel van kinderen houdt; waarvan wij vele bewijzen hebben in het Oud- en Nieuw lestament. Toen de profeet Jonas zich tot neerslachtigheid liet vervoeren bij het zien, dat God de stad Nivive niet strafte, zooals hij had moeten aankondigen, sprak God tot hem: Hoe zou Ik aan de stad geene vergiffenis geschonken hebben, die alreeds berouw toonde, en waarin zich meer dan 120,000 kleine kinderen bevonden ? En Jesus Christus dan ! Wie kent niet de teedere liefde van Diens hart voor de Kinderen ? Hij liet hen bij zich komen, omhelsde en zegende hen, en sprak van hen : die in mijnen naam een kind aanneemt, neemt Mij aan. Die aan een dezer kleinen ergernis geeji., hei ware hem beter dat hij mei een molensteen aan den hals in het diepst der zee geworpen werd (Matt.) Daarom hebben de gebeden van kinderen zooveel macht bij God. „Door den mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt gij uw lot volmaakt doen zijnquot; zegt de Koninklijke Profeet. (Ps. 8). Zietdaar eene beweegreden te meer, om ons belangstelling voor de kinderen in te boezemen, en ons de de kinderen te doen beminnen. Inderdaad, riep Mgr, Dupanloup in 1S60 uit, wat was het behoud der Kerk op aarde 1 Wat boezemde haar vertrouwen in te midden der

ocr page 177

— X65 —

vervolgingen ? Dit, dat de Kerk de kleine kinderen aan hare zijde zag! daarmee had zij millioene?! kleine schepseltjes, die hunne onschuldige gebeden stamelden. Dit vertrouwen op de kracht der gebeden van kleine kinderen is zeer natuurlijk. De Turken zelfs, verhaalt een reiziger, verzamelden ten tijde der pest alle kleine kinderen, en deden hen op de knieën door gebeden en kreten aan God vragen, dat de geesel zou ophouden. Wat genaden en zegeningen worden door het gebed der kinderen over een christelijk huisgezin afgetrokken, — wat rampen en straffen er van verwijderd! Vergeten wij verder niet, zegt P. Furniss, dat volgens de beschikking der Voorzienigheid, de kinderen zijn gesteld als toonbeelden van deugden aan iederen christen, die het oprecht verlangen heeft, zalig te worden. De woorden van Jesus Christus in het Evangelie zijn daaromtrent zoo duidelijk, dat geen twijfel mogelijk is. „Jesns riep een kind, plaatste het te midden van hen [der Apostelen): JJij zeide: voorwaar, Ik zeg n, als gij n niet bekeert en wordt gelijk kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen niet binnengaan. Die -nederig wordt, gelijk dit klein kind, zal waarlijk groot zijn in hel Rijk der Hemelen. (Matt) Hij, die zich de kinderen, vooral hun zedelijk en geestelijk welzijn niet aantrekt, of die dat om zijn leeftijd beneden zich acht, komt, zeer ook tot eigen nadeel, openlijk in verzet tegen de woorden des Zaligmakers en minacht als het ware Diens oordeel over de kinderen. Als God, volgens de woorden der 11. Schrift eenieder met de zorg voor zijn naaste belast heeft: „ieder moet zijnen evenmensch Ier hulpe zij7i ris.) Hij heeft ieder wegenszijneti naaste bevolen (Eccl.), dan zijn, ter oorzake hunner onschuld en onbeholpenheid, die woorden zeker van toepassing op alles wat de kinderen aanbelangt. En indien deze beweegreden geschikt is, belangstelling voor het kind te wekken, dan moet die belangstelling nog krachtiger zijn voor een huisgezin met kinderen, vooral bij broeders en zusters voor hunne kleinere broeders en zusters. Eene laatste beweegreden eindelijk, waarvoor wij. Katholieken, allen moeten buigen, die nog een weinig geloof meenen te hebben; — deze laatste beweegreden, welke ons een werkzaam deel moet doen nemen in de gewichtige zaak der christelijke opvoeding en van het godsdienstig onderwijs der kinderen, •— is, dat het kind het eenig

ocr page 178

— i66 —

middel is om de geest van geloof in de maatschappij te doen hei lev en, en om de zeden te verbeteren. Daarom zeide eens de Plaatsbekleeder van Christus, de onsterfelijke Pius IX, dat hij niet zoozeer leed door het verlies zijner Staten, of door het berooven van kerken en kloosters, noch ook om het vervolgen van de kloosterorden, als door het goddeloos onderwijs en om het stelselmatig bederven der kinderen door de scholen zonder God. Dat doorvlijmde het hart en verscheurde de ziel van Christus' Plaatsbekleeder : niet minder betreurt het zijn opvolger Leo XIII. en met hem de geheele Kerk. P. Furniso meldt, dat Kardinaal M iseman zeide, dat thans de Kerk geen grooter werk te doen heeft, dan te zorgen voor de kinderen. Houdt gij dan, geliefden, u vooral al onledig met het godsdienstig onderwijs en de christelijke opvoeding van uwe broertjes en zusjes; wel te verstaan met — en onder toezicht uwer ouders, als gij het geluk hebt godsdienstige ouders te bezitten, die zelve eerst dezen heiligen plicht vervullen. Mochten uwe ouders dezen godsdienstigen geest niet hebben, vult gij dan aan ^ wat ontbreekt en vervang hen met echt broederlijke liefde en toewijding. God zal het u loonen. Hebt medelijden met die kleine zieltjes, want het gemis van godsdienstig onderwijs en van eene christelijke opvoe-ding beieiden onfeilbaar zeker den man en de vrouw een ellendig lot voor tijd en eeuwigheid. Bedenkt bovendien, dat al uwe pogingen ijdel zouden zijn, als gij zelf hun niet een goed voorbeeld gaaft. Zegt niet, gelijk sommige dwaze menschen doen, dat de mensch op dien leeftijd niet bekwaam is, om iets ernstigs en grootsch te leeren. De geest van den mensch is misschien nooit beter dan op dezen leeftijd vatbaar voor godsdienstige en liefdevolle gevoelens, ja zelfs voor heldhaftige deugden. Wij eraan stilzwijgend voorbij de bewonderenswaardige trekken van allerlei deugden, welke bijna alle Heiligen in hunne kindsche jaren geleverd hebben, alsook het groot getal kinderen, die voor het geloof den marteldood ondergaan hebben. Hoevelen echter zien wij ook heden ten dage wondere daden van godsvrucht, van kinderlijke liefde, van medelijden en liefde verrichten 1 Een huisvader, die ernstig ziek was, verwijderde ieder van zich, die hem over godsdienst sprak: een kind van 8 jaren gaat naar hem toe, spreekt hem aan

ocr page 179

— 107 —

en bekeert hem. Een kind, dat zijne ie H. Communie zou doen, hield bij zijn vader aan, dat hij ook dien dag te Communie zou gaan. Ik heb in Italië een ander zeer schrander kind van n a 12 jaren gekend. Toen het eens over het lijden van den Verlosser had hooren spreken, verwondde het zich den arm met een pennemes. Ondervraagd, waarom hij dat deed antwoordde het: om in navolging van Christus ook te lijden. Voorzeker, eene kinderlijke onvoorzichtigheid, maar hetgeen toch eene groote ziel en een grond van heldhaftige godsvrucht deed zien. En wat te zeggen van de ontelbare staaltjes van liefde en ouderliefde bij zoovele kleine kinderen ? Cantu verhaalt in zijne Volksvoordrachten, dat hij een kind gekend heeft, dat 's morgens met droog brood tevreden was, maar in ruil daarvoor van zijne moeder alle dagen drie stuivers kreeg. Alle zondagen bracht het kind 21 stuivers naar eene arme vrouw, die zijne voedster geweest was. Een kind te Parijs zag in den winter een ander kleiner kind op straat beven van koude, deed zijn manteltje af, legde dat het andere kind op de schouders en ging vergenoegd heen. Een meisje van 8 a 9 jaren had 800 mijlen te voet afgelegd, van Siberië over bergen en door woestijnen naar St. Petersburg, terwijl het daarenboven slecht gekleed was, en aldus honger, koude en duizend ongemakken uitstond : — en dit. om aan den Keizer tie vrijheid voor hare ouders te vragen. In de Vereenigde Staten van Noord-Amerika heeft een schrandere jongen van 12 jaren een zeer aardig weekblad opgericht, om in den winter aan arme kinderen schoeisel te bezorgen. Ja, de ziel van den mensch is ook in de kinderjaren reeds bekwaam, levendig te voelen wat het veredelt, wat grootsch en heilig is, en om heldhaftige daden van deugd te verrichten. Legt u dan er op toe, uwe broertjes en zusjes te onderrichten, hun door uw woord en voorbeeld liefde tot God en den naaste in te boezemen, want godsdien tigheid en liefde zijn het levensbeginsel van alle andere deugden. (1) Wacht u wel, hen ooit te verergeren, want Jesus Christus heeft gezegd: wee der luereld om de ver erger nissen (Matt.); alsook.: wee

(i) Dat men de kinderen vroegtijdig eene groote godsvrucht inboe-zenie voor (ie zielen in het vagevuur, en een grooten ijver voor de. bekeering der zondaars, keilers en ongeloovig-n. Men leere hun

ocr page 180

— i6S —

den mensch, door wien de verergernis komt. Dit wee. leert de H. Thomas, heeft gewoonlijk de beteekenis van eeuwige verwerping.

Strijd en Overwiiming.

Strijd en overwinning. — Dit zijn de laatste woorden, die wij tot u richten, alvorens dit boekje te eindigen. Wij hebben genoegzaam aangetoond,dat het ongeloof geen anderen grond heeft of hebben kan dan kwade trouw, dwaling en ondeugd; en dat het geloof integendeel op de degelijke grondslagen van deugd, van feiten en van waarheid rust. Wij hebben u de middelen aangegeven, om den onwaardeerbaren schat des geloofs te midden der vele en groote gevaren in de wereld, zorgvuldig te bewaren. Wij hebben gewezen op het groot gevaar van eeuwig verloren te gaan, dat vele halve-Katholieker, van beider geslacht loopen, die, aangestoken door het ongeloof, niet volgens het geloof leven, en toch meenen godsdienstig en godvruchtig te zijn. Wij meenen nu niet beter te kunnen doen, dan u nog krachtig aan te sporen, dit gedacht in uwen geest te prenten ; dat er op den levensweg niet anders kan zijn dan strijd en overwinning, 't Is volstrekt noodzakelijk, beste vrienden, vooral heden; maar 't is ook onze heilige plicht, standvastig en moedig tegen de vijanden van God en van het geloof te strijden tot het einde; niet minder echter is het een genoegen, een onuitsprekelijk genot, ons zelve in dien strijd te kunnen aanvuren door de gedachte, dat wij zeker eene roemrijke overwinning zullen behalen. Jesus Christus voorzeide in het Evan-

's morgeus op te dragen al \va: zij dien dag zullen doen en lijden voor dit dubbel doel.* de lavenis der geloovige zielen en de zaligheid der zielen. Voeg hierbij de godsvruch: tot de H. Maagd, door hen dagelijks drie Wees gegroet ter eere harer zuiverheid te doen bidden; en gij heb: zeker twee teekenen van voorbestemming tot eene gelukzalige eeuwigheid,

ocr page 181

— i 6Q —

gelie aan zijne leerlingen dezen strijd en deze overwinning, toen Hij hun zeide, dat wij in deze wereld moeten lijden, dat dit ons niet moet ontmoedigen, maar vast doen vertrouwen, dat wij in den strijd en de wederwaardigheden zullen zegepralen; Gij zult verdrukking ondervinden iti de ivereld, doch vertrouwt: Ik heb de wereld overwonnen Qoaxi). Dat deze denkbeelden dan diep in uwen geest gedrukt blijven, en dat deze uwe handelingen regelen en aanvuren.

De strijd. — Deze onverzoenlijke en onvermijdelijke strijd is reeds uitgedrukt en aangekondigd in de woorden, welke God in het aardsch paradijs, na den zondenval onzer eerste ouders, der helsche slang toevoegde; „Ik zal vijandschap stellen iussehen n en de vrouw, tusschen uw zaad ■ en haar Zaad. Zij zal u den kop verpletten en gij zult hareii hiel belagen (Gen.) De door God voorspelde vrouw is Maria, het afbeeldsel der kerk, wier kinderen de nakomelingschap van Maria zijn, door welke Chrisius de Eerstgeborene was; de nakomelingschap der slang zijn zij. die op aansporing des duivels uit haat tegen God en het Mensch-geworden Woord, hunne krachten met die des duivels vereenigen, om de Kerk uit te roeien en het menschelijk geslacht in het verderf te storten. Zoo zien wij van af de wieg des menschdoms in Cain en Abel twee volken, onverzoenlijke vijanden: het eene volk samengesteld uit aanbidders van den waren God : het andere, uit hen, die Satan aanbidden en dienen Deze twee volken hebben de eeuwen door, elkander op verschillende wijzen en met allerlei middelen, maar met innigen en onverzoenlijken haat bestreden ; en die strijd zal slechts eindigen op den laatsten dag van 's menschen bestaan op aarde

Kardinaal Alimonda zegt in eene zijner Con lerentien van dezen strijd : Het leven der zedelijke wereld kan men in drie tijdperken verdeelen: het eerste, de kinsheid, waarin de familiestaat heerscht, en God beschikt, dat dit leven duurt tot aan den zondvloed; het tweede is httjotigelin^s-tijdperk, toen de familien uit elkander gingen en dit is het tijdperk van voortdurende ontwikkeling. God deed deze leeftijd duren tot aan Jesus Christus : het derde is de mannelijke leeftijd-, toen kwam de éénheid der katholieke kerk tot stand, waartoe alle rassen en volken geroepen zijn ;

ocr page 182

en dit leven zal door Gods beschikking duren tot aan het einde der wereld. Maar tegen dit, Gods werk, staat het werk der zonde ; en van het begin der drie leeftijden af aanschouwen wij eene vreeselijke tegenstrijdigheid, zien wij den geest des kwaads met geweld bezig, om twist en verderf onder de menschen te zaaien. Ter zijde van Adam, den eersten vader der menschen staat de bloedige gedaante van Cain; naast Noë, die de tweede vader van liet mensch-dom was, zien we de spottende schaduw van Cham ; naast Jesus Christus, den derden Vader of liever den oppermach-tigen Verlosser van den mensch, treedt de verrader Judas op. Aldus de Jood! want van dezen was Judas in de christelijke tijdrekening het model, sints het Menschgeworden Woord Gods op aarde verscheen en het Evangelie gepredikt werd; — sints de priesters der Synagoog, de Schriftgeleerden en Pharizaeën Jesus Christus benijdden, en Hem kruisigden. Van de eerste ketterijen af, die in de Kerk ontstonden tot aan de laatste omwenteling met al hare geheime genootschappen, is de Jood altijd het krachtdadigst werktuig van het kwaad geweest, dat de oude slang koos, om haren goddeloozen strijd tegen God en het menschdom voort te zetten ; is de Jood altijd de verpersoonlijkte geest van Satan te midden der christelijke wereld. De H. Apostel Joannes zag in zijne. Openbaring een monster—een draak met zeven koppen, en dan een groot beest met eveneens zeven koppen uit de zee opkomen en samen tegen Jesus Christus en de Kerk strijden, Deze monster-draak verbeeld de Satan, en de zeven koppen beteekenden de /even hoofdzonden, waarin eigenlijk zijn geest bestaat. Door de zee — waaruit de Apostel het groot beest zag komen, kunnen wij verstaan deze wereld, door duizend hartstochten en ondeugden bewogen; en het groot beest met zeven koppen, aan hetwelk het monster zijne macht meedéelde, is het zinnebeeld van het barre, trotsche ongeloof, waarmede Satan van het aardsch paradijs uit strijdt in den vorm van monsterachtige dwalingen, in godslasteringen strijd voert tegen God en de Kerk, tot ongeluk van den mensch. Al die monsterachtige dwalingen en godslasteringen te zamen maken uit wat wij kunnen noemen het geheimzinnig lichaam van 'atan of het Satanisme. Op den grond van die verschillende leerstellingen ontwaren wij denzelfden geest

ocr page 183

— ijl —

van ongeloof, welke Satan in het aardsch paradijs aanwendde om ons te verderven, toen hij tot de vrouw sprak ; gij zult niei sterven ; maar: gij zult zijn als goden. Mgr. Briganti spreekt in zijn merkwaardig boek : „ Wijsbegeerte der geschiedenisquot; over dit helsch monster, en de verschillende ontwikkelingen van zijn boezen geest, die door de zeven koppen worden voorgesteld. Wij zijn het met den beroemden schrijver eens, waar hij zegt, dat deze strijd in het aardsch paradijs begonnen is, waar de grondslag van ons geloof gelegd en de Verlosser beloofd is Dan wil hij het Heidendom zien in den eersten kop van het ondier ; immers het Heidendom heeft zich gekenmerkt door de vloekwaardige aanbidding van Satan, door walgelijke ontuchtigheden en een heiligschennend vergieten van men-schenbloed. Deze drie kenmerken van het oude Heidendom zijn meer of minder in alle andere monsterachtige en godlasterlijke dwal ngen, waarmede de duivel de wereld verpest heeft, terug te vinden, lieden is de geest van Satan belichaaamd in de Omwenteling, die door den zevenden kop beteekend wordt, en deze dient om het Heidendom, de eerste kop van het helsch ondier, de plaats van het christendom te doen innemen, en daartoe met veree-nigden geest en vereenigde krachten te werken

Pins IX zegt in zijne Encycliek van December 1849: De omwenteling is door den duivel zelf ingegeven, en zijn doel is, met wortel en al het Christendom uit te roeiien, en op de ruïnen daarvan te vestigen een maatschappelijk Heidendom.

De tweede kop van den draak stelt voor de Ketterij, van af het gnosticisme met zijn,; vele vormen en afschuwelijke leerstelsels tot aan het Jansenisme, waarvan de valsche beginselen en slechte werken noodzakelijk voeren tot fata-üsme en tot de zedelooze praktijken van het gnosticisme. De derde kop is het schisma of scheuring, waarmede de helsche slang meermalen de kerk bevochten heeft. De grootste scheuring is zeker die van hei Westen, welke drie jaren te voren door de H. Catharina van Senen aan haren biechtvader, den gelukzaligen Raymundus van Capita, voorspeld werd.

Over deze Westersche scheuring schrijft de geschiedkundige Darras: Het bestaan der kerk is, de eeuwen door,

ocr page 184

— 172 —

een voortdurende strijd geweest tusschen God, geest en dien der wereld. Deze twee beginselen ontmoeten elkander overal en altijd in de geschiedenis, zij het ook onder verschillende vormen. Maar nooit zag men de Kerk in zoo groot gevaar, en nooit raakten die gevaren zoo klaarblijkelijk het wezen der Kerk als bij de grooie Westersche scheuring. (Algem Gesch der Kerk.)

De vierde kop is het Protestantisme, de monsterachtige en altijd veranderlijke opeenstapeling van alle afdwalingen der menschen Van zijn ontstaan af tot nu toe heeft het Protestantisme altijd met alle onvventelingen ingestemd; en alle opstandelingen gevoelden zich aan het Protestantisme verwant.

Eugène Sue, de goddelooze schrijver voor de vrijmetselarij, zeide, dat het beste middel om Europa te veront-christelijken was, het protestant te maken.

In den vijfden kop kunnen we het Gallicanisme zien. Mgr. Gaume zegt, dat het Gallicanisme een machtige hulp was voor de alles overweldigende staatkunde der moderne Regeeringen, en dat de Gallicanen werkelijk meer kwaad gesticht hebben dan zelfs de Garibaldisten.

De zesde kop beduidt het Philosophisme, de goddelooze wijsbegeerte over welker belachelijke en diep verdorvene leerstelsels reeds vroeger gehandeld is. Deze philosophie of wijsbegeerte begon met Spinoza, een Hollandsche jood, die ongerijmde stellingen leeraarde, stak dan over naar Engeland, kwam naar Frankrijk over en bereidde de groote Omwenteling van 1789 voor, die dit land als in bloed deed verdrinken en het in een afgrond van jammeren storte. Deze, de Revolutie, beteekent de zevende kop, en hierin vindt men vereenigd alle gruwelen en godslasteringen, die in alle vorige eeuwen onder andere vormen door het satanisme zijn uitgedacht. Haar doel is, gelijk we zeiden, het oude Heidendom de plaats van het christendom te doen innemen. Zij is heden belichaamd in de vrijmetselarij waaraan alle geheime genootschappen, die thans de wereld ter verderve voeren, hunnen oorsprong ontleenen: en waarmede zij allen het eens zijn. De strijd dus, die door den helschen vijand in het aardsch paradijs is aangevangen tegen God en het menschelijk geslacht, en die nooit, in geen enkele eeuw ophield, is thans geworden een strijd

ocr page 185

— 173 —

op leven en dood tusschen de vrijmetselarij en het christendom in zijn waren en volmaakten vorm, dat is, het katholicisme Alle andere vijanden van hst katholicisme, zooals Socialisten, Communisten, Nihilisten, Liberalen, Liberaal-Katholieken, (i) Spiritisten en alle aanhangers van andere sekten zijn slechts afzonderlijke deelen van het groote leger der Revolutie, belichaamd in de vrijmetselarij die onder de banier van Satan, Jesus Christus en zijne kerk bestrijden, om de zaak des duivels te doen zegevieren. Voor eenige jaren schreef de Civilta Cattolica, dat sinds 1879 een strijd op leven en dood gevoerd wordt tusschen het christendom en de vrijmetselarij, de laatste uiting van van het materiahsme. Wij moeten echter niet voorbijzien, dat de ziel en het leven der vrijmetselarij is de Jood, het Thalmud-Jodendom. Bovengenoemd tijdschrift zeide hiervan : in de praktijk zijn Jodendom en Vrijmetselarij hetzelfde, gelijk het staal één is met de hand van den moordenaar, die toestoot, en gelijk de strijdbijl één is met de vuist van den oproerling die ze opheft. Hetgeen aldus de Civilta zegt hebben tal van schrijvers van verschillende landen en overtuigingen voor en na gezegd. En dat de Jood de ziel en het leven der vrijmetselarij is, moet niemand verwonderen. Want de Jood, merkt M. Desportes in zijn „Bloed geheim bij de Joderi' op, was altijd meer of min tot afgoderij geneigd; hetgeen men uit hunne eigene heilige boeken en uit de woorden hunner profeten kan hooren en zien. Als dit volk dusdanig was toen het zijne Profeten had, en God het op zoo bijzondere wijze beschermde, clan kan men gemakkelijk nagaan, hoezeer dit volk vervallen is, sints het Bloed van den God-Mensch op zijn hoofd neerkwam, en sints de duivelsche geest van den Talmud het geloof en den geest van Mozes en der Profeten vervangen heeft. De geest van den Talmud is geen andere dan die der oude Kabala, (geheime knnst) en de Kabala is niets dan de sleutel van alle geheime wetenschappen, of

(i) Dat de katholieke jongelieden wel op hunne hoede zijn voor het liberaal, — of halfslachtig katholicisme. Behalve dat het eene uitvinding des duivels is, om de argeloozen te verschalken, bevat het tevens eene ongerijmdheid, door Paus Pius IX veroordeeld, n.1. deze, dat men vut den eenen voet op het terrein der waarheid wil staan, en 7net den anderen-op het tegenovergestelde der dwaling.

ocr page 186

— 1/4 —

der tooverkunst, d.i. van de duivelskunstenarijen aller eeuwen, van de hoogste oudheid af tot heden toe. De Jood nu is altijd een meester geweest in de Kabala der tooverkunst. Het Jodendom dus als van nature tot de afgoderij, d.i. tot den eeredienst des duivels geneigd en gedreven, bovendien door de afschuwelijke leer van den Talmud geheel bedorven, vertegenwoordigt onder het menschdom het beginsel van Satan, dat in hetzelve verpersoonlijkt is. Als men dit in het oog houdt, moet men zich er niet over verwonderen, dat het Jodendom de ziel en het leven der Revolutie is; integendeel: dit volk kan niet anders dan revolutionair zijn, moet in zich den geest van opstand opnemen, gelijk Satan zelt dien aangenomen heeft en de eerste opstandeling van al het geschapene is geweest.

De groote strijd dus, die in het aardsch paradijs begon, is thans de strijd op leven en dood tusschen de Thalmud-Joden en de Katholieken, tusschen de Synagoog van Satan en de Kerk van Jesus Christus; het Kabbalistisch Rabinaat en de Katholieke priesterschap, tusschen den Jood en den Christen, of eigenlijk tusschen het Semitisch en het arisch ras. De vrijmetselarij en hare talrijke bondgenooten van allerlei gedaante en kleur zijn de uiting en de uiterlijke kracht van dezen oorlog, dien de Jood aan Christus en den christen aandoet, en dien de duivel door den Jood tegen Christus en het menschdom voortzet. De Civilta Cattolica mocht dus te recht zeggen: men beweert, dat het Joodsche volk op aarde naijverig is op den opstand van Lucifer in den hemel De Jood is dus de vijand, de ware vijand, die ons met Satan bestrijdt, en tegen wien wij voor de zaak van God en der Kerk evenzeer als voor onze eigene tijdelijke en eeuwige belangen moeten vechten. De Jodeiizaak is onafscheidbaar van het Romcinsche vraagstuk, en deze twee zaken hangen zoo innig aan elkander, dat dit de groote zaak van den dag is. Als de christen-Regeeringen en de arische volken in het algemeen konden besluiten, dit vraagstuk onder leiding der Kerk op te lossen, tot een einde te brengen; dan zou het met de revolutie gedaan zijn, want zij zou dan een lichaam zijn zonder ziel, en spoedig tot ontbinding overgaan, omdat er geene ziel en geen leven meer in was. De profetische blik van Daniel, zegt M. On-clair in ,,De Revolutiequot;, aanschouwde in vier zinnebeelden

ocr page 187

van dieren de vier groole alleenheerschappijen der narde, en ook de vier groote vervolgingen, welke de Kerk van Jesus Christus in den loofi der eeuwen zou le onderstaan hebben. Hei is inoeiiijk uit te maken, of de vreeseiijke en algenieene vervolging, ivelke heden ten dage de Kerk, vooral in haar Opperhoofd, den Paus, teistert, beschouwd moet worden als het einde der derde of als toebereidselen tot de vierde Kerkvervolging. Maar als men bij de vijanden der Kerk ziet, hoe alle verdorvenheid samenloopt en samenwerkt, om de Kerk in Haar Opperhoofd te vermoorden ; dan is men geneigd te gelooven, dat deze vervolging wel een soort van voorberéiding kon zijn tol de groote vervolging, die het einde der wereld zal voorafgaan. Wat er ook van zij, zeker is, dat deze vervolging, welke wij beleven, al de kenteekenen van het anti-christendom heeft Vele geleerde schrijvers, geestelijken en leeken, zijn van oordeel, dat het einde dei-wereld nabij is, en onder de Joden, over de aarde verspreid, gaat algemeen het gedacht, dat hun verlosser op de komst is; en de kenteekenen van dezen komen goed overeen met die van den Antichrist, dien de H. Paulus den mensch der zonde noemt, en dien de H Schrift zegt, dat op het einde der wereld komen zal. De strijd, welke der Kerk in haar Hoofd en hare leden wordt aangedaan, is een strijd des duivels tegen den mensch en tegen God. Vóór eenige jaren antwoordde Paus Leo XIII op de wenschen, welke de Kardinalen aan Z H. aanboden op het Kerstfeest met de volgende woorden : De strijd wordt rechtstreeks tegen God gevoerd, tegen Wien de menschelijke rede den standaard van den opstand durft ontplooien, dien zij aandurft en uitlokt. Deze duivelsche stoutmoedigheid, onmachtig tegen God en zijn Christus, verspreidt haren innigen haat en ontlast hare duivelsche woede tegen de Kerk van Jesus Christus en dezer kinderen Het is een verwoede, een hardnekkige strijd, die door niets wordt tegengehouden, en die tracht de grondslagen van het werk des Verlossers te beroeren; zoo het mogelijk ware, te verwoesten. In dezen strijd moeten wij. Katholieken, allen wie zij ook zijn, eene rol vervullen, van welk geslacht, leeftijd, staat of stand wij zijn. Maar voor dezen strijd moet vooral de jeugd zich beschikbaar stellen, zij moet zich daarin onderscheiden ; want van haar heeft de Kerk niet

ocr page 188

— 176 —

alleen, maar ook het huisgezin en de maatschappij hunne beste verwachtingen.

Maar hoe vreeselijker de strijd, hoe heerlijker ook de overwinning; en : hieraan valt niet te twijfelen : de overwinning is aan ons.

De Overwinning. — Het Boek der Openbaring is een geheimvol en voorspellend verhaal van de overwinningen en van de eindelijke volslagen zegepraal van jesus Christus op den duivel en zijne aangangers op aarde ; en ook in het Oud en Nieuw Testament komen vele plaatsen voor, welke die overwinning en zegepraal voorzeggen en voorspellen. Maar eene der plechtigste en meest bekende voorspellingen hiervan is wel die welke David in zijn 109 psalm heeft uitgesproken : — een psalm, zegt de H. Augus-tinus. die klein in woorden, maar groot van zin is. In dezen psalm aanschouwde de Koninlijke Profeet de toekomstige heerlijkheid van den in den loop der eeuwen beloofden Messias en riep dan in verhevene bewoordingen uit: De Heer (Mod de Vader) zeide iot mijnen Heer (God den Zoon) : zit neder aan mijne rechterhand; totdat ik ;iwe vijanden stelle tot eene voetbank uwer voeten (geheel aan u onderwerpe). De geestelijke en de letterlijke betee-kenis van dezen psalm is dezelfde : beiden hebben betrekking op de vestiging van het rijk van den Messias, en op de overwinningen en volslagen zegepraal, die Hij eens op zijne vijanden zal behalen. Deze beteekenis hebben niet alleen de Kerkvaders en katholieke uitleggers aan dezen psalm gegeven; maar dezen uitleg hebben ook protes-tantsche geleerden er aan gegeven, gelijk Rosenmuller, Moll, Johnson, Jennings, enz. Dat verklaren ook de overleveringen der oude Synagogen, ja zelfs de Talmud. Jesus Christus ook, als Hij in redetwist was met de Leeraars, haalt dezen psalm aan als eene voorspelling van den Messias. En, daar zij altijd gereed waren, om den Verlosser tegen te spreken, bevestigden zij nu door hun zwijgen, dat de Zaligmaker dien op den Messias juist toepaste. Men moet wel bemerken, zeggen de gewijde verklaarders der H. Schrift, dat het woordje: totdat van den psalm aangeeft, dat de Messias zou zegepralen en heerschen voordat Hij op het einde der eeuwen die overwinningen en die

ocr page 189

— i77 —

zegepraal behaald had. Zoo ook geeft her woord : voetbank te kennen, dat zijne vijanden ten diepste vernederd zouden worden. Want niets is zoo vernederend, als dat de eene aan den anderen tot voetbank dient; de een door zijne overwinningen en door cene volledige zegepraal boven zijn medestrijder verheven, terwijl de andere door zijn overwinnaar met voeten getreden wordt. Ue H. Paulus, in zijn Eerste Brief aan de Corinthiers over |esus Christus sprekend, drukt hetzelfde in bijna dezelfde woorden uit: [esus Christus moet heerschen, totdat Hij alle vijanden onder den voet gebracht hebbe. Ook in de woorden, waar mede Mod in het aardsch paradijs de slang vervloekte, wordt de schitterende zegepraal aangekondigd, welke Jesus Christus op Satan en zijnen geheelen aanhang op aarde, op de vijanden van Ciod en der Kerk zal behalen, en die ook de zegepraal zal zijn van geloovigen op ongeloovigen, van geloof op ongeloof; Ik zal vijandschap stellen tusschen u en de vrouw, en tusschen hare nakomelingschap en de uwe, zij sal u den kop veipleiien, en gij zult haren hiel belagen.

Het groot onderscheid, door deze woorden aangegeven, tusschen den kop der slang, die verplet zal worden door de vrouw en hare nakomelingschap, en den hiel der vrouw, dien de slang zal belagen, beieekent, volgens Keil, hoezeer het kwaad zal uiteenloopen, dat deze twee vijanden elkander in dien strijd op leven en dood zullen berokkenen. Met andere woorden: tie vrouw en hare na-komelinschap, afbeeldsels der keik en harer kinderen, zal eene volkomen overwinning op de helleslang behalen, doordat zij hem den kop zal verpletteren; de slang echter, door 'den hiel te belagen, kan slechts beletten, dat de tred der vrouw vlug en ongehinderd zij ; en naar mate de hinderpalen grooter en het geweld sterker was, zal ook de overwinning roemrijker zijn. Wij kunnen hier bijvoegen, dat men op den bodem van alle heidensche godsdienststelsels, waarin wij den Satan vinden voorgesteld als Try-phon bij de Egyptenaren, a!s Ahriman bij de Persen, als Kaly bij de Indiërs, als Python bij de Grieken, als Mid-gar bij de Zweden en Noren, altijd deze overblijfsels van de eerste overleveringen aantreft: de algemeene overtuiging, dat de bewerker van alle kwaad en de vijand van het

GELOOF EN ONGELOOF. 12

ocr page 190

— 178 —

menschdom, na veel kamp en strijd eindelijk ter neer geworpen en overwonnen is. Auguste Nicolas beschrijft in zijne „ Wijsgeerige studiën over hei christendom quot; naar aanleiding van de algemeene overleveringen aangaande den Verlosser, ook de geloofsovertuiging, welke de Egyptenaren omtrent de eerste vrouw hadden: Wonderlijke overeenstemming, die ons al duidelijker den oorsprong van deze overlevering doet zien uit de waarachtigheid van het Boek der Schepping! De eerste vrouw, Isis genaamd, verplette door hare nakomelingschap de slang Tryphon, den bewerker van alle kwaad, en hare verre Nakomeling overwon wel den geest des kwaads, maar vernietigde dien niet, opdat de strijd langer zou duren en diens nederlaag langer zou duren door den tegenstand, welken hij bood.

Is deze niet de juiste beschrijving van de vijandschap der vrouw en van hare nakomelingen met de verleidende slang ? Is hier niet juist geteekend de gezegende Nakomeling, die den kop der slang verplette en hem slechts de macht liet, den hiel te belagen. En gij zult zijn hiel belagen. Diepzinnige woorden in al hunne beknoptheid, en die in twee woorden de zegepraal der waarheid door Christus voorspellen en den onophoudelijken strijd van ongeloot en ketterij, die zijne Godheid door de eeuwen heen zoo machtig moest doen schitteren, zonder dat de poorten der hel daartegen ooit iets vermochten, (iï Zoo komen dan de beloften en voorzeggingen der H. Schrift, het woord van God zelf in het aardsch paradijs, de hoofdpunten van de overleveringen en het geloof aller volken ons verzekeren van de eind-zegepraal der gezegende vrouw en van hare nakomelingen, dat is: van de Kerk en van hare kinderen over Satan en zijne nakomelingschap, dat is: over alle ongeloovigen en goddeloozen, vijanden van Christus en van zijne Kerk. Als wij de geschiedenis van de 19 eeuwen, dat de Kerk bestaat, openen, wat lezen wij er in van dit wonderwerk van den Verlosser van het menschelijk geslacht ? Wat zien wij in de wereld rondom haar. in de zoovele geslachten als in de 19 eeuwen na elkander zijn gekomen ? Dat alles is voorbijgegaan: geslachten,

(tj Niet genoeg kan dit werk worden aanbevolen. Velen zijn zij, dirï er door tot het geloof gekomen zijn of het terug hebben gekregen.

ocr page 191

— i79 —

machtigen, geleerden, groote en kleine vijanden, die de Kerk met ontelbare middelen en wapenen bevochten hebben ; en de Kerk alleen is niet voorbijgegaan, is staande gebleven. De Kerk alleen, de katholieke Kerk, als eene rots te midden van den Oceaan der eeuwen en der mensche-lijke ongestadigheid gesteld, daagt sints i9 eeuwen alle machten der aarde en der hel, die tegen haar samenspannen uit, en zal ze blijven uitdagen tot aan het einde der eeuwen en overwinning op overwinning behalen. Het Ro-meinsche Keizerrijk is voorbij; dat van Byzantium eveneens ; het Germaansch Keizerrijk is te niet. Napoleon 1 verdwenen; de aartsketters barbaren, nieuwlichters, wijs-geeren zijn voorbijgegaan : ook de aanhangers van allerlei geheime sekten en de revolutionairen zullen verdwijnen; maar de Kerk met het Pausdom blijft altijd dezelfde, altijd oud, altijd nieuw, omdat zij onsterfelijk is, hare heerschappij over de zielen uitbreidt, de eeuwen tart, waarop zij de kroon zal zetten door hare volkomen zegepraal over alle vijandelijke machten van aarde en hel.

De protestantsche geschiedschrijver Macaulay drukt zich hierover aldus uit: Er is op aarde nooit een werk van menschelijke staatkunde geweest, dat zoozeer de aandacht verdient als de Roomsch-Katholieke Kerk. Deze is de eenige instelling, welke onze gedachten nog heenvoert naaiden tijd, dat de rook der offers opsteeg van het Pantheon, dat de giraffen en tijgers in de amphiteaters brulden. De meest trotsche koningshuizen zijn van gister, vergeleken bij de Pausen. Die opvolging is niet onderbroken van den Paus, die Napoleon kroonde tot dien uit de achtste eeuw, door wien Pepijn gekroond is. En vóór Pepijn bestond deze eerbiedwaardige dynastie en de geschiedenis van haren oorsprong grenst aan het fabelachtige. Denkt eens terug in de oude tijden aan de republiek van Venetie. En die republiek is jong. bij het Pausdom vergeleken ; en de Venetiaansche republiek is verdwenen, terwijl het Pausdom nog bestaat. En dit verkeert niet in een staat van verval, noch ook is het verouderd, maar het is vol leven en jeugdige kracht. De Katholieke Kerk zendt tot de uiteinden der aarde Missionarissen, die nog even ijverig zijn als zij, die met Augustinus in Keent landden; zij weerstaat de vijandige vorsten met dezelfde geesteskracht.

ocr page 192

— i8o —

waarmede zij Atilla durfde weerstaan. Meer dan ooit groeit het getal harer kinderen aan. Hetgeen zij in de Nieuwe Wereld aan ledental wint, weegt ruimschoots op tegen hetgeen zij in de Oude Wereld verliest. Haar geestelijk gezag strekt zich uit over de landen van Missouri tot Kaap Hoorn, een land, waarvan de bevolking binnen eene eeuw grooter zal zijn dan van Europa. Hare ledematen, met haar vereenigd, zijn zeker ten getale van tweehonderd millioen, terwijl het getal van alle andere sekten te zamen niet meer dan honderd twintig millioen bedraagt. En wij zien niets dat het einde van hare uitgestrekte heerschappij aanduidt. Zij aanschouwt liet verval van alle regeeringen en kerkelijke instellingen, die heden bestaan : en niets zegt ons, dat zij er den ondergang niet van zien zal. Zij was al groot en geëerbiedigd vóór dat de Saxer een voet in Engeland zette, vóórdat de Frank den Rijn overschreed, toen de Grieksche welsprekendheid nog te Antiochië bloeide, toen in den tempel van Mekka nog atgoden aanbeden werden; en waarschijnlijk zal zij nog bestaan, zonder ooit hare geestkracht te hebben zien verminderen, als de een of andere reiziger van Nieuw-Zeeland zich naar eene groote woestenij zal begeven en daar onder een vervallen brug van Londen zal neerzitten, om eene teekening te nemen van de ruïnen der St. Paulus' kerk.

God laat aan zijne vijanden de stoffelijke macht in den goddeloozen strijd, welke zij tegen Jesus Christus en Zijne Kerk voeren, en doet hunne buitensporigheden juist dienen, om de goddelijke kracht in Zijn werk beter te doen uitkomen, om de roemrijke overwinning van Zijne Kerk en harer kinderen meer te doen schitteren. Te midden der vreeselijke stormen, welke zich tegen de Kerk en de ge-loovigen verheffen, en in het hevigste van den strijd, dien zij te voeren hebben, worden noch de Kerk noch hare kinderen ontmoedigd; maar zij troosten en bemoedigen elkander met de woorden, waarmede de Zaligmaker, alvorens het offer van Zich Zeiven op het kruis te voltooien, aan Zijne leerlingen de verzekering gaf, dat zij niet behoefden te vreezen, omdal Hij de wereld overwotmen had. Bovendien nog dit feit: sinds eene eeuw, dus sedert het helsch ondier begon de Kerk te bestrijden door de revo-

ocr page 193

— i8i —

lutie, heeft de Kerk eene ontzaggelijken vooruitgang gemaakt : boekdeelen zouden noodig zijn, om haren voortgang en aanwas mede te deelen. Nooit zag men in vroegere tijden zoovele en zoo schitterende bekeeringen van Protestanten en zelfs Joden tot het Katholieke geloof. Prinsen en prinsessen, dokters. Evangeliebedienaars, protestantsche bisschoppen en aartsbisschoppen hebben bij menigte in de Katholieke Kerk de afdwalingen afgezworen der sekten, waarin ze geboren waren. Het protestantsche Volksblad van Hallen, schreef eenige jaren geleden onder andere het volgende : De publieke opinie in Duitschland kan niet begrijpen, wat de oorzaak is van den voortgang, die de Katholieke Kerk dagelijks maakt sedert de gevangenneming van den Aartsbisschop van Keulen. In Engeland, waar de Katholieke Kerk slechts geduld wordt, treedt zij plotseling als koningin en gebiedster op. Hoe meer, men haar vervolgt en verdrukt, hoe meer overwinningen zij behaalt, en hoe meer zijj — men weet niet hoe, — de grootste mannen tot zich trekt. Geen enkele eeuw ook aanschouwde zoovele bekeeringen uit het Jodendom als de onze. Genoeg zij het te herinneren aan Bandini, Véil, Monel, I.uzate, Ascoli. ! )eutz, I .oesser, Attias, Sérussi, Schuter, Ratisbonne, Lemann, Ferretti, Drach, enz., enz. Wij, Katholiek geworden Joden, schreef vóór eenige jaren de beroemde rabijn en leeraar in de Oostersche talen Drach aan zijne vroegere geloofs-genooten, wij zijn van gisteren, en reeds vullen wij de steden die gij bewoont, en uwe magazijnen en winkels en zelfs uw consistorie. Wij zullen verder maar zwijgen over den wonderen vooruitgang, welke de Katholieke Missie's maken en over de groote uitbreiding der Katholieke hierarchie in de geheele uitgestrektheid der Oude en Nieuwe Wereld.

Wie zich een juist gedacht wil vormen van den vooruitgang van het Katholieke geloof over de geheele aarde, leze den Atlas der Katholieke Missie's, door O. Werner: — want het bestek van dit werk iaat niet toe, hierover in bijzonderheden te treden. Alleen dit voorbeeld. De Paters Salesianen werden in 1880 met de Missie van Patagonië belast. Uit het laatst verschenen verslag nemen wij het volgende over; De Missie vau Patagonië begon in 1880 aan de Zwarte rivier. Zij strekt zich uit tot aan de

ocr page 194

102

Malouinen eilanden, de straat van Magelaan tot aan Vuurland en bestaat uit een Apostolischen Vicaris, Mgr. Cagliero, en een Apost. Prefekt, de Z.E. Pater Fagnano; met 12 huizen voor de missionarissen, waarvan 8 eene jongensschool houden; verder 34 priesters, 10 geestelijken, 41 werkbroeders; 8 meisjesscholen, die door de Zusters Salesianen bestuurd worden: 59 Zusters; dan, te Viedma werkplaatsen voor kunsten en ambachten, alsook een klein hospitaal, dat door dezelfde Zusters bediend wordt. Kn dat alles in 13 jaren ! Het schijnt ongeloofelijk, en toch, het is zóó. en ieder kan zich er van overtuigen. Zóó vruchtbaar is het zaad van het ware geloof!

Bovendien, hoezeer is de zedelijke macht van het Pausschap toegenomen; en zag men ooit zoo talrijke en zoo levendige betuigingen van geloof en aanhankelijkheid, als heden den Plaatsbekleeder van Christus worden aangeboden ? Wat zou van daag de Mor?miff Post, een protestantsch blad, dat erg tegen de Katholieken gekant is, wel zeggen, vraaat Margotti in zijn schoon werk ; Rome en Londen ?

Wat zou de Morning-Post nu wel zeggen van den zedelijken invloed der Roomsche Kerk ; zij, die reeds lang geleden schreef: De Roomsche Kerk ziet zelfs in dezen tijd van liberalisme en vooruitgang, langzamerhand hare macht toenemen ; welke macht, al is zij in het tijdelijke minder, op geestelijk gebied groeier kan worden, dan ze ooit in de middeleeuwen was. Ook de meest gelezene dagbladen van Duitschland, Engeland en de Vereenigde Staten, ofschoon ze door Protestanten en Joden geschreven worden, erkennen, dat de Katholieke Kerk en het Pausschap niet alleen leven ; maar dat de zedelijke macht en invloed, welke de Paus van uit het Vaticaan op de geheele wereld uitoefent, wonderbaarlijk toenemen. De Venerabel van de Gentsche vrijmetselaarsloge moest voor eenige jaren dan ook spijtig uitroepen : Wij hebben ons ijdel gevleid, dat met de i8l'eeuw de eerlooze verpletterd zou zijn : de eerlooze herleeft altijd krachtiger. Nimmer ook gaf het verleden zoovele betuigingen en bewijzen van geloof en aanhankelijkheid te aanschouwen, als nu alle volkeren der aarde geleverd hebben, sedert de Revolutie hare slagen gericht heeft tegen het Opperhoofd der Kerk en tegen dezer dienaren, de geestelijken. De Civilta Cattolüa schreef vcór een paar jaren over

ocr page 195

- I83 -

Italië: de duivel der Revolutie is woedend, en daartoe heeit hij alle reden, omdat de Katholieke beweging in Italië nooit zoo levendig en krachtdadig is geweest tegen alle moeilijkheden in. als heden. Hetzelfde blad schrijft nog naar aanleiding van het Eucharistisch Congres, dat in 1891 te Napels is gehouden : Het was eene schitterende uiting van geloot in, en liefde tot Jesus Christus in het H. Sacrament. Niet alleen de stad Napels, maar geheel Italië nam er deel aan. Napels scheen gedurende die dagen in een klein paradijs herschapen, en die dagen zijn een onvergankelijk monument voor het nageslacht van het geloof en de liefde der Napolitaansche Katholieken, ja beter, van geheel zuidelijk Italië, terwijl hunne handelwijze zoo sterk afsteekt bij het heerschend en dwaas ongeloof. Onclair zegt in zijn werk over de Revolutie, met de scherpzinnigste mannen te mogen gelooven, dat de toekomst niet aan de Revolutie, maar aan het Pausdom behoort, en dat men nu ai kan zeggen, dat het Pausdom de Revolutie overwonnen heeft.

De overwinning dus, beste vrienden, de eindzegepraal is ons. Zeker ; de Kerk lijdt, en wij, hare trouwe kinderen, lijden met haar. Zeker, onze H. Vader en Opperherder lijdt en is als in eene enge gevangenis opgesloten : maar wij weten ook, dat het leven der Kerk en van het Pausschap een moeitevol leven is, dat twee zijden heeft, gelijk het leven van hun goddelijken Stichter. De Kerk zal hare vrijheid herkrijgen, en de Paus zal uit zijne gevangenis treden. zegt Louis Veuillot, gelijk hij te Gaëta, te Fontaine-bleau, te Avignon die verlaten heeft; gelijk hij getreden is uit de Katacomben en uit alle gevangenissen. Napoleon III meende in den roes zijner overwinningen, dat hij na den dood van Pius IX liet Pausschap zou overwinnen, verhaalt Onclair. De dwaas dacht er niet aan dat het Pausschap onsterfelijk is als zijn goddelijke Stichter. Welk geslacht zal het graf aanschouwen, waarin de laatste Paus rust, vroeg Gregorovius, een protestant, in zijn boek : De graven der Pausen, en de beroemde geschiedkundige antwoordde met de boven aangehaalde woorden van Macaulay: De Katholieke Kerk zal met het Pausdom nog wel bestaan, zonder iets in geestkracht verminderd te zijn, als de een of andere reiziger van Nieuw-Zeeland in eene groote woestijn aanlandt en onder een vervallen brug van Londen,

ocr page 196

— 184 —

teekeuingen maakt van de bouwvallen der St. L'aulus'kerk. Kn wij beweren, tlat geen enkel geslacht het graf van den laatster. Paus /.al aanschouwen. De laatste Paus zal getuige zijn van den dood van het laatste geslacht, maar niemand van het menschelijk geslacht zal zijn graf zien. Zonder herder kan geene kerk bestaan, en deze kerk en haar Herder zullen volgens Gods woord bestaan tot aan het einde der eeuwen, tot den laatsten dag van 's menschen bestaan. F.en gezaghebbend man, die allen twijfel uitsluit. Jouffroy, zegt in een zijner werken: zij moeten wel heel blind zijn, die meenen, dat het christendom zijn loop geëindigd heeft, terwijl heden nog zooveel te doen overblijft. Het christendom zal de vele stelsels overleven, die zich ingebeeld hebben, dat ze zijne plaats zouden innemen. Alles wat van het christendom voorzegd is, zal vervuld worden ; de overwinning der wereld is het weggelegd en het zal de laatste godsdienst zijn op den laatsten dag van 's menschen bestaan.

Eindigen wij dit gedeelte van ons werk met de schoone troostwoorden, welke Pius IX in 1872 tot de vertegenwoordigers der Katholieke jeugd van Italië richtte : Laten wij strijden, dierbare zonen, laten wij strijden, en nergens voor vreezen. Herinneren wij ons, dat de vijanden van God verdwijnen en dat het Pausdom blijft, liet kind Jesus vluchtte naar Egypte ; maar het werd ook des nachts gewaarschuwd, dat het kon terugkeeren ; want zij, die het op het leven van het kind gemunt hadden, waren gestorven, O, hoevele vervolgers van het Pausschap zijn alreeds gestorven Na vuur en vlam gespogen, en tientallen van geloovigen verleid te hebben, zijn zij gestorven 1 En het Pausschap !

Het Pausschap blijft! Ja, ipsi peribunl: zij zullen vergaan ; maar gij. Petrus, gij, die leeft in uwe opvolgers, en door God in uwe opvolgers gesteld zijt; gij blijft en gij zult altijd blijven ; en gij zult altijd jeugdig en vol geestkracht en standvastig blijven tegenover alle vervolgingen, , die de Kerk slechts zuiveren, waarvan gij het Opperhoofd zijt, en deze reinigen haar van alle vlek en maken haar krachtiger dan ooit te voren. Gij blijft en gij gaat voort de zedewet te onderwijzen en gij blijlt onder allerlei vormen en op allerhande wijzen bestaan. Zij zullen vergaan, gij zult blijven. Dat dit onze troost, onze prikkel en ook

ocr page 197

- I85

ons gelcof zij. Houden wij voor zeker, dat zij zullen vergaan. Petrus zal blijven tot het einde der eeuwen.

Besluit.

Wij eindigen dan, dierbare vrienden, door u allen en ieder in het bijzonder te zeggen : weest moedige zielen en strijdt den strijd des Heeren (i Kon.)

De onvermijdelijke noodzakelijkheid van te strijden, de onfeilbare zekerheid van te overwinnen, het belang onzer eeuwige bestemming, de adel onzer ziel, de grootheid van God zijn machtige beweegredenen, om ons tot den strijd aan te moedigen, tot een voortdurenden en kloeken strijd tot het einde, ieder naar zijn vermogen en naar zijn stand, en allen ten koste zells van de grootste offers. Dit voorbeeld hebben de leeken van allen stand en leeftijd, die met den geest des geloofs bezield waren, ten allen tijde gegeven. Stilzwijgend ga ik voorbij de menigte martelaren en grootmoedige zielen, die door hunne werken geschitterd hebben ; maar sla de geschiedenis der Kerk open en gij zult er eene lange lijst van voortreffelijke mannen, die hunne bekwaamheden en hunne wetenschap dienstbaar gemaakt hebben aan de verdediging der zaak van God en geloofs : Ermas en Yeroteus in de eerste eeuw der christelijke tijdrekening tot de Maistre, Balbo, Donoso Cortès, Cantu, Manzoni, Sylvio Pellico, A. Nicolas, de Mirvillé, de Mousseaux, Drumont, Martinez, Puccini, enz. En meent niet gij, dierbare jongedochters, dat uw geslacht of uw leeftijd een beletsel zijn, om u in dien strijd te mengen, of dat gij u er aan kunt onttrekken. Gij dwaalt : Joannes Chrysostomus zeide het alreeds aan Italica: In den gewonen loop van zaken moet de vrouw zich met haar huisgezin bescheiden bezig houden, terwijl de man de zaken buiten behartigt, die het belang der maatschap-

ocr page 198

— i86 —

pij raken. Maar als er sprake is van tie zaak der Kerk, dan is het iets anders, en het kan dan zijn, dat de vrouw nog grooter aandeel moet nemen in dien strijd dan de man Daarom overlaadt de Apostel in zijne Brieven sommige beroemd geworden vrouwen met loftuitingen, omdat zij aan vele mannen het geloof en de beoefening der deugd hebben geleerd. Daarom breng ik u dit in herinnering, opdat gij u niet zoudt ontslagen achten van den plicht, ijver te moeten hebben om voor de zaak van God groote dingen te ondernemen ; en opdat gij ookzoudt meewerken, ten einde de stormen, die zich tegen de zaak Gods verheffen, tot bedaren te brengen door uwen invloed en door in te werken op de personen uwer omgeving. Inderdaad, van het begin der Kerk af tot op onzen tijd was er altijd een groot getal vrouwen van alle standen, die de zaak van God en der zielen vol moed ter hand namen ; en onder haar waren jeugdige meisjes, wier ijver dien van een Apostel evenaarde. Bedenkt ook eens, welken ijver en volharding de vijanden van het geloof in dezen goddeloozen strijd tegen God en de Kerk aan den dag te leggen; en indien er geene andere beweegreden was, dan moet deze alreeds genoeg zijn, om u tot dien strijd aan te sporen, wilt gij niet voor laf en nietswaardig doorgaan. Wat heeft de Synagoog van Satan gedurende rg eeuwen gedaan, en hoe heftig en aanhoudend bestrijdt zij de Kerk en de christelijke maatEchappij, terwijl zij toch geen ander doel heeft dan zich staande te houden in haar werk en haar streven. Werpt een blik op de eeuwenlange volharding der ketterijen, van het protestantisme, het gallicanisme, het jansenisme, der vrijmetselarij, der goddeloosheid, der Revolutie, van alle vijanden van God en Kerk; het voorbeeld van dezen omvankelbaren ijver in het kwaad moet den uwen aanprikkelen tot het goed. Onder dit opzicht is niets zoo voorbeeldig als hetgeen de Nihilisten doen en lijden voor de zegepraal van hunne wezenlijk duivelsche zaak. Over het Nihilisme in Rusland spreekt Rae in zijn Hedendaagsch Socialisme aldus; De Nihilisten leggen eene hardnekkigheid, een moed, eene zelfverloochening aan den dag, dat zij niet vermochten als ze niet overtuigd waren, te leven en te werken voor eene rechtvaard ge zaak. Hun moed en kracht beiden schijnen toe te nemen, naarmate zij meer tegen-

ocr page 199

— IS; —

spoed hebben Bekwame en wel opgevoede jongelieden zien van hunne studies af en werken en dienen jaren als ambachtsman of werkman, om te beter hunne beginselen onder de geringe klas ts kunnen verspreiden; jongedames worden zelfs keukenmeid om aan de zegepraal hunner zaak mede te werken. Bij zoo groote verwoesting, als de vijand van God en het menschelijk geslacht tegenwoordig in de zielen aanricht, zou het weinig liefde en dankbaarheid jegens God en van geringe liefde jegens den naaste verraden, als men bij dat droevig schouwspel overschillig bleef, en niets deed om zijne broeders te redden. Duizend redenen 'hebben wij om God te beminnen, en hem ons geheel toe te wijden, maar niet minder talrijke en krachtige beweegredenen nopen ons, den evenmensch te beminnen en voor zijn welzijn te werken. Het is billijk, zegt Manzoni, alle menschen lief te hebben, omdat God, van Wien wij alles hebben, van Wien wij alles verhopen, aan Wien wij alles moeten geven, hen zoozeer bemind heeft, dat Hij hun zijn Eenigen Zoon heelt geschonken : en ook, omdat het verschrikkelijk is, hen niet lief te hebben, die God tot de eeuwige heerlijkheid bestemd heeft.

Al waren er geene andere beweegreden, dan nog moesten wij moedig het geloof verdedigen, omdat de Opperherders der Kerk ons daartoe aansporen in liet belang onzer eigene ziel. Bij gelegenheid der Italiaansche pelgri-maadje naar Rome in 1889 sprak de commandeur Alliata, president van de Vereeniging der Katholieke jeugd, den H. Vader in schoone woorden toe, waaronder dit: Als een schai, zoo kostbaar als ons geloof, trouweloos wordt aangevallen, moeten alle christenen Apostelen worden. En de H. Vader antwoordde hierop: In den tegenwoordigen staat van zaken, rust op de Italiaansche Katholieken den plicht, openlijk te toonen, wat zij zijri; en alles te trolseer en en te verdragen, om den onwaardeerbaren schat des geloofs ie beiL'are?i. Tegenwoordig kunnen slechts twee onderscheidene kampen bestaa?i; het kamp der Katholieken, die besloten zijn altijd zich bij Paus en Bisschoppen aan te sluiten ten koste zelfs van zware offers-, en het kamp der vijanden, die hen bestrijden. Zij, die uit lafheid vreezen te toonen wat zij zijn en als tot beide kampen willen behooren, versterken daardoor, volgens Gods woord, de gelederen der vijanden.

ocr page 200

— i88 —

\\'at kier de H. Vader tot de Italiaansche Katholieken zegt, dat spreekt hij nog tot alle Katholieken der wereld, want het geloof is overal hetzelfde, de oorlog algemeen en dezelfde vijanden gebruiken overal bijna dezelfde middelen.

Strijdt dan, beste vrienden, en neemt in de Katholieke Vereenigingen nooit zwakke en laffe menschen aan of halve-Katholieken. Deze laatsten, de liberaal-Katholieken, zijn niet in staat iets goeds of belangrijks uit te richten : zij hebben altijd groot nadeel aan de goede zaak en aan het geloof berokkend, en zullen dat ook in de toekomst doen. In eene vereeniging, welke ook, moet, wil het getal leden kracht ontwikkelen, eene innige eenheid van denkbeelden bestaan, alsook eenheid van gevoelen, van willen en handelen ; zonder dit is er groot gevaar voor ergerlijke twisten, en bovendien de kracht van ieder afzonderlijk lid wordt verlamd tot groot nadeel van het doel en den voortgang der algemeene zaak. Ten opzichte van de zaak, welke ons bezighoudt, laat ik u te binnen brengen den eed, dien de jonge Atheners in den tempel van Agraule zwoeren : Ik zweer tot aan den dood te zullen strijde?!, voor de belangen van godsdienst en vaderland, en standvastig te leven in het geloof mijner vaderen. Waarom zouden de Katholieke jongelingen, vooral de leden van Katholieke Vereenigingen niet een dergelijken eed afleggen, dat zij zullen leven en sterven voor de beoefening des geloofs, en dat zij hun geloof tot aan den dood door alle mogelijke wettige middelen zullen verdedigen en verbreiden ? In ééne der Staten van Noord-Amerika hebben de jonge dochters een verbond aangegaan, dat zij geen man zullen trouwen, die sterken drank gebruikt; in een anderen Staat; dat zij geen huwelijk zullen aangaan met iemand, die niet kan lezen. Waarom zouden zoo ook de Katholieke jonge meisjes niet een verbond kunnen aangaan, dat zij geen vijand van hun geloof zullen huwen, geen ongeloovige, protestant of vrijmetselaar of liberaal-Katholiek. Toen in 1828 in de Ver-eenigde Staten de moord bekend werd, welke de vrijmetselarij op William Morgan gepleegd had, zwoeren de moeders openlijk, dat zij nimmer in het huwelijk hunner dochters met een vrijmetselaar zouden toestemmen, en de jonge dochters legden op hunne beurt den eed af, nimmer een vrijmetselaar tot man te zullen nemen. Waarom zouden

ocr page 201

— 189 —

de K.atholieke moeders en dochters dat ook niet kunnen doen ten opzichte van de vijanden des geloofs ? In alle geval, beste vrienden, gaat nooit voor het menschelijk opzicht of voor de tegenpartij uit den weg. Een beroemd Romein, verhaalt Kardinaal Alimonda, deed op den voet van zijn standbeeld dit ééne woord plaatsen : Pir, een man n. 1. van karakter. Weest dan mannen van karakter, mannen van geestkracht. De Fransche generaal Radet, die in 1809 Paus Pius VII gevangen nam, spotte eens in diens tegenwoordigheid met Ctesar Balbo, omdat hij Zondags naar de Mis ging. De beroemde staatsman antwoordde hem met de grootste bedaardheid, dat hij voortaan in de kerk der H.H. Apostelen naar de Mis zou gaan, opdat de generaal het beter zou kunnen zien. Toen er te Parijs sprake was. dat de materialist Littré lid zou worden van de Académie, kwam de directeur van het ongeloovig blad le Siècle Lamartine vragen om zijne stem; maar Lamartine, die van het ongeloof alreeds bekeerd was, zeide hem, dat hij nooit zijne stem aan een vijand van God zou geven. Zóó spreken en zóó handelen mannen van karakter. Gij zult soms tegenstand ondervinden bij het goed, dat gij doet, en zelfs van een kant, van waar ge zulks het minst verwachtte. Cantu meldt in zijne Confereniies, dat men in de ouile tijden een boek had geschreven, waarvan de titel was; Het nut van vijanden te hebben; en nu zou men er een kunnen schrijven : Het nut van tegenstand te ontmoeten. Gewent u, schreef Sylvio Pellico, aan het denkbeeld, vijanden te hebben, zonder 11 daarover te ontstellen. Als men maar eenigszins oprecht, weldoend, te goeder trouw is, heeft men er altijd eenigen. Bij sommige ongelukkigen is de nijd zoozeer als ingeboren, dat zij niet kunnen leven zonder spot of beschuldiging te werpen op al wie maar een goeden naam heelt.

Menschelijk opzicht of tegenstand moeten u dus niet afschrikken : Strijdt! 't is uw plicht, en dat moet u voldoende zijn. De Engelsche generaal Wellington sprak, om zijne soldaten aan te vuren, nooit van roem of buit: maar hij voegde hun eenvoudig toe: doet uw plicht! en hij zelf stelde zich ook niets anders voor bij al zijne handelingen en zoo kwam hij de grootste moeielijkheden te boven, toomde zijn onstuimig karakter in en sloeg geen

ocr page 202

— igo —

acht op den ondank zijner vrienden noch op de trouweloosheid zijner vijanden. Vooral gij, jonge en ongehuwde meisjes, behoedt u voor den geest van IJdelheid en nijd, de twee hoofdgebreken van vrouwen. O, hoevele op zich zelf heilige werken, en die groot zijn in de oogen der wereld, zijn van weinig of geen beteekenis bij den Opper-Rechter ter oorzake van den geest van ijdelheid en praalzucht, die ze bezielt of waarvan ze vergezeld gaan. Men heeft wel eens gezegd dat de geest van ijdelheid en van praalzucht de aap der lietde is; omdat, hetgeen een deugdzaam mensch uit medelijden en liefde doet, dat door eene ijdele ziel gedaan wordt uit ijdelheid en om vertoon te maken; en men heeft godvruchtige zielen, zelfs Godgewijde maagden hierom alleen zien verloren gaan. En wat te zeggen van den afgunstigen en naijverigen geest, welke der vrouw zoozeer eigen is ? De heidensche wijsgeeren zelfs: Plato, Cicero, Plutarchus veroordeelden den nijd : en ot-schoon er ook wel groote mannen zijn geweest, die ja-loersch waren, zoo is deze ondeugd, in het algemeen gesproken, toch meer eigen aan die menschen, die weinig verstand hebben en bij hunne kleingeestige gevoelens nog aanspraak maken op achting en voorrang.

Nijd is de oorzaak van kwaadwilligheid, zegt Cantu, en de jaloerschheid is des te erger, als de persoon, die er door beheerscht wordt, het zelf niet inziet, en zij brengt te weeg wrok, onrechtvaardigheid, laster, huichelarij ; alte-maal zaken die in de ziel alle deugden verstikken. Eindelijk, weest op uwe hoede in de bekoringen tegen het geloof, en weest altijd bescheiden bij al het goede dat gij doet, zelfs als gij het geluk mocht hebben voor de zaak van God en der Kerk groote zaken tot stand te brengen Bekoringen tegen het geloof hebben zelfs de Heiligen onderstaan, die de Kerk op hare altaren geplaats heeft ; en ook groote mannen, bemerkt Gioberti, hebben ooit twijfels in geloofszaken gehad, gelijk bekoringen tegen andere deugden. Maar gelijk de bekoringen tegen andere deugden verdwijnen door de gedachte aan de groote waarheden des geloofs en door een krachtigen wil; zoo is het ook dat de twijfel en alle bekoringen tegen het geloof verdwijnen door een krachtigen wil en door de beoefening dei-deugden, die het geloof voorschrijft.

ocr page 203

— i9i —

Wat de bescheide7iheid aangaat; zij is, zegt Manzoni, eef/e der ?neesi beminnelijke deugden bij een overheidspersoon : en hij voegt er bij : men ziet dat de bescheidenheid in dezelfde mate stijgt als de mensch hooger geplaatst is: men kan ze het duidelijkst en best voorstellen door ze te noemen de uiting van nederigheid, de handelwijze van ee?i mensch die bewust is, zich te kunnen vergissen m te kunnen dwalen, en die tevens erkent, dat al zijne bekwaamheden gaven zijn, die hij door zwakheid of slechtheid kan verliezen. Wij voegen daarom den jongelingen, vooral studenten toe : ontwikkelt uw verstand, uwe geestvermogens door voortdurende studie van gezonde leerstellingen en der ware wetenschap, om des te beter voor God te kunnen strijden ; maar weest tevens bescheiden. De wetenschap, zegt Sylvio Pellico, is niet gevaarlijk, of ze moet opgeblazen zijn ; verbindt ze met nederigheid en zij zet aattsiotids de ziel aan, om God en aen mensch meer en meer ie beminnen. Als dan bij deze goede gevoelens eene oprechte godsvrucht komt tot de H. Moeder Gods, tot den Patroon der Kerk, den H. Aartsvader Jozef, tot den H. Engel, die uw beste vriend en bewaarder is, en tot de Geloovige Zielen, wier gebeden zoo machtig zijn bij God : dan zult gij met dezen degelijken grondslag van deugd en de hulp van boven, gelukkig en onuitsprekelijk gelukkig zijn, als gij moedig en volhardend strijdt voor God en het geloof. De schitterendste beloften toch en de mildste zegeningen, door het geloof toegezegd, zullen de uwe zijn in dit leven en in het toekomende: en de dood, dat schrikwekkend oogenblik des doods, zal u geen schrik aanjagen ; want vervuld van bovennatuurlijke hoop en van heilige vreugde, zult gij de oogen sluiten voor het vergankelijke, om ze zegepralend te openen voor de schittering van eene heerlijke onsterfelijkheid. De dood van den christen, zegt de Eerw. Heer Gerbet, is de bekroning van het woord des levens, 't Is dan vooral, op den rand der eeuwigheid, dat de ziel van den nederigen christen schittert in grooteren luister — men-veroorloove mij deze vergelijking — dan ooit bij de aanzien lijkste stervenden der oudheid. Socrates redetwistend in het aanschijn des doods en verzekerend, dat de dood niet zoo erg was; was hij wel zoo groot als Suarez, die al zijne wijsheid in deze weinige ware woorden samenvatte; Ik

ocr page 204

— 192 —

wist niet, dat het zoo zoet was te sterven ! Als gij het portret van deze beide groote mannen moest maken, welke uitdrukking zou u het meest behagen? De een vergaf bij zijn dood; de ander ontving dien met open armen. — Waarom weent gij, vroeg een jonge werkman aan zijne familie, die rondom zijn sterfbed geknield lag, is sterven ook zonde ? Welnu, indien dan de dood van een eenvoudig christen, die heel gewoon volgens zijn geloof geleefd heeft, dusdanig is; hoe zal dan de dood zijn van een jongeling, eene jonge dochter, die, met het verheven teeken van christen quot;gemerkt, niet alleen volgens het geloof geleefd heeft, maar die ook van jongs af standvastig en naar best vermogen voor Clod en het geloof gestreden heeft tot aan den dood? Nog eens: moed I

Stelt alles in het werk : uw voorbeeld, woorden, bekwaamheden, invloed, betrekkingen, fortuin, krachten, gezondheid, alles: in één woord : alles, wat ge van uwen staat, stand, leeftijd kunt vorderen, rekening houdend met de omstandigheden, waarin gij zijt.

Gelukkig, duizend maal gelukkig zijt gij, als gij het volbrengt, uwe nagedachtenis zal bij God en de menschen gezegend zijn (Eccl.); en gelijk van het graf des Verlossers voorspeld is, zoo zal ook uw graf heerlijk zijn (Isaias); en op den verschrikkelijken dag des oordeels, als alle stammen der aarde zullen weeklagen bij het vernemen van het teeken van den Zoon des Menschen, zult gij, met Jesus Christus op twaalf tronen gezeten, met Hem alle volkeren oordeelen; omdat gij gedurende uw leven ook Apostel van •Fesus Christus en van zijn geloof zijt geweest te midden eener goddelooze en bedorvene wereld. En te dien dage, als uwe zegepraal volkomen, en uw geluk volmaakt zal zijn, zal het ook de dag zijn van algeheele en eeuwige zegepraal der geloovigen over de ongeloovigen, van geloof oi'er ongeloof.

ocr page 205

Aanhangsel.

i.

Gedeelte eener preek van Bourdaloue over de zorg voor zijne dienstboden.

God beveelt den meester en aan de Vrouw des Anises:

Gedenkt en vergeet nimmer, dat uw eerste en voornaamste plicht is, hen Mijne wet te doen onderhouden, hen godsdienstig te houden, hen te verbeteren in al wat Mij mishaagt, hen in den val op te heffen, hen in hunne vrijheid te beteugelen. Weest tevens indachtig, dat alle bevelen, die gij hun voor uw eigen belang zult geven, niets beteekenen bij dit één gebod dat gij hun moei geven voor Mijne eer en voor de zaligheid der zielen. Bedenkt en gritt diep in uwe harten, dat het voor u beter en voor-deeliger is, dat zij uwe bevelen niet nakomen en uwen wil weerstreven, dan dat zij het minste mijner geboden overtreden ; want gij kunt wel buiten hunne diensten; maar gij zult u nooit ontslagen kunnen achten van den plicht, hen aan Mij te doen gehoorzamen.

Zoo kunnen wij een schrikwekkend gezegde van den H. Paulus begrijpen, dat mij onaannemelijk zou voorkomen, als ik niet wist, dat het de H. Geest is, die het hem heeft ingegeven. Als ik echter op het bovenstaande let, dan heeft hij eene zuivere waarheid gezegd en verklaard, maar eene waarheid, waarin gij niet behoorlijk onderwezen zijt. In een Brief aan Timotheus zegt de Leeraar der volken, dat hij, die zijne diensboden niet acht, of hen aan hun lot overlaat, vooral echter hij, die geene moeite doet, om ze te vormen en Ie bestieren volgens den geest van God: om ze te onderwijzen, ze in Zijne heilige vreeze op te voeden, om hen hunne heilige verplichtingen jegens God te doen vervullen ; —• dat dezulke moet gehouden worden voor een afvallige, en erger is dan een ongeloovige (1 Tim V. 8.) Kunnen wij in deze zaak een uitdrukkelijker

GEI.OOK EN ONGELOOF. ) H

ocr page 206

— 194 —

getuigenis, een grooter gezag aanhalen, als wij aan den H. Paulus geen geloof slaan ? Doch gaan wij eens dieper na, wat hij wil zeggen, en hoe zulke man, over wien hij spreekt, het geloof verloochend heeft.

O, Broeders, zegt de I I Joannes Chrysostomus : Hij wil zeggen dat, als een christen zich niet beijvert, om in zijn huis godsdienst en godsvrucht te doen heerschen, hij noodzakelijk die evangelische ijver zal nalaten, welke in de eerste eeuwen der Kerk, de duidelijkste teekenen van geloof waren, en die het meest het geloof in alle plaatsen over de geheele wereld heeft doen verbreiden. Want, als men bij den christen dit kenteeken niet meer opmerkt, heeft men reden van te denken, dat het geloof bij hem is uitgewiscbt, of, als hij nog christen is, dat hij het niet meer in zijne levenswijze en in zijne daden is; dat hij zich niet meer er naar gedraagt, zich niet meer door het geloof laat leiden Bovendien, als zijn geloof niet blijkt uit de werken, is toch zeker dat geloot van zijn geest en hart een dood geloof; hij heeft het geloof verloochend. Maar hoe is nu zulke christen erger dan een ongeloovige ? De reden ligt voor de hand. De Heidenen zijn zeer naijverig, om hunne bijgeloovigheden te verdedigen en te behouden : bovendien zijn zij in hunne huisgezinnen en huizen zeer nauwgezet om de valsche goden te aanbidden, op wie zij hun vertrouwen gesteld hebben. Moet i-.en inderdaad den ijver niet bewonderen, waarmede Diocletiaan voor zijne goden bezield was, daar hij niemand in zijn huis duldde die hun niet wierook brandde, gelijk hij zelf deed, en die daarom zijne naaste verwanten en beste vrienden de gruwelijkste folteringen deed onderstaan. Is men niet verbaasd bij het zien van den ijver, welke de aanhangers en volgelingen van Mahomet aan den dag leggen bij het onderhouden van de minste voorschriften van diens wet, zonder dat zij óóit dulden, dat men die in het geringste overtrede, en terwijl ze de lichtste overtreding als eene groote misdaad aanzien. En wat zal ik zeggen van onze ketters ; welke les ot liever wat reden tot beschaming zijn zij voor ons, de kudde van Jesus Christus, die juist het tegendeel doet. En daarvan zijn wij, helaas, menigmaal getuige geweest; en dit heeft bevestigd en bevestigt alsnog de waarheid der woorden van den ^Apostel Paulus, dat wij schuldiger en slechter zijn

ocr page 207

— i95 -

clan de ongeloovigen. Gij zult zeggen, dat het een heel werk en moeielijk is in een huisgezin, om ongezeggelijke menschen, die nog al los van zeden zijn binnen de perken te houden: dat zij toch niet naar u luisteren, wat gij ook zegt: dat zij er toch niet om geven, hoezeer gij hun ook aan hunne plichten herinnert; dat zij toch niet den levensregel willen opvolgen, dien gij hun voorschrijft; en dat men altijd wel diende te kijven en te dreigen, als men hen wilde doen leven, gelijk het behoort, 't Is waar, christenen, doch dat zal maar gebeuren, als gij altijd lastig en ongeduldig zijt; als gij duizendmaal zonder noodzaak en zonder nut dezelfde bevelen en orders herhaalt, en aldus aanhoudend en onbetamelijk uwe dienstboden afmat en pjaagt. Dat zal gebeuren als het u altijd om uw eigenbelang te doen is, en gij, om dat te bevorderen, hun al meer werk oplegt; als gij altijd bitter en hard jegens hen zijt en in uwe grillen en nukken hen altijd bekijft; als gij onmen-schelijk genoeg zijt, om nooit eenige deelneming in hunne vermoeienissen of werkzaamheden te toonen ; als gij zoo kieskeurig zijt, dat gij nooit iets goed vindt van al wat zij doen, en nimmer hun werk prijst of tevreden zijt met het werk, dat zij verrichten. Dat zal zeker het geval zijn. als gij ze uit de hoogste hoogte en onmenschelijk behandelt, en hen al.s slaven beschouwt, die nooit iets dan bittere harde en ruwe woorden krijgen. Dat zal zeker het, geval zijn, als gij, in plaats van ze tijd te geven, om hunne plichten jegens God te vervullen hun den gehee-len dag geen oogenblik rust gunt, of als gij geen onderscheid maakt tusschen feest- en werkdagen, en hen maallaat doorwerken. Dat zal gebeuren, a's gij hun het voorbeeld niet geeft van te bidden, de H. Sacramenten te ontvangen, en andere goede of godsdienstige werken te verrichtten ; als gij zoo in hun midden en onder hunne oogen leeft en toegeeft dat ook zij zoo leven gelijk gij; als menschen zonder (I od of godsdienst — Doch laten wij de waarheid zeggen, en tot de oo.iz'aak van het kwaad afdalen. De oorzaak is, dat gij geen ijver hebt, en niets doet voor de belangen van (iod, dat gij u er niet warm over waakt, noch u iets er van aantrekt of dat het u iets kan schelen, ot God in uw huis gediend wordt, ja dan neen : maar, al is het dat ge hierom weinig maalt, denkt ten

ocr page 208

- IQÓ —

minste aan uw eigenbelang, quot;t Is niet wel mogelijk, in de wereld te verkeeren, en niet te kennen de klachten, welke gij uit tegen al die personen, die in uwen dienst zijn. Ik zal niet zeggen, dat die klachten ongegrond zijn: ik zal daarover met u niet redetwisten, ja, ik wil wel aannemen, dat ze waar zijn. Ik neem aan, dat een uwer dienstboden driftig en trotsch is, dat hij, als de slechte dienaar uit het Evangelie, geheel uw huis in rep en roer-brengt, en gedurig twist en tweedracht stookt. Ik geloof het, dat die andere lui is, nergens op let en zorgeloos is : hij werkt niet ijverig en niets van al wat gij hem beveelt, doet hij op tijd, en zooals hij het moest doen. De derde, quot;t is waar, verknoeit en vernielt alles, trekt zich niets aan, hoe hij de zaken behandelt, die gij hem toevertrouwt, heeft geen zorg ot handigheid om uwe belangen voor te staan. Nog een andere is misschien niet trouw : gij hebt bij verschillende gelegenheden ondervonden, dat hij u bedriegt, of tracht het te doen. Waartoe nog meer aanhalen ? Jk zou nooit ten einde komen, als ik alle onregelmatigheden wilde opsommen, die hierin voorvallen, en dat werk zou nutteloos zijn, want ik zou slechts herhalen, wat gij al wel hondermaal gezegd hebt en nog alle dagen zegt. Welk middel gebruiken, wat doen, om daarin verbetering te brengen ? Lichtelijk en telkens van dienstboden veranderen, gelijk men dat in sommige huizen ziet; ze van daag krijgen en morgen wegzenden ; ze denzeltden dag doen aankomen en vertrekken ; ze laten komen en gaan .• dat doet de wereld er over spreken, die dat gispt en afkeurt; dat doet den naam krijgen van wuft en lichtzinnig te zijn; dat is: men-schen hebben, die in uwen dienst zijn, en toch er geene hebben, dat is van kwaad tot erger komen. O, Broeders, het groot geheim, het zeker middel, om al die ongemakken te mijden is legt 11 toe, om uwt dienstboden christelijker te maken.

Maar wat zeg ik, wat stel ik daar voor? In plaats van deze raadgevingen op te volgen, doet gij juist het tegendeel; in plaats, dat gij uwe dienstboden zoudt aansporen en verplichten christelijk te leven, verhindert, ja verwoest gij zelf bij hen de goede gesteltenissen, die God in Zijne goedheid tot dat doel hun gegeven had. Sommige dienstboden willen op zekere plechtige feestdagen te Biechten, te Communie

ocr page 209

IV1 —

gaan; maar men staat hun nauwelijks één enkelen dag in geheel het jaar toe, om hun Paschen te houden; men quot;zou zeggen, dat ze verder het geheele jaar door de Kerk geëxcommuniceerd zijn. Omdat gij nooit den' tijd hebt, en omdat gij hun nooit eenige vrijheid Iaat, ontbreekt het hun geheel aan de noodige kracht, om in de''eugd te volharden en blijven zij beroofd van het Goddelijk voedsel, dat het leven hunner ziel moet onderhouden. Er zijn wel dienstboden, die op Zon- en feestdagen gaarne eenige kerkelijke diensten zouden bijwonen, en gaarne tot eigen onderricht de preek zouden hooren; ■ maar zij krijgen van u ter nauwernood den tijd om in eene gelezen H. Mis te komen, die gewoonlijk al begonnen is als zij komen, en die zij verlaten voor ze geëindigd is, Kn dat gebeurt dan eens in de week, en dan nog met zoo grooten haast, dat er van godsvrucht niets terecht komt, en gedurende den geheelen dag verder worden zij bezig gehouden door eene wereldsgezinde vrouw, voor wie niets anders te doen is, als haar op te schikken, en haar hare ijdele sieraden aan te brengen.

Vele dienstknechten en meiden zouden heel gaarne de Vastendagen onderhouden, hetgeen zij ook gemakkelijk konden, als de uren van eten en drinken beter geregeld waren; maar het alles is in die huizen zoo ongeregeld, dat het hun niet mogelijk is, den vaste te onderhouden, of zich met gebed of eenige andere godsdienstige oefening bezig te houden. In één woord: vele dienstboden zijn genegen tot godsdienstigheid en deugd; en de deugd zou hen goede en volmaakte dienstboden doen zijn, zooals gij ze gaarne hadt; doch zij zijn geheel onverschillig voor hetgeen gij wjlt, en hetgeen zij ook dienden te zijn, omdat gij, in plaats van hen in hunne goede gesteltenis en aanleg te gemoet te komen en dien te bevorderen, daaraan eerder hinderpalen in den weg legt, en hen tegenwerkt, als ze daarin vooruitgaan

Eindigen wij met een schoon voorbeeld, dat der sterke vrouw: aan u vooral. Dames en huisvrouwen, stel ik deze ten voorbeeld. Ik zeg tot n, omdat in de huishoudelijke regeling gij gewoonlijk de zorg voor de dienstboden hebt. De wereld geeft ons eene groote menigte vrouwen te aanschouwen, die ledig loopen en lui zijn, en die geene andere bezigheid hebben dan met hare ijdelheden: daarom slaan zij geen acht op, wijden geene zorg aan de bestiering van

ocr page 210

— igS —

haar huis. O, waart gij zulke, als de H. Geest ons voorstelt, en waarvan hij het karakter beschrijft! Zij is weinig bezig, en maalt weinig om de beuzelingen der wereld, leeft binnens huis om al hare verplichtingen te kennen en te volbrengen. Bescheiden gaat zij na. ziet en neemt waar wat in hare familie omgaat en zoekt van alles op de hoogte te komen, zonder lastig ot bedilziek te zijn. {Zij gaat de gangen van haar Juris na. (Eccl) Het is haren stand niet onwaardig, het is voor haar geen oneer of een verachtelijk werk, zorg te dragen voor hare dienstboden en te waken, over hetgeen hun ontbreekt; daarom geeft zij hun waaraan zij behoefte hebben, en is liefdevol bezorgd voor hunne behoeften: Zij geeft aan haren huisgenoten buit en te eie7i aan hare dienstboden. Zij geeft hun wat zij noodig hebben om zich te beschutten tegen slecht weer en des winters tegen de koude: Zij heeft geene vrees voor haar huis van wege de koude van meeuw; want al hare dienstboden hebben dubbele kleederen aan. Maar terwijl zij aldus hunne tijdelijke belangen behartigt; meer nog wijdt zij hare aandacht aan de belangen hunner ziel, en aan hétgeen kan dienen, om hun leven geregeld te doen zijn. Tot bereiking van dat doel, verstrekt zij hun wijze lessen, en bij iedere gelegenheid opent zij den mond, om hun ware wijsheid te leeren, die de wetenschap des heils is : Zij opende haren mond voor de wijsheid. Zoodoende houdt zij haar huisgezin in orde en vrede; zoodat zij de loftui-o-ino-en van haren man verdient, het vertrouwen harer kinderen wint, en zich door hare dienstboden doet eerbiedigen; Zij zijn opgestaan cn hebben haar gelukkig geroemd.

Wiequot; gelijkent op dit portret? God geve, dat gij allen het zijt. Dan zullen uwe zorgen en moeiten niet onbeloond blijven, omdat, behalve de voordeden, die gij er reeds in dit leven van genieten zult, de Apostel u belooft en stellig verzekert, dat gij zult zalig worden, omdat gij aldus de zaligheid van den naaste bewerkt hebt, en dat gij van God eene gelukzalige eeuwigheid tot loon zult verkrijgen.

II.

Redevoering van een groot-Rabijn, door Sir John Readclif opgenomen in een boek, dat ten

ocr page 211

— i99 —

titel heett: I iteenzetting der politiek-geschied-kundige gebeurtenissen, die in de laatste tien jaren zijn voorgevallen, (i)

Onze vaderen hebben aan de uitverkoren van Israrl den plicht opgelegd, ten minste eens in eene eeuw bijeen te komen op het graf van den grooten meester Caleb, den heiligen rabijn van Siraeon-ben-Thuda, wiens wetenschap aan de uitverkoren van ieder geslacht de macht schenkt over de geheele aarde en gezag over alle afstammelingen van Israël.

Sints nu 18 eeuwen duurt de strijd van Israel tegen die mach/, die aan onzen vader Abraham beloofd, maar hem ontnomen is door het Kruis. Het volk van Israël echter, hoe ook ter neer geslagen, vernederd door zijne vijanden, altijd worstelend met den dood, met vervolging, met geweldpleging van allerlei soort, is niet bezweken ; en als het al verspreid is over de aarde, V is, omdat geheel, de aarde hem moet toebehooren.

Verscheidene eeuwen reeds strijden onze wijzen met eene dapperheid en eene volharding, die niet versaagt, tegen het Kruis. Ons volk staat achtereenvolgens op, en ziet zijne macht van dag tot dag toenemen. De God, dien Aaron in de woestijn voor ons oprichtte, het gouden Kalf, de godheid, heden ten dage algemeen aanbeden, is de onze.

Wanneer wij dus alleen meester geworden zijn van al het goud der aarde, dan zullen wij alle macht in handen hebben, en zullen de beloften, aan Abraham gedaan, in vervulling gaan. Het goud, de grootste macht op aarde, het goud, dat de kracht, de belooning, het werktuig is, van al wat de mensch genieten, vreezen, en verlangen kan, ziedaar het geheim, de diepe wetenschap van den geest, die de wereld beheerscht! Ziedaar de toekomst! Achttien eeuwen hebben aan onze vijanden behoord, maar de eeuw, waarin wij leven, en de toekomende moeten ons toebehoor en, aan ons. het joodsch volk ; zij znlle7i ons zeker tocbehooren.

Het is nu sedert duizend jaren van harden en onophou-delijken strijd tegen onze vijanden, dat voor den tienden

(i) Deze redevoering legt al de plannen bloot, welke het Jodendom, lees : de vrijmetselarij, omtrent hei Christendom bezig is ten uitvoer te Jeögen : huisgezin, school, huwelijk. Men zij toch op zijn hoede :

ocr page 212

200

maal bij dit graf van onzen meester Caleb, den heiligen rabijn van Simeon-ben-Thuda vergaderd zijn de uitverkoren van iederen stam Israels, ten einde elkander te verstaan omtrent de middelen, welke aangewend moeten worden, om voor onze zaak voordeel te doen met de groote fouten, welke onze vijanden, de christenen, voortdurend begaan.

Het nieuwe Sanhedrin (groote raad) heeft telkenmale den strijd bevolen, gelijk zij dien nog, en wel zonder genade tegen onze vijanden beveelt. Maar onze voorvaderen hebben in de vorige eeuwen nooit zooveel goud en gevolgelijk zooveel macht in onze handen kunnen bijeen brengen, als de negentiende eeuw ons verschaft heeft. \\ ij mogen ons dus gerust vleien, dat wij weldra ons doel zullen bereiken en verzekerd kunnen zijn van de toekomst.

De tijden van vervolging en vernedering, die sombere en droeve tijden, die het Israëlitische volk met heldenmoed onderstaan heeft, zijn gelukkig voorbij, dank den vooruitgang en de beschaving onder de Christenen, en deze vooruitgang is het beste scherm, waarachter wij ons kunnen verschuilen om te werken, ten einde met vaste en rassche schreden den afstand te overschrijden, die ons nog van o/is hoogste doel scheidt. Beschouwen wij alleen eens den stoffelijken toestand van Europa, en gaan wij eens na, welke bronnen de Israëlieten sedert het begin dezer eeuw verworven hebben, door dit reeds, dat zij ontzaglijke rijk-dommenin handen hebben en daarover kunnen beschikken.

Te Parijs, Londen. Weenen, Berlijn, Amsterdam. Hamburg, Rome, N'apels, enz.: overal, waar de Rothschild's wonen, zijn de Joden, door het bezit van milliarden meester van den staat der geldmiddelen. Bovendien zijn zij het ook, die in kleinere plaatsen den omloop van het geld in handen hehben ; en nergens kan zonder de Joden of zonder hunnen onmiddelijken invloed, eenigen geldhandel slagen of eenig belangrijk werk tot stand komen.

Thans zijn Keizers, Koningen en regeerende vorsten met schulden beladen, die zij hebben moeten maken, om talrijke staande te onderhouden, en daardoor hunne wankelende tronen te schragen. De beurs regelt de wisselkoers-noteering van die schulden, en wij zijn grootendeels op alle plaatsen meester van de beurs. Wij moeten ons dus beijveren, om de leeningen gemakkelijk te maken, opdat

ocr page 213

201

quot;u'ij over alle waarden beslissen, en zooveel mogelijk door onze aan de volken geleende kapitalen alle spoorwegen, mijnen, bosschen, groole fabrieken, andere onroerende goederen en het bestuur der belastingen in handen krijgen.

De faidbouw zal altijd de groote rijkdom van alle landen zijn. Het bezit van groote landerijen zal den bezitters steeds groote eer en machtigen invloed verschaffen. Ons streven moet dus zijn, dat onze Joodsche broeders groote landeigenaars worden. Wij moeten het daarheen sturen, dat groole grondbezittingen verdeeld worden, opdat wij ze te spoediger en gemakkelijker kunnen in bezit krijgen.

Onder voorwendsel van de werkende klas te willen helpen, moeten wij zorgen, dat alle belastingen op de bezitters drukken ; en als alle eigendommen de onze zullen zijn, dan zal al het werk van Christen-daglooners en arbeiders ons eene ontzaggelijke bron van inkomsten zijn.

Armoede is slavernij, heeft een dichter gezegd. De arme is de nederige dienaar der speculatie.

Maar de verdrukking en de invloed zijn de nederige dienaars van den geest, die door geslepenheid wordt ingegeven en aangedreven. En wie zal aan de Zonen Israels geest, voorzichtigheid en doorzicht ontzeggen? Ons volk' bezit eerzucht: het is trotsch en haakt naar genietingen. Waar licht is, daar is ook schaduw : en niet zonder reden heeft God aan zijn volk de levenskracht der slang gegeven, de sluwheid van den vos, de scherpe blik van den valk, het geheugen van den hond, het aan elkander verbonden zijn en de zucht om bij elkander zijn van den bever.

Wij hebben gezucht onder de Kabijlonische gevangenschap; en toch zijn wij machtig geworden. Onze tempels zijn verwoest, en duizenden hebben wij er opgericht, om die te vervangen.

Wij zijn achttien eeuwen slaaf geweest, maar in deze eeuw hebben wij ons boven alle andere volkeren opgewerkt.

Men zegt, dat een groot getal onzer Joodsche broeders zich bekeert en het christendoopsel ontvangt.

Wat geeft het ? die gedoopten zullen ons best van dienst zijn. Zij kunnen onze gidsen zijn naar nieuwe gewesten, die ons nu nog onbekend zijn: want die nieuwe bekeerden blijven toch de onze. en niettegenstaande het doopsel van hun lichaam, blijft hunne ziel aan Israel trouw. Na eene

ocr page 214

eeuw zullen de Zonen Israel's niet meer christen willen worden, maar de christenen zullen zich onder het juk van ons heilig geloof buigen : Israel echter zal ze met verachting afwijzen.

De K erk der christenen is onze grootste vijandin, wij moeten dus steeds trachten, haren invloed te fnuiken.

Het is dus noodzakelijk op hen, die den christelijken godsdienst belijden, den geest van vrijdenkerij, twijfelzucht en scheuring te enten, en altijd nieuwe godsdienskwestie's op te werpen, daar deze vele verdeelingen en sekten in het christendom voortbrengen. (Sevolgelijk moet men beginnen, met de dienaren van den godsdienst in minachting te brengen. Verklaren wij hun openlijk den oorlog, opperen wij twijfel omtrent hunne godsvrucht en hun bijzonder leven ; en door ze belachelijk en bespottelijk te maken zullen we bewerken, dat er geen eerbied meer blijve noch voor hunnen staat, noch voor het kleed, dat zij dragen.

De natuurlijke vijand van de Kerk is het licht, dat de vrucht is van het onderwijs en het natuurlijk gevolg van de menigvuldige scholen. Doen wij dus alles, om invloed op de jeugd uit te oefenen.

Uit het denkbeeld van vooruitgang volgt van zelfs gelijkheid van alle godsdiensten, en dit wederom voert tot opheffing van het christelijk onderwijs in de leerplannen. Met een weinig handigheid en kennis, zullen de Joden gemakkelijk de leerstoelen en betrekkingen bij het onderwijs machtig worden. Zoo zal de godsdienstige opvoeding beperkt worden tot het huisgezin ; dewijl echter in de meeste gezinnen geen tijd is om dit te behartigen, zal de godsdienstige geest verminderen en langzamerhand geheel verdwijnen. Elke oorlog, elke omwenteling, iedere politieke of godsdienstige beweging verhaast het oogenblik, waarop wij het gevvenschte doel zullen bereiken.

Handel en speculatie zijn twee takken, die groote voor-deelen afwerpen, en die dus nooit der Israelieten uit de de handen mogen gaan. En daarom moet men zich meester maken van tien handel in geestrijke dranken, in boter, brood en wijn (i), want daardoor zullen wij den landbouw

(i) Hier is sprake van zuidelijke landen, wair het opgenoemde hoofdzakelijk de voortbrengselen van d'jn grond zijn.

ocr page 215

geheel in onze macht krijgen, en in het algemeen al wat op het land verhandeld wordt. Wij zullen het zijn, die aan allen de granen verschaffen ; maar als er eenige tegenspoed komt door de ellende der armen veroorzaakt, dan hebben wij het in de hand, de schuld daarvan op de regeeringen te werpen

Alle openbare betrekkingen moeten toegankelijk zijn voor Israelieten, en eenmaal in het bezit er van, zullen wij door de promptheid en schranderheid van onze kruipers weten in te dringen daar, van waar wezenlijk invloed en macht uitgaat. Men begrijpe goed, dat hier slechts sprake is van die posten, waaraan eer, macht en voorrechten verbonden zijn; want die, welke wetenschap, werk en toewijding vorderen, late men aan de christenen.

Overheidsambten zijn voor ons werktuigen van het grootste belang. Betrekkingen bij de rechtspraak geven het meest invloed om de beschaving te bevorderen en in de zaken der christenen te dringen, en daardoor kunnen wij met hen doen wat wij willen. Eu waarom zouden Joden, die zoo dikwijls het ambt van minister van tinancien hebben bekleed, ook niet minister van openbaar onderwijs kunnen worden'? De Israëlieten moeten ook dingen naar den rang van wetgevers met het oog hierop, om alle wetten af te schaffen, welke door de goim tegen de Joden gemaakt zijn. die alleen de wave geloovigen zijn, omdat zij vasthouden aan de heilige wetten van Abraham.

Onze plannen dienaangaande hebben alle kans verwezenlijkt te worden, want de vooruitgang, die bijna overal doorgedrongen is, heeft ons dezelfde burgerlijke rechten toegekend als aan de christenen. Wat wij echter moeten zien te verkrijgen, en waarvoor wij alle krachten moeten inspannen isr dat de wet minder streng zij voor het bankroet. Wij voor ons kunnen daardoor ons eene goudmijn scheppen, rijker dan die Californie ooit bezat.

liet Joodsche volk moet eerzuchtig streven naar den hoogen trap van macht, vanwaar eer en aanzien uitgaan.

Het krachtigste middel daartoe is, in alle handelsgeld, en nijverheid-vennootschappen de overhand te houden, en zich te onthouden van elke verbintenis en van alle knoeierijen, die gevaar konden loopen, als zij bij de rechtbanken van het land aanhangig werden. Bij de keuze van het

ocr page 216

— 204

soort speculeeren moet alle omzichtigheid gebruikt worden en al de handigheid aangewend, die hem zoo kenschetsen als lid van het ras, dat aanleg voor zaken heeft. Wij moeten niet onbekend zijn met de eischen, voor eene aanzienlijke betrekking in de maatschappij gevorderd, welke die ook zijn : Wijsbegeerte, medicijnen, recht, muziek, staathuishoudkunde, in één woord : alle takken van wetenschap, van kunst, van letterkunde zijn een uitgebreid veld, waarop de goede uitslag ons moet kronen en onze bekwaamheid doen uitkomen Die aanleg is niet te scheiden van het speculeeren. Wanneer b.v. eene muzikale compositie verschenen is. al is ze ook maar middelmatig, dan is dat eene schoone gelegenheid, om den schrijver op het voetstuk te plaatsen, en hem den lauwerkrans op het hoofd te plaatsen, dat hij een jood is. Niet minder moeten de geneeskundige wetenschap en de wijsbegeerte de onze zijn. De geneesheer wordt in de grootste geheimen der familie ingewijd, en heeft het dus in zijne macht, het welzijn van onze doodvijanden, de christenen te benadeelen. Wij moeten de huwelijken tusschen joden en christenen bevorderen, want het joodsche volk, wel verre van daarbij te verliezen, kan slechts winnen bij dergelijke verbintenissen.

Dat er een weinig onrein bloed in ons door den Heer uitgekozen geslacht komt, kan het niet schaden : maar onze zonen en dochters komen door die huwelijken in aanraking met christen-familien, die invloed en macht bezitten. Het is billijk dat wij voor het geld, dat wij aanbrengen, eenige vergoeding krijgen aan invloed op alles, wat ons omgeeft. De verwantschap met christenen kan ons niet afbrengen van den weg, welke wij afgebakend hebben: integendeel met een weinig handigheid zal het ons over hun lot doen beslissen. Het ware te wenschen, dat de joden geene iweedc vrouwen namen, die van onzen heiligen godsdienst zijn, maar dat zij christen maagden daartoe namen. Van het grootst belang zou voor ons zijn als wij het kerkelijk Sacrament des huwelijks door een eenvoudig contract kondeti vervangen, dat voor een of andere hurge-lijke overheid werd aangegaan, want clan zouden wij in het bezit van vele christen-vrouwen komen.

Is goud de eerste, de pers is de tweede macht op aarde.

Maar wat vermag deze tweede macht zonder de eerste ?

ocr page 217

— 205 —

Omdat al onze bovengenoemde plannen niet verwezenlijkt kunnen worden zonder de hulp der pers, moeten de onzen aan het hootd van alle dagbladen in alle landen staan Het bezit van goud en bedrevenheid in het kiezen en gebruiken der middelen, om veile, bekwame mannen aan ons te verbinden, zullen ons de publieke opinie in handen doen krijgen, en ons de heerschappij over de menigte verschaffen. Door stap voor stap en met de taaie vasthoudendheid, ons eigen, op dezen weg voort te gaan zullen wij de christenen overvleugelen en hunnen invloed fnuiken Wij zullen der wereld vóórzeggen, wat geloofd, geeerd of gevloekt moet worden. Misschien zullen eenige bijzondere personen tegen ons opstaan, ons beleedigen en verwenschen : maar de volgzame en onwetende menigte zal naar ons luisteren en voor ons partij trekken. Eenmaal meester van de pers, zullen wij de denkbeelden over eer, deugd, karakter naar onzen zin wijzigen, den eersten stoot toebrengen aan de hoogheilige instelling : het huisgezin-, dat doen wankelen en geheel en al verwoesten; dan kunnen wij het geloof aan al wat onze vijanden, de christenen hebben vereerd, uitroeien, en als we dan de hevigste hartstochten als wapen weten te gebruiken, zullen we openlijk den oorlog verklaren aan al wat heden nog geacht en geëerbiedigd wordt.

Dat men wèl begrijpe, en dit alles wèl in zijn geheugen prente, en dat alle kinderen Israels zich diep van deze ware beginselen doordringe. Dan zal onze macht toenemen als een reusachtige boom. wiens takken deze vruchten draagt: rijkdom, ^enoï, geluk en macht, en dit ter vergoeding van den verschrikkelijken staat, welke gedurende zoovele eeuwen het eenig mogelijk lot van Israël was.

Wanneer een der onzen eene schrede voorwaarts doet. dat dan allen hem van nabij opvolgen; als hij struikelt, dat dan dadelijk zijne geloofsgenooten hem bijspringen en ophelpen. Als een Jood voor de rechtbank gedaagd wordt van liet land, waar hij woont; dat dan zijne geloofsgenooten hem hulp en steun verleenen, doch niet dan in dit geval, dat hij volgens de wetten zal gehandeld hebben, welke Israël al zoovele eeuwen stipt bewaart en onderhoudt.

Ons volk is vasthoudend en trouw aan de godsdienstige plechtigheden en gebruiken, die zijne voorvaderen het heb-

ocr page 218

2o6

beu nagelaten. Ons belang vordert, dat wij ijver voorgeven voor de maatschappelijke vraagstukken van den dag, bijzonder voor die, welke de verbetering van den werkmansstand ten onderwerp hebben: maar onze bemoeiingen moeten eigenlijk daartoe strekken, om ons van die beweging meester te maken en die vraagstukken naar onzen geest te leiden.

De verblinding der menigte, haar smaak voor welbespraaktheid, die, even nietzeggend als luidklinkend, op straten en wege.i hun in de ooren moet klinken, zal hen tot eene gemakkelijke prooi en tot een bruikbaar middel doen zijn, om ons een goeden naam en aanzien bij het volk te doen krijgen. Zonder moeite zullen er onder ons gevonden worden, die uitdrukking geven aan deze valsche gevoelens in zoo groote welsprekendheid, als de christenen in hunne geestdrift maar kunnen uitdenken.

Wij moeten toch op zekere hoogte den arme ondersteunen, en ons onderdanig betoonen aan hen die geld hebben. Daardoor zullen wij de menigte in onrust brengen, hen tot oproeren en omwentelingen aanzetten, en ieder dezer volksrampen zal ons een grooten stap nader brengen bij onze geheime bedoelingen, en ons weldra tot ons eenig doel brengen: heerschen op aaide, zooals aan onzen \ ader Abra ham beloofd is.

ocr page 219

2 Ff Ifll O U DD o

Voorrede van den Schrijver . Voorrede van den Vertaler.

voorrede.

i' ene voorspelling van den H. Paulus van het Kruis.

— Een boek kan eene macht zijn. — De leeken en de verdediging des Geloofs. — Een groot wijsgeer en godgeleerde en de vrouw. — Verdediging des Geloofs.

— De duivel en de jeugd. — Geest van geloof en de werken des geloofs......... .

Inleiding en verdeelixg van het boek.

Twee kampen en twee partijen, of de geloovige Katholieken en de ongelooviaen. — Geloof en ongeloof voor de rechtspraak der rede en der wetenschap, voor gezaghebbende personen en feiten. — Verdeeling van het boek.........

Hladz. . VII

. IX

ocr page 220

2o6 —

ben nagelaten. Ons belang vordert, dat wij ijver voorgeven voor de maatschappelijke vraagstukken van den dag, bijzonder voor die, welke de verbetering van den werkmansstand ten onderwerp hebben; maar onze bemoeiingen moeten eigenlijk daartoe strekken, om ons van die beweging meester te maken en die vraagstukken naar onzen geest te leiden.

De verblinding der menigte, haar smaak voor welbespraaktheid, die, even nietzeggend als luidklinkend, op straten en wege.i hun in de ooren moet klinken, zal hen tot eene gemakkelijke prooi en tot een bruikbaar middel doen zijn, om ons een goeden naam en aanzien bij het volk te doen krijgen. Zonder moeite zullen er onder ons gevonden worden, die niidrukking geven aan deze valsem. gevoelens in zoo groote welsprekendheid, als de christenen in hunne geestdrift maar kunnen uitdenken.

Wij moeten toch op zekere hoogte den arme ondersteunen, en ons onderdanig betoonen aan hen die geld hebben. Daardoor zullen wij de menigte in onrust brengen, hen tot oproeren en omwentelingen aanzetten, en ieder dezer volksrampen zal ons een grooten stap nader brengen bij onze geheime bedoelingen, en ons weldra tot ons eenig doel brengen: heerschen op aarde, zooals aan onzen Vader Abra ham beloofd is.

ocr page 221

li ïh o u icj j

Bladz.

Voorrede van den Schrijver.........VII

A7 oorrede van den Vertaler..........IX

VOORREDE.

Fene voorspelling van den H. Paulus van het Kruis.

— Een boek kan eene macht zijn. — De leeken en de verdediging des Geloofs. — Een groot wijsgeer en godgeleerde en de vrouw. — Verdediging des Geloofs.

— De duivel en de jeugd. — Geest van geloof

en de werken des geloofs..........u

Inleiding k.n verdeelixg van het hoek.

Twee kampen en twee partijen, of de geloovige Katholieken en de ongelooviaen. — Geloof en ongeloof voor de rechtspraak der rede en der wetenschap, voor gezaghebbende personen en feiten. — Verdeeling van het boek................17

ocr page 222

Voorafgaande bemerkingen ,

Noodzakelijk bestaan van een Opperwezen. — Noodzakelijkheid van een Godsdienst — Het katholiek stelsel is even gegrond en redelijk als dat der ongeloovigen onredelijk en ongerijmd is — De ongeloovige is een verwaand onwetende, of een afschuwelijk huichelaar, of een arme dwaas . .........

Gon, nE Wereld, de Mensch.

Ken denkbeeld van Newton. — Afdwalingen der ongeloovige wijsgeeren, als zij over God spreken — Idee van God volgens het (ieloof. — Noodzakelijk bestaan van het geheim — Een idee over de wereld van Plato. — Voltaire en de werken Gods. — Wijsgeeren die onophoudelijk over de wereld spreken. — Idee over de wereld volgens het Geloof. — A oltaire en de stelsels der wijsgeeren. — Een Italiaansch staatsman en de voornaamste vraagstukken over den mensch — Een rationalistisch wijsgeer en het Christendom

De Rede en de Wetenschap.

Wat de rede is. — Noodzakelijk bestaan van het geheim. — De wijsgeer Pythagoras en een koning — Wat de wetenschap niet weet. — De geheimen der natuur en des Geloofs............

Geheim en Geloof.

Wat is een geheim. — Het geheim strijdt niet tegen de rede, maar is iets, boven 's menschen verstand verheven. — Een geheim geeft meer zekerheid dan de wetenschap. — Verschil in hel wezen van een geheim en van iets ongezijmds. — Voltaire en de stelsels der ongeloovigen. — Een. beroemd Protestant en zijn testament. — Wat is het Geloof? — Goddelijk en men-schelijk geloof. — De ongeloovigen nemen het geloof in een mensch aan. — Gronden van het katholiek Geloof. — Verschil in het wezen van het katholicisme en andere godsdiensten..........

ocr page 223

209 —

Vereering van God en de goddeliike

OPENFiARFNG.

Beteekenis van het woord: cerediensi. — Wie moet die eeredienst bepalen: God of de mensch ? — De zoo genaamde f'.atuurlijke eeredienst. — De ware godsdienst kan slechts geopenbaard zijn. — Wat is de goddelijke openbaring. — Noodzakelijk bestaan der openbaring.

— Aanteekening over den H. Thomas. — Bestaan der goddelij ke openbaring............

Vruchten van Geloof en Ongeloof.

Ken beroemd ongeloovige en het Katholiek geloof.

— Rousseau, Voltaire en het Katholicisme. — Mahomet en de geest van het Evangelie. — Vruchten van liet ongeloof. — Rousseau en de ongeloovige wijs-geeren. — La Mennais en de vreeselijke omwenteling van 1789. — De ongeloovigen en de zelfmoord . .

Oorzaken van het ongeloof.

Geloof en ongeloof hangen van onzen wil af. — Onwetendheid, de oorzaak van ongeloof. — Bekentenis van een christelijk wijsgeer. — De hartstochten, oorzaken van ongeloof. — Een ongeloovig lid der Academie in zijne laatste ziekte.........

Geest, dik de meesters en hoofden van het ongeloof bezielt.

Beschrijving, die de II. Hieronymus geeft van de zoogenaamde geleerden van het ongeloof. — Onderscheidend kenteeken dier geleerden. — Hoe Roussean hierover dacht..............

Ongeloof en Ongeloovigen.

Wat is ongeloof? — Het christelijk geloof is logisch en redelijk. — De H. Thomas van Aquine — De

gei.oof en ongeloof. 14

ocr page 224

oiveloovigc is ccn verwaand unwclcndc, of een verachtelijk huichelaar, of een ongelukkige waanzinnige .

1)f. ongeloovige is een verwaand onwetende.

Oordeel van een beroemd ongeloovige over de on-quot;eloovigen. — Onwetendheid der beruchte ongeloovigen Rousseau en Voltaire. — Onwetendheid van Draper en de Civilta CaltoHca...........

De ongeloovige is een verachtelijk

huichelaar.

lieteekenis van het woord: huichelaar. — Waarom zijn de ongeloovigen huichelaars? — Twee beruchte huichelaars, Rousseau en Voltaire. — Wat een beroemd ongeloovige van de ongeloovigen zegt. — Zes beroemde kopstukken van het ongeloof, ook zes huichelaars. — Veinzerij en dood van Voltaire. . .

De ongeloovige is een waar waanzinnige.

Heteekenis van het woord dwaas of waanzinnige. — Oordeel van twee beruchte ongeloovigen over de ongeloovigen. — Voltaire, Rousseau, Holbach, enz. — Ongeloovigen onzer eeuw, A. Comte, Littré, Marr, Hllchner, enz. — Oorzaken dier afdwaling van het verstand.................

Praktische besluit kn-Het geloof bewaren, het verdedigen, er voor ijveren.

Raadgevingen aan jongeliedkn.

Raadgevingen aan jongelieden.......

1° Zich toeleggen op het aanleeren van de zaken des Geloofs d. i. den Godsdienst. — Een vrijdenker

en de Katechismus..........

20 De plichten volbrengen, die het Geloot oplegt. — Het Geloof zonder de werken is dood. — Katho-

ocr page 225

Heken, die het bij woorden laten........

3° Altijd op zijne hoede zijn tegen de gevaren des Geloofs' — Dwalingen en ondeugden, oorzaken dier gevaren. — i'' raad: wacht u voor valsche leeraars. — Minacht en vlucht hen 2'■ Verfoeit de slechte lectuur — Boeken. — Dagbladen. — Letterkunde — Aanmerking. —- De algemeene geschiedenis van Cantu —- 3 ' Vlucht de ledigheid. — Heidensche groote mannen, die werkzaam waren. — 4'' Weest uiterst voorzichtig bij het aangaan van vriendschap. — Wat is de wereld?— De vriendschap. 5'' Houdt u op een afstand van personen van het ander geslacht — Liefde en onzedelijkheid. — liet karakter der vrouw 6e Vermijdt de wereldsche vermaken. — Uitspanningen — Aanmerking. — De dronkenschap, y Vertrouwt niet te veel op uwe kunde of deugd. — Vermetel vertrouwen, gebrek aan de jeugd eigen. Voorbeelden .

/V' Moedig volharden in den strijd des Geloofs. — Woorden van Leo XIII. — De man van karakter.—-De inneming van Chio en 18 jonge martelaren te Kon-stantinopel

Raadgevingen aan jongi: en ongehuwde muisjes.

Raadgevingen aan jonge en ongehuwde meisjes. —

Drie klassen van jonge en ongehuwde meisjes — Ware en valsche godsdienstigheid. — De geest der wereld en de geest van geloof, twee zaken, die moeilijk overeen zijn te brengen ........ ... 100

10 De geest van geloof en de theaters en schouwburgen.................103

Benedictus XIV. —• De Kerkvaders. — Twee beroemde ongeloovigen. — Schrijvers. — Aanmerking. —

Voorstellingen in opvoedingsgestichten......103

2° De geest van geloof en de bals. Kerkvaders en Leeraars, Kerkvergaderingen — Wijzen der oudheid. — Goddeloozen. — Vizoen van de groote Dienares Gods, Anna Catharina van Emmerich. — Aanmerking. — Schrikwekkende voorbeelden . . . .105

3° De geest van geloof en de weelde. — Schrijvers van allerlei soort. — Noodlottige gevolgen der weelde. 10S

77 96

ocr page 226

4J De geest van geloof en de mode, — De H.H. Petrus en Paulus. — De mode en de zelfzucht — Voltaire en de mode. — De H. Franciscus van Sales, no

5° De geest van geloof en lichaamsopschik. — Wat is die tooi? De schoonheid. — Kunstmiddelen der ijdelheid, en een heilig Kluizenaar. — De Heidenen - ■ Noodlottige gevolgen .... . 11 i

6° De geest van geloof en de wereldsche vermaken. De 11 Geest. — De Kerkvaders. — De wereld . .113

7° De geest van geloof en de romans. — Groot vooroordeel. — Een katholiek dagblad van Buenos-Ayres.

— Nadeel voor de zondaars.........114

8°. De geest van geloof en dagbladen. — Eene dame, liefhebster van dagbladen en haren biechtvader. 116

90. De geest van geloof en minnarijen. — De H. Alphonsus de Liguori. — De H. Franciscus van Sales. — De H. Leonardus a Porto-Mauritio. . .117

10°. De geest van geloof en de liefdadigheidsfeesten. — Zonderlinge liefde — Pater Franco en Drumont . 11S

Opwerpingen en Antwoorden.

Opwerpingen en antwoorden. — Gezochte uitvluchten van den ongodsdienstigen geest.......f20

10. Veel overdrijving is er in hetgeen gezegd is over de wereldsche tijdverdrijven. Antwoord . . . .120 2 . Wij zijn jong, en op dien leeftijd heeft men

behoefte aan tijdverdrijf. Antwoord.......121

3°. Zonder wereldsche tijdverdrijven zou het leven

saai zijn. Antwoord............122

4°. Wij hebben geene slechte bedoelingen bij die wereldsche tijdverdrijven, evenmin in het volgen van opschik en modes. Antwoord.........123

50. Die wereldsche uitspanningen, alsook romans en dagbladen hebben nooit veel kwaad gedaan. Antwoord .................I24

6°. Wij willen niet uitgelachen of geminacht worden van de wereld, door ons zoo bedeesd en angstvallig

voor te doen. Antwoord......... • . 125

7 . Wij hebben geene roeping, om naar het klooster te gaan, en wij willen niet ongehuwd blijven. Antwoord. isO

ocr page 227

— 213 —

8°. Onze ouders willen, dat wij de mode volgen, ons opschikken en in de wereld verkeeren. Antwoord. 12S

9'. Er zijn biechtvaders, die zich niet verzetten tegen de wereldsche uitspattingen, noch op romans ol

opschik iets tegen hebben. Antwoord......129

100. Wij zijn niet de eerste, noch ook de laatste in deel te nemen aan wereldsche tijd verdrijven, als wij romans en dagbladen lezen: te Parijs doen de jonge dames en meisjes wel meer. Antwoord......130

De geest van geloof en de vrouw.

Waarin bestaat de geest van geloof. — Kenteekenen

van een godsdienstigen geest.........132

ie Kenteeken: nauwkeurig de wet van God en der Kerk vervullen — Zondag's Mis hooren. — Zondag's werken. — De fransch-duitsche oorlog in 1870. —

Aanmerking. — Een treffend voorbeeld.....133

2 Kenteeken : voortdurende beoefening van het gebed. — Het gebod van te bidden. — De kinderen en hunne gebeden. — De rozenkrans. — Het inwendig

gebed.................135

3e Kenteeken : op tijd de H. Sacramenten ontvangen- —• liet dikwijls ontvangen der H. Sacramenten, en de gesteltenis, daartoe vereischt. — Woorden van den 11. Bernardus aan zijne Zuster.......137

4 Kenteeken : haat en verachting voor de wereld. — Volgens den H. Thomas maken twee zaken den christen. — Frankrijk tijdens Lodewijk XIV. — De

H. Catharina van Senen en de dames van Avignon. 139

5 Kenteeken : de kinderen passend opvoeden. Waarin bestaat de opvoeding ? — Opvoeding en onderwijs zijn twee verschillende zaken. — Zonder godsdienst is opvoeding onmogelijk. — De eerste en voornaamste opvoedster is de moeder. — Woorden van een jongeling aan kinderen en ouders.........[40

6 Kenteeken : behoorlijk zorg dragen voor de dienstboden. — Slechte vrouwen. — Aanmerking. — Minderjarige kinderen. — Plicht der meesters jegens hunne dienstboden. — De uren, aan den slaap gewijd. — Woorden van een beroemd geschiedkundige aan mees-

ocr page 228

— 214 —

ters en meesteressen. — Groote zielen van nederige afkomst. — Openbaringen van de H. Bugitta en van Anna Catharina van Emmerich. — Eene huisvrouw, zooals er vele zijn, en haar biechtvader . . ■ ■ -143 7 ' Kenteeken : de liefde jegens den naaste beoefenen.

— Menschlievendheid en broederschap der ongeloovi-gen. — De kenteekenen der liefde, door den H. Paulus. De H. Catharina van Senen en eene melaatsche. — De H. Catharina van Senen en de wreedheid eener jeugdige wereldlinge............

8. Kenteeken ; ijver hebben voor de belangen van God en der zielen. — Kenmerkend karakter der Heiligen. — Godsdienst van vele wereldsche menschen.

— Eene dame en hare modiste. — Openbaring des Heeren aan de H. Margaretha van Cortona omtrent eene dame, die een grooten naam van godsvrucht had. 149

De geest van geloof en he keuze yan een

levensstaat.

De geest van geloof en de keuze van een levensstaat. — Wat is een levensstaat? — Hoevele zijn er?

— Men kan in eiken staat zalig worden.....153

t° De geestelijke staat. — De roeping komt van

God. — De ouders zondigen zwaar, door de roeping-hunner kinderen in gevaar te brengen — Woorden van den H. Alphonsus aan een jongeling. — Vreese-

lijke voorbeelden ..........I54

20 De ongehuwde staat. —- Woorden van P. Suarez.

— Woorden van een Staatsman ; — van Byron ; — van Montesquieu; — van den 11.. Franciscus van Sales.................I5ö

30 Het huwelijk. — Vijanden van het huwelijk. — Woorden van Bernardin de Saint-Pierre. — Het burgerlijk huwelijk. — Brief van een jonge dochter aan

haren verloofde............ . 150

40 Het huisgezin. — Woorden van Gesar Cantu. — Wat is een huisgezin. — Middelen, opdat oude s en kinderen gelukkig zijn. — Invloed der ouders op hunne kinderen. — Het beste erfdeel. — Opvoeding dei-dochters. — Het beginsel van gezag bij de ouders -

ocr page 229

— 2TS —

Dc trouwring van den 11. I.odewijk, koning van Frank rijk. — Wat eene goede cchtgenoote en moeder vermag.

Voorbeelden. — Woorden van de Maistre. Aanmerking. — Woorden van C. Cantu tot de kinderen.

- Broeders en zusters ten opzichte van jongere broeders en zusters..............160

5° De kindsche jaren. — God en de kinderen. -Woorden van Jesus Christus. — Wee, die de kinderen ergert. — Het gebed der kinderen is zoo aangenaam aan God. — Houdt u bezig met de godsdienstige onderrichting en opvoeding uwer kleine broertjes en zusjes. — Het kind is vatbaar voor groote dingen.

Brief van een kind. — Twee dingen, zoo aangenaam aan God, die een teeken van uitverkiezing en voorbestemming zijn.............168

Strijd en Overwinning.

Strijd en overwinning. — Woorden van Jesus Christus. t6S 1 Strijd. — Oorsprong van dien strijd. — Twee volken. — De drie leeftijden der zedelijke wereld. — Dc Jood. — De monster-draak uit het Boek der Openbaring en zijne zeven koppen : heidendam, ketter ij, pro-les lanlisme, scheuring, galhcanisme, wijsbeerle en Re-volniie. — Het liberaal-katholisme. — Geestcnklopperij.

— Strijd op leven en dood. — De Jood is de ziel en het leven der revolutie. — De Jood is de vijand van het christendom en der christelijke maatschappij

— De Profeet Daniel. — Woorden van Leo XIII. . 169 2° Overwinning. — Het Boek der Openbaring. —

Een psalm van David. — Vijandschap tusschen de helsche slang en de vrouw. — Algemeen verspreide overleveringen. - Alles gaat voorbij en zal verdwijnen ; de katholieke kerk alleen blijft en zal blijven bestaan. — Woorden »'an een beroemd protestansch geschiedkundige. — Vooruitgang en zegepraal dei-Katholieke kerk. — De Missiën in Patagonie. — De Revolutie en het Pausschap. —• De verplaatsing van den H. Stoel naar Avignon. — De graven der Pausen.

— Woorden van een zeer ongeloovig wijsgeer. —

ocr page 230

Woorden van Pius TX aan de leden van de Katholieke. Jongelinschap in Italic...........1'

Besluit.

De leeken aller eeuwen in den strijd voor het Geloof. — He vrouw in dezen strijd. — De Nihilisten in Rusland. -- Liefde tot God en den naaste. — Dc Italiaansche pelgrimstocht naar den Paus m 1S90. — Laffe en halve Katholieken. — Een der jonge Atheners. __])e vermoording van Willem Morman door vrijmetselaars in 1826. — Nooit uit den weg gaan voor mensche-lijk opzicht of 'voor tegenwerking. — Voorbeelden van standvastigheid van karakter. — De Engelsche generaal Wellington. — De ijdelheid en jaloerschheid der vrouw. — Bescheidenheid. — Wetenschap Gelukkig de jongelingen, gelukkig de godsdienstige jonge dochters, die met moed en volharding voor de zaak van God en des Geloofs ten einde toe strijden, ib

Aanhang.

I Uittreksel uit eene preek van Bourdaloue over de zorg. die men voor zijne dienstboden moet dragen. 19 it.' Redevoering van een Opper-rabijn.....i's

imprimatur

Sassknheim. die i? Januarie 1S96.

h. j. BO k G ii o ls, Libr. Censor.


ocr page 231
ocr page 232
ocr page 233
ocr page 234